-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

NEDERLANDSCHE^/\'7- ^

STAATSWETTEN.

MET VERWIJZING NAAR DE OVEREENKOMSTIGE ARTIKELEN UITGEGEVEN ONDER TOEZICHT VAN

ME. J. C. MEIJER.

in leven Advocaat-Procureur te Leeuwarden. 8ste, geheel vernieuwde druk. DE WETTEN 1897 EN 1898 ONDER TOEZICHT VAN

MR. DE. H. J. EOMEIJN,

Commies ter Gemeentesecretarie van Amsterdam.

J. F. VAN DKÜTEN. 1 Sept. 1898.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

ALGEMEENE INHOUD.

DE GRONDWET

VOOB HET KONINGKIJK DER NEDERLANDEN.

Bladz.

I Hoofdstuk. quot;Van het Rijk en zijn inwoners.......1

II „ Van den Koning..........2

Afd. 1. Van de troonopvolging........3

„ 2. Van het inkomen der Kroon.......4

„ 3. Van de voogdij des Koning*.......5

„ 4. Van het Regentschap.........G

„ 5. Van de inhuldiging des Konings......8

„ 6. Van de magt des Konings.......9

„ 7. Van den Raad van State en de ministeriële departementen. 11

III Hoofdstuk. Van de Staten-Generaai........12

Afd. 1. Van de zameiistelling der Staten-Generaai . . . .12

„ 2. Van de Tweede Kamer der Staten-Generaai. . . .14

„ 3. Van de Eerste Kamer der Staten-Generaai . . . .15

„ 4. Beschikkingen aan heide Kamers gemeen.....15

„ 5. Van de wet geveilde Magt....... .17

„ 6. Van de hegrooting.........20

IV Hoofdstuk. Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen . . 20

Afd. 1. Van de samenstelling der Provinciale Staten. . . .20

„ 2. Van de magt der Provinciale Staten.....21

„ 3. Van de gemeentebesturen........22

V Hoofdstuk. Van de Justitie..........24

Afd. 1. Algemeene bepalingen.........24

„ 2. Van de regterlijke Magt........26

VI Hoofdstuk. Van de Godsdienst.........27

VII „ Van de Financiën.........28

VIII „ Vnn de Defensie..........28

IX „ Van den Waterstaat.........80

X „ Van het Onderwys en het Armbestuur.....30

XI „ Van Veranderingen.........31

Additionnele artikelen.........31

WET, TOT REGELING VAN HET KIESRECHT, EN DE BENOEMING VAN AFGEVAARDIGDEN TER EEESTE EN TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL.

I Atdeeling. Van het Kiesrecht.........33

§ 1. Van de kiezers..........33

i 2. Van de lijsten der kiezers........36

§ 3. Van het kiezen..........45

-ocr page 8-

IV ALGEMEENE 1NB0UD.

II Afdeeling. Van de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede

Kamer der Staten-Generaal en van hunne aftreding . . 53

§ 1. Van de afgevaardigden ter Eerste Kamer . . . .53 § 2. Van de afgevaardigden ter Tweede Kamer . . . .58 \\ 3. Van de aftreding der leden van de Eerste en Tweede Kamer. 61

Strafbepalingen..........62

Slot- en Overgangsbepalingen.......63

Tabel, bedoeld in artt. 1 en 2 der Kieswet . . . 32(64)a „ „ „ art. 127 der Kieswet .... 32(64)»

WET BEGELENDE DE ZAMENSTELLING EN MAGT VAN DE PROVINCIALE STATEN.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

I Hoofdstuk. Algemeene bepalingen.........65

II 3j Van de leden der Staten........65

§ 1. Van hunne benoeming........65

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Staten, en van

de hiermede onvereenighare betrekkingen . . . .67

§ 3. Van den rooster van aftreding der leden van de Stalen. . 69 § 4. Van de vergoeding der reis- en verblijfkosten van de leden

der Staten...........69

HI J, Van den Commissaris des Konings......69

IV „ Van den Griffier..........70

V „ Van de leden der Gedeputeerde Staten.....71

) 1. Van hunne benoeming...... . .71

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Gedeputeerde

Staten, en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen . 72

§ 3. Van den tijd van aftreding der leden van Gedeputeerde Staten. 73

§ 4. Van de bezoldiging der leden van Gedeputeerde Staten. . 73

VI „ Van de vergadering der Staten en der Gedeputeerde Staten. 73

§ 1. Van de vergadering der Staten.......73

§ 2. Van de vergadering der Gedeputeerde Staten. . . .76 TWEEDE AFDEELING.

Van de magt der Provinciale Staten.

I Hoofdstuk. Algemeene bepalingen.........77

II „ Van de begrooting.........78

III „ Van de door de Staten uit te voeren wetten en Koninklijke

bevelen...........82

IV „ Van de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden ...........82

^ 1. Algemeene bepalingen.........82

§ 2. Van het toezigt op de gemeentebesturen.....83

V „ Van de dageljjksche leiding en uitvoering van zaken . . 84 VI „ Van het schorsen en vernietigen der besluiten van de Staten

en Gedeputeerde Staten........85

Overgangs-bepalingen.........86

Tabel, bedoeld in art. 180.......87

WET, HOUDENDE REGELING VAN DE VERDEELING DER PROVINCIËN IN KIESDISTRICTEN, TER BENOEMING DER LEDEN VAN DE PROVINCIALE STATEN ENZ. 89

-ocr page 9-

ALGEMEENE INHOUD. V

WET KEGELENDE DE ZAMENSTELLING, INKIGTING EN BEVOEGDHEID DEE GEMEEN-TEBESTUEEN.

EERSTE AFDEELING.

Yan de zamenstelling en inrigting der gemeentebesturen.

I Titel. Algemeene bepalingen........101

II „ Van den Raad..........101

Hoofdst. I. Van de leden van den Raad.......101

§ 1. Van hun getal..........101

§ 2. Van de benoeming der leden van den Raad. . . . 103 § 3. Van de vereischten voor het lidmaatschap van den Raad en

van de hiermede onvereenighare betrekkingen . . . 104

§ 4. Van den tijd van zitting der leden van den Raad . . 106

„ II. Van de vergadering van den Raad......106

$ 1. Van het onderzoek der geloofsbrieven en het zitting nemen

der nieuw inkomende leden.......106

§ 2. Van het houden en de orde der vergadering . . . 108

III Titel. Van den Burgemeester ,.......110

IV „ Van de Wethouders.........113

V „ Van den Secretaris.........115

VI „ Van den Ontvanger.........116

TWEEDE AFDEELING.

Van de bevoegdheid der gemeentebesturen.

1 Titel. Algemeene bepalingen........118

II M Van de regeling en het bestuur van de huishouding der

gemeente...........1^0

Hoofdst. I. Algemeene bepalingen........120

„ II. Van de plaatselijke verordeningen......

§ 1. Van de plaatselijke verordeningen in het algemeen . .122 § 2. Van de plaatselijke verordeningen tegen wier overtreding

straf is bedreigd, in het bijzonder.....123

„ III. Van het dagelyksch bestuur der gemeente .... 125

§ 1. Van het dagelijksch bestuur in het algemeen. . . • 125

§ 2. Van de handhaving der openbare orde in het bijzonder . 127

III Titel. Van de besluiten der Gemeentebesturen, aan de goedkeuring

der Gedeputeerde Staten te onderwerpen .... 129

IV „ Van de begrooting van inkomsten en uitgaven der gemeente

en de daartoe betrekkelyke rekening en verantwoording . 130

Hoofdst. I. Van de begrooting.........130

„ II. Van de rekening en verantwoording.....133

V Titel. Van de gemeente-eigendommen, werken en inrigtingen. . 135 VI „ Van plaatselijke belastingen.......135

Hoofdst. I. Algemeene bepalingen........135

„ II. Van de byzondere soorten van plaatselijke belastingen. . 136

„ III. Van de invordering der plaatselyke belastingen . . . 138

Overgangsbepalingen........ • 142

Slotbepaling...........143

WET TOT VEEZEKEEING DEK UITVOERING VAN SOMMIGE VOOKSCHKIFTEN VAN

PLAATSELIJKE VEROKDENINGEN..........144

WET, HOUDENDE KEGELING. DEK AFKONDIGING VAN ALGEMEENE MAATREGELEN VAN INWENDIG BESTUUR VAN DEN STAAT.......145

-ocr page 10-

ALGEMEENE INHOUD.

WET OP HET NEDEELANDERSCHAP EN HET INGEZETENSCHAP .... 146 WET TOT KEGELING DEK TOELATING EN UITZETTING VAN VKEEMDELINGEN . 151 WET TOT KEGELING DEK ALGEMEENE VOOKWAAKDEN, OP WELKE, TEN AANZIEN VAN DE UITLEVEKING VAN VKEEMDELINGEN, VEKDKAGEN MET VKEEMDE

MOGENDHEDEN KUNNEN WOKDEN GESLOTEN........154

WET TOT KEGELING EN BEPEKKING DEK UITOEFENING VAN HET KEGT VAN

VEKEENIQING EN VEKGADEK1NG..........160

WET TOT KEGELING VAN HET KEGT VAN ONDERZOEK (ENQUÊTE) . . . 163 WET BETKEKKELIJK DE KEGTSMAGT DEK HOOGE EN ANDERE HEEMRAADSCHAPPEN, DIJK- EN POLDERBESTUREN ENZ........168

WET TOT VOORLOOPIGE VOORZIENING IN SOMMIGE WATERSTAATSBELANGEN.

§ 1. Van de straffen tegen overtreding der keuren . . . 174

§ 2. Van de middelen tot voorziening by verzuim of weigering

van besturen om werken uit te voeren en hunne schulden

te voldoen of by gebreke van beheer.....174

§ 3. Van de regeling van waterstaatsbelangen, meer dan ééne

provincie rakende.........177

WET, HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT VERVENINGEN ..... 178

WET, TER UITVOERING VAN ARTIKEL 191 DER GRONDWET.....181

WET REGELENDE DE ONTEIGENING TEN ALGEMEENEN NUTTE.

Algemeene bepalingen........185

I Titel. Over onteigening in gewone gevallen.....186

Hoofdst. I. Over hetgeen aan de verklaring van het algemeen nut.vooraf

behoort te gaan................186

11. Over de eindaanicijzing der te onteigenen perceeien. . . 187

„ III. Van het geding tot onteigening......188

„ IV. Over de betaling van de schadeloosstelling .... 196 II Titel. Over de onteigening by vestingbouw, den aanleg, het herstel of onderhoud van dyken, by besmetting of andere dringende omstandigheden........197

Hoofdst. I. Over de onteigening bij vestingbouw, den aanleg, het herstel of onderhoud van dyken.......197

II. Over onteigening bij besmetting......199

III Titel. Over onteigening by oorlog, brand of watersnood . . 201

Slotbepalingen..........202

WET TOT VEREVENING VAN SOMMEN ALS KOOPPRIJZEN EN VERGOEDINGEN,

WEGENS ONTEIGENINGEN TEN ALGEMEENEN NUTTE TOEGEKEND . . . 204

WET, HOUDENDE BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ARTIKEL 152, 2DE LID,

DER GRONDWET..................205

WET, HOUDENDE REGELING DER VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE HOOFDEN DEK MINISTERIËLE DEPARTEMENTEN........ 207

WET HOUDENDE REGELING DER ZAMENSTELLING EN DE BEVOEGDHEID V. D.

RAAD VAN STATE.

I Hoofdstuk. Van de zamenstelling van den Raad van State en de Ambtenaren by dien Raad.........210

Afd. 1. Van de zamenstelling van den Raad.....210

„ 2. Van de ambtenaren bij den Raad......212quot;

VI

-ocr page 11-

ALGEMEENE INHOUD.

II Hoofdstuk. Van de bevoegdheid en de werkzaamheden van den Raad

van State...........213

Afd. 1. Van de bevoegdheid van den Raad......213

„ 2. Van de regeling der werkzaamheden van den Raad . . 214

III Hoofdstuk. Slot- en overgangsbepalingen.......217

WET, HOUDENDE INSTEUCTIK VOOB DE ALGEMEENE REKENKAMEK.

I Hoofdstuk. Zamenstelliug van het kollegie en deszelfs verpligtingen in

het algemeen..........219

II „ Contróle op de ontvangsten........222

III „ Contröle op de uitgaven........223

IV „ Verantwoording..........225

V „ Herzieningen ten aanzien van rekenpligtigen .... 229

VI „ Nationale schuld en pensioenen.......230

Additionele artikelen.........230

WET TOT AANVULLING DER INSTRUCTIE VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER . 231 WET TOT REGELING VAN HET TOEZIGT OP DE ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN ..............232

WETTEN MUNTWEZEN.

A. TOT REGELING VAN HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN .... 235

B. TOT NADERE TIJDELIJKE VOORZIENING OMTRENT HET NEDERLANDSCHE

MUNTWEZEN.............239

C. TOT VERVANGING DER KOPEREN DOOR BRONZEN PASMUNT ENZ. . • 240

D. HOUDENDE NADERE VOORZIENING OMTRENT HET MUNTWEZEN . . . 243

E. HOUD. NIEUWE BEPALINGEN NOPENS DE UITGIFTE VAN MUNTBILJETTEN. 244 WET, HOUDENDE VOORZIENINGEN OMTRENT DE NEDERLANDSCHE BANK . . 246 WET TOT REGELING VAN HET ARMBESTUUR.

I Hoofdstuk. Van het Armbestuur.........253

Afd. 1. Van instellingen van weldadigheid, hare oprigting en reglementen ...........353

„ 2. Van opgaven, door de besturen van alle instellingen van

weldadigheid te doen, en van collecten.....255

„ 3. Bepalingen betreffende het bestuur van burgerlijke en gemengde instellingen........256

II Hoofdstuk. Van de ondersteuning der armen......258

III „ Van het verhaal op de ondersteunden, hunne bloed-of aan

verwanten of nalatenschappen......259

IV „ Van subsidiën uit fondsen van burgerlyke gemeenten aan

instellingen van weldadigheid......260

V „ Van bedelaars en landloopers.......260

VI „ Van de uitspraak over geschillen......260

VII „ Algemeene overgangs- en slotbepalingen.....261

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

I Titel. Algemeene bepalingen........263

II Titel. Van het openbaar onderwas.......268

^ 1. Van de scholen . ........268

^2. Van de onderwijzers.........269

§ 3, Van de kosten van het onderwijs......275

VII

-ocr page 12-

algemeene inhoud.

III Titel. Van het bijzonder onderwga ...... 278

IV „ Van de akten van bekwaamheid tot het geven van lager

onderwijs ......... 281

V „ Van het toezigt op het lager onderwas .... 285 VI „ Van bevordering van het schoolbezoek .... 288

VII „ Overgangsbepalingen ....... 289

Overgangsbepalingen der wet van 8 December 1889. . 292

wet HOUDENDE KEGELING VAN HET MIDDELBAAR ONDEEWIJS.

I Titel. Algemeene bepalingen ....... 295

II „ Van het openbaar middelbaar onderwas. . . . 296 Hoofdstuk I. Van de burgerscholen, hoogere burgerscholen en landbouwscholen ......... 297

§ 1. Van de scholen ........ 297

§ 2. Van de onderwijzers ....... 3C0

§ 3. Van de kosten ........ 303

„ II. Van de Polytechnische school ..... 304

§ I. Van de school ........ 304

§ 2. Van de leeraren ........ 305

S 3. Van het bestuur 305

III Titel. Van het bijzonder middelbaar onderwas .... 305

IV „ Van het toezigt ........ 306

V „ Van de eindexamens ....... 308

VI „ Van de acten van bekwaamheid ..... 312

VII „ Overgangsbepalingen . . . . . . .315

WET HOUDENDE AANVULLING DEE WET VAN 2 MEI 1863 (STSBL. NO. 50), TOT

EEQELING VAN HET MIDDELBAAE ONDEEWIJS ...... 317

wet TOT REGELING VAN HET HOOGEE ONDEEWIJS.

I Titel. Algemeene bepalingen ....... 319

II „ Van het openbaar hooger onderwas. .... 319

Hoofdst. I. Van de gymnasia ........ 319

§ 1. Van de scholen ........ 319

S 2. Van de onderwijzers ....... 322

§ 3. Van de kosten ........ 324

§ 4. Van het bestuur en het toezigt ..... 324

„ II. Van het Athenaeum Illustre te Amsterdam . . . 326

„ III. Van de universiteiten ....... 326

§ 1. Algemeene bepalingen ....... 326

§ 2. Van het onderwijs aan de Rijksuniversiteiten . . . 327 § 3. Van de hulpmiddelen voor het onderwijs, de prijsvragen en

de beurzen aan de Rijksuniversiteiten .... 329

§ 4. Van de docenten en beambten aan de Rijksuniversiteiten . 330

§ 5. Van het bijwonen der lessen aan de Rijksuniversiteiten . 331

§ 6. Van het beheer en het toezigt aan de Rijksuniversiteiten . 333

„ IV. Van de wetenschappelijke graden...... . 335

III Titel. Van het byzonder hooger onderwys. ..... 338

IV „ Overgangsbepalingen.........340

wet, HOUDENDE EEGELING DEE VOOEWAARDEN TOT VERKEIJGING DEE BEVOEGDHEID VAN ARTS, TANDMEESTEE, APOTHEKEE, VEOEDVEOUW EN APOTH.-BEDIENDE..............345

VIII

-ocr page 13-

ALGEMEENE INHOUD.

I

IX

RIJKSWEGE IN DE BEEL-

WET TOT KEGELING VAN HET ONDEEWIJS VAN DENDE KUNSTEN.......

I II

III

IV

369 371 371

§ 1.

§ 2.

V VI

319

VII

319

VIII

319

319

fyoM

334

IX

324

X

326

326

XI

326

327

329

330

XII

331

XIII

öOO

335

338

340

XIV

§ 1.

383

384 387

§ 1. § 2. § 3.

WET TOT KEGELING VAN HET MILITAIR ONDERWIJS BIJ DE LANDMACHT, VOOR ZOOVER DAARBIJ DE OPLEIDING VOOR DEN OFFICIERSRANG EN DE HOOGERE VORMING VAN DEN OFFICIER ZIJN BETROKKEN.

I Hoofdstuk.

Inrichtingen van militair onderwijs......

355

II

Algemeene bepadngen........

356

III

quot;

Van het voorbereidend onderwys tot opleiding voor den officiersrang...........

358

§ 1.

358

§ 2.

Van eenen Cursus.........

360

IV

Van de opleiding voor den officiersrang.....

360

§ 1.

Van de Koninklijke Militaire Academie.....

360

^ 2.

Van den Hoofdcursus........

364

V

Van de Hoogere Krygsschool.......

365

VI

Het toezicht, het bestuur en de leeraren.....

367

VII

»

Overgangsbepalingen.........

367

WET BETREKKELIJK DE NATIONALE MILITIE.

Hoofdstuk.

Algemeene bepalingen........

Van de vrywilligers bij de militie.....

Van de inschryving voor de militie ....

Van de lotelingen.........374

Van de loting..........374

Van de naloting..........376

Van vrjjstelling van de dienst.......377

Van uitsluiting van de dienst.......379

Van de vervanging.........381

Van den militieraad.........383

Van de zamenstelling tan den militieraad .... Van de werkzaamheden en de bevoegdheid van den militieraad. Van het beroep van de uitspraken van den militieraad.

Van den militie-commissaris.......

Van het oproepen en het afleveren van de by de militie in

te lyveu manschappen........

Van de dienst, het verlof en het ontslag der by de militie

ingelyfden..........

Van de dienst..........

Van het ontslag.........394

„ Van de zeemilitie in het byzonder......395

Hoofdstuk. Van het verzuim van inschryving, van het niet-verschynen voor Gedeputeerde Staten, van het niet-voldoen aan de oproeping ter inlyving en van vrystelling, op valsche bewijsstukken verkregen........397

„ Strafbepalingen..........401

Overgangsbepalingen.........401

TABEL wegens het toekennen van vrystellingen op grond van de dienst van broeders, bedoeld by art. 49 der wet op de nat. militie . . 401

Van het verlof ..........393

390 390

345

-ocr page 14-

ALGEMEENE INHOUD.

WET, HOUDENDE OPRIGTING VAN SCHUTTEMJEN OVER DE GEHEELE UITGESTREKTHEID DES RIJKS............405 j

I Afdeeling. Bepal ingen, tot de schutterden inhet algemeen,

zoowel dienstdoende als rustende, gelijkelijk

betrekking hebbende.......406

Hoofdst. 1. Over de verpligting en bevoegdheid tot de schutterlijke dienst. 406 „ II. Over de Inschrijving, luting en beoordeeling der redenen van

vrijstelling en uitsluiting.......408

,, III. Over de nommerverwisseling.......410

„ IV. Over de sterkte, den diensttijd, het jaarlgksch ontslag en

de wederaanvulling........411

„ V. Over de officieren en onder-officieren.....412

„ VI. Over de middelen te,r bestrijding der kosten en het verdere

financiële der schutterijen . ......414

II Afdeeling. Bepalingen tot de dienstdoende schutterijen in

hetbijzonderbetrekkelijk......415

Hoofdst. I. Over de wapenen, onderscheidingsteekenen en kleeding . . 415

„ II. Over de wapenoefeningen, de dienst-verrigtingen, de verhouding tot de militaire magt.......415

„ III. Over de schutterigke tucht en de regtspleging . . . 418

III Afdeeling. Bepalingen tot de rustende schutterijen in het bijzonder

betrekkelijk..........421

IV „ Over den landstorm.........422

V „ Over de eerste daarstelling der schutterijen op den voet

dezer wet en verdere transitoire bepalingen . . . 423

Slot artikel........................424 ,

WET TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.......425

WET, HOUDENDE VASTSTELLING VAN HET REGLEMENT OP HET BELEID DER REGERING VAN NEDERLANDSCH INDIË.

I Hoofdstuk. Van de zamenstelling van de regering van Nederl. Indië . 441

II „ Van de bevoegdheid en de pligten van de regering van

Nederl. Indië..........447

III „ Van het algemeen bestuur.......457

IV „ Van de gewestelijke en plaatselijke besturen. . . . 457

V „ Van de justitie......i . . . 459

VI „ quot;Van de ingezetenen.........464

VII „ Van de godsdienst.........466

VIII „ Van het onderwijs.........467

IX „ Van den handel en de scheepvaart......467

Overgangsbepalingen.........468

WET, TOT REGELING VAN DE WIJZE VAN BEHEER EN VERANTWOORDING DER

GELDMIDDELEN VAN NEDERLANDSCH-INDIË.

I Hoofdstuk. Van de wijze van beheer der geldmiddelen van Nederl.-Indië. 469 ,

Afd. I. AIgemeene bepaling. ....... 469

„ II. Van de begrooting ....... 469

„ III. Van het dienstjaar ........ 470

„ IV. Van de ontvangsten ....... 471

„ V. Van de uitgaven . ....... 473

„ quot;VI. Van het beheer der begrooting ..... 475

„ VII. Van het verevenen der uitgaven ..... 476

-ocr page 15-

ALGEMEENE INHOUD. XI

Afd. VIII. fan de Algeineene Rekenkamer in NederL-Indic . . 477

„ IX. Van de verjaring van schuldvorderingen .... 481

„ -ï. Van het verbod tegen het in beslag nemen van \'s lands

gelden, goederen en eigendommen. .... 481

II Hoofdstuk. Van de verantwourding der geldmiddelen van Nederl.-Iudië. 482 Afd. I. Algemeene bepalingen ....... 482

„ II. Van de verantwoording der Gouvernements-producten . 483

„ III. Van de rekeningen ....... 483

„ IV. Van de verantwoordelijkheid en vervolging der ordonna-teurs en andere landsdienaren ter zake van onrechtmatige handelingen of nalatigheden, waarvoor deze niet als

comptabelen kunnen worden aangesproken . . . 485

„ V. Van de verantwoordelijkheid en vervolging der comptabelen. 486

„ VI. Overgangsbepalingen ....... 488

WET, HOUDENDK VASTSTELLING VAN HET REGLEMENT OP HET BELEID DER REGERING IN DE KOLONIE CURASAO. (MET SURINAME.)

I Hoofdstuk. Van de kolonie en hare inwoners ..... 490

II „ Van den gouverneur ....... 492

Afd, I. Van zijne benoeming en ontslag en van zijne verantwoordelijkheid ......... 492

„ II. Van zijne magt ........ 496

III Hoofdstuk. Van den raad van bestuur. ...... 500

Afd. I. Van zijne zamenstelling....... 500

„ II. Van zijne werkzaamheden ...... 501

IV Hoofdstuk. Van den kolonialen raad. ...... 502

Afd. I. Van zijne zamenstelling ...... 502

„ II. Van zijne vergadering ....... 504

„ III. Van zijne magt ........ 505

„ IV. Van de begrooting. ....... 509

V Hoofdstuk. Van het bestuur der verschillende eilanden . . . 510

Afd. I. Van de gezaghebbers . ...... 510

„ II. Van de landraden. . . . . . . .511

„ III. Van den Raad van Politie ...... 512

VI Hoofdstuk. Van het regtswezen ....... 513

Afd. . 1. Algemeene voorschriften ....... 513

„ 11. Van de zamenstelling der regterlijke magt . . . 515

VII Hoofdstuk. Van de godsdienst. ....... 517

VIII „ Van de financiën ........ 517

IX „ Van de gewapende magt. ...... 518

X „ Van het onderwas, de openb. gezondheid en het armbestuur . 518

XI „ Van de volksvlyt ........ 519

Slotbepalingen ........ 519

-ocr page 16-

CHRONOLOGISCHE LIJST

DER OPGENOMEN EN VERWERKTE WETTEN EN BESLUITEN.

Wet lOFebr. Wet 26 Nov. K.B. 29 Junij Wett. 11 Oct. Wet 13 Aug. Wet 6 Julij Wet 5 Aug. Wet 29 Junij Wet 28 Aug. Wet 26 April Wet 5 Nov. Wet 31 Aug. Wet 10 Sept. Wet 28 Junij Wet 2 Sept. K.B. 15 Oct. Wet 22 April Wet 22 April Wet 12 Julii Wet 13 Junij Wet 1 Junij Wet 19 Aug. Wet 21 Dcc. Wet 1 Mei Wet 2 Mei Wet 22 Dec. Wet 22 April Wet 23 April 1844, S.

1847, S.

1848, S.

1848, SS.

1849, S.

1850, S.

1850, S.

1851, S.

1851, S.

1852, S.

1852, S.

1853, S.

1853, S.

1854, S. 1854, S.

1854, S.

1855, S. 1855, S. 1855, S. 1857, S. 1861, S. 1861, S. 1861, S. 1863, S. 1863, S.

1863, S.

1864, S. 1864, S.

Grondwet. (Publicatie 24 Aug. 1815, S. 46.) Wet 11 April 1827, S. 17.

Wett. 4 Sept. 1840, SS. 48—59. Wet 5 Oct. 1841, S. 40.

Wet. 9 Oct. 1841, S. 42.

Wet 28 Aug. 1843, S. 42.

6.

69. 27. 59— 39. 39. 45. 85. 125. 92. 197. 83. 102. 100. 129. 136.

32.

33. 102. 87. 54. 72. 129. 44. 50. 148. 22. 35.

70.

Blz. 1

Schutterijen. 405

Wijziging Grondwet. 1

Rekenkamer. 219

Waterschapsbesturen. 168 Rekenpl. beheer Scheepssol-

dijen. 224

Aanv. Instr. Rekenkamer. 231

Muntwet. 235

Middellijn d. zilveren muntsp. 237

Wijziging Grondwet 1

Toel. en uitzett. vreemdeling. 151

Provinciale wet. 65

Enquête. 163

Gemeentewet. 101

Onteigening. 185

Aikond. Maatr. Inw. Best. 145

Kiestabel Prov. Staten. 89

Uitv. Plaats, verordeningen. 144

Kerkgenootschappen. 232

Armbestuur. 253

Reg. Begl. N. Indië 441

Inw. tred. R. R. N. Indië. . 468

Vereenig. en Vergadering. 160

Ministeriele Verantwoord. 207

Waterstaatsbelangen. 174

Jagt en Visscherij. 425

Wijziging Onteigening 68. 199

Nationale Mi li.ie. 369

Raad van State. 210

Toevoeging Militie 17. 372

Middelbaar Onderwijs. 295

Nederlandsche Bank. 246

Nadere bepaling Militie. 395

Comptab. Nederl. Indië. 469


-ocr page 17-

CHRONOLOGISCHE LUST.

S. 55. S. 56. S. 57.

S. 79. S. 117. S. 118. S. 123. S. 139. S. 71. S. 78. S. 85. S. 93. S. 123. S. 136.

S. 66. S. 117. S. 124. S. 102. S. 143. S. 43. S. 52. S. 84. S. 97. S. 101. S. 215. S. 33. S. 40.

S. 127. S. 222. S. 33.

S. 87. S. 72. S. 102. S. 103.

S. 107.

8. 122. S. 123. S. 182. S. 89.

317 138 519 519 161 204 457 352 253 262 224

Wet 6 Wet 6 K.B. 26 Wet 28 Wet 28 Wet 28 Wet 29 K.B. 18

239

239 319 303

240 202 240

K.B. K.B. Wet Wet Wet

Wet 31 Mei 1865

Wet 31 Mei 1865

K.B. 31 Mei 1865

Wet 7 Julij 1865

K.B. 28 Sept. 1865

K.B. 28 Sept. 1865

Wet 14 Sept. 1866

Wet 14 Sept. 1866

Wet 9 April 1870

Wet 26 Mei 1870

Wet 1 Juuij 1870

K.B. 16 Junij 1870

Wet 20 Julij 1870

Wet 21 Julij 1870

Wet 17 Aug. 1878

Wet 25 Dec. 1878

K.B. 12 Febr. 1879

Wet 25 April 1879

Wet 23 April 1880

Wet 28 Juni 1881

Wet 28 Juni 1881

Wet 28 Juni 1881

Wot 28 Juni 1881

Wet 28 Juni 1881

Wet 4 Dec. 1881

Wet 11 Juli 1882

April 1875 Junij 1875 Junij 1875 April 1876 Junij 1876 Mrt. 1877 Mrt. 1877 April 1877 Mei 1877 Mei 1877 Dec. 1877 Mei 1878 Mei 1878

Beg. Eegl. Suriname. 490

Reg. Kegl. Curasao. 490

Staking voorber. onderwijs

Polytechnische School. .Wijziging Gemeentewet 260. Inw. tred. E. E. Suriname. Inw. tred. E. E. Curafao. Wijziging Vereeniging 14. Verevening Onteigening.

Aanv. E.E. N. Indië 62.

Onderw. Beeldende kunsten.

Wijz. Armbestuur passim. Inw. tred. wijziging Armw. Wijziging Eekenkamer 29.

Wijz. Suikercultuur E.E.

56, en E.E. 60. 455,456 Uitlevering Vreemdelingen. 154 Gouden Standpenning.

Middellijn tienguldenst.

Hooger Onderwijs.

Wijziging M. Onderw. 38. Bronzen Pasmunt.

Wijziging Onteigening 73. Middellijn bronz. pasmunt

Speling gehalte bronzen pasm. 241

Inw. tred. Hooger Onderw. 344

Schorsing zilveraanmunting. 240

Wijz. H. Ondw. 7, 9, 17, 84. 319 Wijziging E.E. N. Indië

94, 95, toev. 95a. 462 Lager Onderwijs. 263 Bevoegdheid Arts enz. 345 Inw. tred. wet Bevoegdheid Arts enz. 351 Aanv. Midd. Ondw. 317 Wijz. Ind. Compw. 53—55 478 Wijziging Gem. 264—266. 139 Toev. Bevoegdheid Arts

enz. 25. 351 Wijziging H. Onderw. § 5

en art. 106. 331,340

Wijz. Ind. Compw. 25. 474

Wijz. Eaad v. State 13. 212

Wijz. E.E. Ned. Indië 108. 464 Tijdel. Voorz. Geneesk. hulp

Zeemagt. 350

-ocr page 18-

XIV

Wet 11

Wet 27 Wet 30 Wet 15 Wet 3 Wet 24 Wet 26 Wet 26 Wet 27 Wet 27 Wet 11 Wet 11 Wet 5 Wet 23 Wet 26 Wel 14 Wet 15 Wet 25

Juli 1882 Juli 1882 Dec. 1882 Juni 188c Jan. 1884 April 188\'! April 1884 April 1884 April 1884 April 1884 Juli 1884 Juli 1884 Dcc. 1884 Juli 1885 Juli 1885 April 1886 April 1886 Dec. 1886

S.

s. s. s. 8. s. s. s. 8. S. S. S. 8. 8. 8. 8. 8. 8.

88.

Wett. 6 Nov. 1887

Wet

6 Nov.

1887,

8.

193.

G. Add. art. X Wijziging

Gem. 5.

102

K.B. 30 Nov.

1887,

8.

212.

Tekst Grondwet.

1

Wet

31 Dec.

1887,

8. 265.

Verband N. Strafwetg.

Pass.

Wet

7 Aug.

1888,

8. 122.

Wijz. wet Ned. Bank.

246

Wet

26 Oct.

1889,

8.

137.

Toev. Bevoegdheid Arts

enz. 23a.

350

Wet

8 Dec.

1889,

8.

175.

Wijziging L. Ondw. passim.

263

K.B. 14 Dcc.

1889,

8.

177.

Tekst wet L. Onderwijs.

263

Wet

9 Mei

1890,

8.

78, art. 40. Wijz. L.O. 42.

275

art. 41.5°. Verv. M.0.34 en 35.

303

art. 41,6quot;. Verv. H.O. 22 en 23.

324

Wet

30 Juni

1890,

8.

101.

Wijziging Rekenkamer 9.

221

Wet

21 Juli

1890,

8.

126.

Milit. Onderw. Landmacht.

355

Wet

12 Aug.

1890,

8.

148.

Hooge en gewichtige Openb.

betrekk. bedeeld in G. 90.

53

K.B.

4 April

1891,

no. 22.

Inw. treden wet Militair

Onderwijs Landmacht.

368

Wet

22 Juni

1891,

8.

125.

Titel Koningin.

24

K.B. 18 Juli

1891,

8.

149.

Aanw. vestig. Cadettensch.

356

Wet

4 April 1892,

8. 56.

Tijdel. Wijz. Mil. passim.

369

Wet

5 April 1892,

S.

64.

Schorsing uitv. recht suiker

N. Indië.

467

Wet

12 Dec.

1892,

8.

261.

Wijz. Bevoegdh. Arts enz.

passim.

345

Wet

12 Dec.

1892,

8.

268.

Nederlandersch. en Ingez.sch. 146

92, art. 18. Wijziging Militie 72. 383

117. Wijziging L. Ondenv. 4, 5. 263

246. Wijz. Ind. Compw. 60. 479

75. Wijziging H. Ondw. 126. 344

2. Wijziging L. Ondw. 65. 263

70. Wijziging Militie passim. 369

90. Wijz. R.R. Suriname 5. 491

91. Wijz. R.R. Curasao 5. 491

97. Versmelting Rijksdaalders. 243

98. Muntbiljetten. 244

122. Wijz. R. v. St. 15, 16. 212,213

123. Wijziging L. Ondw. passim. 263 228. Wijzig. G. 196. (oud 198). 31 141. Toev. H. Ondw. 85bis. 336 169. Wijziging Gem.wet 240. 136 61. Wijziging Jagtwet 10. 427 64. Invoeringswet S.R. Pass. 248. Schorsing Uitvoerrecht suiker If. Indië. 467

183-193. Wijziging Grondwet passim. 1

CHRONOLOGISCHE LIJST.

-ocr page 19-

CHRONOLOGISCHE LIJST.

XV

ff et 30 Dec. 1892, Net 22 Juni 1893, Net 23 Juni 1893,

LB. 22 Nov. 1893, Net 20 April 1895,

Net 20 April 1895,

1895, 1895, 1895,

Net 13 Juli Net 13 Juli Net 20 Juli

f.B. 30 Juli 1895, iVet 13 Sept. 1895, Net 15 April 1896,

Wet 28 Mei 1896, Wet 13 Juli 1896, Wet 7 Sept. 1896, Net 28 Dec. 1896, Wet 31 Dec. 1896, K.B. 4 Jan. 1897,

J.B. 28 Jan. 1897, Wet 28 April 1897,

iVet 28 April 1897, Net 28 April 1897, S. 112.

1897, 1897, 1897, 1897,

1897,

1897,

S. 146. S. 147. S. 148. S. 156.

S. 288.

S. 309.

fv.B. 11 Mei CB. 11 Mei v.B. 17 Mei iVet 24 Mei

Wet 31 Dec.

Vet 31 Dec.

Vet 1 Febr. 1898, S. 45.

-Vet 2 Juli 1898, S. 170.

CB. 8 Juli 1898, S. 174.

tVet 14 Juli 1898, S. 178.

S. 292. S. 91. S. 111.

S. 168.

S. 60.

S. 72. S. 113. S. 126. S. 139.

S. 145. S. 159. S. 71.

S. 88. S. 105. S. 154. S. 230. S. 245. S. 44.

S. 57. S. 110. S. 111.

Wijz. L.O. overg.bep. VI. 293 Ingez.sch. voor Mil.wet. 372 Wijziging Afkond. Maatr.

Inwendig bestuur 3. 145

Tekst Bevoegdh. Arts enz. 345 Schorsing uitv.recht suiker

N. Indië. 467

Wijzig. Militie passim. 369 Verveningen. 178

Wijz. lud. Compw. passim. 469 Uitv. G. 191, Verordeningen Watersch. enz. 181 Tekst Ind. Compw. 469 Wijzig. L.O. 54 bü. 280, 281 Uitv. G. 152, 2de lid, Milit.

Inundatie. 205

Wijz. P. 71 en Gem. 39 74, 107 Wijzig. Jagtwet passim. 425 Kieswet. 33

Wijzig. L.O. passim. 263

Wijzig. Kieswet Tabel. 32(64)a Voorw. kostelooze postzending

v. stukken, volg. Kw. 50. 45 Tekst wet Lager Onderw. 263 Wijzig. Gemeentewet passim. 101 Wijzig. Kiesdistr. Prov. St. 89 Wijzig. Provinc. wet passim. 65 Inw. tr. Wijz. Kiesd. Prov. St. 90 Inw. tr. Wijz. Prov. wet. 89 Inw. tr. Wijz. Gem. 143a

Regeling financ. verhoud. Rijk

en gemeenten. 136, 1436

Verlenging tijdel. Wijz. Mil.

wet. 369

Wijzig. Kiesw. 100 en 102. Aanv. en verb, xvi Afschaft. Uitv.recht Suiker N. Indië. Aanv. en verb, xvi

Wijzig. Mil.wet passim. 369, 404a Uitv. Jagtwet. Aanv. en verb, xvi Wijzig. Gem.wet 131. 120a


467

-ocr page 20-

xvr

AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN.

Blz. 45—59. Kieswet. Achter artt. 51, 54, 55, 68, 69, 72, 81, 91, 96 en 132 te plaatsen als verwijzing; (K.B. 26 Febr. 1897, S. 69 en 8 Mei 1897, S. 144.)

Blz. 54. Kieswet. In artt. 100 en 102 inplv. »tot den loopenden dienst» te lezen »tot den loopenden, voor de personeele belasting tot den laatstverloopen dienst» (Wet 31 Dec. 1897, S. 309.)

Blz. 143c Gem.fin. Achter art. 11 als verwijzing te voegen: (K.B, 29 Dcc. 1897, S. 269.)

Blz. 283. Wet Kerkgenootsch. In art. 9 vervallen de woorden »eii veroordeeld in de kosten» (volgens art. 16 der wet van 15 April 1896, S. 70.)

Blz. 263. Wet Lager Onderw. In het hoofd bij te voegen; Nader bekend gemaakt bij K.B. 28 Jan. 1897, S. 57.

Blz. 270. Wet Lager Onderw. Achter art. 24, 2de lid, bij de verwijzing nog te voegen; K.B. 24 Dec. 1897, S. 265.

Blz. 284. Wet Lager Onderw. Achter art. 65 bij de verwijzing te voegen; K.B. 26 Mei 1897, S. 161.

Blz. 299. Wet Middelb. Onderw. In de noot van art. 22 te laten vervallen K.B. 23 Juli 1884, S. 181, en bij te voegen; K.B. 10 Ajjg. 1896, S. 149.

Blz. 336. Wet Hooger Onderw. Achter art. 85his bij de verwijzing te voegen; K.B. 24 Sept. 1896, S. 157.

Blz. 367. Wet Milit. Onderw. Landmacht. Achter art. 48 in de verwijzing na K.B. 8 Apr. 1893, S. 65, te voegen; K.B. 25 Juni 1896, S. 90.

Blz. 425. Jagtwet. Als noot toetevoegen;

Bij K.B. van 8 Juli 1898, S. 174, is het volgende bepaald;

dat met ingang van 1 Augustus 1898 de zorg voor de uitvoering van de wet van 13 Juni 1857 [Staatsblad no. 87), tot regeling der jacht en visscherij, zal berusten bij de Ministers van Justitie en vat Binnenlandsche Zaken;

dat de Minister van Justitie bepaaldelijk zal zijn belast met d( uitvoering van art. 36 dier wet; en

dat de zorg voor de uitvoering der overige artikelen zal zijn op gedragen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Blz. 467. Regeringsregl. N. Indië. Achter art. 129 bij de vcrwijziri: te voegen; de wijz.wet. v. 1 Febr. 1898, S. 43, en de wet v. 1 Febr 1898, S. 45, waarbij het uitvoerrecht van suiker in Nederl. Indië i afgeschaft.

-ocr page 21-

VEKK0RT1XGEN.

, 81.

7, S.

nden

A.

isting

B.W.

K.B.

G.

Gem.

n »en

Gem.fin.

April

H.O.

S\' ader

Ind. Compw.

gt;ij de

K.

,ng te

K.B.

Kw.

laten

L.O.

Ajjg.

Mil.

M.O.

rijzing

0.

P.

\'envij

R.0.

S. 99.

R.R.

1:

R.V.

oerin»

Sch.

ng dei

S.R.

;n vat

Stsbl. of S. 12

S.V.

Wet miu verantvv.

(8)

= Wet houdende Algemeene Bepalingen van Wetgeving voor het Koningrijk.

: Burgerlijk Wetboek.

: Grondwet.

: Gemeentewet.

: Wet regeling financ. verhouding Rijk en gemeenten enz.

; Wet op het Hooger Onderwijs.

: Indische Comptabiliteitswet; Wet, tot regeling van de wijze van beheer en verantwoording der geldmiddelen van Xederlandsch-Indië.

: Wetboek van Koophandel.

: Koninklijk besluit.

: Kieswet 1897.

: Wet op het Lager Onderwijs.

: Wet betrekkelijk de Nationale Militie.

: Wet op het Middelbaar Onderwijs.

: Wet regelende de Onteigening ten algemeenen nutte. Provinciale wet.

Wet Regterlijke Organisatie.

: Reglement op het beleid der Regering van Neder-landsch Indië.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Wet op de Schutterijen.

Wetboek van Strafrecht.

Staatsblad no. 12.

Wetboek van Strafvordering.

= De wet op de Ministeriële verantwoordelijkheid. Art. 8 der wet waarin het voorkomt.


Het lusschen haakjes geplaatste cijfer bij aanhalingen der Grondwet in verschillende wetten, duidt het artikel der Grondwet van 1887 aan.

-ocr page 22-

.

Art

Eui

3.

2. I

oor z( Waa •en h(

3. r

i niei

De g unnen

4. A

ïd geli

w. 2

De v

; algei ng vei vet 1! gt;86, S 5 Coi (lt;

|1) De ning c

1 STAA\'

.

-ocr page 23-

GRONDWET

VOOR HET

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN,

zooals die is gewijzigd bij wetten van 6 Nov. 1887, SS. 183—193, afgekondigd 30 Nov. 1887; en bekend gemaakt bij K.B. 30 Nov. 1887, S. 212.

EEKSTE HOOFDSTÜK.

VAN HET BUK EN ZIJN INWONERS.

Art. 1. Het Koningrijk der Nederlanden omvat het grondgebied •i Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere werelddee-fn.

i 2. De Grondwet is alleen voor het Kijk in Europa verbindende, | oor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt.

Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt al-| ien het Kijk in Europa bedoeld.

\\ 3, De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen j a nieuwe vormen. (6. 82; Gem. 128—133.)

j De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten lunnen door de wet worden veranderd. (G. 59.)

a 4. Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, heb-ft-n gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. (A. 9; l.W. 2.)

■ De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen en C ; algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitleve-i ng verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten, t Vet 13 Aug. 1849, S. 39 en 6 April 1875, S. 66, gewiiz. 15 April IS86, S. 64.)

5 [oxid 6). Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoem-ar. (G. 169.)

31), De artikelen waarbij het oude rolgnonmer is vermeld, zijn bij de laatste her* mning omeranderd gebleven.

i STAATSWETTEN. 1

-ocr page 24-

GRONDWET.

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. (Wet 4 Juni 1858, S. 46.)

6. De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.

Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd. (Wet 12 Dec. 1892, S. 268.)

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.

7 (oud 8). Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

8. Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen.

Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onder-teekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt.

Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende. (G. 138, 148; P. 93; Gem. 120.)

9 (oud 10). Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. (Wet 22 April 1855, S. 32, zooals bij latere wetten gewijzigcJ.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DEN KONING.

EEKSTE AFDEELING.

Van de troonopvolging. (G. 196.)

Art. 10 (oud 11). De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Óranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen. (G. 22.)

11. De kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van a eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden. (G. 18.)

12. Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dichters van den laatst overleden Koning, bij regt van eerstgeboorte.

13. Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel

2

-ocr page 25-

GRONDWET.

bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatst overleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen.

In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.

14. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatst overleden Koning, in den lijn der afstamming van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, het naast bestaat.

Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.

Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór Hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan.

15. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald.

16. Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.

17. Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan. (B.W. B.)

18. Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming.

Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon.

Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge artt. 15, 19, 20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden

1*

3

-ocr page 26-

GRONDWET.

deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten. (G. 11.)

19. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

20. Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

21. Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegd opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen. (G. 102.)

22. Al de bepalingen omtrent de erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege, dat het nieuwe Stamhuis ten opzigte van die opvolging van Hem zijnen oorsprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevolgen als het Huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau.

Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje.

Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het Stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.

23 (ond 26). De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regeering buiten het Rijk worden verplaatst.

TWEEDE AFDEELING.

Van het inhomcn der Kroon.

Art. 24. Behalve het inkomen uit de domeinen door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit \'s Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld. (Wet 19 Febr. 1891, S. 33.)

4

-ocr page 27-

GRONDWET.

25 (ond 28). Den Koning worden tot Deszelfs gebruik, zomeren winterblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan ƒ50000 jaarlijks ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.

26 (oud 29). De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten. (G. 175.)

27 (oud\' 30). De Koning rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in.

28 (oud 31). Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit \'s Lands kas is ƒ 150000.

29 (oud 32). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins van Oranje. (G. 30, 33, 42, 74.)

30. De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100 000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op ƒ 200 000, na het voltrekken van een huwe-welijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.

DEBDE AFÜKELING.

Van de voogdij des Konings.

Art. 31. De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is. (B.W. 385.)

Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Regent wordt.

32. De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet. (Wet 14 Sept. 1888, S. 150.)

Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. (G. 108.)

33 (oud 37). Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord.

34. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af;

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al »de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er »mij bijzonder op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid »aan de Grondwet en liefde voor Zijn volk in te boezemen!

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof ik!quot;)

5

-ocr page 28-

GRONDWET.

35. Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 32 bepaald.

De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen.

VIERDE AEDEELING.

Van het Regentschap.

Art. 36 (oud 40). Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent. (G. 31.)

37. De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de opvolging in het Regentschap, tot \'s Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. (G. 108.)

De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. (Wet 2 Aug. 1884, S. 188.)

38. Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.

Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade ver-eenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State met uitnoodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen.

39. Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen zij de Staten-Generaal in vereenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorhanden geval verslag te doen.

40. Zijn de Staten-Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat het in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den in art. 108, 2de lid, aangewezen Voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.

Bij ontstentenis van deien Voorzitter wordt door de vergadering een Voorzitter benoemd.

41. In het geval van art. 40 is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent.

42. Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in het Regentschap voorzien op de wijze in art. 37 bepaald; in het laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft.

43. Bij het aanvaarden van het Regentschap legt de Regent in

6

-ocr page 29-

GRONDWET.

eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den Voorzitter den volgenden eed of belofte af;

;gt;Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof), dat ik »in de waarneming van het Koninklijk gezag, zoolang de Koning min-gt;der]\'arig is (zoolang de Koning buiten staat blijft de regering waar »te nemen), de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

»Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grond-»gebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewa-»ren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid, en- de regten van »alle des Konings onderdanen en van elk hunner zal beschermen :gt;en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzon-gt;dere welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten te mij-»ner beschikking stellen, gelijk een goed en getrouw Kegent schul-«dig is te doen.

2Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof ik!quot;)

44. Wanneer een Kegent buiten staat geraakt het Regentschap waar te nemen, zijn de artt. 38, 2de lid, 39 en 40 toepasselijk.

Is de opvolging in het Regentschap niet geregeld, dan wordt art. 37, 1ste lid, toegepast.

45. Hot Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State:

1°. bij het overlijden des Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonopvolger of Regent afwezig is;

2°. in de gevallen van artt. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het Regentschap aanvaard heeft;

3°. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

Wanneer in het Regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, onder 1quot;. en 2°. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;

in het geval, onder 3°. vermeld, binnen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn.

46 (oud 48). Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap. (Wet 23 Juli 1885, S. 157.)

Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.

47. Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden

7

-ocr page 30-

GRONDWET.

te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last .van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.

48. Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zelve te doen.

49. De hoofden der ministeriele departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen. (G. 94.)

Art. 94, 3de lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.

50. Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming der regering.

VIJFDE AFDEELING.

Van de inhuldiging des Konings.

Art. 51. De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering der Staten-Generaal. (G. 108.)

52. In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:

»Ik zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk, dat ik de Grond-»wet steeds zal onderhouden en handhaven.

»Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grond-* gebied des Rijks met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewa-»ren; dat Ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van »alle Mijne onderdanen zal beschermen, en tot instandhouding en «bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen »zal aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking stellen, »zooals een goed Koning schuldig is te doen.

-gt;Zoo waarlijk helpe Mij God almagtig!quot; (»Dat beloof Ik!quot;)

53 (oud 52). Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:

»Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche »volk en krachtens de Grondwet, ü als Koning; wij zweren (belo-»ven), dat wij Uwe onschendbaarheid en de regten Uwer kroon

8

-ocr page 31-

GRONDWET.

«zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat »goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

»Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!quot; (»Dat beloven wij!quot;)

ZESDE AFDEELING.

Van de magt des Konings.

Art. 54 (oud 53). De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. (G. 77.)

55 (oud 54). De uitvoerende magt berust bij den Koning. (G. 56 volg. 134, 135, 143, 147, 172, 181, 189, 192, 193.)

56. Door den Koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld.

Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.

De wet regelt de op te leggen straffen.

57 (oud 55). De Koning heeft het opperbestuur der buitenland-sche betrekkingen.

58. De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het belang van den Staat bestaanbaar acht. (G. 94.)

59. De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.

Verdragen, die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden, die aan het Eijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten-Generaal te zijn goedgekeurd. (Wet 9 Juli 1894, S. 94 en K.B. 1 Sept. 1894, S. 148.)

Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden. (G. 109.)

60 (oud 58). De Koning heeft het oppergezag over zee- en landmagt.

De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.

De pensioenen worden door de wet geregeld.

61 (oud 59). De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. (G. 2.)

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld. (Wetten 2 Sept. 1854, S. 129 en 31 Mei 1865, SS. 55 en 56, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

9

-ocr page 32-

GRONDWET.

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld. (Wet 14 Dec. 1853, S. 126; 1 Mei 1854, S. 75; 20 Apr. 1855, S. 12; 27 Nov. 1873, S. 180; 28 Mrt 1877, S. 42.)

Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan.

62 (oud 60). De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (R.R. 66; Ind. Compw.)

63. De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit \'s Rijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt. (G. 74, 155, 179.)

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven.

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld. (Wett. 9 Mei 1890, SS. 78 en 79 gewijz. 30 Sept. 1893, S. 145.)

64 (oud 62). De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag Zijne beeldtenis op de muntspecien te doen stellen. (G. 177, 178.)

65 (oud 63). De Koning verleent adeldom.

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen.

66 (oud 64). Ridderorden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld.

67. Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, met Zijne toestemming, door de Prinsen van Zijn Huis.

In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemdelingen , die in Nederlandsche staatsdienst zijn, vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning.

68. De Koning heeft het regt van gratie van straffen door reg-terlijk vonnis opgelegd.

Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen. (K.B. 13 Dec. 1887, S. 215.)

Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan.

69. Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met magtiging van de wet.

De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt. (B.W. 88, 111, 134.)

Dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning Zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

10

-ocr page 33-

GRONDWET.

70. De geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders; niet be-hoorende tot die, vermeld in art. 153 of tot die, waarvan de beslissing krachtens art. 154 is opgedragen aan den gewonen regter of aan een collegie, met administrative regtspraak belast, worden door den Koning beslist. (P. 148; Gem. 132.)

71. De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor en doet hun zoodanige andere voorstellen als Hij noodig acht.

Hij heeft het regt de door de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren. (G. 109, 116 volg., 120.)

72. De wijze van afkondiging der wetten en der algeraeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld. (A. 2 en Wet 26 Apr. 1852, S. 92, gewijz. bij wet 23 Juni 1893, S. 111.)

Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:

»Wij enz.....Koning der Nederlanden, enz.....

»Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

»Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz. (De beweegreden der wet.)

»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen «overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, «gelijk Wij goedvinden en verstaan bij dezequot; enz. (P. 101 volg.. Gem. 168 volg.)

(De inhoud der wet.)

«Gegevenquot; enz.

Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of door den Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt.

73. De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden. (G. 104.)

De Raad van State, het koninklijk gezag waarnemende, oefent het regt van ontbinding niet uit.

ZEVENDE AFDEELING.

Van den Raad van State en de ministeriele departementen.

Art. 74. Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet. (Wet 21 Dec. 1861, S. 129, gewijzigd bij wet 28 Juni 1881, S. 123 en 11 Juli 1884, S. 122.)

11

-ocr page 34-

GRONDWET.

De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Kaad.

75. De Koning brengt ter ovenveging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege gehoord is.

De Koning hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt. (G. 74.)

De Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.

76. De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen.

77 (oud 73). De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt. (P. 127 volg.; Gem. 126.)

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet. (Wet 22 April 1855, S. 33.)

Alle koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen medeonderteekend.

DERDE HOOFDSTUK.

TAN DE STATEN-GENEBAAL.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenslelling der Staten-Generaal.

Art. 78 (oud 74). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het ge-heele Nederlandsche volk. (P. 92.)

79 (oud 75). De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer.

80. De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschap-pelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij de zee- en de landmagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

12

-ocr page 35-

GRONDWET. 13

Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. (Wet 7 Sept. 1896, S. 154.)

81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Kijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. (K.)

82. De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding:

Noordbrabant........6

Gelderland.........6

Zuidholland.........10

Noordholland........9

Zeeland..........2

Utrecht .......... 2

Friesland..........4

Overijssel..........3

Groningen.........3

Drenthe...........2

Limburg..........3

.

50

In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. (G. 3.)

83. Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone te verkiezen.

Het besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag der verkiezing aan.

-ocr page 36-

GRONDWET.

De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Kaad.

75. De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege gehoord is.

De Koning hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt. (G. 74.)

De Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.

76. De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen.

77 (oud 73). De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt. (P. 127 volg.; Gem. 126.)

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet. (Wet 22 April 1855, S. 33.)

Alle koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen medeonderteekend.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE STATEN-GENEBAAL.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Staten-Generaal.

Art. 78 (oud 74). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het ge-heele Nederlandsche volk. (P. 92.)

79 (otid 75). De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer.

80. De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en raaatschap-pelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij de zee- en de landmagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

12

-ocr page 37-

GRONDWET. 13

Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Eijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. (Wet 7 Sept. 1896, S. 154.)

81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. (K.)

82. De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding:

^Vet Noordbrabant........6

Gelderland.........6

der Zuidholland.........10

Noordholland........9

Zeeland..........2

Utrecht..........2

Friesland..........4

Overijssel..........3

Groningen.........3

Drenthe...........2

Limburg..........3

•ste Jn geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging,

!en welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

)or (G. 3.)

ip- 83. Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden bij-

id, eengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk

kt. getal buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone

\'dt te verkiezen.

de Het besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag der verkie-

\'er zing aan.

-ocr page 38-

GRONDWET.

TWEEDE AFDEELING.

Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Art. 84. Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.

85. De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. (K. 126 volg.)

Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. (P. 24, 59; Gem. 27, 80.)

86. De leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 131.)

87. Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!quot; (»Dat beloof ik!quot;)

Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:

»Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-Generaal te »worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, on- . »der wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd »of gegeven heb.

»Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking »te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of ^geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk. (G. 91.)

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (»Dat verklaar en be-loof ik!quot;)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.

88 (oud 84). De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden. (G. 92.)

89. De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld.

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van ƒ 2000 \'s jaars.

Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van minister bekleeden, noch ook, voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven. (G. 100.)

14

-ocr page 39-

GRONDWET.

DERDE ATDEELING.

Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Art. 90. Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien öf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen öf eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. (Wet 12 Aug. 1890, S. 148; K. 99 volg.)

Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in elke provincie bepaald tot één, die tevens de algemeene vereischten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere vijftien honderd zielen.

91. De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. Art. 86 is op hen van toepassing.

Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. (G. 87.)

Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet.

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. (K. 145 volg.)

92. De Voorzitter wordt door den Koning uit de leden benoemd voor het tijdperk eener zitting. (G. 88, 108.)

VIERDE AFDEELING.

Beschikkingen aan beide Kamers gemeen.

Art. 93. Niemand kan tegelijk lid der beide Kamers zijn.

Die tegelijk of op meer dan eene plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt.

94. De hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware ziij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.

Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat. (G. 49, 58, 59.)

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. (G. 77.)

95. Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in ver-eenigde vergadering, het regt van onderzoek (enquête), te regelen

15

-ocr page 40-

GRONDWET.

door de wet. (Wet 5 Aug. 1850, S. 45, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

96. Een lid van de Staten-Generaal kan niet te gelijkertijd zijn vice-president of lid van den Kaad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeens Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie.

De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeni-ging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uit \'s Lands kas bezoldigde ambten.

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug.

Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar. (G. 128.)

97. De leden der Staten-Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. (P. 74; Gem. 47.)

98 (oud 93). Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.

99. Elke Kamer benoemt haren griffier.

Deze mag niet te gelijk lid van eene der Kamers zijn.

100. De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'s jaars te zamen.

Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dingsdag in September.

De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt.

101. De afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers en evenzoo de vereenigde vergaderingen worden in het openbaar gehouden. (P. 69; Gem. 43.)

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig keurt. (P. 696; Gem. 436, 44.) (

De vergadering beslist, of met besloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

102. Is bij overlijden des Konings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping. (G. 21, 24; P. 69; Gem. 40.)

16

-ocr page 41-

GRONDWET.

Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen.

103. De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenigde vergadering der beide Kamers door den Koning of door eene Commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren.

De gewone jaarlijksehe zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. 73 omschreven. (G. 100.)

104. Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal. (G. 73.)

105. De Kamers mogen noch afzonderlijk noch in vereenigde vergadering beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. (G. 132; P. 75; Gem. 48.)

106. Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer één der leden dit verlangt en alsdan mondeling. (G. 132; P. 76 volg.; Gem. 50 volg.)

107. De stemming over personen voor de benoemingen of voordragten in de Grondwet vermeld, geschiedt bij besloten en ongetee-kende briefjes.

De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij staking van stemmen beslist het lot. (G. 132; P. 77; Gem. 51 volg.)

108. Bij eene vereenigde vergadering worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats. (G. 19, 20, 21, 32, 34, 35, 37, 39, 40, 42, 43, 44, 47, 48, 51, 95, 101, 103, 105, 112.)

De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der vergadering. (G. 406.1

VIJFDE AFDEELINO.

Van de wetgevende Magt.

Art. 109 (mid 104). De wetgevende Magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend. (G. 59, 71; P. 130, 140; Gem. 135.)

110. De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene Commisise. (G. 71.)

STAATSWETTEN. 2

17

-ocr page 42-

GEONDWET.

Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen commissarissen opdragen de ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan.

111. Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voorstel vooraf.

De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld.

112. De Tweede Kamer alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal heeft het regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken.

113. Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier:

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Ka-»mer het hiernevens gaande voorstel des Konings en is van oordeel, »dat het, zooals het daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te «worden aangenomen.quot;

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier;

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren »dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den »Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere «overweging te nemen.quot;

114. De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 111 het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen.

Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

»Aan den Koning.

»De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor Zij-»nen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat en »vereenigen zich met het voorstel zooals het daar ligt.\'\'

»Aan de Tweede Kamer.

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer «kennis, dat zij zich heeft vereenigd met het voorstel betrekkelijk

»....., op den.....aan haar door de Tweede Kamer toege-

» zonden.quot;

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming vr.n het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

»Aan den Koning.

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren »dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den «Staat, en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere «overweging te nemen.quot;

18

-ocr page 43-

GRONDWET.

»Aan de Tweede Kamer.

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede »Kamer kennis, dat zij den Koning eerbiedig heeft verzocht het

»voorstel betrekkelijk......op den.....aan haar door de

»Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging te nemen.quot;

115. Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken.

116 (oud\' 110). De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen. (G. 71, 75.)

117. De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van \'s Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier:

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste »Kamer het hiernevensgaande voorstel, en is van oordeel, dat de »Staten-Generaal daarop \'s Konings bewilliging behooren te ver-»zoeken.quot;

Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen.

118. Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier:

»De Staten-Generaal, oordeelende dat het nevensgaande voorstel »zou kunnen strekken tot het bevorderen van de belangen van den «Staat, verzoeken eerbiedig daarop \'s Konings bewilliging.quot;

Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede

»Kamer, dat zij zich heeft vereenigd met het van haar op den.....

«ontvangen voorstel betrekkelijk.....en daarop namens de

»Staten-Generaal \'s Konings bewilliging heeft verzocht.quot;

Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer, met het volgende formulier:

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene genoegzame »reden gevonden om op het hiernevens teruggaande voorstel \'s Ko-»nings bewilliging te verzoeken.quot;

119 (oud 113). Andere voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.

120 (oud 114). De Koning doet de Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of Hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren;

»De Koning bewilligt in het voorstelquot; of:

»De Koning houdt het voorstel in overweging.quot;

121. Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangeno-

2*

19

-ocr page 44-

GRONDWET.

men en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd.

De wetten zijn onschendbaar. (A. 2, 11.)

122. De wetten zijn alleen voor het Kijk verbindende, voorzoo-ver daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen verbindend zijn. (G. 2, 59, 62, 75, 164, 181.)

ZESDE APDEELING.

Van dc bcgrooting.

Art. 123 (oud 119). Door de wet worden de begrootingen van alle uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen. (Gr. 63, 136, 137, 171 volg.)

124. De ontwerpen der algemeene begrootingswetten worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen der gewone zitting van de Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de begrootingen moeten dienen. (G. 100.)

125 (oud 121). Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.

Ieder hoofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan.

126. De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende Magt gedaan naar de voorschriften van de wet. (G. 179; Wet 5 Oct. 1841, S. 40, zooals bij latere wetten aangevuld en gewijzigd.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE PROVINCIALE STATEN EN DE GEMEENTE-BESTÜEEN.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

Art. 127. De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (P. 17 volg.)

Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af. (P. 24 volg.)

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt,

20

-ocr page 45-

GRONDWET.

dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

128 (oud 124). Niemand kan tegelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. (G. 82, 90; P. 21.)

129. De leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des »Rijks.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof ik!quot;)

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald.

130. De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. (P. 03 volg.)

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. 101. (P. 69 volg.)

131. De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. (G. 86; P. 72.)

132. Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven. (P. 75 volg.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de magt der Provinciale Staten.

Art. 133. Het gezag en de magt van de Staten worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.

134. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten. (P. 130 volg.)

Zij maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen.

Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Baad van State gehoord. (P. 140, 142.)

135. Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. (P. 127 volg.)

21

-ocr page 46-

22 GRONDWET.

136. Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings. . .

De wet geeft algerneene regels ten aanzien van de provinciaie

belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren. (G. 147; P. 139.)

137. De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Ko-niugs. (P. 103 volg.)

De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening.

138 (W 134). De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten-Generaal voorstaan. (G. 8, 148; P. 93; Gem. 120.)

139 (oud 136). De Staten benoemen uit hun midden een col-legie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. (P. 45 volg., 149 volg.) . • , a

140. De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet ^ geregeld. (P. 160 volg.)

141. De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering Zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze Commissaris is Voorzitter van de Vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Rijk komen. (P. 28 volg.)

DEEDE AFDEELING.

Van de gemeentebesturen.

Art. 142. De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der ge-meentebesturen worden door de wet geregeld met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeiing vervat. (Wet 29 Juni 1851, S. 85, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

143. Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschap-

-ocr page 47-

GRONDWET.

pelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (Gem. 1, 4 volg. )

Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regter-lijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe. (Gem. 19 volg.)

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. (Gem. 5 volg.)

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door Hem ontslagen. (Gem 59 volg.)

144. Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. (Gem. 134 volg.)

Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt. (Gem. 150 volg.)

Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan. (Gem. 126.)

Wanneer de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, worde voorzien.

De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien. (Wett. 2 Febr. 1895, SS. 15 en 16; Gem. 1266.)

145. De magt des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld.

Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen. (Gem. 151 volg.)

146. De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen als de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen. (P. 148; Gem. 194 volg.)

Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der rekeningen wordt door de wet geregeld. (Gem. 203 volg.)

147. Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder Wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. (P. 145, 161; Gem. 232.)

23

-ocr page 48-

GRONDWET.

De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. (Gem. 240—257.)

148 (oud 144). De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij be-hooren. (G. 8, 138; P. 93; Gem. 120.)

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE JUSTITIE.

EERSTE APDEBLING.

Algemeene bepalingen.

Art. 149. Er wordt alom in het Kijk regt gesproken in naam des Konings. (R.V. 430.) \')

150. Het burgerlijk eu handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende Magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen.

151. Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet. (B.W. 625; Wet 28 Aug. 1851, S. 125, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt vereischt.

1) Bij de wet van 22 Juni 1891, Slsbl. no. 125, is het volgende bepaald;

Art. 1. Zoolang eene Koningin de Kroon draagt, wordt bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en of-ficieele benamingen, waarin het woord „Koningquot; voorkomt, in plaats daarvan het woord „Koninginquot; gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakeljik wordende taalkundige veranderingen.

Art. 2. Voor de rechtsgeldigheid van de toepassing sedert den overgang van de Kroon op Hare Majesteit WILHELMINA aan wettelijk vastgestelde voorschriften betreffende formulieren, ambtstitels en of-ficieele benamingen gegeven , maakt het geen onderscheid of daarbij het woord „Koningquot; dan wel het woord „Koninginquot; met inachtneming van de daardoor noodzakelijk geworden taalkundige veranderingen, gebezigd is.

Art. 3. Deze wet is ook verbindend voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Zij treedt in werking op den Isten September 1891.

24

-ocr page 49-

GRONDWET.

Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vordert. (O. 73 volg.; Add. art. IV.)

152. Waar in het algemeen belang eigendom door het openbaar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt. (Add. art. V.)

Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij de wet geregeld. (Wet 15 Apr. 1896, S. 71.)

153. Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten behooren bij uitsluiting tot de kennisneming van de regterlijke Magt.

154. De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen.

155 (oud 149). De regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst. (K.O. 1.)

156 (oud 150). Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent. (G. 164; E.O. 65, 87; KV. 74, 97, 126—128.)

De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tus-schen de administrative en regterlijke Magt ontstaan, worden beslist.

157. Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord. (G. 32; SV. 39 volg., 54, 95, 98, 104 volg., 139.)

158. Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeenen last van eene magt door de wet aangewezen.

De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is. (Wetten 31 Aug. 1853, S. 83 en 21 Juli 1890, S. 127.)

159 (oud 154). Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven. (SV. 111.)

160. Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende.

25

-ocr page 50-

GRONDWET.

161. Alle vonnissen moeten de gronden waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust, aanwijzen.

De uitspraak geschiedt met open deuren.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregt-zittingen openbaar. (R.O. 20; R.V. 18, 59.)

De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken.

TWEEDE AFDEEUNG.

Van de regterlijke Magt.

Art. 162. Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd. (R.O. 1, 83 volg.)

163. Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen.

De Koning benoemt den president en den vice-president uit de leden van den Hoogen Raad.

164. De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van \'s Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer. (Wet 22 April 1855, S. 33; R.O. 92; S.V. 301 volg.; R.O. 93; S.V. 294 volg.)

De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan.

165. De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magt.

Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen. (R.O. 99.)

De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet. (R.O. 87 volg.)

166. De leden van de regterlijke Magt worden door den Koning aangesteld.

26

-ocr page 51-

GRONDWET,

De leden van de regterlijke Magt, met regtspraak belast, en de procureur-generaal bij den Hoogen Kaad worden voor hun leven aangesteld. (K.O. 37, 51, 62, 84.)

Zij kunnen worden afgezet, of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Kaad in de gevallen bij de wet aangewezen. (R.O. 11, 13.)

Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.

Indien een eollegie belast wordt met administrative regtspraak in het hoogste ressort voor het Kijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.

Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, beboerende tot de zee- of landmagt of tot eenige andere gewapende magt, of met de beslissing van dis-ciplinaire zaken.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN DE GODSDIENST.

Art. 167 (oud 164). Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en barer leden tegen de overtreding der strafwet. (B.W. 1948; K.V. 107; S.V. 1616.)

168 (oud 165). Aan alle kerkgenootschappen in het Kijk wordt gelijke bescherming verleend.

169 (oud 166). De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen. (G. 5.)

170 (oud 167). Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten.

171 (oud 168). De traktementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.

172 (oud 169). De Koning waakt , dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. (Wet 10 Sept. 1853, S. 102, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

-ocr page 52-

GRONDWET.

173 (oud 170). De tusschenkomst der Regering wordt niet ver-eischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen , noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DE FINANCIEN.

Art. 174. Geene belastingen kunnen ten behoeve van \'s Eijks kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet. (G. 123, 136, 137, 147.)

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Eijks-werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.

175 foud 172). Geene privilegiën kunnen in hei stuk van belastingen worden verleend. (G. 26.)

176 (oud 173). De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schuldeischers van den Staat. (Wet 27 Apr. 1884, S. 98.)

177 (oud 174). Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspeciën worden door de wet geregeld. (Wetten 26 Nov. 184T, S. 69; 6 Juni 1875, S. 117; 28 Maart 1877, S. 43 en 27 Apr. 1884, S. 97.)

178 (oud 175). Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld.

179. Er is eene Algemeene Eekenkamer, welker zamenslelling en taak door de wet worden geregeld.

Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer, zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.

De leden der Eekenkamer worden voor hun leven aangesteld.

Het 3de en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing. (G. 126; Wet 5 Oct. 1841, S. 40, zooals bij latere wetten aangevuld en gewijzigd.)

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN DE DEFENSIE.

Art. 180. Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Eijk en tot verdediging van zijn grondgebied.

Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd.

181. Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee-

28

-ocr page 53-

GRONDWET.

en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienst-pligtigen.

De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verplig-tingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt behooren, ten aanzien van \'s Lands verdediging opgelegd kunnen worden.

182. Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen.

183. De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Europa. Aan de dienst, door hen in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen, worden door de wet voor-deelen verbonden.

184. De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Bijk in andere werelddeelen worden gezonden.

185. Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen.

186. Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit \'s Rijks kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantien van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk gevorderd, kunnen niet dan volgens al-gemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in \'s Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning.

187. Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.

Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op het militair gezag overgaan, en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.

Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. 7, 9, 158 en 159 der Grondwet.

Voor het geval van oorlog kan ook van art. 156, 1ste lid, worden afgeweken.

29

-ocr page 54-

GRONDWET.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VAN DEN WATERSTAAT.

Art. 188. De wet geeft regels omtrent het waterschapsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat.

(Wetten 12 Juli 1855, S. 102; 13 Juli 1895, S. 113.)

189. De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s Eijks kas of op eene andere wijze gevonden.

190. De Staten der Provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veeupolders. Nog-tans kan de wet het toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, veenschappen en veenpolders veranderingen te maken, waterschappen, veen-schappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der provincie doen. (P. 137, 138.)

191. De besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in he-; huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken. (Wet 20 Juli 1895, S. 139.)

TIENDE HOOFDSTUK.

VAN HET ONDERWIJS EN HET ARMBESTUUR.

Art. 192 (oud 194). Het openbaar onderwies is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. (L.O. 33.)

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven. (L.O. 16.)

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen. (Wet L.O. 17 Aug. 1878, S. 127, zooals bij latere wetten gewijzigd; Wet M.O. 2 Mei 1863, S. 50, zooals bij latere wetten gewijzigd; Wet H.O. 28 Apr. 1876, S. 102, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

30

-ocr page 55-

GRONDWET.

193 (oud 195). Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. (Wet 28 Juni 1854, S. 100, zooals bij latere wetten gewijzigd.)

ELFDE HOOFDSTUK.

VAN VEEANDEEINGEN.

Art. 194 (oud 196). Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart dat er grond bestaat om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen.

195 (oud 197). Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

196 (oud 198). Gedurende een Regentschap kan in de troonopvolging geene verandering worden gebragt. (Wet 5 Dee. 1884, S. 228.)

197 (oud 199). De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd. (Publicatie 15 Nov. 1887, S. 210.)

ADDITIONNELE ARTIKELEN.

Art. I. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.

II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtervolgens door andere worden vervangen.

lil. De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

IV. Art. 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 1886 rustte.

V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling ingeval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

VT. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-

31

-ocr page 56-

GRONDWET.

Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kamers, zooals die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamers. Zijn vóór dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen, die door ontslag overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden deze overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen. De Koning bepaalt het tijdstip der opening van de nieuwe Kamers, zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld.

VU. (Houdt in veranderingen in de Kieswet van 1850.)

VU!. Na de afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene herziening plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen, overeenkomstig de wet van 4 Julij 1850 (Staatsblad no. 37), gelijk zij bij art. VII is gewijzigd.

Voor de herziening der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1, sub c, en van art. 7 dier wet gesteld op den 2l8teh dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld uiterlijk op den 49sten en gesloten uiterlijk op den 77sten dag na die afkondiging.

Voor de herziening van de lijsten der hoogstaangeslagenen wordt de termijn van art. 73 dier wet gesteld op den 49sten dag na bedoelde afkondiging. Zij worden vastgesteld uiterlijk op den 77sten en gesloten uiterlijk op den 105den dag na die afkondiging.

De eerstvolgende herziening van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen heeft plaats in 1889.

IX. De verkiezingen voor de nieuwe Kamers der Staten-Generaal hebben plaats binnen vier maanden na die afkondiging.

X. Het tweede lid van art. 5 van de wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85) vervalt. 1)

XI. Aan de verkiezingen van leden van Provinciale Staten en gemeenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten, bedoeld in art. VIII, nemen de personen deel, wier namen voorkomen op de kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet.

XII. De Koning is bevoegd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen, welke naar een ander artikel verwijzen, de veranderingen van nummers aan te brengen, welke noodig blijken te zijn. (K.B. 30 Nov. 1887, S. 212.)

32

1

Het tweede lid van art. 5 der Gemeentewet luidde:

Om kiezer van den Gemeenteraad te zijn moet men in de directe belastingen de helft betalen van de som, in de kiezers van leden der Tweede Kamer van de Staten-Generaal gevorderd.

-ocr page 57-

WET,

TOT EEGELING VAN HET KIESRECHT EN DE BENOEMING VAN AFGEVAAEDIGDEN TEE EERSTE EN TWEEDE KAMEE DEE STATEN-GENEEAAL.

(Vastgesteld den 7den September 1896, Stsbl. no. 164, uitgegeven den Uden September d. a. ï. Gewijzigd bij de wet van 31 Dec. 1896, Stsbl. no. 346.)

EEESTE AFDEELING.

Van het kiesrecht.

§ 1. Van de kiezers.

Art. 1. De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gekozen door de mannelijke ingezetenen des Eijks, tevens Nederlanders, die den leeftijd van vijf en twintig jaren hebben bereikt, voor zoover zij over het laatstverloopen dienstjaar in eene of meer der Eijks directe belastingen zijn aangeslagen, het te dier zake verschuldigde voor of óp den Isten Maart voldaan hebben, en (Kw. 2a; Wet 12 Dec. 1892, S. 268.)

a. over het volle laatstverloopen dienstjaar zijn aangeslagen in de grondbelasting voor een bedrag van ten minste een gulden, in de vermogensbelasting, in de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten of naar een of meer der vijf eerste grondslagen van de personeele belasting, zooals die is geregeld bij de wet van 16 April 1896 {Staatsblad no. 72); of (Kw. 5, 10, 11.)

b. indien zij niet overeenkomstig het bepaalde sub a zijn aangeslagen, voldoen aan eene der volgende voorwaarden:

1°. dat zij als hoofden van gezinnen of als alleenwonende personen op den Sisten Januari sedert den Isten Augustus van het vorige jaar hebben bewoond,

krachtens huur, achtereenvolgens in dezelfde gemeente niet meer dan twee huizen of gedeelten van huizen, voor elk waarvan, met of zonder bijbehoorenden grond of lokalen en bijgebouwen, niet ter bewoning bestemd, de werkelijke huurprijs, per week berekend, ten minste heeft bedragen de som, voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar het huis gelegen is, vermeld in de bij deze wet gevoegde tabel; (Kw. 26, 5,15.)

of, krachtens eigendom, vruchtgebruik of huur, eenzelfde vaartuig van ten minste 24 kubieke Meter; (Kw. 16.)

2°. dat zij op den Sisten Januari sedert den Isten Januari van het laatstverloopen jaar bij dezelfde persoon, onderneming, openbare

STAATSWETTEN. 3

-ocr page 58-

34 KIESWET.

of bijzondere instelling in dienstbetrekking of als inwonende zoon in het bedrijf of beroep der ouders werkzaam zijn en als zoodanig over dat jaar een inkomen hebben genoten als voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar zij wonen, is vermeld in de bij deze wet gevoegde tabel; (Kw. 2\'. 17.)

of dat zij op den Isten Februari in het genot zijn van een door eene openbare instelling verleend pensioen van gelijk bedrag;

met dien verstande dat voor hen, die in beide gevallen verkee-ren, zoo noodig, ter bereiking van het vereischte bedrag, het inkomen en het pensioen worden samengeteld;

3°. dat zij op den Isten Februari sedert een jaar den eigendom met recht van vrije beschikking hebben van ten minste ƒ 100 (nominaal), ingeschreven in de Grootboeken der Nationale Schuld of van ten minste ƒ 50, ingelegd in de Rijkspostspaarbank; (Kw. 18, 21.)

4°. dat zij hebben voldaan aan de eischen van bekwaamheid, door of krachtens de wet gesteld voor de benoembaarheid tot eenig ambt, voor de vervulling van eenige betrekking of voor de uitoefening van eenig bedrijf of beroep. (G. 76; Kw. 6, 7,19.)

2. Onder hen, die den leeftijd van vijf en twintig jaren hebben bereikt, verstaat deze wet hen, die dien leeftijd hebben bereikt vóór of op den 15den Mei.

De aanslag der vrouw in de Eijks directe belastingen geldt voor haren man; die van minderjarige kinderen wegens goederen, waarvan hun vader het vruchtgenot heeft, voor hunnen vader. (Kw. 101.)

Aanslagen in de grondbelasting wegens onroerende goederen eener onverdeelde nalatenschap gelden ook voor den mede-eigenaar, wiens naam niet bij den aanslag in het kohier is vermeld, mits zijn aandeel in dien aanslag ten minste één gulden bedraagt.

Door den aanslag in de grondbelasting, in art. 1 vermeld, worden de hoofdsom en de Eijks-opcenten verstaan.

Aanslag in de vermogens- of in de bedrijfsbelasting geeft geene aanspraak op kiesrecht, indien hij het gevolg is van eene met de waarheid strijdige aangifte.

Bij de berekening van den werkelijken huurprijs wordt maandhuur tot weekhuur herleid door deeling met 4, jaarhuur door deeling met 50.

Bij de berekening van het inkomen, bedoeld in art. 16, 2°., eerste lid, worden vrije woning of inwoning en vrije kost en inwoning gerekend op het bedrag, voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar zij genoten worden, vermeld in de bij deze wet gevoegde tabel; enkel vrije kost op het bedrag, vermeld in de laatste kolom, verminderd met dat, vermeld in de voorlaatste kolom dier tabel. Overigens komt alleen geld in aanmerking.

Indien het inkomen, bedoeld in art. 1 b, 2°., als vast week-, veer-tiendaagsch-, maand- of jaarloon is genoten en dit loon wegens ziekte of verwonding gedurende ten hoogste twee maanden niet of niet ten volle is ontvangen, wordt het geacht tot het normale bedrag te zijn genoten.

r

-ocr page 59-

KIESWET.

Indien gedeelten eener gemeente in de bij deze wet gevoegde tabel afzonderlijk worden genoemd, wordt de grens tusschen die ge-ieelten door Ons. Gedeputeerde Staten gehoord, bepaald en wanneer verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, gewijzigd.

Van deze besluiten wordt mededeeling gedaan in de Staatscourant, met bijvoeging van de adviezen van Gedeputeerde Staten, voor zoover bij de besluiten van die adviezen is afgeweken.

3. Van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten:

zij, wien het kiesrecht ontzegd is bij eene onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; fKw. 22.)

zij, die in gevangenschap of hechtenis zijn;

zij, die bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; (Kw. 22.)

zij, die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling Ier kiezerslijsten onderstand van eene instelling van weldadigheid jf van een gemeentebestuur hebben genoten. (Kw. 4, 23.)

4. Deze wet verstaat onder onderstand elke ondersteuning in geld of mdere benoodigdheden, tot leniging van nood aan behoeftigen verstrekt. Kw. 23.)

5. De uitoefening van het kiesrecht wordt geschorst voor de mi-itairén beneden den graad van sergeant bij de zee- en landmacht in de daarmede gelijkgestelden:

a. ten aanzien van vrijwillig dienenden bij de zeemacht gedurende lun diensttijd;

b. ten aanzien van vrijwillig dienenden bij de landmacht voor den ijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden;

c. ten aanzien van ingelijfden bij de militie voor den tijd, gedu-ende welken zij niet met groot verlof zijn;

d. ten aanzien van hen, die behooren tot de Koninklijke Neder-landsche Marine-reserve voor den tijd, gedurende welken zij in ac-Meven dienst zijn.

s De schorsing wordt niet toegepast ten aanzien van de bij lit. a en \'li bedoelde militairen, voor zooverre zij kiesgerechtigd zijn krachtens getaalde Rijks directe belasting of krachtens huur, een en ander overeenkomstig het daaromtrent bepaalde bij art. 1 dezer wet. (Kw. 24, 34,35.)

6. Voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden der Provinciale Staten gelden dezelfde regelen, als die welke in de artt. 1—5 Voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden der Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien verstande, dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn. (Kw. 160.)

7. Voor de bevoegdheid tot het kiezen van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen, als die, welke in de artt. 1—5 ioor de bevoegdheid tot het kiezen van leden van de Tweede Ka-iper der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien verstande, dat men Bovendien ingezeten der gemeente moet zijn. en dat zij, die niet val-

35

3*

-ocr page 60-

36 KIESWET.

len onder art. 1 a, over het volle laatstverloopen dienstjaar in de gemeente moeten zijn aangeslagen in eene plaatselijke directe belasting tot ten minste het bedrag, voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar zij wonen, vermeld in de tweede kolom der sub art. 16, 1°., bedoelde tabel en hun aanslag in die belasting op den Isten Maart ten volle moeten hebben voldaan. (Kw. 160.)

§ 2. Van de lijsten der kiezers.

hand een 1 door meen merk Vlt;

Art. 8. In elke gemeente wordt jaarlijks, naar aanleiding van de opgaven en van het onderzoek in de artt. 10 en volgende vermeld,

door het gemeentebestuur eene lijst opgemaakt, de inwoners aanwijzende, die tot het kiezen van leden van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten en van den gemeenteraad bevoegd zijn.

Vormt eene gemeente meer dan één kiesdistrict voor de Tweede Kamer, dan kan, voor zooveel die kiesdistricten samenvallen met die voor de verkiezing van de Provinciale Staten en van den gemeenteraad, voor ieder kiesdistrict eene afzonderlijke lijst worden opgemaakt. (Kw. 162.)

9. De lijst vermeldt, in alphabetische volgorde, de namen der kiezers en verder hunne voornamen, de plaats en dagteekening hunner geboorte en de dagteekening hunner naturalisatie, zoo die heeft plaats gevonden, de bepaling, waaraan zij het kiesrecht ontleenen en tot welke verkiezing zij bevoegd zijn.

Is eene gemeente in kiesdistricten verdeeld en geene toepassing gegeven aan het tweede lid van art. 8, of is eene gemeente in stem-districten verdeeld, dan wordt daarenboven melding gemaakt van de plaats hunner woning op den Isten Februari van het jaar der vaststelling, en van het kiesdistrict en het stemdistrict, waartoe zij dientengevolge behooren.

De kiezers van wie de plaats der woning niet met zekerheid kan worden aangewezen, behooren tot het eerste kiesdistrict en tot het stemdistrict, waarin het hoofdstembureau is gevestigd, of, is in de gemeente geen hoofdstembureau gevestigd, tot het eerste stemdistrict der gemeente.

De vorm en de inrichting der kiezerslijst worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. (Kw. 128, 59, 60; K.B. 28 Nov. van 1896, S. 176.) Jeene

10. Jaarlijks vóór den löden Februari zenden de ontvangers der sin ar directe belastingen en der successierechten, ieder voor zijn ressort, In aan den burgemeester door hen te waarmerken opgaven, waarin alle mannelijke inwoners der gemeente worden opgenomen, die in de gemeente over het volle laatstverloopen dienstjaar overeenkomstig art.

lo zijn aangeslagen, met aanteekening van hen, die het te dier zake verschuldigde op den Isten Februari niet hebben voldaan.

Eveneens zenden gemelde ontvangers jaarlijks vóór den 15den Fe-

iruar iet li reslaf ichuli Va lebbe Kw. 11. ;evin mder Rijks reft !en 1: jvere aansli slagbi lebbt 12. lijke derde te wc aangi steld.

De inoet( merk deel gemei aan 1

13

meesl art. ! op dlt; Febn

14 mode

-ocr page 61-

KIESWET.

iruari aan den burgemeester gelijke opgaven van de overige over iet laatstverloopen dienstjaar in eenige Rijks directe belasting aan-eslagen mannelijke inwoners der gemeente, die het te dier zake ver-chuldigde op den Isten Februari niet hebben voldaan.

Van betalingen, in de maand Februari gedaan, kunnen de belang-isbbenden vóór den 3den Maart aan den burgemeester doen blijken. Kw. la.)

11. De burgemeester noodigt vóór den 8sten Februari bij kennisgeving de mannelijke inwoners der gemeente uit, om zoo zij in eene indere gemeente over het volle laatstverloopen dienstjaar in eene der Rijks directe belastingen zijn aangeslagen, wat de grondbelasting beseft in eene andere gemeente of in meer gemeenten te zamen tot 3en bedrag van ten minste één gulden, daarvan door overlegging der overeenkomstig het bepaalde bij art. la voor voldaan geteekende lanslagbiljetten vóór den 15den Februari te doen blijken. Deze aanslagbiljetten worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belang-lebbenden teruggegeven. (Kw. la.)

12. Bij dezelfde kennisgeving noodigt de burgemeester de manne-ijke inwoners der gemeente, die op grond van het bepaalde bij het derde lid van art. 2 aanspraak meenen te kunnen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijst, uit, daarvan vóór den loden Februari aangifte te doen. Het model dezer aangifte wordt door Ons vastgesteld. (K.B. 28 Nov. 1896, S. 176, Mod. II.)

De bewijsstukken, bij zoodanige aangifte over te leggen, waartoe moeten behooren het aanslagbiljet of door den ontvanger gewaarmerkt duplicaat daarvan, eene opgaaf van het bedrag van het aandeel in den aanslag en de noodige bescheiden ten bewijze van het gemeenschappelijk bezit, worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven.

13. Bij de kennisgeving, in art. 11 vermeld, noodigt de burgemeester tevens de mannelijke inwoners der gemeente, die krachtens art. 1 b aanspraak meenen te kunnen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijst uit, daarvan voor zooveel noodig, vóór den 15den Februari aangifte te doen. (Kw. 149.)

14. De in het voorgaand artikel bedoelde aangiften, waarvan de modellen door Ons worden vastgesteld, moeten behelzen eene opgaaf van naam en voornamen en woonplaats van den belanghebbende en eene door hem onderteekende verklaring, betreffende de vereischten iu art. li omschreven, waarop hij zijne aangifte grondt.

In geval de belanghebbende verklaart niet in staat te zijn, zijne handteekening te stellen, kan worden volstaan met het plaatsen van een handmerk in tegenwoordigheid van den secretaris, of van een door den burgemeester aangewezen ambtenaar ter secretarie der gemeente, die van de verklaring en van het plaatsen van het hand-merk in zijne tegenwoordigheid aanteekening doet op de aangifte.

Voorts moeten bij die aangiften worden overgelegd de opgaven en

37

-ocr page 62-

KIESWET.

bewijsstukken, in de volgende artikelen genoemd. (K.B. 28 Nov. 1896, S. 176, Mod. Ill—X.)

15. In het geval, voorzien bij art. 16, 1°., tweede lid, moet worden overgelegd eene opgaaf, zoo mogelijk met aanduiding van straat en nummer, van het huis of gedeelte van het huis of wel, in geval van eene verhuizing als aldaar bedoeld, van de huizen of gedeelten van huizen, met of zonder bijbehoorenden grond en lokalen en bijgebouwen, niet ter bewoning bestemd, door den belanghebbende van den Isten Augustus van het laatstverloopen tot en met den Sisten Januari van het loopende jaar bewoond, van het bedrag van den huurprijs en van naam en woonplaats van den verhuurder. (Mod. UIA en B.)

16. In het geval, voorzien bij art. 1 b, 1% derde lid, moet worden overgelegd eene opgaaf van den naam van het vaartuig, van den inhoud, van den rechtstitel, krachtens welken het is bewoond en, is deze huur, van naam en woonplaats van den verhuurder. (Mod. IV.)

17. In het geval van dienstbetrekking als bedoeld bij art. 16, 2°., eerste lid, moet worden overgelegd eene opgaaf van den aard dei-dienstbetrekking van den belanghebbende, van naam en woonplaats van den persoon bij wien, of van naam en plaats van vestiging der onderneming of der bijzondere instelling of van den naam der openbare instelling, waarbij hij van 1 Januari van het laatstverloopen tot en met den Sisten Januari van het loopende jaar in dienstbetrekking was, van het bedrag van het door hem over het laatstverloopen jaar in die dienstbetrekking genoten inkomen, benevens van vrije kost en vrije woning, voor zoover genoten.

Indien het inkomen geheel of ten deele heeft bestaan uit een vast week-, veertiendaagsch-, maand- of jaarloon, kan met de opgave van het periodiek bedrag, en van den tijd, gedurende welken dit werd genoten of wegens ziekte of verwonding niet of niet ten volle werd genoten, worden volstaan. (Mod. V.)

Door den inwonenden zoon, die de bepaling van art. 1 b, 2°., inroept, moet worden overgelegd eene opgaaf van den naam zijner ouders, vader of moeder, van het door hen uitgeoefend bedrijf, van de werkzaamheden, die hij daarin verrichtte, van het daarvoor over het laatstverloopen Jaar in geld genoten inkomen, benevens van vrije kost en vrije woning, voor zoover genoten. (Mod. VI, VIII.)

In het geval, voorzien bij art. 16, 2°., tweede lid, moet worden overgelegd eene opgaaf van den naam der openbare instelling en van het bedrag van het pensioen. (Mod. VII.)

18. In het geval, voorzien bij art. IJ, 3°., moet worden overgelegd eene door of vanwege de directie van de Grootboeken der Nationale Schuld of den directeur der Rijkspostspaarbank afgegeven verklaring.

De verklaring van den directeur der Rijkspostspaarbank wordt den belanghebbende toegezonden op schriftelijke aanvraag met opgaaf van

38

-ocr page 63-

KIESWET.

het nummer waaronder en het kantoor, alwaar het spaarbankboekje is uitgegeven. In de verklaring worden dit nummer en dit kantoor vermeld. (Mod. IX A en B.)

19. In het geval, voorzien bij art. 16, 4quot;., moet worden overgelegd eene opgaaf van het door den belanghebbende met goed gevolg afgelegde examen en van het jaar en de plaats der aflegging. (Mod. X.)

20. Hij, die krachtens het bepaalde bij art. 16, 1°., 2°. tweede lid, 8°. of 4°., op de kiezerslijst voorkomt, wordt, tenzij hij eene der voor de kiesbevoegdheid gestelde vereischten heeft verloren of opgehouden heeft inwoner der gemeente, op welker kiezerslijst hij geplaatst is, te zijn, op de kiezerslijsten voor volgende jaren geplaatst, zonder nadere aangifte, in het geval, voorzien bij art. 1 b. I0., zoolang hij alsnog hetzelfde huis of een gedeelte van hetzelfde huis of hetzelfde vaartuig bewoont.

Aan hem, die krachtens het bepaalde bij art. 1 b, 2°., eerste of derde lid, op de kiezerslijst voorkomt wordt, zoo hij nog in de gemeente woont, door den burgemeester vóór den 8sten Februari een aangiftebiljet ter invulling toegezonden. (Kw. 149.)

21. De burgemeester zendt jaarlijks vóór den Isten Februari eene lijst van hen, die krachtens het bezit van ƒ 100 (nominaal), ingeschreven in de Grootboeken der Nationale Schuld overeenkomstig het bepaalde bij art. 1 b, 3°., op de kiezerslijst voorkomen, aan de directie dier Grootboeken. Deze doet vóór den 15deu Februari aan den burgemeester opgaaf van hen, die op den Isten Februari niet meer aan de bij gemeld artikel gestelde voorwaarden voldeden.

De burgemeester zendt jaarlijks vóór den 15den Januari aan den directeur der Rijkspostspaarbank eene lijst van hen, die krachtens het bezit van / 50, ingelegd in de Rijkspostspaarbank, overeenkomstig het bepaalde bij art. 1 b, 3°., op de kiezerslijst voorkomen, met vermelding der nummers waaronder, en der kantoren, alwaar de spaarbankboekjes zijn uitgegeven. Deze doet vóór den 15den Februari aan den burgemeester opgaaf van hen, die op den Isten Februari niet meer aan de bij gemeld artikel gestelde voorwaarden voldeden.

22. De Minister van Justitie doet jaarlijks vóór den 15den Februari aan de burgemeesters toekomen eene gewaarmerkte opgaaf van de namen in alphabetische volgorde gesteld, en van de voornamen, met vermelding van plaats en dagteekening van geboorte, van de mannelijke personen, die vóór of op den 15den Mei den leeftijd van vijf en twintig jaren zullen hebben bereikt en bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren, of aan wie bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak het kiesrecht is ontzegd, en voor wie dat verlies of die ontzegging op den Isten Februari van hetzelfde jaar voortduurde. (Kw. 3.)

23. De burgemeester zendt jaarlijks na het van kracht worden dei-kiezerslijst aan het bestuur van elke der in de gemeente gevestigde

39

-ocr page 64-

40

instellingen van weldadigheid, voorkomende op de lijst, bedoeld in art. 3 der wet van 28 Juni 1854 (Staatsblad no. 100) een afschrift of afdruk daarvan, benevens eene afzonderlijke lijst, gemerkt A, van de namen der personen, die voor plaatsing op de kiezerslijst in aanmerking kwamen, doch wegens het genieten van onderstand van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur niet op die lijst voorkomen. De gemelde besturen zijn verplicht jaarlijks vóór den loden Februari aan den burgemeester eene gewaarmerkte opgave te doen toekomen van de namen van alle op deze toegezonden lijsten voorkomende personen, welke in het laatstverloopen burgerlijk jaar van hunnentwege onderstand, rechtstreeks of middellijk, hebben genoten.

Voorts zendt de burgemeester jaarlijks vóór den 22sten Februari aan de gemelde besturen eene lijst, gemerkt B, van de personen, die voor plaatsing op de kiezerslijst in aanmerking kunnen komen en niet voorkomen op de van kracht zijnde kiezerslijst of op voormelde lijst A. Die besturen zijn verplicht jaarlijks vóór den 8sten Maart omtrent die personen gelijke opgave te doen, als in het vorig lid voorgeschreven. (Kw. 3, 4.)

24. De bevelhebbers der in eene gemeente aanwezige zee- of landmacht doen, ieder voor zooveel hem aangaat, jaarlijks vóór den 15den Februari, aan den burgemeester toekomen door hen gewaarmerkte opgaven van de namen, in alphabetische volgorde gesteld, en van de voornamen, met vermelding van plaats en dagteekening van geboorte en van de woonplaats, der manschappen beneden den in art. 5 bedoelden graad, die vóór of op den 15den Mei den leeftijd van vijf en twintig jaren zullen hebben bereikt en op wie op den Isten Februari van hetzelfde jaar art. 5, a, b, c of d, toepasselijk is. Zij verstrekken telkenmale gelijke opgaven omtrent de personen, op wie art. 5, a, b, c of d, toepasselijk wordt, of ophoudt toepasselijk te zijn.

Van deze opgaven wordt door de burgemeesters, die ze ontvangen, ten aanzien van elk der daarin genoemde personen zoo spoedig mogelijk mededeeling gedaan aan het bestuur der gemeente zijner inwoning. (Kw. 5, 35.)

25. De burgemeester stelt een voorloopig onderzoek in:

1°. of de opgaven der ontvangers personen vermelden, wier aanslag in de vermogens- of in de bedrijfsbelasting grond oplevert tot het vermoeden, dat hij het gevolg is van eene met de waarheid strijdige aangifte;

2°. of de feiten, vermeld in de bij de artt. 15, 16, 17 en 19 bedoelde aangiften juist zijn;

3°. of zij, die krachtens art. 1 b, 1°., op de kiezerslijst voorkomen op den Isten Februari alsnog aan de daarbij gestelde voorwaarden voldoen;

4quot;. of er onder hen, die voor plaatsing op de Idezerslijsi in aanmerking kunnen komen, zich personen bevinden, die krachtens het bepaalde bij art. 3, laatste lid, van plaatsing op de kiezerslijst zijn uitgesloten.

c f i ie\'

-ocr page 65-

KIESWET.

Vóór den Ssten Maart brengt de burgemeester omtrent de uitkomsten van dit onderzoek een schriftelijk verslag uit aan het gemeentebestuur. (Kw. 150.)

26. Op verzoek van den burgemeester zijn verhuurders van woningen, als bedoeld in art. 15, van vaartuigen, als bedoeld in art. 16, En de personen en de bestuurders van ondernemingen of instellingen, als bedoeld in art. 17, verplicht binnen 14 dagen inlichtingen te verschaffen ten behoeve van het in art. 25, 2°. en 3°., bedoelde onderzoek. (Kw. 150, 152,157,158.)

27. Indien ten gevolge van het onderzoek, bij art. 25 bedoeld, het i gemeentebestuur besluit een persoon voorloopig niet op de kiezerslijst te plaatsen, geeft de burgemeester dezen daarvan vóór den 23sten Maart schriftelijk kennis. (Kw. 50.)

28. Het gemeentebestuur stelt de kiezerslijst telken jare opnieuw Tast op den 228ten Maart.

Het stelt tegelijkertijd alphabetische lijsten vast der namen en voornamen van hen, die van de kiezerslijst zijn afgevoerd en van Men, die daarop zijn gebracht, met vermelding van de verder omtrent Een in de kiezerslijst voorkomende opgaven.

| De kiezerslijst wordt, met de in het voorgaande lid bedoelde lijsten, van den 23sten Maart tot en met den 21sten April op de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage nedergelegd en, tegen betaling der kosten, in afschrift of afdruk verkrijgbaar gesteld. Van • flit een en ander geschiedt te gelijker tijd openbare kennisgeving.

29. Tot en met den 15den April is een ieder bevoegd bij het ge-

1 leentebestuur verbetering van de door dat bestuur vastgestelde Ide-

2 ;rslijst te vragen, op grond dat hijzelf of een ander, in strijd met t e wet, daarop voorkomt, niet voorkomt, of niet behoorlijk voorkomt. (Sw. 37.)

30. Indien het verzoek om verbetering van de kiezerslijst niet ( en verzoeker betreft, wordt den belanghebbende door den burge-i leester binnen vier en twintig uren schriftelijk hiervan mededeeling j edaan. (Kw. 50.)

31. De verzoeken om verbetering van de kiezerslijst worden, met ce bijgevoegde bewijsstukken, dadelijk tot en met den 21sten April

| Voor een ieder op de secretarie der gemeente ter inzage nederge-1 \'gd en in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.

Een ieder is tot tegenspraak van het verzoek bevoegd.

De tegenspraak wordt schriftelijk en uiterlijk den 23sten April Min het gemeentebestuur ingediend.

32. De burgemeester doet, ingeval verbetering van de kiezerslijst 1 ordt gevraagd, op grond dat de verzoeker of een ander in strijd i et de wet daarop niet of niet behoorlijk voorkomt, binnen 24 uren np het inkomen van het verzoek aan de besturen van elk der in aj\'t. 23 bedoelde instellingen mededeeling van den naam van den-gtne, wiens plaatsing op de lijst verlangd wordt.

41

-ocr page 66-

KIESWET.

Deze besturen zijn verplicht binnen 7 dagen aan het gemeentebestuur kennis te geven van het feit, indien het zich voordoet dat de persoon in het burgerlijk jaar, aan de vaststelling der lijst voorafgaande, van hunnentwege onderstand heeft genoten. (Kw. 153, 157.)

33. Na den 23sten April, doch vóór den loden Mei, beslist het gemeentebestuur over de verzoeken om verbetering en worden de daarbij bevolen wijzigingen in de kiezerslijst aangebracht, met waarmerking der wijzigingen door den burgemeester en den secretaris.

De beslissing van het gemeentebestuur is met redenen omkleed en wordt in haar geheel door den burgemeester op de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage nedergelegd en in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld. De burgemeester doet hiervan ten spoedigste, uiterlijk op den vijfden dag na dien der beslissing, openbare kennisgeving en deelt te gelijker tijd de beslissing, is daarbij wijziging van de kiezerslijst bevolen, schriftelijk mede aan hem wien . de wijziging betreft. Gelijke mededeeling geschiedt, wanneer het ver- \\ zoek om verbetering geheel of ten deele niet is toegewezen, aan den verzoeker, zoo de gevraagde verbetering van de kiezerlijst hemzelven betrof.

De overgelegde bewijsstukken worden na de beslissing van het gemeentebestuur aan belanghebbenden teruggegeven. (Kw. 50.)

34. Van den 15den Mei tot den 15den Mei van het volgende jaar blijft de door het gemeentebestuur vastgestelde lijst, zooals die door zijne beslissingen al dan niet is gewijzigd, van kracht, behou- -dens de wijzigingen daarin ten gevolge van rechterlijke uitspraken,1 j welke wijziging der lijst bevelen, te brengen en de aanteekeningen omtrent schorsing, daarin te maken overeenkomstig de bepalingen dezer wet. (Kw. 5.)

De kiezerslijst blijft voor een ieder op de secretarie der gemeente ter inzage nedergelegd en in afschrift of afdruk, tegen betaling der kosten verkrijgbaar.

Afschrift of afdruk van de van kracht geworden kiezerslijst wordt gezonden aan den burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict gelegen is. Aan hem géschiedt ook mededeeling van de wijzigingen, welke de lijst ten gevolge van rechterlijke uitspraken ondergaat en van de krachtens art. 35 daarop gehoudene aanteekeningen. ,

35. Het gemeentebestuur vermeldt bij eene door den burgemeester en den secretaris gewaarmerkte aanteekening op de kiezerslijst achter de namen der kiezers, omtrent wie opgaven inkomen, als bedoeld in art. 24 dezer wet en die niet vallen in de termen van hei laatste lid van art. 5, de schorsing van het Idesrecbt en de opheffing der schorsing.

Van deze aanteekening wordt telkenmale onmiddellijk mededeeling gedaan aan den kiezer, wien zij aangaat. Hij kan, ajht hij zich dooi de schorsing bezwaard, tegen deze aanteekening, binnen acht\' dagen 1 na ontvangst der mededeeling, herstel verzoeken bij het gemeente-

42

-ocr page 67-

KIESWET.

bestuur, dat daaromtrent zoo spoedig mogelijk beslist. De bepalingen van art. 33 zijn hierbij van toepassing. (Kw. 50.)

36. Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag der in artt. 33 en 35 bedoelde kennisgeving, kan door een ieder, die niet in de door het gemeentebestuur geuomene beslissing berust, de zaak bij een met redenen omkleed verzoek, vergezeld van de bewijsstukken en van een afschrift der beslissing van het gemeentebestuur, worden onderworpen aan de uitspraak van den kantonrechter, binnen wiens ressort de lijst is opgemaakt.

Is eene gemeente in kiesdistricten verdeeld, en tevens in die gemeente meer dan een kantongerecht gevestigd, dan is de kantonrechter bevoegd, binnen wiens ressort hij, over wiens kiesbevoegdheid verschil is, zijne woning heeft, of, indien hij wel inwoner der gemeente is, maar niet binnen een bepaald kiesdistrict zijne woning heeft, alsdan de kantonrechter of de kantonrechters, binnen wiens of wier ressort het eerste kiesdistrict der gemeente gelegen is.

Met inachtneming der navolgende bepalingen wordt dit verzoek als eene burgerlijke zaak berecht. (Kw. 112.)

37. De verzoeker laat zijn verzoekschrift met afschrift der bewijsstukken en der beslissing van het gemeentebestuur, binnen twee dagen na de indiening beteekenen aan hen, die bij het verzoek aan het gemeentebestuur partijen zijn geweest. Hij doet het exploit van beteekening ter griffie van het kantongerecht nederleggen. (Kw. 29.)

38. De wederpartij kan binnen vijf dagen na deze beteekening eene memorie van antwoord aan den kantonrechter indienen, niet overlegging van bewijsstukken.

39. De kantonrechter is bevoegd partijen te hooren en aan elke van haar bewijsvoering door getuigen of een eed op te leggen.

Binnen zes dagen doet hij zijne einduitspraak of geeft hij eene beschikking als bedoeld bij het eerste lid van dit artikel. In het laatste geval kan hij bij zijne beschikking tevens bij provisie wijziging der kiezerslijst bevelen.

40. De vernietiging van de ten gevolge van de artt. 36 tot 39 gedane uitspraak van den kantonrechter kan, doch alleen wegens schending of verkeerde toepassing der wet gevraagd worden aan den Hoogen Kaad, door ieder, die by die uitspraak partij is geweest.

41. Hij legt daartoe, binnen veertien dagen na den dag, waarop het vonnis van den kantonrechter is uitgesproken, ter griffie van den Hoogen Eaad een verzoekschrift neder, waarin zijne gronden en eisch tot cassatie worden ontvouwd, met aanwijzing der wetsbepalingen, welke hij beweert te zijn geschonden of verkeerdelijk toegepast.

Hij legt daarbij over een afschrift van het vonnis, waarvan hij de vernietiging verlangt, en alleen die bewijsstukken, welke hij voor den kantonrechter heeft gebruikt.

Partijen zijn niet gehouden zich van de tusschenkomst van advocaten te bedienen.

43

-ocr page 68-

KIESWET.

42. De verzoeker laat binnen acht dagen na het nederleggen van het voormelde verzoekschrift ter griffie van den Hoogen Raad aan de wederpartij beteekenen:

1°. een afschrift van dat verzoekschrift;

2°. een afschrift van het bewijs, door den griffier van den Hoogen Kaad afgegeven, van het nederleggen van dit verzoekschrift ter griffie van dien Baad;

en doet het exploit van beteekening ter zelfde griffie nederleggen.

43. De wederpartij kan, binnen veertien dagen na het ontvangen der beteekening, in het voorgaande artikel vermeld, ter griffie van den Hoogen Raad een verzoekschrift doen nederleggen, waarin hare beantwoording van den ingestelden eisch van cassatie en hare conclusie worden ontvouwd.

Zij mag daarbij geen andere bewijsstukken overleggen, dan die zij voor den kantonrechter heeft gebruikt. (Kw. 37.)

44. Binnen vier en twintig uren na afloop van den in art. 43 bedoelden termijn, stelt de griffier van den Hoogen Baad al de te dier zake ontvangen en te zijner griffie nedergelegde stukken in handen van den procureur-generaal bij den Hoogen Baad.

45. Deze brengt, binnen veertien dagen daarna, zijne conclusiën ter terechtzitting van den Hoogen Baad uit.

De Hooge Baad doet binnen veertien dagen daarna zijne uitspraak.

46. Wanneer de Hooge Baad grond vindt tot vernietiging van het vonnis van den kantonrechter, beslist hij in hetzelfde arrest de hoofdzaak, zooals de kantonrechter, die het vernietigde vonnis heeft gewezen, had behooren te doen. Indien de beslissing der hoofdzaak afhangt van daadzaken of rechtspunten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten, verwijst de Hooge Baad het geding naar den kantonrechter, ten einde met inachtneming van de uitspraak van den Hoogen Baad, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen.

47. De procureur-generaal bij den Hoogen Baad is, wanneer geene der partijen zich tegen het vonnis van den kantonrechter, in hare zaak gewezen, in cassatie heeft voorzien, bevoegd die cassatie, in het belang der wet, te vragen.

Het te wijzen arrest kan de rechten, door de partijen verkregen, niet benadeelen.

48. Indien er geene wederpartij is, of deze niet heeft geantwoord, komen de in art. 50 niet bedoelde kosten, zoo het verzoek wordt toegestaan, ten laste van den Staat.

49. Van de rechterlijke beslissing, welke wijziging van de kiezerslijst beveelt, wordt uiterlijk den volgenden dag door den griffier aan het bestuur der gemeente, welker kiezerslijst daardoor wijziging behoeft, kennis gegeven.

Overeenkomstig deze rechterlijke beslissing wordt onverwijld de

44

-ocr page 69-

KIESWET. 45

kiezerslijst gewijzigd, met aanteekening van de rechterlijke beslissing, waarvan de wijziging een gevolg is en met waarmerking door den burgemeester en den secretaris. (Kw. 113.)

50. De in de vorige artikelen bedoelde verzoekschriften, stukken, voor de rechtsvordering benoodigd, beslissingen, uitspraken en kennisgevingen zijn vrij van zegel-, griffie- en registratiekosten.

De mededeelingen en kennisgevingen in de artt. 27, 30, 33 en 35 bedoeld, geschieden bij aangeteekenden brief.

Aangiften en stukken, waarvan de overlegging wordt gevorderd, bedoeld in artt. 10—19, kunnen door belanghebbenden, met inachtneming der door Ons te stellen voorschriften, kosteloos per post aan den burgemeester worden toegezonden. 1) (Kw. 114.)

§ 3. Van het kiezen.

Art. 51. Op den dag der verkiezing kunnen bij den burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict, of waarin het geheele kiesdistrict gelegen is, van des voormiddags negen uur tot des namiddags vier uur opgaven van candidaten worden ingeleverd.

Deze opgaven moeten inhouden den naam, de voorletters en de woonplaats van den candidaat en onderteekend zijn door ten minste veertig kiezers, bevoegd tot deelneming aan de verkiezing, waarvoor de inlevering geschiedt.

De vorm en de inrichting der opgaven worden vastgesteld bij al-gemeenen maatregel van bestuur. Deze wijst tevens aan den tijd en de plaats, waarop formulieren kosteloos voor de kiezers verkrijgbaar moeten zijn. (Kw. 151,157.)

52. De inlevering der opgaven geschiedt persoonlijk door een of meer der personen, die haar hebben onderteekend. De candidaat kan daarbij tegenwoordig zijn.

De burgemeester stelt een bewijs van ontvangst ter hand aan den-gene, die de opgave inlevert.

53. Voldoet de opgave niet aan de door of krachtens deze wet gegeven voorschriften, dan wordt daarvan, met mededeeling van de redenen in het bewijs van ontvangst melding gemaakt. De burgemeester is niet bevoegd eene opgave te weigeren, dan wegens het gemis van het vereischte aantal onderteekeningen.

De burgemeester doet de bij hem ingeleverde opgaven op de secretarie der gemeente voor een ieder ter inzage nederleggen. Hij doet haar zoo spoedig mogelijk in afschrift aanplakken en, tegen betaling der kosten, daarvan afschriften verkrijgbaar stellen.

54. De ingeleverde opgaven van candidaten worden, naar de volg-

1

E.B. 4 Jan. 1897,S.44, bepaalt,(int de omslagen met bedoelde aangiften en stukken, welke kosteloos per post door de belanghebbenden aan den burgemeester kunnen worden toegezonden, moeten dragen, boven aan de vóórzyde het opschrift: „Vrij van briefport ingevolge art, 50 der kieswetquot; en in den linker benedenhoek de vermelding van den naam en de woonplaats van den afzender, gewaarmerkt door zijne handteekening.

-ocr page 70-

KIESWET.

orde, waarin zij bij den burgemeester zijn ingeleverd, door hem genummerd. Meerdere opgaven van denzelfden candidaat verkrijgen hetzelfde nummer als de eerst ingediende dezer opgaven.

De namen, de voorletters en woonplaatsen der candidaten worden door den burgemeester in alphabetisehe volgorde der namen op eene lijst gebracht. Op deze lijst wordt aanteekening gehouden van door den burgemeester, overeenkomstig art. 53 gemaakte opmerkingen.

De vorm en de inrichting dezer lijst worden vastgesteld bij alge-meenen maatregel van bestuur. (Kw. 132.)

55. De burgemeester van de hoofdplaats van een kiesdistrict, hetwelk meerdere gemeenten omvat zendt aan de burgemeesters der overige gemeenten onverwijld opgave van de namen, voorletters en woonplaatsen der candidaten in alphabetisehe volgorde. (Kw. 139.)

Ten minste drie dagen vóór den tot stemming bepaalden tijd ontvangt elk kiezer, die bevoegd ia aan de stemming deel te nemen, van den burgemeester der gemeente, op welker kiezerslijst hij voorkomt, eene kaart, bevattende eene oproeping voor de stemming. Op deze kaart worden vermeld zijn naam en voorletters, het nummer, waaronder hij op de kiezerslijst voorkomt, het lichaam, waarin eene of meer plaatsen moeten worden vervuld, het aantal te vervullen plaatsen, het stemdistrict, waartoe hij behoort, de plaats der stemming in dat district, de tijd der stemming, de namen en voorletters der candidaten in alphabetisehe volgorde en de inhoud vun art. 128 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorm en de inrichting dezer kaart worden vastgesteld bij al-gemeenen maatregel van bestuur.

Aan den tot deelneming aan de stemming bevoegden kiezer, die zijne kaart heeft verloren, of wien geene kaart is toegezonden, wordt op zijne aanvraag door of vanwege den burgemeester eene kaart uitgereikt, mits hij voldoende van zijne identiteit doe blijken.

Ten minste drie dagen vóór den tot stemming bepaalden tijd geschiedt tevens openbare kennisgeving van het lichaam, waarin eene of meer plaatsen moeten worden vervuld, het aantal te vervullen plaatsen, den tijd der stemming, de namen en voorletters der candidaten in alphabetisehe volgorde en den inhoud van art. 128 van het Wetboek van Strafrecht. (Kw. 74, 75.)

56. De stemming vangt aan des morgens te acht uren en duurt tot des namiddags te vijf uren. (Kw. 86.)

57. Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming, waarin mannelijke personen, die den leeftijd van vijf en twintig jaren hebben bereikt, arbeid verrichten in fabrieken en werkplaatsen ia verplicht te zorgen dat ieder van die personen, die bevoegd is tot de keuze mede te werken, gedurende ten minste twee achtereenvolgende uren tussehen acht uren des voormiddags en vijf uren des namiddags daartoe gelegenheid vinde. (Kw. 154,157.)

58. Het hoofd of de bestuurder in het voorgaande artikel bedeeld.

46

-ocr page 71-

KIESWET.

verplicht te zorgen dat in zijne fabriek of werkplaats, op eeue plaats, aar arbeid wordt verricht, gedurende twee werkdagen vóór, en op den t stemming bepaalden tijd op eene zichtbare wijze is opgehangen ne door hem onderteekende lijst de uren, in het voorgaand artikel edoeld, vermeldende, voor elk afzonderlijk of groepsgewijze of voor len gezamenlijk.

Op de woorden „arbeidquot; en „fabrieken en werkplaatsenquot; is § 1 er Arbeidswet toepasselijk. (Kw. 154.)

59. De stemming geschiedt ten overstaan van het stembureau in et voor iederen kiezer op de kiezerslijst aangewezen stemdistrict.

Kw. 128, 9.)

60. In elk stemdistrict is een stembureau.

Elk stembureau bestaat uit drie leden, waarvan één voorzitter is. Bovendien worden daarin minstens twee plaatsvervangende leden be-

icemd. (Kw. 155,157.)

61. De raad der gemeente, waarin het stembureau zitting houdt, )enoemt de leden en de plaatsvervangende leden van het stembureau lit zijn midden.

De raad evenwel eener gemeente, welke meer dan één stemdistrict )evat, kan buiten zijn midden inwoners dier gemeente tevens kiezers in het kiesdistrict, waartoe het stembureau behoort, telkens voor den tijd van twaalf maanden tot leden en plaatsvervangende leden der stembureaux van een kiesdistrict benoemen.

62. De burgemeester is voorzitter van het hoofdstembureau dei-gemeente, waarin het gevestigd is. Is in eene gemeente meer dan één hoofdstembureau gevestigd, dan is de burgemeester der gemeente voorzitter van het hoofdstembureau van het kiesdistrict, waarbinnen het gemeentehuis is gelegen. In dit geval worden de voorzitters der andere hoofdstembureaux door den gemeenteraad uit zijn midden benoemd en wordt voor de stembureaux een der leden daarvan bij de benoeming als voorzitter aangewezen.

In gemeenten waarin geen hoofdstembureau is gevestigd, is de burgemeester voorzitter van het stembureau in het eerste stemdistrict.

In de gevallen bij de twee voorafgaande leden bedoeld kan de burgemeester zich laten vervangen door een lid van den gemeenteraad, daartoe door den raad aan te wijzen.

De voorzitters van alle andere stembureaux worden door den gemeenteraad zooveel mogelijk uit zijn midden benoemd. Is het getal der beschikbare gemeenteraadsleden niet toereikend om daaruit voorzitters voor alle stembureaux in de gemeente aan te wijzen, dan kan de raad daartoe inwoners van de gemeente, tevens kiezers in het kiesdistrict, waartoe het stembureau behoort, benoemen. (Kw. 93—95,128.)

63. De bij de opening der zitting van het stembureau fungeeren-de voorzitter, leden of plaatsvervangende leden, die kiezers zijn in het district waarbinnen het stembureau zitting houdt, kunnen slechts aan dat stembureau aan de stemming deelnemen.

47

-ocr page 72-

KIESWET.

84. Gedurende de stemming zijn steeds de voorzitter en twee leden in het stembureau aanwezig.

Bij ziekte of noodzakelijke verhindering van den voorzitter treden die leden, naar volgorde van benoeming, als zoodanig op.

De tijdelijke vervanging der leden wordt, zoo daaraan behoefte bestaat, door den voorzitter van het stembureau geregeld.

Zijn geene plaatsvervangende leden beschikbaar, dan worden door den voorzitter uit de in het lokaal aanwezige kiezers, een of meerdere leden benoemd, voor den tijd der ontstentenis van de plaatsvervangende leden.

Van alle verwisselingen in de samenstelling van het stembureau wordt op het proces-verbaal aanteekening gehouden met opgave van de reden daarvoor en van den tijd der vervanging.

65. Bij plaatselijke verordening, waarvan afkondiging geschiedt, wordt voor elk stemdistrict een geschikt stemlokaal aangewezen.

De burgemeester zorgt voor de inrichting van het lokaal. (Kw. 82—84.)

66. Op de tafel, voor het stembureau staande, ligt een exemplaar dezer wet en der algemeene maatregelen van bestuur, die op de verkiezing betrekking hebben, en een afschrift of afdruk van de kiezerslijst. (Kw. 78.)

67. De tafel is zoodanig geplaatst, dat de kiezers de verrichtingen van het bureau kunnen gadeslaan.

68. Nevens of op die tafel staat de stembus, vervaardigd naar het bij algemeenen maatregel van bestuur daarvoor vast te stellen model en gesloten met twee verschillende sleutels, waarvan de eene onder den voorzitter, de andere onder het oudste lid berust. (Kw. 73.)

89. Buiten de ruimte voor het publiek bestemd, zijn in het stemlokaal een of meer geheel van elkander afgescheidene lessenaars geplaatst, waarvan de toegang zichtbaar is voor het stembureau en voor het publiek, en waaraan de invulling van het stembiljet in het geheim geschiedt.

De verdere inrichting van het stemlokaal, het aantal, de plaatsing en de inrichting der lessenaars, worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (Kw. 77.)

70. De burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, draagt zorg, dat stembiljetten tot een met twintig ten honderd van het getal der kiesbevoegden in het district vermeerderd aantal, tijdig worden in gereedheid gebracht en in eene, aan het aantal der kiezers in elke gemeente evenredige, hoeveelheid aan de burgemeesters der gemeenten van het Idesdistrict, zoo dit meerdere gemeenten omvat, worden toegezonden in een verzegeld pak, waarop het aantal der zich daarin bevindende biljetten is vermeld. Geen andere stembiljetten mogen bij de stemming worden gebruikt.

71. De burgemeester draagt zorg, dat vóór den aanvang der stem-

48

-ocr page 73-

KIESWET. 49

ning bij elk stembureau in zijne gemeente aanwezig zijn stembiljet-en tot een met twintig ten honderd van het getal der Idesbevoeg-len in het stemdistrict vermeerderd aantal. Deze biljetten worden aan iet bureau toegezonden in een verzegeld pak, waarop het aantal der ich daarin bevindende biljetten is vermeld.

72. Op het stembiljet zijn aan de eene zijde in alphabetische volg-irde de namen gedrukt der eandidaten, waarover de stemming ge-ichiedt; aan de keerzijde is de handteekening van den burgemeester Ier hoofdplaats van het kiesdistrict gestempeld.

De verdere inrichting van het stembiljet wordt geregeld bij alge-neenen maatregel van bestuur.

73. Vóór den aanvang der stemming, alvorens iemand tot deelne-aing daaraan wordt toegelaten, opent het stembureau het pak met itembiljetten, telt de biljetten en sluit de bus, na zich te hebben )vertuigd dat zij volkomen ledig is.

74. Tot de stemming wordt niemand toegelaten dan die volgens le kiezerslijst bevoegd is tot de keuze mede te werken en in het be-lit is van de bij art. 55 vermelde kaart.

75. De kiezer overhandigt aan het stembureau de kaart, vermeld n art. 55.

76. De kiezer ontvangt daarop uit handen van den voorzitter het tembiljet.

De biljetten mogen niet vroeger en alleen op deze wijze aan de dezers worden verstrekt.

De beide leden van het stembureau houden aanteekening van het ;etal der verstrekte biljetten.

77. De kiezer begeeft zich na ontvangst van het stembiljet onver-rijld naar eenen niet in gebruik genomen lessenaar en stemt aldaar loor met potlood zwart te maken een wit stipje geplaatst in een tem vak voor den naam van den candidaat zijner keuze.

De voorzitter van het stembureau, na zich, zonder het stembiljet n handen te nemen, overtuigd te hebben dat het aan de buitenzijde len voorgeschreven stempel draagt, doet den kiezer het biljet in de itembus steken. (Kw. 69.)

78. Een der leden van het stembureau houdt, door het stellen ijner paraphe naast den naam van den kiezer op een afschrift of ifdruk van de kiezerslijst, aanteekening, dat de kiezer aan de stem-ning heeft deelgenomen. (Kw. 66; Art. 4K.B. 28 Nov. 1896, S. 176.)

78. Een kiezer kan, wanneer hij zich bij de invulling van zijn )iljet vergist, eenmaal een nieuw stembiljet aanvragen, mits het eerst iverhandigde door hem wordt teruggegeven.

80. Wanneer blijkt dat een kiezer lichamelijk hulpbehoevend is, tan de voorzitter van het stembureau toestaan, dat hij zich doe bijstaan.

81. De kiezer, die na waarschuwing de bij deze wet of de bij den »t uitvoering daarvan genomen algemeenen maatregel van bestuur, gegeven voorschriften omtrent de stemming niet opvolgt, wordt niet

STAATSWETTEN. 4

den

den

ifte

oor ser-its-

iau ran

dt,

^w.

lar er-ie-

;en

iet 10-m-

n-

;e-or ;e-

ig el

et

g. er in ze i-m n n

i-

-ocr page 74-

KIESWET.

tot de stembus toegelaten, en is verplicht het stembiljet, zoo hem dit reeds overhandigd is, terug te geven.

De kiezer, die tot de stembus toegelaten, weigert het stembiljet in de bus te steken, is eveneens verplicht dit terug te geven.

De teruggegeven stembiljetten worden door het stembureau onmiddellijk onbruikbaar gemaakt, op de wijze bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen. (Kw. 156, 157.)

82. Gedurende den tijd, dat het stembureau zitting houdt, zijn de kiezers bevoegd in het stemlokaal te vertoeven, voor zoover de orde daardoor niet wordt verstoord en de voortgang der stemming niet wordt belemmerd.

De kiezers, die geen krijgslieden zijn, verschijnen daar ongewapend.

De in het stemlokaal aanwezige kiezers kunnen, zoo de stemming niet overeenkomstig de wet geschiedt, bezwaren inbrengen. Hiervan wordt door het stembureau in het proces-verbaal der stemming melding gemaakt. (Kw. 91.)

83. De voorzitter van het stembureau is belast met de handhaving der orde in het stemlokaal.

Niet dan op zijne vordering en alleen tot bedwang van wanorde, mag eenige gewapende macht in het stemlokaal of zijne toegangen worden geplaatst. De burgerlijke en militaire autoriteiten nijn gehouden aan eene daartoe door den voorzitter van liet stembureau gedane vordering te voldoen.

84. Bevindt het stembureau, dat wanorde in het stemlokaal of zijne toegangen den behoorlijken voortgang der stemming onmogelijk maakt, dan wordt dit door den voorzitter verklaard. De stemming wordt daarop aanstonds geschorst en tot den volgenden dag des voormiddags ten acht uren verdaagd.

De stembus wordt onmiddellijk, in tegenwoordigheid der in het steuüokaal aanwezige kiezers, gesloten en verzegeld.

Het proces-verbaal der gehoudene zitting wordt daarna opgemaakt en evenals de sleutels, de niet gebruikte en de teruggegeven stembiljetten, elke soort afzonderlijk, de ingeleverde kaarten en de kiezerslijst bedoeld in art. 78, in een verzegeld papier gesloten. Van alle deze verrichtingen wordt door het stembureau in het proces-verbaal melding gemaakt. (Kw. 94.)

85. Onmiddellijk na onderteekening van het aan het slot van het vorige artikel bedoelde proces-verbaal, wordt dit met de stembus en de verzegelde pakken, door den voorzitter van het stembureau, zoo hij de burgemeester is, in bewaring genomen en anders aan den burgemeester ter bewaring overgebracht. Deze levert alles op den dag, waarop de stemming wordt hervat, vóór den aanvang der stemming, opnieuw aan het stembureau in.

De hervatte stemming duurt tot des namiddags vijf uren. ;Kw. 91,97.)

86. Zoodra de in art. 56 of 85 voor de stemming bepaalde tijd verstreken is, wordt dit door den voorzitter van het stembureau aan-

50

-ocr page 75-

KIESWET.

ekondigd en worden alleen de op het oogenblik dezer aankondi-ing in het stemlokaal aanwezige kiezers nog tot de stemming toe-elaten.

Nadat de stemming is afgeloopen wordt het aantal kiezers dat lijkens het aantal ingeleverde kaarten aan de verkiezing heeft deel-euomen, en het aantal der niet gebruikte en der teruggegeven stem-iljetten opgemaakt en aan de aanwezige kiezers bekend gemaakt.. )aarop wordt de kiezerlijst door het stembureau, met opgave van et aantal der daarop gestelde paraphen gewaarmerkt en worden, oowel deze lijst, als de niet gebruikte en de teruggegeven stembil-tten, elke soort afzonderlijk, en de ingeleverde kaarten, in een ver-gt;geld papier gesloten. (Kw. 56.)

87. Onmiddellijk na de in art. 86 voorgeschreven bekendmaking m verzegeling wordt de stembus geopend.

De stembiljetten worden dooreen gemengd, geteld en vergeleken aet het getal kiezers, die aan de stemming hebben deelgenomen;

88. De voorzitter opent de stembiljetten. Hij deelt, na opening an elk biljet, den naam mede van den cindidaat of de candidaten op rie eene stem is uitgebracht.

De oudste der leden van het stembureau ziet het stembiljet na. De ieide leden van het bureau houden aanteekeuiug van elke uitge-irachte stem.

89. Van onwaarde zijn andere stembiljetten dan die, welke vol-;ens deze wet en de tot hare uitvoering gegeven voorschriften mo-;en worden gebruikt.

Van onwaarde zijn voorts de stembiljetten:

waarop geen der candidaten is gekozen;

waarop de namen van andere personen dan de candidaten of waar-Ip andere bijvoegingen geplaatst zijn;

waarop meer candidaten zijn gekozen dan plaatsen te vervullen zijn ; waarop de aanwijzing van eenen candidaat is geschied op eene udere wijze, dan is voorgeschreven bij art. 77;

en de stembiljetten, die eene aanduiding van den kiezer bevatten; of die niet voorzien zijn van den voorgeschreven stempel. Het stembureau beslist over de waarde van het stembiljet, ter-tond nadat het biljet is geopend.

De voorzitter maakt de redenen van twijfel en de beslissing on-liddellijk bekend. Van een en ander geschiedt aanteekening in het roces-verbaal der stemming.

90. Terstond nadat alle stembiljetten zijn geopend en de daarop iltgebrachte stemmen opgenomen, maakt de voorzitter van het stem-lureau het getal der geldig uitgebrachte stemmen bekend, dat in het :eheel en dat op elk der candidaten is uitgebracht. (Kw. 94.)

91. Daarop worden de geopende, zoowel de geldige als de van mwaarde verklaarde stembiljetten, elke soort afzonderlijk in een ver-. :egeld papier gesloten.

5]

4*

-ocr page 76-

KIESWET.

De verzegeling in de artt. 84, 86 en in dit artikel voorgeschreven, wordt geregeld bij algemeenen maatregel van bestuur.

Door de in het lokaal aanwezige kiezers kunnen bezwaren worden ingebracht.

Vervolgens wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt van de gehouden stemming. Hierin worden ook de ingebrachte bezwaren vermeld. (Kw. 82, 94.)

92. Het proces-verbaal der stemming wordt door alle leden van het stembureau geteekend. Het wordt met de verzegelde pakken, in de artt. 86 en 91 bedoeld, door het jongste lid van het stembureau, zoo dit niet is het hoofdstembureau van het kiesdistrict, onverwijld naar den voorzitter van het hoofdstembureau overgebracht.

93. Het hoofdstembureau houdt den volgenden dag des voormiddags te 9 uren in zijn stemlokaal eene zitting tot het vaststellen van den uitslag der verkiezing.

Is te voorzien, dat de processen-verbaal alsdan nog niet alle naar den zetel van het hoofdstembureau kunnen zijn overgebracht, dan wordt de zitting door den Commissaris der Koningin bij een met redenen omkleed besluit uiterlijk tot den tweeden op den dag der stemming volgenden dag op door hem te bepalen uur verdaagd.

De artt. 82 en 83 zijn op deze zitting toepasselijk.

De bij den voorzitter van het hoofdstembureau ingeleverde processen-verbaal blijven bij hem in bewaring tot dat de uitslag der verkiezing is vastgesteld.

94. De voorzitter van het hoofdstembureau maakt in de bij art. \'er\'a 93 voorgeschreven zitting het getal bekend der bij elk stembureau )en \' in het geheel en op eiken candidaat uitgebrachte geldige stemmen, )e\'a9 van onwaarde verklaarde stembiljetten en vervolgens den dienovereenkomstig vastgestelden uitslag der verkiezing.

Door de in het lokaal aanwezige kiezers kunnen bezwaren worden ingebracht.

Zij worden in het proces-verbaal der zitting opgenomen. (Kw. 84.)

95. Het hoofdstembureau kan, hetzij ambtshalve, hetzij naar aanleiding van een met opgave van redenen gedaan verzoek van een of meer kiezers eene nieuwe opneming der stembiljetten, zoowel uit alle, als uit een of meer stemdistricten, bevelen.

Het neemt daartoe een met redenen omkleed besluit. Het gaat alsdan onmiddellijk tot deze opneming over. Het is bevoegd daartoe de verzegelde pakken te openen en den inhoud te vergelijken met de processen-verbaal der stembureaux.

Bij deze opneming worden de voorschriften gevolgd der artt. 86—92,

eerste zinsnede.

96. De vorm en de inrichting der in de artt. 84, 91 en 94 bedoelde processen-verbaal worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.

97. Terstond nadat de uitslag der verkiezing is vastgesteld wordt

52

et da tembi ;en, i an i Kw.f 98. chrifl er in lureai

Vai

34.)

Van Tv

Ai

iike )f he

gen, wt.

1) Jront ?oorz ^icc-l Haat! \'resü )irec ïoofc Juite dinia

\'ODSI

?re8i( ?roct Presi Proci Presi A.dvo Comi Lid \' burg uit

-ocr page 77-

KIESWET.

et daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de processen-verbaal der (embureaux en de overeenkomstig de artt. 86 en 91 verzegelde pak-.en, ingezonden aap het bestuur der gemeente, die hoofdplaats is an het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen. Kw. 85.)

98. Het gemeentebestuur bewaart het proces-verbaal en doet af-chrift daarvan terstond aanplakken en ter secretarie voor een ieder er inzage nederleggen. Het bewaart de processen-verbaal der stem-mreaux en de verzegelde pakken tot dat over de toelating van den ;ekozene is beslist en vernietigt ze vervolgens.

Van deze vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt. i\'Kw. 133, 34.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en van hunne aftreding.

§ 1. Van de afgevaardigden ter Eerste Kamer.

Art. 99. Leden der Eerste Kamer kunnen alleen zijn manne-ijke Nederlanders, die niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking )t het beheer over hunne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, den ouderdom van 30 jaren vervuld héb-ren en öf behooren lot de hoogstaangeslagenen in de Bijks directe Jelastingen öf één of meer hooge en gewichtige openbare betrekkin-jen, door de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. (Grondw. trt. 90.) \')

53

«schre

de ge-ïn ver-

;n van ien, ia mreau, erwijld

ormid-stellen

e naar t, dan n met ig der ïd-

\' pro-.g der

ij art. ureau imen, lover-

orden

1) Als hooge en gewichtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 90 van de Srondwet, worden, by de wet van 13 Aug. 1890, Stsbl. no. 148, aangewezen: Voorzitter en lid van eene der Kamers der Staten-Generaal;

Vice-President en lid van den Raad van State;

Staatsraad in buitengewonen dienst;

\'resident en lid van de Algemeene Rekenkamer;

directeur van het Kabinet des Konings;

. ïoofd van een Departement van algemeen bestuur;

gaat . iuitengewonn gezant en gevolmachtigd Minister;

artoe dinister-resident;

Consul-Generaal in Nederlandschen dienst;

\'resident, Vice-President en lid van den Hoogen Raad;

\'rocureur-Generaal en Advocaat-Generaal hy den Hoogen Raad;

—92, president, Vice-President en lid van een gerechtshof;

\'rocureur-Generaal en Advocaat-Generaal by een gerechtshof;

( l, President en lid van bet Hoog Militair gerechtshof;

\' be- Advocaat fiscaal voor \'s Konings zee- en landmacht;

Commissaris des Konings in eene provincie;

Ijid van Gedeputeerde Staten;

Burgemeester van eene gemeente, welke volgens de laatste openbare volkstelling rordt uit meer dan 20000 zielen bestaat;

■.84.) \' aan-i een el uit

met

-ocr page 78-

KIESWET.

100. In elke provincie wordt door Gedeputeerde Staten eene lijst opgemaakt, hen aanwijzende, die in de op het oogenblik van het vaststellen der lijst tot den loopenden dienst behoorende kohieren, in de Rijks directe belastingen, zoo in opcenten als in hoofdsom, het hoogst zijn aangeslagen.

101. De aanslag der vrouw in de Eijks directe belastingen wordt beschouwd als staande ten name van haren man, die van minderjarige kinderen als staande ten name van hunnen vader, voor zooveel betreft de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft. (Kw. 26.)

102. Het opmaken der lijst geschiedt jaarlijks, naar aanleiding der jaarlijks vóór 15 Maart aan Gedeputeerde Staten, door de ontvangers der Rijks directe belastingen en der successierechten in te zenden, door hen gewaarmerkte opgaven, waarin alle belastingschuldige mannen en gehuwde vrouwen op hunne tot den loopenden dienst behoorende kohieren voorkomende en het bedrag waarvoor zij in elke belasting afzonderlijk zijn aangeslagen worden aangewezen.

Gedeputeerde Staten noodigen de inwoners der provincie uit, om, zoo zij in eene andere provincie dan die hunner woonplaats in de Rijks directe belastingen zijn aangeslagen, daarvan vóór 15 Maart te doen blijken.

Curator van eene ryks-Universiteit;

Curator van de gemeentelyke Universiteit te Amsterdam;

Hoogleeraar aan eene ryks-Universiteit en hoogleeraar aan de gemeentelijke Universiteit te Amsterdam;

Hoogleeraar-directeur en hoogleeraar aan de Polytechnische school;

Voorzitter en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen; Luitenant-Admiraal; Vice-Admiraal; Schout-by-nacht; Kapitein ter zee;

Generaal der infanterie; Luitenant-Generaal; Generaai-Majoor; Kolonel, by het

Nederlandsch en Nederlandsch Indisch leger;

Voorzitter van het Muntcollegie;

Hoofdingenieur-adviseur en Hoofdingenieur van scheepsbouw;

Hoofdinspecteur, Inspecteur en Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat;

Voorzitter van den Raad van toezicht op de spoorwegdiensten;

Voorzitter van het College voor de Zeevisscheryen;

Voorzitter van de kamer van koophandel en fabrieken in eene gemeente, of eene vereeniging van gemeenten, welke volgens de laatste openbare volkstelling uit meer dan 20000 zielen bestaat;

Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-lndië;

Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-lndië;

Vice-president en lid van den Raad van Nederlandsch-lndië;

President en lid van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Intiië;

Algemeen Secretaris van het gouvernement in Nederlandsch-lndië;

Hoofd van een departement van algemeen bestuur in Nederlandscb-indië; President, Vice-President en lid van het Hooggerechtshof van Nederlandsch-lndië; Procureur-Generaal by het Hooggerechtshof van Nederlandsch-lndië;

President, Vice-President en lid van het Hoog Militair gerechtstiof van Nederlandsch-lndië;

Advocaat-fiscaal voor de land- en zeemacht van Nederlandsch-lndië;

Gouverneur van Celebes en onderhoorigheden, van Sumatra\'s Westkust en van

Atjeh en onderhoorigheden;

Resident van Batavia, Soerabaya, Djokjokarta, Soerakarta en Samarang;

Gouverneur van Suriname;

Gouverneur van Curasao;

Voorzitter van en Procureur-Generaal by het Hof van Justitie in Suriname.

54

-ocr page 79-

KIESWET.

103. Gedeputeerde Staten brengen op de lijst zoodanig getal personen, binnen de provincie wonende, dat op iedere vijftienhonderd inwoners der provincie één tot lid der Eerste Kamer uit dezen hoofde verkiesbaar zij.

104. De lijst vermeldt in alphabetisehe volgorde de namen der hoogst aangeslagenen en verder hunne voornamen, de plaats en dag-teekening hunner geboorte, de dagteekening hunner naturalisatie, zoo die heeft plaats gevonden en het laagste gezamenlijke bedrag van mmslagen, dat tot de plaatsing op de lijst heeft geleid.

De vorm en de inrichting der lijst worden vastgesteld bij alge-meenen maatregel van bestuur. (K.B. 28 Nov. 1896, S. 176, Mod. XI.)

105. De lijst wordt uiterlijk op den laatsten April door Gedeputeerde Staten vastgesteld, daarna geplaatst in de Nederlandsche Staatn-courant van 5 Mei en tot en met 21 Mei voor oen ieder op de provinciale griffie ter inzage nedergelegd en in afschrift of afdruk, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.

106. Tot en met 15 Mei is een ieder bevoegd bij Gedeputeerde Staten verbetering van de lijst te vragen, op grond dat hij zelf of een ander, in strijd met de wet, daarop voorkomt, niet voorkomt of niet behoorlijk voorkomt.

107. Indien het verzoek om verbetering van de lijst een ander persoon dan den verzoeker betreft, wordt die andere persoon door of vanwege Gedeputeerde Staten, binnen vier en twintig uur, schriftelijk met het verzoek en de gronden van het verzoek in kennis gesteld.

108. De verzoeken om verbetering van de lijst worden, met de noodige bewijsstukken, dadelijk tot en met 21 Mei, voor een ieder op de provinciale griffie ter inzage nedergelegd en in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.

Een ieder is tot tegenspraak van het verzoek bevoegd.

De tegenspraak wordt aan Gedeputeerde Staten schriftelijk en uiterlijk den 238ten Mei ingediend.

109. Na 23 Mei, doch vóór 5 Juni, beslissen Gedeputeerde Staten over de verzoeken om verbetering van de lijst. Zij verbeteren de lijst, zooals zij vinden te behooren, met waarmerking der wijzigingen door den voorzitter en den griffier.

De beslissing van Gedeputeerde Staten is met redenen omkleed en wordt in haar geheel op de provinciale-griffie voor een ieder ter inzage nedergelegd en in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld. Gedeputeerde Staten doen hiervan openbare kennisgeving en deelen de beslissing, is daarbij wijziging van de lijst bevolen, schriftelijk mede aan hem wien de wijziging betreft. Gelijke mededee-ling geschiedt, wanneer het verzoek om verbetering geheel of ten deele niet is toegewezen, aan den verzoeker, zoo de gevraagde verbetering van de lijst hem zeiven betrof.

De nederlegging, verkrijgbaarstelling, kennisgeving en mededeeling, in het vorige lid bedoeld, geschieden uiterlijk 7 Juni.

55

-ocr page 80-

KIESWET.

110. Met 8 Juni wordt de nieuwe lijst van kracht en treedt zij in de plaats van de bestaande.

Na dien tijd kan zij alleen ten gevolge van rechterlijke uitspraken, welke wijziging van de lijst bevelen, worden gewijzigd.

111. Gedeputeerde Staten doen de van kracht gewordene lijst plaatsen in de Nederlandsche Staatscourant van 15 Juni; zenden dadelijk afschrift der lijst aan den Minister van Binnenlandsche Zaken ; doen haar op de provinciale griffie voor een ieder ter inzage ne-derleggen en in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar stellen.

112. Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag der in art. 109 voorgeschreven kennisgeving, kan door een ieder die niet in de door Gedeputeerde Staten genomene beslissing berust, de zaak bij een met redenen omkleed en onderteekend verzoekschrift, vergezeld van de bewijsstukken en van een afschrift der beslissing van Gedeputeerde Staten, worden onderworpen aan de uitspraak der arrondissementsrechtbank binnen wier ressort de lijst is opgemaakt.

Bij de behandeling van dit verzoekschrift worden, ook in cassatie, de bepalingen in acht genomen, voor de behandeling der verzoekschriften tot verbetering der kiezerslijst voor de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en den gemeenteraad voorgeschreven, met dien verstande, dat bij de arrondissements-rechtbank ook het openbaar ministerie wordt gehoord, hetwelk binnen vijf dagen conclusie neemt, en dat de arrondissements-rechtbank binnen acht dagen daarna uitspraak doet.

Partijen zijn niet gehouden zich van de tusschenkomst van procureurs te bedienen.

113. Van de rechterlijke beslissing, welke wijziging van de lijst beveelt, wordt uiterlijk den volgenden dag door den griffier kennis gegeven aan Gedeputeerde Staten der provincie, wier lijst zij betreft.

Overeenkomstig deze rechterlijke beslissing wordt onverwijld de lijst verbeterd, met aanteekening van de rechterlijke beslissing, waarvan de wijziging een gevolg is, en met waarmerking door den voorzitter van Gedeputeerde Staten en den griffier der Staten. Verbeteringen, na 8 Juni aangebracht, worden door Gedeputeerde Staten onverwijld in de Nederlandsche Staatscourant bekend gemaakt. (Kw. 49.)

114. De voor de toepassing der voorgaande artikelen door de ontvangers der Kijks directe belastingen en der successierechten af te geven uittreksels uit de kohieren zijn vrij van kosten. (Kw. 50.)

115. De leden der Eerste Kamer worden door de Provinciale Staten gekozen, op de door de provinciale wet bepaalde wijze. (P. 78—83.)

116. De gewone tijd te hunner verkiezing is de tweede Dinsdag der maand Juli.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden derden Dinsdag van September naar den rooster moeten aftreden. (Kw. 129.)

117. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag.

56

-ocr page 81-

KIESWET.

overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen dertig dagen na dat openvallen.

In geval van ontbinding der Eerste Kamer, geschiedt de verkiezing van de leden der Eerste Kamer binnen veertig dagen na de dagteeke-ning van het besluit tot ontbinding. (Kw. 130.)

118. Gedeputeerde Staten zenden ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en den griffier te teekenen uittreksel uit de notulen der Staten-vergadering, waarin hij is benoemd.

Dit uittreksel vermeldt het getal der bij de stemming tegenwoordige leden van de Staten, dat der op den benoemde uitgebrachte stemmen, en de omstandigheden, die op de geldigheid der stemmen van invloed geweest zijn. Het strekt den benoemde tot geloofsbrief. (Kw. 135.)

119. De benoemde geeft, bij het bekomen van het uittreksel, een bewijs van ontvangst daarvan af en geeft binnen drie weken na de dagteekening van dat bewijs, kennis aan de Gedeputeerde Staten, of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (Kw. 136.)

120. Die in meer dan ééne provincie is benoemd, verklaart aan de Gedeputeerde Staten dier provinciën, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te nemen. (Kw. 137.)

121. Binnen veertien dagen nadat Gedeputeerde Staten kennis hebben bekomen, dat een benoemde de benoeming niet aanneemt, of nadat de in de artt. 119 en 120 bepaalde tijd verstreken is, doen de Provinciale Staten eene nieuwe keuze. (Kw. 138.)

122. De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, indien hij voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, nevens zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel, voor zooveel zijn persoon betreft, van de provinciale lijst van hoogstaangeslagenen waarop hij gebracht is en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. Indien hij niet voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, legt hij nevens zijn geloofsbrief en de verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt, over een uittreksel uit de geboorteregisters of, bij gemis daarvan, eene akte van bekendheid, waaruit de tijd en plaats fijner geboorte blijken en eene verklaring, vermeldende welke der hooge en gewichtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 99, hij bekleed heeft. (Kw. 141.)

123. De geloofsbrief moet door den gekozene, binnen vier maanden na zijne dagteekening, bij de Kamer worden ingezonden. De griffier der Kamer doet aan den Minister van Binnenlandsche Zaken mededeeling der ingekomen geloofsbrieven.

Is de geloofsbrief niet binnen den in de vorige zinsnede bepaal-

57

-ocr page 82-

KIESWET.

den termijn ingezonden, dan wordt de plaats geacht opnieuw te zijn opengevallen. (Kw. 142.)

124. De leden der Eerste Kamer kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de Kamer, die het ter kennis brengt van den Minister van Binnenlandsehe Zaken, of, zoo de zitting der Kamer gesloten is, aan dien Minister. (Kw. 143, 145—148.)

125. Wanneer een lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlander te zijn of bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer ovev zijne goederen heeft verloren of van de verkiesbaarheid ontzet is of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niel reeds tijdens die verkiezing vervulde, houdt hij op lid te zijn.

De nieuwe verkiezing geschiedt alsdan binnen dertig dagen na den dag, waarop de Minister van Binnenlandsehe Zaken kennis van het feit heeft bekomen.

§ 2. Van de afgevaardigden ter Tweede Kamer.

Art. 126. Leden der Tweede Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van dertig jaren hebben vervuld.

127. De leden der Tweede Kamer worden gekozen in de kies-districten, waarin het Rijk wordt verdeeld, door hen die op de lijst van kiezers voor deze Kamer zijn gebracht.

Eene bij deze wet gevoegde tabel regelt de verdeeling des Rijk; in kiesdistricten.

In elk district wordt één lid der Kamer gekozen.

128. De kiesdistricten worden, na ingewonnen advies der Gedeputeerde Staten, door den Minister van Binnenlandsehe Zaken verdeeld in stemdistricten. In de gemeente welke hoofdplaats is van het kiesdistrict of in het deel der gemeente, hetwelk een kiesdistrict uitmaakt, wordt te gelijker tijd het stemdistrict aangewezen, waarin het hoofdstembureau zitting heeft.

De verdeeling geschiedt in dier voege, dat een stemdistrict in den regel niet meer dan duizend kiezers bevat en in geen geval samenvoeging van gemeenten of deelen van verschillende gemeenten plaats heeft. (Kw. 59, öO, 9.)

129. De gewone tijd ter verkiezing der leden van de Tweede Kamer, is de eerste Dinsdag der maand Juni.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden derden Dinsdag van September moeten aftreden. (Kw. 116.)

130. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen dertig dagen na dat openvallen.

58

-ocr page 83-

KIESWET.

In geval van ontbinding der Tweede Kamer geschiedt de verkiezing van de leden der nieuwe Kamer binnen veertig dagen na de dagteekening van het besluit tot ontbinding. (Kw. 117.)

131. De Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt, ter vervulling eener tussehentijds in de Tweede Kamer openvallende plaats, den dag der verkiezing.

Hij bepaalt vóór elke verkiezing voor leden van de Tweede Kamer, de dagen, waarop, zoo noodig, de stemming en de herstemming zullen geschieden. Bij de periodieke verkiezingen wordt de dag dei-stemming niet vroeger bepaald dan den lOden Juni.

Bij de periodieke verkiezingen geschieden de stemming en de herstemming in alle kiesdistricten op dezelfde dagen.

De stemming en de herstemming geschieden in alle stemdistricten van het kiesdistrict op dezelfde dagen.

132. Op den dag der verkiezing, zoodra de door de wet tot het inleveren der opgaven van candidaten bepaalde tijd is afgeloopen, sluit de burgemeester van de gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, de lijst der candidaten.

Is geen candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester dat niemand is benoemd. (Kw. 140.)

Is slechts één candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester dezen candidaat te zijn benoemd tot lid der Kamer.

De burgemeester maakt van zijne handeling onmiddellijk procesverbaal op, dat ter secretarie van de gemeente voor een ieder ter inzage wordt nedergelegd, in afschrift wordt aangeplakt en, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.

De vorm en de inrichting van het proces-verbaal worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.

133. Zijn er meer candidaten opgegeven, dan geschiedt over hen, uiterlijk binnen veertien dagen, eene stemming.

Bij eerste stemming wordt geen hunner benoemd, dan met volstrekte meerderheid van stemmen.

Bij herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken is de oudste in jaren de benoemde. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

De volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vastgesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembussen gevondene stembiljetten.

134. Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerderheid is .verkregen, wordt onmiddellijk door den voorzitter van het hoofdstembureau van het kiesdistrict eene lijst opgemaakt, bevattende de namen der twee candidaten, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd.

Komen ten gevolge van gelijk aantal stemmen meer dan twee

59

-ocr page 84-

KIESWET.

candidaten voor plaatsing op de lijst in aanmerking, dan worden deze allen daarop geplaatst.

De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen na de eerste stemming.

135. De benoemde ontvangt onverwijld van den burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het ge-heele kiesdistrict is gelegen, een afschrift van het proces-verbaal, waaruit zijne candidaatstelling of zijne benoeming blijkt en, in geval van stemming of herstemming, van den voorzitter van het hoofd-stemhureau afschriften van de daarvan opgemaakte processen-verbaal.

Deze afschriften strekken den benoemde tot geloofsbrief. (Kw. 118.)

136. De benoemde geeft binnen drie dagen na het bekomen van het afschrift of de afschriften een bewijs van ontvangst daarvoor af, en geeft, binnen vier weken na de dagteekening van dat bewijs, kennis aan den burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (Kw. 119.)

137. Die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan de burgemeesters der gemeenten, die hoofdplaatsen zijn van die kiesdistricten of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te nemen. (Kw. 120.)

138. De burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het betrokken kiesdistrict of waarin het geheele betrokken kiesdistrict is gelegen, geeft onmiddellijk kennis aan den Minister van Binnenland-sche Zaken wanneer een benoemde zijne benoeming heeft aangenomen.

Gelijke kennisgeving geschiedt wanneer een candidaat vóór de stemming of zoo iemand, die in herstemming komt vóór de herstemming komt te overlijden of wanneer een benoemde zijne benoeming niet heeft aangenomen, of de in de artt. 136 en 137 bepaalde tijd verstreken is.

Binnen veertien dagen geschiedt eene nieuwe verkiezing op den dag, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen.

Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming in één district heeft aangenomen en in een ander voorkomt op de lijst der candidaten over wie eene stemming of herstemming moet geschieden in hei laatstgenoemd district.

139. De burgemeesters der gemeenten, die hoofdplaatsen zijn van kiesdistricten of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, geven onmiddellijk aan den Minister van Binnenlandsche Zaken kennis van de lijst van candidaten over wie eene stemming of herstemming moet geschieden.

60

-ocr page 85-

KIES WET.

140. Wanneer het proces-verbaal van den burgemeester niemand

■ als benoemd aanwijst, geeft deze daarvan kennis aan den Minister van Binnenlandsche Zaken. Binnen veertien dagen geschiedt eene nieuwe verkiezing op den dag, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen. (Kw. 132.)

141. De tot lid der Tweede Kamer benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel uit de geboorte-regis-ters, bij gemis daarvan, eene akte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken, en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. (Kw. 122.)

142. De geloofsbrief moet door den benoemde, binnen vier maanden na zijne dagteekening, bij de Kamer worden ingezonden. De griffier der Kamer doet aan den Minister van Binnenlandsche Zaken mededeeling der ingekomen geloofsbrieven.

Is de geloofsbrief niet binnen den in de vorige zinsnede bepaalden termijn ingezonden, dan wordt de plaats geacht op den eersten dag na afloop van dien termijn opnieuw te zijn opengevallen. (Kw. 123.)

143. De leden der Tweede Kamer kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de Kamer, die het ter kennis brengt van den Minister van Binnenlandsche Zaken, of, zoo de zitting der Kamer gesloten is, aan dien Minister.

144. Wanneer een lid der Tweede Kamer ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 126 vermelde vereischten verliest, of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens die verkiezing vervulde, houdt hij op lid te zijn.

De nieuwe verkiezing geschiedt alsdan binnen Hertig dagen na den dag. waarop de Minister van Binnenlandsche Zaken kennis van het feit heeft bekomen.

§ 3. Van de aftreding der leden van de Eerste en Tweede Kamer.

Art. 145. Een derde gedeelte van de leden der Eerste Kamer treedt om de drie jaren af.

Het eerste aftredende derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 4, Noordholland 3, Utrecht 1, Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1, Drenthe 1 en Limburg 1, te za-men 17 leden.

Het tweede bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 3, Noordholland 3, Zeeland 1, Utrecht 1, Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1, Drenthe 1 en Limburg 1, te zamen | 17 leden.

Het derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 3, Noordholland 3, Zeeland 1, Friesland 2, Overijssel ï 1, Groningen 1 en Limburg 1, te zamen 16 leden. (Kw. 48, 99-^125.)

146. Bij ontbinding der Eerste Kamer begint de rooster van af-

61

-ocr page 86-

KIESWET.

treding telkens opnieuw te werken, over twee jaren, te beginnen met den eerstvolgenden derden Dinsdag in September.

Bij ontbinding der Tweede Kamer treden de leden af drie jaren na den eerstvolgenden derden Dinsdag in September.

147. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Eerste Kamer naar den rooster aftreedt, zooverre deze dien tijd niet zelf heeft aangewezen.

148. Die tor vervulling eener buiten den gewonen tijd van aftreding opengevallen plaats tot lid der Eerste of Tweede Kamer is verkozen, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (Kw. 160.)

STRAFBEPALINGEN.

Art. 149. Hij die in de aangiften bij art. 13 bedoeld, opzettelijk eene valsehe opgaaf doet aangaande een feit, waarvan de plaatsing op de kiezerslijst afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar.

150. Hij, die bij het onderzoek in art. 25 en art. 26 bedoeld, opzettelijk eene valsehe opgaaf doet aangaande een feit, waarvan de plaatsing op de kiezerslijst van den persoon, dien het onderzoek geldt, afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

151. Hij, die eene opgave, als bedoeld in art. 51 inlevert, wetende dat zij voorzien is van handteekeningen van personen, die niet bevoegd zijn tot\' deelneming aan de verkiezing, waarvoor de inlevering geschiedt, terwijl zonder die handteekeningen geen voldoend aantal voor eene wettige opgave zou overblijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of eene geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

Met gelijke straf wordt gestraft hij, die wetende dat hij niet bevoegd ia tot deelneming aan de verkiezing, eene voor die verkiezing ter inlevering bestemde opgave, als bedoeld bij art. 51, heeft onderteekend.

152. Hij die niet voldoet aan de verplichting, opgelegd in art. 26, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste drie gulden.

153. De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die niet of niet behoorlijk voldoen aan de voorschriften vervat in de artt. 23 en 32, worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

154. Overtreding van de artt. 57 en 58 dezer wet wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

155. De voorzitter, de leden en de ter vervanging opgeroepen plaatsvervangende leden van het stembureau, die gedurende de stem-

62

-ocr page 87-

KIESWET.

oing buiten noodzaak afwezig zijn, worden gestraft met eene geld-loete van ten hoogste honderd gulden. (Kw. 60.)

156. De kiezer die niet voldoet aan de bij art. 81 opgelegde ver-ilichting tot teruggave van het stembiljet wordt gestraft met eene eldboete van ten hoogste drie honderd gulden of hechtenis van ten loogste twaalf dagen.

157. De in de artt. 149, 150 en 151 bedoelde strafbare feiten •orden als misdrijven, die in de artt. 152, 153, 154, 155 en 156 iedoeld, worden als overtredingen beschouwd.

158. Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 149 en 150 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in art. 28 no. 3 van iet Strafwetboek vermelde rechten worden uitgesproken.

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 159. Wanneer de in deze wet bepaalde verlichtingen op eenen Zondag of algemeen erkenden Christelijken feestdag mochten vallen of de daarin gestelde termijnen op eenen Zondag of algemeen erkenden Christelijken feestdag mochten afloopen, treedt de eerstvolgende dag, geen Zondag of algemeen erkende Christelijke feestdag zijnde, daarvoor in de plaats.

Voor zoover de bepaling van den tijd voor die verrichtingen aan het openbaar gezag is opgedragen, worden daarvoor geene Zondagen of algemeen erkende Christelijke feestdagen aangewezen.

160. Deze wet is, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt of bij de provinciale wet of de gemeentewet bijzondere regelingen zijn gemaakt, toepasselijk op de verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van de Provinciale Staten en van de gemeenteraden.

161. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van «kieswet».

162. De wet van 4 Juli 1850 {Staatsblad no. 37), gewijzigd bij art. VII van de Additioneele artikelen der Grondwet, door de wet van 30 December 1887 (Staatsblad ao. 257) en door de wet van 11 Januari 1894 (Staatsblad no. 5) vervalt, behalve voor zoover betreft de wijze van stemmen, waaromtrent de bepalingen van de Eerste Af-deeling, § 3, van toepassing blijven, op de verkiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal tot den 15den Mei 1897 en op de verkiezingen van leden der Provinciale Staten en der gemeenteraden tot op nadere wettelijke regeling.

De kiezerslijsten, op grond van de bepalingen dier wet vastgesteld blijven lot 15 Mei 1897 van kracht.

Teu behoeve van de vaststelling der kiezerslijst in 1897 wordt in afwijking van art. 23 vóór den 22sten Februari aan de in dat artikel bedoelde besturen ter vervanging van de lijsten A en B eene

63

e ja-

imer leeft

-ocr page 88-

KIESWET.

lijst gezonden van de personen, die voor de plaatsing op de kiezerslijst in aanmerking komen. De volgens genoemd artikel vereischte opgave wordt vóór 8 Maart ingezonden.

163. Tot en met het jaar, waarin de personeele belasting, zooals die is geregeld bij de wet van 16 April 1896 {Staatsblad no. 72) wordt ingevoerd, is art. la ook toepasselijk op hen, die over het volle laatstverloopen dienstjaar zijn aangeslagen in de personeele belasting, zooals die is geregeld bij de wet van 29 Maart 1833 {Staatsblad no. 4), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1891 (Staatsblad no. 88).

164. Wordt de wet van 16 April 1896 {Staatsblad no. 72) niet met den aanvang van het burgerlijk jaar ingevoerd, dan geldt de over het jaar van invoering volgens die wet geheven belasting als belasting over een vol dienstjaar, bedoeld bij art. 1 a.

165. Deze wet treedt in werking den Isten Januari 1897.

64

-ocr page 89-

32a

TABEL,

BEDOELD IN DE ARTIKELEN 1 EN 2 DEB KlESWET. 1)

Huur-pr^js

Mini

Vrije

Vrye

woning

kost en

mum in

of inwo

inwo

komen

ning

ning

bedoeld in artikel 1 102°. | 2 1

16 1°.

GEMEENTE

DEEL deb GEMEENTE.

Provincie NOORDBRABANT.

f 1,75

f 450,—

f 87,50

f 300,—

1,25

350,—

250,—

62,50

1,—

325,—

50,—

37,50

1,—

300,—

200,—

\'s Hertogenbosch (behalve Orthen) ....

Bergen op Zoom (stad), Breda, Helmond (kom en onmiddelUjke omgeving), Tilburg (behalve Berkdyk en \'t Laar, Reit en Beitscbe hoeve, Hasselt, Stokbasselt, Heikant, Groes-eind en Kauwbrake), Waalwyk.....

Besoyen, Boxmeer, Boxtel, Cuyk en St. Agatha (dorp), Eindhoven, Geertruidenberg (kom), Ginneken en Bavel (kom Ginneken), Grave, \'s Hertogenbosch (Orthen), Heusden, Mierlo (\'t Hout), Oosterhout (kom), Oss, Oudenbosch (kom), Prinsenhage (Duitenhuis en buiten Waterpoort), Ravenstein. Rosendaal en Nispen (kom van Rosendaal), Rosmalen (Hintham), Teteringen (Terheidensche hoek, Zandberg en Teteringsche dyk), Tilburg (overig deel), Vught, de Werken en Sleeuwyk (kom), Werkendam (kom), Woudrichem (kom) . .

Almkerk, Baardwjjk, Beers, Berghem, Bergen op Zoom (overig deel), Berlicum, Beugen en Rykevoort, Cromvoirt, Dinteloord en Prins-land, Dongen (kom), Drongelen Hangoort Gansojjen en Doeveren, Drunen, den Dungen, Dussen, Munster en Muilkerk, Engelen, Esch, Etten en Leur (kom Etten en kom Leur), Fy-naarten Heiningen, Geldrop, Gemert (kom). Gestel en Blaartbem (het deel grenzende aan Eindhoven), Goirle (kom). Halsteren, Haps, Helmond (overig deel), Helvoirt, Herpt, Hooge en Lage Zwaluwe, Klundert, Linden, Litb, Loon op Zand, Maashees en Overloon, Meeuwen Hill en Babyloniënbroek, St. Michielsgestel, Mill en St. Hubert, Nieuwkuik, Nieuw-Vossemeer, Oeffeit, Oirschot (kom), Oisterwyk (kom), Ossendrecht, Oudenbosch (overig deel), Prinsenhage (overig deel), Rosendaal en Nispen (overig deel). Sprang, Standdaarbuiten, Steenbergen en Kruisland, Stratum (het deel grenzende aan Eindhoven), Stryp (het deel grenzende aan Eindhoven), Terheiden, Tongelre (het deel grenzende aan Eindhoven), Valkenswaard, Veghel (kom) en Middegaal, Vierlingsbeek, Vljjmen3Wanrooy, Willemstad, Woensdrecht.......

1) Zooals gewyzigd bij de wet van 31 Dec. 1896, S. 245. STAATSWETTEN. 4a

-ocr page 90-

KIESWET.

326

GEMEENTE or

DEEL deb GEMEENTE.

Vrye

Vrye

Huur-

Mini

woning

kost en

mum in

of inwo

inwo

prys

komen

ning

ning

bedoeld in artikel 1 i 1°. | 1 amp; 2°. | 2 |


Apeld deel) schei (over (over derw Herw (over gen ( berg( Wam West deel) rig lt; gemt

/ 1,-

200,—

Woensel (het deel grenzende aan Eindhoven), Wouw, Zevenbergen, Zundert (kom). . . .

Guyk en St. Agatha (overig deel). Dongen (overig deel), Etten en Leur (overig deel), Geertruidenberg (overig deel), Gemert (overig deel). Gestel en Blaarthem (overig deel), Ginneken en Bavel (overig deel), Goirle (overig deel), Mierlo (overig deel), Oirschot (overig deel), Oisterwyk (overig deel). Oosterhout (overig deel). Rosmalen (overig deel). Stratum (overig deel), Stryp (overig deel), Teterin-gen (dorp), Tongelre (overig deel), Veghel (overig deel), de Werken en Sleeuwük (overig deel). Werkendam (overig deel), Woensel (overig deel), Woudrichem (overig deel), Zundert (overig deel). Overige gemeenten. .

f 300,—

f 37,50

275,—

25,—

175,-

Rottex lois) \'s Gra Hilleg lings Delft,

fm,—

450,— 400,—

10C,— 87,50 76,—

/ 2-1,75 1,50

300,-275,-

1,26

2,50

Capeli nen, burg \'s Gra (ovei IJsse scbic ger-i voor\' Aarla phen Berg le, I dinx Hill, van wyk Lek, kerli Midi Naai Oegi watt burg Schi Ston Vooi deel Woe drec

250,-

1,—

325,—

50,—

225,-

1,-

300,— 37,50

200,-

Arnhem (behalve de buitenwijken en Schaars-

bergen) ..............

Arnhem (buitenwyken)........

Nijmegen (stad)...........

Culemborg,N\\jmegen (Hatert en Hees, rondom Nijmegen), Renkum (Oosterbeek), Rheden (Velp), Tiel, Ubbergen (Beek), Wageningen

(stad), Zutphen...........

Apeldoorn (kom van de hoofdafdeeling Apeldoorn), Brummen\' (kom), Buurmalaen en Tricht(dorpen)gt;Doeaburgh,Doetincbem(stad), Ede (kom), Geldermalsen (kom).Harderwijk (stad). Herwen en Aerdt (Tolkamer), Nyme-gen (overig deel), Renkum (dorp), Rheden (Steeg, Dieren en Ellekom), Vuren en Dalem (Dalem), Zalt-Bommel, Zevenaar (stad) . . Ammerzoden, Arnhem (Schaarsbergen), Bar-neveld (kom), Beesd, Bemmel, Beuningen, Beusichem, Brakel, Brummen (overig deel). Buren, Buurmalsen (overig deel), Deil, Di-dam (kom), Dodewaard, Doorwerth, Driel (kom Kerk-Driel), Druten (kom). Duiven, Echteld, Ede (Bennekom, Veenendaal en Lun-teren), Elburg, Eist, Ermelo (dorpen Ermelo en Nunspeet), Ewyk, Geldermalsen (overig deel). Gent, Groesbeek (kom), Hattem (stad), Hedel, Hemmen, Herwen en Aerdt (Lobith) Heteren, Huissen, Hummelo (de dorpen Hummeloen Laag-Keppel),Hurwenen, Uzewdoorn, Kesteren, Lienden, Lochem (kom), Manrik, Millingen (kom),Nijkerk. Pannerden,Renkum (overig deel), Rheden (Spankeren), Rossum, Rozendaal, Valburg, Voorst, Vorden (kom). Vuren en Dalem (Vuren), Wadenoyen, Wageningen (overig deel), Wamel (kom). Warns-veld (kom). Westervoort (kom), Wychen (kom), Winterswyk (dorp), Wisch (Terborg), Zoelen..............

Provincie GELDERLAND.

-ocr page 91-

32c

GEMEENTE

op

DEEL dee GEMEENTE.

Vrjje

Huur- Mini- woning mum in- of inwo-prys komen ning bedoeld in artikel 1 amp; 1°. | 16 2°. | 2 |

Vrije kost en inwoning


Apeldoorn (overig deel), Barneveld (overig deel), Didam (overig deel), Doetinchem (stad, schependom), Driel (overig deel), Druten (overig deel). Ede (overig deel), Ermelo (overig deel), Groesbeek (overig deel), Harderwijk (overig deel), Hattem (overig deel). Herwen en Aerdt (overig deel), Hummelo (overig deel), Lochem (overig deel), Millin-gen (overig deel), Rheden (Laag Soeren), Ub-bergen (overig deel), Vorden (overig deel), Wamel (overig deel), Warnsveld (overig deel). Westervoort (overig deel), Wychen (overig deel), Winterswgk (overig deel), Wisch (overig deel). Zevenaar (overig deel). Overige gemeenten.............

1

/275,— ƒ25,— /175,—

/0,80

Provincie ZUIDHOLLAND.

f 2.50 2,25

3.— 1,75 1,50

1,25

f 550,— 500,—

500,— 450,— 400,—

350,—

/125,— 100,—

100,— 87,50 75,—

62,50

/350,— 325,—

335,— 300,— 375,-

350,—

1,—

325,—

50,—

235,—

Rotterdam (behalve Kralingsche Veer en Char-

lois) ...............

\'s Gravenhage............

Hillegersberg (Zwaanshals), Rotterdam (Kralingsche Veer en Charlois).......

Delft, Dordrecht, Gouda, Hof van Delft (stadsgedeelte), Leiden, Schiedam, Vryenban (stadsgedeelte)..............

Capelle aan den IJssel, Gorinchem, Loosduinen, Maassluis, Rjjswyk, Vlaardingen, Voor-•quot;quot;■g...............

s Gravenzande, Hellevoetsluis, Hillegersberg (overig deel), IJssel monde. Krimpen aan den IJssel, Nieuwerkerk aan den IJssel, Over-schie, Ridderkerk, Schoonhoven, Vlaardin-ger-Ambacht, Zwyndrecht (kom en Meerder-

voort) ...............

Aarlanderveen, Alblasserdam, Alkemade, Alphen, Ammerstol, Arkel, Beyerland (Oud-), Bergschenhoek .Bodegraven ,Boskoop ,Briel-le. Dubbeldam, Gouderak, Haastrecht, Har-dinxveld, Hazerswoude, Hellevoet (Nieuw-), Hillegersberg, (Ter Bregge), Hillegom, Hof van Delft (overig deel), Hoog-Blokland, Kat-wyk, Kethel, Koudekerk, Krimpen aan de Lek, Leiderdorp, Leerdam, Lekkerkerk, Lek-kerland (Nieuw), de Lier, Lisse, Maasland, Middelharnis (kom). Monster, Moordrecht, Naaldwijk, Noordwjjk, Noordwykerhout, Oegstgeest, Ouderkerk aan den IJssel, Oudewater, Oudshoorn, Papendrecht, Pernis, Runsburg, Rozenburg, Sassenheim, Schiebroek, Schipluiden, Sliedrecht, Sommelsdjjk (kom), Stompwyk(Leid8chendam),Valkenburg,Veur, Voorhout, Voorschoten, Vryenban (overig deel), Warmond, Wassenaar, Wateringen, Woerden, Zoeterwoude,Zwammerdam, Zwjjn-drecht (overig deel)..........

4a*

-ocr page 92-

32(2

KIESWET.

Huur-

Mini

Vrge

Vrge

GEMEENTE

woning

kost en

OF

mum in

of inwo

inwo

prys

komen

ning

ning

DEEL DER GEMEENTE.

bedoeld in artikel

lö 1°.

1 b 2°.

2

a

1,—

300,—

37,50

200,—

Middelharnis (overig deel), Sommelsdyk (overig deel), Stompwjjk (overig deel). Overige gemeenten.............

