-ocr page 1-
-ocr page 2-

gunning 8

-ocr page 3-

Dr ^VI\'4 J.ll£.

tm

%4 \'-nM

3amp;u

\':4 i

rbsSamp;S^ISSB®»

HfSr \'- ■$££

mm

.

V/:-.

mS§MM\\.

m

-ocr page 4-
-ocr page 5-

\'

\' \' \'

• i ■■•• ■ ......m-■

■■■ .....

im ^ -.iW

.

•**90 r-, gt;«uï- •-.. • -

-ocr page 6-

Mf

••#-«■ ■ ■ ■ - -• ■ .........

m mm \'m m, - ^ m ■ mmm ■ • • w»*

. .............,

iÉfissIsK- ■ - ■

-ocr page 7-

HET EVANGELIE DES K0N1NKRIJKS,

-ocr page 8-

■ v.- \'■■■■\' ■■

gt;- tfc* quot;Ö ^

I

.... , ,

, . ...... .

.....1*1

..... ■■

m \'

ywaVfi\'i\'i\'i i i I i, /

P?!*.T v

. •

,

ijp^

■flKi ■

.......■ ■ • t

•----------

.

-ocr page 9-
-ocr page 10-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1488 0979

-ocr page 11-

-^

gunning d.C.ugt;

%i ïuiutjelif éu

JWatthéus\' ^yangelie

PRACTISCH VERKLAARD

door

O. H. SPURGEON.

(jcf êiicietscji •vctl\'aafó

DOOK

ELISABETH FR.E\'^\'STA.rDT.

-ocr page 12-

Stoomdrukkerij — P. den Boer — Utrecht.

-ocr page 13-

Kort en eenvoudig moet het voord wezen ter inleiding van dit hoek hij de vele vrienden, die het welkom zullen heeten, en waarnaar zoo velen reikhalzend hebben uitgezien.

De geliefde schrijver is heengegaan om zijn eeuwig loon te ontvangen, hij is thans de „eeuwig gezegende des Heerenquot;, maar ons heeft hij dit kostbaar legaat nagelaten, hetwelk ons hart hemelwaarts henentrekt.

In deszelfs heilige en smartelijke heteekenis staaf het alleen en op zich-zelven. Het is des vermoeiden werkers laatste arbeid der liefde voor zijn Heere. Het is het laatste liefelijk lied van lippen, die altijd den, lof hebben verkondigd van zijn\'1 Koning. Het is de stervende juichkreet van den standaarddrager, die onversaagd zijns Veldoversten\'s vlag heeft gedragen in het heetste van den strijd.

Eerbiedig leggen wij het neder aan de voeten onzes dierbaren Meesters, met liefde, met tranen, met gebed. Het behoeft geene toelichting. Het staat boven alle critiek. Maar Gods goedkeuring zullen deszelfs loon en heerlijkheid ivezen.

Gedurende de twee voorafgegane winters werd een groot gedeelte van Ds. Spurghon\'s vacantietijd in het zuiden van Frankrijk aan dezen arbeid gewijd, en het draagt de innerlijke kenmerken van dan helderen hemel en de schitterende zon van het land, waar het werd geschreven.

Bij zijn laatste bezoek te Mentone na zijne zware krankheid, was de kracht en elasticiteit van zijn\' geest blijkbaar geheel hersteld, en zoo werd\' deze arbeid met liefde en lust weder ter hand genomen, ja met zoo grooten ijver, dat wij dikwijls vreesden, dat zijne gezondheid er onder lijden zou. Maar het was moeielijk om hem tot minder inspanning te bewegen. Met zijn\' Meester kon hij zeggen: „Mijne spijze is, dat ik doe den teil Desgenen, die mij gezonden heeft, en zijn werk vol breng e^, en tot voor weinige dagen, vóór het einde van zijn schoon en godvruchtig leven, heeft hij zich voortdurend met de verklaring van dit deel van Gods Woord onledig gehouden.

Zeer veel van het laatste gedeelte dezes iverks werd dus geschreven als op de grens des heniels, te midden van de naderende heerlijkheid der onzicht\' bare wereld, schier „binnen het gezicht der Gouden Poorten.quot;

Zulke woorden hebben het plechtige en het aandoenlijke dat aan „laatste

-ocr page 14-

woorden\'quot; eit/en is, en waarmede zij door niets anders hekleed zonden hunnen worden. Het is ons bijna als of wij luisterden naar „eene stem van de hoog waardige heerlijkheid.quot;

Evenwel, terwijl ik de proefbladen las van dit laatste werk mijns geliefden echtgenoots, werd ik even sterk getroffen door den diepen eenvoud, als door het liefelijke, teedere en kernachtige van zijne verklaringen. Het geheim van zijne tjroote kracht was voorzeker hierin gelegen, dat hij volgaarne bereid was om uit te spreken, wat God, hem in het hart had, gegeven, en dat hij nooit getracht heeft, „beweeglijke woorden der menschelijke wijsheidquot; te gebruiken.