Provincie NOORDHOLLAND.

f 2,50

f 125,—

/•550,-

/quot;850,—

2,— 1,75 1,50

100, 87,50 75,-

500,-450,-400,-

325,-300,-275,-

1,25

350,—

250,—

50,—

325,—

1,— 300,—

37,50

200,—

Amsterdam (behalve de bjj de wet van 20 Maart 1896 {Staatsblad no. 39) aan Amsterdam toegevoegde, doch in deze tabel afzon-derlgk genoemde voormalige deelen van Nieuwer-Amstel, Sloten en Diemen) . . . Amsterdam(devoormaligewykH van Nieuwer-Amstel en het b\\j de wet van 20 Maart 1896 {Staatsblad no. 39) aan Amsterdam toegevoegd voormalig deel van Sloten), Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude (in de onmiddellijke omgeving van Haarlem), Heemstede (Meester Lottelaan),Ouder-Amstel (Omval), Sloten (Sloterdyk, Baarsjes en IJpol-

der). Watergraafsmeer.........

Weesp...............

Alkmaar, Velzen (Umuiden), Zaandam. . . Amsterdam (het by de wet van 20 Maart 1896 {Staatsblad no. 39) aan Amsterdam toegevoegde voormalige deel van Diemen), Beverwijk, Bloemendaal (Blocmendaal en Over-veen), Bussum, Diemen, Haarlemmerliede en Spaarnwoude (Halfweg), den Helder (den Helder en Nieuwe-Diep), Hilversum, Hoorn, Koog aan de Zaan, Muiden, Purmerend, Sloten (Sloten en Osdorp), Velzen (Jan Ggzen-

vaart), Wormerveer, Zaandyk......

Aalsmeer, Beemster,Bennebroek, Bloemendaal (Vogelenzang), Broek op Langendyk, Buik-Hloot, Edam, Enkhuizen, Haarlemmerliede en Spaarnwoude (overig deel), Haarlemmermeer, Heemstede (overig deel), Huizen, Ilpendam, Krommenie,Landsmeer, Medemblik,Monnic-kendam, Naarden, Nieuwendam, Nieuwer-Amstel, Noord-Scharwoude, Oosthuizen, Oost-zaan. Oudkarspel, Ouder-Amstel (overig deel), Ransdorp, Schoten, Spaarndam, Uitgeest, Uithoorn, Velzen (overig deel). Wees-perkarspel, Weatzaan, Wyde-Wormer, Wyk aan Zee en Duin, Wormer, Zandvoort, Zuid-

Scharwoude ............

Abbekerk, Akersloot, Andyk, Ankeveen, Anna Paulowna, Assendelft, Avenhorn, Barsinger-horn, Beets, Bergen, Berkhout, Blaricum, Blokker, Bovenkarspel, Broek in Waterland, Callantsoog, Castricum, Egmond aan Zee, Egmond-binnen, Graft,\'s Graveland . . .

-ocr page 93-

KIESWET.

326

GEMEENTE

OF

DEEL DER GEMEENTE.

Vrye

Vrije

Huur-

Mini

woning

kost en

mum in

of inwo

inwo

prga

komen

ning

ning

bedoeld in artikel 16 1°. | 1 amp; 2°. | 3 |


fl-

0,80

/•300,- f 37,60 275,— 25,—

/quot;200,-175,-

Grootebroek, HarenkarspeJ,Heemskerk, Heer Hugowaard, Heilo, den Helder (overig deel), Hensbroek, Hoogkarspel, Hoogwoud, Jisp Katwoude, Koedyk, Kortenhoef, Kwadijk Laren, Limmen, St. Maarten, Marken, Mid delie, Midwoud, Nederborst den Berg, Nib bixwoud, Nieuwe-Niedorp, Obdara, Opmeer Opperdoes, Oterleek, Oudendijk, Oude-Nie dorp, Oudorp, St. Pancras, Petten, de Rjjp, Scbagen, Schellinkhout, Schermerhorn Scboorl, Spanbroek, Sybekarspel, Tersehel ling, Texel, Twisk, Urk, TJrsem, Venhuizen Vlieland, Warder, Warmenhuizen, Wervers hoof. Westwoud, Wieringen, Wieringerwaard Wjjdenes, Winkel, Wognum, de Zype, Zuid

en Noord-Schermer, Zwaag.....

Overige gemeenten........

Provincie ZEELAND.

f 1,75 1,50 1,25

f 87,50 75,-62,50

50,—

f 450,— 400,— 350,—

f2,00,-275,-250,-

1,—

225,—

37,50 25,—

1,—

0,80

Provincie UTRECHT.

200,— 175,—

300,— 275,

Vlissingen...........

Middelburg...........

Koudekerke (\'t Zandt), Oost-en West-Souburg Goes, Yerseke, St. Laurens (Brigdamme), Neu

zen (kom), Zierikzee........

Aagtekerke, St. Annaland, Arnemuiden, A.xe (kom),Baarland, Biggekerke, Borssele,Brou wersbaven, Bruinisse, Burgh, Col^nsplaal Domburg, Dreischor, Driewegen, Duivendyke Eikerzee, Ellemeet,Ellewoutsdyk, \'s Graven polder, Grypskerke, Haamstede, \'s Heer Abts kerke, \'s Heer Arendskerke, \'s Heerenhoek Heinkenszand, Hoedekenskerke, Hulst, Ka pelle, Kats- Kattendyke, Kerkwerve, Kloetin ge,Kortgene, Koudekerke (overig deel), Krab bendijke, Kruiningen, St. Laurens (dorp) St. Maartensdijk, Meliskerke, Nieuwerkerk Nieuw- en St. Joosland, Nisse, Noordgouwe Noordwelle, Oosterland, Oostkapelle, Oude lande, Oud-Vossemeer, Ouwerkerk, Ovezande St. Philipsland, Poortvliet, Renesse, Rilland Bath, Ritthem, Sas van Gent, Scherpenisse Schore, Serooskerke (Schouwen), Serooskerk (Walcheren), Stavenisse,Tholen,Veere, Vrou wenpolder. Waarde, Wemeldinge, Westka pelle, Wissekerke, Wolphaartsdyk, Zonne

maire, Zoutelande.........

Axel (overig deel), Neuzen (overig deel), Ove rige gemeenten.........

ƒ825,—

ƒ500,— noo,—

f2.-

Jutphaas (het bij de wet van 20 Maart 1896 {Staatsblad no. 40) aan Jutphaas toegevoegde voormalige deel van Utrecht), Oudenrijn (het bq de wet van 20 Maart 1896 (Staatsblad no. 40) aan Ondenrgn toegevoegde voormalige deel van Utrecht)..........

i

-ocr page 94-

KIESWET.

32/

Vrije kost en inwoning

Huurprijs 16 1°.

Mini-mum inkomen

GEMEENTE

of

DEEL deb GEMEENTE.

bedoeld in artikel | 16 2°. | 3 |

Vrye woning of inwoning

1,75 1,50

1,25

ƒ500,—

ƒ100,—

450 —

87,50

400,—

75,—

350,—

62,50

325,—

50,—

300,—

37,50

275,—

25 —

f325,-

300,-275,-

225,-

f 2,—

200,-175,-

1,— 0,80

f 1,50

ƒ400,—

ƒ75,-

1,25

350,—

62,50

1,-

325,—

50,—

1,—

300,—

37,50

250,-

225,-200,-

Utrecht (behalve de by de wet van 20 Maart 1896 {Staatsblad no. 40) aan Utrecht toegevoegde voormalige deelen van deBildt, Jut-

phaas en Oudenrijn)........

Utrecht (de by de wet van 20 Maart 1896 (Staatsblad no. 40) aan Utrecht toegevoegde voormalige deelen van de Bildt en Jutphaas).

Amersfoort (stad)...........

Baarn (kom), de Bildt (kom), Soest (Soestdjjk,

Langeind, Middelwyk en de Kerkeburen),

Zeist (kom).............

Abcoude-Baambrugge.Abcoude-Proostdij.Brea-kelen-Nyenrode, Breukelen-St. Pieters (V ech t-zgde), Driebergen, Harmelen, Jutphaas (overig deel), Loenen, Maarssen, Maarsseveen (Nieuw-), Nigtevecht, Oudenryn (de Meern), Rhenen(8tad),Rg8enburg, Veenendaal (dorp), Veldhuizen (de Meern), Vleuten (de Meern),

Vreeland, Vreeswijk, Wyk by Duurstede,

Willige Langerak (naby Schoonhoven) . . Achttienhoven, Amerongen, Amersfoort (overig deel), Baarn (overig deel), Benschop,

Breukelen St. Pieters (Breukelerveen), Bun-nik, Bunschoten, Cothen, Doorn, Eemnes, Haarzailens, Hoenkoop, Hoogland, Houten, Usselstein, Jaarsveld, Kamerik, Kockengen, Laag-Nieuwkoop, Langbroek, Leersum, Leusden, Linschoten, Loenersloot, Loosdrecht,

Lopik, Maarn, Maarsseveen (Oud), Maartens-dyk, Mydrecht, Montfoort, Odyk, Oudenryn (overig deel), Polsbroek, Renswoude, Rhenen (overig deel), Ruwiel, Scbalkwyk, Snelre-waard, Stoutenburg, Tienhoven, Tuil en \'t Waal, Utrecht (het by de wet van 20 Maart 1896 (Staatsblad no. 40) aan Utrecht toegevoegde voormalige deel van Oudenryn), Veenendaal (overig deel). Veldhuizen (overig deel), Vinkeveen, Vleuten (overiedeel), Werkhoven, Westbroek, Willeskop, Willige Langerak (overig deel), Wilnis, Woudenberg,

Zegveld, Zuilen...........

de Bildt (overig deel). Soest (overig deel),

Zeist (overig deel)..........

Provincie FRIESLAND.

Leeuwarden.............

Bolsward, Franeker (behalve Vyf- en Zevenhuizen en Uitburen), Harlingen, Leeuwarde-radeel(Huizum, Schrans en verlengde Schrans),

Sneek...............

Aengwirden (Heerenveen), \'t Bildt, Haskerland (Nyehaske tot en met de Schans en de Joure), Lemsterland (de Lemmer), Schoterland (Heerenveen), Utingeradeel (Akkrum).....

Achtkarspelen, Aengwirden (overig deel), Baar-deradeel, Barradeel, Dantumadeel, Dockum.

-ocr page 95-

KIESWET.

S2g

Vrjje kost en inwoning

Huur-

Mini-mum inkomen

16 1°

GEMEENTE

of

DEEL dek GEMEENTE.

bedoeld in artikel | 1 6 3quot;. | 2 |

Vrije woning of inwo-niug

Doniaweratal, Ferwerderadeel.FranekerCVjjf-en Zevenhuizen en Uitburen), Franekeradeel, Gaasterland, Haskerland (overig deel), He-melumer Oldephaert, Hennaarderadeel, Hindelopen, Idaarderadeel, IJlst, Kollumer-land, Leeuwarderadeel (overig deel), Lem-sterland (overig deel), Menaldumadeel, Oost-dongeradeel, Opsterland, Rauwerderhem, Schoterland (overig deel), Sloten, Smallin-gerland, Stavoren, Tietjerksteradeel, Utinge-radeel (overig deel). Westdongeradeel. Weststellingwerf (Wolvega), Wgmbritseradeel,

Wonaeradeel, Workum.........

Weststellingwerf (overig deel). Overige gemeenten .............. f 37,50 /\'200,-25,— 175,-

f 1,-0,80

ƒ300,— 275,—


Provlnole OVERIJSSEL.

Zwolle...............

Deventer, Enschedé, Kampen (stad). . . .

Hengelo (kom en naaste omgeving) ....

Almelo (A.mbt) (by de stad), Almelo (stad).

Borne (kom en naaste omgeving), IJsselmui-den (kom), Lonneker (bg Enschedé alsmede Glanerbrugge), Losser (nabg Oldenzaal), 01-

denzaal, Steenwgk..........

Avereest,Blokzjjl,Dalfsen, Delden (stad), Diepenveen, Genemuiden, Goor, Grafhorst, Hasselt, IJsselmuiden (overig deel). Kampen (overig deel), Kam perveen, Markelo (karspel Goor),

Oldemarkt, Olst, Kaalte, Rgssen, Steenwgker-wold, Vollenhove (Stad), Vollenhove (Ambt).

Wghe (behalve Marle), Wilsum, Zalk en Vee-caten. Zwartsluis, Zwollerkerspel ....

Almelo (Ambt) (overig deel). Borne (overig deel), Hengelo (overig deel), Lonneker (overig deel). Losser (overig deel), Markelo (overig deel), Wghe (Marle), Overige gemeenten.

Provincie GRONINGEN.

Groningen.............

Haren (Helpman)...........

Appingedam (Appingedam, het Bolwerk en Solwerd),Delfzgl (Delfzgl en Farmsum), Haren (dorp), Hoogezand, Nieuwescbans, Onst-wedde (Stadskanaal), Oude Pekel-A, Sappe-meer, Slochteren (Foxham), Veendam, Wil-

dervank. Winschoten, Zuidbroek.....

Appingedam (Opwierda, Marssum, Jukwerd en Tjamsweerd), Delfzgl, (Weiwerd, Heveskes,

Oterdum, Meedhuizen en TJitwierda), Haren (overig deel), Onstwedde (overig deel), Slochteren (overig deel). Overige gemeenten. . .

Provincie DRENTHE.

Assen, Borger (Nieuw-Buinen), Meppel. . . | f 1,— | /325,— | f 50,—1/225,-

/1,75 1,50 1,25

/450,— 400,— 350,—

/87,50 75,-62,50

1 —

325,—

50,—

1,—

300,—

37,50

0,80

275,—

25,—

/ 2,-1,75

/500,— 450,—

/100,— 87,50

1,—

325,—

50,—

1,—

300,—

37,50

-ocr page 96-

KIESWET.

32A

Huur-

Mini-mum inkomen

GEMEENTE

DEEL der GEMEENTE.

lb l1

Vrije | Vrye woning i kost en of inwo- inwoning | ning

bedoeld in artikel | 1 amp; 2°. | 2 |

(L

g-ro; hoo(

zuir

)ldekei appl luizen, win lidwol vee \'ekela, ass1 Jelde, emk erhessi lee hab leloopc pra leel, U sne Saaste sch rirden doe verder tie gt;ma)li we! 5mild( ste Blokzi staphc

me;

wolde,

zw ka:

Veecai om Harde

al:

Wierd

f 37.50

fh-

/•300,-

Provincie LIMBURG.

Heer (b\\j Maastricht), Maastricht, Meerssen (sectie C), Roermond (kom), Venlo (stad met het stadsgedeelte van den Bantuin) . . . Amby, Berg en Terblijt (Plenkert), Gennep, Gronsveld (Heugem), Heer(overig deel), Heerlen (kom), Kerkrade (Kerkrade en Holz), Maasbree (kom van Blerick), Meerssen (sectiën B en D), Oud-Vroenhoven, St. Pieter,

Vaals (kom). Valkenburg........

Beek (dorp), Bemelen, Berg en Terblgt (overig deel). Bergen, Bocboltz, Borgharen, Bunde, Echt (kom), Eygelsboven, Eysden, St. Geer-truid, Gronsveld (overig deel). Gulpen (kom), Heerlen (overig deel). Hom, Horst (kom), Houthem, Hulsberg, Itteren, Kerkrade (overig deel). Klimmen, Maasniel, Meerssen (sectie A), Mesch, Mheer, Mook, Nieuwenhagen, Ot-tersum, Oud-Valkenburg, Ryckholt, Roermond (overig deel), Schaesberg, Schin op Geulle, Simpelveld, Sittard (kom), Swalmen (kom), Tegelen, Ubach over Worms, Vaals (overig deel), Venlo (overig deel), Venray (dorp), Voerendaal, Weert (kom), Wylre,

Wittem..............

Beek (overig deel). Echt (overig deel), Gul-

Een (overig deel). Horst (overig deel). Maasree (overig deel), Sittard (overig deel), Swalmen (overig deel), Venray (overig deel). Weert (overig deel), Overige gemeenten.....en (overig deel). Horst (overig deel). Maasree (overig deel), Sittard (overig deel), Swalmen (overig deel), Venray (overig deel). Weert (overig deel), Overige gemeenten.....

Anlo (Annerveen, Spykerboor, Eexterveen, An-nerveensch kanaal en Eexterveensch kanaal), Borger(veengedeelte), Coevorden (kom), Em men (Nieuw-Amsterdam), Gasselte (Gasselter boerveen, Gasselterboerveenschemond, Gas selternyveen en Gasseltemüveenscbemond) Gieten (Gieterveen, Bonnerveen en Bareveld] Hoogeveen (kom), Nyeveen, Odoorn (veen gedeelte), Roden (Nietap), Ruinerwold, de

Anlo (overig deel). Borger (overig deel), Coe vorden (overig deel), Emmen (overig deel) Gasselte (overig deel). Gieten (overig deel) Hoogeveen (overig deel), Odoorn (overig deel) Roden (overig deel). Overige gemeenten .

275,—

ƒ 1,25

ƒ350,—

ƒ62,50

1,—

325,—

50,-

],—

300,—

37,50

0,80

275,—

25,-

ƒ250,—

175,-

25,— 175,—

ƒ 200,—

i)

-ocr page 97-

32i

TABEL,

BEDOELD IN ART. 127 DEK KlESWET. 1)

(De Kiesdistricten zijn aangegeven met vette letter; achter elk district zijn vermeld de daartoe behoorende Gemeenten en Gedeelten van gemeenten.)

GBONINGEN. — Groningen.

HOOGEZAND. — Hoogezand, Haren, Noorddijk, Bedum, Ten Boer, Slochteren ZUIDHORN. — Zuidhorn, Adnard, Ezinge, Leens, Ulrum, Oldehove, Grijpskerk )ldckerk, Grootegast, Marum, Adorp, Hoogkerk, Leek, Kloosterburen, Winsum. APPINGEDAM. — Appingedam, Delfzgl, \'t Zandt, Bierum, Uithnizermeeden, Uit luizen, Usquert, Warffum, Eenrum, Baflo, Stedum, Middelstum, Kantens,Loppersum WINSCHOTEN. — Winschoten, Termunten, Nieuwe Schans, Beerta, Nieuwolda Hidwolda, Finsterwolde, Noordbroek, Zuidbroek, Scheemda, Bellingwolde, Wedde VEENDAM. — Veendam, Meeden, Sappemeer, Muntendam, Oude-Pekela, Nieuwe \'ekela, Vlagtwedde, Onstwedde.

ASSEN. — Assen, Wildervank, Zuidlaren, Anlo, Gieten, Gasselte, Roden, Peize lelde, Norg, Vries, Rolde.

BMMEN. — Emmeu, Borger, Odoorn, Schoonebeek, Dalen, Zweeloo, Sleen, Oos erhesselen, Coevorden, Westerbork, Beilen.

LEEUWARDEN. — Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Idaarderadeel. HARLINGEN. — Harlingeu, Barradeel, Wonseradeel, Bolsward, Workum, Hin leloopen.

FRANEKER. — Franeker, Franekeradeel, \'t Bildt, Menaldumadeel, Baardera leel, Hennaarderadeel.

SNEEK. — Sneek, Wymbritseradeel, Stavoren, Hemelumer Oldephaert, IJlst ïaastcrland, Sloten, Rauwerdirhem, Doniawerstal.

SCHOTERLAND. — Schoterland, ütingeradeel, Opsterland, Haskerland, Aeng cirden.

DOKKUM. — Dokkum, Oostdongeradeel, Westdongeradeel, Dantumadeel, Fer verdcradeel, Ameland, Schiermonnikoog.

TIETJERKSTERADEEL. — Tietjerksteradeel, Kollumerland, Achtkarspelen smallingerland.

WESTSTELLING WERP. — Weststellingwerf, Ooststellingwerf, Lemsterland smilde, Diever, Vledder, Havelte.

STEENWIJK. — Steenwyk, Steenwykerwold, Oldemarkt, Kuinre, Blankenham Blokzyl, Stad-Vollenhove, Ambt-Vollenhove, Giethoorn, Wanneperveen, Zwartsluis Staphorst, Hasselt, Genemuiden, Nieuwleusen.

MEPPEL. — Meppel, Dwingelo, Nijeveen, Ruinen, Ruinerwold, Hoogeveen, Zuid-wolde, de Wyk, Avereest.

ZWOLLE. — Zwolle, Zwollerkerspel, Dalfsen, Wijhe, Heino.

KAMPEN. — Kampen, Kamperveen, Grafhorst, IJsselmuiden, Wilsum, Zalk en Veecaten, Oldebroek, Elburg, Doornspijk, Heerde, Hattem.

OMMEN. — Stad-Ommen, Ambt-Ommen, Gramsbergen, Stad-Hardenberg, Ambt-Harden berg, den Ham, Hellendoorn, Vriezen veen, Raalte, Holten.

ALMELO. — Stad-Almelo, Ambt-Almelo, Tubbergeu, Gotmarsum, Denekamp, kierden. Weerselo, Borne, Ryssen.

1) Zooals gewijzigd bi] de wet van 31 Dec. 1896, S. 245.

-ocr page 98-

KIESWET.

ENSCHEDÉ. — Enschedé, Oldenzaal, Losser, Haaksbergen, Hengelo, Lonneker.

DEVENTER. — Deventer, Diepenveen, Bathmen, Voorst, Olst.

liOCHEM. — Lochem, Markelo, Goor, Stad-Delden, Ambt-Delden, Diepenheim, Gorssel, Laren, Borculo, Neede, Eibergen, Ruurlo, Groenlo.

ZUTPHEN. — Zutphen, Vorden, Warnsveld, Brammen, Hengelo, Steenderen, Hnmmeio, Doesburg.

DOETINCHEM. — Stad-Doetinchem, Ambt-Doetinchem, quot;Wmterswyk, Aalten, Lichtenvoorde, Wisch, Dinxperlo, Zelhem, Gendringen.

RHEDEN. — Rheden, Zevenaar, Rozendaal, Westervoort, Duiven, Huissen, Di-dam, Angerlo, Bergh, Wehl, Herwen en Aerdt.

ARNHEM. — Arnhem.

ELST. — Eist, Wageningen, Doorvrerth, Renkum, Valburg, Heteren, Hemmen, Bemmel, Gent, Pannerden, Ewyk, Beuningen.

NIJMEGEN. — Ngmegen, Millingen, Ubbergen, Groesbeek, Henmen.

DRXJTEN. — Drnten, Overasselt. Wijchen, Balgoy, Batenburg, Borgharen, Hors-sen, Appeltern, Driel, Hurwenen, Rosaura, Zalt-Boramel, Ammerzoden, Brakel, Zuilichem, Poederogen, Hedel, Kerkwgk, Gameren, Dreumel, Wamel, Heerewaarden.

TIEL. — Tiel, Zoelen, Geldermalsen, Wadenogen, Est en Opijnen, Ophemert, Varik, Deil, Beest, Waardenburg, Haaften, Maurik, Lienden, Uzendoorn, Echteld, Dodewaard, Kesteren.

WIJK BIJ DUURSTEDE. — Wyk by Duurstede, Driebergen, Rijsenburg, Langbroek, Cothen, Werkhoven, Odyk, Houten, Schalkwyk, Tuil en \'t Waal, Jutphaas, Vreeswyk, IJsselstein, Lopik, Jaarsveld, Benschop, Willige Langerak, Montfoort, Hoenkoop, Polsbroek, Willeskop, Snelrewaard, Culenborg, Beusichem, Buret, Buur-malsen, Bunnik, Oudenryn.

EDE. — Ede, Barneveld, Nykerk, Scherpenzeel, Renswoude, Veenendaal, Rhenen, Amerongen, Leersum, Hoevelaken.

AMERSFOORT. — Amersfoort, Bunschoten, Eemnes, Baarn, Hoogland, Soest, Stoutenhurg, Lensden, Woudenberg, Maarn, Zeist, Doorn, de Bildt, Maartensdyk, Achttienhoven, Westbroek.

APELDOORN. — Apeldoorn, Epe, Ermelo, Harderwyk, Putten.

UTRECHT I. — Het deel der gemeente Utrecht, gelegen oostelyk van den Krommen Ryn, de Oude Gracht en de Vecht.

UTRECHT II. — Het overige gedeelte der gemeente Utrecht.

BREUKELEN. — Breukelen-Nyenrode,Breukelen-St. Pieters, Nieuwveen, Kieuwkoop, Zevenhoven, Ter Aar, Abcoude-Proostdy, Abcoude-Baambrngge, Loosdrecht, Vinkeveen, Vreeland. Loenen, Loenersloot, Mijdrecht, Wilnis, Maarsseveen, Maars-sen, Tieohoven, Zuilen, Vleuten, Laagnieuwkoop, Kockengen, Kamerik, Zegveld, Haarznilens, Ruwiel, Harmeien, Veldhuizen, Linschoten.

HILVERSUM. — Hilversum, Ouder-Amstel, Watergraafsmeer, Diemen, Muiden, Naarden, Huizen, Blaricum, Laren, Bussum, Weesp, Weesperkarspel, Ankeveen, Ne-derhorst den Berg, Nigtevecht, Kortenhoef, \'s Graveland.

HOORN. — Hoorn, Zwaag, Berkhout, Avenhorn, ürsem, Schermerhorn, Ouden-dyk. Beets, Beemster, Oosthuizen, Warder, Middelie, Kwadyk, Purmerend, Edam, Katwoude, Monnikendam, Marken.

ENKHUIZEN. — Enkhuizen. Medemblik, Opperdoes, Twisk, Abbekerk, Hoogwoud, Winkel, Opmeer, Spanbroek, Obdam, Hensbroek, Sybekarspel, Wognum, Nib-bixwoud, Midwoud, Wervershoof, Andyk, Bovenkarspel, Grootebroek, Hoogkarspel, Westwoud, Blokker-Schellinkhout, Wydenes, Venhuizen, Urk.

ALKMAAR. — Alkmaar, Heiloo, Bergen, Schoorl, Warmenhuizen, Harenkarspel, St. Maarten, Schagen, Wieringerwaard, Barsingerhorn, Nieuwe-Niedorp, Oude-Nie-dorp, Heerhugowaard, Oudkarspel, Noord-Scharwoude, Zuid-Scharwoude, Broek op Langendyk, St. Pancras, Koedyk, Oudorp, Oterleek.

DEN HELDER. — Den Helder, Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Anna Paulowna, Zype, Callantsoog, Petten.

AMSTERDAM I. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lyn, getrokken als volgt: van bet snypunt der aslqnen van het Noordzeekanaal en

32?

-ocr page 99-

KIESWET. 32k

zykanaal H door het midden van het Noord zeek an aal tot aan het Droogdok; vervolgens langs de doorvaart van de Realengracht tot op het snjjpnnt van de Prinseneilandsgracht, vervolgens langs die gracht tot langs den Spoord^k, tot aan de Westerdokskade, vervolgens door het midden van de Korte Prinsengracht tot de Noordzijde van de Brouwersgracht tot den Singel en van daar tot aan de Noordzijde van de Korte Korsjespoortsteeg, langs die steeg tot aan de oostzijde van den N.Z. Voorburgwal, vervolgens langs den N.Z. Voorburgwal tot aan de doorsnede van de Raadhuisstraat, daarna de zuidzijde dier straat tot aan de doorvaart van den Singel, vervolgens langs de Oostzqde van den Singel tot de doorvaart van den Bin-nen-Amstel, daarna langs het noordelijk gedeelte van den Amstel tot den Zwanenburgwal, vervolgens de westzijde van den Zwanenburgwal, tot de St-Anthoniebreed-straat, deze straat langs tot over de Nieuwmarkt, oostelijk langs de Vischmarkt, door het midden (westzijde) van de Geldersche kade naar de doorsnede in het IJ tot aan den afsluitdijk, vervolgens langs dien afsluitdijk tot aan de grens der gemeente en van daar in noordwestelijke richting tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM II. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lijn getrokken als volgt: van af den afsluitdijk naar Schellingwoude langs de doorsnede van het IJ tot aan den Oostelijken doorgang in het open havenfront langs de oostzijde van de Geldersche kade tot aan de Rechtboomsloot, langs de noordzijde van de Rechtboomsloot tot aan de Oude Schans (noordzijde) tot aan den Rapenburgwal, voorts langs den Rapenburgwal en het Ëntrepötdok (Laagte Kadijk) tot aan het snijpunt van de Sarphatistraat; de noordzijde van die straat volgende tot aan de Zeeburgerstraat (noordzijde) en van daar langs de doorvaart in het Loozingskanaal en langs den Diemerdyk tot aan den Immetjeshom en verder in noordelijke richting over het IJ langs de grens der gemeente, langs den Noorder-IJ- en Zeedijk tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM III. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af den Immetjeshom, langs den Diemerdijk tot aan de doorvaart van het Loozingskanaal, vervolgens langs de Buitensingelgracht (zuidzijde) tot aan de Kavaleriekazerne, daarna langs de doorvaart der Muidergracht langs de zuidzijde van den Hortus Botanicus, langs de doorvaart van de Nieuwe Heerengracht (zuidzijde) tot aan den Amstel. Vervolgens door de doorvaart van den Amstel (oostzijde) tot aan de Schulpbrug en van daar in noordoostelijke richting langs de grens der gemeente tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM IV. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eeue lijn, getrokken als volgt: van de Zeeburgerstraat (zuidzijde) langs de noordzijde van de Sarphatistraat tot aan het snijpunt van het Ëntrepötdok, vervolgens langs de doorvaart van het Entrepótdok (zuidzijde) en den Rapenburgwal (zuidzijde) tot aan de Oude Schans, daarna langs de doorvaart van de Oude Schans (zuidzijde) tot aan de doorvaart van de Rechtboomsloot, vervolgens de zuidzijde dier Rechtboomsloot tot aan de Geldersche kade, van daar langs de Geldersche kade (oostzgde) en Nieuwe Markt (oostzijde) in zuidelijke richting, naar den Zwanenburgwal, vervolgens langs den Zwanenburgwal (oostzijde) tot het snypunt in den Amstel en van daar in westelijke richting naar het Sophiaplein; vervolgens langs dat plein (zuidzijde) door de Reguliersbreedstraat (noordzijde) langs de doorsnede van het Thorbeckeplein (oostzijde) en de Reguliersgrachten (oostzijde) tot aan het snijpunt in de Stadhouderskade. Vervolgens die kade in oostelijke richting tot aan het snijpunt in den Amstel, daarna de doorvaart (westzijde) van den Amstel tot waar men de aslijn ontmoet der Nieuwe Keizersgracht, vervolgens de Nieuwe Heerengracht (noordzijde) langs de zuidzijde van den Hortus Botanicus en de noordzijde van de Muidergracht, langs de Kavaleriekazerne tot aan het snijpunt der Buitensingelgracht, vervolgens langs de Buitensingelgracht (noordzijde) tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM V. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene Ign getrokken als volgt: van af het punt in den Amstel, alwaar de Stadhouderskade die rivier snijdt en van daar langs de Stadhouderskade tot aan de doorsnede van het Vondelspark. Vervolgens de doorsnede van het Willemspark langs de Schinkelkade en voorts in zuidelijke en oostelijke richting langs de grens der gemeente tot aan den Amstel en van daar langs den Amstel tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM VI. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af de doorvaart van den Singel bty de Munt (zuidzijde) tot aan de Gasthuismolensteeg, door de Gasthuismolensteeg (zuidzijde),

-ocr page 100-

KIESWET.

Harten-, Ree- en Laurierstraten (zuidzijden) met eene recht doorgetrokken lyn tot in de Buitensingelgracht: vervolgens langs de doorvaart van de Buitensingelgracht (noord oostzyde) en de Stadhouderskade (noordzyde) tot tegenover de Nicolaas-Wit-senstraat, vervolgens door het midden dier straat (westzyde) langs de doorvaart van de Reguliersgracht (westzyde), het Thorbeckeplein (westzyde). de Reguliersbree-straat (zuidzyde) tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM VII. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af de doorsnede der Raadhuisstraat (noordzyde) langs den N.Z. Voorburgwal (westzyde) tot aan de Korsjespoortsteeg. Vervolgens de zuidzyde dier steeg tot aan de doorvaart van den Singel, daarna den Singel (westzyde) in noordelyke richting volgende tot aan de Brouwersgracht; vervolgens de Brouwersgracht (zuidzyde), tot aan de doorvaart van de Prinsengracht, daarna de Prinsengracht tegenover de Noordermarkt tot aan de doorsnede der Westerstraat. De Westerstraat (zuidzyde) langs het Marnixplein (zuidzyde) tot aan de doorvaart der Marnixkade. Vervolgens langs de Marnixkade en Buitensingelgracht (oostzyde) tot waar men het verlengde van de aslyn der Laurierstraat ontmoet; verder door het midden der Laurierstraat, Reestraat, Hartenstraat en Gasthuismolensteeg (noordzyde), daarna langs de doorvaart van den Singel (westzyde) tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM VIII. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lyn, getrokken als volgt: van het snypunt der aslynen van het Noordzeekanaal en zykanaal H, zuidwaarts langs de grens der gemeente tot aan de Haarlemmervaart. Vervolgens langs de dootvaart der Haarlemmervaart (noordzyde) tot aan het Nassauplein. Daarna langs de doorvaart der Marnixkade tot aan de Zaagbar-rière, vervolgens langs de Westerstraat (noordzyde) tot aan de doorvaart der Prinsengracht (westzyde) tot aan het snypunt der Westerdokskade. Van daar langs de Prinseneilandsgracht (westzyde) tot aan de aslyn van de Realengracht. Vervolgens langs het Realeneiland tot aau de doorvaart van het Noordzeekanaal en van daar in noordelyke richting tot aan het beginpunt.

AMSTERDAM IX. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lyn, getrokken als volgt: van af den noordelyken hoek van het Nassauplein, langs de doorvaart der Haarlemmervaart (zuidzyde) tot aan de grens der gemeente. Vervolgens zuidwaarts die grens volgende langs de Kostverloren Wetering tot aan de doorvaart van de Schinkelkade (noordzyde). Vervolgens de doorsnede van het Willemspark en Vondelspark (noordzyde) tot aan de doorvaart van de Stadhouderskade en van daar langs de doorvaart dier kade (westzyde). Buitensingelgracht (westzyde) en de Nassaukade tot aan het beginpunt.

HAARLEM. — Haarlem.

BEVERWIJK. — Beverwyk,Zandvoort, Bloemendaal, Schoten, Spaamdam, Haar-lemmerliede en Spaamwoude, Velsen, Assendelft, Westzaan, Krommenie, Wyk-aan Zee en Duin, Heemskerk, Uitgeest, Castricum, Akersloot, Limmen, Egmond binnen, Egmond aan Zee.

ZAANDAM. — Zaandam, Koog a. d. Zaan, Zaandyk, Wormerveer, Wormer, Jisp, Graft, de Rijp, Zuid- en Noord-Schermer, Wydewormer, Oostzaan, Ilpendam, Landsmeer, Buiksloot, Broek in Waterland, Nieuwendam,Ran8dorp.

HAARLEMMERMEER. — Haarlemmermeer, Sloten, Heemstede, Bennebroek, Aalsmeer, Uithoorn, Leimuiden, Lisse, Hillegom, Alkemade, Nieuwer-Amstel.

LEIDEN. — Leiden.

KATWIJK. — Katwijk, Noordwyk.Noordwykerhout, Sassenheim,Voorhout, Oegst-geest. Warmond, Rynsburg, Valkenburg, Leiderdorp, Rynsaterwoude, Woubrugge, Oudshoorn, Koudekerk, Zoeterwoude, Voorschoten, Veur, Wassenaar.

GOUDA. — Gouda, Boskoop, Moerkapelle, Waddinxveen, Moordrecht, Nieuwer-kerk a. d. IJssel, Ouderkerk, a. d. IJssel, Krimpen a. d. IJssel, Krimpen a. d. Lek, Gouderak, Lekkerkerk, Capelle a. d. IJssel.

BODEGRAVEN. — Bodegraven, Aarlanderveen.Hazerswoude, Alphen, Zwammer-dam. Rietveld, Woerden, Waarder, Barwoutswaarder, Papekop, Lange Ruige Weide, Reeuwyk, Oudewater, Hekendorp, Haastrecht, Vlist, Stolwyk, Schoonhoven, Bergambacht, Ammerstol, Berkenwoude.

DELFT. — Delft, Hof van Delft, Pynacker, Vryenban, Berkel Bleiswyk, Zevenhuizen, Bergschenhoek, Hillegersberg.

LOOSDUINEN. — Loosduinen, \'s Gravensande, Maassluis, Maasland, de Lier,

32/

-ocr page 101-

KIESWET.

Naaldwgk, Schipluiden, Monster, Wateringen, Rtfswyk, Voorburg, Stompwyk, Nootdorp, Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen.

SCHIEDAM. — Schiedam, Overachie, Schiebroek, Kethel, Vlaardingen, Vlaar-dingerambacht.

ROTTERDAM I. — Het deel der gemeente, begrensd door eene Ijjn, loopende van het snijpunt der aslgnen, van de rivier de Maas en het Boerengat door het midden van laatstgemeld water van het Oostplein en van de Oostpoort; van daar langs de oostzijde der Boezemkolk, het stoomgemaal buitensluitende, over het mid* den van de Boezembrug en het Oostvestplein, tot het midden van den Goudschen-weg; vervolgens midden over deze straat het Goudsche plein en den Crooswijkschen weg tot aan de voormalige Kralingscbe grens; verder zuid-oostwaarts ombuigende langs die grens tot het midden van de rivier de Mhhs en eindelijk van daar door het midden van de rivier stroomafwaarts tot het punt van begin. De voormalige gemeente Kralingen.

ROTTERDAM II, — Het deel der gemeente, begrensd door eene lijn, loopende van het snijpunt der aslijnen van den Goudschen weg en het Oostvestplein, westwaarts midden door de gracht van den Goudschen Singel, door de sluis aan het Couwenburghseiland en de Rotte; vervolgens langs de noordzijde der huizen, aan de Galery tot in het midden van de Delftsche vaart; van daar door het midden van de Schiekolk en de Schie tot de grens van Hillegersberg, en verder langs die grens en die van de voormalige gemeente Kralingen tot aan het Zuideinde van den Achterweg; vervolgens over het midden van den Crooswijkschen weg,het Goudsche plein en den Goudschen weg tot aan het punt van begin.

ROTTERDAM III. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lyn, loopende van het snijpunt der aslijnen van de Leuvehaven en de Leuvebrugsteeg midden door die steeg en de Schildersteeg tot het midden van de gracht van den Schiedamschen Singel; van daar noordwaarts midden door die gracht tot aan het midden van den Binnenweg, midden over den Binnenweg tot aan de grens der kadastrale gemeente Delfshaven; van daar langs die grens en langs de grens van Overschie tot het midden van de Schie, midden door dat water en de Schiekolk tot het midden van de Delftsche vaart; van daar benoorden langs de huizen aan de Galery midden door de Rotte tot tegenover het midden van de Tweede Lombardstraat; van daar het midden van die straat en van de Eerste Lombardstraat volgende tot het midden van de Boerenvischmarkt en midden over de Boerenvischmarkt en de Korte Torenstraat tot het midden van de Delftsche vaart; van daar midden over het Spui en de Vlas-markc tot het midden van de sluis „het Spuiquot;; vervolgens van daar midden door de Steigergracht en de Leuvehaven tot het punt van begin.

ROTTERDAM IV. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lyn, loopende van het snypunt der aslynen van de rivier de Maas en de Leuvehaven stroomafwaarts midden door de rivier langs de voormalige Charloische- en vervolgens langs de Schiedamsche en Overschiesche grens tot het midden van de Coolsche straat; van daar langs de grens der kadastrale gemeente Delfshaven tot aan het midden van den Binnenweg, midden door den Binnenweg oostwaarts tot aan het midden van de gracht van den Schiedamschen Singel, midden door die gracht tot aan het midden van de Schildersteeg en midden door die steeg en de Leuvebrugsteeg tot aan het midden van de Leuvehaven en eindelyk van daar zuidwaarts midden door die haven tot aan het punt van begin. De voormalige gemeente Charlois.

ROTTERDAM V. — Het deel der gemeente, begrensd door eene lyn, loopende van het snypunt der aslynen van de rivier de Maas en het Boerengat, stroomopwaarts midden door de rivier; vervolgens langs de voormalige Kralingsche, de Us-selmondsche en de voormalige Charloische grens tot weder in het midden van de rivier; van daar stroomopwaarts midden door de rivier tot aan de verlengde aslyn van de Leuvehaven, midden door die haven en de Steigergracht tot midden voor de sluis „het Spuiquot;; van daar midden over de Vlasmarkt en het Spui tot aan het midden van de Korte Torenstraat, midden door die straat en de Boerenvischmarkt tot aan het midden van de Eerste Lombardstraat, midden door die straat en de Tweede Lombardstraat tot midden in de Rotte; van daar midden door de sluis van het Couwenburghseiland, de gracht van den Goudschen Singel, het Oostvestplein en de Boezembrug; vervolgens beoosten langs de Boezemkolk, het stoomgemaal insluitende, midden door de Oostpoort, het Oostplein en het Boerengat tot het punt van begin.

32m

-ocr page 102-

KIESWET.

BRIBLLE. — Brielle, den Bommel, Ooltgensplaat, Stad aan \'t Haringvliet, Oost-voorne, Vierpolders, Nieuwenhoorn.HellevoetsluiB, Nieuw-Helvoet, Bockanje, Heen-vliet, Geervliet, Zwartewaal, Spykenisse, Hekelingen, Zuidland, Abbenbroek. Oudenhoorn, Rozenburg, Pernis, Hoogvliet, Foortugaal, Goudswaard, Piershil, Zuid Beyer-land, Nieuw-Beyerland.

*8 Q-RAVENHAQE I. — Het gedeelte der gemeente \'s Gravenhage, gelegen binnen eene lyn, getrokken als volgt: beginnende aan de Laakbrug op den straatweg van \'s Gravenhage naar Delft, volgende westwaarts de zuidoostzyde van de Laak of Molensloot (grensscheiding met de gemeente Ryswyk) tot de Beekwatering of Lange Laak (grensscheiding met de gemeente Loosduinen), deze noordwaarts volgende tot het punt, gelegen in de lyn, uitmakende het verlengde van de as van het zoogenaamde Uitpad in den Zusterpolder; vervolgens oostwaarts langs die lyn en de as van gemeld Uitpad tot aan den hoek by den voormaligen molen „de Ooievaarquot;; verder oostwaarts door het midden der gracht van den Zuidbinnensingel en van een kort stuk Zuidwal, langs de as van Glasblazerslaan, een klein gedeelte Lange Beestenmarkt, Hamerstraat, Nieuwe Molstraat; voorts noordwaarts door de as van de Wagenstraat tot de Spuistraat, oostwaarts door de as van Spuistraat, Lange Booten, straat ten zuiden het Plein, Korte Pooten en Heerengracht, door het midden der gracht van den Zuidoostbuitensingel tot de Rynstraat, door de as van deze straat en ronddom het noordelykste terrein van den Staatsspoorweg, verder zuidwaarts langs de as van den Schenkweg tot de Schenkwatering (grensscheiding met de gemeente Voorburg) en eindelyk westwaarts langs deze en die met de gemeente Byswyk tot de Laakbrug.

\'a GRAVENHAGE II. — Het gedeelte der gemeente \'s Gravenhage. gelegen binnen eene lyn, getrokken als volgt: beginnende by den hoek van de Wagenstraat en Nieuwe Molstraat, Hamerstraat, een klein gedeelte Lange Beestenmarkt, Glasblazerslaan, door het midden van een kort stuk Zuidwal en van den Zuidbinnensingel tot aan den hoek by den voormaligen molen „de Ooievaarquot;; verder westwaarts door de as van het zoogenaamde Uitpad en den Zusterpolder en in het verlengde van die as naar de Beekwatering of Lange Laak (grensscheiding met de gemeente Loos-duinen), noordwaarts die grens volgende tot aan de as van de Loosduinsche we^, verder noordwaarts langs de Beeklaan (grensscheiding met de gemeente Loosdni-nen) tot het punt, gelegen in de lyn in het verlengde van het midden der Elandsgracht; vervolgens oostwaarts langs die lyn het midden van de Elandsgracht, de Hoogewalsgracht, Mauritskadegracht, door de as van de Kanaalstraat en door het midden van Koningskadegracht en Benoordenboutsche watering tot de grensscheiding met de gemeente Wassenaar, deze grens eerst tot den noordoostelyken hoek en daarna zuidwaarts tot het midden der Schenkwatering volgende (grensscheiding met de gemeente Voorburg); voorts westwaarts langs laatstbedoelde grens tot de brug van den Schenkweg en door de as van den Schenkweg, rondom het noordelykste terrein van den Staatsspoorweg, verder westwaarts door de as der Banstraat, door het midden der gracht van een deel Zuidoostbuitensingel en door de as van Heerengracht, Korte Pooten, straat ten zuiden het Plein, Lange Pooten en Spuistraat tot den hoek der Veenestraat en eindelyk zuidwaarts door de as van de Wagenstraat tot de hoek van de Nieuwe Molstraat.

\'8 GRAVENHAGE III. — Het gedeelte der gemeente \'s Gravenhage, gelegen noordelyk van de lyn, aanvangende op de Beeklaan (grensscheiding met de gemeente Loosduinen), in het verlengde van het midden van de Elandsgracht, oostwaarts volgende dat verlengde, het midden van de Elandsgracht, de Hoogewalsgracht, de Mauritskadegracht, de as van de Kanaalstraat en het midden van Koningskadegracht en Benoordenboutsche watering tot den noordoostelyken hoek van de grensscheiding met de gemeente Wassenaar.

DORDRECHT. — Dordrecht, Dubbeldam, Zwyndrecht, Papendrecht, Heerjans-dam.

RIDDERKERK. — Ridderkerk, Barendrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Usselmon-de, Rhoon, \'s Gravendeel, Stryen, Maasdam, Puttershoek, Heinenoord, Oud-Beyer-land, Mynsheerenland, Westmaas, Klaaswaal, Numansdorp.

GORINCHEM. — Gorinchem, Herwynen, Vuren, Nederhemert, Wyk en Aalburg, Veen, Op- en Neer-Andel, Giessen, Ryswyk, Woudrichem, de Werken en Sleeuwyk, Werkendam, Schelluinen, Arkel, Kedichem, Heukelum, Asperen, Hardinxveld, Giessen, Nieuwkerk, Giessendam, Molenaarsgraaf, Hoogblokland, Hoornaar, Noordeloos, Nieuwland.

32n

-ocr page 103-

KIESWET.

BLIBDRBCHT. — Sliedrecht, ViaDen, Hageatein, ëverdingen, Scboonrewoerd, Leerdam, Hei- en Boeikop, Leerbroek, Lexmond, Meerkerk, Ameide, Tienhoven, Langerak, Goudriaan, Kieuwpoort, Groot-Ammers, Ottoland, Peursum, Brandwijk, Bieskensgraaf, Wgngaarden, Streefkerk, Nieuwlekkerland, Alblasserdam, Oud-Alblas.

MIDDELBURG. — Middelburg, Vlissingen, Veere, Oostkapelle, Domburg, Vrouwenpolder, Serooskerke, Aagtekerke, Grypokerke, Weatkapelle, St. Laurens, Meiisker-ke, Zoutelande, Biggekerke, Oost- en West-Souburg, Koudekerke, Ritthem, Kieuw- en St. Joosland, Arnemuiden.

OOSTBÜRG. — Oostburg, Cadzand, Retranchement, Zuidzande, Sluis, Aarden-burg, Eede, St. Kruis, Waterlandkerkje, IJzendijke, Breskens, Groede, Nieuwvliet, Scboondyke, Hoofdplaat, Biervliet, Keuzen, Hoek, Philippine, Westdorpe, Zaamslag, Sas van Gent, Axel.

GOES. — Goes, \'s Heer-Arendskerke, \'s Heer-Abtskerke, Wnlpbaartsdyk, Hein-kenezand, \'s Gravenpolder, Kattendyke, Kloetinge, Wemeldinge, Wissekerke, Colons-plaat, Kortgene, Kats, Tholen, Oud-Vossemeer, Poortvliet, St. Annaland, Stavenisse, St. Maartensdgk, Scherpenisse, St. Philipsland.

HONTENISSE* — Hontenisse, Overslag, Zuiddorpe, Koewacht, Boschkapelle, Hulst, Clinge, St. Jansteen, Stoppeldgk, Hengstdgk, Graauw en Langendam, Osse-nisse, Rilland-Bath, Waarde, Schore, Kruiningen, Krabbendyke, Yerseke, Kapelle, Borsseien, Driewegen, Kisse, Ovezande, Hoedekenskerke,\'s Heerenhoek, Oudelande, Ellewoutsdyk, Baarland.

Z1ERIEZEB. — Zierikzee, Haamstede, Noordwelle, Renesse, Serooskerke, Burgh, Eikerzee, Ellemeet, Brouwershaven, Zonnemaire, Duivendijke, Kerkwerve, Noord-gouwe, Dreischor, Oosterland, Kieuwerkerk, Ouwerkerk, Bruinisae, Goedereede, Ouddorp, Stellendam,Dirksland, Meliasant, Middelharnis, Sommelsdyk, Oude-Tonge, Nieuwe-Tonge, Herkingen.

BERGEN OP ZOOM. — Bergen op Zoom, Woensdrecht, Oasendrecht, Huyber-gen. Putte, Nieuw-Vossemeer, Wouw, Halsteren, Rosendaal en Nispen, Steenbergen en Kruisland.

BREDA. — Breda, Rucphen en Yorenseinde, Hoeven, Etten en Leur, Prinsen-hage, Terheyden.

OOSTERHOUT. — Oosterhout, Zundert, Rjjsbergen, Ginniken en Bavel, Tete-ringen. Dongen, \'s Gravenmoer, Loon op Zand, Gilze en Regen, Chaam, Baarle-Nassau.

ZEVENBERGEN. — Zevenbergen, Dinteloord en Prinsland , Oud en Kieuw-Gastel, Fynaart en Heiningen, Willemstad, Klundert, Standdaarbuiten, Oudenbosch, Hooge en Lage Zwaluwe, Geertruidenberg, Made en Drimmelen, Raamsdonk.

WAALWIJK, — Waalwyk, Almkerk, Dussen, Munster en Muilkerk, Waspik, Meeuwen, Hill en Babyloniënbroek, Heesbeen, Eethen en Genderen, Drongelen, Hangoort, Gansojjen en Doeveren, Besogen, Baardwyk, Drunen, Nieuwkuyk, Vly-men, Empel en Meerwyk, Engelen, Bokhoven, Hedikhuizen, Herpt, Oudheusden, Heuaden, Capelle, Sprang, Vryhoeve Capelle, Cromvoirt, Helvoirt, üdenhout, Ber-kel, Haaren.

TILBURG. — Tilburg, Oisterwyk, Moergestel, Hilvarenbeek, Goorle, Alphen en Riel, Dieaaen, Oost- West- en Middelbeers.

EINDHOVEN. — Eindhoven, Hooge en Lage Mierde, Reusel, Bladel en Netersel, Oirschot, Liempde, Veaaem, Wintelre en Knegsel, Zeelst, Strüp, Woensel, Best, Stratum, Gestel en Blaarthem, Hoogeloon, Hapert en Casteren, Duizel en Steensel, Eer-sel, Luyksgestel, Borkel en Schaft, Bergeyk, Dommelen, Westerhoven, Veldhoven en Mereveldhoven, Riethoven, Oerle, Valkenswaard.

HELMOND. — Helmond, Tongelre, Nunen, Gerwen en Nederwetten, Zesgehuchten, Bakel en Milheeze, Deurne en Liesel, Vlierden, Geldrop, Mierlo, Lierop, Asten, Someren, Leende, Heeze, Maarheeze, Soerendonk, Sterksel en Gassel, Budel, Aalst, Waalre, Stiphout. Aarle-Rixtel.

MAASTRICHT. — Maastricht, St. Pieter, Oud-Vroenhoven, Meerssen, Am bij. Heer, Gronsveld, Eysden.

GULPEN. — Gulpen, Meach, Ryckholt, St. Geertruid, Mheer, Noorbeek, Slena-ken, Wittem, Vaals, Bocholtz, Simpel veld, Wglre, Valkenburg, Oud-Valkenburg, Margraten, Cadier en Keer, Bemelen, Berg en Terblyt, Houthem, Kerkrade Roeren-daal, Schin op Geulle, Heerlen, Schaesberg, Klimmen.

32o

-ocr page 104-

KIESWET.

SITTARD. — Sittard, Borgharen, Itteren, Bunde, Geulle, Elsloo, Stein, Urmond, Obbicht en Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht, Bom, Nieuwstadt, Broeksittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Spanbeek, Schimmert, Hulsberg, Wijnandsrade, Nuth, Ulestraten, Schinnen, Amstenrade, Hoensbroek, Brunssum, Schinveld, Jabeek, Bin-gelrade, Merkelbeek, Oirsbeek, Eygelshoven, Ubach oyer Worms, Mieuwenhagen.

ROERMOND. — Roermond, Susteren, Roosteren, Echt, Ohé en Laak, Stevens-weert, Vlodrop, Posterholt, St. Odiliënberg, Melick en Herkenbosch, Montfort, Maas-bracht, Linne, Herten, Maasniel, Hom, Beegden, Heel en Panheel, Wessem, Thorn, Swaltnen, Beesel.

VENLO. — Venlo, Grubbenvorst, Arcen en Velden, Broekhnhen, Meerlo, Wans-sum, Venray, Bergen Ottersum, Gennep, Mook, Sambeek, Vierlingsbeek, Maashees en Overloon, Oploo, St. Anthonis en Ledeacker, Belfeld, Tegelen.

WEERT. — Weert, Hunsel, Stramproy, Nederweert, Roggel, Heythuizen, Neer, Kessel, Meyel, Helden, Sevenum, Maasbree, Horst, Buggenum, Nunhem, Haelen, It-tervoort, Neeritter, Baexem, Grathem.

GRAVE. — Grave, Boxmeer, Alem, Maren en Kessel, Lith, Lithoijen, Geffen, Oss, Ogen en Teeffelen, Megen, Haren en Macharen, Dieden, Demen en Langel, Deursen en Dennenburg, Huisselingen Neerloon, Berghem, Herpen, Heesch, Schayk, Ravenstein, Reek, Velp, Escharen, Gassel, Beers, Linden, Cuyk en St. Agatha, Oeffeit, Haps, Beugen en Rijkevoort, Wanroy, Mill en St. Hubert, Nistelrode.

\'s HERTOGENBOSCH. — \'s Hertogenbosch, Vught, den Dungeu, Berlicum, Rosmalen, Nuland, Boxtel, Esch.

VEGHEL. — Veghel, CJden, Zeeland, St. Michielsgestel, Schyndel, St. Oedenrode, Dinther, Heeswijk, Erp, Boekei, Gemert, Son en Breugel, Lieshout, Beek en Donk.

32p

-ocr page 105-

WET

KEGELENDE DE ZAMENSÏELLING EN MAGT VAN DE PKOVINCIALE STATEN.

(Vastgesteld den fiden July 1850, Stsbl. no. 39, uitgegeven den lOden Julg d.a.v. Gewyzigd by de wet van 28 Mei 1896, Stsbl. no. 88 en 28 April 1897, Stsbl no. 112.) 1)

EEKSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

EEESTE HOOFDSTUK.

AliGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. De Statenvergadering van elke provincie is zamengesteld uit het in art. 2 bepaald getal leden;

Onzen commissaris, als voorzitter;

een griffier.

2. Het getal der leden bestaat:

in Noordbrabant uit » Gelderland »

64 62 82* 77* 42 41 50 47 45 35 45

Zuidholland » Noordholland »

Zeeland »

Utrecht »

Friesland »

Overijssel »

Groningen »

Drenthe »

Limburg »

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN DEK STATEN.

§ 1. Van hunne benoeming.

*Art. 3. De leden der Staten worden gekozen in de kiesdistricten, waarin de provincie wordt verdeeld, door hen, die voigens de in art. 8 der Kieswet bedoelde lijst daartoe bevoegd zijn. (G. 127; Kw. 6, 8, 35, 160.)

1) De met * gemerkte artikels of onderdeden van artikels 2\\}n aldus gewijzigd, toegevoegd of vervallen volgens artt. 1—17 der wet van 28 April 1897, Stabl. no. 112.

STAATSWETTEN. 5

-ocr page 106-

PROVINCIALE WET.

4. Eene afzonderlijke wet regelt, nadat de Staten zijn gehoord, de verdeeling der provinciën in kiesdistricten, en bepaalt het getal der in elk district te kiezen leden. (Wet 5 Nov. 1852, S. 197, gewijz. 28 Apr. 1897, S. Ill; P. 180.)

5. *De gewone tijd ter verkiezing der leden van de Staten is de eerste Dinsdag der maand Juni.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van Julij, volgens den bij art. 24 bedoelden rooster, moeten aftreden. (Kw. 129, 116; Gem. 7.)

*6. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen twee maanden na dat openvallen. (Kw. 130, 117; Gem. 8.)

*7. Gedeputeerde Staten bepalen, ter vervulling eener tusschentijds in de Staten openvallende plaats, den dag der verkiezing.

Zij bepalen vóór elke verkiezing voor leden der Staten de dagen, waarop, zoo noodig, de stemming en de herstemming zullen geschieden. Bij de periodieke verkiezingen wordt de dag der stemming niet vroeger bepaald dan den lOden Juni en de dag der herstemming niet later dan den Vrijdag, voorafgaande aan den eersten Dinsdag in Juli.

Bij de periodieke verkiezingen geschieden de stemming en de herstemming in alle kiesdistricten der provincie op dezelfde dagen.

De stemming en de herstemming geschieden in alle stemdi strict en van het kiesdistrict op dezelfde dagen. (Kw. 131; Gem. 9.)

*8. In afwijking van het hieromtrent bepaalde bij art. 51 der Kieswet wordt in kiesdistricten, waarin het aantal kiezers voor de Provinciale Staten volgens de kiezerslijst minder dan 2000 bedraagt, de onderteekening vereischt van ten minste Vai gedeelte van het aantal dier kiezers.

Op den dag der verkiezing, zoodra de door de wet tot het inleveren der opgaven van candidaten bepaalde tijd is afgeloopen, sluit de burgemeester van de gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, de lijst der candidaten.

Is geen candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester, dat niemand is benoemd.

Zijn er evenveel candidaten als er plaatsen te vervullen zijn, of minder, op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester deze candidaten te zijn benoemd tot leden der Staten.

De burgemeester maakt van zijne handeling onmiddellijk procesverbaal op, dat ter secretarie van de gemeente voor een ieder ter inzage wordt nedergelegd, in afschrift wordt aangeplakt en, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld.

De vorm en de inrichting van het proces-verbaal worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. (Kw. 132; P. 14; Gem. 10; K.B. 8 Mei 1897, S. 144.)

*8bis. Zijn er meer candidaten opgegeven dan er plaatsen te ver-

66

-ocr page 107-

PROVINCIALE WET. 67

vullen zijn, dan geschiedt over hen, uiterlijk binnen veertien dagen, eene stemming.

Bij eerste stemming wordt geen hunner benoemd dan met volstrekte meerderheid van stemmen.

Hebben meer eandidaten de volstrekte meerderheid verkregen dan er plaatsen te vervullen zijn, dan zijn zij, die de meeste stemmen hebben verkregen en bij gelijk getal stemmen de oudsten in jaren benoemd. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

Bij herstemming, noodzakelijk, wanneer de volstrekte meerderheid van stemmen bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken is de oudste in jaren de benoemde. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

De volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vastgesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembussen gevonden stembiljetten. (Kw. 133; Gem. lObis.)

*9. Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerderheid is verkregen, wordt onmiddellijk door den voorzitter van het hoofdstembureau van het kiesdistrict eene lijst opgemaakt, bevattende de namen der eandidaten, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd tot uiterlijk tweemaal zooveel namen als er plaatsen te vervullen zijn. Komen ten gevolge van gelijk aantal stemmen meer dan het bij de vorige zinsnede bepaald getal eandidaten voor plaatsing op de lijst in aanmerking, dan worden deze alle daarop geplaatst.

De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen na de eerste stemming. (Kw. 134; Gem. 11.)

*96is. Met afwijking van het bepaalde in artikel 87 der Kieswet, kan het stembureau, indien de stemming strekt tot verkiezing van meer dan één lid van de Provinciale Staten, tusschen de in artikel 86 der Kieswet voorgeschreven verzegeling en de opening der stembus eene tijdruimte laten van ten hoogste een uur, mits het stemlokaal niet verlatende en de stembus onder zijn toezicht houdende.

Indien van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt, wordt hiervan en van het voldoen aan de daarvoor gestelde voorwaarden aantee-kening gehouden in het proces-verbaal der stemming. (Gem. UW,?.)

*9tcr. Met afwijking van het bepaalde in artikel 60 der Kieswet wordt indien de stemming strekt tot verkiezing van meer dan één lid van de Provinciale Staten, aan het stembureau, doch uitsluitend voor de werkzaamheden, welke met de opening der stembus aanvangen, een vierde lid toegevoegd en het verplichte aantal plaatsvervangende leden met één vermeerderd. Dit lid blijft bij de toepassing van artikel 92, tweede zinsnede, der Kieswet buiten aanmerking.

Het oudste lid ziet, overeenkomstig artikel 88 der Kieswet, het stembiljet na. De beide andere leden houden aanteekening van elke uitgebrachte stem.

-ocr page 108-

(jg provinciale wet.

Indien bij de beslissing over de waarde van een stembiljet de stemmen staken, beslist de stem des voorzitters. (Gem. lifer.)

*10. De benoemde ontvangt onverwijld van den burgemeester der gemeente, die hoofdplaats is van het kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, een afschrift van het proces-verbaal, waaruit zijne candidaatstelling of zijne benoeming blijkt en. in geval van stemming of herstemming, van den voorzitter van het hoofdstembureau afschriften van de daarvan opgemaakte processen-verbaal.

Deze afschriften strekken den benoemde tot geloofsbrief. (Kw. 118, 135; Gem. 12.)

*11. De benoemde geeft, binnen drie dagen na het bekomen van het afschrift of de afschriften, een bewijs van ontvangst daarvoor af. Dit bewijs wordt terstond aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

Binnen vier weken na de dagteekening van dat bewijs geeft de benoemde kennis aan Gedeputeerde Staten of hij de benoeming aanneemt. (Kw. 119,136; Gem. 13.)

12. Hij, die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan Gedeputeerde Staten, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te nemen. (Kw. 120, 137.)

*13. Wanneer een candidaat vóór de stemming, of zoo iemand, die in herstemming komt, vóór de herstemming komt te overlijden, of wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of de in de beide vorige artikelen bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe verkiezing op den door Gedeputeerde Staten te bepalen dag.

Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming in een district heeft aangenomen en in een ander voorkomt op de lijst der candi-daten, over wie eene stemming of herstemming moet geschieden, in het laatstgenoemd district. (Kw. 138; Gem. 14.)

De burgemeesters der gemeenten, die hoofdplaatsen zijn van kiesdistricten of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, geven onmiddellijk aan Gedeputeerde Staten kennis van de lijst der candidaten, over wie eene stemming of herstemming moet geschieden. (Kw. 139.)

*14. Wanneer het proces-verbaal van den burgemeester nismand of minder personen dan er plaatsen te vervullen zijn als benoemd aanwijst, geeft deze daarvan kennis aan Gedeputeerde Staten. Binnen veertien dagen geschiedt eene nieuwe verkiezing op den door Gedeputeerde Staten te bepalen dag. (Kw. 140; P. 8; Gem. 15.)

15. De tot lid der Staten benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan de Staten over:

een uittreksel uit de geboorteregisters; bij gemis daarvan eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken;

eene verklaring van den voorzitter van den raad der gemeente.

-ocr page 109-

PR0VINCIA1B WET.

waarin hij woont, getuigende, dat hij gedurende het laatste, aan zijne verkiezing voorafgaande jaar zijne woonplaats binnen de provincie gehad heeft;

eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt.

*De geloofsbrief moet door den benoemde binnen vier maanden na zijne dagteekening bij de Staten worden ingezonden.

*Is de geloofsbrief niet binnen dien termijn ingezonden, dan wordt de plaats geacht op den eersten dag na afloop van dien termijn opnieuw te zijn opengevallen. (Kw. 122,123, 141, 142; Gem. 17.)

16. De leden der Staten kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan Gedeputeerde Staten. (Kw. 143; Gem. 18.)

§ 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der Staten, en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen.

Art. 17. Leden der Staten kunnen alleen zijn de ingezetenen der provincie, die Nederlanders en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zijn, en den ouderdom van vijf en twintig jaren hebben vervuld.

Voor ingezetenen worden gehouden zij, die gedurende het laatste jaar hunne woonplaats binnen de provincie gehad hebben;

voor Nederlanders, zij, die het zijn volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn. (Wet 12 Dee. 1892, S. 268; Kw. 99,126; Gem. 19.)

18. Zij die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege opgedragene commissiën, verpligt zijn, tijdelijk buiten de provincie te verblijven, houden daardoor niet op ingezetenen te zijn, zoolang hun hoofdverblijf binnen de provincie gevestigd blijft. (Gem. 20; B.W. 74.)

*19. (Vervallen.)

20. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten graad raag niet bestaan tusschen de leden der Staten. (P. 38, 51; Gem. 21; B.W. 345 volg.)

Wanneer personen, zich in dien graad bestaande, ter gelijker tijd in hetzelfde kiesdistrict of in verschillende districten zijn gekozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden. (Gem. 22.)

Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijn tijd van zitting niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (Gem. 21; B.W. 352.)

21. Het lidmaatschap der Staten is onvereenigbaar met:

het lidmaatschap der Eerste Kamer van de Staten-Generaal of van de Staten eener andere provincie; (G. 128.)

de betrekking van hoofd van een departement van algemeen bestuur;

69

-ocr page 110-

PROVINCIALE WET.

van commissaris des Konings in de provincie;

van griffier der Staten:

van ambtenaar in de dienst der provincie werkzaam, of met het ontvangen of uitgeven der gelden van de provincie belast;

van geestelijke of bedienaar der godsdienst. (Gem. 23.)

22. De leden der Staten mogen in regtsgedingen, waarin de provincie betrokken is, niet als advocaat of procureur werkzaam zijn. (Gem. 24.)

23. Een lid der Staten, een der in art. 17 vermelde vereischten verliezende, of eene der in art. 21 uitgeslotene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Hij geeft hiervan kennis aan Gedeputeerde Staten, met vermelding der reden.

De nieuwe keuze geschiedt binnen twee maanden nadat Gedeputeerde Staten van het feit kennis hebben bekomen. (Kw. 125, 144; Gem. 25.)

§ 3. Van den rooster van aftreding der leden van de Staten.

Art. 24. De helft van de leden der Staten treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag der maand Julij. (G. 85; Kw. 145.)

De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.

De rooster hunner aftreding wordt vastgesteld bij de in art. 4 bedoelde wet. (G. 127; P. 178; Gem. 27, 28.)

25. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Staten, naar den rooster, aftreedt. (Kw. 147; Gem. 29.)

26. Die, ter vervulling eener buiten den bij den rooster bepaalden tijd opengevallene plaats, tot lid der Staten verkozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (Kw. 148; Gem. 30.)

§ 4. Van de vergoeding der reis- en verblijfkosten van de leden der Staten,

Art. 27. De leden der Staten genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. (Wet 3 Mei 1851, S. 50.)

De leden, met der woon gevestigd in de Gemeente, waar de vergadering der Staten wordt gehouden, genieten geen reis- of verblijfkosten.

DEEDE HOOFDSTUK.

VAN DEN COMMISSARIS DES KONINGS.

Art. 28. Onze commissaris heeft zijne vaste woonplaats in de gemeente, waar de vergadering der Staten wordt gehouden. (P. 1; Gem. 74.)

29. Hij zit voor in de vergadering der Staten en in die der Gedeputeerde Staten. (Gem. 66.)

In de vergadering der Staten heeft hij eene raadgevende stem en uit hij zijn gevoelen, zoo dikwijls hij het noodig oordeelt.

In die der Gedeputeerde Staten heeft hij stem, doch onthoudt hij

70

-ocr page 111-

PROVINCIALE WET.

zich van medestemmen over de zaken, die hem, zijne echtgenoote, of zijne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin hij als gelastigde is betrokken.

30. Hij teekent alle de stukken, die van de Staten en Gedeputeerde Staten uitgaan. (Gem. 69.)

31. Hij ontvangt en opent alle aan de Staten of Gedeputeerde Staten gerigte stukken.

Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij be-hooren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan dat lid of aan die leden, aan wier meer bijzondere behandeling het onderwerp, waartoe de stukken betrekking hebben, is opgedragen. Hij zorgt, zooverre het van hem afhangt, voor de uitvoering van hetgeen de vergadering omtrent de stukken besluit.

Hij is, in spoedeisehende gevallen, bevoegd, het gevorderd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis.

Ten behoeve van dit onderzoek zijn alle aan de Staten ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken. (Gem. 67, 68.)

32. Hij is belast met de uitvoering van alle besluiten en beslissingen der Staten en Gedeputeerde Staten.

Het besluit, dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of vernietigd, brengt hij niet ten uitvoer.

Hij geeft van dit gevoelen, binnen vier en twintig uren na het nemen van het besluit, aan de Staten of Gedeputeerde Staten kennis. Hij is, indien, dertig dagen na de dagteekening dezer kennisgeving, geene schorsing of vernietiging door Ons is bevolen, tot uitvoering van het besluit verpligt. (Gem. 70.)

33. In alle regtsgedingen, de provincie betreffende, treedt hij, namens Gedeputeerde Staten als eischer of verweerder op, en worden de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en ten uitvoer gelegd. (Gem. 71.)

34. Hij heeft het oppertoezigt over de provinciale griffie. (Gem. 72.)

Op zijne voordragt worden, uitgenomen de griffier, de ambtenaren

en bedienden bij de griffie door Gedeputeerde Staten benoemd, geschorst en ontslagen.

35. Ongesteld of afwezig zijnde, wordt hij, tot dat Wij zullen hebben voorzien, vervangen door het oudste lid in jaren van Gedeputeerde Staten, dat aanwezig is. (Gem. 77.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DEN GRIFFIER.

Art. 36. De griffier wordt door de Staten benoemd, uit eene voor-

71

-ocr page 112-

PROVINCIALE WET.

dragt van drie personen, door Gedeputeerde Staten te doen, en door hen, op voorstel van Gedeputeerde Staten ontslagen. (P. 7; Gem. 95.)

37. Niemand is tot griffier benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, en den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld. (Gem 96.)

38. De griffier mag Onzen commissaris en de leden van Gedeputeerde Staten niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (P. 51; Gem. 97; B.W. 345, 352.)

39. Hij mag, met zijn ambt, geenerlei lands- of provinciale bediening, noch eenige betrekking bij een in de provincie gelegen waterschap, noch die van hoogleeraar, lector of onderwijzer, notaris of procureur, te gelijk bekleeden, noch de praktijk als advocaat uitoefenen. (Gem. 23.)

Het is hem verboden, middellijk of onmiddellijk aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie. (Gem. 24, 62, 98, 99.)

40. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem, in de vergadering van Gedeputeerde Staten, in handen van den voorzitter, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd:

»Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet op de za-»menstelling en magt van de Provinciale Staten en de door de Stapten van . . . vastgestelde of vast te stellen instructie aan het ambt »van griffier hebben verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!» (»Dat beloof ik!») Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 100.)

41. De griffier is Onzen commissaris en de Gedeputeerde Staten, in alles wat het hun bij deze wet opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam. (Gem. 101.)

42. Door hem worden alle de stukken, die van de Staten en Gedeputeerde Staten uitgaan, mede-onderteekend. (Gem. 102.)

43. Zijne instructie wordt door de Staten vastgesteld. (Gem. 103.)

44. Hij heeft zijne vaste woonplaats in de gemeente, waar de vergadering der Staten wordt gehouden.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN DER GEDEPUTEERDE STATEN.

§ 1. Van Imnne benoeming.

Art. 45. De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten.

72

-ocr page 113-

PROVINCIALE WET.

Dit collegie bestaat uit zes, doch in Drenthe uit vier leden. (Gem. 79.)

46. De gewone tijd ter verkiezing der leden van Gedeputeerde Staten is de eerste op de opening der Statenvergadering volgende Woensdag der maand Julij.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die op den vorigen dag zijn afgetreden. (Gem. 80, 83.)

47. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag of overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen twee maanden na dat openvallen. (P. 55; Gem. 84.)

48. De benoemde, die in de vergadering tegenwoordig is, verklaart binnen twee, hij die niet tegenwoordig is, binnen acht dagen na ontvangst van het berigt zijner benoeming, of hij die aanneemt. (Gem. 85.)

49. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, geschiedt, zoo spoedig mogelijk, eene nieviwe keuze. (Gem. 86.)

50. De leden van Gedeputeerde Staten kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de Staten. (Gem. 88.)

§ 2. Van de vereisehten voor het lidmaatschap der Gedeputeerde Staten, en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen.

Art. 51. Bloedverwantschap of zwagerschap, tot den derden graad ingesloten, mag niet bestaan tusschen Onzen commissaris en de leden der Gedeputeerde Staten, noch tusschen de leden onderling. (Gem. 21, 97 ; P. 38; B.W. 345, 352.)

Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijnen tijd van zitting niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.

52. Die ophoudt lid der Staten te zijn, houdt tevens op lid van Gedeputeerde Staten te wezen. (P. 23; Gem. 87.)

53. Do leden van Gedeputeerde Staten mogen, met de hunne, niet te gelijk bekleeden eenige bezoldigde lands- of provinciale bediening, noch de betrekking van lid of beambte van een gemeentebestuur;

van dijkgraaf, lid of beambte van het bestuur van een in de provincie gelegen waterschap;

van hoogleeraar, lector of onderwijzer;

van notaris of procureur;

noch de praktijk als advocaat uitoefenen. (Gem. 23, 89 jto 62.)

54. Zij mogen niet tegenwoordig zijn bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan Gedeputeerde Staten ondergeschikte inrigting, tot welker bestuur zij behooren. (Gem. 89.)

73

-ocr page 114-

PKOVINCIALE WET.

55. Een lid der Gedeputeerde Staten, eene der in art. 53 uitgeslo-tene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn.

Binnen twee maanden nadat Gedeputeerde Staten van het feit kennis hebben bekomen, geschiedt, ter vervulling zijner plaats, eene nieuwe keuze. (P. 23, 47.)

56. De leden van Gedeputeerde Staten zijn verpligt, alle de vergaderingen van hun collegie, tenzij eene geldige reden, ter beoordeeling der vergadering, het hun belette, bij te wonen.

57. Het Is hun verboden, middellijk of onmiddellijk aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie. (Gem. 24.)

58. Die met het vorig artikel in strijd handelt, of gedurende eene maand, zonder geldige reden, de vergadering niet bijwoont, wordt in zijne betrekking door Gedeputeerde Staten geschorst, tot de eerstkomende gewone of buitengewone vergadering der Staten.

De Staten beoordeelen het geval en doen. indien zij den geschorste schuldig bevinden, na deze vervallen te hebben verklaard, eene nieuwe keuze.

Gedurende de schorsing mist de geschorste het genot zijner jaarwedde, die hem, wordt hij door de Staten schuldig verklaard, te rekenen van het tijdstip der schorsing, onthouden blijft. (Gem. 26.)

§ 3. Van den tijd van aftreding der leden van Gedeputeerde Staten.

Art. 59. De leden van Gedeputeerde Staten worden benoemd voor zes jaren.

De helft der leden treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag der maand Julij.

De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. (Gem. 80.)

60. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid, overeenkomstig het vorig artikel, aftreedt. (Gem. 81.)

61. Die, ter vervulling eener buiten den gewonen tijd van aftreding opengevallene plaats, tot lid van Gedeputeerde Staten verkozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (P. 47; Gem. 82.)

§ 4. Van de bezoldiging der leden van Gedeputeerde Staten.

Art. 62. Aan de leden der Gedeputeerde Staten wordt eene jaarwedde toegelegd, waarvan zij de helft als vast inkomen gemeten.

De overblijvende helften worden in elke provincie bijeengevoegd en om de drie maanden tusschen de leden verdeeld, naai- gelang van het getal der vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.

Hij, die wegens commissiën, hem als lid van Gedeputeerde Staten opgedragen, is afwezig geweest, behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld. (Gem. 94.)

74

-ocr page 115-

PROVINCIALE WET.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN DE VERGADEBING DER STATEN EN DER GEDEPUTEERDE STATEN.

§ 1. Van de vergadering der Staten.

Art. 63. De vergadering der Staten van Noordbrabant wordt gehouden te \'s Hertogenbosch;

die der Staten van Gelderland te Arnhem;

die der Staten van Zuidholland te \'s Gravenhage;

die der Staten van Noordholland te Haarlem;

die der Staten van Zeeland te Middelburg;

die der Staten van Utrecht te Utrecht;

die der Staten van Friesland te Leeuwarden;

die der Staten van Overijssel te Zwolle;

die der Staten van Groningen te Groningen;

die der Staten van Drenthe te Assen;

die der Staten van Limburg te Maastricht.

In buitengewone omstandigheden kan door Ons eene andere plaats daartoe worden aangewezen. (P. 85.)

64. Jaarlijks worden twee gewone vergaderingen gehouden.

De eene wordt geopend op den eersten Dingsdag der maand Julij; de andere op den eersten Dingsdag der maand November. (G. 130; Kw. 116; P. 46, 179.)

65. De gewone vergadering komt zonder voorafgaande oproeping bijeen.

Zij duurt, tenzij de Staten tot het tegendeel besluiten, ten minste veertien dagen.

66. Buitengewone vergaderingen worden, zoo dikwijls het, tot het doen van keuzen, door de wet wordt gevorderd, of Wij het noodig oordeelen, na voorafgaande oproeping door Onzen commissaris, daartoe telkens door Ons te magtigen, gehouden. (G. 130; P. 47, 55.)

In die vergaderingen wordt, behoudens het bepaalde bij art. 58, niets behandeld, dan de zaken waarvoor zij zijn bijeengeroepen.

67. De vergadering, gewone of buitengewone, mag uiterlijk voor veertien dagen worden verdaagd.

68. Zij wordt, in Onzen naam, door den voorzitter geopend en gesloten.

69. Zij wordt in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. (G. 1306, 101; Gem. 43.)

70. Alvorens tot andere werkzaamheden over te gaan, onderzoekt elke vergadering de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden.

75

-ocr page 116-

PROVINCIALE WET.

Zij beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen, dadelijk of, zoo de zaak uitstel vordert, op een daartoe te bepalen dag.

In dit geval gaat zij ondertusschen met hare andere werkzaamheden voort.

De nieuw inkomende leden nemen geen deel aan het onderzoek en de beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven. Zij wonen de daarover te houden beraadslagingen niet bij. (Gem. 31, 32.)

71. Bij het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden der Staten, in de vergadering, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

»Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des

Bijks.

»Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(»Dat beloof ik!»)

Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na, mede in de vergadering en in handen van den voorzitter, den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd: (G. 129; Gem. 39.)

Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Provinciale Staten te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.

»Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

»Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(»Dat verklaar en beloof ik!») \')

72. De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last van, of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 131; Gem. 45.)

73. Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken, die hen, hunne echtgenooten, of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gelastigden zijn betrokken. (P. 29, 85; Gem. 46.)

74. Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of meening, door hen in de vergadering geuit. (G. 97; P. 85; Gem. 47.)

75. De vergadering mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. (G. 105, 132 volg.; Gem. 42.)

76. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

76

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staking van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. (G. 106, 132; Gem. 50.)

1) Art. 71 aldus gewijzigd bij art, 1 der wet van 28 Mei 1896, Stsbl. no. 88.

-ocr page 117-

PROVINCIALE WET.

77. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes. (G. 107; Gem. 52.)

78. Wanneer eene keuze of voordragt van personen is te doen, benoemt de voorzitter vier leden tot stemopnemers.

Zij onderzoeken, of het getal briefjes gelijk is aan dat der tegenwoordig zijnde leden.

De inhoud van elk briefje wordt door een der stemopnemers overluid voorgelezen, door een ander nagezien, door de beide overige op-geteekend. (Kw. 88.)

79. Er hebben zoovele stemmingen plaats, als personen te kiezen of voor te dragen zijn.

80. Niet of niet behoorlijk ingevulde stembriefjes worden, tot bepaling der meerderheid, afgetrokken van het getal der leden, die bij de stemming tegenwoordig geweest zijn.

In geval van twijfel over den inhoud van een briefje, beslist de vergadering. (Kw. 89.)

81. Eene verkregene meerderheid van stemmen geldt niet, wanneer de vergadering beslist, dat daarop een tusschen het getal der briefjes en dat der tegenwoordig zijnde leden bestaand verschil van invloed heeft kunnen zijn. (Kw. 90 volg.)

82. De stemming is nietig indien het getal behoorlijk ingevulde briefjes niet grooter is, dan de helft van dat der leden van de vergadering.

83. Wanneer niemand bij de eerste stemming de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot eene tweede vrije stemming overgegaan.

Is ook bij deze geene volstrekte meerderheid verkregen, dan wordt de stemming bepaald tot de twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben verkregen, of, zijn de meeste stemmen tusschen meerdere personen verdeeld, tot allen, die aldus de meeste stemmen hebben erlangd.

Ook hierdoor geene volstrekte meerderheid van stemmen verkregen zijnde, heeft er een vierde stemming plaats over de twee personen, die bij de derde stemming de meeste stemmen hebben erlangd.

Indien bij de derde of de vierde stemming de stemmen staken, beslist het lot. (Gem. 51.)

84. Het reglement van orde, dat de Staten voor hunne vergadering vaststellen, wordt aan Onze goedkeuring onderworpen. (Gem. 53.)

§ 2. Van de vergadering der Oedeputeerde Stalen.

Art. 85. De bepalingen der artt. 63, 73, 74 en 77 zijn van toepassing op de vergadering der Gedeputeerde Staten.

86. De leden der Gedeputeerde Staten, ter vergadering komende, teekenen hunnen naam op eene lijst, die, bij het eindigen der vergadering, door den voorzitter en den griffier wordt gesloten en onderteekend.

77

-ocr page 118-

PROVINCIALE WET.

Deze lijst wordt, ten minste gedurende een jaar, ter provinciale griffie bewaard.

In elke gewone vergadering der Staten worden de sedert de vorige gewone vergadering gehoudene lijsten, ter kennisneming, overgelegd. (P. 58, 62.)

87. De vergadering mag geen besluit nemen, tenzij meer dan de helft der leden, de voorzitter daaronder begrepen, tegenwoordig zii. (P. 75; Gem. 92.)

88. Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van een besluit tot de volgende vergadering verdaagd.

De stemmen dan andermaal stakende, wordt geen besluit geacht genomen te zijn. (P. 76; Gem. 92.)

89. Indien in gevallen, waarin een beslissing volstrekt wordt ge- • vorderd, de stemmen staken, wordt een lid der Staten, daartoe jaarlijks in de gewone zomervergadering door de Staten te benoemen, in de vergadering geroepen. Zoodanig lid heeft, zooverre de te beslissen zaak aangaat, stem en zitting in de vergadering, totdat deze eene beslissing heeft genomen.

90. Ingeval omtrent het benoemen of voordragen van personen de stemmen staken, beslist het lot. (P. 83.)

91. Het reglement van orde, dat de Gedeputeerde Staten voor hunne vergadering vaststellen, wordt aan de goedkeuring der Provinciale Staten onderworpen. (P. 150; Gem. 93.)

TWEEDE AFDEEL1NG.

Van de magt der Provinciale Staten.

EEKSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 92. De Provinciale Staten vertegenwoordigen de geheele provincie. -(G. 78.)

93. De Staten kunnen de belangen van hunne provincie en van hare ingezetenen bij Ons en bij de Staten-Generaal voorstaan. (G. 8,138; Gem. 120.)

94. Hun behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden, alle bevoegdheid, die niet bij deze of eenige andere wet aan Gedeputeerde Staten is opgedragen. (P. 149—166; Gem. 134.)

95. Zij hebben het regt, de ter uitoefening hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene bijzondere commissie uit hun midden te doen inwinnen, hetzij schriftelijk van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te vorderen.

78

-ocr page 119-

PROVINCIALE WET.

Indien deze ambtenaren of besturen, na twee malen daartoe te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden, kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn, worden ingewonnen door een of meer leden der Staten, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben medegewerkt, voor de kosten.

Bene bijzondere commissie mag, op Onze magtiging, hare werkzaamheden ook na de sluiting der Statenvergadering voortzetten.

96. Zij kunnen met de Staten van andere provinciën over zaken, tot hunne bevoegdheid behoorende, in briefwisseling treden.

97. De zaken, die twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaan, kunnen door de Staten dier provinciën, daartoe door Ons ge-magtigd, onder Onze goedkeuring worden geregeld. (Gem. 121.)

98. Onze beslissing omtrent de door de Staten gemaakte, aan Onze goedkeuring te onderwerpen reglementen en verordeningen wordt bekend gemaakt binnen twee maanden na den dag, waarop zij zijn vastgesteld.

De beslissing kan door Ons, bij een, binnen dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd.

Is zij niet genomen vóór de gewone zomervergadering, die na de vaststelling van het stuk volgt, dan worden de Staten in die vergadering met de redenen van het uitstel van Onzentwege bekend gemaakt. (G. 134; P. 110, 115, 133, 138.)

99. Onze goedkeuring wordt verleend of onthouden aan de verordening in haar geheel, geliik zij door de Staten is vastgesteld.

100. De door Ons goedgekeurde begrootingen en rekeningen, betreffende de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, en alle andere algemeene provinciale regiemeuten en verordeningen, worden in het provinciale blad geplaatst, en algemeen verkrijgbaar gesteld.

101. De reglementen en verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den achtsten dag na de dagteekening van het blad, waarin zij zijn geplaatst. (A. 2.)

102. Het formulier van afkondiging luidt:

»De Gedeputeerde Staten van .... doen te weten, dat door de

»Staten dier provincie (door hen), in hunne vergadering van ....

»is vastgesteld hetgeen volgt:

(de inhoud van het vastgestelde, zoo het stuk Onze goedkeuring behoeft, de dagteekening van het besluit, waarbij die goedkeuring is verleend.)

»Gegeven» enz.

De afkondiging van het stuk geschiedt binnen veertien dagen nadat Onze goedkeuring is verleend, of, zoo het deze niet behoeft, binnen acht dagen nadat het is vastgesteld. (Gem. 169.)

79

-ocr page 120-

PROVINCIALE WET.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BEGROOTING.

Art. 103. De begrooting der kosten van het provinciaal bestuur, voor zoo veel het rijksbestuur is. en die der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, worden jaarlijks door Gedeputeerde Staten opgemaakt en aan elk lid der Staten gezonden, veertien dagen vóór het openen der gewone zomervergadering, die voorafgaat aan het jaar, waarvoor zij moeten dienen. (G. 137; Gem. 203.)

De beide begrootingen worden, zoodra zij zijn opgezonden, algemeen verkrijgbaar gesteld.

104. De Staten onderzoeken de beide begrootingen zonder uitstel, en doen de eerste het eerst af.

105. Op de begrooting der kosten van het provinciaal bestuur, voor zooveel het rijksbestuur is, worden gebragt:

de jaarwedden van Onzen commissaris, van de leden der Gedeputeerde Staten, van den griffier en van de ambtenaren en bedienden bij de provinciale griffie;

de door hen en de leden der Staten te genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten;

de kosten van licht, brand en bureaubehoeften der provinciale griffie; de schrijfloonen aldaar betaald wordende;

de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubeleren der gebouwen, bestemd voor de vergaderingen der Staten en Gedeputeerde Staten, en voor de provinciale griffie;

de voor die gebouwen, waar zij eigendom van bijzondere personen zijn, te betalen huur;

de kosten van onderhoud van het gebouw, tot woning van Onzen commissaris bestemd, waar het rijks-eigendom is;

de huur van dat gebouw, waar het geen rijks-eigendom is, tenzij de commissaris wone in het provinciaal gebouw, voor de vergaderingen der Staten en de provinciale griffie bestemd.

106. De in het vorig artikel bedoelde kosten. Ons door de Staten voor te dragen, worden, zoover Wij die goedkeuren, door Ons op de begrooting der rijks-uitgaven gebragt.

Van het door Ons te dien aanzien beslotene geschiedt kennisgeving aan de Staten.

107. Op de begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven worden gebragt:

de jaarwedden der niet op de provinciale griffie, in de dienst der provincie werkzame ambtenaren en bedienden;

de door hen te genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten; de kosten van het aanleggen en onderhouden van provinciale wegen en werken;

de kosten van het onderhoud der provinciale eigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten;

80

-ocr page 121-

PROVINCIALE WET.

de renten en aflossingen van de door de provincie aangegane geld-leeningen;

de kosten, vallende op de door de provincie te voeren gedingen;

de kosten van het provinciale blad en van andere ten behoeve der provincie gedrukte stukken;

de kosten van verpleging der arme krankzinnigen;

alle uitgaven, in het provinciaal belang noodig, of door bijzondere wetten aan de provincie opgelegd. (P. 205.)

108. De in het vorig artikel bedoelde begrooting wordt ingerigt overeenkomstig de door Ons, te dien aanzien, bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur, te geven voorschriften. (Gem. 206.)

109. Zij behoeft, om te werken, Onze goedkeuring. (G. 137; P. 115.)

110. Op de begrooting zijn de bepalingen der artt. 98 en 99 van toepassing.

111. Is Onze goedkeuring niet verleend aan de begrooting vóór den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, dan kunnen Gedeputeerde Staten door Ons worden gemagtigd, tot op de helft der aangevraagde sommen uitgaven te doen uit die posten der begrooting, waartegen bij Ons geene bedenking bestaat. (Gem. 211.)

112. Indien de Staten weigeren, de door de wet aan de provincie opgelegde uitgaven op de begrooting te brengen, geschiedt zulks door Ons.

Indien, in dat geval de provinciale inkomsten niet toereikende zijn, en de Staten weigeren nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige, niet bij de wet aan de provincie opgelegde uitgaven door Ons, bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit, in zoodanige rede verminderd, dat tusschen de provinciale inkomsten en uitgaven evenwigt zij.

Deze vermindering kan de renten der door de provincie aangegane geldleeningen niet treffen. (Gem. 212.)

113. Af- en overschrijving op de posten der in art. 107 bedoelde begrooting kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de begrooting zelve, of bij een afzonderlijk, door Ons goedgekeurd besluit der Staten, magtiging is verleend. (Gem. 214.)

114. Tot het bevelen der af- en overschrijvingen, waartoe bij de begrooting magtiging is verleend, behoeven Gedeputeerde Staten in elk geval Onze toestemming. (Gem. 215.)

115. De begrooting der provinciale inkomsten vermeldt alle de inkomsten der provincie, van welken aard ook. (Gem. 204.)

Zij wordt tegelijk met de begrooting der in art. 107 bedoelde uitgaven aan Onze goedkeuring onderworpen.

Op haar zijn de artt. 108—110 van toepassing.

116. De door de Staten voorgedragene provinciale belastingen, waartegen bij Ons geene bedenking bestaat, worden bij een ontwerp van wet, hetwelk de enkel provinciale en huishoudelijke behoeften, tot

STAATSWETTEN. 6

81

-ocr page 122-

PROVINCIALE WET.

welker dekking zij moeten dienen, vermeldt, en de reglementaire voorschriften, naar welke zij zullen worden ingevorderd, aanhaalt, zoo spoedig mogelijk, aan de bekrachtiging der wetgevende magt onderworpen.

Zoo in de voorschriften, betreffende de invordering, wijziging wordt noodig gekeurd en gebragt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet geheven, dan na op nieuw door de wet bekrachtigd te zijn. (G. 136.)

117. Accijnsen mogen niet als provinciale belastingen worden voorgedragen.

Voor het overige is de voordragt van provinciale belastingen onderworpen aan de regels en perken, door de wetten betreffende \'s Lands belastingen gesteld. (P. 176.)

118. De rekenpligtige provinciale ambtenaren doen van de, door hen voor de provincie gedane ontvangsten en uitgaven rekening en verantwoording aan de Algemeene Eekenkamer, overeenkomstig de regelen door de wet gesteld. (Wet 8 Oct. 1841, S. 40, zooals bij latere wetten aangevuld en gewijzigd.)

119. Van de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven wordt door Gedeputeerde Staten, over elk dienstjaar, aan de Staten verantwoording gedaan, onder overlegging van eene rekening, welker cijfers door de Kekenkamer zijn deugdelijk verklaard.

Gedeputeerde Staten zenden deze rekening, met vermelding vau hetgeen zij ter hunner verantwoording dienstig achten, aan elk lid der Staten, veertien dagen voor het openen der tweede gewone zomervergadering, die volgt na het jaar, waartoe de rekening betrekking heeft.

De rekening wordt, zoodra zij is opgezonden, algemeen verkrijgbaar gesteld. (P. 103; Gem. 218.)

120. De Staten onderzoeken de rekening, zonder uitstel, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast, bij een besluit, waarvan het ontwerp door Gedeputeerde Staten, te gelijk met de rekening, wordt opgezonden.

De Gedeputeerde Staten zijn bij de beraadslagingen daarover tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemmen over het besluit. (Gem. 220.)

121. Het door de Staten genomen besluit behoeft Onze bekrachtiging-

122. De betalingen ten behoeve der enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven geschieden op bevelschriften van Gedeputeerde Staten, door hunnen voorzitter, een der leden en den griffier te teekenen. (Gem. 224.)

123. Op de bevelschriften wordt door hem, aan wien z:j zijn ge-rigt, niet betaald, dan wanneer daarin hetgeen te betalen is en de post der begrooting, waarop het is aan te wijzen, wordt vermeld. (Gem. 114.)

82

-ocr page 123-

PRO VIN CIAIjE WET.

124. Wegens uitgaven, door Gedeputeerde Staten bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die, ter kwader trouw, zijn aangewezen op een post, waarmede zij niet overeenstemmen, worden de leden der Gedeputeerde Staten en de commissaris des Konings, tenzij blijke dat zij tot het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de provincie, indien die uitgaven, bij het besluit in art. 120 bedoeld, niet onder de provinciale uitgaven worden opgenomen.

De Staten benoemen, zoo dikwijls daartoe, volgens dit artikel, termen zijn, iemand uit hun midden met de regtsvervolging tot schadevergoeding belast. (Gem. 225, 226.)

125. De termijnen van verjaring voor de vorderingen ten laste van het Rijk, bij de wet bepaald of te bepalen, zijn op de vorderingen ten laste der provincie van toepassing. (Wet 8 Nov. 1815 S. 51; Gem. 228.)

126. De gelden, door rijks-ambtenaren ten behoeve der provincie ontvangen, worden vóór het einde van elke maand, volgende op die waarin zij zijn ontvangen, door den Minister van Financiën ter beschikking van Gedeputeerde Staten gesteld.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE DOOR DE STATEN UIT TE VOEREN WETTEN EN KONINKLIJKE BEVELEN.

Art. 127. De Staten worden belast met de uitvoering van de wetsbepalingen en algemeene maatregelen van inwendig bestuur, betreffende het bijzondere bestuur van den waterstaat;

de vereeniging en splitsing van gemeenten;

het onderwijs, voor zooveel het wordt gegeven op scholen, door de provincie, door gemeenten of bijzondere personen opgerigt;

het armbestuur;

de nijverheid;

voorts van alle wetten, welker uitvoering hun door Ons wordt opgedragen. (G. 135.)

128. De algemeene voorschriften en bevelen, door Ons te geven omtrent de uitvoering der wetten, waarvan de uitvoering aan de Staten is opgedragen, worden door hen nageleefd.

129. Wanneer de Staten niet, of niet behoorlijk, voor de uitvoering der in artt. 127 en 128 bedoelde wetten, maatregelen en bevelen zorgen, kan Onze Commissaris door Ons, bij een in het Staatxblad te plaatsen, met redenen omkleed besluit, worden gemagtigd, om in de uitvoering te voorzien. (P. 174.)

83

6*

-ocr page 124-

PROVINCIALE WET.

VIEKDE HOOFDSTUK.

VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN HET PROVINCIALE HUISHOUDEN.

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 130. Aan de Staten behoort de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden. (G. 134.)

131. Zij regelen de geldleeningen ten laste der provincie te doen; de bezoldigingen van alle provinciale ambtenaren; en hetgeen verder de geldmiddelen der provincie aangaat.

132. Zij besluiten tot het koopen, ruilen of vervreemden, het bezwaren of verpanden van provinciale eigendommen, het treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan de provincie gedane legaten of schenkingen. (Gem. 137.)

133. De besluiten, door de Staten omtrent de in de artt. 131 en 132 bedoelde zaken te nemen, behoeven onze goedkeuring.

134. Zij bevelen, behoudens de bepalingen der wet door art. 191 (188) der Grondwet gevorderd, het aanleggen of verbeteren van provinciale wegen, gebouwen, werken en inrigtingen. (G. 190.)

135. Zij beoordeelen en beslissen of de provincie regtsgedingen zal voeren. (Gem. 143.)

136. De Staten oefenen toezigt uit, voor zooverre dit door Ons niet aan anderen is opgedragen, over alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie. (G. 190.)

137. Zij hebben het toezigt op alle wateren, bruggen, wegen, waterwerken en waterschappen binnen hunne provincie.

138. Zij zijn bevoegd, behoudens de bepalingen der wet, door art. 191 (188) der Grondwet gevorderd, de inrigtingen en reglementen der waterschappen te veranderen en nieuwe vast te stellen.

Hunne besluiten te dien aanzien worden onderworpen aan Onze goedkeuring. Daarop zijn de bepalingen der artt. 98 en 99 van toepassing. (Wetten 12 Juli 1855, S. 102; 13 Juli 1895, S. 113; 20 Juli 1895, S. 139.)

139. Zij zorgen, dat de doorvoer, en de uitvoer naar en invoer uit andere provinciën geene belemmeringen ondergaan. (G. 136c.)

140. Zij maken de reglementen en verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen, en onderwerpen die aan Onze goedkeuring. (G. 134.)

141. Hunne reglementen en verordeningen kunnen geene bepalingen omtrent onderwerpen van algemeen rijks-belang inhouden, i P. 167; Gem. 150.)

142. De bepalingen dier reglementen en verordeningen houden van regtswege op te gelden, zoodra omtrent het daarin geregelde onder-

84

-ocr page 125-

PRO VIN CIALE WET. 85

werp door eene wet of een algemeenen maatregel van inwendig bestuur voorschriften worden gegeven. (G. 151.)

§ 2. Van het toezigt op de gemeentebesturen.

Art. 143. De besluiten der gemeentebesturen, betreffende de beschikking over gemeente-eigendom en andere door de gemeentewet aan te wijzen burgerlijke regtshandelingen, worden onderworpen aan de goedkeuring der Staten.

Dit geschiedt insgelijks met de gemeentelijke begrootingen van inkomsten en uitgaven, (ü. 146; Gem. 194, 207.)

144. Het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen in de gemeenten geschiedt niet dan met magti-ging der Staten, tenzij in de gevallen waarin de goedkeuring aan Ons is voorbehouden, en die door een algemeenen maatregel van bestuur worden aangewezen. (Gem. 195.)

145. De besluiten der gemeentebesturen tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen worden door de Staten, onder mededeeling van hun gevoelen, aan Ons ter goed- of afkeuring voorgedragen. (G. 147; Gem. 233.)

146. De Staten vragen van Ons de schorsing of vernietiging der plaatselijke verordeningen, die hun met de wetten of het algemeen provinciaal belang strijdig voorkomen. (Gem. 152—161, 233.)

147. Zij trachten alle geschillen tusschen de gemeentebesturen hunner provincie in der minne te doen bijleggen. Indien zij daarin niet slagen dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur betreft, aan Ons ter beslissing voor.

148. De geschillen over het aanleggen en onderhouden van werken, en alle andere geschillen van bestuur tusschen de provincie en ééne of meer gemeenten, worden door Ons beslist. (G. 70.)

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE DAGELIJKSCHE LEIDING EN UITVOEKING VAN ZAKEN.

Art. 149. De dagelijksche leiding en uitvoering van zaken be-hooren aan Gedeputeerde Staten, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. (G. 139; Gem 179.)

150. Eene door de Staten, onder Onze goedkeuring, te maken instructie voor de Gedeputeerde Staten regelt de uitoefening hunner bevoegdheid tot de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken, overeenkomstig de bepalingen der artt. 151—162.

151. Gedeputeerde Staten voeren de wetten, algemeene maatregelen van inwendig bestuur en Koninklijke bevelen uit, waarvan de uitvoering aan de Staten is opgedragen.

Zij maken de daartoe noodige verordeningen en onderwerpen die aan Onze goedkeuring. (G. 135; P. 127.)

f

-ocr page 126-

PROVINCIALE WET.

152. Door hen worden insgelijks uitgevoerd de provinciale reglementen en verordeningen, en de besluiten en beslissingen der Staten. (P. 32; Gem. 179 d)

153. Zij beslissen de geschillen, over de in de beide vorige artikelen bedoelde uilvoering gerezen, tenzij de wetten of verordeningen dit aan anderen hebben opgedragen. (Gem. 179 6.)

154. Zij beheeren de provinciale inkomsten en eigendommen, en zijn bevoegd die eigendommen te verhuren.

155. Zij vertegenwoordigen de provincie in regten. (P. 135.)

Zij zijn bevoegd, alvorens de magtiging der Staten tot het voeren van een regtsgeding ten behoeve der provincie te hebben verkregen, alle conservatoire maatregelen, zoo in als buiten regten, te nemen, en verpligt, te doen wat noodig is, ter voorkoming van verjaring en verlies van regt of bezit. (Gem. 179 r.)

156. Zij benoemen en ontslaan alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren en bedienden, welker benoeming niet bij deze wet of de provinciale reglementen en verordeningen aan de Staten is voorbehouden.

Zij schorsen den griffier en alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren en bedienden. (P. 34; Gem. 179 o, p, q.)

157. Zij zijn belast met de behoorlijke voorbereiding van al hetgeen in de vergadering der Staten, ter overweging en beslissing, moet worden gebragt. (Gem. 179 s.)

Zij ontwerpen, tenzij de Staten het aan bijzondere commissiën opdragen, de nieuwe of gewijzigde reglementen van waterschappen en alle de provinciale reglementen en verordeningen, volgens de artt. 138 en 140 door de Staten vast te stellen.

Zoodanige bijzondere commissie mag, op Onze magtiging, hare werkzaamheden ook na de sluiting der Statenvergadering voortzetten. (P. 95.)

158. De keuren of policieverordeningen der waterschappen behoeven hunne goedkeuring. (P. 138.)

159. Zij stellen de plannen en voorwaarden van aanbesteding vast van de door de Staten bevolene werken, tenzij deze zich de goedkeuring daarvan hebben voorbehouden. (Gem. 179 i.)

160. Zij zijn bevoegd, in het onderhoud van alle provinciale werken, wanneer dit geen uitstel lijden kan, zonder daartoe vooraf dooide Staten gemagtigd te zijn, te voorzien, mits daarvan in de eerstkomende vergadering der Staten kennis gevende.

161. Zij oefenen de in de artt. 143—147 vermelde magt der Staten uit.

162. Zij houden op al, wat de provincie aangaat, een gedurig toe-zigt, en doen jaarlijks, in de gewone zomervergadering, aan de Staten een uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der provincie.

Dit verslag wordt ingerigt op de wijze en in den vorm door den

86

-ocr page 127-

PROVINCIALE WET. 87

Minister van Binnenlandsche Zaken voor te schrijven, en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Een algemeen reglement van inwendig bestuur regelt de oprigting van bureaux van statistiek in de onderscheidene provinciën. (Gem. 182.)

163. Zij zijn wegens de dagelijksche leiding en uitvoering der zaken, voor zooveel de in de artt. 152—162 omschrevene handelingen betreft, aan de Staten verantwoording schuldig.

Zij geven alle te dien aanzien door de Staten verlangde inlichtingen.

Ingeval zij weigeren dit te doen, kunnen de Staten hen van hunne betrekking vervallen verklaren. (Gem. 89, 183.)

164. Art. 95 is op Gedeputeerde Staten van toepassing.

165. Over alle zaken, de provincie betreffende, dienen Gedeputeerde Staten van raad en bericht aan het Departement van Binnenlandsche Zaken en de andere departementen van algemeen bestuur.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN HET SCHORSEN EN VERNIETIGEN DER BESLUITEN VAN DE STATEN EN GEDEPUTEERDE STATEN.

Art. 166. De besluiten der Staten en Gedeputeerde Staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, worden door Ons geschorst of vernietigd. (G. 140; Gem. 153.)

167. De door de Staten vastgestelde en door Ons goedgekeurde provinciale reglementen en verordeningen kunnen, zoo zij met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, door eene wet, die tevens de gevolgen regelt, worden geschorst of vernietigd.

168. De uitspraken van Gedeputeerde Staten over geschillen van bestuur of andere, wier beslissing hun door bijzondere wetten is opgedragen, worden geschorst of vernietigd op de wijze en met de gevolgen, in die wetten omschreven.

169. In alle andere, door de twee vorige artikelen niet bedoelde gevallen, wordt de schorsing of vernietiging van besluiten der Staten en Gedeputeerde Staten door Ons bevolen bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, dat, ingeval van schorsing, den duur hiervan bepaalt. (Gem. 154.)

170. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van het geschorst besluit.

Zij kan niet langer duren dan een jaar. (Gem. 155.)

171. Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de vernietiging van het besluit door Ons niet uitgesproken, dan wordt dit geacht geldig te zijn. (Gem. 156.)

172. Een besluit, dat geschorst is geweest, kan niet op nieuw werden geschorst. (Gem. 157.)

173. Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede vernietiging van alle de gevolgen van het vernietigd besluit.

ÉÉt

-ocr page 128-

PROVINCIALE WET.

Bij vernietiging van wege strijd met het algemeen belang, kunnen die gevolgen, welke niet met dat belang strijden, in stand blijven. (Gem. 158.)

174. De Staten of Gedeputeerde Staten zorgen, in geval van schorsing of vernietiging hunner besluiten, dat aan art. 170 of art. 173 worde voldaan, en op nieuw in de bij het geschorst of vernietigd besluit behandelde zaak, voor zooveel noodig is, voorzien.

Indien zij dit nalaten, wordt, zoo het besluit de uitvoering gold der in de artt. 127 en 128 bedoelde wetten, maatregelen en bevelen, in die uitvoering, op de bij art. 129 bepaalde wijze, van Onzent-wege voorzien. (Gem. 159.)

OVERGANGS-BEPALINGEN.

Art. 175. Alle bestaande provinciale ambtenaren en magten blijven voortduren, tot dat zij door andere, volgens deze wel, zijn vervangen.

Op alle burgerlijke rjiks-ambtenaren, thans werkzaam voor het provinciaal bestuur, door of van wege Ons benoemd en ten gevolge der bij deze wet aan de Provinciale of Gedeputeerde Staten verleende magt herbenoemd, is de wet van den 9den Mei 1846 (Staatsblad no. 24) 1), betreffende de burgerlijke pensioenen, bij voortduring toepasselijk.

Aan dezelfde ambtenaren, door de Provinciale of Gedeputeerde Staten niet herbenoemd, kan door Ons ten laste van \'s Eijks kas wachtgeld worden toegekend, voor zoover zij geen aanspraak hebben op pensioen. (Gem. 284.)

176. De instruetiën der griffiers, de bepalingen omtrent de orde in de vergadering, en alle omtrent punten, bij deze wet niet geregeld, geldende voorschriften blijven gelden, tot dat zij door andere worden vervangen.

De thans in sommige provinciën bestaande provinciale accijnsen worden binnen vijf jaren na de dagteekening dezer wet afgeschaft. (Gem. 290.)

177. De eerste keuze voor de leden der Staten geschiedt op den eersten Dingsdag der maand September. (Gem. 287.)

178. De eerste helft der leden van de Staten en Gedeputeerde Staten treedt af met den eersten Dingsdag in Julij 1853. (P. 5.)

179. De dag der eerste bijeenkomst van de nieuwe Statenvergaderingen wordt door Ons bepaald.

Na de opening hunner vergadering, gaan de Staten, zoo spoedig mogelijk, over tot het benoemen der leden van Gedeputeerde Staten. (Gem. 288.)

88

180. Tot dat daarin bij de in art. 4 bedoelde wet is voorzien, worden de leden der Staten gekozen in de hoofdkiesdistricten, volgens art. 6 van het kiesreglement, in het 7de additionele artikel der

1

Deze wet is vervangen door de wet van 9 Mei 1890, S. 78.

-ocr page 129-

PROVINCIALE WET. 89

Grondwet (van 1848) vervat, door Gedeputeerde Staten vastgesteld.

Gedeputeerde Staten kunnen, waar zij het noodig keuren, onderkiesdistricten aanwijzen.

Eene bij deze wet gevoegde tabel bepaalt het getal der in elk hoofdkiesdistrict te kiezen leden.

181. Deze wet is verbindende met den dag harer afkondiging. (A. 2; Gem. 294.)

*182. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van »pro-vinciale wet».

Artikel 18 der Wijzigingswet van 28 April 1897, S. 112.

Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. gt;)

Met dien dag treedt de Kieswet ook wat de wijze van stemming betreft voor de verkiezing van leden der Provinciale Staten in werking. (Kw. 162; K.B. 8 Mei 1897, S. 144.)

1) Bij K.B. 11 Mei 1897, S. 147, is deze dag bepaald op 15 Mei 1897.

WET,

HOUDENDE REGELING VAN DE VEEDEELING DER PROVINCIËN IN KIESDISTRICTEN, TER BENOEMING DER LEDEN VAN DE PROVINCIALE STATEN, ENZ.

(Vastgesteld den 5den Nov. 1852, Stsbl. no. 197, uitgegeven den 12den Nov. d.a.v, Gewyzigd bg de wet van 28 April 1897, Stsbl. no. 111.)

Art. 1. Elke provincie wordt, ter benoeming der leden van de Provinciale Staten, verdeeld in de kiesdistricten, welke op de bij deze wet gevoegde tabel A zijn aangewezen.

2. Gedeputeerde Staten kunnen, waar zij het noodig achten, stem-districten aanwijzen. Zij zorgen, dat een stemdistrict in den regel niet meer dan duizend kiezers bevat en in geen geval samenvoeging van gemeenten of deelen van verschillende gemeenten plaats heeft.

In de gemeente, welke hoofdplaats is van een kiesdistrict of waarin het geheele kiesdistrict is gelegen, wordt te gelijker tijd door Gedeputeerde Staten het stemdistrict aangewezen, waarin het hoofdstembureau zitting heeft. \')

1) Art. 2 aldus gewijzigd bij art. 1 der wet van 28 April 1897, S. 111.

-ocr page 130-

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

3. Het getal der in elk district te kiezen leden en de rooster, naar welken zij om de drie jaren aftreden, wordt in de tabel A geregeld.

4 en 5. Behelzen vroegere overgangsbepalingen. In plaats daarvan thans de artt. 4—6 der wijzigingswet te lezen, hieronder afgedrukt.

6. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging. (P. 181.)

Artt. 4—7 der wijzigingswet van 28 April 1897, S. 111.

Art. 4. In elk nieuw district worden zoo velen der in elk tegenwoordig district benoemden geacht gekozen te zijn als de bij deze wet gevoegde tabel B aanwijst.

Art. 5. Gedeputeerde Staten bepalen voor elke aftredende helft bij loting, naar welk nieuw district ieder der in elk tegenwoordig district benoemden volgens den in tabel B gestelden regel overgaat.

Zij doen binnen eene maand na de afkondiging dezer wet in de Nederlandsche Staatscourant eene lijst plaatsen, aanwijzende in welk nieuw district elk der tegenwoordige leden van de Staten geacht wordt benoemd te zijn.

Zij zenden uittreksels dezer lijst aan de besturen van de gemeenten, die hoofdplaatsen zijn van de nieuwe districten of waarin het geheele nieuwe district gelegen is en aan de leden, zoover ieder aangaat.

Art. 6. De verkiezing van de krachtens deze wet aan de Staten nieuw toegevoegde leden geschiedt binnen twee maanden na het in werking treden dezer wet op den door Gedeputeerde Staten te bepalen dag.

90

Art. 7. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. 1)

1

Bij K.B. 11 Mei 1897, S. 146, is deze dag bepaald op 15 Mei 1897.

-ocr page 131-

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

TABEL A. \')

(De Kiesdistricten zijn aangegeven met vette letter; achter elk district zijn vermeld de daartoe hehoorende Gemeenten of deelen van gemeenten. De daarop volgende cijfers wijzen resp. aan: het Getal der te hiezen ledeny en de Eerste en Tweede Aftredende helft.)

Noordbrabant.

\'s HERTOGENBOSCH. — \'s Hertogenbosch, Rosmalen. Den Dungen, St. Mi-chielsgeiitel, Schgndel, Vught, Heeswyk, Dinther, Geffen, Nuland, Heesch, Nistel-rode, Lith, Lithoyen, Berlicum c. a. — 8. 4, 4.

GRAVE. — Grave, Escharen, Velp, Reek, Gassel, Linden, Cnyk, Schayk, Beers, Uden, Mill, Zeeland, Ravenstein, Dieden c. a., Deursen c. a., Hnisseling c. a., Boxmeer, Sambeek, Vierlingabeek, Maashees c. a., Oploo c. a., Wanrooy, Beugen, Oeffeit, Haps, Oss, Berchem, Megen c. a.. Ogen c. a.. Herpen. — 7. 4, 3.

TILBURG. — Tilburg, Goirle. Berkel c. a.,Oi8terwyk, Moergestel, Diessen, Hil-varenbeek. Loon op Zand, Udenhout, Gilze en Rgen, Boxtel, Esch, Helvoirt, Haren, Cromvoirt, Liempde. — 7. 3, 4.

HEUSDEN. — Heusden, Bokhoven, Alem c. a., Empel c. a.. Engelen, Drongelen c. a., Dussen, Hedikhuizen, Heesbeen c. a., Herpt en Bern, Meeuwen c. a., Oudheus-den c. a., Wgk en Aalburg, Veen, Woudrichem, Rgswgk, Andel, De Werken c.a.. Werkendam, Giessen, (Emmikhoven c. a.), Almkerk, Waalwgk, Baardwgk, Besoijen, Capelle, Sprang, Vrghoeve Capelle, Waspik, Vlgmen, Nieuwkuik c. a., Drunen. — 7. 4, 3.

HELMOND. — Helmond, Aarle-Rixtel, Beek en Donk, Lieshout, Mierlo, Stiphout, Gemert, Bakel c. a., Nunen en Gerwen c. a., Heeze, Leende, Asten, Deurne en Liea-sel. Vlierden, Someren, Lierop, Budel, Maarheeze, Soerendonk c. a., Veghel, Erp, Boekei. — 7. 3, 4.

EINDHOVEN. — Eindhoven, Aalst, Dommelen, Geldrop, Gestel c. a., Oerle, Stratum, Strgp, Tongelre, Valkenswaard, Veldhoven c. a., Waalre, Woensel c.a., Zeelst, Zes-gehuchten, Borkel en Schaft, Westerhoven, St. Oedenrode, Son en Breugel, Oir-schot. Best, Vessem c. a., Oostelbeers c. a., Bladel, Bergegk, Reusel, Hoogemierde c.a., Huogeloon c.a., Eersel, Duisel c. a.. Riethoven,Lugksgestel. — 7. 4, 3.

BREDA. — Breda, Ginneken c. a., Teteringen, Princenhage, Etten en Leur, Rgs-bergen, Zundert c. a., Chaam, Alphen en Riel, Baarle-Nassau. — 7. 3, 4.

ZEVENBERGEN. — Zevenbergen, Klundert, Willemstad, Standdaarbuiten, Hooge en Lage Zwaluwe, Oudenbosch, Oosterhout, \'s Gravenmoer, Raamadonk, Geertrui-denberg. Made en Drimmelen, Terhegden, Dongen, Fgnaart c. a. — 7. 4, 3.

BERGEN OP ZOOM. — Bergen op Zoom, Putte, Ossendrecht, Woensdrecht c. a.. Huibergen, Halsteren, Nieuw Vosmeer, Steenbergen, Rozendaal c.a., Rucphen c.a., Hoeven c. a., Dinteloord, Wouw, Oud-Gastel c. a. — 7. 3, 4.

Gelderland.

ARNHEM. — Arnhem, Rozendaal, Rheden. — 4. 2, 2.

EDE. — Renkum, Doorwerth, Wageningen, Ede, Scherpenzeel, Barneveld. — 4. 2, 2.

91

PUTTEN. — Hoevelaken, Ngkerk, Putten, Ermelo, Harderwgk. — 4. 2, 2.

1) Zooals luidende na de laatste wgziging volgens artt. 2 en 3 der wet van 28 April 1897, Stsbl. no. 111. De gemeenten welke niet meer als zoodanig bestaan, zgn tusschen ( ) gedrukt.

-ocr page 132-

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

OIjDEBROEK. — Elbarg, Doornspijk, Oldebroek, Hattem, Epe, lieerde. — 4. 2, 2.

VOORST. — Apeldoorn, Voorst, Brummen. — 4 2, 2.

ZUTPHEN. — Zutphen, Gorssel, Warnsveld, Laren, (Verwolde), Lochem. — 4. 2, 2.

RUURLO. — Neede, Borculo, Ruurlo, Vorden, Eibergen, Groenlo, Lichtenvoorde. — 4. 2, 2.

AALTEN. — Winterswyk, Aalten, Dinzperlo, Wisch, Ambt Doetinchem. — 4.2, 2.

ZEVENAAR. — Gendrinpen, Bergb, Didam, Zevenaar, Herwen, Pannerden, Duiven, Westervoort, Angerlo, Wehl. — 5. 3, 2.

DOESBURG. — Stad Doetinchem, Doesburg, Hummelo en Keppel, Steenderen, Hengelo, Zelhem. — 3. 1, 2.

ELST. — Gent, Bemmel, Valburg, (Loenen en Wolferen), Eist, Huissen. — 3. 2,1.

TIEL. — Heteren, Hemmen, Dodewaard, Resteren, Echteld, Uzendoorn, Lienden, Maurik, Zoelen, Tiel, Wadenoyen. 4. 2, 2.

GELDERMALSEN. — Ophemert, Varik, Est en Opgnen, Geldermalsen, Waardenburg, Deil, Haaften, Herwgnen, Vuren, Buren, Beusichem, Culemborg, Beest, Baurmalsen. — 4. 2, 2.

ZAIjT-BOEMEIj. — Brakel, Zuilichem, Poederogen, Nederhemert, Ammerzoden, Hedel, Kerkwgk, Gameren, Zalt-Boemel, Hurwenen, Driel, Rossum. — 3. 1, 2.

WYCHEN. — Heerewaarden, Dreumel, Appeltern, Wamel, Druten, Horssen, Batenburg, Bergharen, Ewgk, Wychen, Balgoy, Overasselt, Heumen, Groesbeek. — 4. 2. 2.

NIJMEGEN. — Ngmegen, Ubbergen, Millingen, Bcuningen. — 4. 2, 2.

Znldholland.

LBYDERDORP. — Leyderdorp, Zoeterwoude, Koudekerk, Voorschoten, Oegst-geest, Rhgnsburg, Valkenburg, Warmond, Sassenheim, Noordwyk, Noordwgkerhout, Voorhout, Lisse, Hillegom, (de Vennip), Katwijk. — 4. 2, 2.

LEYDEN — Leyden. — 6. 3, 2.

ZOETERMEER — Zoetermeer, Veur, Wassenaar, Voorburg, Zegwaart, Stompwgk, Benihuizen, Pgnacker, Nootdorp, Berkel, Hillegersberg, Schiebroek, Bergschenhoek, (Tempel), Zevenhuizen, Bleiswgk, Nieuwerkerk op den IJssel, Cappelle op den IJs-sel. Moordrecht, Moercapelle. — 4. 2, 2.

\'s QRAVENHAGE. — \'s Gravenhage. — 10. 5, 6.

VLAARDINGEN. — Vlaardingen, Vlaardinger-Ambacht, Maassluis, Maasland, Rozenburg, Naaldwgk, de Lier, \'s Gravesande, Monster, Loosduinen, Wateringen, Rgswgk. — 4 2, 2.

DELFT. — Delft, Hof van Delft, Vrgenban, (Abtsregt), (Akkersdgk), Schipluiden, (Hodenpgl), (Groeneveld), (St.-Maartensregt). — 3. 1, 2.

SCHIEDAM — Schiedam, (O. en N. Mathenesse), (Nieuwland), Kethel, (Zou-teveen), (Deifsbaven), Overschie. — 3. 2, 1.

ROTTERDAM I. — Het deel der gemeente begrensd door eene Ign, loopende van het sngpunt der asignen van de rivier de Maas en het Boerengat door het midden van laatstgemeld water, van het Oostplein en van de Oostpoort; van daar langs de oostzgde der Boezemkolk, het stoomgemaal buitensluitende, over het midden van de Boezembrug en het Oostvestplein tot het midden van den Goudschen-weg; vervolgens midden over deze straat, het Goudsche plein en den Crooswgkschen weg tot aan de voormalige Kralingsche grens; verder zuid-oostwaarts ombuigende langs die grens tot het midden van de rivier de Maas en eindelgk van daar door het midden van de rivier stroomafwaarts tot het punt van begin. De voormalige gemeente Kralingen. — 3. 2, 1.

ROTTERDAM II. — Hel deel der gemeente begrensd door eene Ign, loopende van het sngpunt der asignen van den Goudschen weg en het Oostvestplein, westwaarts midden door de gracht van den Goudschen Singel, door de sluis aan het Couwenburghseiland en de Rotte, vervolgens langs de noordzgde der huizen aan de Galerg tot in het midden van de Delftsche vaart; van daar door het midden van de Schiekolk en de Schie tot de grens van Hillegersberg, en verder langs die

92

-ocr page 133-

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

greus en die van de voormalige gemeente Kralingen tot aan het Zuideinde van den Achterweg, vervolgens over het midden van den Grooswgkschen weg, het Goudache plein en den Gondschen weg tot aan het pnnt van begin. — 3. 1, 2.

ROTTERDAM III. — Het deel der gemeente begrensd door eene lyn, loopende van het snijpunt der aslijnen van de Leuvehaven en de Leuvebrugateeg midden door die steeg en de Schildersteeg tot het midden van de gracht van den Schiedamachen Singel, van daar noordwaarts midden door die gracht tot aan het midden van den Binnenweg, midden over den Binnenweg tot aan de grens der kadastrale gemeente Delfahaven, van daar langs die grens en langs de grens van Overachie tot het midden van de Schie, midden door dat water en de Schiekolk tot het midden van de Delftsche vaart, van daar benoorden langs de buizen van de Galery, midden door de Rotte tot tegenover het midden van de Tweede Lombardstraat, van daar het midden van die straat en van de Eerste Lombardstraat volgende tot bet midden van de Boerenvischmarkt en midden over de Boerenviachmarkt en de Korte Torenatraat tot het midden van de Delftsche vaart, van daar midden over het Spui en de Vlas-markt tot het midden van de sluis „het Spuiquot;, vervolgens van daar midden door de Steigergracht en de Leuvehaven tot het punt van begin. — 3. 2, 1.

ROTTERDAM IV. — Het deel der gemeente begrensd door eene lyn, loopende van het sn^punt der aslgnen van de rivier de Maaa en de Leuvehaven stroomafwaarts midden door de rivier langs de voormalige Charloiache- en vervolgens langs de Schiedamsche en Overscbiesche grens tot het midden van de Coolsche straat van daar langs de grens der kadastrale gemeente Delfshaven tot aan het midden van den Binnenweg, midden door den Binnenweg ooatwaarts tot aan het midden van de gracht van den Schiedamachen Singel, midden door die gracht tot aan het midden van de Schildersteeg en midden door die steeg en de Leuvebrugsteeg tot aan het midden van de Leuvehaven en eindelgk van daar zuidwaarts midden door die haven tot aan het punt van begin. De voormalige gemeente Charlois. — 3. 1, 2.

ROTTERDAM V. — Het deel der gemeente begrensd door eene l\\jn, loopende van het sngpunt der aslynen van de rivier de Mnas en het Boerengat, stroomopwaarts midden door de rivier, vervolgens langs de voormalige Kralingsche, de Us-selmondacbe en de voormalige Charloiache grens tot weder in het midden van de rivier, van daar stroomopwaarts midden door de rivier, tot aan de verlengde aslyn van de Leuvehaven, midden door die haven en de Steigergracbt tot midden voor de sluis „het Spuiquot;, van daar midden over de Vlaamarkt en het Spui tot aan het midden van de Korte Torenstraat, midden door die straat en de Boerenvischmarkt tot aan het midden van de Eerste Lombardstraat, midden door die straat en de Tweede Lombardatraat tot midden in de Rotte, van daar midden door de sluis van het Couwenburghseiland, de gracht van den Goudachen Singel, het Oostvestplein en de Boezembrug; vervolgens beoosten langs de Boezemkolk, het stoomgemaal insluitende, midden door de Oostpoort, het Oostplein en het Boerengat tot het punt van begin. — 3. 2, 1.

ALPHEN. — Alphen, Boskoop, Bodegraven, Zwammerdam, Hazerswoude, (Hooge-veen). Oudshoorn, Ter Aar, Nieuwveen, Alkemade, (Boogmade), (Boekhorst), Wou-brugge, Rynsaterwoude, Aarlanderveen, Nieuwkoop, Zevenhoven, (Achttienhoven), Leimuiden.— 4. 2, 2.

GOUDA. — Gouda, Haastrecht, Woerden, Rietveld, Waarder, Barwoutswaarder, Oudewater, Hekendorp, Papekop, Lange Ruige Weide, (Stein), (Oukoon), (Broek), (Noord-Waddinxveen, Zuid-)Waddinxveen, Reeuwyk, (Sluipwyk), (Middelburg), Schoonhoven, Vlist, Stolwijk, Ouderkerk op den IJssel, Berkenwoude, (Zuidbroek), Gouderak, Berg ambacht, Ammerstol, Lekkerkerk, Krimpen op de Lek, Krimpen op den IJssel, (Stormpolder). — 6. 3, 3.

GORINCHEM. — Gorinchem, Schelluinen, Arkel, (Spijk), Hardinxveld, Leerdam, Schoonrewoerd, Leerbroek, Nieuwland, Aaperen, Heukelum, Kedicbem, Vianen, Ha-gestein, Everdingen, Lexmond, Hei- en Boeicop. — 4. 2, 2.

SLIEDRECHT. — Meerkerk, Ameide, Tienhoven, Noordeloos, Hoog-Blokland, Hoornaar, Groot-Ammers, Nieuwpoort, Langerak, Goudriaan, Ottoland, Giessendam, Giessen-Nieuwkerk, Peursum, (Neder-Slingeland), Streefkerk, Brandwijk, Molenaars-graaf, Bleskensgraaf, (Hofwegen), (Laag-Blokland), Sliedrecht. Wijngaarden, Alblas-serdam, Nieuw Lekkerland, Oud-Alblas, Papendrecht. — 4. 2, 2.

93

-ocr page 134-

WET KIESDISTRICTEN PBOV. STATEN.

DORDRECHT. — Dordrecht, Dubbeldam, (Wieldrecht), (de Mijl). — 4. 2, 2.

OUD-BEIJERLAND. — Oud-Beijerland, Numansdorp, Zuid-Beyerland, Klaaswaal, Heinenoord, (Goidschalxoord), Nieuw-Bejjerland, Piershil, Goudswaard, *8 Gravendeel, Puttershoek, Maasdam, Strjjen, (Stryensas), Mijnsheerenland, Westmaas. — 3. 2, 1.

RIDDERKERK. — Ridderkerk, (Rijsoort), Zwyndrecht, (Meerdervoort), Hendrik-Ido-Ambacht, (Sandelingen-Ambacht), (Heer-Oudelands-Ambacht), (Groote Lindt), Heerjansdam, (Kleioe Lindt), (Kijfhoek), Usselmonde, Oost- en West-Barendrecht, (Charlois), (Katendrecht), Poortugaal, Rhoon, Hoogvliet, Pernis. — 3. 1, 2.

BRIELLE. — Brielle, Oostvoorne, Zwartewaal, Vier-polders of het Nieuwland, Nieuwenhoorn,HellevoetBlui8, Nieuw Hellevoet, (Oude en Nieuwe Straiten), Rockanje, (Katers), Zuidland, (Biert), (Simonshaven), Hekelingen, Oudenhoorn, Spqkenisse, Geervliet, Heenvliet, Abbenbroek. — 3. 2, 1.

MIDDELHARNIS. — Middelharnis, Sommelsdijk, Dirksland, Melissant, (Onwaard), (Roxenisse), Goedereede, Stellendam, Ouddorp, Oude Tonge, Nieuwe Tonge, Herkingen^Ooltgensplaat, den Bommel, Stad aan \'t Haringvliet. — 3. 1, 2.

Noordholland.

DEN HELDER. — den Helder, Terschelling, Texel, Vlieland. — 3. 1, 2.

SCHAGEN. — Schagen, Sint Maarten, de Ziipe, Wieringerwaard, Callantsoog, Petten, Wieringen. Barsingerhorn, Oud-Carspel, Zuid-Scharwoude, Noord-Scharwoude, Sint-Pancras. Broek op Langedyk, Haringcarspel, Warmenhuizen, Koedyk, Bergen, Schoorl, Heer Hugowaard, (Veenhuizen), Nieuwe Niedorp, Oude-Niedorp, Winkel. — 4. 2, 2.

ALKMAAR. — Alkmaar, Oudorp, Egmond-binnen, Egmond aan Zee, (Wimme-num), Heilo, Limmen, Castricum, Heemskerk, Uitgeest, Akersloot. — 3. 2, 1.

ZAANDAM. — Zaandam, Zaandgk, Koog aan de Zaan, Wormerveer, Oostzaan, Crommenie, Westzaan, Assendelft. — 4. 2, 2.

ENKHÜIZEN — Enkhuizen, Urk, Medemblik, Opperdoes, Twisk, Spanbroek, Opmeer, Hoogwoud, Hensbroek, Obdam, Zybecarspel, Abbekerk, Mid woud, Wervers-hoof, Andyk, Grootebroek, Bovencarspel, Hoogcarspel, Westwoud, Yenhuizen. — 4. 2, 2.

HOORN. — Hoorn, Berkhout, Beets, Oudendijk, (Schardam), Avenhort, (Grost-huizen), (Scharwoude), ürsem, Oterleek, Wognum, Nibbixwoud, Zwaag, Blokker, Schellinkhout, Wjjdenes. — 3. 2, 1.

FURMEREND. — Purmerend, Kwad\\jk, Ilpendam, Landsmeer, Beemster, Oost-huizen, Warder, Schermerhorn, de Rgp, Graft, Zuid-2 i Noord-Schermer, Wormer, Wijde Wormer, Jisp. — 3. 1, 2.

EDAM. — Edam, Middelie, Monnikkendam, Katwoude, Marken, Broek in Waterland, Nieuwendam. Buiksloot, (Schellingwoud), Ransdorp, — 2. 1, 1.

NIEUWER-AMSTEL. — Nieuwer-Amstel, (Rietwykeroord), Ouder-Amstel, Uithoorn, Aalsmeer, (Leymuiden), (Kalslagen), Sloten. — 2. 1, 1.

AMSTERDAM I. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van het snijpunt der aslijnen van het Noordzeekanaal en zykanaal H door het midden van het Noordzeekanaal tot aan het Droogdok; vervolgens langs de doorvaart van de Realengracht tot op het snqpunt van de Prinseneilandsgracht, vervolgens langs die gracht tot langs den Spoordijk, tot aan de Westerdokskade, vervolgens door het midden van de Korte Prinsengracht tot de Noordzijde van de Brouwersgracht tot den Singel en van daar tot aan de Noordzijde van de Korte Korsjespoortsteeg, langs die steeg tot aan de oostzijde van den N.Z. Voorburgwal, vervolgens langs den N.Z. Voorburgwal tot aan de doorsnede van de Raadhuisstraat daarna de zuidzijde dier straat tot aan de doorvamp;art van den Singel, vervolgens langs de Oostzijde van den Singel tot de doorvaart van den Bin-nen-Amstel, daarna langs het noordelijk gedeelte van den Amstel tot den Zwanenburgwal. vervolgens de westzijde van den Zwanenburgwal tot de St-Anthoniebreed-straat, deze straat langs tot over de Nieuwemarkt, oostelijk langs de Vischmarkt, door het midden (westzijde) van de Geldersche kade naar de doorsnede in het IJ tot aan den afsluitdijk, vervolgens langs dien afsluitdijk tot aan de grens der gemeente en van daar in noordwestelijke richting tot aan het beginpunt. — 4, 2, 2.

94

-ocr page 135-

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN. 95

AMSTERDAM II. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af den afsluitdijk naar Schellingwoudelangs de doorsnede van het IJ tot aan den Oostelqken doorgang in het open havenfront langs de oostzijde van de Geldersche kade tot aan de Rechtboomsloot, langs de uoordz^de van de Rechtboomsloot tot aan de Oude Schans (noordzijde) tot aan den Rapenburgwal, voorts langs den Rapenburgwal en het Entrepötdok (Laagte Kadijk) tot aan het snijpunt van de Sarpbatistraat, de noordzijde van die straat volgende tot aan de Zeeburgerstraat (noordzyde) en van daar langs de doorvaart in het Loozingskanaal en langs den Diemerdijk tot aan den Immetjeshorn en verder in noordelijke richting over het IJ langs de grens der gemeente, langs den Noorder-IJ- en Zeedijk tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM III. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af den Immetjeshorn, langs den Diemerdyk tot aan de doorvaart van het Loozingskanaal, vervolgens langs de Buitensingelgracht (zuidzijde) tot aan de Kavaleriekazerne, daarna langs de doorvaart der Muidergracht langs de zuidzijde van den Hortus Botanicus, langs de doorvaart van de Nieuwè Heerengracht (zuidzijde) tot aan den Amstel. Vervolgens door de doorvaart van den Amstel (oostzijde) tot aan de Schulpbrug en van daar in noordoostelijke richting langs de grens der gemeente tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM IV. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van de Zeeburgerstraat (zuidzijde) langs de noordzijde van de Sarpbatistraat tot aan het snijpunt van het Entrepötdok, vervolgens langs de doorvaart van het Entrepötdok (zuidzijde) en den Rapenburgwal (zuidzijde) tot aan de Oude Schans, daarna langs de doorvaart van de Oude Schans (zuidzijde) tot aan de doorvaart van de Rechtboomsloot, vervolgens de zuidzijde dier Rechtboomsloot tot aan de Geldersche kade, van daar langs de Geldersche kade (oostzijde) en Kieuwemarkt (oostzijde) in zuidelijke richting naar den Zwanenburgwal, vervolgens langs den Zwanenburgwal (oostzijde) tot het snijpunt in den Amstel en van daar in westelijke richting naar het Sophiaplein, vervolgens langs dat plein (zuidzijde) door de Reguliersbreedstraat (noordzijde) langs de doorsnede van het Tborbeckeplein (oostzijde) en de Reguliersgrachten (oostzijde) tot aan het snijpunt in de Stadhouderskade. Vervolgens die kade in oostelijke richting t.ot aan het snijpunt in den Amstel, daarna de doorvaart (westzijde) van den Amstel tot waar men de aslijn ontmoet der Nieuwe Keizersgracht, vervolgens de Nieuwe Heerengracht (noordzijde) langs de zuidzijde van den Hortus Botanicus en de noordzijde van de Muidergracht, langs de Kavaleriekazerne tot aan het snijpunt der Buitensingelgracht, vervolgens langs de Buitensingelgracht (noordzijde) tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM V. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af het punt in den Amstel alwaar de Stadhouderskade die rivier snijdt en van daar langs de Stadhouderskade tot aan de doorsnede van het Vondelspark. Vervolgens de doorsnede van het Willemspark langs de Schinkelkade en voorts in zuidelijke en oostelijke richting langs de grens der gemeente tot aan den Amstel en van daar langs den Amstel tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM VI. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam, gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af de doorvaart van den Singel by de Munt (zuidzijde) tot aan de Gasthuismolensteeg, door de Gasthuismolensteeg (zuidzijde), Harten-, Ree- en Laurierstraten (zuidzijden) met eene recht doorgetrokken lijn tot in de Buitensingelgracht; vervolgens langs de doorvaart van de Buitensingelgracht (noord oostzijde) en de Stadhouderskade (noordzijde) tot tegenover de Nicolaas Wit-senstraat, vervolgens door het midden dier straat (westzijde) langs de doorvaart van de Reguliersgracht (westzijde), het Tborbeckeplein (westzijde), de Reguliersbree-straat (zuidzijde) tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM VII. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene lijn, getrokken als volgt: van af de doorsnede der Raadhuisstraat (noordzijde) langs den N.Z. Voorburgwal (westzijde) tot aan de Korsjespoortsteeg. Vervolgens de zuidzijde dier steeg tot aan de doorvaart van den Singel, daarna den Singel (westzijde) in noordelijke richting volgende tot aan de Brouwersgracht; vervolgens de Brouwersgracht (zuidzijde) tot aan de doorvaart van de Prinsengracht, daarna

-ocr page 136-

96 WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

de Prinsengracht tegenover de Noordermarkt tot aan de doorsnede der Westerstraat. De Westerstraat (zuidzijde) langs bet Marnixpleln (zuidzijde) tot aan de doorvaart der Marnixkade. Vervolgens langs de Marnixkade en Buitensingelgracht (oostzyde) tot waar men het verlengde van de aslgn der Laurierstraat ontmoet; verder door het midden der Laurierstraat, Reestraat, Hartenstraat en Gasthuismolensteeg (noord-zyde), daarna langs de doorvaart van den Singel (westzgde) tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM YIII. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eeue lijn, getrokken als volgt: van het snijpunt der asl^nen van het Noordzeeka-irnal en zgkanaal H, zuidwaarts Jangs de grens der gemeente tot aan de Haarlemmervaart. Vervolgens langs de doorvaart der Haarlemmervaart (noordzgde) tot aan het Nassauplein. Daarna langs de doorvaart der Marnixkade tot aan de Zaagbar-rière, vervolgens langs de Westerstraat (noordzijde) tot aan de doorvaart der Prinsengracht (westzgde) tot aan het sngpunt der Westerdokskade. Van daar lancs de Prinseneilandsgracht (westzgde) tot aan de aslgn van de Realengracht. Vervoleens langs het Realeneiland tot aan de doorvaart van het Noordzeekanaal en van daar in noordelgke richting tot aan het beginpunt. — 4. 2, 2.

AMSTERDAM IX. — Het gedeelte der gemeente Amsterdam gelegen binnen eene Ign, getrokken als volgt: van af den noordelgken hoek van het Nassauplein, langs de doorvaart der Haarlemmervaart (zuidzgde) tot aan de grens der gemeente. Vervolgens zuidwaarts die grens volgende langs de Kostverloren Wetering tot aan de doorvaart van de Schinkelkade (noordzgde). Vervolgens de doorsnede van het Willemspark en Vondelspark (noordzgde) tot aan de doorvaart van de Stadhouderskade en van daar langs de doorvaart dier kade (westzgde). Buitensingelgracht (westzgde) en de Nassaukade tot aan het beginpunt. 4. 2, 2.

WEESP. — Weesp, Weespercarspel, Diemen, Watergraafsmeer, Muiden, Naarden, Huizen, Nederhorst den Berg, \'s Graveland, Kortenhoef, Ankeveen, Laren, Bussum, Blaricum, Hilversum. — 4. 2, 2.

HAARLEM. — Haarlem. — 5. 3, 2.

HAARLEMMERMEER. — Haarlemmermeer, Haarlemmerliede en Spaarnwou-de, Heemstede, Bennebroek. — 2. 1, 1.

VELSEN. — Velsen, Beverwijk, Wgk aan Zee en Duin, Spaarndam, Schoten, Bloemendaal, Zandvoort. — 2. 1, 1.

Zeeland.

MIDDELBURG-. — Middelburg, Aagtekerke, Arnemuiden, Domburg, Grgpskerke, Kieuw- en St. Joosland, Oostkapelle, Serooskerke, St. Laurens, Veere, Vrouwenpolder. — 6. 3, 3.

VLISSINGEN. — Vlissingen, Biggekerke, Koudekerke, Meliskerke, Oost- en West-Souburg, Ritthem, Westkapelle, Zoutelande. — 5. 3, 2.

ZIERIKZEE. — Zierikzee, Bommenede, Brouwershaven, (Bruinisse), Burgh en Westerschouwen, Dreischor, Duivendgke, Eikerzee, Ellemeet, Haamstede, Kerkwer-ve, Nieuwerkerk, Noordgouwe, Noordwelle, Oosterland, Ouwerkerk, Renesse, Serooskerke, Zonnemaire. — 6. 3, 3.

THOLEN. — Tholen, Oud Vossemeer, Poortvliet, Scherpenisse, St. Annaland, St. Maartensdgk, St. Philipsland, Stavenisse. — 3. 1, 2.

GOES. — Goes, Baarland, Borssele, Colgnsplaat, Driewege, Ellewoutsdgk, (Fort Bath en Bath), \'s Gravenpolder, \'s Heer-Abtskerke, \'s Hefer-Arendskerke, \'s Heeren-hoek, (\'s Heer-Hendrikskinderen), Heinkenszand, Hoedekenskerke, Kapelle, Kats, Kattendgke, Kloetinge, Kortgeen, Krabbendgke, Kruiningen, Nisse, Oudelande, Ove-zande, Rilland-Bath (en Maire), Schore en Vlake, Waarde en Valkenisse, Wemeldinge, Wissekerke, Wolphaartsdgk, Yerseke. — 8. 4, 4.

SLUIS. — Sluis, Aardenburg, Biervliet, Breskens, Cadzand, Eede, Groede, (Heil-le). Hoofdplaat, Nieuwvliet, Oostburg, Retranchement, Schoondijke, St. Anna ter Muide, St. Kruis, Waterlandskerkje, Uzendgke, Zuidzande. — 6. 3, 3.

HULST. Hulst, Axel, Boschkapelle, Clinge, Graauw en Langendam, Hengst-dgk. Hoek, Hontenisse, Koewacht, Neuzen, Ossenisse, Overslag, Philippine, Sas van Gent, Stoppeldijk, St. Jan Steen, Westdorpe, Zaamslag, Zuiddorpe. — 8. 4, 4.

-ocr page 137-

WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

Utreolit.

UTRECHT I. — Het deel der gemeente Utrecht, gelegen oostelgk van den Krommen Ryn, üe Oude Gracht en de Vecht. — 7. 4, 3.

UTRECHT II. — Het overige gedeelte der gemeente Utrecht. — 6. 3, 3.

AMERSFOORT. — Amersfoort, Hoogland, (Duist), Bunschoten, Eemnes, Baarn, (de Vuursche), Soest, Leusden, Stoutenburg, Kenswoude. — 7. 3, 4.

AMERONGEN. — Amerongen, Woudenberg-, Veenendaal, Rhenen, Leersum,Maarn} (Darthuizen), Langbroek, Wijk bij Duurstede, Cothen, Werkhoven, (Sterkenburg), Odijk, Rozenburg, Driebergen, Doorn, Zeist, Bunnik, (Rynauwen). — 7. 4, 3.

IJSSELSTEIN. — IJsselstein, Vreeswjjk, Jutphaas, (Schonauwen), (Oud-Wulven), Houten, Schalkwek, Tuil en \'t Waal. Lopik, Jaarsveld, (Cabauw), (Zevender), Willige Langerak, (Noord-Polsbroek, Zuid-)Pol8broek, Honkoop, Benschop, Willcskop, Mont-foort, Snelrewaard, Linschoten, (Wulverhorst), (Achthoven), Oudenryn, Veldhuizen, Harmeien, Vleuteu, Haarzuilens, (Gerverskop), (\'s Gravesloot), Zegveld, (Kamerik Mijzyde), Kamerik (Houtdyken), (Teckop), Kockengen, Laag Nieuwkoop. — 7.3, 4.

BREUKELEN. — Wilnis, (Oudhuizen), Vinkeveen en Waverveen, Mydrecht, Abcoude Proosdy, Abcoude Baambrugge, Nigtevegt, Vreeland, Loenen, Loenersloot, Loosdrecht, Ruwiel, (Portengen), Breukelen St. Pieter. Breukelen Ngenrode, (Maars-senbroek), Maarssen, Maarsseveen, Tienhoven, Westbroek, Maartensdyk, de Bildt, Achttienhuven, Zuylen. — 7. 4, 3.

Friesland.

LEEUWARDEN. — Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Idaarderadeel, Menalduma-deel, Tietjerksteradeel. — 10. 5, 5.

DOKKUM. — Dokkum, Ferwerderadeel, Westdongeradeel, Oostdongeradeel, Dan-tumadeel, Kollumerland en Nieuw-Kruisland, Achtkarspelen, Ameland, Schiermon-nikoug. — 10. 5, 5.

SCHOTERLAND. — Smallingerland, Opsterland, Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Schoterland, Aengwirden, Utingeradeel. — 10. 5, 5.

SNEEK. — Sneek, Ylst, Sloten, Workum, Hindelopen, Stavoren, Wymbritsera-deel, Hemelumer Oldephaert en Noordwolde, Gaasterland, Lemsterland, Doniawer-stal, Haskerland, Rauwerderhem, Hennaarderadeel. — 10. 5, 5.

FRANEKER. — Franeker, Harlingen, Bolsward, Wonseradeel, Franekeradeel, Barradeel, \'t Bildt, Baarderadeel. — 10. 5, 5.

Overijssel.

ZWOLLE. — Zwolle. — 4. 2, 2.

DEVENTER. — Deventer, Diepenveen. — 4. 2, 2.

KAMPEN. — Kampen, Schokland, Kamperveen, Wilsum, IJsselmuiden, Grafhorst. — 3. 2, 1.

STEENWUK. — Steenwjjk, Steenwykerwold, Oldemarkt, Giethoorn, Kuinre, Blankenham, Blokzyl, Stad Vollenhove, Ambt Vollenhove. — 4. 2, 2.

ZWARTSLUIS. — Zwartsluis, Hasselt, Genemuiden, Wanneperveen. — 2.1,1.

DALFSEN. — Dalfsen, Zwollerkerspel, Staphorst, Zalk. — 3. 1, 2

RAALTE. — Raalte, Hellendoorn, Heino, Wyhe, Olst. — 4. 2, 2.

MARKELO. — Markelo, Goor, Rijssen, Holten, Bathmen. — 3. 2, 1.

ENSCHEDÉ — Enschedé, Lonneker, Haaksbergen, Diepenheim, Stad Delden, Ambt Delden, Hengelo. — 6. 3, 3.

OLDENZAAL. — Oldenzaal, Losser, Ootmarssum, Denekamp, Weerselo, Borne. — 5. 2, 3.

STAD ALMELO. — Stad Almelo, Ambt Almelo, den Ham, Wierden, Vriesenveen, Tubbergen. — 5. 3, 2.

STAD OMMEN. — Stad Ommen, Ambt Ommen, Nieuwleusen, Avereest, Stad Hardenberg, Ambt Hardenberg, Gramsbergen. — 4. 2, 2.

STAATSWETTEN. 7

97

-ocr page 138-

98—100 WET KIESDISTRICTEN PROV. STATEN.

Groningen.

GRONINGEN. — Groningen. — 8. 4. 4.

HOOGEZAND. — Hoogezand, Sappemeer, Haren, Noorddgk. — 3. 2, 1. I

ZUIDHORN. — Zuidhorn, Grypskerk, Oldehove, Ezinge, Adnard, de Leek, Ma-rum, Grootegast, Oldekerk. — 5. 2, 3.

BEDUM. — Bedum, Winsum, Leens, ^Jlrum, Kloosterburen, Eenrum, Baflo, WarfFum, Adorp, Middelstum, Kantens, Usquert, Uithuizen, Hoogkerk. — 7. 4, 3.

AFFINGADAM. — Appingadam, Delfzyl, Bierum, \'t Zandt, Loppersum, Ten Boer, Slochteren, Stedum, Uithuizcrmeden, Termunten. — 8. 4, 4.

quot;WINSCHOTEN. — Winschoten, Midwolde, Nieuwolde, Finsterwolde, Beerta, Nieuweschans, Zuidbroek, Noordbroek, Scheeroda, Muntendam, Meeden, Bellingwol-de. — 7. 3, 4.

OUDE FEKEL-A. — Wedde, Onstwedde, Vlagtwedde, Oude Pekel-A, Nieuwe Pe-kel-A, Veendam, Wildervank. — 7. 4, 3.

Drenthe.

ASSEN. — Assen, Anlo, Norg, Roden, Peize, Eelde, Zuidlaren, Vries, Smilde, Rolde. — 9. 6, 4.

HEFFEL. — Meppel, Havelte, Ngeveen, Ruinen, Ruinerwold, de Wgk, Zuid-wolde. Diever, Dwingelo, Vledder. — 8. 4, 4.

HOOGEVEEN. — Hoogeveen, Beilen, Westerbork, Zweeloo, Oosterhesselen, Coe-vorden, Dalen, Schoonebeek, Sleen. — 9. 4, 5.

EMMEN. — Emmen, Odoorn, Borger, Gieten, Gasselte. — 9. 5, 4.

Limburg.

MAASTRICHT. — Maastricht. — 6. 3. 3.

MEERS SEN. — Amby, Beek, Bemelen, Berg en Terblyt, Borgharen, Bunde, Ca-dier en Keer, Elsloo, Egsden, Geulle, Gronsveld, Heer, Houthem, Itteren, Meerssen, Mesch, Ond-Vroenho?en,Rgckholt, St. Geertruid, St. Pieter, Spaubeek, Stein, ülestra-ten. — 5. 3, 2.

GÜLFEN. — Bocholtz, Gulpen, Margratem, Mheer, Noorbeek, Oud-Valkenburg, Schin op Geulle, Simpelveld, Slenaken, (Strucht), Vaals, Valkenburg, Wittem, Wylré. — 4. 2, 2.

HEERLEN. — Eygelshoven, Heerlen, Hoensbroek, Hulsberg, Kerkrade, Klimmen, Nieuwenhagen, (Bimburg), Schaesberg, Schimmert, Ubach over Worms, Voerendaal, Wgnandsrade. — 4. 2, 2.

8ITTARD. — Amstenrade, Bingelrade, Brunssum, Jabeek, Merkelbeek, Nuth, Oirsbeek, Schinnen, Schinveld, Bom, Broeksittard, Geleen, Grevenbicht, Limbricht, Munstergeleen, Nieuwstad, Obbicht, Sittard, Urmond. — 5. 2, 3.

ROERMOND. — Roermond, Echt, Herten, Horn, Linne, Maasbracht, Melick en Herkenbosch, Maasniel, Montfort, St. Odilienberg, Ohé en Laak, Pusterholt, Roosteren, Stevensweert, Susteren, Swalmen, Vlodrop. — 6. 3, 3.

WEERT. — Baexem, Beegden, Buggenum, Grathem, Halen, Heel, H\'jythuizen, Hunsel, Ittervoort, Megel, Nederweert, Neer, Neeritter, Nunhem, Roggel, Stamproy, Thorn, Weert, Wessem. — 6. 3, 3.

VENLO. — Arcen en Velden, Beesel, Belfeld, Broekhuizen, Grubbenvorst, Helden, Kessel, Maasbree, Tegelen, Venlo. — 5. 3, 2.

HORST. — Horst, Meerloo, Sevenum, Venray, Wanssum, Bergen, Gennep, Mook, Ottersum. — 4. 2, 2.

TABEL B is hier niet opgenomen, als slechts van tijdelijken aard.

-ocr page 139-

WET,

REGELENDE DE ZA.MENSTELLING, INBIGTING EN BEVOEGDHEID DER GEMEENTEBESTUREN.

(Vastgesteld den 298ten Juny 1851, Stsbl. 110. 85, uitgegeven den 15den July d.a.v.

Gewyzigd by de wetten van 7 Jnly 1866, Stsbl. no. 79; 28 Juny 1881, Stsbl. no. 102; 26 July 1885, Stsbl. no. 169; 15 April 1886, Stsbl. no. 64; 6 Nov.

1887, Stsbl. no. 193, Add. art. X, Grondw. 1887 ; 28 Mei 1896, Stsbl. no. 88; 28 April 1897, Stsbl. no. 110 en 24 Mei 1897, Stsbl. no. 156.)

EERSTE AFDEELING.

Van de zamensteUing en inrigting der gemeentebesturen.

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Het bestuur van elke gemeente bestaat uit een Raad, een Burgemeester en Wethouders. (G. 142, 143; Gem. 59, 79.)

2. In elke gemeente is een Secretaris en een Ontvanger. (Gem. 95, 106.)

De Burgemeester kan, met Onze goedkeuring, tot Secretaris worden benoemd.

3. Dezelfde persoon kan zijn Burgemeester, of Secretaris, of Ontvanger van meer dan ééne gemeente, mits de bevolking van geene dier gemeenten 5000 zielen te boven ga, de gemeenten aan elkander grenzen en haar gezamenlijk zielental 10,000 niet overtreffe.

De bevolking eener gemeente wordt geacht te bestaan uit het door de laatste openbare volkstelling daarin aangewezen getal inwoners.

TITEL II.

VAN DEN KAAD.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN VAN DEN RAAD.

§ 1. Van hun getal.

Art. 4. De Raad, onverschillig of de Burgemeester er al, dan niet lid van zij, bestaat uit;

De met * gemerkte artikels of onderdeelen van artikels zijn aldus gewijzigd of toegevoegd volgens artt. 1—31 der wet van 28 April 1897, Stsbl. no. 110.

7*

-ocr page 140-

GEMEENTEWET.

7 leden

in

gemeenten beneden de

3,000 zielen

11 »

»

»

van 3,000

tot

6,000 »

13 »

»

»

» 6,001

»

10,000 »

15 »

»

» 10,001

»

15,000 »

17 »

»

»

» 15,001

»

20,000 »

19 »

»

»

» 20,001

»

25,000 »

21

»

»

» 25,001

»

30,000 gt;

23 »

»

» 30,001

»

35,000 »

25 »

»

»

» 35,001

»

40,000 »

27 »

»

» 40,001

»

45,000 »

29 »

»

»

» 45,001

»

50,000 »

31 »

»

»

» 50,001

»

60,000 »

33 »

»

»

» 60,001

»

70,000 »

35 »

»

»

» 70,001

»

80,000 »

37 »

»

»

» 80,001

»

100,000 »

*39 .»

»

»

» 100 001

»

200 000 »

*45 leden in gemeenten van boven de 200 000 zielen.

§ 2. Van de benoeming der leden van den Raad.

*Art. 5. De leden van den raad worden gekozen in kiesdistricten door hen, die volgens de in art. 8 der Kieswet bedoelde lijst tot het kiezen van leden van den raad bevoegd zijn. (G. 143; Kw. 7, 35, 160.)

De districten, waarin de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en \'s Grarenhage verdeeld zijn voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zijn tevens kiesdistricten voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad. In elk dier districten wordt een gelijk getal leden van den gemeenteraad gekozen.

De gemeente Utrecht wordt voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad in kiesdistricten verdeeld in dier voege, dat elk der districten, waarin die gemeente verdeeld is voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt gesplitst in twee kiesdistricten. (Kw. 127 jto Tabel.)

De overige gemeenten van boven de 15000 zielen worden voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad in drie kiesdistricten gesplitst.

Behoudens het bepaalde bij het tweede en met inachtneming van het bepaalde bij het derde en vierde lid, regelen Gedeputeerde Staten, den raad gehoord, de verdeeiing der kiesdistricten en het getal der in elk district zoo in het geheel als bij elke periodieke aftreding te kiezen leden. Zij zorgen hierbij dat in de kiesdistricten zooveel mogelijk een gelijk getal leden gekozen worde en dit ge:al in behoorlijke evenredigheid sta tot de bevolking van ieder district.

Is het noodig, dat in een der districten een lid meer of minder gekozen worde dan in de andere, zoo wordt hiervoor het district aangewezen, waarvan de bevolking het meest of het minst talrijk is.

De regeling, in het vijfde lid bedoeld, geschiedt opnieuw zoodra

102

-ocr page 141-

GEMEENTEWET.

volgens het bepaalde bij art. 4 vermeerdering of vermindering van het getal leden van den raad noodig is.

Gemeenten van 15000 zielen of minder vormen één kiesdistrict.

*6. De kiesdistricten kunnen in stemdistricten worden verdeeld. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te dee-len, stelt die verdeeling vast. Daarbij wordt tevens het stemdistrict aangewezen, waarin het hoofdstembureau zitting heeft.

7. *De gewone tijd, ter verkiezing der leden van den raad, is de laatste Dinsdag der maand Juni.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van September, volgens den bij art. 27 bedoelden rooster, moeten aftreden. (Kw. 116,129; P. 5.)

*8. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen zes maanden na dat openvallen. (Kw. 117, 130; Gem. 84; P. 6, 47.)

*9. Burgemeester en wethouders bepalen ter vervulling eener tus-sehentijds in den raad openvallende plaats den dag der verkiezing.

Zij bepalen vóór elke verkiezing voor leden van den raad de dagen, waarop, zoo noodig, de stemming en de herstemming zullen geschieden.

Bij de periodieke verkiezingen geschieden de stemming en de herstemming in alle kiesdistricten der gemeente op dezelfde dagen.

De stemming en de herstemming geschieden in alle stemdistricten van het kiesdistrict op dezelfde dagen. (Kw. 131; P. 9.)

*10. In afwijking van het hieromtrent bepaalde bij art. 51 der Kieswet, wordt in kiesdistricten waarin het aantal kiezers voor den gemeenteraad volgens de kiezerslijst minder dan 2000 bedraagt, de on-derteekening vereischt van ten minste Vso gedeelte van het aantal dier kiezers.

Is het aantal dier kiezers minder dan 150, dan wordt de onder-teekening van ten minste drie kiezers vereischt.

Op den dag der verkiezing, zoodni de door de wet tot het inleveren der opgaven van eandidaten bepaalde tijd is afgeloopen, sluit de burgemeester de lijst der eandidaten.

Is geen candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester, dat niemand is benoemd.

Zijn er evenveel eandidaten als er plaatsen te vervullen zijn, of minder, op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester deze eandidaten te zijn benoemd tot leden van den raad.

De burgemeester maakt van zijne handeling onmiddellijk procesverbaal op, dat ter secretarie van de gemeente voor een ieder ter inzage wordt nedergelegd, in afschrift wordt aangeplakt en tegen betaling der kosten verkrijgbaar gesteld.

De vorm en de inrichting van het proces-verbaal worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. (Kw. 132; Gem. 15; P. 8; KB. 8 Mei 1897, S. 144.)

*10 bis. Zijn er meer eandidaten opgegeven dan er plaatsen te

102a

-ocr page 142-

GEMEENTEWET.

7 leden

in

gemeenten beneden de 3,000 zielen;

11 »

»

» van

3,000 tot 6,000 »

13 »

»

» »

6,001 » 10,000 »

15 »

»

» »

10,001 » 15,000 »

17 »

»

» »

15,001 » 20,000 »

19 »

»

» »

20,001 » 25,000 »

21 »

»

» »

25,001 » 30,000 •gt;

23 »

»

» »

30,001 » 35,000 »

25 »

»

» »

35,001 » 40,000 »

27 »

» »

40,001 » 45,000 »

29 *

» »

45,001 » 50,000 »

31 »

»

» »

50,001 » 60,000 »

33 »

»

» »

60,001 » 70,000 »

35 »

»

» »

70,001 * 80,000 »

37 »

»

» »

80,001 » 100,000 »

*39 »

»

» »

100 001 » 200 000 »

*45 leden

in

gemeenten van boven de 200 000 zielen.

§ 2. Van de benoeming der leden van den Raad.

*Art. 5. De leden van den raad worden gekozen in kiesdistricten door hen, die volgens de in art. 8 der Kieswet bedoelde lijst tot het kiezen van leden van den raad bevoegd zijn. (G. 143; Kw. 7, 35,160.)

De districten, waarin de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en \'s Gravenhage verdeeld zijn voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zijn tevens kiesdistricten voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad. In elk dier districten wordt een gelijk getal leden van den gemeenteraad gekozen.

De gemeente Utrecht wordt voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad in kiesdistricten verdeeld in dier voege, dat elk der districten, waarin die gemeente verdeeld is voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-CTeneraal, wordt gesplitst in twee kiesdistricten. (Kw. 127 jto Tabel.)

De overige gemeenten van boven de 15000 zielen worden voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad in drie kiesdistricten gesplitst.

Behoudens het bepaalde bij het tweede en met inachtneming van het bepaalde bij het derde en vierde lid, regelen Gedeputeerde Staten, den raad gehoord, de verdeeling der kiesdistricten en het getal der in eik district zoo in het geheel als bij elke periodieke aftreding te kiezen leden. Zij zorgen hierbij dat in de kiesdistricten zooveel mogelijk een gelijk getal leden gekozen worde en dit getal in behoorlijke evenredigheid sta tot de bevolking van ieder district.

Is het noodig, dat in een der districten een lid meer of minder gekozen worde dan in de andere, zoo wordt hiervoor het district aangewezen, waarvan de bevolking het meest of het minst talrijk is.

De regeling, in het vijfde lid bedoeld, geschiedt opnieuw zoodra

102

-ocr page 143-

GEMEENTEWET.

volgens het bepaalde bij art. 4 vermeerdering of vermindering van het getal leden van den raad noodig is.

Gemeenten van 15000 zielen of minder vormen één kiesdistrict.

*6. De kiesdistricten kunnen in stemdistricten worden verdeeld. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te dee-len, stelt die verdeeling vast. Daarbij wordt tevens het stemdistriot aangewezen, waarin het hoofdstembureau zitting heeft.

7. *De gewone tijd, ter verkiezing der leden van den raad, is de laatste Dinsdag der maand Juni.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van September, volgens den bij art. 27 bedoelden rooster, moeten aftreden. (Kw. 116,129; P. 5.)

*8. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen zes maanden na dat openvallen. (Kw. 117, 130; Gem. 84; P. 6, 47.)

*9. Burgemeester en wethouders bepalen ter vervulling eener tus-schentijds in den raad openvallende plaats den dag der verkiezing.

Zij bepalen vóór elke verkiezing voor leden van den raad de dagen, waarop, zoo noodig, de stemming en de herstemming zullen geschieden.

Bij de periodieke verkiezingen geschieden de stemming en de herstemming in alle kiesdistricten der gemeente op dezelfde dagen.

De stemming en de herstemming geschieden in alle stemdistricten van het kiesdistrict op dezelfde dagen. (Kw. 131 ;P. 9.)

*10. In afwijking van het hieromtrent bepaalde bij art. 51 der Kieswet, wordt in kiesdistricten waarin het aantal kiezers voor den gemeenteraad volgens de kiezerslijst minder dan 2000 bedraagt, de on-derteekening vereischt van ten minste Vso gedeelte van het aantal dier kiezers.

Is het aantal dier kiezers minder dan 150, dan wordt de onder-teekening van ten minste drie kiezers vereischt.

Op den dag der verkiezing, zoodra de door de wet tot het inleveren der opgaven van candidaten bepaalde tijd is afgeloopen, sluit de burgemeester de lijst der candidaten.

Is geen candidaat op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester, dat niemand is benoemd.

Zijn er evenveel candidaten als er plaatsen te vervullen zijn, of minder, op die lijst gebracht, dan verklaart de burgemeester deze candidaten te zijn benoemd tot leden van den raad.

De burgemeester maakt van zijne handeling onmiddellijk procesverbaal op, dat ter secretarie van de gemeente voor een ieder ter inzage wordt nedergelegd, in afschrift wordt aangeplakt en tegen betaling der kosten verkrijgbaar gesteld.

De vorm en de inrichting van het proces-verbaal worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. (Kw. 132; Gem. 15; P. 8; KB. 8 Mei 1897, S. 144.)

*10 6is. Zijn er meer candidaten opgegeven dan er plaatsen te

102(1

-ocr page 144-

1026 GEMEENTEWET.

vervullen zijn, dan geschiedt over hen, uiterlijk binnen veertien dagen, eene stemming.

Bij eerste stemming wordt geen hunner benoemd dan met volstrekte meerderheid van stemmen.

Hebben meer candidaten de volstrekte meerderheid verkregen dan er plaatsen te vervullen zijn, dan zijn zij, die de meeste stemmen hebben verkregen en, bij gelijk getal stemmen, de oudsten in jaren benoemd. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

Bij herstemming, noodzakelijk wanneer de volstrekte meerderheid van stemmen bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken, is de oudste in jaren de benoemde. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

De volstrekte en de betrekkelijke meerderheid worden vastgesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembussen gevonden stembiljetten. (Kw. 133; P. 8his.)

*11. Wanneer bij eene eerste stemming geen volstrekte meerderheid is verkregen, wordt onmiddellijk door den voorzitter van het hoofdstembureau van het kiesdistrict eene lijst opgemaakt, bevattende de namen der candidaten, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd tot uiterlijk tweemaal zooveel namen als er plaatsen te vervullen zijn. Komen ten gevolge van gelijk aantal stemmen meer dan het bij de vorige zinsnede bepaald getal candidaten voor plaatsing op de lijst in aanmerking, dan worden deze alle daarop geplaatst.

De herstemming heeft plaats uiterlijk binnen veertien dagen na de eerste stemming. (Kw. 184; P. 9.)

*llamp;ts. Met afwijking van het bepaalde in artikel 87 der Kieswet, kan het stembureau, indien de stemming strekt tot verkiezing van meer dan één lid van den gemeenteraad, tusschen de in artikel 86 der Kieswet voorgeschreven verzegeling en de opening der stembus eene tijdruimte laten van ten hoogste een uur, mits het stemlokaal niet verlatende en de stembus onder zijn toezicht houdende.

Indien van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt, wordt hiervan en van het voldoen aan de daarvoor gestelde voorwaarden aantee-ning gehouden in het proces-verbaal der stemming. (P. 96is.)

*llic)\'. Met afwijking van het bepaalde in artikel 60 der Kieswet wordt, indien de stemming strekt tot verkiezing van meer dan één lid van den gemeenteraad, aan het stembureau, doch uitsluitend voor de werkzaamheden welke met de opening der stembus aanvangen, een vierde lid toegevoegd en het verplichte aantal plaatsvervangende leden met één vermeerderd. Dit lid blijft bij de toepassing van artikel 92, tweede zinsnede, der Kieswet buiten aanmerking.

Het oudste lid ziet, overeenkomstig artikel 88 der Kieswet, het stembiljet na. De beide andere leden houden aanteekening van elke uitgebrachte stem.

Indien bij de beslissing over de waarde van een stembiljet de stemmen staken, beslist de stem des voorzitters. (P. 9ter.)

-ocr page 145-

GEMEENTEWET.

*12. De benoemde ontvangt onverwijld van den burgemeester der gemeente een afschrift van het proces-verbaal, waaruit zijne candidaat-stelling of zijne benoeming blijkt en, in geval van stemming of herstemming, van den voorzitter van het hoofdstembureau afschriften van de daarvan opgemaakte processen-verbaal.

Deze afschriften strekken den benoemde tot geloofsbrief. (Kw. 118, 135; P. 10.)

*13. De benoemde geeft binnen drie dagen na het bekomen van het afschrift of de afschriften een bewijs van ontvangst daarvoor af en geeft binnen vier weken na de dagteekening van dat bewijs kennis aan burgemeester en wethouders of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. (Kw. 119, 186; P. 11.)

*13hii. Hij, die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan burgemeester en wethouders, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebrachte benoemingen aan te nemen. (Kw. 137.)

*14. Wanneer een candidaat vóór de stemming, of zoo iemand, die in herstemming komt, vóór de herstemming komt te overlijden, of wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt of de in de beide vorige artikelen bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe verkiezing op den door burgemeester en wethouders te bepalen dag.

Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming in één district heeft aangenomen en in een ander voorkomt op de lijst der candi-dalen, over wie eene stemming of herstemming moet geschieden in het laatstgenoemd district. (Kw. 138; P. 13.)

*15. Wanneer het proces-verbaal van den burgemeester niemand of minder personen dan er plaatsen te vervullen zijn, als benoemd aanwijst, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe verkiezing op den door burgemeester en wethouders te bepalen dag.(Kw.l40;Gem.l0; P.14.)

16. Burgemeester en Wethouders zorgen, dat Gedeputeerde Staten van de in art. 12 bedoelde processen verbaal, binnen acht dagen na de dagteekening daarvan, afschrift bekomen, en geven hun kennis van het al of niet aannemen der benoeming door een gekozene en van den dag, waarop, naar aanleiding der *artt. 8, 14 en 15 eene verkiezing zal plaats hebben. (Kw. 138.)

17. De tot lid van den Raad benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan den Baad over:

een uittreksel uit de geboorteregisters, bij gemis daarvan, eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken; (B.W. 31, 127.)

eene verklaring van den Burgemeester, getuigende, dat hij, gedurende het laatste aan zijne verkiezing voorafgaande jaar, zijne woonplaats binnen de gemeente gehad heeft;

103

-ocr page 146-

GEMEENTEWET.

eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt.

*De geloofsbrief moet door den benoemde binnen vier maanden na zijne dagteekening bij den raad worden ingezonden.

*Is de geloofsbrief niet binnen dien termijn ingezonden, dan wordt de plaats geacht op den eersten dag na afloop van dien termijn opnieuw te zijn opengevallen. (Kw. 122, 123,141, 142 ; P. 15.)

18. De leden van den Kaad kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den Baad.

Zij, die hun ontslag hebben ingezonden, blijven leden van den Raad, totdat de geloofsbrieven hunner opvolgers zijn goedgekeurd. (Kw. 143; P. 16.)

§ 3. Van de vereüchten voor het lidmaatschap van den Raad en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen.

Art. 19. Leden van den Raad kunnen alleen zijn de meerderjarige ingezetenen der gemeente, die Nederlanders en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zijn.

Voor meerderjarigen worden gehouden zij, die den ouderdom van drie en twintig jaren hebben vervuld;

voor ingezetenen zij, die, gedurende het laatste jaar, hunne woonplaats binnen de gemeente hadden;

voor Nederlanders zij, die het zijn volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn. (G. 143, 84, 90; Gem. 5; Kw. 99, 126; P. 17; Wet 12 Dec. 1892, S. 268.)

20. Die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege opge-dragene eommissiën, verpligt zijn, tijdelijk buiten de gemeente te verblijven, houden daardoor niet op, ingezetenen te zijn, zoolang hun hoofdverblijf binnen de gemeente gevestigd blijft. (P. 18; B.W. 74 volg.)

21. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den Burgemeester en de leden van den Raad, noch tusschen de leden onderling.

Die, na zijne benoeming, in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijn tijd van zitting, niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (P. 20; B.W. 345—352.)

22. Wanneer personen, elkander in den verboden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaande, te gelijkertijd zijn gekozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden.

In geval van gelijken ouderdom beslist het lot. (P. 20.)

23. Het lidmaatschap van den Raad is onvereenigbaar met de betrekking van:

a. hoofd van een departement van algemeen bestuur;

b. commissaris des Konings in de provincie;

c. lid der Gedeputeerde Staten;

d. griffier der Staten;

104

-ocr page 147-

GEMEENTEWET.

e. commissaris van politie;

ƒ. ambtenaar, van wege het gemeentebestuur aangesteld, of daaraan ondergeschikt, behoudens de bevoegdheid van den Burgemeester, die Secretaris der gemeente is, om tevens lid van den Raad te zijn;

g. ambtenaar, met het ontvangen of uitgeven der gelden van de gemeente belast, of aan eenige aan het gemeentebestuur ondergeschikte administratie rekenpligtig;

h. geestelijke of bedienaar der godsdienst;

i. onderwijzer voor het lager of middelbaar onderwijs;

k. krijgsman in werkelijke dienst.

De bepaling der zinsnede ƒ is niet van toepassing op de leden van armbesturen, noch op de leden van het bestuur van godshuizen, en andere instellingen van liefdadigheid; noch eindelijk op genees-, heel-of verloskundigen, die met de armen practijk belast zijn. (P. 21.)

24. De leden van den Raad mogen:

in regtsgedingen, waarin de gemeente betrokken is, niet als advocaat of procureur werkzaam zijn; (P. 22.)

bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan het gemeentebestuur ondergeschikte inrigting, tot welker bestuur zij be-hooren, niet tegenwoordig zijn; (P. 54.)

noch middellijk, noch onmiddellijk deelnemen aan onderhandsche pacht van gemeentegoederen of inkomsten, aan leveringen of aannemingen ten behoeve der gemeente, aan het koopen van betwiste vorderingen ten haren laste. (P. 57.)

25. Een lid van den Raad, een der in art. 19 vermelde vereisch-ten verliezende, of eene der in art. 23 uitgeslotene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Hij geeft hiervan kennis aan den Raad, met vermelding der reden.

De nieuwe keuze geschiedt binnen zes maanden nadat Burgemeester en Wethouders van het feit kennis hebben bekomen.

Indien de in de eerste zinsnede bedoelde kennisgeving niet is gedaan, en Burgemeester en Wethouders evenwel meenen eene nieuwe keuze te moeten bevelen, gaan zij hiertoe niet over, dan acht dagen na den belanghebbende te hebben gewaarschuwd.

Het staat dezen vrij, de zaak binnen dien tijd aan den Raad te onderwerpen. Op \'s Raads beslissing zijn dan de artt. 33—37 van toepassing.

De nieuwe keuze geschiedt in dit geval binnen zes maanden na de dagteekening der einduitspraak. (Kw. 125, 144; P. 23.)

26. Die met art. 24 in strijd handelt, wordt in zijne betrekking geschorst door den Raad.

Deze onderwerpt het geval onmiddellijk aan Gedeputeerde Staten, die den geschorste oproepen om zijne verdediging te hooren, en hem, zoo zij hem schuldig bevinden, van zijn lidmaatschap vervallen verklaren.

Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve het raadslid, dat met art. 24 in strijd handelt, na het in zijn belang te hebben gehoord, van zijn lidmaatschap vervallen verklaren. (P. 58.)

105

-ocr page 148-

GEMEENTEWET.

De belanghebbende kan, gedurende veertien dagen, te rekenen van den dag, waarop hem de uitspraak van Gedeputeerde Staten is medegedeeld, hiervan bij Ons in beroep komen. Daarbij geldt de bepaling van art. 37.

De van zijn lidmaatschap vervallen verklaarde is, gedurende twee jaren, te rekenen van den dag der einduitspraak, niet tot lid van den Raad verkiesbaar.

§ 4. Van den tijd van zitting der leden van den Raad.

Art. 27. De leden van den Raad hebben zitting gedurende zes jaren. (Gr. 143.)

Een derde van hen treedt om de twee jaren af, met den eersten Dingsdag van September, volgens een daarvan te maken rooster.

De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. (G. 85,91; Kw. 145; Gem. 59, 80; P. 24.)

28. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, stelt den rooster van aftreding vast, (P. 24.)

20. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid van den Raad, naar den rooster, aftreedt. (Kw. 147; P. 25.)

*296is. Indien eene gemeente in kiesdistricten wordt verdeeld, bepaalt de gemeenteraad bij het lot, met inachtneming van den tijd hunner aftreding, voor welk kiesdistrict elk der zitting hebbende leden geacht wordt gekozen te zijn. (Gem. 5.)

30. Die, ter vervulling eener, buiten den bij den rooster bepaalden tijd opengevallene plaats, tot lid van den Raad verkezen is, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (Kw. 148; P. 26.)

*30 bis. Indien vermeerdering van het aantal raadsleden nocdig is, wordt de rooster aangevuld en worden de open plaatsen bij de eerstvolgende volgens art, 7 te houden verkiezing vervuld.

De gemeenteraad bepaalt bij het lot tot welke aftreding de nieuw benoemden zullen behooren.

Indien vermindering noodig is, wordt door den gemeenteraad, zoo noodig, bij het lot bepaald, in welke mate op elk deel van den rooster de vermindering zal moeten worden toegepast, doch treedt deze eerst in, wanneer in dat deel door overlijden of bedanken eene plaats openvalt,

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE VERGADERING VAN DEN RAAD.

§ 1. Van het onderzoek der geloofsbrieven en het zitting nemen der niemv inkomende leden.

Art. 31. De Raad onderzoekt de geloofsbrieven der nieuw inkomende leden, beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven

106

-ocr page 149-

GEMEENTEWET.

of de verkiezing zelve oprijzen, en geeft van elke door hem genomene beslissing terstond kennis aan Gedeputeerde Staten en aan den benoemde.

De niet-toegelatene wordt met de redenen van \'s Raads beslissing bekend gemaakt. (G. 98; P. 70.)

32. De nieuw inkomenden nemen aan het onderzoek en de beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven geen deel en wonen de daarover te houden beraadslaging niet bij. (P. 70.)

33. Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag, waarop de Raad heeft beslist, staat het vrij aan den niet-toegelatene, aan elk lid van den Raad, en zoo de Burgemeester geen lid is, ook aan dezen, tegen de beslissing van den Raad bezwaren bij Gedeputeerde Staten schriftelijk in te dienen. (Gem. 25.)

34. Gedeputeerde Staten doen binnen veertien dagen na den in het vorig artikel bepaalden tijd uitspraak, die, met redenen omkleed, terstond wordt medegedeeld aan den Baad, tegen wiens beslissing bezwaren zijn ingebragt en aan den niet-toegelatene.

35. Gedeputeerde Staten kunnen ook ambtshalve omtrent de beslissing van den Raad uitspraak doen.

Zij geven van het voornemen hiertoe aan den Raad berigt binnen acht dagen, nadat hun de beslissing is medegedeeld.

Zij brengen binnen veertien dagen, na dat berigt, hunne uitspraak, met redenen omkleed, ter kennis van den Raad en van den niet-toegelatene.

36. De Raad, of de niet-toegelatene, die in de uitspraak van Gedeputeerde Staten niet berust, kan, gedurende veertien dagen, te rekenen van de dagteekening dier uitspraak, hiervan bij Ons in beroep komen. (P. 168.)

37. Onze beslissing, zoo spoedig mogelijk, nadat het beroep is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nemen, wordt aan Gedeputeerde Staten gezonden, die voor de uitvoering zorgen.

38. De nieuw inkomende leden aanvaarden hunne betrekking niet, alvorens de in art. 33 en art. 35, tweede zinsnede, bepaalde tijd verstreken, of, is de zaak bij Gedeputeerde Staten of bij Ons aanhangig, door Gedeputeerde Staten of door Ons hunne toelating bevolen zij.

Ter vervulling der plaatsen van hen, die niet als leden van den Raad zijn toegelaten, wordt, zoo in de beslissing van den Raad niet is berust, geene nieuwe verkiezing bevolen, alvorens de zaak bij einduitspraak zij afgedaan. (Gem. 8, 84; P. 6, 47.)

39. Bij het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden van den Raad, in de vergadering, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd;

»Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des

Rijks, en dat ik de belangen der gemeente.......met al mijn

vermogen zal voorstaan en bevorderen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(»Dat beloof ik!»)

107

-ocr page 150-

GEMEENTEWET.

Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na, mede in de vergadering en in handen van den voorzitter, den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelgd:

»Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid van den Raad te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.

»Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

»Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(»Dat verklaar en beloof ik!») \')

§ 2. Van het houden en de orde der vergadering.

Art. 40. De Raad vergadert jaarlijks ten minste zes malen, en voorts zoo dikwijls de Burgemeester, of Burgemeester en Wethouders het noodig oordeelen, of het in gemeenten beneden de 20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde der leden schriftelijk, met opgave van redenen, wordt gevraagd. (P. 64.)

41. De vergadering wordt belegd door den Burgemeester, die zorgt, dat elk lid schriftelijk daartoe opgeroepen, en het beleggen te gelijk ter openbare kennis gebragt worde. (P. 65 volg.)

42. De oproepingsoriefjes worden, spoedeischende gevallen uitgezonderd, tenminste tweemaal vier en twintig uren voor het houden der vergadering, aan de leden van den Raad bezorgd. Zij vermelden, zooveel mogelijk, de zaken waarvoor de vergadering is belego.

De Raad kan steeds, behoudens de slotbepaling van art. 49, over andere zaken beraadslagen en besluiten.

43. De vergadering wordt in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer het, in gemeenten beneden de 20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde der aanwezige leden wordt gevorderd, of de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

De Raad kan omtrent het in besloten vergadering behandelde aan allen, die daarbij tegenwoordig waren, de geheimhouding opleggen. Deze wordt in acht genomen totdat de Raad haar opheft. (Gr. 101; P. 69.)

44. In eene beslotene vergadering kan niet beraadslaagd, noch een besluit genomen worden over:

a. de toelating van nieuw benoemde leden; (Gem. 31.)

b. de plaatselijke begrootingen rekening; (Gem. 203 volg.,218 volg.)

108

c. het doen van uitgaven, op die begrooting niet voorkomende, of de daarop uitgetrokkene posten te boven gaande; (Gem. 213.)

1) Art. 39 aldus gewijzigd by art. 2 tier wet van 38 Mei 1896, Stsbl. no. 88.

-ocr page 151-

GEMEENTEWET.

d. het aanwijzen der middelen tot dekking van zoodanige uitgaven; (Gem. 213.)

e. het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen; (Gem. 232 volg.)

ƒ. het aangaan van geldleeningen; (Gem. 136, 194a.)

g. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van de eigendommen der gemeente; (Gem. 137, 194c.)

h. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van gemeente-eigendommen; (Gem. 138, 194e.)

i. het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën; (Gem. 142, IMf.)

h. het aanleggen en opheffen van inrigtingen van openbaar nut. (Gem. 141.)

Het voorschrift van dit artikel belet niet, dat ten allen tijde, wanneer de handhaving der orde zulks mogt vorderen, de voorzitter van de bij art. 66 tweede zinsnede bedoelde bevoegdheid kunne gebruik maken.

45. De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 131; P. 72.)

48. Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken, die hen, hunne echtgenooten, of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gelastigden zijn betrokken. (Gem. 91; P. 73.)

47. Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of mee-ning door hen in de vergadering geuit. (G. 97; Gem. 91; P. 74.)

48. De Kaad mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet de grootste helft van hel bij art. 4 bepaald getal leden tegenwoordig is. (G. 105; Gem. 92; P. 75.)

49. Wanneer het in het vorig artikel vereischt getal leden niet is opgekomen, wordt eene nieuwe vergadering belegd, op de in art. 42 voorgeschreven wijze. Evenwel behoeven er slechts vier en twintig uren tusschen de rondzending der oproepingsbriefjes en het uur der vergadering te verloopen.

Wanneer ook dan het vereischt getal niet is opgekomen, geschiedt het beleggen der vergadering andermaal op dezelfde wijze, met aanhaling in de oproepingsbriefjes der bepalingen van dit artikel.

In deze laatste vergadering beraadslagen en besluiten de tegenwoordige leden over de in de oproepingsbriefjes vermelde onderwerpen.

50. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staking van stemmen, wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. (G. 106; P. 76.)

51. Ingeval omtrent het benoemen of voordragen van personen de stemmen staken, beslist het lot. (Gem. 92; P. 83.)

109

-ocr page 152-

GEMEENTEWET.

52. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes. (G. 107; P. 77.)

53. Het reglement van orde, dat de Raad voor zijne vergadering vaststelt, wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. (P. 84.)

54. De Raad kan vaste commissiën zijner leden belasten met de voorbereiding van hetgeen, waarover hij heeft te besluiten. Hij benoemt er jaarlijks de voorzitters en leden van en doet hunne namen bekend maken.

Hij kan insgelijks, doch alleen op voordragt van Burgemeester en Wethouders, aan vaste commissiën zijner leden opdragen. Burgemeester en Wethouders in het beheer van bepaalde takken van de huishouding der gemeente bij te staan.

De leden dezer laatste commissiën, waarvan altijd de Burgemeester of een der Wethouders voorzitter is, worden jaarlijks benoemd door den Raad, die hunne namen doet bekend maken.

55. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, regelt den werkkring dier vaste commissiën. (G. 144.)

56. Elke commissie dient den Raad, Burgemeester en Wethouders en den Burgemeester over de tot haren werkkring behoorende zaken van berigt en raad.

57. De regelen voor het benoemen van andere commissiën van raadsleden, tot uitvoering van een bij zonderen last, worden bij het reglement van orde voor de vergadering van den Raad gesteld.

58. De leden van den Raad genieten, waar de Raad het bepaalt, voor het bijwonen zijner zittingen een presentiegeld, welks bedrag door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, wordt vastgesteld. (Gem. 94.)

TITEL III.

VAN DEN BURGEMEESTER.

Art. 59. De Burgemeester wordt door Ons, voor den tijd van zes jaren, benoemd. (G. 143; Gem. 27, 80.)

60. Hij kan ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

In geval hij met art. 24, dat ook hem geldt, in strijd handelt, of zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig maakt, kan hij, zoo de zaak geen uitstel lijdt, door Gedeputeerde Staten, die daarvan onmiddellijk aan Ons verslag doen, voor ééne maand worden geschorst.

Schorsing van Onzentwege gaat den tijd van drie maanden niet te boven.

61. Niemand is tot Burgemeester benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld en ingezeten is der gemeente. (Gem. 19.)

110

-ocr page 153-

GEMEENTEWET.

Van dit laatste voorschrift kan, in het belang der gemeente, worden afgeweken. (G. 143 e.)

62. De betrekking van Burgemeester is, behoudens de bepaling der tweede zinsnede van art. 2, onvereenigbaar met de betrekkingen, die met het lidmaatschap van den Baad onvereenigbaar zijn. (Gem. 23.) Zij is bovendien onvereenigbaar met de betrekking van:

lid der regterlijke magt, uitgenomen de betrekking van regter-plaatsverv anger;

ambtenaar van het openbaar ministerie of van de griffie bij eenig regterlijk collegie;

ambtenaar bij het bestuur van \'s Eijks directe belastingen; ambtenaar bij de provinciale griffie;

hoogleeraar of lector bij instellingen van hooger onderwijs; deurwaarder.

83. De Burgemeester kan niet zijn ambtenaar van den waterstaat in werkelijke dienst;

noch ambtenaar bij het bestuur van \'s Eijks indirecte belastingen; noch pracdserend geneesheer, heel- of vroedmeester;

noch notaris, zaakwaarnemer of procureur.

Hij kan echter, is het in het belang der gemeente noodig, tot vereeniging van eene of meerdere dier betrekkingen met de zijne, door Ons, de Gedeputeerde Staten gehoord, worden gemagtigd.

84. Het burgemeesterschap ontheft van en is onvereenigbaar met schutterlijke dienst. (Gem. 184 volg.)

85. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door den Burgemeester, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in handen van Onzen Commissaris in de provincie dezelfde eed of belofte afgelegd, als in art. 39 is voorgeschreven.

Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

86. De Burgemeester is voorzitter van den Baad, en heeft daarin, zoo hij geen lid is, eene raadgevende stem. Hij neemt daarbij de bepalingen van art. 46 in acht. (P. 29.)

Hij zorgt voor de handhaving der orde in die vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op eenigerlei wijze door de toehoorders wordt verstoord, hen, die dit doen, of alle toehoorders te doen vertrekken.

67. Hij ontvangt en opent alle aan den Baad of aan Burgemeester en Wethouders gerigte stukken.

Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij behoo-ren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan het lid of de leden, meer in het bijzonder met de zaken, waartoe de stukken betrekking hebben, belast. (F. 31.)

68. Hij is, in spoedeischende gevallen, bevoegd, het gevorderd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen.

Ill

-ocr page 154-

GEMEENTEWET.

te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis.

Ten behoeve van dit onderzoek, zijn alle aan den Eaad ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken. (P. 31.)

69. Hij teekent alle stukken, die van den Raad of van Burgemeester en Wethouders uitgaan. (P. 30.)

70. Als hoofd van den Kaad en van het collegie van Burgemeester en Wethouders is hij, behoudens de bepaling van art, 179«, met de uitvoering hunner besluiten belast.

Het besluit dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of vernietigd, brengt hij niet ten uitvoer.

Hij geeft van dit gevoelen binnen vier en twintig uren na het nemen van het besluit, kennis aan het collegie, dat het nam en aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan terstond aan Ons verslag doen.

Hij is, indien dertig dagen na de dagteekening zijner kennisgeving aan Gedeputeerde Staten geene schorsing of vernietiging door Ons is bevolen, tot uitvoering verpligt. (P. 32.)

71. In alle regtsgedingen, de gemeente betreffende, treedt hij, namens de gemeente, als eischer of verweerder op, en worden de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en ten uitvoer gelegd.

Dit geschiedt, zoo het geding wordt gevoerd tussehen gemeenten, waarover één persoon Burgemeester is, in eene dier gemeenten door en tegen dengeen, die, volgens art. 77, den Burgemeester vervangt. (Gem. 143; P. 33.)

72. Hij zorgt, dat elk ingezeten der gemeente, dit vragende, ter secretarie inzage kan nemen en, ten zijnen koste afschrift kan doen maken van de besluiten van den Eaad, zoover daaromtrent, volgens art. 43, geene geheimhouding is opgelegd. (P. 34.)

73. Hij geniet eene jaarwedde, die door Gedeputeerde Staten, nadat de Eaad is gehoord, onder Onze goedkeuring, wordt vastgesteld.

Behalve die jaarwedde, geniet hij, onder welke benaming ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan de wedde van Secretaris, zoo hij daartoe is benoemd. (Gem. 94, 104, 107.)

74. Hij heeft zijne vaste woonplaats binnen de gemeente, of, is hij burgemeester van meerdere gemeenten, binnen eene dier gemeenten. (Gem. 61; P. 28.)

Hiervan kan, is het in het belang der gemeenten noodig, door Ons, de Gedeputeerde Staten, die het gevoelen van den Eaad inwinnen, gehoord, ontheffing worden verleend.

Hij is in de gemeente, waar hij niet met der woon is gevestigd, op vaste, door Gedeputeerde Staten te bepalen, openbaar bekend te maken dagen, ten minste eenmaal in de week, voor de ingezetenen te spreken. (Gem. 99, 107, 117.)

112

-ocr page 155-

GEMEENTEWET.

75. Hij behoeft verlof van Onzen Commissaris in de provincie, om langer dan acht dagen, van den Minister van Binnenlandsche Zaken, om langer dan eene maand buiten de gemeente zich op te houden.

Dit voorschrift geldt, indien hij Burgemeester is van meerdere gemeenten, of de in het vorig artikel bedoelde ontheffing heeft verkregen, ten aanzien zijner woonplaats.

76. Hij draagt de onderscheidingsteekenen, door Ons te bepalen.

77. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den Burgemeester, wordt hij vervangen door den Wethouder, die van de aanwezigen de oudste in jaren is, of, deze ongesteld zijnde, door den daarop-in jaren volgenden quot;Wethouder.

Indien alle de Wethouders ongesteld of afwezig zijn, treedt het oudste lid in jaren van den Baad, dat aanwezig is, op. Onze Commissaris in de provincie kan echter de tijdelijke waarneming aan een der andere leden van den Baad opdragen. (Gem. 71, 90, 105, 119; P. 35.)

78. Die, buiten het geval van ongesteldheid van den Burgemeester, met de waarneming, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de aan de betrekking verbondene jaarwedde aanspraak.

TITEL IV.

VAN DEWETHOTTDERS.

Art. 79. De Wethouders worden door den Raad uit zijn midden benoemd. (P. 45.)

In gemeenten van 20,000 zielen en daar beneden zijn twee, in de overige, naar goedvinden van den Baad, drie of vier Wethouders.

80. Zij worden gekozen voor zes jaren.

De helft treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag van September.

De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. (P. 59.)

81. Het lot bepaalt den tijd waarop elk der Wethouders aftreedt. (P. 60.)

82. Die, ter vervulling eener buiten den gewonen tijd opengevallen plaats, gekozen is treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. (P. 61.)

83. De gewone tijd, ter verkiezing der Wethouders, is de eerste Dingsdag van September.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen van hen, die op dien dag aftreden. (P. 46.)

84. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen veertien dagen na dat openvallen.

Gaat dit laatste gepaard met het openvallen eener plaats in den

STAATSWETTEN. 8

113

-ocr page 156-

GEMEENTEWET.

Baad, dan beginnen de veertien dagen te loopen van den dag, waarop het ter vervulling benoemde lid is toegelaten. (P. 47.)

85. De tot Wethouder benoemde, die in de vergadering tegenwoordig is, verklaart binnen 24 uren, die niet tegenwoordig ia, binnen drie dagen, na ontvangst van het berigt zijner benoeming, of hij die aanneemt. (P. 48.)

86. quot;Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, geschiedt binnen acht dagen eene nieuwe keuze.

87. Die ophoudt lid van den Raad te zijn, houdt tevens op Wethouder te wezen. (P. 52. )

88. De Wethouders kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den Raad. (P. óO.)

Zij blijven niettemin hunne bediening waarnemen, tot dat hunne opvolgers die hebben aanvaard.

89. De Wethouders mogen geene der in art. 62 vermelde betrekkingen met de hunne te gelijk bekleeden, met uitzondering van die in de 5de alinea genoemd.

Eene dier uitgeslolene betrekkingen aannemende, zenden zij terstond hun ontslag in.

Dit nalatende, worden zij door den Raad van hunne betrekking vervallen verklaard.

Dit laatste kan insgelijks geschieden, wanneer zij zes achtereenvolgende vergaderingen van Burgemeester en Wethouders, zonder geldige reden, niet hebben bijgewoond of weigeren de in art. 183 bedoelde inlichtingen aan den Raad te geven. (Grem. 2ö; P. 53, 55, 58.)

90. De Wethouder, die ongesteld, of afwezig, of met de tijdelijke waarneming van het burgemeesterschap belast is, wordt, zoodra noo-dig, vervangen door een ander lid van den Baad, door dezen t? benoemen.

Zoodanig lid, buiten het geval van ongesteldheid van den Wethouder, gedurende meer dan eene maand onafgebroken met de betrekking belast zijnde, heeft voor dien tijd aanspraak op de jaarwedde en het presentiegeld, daaraan verbonden. (Gem. 105.)

91. De Wethouders staan den Burgemeester bij in het bestuur der onderscheidene takken van de huishouding der gemeente.

Zij vormen tevens met den Burgemeester een collegie.

Op de leden van dit collegie, waarvan de Burgemeester voorzitter is, zijn de artt. 46 en 47 van toepassing. (P. 45.)

92. Het collegie van Burgemeester en Wethouders mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft zijner leden, of, is dit getal oneven, de grootste helft daarvan tegenwoordig is.

Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

Bij staken van stemmen beslist, zoo het benoemingen of voordrag-ten van personen geldt, het lot, in alle andere zaken de stem van den voorzitter. (Gem. 48, 50; P. 87 volg.)

114

-ocr page 157-

GEMEENTEWET.

93. Het reglement van orde, door het collegie voor zijne vergadering vast te stellen, wordt aan de goedkeuring van den Baad onderworpen. (Gem. 53; P. 84.)

94. Aan de Wethouders wordt eene jaarwedde, door Gedeputeerde Staten, nadat de Raad is gehoord, onder Onze goedkeuring, vast te stellen, toegelegd. Zij genieten de helft daarvan als vast inkomen.

De overblijvende helften worden bijeengevoegd en om de drie maanden tusschen hen verdeeld, naar gelang van het getal der vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.

Die wegens eommissiën, hem als wethouder opgedragen, is afwezig geweest, behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld.

Behalve die jaarwedde, genieten de Wethouders, onder welken naam ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan hetgeen verbonden is aan eene andere, hun opgedragen openbare gemeentebediening. (Gem. 73, 77, 78; P. 62.)

TITEL V.

VAN DEN SECRETARIS.

Art. 95. De Secretaris wordt door den Kaad, die eene aanbeveling van twee personen, door Burgemeester en Wethouders in te dienen, ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen.

De Burgemeester, tot Secretaris benoemd, wordt als zoodanig niet dan met Onze goedkeuring geschorst of ontslagen. (Gem. 2,106; P. 36.)

96. Niemand is tot Secretaris benoembaar, dan die Nederlander, meerderjarig en in het volle genot der burgerlijke en burgersehaps-regten is. (Gem. 19, 61, 107; P. 37.)

97. De Secretaris mag den Burgemeester niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan. (B.W. 345, volg.; Gem. 21, 107; P. 38.)

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (B.W. 852.)

98. Hij mag geene der volgens art. 62 met het burgemeesterschap onvereenigbare betrekkingen te gelijk met zijn ambt bekleeden, uitgenomen die, welke in alinea 5 van dat artikel en in art. 23 ƒ en lt;j worden vermeld.

De bediening van Secretaris is met die van Ontvanger derzelfde gemeente onvereenigbaar.

In gemeenten echter van 5000 zielen en daar beneden kunnen, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, de bedieningen van Secretaris en Ontvanger door denzelfden persoon worden bekleed, zoo de Secretaris geen Burgemeester is. (Gem. 2; P. 39.)

99. Op hem is van toepassing hetgeen bij de tweede en de laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den Raad, en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den Burgemeester is bepaald.

De regel in art. 63, ten aanzien der bekleeding van ambten bij het

115

8*

-ocr page 158-

GEMEENTEWET.

bestuur van \'s Eijks indirecte belastingen vastgesteld, strekt zich, wat den Secretaris betreft, ook over de ambten bij het bestuur van \'s Eijks directe belastingen uit.

100. Alvorens zijne bediening te aanvaarden, wordt door hem, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den Eaad, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

»Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet, rege-gt; lende de zamenstelling^ inrigting en bevoegdheid der gemeente -

gt;gt;besturen en de door den Raad van.....vastgestelde of vast

»te stellen instructie aan het ambt van Secretaris hebben verbouwden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!» («Dat beloof ik!») Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Urondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 65, 108; P. 40.)

101. De Secretaris is den Eaad, Burgemeester en Wethouders, den Burgemeester en de commissiën van den Eaad in alles, wat het hun opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam. (P. 41.)

102. Door hem worden alle de stukken, die van den Eaad en van Burgemeester en Wethouders uitgaan, mede-onderteekend. (P. 42.)

In de gemeenten, waar de Burgemeester tevens met de taak van Secretaris is belast, worden die stukken door een der Wethouders mede-onderteekend.

103. De instructie van den Secretaris wordt door den Eaad vastgesteld eu aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. (P. 43.)

Hij wordt daarbij inzonderheid ook met de zorg voor het archief, onder toezigt van Burgemeester en Wethouders, belast.

104. Hij geniet eene jaarwedde, die door Gedeputeerde Staten, nadat de Eaad is gehoord, onder Onze goedkeuring, wordt bepaald.

Leges ter secretarie geheven, worden aan de gemeentekas verantwoord. (Gem. 73, 94.)

105. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den Secretaris, wordt hij vervangen op de wijze, bij het reglement van orde voor de vergadering van den Eaad te bepalen.

Die, buiten het geval van ongesteldheid van den Secretaris, met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak. (G. 77, 90, 107.)

TITEL VI.

VAN DEN ONTVANGEK.

Art. 106. De Ontvanger wordt door den Eaad, die eene aanbeveling van twee personen, door Burgemeester en Wethouders in te dienen ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen. (G. 143; Gem. 95.) 107. Op hem is van toepassing hetgeen bij de artt. 96—98, 103

116

-ocr page 159-

GEMEENTEWET.

en 104 ten aanzien van den Secretaris, bij de tweede en laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den Raad, en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den Burgemeester is bepaald.

Het is hem echter niet verboden ambtenaar bij het bestuur van \'s Rijks belastingen te wezen.

108. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den Raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

»Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet, regelende »de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebestu-

»ren en de door den Raad van.....vastgestelde of vast te

»8tellen instructie aan het ambt van Ontvanger hebben verbonden, «eerlijk en vlijtig zal vervullen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!» (»Dat beloof ik!») Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 (87) der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. (Gem. 65, 100.)

109. De Ontvanger stelt voldoenden zakelijken borgtogt, ter waarde van ten minste een tiende van den ontvang, doch van niet minder dan ƒ 100.

Het bedrag van den ontvang wordt, berekend naar het gemiddeld bedrag der inkomsten van de gemeente gedurende de laatste vijf jaren, na aftrek van het genotene uit geldleeningen, teruggaven van voorschotten en verkoopingen van gemeente-eigendommen.

De borgtogt kan, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, beneden het tiende worden gesteld in gemeenten, waar de Ontvanger verpligt is, jaarlijks meermalen geregeld te storten.

In gemeenten, waar de geringheid van ontvangst en belooning eene afwijking van den regel schijnt te eischen, kan, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, met persoonlijken borgtogt genoegen worden genomen.

110. Vóór de benoeming van den Ontvanger, wordt de aard en het bedrag van zijn borgtogt door den Raad bepaald.

De Ontvanger aanvaardt zijn ambt niet, dan na het stellen van zijn borgtogt.

111. De eens gestelde borgtogt wordt, bij aanmerkelijke verhooging of verlaging der inkomsten van de gemeente, naar den regel van art. 109, door den Raad verhoogd of verlaagd.

De Ontvanger, die, binnen den door den Raad bepaalden tijd, de verhooging van zijn borgtogt niet heeft gesteld, wordt beschouwd zijn ontslag te hebben gevraagd.

112. De acte van borgtogt wordt, ten koste van den Ontvanger, voor een notaris verleden.

Zij is alleen aan het vast registratieregt onderworpen.

113. De Ontvanger is belast met de invordering van alle de in-

117

-ocr page 160-

GEMEENTEWET.

komsten en ontvangsten der gemeente en zorgt, dat die behoorlijk pelijk

geschiede. jpr o

114. Door hem geschieden alle betalingen uit de gemeentekas. x)e

Hij betaalt, behalve in het geval, vermeld in art. 225, niet, dan gtate

op bevelschriften, die hetgeen te betalen is en den post der begroo- w

ting, waaruit de betaling moet geschieden, vermelden, en op de wijze, ^e C

in art. 224 voorgeschreven, geteekend zijn. (P. 122.) ging

115. Hij doet van de door hem voor de gemeente gedane ontvang- 12 sten en uitgaven jaarlijks rekening aan Burgemeester en Wethouders. VOOi

De rekening wordt ingerigt overeenkomstig met de, te dien aan- naal

zien, door Gedeputeerde Staten, onder Onze goedkeuring, te geven 0

voorschriften. (Gem. 206, 218.) pro1

11G. De Ontvanger geeft aan Burgemeester en Wethouders, zoo 1 dikwijls zij het vorderen, inzage in de boeken en kas.

Gedeputeerde Staten kunnen, zulks noodig achtende, opneming u;t

der kas van hunnentwege gelasten. (Gem. 179/, 181.) ond

117. Ontvanger van meer dan eéne gemeente zijnde, is hij verpligt ] op vaste, door Burgemeester en Wethouders te bepalen, openbaar be- ;iaT kend te maken dagen, zich in elke dier gemeenten, lot het doen het van ontvangsten en uitgaven te begeven. (Gem. 74.) eei

118. Bij schorsing, ontslag of overlijden van den Ontvanger, wor- sp] den door Burgemeester en Wethouders zijne boeken gesloten, zijne ve kas opgenomen en die boeken en kas, totdat in de dienst is voorzien, bewaard. be

Burgemeester en Wethouders maken van het, bij dit sluiten en gc;

opnemen, bevondene proces-verbaal op. aa

119. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den Ontvan- (J ger, wordt hij vervangen op de wijze, bij zijne instructie te bepalen.

Die, buiten het geval van ongesteldheid van den Ontvanger, met le

de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene maand, ^ onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de daaraan

verbondene jaarwedde aanspraak. (Gem. 77 volg., 90, 105, ]07.) 1lt;

TWEEDE AFDEELING. b

e

Van de bevoegdheid der gemeentebesturen.

TITEL I. c

c

AIjGEMEENE bepalingen.

1

Art. 120. De gemeentebesturen kunnen de belangen hunner gemeenten en van hare ingezetenen bij Ons, bij de Staten-Generaal 1 en bij de Staten der provincie, waartoe zij behooren, voorstaan. (G. 148, 8, 138; P. 99.)

121. Besturen van twee of meer gemeenten kunnen gemeenschap- |

T

118

-ocr page 161-

GEMEENTEWET.

pelijke zaken, belangen, inrigtingen of werken, na magtiging en onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, regelen.

De magtiging en goedkeuring kunnen, indien de Gedeputeerde Staten ze weigeren, door de besturen van Ons worden gevraagd.

Wanneer de gemeenten in verschillende provinciën liggen, vragen de Gedeputeerde Staten dier provinciën, alvorens de bedoelde magtiging te verleenen. Onze goedkeuring. (P. 97.)

122. De kosten, uit de in het vorig artikel bedoelde regeling voortvloeiende, worden door de kassen der betrokkene gemeenten, naar het belang dat elke er bij heeft, gedragen.

Op de daarover gerezen geschillen zijn de artt. 147 en 161 der provinciale wet van toepassing.

123. De gemeentebesturen hebben het regt, de ter uitoefening hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene commissie uit hun midden te doen inwinnen, hetzij schriftelijk van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te vorderen.

Indien deze ambtenaren of besturen, na tweemalen daartoe te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden, kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn, worden ingewonnen door een of meer leden van het gemeentebestuur, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben medegewerkt, voor de kosten. (P. 95.)

124. Over alle zaken, de gemeente betreffende, dienen de gemeentebesturen van berigt en raad aan het Departement van Binnenland-sche Zaken, aan de overige departementen van algemeen bestuur, aan Onzen Commissaris in de provincie, aan de Staten en aan de Gedeputeerde Staten. (Gem. 126.)

125. De gemeentebesturen gedragen zich naar hetgeen, in geschillen van bestuur, tusschen gemeente en gemeente, of tusschen gemeente en provincie gerezen, door Ons wordt beslist. (Gem. 122.)

126. Wanneer ter uitvoering van wetten, van algemeene maatregelen van inwendig bestuur, van onze daartoe betrekkelijke bevelen, en van provinciale reglementen en verordeningen door het gemeentebestuur moet worden medegewerkt, geschiedt dit door Burgemeester en Wethouders.

Vorderen de wetten, maatregelen, bevelen, reglementen of verordeningen eene bepaalde medewerking van den Raad en wordt die door dezen geweigerd, dan voorzien Burgemeester eu Wethouders daarin. (P. 127 volg.)

127. Wanneer Burgemeester en Wethouders niet of niet behoorlijk voor de hun bij het vorig artikel opgedragen uitvoering zorgen, kan Onze Commissaris in de provincie, ten koste der nalatigen, in die uitvoering voorzien. (P. 129.)

128. Tot vereeniging of splitsing van gemeenten wordt niet overgegaan dan nadat de bepalingen der artt. 129—132 zijn in acht genomen. (G. 3.)

119

-ocr page 162-

GEMEENTEWET.

129. De wijze en voorwaarden der vereeniging of splitsing worden, nadat Burgemeester en Wethouders der betrokkene gemeenten zijn gehoord, ontworpen door Gedeputeerde Staten, of, zoo de gemeenten in meer dan ééne provincie liggen, door eene commissie uit de Gedeputeerde Staten dier provinciën. (Gem. 121; P. 97.)

130. Hierbij wordt in het oog gehouden:

dat, in geval van vereeniging eener gemeente of van een deel daarvan met eene of meer andere gemeenten de bezittingen en lasten van die gemeente of van dat deel komen ten voor- en nadeele der vereeniging, tenzij bijzondere omstandigheden eene andere schikking eischen;

dat, ingeval van splitsing eener gemeente, de openbare gebouwen en werken zooveel mogelijk het deel, waarin zij gelegen zijn, volgen;

dat de vruchten, welke de ingezetenen in natura uit een gemeenteeigendom trekken, aan hen, die ze trokken, verblijven.

131. Het ontwerp wordt in elk der betrokkene gemeenten voorgelegd aan het oordeel van den Raad en van eene door de kiezers voor den Kaad, ten zelfden getale, als diens leden, te kiezen commissie uit de ingezetenen, waarin de Burgemeester voorzit.

De leden dier commissie worden, op de bij de kieswet bepaalde wijze, buiten de leden van den Kaad, gekozen, en benoemd met de meeste stemmen. Daarbij gelden de bepalingen der eerste zinsnede van art. 12 en der artt. 13—15. (Gem. 293.)

132. Het gevoelen van den Baad en dat van de commissie worden schriftelijk aan Gedeputeerde Staten uitgebracht en door hen vervolgens met hun advies aan het Departement van Binnenlandsche Zaken ingezonden.

133. Wanneer de wet eene vereeniging of splitsing van gemeenten heeft bevolen, blijven de bestaande plaatselijke verordeningen, ambtenaren en magten in de vereenigde of gesplitste gemeenten voortduren, totdat zij door andere volgens de wet zijn vervangen.

De wet, die de vereeniging of splitsing beveelt, verordent de noo-dige maatregelen ter verkiezing van den nieuwen Raad. (Gem. 284.)

TITEL II.

VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN DE HUISHOUDING DEK GEMEENTE.

EEKSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 134. Aan den Baad behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente, alle bevoegdheid die niet bij deze of eenige andere wet aan den Burgemeester, of aan Burgemeester en Wethouders is opgedragen (G. 144; P. 94.)

120

-ocr page 163-

GJCMEEKTEWET.

WIJZIGING VAN ART. 131 DER GEMEENTEWET.

Volgens de Wet van 14 Juli 1898, Stsbl. no. 178, verbindend met den dag harer afkondiging, zijnde 5 Aug. 1898, wordt art. 131 der Gemeentewet gelezen als volgt:

131. Het ontwerp wordt in elk der betrokkene gemeenten voorgelegd aan het oordeel van den raad en van eene door de kiezers voor den raad te kiezen commissie uit de ingezetenen, waarin de burgemeester voorzit.

De leden dier commissie worden op de bij de Kieswet bepaalde wijze buiten de leden van den raad gekozeu in de kiesdistricten voor de verkiezing van leden van den raad en ten getale van 7 leden in gemeenten beneden 6001 zielen, 13 leden in gemeenten van 6001 —20000 zielen, 19 leden in gemeenten van 20001—35000 zielen en 2ö leden in gemeenten boven de 35000 zielen. Gedeputeerde Staten bepalen, den raad gehoord, het getal der in elk district te kiezen leden.

Daarbij gelden de artikelen o, vijfde lid, laatste zinsnede en zesde lid, 6, 10, 106is, eerste lid, llhis, liter, 12, eerste lid, 13, 136!\'« en 15.

Burgemeester en wethouders bepalen den dag der verkiezing en den dag waarop zoo noodig, de stemming zal geschieden. De stemming geschiedt in alle stemdistricten van het kiesdistrict op denzelfden dag. (Gem. 9.)

De leden der commissie worden benoemd met de meeste stemmen.

Bij gelijk getal stemmen zijn de oudsten in jaren benoemd. Tn geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

De betrekkelijke meerderheid wordt vastgesteld naar het aantal van waarde zijnde in de stembussen gevonden stembiljetten.

Wanneer een candidaat vóór de stemming komt te overlijden of wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt of de bij art. 13 bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe verkiezing.

Hetzelfde vindt plaats, zoo iemand de benoeming\' in één district heeft aangenomen en in een ander voorkomt op de lijst der candi-daten over wie eene stemming moet geschieden, in het laatstgenoemd district.

120a

-ocr page 164-
-ocr page 165-

GEMEENTEWET.

135. Aan hem behoort het maken van de verordeningen, die in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid worden ver-eischt en van andere, betreffende de huishouding der gemeente. (G. 155; Gem. 150, 151; P. 140.)

136. De Baad regelt de bezoldigingen van alle plaatselijke ambtenaren en bedienden, zoover de regeling niet aan Gedeputeerde Staten is opgedragen; de door die ambtenaren te stellen borglogten; de geldleeningen en hetgeen verder de geldmiddelen der gemeente aangaat.

Elk besluit tot het doen eener geldleening wijst de middelen aan, waaruit de renten en aflossing der leening zullen worden gevonden. (P. 131; Gem. 58, 73. 94, 104, 107, 109—111.)

137. De Eaad besluit tot het koopen, ruilen of vervreemden, het bezwaren of verpanden van gemeente-eigendommen, het treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen. (G. 146; P. 132; Gem. 194.)

138. Hij besluit omtrent het verhuren, verpachten of op eenige andere wijze in gebruik geven der gemeente-eigendommen. (Gem. 194, 44(/, h.)

139. Hij besluit tot het verleenen der kwijtschelding, die krachtens de wet, of eene overeenkomst, of op gronden van billijkheid toekomt aan de huurders, pachters of bruikers der gemeente-eigendommen, en aan hen, die hebben aangenomen, ten behoeve der gemeente iets te doen of te leveren.

140. Hij maakt in overeenstemming met algemeene of provinciale voorschriften, de noodige verordeningen tot verdeeling der gemeente in wijken en tot opmaking van volledige staten der bevolking en barer huizing.

141. Hij beveelt het aanleggen of verbeteren van gemeentewegen, waterleidingen, straten, pleinen, grachten, gebouwen, werken en in-rigtiugen. (Gem. 44A.)

142. Hij kan zich de vaststelling der plannen en voorwaarden van aanbesteding der werken en leverantiën, ten behoeve der gemeente te doen, voorbehouden.

De aanbesteding geschiedt in het openbaar, behoudens de gevallen, waarin, om bijzondere redenen, onderhandsche aanbesteding in het belang der gemeente ware. (Gem. 44i.)

143. De Raad beoordeelt en beslist of van wege de gemeente of voor een harer afdeelingen, die zich in het geval bevindt door art. 217 omschreven, een regtsgeding zal worden gevoerd.

Bij geschil over burgerlijk regt tusschen zoodanige afdeeling en de gemeente of eene andere afdeeling der zelfde gemeente, onderwerpt de Raad de zaak aan Gedeputeerde Staten, en benoemen deze, zoo zij tot het voeren van een geding magtigen, uit de ingezetenen der afdeeling eene commissie, daarmede belast.

Elk ingezeten kan, daartoe volgens art. 194 gemagtigd, ten zijnen laste, namens de gemeente een eisch in regten doen, die volgens zijne

121

-ocr page 166-

GEMEENTEWET.

meening door den gemeenteraad in het belang der gemeente behoorde te zijn gedaan. (Gem. 71.)

144. De Raad besluit tot het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen. (P. 144; Gem. 195.)

145. Hij benoemt en ontslaat alle gemeente-ambtenaren en bedienden, wier benoeming niet bij deze wet of de plaatselijke verordeningen aan anderen is opgedragen. (Gem. 59, 79, 89, 95, 106, 149, 191.)

146. Hij laat zich jaarlijks verslag doen van den toestand van alle in de gemeente aanwezige godshuizen, gestichten van weldadigheid, genootschappen en andere instellingen van openbaar nut, die niet Rijks of Provinciale instellingen, of aan het algemeen of provinciaal bestuur onmiddellijk ondergeschikt zijn. (Wet op het Armbestuur, art. 3, 10, 19.)

147. Hij benoemt, zooverre de benoeming niet aan anderen behoort, op de wijze, bij plaatselijke verordeningen te bepalen, de leden en beambten van het bestuur der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid. Hij schorst en ontslaat de door hem benoemden. (Gem. 79, 95, 106.)

148. Zijne goedkeuring wordt vereischt op de begrooting en rekening der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, die uit de gemeentekas onderstand genieten.

149. De Raad benoemt uit zijn midden een of meer personen ter waarneming der betrekking van ambtenaar van den burgerlijken stand.

De Burgemeester, ofschoon geen lid van den Raad, is tot amb(e-naar van den burgerlijken stand benoembaar. (B.W. 13 volg.t

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE PLAATSELIJKE VEROBUENINGEN.

§ 1. Van de plaatselijke verordeningen in het algemeen.

Art. 150. De plaatselijke verordeningen, waaronder alle voorschriften en beschikkingen van den Raad en van Burgemeester en Wethouders worden verstaan, treden niet in hetgeen van algemeen Rijks- of provinciaal belang is.

Bij twijfel, of eene verordening dit deed, verbindt zij, tot dat art. 153 is toegepast. (P. 141.)

151. De bepalingen van plaatselijke verordeningen in wier onderwerp door eene wet, een algemeenen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening wordt voorzien, houden van regtswege op te gelden. (P. 142.)

152. De plaatselijke verordeningen worden terstond aan Gedeputeerde Staten, wanneer deze daartoe aanvraag doen, medegedeeld.

153. De plaatselijke verordeningen kunnen, zoover zij met de wetten of het algemeen belang strijden, door Ons worden geschorst of vernietigd. (G. 140, 144; P. 166.)

122

-ocr page 167-

GEMEENTEWET. 123

154. De schorsing of vernietiging wordt door Ons bevolen bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, dat, ingeval van schorsing, den duur hiervan bepaalt. (P. 169.)

155. Schorsing stuit ótimiddellijk de werking der geschorste bepalingen.

Zij kan niet langer duren dan een jaar. (P. 170.)

158. Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de vernietiging der bepalingen door Ons niet uitgesproken, dan worden deze geacht geldig te zijn.

Hiervan geschiedt zoover het eene afgekondigde verordening betreft, openbare kennisgeving. (P. 171.)

157. Bepalingen, die geschorst zijn geweest, kunnen niet op nieuw worden geschorst. (P. 172.)

158. Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede vernietiging van alle de gevolgen der vernietigde bepalingen, zoover die nog voor vernietiging vatbaar zijn.

Bij vernietiging van wege strijd met het algemeen belang, kun-uen de niet met dat belang strijdige gevolgen in stand blijven. (P. 173.)

159. De Kaad of Burgemeester en Wethouders zorgen, in geval van geheele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging hunner verordeningen, dat aan art. 155 of art. 158 worde voldaan en op nieuw in hetgeen de geschorste of vernietigde bepalingen regelden, voor zooveel noodig is, voorzien. (P. 174.)

160. Gedeeltelijke schorsing of vernietiging eener verordening heeft op de geldigheid der in het besluit tot schorsing of vernietiging niet genoemde bepalingen geen invloed.

§ 2. Van de plaatselijke verordeningen tegen wier overtreding straf is bedreigd, in het bijzonder.

Art. 161. De Eaad kan op overtreding zijner verordeningen, voor zooveel daartegen niet bij eene wet, eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelde toebe-hooren. 1)

162. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het voor elk gesteld maximum uitspreken. \')

1

Zie noot vuig. bludzgde.

-ocr page 168-

GEMEENTEWET.

163—165. Vervallen. 1)

166. De verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, worden, zooveel mogelijk, ontworpen door eene vaste commissie uit den Raad, waarvan de Burgemeester voorzitter is. (Gem. 54, 177.)

167. Zij worden binnen tweemaal vier en twintig uren, nadat zij door den Kaad zijn vastgesteld, in afschrift, door den Burgemeester en den Secretaris te waarmerken, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten.

Gedeputeerde Staten geven aan den Raad berigt van de ontvangst binnen veertien dagen, nadat bun het afschrift is geworden. (Gein. 152, 171, 187.)

168. Deze verordeningen verbinden niet, dan wanneer zij behoorlijk zijn afgekondigd. (A. 1, 2.)

169. De afkondiging geschiedt binnen veertien dagen na de dag-teekening van het in art. 167 bedoeld berigt, tenzij dit inhoude, dat Gedeputeerde Staten de schorsing of vernietiging der verordening aan Ons hebben gevraagd. (P. 101.)

170. De verordening, wier schorsing of vernietiging aan Ons is gevraagd, wordt afgekondigd, zoodra Wij hebben verklaard, dat voor schorsing of vernietiging geene redenen beslaan.

Deze verklaring wordt geacht gegeven te zijn, indien, binnen twee maanden na de dagteekening van het in art. 167 bedoeld berigt, geene andere beslissing door Ons is genomen. (Gem. 152, 153.)

171. In spoedeischende gevallen kan de Raad besluiten tot het doen afkondigen eener verordening, onmiddellijk nadat zij is vastgesteld.

Hiervan wordt, bij het inzenden van het afschrift der verordening, aan Gedeputeerde Staten kennis gegeven. (Gem. 167.)

172. De afkondiging geschiedt op de wijze, te bepalen bij eene plaatselijke verordening, die tevens het noodige voorschrift, om van de gedane afkondiging te doen blijken, bevat.

173. Het formulier van afkondiging luidt:

»De Burgemeester en Wethouders van .... doen te weten,

»dat door den Raad dier gemeente in zijne, vergadering van ....

»is vastgesteld de volgende verordening:

(titel der verordening)

(inhoud der verordening)

»Zijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van ....

•«volgens hun berigt van den .... in afschrift medegedeeld.

»En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort, den» enz.

124

In het geval, bedoeld bij art. 171, worden de woorden: »volgens hun berigt van den», weggelaten en wordt tusschen de woorden «hiervan» en «afkondiging» het raadsbesluit tot bespoediging dezer laatste vermeld.

1

Artt. 161 eu 162 aldus gewijzigd en artt. 16S—lö5 vervallen by art. 34 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 169-

GEMEENTEWET.

Is de verordening, overeenkomstig art. 121, door twee of meer gemeentebesturen gemeenschappelijk vastgesteld, dan wordt dit en tevens de magtiging en goedkeuring hetzij van Ons, hetzij van Gedeputeerde Staten op het afgekondigde stuk vermeld. (P. 102.)

174. De verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien, waarop zij zijn afgekondigd. (A. 2; P. 101.)

175. De afgekondigde verordeningen worden, gedurende drie maanden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing neder-gelegd. Zij worden hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld, en medegedeeld aan het kantongeregt, de arrondissements-regtbank en het geregtshof, waaronder de gemeente behoort, en aan het openbaar ministerie bij die collegiën.

Het oorspronkelijke stuk wordt ter Secretarie bewaard.

176. Jaarlijks doen Gedeputeerde Staten in het provinciaal blad eene korte opgaaf plaatsen van de gedurende het vorige jaar door de gemeentebesturen hunner provincie afgekondigde verordeningen.

177. Door de in art. 166 bedoelde commissie, of waar deze niet bestaat, door Burgemeester en Wethouders, wordt aanhoudend onderzocht, aan welke van de bepalingen der plaatselijke verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, voortdurende kracht is toe te kennen, en van de uitkomsten van dit onderzoek jaarlijks aan den Raad verslag gedaan. (Gem. 54, 166.)

178. Ten minste eenmaal in de vijf jaren verklaart de Raad, ten gevolge eener algemeene herziening, welke dier verordeningen nog gelden.

Dit geschiedt bij eene verordening, welke de titels der geldende verordeningen, of de geldende bepalingen der gedeeltelijk afgeschafte verordeningen vermeldt.

Op die verordening zijn de artt. 166—175 van toepassing.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET DAGELUKSCH BESTUUR DER GEMEENTE.

§ 1. Van het dagelijksch bestuur in hel algemeen.

Art. 179. Tot het dagelijksch bestuur der gemeente, aan Burgemeester en Wethouders opgedragen, behoort:

a. het uitvoeren der verordeningen van den Raad; (P. 152; Gem. 70.)

5. het beslissen der over die uitvoering gerezen geschillen, tenzij de beslissing aan anderen opgedragen zij; (P. 153.)

c. het afkondigen der in art. 166 bedoelde verordeningen; (Gem. 168.)

d. het dienen, overeenkomstig art. 124, van berigt en raad, tenzij dit bepaaldelijk van den Baad verlangd worde;

125

-ocr page 170-

GEMEENTEWET.

t. het beheeren der inkomsten en uitgaven van de gemeente, zoover dit niet aan anderen is opgedragen;

ƒ. het opnemen der boeken en kas van den Ontvanger; (Gem. 115, 116.)

g. het toezien op het beheer en onderhoud van alle plaatselijke werken en eigendommen;

A. de zorg, zoover van hen afhangt, voor de instandhouding, bruikbaarheid, vrijheid en veiligheid der publieke wegen, bruggen, veren, wateren, vaarten, straten, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, tot gemeene dienst van allen bestemd; (Gem. 205/.)

i. het vaststellen der plans en voorwaarden van aanbesteding der werken en leverantiën, ten behoeve der gemeente te doen, wier vaststelling de Raad niet aan zich voorbehield; (Gem. 141, 142.)

k. de handhaving van de marktpolitie, en van die over de plaatselijke vervoermiddelen;

l. het toezigt op de publieke gezondheidsdienst;

m. het handhaven der politie over het begraven en de begraafplaatsen;

n. het toezigt op de brandblusehmiddelen;

o. het benoemen en ontslaan der wijk- en brandmeesters;

p. dat der ambtenaren en bedienden bij de plaatselijke secretarie; (Oem. 145, 59, 79, 89, 149, 191.)

lt;j. het schorsen van alle uit de gemeentekas bezoldigde ambtenaren, welker schorsing niet aan anderen is opgedragen; (Gem. 95, 106; P. 156.)

r. het nemen, alvorens de gemeente tot het voeren van een regts-geding gemagtigd zij, van alle conservatoire maatregelen, zoo in als buiten regten, en het doen wat noodig is, ter voorkoming van verjaring en verlies van regt of bezit; (Gem. 71, 143, 194/i; P. 135, 155.)

s. het behoorlijk voorbereiden, zoover het niet aan anderen is opgedragen, van al hetgeen in den Raad ter overweging en beslissing moei worden gebragt; (Gem. 54, 166; P. 159.)

t. het toezien op het beheer der banken van leening en der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, waarover door de wet op het armbestuur, den stichtingsbrief of andere verordening, aan het gemeentebestuur toezigt is opgedragen; (Gem. 148; Wet op het Armbestuur.)

u. het geregeld, op onderscheidene tijdstippen in het jaar bezoeken van alle die inrigtingen, en het doen van verslag daaromtrent aan den Raad; (Gem. 182.)

v. het houden van een gedurig toezigt op al wat de gemeente aangaat. (P. 162.)

180. Onder de uitvoering der verordeningen van den Raad, behoort de bevoegdheid tot het, des noods ten koste der overtreders, doen wegnemen, beletten of verrigten van hetgeen, in strijd met die verordeningen, wordt daargesteld, ondernomen of nagelaten.

126

-ocr page 171-

GEMEENTEWET. 127

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd. (Gem. 162.)

181. Het opnemen der boeken en kas van den Ontvanger geschiedt ten minste eens in de drie maanden. Proces-verbaal wordt daarvan opgemaakt en aan den Baad en Gedeputeerde Staten medegedeeld. (Gem. 116.)

182. Jaarlijks in de maand April doen Burgemeester en Wethouders aan den Kaad een uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der gemeente.

Dit verslag wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

Het wordt ingerigt in den vorm, door den Minister van Binnen-landsche Zaken, de Gedeputeerde Staten gehoord, te bepalen en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. (Gem. 179«; P. 162.)

183. De Burgemeester en Wethouders zijn wegens het dagelijksch bestuur aan den Raad verantwoording schuldig, en geven te dien aanzien alle de door den Raad verlangde inlichtingen. (Gem. 89; P. 163.)

§ 2. Van dc handhaving der openbare orde in hel bijzonder.

Art. 184. In geval van oproerige beweging, van zamenscholing of andere stoornis der openbare orde, is de Burgemeester bevoegd, de hulp der schutterij en van het in de gemeente aanwezige of naastbij zijnde krijgsvolk te vorderen.

Hij geeft hiervan terstond kennis aan Onzen Commissaris in de provincie.

185. De bevelhebbers van de schutterij en het krijgsvolk voldoen terstond aan de vordering van den Burgemeester. (Gem. 64.)

Zij wordt door hem, zooveel mogelijk, schriftelijk gedaan.

186. In het in art. 184 bedoeld geval, is de Burgemeester bevoegd, alle bevelen, die hij ter handhaving der orde noodig acht, te geven.

Hij laat tot maatregelen van geweld niet overgaan, dan na liet doen der vereischte waarschuwingen.

187. Is het, in zoodanigen toestand, noodig, algemeene voorschriften van politie voor de inwoners uit te vaardigen en onverwijld af te kondigen, de Burgemeester is er toe bevoegd. Hij brengt die voorschriften terstond ter kennis van Onzen Commissaris in de provincie en, zoo spoedig mogelijk, ter kennis van den Raad.

Onze Commissaris kan de uitvoering van zoodanige voorschriften schorsen.

De voorschriften vervallen, zoo zij niet door den Raad in zijne eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd; tenzij de Burgemees-

-ocr page 172-

128 GEMEENTEWET.

ter ten aanzien van een raadsbesluit tot niet-bekrachtiging oordeele te moeten handelen naar de voorschriften der 2de en 3de zinsnede van art. 70.

Ingeval de Burgemeester, of die hem moet vervangen, buiten staat is te handelen, kunnen de noodige voorschriften en bevelen door Onzen Commissaris worden uitgevaardigd. (Gem. 77.)

188. De politie over de schouwburgen, berbergen, tapperijen en alle voor het publiek openstaande gebouwen en zamenkomsten, openbare vermakelijkheden en openlijke huizen van ontucht, behoort aan den Burgemeester.

Hij waakt tegen het doen van met de openbare orde of zedelijkheid strijdige vertooningen.

189. Bij brand heeft de Burgemeester, behoudens de gewone dienstregeling, door plaatselijke verordeningen voorgeschreven, het opperbevel. (O. 73 volg.)

190. De Commissarissen en dienaren van politie of veldwachters, tevens aan de algemeene of Rijkspolitie, onder het daarmede belast gezag, dienstbaar, staan, zooveel de gemeentepolitie betreft, onder de bevelen van den Burgemeester. (Gem. 23e.)

De gemeentepolitie rust op de plaatselijke verordeningen en bevelen, die, ten gevolge dezer wet, in het huishoudelijk belang der gemeente zijn gegeven.

191. De Commissaris van politie wordt door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Zijne bezoldiging wordt, den Baad en de Gedeputeerde Staten gehoord, door Ons geregeld.

.De dienaren van politie worden, op voordragt van den Commissaris, aangesteld en ontslagen door den Burgemeester, die, in overleg met den Commissaris, hun de noodige ambts-instructie geeft.

Een en ander geschiedt in de gemeenten, waar geen Commissaris van politie is, door den Burgemeester alleen.

De veldwachters worden, in overleg met den Burgemeester, door Onzen Commissaris in de provincie, die hunne instructie, in overeenstemming met de algemeene verordeningen vaststelt, benoemd en ontslagen.

192. Ter handhaving der openbare orde, of in het algemeen belang, kunnen, wanneer de bijstand der plaatselijke beambten of vrijwillige hulp ongenoegzaam is en de plaatselijke middelen het betalen van hulp niet gedoogen, de inwoners der gemeente tijdelijk tot het doen van persoonlijke diensten worden opgeroepen.

193. Eene plaatselijke verordening, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, regelt den aard en duur dezer diensten, alsmede de gevallen, waarin zij kunnen worden gevorderd. Zij laat, zooveel mogelijk, elk inwoner vrij, de diensten, waartoe hij wordt opgeroepen, door een plaatsvervanger te doen waarnemen, of voor geld, in de gemeentekas te storten, af te koopen.

-ocr page 173-

GEMEENTEWET.

TITEL III.

VAN DE BESLUITEN DEK GEMEENTEBESTUREN, AAN DE GOEDKEURING DER GEDEPUTEERDE STATEN TB ONDERWERPEN.

Art. 194. Aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten wórden onderworpen de besluiten der gemeentebesturen, betreffende:

a. het aangaan van geldleeningen;

b. het waarborgen der renten en aflossingen van geldleeningen, door anderen aan te gaan;

c. het koopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van onroerend goed, van inschrijvingen in een der grootboeken van de Nederlandsche schuld, van schuldbrieven of vorderingen;

d. het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen;

e. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van gemeente-eigendommen;

ƒ. het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën;

g. het treffen van dadingen;

h. het voeren van regtsgedingen door de gemeente, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of cassatie;

i. het berusten in eene tegen de gemeente ingestelde regtsvorde-ring.

Bij geschil tusschen de gemeente en de provincie, wordt in de gevallen, bij de drie laatst voorgaande zinsneden bedoeld, het besluit van het gemeentebestuur aan Onze goedkeuring onderworpen.

Bij geschil tusschen de gemeente en den staat, wordt in dezelfde gevallen noch Onze goedkeuring, noch die van Gedeputeerde Staten vereischt. (G. 146; P. 143; Gem. 198, 207, 221, 222.)

195. De besluiten der gemeentebesturen tot het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen, zoover de goedkeuring daarvan niet bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan Ons is voorbehouden. (Gem. 144; P. 144.)

196. Gedeputeerde Staten beslissen omtrent de in de beide vorige artikelen bedoelde besluiten, binnen dertig dagen na dien, waarop zij hun zijn aangeboden. (Gem. 167.)

197. Zij worden geacht het besluit goed te keuren, waaromtrent zij, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, geene beslissing of geen berigt, de beslissing verdagende, aan het bestuur, dat het besluit nam, hebben ingezonden. (Gem. 169, 170.)

198. Het besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij de goedkeuring van een der in de artt. 194 en 195 bedoelde besluiten geweigerd wordt, is altijd met redenen omkleed.

199. Het voeren van een regtsgeding door de gemeente, zoo in

STAATSWETTEN. 9

129

-ocr page 174-

GEMEENTEWET.

hooger beroep en in cassatie, als in eersten aanleg, wordt door Gedeputeerde Staten niet toegestaan of geweigerd, dan nadat hun het regtskundig onderzoek, te dien aanzien door het gemeentebestuur in te stellen, is medegedeeld. (Gem. 143, 194.)

200. In geval Gedeputeerde Staten het besluit van een gemeentebestuur weigeren goed te keuren, kan dit bestuur binnen dertig dagen, te rekenen van de dagteekening der beslissing van Gedeputeerde Staten, bij Ons voorziening vragen. (Gem. 209, 227.)

201. Onze beslissing, binnen twee maanden, nadat het verzoek om voorziening is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nemen, wordt aan Gedeputeerde Staten gezonden, die, met den meesten spoed, voor de uitvoering zorgen. (P. 151.1

202. Indien een besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij het besluit van een gemeentebestuur is goedgekeurd, door Ons wordt geschorst of vernietigd, neemt dat bestuur, met betrekking tot de bij zijn besluit behandelde zaak, art. 159 in acht.

TITEL IV.

VAN DE BEGROOTING VAN INKOMSTEN EN UITGAVEN DER GEMEENTE EN DE DAARTOE BETREKKELIJKE REKENING EN VERANTWOORDING.

EEESTE HOOFDSTUK.

VAN DE BEGROOTING.

Art. 203. De begrooting der plaatselijke inkomsten en uitgaven wordt, met de noodige inlichting en bescheiden, jaarlijks, vier maanden vóór den aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, door Burgemeester en Wethouders aan den Raad aangeboden. ,

Zij wordt, zoodra zij is aangeboden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de nederlegging en verkrijgbaarsteüing, tusschen welke er de behandeling der begrooting in den Raad ten minste veertien dagen moeten verloopen, geschiedt openbare kennisgeving. (P. 103.)

204. De begrooting der inkomsten vermeldt alle ontvangsten dei-gemeente van welken aard ook, en, zooveel mogelijk, het bedrag, waarop elke post in het bijzonder wordt geraamd. (P. 115.)

205. Op de begrooting der uitgaven, die alle uitgaven der gemeente, van welken aard ook, vermeldt, worden gebragt; (P. 107.)

a. de jaarwedden van den Burgemeester, de Wethouders, den Secretaris, den Ontvanger, den Commissaris van politie en de overige plaatselijke ambtenaren en bedienden; (Gem. 73, 94, 104, 107, 136.)

b. het presentiegeld der leden van den Raad; (Gem. 58.)

130

-ocr page 175-

GEMEENTEWET. 131

c. de kosten van licht, brand en bureaubehoeften, benoodigd voor het gemeentebestuur;

d. de kosten der stukken, die ten behoeve der gemeente geschreven of gedrukt worden;

e. de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubelen van het gebouw of vertrek, voor de vergadering van den Raad en van Burgemeester en Wethouders, mitsgaders voor de secretarie der gemeente bestemd;

ƒ. de huur van dat gebouw of vertrek, waar het geen gemeenteeigendom is;

g. de kosten van het aanleggen en bijhouden der registers van den burgerlijken stand;

h. die van het aanleggen en bijhouden van de dubbelen der leggers en plans van het kadaster;

i. die van het aanleggen en bijhouden der bevolkingsregisters; k. die van het aanleggen en bijhouden der kiezerslijsten en van

het uitoefenen der kiesverrigting, zoo, dat elke gemeente de kosten drage der verrigtingen, waarvoor haar bestuur heeft te zorgen;

I. die van de zorg voor de plaatselijke wegen, straten, pleinen, vaarten, bruggen en andere plaatselijke werken, in den omvang bij art. 179A aangeduid;

m. die van het aanleggen en onderhouden der algemeene begraafplaatsen ;

n. die der brandweer;

o. die van het onderhoud der gemeente-eigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten;

p. die der kamers van koophandel en fabrieken;

q. die der plaatselijke gezondheidspolitie;

r. de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleeningen;

s. alle opeischbare schulden der gemeente;

t. de kosten der door de gemeente gevoerde gedingen; u. de kosten van abonnement op het Staatsblad en op het Pro-vineiaal blad der provincie;

v. de in art. 122 bedoelde kosten;

w. een post voor onvoorziene uitgaven;

x. alle uitgaven, door bijzondere wetten aan de gemeente opgelegd. (L.O. 43 volg.; Sch. 34.)

206. De begrooting der inkomsten en uitgaven wordt ingerigt naar voorschriften, door Gedeputeerde Staten, onder Onze goedkeuring, te geven. (P. 108.)

207. Zij behoeft, om te werken, de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Zij wordt hun, nadat zij door den Kaad is vastgesteld, ten minste twee maanden voor den aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, voorgedragen. (G. 146; P. 143.)

I

9*

-ocr page 176-

132 GEMEEKTEWET.

208. Gedeputeerde Staten beslissen over de begrooting vóór den aanvang van het jaar waarvoor zij moet dienen.

Zij kunnen de beslissing bij een, vóór dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, verdagen.

209. De Raadkan, indien Gedeputeerde Staten de begrooting weigeren goed te keuren, bij Ons voorziening vragen. Daarbij gelden de artt. 200 en 201. (Gem. 227.)

210. Gedeputeerde Staten verleenen of onthouden hunne goedkeuring aan de begrooting in haar geheel, gelijk zij door den Eaad is vastgesteld; behoudens het bepaalde bij art. 212. (P. 99, 110.)

211. Is hunne goedkeuring niet verleend aan de begrooting voor den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, dan magtigen zij het gemeentebestuur, tot op de helft der aangevraagde sommen uitgaven te doen uit die posten der begrooting, waartegen bij hen geene bedenking bestaat. (P. 111.)

Zij magtigen daarbij tevens het gemeentebestuur tot ontvang van zoodanige inkomsten, waartegen zij geene bedenking hebben.

212. Wanneer de Raad weigert, de door de wet aan de gemeente opgelegde uitgaven op de begrooting van uitgaven te brengen, geschiedt zulks door Gedeputeerde Staten.

Indien, in dat geval, de plaatselijke inkomsten niet toereikende zijn, en de Raad weigert, nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige, niet bij de wet aan de gemeente opgelegde uitgaven door Gedeputeerde Staten, bij een in het provinciaal blad te plaatsen besluit, in zoodanige reden verminderd, dat tusschen de plaatselijke inkomsten en uitgaven evenwigt zij. (P. 112.)

213. Buiten de begrooting kan geene uitgaaf geschieden, dan met afzonderlijke, voorafgaande magtiging van Gedeputeerde Staten.

In buitengewone gevallen echter van dringenden spoed, kan de Raad tot het doen van zoodanige uitgaaf besluiten, mits zijn daartoe te nemen, met redenen te omkleeden besluit terstond aan Gedeputeerde Staten inzendende. Hij wijst tevens de middelen tot dekking aan.

De uitgaaf, door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, wordt aan de begrooting toegevoegd.

Bij weigering van Gedeputeerde Staten, is art. 209 toepasselijk.

Indien Wij de uitspraak van Gedeputeerde Staten bevestigen, zijn de leden van den Raad, die tot het besluit hebben medegewerkt, persoonlijk voor de uitgaaf aansprakelijk.

214. Af- en overschrijving op de posten der begrooting van uitgaven kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de begrooting zelve, of bij een afzonderlijk, door Gedeputeerde Staten goedgekeurd besluit van den Raad, magtiging is verleend. (G. 125; P. 113.)

215. Tot het bevelen der af- en overschrijvingen, waartoe bij de begrooting magtiging werd verleend, behoeven Burgemeester en Wethouders in elk geval de toestemming van den Raad. (P. 114.)

-ocr page 177-

GEMEENTEWET. 133

216. Op het besluit van Gedeputeerde Staten, houdende goedkeumet ring der begrooting, is art. 202 van toepassing.

217. In gemeenten, wier afdeelingen of dorpen een afzonderlijk wei- vermogen, afzonderlijke inkomsten of lasten hebben, kan dit onder-ildeu scheid blijven bestaan.

Buiten de gevallen, waarin de wet, bij vereeniging van gemeenten, keu- zoodanig onderscheid vaststelt, kunnen afzonderlijke lasten en in-id is komsten, in bijzondere afdeelingen eener gemeente, waar het noodig is, bij een besluit van den gemeenteraad, onder Onze goedkeuring, Ge-ir00r deputeerde Staten gehoord, worden toegelaten. (G. 3; Gem. 128—133.) igen Gedeputeerde Staten regelen, onder Onze goedkeuring, het verband

men dezer afzonderlijke huishoudingen met de algemeene huishouding hen der gemeente, overeenkomstig het stelsel dezer wet.

van TWEEDE HOOFDSTUK.

3nte VAN EE BEKENING EN VERANTWOOBDING.

ge-

Art. 218. Van de inkomsten en uitgaven der gemeente wordt door nde Burgemeester en Wethouders, over elk dienstjaar, verantwoording ge-ira- daan aan den Eaad, onder overlegging van de hun door den Ont-gde vanger, volgens art. 115, aangeboden rekening, die alle ontvangsten gt;lad en uitgaven van het dienstjaar vermeldt. (Gem. 183; P. 119.) I de 219. Deze rekening wordt, met alle de daarbij behoorende be

scheiden, en met vermelding van hetgeen Burgemeester en Wethou-inet ders ter hunner verantwoording dienstig achten, aan den Eaad overgelegd binnen zeven maanden na afloop van het jaar, waartoe zij de betrekking heeft.

iar- Zij wordt tegelijk op de secretarie der gemeente voor een ieder

de- ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen ek- betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare de kennisgeving. (Gem. 203.)

220. De Eaad onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt het t. bedrag der ontvangsten en uitgaven voorloopig vast, bij een besluit,

ijn waarvan het ontwerp hem, te gelijk met de rekening, wordt aange-

kt, boden.

Burgemeester en Wethouders zijn bij de beraadslagingen daarover ra- tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemming over het be

ng sluit. (P. 120.gt;

rd 221. Het besluit van den Eaad wordt, met de rekening en de

daarbij behoorende bescheiden, binnen den termijn, door Gedeputeerde de Staten telkens te bepalen, aan hen opgezonden. Zij sluiten de ït- rekening vóór het einde van het jaar volgende op dat, waartoe zij betrekking heeft, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitga-, ven vast.

-ocr page 178-

GEMEENTEWET.

Zij gaan hiertoe niet over, dan nadat hun is gebleken, dat de rekening gedurende ten minste veertien dagen op de secretarie ter lezing heeft gelegen. (Gem. 203, 219.)

222. Het besluit van Gedeputeerde Staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgaven, strekt, zoover de daarin goedgekeurde ontvangsten en uitgaven betreft, aan den Ontvanger en aan Burgemeester en Wethouders tot ontlasting.

Gedeputeerde Staten kunnen den Ontvanger of Burgemeester en Wethouders afzonderlijk ontlasten, zoo zij beider beheer voor geeue gelijktijdige goedkeuring vatbaar oordeelen. (Gem. 226, 227.)

223. Op het besluit van Gedeputeerde Staten, in het vorig artikel bedoeld, is art. 202 van toepassing.

224. De uitgaven uit de plaatselijke kas worden bevolen door Burgemeester en Wethouders bij bevelschriften, door hunnen voorzitter en een der Wethouders te teekenen. (P. 122.)

225. In geval tot betaling van heigeen door de wet aan de gemeente is opgelegd en op hare begrooting gebragt, geene bevelschriften worden afgegeven, kunnen Gedeputeerde Staten, na den Eaad te hebben gehoord, onder persoonlijke aansprakelijkheid van hen die er toe nledewerkten, bij een besluit de betaling bevelen.

Dit besluit geldt voor den Ontvanger als bevelschrift. (Gem. 114, 212.).

226. Burgemeester en Wethouders worden wegens uitgaven, door hen bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die ter kwader trouw zijn aangewezen op een post, waarmede die uitgaven niet overeenstemmen, tenzij blijke, dat zij tot het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de gemeente, indien die uitgaven, bij het in art. 222 bedoeld besluit van Gedeputeerde Staten niet onder de uitgaven der gemeente worden opgenomen.

De Raad benoemt, wanneer daartoe volgens dit artikel termen zijn, iemand uit zijn midden, met de regtsvervolging tot schadevergoeding belast. (P. 124.)

227. Door den Eaad, door Burgemeester en Wethouders en door den Ontvanger kan tegen de beslissing van Gedeputeerde Staten omtrent de rekening, bij Ons voorziening worden gevraagd.

Daarbij gelden de artt. 200 en 201. (Gem. 209.)

228. De termijnen van verjaring, voor de vorderingen ten laste van het Rijk, bij de wet bepaald of te bepalen, zijn op de vorderingen ten laste der gemeente van toepassing. (Wet 8 Nov. 1815, S. 51; P. 125.)

Burgemeester en Wethouders brengen de termijnen, minstens eene maand vóór den afloop daarvan, bij openbare kennisgeving in herinnering.

134

-ocr page 179-

GEMEENTEWET.

TITEL V.

VAN DE GEMEENTE-EIGENDOMMEN, WERKEN EN INRIGTINGEN.

Art. 229. De gemeentebesturen zorgen, dat een naauwkeurige staat opgemaakt en bijgehouden worde van hetgeen, naar het burgerlijk regt, eigendom der gemeente is.

Deze staat en de daarin jaarlijks gebragte verandering wordt aan Gedeputeerde Staten medegedeeld en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. (Gem. 72.)

230. De aan de gemeente behoorende wegen, straten, pleinen, grachten, vaarten, kanalen, bruggen, havens, kaden, wallen en openbare gebouwen mogen niet worden vervreemd, bezwaard of verpand, dan nadat zij door een besluit van den Kaad verklaard zijn, ter openbare dienst niet meer bestemd te wezen..

Gedeputeerde Staten kunnen bevelen, dat in de gemeenten, waar het hun nuttig schijnt, van de gemeentewegen, vaarten en andere, ter dienst van het algemeen bestemde, zaken een staat worde opgemaakt en bijgehouden. (Gem. 137, 2052.)

231. Behoudens bestaande wettige verpligtingen van anderen, is het onderhoud der in het vorig artikel bedoelde werken en gebouwen een gemeentelast.

TITEL VI.

VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 232. Het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bepaald bij een besluit van den Baad, dat, in geval van invoering of wijziging, de voorwerpen, door de belasting te treffen, haar bedrag en hare grondslagen vermeldt. (G. 147; Gem. 240—243.)

233. Dit besluit wordt, binnen acht dagen nadat het is genomen, met al de voorschriften, betreffende de invordering der belasting, voorgedragen aan Gedeputeerde Staten, die Ons binnen zes weken na de dagteekening van het besluit verslag doen. (Gem. 257—269.)

234. Onze beslissing omtrent het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bekend gemaakt binnen twee maanden, nadat Gedeputeerde Staten Ons daarover verslag hebben gedaan.

De beslissing kan door Ons, bij een, binnen dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd.

235. Bij het door Ons te nemen besluit tot goedkeuring der invoering of wijziging eener plaatselijke belasting worden de voorschriften, naar welke zij zal worden ingevorderd, aangehaald.

Zoo de Raad in de voorschriften, betreffende de invordering, wij-

135

-ocr page 180-

GEMEENTEWET.

ziging brengt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet geheven, dan na op nieuw door Ons le zijn goedgekeurd.

236. De door den Baad vastgestelde en door Ons goedgekeurde bepalingen, betreffende plaatselijke belastingen, worden, zoo zij met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, op dezelfde wijze, waarop zij zijn gemaakt, onverwijld ingetrokken. (Gem. 150.)

Bij gebreke dier intrekking, kunnen zij door eene wet, die tevens, zoo noodig, de gevolgen regelt, worden geschorst of vernietigd.

237. De plaatselijke belastingen mogen den doorvoer, en den uitvoer | naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren (Gr. 147 c, 136.) t

238. Voor plaatselijke belastingen worden gehouden, of daarmede, , i wat de toepassing van artt. 232—237 betreft, gelijk gesteld de in naam der gemeente gevorderde weg-, straat-, brug-, kaai-, haven-, kraan-, sluis-, dok-, boom- en veergelden, wik-, weeg-, meet- en keurloonen, gelden voor banken of staanplaatsen in hallen, op mark- | ten en dergelijke openbare plaatsen, begrafenisregten en andere gel- i den voor het gebruik of genot van openbare gemeentewerken, bezittingen of inrigtingen, en dat van door of van wege het gemeentebestuur verstrekte diensten. (Gem. 240, 254.)

239. Ook op belasting in natura, of verpligting tot arbeid of le- | vering ten behoeve van gemeentewerken, zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat, de artt. 232—287 van toepassing. (Gem. 193.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BIJZONDERE SOORTEN VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

(Zooals gewgzigd by de wet van 7 Juli 1865, Stsbl. no. 79, 26 Juli 1885,

Stsbl. no. 169 en bq art. 12 der wet van 24 Mei 1897, Stsbl. no. 156.) t)

fArt. 240. Tot dekking der plaatselijke uitgaven kunnen de gemeentebesturen de volgende belastingen heffen; (Gem.fin. 14.)

o. opcenten op de hoofdsom der grondbelasting; (Gem. 242.)

b. opcenten op de hoofdsom der personele belasting; (Gem. 247.)

c. eenen hoofdelijken omslag of andere directe belasting naar het inkomen of naar de vertering; (Gem. 243, 245.)

d. eene belasting op de honden; (Gem. 253.)

e. eene belasting op looneelvertooningen en andere openbare vermakelijkheden ;

ƒ. de regten, loonen en andere gelden, bedoeld in art. 238; (Gem. 254, 255.)

136

g. de belasting, bedoeld in art. 239; (Gem. 193.)

t) Be artikels of onderdeelen van artikels gemerkt met een t, zijn aldus gewijzigd ingevolge art. 12 der wet van 24 Mei 1897, S. 156, in werking tredend 1 Jan. 1898. Zie voorts deze wet (tot regeling der finaneieele verhouding tusscben het Kijk en de gemeenten enz.J, hierachter na de Gemeentewet gedrukt.

-ocr page 181-

OEMEENTEWET.

h. belastingen, waarvan de heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt.

Bovendien mogen bijzondere belastingen worden geheven:

i. wegens gebouwde eigendommen, die zelve of wier aanhoorig-heden aan de openbare straten of wegen der gemeente belenden,

en

j. wegens gebouwde eigendommen en hunne aanhoorigheden, die gelegen zijn in bepaalde gedeelten der gemeente,

een en ander naar grondslagen, volgens welke van de belastingschuldigen in billijke evenredigheid eene bijdrage gevorderd wordt in de kosten ten laste der gemeente komende, in het geval onder i voor aanleg en onderhoud der straten of wegen, voor hunne verlichting en voor afvoer van water en vuil van de in de belasting vallende eigendommen; in het geval onder j ten behoeve van den aanbouw in de aldaar bedoelde gedeelten. De laatstgenoemde belasting mag alleen wegens de na invoering der belasting gestichte gebouwen en hunne aanhoorigheden worden geheven.

241. Belastingen op voorwerpen van verbruik worden niet geheven. (G. 147 c.)

242. Het getal der opcenten op de grondbelasting kan voor de gebouwde eigendommen tot veertig, voor de ongebouwde tot tien gaan.

t243. De directe belastingen, bedoeld in art. 240 c, mogen met of zonder aangifte geheven worden naar schatting van of klassificatie overeenkomstig het totaal inkomen of de totale vertering of ook volgens eene berekening van het inkomen of de vertering naar grondslagen, ontleend aan den uiterlijken staat.

Bij het heffen van eenen hoofdelijken omslag of andere directe belasting naar het inkomen mogen geene inkomsten buiten berekening worden gelaten of lager dan haar werkelijk zuiver bedrag worden berekend of geschat, behoudens bij wisselvallige inkomsten berekening van een gemiddelde over twee of meer jaren.

Het bedrag der aanslagen in elke belasting als onder c van art. 240 bedoeld moet percentsgewijze gelijkelijk worden berekend naar het totaal van het inkomen of de vertering, na aftrek van een bij de belastingverordening te bepalen, voor alle aanslagen gelijk of in verband met de zamenstelling van het gezin op gelijken voet berekend, bedrag voor noodzakelijk levensonderhoud. Afwijking van dezen regel is geoorloofd, wanneer de bestaande verordeningen of bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, mits de verdeeling der lasten daarbij niet aanmerkelijk verschilt van die, welke bij opvolging van den regel zou worden verkregen.

244. Vervallen.

245. In de belasting, onder c van art. 240 bedoeld, wordt bijgedragen;

1°. door hem, die tijdens het belastingjaar in de gemeente zijn hoofdverblijf heeft.

137

-ocr page 182-

GEMEENTEWET.

en bovendien;

2°. door hem, die er gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of zijn gezin eene gemeubelde woning of een kantoor of andere inrigting tot persoonlijke uitoefening van eene betrekking, beroep of bedrijf beschikbaar houdt;

3°. door hem, die er in het belastingjaar gedurende meer dan 90 dagen verblijf houdt;

4°. door hem, die er in het belastingjaar op meer dan 90 dagen aanwezig is tot uitoefening van een beroep of bedrijf in een kantoor, winkel, werkplaats of andere vaste inrigting of tot vervulling eener dienstbetrekking.

Het eerste lid geldt alleen voor natuurlijke personen en is voor zoover het bepaalde sub 2Ü., 3°. en 4°. betreft niet toepasselijk op hen, die ter waarneming eener openbare betrekking tijdelijk buiten de gemeente van hun hoofdverblijf vertoeven.

Wie belastingschuldig is volgens 1°. van het eerste lid, draagt in de belasting bij over zoovele twaalfde gedeelten van den aanslag over een vol jaar als het getal maanden bedraagt, waarin hij zijn hoofdverblijf in de gemeente had, gedeelten van maanden voor geheele te rekenen. Ter zake van hoofdverblijf in de eerste 15 dagen van de maand van verhuizing wordt in de gemeente van vertrek niet bijgedragen.

Wie belastingschuldig is volgens een of meer der nommers 2, 3 en 4 van het eerste lid, draagt in de belasting bij voor vier twaalfds gedeelten van den aanslag over een vol jaar.

In welke gemeente het hoofdverblijf gevestigd zij, wordt niet uitsluitend naar de verklaring, in art. 76 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, maar naar omstandigheden beoordeeld.

246. Vervallen.

i\'247. De opcenten op de personele belasting worden op alle aanslagen in de gemeente tot een gelijk getal geheven. (Gem.fin. 14.)

Indien echter het getal hooger dan 50 is, blijft het tot 50 beperkt voor de aanslagen van hen, voor wie de belastbare huurwaarde niet te boven gaat het dubbel van de som, in art. 12 der wet (Pers. Belast.) van 16 April 1896 (Staatsblad no. 72) bepaald, en stijgt het, op in de verordening tot heffing aan te geven wijze, geleidelijk zóó, dat het volle getal bereikt wordt uiterlijk bij de aanslagen van hen, voor wie ie belastbare huurwaarde het vijfvoud van de bedoelde som bedraagt.

Op de aanslagen van hen, die niet naar den grondslag huurwaarde worden aangeslagen, wordt het volle getal opcenten geheven.

248—252. Vervallen.

253. Op honden, uitsluitend gehouden ten dienste van den landbouw of eenig bedrijf van nijverheid, of ter bewaking van gebouwen of erven, wordt geene, of eene mindere belasting, dan op andere honden, gelegd.

254. fRegten en loonen en andere gelden, in art. 238 bedoeld, ter zake van het gebruik of genot van openbare werken en inrigtingen,

die strekken ten dienste van het verkeer, inrigtingen en werken

138

-ocr page 183-

GEMEENTEWET.

enkel ten dienste van het verkeer binnen de gemeente daaronder niet begrepen,

waarvan het gebruik bij wet of verordening is voorgeschreven of

waarvan de oprigting en instandhouding door de wet aan de gemeente is opgelegd,

worden tot geen hooger bedrag goedgekeurd dan vereischt wordt tot dekking van de ten laste der gemeente komende kosten van die werken of inrigtingen of van werken of inrigtingen, welke in regt-streeksch verband daarmede aangelegd en onderhouden zijn of worden en waarvoor geene andere afzonderlijke heffing geschiedt.

Poortgelden en recognitiën wegens de uitoefening of aanvaarding van bedrijven en bedieningen worden in geene gemeente geheven.

255. Bijzondere wetten, vóór den Isten Januari 1860 voor te dragen, wijzen de gemeenten aan, in wier belang, uit hoofde van bijzondere omstandigheden, van de bij art. 241 en art. 254, 1ste zinsnede, gestelde regels kan worden afgeweken.

256. De voorschriften omtrent den vrijdom van plaatselijke belastingen, door vreemde gezanten of consuls, of personen, tot hunne gezantschappen of consulaten behoorende, te genieten, worden door Ons gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE INVORDERING DER PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

Art. 257. De invordering der plaatselijke belastingen wordt geregeld bij plaatselijke verordeningen, overeenkomstig de bepalingen der artt. 258—269. (Gem. 283, 235.)

258. Tegen hem, die nalaat de door hem verschuldigde plaatselijke belasting vóór of op den verschijndag te betalen, wordt door den ontvanger, dien het aangaat, een dwangbevel afgegeven, medebrengende het regt, om de roerende en onroerende goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten.

259. De ontvanger geeft het dwangbevel niet at, dan na den belastingschuldige te hebben gewaarschuwd en vervolgens aangemaand.

Hij kan den nalatigen belastingschuldige, alvorens tegen hem een dwangbevel af te geven, door de inlegering van een krijgsman tot betaling dwingen.

260. De regelen, bij de wet op de invordering van \'s Kijks directe belastingen gesteld of te stellen, ten aanzien der waarschuwing en aanmaning van den belastingschuldige, der inlegering bij en van het dwangbevel tegen hem, gelden voor de invordering der plaatselijke belastingen.

Daarbij gelden insgelijks de bepalingen dier wet, omtrent de kosten van vervolging. (Wet 22 Mei 1845, 8. 22 en 1 Junij 1850, S. 26.)

139

Het dwangbevel, door een gemeente-ontvanger uitgevaardigd, kan in het geheele Eijk worden ten uitvoer gelegd. \')

1) Deze laatste alinea is toegevoegd door de wet vau 7 July 1865, Stsbl. no. 79.

-ocr page 184-

OEMEENTEWET.

261. De beteekening van stukken, betreffende vervolging ter invordering van plaatselijke belastingen, geschiedt door een ambtenaar, daartoe door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen.

262. De plaatselijke belasting, die niet binnen drie jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij verschuldigd, of waarop de laatste acte van vervolging beteekend was, werd ingevorderd, is verjaard.

263. De opcenten op \'s Kijks directe belastingen worden, tegelijk met deze, door \'s Bijks ambtenaren ingevorderd, en vóór het einde van elke maand, volgende op die, waarin zij zijn ontvangen, aan den gemeente-ontvanger uitgekeerd. (P. 126.)

264. De kohieren der hoofdelijke omslagen en andere plaatselijke belastingen, alsmede die der heffingen, in art. 240, i en j, bedoeld, worden door burgemeester en wethouders opgemaakt en vastgesteld door den raad. 1)

Zij behoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, alvorens uitvoering te kunnen erlangen.

Indien het besluit van Gedeputeerde Staten tot goedkeuring van een kohier door Ons wordt geschorst of vernietigd, neemt het gemeentebestuur, met betrekking tot dat kohier, arl. 159 in acht.

Binnen veertien dagen na de goedkeuring worden de kohieren in afschrift gedurende vijf maanden op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd. Van de nederlegging geschiedt openbare kennisgeving. (Gem. 207, 219.) 1)

265. Het aanslagbiljet wordt uitgereikt binnen twee maanden na de goedkeuring van het kohier, behelst een uittreksel uit het kohier, voor zooveel dit den aangeslagene betreft, en vermeldt den dag der uitreiking. Binnen drie maanden na die uitreiking kan de aangeslagene tegen zijn aanslag bij den Raad bezwaren inbrengen.

De Baad beslist daarop zoodra mogelijk en deelt zijne beslissing terstond aan den belanghebbende mede.

Deze kan binnen dertig dagen na die mededeeling bij Gedeputeerde Staten in beroep komen.

Gedeputeerde Staten doen ten spoedigste uitspraak en deelen die aan den Raad en aan den belanghebbende mede. 1)

266. De verpligting tot het betalen van den aanslag wordt door het indienen van bezwaren en het instellen van beroep, bedoeld in het vorig artikel, niet opgeschort.

Heeft de belastingschuldige vóór de eindbeslissing zijn aanslag geheel of gedeeltelijk betaald, dan wordt hem het te veel betaalde zoo spoedig mogelijk teruggegeven.

140

De bezwaarschriften tegen den aanslag en de beschikkingen en kwijtingen betreffende de teruggave van ten onregte betaalde belastingen zijn vrij van zegelregt. \')

1

Artt. 264, 265 en 266 aldus gewyzigd by de wet van 28 Juni 1881, S\':8bl. no. 102; voorts het eerste lid van art. 264 aldus bij art. 13 der wet van 24 Mei 1897, Stsbl. no. 156.

-ocr page 185-

GEMEENTEWET.

267. De plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik, waarvan binnen de gemeente een Eijksaccijns wordt betaald, worden, zooveel de wijze van invorderen van dezen accijns het toelaat, geheven door middel van opcenten op de hoofdsom van dien accijns.

Deze opcenten worden te gelijk met den accijns, en naar de regelen omtrent de heffing van dezen bij de wet gesteld, ingevorderd.

Op den regel der eerste zinsnede kan. waar het in het belang der gemeente wordt gevorderd, door Ons eene uitzondering worden toegelaten.

268. Ten behoeve der inning van de plaatselijke belastingen, wordt niemand in den vervoer van, of de beschikking over zijne goederen meer beperkt, dan ter verzekering der inning noodig is. (G. 147; Gem. 237.)

269. Niemand wordt tot eenige betaling verpligt wegens de formaliteiten, door hem, ter verzekering der inning van de plaatselijke belastingen, te vervullen.

270. Afgeschaft bij art. 3 d der wet van 15 April 1886, S. 64.

1) 271. Ontduiking of overtreding ter zake van plaatselijke belastingen, de poging daartoe of de medepligtigheid daaraan, wordt gestraft met:

geldboete;

verbeurdverklaring van hetgeen het voorwerp der ontduiking of overtreding of poging daartoe is geweest;

verbeurdverklaring van hetgeen waarin dat voorwerp was vervat, als vaatwerk, kisten, balen, manden, zakken, en dergelijke. (Gem. 161 volg.)

272. Als boete wordt uitgesproken:

tegen de handelaars, fabrikanten of trafikanten, die een der in het vorig artikel bedoelde overtredingen, ten aanzien van voorwerpen, hun handel, fabrijk of trafijk betreffende, hebben gepleegd, of doen plegen, of gepoogd te plegen of te doen plegen, het zesdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijftig gulden;

tegen bedienden, arbeiders en knechts van handelaars, fabrikanten of trafikanten en tegen alle door dezen bezoldigde personen, welke, zonder last hunner meesters, met betrekking tot de voorwerpen, in de vorige zinsnede bedoeld, een dier overtredingen hebben begaan, of gepoogd te begaan, het vierdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijf en twintig gulden;

tegen andere personen, welke een dier overtredingen hebben begaan, het dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste vijf gulden;

tegen hen, die aan een dier overtredingen medepligtig zijn, het dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste twee gulden.

Bij herhaling dier overtredingen kan de geldboete worden verdubbeld.

1) De artt. 271—282 zgn, met eenige wyzigiügen (welke hier zijn opgenomeni, van blijvende kraeht verklaard bij art. 25 der wet van 15 April 1886, Stabl. no. 64.

141

-ocr page 186-

GEMEENTEWET.

273. Voor de strafbaarheid der in art. 271 bedoelde poging en medepligtigheid gelden de eischen, in de artt. 45 en 48 van het Wetboek van Strafrecht voor strafbare poging tot en medepligtigheid aan misdrijf gesteld.

274. De Raad kan hem, die wegens een der in art. 271 bedoelde overtredingen meer dan eenmaal is veroordeeld geweest, gedurende zekeren tijd, doch voor niet meer dan twee jaren, het genot ontzeggen van crediet, of entrepót, of afschrijving of teruggaaf van belasting, hem bij de verordeningen, betreffende de plaatselijke belastingen, toegekend.

275. De processenverbaal van de ambtenaren der plaatselijke belastingen omtrent de in art. 271 bedoelde overtredingen worden uiterlijk binnen vier en twintig uren, na ontdekking van de overtreding, opgemaakt, en zoo het opmaken niet door hen is geschied op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd, binnen twee maal vielen twintig uren na de opmaking voor den kantonregter of zijn plaatsvervanger beëedigd.

276. De ambtenaren der plaatselijke belastingen kunnen ten allen tijde, onder vertoon, des gevorderd, hunner acte van aanstelling, de bij de verordeningen op die belastingen aan hun toezigt onderworpene fabrijken, kelders, winkels, magazijnen en andere dergelijke plaatsen onderzoeken.

Zij kunnen echter de gedeelten dier gebouwen, die ter bewoning dienen, tusschen zonsonder- en opgang niet onderzoeken, dan in bijzijn van den Burgemeester, of van een der Wethouders, of van een Commissaris van politie.

Woningen, niet tot de gemelde gebouwen behoorende, mogen zij niet binnentreden, dan tusschen zonsop- en ondergang, en niet anders, dan in bijzijn hetzij van den Burgemeester of van een der Wethouders, hetzij van een Commissaris van politie, voorzien van een bevel van den Burgemeester, hetwelk de Commissaris, des gevorderd, vertoont. (Wet, tot verzekering der uitvoering van sommige plaatselijke verord., van 31 Aug. 1853, S. 83.)

277. Bij ontdekking van een der overtredingen, in art. 271 omschreven, worden de goederen, voor verbeurdverklaring vatbaar, aangehaald, ten koste der verliezende partij, opgeslagen en onder bewaring gesteld van den gemeente-ontvanger.

Van de goederen wordt, alvorens zij in bewaring worden gesneld, inventaris opgemaakt, in tegenwoordigheid van de eigenaars of belanghebbenden, of in hunne afwezigheid, indien zij, behoorlijk opgeroepen, binnen twee dagen niet verschenen zijn. (Gem. 271.)

278. Aangehaalde goederen worden vrijgegeven, wanneer daarvoor ten genoege van den gemeente-ontvanger borgtogt gesteld, of het bedrag der waarde in zijne kas gestort wordt.

279. Aangehaalde goederen worden, wanneer de verbeurdverklaring daarvan bij regterlijk vonnis is uitgesproken, in het openbaar

142

-ocr page 187-

GEMEENTEWET.

door een deurwaarder of ander daartoe bevoegd persoon verkocht.

Goed, dat gevaar loopt te bederven, of levend vee kan, op mag-tiging van den kantonregter, te stellen op het procesverbaal en vrij van zegel en registratie, spoediger worden verkocht.

De opbrengst van den verkoop wordr, in de kas van den gemeenteontvanger gestort.

280. De eigenaars van verkeerdelijk aangehaalde goederen, of zij wier belang daarbij is betrokken, hebben aanspraak op schadevergoeding.

Deze kan niet meer bedragen dan één ten honderd van de waarde der goederen in de maand, te rekenen van den dag der aanhaling tot aan dien der teruggave.

Indien verkeerdelijk aangehaalde goederen zijn verkocht, kunnen de eigenaars of belanghebbenden niet meer, dan de opbrengst terugvorderen.

281. De vervolgingskosten, die niet op een bekeurde kunnen worden verhaald, komen ten laste der gemeente.

282. De opbrengst der boeten en verbeurdverklaringen komt ten voordeele der gemeente.

283. De wet van 29 April 1819 (Staatsblad no. 15 ) is ingetrokken.

*283o. Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van

»gemeentewet».

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 284. Alle bestaande plaatselijke ambtenaren en magten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze wet, zijn vervangen. (G. Add. I; P. 175; Gem. 133.)

285. De Burgemeesters worden door Ons binnen twee jaren na de dagteekening dezer wet benoemd.

De eene helft der benoemden treedt af op den Isten Januarij 1856, de andere op den Isten Januarij 1857.

De gemeenten, waar dit geschieden zal, worden door Ons aangewezen.

286. De eerste opmaking der in art. (i der wet, regelende het Ides-regt, bedoelde lijst van kiezers voor den gemeenteraad geschiedt in de eerste helft der maand Julij 1851.

De lijst wordt uiterlijk op den 15den Julij vastgesteld, en uiterlijk op den 25sten Augustus gesloten.

Bij deze opmaking komt alleen in aanmerking de aanslag op de kohieren der directe belastingen, op den 30sten April van dit jaar tot de loopende dienst behoorende.

287. De eerste keuze voor de leden van den Raad geschiedt op den tweeden Dingsdag der maand September van dit jaar. (P. 177.)

288. Het eerste derde der leden van den Raad treedt af met den Isten Dingsdag van September 1853; de eerste helft der Wethouders met den eersten Dingsdag van September 1854. (P. 178.)

143

-ocr page 188-

GEMEENTEWET.

289. De dag der eerste bijeenkomst van den nieuwen Raad wordt voor elke gemeente bepaald door Gedeputeerde Staten. (P. 179.)

290. De instructiën voor den Secretaris en den Ontvanger, de bepalingen omtrent de orde in de vergadering van den Raad, en alle omtrent punten, bij deze wet niet geregeld, geldende voorschriften blijven gelden, totdat zij door andere worden vervangen. (P. 176.)

291. Alle bestaande plaatselijke verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, worden binnen vijf jaren na de dagteeke-ning dezer wet met hare voorschriften in overeenstemming gebragt.

Alle plaatselijke belastingen worden binnen dien tijd herzien en aan Onze goedkeuring onderworpen.

Bij gebreke hiervan vervallen, na afloop van dat tijdvak, die verordeningen en belastingen.

292. Totdat daaromtrent bij de wet anders zal zijn voorzien, blijven de bepalingen van art. 45 der wet op de regterlijke organisatie 1) gelden. (Gem. 62.)

293. In gemeenten, geene vijf en twintig kiezers voor den Raad tellende, blijft de werking der artt. 4—39, 131 en 132 dezer wet, voor zooveel de benoeming der bij deze laatste artikelen bedoelde commissie betreft, voorloopig geschorst.

De schorsing duurt niet langer dan twee jaren, te rekenen van de dagteekening dezer wet.

Middelerwijl blijven in die gemeenten de aldaar thans geldende bepalingen omti\'ent de vereischten voor het lidmaatschap van den Raad en de hiermede onvereenigbare betrekkingen en omtrent het getal, de benoeming, den tijd van zitting en de beëediging der Raadsleden gelden.

SLOTBEPALING.

Art. 294. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging. (A. 2; P. 181.)

Artikel 22 der Wijzigingswet van 28 April 1897, S. 110.

Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. 2)

Met dien dag treedt de Kieswet ook wat de wijze van stemming betreft voor de verkiezing van leden van den gemeenteraad in werking. (K.B. 8 Mei 1897, S. 144.)

143«

1

E. O. 45 is ingetrokken bij de wet van 9 April 1877, S. 73.

2

Bij K.B. 17 Mei 1897, S. 148, is deze dag bepaald op 4 Juni 1897.

-ocr page 189-

WET,

TOT KEGELING DER FINANCIEELE VERHOUDING TUSSCHEN HET RIJK EN DE GEMEENTEN EN HERZIENING DER ALGEMEENE REGELEN TEN AANZIEN DER PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

(Vastgesteld den 248ten Mei 1897, Stsbl. no. 156, uitgegeven den Ssten Juni d.a.v.)

Art. 1. De gemeenten ontvangen van het Rijk over elk jaar eene uitkeering, bestaande uit een volgens de regelen dezer wet vast te stellen bedrag voor lederen inwoner der gemeente op 1 Januari van dat jaar.

2. § 1. Het bedrag, vermeld in het vorige artikel, wordt voor iedere gemeente afgeleid uit twee verschillende sommen.

§ 2. De eerste som wordt bepaald naar de bevolking op 1 Januari 189(3. Zij bedraagt, indien deze bestond uit:

niet meer dan 20000 inwoners, ƒ 1 voor iederen inwoner;

meer dan 20000 inwoners, ƒ 20 000 benevens ƒ 1,25 voorlederen inwoner boven 20000.

§ 3. Ter berekening van de tweede som worden bijeengeteld:

a. de zuivere inkomsten der gemeente uit:

hoofdelijken omslag o£ andere plaatselijke directe belasting, bedoeld in art. 240, 2°., derde lid, der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85), laatstelijk gewijzigd bij die van 28 Mei 1896 {Staatsblad no. 88);

belasting op voorwerpen van verbruik, voor zoover afwijking van art. 241 der even genoemde wet is toegelaten; (Gem. 255.)

opcenten op de personeele belasting;

b. hetgeen door haar is omgeslagen aan belasting in natura als bedoeld in art. 239 der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85), tot geld herleid naar de daarvoor bepaalde afkoopsommen of dagloonen;

c. de som, waarover zij heeft kunnen beschikken krachtens de wet van 26 Juli 1885 (Staatsblad no. 169);

d. de uit \'s Rijks kas verleende;

onderstand in de kosten harer huishouding;

subsidie in de gewone kosten van haar lager onderwijs volgens art. 49 der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127),

STAATSWETTEN. 9a

i

-ocr page 190-

WET GEMEENTE FINANCIËN.

zooals dat wordt gelezen krachtens de wet van 11 Juli 1884 (Staafs-blad no. 123);

een en ander over het jaar 1896.

Van het totaal wordt de volgens § 2 bepaalde som afgetrokken.

Het verschil wordt gedeeld door het totaal der huurwaarde van alle tot woning dienende perceelen in de gemeente, welke op 15 Januari 1897 in gebruik waren, en de uitkomst vermenigvuldigd met het totaal der huurwaarde alleen van die, welke buiten de per-soneele belasting vielen.

§ 4. Het totaal van de beide sommen, bedoeld in § 1, wordt gedeeld door het getal der inwoners op 1 Januari 1896.

De uitkomst is het volgens art. 1 voor iederen inwoner uit te keeren bedrag.

§ 5. Onder zuivere inkomsten uit hoofdelijken omslag of andere plaatselijke directe belasting over 1896 worden verstaan de zuivere inkomsten te dier zake over het belastingjaar 1896.

Begint het belastingjaar niet met 1 Januari, dan treden daarvoor in de plaats de belastingjaren 1895—1896 en 1896—1897, ieder voor zooveel twaalfde gedeelten van de zuivere inkomsten als het aantal maanden van het belastingjaar bedraagt, die tot het jaar 1896 behooren.

Ontvangsten en teruggaven na 31 December 1897 blijven buiten aanmerking.

Onder zuivere inkomsten uit opcenten op de personeele belasting over 1896 wordt verstaan 1/3 van het bedrag dier opcenten over het dienstjaar 1895—1896, vermeerderd met 2/3 van dat bedrag over het dienstjaar 1896—1897, het totaal verminderd met het aandeel der bedoelde opcenten in de kwade posten over het dienstjaar 1893—1894.

§ 6. De huurwaarde van elk der tot woning dienende perceelen, welke buiten de belasting vallen, wordt gesteld op 80 ten honderd van het bedrag, vermeld in art. 12 der wet (Pers. Belast.) van 16 April 1896 (Staatsblad no. 72), en hun getal op 1 4 der bevolking op 1 Januari 1897, verminderd met het getal der overige tot woning dienende perceelen.

Voor de huurwaarde dier overige perceelen wordt genomen de belastbare huurwaarde.

3. § 1. Indien, gemiddeld over de jaren 1894, 1895 en 1896, de gewone kosten der gemeente voor armenzorg meer hebben bedragen dan 15 ten honderd van het verschil tusschen hare gewone inkomsten en die kosten, wordt het in § 4 van art. 2 vermeld totaal met het bedrag van dat meerdere verhoogd.

Vooraf wordt hetzelfde bedrag in mindering gebracht op het volgens § 3, tweede lid, van art. 2 verkregen verschil.

§ 2. Onder gewom kosten voor armenzorg worden verstaan de gewone uitgaven deswege, na aftrek van te dier zake genoten sub-

143c

i

-ocr page 191-

WET GEMEENTE FINANCIËN.

te- sidiën, terugontvangen onderstand en andere gewone ontvangsten wegens de armenzorg.

Uitgaven voor aankoop, stichting, verbouwing en eerste inrichting i. van gebouwen worden als buitengewoon beschouwd,

an § 3. Ter berekening van de gewone inkomsten eener gemeente

15 worden van het totaal barer ontvangsten volgens de gemeentereke-gd ningen afgetrokken de daaronder begrepen:

er- batige sloten van vroegere dienstjaren;

ontvangsten wegens:

a-e- «. vervreemding van onroerend goed, inschrijvingen in een der

grootboeken van de Nationale schuld, aandeelen in naamlooze ven-te nootschappen of andere effecten en vorderingen;

b. restitutie van uitgezette kapitalen en van voorschotten, niet in ?re verband staande met de armenzorg;

?re c. gelden, aan anderen toebehoorende;

d. geldleeningen, ook die tot voorziening in tijdelijke behoefte aan jor kasgeld;

Ier e. bijdrage van het Rijk volgens art. 45, 2°., der wet (L.0.) van 17

het Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat wordt gelezen krach-!0(gt; tens de wet van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175);

ƒ. subsidie uit \'s Rijks kas in de buitengewone kosten van haar ten lager onderwijs volgens art. 49 der even genoemde wet van 1878, zooals dat wordt gelezen krachtens de wet van 11 Juli 1884 (Staats-ing blad no. 123);

per (/. subsidie of bijdrage in de kosten van buitengewone werken;

rag h. vergoeding van brandschade.

m- Voorts worden ouder de gewone inkomsten niet begrepen de in

lar § 2 vermelde ontvangsten wegens de armenzorg.

4. Voor gemeenten, waar de gewone kosten voor armenzorg, ge

en, middeld over de jaren 1894, 1895 en 1896, voor iederen inwoner op 3rd 1 Januari 1896 niet meer hebben bedragen dan ƒ0,80, blijft art. 3 16 buiten toepassing.

op Voor gemeenten, waar die kosten, op dezelfde wijze berekend, meer

ing hebben bedragen dan ƒ0,80, bedraagt door toepassing van art. 3 de verhooging van de volgens § 4 van art. 2 uit te keeren som niet meer be- dan noodig is om de kosten op ƒ0,80 voor iederen inwoner op 1

Januari 1896 te brengen.

de 5. Voor gemeenten, welker grondgebied in het tijdvak van 1 Janu

ren ari 1894 tot 31 December 1896 is gewijzigd, worden voor de toepas-m- , sing van art. 2, § 3, eerste lid, en art. 3, § 1, de sommen bepaald, aet die vermoedelijk in aanmerking zouden zijn gekomen, indien de

. grensverandering vóór eerstgemelden dag had plaatsgevonden, ol- De bevolking op 1 Januari 1896 wordt gesteld op het aantal in

woners van het tegenwoordig grondgebied der gemeente op dat tijd-de stip. 9

143d

ib- 6. Bij de vaststelling van het volgens art. 1 v«or iederen inwoner

i

-ocr page 192-

WET GEMEENTE FINANCIËN.

uit te keeren bedrag worden breuken van een cent, indien zij niet meer dan bedragen, verwaarloosd. Grootere breuken worden, indien zij niet meer dan 3/4 bedragen, voor een halven cent en anders voor een geheelen cent genomen.

7. De uitkeering volgens art. 1 daalt niet beneden de som, waarover de gemeente over 1897 heeft kunnen beschikken krachtens de wet van 26 Juli 1885 {Staatsblad no. 169).

In gemeenten, waar op 1 Januari 1897 noch een hoofdelijke omslag of eene andere plaatselijke directe belasting, noch opcenten op de personeele belasting, noch belasting in natura werden geheven, stijgt de uitkeering volgens art. 1 niet boven de som, waarover de gemeente over 1897 heeft kunnen beschikken krachtens de wet van 26 Juli 1885 (Staatsblad no. 169).

8. § 1. Binnen zes maanden na het in werking treden dezer wet wordt het volgens art. 1 voor iederen inwoner uit te keeren bedrag voor elke gemeente vastgesteld door gedeputeerde staten, die hun besluit onverwijld mededeelen aan den Minister van Financiën en aan het bestuur der gemeente.

Binnen zes maanden na de dagteekening van dat besluit kan daarvan bij Ons in beroep worden gekomen door Onzen commissaris in de provincie en door het bestuur der gemeente.

Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.

§ 2. Jaarlijks vóór 1 Juli wordt door gedeputeerde staten de som vastgesteld, welke over het loopende jaar aan iedere gemeente moet worden uitgekeerd.

Gedeputeerde staten deelen hun besluit onverwijld mede aan den Minister van Financiën en aan het betrokken gemeentebestuur.

Op dat besluit zijn het tweede en derde lid van § 1 van toepassing.

9. Zoolang de over een jaar uit te keeren som niet vaststaat, kunnen op rekening voorloopige uitkeeringen worden gedaan tot het dooiden Minister van Financiën te bepalen bedrag.

10. Boven de uitkeering, bedoeld in artt. 1 tot en met 9, ontvangen de gemeenten van het Rijk over elk jaar eene uitkeering ten bedrage van een vierde van de som der jaarwedden, voor den burgemeester en den secretaris vastgesteld.

Deze uitkeering gaat het bedrag van zeshonderd gulder niet te boven.

11. De voorschriften noodig tot uitvoering der vorenstaande artikelen, worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven.

12. (Behelst wijzigingen van artt. 240, 243, 245, 247 en 254, eerste lid, der Gemeentewet en aldaar opgenomen.)

13. (Behelst een wijziging van art. 264, eerste lid, der Gemeentewet en aldaar opgenomen.)

14. Alle plaatselijke verordeningen betreffende de heffing van op-

143c

-ocr page 193-

WET GEMEENTE FINANCIËN. 143/

centen op de personeele belasting vervallen van rechtswege met 1 Januari 1898.

Die betreffende de heffing van hoofdelijke omslagen en andere plaatselijke directe belastingen als bedoeld in art. 240, 2quot;., derde lid, der (Gem.)wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad no. 85), laatstelijk gewijzigd bij die van 28 Mei 1896 {Staatsblad no. 88), vervallen van rechtswege met 1 Januari 1901.

Die betreffende de heffing van rechten en loonen als bedoeld in art. 238 dier wet, welke voor onbepaalden tijd zijn goedgekeurd, vervallen van rechtswege met 1 Januari 1900.

15. Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1898.

Plaatselijke verordeningen tot uitvoering of toepassing kunnen vóór dien datum worden vastgesteld en goedgekeurd.

De verordeningen, met inachtneming dezer wet vastgesteld en goedgekeurd, vallen niet onder de toepassing van art. 14.

96

STAATSWETTEN.

-ocr page 194-

WET

TOT VERZEKERING DER UITVOERING VAN SOMMIGE VOORSCHRIFTEN VAN PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.

(Vastgesteld den Sisten Augustus 1853^ Stsbl. no. 83, uitgegeven den 4den Sept. d.a.v.)

Art. 1. Indien de zorg voor de nakoming van eenig voorschrift eener plaatselijke verordening, hetwelk strekt tot handhaving van de openbare rust of veiligheid, of tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen, vereischt, dat zij, die met de uitvoering belast zijn of daartoe moeten medewerken, de bevoegdheid bezitten de woningen der ingezetenen, huns ondanks, binnen te treden, kan de gemeenteraad daartoe, hetzij bij diezelfde, hetzij bij afzonderlijke verordening, den last verstrekken. (G. 158.)

De bepalingen van artt. 167 en 168 der (Gem.)wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85) zijn op elke verordening, waarin die last wordt gegeven, en waarop die lastgeving betrekking heeft, toepasselijk

De onmiddellijke afkondiging, bij art. 171 dier wet vermeld, mag van zoodanige verordening in geen geval geschieden.

2. De verordening, welke den last geeft, kan, indien daartoe noodzakelijkheid bestaat, bepalen, dat de uitvoering ten allen tijde mag plaats hebben.

Zonder die bepaling mag de last niet tusschen zons-onder- en opgang worden uitgevoerd.

3. De last kan niet worden uitgevoerd dan in bijzijn, hetzij van den kantonregter, hetzij van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur, of van een commissaris van politie.

Van deze uitvoering en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

-ocr page 195-

WET,

HOUDENDE REGELING DER AFKONDIGING VAN ALGEMEENE MAATREGELEN VAN INWENDIG BESTUUR VAN DEN STAAT.

(Vastgesteld den 26aten April 1852, Stsbl. no. 92, uitgegeven den 5den Mei d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 23 Juni 1893, Stabl. no. 111.)

Art. 1. De algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat, zijn in het geheele Koningrijk verbindend, uit kracht van hunne afkondiging door den Koning gedaan.

Zij werken terstond, nadat hunne afkondiging in alle deelen van het Koningrijk bekend kan zijn. (G. 72; A. 2.)

2. De afkondiging geschiedt:

door plaatsing in het Staatsblad,

door plaatsing in het Staatsblad en in de Staats-courant gelijktijdig.

Ingeval gelijktijdige plaatsing in het Staatsblad en de Staats-courant bevolen is, wordt het tijdstip, waarna de maatregel, overeenkomstig art. 3 dezer wet, zal werken, daarbij uitgedrukt.

3. De afkondiging wordt gerekend in het geheele Koningrijk bekend te zijn op den twintigsten dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur is opgenomen, of, indien bij het besluit, houdende vaststelling van zoo-danigen maatregel, behalve de plaatsing in het Staatsblad, ook gelijktijdige opneming in de Staats-courant is bevolen, op den tweeden 1) dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur geplaatst is. (A. 2.)

10

1

Het woord „vijfdenquot; aldus veranderd in „tweedenquot; by de wet van 23 Juni 1893, Stsbl. no. 111.

STAATSWETTEN.

-ocr page 196-

WET

OP HET NEDEELANDERSCHAP EN HET INGEZETENSCHAP.

(Vastgesteld den 12den December 1893, Stsbi. no. 368, uitgegeven den 34sten Dec. d.a.v.)

Art. 1. Nederlanders door geboorte zijn;

а. het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit;

б. het wettig kind van een Nederlander die binnen driehonderd dagen vóór de geboorte van het kind overleed;

c. het alléén door de moeder erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit;

d. het noch door den vader noch door de moeder erkend natuurlijk kind, in het Rijk geboren. (B.W. 305 volg., 327 volg., 335 volg.)

2. Nederlanders zijn ook:

a. het kind van een ingezetene des Rijks — hetzij vader, hetzij moeder, naar de in art. 1 gemaakte onderscheidingen — die zelf geboren is uit eene in het Rijk wonende moeder, tenzij blijke dat het kind als vreemdeling tot een ander land behoort;

b. het in het Rijk te vondeling gelegd of verlaten kind. zoolang van zijne afstamming, hetzij als wettig of gewettigd kind, hetzij door erkenning, niet blijkt.

3. Nederlanderschap door naturalisatie wordt verkregen door het in werking treden der \\^et waarbij zij verleend wordt.

Voor elke naturalisatie is aan \'s lands kas verschuldigd honderd gulden.

Bij het verzoek om naturalisatie legt de verzoeker het bewijs over:

1°. dat hij meerderjarig is in den zin der Nederlandsche wet; (B.W. 385.)

2°. dat hij het Nederlanderschap verloren heeft of dat hij gedurende de laatste vijf jaren zijne woonplaats of zijn hoofdverblijf in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gehad heeft;

3°. dat hij bij een ontvanger der registratie eene som van honderd gulden heeft gestort.

Indien de verzoeker tot een ander land behoort, kan van hem de overlegging gevorderd worden van een bewijs, dat de wetgeving van dat land geen beletsel tegen zijne naturalisatie in Nederland oplevert.

Ingeval de naturalisatie niet verleend wordt, wordt de gestorte som aan den verzoeker teruggegeven. (4.)

-ocr page 197-

WET NEDERLANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP. 147

4. Naturalisatie kan ook om redenen van staatsbelang worden verleend. Daarbij is artikel 3 niet van toepassing.

De wet, waarbij zij verleend wordt, regelt in ieder bijzonder geval de voorwaarden, aan die naturalisatie verbonden.

5. De vrouw volgt staande huwelijk den staat van haren man. (73.)

Een verzoek om naturalisatie kan niet door eene gehuwde vrouw

worden gedaan.

De naturalisatie, verleend aan den man, strekt zich van rechtswege uit tot zijne vrouw.

Na ontbinding des huwelijks geldt artikel 8 of artikel 9.

6. Het wettig of gewettigd kind van een als Nederlander denaturaliseerden vader, vóór diens naturalisatie geboren, gelijk mede het door zijn als Nederlander genaturaliseerden vader erkend natuurlijk kind, vóór diens naturalisatie geboren, wordt als mede-genaturaüseerd beschouwd, en behoudt den staat van Nederlander totdat het, meerderjarig geworden in den zin der Nederlandsche wet, mits binnen het jaar daarna, aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur zijner laatste woonplaats in het Kijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of eenen Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar het woont, zijn wil te kennen geeft om in de naturalisatie niet langer te zijn begrepen.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het wettig of gewettigd kind, indien de moeder, weduwe geworden, genaturaliseerd is, en ten aanzien van het natuurlijk kind, alleen door zijne moeder erkend en voor hare naturalisatie geboren.

7. Nederlanderschap wordt verloren:

1°. door naturalisatie in een ander land, of, voor zooveel een minderjarige betreft, door het deelachtig worden van eene vreemde nationaliteit door de naturalisatie hetzij van den vader hetzij van de moeder, naar de in artikel 1 gemaakte onderscheidingen, in een ander land;

2°. door huwelijk van de Nederlandsche vrouw die, door of ton ■gevolge van haar huwelijk, krachtens art. 5 vreemdeling wordt;

3°. door het verkrijgen van eene vreemde nationaliteit door don wil van den verkrijger;

4°. door zonder Ons verlof zich te begeven in vreemden krijgs- of staatsdienst;

5°. door, behalve ter zake van \'s lands dienst, woonplaats te hebben buiten het Rijk en zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gedurende tien achtereenvolgende jaren, tenzij de afwezige vóór het verstrijken van dien termijn aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur zijner laatste woonplaats in het Bijk pf zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar hij woont, kennis geve, dat hij Nederlander wenscht te blijven.

10*

-ocr page 198-

WET NEDEB-LANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP.

Van den dag waarop die kennisgeving ontvangen is, begint de tienjarige termijn opnieuw te loopen.

Ten opzichte van minderjarigen begint de tienjarige termijn te loopen met den dag hunner meerderjarigheid in den zin der Nederland-sche wet. (B.W. 385.)

8. De vrouw, die door of ten gevolge van haar huwelijk den staat van Nederlander verloren heeft, bekomt dien door de ontbinding van het huwelijk terug, mits zij binnen het jaar daarna haren wil om dien terug te bekomen aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur harer woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar zij woont, te kennen geeft. (5.)

9. De vrouw, die door of ten gevolge van haar huwelijk den staat van Nederlander bekomen heeft, behoudt dien na de ontbinding des huwelijks, tenzij zij binnen het jaar daarna haren wil om dien niet langer te behouden aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur harer laatste woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar zij woont, te kennen geeft. (5.)

10. Het wettig, gewettigd of erkend natuurlijk kind van een Nederlander, geboren vóór dat deze in een ander land werd genaturali- » seerd, ten gevolge waarvan het kind mede den staat van Nederlander verloor, bekomt dien terug, mits het, meerderjarig geworden in den zin der Nederlandsche wet, binnen het jaar daarna zijn wil om dien terug te bekomen aan den burgemeester of het hoofd van hst plaatselijk bestuur zijner woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, vaar het woont, te kennen geeft.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het wettig of gewettigd kind, indien de moeder, weduwe geworden, in een ander land was genaturaliseerd en ten aanzien van het natuurlijk kind, alléén door zijne moeder. die in een ander land werd genaturaliseerd, erkend.

11. Eenmaal \'s jaars doet. de Minister van Justitie van de kennis- » gevingen, volgens deze wet in het buitenland gedaan, aankondiging in de StaaUmurant.

12. Allen die volgens deze wet den staat van Nederlander niet bezitten, zijn vreemdelingen.

13. Ingezetenen van het Rijk zijn zij, die hunne woonplaats in het Rijk hebben en haar gedurende de voorafgaande achttien maanden in liet Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gehad hebben. (Wet 22 Juni 1893, S. 91.)

14. Het Rijksingezetenschap houdt op door vestiging der woonplaats buiten het Rijk.

148

16

kom( wetllt;

-ocr page 199-

WET NEDERLANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP. 149

15. Een minderjarige in den zin der Nederlandsehe wet, wiens vader of voogd Rijksingezetene is, wordt als zoodanig aangemerkt.

Meerderjarig geworden, behoudt hij de hoedanigheid van Kijksin-gezetene, indien hij zijne woonplaats in het Kijk vestigt.

16. De bepalingen van ingezetenschap, in bijzondere wetten voorkomende, gelden alleen voor zooveel betreft de onderwerpen, in die wetten behandeld.

Overgangsbepaling.

Met uitzondering van hen, die in Nederlandsch-Indië ingevolge de wet van 2 September 1854 {Staatsblad no. 129) als inlanders en met dezen gelijkgestelden worden beschouwd, zijn zij die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, den staat van Nederlander bezitten, Nederlanders in den zin van deze wet, totdat zij het Nederlanderschap volgens deze wet verliezen. Voor hen die op dat tijdstip hunne woonplaats hebben buiten het Rijk en zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen, begint de termijn van tien jaren, bedoeld in artikel 7, sub 5°., van genoemd tijdstip af te loopen.

Hij die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, in het Eijk uit aldaar niet gevestigde ouders geboren en geen 24 jaren oud is, verkrijgt den staat van Nederlander door eene kennisgeving van zijn voornemen om in het Rijk te blijven wonen, te doen aan den burgemeester zijner woonplaats binnen het jaar na dat tijdstip, of, indien hij nog minderjarig is in den zin der Nederlandsche wet, binnen het jaar na zijne meerderjarigheid.

Ten aanzien van de vreemdelingen, die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, voldaan hebben aan artikel 8 van het Burgerlijk Wetboek, blijft, wat de toepassing betreft van het burgerlijk recht en van artikel l9 der wet van 13 Augustus 1849 [Staatsblad no. 39), gewijzigd bij de wet van ö April 1875 (Staatsblad no. 66), de gelijkstelling met Nederlanders gehandhaafd, zoolang zij hunne woonplaats in het Rijk behouden.

Slotbepaling.

Behoudens het bepaalde in de voorgaande overgangsbepaling, vervallen bij het inwerkingtreden dezer wet de artikelen 5 tot en met 12, uitmakende den tweeden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek, en de wetten van 28 Juli 1850 [Staatsblad no. 44) en 3 Mei 1851 [Staatsblad no. 46), gelijk mede de wet van 21 December 1850 [Staatsblad no. 75). (Wet 22 Juni 1893, S. 9L)

In de wetten, waarin sprake is van Nederlanders, hetzij volgens het Burgerlijk Wetboek, hetzij volgens de wet ter uitvoering van art. 7 der Grondwet (wetten van 28 Juli 1850, Staatsblad, no. 44 en 3 Mei 1851, Staatsblad no. 46), wordt, in plaats daarvan, gelezen: »Ne-

i

-ocr page 200-

150 WET NEDERLANDERSCHAP EN INGEZETENSCHAP.

derlanders volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapquot;, behalve in art. 22 der wet van 6 April 1875 {Staatsblad no. 66), waarin de woorden: «volgens het Burgerlijk Wetboekquot; vervangen worden door: «volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geborenquot;.

Deze wet treedt in werking op 1 Juli 1893.

-ocr page 201-

WET

TOT BBGELING DER TOELATING EN UITZETTING VAN VREEMDELINGEN.

(Vastgesteld den 18den Augustus 1849, Stsbl. no. 39, uitgegeven den lOden September d,a.T. Gewijzigd bij de wet van 6 April 1875, Stsbl. no. 66 en 16 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben, of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet, bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven. (G. 46.)

2. De toelating heeft plaats op een regelmatig buitenlandsoh paspoort.

Buitenlandsche paspoorten zijn regelmatig, wanneer zij zijn:

a. afgegeven door of van wege de regering van het land, waartoe de vreemdeling behoort;

b. geviseerd voor de reis herwaarts door eenen Nederlandsohen di-plomatieken of consulairen agent bij die regering;

c. niet verjaard.

3. Ook het bezit van andere geleibrieven kan de toelating wettigen, mits daaruit blijke, wie de houder is, en van waar en met welk doel hij herwaarts komt.

4. Zelfs kunnen vreemdelingen worden toegelaten op bloote aanmelding van hunne personen, met opgave, wie zij zijn, en van waar en met welk doel zij herwaarts komen. (Wet, doortocht en vervoer van landverhuizers, v. 1 Juni 1861, S. 53, zooals nader gewijzigd.)

In dit geval kan gevorderd worden een bewijs van bekendheid, door twee of meer bij de politie bekende personen geteekend.

5. De toelating geschiedt door het hoofd van politie der gemeente aan de grenzen of ter plaatse van eerste aankomst, met uitreiking van eene reis- en verbÜjfpas, hetzij al dan niet tegen iu-bewaar-ge-ving van het buitenlandsche paspoort of van andere vertoonde geleibrieven.

6. De reis- en verblijfpassen zijn geldig voor den tijd van drie maanden. Zij kunnen worden verlengd door het hoofd van politie, ter plaatse waar de vreemdeling zich bevindt.

De verlenging dezer passen kan alleen worden geweigerd wegens gemis van de vereischten, bij art. 1 bedoeld.

-ocr page 202-

VEEEMDELINGEN-WET.

Wanneer de betrokken ambtenaar van politie meent, dat de verlenging van de reis- en verblijfpas niet kan worden toegestaan, zal hij de weigering onverwijld aan de beoordeeling van den kantonreg-ter onderwerpen, om daaromtrent te handelen overeenkomstig art. 11.

7. De vreemdelingen zijn verpligt, hunne reis- en verblijfpassen en de buitenlandsche paspoorten of andere geleibrieven, die in hun bezit zijn, te vertoonen aan de ambtenaren van politie, die zulks mog-ten vorderen, en aan de bewoners der huizen, waaiin zij worden opgenomen.

8. Aan vreemdelingen, die binnen \'s lands zonder reis- en verblijfpas worden aangetroffen, kan door het hoofd van politie der gemeente, binnen welke zij zich bevinden, zoodanige pas alsnog worden afgegeven, met inachtneming der regelen, voor de toelating van eerst aankomende vreemdelingen vastgesteld.

9. Niet toegelaten vreemdelingen, die geene reis- en verblijfpas kunnen bekomen, binnen \'s lands gevonden wordende, moeten over de grenzen worden gebragt.

10. Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebragt, dan op bevel van den kantonregter der plaats, waar zij zich ophouden, of op onzen last.

11. De kantonregter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven, en na den vreemdeling te hebben gehoord, of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen.

Van dit verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.

Indien de vreemdeling niet is verschenen, wordt daarvan in het bevel tot uitzetting melding gemaakt.

Het bevel van uitzetting moet met redenen omkleed zijn.

Van het proces-verbaal en het bevel van uitzetting zendt de kantonregter afschriften aan Onzen Commissaris in de provincie.

Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, om het bevel van uitzetting, of de uitvoering er van, op te heffen.

Het is echter uitvoerbaar, niettegenstaande een beroep op Ons, of, overeenkomstig art. 20, op den Hoogen Eaad.

12. De vreemdeling, gevaarlijk voor de publieke rust, kan op Onzen last worden uitgezet.

De vreemdeling, wiens uitzetting door Ons is bevolen, is verpligt binnen veertien dagen na bekomen kennisgeving het Rijk te verlaten. Gedurende dien tijd kan hij gebruik maken van de bevoegdheid, bij art. 20 dezer wet verleend, en inmiddels in verzekerde bewaring gesteld worden.

Wanneer hij van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt, of de Hooge Raad zijne bezwaren ongegrond bevonden heeft, vordt aan den last tot uitzetting onmiddellijk gevolg gegeven.

Hij wordt dan verwijderd, zoo mogelijk over die grens, welke hij zelf zal aamvijzen.

13. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, om aan vreemdelin-

152

L

-ocr page 203-

VREEMDELINGEN-WET.

gen, gevaarlijk voor de publieke rust, eene bepaalde plaats binnen het Koningrijk tot verblijf aan te wijzen, of hun het verblijf op bepaalde plaatsen van het Rijk te ontzeggen.

Van de Koninklijke besluiten, in dit en art. 12 bedoeld, wordt me-dedeeling gedaan aan de Kamers der Staten-Generaal.

14. [Vreemdelingen, die, binnen viif jaren na dagteekening van het bevel van uitzetting eens kantonregters, binnen \'s lands worden aangetroffen, zonder van eene latere toelating te kunnen doen blijken, worden gestraft met gevangenis van acht dagen tot drie maanden.] \')

15. [Vreemdelingen, die tegen eene uitzetting, op Onzen last, zonder dat deze is opgeheven, in Nederland terugkeeren, worden gestraft met gevangenis van drie tot zes maanden.] 1)

In de gevallen, bij dit en het voorgaand artikel voorzien, worden de veroordeelden, na afloop der straf, over de grenzen gebragt.

16—18. Ingetrokken bij art. 1 der wet van 6 April 1875, Stsbl. no. 66, »op de uitlevering van vreemdelingen».

19. De bepalingen dezer wet zijn niet toepasselijk op vreemdelingen, die, naar art. 8 van het Burgerlijk Wetboek, met Nederlanders ziin gelijkgesteld, en met betrekking tot deze wet voor ingezeten worden gehouden, noch op den binnen het Kijk gevestigden vreemdeling, die met eene Nederlandsche vrouw is gehuwd of gehuwd geweest en uit haar een kind of kinderen heeft, in Nederland geboren. (Art. 22, Wet op de uitlevering, 6 April 1875, S. 66; alinea 3 overgangsbepaling der wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 Dec. 1892, S. 268.)

20. Allen, op wie deze wet van toepassing mogt worden gemaakt, en die beweren Nederlanders te zijn of in de uitzonderingen van het voorgaand artikel te vallen, kunnen zich, doch alleen op die gronden, bij verzoekschrift, en, in de gevallen, bij de artt. 12 en 18, met inachtneming van den termijn, bij die artikelen gesteld, tot den Hoo-gen Raad wenden, ten einde te doen verklaren, dat deze wet op hen van geene toepassing is.

De Hooge Raad beoordeelt deze vraagpunten, na den procureur-generaal te hebben gehoord, en doet alleen daarop uitspraak.

153

21. Alle acten en stukken, ten gevolge dezer wet op te maken of af te geven, zijn vrij van zegel-, registratie- en griffie-regten.

hii ilin-

1

Deze strafbepalingen zijn afgeschaft bij art. 3ti der wet van 15 April 1886 Stsbl. no. 64. Zie thans art. 197 van het Wetboek van Strafrecht.

-ocr page 204-

quot;WET

TOT REGELING DER ALGEMEENE VOORWAARDEN, OP WELKE, TEN AANZIEN VAN DE UITLEVERING VAN VREEMDELINGEN, VERDRAGEN MET VREEMDE MOGENDHEDEN KUNNEN WORDEN GESLOTEN.

(Vastgesteld den 6den April 1875, Stsbl. do. 66, uitgegeven den ISden April d.a.v. Gewijzigd bij de wet van 16 April 1886, Stsbl. no. 64.) 1)

Art. 1. De artt. 16, 17 en 18 der wet van 13 Augustus 1849 (Staatsblad no. 39) worden ingetrokken.

Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen worden geene nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen dezer wet.

2. Vreemdelingen worden niet uitgeleverd dan wegens de volgende misdrijven, buiten het Rijk gepleegd:

*1°. a. aanslag, ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regerende Koningin, den Regent of een ander hoofd van een bevrien-den staat van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeren ongeschikt te maken;

b. aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regerende Vorstin, van den Troonopvolger of van een lid van het vorstelijk huis; *2°. doodslag of moord, kinderdoodslag, of kindermoord; *3°. bedreigingen strafbaar gesteld bij het tweede lid van art. 285 van het Wetboek van Strafrecht :

*4°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen; (S.R. 295 volg.)

*5°. mishandeling die zwaar ligchamelijk letsel of den dood ten gevolge heeft, mishandeling met voorbedachten rade of zware mishandeling; (S.R. 300 volg.)

*6°. verkrachting of een der misdrijven tegen de zeden strafbaar

1) De met * gemerkte alinea\'s en artikels z^n aldus gewijzigd bij art. 18 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 205-

WET OP DE UPTLEVKRING ENZ.

gesteld bij de artt. 243 tot en met 247 van het Wetboek van Strafrecht ;

*7°. koppelarij ; (S.E. 250.)

8°. dubbel huwelijk; (S.E. 237.)

9°. opligting, of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van een kind;

10°. opligting of wegvoering van een minderjarige; (S.R. 279, 280.)

*11°. het namaken of vervalschen, met het in art. 208 van het Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk, van muntspeciën of muntpapier of het opzettelijk in omloop brengen van valsche of ver-valschte muntspeciën of muntpapier;

*12°. valschheid in zegels en merken strafbaar gesteld bij de artt. 216 en 217 van het Wetboek van Strafrecht;

*18°. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artt. 225 tot en met 227 van het Wetboek van Strafrecht, benevens het in voorraad hebben of invoeren van billetten eener krachtens wettige verordeningen van den Staat opgerichte circulatiebank, waarvan de valschheid of vervalsching den dader toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven;

*14°. meineed; (S.K. 207.)

*15°. omkooping van ambtenaren strafbaar gesteld bij de artt. 178, 363 en 364 van het Wetboek van Strafrecht, knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijkgestelden;

*16°. brandstichting in de in art. 157 en art. 328 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gevallen;

*17°. opzettelijke en wederregtelijke vernieling van een gebouw strafbaar gesteld bij art. 352 van het Wetboek van Strafrecht of van een gebouw of getimmerte in de in art. 170 van voormeld Wetboek strafbaar gestelde gevallen;

*18°. openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, omschreven in art. 141 van het Wetboek van Strafrecht;

*19°. het in de in art. 168 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde gevallen opzettelijk en wederregtelijk doen zinken of stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van vaartuigen;

20°. muiterij en verzet van passagiers tegen den schipper, en van mindere schepelingen jegens hunne meerderen in rang;

21°. het opzettelijk doen ontstaan van gevaar voor een spoortrein;

22». diefstal; (S.R. 310.1

23°. opligting; (S.E. 326.)

24°. misbruik van eene handteekening in blanco; (S.E. 225.)

*25°. verduistering; (S.E. 321.)

26°. bedriegelijke bankbreuk. (S.E. 341.)

3. De uitlevering kan geschieden niet alleen wegens het begaan van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medepligtigheid daaraan, voor zoover die poging of die medepligtigheid ook hier te lande strafbaar is. (S.E. 45, 47 volg.)

155

-ocr page 206-

WET OP DE UITLEVERING

4. Geene uitlevering wordt toegestaan zoolang de vreemdeling wegens het buiten het Rijk gepleegde misdrijf hier te lande wordt vervolgd, of wanneer hij deswege hier te lande heeft teregt gestaan en hetzij veroordeeld, hetzij van regtsvervolging ontslagen of vrijgesproken is.

5. Geene uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding hier te lande, of, zoo er nog geene aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door de regtbank te worden gehoord, naar de Nederlandsche wetgeving is verjaard.

6. *Indien de vreemdeling wegens een ander strafbaar feit dan dat waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd hier te lande vervolgd wordt of straf ondergaat, kan de uitlevering niet worden toegestaan dan na den afloop der hier te lande ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan, of hem daarvan gratie zal zijn verleend.

Deze bepaling belet niet dat de vreemdeling tijdelijk worde uitgeleverd, ten einde in den vreemden staat teregt te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van het onderzoek worde teruggevoerd.

*7. Geene uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor eenig in het verdrag niet genoemd strafbaar feit vóór zijne uitlevering gepleegd, dan nadat hij, na zijne uitlevering, eene maand de vrijheid heeft gehad om het land weder te verlaten.

8. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg.

Zij wordt niet toegestaan dan na advies van de regtbank, onder welker regtsgebied de opgeëisehte persoon is aangehouden of zich bevindt.

De regtbank beslist bij haar advies welke der in beslag genomen goederen ingeval van uitlevering aan den opgeëischten persoon zullen worden teruggegeven, welke, als stukken van overtuiging, zullen worden afgegeven.

9. In afwachting van de quot;aanvrage langs diplomatieken weg kan de vreemdeling, wiens uitlevering kan worden aangevraagd, op last van een officier of hulp-officier van justitie voorloopig worden aangehouden op aanvrage van de magt, in den vreemden staat tot voor-loopige aanhouding bevoegd en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

De op en bij hem zijnde goederen kunnen in beslag genomen worden.

Geschiedt de aanhouding op last van een hulp-officier van justitie, dan stelt deze den aangehoudene onverwijld ter beschikking van den officier.

10. De officier kan, na den aangehoudene te hebben gehoord, een bevel van voorloopige aanhouding tegen hem uitvaardigen, dat aan den aangehoudene binnen tweemaal vier en twintig uren wo.-dt be-teekend.

156

-ocr page 207-

VAN VREEMDELINGEN.

*De officier beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van den aangehoudene, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en de teruggave van de in beslag genomen goederen, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geene aanvrage tot uitlevering, met de daarbij noodige bescheiden, is medegedeeld binnen een termijn, bij het verdrag te bepalen, en van niet langer dan:

1°. twintig dagen na de dagteekening van het bevel van aanhouding, indien de aanvrage tot aanhouding namens eene Europeesche regering is gedaan;

2°. drie maanden na die dagteekening, indien zij namens eene niet-Europeesche regering is gedaan.

Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen den gestelden termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 13 tot en met 18.

11. Bij de aanvrage tot uitlevering door de vreemde regering gedaan, moet, in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift, worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeeling, hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van regtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij eene daarmede gelijk te stellen akte, in den vreemden staat gebruikelijk, en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

12. Vreemdelingen, wier uitlevering krachtens verdrag wordt aangevraagd, kunnen, voor zoover dit niet reeds geschied is, worden aangehouden. (Verdrag met Belgie, zie K.B. 6 Juni 1889, S. 93; verdrag met V.S. Amerika, zie K.B. 9 Juni 1889, S. 74.quot;)

Het bevel van aanhouding moet hun binnen tweemaal vier en twintig uren worden beteekend.

De op en bij hen zijnde goederen kunnen worden in beslag genomen.

Binnen vier en twintig uren na de aanhouding wordt daarvan ken-nir gegeven aan den officier van justitie bij de regtbank, binnen welker regtsgebied zij heeft plaats gehad.

13. De officier requireert binnen drie dagen na de aanhouding en, zoo deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, binnen drie dagen na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëisehte persoon door de regtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.

14. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëisehte persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlange, of wel de regtbank, om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, bevele, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.

Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.

De opgeëisehte persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen

157

-ocr page 208-

WET OP DE UITLEVERING

bijstaan. Als raadsman kan gekozen worden ieder, die bevoegd is voor den strafrechter tot verdediging van beklaagden op te treden.

15. Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de regtbank haar advies, en hare beslissing, in art. 8 bedoeld, met de tot de zaak be-hoorende stukken aan Onzen Minister van Justitie.

16. De voorloopig aangehouden of opgeëischte persoon, die beweren mogt dat hij Nederlander en deze wet op dien grond niet op hem van toepassing is, kan dit beweren, mits niet later dan op den veertienden dag na zijn verhoor door de regtbank, bij verzoekschrift aan de beslissing van den Hoogen Eaad onderwerpen.

Hij wordt zoo spoedig mogelijk na zijne aanhouding door den officiervan justitie bekend gemaakt met en bij zijn verhoor voor de regtbank herinnerd aan die bevoegdheid, ouder mededeeling dat hij zich daaromtrent met een raadsman kan verstaan.

De Griffier van den Hoogen Raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen Minister van Justitie, dat het verzoekschrift is ingediend.

17. De Hooge Kaad doet uitspraak na den prokureur-generaal te hebben gehoord.

Beslist de Hooge Raad dat de verzoeker Nederlander is, dan beveelt de Raad, indien hij aangehouden is, zijne onmiddellijke invrijheidstelling, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven.

De prokureur-generaal bij den Hoogen Raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen Minister van Justitie van de gevallen uitspraak.

Is daarbij beslist dat de verzoeker Nederlander is, dan worden de in beslag genomen goederen teruggegeven, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, en vervalt de procedure bij de regtbank, indien die reeds aangevangen en nog niet geëindigd is.

18. Is vóór of op den dag in art. 16 bepaald de beslissing van den Hoogen Raad niet ingeroepen of is door dezen beslist dat de opge-eischte persoon geen Nederlander is, dan wordt, nadat het advies der regtbank is ontvangen, door Onzen Minister de uitlevering gelast of geweigerd.

Ingeval van weigering wordt de opgeëischte, indien hij aangehouden is, onmiddellijk ontslagen, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven, en worden hem de in beslag genomen goederen teruggegeven, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.

19. Is de opgeëischte persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door de regtbank te worden gehoord, niet verschenen, dan gaan de termijnen, in artt. 15 en 16 genoemd, in met den dag waarop het verhoor door de regtbank is bepasld.

20. De regering kan vergunnen, dat een vreemdeling, wiens uitlevering door eene vreemde Mogendheid aan eene andere vreemde Mogendheid is toegestaan, over het Nederlandsch grondgebied, onder medegeleide van Nederlandsche beambten, worde vervoerd, mits

158

-ocr page 209-

VAN VREEMDELINGEN.

met de Mogendheid, aan welke de uitlevering geschiedt, door Nederland een uitleveringsverdrag zij gesloten en het misdrijf, waarvoor uitlevering toegestaan is, in dat verdrag vermeld zij.

21. Vreemdelingen, die hier te lande in voorloopige hechtenis zijn of straf ondergaan, kunnen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen, die in eenen vreemden staat aanhangig zijn, op last der regering tijdelijk worden overgezonden.

Indien die vreemdelingen hier te lande straf ondergaan, zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.

22. Als Nederlanders beschouwt deze wet hen, die het zijn volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere we-relddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren. \')

23. Alle akten en stukken, ten gevolge dezer wet op te maken, zijn vrij van zegel en registratie en worden kosteloos afgegeven.

159

24. Deze wet is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord teriig brengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.

1) Art. 23 aldus gewijzigd bjj alinea 2 van de Slotbepaling der wet van 12 Deo. 1892, Stsbl. no. 268, in werking getreden 1 Juli 1893.

-ocr page 210-

WET

TOT REGELING EN BEPERKING DER UITOEFENING VAN HET REGT VAN VEBEENIGING EN VERGADERING.

(Yaatgesteld den 228ten April 1855, Stsbl. no. 32, uitgegeven den SOsten April d.a.v. Gewyzigd bij de wet van 14 Sept. 1866; Stabl. no. 123 en van 15 April 1886, Stabl. no. 64.)

Art. 1. Tot de oprigting eener vereeniging wordt geene magtiging gevorderd. (G. 9.)

2. De vereeniging, strijdig met de openbare orde is verboden.

3. Met de openbare orde wordt strijdig geacht elke vereeniging. welke tot doel heeft:

1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordening;

2°. aanranding of bederf der goede zeden;

3°. stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij. (7.)

4. Afgeschaft door art. 3d der wet van 15 April 1886, iS. 64. Zie thans art. 140 Wetb. v. Strafrecht.

5. Geene vereeniging, buiten die door de Grondwet of andere wetten ingesteld, treedt als regtspersoon op dan na öf door eene wet, öf door Ons te zijn erkend.

Alle voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren aangegane vereenigingen, welke als rechtspersonen willen optreden, behoeven eene erkenning door de wet.

Dergelijke vereenigingen, voor minder dan dertig jaren aangegaan, kunnen door Ons worden erkend. (6, 12.)

6. De erkenning geschiedt door goedkeuring van de statuten of reglementen der vereeniging.

Die statuten of reglementen bevatten het doel, de grondslagen, den werkkring en de overige regelen der vereeniging.

7. De erkenning wordt door Ons alleen geweigerd op gronden, ontleend aan het algemeen belang.

Het besluit van weigering is met redenen omkleed.

8. Wijziging of verandering der goedgekeurde statuten vereischt nadere goedkeuring.

9. De goedgekeurde statuten, wijzigingen of veranderingen worden door de Staatscourant openbaar gemaakt. (8.)

-ocr page 211-

WET OP DE VEREENIGING EN VERGADERING.

10. De afwijking van goedgekeurde statuten geeft aan het openbaar ministerie de bevoegdheid om bij den burgerlijken regter de ver-vallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid van regts-persoon te vorderen.

De regter, de vervallen-verklaring uitsprekende, kan aan de vereeniging, niettegenstaande hooger beroep of voorziening in cassatie, de bevoegdheid tot het plegen van burgerlijke handelingen bij voorraad ontzeggen.

De verevening der zaken eener van hare regtspersoonlijkheid vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder toezigt des regters, die de vervallen-verklaring uitsprak op de wijze en met inachtneming der vormen, omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld. (B.W. 1172 volg.)

11. Nadat door den benoemden curator de roerende en onroerende goederen der vereeniging verkocht en de schulden betaald zijn, wordt het batig slot, zoo er een is, aan hen, welke op het oogenblik der vervallen-verklaring leden der vereeniging zijn, of aan hunne regtheb-benden, elk voor het aandeel, dat zij in de vereeniging hebben, uitgekeerd.

12. Vereenigingen, niet als regtspersonen volgens deze wet ingesteld of erkend, kunnen als zoodanig geene burgerlijke handelingen aangaan.

De overeenkomsten namens haar gesloten, en de goederen namens haar verkregen, worden ten opzigte van het Kijk en van derden beschouwd als volgende de personen, welke de overeenkomst gesloten en de goederen aanvaard hebben, al is het ook, dat in de overeenkomsten en titels de handelende personen slechts als gemagtigden of beheerders der vereeniging zijn aangewezen.

13. De onderlinge verhouding der leden van vereenigingen, welke niet als regtspersonen kunnen optreden, regelt zich naar de door hen vastgestelde reglementen en de algemeene regelen van het burgerlijk regt.

De bepalingen van artt. 1700 en 1701 van het Burgerlijk Wetboek blijven op deze vereenigingen, ofschoon niet als regtspersonen beschouwd, van toepassing.

14. De bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet van toepassing op de burgerlijke maatschap of vennootschap, noch op vennootschappen van koophandel, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen en scheepsreederijen.

De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Koophandel blijven op deze onderwerpen van toepassing. \')

161

15. Vereenigingen, welke vóór het in werking treden dezer wet bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn opge-rigt. (A. 4.)

1) Dit artikel is aldus gewyzigd bij de wet van 14 Sept. 1866, Stsbl. no. 123, welke wet van terugwerkende kracht is verklaard tot den dag der invoering van de wet (op de Vereeniging en Vergadering) van den 228ten April 1855, Stsbl. no. 32. STAATS WETTEN. 11

-ocr page 212-

162 WET OP DE VEREENIGING EN VERGADERING.

16. Vreemdelingen, geene ingezetenen zijnde, kunnen niet zijn leden van staatkundige vereenigingen.

17. Afgeschaft bij art. 3 der wet van 15 Apr. 1886, S. 64, en vervangen bij Wetb. v. Strafrecht.

18. Openbare vergaderingen tot gemeenschappelijke beraadslaging worden in de opene lacht niet toegelaten, dan op bekomene vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur, verleend vijf dagen, vóór dat de vergadering wordt gehouden. (Gem. 188.)

Onze Commissaris in de provincie kan zoodanige vergunning intrekken, of, bij weigering der vergunning door het hoofd van het gemeentebestuur, haar van zijnen kant op verzoek van belanghebbenden verleenen.

19. Tot alle vergaderingen in gebouwen, waarbij het publiek wordt toegelaten, hebben de ambtenaren van algemeene en plaatselijke politie den vrijen toegang.

Weigering van toegang geeft recht aan de ambtenaren der politie om, bijgestaan door het hoofd van het gemeentebestuur, zich den toegang te verschaffen. (23.)

20. Het dragen van wapenen is verboden in de vergaderingen, in de twee voorgaande artikelen bedoeld. (Wet 9 Mei 1890, S. 81.)

Dit verbod is niet toepasselijk op militaire officieren en onderofficieren, in uniform gekleed. (23.)

21. Bijeenkomsten om zich in het hanteren van wapenen te oefenen, worden op plaatsen, in den regel voor het publiek toegankelijk, of wanneer zij door meer dan tien personen worden bijgewoond, niet toegelaten dan met vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur.

Deze vergunning wordt niet verleend dan ten minste vijf dagen, vóór dat de bijeenkomst wordt gehouden, en onder de voorwaarden, in het belang der openbare veiligheid gevorderd.

Het 2de lid van art. 18 is ten deze van toepassing.

22. Elke vergadering, waarin de openbare orde wordt gestoord, of tegen de bepalingen dezer wet wordt gehandeld, gaat op de opvordering der politie terstond uiteen. (Gem. 184 volg.)

23. Onverminderd de straffen, vastgesteld op bijzondere misdrijven in geoorloofde of ongeoorloofde vereenigingen en vergaderingen, of ter gelegenheid daarvan gepleegd, worden zij, die artt. 16, 18, 20 en 21 overtreden, gestraft met geldboete van vijftig cents tot honderd gulden of hechtenis van één dag tot twee maanden. •)

1) Art. 23 aldus gewyzigd door art. 3(2, art. 10 no. 13 en art. 11 der wet vau 15 April 1886, Stsbl, no. 64.

-ocr page 213-

quot;WET

TOT REGELING VAN HET REGT VAN ONDERZOEK (ENQUÊTE).

f (Vastgesteld den 5den Augustus 1850, Stsbl. no. 45, nitgegeven den ISden Aug. d. a. v. Gewijzigd by de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 31 Dec. 1887, Stsbl. no. 265.)

Art. 1. Het besluit tot het instellen van een onderzoek (enquête) wordt, nadat het onderwerp vooraf in de afdeelingen onderzocht, en aan de orde van beraadslaging is gesteld, in eene vergadering der Tweede Kamer genomen, en bevat eene nauwkeurige omschrijving van het onderwerp des onderzoeks. (G. 95.)

2. Dit besluit wordt, bij uittreksel uit de notulen der Kamer, in de Staatscourant geplaatst.

► De namen der leden, die tot eene commissie van onderzoek zijn benoemd, en de bepaling van het getal, dat minstens tot de afneming der verhooren wordt vereischt, worden eveneens bij uittreksel uit de notulen openbaar gemaakt.

Uitbreiding, aanvulling of vervanging van het personeel der commissie van onderzoek, alsmede hare ontbinding, worden langs denzelfden, weg kenbaar gemaakt.

3. Van het tijdstip der eerste bekendmaking af, zijn alle ingezetenen en andere binnen het grondgebied des Rijks verblijfhoudende personen verpligt aan de oproepingen tot verhoor te voldoen door de commissie uitgevaardigd, en alle openbare ambtenaren gehouden om, in overeenstemming met de bepalingen dezer wet, gevolg te geven aan de vorderingen der commissie van onderzoek, die deze tot uitvoering \'van haren last noodig oordeelt.

De Hoofden der Ministeriële Departementen kunnen alleen ondervraagd worden op de wijze, bij art. 89 (94) der Grondwet voorgeschreven.

4. De getuigen en deskundigen verschijnen voor de commissie van onderzoek, hetzij vrijwillig op eene schriftelijke oproeping, hetzij ingevolge dagvaardiging.

5. Dagvaarding van getuigen of deskundigen geschiedt door de deurwaarders bij de verschillende regterlijke collegiën, hetzij op regtstreek-schen last der commissie, hetzij, ten gevolge van hare vordering, op last der ambtenaren van het Openbaar Ministerie.

11*

-ocr page 214-

ENQUÊTE-WET.

6. De getuigen of deskundigen worden in persoon of ter hunner woonplaats gedagvaard, ten minste drie dagen vóór den dag van het verhoor.

Deze termijn wordt met éénen dag voor iedere drie en dertig mijlen afstands vermeerderd.

7. De verhooren van getuigen en deskundigen worden door de commissie van onderzoek in een der vertrekken van het gebouw gehouden, waarin de Tweede Kamer vergadert.

De schriftelijke aanteekening der afgelegde verklaringen of gegeven berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen en door deze onderteekend.

Indien een getuige of deskundige door ongesteldheid verhinderd wordt om voor de commissie ter aangewezen plaats te verschijnen, kan zij, zulks noodzakelijk oordeelende, aan den kantonregter der woonplaats van dien getuige of deskundige opdragen, om hem daar ter plaatse, en naar gelang van omstandigheden, zelfs in zijne eigene woning te ondervragen.

8. De commissie kan het verhoor van getuigen of deskundigen mits dezen den ouderdom van zestien jaren vervuld hebben, onder eede doen plaats hebben.

Onder eede gehoord wordende, zweert (belooft), op de wijze van ieders godsdienstige gezindheid, de getuige de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen; de deskundige zijn verslag naar eer en geweten, en overeenkomstig zijne beste wetenschap, te zullen uitbrengen.

9. Indien de behoorlijk gedagvaarde getuige of deskundige niev, verschijnt, wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk eene nauwkeurige omschrijving der akte van dagvaardiging behelst en dooi de aanwezige leden der commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregter, wordt onderteekend.

Dit proces-verbaal wordt door de commissie, wanneer zij het noo-digt oordeelt, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de in gebreke gebleven getuige of deskundige woont.

10. De vervolging van den nalatigen getuige of deskundige staat ter kennisneming van den burgerlijken regter en wordt, zoowel in eer \' sten aanleg als in hooger beroep, ter teregtzitting voor burgerlijke za ken behandeld, op de wijze, bij de wet voor strafzaken ter kenrdsne ming van de arrondissements-regtbank voorgeschreven.

De bepalingen van den 16den titel van het Wetboek van Strafvordering zijn ten dezen van toepassing. 1)

164

11. Het proces-verbaal van niet-verschijning, door de commissie of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregier op

1

Art. 10 aldus gewijzigd door art. ], 4o, der wet van 31 December 1887, Stsbl no. 265.

-ocr page 215-

ENQUÊTE-WET.

gemaakt, levert, behoudens tegenbewijs, een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat.

12. Afgeschaft. \')

13. Onverminderd de vervolging wegens de eerste niet-versehijning, kan de commissie eene nadere dagvaarding van denzelfden getuige o£ deskundige bevelen, en zelfs door tusschenkomst van den officier bij de betrokkene regtbank een bevel van medebrenging van den regter-commissaris in het arrondissement, waarin de getuige of deskundige woont, of zich werkelijk bevindt, doen requireren, om bij de dagvaarding te worden gevoegd.

14. Bij herhaalde niet-verschijning zijn de artt. 9, 10 en 11 dezer wet mede van toepassing. 1)

15. Wanneer een getuige of deskundige, hetzij op de eerste, hetzij op de nadere dagvaarding verschenen of uit kracht van het bevel van medebrenging voor de commissie gebragt zijnde, weigert te antwoorden, of den eed (belofte) af te leggen, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van weigering, zoo die gegeven zijn, inhoudt, en door de aanwezige leden der commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregter, wordt onderteekend. Dit proces-verbaal bezit de bewijskracht in art. 11 omschreven.

16. De commissie stelt dit proces-verbaal, wanneer zij het noodig oordeelt, in handen van het openbaar ministerie bij de regtbank van het arrondissement waarin het verhoor was gelast; de vervolging geschiedt op de wijze bij art. 10 omschreven.

17. De regtbank van het arrondissement kan de gijzeling van den weigerachtigen getuige of deskundige gelasten; deze giizeling wordt voor een tijdvak van zes maanden uitgesproken, doch houdt op wanneer de getuige of deskundige vroeger aan zijne verpligting mogt hebben voldaan.

Op de vordering der commissie van onderzoek, gelast de president van de arrondissements-regtbank de dadelijke gijzeling van den weigerachtigen getuige of deskundige, die inmiddels tot aan de uitspraak van den president, op last der commissie, binnen het lokaal, waar zij vergadert, ie bewaring kan worden gehouden; het door den president af te geven bevel vermeldt de gedane vordering, benoemt den deurwaarder met de overbrenging belast, en wijst de plaats der voor-loopige gijzeling aan.

Van de in-gijzeling-stelling wordt eene akte opgemaakt, waarin het bevel tot gijzeling wordt aangehaald en waarvan onmiddellijk een afschrift aan den gegijzelde wordt overhandigd.

165

Deze voorloopige gijzeling houdt op bij de voldoening aan de vroeger geweigerde verpligting, en vervalt van regtswege, indien de bekrachtiging daarvan niet binnen acht dagen bij den regter is gevraagd.

1

Artikel 12 en de 2de alinea van art. 14 afgeschaft by art. 3d der wet van 16 Stsbl April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans art. 444 Wetb. v. Strafrecht.

-ocr page 216-

166 ENQUÊTE-WET.

De bij vonnis bevolene of bekrachtigde gijzeling is uitvoerbaar, niet tegenstaande verzet of hooger beroep. (S.B. 192.)

18. Niemand kan genoodzaakt worden als getuige of deskundige de geheimen van eenig handwerk, bedrijf of nering bloot te leggen, die door hem of de zijnen worden uitgeoefend, noch andere soortgelijke bijzondere belangen te openbaren.

10. Zij, die uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking tot geheimhouding verpligt zijn, kunnen zich verschoonen getuigenis af te leggen, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toebetrouwd.

20. De gevoelens, door de leden van collegiën bij de behandeling van zaken ter vergadering geuit, en de deswege plaats gehad hebbende beraadslagingen mogen nimmer een onderwerp van verhoor of ondervraging uitmaken.

De verschooning van verpligte geheimhouding door burgerlijke ambtenaren of militairen van allen rang ingebragt, moet insgelijks worden aangenomen indien zij rust op het beweren, dat de verlangde openbaarmaking wordt geoordeeld in strijd te zijn met het belang en de zekerheid van het Eijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, of op den stelligen last hunner meerderen denzelfden grond van verschooning aanduidende.

In beide gevallen kan echter de Kamer op het verslag harer commissie verlangen, dat de gegrondheid der ingebrachte verschooning door het hoofd van het departement van algemeen bestuur, waaronder de betrokken ambtenaar of militair behoort, nader bevestigd worde.

21. Het hoofd van bet departement van algemeen bestuur, bij hetwelk, of onder wiens ondergeschikte ambtenaren, stukken voorhanden zijn, welker inzage door de commissie schriftelijk verlangd wordt, bewilligt die inzage, tenzij hij oordeelen mogt, dat zij met het belang en de zekerheid van het Kijk, de koloniën en bezittingen van het Bijk in andere werelddeelen in strijd zoude kunnen zijn.

22. Bij de toepassing der bepalingen, in de beide voorafgaande artikelen vervat, op leden van staats-collegiën of andere ambtenaren, wier werkkring hen niet regtstreeks onder eenig departement van algemeen bestuur rangschikt, zal de magtiging tot of weigering van inzage van stukken, of verklaring van strijdig staatsbelang, worden gegeven door het hoofd of de hoofden der departementen van algemeen bestuur tot wier werkkring die behandelde zaken eigenaardig behoo-ren.

23. Wanneer de commissie van onderzoek noodig acht, buiten \'s lands of in de koloniën en bezittingen van het Eijk in andere werelddeelen verblijfhoudende personen als getuigen of deskundigen te hoo-ren, kan zij van de vragen, waarop antwoord verlangd wordt, in geschrifte mededeeling doen aan het betrokken departement van algemeen bestuur, hetwelk de voldoening daaraan bevordert, wanneer het dat van Buitenlandsche Zaken betreft, door de tusschenkomst der di-

-ocr page 217-

ENQUÊTE-WET.

plomatieke of consulaire agenten, en, wanneer het dat van Koloniën betreft, door de betrokkene koloniale regeringen.

Indien de medegedeelde vragen door ambtenaren of militairen van allen rang moeten worden beantwoord, en het hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur van oordeel is, dat het belang en de zekerheid van het Kijk, de koloniën en bezittingen van het Eijk in andere werelddeelen de beantwoording niet toelaat, wordt daarvan aan de commissie kennis gegeven.

Het 3de lid van art. 20 is ten deze van toepassing.

24. Behalve in het geval van art. 25, kunnen nimmer verklaringen voor eene commissie van onderzoek, of op hare vordering afgelegd, als bewijs in regten gelden, hetzij tegen dengene door wien zij afgelegd zijn, hetzij tegen derden.

25..(De 1ste en 2de alinea van dit art. zijn afgeschaft bij art. 3ci der wet van 15 April 1886, S. 64. Zie thans Wetb. v. Strafrecht artt. 207 en 47.)

Het proces-verbaal van gehouden getuigen-verhoor bezit de bewijskracht in art. 11 omschreven.

26. De getuigen en deskundigen ontvangen, des verkiezende, schadeloosstelling door de commissie, of in het geval van het 3de lid van art. 7 door den kantonregter, op vertoon der schriftelijke oproeping of der akte van dagvaarding, te begrooten overeenkomstig het bepaalde omtrent getuigen en deskundigen in de artt. 61, 63, 65 en 66 van den VIden titel van het tarief van justitie-kosten en salarissen in burgerlijke zaken.

27. Alle acten, uit kracht dezer wet op te maken of uit te vaardigen, zijn vrij van zegel- en registratie-regten.

28. De bevoegdheid en de werkzaamheden eener commissie van onderzoek worden door de sluiting van de zitting der Kamer niet geschorst. (G. 103.)

In geval van ontbinding houdt die bevoegdheid op, en worden die werkzaamheden gestaakt op hetzelfde oogenblik, waarop het besluit van ontbinding ter kennis der Kamer gebragt wordt. (G. 73.)

Gegijzelde getuigen of deskundigen worden bij ontbinding der Kamer terstond ontslagen. (17.)

167

-ocr page 218-

WET

BETREKKELIJK DE EEGTSMAGT DEK HOOGE EN ANDERE HEEMRAADSCHAPPEN, DIJK- EN POLDERBESTUREN ENZ.

(Vastgesteld den 9den October 1841, Stsbl. no. 42, uitgegeven den 15den Oct. d.a.v. Gewjjzigd by de wet van 16 April 1886, Stsbl. no. 64.)

Art. 1. De hooge en andere heemraadschappen, wateringen, waterschappen, dijk- en polder-besturen, en andere dergelijke kollegiën, zullen geene regtsmagt hebben of kunnen uitoefenen.

2, De kollegiën en besturen, in art. 1 genoemd, die reeds op openbaar gezag bestaan, of als zoodanig in het vervolg mogten ingesteld worden, zullen het regt hebben;

1°. Om de door hen noodig gekeurde werken en opruimingen, hetzij gewone of buitengewone, zoowel bij weigering, of nalatigheid van de daartoe verpligten, als bij dringend of dreigend gevaar, ten koste van denzelven te doen uitvoeren. ^ (17, 20; Wet voorl. voorz. Wa-terstaatsbel. 12 Julij 1855, S. 102, artt. 1 en 2.)

2°. Om in gevallen van dringend of dreigend gevaar, de voorwerpen, tot waterkeering benoodigd, welke zich in den omtrek bevinden, aan derden toebehoorende, behoudens behoorlijke schadevergoeding, tot zich te nemen.

3°. Om aarde te mogen halen ter naaster lage en minster schade, tot het maken, verleggen, verbeteren of herstellen van dijken en wa-terkeeringen in acht nemende de bijzondere verordeningen daaromtrent bij de bestaande of nader te maken keuren en reglementen vastgesteld of vast te stellen; alles behoudens behoorlijke schadevergoeding, zoo mogelijk vooraf te begrooten. Hiervan zijn uitgezonderd die gronden waarop de verpligting tot aardlevering zonder vergoeding, of wel tegen een bepaalden prijs, mogt rusten. (O. 68.)

3. De kollegiën en besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, zullen bij dwangbevel, medebrengende het regt van parate executie, dat is het regt om de goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten, kunnen invorderen:

1) Aldus gewyzigd by art. 3d der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 219-

WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN.

a. van de dijk-, polder-, schot- en andere pligtigen, alle de omslagen en lasten, het dijks-district of den polder betreffende:

b. van de daartoe verpligten, alle de kosten der werken en opruimingen, bij no. 1 van art. 2 bedoeld, of van al wat, in strijd met de bestaande reglementen en gebruiken of de voorschriften, naar aanleiding daarvan gegeven, mogt zijn gebouwd, geplaatst, gemaakt, gedaan of geplant, met uitzondering nogtans van de beloopene boeten; 1)

c. van hunne ontvangers, rentmeesters, penningmeesters, gaarders of andere hoe ook genaamde rekenpligtigen, gelijk mede van derzel-

\' ver borgen, de gelden, aan de kollegiën of besturen toebehoorende of verschuldigd, en welke in de kassen dier opgenoemde rekenpligtigen aanwezig zijn, of moeten zijn, en wijders alle andere voorwerpen, het eigendom dier kollegiën uitmakende. (19.)

4. Voor zoover nogtans door sommige der in artt. 1 en 2 bedoelde kollegiën en besturen, de dijk- en polderomslagen, of verdere lasten, volgens derzelver instellingen of reglementen, niet regtstreeks van de dijk- en polderpligtigen of andere schuldpligtigen worden ingevorderd, naar de gemeente-, ambachts- of polderbesturen daarvoor worden aanslagen, zullen die omslagen en lasten, bij wanbetaling, worden verhaald, volgens de bepalingen, te dien opzigte bij de bestaande reglementen gemaakt, of nader vast te stellen.

5. Het regt, om bij dwangbevel en parate executie te procederen zal, in de gevallen bij art. 3, litt. a en 6 bedoeld, niet langer open-\' staan dan gedurende den tijd van drie jaren, nadat de omslagen of de kosten der werken of opruimingen invorderbaar verklaard zijn. (24.)

6. Alvorens van het bedoelde regt gebruik worde gemaakt, zal de ontvanger of andere hoe ook genaamde rekenpligtige, aan iederen schuldpligtige, vallende in de termen van art. 3, litt. a en 6, eene schriftelijke waarschuwing doen toekomen, houdende opgave der verschuldigde som; van de oorzaak der schuld, de keur, het reglement of de beschikking, waarop de vordering gegrond is, het tijdvak waarover, of wel het werk of de opruiming waarvoor de betaling gevraagd wordt, voorts van de plaats der betaling en den tijd, binnen welken deze betaling zal moeten geschieden.

Deze tijd zal niet korter mogen zijn dan van veertien dagen.

7. Geene betaling binnen den gestelden tijd gevolgd zijnde, zullen de ontvangers, of andere hoe ook genaamde rekenpligtigen, den schuldpligtige in persoon of aan zijne woonplaats door eenen bode of bediende van het kollegie of bestuur, of door eenen deurwaarder daartoe bijzonder gevolmagtigd, doen sommeren, om binnen eenen bepaalden tijd, die niet minder zal zijn dan van zeven vrije dagen, het verschuldigde te voldoen. Van die sommatie zal afschrift worden uitgereikt.

169

8. De sommatie en de waarschuwing in artt. 6 en 7 vermeld, zijn vrij van zegel en registratie.

1

Deze alinea aïdus gewyzigd bij art. 3d der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 220-

WET OP DE WATERSCHAPSBESTUBEN.

9. Ingeval de schuldpliglige niet woonachtig is binnen het district of den polder alwaar de goederen gelegen zijn, waarvoor het achterstallige verschuldigd is, zal de bedoelde waarschuwing, alsmede de sommatie, worden afgegeven ter woonplaats van den bruiker van het goed, of wel van den zaakgelastigde van den schuldpligtige of bij ontstentenis van den een\' en den anderen, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur.

10. Indien op de gedane sommatie geene betaling volgt, zal het dwangbevel worden uitgevaardigd.

Dit dwangbevel zal op de gewone wijze en voorts, gelijk bij art. 6 ten opzichte der waarschuwing is vastgesteld, worden ingerigt.

De afgifte zal geschieden door den ontvanger of anderen rekenplig-tige, nadat het dwangbevel uitvoerbaar zal zijn verklaard door den president van het kollegie of het bestuur, uit welks naam de betaling wordt gevorderd, of hetwelk, volgens de bijzondere reglementen, daartoe bevoegd is.

11. De beteekening en verdere ten uitvoerlegging zal geschieden door den, bij art. 7 bedoelden, bode of bediende van het kollegie of bestuur, of door eenen deurwaarder, alles op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Eegtsvordering, ten aanzien van het geregtelijk ten uitvoerleggen van vonnissen en authentieke acten bepaald, of bij nadere wetten te bepalen. (R.V. 430 volg., 491 volg.)

Tusschen de beteekening van het dwangbevel en het in beslag nemen der goederen, zal een tijdsverloop moeten zijn van zeven vrije dagen.

12. Degene, tegen wieu het dwangbevel is uitgevaardigd, zal daartegen kunnen komen in verzet, totdat het dwangbevel, volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering ten aanzien der vonnissen vastgesteld, zal gerekend kunnen worden ten uitvoer te zijn gelegd. (E.V. 82 volg.)

Dit verzet, binnen den bovengemelden termijn en in de hierna voorgeschreven vormen gedaan zijnde, stuit voorloopig de uitvoering van het dwangbevel; zullende bij de akte van verzet de middelen, waarop het gegrond is duidelijk moeten worden omschreven.

13. Het verzet, op grond dat de schuldpligtige, ofschoon zijne dijk-of polderpligtigheid niet ontkennende, echter beweert in de dijk- of polderlasten te hoog te zijn aangeslagen, of wel dat de kosten van werken of opruimingen, welke, ingevolge art. 3. litt. b, ten zijnen laste gebragt worden, onnoodig of te hoog berekend zijn, of dat hem de noodige tijd, om die zelf te verrigten, niet gegund is, zal geschieden, buiten eenigen vorm van proces, bij request, in te dienen bij hei kollegie of bestuur hetwelk de zaak aangaat, en dat hierop naar bevind van zaken zal beschikken. Voor zoover de geëxecuteerde daarbij in het ongelijk mogt worden gesteld, zal hij zich binnen den tijd van eene maand, te rekenen van den dag waarop hem die beschikking zal beteekend zijn, mede bij request, kunnen wenden tot Gedeputeerde

170

-ocr page 221-

WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN. 171

Staten der provincie, waaronder het vorderend kollegie of bestuur behoort, mits voorafgaande voorloopige betaling van het verschuldigde. (Wet 12 Juli 1855, S. 102, art. 18.)

In beide gevallen zal, binnen 24 uren na het indienen van het request, het gedaan verzet, aan hem die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, moeten beteekend worden.

14. Gedeputeerde Staten zullen partijen gelasten hare zaak mondeling of schriftelijk te verdedigen, naarmate de omstandigheden dit zullen vereischen, en voorts, na verhoor van het betrokken kollegie of bestuur, zoodanige eindbeschikking nemen, als zij, in overeenstemming met de reglementaire voorschriften, zullen vermeenen te behoo-ren.

15. Alle verzet, op eenen anderen grondslag gedaan dan die in art. 13 vermeld is, en de opvordering van eigendom der in beslag geno-mene goederen door derden, zullen, overeenkomst de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, moeten worden aange-bragt bij de arrondissements-regtbank, waaronder de kollegiën of besturen, in artt. 1 en 2 bedoeld, behooren, of de goederen gelegen zijn, ten einde daaromtrent siimmierlijk in het laatste ressort, of behoudens hooger beroep, naar gelang der zaak, uitspraak te doen. (K.V. 456 volg., 538 volg.)

16. Het verzet wegens verzuim in de vormen zal niet worden toegelaten, wanneer de geëxecuteerde reeds van het middel van verzpt, bij art. 13 vermeld, zal hebben gebruik gemaakt.

17. In de gevallen bij art. 15 bedoeld, zullen, zoowel ten aanzien van het bewijs der daadzaken, die tot de executie aanleiding gegeven hebben, als ten opzigte der schuldpligtigheid, de gewone regelen van regten niet worden gevolgd, maar die daadzaken en die schuldpligtigheid als in regten voor bewezen worden gehouden, wanneer dezel-ven zullen zijn geconstateerd, of daarvan blijken zal op zoodanige wijze, als met de reglementen van ieder der voormelde kollegiën of besturen overeenstemt, behoudens het tegenbewijs. (20.)

18. In dezelfde gevallen zal de partij, die het verzet heeft ingesteld, van de daaromtrent gedane uitspraak niet in hooger beroep worden toegelaten dan na voorafgaande provisionele betaling van het verschuldigde, waarvan het bewijs aan den hoogeren regter zal moeten worden overgelegd. Hiervan zullen nogtans zijn uitgezonderd de gevallen die de opvordering van eigendom der in beslag genomen goederen door derden betreffen.

19. Wanneer van het regt van parate executie gebruik wordt gemaakt tegen de ontvangers en andere rekenpligtigen en derzelver borgen, zal het dwangbevel tegen hen door de kollegiën en besturen, waaronder zij behooren, zelve worden afgegeven en door den president executoir worden verklaard. (3c.)

20. Alle vervolging ter betaling van boeten, wegens overtredingen of het niet naleven der keuren of reglementen van de kollegiën of

-ocr page 222-

WET OP DE WATERSCHAPSBESTUREN.

besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, zal, met inachtneming der bepalingen der wet op de Eegterlijke Organisatie, ter kennisse en beslissing van den gewonen regter gebragt en door het openbaar ministerie bij denzelven vervolgd worden; zijnde de bepalingen in art. 17 vervat op de hier bedoelde gevallen mede toepasselijk.

Het verhaal der boeten zal geschieden in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie. \')

21. De presidenten, de leden en de beëedigde beambten van gedachte kollegiën of besturen, zijn, evenals de kollegiën of besturen zeiven, bevoegd overtredingen te constateeren.

Hunne processen-verbaal zullen geloof verdienen, tot dat het tegendeel wordt bewezen.

22. Het zal aan de kollegiën en besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, vrijstaan, om met de bekeurden, ter zake voorschreven, in schikking te treden.

De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschap. 1)

23. Afgeschaft. \')

24. Alle vorderingen, ter zake van onvoldane omslagen of herstellingen, de kollegiën en besturen bij artt. 1 en 2 bedoeld betreffende, mitsgaders ter zake van de kosten der door die kollegiën of besturen noodig gekeurde werken en opruimingen, zullen, na verloop van vijf jaren, zijn verjaard, te rekenen van het tijdstip dat dezelve omslagen en kosten invorderbaar verklaard zijn, of in geval van vervolging, van het oogenblik der laatste geregtelijke akte. (5.)

De verjaring van alle actiën ter zake van invorderingen van de ontvangers of andere hoe ook genaamde beambten der meergenoemde kollegiën of besturen en derzelver borgen, zal dezelfde zijn, als bij het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld. \')

25. Aan de kollegiën en besturen, in artt. 1 en 2 bedoeld, wordv, voor de dijk- en polderomslagen, herstellingen of andere lasten, het dijk- en polder-bestuur betreffende, op de gronden, land en andere eigendommen, welke aan die lasten of omslagen onderworpen zijn, het regt van privilegie toegekend. (B.W. 1183.)

Dit privilegie zal stand houden gedurende twee jaren, te rekenen van den dag waarop de verschillende omslagen en lasten invorderbaar zijn geworden, in dier voege, dat, wanneer binnen dien tijd de goederen voor de verschuldigde achterstallige lasten niet bepaaldelijk zullen zijn aangesproken en vervolgd geworden, het voorschreven privilegie zal vervallen zijn.

Hetzelve privilegie zal geenerlei nadeel toebrengen aan zoodanige verbanden of privilegiën, als vóór de afkondiging dezer wet zijn ver-

172

1

Deze alinea is toegevoegd door art. 10, no. 6 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 223-

WET OP DE WATERSCHAPSBESTURKN.

kregen, maar daarentegen drukken op alle de zoodanigen, die na dat tijdstip ontstaan, en boven welke hetzelve alzoo den voorrang hebben zal.

Het voorschreven privilegie wordt in alles gelijk gesteld met dat, in art. 1185, no. 4, van het Burgerlijk Wetboek omschreven, en zal mitsdien uitgeoefend en gerangschikt worden, zoo als te dien aanzien in artt. 1193 en 1194 van het voorschreven Wetboek is bepaald.

26. Alle vroegere wetten en bepalingen, voor zoo ver die met de tegenwoordige wet strijdig mogten zijn, worden gehouden voor afgeschaft.

173

-ocr page 224-

WET

TOT VOORLOOPIGE VOORZIENING IN SOMMIGE WATERSTAATSBELANGEN.

(Vastgesteld den 12den July 1855, Stsbl. no. 102, uitgegeven den 18den July d.a.v. Gewijzigd bq de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en van 20 Juli 1895, Stsbl. no. 139.)

§ 1. Van de straffen tegen overtreding der keuren.

Art. 1—6. Vervallen volgens art. 20 der wet van 20 Juli 1895, Stsbl. no. 139.

§ 2. Van de middelen tot voorziening bij verzuim of weigering van besturen om werken uit te voeren en hunne schulden te voldoen of bij gebreke van beheer.

Art. 7. De uitvoering van noodzakelijke werken, waaronder ook opruimingen worden verstaan, welke door de daartoe verpligten niet geschiedt, wordt door Gedeputeerde Staten bevolen.

Hun daartoe strekkend, met redenen te omkleeden, besluit wordt onmiddellijk medegedeeld aan het bestuur van het waterschap, dat, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, krachtens zijne inrigting, eene wet, een algemeenen maatregel van inwendig bestuur, Onze daartoe betrekkelijke bevelen of eene provinciale verordening, verpligt is de werken te ondernemen of door de onderhoudpligtigen te doen ver-rigten.

Het bestuur geeft, binnen drie dagen, berigt van de ontvangst. (21; G. 190.)

8. Ingeval het bestuur beweert, dat de werken niet noodzakelijk zijn, kan het binnen vier weken, te rekenen van den dag waarop door hem de beslissing van Gedeputeerde Staten is ontvangen, bij Ons voorziening vragen.

Van het indienen van dit verzoek geeft het gelijktijdig kennis aan Gedeputeerde Staten.

Onze beslissing wordt, met redenen omkleed, aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.

9. Meent het bestuur op geen der gronden, in art. 7 vermeld, tot.

-ocr page 225-

VOOBL. VOORZIENING IN WATBRSTAATSBEL. 175

het ondernemen of doen verrigten der werken verpligt te zijn, dan I kan het binnen den termijn in art. 8 gesteld, Onzen Commissaris in de provincie doen dagvaarden voor de regtbank van het arrondissement waar de zetel van het bestuur gevestigd is, ten einde door deze omtrent de verpligting uitspraak worde gedaan.

Indien het bestuur krachtens art. 8 bij Ons voorziening gevraagd heeft, gaat de termijn, bij dat artikel gesteld, in met den dag Onzer i beslissing.

De kosten van het regtsgeding, indien het is uitgewezen ten voor-deele van het bestuur, worden gedragen door den Staat. (21; G. 154.)

10. Indien het bestuur, ofschoon het binnen den gestelden termijn tegen het besluit der Gedeputeerde Staten niet is opgekomen, of, niettegenstaande Onze beslissing of de uitspraak van den regter, weigert of nalatig is de bevolen werken te ondernemen of te doen verrigten, kunnen Gedeputeerde Staten ze doen uitvoeren ten koste van hen, tot wier last zij, indien het bestuur niet weigerachtig of nalatig ware geweest, zouden zijn gekomen.

11. Indien, hangende het regtsgeding, door Ons, na Gedeputeerde Staten gehoord te hebben, wordt beslist, dat de uitvoering der werken geen uitstel kan lijden, geschiedt zij van Rijkswege.

De kosten daarvan worden, indien het regtsgeding ten nadeele van •het waterschap is uitgewezen, verhaald op hen, tot wier last zij, indien het bestuur de werken had uitgevoerd, of doen verrigten, zouden zijn gekomen.

12. Weigert of verzuimt het bestuur voor de voldoening van de ; kosten dier werken en van het ten zijnen nadeele uitgewezene regtsgeding te zorgen, dan wordt de omslag, deswege over de ingelanden, waterschappen of gemeenten te doen, met inachtneming zooveel doenlijk van de daaromtrent in elk waterschap bestaande bepalingen, door Gedeputeerde Staten geregeld, en worden de termijnen van invordering door hen bepaald.

De aansprakelijkheid der ingelanden zal zich niet verder uitstrek-j ken dan tot hunne eigendommen in het betrokken waterschap gelegen. (20.)

13. De overgifte der stukken, tot regeling dezer zaak vereischt, kan Rdoor Gedeputeerde Staten in regten worden gevorderd.

Bij het vonnis, houdende veroordeeling tot overgifte, wordt de voor-loopige ten-uitvoer-legging daarvan, des noods door middel van lijfsdwang bevolen.

De bepaling van art. 590 van het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering omtrent het stellen van zekerheid is hier niet van toepassing.

De kosten, uit deze regtsvordering en uit de gijzeling voortvloeijen-de, komen ten laste van het waterschap, zoover zij op den bewaarder der stukken niet kunnen worden verhaald.

14. De door Gedeputeerde Staten vastgestelde staat van verdeeling

-ocr page 226-

VOOKL. VOORZIENING IN WATERSTAATSBEL.

over ingelanden, waterschappen of gemeenten, wordt aan den ontvanger van het waterschap, ten laste waarvan het werk wordt verrigt, ter uitvoering gegeven.

Deze neemt daarbij de voorschriften der wet van 9 October 1841 (Staatsblad no. 42) en van de reglementen in acht, en moet. evenzeer als de overige beambten en bedienden der betrokken waterschaps- en gemeentebesturen, de bevelen van Gedeputeerde Staten betrekkelijk deze heffing nakomen.

15. De opbrengst van dezen omslag wordt niet in de kas van hel waterschap gestort.

Daarvan, even als van al de uitgaven wegens de door Gedeputeerde Staten genomen voorzieningen, wordt door den ontvanger aan Ge-deputeerde Staten afzonderlijk rekening en verantwoording gedaan.

Van de vaststelling dezer rekening geschiedt door Gedeputeerde Staten aan het bestuur van het waterschap mededeeling, met uitkee-ring van het voordeelig slot.

Het besluit van Gedeputeerde Staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgaven, strekt, zoover de daarin goedgekeurde ontvangsten en uitgaven betreft, aan den ontvanger tot ontlasting.

De borgtogt van den ontvanger is evenzeer tot zekerheid van het beheer dezer ontvangsten en uitgaven, als van het overige geldelijk beheer ten behoeve van het waterschap verbonden.

16. Wordt door den ontvanger en door de overige beambten en bedienden tot deze inning niet of niet behoorlijk medegewerkt, en wordt niet voor hunne vervanging op de daarvoor bepaalde wijze gezorgd, of wel worden de openstaande betrekkingen dier beambten en bedienden niet op de vastgestelde of gebruikelijke wijze vervuld, dan voorzien Gedeputeerde Staten daarin door tijdelijke aanstelling van bijzondere ambtenaren en bedienden.

De belooning wegens de door dezen ten opzigte der inning te ver-leenen diensten, wordt door Gedeputeerde Staten ten laste van het betrokken waterschap geregeld.

De betaling dezer belooning, van de in art. 13, laatste zinsnede bedoelde kosten en van al de verdere uitgaven dezer werken, geschiedt op bevelschriften van Gedeputeerde Staten, door hunnen voorzitter, een der leden en den griffier der Staten te teekenen.

17. De voorzitter van het collegie van Gedeputeerde Staten treedt in de plaats van den voorzitter, bedoeld in artt. 10 en 19 der wet van 9 October 1841 (Staatsblad no. 42).

In het geval, omschreven in laatstgenoemd artikel, wordt het dwangbevel door Gedeputeerde Staten afgegeven.

Is het waterschap in meer dan eene provincie gelegen, dan worden de voorzitter en de Griffier door ons aangewezen.

18. Het verzet op de gronden, bedoeld in art. 13 der wet van 9 October 1841 (Staatsblad no. 42) wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten.

176

-ocr page 227-

VOORIj. VOORZIENING IN WATERSTAATSBEL.

Hunne uitspraak kan door Ons worden geschorst of vernietigd op de wijze, in art. 169 der provinciale wet bepaald.

Maken Gedeputeerde Staten bezwaar hunne uitspraak behoorlijk te herzien, dan wordt de zaak door Ons, den Eaad van State gehoord, beslist.

Ons besluit, overeenkomstig hetwelk de staat van verdeeling door Gedeputeerde Staten moet worden gewijzigd, wordt in het Staatsblad geplaatst.

19. Indien het bestuur van een waterschap weigert of nalatig is te zorgen voor de betaling eener schuld, waartoe bet is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, en dit, wegens gemis van genoegzame goederen, voor executie vatbaar, niet kan worden ten uitvoer gelegd, gelden de bepalingen van artt. 12 en volgende.

20. De bepalingen van artt. 10 en volgende zijn ook van toepassing voor het geval, dat het bestuur van een waterschap, bij gemis van de vereischte toestemming der ingelanden of van de in den omslag dragende besturen tot de uitvoering van het werk, de voldoening der schuld en tot de vaststelling van den omslag niet kan overgaan.

De ingelanden of de in den omslag dragende besturen, door wier weigering het bestuur van het waterschap tot de uitvoering van het werk niet kan overgaan, kunnen gedurende acht dagen na het verstrijken van den termijn, in de artt. 8 en 9 gesteld, van de in die artikelen aan het bestuur gegeven bevoegdheid gebruik maken, indien dit niet door het bestuur zelf geschiedt.

21. Is in een waterschap geen bestuur aanwezig, en is het noodzakelijk in het beheer te voorzien, dan beramen Gedeputeerde Staten middelen, ten einde op de, in het reglement bepaalde, of door het gebruik ingevoerde wijze een nieuw bestuur optrede.

Is dit doel niet te bereiken, dan geschiedt de benoeming of de voor-dragt der leden van het bestuur regtstreeks door Gedeputeerde Staten.

Op dit bestuur zijn de bepalingen van artt. 7 en volgende van toepassing.

22. De voorschriften van art. 25 der wet van 9 October 1841 (Staatsblad no. 42) gelden ook voor de uitgaven en omslagen, welke het gevolg zijn van de voorziening, krachtens deze wet te nemen.

177

§ 3. Van dc regeling van waterstaatsbelangen, meer dan c\'cne provincie rakende.

12

Art. 23. Belangen van waterstaat, twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaande, over wier regehng de Staten dier provinciën zich niet of niet behoorlijk verstaan, kunnen door Ons, den Eaad van State gehoord, bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, worden geregeld.

STAATSWETTEN.

-ocr page 228-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN OMTRENT VERVENINGEN.

(Vastgesteld den ISden Juli 1896, Stsbl. no. 113, uitgegeven den 20sten Juli d.a.v.)

Art. 1. Aan de Staten der provinciën behoort het vaststellen, onder Onze goedkeuring, van de noodige voorschriften omtrent hooge en lage verveningen, met inachtneming der regels hierna gesteld. (G. 188, 190.)

2. Voor het vervenen wordt vergunning gevorderd van Gedeputeerde Staten, voor zoover het niet bij provinciale verordening uitdrukkelijk, hetzij voorwaardelijk hetzij onvoorwaardelijk, is vrijgelaten.

Op eene aanvrage om vergunning tot het vervenen in waterschappen, veenschappen of veenpolders wordt niet beschikt, dan nadat het advies van de besturen dezer instellingen is gevraagd.

De provinciale verordening kan op aan te wijzen plaatsen het vervenen onvoorwaardelijk verbieden. (11.)

3. De provinciale verordening wijst de gevallen aan, waarin eene vergunning door Gedeputeerde Staten kan worden gewijzigd of ingetrokken.

Zoolang in eene provincie geene verordening omtrent verveningen bestaat, worden die gevallen door Gedeputeerde Staten in elke vergunning aangewezen.

4. De provinciale verordening stelt regels ter verzekering dat, waar dit noodig en mogelijk is, de vervening geschiede volgens een door Gedeputeerde Staten goed te keuren werkplan en onder voorwaarde, dat door betaling van afkoop-, waarborg-, last-, slik- of turfgelden of consignatie-penningen, of op andere wijze, fondsen worden bijeengebracht ter voorziening in de kosten van aanleg en onderhoud der in verband met de vervening noodige werken, in de betaling van gronden andere lasten en in de kosten van eventueele inpoldering en droogmaking der gronden na uitvening.

Tot die regels behooren ook bepalingen betreffende het beheer der in het eerste lid genoemde fondsen, en hun geheele of gedeeltelijke teruggaaf naar gelang het doel, waarvoor zij worden bijeengebracht, is bereikt.

5. Van de besluiten van Gedeputeerde Staten, waarbij eene vergunning tot vervening wordt verleend, gewijzigd, geweigerd of inge-

-ocr page 229-

WET OMTRENT VERVENINGEN.

trokken, of eene beschikking, volgens de regeling, krachtens artikel 4 vast te stellen, wordt gegeven, is beroep op Ons toegelaten.

Dit beroep kan worden ingesteld door ieder belanghebbende binnen dertig dagen nadat de beslissing van Gedeputeerde Staten overeenkomstig de bepalingen bij provinciale verordening te stellen of, zoolang zoodanige bepalingen niet bij provinciale verordening zijn gemaakt, in een dagblad der provincie, ter openbare kennis is gebracht.

Het adres van beroep wordt aan Ons gericht, maar ingediend bij den Commissaris der Koningin in de provincie, die daarop den dag van ontvangst aanteekent en het adres vervolgens aan Ons opzendt. Hij geeft een bewijs van de ontvangst af.

Het beroep kan, met inachtneming van den termijn in het tweede lid bepaald, ook door den Commissaris der Koningin in de provincie worden ingesteld. (Wet B.v.S. 22.)

6. De besluiten en beschikkingen, in het eerste lid van het vorig artikel vermeld, treden niet in werking, voordat de termijn van beroep is verstreken of, ingeval beroep is ingesteld, voordat door Ons op dat beroep is beslist.

Niettemin kunnen Gedeputeerde Staten, hangende den termijn van beroep of, ingeval beroep is ingesteld, hangende de beslissing daarop, de gedeeltelijke of geheele staking bevelen der vervening, voor welke de vergunning door hen is gewijzigd of ingetrokken.

Het bevel tot staldng kan te allen tijde door Ons worden ingetrokken.

7. Ordonnantiën, plakkaten en andere verordeningen omtrent verveningen in eenig gewest door het vroeger bevoegd gezag uitgevaardigd, kunnen bij provinciale verordening, onder Onze goedkeuring, worden ingetrokken.

Hetzelfde geldt ten aanzien der beschikkingen, krachtens artikel 5 van het Koninklijk besluit van 17 Februari 1819 (Staatsblad no. 6) omtrent verveningen genomen.

De thans voor eenige vervening geldende voorschriften en beschikkingen, door het vroeger bevoegd gezag gegeven, blijven voor haar van kracht, totdat zij volgens de regels, overeenkomstig artikel 3 te stellen, of krachtens de voor die vervening geldende voorschriften en beschikkingen zijn gewijzigd of ingetrokken.

8. Tot verzekering der nakoming van de bepalingen en voorwaarden der vergunning, tot het doen naleven der bestaande voorschriften omtrent verveningen en tot bevordering der belangen van de vervening, kunnen de Staten een veensehap of een veenpolder oprichten. (G. 190.)

Zij stellen reglementen voor die instellingen vast.

9. De bepalingen, welke in wetten vóór de herziening der Grondwet in 1887 uitgevaardigd, voorkomen omtrent de rechten en verplichtingen van waterschappen, hunne besturen of de door hen geheven lasten, gelden ook voor de veenschappen en veenpolders, hunne

179

12*

-ocr page 230-

WET OMTBENT VEEVENINGEN.

besturen en de door hen geheven lasten. (Wet Watersch. best. 9 Oct. 1841, S. 42.) _

De dwangmiddelen, die volgens die wetten tegen waterschappen kunnen worden aangewend, kunnen evenzeer worden aangewend tegen veenschappen of veenpolders. (Wet voorl. voorz. waterst. bel. 12 Juli 1855, S. 102, art. 7 volg.)

Waar in genoemde wetten een verbod voorkomt om lid of beambte van een waterschapsbestuur te zijn, sluit dit verbod tevens in het verbod om lid of beambte van het bestuur of een veenschap of veenpol-der te wezen.

10. Bij provinciale verordening kan het geven van nadere voorschriften omtrent verveningen aan de besturen van waterschappen, veenschappen of veenpolders worden opgedragen of overgelaten.

Waar de bevoegdheid tot het geven van voorschriften tot hiertoe aan die besturen was toegekend of wettig door hen uitgeoefend, blijven zij daarin gehandhaafd voor zoover niet de Staten onder Onze goedkeuring anders bepalen. (Wet 1841 S. 42, art. 2.)

11. Vervening zonder de vereischte vergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorwaarden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste ƒ 100.

Het strafbare feit wordt beschouwd als overtreding.

De voorwerpen door middel van overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, kunnen, voor zoover zij den veroordeelde toebehooren, worden verbeurd verklaard. (2.)

12. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de verveningen, in strijd met de wet ondernomen, feitelijk te doen beletten en om het terrein op kosten der verveners zooveel mogelijk in den vorigen toestand te doen herstellen.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, dan nadat de belanghebbenden schriftelijk zijn gewaarschuwd.

13. Bij het in werking treden van deze wet vervallen de artikelen 83—86 der wet van 21 April 1810 (Bulletin des Loü no. 225), de wet van 1 Augustus 1893 (Staatsblad no. 133), gewijzigd bij die van 9 Juli 1894 (Staatsblad no. 104), en het Koninklijk besluit van 17 Februari 1819 (Staatsblad no. 6).

180

-ocr page 231-

WET,

TER UIÏVOEBING VAN AKTIKEL 191 DER GRONDWET.

(Vastgesteld dm 20sten Juli 1895, Stsbl, no. 139, uitgegeven den 27stcii Juli d.a.v.)

Art. 1. De besturen van waterschappen, veenschappen en veen-polders kunnen verordeningen maken in het huishoudelijk belang van die instellingen.

Het reglement der instelling wijst aan welk gezag de verordening maakt. (G. 190.)

2. De verordeningen worden terstond aan Gedeputeerde Staten, voor zoover dit door hen is voorgeschreven of wanneer zij daartoe aanvraag doen, medegedeeld.

3. De verordeningen mogen geene bepalingen inhouden omtrent punten, waaromtrent bij eene wet, een algemeenen maatregel van bestuur, eene provinciale verordening, of het reglement der instelling is voorzien.

De bepalingen dier verordeningen, in welker onderwerp wordt voorzien door eene wet, een algemeenen maatregel van bestuur, eene provinciale verordening, of het reglement der instelling, houden van rechtswege op te gelden.

4. Keuren of politieverordeningen kunnen alleen door die besturen van waterschappen, veenschappen of veenpolders worden gemaakt, aan welke de bevoegdheid daartoe bij het reglement der instelling uitdrukkelijk is toegekend.

Besturen van waterschappen welke die bevoegdheid tot hiertoe wettig hebben uitgeoefend, behouden die bevoegdheid totdat door de Staten, onder Onze goedkeuring, anders is beslist. (Wet Watersch. best. 1841, S. 42, art. 2; Verveningen 1895, S. 113, art. 10.)

5. Op overtreding dier keuren of politieverordeningen kan hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden worden gesteld, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelden toebehoo-ren. (Gem. 161.)

De feiten aldus strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen. (S.R. 91, 424 volg.)

-ocr page 232-

182 WET TER UÏTV. VAN ABT. 191 DER GRONDWET.

6. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis of geldboete tot het dubbel van het gestelde maximum worden opgelegd.

7. Eene keur of politieverordening wordt niet vastgesteld, dan nadat het ontwerp op de bij het reglement omschreven wijze aan de belanghebbenden is bekend gemaakt, en deze gelegenheid hebben gehad hunne bezwaren schriftelijk aan het bestuur in te zenden gedurende een mede bij het reglement te bepalen termijn.

Daarenboven wordt aan de besturen der gemeenten, op welker grondgebied de keur of politieverordening kracht zal hebben, het ontwerp te gelijk met die bekendmaking toegezonden.

De vastgestelde keur of politieverordening wordt aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring ingezonden, vergezeld van de ingediende bezwaarschriften en de beschouwingen van het bestuur daaromtrent.

8. Het besluit van Gedeputeerde Staten waarbij de goedkeuring wordt geweigerd, wordt met redenen omkleed.

9. Gedeputeerde Staten deelen hunne beslissing, zoodra die gevallen is, aan het bestuur der instelling dat de keur of politieverordening ter goedkeuring heeft aangeboden en aan de besturen der gemeenten, in het tweede lid van artikel 7 bedoeld, mede.

Tegen eene onthouding der goedkeuring kan eerstgenoemd bestuur binnen 30 dagen na de ontvangst der beslissing van Gedeputeerde Staten bij Ons voorziening vragen.

Is de keur of politieverordening door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, dan brengt het gezag met het dagelijksch bestuur der instelling belast, deze beslissing van Gedeputeerde Staten onmiddellijk ter openbare kennis op de wijze voor de bekendmakingen dier instellingen voorgeschreven en legt te gelijker tijd de keur of politieverordening gedurende 30 dagen na de dagteekening dier bekendmaking voor belanghebbenden ter visie.

Binnen genoemd tijdvak van dertig dagen staat voor ieder belanghebbende en voor den Commissaris der Koningin in de provincie beroep op Ons open.

10. Het adres van beroep wordt aan Ons gericht, maar ingediend bij den Commissaris der Koningin in de provincie, die daarop den dag van ontvangst aanteekent en het adres vervolgens aan Ons opzendt. Hij geeft een bewijs van de ontvangst af. \'

Zoodra hij een adres van beroep van belanghebbenden heeft ontvangen of zelf in beroep is gekomen, geeft hij van het beroep kennis aan het bestuur, dat de keur of politieverordening ter goedkeuring heeft aangeboden. (Wet R.v.S. 22.)

11. De keur of politieverordening verbindt niet dan wanneer zij overeenkomstig het reglement der instelling is afgekondigd.

Tot die afkondiging wordt niet overgegaan dan nadat de in artikel 9 gestelde termijn verstreken is, zonder dat een adres van beroep

-ocr page 233-

WET TER UITV. VAN ABT. 191 DEK GRONDWET. 183

ia ingediend, of, indien zoodanig adres is ingediend, door Ons op het beroep is beslist.

12. De keuren of politieverordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien waarop zij zijn afgekondigd.

13. Te gelijk met de afkondiging worden de keuren of politieverordeningen voor een ieder ter lezing gelegd voor den tijd van drie maanden. Tevens worden zij, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld en medegedeeld aan het kantongerecht, de arrondissements-rechtbank en het gerechtshof waaronder de instelling behoort, en aan het openbaar ministerie bij dat kantongerecht en die colleges.

Het oorsprokelijke stuk wordt in het archief der instelling bewaard.

14. Het reglement wijst het bestuur aan met de zorg voor de uitvoering der keuren of politieverordeningen belast.

Onder de uitvoering behoort de bevoegdheid tot het op kosten dei-overtreders doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorigen toestand herstellen van hetgeen in strijd met die keuren of politieverordeningen is of wordt gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd. (Gem. 180.)

15. Met de opsporing van de overtredingen der keuren of politieverordeningen zijn belast de voorzitter en de leden van het in het eerste lid van artikel 14 bedoelde bestuur en de beëedigde beambten der instelling, evenals dat bestuur zelf, ieder voor zooveel zijn waterschap, veenschap of veenpolder betreft.

Het bestuur kan gedurende dertig dagen na de bekeuring met de bekeurden in schikking treden.

De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van de instelling.

De betaling van het bij schikking bepaalde doet het recht tot strafvordering vervallen.

16. Elke keur of politieverordening wordt binnen tien jaren na hare goedkeuring herzien.

Die termijn kan door Gedeputeerde Staten of door Ons eens of meermalen, maar in het geheel met niet meer dan één jaar, worden verlengd, wanneer eene herziening bij Gedeputeerde Staten of bij Ons in onderzoek is, of de goedkeuring aan eene herziene keur of politieverordening is onthouden.

Verlenging van den termijn wordt ten spoedigste bekend gemaakt op de wijze, waarop de afkondiging der keuren of politieverordeningen geschiedt.

Na verloop van den termijn is de niet herziene keur of politieverordening vervallen.

Van de keuren of politieverordeningen die meer dan vijf jaar vóór

-ocr page 234-

184 WET TEE TJITV. VAN ART. 191 DER GRONDWET.

het in werking treden dezer wet zijn goedgekeurd, heeft de eerste herziening binnen vijf jaar na dat in werking treden plaats. Het tweede lid van dit artikel is op dezen termijn van toepassing.

17. Jaarlijks in de maand Februari wordt door Gedeputeerde Staten der provincie in het Provinciaal Blad eene opgaaf geplaatst van de titels der keuren of politieverordeningen in het afgeloopen jaar goedgekeurd, met vermelding van de dagteekening der goedkeuring.

Daarbij worden vermeld de verordeningen voor welke de termijn voor de herziening is verlengd, met opgaaf van den duur der verlenging. (16.)

18. Indien de keur of politieverordening verbiedt zonder vergunning van het uitvoerend bestuur iets te doen of na te laten, kan dat bestuur aan zijne vergunning voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden mogen uitsluitend strekken tot bescherming van die belangen, om welke het vereischte van vergunning is gesteld.

Onder handhaving der gegeven vergunning kunnen voorwaarden door het bestuur in strijd met dit voorschrift gesteld, worden vernietigd overeenkomstig de regels omtrent de vernietiging van besluiten van de besturen van waterschappen, veenschappen of veenpolders gesteld of te stellen.

Op overtreding der aan de vergunning verbonden voorwaarden is artikel 5 toepasselijk.

19. Bepalingen eener keur of politieverordening door Gedeputeerde Staten of door Ons goedgekeurd, die later blijken met het algemeen belang te strijden, kunnen door Ons, den Èaad van State gehoord, worden vernietigd.

20. De artikelen 1 tot 6 der wet van 12 Juli 1855 (Staatsblad no. 102) tot voorloopige voorziening in sommige waterstaatsbelangen, en artikel 26 der wet van 15 April 1886 (Staatsblad no. 64) houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Staatsblad no. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht en de overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe Wetboek, zijn vervallen.

-ocr page 235-

WET

KEGELENDE DE ONTEIGENING TEN ALGEMEENEN NUTTE.

(Vastgesteld den ZSsten Augustus 1851, Stsbl. no. 125, uitgegeven den 6den Sept. d.a.v. Gewyzigd bjj de wet van 1 Juny 1861, Stsbl. no. 54, 29 Maart 1877, Stsbl. no. 52 en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Onteigening ten algemeenen nutte kan in het publiek belang van den Staat, van eene of meer provinciën, van eene of meer gemeenten, en van een of meer waterschappen plaats hebben. (G. 151, 152.)

2. In dat publiek belang kan ook ten name van bijzondere personen of vereenigingen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend. (O. 19.)

3. Als eigenaars van het goed waarvan sprake is, worden zij beschouwd, die als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomen, en bij gemeenen eigendom, uit die registers blijkbaar, ook de mede-eigenaars. (O. 14.)

Desniettegenstaande kan ieder, die beweert eigenaar of medeeigenaar te zijn, en niet in het geding van onteigening is geroepen, aan den regter verzoeken, daarin te mogen tusschenkomen, zoolang de eindconclusiën door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde regt hebben derde belanghebbenden, waaronder verstaan worden huurders, en zij die zakelijke regten op het goed hebben.

Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, mede-eigenaar of derde belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet, en zal hij, die beweert eenig regt op de zaak te hebben, dit alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd. (O. 55.)

4. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Kegtsvordering zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

STAATSWETTEN. 13

-ocr page 236-

WET OP DE ONTEIGENING.

TITEL I.

OVER ONTEIGENING IN GEWONE GEVALLEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER HETGEEN AAN DE VERKLARING VAN HET ALGEMEEN NUT VOORAF BEHOORT TE GAAN.

Art. 5. Geene verklaring van algemeen nut wordt voorgesteld, dan nadat de belanghebbenden in staat zijn gesteld hunne bezwaren daartegen te doen hooren.

6. Te dien einde doet, nadat eenig werk van algemeen nut is ontworpen , het betrokken Departement van algemeen bestuur aan het bestuur van ieder gemeente, binnen welke vermoedelijk ten behoeve van dat werk eigendommen zullen te onteigenen zijn, een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeningen van dat gedeelte, hetwelk onder die gemeente gelegen is, toekomen. (O. 8.)

De vermoedelijk te onteigenen eigendommen worden, met hunne kadastrale nommers en de namen hunner in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, duidelijk aangewezen.

7. Ten minste gedurende dertig dagen worden die plannen, kaarten en grondteekeningen op de secretariën der gemeenten, ter inzage van een ieder, nedergelegd.

Van die nederlegging wordt door de hoofden der gemeentebesturen ên in de Staatscourant èn in een der dagbladen hunner provincie en gemeente, of, bij het ontbreken daarvan, in dat eener naburige plaats kennis gegeven. Zij wordt daarenboven door hen op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt.

De kosten worden door den Staat vergoed, die ze verhaalt op hen ten wier name het werk wTordt ontworpen. (O. 9, 11.)

8. De belanghebbenden moeten binnen dertig dagen, na de aan het slot van het vorig artikel vermelde bekendmaking hunne bezwaren, mondeling of schriftelijk, aan het collegie van burgemeester en wethouders der gemeente, binnen welke de aangewezen goederen go-legen zijn, opgeven. Dit brengt die bezwaren, waarvan het in het eerste geval proces-verbaal, door belanghebbenden te önderteekenen, opmaakt, ten spoedigste ter kennis van het bij het werk betrokken Departement van algemeen bestuur en voegt er zijn advies over de in-gebragte bezwaren bij. (O. 6.)

9. Wanneer tot het maken van het plan, gravingen, opmetingen, of het stellen van teekenen op iemands grond noodig geacht worden, moeten de bruikers dier goederen dit gedoogen. mits hun dit twee maal vier en twintig uren te voren door het hoofd van het gemeentebestuur schriftelijk zij aangezegd.

De schade, daardoor veroorzaakt, wordt door den kantonregter be-

186

-ocr page 237-

WET OP DE ONTEIGENING.

groot, en door den Staat vergoed. Deze verhaalt die kosten op hen, ten wier name het werk wordt ontworpen. (O. 7.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVEE DE EIND A AN WIJZING DER TE ONTEIGENEN PERCEELEN.

Art. 10. Het voorstel van wet tot verklaring van het algemeen nut, wijst de aard en de strekking, zoomede de hoofdpunten ter bepaling der algemeene rigting van het werk aan, en, bij kanalen en wegen, zooveel mogelijk de gemeenten, door welke zij zullen loopen. (G. 151.)

Nadat die verklaring wet is geworden, benoemen Gedeputeerde Staten eene of meer commissiën uit hun midden, die, bijgestaan door eenen van wege het algemeen bestuur aan te wijzen ingenieur en het hoofd van het betrokken gemeentebestuur, zich in alle gemeenten vervoegen binnen welke, volgens het plan, één of meer pereeelen te onteigenen zijn, ten einde de bezwaren der belanghebbenden tegen dat plan aan te hooren.

Die commissiën moeten hare werkzaamheden, met inbegrip van de inzending van het proces-verbaal, in art. 13 vermeld, binnen zes weken, van den dag harer benoeming af, volbragt hebben. (O. 13, 63.)

11. Uiterlijk veertien dagen, vóór dat de commissie zich naar eenige gemeente begeeft, wordt, door de zorg van het hoofd van het gemeentebestuur, tijd en plaats, op welke de commissie bijeen zal komen, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt. Een en ander wordt tevens in de Stcmtscotirant, benevens in een of meer dagbladen der provincie, door Gedeputeerde Staten daartoe aan te wijzen, aangekondigd. De kosten komen ten laste van hen, ten wier name het werk wordt uitgevoerd. (O. 7, 9.)

De belanghebbenden worden daarbij tevens opgeroepen.

12. Zoo spoedig mogelijk, en ten minste veertien dagen vóór de zamenkomst der commissie binnen eenige gemeente, moeten de uitgewerkte plans van het werk met de kaarten en grondteekeningen, voor zooverre deze stukken die gemeente betreffen, op de secretarie dier gemeente ter inzage van een ieder nedergelegd worden. Het tweede lid van art. 6 is hier toepasselijk. De bekendmaking geschiedt op de wijze en ten koste als in het vorig artikel vermeld.

De stukken blijven ter inzage van een ieder liggen, totdat de commissie hare werkzaamheden binnen die gemeente heeft volbragt.

Een uitgewerkt plan van het geheele werk is, van het tijdstip, in art. 11 aangewezen, totdat de commissie hare werkzaamheden heeft volbragt, ter inzage van een ieder, hetzij ter secretarie van eene der gemeenten, door welke het werk loopt, hetzij ter griffie van de provincie.

13. Van de mondeling bij haar ingekomen klagten maakt de cora-

13*

187

I

-ocr page 238-

WET OP DE ONTEIGENING.

missie proces-verbaal, door de klagers te onderteekenen, op, en zendt dit met de haar schriftelijk medegedeelde bezwaren, benevens hare meening daaromtrent, aan het bij het werk betrokken Departement van algemeen bestuur. (O. 6.)

Van dat proces-verbaal en dat advies moet een afschrift op de se-cretariën der gemeenten, binnen welke de commissie hare zittingen gehouden heeft, voor ieder, die dit verlangt, ter lezing liggen. Ieder kan er ten zijnen koste een afschrift van nemen.

14. Nadat de stukken bij het Departement zijn onderzocht, geschiedt de eindelijke aanwijzing der perceelen, welke onteigend moeten worden, door aanhaling van de plans of kaarten, waarop die perceelen naauwkeurig zijn aangewezen, en vermelding van hunne kadastrale nommers en de namen der in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars. Die aanwijzing geschiedt door Ons binnen acht maanden, nadat de commissiën haren arbeid hebben volbragt.

Wanneer Ons besluit niet binnen dien tijd genomen is, vervalt de wet, waarbij het algemeen nut verklaard is. Geene nieuwe wet mag daaromtrent voorgesteld worden, dan nadat op nieuw de formaliteiten, bij artt. 5 en volgende voorgeschreven, plaats hebben gehad.

Indien andere perceelen, dan welke bij het eerste plan vermeld zijn, moeten worden onteigend, worden de bepalingen der vier voorgaande artikelen ten aanzien dier perceelen toegepast. (O. 3, 10.)

15. Ons besluit wordt in de Staatscourant en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen openbaar gemaakt. Het wordt daarenboven door de hoofden der gemeentebesturen, binnen welke perceelen te onteigenen zijn, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt. (O. 11.)

16. Perceelen, die onteigend moeten worden ten gevolge van veranderingen in de door de aanwijzing, in art. 14 genoemd, vastgestelde rigting, worden mede door Ons op de wijze en binnen den tijd, bij dat artikel bepaald, aangewezen.

Ons besluit deelt de redenen mede, welke de verandering hebben doen noodig keuren. Het wordt op de wijze, bij art. 15 vermeld, ter algemeene kennis gebragt.

Het heeft geenerlei kracht, zoo de formaliteiten, bij artt. 10, 11, 12 en 13 voorgeschreven, daaraan niet zijn voorafgegaan.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET GEDING TOT ONTEIGENING.

Art. 17. Zoodra Ons besluit het te onteigenen goed heeft aangewezen, moet de onteigenende partij den eigendom, vrij van alle lasten en regten. daarop rustende, bij minnelijke overeenkomst pogen te verkrijgen. (O. 14, 66.)

Zij kan er echter erfdienstbaarheden op gevestigd laten.

188

-ocr page 239-

WET OP DE ONTEIGENING.

Wanneer het eigendommen betreft, welker vervreemding volgens de wet niet zonder magtiging van regterlijke of administratieve magt kan plaats hebben, is die magtiging ook in dit geval noodig. De eigendom mag voor geenen lageren prijs worden afgestaan dan waarop die vóór de magtiging geschat zal wezen, door drie deskundigen, door de bevoegde arrondissements-regtbank te benoemen. (G. 146.)

De acte van overdragt wordt op de wijze, bij de wet bepaald, in de openbare registers ten koste der verkrijgers overgeschreven.

18. Ingeval de onteigenende partij geene overeenkomst heeft kunnen treffen, doet zij de eigenaars, in Ons besluit aangewezen, voor de arrondissements-regtbank, onder wier regtsgebied die goederen gelegen zijn, dagvaarden, ten einde de onteigening dier perceelen te hoo-ren uitspreken, en het bedrag der schadeloosstelling te hooren vaststellen.

Indien de, aan denzelfden eigenaar toebehoorende goederen, die onteigend moeten worden, in verschillende arrondissementen zijn gelegen, wordt de dagvaardiging gedaan voor de regtbank, onder welker ressort de hoofdplaats der bebouwing behoort, en bij gebreke van zulk eene hoofdplaats, voor eene der regtbanken, binnen welker ressort een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze van de onteigenende partij.

10. In het geding der onteigening treden, wanneer de uitvoering van het werk aan bijzondere personen of vereenigingen is toegestaan, deze als eischende partij op. Waar dit het geval niet is, wordt het geding op naam van Onzen Commissaris in de provincie gevoerd, of, indien de onteigening alleen binnen eene enkele gemeente gevorderd wordt, op naam van het hoofd van het gemeentebestuur.

In het publiek belang van een waterschap kan het geding ook op naam van het bestuur van dat waterschap worden gevoerd. (O. 1, 2.)

20. Wanneer de eigenaar buiten het Koningrijk woont, of zijne woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen den gevol-magtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen het Koningrijk bekend is, en, zoo ook deze onbekend is, tegen een derde, binnen het ressort der regtbank wonende, en door deze op verzoek en ten koste der onteigenende partij, te dien eindé te benoemen. De alzoo benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen.

Desniettemin is de eigenaar geregtigd ten dage, in art. 23 genoemd, op de dagvaarding, aan den gevolmagtigde, bewindvoerder of door den regter benoemde gedaan, te verschijnen, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

21. De onteigening van al de binnen het regtsgebied derzelfde arrondissements-regtbank voor het werk noodige en niet bij minnelijke overeenkomst verkregene eigendommen moet te gelijker tijd ge-

189

-ocr page 240-

\\VET OP DE ONTEIGENING.

vraagd worden, op straffe van veroordeeling van den eischer in al de kosten van de gedingen, over later aangevraagde onteigeningen gevoerd. (O. 17.)

Deze bepaling is niet van toepassing op peroeelen, krachtens art. 16 ter onteigening aangewezen.

22. De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden. (O. 50.)

23. Ten minste drie dagen vóór de verschijning legt de onteigenende partij tot staving van haren eisch, ter griffie van de regtbank over:

1°. Ons besluit, waarbij de te onteigenen perceelen worden aangewezen; (O. 14—16, 66.)

2°. een door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden zitting gehouden heeft in de gemeente, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is; alsmede de Staatscourant, waarin die zitting ten minste veertien dagen te voren is bekend gemaakt; (O. 11.)

3°. een mede door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de uitgewerkte plans met de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen overeenkomstig art. 12 op de secretarie der gemeente gelegen hebben; en, zoo het plan, in het laatste lid van dat artikel genoemd, ter griffie van de provincie was uedergelegd, een daarvan door den griffier der Staten afgegeven bewijs. \'

24. De regtbank behandelt zaken, aangaande onteigening ten al- I gemeenen nutte, vóór elke andere.

Ten dage dienende concludeert de aanlegger tevens tot benoeming van één of meer deskundigen, ter opneming der schade door de onteigening aan de eigenaars en derde belanghebbenden te veroorzaken.

Op denzelfden dag, of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.

Partijen kunnen in dezelfde teregtzitting hare conclusiën bij pleidooi breeder ontwikkelen.

Alle gronden van verdediging, zoo exeeptiën als die, welke de hoofdzaak aangaan, worden, op verbeurte van het regt om de overige in te brengen, te gelijker tijd voorgesteld.

Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.

Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt met den verschijnende onmiddellijk voortgeprocedeerd, en de uitspraak geschiedt tusschen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet wordt toegelaten.

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusie in dezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting doet de regtbank uitspraak.

25. De regtbank kan aan de onteigenende partij haren eisch niet toewijzen:

190

-ocr page 241-

WET OP DE ONTEIGENING.

1°. wanneer de wet ontbreekt, waarbij het algemeen nut van het werk verklaard is; (O. 10.)

2°. wanneer Ons besluit, waarbij de aanwijzing ter onteigening der in de dagvaarding vermelde goederen is geschied, niet wordt overgelegd ; (O. 23.)

3°. wanneer het blijken mogt, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden bij de rigting van het werk in de gemeenten, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is, geene zitting gehouden heeft, of wel dat de zitting niet vooraf in de Staatscourant bekend is gemaakt; (O. 11.)

4°. wanneer de uitgewerkte plans met de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen niet overeenkomstig art. 12 op de secreta-riën der gemeenten ter inzage gelegen hebben.

26. Tegen de uitspraak des regters, houdende nietigverklaring van de dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten.

27. Buiten de gevallen, in het voorgaande artikel genoemd, benoemt de regtbank een of meer deskundigen in oneffen getale.

Zij benoemt voorts een harer leden, om, vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn, en wijst het dagblad aan, waarin de aankondiging door het openbaar ministerie, in het volgende artikel vermeld, moet geschieden. (O. 66.)

28. Het vonnis der regtbank wordt door de onteigenende partij aan de wederpartij beteekend ten minste acht dagen vóór dien, waarop het onderzoek is bepaald, met oproeping om daarbij tegenwoordig te zijn. Bij afwezigheid der wederpartij gaat het onderzoek door.

Binnen acht dagen nadat het vonnis is gewezen, wordt het door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.

De regter-commissaris bepaalt, met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van het onderzoek der deskundigen, en geeft daarvan onmiddellijk kennis aan het openbaar ministerie. Dit doet daarvan aankondiging in het dagblad, in het vonnis aangewezen. De griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij dat onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begroeten. (O. 35, 36.)

29. De deskundigen leggen op de plaats des onderzoeks in handen van den regter-commissaris den eed af.

Zij kunnen, op de gronden in art. 1950 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, door partijen gewraakt worden.

De regter-commissaris beslist over de redenen van wraking, die niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld. Van zijne beslissing valt noch hooger beroep, noch cassatie.

In de plaats der deskundigen, die niet opgekomen zijn. of weigeren aan hunne verpligtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen.

191

-ocr page 242-

WET OP DE ONTEIGENING.

Indien tengevolge hiervan het onderzoek moet worden uitgesteld, bepaalt de regter-commissaris daarvoor eenen naderen tijd, waarvan noch beteekening door partijen, noch aankondiging door het openbaar ministerie geschiedt.

De regter-commissaris brengt de bepaling dezer wet omtrent de begrooting der schadeloosstelling, voor zooveel ter zake vereischt wordt, onder de aandacht der deskundigen. (O. 39 volg.)

30. Partijen kunnen aan den regter-commissaris en de deskundigen al die stukken mededeelen en al de gronden opgeven, welke volgens haar oordeel tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden.

31. Ook ambtshalve kan de regter-commissaris ten allen tijde die personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier inlichtingen hij tot betere beoordeeling der zaak nuttig mogt achten.

Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door den regter-commissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

32. De formaliteiten, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvor-dering voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het berigt van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.

33. Wanneer de deskundigen o£ de personen, wier verschijning de regter-commissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, schoon behoorlijk geroepen, niet opkomen, of, zonder wettige redenen, weigeren den eed te doen, of de van hen gevraagde inlichtingen te geven, worden zij door den regter-commissaris veroordeeld tot vergoeding der te vergeefs gedane onkosten; alles onverminderd hunne gehoudenheid jegens de partijen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.1) (S.E. 192, 2° en 444.)

Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift, om billijke redenen, van de tegen hen uitgesprokene veroordeeling vrijstellen.

34. De griffier maakt een proces-verbaal op, door den regter-commissaris en hem te onderteekenen, van het bij het onderzoek gebeurde.

Hij neemt daarin de verklaringen op der personen, bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend. De deskundigen doen hun advies in het procesverbaal opnemen of voegen het er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.

In geval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teekenen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, met opgave der redenen.

De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling dei-schadeloosstelling rust.

192

Zij begrooten ook de schadeloosstellingen, aan derde belanghebbenden te betalen, voor zooverre die bij deze wet niet zijn geregeld.

1

Aldus gewijzigd bij art. 3c( der wet van 16 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 243-

WET OP DE ONTEIGENING.

In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de nederlegging ter griffie, in het volgende artikel voorgeschreven, zal plaats hebben.

35. Een en ander wordt gedurende veertien dagen ter inzage der partijen als ook der derde belanghebbenden op de griffie nedergelegd. waarvan door den griffier in een dagblad, door den regter-commis-saris aan te wijzen, kennis wordt gegeven. (O. 3, 28.)

36. Gedurende die veertien dagen kunnen partijen en derde belanghebbenden hunne bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben be-teekend, schriftelijk aan den regter-commissaris indienen.

37. Na afloop dier veertien dagen brengt de regter-commissaris, in de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde teregtzitting, zijn rapport uit, zonder dat er eenige verdere oproeping van partijen vereischt wordt.

Op dezelfde teregtzitting kunnen derde belanghebbenden conclusiën nemen, en, zoowel als partijen, hunne conclusiën nader bij pleidooi doen ontwikkelen. Het openbaar ministerie neemt zijne conclusiën in dezelfde teregtzitting of uiterlijk binnen acht dagen daarna.

Uiterlijk veertien dagen na die teregtzitting doet de regtbank, indien zij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, in art. 235 van het Wetboek van Burgerlijke Kegtsvordering toegekend, uitspraak over de onteigening en over de schadeloosstelling, aan de eigenaars en derde belanghebbenden uit te keeren. (O. 66.)

38. Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de vordering des eigenaars bij zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door de onteigenende partij geheel worden overgenomen.

Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer deze door de onteigening tot een vierde hunner uitgestrektheid verminderen of kleiner dan tien vierkante Nederlandsche roeden worden.

Deze overneming kan echter niet gevorderd worden, wanneer het overgebleven stuk gronds onmiddellijk aan een ander erf van denzelfden eigenaar grenst. (O. 43.)

39. Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op nieuwe getimmerten of op veranderingen, gemaakt na de nederlegging ter inzage, in art. 7 of in art. 12 bepaald, naar gelang het goed volgens het plan in eerstgemeld, of volgens dat in laatstgemeld artikel genoemd, ter onteigening is aangewezen.

40. Alleen de werkelijke waarde der goederen, niet de denkbeeldige , welke zij uitsluitend voor den persoon des eigenaars hebben, komt in aanmerking.

41. Bij berekening der schadeloosstelling wordt acht gegeven op de mindere waarde, welke voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is.

42. Bij onteigening van een verhuurd goed wordt door de onteigenende partij aan den huurder, wiens huurtijd nog één of meer jaren moet duren, tot schadeloosstelling eene som betaald, gelijkstaande aan den huurprijs van twee jaren.

13a

193

-ocr page 244-

WET OP DE ONTEIGENING.

Indien nogtans de te velde staande vruchten, o£ de onkosten welke de huurder aantoont gedurende de laatste twee jaren aan het goed te hebben besteed, meer beloopen dan de tweejarige huurprijs, wordt de waarde dier vruchten of het bedrag dier onkosten als schadeloosstelling betaald.

Indien de huurder minder dan een jaar huur had, wordt hem de huurprijs van een vol jaar, of de waarde der te velde staande vruchten, zoo die meer beloopt, vergoed.

Indien de verhuring of hare verlenging na een der termijnen, in art. 39 volgens de daarbij vermelde onderscheiding aangewezen, heeft plaats gehad, wordt door de onteigenende partij aan den huurder geene schadeloosstelling betaald, maar heeft deze eene vordering tot schadevergoeding tegen den verhuurder, ten ware anders mogt zijn overeengekomen.

43. De hypotheekhouder heeft geen regt op eenige afzonderlijke schadevergoeding. Hij oefent zijn regt alleen uit op de som, die aan den van zijn erf onteigende is toegekend, en zulks onverschillig of zijne schuldvordering al dan niet opeischbaar zij.

Hij heeft geen regt, de betaling zijner geheele schuldvordering te eischen, wanneer slechts een gedeelte van het verhypothekeerde goed onteigend wordt. (O. 38.)

Wanneer de hypotheek tot zekerheid eener voorwaardelijke schuld-of eener schuld van onbepaalde grootte is gesteld, kan de schuldeischer vorderen, dat die som tot het beloop der in de acte opgegevene waarde in een van de grootheden der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, wordt ingeschreven; in het eerste geval totdat de onzekerheid omtrent het bestaan der schuld hebbe opgehouden.

Wanneer de hypotheek tot zekerheid van altijddurende renten is gesteld, wordt het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche rente uit de schadeloosstelling voldaan.

44. Wanneer ten gevolge der onteigening een regt van erfdienstbaarheid verloren wordt, zal de vergoeding uit de aan den onteigende toegekende som worden gevonden, en daarop bij de bepaling dier som worden gerekend. Bij de berekening wordt vooral de meerdere of mindere noodzakelijkheid dier erfdienstbaarheid, en de mogelijkheid haar door eene andere te doen vervangen, in het oog gehouden.

45. Hij, die op het onteigende goed een regt van vruchtgebruik had, heeft slechts aanspraak op de interessen van de aan den onteigende als schadeloosstelling toegekende som, welke op zijn verlangen in een der grootboeken der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, wordt ingeschreven.

Hetzelfde geldt voor hen, die een regt van gebruik of bewoning op het onteigende goed hebben, doch alleen tot een bedrag, berekend naar gelang van hun genot, door de deskundigen te bepalen.

Bij onteigening van fideicommissaire goederen, doet de bezwaarde erfgenaam de schadeloosstelling in een der grootboeken inschrijven.

194

-ocr page 245-

WET OP DE ONTEIGENING.

46. Zij, die door de onteigening een regtvan grondrenten of tienden verliezen, hebben uit de som, tot schadeloosstelling aan den schuld-pligtige toegewezen, regt op den afkoopprijs, bii de vestiging bepaald, en, bij gebreke van zoodanige bepaling, op het tvvintigvoudig bedrag der jaarlijksche of gemiddelde opbrengst , volgens de regels in artt. 799 en 800 van het Burgerlijk Wetboek gesteld.

47. Bij verlies ten gevolge van onteigening van eenen in tijdelijke erfpacht bezeten grond, wordt de vergoeding, aan den erfpachter verschuldigd, door de deskundigen begroot, die daarbij letten op den tijd, dien het regt waarschijnlijk nog zou hebben geduurd.

Op gelijke wijze bepalen zij, wat uit de schadeloosstelling aan hem, die een regt van opstal verliest, zal worden betaald.

Bij onteigening van erven, aan het regt van beklemming onderworpen of in eeuwigdurende erfpacht bezeten, worden zoowel de eigenaar als de beklemde meijer, of de erfpachter in het geding geroepen en de aan elk hunner verschuldigde schadeloosstelling afzonderlijk begroot.

48. Bij onteigening in geval van bepoldering en droogmaking van verdronken landen, wordt aan de onteigenden, overeenkomstig de bepaling van art. 649 van het Burgerlijk Wetboek, slechts de waarde betaald, waarop die gronden als verdronken land zullen worden geschat.

49. Wanneer de onteigening niet den geheelen grond, waarop de in de vorige artikelen genoemde regten rusten, maar slechts een gedeelte treft, wordt de schadeloosstelling in evenredigheid van het niet onteigende tot het onteigende gedeelte, naar de bovenstaande regels, berekend. (O. 48, 53.)

50. Wanneer de bij het vonnis bepaalde schadevergoeding meer bedraagt dan het gedane aanbod, wordt de onteigenende partij, en in de overige gevallen de verweerder, in de kosten veroordeeld. (O. 22.)

51. Wanneer het vonnis bij verstek is gewezen, kan men daartegen binnen acht dagen na de beteekening, op de wijze, in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven, in verzet komen.

52. Tegen het vonnis wordt geen hooger beroep toegelaten.

De voorziening in cassatie moet binnen drie dagen na de uitspraak plaats hebben.

Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der regtbank, die het vonnis heeft gewezen. (O. 66.1

53. Deze verklaring wordt binnen acht dagen met eene ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend, en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende, voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, teregtzitting na den in het volgend lid bepaalden termijn.

De tegenpartij heeft veertien dagen om, des verkiezende, te antwoorden.

In de genoemde teregtzitting nemen de partijen hare conclusiën,

195

-ocr page 246-

WET OP DE ONTEIGENING.

des verkiezende bij pleidooi, mits in dezelfde teregtzitting, nader te ontwikkelen.

Het openbaar ministerie neemt zijne eonclusiën in diezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting spreekt de Hooge Raad zijn arrest uit.

54. Binnen acht dagen, nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, doet het openbaar ministerie het bij uittreksel in een dagblad der provincie, bij het vonnis aangewezen, plaatsen.

Hetzelfde heeft, met inachtneming van denzelfden termijn, op last van het openbaar ministerie bij den Hoogen Raad plaats, wanneer de voorziening in cassatie tegen het vonnis, waarbij de onteigening werd uitgesproken, verworpen is, of wanneer de Hooge Raad, het vonnis des eersten regters vernietigende, de onteigening uitspreekt, in welk geval zijn arrest het dagblad aanwijst. (G. 165.)

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER BE BETALING VAN DE SCHADELOOSSTELLING.

Art. 55. Het vonnis van onteigening vervalt, wanneer niet binnen zes maanden, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, de schadeloosstelling betaald, of, in de gevallen, waarin dit volgens deze wet kan geschieden, geconsigneerd is. De onteigenende partij is alsdan gehouden tot vergoeding der schade, welke de wederpartij daardoor mogt hebben geleden. Onder die schade zijn echter niet begrepen de proceskosten, waarin de onteigende mogt zijn veroordeeld, noch ook het verlies der voordeden, die de onteigende uit de onteigening zou hebben getrokken. (O. 3, 50.)

Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den achtsten dag nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. (O. 72, 75.)

56. Wanneer zij, tegen wie de onteigening is uitgesproken, de bepaalde schadeloosstelling weigeren aan te nemen, kan de onteigenende partij zich in het bezit doen stellen van het onteigende goed, mits de schadeloosstelling aangeboden en geconsigneerd zij, op de wijze in de Tweede Afdeeling van den Vierden Titel van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek bepaald. (B.W. 1440 volg.)

57. In het geval van het voorgaand artikel wordt de onteigenende partij, op bevelschrift van den voorzitter der arrondissements-regtbank, des noods door middel van den sterken arm. in het bezit der onteigende goederen gesteld.

Bij haar verzoekschrift aan dien voorzitter moet zij een afschrift van het vonnis overleggen, waarbij de onteigening uitgesproken is, en eene verklaring van den griffier der arrondissements-regtbank, of, zoo er voorziening in cassatie heeft plaats gehad, van den griffier bij

196

-ocr page 247-

WET OP DE ONTEIGENING.

den Hoogen Raad, dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Ook de acte, waaruit van het aanbod van gereeds betaling en van de daarop gevolgde consignatie, of wel alleen van de consignatie in het geval van het volgend artikel, blijkt, moet worden overgelegd.

58. Wanneer onder de onteigenende partij beslag op de schadeloosstelling gelegd, of wanneer er rangregeling gevraagd mogt worden, do,et zij terstond zonder eenig aanbod de gelden consigneren en zich op de hierboven bepaalde wijze in het bezit stellen. (O. 55.)

59. Het vonnis van onteigening wordt tegen overlegging van een duplicaat der quitantie van betaalde schadeloosstelling, of van een afschrift der beschikking van den voorzitter der arrondissements-regtbank, waarbij de in-bezit-neming wordt toegestaan, in de openbare registers, bedoeld bij art. 671 van het Burgerlijk Wetboek, overgeschreven.

Door die overschrijving gaat de eigendom op de onteigenende partij over, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alleen erfdienstbaarheden kunnen op het onteigende goed gevestigd blijven, doch niet dan met goedvinden der onteigenende partij. (O. 57.)

60. Dijk- en soortgelijke lasten en alle belastingen, hoegenaamd, waarmede het onteigende goed is bezwaard of die daarvan worden betaald, gaan van den dag, waarop het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, of waarop, in het geval van art. 57, de in-bezit-neming heeft plaats gehad, op de onteigenende partij over.

61. Indien, ten gevolge van oorzaken welke de onteigenende bij magte was uit den weg te ruimen, met het werk, waartoe werd onteigend , niet binnen een jaar nadat het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, aanvang is gemaakt, of de arbeid daaraan meer dan een jaar mogt zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te toonen, dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebragt, kan de onteigende bij den regter het afgestane goed terugvorderen in den toestand, waarin het zich alsdan bevindt; doch onder gehoudenheid om, in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de schadeloosstelling terug te geven. (O. 76.)

TITEL n.

OVER DE ONTEIGENING BIJ VESTINGBOUW, DEN AANLEG, HET HEKSTEL OF ONDEKHOUD VAN DIJKEN, BIJ BESMETTING OF ANDERE DRINGENDE OMSTANDIGHEDEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE ONTEIGENING BIJ VESTINGBOUW, DEN AANLEG, HET HERSTEL OF ONDERHOUD VAN DIJKEN.

Art. 62. Onteigening van onroerende zaken, ten behoeve van ves-

197

-ocr page 248-

WET OP DE ONTEIGENING.

tingbouw, den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken, heeft plaats uit kracht van een door Ons, den Kaad van State gehoord, genomen besluit, waarbij de goederen, die onteigend moeten worden, naauwkeurig, met opnoeming hunner kadastrale nommers en van de namen der in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, worden aangewezen.

Dat besluit wordt in het Staatsblad geplaatst. (Gr. 151; O. 3, 69.)

63. Alvorens dit besluit te nemen worden de belanghebbenden in staat gesteld, hunne bezwaren tegen de rigting van het werk kenbaar te maken aan eene commissie, zamengesteld op de wijze bij art. 10 bepaald.

Waar het den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken geldt, wordt de commissie mede bijgestaan door een lid van een der ter plaatse bestaande collegiën of besturen, in artt. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 (Staatsblad no. 42) vermeld.

Deze commissie houdt in alle gemeenten, onder welke goederen te onteigenen zijn, ten minste ééne zitting. (O. 10.)

64. Art. 9, het laatste lid van art. 10 en de artt. 11 tot en met 61 zijn ten deze toepasselijk, met uitzondering van no. 1 van art. 25.

65. Wanneer niet de grond zelf onteigend wordt, maar slechts tot het verrigten van in dezen titel vermelde werken zekere speciën uit den grond noodig geacht worden, mag dit ook op een besluit van Gedeputeerde Staten of wel der in artt. 1 en 2 der wet van 9 Oc- .. tober 1841 (Staatsblad no. 42) vermelde collegiën en besturen geschieden.

Het besluit, door Ons of door de zoo even genoemde collegiën of besturen genomen, wijst zoo naauwkeurig mogelijk de oppervlakte aan, waarover en de diepte, tot welke de uitgraving zal plaats hebben.

Behalve de plaatsing in het Staatsblad, in art. 62 voorgeschreven, wordt het in de Staatscourant en in een dagblad der provincie opgenomen.

De schadeloosstelling bepaalt zich in dat geval tot de waarde der weggenomen speciën en de schade, door die wegneming aan den grond toegebragt, met inachtneming der bepaling van art. 41.

66. Bij gebreke van minnelijke schikking benoemt de arrondlsse-ments-regtbank, in het geval van het voorgaande artikel, op het ver- i zoekschirft hetzij van hem, die onteigent, of van den eigenaar van den grond, een of meer deskundigen, in oneffen getale, om een be-rigt over de schadeloosstelling te geven.

Bij het verzoekschrift moet een exemplaar van het Staatsblad, w aar-in Ons besluit, of van de Staatscourant en het dagblad der provincie, waarin dat der Gedeputeerde Staten of der andere genoemde collegiën of besturen is opgenomen, worden overgelegd.

De regtbank benoemt één harer leden, om als commissaris, vergezeld van den griffier, bij het onderzoek der deskundigen tegenwoor-woordig te zijn. (O. 17, 70.)

198

-ocr page 249-

WET OP DE ONTEIGENING.

Zij bepaalt tevens den dag en de plaats, waar en wanneer dat onderzoek zal geschieden. Ten minste twee maal vier en twintig uren te voren wordt dit aan de wederpartij beteekend en afschrift van het exploit ter griffie van de regtbank nedergelegd. Bij gebreke dier be-teekening vervalt het vonnis.

Het vonnis wordt aan het gebouw der regtbank aangeplakt, en de griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten.

De regter-commissaris bepaalt bij het onderzoek den dag, waarop hij zijn rapport aan de regtbank zal uitbrengen. Deze dag wordt aan de wederpartij beteekend, zoo zij niet is verschenen bij het onderzoek, en afschrift van het exploit ter griffie nedergelegd. Inmiddels liggen het proces-verbaal van den regter-commiasaris en het advies der deskundigen op de griffie ter lezing.

Op den bepaalden dag nemen, na het rapport van den regter-commissaris, partijen en derde belanghebbenden hunne conclusiën, welke zij, mits op dezelfde teregtzitting, bij pleidooi breeder kunnen ont-wikkelen.

De regtbank beslist, na het openbaar ministerie gehoord te hebben, terstond of op de eerstvolgende teregtzitting.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

Tegen het vonnis, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten.

Het 2de en 3de lid van art. 20, het laatste lid van art. 24, de artt. 29 en 33 en de vijf eerste leden van art. 34, zijn op de regts-vordering, in dit artikel omschreven, van toepassing. (O. 23, 28, 37, 52.)

67. De wegneming der speciën heeft niet plaats dan nadat de onteigenende partij de schadeloosstelling heeft betaald of geconsigneerd.

De artt. 55 tot 58 zijn ook hier van toepassing.

68. De artt. 65 tot en met 67 zijn niet toepasselijk ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, mogt rusten. Geen nieuwe verpligting van dezen aard kan na de afkondiging dezer wet door gewoonte of verordening worden gevestigd. 1)

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER ONTEIGENING BIJ BESMETTING.

199

Art. 69. Onteigening ter afwering eener gevreesde, of tot het stui-

1

Aldus gewijzigd bij de wet van 1 Junij 1861, Stsbl. no. 54.

-ocr page 250-

WET OP DE ONTEIGENING.

ten van den voortgang eener aanwezige, besmetting heeft plaats uit kracht van een besluit, door Ons genomen, verklarende dat daarvoor genoegzame reden bestaat. Wanneer echter het gevaar slechts voor eene provincie in het bijzonder te duchten is, kan die verklaring ook bij besluit van Gedeputeerde Staten geschieden.

In zeer dringende gevallen kunnen de gemeentebesturen hiertoe overgaan, mits van hun besluit binnen tweemaal vier en twintig uren aan Gedeputeerde Staten kennis gevende.

In het besluit, zoo van Ons, als van Gedeputeerde Staten of van het gemeentebestuur, worden de goederen, die onteigend moeten worden , met opnoeming van de namen der eigenaars, aangewezen, en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van eenen deskundige, waaruit van de noodzakelijkheid dier onteigening blijkt.

Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt, en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen geplaatst.

Indien het besluit de onteigening betreft van besmette of van besmetting verdachte voorwerpen, kunnen die voorwerpen onmiddellijk of later door of van wege het bestuur, met de onteigening belast, worden in beslag genomen.

Gedeputeerde Staten kunnen de toepassing van hun besluit aan de gemeentebesturen opgedragen. (O. 62; G. 152, Add. art. 5.)

70. Bij gebreke van minnelijke schikking dient, in het geval van het voorgaand artikel, het bestuur, met de onteigening belast, een verzoekschrift aan den kantonregter in, strekkende dat de onteigening door hem worde uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald. (O. 17, 66.)

Bij het verzoekschrift moet het besluit, volgens het voorgaand artikel genomen, worden overgelegd.

De kantonregter benoemt daarop onmiddellijk een of meer deskundigen, in oneffen getale, welke, na beëedigd te zijn, hun oordeel omtrent de hoegrootheid der schadeloosstelling uitbrengen.

71. De kantonregter is met zijnen griffier bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig. Hij laat terstond van hunne meening en de gronden, daarvoor door hen aangevoerd, door zijnen griffier pro-ces-verbaal opmaken, en bepaalt onmiddellijk daarna of uiterlijk drie maal vier en twintig uren later, de verschuldigde schadevergoeding.

De eigenaar wordt, indien hij binnen de gemeente woont, waar het onderzoek moet plaats hebben, door den kantonregter, zooveel noodig schriftelijk, uitgenoodigd, bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn; desgelijks, indien het de onteigening van een besmet voorwerp geldt, de personen bij welke het gevonden is.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten.

De artt. 29 en 33 zijn ook hier toepasselijk, behoudens dat het-

200

-ocr page 251-

WET OP DE ONTEIGENING.

geen daar van den regter-commissaris gezegd is, op den kantonreg-ter toepasselijk wordt.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

De termijnen worden naar gelang der omstandigheden, door den kantonregter, des noods van uur tot uur, bepaald.

Tegen het vonnis des kantonregters, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten. (O. 66.)

72. De overgang van den eigendom, voor zooverre het roerende goederen betreft, heeft niet plaats dan nadat van wege het bestuur, met de onteigening belast, de schadeloosstelling is betaald of geconsigneerd; het laatste, wanneer binnen de gemeente, waar het onteigende goed zich bevindt, de gelegenheid ontbreekt de betaling te doen, of de onteigende weigeren mogt op het hem gedane aanbod de schadevergoeding te ontvangen, of wel, wanneer er beslag op die penningen mogt zijn gelegd. Art. 55 is ook hier van toepassing. (O. 56, 58.)

Bij onroerende goederen gelden de bepalingen van het Vierde Hoofdstuk van den Eersten Titel, behoudens dat hetgeen ddar van den president der regtbank gezegd is, op den kantonregter toepasselijk wordt, en de overlegging van de verklaringen des griffiers, in art. 57 voorgeschreven, vervalt.

De schadeloosstelling wordt door het bestuur, met de onteigening belast, voorgeschoten en komt ten laste van den Staat. In die pro-cinciën echter, waar provinciale belastingen tot het te keer gaan der besmetting worden geheven, komen de kosten ten laste der provincie.

TITEL III.

OVER ONTEIGENING BIJ OOELOG, BRAND OP WATERSNOOD.

Art. 73. Wanneer ingeval van oorlog, brand of watersnood, oogen-blikkelijke inbezitneming volstrekt noodzakelijk geacht wordt, kan deze op last van de hoogste burgerlijke of militaire overheid, ter plaatse aanwezig, geschieden. (Gem. 189.)

Ingeval van watersnood kan die last ook door de betrokken col-legiën en besturen, in artt. 1 en 2 der wet van den 9den October 1841 {Staatsblad no. 42) vermeld, of door de hoofden dier collegiën en besturen, gelijk door hunne daartoe gemagtigde leden, worden gegeven.

Oorlog, in den zin dezer wet, wordt geacht aanwezig te zijn, niet alleen bij uitgebroken krijg, maar ook zoodra de toestand zoo dreigend voor \'s Lands defensie is, dat de militie te land, hetzij geheel,

201

-ocr page 252-

WET OP DE ONTEIGENING.

hetzij ten deele, buitengewoon krachtens art. 184 (185) der Grondwet door Ons is bijeengeroepen, en zoolang die als zoodanig onder de wapenen blijft. 1)

Door watersnood wordt niet enkel het geval verstaan dat dijken zijn doorgebroken of overstroomingen hebben plaats gehad, maar ook dat van dringend of dreigend gevaar voor doorbraak of overstrooming.

De eigendom gaat onmiddellijk op dengene over, in wiens naam de inbezitneming is geschied, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alle in art. 60 genoemde lasten of belastingen, waarmede het onteigende goed is bezwaard, gaan van den dag der inbezitneming op hem over.

74. Zoodra mogelijk na de onteigening, moet degene, die haar bevolen heeft, aan de onteigenden geregtelijk eene schadevergoeding doen aanbieden, of in de gevallen, in art. 58 genoemd, consigneren.

Indien dit aanbod of die consignatie niet binnen drie maanden is geschied, alsmede wanneer met het aangebodene of geconsigneerde geen genoegen wordt genomen, kan de schadevergoeding in regten door de onteigenden worden gevorderd.

In het eerste geval kan de Staat, de provincie, de gemeenten of het waterschap de bedoelde schadeloosstelling van hen, die de onteigening gelast hebben, persoonlijk terugvorderen, ten ware het verzuim buiten hunne schuld mogt hebben plaats gehad.

75. De wettelijke interessen der verschuldigde schadevergoeding moeten van den dag der inbezitneming aan de onteigenden worden betaald. (O. 55.)

76. Wanneer hij, in wiens naam de onteigening gelast is, den eigendom van het goed niet langer voor het beoogde doel noodig acht, en er nog geene drie jaren sedert de onteigening verloopen zijn, is de onteigende bij voorkeur boven alle anderen tegen betaling van den prijs, door deskundigen te begrooten, tot de verkrijging daarvan ge-regtigd. (O. 61.)

SLOTBEPALINGEN.

Art. 77. Op de gevallen, waarin volgens art. 187 (186) der Grondwet moet worden voorzien, is deze wet niet toepasselijk.

78. De wet van 29 Mei 1841 (Staatsblad no. 19) is ingetrokken.

Zij blijft intusschen toepasselijk op regtsvorderingen tot onteigening vóór de afkondiging dezer wet aangevangen.

202

Het zal desniettemin aan de onteigenende partij vrijstaan, van hare volgens de vorige wet aangevangen regtsvordering, zoolang nog geen vonnis in de zaak is gewezen, afstand te doen en een nieuwe volgens

1

Aldus gewijzigd by de wet van 29 Maart 1877, Stsbl. no. 52.

-ocr page 253-

WET OP DE ONTEIGENING.

deze wet in te stellen. In dat geval moet zij alle kosten, door de wederpartij tot op het doen van dien afstand gemaakt, betalen.

Zij kan tot die betaling genoodzaakt worden op het enkel bevelschrift van den voorzitter der arrondissements-regtbank, gesteld aan den voet van den door de wederpartij opgemaakten staat van kosten.

Dit bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.

203

-ocr page 254-

WET

TOT VEREVENING VAN SOMMEN ALS KOOPPRIJZEN EN VERGOEDINGEN, WEGENS ONTEIGENINGEN TEN ALGEMEENEN NUTTE TOEGEKEND.

(Vastgesteld den 14den September 1866, Stsbl. no. 139, uitgegeven den 208ten Sept. d.a.v.)

Art. 1. Sommen, wegens aankoop ten behoeve van de Staatsspoorwegen, krachtens de wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad nc. 125) vóór het in werking treden van de tegenwoordige wet toegekend:

1°. als koopprijzen van onteigende goederen in overeenkomsten, waarbij goederen, bezwaard met tiendregt, of andere zakelijke regten dan erfdienstbaarheden, zijn aangekocht;

2°. als schadevergoeding voor verlies van tiend of andere zakelijke regten rustende op perceelen, bij de overeenkomsten, sub 1°. bedoeld, aangekocht;

3°. als schadevergoeding voor verlies van tiend of andere zakelijke regten, in overeenkomsten, welke gesloten werden, terwijl de perceelen, met die regten bezwaard, onder een algemeen beding van vrije levering waren gekocht;

worden door de Algemeene Rekenkamer verevend, de laatstgemelde sommen op de verklaring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, dat in de aan de eigenaren der perceelen toegekende koopprijzen geenerlei vergoeding wegens verlies van die regten, waarover afzonderlijk is overeengekomen, is begrepen.

2. Na het in werking treden van deze wet worden de vorderingen, voortvloeijende uit overeenkomsten, bedoeld bij art. 17 der wet van 28 Augustus 1851 (Staatsblad no. 125), verevend, ook dan, wanneer de vergoeding voor den eigenaar der perceelen en die voor den tiendheffer of den geregtigde tot andere zakelijke regten bij onderscheidene acten is geregeld.

-ocr page 255-

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ARTIKEL 152, 2de LID, DER GRONDWET.

(Vastgesteld den löden April 1896, Stsbl. no. 71, uitgegeven den 243ten April d.a.7.)

Art. 1. Wanneer, in geval van oorlog of oorlogsgevaar, militaire inundatiën moeten worden voorbereid of gesteld, kan zulks niet dan op last of krachtens machtiging van den Minister van Oorlog geschieden. (O. 73 volg.)

2. Wanneer, tot het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën ten gevolge van den last of krachtens de machtiging in artikel 1 bedoeld, het gebruik van eigendom wordt gevorderd, al dan niet gepaard gaande met wijziging, lijdelijke of voortdurende onbruik-baarmaking of vernietiging van dat eigendom, kan, op last van de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig, onmiddellijk tot dat gebruik worden overgegaan.

Deze zorgt onverwijld voor openbare bekendmaking ter plaatse.

3. Te rekenen van het tijdstip der in het vorige artikel bedoelde openbare bekendmaking zijn de beheerders van waterstaatswerken, gelegen binnen het te inundeeren gebied of welke in betrekking staan met het voorbereiden of het stellen van militaire inundatiën, verplicht de bevelen na te komen, welke hun, in verband met het voorbereiden of het stellen van de inundatiën, met betrekking tot hun beheer worden gegeven door de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig, en zijn evengemelde beheerders alsmede de eigenaren en gebruikers van binnen dat gebied gelegen eigendommen verplicht aan genoemde militaire overheid, desverlangd, de voor het voorbereiden of stellen der inundatiën noodige inlichtingen te verstrekken.

4. Zoodra het gebruik, bedoeld in artikel 2, niet meer noodig is, wordt het gebruikte eigendom door of vanwege den Minister van Oorlog weder geheel ter beschikking van de rechthebbenden gesteld. De wederbeschakbaarstelling wordt door genoemden Minister ter algemee-ne kennis gebracht.

De Minister van Oorlog is bevoegd, voor rekening van den Staat, het gebruikte eigendom terug te brengen in den toestand, waarin het zich vóór de ingebruikneming bevond.

5. Wanneer door het voorbereiden of het stellen van de militaire

STAATSWETTEN. 136

-ocr page 256-

206 wet ter urrv. van art. 152, 2de lid, deb grondwet.

inundatiën in de vorige artikelen bedoeld, eigendommen worden beschadigd of aan de vrije beschikking van rechthebbenden of huurders onttrokken, wordt aan hen, op hunne aanvrage, de schade, welke daardoor mocht zijn geleden, vergoed, voor zoover die schade als het onmiddellijke en dadelijke gevolg van het voorbereiden of het stellen der inundatiën moet worden beschouwd, en voor zoover daarin niet door toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 4, is of wordt voorzien.

De hierbedoelde aanvrage moet aan den Minister van Oorlog worden ingediend binnen eene maand na de dagteekening van de in het vorige artikel bedoelde kennisgeving.

Door de hoogste militaire overheid ter plaatse aanwezig kan, bijaldien zulks wordt verlangd, op de schadevergoeding voorschot worden verstrekt.

6. Binnen twee maanden nadat de in artikel 5 vermelde aanvrage bij het Departement van Oorlog is ontvangen, biedt de Minister van Oorlog aan den belanghebbende eene bepaalde som gelds aan ter vergoeding der geleden schade. Is binnen den gestelden termijn geen aanbod door den belanghebbende ontvangen, of acht hij de aangeboden schadevergoeding niet voldoende, dan kan hij het geschil op de gewone wijze bij dagvaarding bij den burgerlijken rechter aanbrengen. (O. 74.)

-ocr page 257-

W E T,

HOUDENDE REGELING DER VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE HOOFDEN DER MINISTERIËLE DEPARTEMENTEN.

(Vastgesteld den 32sten April 1855, Stsbl. no. 33, uitgegeven den SOsten April d.a.r. Gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 6i.)

Art. I. De Hoofden der Ministeriële Departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

Zij zijn wegens het niet-naleven van deze verpligting verantwoordelijk en in regten vervolgbaar overeenkomstig de volgende bepalingen. (G. 77.)

2. De mede-onderteekening van Koninklijke besluiten of Koninklijke beschikkingen wijst het Hoofd van het Ministeriëel Departement aan, dat voor die besluiten of beschikkingen aansprakelijk is.

3. Afgeschaft volgens art. Sd, wet 15 April 1886, S. 64. Zie thans artt. 355 en 356 Wetb. v. Strafrecht.

4. De Hoofden der Ministeriële Departementen staan ter vervolging, hetzij van Onzentwege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad. (G. 164; S.V. 301.)

5. Het besluit, waarbij van Onzentwege de vervolging van een der Hoofden van Ministeriële Departementen bevolen wordt, bevat eene naauwkeurige aanduiding der feiten, waarop de beschuldiging van een of meerdere der bij deze wet strafbaar gestelde misdrijven rust, benevens den last op den procureur-generaal bij den Hoogen Raad om de vervolging in te stellen.

Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld.

6. De Tweede Kamer der Staten-Generaal, zoodanige mededeeling ontvangen hebbende, neemt harerzijds geene aanklagt tegen denzelfden persoon wegens dezelfde feiten in overweging. (19.)

7. Geene aanklagt tegen een der Hoofden van de Ministeriële Departementen wordt bij de Kamer in overweging genomen, tenzij door vijf leden schriftelijk en met opgave der feiten ingediend. (10.)

8. De Kamer overweegt in de afdeelingen, of de aanklagt een onderwerp van nader onderzoek zal uitmaken.

STAATSWETTEN. 14*

beiers ;lke het • tel-irin ikel

ror-het

bij-ror-

age van sereen

sbo- j i de

j

•en-

-ocr page 258-

208 WET OP DE MIN. VERANTWOORDELIJKHEID.

De Voorzitter geeft van het indienen der aanklagt binnen 24 uren kennis aan den betrokken Minister.

Het in overweging nemen der aanklagt kan niet vroeger dan acht dagen na deze kennisgeving aan de orde gesteld worden.

9. Wanneer tot het in overweging nemen der aanklagt besloten is, wordt zij gesteld in handen eener commissie van onderzoek, daartoe door de volle Vergadering te benoemen.

10. Zij, die de aanklagt hebben ingediend, zijn van deze commissie uitgesloten, doch kunnen door haar, tot het geven van nadere inlichtingen, worden gehoord.

11. De Commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklagt vermeld, kunnen leiden.

De bepalingen der wet tot regeling van het regt van onderzoek (enquête) zijn daarbij van toepassing. (Wet van 5 Aug. 1850, S. 45.)

De bloedverwanten en aangehuwden van den betrokken Minister, in de regte linie en tot in den derden graad der zijdlinie, mitsgaders zijne echtgenoot, zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden, verklaringen af te leggen,

12. In lederen stand van het onderzoek is de commissie verpligt den betrokken Minister, wanneer hij dit wenscht, te hooren.

Hij kan niet genoodzaakt worden voor haar te verschijnen.

13. Zoodra de commissie van onderzoek de aanklagt genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbii aangevoerde feiten verslag uit.

Dit verslag wordt aan de Afdeelingen verzonden, en over de aanklagt verder geraadpleegd als over een voorstel van wet.

14. Bij de beraadslaging over de aanklagt wordt de betrokken Minister, op zijn verlangen, gehoord, en aan hem in ieder geval het laatst het woord gegeven.

Hij behoudt dit regt, niettegenstaande hij vóór of gedurende het onderzoek mogt zijn afgetreden.

15. Wanneer eene aanklagt tegen een der hoofden van de Ministeriële Departementen door de Tweede Kamer niet in overweging is genomen, kan, bij het opkomen van nieuwe bezwaren, de aanklagt hervat, in ieder geval, van Onzentwege de vervolging van den betrokken Minister ter zake derzelfde feiten bevolen worden. (17.)

Wanneer echter de aanklagt, na gedaan onderzoeken gehouden beraadslagingen, door de Tweede Kamer verworpen is, kan tegen den betrokken Minister wegens dezelfde feiten, noch van Onzentwege, noch van wege de Kamer, op nieuw eenig onderzoek ingesteld of eene strafvervolging gelast worden.

16. Iedere aanklagt tegen een der Hoofden van de Ministeriële Departementen wordt geacht verworpen te zijn, wanneer binnen drie maanden, na hare indiening, door de Tweede Kamer geen eindbesluit is genomen.

-ocr page 259-

WET OP DE MDT. VERANTWOORDELIJKHEID.

Wanneer de aanklagt aanleiding geeft tot een onderzoek in de over-zeesche bezittingen, kan deze termijn door de Tweede Kamer tot één \' jaar verlengd worden.

Bij sluiting der zitting van de Staten-Generaal gedurende den loop van het onderzoek, begint, met den dag der opening van de volgende zitting, een nieuwe termijn van drie maanden te loopen.

, ; Bij ontbinding der Tweede Kamer vervalt eene, bij haar aanhan

gige aanklagt van regtswege, onverminderd de bevoegdheid tot het doen eener nieuwe aanklagt overeenkomstig art. 7. (Ct. 73.)

17. De stifzwijgende verwerping eener aanklagte, ten gevolge van het verloopen van den termijn, kan niet ingeroepen worden tegen den van Onzentwege gegeven last, om denzelfden persoon wegens dezelfde feiten te vervolgen.

18. De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het regt, \' de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.

\' Genoegzame gronden tot vervolging vindende, wijst zij, bij haar

besluit, de feiten, waarop de besehuldiging rust, nauwkeurig aan, en belast den procureur-generaal bij den Hoogen Raad met de vervol-ging. onder toezending, binnen drie dagen, van het besluit met de \' aanklagt en de verzamelde bescheiden.

Afschrift van dat besluit wordt aan Ons en aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal medegedeeld. (20.)

19. Na de ontvangst der mededeeling, bij het vorig artikel voor-geschreven, wordt van Onzentwege tegen den aangeklaagden Minister wegens dezelfde feiten geene vervolging gelast.

20—26. Vervallen door art. 302 van het Wetboek van Strafvordering.

J: 27 en 28. Vervallen door artt. 304 en 305 van het Wetboek van

Strafvordering.

29—35. Afgeschaft bij art. 3rf der wet van 15 April 1886, S. 64. e Zie thans artt. 355, 356 en 70 volg. Wetb. v. Strafrecht.

36. De regtsvordering tot vergoeding van schade, door een [bij deze wet] strafbaar gesteld feit geleden, kan alléén op eene veroordeeling door den Hoogen Baad rusten, en wordt voor den gewonen burgerlij-

S ken regter ingesteld.

37. De geldelijke verantwoordelijkheid van de Hoofden der Mi-^ ! nisteriële Departementen wordt door eene nadere wet geregeld.

sn ch if-

;le ie lit

209

-ocr page 260-

WET

HOUDENDE EEGELINCt DER ZAMENSTELLING EN DE BEVOEGDHEID VAN DEN KAAD VAN STATE.

(Vastgesteld den 2l8ten December 1861, Stsbl. no. 129, uitgegeven den 27sten Dec. d.a.v. Gewijzigd by de wet van 28 Juni 1881, Stsbl. no. 123 en 11 Juli 1884, Stsbl. no. 122.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DB ZAMENSTELLING VAN DEN BAAD VAN STATE EN DE AMBTENAREN BIJ DIEN RAAD.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling van den Raad.

Art. 1. De Raad van State is zamengesteld, buiten Ons als Voorzitter, uit;

een vice-president en veertien leden. (G. 74«, b.)

2. De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting in den Raad van regtswege [en eene raadgevende stem] (G. 74c). Door Ons kan aan de overige Prinsen van Ons Huis, wanneer zij meerderjarig zijn, zitting en raadgevende stem in den Raad verleend worden.

3. De vice-president en de leden van den Raad worden door Ons benoemd en ontslagen.

4. Er kunnen staatsraden in buitengewone difenst door Ons worden benoemd ten getale van hoogstens vijftien. Zij worden door Ons ontslagen.

Zij worden door Ons of van Onzentwege opgeroepen om deel te nemen aan bepaalde werkzaamheden van den Raad, en hebben alsdan gelijke bevoegdheid als de leden.

Aan de behandeling der onderwerpen, bedoeld bij art. 23, nemen zij geen deel.

Zij genieten, als zoodanig, geene bezoldiging. Wanneer zij elders woonachtig zijn dan ter plaatse, waar de zetel der Regering gevestigd is, erlangen zij schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten naar een door Ons vast te stellen tarief. (43.)

5. De staatsraden in buitengewone dienst worden gekozen uit hen die bewijzen hebben gegeven, hetzij van bekwaamheid in zake van

-ocr page 261-

WET OP DEK RAAD VAN STATE.

wetgeving of bestuur, hetzij van bijzondere bekendheid met de aangelegenheid van de koloniën en bezittingen van den Staat in andere werelddeelen.

6. Niemand kan zijn vice-president, lid van den Eaad van State of staatsraad in buitengewone dienst, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den ouderdom van vijf en dertig jaren heeft vervuld.

7. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den vice-president en de leden, noch tusschen de leden onderling.

In geval van opkomende zwagerschap na de benoeming, legt hij, door wiens huwelijk de zwagerschap ontstaat, zijn ambt neder.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (B.W. 345 volg.)

8. Onvereenigbaar met de betrekking van vice-president of lid van den Raad is:

de betrekking Van geestelijke of bedienaar van de godsdienst, pleitbezorger, advocaat, notaris, solliciteur of zaakwaarnemer;

elke openbare bediening.

9. Alvorens hunne betrekking te aanvaarden leggen de vice-president, de leden van den Raad en de staatsraden in buitengewone dienst, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in Onze handen den volgenden eed (belofte) en verklaring af:

»Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder »welken naam of wat voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner «aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of be-»loofd, noch zal geven.

»Ik zweer (beloof) dat ik om iets hoegenaamd in deze betrek-ïking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige be-»loften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk; (Gr- 87.)

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning, dat ik de Grond-»wet steeds zal helpen onderhouden, en al de pligten van een vice-president

»-jTj-van den Raad van State (staatsraad in buitengewo-

»ne dienst) eerlijk en vlijtig zal vervullen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig.quot; (Dat verklaar en beloof ik.)

Deze eed (verklaring en belofte) kan door de leden van den Eaad en de staatsraden in buitengewone dienst ook worden afgelegd in eene vergadering van den Raad in handen van den vice-president, daartoe door Ons gemagtigd.

10. De vice-president en de leden van den Raad hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar de zetel der Regering is gevestigd.

11. Om zich uit die gemeente te verwijderen behoeft de vice-pre-

211

-ocr page 262-

WET OP DEN RAAD VAN STATE.

sident Onze toestemming, en behoeven de gewone leden die van den vice-president.

Om het Bljk te verlaten is Onze toestemming noodig voor de leden en, ingeval van afwezigheid van meer dan veertien dagen, ook voor de staatsraden in buitengewone dienst.

12. De vice-president wordt, bij verhindering of ontstentenis, vervangen door het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming.

13. De Eaad wordt in afdeelingen verdeeld. (G. 74a, 76.)

Eene daarvan, zaméngesteld uit vijf leden, den vice-president daaronder begrepen, is, onder diens voorzitterschap, belast met de taak, omschreven bij art. 23. Bij verhindering of ontstentenis wordt de vice-president vervangen door het oudste aanwezige lid der afdeeling.

De algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 46, bepaalt het getal der overige afdeelingen en harer leden, regelt de vervanging dier leden wegens verhindering of ontstentenis, en wijst de ministeriële departementen aan, waartoe die afdeelingen in betrekking staan.

Door Ons, den Eaad gehoord, worden de leden der afdeelingen aangewezen en, zoo noodig, afgewisseld. \')

De leden van de afdeeling voor de geschillen van bestuur worden niet afgewisseld. In bijzondere gevallen, waarin, tot verzekering der dienst, vervanging noodzakelijk is, wordt door Ons, den Raad gehoord, voorzien. (23.)

De staatsraden in buitengewone dienst worden door Ons of van On-zentwege opgeroepen om aan bepaalde werkzaamheden van de eene of andere afdeeling deel te nemen. Het derde lid van art. 4 is hier van toepassing. (4.)

14. Door Ons kunnen, op voordragt van den Raad, deskundigen worden opgeroepen, ten einde in den Raad of in zijne afdeehngen te dienen van voorlichting en advies. (4.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de ambtenaren bij den Raad.

Art. 15. Bij den Raad worden door Ons benoemd één secretaris en het vereischte getal referendarissen en commiesen van Staat.

Zij worden door Ons ontslagen.

Zoo dikwijls een der genoemde ambten behoort te worden vervuld, draagt de Raad van State aan Ons een dubbeltal ter aanbeveling voor. 1)

De aanstelling der overige beambten en der bedienden geschiedt op de wijze door Ons, den Raad gehoord, te bepalen.

212

1

Dit lid is aan art. 15 toegevoegd door de wet van 11 Juli 1884, Stsbl. ao. 122.

-ocr page 263-

WET OP DEN RAAD VAN STATE.

16. Behalve de hoedanigheid van Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerachapsregten, wordt vereischt. om te zijn secretaris van den Raad van State, dat men den ouderdom van dertig jaren, om te zijn referendaris, dien van vijf en twintig, en om te zijn commies van Staat, dien van drie en twintig jaren hebbe bereikt.

Tot referendaris of commies van Staat zijn alleen benoembaar zij, die den graad van doctor in de Staatswetenschap, in de rechtswetenschap of in de beide rechten aan eene Eijkauniversiteit of daarmede door de wet gelijkgestelde inrichting binnen dit Kijk verkregen hebben. 1)

17. De secretaris, de referendarissen en de commiesen van Staat leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in \'s Raads vergadering den navolgenden eed (belofte) en verklaring af:

»Ik zweer (verklaar) dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder »welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen\'mijner aanstel-»ling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch igeven zal.

»Ik zweer (beloof) dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking »te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of ^geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk. (G 87.)

»Ik zweer (beloof), dat ik al de pligten, aan mijn ambt verbon-gt;gt;den, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (Dat verklaar en beloof ik.)

18. De secretaris, de referendarissen en de commiesen van Staat hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar de zetel der Regering is gevestigd.

De bepaling van art. 8 is op hen van toepassing.

19. Zij zijn verpligt geheim te houden wat hun in hunne betrekking bekend wordt.

Hunne overige verpligtingen worden geregeld bij eene instructie, door Ons, den Raad gehoord, vast te stellen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BEVOEGDHEID EN DE WERKZAAMHEDEN VAN DEN RAAD VAN STATE.

EERSTE AFDEELING.

213

Van de bevoegdheid van den Maad. Art. 20. Onverminderd de bijzondere bevoegdheid van den Raad

1

Art. 16 aldus gewijzigd by de wet vau 11 Juli 1884, Stsbl. no. 132.

-ocr page 264-

214 WET OP DEN BAAD VAN STATE.

I

van State, bij de artikelen 42 (38) en 47 (45) der Grondwet toegekend, is de Kaad werkzaam naar de regelen van bevoegdheid in de volgende artikelen omschreven.

21. Door Ons worden bij den Raad ter overweging gebragt alle voorstellen, door Ons aan de Staten-Generaal te doen, of door de Sta-ten-Generaal aan Ons gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. (G. 75.)

22. De Eaad wordt door Ons gehoord over vernietiging van besluiten der Provinciale of Gedeputeerde Staten of van plaatselijke verordeningen. (P. 140, 146; G. 140.)

23. De afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13, wordt belast met het onderzoek der geschillen van bestuur of andere, aan Onze beslissing onderworpen, en draagt Ons de uitspraak voor. (G. 154.)

24. De Kaad wordt wijders door Ons gehoord in de gevallen, waarin de wet het beveelt, mitsgaders over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waaromtrent Wij het noodig oordeelen. (G 75c.)

25. De Kaad is bevoegd aan Ons voordragten te doen omtrent onderwerpen van wetgeving of bestuur, waaromtrent hij het doen van voorstellen aan de Staten-Generaal of het uitvaardigen van algemeene maatregelen van inwendig bestuur wenschelijk acht.

26. De afdeelingen van den Kaad dienen de hoofden der ministeriële departementen in zaken van bestuur of wetgeving, des gevraagd, van voorlichting.

TWEEDE AFDEELING.

Van de regeling der werkzaamheden van den Raad.

Art. 27. De vergadering, in art. 42 (38) der Grondwet bedoeld, wordt bijeengeroepen door den vice-president, hetzij ambtshalve, hetzij op een voorstel van vijf leden van den Raad, hetzij op verlangen van de hoofden der ministeriële departementen.

Hij zit in de vergadering voor, tot door haar een voorzitter is gekozen.

28. In alle gevallen, waarin de Raad of de afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13, wordt gehoord, wordt de overweging aanhangig gemaakt door de hoofden der ministeriële departementen, krachtens telkens door Ons te verleenen mag-tiging.

29. Alvorens de Raad beraadslaagt en besluit over de onderwerpen, bedoeld bij de artt. 21, 22 en 24, heeft een voorbereidend onderzoek plaats door de afdeeling, in betrekking staande tot het ministerieel departement, hetwelk de zaak aangaat.

De afdeeling treedt, des noodig, met het hoofd van het departe-

ï

-ocr page 265-

WET OP DEN RAAD VAN STATE.

ment in overleg. Zij brengt in den Raad verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van een ontwerp van het te geven advies en vermeldt, bij verschil van gevoelen tusschen de leden der afdeeling, de gronden van het verschil. Betreft de zaak meerdere departementen, tot meer dan ééne afdeeling in betrekking staande, het onderzoek heeft op gelijke wijze plaats in, en het verslag wordt uitgebragt door de ver-eenigde afdeelingen. De vice-president kan ook in dit geval het onderzoek en het uitbrengen van verslag opdragen aan leden, die uit de afdeelingen, welke de zaak betreft door hem worden aangewezen.

De vice-president is bevoegd, waar hij dit noodig acht, leden eener afdeeling, door hem aan te wijzen, te doen deel nemen aan het onderzoek, bij eene andere afdeeling aanhangig.

In bijzondere gevallen kan, met Onze magtiging, het voorbereidend onderzoek door den Raad worden opgedragen aan leden of staatsraden in buitengewone dienst, niet behoorende tot de afdeeling, die met het onderzoek zou zijn belast. Door dezen wordt gehandeld gelijk voor het onderzoek der afdeelingen is bepaald.

30. De Raad beraadslaagt over de onderwerpen, bedoeld bij de artt. 21, 22 en 24, met het hoofd van het ministerieel departement, hetgeen de zaak aangaat, wanneer hij of dat hoofd het verlangt.

31. De hoofden der ministeriële departementen geven aan den Raad, aan zijne afdeelingen of aan de leden, of staatsraden in buitengewone dienst met eenig voorbereidend onderzoek belast, de inlichtingen, die iu verband met de te behandelen zaken vereischt worden.

Zoo de Raad het dienstig acht inlichtingen in te winnen of bezwaren te kennen van bij de zaak betrokken besturen, collegiën of personen, geschiedt dit door tusschenkomst van de hoofden der ministeriële departementen, die de zaak aangaat.

32. Tot het vaststellen van \'s Raads advies wordt gevorderd een aantal van minstens negen leden, de vice-president of staatsraden in buitengewone dienst daaronder begrepen.

Het advies wordt vastgesteld bij volstrekte meerderheid van stemmen.

Bij staking van stemmen wordt het vaststellen van het advies tot eene volgende vergadering uitgesteld.

Wanneer ook dan de stemmen staken, beslist die van den vice-president, of, bij diens ontstentenis, van het voorzittend lid. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt.

33. De Raad geeft, zoo dikwijls hij door Ons wordt gehoord, zijn advies schriftelijk en met redenen omkleed.

Zijn er gevoelens in den Raad uitgebragt, van dat der meerderheid afwijkende, de afzonderlijke adviesen, die gevoelens ontwikkelende, worden bij \'s Raads advies gevoegd.

34. Van het door Ons genomen besluit in zaken, waarover de Raad gehoord is, wordt hem telkens mededeeling gedaan. (G. 75d.)

35. Bij de behandeling der onderwerpen, bedoeld in art. 23, wor-

216

-ocr page 266-

WET OP DEN BAAD VAN STATE.

den in acht genomen de regels, bij de volgende artikelen gesteld. (G. 70.)

36. Wanneer geschillen van bestuur of andere aan Onze beslissing worden onderworpen, worden de belanghebbenden opgeroepen om de memoriën of bewijsstukken, die zij tot staving hunner bezwaren of beweringen noodig achten, in te dienen binnen eenen door den vice-president in dier voege te bepalen termijn, dat hun de daartoe noo-dige tijd niet ontbreke.

De vice-president kan, op schriftelijk verzoek van de opgeroepe-nen, de termijnen verlengen, zoo dikwijls het belang der zaak het vordert.

De memoriën moeten door de belanghebbenden of door bijzondere gemagtigden onderteekend zijn.

Alle schrifturen en bewijsstukken, zoowel van Onzentwege als van wege de belanghebbenden ingediend, worden ter secretarie van den Kaad nedergelegd. Door de belanghebbenden of hunne gemagtigden kan daarvan inzage, en te hunnen koste, volgens een door Ons vast te stellen tarief, afschrift worden genomen.

37. Na verloop der in het vorig artikel bedoelde termijnen worden al de stukken, tot de zaak betrekkelijk, tot onderzoek gesteld in handen van de afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13.

Deze is bevoegd bij de belanghebbenden of hunne gemagtigden de inlichtingen in te winnen, die het onderzoek vordert.

Het eerste lid van art. 31 is hier van toepassing.

38. In eene openbare vergadering der afdeeling wordt verslag uit-gebragt, behelzende een overzigt van de zaak en van haren loop en vermeldende de gevoerde beweringen en overgelegde bewijsstukken. Het verslag onthoudt zich van het uiten van een gevoelen.

De belanghebbenden worden opgeroepen om in die vergadering te verschijnen en na het uitbrengen van het verslag toegelaten om persoonlijk of door hunne gemagtigden hunne belangen toe te lichten.

39. De afdeeling beraadslaagt daarna met gesloten deuren.

Zij draagt Ons de uitspraak over het geschil voor bij een schriftelijk advies, vergezeld van het ontwerp van een met redenen omkleed door Ons te nemen besluit.

Tot het vaststellen van het advies wordt gevorderd een aantal van meer dan de helft der leden. (32.)

Het tweede, derde en vierde lid van art. 32, alsmede het laatste lid van art. 33 zijn hier van toepassing.

40. Indien Onze beslissing van het advies afwijkt, wordt zij, met redenen omkleed, in het Staatsblad geplaatst. Zij wordt tegelijk in de Staats-courant openbaar gemaakt met het rapport van het hooid van het ministerieel departement, hetwelk Onze beslissing mede onderteekend heeft. Dit rapport bevat het ontwerp, bedoeld bij het tweede lid van art. 39.

216

-ocr page 267-

WET OP DEN RAAD VAN STATE.

41. In eene openbare vergadering der afdeeling wordt voorlezing gedaan van Onze beslissingen omtrent de onderwerpen, bij art. 23 omschreven.

42. Het beleggen der openbare vergaderingen, bedoeld bij de artt. 38 en 41, wordt in de Staats-courant aangekondigd.

De vice-president zorgt in die vergaderingen voor de handhaving der orde en is bevoegd, wanneer die orde wordt verstoord, hen, die dit doen, of allen te doen vertrekken.

43. De vice-president zoowel als de leden zijn verpligt over alle zaken hun gevoelen en hunne stem uit te brengen.

Zij onthouden zich van medestemmen in die zaken, welke hen, hunne echtgenooten of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of wanneer zij als gelastigden daarin zijn betrokken.

Deze bepalingen zijn van toepassing op de staatsraden in buitengewonen dienst, wat betreft de zaken, tot welker behandeling zij zijn opgeroepen. (4.)

44. Zij, die aan de beraadslagingen van den Eaad of van zijne afdeelingen deel nemen of daarbij tegenwoordig zijn, nemen de geheimhouding in acht, door Ons opgelegd, of door de hoofden der ministeriële departementen, wie de zaak aangaat, aanbevolen.

Geheimhouding wordt ook in acht genomen wanneer de meerderheid van hen, die aan de beraadslaging deel nemen, daartoe besluit. (39(i, 19.)

45. Niemand is geregtelijk vervolgbaar wegens de meening, door hem in den Kaad uitgebragt. (G. 97; P. 74; Gem. 47.)

46. Alle verdere bepalingen ter regeling van de werkzaamheden van den Kaad, hetzij in zijne algemeene vergaderingen, hetzij in zijne afdeelingen, worden vastgesteld bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (K.B. 4 Sept. 1862, S. 174, gewijz. bij K.B. van 29 Maan 1875, S. 32, 8 Dee. 1877, S. 201 en 16 Nov. 1881, S. 177.)

DERDE HOOFDSTUK.

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 47. Op het oogenblik, waarop deze wet in werking treedt, is de thans bestaande Raad van State ontbonden.

De staatraden in buitengewone dienst, die niet in de zamenstel-ling van den nieuwen Raad begrepen worden, erlangen den titel van honorair staatsraad. (4.)

48. De tegenwoordige referendarissen zijn op nieuw benoembaar, zonder tot het afleggen van het bij art. 16 bedoelde examen gehouden te zijn. (15 volg.)

De tegenwoordige commiesen van Staat zijn als zoodanig op nieuw

217

-ocr page 268-

218 WET OP DEN RAAD VAN STATE.

benoembaar, zonder tot het afleggen van dat examen gehouden te zijn. Om tot referendaris te worden benoemd, zijn zij tot het afleggen daarvan gehouden. (16.)

Aan de gewone leden, die bij de zamenstelling van den Baad niet op nieuw worden benoemd en geene aanspraak hebben op pensioen, wordt een wachtgeld toegelegd ten bedrage van twee derden der door hen genoten jaarwedde.

49. Zoolang de instructie en de algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij de artt. 19 en 46, niet zijn vastgesteld, worden de bestaande bepalingen zooveel mogelijk opgevolgd.

50. Alle stukken, voortvloeijende uit de behandeling van onder- gt; werpen, bedoeld bij art. 23, zijn vrij van zegelregten en worden, voor zooveel zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd.

51. Deze wet treedt in werking op 1 Julij 1862, of op een vroeger door Ons te bepalen tijdstip. (A. 2.)

ui ta ui st

d( glt;

et oi d( V(

li.

ir

di G b:

ii zi z; t(

zlt;

d

-ocr page 269-

i te gen

WET,

HOUDENDE INSTEÜCTIE VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER.

(Vastgesteld den 6den October 1841, Stsbl. no. 40, uitgegeven den Hsten Oct. d.a.v. Gewjjzigd bg de wetten van 20 JuliJ 1870, Stsbl. no. 123, 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 30 Juni 1890, Stsbl. no. 101.)

EERSTE HOOFDSTUK.

ZAMENSTELLING VAN HET KOLLEGIE EN DESZELFS VERPMGTINGEN IN HET ALGEMEEN.

Art. 1. De A]gemeene Rekenkamer zal bestaan uit zeven leden; uit dat getal verkiest de Koning eenen vasten voorzitter. Een secretaris, aan het kollegie toe te voegen, wordt door den Koning benoemd, uit een drietal kandidaten door de Algemeene Rekenkamer voor te stellen. (O. 179.)

2. De leden en de secretaris van de Algemeene Rekenkamer zullen den vollen ouderdom moeten hebben bereikt van dertig jaren; uit geenerhande hoofde aan den lande rekenpligtig mogen zijn, noch eenig ander ambt bekleeden; geen leden zijn van de Staten-Generaal of Provinciale Staten of van een plaatselijk bestuur; zij zullen elkander niet mogen bestaan in of binnen den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap. (Gr. 166.)

Indien de zwagerschap mogt ontstaan na de benoeming, zal het lid of de secretaris, die dezelve heeft aangegaan, zijne betrekking niet kunnen blijven behouden, zonder vergunning des Konings.

3. Bij vacature onder de leden geeft de Algemeene Rekenkamer daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ten einde in de vervulling, overeenkomstig het bepaalde bij art. 200 der grondwet [van 1840], worde voorzien. (G. 1796.)

Bij wangedrag, onzedelijkheid of merkelijke achteloosheid, zoo ook in geval van ongeschiktheid door ouderdom, zwakte of aanhoudende ziels- of ligchaamsziekten van een lid der Algemeene Rekenkamer, zal het kollegie daarvan kennis geven aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ten einde, naar bevind van zaken, ter vervanging van zoodanig lid, eene voordragt aan den Koning te doen.

Overigens worden de bepalingen\', die, ten aanzien der leden van de regterlijke magt, vervat zijn in de artikelen 11 en 13 der wet op

STAATSWETTEN. 15

niet

Den, loor

len-vor-

ier- f roor

!ger

-ocr page 270-

WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, ook op de leden van de Algemeene Kekenkamer toepasselijk verklaard.

4. De ambtswedde van den voorzitter wordt bepaald op vijf duizend gulden, die van de overige leden op vier duizend gulden \'s jaars.

De leden en de secretaris zullen hunne woonplaats moeten houden in de gemeente, binnen welke het kollegie is gevestigd.

5. De vaste ambtenaren en bedienden der Algemeene Rekenkamer zullen, op hare voordragt, door den Koning aangesteld en door het kollegie van de noodige instruetiën voorzien worden.

6. De leden en de secretaris der Algemeene Kekenkamer zullen, alvorens in functie te treden, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in handen des Konings afleggen den eed (de verklaring) dat zij, om te worden benoemd tot het ambt, waartoe zij geroepen zijn, noch directelijk, noch indirectelijk, aan eenige personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige gifte of gave beloofd of gegeven hebben, noch te beloven of geven zullen, en voorts den eed (de belofte) dat zij zullen zijn getrouw aan den Koning; dat zij de grondwet zullen onderhouden en handhaven, hunne instruetiën met alle naauwgezetheid opvolgen en hunnen post ter goeder trouw, met alle naarstigheid, eerlijkheid en onzijdigheid waarnemen, en dat zij, wijders, om iets hoegenaamd in hunne betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken zullen aannemen, directelijk of indirectelijk.

De ambtenaren en bedienden der Kamer zullen door den voorzitter in de vereenigde vergadering van het kollegie beëedigd worden.

7. De leden en de Becretaris der Algemeene Rekenkamer mogen, op straffe daarop bij het Wetboek van Strafregt gesteld, middellijk of onmiddellijk, geen aandeel hebben in eenige aanbesteding, leve-rancie, pacht van goederen, regten of middelen, of in eenige zaak waaromtrent met het Rijk wordt overeengekomen. (S.K. 376 1°.)

Het is hun almede verboden eenige vorderingen ten laste van het Rijk, vatbaar om door de Kamer te worden verevend, hetzij vóór, hetzij na de verevening, te koopen of voor hunne rekening te nemen, onder welke benaming zulks ook zoude mogen zijn; als ook om op eenige wijze, regtstreeks of zijdelings, deel te hebben in den aankoop van zoodanige vorderingen.

Het voormeld verbod is insgelijks toepasselijk op de ambtenaren en bedienden der Algemeene Rekenkamer, zonder uitzondering.

8. De voorzitter heeft het oppertoezigt over alle de werkzaamheden van de Algemeene Rekenkamer, en waakt voor de stipte uitvoering van de tegenwoordige wet in het algemeen en voor de naleving van het vast te stellen reglement van orde, bedoeld bij art. 65 dezer wet; hij zorgt voor de bewaring van alle charters, stukken of bescheiden, bij het kollegie berustende, en ziet toe, dat geene afgifte van stukken, behoorende tot het archief der kamer, geschiede, anders dan met toestemming van het kollegie of op bevel van den regter.

220

-ocr page 271-

VOOK DE ALGEMEENE EEKENKAMEB.

Hij zal inzage, afschrift of uittreksel van de voorzeide charters, stukken en bescheiden mogen toestaan.

9. De voorzitter brengt al de stukken, die aan de Algemeene Eekenkamer of aan hem, in deze zijne hoedanigheid, worden toegezonden, ter beraadslaging van de vergadering; maakt de besluiten volgens de meerderheid der stemmen op, en heeft, bij het staken dei-stemmen, eene beslissende stem, behoudens het bepaalde bij het laatste lid van dit artikel.

Geene besluiten zullen in de vergadering der Algemeene Eekenkamer kunnen genomen worden, indien niet ten minste vier leden, de voorzitter daaronder begrepen, tegenwoordig zijn.

Indien slechts vier leden tegenwoordig zijn en de stemmen staken, zal de beslissing worden aangehouden tot de eerstvolgende vergadering. Staken de stemmen alsdan andermaal, dan beslist de stem van ; den voorzitter. 1) (60.)

10. Onverminderd de verdeeling der werkzaamheden tusschen de leden onderling, zullen alle rekeningen in eene algemeene vergadering moeten worden opgenomen en gesloten, nadat gehoord zal zijn het verslag van het lid of de leden, met het voorloopig onderzoek belast geweest.

11. De leden en de secretaris mogen niet tegenwoordig zijn bij de beraadslagingen over eenige zaak, hen zeiven of hunne naastbestaan-den, in of binnen den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap, betreffende. (2a.)

12. De voorzitter zal zich, zonder toestemming van den Koning, niet langer van zijnen post mogen verwijderen dan voor ééne week. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, zal hij vervangen worden door het oudste lid, naar rang van benoeming.

Hij is bevoegd, om aan de leden en den secretaris verlof te geven, uiterlijk voor den tijd van ééne week; voor langer, mits niet te boven gaande den tijd van zes weken, wordt zoodanig verlof door het kolle-; gie verleend.

Wanneer nog langer verlof mogt noodig zijn, wordt het verzoek daartoe aan den Koning gedaan.

13. De Algemeene Eekenkamer zal dienen van berigt, considera-tiën en advies op alle zoodanige stukken als aan haar tot dat einde door den Koning zullen worden verzonden.

14. Binnen de eerste drie maanden van ieder jaar, zal zij den Koning een volledig verslag aanbieden van het resultaat harer werkzaamheden over hit afgeloopen jaar; dat verslag zal aan de Staten-Generaal worden medegedeeld, ten laatste in de zitting, die in October daaraanvolgende geopend wordt. (G. 1006.)

15. Zij is verpligt om den Koning ten allen tijde zoodanige voordragten en mededeelingen te doen, als, volgens haar inzien, kunnen

221

1

Art. 9 Rldua gewyzigd bij de wet van 30 Juni 1890, Stsbl. no. 101.

15*

-ocr page 272-

WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

leiden tot vermindering of besparing van staats-uitgaven en tot vereenvoudiging van \'s Kijks geldelijk beheer.

Voor zoo veel de Algemeene Rekenkamer dit mogt noodig oordee-len, zal daarvan vermelding geschieden in het verslag bij het voorgaande artikel bedoeld.

16. Zij is almede gehouden, om aan de hoofden der departementen, van algemeen bestuur al de bedenkingen mede te deelen, die zij, in het belang van \'s Rijks schatkist, nuttig mogt achten, met betrekking tot overeenkomsten wegens diensten en leveringen aan of ten behoeve van het Rijk; en zulks ook dan, wanneer die bedenkingen haar geene aanleiding geven, om de in rekening gebragte uitgaven dadelijk te verminderen of te verwerpen.

17. Zij zal aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur alle zulke inlichtingen geven, als de aard harer werkzaamheden medebrengt en toelaat, ouder gelijke verpligting van de hoofden der departementen van algemeen bestuur jegens de Algemeene Rekenkamer.

18. Zij is verpligt om rekening en verantwoording te vorderen wegens alle Rijks-, gewestelijke en gemeentefondsen. Rijksgoederen en eigendommen, overeenkomstig de hierna volgende bepalingen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

CONTKÖLE OP DE ONTVANGSTEN.

Art. 19. Deugdelijk verklaarde afschriften van de proviniale maandstaten, wegens alle Rijks-middelen en inkomsten zonder onderscheid, zullen maandelijks of over zoodanige andere tijdvakken, als waarover dezelven worden opgemaakt, door de autoriteit, die met de verzameling der bijzondere staten belast is aan de Algemeene Rekenkamer worden ingezonden, en zullen aldaar moeten zijn ontvangen uiterlijk vóór het einde der maand, volgende op het betrokken tijdvak.

20. De 13de maand- of saldo-staat, wegens alle Rijks-middelen en inkomsten, zal, op gelijke wijze als bij het vorig artikel is gemeld, doch vergezeld van de arrondissements-staten en de bijzondere staten van lederen rekenpligtige, wiens verantwoording daarin is begrepen, aan de Algemeene Rekenkamer worden ingezonden, uiterlijk op den laatsten der maand April, volgende op het dienstjaar.

In de bovengemelde staten zullen moeten zijn vervat al de ontvangsten, op de onderscheidene kantoren van elke administratie gedaan. (46.)

21. Van alle andere ontvangsten, voor het Rijk gedaan, doch in de hiervoren bedoelde staten niet begrepen, zullen daarenboven maandelijks behoorlijke staten aan de Kamer worden overgelegd door de hoofden der departementen van algemeen bestuur, waartoe het onderwerp van ontvangst behoort.

222

-ocr page 273-

VOOB DB ALGEMEENE REKENKAMER.

22. De verkregene kennis van alle Eijks-inkomsten zal ter Alge-meene Eekenkamer den grondslag uitmaken der verificatie van den ontvang der algemeene rekening, bedoeld bij art. 126 van de grondwet [van 1840]. (G. 126.)

DERDE HOOFDSTUK.

COKTRÓLE OP DE UITGAVEN.

Art. 23. De berekeningen, strekkende tot grondslag van de hoofdstukken der algemeene begrooting van staats-uitgaven, welke voor ieder departement van algemeen bestuur afzonderlijk bij de wet zijn vastgesteld, zuEen den grondslag uitmaken van de contróle, daarop door de Algemeene Eekenkamer, uit te oefenen. (G. 125.)

De hoofden der departementen zullen beschikken over de sommen, bij de begrooting voor hun departement toegestaan, uitgaven betreffende, op de grondwet of bijzondere wetten gegrond.

Voor het overige zal de beschikbaarstelling door den Koning bij besluit plaats hebben.

24. De sommen, bij ieder artikel der begrootingen uitgetrokken, zullen worden beschouwd als maximum van uitgaaf, voor het onderwerp daarbij vermeld.

Mogt, in bijzondere gevallen, eene af- en overschrijving in hetzelfde hoofdstuk van het eene artikel op het andere noodig zijn, zal de aanvrage, daartoe door het hoofd van het departement van algemeen bestuur aan den Koning te doen, vooraf met het visa van de Algemeene Rekenkamer moeten worden voorzien, om van de toereik-baarheid van den te verminderen post der begrooting te doen blijken, en zal van de plaats gehad hebbende af- en overschrijving duidelijke melding worden gemaakt in het algemeen verslag, bij art. 14 bedoeld. (G. 125c.)

25. Alle uitgaven ten laste van het Eijk zullen, zooveel het nut der zake medebrengt, vóór de betaling bij de Algemeene Eekenkamer worden onderzocht, verevend en geboekt.

26. Met voorkennis van de Algemeene Eekenkamer zullen er cre-diet-openingen en voorbetalingen kunnen plaats vinden, behoudens nadere verevening der betrokkene schuldvorderingen; zullende alzoo geene Eijks-uitgave als wettig gedaan beschouwd worden, dan na verevening bij de Algemeene Eekenkamer.

Behalve deze steeds aan latere verevening onderworpen blijvende voorbetalingen, zullen geene betalingen, van welken aard ook, uit \'s Rijks schatkist mogen geschieden, dan op het visa van de Algemeene Rekenkamer.

De Algemeene Rekenkamer zal de gevraagde crediet-openingen, voorbetalingen of visa zonder verwijl verleenen, ten behoeve en ter

223

-ocr page 274-

WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

verantwoording van het hoofd van het departement van algemeen bestuur, wien zulks aangaat.

27. Bij alle vereveningen van uitgaven, hetzij de betaling reeds geschied is of nog volgen moet, zal de Algemeene Rekenkamer zich overtuigen:

Vooreerst, dat de betrokken post van de begroeting toereikend is; ten andere, dat de aard der uitgave met de omschrijving van den post overeenstemt; en eindelijk, dat er geene vermenging van fondsen over verschillende dienstjaren of van verschillende hoofdstukken het gevolg van kan zijn. \')

28. Onverschillig of het onderzoek en de verevening vóór of na de betaling geschiedt, zal de Algemeene Rekenkamer al verder alle schuldvorderingen toetsen aan de bestaande wetten en daarop gegronde Koninklijke verordeningen, daarbij aan te halen, en zich van de deugdelijkheid der bewijsstukken overtuigen, die, tot staving van elke vordering, voor zoo veel noodig, aan haar zullen moeten worden overge-legd.

Geene voorafgaande verevening zal geschieden, anders dan ten name van den oorsprookel ijken titularis.

29. De Algemeene Rekenkamer verevent geene vorderingen ten laste van den Staat, die niet te harer kennis zijn gebragt binnen ééne maand na het tijdstip, waarop de vorderingen, ingevclge de wet van den 8sten November 1815 (Staatsblad no. 51), verjaard zouden zijn, tenzij, om bijzondere redenen, de voldoening volgens die wet verjaarde of niet tijdig ter kennis van de Algemeene Rekenkamer ge-bragte vorderingen, voor de afsluiting der betrokken begroeting, door Ons mogt worden toegestaan. 1)

30. Wegens betalingen uit de posten, die voor geheime uitgaven bij de berekeningen tot grondslag der begrooting van eenig departement van algemeen bestuur mogten zijn uitgetrokken, zal door de Algemeene Rekenkamer geene overlegging van bewijsstukken worden gevorderd. Wanneer dit door den Koning, in bijzondere gevallen, mogt worden bepaald, zal die vrijstelling zich ook uitstrekken over betalingen, aangewezen op de som, bij de wet van onvoorziene uitgaven ter Zijner beschikking gesteld.

224

1

Art. 39 aldus gewijzigd bij de wet van 30 July 1870, Stsbl. no. 133.

-ocr page 275-

VOOR DE ALGEMEEN® REKENKAMER.

31. Op den laatsten December van het jaar, volgende op het dienstjaar, en alzoo nadat geboekt zijn al de stukken van uitgaven, welke nog gedurende die maand bij haar zijn ingekomen, zal de Algemeene Bekenkamer de begrootingen in hare registers afsluiten en daarop geenerhande uitgaven meer toelaten.

Deze bepaling zal worden toegepast aanvankelijk op de begrooting over 1841. 1)

32. De Algemeene Eekenkamer zal, zoo min vóór als na de betaling, eenige verevening tot stand brengen of eenige uitgaven lijden, die niet op de begrootingswetten of andere daarmede gelijkstaande wetten gegrond is.

33. Zij zal van alle verstrekkingen, hetzij in mindering op aanbestedingspenningen , hetzij bij voorschot aan de korpsen der landmagt en anderen, hetzij ter goede rekening, voor dagelijksche huishoudelijke onkosten bij de magazijnen en elders, nauwkeurig aanteekening houden, en waken voor de latere verrekening, de teruggave of de verantwoording.

34. Zij ziet toe, dat de voorschotten, aan de hoofd-administratiën van de korpsen der landmagt te verstrekken, het maximum niet te boven gaan, daarvoor door den Koning te bepalen.

35. De Kamer zal mede zorgen, dat geene gelden ter goede rekening worden verstrekt, dan voor onderwerpen, die dezen maatregel van voorziening gebiedend vorderen.

36. De kennis, die bij de Algemeene Rekenkamer zal berusten omtrent alle erkende wettige staats-uitgaven, zal aldaar den grondslag uitmaken der verificatie van de uilgaven der algemeene rekening, bedoeld bij art. 126 der grondwet [van 1840]. (G. 126.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VERANTWOORDING.

Art. 37. De rekeningen van ontvangst en uitgaven der verschillende departementen van algemeen bestuur, bedoeld bij art. 200 der grondwet [van 1840] zullen ter Algemeene Rekenkamer worden over-gebragt binnen drie maanden na het afgeloopen jaar, en zullen voor elke begrooting twee zoodanige rekeningen worden afgelegd, te weten : één voor elk jaar, dat de begrooting, volgens art. 31 dezer wet, zal openstaan. Deze rekeningen zullen den grondslag uitmaken van de algemeene rekening, vermeld bij art. 126 der grondwet [van 1840]. (G. 126.)

225

38. De vorm en de inrigting der rekeningen van de departementen

1

Tan dit art. en van artt. 37 en 38 is bg de wet van 20 Julg 1870, Stsbl. no. 123, afgeweken voor deogdelijke vorderingen, verjaard volgens de wet van 1815, maar waarvan de voldoening was toegestaan vóór het inwerking treden der wet van 1870.

t

-ocr page 276-

- WET, HOUDENDE INSTRUCTIE

van algemeen bestuur, zoo mede van de algemeene rekening, bedoeld bij art. 126 van de grondwet [van 1840], zullen, na overleg met den Minister van Financiën, door de Algemeene Kekenkamer worden vastgesteld ; en zal de laatstgemelde rekening aldaar worden overgebragt binnen zes maanden na het afgeloopen jaar.

De posten van die rekening zullen, wat derzelver volgorde en omschrijving betreft, in alle opzigten moeten beantwoorden aan de indeeling der begrooting van ontvangsten en aan de afdeelingen en artikelen der begrooting van uitgaven.

Voor zooveel die rekeningen ook zullen betreffen eenige bijzondere Rijks-fondsen, zal daaromtrent de indeeling worden gevolgd, die deswege bij de betrokken bijzondere wetten mogt voorkomen.

39. Behalve de rekeningen van de departementen van algemeen bestuur, zal de Kamer ook opnemen de rekening van \'s Rijks kas en van alle daarin gedêponeerde fondsen, van welken aard ook, mitsgaders de verantwoordingen van alle personen, die gelden of geldswaarden, aan het Rijk toebehoorende, ontvangen, beheeren of onder zich hebben; de hoofden der departementen van algemeen bestuur zullen aan de Algemeene Rekenkamer aanwijzing doen van de rekenpligti-gen, ieder voor zoo veel zij tot zijn departement behooren.

40. Wegens alle in \'s Rijks kas gedeponeerde, zoo mede wegens alle fondsen van inwendig beheer, die als eigendom van het Rijk te beschouwen zijn, zal aan de Algemeene Rekenkamer, jaarlijksche of driemaandelijksche veranhvoording geschieden, naar mate de aard der inrigting dit toelaat. Zij zorgt, dat de door haar erkende batige saldo\'s van laatstgemelde fondsen, op het einde van ieder jaar, in \'s Rijks schatkist worden overgebragt, wanneer dit met den oorsprong en de strekking van gezegde fondsen is overeen te brengen.

41. Van de bepaling in art. 39 dezer wet kunnen worden uitgezonderd alle subsidiën of toelagen tot een bepaald einde verleend en waaraan de verpligting tot verantwoording niet verbonden zal zijn geworden.

42. De Algemeene Rekenkamer zal toezien, dat door de rekenplig-tigen de vereischte borgtogt worde gesteld tot zoodanig bedrag, als door de betrokken departementen van algemeen bestuur, overeenkomstig de bestaande verordeningen, zal worden bepaald. In geval van nalatigheid, zal zij hare medewerking weigeren tot de uitbetaling van alle ambts-wedden als anderzins, ten behoeve van de nalatigen. Zij zal, in dat geval, den genomen maatregel brengen ter kennisse van het departement van algemeen bestuur, waaronder de rekenpligtige behoort.

43. Het geheel of gedeeltelijk opheffen van borgtogten, gesteld tot zekerheid van den lande, door rekenpligtigen of andere schuldenaren van den Staat, het doorhalen van hypothecaire inschrijvingen of het overbrengen derzelven op andere panden, zal niet anders geschieden dan met toestemming van de Algemeene Rekenkamer.

226

-ocr page 277-

VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER.

44. Er bestaat tusschen de Algemeene Rekenkamer en de reken-pligtigen eene onmiddellijke betrekking omtrent het doen van verantwoording, en zulks van de inzending af tot den eindelijken afloop der rekening toe. (57.)

45. De modellen der rekeningen of verantwoordingen, zoowel als de termijnen van inzending, voor zoo veel deze laatste niet reeds bij deze wet zelve zijn geregeld, worden, na onderling overleg met de departementen van algemeen bestuur, door de Algemeene Kekenkamer vastgesteld. (57.)

46. De staten, ingevolge art. 20 dezer wet aan de Algemeene Kekenkamer over te leggen, zullen door haar worden aangemerkt als de verantwoording te behelzen van de rekenpligtigen, daarbij betrokken, voor zoover uit den aard van hun beheer geen bijzondere rekenplig-tigheid voortvloeit.

De Algemeene Kekenkamer is bevoegd, om dienaangaande zoodanige nadere toelichtingen en inzage te vorderen, als zij tot meerdere verzekering van haar toezigt noodig acht.

47. De rekenpligtigen, die in de inzending hunner rekeningen achterlijk blijven, zullen door de Algemeene Kekenkamer worden aangeschreven, om dezelve binnen eenen bepaalden termijn in te zenden; bij voortdurende nalatigheid zal hun nog een laatste termijn kunnen worden voorgeschreven; doch mogt, na verloop van dien, de rekening nog niet ontvangen zijn, zal zij de zaak ter kennis brengen van het departement waaronder de rekenpligtige behoort, en inmiddels hare medewerking weigeren tot de uitbetaling van alle dienstwedden als anderzins, ten zijnen behoeve. 1) (S.K. 184.)

48. De rekenpligtigen zullen de saldo\'s, die zij zelve erkennen schuldig te zijn, in de schatkist storten en die storting, met overlegging der quitantie, als laatste post van uitgaaf in hunne rekening brengen.

De rekeningen, waaromtrent deze bepaling niet mogt zijn in acht genomen, zullen aan de inzenders teruggezonden en beschouwd worden als bij de Algemeene Kekenkamer niet ingekomen.

49. Wegens alle verstrekkingen van gelden ter goede rekening, zullen de verantwoordingen bij de Algemeene Kekenkamer moeten zijn ontvangen, uiterlijk binnen drie maanden na de dagteekening van het bewijs der voorafgaande verevening van de Rekenkamer, waar deze verstrekkingen steeds aan verbonden zullen zijn.

50. Voor zoo veel die verantwoordingen onderwerpen betreffen van doorloopend beheer, zal de storting, bevolen bij art. 48, door den rekenpligtige alleen behooren plaats te hebben wegens het saldo zijner laatste rekening over ieder dienstjaar.

51. Wie gelden ter goede rekening hebben genoten, zullen geene nieuwe verstrekkingen van dien aard erlangen, zoo niet ten minste

227

1

Art. 47 aldus gewyzigd door art. 3ti der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 278-

WET, HOUDENDE INSTBUCTIE

drie vierden der vroeger genoten sommen aan de Algemeene Rekenkamer zijn verantwoord.

52. De posten, zoo wel van ontvang als van uitgaaf, in iedere verantwoording voorkomende, zullen door aanhaling der betrokken autorisatie en door behoorlijke bewijzen moeten zijn gestaafd: alléén geringe posten van uitgaaf, die voor geen volledig bewijs vatbaar zijn, zullen, op verklaring van den belanghebbende, kunnen worden aangenomen.

53. De Algemeene Rekenkamer schrijft aan de rekenpligtigen de termijnen voor tot beantwoording harer bedenkingen, tot het indienen van bezwaren tegen hare bijvoegingen en doorhalingen, en tot het inleveren der quitantiën wegens de storting der saldo\'s die daarvan het gevolg zijn. Van al hare beschikkingen dienaangaande, zoo ook van de door haar erkende voordeelige saldo\'s voor den rendant, doet zij geregelde mededeeling aan de betrokken departementen van algemeen bestuur.

De akten, aanwijzende de voor het Rijk batige saldo\'s worden door haar ter invordering aan het departement van Financiën gezonden; en moet daarentegen door het departement, hetwelk de zaak betreft, order worden gesteld op de voldoening van de saldo\'s, welke aan de rekenpligtigen te goed komen.

De Algemeene Rekenkamer zal den Koning telkens drie maanden verslag doen van de rekeningen, welke, bij haar ingekomen, gedurende een gelijk tijdvak onafgedaan gebleven zijn, met opgave der redenen van die vertraging.

54. Alle bewijzen en bescheiden, overgelegd bij alle rekeningen of verantwoordingen, van welken aard, blijven ter Algemeene Rekenkamer berusten.

55. Behalve de zorg voor de regelmatige verantwoording, zoowel van de jaarlijks af te werpen baten als van de opbrengst van den verkoop van Rijks-goederen en eigendommen, van welk een en ander de Algemeene Rekenkamer, volgens artt. 21, 39 en 40 van deze wet, kennis moet verkrijgen, zal zij ook ten aanzien van den voorraad munt-materiaal, welke bij het kollegie van raden en generaal-meeste-ren der munt voorhanden is, eene behoorlijke contróle uitoefenen, overeenkomstig het reglement, daartoe door den Koning vast te stellen, na daaromtrent de Algemeene Rekenkamer te hebben gehoord.

56. Zij zal almede een behoorlijk toezigt houden over het beheer van het materiëel, dat in de magazijnen, arsenalen, hospitalen en op de werven voorhanden is.

Onafhankelijk van de administratieve voorschriften, die daaromtrent later mogten worden gegeven, zal dat toezigt in alle gevallen moeten strekken:

1°. Tot het verkrijgen der kennis, dat de voorwerpen, die ten behoeve van zoodanige instelling aangekocht en geleverd worden, daar ook werkelijk ontvangen zijn;

228

-ocr page 279-

voob de algemeene rekenkamer.

2°. Om zich te verzekeren, dat er geene afgifte van materiëlen voorraad geschiedt, anders dan op last en met voorkennis van de bevoegde autoriteiten, ten welken einde altijd, binnen de zes eerste maanden van ieder jaar, een volledige inventaris van ieder magazijn,-door het hoofd van het betrokken departement van het algemeen bestuur voor deugdelijk verklaard, aan de Algemeene Kekenkamer zal worden toegezonden.

Deze inventarissen zullen bij het einde van het afgeloopen jaar opgemaakt en van zoodanige toelichtingen vergezeld moeten zijn, als de omstandigheden zullen vorderen; en

3°. Om te zorgen, dat geen magazijnmeester of daarmede gelijkstaand beambte, evenmin als zijne erven of regtverkrijgenden, van zijne verantwoordelijkheid worde ontslagen of de gestelde borgtogt opgeheven, tenzij het der Algemeene Rekenkamer blijke, dat de opvolger den materiëlen voorraad, volgens eenen gelijken inventaris, heeft aanvaard.

57. De rekeningen wegens het beheer van de provinciale fondsen zullen, na vooraf door de Provinciale Staten te zijn opgenomen en goedgekeurd, binnen zes maanden ter finale sluiting aan de Algemeene Rekenkamer worden ingezonden.

De bepalingen van artt. 44 en 45 dezer wet zijn ook op de alhier bedoelde rekeningen toepasselijk. (P. 118; Wet 2 Mei 1851, S. 28.)

58. De door den Koning goedgekeurde begrootingen zullen den grondslag uitmaken van de ontvangsten en uitgaven dier rekeningen.

59. Telken jare, nadat de gemeente-rekeningen, naar aanleiding van art. 157 der grondwet [van 1840] en volgens de bestaande voorschriften, zullen zijn opgenomen en gesloten, zal de Algemeene Rekenkamer, op autorisatie des Konings, uit elke provincie eenige dier gesloten rekeningen, door haar aan te wijzen, met de begrootingen vergelijken, met de daartoe behoorende bewijsstukken naauwkeurig onderzoeken, en voorts van hare bevinding dienaangaande in haar jaarlijksch verslag, bedoeld bij art. 14, melding maken. (Gem. 218.)

VIJFDE HOOFDSTUK.

[herzieningen ten aanzien van rekenpligtigen.

Art. 60. Wanneer een rekenpligtige, na den eindelijken afloop zijner rekening, bij art. 53 dezer wet bedoeld, zich bezwaard acht door verminderingen, bijvoegingen, of doorhalingen, door de Algemeene Rekenkamer bevolen of vastgesteld, zal hij, binnen twee maanden, nadat die eindbeslissing ter zijner kennis zal zijn gebragt, de herziening daarvan bij de Kamer kunnen vragen, welke alsdan tot die herziening zal overgaan, evenzeer als zij zulks ook binnen gelijken termijn van ambtswege zal kunnen doen.

Het voorloopig onderzoek, dat omtrent zoodanige herziening mogt

229

-ocr page 280-

WET AXGEMEENE REKENKAMER.

noodig zijn, zal worden opgedragen aan andere leden van de Kamer, dan die de beslissing hebben voorgesteld, waardoor de rekenpligtige zich bezwaard acht. Het besluit omtrent die herziening zal in eene bijeenkomst van de volle Kamer moeten genomen worden, buiten toepassing van het tweede lid van art. 9 dezer wet.

Van den uitslag dezer herziening zal zij melding maken in het verslag, bij art. 14 dezer wet bedoeld.

ZESDE HOOFDSTUK.

NATIONALE SCHULD EN PENSIOENEN.

Art. 61. Het dubbel van de grootboeken der nationale schuld zal bij de Algemeene Kekenkamer berusten en door dagelijksche aan- en afschrijvingen worden bijgehouden.

62. Van alle geldleeningen, ten laste of onder waarborg van het Rijk aangegaan, houdt de Algemeene Kekenkamer mede de noodige registers, zoodanig als vereischt zal worden om deswege eene rigtige contröle te verzekeren.

63. Alle pensioenen ten laste van den Staat zullen bij de Algemeene Kekenkamer ingeschreven en derzelver betaling, gelijk mede die van alle afloopende betalingen, persoonlijke toelagen of wachtgelden, met alle naauwkeurigheid door haar gecontróleerd v/orden.

ADDITIONELE ARTIKELEN.

Art. 64. De voorschriften der tegenwoordige wet zullen, in derzelver geheele uitgestrektheid, met den Isten Januarij 1842 in werking worden gebragt.

65. De Algemeene Rekenkamer zal inmiddels aan den Koning alle zulke voordragten doen, als zij tot de geregelde uitvoering van deze wet zal noodig achten. Deze voordragten zullen in de eerste plaats betreffen het reglement van orde voor hare inwendige werkzaamheden, de instructie voor haren secretaris en de zamenstelling van hare bureaux.

230

-ocr page 281-

WET

TOT AANVULLING DEK INSTRUCTIE VOOR DE ALGEMEENE REKENKAMER.

(Vastgesteld den lOden February 1844, Stsbl. no. 6, uitgegeveii den ISden February d.a.v.)

Art. 1. Uitgaven wegens werken of leverantiën, bedongen bij contracten, aangegaan in het dienstjaar, over hetwelk de noodige gelden voor dezelve op de Staatsbegrooting zijn toegestaan, worden ten laste der begrooting van dat dienstjaar verevend, al zijn dezelve in het eerstvolgende jaar opgeleverd.

Zulks geschiedt eveneens met de schadeloosstellingen en verdere kosten der onteigeningen, ter zake dier werken gedaan.

De vorderingen bij dit artikel bedoeld, moeten vóór den Sisten October van het jaar waarin zij ontstaan, door de belanghebbenden ingeleverd zijn, en vóór den 30sten November van dat zelfde jaar ter kennis van de Algemeene Rekenkamer worden gebragt.

2. Contracten wegens werken of leverantiën, welke het volgend dienstjaar betreffen, maken daarvan bepaaldelijk melding.

De uitgaven daaruit voortvloeijende, worden ten laste van zoodanig dienstjaar gebragt.

3. Uitgaven wegens onderhouds-werken en leverantiën, over meer dan één dienstjaar loopende, zoo mede de uitgaaf voor huur van een gebouw, pand, perceel of erf, worden verevend ten laste der begroeting van het jaar waarin de verschuldigde termijn vervalt, tenzij bij de Staatsbegrootingen zeiven anders ware bepaald.

4. De bepalingen dezer wet zijn ook toepasselijk op alle uitgaven, welke vóór den laatsten December jongstleden bij de Algemeene Rekenkamer bekend geweest en door de schatkist bij wijze van crediet-opening betaald geworden zijn. (Ind. Compw.)

-ocr page 282-

WET

TOT REGELING VAN HET TOEZIGT OP DE ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN.

(Vastgesteld den lOden September 1863, Stsbl. no. 102, uitgegeven den löden Sept. d.a.v. Gewgzigd by de wetten van 15 April 1886, Stsbi. no. 64 en 31 Dec. 1887, Stsbl. no. 265.)

Art. 1. Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomene vrijheid verzekerd, alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen. (G. 168.)

De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede voor of bij het in werking brengen daarvan op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt.

Voor zooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt. wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd.

2. Vreemdelingen aanvaarden geene kerkelijke bediening, dan na daartoe Onze toestemming te hebben verkregen.

Alleen in het belang der openbare orde en rust kan die toestemming geweigerd worden. (G. 5.)

3. De titulaturen in de kerkgenootschappen, aan de bedienaren dei-openbare godsdienst toegekend, geven noch ten opzigte van het wereldlijk gezag, noch ten opzigte van andere kerkgenootschappen, eenige aanspraak, rang of voorregt.

In de aanraking met het wereldlijk gezag worden die titulaturen alleen gebezigd met vermelding van den geslachtsnaam der titularissen.

4. De ter aanwijzing van kerkelijk gebied door kerkgenootschappen gebezigde namen van provinciën of gemeenten worden slechts als van kerkdijken aard beschouwd en hebben geen verder gevolg.

5. Synodale vergaderingen en hoofden, die kerkgenootschappen vertegenwoordigen of besturen, behoeven Onze goedkeuring op de plaats van vestiging.

Voor zooveel deze goedkeuring bij de afkondiging dezer wet nog niet is verleend, wordt, na met hen gehouden overleg, door Ons, den

-ocr page 283-

WET ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN. 233

Baad van State gehoord, over de geschiktheid der aangewezene vestigingsplaats uitspraak gedaan.

Alleen in het belang der openbare orde en rust en bij een mot redenen omkleed en openbaar gemaakt besluit kan eene aangewezen vestigingsplaats als zoodanig door Ons ongeschikt worden verklaard.

6. De bedienaren der openbare godsdienst dragen het gewaad voor kerkelijke plegtigheden of bij de uitoefening van de openbare godsdienst, in hun kerkgenootschap gebruikelijk, niet dan binnen gebouwen en besloten plaatsen, of ddar waar de openbare godsdienstoefening, naar het 2de lid van art. 167 (170) der Grondwet, is toegelaten.

7. Elke oprigting of inrigting van een gebouw tot uitoefening van de openbare godsdienst, binnen den afstand van twee honderd ellen van eene bestaande kerk, vereiseht, in het belang der openbare orde, een onderzoek omtrent de plaats van vestiging.

Vóór dat de oprigting of inrigting wordt toegelaten, wordt daaromtrent door het gemeentebestuur beslist. Deze beslissing is vatbaar voor een beroep op Gedeputeerde Staten, en bij bezwaar ook tegen de beslissing van deze, wordt hunne uitspraak aan Onze eindbeslissing onderworpen. Het besluit door Ons te nemen, na den Kaad van State te hebben gehoord, wordt met redenen omkleed en openbaar gemaakt.

(P. 168.)

Wanneer de oprigting of inrigting zonder verlof heeft plaats gehad, wordt het gebouw gesloten.

8. Het klokkengelui tot viering van kerkelijke plegtigheden of om de ingezetenen tot de godsdienstoefening op te roepen, kan in gemeenten, waar kerken van meer dan één kerkgenootschap zijn, in het belang der openbare orde en rust door Onzen Commissaris in de provincie worden verboden.

Klokkengelui tot andere einden heeft geene plaats dan met vergunning der plaatselijke politie.

9. Hij, die aan deze wet niet voldoet, hare voorschriften overtreedt, of elders, dan art. 167 (170) der Grondwet toelaat, de openbare godsdienst uitoefent, wordt verklaard «in strijd met de wet te hebben gehandeldquot; en veroordeeld in de kosten.

10. De officieren van justitie bij de arrondissements-regtbanken eischen, overeenkomstig met de bepalingen van art. 854 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, voor de regtbank, ter burgerlijke teregtzitting, de toepassing van het voorgaand artikel.

Geene vervolging kan door hen worden ingesteld dan op magti-ging van den procureur-generaal, onder wiens bevelen zij staan, of op last des regters in de gevallen, voorzien bij art. 33 van het Wetboek van Strafvordering, en art. 73 van de wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der justitie. 1)

1

Deze alinea aldus gewyzigd bij art. 1 no. 6 der wet van 31 Dec. 1887, Stsbl. no. 365,

-ocr page 284-

234 WET ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN.

11. Van het vonnis wordt appel, van het arrest cassatie toegelaten.

12. Die, na eenmaal ter zake van overtreding dezer wet te zijn veroordeeld, zich aan herhaling daarvan schuldig maakt, wordt gestraft met schorsing in de uitoefening zijner burgerschapsregten voor den tijd van drie tot tien jaren, en met hechtenis van een dag tot een jaar, te zamen of afzonderlijk. 1I

13. De regtsgedingen krachtens het voorgaand artikel ter zake van herhaalde overtreding gevoerd, worden op de gewone wijze voor den gewonen strafregter behandeld.

De vervolging wegens overtredingen van deze wet verjaart door verloop van twee jaren.

14. Bij het in werking komen dezer wet zijn, behoudens de bepalingen der wetten en reglementen, bedoeld in art. 167 (170) der Grondwet, afgeschaft de wet van 18 Germinal, jaar X, en alle andere met de tegenwoordige wet strijdige bepalingen.

1

Art. 12 aldus gewijzigd bij art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 285-

WETTEN

TOT REGELING VAN HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

A. (Vastgesteld den 26sten November 1847, Stsbl. no. 69, uitgegeven den Ssten Dec. d.a.v.)

Art. 1, \'s Rijks muntspeciën zijn standpenningen, pasmunt en negotiepenningen.

2. De standpenningen zijn de volgende zilveren muntstukken; de gulden, zijnde de eenheid van het Nederlandsche muntstelsel,

de rijksdaalder of het stuk van tivee en een halve gulden,

de halre gulden of het stuk van vijftig cents.

3. Zilveren pasmunt zijn:

het stuk van vijf en twintig cents,

het stuk van tien cents,

het stuk van vijf cents.

4. Koperen pasmunt zijn:

de cent of het honderdste gedeelte van den gulden,

de halve cent.

5. De negotiepenningen zijn:

de gouden Willem,

de gouden dukaat,

van beide deze stukken kunnen dubbele geslagen worden en van het eerste stuk ook halve. (Wet van 1875, art. 6.)

6. De gulden bevat negen wigtjes, vier honderd vijftig duizendsten van een wigtje fijn zilver.

Het gewigt van den gulden is tien wigtjes, met eene ruimte van drie duizendsten van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte is negen honderd vijf en veertig duizendsten (0,945), met eene ruimte van anderhalf duizendsten, zoowel boven als beneden dat gehalte.

7. Het gewigt van den rijksdaalder is vijf en twintig wigtjes, van den halven gulden vijf wigtjes,

van het stuk van vijf en twintig cents drie wigtjes vijf honderd vijf en zeventig duizendsten van een wigtje,

van het stuk vau tien cents een en vier honderd duizendsten van een wigtje,

van het stuk van vijf cents zes honderd vijf en tachtig duizendsten van een wigtje.

De ruimte in gewigt is, voor den rijksdaalder twee duizendsten, voor STAATSWETTEN. 16

-ocr page 286-

236 WETTEN OP HET KEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

den halven gulden vijf duizendsten, voor het stuk van vijf en twintig cents zes duizendsten. voor het stuk van tien cents tien duizendsten, en voor het stuk van vijf cents twaalf duizendsten gedeelten van het gewigt voor elk stuk bepaald, zoowel boven als beneden dat gewigt.

8. Het gehalte van den rijksdaalder en van den halven gulden is aan dat van den gulden gelijk en dezelfde ruimte wordt voor hetzelve toegestaan.

Het gehalte der zilveren pasmunt is zes honderd veertig duizend-sten (0,640), met eene ruimte van vier duizendsten zoowel boven als beneden dat gehalte.

9. Vervallen door art. 11 der wet van 1877. Zie blz. 242.

10. De beeldenaar der standpenningen is als volgt:

op de voorzijde \'s Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den naam des Konings, met de woorden; Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luremburg, met zoodanige verkortingen als de grootte der stukken vereischt;

op de keerzijde het wapen des Rijks, tusschen de aanduiding der geldswaarde: 21/2 . . G, 1 . . G, en V2 • • G, tot omschrift voerende: Munt van het Koningrijk der Nederlanden, met de noodige verkortingen en het jaartal.

Op de stukken van eenen gulden en eenen halven gulden staat onder het wapen: 100 cents en 50 cents, met zoodanige verkortingen als noodig wordt bevonden.

Gemelde stukken worden gemunt in den ring.

De rijksdaalder en de gulden hebben tot randschrift de woorden: Ood zij met ons.

De halve gulden wordt met eenen staanden kartelrand gemunt.

11. De beeldenaar der zilveren pasmunt is aan de voorzijde \'s Konings borstbeeld met een omschrift gelijk aan dat der standpenningen, en aan de keerzijde 25, 10 en 5 cents, tusschen twee eiken takken, benevens het jaartal.

Deze stukken worden in den ring gemunt, met een staanden kartelrand.

12. Vervallen door art. 11 der wet van 1877. Zie blz. 242.

13. De gouden Willem bevat zes wigtjes, zes en vijftig duizendsten van een wigtje fijn goud. (Wet van 1875, art. 6.)

Het gewigt van den gouden Willem is zes wigtjes, zeven honderd negen en twintig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte vau anderhalf duizendste gedeelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den dubbelen gouden Willem is dertien wigtjes, vier honderd acht en vijftig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van een duizendste van dat gewigt zoowel boven ala beneden hetzelve.

Het gewigt van den halven gouden Willem is drie wigtjes, drie honderd vier en zestig en een half duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van twee duizendsten van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte van den gouden Willem, alsmede dat van den dub-

-ocr page 287-

WETTEN OP HET NEDEBLANDSCHE MUNTWEZEN. 237

beien en halven, is negen honderd duizendsten (0,900), met eene ruimte van een half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

14. De beeldenaar van den gouden Willem is als volgt:

op de voorzijde \'s Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den naam des Konings, met de woorden; Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, met zoodanige verkortingen als de grootte van het stuk vereiseht. (Wet van 1875, art. 6.)

op de keerzijde het wapen des Rijks, tussehen twee eikentakken, hebbende tot omschrift, aan de eene zijde van het wapen de cijfers 6w729 en aan de andere zijde 0,900, met het jaartal boven het wapen.

De beeldenaar van den dubbelen en halven Gouden Willem is aan dien van den enkelen gelijk, met dien verstande echter, dat op de wapenzijde de cijfers 6w729 voor het eerste stuk door 13w458 en voor het laatste door 3w3645 vervangen worden.

Deze stukken worden gemunt in den ring.

De enkele en dubbele gouden Willem hebben tot randschrift de woorden; Ood zij met ons.

De halve gouden Willem heeft eenen staanden kartelrand.

15. De gouden dukaat bevat drie wigtjes, vier honderd vier en dertig en een half duizendsten van een wigtje fijn goud.

Het gewigt van den gouden dukaat is drie wigtjes, vier honderd vier en negentig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van anderhalf duizendste gedeelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den dubbelen dukaat is zes wigtjes, negen honderd acht en tachtig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van een duizendste van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte zoowel van den enkelen als van den dubbelen gouden dukaat is negen honderd drie en tachtig duizendsten (0,983), met eene ruimte van een half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

16. De beeldenaar van den enkelen en dubbelen gouden dukaat is:

op de voorzijde een geharnaste man, tussehen het jaartal, met het

omschrift; Concordia res parvae ereseunt, en

op de keerzijde, binnen een vierkant: Mo. Aur. Heg. Belgii ad legem imperii.

Deze stukken worden op den vrijen stempel gemunt en hebben eenen kartelrand.

17. De middellijnen der verschillende muntspeciën worden door Ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit. \')

18. Het staat ieder vrij de zilveren standpenningen en de gouden negotiepenningen te doen munten in \'s Eijks munt, wanneer geene werkzaamheden voor het Kijk zulks verhinderen. (Wet van 1875, artt. 5, 6 en 7 c.)

1) K.B. van 29 Juuij 1848, Stsbl. no. 2T, bepaalt de middellgn van den Rgks-daalder op 38 strepen, van den Gulden op 28 strepen, van den Hnlven gulden op 22 strepen ; van het Vgfentwintig-cents-stuk op 19 strepen, van het Tien cent-stuk op 15 strepen, van bet Vijf-cents-stuk op 12,5 strepen.

STAATSWETTEN. 16(1

-ocr page 288-

238 WETTEN OP HET NEDEItLANDSCHE MUNTWEZEN.

De muntmeester is niet verpligt partijen goud beneden de honderd Nederlandsche ponden, noch partijen zÜver beneden de duizend Ne-derlandsche ponden aan te munten.

Door Ons wordt het muntloon, hetwelk door bijzondere personen wordt voldaan, vastgesteld bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit. (K.B. 29 Junij 1848, S. 28, en 19 Nov. 1857, S. 115.)

De zilveren en koperen pasmunt wordt alleen voor rekening van het Rijk geslagen.

19. In de Staats-courant wordt jaarlijks medegedeeld hoeveel van elke muntspecie in het laatstvoorgaande jaar aan \'s Rijks munt voor het Rijk, en hoeveel voor bijzondere personen is aangemunt geworden.

20. De negotiepenningen zijn geen wettig betaalmiddel.

Niemand is verpligt zilveren pasmunt tot een hooger bedrag dan

van tien gulden, of koperen pasmunt tot een hooger bedrag dan van één gulden, in betaling aan te nemen. (Wet van 1877, art. 5.)

21. Geene nagemaakte of valsche muntspeciën, noch ook muntspeciën naar deze wet of naar de wet van den 28sten September 1816 (Staatsblad no. 50) en latere wetten vervaardigd, wanneer die eenig-zins vervalscht, in waarde verminderd, verminkt of geschonden zijn, worden in \'s Rijks schatkist aangenomen en is niemand gehouden dusdanige muntspeciën aan te nemen.

22. De muntspeciën in het vorige artikel vermeld, in vervalschten, in waarde verminderden, verminkten of geschonden toestand aan de lands-kantoren aangeboden, worden aldaar, evenzeer als alle nagemaakte en valsche muntspeciën, aangehouden, en na het afgeven van bewijs der aanhouding, aan raden en generaalmeesteren der munt opgezonden; om na onderzoek of, en na uitspraak dat dezelve zich werkelijk in zoodanigen toestand bevinden, te worden doorgesneden en alzoo aan de aanbieders te worden teruggegeven.

Op dezelfde wijze wordt door raden en generaalmeesteren der munt gehandeld ten opzigte van alle muntspeciën, welke aan hun onderzoek worden onderworpen, wanneer die in onvoldoenden toestand zijn bevonden.

23. Vóór den Sisten December 1850 worden nadere wettelijke bepalingen gemaakt omtrent de gouden stukken van tien en vijf gulden, volgens de wetten van 28 September 1816 {Staatsblad no. 50) en 22 December 1825 (Staatsblad no. 80) gemunt. (Wet van 17 Sep. 1849, S. 46, en K.B. 9 Junij 1850, S. 30.)

Die muntspeciën blijven wettig betaalmiddel, zoo lang de bij het vorige lid bedoelde wettelijke bepalingen niet tot stand z:jn gebragt.

24. Al de wetten tot regeling van het Nederlandsche muntwezen, van vroeger dagteekening dan de wet van 18 December 1845 (Staatsblad no. 90) 1) worden ingetrokken.

1

Deze wet heeft betrekking op de inwisseliDg der nog in omloop zijnde provinciale en generaliteits muntapecien.

-ocr page 289-

WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

De krachtens de ingetrokken wetten geslagen muntspeciën blijven echter op den voet der wet, waarbij zij werden ingesteld, gangbaar, voor zoover zij niet bij de wet zijn of worden buiten omloop gesteld.

B. W E T

TOT NADEKE TIJDELIJKE VOOKZIENLNÖ OMTEENT HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

(Vastgesteld den 6den Junij 1875, Stsbl. no. 117, uitgegeven den 12den Junij d.a.v.)

Art. 1. Standpenning is, nevens de zilveren, vermeld in art. 2 der wet van 26 November 1847 (Staatsblad no. 69):

het gouden tienguldenstuk.

(K.B. van 26 Junij 1875 bepaalt de middellijn van het gouden tienguldenstuk op 221/2 millimeter.)

2. De gouden standpenning bevat zes duizend acht en veertig tienduizendste gedeelten (0,6048) van een gram (wigtje) fijn goud op den gulden.

3. Het gehalte van den gouden standpenning is 0,900, met eene ruimte van 1,5 duizendste, zoowel boven als onder dat gehalte.

Het gewigt is 6,720 grammen (wigtjes.)

De ruimte in gewigt is 2 duizendsten van het gewigt, zoowel daarboven als daaronder.

4. De beeldenaar van den gouden standpenning is:

op de voorzijde \'s Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den door het woord Koning voorafgeganen naam des Konings en de spreuk; Ood zij met ons;

op de keerzijde het wapen des Eijks met de Koninklijke kroon, tusschen de waarde-aanduiding 10 G, wijders het jaartal en het omschrift: Koningrijk der Nederlanden, benevens het muntteeken en munt-meestersteeken.

Dit stuk wordt in den ring gemunt en heeft een kartelrand.

5. De artt. 17, 19, 21 en 22 der wet van 26 November 1847 (Staatsblad no. 69) zijn op den gouden standpenning toepasselijk.

Het staat ieder vrij gouden tienguldenstukken te doen munten in \'s Rijks munt, wanneer geene werkzaamheden voor het Rijk zulks verhinderen.

De muntmeester is niet verpligt partijen goud beneden de honderd kilogram (pond) aan te munten.

Door Ons wordt het muntloon, door bijzondere personen te vol-

16a*

239

-ocr page 290-

240 WETTEN OP HET NEDEKLANDSCHE MUNTWEZEN.

doen, vastgesteld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (K.B. van 26 Junij 1875, S. 125.)

Het muntloon kan echter niet hooger worden gesteld dan op vijf gulden per kilogram (pond) tienguldenstukken.

6. Er heeft geen aanmunting meer plaats van den enkelen, dubbelen en halven gouden Willem, bedoeld bij de artt. 5, 13 en 14 der wet van 26 November 1847 (Staatsblad no. 69) en bij art. 5 der wet van 1 Mei 1854 (Staatsblad no. 75.)

7. Deze wet treedt in werking den Isten Julij 1875.

Zij wordt vóór den Isten Januarij 1877 herzien.

Tot dat tijdstip blijft de bevoegdheid tot aanmunting van zilveren standpenningen, anders dan voor rekening van den Staat, geschorst.1)

C. WET

TOT VERVANGING DER KOPEREN DOOR BRONZEN PASMUNT ENZ.

(Vastgesteld den 28sten Maart 1877, Stsbl. no. 43f uitgegeven den ]3den April d.a.v. Gewijzigd by de wet van 15 April 1886, Stsbl. uo. 64.)

Art. 1. De koperen pasmunt, welke thans ingevolge de wetten van 28 September 1816 (Staatsblad no. 50) en 26 November 1847 (Staatsblad no. 69) in omloop is, wordt vervangen door bronzen.

2. Bronzen pasmunt zijn:

het twee-en-een-halve-oentstuk;

het een-centstuk;

het halve-centstuk.

(K.B. van 18 April 1877, S. 84, bepaalt de middellijn van het twee-en-een-halve-centstuk op 231,2 millimeter; van het een-cent-stuk op 19 millimeter; van het halve-centstuk op 14 millimeter.)

3. Het metaal der bronzen pasmunt is zamengesteld uit 0,950 koper, 0,040 tin en 0,010 zink, met zoodanige ruimte als voor elk dier metalen door Ons nader zal worden bepaald bij een algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

Het gewigt is;

van het twee-en-een-halve-centstuk 4 grammen (wigtjes);

van het een-centstuk 2,5 gram (wigtje);

1

Eg de wet van 9 December 1877, Stsbl. no. 215, is deze bevoeKdheid tot aanmunting, anders dan voor rekening van den Staat, geschorst, totdat daaromtrent nader door de wet zal zyn voorzien.

-ocr page 291-

WETTEN OP HET NEDEKLANDSCHE MUNTWEZEN. 241

van het halve-centstuk 1,25 gram (wigtje).

De ruimte in gewigt is voor elk dier soorten één stuk op honderd.

(Bij K.B. van 5 Mei 1877, S. 97, is bepaald, dat op de zamen-stelling van het metaal voor de bronzen pasmunt eene ruimte wordt toegestaan van 0,010 (tien duizendsten) voor het koper; van 0,005 (vijf duizendsten) voor het tin en evenveel voor het zink: een en ander zoowel boven als onder de bij art. 3 der wet van 28 Maart 1877, S. 43, vastgestelde hoeveelheid.)

4. De beeldenaar der bronzen pasmunt is:

op de voorzijde de gekroonde leeuw met het zwaard en den bundel pijlen, in het met blokken bezaaide veld, zonder het wapenschild, voorzien, maar door een parelrand afgescheiden van het omschrift: Koningrijk der Nederlanden, met het jaartal, benevens het munttee-ken en muntmeestersteeken;

op de keerzijde in cijfers de waarde-aanduiding 21/2 cent, 1 cent, Va cent, tusschen twee oranjetakken.

Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben een kartelrand.

5. Niemand is verpligt bronzen pasmunt aan te nemen tot een hoo-ger bedrag dan van vijf en twintig cents. (Wet van 1847, art. 20.)

6. Door Ons worden de kantoren aangewezen, waar de bronzen pasmunt tegen standpenningen kan worden ingewisseld, mits de aangeboden nominale waarde niet minder bedrage dan tien gulden.

7. De artt. 17, 19, 21 en 22 der wet van den 26sten November 1847 {Staatsblad no. 69) zijn op de bronzen pasmunt toepasselijk.

8. Het is verboden vreemde koperen, bronzen en nickel munten in betaling te geven.

In de door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te wijzen grensgemeenten is het echter geoorloofd van die vreemde munten voor eene waarde van ten hoogste twintig centen in betaling te geven, mits de inbetalinggeving plaats hebbe met toestemming van degenen aan wien zij geschiedt en op geen hoogeren koers dan door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur is vastgesteld.

9. Het is aan Rijks-, provinciale, gemeentelijke en waterschapsambtenaren en aan pachters en onderpachters van Bijks-, provinciale, gemeentelijke en waterschapsinkomsten insgelijks verboden, bij ontvangsten welke zij als zoodanig doen, die vreemde munten in betaling aan te nemen.

10. Overtreding van de bepalingen der artt. 8 en 9 wordt gestraft met eene geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Wanneer tijdens het plegen van deze overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of de op

-ocr page 292-

242 WETTEN OP HET NEDEBLANDSCHE MUNTWEZEN.

de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan de geldboete tot vijfhonderd gulden worden verhoogd. •)

11. De koperen pasmunt, die overeenkomstig de wetten van den 28sten September 1816 {Staatsblad no. 50) en van den 268ten November 1847 (Staatsblad no. 69) geslagen is, wordt op de door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen tijdstippen en wijze, hetzij in ééns, hetzij achtereenvolgens, buiten omloop gesteld , nadat tot inwisseling daarvan gedurende ten minste veerüen dagen gelegenheid is gegeven.

Tot die buiten-omloopstelling blijft zij op den bestaanden voet, behoudens de bepalingen van de artt. 5 en 6, wettig betaalmiddel.

12. Deze wet treedt in werking op den Isten Julij 1877.

Wij behouden Ons echter voor, de bepalingen van de artt. 8, 9 en 10 bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vroeger in werking te brengen.

1) Art. 10 aldus gewgzigd door art. lltZ en f der wet van 15 April 1886, Stabl. no. 64,

-ocr page 293-

WETTEN OP HET NEDEKLANDSCHE MUNTWEZEN. 243

D. WET,

HOUDENDE NADERE VOOBZIENING OMTRENT HET MUNTWEZEN.

(Vastgesteld den 27sten April 1884, Stsbl. no. 97, uitgegeten den

SOsten April d.a.v.) jf

Eenig artikel.

Onze Minister van Financiën is gemachtigd om, wanneer en in zoover als hij het met het oog op den toestand van Ons muntwezen noodzakelijk acht, een bedrag van ten hoogste vijf en twintig milli-oen gulden in Nederlandsche rijksdaalders te doen versmelten tot baren en die baren, door tusschenkomst van de Nederlandsche Bank, te verkoopen.

Alvorens van deze machtiging gebruik te maken, wint Onze voornoemde Minister de voorlichting in van de afdeeling van den Baad van State, die tot het Departement van dezen Minister in betrekking staat.

Het advies door \'s Raads afdeeling uitgebracht, wordt, zoodra \'s lands belang zulks toelaat, aan de Wetgevende Macht medegedeeld.

-ocr page 294-

244 WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

E. WET,

HOUDENDE NIEUWE BEPALINGEN NOPENS DE UITGIFTE VAN MUNTBILJETTEN.

(VaBtgesteld den 278ten April 1884, Stabl. no. 98, uitgegeven den SOsten April d.a.v.)

Art. 1. Er zal zijn eene rentelooze Staatsschuld ten bedrage hoogstens van vijftien millioen gulden.

2. De bewijzen dier rentelooze schuld dragen den naam van muntbiljetten. De uiterlijke vorm daarvan en het bedrag van elk stuk, dat niet minder kan zijn dan tien gulden, worden door Ons bepaald bij maatregel van inwendig bestuur. (K.B. 12 Sept. 1885, S. 182; K.B. 3 Jan. 1894, S. 2.)

Zij zijn op vertoon verwisselbaar bij de Nederlandsche Bank, als agent van \'s Rijks schatkist, tegen standpenningen.

Muntbiljetten in den door Ons bepaalden vorm uitgegeven, zijn wettig betaalmiddel. Bij verandering in den vorm blijven zij wettig betaalmiddel tot een door Onzen Minister van Financiën, krachtens Ons besluit, openbaar aan te kondigen tijdstip en zijn zij gedurende vijf jaren na dat tijdstip tegen standpenningen verwisselbaar.

3. Tol zekerheid van de verwisseling tegen standpenningen strekken de na te noemen inschrijvingen op het Grootboek der Nationale Schuld, als:

een kapitaal groot drie millioen driehonderd drie en dertig duizend vierhonderd gulden (ƒ3333400) op het Grootboek der 3 percents Nationale Schuld in te schrijven onder het hoofd: Fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen, zoomede de op hetzelfde hoofd van rekening over te schrijven kapitalen, groot ƒ 1010300 (een millioen tien duizend driehonderd gulden) 3 percents Nationale Schuld en ƒ18788000 (achttien millioen zevenhonderd acht en tachtig duizend gulden) 21/i percents Nationale Schuld, op de Grootboeken dier schuld thans ingeschreven onder het hoofd: Fonds tot verzekering van de verzilvering der rentelooze schuld onder bewaring van de directie der Nederlandsche Bank.

De muntbiljetten worden van een stempel of visum van de Nederlandsche Bank voorzien.

4. Onze Minister van Financiën is bevoegd de in artikel 3 ge-

-ocr page 295-

WETTEN OP HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN. 245

noemde inschrijvingen op het Grootboek der Nationale Schuld te be-leenen, wanneer de toestand der schatkist dat vordert ten gevolge van de inwisseling der muntbiljetten tegen specie. In dat geval moet een bedrag aan muntbiljetten gelijkstaande aan de door beleening verkregen som aan de circulatie onttrokken worden. Dat bedrag wordt onder bezwaring gesteld van de Nederlandsche Bank.

Van deze handeling wordt proces-verbaal in drievoud opgemaakt i

door of van wege Onzen Minister van Financiën en de directie der Nederlandsche Bank, houdende opgave van het bedrag der in beleening opgenomen som en der in bewaring gegeven muntbiljetten. Ben exemplaar van dit proces-verbaal wordt aan de Algemeene Rekenkamer toegezonden.

De in bewaring gegeven muntbiljetten worden niet in \'s Rijks schatkist teruggebracht dan nk of met gelijktijdige aflossing der opgenomen gelden. Ook hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt, op gelijke wijze als hierboven is bepaald.

5. Wegens het verlies van muntbiljetten wordt in geen geval eenige vergoeding toegekend.

Wanneer muntbiljetten onbruikbaar zijn geworden, kunnen die, mits zij nog kenbaar zijn, tegen nieuwe stukken verwisseld worden, doch niet dan op bijzondere machtiging door Ons in elk geval te verkenen.

De als onbruikbaar verwisselde of anderszins ingetrokken muntbiljetten worden ter Algemeene Rekenkamer overgebracht om door haar te worden vernietigd.

6. Het namaken of vervalschen van muntbiljetten, het desbewust uitgeven, ter uitgifte in voorraad hebben of binnen dit Rijk invoeren van valsche of vervalschte biljetten wordt gestraft met de straffen in het Wetboek van Strafrecht op gelijke handelingen ten aanzien van nationale muntspeciën bedreigd. (S.R. 208 volg.)

7. De wet van 26 April 1852 {Staatsblad no. 90) wordt ingetrokken.

De bepalingen van de beide laatste alinea\'s van artikel 2 zijn op de krachtens die wet uitgegeven muntbiljetten van toepassing.

:■

-ocr page 296-

WET,

HOUDENDE VOORZIENINGEN OMTRENT DE NEDER-LANDSCHE BANK.

(Vastgesteld den 228ten December 1863, Stsbl. no. 148, uitgegeven den SSsten Dec. d.a.v. Gewgzigd en aangevuld bg de wet van 7 Aug. 1888,

Stsbl. no. 122.) t)

Art. 1. Geen circulatiebank kan worden opgerigt en geen buiten-landsche circulatiebank mag hare bankbiljetten hier te lande in omloop brengen anders dan krachtens eene bijzondere wet en op den voet en de voorwaarden bij zoodanige wet te stellen.

Onder circulatiebank wordt verstaan elke inrigting, bestemd om bankbiljetten uit te geven of in omloop te brengen.

2. De Nederlandsche Bank blijft na het eindigen van het bestaand octrooi, onder de navolgende bepalingen en voor een tijdperk van vijf en twintig jaren, geregtigd om als circulatiebank werkzaam te zijn. 1)

3. De Nederlandsche Bank is eene naamlooze vennootschap.

4. De inhoud dezer wet zal ten grondslag liggen aan de acte van oprigling der Nederlandsche Bank als naamlooze vennootschap.

5. De hoofdzetel der Nederlandsche Bank blijft te Amsterdam.

Vóór of met 1 Januarij 1865 vestigt zij te Rotterdam eene Bijbank

en elders agentschappen en correspondentschappen.

In elke provincie zal minstens één agentschap zijn.

1

Bij art. 1 der wet van 7 Aug. 1888, Stsbl. no. 122 (waarvan de overige artikelen in den tekst zijn opgenomen) is het volgende bepaald :

Het tijdperk, waarvoor de Nederlandsche Bank, krachtens art. 2 der wet van 22 December 1863 (Staatsblad no. 148J, gerechtigd is om als circulatiebank werkzaam te zijn, wordt, te rekenen van het einde daarvan, verlengd met vijftien jaren, dus tot en met den Sisten Maart 1904, en wel onder de bij die wet gemaakte bepalingen, voor zoover daarvan bij deze wet niet wordt afgeweken.

Dat tijdperk wordt geacht stilzwijgend telkens opnieuw met tien jaren verlengd te zijn, tenzij door Ons of door de Bank ten minste twee jaren vóór het einde van het loopend tijdperk door opzegging van ongeneigdheid tot die verlenging blijk zij gegeven.

t) De met * gemerkte alinea\'s en artikels zijn aldus gewgzigd of toegevoegd ingevolge artt. 2—11 der wet van 7 Aug. 1888, Stsbl. no. 122.

-ocr page 297-

WET, HOUDENDE VOORZ. OMTBENT DE NED. BANK.

Het aantal correspondentschappen regelt zich naar de bestaande behoeften.

De inrigting en de werkkring der Bijbank en der agentschappen worden aan Onze goedkeuring onderworpen.

*6. Het maatschappelijk kapitaal der Nederlandsche Bank bedraagt twintig millioen gulden, ten volle gestort.

Het kan met toestemming van de Bank bij de wet worden vergroot.

*Qbis. De Bank vormt een reservefonds, ten bedrage van een vierde van haar maatschappelijk kapitaal.

Het reservefonds is, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van art. 22, bestemd tot aanvulling van mogelijke verhezen op het maatschappelijk kapitaal.

7. De operatiën der Bank zullen bestaan:

1°. in het disconteren:

*a. van wisselbrieven, assignatiën en orderbriefjes, met twee of meer solidair verbondenen en met een looptijd niet langer dan de gebruiken des handels medebrengen en in geen geval van langer dan zes maanden;

b. van hier te lande binnen drie maanden aflosbare of verschijnende schuldbrieven of rentebewijzen, zoowel van nationale als van vreemde schuld, en van soortgelijke stukken van bijzondere ligchamen of vennootschappen, altijd onder solidaire medeverbindtenis van den discontant ;

2°. in het beleenen:

а. van effecten, hetzij staatsschulden, hetzij aandeelen en obligatiën van bijzondere ligchamen of maatschappijen:

б. van goederen, waren en koopmanschappen, munt en muntmate-riaal;

*3°. in den handel in goud en zilver, en in het doen verwerken en vermunten daarvan;

4°. in het ontvangen van gelden in rekeningcourant;

*5°. in het koopen en verkoopen van wisselbrieven en ander handelspapier, buitenslands betaalbaar, met twee of meer solidair verbondenen en met geen langeren looptijd dan de gebruiken des handels medebrengen.

De som der in buitenslands betaalbaar papier belegde gelden mag nooit langer achtereen dan gedurende een tijdperk van veertien dagen het bedi\'ag van het beschikbaar metaalsaldo der Bank te boven gaan.

Daarenboven zal de Bank de bevoegdheid hebben, om, op de voorwaarden door haar in het openbaar aan te kondigen, gelden en andere waarden in eigenlijk gezegde bewaring te nemen.

*De Staat behoudt zich de bevoegdheid voor om, wanneer hij mocht toetreden tot eene Munt-Unie, gegrond op het stelsel van den dubbelen standaard en in de landen die daarvan deel uitmaken aan de

247

-ocr page 298-

248 WET, HOUDENDE VOOBZ. OMTRENT DE NED. BANK.

voornaamste circulatiebanken de verplichting wordt opgelegd, al het haar te koop aangeboden wordende muntmetaal, waarvan de vermun-ting bij de wet aan ieder zal zijn vrijgelaten, tegen muntprijs te koo-pen, dezelfde verplichting bij de wet op te leggen aan de Nederland-sche Bank.

8. De Nederlandsche Bank houdt zich met geene andere operatiën bezig dan de in het vorige artikel genoemde.

Zij verleent niemand, wie het ook zijn moge, eenig crediet of voorschot in blanco.

Zij neemt geen deel in eenige handels-, nijverheids- of andere onderneming.

Zij kan hare eigene aandeelen niet inkoopen.

Evenmin koopt zij effecten, goederen, waren of koopmanschappen.

Met uitzondering der localen, noodig voor haar bedrijf, koopt of bezit zij geene vaste goederen.

Van hare beleeningen blijven uitgesloten hare eigene aandeelen.

Zij schiet geen geld op hypotheek, noch onder verband van schepen.

*9. De Bank is, bij uitzondering op hetgeen bij het vijfde lid van art. 8 bepaald is, bevoegd, om het reservefonds benevens een vijfde van haar maatschappelijk kapitaal te beleggen in Nederlandsche Staatsschuld en in andere ter beurze van Amsterdam of van andere voorname plaatsen in Europa dagelijks verhandelbare schuldbewijzen.

De lijst dier schuldbewijzen wordt door de directie en de commissarissen der Bank, in eene gemeenschappelijke vergadering, vastgesteld en zoo noodig van tijd tot tijd herzien.

10. *De Nederlandsche Bank blijft zich belasten met de kostelooze bewaring der Algemeene Rijkskas te Amsterdam.

*Zij belast zich evenzeer kosteloos met de waarneming dei- func-tiën van Rijkskassier aldaar, alsmede te Rotterdam en in alle plaatsen, waar zij agentschappen heeft of vestigt.

Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan den Minister van Financiën en rekenpligtig aan de Algemeene Rekenkamer.

*Zij belast zich bovendien kosteloos met het kassierschap der Rijkspostspaarbank en met de bewaring van alle geldswaarden dier spaarbank en van de door deze in pand genomen waarden. (Wet 25 Mei 1880, S. 88, Rijkspostspaarb., art. 15.)

11. De Nederlandsche Bank verleent kosteloos, naar de wet, hare hulp en medewerking tot de vervaardiging, uitgifte en intrekking dei-muntbiljetten ; zij is daartoe echter alleen verpligt zoolang het gezamenlijk bedrag van deze de som van vijftien millioen niet te boven gaat.

De wijze waarop zij de haar in dit en het vorig artikel opgelegde verplichtingen vervult, wordt door Ons, de directie der Bank gehoord, vastgesteld.

*116is. Bij uitzondering op hetgeen bij het tweede lid van art. 8 is bepaald, is de Bank:

-ocr page 299-

WET, HOUDENDE VOOBZ. OMTRENT DE NED. BANK. 249

1°. verpligt, om aan den Staat, telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van \'s Rijks schatkist noodig acht, voorschotten in rekening-courant, tegen de gewone beleenings-rente te verstrekken, op voldoend onderpand van schatkistbiljetten, waarvan de uitgifte of beleening bij de wet zal zijn toegestaan;

2°. bevoegd, om aan den Minister van Financiën, ten behoeve van den Staat, dergelijke voorschotten tot inwisseling, tegen standpenningen, van daartoe aangeboden muntbiljetten te doen, op onderpand van het geheel of een gedeelte der kapitalen, als fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen, op de Grootboeken der Nationale Schuld ingeschreven.

Hare voorschotten onder 1°. bedoeld, mogen tegelijker tijd gezamenlijk niet meer dan vijf millioen gulden bedragen.

De verpligting tot het verstrekken dier voorschotten houdt op zoodra en voor zoo lang als het beschikbaar metaalsaldo der Bank beneden tien millioen gulden is gedaald. Zij vervalt in zoover dit saldo door die voorschotten beneden dat bedrag dalen zou.

De bevoegdheid onder 2°. bedoeld houdt op wanneer de Staat besluiten mocht om voor meer dan vijftien millioen gulden aan munt-papier uit te geven.

12. De vorm en de hoegrootheid der uit te geven bankbiljetten worden door de directie der Bank ter kennisse van het publiek ge-bragt.

Zij geeft geene biljetten uit tot een lager bedrag dan van ƒ 25.

13. De biljetten der Nederlandsche Bank zijn op vertooning betaalbaar bij de Hoofdbank, de Bijbank en de agentschappen.

De betaling bij de agentschappen kan echter worden uitgesteld, tot dat specie van de hoofdbank zal kunnen ontvangen zijn.

De biljetten der Bank kunnen als betaalmiddel in \'s Rijks kassen worden toegelaten.

Zij zijn vrijgesteld van het regt van zegel.

14. De houder van een bankbiljet is bij uitsluiting gerechtigd om de uitbetaling der daarin uitgedrukte geldsom van de Bank te vorderen.

Wegens verlies of vernietiging van bankbiljetten behoeft door de Bank geene vergoeding verleend te worden.

Bij verdenking wegens misdrijf of op schriftelijk aanzoek der belanghebbenden , staat het der directie vrij, quitering en afteekening der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisseling aanbiedt.

De bepalingen van artt. 227—229 van het Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten.

15. Behalve bankbiljetten zal de Nederlandsche Bank geen ander papier uitgeven dan assignatiën aan order van het eene bankkantoor op het andere.

16. De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening courant saldo\'s door munt of munt-

-ocr page 300-

250 WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK.

materiaal moet zijn gedekt, wordt bepaald bij Koninklijk besluit, op voordragt van de directie der Bank te nemen. Dit besluit wordt in het Staatsblad geplaatst, en, voor zooveel noodig, van tijd tot tijd gewijzigd. (K.B. 16 April 1864, S. 18 en 20 Junij 1880, S. 113.)

17. De directie der Bank bestaat uit een president, vijf directeuren en een secretaris. Het toezigt op de handelingen der directie wordt uitgeoefend door commissarissen.

18. De president en de secretaris worden door Ons, telkens voor zeven jaren benoemd. In eene gemeenschappelijke vergadering van de directie en de commissarissen wordt voor elke benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen opgemaakt en Ons aangeboden, ten einde daarop door Ons zooveel acht kunne geslagen worden, als Wij zullen vermeenen te behooren.

De directeuren worden, telkens voor den tijd van vijf jaren, benoemd door de stemgeregtigde aandeelhouders, uit eene voordragt van drie personen, opgemaakt door de directie en de commissarissen in eene gemeenschappelijke vergadering. Jaarlijks treedt een der directeuren af.

Alle leden der directie zijn bij hunne aftreding terstond op nieuw benoembaar.

*Op voorstel van eene gemeenschappelijke vergadering der directie en commissarissen kan de president zoowel als de secretaris door Ons in de waarneming zijner betrekking worden geschorst of daaruit ontslagen. Ingeval eene schorsing wordt voorgesteld, geschiec t tevens een voorstel betreffende de tijdelijke vervulling.

*Op gelijk voorstel kunnen ook de overige leden der oirectie door de stemgerechtigde aandeelhouders worden ontslagen.

19. Er zijn minstens vijftien commissarissen. Zij worden door de stemgerechtigde aandeelhouders gekozen.

20. Van Regeringswege wordt toezigt op de handelingen der Bank uitgeoefend door een Koninklijken commissaris, door Ons te benoemen en te ontslaan.

De Koninklijke commissaris heeft het regt, alle vergaderingen van aandeelhouders en van commissarissen bij te wonen en aldaar eene raadgevende stem uit te brengen.

*De directie der Bank is gehouden, hem telkens op zijne aanvrage al die inUchtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke uitoefening van zijn toezicht noodig acht.

De verdere instructie van den Koninklijken commissaris wordt door Ons bij besluit vastgesteld.

Zijne bezoldiging komt ten laste der Bank.

21. De directie der Nederlandsche Bank doet eenmaal \'s weeks, door plaatsing in de Nederlandsche Staats-cowant mededeeling van eene verkorte balans in een door Ons goed te keuren vorm.

*22. De winsten der Bank blijven ten beloope van vijf percent van het maatschappelijk kapitaal uitsluitend ten hare voordeele.

-ocr page 301-

WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK. 251

Mochten de winsten in eenig jaar minder dan vijf percent van dat kapitaal bedragen, dan wordt hetgeen er aan ontbreekt uit het reservefonds aangevuld, mits dit fonds niet beneden vijftien procent van het maatschappelijk kapitaal dale.

Bedragen de winsten méér dan vijf percent van het maatschappelijk kapitaal, dan gaat van dit meerdere eerst tien percent in het reservefonds, totdat dit het bij art. Qbis bepaalde bedrag heeft bereikt. Van het overschot blijft de helft ten voordeele van de Bank en komt de wederhelft ten voordeele van den Staat, totdat het aandeel der Bank in de winsten, behalve de vereischte aanvulling van het reservefonds, zeven percent van het maatschappelijk kapitaal bereikt. Het meerdere wordt voor een derde door haar en voor twee derden door den Staat genoten.

Als grondslag voor de verdeeling der winsten strekt de jaarlijk-sche balans der Bank, zooals die door hare commissarissen is vastgesteld, voor zoover zij in overeenstemming is met de bepalingen der wet en van de statuten der Bank.

Geschillen over de vraag, of de balans met die bepalingen in overeenstemming is, worden door drie scheidslieden in het hoogste ressort beslist. Van die scheidslieden wordt één door den Minister van Financiën en één door de directie der Bank gekozen en de derde door de rechtbank te Amsterdam benoemd. Aandeelhouders der Bank kunnen daartoe niet gekozen of benoemd worden.

Het aandeel van den Staat in de winsten der Bank vervalt:

1°. wanneer aan een ander dan de Nederlandsche Bank mocht worden toegestaan bankbiljetten uit te geven en in omloop te brengen;

2quot;. wanneer de Staat besluiten mocht, om voor meer dan vijftien millioen gulden aan muntpapier uit te geven.

*23. De rente der bij art. 9 bedoelde effecten wordt onder de winsten der Bank opgenomen. Vóór- of achteruitgang van hunne waarde wordt ten bate of ten laste van het reservefonds gebracht.

Bij de wet van 7 Aug. 1888, Stsbl. no. 122, zijn gevoegd de volgende

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 12 (der wijzigingswet van 1888). Het reservefonds, dat krachtens de bij art. 9 der genoemde wet verleende bevoegdheid, door de Bank, ingevolge art. 41 harer bestaande statuten, gevormd is, strekt als eerste grondslag voor het reservefonds, waarvan art. 3 dezer wet de vorming voorschrijft.

Art. 13 (der wijzigingswet van 1888). Indien het reservefonds bij het einde van het tijdperk, waarvoor art. 1 dezer wet de Nederlandsche Bank opnieuw het recht geeft om als circulatiebank werkzaam te zijn, blijken mocht meer te bedragen dan op den Sisten Maart 1889, volgens de balans over het boekjaar 1888/89, en dat tijdperk niet

-ocr page 302-

252 WET, HOUDENDE VOORZ. OMTRENT DE NED. BANK.

weder wordt verlengd, komt dat meerdere voor de helft ten voordeele van den Staat en blijft het voor de wederhelft ten bate der Bank.

Art. 14 (der wijzigingswet van 1888). De nieuwe aandeelen, het bedrag vertegenwoordigende waarmede het maatschappelijk kapitaal der Bank krachtens art. 2 dezer wet wordt vergroot, worden tegen storting van hun nominaal bedrag en eene uitkeering bovendien van vijf en twintig ten honderd over dat nominaal bedrag aan den Staat, ter beschikking gesteld van de aandeelhouders der Bank, in verhouding tot hunne aandeelen.

De aandeelen, waarover op die wijze binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet niet beschikt is, worden in het openbaar of ter beurze verkocht. Van hetgeen zij meer dan hun nominaal bedrag opbrengen wordt vijf en twintig ten honderd over dat nominaal bedrag aan den Staat uitgekeerd en het overschot in het reservefonds gestort.

Art. 15 (der wijzigingswet van 1888). De statuten der Nederland-sche Bank worden, behoudens Onze goedkeuring, met de bepalingen dezer wet in overeenstemming gebracht.

Art. 16 (der wijzigingswet van 1888). Deze wet treedt in werking met den laten April 1889.

-ocr page 303-

WET

TOT KEGELING VAN HET ABMBESTUÜR.

(Vastgesteld den 28steu Junij 1854, Stsbl. no. ICO, uitgegeven den 12den Angustus d.a.v; Gewyzigd bjj de wer, van 1 Juny 1870, Stsbl. no. 85. en 15 April 1886, Stsbl. no. 64.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN HET ARMBESTUUR.

EERSTE AFDEELING.

Van instellingen van weldadigheid, hare oprigting en reglementen.

Art. 1. Instellingen van weldadigheid, in den zin dezer wet, zijn die, welke armenverzorging, in of buiten gestichten, voortdurend ten doel hebben.

Op instellingen, uitsluitend bestemd tot het voorkomen van armoede, is deze wet niet van toepassing.

2. De wet onderscheidt:

a. staats-, provinciale- of gemeente-instellingen, door de burgerlijke overheid geregeld en van harentwege bestuurd;

b. instellingen eener kerkelijke gemeente, bestemd voor de armen eener bepaalde godsdienstige gezindte, en van wege die kerkelijke gemeente geregeld en bestuurd;

c. instellingen, door bijzondere personen of door bijzondere, niet kerkelijke, vereenigingen geregeld en bestuurd;

d. instellingen van gemengden aard, in welker regeling of bestuur door de burgerlijke overheid en van wege eene kerkelijke gemeente of door bijzondere personen of bijzondere, niet kerkelijke, vereenigingen gezamenlijk wordt voorzien.

3. Van alle in de gemeente aanwezige instellingen van weldadigheid wordt, naar de onderscheidingen, bij art. 2 vermeld, door de zorg van het gemeentebestuur, eene lijst opgemaakt en bijgehouden.

4. De reglementen der gemeente-instellingen, vermeld onder litt. a van art. 2, worden, binnen eeneri door Ons voor te schrijven termijn, door den gemeenteraad, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of, zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.

De oprigting van nieuwe insteUingen van dien aard geschiedt krachtens een besluit van dien raad, houdende tevens vaststeUing van het reglement.

5. De reglementen der instellingen, vermeld onder litt. d van art.

-ocr page 304-

WET OP HET ARMBESTUUR.

2, worden, binnen eenen door Ons voor te schrijven termijn, door den gemeenteraad en het betrokken kerk- of bijzonder bestuur gezamenlijk, met inachtneming van de bepalingen dezer wet, herzien, of, zoo er nog geene bestaan, vastgesteld.

Daarvan moet blijken door een besluit van den gemeenteraad.

De oprigting van nieuwe instellingen van dien aard en het vaststellen van hare reglementen geschieden op gelijke wijze.

6. De besluiten der gemeenteraden en de reglementen, bij de artt. 4 en 5 vermeld, worden, binnen acht dagen, nadat zij zijn vastgesteld, in afschrift, door den burgemeester en den secretaris te waarmerken, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten. Deze geven aan den raad berigt van de ontvangst binnen acht dagen, nadat het afschrift hun is geworden.

Gedeputeerde Staten zien toe, dat die reglementen de noodige voorschriften inhouden tot verzekering van een regelmatig beheer, en dat zij niets bevatten, strijdig met de wetten of het algemeen belang.

7. De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur der instellingen, onder litt. 6 en c van art. 2 vermeld, worden door hare bestuurders aan het bestuur der gemeente, waar zij zijn gevestigd, medegedeeld.

Die mededeeling geschiedt, voor de reeds bestaande instellingen, binnen zes maanden na het in werking treden dezer wet, en voor die, in het vervolg op te rigten, binnen ééne maand nadat zij tot stand komen.

Wijzigingen der medegedeelde bepalingen worden, binnen eene maand na hare vaststelling, op gelijke wijze aan het gemeentebestuur bekend gemaakt.

Indien de instelling niet uitsluitend armenverzorging ten doel heeft wordt de mededeeling beperkt tot hetgeen die zorg betreft.

De instellingen, voor welke de gevorderde mededeeling niet binnen de gestelde termijnen geschiedt, missen van het oogenblik van het verstrijken dier termijnen af, totdat zij plaats heeft, de bevoegdheid, bij art. 1691 van het Burgerlijk Wetboek aan zedelijke ligchamen toegekend, tot het aangaan van burgerlijke handelingen.

8. Alle niet door het Staats- of provinciaal gezag opgerichte gods en werkhuizen, die behooren tot de instellingen, vermeld onder litt. a en d van art. 2, zijn, onverminderd het toezigt, dat daarop, in verband met hunnen oorsprong, stichtingsbrief of andere verorderflngen, door anderen moet worden uitgeoefend, onderworpen aan het toezigt van het gemeentebestuur. (Gem. 126, 179i.)

Van Onzentwege kan, zoo dikwijls wij dit noodig oordeelen, door een plaatselijk onderzoek in die en in provinciale gods- en werkhuizen worden nagegaan, of zij aan hunne bestemming blijven beant woorden.

9. Zoo het doel eener instelling van weldadigheid is vervallen, wordt het gebruik harer bezittingen en inkomsten tot eene andere,

254

-ocr page 305-

WET OP HET ARMBESTUUR.

aan de laatst bekende zoo nabij mogelijk komende, bestemming geregeld, ten aanzien van:

a. gemeente-instellingen (art. 2a), door den gemeenteraad, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten;

b. instellingen eener kerkelijke gemeente (art. 2b), door de bevoegde kerkelijke besturen;

c. instellingen van bijzondere personen of vereenigingen (art. 2c), door de oprigters of hunne erfgenamen, en, bij ontstentenis of onbekendheid van deze, door de bestuurders der instelling; in het laatste geval onder onze goedkeuring; en

d. instellingen van gemengden aard (art. 2d), door den gemeenteraad en het bevoegd kerkelijk of bijzonder bestuur in gemeenschappelijk overleg, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Blijft die regeling binnen eenen voor elk bijzonder geval, des noo-dig door Ons, voor te schrijven termijn achterwege, dan geschiedt zij door Ons bij een met redenen omkleed, openbaar gemaakt besluit. Deze bepaling geldt voor de instellingen, onder litt. c vermeld, slechts zoo de oprigters zeiven of hunne erfgenamen niet meer in leven of niet bekend zijn.

TWEEDE AFDEELING.

Van opgaven, door de besturen van alle instellingen van weldadigheid te doen, en van collecten.

Art. 10. De besturen van alle instellingen van weldadigheid doen jaarlijks, binnen den daarvoor door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen termijn, en in den door dezen voor te schrijven vorm, ten behoeve van het verslag, bij art. 195 (193) der Grondwet bedoeld, aan het gemeentebestuur opgave van het getal der door hen ondersteunden of verpleegden; van het beloop hunner uitgaven voor beheer en voor onderstand van allerlei aard, en van dat hunner inkomsten door collecten, inschrijvingen of andere vrijwillige bijdragen en subsidiën.

De besturen der burgerlijke en gemengde instellingen doen daarenboven alle verdere opgaven, door de Kegeering noodig geacht.

11. De bestuurders, die niet voldoen aan het voorschrift van art. 10, worden elk met geldboete van vijftig cents tot vijf en zeventig gulden gestraft. \')

Zij zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boeten aansprakelijk.

255

Tegen den bestuurder, die bewijst het zijne te hebben gedaan om aan het voorschrift gevolg te geven, wordt geene veroordeeling uitgesproken.

1) Art. 11 aldus gewijz. door art. 11 der wet vau 15 April 1886, Stsbl. uo. 64. STAATSWETTEN. ] 7

-ocr page 306-

WET OP HET ARMBESTUUR.

12. De besturen der kerkelijke, gemengde en bijzondere instellingen van weldadigheid moeten, des gevraagd, aan de burgerlijke besturen opgeven, of eene arme, die zich bij een burgerlijk bestuur heeft aangemeld, van hen al dan niet onderstand kan erlangen.

De bestuurders, die deze opgaven niet doen binnen veertien dagen na de aanvraag, worden elk met geldboete van vijftig cents tot vijf en twintig gulden gestraft. 1)

Het 2de en 3de lid van art. 11 is ook in dit geval van toepassing.

13. Openbare inzameling van gelden ten behoeve van instellingen van weldadigheid, bij wege van collecte, inschrijvingen of op eenige andere wijze, heeft niet plaats, dan nadat daarvan minstens driemaal vier en twintig uren te voren schriftelijk kennis zij gegeven aan het gemeentebestuur. (Gem. 126.)

Geene zoodanige inzameling mag plaats hebben ten behoeve van instellingen, die vallen in de toepassing van hel laatste lid van art. 7.

Het gemeentebestuur kan de inzameling stuiten.

Zoo het bestuur der betrokkene instelling zich met die stuiting bezwaard acht, kan het Onze beslissing inroepen.

Van de toepassing van dit artikel zijn uitgezonderd collecten in kerkgebouwen bij de uitoefening der openbare eeredienst, en die, voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel aan de huizen van de ledematen dier gemeente.

DERDE AFDBELING.

Bepalingen betreffende het bestuur van burgerlijke en gemengde instellingen.

Art. 14. Alle daarvoor vatbare goederen der gemeente-instellin-gen, onder litt. «, en der instellingen onder litt. d van art. 2 vermeld, moeten voor den koopprijs of de door deskundigen te schatten waarde, tegen brandschade worden verzekerd.

De verzekering geschiedt, voor de goederen, reeds bezeten bij het in werking treden dezer wet, binnen drie maanden daarna, en voor die, later te verkrijgen, binnen ééne maand na den eigendomsovergang.

De bestuurders, die dit hebben verzuimd, zijn, hoofdelijk voor het geheel, aansprakelijk voor de schade, door dat verzuim te weeg gebragt.

Het openbaar ministerie kan, in het belang der instelling, ambtshalve de toepassing dezer bepaling vorderen.

De bepaling van het laatste lid van art. 11 is hier mede van toepassing.

256

15. De beschikbare gelden dier instellingen worden belegd door aankoop van inschrijvingen in een der grootboeken der Nederland-sche schuld.

1

Art. 12 aldns gewijzigd door art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 307-

WET OP HET AKMBESTUITR. 257

Zij kunnen, na verkregen goedkeuring van Gedeputeerde Staten, ook worden belegd door aankoop van onroerende goederen of in ren-tegevende schuldbrieven:

a. van geldleeningen van den Staat, provinciën of gemeenten, onder voorwaarde, dat de stukken op naam zijn gesteld, en de verklaring inhouden, dat zij niet dan krachtens de bij de wet gevorderde magtiging kunnen worden vervreemd;

h. gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt.

Indien Gedeputeerde Staten de gevraagde goedkeuring weigeren, kan het bestuur der betrokken instelling Onze beslissing vragen.

Bestuurders, die zich schuldig maken aan grove nalatigheid in het beleggen van geldsommen, niet noodig voor het dagelijksch beheer, zijn, hoofdelijk voor het geheel, de wettelijke interesten daarvan verschuldigd. Het openbaar ministerie kan, in het belang der instelling, ambtshalve de toepassing dezer bepaling vorderen.

De bepaling van het laatste lid van art. 11 is hier mede van toepassing.

16. De besturen dier instellingen behoeven de magtiging van Gedeputeerde Staten tot het opnemen van gelden; vervreemden, uitgeven op erfpacht, verruilen of verpanden van onroerende goederen; ver-koopen of overdragen van inschrijvingen in een der grootboeken der Nederlandsche schuld, of van andere effecten, actiën en schuldvorderingen; verleenen van kwijtschelding of afslag van pachtgelden, huurpenningen en interesten; voeren van regtsgedingen, anders dan in het geval, bij art. 72 vermeld; het aangaan van dadingen en opdragen van de beslissing eener zaak aan scheidsmannen, en alle andere daden, die buiten het gewoon beheer vallen. Zij mogen onroerende goederen niet anders dan in het openbaar verhuren of verpachten, ten ware Gedeputeerde Staten in bijzondere gevallen, in het belang der instelling, bewilligen, dat het onderhands geschiede. (P. 143; Gem. 194.)

De besturen, die zich met de beschikking van Gedeputeerde Staten bezwaard achten, kunnen Onze beslissing vragen.

17. Gelijke magtiging van Gedeputeerde Staten wordt voor de besturen dier instellingen vereischt tot het oprigten van nieuwe of het vernieuwen van bestaande gebouwen en het doen van buitengewone, met vernieuwing gelijkstaande herstellingen, waarvan de kosten worden berekend te boven te gaan eene som, door Gedeputeerde Staten te bepalen.

Alle werken, die eene uitgaaf vorderen van meer dan vijf honderd gulden, worden in het openbaar aanbesteed, ten ware Gedeputeerde Staten, in bijzondere gevallen, in het belang der betrokken instelling, toestaan, dat daarvan worde afgeweken.

De bepaling van het laatste lid van art. 16 is hier mede van toepassing.

17*

-ocr page 308-

WET OP HET ARMBESTUUR.

18. A]le handelingen in strijd met de voorschriften der artt. 15 en 16 worden, zoo zij niet, om redenen in het belang der instellingen, na hare volbrenging, door Gedeputeerde Staten zijn bekrachtigd, door den regter, op de vordering van belanghebbenden of van het openbaar ministerie, nietig verklaard.

Uitgaven, gedaan in strijd met art. 17, worden in de rekening der betrokken instelling niet goedgekeurd.

19. Onverminderd de bepaling van art. 148 der (Gem.)wet van den 29sten Junij 1851 {Staatsblad no. 85), zijn de begrootingen en rekeningen van ontvangsten en uitgaven der gemeente-instellingen, onder litt. a, en der instellingen, onder litt. d van art. 2 vermeld, onderworpen aan de goedkeuring van den gemeenteraad.

Indien de gemeenteraad de gevraagde goedkeuring weigert, kan het bestuur der betrokken instelling de beslissing van Gedeputeerde Staten vragen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE ONDERSTEUNING DER ARMEN.

Art. 20. De ondersteuning der armen wordt, behoudens de verdere bepalingen dezer afdeeling, overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid.

21. Geen burgerlijk bestuur mag onderstand verleenen aan armen dan na zich, voor zooveel mogelijk, te hebben verzekerd, dat zij dien niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid kunnen erlangen, en dan slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid.

22. Het burgerlijk of algemeen, het gemengd armbestuur of, bij gebreke daarvan, het bestuur der gemeente, waar de arme zich bevindt, beslist zonder beroep op de aanvraag om onderstand dergenen, die verkeeren in het geval, bij het vorig artikel bedoeld.

23. Vervallen bij de wet van 1870.

24. Aan het verleenen van onderstand mogen voorwaarden worden verbonden, niet strijdig met de wet, de openbare orde of de goede zeden.

, 25. Vervallen bij de wet van 1870.

26. De kosten, voortvloeijende uit het overbrengen van arme krankzinnigen naar, en hunne verpleging in gestichten voor krankzinnigen, voor zooverre die niet uit de fondsen dier gestichten zelve moeten worden bestreden, of daarin niet door de kerkelijke en bijzondere weldadigheid wordt voorzien, worden voldaan uit de fondsen der burgerlijke gemeenten, waar de verpleegden woonplaats hebban en, indien die woonplaats binnen het Kijk niet te vinden is, uit \'s Rijks kas.

258

De wijze, waarop van het verstrekken der in het eerste lid bedoelde kosten wordt kennis gegeven, wordt door Ons geregeld.

Artt. 22 en 36 aldus gewijzigd hg de wet van 1870.

-ocr page 309-

WET OP HET ARMBESTUUR.

De kosten van verpleging in gevangenissen van arme kinderen van gevangenen, die niet van de ouders kunnen worden geseheiden, worden voldaan uit de fondsen, waaruit de verpleging der ouders in de gevangenis wordt bekostigd.

27—48. Vervallen bij de wet van 1870.

DERDE HOOFDSTUK.

VAK HET VERHAAL OP DE ONDERSTEUNDEN, HUNNE BLOEDOF AANVERWANTEN OP NALATENSCHAPPEN.

Art. 49. De inkomsten van bezittingen van weezen, vondelingen, verlaten kinderen, en andere armen, in burgerlijke, kerkelijke of bijzondere godshuizen verpleegd, kunnen, gedurende den tijd der verpleging, worden genoten door het bestuur, dat haar bekostigt, doch niet verder dan tot het beloop der gemaakte kosten.

50. Op de nalatenschappen van hen, die, gedurende hunne verpleging in de godshuizen overlijden, kunnen de kosten dier verpleging en der begrafenis worden verhaald, voor zooverre die niet reeds door de toepassing van art. 49 zijn vergoed.

51. De artt. 49 en 50 zijn niet van toepassing ten aanzien van meerderjarigen, die op andere voorwaarden in een godshuis ter verpleging zijn opgenomen.

52. Alle verdere onderstand aan armen, waaronder belooning van arbeid niet wordt verstaan, kan door het burgerlijk, kerkelijk of bijzonder bestuur, voor welks rekening de verstrekking plaats had, renteloos worden verhaald:

a. indien de ondersteunde tot de teruggaaf daarvan in staat geraakt, op hem zeiven;

b. op zijne bloed- of aanverwanten, die, krachtens de artt. 376 en volg. van het Burgerlijk Wetboek, tot zijne alimentatie zijn ver-pligt.

53. De vorderingen, bij de artt. 49, 50 en 51 vermeld, zijn bevoor-regte schulden, en nemen rang onmiddellijk na die, in art. 1195 van het Burgerlijk Wetboek omschreven, voor zooverre zij daarin niet reeds zijn begrepen.

54. De octrooijen, vroeger verleend omtrent het verhaal van kosten van verpleging of ondersteuning, of het erfregt van burgerlijke, kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid op de nalatenschap der verpleegden of ondersteunden, zijn vervallen.

55—57. Vervallen bij de wet van 1870.

58. De regtsvorderingen tot het verhaal van onderstand, krachtens de artt. 49, 50, 51 en 52, verjaren door verloop van vijf jaren na den Sisten December van het jaar, waarin de onderstand is verstrekt.

259

-ocr page 310-

WET OP HET AKMBESTTTtm.

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN SÜBSIDIËN UIT FONDSEN VAN BUBGEKLIJKE GEMEENTEN AAN INSTELLINGEN VAN WELDADIGHEID.

Art. 59. Na het in werking komen dezer wet, mogen geene sub-sidiën uit de fondsen van burgerlijke gemeenten aan besturen van instellingen van weldadigheid worden toegestaan, dan bij een met redenen omkleed besluit van den gemeenteraad.

60. Bij dat besluit moet blijken:

o. dat de volstrekte noodzakelijkheid van het subsidie is bewezen door de rekening en verantwoording der inkomsten en uitgaven van het betrokken bestuur over het laatst afgeloopen, en de begrooting voor het loopend of eerstvolgend dienstjaar;

b. dat ten behoeve van het betrokken bestuur, naar het oordeel van den gemeenteraad, op eene billijke wijze is bijgedragen door hen, van wie, overeenkomstig den aard der instelling, in den regel bijdragen kunnen worden verwacht;

c. dat het bestuur der instelling, overeenkomstig haren aard en hare bestemming, aan zijne verpligtingen naar vermogen voldoet.

61. De besluiten der gemeenteraden, krachtens dit hoofdstuk genomen, worden, binnen acht dagen na hunne dagteekening, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten.

Deze zien toe, dat niet dan bij volstrekte onvermijdelijkheid sub-sidiën verleend worden. Zij nemen alle maatregelen, waartoe zij bevoegd zijn, om de vermindering er van te bevorderen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN BEDELAABS EN LANDLOOPEES.

Artt. 62—68. Artt. 62 en 68 vervallen bij de wet van 1870, en artt. 63—67 afgeschaft bij art. 47 der wet van 15 April 1amp;86, Stsbl. no. 64.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN DE UITSPRAAK OVER GESCHILLEN.

Art. 69. Geschillen over de inrigting en bestemming van instellingen, onder litt. a en d van art. 2 vermeld, en over het regt tot benoemen, schorsen en ontslaan harer besturen, worden door Ons beslist na verhoor dergenen, die, bij het ontstaan van het geschil met het bestuur der betrokken instelling zijn belast.

70. Geschillen, ontstaan over de woonplaats, in art. 26 bedoeld, worden, zoo ze niet door Gedeputeerde Staten in der minne worden bijgelegd, door Ons beslist.

De kantonregters zijn verpligt, op- aanvraag van Gedeputeerde Staten, personen onder eede of belofte te hooren over feiten betreffende

260

-ocr page 311-

WET OP HET ARMBESTUUR.

geschillen, in dit art. bedoeld, en daarvan proces-verbaal op te maken. 1)

71. Vervallen bij de wet van 1870.

72. Geschillen:

a. over de vraag, of eene instelling al dan niet is eene instelling van weldadigheid en tot welke der in art. 2 omschreven soorten zij behoort;

b. over de toepassing der artt. 49—54;

c. omtrent aanspraken, die mogten worden ontleend uit acten van indemniteit, borgtogt, ontslag, readmissie en dergelijke afgegeven, of uit overeenkomsten tot het wederkeerig ondersteunen van elkanders armen aangegaan voor het in werking treden der wet van den 28sten November 1818 (Staatsblad no. 40) door gemeentebesturen en burgerlijke of algemeene en gemengde armbesturen;

behooren, indien zij niet door de administratieve magt in der minne worden afgedaan, tot de kennis van de regterlijke magt. 1)

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.

Art. 73. Onder godshuizen worden, voor de toepassing dezer wet verstaan alle inrigtingen, in welke armen met een weldadig doel worden gehuisvest, met of zonder verdere verzorging.

Ten aanzien van gestichten voor krankzinnigen blijven de bepalingen der wet van den 29sten Mei 1841 (Staatsblad no. 20) 1!) in kracht.

Onder werkhuizen worden verstaan alle inrigtingen van weldadigheid, waarin aan armen, in plaats van onderstand, arbeid tegen loon wordt verstrekt.

74. Indien een gemeenteraad weigert de uitgaven, die krachtens deze wet, met of zonder regt van verhaal, uit de fondsen der gemeente moeten worden gedaan, op de begrootingen te brengen, wordt art. 212 der (Gem.)wet van den 29sten Junij 1851 (Staatsblad no. 85) toegepast.

75. Vervallen bij de wet van 1870.

76. Voor de werking dezer wet is art. 874 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering toepasselijk op de besturen der burgerlijke gemeenten.

77. Alle stukken, uit deze wet voortvloeijende, zijn vrij van zegelen grifüeregten en worden, voor zooveel zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd.

78. De wet van den 28sten November 1818 (Staatsblad no. 40)

261

1

Artt. 70 en 72 aldus gewyzigd bjj de wet van 1870.

-ocr page 312-

WET OP HET ARMBESTUUR.

en alle andere wetten, reglementen en verordeningen betrekkelijk de onderwerpen, bij deze wet geregeld, worden afgeschaft.

Bij de wet van 1870 zijn gevoegd de volgende overgangs-bepa-lingen:

Art. 15 (der wijzigingswet van 1870). De behoeftige krankzinnigen welke zich op den dag van het in werking treden dezer wet in krankzinnigengestichten bevinden, blijven tot hun overlijden aldaar of hun ontslag uit het gesticht voor rekening van de fondsen, waaruit zij volgens de wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad no. 100) worden verpleegd.

Art. 16 (der wijzigingswet van 1870). Art. 3 der wet van 16 December 1858 {Staatsblad no. 84) blijft van kracht.

262

Art. 17 (der wijzigingswet van 1870). Deze wet treedt in werking op het door ons te bepalen tijdstip. 1)

1

Bij K.B. van 16 Junij 1870, Stsbl. do. 93, is dit tijdstip bepaald op 15 Jul ij 1870,

-ocr page 313-

WET

VAN 17 AUGUSTUS 1878,

HOUDENDE HERZIENING DEB WET VAN 13 ATIQ. 1857 (STAATSBLAD NO. 103) TOT REGELING VAN HET

LAGER ONDERWIJS,

(Vastgesteld den IVden Aug. 1878, Stsbl. no. 127, uitgegeven den 328ten Aug. d.a.r. Gewuzigd by de wetten van 37 Juli 1882, Stsbl. no. 117, 3 Jan, 1884, Stsbl. no. 2, 11 Juli 1884, Stsbl. no. 123, 15 April 1886, Stsbl. no. t!4 en 8 Dec. 1889, Stsbl. no. 175. Kader bekend gemaakt bjj Koninkl. Besl. van 14 Dec. 1889, Stsbl. no, 177; en verder gewyzigd by de wetcen van 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78, 80 Dec. 1892, Stsbl. no. 292., 13 Sept. 1895, Stsbl. no. 159 en 28 Dec. 1896, Stsbl. no. 230.)

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Lager onderwijs is huis- of schoolonderwijs.

Onderwijs, gegeven aan kinderen van ten hoogste drie gezinnen gezamenlijk in de woning van het hoofd van een dier gezinnen, is huisonderwijs.

Ieder ander onderwijs, waaronder ook het onderwijs in armenin-riehtingen, gods-, gast- en werkhuizen, gestichten van weldadigheid en andere instellingen van openbaar nut gegeven, wordt voor de toepassing dezer wet als schoolonderwijs beschouwd.

*2. \') Onder lager onderwijs begrijpt deze wet het onderwijs in:

а. het lezen;

б. het schrijven;

c. het rekenen;

d. de beginselen der Nederlandsche taal;

e. die der vaderlandsche geschiedenis;

ƒ. die der aardrijkskunde;

ff. die van de kennis der natuur;

k. het zingen; (L.O. 15.)

i. de eerste oefeningen van het handteekenen; (L.O. 15.)

j. de vrije- en orde-oefeningen der gymnastiek; (L.O. 156, 16.)

k. de nuttige handwerken voor meisjes; (L.O. 15.)

Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in:

l. de beginselen der Pransche taal;

1) De met * gemerkte alinea\'s en artikels zyn aldus gewyzigd of toegevoegd volgens artt. I—IV der wet van 8 Dec. 1889, S. 175; Artt. V—X dier wet behelren OvergADgsbepalingen, welke achteraan z^jn opgenomen.

STAATSWETTEN. 18

-ocr page 314-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

m. die der Hoogduitsche taal;

n. die der Engelsche taal;

o. die der algemeene geschiedenis;

p. die der wiskunde;

q. het handteekenen; (L.O. 15.) re

r. de beginselen der landbouwkunde; (L.O. 15.) in

r bis. die der tuinbouwkunde; 1) ig s. de gymnastiek; (L.O. 156, 16.)

t. de fraaie handwerken voor meisjes. (L.O. 15.) h« *3. De lagere scholen opgericht en onderhouden door het Rijk of . de gemeenten zijn openbare, de overige zijn bijzondere scholen. (L.O. 1 jn 16 volg., 43 volg., 51 volg.)

Door waterschappen of provinciën worden geene uitgaven ten be- va

hoeve van het lager onderwijs gedaan. tei

Aan bijzondere scholen noch aan bijzondere inrichtingen tot opleiding van onderwijzers mogen van wege de gemeente geldelijke bijdra- m( gen of eenige andere ondersteuning middellijk of onmiddellijk worden ge toegekend, dan in de gevallen en onder de voorwaarden in deze wet 3r genoemd. (L.O. 54?)i\'s, 45\'; 826, Wet 1889 art. VII.) an

4. Art. 5 der wet van 1 Juni 1865 (Staatsblad no. 58) is toepasselijk op alle lokalen, waarin lager schoolonderwijs gegeven wordt. lij]

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden door Ons, he zoowel in het belang van de gezondheid als van het onderwijs, alge- t he meene regelen vastgesteld omtrent den bouw en de inrichting der lokalen, waarin openbaar lager schoolonderwijs gegeven wordt, alsmede Je: omtrent het aantal kinderen dat daarin mag worden toegelaten, met he bepaling of en in hoeverre deze regelen verbindend zijn voor de lokalen, waarin door gemeenten gesubsidieerd bijzonder lager schoolonder- ya wijs wordt gegeven. (L.O. 50, 87; Wet Aanvul. M.O. 1879, S. 87, art. 2; K.B. 4 Mei 1883, S. 41.)

5. Geen lager schoolonderwijs wordt gegeven in lokalen, welke wij door den inspecteur van het geneeskundig Staatstoezigt zijn afge- , keurd als schadelijk voor de gezondheid of van onvoldoende ruimte de voor het aantal schoolgaande kinderen. (L.O. 50.) On

De inspecteur spreekt de afkeuring uit bij schriftelijke en met redenen omkleede verklaring en zendt daarvan afschrift aan Gedeputeerde * bij

Staten en tenzelfden dage aan het gemeentebestuur, aan den districts- kei

schoolopziener en aan het hoofd der school. Gedeputeerde Staten gelas- bes

ten burgemeester en wethouders der gemeente, waarin het lokaal ligt, (St

deze verklaring of te kondigen binnen een door hen te bepalen termijn. *

(L.O. 9; Wet Aanvul. M.O. 1879, S. 87, art. 2.) kei

Bij Gedeputeerde Staten kunnen tegen de uitspraak van den in- ,

specteur in hooger beroep komen: bra

a. de districts-schoolopziener; 1

-: ZOO

1) r bis aldus ingelascht volgens art. 1 der wet v. 28 Dec. 1896, S. 330. t zeh

264

-ocr page 315-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

b. het hoofd der school;

e. de eigenaar of bruiker van het lokaal;

d. de ouders of verzorgers van schoolgaande kinderen. Het beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop het afschrift der verklaring van den inspecteur op last van Gedeputeerde Staten door het gemeentebestuur is afgekondigd.

Gedeputeerde Staten geven aan elk der in beroep gekomen belanghebbenden schriftelijk kennis van hunne beslissing.

Ieder, die bij de beslissing partij geweest is, kan daartegen bij Ons in hooger beroep komen.

Dit moet ingesteld worden binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag waarop de kennisgeving van de beslissing van Gedeputeerde Staten den belanghebbenden is toegezonden.

Hangende de termijnen van beroep en tot de eindbeslissing kan met het geven van onderwijs in het afgekeurd lokaal worden voortgegaan, ten ware de inspecteur van het geneeskundig staatstoezigt om

wet dringende redenen, in zijne verklaring uitdrukkelijk te vermelden,

anders mogt hebben bevolen. (L.O. 14.\')

\'as- Indien de inspecteur van het geneeskundig Staatstoezigt schrifte-

t. lijk verklaart, dat het afgekeurde lokaal voldoende verbeterd is, of dat

\'ns, het aantal kinderen genoegzaam beperkt is, kan het onderwijs worden

gequot; 4 hervat. (L.O. 15c.)

lo- 6. Niemand mag lager onderwijs geven, die niet in het bezit is

ede der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijk-

uet heid. (G. 192c?; L.O. 23 volg.)

ka- Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning. (G. 5; Wet

Ier- van 4 Junij 1858, S. 46, art. 1c.)

art. 7. De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niet toepasselijk op

a. hen, die uitsluitend aan kinderen van één gezin lager huisonder-!lke wijs geven; (L.O. 16.)

fge- b. hen, die, van het geven van lager onderwijs geen beroep maken-

mte de en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van

Ons vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs, ide- Vrijgesteld van het bezit van een der bewijzen van bekwaamheid

rde ► bij het voorgaande artikel bedoeld is hij, die voor het vak of de vakets- ken, waarin hij onderwijs geeft, bevoegd is ipgevolge het Koninklijk las- besluit van 2 Augustus 1815, no. 14, de wet van 28 April 1876 igti (Staatsblad no. 102), of de wet van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50.) lijn. *8. Jongelieden van beiderlei kunne mogen in de school als kwee-

keling worden toegelaten en aldaar behulpzaam zijn, mits zij in- a. hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun negentiende niet vol

bracht hebben, of de akte, bedoeld in art. 56 onder a, bezitten;

265

b. tot geene werkzaamheden in de school gebezigd worden dan de

zoodanige, welke zij onder het toezicht en de leiding van een in het-« zelfde schoolvertrek aanwezigen bevoegde verrichten, en

18*

é

-ocr page 316-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

c. na drie maanden als kweekeling geplaatst te zijn geweest, in het bezit zijn van een door den arrondissements-schoolopziener schriftelijk goedgekeurd bewijs, niet ouder dan een jaar en afgegeven en onderteekend door het hoofd der school, waarin zij tijdens de afgifte waren toegelaten, dat hun zedelijk gedrag en hunne vorderingen voldoende zijn.

Ingeval de arrondissements-schoolopziener zijne goedkeuring weigert, kan het hoofd der school binnen veertien dagen na die weigering de beslissing van den districts-schoolopziener inroepen. Deze beslist binnen eene maand.

Het hoofd der school geeft van de toelating van een kweekeling in zijne school minstens drie dagen te voren schriftelijk kennis aan den arrondissements-schoolopziener. (67 volg.)

*9. Hij, die in strijd met het voorschrift van art. 5 schoolonderwijs geeft in een afgekeurd lokaal, of die, als hoofd der school, in een vertrek meer leerlingen toelaat dan het naar de in art. 4 bedoelde regelen mag bevatten of daarin kweekelingen toelaat zonder dat de vereischte schriftelijke kennisgeving daaraan is voorafgegaan of wel anders dan op den voet, bij het voorgaand artikel bepaald, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vorige veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden of met hechtenis van ten hoogste veertien dagen. Bij tweede of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen twee jaren nadat de laatste veroordeeling wegens eerste of volgende herhalingen onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste één jaar. (S.E. 436.)

10. Behalve de gevallen, hierna vermeld, vervalt de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs voor hem, die bij eindvonnis is veroordeeld

n. Afgeschaft bij art. 3d der wet van 15 April 1886, S. 64. \')

b. tot eene der straffen, omschreven in art. 28 nos. 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht. 1)

11. Hij, die de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs verloren heeft, kan haar niet terug bekomen, behalve in de gevallen, in artt. 29, 31 en 53 voorzien.

In deze gevallen kan zij hem door Ons worden teruggegeven.

*12. Van Rijkswege worden kweekscholen en normaallessen tot opleiding van onderwijzers opgericht en onderhouden. (G. 192.)

De inrichting wordt bij algemeenen maatregel van bestuur gere-

266

1

Art. 106 aldus gewgzigd door art. 10 no. 40 der wet van 15 April 1886, S. 64.

-ocr page 317-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

geld. (K.B. 21 Mei 1891, S. 97; 29 Juni 1890, S. 97, 27 Juli 1896, S. 142.)

Ten behoeve van de opleiding van onderwijzers kan eene Rijksbijdrage worden verleend,

1°. aan gemeentelijke en aan bijzondere kweekscholen;

2°. aan normaallessen en aan hoofden van scholen, voor elk der door hen opgeleide personen die de akte bedoeld in art. 56 onder a hebben verkregen, volgens door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen regelen en voorwaarden. (K.B. 3 April 1890, S. 34, 30 Nov. 1895, S. 183.)

Op de door het Eijk of de gemeenten opgerichte en onderhouden kweekscholen en normaallessen zijn het 1ste en 2de lid van art. 33 van toepassing.

De bepalingen sub a en c van art. 8 en die van art. 9, voor zoover deze op de toelating van kweekelingen betrekking hebben, zijn niet van toepassing op de leerscholen, verbonden aan door Ons aangewezen kweekscholen.

13. Waar in deze wet van onderwijzers gesproken wordt, zijn hieronder omlerwyeeressen begrepen, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij.

14. *Onverminderd het bepaalde in art. 5 en met uitzondering van de gevallen, voorzien in art. 19, sub a, b, e, d en ƒ, kan van elk besluit, krachtens deze wet door Gedeputeerde Staten genomen, bij Ons in hooger beroep worden gekomen door ieder, die bij de vernietiging of verbetering van het besluit van Gedeputeerde Staten belang heeft. (P. 168.)

Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen dertig vrije dagen, te rekenen van den dag, waarop het besluit openbaar gemaakt of den belanghebbende toegezonden is.

15. *Deze wet is niet toepasselijk op:

*a. hem, die uitsluitend in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, r bis en t, bijzonder onderwijs geeft; \')

*b. de scholen, uitsluitend bestemd voor het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder ft, i, j, k, q, r, r bis, s en i; 1)

c. de scholen, waarin geene kinderen boven de zes jaren worden toegelaten en geen ander dan voorbereidend onderwijs gegeven wordt, behoudens dat ook deze scholen onderworpen zijn aan de bepalingen van artt. 5 en 73 dezer wet;

d. militaire onderwijzers en het onderwijs, door hen gegeven aan militairen;

e. de scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen en idioten;

267

ƒ. de scholen in gevangenissen, bedelaarsgestichten of Eijks-werk-inrichtingen en in Kijks-opvoedingsgestichten, behoudens de bepa-

1

15a eu b aldus gewyzigd volgens art. 2 der wet v. 28 Deo. 1896, S. 230.

-ocr page 318-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

lingen omtrent de bevoegdheid van hen, die lager onderwijs geven. (L.O. 55 volg.)

TITEL II.

VAN HET OPENBAAR ONDERWIJS.

§ 1. Van de scholen.

Art. 16. In elke gemeente wordt voldoend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk zijn. (G. 192.)

Het onderwijs omvat de vakken, in art. 2 vermeld onder a—k, en daar, waar genoegzame behoefte aan uitbreiding bestaat, een of meer of wel alle vakken, vermeld in dat artikel onder l—t. Van de verplichting tot het geven van onderwijs in het vak, vermeld in aritkel 2, onder j, kan door Gedeputeerde Staten, den districtsschoolopziener gehoord, telkens voor ten hoogste vijf jaren, vrijstelling worden verleend. 1)

*De in do school toegelaten kinderen zijn in elke klasse verplicht aan het onderwijs in alle de aldaar onderwezen vakken deel te nemen, met uitzondering van de vakken vermeld in art. 2 onder j en s.

aburige gemeenten kunnen zich, met inachtneming van art. 121 der (Gem.) wet van 29 Juni 1851 (Staatsblad no. 85) vereenigen tot het oprichten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen of tot het vaststellen eener regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op de scholen der andere. (L.O. 48, 70.)

17. Voor zooveel doenlijk wordt aan hen, die het gewoon schoolonderwijs genoten hebben, gelegenheid gegeven tot het genieten van herhalings-onderwijs.

Het herhalings-onderwijs kan zich uitstrekken tot een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder l—t, al zijn die vakken niet begrepen geweest in het genoten gewoon schoolonderwijs.

18. De besluiten van den gemeenteraad, betreffende het getal der scholen en de vakken, welke op de scholen zullen onderwezen worden, worden aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. Zoo Gedeputeerde Staten het getal scholen of den omvang van het onderwijs onvoldoende achten, bevelen zij, den inspecteur gehoord, vermeerdering.

Gelijke vermeerdering kan, Gedeputeerde Staten gehoord, door Ons worden bevolen.

19. *De besluiten van den gemeenteraad, betreffende:

a. de plaats, waar een schoollokaal zal zijn gevestigd;

b. de vermindering van het getal scholen of van den omvang van het onderwijs;

268

c. de vereeniging eener school met of hare vervanging door andere;

1

Deze laatste ziDBnede is aan het Sde lid van art. 16 toegevoegd volgens art. 3 der wet van 28 Dec. 1896, S. 330.

-ocr page 319-

WET OP HET LAGER ONDEBWUS.

d. de sluiting eener school of de schorsing van het onderwijs aan eene school;

*e. den leeftijd welken de kinderen moeten bereikt hebben vóór zij op de openbare school worden toegelaten, en van dien waarop zij die school moeten verlaten;

*ƒ. het verleenen van ontslag aan onderwijzers en de gevallen bedoeld in art. 29 onder 6 en c;

worden aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen. (L.O. 14.)

*I)e artikelen 196, 197, 198, 200, 201 en 202 der (Gem.) wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad no. 85) zijn ten deze toepasselijk.

20. Sluiting eener school voor bepaalden tijd kan door Gedeputeerde Staten bij een met redenen omkleed besluit worden bevolen.

Zij hooren in het geval van dit en het voorgaande artikel vooraf den inspecteur van het lager onderwijs.

Gelijke sluiting kan door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord, worden bevolen.

21. De regeling van de schooltijden en van de vacantien, de vaststelling van het leerplan en van de bij het onderwijs te gebruiken boeken en de verdeeling der school in klassen geschieden door het hoofd der school en, zoo de regeling voor meerdere scholen gelijkelijk werkt, door de hoofden dier scholen gezamenlijk, onder goedkeuring van burgemeester en wethouders en van den districts-schoolopziener. (L.O. 70. 76.)

Bij verschil tusschen burgemeester en wethouders en den districtsschoolopziener beslist Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. (L.O. 34, 67.)

22. Bij de regeling der schooltijden wordt door het vrijgeven van uitdrukkelijk in de regeling genoemde uren gezorgd, dat de schoolgaande kinderen van de godsdienstleeraren godsdienstonderwijs kunnen genieten.

Onder voorwaarden door burgemeester en wethouders in overleg met den districts-schoolopziener te bepalen, worden de schoollokalen, des noodig verwarmd en verlicht, voor dit godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.

Bij verschil is het laatste lid van het voorgaande artikel toepasselijk.

§ 2. Van de onderwijzers.

Art. 23. Aan het hoofd van elke school is een onderwijzer geplaatst, die den leeftijd van 23 jaren moet volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezit. (L.O. 566.)

De waarneming van het bestuur eener school kan echter tijdelijk worden toevertrouwd aan een onderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den rang van hoofdonderwijzer niet bezit, mits aan de schooi geen onderwijzer in het bezit van dien rang, ingevolge art. 24, ver-

269

-ocr page 320-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

bonden zij. Zoodanige waarneming mag niet langer duren dan zes maanden. (L.O. 88a.)

24. *Het hoofd der school wordt bijgestaan door ten minste één onderwijzer, zoodra het aantal schoolgaande kinderen meer dan veertig, door ten minste twee onderwijzers, zoodra het een en negentig bedraagt.

*Voor elk vijf-en-vijftigtal schoolgaande kinderen boven de negentig wordt een onderwijzer meer vereischt. (K.B. 18 April 1890, S. 64, 20 Dec. 1893, S. 215; 24 Dec. 1894, S. 238; 23 Dec. 1895, S. 226, 28 Dec. 1896, S. 231.)

*Wanneer met inbegrip van het hoofd der school het aantal onderwijzers ingevolge de voorafgaande bepalingen van dit artikel aan de school verbonden meer dan vier bedraagt, moeten ten minste twee, wanneer het meer dan acht bedraagt, ten minste drie hunner den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten.

*Onder de onderwijzers, in dit artikel bedoeld, worden zij, die uitsluitend in een of meer der vakken, genoemd in art. 2, onder h—t, onderwijs geven, niet medegerekend.

Op geene school mogen meer dan zeshonderd kinderen gelijktijdig worden toegelaten, tenzij hiertoe door Ons om bijzondere redenen vergunning wordt verleend.

*Bij de toepassing van dit artikel wordt tot grondslag genomen het getal kinderen, die op den vijftienden dag der maand Januari van het loopende schooljaar als werkelijk schoolgaande bekend staan.

*Waar die grondslag ten gevolge van het tijdstip van oprichting der school niet kan worden vastgesteld, geldt het aantal kinderen dat op den laatsten dag der maand volgende op die waarin de school geopend is, als werkelijk schoolgaande bekend staat. (L.O. 880.)

25. Wanneer de school in verscheidene klassen verdeeld is, wordt het onderwijs in de laagste klassen bij voorkeur aan onderwijzeressen, dat in de hoogste klassen, behalve aan de scholen uitsluitend voor meisjes bestemd, bij voorkeur aan onderwijzers opgedragen.

26. Aan eiken onderwijzer wordt eene vaste jaarwedde toegelegd. Die jaarwedde bedraagt in geen geval minder dan zevenhonderd gulden voor het hoofd der school, niet minder dan zeshonderd gulden voor de onderwijzers, met rang van hoofdonderwijzer, die, volgens art. 24, moeten aanwezig zijn in scholen met meer dan vier onderwijzers, en niet minder dan vierhonderd gulden voor eiken anderen onderwijzer.

Door Ons kan. Gedeputeerde Staten der provincie gehoord, voor elke provincie bepaald worden, waar en tot welk bedrag het minimum van jaarwedde voor de verschillende onderwijzers aan de onderscheidene klassen van scholen hooger zijn zal dan het oedrag in de voorgaande zinsnede bepaald.

*De twee voorgaande zinsneden gelden niet voor de onderwijzers.

270

-ocr page 321-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, genoemd in art. 2 onder h—t.

Het hoofd der school geniet bovendien vrije woning, zoo mogelijk met eenen tuin. (L.O. 41.)

Ingeval hem geene vrije woning kan verschaft worden, ontvangt hij eene billijke vergoeding voor huishuur, waarvan het bedrag door Gedeputeerde Staten wordt bepaald.

Met inachtneming dezer voorschriften worden de jaarwedden der onderwijzers door den gemeenteraad onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten geregeld.

In geval van hooger beroep bij Ons van het besluit van Gedeputeerde Staten, wordt bij Onze beslissing de vereischte regeling vastgesteld.

27. Om als onderwijzer benoemd te kunnen worden, wordt het bezit vereischt:

a. eener akte van bekwaamheid; (L.O. 6, 55 volg.)

b. van een getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door den burgemeester der gemeente of de burgemeesters der gemeenten, waar hij, aan wien het wordt uitgereikt, in de twee laatste jaren gewoond heeft.

Bij weigering van een der burgemeesters kan het getuigschrift worden verleend door Onzen Commissaris in de provincie.

Met zoodanig getuigschrift wordt gelijk gesteld het getuigschrift van zedelijk gedrag, afgegeven door de bevoegde overheid buiten \'s lands, onder welker gebied de bezitter in de twee laatste jaren heeft gewoond. (L.O. 59, 636.)

28. De onderwijzers, aan de gemeentescholen verbonden, worden door den gemeenteraad benoemd.

*De benoeming van den onderwijzer, aan het hoofd der school geplaatst, geschiedt uit eene voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders en den districtsschoolopziener. (L.O. 76.)

*Indien burgemeester en wethouders en de districts-schoolopziener niet tot overeenstemming kunnen geraken, gaat aan de benoeming een vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten vooraf.

*Melden meer dan zes bevoegden zich voor het onderzoek aan, dan kunnen burgemeester en wethouders, in overeenstemming met den districts-schoolopziener, bepalen welke candidaten, mits niet minder dan zes, daaraan zullen worden onderworpen. Bij gemis aan overeenstemming omtrent de keuze der op te roepen personen, worden alle candidaten die zich hebben aangemeld tot het onderzoek toegelaten.

quot;quot;Ingeval de benoeming na voorafgaand vergelijkend onderzoek plaats heeft, wordt de voordracht, bestaande uit minstens drie bevoegden, door den districts-schoolopziener opgemaakt en door dezen met een schriftelijk, met redenen omkleed advies omtrent de voorgedragen candidaten aan den raad ingezonden.

271

-ocr page 322-

WET OP HET IMAGER ONDERWIJS.

*A1 wat verder het in dit artikel bedoeld onderzoek betreft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 17 Deo. 1890, S. 184.)

*In gemeenten waar meer dan eene school bestaat kan de onderwijzer, aan het hoofd der eene geplaatst, aan het hoofd der andere worden gesteld zonder voordracht, indien de gemeenteraad na overleg met den districts-schoolopziener hiertoe besluit.

*De benoeming van andere onderwijzers geschiedt uit eene voordracht van minstens drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders in overleg met den arrondissements-schoolopziener, na ingewonnen bericht van het hoofd der school, waaraan de benoeming geschieden moet. Het bericht van het hoofd der school en het schriftelijk, met redenen omkleed advies van den arrondissements-schoolopziener worden aan den raad overgelegd. (L.O. 75.)

*De onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend door het Rijk bekostigd, worden benoemd door Onzen Minister die met de uitvoering dezer wet belast is. (L.O. 2!W, 32d, 07.)

29. Ontslag aan onderwijzers, aan gemeentescholen verbonden, wordt door den gemeenteraad verleend (L.O. 30 volg.)

a. rechtstreeks overeenkomstig eigen verzoek, met ingang van den dag door den gemeenteraad te bepalen;

*6. op voordracht van burgemeester en wethouders of van den districts-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, aan het hoofd eener school geplaatst ;

c. op voordragt van burgemeester en wethouders of van den ar-rondissements-schoolopziener, indien het een onderwijzer betreft, die niet aan het hoofd eener school is geplaatst. (L.O. 19/.)

In de twee laatste gevallen kan het ontslag niet-eervol worden verleend.

Door Gedeputeerde Staten kan worden verklaard, dat de niet-eervol ontslagen onderwijzer de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren. (L.O. 11, 53.)

Aan onderwijzers, verbonden aan eene school, uitsluitend door het Kijk bekostigd, wordt, hetzij overeenkomstig eigen verzoek, hetzij ambtshalve, ontslag verleend door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet belast is. (L.O. 28i, 32d, 67.)

30. Een onderwijzer, aan eene gemeenteschool verbonden, kan op voorstel van den arrondissements-schoolopziener voor hoogstens eene maand door burgemeester en wethouders worden geschorst. Zij geven hiervan onmiddellijk kennis aan den gemeenteraad en aan den districts-schoolopziener met opgave van de redenen der schorsing.

De schorsing geschiedt zonder stilstand van jaarwedde.

Zij kan binnen den tijd, waarvoor zij is uitgesproken, door den gemeenteraad worden opgeheven.

31. Behalve op de wijze, in de twee voorgaande artikelen bepaald, kan de schorsing of het ontslag, doch in het laatste geval slechts

272

-ocr page 323-

WET OP HET LAGEK ONDERWIJS.

niet-eervol, op voordragt van den districts-schoolopziener door Gedeputeerde Staten worden uitgesproken.

Op dergelijk ontslag is het voorlaatste lid van art. 29 toepasselijk. (L.O. 11.)

32. In de tijdelijke waarneming der door schorsing, ontslag of ontstentenis aan eene gemeenteschool opengevallen plaats wordt door burgemeester en wethouders in overleg met den arrondissementsschoolopziener voorzien.

* Indien in de vervulling, waar het betreft het hoofd der school, niet door den gemeenteraad is voorzien binnen zes maanden nadat de plaats is opengevallen, geschiedt zulks door Gedeputeerde Staten na voorafgaand vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten. (L.O. 54.)

In geval van tijdelijke verhindering kan, op gelijke wijze als in het eerste lid van dit artikel is bepaald, in de waarneming worden voorzien.

De schorsing van onderwijzers, verbonden aan scholen, uitsluitend van Rijkswege bekostigd, en de voorziening in de tijdelijke waarneming aan dergelijke scholen geschieden door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. (L.O. 28i, 29rf, 67.)

*32bis. Wanneer in eene gemeenteschool jongeheden in het bezit der akte, bedoeld in art. 56, onder a, op den voet van art. 8 als kweekelingen zijn toegelaten, zijn deze bij schorsing, ontslag, ontstentenis of lijdelijke verhindering van eenen onderwijzer in die school, op aanwijzing van het hoofd, bevoegd en verplicht tot de waarneming der opengevallen plaats, hangende het overleg in het eerste lid van art. 32 voorgeschreven.

33. Het schoolonderwijs wordt onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle. Christelijke en maatschappelijke deugden.

De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten wat strijdig is met den eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. (L.O. 3, 53.)

De onderwijzer, die zich in dit opzigt aan pligtverzuim schuldig maakt, kan door ons voor hoogstens een jaar en bij herhaling der overtreding voor onbepaalden tijd in zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan eene openbare school geschorst worden. (Wet Aanvul. M.O. 1879, S. 87, art. 1.)

Het geven van godsdienstonderwijs blijft aan de godsdienstleeraren overgelaten.

34. Op bezwaarschriften tegen het in de school gebruik maken van bepaald aangewezen leerboeken wordt beshst door Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast. (L.O. 21, 67.)

Zijne beslissing wordt in de Staatscourant openbaargemaakt.

Den onderwijzer, die een aldus afgekeurd leerboek gebruikt, wordt door burgemeester en wethouders verboden hiermede voort te gaan.

273

-ocr page 324-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

In geval van ongehoorzaamheid wordt aan den onderwijzer een niet-ecrvol ontslag gegeven.

35. Het is den onderwijzers op straffe van ontslag verboden handel te drijven of eenige nering of beroep, behalve het geven van onderwijs, uit te oefenen. (L.O. 29 volg.)

36. Het is hun op gelijke straffe verboden ambten of bedieningen te bekleeden of te gedoogen, dat te hunnen huize handel of nering gedreven of eenig beroep uitgeoefend worde door de leden van hun gezin.

Zoowel van het eene als van het andere verbod kan vrijstelling worden verleend door Gedeputeerde Staten, den districts-schoolopziener gehoord.

Het ontslag, in dit en de twee voorgaande artikelen bedoeld, wordt verleend, hetzij door den gemeenteraad op voordragt van den dis-tricts-schoolopziener of van burgemeester en wethouders of van den arrondissements-schoolopziener naar de onderscheidingen, in art. 29 onder b en c gemaakt, hetzij ingevolge art. 31 door Gedeputeerde Staten, hetzij aan scholen, uitsluitend door het Rijk bekostigd, door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast. (L.O. 28i, 29d, 32d, 67.)

37. Aan de onderwijzers wordt, in de gevallen bij art. 38 en onder de voorwaarden bij art. 41 en 42 dezer wet gesteld, pensioen verleend ten laste van het Kijk.

38. Regt op pensioen wordt verkregen door na volbragten vijf en zestigjarigen leeftijd bekomen ontslag.

Pensioen kan insgelijks verleend worden aan een onderwijzer, die na tienjarigen diensttijd uithoofde van ziels- of ligchaamsgebreken voor de waarneming zijner betrekking ongeschikt is en cp dien grond ontslag heeft bekomen.

Die ongeschiktheid wordt aangenomen op de verklaring van den districts-schoolopziener en van Gedeputeerde Staten.

Bij de berekening van het pensioen komen alleen in aanmerking diensten vóór of sedert het in werking treden dezer wet als onderwijzer aan eene openbare school ten behoeve van het lager onderwijs bewezen.

*39. Aan den onderwijzer hoofd eener school die tengevolge van de opheffing der school, en aan den onderwijzer, die, wegens opheffing der school of wegens opheffing zijner betrekking, omdat het krachtens deze wet in de school gevorderd aantal onderwijzers is overschreden, wordt ontslagen en niet in de termen valt pensioen te genieten, wordt ten laste van het Rijk een wachtgeld verleend tot een bedrag van de helft der jaarwedde, die hij op het tijdstip van zijn ontslag genoot. Dit wachtgeld vervalt na vijf jaren wanneer het geldt het hoofd eener school, na twee jaren wanneer hei geldt een onderwijzer, of wanneer het hoofd of de onderwijzer in de termen komt om pensioen te genieten, of zooveel vroeger als hij tot eene betrekking van Rijks-, provincie- of gemeentewege wordt benoemd.

274

-ocr page 325-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dit overtreft, of zoodanige betrekking, hem niet van Eijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, aanvaardt. Bij de aanvaarding eener betrekking, niet van Eijks-, provincie- of gemeentewege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag dier bezoldiging.

Behalve in het laatstgenoemde geval rekent de tijd, gedurende welken het wachtgeld wordt genoten, mede voor aanspraak op pensioen.

In de aan onderwijzers, geen hoofden van scholen, te verleenen wachtgelden wordt door de gemeente de helft aan het Rijk vergoed.

40. Het pensioen beloopt voor elk jaar dienst een zestigste deel van de jaarwedde, die over de laatste twaalf maanden, aan het ontslag voorafgegaan, tot grondslag gediend heeft voor de bepaling der bijdrage, in het volgende artikel vermeld, doch mag nimmer het twee derde gedeelte dier jaarwedde te boven gaan.

41. Ala bijdrage voor pensioen wordt door de onderwijzers jaarlijks betaald twee ten honderd van de jaarwedde aan hunne betrekking verbonden.

De jaarwedde wordt berekend met inbegrip van hetgeen de onderwijzer, aan het hoofd eener school geplaatst, op grond van art. 26, vierde lid, dezer wet geniet. Het bedrag dezer inkomsten wordt door Gedeputeerde Staten bepaald.

De bijdrage komt ten voordeele van het Rijk en wordt door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan \'s Rijks schatkist verantwoord.

42. De bepalingen van de artt. 8, 9 derde lid, 12 derde lid, 18 tot en met 31 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, zijn op de pensioenen der onderwijzers van toepassing. 1)

*426is. De artt. 6, 26, 27, lit. a, en 35—42 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen, uitsluitend belast met het onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, rbis en (.

De artt. 26 en 35—42 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of in beide vakken vermeld in art. 2 onder j en s onderwijs geven, dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, rbis en t. 2)

§ 3. Van de kosten van het onderwijs.

Art. 43. Elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden.

44. Die kosten zijn:

a. de jaarwedden der onderwijzers;

275

1

Art. 42 aldns gewijzigd bij art. 40 der wet van 9 Mei 1890, S. 78.

2

Art. mhis aldus gewijzigd volgens art. 4 der wet v. 28 Dec. 1896, S. 230.

-ocr page 326-

WET OP HET LAGER OUDERWIJS.

b. de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van scholen staande, wegens gemis van vrije woning; (L.O. 26.)

c. de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers; (L.O. 12c.)

d. de uitgaven ten behoeve van het herhalings-onderwijs; (L.O. 17.)

e. die voor het stichten en in stand houden of voor het huren der sohoollocalen en onderwijzerswoningen;

/. die voor het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen en der schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften;

g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden der schoollocalen;

*h. die van het plaatselijk schooltoezicht en van het vergelijkend onderzoek;

i. die voor de schoolbibliotheken, belooningen en eereblijken. (L.O. 82.)

*45. Door het Rijk wordt over elk dienstjaar aan de gemeente eene bijdrage verleend:

1°. a. voor elk hoofd eener school van negentig en minder leerlingen twee honderd vijftig gulden;

van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig leerlingen driehonderd gulden;

van tweehonderd tot en met driehonderd negen leerlingen vierhonderd gulden;

van driehonderd tien tot en met vierhonderd negentien leerlingen vijfhonderd gulden;

van vierhonderd twintig en meer leerlingen zeshonderd gulden;

b. voor elk der onderwijzers, die het hoofd der school bijstaan, voor zoover die bijstand volgens art. 24 verplichtend is, voor scholen:

van een en veertig tot en met negentig leerlingen eenhonderd vijftig gulden;

van een en negentig en meer leerlingen tweehonderd gulden, doch voor elk dier onderwijzers die den leeftijd van drie en twintig jaren volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten, voor zoover zulks volgens art. 24 gevorderd wordt, driehonderd gulden;

c. indien het aan de school verbonden onderwijzend personeel het minimum van onderwijzers, bij artikel 24 gesteld, overschrijdt:

voor scholen van negentig en minder leerlingen eenhonderd vijftig gulden en van een en negentig tot en met driehonderd negen leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer;

voor scholen van driehonderd tien en meer leerlingen tweehonderd gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers;

doch omvat het onderwijs behalve de vakken a—k tevens ten minste twee der vakken onder l, m en n en het vak onder p van artikel 2 genoemd:

voor scholen van negentig en minder leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer;

276

-ocr page 327-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

voor scholen van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers;

voor scholen van tweehonderd en meer leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste drie onderwijzers.

Indien een onderwijzer in den loop van het jaar wordt in dienst gesteld, ten gevolge van ontslag de school verlaat, of overlijdt, wordt de bijdrage berekend naar den maatstaf sub a, b en c vermeld, in evenredigheid van het aantal volle maanden dat hij in dat jaar aan de school verbonden is geweest; (L.O. 546is.)

2°. vijf en twintig ten honderd van de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen voor zoover die niet komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden.

Voor de sub 1°. vermelde bijdrage komen niet in aanmerking de scholen waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar.

Voor de berekening daarvan dient tot grondslag het aantal leerlingen waarnaar volgens den maatstaf in art, 24 vermeld, het aantal onderwijzers geregeld wordt. (L.O. 546)s.)

Voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepalingen worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven, met inachtneming van het beginsel, dat behoudens aanvulling of terugbetaling na afloop van het dienstjaar de uitkeering der bijdrage geschiedt:

a. bij voorschot:

die sub 1°. a en 6 bedoeld naar het aantal onderwijzers dat ingevolge het bepaalde bij artt. 23 en 24 aan de school moet verbonden zijn;

die sub 1quot;. c bedoeld, voor zoo ver het aantal op 1 Januari van het dienstjaar aan de school verbonden onderwijzers voor de bijdrage in aanmerking komt;

b. die sub 2°. bedoeld in verband met de betalingstermijnen. (K.B. 13 Sept. 1890, S. 154.)

*46. Ter tegemoetkoming in de kosten, welke voor rekening der gemeente blijven, wordt voor ieder schoolgaand kind, met uitzondering van bedeelden, en van hen die, schoon niet bedeeld, onvermogend zijn, een schoolgeld geheven van ten minste 20 cents per maand.

De minvermogenden worden, indien het schoolgeld voor ieder kind van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een gedeelte aan de heffing onderworpen.

Vrijstelling van verphehting tot het heffen van schoolgeld kan aan eene gemeente door Ons worden verleend bij een met redenen omkleed besluit, den Kaad van State gehoord. Intrekking dezer vrijstelling geschiedt op dezelfde wijze.

Het invoeren, wijzigen of afschaffen van dit schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt. 232—236 der (Gem.) wet van 29 Juni

277

-ocr page 328-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

b. de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van scholen i staande, wegens gemis van vrije woning; (L.O. 26.) ne{

c. de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers; (L.O. ten 12c.)

d. de uitgaven ten behoeve van het herhalings-onderwijs; (L.O. 17.) viji

e. die voor het stichten en in stand houden of voor het huren der schoollocalen en onderwijzerswoningen; ges

ƒ. die voor het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen en de

der schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften; evlt; g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden der } de

schoollocalen; ;

*h. die van het plaatselijk schooltoezicht en van het vergelijkend ten

onderzoek; koi

i. die voor de schoolbibliotheken, belooningen en eereblijken.

(L.O. 82.) sch

*45. Door het Eijk wordt over elk dienstjaar aan de gemeente vai eene bijdrage verleend:

1quot;. a. voor elk hoofd eener school van negentig en minder leer- Hn

lingen twee honderd vijftig gulden; om

van een en negentig tot en met eenhonderd negen en negentig

leerlingen driehonderd gulden; Oe

van tweehonderd tot en met driehonderd negen leerlingen vierhon- mi derd gulden; , afl

van driehonderd tien tot en met vierhonderd negentien leerlingen ,

vijfhonderd gulden; ,

van vierhonderd twintig en meer leerlingen zeshonderd gulden; vo!

b. voor elk der onderwijzers, die het hoofd der school bi staan, dei voor zoover die bijstand volgens art. 24 verplichtend is, voor scholen:

van een en veertig tot en met negentig leerlingen eenhonderd he

vijftig gulden; in

van een en negentig en meer leerlingen tweehonderd gulden, doch

voor elk dier onderwijzers die den leeftijd van drie en twintig jaren 13 volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten, voor zoover zulks volgens art. 24 gevorderd wordt, driehonderd gulden; \' gei

c. indien het aan de school verbonden onderwijzend personeel het de minimum van onderwijzers, bij artikel 24 gesteld, overschrijdt: » mc

voor scholen van negentig en minder leerlingen eenhonderd vijftig m: gulden en van een en negentig tot en met driehonderd negen leerlingen tweehonderd gulden voor één onderwijzer; va voor scholen van driehonderd tien en meer leerlingen tweehonderd on gulden per onderwijzer voor ten hoogste twee onderwijzers;

doch omvat het onderwijs behalve de vakken a—k tevens ten ee:

minste twee der vakken onder l, m en n en het vak onder p van be

artikel 2 genoemd; ge

voor scholen van negentig en minder leerlingen tweehonderd gul- | den voor één onderwijzer; l mi

i I

i

276

-ocr page 329-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

ilen voor scholen van een en negentig tot en met eenhonderd negen en

negentig leerlingen tweehonderd vijftig gulden per onderwijzer voor i-O. ten hoogste twee onderwijzers;

voor scholen van tweehonderd en meer leerlingen tweehonderd 17.) vijftig gulden per onderwijzer voor ten hoogste drie onderwijzers, der Indien een onderwijzer in den loop van het jaar wordt in dienst

gesteld, ten gevolge van ontslag de school verlaat, of overlijdt, wordt en de bijdrage berekend naar den maatstaf sub a, 6 en c vermeld, in evenredigheid van het aantal volle maanden dat hij in dat jaar aan der t de school verbonden is geweest; (L.O. 54èis.)

2°. vijf en twintig ten honderd van de kosten wegens het stich-3nd ten, verbouwen of aankoopen van schoollokalen voor zoover die niet

komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden, en. Voor de sub 1°. vermelde bijdrage komen niet in aanmerking de

scholen waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert nte van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar.

Voor de berekening daarvan dient tot grondslag het aantal leer-■er- lingen waarnaar volgens den maatstaf in art, 24 vermeld, het aantal

onderwijzers geregeld wordt. (L.O. 546)s.)

tig Voorschriften omtrent de uitvoering dezer bepalingen worden door

Ons bij algemeenen maatregel van bestuur gegeven, met inachtne-gt;n- ming van het beginsel, dat behoudens aanvulling of terugbetaling na

* afloop van het dienstjaar de uitkeering der bijdrage geschiedt: jen a. bij voorschot:

die sub 1°. a en 6 bedoeld naar het aantal onderwijzers dat ingevolge het bepaalde bij artt. 23 en 24 aan de school moet verbon-in, den zijn;

!n: die sub 1°. c bedoeld, voor zoo ver het aantal op 1 Januari van

!rd het dienstjaar aan de school verbonden onderwijzers voor de bijdrage

in aanmerking komt;

ich 6. die sub 2°. bedoeld in verband met de betalingstermijnen. (K.B.

■en 13 Sept. 1890, S. 154.)

)or *46. Ter tegemoetkoming in de kosten, welke voor rekening der

in; \' gemeente blijven, wordt voor ieder schoolgaand land, met uitzoniet dering van bedeelden, en van hen die, schoon niet bedeeld, onver-\' mogend zijn, een schoolgeld geheven van ten minste 20 cents per tig maand.

3r- De minvermogenden worden, indien het schoolgeld voor ieder kind

van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een gedeelte aan de heffing rd onderworpen.

Vrijstelling van verplichting tot het heffen van schoolgeld kan aan en eene gemeente door Ons worden verleend bij een met redenen omkleed

an besluit, den Kaad van State gehoord. Intrekking dezer vrijstelling

geschiedt op dezelfde wijze.

il- | Het invoeren, wijzigen of afschaffen van dit schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt. 232—236 der (Gem.) wet van 29 Juni

1 I

1

dl -

277

-ocr page 330-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

1851 (Staatsblad no. 85), met dien verstande dat aan de verordening tot heffing Onze goedkeuring niet wordt onthouden dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord.

De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—262 dier wet. Indien het schoolgeld, behalve voor zooveel betreft de gevallen in het 2de lid van dit artikel en in art. 48 vermeld, voor ieder kind van dezelfde klasse niet gelijk is, zijn daarop de artt. 264—266 dier wet, gelijk die gewijzigd is bij de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 102), mede van toepassing, met dien verstande dal het schoolgeld voor geen kind meer bedrage dan hetgeen voor het onderwijs van dat kind kan geacht worden voor rekening der gemeente te blijven.

47. Het gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het schoolgaan der kinderen van bedeelden, onvermogenden en minvermogenden.

*48. Tenzij bij eene regeling krachtens het laatste lid van art. 16 gemaakt, anders is bepaald, bedraagt het schoolgeld voor de kinderen uit andere gemeenten niet meer dan dat voor de kinderen uit de heffende gemeenten.

Voor twee of meer kinderen uit één gezin, gelijktijdig ter school gaande, kan het bedrag van het schoolgeld lager gesteld worden dan het, berekend voor ieder afzonderlijk, wezen zou. (L.O. 16, 70.)

49. Indien Wij, Gedeputeerde Staten gehoord, oordeelen dat eene gemeente, door de uitgaven tot eene behoorlijke inrigting van haallager onderwijs vereischt, in verhouding tot hare middelen en andere uitgaven onbillijk zou worden bezwaard, kan haar uit \'s Eijks kas tijdelijk subsidie verleend worden. Ons daartoe strekkend en met redenen omkleed besluit wordt, te gelijk met het advies van Gedeputeerde Staten, in de Staatscourant openbaar gemaakt.

50. De bestekkon voor en de gunning van den bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen, ter bekostiging waarvan aan de gemeente overeenkomstig art. 49 uit \'s Rijks kas tijdelijk subsidie wordt verleend, behoeven de goedkeuring van Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast; deze beslist, den districts-schoolop-ziener gehoord.

In alle overige gevallen worden de bestekken aan de goedkeuring van den districts-schoolopziener onderworpen. Ingeval deze bezwaar maakt zijne goedkeuring te verleenen, kan de beslissing van Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast, worden ingeroepen.

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS.

Art. 51. Tot het geven van bijzonder onderwijs wordt vereischt het bezit

a. eener akte van bekwaamheid; (L.O. 55 volg.)

278

-ocr page 331-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

b. van een gelijk getuigschrift, als in art. 27, litt. 6, is vermeld, en waarop het voorlaatste en het laatste lid van dat artikel toepasselijk zijn;

c. van een bewijs, dat deze beide stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden.

Burgemeester en wethouders geven hiervan aan den districts-school-opziener berigt. (L.0. 70, 76.)

52. Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld in litt. c van hei voorgaand artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvrage daartoe geschied is, door burgemeester en wethouders beslist.

Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing aan den belanghebbende niet is kenbaar gemaakt, wordt beroep op Gedeputeerde Staten toegelaten.

Na afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien binnen den tijd van zes weken na het ingesteld hooger beroep hunne beschikking aan den belanghebbende niet is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen.

53. De onderwijzer, die bij het geven van bijzonder school- of huisonderwijs leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kan op voordragt van burgemeester en wethouders of van den district-schoolopziener door Gedeputeerde Staten worden verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te hebben.

Deze bepaling is ook toepasselijk op den onderwijzer, die zich aan een ergelijk levensgedrag schuldig maakt. (L.0. 11, 29.)

54:. De onderwijzer, die de lessen der school bestuurt, wordt geacht aan haar hoofd te staan.

Hij moet den leeftijd van drie en twintig jaren volbragt hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezitten.

Van deze vereischten wordt vrijstelling verleend in geval eener tijdelijke waarneming, mits het niet langer dure dan zes maanden, dat een onderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den hoofdonderwijzersrang niet bezit, aan het hoofd der school staat. (L.O. 326.)

Aan bijzondere lagere scholen kan onderwijs gegeven worden in dezelfde vakken als aan de openbare. (L.O. 2.)

*546«;. Door het Eijk wordt over elk dienstjaar aan de besturen der bijzondere lagere scholen eene bijdrage verleend volgens denzelfden maatstaf als bij art. 45 sub 1quot;. aan de gemeente ten behoeve der openbare lagere school wordt toegekend, mits:

1°. de school staat onder het bestuur van eene instelling of ver-eeniging die rechtspersoonlijkheid bezit;

2quot;. het onderwijs der vakken omvat in art. 2 vermeld onder a— alsmede k, tenzij, wat het laatste vak betreft, blijke dat de school-

ST A ATS WETTEN. 19

279

-ocr page 332-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

gaande kinderen daarin elders voldoend onderwijs ontvangen; \')

3°. dat onderwijs gegeven wordt gedurende ten minste achttien uren per week, waarvan ten hoogste twee uren in het vak vermeld onder k van art. 2, volgens een aan den arrondissements-schoolop-ziener medegedeelden en in een der sehoolvertrekken op eene zichtbare plaats opgehangen rooster van lesuren, waarop tevens de feestdagen en vacantietijden zijn vermeld;

4°. het aantal onderwijzers voldoet aan de voor de openbare scholen gestelde eischen in de artt. 23 en 24, het 3de lid uitgezonderd.

Voor die bijdrage komen niet in aanmerking de bijzondere scholen:

o. waarvan het aantal leerlingen boven zes jaren, dat als werkelijk schoolgaande bekend staat, berekend naar den maatstaf in art. 24 vermeld, minder dan 25 bedraagt;

b. waarvan de opbrengst der schoolgelden eene inkomst oplevert van gemiddeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar;

c. wanneer bij vacature in het onderwijzend personeel tusschen het ontstaan daarvan en de aanvaarding zijner betrekking door den benoemde een langere tijd verloopt dan: wat het hoofd der school betreft, van zes maanden; wat de overige onderwijzers betreft, van vier maanden; behoudens de bepaling van het voorlaatste lid van dit artikel; a)

d. waarvan blijkt dat zij gehouden worden als winstgevend bedrijf.

Voor de berekening van het sub b vermelde wordt het voorschrift

gevolgd dienaangaande bij art. 45 gegeven.

De besturen zijn gehouden aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, en aan Gedeputeerde Staten der provincie, waarin de school is gevestigd, alle inlichtingen te geven verlangd met be-betrekking tot litt. a—d, in dit artikel vermeld, en zulks op straffe van verval van aanspraak op de bijdrage. (L.O. 67.)

Jaarlijks in de maand Januari zendt het bestuur, dat op eene Rijksbijdrage krachtens dit artikel over het voorgaande jaar aanspraak maakt, zijne daartoe strekkende aanvrage aan de Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin de school is gevestigd.

Deze beslissen vóór 1 Mei daaraanvolgende, of de school voldoet aan de eischen en voorwaarden, in dit artikel tot het verleenen eener Rijksbijdrage gesteld, bepalen het bedrag dier Rijksbijdrage overeenkomstig de eerste zinsnede van dit artikel en deelen hun besluit onverwijld mede aan Onzen Minister met de uitvoering dezer wet belast, alsmede aan den inspecteur van het lager onderwijs, in wiens ambtsgebied de school is gevestigd, en aan het bestuur, dat de aanvrage deed.

Binnen dertig vrije dagen na de dagteekening van dat besluit kan daarvan bij Ons in beroep worden gekomen door Onzen Commissaris

1) Sub 2° aldus gewijzigd volgens art. 5 der wet van v, 28 060.1896,8.230.

2) Sub c aldus gewijzigd volgens art. 1 der wet van 13 Sept. 1895, S. 159.

280

-ocr page 333-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

in de provincie en door den inspecteur en het bestuur in het vorige lid bedoeld.

Het bedrag, waarop het bestuur aanspraak mocht kunnen maken, wordt alsdan bij Onze eindbeslissing vastgesteld.

Wanneer een bestuur niet heeft voldaan aan de voorwaarde vervat in het 2de lid sub c van dit artikel, en het daarvan ten tijde dat de vacature had behooren te zijn aangevuld den arrondissementsschoolopziener in kennis gesteld heeft, kan van die voorwaarde door Ons ontheffing worden verleend, indien het in de maand Januari na afloop van het kalenderjaar een daartoe strekkend verzoek aan Ons indient, en Ons blijkt dat het, ondanks het aanbieden van eene behoorlijke jaarwedde, niet bij machte is geweest de vacature binnen den gestelden termijn te doen vervullen. Het bestuur zendt alsdan de aanvrage in het vijfde lid van dit artikel bedoeld binnen ééne maand na de dagteekening van Ons besluit aan Gedeputeerde Staten, die daarop binnen drie maanden beslissen. \')

De voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden door ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur. (K.B. 19 Febr. 1890, S. 26, 30 Nov. 1895, S. 184.)

TITEL IV.

VAN DE AKTEN VAN BEKWAAMHEID TOT HET GEVEN VAN LAGER ONDERWIJS.

Art. 55. De bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs wordt verkregen door het afleggen der in deze wet omschreven examens. (L.O. 27a, 51a, 66, 89.)

*56. De akten van bekwaamheid zijn:

a. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de vakken, vermeld in art. 2, onder a—i, en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, genoemd onder j en k in art. 2 der wet; (Wet Aanvul. M.O. 1879, S. 87, art. 5.)

b. die, waarvan het bezit met den rang van hoofdonderwijzer de bevoegdheid verleent tot het geven van huis- en schoolonderwijs niet alleen in de vakken, vermeld in art. 2 onder a—i, maar ook in die, aldaar genoemd onder o en q, en tevens bevoegdheid kan verleenen tot het geven van huis- en schoolonderwijs in een der vakken of in beide vakken, genoemd onder j en k, in art, 2 der wet; (Wet Aanvul. M.O. 1879, S. 87, artt. 3, 5, 7);

281

c. die, waarvan het bezit de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs of tot het geven van huis- en schoolonderwijs in bepaalde vakken.

1) Dit voorlaatste lid aldus als nieuw lid ingevoegd volgens art. 2 der wet v»a 13 Sept. 1896, S. 169.

19*

-ocr page 334-

WET OP HET LAGER OKDEBWUS.

57. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56, onder a, wordt vereischt

a. de volbragte leeftijd van achttien jaren;

*b. het afleggen van een examen, waartoe minstens eenmaal \'s jaars de gelegenheid in elke provincie wordt opengesteld, voor eene commissie, samengesteld uit den inspecteur van het lager onderwijs in de provincie en vier districts- of arrondissements-schoolopzieners. (L.O. 64; K.B. 17 Dec. 1890, S. 183.)

Onze Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast, wijst de leden dier commissien aan en bepaalt den tijd, waarop zij vergaderen.

Hij kan bij verhindering van den inspecteur een districts-school-opziener in diens plaats als voorzitter benoemen. (L.O. 68, 69.)

58. De zitting der commissie wordt in de provincie Noordholland te Amsterdam en in de andere provinciën in de hoofdplaats der provincie gehouden.

De tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen, wordt door den inspecteur bij openbare aankondiging ter algemeene kennis gebragt.

De commissie kan zich door deskundigen doen bijstaan. De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in het openbaar gehouden. (M.O. 69c.)

59. Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt zich tijdig aan bij den schoolopziener van het district zijner woonplaats, of, komt hij van buiten \'s lands, van de plaats, waai hij voornemens is zich te vestigen.

Hij legt daarbij een of meer getuigschriften over van zijn zedelijk gedrag en zijne geboorte-akte.

De dag en de plaats van het examen worden hem door den dis-tricts-schoolopziener bekend gemaakt.

Hij legt het examen af in de provincie, waarin hij woont, of, van buiten \'s lands komende, voornemens is zich te vestigen. 80. *Het examen omvat: (K.B. 17 Dec. 1890, S. 183.)

goed lezen en schrijven;

de kennis der zinsontleding, der spelregels en der eerste gronden der Nederlandsche taal;

vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist en gemakkelijk uit te drukken;

*de eerste oefeningen van het handteekenen;

\'het rekenen, zoowel met geheele getallen als met gewone en tien-deelige breuken en kennis van de leer der evenredigheden en van het Nederlandsch stelsel van maten en gewichten;

de beginselen der aardrijkskunde, inzonderheid van Nederland en zijne overzeesche bezittingen;

de grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis;

de beginselen van de kennis der natuur;

de theorie van het zingen;

282

-ocr page 335-

WET OP HET LAOEB ONDERWIJS.

de beginselen van onderwijs en opvoeding.

*Aan allen, die hiertoe bij hunne aangifte het verlangen hebben kenbaar gemaakt, wordt, nadat tot hunne toelating is besloten, de gelegenheid gegeven, bewijzen van bekwaamheid in de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek, aan onderwijzeressen bovendien bewijzen van bedrevenheid in de nuttige handwerken voor meisjes te leveren.

*Aan ieder, die voldaan heeft, wordt eene akte van bekwaamheid kosteloos uitgereikt. Op de akte van bekwaamheid van hen, die bij het examen in de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek of in de nuttige handwerken of in die beide vakken hebben voldaan, wordt daarvan aanteekening gedaan.

*Van het examen in de eerste oefeningen van het handteekenen zijn vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid in het vak q volgens art. 65bis.

*61. Ter verkrijging der akte, vermeld in art. 56 onder b, wordt vereischt:

a. het bezit der akte, vermeld in art. 56 onder

b. het bewijs van minstens tweejarige werkzaamheid als onderwijzer of, na aflegging van het examen, vermeld in art. 56 onder a, als kweekeling aan eene of meer openbare of bijzondere scholen van lager onderwijs of als onderwijzer aan eene of meer scholen voor doofstommen, blinden, spraakgebrekkigen of idioten, afgegeven door het hoofd of de hoofden dier scholen, of het bewijs afgegeven door den bestuurder eener door Ons aangewezen kweekschool voor onderwijzers, van gedurende twee jaren aan die school de lessen ter voorbereiding van dit examen, na aflegging van het examen, vermeld in art. 56 onder a, te hebben gevolgd;

c. het afleggen van een examen, loopende, behalve over de vakken, in art. 2 vermeld onder a—g, over die, aldaar genoemd onder o en q, en over methode van onderwijs en opvoeding voor eene der commissiën, in art. 62 bedoeld.

Van dit examen zijn, voor zooveel het vak q betreft, vrijgesteld zij, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid in dit vak volgens art. 65iis.

62. Jaarlijks worden door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, een of meer commissiën tot het afnemen der examens, in het voorgaand artikel bedoeld, benoemd en de tijd wanneer en de plaatsen, waar zij hare zittingen zullen houden, tijdig aangewezen.

De voorzitters en leden dezer commissiën genieten uit \'s Rijks kaa vacatiegelden en vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

De voorzitter der commissie brengt den tijd, gedurende welken de examens worden afgenomen, bij openbare aankondiging ter alge-meene kennis.

De examens, behalve die van onderwijzeressen, worden in het openbaar gehouden. (L.O. 58.)

63. Hij, die zich aan het examen wenscht te onderwerpen, meldt

283

-ocr page 336-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

zich tijdig aan bij den voorzitter der commissie, voor welke hij wenscht te verschijnen, en legt daarbij over

a. zijne geboorte-akte;

b. een of meer getuigschriften van zedelijk gedrag;

c. zijne akte van bekwaamheid als onderwijzer, bedoeld in art. 56 onder a;

d. het bewijs, vermeld in art. 61 onder b.

De dag en de plaats van het examen worden hem door den voorzitter bekend gemaakt. (L.O. 58.)

De omvang van het examen, de wijze van afneming en wat verder tot dit examen betrekking heeft, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld. (K.B. 17 Dec. 1890, S. 180.)

*Aan ieder, die voldaan heeft, wordt een akte van bekwaamheid kosteloos uitgereikt.

*De aanteekening, bedoeld in het voorlaatste lid van art. 60, wordt op de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer overgeschreven.

64. *Ter verkrijging eener akte, die de bevoegdheid verleent tot het geven van huisonderwijs in enkele vakken, vermeld in art. 2 onder a—g wordt vereischt:

а. de volbragte leeftijd van achttien jaren;

б. het afleggen van een examen in de vakken, waarvoor de bevoegdheid verlangd wordt, voor eene der commissien, in art. 57 vermeld.

De bepalingen van artt. 58 en 59 zijn ten deze toepasselijk.

Aan ieder, die voldaan heeft, wordt kosteloos eene akte van bekwaamheid uitgereikt als huisonderwijzer, waarin de vakken, over welke het examen met goed gevolg is afgelegd, worden uitgedrukt.

*65. Ter verkrijging eener akte van bekwaamheid voer huis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2, onder l, m, n, p, r, r bis en s, wordt vereischt:1)

a. het bezit der akte, vermeld in art. 56, onder a;

b. het afleggen van een examen voor eene der commissien, bedoeld in art. 69 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50).

Al wat verder de in dit artikel bedoelde examens betreft wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 3 Aug. 1879, S. 148; 9 Aug. 1879, S. 149; 17 Dec. 1890, S. 181.)

*6560. Van tijd tot tijd wordt gelegenheid gegeven om door het afleggen van een examen voor bijzondere commissien, daartoe benoemd door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, eene akte van bekwaamheid te verkrijgen voor huis- en schoolonderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder j, k, q en f.

284

Al wat de in dit artikel bedoelde examens betreft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. (K.B. 24 Oct. 1884, S. 219, 27 Juni 1892, S. 164; 17 Dec. 1890, S. 182, 27 Juni 1892, S.. 165.)

1

Art. 65, late lid, aldus gewijzigd volgens art. 6 der wet v. 23 Dec 1896, S. 330.

-ocr page 337-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

*65ter. Voor het afleggen der examens worden de navolgende sommen bij vooruitbetaling voldaan;

voor het examen, vermeld in art. 57, onder b, vijf gulden;

voor het examen, vermeld in art. 61, onder c, tien gulden;

voor het examen, vermeld in art. 64, onder b, loopende over één vak, twee gulden;

voor het examen, vermeld in art. 64, onder b, loopende over mfeer dan één vak, vier gulden;

voor het examen, vermeld in art. 65, onder b, in elk der vakken, genoemd onder l, m, n, p, r, r bis en s, in art. 2, vijf gulden; \')

voor het examen, vermeld in art. 65éis, in elk der vakken, genoemd onder j en k, in art. 2, twee gulden;

voor het examen, vermeld in art. (ubis, in elk der vakken genoemd onder q en t, in art. 2, vijf gulden.

Deze gelden worden in \'s Kijks schatkist gestort.

66. De akten van bekwaamheid, volgens de voorschriften dezer wet verkregen, gelden, wat de daaraan verbonden bevoegdheid betreft, voor het geheele Kijk en zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

De akten van bekwaamheid als onderwijzer en als hoofdonderwijzer, in Nederlandsch-Indië afgegeven, — voor zooveel die zijn verkregen wegens het met goed gevolg afleggen van examens, afgenomen met gelijke eischen en, zooveel doenlijk, volgens dezelfde regelen, als voor die examens in Nederland volgens deze wet zijn vastgesteld — worden gelijkgesteld met de gelijksoortige akten, die in Nederland worden uitgereikt. 1)

TITEL V.

VAN HET TOEZIGT OP HET LAGER ONDERWIJS.

Art. 67. Het toezigt over het lager onderwijs in het geheele Rijk is opgedragen aan Onzen Minister, die met de uitvoering dezer wet is belast. (L.O. 21.)

Dat toezigt wordt onder zijne bevelen uitgeoefend door de inspecteurs, de districts-sehoolopzieners en de arrondissements-school-opzieners.

68. Het ambtsgebied van iederen inspecteur omvat eene of meer provinciën, dat van iederen districts-sehoolopziener een der districten, waarin de provinciën door Ons worden verdeeld. (K.B. 31 Dec. 1891,8. 254.)

De inspecteurs en de districts-schoolopzieners worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. (L.O. 77, 76.)

Zij genieten, behalve eene vaste jaarwedde, vergoeding voor reis-en verblijfkosten uit \'s Rijks kas.

285

1

Het 2de lid aan art. 66 aldus toegevoegd volgens art. 8 der wet v. 28 Dee. 1896, S. 230.

-ocr page 338-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

Zij bekleedeu geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

In geval van ziekte, afwezigheid, schorsing of ontstentenis wordt een inspecteur door èen districts-schoolopziener, een districts-school-opziener door een arrondissements-schoolopziener vervangen.

Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, wijst den plaatsvervanger aan.

69. Elk schooldistrict wordt door Ons verdeeld in minstens twee arrondissementen.

In ieder arrondissement is een arrondissements-schoolopziener.

Die schoolopzieners worden door Ons benoemd voor den tijd van zes jaren.

Do aftredenden zijn weder benoembaar.

Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

Zij genieten vergoeding voor reis- en verblijfkosten uit \'s Rijks kas.

Zij staan den districts-schoolopziener ter zijde.

De verdeeling der werkzaamheden tusschen de districts- en arron-dissements-schoolopzieners wordt door Ons geregeld.

70. Het plaatselijk toezigt wordt uitgeoefend door burgemeester en wethouders. (L.0. 16d.)

De gemeenteraad kan ter nadere verzekering van het plaatselijk toezigt eene commissie instellen, welke de bevoegdheden bezit, in de artt. 73 en 74 dezer wet omschreven. (L.0. 79.)

Eene plaatselijke verordening regelt hare zamenstelling en inrig-ting. (L.0. 16, 48.)

71. De leden der plaatselijke commissien, de arrondissementsschoolopzieners, de districts-schoolopzieners, en de inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner bediening den eed of de belofte af, dat zij hunne pligten getrouw en naar behooren zullen waarnemen.

De aflegging van den eed of van de belofte geschiedt door de leden der plaatselijke commissie in handen van den burgemeester en door den burgemeester, is deze zelf tot lid der commissie benoemd, in handen van den kantonregter; door de arrondissements-schoolopzie-ners en de districts-schoolopzieners in handen van Onzen Commissaris in de Provincie; door de inspecteurs in handen van Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast.

Bij herbenoeming wordt de eed of belofte niet op nieuw afgelegd.

286

72. Behalve de ambtenaren, in art. 8 no. 1—6 van het Wetboek van Strafvordering genoemd, ■) zijn tot het opmaken van proces-verbaal van de overtredingen dezer wet en van andere verordeningen op het lager onderwijs bevoegd de leden van het collegie van burgemeester en wethouders, de voorzitters en leden der plaatselijke commissien van toezigt, de arrondissements-schoolopzieners en de

1) De verwijzing naar het art. Wetb. v. Strafv. aldus gewijzigd by art. 2 der wet van 31 Dec. 1887, S. 265.

-ocr page 339-

WET OP HET LAGER ONDEBWUS. 287

districts-schoolopzienera en de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied.

*73. Voor leden van het college van burgemeester en wethouders, voor de voorzitters en leden der plaatselijke commissien van toezicht, voor de arrondissements-schoolopzieners, voor de districts-schoolop-zieners en voor de inspecteurs, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied, moeten alle scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, zoo openbare als bijzondere, steeds toegankelijk zrjn en op hunne aanvrage onverwijld worden geopend. De hoofden dier scholen en de overige onderwijzers zijn gehouden aan hen of aan Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, de verlangde inlichting omtrent de school en het ondenvijs te geven. Zij zijn hiertoe verplicht in eiken vorm, waarin die inlichtingen gevraagd worden, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling, en zoowel bij gelegenheid van het schoolbezoek, als op andere tijdstippen. (S.R. 184.)

74. De plaatselijke commissien houden een naauwkeurig toezigt op alle scholen in de gemeente, waar lager onderwijs gegeven wordt; bezoeken die ten minste twee malen \'s jaars, hetzij gezamenlijk, hetzij door commissien uit haar midden; zorgen dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nageleefd worden; houden aanteekening van het onderwijzend personeel, van het getal leerlingen en van den staat van het onderwijs; doen jaarlijks vóór 1°. Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwijs in de gemeente en zenden daarvan afschrift aan den arron-dissements-schoolopziener; deelen aan dezen de belangrijke veranderingen mede, die het schoolwezen heeft ondergaan; geven hem, den districts-schoolopziener en den provincialen inspecteur alle inlichtingen, die deze verlangen; verleenen den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of medewerking vragen, bijstand en beijveren zich den bloei van het onderwijs naar vermogen te behartigen. (L.O. 706, 78.)

75. De arrondissements-schoolopzieners zorgen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het schoolwezen in hun arrondissement; bezoeken twee malen \'s jaars alle daarbinnen gelegen scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, en houden van dat schoolbezoek naauwkeurig aanteekening; waken dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nageleefd worden; treden in overleg met de plaatselijke schoolcommissien en de gemeentebesturen; doen zoowel aan dezen als aan de districts-schoolopzieners de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs achten; doen aan den districts-schoolopziener na verloop van elke drie maanden opgave van de door hen gedurende dat tijdvak bezochte scholen; geven hem kennis van al hetgeen hun bij het schoolbezoek belangrijk is voorgekomen en verstrekken hem alle inlichtingen, die hij verlangt; behartigen de belangen der onderwijzers, bevorderen hunne bijeenkomsten en wonen die zooveel mogelijk bij. (L.O. 28, 69.)

76. De districts-schoolopzieners zorgen zoo door schoolbezoek als

-ocr page 340-

WET OP HET LA.GBK ONDERWIJS.

door mondeling en schriftelijk overleg met de arrondissemeuts-school-opzieners, plaatselijke commissien en gemeentebesturen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het lager schoolwezen in hun district en de verbetering en den bloei daarvan te bevorderen; zij oefenen het hun opgedragen toezigt met naauwlettendheid uit en waken, dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt worden nageleefd; zij doen aan den inspecteur de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs achten, en geven hem alle inlichtingen die hij verlangt. (L.O. 28, 68.)

Elkhunnerdoet jaarlijks vóór 1°. Mei een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwijs in zijn district aan den inspecteur toekomen en zendt daarvan afschrift aan Gedeputeerde Staten der provincie.

77. De inspecteurs trachten, zoo door schoolbezoek als door mon-deling en schriftelijk overleg met de districts-schoolopzieners en ar-rondissements-schoolopzieners, plaatselijke commissien en gemeentebesturen, de verbetering en den bloei van het lager schoolwezen te bevorderen; zij lichten Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun oordeel gevraagd wordt; zij vervaardigen uit de jaarlijksche verslagen der districts-schoolopzieners en uit hunne eigene aanteekeningen jaarlijks een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het onderwijs in de provincie of provinciën en zenden dit vóór 1°. Julij aan Onzen Minister voornoemd. (L.O. 68.)

78. De inspecteurs, districts-schoolopzieners en arrondissementsschoolopzieners hebben toegang tot de vergaderingen van alle plaatselijke commissien binnen hun ambtsgebied en kunnen zoodanige vergadering beleggen.

In de vergadering hebben zij eene raadgevende stem. (L.O. 74.)

79. Bij het ontbreken eener plaatselijke commissie kunnen burgemeester en wethouders, in overleg met den arrondissements-school-opziener, geschikte personen, buiten hun collegie gekozen, met het doen van schoolbezoek belasten.

*Op zoodanige gecommitteerden is de eerste zinsnede van art. 73 toepasselijk.

TITEL VI.

VAN BEVORDERING VAN HET SCHOOLBEZOEK.

Art. 80. Jaarlijks vóór 1°. Februarij zenden de hoofden der openbare en bijzondere scholen, waar lager onderwijs gegeven wordt, aan burgemeester en wethouders der gemeente eene iijst der bij hen op 1°. Januarij schoolgaande kinderen van boven de zes en beneden de twaalf jaren.

Die lijst bevat de namen der kinderen met bijvoeging der voornamen, ouderdom en woonplaats.

Gelijke opgave wordt vóór gelijk tijdstip aan burgemeester en wet-

288

-ocr page 341-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

houders gedaan door de huisonderwijzers omtrent de kinderen van dien leeftijd, die van hen onderwijs genieten.

81. Burgemeester en wethouders maken eene lijst op der kinderen boven de zes en beneden de twaalf jaren, welke zich op 1quot;. Januarij van het loopende jaar in de gemeente bevonden.

Van de zoodanigen, welke niet gevonden worden op de lijsten, bij het vorig artikel bedoeld, en waarvan het niet bekend is, dat zij zich niet meer in de gemeente bevinden, maken zij vóór 1°. Maart een staat op.

Die staat wordt ter secretarie ter lezing gelegd.

Ouders of verzorgers van op dien staat voorkomende kinderen verkrijgen geene ondersteuning, geneeskundige hulp uitgezonderd, van wege de gemeente, tenzij zij aantoonen, dat hunne kinderen ten on-regte op dien staat zijn gebragt of het niet schoolgaan van deze aan hen niet is te wijten.

82. De gemeenteraad kan, voor zooveel dit niet bij de wet is geschied, verbodsbepalingen omtrent het arbeiden van kinderen beneden de twaalf jaren vaststellen. (Arbeidswet.)

Door het uitloven van openbare belooningen en eereblijken kan het getrouwe schoolbezoek van wege het gemeentebestuur worden aangemoedigd. (L.O. 44i\', 3c.)

Ten einde de aanspraak op die belooningen en eereblijken te kunnen beoordeelen, kan aan de hoofden der openbare en bijzondere scholen het invoeren van schoolboekjes, waarin van het schoolbezoek aanteekening gehouden wordt, bij plaatselijke verordening worden voorgeschreven.

TITEL VII.

O VERGAN GSBEP ALIN GEN.

Art. 83. Allen, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, wettig in betrekking zijn als onderwijzers of kweekelingen, of als voorzitters of leden van plaatselijke commissien behoeven geene herbenoeming of erkenning om hunne betrekking te blijven beklee-den.

84. Tot 1°. Januarij 1883 kunnen kweekelingen, op den voet der wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103), worden aangenomen.

Ten behoeve van deze en van de kweekelingen, die er op het tijdstip van het in werking treden dezer wet zijn, blijven de bepalingen van laatstgenoemde wet toepasselijk tot 1°. Januarij 1886.

De toelagen voor genoemde kweekelingen, die aan openbare scholen zijn verbonden, worden in dat tijdvak tot geen minder bedrag geregeld, dan waarop zij bij het in werking treden dezer wet waren vastgesteld. De toelagen voor kweekelingen, die in het bij deze wet toegestaan overgangstijdperk aan openbare scholen worden geplaatst,

289

-ocr page 342-

290 WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

worden door den gemeenteraad geregeld; zijn besluit wordt aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen.

85. Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer wet onder a, geeft die van hulponderwijzer en hulponderwijzeres na 1°. Januarij 1858 en de akte van algemeene toelating van den derden rang vóór dat tijdstip verkregen.

Gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56 dezer wet onder b, geeft die van hoofdonderwijzer of hoofdonderwijzeres na 1°. Januarij 1858 en de akte van algemeene toelating van den eersten en tweeden rang vóór dat tijdstip verkregen.

Hetzelfde geldt van de akte als schoolhouderes, vóór 1°. Januarij 1858 verkregen, doch alleen binnen de gemeente of provincie, waar zij is afgegeven.

Zij, die in het bezit zijn eener akte van huisonderwijzer of huisonderwijzeres, na 1°. Januarij 1858 verkregen voor het geheele Rijk, of vóór 1°. Januarij 1858 binnen de gemeente, behouden de bevoegdheid, welke zij op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bezitten.

De vóór dit tijdstip op de akten van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs gestelde aanteekeningen wegens het met gunstig gevolg afgelegd examen in een of meer der vakken, vermeld onder kp van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103), geven gelijke bevoegdheid met opzigt tot die vakken als de bijzondere akten, vermeld in art. 56 onder c.

*1)6 vrijstelling, bedoeld in de laatste zinsnede van art. 61, geldt ook voor hen, die in het bezit zijn eener akte van bekwaamheid of aanteekening voor het vak vermeld onder o van art. 1 der wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103). (Wet 1889, art. VIII.)

86. Alle op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, dienstdoende openbare onderwijzers en onderwijzeressen blijven, zoolang zij hunne betrekking bekleeden, in het genot eener jaarwedde minstens gelijk aan die, welke op dat tijdstip aan hunne betrekking verbonden was, vermeerderd met de door hen genoten wisselende inkomsten. Ter bepaling van het bedrag dezer inkomsten wordt tot grondslag genomen het gemiddeld cijfer van hetgeen in de laatste vijf jaren, voorafgaande aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt, of voor de onderwijzers of onderwijzeressen, die korter in dienst zijn geweest, over het kortere tijdvak, jaarlijks uit dien hoofde is genoten.

De bij art. 29 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103) bedoelde vergoedingen, die bij het in werking treden dezer wet nog over eenig aan dat tijdstip voorafgegaan tijdvak verschuldigd zijn of worden, blijven na dat tijdstip invorderbaar.

87. Bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 4 dezer wet, worden tevens de noodige voorschriften gegeven omtrent de lokalen, welke bij het in werking treden daarvan voor het geven van lager onderwijs in gebruik zijn.

-ocr page 343-

WET OP HET LAGER ONDEBWUS.

\'88. De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften van art. 24 dezer wet toegestaan, eindigt voor de openbare school op

Jan. 1892.

De termijn tot het in werking brengen van de voorschriften van art. 23 dezer wet eindigt voor de bijzondere scholen die voor de Bijksbijdrage bedoeld bij art. 546k in aanmerking komen op 1 Januari 1891, en die tot het in werking brengen der voorschriften van art. 24 der wet eindigt voor deze scholen op 1 Januari 1899.

Voorschriften ter verzekering der geleidelijke uitvoering worden door Ons gegeven. (K.B. 18 Apr. 1890, S. 64, 20 Dec. 1893, S. 215; 24 Dec. 1894, S. 238; 23 Dec. 1895, S. 226, 28 Dec. 1896, S. 231.)

89. De bestaande bepalingen omtrent de examens en vergelijkende examens blijven gelden, tot dat die onderwerpen overeenkomstig deze wet op nieuw zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1°. January 1883. (Wet 1889, art. IX.)

90. Thans genoten subsidien, welke na het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, niet meer voor het eerst zouden kunnen worden verleend, kunnen na dat tijdstip nog gedurende tien jaren, doch tot geen hooger bedrag, noch op andere voorwaarden, worden genoten. (Wet 1889, art. VII.)

91. Onderwijzers, niet in het bezit van den hoofdonderwijzersrang, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, uit kracht van de artt. 20 of 51 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103), wettig aan het hoofd eener school staan, blijven bevoegd die betrekking waar te nemen.

92. De districts-schoolopzieners en de inspecteurs, die op het in art. 93 vermelde tijdstip in betrekking zijn, worden door het in werking treden dezer wet van regtswege eervol ontslagen.

De inspecteurs, die op dat tijdstip den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, behouden levenslang hunne volle wedde als wachtgeld; de inspecteurs die op dat tijdstip dien ouderdom niet hebben bereikt, hebben aanspraak op wachtgeld volgens de bepalingen van Ons besluit van 21 Julij 1869 {Staatsblad no. 142).

93. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. (Wet 1889, art. X.)

Behoudens de voorschriften van dezen titel vervallen met hare invoering de wet van 13 Augustus 1857 {Staatsblad no. 103) en alle andere het lager onderwijs betreffende algemeene, provinciale en plaatselijke verordeningen, voor zoover zij met de voorschriften dezer wet in strijd zijn.

291

oeld !ven het

-ocr page 344-

WET OP HET LAGER ONDEBWIJS.

OVERGANGSBEPALINGEN

der wet van 8 December 1889 (Staatsblad no. 175).

Art. V. De wijziging, bij deze wet gebracht in artikel 46 dei-wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt, volgens de wet van 11 Juli 1884 [Staatsblad no. 123), wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1891.

Over de voorafgaande dienstjaren blijft artikel 45, zooals dat thans luidt, van kracht, met dien verstande evenwel dat over het dienst jaar 1890 1quot;. in de kosten wegens het stichten, verbouwen of aan-koopen van schoollokalen, eene Rijksbijdrage van vijf en twintig ten honderd zal worden uitgekeerd; 2quot;. de kosten wegens het stichten, verbouwen of aankoopen van onderwijzerswoningen en die wegens het aanschaffen van noodzakelijke schoolmeubelen voor eerste inrichting van nieuwe schoollokalen bij de vaststelling der Rijksvergoeding niet in aanmerking komen, ten ware de bestekken voor den bouw en verbouw van scholen en onderwijzerswoningen vóór 24 September 1889 aan de bij artikel 50 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals dat artikel luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad, no. 123), gevorderde goedkeuring zijn onderworpen, in welk geval dertig ten honderd van het bedrag dier kosten zal wor den vergoed. (K.B. 23 Dec. 1889, S. 189.)

Indien de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, volgens het bij deze wet gewijzigde art. 45 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), over eenig dienstjaar voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som der Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, waarop die gemeente krachtens evengenoemd wets artikel, zooals dat luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad no. 123), over 1889 aanspraak kon doen gelden, zal het Rijk aan zoodanige gemeente in plaats van de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, hierboven vermeld, uitkeeren het bedrag, waarop zij, naar den regel van het aangehaalde an. 45 der wetten van 1878/84, als Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van de noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichtingen van nieuwe lokalen, over dat dienstjaar aanspraak zoude hebben gehad, doch in geen geval tot een hooger bedrag dan haar dienovereenkomstig over 1889 toekwam.

De uitkeering dezer vergoeding geschiedt met inachtneming van het gestelde maximum en behoudens aanvulling of terugbetaling,

292

-ocr page 345-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

na vaststelling der gemeenterekening, bij wijze van voorschot op den grondslag der goedgekeurde begrootingscijfers.

Zoodra over eenig dienstjaar de bepaling van het derde lid op eene gemeente niet behoeft toegepast te worden, houdt zij voor die gemeente op voor den vervolge te gelden.

Artikel 546is wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1890, doch met dien verstande dat indien over dat jaar het aantal onderwijzers aan de school verbonden niet voldoet aan de eischen voor de openbare scholen gesteld in de artt. 23 en 24, het 3de lid uitgezonderd, de aanspraak op de Rijksbijdrage voor de aan die scholen verbonden onderwijzers daardoor niet verloren gaat. Over de jaren 1891 tot en met 1898 gaat wegens het niet voldoen aan het voorschrift van art. 546«, sub 4°., de aanspraak op de Rijksbijdrage eerst dan verloren wanneer de bijzondere scholen ten aanzien van het onderwijzend personeel niet voldoen aan art. 23 of, voorzoover art. 24 betreft, niet voldoen aan de door Ons krachtens art. 88 der wet te geven voorschriften.

Met afwijking van het bepaalde bij het voorlaatste lid van art. 24, zooals dat artikel bij deze wet wordt gewijzigd, geldt, voor de bij het in werking treden dezer wet bestaande bijzondere lagere scholen die voor de Rijksbijdrage bedoeld bij art. 546is in aanmerking komen, voor het jaar 1890, tot grondslag voor de toepassing van art. 24, het aantal kinderen dat op 31 December 1889 als werkelijk schoolgaande bekend stond.

Het aantal onderwijzers bij het in werking treden dezer wet aan de gemeentescholen verbonden mag niet worden verminderd, behoudens voor zoover het volgens het bij deze wet gewijzigd art. 24 gevorderd aantal is overschreden.

Voorschriften omtrent de uitvoering van dit artikel worden door Ons gegeven bij algemeenen maatregel van bestuur.

VI. Het bij deze wet bevolen onderwijs in het vak, genoemd in art. 2 onder J, wordt verplichtend op 1 Januari 1897. \') (L.0.16,2°.)

Zij, door wie vóór of op 1 September 1889 overeenkomstig art. 15a en art. 426is der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), zooals die is gewijzigd bij de wet van 11 Juli 1884 {Staatsblad no. 123), onderwijs gegeven werd in het vak in art. 2 vermeld onder lit. s, kunnen met het geven van dat onderwijs voortgaan op den voet, waarop het door hen werd gegeven.

293

Zij, die vóór het in werking treden dezer wet, de akte, vermeld in art. 56 onder a of 6 hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede gelijkgestelde akten of toelatingen, zijn bij het afleggen van het in art. 656is vermelde examen in het vak j vrijgesteld van het in art. 65lt;er daarvoor bepaalde examengeld.

1) Art. VI, 1ste lid, aldus gewijzigd by de wet van SO Dec. 1893, S. 293; en het 2de lid, betreffende tydelgke ontheffing van vak j, vervallen volgens art. 9 der wet v. 28 Deo. 1896, S. 230 en aldus hier weggelaten.

-ocr page 346-

WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

VU. Subsidiën thans genoten krachtens art. 3, 3de lid, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), kunnen nog na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt doch tot geen hooger bedrag, noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd.

Andere subsidiën welke onder de werking der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) door gemeenten zijn verleend, doch na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet meer verleend kunnen worden, kunnen nog gedurende vijf jaren na dat tijdstip, doch tot geen hooger bedrag noch op andere voorwaarden worden uitgekeerd. (L.O. 3c.)

VIII. Onderwijzeressen, welke de akte, vermeld in art. 56, onder a, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), of die, vermeld onder b van dat wetsartikel, vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, behouden de bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder k in art. 2 dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.

Allen, die de akte, vermeld in art. 56, onder b, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) vóór het in werking treden dezer wet hebben verkregen of in het bezit zijn der daarmede in art. 85 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) gelijkgestelde akten of toelatingen, behouden de bevoegdheid tot het geven van huis- en schoolonderwijs in het vak, genoemd onder p in art. 2 dier wet, binnen den kring waarin zij die bevoegdheid bezaten.

De akte, vermeld in art. 56, onder a, der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), vóór het in werking treden dezer wet verkregen, geeft, tot het geven van huis- en schoolonderwijs in de eerste oefeningen van het handteekenen, gelijke bevoegdheid als de akte, vermeld in art. 56, onder a, zooals dat artikel bij deze wet is gewijzigd.

IX. De bestaande bepalingen omtrent de examens, ter verkrijging der akten van bekwaamheid, vermeld in art. 56 onder a en 6, en omtrent de vergelijkende examens blijven gelden, totdat die onderwerpen overeenkomstig deze wet opnieuw zullen zijn geregeld, doch niet langer dan 1 Januari 1891 en met dien verstande dat de voorschriften in art. 66ter met het tijdstip van het in werking treden dezer wet voor alle in dat artikel bedoelde examens van kracht zijn.

X. Deze wet treedt in werking op 1 Januari 189C.

294

1) liet 1 2 de

S\'

-ocr page 347-

WET

HOUDENDE REGELING VAN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

(VaatgeBteld den 2den Mei 1863, Stsbl. no. 50, uitgegeven den 19den Mei d a.v. Gewjjzigd by de wet van 28 Junjj 1876, StBbl. no. 143, 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.

Aangevuld bij de wet van 25 April 1879, Stsbl. dd. 87.)

TITEL 1.

AIjGEMEENE bepalingen.

Art. 1. Tot het middelbaar onderwijs worden gerekend te behoo-ren alle vakken, welke volgens deze wet onderwezen worden aan de scholen, waarover zij zich uitstrekt. (M.O. 12 volg.)

2. De scholen van middelbaar onderwijs worden onderscheiden in openbare en bijzondere.

Openbare scholen zijn die, opgericht en onderhouden door gemeenten, provinciën en het Rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere. (L.O. 3.)

Aan bijzondere inrigtingen kan van wege de gemeente, de provin-de of het Rijk subsidie worden verleend, onder zoodanige voorwaarden als door het gemeentebestuur, het provinciaal bestuur of Ons noodig zal geacht worden.

Bijzondere inrigtingen, aldus gesubsidiëerd, zijn, gelijk de openbare scholen, voor alle leerlingen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid, toegankelijk. (L.O. 3d.) ^

3. Middelbaar onderwijs, gegeven aan jongelieden van niet meer dan drie gezinnen gezamenlijk, wordt als huisonderwijs beschouwd.

4. Niemand mag middelbaar onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid. (M.O. 25 volg.; G. 192; L.O. 6.)

Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning. (G. 5; Wet van 4 Junij 1858, S. 46.)

5. De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niét toepasselijk:

a. op hen, die aan de kinderen van slechts één gezin middelbaar onderwijs geven; (L.O. 7a.)

b. op hen, die, van het geven van middelbaar onderwijs geen be-

1) De 5de en 6de alinea van art. 2 zijn vervallen door de intrekking der wet op liet L. 0. van 1857 bü nrt. 93 der wet op het L. O. van 1878. Zie thans artt. 1 en 2 der wet houdende Aanvul. M. O. van 25 Apr. 1879, Stsbl. no. 87. hierachter.

STAATSWETTEN. 20

-ocr page 348-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

roep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van Ons vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs. (L.O. 76.)

6. Afgeschaft bij art. 3d der wet van 15 April 1886, S. 64 (zie thans art. 436 Wetb. v. Strafrecht) behoudens de volgende bepaling, uit de 2de alinea; Hiervan (van de betr. strafbepaling) zijn uitgezonderd de onderwijzers en onderwijzeressen aan inrigtingen van middelbaar onderwijs, die bij het bestaan eener vacature of bij ontstentenis van een ambtgenoot eenige lessen tijdelijk waarnemen, mits die waarneming niet langer dan zes maanden dure.

7. Vervallen bij art. 17 der wet van 15 April 1886, S. 64.

8. De bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs vervalt voor hem, die bij een eindvonnis is veroordeeld:

а. Afgeschaft bij art. 3d der wet van 15 April 1886, 8. 64.

б. tot eene der straffen omschreven in art. 28, nos. 4 en 5, van het Wetboek van Strafrecht. \') (L.O. 10.)

Bij ergerlijk levensgedrag of wanneer hij, bij het geven van onderwijs, leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kan de onderwijzer door Óns worden verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te hebben. (L.O. 29 volg., 33, 53.)

9. Hij, die de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs verloren heeft, kan haar niet terugkrijgen.

In het geval, omschreven in het laatste lid van het. voorgaande artikel, kan zij door Ons worden teruggegeven. (L.O. 11.)

IG. Van elk besluit, krachtens deze wet door Gedeputeerde Staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen. (P. 168; L.O. 14.)

11. Deze wet is niet toepasselijk op inrigtingen van onderwijs der zee- en landmagt, noch op de onderwijzers, bij die inrigtingen aangesteld. (L.O. 15.)

Zij is, voor zooveel de bevoegdheid tot het geven van onderwijs aangaat, evenmin toepasselijk op de scholen voor doofstommen of blinden, welke nogtans onderworpen zijn aan het toezigt, vermeld in art. 46.

Bij geschil, of eene school, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, tot de inrigtingen van het lager, het middelbaar of het hooger onderwijs be-hoore, wordt daarover door Ons beslist.

TITEL II.

VAN HET OPENBAAR MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Art. 12. Openbaar middelbaar onderwijs wordt gegeven in:

a. burgerscholen; (M.O. 13 en 14.)

b. hoogere burgerscholen; (M.O. 15—18.)

c. landbouwscholen: (M.O. 19, 20.)

296

d. de polytechnische school. (M.O. 39 volg.)

1) Aldus gewijzigd bij art. 17 der wet van 16 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 349-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE BURGERSCHOLEN, HOOGERE BURGERSCHOLEN EN LANDBOUWSCHOLEN.

§ 1. Van de scholen.

Art. 13. De burgerscholen, voornamelijk bestemd voor aanstaande ambachtslieden en landbouwers, zijn dag- en avondscholen. De burgerschool is van een tweejarigen cursus.

Aan de burgerdagschool wordt onderwijs gegeven in: (L.O. 2.)

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der theoretische en toegepaste mechanica en der kennis van werktuigen;

c. die der natuur- en scheikunde:

d. die der natuurlijke historie;

e. die der technologie of der landbouwkunde;

(Wet houdende Aanvul. M.O. 1879, Stsbl. no. 87, art. 3.)

f. de beginselen der aardrijkskunde;

(j. die der geschiedenis;

h. die der nederlandsche taal;

i. de eerste gronden der staathuishoudkunde;

k. het hand- en regtlijnig teekenen;

I. de gymnastiek. (M.O. 16, 17.)

De gemeenteraad bepaalt, of de beginselen der technologie, dan wel die der landbouwkunde onderwezen zullen worden; hij kan ook bepalen , dat in beide vakken onderwijs gegeven zal worden. Hij kan ook bij de opgenoemde vakken van onderwijs dat in het boetseren en in eene of andere vreemde taal voegen.

De raad bepaalt mede, welke van de in dit artikel genoemde vakken aan de avondschool onderwezen zullen worden. (L.O. 17.)

14. In elke gemeente, waar de bevolking tien duizend zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur ten minste eéne burgerschool, dag- en avondschool opgerigt. Zij kan aan eene openbare lagere school verbonden worden. (L.O. 16a.)

Mogt de bevolking eener gemeente van boven tien duizend zielen zóó ver uiteenwonen, dat op bezoek eener burgerschool weinig te rekenen ware, of in de behoefte op andere wijze voorzien zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden.

Blijkt het, dat door eene burgeravondschool in de behoefte eener gemeente voldoende wordt voorzien, dan kan van de verpligting tot het oprigten eener burgerdagschool door Ons, doch telkens slechts voor een bepaald getal jaren, ontheffing worden verleend. In dit geval is het onderwijs der avondschool over een tweejarigen cursus verdeeld, en bepalen Wij, den gemeenteraad gehoord, welke der in het vorig artikel genoemde vakken het onderwijs zal omvatten.

15. De hoogere burgerscholen worden onderscheiden in hoogere

297

20*

li

-ocr page 350-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

burgerscholen met vijfjarigen, en in hoogere burgerscholen met driejarigen cursus.

16. Aan de hoogere burgerscholen met driejarigen cursus wordt onderwijs gegeven in;

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der natuur- en scheikunde;

c. de beginselen der plant- en dierkunde ;

d. die der staathuishoudkunde;

e. die van het boekhouden;

ƒ. de aardrijkskunde;

ij. de geschiedenis;

A. de nederlandsche taal;

i. de fransche taal;

k. de engelsche taal;

l. de hoogduitsche taal ;

m. het schoonschrijven;

n. het hand- en regtlijnig teekenen;

0. de gymnastiek. (M.O. 13.)

17. Aan de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus wordt onderwijs gegeven in;

a. de wiskunde;

b. de beginselen van de theoretische en toegepaste machanica, van de kennis van werktuigen en van de technologie;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde:

ƒ. die der kosmographie;

g. de gronden van de gemeente-, provinciale- en staatsinrigting van Nederland;

h. staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen:

1. de aardrijkskunde;

h. de geschiedenis;

l. de nederlandsche taal- en letterkunde;

m. de fransche taal- en letterkunde;

n. de engelsche taal- en letterkunde;

o. de hoogduitsche taal- en letterkunde:

p. de beginselen der handelswetenschappen, daaronder die der warenkennis en het boekhouden;

q. het schoonschrijven;

r. het hand- en regtlijnig teekenen;

s. de gymnastiek. (M.O. 13, 16.)

18. Er zijn althans vijftien Eijks-hoogere burgerscholen, te vestigen in daarvoor meest gelegene gemeenten in de onderscheidene oorden van het land. Daaronder zijn ten minste vijf met vijfjarigen cursus. (L.O. 16.)

298

-ocr page 351-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

19. Er is eene Rijks-landbouwschool, indien in de behoeften aan landbouwonderwijs niet op andere wijze wordt voorzien. (M.O. 12c.)

Aan bijzondere landbouwscholen kan Rijkssubsidie worden verleend.

20. Het onderwijs aan de Rijks-landbouwschool omvat;

a. staathuishoudkunde;

b. toegepaste wiskunde, als landmeten, waterpassen en inhoudsbe-rekeningen;

c. de werktuigkunde, toegepast op den landbouw en kennis van landbouwwerktuigen;

d. de zamenstelling en inrigting der gebouwen voor den landbouw en de veeteelt;

e. het regtlijnig teekenen, toegepast op de bouwkunde en werktuigen ;

ƒ. de natuurkunde, scheikunde en weerkunde, toegepast op den landbouw;

g. de landbouw-technologie;

h. de delfstofkunde en aardkunde, toegepast op den landbouw:

i. de algemeene bijzondere plant- en dierkunde;

k. de ontleedkunde en natuurkunde der planten en dieren;

l. de kennis van de uiterlijke vormen, rassen, ziekten en geneesleer der huisdieren;

m. den algemeenen en bijzonderen landbouw, — akkerbouw, wei-debouw, warmoezerij, tuinbouw en hout- en ooftboomteelt;

n. de veeteelt, daaronder begrepen pluimvee- en bijenteelt, en zuivelbereiding ;

o. het landbouw-boekhouden;

p. den praktischen landbouw, houtteelt en behandeling der huisdieren daaronder begrepen;

q. den kolonialen land- en boschbouw. (M.O. 13, 16, 17.)

21. Voor burgerscholen, hoogere burgerscholen of landbouwscholen, door provinciën, gemeenten of bijzondere personen, met of zonder Rijkssubsidie tot stand gebragt, kan het plan van inrigting van onderwijs, zoo als het aan de verpligte gemeentescholen en de Rijksscholen in artt. 13, 16, 17 en 20 is voorgeschreven, naar de omstandigheden gewijzigd, ingekrompen of uitgebreid worden. (L.O. 16i.)

De inrigting van middelbare scholen voor meisjes, door gemeentebesturen, provinciën of bijzondere personen met of zonder subsidie te stichten, wordt aan de stichters overgelaten, behoudens voorwaarden, aan verleende subsidiën te verbinden. (M.O. 230, 4°.)

299

22. 1) Al hetgeen de toelating tot de Rijks-hoogere burger- en landbouwscholen, de verpligtingen van den directeur en de leeraren en de regeling van het onderwijs betreft, wordt, voor zooverre het niet

1

Zie omtrent de uitvoering van dit art. de K.B. van 30 Aug. 18fi4, Stsbl. no, 91, 13 Aug. 1873, Stsbl. no. 131, 9 April 1879, Stsbl. no. 55, 33 Juli 1884, Stsbl. no. 181 en 9 April 1893, Stsbl. no. 85.

-ocr page 352-

WET OP HÉT MIDDELBAAR ONDERWIJS.

door deze wet is geregeld, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

§ 2. Van de onderwijzers.

Art. 23. De onderwijzers aan de openbare burgerscholen, de hoo-gere burgerscholen en de Rijks-landbouwschool dragen den titel van leeraar.

Aan het hoofd van elk dier scholen is een der leeraren geplaatst, die den titel draagt van directeur. (L.O. 23.)

24. Het getal der leeraren voor de gemeentescholen, alsmede het bedrag hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld.

De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, worden voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van Ciedeputeerde Staten, voor die, welke door het Kijk worden gesubsidieerd, aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen. Gelijke goedkeuring wordt gevorderd met betrekking tot scholen, door eene provincie met Rijkssubsidie opgerigt. (L.O. 26.)

25. Om tot leeraar aan eene burgerschool benoemd te kunnen worden, wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond: (M.O. 4, 84 volg.; L.O. 27.)

a. voor de vakken, vermeld ouder ad van art. 13, en voor de technologie, het bezit eener acte van bekwaamheid A. vermeld in art. 70, of voor elk dier vakkeu afzonderlijk het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

b. voor de landbouwkunde, het bezit eener acte A voor dat vak, afgegeven krachtens art. 73;

c. voor de vakken, vermeld onder ƒ—h van art. 13, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

d. voor de eerste gronden der staathuishoudkunde, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

e. voor het teekenen en de gymnastiek, het bezit eener acte voor die vakken, vermeld in art. 77.

Tot het geven van ouderwijs in de vakken, vermeld onder ƒ—h van art. 13, zijn tevens bevoegd zij, die in het bezit zijn eener acte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer voor het lager onderwijs; tot het onderwijs in wiskunde en levende talen zij, die eene acte voor dat onderwijs bezitten, afgegeven krachtens art. 47 der wet van den 13den Augustus 1857 {Staatsblad no. 103). (Thans krachtens art. 566 L.O. 1878; zie Aanv.w. M.O.v. 1879, artt. 3 en 6.)

26. Om tot leeraar aan eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus benoemd te kunnen worden, wordt vereischt, behalve

300

-ocr page 353-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

het in het voorgaand artikel vermeld getuigschrift: (M.O. 4, 84 volg.; L.O. 27.)

ti. voor de vakken, vermeld onder a—c van art. 16, het bezit eener acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70 ^ of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

b. voor de beginselen der staathuishoudkunde, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

c. voor de beginselen van het boekhouden. het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 75, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

d. voor de vakken vermeld onder ƒ—h van art. 16, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

e. voor de vakken, vermeld onder i, k, l, n en o van art. 16, het bezit der acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 77.

27. Om tot leeraar aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus benoemd te kunnen worden, wordt, behalve het in art. 25 vermelde getuigschrift, gevorderd: (M.O. 4, 84 volg.; L.O. 27.)

a. voor de vakken, vermeld onder a en b van art. 17, het bezit eener acte van bekwaamheid B, vermeld in art. 70 of in art. 71;

b. voor het vak, vermeld onder c, het bezit eener akte B, vermeld in art. 71;

c. voor het vak, vermeld onder d, het bezit eener acte B, vermeld in art. 72;

d. voor de vakken, vermeld onder e en ƒ, het bezit eener acte A, vermeld in art. 70;

e. voor de vakken, vermeld onder g en h, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 76;

ƒ. voor de vakken, vermeld onder i—l, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, afgegeven krachtens art. 76;

g. voor de vakken, vermeld onder m—o, r en s, het bezit van de acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 77;

h. voor het vak, vermeld onder p, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 75. of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76.

28. De directeuren en leeraren der Eijks-hoogere burgerscholen en der Kijks-landbouwschool worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

29. De directeuren en leeraren der gemeentescholen worden benoemd door den gemeenteraad, die vooraf eene aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door burgemeester en wethouders, na verhoor van den inspecteur, opgemaakt. (L.O. 28.)

301

-ocr page 354-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. Deze geven zoo spoedig mogelijk rekenschap van hun besluit aan den gemeenteraad.

Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord.

Is schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door Gedeputeerde Staten geschieden.

Is ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door Gedeputeerde Staten geschieden. (L.O. 29.)

30. De schorsing van een directeur of leeraar geschiedt hoogstens voor drie maanden.

Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging. (L.O. 29.)

31. Voor de directeuren en leeraren der Kijks-hoogere burger- en landbouwscholen komt, met opzigt tot hunne aanspraak op pensioen, als diensttijd mede in aanmerking de tijd, dien zij krachtens eene vaste aanstelling, van Ons, van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken of van een gemeentebestuur ontvangen, als onderwijzer bij eene openbare inrigting van onderwijs hebben doorgebragt. (M.O. 42.)

32. Aan de directeuren en leeraren der gemeente-burgerscholen, tot welker oprigting de gemeenten verpligt zijn, wordt ten laste van den Staat pensioen verleend in de gevallen, naar de regelen en on der de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen, een en ander overeenkomstig de bij zondere bepalingen, in dit en de drie volgende artikelen vervat.

Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde directeuren en leeraren als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren bij de eerste afdeeling der wet van den 9den Mei 1846 (Staatsblad no. 24) ingestelde pen sioenfonds. (Wet 9 Mei 1890, S. 78.)

Voor hen komt, behalve den diensttijd in de bij het eerste lid van dit artikel vermelde betrekkingen, en dien, welke voor andere burgerlijke ambtenaren geldig is, als zoodanig mede in aanmerking de tijd, dien zij, krachtens eene vaste aanstelling, van Ons, van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken of van een gemeentebestuur ontvangen , als onderwijzer bij eene openbare inrigting van onderwijs hebben doorgebragt.

De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op directeuren en leeraren, die als onderwijzers eener openbare lagere school aan spraak op pensioen kunnen doen gelden.

33. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de directeuren en leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het Rijk verantwoord. (H.O. 21.)

302

-ocr page 355-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

34 en 35. Vervallen bij art. 41, 5°, der wet van 9 Mei 1890, S.

78.

§ 3. Van de kosten.

Art. 36. De kosten der gemeente-burgerscholen, voor zooverre zij niet komen ten laste van anderen of uit bijzondere daartoe bestemde fondsen kunnen worden bestreden, door de gemeente te dragen, zijn;

a. de jaarwedden van de directeuren, leeraren en bedienden dier scholen;

b. de kosten van het oprigten en in stand houden of het huren der schoollocalen en der woningen van de directeuren of leeraren, voor zooveel die het genot van vrije woning mogten hebben;

c. die van verlichting en verwarming der schoollocalen;

d. die van het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen, werktuigen en verdere hulpmiddelen voor het onderwijs;

e. de bijdrage der gemeente tot het pensioen der onderwijzers;

ƒ. de kosten der plaatselijke commissie van toezigt. (L.O. 43, 44.)

37. Ter tegemoetkoming in de kosten der scholen kan eene bijdrage van iederen leerling gevorderd worden. (L.O. 40.)

Deze bijdrage kan voor de gemeentescholen, die art. 14 vordert, niet hooger worden gesteld dan op twaalf gulden \'s jaars, en voor de Rijks-hoogere burgerscholen niet hooger dan op zestig gulden \'s jaars.

De bepaling der bijdrage geschiedt voor de gemeentescholen door den gemeenteraad, voor de provinciale scholen door de Staten, en voor de Rijks-scholen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Het invoeren, wijzigen en afschaffen van schoolgelden geschiedt, voor de gemeentescholen, met inachtneming van artt. 232—236 der (Gem.) wet van den 29sten Junij 1851 {Staatsblad no. 85.)

De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van artt. 258—262 dier wet. (L.O. 34.)

De invordering der schoolgelden voor de Rijks-hoogere burgerscholen geschiedt op de wijze, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen. De opbrengst dier gelden wordt in \'s Rijks schatkist gestort.

38. Ieder die als kweekeling eener Rijks-landbouwschool is ingeschreven, stort, bij den aanvang van elk studiejaar, eene som van minstens ƒ 40 en hoogstens ƒ 100. Hij verkrijgt daardoor den toegang tot alle lessen der school. De bepaling der bijdrage geschiedt door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. 1)

Zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, kunnen daartoe van den directeur vergunning bekomen. Zij betalen, mede bij den aanvang van elk studiejaar, voor lessen, die gegeven worden:

eenmaal \'s weeks ƒ 5,00;

303

tweemaal \'s weeks ƒ 10,00;

1

Aldus gewgzigd bij de wet van 28 Jung 1876, Stsbl. no. 143.

-ocr page 356-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

driemaal \'s weeks ƒ 15,00;

viermaal of meermalen \'a weeks ƒ 20,00.

De in dit artikel vermelde gelden worden in \'s Rijks schatkist gestort.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DB POLYTECHNISCHE SCHOOL.

§ 1. Van de school.

Art. 39. De polytechnische school is bestemd voor de opleiding: 1quot;. van aanstaande industriëlen of technologen, die eene grootere mate van theoretische en technische kennis verlangen dan aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus kan verkregen worden; 2°. van hen, die verlangen zich te bekwamen tot;

a. civiel ingenieur;

b. architect of bouwkundig ingenieur;

c. scheepsbouwkundig ingenieur;

d. werktuigkundig ingenieur;

f. mijnen-ingenieur.

40. Het onderwijs aan de polytechnische school omvat:

а. de hoogere stelkunde;

б. de bolvormige driehoeksmeting en de analytische meetkunde;

c. de beschrijvende meetkunde en hare toepassing;

d. de differentiaal- en integraalrekening;

e. het landmeten, waterpassen en de geodesie;

ƒ. de theoretische mechanica ;

g. de toegepaste mechanica;

h. de kennis van werktuigen;

i. de mechanische technologie en de werktuigbouwkunde; k. de toegepaste natuurkunde;

l. de toegepaste, de praktische en analytische scheikunde; m. de scheikundige technologie;

n. de kennis van het hedeudaagsche fabriekwezen; o. de delfstofkunde en de aardkunde;

p. de toegepaste aardkunde en de mijnontginning; q. de metallurgie;

de waterbouwkunde, den aanleg van gewone wegen en spoorwegen en den bruggenbouw;

s. de burgerlijke bouwkunde;

t. de scheepsbouwkunde;

u. het regtlijnig en handteekenen, met toepassing op de verschillende vakken;

D. praktische oefeningen met gereedschap en draaibank;

w. het maken van modellen van werktuigen; x. de staathuishoudkunde;

y. het handelsregt;

304

-ocr page 357-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDEKWIJS.

2. het administratief regt in betrekking tot den waterstaat, de openbare werken, het mijnwezen en de nijverheid. (M.O. 18, 16, 17, 20.)

41. Ieder, die als kweekeling der polytechnische school is ingeschreven, stort bij den aanvang van elk studiejaar eene som van ƒ 2Ö0. Hij verkrijgt daardoor den toegang tot alle lessen der school.

Zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, betalen, mede bij den aanvang van elk studiejaar, voor lessen, die gegeven worden:

eenmaal \'s weeks ƒ 10;

tweemaal \'s weeks ƒ 20;

driemaal \'s weeks ƒ30;

viermaal of meermalen \'s weeks ƒ 40.

De in dit artikel vermelde gelden worden in \'s Rijks schatkist gestort. (M.O. 38.)

§ 2. Van de leeraren.

Art. 42. De hoogleeraren en andere leeraren der polytechnische school worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Op hen is mede van toepassing de bepaling van art. 31.

§ 3. Van het bestuur.

Art. 43. Het bestuur der polytechnische school is opgedragen aan eenen door Ons te benoemen directeur en eenen raad van bestuur za-mengesteld uit de hoogleeraren der school.

De werkkring en bevoegdheid van den directeur en van den raad van bestuur, hunne betrekking tot het overige onderwijzend personeel en de inwendige regeling der school worden, voor zoover die niet door deze wet zijn bepaald, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Art. 44. Om onderwijs in bijzondere scholen of huisonderwijs te kunnen geven, wordt vereischt het bezit van;

a. eene acte van bekwaamheid, volgens deze wet verkregen; (M.O. 25, 27, 84 volg.)

b. een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar de bezitter gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond; (M.O. 25.)

c. een bewijs, dat beide deze stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden. (M.O. 25; L.O. 51.)

45. Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld onder c van het voorgaand artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvraag daartoe is geschied, door burgemeester en wethouders beslist.

305

-ocr page 358-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing niet is kenbaar gemaakt aan hem, die het onderwijs wenscht te geven, wordt beroep toegelaten op Gedeputeerde Staten.

Na afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien binnen den tijd van zes weken hunne beschikking niet aan den belanghebbende is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen. (L.O. 52.)

TITEL IV.

VAN HET TOEZIGT.

Art. 46. Het toezigt op de openbare en bijzondere scholen van middelbaar onderwijs is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan;

a. plaatselijke commissiën, door den gemeenteraad te benoemen;

b. inspecteurs, onder welke een bijzonderlijk met het toezigt op de landbouwscholen, Eijks- en bijzondere scholen, is belast. (L.O. 67.)

47. Het getal der inspecteurs wordt door Ons bepaald.

Zij worden door Ons benoemd en ontslagen.

Zij genieten uit \'s Kijka kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

De bepaling van art. 31 is mede op hen toepasselijk.

Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

48. De inspecteurs worden eenmaal \'s jaars door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bijeengeroepen, ten einde onder zijne leiding de belangen van het middelbaar onderwijs te overwegen en te bevorderen.

49. De leden der commissiën van toezigt en de inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en getrouw zullen waarnemen.

De eedsaflegging of belofte geschiedt door de leden der commissiën van toezigt in handen van den regter van het kanton, waarin zij wonen; door de inspecteurs in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. (L.O. 71.)

50. De leden der commissiën van toezigt en de inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en der verordeningen op het middelbaar onderwijs proces-verbaal op te maken. (L.O. 72.)

51. De scholen, vermeld in art. 46, zijn steeds toegankelijk voor de leden der commissiën van toezigt en voor de inspecteurs.

De onderwijzers zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. \')

306

52. De plaatselijke commissiën houden toezigt op de middelbare scholen in de gemeente en bezoeken die ten minste tweemalen \'s jaars.

1) De strafbepnlingen welke aan art. 51 waren toegevoegd, zijn vervallen door art. 8(i der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans art. 184, Wetb. v. Strafrecht.

-ocr page 359-

WET OP HET MIDDELBAAK ONDERWIJS.

Zij zien loe, dat de algemeens verordeningen op het middelbaar onderwijs en de bijzondere reglementen voor de openbare burgerscholen en hoogere burgerscholen stipt worden nagekomen. Zij houden aanteekening van het onderwijzend personeel, het getal der leerlingen en den staat van het onderwijs; zij deelen den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die hebben plaats gehad in de scholen, in de gemeente gevestigd, en geven hem alle inlichtingen, die hij verlangt; zij doen zoowel aan den gemeenteraad als aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs noodzakelijk achten.

Zij doen jaarlijks, vóór den Isten Maart, aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het aan hun toe-zigt toevertrouwd middelbaar onderwijs in het vorige jaar en zenden daarvan afschriften aan Gedeputeerde Staten en aan den inspecteur of de inspecteurs, met het toezigt op die scholen belast. (L.O. 74.)

53. De inspecteurs zorgen door schoolbezoek voortdurend bekend te blijven met den toestand der scholen, waarvan hun het toezigt is opgedragen; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen en met de onderwijzers den bloei van het middelbaar onderwijs te bevorderen; zij hebben toegang tot de eind-examens der burgerscholen en der hoogere burgerscholen; zij lichten Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen hem alle zoodanige voorstellen , als zij in het belang van het middelbaar onderwijs noodig achten.

Zij doen jaarlijks vóór den Isten Mei aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag van den staat van het onderwijs aan de scholen, aan hun toezigt toevertrouwd. (G. 192l!; L.O. 77.)

54. De inspecteur van het landbouwonderwijs waakt voor de getrouwe naleving van de bepalingen dezer wet en van alle andere door of van wege Ons vastgestelde verordeningen, die op de landbouwscholen betrekking hebben. Hij houdt toezigt op den gang van het onderwijs aan die scholen, alsmede aan de burgerscholen, waar onderwijs in de landbouwkunde wordt gegeven; op deze laatste echter alleen voor zooveel dit onderwijs aangaat; hij tracht door overleg met de gemeentebesturen én met de onderwijzers den bloei van het landbouwonderwijs te bevorderen; hij heeft toegang tot de eindexamens der landbouwscholen en der burgerscholen, waar onderwijs in landbouwkunde wordt gegeven; hij licht Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voor omtrent alle onderwerpen, waarover zijn berigt wordt gevraagd, en doet hem alle zoodanige voorstellen, als hij in het belang der scholen noodig acht.

Hij zendt jaarlijks vóór den Isten Mei aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag van den staat van het landbouwonderwijs. (G. 192e.)

307

-ocr page 360-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

TITEL V.

VAN DE EINDEXAMENS.

Art. 55. Aan hen, die aan eene openbare burgerschool, hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, landbouw- of polytechnische school het onderwijs hebben bijgewoond, wordt eenmaal \'s jaars gelegenheid gegeven om ten gevolge van een examen een getuigschrift of een diploma te verkrijgen.

Tot die examens worden ook toegelaten zij, die het onderwijs aan die scholen niet hebben bijgewoond.

De examens worden in het openbaar gehouden. (K.B. 10 Mrt. 1870, S. 49, gewijz. bij K.B 10 Mrt. 1883, S. 31 en 22 Mrt. 1885, S. 73.)

56. Het eindexamen voor de burgerscholen wordt afgenomen door eene commissie, zamengesteld uit een lid der commissie van toezigt, door haar zelve aan te wijzen, als voorzitter, den directeur der school en de leeraren in de vakkeu, waarover het examen loopt.

Het examen betreft de vakken, welke op de in de gemeente gevestigde school worden onderwezen , met uitzondering van de gymnastiek. Worden landbouw en technologie beide aan de school onderwezen, dan kan hij, die het examen aflegt, kiezen, over welke dier beide vakken het zal loopen.

57. De eindexamens voor de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus en die voor de landbouwscholen worden afgenomen door com-missiën, jaarlijks te benoemen door Onzen Commissaris in iedere provincie, waar zoodanige scholen aanwezig zijn.

De leden genieten uit \'s Kijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

Het eindexamen voor de hoogere burgerscholen betreft de vakken, vermeld onder aj) en r van art. 17.

Het diploma van landbouwkundige wordt verkregen ten gevolge van een examen, waaruit blijkt, dat de geëxamineerde de kundigheden bezit, waarin aan de school onderwijs gegeven wordt. (K.B. 10 Maart 1870, S. 49.)

58. De eindexamens der polytechnische school worden afgenomen door commissiën, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te benoemen. De leden genieten uit \'s Rijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

59. Zij, die naar het diploma van technoloog, civiel, bouwkundig, scheepsbouwkundig, werktuigkundig, of mijnen-ingenieur dingen, leggen een eerste examen A af, van gelijken omvang als het in art. 57 voorgeschreven eindexamen voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus.

Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die het getuigschrift bezitten, verkregen na aflegging van zoodanig examen voor eene der in dat artikel genoemde commissiën.

308

-ocr page 361-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

60. Het diploma van technoloog wordt door hen, die het in het voorgaand artikel vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de bolvormige driehoeksmeting en de beginselen der analytische meetkunde;

b. de beginselen der beschrijvende meetkunde;

c. die der theoretische en toegepaste mechanica, en van de kennis van werktuigen;

d. die der mechanische technologie;

e. de toegepaste natuurkunde;

ƒ. de toegepaste en analytische scheikunde;

g. de scheikundige technologie;

h. de bouwkunde, voor zooveel betreft de kennis van bouwstoffen en de zamenstelling van eenvoudige gebouwen:

i. het hand- en omamentteekenen.

61. Het diploma van civiel ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de hoogere stelkunde;

b. de bolvormige driehoeksmeting en de analytische meetkunde;

c. de beschrijvende meetkunde;

d. differentiaal- en integraalrekening;

e. de toegepaste natuurkunde;

ƒ. de analytische scheikunde met betrekking tot de bouwmaterialen ;

g. de kennis van bouwstoffen, gebruikelijk zoowel voor bouwkundige als waterbouwkundige werken;

h. de constructie van onderdeden van gebouwen;

i. het vervaardigen van eenvoudige bouwkundige en waterbouwkundige teekeningen en het handteekenen.

Het derde examen C betreft:

a. de theoretische en toegepaste mechanica en de kennis van werktuigen ;

b. de waterbouwkunde, omvattende;

1°. den aanleg van gewone wegen en spoorwegen en dien van bruggen;

2°. den aanleg van zeeweringen;

3°. de kennis der rivieren als afwateringsmiddelen en in betrekking tot de scheepvaart;

4°. den aanleg van kanalen, sluizen, havens en maritime werken ;

5U. de hydrographie van ons land, kennis van polders en bemalingen ;

c. de burgerlijke bouwkunde, omvattende;

1°. de constructie van eenvoudige gebouwen;

2°. de beginselen der schoone bouwkunst;

309

-ocr page 362-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

d. het situatie-, ornament- en handteekenen, benevens het teekenen van voorwerpen, tot de waterbouwkunde behoorende;

e. het maken van ontwerpen, bestekken en begrootingen;

ƒ. de beginselen der geodesie en het praktisch landmeten en waterpassen ;

g. het administratief regt in betrekking tot den waterstaat en openbare werken.

62. Het diploma van architect of bouwkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B is hetzelfde als het examen B, vermeld in het voorgaande artikel.

Het derde examen C betreft:

a. de vakken ouder a en e van het examen C, vermeld in art. 61;

b. de burgerlijke bouwkunde, de schoone bouwkunst in haren ge-heelen omvang daaronder begrepen;

c. de waterbouwkunde, voor zooveel betreft den aanleg van verschillende bestratingen, het bouwen van bruggen, sluizen en kaaijen;

d. het theoretische en praktisch landmeten en waterpassen;

e. het bouwkundig, ornament- en handteekenen;

/. het administratief regt, in betrekking tot openbare werken.

63. Het diploma van scheepsbouwkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermelde examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft;

a. de vakken onder ae van het examen B, vermeld in art. 61;

b. de analytische scheikunde in betrekking tot de materialen voor den scheepsbouw;

c. de kennis der bouwstoffen, bij den scheepsbouw in gebruik;

d. de beginselen van het scheepsteekenen en het handteekenen.

Het derde examen C betreft:

a. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

b. het teekenen van werktuigen;

c. de scheepsbouwkunde en het scheepsteekenen;

d. de waterbouwkunde en het waterbouwkundig teekenen, voor zooveel betreft werken, die tot de scheepvaart betrekking hebben.

64. Het diploma van werktuigkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

o. de vakken a—c van het examen B, vermeld in irt. 61;

b. het vak e, vermeld in art. 60;

c. de analytische scheikunde in betrekking tot de materialen voor werktuigen.

Het derde examen C betreft:

a. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

310

-ocr page 363-

WET OP HET MIDDELBAAK ONDERWIJS.

b. mechanische technologie en werktuigbouwkunde;

c. het vak h, vermeld in art. 60;

d. het handteekenen en het reekenen van werktuigen;

c. het administratief regt in betrekking tot fabrieken en werktuigen.

65. Het diploma van mijnen-ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de vakken ae van het examen B, vermeld in art. 61;

b. de delfstofkunde.

Het derde examen C betreft;

a. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

h. het vak h, vermeld in art. 60;

c. het vak d van het examen C, vermeld in art. 62;

d. de aardkunde en de toegepaste aardkunde;

e. de mijnontginning;

ƒ. de docimasle;

lt;j. de metallurgie;

h. het teekenen van werktuigen;

i. het administratief regt in betrekking tot het mijnwezen.

66. Wanneer een der in de voorgaande artikelen vermelde examens naar genoegen der commissie is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde een getuigschrift of een diploma afgegeven, volgens het model, door Onzen Minister van Binnenlandache Zaken vastgesteld.

Getuigschriften worden afgegeven voor goed volbragte eindexamens der burgerscholen en hoogere burgerscholen, alsmede voor het eerste examen A voor technoloog, en het eerste en tweede examen A en B voor civiel, bouwkundig, scheepsbouwkundig, werktuigkundig en mijnen-ingenieur; diploma\'s worden afgegeven voor goed volbragte eindexamens als landbouwkundige, technoloog, civiel, bouwkundig, scheepsbouwkundig, werktuigkundig en mijnen-ingenieur.

De getuigschriften worden kosteloos afgegeven; voor het diploma wordt betaald eene som van veertig gulden. Deze gelden worden in \'s Eijks schatkist gestort.

87. De commissiën, bedoeld in art. 56, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan den gemeenteraad en een afschrift daarvan aan den inspecteur of de inspecteurs, met het toezigt op de burgerscholen belast. (M.O. 48, 53.)

De commissiën, bedoeld in art. 57, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen Commissaris in de provincie, en een afschrift aan den inspecteur of inspecteurs, met het toezigt op de hoogere burgerscholen of op de landbouwscholen belast.

De commissiën bedoeld in art. 58, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. (M.O. 52.)

STAATSWETTEN. 21

311

-ocr page 364-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

TITEL VI.

VAN DE ACTEN VAN BEKWAAMHEID.

Art. 68. De acten van bekwaamheid tot het geven van schooien huisonderwijs worden verkregen ten gevolge van het afleggen van examens. (M.0. 25, 27; L.O. 55.)

69. Ieder jaar worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken commissiën benoemd, aan welke wordt opgdragen hen te exa-mineeren, die eene acte van bekwaamheid voor het middelbaar onderwijs wenschen te verkrijgen.

De plaatsen, waar deze commissiën hare zittingen houden, worden telkens door Onzen voornoemden Minister aangewezen.

De examens worden in het openbaar gehouden, met uitzondering van die voor onderwijzeressen. (L.O. 58rf, 62d.)

De leden der commissiën ontvangen uit \'s Kijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

70. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de wis- en werktuigkundige wetenschappen.

De eerste acte A wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de rekenkunde, de stelkunde, de meetkunde, de platte en bolvormige driehoeksmeting, de beginselen der beschrijvende en der analytische meetkunde;

b. de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica, der kennis van werktuigen en der technologie;

c. de beginselen der natuurkunde, der scheikunde er der kosmo-graphie;

d. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde.

De tweede acte B, welke alleen verkregen kan worden door hen, die reeds de in dit artikel vermelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

e. de beschrijvende en analytische meetkunde, de differentiaal- en integraalrekening;

ƒ. de theoretische en toegepaste mechanica.

71. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de natuurkunde.

De eerste acte A is dezelfde als de acte A, vermeld in art. 70.

De tweede acte B, welke alleen kan verkregen worden door hen, die reeds de bovengemelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in;

a. de analytische meetkunde;

b. de differentiaal- en integraalrekening;

c. de theoretische mechanica;

d. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de meteorologie;

/. de scheikunde. (M.0, 25, 26, 27.)

312

-ocr page 365-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

72. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de scheikunde.

De eerste acte A is dezelfde als de acte A, vermeld in art. 70.

De tweede acte B, die alleen kan verkregen worden door hen, die reeds de bovengemelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in;

a. de algemeene, de toegepaste en de analytische scheikunde;

b. de scheikundige technologie;

c. de natuurkunde. (M.O. 25, 26, 27.)

73. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de landbouwkunde.

De eerste acte A wordt door den bezitter der acte A, vermeld in art. 70, verkregen ten gevolge van een examen in de beginselen van den landbouw.

De tweede acte B wordt verkregen ten gevolge van een examen als hetgeen ter verkrijging van het diploma van landbouwkundige wordt gevorderd.

74. Voor het geven van schoolonderwijs in de nederlandsche taal en letterkunde en de geschiedkundige wetenschappen wordt de acte van bekwaamheid verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de nederlandsche taal- en letterkunde;

b. de geschiedenis;

c. de wiskundige, natuurkundige en staatkundige aardrijkskunde.

Voor het geven van schoolonderwijs in de staathuishoudkunde ten

gevolge van een examen in;

a. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;

b. de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland.

75. Voor het geven van schoolonderwijs in de handelswetenschappen wordt eene acte van bekwaamheid verkregen ten gevolge van een examen in:

a. het boekhouden;

b. de beginselen der handelswetenschappen, omvattende het han-delsregt, de haudelsgeographie, de statistiek van nijverheid en handelsverkeer, de kennis van het finantiewezen der staten en de beginselen der warenkennis.

Voor het geven van schoolonderwijs in de zeevaartkunde wordt de acte verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de lagere wiskunde, de bolvormige driehoeksmeting daaronder begrepen;

b. de beginselen der sterrekunde;

c. de kennis der verschijnselen in den dampkring en op den oceaan;

d. de kennis der werktuigen bij de waarnemingen op zee gebruikelijk.

76. De in art. 69 vermelde commissiën zijn bevoegd om, na afgelegd examen, afzonderlijke acten van bekwaamheid af te geven voor

21*

313

-ocr page 366-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

elk der vakken, vermeld in artt. 70 en 74, en voor het boekhouden.

77. Door de in art. 69 vermelde commissiën worden, na afgelegd examen, afzonderlijk acten van bekwaamheid uitgereikt, voor schoolonderwijs in:

o. de fransche taal-en letterkunde; 1 (Wet houd. Aanvull. M.O.

b. de engelsche taal- en letterkunde; ! 1879, S. 87, art. 4.)

c. de hoogduitsche taal- en letterkunde; j

d. het handteekenen, het regtlijnig teekenen en de perspectief;

e. het schoonschrijven;

ƒ. het boetseren;

g. de gymnastiek.

Om onderwijs in de vakken onder e en ƒ genoemd, te kunnen geven, behoeft men evenwel niet in het bezit eener acte van bekwaamheid voor die vakken te zijn.

Gemelde commissiën zijn eveneens bevoegd tot het na afgelegd examen uitreiken van eene acte van bekwaamheid voor schoolonderwijs in andere levende talen. (M.O. 88.)

78. Tot het verkrijgen van eene der acten van bekwaamheid voor schoolonderwijs, vermeld in artt. 70—76, en in levende talen, wordt bovendien vereischt een examen in de theorie van onderwijs en opvoeding, hoofdzakelijk in betrekking tot het middelbaar onderwijs.

Zij, die in het bezit zijn van eene dier acten, zijn bij het examen ter verkrijging eener andere acte voor middelbaar schoolonderwijs vrijgesteld van een nieuw examen in de theorie van onderwijs en opvoeding.

De acte, vermeld in art. 43 der wet van den 13den Augustus 1857 (Staatsblad no. 103), maakt bevoegd tot het geven van het aldaar omschreven onderwijs aan middelbare scholen voor meisjes. (Wet houdende Aanvull. M.O. 1879, S. 87, art. 7.)

79. Eene acte van bekwaamheid voor het huisonderwijs wordt verkregen door een gelijk examen als dat ter verkrijging eener acte voor schoolonderwijs, met weglating van het examen in de theorie van onderwijs en opvoeding.

De acten van bekwaamheid voor schoolonderwijs gelden ook voor het huisonderwijs.

80. Wanneer het examen naar genoegen der commissie, met het afnemen belast, is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde de verlangde acte uitgereikt, waarvan het model door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken wordt vastgesteld.

81. De acte van bekwaamheid voor middelbaar schoolonderwijs wordt uitgereikt tegen betaling van:

twintig gulden voor eene der acten B, vermeld in artt. 70, 71, 72 en 78;

vijftien gulden voor eene der acten A, vermeld in artt. 70, 71 en 72, of voor eene der acten, vermeld in artt. 74 en 75;

tien gulden voor de acte A, vermeld in art. 73, of voor eene der acten, vermeld in artt. 76 en 77.

314

-ocr page 367-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

De acte van bekwaamheid voor middelbaar huisonderwijs wordt uitgereikt tegen betaling van zeven gulden, wanneer zij geldt voor een vak en van tien gulden, wanneer zij geldt voor twee of meer vakken.

De opbrengst van de voor de acten betaalde gelden wordt, na aftrek van de kosten der vergadering van de commissie, waaronder echter niet gerekend worden de reis- en verblijfkosten en vacatiegelden der leden, in \'s Kijks schatkist gestort. {H.O. 89.)

82. Ieder, die krachtens deze wet of krachtens vroegere verordeningen hier te lande een diploma van technoloog, civiel ingenieur, architect of bouwkundig ingenieur, scheepsbouwkundig ingenieur, werktuigkundig ingenieur, mijnen-ingenieur, veearts of landbouwkundige verkregen heeft, is bevoegd ondenvijs te geven in de technische wetenschappen, waarin hij ter verkrijging van zijn diploma een examen heeft afgelegd. Hij behoort echter daartoe in het bezit te zijn van het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, vermeld in art. 25.

TITEL VII.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 83. Ieder, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet aan eene openbare of bijzondere inrigting van middelbaar onderwijs, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, waartoe volgens deze wet eene acte wordt vereischt, behoeft, om met zijn onderwijs aan die inrigting voort te gaan, geene herbenoeming of erkenning.

Hij kan ook in gelijke betrekking bij eene openbare school, volgens deze wet opgerigt, worden aangesteld.

84. De acte van algemeene toelating van den eersten rang, verkregen krachtens de wet van den Sden April 1806, geeft gelijke reg-ten als de acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, en de acte van bekwaamheid, vermeld in het eerste lid van art. 74.

85. De acte van bekwaamheid, krachtens art. 72 der wet van den 13den Augustus 1857 {Staatsblad no. 103) uitgereikt voor het verder voortgezet onderwijs in de levende talen en in de wis- en natuurkunde, als ook de daarmede gelijkstaande acten. verkregen krachtens de wet van den 3den April 1806, geven gelijke regten als de acten van bekwaamheid voor die vakken, krachtens artt. 76 en 77 dezer wet uitgereikt.

86. Zij die, vóór de invoering dezer wet, aan eene van \'s Rijks hoogescholen een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de vakken, waarin zij krachtens het hun verleend diploma de bevoegdheid hadden onderwijs te geven.

De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in artt. 70, 71 en 72.

De graad van candidaat in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70.

315

-ocr page 368-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDEKWIJS.

De graad van doctor of van candidaat in de letteren, geeft gelijke bevoegdheid als de acte vermeld in het eerste lid van art. 74.

De graad van doctor in de regten geeft gelijke bevoegdheid als de acte voor de staathuishoudkunde, vermeld in art. 74.

87. Gelijke bevoegdheid, als in het voorgaande artikel, wordt toegekend aan hen, die na de invoering dezer wet de genoemde graden van doctor of candidaat zullen verkrijgen, totdat de wet tot regeling van het hooger onderwijs anders zal hebben beschikt. (H.O. 122.)

88. Het getuigschrift, vermeld in art. 3 van het Koninklijk besluit van den 13den April 1817, no. 22, geeft, wanneer het vóór de invoering dezer wet verkregen is, gelijke regten als de acte van bekwaamheid voor het onderwijs in het teekenen, uitgereikt krachtens art. 77 dezer wet.

89. Zij die, hoewel niet in het bezit van een diploma van ingenieur, in \'s Lands dienst deze betrekking bekleeden of hebben bekleed, zijn, onder de aan het slot van art. 82 gestelde voorwaarde, bevoegd tot het geven van onderwijs in de technische wetenschappen, waarvan de kennis tot het vervullen der betrekking van ingenieur wordt vereischt.

Onder dezelfde voorwaarden zijn zij, die aan eene der Rijksinstellingen tot opleiding van ingenieurs en officieren der land- en zee-magt den cursus hebben ten einde gebragt, bevoegd tot het geven van onderwijs in de technische wetenschappen, waarin zij gedurende dien cursus onderwijs hebben ontvangen.

90. Gedurende de eerste zes jaren na het in werking treden dezer wet kan door Ons aan Nederlanders en vreemdelingen, die buiten \'s lands de bevoegdheid om in een of meer der in deze wet vermelde vakken onderwijs te geven verkregen hebben, gelijke 1:evoegdheid hier te lande verleend worden.

91. Gemeenten, die krachtens art. 14 dezer wet tot het oprigten en onderhouden van burgerscholen gehouden zijn, voldoen aan die verplichting binnen een termijn van uiterlijk zes jaren, te rekenen van het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, of waarop de bevolking der gemeente boven het cijfer van tien duizend geklommen is.

92. De in art. 18 vermelde Rijks-hoogere burgerscholen worden geopend binnen de eerste vijf jaren na het tijdstip van de invoering dezer wet.

93. De lessen aan de polytechnische school worden geopend binnen een jaar na het in werking treden dezer wet.

De kweekelingen der akademie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs te Delft, die op het tijdstip dier opening tot de lessen van het 3de of 4de studiejaar der akademie voor de ingenieurs-wetenschap-pen of het mijnwezen zijn toegelaten, worden vrijgesteld van het examen A, vermeld in art. 59. De kweekelingen, die op dat tijdstip tot de lessen van het 1ste of van het 2de studiejaar zijn toegelaten, worden bij het afleggen van dat examen vrijgesteld van het onderzoek in de vakken, waarover zich het examen ter toelating tot die

316

-ocr page 369-

WET OP HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

akademie heeft uitgestrekt, of waarin aan de akademie geen onderwijs wordt gegeven.

94. Zoolang nog geen voldoend getal hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus in werking is, wordt een deel van het aldaar te geven onderwijs, als voorbereidend tot den cursus der polytechnische school, aan deze gegeven.

Dat voorbereidend onderwijs omvat:

a. wiskunde;

b. natuurkunde;

c. scheikunde;

d. beginselen der plant- en dierkunde;

e. boekhouden en beginselen der handelswetenschappen;

ƒ. hand- en regtlijnig teekenen.

Door Ons wordt bepaald, wanneer dit voorbereidend onderwijs aan de polytechnische school zal ophouden. 1)

95. Deze wet treedt in werlang vóór of op den Isten Julij 1863.

Bestaande voorschriften betreffende middelbaar ondenvijs vervallen met de invoering dezer wet.

WET

HOUDENDE AANVULLING DER WET VAN 2 MEI 1863 (STAATSBLAD No. 50), TOT REGELING VAN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.

317

(Vastgesteld den Sösten April 1879, Stsbl. no. 87, uitgegeven den Sden Mei d.a.v.)

Art. 1. Het tweede en derde lid van art. 33 der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127) zijn van toepassing op de onderwijzers van middelbare scholen, van overheidswege opgerigt of gesubsidieerd.

2. De artt. 4 en 5 der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 {Staatsblad no. 127) zijn van toepassing op de lokalen, waarin middelbaar schoolonderwijs gegeven wordt, met dien verstande, dat de inspecteur van het middelbaar ondenvijs in de plaats van den districts-school-opziener en dat in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, uit kracht van genoemd art. 4 vast te stellen, uitdrukkelijk wordt aangewezen, welke der daarin opgenomen regelen van toepassing zijn

1

By Kon. Besl. van 31 Mei 1865 (Stsbl. no. 67) is o.a. bepaald, „dat het voorbe-reidend onderwijs aan de polytechnische school zal ophouden met het einde van den cursus 1865/1866.quot;

-ocr page 370-

318 AANVUIXINGSWKT MIDDELB. ONDERW.

op de verschillende lokalen, waarin middelbaar schoolonderwijs ge-gegeven wordt. (K.B. 4 Mei 1883, S. 41.)

3. De bezitter der acte van bekwaamheid, bedoeld in art. 56, letter b, der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), is bevoegd tot het geven van onderwijs in de vakken, vermeld in art. 13 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (SlaaUhlad no. 50) onder ƒ—h, aan de aldaar bedoelde scholen.

4. Twee afzonderlijke acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de Fransche, Duitsche en Engelsche taal -worden, met wijziging van art. 77 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50), verkrijgbaar gesteld; de eerste, acte A, ten gevolge van een examen in de taal, omvattende grondige kennis van de taal, van hare uitspraak en hare spraakleer; de tweede, B, ten gevolge van een examen in de taal en hare letterkunde.

5. De bezitter der acte van bekwaamheid, bedoeld in art. 56, letter a, der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), is bij het afleggen van het examen voor de acte A, in het voorgaand artikel vermeld, vrijgesteld van het examen in de theorie van onderwijs en opvoeding. (M.O. 786.)

Gelijke vrijstelling geniet de bezitter der acte, bedoeld in art. 56, letter 6. der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), bij het afleggen van het examen voor de acte B, in het voorgaand artikel vermeld.

6. De bezitter der acte A, in art. 4 vermeld, is voor het vak waarvoor zij is uitgereikt, bevoegd tot het geven van schoolonderwijs aan alle scholen van lager en middelbaar onderwijs, met uitzondering der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus; de bezitter der acte B. in art. 4 vermeld, heeft gelijke bevoegdheid als ran der bezitter der acte, ingevolge art. 77 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50) verkregen, bij die wet of andere wetten is toegekend.

7. De bezitster der acte, bedoeld in art. 56, letter b, der wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127), heeft öe bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan middelbare scholen voor meisjes in de vakken, waarin het derde lid van art. 78 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50) gelijke bevoegdheid geeft aan de bezitster der aete, vermeld in art. 45 der wet van 13 Augustus 1857 (Staatsblad no. 103).

8. Deze wet treedt in werking tegelijk met de wet (L.O.) van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 127).

-ocr page 371-

WET

TOT REGELING VAN HET HOOGEE ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 28sten April 1876, Stsbi. no. 102, uitgegeven den 6den Mei d.a.T Gewijzigd bij de wet van 7 Mei 1878, Stabl. no. 33; van 28 Jnnij 1881, Stsbl. no. 107 ; 15 Junü 1883, Stsbl. no. 75; 23 Juli 1885, Stsbl. no. 141; 15 April 1886, Stsbl. no. 64 en 9 Mei 1890, Stsbl. no. 78.)

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene wetenschappelijke opleiding vereischt wordt.

2. De scholen van hooger onderwijs worden onderscheiden in openbare en bijzondere.

Openbare scholen zijn die, opgerigt en onderhouden door gemeenten en het Rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere scholen. (L.O. 3; M.O. 2; H.O. 99.)

3. Tot het geven van hooger onderwijs aan gemeentelijke of bijzondere scholen behoeven vreeemdelingen Onze vergunning. (Wet van 4 Junij 1858, S. 46.) \')

TITEL H.

VAN HET OPENBAAR HOOGEE ONDERWIJS.

Art. 4. Openbaar hooger onderwijs wordt gegeven aan:

gymnasia; (H.O. 5—32.)

het Athenaeum Illustre te Amsterdam; (H.O. 32—35.)

universiteiten. (H.O. 35—99.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE GYMNASIA.

§ 1. Van de scholen.

Art. 5. Gymnasia zijn instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs.

1) Het 2de lid van dit art. is afgesobaft bij art. Sd der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Zie thans S.R. 436.

STAATSWETTEN. 22

-ocr page 372-

320 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGEB ONDERWIJS.

Aan de gymnasia wordt onderwijs gegeven:

а. de grieksche taal en letterkunde;

h. de latijnsche taal en letterkunde;

c. de nederlandsche taal en letterkunde;

d. de fransehe taal;

e. de hoogduitsehe taal;

ƒ. de engelsche taal;

g. de geschiedenis;

h. de aardrijkskunde;

i. de wiskunde;

k. de natuurkunde;

l. de scheikunde;

m. de natuurlijke historie.

Aan de gymnasia kan ook onderwijs gegeven worden in: n. de hebreeuwsche taal;

o. de gymnastiek.

б. In elke gemeente, waar de bevolking twintig duizend zielen boven gaat, wordt door het gemeentebestuur een gymnasium opgerigt of naar de voorschriften dezer wet ingerigt en in stand gehouden.

In andere gemeenten kan een gymnasium opgerigt worden.

Mogt in eene gemeente van boven twintig duizend zielen op bezoek van een gymnasium weinig te rekenen zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden. (H.O. 114; M.O. 14.)

7. Het onderwijs aan de gymnasia wordt gegeven in eenen zesjarigen cursus in overeenstemming met een algemeen leerplan, dooi Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld, re gelende den omvang van het onderwijs en de grondtrekken van dei cursus.

Het staat aan de besturen van gemeenten, waar de bevolking min der dan twintig duizend zielen bedraagt en, met Onze toestemming aan die der in het eerste lid van art. 6 bedoelde gemeenten vrij gymnasia met vierjarigen cursus op te rigten, die den naam van pro gymnasia dragen en waarvan het algemeen leerplan op gelijke wijz als dat der gymnasia door Ons wordt vastgesteld. r) (M.O. 15—17 K.B. \'21 Juni 1887, S. 105.)

8. Aan de gemeenten kan ten behoeve van hare gymnasia uit \' Rijks kas subsidie worden verleend. (H.O. 123; L.O. 3, 49; M.O. 23.

De gemeenten, dusverre in het genot van Rijkssubsidie ten bf hoeve harer latijnsche scholen of gymnasia, blijven in dat genot voor zooveel die instellingen aan de vereischten dezer wet voldoei (H.O. 124.)

9. Om als leerling aan een gymnasium te worden toegelaten, wore het afleggen van een examen gevorderd.

1) Aldus gewyzigd by de wet van 7 Mei 1H7S, Stsbl. no. tiS.

-ocr page 373-

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 321

Dit examen, afgenomen door een of meer leeraren onder toezigt van curatoren, betreft voor de toelating tot het eerste studiejaar: het lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der nederlandsche taal, der aardrijkskunde en der geschiedenis. (H.O. 25.)

Waar de plaatselijke omstandigheden het raadzaam maken, kan de gemeenteraad bepalen, dat het examen zich zal uitstrekken tot de beginselen der wiskunde en die der fransche taal of tot een van deze vakken. 1)

Voor de toelating tot een hooger studiejaar betreft het examen hetgeen in het voorgaande studiejaar is onderwezen aan het gymnasium, tot hetwelk de toelating wordt verlangd.

Green leerling van een gymnasium wordt tot een hooger studiejaar bevorderd, dan ten gevolge van een bij het einde van het studiejaar door leeraren onder toezigt van curatoren te houden overgangsexamen, waaruit blijkt dat hij voldoende kundigheden bezit om het onderwijs in dat hooger studiejaar te kunnen bijwonen.

Bij verschil van gevoelen tusschen leeraren en curatoren omtrent den uitslag van een examen beslist het collegia van curatoren.

10. Al hetgeen de toelating tot de gymnasia, de verpligtingen van den rector en de leeraren, de regeling van het onderwijs en de va-cantiën betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is beslist, door den gemeenteraad geregeld. (H.O. 14 volg.)

11. Aan de leerlingen der gymnasia met zesjarigen cursus, die het onderwijs tot aan het einde hebben bijgewoond, wordt eenmaal \'s jaars gelegenheid gegeven, om, ten gevolge van een mondeling en schriftelijk examen, een getuigschrift te verkrijgen, dat zij bekwaam zijn tot de studie aan een universiteit over te gaan in de faculteit-in het getuigschrift vermeld.

Dit examen, voor zoo verre het mondeling is, in het openbaar te houden, wordt afgenomen door de leeraren van het gymnasium, ten overstaan van een of meer gecommitteerden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen. Bij verschil van gevoelen tusschen de leeraren en den gecommitteerde of de gecommitteerden omtrent het verleenen van het getuigschrift, beslissen laatstgenoemde.

Het programma van dit examen wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. (H.O. 85, 117; K.B. 21 Juni 1887, S. 106.)

12. Aan alle anderen dan de bij art. 11 vermelde, wordt eenmaal \'s jaar gelegenheid gegeven, om, hetzij door deelneming aan het daar bedoelde eindexamen bij een gymnasium te hunner keuze, hetzij ten gevolge van gelijk examen als in dat artikel, bij eene door Ons te benoemen commissie, gelijk getuigschrift te verkrijgen.

De tijd en de plaats der vergaderingen dezer commissie worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bepaald. Hare leden ge-

22*

1

Aldus aaogevald by de wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 33.

-ocr page 374-

322 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

nieten uit \'s Bijks kas vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden. (H.0. 86.)

13. Zij, die het eindexamen van de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus of het examen A, bedoeld bij art. 59 der wet (M.0.) van 2 Mei 1863 {Staatsblad no. 50), met goed gevolg hebben afgelegd, worden bij de in artt. 11 en 12 omschreven examens alleen geëxamineerd in de vakken waarin zij bij het door hen afgelegd examen niet zijn geëxamineerd. (M.O. 55.)

Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt door Ons bepaald, van welke vakken zij, die andere van Staatswege ingestelde en gedeeltelijk dezelfde vakken omvattende examens met goed gevolg hebben afgelegd, bij de in artt. 11 en 12 omschrevene examens zullen zijn vrijgesteld.

§ 2. Van de onderwijzers.

Art. 14. De onderwijzers aan de gymnasia dragen den titel van leeraar.

Aan het hoofd van elk gymnasium is een der leeraren geplaatst, die den titel draagt van rector.

Een der leeraren wordt aangewezen om den rector bij verhindering te vervangen; hij draagt den titel van conrector. (L.O. 236; M.O. 23.)

15. Het getal der leeraren voor de gymnasia, alsmede het bedrag hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld.

De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, worden voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, voor die, welke door het Kijk worden gesubsidieerd, aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen. (M.O. 24.)

16. Om tot leeraar aan een gymnasium benoemd te kunnen worden , wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het hoofd van het bestuur der gemeente of gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond:

а. voor de grieksche en latijnsche talen en letterkunde de graad van doctor in de klassieke letterkunde; (H.O. 8B5a.)

б. voor de nederlandsche taal en letterkunde de graad van doctor in de nederlandsche letterkunde; (H.O. 835c.)

c. voor de fransche, hoogduitsche en engelsche talen het bezit eener acte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in die vakken; (M.O. 17, 27g, 77.)

d. voor de geschiedenis de graad van doctor in de klassieke letterkunde of die van doctor in de nederlandsche letterkunde; (H.O. 83na, c.)

e. voor de aardrijkskunde de graad van doctor in de nederlandsche letterkunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde; (H.O. 83*6.1

-ocr page 375-

WET TOT BEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 323

ƒ. voor de wiskunde en de natuurkunde de graad van doctor in de wis- en sterrekunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde; (H.0. 83%, b.)

g. voor de scheikunde de graad van doctor in de scheikunde; (H.O. 834c.)

h. voor de natuurlijke historie de graad van doctor in de aard- en delfstofkunde of die van doctor in de plant- en dierkunde; (H.O. 8\'i1d, e.)

i. voor de hebreeuwsche taal- en letterkunde de graad van doctor in de godgeleerdheid of die van doctor in de semitische letterkunde. (H.O. 831, 56.) ,

Tot het geven van dit onderwijs zijn ook benoembaar de Neder-landsch-Israëlitische en Portugeesch-Israëlitische godgeleerden van den eersten en tweeden rang en godsdienstonderwijzers van den hoogsten en middel sten rang;

h. voor de gymnastiek het bezit eener akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in dat vak. (M.O. 17«, 27jr, 77.)

Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder a, b, e, ƒ, g, h en i, zijn ook benoembaar zij, die het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad, met goed gevolg hebben afgelegd. (H.O. 97.)

Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder b, d, e, ƒ, g en h, zijn ook benoembaar zij, die in het bezit zijn van acten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in die vakken aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus.

Voor de rectoren en conrectoren wordt de graad van doctor in de klassieke letterkunde gevorderd. Conrectoren van pro-gymnasia kunnen tijdelijk door Ons van het bezit van den doctoralen graad worden vrijgesteld. (H.O. 14.)

17. De leeraren der gymnasia worden benoemd door den gemeenteraad, die vooraf eene aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door curatoren, na verhoor van den inspecteur, wiens advies aan den gemeenteraad wordt overgelegd, opgemaakt.

De benoemingen bij scholen, welke door het Rijk worden gesubsidieerd, behoeven de goedkeuring van Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken. \')

Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. Deze geven, zoo spoedig mogelijk, rekenschap van hun besluit aan den gemeenteraad.

Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord.

Is schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door Gedeputeerde Staten geschieden.

1

Aldus aangevuld bij de wet vau 7 Mei 1878, Stabl. no. 33,

-ocr page 376-

324 WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGEB ONDERWIJS.

Ia ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door Gedeputeerde Staten geschieden. (L.O. 29, 31; M.O. 29.)

18. De schorsing van een leeraar geschiedt hoogstens voor drie maanden.

Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging.

Schorsing of ontslag wordt niet uitgesproken dan nadat de belanghebbende is gehoord of geroepen. (L.O. 29; M.O. 29, 30.)

19. Van de besluiten, krachtens art. 15, 2de lid, en artt. 17 en 18 door Gedeputeerde Staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen door den belanghebbende en voor zoo ver ieder in het ongelijk is gesteld, door burgemeester en wethouders, den gemeenteraad en den inspecteur. (M.O. 24.)

20. Aan leeraren der gymnasia, tot wier oprigting de gemeenten verpligt zijn, wordt ten laste van den Staat pensioen verleend in de gevallen, naar de regeling en onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen, een en ander overeenkomstig de bijzondere bepalingen, in dit en de drie volgende artikelen vervat. (H.O. 115.)

Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde leeraren als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren bij de eerste afdeeling der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 {Staatsblad no. 64) ingesteld pensioenfonds. (Wet van 9 Mei 1890, S. 78.)

21. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het Rijk verantwoord. (M.O. 33.)

22 en 23. Vervallen bij art. 41, 6° der wet van 9 Mei 1890, S. 78.

§ 3. Van de kosten.

Art. 24. Ter tegemoetkoming in de kosten der gymnasia kan van iederen leerling eene bijdrage gevorderd worden, die echter het bedrag van ƒ 100 \'s jaars voor alle lessen niet te boven gaat. (L.O. 46; M.O. 37.)

Het invoeren, wijzigen en afschaffen van deze bijdrage geschiedt met inachtneming van de artt. 232—236 der (Gem.)wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad no. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—262 dier wet.

§ 4. Van het bestuur en het toezigt.

Art. 25. Bij elk gymnasium is een collegie van curatoren, door den gemeenteraad benoemd.

-ocr page 377-

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 325

Aan dit collegie wordt jaarlijks uit de gemeentekas eene som voor bureaukosten toegelegd.

26. Het collegie van curatoren zorgt voor de getrouwe nakoming dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordenin-gen.

Het deelt den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die in het gymnasium hebben plaats gehad, en doet aan het gemeentebestuur de voorstellen, die het in het bêlang der insteUing noodzakelijk acht. (H.O. 27; L.O. 74; M.O. 52a.)

Het doet jaarlijks vóór 1 Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het gymnasium in het vorig jaar, en vóór 1 September aan den inspecteur gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar. (M.O. 525.)

27. Het toezigt op de gymnasia is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan een of meer inspecteurs. (L.O. 67; M.O. 46.)

De inspecteurs worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten uit \'s Rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis-en verblijfkosten. Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming. (L.O. 68; M.O. 47.)

28. De inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en trouw zullen waarnemen. (M.O. 49.)

29. De inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zoo veel de gymnasia betreft, proces-verbaal op te maken. (L.O. 72; M.O. 50.)

30. De inspecteurs hebben den vrijen toegang tot alle gymnasia onder hun toezigt geplaatst. De curatoren en rectoren zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. (M.O. 51.) \')

31. De inspecteurs zorgen door bezoek bekend te blijven met de gymnasia onder hun toezigt geplaatst; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen, de curatoren en de rectoren den bloei der gymnasia te bevorderen; zij lichten de regeering voor omtrent alle onderwerpen , waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de noodige voorstellen.

Zij doen jaarlijks vóór 1 November aan Onzen voornoemden Minister een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het onderwijs aan de gymnasia onder hun toezigt geplaatst. (M.O. 53; G. 192e.)

1) De strafbepaling welke aan deze alinea was toegevoegd, benevens de 2de en 3de alinea van art. 30 zijn vervallen door art. 3d der wet van 16 April 1886, Stsbl, no. 64. Zie thans artt. 184 en 51 Wetboek van Strafrecht.

-ocr page 378-

326 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN HET ATHENAEUM ILLUSTRE TE AMSTERDAM.

Art. 32. Het Athenaeum Hlustre te Amsterdam is eene gemeentelijke instelling van universitair onderwijs. De bepaling der vakken daar te onderwijzen, de regeling en omvang van het onderwijs, de wijze van aanstelling der docenten, benevens al hetgeen eene behoorlijke inrichting verder vereischt, worden aan het gemeentebestuur overgelaten. (H.O. 4, 36.)

De daartoe betrekkelijke besluiten worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst der besluiten door Ons niet is beslist. (Gem. 201.) .

33. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het Athenaeum Illustre in het afgeloopen studiejaar. (G. 192e; H.O. 38.)

34. Op de bijdragen in de kosten van het Athenaeum Illustre zijn toepasselijk de artt. 232—236 der (Gem.) wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad no. 85). De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258—262 dier wet.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE UNIVERSITEITEN.

§ 1. Algemeene bepalingen.

Art. 35. Br zijn drie Rijksuniversiteiten, gevestigd te Leiden, te Utrecht en te Groningen.

36. Aan de gemeente Amsterdam wordt toegestaan het Athenaeum Hlustre tot universiteit in te rigten, mits deze voldoe aan al de eischen, krachtens de wet ten opzigte van den omvang van het onderwijs, de promotiën, de examens en de toelating daartoe voor de Rijksuniversiteiten gesteld, en bovendien de aanstelling der hoogleeraren aan Onze bekrachtiging worde onderworpen. (H.O. 4, 32.)

Bij voldoening hieraan heeft deze universiteit ten aanzien van de door haar te verleenen doctorale graden en af te nemen examens gelijke regten als de Rijksuniversiteiten.

37. De besluiten van den gemeenteraad, waarbij hei Athenaeum Illustre wordt ingerigt, op den voet in het voorgaande artikel bedoeld, worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst van het besluit door Ons niet is beslist. (H.O, 32.)

-ocr page 379-

WET TOT BEG£li. VAÏf HET HOOGEB ONDERWIJS.

88. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand der gemeentelijke universiteit in het afgeloopen studiejaar. (H.O. 33.)

39. Met het toezigt op de gemeentelijke universiteit te Amster-iam is belast een collegie van vijf curatoren, waarvan de burgemeester lid en voorzitter is, twee leden door Ons en twee door den gemeenteraad worden benoemd en ontslagen.

De werkzaamheden van dat collegie en de aftreding der leden wor-jen geregeld bij besluit van den gemeenteraad, op het welk art. 37 oepasselijk is.

40. Op de bijdragen in de kosten van de gemeentelijke universi-eit te Amsterdam zijn toepasselijk de artt. 232—236 der (Gem.) wet ran 29 Junij 1851 {Staatsblad no. 85). De invordering wordt gereild door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalin-;en van de artt. 258—262 dier wet. (H.O. 34.;

41. Elke der universiteiten bevat de navolgende faculteiten;

a. de faculteit der godgeleerdheid;

b. * » der regtsgeleerdheid;

c. » » der geneeskunde;

d. » » der wis- en natuurkunde;

e. » » der letteren en wijsbegeerte.

§ 2. Van het onderwijs aan de Rijksuniversiteiten.

Art. 42. Aan elke universiteit wordt onderwijs 1°. In de faculteit der godgeleerdheid:

a. in de eneyclopaedie der godgeleerdheid;

i. k. 2».

a.

b.

c.

d.

e. ĥ

9-

gegeven;

b.

n de geschiedenis der leer aangaande God;

n de geschiedenis der godsdiensten in het algemeen;

n de geschiedenis van de Israëlitische godsdienst;

n de geschiedenis van het Christendom;

n de Israëlitische en oud-Christelijke letterkunde;

n de uitlegging van het Oud en Nieuw Testament;

n de geschiedenis der leerstellingen van de Christelijke gods-

lienst;

de wijsbegeerte van de godsdienst;

n de zedekunde.

In de faculteit der regtsgeleerdheid:

n de encyclopaedic der regtswetenschap;

n de wijsbegeerte van het regt;

n het Romeinsche regt en zijne geschiedenis;

n het oud-vaderlandsch regt en zijne geschiedenis;

n het burgerlijk- en handelsregt;

n de burgerlijke regtsvordering;

n het strafregt;

327

-ocr page 380-

328 WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

h. in de strafvordering;

i. in het staatsregt;

1c. in het volkenregt;

l. in het administratief regt;

m. in de staathuishoudkunde;

n. in de statistiek;

0. in de staatkundige geschiedenis.

3U. In de faculteit der geneeskunde:

a. in de ontleedkunde;

b. in de physiologic;

c. in de ziektekunde en de ziektekundige ontleedkunde;

d. in de geneeskunde;

e. in de heelkunde;

ƒ. in de verloskunde;

g. in de kennis der geneesmiddelen en geneesmiddelleer;

h. in de gezondheidsleer en de geneeskundige politie;

1. in de geregtelijke geneeskunde.

4°. In de faculteit der wis- en natuurkunde:

a. in de wiskunde;

b. in de mechanica;

c. in de natuurkunde;

d. in de sterrekunde;

e. in de physische aardrijkskunde;

ƒ. in de geologie:

g. in de mineralogie;

h. in de botanie;

i. in de zoölogie, de vergelijkende anatomie en de physiologic; k. in de scheikunde;

l. in de artscnijbereidkunde;

m. in de toxicologie.

5°. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte:

a. in de grieksche taal- en letterkunde;

b. in de latijnsche taal- en letterkunde;

c. in de hebreeuwsche taal- en letterkunde;

d. in de nederlandsche taal- en letterkunde;

e. in de Israëlitische, grieksche en romeinsche oudheden; ƒ. in de algemeene geschiedenis;

g. in de vaderlandsche geschiedenis;

h. in de politische aardrijkskunde;

i. in de geschiedenis der wijsbegeerte;

k. in de logica;

l. in de metaphysica;

m. in de zielkunde.

43. Aan minstens ééne universiteit wordt bovendien onderwijs ge geven:

1°. In de faculteit der godgeleerdheid:

-ocr page 381-

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGEB ONDERWIJS. 329

a. in de Christelijke archaeologie.

2°. In de faculteit der regtsgeleerdheid:

a. in het Mohammedaansche regt en de overige volksinstellingen en gebruiken in Nederlandsch Indië;

b. in het staatsregt en de inrigting van \'s Rijks koloniën en over-zeesche bezittingen;

c. in het internationale privaatregt.

3°. In de faculteit der geneeskunde:

a. in de psychiatrie;

b. in de oogheelkunde;

c. in de oorheelkunde;

d. in de tandheelkunde.

4°. In de faculteit der wis- en natuurkunde:

a. in de meteorologie.

5°. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte;

a. in de archaeologie;

b. in de taal- en letterkunde der semitische volken;

c. in de taal-, letter-, land- en volkenkunde van den Oost-Indi-schen archipel;

d. in de fransche, de engelsche en de hoogduitsche taal- en letterkunde ;

e. in de aesthetiek en kunstgeschiedenis;

ƒ. in het sanskriet en zijne letterkunde;

g. in de oude talen en letterkunde der germaansche volken.

44. Aan eene of meer der universiteiten kunnen, wanneer Wij het noodig oordeelen, leerstoelen worden gevestigd voor vakken in art. 42 en art. 43 niet vermeld.

45. De lessen worden gegeven in het latijn of in het nederlandsch; met vergunning van curatoren ook in andere talen.

46. Het studiejaar vangt aan den derden Dingsdag der maand September.

Er zijn drie vacantiën: eene van den tweeden Zaterdag der maand Julij tot den aanvang van den volgenden cursus; eene van den laat-sten Zaterdag vóór Kersmis tot den derden Dingsdag daaraanvolgende, en eene van tien dagen, beginnende den laatsten Woensdag vóór Paschen.

47. Het programma der lessen, in het latijn te stellen, wordt voor elk studiejaar door den senaat der universiteit, na goedkeuring door curatoren, in de maand Junij vastgesteld. Het vermeldt welke lessen in een halfjarigen, welke in een langeren cursus worden gegeven, en hoeveel uren in de week voor elke les zijn bestemd.

§ 3. Van de hulpmiddelen voor het onderwijs, de prijsvragen en de beurzen aan de Rijksuniversiteiten.

Art. 48. Tot aanbouw, onderhoud en verbetering der gebouwen,

-ocr page 382-

330 WET TOT REGEI,. VAN HET HOOGEB ONDEBWIJS.

voor het meubilair en tot aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs worden jaarlijks de ver-eischte gelden van Rijkswege beschikbaar gesteld.

Het beheer en gebruik dier verzamelingen en hulpmiddelen wordt door Ons geregeld, curatoren gehoord.

49. Elk jaar worden, beurtelings aan iedere universiteit, tien prijsvragen uitgeschreven, twee in elke faculteit. Voor het meest voldoende antwoord van een der studerenden aan eene nederlandsche instelling van universitair onderwijs, dat de faculteit, die de vraag stelde, der bekrooning waardig keurt, wordt een gouden eerepenning toegekend.

50. Er kunnen aan elke universiteit zes beurzen van Rijkswege worden verleend, ieder van ƒ 800, ter ondersteuning van onvermogende studenten van buitengewonen aanleg.

Deze beurzen worden door Ons toegekend, curatoren gehoord.

§ 4. Van de docenten en beambten aan de lirjhsuv i-versüeiten.

Art. 51. De hoogleeraren worden door Ons benoemd en ontslagen. (M.O. 28, 24.)

Voor elke te vervullen plaats wordt door curatoren, de faculteit gehoord, eene met redenen omkleede aanbevelingslijst aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangeboden. Ontslag wordt niet verleend dan op eigen verzoek, of nadat curatoren zijn gehoord; deze geven deswege, den belanghebbende gehoord of opgeroepen, hun advies, (M.O. 29.)

52. De jaarwedde der hoogleeraren bedraagt minstens ƒ 4000. (K.B. 2 Pebr. 1879, S. 29 en 24 Dec. 1894, S. 239.)

53. Elk hoogleeraar wordt benoemd tot het onderwijs van bepaalde vakken, in zijne aanstelling uitgedrukt. Deze kunnen door Ons worden verminderd of gewijzigd.

Tegen zijnen wil kan een hoogleeraar niet met het onderwijs in andere vakken worden belast.

54. Het staat iederen hoogleeraar vrij om, met goedkeuring van curatoren, behalve de hem opgedragene, nog andere lessen te geven. Deze worden dan op de gewone wijze aangekondigd.

De besluiten van curatoren tot het verleenen of weigeren dier goedkeuring worden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken medegedeeld en kunnen door Ons vernietigd worden.

55. Aan hoogleeraren kan met Onze goedkeuring worden toegestaan, de hun opgedragen vakken van onderwijs met elkander te verwisselen.

56. De hoogleeraren bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

Hoogleeraren het lidmaatschap van eene der beide Kamers van de Staten-Generaal aanvaardende, blijven, zoolang hun lidmaatschap

-ocr page 383-

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 331

duurt, in het genot der helft van hunne jaarwedde als verlof-tracte-ment. (G. 96.)

57. Behoudens kostelooze behandeling van lijders in zieken-inrig-tingen aan hunne zorg toevertrouwd en in hunne woningen, het uitoefenen van consultative medische praktijk en het geven van regts-geleerde adviesen, oefenen de hoogleeraren noch medische, noch regts-praktijk uit. (H.O. 72.)

58. Met het einde van het studiejaar, waarin een hoogleeraar den ouderdom van zeventig jaren bereikt, wordt hem ontslag verleend.

59. Lectoren worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten eene jaarwedde uit \'s Rijks kas.

60. Tot het geven van hooger onderwijs aan de universiteiten kunnen doctoren als privaatdocenten door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken, curatoren gehoord, tot wederopzeggens toe worden toegelaten.

De senaat kan de aankondiging hunner lessen op het programma, vermeld in art. 47, toestaan. Bij weigering beslist, curatoren gehoord, Onze Minister van Binnenlandsche Zaken.

Van de inrigtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs kunnen curatoren, onder door hen te stellen voorwaarden, aan privaatdocenten het gebruik vergunnen. (H.O. 48.)

61. Bij verhindering of ontstentenis van een hoogleeraar of lector, en in het geval, bedoeld in het 2de lid van art. 56, worden door Ons tijdelijke maatregelen tot voorziening bevolen, indien het belang van hel onderwijs dit vordert.

62. De beambten bij de universiteiten worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, die bevoegd is deze taak, wat de lagere beambten betreft, op te dragen aan curatoren. Eene lijst der beambten wordt door Ons vastgesteld.

De werkkring en de verpligtingen der beambten worden door Onzen voornoemden Minister, curatoren gehoord, bepaald.

§ 5. Van het bijwonen der lessen aan de Rijksuniversiteiten. 1)

Art. 63. Ter zake van het onderwijs der hoogleeraren en lectoren is voor elk studiejaar door hem, die dit onderwijs een of meermalen bijwoont, eene som verschuldigd van ƒ 200, die in \'s Rijks schatkist gestort wordt.

Terugbetaling dier gelden geschiedt uitsluitend indien door overlijden vóór den aanvang der lessen van deze geen gebruik is gemaakt en alsdan op aanvrage der erfgenamen.

Behalve voormelde ƒ 200 wordt terzake van het onderwijs door hoogleeraren en lectoren geenerlei betaling gevorderd. {L.O. 46; M.O. 37.)

64. Het regt tot het bijwonen van het onderwijs wordt verkregen

1

Deze $ aldus gewijzigd bij de wet van 38 Juny 1881, Stsbl. no. 107.

-ocr page 384-

332 WET TOT BEGEIi. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

door inschrijving bii den rector-magnificus, behoudens het bepaaldi bij art. 66.

De inschrijving geschiedt kosteloos; de rector-magnificus geeft daar van een door hem onderteekend bewijs af in den vorm door Onzen Minister van Binnen!andsche Zaken te bepalen: zij geldt voor het studiejaar waarin zij is geschied en geeft voor dat jaar regt op toegang tot alle lessen aan elke Rijksuniversiteit zonder onderscheid alsmede tot alle inrigtingen en verzamelingen der universiteiten, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van de artt. 48 en 82.

De rector-magnifieus gaat niet over tot de inschrijving tenzij hem het bewijs is vertoond dat de belanghebbende de gelden bedoeld bij art. 63 of 106, tweede lid, heeft betaald, öf tot de promotie is toegelaten, öf eene Rijksbeurs geniet, öf ter zake van het onderwijs der hoogleeraren en lectoren eene som van ƒ 800 heeft betaald.

Voor de studenten en kweekelingen, bedoeld in art. 106, bedraagt deze som ƒ 400.

65. Hij die zonder daartoe geregtigd te zijn eens of meermalen het onderwijs aan eene Rijksuniversiteit bijwoont, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste ƒ 250 voor de eerste maal : bij herhaling met eene geldboete van ten hoogste/300, en vervolgens telkens met eene geldboete van ten hoogste ƒ 500. 1)

66. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken; de daartoe door hem aan te wijzen personen; curatoren, hoogleeraren, lectoren, beambten der universiteiten en de in art. 60 bedoelde privaat-docenten zijn ten allen tijde bevoegd alle lessen aan elke universiteit bij te wonen

Hoogleeraren en lectoren zijn, ieder voor zooveel hunne lessen betreft, bevoegd gedurende enkele uren aan personen, die volgens art 64 niet zijn ingeschreven, toegang tot hunne lessen te verleenen.

67. Hij die tot de in art. 84 bedoelde promotie is toegelaten; öf eene Rijksbeurs geniet; öf de ƒ 800 of ƒ 400, bedoeld aan het slot van art. 64, heeft betaald, is van de betaling bij art. 63 of 106 voorgeschreven, vrijgesteld. Niettemin is hij na de bij art. 64 bedoelde inschrijving geregtigd tot toegang tot de inrigtingen en verzamelingen, bedoeld in het tweede hd van art. 64, onder het daarbij vermelde voorbehoud.

Aan hem die ten hoogste twee lessen van hoogleeraren of lectoren wenscht te volgen, kan daartoe door curatoren der universiteit telkens voor één studiejaar verlof worden verleend. In dat geval is ter zake van dit onderwijs eene som verschuldigd van/30 voor iedere les, en zoo de les in een halfjarigen cursus gegeven wordt/15, welke gelden in \'s Rijks schatkist gestort worden. Het tweede en derde lid van art. 63 zijn op deze gelden van toepassing.

Het regt tot het bijwonen van dit onderwijs wordt verkregen door inschrijving bij den rector-magnificus, die daartoe niet overgaat tenzij

1

Aldus gewijzigd bg art. 11 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 385-

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGEE. ONDERWIJS. 333

hem het bewijs is vertoond dat het bedoelde verlof van curatoren verkregen is en de voormelde gelden betaald zijn.

De rector-magnificus geeft van die inschrijving een door hem onderteekend bewijs af in den vorm door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken te bepalen.

Curatoren verstrekken hem op vertoon van dat bewijs eene verklaring tot welke der inrigtingen en verzamelingen in het eerste lid van dit artikel vermeld hij mag worden toegelaten, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van de artt. 48 en 82.

§ 6. Van het beheer en het toezigt aan de Rijksuniversiteiten.

Art. 68. Aan iedere universiteit is een collegie van Curatoren, bestaande uit minstens drie en hoogstens vijf leden. Zij worden door Ons benoemd en ontslagen.

Om de twee jaren treedt een hunner af; de aftredende is weder benoembaar.

Het beheer, door curatoren te voeren, en hun overige werkkring worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld, met inachtneming van het in deze wet bepaalde.

Elk collegie van curatoren stelt een huishoudelijk reglement voor zijne werkzaamheden vast en onderwerpt het aan de goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken. (H.O. 25.)

69. Curatoren worden bijgestaan door een bezoldigden secretaris, die zijne vaste woonplaats heeft in de gemeente, waar de universiteit is gevestigd; hij wordt door Ons benoemd en ontslagen. Van de bepaling omtrent de woonplaats kan door Ons, curatoren gehoord, ontheffing worden verleend.

Curatoren zenden ter zijner benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

De secretaris treedt om de vijf jaren af en is weder benoembaar.

Voor bureaukosten wordt hem een jaarlijks abonnement toegestaan. Hij ontvangt vergoeding voor reis- en verblijfkosten. (H.O. 256.)

70. Curatoren genieten geen jaarwedde. Zij ontvangen vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

71. Curatoren waken voor de getrouwe naleving dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zooveel de universiteit betreft.

72. Maken hoogleeraren, lectoren of beambten bij de universiteit zich aan pligtverzuim of wangedrag schuldig, dan nemen curatoren de vereischte maatregelen van spoedeischenden aard, waaronder schorsing hoogstens voor zes weken, en doen aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de noodige voorstellen, zelfs tot ontslag.

73. Curatoren doen jaarlijks vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een uitvoerig verslag van den staat der universiteit gedurende den afgeloopen cursus en zenden hem vóór

-ocr page 386-

334 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGEB ONDERWIJS.

15 Junij eene begrooting der uitgaven voor het volgend burgerlijk jaar. (6. 192e.)

74. De gezamenlijke hoogleeraren vormen den senaat der universiteit.

De hoogleeraar. die het voorzitterschap bekleedt, draagt den titel van rector-magnificus.

Hij wordt voer den duur van elk studiejaar door Ons benoemd uit eene door den senaat opgemaakte voordragt van drie hoogleeraren, waarbij de aftredende rector-magnificus buiten aanmerking blijft.

75. Bij den senaat is een secretaris.

Elk hoogleeraar is op zijne beurt, volgens een rooster door den senaat vast te stellen, gedurende een jaar met deze betrekking belast.

Hij treedt af op hetzelfde tijdstip als de rector-magnificus.

76. De rector-magnificus en de secretaris ontvangen ieder voor de waarneming hunner betrekking eene toelage, door Ons te bepalen. Uit die van den. secretaris worden tevens de bureaukosten bestreden.

77. De rector-magnificus wordt in zijne werkzaamheden, waar het noodig is, bijgestaan door vier assessoren. Zij worden door den senaat benoemd voor den tijd van een jaar en treden af op het in art. 75 vermelde tijdstip; de aftredenden zijn weder benoembaar.

Bij verhindering of ontstentenis van den rector-magnificus worden zijne werkzaamheden door den oudste in jaren der assessoren, waargenomen. Bij verhindering of ontstentenis van den secretaris treedt zijn laatste aanwezige voorganger op.

78. De senaat stelt een reglement vast voor zijne vergaderingen, de werkzaamheden van den secretaris en die van rector-magnificus en assessoren.

De hoogleeraren van iedere faculteit kiezen bij volstrekte meerderheid van stemmen uit hun midden een voorzitter en een secretaris, die na vier jaren aftreden. Zij zijn niet dadelijk weder benoembaar.

79. De senaat, de rector-magnificus en elk hoogleeraar in het bijzonder geven aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en aan curatoren alle noodige inlichtingen en berigten.

80. Bij den aanvang van het studiejaar draagt de ractor-magni-ficus zijne waardigheid in het openbaar aan zijnen opvolger over en geeft dan een verslag van de lotgevallen der universiteit in het af-geloopen jaar.

81. De handhaving der tucht onder de studenten is opgedragen aan den rector-magnificus.

82. Bij overtreding der tucht of bij wangedrag waarschuwt of berispt de rector-magnificus.

In buitengewone gevallen, ter beoordeeling van den senaat, alsmede indien een student bij den rector-magnificus of bij den rector-magnificus en assessoren ontboden, moedwillig niet verschijnt, is de senaat bevoegd den overtreder den toegang tot de universiteit voor

-ocr page 387-

WET TOT BEGEL. VAN HET HOOGER ONDEKWIJS. 335

een tijdvak van minstens een jaar en hoogstens vijf jaren te ontzeggen.

Van de uitspraak des senaats kan door belanghebbenden bij Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken in hooger beroep worden gekomen.

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE WETENSCHAPPELIJKE GRADEN.

Art. 83. Aan de universiteiten zijn de volgende doctoraten verkrijgbaar :

1«.

2°.

a.

b. 3°.

a.

b. c. 4°.

a.

b.

c.

d.

e. ƒ

a.

b.

c.

d. e.

n de faculteit der godgeleerdheid: n de godgeleerdheid;

n de faculteit der regtsgeleerdheid:

n de regtswetenschap;

n de staatswetenschap; n de faculteit der geneeskunde:

n de geneeskunde;

n de heelkunde;

n de verloskunde;

in de faculteit der wis- en natuurkunde:

in de wis- en sterrekunde;

in de wis- en natuurkunde;

in de scheikunde:

in de aard- en delfstofkunde ;

in de plant- en dierkunde;

in de artsenijbereidkunde;

in de faculteit der letteren en wijsbegeerte:

in de klassieke letterkunde;

in de semitische letterkunde;

in de nederlandsche letterkunde:

in de taal- en letterkunde van den Oost-Indischen archipel; in de wijsbegeerte. (H.O. 123, 125.^

84. De in het voorgaande artikel genoemde doctoraten worden verkregen door het afleggen van de examens en het voldoen aan de voorwaarden, door Ons vast te stellen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, na ingewonnen gezamenlijk advies van de senaten der rijksuniversiteiten. (K.B. 27 Apr. 1877, S. 87, gewijz. bij K.B. 4 Juni 1878, S. 86, 22 Juli 1893, S. 119, 28 Juli 1894, S. 140,26 Apr. 1895, S. 77 en 13 Mei 1896, S. 78.)

Bij Ons bedoeld besluit worden de inrigting, omvang en duur der examens en promotiën, de tijdstippen waarop zij worden gehouden en al wat verder daarop betrekking heeft, geregeld.

Voor het geven van hun advies wordt aan de senaten door Ons een termijn van ten minste drie maanden gesteld, aanvangende met STAATSWETTEN. 23

-ocr page 388-

336 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

den dag, waarop zij, op uitnoodiging van Onzen Minister van Bin-nenlandsche Zaken, zijn vergaderd.

Alvorens Ons besluit te wijzigen, worden de senaten der Rijksuniversiteiten, doch ieder afzonderlijk, gehoord. \')

85. Tot het afleggen der examens wordt ieder, onverschillig waar hij de daarvoor vereischte kundigheden heeft opgedaan, toegelaten, mits hij in het bezit zij van een der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12.

Met het getuigschrift in art. 11 vermeld, wordt gelijk gesteld dat, hetwelk door bestuurders van instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs, in de koloniën en overzeesche bezittingen van het Eijk, aan hen die het onderwijs aan zoodanige instellingen tot het einde toe hebben genoten, wegens met goed gevolg afgelegd examen is uitgereikt, voor zoo verre dit voorregt door Ons aan die instellingen is toegekend.

856is. Vreemdelingen; meerderjarige Nederlanders, geene ingezetenen van het Rijk zijnde; en minderjarige Nederlanders, wier ouders of voogd geen ingezetenen van het Rijk zijn of ter zake van \'s lands dienst in een vreemd land wonen, kunnen tot het afleggen der in art. 84 bedoelde examens worden toegelaten op vertoon van getuigschriften van bekwaamheid, afgegeven door buitenlandsche instellingen van onderwijs of onderzoek, mits de eischen, voor het verkrijgen van die getuigschriften gesteld, ongeveer overeenstemmen met die van het programma, bedoeld in het derde lid van art. 11.

Door Ons worden bij besluit, den Raad van State gehoord, na ingewonnen advies van ieder der senaten van Rijksuniversiteiten, de bedoelde buitenlandsche instellingen aangewezen, alsmede de getuigschriften omschreven, welke vereischt worden voor die toelating. ■ Deze aanwijzing kan ten allen tijde op gelijke wijze worden ingetrokken. 1) (K.B. 30 Juli 1886, S. 125, gewijz. bij K.B. 22 Juli 1893, S. 118.)

86. Zij, die gedurende den loop hunner universitaire studiën van studievak veranderen en examen wenschen af te leggen in eene andere faculteit dan die, waarvoor zij ingevolge art. 11 of 12 het getuigschrift verwierven, zijn verpligt, naar gelang hunner studiën aan de faculteit der letteren en wijsbegeerte of aan die der wis- en natuurkunde, de bewijzen te geven, dat zij voldoende kennis bezitten van hetgeen, waarin zij bij het verkrijgen van het getuigschrift niet zijn geëxamineerd.

87. Alle examens aan de universiteiten worden afgenomen door de faculteiten.

88. De toekenning van den doctoralen graad geschiedt door den senaat cn ten overstaan van dat ligchaam of van eene commissie uit

1

Dit art. is toegevoegd door de wet van 23 Juli 1885, Stsbl. no. 141.

-ocr page 389-

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 337

zijn midden, volgens regelen in den bij art. 84 bedoelden algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.

89. Voor het afleggen van de examens, vermeld in art. 12, voor zooveel deze door de aldaar vermelde commissie worden afgenomen, en in art. 86, wordt eene som van ƒ 10 betaald.

Voor het afleggen van elk ander examen aan eene Rijksuniversiteit wordt eene som van ƒ 50 betaald.

In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

Deze gelden worden in \'s Rijks schatkist gestort. iM.O. 81.)

De toekenning van den doctoralen graad geschiedt kosteloos.

90. De senaten hebben het regt om, op voordragt der faculteiten, wegens zeer uitstekende verdiensten, aan Nederlanders of vreemde-lingen, het doctoraat honoris causa te verleenen.

91. De graad van doctor geeft in het algemeen de aan dien graad bij deze en andere wetten verbonden bevoegdheid tot het geven van onderwijs en tot het uitoefenen van ambten en bedieningen. (H.O. 16.)

92. De graad van doctor in de regtswetenschap geeft de bevoegdheid, zich, met inachtneming van de overigens daaromtrent bestaande bepalingen, als advocaat te doen inschrijven en om benoemd te worden tot de regterlijke betrekkingen, waarvoor volgens de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie de graad van meester in de regten gevorderd wordt, zoomede tot de betrekkingen van ambtenaar bij de regterlijke magt of bij de burgerlijke dienst in \'s Rijks koloniën en overzeesche bezittingen, behoudens nadere vereisch-ten in bijzondere wetten of verordeningen voor ieder van de betrekkingen gevorderd.

Voor zooveel Nederlandsch Indié\' betreft, geeft de voormelde graad onder hetzelfde voorbehoud de bevoegdheid om bij de regterlijke magt of de burgerlijke dienst te worden benoemd, aan hem, die bij de betrokken faculteiten een door Ons, ingevolge art. 84 te regelen examen in de vakken, vermeld in art. 43, sub no. 2, litt. a en 5, en sub no. 5, lit. c, heeft afgelegd.

Hij geeft voorts de bevoegdheid, middelbaar onderwijs te geven in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland. (M.O. 74, 86e.)

93. De graad van doctor in de staatswetenschap geeft de bevoegdheid, middelbaar onderwijs te geven in de staathuishoudkunde, de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, en in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland.

94. De doctoren in de geneeskunde en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de geneeskunde in haren ge-heelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het practisch examen, bedoeld in art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad no.

28*

-ocr page 390-

338 WET TOT REGEL, VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

59), gewijzigd door die van 8 Julij 1874 (Staatsblad no. 97). 1)

95. De graad van doctor in de wis- en sterrekunde en die van doctor in de wis- en natuurkunde, geven gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in de artt. 70 en 71 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50).

De graad van doctor in de scheikunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in art. 72 van genoemde wet.

De graad van doctor in de aard- en delfstofkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet.

De graad van doctor in de plant- en dierkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet.

96. De doctoren in de artsenijbereidkunde, en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de artsenijbereidkunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het practisch examen, bedoeld in B van art. 9 der in art. 94 vermelde wet.

97. De graad van doctor in de nederlandsche letterkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50).

Het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van genoemden doctoralen graad, geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 van genoemde wet. (H.O. 166.)

98. Zij die, na voldaan te hebben aan een of meer examens ter verkrijging van het doctoraat in de wis- en sterrekunde, de wis- en natuurkunde, de scheikunde of de aard- en delfstofkunde, tot de polytechnische school wenschen over te gaan, zijn vrijgesteld van het examen A volgens art. 59 der wet (M.O.) van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50).

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER HOOGER ONDERWIJS.

Art. 99. Het staat aan ieder Nederlander, ieder vreemdeling, die de bij art. 3 bedoelde vergunning bezit, elke erkende vereeniging en ieder kerkgenootschap vrij, eene bijzondere school voor hooger onderwijs te openen, onder voorwaarde dat de oprigter vooraf daarvan kennis geve aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken, met overlegging van de reglementen of statuten.

Worden die reglementen of statuten gewijzigd of ingetrokken, dan doet het hoofd of het bestuur der school, gelijke mededeeling van de wijziging of intrekking.

IOC. Tot het openen eener bijzondere school van hooger onderwijs, gesticht bij uiterste wilsbeschikking, wordt Onze goedkeuring ver-

1

Vervangen door de wet van 35 Dec. 1878, Stsbl. no. 323. Zie blz. 345 volg.

-ocr page 391-

WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS. 339

eischt. Bij het daartoe strekkend verzoek wordt door de erfgenamen, executeurs of administrateurs, het testament overgelegd. (M.O. 44.)

101. Het bestuur van elke bijzondere school voor hooger onderwijs zendt jaarlijks vóór 1 Maart aan het gemeentebestuur een beredeneerd verslag omtrent den toestand der school in het vorig jaar, en vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar. (G. 192e.)

102. Het verzuim der kennisgevingen en van het doen van het verzoek en der verslagen, gevorderd bij artt. 99, 100 en 101, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste ƒ 25 en bij herhaling van ten hoogste ƒ 100. Bij de derde overtreding wordt bovendien bij reg-terlijk vonnis de sluiting der school bevolen. 1)

103. De bij het in werking treden dezer wet bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leeraren voor eenig kerkgenootschap of kweekelingen voor den geestelijken stand, blijven, zoo lang zij bestaan, in het genot der subsidiën, beurzen, toelagen en verdere ondersteuningen uit \'s Kijks kas, door hen op dat tijdstip genoten.

104. Indien, na het in werking treden dezer wet van wege het hervormd kerkgenootschap tot het opleiden van leeraren voor dat kerkgenootschap een of meer leerstoelen of scholen van hooger onderwijs worden gevestigd, kan ten behoeve dier opleiding jaarlijks van Rijkswege zoodanig bedrag beschikbaar worden gesteld als blijken zal voor dat doel noodig te zijn.

De bepalingen of reglementen betreffende die opleiding worden vooraf ter Onzer kennis gebragt. De wijze van benoeming der docenten wordt daarin vermeld.

Art. 99, tweede lid, en art. 102 zijn ten deze toepasselijk.

105. Hoogleeraren aan de instellingen, bedoeld in artt. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar een Rijksuniversiteit is, hebben bij pleg-tigheden der universiteit rang en zitting nevens die der universiteit.

106. De studenten of kweekelingen der instellingen, bedoeld in de artt. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar een Rijksuniversiteit is, hebben toegang tot al de lessen harer hoogleeraren en tot de weten-schappelijke instellingen en verzamelingen. (H.O. 48.)

Zij die daarvan wensehen gebruik te maken, betalen de helft der sommen in de artt. 63 en 67 vermeld.

Zij worden door den rector-magnificus ingeschreven op de wijze in art. 64 bepaald. Hij gaat hiertoe niet over dan nadat zij, of zijn zij minderjarig, hun vader of voogd, zich schriftelijk hebben verbonden tot betaling van ƒ 200 ingeval de ingeschrevene tot eenig examen bij eene faculteit, die der godgeleerdheid uitgezonderd, zal zijn toegelaten, en wel vóór het afleggen van dat examen. Bij gebreke

1

Art. 102 aldus gewyaigd door de artt. 3 en 11 der wet van 15 April Stsbl. no. 64.

-ocr page 392-

340 WET TOT REGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

dier inschrijving zijn zij niet geregtigd tot den toegang hierboven vermeld. 1)

107. Van bestaande makingen ten behoeve eener theologische faculteit of van theologische studiën, alsmede van bestaande stichtingen van beurzen of leenen ten voordeele van studerenden in de theologie aan eene van \'s Rijksuniversiteiten, wordt, indien eene regeling zoo als in art. 104 is bedoeld, tot stand is gekomen, door Ons, den Baad van State gehoord, de voortdurende bestemming aangewezen op de wijze, die het meest met het doel der erflaters en stichters overeenkomt,

TITEL IV.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 108. Ieder, die op het tijdstip van het inwerking treden dezer wet, aan eene inrigting van hooger onderwijs, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, heeft de bevoegdheid met onderwijzen voort te gaan. (M.O. 83.)

109. Op het in art. 108 vermelde tijdstip worden aan de dan bij de hoogescholen te Leiden, Utrecht en Groningen in dienst zijnde hoogleeraren, die den leeftijd van zeventig jaren nog niet bereikt hebben, door Ons de vakken aangewezen, waarin zij onderwijs zullen geven. (H.O. 5S.)

Zij, die tegen de aanvaarding der hun toegewezen vakken bedenkingen hebben, welke door Ons gegrond worden geacht, behouden de door hen op gemeld tijdstip genoten jaarwedde als wachtgeld tot hun zeventigste jaar. (H.O. 58.)

Dit wachtgeld vervalt, zoodra zij eene landsbediening aanvaarden, tot eene betrekking van Staatswege worden benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dat overtreft, of zoodanige betrekking, hun niet van Staatswege opgedragen, aanvaarden.

Bij aanvaarding eener betrekking niet van Staatswege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag van die bezoldiging.

De tijd, gedurende welken wachtgeld wordt genoten, rekent mede voor aanspraak op pensioen.

Geen wachtgeld gaat de som van ƒ 3000 \'s jaars te boven.

110. Aan de hoogleeraren, vermeld in het 1ste lid van art. 109, die aantoonen, dat hunne inkomsten aan jaarwedde, collegiegelden en verdere emolumenten, in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, voor zooveel zij korter in dienst zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlrks, meer heb-

1

Aid (ia gewyzigd bij de wet van 28 Juny 18Sl,St3bl. uo. 107.

-ocr page 393-

WET TOT BEGOEL. VAN HET HOOGEB ONDEKWIJS. 341

ben bedragen dan de jaarwedde, hun krachtens deze wet toe te leggen, kan eene personele toelage ten bedrage van hetgeen zij in hunne nieuwe betrekking minder ontvangen, worden verleend. Deze toelage wordt, voor zooveel de aanspraak op pensioen betreft, niet als wedde of belooning beschouwd. (H.O. 52.)

Aan de hoogleeraren, die, op het in art. 108 vermelde tijdstip gepensioneerd krachtens art. 4 van het Koninklijk besluit van 7 Mei 1837 (Staatsblad no. 20) in het genot zijn der emolumenten, vermeld in art. 134, no. 1 en 2, van het organiek besluit van 2 Augustus 1815, kan, ter vergoeding van het gemis dier emolumenten, eene personele toelage worden verleend, ten bedrage van hetgeen zij in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, voor zooveel zij korter in dat genot zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks, aan emolumenten hebben genoten.

Gelijke personele toelage • kan ook worden verleend aan de op het in art. 108 vermelde tijdstip in dienst zijnde hoogleeraren, wanneer zij op zeventigjarigen ouderdom worden gepensioneerd.

Op deze personele toelagen is art. 30 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 (Staatsblad no. 64), niet van toepassing.

111. De hoogleeraren, vermeld in het eerste lid van art. 109, worden op hun verzoek vrijgesteld van de bijdrage voor pensioen ingevolge art. 156 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 {Staatsblad no. 64), wegens de verhooging hunner wedde verschuldigd. Indien echter die verhooging meer bedraagt dan het gemiddeld bedrag hunner eollegiegelden en verdere emolumenten, berekend op den voet in het vorig artikel bepaald , blijft van dat meerdere de bijdrage voor pensioen verschuldigd.

Het gedeelte der wedde, waarover aldus de bijdrage voor pensioen niet wordt betaald, blijft bij de bepaling van den grondslag voor de latere regeling van het pensioen buiten aanmerking.

112. Zij, aan wie, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, de titel van hoogleeraar is toegekend, blijven dien behouden.

113. De bestemming der gelden en archieven, beboerende tot het bij elk der hoogescholen te Leiden, Utrecht en Groningen bestaande akademisch fonds, ingesteld bij Koninklijk besluit van 13 October 1836, wordt door Ons geregeld.

114. De gemeenten, die krachtens art. 6 dezer wet tot het oprig-ten of volgens hare voorschriften inrigten en onderhouden van gymnasia gehouden zijn, voldoen, voor zoo verre haar niet de bij het derde lid van dat artikel vermelde vrijstelling is verleend, aan die verpligting binnen een termijn van uiterlijk drie jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip. (M.O. 14, 91.)

Zoolang binnen dezen termijn eene bestaande latijnsche school of

-ocr page 394-

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

een bestaand gymnasium in wezen blijft, gelden, wat betreft het onderwijzend personeel, de vakken waarin onderwijs wordt gegeven en de inrigting, de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld.

Gelijke termijn wordt toegestaan aan gemeenten, wier bevolking blijkens de alsdan laatste tienjarige volkstelling, boven het cijfer van twintig duizend is geklommen en aan welke bovengemelde vrijstelling niet wordt verleend.

115. Aan de leeraren bij de gymnasia, in het 1ste lid van het voorgaand artikel bedoeld, die op het in art. 108 vermelde tijdstip bij eene latijnsehe school of een gymnasium geplaatst waren, wordt vrijheid gelaten van de aanspraak op pensioen bij art. 20 toegekend, afstand te doen. In dit geval zijn de artt. 20—23 niet op hen toepasselijk.

116. Gedurende vier jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip, gelden, met betrekking tot de toelating tot de examens aan de universiteiten de bepalingen vanquot; het Koninklijk besluit van 4 Augustus 1853 (Staatsblad no. 31).

117. Van het bezit der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12, zijn vrijgesteld zij, die tot op het in art. 108 vermelde tijdstip als studenten aan eene Nederlandsche hoogeschool zijn ingeschreven, voor zoo verre de inschrijving is geschied na overlegging van het bewijs, vermeld in het 1ste lid van art. 1 van Ons besluit van 4 Augustus 1853 (Staatsblad no. 31), of na aflegging van het examen, vermeld in het 2de lid van dat artikel.

118. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, welke bewijzen van bekwaamheid zij, die vermeld zijn in de beide voorgaande artikelen, behooren te geven, alvorens tot de examens, bedoeld bij art. 84, te kunnen worden toegelaten. (K.B. 23 Sept. 1878, S. 139.)

119. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, van welke der examens, bedoeld bij art. 84, zijn vrijgesteld zij, die, op het in art. 108 vermelde tijdstip, aan eene Nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat verkregen hebben. (K.B. 17 Juli 1877, S. 160.)

120. Wij behouden Ons voor, geheele of gedeeltelijke vrijstelling van de bijdrage, in art. 64 vermeld, voor het eerste studiejaar na het in art. 108 vermelde tijdstip toe te kennen aan hen. die voor dat jaar reeds de collegiegelden betaald hebben.

121. Zij die, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, het laatste examen in eenige faculteit hebben afgelegd, worden nog gedurende den tijd van twee jaren na dat tijdstip, overeenkomstig de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld, tot de promotie toegelaten.

122. Zij die, vóór hot in art. 108 vermelde tijdstip aan eene Nederlandsche hoogeschool een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in de vak-

342

-ocr page 395-

WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGEK ONDERWIJS. 343

ken waarin zij, krachtens het hun verleend diploma, de bevoegdheid hadden onderwijs te geven.

De graad van doctor in de godgeleerdheid geeft gelijke bevoegdheid als de graad van doctor in de godgeleerdheid en in de semiti-sche letterkunde, vermeld in art. 83.

De graad van doctor juris romani et hodiemi geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de regtswetenschap en in de staatswetenschap, vermeld in art. 83.

De graden van doctor in de genees-, heel- en verloskunde geven dezelfde bevoegdheid als de graden van doctor in dezelfde vakken, Vermeld in art. 83.

De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de wis- en sterrekunde, in de wis- en natuurkunde, in de scheikunde, in de aard- en delfstof-kunde en in de plant- en dierkunde, vermeld in art. 83, of naar gelang van den inhoud van het verkregen diploma, gelijke bevoegdheid als één of meer dier graden.

De graad van candidaat in de wis- en natuurkunde, voorbereidend voor het doctoraat in die wetenschappen, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van een der doctorale graden in de faculteit der wis- en natuurkunde, vermeld in art. 83.

De graad van doctor artis pharmaceuticae geeft dezelfde bevoegdheid als de graad van doctor in de artaenijbereidkunde, vermeld in art. 83.

De graad van doctor in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de klassieke letterkunde en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83.

De graad van candidaat, voorbereidend voor het doctoraat in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan de examens, laatstelijk voorafgaande aan die ter verkrijging van den doctoralen graad in de klassieke en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83.

Voor elk der in dit artikel genoemde doctoraten wordt de daarbij vermelde bevoegdheid ook toegekend aan hen, die krachtens art. 121 het doctoraat hebben verworven. (M.O. 86, 87.)

123. De gemeenten, dus verre in het genot van Rijkssubsidie ten behoeve barer latijnsehe scholen of gymnasia, en die, niet aan de vereischten dezer wet voldoende, overeenkomstig art. 8 dat subsidie zouden verliezen, blijven niettemin in het genot daarvan gedurende één jaar, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip.

124. Binnen zes maanden na het in art. 108 vermelde tijdstip leggen de bestuurders van de op dat tijdstip bestaande bijzondere scholen van hooger onderwijs de reglementen of statuten dier scholen over aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Bin-

STAATSWETTEN. 23(1

-ocr page 396-

344 WET TOT KEGEL. VAN HET HOOGER ONDERWIJS.

nenlandsche Zaken, aan welke insgelijks mededeeling wordt gedaan van latere wijziging of intrekking dier reglementen of statuten.

Het verzuim dezer kennisgevingen wordt gestraft op de wijze vermeld in art. 102.

125. De Rijksinstelling van onderwijs in Indische taal-, land- en volkenkunde, opgerigt ten gevolge der wet van 10 Junij 1864 (Staatsblad no. 71), wordt op het in art. 108 vermelde tijdstip opgeheven.

Op de hoogleeraren is art. 109 toepasselijk.

126. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (H.O. 108.) 1)

Alsdan vervallen, behoudens de tijdelijke uitzonderingen in dezen Titel bepaald, het organiek besluit van 2 Augustus 1815, en alle verdere algemeene verordeningen betreffende het hooger onderwijs.

Hetgeen ter voorbereiding van het in werking treden dezer wet en tot hare behoorlijke uitvoering noodig is, wordt door Ons geregeld.

Voor het vervullen der bij haar gevorderde leerstoelen aan de Kijks-universiteiten wordt eene tijdruimte van tien jaren na haar in werking treden toegestaan. S!)

1

By besluit van 6 Mei 1877, Stsbl. no. 101, is dit tydstip bepaald op 1 October 1877.

-ocr page 397-

quot;WET,

HOUDENDE BEGELING DER VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING DER BEVOEGDHEID VAN ARTS, TANDMEESTER, APOTHEKER, VROEDVROUW EN APOTHEKERSBEDIENDE.

(Vastgesteld den 258ten December 1878, Stsbl. no. 222, uitgegeven den Sisten Beo. d.a.v. Gewijzigd by de wet van 28 Jun\\j 1881, Stsbl. no. 103, 26 Oct. 1889, Stsbl. no. 137 en 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 261. Nader bekend gemaakt by K.B. 22 Nov. 1893, Stsbl. no. 168.) 1)

Art. 1. De titel van arts verleent de bevoegdheid tot uitoefening der geneeskunst in haren vollen omvang en wordt verkregen door het afleggen van het praktisch arts-examen. (K.B. 12 Febr. 1879, S. 36 en 17 Nov. 1893, S.S. 165 en 166.)

2. Bij het praktisch arts-examen worden voldoende bewijzen gevorderd van praktische kennis aan het ziekbed en van bekwaamheid in het verrigten van heel- en verloskundige kunstbewerkingen en het gereed maken van recepten.

Het wordt gesplitst in een algemeen geneeskundig en een heel- en verloskundig gedeelte.

Voor de toelating tot het eerste gedeelte moet de verklaring worden overgelegd van een hier te lande bevoegd geneeskundige, dat de kandidaat gedurende minstens twee jaren de genees- en heelkundige behandeling van zieken gevolgd heeft, en voor de toelating tot het tweede gedeelte het bewijs, dat hij, in tegenwoordigheid van een bevoegd verloskundige, hier te lande minstens tien gewone en twee buitengewone verlossingen verrigt heeft.

Ingeval niet beide gedeelten gelijktijdig met goed gevolg worden afgelegd, wordt aan hem, die bij het eerste gedeelte voldaan heeft, hiervan een bewijs uitgereikt, tegen overlegging waarvan hij tot het tweede gedeelte afzonderlijk wordt toegelaten.

3. Tot het afleggen van het praktisch arts-examen zijn alleen bevoegd zij ;

a. die bedoeld zijn in art. 94 der wet van 28 April 1876 (Staatsblad no. 102) tot regeling van het hooger onderwijs of volgens de bepalingen dier wet met de zoodanige gelijk staan;

b. die achtereenvolgens met goed gevolg de twee natuurkundige

1) De met • gemerkte artikels en zinsneden zijn gewgzigd of toegevoegd volgens art. T der wet van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 261, in werking getreden 1 Januari 1894. STAATSWETTEN. 24

-ocr page 398-

346 WET, VOORW. VERKRIJGING BEVOEGDH. VAN ARTS.

en het theoretisch geneeskundig examen, bedoeld in artt. 4, 5 en 6, hebben afgelegd, of met de zoodanigen gelijk staan.

*Zij die in een ander Bijk of in eene der Nederlandsche koloniën of overzeesche bezittingen na afgelegd examen het regt tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang verkregen hebben, kunnen geheel of gedeeltelijk vrijstelling genieten van het theoretisch geneeskundig en de daaraan voorafgaande examens en van de overlegging van de verklaring en het bewijs bedoeld in het derde lid van artikel 2.

*Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van bestuur, na ingewonnen advies van de senaten van de Rijks-universiteiten, aangewezen, welke getuigschriften of diploma\'s aan de bezitters vrijstelling verleenen en hoe ver die vrijstelling strekt. (K.B. 26 Mrt. 1895, S. 37.)

4. Het eerste natuurkundig examen betreft:

а. de natuurkunde;

б. de scheikunde;

c. de plantkunde.

*Tot het afleggen van dit examen zijn alleen bevoegd zij, die in het bezit zijn van het getuigschrift verkregen door het met goed gevolg afleggen vaa het eindexamen voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus, bedoeld in artikel 57, of van het examen A, bedoeld in artikel 59 der wet van 2 Mei 1863 (Staatsblad no. 50), houdende regeling van het middelbaar onderwijs.

5. Het tweede natuurkundig examen betreft:

а. de ontleedkunde;

6. de physiologie en weefselleer;

c. de algemeene ziektekunde;

d. de pharmakognosie.

б. Het theoretisch geneeskundig examen betreft:

a. de ziektekundige ontleedkunde;

b. de pharmakodynamie;

c. de bijzondere pathologie en therapie;

d. de gezondheidsleer;

e. de theoretische heelkunde;

ƒ. de theoretische verloskunde.

7. Bevoegd tot het afnemen der examens, in artt. 4, 5 en 6 bedoeld, en tot uitreiken van het getuigschrift aan hen, die zoodanig examen met goed gevolg hebben afgelegd, zijn:

a. wat betreft het examen van art. 4, de faculteiten der wis- en natuurkunde aan de nederlandsche universiteiten;

b. wat betreft de examens van artt. 5 en 6, de faculteiten der geneeskunde aan die universiteiten.

Voor het afleggen van elk dezer examens wordt in banden van den voorzitter der faculteit, welke het examen afneemt, eene som van vijftig gulden betaald. (14.)

-ocr page 399-

TANDM., APOTH., VROEDVE. EN APOTHEKERSBEDIENDE. 347

In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

De opbrengst der gestorte gelden strekt tot presentiegeld voor de leden der faculteit, door wie het examen wordt afgenomen.

8. De titel van tandmeester verleent de bevoegdheid tot het uitoefenen der tandheelkunst, waaronder verstaan wordt de plaatselijke behandeling van ziekten der tanden, der tandkassen en van het tand-vleesch.

Die titel wordt verkregen door het met goed gevolg afleggen van een praktisch examen, waarbij voldoende bewijzen gevorderd worden van praktische kennis van de operatieve tandheelkunde en van het inzetten van kunsttanden en gebitten.

9. Bevoegd tot het afleggen van het praktisch examen als tandmeester zijn alleen zij, die met goed gevolg het theoretisch examen in de tandheelkunde hebben afgelegd.

Dat examen betreft:

a. de ontleedkunde van de tanden, de tandkassen en het tandvleesch;

b. de physiologic dezer deelen;

c. de gezondheids-, ziekte- en geneesleer dezer deelen, daaronder begrepen de onderkenning der ziekten van de tanden, dc tandkassen en het tandvleesch, waarvan de oorzaak algemeen is of in andere deelen zetelt;

d. de geneesmiddelleer en de recepteerkunde, voor zooveel noodig tot het voorschrijven van de plaatselijke geneesmiddelen bij de ziekten der genoemde deelen.

Van het examen in de vakken, onder letters a en b vermeld, zijn vrijgesteld zij;

lu. die met goed gevolg aan eene nederlandsche universiteit het examen naastvoorgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad in de faculteit der geneeskunde hebben afgelegd, of, voor zooveel die faculteit betreft, vermeld zijn in art. 119 der wet van \'28 April 187G {SlaatMad no. 102), tot regeling van het hooger onderwijs;

2°. die voldaan hebben aan het tweede natuurkundig examen, bedoeld in art. 5, of met de zoodanigen gelijk staan.

*Bevoegd tot het afleggen van het theoretisch examen in de tandheelkunde zijn alleen zij, die bevoegd zijn tot het afleggen van de examens, bedoeld in artikel 84 van de wet van 28 April 1876 {Staatsblad no. 102) tot regeling van het hooger onderwijs, en zij, die bevoegd zijn tot het afleggen van het eerste natuurkundig examen.

*Zij, die in een ander Rijk of in eene der Nederlandsche koloniën of overzeesche bezittingen na afgelegd examen het regt tot uitoefening der tandheelkunst verkregen hebben, kunnen geheel of gedeeltelijk vrijstelling genieten van het theoretisch examen in de tandheelkunde en de daaraan voorafgaande examens.

*Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van bestuur, na ingewonnen advies van de senaten van de Rijks-universiteiten, aange-

24*

-ocr page 400-

348 WET, VOOKW. VERKBUGING BEVOEGDHEID VAN ABT8,

wezen, welke getuigschriften of diploma\'s aan de bezitters vrijstelling verleenen en hoe ver die vrijstelling strekt. (K.B. 26 Mrt. 1895, S. 37.)

10. Tot het afnemen van het theoretisch examen als tandmeester en het uitreiken van het getuigschrift aan hen, die dat examen met goed gevolg hebben afgelegd, zijn bevoegd de faculteiten der geneeskunde aan de nederlandsche universiteiten.

Voor het afleggen van dit examen wordt in handen van den voorzitter der faculteit, die het examen afneemt, eene som van vijf en twintig gulden betaald.

De twee laatste zinsneden van art. 7 zijn ten deze toepasselijk.

11. De titel van apotheker verleent de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunst en wordt verkregen door het afleggen van het praktisch apothekers-examen.

Bij dat examen worden voldoende bewijzen van praktische kennis gevorderd der artsenijbereidkunst en der scheikundige analyse, zoo in de apotheek, als in het laboratorium.

Voor de toelating tot het examen moet worden overgelegd de verklaring van een hier te lande bevoegd apotheker, dat de candidaat gedurende minstens twee jaren de uitoefening der artsenijbereidkunst onder de leiding van zulk een bevoegde gevolgd heeft.

12. Bevoegd tot hel afleggen van het praktisch apothekers-examen zijn alleen zij:

a. die bedoeld zijn in art. 96 der wet van 28 April 1S76 {Staatsblad no. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, of volgens hare bepalingen met de zoodanigen gelijk staan;

6. die het theoretisch apothekers-examen, in art. 13 bedoeld, met goed gevolg hebben afgelegd.

13. Het theoretisch apothekers-exa.men betreft;

o. de artsenijbereidkundo;

b. de toxicologie;

c. de analytische scheikunde.

14. Bevoegd tot het afnemen van het theoretisch apothekers-examen en tot het uitreiken van het getuigschrift aan hen, die dat examen met goed gevolg hebben afgelegd, zijn de faculteiten der wis- en natuurkunde aan de nederlandsche universiteiten.

De drie laatste zinsneden van art. 7 zijn ten deze :oepasselijk.

16. Bevoegd tot het afleggen van het theoretisch apot\'iekers-examen zijn alleen zij, die met goed gevolg het eerste natuurkundig examen hebben afgelegd, in art. 4 bedoeld, of met de zoodanigen gelijk staan en bovendien bewijzen geleverd hebben van kennis der beginselen van de natuurlijke geschiedenis van dieren en delfstoffen.

16. De bevoegdheid tot het verleenen van verloakiindigen raad en bijstand als vroedvrouw wordt verkregen door het afleggen van een theoretisch en praktisch examen in de verloskunde.

Voor de toelating tot dit examen moet het bewijs worden overge-

-ocr page 401-

TANDM., APOTH.. VBOEDVR. EN APOTHEKERSBEDIENDE. 349

legd, dat de kandidaat, als leerling-vroedvrouw, onder de voorwaarden, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te bepalen, bij een geneeskundigen inspecteur is ingeschreven en daarna minstens tien gewone verlossingen in tegenwoordigheid van een bevoegd verloskundige hier te lande verrigt heeft.

17. Als apothekersbedienden met gelijke bevoegdheden en verplig-tingen, als volgens de bestaande wetten en wettelijke verordeningen die zijn des hulpapothekers, kunnen worden toegelaten zij, die na volbragten achttienjarigen leeftijd met goed gevolg een examen hebben afgelegd, waarbij genoegzame bewijzen gevorderd worden van kennis en geschiktheid, noodig tot het gereedmaken van recepten.

18. *De examens, in artt. 2, 8 en 11 bedoeld, worden afgenomen door commissiën, wier voorzitters, leden, leden-plaatsvervangers en secretarissen, jaarlijks door Ons benoemd worden.

De voorzitters, leden, leden-plaatsvervangers en secretarissen dier commissiën genieten reis- en verblijfkosten en presentiegeld, door Ons te bepalen.

De examens, worden in hel openbaar gehouden, met uitzondering van die aan het ziekbed, in het scheikundig laboratorium en die in de verloskunde, welke alleen kunnen bijgewoond worden met vergunning van den voorzitter der examinerende commissie. i

*Voor het afleggen van elk dezer examens wordt in handen van den voorzitter der commissie, welke het examen afneemt, eene som van vijf en twintig gulden betaald.

*In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

19. *Aan ieder, die aan het examen voldaan heeft, wordt een diploma uitgereikt, dat hem het regt geeft om den titel te voeren:

a. in het geval van art. 2, van arts;

b. in dat van art. 8, van tandmeester;

c. in dat van art. 11, van apotheker.

*20. De examens in artikelen 16 en 17 bedoeld worden afgenomen door commissiën, samengesteld uit een voorzitter en twee leden.

Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, wijst den geneeskundigen inspecteur of adjunct-inspecteur, binnen wiens dienst-kring het examen wordt afgenomen, of een lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad als voorzitter der commissie aan en benoemt de leden der commissie en hunne plaatsvervangers.

Het lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad, als voorzitter fungeerende, en de leden der commissie en hunne plaatsvervangers genieten reis- en verblijfkosten en presentiegeld door Ons te bepalen.

Voor het afleggen van elk dezer examens wordt in handen van den voorzitter der commissie, welke het examen afneemt, eene som van vijf gulden betaald. In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd.

-ocr page 402-

350 WET VOOEW. VERKKIJGING BEVOEGDH. VAN ARTS,

Aan de vroedvrouw of aan den apothekersbediende, die aan het examen voldaan heeft, wordt hiervan een getuigschrift uitgereikt.

21. Zij. die voldaan hebben bij het examen als arts, tandmeester, apotheker, vroedvrouw of apothekersbediende, leggen, voordat zij als zoodanig worden toegelaten, in handen van den voorzitter der examinerende commissie den volgenden eed (of belofte) af:

»Ik zweer (beloof), dat ik de genees-, heel- en verlos- (tandheel-, -artsenijbereid- verlos-)kunst, volgens de daarop wettelijk vastgestelde bepalingen naar mijn beste weten en vermogen zal uitoefenen en »dat ik aan niemand zal openbaren wat in die uitoefening als geheim »mij is toevertrouwd of ter mijner kennis is gekomen, tenzij mijne »verklaring als getuige of deskundige in regten gevorderd of ik an-»derzins tot het geven van mededeeling door de wet verpligt worde.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig.quot; (»Dat beloof ik.quot;)

22. Tot het afleggen der in het voorgaande artikel bedoelde examens wordt minstens tweemaal \'s jaars gelegenheid gegeven.

Onze Minister, met de uitvoering dezer wet belast, bepaalt de plaatsen waar en den tijd waarop de examinerende commissiën bijeenkomen. , De door de candidaten gestorte gelden worden na aftrek van de kosten van vergadering der commissie, waaronder echter niet mede-gerekend worden de reis- en verblijfkosten en vacatiegelden, in \'s Rijks schatkist gestort. (M.O. 81.)

*De examens worden in het Uederlandsch gehouden.

Al hetgeen verder tot de regeling dier examens betrekking heeft, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. (K.B. 12 Febr. 1879, S. 36 en 17 Nov. 1893, S.S. 165 en 166.)

23. Benoembaar tot militaire artsen zijn alleen zij, die volgens de wet bevoegd zijn tot uitoefening der geneeskunst in haar vollen omvang in het geheele Koningrijk; tot militaire apothekers zij. die volgens de wet de bevoegdheid van apotheker hebben verkregen. 1)

23a. Wij behouden Ons voor de bevoegdheid van apotheker te verleenen aan Nederlanders, die als militair apotheker een eervol ontslag hebben bekomen uit den kolonialen dienst, voor zoover zij die bevoegdheid krachtens de bepalingen dezer wet niet bezitten. 2)

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 24. Ieder, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, bevoegd is tot uitoefening van genees-, heel-, verlos-, tandheel-,

1

de wet van 11 Julg 1882, Stsbl. no. 89, tot tijdelijke voorziening in geneeskundige hnlp bij de zeemagt, werd met afwijking van het bepaalóe in dit artikel aan den Koning de bevoegdheid toegekend om tot 1 January 1890 voor een bepaalden tijd tot officieren van gezondheid der 2de klasse by de zeemagt vreemdelingen te benoemen die, na afgelegd examen, het regt tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang in een ander Rgk verkregen hebben.

2

Art. 23a is toegevoegd door de wet van 26 Oct. 1889, Stsbl, no. 137.

-ocr page 403-

TANDM., APOTH., VROEDVE. EN APOTHEKERSBEDIENDE. 351

of artsenijbereidkunat of tot uitbreiding zijner bevoegdheid door het afleggen van een aanvullings-examen, behoudt die bevoegdheid.

Ieder, die op bedoeld tijdstip door het afleggen van eenig examen de bevoegdheid verkregen had tot het afleggen van een ander examen of tot het genot van eenigerlei vrijstelling bij dergelijk examen, behoudt die bevoegdheid met opzigt tot de gelijksoortige examens, af te leggen volgens deze wet.

25. Wij behouden Ons voor aan nog in dienst zijnde officieren van gezondheid, die vóór de invoering der wet van 1 Junij 1865 {Staatsblad no. 59) zijn aangesteld, alsmede aan hen, welke dien rang hebben verkregen ingevolge het bepaalde in art. 19 van die wet, vergunning te verleenen tot uitoefening der genees- en heelkunde bij niet-militairen.

Deze bepaling is ook van toepassing op de officieren van gezondheid , die bij de invoering der aangehaalde wet in koloniale dienst waren, wanneer zij zich met verlof hier te lande bevinden. \')

26. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. 2)

Alsdan vervallen de wet van 1 Junij 1865 {Staatsblad no. 59), regelende de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van geneeskundige, apotheker, hulpapotheker, leerling-apotheker en vroedvrouw, gewijzigd bij de wet van 8 Julij 1874 (Staatsblad no. 97), en de artt. 1—6 van de wet van 24 Junij 1876 (Staatsblad no. 117), houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst, en alle uit die bepalingen voortgevloeide algemeene verordeningen.

Artikel 2 van de wet van 12 Dec. 1892 (Staatsblad no. 261).

Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1894.

Zij die vóór dat tijdstip de bevoegdheid hebben verkregen tot het afleggen van het eerste natuurkundig examen, behouden die bevoegdheid.

dng eel-,

nees-■tikel a be-rade-inees-

1) Dit artikel is bijgevoegd door de wet van 28 Juny 1881, Stsbl no. 103. 3) Bij besluit van 12 February 1879, Stsbl. no. 33, is dit tgdstip bepaald op 1 Augustus 1879.

-ocr page 404-

WET

TOT REGELING VA_N HET ONDERWIJS VAN \'S RIJKSWEGE IN DE BEELDENDE KUNSTEN.

(Vastgesteld den SGsten Mei 1870, Stsbl. no. 78, uitgegeven den 4den Juny d.a.v.)

Art. 1. Er is eene Rijks Akaderaie van beeldende kunsten, tot hoogere opleiding van kunstenaars bestemd.

2. Aan de Akademie wordt onderwijs gegeven in:

a. het teekenen naar het mensohenbeeld (antiek en levend model);

b. de beeldhouwkunst;

c. de schilderkunst;

d. de graveerkunst;

e. de wetenschap van het schoon (aesthetica), vooral in betrekking tot de genoemde kunsten en de bouwkunst;

ƒ. de kunstgeschiedenis;

g. de ontleedkunde, vooral die van den mensch, in betrekking tot de kunst;

h. de doorzigtkunde.

3. Elk, die de lessen wil volgen in de vakken, vermeld onder a—d van art. 2, moet vooraf voldoende blijken geven van bedrevenheid in het teekenen.

Dit examen wordt afgenomen door eene commissie, zamengesteld uit een lid der commissie van toezigt, door haar zeiven aan te wijzen, als voorzitter, den directeur der Akademie en de onderwijzers in de vakken, vermeld onder a—d van art. 2.

4. Behoudens het bepaalde bij het eerste lid van art. 3, heeft elk het regt om de lessen der Akademie bij te wonen. Zij, die alle lessen wenschen te volgen, betalen bij den aanvang van elk studiejaar eene som van ƒ 100; zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, betalen, mede bij den aanvang van het studiejaar, voor lessen, die gegeven worden:

eenmaal \'s weeks ƒ 10;

tweemaal \'s weeks ƒ 20;

driemaal \'s weeks ƒ 30;

vier- of meermalen \'s weeks ƒ 40.

De in dit artikel vermelde gelden worden in \'s Rijks schatkist gestort. (H.O. 63.)

-ocr page 405-

WET OP HET ONDERWIJS IN DE BEELDENDE KUNSTEN. 353

5. De onderwijzers worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Zij voeren den titel van hoogleeraar en genieten uit \'s Eijks kas eene jaarwedde. (H.O. 51.)

Een der hoogleeraren is, met den titel van directeur, met het bestuur der Akademie belast.

6. Aan den directeur en de hoogleeraren der Akademie wordt ten laste van den Staat pensioen verleend, in de gevallen, naar de regelen en onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen.

Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren, bij de eerste afdeeling der wet van 9 Mei 1846 {Staatsblad no. 24) ingesteld pensioenfonds. (M.O. 32; H.O. 20; Wet 9 Mei 1890, S. 78.)

De diensttijd, krachtens eene vaste aanstelling in eenigerlei Rijksbetrekking, alsmede die bij eene openbare inrigting van onderwijs krachtens eene vaste aanstelling van een gemeentebestuur doorge-bragt, is daarbij voor hen geldig.

7. De beambten der Akademie worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken benoemd, geschorst en ontslagen.

Al hetgeen hunnen werkkring, bevoegdheid en verpligtingen betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is bepaald, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld. (H.O. 62.)

8. Het toezigt op de Akademie is, onder het oppertoezigt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, opgedragen aan eene commissie van vijf leden, door Ons te benoemen. (H.O. 68.)

9. De lessen en verzamelingen der Akademie zijn steeds toegankelijk voor de leden der commissie.

De directeur en de hoogleeraren zijn steeds gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent al wat de Akademie betreft.

10. De commissie ziet toe, dat de bepalingen dezer wet en die, bedoeld bij art. 16, stipt worden nagekomen.

Zij doet Ons, jaarlijks vóór den Isten Maart een beredeneerd verslag omtrent den toestand der Akademie in het vorig jaar. (H.O. 73.)

Dit verslag wordt aan de Staten-Generaal medegedeeld. (G. 192e.)

De commissie is bevoegd aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de voorstellen te doen, die zij in het belang van het onderwijs noodzakelijk acht. (M.O. 52.)

11. Jaarlijks wordt aan de Ak;.demie gelegenheid gegeven tot het afleggen van een examen in de vakken vermeld onder e—h van art. 2.

Dit examen wordt ten overstaan der commissie van toezigt in het openbaar, onder leiding van den directeur, afgenomen door examinatoren, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen.

12. Die het examen, in art. 11 vermeld, met goeden uitslag heeft afgelegd, wordt toegelaten tot een wedstrijd in een of meer der vakken, vermeld onder b—d van art. 2.

Hij, die een examen heeft afgelegd in de vakken, vermeld onder e, f en h van art. 2, en het bewijs levert, dat hij voldoende be-

STAATSWETTEN. 25

-ocr page 406-

354 WET OP HET ONDERWIJS IN DE BEELDENDE KUNSTEN.

kwaamheden bezit in de bouwkunst in het algemeen, wordt tot een wedstrijd in de schoone bouwkunst toegelaten.

13. In elk der in het voorgaande artikel genoemde vakken kan telken jare een prijs en een accessit worden toegekend, bestaande de eerste uit een gouden, het tweede uit een zilveren eerepenning.

14. De zilveren eerepenning kan in hetzelfde kunstvak slechts eenmaal aan denzelfden persoon worden toegekend.

Die den gouden eereprijs heeft weggedragen, wordt in hetzelfde kunstvak tot geene mededinging meer toegelaten.

15. Zij, die den gouden eereprijs zijn waardig gekeurd en blijken hebben gegeven van groot talent en buitengewonen aanleg, kunnen op gemotiveerde aanbeveling van de commissie van toezigt, door Ons hoogstens gedurende vier achtereenvolgende jaren met een jaargeld van ƒ 1200 worden begunstigd, ten einde hen in de gelegenheid te stellen zich in hunne kunst te volmaken. Die ondersteuning wordt telkens voor een jaar verleend.

In de Staatscourant geschiedt mededeeling van Ons daartoe strekkend besluit, zoowel als van de aanbeveling der commissie.

16. De verpligtingen van den directeur en de hoogleeraren en de voorschriften omtrent het onderwijs, de examens, de prijskampen en de vierjarige toelage worden, voor zooverre die niet in dezè wet zijn omschreven, bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. \')

17. Deze wet treedt in werking op het door Ons te bepalen tijdstip. 1)

De bestaande voorschriften betreffende de Koninkliike Akademie van Beeldende Kunsten vervallen met de invoering dezer wet.

a. Cade

b.

Wap

3.

ficier a. troep 5. Dc ficier voorz

4. Koni) pen.

1

By K.B. is dit tijdstip bepaald op den eersten Maandag van October 1870.

-ocr page 407-

een

kan

e de WET

een- TOT EEGELING VAN HET MILITAIR ONDERWIJS BIJ elfde DE LANDMACHT, VOOR ZOOVER DAARBIJ DE OPLEIDING VOOR DEN OFFICIERSRANG EN

iiken

men, DE HOOGERE VORMING VAN DEN

Ons xgeld lid te

wordt (Vastgesteld den Sisten Juli 1890, Stsbl. no. 136, uitgegeven den Sden

Augustus d.a.v.)

strek-

en de

•en en

3t zlJn INRICHTINGEN VAN MILITAIR ONDERWIJS.

l) ..

a tijd- Art. 1. De opleiding voor den officiersrang bij de Landmagt, ook — voor zooveel die opleiding in Nederland plaats heeft — ten bedemie hoeve van den dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, geschiedt ;

a. voor de Infanterie, de Cavalerie, de Artillerie en de Genie, aan ;t. 1893, de Koninklijke Militaire Academie; {23 volg.)

b. voor de Infanterie en de Militaire Administratie, aan den Hoofd-370- cursus. (12.)

2. Voorbereidend onderwijs wordt gegeven:

a. voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie: aan de Cadettenschool; (13 volg.)

b. voor toelating tot den Hoofdcursus: aan eenen Cursus bij het Wapen der Infanterie. (12, 20, volg., 33 volg.)

3. Er is eene Hoogere Krijgsschool, bestemd tot vorming van officieren :

a. in algemeen krijgskundige richting; alsmede voor de hoogere troepenleiding en voor den dienst bij den Generalen Staf;

b. voor den Intendance-dienst. (40 volg.)

Door Ons worden in het belang van de hoogere vorming van officieren — bepaaldelijk ook in technische richting — nog andere voorzieningen getroffen. (12.)

OFFICIER ZIJN BETROKKEN.

4. De Hoogere Krijgsschool is gevestigd te \'s Gravenhage; de Koninklijke Militaire Academie te Breda; de Hoofdcursus te Kampen.

EERSTE HOOFDSTUK.

25*

-ocr page 408-

356 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

Bij Algemeenen Maatregel van Bestuur worden aangewezen:

a. de plaats waar de Cadettenschool wordt gevestigd; 1)

b. de korpsen van het Wapen der Infanterie, waarbij een Cursus ids onder b van art. 2 bedoeld, wordt ingesteld. (K.B. 22 Sept. 1892, S. 222.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 5. Aan de vakken, waarin, volgens de bepalingen dezer Wet, aan de bij artt. 1, 2 en 3 bedoelde Inrichtingen onderwijs wordt gegeven, kunnen bij Algemeenen Maatregel van Bestuur andere vakken worden toegevoegd.

De omvang van het leerplan; de wijze waarop het over de verschillende studiejaren wordt verdeeld; de eischen, waaraan bij den overgang naar een hooger studiejaar moet worden voldaan; en de regelen, welke bij de overgangs-examens behooren te worden in acht genomen, worden voor al de bij de artt. 1, 2 en 3 bedoelde Inrichtingen door Onzen Minister van Oorlog bepaald.

Voor zooveel een en ander de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier, ten behoeve van den dienst in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen betreft, wordt door dien Minister daaromtrent met Onzen Minister van Koloniën overleg gehouden.

Aan de leerlingen van de bij de artt. 1 en 2 genoemde Inrichtingen wordt gelegenheid gegeven, overeenkomstig het verlangen en de keuze der ouders of voogden, onderwijs in den godsdienst te bekomen.

6. Jaarlijks wordt door Onzen Minister van Oorlog het aantal leerlingen bepaald, die aan de Hoogere Krijgsschool, de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool kunnen worden toegelaten en dat wel voor zooveel meer bepaaldelijk betreft den dienst in de koloniën en bezittingen van het Eijk in andere werelddeelen, na gehouden overleg met Onzen Minister van Koloniën.

Daarbij wordt vastgesteld, hoeveel van de opengestelde plaatsen ter beschikking komen:

a. bij de Hoogere Krijgsschool:

voor de officieren van elk Wapen of Dienstvak;

b. bij de Koninklijke Militaire Academie:

voor elk der beide categoriën van adspiranten, bedoeld onder I en onder II van art. 25 en wel voor elk Wapen afzonderlijk; en met dien verstande, dat het gezamenlijk aantal voor eerstgemelde

1

By K.B. 38 Juli 1891, Stabl. no. 149, is bepaald dat de Cadettenschool wordt gevestigd te Alkmaar.

-ocr page 409-

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT. 357

categorie beschikbaar te stellen plaatsen gelijk zal moeten wezen aan het aantal te verwachten adspiranten van deze categorie;

c. bij den Hoofdcursus:

voor de Infanterie en voor de Militaire Administratie, met dien verstande, dat, behoudens buitengewone omstandigheden, voor de Infanterie het aantal opengestelde plaatsen niet meer bedraagt dan ongeveer de helft van het aantal plaatsen, voor dat Wapen aan de Koninklijke Militaire Academie opengesteld.

Het aantal en de verdeeling dier plaatsen worden in de Staati-courant bekend gemaakt. Voor zooveel de Koninklijke Militaire Academie en de Cadettenschool aangaat, worden daarbij tevens de eischen medegedeeld, waaraan bij het toelatings-examen voor deze Inrichtingen moet worden voldaan.

7. Bij Reglement worden vastgesteld;

a. de inwendige regeling van de Hoogere Krijgsschool, van de Koninklijke Militaire Academie, van den Hoofdcursus en van de Cadettenschool, daaronder begrepen de werkkring en de bevoegdheid van de hoofden dezer Inrichtingen, en, voor zooveel de Koninklijke Militaire Academie betreft, van den bij art. 46 genoemden Kaad van Bijstand; (48.)

b. de voorschriften, volgens welke de toelatings- en de eindexamens aan de Koninklijke Militaire Academie en aan den Hoofdcursus, en het toelatings-examen aan de Hoogere Krijgsschool en aan de Cadettenschool worden afgenomen; zoomede de wijze van samenstelling der Commissiën, ten overstaan van welke die examens plaats hebben. (16.)

8. De toelatings- en de eindexamens worden in het openbaar afgenomen.

Omtrent den loop en de uitkomsten dier examens wordt, voor zoover zij op de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool betrekking hebben, een verslag opgemaakt hetwelk in de Staatscourant wordt medegedeeld.

9. Leerlingen van eene der in art. 8 genoemde Inrichtingen, mogen niet langer dan twee jaren in hetzelfde studiejaar doorbrengen.

Van deze bepaling kan worden afgeweken ten gunste van hen , die wegens ziekte verhinderd waren het onderwijs geregeld te volgen.

Overigens worden bij Reglement bepaald de regelen, waarnaar de leerlingen:

o. wegens hunne gedragingen ais anderszins van bedoelde Inrichtingen verwijderd kunnen worden;

b. van de overeenkomstig de artt. 18, 30 en 37 aangegane dienstverbintenis ontheven kunnen worden.

10. Tot tegemoetkoming in de kosten van de Cadettenschool en var. de Koninklijke Militaire Academie wordt jaarlijks, voor iede-ren leerling eene door Ons vast te stellen som. — het bedrag van

-ocr page 410-

358 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

vierhonderd gulden niet te boven gaande — bijgedragen, welke in \'s Eijks kas wordt gestort. Van het betalen dier bijdragen kan door Ons geheele of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend, volgens bij Reglement vast te stellen regelen.

11. De onderofficieren van den Hoofdcursus en de leerlingen der Koninklijke Militaire Academie — deze laatsten wanneer zij dienst bij den troep verrichten — worden in eiken graad gevoerd boven de organieke sterkte, voor elk korps vastgesteld.

12. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art. 185 der Grondwet, kan door Ons het onderwijs aan een of meer der in de artt. 1, 2 en 3 genoemde Inrichtingen worden geschorst, en over de leerlingen, alsmede over het aan die Inrichtingen verbonden militair personeel beschikt worden in het belang van \'s Lands verdediging.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET VOORBEREIDEND ONDERWIJS TOT OPLEIDIXG VOOR DEN OFFICIERSRANG.

§ 1. Van de Cadettenschool.

Art. 13. Aan de Cadettenschool wordt onderwijs gegeven in:

а, de wiskunde;

б. de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der cosmographie;

ƒ. de Nederlandsche taal- en letterkunde;

(j. de Fransche taal- en letterkunde:

h. de Hoogduitsche taal- en letterkunde;

i. de Engelsche taal- en letterkunde;

k. de aardrijkskunde;

l. de gronden van de gemeente-, provinciale- en staatsinrichting van Nederland;

m. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne Koloniën en bezittingen in andere werelddee-len:

n. de geschiedenis;

o. het hand- en rechtlijnig teekenen;

p. de infanterie exercitiën;

q. de gymnastiek, het schermen, het dansen en het zwemmen.

14. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.

15. Nederlanders en zoons van Buropeesehe of daarmede gelijk gestelde ingezetenen der Koloniën of bezittingen van het Rijk in andere

-ocr page 411-

WET OP HET MILITAIR ONDBKWIJS LANDMACHT. 359

werelddeelen, hebben het recht aan het toelatings-examen voor de Cadettenschool deel te nemen, wanneer zij:

a. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerjaar, den vollen ouderdom van vijftien jaren bereikt en dien van achttien jaren niet overschreden hebben;

b. zich, onder overlegging der bij Reglement aangewezen bescheiden, bij Ónzen Minister van Oorlog, vóór het door dien Minister te bepalen tijdstip, tot het afleggen van het examen aangemeld hebben. (19.)

Zij, die aan de onder a of 6 gestelde eischen niet voldoen, mogen aan het examen niet deelnemen.

Wij behouden Ons nochtans voor, jongelieden, geen Nederlander en geen zoon van een ingezetene der Koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen zijnde, bij uitzondering tot het volgen van de lessen aan de Cadettenschool toe te laten. (25.)

16. Het programma van het bij art. 15 genoemde toelatings-examen omvat:

a. de reken-, de stel- en de meetkunde;

b. de eerste beginselen der natuurkunde;

c. de aardrijkskunde;

d. de geschiedenis;

e. de Nederlandsche, de Fransche, de Hoogduitsche en de Engel-sche taal.

Bedrevenheid in het teekenen strekt tot aanbeveling.

De eischen van kennis, volgens vorenvermeld programma te stellen, worden, bij de in art. 7, onder 6, bedoelde voorschriften, nader omschreven en toegelicht.

17. Voor zoover de adspiranten, voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden, en blijkens de uitspraak der examen-commissie, aan het examen hebben voldaan, komen zij voor toelating tot de Cadettenschool in aanmerking.

Indien het aantal dier adspiranten grooter is dan het aantal beschikbare plaatsen, geschiedt de toelating naar de rangorde, die zij bij het examen, blijkens de uitspraak der examen-commissie, hebben verkregen; met dien verstande, dat hij, wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld of, binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden overleden is, op grond hiervan eene beschikbare plaats inneemt. (28.)

18. Hij, die tot de Cadettenschool wordt toegelaten, is, te rekenen van het tijdstip waarop zijn verblijf aan deze Inrichting een aanvang neemt, verbonden om den Staat gedurende den tijd van negen jaren als militair te dienen.

Van deze negen jaren behoort hij er vier in den rang van officier te dienen, zoodat, wanneer de officiersrang niet in vijf jaren wordt bereikt, de dienstverbintenis stilzwijgend met den langeren duur van den opleidingstijd wordt verlengd.

-ocr page 412-

360 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

Deze verbintenis verplicht hem tevens, om — voor zooveel hij daartoe niet reeds uit anderen hoofde mocht gehouden zijn — na het verlaten van den werkelijken dienst nog vijf jaren, of zoo veel minder dan vijf jaren, als hij langer dan vier jaren als officier heeft gediend, als reserve-officier te Onzer beschikking te blijven.

Wij behouden Ons nochtans voor van de verplichting, bij het vorige Üd bedoeld, geheel of ten deele ontheffing te verleenen. (9.)

19. Hij, die tot de Cadettenschool is toegelaten en bij de in art. 15, onder b, voorgeschreven aanmelding kennis heeft gegeven van zijn verlangen om het voorbereidend onderwijs voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie elders dan aan genoemde school te volgen, wordt daartoe, naar bij Reglement te bepalen regelen, in het genot van groot verlof gesteld.

Hij staat, voor de toepassing dezer Wet, gelijk met hem die het onderwijs aan de Cadettenschool geniet, doch is gedurende zijnen verloftijd vrijgesteld van het betalen der bijdrage bedoeld bij art. 10.

Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande zijn op hem niet toepasselijk, zoolang hij zich in het genot van groot verlof bevindt. \')

§ 2. Van eencn Cursus.

Art. 20. Aan eenen Cursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de Nederlandsche taal;

c. de Fransche taal;

d. de aardrijkskunde;

e. de geschiedenis;

ƒ. de dienst- en de exercitie-reglementen benevens de dienstvoorschriften.

21. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.

22. De wijze van toelating tot eenen Cursus, de regelen waarnaar de leerlingen tijdelijk of voor goed daarvan kunnen worden verwijderd, zoomede de inrichting en het bestuur van eenen Cursus, worden door Onzen Minister van Oorlog vastgesteld.

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE OPLEIDING VOOR DEN OFFICIERSRANG.

§ 1. Van de Koninklijke Militaire Academie.

Art. 23. Aan de Koninklijke Militaire Academie wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

h. de toepassingen der natuurkunde op militair gebied;

1) Reglement voor de Cadettenschool zie K.B. 6 April 1893, S. 68, gewijz. bij K.B. 11 Febr. 1896, S. 26.

-ocr page 413-

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

c. de toepassingen der scheikunde op militair gebied;

d. de mechanica en hare toepassing op bouwkundige constructiën en werktuigen;

e. het landmeten en waterpassen en de geodesie;

ƒ. de Maleische taal;

g. de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië;

h. de militaire aardrijkskunde;

i. de hoofdbegrippen der strategie en de krijgsgeschiedenis; k. de tactiek;

l. de oorlogsgebruiken;

m. het militair strafrecht;

n. de artillerie-wetenschap;

0. de pionier- en de versterkingskunst;

p. de burgerlijke, de militaire en de schoone bouwkunst; q. de waterbouwkunde en de hydrographie van Nederland.; r. de wetten en de voorschriften betreffende de uitvoering van genie-werken ;

s. de paardenkennis; de rij- en de af richtingskunst;

t. het rechtlijnig en het topographisch teekenen;

«. de dienst- en de exercitie-reglementen, benevens de dienstvoorschriften en de militaire wetten;

v. de militaire administratie;

tv. de exercitiën en de verdere praetische oefeningen; x. de gymnastiek, het schermen, het zwemmen en het paardrijden.

24. Het leerplan wordt verdeeld over drie studiejaren.

25. Het recht, om aan het toelatings-examen voor de Koninklijke Militaire Academie deel te nemen, wordt verleend aan;

1. alle leerlingen der Cadettenschool, die het onderwijs aan deze Inrichting geheel hebben gevolgd.

II. Nederlanders en zoons van Europeesche of daarmede gelijk gestelde ingezetenen der Koloniën of bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen, die: (K.B. 2 Dec. 1895, S. 185.)

a. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerjaar den vollen ouderdom van zeventien jaren bereikt, en dien van een en twintig jaren niet overschreden hebben;

b. zich, onder overlegging der bij Reglement aangewezen bescheiden, bij Onzen Minister van Oorlog, vóór het door dien Minister te bepalen tijdstip, tot het afleggen van het examen hebben aangemeld. (29.)

Zij, die, hetzij aan het onder I of aan het onder II gemelde niet voldoen, mogen aan het examen niet deelnemen.

Wij behouden Ons nochtans voor jongelieden, geen Nederlander en geen zoon van een ingezetene der Koloniën of bezittingen van het Bijk in andere werelddeelen zijnde, bij uitzondering tot het volgen van de lessen aan de Koninklijke Militaire Academie toe te laten. (15.)

361

-ocr page 414-

3Ö2 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

26. Het programma van het bij art. 25 genoemde toelatings-exa-men omvat:

a. de reken-, de stel- en de meetkunde, de gonio- en trigonometrie en de beginselen der beschrijvende meetkunde;

b. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der cosmographie;

ƒ. de gronden van de gemeente-, provinciale- en staatsinrichting van Nederland;

g. de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en vau zijne Koloniën en bezittingen in andere werelddee-len;

h. de aardrijkskunde;

i. de geschiedenis;

k. de Nederlandsohe, de Fransche, de Hoogduitsche en de Engel-sche taal- en letterkunde;

l. het hand- en het rechtlijnig leekenen.

Bedrevenheid in het exerceeren uit de recrutenschool strekt tot aanbeveling.

De eischen van kennis, volgens vorenvermeld programma te stellen, worden bij de in art. 7, onder 6, bedoelde voorschriften nader omschreven en toegelicht.

27. Alle leerlingen der Cadettenschool, die voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden en, blijkens de uitspraak der examen-commissie, met goeden uitslag het bij art. 25 vermelde examen hebben afgelegd, worden tot de Koninklijke Militaire Academie toegelaten voor den dienst, waarvoor zij meer bepaaldelijk bestemd zijn.

Zij worden, zooveel mogelijk, bij het Wapen hunner keuze ingedeeld , voor zoover zij daartoe in aanmerking komen in verband met:

a. den uitslag van het zooeven gemelde geneeskundig onderzoek;

b. het aantal plaatsen, ingevolge het bepaalde bij art. 6 jaarlijks, ten behoeve der categorie, voor de onderscheidene Wapens opengesteld ;

c. de rangorde, welke zij bij het examen, blijkens de uitspraak der examen-commissie, hebben verkregen; daarbij gelet op hetgeen, krachtens het laatste lid van art. 26 is voorgeschreven ten aanzien van de eischen van kennis in de wiskundige vakken, voor eene plaatsing bij het Wapen der Artillerie of bij dat der Genie.

28. De jongelieden bedoeld onder II van art. 25, die, blijkens de uitspraak der examen-commissie, aan het examen hebben voldaan, komen voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie en voor indeeling bij het Wapen hunner keuze in aanmerking, voor zoover zij, voor den dienst bij dat Wapen, bij geneeskundig onderzoek ge-

-ocr page 415-

WET OP HET MDüITAIB ONDERWIJS LANDMACHT. 363

schikt zijn bevonden, en, ingevolge het bepaalde bij art, 6, ten behoeve dezer categorie, plaatsen bij de verschillende Wapens zijn opengesteld.

Overtreft het aantal adspiranten voor eenig Wapen dat der daarvoor beschikbaar gestelde plaatsen, dan geschiedt de toelating naar de rangorde, door die adspiranten blijkens de uitspraak der examencommissie , bij het examen verkregen, met inachtneming, voor wat de indeeling bij het Wapen der Artillerie of bij dat der Genie betreft, van dezelfde eischen, als waarvan bij c van art. 27 sprake is, en met dien verstande, dat hij, wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld, of binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden overleden is, op grond hiervan, des verlangd, eene beschikbare plaats voor het Wapen der Infanterie inneemt, wanneer hij volgens voormelde rangschikking niet voor eene benoeming tot cadet bij het Wapen zijner keuze in aanmerking kan komen. (17.)

29. Ingeval sommige der voor de leerlingen van de Cadettenschool opengestelde plaatsen aan de Koninklijke Militaire Academie, niet mochten worden vervuld, kan daarover worden beschikt ten behoeve van de jongelieden, bedoeld onder II van art. 25.

30. Hij, die overeenkomstig art. 28 tot de Koninklijke Militaire Academie wordt toegelaten is, te rekenen van het tijdstip waarop zijn verblijf aan deze Inrichting een aanvang neemt, verbonden, om den Staat gedurende zeven jaren als militair te dienen.

Van deze zeven jaren behoort hij er vier in den rang van officier te dienen, zoodat, wanneer de officiersrang niet in drie jaren wordt bereikt, de dienstverbintenis stilzwijgend met den langeren duur van den opleidingstijd wordt verlengd.

Het derde lid van art. 18, zoomede het voorbehoud, bij de slotalinea van dat artikel gemaakt, zijn ook voor hem van toepassing. (9.)

31. De leerlingen der Koninklijke Militaire Academie worden, in het belang van hunne practische vorming, volgens bij Reglement vast te stellen regelen, gedetacheerd bij het Wapen, waarvoor zij worden opgeleid.

32. De leerlingen der Koninklijke Militaire Academie worden door Ons tot tweede-luitenant benoemd bij het Wapen, waarvoor zij zijn opgeleid — ook al mocht er geene vacature in gemelden rang bij dat Wapen bestaan — indien zij;

a. volgens de uitspraak der examen-commissie aan het bij Reglement voor het eind-examen vastgestelde programma hebben voldaan;

b. naar het oordeel van die commissie — gegrond ook op de kennisneming van de te hunnen aanzien uitgebrachte rapporten — voldoende practische geschiktheid en bruikbaarheid bezitten en van goed gedrag zijn;

c. voor den militairen dienst bij geneeskundig onderzoek geschikt zijn bevonden. (39.)

-ocr page 416-

364 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

§ 2. Van den Hoofdcursus.

Art. 33. Aan den Hoofdcursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de natuurkunde;

c. het landmeten en waterpassen;

d. de Neder]andsche taal;

e. de Fransche taal;

/. de Hoogduitsche taal;

g. de Maleische taal;

h. de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië;

i. de wis-, natuur- en staatkundige aardrijkskunde en de gronden der militaire aardrijkskunde van Nederland;

k. de geschiedenis;

l. de tactiek;

m. de oorlogsgebruiken;

n. het militair strafrecht;

o. de wapenleer;

p. de pionier- en de versterkingskunst;

q. het rechtlijnig en het topographisch teekenen: r. de warenkennis;

s. het boekhouden;

t. de dienst- en de exercitie-reglementen, benevens de dienstvoorschriften en de militaire wetten;

u. de militaire administratie;

v. de exercitiën en de verdere practische oefeningen; w. de gymnastiek, het schermen en het zwemmen.

34. Het leerplan wordt verdeeld over twee studiejaren.

35. Aan onderofficieren van het Wapen der Infanterie wordt, ongeacht zij al dan niet de lessen op eenen Cursus hebben gevolgd, vergund het toelatings-examen tot den Hoofdcursus, volgens het daarvoor bij Reglement vastgestelde programma, af te leggen, wanneer

ziJ :

a. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerjaar, den vollen ouderdom van negentien jaren bereikt, dien van vijf en twintig jaren niet overschreden hebben; drie jaren als militair gediend hebben en minstens één jaar den graad van onderofficier hebben bekleed;

b. door practische geschiktheid, gedrag en dienstijver, naar door Onzen Minister van Oorlog te stellen regelen, daarvoor in aanmerking kunnen komen;

c. voor den militairen dienst, bij geneeskundig onderzoek, geschikt zijn bevonden. (32.)

Aan onderofficieren der overige Wapens, die aan de onder a, b en c omschreven eischen voldoen, wordt eveneens de vergunning verleend bedoeld examen af te leggen, wanneer zij tot tweede-lui-

-ocr page 417-

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT. 365

tenant bij de Militaire Administratie wenschen te worden opgeleid.

36. De onderofficieren, die, ingevolge het bepaalde bij art. 35, aan het examen hebben deelgenomen, en blijkens de uitspraak der examen-commissie, daaraan hebben voldaan, worden tot den Hoofdcursus toegelaten, voor zoover daarbij, in verband met het bepaalde bij art. 6, ten behoeve dier onderofficieren, plaatsen zijn opengesteld.

Overtreft het aantal adspiranten dat der beschikbaar gestelde plaatsen, dan geschiedt de toelating naar de rangorde door die adspiranten, blijkens de uitspraak der examen-commissie, bij het examen verkregen ; met dien verstande, dat hij wiens vader in den dienst van den Staat gesneuveld of binnen één jaar ten gevolge van in dezen dienst voor den vijand bekomen wonden overleden is, op grond hiervan eene beschikbare plaats inneemt voor het Wapen of Dienstvak, waarvoor hij krachtens het bepaalde bij art. 35 in aanmerking komt. (17, 28.)

37. Een onderofficier, die tot den Hoofdcursus wordt toegelaten, is — onafhankelijk van den duur van zijn loopend dienstverband — verbonden, na zijne benoeming tot officier, den Staal gedurende vier jaren in dien rang te dienen, onder gelijke verplichting als in de 3de alinea van art. 18 is omschreven.

Het voorbehoud, bij de slot-alinea van art. 18 gemaakt, is ook voor hem van toepassing. (9.)

38. De onderofficieren van den Hoofdcursus worden, in het belang van hunne practische vorming, gedurende een bij Reglement te bepalen tijd bij korpsen van het Leger gedetacheerd. (31.)

Wij behouden Ons daarbij voor, deze detacheering te doen achterwege blijven voor de onderofficieren, die voor den militairen administratieven dienst in de Koloniën en bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen worden opgeleid.

39. De onderofficieren van den Hoofdcursus worden door Ons tot tweede-luitenant bij het Wapen of dienstvak, waarvoor zij zijn opgeleid, benoemd — ook al mocht er geene vacature in gemelden rang-bij dat Wapen of dienstvak bestaan — indien zij voldoen aan de eischen, overeenkomende met die, in art. 32 voor de leerlingen dei-Koninklijke Militaire Academie omschreven.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE HOOGERE KRIJGSSCHOOL, i

Art. 40. Aan de Hoogere Krijgsschool wordt — voor zoover toepasselijk ook in verband met Nederlandsch-Iodische toestanden — onderwijs gegeven in:

a. de natuurkunde;

b. de scheikunde;

c. de geodesie;

1

-ocr page 418-

366 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS liANDMACHT.

d. de Fransche taal;

c. de Hoogduitsche taal;

ƒ. de Engelsche taal;

g. de Maleische taal;

h. de Javaansche taal;

i. de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië; k. de militaire aardrijkskunde eu statistiek;

1. de strategie en de krijgsgeschiedenis;

m. de tactiek;

n. de leer van het krijgswezen, den stafdienst en de legerverple-

o. de leger-adininistratie, ook in verband met de wetten des Rijks; p. den dienst der Militaire Administratie in tijden van vrede en van oorlog;

(j. de militaire gezondheidsleer;

)•. de warenkennis (mechanische en chemische technologie daaronder begrepen);

s. de oorlogspolitiek en de oorlogsgebruiken; t. de staatswetenschappen;

u. het staats- en administratief recht van Nederlandsch-Indië; v. het Mahomedaansch recht;

w. de artillerie-wetenschap;

x. de versterkingskunst;

ij. de practische oefeningen;

2. het paardrijden.

41. Het leerplan voor de studiën bij art. 3, onder a ec b, bedoeld, wordt verdeeld over drie jaren.

Volgens bij Reglement vastgestelde regelen worden de leerlingen, in het belang van hunne practische vormen of voor het volgen van bijzondere studiën, met dat leerplan verband houdende, bij korpsen en burgerlijke of militaire instellingen gedetacheerd. (31, 38.)

42. De vergunning om aan het toelatings-examen voor de Hoogere Krijgsschool, volgens het daarvoor bij Reglement vastgestelde programma, deel te nemen, wordt verleend aan officieren, die:

n. op het tijdstip van den aanvang van het eerstvolgende leerjaar minstens vijf jaren in dien rang hebben gediend;

b. naar door Onzen Minister van Oorlog, zooveel noodig, in overleg met Onzen Minister van Koloniën, te stellen regelen — ook wat practische geschiktheid, gedrag en dienstijver betreft — daarvoor in aanmerking kunnen komen.

Wij behouden Ons voor aan officieren der Zeemacht — het Korps Mariniers daaronder begrepen — en, bij uitzondering, ook aan officieren van vreemde legers, te vergunnen, de lessen aan de Hoogere Krijgsschool te volgen.

43. Ten aanzien van de officieren, die hunne studiën aan de Hoogere Krijgsschool hebben voleindigd, wordt jaarlijks, door commis-

-ocr page 419-

WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT.

siën, door Onzen Minister van Oorlog te benoemen, aan dien Minister een verslag uitgebracht.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET TOEZICHT, HET BESTUUR EN DE LEERAREN.

Art. 44. Het toezicht op de in deze Wet genoemde Inrichtingen van Militair Onderwijs, is aan een\' Opper- of Hoofdofficier opgedragen. Hij voert als zoodanig den titel van Inspecteur van het Militair Onderwijs, en staat onmiddellijk onder de bevelen van Onzen Minister van Oorlog.

De werkkring en de bevoegdheid van dien Inspecteur worden bij Algemeenen Maatregel van Bestuur vastgesteld. (K.B. 25 Mei 1891, S. 98.)

45. Het bestuur over de Koninklijke Militaire Academie is aan eenen Gouverneur opgedragen.

Aan het hoofd van elk der andere in art. 6 genoemde Inrichtingen staat een Directeur.

46. Aan de Koninklijke Militaire Academie wordt door Onzen Minister van Oorlog een Kaad van Bijstand benoemd uit officieren en leeraren dier Inrichting.

47. Het onderwijs aan de in deze Wet genoemde Inrichtingen van Militair Onderwijs wordt gegeven door;

a. officieren;

b. burgerleeraren;

c. personen niet behoorende tot het vaste leeraarspersoneel.

De onder b bedoelde leeraars worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen; die onder a en c vermeld, worden door Onzen Minister van Oorlog aangewezen.

48. De reglementaire bepalingen, bedoeld bij de artt. 7, 9, 10, 15, 19, 25, 31, 32, 35, 38, 39, 41 en 42, worden, voor elk der daarbij bedoelde Inrichtingen, bij Algemeenen Maatregel van Bestuur vastgesteld. (K.B. 14 Sept. 1891, S. 170 gewijz. bij K.B. 8 Apr. 1893, S. 65; K.B. 22 Sept. 1892, S. 221 gewijz. bij K.B. 7 Dec. 1895, S. 221; KB. 5 Apr. 1893, S. 58 gewijz. bij K.B. 11 Febr. 1896, S. 26; K.B. 6 Apr. 1895, S. 40; K.B. 2 Dec. 1895, S. 185.)

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 49. Wij behouden Ons voor, op den grondslag van de in deze Wet voorkomende bepalingen, zoodanige overgangsmaatregelen te treffen, als Wij in het belang van het Militair Onderwijs, van de aanvulling van het officierskorps en van de betrokken personen

3(37

-ocr page 420-

368 WET OP HET MILITAIR ONDERWIJS LANDMACHT,

nuttig en noodig achten. Daarbij zal rekening worden gehouden met de verkregen rechten van hen, die op den dag van het in werking treden dezer Wet zijn toegelaten tot eene Inrichting van Militair Onderwijs ter opleiding van officieren.

50. Deze Wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. (Volg. K.B. 4 Apr. 1891, no. 22, is dit tijdstip bepaald op 20 Apr. 1891, behoudens overg.-bepalingen.)

Op dat tijdstip vervallen de Wet van 30 Mei 1877 (Staatsblad no. 141), gelijk deze is gewijzigd bij de Wetten van 11 Juli 1882 {Staatsblad no. 100), van 25 December 1887 (Staatsblad no. 217), van 4 Augustus 1888 {Staatsblad uo. 107) en van 28 Augustus 1889 {Staatsblad no. Ill), en voorts alle besluiten, verordeningen en voorschriften betreffende het Militair Onderwijs, voor zoover daarbij de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier zijn betrokken.

-ocr page 421-

WET

BETREKKELIJK DE NATIONALE MILITIE.

(Vastgesteld den 19den Augustus 1861, Stsbl. no. 72, uitgegeven den SOsten Aug. d.a.v. Gewijzigd bg de wetten van 1 Mei 1863, Stsbl. no. 44; 22 April 1861, Stsbl. no. 22; 11 Juli 1882, Stsbl. no. 92; 24 April 1884, Stsbl. no. 70; 15 April 1886, Stsbl. no. 64; 20 April 1895, Stsbl. no. 72; en 2 Juli 1898, Stsbl. no. 170.) 1)

Tijdelijk gewijzigd bg de wet van 4 April 1892, Stsbl. no. 56, uitgegeven den 12den April d.a.v., (verlengd bg de wetten van 20 April 1895, Stsbl. no 68 en 31 Deo. 1897, Stsbl, no. 288, en gewijzigd bg art. 5 der wet van 2 Juli 1898, Stsbl. no. 170) en bg art. 6 der wet van 2 Juli 1898, Stsbl. no. 170. 2)

HOOFDSTUK I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. [De sterkte der militie gaat het getal van 55000 man niet te boven.]

De militie wordt zooveel mogeliik uit vriiwillisrers zamengesteld. (G. 1848 art. 180.)

Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers voor de militie wordt zij voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, [die hun 20ste jaar zijn ingetreden] die voor de lig ting van het volgend jaar zijn ingeschreven. (G. 181; G. 1848 art. 181; Mil. 15.)

2. Jaarlijks geschiedt eene ligting, het getal van 11000 man niet te boven gaande.

De hoegrootheid van elke ligting en van het daarin door elke provincie te dragen aandeel wordt jaarlijks door Ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit.

Dit aandeel wordt bepaald in evenredigheid tot het getal der in de provinciën in het [vorig] loopend jaar voor de militie ingeschrevenen, voor zoover zij op den Sisten [December] Augustus van dat jaar

1) De roet * gemerkte artikelen of onderdeelen van artikelen zgn aldus gewgzigd vastgesteld of toegevoegd volgens de wet van 24 April 1884, Stsbl. no. 70, uitgegeven 1 Mei 1884.

De met ** gemerkte artikelen of onderdeelen van artikelen zgn aldus gewgzigd vastgesteld of toegevoegd volgens de Wgzigingswet van 2 Juli 1898, Stsbl.no. 170, in werking tredend 1 Sept. 1898. Zie art. 2 enz. dezer wet blz. 404a.

2) De tydelyke wijzigingen volgens deze wetten, geldig tot 1 Mei 1901 (volgens de wet van 31 Dec. 1897, Stsbl. po. 288), zgn in den tekst der betreffende artt cwmeA gedrukt, terwgl het tgdelü k hierin verval lene tusschen f 1 is eeplaatst

STAATSWETTEN, SEPT. \'98. 26

-ocr page 422-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

in leven waren. Daarbij worden niet in rekening gebragt zij, die vóór hunne inschrijving bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen in dienst getreden zijn en zich nog daarin bevinden. (G. 181, 183.)

3. Het door elke gemeente in het aandeel der provincie te dragen gedeelte wordt door Gedeputeerde Staten bij een in het provinciaal blad te plaatsen besluit bepaald, in evenredigheid tot het getal der in de gemeente, in het [vorig] loopend jaar voor de militie ingeschrevenen, voor zoover zij op den Sisten [December] Augustus van dat jaar in leven waren. Daarbij worden niet in rekening gebragt zij, die vóór hunne inschrijving bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen in dienst getreden zijn en zich nog daarin bevinden.

Ter bepaling van dat aandeel kunnen, zoo noodig, twee of meer gemeenten, voor elke ügting afzonderlijk, door Gedeputeerde Staten worden zamengevoegd.

**4. Een ieder, die tot de dienst bij de militie wordt verpligt, is, 1 overeenkomstig de bepalingen dezer wet, gehouden zijne dienst in persoon waar te nemen. (Mil. 49, 52, 124.)

5. Een deel van elke ligting kan voor de dienst ter zee worden bestemd.

Het wordt door Ons bepaald en bedraagt niet meer dan zes honderd man. (G. 183; G. 1848 art. 186.)

6. [Voor] Behoudens de uitzonderingen hij de wet gemaakt, duurt de dienst voor de ingelijfden bij de militie te land [, duurt de dienst vijf,] zeven, voor die bij de militie ter zee [vier] vijj jaren. (G. 1848artt. 182,18().)

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst ver-pligten. (G. 185.)

7. In elke provincie is een militieraad en een militie-commissaris.

In zeer bevolkte of uitgestrekte provinciën kunnen twee of meer

militieraden en militie-commissarissen zijn. (Mil. 70 volg., 83,106 volg.)

8. Hij, die op den Isten January van het jaar zijn 19de jaar was ingetreden, maar zijn 40ste niet had volbragt, wordt niet tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbindtenis tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart toegelaten, dan na te hebben bewezen, tot op het tijdstip van de aangifte tot het aangaan van een huwelijk of van eene verbindtenis voor de buitenlandsche zeevaart, zijne pligten ten aanzien van de militie te hebben vervuld, of tot geene dienst bij de militie gehouden te zijn of geweest te zijn. (Mil. 187, 1°., 2°.; B.W. 41, 126; K. 341 v., 394 v.)

Op de bij de militie ingelijfden zijn bovendien de artt. 128, 120, 136, 156 en 157 toepasselijk.

**9. Elk, die voor de militie is ingeschreven, en ieder, die daarbij is ingelijfd, kan, overeenkomstig de daaromtrent bestaande voorschriften, tot eene vrijwillige verbindtenis voor den tijd van zes jaren o£ langer worden toegelaten bij de zeemagt, het corps mariniers hier-

370

-ocr page 423-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 371

onder begrepen, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk, dienende in \'s Eijks overzeesche bezittingen.

Hij, die bij het aangaan van zoodanige verbindtenis reeds bij de militie is ingelijfd, of daartoe later wordt opgeroepen, strekt altijd in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, binnen welke hij is ingeschreven. (Mil. 3, 11 v., 129.)

**10. Alle volgens deze wet over te leggen stukken zijn vrij van zegel-, registratie- en legalisatiekosten.

HOOFDSTUK II.

VAN DE VRIJWILLIGERS BIJ DB MILITIE.

Art. 11. Om vrijwilliger bij de militie te zijn, moet men ongehuwd of kinderloos weduwenaar en ingezeten wezen, voorts ligchamelijk voor de dienst geschikt, ten minste 1,56 el lang, op den Isten Januarij van het jaar der [optreding] toelnting als vrijwilliger het [20ste] 19dc jaar ingetreden zijn en het 35ste jaar niet volbragt hebben, tot op het tijdstip der [optreding] toelating aan zijne verpligtingen ten aanzien van de militie, zoover die te vervullen waren, voldaan en een goed zedelijk gedrag hebben geleid. (Mil. 15noot,47,88; K.B.2Nov. 1883,S. 151.)

Het bezit van die vereischten, met uitzondering van de ligchame-lijke geschiktheid en van de gevorderde lengte, wordt bewezen door een getuigschrift van den burgemeester der woonplaats.

Dat getuigschrift is ingerigt in den door Ons te bepalen vorm.

12. Hij. die voor de militie is ingeschreven, wordt slechts als vrijwilliger toegelaten voor de gemeente, in welke hij ingeschreven is, tenzij hij geene verpligtingen ten aanzien van de militie meer te vervullen hebbe. (Mil. 9.)

13. Hij, die bij de zeemagt, bij het leger hier te lande, of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen heeft gediend, wordt niet als vrijwilliger bij de militie toegelaten, tenzij hij bij het verlaten van de dienst, behalve een bewijs van ontslag van den bevelhebber, onder wien hij laatstelijk heeft gediend, een getuigschrift hebbe ontvangen, inhoudende, dat hij zich gedurende zijn diensttijd, goed heeft gedragen. (Mil. 159.)

Hij kan, heeft hij dit ontvangen, totdat zijn 40ste jaar volbragt is, als vrijwilliger bij de militie worden toegelaten.

14. De vrijwilligers strekken in mindering van het aandeel in de ligting, te dragen door de gemeente, voor welke zij optreden. (Mil. 3,172.)

HOOFDSTUK III.

VAN DE INSCHRIJVING VOOR DE MILITIE.

Art. 15. Jaarlijks worden voor de militie ingeschreven alle mannelijke ingezetenen, die op den Isten Januarij van het jaar hun 19de jaar waren ingetreden. (Mil. 20 v., 58, 161, 181.)

26*

-ocr page 424-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Voor ingezeten wordt gehouden

1°. hij, wiens vader, of, is deze overleden, wiens moeder, of, zijn beiden overleden, wiens voogd ingezeten is volgens de wet van den 28sten Julij 1850 {Staatsblad no. 44); (G. 6; Wet 12 Dec. 1892, S. 268; Wet 22 Juni 1893, S. 91. f )

2quot;. hij, die, geen ouders of voogd hebbende, gedurende de laatste, aan het in de eerste zinsnede van dit artikel vermelde tijdstip voorafgaande, achttien maanden in Nederland verblijf hield; (Wet 12 Dec. 1892, S. 268 art. 13.)

3°. hij, van wiens ouders de langstlevende ingezeten was, al is zijn voogd geen ingezeten, mits hij binnen het Rijk verblijf houdt.

Voor ingezeten wordt niet gehouden de vreemdeling, behoorende tot eenen Staat, waar de Nederlander niet aan de verpligte krijgsdienst is onderworpen, of waar ten aanzien der dienstpligtigheid het beginsel van wederkeerigheid is aangenomen.

16. De inschrijving geschiedt:

lu. van een ongehuwde in de gemeente, waarde vader, of, isdeze overleden, de moeder, of, zijn beiden overleden, de voogd woont; (B.W. 78.)

2°. van een gehuwde en van een weduwenaar in de gemeente, waar hij woont;

3°. van hem, die geen vader, moeder of voogd heeft of door dezen is achtergelaten, of wiens voogd buiten \'s lands gevestigd is, in de gemeente, waai- hij woont;

4°. van den buiten \'s lands wonenden zoon van een Nederlander, die ter zake van \'s lands dienst in een vreemd land woont, in de gemeente, waar zijn vader of voogd het laatst in Nederland gewoond heeft. (Mil. 23.)

17. Voor de militie wordt niet ingeschreven: (Mil. 15 en noot.)

1°. de in een vreemd Rijk achtergebleven zoon van een ingezeten,

die geen Nederlander is:

t) De wet van 22 Juni 1893, Stsbl. no. 91. bepaalt:

Art. 1. Voor zoover voor de toepassing der wet betrekkelijk de Nationale Militie, ter aanwijzing wie ingezetene is of wie voor ingezetene wordt gehouden, de bepalingen gelden, voorkomende in artikel 3, eerste, tweede en derde lid, der wet van 28 Juli 1850 (Staatsblad no. 44), gewijzigd bij de wet van 3 Mei 1851 (Staatsblad no. 4S), blijven die bepalingen daarvoor van kracht. \')

Art. 2. Deze wet treedt in werking op 1 Juli 1893.

Igt; I)e iuer bedoelde bepalingen tuiden:

Gevestigd of ingezetenen zijn, die binnen bet Rgk in Europa hebben gewoond;

1°. gedurende de drie laatste jaren;

2°. gedurende achttien maanden, na aan het bestuur hunner woonplaats het voornemen tot vestiging te hebben verklaard.

Nederlanders z(jn gevestigd of ingezetenen, die gedurende de laatste achttien maanden hunne woonplaats binnen het Rijk in Europa hebben gehad.

Nederlanders, die ter zake van \'s Lands dienst in een vreemd land wonen, worden voortdurend als ingezetenen beschouwd.

372

-ocr page 425-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

2°. de in een vreemd Kijk verblijf houdende ouderlooze zoon van een vreemdeling, al is zijn voogd ingezeten;

3quot;. de zoon van den Nederlander, die ter zake van \'s lands dienst in \'s Rijks overzeesche bezittingen of koloniën woont. \') (Wet 12 Dec. 1892, S. 268.)

18. Elk, die volgens art. 15 behoort te worden ingeschreven, is verpligt zich daartoe bij burgemeester en wethouders aan te geven tusschen den Isten en den 31sten Januarij. (Mil. 21 v.)

Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis is zijn vader, of, is deze overleden, zijne moeder, of, zijn beiden overleden, zijn voogd, tot het doen van die aangifte verpligt. (Mil. 183.)

De wijze, waarop van het doen van de aangifte blijken moet, wordt door Ons bepaald. (K.B. 17 Dec. 1861, S. 127, tijdelijk gewijzigd bij K.B. 22 Juli 1892, S. 179 jto., 25 Mrt. 1898, S. 67.)

19. Jaarlijks, in den loop der maand December, geschiedt, ten minste twee malen, door burgemeester en wethouders eene openbare kennisgeving, waarbij de verpligting tot het doen van de aangifte in de volgende maand Januarij wordt herinnerd.

20. Hij, die eerst na het intreden van zijn 19de jaar, doch vóór het volbrengen van zijn 20ste, ingezeten wordt, is verpligt, zich, zoodra dit plaats heeft, ter inschrijving aan te geven bij burgemeester en wethouders der gemeente, waar de inschrijving, volgens art. lö, moet geschieden. (Mil. 15.)

Daarbij gelden de bepalingen der 2de en 3de zinsneden van art. 18.

Zijne inschrijving geschiedt in het register van het jaar, waartoe hij volgens zijnen leeftijd behoort. (Mil. 25, 27, 39.)

21. Hij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, wordt door burgemeester en wethouders, zoo zij het ontdekken, ambtshalve ingeschreven. Zij geven daarvan terstond aan hem of aan zijn vader of voogd kennis. (Mil. 26, 27, 161.)

22. Hij, die zich na den 31sten Januarij, doch vóór den 31sten [December] Augustus ter inschrijving aangeeft, wordt alsnog ingeschreven. (Mil. 25, 127.)

23. Hij, die teregt in een gemeente is ingeschreven, blijft tot de voor de militie ingeschrevenen van die gemeente behooren, al verandert hij van woonplaats. (Mil.-16.)

24. Behoudens de bepalingen in art. 18, zenden bestuurders van krankzinnigen-, doofstommen-, blinden- en bedelaarsgestichten, die der Koloniën van Weldadigheid, van Rijkswerkinrigtingen a) en van gevangenissen jaarlijks, vóór den lOden Januarij, eene opgave van de daarin opgenomen jongelingen, die op den Isten Januarij hun 19de jaar zijn ingetreden, aan Onzen commissaris in de provincie, in welke

1) Deze slotbepaling is aan artikel 17 toegevoegd door de wet van 1 Mei 1863, Stsbl. no. 44.

2) Van Rijkswerkinrigtingen tusschen gevoegd by art. 10 sub 17° van de (Inv.) wet van 15 April 1886 no. 64.

373

-ocr page 426-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

de inschrijving van die jongelingen voor de militie moet plaats hebben. (Mil. 39, 183.)

De opgave betreffende de gevangenen vermeldt het strafbaar feit, dat hun is ten laste gelegd of waarvoor zij veroordeeld zijn. \')

25. Het register van inschrijving wordt jaarlijks op den 31sten Januarij voorloopig en op den 31sten [December] Augustus voor goed gesloten, op beide dagen des namiddags ten 4 ure. (Mil. 22, 27.)

Na de sluiting, die op het register vermeld en door de onderteeke-ning van den burgemeester en den secretaris bekrachtigd wordt, worden geene personen meer ingeschreven dan de in art. 20 bedoelde.

26. Het register wordt met eene daaruit opgemaakte alphabetische naamlijst, vóór den 7den [Januarij] September van het jaar [volgende op dat] der inschrijving, door den burgemeester gezonden aan Onzen commissaris in de provincie, die deze stukken onderzoekt, zoo noo-dig verbetert en vóór den 22sten [Januarij] September aan den burgemeester terugzendt.

Register en lijst worden daarna, uiterlijk den 27sten [Januarij] September, gedurende ten minste acht dagen, op de secretarie der gemeente voor elk ter lezing nedergelegd. (Mil. 27.)

Van die nederlegging geschiedt openbare kennisgeving.

Tegen register en lijst kan binnen den tijd der nederlegging op de wijze, in art. 90 vermeld, bezwaar worden ingebragt bij Onzen commissaris in de provincie, die daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak doet. (Mil. 31, 34.)

HOOFDSTUK IV.

VAN DE LOTELINGEN.

Art. 27. De loting der [in het vorige] mór den hten September ran het jaar voor de militie ingeschrevenen geschiedt [jaarlijks] tus-schen den 7den [Februarij] October en den 7den [Maart] November.

28. Onze commissaris in de provincie bepaalt de plaatsen, dagen en uren voor de loting. (Mil. 40 v.)

Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en wethouders, twee malen vóór den bepaalden dag, openbare kennisgeving.

Tusschen de eerste en tweede openbare kennisgeving moeten ten minste drie dagen verloopen en de tweede ten minste drie dagen vóór den dag der loting plaats hebben. (Mil. 39.)

29. Van wege de gemeente, waar de loting plaats heeft, wordt zorg gedragen voor een daartoe geschikt vertrek. (Mil. 85.)

30. De loting geschiedt ten overstaan van den militie-commissaris of van een van de militie-commissarissen in de provincie, voor elke gemeente afzonderlijk. (Mil. 106 v.)

1) Art. 34 alduBgewijzigddoor art.10, no.17der (Inv,)wet™n 15 April 1886, Stsbl. no.fH,

374

-ocr page 427-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Gemeenten, krachtens de slotbepaling van art. 3 zamengevoegd, worden voor ééne gemeente gehouden.

De burgemeester of een lid van den raad van elke gemeente is tegenwoordig, wanneer er voor zijne gemeente wordt geloot.

De burgemeesters of raadsleden, die zich tot het bijwonen van de loting buiten hunne woonplaats begeven, genieten reis- en verblijfkosten uit \'s Rijks kas, volgens het door Ons te bepalen bedrag.

De secretaris van den militieraad is tot bijstand van den militie-commissaris bij de loting tegenwoordig. (Mil. 76, 78.)

De militie-commissaris is bevoegd, tot handhaving der orde bij de loting, de sterke hand in te roepen. (Mil. 84, 108.)

31. Bij de loting zijn voorhanden de inschrijvingsregisters en alpha-betisohe naamlijsten van al de gemeenten, waarvoor wordt geloot. (Mil. 26.)

32. De militie-commissaris telt in het openbaar zooveel nummers of loten voor, als het getal der ingeschrevenen bedraagt.quot;

Hij doet die nummers vervolgens in eene bus, waarvan de vorm en de wijze van plaatsing door Ons worden voorgeschreven.

33. De ingeschrevenen, in alphabetische orde op te roepen, trekken zeiven hunne nummers. (Mil. 31.)

Voor den ingeschrevene, die niet is opgekomen, kan het nummer getrokken worden door zijn vader, moeder of voogd.

Is ook deze niet opgekomen, dan geschiedt het trekken door den burgemeester of het lid van den raad der gemeente, waar de loteling is ingeschreven. (Mil. 30.)

Nadat het getrokken nummer door den militie-commissaris overluid is voorgelezen, wordt het den loteling teruggegeven. (Mil. 42.)

34. De opgekomen ingeschrevene wordt dadelijk na het trekken van zijn nummer gemeten, en geeft de redenen van vrijstelling op, die hij meent te hebben. (Mil. 47, 88.)

Het opgeven van deze redenen kan door zijn vader, moeder of voogd geschieden, zoo deze tegenwoordig en de ingeschrevene niet opgekomen is. (Mil. 33.)

De geslachts- en voornamen van iederen loteling, de dag, de maand, het jaar en de plaats zijner geboorte, zijn beroep, de namen zijner ouders of, zoo zijne ouders overleden zijn, die van zijnen voogd, de uitslag der loting, de lengte van den loteling en de opgegeven redenen van vrijstelling, worden in een daartoe bestemd lotingsregister vermeld. Elk getrokken nummer wordt onmiddellijk bij den naam van den loteling, wien het geldt, op de alphabetische lijst ingevuld. (Mil. 26, 94.)

35. Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag waarop de loting heeft plaats gehad, kunnen, tegen de wijze waarop zij is geschied, bij Gedeputeerde Staten bezwaren worden ingebragt door belanghebbende lotelingen, of door hun vader of voogd. De twee eerste zinsneden van art. 99 zijn hierbij van toepassing. (Mil. 43.)

36. Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwa-

375

-ocr page 428-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

ren zonder uitstel en doen ten spoedigste eene uitspraak, met redenen omkleed, hetzij tot handhaving hetzij tot vernietiging van de plaats gehad hebbende loting, naar gelang eene gepleegde onregelmatigheid op den uitslag der loting al dan niet van invloed heeft kunnen zijn. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der betrokken gemeente, aan den militie-commissaris en aan hen, die de bezwaren inbragten.

Strekt de uitspraak tot vernietiging van de loting, dan beveelt Onze commissaris in de provincie het houden eener nieuwe loting. Hierbij gelden de artt. 28—34. (Mil. 43 v.)

37. Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten kan gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag waarop de uitspraak ter kennis van de belanghebbenden is gebragt, bij Ons in beroep worden gekomen door belanghebbende lotelingen, of door hun vader of voogd. Hierbij geldt art. 104.

De uitvoering van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, waarvan bij Ons in beroep is gekomen, blijft tot aan Onze beslissing geschorst.

(Mil. 43; P. 168.)

38. De kosten van de gedrukte registers, van de lengtematen en van hetgeen verder bij de loting noodig is, komen ten laste van \'s Kijks kas.

§ 2. Van de naloting.

Art. 39. Ter naloting wordt toegelaten:

lu. hij die door verzuim van de betrokken overheid o.c van de in art. 24 bedoelde personen aan de gewone loting geen deel heeft genomen; (Mil. 33.)

2quot;. hij die, nadat de in art. 28 bedoelde tijd der loting is verstreken, ingeschreven is volgens art. 20.

**Is de ligting, waarvoor de sub 1°. bedoelde persoon volgens zijnen leeftijd had moeten loten, niet meer in dienst, dan loot hij niet na, maar wordt door den militieraad, of, zoo de zitting van dien raad is afgeloopen, door Gedeputeerde Staten van de dienst vrijgesteld.

40. Het houden van eene naloting wordt bevolen door Onzen commissaris in de provincie.

41. De naloting geschiedt op, de wijze, in de artt. 28—34 bepaald.

42. Nadat door of voor hem, die naloot, uit al de nummers, welke in de loting der betrokken gemeente en van het jaar, waarvoor de naloting geschiedt, zijn begrepen geweest, er een is uitgetrokken, worden op nieuw twee biljetten in de bus gedaan, ieder vermeldende hetzelfde nummer, dat getrokken is, doch van elkander onderscheiden door A en B.

Daarvan wordt door of voor hem, die naloot, er wederom een uitgetrokken tot aanwijzing van de volgorde van oproeping. Het nummer, gemerkt A, wordt gerekend het laagste der beide gelijke nummers te zijn. (Mil. 44, 46.)

43. Tegen de wijze, waarop de naloting is geschied, kan bezwaar worden ingebragt bij Gedeputeerde Staten en van de uitspraak van

376

-ocr page 429-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep worden gekomen. De artt. 35, 36 en 37 zijn hierbij van toepassing.

44. **Hij, die nageloot heeft en redenen van vrijstelling meent te hebben, brengt die, zoo de zitting van den militieraad is afgeloopen, in bij Gedeputeerde Staten van de provincie, binnen welke hij ia ingeschreven. (Mil. 88.)

quot;quot;Gedeputeerde Staten doen daaromtrent en in het algemeen omtrent het al of niet aanwijzen voor de dienst van hem, die nageloot heeft, ten spoedigste eene uitspraak. Verkeert hij in een der gevallen in art. 56 vermeld, dan wordt, voor zoover hij niet krachtens de laatste zinsnede van art. 39 van de dienst moet worden vrijgesteld, de behandeling van zijne zaak aangehouden tot na zijne invrijheidstelling of tot dat de tijd verstreken is, waarvoor hem het regt werd ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen.

Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wien de uitspraak geldt, behoort. (Mil. 36.)

Strekt de uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeesterenwethoudersdaarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen, of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst wordt ontslagen, of aan zijn vader of voogd. (Mil. 42.)

Indien een geneeskundig onderzoek noodig is, worden Gedeputeerde Staten bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid. (Mil. 80.)

De burgerlijke geneeskundige wordt door Onzen commissaris in de provincie en de officier van gezondheid door den chef van de geneeskundige dienst van de zee- of van de landmagt aangewezen.

Zij leggen in handen van Onzen commissaris den in art. 81 bedoelden eed of belofte af.

Is geen officier van gezondheid beschikbaar, dan wijst Onze Commissaris een tweeden burgerlijken geneeskundige aan.

Op de burgerlijke geneeskundigen is art. 82 van toepassing.

Gedeputeerde Staten zijn niet verpligt, in het doen van hunne uitspraak het gevoelen der burgerlijke en militaire geneeskundigen te volgen. (Mil. 95, 101, 179.)

45. Tegen de uitspraak van den militieraad kan bezwaar worden ingebragt bij Gedeputeerde Staten, op de wijze en door de personen, in de artt. 97—99 bedoeld.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 103—105.

*46. Hij, die nageloot heeft en voor de dienst is aangewezen, wordt, indien het door hem getrokken nummer in de termen van oproeping valt, ingelijfd ten behoeve van de ligting [van het jaar, waarin] voor welke, hij had moeten loten, of, is deze ligting niet meer in dienst, ten behoeve van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen. (Mil. 127bw.)

377

-ocr page 430-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt, bij zijne inlijving, de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, voor welke de naloting plaats had, ontslagen.

HOOFDSTUK V.

VAN VRIJSTELLING VAN DE DIENST. (Mil. 127, 127bis, 178.)

Art. 47. Vrijstelling van de dienst bij de militie wordt verleend aan den loteling: (Mil. 48.)

1°. die kleiner is dan 1,55 el; (Mil. 11,88.)

2°. die door ziekelijke gesteldheid of gebreken voor de krijgsdienst ongeschikt is; (Mil. 88; K.B. 2 Nov. 1883, S. 151; S.K. 20Ö.)

3U. die eenige wettige zoon is, onverschillig of de ouders in leven of overleden zijn;

4°., die vóór den Isten Januarij van het jaar, waarin hij voor de militie werd ingeschreven, bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen in dienst is getreden en zich nog in dienst bevindt;

öu. die adelborst of kadet is op eene van \'s Rijks militaire scholen;

0°. die van rijkswege of in eene van \'s Rijks inrigtingen, hetzij voor de militaire geneeskundige dienst, hetzij tot militairen paardenarts wordt opgeleid;

7°. die vijf jaren in een lageren rang dan dien van officier bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen als vrijwilliger gediend heeft. (Mil. 53.)

48. Vrijstelling van de dienst bij de militie wordt insgelijks aan een loteling verleend, wanneer zijn wettige broeder of halve broeder in een lageren rang dan dien van officier dient of gediend heeft, hetzij bij de militie, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen. (Mil. 49 v., 53, 127hi.i; Wijz.w. 1898, art. 3.)

49. De vrijstelling wordt zoo verleend, dat van een even getal broeders de helft en van een oneven de kleinere helfl diene.

Eene bij deze wet gevoegde tabel wijst aan, hoe de vrijstelling wegens broederdienst wordt verleend, wanneer vier of meer zonen in een gezin aanwezig zijn.

Moet van twee of meer broeders, die in hetzelfde jaar geboren zijn, aan één of meer vrijstelling worden verleend, dan wordt, tenzij zij onderling anders overeenkomen, hij, die het laagste nummer heeft getrokken, voor de dienst aangewezen. (Mil. 52.)

50. De vrijstelling wegens broederdienst wordt slechts verleend, wanneer de broeder; (Wijz.w. 1898, art. 3.)

1°. alsnog in dienst is;

378

-ocr page 431-

I

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

2°. gedurende vijf jaren, hetzij bij de militie te land, hetzij als vrijwilliger bij de zeemagt, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in \'s Rijks overzeesche bezittingen gediend heeft; (Mil. 6, 58.)

3°. gedurende vier jaren bij de zeemilitie gediend heeft; (Mil. 6.)

4quot;. wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door de dienst bekomen, ontslagen of gedurende zijn diensttijd overleden is;

5°. na drie jaren te hebben gediend, wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, niet door de dienst bekomen, is ontslagen;

6°. na drie jaren bij de militie te hebben gediend, ten gevolge van eene uitspraak van den militieraad of van Gedeputeerde Staten uit de dienst is ontslagen;

**7quot;. Vervallen.

51. Als broederdienst komt niet in aanmerking:

1°. die vóór het voleindigen van het zestiende levensjaar;

2°. die van adelborst of kadet bij de zee- of landmagt;

3quot;. die van adjunct-administrateur of scheepsklerk bij de zeemagt;

4°. die van kweekeling voor de militaire geneeskundige dienst;

5°. die ter opleiding tot militairen paardenarts;

**Oud 6°. Vervallen.

**6quot;. (oud 7U.) die van den loteling, welke krachtens art. 127, voor de tweede maal van de werkelijke dienst ontheven is geweest;

7°. (oud 8°.) die van den loteling, welke op het oogenblik, dat de militieraad omtrent zijnen broeder uitspraak doet, krachtens datzelfde artikel van de werkelijke dienst is ontheven.

52. Worden twee of meer broeders in hetzelfde jaar dienstpligtig, dan wordt alleen de helft van hun getal, of, is dit oneven, de kleinere helft voor de dienst aangewezen volgens den regel, gesteld in de laatste zinsnede van art. 49.

53. Om vrijstelling wegens eigen militaire dienst of die van broeders te verkrijgen, moet men overleggen een paspoort of ander bewijs van ontslag, of een uittreksel uit het stamboek of een bewijs van werkelijke dienst.

Ter bekoming van vrijstelling wegens broederdienst moet men bovendien overleggen een getuigschrift van den burgemeester, waaruit het getal zonen, tot het gezin behoorende, blijkt.

Vrijstelling als eenigen wettigen zoon wordt verleend op overlegging van een getuigschrift van den burgemeester, waaruit blijkt, dat men eenige wettige zoon is.

Deze getuigschriften zijn ingerigt in den door Ons te bepalen vorm.

(K B. 8 Mei 1862, S. 46 en 17 Febr. 1870, S. 34.)

54. Elke reden van vrijstelling moet bestaan op het tijdstip, waarop zij wordt aangevraagd.

Vrijstelling, aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken of wegens gemis aan lengte, wordt niet verleend, wanneer de loteling, die haar vraagt, niet voor den militieraad is verschenen, behoudens het geval, bedoeld in art. 89. (Mil 76 v., 88 sub 2°, 89.)

379

-ocr page 432-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

HOOFDSTUK VI.

VAN UITSLUITING VAN DE DIENST.

Art. 55. Tot de dienst bij de militie wordt niet toegelaten de lo-teling: (Mil. 59.)

*1quot;. die veroordeeld is tot de doodstraf, tot eene onteerende straf, tot kruiwagenstraf of tot de straf van cassatie met ontzetting van het regt om ooit weder bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, of die als eerlooze schelm weggejaagd of van den militairen stand of van de betrekking van militair geëmployeerde vervallen verklaard is, al heeft hij gratie verkregen; (Mil. 130; Wet 14 Nov. 1879, S. 191 art. 4 en 14 Nov. 1879, S. 193 art. 4.)

2°. die krachtens de wet van den 28sten Junij 1854 (Staatsblad no. 96), of op grond van hel Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande, met een briefje van ontslag uit de dienst bij de zee-of landmagt is weggezonden; (Wet 14 Nov. 1879 S. 192 art. 3 en 14 Nov. 1879, S. 194 art. 11.)

3quot;. die tot eene gevangenisstraf van één jaar of langer onherroepelijk is veroordeeld. 1)

56. Tot de dienst bij de militie wordt voorloopiy niet toegelaten de loteling; (Mil. 57.)

**1°. die zich in verzekerde bewaring bevindt en omtrent wiens zaak, bij het sluiten van de zitting van den militieraad, bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak niet is beslist; \') (S.V. 45, 79, 81 v., 98, 227, 229.)

**2°. die wegens een strafbaar feit is veroordeeld en zich bij het sluiten van de zitting van den militieraad nog in verzekerde bewaring bevindt; 1)

*t*3u. wien tijdelijk het regt is ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, voor zoover de tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken, bij het sluiten der zitting van den militieraad niet is verstreken. (S.K. 28 sub 2quot;.)

57. \'\'Hij, die in een van de gevallen, in het voorgaande artikel bedoeld, heeft verkeerd, verschijnt binnen acht dagen nadat hij in vrijheid is gesteld of nadat de tijd is verstreken, waarvoor hem het regt werd ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, voor den burgemeester der gemeente, voor welke hij heeft geloot, en geeft de redenen van vrijstelling op, die hij vermeent te hebben. Van dit verschijnen wordt hem een bewijs afgegeven.

De burgemeester geeft daarvan dadelijk kennis aan Onzen commissaris in de provincie, die den loteling ten spoedigste voor Gedeputeerde Staten doet verschijnen.

Gedeputeerde Staten doen omtrent het al of niet aanwijzen van den loteling voor den dienst ten spoedigste eene uitspraak.

380

1

Art. 65, no. 3 toegevoegd en art. 56, nos. 1 en 2 gewgzigd door art. 10, no. 17 der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 433-

WET BKTREK KELIJK DE NAT. MIWTIE.

De acht laatste zinsneden van art. 44 \'en 45 zijn hierbij vau toepassing. (Mil. 58, 167, 181, 184.)

58. Is de loteling krachtens het voorgaand artikel bij de einduitspraak voor de dienst aangewezen, en zou het bij de loting voor hem getrokken nummer zijn opgeroepen geweest, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor [vijf] zeven jaren ingelijfd. (Mil. 6, 8.)

Hij komt in mindering van de ligting [van het jaar, waarin] voor welke voor hem is geloot, of, is die ligting reeds ontslagen, in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, reeds afgeleverd, dan wordt bij zijne inlijving de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen. (Mil. 4(3.)

De loteling echter, bedoeld bij de eerste alinea van art. 56, zal, zoo hij werd vrijgesproken of van vervolging ontslagen, in elk geval worden gerekend te behooren tot de ligting [van het jaar, waarin] voor welke hij geloot heeft, en met deze worden ontslagen. De dienst, alzoo door hem volbragt, wordt voor de toepassing van art. 50, 2°, voor vijfjarige dienst gerekend.

59. *Indien het blijkt, dat een loteling die in het geval van art. 55 verkeert, tot de dienst is aangewezen, of wanneer een tot de dienst verpligt loteling na zijne aanwijzing tot de dienst en vóór zijne inlijving bij de militie in dat geval is geraakt, dan wordt dit terstond ter kennis gebragt van Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hij voor de militie is ingeschreven.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak, en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wien de uitspraak geldt, behoort. (Mil. 36, 44.)

Burgemeester en wethouders geven van de uitspraak dadelijk kennis aan den loteling, die ten gevolge daarvan zal worden opgeroepen, of aan zijn vader of voogd.

Van die uitspraak kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 103—105. (Mil. 97, 99.)

Is de loteling, in de eerste zinsnede van dit artikel bedoeld, ingelijfd en wordt hij bij de einduitspraak van de dienst uitgesloten, dan wordt hij terstond daaruit weggezonden.

^Geschiedt die wegzending vóór den laden December van het jaar, [waarin] waartoe de ligting behoort, voor welke hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggende hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is opgetreden, onverwijld ter inlijving opgeroepen. Is den houder van dat nummer tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt de oproeping uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

381

-ocr page 434-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

**HOOFDSTUK VII.

**VAN DE VERVANGING.

**Artt. 60—75. Vervallen volgens art. 1 der Wijzig.wet van 1898.

HOOFDSTUK VIII.

VAN DEN MILITIERAAD.

§ 1. Van de zamensteliing van den militieraad.

Art. 76. De militieraad is zamengesteld uil:

een lid van de Provinciale Staten, niet tot de Gedeputeerde Staten behoorende, als voorzitter;

eeu lid van den raad van eene van de onder het regtsgebied van den militieraad behoorende gemeenten;

een hoofdofficier van de landmagt, of, ingeval geen hoofdofficier beschikbaar is, een officier van minderen rang.

Aan den militieraad wordt een secretaris toegevoegd. (Mil. 7.)

77. Dc voorzitter en de leden van den raad worden jaarlijks door Ons benoemd.

Tevens wordt door Ons benoemd een lid van de Provinciale Staten, niet tot de Gedeputeerde Staten behoorende, om den vooizitter, een raadslid om het raadslid, en een officier om den hoofdofficier, ingeval van ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis te vervangen. (Mil. 44, 93, 97 volg.)

78. De secretaris wordt jaarlijks door Onzen commissaris in de provincie benoemd. (Mil. 30, 82.)

79. De militie-commissaris heeft zitting in den raad en eene raadgevende stem. (Mil. 106 volg.)

80. De militieraad wordt bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid. (Mil. 44 al. 5 v., 95.)

De burgerlijke geneeskundige wordt door den raad en de officier van gezondheid door den chef van de geneeskundige dienst van de zee- of van de landmagt aangewezen.

Is geen officier van gezondheid beschikbaar, dan wijst de militieraad een tweeden burgerlijken geneeskundige aan.

De burgerlijke geneeskundigen worden zooveel mogelijk dagelijks afgewisseld.

81. De burgerlijke geneeskundigen en de officieren van gezondheid leggen, eenmaal voor elke ligting, alsvorens hunne werkzaamheden bij den militieraad aan te vangen, in handen van den voorzitter van den raad een eed of belofte af, volgens een daarvan door Ons te geven voorschrift. (K.B. 25 Maart 1862, S. 34.)

82. De voorzitter en het burgerlijke lid van den militieraad en de

382

-ocr page 435-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

in art. 80 bedoelde burgerlijke geneeskundigen genieten voor elke vergadering, die zij bijwonen, een door Ons te bepalen presentiegeld en de secretaris eene jaarlijksche bezoldiging. (K.B. 3 Jan. 1862, S. 11.)

Zij ontvangen voorts, zoo zij zich ter behandeling der zaken van den militieraad buiten hunne woonplaats moeten begeven, reis- en verblijfkosten uit \'s Rijks kas, volgens het door Ons te bepalen bedrag. (Mil. 44; K.B. 5 Jan. 1884, S. 4, gew. 24 Febr. 1898, S. 56.)

§ 2. Van de werkzaamheden en de bevoegdheid van den militieraad.

Art. 83. Zoo Wij noodig achten, dat in eene provincie meer dan één militieraad zij, wordt het regtsgebied van eiken van die raden door Ons bepaald. (Mil. 7; K.B. 21 Dec. 1861, S.S. 130—136; K.B. 29 Sept 1864, 8. 98; K.B. 8 Mei 1862, S. 46, tijdelijk gewijzigd bij K.B. 22 Juli 1892, S. 179 jto. 25 Maart 1898, S. 67, 1. gew. 19 Sept. 1894, S. 154.)

84. De militieraad vergadert in de hoofdplaats der provincie, of, bestaat er in de provincie meer den één militieraad, in de daartoe door Ons aangewezen gemeente. (Mil. 76.)

Hij kan in meer dan ééne gemeente vergaderen, indien Wij dit noodig achten.

Zijne vergaderingen worden in het openbaar gehouden.

De voorzitter van den militieraad is bevoegd tot handhaving van de orde bij de vergaderingen de sterke hand in te roepen, en, ingeval die orde op eenigerlei wijze wordt gestoord, hen, die dit doen, het vertrek te doen verlaten. (Mil. 30, 76, 108.)

85. Van wege de gemeente, waar de militieraad vergadert, wordt zorg gedragen voor een daartoe geschikt vertrek, voor de noodige schrijfbehoeften en voor eene bewaarplaats van het archief, zoomede dat er in een afzonderlijk vertrek gelegenheid zij tot het geneeskundig onderzoek van de manschappen. (Mil. 29.)

86. **De zitting van den militieraad wordt geopend den tweeden Maandag in [Maart] December.

**Tot het doen van uitspraak omtrent zaken, waarin ten dienenden dage geen uitspraak kan geschieden, bepaalt de militieraad een anderen dag vóór 15 [AprilJ Februari. (Mil. 87.)

De werkzaamheden worden dagelijks gedurende ten minste zes uren, zoolang personen te onderzoeken of zaken te behandelen zijn, voortgezet, uitgezonderd op Zon- en algemeene Christelijke feestdagen. (Mil. 27.)

87. **Ten minste acht dagen vóór het openen van de zitting van den militieraad, geschiedt door burgemeester en wethouders van elke betrokken gemeente eene openbare kennisgeving, waarbij de tijd en de plaats der zitting worden vermeld.

Die lijd en plaats worden, ten minste drie dagen vóór het openen van de zitting, bovendien aan eiken loteling bekend gemaakt.

383

-ocr page 436-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Dit geschiedt door burgemeester en wethouders door middel van een aan zijne woning of aan die van zijn vader of voogd te bezorgen biljet. (Mil. 28.)

**De twee voorgaande zinsneden gelden ook in het geval, in de tweede zinsnede van art. 8G bedoeld, voor zooveel betreft den lote-liug, omtrent wien nog uitspraak moet worden gedaan, en de gemeente, waar deze voor de militie is ingeschreven.

Het niet ontvangen van dit biljet ontheft niet van de verpligting tot het verschijnen voor den militieraad of tot het indienen van de tot staving der redenen van vrijstelling gevorderde bewijsstukken.

88. Voor den militieraad moet verschijnen: (Mil. 89 v.)

1quot;. de vrijwilliger voor de militie; (Mil. 11.)

2quot;. de loteling, die vrijstelling verlangt wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken of gemis van de gevorderde lengte; (Mil. 47.)

**3°. Vervallen.

89. De loteling, die wegens ziekte of gebreken buiten staat is voor den raad te verschijnen, wordt onderzocht op de plaats, waar hij zich bevindt. (Mil. 54.)

Dit geschiedt door een daartoe door den militieraad aan te wijzen burgerlijk geneeskundige en door den aan den raad toegevoegden officier van gezondheid, te zamen of afzonderlijk. De burgerlijke geneeskundige en de officier van gezondheid zenden elk eene door hem onderteekende, omstandige verklaring omtrent den toestand van den loteling aan den voorzitter van den raad.

De burgerlijke geneeskundige legt, indien hij den in art. 81 bedoelden eed of belofte nog niet heeft afgelegd, dien alsnog mondeling of schriftelijk in handen van den voorzitter af. (101.)

90. De loteling, die buiten de provincie, waarin hij voor de militie heeft geloot, verblijf houdt, kan, met goedvinden van Onzen commissaris in die provincie, verschijnen voor den militieraad, onder wiens regtsgebied hij verblijf houdt.

**91 en 92. Vervallen.

93. Alle besluiten van den militieraad worden bij meerderheid van stemmen genomen.

De voorzitter en de leden onthouden zich van medestemmen over zaken, waarin personen, hun in bloed- of aanverwantschap, tot den derden graad ingesloten, bestaande, betrokken zijn.

Tot het doen van uitspraak in zoodanige zaken worden hunne plaatsvervangers opgeroepen. (Mil. 77.)

94. Omtrent eiken loteling wordt afzonderlijk eete uitspraak gedaan; zij luidt:

öf: vrijgesteld wegens (de redenen daarachter bij te voegen); (Mil. 47 volg.; K.B. 8 Mei 1862, S. 46.)

öf: tot de dienst aangewezen;

öf: voor altijd uitgesloten, volgens art. 55 der wel;

öf; voorloopig uitgesloten, volgens art. 56 der wet.

384

-ocr page 437-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

De uitspraak wordt in het lotingsregister achter den naam van den loteling, wien zij geldt, opgeteekend en elke uitspraak staande de zitting door de handteekening van den voorzitter gewaarmerkt. (Mil. 34.)

**(Een slotzinsnede betr. plaatsverv. vervallen.)

95. De militieraad is niet verpligt, in het doen van zijne uitspraken, het gevoelen van de geneeskundigen, die hem bijstaan, te volgen. (Mil. 80 volg.)

96. De voor den geregelden loop der werkzaamheden van den militieraad noodige voorschriften worden door Ons gegeven. (K.B. 8 Mei 1862, S. 64, zie overigens ad art. 83.)

§ 3. Van het beroep van de uitspraken van den militieraad.

Art. 97. Gedurende tien dagen, te rekenen van den dag, waarop de militieraad eene uitspraak heeft gedaan, kunnen tegen die uitspraak bij Gedeputeerde Staten bezwaren worden ingebragt: (Mil. 45.)

lu. door den loteling, omtrent wien de uitspraak is gedaan, of door zijn vader of voogd; (Mil. 35, 44v.)

2quot;. door den loteling, wiens nummer ten gevolge van de uitspraak zou worden opgeroepen, of door zijn vader of voogd;

3°. door den reeds ingelijfden loteling, die ten gevolge van de uitspraak niet uit de dienst zou worden ontslagen, of door zijn vader of voogd;

4quot;. door den betrokken militie-commissaris.

98. Geene bezwaren kunnen worden ingediend tegen eene uitspraak, waarbij:

1quot;. een loteling voor de dienst is aangewezen, zonder dat door hem eenige reden van vrijstelling was ingebragt;

2°. vrijstelling van dienst is verleend of geweigerd op grond van het niet of al bezitten van de gevorderde lengte; (Mil. 47.)

**3°. Vervallen.

99. De bezwaren worden bij Gedeputeerde Staten ingediend door middel van een door de noodige bewijsstukken gestaafd venoekschrift op ongezegeld papier, onderteekend door hem, die ze inbrengt. (Mil. 10.)

Deze brengt het verzoekschrift in, tegen bewijs van ontvang, bij den burgemeester zijner woonplaats, die het terstond aan Gedeputeerde Staten opzendt. (Mil. 35.)

De militie-commissaris dient zijne bezwaren in door een brief aan Gedeputeerde Staten. (Mil. 26.)

100. Gedeputeerde Staten onderzoeken de bij hen ingebragte bezwaren zonder uitstel en doen omtrent elke zaak afzonderlijk ten spoedigste eene uitspraak, met de redenen omkleed. Hunne uitspraak wordt terstond medegedeeld aan burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe de loteling, wien de uitspraak geldt, behoort, en aan hem, die de bezwaren inbragt. (Mil. 36, 44, 59.)

STAATSWETTEN, SEPT. \'98. 27

385

-ocr page 438-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

Strekt de uitspraak tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen, of aan zijn vader of voogd. (Mil. 164.)

101. Ingeval de bezwaren zijn ingebragt op grond van het al of niet verleenen van vrijstelling wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, doen Gedeputeerde Staten geene uitspraak, dan na den betrokken loteling voor zich te hebben doen verschijnen en geneeskundig onderzoeken. (K.B. 25 Maart 1862, S. 34.)

Gedeputeerde Staten worden in dat onderzoek bijgestaan door een ander burgerlijk geneeskundige en een ander officier van gezondheid dan die den militieraad bij het doen van de uitspraak, waartegen bezwaar is ingebragt, hebben bijgestaan. (Mil. 80.)

Daarbij geldt hetgeen in de vijf laatste zinsneden van art. 44 is bepaald.

Gedeputeerde Staten kunnen den loteling, die wegens ziekte of gebreken buiten staat is, voor hen te verschijnen, doen onderzoeken op de plaats waar hij zich bevindt.

Dit geschiedt op de in art. 89 voorgeschreven wijze. (Mil. 116.)

102. Wannneer een loteling weigert aan de, krachtens art. 101, door Gedeputeerde Staten gedane oproeping te voldoen, wordt hij, op last van Onzen commissaris in de provincie, door den burgemeester zijner woonplaats onder verzekerd geleide naar Gedeputeerde Staten opgezonden.

103. Van de uitspraken van Gedeputeerde Staten, met uitzondering van die betreffende het al of niet verleenen van vrijstelling wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, kan gedurende tien dagen, te rekenen van den dag, waarop de uitspraken ter kennis van de belanghebbenden zijn gebragt, bij Ons in beroep worden gekomen: (Mil. 37, 45, 97, 104 v., 164, ISO; P. 168.)

1°. door den loteling, wiens bezwaren door de uitspraak niet zijn weggenomen, of door zijn vader of voogd;

2°. door den loteling, wiens nummer ten gevolge van de uitspraak van Gedeputeerde Staten zou worden opgeroepen, of door zijn vader of voogd;

3quot;. door den reeds ingeiijfden loteling, die ten gevolge van de uitspraak van Gedeputeerde Staten niet uit de dienst zou worden ontslagen, of door zijn vader of voogd;

4°. door Onzen commissaris in de provincie.

104. Onze beshssing, zoo spoedig mogelijk nadat het beroep is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit, den Kaad van State gehoord, te nemen, wordt gezonden aan Onzen commissaris in de provincie, die voor de uitvoering zorgt. (Mil. 164, 180.)

105. De uitvoering van de uitspraak, waartegen bezwaren zijn ingebragt, blijft tot aan de einduitspraak geschorst. (Mil. 37, 164.)

386

-ocr page 439-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

HOOFDSTUK IX.

VAN DEN MILITIE-COMMISSARIS.

Art. 106. De militie-commissaris wordt door Ons benoemd en ontslagen. (Mil. 110.)

Niemand is tot militie-commissaris benoembaar dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den leeftijd van dertig jaren heeft vervuld. (G. 84; Wet 12 Dec. 1892 S. 268 jto. G. 6.)

107. De militie-commissaris heeft den rang van luitenant-kolonel, tenzij hij een hoogeren rang als gepensionneerd officier mogt hebben.

Hij heeft zijne vaste woonplaats in de door Ons aan te wijzen gemeente.

108. Hij begeeft zich tot het onderzoeken van de met onbepaald verlof gezonden manschappen van de militie te land naar de daartoe aan te wijzen plaatsen.

Hij is bevoegd, tot handhaving van de orde, bij dat onderzoek de sterke hand in te roepen. (Mil. 30/\', 138.)

109. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den militie-commissaris wordt hij, zoodra noodig, vervangen door een door Onzen commissaris in de provincie aan te wijzen persoon.

110. De bevoegdheid en de werkzaamheden van den militie-commissaris worden door Ons, in overeenstemming met deze wet, geregeld. (Mil. 30 v., 79, K.B. 8 Mei 1862, 8. 46, passim.)

HOOFDSTUK X.

VAN HET OPROEPEN EN HET AFLEVEREN VAN DE BIJ DE MILITIE IN TE LIJVEN MANSCHAPPEN.

Art. 111. *De voor de dienst aangewezen lotelingen worden tot het voltallig maken van het aandeel van elke gemeente in de ligting opgeroepen naar de volgorde der door of voor hen getrokken nummers, te beginnen met het laagste, met dien verstande, dat ten aanzien van hen, aan wie lijdelijk het regt is ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, de oproeping wordt uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken. (Mil. 3, 56, 115.)

Elke loteling, in dat aandeel begrepen, en elk vrijwilliger voor de militie ontvangt, ten minste vijf dagen vóór deu dag, waarop hij zal worden afgeleverd, door tusschenkomst van den burgemeester zijner woonplaats, van Onzen commissaris in de provincie een brief van oproeping, vermeldende den dag, het uur en de plaats voor de aflevering bepaald. (Mil. 118, 150 noot, 172, 173, 184.)

387

27*

-ocr page 440-

WET BETREKKELIJK DE KAT. MILITIE.

. ,*112. Behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt, geschiedt jaarlijks tusschen 1 en 15 [Mei] Maart de aflevering van de [in dat jaar] tot de dienst aangewezen en in de ligting van het jaar begrepen lotelingen en van de vrijwilligers voor de ligting van dat jaar. ,) (K.B. 8 Mei 1862, S. 46, art. 45 volg., tijdelijk gewijzigd.)

113. De aflevering geschiedt aan de daartoe door Ons aan te wijzen militaire autoriteit door of van wege Onzen commissaris in de provincie, die daarvoor dag, uur en plaats bepaalt. (Mil. 118, 151.)

114. De burgemeester van elke gemeente zorgt voor het verzamelen van de tot het aandeel zijner gemeente behoorende manschappen en voor hunne overbrenging naar de voor de aflevering bestemde plaats. (Mil. 118.)

Algemeene voorschriften omtrent het verzamelen en de overbrenging worden door Onzen commissaris in de provincie gegeven. (Mil. 119.)

115. Onze commissaris in de provincie zorgt, dat, ter vervulling van de plaatsen der manschappen, die op den Isten Augustus van het jaar der aflevering aan het aandeel van elke gemeente in de ligting ontbreken, de houders van de aan de beurt liggende hoogere nummers onverwijld ter inlijving worden opgeroepen.

*Ten aanzien van hem, wien tijdelijk het regt is ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, wordt de oproeping uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken. (Mil. Ill, 117.)

116. Wanneer een loteling binnen vier maanden na zijne aflevering blijkt voor de dienst ongeschikt te zijn, wordt zijne herkeuring bij Gedeputeerde Staten der provincie, voor welke hij heeft geloot, aangevraagd. (Mil. 117.)

Binnenveertien dagen nadie aanvraag doen Gedeputeerde Staten den loteling voor zich verschijnen en, is de herkeuring aangevraagd wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door geneeskundigen onderzoeken.

**Gedeputeerde Staten worden in dat onderzoek bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

**De vijf laatste zinsneden van art. 44 zijn hierbij van toepassing.

Van de uitspraak van Gedeputeerde Staten, krachtens dit artikel te doen, is geen beroep toegelaten.

117. Indien de loteling, in het voorgaand artikel bedoeld, door Gedeputeerde Staten wordt afgekeurd, wordt hij uit de dienst ontsla-gen\'

388

„^Geschiedt die afkeuring vóór den 15den December van het jaar [waarin] waartoe de ligting behoort, voor welke hij is ingelijfd, dan wordt de houder van het aan de beurt liggend hooger nummer der ligting van dat jaar en van de gemeente, voor welker aandeel hij is

1) De tijdelijke wyziging aldus volgens art. 6 sub 2°. der wyz.wet 1898, S. 170.

-ocr page 441-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 389

opgetredeD, onverwijld ter inlijving opgeroepen. Hierbij geldt het f

tweede lid van art. 115. (Mil. Ill; Wijz.w. 1898, art. 7.)

118. Het ter inlijving of ter indienststelling bij de militie oproepen, het overbrengen en het afleveren van hen, die bij uitspraak van Gedeputeerde Staten of in hooger beroep tot de dienst zijn aangewezen, en in het algemeen van alle op een ander tijdstip dan dat in art. 112 bedoeld, bij de militie in te lijven of in dienst te stellen manschappen geschieden overeenkomstig de artt. 111, tweede zinsnede, 113 en 114. \')

119. Zoodra de manschappen, die ter aflevering worden opgezonden, hunne woonplaats verlaten, komen de kosten van hunne reis,

voeding en huisvesting en de reis- en verblijfkosten hunner geleiders ten laste van \'s Eijks kas. (Mil. 114; K.B. 8 Mei 1862, S. 46, art.

88 volg., Spoorw. 46, zie Meijer Stsw. II.)

HOOFDSTUK XI. {||

II

VAN DE DIENST, HET VERLOF EN HET ONTSLAG DER BIJ DE MILITIE INGELIJFDEN.

§ 1. Vftn de dienst.

Art. 120. De afgeleverde voor de militie te land bestemde manschappen worden, volgens de door Ons te geven voorschriften, bij de corpsen van het leger ingelijfd. (K.B. 8 Mei 1862, S. 46, art. 53.)

**Vrijwilligers bij de militie te land, zoomede de lotelingen die aan bij Koninklijk besluit te stellen eischen van militaire bekwaamheid voldoen, worden, voor zoover zij daartoe geschikt bevonden zijn en dit met de belangen van de dienst is overeen te brengen,

ingelijfd bij het corps en geplaatst in het garnizoen hunner keuze.

121. De bij de militie te land ingelijfden dienen te gelijk met en op dezelfde wijze als de vrijwilligers bij het leger. (G. 1848 artt. 178, 180; G. 181; Mil. 149.)

Voor zooveel er bij het Limburgsch bondseontingent militie wordt ingedeeld, worden daartoe alleen manschappen genomen, afkomstig uit dat gedeelte van het hertogdom Limburg, waarop verpligtingen

jegens het Duitsehe Verbond rusten. (K.B. 5 Junij 1867, S. 54, art.

VL)

De lotelingen en de vrijwilligers bij de militie te land mogen echter niet, dan met hunne toestemming, naar de koloniën en bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen gezonden worden. (G. 1848 art. 185; G. 184; K.B. 29 Juli 1873, S. 119.)

122. De bij de militie te land ingelijfden worden tot eerste oefening gedurende het geheele eerste jaar van hun diensttijd onder de wapenen gehouden, tenzij Wij zulks niet noodig achten. (Mil. 126, 1276«, 153.)

1) Art. 118 aldus gewgzigd door art. 1 der wet v. 20 April 1895, Stsbl. no. 73.

-ocr page 442-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

123. Behalve de ligting, die voor het eerst dient, kan steeds een zevende van het geheele bedrag der [vijf] jongste vijf ligtingen van de militie te land onder de wapenen worden gehouden of geroepen. (Mil. 1276is.)

Dat zevende wordt zamengesteld uit de manschappen:

1°. die krachtens art. 165 zonder loting zijn ingelijfd en hun eerste dienstjaar hebben volbragt;

2°. die krachtens de artt. 171 en 173 zijn in dienst gesteld en hun eerste dienstjaar hebben volbragt, voor zooverre omtrent hen is beslist, dat zij gedurende twee of vijf jaren onder de wapenen zullen worden gehouden;

**8quot;. Vervallen.

3quot;. (oud 4U.) die, na hun eerste dienstjaar te hebben volbragt, verlangen onder de wapenen te blijven of te worden geroepen. (Mil. 126.)

**124. Is het in het voorgaande artikel bedoeld zevende deel niet op de daar bepaalde wijze voltallig te maken, dan wordt het aangevuld door de overige manschappen, die hun eerste dienstjaar en voorts door hen, die hun tweede dienstjaar hebben volbragt. (Mil. 121 his. )

Is slechts een deel van een dezer klassen van manschappen ter aanvulling noodig, dan wordt dat deel aangewezen door loting, op de door Ons te bepalen wijze te houden.

Het is aan manschappen van hetzelfde corps vergund, binnen dertig dagen na de loting onderling van nummers te verwisselen. Na dien tijd kan de nummerverwisseling worden toegestaan door den kommandant van het corps.

125. [De militie te land komt] Dc manschappen der militie te land die niet in werkelijke dienst zijn en hun vijfde dienstjaar niet hebben volbragt, komen in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen om gedurende niet langer dan zes weken in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij Wij het raadzaam mogten oordeelen, dat zamenko-men geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. (Mil. 1276is, 131 v. 136 al. 3.)

**126. Aan de bij de militie te land ingelijfden, die verlangen na volbrachten oefeningstijd minstens voor vier maanden onder de wapenen te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te verbinden, wordt zulks vergund. (Mil. 154.)

127. **Aan den geestelijke, den bedienaar van de godsdienst, den zendelingleeraar en den broeder-diakoon van eene godsdienstige ver-eeniging, alsmede aan den student in de godgeleerdheid en den zen-delingkweekeling, die aan eene inrigting van onderwijs tot geestelijke, tot bedienaar van de godsdienst of tot zendelingleeraar wordt opgeleid, aan den proefbroeder, die tot broeder-diakoon van eene godsdienstige vereeniging wordt opgeleid, en aan den Roomsch-Katholie-ken ordebroeder, die tot eene binnen het Rijk gevestigde klooster-inrigting behoort, wordt door Ons, op zijne aanvrage, telkens voor één jaar, ontheffing van de werkelijke dienst verleend.

390

-ocr page 443-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

**Bij algemeenen maatregel van bestuur worden de in de vorige zinsnede bedoelde inrigtingen van onderwijs aangewezen, en wordt tevens bepaald, wie voor de toepassing der bepaling van die zinsnede voor geestelijke, bedienaar van de godsdienst, zendelingleeraar, broeder-diakoon, student in de godgeleerdheid, zendeling-kweekeling, proefbroeder of Roomseh-Katholieke ordebroeder wordt gehouden.

Ook in andere bijzondere gevallen kan door Ons aan de overige bij de militie ingelijfden ontheffing van de werkelijke dienst worden toegekend. Van deze ontheffing wordt telkens mededeeling gedaan in de Staats-courant, met opgave van de redenen, die daartoe geleid hebben.

**Tot de bijzondere gevallen in de vorige zinsnede bedoeld, behoort het geval, dat de ingelijfde bij de militie geacht wordt onmisbaar te zijn voor het gezin waartoe hij behoort of waarin hij is opgenomen. Zoolang dat gezin, ook zonder zijne aanwezigheid, in eigen onderhoud kan voorzien, wordt hij niet als onmisbaar beschouwd.

Wordt de ontheffing niet op nieuw verleend en heeft de ingelijfde nog niet, krachtens art. 122, zijn eersten oefeningstijd volbragt, dan is hij daartoe alsnog verpligt. (Mil. 127bis.)

Indien, krachtens art. 51, ten gevolge der ontheffing, een broeder van dengene, aan wien zij verleend was, bij de militie was ingelijfd, dan wordt die broeder uit de militie ontslagen, zoodra de ontheffing niet wordt vernieuwd. (Mil. 1276is.)

**127 bis. Aan de bij de militie ingelijfden kan op hunne aanvrage in bijzondere omstandigheden uitstel van eerste oefening of van verblijf onder de wapenen worden verleend voor den tijd van een jaar. Dat uitstel kan desgevraagd met een jaar worden verlengd.

De wijze waarop de aanvrage om uitstel of om verlenging van uitstel geschiedt, en de voorwaarden, aan de inwilliging van de aanvrage te verbinden, worden door Ons bepaald.

Zij aan wie uitstel is verleend, worden na afloop daarvan voor wat betreft de toepassing der bepalingen, vervat in de artt. 122, 123, 124, 125, 153 en 153 his, geacht te behooren tot de ligting van het jaar waarin hunne eerste oefening of hunne werkelijke dienst . is aangevangen. Zoolang het uitstel duurt, vallen zij onder de toepassing van de artt. 131—137, 145 en 156. Zij ontvangen het bewijs van ontslag uit de dienst, bedoeld in de artt. 146 en 158, zooveel later als het uitstel heeft geduurd.

Voor de toepassing van art. 48 worden zij gedurende het uitstel gelijk gesteld met hen die verkeeren in de gevallen, omschreven in de laatste twee nummers van art. 51.

Indien ten gevolge van het verleende uitstel, krachtens de bepaling der voorgaande zinsnede, een broeder van dengene aan wien het uitstel was verleend, bij de militie was ingelijfd, dan wordt die broeder uit de militie ontslagen, zoodra het uitstel niet wordt vernieuwd, tenzij hij het tegendeel verlangt. (Mil. 127.)

391

-ocr page 444-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

128. De bij de militie te land ingelijfden worden niet tot het aangaan van een huwelijk toegelaten zonder schriftelijke toestemming van wege Onzen Minister van Oorlog. (Mil. 187 sub 1°.)

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun vierde dienstjaar hebben volbragt. (Mil. 8, 157; Min. Kes. 11 April 1892.)

129. De bij de militie te land ingelijfden worden niet tot het aangaan van eene verbindtenis voor de buitenlandsche zeevaart toegelaten, zonder schriftelijke toestemming van wege Onzen Minister van Oorlog. (Mil. 187, 2°.\')

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan de lotelingen, die reeds vóór hunne inlijving bij de militie hun beroep van de buitenlandsche zeevaart maakten en die zich overeenkomstig art. 150 voor de zeemilitie hebben aangeboden, doch daarbij niet hebben kunnen worden aangenomen. \') (Mil. 9.)

130. Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande zijn op de manschappen der militie te land, die zich onder de wapenen bevinden, van toepassing, en, met opzigt tot de verschillende gevallen van desertie, op al de bij de militie te land ingelijfden. (G. 150; Mil. 155; Wet v. 20 Julij 1814, S. 85; 28 Junij 1854, S. 96; 4 Junij 1858, S. 45. Wetten v. 14 Nov. 1879, S.S. 191—194, en 15 April 1886, S. 64.)

Die manschappen worden geacht onder de wapenen te zijn:

1quot;. zoo lang zij zich bij hun corps bevinden;

2°. gedurende den tijd, dien het in art. 188 bedoeld onderzoek duurt;

3°. in het algemeen, wanneer ze in uniform zijn gekleed.

§ 2. Vari het verlof.

Art. 131. De bij de militie ingelijfden worden, wanneer zij niet meer krachtens de artt. 122, 123, 124 en 153 in werkelijke dienst behooren te blijven, met verlof huiswaarts gezonden. (K.B. 8 Mei 1862, S. 46, art. 76 volg.; Mil. 1276(8.)

132. De verlofganger geniet gedurende zijn verloftijd geene soldij, noch toelage uit \'s Rijks kas.

133. Hij meldt zich binnen dertig dagen na den dag, waarop hem de verlofpas is uitgereikt, bij den burgemeester zijner woonplaats aan, ten einde deze zijn verlofpas voor gezien teekene. (Mil. 134 v., 137 v. 140.)

392

134. De verlofganger, die zich in een andere gemeente gaat vestigen, geeft daarvan kennis aan den burgemeester zijner woonplaats. Binnen dertig dagen na den dag, waarop hij komt in de gemeente, waarin hij zich vestigt, meldt hij zich aan bij den burgemeester

1) Art. 129, 2e zinsnede aldus gewijzigd door art. 1 der wet v. 20 April 1895, Stabl. 10. 72.

-ocr page 445-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

dier gemeente, ten einde deze zijn verlofpas voor gezien teekene. (Mil. 187, 140.)

135. De burgemeester van elke gemeente houdt een afzonderlijk register van de in zijne gemeente gevestigde verlofgangers en teekent daarin aan wie van hen de gemeente hebben verlaten of overleden zijn.

136. De verlofganger van de militie te land mag zich zonder toestemming van Onzen Minister van Oorlog niet langer dan gedurende vier weken buiten \'s lands begeven.

**Aan den verlofganger der militie te land, die niet in verzuim is, wordt deze toestemming, wanneer zij gevraagd wordt en blijkt noodig te zijn ter zake van uitoefening van of opleiding tot landbouw, handel of nijverheid, in gewone tijden niet geweigerd.

**Bij de toestemming kan de verlofganger worden vrijgesteld van de verpligting tot deelneming aan de oefeningen in art. 125 vermeld, tot het bijwonen van het bij art. 138 voorgeschreven onderzoek en tot het komen in werkelijke dienst in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden.

**Aan de toestemming kunnen overigens zoodanige voorwaarden worden verbonden als in het belang van de dienst noodig worden geoordeeld. (Mil. 137, 156.)

137. De verlofganger, die art. 133, 134, 136 of 156 niet naleeft, wordt in werkelijke dienst geroepen en daarin gedurende ten hoogste twee maanden gehouden. De duur van deze dienst wordt bepaald door den Minister van Oorlog zoo de verlofganger tot de militie te land behoort, door den Minister van Marine zoo de verlofganger tot de zeemilitie behoort. \')

138. De verlofgangers van de militie te land worden jaarlijks ten minste eenmaal op den door Ons te bepalen tijd door den militiecommissaris onderzocht. (Mil. 108, 130, 136, 139 v.)

139. Onze commissaris in de provincie bepaalt de plaatsen, dagen en uren, waarop het onderzoek zal plaats hebben.

Hiervan geschiedt in elke gemeente door burgemeester en wethouders, ten minste tien dagen te voren, openbare kennisgeving.

140. De verlofganger verschijnt bij het onderzoek in uniform gekleed, en voorzien van de kleeding- en uitrustingstukken, hem bij zijn vertrek met verlof medegegeven, van zijn zakboekje en van zijn verlofpas.

141. Behoudens het bepaalde in art. 130 kan een arrest van twee tot zes dagen, te ondergaan in de naastbij gelegen provoost of het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest, door den militie-commissaris worden opgelegd aan den verlofganger: (Mil. 145.)

lu. die zonder geldige reden niet bij het onderzoek verschijnt;

393

2°. die, daarbij verschenen zijnde, zonder geldige reden, niet voorzien is van de in het voorgaand artikel vermelde voorwerpen;(Mil. 144.)

1) Art. 137 aldus gewijzigd door art. 1 der wet v. 20 April 189ör Stsbl. no. 72.

-ocr page 446-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

3°. wiens kleeding- of uitrustingstukken bij het onderzoek niet in voldoenden staat worden bevonden; (Mil. 144.)

4°. die kleeding- of uitrustingstukken, aan een ander behoorende, als de zijne vertoont. (Mil. 144.)

142. Is de verlofganger, wien krachtens het voorgaand artikel arrest is opgelegd, bij het onderzoek tegenwoordig, dan kan hij dadelijk onder verzekerd geleide in arrest worden gebragt.

Is hij niet tegenwoordig en onderwerpt hij zich niet aan de hem opgelegde straf, dan wordt hij, op schriftelijke aanvrage van den militie-commissaris, te richten aan den burgemeester der woonplaats van dien verlofganger, aangehouden en onder verzekerd geleide naar de naastbij gelegen provoost of het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest overgebragt.

143. Onverminderd de straf, in art. 141 vermeld, is de verlofganger verpligt, op den daartoe door den militie-commissaris te bepalen tijd en plaats, en op de in art. 140 voorgeschreven wijze, voor hem te verschijnen om te worden onderzocht. (Mil. 144.)

144. De verlofganger, die zich bij herhaling schuldig maakt aan het feit, sub. 4quot;. van art. 141 bedoeld, of niet overeenkomstig art. 143 voor den militie-commissaris verschijnt, of, aldaar verschenen zijnde, in het geval verkeert sub 2°. en 3quot;. van art. 141 vermeld, wordt in werkelijken dienst geroepen en daarin gedurende ten haogste drie maanden gehouden. De duur van deze dienst wordt door den Minister van Oorlog bepaald. 1)

145. De verlofganger der militie, die niet voldoet aan eene oproeping voor de werkelijke dienst, wordt als deserteur behandeld. (Mil. 1276is, 130, 141.)

§ 3. Van het ontslag.

Art. *146. Elk bij de militie te land ingelijfde ontvangt, [vijf] zeven jaren na den dag zijner inlijving, een bewijs van ontslag uit de dienst. (Mil. 6, 127 618.\')

147. Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden op den tijd, waarop den ingelijfde bij de militie het bewijs van ontslag moet worden uitgereikt, en wordt het door Ons noodig geacht, hem langer in dienst te houden, dan wordt de afgifte van dat bewijs geschorst, totdat omtrent de bij de Staten-Generaal ingediende voordragt van wet, die hem tot langer dienst verpligten zou, beslist is. (G. 185; Mil. 153.)

148. Het bewijs van ontslag wordt gezonden aan den burgemeester der woonplaats van den ingelijfde en aan dezen door hem uitgereikt.

394

Bevindt de ingelijfde zich op het tijdstip van zijn ontslag in werke-

1

Art. 144 aldus gewyzigd door art. 1 der wet v. 20 April 1896, Stsbl. no. 72.

-ocr page 447-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 39amp;

lijke dienst, dan wordt hem het bewijs door zijn bevelhebber uitgereikt.

HOOFDSTUK XII.

VAN DE ZEEMILITIE IN HET BIJZONDER.

Art. 149. De zeemilitie wordt zamengeateld uit lotelingen en vrijwilligers voor de militie, die zich vrijwillig hebben aangemeld om bij de zeemilitie te dienen. (G. 183; Mil. 121.)

150. Jaarlijks, in den loop der maand [Maart] January, geschiedt door burgemeester en wethouders in elke gemeente eene openbare kennisgeving, waarbij de lotelingen, die verlangen bij de zeemilitie te dienen, worden uitgenoodigd, zich daartoe vóór den Isten [April] February bij hen aan te melden.

Burgemeester en wethouders zenden vóór den lOden [April] Februari) eene opgave van het getal der lotelingen, die zich vrijwillig voor de zeemilitie hebben aangemeld, aan Onzen commissaris in do provincie. \')

151. De voor de zeemilitie bestemde manschappen worden bij de aflevering, in art. 113 vermeld, aan eenen daarvoor aangewezen zeeofficier overgegeven. (K.B. 8 Mei 1862, S. 46, art. 52.)

152. De zeemilitie wordt bestemd tot bemanning van de verdedigingsvaartuigen voor de binnenlandsche dienst en langs de kusten.

Zij wordt niet naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen gezonden, tenzij, in geval van zeer buitengewone omstandigheden, eene nadere wet daartoe magtiging verleene. (G. 183.)

153. De manschappen der zeemilitie worden tot de eerste oefening gedurende het geheele eerste jaar van hun diensttijd in werkelijke dienst gehouden, tenzij Wij zulks niet noodig achten. (Mil. 122, 127bi«.)

Ingeval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, kan de zeemilitie, hetzij geheel, hetzij ten deele, door Ons buitengewoon worden bijeengeroepen.

Tenzelfden tijd roepen Wij de Staten-Generaal bijeen, opdat eene

1) Bij de wet van \'22 April 18G4, Stsbl. no. 22, zooals gewijzigd bij art. 2 der Wijz.w.Mil. 1898, is, tot uitbreiding van de wet van 19 Aug. 1861, Stsbl. no. 72, betreffende de Nat. Mil., het volgende bepaald:

Eenig artikel. De loteling, die zich overeenkomstig art. 150 der wet van den 19deu Augustus 1861 {Staatsblad no. 72), heeft aangemeld of doen aanmelden om bij de zeemilitie te dienen, doch aan de oproeping, in art. 111, niet heeft voldaan, en volgens art. 173 in dienst moet gesteld worden, kan voor [vier] vijf jaren bij de zeemilitie worden ingelijfd, tenzij het cijfer, in art. 5 als maximum bepaald, voltallig ware.

Hiervan is uitgezonderd de loteling, omtrent wien Gedeputeerde Staten hebben beslist, dat geene omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, hem hebben belet aan de oproeping te voldoen.

-ocr page 448-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

wet het zamenblijven der zeemilitie, zooveel noodig, bepale. (G. 185; Mil. 147.)

1536ks. De manschappen der zeemilitie, die hunne eerste oefening hebben volbragt en niet in werkelijke dienst zijn, komen in het derde dienstjaar eenmaal te zamen om gedurende niet langer dan zes weken te worden geoefend, tenzij Wij het raadzaam mogten oordeelen, dat zamenkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. 1) (Mil. 125, 1276« al. 3.)

154. Aan de manschappen der zeemilitie, die verlangen, na volbrag-ten oefeningstijd, in werkelijke dienst te blijven of te komen, zonder zich als vrijwilliger te verbinden, wordt zulks vergund. (Mil. 126.)

155. Het Crimineel Wetboek en het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te water, zoomede de wet van den 28slen Junij 1854 {Staatsblad no. 96), zijn op de manschappen der zeemilitie, die zich in werkelijke dienst bevinden, van toepassing en, met opzigt tot de verschillende gevallen der desertie, op al de bij de zeemilitie ingelijf-den. (Mil. 130, Wet 14 Nov. 1879, S. 194.)

Te hunnen aanzien gelden bij toepassing van straffen de regels voor het vaste corps matrozen bij de zeemagt.

De manschappen worden geacht in werkelijke dienst te zijn van het oogenblik af, dat zij zijn overgenomen door den daartoe aangewezen zeeofficier, tot dat zij met groot verlof van boord vertrekken.

(zie ad Mil. 130.)

156. De manschappen der zeemilitie, die zich met verlof bevinden, mogen zich zonder toestemming van Onzen Minister van Marine niet langer dan gedurende vier weken buiten \'s lands begeven. (Mil. 1276i6\'.)

Hun wordt in gewone tijden vergunning tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart en visscherij verleend. (Mil. 129.)

Zonder die vergunning worden zij niet tot eene verbindtenis tot uitoefening van de buitenlandsche zeevaart toegelaten.

**Aan de manschappen der zeemilitie, die zich met verlof bevinden en niet in verzuim zijn, wordt de in de eerste zinsnede bedoelde toestemming, wanneer zij gevraagd wordt en blijkt noodig te zijn ter zake van uitoefening van of opleiding tot landbouw, handel of nijverheid, in gewone tijden niet geweigerd.

**Bij de toestemming kunnen die manschappen worden vrijgesteld van de verpligting tot deelneming aan de oefeningen vermeld in art. 1536is, — zooals dit luidt volgens artikel 2 der wet van den 20sten April 1895 (Staatsblad no. 72) — en tot het komen in werkelijke dienst in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden.

**Aan de toestemming kunnen overigens zoodanige voorwaarden worden verbonden als in het belang van de dienst noodig worden geoordeeld. (Mil. 136, 137, 187, 2U.)

157. De manschappen der zeemilitie worden niet tot het aangaan

396

1

Art. lóSbis ingevoegd volgens art. 2 der wet v. 20 April 1895 Stsbl. no. 72.

-ocr page 449-

wet betrkkkemjk de nat. mhjtie. 397

van oen huwelijk toegelaten, zonder schriftelijke toestemming van Onzen Minister van Marine. (Mil. 187, 1°.)

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun derde dienstjaar hebben volbragt. (Mil. 128.)

*158. Elk bij de zeemilitie ingelijfde ontvangt [vier] n}/jaren na den dag zijner inlijving een bewijs van ontslag uit de dienst. (Mil. 0,127bis,

ue.i

159. Aan hem, die na volbragten diensttijd uit de zeemilitie is ontslagen en daarbij een bewijs van goed gedrag heefr. bekomen, wordt, wanneer hij binnen één jaar na zijn ontslag eene vrijwillige verbind-tcnis bij de vaste zeemagt aangaat, voor den graad, waarin hij is aangenomen, eene premie toegekend, de helft hooger dan die, voor de gewone vrijwilligers bepaald.

160. De loteling, die zijn diensttijd bij de zeemilitie heeft volbragt en een behoorlijk paspoort heeft bekomen, is in tijd van vrede van de dienst bij de schutterijen vrijgesteld. (Wet van 11 April 1827, S. 17, art. 3m.)

De van hem in tijd van gevaar en oorlog te vorderen dienst wordt door de wet op de schutterijen geregeld.

HOOFDSTUK XIII.

van het verzuim van inschrijving, van het niet verschijnen

voor Gedeputeerde Staten, van het niet voldoen aan de

oproeping ter inlijving en van vrijstelling, op valsche bewijsstukken verkregen.

Art. 161. Hij, wiens aangifte ter inschrijving voor de militie in het jaar en in de gemeente, waarin zij had moeten geschieden, verzuimd is, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke de inschrijving had moeten plaatsvinden, gebragt. (Mil. 15, 21, 166, 182.)

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste uitspraak.

*Is den in de eerste zinsnede van dit artikel bedoelden persoon tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt de behandeling zijner zaak uitgesteld tot na afloop van den tiid, waarvoor de ontzegging is uitgesproken. (Mil. 56 sub 3quot;, 163, 165.)

162. Indien hij, wiens aangifte ter inschrijving verzuimd is, zoo deze had plaats gehad, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, kan die hem alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling bij zijn verschijning voor Gedeputeerde Staten nog besta. (Mil. 47 v. 54, 168.)

163. Hij, die niet verkeert in het geval, in het voorgaand artikel bedoeld, wordt, is hij voor de dienst geschikt bevonden, daartoe zonder loting aangewezen.

-ocr page 450-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

164. Gedeputeerde Staten brengen hunne uitspraak terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij, wiens aangifte ter inschrijving is verzuimd, behoort.

Strekt die uitspraak lot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, dan geven burgemeester en wethouders daarvan dadelijk kennis aan den loteling, die dien ten gevolge zal worden opgeroepen of, reeds ingelijfd zijnde, niet uit de dienst wordt ontslagen, of aan zijn vader of voogd.

Van de uitspraak kan bij Ons in beroep worden gekomen. Hierbij gelden de artt. 103—105.

165. **De in art. Kil bedoelde persoon, die bij de einduitspraak voor de dienst is aangewezen, wordt, welke ook zijn leeftijd zij, voor | vijf] zeven jaren ingelijfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden. (Mil. 123 sub 1°. 182.)

*Is hem na zijne aanwijzing tot de dienst tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt zijne inlijving uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

Hij komt in mindering van de ligting [van het jaar, waarin] voor welke hij had moeten loten, of, is die ligting reeds ontslagen, in mindering van de ligting van het jaar, waarin hij voor de dienst is aangewezen.

Is de ligting, in mindering waarvan hij komt, rseds afgeleverd, dan wordt, bij zijne inlijving, de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen. (Mil. 46.)

166. Op hem, die vroeger is ingeschreven dan in het jaar, waarin zijne inschrijving had moeten geschieden, zijn de artt. 161—165 niet van toepassing.

Hij blijft behooren tot de ligting van het jaar, waarvoor hij heeft geloot.

167. *De in art. 57 bedoelde persoon, die verzuimt, binnen den in dat artikel vermelden tijd. voor den burgemeester te verschijnen of aan de oproeping om voor Gedeputeerde Staten te verschijnen te voldoen, wordt, zoodra het wordt ontdekt, voor die Staten gebragt.

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste idtspraak. (Mil. 164, 170 v., 182.)

*168. Indien de in het voorgaande artikel bedoelde persoon, ware hij binnen den gestelden tijd voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten verschenen, vrijstelling van dienst had kunnen erlangen, dan kan hem die alsnog worden verleend, mits de reden van vrijstelling bij zijn verschijnen voor Gedeputeerde Staten nog besta. (Mil. 54,162.)

169. Hij, die niet verkeert in het geval, in het voorgaand artikel bedoeld, wordt, is hij voor de dienst geschikt bevonden, daartoe aangewezen.

170. Op de uitspraken, krachtens art. 167 te doen, is art. 164 van toepassing.

398

-ocr page 451-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE. 399

171. De in art. 167 bedoelde persoon, die bij einduitspraak voor de dienst is aangewezen, wordt, indien het voor hem getrokken nummer opgeroepen zou zijn geweest, welke ook zijn leeftijd zij, overeenkomstig art. 58 voor [vijf] zeven jaren ingelijfd. (Mil. 182.)

De aldus ingelijfde wordt gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden, tenzij blijke, dat omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk, hem hebben belet voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten te verschijnen. (Mil. 123 sub 2°. 165.)

172. De ter inlijving opgeroepen vrijwilliger voor de militie en hij, die ingevolge deze wet ter inlijving of ter indienststelling bij de militie is opgeroepen, wordt, zoo hij niet aan de oproeping heeft voldaan, zoodra hij wordt ontdekt, gebragt voor Gedeputeerde Staten der provincie, voor welker aandeel in de ligting hij moest worden ingelijfd of in dienst gesteld. \') (Mil. Ill, 182.)

Gedeputeerde Staten onderzoeken het geval en doen daaromtrent ten spoedigste eene uitspraak en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe de achtergeblevene behoort. (Mil. 180.)

*ls den in de eerste zinsnede van dit artikel bedoelden persoon tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, dan wordt de behandeling zijner zaak uitgesteld tot na afloop van den tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken.

173. Is hij voor de dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor [vijf] zeven jaren ingelijfd. 1) (Mil. 182.)

De aldus ingelijfde wordt gedurende [dien ganschen tijd] de eerste vijf jaren onder de wapenen gehouden, tenzij Gedeputeerde Staten hebben beslist, dat omstandigheden, van zijnen wil onafhankelijk, hem hebben belet, aan de oproeping te voldoen. (Mil. 123 sub 2°.)

Bij zijne inlijving wordt de houder van het nummer, dat ten gevolge van zijn achterblijven mogt zijn in dienst gesteld, daaruit ontslagen.

Is de ligting, waarvoor hij is opgeroepen geweest, reeds ontslagen, dan komt hij in mindering van de ligting van het jaar, waarin zijne inlijving geschiedt.

Is die ligting reeds afgeleverd, dan wordt bij zijne inlijving de houder van het hoogste van de voor die ligting in dienst gestelde nummers uit de gemeente, waartoe hij behoort, ontslagen.

**Het bepaalde in de eerste zinsnede is niet toepasselijk in de ge-gevallen waarin de wet inlijving of indienststelling voor korter tijd voorschrijft dan in die zinsnede is aangeduid. In die gevallen is de tweede zinsnede toepasselijk, met dien verstande, dat de tijd, aldaar bedoeld, dien, voor welken de inlijving of indienststelling plaats had, niet kan overschrijden. \')

1

Zie noot bg art. 150.

-ocr page 452-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

**174—177. Vervallen.

178. Hij, die door het overleggen van een valsch of vervalscht attest of bewijsstuk, eene vrijstelling van de dienst heeft verkregen, wordt, na voorafgaande toepassing van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en, is hem straf opgelegd, na die te hebben ondergaan, voor Gedeputeerde Staten der provincie, binnen welke hij is ingeschreven, gebragt. (S.E. 225 v.)

Gedeputeerde Staten doen ten zijnen opzigte ten spoedigste eene uitspraak tot aanwiizing voor of wel tot vrijstelling of uitsluiting van de dienst, en brengen die terstond ter kennis van burgemeester en wethouders der gemeente, waartoe hij behoort.

Is hij voor de dienst geschikt bevonden, dan wordt hij, welke ook zijn leeftijd zij, voor [vijf] zeven jaren ingelijfd en gedurende de twee eerste jaren onder de wapenen gehouden. (Mil. 127 bis, al. 5, 182.)

De inlijving geschiedt overigens overeenkomstig de tweede en derde zinsneden van art. 58.

**179. Gedeputeerde Staten worden in het geneeskundig onderzoek bijgestaan door een burgerlijk geneeskundige en een officier van gezondheid.

De vijf laatste zinsneden van art. 44 zijn hierbij van toepas-sing.

180. **Op do uitspraken van Gedeputeerde Staten, krachtens de artt. 172 en 178 te doen, zijn de artt. 103 en 104 toepasselijk.

De uitvoering dier uitspraken wordt door het beroep niet geschorst. (Mil. 105.)

181. De ambtenaren, belast met het opsporen van strafbare feiten, en alle verdere beambten van politie zijn belast met de opsporing van hen; (S.V. 8.)

1quot;. die niet overeenkomstig art. 15 ter inschrijving zijn aangegeven ;

2°. die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten zijn verschenen;

3°. die niet aan de ingevolge deze wet gedane oproeping ter inlijving of ter indienststelling bij de militie hebben voldaan; 1)

**4°. Vervallen.

Deze nalatigen kunnen gearresteerd en voorloopig in verzekerde bewaring gehouden worden. 2)

**182. Hebben de personen, in de artt. lül, 167, 172 en 178 bedoeld, den leeftijd van veertig jaren volbragt, dan worden zij van de dienst vrijgesteld.

400

1

3°. van art. 181 aldus vastgesteld door art. 1 der wet v.20 Apr. 1895, Stsbl.no. 72.

2

Art. 181 gewyxigd by art. 10, no. 17 der (Inv.)wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 453-

WET BKTRKKKKLI.fK DE NAT. MILITIE.

HOOFDSTUK XIV.

STRAFBEPALINGEN.

Art. 183. Met boete van vijftig cents tot ƒ 100 wordt gestraft de overtreding van de artt. 18 en 24. \')

184. Met boete van vijftig cents tot ƒ 100 of hechtenis van een dag tot ééne maand, wordt gestraft: 1)

1°. hij, die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten is verschenen;

2quot;. hij, die niet aan de ingevolge deze wet gedane oproeping ter inlijving of ter indienststelling bij de militie heeft voldaan. 2)

185. Afgeschaft. Zie thans art. 206 Wetb. v. Strafrecht.

186. Afgeschaft. Zie thans art. 192 Wetb. v. Strafrecht.

187. Met boete van vijftig cents tot ƒ 200 wordt gestraft:

1de ambtenaar van den burgerlijken stand, die in strijd handelt met art. 8, 128 of 157;

2°. de ambtenaar, belast met de monstering van scheepsofficieren en scheepsgezellen, of de schipper, die in strijd handelt met art. 8, 12!), of de laatste zinsnede van art. 15(5. 3)

188 en 189. Afgeschaft. 3)

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 190. Hij, die bij het in werking treden van deze wet van de militie tijdelijk is vrijgesteld, wordt:

zoo hij zijn twintigste jaar heeft volbragt, voor altijd vrijgesteld;

zoo hij zijn twintigste jaar nog niet heeft volbragt en krachtens deze wet regt op vrijstelling heeft, voor altijd vrijgesteld, zoo hij het niet heeft, voor de dienst aangewezen, en, ingeval het hem in het vorig jaar ten deel gevallen nummer in de termen van oproeping is gevallen, ingelijfd.

191. Deze wet treedt in werking met den Isten .Tanuarij 1862.

1) Artt. 183 en 184 aldus gewyzigd bij art. 10, no. 17 en art. 11 der (Inv.)wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64. Artt. 185 en 186 afgeschaft by art. 3cZ dezer wet.

2) Art. 184, 2° aldus gewyzigd door art. 1 der wet v. 20 April 1895, Stsbl. no. 72.

3) Art. 187 aldus gewyzigd, en 187, 3°, 188 en 189 afgeschaft by de (Inv.)wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

TABEL

WEGENS HET TOEKENNEN VAN VRIJSTELLINGEN OP GROND VAN DE DIENST VAN BROEDERS, BEDOELD BIJ ART. 49 DER WET OP DE NAT. MILITIE.

FAMILIE VAN VIER ZONEN.

1ste geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

STAATSWETTEN, SEPT. \'98. 27(1

401

-ocr page 454-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

2de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

3de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, en B dient, of gediend heeft, dan worden C en D vrijgesteld.

4de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

5de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

6de geval: Zijn A en B beiden vrijgesteld, dan zijn C en D dienstpligtig.

7de geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

8ste geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

9de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B en D vrijgesteld.

10de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

11de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

12de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B en C vrijgesteld.

13de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt C vrijgesteld.

léde geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig.

15de geval: Als B en C dienen of gediend hebben, dan worden A en D vrijgesteld.

16de geval: Als B en D dienen of gediend hebben, dan worden A en C vrijgesteld.

17de geval: Als C en D dienen of gediend hebben, dan worden A en B vrijgesteld.

FAMILIE VAN VIJF ZONEN.

1ste geval: A is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Ais deze dient of gediend heeft, dan worden D en E vrijgesteld.

2de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, wordt E vrijgesteld.

3de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend heeft, dan wordt B vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienst-pligtig.

402

-ocr page 455-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

4de geval: A is dienstpligtig. Als hij dient of gediend lieeft en B dient of gediend \'heeft, dan worden C, B en E vrijgesteld.

5de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B en E vrijgesteld.

6de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

7de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

8ste geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

9de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

10de geval: A is dienstpligtig. Als hij wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, de n zijn B en E dienstpligtig.

11de geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B en E vrijgesteld.

12de geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

13de geval: Als B dient of gediend heeft, dan wordt A vrijgesteld. C is dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

14de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B, B en E vrijgesteld.

15de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B en E vrijgesteld.

16de geval: Als G dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

17de geval: Als C dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

18de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B, C en E vrijgesteld.

19de geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden C en E vrijgesteld.

20ste geval: Als B dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als

403

-ocr page 456-

WET BETREKKELIJK DE NAT. MILITIE.

deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt E vrijgesteld.

21ste geval: Als D dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is E dienstpligtig.

22ste geval: Als E dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden B, C en D vrijgesteld.

23ste geval: Als E dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan worden C en D vriigesteld.

24:ste geval: Als E dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze dient of gediend heeft, dan wordt D vrijgesteld.

25ste geval: Als E dient of gediend heeft, dan is A dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is B dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is C dienstpligtig. Als deze wordt vrijgesteld, dan is D dienstpligtig.

2ü8te geval: Als A en D en E vrijgesteld.

27ste geval; Als A en D en E vrijgesteld.

28ste geval: Als A en C en E vrijgesteld.

29ste geval: Als A en C en D vrijgesteld.

30ste geval: Als B en D en E vrijgesteld.

31ste geval: Als B en C en E vrijgesteld.

32ste geval: Als B en C en D vrijgesteld.

33ste geval: Als C en B en E vrijgesteld.

34ste geval: Als C en B en D vrijgesteld.

35ste geval: Als D en B en C vrijgesteld.

404

B

dienen of gediend

hebben,

dan

worden

c,

C

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

B,

D

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

B,

E

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

B,

C

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

A,

D

dienen of gediend

hebben,

dan

worden

A,

E

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

A,

D

dienen of gediend

hebben,

dan

worden

A,

E

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

A,

E

dienen of gediend

hebben.

dan

worden

A,

-ocr page 457-

404a

quot;WET,

tot WIJZIGING en AANVULLING der WET van den 1\'Jden AUGUSTUS 1861 {Staatsblad no. 72), betrekkelijk de NATIONALE MILITIE, zooals die wet thans luidt, alsmede WIJZIGING der WET van den 22sten APEIL 1864 (Staatsblad no. 22) en van de WET van 4 APEIL 18Ö2 (Staatsblad no. 56), waarvan de duur der werking laatstelijk bij de wet van 31 december 1897 (Staatsblad No. 288) is verlengd.

(Vastgesteld den 2den Juli 1898, Stsbl. no. 170, uitgegeven den Uden Juli d.a.v.)

Wu EMMA, enz.

Alzoo Wij, in overweging genomen hebben, flat het noodzakelijk is, als voorbereiding van de hervorming der levende strijdkrachten, de bevoegdheid tot dienstvervanging bij de militie af te schaffen;

Zoo is het, dat Wij, enz.

Art. 1. De hierna te noemen artikelen der wet betrekkelijk de Nationale Militie worden gewijzigd en aangevuld als volgt:

(Deze wijzigingen en aanvullingen zijn in de Wet betr. de Nat. Militie opgenomen en aldaar met ** gemerkt.)

2. In het eenig artikel der wet van den 223ten April 1864 (Staatsblad no. 22) vervallen de woorden: »of aan die in art. 174 bevolen». (Zie Noot Mil. 150.)

3. Vrijstelling van den dienst bij de militie wegens broederdienst wordt verleend, wanneer de wettige broeder of wettige halfbroeder van den loteling vóór het in werking treden der tegenwoordige wet:

1°. [zijnen vijfjarigen diensttijd] eenen diensttijd van ten minste vijf jaren bij de militie heeft doen volbrengen of aanvullen door plaatsvervanging; (6 sub 3°.)

2°. een plaatsvervanger bij de militie heeft gesteld, die:

а. alsnog in dienst is;

б. wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, door den dienst bekomen, ontslagen of gedurende zijn diensttijd overleden is;

c. na drie jaren te hebben gediend, wegens ziekelijke gesteldheid of gebreken, niet door den dienst bekomen, is ontslagen;

d. na drie jaren te hebben gediend, ten gevolge van eene uitspraak

-ocr page 458-

4046 WIJZIGINGSWET NAT. MILITIE, 1898.

van den militieraad of van G-edeputeerde Staten of van Onze beslissing uit den dienst is ontslagen.

Ten aanzien van het aanvragen van bovenbedoelde vrijstelling, het bewijzen van het recht daarop en het verleenen van die vrijstelling, gelden de bepalingen der wet betrekkelijk de Nationale Militie, welke toepasselijk zijn in de gevallen waarin aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van den dienst bij de militie op grond van artikel 48 dier wet.

Dienst als plaatsvervanger of als nummerverwisselaar bü de militie geldt niet tot vrijstelling van den wettigen broeder of wettigen halfbroeder van hem, die als zoodanig optrad, al heeft deze laatste eene verbintenis aangegaan als bedoeld in artikel 9 der wet betrekkelijk de Nationale Militie.

4. Ten aanzien van hen, die, als plaatsvervanger of als nummerverwisselaar toegelaten, niet op den bepaalden tijd ter inlijving bij de militie zijn opgekomen en omtrent wie vóór het. in werking treden der tegenwoordige wet geen uitspraak is gedaan, vervalt, voor zooveel den dienstplicht bij de militie aangaat, de overeenkomst, waarbij zij als plaatsvervanger of als nummerverwisselaar zijn gesteld.

5. In artikel 1 der wet van 4 April 1892 (Staatsblad no. 56), houdende voorziening der tijdelijke versterking van de nationale militie, — waarvan de duur der werking laatstelijk bij de wet van 31 December 1897 (Staatsblad no. 288) tot 1°. Mei 1901 is verlengd — vervalt het bepaalde onder de letters k, n, o en ij. \')

6. Gedurende de werking van de wet in het voorgaand artikel genoemd, wordt;

1°. in artikel 86 der wet betrekkelijk de Nationale Militie, zooals het gewijzigd is bij artikel 1 der tegenwoordige wet:

a. in de eerste zinsnede in plaats van; «Maart», gelezen; «December» ;

h. in de tweede zinsnede in plaats van: «April», gelezen: «Februari »;

2°. artikel 112 der wet betrekkelijk de Nationale Militie, zooals het gewijzigd is bij artikel 1 der tegenwoordige wet, gelezen als volgt:

«Behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt, geschiedt jaarlijks tusschen 1 en 15 Maart de aflevering van de tot de dienst aangewezen en in de ligting van het jaar begrepen lotelingen en van de vrijwilligers voor de ligting van dat jaar«;

3°. in artikel 3 der tegenwoordige wet onder 1°. in plaats van: «zijnen vijfjarigen diensttijd«, gelezen: «eenen diensttijd van ten minste vijf jaren».

1) Het bepaalde onder deze lettera behelst de tijdelijke wijzigingen volgens de wet van 4 April 1893, S. 56, in: artt. 50, 7°.; 86, oud tweede zinsnede-, 112; en 177 eerste zinsnede der wet Nationale Militie.

-ocr page 459-

WIJZIGINGSWET NAT. MILITIE, 1898. 404«

Overgangsbepaling.

Art. 7. De artikelen 67, 68 en 73 1) der wet betrekkelijk de Nationale Militie blijven, ongeacht het bepaalde daaromtrent bij artikel 1 der tegenwoordige wet, gelden ten aanzien van plaatsvervangers en nummer verwisselaars, vóór het in werking treden der tegenwoordige wet ingelijfd.

Na het in werking treden der tegenwoordige wet blijft het tweede lid van art. 117 der wet betrekkelijk de Nationale Militie buiten toepassing, voor zooveel de lichting van 1898 betreft.

Slotbepaling.

Art. 8. Deze wet treedt in werking met 1 September 1898.

ran: ten

wet 177

1) De hier bedoelde artt. 67, 68 en 73 der wet Nat. Militie luiden als volgt:

67. De nummerverwisseling wordt nietig en de loteling is dien ten gevolge verpligt zelf in dienst te treden, wanneer de opgetreden nummer verwisselaar :

1°. krachtens art. 68 uit de dienst wordt ontslagen;

2°. krachtens art. 117, binnen den daar gestelden termijn, uit de dienst wordt ontslagen.

68. Een ingeliifde plaatsvervanger of nummerverwisselaar wordt, zoodra blijkt dat hij in strijd met de wet is aangenomen, uit de dienst ontslagen.

73. De loteling, die de met zijn plaatsvervanger of nummerverwisselaar gesloten overeenkomst niet naleeft, wordt, zoo die overeenkomst door een regterlijk vonnis, in kracht van gewijsde gegaan, is vernietigd, tegen ontslag van zijn plaatsvervanger of nummerverwisselaar zelf in dienst gesteld.

*Hij wordt daartoe onmiddellijk of, is hem tijdelijk het regt ontzegd om bij de gewapende magt of als militair geëmployeerde te dienen, zoodra de tijd, waarvoor de ontzegging is uitgesproken, verstreken is, opgeroepen, en voldoet hij niet aan die oproeping,-dan zijn art. 172 en de twee eerste zinsneden van art. 173 van toepassing, doch geschiedt de inlijving slechts voor den nog onvervulden diensttijd.

Wordt de loteling voor de dienst ongeschikt bevonden, dan belet dit het ontslag van den plaatsvervanger of den nummerverwisselaar niet.

*) De 2de zinsuede van art. 73 aldus gewijzigd volgens de wet van 24 April 1884, S. 70.

-ocr page 460-
-ocr page 461-

WET,

HOUDENDE OPE1GTING VAN SCHUTTERIJEN OVEK DE GEHEELE UITGESTREKTHEID DES RIJKS.

(Vastgesteld den Hden April 1837, Stsbl. no. 17, uitgegeven deo 18den April d.a.v. Gewgzigd bij (ie wet van 15 April 1S86, Stsbl. no. 64.)

»Art. 203. (G. 1815.) Het dragen der wapenen, tot handhaving »der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs «grondgebied, blijft, overeenkomstig \'s lands oude gewoonte, den geest »der pacificatie van Gent, en de grondbeginselen, bij de Unie van «Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle ingezetenen «van het Rijk.quot;

»Art. 213. In alle gemeenten, welker bevolking binnen den besloeten kring of omtrek der gebouwen 2,500 zielen en daarboven be-»draagt, worden, als van ouds, schutterijen opgerigt, tot behoud der «inwendige rust; deze schutterijen dienen, in tijden van oorlog en «gevaar, tegen de aanvallen van den vijand. In andere gemeenten «worden, in tijd van vrede, rustende schutterijen ingesteld, welke, in-»geval van oorlog, gezamenlijk met de vorengemelde, dienen als een «landstorm, tot verdediging des vaderlands.quot;

«Art. 214. De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent «het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de sehut-»terijen en den landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het «voorwerp eener, door hem voortedragen, wet.quot;

Gezien de wet op de schutterijen van den 27sten Februari 1815 (Staatsblad no. 20), alsmede Onze besluiten van den 13den April en 28 Juni daaraanvolgende {Journal officie I no. (5 en 20);

En al verder in overweging nemende, dat de wet op de schutterijen van den 27sten Februari 1815 (Staatsblad no. 20), alsmede Onze besluiten van den 13den April en 28 Juni daaraanvolgende (Journal officicl no. 6 en 20), geene, voor het geheele Rijk gelijk werkende, maatregelen behelzen, en dat het van belang is, om algemeene bepalingen op de schutterijen daar te stellen, geschikt om aan het oogmerk der grondwet te voldoen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,

Hebben goedgevonden en verstaan, vast te stellen, gelijk Wij vast-

28a

-ocr page 462-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

stellen bij deze, dat er schutterijen zullen worden opgerigt over de geheele uitgestrektheid des Rijks, welke dienstdoende zullen zijn in de gemeenten, waarvan de bevolking, binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen, 2,500 zielen en daarboven bedraagt, en rustende in alle de overige; alles op den voet en onder de verdere bepalingen, bij de volgende artikelen vastgesteld.

EERSTE AFDEELING.

Bepalingen, tot de schutterijen in het algemeen, zoowel dienstdoende als rustende, gelijkelijk betrekking hebbende.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE VERPLIGTING EN BEVOEGDHEID TOT DE SCIHITTERLIJKE DIENST.

Art. 1. Ieder ingezeten van het Rijk, die op den Isten Januari van elk jaar zijn 25ste jaar zal zijn ingetreden en zijn 34ste niet voleindigd zal hebben, zal, ingevolge de bepalingen dezer wet, daartoe opgeroepen zijnde, verpligt wezen de schutterüjke dienst uitte-oefenen.

2. Als ingezetenen worden, met betrekking tot de toepassing dezer wet beschouwd:

a. Alle Nederlanders, binnen het Rijk hun gewoon verblijf houdende.

b. Alle vreemdelingen, binnen het Rijk woonach tig, welke hun voornemen om zich aldaar te vestigen, zullen hebben aan den dag gelegd, hetzij door eene uitdrukkelijke verklaring, hetzij door het werkelijk overbrengen van den zetel van hun vermogen en de hoofdmiddelen van hun bestaan.

De tijdelijke uitoefening van een bedrijf of handwerk in eenige on-dergescliikte betrekking, gelijk die van leerling, knecht, enz., kan op zich zelve niet beschouwd worden als een bewijs van het voornemen om zich in dit Rijk te vestigen. (Mil. 15.)

3. Van deelneming in de dienst der schutterijen worden vrijgesteld

Onvoorwaardelijk.

a. Die met ongeneeslijke ziekten of gebreken zijn behebt, waardoor zij tot den wapenhandel duurzaam buiten staat zijn. (K.B. 2 Nov. 1883, S. 151.)

b. Die kleiner zijn dan eene Nederlandsche el, en vijf honderd zeventig strepen.

Vooiivaardelij k.

c. Die met ziekten of gebreken zijn behebt, waardoor zij tijdelijk

406

-ocr page 463-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

tot den wapenhandel buiten staat zijn, voor zoolang deze verhindering mogt voortduren. (K.B. 2 Nov. 1883, S. 151.)

d. De geestelijken van alle gezindheden, zoolang zij niet van stand veranderen.

e. De professoren en lectoren aan de hoogescholen. aan de athenaea en de semenariën.

ƒ. De studenten in de godgeleerdheid.

g. Die den rang van officier in dienst van den Staat, te lande of ter zee, hebben bekleed, en door eervol ontslag die dienst verlaten hebben of gepensioneerd zijn, zoolang zij niet in eenen gelijken of hoogeren rang, bij de schutterijen kunnen worden aangesteld.

h. Die wegens verandering van woonplaats, eervol uit de schutterij zijn ontslagen in den rang van officier, voor zooverre zij in hunnen vori-gen of in eenen hoogeren rang niet weder kunnen worden aangesteld.

i. Die in militaire dienst ter zee of te lande zijn.

k. De broeder van hem, die in persoon voor zich zeiven bij de schutterij dient, met dien verstande, dat van een gelijk getal broeders altijd de helft en van een ongelijk getal slechts de kleinste helft tot de dienst zal worden geroepen; strekkende deze bepaling zich echter niet uit tot zoodanige broeders, die, om welke reden ook, niet meer bij hunne ouders inwonen.

Het staat eenen broeder vrij voor zijnen broeder in dienst te treden, mits hij de hoedanigheden in zich vereenigt, welke bij deze wet zijn voorgeschreven.

I. Zij, die tot de dienst der nacht- of brandwachten, en tot die der brandspuiten zijn aangesteld, worden, zoolang zij met die werkzaamheden zijn belast, in tijd van vrede niet tot de waarneming van de dienst bij de schutterijen opgeroepen. (Sch. 24.)

m. Dit zelfde zal ook in tijd van vrede het geval zijn; (Sch. 24; Mil. 159.)

1°. Met lijf- en huisbedienden, voor welke, als dienstboden, de personele belasting wordt betaald; waaronder echter niet zullen worden verstaan werkboden of zoodanige bedienden, die ter uitoefening van iemands beroep of bedrijf zijn benoodigd.

2°. Met hen, die voortdurend uit armenkassen bedeeld, of in de armengestichten opgevoed of onderhouden worden: met dien verstande evenwel, dat wanneer het getal der op deze wijze vrijgestelden meerder dan een tiende der gevorderde sterkte eener schutterij mogt uitmaken, alsdan zooveel hoogere nommers voor de werkelijke dienst zullen worden opgeroepen, als dat meerdere bedraagt.

4. Tot de deelneming in de dienst der schutterijen zullen nimmer worden toegelaten: zij die bij een vonnis door geen nadere uitspraak of beslissing krachteloos gemaakt, tot eene volgens de wet onteerende straf of tot eene gevangenisstraf van een jaar of langer zijn verwezen ; alsmede die, welke in gelijker voege gevonnisd zijn wegens eenig misdrijf, hetwelk den gevonnisden als onbevoegd tot de dienst

STAATSWETTEN. 28

407

-ocr page 464-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

in de schutterijen moet doen beschouwen, en zulks ter beslissing van Gedeputeerde Staten der provinciën, op voordragt van het plaatselijk bestuur. \')

5. Gevangenen, in de termen van dienstpligtigheid vallende, zullen gedurende hunne gevangenschap buiten alle oproeping worden gehouden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE INSCHRIJVING, LOTING EN BEOORDEELING DER REDENEN VAN VRIJSTELLING EN UITSLUITING.

Art. 6. Elk jaar, vóór den eersten Juni, zullen de ingezetenen, welke op den Isten Januari van het jaar hun 25ste jaar van ouderdom zullen zijn ingetreden, zonder onderscheid of zij vermeenen mogten al of niet tot de vrijgestelden of nitgeslotenen te behooren, verpligt zijn zich bij het bestuur der gemeente, in welke zij wonen, voor de schutterij te doen inschrijven. (Sch. 3—5; K.B. 21 x Maart 1828, S. 6.)

7. Zij, die in meer dan eene gemeente hun gewoon verblijf houden, of den zetel van hun vermogen hebben gevestigd, zullen tot de inschrijving verpligt zijn, binnen die gemeente, alwaar eene dienstdoende schutterij aanwezig is.

Bijaldien in die verschillende gemeenten alleen dienstdoende of alleen rustende schutterijen bestaan, zullen zij zich doen inschrijven in de gemeente, alwaar zij voor de personele belasting zijn aangeslagen ; en de ambtenaren in die gemeente, alwaar zij ambtshalve verpligt zijn hun verblijf te houden.

8. Die van hunnen ouderdom geen voldoend bewijs geven, zullen door het plaatselijk bestuur worden ingeschreven, naar deszelfs oordeel, onverminderd de bevoegdheid van den ingeschrevene, om van zijnen juisten ouderdom nader te doen blijken.

9. Die bevonden zullen worden zich niet vóór den Isten Juni te hebben doen inschrijven, zullen door het plaatselijk bestuur ambtshalve ingeschreven worden, en door den na te melden schutters-raad worden verwezen tot eene geldboete; terwijl zij, daarenboven, zonder loting bij de schutterij zullen worden ingelijfd, indien het zal blijken, dat er, tijdens de verzuimde inschrijving, geene redenen tot uitsluiting of vrijstelling te hunnen aanzien bestonden. (Sch. 63 volg., 61.)

408

10. Vóór den Isten Juli, op den tijd, ten minste acht dagen te voren door het plaatselijk bestuur openlijk daartoe aantekondigen, zal er over al de ingeschrevenen binnen de gemeente eene loting

1) Art. 4 aldus gewijzigd by art. 10, no. 4 der wet van 15 April 1886, Stabl. no. 64.

-ocr page 465-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

plaats hebben door middel van welke uit de ingeschrevenen het be-noodigd getal personen voor de schutterij zal worden getrokken. (Sch. 6.)

11. Deze loting zal plaats hebben in het openbaar, door de zorg van het plaatselijk bestuur en onder het opzigt van een commissie uit hetzelve, door hetzelve benoemd. De ingeschrevenen kunnen zelve hunne nommers trekken, o£ zulks door gemagtigden laten doen; voor hen, die persoonlijk afwezend blijven mogten, of die zich niet door eenen bij de commissie uit het plaatselijk bestuur bekenden gemagtigden zullen hebben doen vertegenwoordigen, zal door een der leden van die commissie worden getrokken.

12. Op gelijke wijze zal voor diegenen, welke, tot de loting ver-pligt zijnde, buiten hun toedoen niet onder dezelve mogten zijn begrepen geworden, eene naloting plaats hebben.

13. Zij, die tot schutters zullen zijn aangewezen, zullen, voor zooverre zij niet in eene der vrijstellingen of uitsluitingen, bij het vorig hoofdstuk vermeld, mogten vallen, in hunne gemeente op de al-gemeene rol der schutterij, hetzij dienstdoende, hetzij rustende, worden gebragt. (Sch. 3—5; K.B. 7 Sept. 1828, S. 55.)

14. Op de voorgeschreven rol zullen door de commissie, bij art. 11 vermeld, naar volgorde der nommers worden gebragt en vervolgens worden opgeroepen:

a. De ongehuwden en weduwenaars zonder kinderen;

b. De gehuwden en weduwenaars, één of meer kinderen hebbende.

Uit de tweede klasse zal echter geene oproeping voor de dienst

mogen geschieden, vóórdat al de in de termen van dienstpligtigheid vallende manschappen der eerste klasse (n) tot de dienst zijn opgeroepen.

Van het oogenblik af, dat aan iemand door de genoemde commissie kennis zal zijn gegeven, dat hij op deze rol is gebragt, wordt hij als lid der schutterij beschouwd, en onderworpen aan al de verplig-tingen, daaraan verbonden.

15. Tot het onderzoeken van, en het beslissen omtrent de redenen van vrijstelling en uitsluiting, zal er elk jaar over iedere gemeente, of, des voldoende geacht wordende, over eenige onderscheidene gemeenten, die slechts weinig schutters opleveren mogten, bij zamen-voeging, eene commissie worden aangesteld, uit twee of meer leden des plaatselijken bestuurs of der onderscheiden plaatselijke besturen, en uit den kommandant der schutterij of een der kommandanten van de onderscheiden schutterijen zamengesteld, welke commissie door eenen of meer genees- en heelkundige personen, daartoe aan te wijzen, zal zijn bijgestaan.

De wijze van benoeming der gezegde commissie, en die van der-zelver raadpleging, het uitoefenen des voorzitterschaps, en de vervanging bij tijdelijke verhindering, gelijk verder alle reglementaire bepalingen, welke de inschrijving en loting vorderen, zullen nader

28*

409

-ocr page 466-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

door Ons worden vastgesteld. (K.B. 28 Juni 1828, S. 42: 21 Mei 1868, S. 68 en 6 Sept. 1868, S. 124.)

16. Aan hen, die zich door de beslissingen der gemelde commissie mogten bezwaard achten, wordt de bevoegdheid gegeven om deswege bij Gedeputeerde Staten der provincie schriftelijk, en wel op ongezegeld papier en zonder eenige kosten, in hooger beroep te komen, welke, naar bevind van zaken, de gedane uitspraken handhaven of verbeteren zullen. (Sch. 72.)

Die van deze bevoegdheid zullen verkiezen gebruik te maken, zullen zich binnen 14 dagen, na de uitspraak der commissie, moeten aanmelden, wanneer de bezwaren het niet-toestaan van vrijstelling of uitsluiting, door hen zelve gereclameerd, mogten betreffen, en binnen drie maanden, indien de bezwaren uit hunne designatie, ten gevolge van verklaarde vrijstelling of uitsluiting van anderen, mogten voortspruiten.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER DE NOMMERVKRWISSELING.

Art. 17. Aan hen, die, tot de persoonlijke dienst geroepen zijnde, van de waarneming van de dienst wenschen te zijn bevrijd, zal het geoorloofd zijn ieder jaar van nommer te verwisselen met iemand, die een hooger nommer is te beurt gevallen.

18. Deze nommerverwisseling zal alleen plaats hebben tusschen inwoners van ééne en dezelfde gemeente, en zich ook slechts tot lo-telingen onderling bepalen; zullende hij, die alzoo in de plaats van eenen anderen treedt, al de vereischten in zich moeten vereenigen, welke volgens deze wet gevorderd worden om lid eener schutterij te kunnen zijn.

19. Hij, die verlangt van het voorregt van nommerverwisseling gebruik te maken, moet binnen acht dagen, nadat de loting heeft plaats gehad, daarvan kennis geven aan de commissie, bij art. 15 vermeld, met opgave van den persoon, die hem zal vervangen, en van het nommer, door denzelven getrokken: door welke commissie alsdan zal worden onderzocht, of de alzoo optredende volgens het voorgaande artikel al dan niet voor de dienst kan worden geadmitteerd : zoo ja, zal behoorlijk aanteekening daarvan op het lotingsre-gister worden gedaan. (Sch. 11, 13.)

20. Ingeval de optredende persoon door de gemelde commissie niet tot nommerverwisselaar mogt kunnen worden geadmitteerd, zal het den bij art. 17 bedoelden vrijstaan om binnen acht dagen, nadat hij van die afwijzing behoorlijk is geïnformeerd, anderen tenzelfden einde aan te geven; deze echter, insgelijks afgewezen moetende worden, wordt de gevraagde nommerverwisseling gehouden voor vervallen, tenzij de commissie het, ter zake van bijzondere omstandigheden,

410

-ocr page 467-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

voegzaam oordeelen mogt, nog een uitstel van acht dagen toe te staan.

21. Die zijn nommer tegen een hooger heeft verwisseld, bekomt daardoor geene verdere vrijstelling dan waarop hij, vóór de plaats gehad hebbende ruiling, aanspraak had volgens deze wet.

Die bij nommerverwisseling optreedt voor een lager nommer, wordt geacht volkomen te hebben afgezien van alle redenen van vrijstelling voor zich zeiven, waarop hij anderzins, op grond dezer wet zoude hebben kunnen aanspraak maken; na verloop van een jaar echter, zal hij dezelfde aanspraak op tusschenbeide opgekomen redenen van vrijstelling hebben als welke aan andere leden der schutterij, die op hunne eigene nommers zijn ingelijfd, toekomt.

22. Hij, voor wien een hooger nummer in de dienst is opgetreden, zal, voor deze aan hem verleende gunst, eene jaarlijksche contributie aan de gemeente-kas betalen, welke op niet minder dan lien en op niet meerder dan vijf en twintig guldens zal mogen worden gesteld, ter beslissing der hiervoren gemelde commissie, en zal hij bovendien verpligt zijn, zijnen plaatsvervanger te kleeden. (Sch. 11, 2la.)

Deze contributie zal ophouden op het oogenblik, dat het hoogere nommer zal worden opgeroepen om voor zich zeiven te dienen.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE STERKTE, DEN DIENSTTIJD, HET JAARLIJKSCH ONTSIjAG EN DE WEDER AAN VULLING.

Art. 23. De schutterijen zullen sterk zijn twee man van iedere honderd zielen in elke gemeente. De werkelijke diensttijd derzelve is O}) vtjf jaren bepaald, na welke vijfjarige dienst de manschappen nog vijf jaren op de stamboeken zullen worden gevoerd en in reserve blijven; zullende, echter, zoodanige tot de reserve opgeschrevenen in tijd van vrede, zulks verlangende, noch tot het dragen van wapenen, noch tot eenige andere schutterlijke dienst verpligt, of in de sterkte der schutterijen begrepen zijn. (G. 181.)

24. Zij , die volgens art. 3, litt. I en m voorwaardelijk worden vrijgesteld, zullen dadelijk bij de reserve worden opgeschreven, en daarbij opgeschreven blijven gedurende tien jaren, of zooveel korter als zij in de termen van voorwaardelijke vrijstelling mogen blijven verkeeren. (Sch. 3c volg.)

25. De plaatsen van hen, die, na vijf jaren bij de schutterij te hebben gediend, overgegaan zijn tot de reserve, alsmede de plaatsen, welke in den loop van het jaar door overlijden, verandering van woonplaats, opgekomen vrijstellingen als anderzins, zijn opengevallen, zullen eenmaal jaarlijks worden aangevuld uit de Iqjelingen, volgens de artt. 13 en 14 op te roepen.

411

-ocr page 468-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

Zij, die gedurende vijf jaren bij de reserve hebben gestaan, zullen, zulks verlangende, jaarlijks finaal worden ontslagen.

26. Zij, die, bij de reserve geplaatst zijnde, hun 34ste jaar zullen hebben voleindigd, zijn, zulks verlangende, van regtswege onder het getal der jaarlijks finaal ontslagen wordende manschappen begrepen.

Op dit ontslag, hetwelk altijd door den Voorzitter des plaatselijken bestuurs zal zijn onderteekend, zal melding gemaakt worden van de aanvrage, daartoe gedaan.

27. Die van woonplaats veranderen gedurende den tijd, dat zij tot eene schutterij behooren, zijn daardoor niet ontslagen, maar, na alvorens van dit hun voornemen kennis gegeven te hebben aan het bestuur der door hen te verlaten gemeente, verpligt, om het overige van hunnen diensttijd te volbrengen bij de schutterij van derzelver nieuwe woonplaats.

Binnen acht dagen na hunne aankomst in de nieuwe gemeente, zijn zij verpligt, aan het plaatselijk bestuur aldaar, bij behoorlijk bewijs aan te toonen, in welke betrekking zij zich tot de schutterij in derzelver vorige woonplaats bevonden. Daaraan nalatig blijvende, zullen zij, onverminderd derzelver verpligting om het bewijs als nog te bezorgen, door den schutters-raad verwezen worden in eene geldboete.

28. De verdere formatie der schutterijen tot kcmpagniën, bataljons of afdeelingen, alsmede de reglementaire bepalingen, daartoe betrekkelijk , zullen door Ons worden vastgesteld; en zal bij deze organisatie van het beginsel worden uitgegaan, dat bij ieder korps keur-kompagniën zullen worden opgerigt, bestaande uit de bij hunne inlijving ongehuwden en gehuwden zonder kinderen; deze kompagniën zullen eventueel den eersten ban van den landstorm uitmaken. (K.B. 4 Oct. 1830, no. 61; K.B. 23 Nov. 1831, no. 32.)

De overige schutters zullen in een tweeden en derden ban worden verdeeld, en bij den tweeden ban geplaatst worden zij, die met minder talrijke familiën belast zijn en door hunnen stand, hun bedrijf of andere omstandigheden, voor hunne familiën meer misbaar worden gemaakt. De overige schutters behooren tot den derden ban, en zullen de laatste sectiën der overige kompagniën uitmaken; terwijl die van den tweeden ban bij de eerste sectiën dier kompagniën zullen worden geplaatst.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE OFFICIEREN EN ONDER-OFFICIEREN.

Art. 29. Alle hoogere en lagere officieren bij de schutterijen zullen door Ona worden aangesteld, en door Ons alléén ontslagen kunnen worden. (G. öO.)

412

-ocr page 469-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

Tot officieren bij de schutterijen zullen ook, met hunne toestemming, kunnen worden aangesteld de zoodanigen, die, alleen uit hoofde van hunnen ouderdom, niet meer tot de waarneming van de schut-terlijke dienst zijn verplicht, doch, overigens de vereischten daartoe bezitten.

De aanstelling der kommanderende officieren zal geschieden zonder voorafgaande voordragt; die der verdere, na voordragt van het kollegie van dagelijksch bestuur, met overleg van den komman-dant der schutterij, welke voordragt drie kandidaten zal moeten bevatten.

30. De hoofd-officieren zullen in handen van den Gouverneur der provincie, en de overige officieren in handen van den Voorzitter van het plaatselijk bestuur, moeten afleggen den navolgenden eed (of de volgende belofte):

»Ik zweer (belove) te zullen zijn getrouw aan den Koning, en

»dat ik mij stiptelijk naar de bepalingen der wet op de schutterijen

»zal gedragen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!»

Van deze eeds-aflegging zal op het afschrift van het besluit van benoeming aanteekening worden gedaan.

31. De onder-officieren en korporaals zullen door de kapiteins der kompagniën worden aangesteld, onder goedkeuring van den komman-dant der schutterij; of door den laatstgemelden alleen, indien zij aan den staf der schutterij zijn verbonden.

32. Leden der sehutterijen, tot den rang van officier bij dezelve wordende benoemd, of, zij, die volgens § g en h van art. 3 tot eene voorwaardelijke vrijstelling zijnde toegelaten, in hunnen vorigen of in eenen hoogeren rang bij de schutterijen worden geplaatst, en zonder wettige redenen, door den schutters-raad te beoordeelen, daarvoor bedankende, zullen gedurende den vijfjarigen diensttijd, door hen nog niet volbragt, eene jaarlijkschc contributie betalen van ƒ 100 tot ƒ 200, ter bepaling door de commissie, bij art. 15 vermeld, en niettemin hunnen overigen aetiven diensttijd als gewoon schutter moeten volbrengen.

Die tot onder-officieren of korporaals benoemd zijnde, zonder wettige redenen, ter beoordeeling als voren, bedanken mogten, zullen gedurende het overige van hunnen diensttijd eene jaarlijksche contributie betalen van ƒ 15 tot ƒ 30. te bepalen als voren, en mede hunnen overigen diensttijd als gewoon schutter moeten volbrengen.

33. Wij behouden Ons voor, om aan officieren, onder-officieren en verdere leden der schutterijen, die zich zulks door aanhoudend onberispelijk gedrag en langdurige diensten, of wel door uitstekende daden mogten hebben waardig gemaakt, zoodanige eereteekenen toe te kennen, als daartoe nader door Ons zullen worden bepaald, en zulks onverminderd andere onderscheidingen, waarop zij, uit dienzelfden

413

-ocr page 470-

414 WET OP DE SCHUTTERIJEN.

hoofde mogten aanspraak hebben, mitsgaders de billijke voorkeur, welke hun, bij het begeven van zekere ambten en bedieningen zal kunnen worden gegeven boven personen, die noch bij de staande armee noch bij de nationale militie hebben gediend. (K.B. 5 Dec. 1851, S. 149, gewijz. bij K.B. 2 Julij 1886, S. 117; K.B. 30 Dec. 1866, S. 244; K.B. 7 Maart 1867, no. 51.)

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE MIDDELEN TER BESTRIJDING DER KOSTEN EN HET VERDERE FINANCIËLE DER SCHUTTERIJEN.

Art. 34. Elk jaar zal er voor iedere gemeente, waar zulks mogt kunnen te pas komen, door den schuttersraad worden opgemaakt en aan den Raad der gemeente ter goedkeuring of nadere wijziging aangeboden, een staat van begrooting van hetgeen er berekend wordt, aan onvermijdelijke kosten der schutterij, over het volgend jaar te zullen noodig zijn.

Deze staat wordt door den Raad der gemeente, zoodanig als die door denzelfden voorloopig zal zijn vastgesteld, gezonden aan het kol-legie van Gtedeputeerde Staten der provincie, ten einde zoo als die is liggende, of met de noodige wijzigingen, door dezelve definitivelijk te worden vastgesteld; zullende echter deze schulterlijke begrooting, altijd een gedeelte moeten uitmaken van de gewone begrooting, welke jaarlijks voor de algemeene behoefte in elke gemeente wordt opgemaakt en gearresteerd. (Gem. 205x\'.)

35. Voor geene andere onderwerpen, dan die op den voorschreven staat van begrooting zijn vermeld, en tot geen hooger bedrag voor ieder derzelve respectivelijk, dan daarbij zal zijn vastgesteld, zullen er eenige belastingen mogen plaats hebben, dan op bijzondere autorisatie van Gedeputeerde Staten voornoemd, terwijl ook door deze kollegiën, ieder in den zijnen, de noodige voorschriften ter verantwoording van het gebruik der gelden zullen worden gegeven.

Er zullen jaarlijks door het Departement van Binnenlandsche Zaken een zeker aantal van deze begrootingen worden opgevraagd en onderzocht, en van de bevinding derzelven aan Ons rapport worden gedaan. (Gem. 213.)

36. De kosten, op de dienstdoende schutterijen vallende, zullen gevonden worden:

1°. Uit de boeten, de bijdragen en contributiën, bij deze wet bepaald, door de schutters-raden in te vorderen en aan de gemeentebesturen te verantwoorden; (Sch. 32, 61.) en

2quot;. Uit eene toelage uit de gemeente-kas.

-ocr page 471-

WET OP DE SCHUTTERIJEN. 416

TWEEDE AFDEELING.

Bepalingen tot de dienstdoende schutterijen in het bijzonder betrekkelijk.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENEN, ONDERSCHEIDINGSTEEKENEN EN KLEEDING.

Art. 37. De schutterijen zullen met geweren van hetzelfde kaliber als bij het leger, worden gewapend, en van patrooatasschen, alsmede van het, tot derzelver wapenrusting benoodigd lederwerk worden voorzien.

De onder-officieren, korporaals en tamboers zullen sabels bekomen.

Voor zoo verre deze wapenen en wapenrustingen niet voorhanden zijn, zullen dezelve voor de eerste maal van \'s lands wege worden verstrekt.

38. De onder-officieren en overige leden der schutterij, van minderen rang, zullen de van het land of vau de gemeente ontvangene wapenen en wapenrustingen te hunnen kosten moeten onderhouden, en die bij het eindigen van hunne dienst in goeden staat moeten terug geven. (Sch. 56.)

Ingeval echter deze voorwerpen in de dienst of bij de wapenoefeningen mogten worden beschadigd, zal door het gemeentebestuur daarin worden voorzien.

39. De ammunitiën, zoo voor de gewone dienst als anderzins benoodigd, zullen, op voorstel der schutters-raden, door den (ionverneur der provincie aan het Departement van Oorlog worden aangevraagd, en door hetzelve voor \'s lands rekening worden verstrekt.

4=0. Voor de leden der schutterijen, de officieren daaronder begrepen, zal door Ons eene uniforme kleeding worden bepaald.

De erkenningsteekenen der officieren, onder-officieren enz., zullen dezelfde zijn als die bij het leger in gebruik.

41. Elke schutter zal verpligt zijn, zich zei ven te kleeden; ingeval, echter, van onvermogen, zal hij zich tot het bestuur zijner gemeente kunnen wenden, ten einde, het zij geheel of gedeeltelijk, in zijne kleeding of kleedingskos:en uit de gemeente-fondsen te worden te gemoet gekomen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENOEFENINGEN, DE DIENST-VERRIGTINGEN, DE VERHOUDING TOT DE MILITAIRE MAGT.

Art. 42. De schutterijen zullen jaarlijks van den Isten April tot den Isten October, op gezette dagen in het schieten naar de schijf

-ocr page 472-

416 WET OP DE SCHUTTEKUEN.

worden geoefend, bij welke gelegenheid tevens eene verdere oefening zal plaats hebben, zooveel zulks voor de gewone dienst onontbeerlijk is te achten.

De oefeningen zullen telkens, in lijd van vrede, hoogstens twee uren mogen duren, en altijd een half uur vóór zonne ondergang moeten zijn afgeloopen; zij zullen niet spoediger op eikanderen mogen volgen, dan van 14 tot 14 dagen en bij voorkeur des zondags, zoo veel mogelijk na het afloopen van alle godsdienst-oefeningen, plaats hebben, doch in geen geval vóór des middags ten vijf uren aanvan-gen.

De schutter, die de noodige bekwaamheid bezit of heeft verkregen , zal dadelijk van het bijwonen dezer oefening worden vrijgesteld.

43. Er zullen jaarlijks twee of drie wapenschouwingen in de gemeente plaats hebben, op welke ook de zoodanige zullen verschijnen, die, overeenkomstig het slot van het voorgaande artikel, van alle verdere wapenoefeningen zijn verschoond.

Allen, die bij deze revue bevonden worden de onontbeerlijke bekwaamheid niet te bezitten, voor de dagelijksche dienst, zullen door den schutters-raad kunnen worden verwezen om de exercitiën weder te moeten bijwonen.

44. De komraandanten der schutterijen zullen steeds op last der plaatselijke besturen (dien zij, echter, gelijk ook in alle andere gevallen, schriftelijk kunnen vorderen), hunne onderhebbende manschappen onder de wapenen doen komen, en in alles naar de, bij dien last ontvangene, bevelen moeten handelen.

Bij gelegenheid van brand, en wanneer er alarm wordt geslagen, zal elk lid der schutterij zich dadelijk naar de voor hem bestemde loopplaats begeven; in dringende gevallen, zullen de kommandanten der schutterijen op eigen gezag hunne onderhebbenden kunnen doen onder de wapenen komen, en al die maatregelen van voorzorg moeten nemen, welke hun naar de omstandigheden zullen toeschijnen, noodig of dienstig te zijn: mits verpligt zijnde, om daarvan onverwijld aan het plaatselijk bestuur kennis te geven. (Gem. 184— 187, 189.)

45. De schutterijen zullen geene parades betrekken, en geene wachten, noch eere- of andere posten bezetten, dan voor zooverre die posten voor Ons, of voor het Koninklijk gezin mogten plaats hebben, of, ten gevolge der bepalingen, bij deze wet gemaakt, door het plaatselijk bestuur volstrekt noodig mogten worden geacht, en door den Gouverneur der provincie zijn goedgekeurd.

46. Zij zullen, wat de gewone dagelijksche dienst betreft, niets gemeens hebben met het militaire garnizoen.

In buitengewone omstandigheden, echter, en zoodra er binnen de gemeente alarm voor de militaire bezetting wordt geslagen, zullen al de leden der dienstdoende schutterij aldaar zich ordelijk en in volle

-ocr page 473-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

wapenrusting naar de voor hun aangewezen alarm- of loopplaatsen moeten begeven, ten einde de aan hen te geven bevelen aldaar af te wachten en vervolgens na te komen.

In de laatstgemelde gevallen, zullen de schutterijen door de plaatselijke besturen onder het bevel van den militairen kommandant worden gesteld.

47. De kommandanten der schutterijen zullen aan de militaire kommandanten, binnen hunne gemeenten aanwezig, moeten kennis geven van alle verzamelingen van gewapende manschappen, onder hunne bevelen staande, ten zij dat dezelve op gezette dagen of uren plaats hebben; als wanneer het voldoende zal zijn, zidks bij den aanvang daarvan eens voor al, ter hunner kennis te brengen.

48. De momentanele hulp der schutterijen door de militaire autoriteiten wordende gevraagd, zal dezelve in zeer dringende gevallen door het plaatselijk bestuur op eigen gezag, en in alle andere gevallen niet dan onder goedkeuring van den Gouverneur der provincie kunnen worden verleend.

In de eerstgenoemde gevallen, echter, moet de Gouverneur dadelijk door het plaatselijk bestuur daarvan verwittigd worden. (Gem. 1846.)

49. Wanneer in eene naburige gemeente de rust mogt worden bedreigd of gestoord, zullen de dienstdoende schutterijen uit andere gemeenten, op vordering van den Gouverneur der provincie, eu in dringende gevallen op last zelfs van den voorzitter des plaatselijken bestuurs, hulp moeten verleenen; behoudens, in de laatstbedoelde gevallen, de verpligting van dien Voorzitter, om onverwijld den Gouverneur daarvan berigt te geven.

De gemeente, welke de hulp heeft noodig gehad, zal de kosten deswege dragen; zullende echter geene schutterij geheel of gedeeltelijk kunnen worden gebezigd buiten de provincie, tot welke zij behoort, tenzij op Onzen bijzonderen last.

50. In de gemeenten, alwaar eene militaire bezetting aanwezig is, zal het parool en contrasein door den kommandant derzelve aan dien der dienstdoende schutterij aldaar worden medegedeeld. Bij ontstentenis van militaire bezetting, zal het parool en contrasein door den kommandant der dienstdoende schutterij gegeven, doch ook door hem aan den Voorzitter van het plaatselijk bestuur moeten worden opgegeven.

51. De officieren der schutterijen en die van het leger zullen elkander in hunne respective rangen erkennen, de gewone eerbewij-zingen doen geven en elkanders rondes en patrouilles doen eerbiedigen, zonder, echter, elkanders wachten of posten in oogenschouw te mogen nemen of te onderzoeken. Blijvende, nogtans, de militaire kommandant en de plaats-majoor in de gemeente in allen gevalle tot het voorschreven onderzoek bevoegd.

52. Bij zoodanige zeldzame gelegenheden, in welke de schutterijen met de marechaussée of het militair garnizoen vereenigd of gezamen-

417

-ocr page 474-

WET OP DE SCHTJTTEKIJEN.

lijk mogten onder de wapenen komen, zullen de schutterijen altijd den regtervleugel bezetten.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER DE SCHÜTTERUJKE TUCHT EN DE REGTSPLEGING.

Art. 53. De leden der schutterijen, van welken rang ook, zullen in alles wat de dienst betreft, aan hunne meerderen gehoorzamen, en zich overeenkomstig de, bij deze wet gemaakte, bepalingen moeten gedragen.

54. Die zich gedurende de dienst, of ter gelegenheid van dienstzaken, door woorden of met daden tegen hunne meerdere verzetten, zullen met degradatie, of, des noods, met wegzending uit de schutterij getraft worden. (Sch. 62.)

55. Schutters, die eenen hun toevertrouwden post, en officieren en onder-officieren en korporaals, die eenen zoodanigen post, of wel een aan hunne zorg overgelaten detachement verlaten, zullen gestraft worden:

De eerstgemelden, met geldboete of wegzending uit de schutterij; en

Do laatstgenoemden met geldboete, en bij verzwarende omstandigheden, met degradatie of wegzending uit de schutterij. (Sch. 62.)

56. Zij, die de bekomen wapenen of wapenrustingen, of andere voorwerpen, zonder onderscheid, welke hun in derzelver betrekking van leden der schutterij, tot een bepaald gebruik, aïs zoodanig worden toebetrouwd, mogten bederven of onbruikbaar itaken, verzetten, verpanden, verkoopen, of op eenige andere wijze afhandig maken, zullen, onverminderd derzelver verpligting tot vergoeding der waarde, met geldboete worden gestraft, voor zooverre de omstandigheden niet van dien aard zijn mogten om hen, wegens moedwillig misbruik van vertrouwen, te dezer zake. voor den burgerlijken regter te doen te regt staan, en als zoodanig te straffen.

57. Die tot eenige dienst geroepen zijnde, te laat komen, zich te vroeg verwijderen, of in het geheel niet verschijnen, alsmede de zoodanigen, van welken het blijken mogt, dat zij, na tot eenige dienst te zijn geroepen, zonder voorkennis hunner superieuren, of ook slechts ter ontduiking van do dienst, de gemeente hebben verlaten, zullen met geldboete worden gestraft. (Sch. 61.)

58. Alle pligtverzuim of gedrag tegen de ondergeschiktheid, waaromtrent bij deze wet geene bijzondere bepalingen zijn gemaakt, alsmede alle misbruiken van gezag tegen onderhebbenden, zullen, naar bevind van zaken, worden verbeterd of gestraft met zoodanige boeten of straffen. als niet te boven zullen gaan die, welke bij deze wet zijn bepaald. (Sch. 61, 68.)

59. Alle officieren of zoodanigen, die, uit hoofde van hunnen rang, eenig gezag uitoefenen over andere landen der schutterij, zullen

418

-ocr page 475-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

het regt hebben om onderhoorigen, die zich gedurende de dienst aan eenig vergrijp mogten schuldig maken, dadelijk te doen ontwapenen en provisioneel te verwijderen; zij zullen, echter, daarvan onverwijld moeten kennis geven aan dea kommandant der schutterij.

60. Die, ingeval van oproer, zich onder de wapenen wederstrevig tegen de orders hunner meerderen gedragen, zich feitelijk tegen dezelve verzetten, of de muitelingen door gebaren, woorden of daden, aanmoedigen mogten, zullen als medepligtigen worden beschouwd. In deze gevallen, gelijk mede in alle andere, waar de vergrijpen tegen de ondergeschiktheid mogten gepaard gaan met verzwarende omstandigheden, welke bij het Wetboek van Strafrcgt onder de misdrijven worden gerangschikt, zullen de schuldigen aan den burgerlijken reg-ter worden overgeleverd. \')

61. De geldboeten, waartoe ingevolge de wet za! kunnen worden verwezen, zullen, voor zooverre zulks bij dezelve niet in het bijzonder anders mogt zijn bepaald, de som van vijftien guldens, telkens, niet mogen te boven gaan; in de gevallen, wanneer de schutterijen bij brand, bedreigde of reeds gestoorde rust, of wel, buiten hunne gemeente moeten dienst doen, kunnen deze boeten tot een som van honderd guldens worden verhoogd.

Op het verzwarende, uit die omstandigheden ontstaande, zal steeds, bij de bepaling der hoegrootheid van de boeten, moeten worden acht gegeven.

62. Die uit de schutterij zullen worden weggezonden, zullen tevens onder goedkeuring des plaatselijken bestuurs, worden verwezen in eene boete, die, bij wijze van contributie, over hunnen nog overigen vijfjarigen diensttijd zal worden omgeslagen, en waarvan het jaarlijks bedrag niet minder dan vijftig cents, en niet meerder dan ƒ 150 zal kunnen beloopen. (Sch. 54, 55.) 1)

63. Bij de dienstdoende schutterij in elke gemeente, of, bij de dienstdoende schutterijen over eenige gemeenten, die slechts weinig schutters opleveren mogten, te zamen genomen, zal een schuttersraad bestaan, aan welken, behalve de verdere attributen, bij deze wet gegeven, het beoordeelen van en de uitspraak doen omtrent alle verzuim en overtreding, in zaken van de schutterij, en mitsdien ook het opleggen der straffen en boeten, bij de wet vastgesteld of vrijgelaten, zal zijn opgedragen, voorbehoudens hetgeen bij art. 65 zal worden bepaald.

In zeer bevolkte gemeenten zal, met Onze toestemming, behalve den schutters-raad, nog een raad van administratie, uit andere leden bestaande, kunnen worden opgericht, alleen belast met de geldelijke administratie der schutterijen in die gemeente (K.B. 25 Mei 1829, S. 38, gewijz. bij K.B. 26 Mei 1885, S. 122.)

419

1

Aldus gewijzigd door art. lltZ der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

-ocr page 476-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

64. Deze schutters-raden zullen gewoonlijk zijn zamengesteld uit-eenen officier van eiken rang bij de schutterij, eenen onder-officier, eenen korporaal en eenen schutter; deze zullen echter elkander niet tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap mogen bestaan.

65. Van de vonnissen der voorschreven schutters-raden, welke degradatie, wegzending uit de schutterij of beboeting van meer dan zes guldens inhouden, zal men zich, uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen na het kennis bekomen van die vonnissen, schriftelijk kunnen beroepen op Gedeputeerde Staten der provincie, die deze vonnissen zullen kunnen handhaven, verbeteren of te niet doen.

Mogten dezelve vonnissen de degradatie of wegzending uit de schut terij inhouden van officieren, zullen dezelve onverwijld aan Ons ter bekrachtiging worden ingezonden; terwijl wanneer daarop binnen zes weken na die inzending (van welke in allen gevalle zal moeten blijken) , geene dispositie ter contrarie van Ons, of Onzentwege mogt zijn ingekomen, de sententie alsdan zal worden aangemerkt als door Ons te zijn goedgekeurd.

De officieren, tegen welke zoodanige sententie is geslagen, zullen hangende Onze overweging zijn gesuspendeerd.

66. Bij elk der schutters-raden zal door Ons een auditeur worden aangesteld, die met de vervolging van alle verzuimen en overtredingen, de dienst en de ondergeschiktheid der schutters betreffende, zal zijn belast.

Een der leden van dien raad zal tevens als secretaris bij denzelven fungeren.

67. De kommandanten der schutterijen zijn verpligt, van al de hun bekende verzuimen en overtredingen, door de onderhoorigen begaan, in zooverre, namelijk, dezelve door feitelijkheden, openbaren onwil, het bieden van tegenstand, opzettelijke weigering, of moedwillige nalatigheid, zijn gekenmerkt, dadelijk kennis te geven aan de auditeurs, met bijvoeging der bewijzen, en met opgave zooveel mogelijk der personen, die als getuigen zullen kunnen dienen.

68. Alle fouten, door schutters begaan wordende, welke alleen aan onachtzaamheid of slordigheid zijn toe te schrijven, alsmede kleine of geringe vergrijpen tegen de orde en ondergeschiktheid, zullen dooide kommandanten zelve met de oplegging eener boete kunnen wor den gestraft, welke, voor de officieren, de som van ƒ 3, en voor de onder-officieren en verdere leden der schutterij die van ƒ 1, niet zal mogen te boven gaan. (Wet 16 Dec. 1886, S. 213.)

69. De auditeur door den bevelvoerenden officier, ingevolge art. 67, kennis bekomen hebbende van pligtverzuim of wangedragingen zal, daartoe termen vindende, tegen de overtreders moeten handelen en, na ingewonnen berigten, de beschuldigden voor den schuttersraad doen hooren. Indien hij vermeent, dat er geene termen tot ver-

420

-ocr page 477-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

volging bestaan, zal hij de aanklagt aan den raad overhandigen, die daarop beslissen zal.

Indien zij, voor den raad ontboden zijnde, niet verschijnen op den tijd, bij de oproeping bepaald, welke niet korter dan na drie volle dagen mag worden gesteld, zullen zij bij verstek kunnen gevonnisd worden.

70. Leden der schutterij, die, voor den schutters-raad opgeroepen zijnde om getuigenis der waarheid te geven, zonder wettige reden niet verschijnen op den bepaalden tijd, welke dezelfde zal moeten zijn als die, in het laatst voorgaande artikel vermeld, zullen voor de eerste maal door den raad verwezen worden tot geldboete; voor de tweede maal niet voldoende aan de oproeping, zullen zij door den bode van den schutters-raad, op een schriftelijk bevel van medebren-ging, door dien raad afgegeven, voor denzelven worden gebragt, onverminderd de toepassing van dezelfde boete voor eene tweede maal, welke echter de som van ƒ 6 niet zal mogen te boven gaan.

Indien de opgeroepene getuigen geene leden der schutterij zijn, zal er te dezen opzigte gehandeld worden overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de regtspleging bij de landmagt, bij Ons besluit van 20 Julij 1814 (no. 85) gearresteerd, en wel in den tweeden titel het tweede hoofdstuk, art. 92 tot 98, is voorgeschreven.

71. Bekeurde of gevonnisde leden der schutterijen de hun opgelegde straffen of vergoedingen bij deze wet bepaald, binnen acht dagen na de bekeuring of na het vonnis niet hebbende betaald, zullen door de boden der schutters-raden tot die betaling worden aangemaand of geïnsinueerd; welke aanmaning of insinuatie, bij verder in gebreke blijven, van acht tot acht dagen, nog twee maal zal worden herhaald. Het verschuldigde alsdan binnen 48 uren, na deze laatste aanmaning of insinuatie niet zijnde voldaan met de kosten, zal de bekeurde of gevonnisde daartoe kunnen worden geconstringeerd door middel van provoost-arrest, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur op te leggen, en welk arrest insgelijks ten koste van den bekeurden of gevonnisden zal zijn, doch den tijd van veertien dagen niet zal mogen te boven gaan. (Wet 16 Dec. 1886, S. 213.)

72. De citatiën, en andere akten van vervolging aan leden dei-schutterij door den schutters-raad, de vonnissen, daarop volgende, alsmede de akten, welke ter inning der bij die vonnissen bepaalde boeten en kosten strekken, zoowel als die, welke ter inning der bij art. 68 aangewezen boeten mogten ncodig zijn; gelijk mede alle geschriften, welke een lid der schutterij in deze zijne betrekking mogt noodig hebben, zullen vrij van zegel en registratie-regten zijn.

DERDE AFDEELING.

Bepalingen tot de rustende schutterijen in het bijzonder betrekkelijk.

Art. 73. Wij behouden Ons voor, om de rustende schutterijen te

421

-ocr page 478-

422 WET OP DE SCHUTTERIJEN.

doen wapenen op dezelfde wijze, als ten aanzien der dienstdoende bij deze wet is bepaald, en zulks, naar mate \'s Rijks aangelegenheden dat zullen vorderen.

74. De rustende schutterijen kunnen in tijd van vrede, tot geene diensten worden opgeroepen , dan die tot derzelver instandhouding worden vereischt, onverminderd, echter, dat, wanneer een plaatselijk bestuur oordeelen mogt, voor de bewaring der publieke rust of de veiligheid dier gemeente de tijdelijke medewerking dier schutterij te vorderen, dezelve alsdan daartoe zullen kunnen worden opgeroepen, en zij tevens gehouden zullen zijn daaraan te gehoorzamen. (Sch. 44; Gem. 184.)

75. Bij elke der rustende schutterijen, of, bij zamenvoeging, over eenige onderscheidene, zal insgelijks een schutters-raad bestaan, gewoonlijk zamengesteld als bij art. 64 omtrent de dienstdoende schutterijen is gezegd, en een auditeur, als bij art. 66 voor de dienstdoende schutterijen is bepaald; terwijl insgelijks een der leden van dien raad tevens als secretaris bij denzelven zal fungeren.

Zij zullen dezelfde attributen en verrigtingen uitoefenen, als aan de schutters-raden en auditeurs bij de dienstdoende schutterijen volgens deze wet zijn opgedragen, daar, alwaar Wij zulks zullen noodig oordeelen; behoudende Wij Ons voor, om het vastgestelde bij deze wet, ten aanzien der tucht en regtspleging bij de dienstdoende schutterijen, ook op de rustende schutterijen toepasselijk te verklaren, naar mate de omstandigheden zulks noodzakelijk zullen maken.

76. De officieren en verdere leden der rustende schutterijen zijn, in tijd van vrede, niet tot het dragen van montering gehouden; zulks verkiezende, is het echter aan ieder hunner geoorloofd; in welk geval dezelve geheel overeenkomstig aan die der dienstdoende schutterijen zal moeten zijn.

VIERDE AFDEELING.

Over den landstorm.

Art. 77. Zoodra in de gevallen, bij art. 209 der grondwet (v. 1815) voorgeschreven, de geheele militie zal zijn bijeengeroepen, zal de mogelijke vereeniging der dienstdoende en rustende schutterijen (de reserve daaronder begrepen) kunnen worden voorbereid, en zullen deze schutterijen onverwijld in den wapenhandel worden geoefend, zoodanig en zoo dikwijls, als Wij zulks ter bevordering va i de verdediging des vaderlands zullen noodig achten. (Sch. 23 volg.)

78. Tegen de aanvallen van den vijand zullen, aanvankelijk en in de eerste plaats, worden bestemd en opgeroepen:

lu. Zoodanige leden der schutterijen, welke zich vrijwillig tot dat einde zullen hebben aangeboden;

2°. De ongehuwde en, bij een dringend gevaar, de verdere leden van den eersten ban;

-ocr page 479-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

3quot;. De tweede ban. (Sch. 28.)

Terwijl, eindelijk, de overige leden der schutterijen, en bij het dringendst gevaar al de overige ingezetenen, geschikt om de wapenen te dragen, naar aanleiding van art. 203 der grondwet (v. 1815) den derden of laatsten ban van den landstorm zullen uitmaken. (G. 180.)

79. De oproeping van den landstorm zal, indien de Staten-Gene-raal niet vergaderd zijn, gepaard gaan met een buitengewone bijeenroeping van dezelve, ten einde van het verrigte opening te geven en de verdere daartoe betrekkelijke maatregelen met de Vergadering te beramen. (6. v. 1815, art. 209; G. 185.1

80. De plaatsvervanging zal in tijd van oorlog, aan ieder der tot den landstorm opgeroepenen geoorloofd zijn, onder voorwaarden, door Ons nader te bepalen; waarbij van het beginsel zai worden uitgegaan, dat dezelve in het belang van nuttige beroepen zoo min mogelijk drukkende zij, en aan den anderen kant, niet tot prejudicie strekke van derden, en in geen geval meer bezwarend zij dan die, welke bij de wet op de nationale militie is toegestaan. (K.B. 23 November 1831, no. 32.)

81. De inrigting van den landstorm, en meer bepaaldelijk deszelfs verdeeling in kompagniën, bataljons, regementen of legioenen, zal door Ons worden bevolen.

82. Dat gedeelte van den landstorm, hetwelk aanvankelijk tegen de aanvallen van den vijand moet dienen, zal worden beschouwd een gedeelte der legermagt van het Kijk uit te maken en diensvolgens op denzelfden voet behandeld worden, en onder dezelfde verpligtin-gen staan. Hetzelve zal ook op gelijke wijze worden verpleegd en bezoldigd als het leger van den Staat, en zullen al de inrigtingen, welke ten behoeve van dat leger bestaan, als dan ook op den landstorm van toepassing zijn, welke mitsdien, op eene gelijke verzorging en belooning ten volle zal aanspraak hebben.

83. In geen geval zal de landstorm buiten de grenzen van het Rijk mogen worden gevoerd of gebruikt.

VIJFDE AFDEELING.

Over de eerste daarsteliing der schutterijen op den voet dezer wet en verdere transitoire bepalingen.

Art. 84. De eerste oprigting der schutterijen, overeenkomstig deze wet, zal achtereeijvolgende plaats hebben op zoodanige tijdstippen, als Wij daartoe het meest geschikt zullen oordeelen, en binnen twee jaren tot stand zijn gebragt.

Tot deze eerste daarsteliing zullen zich alle ingezetenen, welke op den Isten Januarij van het jaar der oproeping hun 25ste jaar zullen zijn ingetreden en hun 34ste jaar niet zullen hebben voleind bij het bestuur hunner woonplaats doen inschrijven, ten einde vervolgens,

423

-ocr page 480-

WET OP DE SCHUTTERIJEN.

bij gelijksoortige loting, als bij de artt. 10, 11 en 12 is bepaald, en op den verderen voet dezer wet, het vereisehte getal manschappen tot de eerste daarstelling daaruit worde getrokken.

85. Zij die, bij de eerste daargestelde schutterijen geplaatst zijnde, hun 34ste jaar mogten voleinden alvorens gedurende tien jaren tot de schutterij te hebben behoord, zullen, des verkiezende, jaarlijks worden ontslagen.

86. In plaatsen, alwaar reeds schutterijen zijn georganiseerd, blij-van dezelve zoo lang bestaan, tot dat de nieuwe verordening, bij deze wet voorgeschreven, overeenkomstig art. 84 zal zijn ingevoerd.

De thans bij de schutterijen dienende manschappen zullen de vijfjarige dienst, waartoe de schutters volgens deze wet verpligt zijn, bij de nieuwe schutterijen volbrengen; en zullen zij, die langer dan vijf en minder dan zeven jaren hebben gediend, of, in plaats van die persoonlijke dienst, gedurende vijf jaren of langer eene verhoogde contributie hebben betaald, overgaan tot de reserve; terwijl zij, die hun 34ste jaar hebben volbragt of door zevenjarige dienst aan de vroegere wet op de schutterijen hebben voldaan, des verkiezende, finaal zullen worden ontslagen.

87. Er zal door het lot worden beslist, welke manschappen van de eerste daargestelde schutterijen respectivelijk zullen behooren tot het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde gedeelte, hetwelk van jaar tot jaar tot de tweede hoofdafdeeling of de reserve zai overgaan; gelijk mede, in welke volgorde het jaarlijks ontslag bij de reserve der eerste daargestelde schutterijen zal plaats hebben. (K.B. 18 Juli 1829, S. 52.)

88. De eerste aanstelling der officieren bij de onderscheidene schutterijen zal door Ons, zonder uitzondering, buiten voorafgaande voor-dragt geschieden.

SLOT ARTIKEL.

Alle wetsbepalingen en verordeningen, welke ten aanzien der schutterijen, burgerwachten en burgermilitiën, tot hiertoe in de onderscheidene gedeelten van het Kijk hebben bestaan, zijn rr.et de afkondiging dezer wet ingetrokken en vervallen.

424

-ocr page 481-

quot;WET

TOT REGELING DER JAGT EN VISSCHERIJ.

(Vastgesteld den 13den Junij 1857, Stsbl. no. 87, uitgegeven den 243ten Junij d a.v. Gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 14 en 15 April 1886, S.S. noa. 61 en 64, en \\\'6 Juli 1896, Stsbl. no. 105.) 1)

Art. 1. Ieder die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen, waarop hij jagtregt heeft of waarin hij tot visschen geregtigd is, bejaagt of bevischt, moet voorzien zijn van eene daartoe betrekkelijke acte, op de eerste vordering te vertoonen aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren. (B.W. 641; Jw. 20, 36, 404.)

2. Om eens anders grond of jagt- of vischwater bij vergunning, huur, of pacht te kunnen bejagen of bevisschen, moet men daarenboven voorzien zijn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende, overeenkomstig het vorig artikel te vertoonen. (36, 406.)

Deze bepaling is niet toepasselijk, wanneer het jagen of visschen plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, noch ook op pachters of huurders, ten ware het jagt- of vischregt bij de overeenkomst van pacht of huur zij voorbehouden.

Ten aanzien van de gronden en wateren, vermeld in artt. 577 en 579 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de Staat als regthebbende beschouwd.

Tot het visschen in deze wateren, met den hengel in de hand, wordt noch acte noch vergunning vereischt. (13c.)

Het schriftelijk bewijs, in het Iste lid bedoeld, is, even als de verdere in deze wet gevorderde schriftelijke vergunningen van eigenaar of regthebbende, vrij van zegel en registratie.

3. Het jagt- en vischregt, dat derden op gronden of wateren van anderen hebben, kan door dezen worden afgekocht, al ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen.

1) De met * gemerkte alinea\'s en artikels zijn toegevoegd, gehandhaafd of aldua gewijzigd dnnr de wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64.

STAATSWETTEN. 29

-ocr page 482-

JAGTWET.

Het bestuur der domeinen is tot dien afkoop bevoegd op de voorwaarden, door Ons vast te stellen.

Bij geschil over den afkoopprijs. wordt deze door de regtbank van het arrondissement, waarin de gronden of wateren zijn gelegen, na verhoor van deskundigen, bepaald.

Bij vervreemding kan het jagt- of vischregt niet van den eigendom van den grond of het water worden afgescheiden.

4. Behoudens de regten van derden, wordt aan Ons de beschikking opgedragen over de jagt:

der heerlijkheden het Loo en Borculo, van Naaldwijk en den Oranje-Polder, zoolang de afkoop van het jagtregt, waarop art. 3 toepasselijk is, niet zal zijn geschied; en voorts op de volgende domeingronden :

a. de zeeduinen van den hoek van Holland tot aan het dorp Noord-wijk aan Zee;

h. de Kroondomeinen.

5. De jagt- en vischacten worden, bij verzoekschrift op ongezegeld papier, aangevraagd aan Onzen Commissaris in de provincie, waarin de verzoeker woonachtig is, en door dien Commissaris, volgens het door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister vastgesteld model, uitgegeven.

Voor minderjarigen worden de verzoekschriften ingediend door hunne ouders of voogden.

De aoten gelden van den Isten Julij tot en met den 30sten Junij van het daarop volgend jaar en zijn voor geheel het Rijk van kracht.

6. Onverminderd het zegelregt volgens de wet, hetwelk, ook bij niet-afhaling der eenmaal aangevraagde acte, ten laste des verzoekers blijft, wordt betaald;

voor eene groote jagtacte tot alle geoorloofd jagtbedrijf, dcrtiy yul-den; (8.)

voor eene groote jagtacte als boven, met uitzondering van de lange jagt en de valkenjagt, vijftien gulden;

voor eene kleine jagtacte tot de jagtbedrijven in art. 15, litt. e, / en g genoemd, vijf gxddcn;

voor eene groote vischacle tot het gebruik van alle geoorloofd vischtuig, vijf gulden; (8.)

voor eene kleine vischacte tot het gebruik van één geoorloofd vischtuig, in de acte te vermelden, een gulden en vijftig cents.

Het blijft aan Onzen Couunissaris in de provincie voorbehouden, aan daglooners of arbeiders voor de uitoefening vaa het jagtbedrijf, vermeld bij art. 15 lit. lt;/, en aan kennelijk onvermogenden voor de uitoefening der visscherij met één vischtuig, kostelooze vergunning te verleenen, mits van het onvermogen voldoende blijke, en door belanghebbenden de schriftelijke toestemming der eigenaren

426

-ocr page 483-

JAGTWET.

worde overgelegd, waarvan in de vergunning melding wordt gemaakt.

De kostelooze vergunning wordt aan de ambtenaren, met het toe-zigt belast, op de eerste vordering vertoond. (36.)

7. Eene acte dient alleen voor hem, op wiens naam zij is afgegeven.

De meester kan echter ook eene acte bekomen ten behoeve van zijn jager of visscher.

Inwonende zonen beneden den ouderdom van achttien jaren mogen, zonder acte op eigen naam, hunnen vader of diens jager jagende vergezellen.

8. Eene groote jagt- of groote vischacte geeft de bevoegdheid tot uitoefening van alle jagt of visscherij, niet verboden bij deze wet of bij de verordeningen, bedoeld in de beide volgende artiken.

9. Voor zooverre daarin niet reeds voorzien is, wordt voor elke provincie door de Staten, onder Onze goedkeuring, een reglement op de uitoefening der jagt en visscherij vastgesteld tot aanwijzing;

a. van de plaatsen voor de uitoefening der afzonderlijke jagten op waterwild;

b. van den tijd, waarop het jagen op grof wild zal zijn toegelaten;

c. van de soort der vischtuigen en de grootte van de mazen der vischnetten; en

d. van de breedte, vereischt voor de grachten bedoeld bij artt. 12 en 13. (40.)

10. De wijze van uitoefening der zalm- en elftvisscherij wordt door Ons, na Gedeputeerde Staten gehoord te hebben, bij algemee-nen maatregel van inwendig bestuur geregeld. \') (K.B. 21 Julij 1886, S. 123.)

1) Art. 10 aldus gewijzigd bij art. 1 der wet van 14 April 1886, Stsbl. no. 61.

Artt. 2 en 3 van deze wet luiden als volgt:

Art. 2. Met wijziging dier wet (wet Jagt en Visscherij 13 Junij 1857) worden de straffen gesteld op de overtredingen van de verordening, bedoeld in artikel 10, in de gevallen bij art. 40 voorzien, bepaald op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste tweehonderd gulden; in de gevallen van artikel 41 op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste vierhonderd gulden of gevangenisstraf van ten minste één dag en ten hoogste drie maanden; in de gevallen van artikel 42 op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste zeshonderd gulden of gevangenisstraf van ten minste één dag en ten hoogste vier maanden, met verdubbeling overeenkomstig het laatste lid van artikel 42.

Van den eersten September 1886 af worden de in dit artikel bedoelde feiten beschouwd als overtredingen en wordt de daarop gestelde gevangenisstraf vervangen door hechtenis van gelijken duur.

Art. 3. Deze wet treedt in werking op 1 Juni 1886.

427

29*

-ocr page 484-

JAGTWET.

11. Gedeputeerde Staten bepalen jaarlijks den tijd van opening en sluiting der jagt en visscherij, mitsgaders de dagen in de week, waarop de korte of de lange jagt mag worden uitgeoefend, en Onze Commissaris in de provincie doet daarvan aankondiging, ten minste acht dagen vóór de opening en sluiting.

Op gelijke wijze bepalen zij, naar mate de wildstand of plaatselijke omstandigheden zulks vereischen, of de jagt op eenige wildsoort, alsmede of eenige visscherij niet geopend dan wel beperkt moet worden, hetzij in de geheele provincie, hetzij in bepaalde plaatsen, alsmede hoevele stukken grof wild van het mannelijk of vrouwelijk geslacht. en hoevele hazen op éénen dag door één jager, en bij klop-of drijfjagten door alle jagers te zamen, mogen worden geschoten of gevangen; en voorts den tijd gedurende welken de kooi-eenden door den kooiman moeten worden opgesloten of gehokt. (40.)

12. Geene jagtacte noch buitengewone magtiging wordt vereischt:

a. voor het jagen door den eigenaar of regthebbende in lust- of bouwhoven of buitenplaatsen, door muren, schuttingen, rasters of grachten geheel afgesloten;

b. voor het schieten van schadelijke vogels in tuinen of fruitboomgaarden, door of op last van den eigenaar of regthebbende.

13. Geene vischacte wordt vereischt:

а. voor hen die den houder eener vischacte, daarbij zelf tegenwoordig, behulpzaam zijn in het hanteren van een vischtuig, dat door één persoon niet kan worden beheerd, de zalm- en prikvisscherij, alsmede het visschen met schakels of wargarens daaronder begrepen;

б. voor het bevisschen door den eigenaar of regthebbende van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat, of van visch-water gelegen in buitenplaatsen en lust- of bouwhoven, door muren, schuttingen, rasters, of grachten, geheel afgesloten; de gracht van afsluiting zelve onder zoodanig vischwater begrepen; (19, 27.)

c. voor het vissehen met den hengel in de hand. (2d.)

14. .Tagtacten worden geweigerd aan:

a. maréchaussées beneden den rang van officier, beambten van \'s Rijks middelen, niet boven den rang van commies; dienaars van justitie en politie, de laatsten, voor zooverre zij bezoldigd zijn, behoudens de bevoegdheid der ambtenaren van rijkspolitie tot het schieten van schadelijk gedierte overeenkomstig art. 29;

5. personen onder curatele gesteld, ten ware zij tot het vragen van acte door hunnen curator zijn gemagtigd;

c. personen beneden de achttien jaren;

d. personen, aan welke bij de wet of bij regterlijk gewijsde het regt om schietgeweer of wapenen te dragen is ontzegd;

c. personen, die een onteerend vonnis hebben ondergaan, zoolang zij niet zijn gerehabiliteerd;

*ƒ. personen die tot eene gevangenisstraf van drie jaar of langer

428

-ocr page 485-

JAGTWET.

zijn veroordeeld, indien nog geen vijf jaren zijn verloopen na het ondergaan der straf.

De personen, vermeld onder d en e, kunnen echter worden toegelaten tot de jagtbedrijven genoemd in art. 15, litt. e, f, g en h.

Binnen de twee eerste jaren, te rekenen van den dag dat eene veroordeeling wegens jagen zonder acte of wegens eene der overtredingen, strafbaar gesteld in art. 41 of 42 dezer wet, kracht vau gewijsde heeft verkregen, kan eene acte aan den veroordeelde worden geweigerd.

15. Onder jagen wordt in deze wet verstaan de uitoefening van een der volgende geoorloofde jagtbedrijven;

a. met valken of havikken, mits zonder honden;

b. met windhonden (lange jagt), mits zonder schietgeweer en met niet meer dan vijf honden;

c. met geweer en met of zonder staande honden of brakken;

d. het schieten van waterwild;

e. het weispel van kwartelen met steekgaren of vUegnet;

ƒ. het vangen van waterwild, aangeduid in art. 17, met slagnetten;

y. het vangen van houtsnippen met laat-, war- of valflouwen;

h. het vangen van eendvogels in eene eendenkooi of daarmede gelijkstaanden toestel.

Alle andere pogingen of middelen om wild op te sporen, te be-magtigen of te dooden, als met zoogenaamde afdraaijers, stokgewe-ren, pistolen of andere verborgene wapenen, tirassen, lange netten , damnetten en wild- of konijnenstrikken, zijn verboden. (41c, 45c.)

Het is insgelijks verboden zich met die voorwerpen in het veld te bevinden buiten openbare wegen of voetpaden.

16. Het brengen van staande honden voor het wild in het veld, gedurende den gesloten jagttijd, het houden van klopjagten, op grof wild en schadelijk gedierte ook op spoorsneeuw, het opvangen en vervoeren van fazanten en korhoenders, kan geschieden na bekomen consent, kosteloos af te geven door Onzen Commissaris in de provincie.

De aanvrage om consent, zoowel als het consent zelf, zijn vrij van zegel.

Het consent wordt op de eerste vordering aan de met het toezigt belaste ambtenaren vertoond.

17. Onder wild wordt verstaan:

grof wild: herten en reeën;

klein wild: hazen, fazanten, korhoenders, patrijzen, houtsnippen en kwartels;

waterwild: eenden, duikers, waterhoenders, watersnippen, schrieken, kemphanen, strandloopers, wulpen en plevieren.

420

-ocr page 486-

JAGTWET.

18. Het is verboden te jagen:

a. op Zondag;

b. vóór zonsopgang en na zonsondergang, met uitzondering van de uitoefening der jagtbedrijven vermeld onder litt. e, ƒ, g en h van art. 15, en van het schieten van eenden, alle welke jagtbedrijven geoorloofd zijn een half uur vóór zonsopgang en een half uur na zonsondergang ;

c. op spoorsneeuw met uitzondering van de klopjagten in art. 16 vermeld, van het schieten van waterwild aan het zeestrand en aan de oevers van rivieren, meren en plassen; voorts van de jagtbedrijven vermeld onder litt. y en h van art. 15;

cl. bij hoog water, dat is daar waar de grond, met uitzondering van de hoogten waarop het wild schuilplaats vinden kan, onder water staat;

e. op andere dan in art. 15A bedoelde wijze, binnen den kring eener geregistreerde en afgepaalde eendenkooi, zelfs aan den eigenaar of bruiker, of ten gevolge van door hen verleende vergunning; (30 volg.)

ƒ. op korhoenders uit zoogenaamde loerhutten of dergelijke schuilhoeken of hinderlagen, anders dan bij drijfjagten, en om pogingen te werk te stellen om dat wild op die wijze te bemagtigen.

Binnen den in lit. e bedoelden kring is het bovendien verboden op eenigerlei wijze buiten noodzakelijkheid geraas te maken of iets te verrigten waardoor de eenden in den kring verstoord of verjaagd kunnen worden.

19. Het is verboden te jagen of te visschen in gesloten jagt- of vischtijd.

In open jagt- of vischtijd mag niet anders worden gejaagd en ge-vischt dan met inachtneming van hetgeen bij deze wet en bij de reglementen en verordeningen, in de artt. 9, 10 en 11 bedoeld, is voorgeschreven.

Dit artikel is niet van toepassing op eigenaren of regthebbenden van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat. (136, 27.)

*20. Hij, die zonder de vereischte jagtacte of in gesloten jagt-tijd, zonder het consent, in art. 16 of de buitengewone magtiging in art. 26 bedoeld, in het veld eenige poging doet om wild op te sporen, te bemagtigen of te dooden, is volgens art. 40, 1ste lid, strafbaar.

Daaronder is begrepen zoo hij zich met geladen schietgeweer in het veld bevindt, of niet de behoorlijke zorg draagt om te beletten, dat de hond of de honden, die hij bij zich heeft, wild opsporen, drijven of grijpen.

21. Het is verboden:

a. kievitten of nachtegalen te vangen, te dooden, te vervoeren, te verkoopen, af te leveren, of ten verkoop in voorraad te hebben;

430

-ocr page 487-

JAGTWET.

b. de nesten van nachtegalen te verstoren;

c. pogingen aan te wenden om kievitten ot nachtegalen te vangen of te dooden;

d. de strikken tot het vangen van lijsters lager te stellen dan minstens één el boven den grond;

e. lijsters, leeuwrikken of vinken op gronden van derden te vangen, anders dan met schriftelijke vergunning of in gezelschap van den eigenaar of regthebbenden.

Om zeer bijzondere redenen kan door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister vergunning worden verleend tot hetgeen onder litt. a en 6 van dit artikel is verboden.

Levende kievitten of nachtegalen, bij bekeuringen aangehaald, worden, zoodra zij niet meer ten behoeve van het regtsgeding noodig zijn, in vrijheid gesteld. ^

22. Het is verboden de eijeren van wild te zoeken of te rapen, te verkoopen, te koop uit te stallen of te vervoeren.

Dit verbod is niet toepasselijk op de eieren van berg-eenden, noch, gedurende de maanden February, Maart, en April, op de eijeren van waterwild, in art. 17 genoemd, en van kievitten, mits het zoeken of rapen op gronden van derden plaats hebbe in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, of met diens schriftelijke vergunning, op de eerste vordering aan de ambtenaren, in art. 36 bedoeld, te ver-toonen.

Het verkoopen, te koop uitstallen of vervoeren van kievits-eijeren wordt tot en met den öden Mei toegelaten.

23. Houders van acten, gronden moetende overgaan, waarop zij niet bevoegd zijn te jagen, zijn verpligt hunne honden vast te houden.

Wanneer honden op zoodanigen grond wild zoeken of vervolgen, is de actehouder verpligt hen terug te roepen of op te halen.

In het laatste geval is hij, met het geweer jagende, verpligt het af te leggen, alvorens zich op eens anders grond te begeven.

24. Door visschen wordt verstaan het te water brengen, ligten of ophalen van vischnetten, korven of andere visehtuigen, alsmede het bezigen van alle andere middelen om viseh te vangen of te dooden.

25. Behalve in de wateren, bedoeld in art. 136, is het verboden: o. kuit van viseh op te vangen;

b. met de zegen visschende, den kuil uit het water te halen alvorens dien in het water te hebben omgekeerd;

431

c. te visschen elders dan in rivieren, stroornen, meren en plassen, wanneer het water met ijs bedekt is, tenzij met toestemming van Onzen Commissaris in de provincie.

en, te in;

1) Art. 21 aldus gewgzigd volgens art. 1 der wet van 13 Juli 1896, Stsbl. no. 105.

-ocr page 488-

JAGTWET.

d. visch te vangen door vergif of bedwelmende middelen;

e. door keernetten, of andere daarmede gelijkstaande middelen, den visch den doortocht te beletten, hieronder begrepen het gebruik van vischnetten tot keering van visch. Deze bepaling is niet van toepassing op het gebruik van val- of digtnetten ter verlenging der vleugels van de fuiken, gesteld tot het vangen van aal en paling;

ƒ. te visschen met den harpoen of met strikken.

26. Tegen de nadeelen, uit te groote vermenigvuldiging van wild of schadelijk gedierte ontstaande, worden door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister maatregelen verordend.

Hij is bevoegd, buitengewone magtigingen tot het schieten of op andere wijze bemeesteren van wild of schadelijk gedierte in gesloten of open jagttijd te verleenen of te laten verleenen, met toekenning der bevoegdheid om honden te gebruiken.

De aanvragen ter bekoming van zoodanige magtigingen, zoowel als de magtigingen zelve, zijn vrij van zegel.

De laatste worden aan de ambtenaren, met het toezigt op de jagt en visscherij belast, op de eerste vordering vertoond.

27. Het verkoopen, te koop uitstallen, vervoeren van wild of visch in gesloten jagt- of vischtijd is verboden, maar wordt nog gedurende veertien dagen na die sluiting toegelaten. (22.)

Ook in open jagttijd is vervoer van wild verboden, in het veld en buiten openbare wegen en voetpaden, tenzij de vervoerder zelf of degeen, welken hij vergezelt, voorzien zij van eene jagtacte, of lot den vervoer door het hoofd van het bestuur der gemeente, waar de vervoerder woont, eene kostelooze magtiging zij verleend, op de eerste vordering aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren te vertoonen.

Wild of visch, vervoerd uit eene provincie waar de jagt en visscherij is geopend, naar of door eene provincie waar die is gesloten, wordt gedekt door eene verklaring van oorsprong, ook bij splitsing, af te geven door het hoofd van het bestuur der gemeente, waar de afzender woonachtig of waar het wild geschoten of de visch gevangen is.

Het vervoer van visch, afkomstig uit vischwater dat met geen ander in verbinding staat, vermeld in art. 13, lit. 6, wordt op dezelfde wijze gedekt. (19.)

Wild of visch van buiten \'s lands in- of het Rijk doorgevoerd, wordt gedekt door een buitenlandsch of transito-paspoort.

De aanvragen ter bekoming van zoodanige verklaring van oorsprong of van het paspoort, alsmede die stukken zelve, zijn vrij van zegel.

Laatstbedoelde worden bij de eerste vordering aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste beambten vertoond.

In den gesloten jagt- of vischtijd zijn de beambten, vermeld in art.

432

-ocr page 489-

JAGTWET. 433

36 dezer wet, mits, met uitzondering der maréchaussee, voorzien van hunne acten van aanstelling, bevoegd de middelen van vervoer en de goederen die gedragen worden te onderzoeken, en na te gaan of er wild of visch of eijeren vervoerd of verkocht worden in strijd met de wet of de verordeningen, in artt. 9, 10 en 11 bedoeld.

De in het vorige lid bedoelde beambten hebben te allen tijde dezelfde bevoegdheid tot opsporing en staving van overtredingen van artikel 21, eerste lid, lit. a. \')

28. Het vangen van vossen, dassen, marters, fluwijnen, bunsings, wezels, verwilderde katten, otters en roofvogels, met klemmen, vallen of stappen, en van konijnen door middel van fretten en buidels, zoomede het uitgraven of delven van het genoemd, daarvoor vatbaar gedierte is geoorloofd, mits op eigen grond of met schriftelijke toestemming van den eigenaar of regthebbende, op de eerste vordering der met het toezigt belaste beambten te vertoonen. Zoodanige schriftelijke toestemming wordt echter niet vereischt wanneer de handeling plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regthebbende.

Door deze bepaling wordt niet verminderd de bevoegdheid van waterschapsbesturen om ten aanzien van dat uitgraven of delven, in het belang van de waterkeering verordeningen vast te stellen.

29. Voor schadelijk gedierte, gedood op eigen grond of op een grond waar men bevoegd is te jagen of het gedierte te dooden, mits deze gronden in Nederland zijn gelegen, kan Onze met de zaken der jagt en visscherij belaste Minister, wanneer deze het hoofd van het gemeentebestuur gehoord, de vermelde omstandigheden voldoende bewezen acht, de navolgende premiën toekennen:

voor eene moervos.............ƒ 1,50

» een rekel vos.............- 1,00

» » niet-vol wassen moer- of rekel vos.....- 0,75

» » marter, een fluwijn, een bunsing, een hermelijn, een wezel...........- 0,30

» » arend .............- 1,00

» » valk, een havik, een sperwer, een wouw, een

buizerd.............- 0,30

De premiën worden niet toegekend dan voor zooverre het gedood schadelijk gedierte vertoond is aan het hoofd van het gemeentebestuur, die daaraan een kennelijk teeken geeft.

De premiën kunnen op gelijke wijze door Onzen voornoemden Minister worden toegekend aan de ambtenaren van rijkspolitie voor

1) Aldus na het achtste lid als laatste lid toegevoegd aan art. 27 volgens art. 2 der wet van 13 Juli 1896, Stsbl. no. 105. De vroegere slotalinea van dit artikel is afgeschaft door art. 3d der wet v. 15 April 1886, Stsbl. no. 64; zie thans daarvoor art. 184 quot;Weth. v. Strafrecht.

-ocr page 490-

JAGTWET.

schadelijk gedierte, door hen met toestemming van den eigenaar of regthebbende gedood.

Voor het viervoetig gedierte, met uitzondering van de hermelijnen en de wezels, worden de premiën slechts genoten voor zoover het is gedood tnsschen den Isten Mei en den Isten November, en voor moer- en andere vossen, volwassen of niet volwassen, tusschen den Isten Maart en den Isten November van ieder jaar.

30. Ter verzekering van zijn regt is de eigenaar eener zwanendrift , van eene erkende eendenkooi en van eene erkende duiventil verpligt, die, behoudens de regten van derden, jaarlijks te doen re-gistreeren bij Onzen Commissaris in de provincie, waarin de drift, kooi of til gelegen is.

Op het nalaten dezer registratie zijn de strafbepalingen dezer wet niet toepasselijk. De eigenaar der zwanendrift, eendenkooi of duiventil wordt alsdan gerekend van zijn regt afstand te doen, gedurende den tijd der nalating van registratie. (18c.)

31. Van de registratie wordt door Onzen Commissaris in de provincie een kosteloos bewijs afgegeven.

32. Om de bescherming dezer wet te genieten moet;

а. de eigenaar eener zwanendrift deze doen registreren, en moeten de zwanen gemerkt zijn met een merk, bij de registratie aan te geven;

б. de eigenaar eener eendenkooi deze doen registreren en op den afstand, door de Provinciale Staten vastgesteld, doen afpalen met palen, ten opschrift hebbende: „Eendenkooi van , met regt van afpaling op ellen, gerekend uit het midden der kooi.quot;

33. Door duiventil wordt verstaan elk toestel, waarop zoogenaamde tilduiven of veldvlugters worden gehouden.

34. Behoudens het 2de lid dezes artikels is het aan elk ander dan den eigenaar eener geregistreerde zwanendrift of duiventil verboden, binnen haren kring eenige daartoe behoorende zwanen, tilduiven of veldvlugters te schieten, te vangen of op eene andere wijze te dooden, eijeren te rapen van zwanen tot die drift behoorende, of broedende zwanen te verstoren.

Des eigenaars knecht is mede bevoegd tot de hiervoren vermelde handelingen, mits in gezelschap zijns meesters of voorzien van diens schriftelijke toestemming, op de eerste vordering aan de in art. 3ö bedoelde ambtenaren te vertoonen.

35. Geene zwanendriften, eendekooijen of duiventillen worden opge-rigt zonder Onze toestemming, en zonder bewilliging van de eigenaren der betrokken gronden, de Gedeputeerde Staten vooraf gehoord.

Ten aanzien van duiventillen zijn betrokken gronden, die ingesloten worden door den kring, op een afstand van 1500 ellen beschreven om de plaats, waar de til zal worden opgerigt.

434

-ocr page 491-

JAGTWF.T.

In het bewijs van toestemming wordt het getal paren duiven, het welk op de til kan worden gehouden, vermeld.

De regter, eene veroordeeling wegens overtreding van dit artikel uitsprekende, gelaat tevens de opruiming, ten koste der overtreders, van hetgeen buiten Onze toestemming is opgericht.

36. De beambten der rijkspolitie zijn belast met het toezigt op de jagt en visseherij, zoowel in het algemeen, als diegenen in het bijzonder, welke daartoe door Onzen met de zaken der jagt en visseherij belasten Minister bepaaldelijk zullen worden aangesteld.

Zij waken tegen de overtredingen van deze wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen.

Tot gelijke waakzaamheid zijn de maréehaussée, de dienaars van justitie en gemeentelijke politie, de beambten der Rijks- en plaatselijke middelen verpligt.

Onze met de zaken der jagt en visseherij belaste Minister stelt, op verzoek der eigenaren van of regthebbende op gronden en wateren, en in hun belang, ook onbezoldigde beambten van Kijkspolitie aan en ontslaat hen des noodig.

Tot het opsporen en staven van overtredingen dezer wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen zijn alle voormelde beambten bevoegd alle gronden, behalve die in art. 12a genoemd, te betreden.

37. De in art. 3ö vermelde beambten, met uitzondering der maréehaussée, zijn verpligt bij bekeuringen of andere ambtsverrigtingen, hunne acte van aanstelling, des gevorderd, te vertoonen.

38. De beambten, in art 36 opgenoemd, doen van de overtredingen dezer wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen blijken bij schriftelijke relazen of processen-verbaal, die op heeter-daad, immers zoo spoedig mogelijk, worden opgemaakt op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd, of wel binnen twee maal vier en twintig uren na de sluiting worden beëedigd voor den kan-tonregter of voor het hoofd van het gemeentebestuur, hetzij ter plaatse waar de daad gepleegd is, hetzij waar de beambten, of één hunner, wonen.

De overtredingen kunnen, ook zonder zoodanig verbaal, door de bewijsmiddelen, in het Wetboek van Strafvordering vermeld, worden

39. De opgemaakte relazen of processen-verbaal worden aan den officier van justitie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de daad gepleegd is, opgezonden.

*Indien de zaak niet in het geval en op de wijze, in art. 74 van het Wetboek van Strafrecht vermeld, wordt afgedaan, zendt de officier het relaas of het proces-verbaal aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, onder welks rechtsgebied het feit gepleegd is, ten einde volgens het Wetboek van Strafvordering te worden behandeld en vervolgd.

435

-ocr page 492-

436 JAGTWET.

Stelt echter de overtreding slechts daar het jagen of visschen op eens anders grond of water, of wel het vangen van lijsters, leeuwerikken en vinken, het zoeken of rapen van kievitseijeren, zonder de schriftelijke vergunning van den eigenaar of regthebbende, bedoeld in art. 2, 1ste lid, art. 21c of art. 22, zoo kan de beklaagde de regts-vervolging voorkomen of stuiten door het indienen eener schriftelijke, ongezegelde verklaring van den eigenaar of regthebbende, dat deze wegens het feit, den beklaagde ten laste gelegd, geene vervolging verlangt.

Deze verklaring moet, met betaling der reeds gemaakte regtskos-ten, op straffe van verval, den officier van justitie worden ingeleverd binnen veertien dagen na de bekeuring.

*40. De overtredingen dezer wet en der verordeningen in artt. 9 en 11 bedoeld, \') worden, behoudens het bepaalde in de twee volgende artikelen, gestraft: de jagtovertredingen met eene boete van vijftig cents tot twintig gulden, de visscherij-overtredingen met eene boete van vijftig cents tot tien gulden.

Indien de overtreding enkel bestaat in het niet op de eerste vordering vertoonen van de reeds verkregen acte, kostelooze vergunning, het consent of de buitengewone magtiging, wordt eene boete opgelegd van vijftig cents tot drie gulden in zake van jagt, of van vijftig cents tot één gulden in zake van visscherij.

De verbeurdverklaring van het geoorloofde jagt- of vischtuig en andere voorwerpen, in art. 45c opgenoemd, wordt in de gevallen van het tweede lid van dit artikel niet toegepast.

*41. Het dubbel der bij het vorig artikel bedreigde boeten, of hechtenis van ten hoogste zeven dagen, wordt opgelegd, wanneer de overtreding is begaan;

a. door een der beambten, in art. 36 vermeld;

b. des nachts, waardoor verstaan wordt meer dan een uur vóór zonsopgang of meer dan een uur na haren ondergang;

c. bij feitelijken wederstand tegen de bevoegde beambten, onverminderd de ter zake van dien wederstand ingevolge het Wetboek van Strafregt op te leggen straf;

d. terwijl tijdens het plegen der overtreding nog geen twaalf maanden zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding der verordeningen op de jagt en visscherij onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald; — deze bepaling is niet toepasselijk op de gevallen van het 2de lid van art. 40;

e. met behulp van zoogenaamde afdraaijers, stokgeweren, pistolen of andere verborgene wapenen, lange netten, damnetten, wild- of

1) De verwyzing naar art. 10 ia vervallen by art. 3 der wet van 14 April 1886, Stsbl. no. 61; zie noot bg art. 10.

-ocr page 493-

JAGTWET.

konijnenstrikken, of middelen om den visch door bedwelming te vangen;

ƒ. op de gronden of wateren, omschreven bij art. 12a. en art. 136.

Dezelfde straf wordt opgelegd wanneer de overtreder tijdens de bekeuring bevonden wordt bij zich te hebben een of meer der voorwerpen, bedoeld onder lit. e van dit artikel.

*42. Eene geldboete van vijftig cents tot zestig gulden of hechtenis van één tot veertien dagen, wordt opgelegd;

a. wanneer de overtreder tijdens de bekeuring vermomd, zwart of op eenigerlei wijze onkenbaar gemaakt is, of een valschen naam heeft opgegeven;

b. wegens het bezigen of in het veld bij zich hebben van tirassen ;

c. wanneer de overtreding is begaan bij vereeniging van meer dan vier personen.

De straf wordt verdubbeld in de gevallen van het voorgaand artikel.

*43. Vervallen.

*44. Bij zamenloop van meerdere door denzelfden persoon of dezelfde personen gelijktijdig begane overtredingen wordt slechts ééne straf toegepast, en wel de zwaarste, indien verschillende straffen zijn bedreigd.

Het vorenstaande is niet toepasselijk op de overtreding van art. 2, 1ste lid, welke altijd afzonderlijk wordt gestraft.

*45. Zijn ten behoeve van \'s Rijks schatkist verbeurd:

a. het jagt- en vischtuig, waarvan het gebruik, volgens deze wet. of de verordeningen, bedoeld in artt. 9 en 10, niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van artt. 15 en 41c opgenoemd, daaronder begrepen;

b. het geoorloofd jagt- en vischtuig, in het bezit van iemand, jagende of visschende, of in strijd met art. 20 met geladen schietgeweer zich in het veld bevindende, in gesloten jagt- of visch-tijd, of zonder de vereischte jagt- of vischacte, de kostelooze vergunning, het consent of de buitengewone magtiging van artt. 6, 16 of 26 te hebben verkregen; wordende het schietgeweer, waarvan de overgave ter onderzoeking wordt geweigerd, voor geladen gehouden;

437

c. het wild, de visch, de kievitten en nachtegalen, die niet overeenkomstig het laatste lid van art. 21 in vrijheid zijn gesteld, de konijnen of ander schadelijk gedierte, en eijeren onwettig gevangen of geraapt, verkocht, doch nog niet geleverd, te koop gesteld, uitgevent of vervoerd. r)

1) Art. 45, eerste lid, letter c, aldua gewijzigd volgens art. 3 der wet van 13 Juli 1896, Stsbl. no. 106.

-ocr page 494-

JAGTWET.

De beambten, in art. 36 bedoeld, zullen die voorwerpen in beslag nemen of de geldswaarde daarvan bepalen, waarvan alsdan in het relaas of proces-verbaal melding wordt gemaakt. De regter daartoe termen vindende, kan deze geldswaarde veranderen.

Tirassen, lange netten, damnetten en wild- of konijnenstrikken worden niet gewaardeerd, maar altijd in beslag genomen. (151.)

De door de bevoegde beambten in beslag genomen jagt- en visch-tuigen en andere voorwerpen worden binnen vier dagen na de bekeuring door die beambten gewaarmerkt en ter griffie van het kan-tongeregt, onder welks rechtsgebied de bekeuring plaats had, over-gebragt, hetzij door de beambten zeiven, hetzij door tusschenkomst van den burgemeester hunner woonplaats.

Zoo geene in-beslag-neming of waardeering ingevolge het 2de lid des artikels van de hiervoren vermelde voorwerpen heeft kunnen plaats hebben, of de bedoelde beambten zulks mogten hebben verzuimd, wordt de waarde dier voorwerpen bij de veroordeeling door den regter bepaald.

De veroordeelde wordt tot betaling der ingevolge het 2de lid, of in het geval van het laatstvoorgaande lid bepaalde geldswaarde, bij gebreke eener latere uitlevering dier voorwerpen, verwezen.

De in strijd met litt. a, b en c van dit artikel in beslag genomen voorwerpen worden op bevel des regters, of, zoo de zaak niet wordt voortgezet, op bevel van den officier van justitie, aan den vroegeren houder teruggegeven.

Onder jagttuig zijn in dit artikel de valken, havikken en honden niet begrepen.

46. De jagt- of vischtuigen en andere voorwerpen, door onbekende overtreders achtergelaten, verblijven aan \'s Rijks schatkist ingeval zij niet binnen den tijd van drie jaren daarna zijn teruggevorderd door dengene, die bewijst, dat zij hem ontstolen of door hem verloren zijn.

47. De in beslag genomen of later uitgeleverde jagt- en vischtuigen, waarvan het gebruik\' volgens deze wet en de in artt. 9 en 10 bedoelde verordeningeu niet geoorloofd is, worden vernield.

De regter beveelt de vernieling, wanneer het feit aan zijne kennisneming is onderworpen.

*Ten aanzien van niet verboden jagt- en vischtuig is het onder art. 12 der wet van 15 Januari 1886 (Staatsblad no. 5) voorkomende art. 221ee (Wetb. v. Strafv., art. 219) van toepass:ng. 2)

48. In beslag genomen wild, visch, eijeren, \'iievitten en nachtegalen, die niet overeenkomstig het laatste lid van art. 21 in vrijheid

438

1

vervaardigd, geschikt gemaakt, of gediend hebbende tot het plegen van een straf-banr feit, kan in het vonnis worden gelast.

2

De vernietiging of onbruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen

-ocr page 495-

JAOTWEÏ.

zijn gesteld, konijnen en ander schadelijk gedierte worden aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, onder welks regtsgebied de aanhaling geschied is, zoodra doenlijk uitgeleverd en op diens magtiging verkocht. ^

De geldelijke opbrengst blijft, zooveel bekende overtreders betreft, onder hem berusten tot dat de zaak bij regterlijke uitspraak of anderzins is afgedaan, en word;, wat onbekende overtreders aangaat, ter griffie van het kantongeregt overgebragt.

49. De beambten, in art. 36 vermeld, kunnen de bekeurden, die hun onbekend zijn, aanhouden en naar den naastbij zijnden officier van justitie of hulp-officier geleiden, om in bewaring te blijven tot dat de officier of de regter de in-vrijheid-stelling zal hebben gelast, of tot dat borgtogt zal zijn gesteld voor de boete en de waarde der voorwerpen aan verbeurdverklaring onderworpen, of die voorwerpen zullen zijn uitgeleverd. Het bedrag van den borgtogt wordt bepaald door den officier.

De officier, daartoe termen vindende, vaardigt binnen twee maal vier en twintig uren een bevel van voorloopige aanhouding uit. Dit bevel wordt door de regtbank binnen zes dagen na de aanhouding, ingevolge het 1ste lid des artikels, bekrachtigd, bij gebreke waarvan de beklaagde van regtswege, en zonder eenigen anderen vorm, in vryheid wordt gesteld.

Zoodra de redenen tot aanhouding vervallen, wordt de onmiddellijke in-vrijheid-stelling gelast.

Is het bevel van voorloopige aanhouding nog niet door de regtbank bekrachtigd, de in-vrijheid-stelling wordt bevolen door den officier, is het reeds bekrachtigd, door de regtbank.

50. Aan de in art. 36 vermelde beambten kan op de wijze en tot het bedrag, nader door Ons te bepalen, eene premie worden toegekend voor elke bekeuring, welke de in-beslag-neming of latere uitlevering heeft ten gevolge gehad van jagt- of vischtuig, waarvan het gebruik volgens deze wet of de daarbij bedoelde verordeningen niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van art. 15 en in art. 41e opgenoemd, daaronder begrepen. (K.B. \'20 Junij 1857.)

*51—54. Afgeschaft.

55. In zaken de jagt en visscherij betreffende zijn alle de in art. 36 bedoelde beambten, behalve de maréchaussee, bevoegd, en, met uitzondering der onbezoldigde beambten, verpligt tot het kosteloos doen van exploiten en alle verdere geregtelijke verrigtingen, die anders door deurwaarders worden gedaan.

439

58. Op de overeenkomsten van pacht of huur, vóór de afkon-

1) Art. 48, eerste lid, aldus gewyzigd volgens art. 3 der wet vau 13 Juli 1896, Stsbl. no. 105.

-ocr page 496-

JAGTWET.

diging der wet van 6 Maart 1852 (Staatsblad no. 47) gesloten, is het 2de lid van art, 2 der tegenwoordige wet zonder invloed.

De beklemde meijer evenwel, wiens overeenkomst vóór de afkondiging der eerstbedoelde wet was gesloten, en die noch uit de overeenkomst noch uit anderen hoofde het genot der jagt en visscherij op den beklemden grond bezit, kan zich dat genot voor den duur der overeenkomst verschaffen tegen een prijs, op de in art. 3 omschreven wijze te bepalen.

57. Vervallen bij de wet van 24 Junij 1863, S. 73.

*58. Vervallen.

440

59. Deze wet treedt in werking den Isten Julij 1857 en kan worden aangehaald onder den titel van „Jagtwetquot;. \')

1) De woorden „en kan enzquot;, zyn aan art. 59 toegevoegd door art. 4 der wet van IS Juli 1896, Stsbl. no. 105, uitgegeven den 21 Juli d.a.v.

-ocr page 497-

W E T,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN HET REGLEMENT OP HET BELEID DER REGERING VAN NEDER-LANDSCH INDIË.

(\\ astgeattld den Sden September 1854, Stsbl. ito. 129, uitgegeven deu 1)den Sept. d.H.v. Gewgzigd bq de wetten van 9 April 1870, Stsbl. no. 71 ; 21 .Iiiljj 1870, Stsbl. no. 136; 7 Mei 1878, Stsbl. no. 40 en 4 Dec. 1881, Stsbl. no. 182.)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE ZAMENSTELLING VAN DE REGERING VAN NEDERDANDSCH INDIË.

Art. 1. De regering der koloniën en bezittingen van het Rijk in Azië, uitmakende het gebied van Nederlandsch Indië, wordt in naam des Konings uitgeoefend door eenen Gouverneur-Generaal, op den voet en onder de bepalingen van het tegenwoordig reglement. (G. 61.)

Ieder, die zich in Nederlandsch Indiè bevindt, is verpligt den Ionverneur-Generaal te erkennen als des Konings vertegenwoordiger, ;n hem als zoodanig te eerbiedigen en te gehoorzamen.

2. De Gouverneur-Generaal snoet Nederlander zijn en den ouderlom van dertig jaren vervuld hebben.

Hij wordt door den Koning benoemd en ontslagen en mag zijne raardigheid niet nederleggen, noch Nederlandsch Indië verlaten, onder magtiging van den Koning. (G. 5; R.R. 4, 8.)

3. De Gouverneur-Generaal mag reglstreeks noch zijdelings deel-tebber zijn in, noch borg zijn voor eenige onderneming, ten grond-lag hebbende eene met de Indische Regering om winst of voordeel angegane overeenkomst.

Hij mag geene schuldvorderingen ten laste van Nederlandsch Indië oo] jen.

Hij mag geen deel hebben, regtstreeks of zijdelings, in onderne-lingen van handel en scheepvaart in Nederlandsch Indië gevestigd, och aldaar eigenaar of huurder van landerijen zijn. (R.R. 9, 51.)

4. De koning kan aan den Gouverneur-Generaal toevoegen eenen lUitenant-Gouvemeur-Generaal, bestemd om hem voorloopig op te

STAATSWETTEN. 30

het

-ocr page 498-

REGL. OP HET BELEID DER BEGERING

volgen, en om inmiddels zoodanig werkzaam te zijn, als door den Koning of door den Gouverneur-Generaal zal worden voorgeschreven.

Het bepaalde bij de eerste alinea van art. 2 en bij art 3 is toe-passeliik op den Luitenant-Gouverneur-Generaal. (R.K. 6, 7.)

5. De Gouverneur-Generaal legt in handen van den Koning, of op \'s Konings magüging, in eene vergadering, zamengesteld overeenkomstig art. 15, den volgenden eed (verklaring en belofte) af;

»Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Gouverneur-Generaal over xNederlandseh Indië benoemd te worden, direetelijk of indirectelijk, »aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder wat »naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gesgeven heb, noch beloven of geven zal.

»Ik zweer (beloof) dat ik, om iets in deze betrekking te doeu »of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschen-»ken aannemen zal, direetelijk of indirectelijk.

»Ik zweer (beloof) dat ik den Koning gehoorzaam en getrouw »zal zijn.

»Ik zweer (beloof) dat ik de welvaart van Nederlandsoh Indië »naar mijn vermogen bevorderen zal.

»lk zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet; dat ik het «reglement op het beleid der regering van en alle andere voor «Nederlandsch fndië geldende verordeningen steeds zal onderhou-»den en doen onderhouden, en dat ik mij in alles zal gedragen zoo «als een braaf en eerlijk Gouverneur-Generaal beraamt.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!» (»Dat verklaar en »beloof ik.»)

6. De Luitenant-Gouverneur-Generaal legt, in handen des Konings of van den Gouverneur-Generaal, den volgenden eed (verklaring en belofte) af:

»Ik zweer (verklaar) dat ik om tot Luitenant-Gouverneur-Gene-araal over Nederlandsch Indië te worden benoemd, direetelijk of «indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, «onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven be-»loofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.

»Ik zweer (beloof) dat ik, om iets in deze betrekking te doen »of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschen-»keti aannemen zal, direetelijk of indirectelijk.

«Ik zweer (beloof) dat ik den Koning en den Gouverneur-Gene-»raal, als des Konings vertegenwoordiger, gehoorzaam en getrouw «zal zijn.

«Ik zweer (beloof) dat ik de welvaart van Nederlandsoh In dit «naar mijn vermogen bevorderen zal.

«Ik zweer (beloof) dat ik mij met naauwgezetheid en ijver za «kwijten van alle verrigtingen, welke de Koning of de Gouverneur «Generaal mij zal opdragen; dat ik het Reglement op het bclcii «der regering van en alle andere voor Nederlandsoh Indië geldend

442

-ocr page 499-

VAN NEDERLANDSCH INDIK.

«verordeningen getrouwelijk zal nakomen, en dat ik mij in alles

»gedragen zal zoo als een braaf en eerlijk Luitenant-Gouverneur-

»Generaal betaamt.

sZoo waarlijk helpe mij God almagtig!» (»Dat verklaar en

«beloof ik.»)

7. Er is een Raad van Nederlandsch Indië, bestaande uit eenen vice-president en vier leden. (R.R. 12, 14.)

Hij wordt bijgestaan door eenen secretaris.

De Gouverneur-Generaal kan hel voorzitterschap van den Kaad opdragen aan den Luitenant-Gouverneur-Generaal en kan het zelf bekleeden, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt. Zij hebben alleen eene raadgevende stem. (B.R. 28 volg. 34, 35, 52, 75.)

De Gouverneur-Generaal kan, in bijzondere gerallen, andere ambtenaren, alsmede officieren der zee- of landmagt, gelasten de vergaderingen van den Raad bij te wonen, tot het geven van mondelinge inlichtingen.

Het reglement van orde voor \'s Raads vergaderingen wordt door den Koning vastgesteld. Het behelst de verpligting tot geheimhouding, in zoover het algemeen belang dit vordert.

8. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië moeten Nederlanders zijn en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben. (G. 5; R.R. 2, 4.)

Zij worden door den Koning benoemd en ontslagen.

Bloedverwantschap of zwagerschap, tot den vierden graad ingesloten, mag niet bestaan tusschen den Gouverneur-Generaal, den Luitenant-Gouverneur-Generaal en den vice-president of leden van den Raad. noch tusschen den vice-president en de leden onderling.

Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, kan zijne bediening niet behouden zonder vergunning van den Koning.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (R.R. 18.)

9. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië mogen geene andere staatsambten bekleeden.

Het bepaalde bij art. 3 is op hen toepasselijk.

10. Tot het vervullen eener opengevallene plaats in den Raad van Nederlandsch Indië wordt door den Gouverneur-Generaal, na overleg met den Raad, binnen dertig dagen, eene met redenen omkleede aanbeveling van minstens twee personen, aan den Minister van Koloniën gezonden.

Indien de belangen van \'s Lands dienst dringend vorderen, dat de opengevallene plaats inmiddels worde vervuld, draagt de Gouverneur-Generaal aan oen der aanbevolenen de waarneming op van het lidmaatschap van den Raad.

Dusdanige tijdelijke waarneming heeft altijd plaats, wanneer bij gebreke daarvan het getal der dienstdoende leden van den Raad

443

30*

-ocr page 500-

BEGIj. OP HET BELEID DEK REGERING

de vice-president daaronder begrepen, minder dan drie zou bedragen.

11. De vice-president en de leden van den Raad van Nederlandsch Indië leggen, vóór de aanvaarding hunner bediening, in handen van den Koning of van den Gouverneur-Generaal, den volgenden eed (verklaring en belofte) af:

»]k zweer (verklaar) dat ik, om tot vice-president (lid) van den »Raad van Nederlandsch Indië benoemd te worden, directelijk of «indirectelijk, aan geene personen, hetzij in of buiten het bestuur, »onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven be-»loofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.

»Ik zweer (beloof) dat ik om iets in deze betrekking te doen of »te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken »aanneinen zal, directelijk of indirectelijk.

»Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning, eerbied voor »en gehoorzaamheid aan den Gouverneur-Generaal, als des Konings » vertegenwoordiger.

»Ik zweer (beloof) dat ik door mijne daden en raadgevingen, »naar mijn vermogen zal medewerken tot bevordering van de wel-»vaart van Nederlandsch Indië.

»Ik zweer (beloof) dat ik het Reglement op het beleid der regering »van en alle andere voor Nederlandsch Indië geldende verorde-»ningen getrouwelijk zal nakomen, en dat ik mij in alles zal ge-»dragen zoo als een braaf en eerlijk vice-president (lid) van den »Raad van Nederlandsch Indië betaamt.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat beloof en ver-»klaar ik.»)

Deze eed wordt mede door den waarnemenden vice-president en de waarnemende leden van den raad van Nederlandsch Indië afgelegd.

12. W anneer bij het openvallen van het ambt van vice-president van den Raad van Nederlandsch Indië, de benoeming van den opvolger niet geschied, of in Nederlandsch Indië niet bekend is. of de benoemde in de spoedige aanvaarding zijner waardigheid verhinderd wordt, draagt de Gouverneur-Generaal de waarneming daarvan op aan het oudste lid in benoeming van den Raad.

13. Wanneer ziekte of afwezendheid van den Gouverneur-Generaal eene voorziening noodzakelijk maakt, kan hij het dagelijksch beleid der zaken tijdelijk opdragen aan den I-uitenant-Gouverneur-Generaal; bij ontstentenis van dezen, aan den vice-president, en deze niet aan-wezend zijnde, aan het oudste lid in benoeming van den Raad van Nederlandsch Indië; een en ander op zoodanigen voet, als de Gouverneur-Generaal zal noodig oordeelen.

14. Wanneer de waardigheid van Gouverneur-Generaal openvalt en de benoeming van den voorloopigen of definitiven opvolger niet geschied, of in Nederlandsch Indië niet bekend is, gelijk mede wan-

444

-ocr page 501-

VAN NEDEELANDSCH INDIE.

neer de benoemde in de dadelijke aanvaarding wordt verhinderd, treedt de door den Koning benoemde vice-president van den Raad van Nederlandseh Indie op als waarnemend Gouverneur-Generaal. (KR. 19, 40.)

15. Wanneer, in het geval bij het voorgaand artikel voorzien, geen door den Koning benoemde vice-president van den Raad van Nederlandseh Indië aanwezig is, wordt aan een der leden van den Raad de tijdelijke waarneming der waardigheid van Gouverneur-Generaal opgedragen, in eene vergadering, waartoe worden te zamen-geroepen:

de ter plaatse aanwezige leden van den Raad;

de bevelhebber der zeemagt;

de bevelhebber der landmagt;

de president van het Hooggeregtshof;

de procureur-generaal bij het Hooggeregtshof;

de directeuren der departementen van algemeen bestuur, en

de president der Algemeene Rekenkamer.

De vergadering wordt binnen tweemaal vier en twintig uren bijeengeroepen en voorgezeten door den oudste in benoeming van de aanwezige leden van den Raad.

De voorzitter en de leden der vergadering leggen den eed (belofte) af: »dat zij hunne stem zullen uitbrengen op het lid van den Raad »van Nederlandseh Indië, dien zij in gemoede het meest geschikt »aehten voor de tijdelijke waarneming der waardigheid van Gouver-» neur-Generaal.»

De algemeene secretaris en de secretarissen van het Gouvernement wonen de vergadering bij. Een hunner voert de pen, de overigen zijn stemopnemers.

De benoeming geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen, door middel van ongeteekende stembriefjes.

De stembriefjes worden, na door de medestemmenden in eene bus te zijn gestoken, door de stemopnemers overluid voorgelezen.

Niet of niet behoorlijk ingevulde stembriefjes worden, tot bepaling der meerderheid, afgetrokken van het getal der aanwezige leden der vergadering.

Wanneer bij de eerste stemming geene volstrekte meerderheid is verkregen, wordt tot eene tweede vrije stemming overgegaan.

Indien ook bij deze stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft er eene derde stemming plaats over de twee personen, die bij de tweede de meeste stemmen op zich ver-eenigd hebben. Deze onthouden zich van verdere deelneming aan de stemming.

Wanneer bij de tweede stemming meer dan twee personen een gelijk aantal stemmen op zich vereenigen, wordt door voorafgaande stemming beslist, wie hunner niet zullen behooren tot het bij de vorige alinea bedoelde tweetal.

445

-ocr page 502-

REGIi. OP HET BELEID DER REGERING

Bij het staken der stemmen is de oudste in benoeming de verko-zene. Na den afloop der werkzaamheden worden de stembriefjes in tegenwoordigheid der leden verbrand.

Van de verrigtingen der vergadering wordt een naauwkeung procesverbaal in dubbel opgemaakt en door al de leden en de secretarissen onderteekend. Een der dubbelen wordt gezonden aan den Minister van Koloniën. (R.B. 5, 17.)

16. Het bepaalde bij art. 15 is ook toepasselijk op het geval, dat de door den Koning benoemde vice-president van den Raad van Ne-derlandsch Indië, hoewel in Indië aanwezig, echter niet in staat is de waardigheid van waarnemenden Gouverneur-Generaal dadelijk te aanvaarden. Zoodra de verhindering ophoudt, treedt hij van regtswege op als waarnemenden Gouverneur-Generaal.

17. Wanneer er vermoeden bestaat, dat de Gouverneur-Generaal door krankzinnigheid buiten staat is zijne waardigheid te blijven uitoefenen, belegt degene die hem zou moeten vervangen, of, als deze niet bekend of afwezend is, de oudste in benoeming der aanwezige leden van den Raad van Nederlandsch Indië, eene vergadering van dien Raad, ten einde te onderzoeken of er gronden aanwezig zijn om het bestaande vermoeden als juist aan te nemen.

In die vergadering worden de ambtenaren, die dagelijks met den Gouverneur-Generaal in aanraking zijn, geroepen om inlichtingen te geven.

Zoo daartoe redenen bestaan, wordt vervolgens eene commissie benoemd, om den Raad te dienen van berigt omtrent den toestand van den Gouverneur-Generaal.

Die commissie bestaat uit hot hoofd van de geneeskundige dienst, den oudste in rang van de ter plaatse aanwezige officieren van gezondheid en den stads-geneesheer te Batavia.

Zij is bevoegd om den gewonen geneesheer van den Gouverneur-Generaal in haar midden te roepen.

Bevestigt dit nader onderzoek hel. bestaande vermoeden, dan wordt de vergadering belegd, omschreven in art. 15.

Die vergadering roept als getuigen voor zich degenen die over de zaak licht kunnen verspreiden, en beslist vervolgens bij meerderheid van stemmen of er redenen zijn om den Gouverneur-Generaal, onder \'s Konings goedkeuring, te ontheffen van de uitoefening zijner waardigheid.

Wanneer de vergadering tot de ontheffing beskuit, is de Gouverneur-Generaal, uit kracht dier verklaring, van de uitoefening zijner waardigheid ontheven en wordt, naar mate der omstandigheden, in de voorloopige vervulling voorzien, overeenkomstig het bepaalde bij art. 14 of 15.

Van elk gedeelte des onderzoeks worden naauwkeurige processen-verbaal in dubbel opgemaakt, en door al de leden en de secretarissen onderteekend.

446

-ocr page 503-

VAN NEDEKLANDSCH INDIE.

Een der dubbelen wordt gezonden aan den Minister van Koloniën. (G. 38 volg.)

18. Bloedverwantschap of zwagerschap tot den vierden graad ingesloten, mag niet bestaan tnsschen den Gouverneur-Generaal en de secretarissen van het Gouvernement, noch tusschen die secretarissen onderling.

Het bepaalde bij de twee laatste alinea\'s van art. 8 is hier toepasselijk.

19. Al wat in dit reglement omtrent den Gouverneur-Generaal is bepaald, is toepasselijk op hem, die de waardigheid tijdelijk uitoefent, met uitzondering van het vastgestelde bij art. 18.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BEVOEGDHEID EN DE PIJGTEN VAN DE RECiERING VAN NEDERLANDSCH INDIË.

Art. 20. De Gouverneur-Generaal is bevoegd, om, met inachtneming van de bepalingen van dit reglement en van \'s Konings bevelen, algemeene verordeningen vast te stellen omtrent alle onderwerpen, waarvan de regeling niet door de wet is geschied of moet geschieden, waarin niet door een Koninklijk besluit is voorzien, of waarvan aan den Koning de regeling niet is voorbehouden.

21. Onverminderd het geval, voorzien bij art. 43, is de Gouverneur-Generaal in dringende omstandigheden bevoegd, om, onder nadere bekrachtiging door de wet of goedkeuring van den Koning, algemeene verordeningen vast te stellen omtrent onderwerpen waarvan de regeling door de wet moet geschieden of aan den Koning is voorbehouden, zoolang die regeling niet heeft plaats gehad.

Zoodanige maatregel wordt, wanneer het een onderwerp geldt waarvan de regeling door de wet geboden is, door den Koning onverwijld gebragt ter kennis van de Staten-Generaal. (G. 61; R.R. 22, 26, 29.)

22. De Gouverneur-Generaal kan om gewigtige redenen, onder nadere bekrachtiging door de wet of goedkeuring van den Koning, de afkondiging of uitvoering uitstellen van wetten of Koninklijke besluiten en bevelen.

Van deze handelingen wordt, wanneer zij eene wet betreffen, door den Koning onverwijld kennis gegeven aan de Staten-Generaal. (G. (ilrf; E.R. 25, 26, 29.)

23. Onverminderd het geval voorzien bij art. 43 en behoudens de bepalingen van dit reglement, is de Gouverneur-Generaal bevoegd om in dringende omstandigheden voor geheel Xederlandsch Indië of voor bepaalde gedeelten daarvan, onder nadere bekrachtiging door de wet, bij algemeene verordening, wetten geheel of gedeeltelijk buiten werking te stellen.

447

-ocr page 504-

BEGL. OP HET BELEID DER BEGEEING

Van deze handeling wordt door den Koning onverwijld kennis gegeven aan de Staten-Generaal. (R.E. 26, 29.)

24. De Gouverneur-Generaal heeft, onder de nadere goedkeuring des Konings, gelijke bevoegdheid als hem bij art. 23 is geschonken, ten aanzien van verordeningen door den Koning, of in Zijnen naam door Commissarissen-Generaal vastgesteld of goedgekeurd.

Bij de toepassing van dit artikel worden als door den Koning vastgesteld beschouwd de bestaande organisatiën der verschillende lakken van bestuur en de aangenomen gewigtige beginselen van regering, ook die het stelsel der belastingen betreffende, hoezeer niet uitdrukkelijk door den Koning bekrachtigd.

25. Wanneer de Gouverneur-Generaal gebruik maakt van de magt hem bij art. 22 verleend, en zijne handeling wordt afgekeurd, is hij tot afkondiging of uitvoering verpligt dadelijk na ontvangst van den daartoe strekkenden last des Konings.

26. Wanneer de algemeene verordeningen door den Gouverneur-Generaal afgekondigd, in de gevallen bedoeld bij de artt. 21, 23 en 24, door de wet of door den Koning niet bekrachtigd worden, afgekeurd worden, of wanneer, in het geval bedoeld bij art. 20, het onderwerp inmiddels in Nederland is geregeld, blijven die verordeningen desniettemin in Nederlandseh Indië hare verbindende kracht behouden, totdat hare intrekking door den Gouverneur-Generaal is afgekondigd.

27. De Gouverneur-Generaal zorgt voor de uitvoering der algemeene verordeningen en vaardigt de daartoe noodige bevelen uit.

De algemeene verordeningen zijn op die gedeelten van Nederlandseh Indië, alwaar het regt van zelfbestuur aan de inlandsche vorsten en volken is gelaten, slechts in zoover toepasselijk, als met dat regt bestaanbaar is.

28. De Gouverneur-Generaal vraagt het advies van den Raad van Nederlandseh Indië over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waar hij dit noodig oordeelt.

Tot die raadpleging is hij verpligt ten aanzien van:

a. alle instructiën en reglementen het algemeen of gewestelijk bestuur betreffende, op zijnen last ontworpen;

b. de toepassing van art. 44 van dit reglement en in het algemeen van elke regeling der staatkundige betrekkingen met Indische vorsten en volken;

c. de algemeene begrooting van ontvangsten en uitgaven;

d. de algemeene strekking der maatregelen door het burgerlijk gezag genomen of te nemen in geval van oorlog of opstand;

c. buitengewone maatregelen van gewigtigen aard; en

/ benoemingen tot gewigtige ambten, ter aanwijzing van den Koning.

De Gouverneur-Generjial alleen beslist en geeft van zijn besluit kennis aan den Raad.

448

-ocr page 505-

VAN UEDEBLANDSCH INDIË.

Wanneer de Baad van Nederlandsch Indië door den Gouverneur-Generaal is gehoord, wordt daarvan melding gemaakt in den aanhef der besluiten.

29. Overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië wordt, onverminderd in de gevallen uitdrukkelijk in dit reglement genoemd, gevorderd voor de vaststelling, wijziging, uitlegging, schorsing en intrekking door den Gouverneur-Generaal van alle algemeen verbindende verordeningen, gelijk mede voor het uitstellen barer afkondiging. (R.B. 21—\'24, 45, 75.)

30. Wanneer de Gouverneur-Generaal, in de gevallen waarin overeenstemming wordt gevorderd, zich niet vereenigt met het advies van den Kaad van Nederlandsch Indië, wordt de uitspraak des Konings door hem ingeroepen.

De Gouverneur-Generaal kan, zonder die uitspraak af te wachten, de door hem noodig gekeurde maatregelen op eigen gezag en verantwoordelijkheid nemen, wanneer hij oordeelt, dat langer verwijl de eiligheid of de rust van Nederlandsch Indië of andere gewigtige algemeene belangen zou in gevaar brengen.

Alvorens die maatregelen worden genomen, deelen de Gouverneur-Generaal, de vice-president en de leden van den Raad elkander schriftelijk hunne gevoelens mede. Het onderwerp wordt daarna op nieuw aan eene beraadslaging in den Raad, onder het voorzitterschap van den Gouverneur-Generaal, onderworpen. De Gouverneur-Generaal stemt in dit geval mede en heeft, bij staking, eene beslissende stem.

Ter deelneming aan deze beraadslaging worden de leden van den Raad opgeroepen, die ingevolge art. 36 afwezend zijn, en zich op de eilanden Java en Madura bevinden. Zij zijn gehouden onverwijld aan die oproeping te voldoen.

31. De algemeene verordeningen, vastgesteld, hetzij door de wetgevende magt in Nederland (wetten), hetzij door den Koning alleen (Koninklijke besluiten), hetzij door den Gouverneur-Generaal (ordonnantiën), worden door den Gouverneur-Generaal afgekondigd, en door den algemeenen secretaris, of een der secretarissen van het Gouvernement gewaarmerkt.

Die afkondiging wordt gerekend geschied te zijn door plaatsing in het Staatsblad van Nederlandsch Indië. Zij is, in geldigen vorm geschied, de eenige voorwaarde der verbindbaarheid.

De algemeene verordeningen werken terstond nadat hare afkondiging kan bekend zijn.

Wanneer geen ander tijdstip is vastgesteld, wordt de afkondiging gerekend bekend te zijn, op Java en Madura op den dertigsten dag, sn in de overige koloniën en bezittingen op den honderdsten dag, na lien der dagteekening van het Staatsblad van Nederlandsch Indië, waarin de verordening is opgenomen. (R.R. 33, 34.)

32. De Gouverneur-Generaal, het bevel tot afkondiging van eene net of van een Koninklijk besluit ontvangen hebbende, zorgt voor

449

-ocr page 506-

KEGL. OP HET BELEID DEK REGERING

de plaatsing daarvan in het Staatsblad van Nederlandsch Indië met het navolgende onderschrift;

»En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, beveelt de »Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië (den Eaad van Neder-»landsch Indie gehoord) dat deze in het Staatsblad van Nederlandsch »Indië worde geplaatst en dat daarvan, voor zooveel noodig, verta-»lingen in de inlandsche en Chinesche talen worden aangeplakt. Ge-»last verder alle hooge en lage collegiën en ambtenaren, officieren en »justicieren, ieder zooveel hem aangaat, aan de stipte naleving van »de bovenstaande wet (Koninklijk besluit) de hand te houden, zonder «oogluiking of aanzien des persoons.

»Gedaan te......den......»

(Handteekeningen van den Gouverneur-Generaal en van den alge-meenen secretaris of van een der gouvernements-secretarissen.)

33. Het formulier van afkondiging der ordonnantiën, is als volgt: igt;ln naam des Konings!

»De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië,

»Den Raad van Nederlandsch Indië gehoord,

»Allen, die deze zullen zien, of hooren lezen, salut! doen te weten.»

(Hier volgen de beweegredenen en de inhoud der ordonnantie en daarna de woorden:)

»En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, zal deze »in het Staatsblad van Nederlandsch Indië geplaatst, en, voor zoo-»veel noodig, in de inlandsche en Chinesche talen aangeplakt wor «den.

»Gelast en beveelt voorts, dat alle hooge en lage collegiën en «ambtenaren, officieren en justicieren, ieder voor zooveel hem aangaat, »aan de stipte naleving dezer de hand zullen houden, zonder oog-«luiking of aanzien des persoons.

«Gedaan te......den......«

(Handteekeningen van den Gouverneur-Generaal en van den alge-meenen secretaris of van een der gouvernements-secretarissen.)

34. Alle collegiën en landsdienaren, geene uitgezonderd, zijn ver-pligt aan den Raad van Nederlandsch Indië, op zijne aanvrage, inlichtingen te geven omtrent de feiten, wier kennis vereischt wordl voor de adviezen, door den Gouverneur-Generaal van den Raad ge vraagd.

35. De Raad van Nederlandsch Indië heeft het regt aan der Gouverneur-Generaal voorstellen te doen.

Wanneer de Gouverneur-Generaal, na onderzoek, vermeent eet voorstel van den Raad buiten gevolg te moeten laten, geeft hi: daarvan, met opgave zijner bezwaren, kennis aan den Minister vai Koloniën.

Hij brengt tevens zijn besluit ter kennis van den Raad.

36. De Gouverneur-Generaal kan aan de leden van den Raad vai

450

-ocr page 507-

VAÏT NEDEKLANDSCH INDIË.

Nederlandsch Indië bijzondere coramissiën opgedragen en hen met zendingen in Nederlandsch Indië belasten, mits, behalve de vice-president, twee leden ter hoofdplaats aanwezig blijven. (R.R. 10, 30.)

37. De Gouvemeur-Generaai. is, met opzigt tot de uitoefening van zijne waardigheid, verantwoordelijk aan den Koning, onverminderd het regt tot vervolging bij art. 159 (164) der Grondwet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegekend.

38. De Gouverneur-Generaal is strafbaar:

a. wanneer hij uitvoering geeft of doet geven:

1°. aan Koninklijke besluiten of beschikkingen, niet voorzien van de vereischte mede-onderteekening van een der hoofden van de ministeriële departementen;

2°. aan Koninklijke besluiten of beschikkingen, waarvan hem de uitvoering niet is opgedragen door den Minister van Koloniën;

b. wanneer hij opzettelijk nalaat of grovelijk verzuimt uitvoering te geven of te doen geven aan voorschriften van dit reglement en van andere voor Nederlandsch Indië verbindende wetten en verordeningen, alsmede aan Koninklijke besluiten of beschikkingen en aan geslotene verdragen, voor zoover die uitvoering door den Minister van Koloniën aan hem is opgedragen:

c. wanneer hij beschikkingen neemt of bevelen geeft, waardoor hij wist of weten moest, dat bepalingen van dit reglement, van andere voor Nederlandsch Indië verbindende wetten of algemeene verordeningen, of van geslotene verdragen worden geschonden.

39. De straffen bij de wet regelende de verantwoordelijkheid van de hoofden der ministeriële departementen tegen de daarbij omschreven misdrijven bedreigd, zijn toepasselijk op den Gouverneur-Generaal, in de gevallen bij het voorgaande artikel vermeld. (Wet min. verantw. 22 Apr. 1855, S. 33; S.R. 355, 350 en (i.)

40. Ingeval van vervolging, hetzij naar aanleiding van art. 159 (164) der Grondwet, hetzij ter zake van andere misdrijven of overtredingen, legt de Gouverneur-Generaal, op ontvangen bevel van wege den Koning, zijne waardigheid neder in handen van den daartoe dooiden Koning of door dit reglement aangewezen opvolger. (R.R. 14 volg.)

41. De Gouverneur-Generaal is opperbevelhebber van de in Nederlandsch Indië aanwezige zeemagt, behoudens hare administrative betrekkingen tot het Departement van Marine. Hij beschikt over de schepen en vaartuigen en derzelver manschap in overeenstemming met de door den Koning gegeven voorschriften, zoo als hij meest oorbaar acht voor de belangen van Nederlaudsch Indië.

42. De Gouverneur-Generaal is opperbevelhebber van de in Xe-derlandsch Indië aanwezige landmagt.

In Nederlandsch Indië worden de officieren door den Gouverneur-Generaal benoemd. Zij worden door hem bevorderd eu ontslagen op den voet bij algemeene verordening bepaald.

451

-ocr page 508-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

De regelen omtrent het toekennen van pensioenen en gagementen worden bi] algeraeene verordening gesteld. (K.B. 26 Oct. 1893, S. 155.)

43. Ingeval van oorlog of opstand, neemt de Gouverneur-Generaal de maatregelen, die hij in het belang van het Kijk en van Nederlandsch Indië noodzakelijk acht, ook de zoodanige waartoe anders \'s Konings machtiging vereischt wordt.

Bepaaldelijk heeft hij alsdan de magt om Nederlandsch Indië, geheel of gedeeltelijk, in staat van oorlog of beleg te verklaren, wetten en bepalingen van dit reglement te schorsen en autoriteiten tijdelijk op te heffen.

De Gouverneur-Generaal kan in bezittingen buiten Java en Madura de burgerlijke of militaire gezaghebbers magtigen lot het nemen van voorloopige maatregelen van den bij dit artikel bedoelden aard. (K.K.

21, 23, 24, 85.)

lt;14. De Gouverneur-Generaal verklaart oorlog aan en maakt vrede-en andere verdragen met Indische vorsten en volken, alles met inachtneming van de bevelen des Konings.

Van den inhoud dier verdragen wordt door den Koning mededeeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk en van Nederlandsch Indië zulks toelaten. (G. 58, 59; R.K. 1, 286.)

45. Aan personen, niet in Nederlandsch Indië geboren, die gevaarlijk worden geacht voor de openbare rust en orde, kan het verblijf aldaar door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Kaad van Nederlandsch Indië, worden ontzegd.

Het daartoe strekkend besluit wordt, wanneer het Nederlanders geldt, met redenen omkleed.

Het besluit bepaalt een redelijken tijd, die den betrokken persoon gelaten wordt voor het orde stellen op zijne zaken.

De Gouverneur-Generaal kan, bij een door hem onderteek end bevel, gelasten dat de betrokken persoon, in afwachting van eene gelegenheid tot verwijdering, in hechtenis worde genomen.

Het besluit tot verwijdering en het bevel tot inhechtenisneming worden aan den betrokken persoon bij geregtelijke acte beteekend.

De Gouverneur-Generaal brengt het besluit tot verwijdering, met de verdere stukken, onverwijld ter kennis van den Minister van Koloniën.

Van het besluit tot verwijdering wordt, wanneer het Nederlanders geldt, door den Koning kennis gegeven aan de Staten-Generaal. (KR. 46—48, 85, 105.)

46. Aan personen, niet in Nederlandsch Indië geboren, kan door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, in het belang der openbare rust en orde, het verblijf in bepaalde gedeelten van Nederlandsch Indië worden ontzegd. (R.R. 29.)

452

-ocr page 509-

VAN NEDEKLAKDSCH INDIE.

Wanneer de maatregel iemand betreft, niet tot de inlanders be-hoorende, wordt het besluit met de verdere stukken onverwijld ge-bragt ter kennis van den Minister van Koloniën.

Van den maatregel wordt, wanneer hel Nederlanders geldt, door den Koning kennis gegeven aan de Staten-Generaal. (R.R. 45, 47, 48.)

47. De Gouverneur-Generaal kan, in overeenstemming met den Baad van Nederlandsch Indië. aan personen, binnen Nederlandsch Indië geboren, in het belang der openbare rust en orde, eene bepaalde plaats aldaar tot verblijf aanwijzen, of het verblijf in bepaalde gedeelten van Nederlandsch Indië ontzeggen. (B.R. 29.)

De Gouverneur-Generaal kan, bij een door hem onderteekend bevel, gelasten, dat de betrokken persoon, in afwachting van eene gelegenheid tot verwijdering, in hechtenis worde genomen.

Het besluit tot verwijdering en het bevel tot inhechtenisneming worden aan den betrokken persoon bij geregtelijke acte beteekend.

Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen iemand betreffen, niet tot de inlanders behoorende, wordt gehandeld overeenkomstig het voorlaatste lid van het voorgaande artikel.

De bepaling, vervat in het laatste lid van het voorgaand artikel is mede toepasselijk wanneer het Nederlanders geldt. (K.B. 85.)

48. In de gevallen, bedoeld in de artt. 45, 46 en 47, wordt door den Gouverneur-Generaal niet beslist dan nadat de betrokken persoon in zijne verdediging gehoord, of daartoe behoorlijk opgeroepen is. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.

49. Behoudens de uitzonderingen bij dit reglement bepaald, worden de ambtenaren benoemd, ontslagen en op pensioen gesteld door den Gouverneur-Generaal, overeenkomstig regels, bij algemeene verordening gesteld. (K.B. 29 Aug. 1883, S. 133, aangev. bij K.B. 16 Apr. 1892, S. 87, gewijz. bij K.B. 23 Dec. 1892. S. 286.)

50. De Gouverneur-Generaal regelt het bedrag der bezoldigingen en soldijen, voor zoover het niet door den Koning vastgesteld is. Bezoldigingen en soldijen bij Koninklijke besluiten bepaald, of begrepen in eene goedgekeurde begrooting, kunnen door den Gouver-neur-Generaal zonder magtiging des Konings niet worden verhoogd. (G. 61o, 63; Jnd. Comp. passim.)

51. Het bezoldigen der ambtenaren geschiedt naar het beginsel, dat, behalve de toe te leggen jaarwedde, geene andere dan de uitdrukkelijk toegestane voordeden uit het ambt mogen worden getrokken.

Die voordeden worden door den ambtenaar alleen genoten wanneer het genot daarvan hem bij zijne benoeming uitdrukkelijk is vergund.

Spillagiën of overwigten worden nimmer beschouwd als voordeden aan de ambten verbonden, maar slechts als middelen om verliezen, buiten de schuld der ambtenaren ontstaan, te vergoeden.

Het bepaalde bij art. 3 van dit reglement kan bij algemeene verordening, geheel of gedeeltelijk, op ambtenaren worden toepasselijk gemaakt.

52. De Gouverneur-Generaal heeft, na gehoord advies van het

453

-ocr page 510-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

Hooggeregtshof, het regt van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen in Nederlandsch Indië opgelegd, zoolang de veroordeelden zich aldaar ophouden.

Voor zooveel inlandsche vorsten en hoofden betreft, heeft hij ook, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, het regt van amnestie en abolitie. (G. (38; R.R. 1.)

53. De Gouverneur-Generaal heeft de magt om dispensatiën te verleenen, in de gevallen bij de algemeene verordeningen omschreven; voor zooveel regtszaken betreft, na gehoord advies van het Hooggeregtshof.

De Gouverneur-Generaal kan ook, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, en na gehoord advies van het Hooggeregtshof, dispensatie verleenen van eene bepaalde ordonnantie, in de gevallen daarbij niet vermeld. (G. 69; R.R. 29.)

54. De Gouverneur-Generaal verleent in naam des Konings zeebrieven aan schepen en vaartuigen, op de Europesche wijze getuigd. Vaartuigen, op de inlandsche wijze getuigd, worden van jaarpassen voorzien; een en ander overeenkomstig reeds vastgestelde of nader vast te stellen algemeene verordeningen.

55. De bescherming der inlandsche bevolking tegen willekeur, van wien ook, is een der gewigtigste pligten van den Gouverneur-Generaal.

Hij zorgt dat de besturende ambtenaren de daaromtrent bestaande of nader uit te vaardigen verordeningen stiptelijk nakomen, en dat den inlanders overal gelegenheid gegeven worde om vrijelijk klagten in te levereu.

56. De Gouverneur-Generaal houdt de op hoog geztg ingevoerde cultures, zooveel doenlijk, in stand, en zorgt in overeenstemming met de bevelen des Konings:

1°. dat die cultures niet in den weg staan aan de teelt van genoegzame voedingsmiddelen;

2quot;. dat, voor zoover die cultures plaats hebben op gronden door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, de beschikking over die gronden geschiede met billijkheid en met eerbiediging van bestaande regten en gebruiken;

3quot;. dat bij de verdeeling van den arbeid, dezelfde regelen wordei in acht genomen;

4°. dat de belooning der betrokken inlanders, met vermijding vai schadelijke opdrijving, zoodanig zij, dat de gouvernements-culture hun, bij gelijken arbeid, ten minste gelijke voordeelen opleveren al de vrije teelt;

5quot;. dat zooveel doenlijk opgeheven worden de bezwaren die, n een opzettelijk onderzoek, mogten bevonden worden ten aanzien va: die cultures te bestaan; en

6°. dat alzoo worde voorbereid eene regeling, steunende op vrijwil lige overeenkomsten met de betrokken gemeenten en personen, al

454

-ocr page 511-

VAN NEDERLANDSCH INDIE.

overgang tot eenen toestand, waarbij de tusschenkomst des Bestuurs zal kunnen worden ontbeerd.

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van de maatregelen door den Gouverneur-Generaal naar aanleiding van dit artikel genomen.

57. In elk gewest worden de aard en duur der persoonlijke diensten, waartoe de inboorlingen verpligt zijn, de gevallen waarin en de wijze en voorwaarden waarop zij kunnen worden gevorderd, door den Gouverneur-Generaal geregeld, in overeenstemming met de bestaande gebruiken, instellingen en behoeften.

1) Bij art. 1 der wet van 21 Julij 1870, Stsbl. no. 136, is het volgende bepaald:

Ten aanzien van de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur wordt art. 56 van het reglement op het beleid der Regering van Nederlandsch Indië, met uitzondering van de laatste alinea, vervangen door de volgende bepalingen:

1°. Nieuwe invoering van de suiker cultuur op hoog gezag heeft niet plaats.

2°. Waar zij bestaat, eindigt de beschikking over gronden, door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, met den aanplant van het jaar 1890. Na den aanplant van het jaar 1878 wordt, behoudens de regten bij het in werking treden van deze wet verkregen, die beschikking voor elke onderneming jaarlijks trapsgewijze verminderd.

3°. Bij de regelingen en overeenkomsten ter zake, neemt de Gouverneur-Generaal in acht:

a. dat geene onderneming op hoog gezag worde voortgezet, waar de druk voor de bevolking, in verband met de voorschriften van deze wet beschouwd, overschriidt hetgeen het finantiëel belang van den Staat in billijkheid vorderen mag;

h. dat gelijktijdig over niet meer dan één vijfde der velden van elke betrokken dessa worde beschikt, tenzij de bevolking zelve afwijking van dit voorschrift verlange;

c. dat de bevolking voor de afgifte van den grond behoorlijk worde schadeloos gesteld en voor haren arbeid behoorlijk betaald;

d. dat de tusschenkomst des bestuurs tot beplanting met suikerriet van de bij 2°. bedoelde gronden, zoo spoedig doenlijk, in overleg met den fabrikant, ophoude;

e. dat de middelen tot verwerking van het riet geëvenredigd zijn aan de uitgestrektheid van den aanplant;

ƒ. dat voor het drijven der molens of andere toestellen niet beschikt worde over water, benoodigd voor den eigen landbouw der bevolking;

g. dat tot het verkrijgen van arbeiders en verdere hulpmiddelen, zoo voor het snijden en vervoeren van het riet, voor werkzaamheden in en bij de fabriek, voor den afvoer van de suiker, als anderzins, de tusschenkomst des bestuurs aan de ondernemers niet verleend worde buiten volstrekte, telkens te bewijzen onmisbaarheid;

h. dat aan den lande eene billijke cijns verzekerd worde, zoowel over het product van den vrijen, als over dat van verpligten aanplant;

i. dat elke overeenkomst en elke wijziging, beide terstond na de sluiting, worde openbaar gemaakt in het officiële nieuwsblad.

455

-ocr page 512-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

De verordeningen, die persoonlijke diensten betreffende, worden in elk gewest, om de vijf jaren, door den Gouverneur-Generaal herzien met het doel om daarin trapsgewijze de verminderingen te brengen, bestaanbaar met het algemeen belang.

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van den staat, waarin zich de voorgeschreven regeling der hier bedoelde diensten bevindt.

58. De Gouverneur-Generaal zorgt, dat in Nederlandseh Indië geene belastingen geheven worden dan die bij algemeene verordeningen zijn bepaald. (G. 174.)

59. De Gouverneur-Generaal zorgt, dat overal, waar de landrente geheven wordt, volgens den gemeentelijken of dorps-aanslag, daarmede voorloopig worde voortgegaan.

De grondslagen voor den aanslag in de landrente worden bij algemeene verordening vastgesteld.

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van de maatregelen naar aanleiding van dit artikel genomen.

60. De Gouverneur-Generaal zorgt dat aan nuttige bedrijven geene noodelooze belemmeringen in den weg gelegd worden of blijven.

Behoudens verkregen regten worden op de markten (passars) geene belastingen geheven. 1)

61. De Gouverneur-Generaal vestigt zijne bijzondere aandacht op de A)Osschen van djatti-hout. Hij zorgt dat de regten van eigendom des Rijks op alle dusdanige bosschen, niet bij verkoop of op eenige andere wijze aan bijzondere personen afgestaan, worden gehandhaafd; en dat liet in stand houden of uitbreiden dier bosschen en de houtkap in dezelven door doeltreffende maatregelen worden geregeld.

82. De Gouverneur-Generaal mag geene gronden verkoopen.

In dit verbod zijn niet begrepen kleine stukken gronds bestemd tot uitbreiding van steden en dorpen en tot het oprigten van inrig-tingen van nijverheid.

De Gouverneur-Generaal kan gronden uitgeven in huur, volgens regels bij algemeene verordening te stellen. Onder die gronden worden niet begrepen de zoodanige, door de inlanders ontgonnen of, als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde, tot de dorpen of dessa\'s behoorende.

Volgens regels, bij algemeene verordening te stellen, worden gronden afgestaan in erfpacht voor niet langer dan vijf en zeventig jaren.

De Gouverneur-Generaal zorgt, dat geenerlei afstand van grond inbreuk make op de regten der inlandsche bevolking.

456

Over gronden, door inlanders voor eigen gebruik ontgonnen, of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde to\'; de dorpen behoorende, wordt door den Gouverneur-Generaal niet beschikt dan ten

1

Art. 60 aldus gewyzigd by art. 2 der wet van 21 July 1870, Staljl. no. 136.

-ocr page 513-

VAN NEDEBLANDSCH INDIE.

algemeenen nutte, op den voet van art. 77 en ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures volgens de daarop betrekkelijke verordeningen, tegen behoorlijke schadeloosstelling.

Grond, door inlanders in erfelijk individueel gebruik bezeten, wordt, op aanvraag van den regtmatigen bezitter, aan dezen in eigendom afgestaan onder de noodige beperkingen, bij algemeene verordening te stellen en in den eigendomsbrief uit te drukken, ten aanzien van de verpligtingen jegens den lande en de gemeente en van de bevoegdheid tot verkoop aan niet-inlauders.

Verhuur of in-gebruik-geving van grond door inlanders aan niet-inlanders geschiedt volgens regels, bij algemeene verordening te bepalen. \')

63. Op de eilanden van den Oost-Indischen Archipel worden geene nieuwe gouvernements-vestigingen daargesteld zonder magti-ging des Konings.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET ALGEMEEN BESTUUR.

Art. 64. De verschillende takken van het algemeen burgerlijk bestuur worden, onder de bevelen en het oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, beheerd door directeuren, wier getal, werkkring en bevoegdheid worden bepaald door den Koning.

65. De hoofden der aldus ingestelde departementen van algemeen bestuur vereenigen zich tot een Baad van Directeuren, telkens wanneer de Gouverneur-Generaal hunne zamenwerking beveelt.

66. Er is eene Algemeene Rekenkamer, belast met het toezigt over het beheer der koloniale geldmiddelen en over de verantwoording der rekenpligtigen.

De zamenstelling der kamer en hare instructie worden door den i Koning vastgesteld, in overeenstemming met de wet op de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (G. 626; Ind. Compw.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE GEWESTELIJKE EN PLAATSELIJKE BESTUREN.

Art. 67. Zooveel de omstandigheden het toelaten, wordt de in-landsche bevolking gelaten onder de onmiddellijke leiding van hare eigene, van regeringswege aangestelde of erkende hoofden, onderworpen aan zoodanig hooger toezigt, als bij algemeene of bijzondere voorschriften door den Gouverneur-Generaal is of zal worden bepaald.

1) Art. 62 altlus aangevuld met de 5 laatste alinea\'s door de wet van 9 April 1870, Stsbl. no, 71.

STAATSWETTEN. 31

457

-ocr page 514-

458 REGL. OP HET BELEID DEB BEGERING

68. De indeeling van het grondgebied van Nederlandsch Indië in gewesten geschiedt door den Koning.

In de gewesten wordt, in naam van den Gouverneur-Generaal, het bestuur uitgeoefend door hoofd-ambtenaren, onder zoodanige ambtstitels als zijn of zullen worden bepaald.

De Gouverneur-Generaal stelt de instructiën dier hoofd-ambtenaren vast en regelt hunne betrekking tot de verschillende collegiën en ambtenaren, tot de militaire gezaghebbers en tot de bevelhebbers van \'s Rijks schepen van oorlog.

Het burgerlijk gezag is, zoolang niet anders is bepaald, het hoogste. (R.R. 70.)

69. De verdeeüng der gewesten in regentschappen geschiedt door den Gouverneur-Generaal.

In elk regentschap wordt, onder zoodanigen ambtstitel als de inlandsche gebruiken medebrengen, een regent aangesteld, door den Gouverneur-Generaal uit de inlandsche bevolking gekozen.

De instructiën der regenten en hunne betrekking tot de Europesche ambtenaren worden door den Gouverneur-Generaal vastgesteld.

Bij het openvallen der betrekking van regent op het eiland Java wordt, behoudens de voorwaarden van bekwaamheid, ijver, eerlijkheid en trouw, zooveel doenlijk tot opvolger gekozen een der zonen of nabestaanden van den laatsten regent.

70. De regentschappen worden, waar hij dit noodig acht, door den Gouverneur-Generaal verdeeld in districten.

Elk district wordt bestuurd door een inlandsch hoofd, onder zoodanigen ambtstitel als de inlandsche gebruiken medebrengen.

De instructiën der districtshoofden en hunne betrekking tot de Euro- i pesche ambtenaren worden door den Gouverneur-Generaal vastgesteld.

71. De inlandsche gemeenten verkiezen, behoudens de goedkeuring i van het gewestelijk gezag, hare hoofden en bestuurders. De Gouverneur-Generaal handhaaft dat regt tegen alle inbreuken.

Aan die gemeenten wordt de regeling harer huishoudelijke belangen gelaten, met inachtneming der van den Gouverneur-Generaal of van het gewestelijk gezag uitgegane verordeningen.

Waar het bepaalde bij de alinea\'s 1 en 2 van dit artikel niet overeenkomt met de instellingen des volks, of met verkregene regten, wordt de invoering daarvan achterwege gelaten.

72. De ambtenaren, met het hoogste gewestelijk gezag bekleed, zijn bevoegd tot het maken van reglementen en keuren van politie. Zij kunnen tegen de overtreding daarvan straffen bedreigen, overeenkomstig regels bij algemeene verordening te stellen.

73. Vreemde Oosterlingen, in Nederlandsch Indië gevestigd, worden zooveel doenlijk in afzonderlijke wijken vereenigd, onder de leiding van hunne eigene hoofden.

De Gouverneur-Generaal zorgt dat die hoofden van de vereischte voorschriften worden voorzien.

A

het regt 71

burg vero land

D den dier de i B geh: het den inst( zijn heid

JS

VOOl

der kern burj 0 pesc gest buit plaa zege len, staa B artil gerl de 1 stig 7 gen wet( 7 mee tege I

-ocr page 515-

VAN NEDEKLANDSCH INDIE.

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE JUSTITIE.

Art. 74. Overal waar de inlandsehe bevolking niet is gelaten in het genot harer eigene regtspleging, wordt in Nederlandsch Indië regt gesproken in naam des Konings. (Gr. 149.)

75. Voor zooveel de Europeanen betreft, berust de regtspraak in burgerlijke en handelszaken, alsmede in strafzaken, op algemeene verordeningeu, zooveel mogelijk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten.

De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, in overeenstemming met den Eaad van Nederlandsch Indië, de daarvoor vatbare bepalingen , i dier verordeningen, des noodig gewijzigd, toepasselijk te verklaren op ir den f\'e inlandsehe bevolking of een gedeelte daarvan.

Behoudens de gevallen waarin zoodanige verklaring heeft plaats gehad, of waarin inlanders zieh vrijwillig hebben onderworpen aan het voor de Europeanen vastgestelde burgerlijke en handelsregt, worden door den inlandschen regter toegepast de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der inlanders, voor zoover die niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en regtvaardig-heid.

Naar die wetten, instellingen en gebruiken wordt, onder gelijk voorbehoud, ook door den Europeschen regter gevonnisd in zaken der aan zijne regtspraak onderworpen inlandsehe hoofden en bij de kennisneming in hooger beroep van door den inlandschen regter, in burgerlijke en handelszaken, gedane uitspraken.

Op die wetten, instellingen en gebruiken wordt door den Europeschen regter, bij zijne regtspraak naar de voor Europeanen vastgestelde wetgeving, zooveel mogelijk acht gegeven, wanneer inlanders, buiten het geval waarin de bij het 2de lid bedoelde verklaring heeft plaats gehad, of het geval van vrijwillige onderwerping aan gezegde wetgeving in de bij wettelijke bepalingen aangewezene gevallen, als verweerders in burgerlijke of handelszaken voor hem te regt staan.

Bij de regtspraak over inlanders, in het 3de en 4de lid van dit artikel bedoeld, neemt de regter de algemeene beginselen van het burgerlijk en handelsregt voor Europeanen tot rigtsnoer, wanneer het de beslissing geldt van zaken, die bij de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken niet geregeld zijn.

76. De militaire straf regtspleging berust op algemeene verordeningen, zooveel mogelijk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten.

77. Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten alge-meenen nutte, op de wijze bij algemeene verordening bepaald, en tegen voorafgaande schadeloosstelling.

De verklaring dat het algemeen nut onteigening vordert geschiedt

459

het

31*

-ocr page 516-

REGL. OP HET BE-LEID DER REGERING

door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië.

De vereischten van overeenstemming met den Raad en van voorafgaande schadeloosstelling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand, watersnood, aardbeving, vulkanische uitbarsting of andere dringende omstandigheden eene onverwijlde in-bezit-neming vorderen.

Het regt van den onteigende op schadeloosstelling wordt daardoor niet verkort. (G. 151.)

78. Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvorderingen of andere burgerlijke regten, behoo-ren bij uitsluiting tot de kennis van de regterlijke magt.

Evenwel blijven de tusschen inlanders of tusschen met deze gelijkgestelde personen van denzelfden landaard gerezen burgerlijke geschillen, welke volgens hunne godsdienstige wetten of oude herkomsten ter beslissing staan van hunne priesters of hoofden, daaraan onderworpen. (G. 153.)

79. De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, bij algemeene verordeningen aangewezen.

80. Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van den regter, dien algemeene verordeningen hem toekennen. (G. 156a.)

81. Alle tusschenkomst van de Regering in zaken van justitie, niet bij dit reglement toegestaan, is verboden.

82. De zaken, welke uit haren aard of krachtens algemeene verordeningen ter beslissing staan van het administratief gezag, blijven daaraan onderworpen. (R.R. 132.)

Geschillen over bevoegdheid tusschen de regterlijke en administratieve magt worden door den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch Indië, beslist volgens regels, bij algemeene verordening te stellen. (G. 1566.)

83. Geschillen over bevoegdheid tusschen de regtbanken en de inlandsche priesters en hoofden, als ook tusschen den burgerlijken en militairen regter, worden op den voet en de wijze, bij het vorig artikel bepaald, door den Gouverneur-Generaal beslist.

84. Het verlof van den Gouverneur-Generaal, of buiten Java en Madura van den hoogsten gewestelijken gezaghebber, is noodig tot het instellen van burgerlijke regtsvorderingen en van vervolgingen tot straf tegen inlandsche vorsten en hoofden, bij algemeene verordening aangeduid.

85. Buiten de gevallen bij de artt. 43, 45, 47 en 86 voorzien, mag niemand in hechtenis worden genomen dan op bevel van het daartoe, ingevolge de algemeene verordeningen op de strafvordering, bevoegd gezag en op den voet en de wijze daarbij omschreven.

86. Wanneer iemand, niet behoorende tot de inlandsche bevolking, in buitengewone omstandigheden, buiten het geval voorzien bij de artt. 45 en 47, door het politiek gezag is in hechtenis geno-

460

-ocr page 517-

VAN NEDEBLANDSCH INDIE.

men. is hij, op wiens bevel zulks plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den officier van justitie bij de Europesche regtbank, binnen wier regtsgebied de inhechtenisneming is geschied.

87. Het geheim der aan den post of andere instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen bij algemeene verordening omschreven. (Gr. 159.)

88. Niemand mag tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld worden dan op de wijze en in de gevallen bij algemeene verordening voorzien.

89. Geenerlei straf heeft den burgerlijken dood of het verlies van alle burgerlijke regten ten gevolge.

90. Op geen misdrijf of overtreding mag als straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende. (G. 160.)

91. Alle vonnissen vermelden de gronden waarop zij rusten, en in strafzaken, behalve het misdrijf of de overtreding, de stellige wetsbepalingen waarop zij zijn gegrond.

Algemeene verordeningen regelen, met betrekking tot den inland-sehen regter, de noodige wijzigingen van het voorschrift, dat de vonnissen met redenen moeten omkleed zijn.

De teregtzittingen zijn openbaar, behoudens de uitzonderingen, bij algemeene verordening aangewezen.

De vonnissen worden in het openbaar uitgesproken, behoudens de uitzonderingen, bij algemeene verordening aangewezen. (G. 161.)

92. Het geval van verklaarden staat van oorlog of beleg uitgezonderd, kan nergens, waar in naam des Konings wordt regt gesproken, een doodvonnis ten uitvoer worden gelegd, zonder magtiging van den Gouverneur-Generaal, na gehoord advies van den hoogsten burgerlijken of militairen regter.

De beschikking, waarbij de ten-uitvoer-legging is geweigerd, wordt door den Gouverneur-Generaal ter kennis gebragt van den Minister van Koloniën.

De hoogste gezagvoerders in de bezittingen buiten Java en Madura zijn bevoegd, ingeval de dadeljike uitvoering van een doodvonnis gebiedend noodzakelijk is, deze te gelasten, na gehoord advies van den regter, die het vonnis heeft gewezen.

Van hunne beschikking geven zij onverwijld kennis aan den Gouverneur-Generaal.

93. Het hoogste regterlijk collegie in Nederlandsch Indië is gevestigd te Batavia en draagt den naam van Hooggeregtshof van Nederlandsch Indië. (G. 162.)

94. De president van het Hooggeregtshof van Nederlandsch Indië wordt door den Koning benoemd en ontslagen.

Hij kan alleen met zijne toestemming door den Koning in eeno andere ambtsbetrekking worden overgeplaatst.

461

-ocr page 518-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

De vice-presidenten en de leden van het Hooggeregtshof kunnen alleen met hunne toestemming door den Gouverneur-Generaal in andere ambtsbetrekkingen worden geplaatst. 1) (G. 166.)

95. Behoudens de in het vorig artikel bedoelde overplaatsing en ontslag op eigen verzoek, kunnen de president, de vice-presidenten 1) en de leden van het Hooggeregtshof van hun ambt niet worden ontslagen, dan wanneer zij wegens misdrijf tot gevangenisstraf veroordeeld, in staat van kennelijk onvermogen verklaard, wegens schulden gegijzeld, onder curatele gesteld zijn, of de waardigheid van hun ambt uit het oog verliezen, gelijk mede bij gebleken wangedrag, onzede-lijkheid, merkelijke achteloosheid, ongeschiktheid door ouderdom, of aanhoudende ziels- of lichaamsziekte.

Wanneer de Gouverneur-Generaal, den Raad van Nederlandsch Indië gehoord, oordeelt, dat het ontslag om eene der bij de vorige zinsnede vermelde redenen behoort plaats te hebben, zendt hij zijne daartoe strekkende voordragt met alle ter zake betrekkelijke stukken aan den Minister van Koloniën, vergezeld van eene schriftelijke verantwoording van den betrokken ambtenaar, wien tot dat einde de tegen hem bestaande bezwaren worden medegedeeld.

De Gouverneur-Generaal is bevoegd, om, in afwachting van \'s Ko-nings beschikking, den betrokken ambtenaar, onder toekenning van wachtgeld, in zijn ambt te schorsen en voorloopig in de waarneming daarvan te voorzien.

De betrokken ambtenaar wordt, des verkiezende, door toekenning van verloftractement en vrijen overtogt in de gelegenheid gesteld om zich in Nederland te gaan verantwoorden.

De Koning verleent of weigert het ontslag.

95n. Aanvraag van verlof buiten Nederlandsch Indië door den president, de vice-presidenten en de leden van het Hoog Geregtshof wordt, behoudens het bepaalde in de voorlaatste alinea van het voorgaand artikel, geacht tevens in te houden het verzoek om ontslag uit hun ambt.

Gedurende hun verloftijd en ook daarna, zoolang zij niet overeenkomstig de bepaling der volgende alinea van dit artikel in eenige betrekking zijn aangesteld, mogen zij niet uit \'s Lands dienst worden ontslagen, dan op eigen verzoek of om een der redenen, vermeld in de artt. 95 en 97.

462

Van verlof in Nederlandsch Indië teruggekeerd, worden zij, met inachtneming van het tijdstip hunner terugkomst, en, bij gelijktijdigen terugkeer, met inachtneming van de dagteekening hunner oorspronkelijke benoeming in het Hoog Geregtshof, bij de eerste vacature in dat collegie weder in hun vorigen rang benoemd, wanneer zij niet reeds vóór het ontstaan der vacature met hunne toestemming in eene andere betrekking mogten zijn aangesteld.

1

Aldus gewgzigd by de wet van 7 Mei 1878, StsM. no. 40.

-ocr page 519-

VAN NEDERLANDSCII INDIË. 463

Zij genieten inmiddels het gewone wachtgeld. 1)

96. Het verleenen van een bevel tot gevangenneming van een regterlijk ambtenaar brengt, behoudens het bepaalde bij art. 100, van regtswege schorsing in zijn ambt te weeg.

97. In het vonnis, waarbij een regterlijk ambtenaar tot eene lijf-of onteerende straf is veroordeeld, wordt tevêns zijne afzetting uitgesproken.

98. Het Hooggeregtshof oordeelt in burgerlijke zaken in eersten

1°. over alle regtsvorderingen waarin de Gouverneur-Generaal als gedaagde wordt aangesproken;

2°. over alle regtsvorderingen, uitgezonderd die, welke de belastingen en pachten betreffen, tegen den lande.

Niettemin moeten alle zakelijke regtsvorderingen voor den gewonen regter gebragt worden.

99. De vice-president en de leden van den Kaad van Nederlandsch Indië, en zoodanige andere ambtenaren als algemeene verordeningen aanduiden, staan teregt voor het Hooggeregtshof, wegens misdrijven en overtredingen gedurende den tijd hunner functiën begaan. (G. 164.)

100. Met uitzondering van het geval van voorloopige aanhouding bij ontdekking op heeterdaad, kan tegen de ambtenaren, in het vorig artikel bedoeld, geen bevel van gevangenneming worden ten uitvoer gelegd, en, in het geval van ambtsmisdrijf, geene vervolging plaats hebben, dan nadat daartoe door den Gouverneur-Generaal, op den voet en de wijze bij algemeene verordening omschreven, magtiging is verleend.

101. De Gouverneur-Generaal en Luitenant-Gouvemeur-Generaal staan wegens misdrijven of overtredingen in Nederland te regt: wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Kaad der Nederlanden; wegens andere misdrijven of overtredingen ter plaatse, waar de zetel der Regering in Nederland is gevestigd, voor den regter, die, naar de Nederlandsche wetgeving, bevoegd is over het onderwerp te oordee-len. (G. 164; RE. 99.)

102. Het Hooggeregtshof heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten en andere algemeene verordeningen bij alle regtbanken en geregten.

Het kan regterlijke handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten en andere algemeene verordeningen strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen, volgens de daaromtrent gestelde regels. (G. 165.)

103. Algemeene verordeningen bepalen de gevallen waarin de arresten van het Hooggeregtshof in burgerlijke zaken onderwor-

1

Artikel 95a ia toegevoegd door de wet van 7 Mei 1878, Stsbl. no. 40.

-ocr page 520-

REGL. OP HET BELEID DEK BEGERING

pen zijn aan hooger beroep bij den Hoogen Raad der Nederlanden, en de wijze van regtspleging ten aanzien van dat beroep te volgen.

104. Vonnissen, door den regter in Nederland gewezen, en bevelen door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke acten aldaar verleden, kunnen in Nederlandsch Indië worden ten uitvoer gelegd.

Zoo ook kunnen vonnissen en bevelen, door den regter in Nederlandsch Indië gewezen of uitgevaardigd, alsmede grossen van authentieke acten aldaar ten overstaan van Europesche openbare ambtenaren verleden, aan welke gelijke kracht als aan de vonnissen is toegekend, in Nederland ten uitvoer gelegd worden.

ZESDE HOOFDSTUK.

VAN DE INGEZETENEN.

Art. 105. Met uitzondering van de personen van \'s Rijkswege naar Nederlandsch Indië gezonden, mag niemand zich van elders aldaar vestigen zonder schriftelijke vergunning, op Java en Madura van den Gouverneur-Generaal, elders van den hoogsten gewestelijken gezaghebber.

De voorwaarden der toelating van Nederlanders en vreemdelingen worden bij algemeene verordening geregeld.

Aan Nederlanders, welke de bovenbedoelde vergunning verkregen hebben, kan niet dan in het geval en op de wijze bij art. 45 vermeld het verblijf in Nederlandsch Indië worden ontzegd.

106. Ingezetenen van Nederlandsch Indië zijn, behalve de inboorlingen des lands, allen die, op den voet bij het vorig artikel bepaald, hun verblijf binnen Nederlandsch Indië gevestigd hebben.

107. Onder Nederlanders worden in dit Reglement verstaan, die het zijn volgens de wetten van het Koningrijk. (G. 0;Wet 12 Dec. 1892, S. 268.)

108. Allen die zich op het grondgebied van Nederlandsch Indië bevinden hebben aanspraak op bescherming van persoon en goederen. (G. 4.)

De regelen, bij uitlevering van vreemdelingen in acht te nemen, worden vastgesteld bij algemeene verordening. \')

109. De bepalingen van dit reglement en van alle andere algemeene verordeningen, waarin sprake is van Europeanen en inlanders, zijn, waar het tegendeel niet bepaald is, toepasselijk op de met hen gelijkgestelde personen.

Met Europeanen worden gelijk gesteld alle Christenen en alle personen, niet vallende in de termen der volgende zinsnede.

1} Deze alinea ia toegevoegd bg de wet vaa t Dec. 1881, Stsbl. no. 183.

464

-ocr page 521-

VAN NEDERLANDSCH INDIE.

Met inlanders worden gelijkgesteld Arabieren, Mooren, Chinezen, en allen die Mohammedanen of heidenen zijn.

De inlandsche Christenen blijven onderworpen aan het gezag der inlandsche hoofden, en met opzigt tot regten, lasten en verpligtin-gen, aan dezelfde algemeene gewestelijke en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als de inlanders die het Christendom niet belijden.

De Gouverneur-Generaal kan, in overeenstemming met den Baad van Nederlandsch Indië, uitzonderingen maken op de toepassing der in dit artikel gestelde regels.

110. Het toezigt der Regering op de drukpers wordt bij algemeene verordening geregeld, in overeenstemming met het beginsel, dat het door de drukpers openbaren van gedachten of gevoelens en het toelaten van elders dan in Nederland gedrukte stukken, geene andere belemmering mogen ondervinden dan tot verzekering der openbare orde gevorderd wordt.

In Nederland gedrukte stukken worden onbelemmerd toegelaten, behoudens ieders verantwoordelijkheid, volgens regels bij algemeene verordening te stellen. (G. 7.)

111. Vereenigingen en vergaderingen van staatkundigen aard, of waardoor de openbare orde wordt bedreigd, zijn in Nederlandsch Indië verboden. Tegen de overtreding van dit verbod worden zoodanige maatregelen genomen als de omstandigheden vorderen. (G. 9.)

112. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt, zoowel in Nederland als in Nederlandsch Indië, schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende. (G. 8.)

113. De ingezetenen zijn verpligt om op den voet, reeds bepaald of nader te bepalen, deel te nemen aan schutterijen of andere gewapende vereenigingen, welke door den Gouverneur-Generaal noodig worden geoordeeld tot bewaring van rust en orde. Algemeene verordeningen bepalen welke ingezetenen, bij de schutterijen ingelijfd, kunnen geroepen worden om mede te werken tot de handhaving van het Nederlandsch gezag in Indië. (G. 180 volg.)

114. In Nederlandsch Indië worden geene Europesche titels van adeldom erkend, dan die door den Koning zijn verleend.

Vreemde ordesteekenen, titels, rangen of waardigheden mogen dooide ingezetenen van Nederlandsch Indië niet worden aangenomen zonder het bijzonder verlof des Konings. (G. 65, 67.)

115. Uiterlijk op den Isten Januarij 1860 is de slavernij in geheel Nederlandsch Indië afgeschaft.

De maatregelen tot voorbereiding en geleidelijke trapsgewijze uitvoering van die afschaffing, zoo mede de vergoedingen, welke daar-

465

-ocr page 522-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

van het gevolg kunnen zijn, worden bij algemeene verordening vastgesteld. (R.R, 116 volg.)

In het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, wordt jaarlijks opgave gedaan van het verrigte naar aanleiding van dit artikel.

116. De slavenhandel, de invoer en de openbare verkoop van slaven zijn verboden.

De als slaven van elders aangevoerde personen zijn vrij, zoodra zij zich op het grondgebied van Nederlandsch Indië bevinden.

117. De regten en verpligtingen der meesters ten aanzien der in Nederlandsch Indië aanwezige slaven worden bij algemeene verordeningen geregeld.

118. Op Java en Madura blijft het nemen van pandelingen tot zekerheid van schuld verboden.

Dit verbod wordt door den Gouverneur-Generaal toegepast op die gedeelten van de bezittingen buiten Java en Madura, waar de maatschappelijke toestand het gedoogt.

De algemeene verordeningen, het pandelingschap regelende, waar het nog niet kan worden afgeschaft, hebben de strekking om die afschaffing te bevorderen.

Het pandelingschap gaat niet over op de kinderen des schuldenaars.

Het vervoeren van pandelingen over zee is verboden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DE GODSDIENST.

Art. 119. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der algemeene verordeningen op het straf-regt. (G. 167.)

120. Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, voor zoover die geene stoornis aan de openbare orde toebrengt.

Tot openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen wordt het verlof des Bestuurs vereischt. (G. 170.)

121. De Gouverneur-Generaal zorgt dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de algemeene verordeningen. (G. 172.)

122. In de bestaande inrigting en het bestuur der Christelijke kerkgenootschappen wordt geene verandering gebragt dan met we-derzijdsch goedvinden van den Koning en het bestuur van het betrokken kerkgenootschap.

123. De Christen-leeraars, priesters en zendelingen moeten voorzien zijn van eene door of namens den Gouverneur-Generaal te ver-leenen bijzondere toelating, om hun dienstwerk in eenig bepaald gedeelte van Nederlandsch Indië te mogen verrigten.

466

-ocr page 523-

VAN NEDERLANDSCH INDIË.

Wanneer die toelating schadelijk wordt bevonden, of de voorwaarden daarvan niet worden nageleefd, kan zij door den Gouverneur-Generaal worden ingetrokken.

124. De priesters der inlanders, die het Christendom niet belijden, zijn geplaatst onder het oppertoezigt der vorsten, regenten en hoofden voor zooveel betreft de godsdienst, die elk hunner belijdt.

Deze zorgen, dat door de priesters niets worde ondernomen strijdig met dit reglement, en met de door of uit naam van den Gouverneur-Generaal uitgevaardigde verordeningen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN HET ONDERWIJS.

Art. 125. Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg van den Gouverneur-Generaal.

De inrigting daarvan wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, bij algemeene verordening geregeld.

Het verslag, bedoeld bij het 1ste lid van art. 60 (62) der Grondwet, doet den staat van het openbaar onderwijs, ook dien van de scholen voor de inlandsche bevolking bestemd, jaarlijks kennen. (G. 192.)

126. Het geven van onderwijs aan Europeanen of daarmede gelijk gestelde personen is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid der onderwijzers.

127. Overeenkomstig regels, bij algemeene verordening te stellen wordt voldoend openbaar lager onderwijs gegeven, overal waar de behoefte der Europesche bevolking dit vordert en de omstandigheden het toelaten. (R.R. 128.)

128. De Gouverneur-Generaal zorgt voor het oprigten van scholen ten dienste der inlandsche bevolking.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VAN DEN HANDEL EN DE SCHEEPVAART.

Art,. 129. De tarieven van in-, uit- en doorvoer worden vastgesteld door de wet. (Wet 17 Nov. 1872, S. 130, gewijz. bij wet 16 April 1886, S. 72.) »)

467

Alleen in dringende omstandigheden is de Gouverneur-Generaal bevoegd die tarieven tijdelijk te wijzigen, onder nadere bekrachtiging door de wet.

1) Voorts werd, bfl de wet van 25 Dec. 1886, Stsbl. no. 248. bepanld. dat gedurende 5 jaren, te rekenen van 1 Juni 1887, het bjj de wet van 16 April 1886, Stsbl. no. 72, vaatgfstelde recht by den uitvotr van suiker niet verschuldigd is. Deze schorsing der heffing werd by de wet van 5 April 1892, Sisbl. no. 64, met een jaar verlengd. Die heffing werd weder geschorst, volgens de wet van 20 April 1895, Stsbl. no. 60, gedurende één jaar, te rekenen van L Juni 1895.

-ocr page 524-

468 REGIi. OP HET BELEID DER REGERING NED. INDIË.

Van zoodanige wijziging wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld kennis gegeven.

130. De havens van Nederlandsch Indië, geopend voor den alge-meenen handel, zijn toegankelijk voor de schepen van alle volken, met welke het Koningrijk der Nederlanden in vriendschap is, behoudens de naleving der algemeene en plaatselijke verordeningen.

In andere havens worden alleen toegelaten inlandsche vaartuigen en die tot de kustvaart geregtigd zijn.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 131. Het tegenwoordig reglement wordt in Nederlandsch Indië afgekondigd op de wijze bij art. 31 vastgesteld.

De tijd waarop het aldaar in werking treedt wordt door den Koning bepaald. \')

132. Alle op het bij het vorig artikel bedoelde tijdstip verbindende wettelijke verordeningen, reglementen en besluiten worden gehandhaafd tot dat zij door andere zijn vervangen. (G. Add. II.)

Bepalingen, voorkomende in de verordeningen vermeld in de eerste zinsnede van art. 82, die in strijd zijn met het voorschrift der eerste zinsnede van art. 78, behouden slechts kracht gedurende twee jaren na het in werking treden van dit reglement.

1) Bg K.B. 15 Oct. 1854, Stsbl. no. 136, is dit tydstip bepaald op 1 Mei 1855.

-ocr page 525-

quot;WET,

TOT EEGELING VAN DE WIJZE VAN BEHEEB EN VERANTWOORDING DER GELDMIDDELEN VAN NEDERLANDSCH-INDIË.

(Vastgesteld den 233ten April 1864, Stsbl. no. 35, uitgegeven den 7den Mei d.a.v. Gewyzigd en aangevuld bij de wetten van 23 April 3880, Stsbl. no. 72, 28 Juni 1881, Stsbl. no. 122, 30 Dec. 1882, Stsbl. no. 246 en 13 Juli 1895, Stsbl. no. 126. Nader bekend gemaakt by K.B. van 30 Juli 1895, Stsbl. no. 145.) 1)

Iste HOOFDSTUK.

Van de wijze van beheer der geldmiddelen van N ederlandsch-Indië.

Afdeeling I.

Algemeene bepaling.

Art. 1. De geldmiddelen van Nederlandsch-Indië worden beheerd en verantwoord naar de regelen in deze wet gesteld. (G. 62.)

Afoeklikg II.

Van de, begrooting.

Art. 2. De begrooting van Nederlandsch-Indië wordt jaarlijks vastgesteld bij afzonderlijke wet of wetten.

Die wet of wetten regelen de uitgaven, en wijzen de middelen ter harer dekking aan.

3. De begrooting van uitgaven is samengesteld uit twee hoofdstukken. Het eerste bevat de uitgaven in Nederland, — het tweede de uitgaven in Nederlandsch-Indië te doen. (7.)

Ieder hoofdstuk is gesplitst in afdeelingen.

Elke afdeeling omvat niet meer dan één onderdeel van het algemeen bestuur. (E.R. 64.)

1) De met * gemerkte artikelen en het opschrift van Hfdst. II, Afd. IV, aldus gewijzigd ingevolge art. 1 der wet van 13 Juli 1895, S. 126. Art. 2 dezer wet bepaalt: „De in artikel 1 bedoelde wiizigingen treden in werking op den Isten Januari 1896.quot;

-ocr page 526-

comptabiliteitswet nederl.-indië.

Die afdeelingen worden, voor zooveel dit niet reeds bij de wet is geschied, door Ons gesplitst in onderafdeelingen en artikelen. (E.R. 28c.)

4. De bijdragen van Nedcrlandsch-Indic aan de middelen tot dekking van \'s Eijks uitgaven worden op het eerste hoofdstuk uitgetrokken.

5. Bij de splitsing, in artikel 3 bedoeld, worden de artikelen der begrooting aangewezen, welke in den loop van het dienstjaar door overschrijving uit de sommen, bij de betrokken afdeelingen voor onvoorziene uitgaven toegestaan, verhoogd knnnen worden, wanneer het toegestane bedrag mocht blijken ontoereikend te zijn.

Die overschrijving wordt bevolen, voor zooveel het eerste hoofdstuk betreft, door Ons, en voor zoover het tweede hoofdstuk aangaat, door den Gouverneur-Generaal. (29)

6. Op dezelfde wijze, als in de laatste alinea van artikel 5 bepaald, worden de in den loop van het dienstjaar opkomende behoeften, welke niet in de begrooting zijn omschreven, op den post voor onvoorziene uitgaven der betrokken afdeeling aangewezen.

Die uitgaven worden bij de rekeningen, bedoeld bij artikel 77, omschreven en verantwoord in zoovele bijzondere posten, als zij gelijksoortige onderwerpen betreffen.

7. De wet of wetten aanwijzende de middelen tot dekking der uitgaven, worden gesplitst in twee hoofdstukken, waarvan het eerste bevat de middelen in Nederland, — en het tweede de middelen in Ncderlandsch-Indic te ontvangen. (3.)

*8. De begrooting van Ncderlandscli^Indië wordt uiterlijk op het tijdstip, voor de indiening der Staatsbegrooting bij art. 124 dei-Grondwet bepaald, aan de Staten-Generaal aangeboden.

De Gouverneur-Generaal kondigt de wetten, houdende de begrooting van Nederlandschrlndië, dadelijk na ontvangst aldaar af. (R.R. 32.)

De afkondiging wordt gerekend in geheel Nederlandsch-Indië bekend te zijn met den isten Januari van het dienstjaar, als zij vóór dat tijdstip heeft plaats gehad, en anders op den dag der dagteeke-ning van het Staatsblad van Nederlandsch-Indië, waarin de wetten zijn opgenomen.

Wanneer die wet of wetten niet op 1°. Januari van het dienstjaar in Nederlandsch-Indië is of zijn afgekondigd, strekt, totdat de afkondiging heeft plaats gehad, de begrooting van het vorige jaar tot grondslag van het beheer voor het alsdan aangevangen dienstjaar. (R.R. 31.)

Afdeeling III.

Van het dienstjaar.

Art. 9. Het dienstjaar voor het beheer der geldmiddelen van Nederlandsch-Indië is het burgerlijke jaar.

470

-ocr page 527-

comptabiliteitswet nederl.-indie.

10. Tot den dienst van een jaar behooren:

a. voor de ontvangsten:

1°. de opbrengst der producten in het dienstjaar verkocht, voor zoover die opbrengst gedurende het openstaan van den dienst is ontvangen; (R.R. 56.)

2°. de belastingen en andere middelen van inkomst, gedurende het dienstjaar ontvangen; (R.K. 58 volg.)

3°. de ontvangsten, gedurende het dienstjaar gedaan, wegens opbrengst van producten over afgesloten dienstjaren;

b. voor de uitgaven:

de rechten gedurende het dienstjaar verkregen door de schuld-eischers van den Staat, behoudens de uitzonderingen, vermeld bij de artt. 11, 12 en 49.

*11. Onvereveud gebleven vorderingen betreffende afgesloten diensten, worden, voor zoover zij niet zijn verjaard, gekweten uit de sommen voor onvoorziene uitgaven, bij de betrokken afdeelingen, aangewezen voor het dienstjaar, waarin zij later verevend worden, en bij de rekeningen vermeld in art. 77 afzonderlijk verantwoord. (67 volg.)

*12. De voorschotten, en de sommen ter goede rekening, vermeld bij art. 49, behooren tot den dienst van het jaar, waarin zij zijn betaalbaar gesteld, en de kosten van verscheping en vervoer naar Nederland en van verkoop aldaar van producten, tot den dienst van het jaar, waarin de producten zijn verkocht of vergoed.

Toevallige baten behooren tot den dienst van het jaar waarin zij worden ontvangen.

*13. De dienst blijft open:

tot en met den Sisten Maart van het jaar volgende op het dienstjaar, om de werken of gedeelten daarvan en de leverantiën te volbrengen en de goederen te verschepen, waarvan de volbrenging of verscheping, volgens de verklaring van het hoofd der betrokken administratie, ten gevolge van omstandigheden, in die verklaring te vermelden, niet vóór den laatsten December van het dienstjaar heeft plaats gehad, alsmede voor de afrekeningen met de mijnkongsies op het eiland Banka;

tot en met den Sisten December daaraanvolgende, om alles ten einde te brengen wat het bewerkstelligen der ontvangsten het verevenen en ordonnanceeren der uitgaven betreft.

Afdeeling IV.

Van de ontvangsten.

Art. 14. Geldleeningen ten laste of onder waarborg van Ncder-landsch-Indië worden niet aangegaan, dan uit krachte van de wet. (G. 61.)

*15. Producten van den grond of van de nijverheid, voor \'s lands

471

-ocr page 528-

COMPTABrLITEITSWET NEDERL.-INDIË.

rekening geteeld of voortgebracht, en niet bestemd om van Gouverne-mentswege in het klein aan de bevolking te worden gedebiteerd of tegen regularisatie aan departementen van algemeen bestuur te worden verstrekt, alsmede goederen in natura aan den lande opgebracht, worden in het openbaar verkocht.

Door Ons of door den Gouverneur-Generaal kan echter machtiging worden verleend tot onderhandschon verkoop, waar die in \'s lands belang noodig wordt geacht. (R.R. 56.)

16. Bruikbare goederen, voor \'s lands dienst bestemd, worden niet vervreemd.

Van dit verbod zijn uitgezonderd voorwerpen, welke om dringende redenen aan derden of tot uitvoering van gouvemementswerken aan aannemers worden afgestaan of verkocht.

*17. Andere roerende goederen, eigendom van den Staat, waarvan de verkoop in \'s lands belang wenschelijk is, worden steeds in het openbaar verkocht, tenzij door Ons of door den Gouverneur-Generaal, of namens dezen door het hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur, in bijzondere omstandigheden, machtiging of last wordt gegeven tot onderhandschen verkoop. (37.)

18. Goederen, eigendom van den Staat, worden niet verpand of beleend. (72, 97.)

Hiervan zijn uitgezonderd de gouvernementsproducten, wanneer de verpanding of beleening daarvan, om dringende redenen, in \'s lands belang de voorkeur verdient boven verkoop.

*19. Regelingen, strekkende tot invoering, verhocging, verlaging of afschaffing van belastingen of tot opheffing van eenig ander middel van inkomst, treden niet in werking, vóór dat bij de begrooting op die invoering, verhooging, verlaging, afschaffing of opheffing gerekend is.

*20. Teruggave of vrijstelling van belasting geschiedt niet dan in de gevallen en op de wijze, bepaald bij algemeene verordeningen, vastgesteld door dezelfde of door eene hoogere magt, dan die, welke de belasting regelde.

De bewijzen dier teruggaven, vergezeld van bescheiden, waaruit van de aanleiding en den last daartoe blijkt, worden overgelegd aan de betrokken Algemeene Rekenkamer.

Het bedrag der teruggaven wordt gebracht in mindering van de gelijksoortige ontvangsten over het jaar, waarin de teruggave heeft plaats gehad.

De bepalingen van het tweede en derde lid van dit artikel zijn van toepassing op elke teruggaaf van ontvangen gelden.

Indien meer is teruggegeven dan van de ontvangsten kan worden afgetrokken, wordt het meerdere als uitgaaf verantwoord.

21. Geschilllen over vorderingen, zoowel roerende als onroerende zaken betreffende, kunnen in Nederland door Ons. en in Ncderlandxch-Indië door den Gouverneur-Generaal bij dading worden beëindigd

472

-ocr page 529-

comptabiliteitswet nedkrl.-indik.

wanneer het onderwerp van het geschil geen hoogere geldswaarde hoeft dan f 10000.

Jaarlijks wordt door Onzen Minister van Koloniën, van de getroffen dadingen, mededeeling gedaan aan de Staten-Generaal.

Dadingen omtrent geschillen over hoogere geldswaarden zijn onderworpen aan de bekrachtiging der wet.

*22. Kwijtschelding van vorderingen, den lande aankomende, kan worden verleend in Nederland door Ons en in Nedcrlanchch-Indic door den Gouverneur-Generaal, tenzij de vordering meer bedraagt dan f 10000, in welk geval geen geheele of gedeeltelijke kwijtschelding wordt verleend dan bij de wet. (Wet 21 Juli 1890, S. 124.)

De Gouverneur-Generaal verleent geene kwijtscheldingen, dan na het advies te hebben ingewonnen van de Algemeene Rekenkamer en van den Kaad van Nederlandxch-Indii\'. (R.R, 28.)

23. Als ontvangsten, op den dienst van het loopende jaar, worden onder de toevallige baten gebracht de sommen, die ten onrechte mochten zijn betaald, en waarvan de teruggave eerst plaats heeft na de afsluiting van de begrooting, waarop zij in uitgaaf zijn gebracht.

*24. De wijze van verificatie der ontvangsten in Ncderlandsch-Tndic wordt door Ons geregeld in overeenstemming met deze wet.

Bij die regeling wordt gezorgd dat de comptabelen minstens eenmaal \'s jaars rekening afleggen aan de Algemeene Rekenkamer aldaar.

Indien de comptabelen zich bij die rekeningen beroepen op bescheiden, door hen vroeger overgelegd aan de hoofden der takken van bestuur, jegens wie zij zich naar hunne instructiën hebben te verantwoorden, worden, ten verzoeke der bejanghebbenden of der Algemeene Rekenkamer, aan deze die bescheiden toegezonden. (85 volg.)

Afdeeling V.

Van de uitgaven.

Art. 25. De contróle der uitgaven, evenals die der ontvangsten, geschiedt;

in Nederland bij de Algemeene Rekenkamer aldaar, overeenkomstig de voorschriften dezer wet, en voorts naar de thans bestaande of nader vast te stellen bepalingen voor de contróle der Staatsont-vangsten en uitgaven, en

in Ncderlandsch-Indië bij de Algemeene Rekenkamer aldaar.

De Algemeene Rekenkamer in Nederland deelt hare bedenkingen tegen de verevende uitgaven ten laste van het Iste hoofdstuk der begrooting van Nederlandsch-Indië aan den Minister van Koloniën, met toezending van de bescheiden, waartoe die bedenkingen betrekking hebben, ter inzage en voor zooveel noodig ter verbetering, mede,

staatswetten. 32

473

-ocr page 530-

COMPTABILITEITSWET NEDEBL.-INDIË.

binnen drie maanden, nadat die bescheiden bij de Kamer zijn ingekomen. 1)

26. De Minisier van Financiën opent aan den Minister van Koloniën kredieten:

1°. voor de betaling der uitgaven op het Iste hoofdstuk der begrooting voor Nederlandsch-Indië voorkomende, of die daarbij worden gevoegd krachtens art. 30;

2°. ter voorziening in de behoeften van \'s lands kassen in Nedcr-landsch-Indic ;

3quot;. tot het doen van andere betalingen, die weder in de koloniale kassen terugvloeien, of waarvoor in Ncderlandsch-Indië reeds gelden zijn ontvangen.

Deze kredieten zullen niet te bovengaan het bedrag der volgens art. 33 in \'s Rijks schatkist gestorte gelden. (80.)

*27. Uitgaven buiten of boven de begrootingen hebben niet plaats.

Hiervan zijn uitgezonderd de uitgaven voor aankoop, aanmaak, vervoer en verkoop van producten, en de daarmede in verband staande percentsgewijze belooningen.

28. De in \'s Bijks schatkist overgebrachte gelden, bedoeld bij art. 33, worden, voor zoover zij niet noodig zijn tot oestrijding van uitgaven, met het koloniaal beheer in betrekking staande, onverschillig tot welk dienstjaar zij behooren, op aanwijzing van den Minister van Koloniën afgeschreven in mindering der bijdragen aan de middelen tot dekking van \'s Rijks uitgaven, bij het eerste hoofdstuk der begrooting van Nederlandsch-Indië geraamd.

Van dusdanige afschrijving wordt mededeeling gedaan aan dc Algemeene Rekenkamer in Nederland.

*29. Behoudens het bepaalde bij art. 5, heeft geene af- en overschrijving van- en op afdeelingen, onderafdeelingen en artikelen der begrooting van uitgaven plaats, dan na verkregen of onder nadere goedkeuring van de macht, die de afdeelingen, onderafdeelingen en artikelen heeft vastgesteld.

30. Indien hel belang van den dienst vordert, dat uitgaven, op het eerste hoofdstuk der begrooting gebracht, in Indië worden gedaan, of omgekeerd, dat uitgaven, op het tweede hoofdstuk der begrooting uitgetrokken, hier te lande geschieden, behouden Wij Ons voor de betrokken sommen op hoofdstuk I te verminderen, en die op hoofdstuk II met een gelijk bedrag te verhoogen, of omgekeerd.

Zoodanige af- en overschrijving betreft alleen dezelfde soort van uitgaven.

Ons besluit, de overschrijving gelastende, wordt in het Staatsblad geplaatst, en voorts aan de Staten-Generaal, aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië en aan de Algemeene Rekenkamers in Nederland en in Nederlandsch-Indië medegedeeld.

474

1

Het laatste lid is aan art. 25 toegevoegd door de wet van 28 Juni 1881, Stsbi. no. 122.

-ocr page 531-

comptabiliteitswet stederl.-indië.

*31. In gevallen waarin eene verhooging der begrooting onvermijdelijk is en de gelegenheid tot tijdige verhooging bij de wet niet bestaat, is de Gouverneur-Generaal bevoegd kredieten boven de be-begrooting te openen en doet hij daarvan mededeeling aan den Minister van Koloniën en aan de Algemeene Eekenkamer in Ncdcr-landsch-Indië.

Die kredieten worden binnen den kortst mogelijken tijd aan de bekrachtiging der wet onderworpen.

Ieder krediet wordt aan de begrooting toegevoegd en daarmede gelijktijdig verantwoord (35.)

Apdeeling VI.

Van het beheer der begrooting.

Art. 32. De Gouverneur-Generaal van Neder land ach-Indik\' heeft het algemeen bestuur van \'s lands geldmiddelen en eigendommen aldaar.

33. Alle met het koloniaal beheer van Nederlandsch-Indië in verband staande ontvangsten, van welken aard ook, welke in Nederland te doen zijn, worden in \'s Kijks schatkist gestort, en alle met het koloniaal beheer van Nederlandsch-Indië in verband staande betalingen, welke in Nederland te doen zijn, worden door middel van aanwijzingen op \'s Eijks schatkist bewerkstelligd. (28.)

34. Behoudens het bepaalde bij art. 49, worden geene sommen van de begrooting afgeschreven of afgezonderd, tot kwijting van vorderingen, wier bedrag eerst later kan blijken.

35. De begrootingsposten en kredieten, bij art. 31 bedoeld, worden, behoudens de bepalingen van art. 30, middellijk noch onmiddellijk verhoogd door eenige bate, den lande aankomende.

36. Wanneer voorwerpen, die voor \'s lands dienst zijn aangekocht of voortgebracht, worden afgestaan aan een ander departement van algemeen bestuur, dan dat, hetwelk de uitgaaf tot aankoop of voortbrenging gelastte, wordt de begrootingspost, bestemd tot aanschaffng van gelijksoortige behoeften, in het dienstjaar, waarin de afstand plaats heeft (onverschillig wanneer de aankoop of voortbrenging is geschied), voor de geschatte geldswaarde goedgeschreven en met een gelijk bedrag belast het artikel, waaruit het departement van algemeen bestuur, dat de goederen behoeft, de uitgaaf tot aanschaffing kan kwijten.

37. Landsgoederen, hoe ook genaamd, worden niet aan eenen schuldeischer afgestaan in het voordeel van het artikel der begrooting, waaruit zijne vordering moet worden gekweten.

38. Het daarstellen van werken en het doen van leverantiën en transporten ten behoeve van Nederlandsch-Indië, geschieden op contracten van openbare aanbesteding.

Alleen, wanneer Onze Minister van Koloniën of de Gouvemeur-

32*

475

-ocr page 532-

COMPTABILITEITSWET NEDEKL.-INDIË.

Generaal van Ncderlandsch-Indië zulks in \'s lands belang noodig oordeelt, kan van dien regel worden afgeweken.

In dat geval wordt van de beweegredenen melding gemaakt in het besluit, waarbij de werken of leverantiën en transporten worden bevolen. (15.)

*39. De voorwaarden van aanbesteding vermelden welke waarborgen vereischt worden, om als mededinger bij eene aanbesteding te worden toegelaten.

40. De rechten en verplichtingen der administratie, van welke aanbestedingen uitgaan, zoomede die der aannemers, inschrijvers en leveranciers, en al wat verder de daarbij in acht te nemen vormen betreft, worden in Nederland door Onzen Minister van Koloniën, en in Nederlandsch-Indië door den Gouverneur-G-eneraal geregeld.

*41. Het is aan alle landsdienaren in Nederlandsch-Indië, en aan die, tot het Departement van Koloniën behoorende, verboden eenige werken of leverantiën voor Nederlandsch-Indië aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings, deel te hebben.

Dit verbod geldt niet voor de bezoldigde of onbezoldigde hoofden der vreemde Oosterlingen in Nederlandsch-Indië.

Afdeelisg VII.

Van het verevenen der uitgaven.

Art. 42. De vorderingen ten laste der begrooting van Neder-landsch-Indië worden verevend:

door den Minister van Koloniën of zijne gedelegeerden, wanneer de uitgaaf ten laste van het Iste hoofdstuk moet worden gebracht, en

door den Gouverneur-fteneraal of zijne gedelegeerden, wanneer de uitgaaf ten laste van het Hde hoofdstuk moet worden gebracht.

43. Elke verevening moet gegrond zijn op het bewijs of de bewijzen van het verkregen recht der schuldeischers.

44. Vereveningen op rekening of in mindering geschieden alleen voor gedane diensten, en nimmer mogen de verevende sommen dan nog overschrijden vier vijfde gedeelten der verkregen rechten, door behoorlijke bewijzen van oplevering gestaafd.

*45. De Gouverneur-Generaal bepaalt in welke gevallen onderzoek van vorderingen ten laste van het Hde hoofdstuk der begrooting door de Algemeene Eekenkamer in Nederlandsch-Indië noodig is vóór de betaalbaarstelling. (50 volg.)

Hij wijst per artikel het maximum van het bedrag aan, dat betaald kan worden zonder zoodanig voorafgaand onderzoek.

Van die aanwijzing wordt aan de Algemeene Eekenkamer mede-deeling gedaan.

Alle bescheiden, tot de verevening en betaling gevorderd, worden aan de Algemeene Eekenkamer overgelegd.

476

-ocr page 533-

comptabiliteitswet nederl.-indik.

46. Indien het onderzoek der vorderingen bij de Algemeene Eekenkamer in Ncderlandsch-Itidië tot bedenkingen aanleiding geeft, waarmede de ordonuateurs zich niet vereenigen, zijn deze bevoegd de betaling te doen plaats hebben, behoudens hunne verantwoordelijkheid volgens art. 82 dezer wet.

*47. Bij koloniale ordonnantie worden voor Ncd?rlandsch-Indic bepaald de aard en vorm der bescheiden, door de schuldeischers tot staving hunner vorderingen over te leggen.

48. Bij overeenkomsten wegens het doen van leveringen, het daar-stellen van werken of verrichten van diensten, worden aan de aannemers of leveranciers geene interessen toegezegd, ter zake van mogelijke vertraging in de voldoening hunner vorderingen.

*49. Voorschotten kunnen worden verleend aan aannemers of leveranciers, en, in de gevallen door Ons of door den Gouverneur-Oeneraal te bepalen, op traktementen, — verlofs- en nonactiviteits-tractementen daaronder begrepen, — wachtgelden, gagementen, pensioenen, declaratiën wegens reis- en verblijfkosten en vaste uitkee-ringen. Sommen ter goede rekening kunnen binnen de grenzen der begrooting worden verstrekt tot het doen van betalingen ten behoeve van zee- en landmacht of van andere onderwerpen van huishoudelijk beheer, door Ons of door den Gouverneur-Generaal aangewezen.

Van die sommen wordt vóór het sluiten van den betrokken dienst rekening afgelegd en de ongebruikte gedeelten worden in mindering gebracht van de uitgaven ten laste van de artikelen waaruit de sommen zijn gekweten. (12.)

Afdeeling VIII.

Van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandteh-Indië.

Art. 50. De Algemeene Rekenkamer in Nederlandxeh-Indic bestaat uit eenen voorzitter en zes leden.

Zij moeten zijn Nederlanders en den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebben. (R.K. 66.)

*51. De voorzitter en de leden der Algemeene Kekenkamer in Nederlandsch-Indië worden door Ons benoemd en ontslagen.

De Gouverneur-Generaal zendt door tusschenkomst van den Minister van Koloniën voor elke opengevallen plaats eene door den Kaad van Nederlandsch-Indië opgemaakte en met redenen omkleede aanbeveling van drie personen aan Ons in. (K.K. 7, 28 ƒ.)

De Raad van Nederlandsch-Indië raadpleegt den voorzitter der Algemeene Rekenkamer alvorens eene aanbeveling te doen voor de benoeming van een lid dier Kamer.

Wanneer tegelijkertijd meer dan ééne vacature bij de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indië ontstaat, kan, behoudens Onze bekrachtiging, in de tweede of verdere vacature door den Gouver-neur-Generaal worden voorzien uit eene aanbeveling van drie per-

477

-ocr page 534-

COMPTABILITEITSWET NBDEBIi.-INDIË.

sonen, opgemaakt door den Raad van Nederlandsch-Indie, na raadpleging van den voorzitter der Algemeene Rekenkamer.

52. De voorzitter en de leden der Algemeene Rekenkamer in Ncder-landsch-Indib mogen geene andere staatsambten bekleeden. (R.R. 15.)

Zij mogen rechtstreeks noch zijdelings deelhebber zijn in, noch borg zijn voor eenige onderneming, ten grondslag hebbende eene met de Indische Regeering om winst of voordeel aangegane overeenkomst. (54, 4»)

Zij mogen geene schuldvorderingen ten laste van Nederlandsch-Indië koopen.

Zij mogen geen beroep of bedrijf uitoefenen, tengevolge waarvan zij zouden kunnen worden verklaard in staat van faillissement.

1) 53. De voorzitter en de leden der Algemeene Kekenkamer in Nederlandsch-Indit\' hunnen uit hun ambt worden ontzet:

1°. wanneer zij tot gevangenis of tot zwaardere straf zijn veroordeeld; uitgezonderd wordt echter de gevangenisstraf, die geldboete vervangt en die wegens overtreding van politie is opgelegd;

2°. wanneer zij verklaard zijn in staat van kennelijk onvermogen of wegens schulden zijn gegijzeld; of

3°. bij gebleken wangedrag of onzedelijkheid.

1) 54. Behalve op eigen verzoek, worden de voorzitter en de leden der Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indic uit hun ambt ontslagen, wanneer zij den leeftijd van vijf en zestig jaren hebben bereikt.

Een ontslag buiten eigen verzoek kan mede worden gegeven;

1°. wanneer zij wegens aanhoudende ziels- of lichaamsziekte hun ambt niet behoorlijk kunnen vervullen of door gestadige tekortkomingen getoond hebben daarvoor ongeschikt te zijn;

2°. wanneer zij onder curateele zijn gesteld;

3°. wanneer zij bij het eindigen van hun verloftijd niet zijn teruggekeerd ; en

4°. wanneer zij het verbod van art. 52 overtreden.

1) 55. Indien de Gouverneur-Generaal, den Raad van Keder-landsch-Indië gehoord, oordeelt, dat de voorzitter of een der leden van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indie, om een der redenen in de artikelen 53 en 54 vermeld, behoort te worden ontzet of ontslagen, zendt hij zijne daartoe strekkende voordracht, met alle ter zake betrekkelijke stukken, aan den Minister van Koloniën.

Jn de gevallen, vermeld in artikel 53 en in art. 54. nos. 1 tot en met 4, worden aan den betrokken ambtenaar de tegen hem bestaande bezwaren medegedeeld, en wordt hij in de gelegenheid gesteld bij de voordracht van den Gouverneur-Generaal eene schriftelijke verantwoording te voegen.

478

De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, in afwachting van \'s Ko-

1) Artt. 53, 54 en 55 aldus gewyzigd by de wet van 23 April 1amp;80, Stsbl. no. 73.

-ocr page 535-

COMPTABILITEITSWET NEDERL.-INDIË.

nings beschikking, den betrokken ambtenaar in de gevallen in het vorig lid van dit artikel bedoeld, in zijn ambt te schorsen.

In diezelfde gevallen wordt de betrokken ambtenaar, desverkiezende, door toekenning van verlofstraktement en vrijen overtocht, in de gelegenheid gesteld om zich in Nederland te gaan verantwoorden. (60.)

Op de betrekkelijke voordracht van den Gouverneur-Generaal wordt door Ons beslist.

56. Wanneer tegen den voorzitter of de leden der Algemeene Rekenkamer in Nedcrlandseh-Indii\', hetzij dagvaarding in persoon of bevel van gevangenneming, hetzij machtiging tot opneming in een huis van bewaring, of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend, of lijfsdwang op hen is ten uitvoer gelegd, worden zij daardoor in hunne bediening geschorst.

57. Schorsing in de bediening stelt den geschorsten ambtenaar op wachtgeld.

Wordt hij echter niet ontzet of ontslagen, dan wordt hem, na Onze beslissing, zijn volle traktement over het tijdvak der schorsing te goed gedaan.

58. De voorzitter en de leden der Algemeene Kekenkamer in Nederlandsch-Indië staan terecht voor het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië, wegens misdrijven en overtredingen, gedurende den tijd hunner functiën begaan. (R.K. 93 volg.)

59. Met uitzondering van het geval van voorloopige aanhouding bij ontdekking op heeterdaad, kan tegen den voorzitter en de leden der Algemeene Eekenkamer in Nederlandsch-Indië geen bevel tot gevangenneming worden ten uitvoer gelegd, en, in geval van ambtsmisdrijf, geene vervolging plaats hebben, dan nadat daartoe door den Gouverneur-Generaal, op den voet en de wijze, bij algemeene verordening omschreven, machtiging is verleend.

*60. Behoudens het voorschrift in de 4de alinea van art. 55, wordt aan den voorzitter en aan de leden der Algemeene Kekenkamer in Nedcrlandsch-Indië geen verlof naar Nederland toegekend, dan overeenkomstig de bepalingen, door Ons vast te stellen bij de instructie der Algemeene Kekenkamer.

Wanneer door verlof, schorsing, ongesteldheid of andere redenen eenig lid der Algemeene Kekenkamer verhinderd wordt zijne werkzaamheden te vervullen, wordt door den Gouverneur-Generaal, zoo noodig, in de waarneming dier werkzaamheden voorzien door de benoeming van een tijdelijk lid. \')

Indien het te verwachten is dat de waarneming langer dan zes maanden zal moeten duren, vraagt de Gouverneur-Generaal voor de benoeming van een tijdelijk lid eene aanbeveling van drie personen van den Kaad van Nederlandsch-Indië en onderwerpt hij de benoeming aan Onze bekrachtiging. r)

1) lie alinea\'s 2 en 3 van art. 60 aldus gewijzigd by de wet van SO Dec. 1883, Stsbl. no. 246.

479

-ocr page 536-

COMPTABILITEITSWET NEDERL.-INDIË.

De tijdelijke leden worden door den Gouverneur-Generaal ontslagen, wanneer door het weder Invallen van gewone leden niet langer behoefte bestaat aan tijdelijke voorziening in de waarneming hunner werkzaamheden, of deze hem om andere redenen niet meer noodig voorkomt. Wanneer er twee of meer tijdelijke leden zijn, bepaalt de Gouverneur-Generaal, na raadpleging van den voorzitter, wie hunner moet aftreden.

61. De controle der Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indic op de uitgaven strekt zich uit tot het onderzoek:

1°. of de betrokken post van de begrooting toereikend ia;

2°. of de aard der uitgave met de omschrijving van den post overeenstemt ;

3quot;. of er geen vermenging van fondsen over verschillende dienstjaren of afdeelingen der begrooting het gevolg van kan zijn;

4°. of de overgelegde bewijsstukken beantwoorden aan de door Ons vast te stellen vereischten, om aan de comptabelen in uitgaaf te worden geleden.

62. Het beheer over het materieel, in \'s lands magazijnen, en andere bewaarplaatsen voorhanden, is op den voet en de wijze, brj ordonnantie te bepalen, aan het toezicht der Algemeene Eekenkamer in Nederlandsch-Indic onderworpen. (85.)

*63. De Algemeene Kekenkamer in Nedcrlandsch-Indic is verdeeld in twee tafels.

Iedere tafel beslist met drie leden en bij meerderheid van stemmen. Zij is bevoegd om bij onvoltalligheid met twee leden te beslissen, wanneer deze eenstemmig zijn. (50.)

64. Eene vereenigde zitting der Algemeene Kekenkamer in Ne-derlandsch-Indic, kan niet worden gehouden met minder dan vijf leden.

Indien in eene vereenigde zitting de stemmen staken, valt het besluit ten voordeele van den comptabele.

*65. De besluiten der Algemeene Kekenkamer in Nederlandsch-Indië, waarbij het slot van rekening van een comptabele vastgesteld of hem eene boete opgelegd wordt, worden uitgevaardigd in naam des Konings.

De afschriften dier besluiten, aan het hoofd voerende de woorden: »In naam des Konings», en onderteekend door den voorzitter der Algemeene Kekenkamer, hebben dezelfde kracht en worden op dezelfde wijze ten uitvoer gelegd als de grossen van in kracht van gewijsde gegane vonnissen in burgerlijke zaken.

*66. De wijze van eedsaflegging, en al wat verder de samenstelling en instructie der Algemeene Kekenkamer in Nedcrlandsch-Indic betreft, wordt door Ons vastgesteld in overeenstemming met deze wet.

Die instructie bevat de bepaling, dat de Kekenkamer verplicht is om den Gouverneur-Generaal ten allen tijde zoodanige voordrachten

480

-ocr page 537-

comptabiliteitswet nederl.-indië.

en mededeelingen te doen, als volgens haar inzien kunnen leiden tot vermindering of besparing van uitgaven en tot vereenvoudiging van het geldelijk beheer. (K.B. 4 Aug. 1874, gew. bij K.B. 27 Aug. 1880 S. 106.)

Afdeeling IX.

Van de verjaring van sehuldvorderingen.

Art. 67. De termijnen van verjaring en verdere bepalingen, daaromtrent bij de Rijkswetten vastgesteld of vast te stellen, voor de indiening der vorderingen ten laste der Staatsbegrooting, zijn toepasselijk op alle vorderingen ten laste van het late hoofdstuk der begrooting van Nederlandsch-Indië. (11.)

68. Alle vorderingen ten laste van het Ilde hoofdstuk der begrooting van Nederlandsch-Indië, die niet zijn ingediend binnen den tijd van achttien maanden na de opening van het dienstjaar, zijn verjaard.

De Gouverneur-Generaal is bevoegd, in bijzondere omstandigheden en om redenen van noodzakelijkheid, dezen termijn te verlengen.

69. De termijnen van verjaring, bij de burgerlijke wetten in Nederland en in Nederlandsch-Indië bepaald, zijn voor de begrooting van Nederlandsch-Indië toepasselijk:

1quot; op alle vorderingen wegens rente van Indische schulden, en die wegens traktementen, soldijen, pensioenen, onderstandgelden en alle anderen, welker bedrag bepaald is, en welker verevening niet afhankelijk is van eene voorafgaande oplevering van stukken door belanghebbenden;

2°. op alle verevende vorderingen, waarvoor mandaten of ordonnantiën van betaling zijn afgegeven.

70. Door of van wege het hoofd der betrokken administratie wordt aan den schuldeischer, zoo hij dat verlangt, bij de indiening zijner vordering een behoorlijk gedagteekend bewijs van ontvangst der ingediende stukken afgegeven.

*71. Mandaten of ordonnantiën van betaling, welke in Nederlandsch-Indië niet ter voldoening zijn aangeboden binnen den termijn voor de afsluiting der begrooting bepaald, zijn vervallen.

Belanghebbenden kunnen eene nieuwe betaalbaarstelling aanvragen.

Afdeeling X.

Van het verbod tegen het in beslag nemen van \'s lands gelden, goederen en eigendommen.

Art. 72. Het is in Nederlandsch-Indië niet geoorloofd, dan met vooraf verkregen verlof van den rechter beslag te leggen op:

a. landsgelden, effecten of geldswaarde hebbende papieren, onder de administratie of onder derden berustende;

481

-ocr page 538-

482 COMPTABILITEITSWET NEDERL.-INDIË.

b. gelden door derden aan den lande verschuldigd;

c. \'s lands roerende goederen, koopmanschappen en meubelen, onverschillig of zij in het bezit of gebruik zijn van den lande, of zich onder derden bevinden; en

d. vaste goederen en zakelijke rechten, den lande toebehoorende.

Hetzelfde verbod geldt in Nederland, wanneer het beslag gelegd

wordt terzake eener vordering, loopende ten laste der begrooting van Nederlandsch-Indië, of op gelden of goederen, die door of ten behoeve van het Departement van Koloniën beheerd worden.

73. Dat verlof moet gevraagd worden, voor beslag te leggen in Nederland, aan den Hoogen Raad, voor beslag te leggen in Neder-Inndsch-Indië, aan het Hoog Gerechtshof aldaar.

Het openbaar minisierie wordt op het verzoek gehoord.

Het verlof wordt niet verleend, tenzij summierlijk van de deugdelijkheid der vordering, waarvoor beslag gelegd wordt, blijkt.

Het wijst aan de goederen, op welke het beslag zal mogen wor den gelegd.

Zaken, die door haren aard of hare bestemming geacht moeten worden buiten den handel te zijn, of bij wet of algemeene verordening voor geene inbeslagneming vatbaar zijn verklaard, worden in de aanwijzing niet begrepen.

Hde HOOFDSTUK.

Van de verantwoording der geldmiddelen van N ederlandseh-Indië.

Afdeelixg I.

Algemeene bepalingen.

quot;Art. 74. De verantwoording van de koloniale ontvangsten en uitgaven voor Nederlandsch-Indië geschiedt over elk dienstjaar afzon derlijk aan de Wetgevende Macht, onder overlegging van rekeningen, welke door de Algemeene Rekenkamers in Nederland en in Nederlandsch-Indië van eene verklaring harer bevinding zijn voorzien, ieder voor zooveel aangaat het gedeelte der ontvangsten en uitgaven, hetwelk aan hare contróle was onderworpen.

Door de wet wordt het slot der rekening vastgesteld. Bovendien worden door de wet geregeld de bestemming van de voordeelige sloten en de voorziening in de dekking van de nadeelige sloten der rekeningen. Voor de eerste maal geschiedt dit over een tijdvak van 25 jaren en vervolgens over tijdvakken van hoogstens 10 jaren. (80.)

Al

prodi aan (

Dii

1quot;. ireelh blijft, \'tig 2

2°.

3quot;.

Da Jen i edaa

Bij

a.

trokk opgei consij der i gene, voor

b. legd.

De Koloi der j

76 vorig stukk voort ten h Bij

Al

Indü word we we Nede Di

-ocr page 539-

comptabiliteitswet nedeel.-indië.

Afdbeijng II.

Van de verantwoording der Gouverncments-producten.

483

in, on )f zich

Art. 75. Al wie belast is met, den verkoop van gouvernementsproducten in Nederland, doet deswege rekening en verantwoording aan den Minister van Koloniën. (85.)

Die rekening toont aan;

1°. wat van die producten hier te lande is aangekomen, de hoeveelheid, die daarvan is verkocht, en wat er van in magazijn overblijft, met vermelding der soorten en oogstjaren, waaruit zij afkomstig zijn;

2°. de bruto opbrengst van hetgeen is verkocht; (974.) 3°. de gedane stortingen in \'s Kijks schatkist.

Daarenboven wordt door den geconsigueerde, binnen vier maanden na afloop van ieder jaar, op dezelfde wijze rechtstreeks rekening ;edaan aan de Algemeene Rekenkamer in Nederland.

Bij die rekening wordt verwezen:

a. naar maandelijksche staten, door den directeur van het betrokken departement van algemeen bestuur in Nederlandsch-Indié\' opgemaakt, welke aanwijzen de hoeveelheden en soorten van de in consignatie naar Nederland afgeleverde producten, met vermelding der oogsten, waaruit zij afkomstig zijn, en welke staten door den-gene, aan wien de producten in Nederlandseh-Indië zijn afgeleverd, voor ontvangst zijn geteekend;

b. naar de bescheiden, aan den Minister van Koloniën overgelegd.

De sub a en b bedoelde stukken worden door den Minister van Koloniën zoo spoedig mogelijk, tot voorbereiding van de verificatie der jaarrekening, aan de Algemeene Rekenkamer ingezonden.

76. Bij het onderzoek der jaan-ekening en verantwoording in het vorige artikel omschreven, zal de Algemeene Rekenkamer de bewijsstukken aannemen, zooals ze bij den handel gebruikelijk zijn, en voorts eerbiedigen de voorwaarden, waarop de verkoop der producten heeft plaats gehad, alsmede de bij den handel bestaande usantiën.

Bij verschil van opvatting daaromtrent wordt door Ons beslist.

Afdeeijng III.

Van de rekeningen.

Art. 77. Van de begrooting van uitgaven voor Nederlandseh-Indië, en van de middelen tot dekking der uitgaven aangewezen, wordt eene afzonderlijke rekening opgemaakt, als:

wegens het Iste hoofdstuk, door den Minister vsm Koloniën;

wegens het Ilde hoofdstuk, door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.

Die rekeningen wijzen in de volgorde der begrooting en met ge-

rende, gelegd ig van

in be-

;en in Vcc/e/\'-

ngde-

loeten rorde-len in

n uit ifzon-:enin-en in voor-\'ii en

ndien e slo-i der c van (80.)

-ocr page 540-

COMPTABILITEITSWET NEDEEL.-INDIË.

lijke omschrijving der afdeeiingen, onderafdeelingeu en artikelen, waarin deze zijn gesplitst, afzonderlijk aan:

in ontvang,

het geraamde bedrag, en wat daarop is ontvangen;

in uitgaaf,

het geraamde bedrag en wat daarop is verevend, met aanduiding-van de verschillen in meer of minder, zoo wel wat de ontvangsten als de uitgaven betreft, en met aanwijzing welke der verevende sommen voldaan, welke verschuldigd gebleven zijn. (6.)

*78. De rekeningen, in het vorig artikel bedoeld, worden voor ieder dienstjaar opgemaakt onder dagteekening van de afsluiting der begrooting en ten spoedigste overgebracht: die, wegens de ontvangsten eu uitgaven in Nederland, bij de Algemeene Rekenkamer aldaar; die wegens de ontvangsten en uitgaven in Nederlandsch-Indic bij de Algemeene Eekenkamer in Ncdeiiandsch-Indic.

Die rekeningen worden door die autoriteiten, na vergelijking met de door haar gehouden aanteekeningen, voorzien van eene verklaring harer bevinding, en binnen drie maanden, na de ontvangst, zoo noo-dig ter verbetering, aan de inzenders teruggezonden, onder mede-deeling van de bedenkingen en opmerkingen, waartoe het onderzoek van de rekeningen en de daarbij behoorende verantwoordingstukken aanleiding heeft gegeven,\' voor zoover die niet reeds in haar jaar-lijksch verslag, bedoeld in artikel 79, zijn opgenomen. (80.)

*79. Jaarlijks vóór of op 1 April zendt de Algemeene Rekenkamer in Nederland aan Ons, en die in Nederlandsch-Indië aan den Gouverneur-Generaal een volledig verslag van hare werkzaamheden over het afgeloopen jaar, waarin tevens worden vermeld alle ontdekte onregelmatigheden en afwijkingen van bestaande verordeningen eu de maatregelen, welke zij in het belang van het beheer der geldmiddelen wenschelijk achten.

Het verslag van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandseh-Indü wordt door den Gouverneur-Generaal met de noodige toelichtingen zoo spoedig mogelijk aan den Minister van Koloniën gezonden. Daarna worden beide verslagen onverwijld door Ons aan de Staten-Gene-raal medegedeeld. (G. 62; 88, 97.)

*80. De rekeningen, vermeld in art. 77 en gewaarmerkt als in do artikelen 74 en 78 is omschreven, moeten voorzien zijn van de noodige toelichtingen aangaande de verschillen tusschen de ramingen der ontvangsten en uitgaven, en de verkregen uitkomsten.

De in Nederlandsch-Indié\' opgemaakte rekening wordt zoo spoedig mogelijk gezonden aan den Minister van Koloniën.

Zij wordt, vergezeld van de rekening wegens ontvangsten en uitgaven hier te lande, en van eene daaruit door den Minister van Koloniën samengestelde algemeene rekening, ten spoedigste en uiter-

484

-ocr page 541-

COMPTABIMTEITSWET NEDERL.-tNDIË.

lijk op den Sisten December van het tweede jaar, volgende op de afsluiting der begrooting, aan de Staten-Generaal aangeboden bij een voorstel van wet tot vaststelling van het slot der ontvangsten en uitgaven van het betrokken dienstjaar.

Bij dat voorstel worden nog overgelegd;

lu. een staat, aantoonende het gebruik dat is gemaakt van de kredieten, vermeld sub 2 van artikel 26;

2°. een staat, die naar onderscheiding §er dienstjaren aantoont, welke sommen in het afgesloten dienstjaar, wegens uitgaven op vroegere dienstjaren verevend, eensdeels, hetzij uitgegeven, hetzij door verjaring vrijgevallen, anderdeels verschuldigd gebleven zijn;

3°. de mededeelingen van de Algemeene Kekenkamers in Nederland en in Nederlandsch-Indië, bedoeld aan het slot van artikel 78.

Wanneer door onvoorziene en niet te vermijden omstandigheden, de rekening niet tijdig genoeg bij den Minister van Koloniën is ontvangen, om op den Sisten December van het tweede jaar, volgende op de afsluiting der begrooting, aan de Staten-Generaal te worden aangeboden, wordt daarvan aan deze mededeeling gedaan.

AFOKKLING IV.

-Van de verantwoordelijkheid en vervolging der ordonnateurs en andere landsdienaren ter zake van onrechtmatige handelingen of nalatigheden, waarvoor deze niet als comptabelen kunnen worden aangesproken.

Art. 81. De geldelijke verantwoordelijkheid van den Minister van Koloniën en van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië wordt geregeld bij de wet, regelende de financieele verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministerieele Departementen.

*82. Alle landsdienaren, die zonder terzake comptabel te zijn, door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg, waartoe zij gehouden zijn, middellijk of onmiddellijk den lande schade toebrengen, zijn verplicht die schade te vergoeden. (K.B. 27 Aug. 1880, S. 166.)

De vervolging van- en het verhaal op bedoelde landsdienaren in Nederland, hunne erfgenamen of rechtverkrijgenden geschieden volgens de regelen, bij de Rijkswetten vastgesteld of vast te stellen.

Voor Nederlandsch-Indië wordt door Ons in dit onderwerp voorzien.

83. Vóór de afsluiting van iederen dienst worden in \'s lands kas weder overgestort, en alzoo tot de begrooting teruggebracht de sommen, waarover door de betrokken personen meer mocht zijn beschikt, dan het beloop der aan hen verleende kredieten.

84. Ingeval aan de bepaling van het vorig artikel niet mocht zijn voldaan, wordt voor de invordering der verschuldigde sommen gezorgd:

in Nederland, door den Minister van Koloniën;

in Nederlandsch-Indië, door den Gouverneur-Generaal.

485

-ocr page 542-

comptabiliteitswet nederl.-indië.

Afdeeling V.

Van de verantwaordelijkheid en vervolging der comptabelen.

!SArt. 85. Behoudens het bepaalde bij art. 75 zijn de personen en administratiën, van landswege belast met het ontvangen, bewaren, betalen of afleveren van gelden en geldswaarden en van het bij art. 62 bedoelde materieel, fomptabel, en als zoodanig verplicht aan de betrokken Algemeene Eekenkamer rekening af te leggen van het door hen gevoerd beheer.

In Ncdcrlandsch-Indië kan door den Gouverneur-Generaal daarvan vrijstelling worden verleend aan hen, die, terwijl zij andere funetiën bekleeden, tevens dienst doen als tusschenpersoon tusschen het publiek en de ontvangers van \'s lands middelen.

De vaststelling van de modellen en tijdstippen van inzending der rekeningen wordt, voor zooveel Ncdcrlandsch-Indië betreft, geregeld door den Gouverneur-Generaal.

*86. Al wie bevoegd is of gedelegeerd wordt tot het aangaan van schulden en tot de beoordeeling en het onderzoek van vorderingen ten laste van den lande, alsmede tot de betaalbaarstelling daarvan, mag niet tevens zijn comptabele.

In Nedcrlandxch-Indic\' kan in bijzondere gevallen van dit voorschrift worden afgeweken.

*87. De Algemeene Rekenkamers schrijven aan de comptabelen de termijnen voor tot beantwoording harer bedenkingen en tot het indienen van bezwaren tegen de veranderingen, welke door die autoriteiten zijn gemaakt in de door hen afgelegde rekeningen.

Na het verstrijken van den termijn neemt de Kekenkamer een besluit.

*88. Wanneer, ondanks de door een\' comptabele ingebrachte bezwaren tegen die veranderingen, de betrokken Algemeene Rekenkamer van meening is, niet op de door haar gemaakte veranderingen te moeten terugkomen, zal zoodanig comptabele, binnen ééne maand nadat de beslissing te zijner kennis is gebracht, daarvan herziening kunnen vorderen.

Het onderzoek omtrent zoodanige herziening wordt cpgedragen aan andere leden der betrokken Algemeene Kekenkamer dan die, welke de beslissing hebben voorgesteld, waardoor de rekenplichtige zich bezwaard acht. (63.)

Het besluit omtrent die herziening wordt genomen in eene ver-eenigde zitting der betrokken Algemeene Rekenkamer.

ïen allen tijde, ook na afgifte van het in art. 96 bedoeld bewijs, is de Algemeene Rekenkamer bevoegd tot herziening van besluiten, genomen op grond van stukken, die later blijken valsch te zijn.

Van den uitslag der herzieningen wordt melding gemaakt in de verslagen, bedoeld in art. 79. (93.)

486

-ocr page 543-

COMPTABILITEITSWET NEDERL.-INDIË.

*89. Door den Gouverneur-Greneraal wordt bepaald, welke comptabelen in NederlaTidsch-Indic tot borgstelling verplicht zijn.

90. Ter verzekering van \'s lands belangen kunnen aan comptabelen voorloopig vergoedingen opgelegd worden bij besluiten van de autoriteiten door den Gouverneur-Generaal aangewezen.

*91. Door den Gouverneur-Generaal, of op zijnen last, wordt gezorgd :

1°. dat de borgstellingen van comptabelen naar behooren worden geregeld; en

2quot;. dat de akten van borgtocht in daartoe bestemde registers worden ingeschreven.

*92. Aan de comptabelen, die achterlijk zijn in het inzenden hunner rekeningen, wordt in Nederland door den Minister van Koloniën, in Nederlandsch-Indië door de betrokken departementchefs eene nieuwe termijn gesteld.

Bij verdere nalatigheid worden de rekeningen ex officio ten koste van de nalatigen opgemaakt door een ambtenaar, daartoe in Nederland door den Minister van Koloniën, in Nederlandsch-Indië door of van wege den Gouverneur-Generaal aan te wijzen, en wordt van het gepleegde verzuim kennis gegeven aan de betrokken Algemeene Kekenkamer die, zoo zij daarvoor termen aanwezig acht, de nalatigen beboet.

Voor zooveel de comptabelen inkomsten van den lande genieten, gaat de boete niet te boven het een twaalfde gedeelte van het jaar-lijksch bedrag hunner bezoldiging, of, wanneer zij procentsgewijze worden beloond, het een twaalfde gedeelte van hunne gemiddelde jaarlijksche inkomsten. (93.)

Voor hen, die geen inkomsten uit \'s lands kas genieten, wordt het op te leggen bedrag aan boete in geen geval hooger gesteld dau f 50 voor elk verzuim.

De rekeningen worden verder behandeld en afgedaan, als waren zij door de comptabelen zelve opgemaakt en ingezonden. (95.)

93. In Nederland wordt door den Minister van Koloniën en in Nederlandsch-Indië wordt door den Gouverneur-Generaal gezorgd;

1quot;. dat uitvoering gegeven wordt aan de besluiten der Algemeene Rekenkamer, vermeld in art. 88;

2°. dat worden ingevorderd de boeten en kosten, bedoeld in art. 92.

De invordering der verschuldigde sommen geschiedt bij voorkeur op de inkomsten der comptabelen, en op den door hen gestelden borgtocht, of anders op de wijze, voorgeschreven voor de invordering der directe belastingen.

*94. Indien een comptabele wordt onder curateele gesteld, voortvluchtig is of overlijdt, wordt de rekening die hij had behooren te doen ex officio opgemaakt door een ambtenaar daartoe door of van wege den Minister van Koloniën of den Gouverneur-Generaal aan te wijzen.

487

-ocr page 544-

comptabiliteitswet nedekl.-indië.

De opgemaakte rekening wordt aan den curator of aan de erfgenamen of rechtverkrijgenden medegedeeld; zij ontvangen inzage van de daartoe behoorende bescheiden, en aan hen wordt een redelijke termijn verleend, om hunne bezwaren daartegen te doen gelden.

Na ontvangst van het antwoord van den cnrator, de erfgenamen of rechtverkrijgenden, dan wel wanneer deze den hun verleenden termijn onbenut hebben laten verstrijken, wordt de rekening overgebracht bij de Algemeene Rekenkamer, die haar in vereenigde zitting behandelt, en tegen wier besluit geene voorziening is toegelaten.

De erfgenamen en rechtverkrijgenden zijn van aansprakelijkheid ontslagen wanneer drie jaren zijn verloopen:

lu. na den dood van den comptabele, zonder dat aan hen de ex officio opgemaakte rekening is medegedeeld;

2°. na het verstrijken van den aan hen tot indiening hunner bezwaren verleenden termijn, zonder dat de rekening is vastgesteld.

95. Van de boeten, in artikel 92 bedoeld, zal in Nederland door Ons, en in Nederlandsch-Indië door den Gouverneur-Generaal kwijtschelding kunnen worden verleend, na gehoord advies van de Algemeene Rekenkamer, die de beboeting heeft uitgesproken.

*96. Comptabelen worden ter zake van hun gehouden beheer niet van verantwoordelijkheid ontheven, dan door een bewijs deswege afgegeven door de betrokken Algemeene Rekenkamer.

Dat bewijs ontslaat de comptabelen of hunne erfgenamen of rechtverkrijgenden niet van de verplichting tot aanzuivering der bedragen, welke zij verschuldigd zijn als een gevolg der herzieningen bedoeld in de voorlaatste alinea van art. 88.

Afdeeling VI.

Orergangsbepal ingen.

Art. 97. Zoolang de overeenkomst met de Nederlandsche Handelmaatschappij , goedgekeurd bij de wet van den 22sten December 1853 (Staatsblad n(l. 129), van kracht blijft, wordt: (Wet 23 Juni 1893 8. 113.)

1°. door het verbod, bij de 1ste alinea van artikel 18 dezer wet, geen inbreuk gemaakt op de bepaling, voorkomende in artikel 3 dier overeenkomst;

2quot;. vóór of op den 15den van iedere maand, door uisschenkomst van het Departement van Koloniën, aan de Algemeene Rekenkamer in Nederland opgaaf gedaan van door de Nederlandsche Handelmaatschappij in de laatstverloopen maand ontvangen bruto opbrengst der verkochte gouvernementsproducten, welke opbrengst na aftrek van de betalingen, die daaruit zijn of moeten worden gedaan voor kosten van vervoer, bewaring, verkoop en aflevering der producten.

488

-ocr page 545-

COMPTABILITEITSWET NEDERL.-INMË. 489

zoo spoedig mogelijk in \'s Eijks schatkist wordt gestort, van welke stortingen bij de Departementen van Financiën en Koloniën, alsmede bij de Algemeene Rekenkamer in Nederland, dienstjaarlijk boek wordt gehouden;

3°. door den directeur van het betrokken departement van algemeen bestuur in Nederlandsch-Indië, maandelijks een staat opgemaakt, welke aanwijst de hoeveelheden en soorten van de aan de factorij der Nederlandsche Handelmaatschappij in consignatie naar Nederland afgeleverde producten, met vermelding der oogsten, waaruit zij afkomstig zijn; welke staat door genoemde factorij, voor ontvangst getee-kend, in dubbel wordt gezonden aan den Minister van Koloniën, die daarvan een exemplaar overlegt aan de Algemeene Eekenkamer in Nederland;

4°. de bij het tweede lid van artikel 75 bedoelde jaarrekening niet afgelegd.

Daarentegen worden de rekeningen van de genoemde instelling aan den Minister van Koloniën, door dezen met de daartoe behoo-rende bescheiden aan de Algemeene Eekenkamer in Nederland medegedeeld, om, zooals zij door hem zijn goedgekeurd, te strekken tot grondslag voor de verificatie der in artikel 77 bedoelde rekening, wegens het eerste hoofdstuk der begrooting.

In het verslag, bij artikel 79 bedoeld, maakt de Algemeene Eekenkamer melding van hare bevinding omtrent de alhier bedoelde rekeningen der Nederlandsche Handelmaatschappij.

98. Ongeacht de bepaling van art. 99, geschieden de aanzuivering en verantwoording van vorige diensten gedurende het jaar 1867, op den tot dusver bestaanden voet.

De saldo\'s, behoorende tot dienstjaren aan 1867 voorafgaande, welke op 1 Januari 1868 in \'s lands kassen voorhanden zijn, worden opgenomen onder de middelen voor het dienstjaar 1867 aangewezen.

De na 1 Januari 1868 nog te doene ontvangsten en uitgaven, de dienstjaren 1866 en vroeger betreffende, worden, respectievelijk onder de toevallige baten en onvoorziene uitgaven, afzonderlijk verantwoord.

99. De voorschriften dezer wet worden voor het eerst toegepast op de begrooting van Nederlandsch-Indic voor 1867. \')

1) By Kon. Besluit van 30 Maart 1867, S. 19, gewijzigd bij besluit van 25 No* vemlier 1884, S. 325, zijn vastgesteld de bepalingen tot uitvoering dezer wet, voor zooveel de i ntvangsten en uitgaven betreft in Nederland.

voor icten,

STAATSWETTEN.

33

-ocr page 546-

quot;WET,

HOUDENDE VASTSTELLING VAN HET KEGLEMENT OP HET BELEID DER REGERING IN DE KOLONIE CURASAO.

(Vastgesteld den Sisten Mei I860, Slsbl. no. 66, uitgegeven den 6den Jani d.a.v Gewijzigd bij de wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 90.)

REGLEMENT op het beleid der Regering in de kolonie Curasao. 1)

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE KOLONIE EN HARE INWONERS.

Art. 1. Het grondgebied der kolonie Curasao omvat de eilanden Curayao, Bonaire, Aruba, St. Martin (voor zooveel hel aan Nederland behoort), St. Eustatius en Saba, met hunne onderhoorigheden. \')

Verdragen, betreffende den afstand of ruiling van grondgebied of de regeling der grensscheiding, behoeven de goedkeuring der Staten-Generaal.

2. Allen, die zich in de kolonie bevinden, zijn eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd aan de Regering en onderworpen aan de alge-meene verordeningen.

3. De algemeene verordeningen, in de kolonie geldig, zijn:

de verdragen met vreemde mogendheden door den Staat aangegaan, voor zooverre zij in de kolonie van toepassing zijn;

de wetten, die, volgens de bepalingen der Grondwet van het Koningrijk, voor de kolonie gemaakt of voor haar verbindende zijn; (G. 2, 61, 62.)

de besluiten des Konings, genomen in den vorm, bij de Grondwet van het Koningrijk voorgeschreven voor algemeene maatregelen van inwendig bestuur;

de koloniale verordeningen, vastgesteld door den gouverneur met goedkeuring van den Kolonialen Raad; (11, 67.)

1

Het Eeglement op het beleid der Kegering In de kolonie Suriname is van gelijken datum en in hoofdzaak gelijkluidend aan dat voor Curasao — de voorname verschilpunten zullen in de noten worden aangegeven.

1) Sur. 1. De kolonie Suriname omvat het grondgebied bekend onder de benaming van Nederlandsch Guyana.

-ocr page 547-

EEGL. OP HET BELEID DER REGERING KOL. CURASAO. 491

de besluiten, houdende algemeene maatregelen, door den gouverneur, den Raad van Bestuur gehoord, binnen de grenzen zijner bevoegdheid uitgevaardigd. (11 volg., 58.)

4. Slavernij wordt in de kolonie niet geduld.

Allen, die zich op haar grondgebied bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.

5. Uitlevering van vreemdelingen geschiedt niet dan krachtens verdragen, waarbij, voor zoover de kolonie betreft, de regelen zijn in acht genomen, welke, zooveel mogelijk, in overeenstemming met de daaromtrent voor Nederland geldende wettelijke bepalingen, bij Koninklijk besluit worden vastgesteld. 1) (G. 4.)

6. De regelen nopens de toelating en de uitzetting ven personen, die in verschillende eilanden der kolonie noch gevestigd, noch daarheen van Rijkswege gezonden zijn, worden bij koloniale verordening of bij plaatselijke keur vastgesteld. \')

7. Tot openbare bedieningen, door den Koning op te dragen, zijn benoembaar Nederlanders in den zin der wet, bedoeld in art. 7 (6) der Grondwet van het Koningrijk, en zij, die in eene der West-Indische koloniën van den Staat uit ouders, aldaar gevestigd, geboren zijn.

De benoembaarheid tot andere openbare bedieningen wordt bij koloniale verordening geregeld.

8. Niemand heeft voorafgaand verlof noodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren.

De verantwoordelijkheid van schrijvers, uitgevers, drukkers en verspreiders en de waarborgen, in het belang der openbare orde en zedelijkheid tegen het misbruik van de vrijheid van drukpers te nemen, worden geregeld bij koloniale verordening.

Bepalingen, waardoor de toelating in de kolonie van in Nederland gedrukte stukken belemmerd wordt, behoeven bekrachtiging bij de wet.

9. Ieder heeft het regt verzoekschriften in te dienen bij de bevoegde magt, zoowel in Nederland als in de kolonie.

Verzoekschriften moeten persoonlijk en mogen niet uit naam van meer worden onderteekend, tenzij dit geschiede door of van wege lig-ehamen, wettig zamengesteld of erkend, en in dit laatste geval niet anders dan over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring be-hoorende.

Echter mogen personen, die niet schrijven kunnen, verzoekschriften indienen door tusschenkomst van zoodanige ambtenaren, als hiertoe bij koloniale verordening zijn bevoegd verklaard. (G. 8.)

10. De uitoefening van het regt van vereeniging of vergadering kan, in het belang der openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, aan regeling en beperking bij koloniale verordening of bij plaatselijke keur onderworpen worden.

m

r

m

33*

1

Art. 5 aldus gewyz. zoowel voor Suriname als voor Curasao by wetten van 26 April 1884, S. S. nos. 90 en 91.

-ocr page 548-

BEGL. OP HET BELEID DER EEGERING

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DEN GOUVERNEUR.

EERSTE AEDEELING.

Van zijne benoeming en ontslag en van zijne verantwoordelijlcheid.

Art. 11. De gouverneur wordt door den Koning benoemd en ontslagen. (7.)

12. Hij moet den ouderdom van dertig jaren vervuld hebben. (27.)

13. Hij legt in handen des Konings, of van de autoriteit of den persoon door den Koning hiertoe aangewezen, den eed (verklaring of belofte) af;

»Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner benoeming tot gouverneur aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning en aan de Grondwet; dat ik de welvaart van de kolonie naar mijn vermogen bevorderen zal; dat ik het Reglement op het beleid der regering in de kolonie Curayao steeds zal onderhouden en doen onderhouden, en dat ik mij in alles zal gedragen, zoo als een braaf en eerlijk gouverneur betaamt. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat verklaar en beloof ik.») (27. 28.)

14. Indien de benoeming van den gouverneur vervat is in een geheim en verzegeld stuk, behelst dit stuk tevens de aanwijzing van de autoriteit of den persoon, in wier of mens handen de benoemde den voorgeschreven ambtseed moet afleggen.

Zoodanig stuk wordt geopend in eene vergadering van den Raad van Bestuur.

Het wordt, na door al de aanwezige leden te zijn gewaarmerkt, in het archief van den Raad nedergelegd.

15. De gouverneur aanvaardt het bestuur door overlegging in eene plegtige zitting van den Kolonialen Raad \') van een afschrift zijner akte van benoeming en van het proces-verbaal zijner eedsaflegging, en brengt zijne aanvaarding van het bestuur bij proclamatie ter kennisse der ingezetenen. (67 volg.)

16. Hij is verpligt zijne waardigheid te blijven bekleeden tot dat hij het bestuur aan zijnen opvolger hebbe overgegeven, tenzij hem van \'s Konings wege gelast of vergund worde zijne waardigheid vroeger neder te leggen.

17. Hij mag zonder verlof des Konings de kolonie niet verlaten.

1) Sur. 15. „Koloniale Statenquot;.

492

-ocr page 549-

IN DE KOLONIE CURAfAO.

18. Hij mag geen handel drijven, noch deel hebben in dien van anderen, noch in schepen op of in de kolonie ten handel varende, noch in ondernemingen van landbouw of nijverheid daarbinnen gevestigd.

Hij mag geene schuldvorderingen ten laste der kolonie koopen.

Hij mag noch regtstreeks, noct zijdelings deel nemen in eenige overeenkomst, waarin de Staat of de kolonie partij is, noch zich voor de uitvoering van zoodanige overeenkomst geheel of gedeeltelijk borg stellen.

Van bovenstaande bepalingen kan, mits daartoe bijzondere termen aanwezig zijn, door den Koning vrijstelling verleend worden bij besluit, dat met redenen wordt omkleed en waarop de Raad van State van het Koningrijk gehoord is.

19. Bloedverwantschap of zwagerschap, tot den derden graad ingesloten, mag niet bestaan tusschen den gouverneur en den gouverne-ments-secretaris, den gouverneur en den procureur-generaal, den gouverneur en een der hoofdambtenaren met het beleid eener bijzondere afdeeling van algemeen bestuur door den Koning belast, of den gouverneur en een lid van den Kaad van Bestuur.

Hij, die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoudt zijne bediening niet dan met vergunning des Konings.

De zwagerschap houdt op door den dood der vrouw die haar veroorzaakte. (27.)

20. Wanneer er vermoeden bestaat, dat de gouverneur krankzinnig is, belegt de procureur-generaal of degene, die hem als ondervoorzitter van den Raad van Bestuur vervangt, eene vergadering van dien raad, opdat de gegrondheid van het vermoeden onderzocht worde. (58).

De Raad van Bestuur, oordeelende dat daartoe termen beslaan, beveelt het instellen van een geneeskundig onderzoek aan eene commissie, te zamen gesteld uit de twee hoogst in rang aanwezige officieren van gezondheid der zee- of landmagt en twee burgerlijke ge-neesheeren.

Deze commissie is bevoegd den gewonen geneesheer des gouverneurs in haar midden te roepen en dient den Raad van Bestuur van berigt.

Als de Raad van Bestuur oordeelt, dat het berigt der commissie het bestaande vermoeden bevestigt, belegt de procureur-generaal of degene, die hem als ondervoorzitter vervangt, eene zitting van den Kolonialen Raad. \')

De zitting wordt gehouden met gesloten deuren.

De vergadering verklaart, na de personen, die inlichtingen geven kunnen, onder eede gehoord te hebben, en bij volstrekte meerderheid

1) Sur. 20 eene zitting enz. luidt: eene vereenigde zitting van den Baad van Bestuur en van de Koloniale Staten. — De vereenigde zitting enz.

493

-ocr page 550-

REGL. OP IIET BELEID DEB KEGEBING

van stemmen der aanwezige leden, of er termen bestaan om den gouverneur in de uitoefening zijner waardigheid te schorsen.

De verklaring, dat zoodanige termen bestaan, ontheft, zoolang zij niet, na gelijk onderzoek, op gelijke wijze is ingetrokken en in afwachting van de beslissing des Konings, den gouverneur van de uitoefening zijner waardigheid.

Er worden van elk gedeelte van het onderzoek naauwkeurige processen-verbaal in dubbel opgemaakt en door al de leden en den secretaris onderteekend.

Een der dubbelen wordt onverwijld gezonden aan den Koning.

21. De gouverneur oefent zijne waardigheid uit met stipte inachtneming van \'s Konings bevelen, en is aan den Koning wegens zijn doen en laten verantwoordelijk.

Art. 159 (1G4) der Grondwet van het Koningrijk is op hem van toepassing.

22. De gouverneur is naar de bepalingen, vervat in de wet van 22 April 1855 (Staatsblad no. 33), houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der ministeriële departementen, tot straf vervolgbaar;

a. wanneer hij uitvoering geeft of doet geven aan Koninklijke besluiten of beschikkingen, waarvan hem de uitvoering niet is opgedragen door den Minister van Koloniën;

b. wanneer hij uitvoering geeft of doet geven aan Koninklijke besluiten of beschikkingen, niet voorzien van de vereischte medeon-derteekening van een der hoofden van de ministeriële departementen;

c. wanneer hij beschikkingen neemt, of bevelen geeft, of bestaande beschikkingen en bevelen handhaaft, waardoor de bepalingen dezer wet of andere in de kolonie geldende algemeene verordeningen worden geschonden;

d. wanneer hij nalaat uitvoering te geven of te doen geven aan de voorschriften van deze wet of andere in de kolonie geldende algemeene verordeningen, of aan Koninklijke besluiten en beschikkingen, geene algemeene verordeningen zijnde, doch waarvan hem de uitvoering door den Minister van Koloniën is opgedragen.

De handelingen, onder de lilt. a, b en c, en de nalatigheid, onder letter d bedoeld, zijn alleen dan strafbaar, wanneer zij gepleegd zijn met opzet.

e. indien hij zonder opzet de uitvoering, onder lit. d omschreven, grovelijk verzuimt.

De handelingen, opgenoemd onder litt. a, b en c, worden gestraft met de straffen, in de wet van 22 April 1855 (Staatsblad no. 33) bedreigd tegen de handelingen, aldaar opgenoemd in art. 3 onder litt. b, c en d. (S.E. 355, 356.)

De nalatigheid en het verzuim, opgenoemd onder litt. d en e, worde:: ^citraft met do straffen, in de wet van 22 April 1855 (Staats-

494

-ocr page 551-

IN DE KOLONIE CURASAO.

blad no. 33) bedreigd tegen de nalatigheid en het verzuim, aldaar opgenoemd in art. 3 onder litt. e en ƒ. (S.R. 355, 356.)

23. De gouverneur kan gedurende zijn bestuur niet voor den straf-regter in de kolome betrokken, noch aldaar in burgerlijke gijzeling gebragt, noch zonder zijne toestemming als getuige in een regtsge-ding geroepen worden.

Hij kan, zelfs na de nederlegging zijner waardigheid, wegens feiten, gedurende zijn bestuur gepleegd, in de kolonie niet tot straf vervolgd worden.

24. Hij staat in Nederland, behalve wegens ambtsmisdrijven, te regt voor den regter, die volgens de in het Rijk geldende wetten bevoegd zou zijn geweest, naar gelang der tegen het feit bedreigde straffen, daarvan kennis te nemen, ware het gepleegd in de gemeente, in welke de zetel der Nederlandsche Regering gevestigd is.

De straf, tegen het feit bedreigd, is die, welke daartegen bedreigd wordt bij het strafregt der plaats, waar het feit is begaan.

25. Indien tegen den gouverneur, hetzij in het geval voorzien in art. 159 (164) der Grondwet van het Koningrijk, hetzij ter zake van andere strafbare feiten, eene vervolging in Nederland wordt ingesteld, legt hij, op bevel des Konings, zijne waardigheid neder in handen van dengene, die door den Koning of volgens deze wet is aangewezen om hem te vervangen.

26. De gouverneur wordt, zoo noodig, vervangen door den persoon, daartoe van \'s Konings wege aangewezen, en, bij gebreke van dergelijke aanwijzing, door hem, die bij ontstentenis van den gouverneur met het voorzitterschap van den Raad van Bestuur tijdelijk bekleed is.

27. Al wat in deze wet bepaald is omtrent den gouverneur is toepasselijk op den waarnemenden gouverneur, met uitzondering der voorschriften in de artt. 12, 13 en 19 dezer wet vervat.

28. De waarnemende gouverneur aanvaardt onmiddellijk het bestuur, doch legt, zoo spoedig mogelijk, in eene daartoe te houden vergadering van den Kolonialen Raad, in handen van den voorzitter der vergadering, den eed (of de belofte) af;

»Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in de betrekking van waarnemend gouverneur te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk.

495

Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning1); dat ik de welvaart van de kolonie naar mijn vermogen zal bevorderen; dat ik het Reglement op het beleid der regering in de kolonie Cura9ao steeds zal onderhouden en doen onderhouden, en dat ik mij in alles zal gedragen, zoo als een braaf en eerlijk gouverneur betaamt. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat beloof ik.»)

1

Sur. 28. „en aan de Grondwetquot;.

-ocr page 552-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

TWEEDE AFDEELING.

Van zijne raagt.

Art. 29. De gouverneur bestuurt, met inachtueming van de voorschriften dezer wet, in naam en als vertegenwoordiger des Konings de kolonie en is aldaar met de uitvoerende magt bekleed.

30. De gouverneur heeft het opperbevel over de in de kolonie aanwezige krijgsmagt. (G. 60.)

Hij oefent dit over \'s Eijks zee- en landmagt niet uit dan behoudens hare administrative betrekkingen lot de departementen van algemeen bestuur in het Koningrijk en overeenkomstig met de bijzondere beschikkingen des Konings.

Hij beschikt over hare strijdkrachten in oorlog en vrede, zoodanig als hem in het belang der kolonie oirbaar dunkt, en heeft het regt hare bevelhebbers en officieren te schorsen.

Hij geeft terstond van de schorsing kennis aan den Koning.

Zij is, zoolang zij niet door den Koning bekrachtigd is, slechts voorloopig.

31. De gouverneur benoemt, schorst en ontslaat de bevelhebbers, officieren en onderofficieren der koloniale gewapende magt, hoedanig deze zamengesteld zij.

32. Hij neemt, in geval van oorlog of opstand, alle maatregelen die hij in het belang van het Rijk of van de kolonie door den nood geboden acht.

Hij heeft in dergelijke omstandigheden de magt om de kolonie, geheel of ten deele, in staat van oorlog of beleg te verklaren, de bepalingen dezer wet en van alle andere in de kolonie geldende alge-meene verordeningen te schorsen, en autoriteiten, zelfs die zijn aangesteld door den Koning, tijdelijk op te heffen.

Hij kan, in zoodanig geval, de burgerlijke of militaire gezaghebbers in de onderdeden der kolonie magtigen tot het voorloopig nemen van maatregelen van boven omschreven aard. (175—177.)

Hij geeft van de maatregelen, door hem uit kracht dezer bepaling genomen, onverwijld kennis aan den Koning.

33. Hij neemt alle vereischte maatregelen tot bescherming van de eer van den Staat en van de kolonie tegen aanranding van buiten.

34. Hij kan, als daarvoor dringende redenen bestaan, voorloopige overeenkomsten, de kolome betreffende, met vreemde magten, onder voorbehoud van \'s Konings goedkeuring, aangaan.

Hij brengt de aangegane overeenkomst terstond ter kennisse des Konings.

Zij vervalt in ieder geval, wanneer zij niet binnen het jaar na hare dagteekeiiing of den korteren daarin uitgedrukten termijn door den Koning bekrachtigd is.

35. De gouverneur benoemt, schorst en ontslaat alle ambtenaren

496

-ocr page 553-

IN DE KOLONIE CÜBAgAO. 497

de kolonie, wier benoeming, schorsing of ontslag niet door den Koning aan zich voorbehouden of bij algemeene verordening aan anderen opgedragen is.

Hij voorziet, als de belangen der dienst dit vereischen, in de tijdelijke waarneming van betrekkingen, door den Koning te begeven.

36. Hij kan, met inachtneming der voorschriften te dien aanzien bij algemeene verordeningen gegeven, aan ambtenaren en officieren een binnenlandsch of buitenlandsch verlof verleenen.

37. Hij heeft het algemeen bestuur der koloniale geldmiddelen en domeinen en is deswege verantwoordelijk naar de bepalingen bij de wet te stellen. (167 volg.)

Hij brengt de bezoldigingen, verloftractementen, wachtgelden en pensioenen van alle openbare collegien, ambtenaren en bedienden in de kolonie, voor zooveel zij niet uit \'s Rijks of andere kassen dan de koloniale gekweten worden, op de koloniale huishoudelijke begrooting.

38. Hij regelt die bezoldigingen, voor zooverre dit niet door den Koning aan zich voorbehouden of bij algemeene verordeningen geschied is.

De verloftractementen, pensioenen en wachtgelden, uit de koloniale kas te kwijten, worden geregeld bij koloniale verordeningen.

39. De gouverneur kan, na ingewonnen berigt van den regter door wien het vonnis gewezen is, aan alle burgerlijke of militaire veroordeelden gratie verleenen van straffen, bij regterlijk vonnis in de kolonie opgelegd. (G. 63.)

Hij kan, tenzij krachtens voorafgaande uitdrukkelijke magtiging des Konings, geene amnestie, abolitie of generaal pardon verleenen, dan in zeer dringende gevallen, na verhoor van den Raad van Bestuur en onder voorbehoud van \'s Konings bekrachtiging. (137 volg., 149 volg.)

40. Geene dispensatie kan door den gouverneur verleend worden dan in de gevallen en op de wijze, bij de algemeene verordeningen \'), waarvan dispensatie verleend wordt, omschreven (G. 69.)

41. De gouverneur verleent, in naam des Konings en overeenkomstig met het desaangaande bij algemeene verordening 2) bepaalde, zeebrieven aan schepen en vaartuigen, toebehoorende aan inwoners der kolonie.

42. De gouverneur zorgt voor de afkondiging en de uitvoering der wetten en der Koninklijke besluiten, genomen in den vorm, bij de Grondwet van het Koningrijk voorgeschreven voor algemeene maatregelen van inwendig bestuur, welke hem te dien einde van

Konings wege worden toegezonden. (50.)

43. Hij kan om gewigtige redenen de hem bevolen afkondiging of uitvoering opschorten en geeft hiervan terstond kennis aan den Koning.

1) Sur. 40. „verordeningquot;. 2) Sur. 41. „verordeningquot;.

-ocr page 554-

498 BEGl. OP HET BELEID DER REGERING

Wanneer de afkondiging of uitvoering eener wet door den gouverneur is opgeschort, wordt hiervan door den Koning ten spoedigste mededeeling gedaan aan de Staten-Generaal.

Zoodra de gouverneur verwittigd is, dat de Koning zijne handeling niet goedkeurt, gaat hij onverwijld tot de afkondiging of uitvoering over.

44. De wetten en Koninklijke besluiten worden afgekondigd door plaatsing in het Publicatieblad \').

Het formulier van afkondiging luidt;

»In naam des Konings!

»De Gouverneur van Cura9ao,

»Van \'s Konings wege den last ontvangen hebbende tot afkondiging van onderstaande wet (onderstaand Koninklijk besluit);

(Mededeeling der wet of van het Koninklijk besluit.)

»Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad 1) bevolen.

«Gedaan te.....den.....»

(Onderteekening van den gouverneur en van den gouvemements-secretaris.) (52.)

45. Zoo geen andere termijn bepaald is, hetzij in de verordening zelve, hetzij bij de afkondiging (in welk geval die bepaling aan het formulier wordt toegevoegd), werkt de afgekondigde verordening op den dertigsten dag na dien der uitgifte van het Publicatieblad, \') waarin zij geplaatst is.

46. De gouverneur stelt, na verkregen goedkeuring van den Kolonialen Raad, 2) koloniale verordeningen vast en zorgt voor hare afkondiging.

Indien hij bezwaar heeft, kan hij de vaststelling in beraad houden,

47. De koloniale verordeningen treden niet in regeling van hetgeen geregeld is bij de wet of bij een Koninklijk besluit, 3) genomen in den vorm, bij de Grondwet van het Koningrijk voorgeschreven voor alge-meene maatregelen van inwendig bestuur.

48. De koloniale verordening, in wier onderwerp wordt voorzien bij de wet of bij Koninklijk besluit, genomen in den vorm, bij de Grondwet van het Koningrijk voorgeschreven voor algemeene maatregelen van inwendig bestuur, vervalt op het oogenblik, dat zooda nige wet of zoodanig Koninklijk besluit in de kolonie begint te werken. (42.)

49. De gouverneur zendt elke koloniale verordening, door hem vastgesteld, onverwijld aan den Koning.

De Koning kan, na den Raad van State van het Koningrijk te hebben gehoord, bij besluit, met redenen omkleed, eene koloniale verordening vernietigen wegens strijd met de wet, met een Koninklijl besluit, genomen in den vorm, bij de Grondwet van het Koningrijl

voc of

t t

vas dat dat zon hee I

hei( nial voe S tot art. ven 5

plat E

0

»

0

met

».

regL

(I »(

(C

seen

5;

de a gifte 5lt; houc geve vorn meei van gen.

D( hoon

1)

1

Sur. 44. e. c.. ounernementshladquot;.

2

Sur. 46. „HuiOiiiale Statenquot;.

3

Sur. 47. „bij Koninklijk besluit,quot;

-ocr page 555-

IN DE KOLONIE CUBAfAO. 499

voorgeschreven voor algemeene maatregelen van inwendig bestuur, of met het algemeen belang van het Kijk of van de kolonie.

50. De gouverneur kondigt de koloniale verordening, door hem vastgesteld, in den regel niet af vóór dat hij berigt ontvangen heeft, dat bij den Koning geen voornemen tot vernietiging bestaat, of vóór dat, na de opzending aan den Koning, zes maanden verloopen zijn zonder dat de gouverneur berigt ontvangen heeft, dat de vernietiging heeft plaats gehad of bij den Koning in overweging is.

Hij kan echter, indien naar zijn oordeel en dat van de meerderheid van den Raad van Bestuur spoed vereischt wordt, eene koloniale verordening, door hem vastgesteld, vroeger afkondigen en invoeren. (42.)

51. Eene koloniale verordening, behoorlijk afgekondigd, verbindt tot dat zij door eene latere koloniale verordening afgeschaft of volgens art. 48 dezer wet vervallen of het Koninklijk besluit, houdende hare vernietiging, in de kolonie afgekondigd en in werking getreden is.

52. De afkondiging der koloniale verordening geschiedt door hare plaatsing in het Publicatieblad.

Het formulier van afkondiging luidt:

»In naam des Konings!

»De Gouverneur van Curayao,

»In overweging genomen hebbende:

(De beweegredenen der verordening.)

»Heeft, 1) na verkregen goedkeuring van den Kolonialen Kaad,

(En in het geval, voorzien in het tweede lid van art. 50 dezer wet, met bijvoeging der woorden:

»En gelet op de tweede zinsnede van art. 50 van het regeringsreglement dezer kolonie), vastgesteld onderstaande verordening.

(De verordening.)

«Gegeven te......, den......»

(Onderteekening van den gouverneur en van den gouvernementssecretaris.) (44.)

53. Zoo in de verordening geen andere termijn bepaald is, werkt de afgekondigde verordening op den dertigsten dag na dien der uitgifte van het Publicatieblad, waarin zij geplaatst is.

54. De gouverneur is bevoegd tot het uitvaardigen van besluiten, houdende algemeene maatregelen en strekkende om uitvoering te geven hetzij aan wetten of Koninklijke besluiten, genomen in den vorm, bij de Grondwet van het Koningrijk voorgeschreven voor algemeene maatregelen van inwendig bestuur, waarvan de uitvoering hem van \'s Konings wege is opgedragen, hetzij aan koloniale verordeningen.

De Kaad van Bestuur wordt over het uit te vaardigen besluit gehoord.

J

1

Sur. 52. „den Kaad van Bestuur gehoordquot;.

-ocr page 556-

REGL. OP HET BELEID DEB KEGERING

55. Zoodanige besluiten worden op last des gouverneurs afgekondigd door hunne plaatsing in het Publicatieblad.

Het formulier van afkondiging luidt;

»In naam des Konings!

»De Gouverneur van Curayao,

«Overwegende, dat ter uitvoering van

(Vermelding van de wet, het Koninklijk besluit of de koloniale verordening, tot wier uitvoering het besluit strekt),

»het noodig is, het navolgende vast te stellen;

»Heeft, den Raad van Bestuur gehoord, besloten:

(Volgt het besluit.)

»Gegeven te......den......»

(Onderteekening van den gouverneur en den gouvernements-seere-taris.) (42, 52.)

56. Indien in het besluit geen andere termijn bepaald is, werkt het op den dertigsten dag na dien der uitgifte van het Publicatieblad, waarin het geplaatst is.

57. De gouverneur brengt het door hem genomen besluit onverwijld ter kennisse des Konings.

Hij trekt ihet in of wijzigt het, zoodra hem dit van \'s Konings wege wordt bevolen.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DEN RAAD VAN BESTUUR.

EERSTE AFDEELING.

Van zijne zamenstelling.

Art. 58. De Raad van Bestuur bestaat uit den gouverneur, als voorzitter, den procureur-generaal, als onder-voorzitter, en drie leden, die door den Koning worden benoemd, geschorst en ontslagen.

Hun rang regelt zich naar den ouderdom van benoeming.

59. De door den Koning benoemde leden leggen, alvorens hunne betrekking te aanvaarden, in handen van den gouverneur den eed (verklaring of belofte) af; 1)

»Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of wat voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner benoeming als lid van den Raad van Bestuur aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

500

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking

1

Sur. 59 en 60. „De Koning kan buitengewone leden benoemen, hen schorsen en ontslaan. Zij zijn naar ouderdom van benoeming als plaatsvervangers werkzaam. De door den Koning benoemde leden en buitengewone leden leggen,quot; enz.

-ocr page 557-

IN DE KOLONIE CURAgAO.

te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aac den Koning; dat ik het Reglement op het beleid der Regering in de kolonie Curayao steeds zal helpen onderhouden en het welzijn der kolonie naar mijn vermogen zal voorstaan. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat verklaar en beloof ik.»)

60. De gouvemements-seeretaris staat den Raad van Bestuur als secretaris bij, ook al is hij daarvan geen lid. (Sur. 01.) 1)

61. Het reglement van orde voor den Raad van Bestuur wordt, door den Raad ontworpen, vastgesteld door den gouverneur.

Het behoeft, even als de daarin te brengen wijzigingen, de goedkeuring des Konings. (Sur. 62.)

TWEEDE AFDEELING.

Van zijne werkzaamheden.

Art. 62. De Raad van Bestuur wordt door den gouverneur gehoord nopens:

1quot;. alle besluiten tot uitvoering van algemeene verordeningen, die de gouverneur wil nemen; (54.)

2°. alle plaatselijke keuren, die door de gezaghebbers der verschillende eilanden aan de bekrachtiging van den gouverneur worden onderworpen; 2)

3°. alle aangelegenheden, waaromtrent dit is voorgeschreven bij deze wet of andere algemeene verordening, of den gouverneur van \'s Konings wege bevolen; (109.)

4°. alle andere zaken, waaromtrent de gouverneur in het belang zijner verantwoordelijkheid het gevoelen van den Raad wenscht te kennen.

63. De Raad mag niet weigeren, des gevraagd, zijn gevoelen schriftelijk aan den gouverneur mede te deelen. (Sur. 64.)

64. De gouverneur kan officieren der zee- en landmagt en ambtenaren, geene leden van den Raad zijnde, gelasten de vergadering bij te wonen tot het geven van inlichtingen. (Sur. 65.)

65. De Raad van Bestuur kan, volgens regels bij koloniale verordening te stellen, regtsmagt erlangen in geschillen van bestuur. (Sur. 66.)

66. Hij verrigt voorts alle andere werkzaamheden, hem bij deze wet of andere algemeene verordeningen opgedragen. (Sur. 67.)

501

1

(Sur. 61.) De aldus aangehaalde artikelen zijn gelijk aan het artikel waarbij zij zijn aangehaald.

2

Sur. 63. 1°. alle koloniale verordeningen, die de gouverneur aan de goedkeuring der Koloniale Staten wil onderwerpen, of die de Koloniale Staten aan den gouverneur ter vaststelling hebben aangeboden;

2°. alle besluiten tot uitvoering van algemeene verordeningen, die de gouverneur wil nemen.

-ocr page 558-

502 EEGL. OP HET BELEID DER EEGERING

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DEN KOLONIALEN RAAD. 1)

EERSTE AFDEELING.

Van zijne zamenstelling.

Art. 67. De Koloniale Raad is zamengesteld uit de leden van den Raad van Beatuur als vaste leden, en uit acht leden door den Koning te benoemen.

68. Om tot lid benoembaar te zijn wordt vereischt:

1°. ingezetenschap;

Als ingezetenen worden aangemerkt:

a. Nederlanders in den zin der wet, bedoeld in art. 7 (6) der Grondwet van het Koningrijk, wanneer zij gedurende de jongste zes maanden aan de benoeming voorafgegaan, in de kolonie gevestigd geweest zijn;

b. vreemdelingen, wanneer zij gedurende de jongste drie jaren, aan de benoeming voorafgegaan, in de kolonie gevestigd geweest zijn.

2°. de volle ouderdom van vijf en twintig jaren;

3°. het volle genot der burgerlijke regten;

4°. noch onbekwaam, noch uitgesloten te zijn.

69. Onbekwaam om benoemd te worden zijn zij, wien dat regt ontzegd is bij regterlijk vonnis of die geregtelijken afstand van hunne goederen aan hunne schuldeisehers gedaan en dezen niet ten volle voldaan hebben.

1

Sur. „Van de Koloniale Staten.quot;

Sur. 68. Vier leden der Koloniale Staten worden jaarlijks vóór 1 Mei door den gouverneur benoemd.

De overige leden worden door de kiezers regtstreeks gekozen in verhouding van één op de twee honderd kiezers, doch nimmer in minderen getale dan negen.

Sur. 69. Om kiezer te zijn wordt vereischt:

1°. Ingezetenschap;

Als ingezetenen worden aangemerkt:

a. Nederlanders in den zin der wet, bedoeld in art. 7 (6) der Grondwet van het Koningrijk, wanneer zij sinds 1 Januarij van het jaar, waarin de kiezerslijst wordt vastgesteld, in de kolonie gevestigd geweest zijn;

h. vreemdelingen, wanneer zij sedert 1 Januarij van het jaar, aan dat waarin de kiezerslijst wordt vastgesteld voorafgegaan, in de kolonie gevestigd geweest zijn;

2°. en 3°. gelijk 68.

4°. het betalen in de directe belastingen eener som, waarvan het juiste bedrag, mits niet beneden dat van f 20, noch boven dat van f 100, bij het kiesreglement wordt bepaald.

-ocr page 559-

IN DE KOLONIE CURAfAO.

70. Uitgesloten zijn de vaste leden 1) en de gouvernements-secre-taris, de krijgslieden van den Staat in werkelijke dienst, geestelijken en bedienaren van de godsdienst.

71. Bloedverwantschap of zwagerschap tot en met den tweeden graad mag niet bestaan tusschen de benoemde leden van den Kolonialen Kaad. (Sur. 731.) 2)

Hij, die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap met een der andere leden geraakt, is niet verpligt a£ te treden vóór den afloop van zijnen tijd van zitting. (Sur. 733.)

De zwagerschap houdt op door den dood der vrouw, die haar veroorzaakte.

72. De benoemde leden hebben zitting gedurende vier jaren. Jaarlijks treedt een vierde hunner af.

De uitvallenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.

Na de eerste benoeming wordt de rooster van aftreding door het lot geregeld.

Hij, die ter vervulling eener tusschentijds opengevallen plaats benoemd ia, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij benoemd is, moest aftreden. (Sur. 74.) 2)

73. De Koloniale Raad dient voor elke opengevallen plaats onder de benoemde leden eene aanbeveling van twee personen aan den Koning in.

503

1

Sur. 72. In plaats van „de vaste ledenquot;-, de gouverneur.

Sur. 70. Onbekwaam om te kiezen of verkozen te worden zijn, onverminderd het bepaalde in art. 2S der wet van den 8sten Augustus 1862 (Staatsblad no. 164), houdende opheffing der slavernij in de kolonie Suriname, zij, wien dat regt ontzegd is bij regterlijk vonnis of die geregtelijken afstand van hunne goeiteren aan hunne schuldeischers gedaan en dezen niet ten volle voldaan hebben.

Sur. 71. Verkiesbaar zijn allen, die de vereisohten bezitten, opgenoemd in art. 69 onder nommers 1, 2 en 3 dezer wet, en niet onbekwaam, noch uitgesloten zijn.

2

Sur. 73. „Wanneer leden, elkander in den verboden graad bestaande, te gelijker tijd gekozen worden, wordt alleen toegelaten hij, die de meeste stemmen bekwam, en, bij gelijk getal stemmen, de oudste in jaren.quot;

2) Sur. 74. De leden, door de kiezers gekozen, hebben zitting gedurende zes jaren.

Om de twee jaren treedt een derde hunner af.

De uitvallenden zijn dadelijk weder herkiesbaar.

Na de eerste benoeming, even als na eene ontbinding, wordt de rooster van aftreding door het lot geregeld.

3

Hij, die ter vervulling eener tusschentijds opengevallen plaats gekozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij verkozen is, moest aftreden.

-ocr page 560-

KEGL. OP HET BELEID DER EEGERING

De eerste benoeming geschiedt zonder aanbeveling en binnen zes maanden na de invoering dezer wet. \')

74. De benoemde leden van den Kolonialen Raad leggen vóór het aanvaarden hunner betrekking in handen van den gouverneur den eed (verklaring of belofte) af:

»Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddelijk, onder welken naam of wat voorwendsel ook, om tot lid van den Kolonialen Raad te worden benoemd, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; dat ik het Reglement op het beleid der regering in de kolonie Curasao steeds zal helpen onderhouden en het welzijn der kolonie naar mijn vermogen zal voorstaan. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat verklaar en beloof ik.») (Sur. 76.)

75. De leden genieten geen schadeloosstelling.

Vergoeding van reis- en verblijfkosten kan hun bij koloniale verordening worden toegekend. (Sur. 77.)

76. De benoemde leden zijn bevoegd ten allen tjde hun ontslag te nemen.

Zij zenden dit schriftelijk in aan den gouverneur.

Het lidmaatschap vervalt:

1°. door het opgeven der vestiging in de kolonie;

2°. door het verlies van het volle genot der burgerlijke regten;

3°. door opkomende onbekwaamheid volgens art. 09;

4Ü. door het aannemen eener met het lidmaatschap onvereenigbare betrekking. (Sur. 78.)

tweede\' AFDEELING.

Van zijne vergadering.

Art. 77. De vergadering van den Kolonialen Raad a) wordt jaarlijks op den tweeden Dingsdag der maand Mei te Willemstad op het eiland Cura9ao 1) door of namens den gouverneur geopend. (Sur. 79.)

L.

504

1

Sur. 79. „te Paramariboquot;.

-ocr page 561-

IN DE KOLONIE CURASAO.

78. De gouverneur is voorzitter, de procureur-generaal onder-voor-zitter van den Kolonialen Baad. (Sur. 80.)

79. De gouvemements-secretaris staat de vergadering van den Kolonialen Raad als griffier bij, fSur. 81.)

80. De Koloniale Raad stelt het reglement van orde voor zijne vergadering vaat. (Sur. 83.)

81. Hij vergadert in het openbaar.

De deuren worden gesloten, als de voorzitter het noodig keurt of vier leden het vorderen.

De vergadering beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit genomen worden. (Sur. 84.)

82. De leden van den Kolonialen Raad stemmen naar eed en geweten, *) zoodanig als het belang der kolonie medebrengt.

83. De Koloniale Raad mag niet beraadslagen noch besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is.

Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staking van stemmen wordt het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. In deze, en even zoo in eene voltallige vergadering, heeft, bij staking van stemmen, de voorzitter eene beslissende stem. (Sur. 86.)

84. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen bij besloten en ongeteekende briefjes. (Sur. 87.)

85. De leden van den Kolonialen Raad zijn, ter zake van hetgeen zij als zoodanig gezegd en gedaan hebben, niet geregtelijk vervolgbaar. (Sur. 88.)

86. De gouverneur heeft het regt de vergadering van den Kolonialen Baad te schorsen, te sluiten en buitengewoon bijeen te roe-jen. (Sur. 90.)

DEBDE AFDEELING.

Van zijne rnagt.

Art. 87. De Koloniale Baad beraadslaagt over de verordeningen, lie hem door den gouverneur worden aangeboden.

Sur. 80. De voorzitter en de ondervoorzitter der Staten voor Ike vergadering worden uit hun midden benoemd door den gouver-leur.

Sur. 81. De Staten benoemen hunnen Griffier buiten hun midden.

Sur. 82. De Staten onderzoeken de geloofsbrieven der nieuw inge-omen leden en beslissen de geschillen, welke aangaande die geloofs-rieven of de verkiezing zelve oprijzen.

*) Sur. 85. „zonder ruggespraak met hen die benoemen.quot;

STAATSWETTEN. 34

505

-ocr page 562-

regii. op het beleid der regering

De eerste benoeming geschiedt zonder aanbeveling en binnen zes maanden na de invoering dezer wet. quot;)

74. De benoemde leden van den Kolonialen Raad leggen vóór het aanvaarden hunner betrekking in handen van den gouverneur den eed (verklaring of belofte) af:

»Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch omniddelijk, onder welken naam of wat voorwendsel ook, om tot lid van den Kolonialen Eaad te worden benoemd, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; dat ik het Eeglement op het beleid der regering in de kolonie Cura9ao steeds zal helpen onderhouden en het welzijn der kolonie naar mijn vermogen zal voorstaan. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat verklaar en beloof ik.») (Sur. 76.)

75. De leden genieten geen schadeloosstelling.

Vergoeding van reis- en verblijfkosten kan hun bij koloniale verordening worden toegekend. (Sur. 77.)

76. De benoemde leden zijn bevoegd ten allen tijde hun ontslag te nemen.

Zij zenden dit schriftelijk in aan den gouverneur.

Het lidmaatschap vervalt :

1°. door het opgeven der vestiging in de kolonie;

2°. door het verlies van het volle genot der burgerlijke regten;

3°. door opkomende onbekwaamheid volgens art. 69;

4U. door het aannemen eener met het lidmaatschap onvereenigbare betrekking. (Sur. 78.)

TWEEDE5 AFDEELING.

Van zijne vergadering.

Axt. 77. De vergadering van den Kolonialen Eaad a) wordt jaarlijks op den tweeden Dingsdag der maand Mei te Willemstad op het eiland Curasao 1) door of namens den gouverneur geopend. (Sur. 79.)

504

1

Sur. 79. „te Paramariboquot;.

-ocr page 563-

IN DE KOLONIE CURASAO.

78. De gouverneur is voorzitter, de procureur-generaal onder-voorzitter van den Kolonialen Raad. (Sur. 80.)

79. De gouvemements-secretaris staat de vergadering van den Kolonialen Raad als griffier bij. TSur. 81.)

80. De Koloniale Raad stelt het reglement van orde voor zijne vergadering vast. (Sur. 83.)

81. Hij vergadert in het openbaar.

De deuren worden gesloten, als de voorzitter het noodig keurt of vier leden het vorderen.

De vergadering beslist of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit genomen worden. (Sur. 84.)

82. De leden van den Kolonialen Raad stemmen naar eed en geweten, *) zoodanig als het belang der kolonie medebrengt.

83. De Koloniale Raad mag niet beraadslagen noch besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is.

Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staking van stemmen wordt het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. In deze, en even zoo in eene voltallige vergadering, heeft, bij staking van stemmen, de voorzitter eene beslissende stem. (Sur. 86.)

84. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen bij besloten en ongeteekende briefjes. (Sur. 87.)

85. De leden van den Kolonialen Raad zijn, ter zake van hetgeen zij als zoodanig gezegd en gedaan hebben, niet geregtelijk vervolgbaar. (Sur. 88.)

86. De gouverneur heeft het regt de vergadering van den Kolonialen Raad te schorsen, te sluiten en buitengewoon bijeen te roepen. (Sur. 00.)

DERDE AFDEELING.

Van zijne magt.

Art. 87. De Koloniale Raad beraadslaagt over de verordeningen, die hem door den gouverneur worden aangeboden.

Sur. 80. De voorzitter en de ondervoorzitter der Staten voor elke vergadering worden uit hun midden benoemd door den gouverneur.

Sur. 81. De Staten benoemen hunnen Griffier buiten hun midden.

Sur. 82. De Staten onderzoeken de geloofsbrieven der nieuw ingekomen leden en beslissen de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.

#) Sur. 85. „zonder ruggespraak met hen die benoemen.quot;

STAATSWETTEN. 34

505

-ocr page 564-

EEGL. OP HET BELEED DER REGERING

88. Indien de Koloniale Eaad de verordening goedkeurt, stelt de gouverneur haar vast.

Indien de gouverneur bezwaar heeft de goedgekeurde verordening vast te stellen, geeft hij daarvan aan den Koning en aan den Kolonialen Raad kennis.

89. Indien de Koloniale Raad de verordening niet goedkeurt, brengt de gouverneur dit ter kennisse des Konings.

90. De Koloniale Raad heeft het regt van wijziging.

91. Indien de Koloniale Raad de verordening heeft gewijzigd en de gouverneur zich met die wijziging vereenigt, stelt hij de verordening, zoodanig als zij door den Kolonialen Raad is goedgekeurd, vast.

Sur. 89. De gouverneur kan in persoon of door eene gemagtigde de beraadslagingen bijwonen en eene raadgevende stem uitbrengen.

Sur. 90. De gouverneur heeft het regt de vergadering der Staten te schorsen, te sluiten en buitengewoon bijeen te roepen.

Sur. 91. Hij heeft het regt de Staten te ontbinden.

Het besluit tot ontbinding, waarop de Baad van Bestuur gehoord wordt, behelst de uitschrijving van de verkiezing voor nieuwe Staten binnen zestig dagen en de bijeenroeping der nieuw gekozen Staten binnen drie maanden.

Bij ontbinding sluit de gouverneur tevens de vergadering der Staten.

DERDE AFDEELING.

Tan hunne magt.

Sur. 92. De Koloniale Staten maken het vertegenwoordigend lig-chaam der kolonie uit.

Sur. 93. Zij onderzoeken de verordeningen, die hun door den gouverneur ter goedkeuring worden aangeboden.

Het formulier van aanbieding luidt:

„De Gouverneur der kolonie Suriname biedt aan de Koloniale Staten ter goedkeuring aan eene verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening).

(Dagteekening en onderteekening van den gouverneur.)

Sur. 94. Indien de Staten de verordening goedkeuren, geven zij hiervan kennis aan den gouverneur.

Het formulier dier kennisgeving luidt:

„De Koloniale Staten keuren goed de hun door den Gouverneur der kolonie Suriname aangeboden verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den voorzitter en den griffier.)

Sur. 95. Indien de gouverneur de verordening, door de Koloniale Staten goedgekeurd, heeft vastgesteld, geeft hij daarvan aan hen kennis.

Het formulier dier kennisgeving luidt:

„De Gouverneur der kolonie Suriname heeft vastgesteld de verordening.quot;

506

-ocr page 565-

IN DE KOLONIE CURAgAO.

92. Indien de gouveraeur zich met de wijzigingen, door den Kolonialen Raad in de verordening gebragt, niet vereenigt, geeft hij hiervan kennis aan den Koning en aan den Kolonialen Raad.

93. De Koloniale Raad beslist of hij eene verordening in overweging zal nemen, die hem door een zijner leden wordt voorgesteld.

94. Indien de Koloniale Raad eene verordening, hem door een zijner leden voorgesteld, in overweging genomen en met of zonder wijzigingen goedgekeurd heeft, en de gouverneur zich met de goedgekeurde verordening vereenigt, stelt hij haar vast.

Indien de gouverneur zich met zoodanige verordening niet vereenigt, brengt hij dit ter kennisse des Konings en van den Kolonialen Raad.

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den gouverneur.)

Sur. 96. Indien de gouverneur bezwaar heeft de verordening, door de Koloniale Staten goedgekeurd, vast te stellen, geeft hij daarvan aan hen kennis.

Het formulier dier kennisgeving luidt:

„De Gouverneur van Suriname heeft bezwaar om vast te stellen de verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den gouverneur.)

Sur. 97. Indien de Koloniale Staten de verordening niet goedkeuren, geven zij hiervan kennis aan den gouverneur.

Het formulier dier kennisgeving luidt:

„De Koloniale Staten hebben bezwaar tegen de goedkeuring der aan hen door den Gouverneur der kolonie Suriname aangeboden verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den voorzitter en den griffier.)

Sur. 98. De Koloniale Staten hebben het regt van wijziging.

Indien zij daarvan gebruik gemaakt hebben, luidt het formulier der kennisgeving van hunne goedkeuring aldus:

„De Koloniale Staten keuren goed, zoodanig als zij door hen is gewijzigd, de hun door den Gouverneur der kolonie Suriname aangeboden verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den voorzitter en den griffier.)

Sur. 99. Indien de gouverneur zich met de gewijzigde verordening vereenigt, geeft hij hiervan aan de Staten kennis.

Het formulier dier kennisgeving luidt:

„De Gouverneur der kolonie Suriname heeft vastgesteld, zoodanig als zij door Koloniale Staten gewijzigd is, de verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den gouverneur.)

Sur. 100. Indien de gouverneur zich met de gewyzigde verordening niet vereenigt, geeft hij hiervan aan de Staten kennis.

Het formulier dier kennisgeving luidt:

507

34*

-ocr page 566-

508 REGL. OP HET BELEID DER REGERING v

96. De Koloniale Raad is bevoegd de belangen der kolonie voor te staan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij den gouverneur.

96. Hij onderzoekt de verzoekschriften die, met inachtneming der voorschriften van art. 9 dezer wet aan hem gerigt worden.

97. Hij kan den gouverneur uitnoodigen om wegens zaken, de kolonie betreffende, mondeling of schriftelijk inlichtingen aan hem te geven.

98. De gouverneur voldoet aan deze uitnoodiging, wanneer hij vermeent, dat het geschieden kan zonder schade voor de aan hem toevertrouwde belangen.

„De Gouverneur der kolonie Suriname, zich niet kunnende vereenigen met de wijzigingen door de Koloniale Staten gemaakt, heeft niet vastgesteld de verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den gouverneur.)

Sur. 101. De Koloniale Staten hebben het regt verordeningen aan den gouverneur voor te stellen.

Zij zenden het ontwerp, zoodanig als het door hen goedgekeurd is, aan den gouverneur.

Het formulier van toezending luidt:

„De Koloniale Staten verzoeken den Gouverneur der kolonie Suriname vast te stellen de door hen in bijgaand ontwerp goedgekeurde verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den voorzitter en den griffier.)

Sur. 102. De gouverneur geeft van zijn besluit aan de Staten kennis.

De formulieren van kennisgeving luiden:

ingeval geen bezwaar bestaat tegen de vaststelling,

„De Gouverneur der kolonie Suriname heeft, den Eaad van Bestuur gehoord, vastgesteld

in het tegenovergestelde geval,

„De Gouverneur der kolonie Suriname heeft, den Eaad van Bestuur gehoord, bezwaar om vast te stellen de door de Koloniale Staten in ontwerp goedgekeurde en aan hem aangeboden verordening.quot;

(Vermelding van den titel der verordening.)

(Dagteekening en onderteekening van den gouverneur.)

Sur. 103. De Koloniale Staten zijn bevoegd de belangen der kolonie voor te staan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij den gouverneur.

Sur. 104. Zij onderzoeken de verzoekschrift an, die met inachtneming der voorschriften van art. 9 dezer wet aan hen gerigt worden.

Sur. 105. Zij kunnen den gouverneur uitnoodigen om wegens zaken, de kolonie betreffende, inlichtingen aan hen te geven.

Sur. 106. De gouverneur voldoet aan deze uitnoodiging, wanneer hij vermeent, dat het geschieden kan zonder schade voor de hem toevertrouwde belangen, en geeft de gevraagde inlichtingen mondeling of schriftelijk, hetzij in persoon of bij gemagtigde.

-ocr page 567-

IN DE KOLONIE CURApAO.

VIERDE AFDEELING.

Van de begrooting.

Art. 99. Ten laste van \'s Eijks schatkist komen:

a. de wedde en de verblijfkosten van den gouverneur;

b. de kosten van de Rijks zee- en landmagt, tot bescherming der kolonie gevorderd. (Sur. 107.)

100. De uitgaven ten behoeve der openbare dienst in de kolonie, welke niet ten laste van \'s Rijks schatkist komen, en de middelen ter harer dekking worden aangewezen op de koloniale huishoudelijke begrooting. (Sur. 108.)

101. De koloniale huishoudelijke begrooting wordt jaarlijks door den gouverneur, na den Raad van Bestuur te hebben gehoord, ontworpen en aan den Kolonialen Raad, bij de opneming zijner vergadering, aangeboden. (Sur. 109.)

102. Zij wordt, zoodanig als zij door den Kolonialen Raad goedgekeurd is, door den gouverneur voorloopig vastgesteld en afgekondigd. (Sur. 110.)

103. Zij wordt door hem met de noodige toelichting toegezonden aan den Koning. (Sur. 111.)

104. Zij wordt definitief vastgesteld door de wet;

1°. indien tot aanvulling der koloniale middelen gevorderd wordt eene bijdrage uit \'s Rijks schatkist;

2°. indien de Koning de begrooting, zoodanig als zij door den Kolonialen Raad aangenomen is, niet goedkeurt;

3°. indien de Koloniale Raad de begrooting niet heeft vastgesteld vóór den 15den Julij van het jaar, waarin zij hem wordt aangeboden.

Indien geen dezer gevallen aanwezig is, geldt de voorloopige vaststelling als definitive. (Sur. 112.)

105. De uitgaven en heffingen, uit kracht der voorloopig vastgestelde begrooting gedaan vóór dat de wet, houdende definitive vaststelling der begroeting, in de kolonie afgekondigd en in werking getreden is, blijven van waarde, voor zooveel zij geschied zijn met magtiging des Konings of vóór dat van den koning berigt ontvangen is. (Sur. 113.)

In het geval, voorzien in het voorgaande artikel onder no. 3, strekt voorloopig de begrooting van het vorig dienstjaar tot grondslag der dienst, behoudens de daarin door den Koning bevolen wijzigingen.

106. De verantwoording van de koloniale uitgaven en ontvangsten voor elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de rekening, goedgekeurd door de magt bij de wet of den Koning daartoe aangewezen, op last des Konings gedaan aan de wetgevende magt, ingeval de koloniale huishoudelijke begrooting definitief is vastgesteld bij de wet, en in het andere geval door den gouverneur aan den Kolonialen Raad.

Naar gelijke onderscheiding wordt het slot der rekening vastgesteld, hetzij bij de wet, hetzij bij koloniale verordening. (Sur. 114.)

509

-ocr page 568-

BEGL. OP HET BELEID DEB BEGEBING

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN HET BESTUUB DEB VEBSCHILLENDE EILANDEN. 1)

EERSTE AFDEELING.

Van de gezaghebbers.

Art. 107. De verschillende eilanden der kolonie, behalve het eiland Curasao, worden bestuurd door gezaghebbers.

108. De gezaghebbers worden door den Koning benoemd, geschorst en ontslagen.

Hunne wedden en instructien worden door den Koning vastgesteld.

108. Ingeval voor zoodanigen maatregel dringende reden bestaat, kan de gouverneur, na verhoor van den Raad van Bestuur, eenen gezaghebber, in afwachting van \'s Konings beslissing, voorloopig schorsen. (62, 3U.)

De gouverneur geeft van de voorloopige schorsing onverwijld kennis aan den Koning.

110. De gezaghebber legt vóór de aanvaarding zijner bediening, in handen van den gouverneur, den eed (verklaring of belofte) af:

»Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner benoeming tot gezaghebber van het eiland......, aan iemand, wie hij

ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning en gehoorzaamheid aan

den gouverneur; dat ik de welvaart van het eiland.....naar mijn

vermogen bevorderen zal; dat ik de algemeene verordeningen en plaatselijke keuren zal onderhouden en doen onderhouden, en dat ik mij in alles zal gedragen, zoo als een braaf en eerlijk gezaghebber

510

1

Dergelijk Hoofdstuk komt niet voor in het Beglement van Suriname.

In het Keglement voor Suriname bevat hei 5de Hfdst. slechts één artikel en luidt:

VIJFDE HOOFDSTUK.

VAN DE INWENDIGE VEBDEELING VAN HET GRONDGEBIED DER KOLONIE.

115. De verdeeling der kolonie in districten en gemeenten, de za-menstelling, inrigting en bevoegdheid der districts- en plaatselijke besturen, mitsgaders al hetgeen betreft de politie van land en stad, wordt geregeld bij koloniale verordening.

(Hierop volgt het 6de Hoofdstuk enz., zie de artt. 137 volg. van het Regiem, v. Curasao.)

-ocr page 569-

IN DE KOLONIE CURASAO.

betaamt. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat verklaar en beloof ik.»)

111. De gezaghebber voert het bestuur, overeenkomstig met zijne instructie en met stipte inachtneming van de bevelen des gouverneurs.

Hij mag zonder verlof van den gouverneur het eiland niet langer dan vijf dagen verlaten.

112. Hij is verpligt zijne bediening te blijven bekleeden tot dat hij het bestuur aan zijnen opvolger hebbe overgegeven, tenzij hem van \'s Konings wege gelast of vergund worde zijne bediening vroeger neder te leggen of hij daarin geschorst worde.

113. Allen, die zich op het eiland of zijne onderhoorigheden bevinden, zijn aan den gezaghebber eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd.

Alle beambten staan onder zijne bevelen.

114. De gezaghebber is verantwoordelijk voor de bewaring der inwendige rust, orde en veiligheid, en waakt tegen aanranding van buiten.

Hij heeft het bevel over de aanwezige gewapende magt, politie en schutterij.

115. Hij zorgt voor de getrouwe uitvoering en handhaving der algemeene verordeningen, met wier uitvoering en handhaving hij door den gouverneur is belast, en der plaatselijke keuren, die door den gouverneur zijn bekrachtigd. (120.)

116. De gezaghebber wordt, zoo noodig, vervangen door een der landraden naar rang van ouderdom.

Oudste landraad is degene, die het eerst aan de beurt van aftreding ligt. (117 volg.)

TWEEDE AFDEEUNG.

Van de landraden.

Art. 117. De gezaghebber wordt in de uitoefening van het dage-lijksch bestuur bijgestaan door twee landraden. (121.)

118. De landraden worden door de stemgeregtigde ingezetenen van het eiland voor vier jaren gekozen.

De vereischten om stemgeregtigd of om tot landraad benoembaar te zijn, en al wat verder de verkiezing der landraden betreft, worden voor elk eiland bij koloniale verordening geregeld.

119. Om de twee jaren treedt een der landraden af.

De aftredende is aanstonds herkiesbaar.

Hij, die ter vervulling eener tusschentijds opengevallen plaats gekozen is, treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hij verkozen is, moest aftreden.

De eerste rooster van aftreding wordt door het lot bepaald.

120. De landraden leggen vóór de aanvaarding hunner bediening, in handen van den gezaghebber, den eed (verklaring of belofte) af:

511

-ocr page 570-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

»Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, om tot landraad te worden benoemd, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk.

Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; dat ik de algemeene verordeningen en plaatselijke keuren steeds zal helpen onderhouden en het welzijn van het eiland naar mijn vermogen zal voorstaan. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!» (»Dat verklaar en beloof ik.») (110.)

DERDE AFDBELING.

Van den Raad van Politie.

Art. 121. De Raad van Politie bestaat uit den gezaghebber en de landraden van het eiland.

122. De gezaghebber is voorzitter en roept den raad bijeen, zoo dikwijls hij dit noodig acht of de beide landraden liet hem schriftelijk verzoeken.

123. De reglementen van orde voor de vergaderingen der Raden van Politie van de verschillende eilanden worden bij koloniale verordeningen vastgesteld.

124. De Raad van PoUtie dient wegens alle zaken, het eiland betreffende, den gouverneur van berigt en raad.

125. Hij is bevoegd de belangen van het eiland bij den Koning, de Staten-Generaal, den Gouverneur en den Kolonialen Raad voor te staan.

126. Hij drijft schouw over aüe wegen, straten, wateren, bruggen, dijken, waterleidingen en andere openbare werken des eilands.

127. Hij heeft het oppertoezigt over het armwezen en Iaat zich door hen, die openbare armenkassen beheeren, jaarlijks rekening en verantwoording van hun beheer doen.

128. Hij houdt toezigt over het onderwijs en zijne leden hebben den vrijen toegang tot alle openbare en bijzondere scholen.

129. Hij is bevoegd plaatselijke keuren te maken nopens alle onderwerpen, de huishouding des eilands betreffende, en daarbij de noodige voorschriften te geven in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid. (115.)

De soort en de maat der straf, door de overtreders dier keuren te beloopen, wordt bij koloniale verordening bepaald.

130. De plaatselijke keur, door den Raad van Politie vastgesteld, wordt door den gezaghebber onderworpen aan de bekrachtiging van den gouverneur.

131. Indien de gouverneur, na verhoor van den Raad van Bestuur, de plaatselijke keur niet bekrachtigt, wordt zij, op de wijze bij

512

-ocr page 571-

IN DE KOI/ONIE CURA9AO.

koloniale verordening voorgeschreven, door den gezaghebber afgekondigd, en verbindt allen, die zich op het eiland en zijne onderhoorig-heden bevinden.

132. Indien de gouverneur, na verhoor van den Raad van Bestuur, de plaatselijke keur niet bekrachtigt, blijft de afkondiging achterwege.

Indien echter, naar het oordeel van den Baad van Politie, een spoedvereischend geval aanwezig is, kan de plaatselijke keur, in afwachting van de beslissing des gouverneurs, inmiddels door den gezaghebber worden afgekondigd en verbindt alsdan, tot dat zij weder is ingetrokken.

133. De Baad van Politie belast een of meer zijner leden met de waarneming der betrekking van ambtenaar van den burgerlijken stand en met het houden der bevolkingsregisters.

134. Hij verrigt voorts alle werkzaamheden, hem bij algemeene verordeningen opgedragen.

135. De bevoegdheid tot het maken van plaatselijke keuren voor het eiland Curasao en onderhoorigheden behoort aan den Kolonialen Baad.

Op zoodanige keuren zijn van toepassing de vormen, voor koloniale verordeningen voorgeschreven. De overige werkzaamheden van den Baad van Politie worden op het eiland Curasao verrigt door de collegien of ambtenaren daarmede bij algemeene verordening belast.

136. De onderverdeeling der onderscheidene eilanden in districten, gemeenten of wijken, en de inrigting van dezer bestuur, alsmede de algemeene politie van land en stad, worden bij koloniale verordening geregeld.

ZESDE HOOFDSTUK. \')

VAN HET REGTSWEZEN.

EEBSTE AFDEELING.

Algemeene voorschriften

Art. 137. Er wordt in de kolonie Curayao regt gesproken in naam des Konings. (Sur. 116.)

513

138. Het burgerlijk regt, dat van koophandel en de burgerlijke regtsvordering, het strafregt en de strafvordering, ook ten opzigtc der koloniale gewapende magt, de regtspleging in zake van belastingen, het notarisambt, de industriële, letterkundige en kunsteigendom, en het stuk der maten en gewigten worden, voor zooveel mogelijk overeenkomstig met de in Nederland bestaande wetten, door koloniale verordeningen geregeld.

1) Artikelen 137 tot het einde zijn gelijk aan Beglem. Suriname artikelen 116 lot het einde.

-ocr page 572-

REOL. OP HET BELEID DER REGERING

139. Niemand kan van zijn eigendom ontzet worden, dan nadat bij koloniale verordening verklaard is, dat het algemeen nut de onteigening vordert, en tegen voorafgaande schadevergoeding.

Op dit beginsel worden geene uitzonderingen toegelaten dan krachtens algemeene regelen, bij koloniale verordening te stellen, en zonder dat ooit het regt op volledige schadevergoeding den onteigende kan worden ontnomen.

140. Aan de regterlijke magt behoort bij uitsluiting de kennisneming van alle geschillen van burgerregterlijken aard.

141. Geene vervolging tot straf kan plaats hebben dan voor den regter, bij algemeene verordening aangewezen, en op de wijze, bij algemeene verordening bepaald.

142. De burgerlijke dood of de verbeurdverklaring van al de goederen des veroordeelden kan niet als straf of gevolg van straf worden bedreigd.

143. Geschillen over burgerregt staan ter kennisneming van de regterlijke raagt, wanneer geen andere regter bij algemeene verordening aangewezen is.

144. Alle vonnissen behelzen de gronden, waarop zij zijn gewezen, en in strafzaken de aanwijzing der artikelen van oe algemeene verordeningen, waarop de veroordeeling rust.

Zij worden met open deuren uitgesproken.

De terechtzittingen zijn openbaar, behoudens uitzonderingen, in het belang der openbare orde en zedelijkheid bij algemeene verordeningen vast te stellen.

145. Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van zijnen wettigen regter.

Algemeene verordeningen regelen de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid tusschen de regterlijke en andere magten beslist worden.

146. Behalve in de gevallen, bij algemeene verordeningen voorzien, mag niemand in hechtenis genomen worden dan op regterlijk bevel, houdende de redenen der inhechtenisneming.

Zoodanig bevel moet aan dengene, tegen wien het gerigt is, bij of zoo spoedig mogelijk na zijne aanhouding worden beteekend.

De vorm van het bevel en de tijd, binnen welken alle in hechtenis genomen personen moeten worden verhoord, worden bij algemeene verordeningen bepaald.

147. In niemands woniug mag tegen zijnen wil worden binnengetreden dan op last eener magt, tot het geven van zoodanigen last bij algemeene verordening bevoegd verklaard, en met inachtneming der vormen, bij algemeene verordening voorgeschreven.

148. Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last van den regter en in de gevallen, bij algemeene verordening voorzien.

514

-ocr page 573-

IN DE KOLONIE CUKAfAO.

TWEEDE AFDEELING.

Van de zamenstelling der regterlijke magt.

Art. 149. De regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in koloniale zaken wordt geregeld bij de wet. (Wet 4 April 1869, S. 36.)

150. Er is, onder de benaming van hof van justitie, een opperste geregtshof voor de gansche kolonie.

Het houdt toezigt op de geregelde afdoening van alle regtsgedin-gen en de behoorlijke vervolging van alle misdrijven.

De voorzitter, de gegradueerde leden en de griffier van het hof van justitie worden door den Koning benoemd, de voorzitter en de leden voor het leven, de griffier tot wederopzeggens toe.

151. Het openbaar ministerie bij het hof van justitie wordt uitgeoefend door of namens den procureur-generaal.

152. De procureur-generaal wordt door den Koning benoemd, geschorst en ontslagen. (K.B. 1 Mei 1869, S. 74.)

153. Hij is het hoofd van het openbaar ministerie en van de regterlijke en administrative politie in de gansche kolonie.

Hij vertegenwoordigt den Staat, de Regering of de kolonie in reg-ten.

154. Behalve in het geval van verklaarden slaat van oorlog of beleg, wordt geen doodvonnis ten uitvoer gelegd dan op last of met voorkennis van den procureur-generaal en na verkregen magtiging van den gouverneur.

De gouverneur verleent die magtiging niet dan na den hoogsten militairen of burgerlijken regter in de kolonie te hebben gehoord.

155. De voorzitter en de gegradueerde leden van het hof van justitie kunnen tegen hunnen wil door den Koning worden ontslagen:

1quot;. bij gebleken ongeschiktheid door meer dan zestigjarigen ouderdom, of door aanhoudende ziels- of ligchaamsziekte;

2U. wanneer zij onder curatele zijn gesteld;

3°. bij gebleken wangedrag of onzedelijkheid, of bij gebleken grove achteloosheid in de waarneming van hun ambt.

In de beide eerste gevallen wordt het ontslag eervol verleend.

In het eerste geval wordt voor de aanspraak op pensioen geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

156. Wanneer de gouverneur oordeelt, dat eene der redenen van ontslag, in het voorgaand artikel opgenoemd, aanwezig is, draagt hij, na den Raad van Bestuur te hebben gehoord en met toezending van al de stukken op de zaak betrekkelijk, het ontslag van den betrokken ambtenaar aan den Koning voor.

Hij stelt den betrokken ambtenaar door mededeeling zijner voordrag! in de gelegenheid om zijn verweerschrift bij de stukken te voegen.

515

-ocr page 574-

REGL. OP HET BELEID DER REGERING

Hij is bevoegd den betrokken ambtenaar, in afwachting van \'s Ko-nings beslissing, te schorsen en in de waarneming van het ambt tijdelijk te voorzien.

De betrokken ambtenaar geniet gedurende de schorsing zijne volle bezoldiging.

Hij kan, op zijn verzoek, in de gelegenheid om zich in Nederland te gaan verantwoorden gesteld worden door toekenning van verlof-tractement en vrijen overtogt.

De Koning beslist over het ontslag.

157. De voorzitter en de gegradueerde leden van het hof van justitie kunnen door den Hoogen Raad der Nederlanden in raadkamer, bij een met redenen omkleed arrest, uit hun ambt worden ontzet:

1°. wanneer zij veroordeeld zijn tot gevangenisstraf; de gevangenisstraf welke geldboete vervangt daaronder niet begrepen;

2°. wanneer zij verklaard zijn te zijn in staat van kennelijk onvermogen of wegens schulden zijn gegijzeld.

De procureur-generaal zendt de stukken, op de zaak betrekkelijk, ter vervolging aan den procureur-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Hij geeft hiervan aan den betrokken ambtenaar onmiddellijk kennis en stelt dezen in staat een verweerschrift bij den Hoogen Raad in te dienen.

In het vonnis, waarbij een regterlijk ambtenaar, niet vallende in de bovenstaande bepalingen, tot gevangenisstraf (die, welke geldboete vervangt, daaronder niet begrepen) veroordeeld wordt, wordt tevens zijne afzetting uitgesproken.

158. Elk lid der regterlijke magt, tegen wien, hetzij dagvaarding in persoon of bevel van gevangenneming, hetzij magtiging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen, is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt daardoor in zijne bediening geschorst.

Schorsing in de bediening brengt geene schorsing mede in het genot der bezoldiging.

159. De verdere bepalingen nopens de inrigting en de zamenstel-ling der regterlijke magt in de kolonie worden vastgesteld bij koloniale verordening.

160. De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door de regters, welke door algemeene verordeningen zijn aangewezen.

Tusschenkomst van de Regering in regtszaken is verboden.

161. Vonnissen, door den regter in Nederland of Nederlandsche koloniën en bezittingen gewezen, en bevelen door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke akten aldaar verleden, kunnen in de kolonie Cura9ao worden ten uitvoer gelegd.

Vonnissen en bevelen, door den regter in de kolonie Curasao gewezen of uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke akten aldaar verleden, kunnen in Nederland worden ten uitvoer gelegd.

616

-ocr page 575-

IN DB KOLONIE CURAfAO.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VAN DE GODSDIENST.

Art. 162. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en van hare leden tegen de overtreding der strafwet.

163. In de kolonie wordt gelijke bescherming verleend aan alle erkende kerkgenootschappen.

164. De gouverneur waakt dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van de gehoorzaamheid aan de algemeene verordeningen en de gestelde magten in de kolonie.

165. De belijders der onderscheidene godsdienstige meeningen genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerregten en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

166. De openbare eeredienst en godsdienstoefening is aan geene andere beperkingen onderworpen dan die, welke in het belang der openbare orde, rust en zedelijkheid bij koloniale verordeningen en plaatselijke keuren worden bevolen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VAN DE FINANCIËN.

Art. 167. Het beleid der koloniale geldmiddelen en het beheer der domeinen is, onder oppertoezigt van den gouverneur, opgedragen aan eenen hoofdambtenaar, die door den Koning wordt benoemd, geschorst en ontslagen en wiens instructie en jaarwedde door den Koning worden vastgesteld.

168. Het muntstelsel wordt bij de wet geregeld.

169. Geene belastingen worden in de kolonie ten behoeve van het Rijk of van de kolonie geheven dan uit kracht en volgens de voorschriften eener wet of koloniale verordening.

170. Geen privilegie in het stuk van belastingen mag worden verleend.

171. Geene koloniale belastingen mogen strekken om den vrijen handel met Nederland en Nederlandsehe koloniën of bezittingen te belemmeren, of om den handel, de nijverheid of den landbouw der kolonie te bevoorregten boven den handel, de nijverheid of den landbouw van Nederland of de Nederlandsehe koloniën en bezittingen.

De baken-, loods-, haven- en andere soortgelijke scheepsongelden en de bepalingen omtrent de groote scheepvaart zijn dezalfde voor alle vlaggen.

172. Geldleeningen ten laste der kolonie kunnen niet worden aangegaan dan uit kracht van koloniale verordeningen, goedgekeurd bij de wet.

173. Al wat betreft de uitgifte in eigendom of pacht en het beheer der domaniale gronden en bosschen of de uitoefening van an-

517

-ocr page 576-

KEGL. OP HET BELEID DEK REGERING

dere domaniale regten wordt geregeld bij de wet en, bij gebreke van ■deze, bij koloniale verordening.

174. De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

VAN DE GEWAPENDE MAGT.

Art. 175. Alle weerbare ingezetenen der kolonie zijn gehouden, ingeval de kolonie door eenen buiten- of binnenlandschen vijand bedreigd wordt, tot hare verdediging en, in tijd van vrede, tot bewaring der inwendige rust mede te werken. Zij worden te dien einde op de verschillende eilanden vereenigd in schutterijen.

De sterkte en inrigting dier schutterijen worden bij koloniale verordening geregeld.

176. Krachtens koloniale verordening kan worden opgerigt eene gewapende politie.

177. In geval van dringenden nood, wanneer de gouverneur met de Rijks zee- en landmagt, ter zijner beschikking staande, ondersteund door de koloniale gewapende magt, niet voorzien kan in de behoorlijke verdediging, is hij bevoegd, voor zoover de hem ten dienste staande hulpmiddelen het gedoogen, vrijwilhgers en zelfs vreemde hulptroepen tijdelijk in soldij te nemen.

TIENDE HOOFDSTUK.

VAN HET ONDERWIJS, DE OPENBARE GEZONDHEID EN HET ARMBESTUUR.

Art. 178. De verspreiding van verlichting en beschaving, en de aanmoediging van kunsten en wetenschappen wordt door de Regering aanhoudend behartigd.

179. Het geven van onderwijs staat vrij aan een iegelijk, die voldoende bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid levert.

180. Zooveel de middelen gedoogen, zorgt de overheid, dat het lager onderwijs de verkrijging der allereerste kundigheden onder het bereik brenge ook der on vermogenden.

Zij doet dit door ondersteuning van bijzondere of oprigting van «penbare scholen.

181. De regeling van het onderwijs op deze grondslagen geschiedt bij koloniale verordeningen en plaatselijke keuren.

182. Het toezigt van overheidswege uit te oefenen over den toestand der openbare gezondheid en al wat betreft de uitoefening dei-genees-, heel-, verlos- en artsenijmengkunst wordt bij koloniale verordeningen geregeld.

183. Het aanmoedigen van arbeidszin en het weren van luiheid

518

-ocr page 577-

in de kolonie curasao.

en lediggang bij de onvermogende bevolking is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering.

Het toezigt over het armwezen en de noodige voorzieningen daaromtrent worden bij koloniale verordeningen en plaatselijke keuren geregeld.

Daarbij wordt in acht genomen het beginsel, dat de bijzondere en kerkelijke liefdadigheid vrijgelaten en, zooveel mogelijk, bevorderd wordt.

ELFDE HOOFDSTUK.

van de volksvlijt.

Art 184. De gouverneur moedigt alle takken van volksvlijt, zooveel in zijn vermogen is, aan en doet aan den Koning en aan den Kolonialen Raad alle daartoe strekkende voordragten.

Bij koloniale verordening kunnen kamers van koophandel en fabrieken en commissien van landbouw opgerigt en haar werkkring geregeld worden.

185. Tot de oprigting van circulatiebanken, eredietvereenigingen en verzekeringsmaatschappijen kan bij koloniale verordeningen vergunning worden verleend.

186. De Regering legt zich met al de haar ten dienste staande krachten op de verbetering der middelen van gemeenschap toe.

Het toezigt, van overheidswege op de middelen van gemeenschap te land en te water te houden, wordt bij koloniale verordeningen en plaatselijke keuren geregeld.

187. De gouverneur kan, volgens regels bij koloniale verordening te stellen, vergunning verleenen voor den aanleg van werkeu en de oprigting van ondernemingen van openbaar nut.

Slotbepalingen.

Art. 188. Het tegenwoordig reglement wordt in de kolonie Curasao afgekondigd op de wijze bij art. 44 dezer wet bepaald.

Het treedt in werking op het tijdstip door den Koning aan te wijzen. 1)

189. De onderwerpen, bij artt. 138 en 159 vermeld, worden voor de eerste maal bij Koninklijk besluit geregeld.

519

190. Alle verbindende verordeningen, die er zijn op het tijdstip dat dit reglement in werking treedt, blijven van kracht, tot dat zij door andere, volgens de voorschriften dezer wet, vervangen zijn.

1) By K.B. van 28 September 2865, S. S. 117 eu 118, is dit tydstip zoo wel voor Suriname als voor Curacao bepaald op 1 January 1866,

-ocr page 578-

Ene Gen

-ocr page 579-

ALPHABETISCH REGISTER.

A.

Bladz.

Afkondiging (Wet, houdende regeling der) van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat.......145

Apotheker en Apothekersbediende. Zie Arts.

Armbestuur. (Wet tot regeling van het)........253

Artikel 152, 2de lid, der Grondwet. (Wet, ter uitvoering van) . 205 Artikel 191 der Grondwet. (Wet, ter uitvoering van) .... 181 Arts, (Wet houdende regeling der voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van) Tandmeester, Apotheker, Vroedvrouw en Apothekers-bediende.............345

B.

Bank. (Wet, houdende voorzieningen omtrent de Nederlandsehe) 246

Beeldende Kunsten. (Wet tot regeling van het onderwijs in de) 352 Betrekkingen, (Wet tot aanwijzing van de hooge en gewichtige

openbare) bedoeld in art. 90 van de Grondwet............53

Bronzen pasmunt. (Wet tot vervanging der koperen door) . . 240

C.

Comptabiliteitswet Nederl. Indië...........469

Curayao. (Wet, Regl. op het beleid der Regering in de kolonie) 490

D.

Departementen. (Wet, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële)........207

Dijk- en Polderbesturen enz. (Wet betrekkelijk de Kegtsmagt der hooge en andere Heemraadschappen,).......168

E.

Enquête. (Wet tot regeling van het regt van)......163

G.

101

Gemeentewet

-ocr page 580-

ALPHABETISCH REGISTER.

Geneeskundigen. Zie Arts.

Gouden standpenning...............239

Grondwet.................. 1

H.

Heemraadschappen, (Wet betrekkelijk de Kegtsmagt der hooge

en andere) Dijk- en polderbesturen enz........108

Hooger onderwijs. (Wet tot regeling van het)......319

I.

Indië. (Wet, houdende vaststelling van het reglement op het

beleid der Eegering van Nederlandsch).......441

Tndie. (Wet, Beheer en verantw. Geldmiddelen van Nederlandsch) 469

Ingezetenschap. (Wet op het Nederlanderschap en het) . . . 146

Inundatiën. (Wet, Militaire)............205

J.

Jagt en visscherij. (Wet tot regeling der)........425

K.

Kerkgenootschappen. (Wet tot regeling van het toezigt op de

onderscheidene)...............232

Kiesdistricten, (Wet, houd. regeling van de verdeeling der provinciën in) ter benoeming der leden van de Provinciale Staten. 89

Kieswet...................33

Koningin. (Wet betreffende het gebruik der benaming) ... 24 Koperen (Wet tot vervanging der) door bronzen pasmunt . . 240 Kunsten. (Wet tot regeling van het onderwijs in de beeldende) 352

L.

Lager onderwijs. (Wet op het)...........263

Landmacht. (Wet op het Militair onderwijs bij de) .... 355

M.

Maatregelen (Wet, houdende regeling der afkondiging van al-

gemeene) van inwendig bestuur van den Staat......145

Middelbaar onderwijs. (Wet houdende regeling van het) . . . 295

» » (Wet houdende aanvulling der wet op het) 317

Militair (Wet op het) onderwijs bij de Landmacht.....355

Militie. (Wet betrekkelijk de Nationale)........369

-ocr page 581-

ALPHAEETISCH BEOISTEE.

Ministeriële (Wet, houdende regeling der verantwoordelijkheid

van de Hoofden der) Departementen.........

Muntwezen. (Wet tot regeling van het Nederlandsche) . . . » (Wet tot nadere tijdelijke voorziening omtrent het

Nederlandsche)............

» (Wet tot vervanging der koperen door bronzen

Pasmunt)..............

» (Wet magtiging versmelting Rijksdaalders) . . . » (Wet, nopens de uitgifte van Muntbiljetten . . . N.

Nationale militie. (Wet betrekkelijk de)........

Nederlanderschap (Wet op het) en het ingezetenschap. . . . Nederlandsche Bank. (Wet, houdende voorzieningen omtrent de)

O.

Onderwijs. (Wet op het Lager)...........

» ( » » » Middelbaar).........

» ( igt; houdende aanvull. der wet op het Middelbaar)

» ( » op het hooger)...........

» (3 » » ) in de Beeldende Kunsten .... » ( » » » Militair) bij de Landmacht voor officiersrang en hoogere vorming............

Onderzoek. (Wet tot regeling van het regt van).....

Onteigening (Wet regelende de) ten algemeenen nutte. . . . » (Wet tot Verevening van sommen betr.) . . . P.

Pasmunt. (Wet tot vervanging der koperen door bronzen) . . Plaatselijke verordeningen. (Wet tot verzekering der uitvoering

van sommige voorschriften van)..........

Polderbesturen (Wet betrekkelijk de Eegtsmagt der hooge en

andere Heemraadschappen, Dijk- en) enz........

Provinciale Staten. (Wet regelende de zamenstelling en magt

van de)..................

Provinciën (Verdeeling der) in Kiesdistricten ter benoeming der

leden van de Provinciale Staten..........

R.

Raad van State. (Wet houdende regeling der zamenstelling en de bevoegdheid van den)............210

-ocr page 582-

ALPHABETISCH REGISTER.

Keglement (Wet,) beleid Begering Nederlandsch Indië. . . . 441

Reglement (Wet,) beleid Regering Curalt;;ao (met Suriname). . 490

Rekenkamer. (Wet houdende instructie voor de Algemeene) . 219

» (Aanvulling der instructie voor de Algemeene) . 231 S.

Scheepssoldijen. (Wet, rekenpligtig beheer der)......224

Schutterijen. (Wet op de).............405

Staten. (Wet regel, de zamenstell. en magt van de Provinciale) 65

Suriname. (Wet, Regl. op het beleid der Regering in de kolonie) 490

T.

Tandmeester. Zie Arts.

Toelating (Wet tot regel, der) en uitzetting van vreemdelingen. 151

U.

Uitlevering (Wet ten aanzien van de) van vreemdelingen. . . 154

Uitzetting (Wet tot regel, der toelating en) van vreemdelingen . 151

V.

Veenschappen en Veenpolders. (Wet, Verorden\'ngen) . . . 181 Verantwoordelijkheid (Wet houdende regeling der) van de

Hoofden der Ministeriële Departementen.......207

Vereeniging en vergadering. (Wet tot regeling en beperking

der uitoefening van het regt van).........160

Verordeningen. (Wet tot verzekering der uitvoering van sommige voorschriften van plaatselijke).........144

Verveningen. (Wet, houdende bepalingen omtrent) .... 178

Visscherij. (Wet tot regeling der Jagt en).......425

Vreemdelingen. (Wet tot regel, der toelating en uitzetting van) 151

» ( » ten aanzien van de uitlevering van) . . 154 Vroedvrouw. Zie Arts.

W.

Waterschappen enz. (Wet, Verordeningen) ......181

Waterschapsbesturen. (Wet betrekkelijk de Regtsmagt der) . . 168 Waterstaatsbelangen. (Wet tot voorloopige voorziening in

sommige).................174

-ocr page 583-

t41 i90 219 231

224 405 65 490

151

154 151

181 1

207 . 160

)

l

144 178 , 425 1 ; i 151 . 154

181

168

174

-ocr page 584-
-ocr page 585-
-ocr page 586-