Des Meesters roepstem is tot zijn\' getrouwen dienstknecht, gekomen eer hij de revisie van zijn ■manuscript kon voltooien- De laatste bladzijden zijn echter met liefdevolle zorg en frolieel en al uit zijn gesproken en geschreven woorden bijeengebracht door dot geliefden vriend, die in al zijn1 arbeid voor (lod op het innigst met hem verbonden was.

SUSY SPURGEON.

W est wo 01)

Beulaii Hill

Uppeii Norwood.

Januari 1893.

-ocr page 15-

HET EVANGELIE NWR DE BESCHRIJVING VAN MATTHÉÜS.

HOOFDSTUK T. 1—17. [De stuiiibooni des Koning.]

TT l\'l\' (^s van Jezus

Christus, den zoon van David, den zoon run ylhrahatn.

In dit vors /.ion wij roods do bij-/otuloro strekking van Matthóus\' evangelie aangeduid. Mij is door don Heiligen Goost bewogen geworden, om van onzen ileore Jezus Christus te schrijven ai.s konin« „den zoon. ran Daridquot;. i\']r zal van Hem gesproken worden als regeorendo, inzonderheid over hot ware zaad Abrahams; vandaar, dat II ij genoemd wordt „de zoon ran AhrohaIfeoro .lezua, neig ons hart, dat wij, een iegelijk onzer, U noemen „Mjjn God en Koning!quot; Moeli-ton wij, als wij dit wondervolle EVAN-OFifjIK DUS KONINKHUKS lozen, VOl\'VllId zijn van trouwe gehoorzaamheid, on I1 ouzo nederige hulde bieden! Gij zijt beide Koning en Konings Zoon.

Het dool der Schrift, waarbij wij thans stilstaan, hoeft liet aanzien van eene reeks van namen, en wij zouden allicht kunnen denken, dat het ons weinig of geon geestelijk voedsel zal opleveren. Doch er is geen enkele regel in het door don Heiligen Geest ingegeven Boek, dien wij gering mogen aehton. Hier toont do Goost ons den stamboom van Jezus, geeft Hij ons het geslachtsregister van „den Koning dor Jodon.quot; Wondervolle verwaardiging, dat Hij een menseh werd en een geslachtsregister had, HIJ, die „in don beginne bij God wasquot;, en het „geon roof geacht heeft, Gode even gelijk te zijnquot;! Laat ons iederen regel lozen van „Het boek des geslaehtsquot;, met aanbidding en dank, dat wij eenquot; Koning hebben, dio één met ons is in onze natuur: „Door do banden dos bloods met de zondaren één.quot;

2. Ahraham cjeiron isaal:, en Izaiik gewon Jahoh, en Jakoh cjetron Jada.t, en zijne hroeders.

Met Abraham was liet verbond go-maakt, dat in zijn zaad alle de go-slachten dor aarde gezegend zouden worden. De linie ging niet door Ismaël, het zaad van het vleesch, maar in Izaiik, die geboren was naar de belofte, en naar het Goddelijk voornemen ging zij verder door in den uitverkoren Jakob, en niet in den eerstgeborene Ezau. Laat ons de vrijmacht Gods opmerken en bewonderen. Onze Heere is voortgekomen uit Juda, van welken stam niets betreffende het priesterschap wordt gezegd, opdat het duidelijk blijkc,


1

-ocr page 16-

2 DE ST AM HOC) M OKS KONINGS. | I foolclst. 1.

dut zijn priesterscliap niet is „imar do wet dos vleosciieljjlcon gebods, maar naar do kracht dos onvorgankolijkon levens. quot; Hij is uit Judas\' koninklijken stam gesproten, want ]1ij ia Koning.

3, 4. I\'hi Judas gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fairs gewon Esroni, en Esrom gewon Aram; en Aram gewon Aininadal), en Aminadah gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon.

Lot op liet onrein bloed, dat zicli hier met den stroom vermengt door do bloedschande van .Inda mot Tliamar. O iroero! Qjj /ijt do Vriend der zondaren!

5. En Sainton gewon Boöz hij Bachab, en Boöz gewon Obed hij Kutli,en Obed gewon Jessai.

Wij bemevken, dat in dit vijfde vers twee vrouwen genoemd worden : eono \'Kanaiinitisclic en eono Moabitischo, zoodat liet llebreouvvscho ras mot lloi-densch bloed wordt vermengd. Onze Koning is gokomon om don middelmuur des afscheidsels te verbreken. Wij, die tot do volken bohooren, verblijden ons hierin. .Jezus is erfgenaam van oon geslacht, in welks aderen hot bloed stroomt van Haehab, do hoer, en van Itiilh, hot eenvoudige landmeisje. Hij is vermaagschapt aan de gevallenen on do nodorigon van stand en geboorte, en Hij zal zelfs aan do armsten on onaanzionlijksten zijne liefde betoonen. Ook ik kan dool aan Hom hebben.

0—9. En Jessai gewon David, den koning; en David, de koning, gewon Salomon hij degene, die Uria\'s vrouir was geweest. En Salomon gewon Itóhoam, en Itóhoam. gewon Abta, en Abia gewon

A sa; en Am gewon Jósafaf, en Jósafal gewon Jorain, en Joratn gewon Ozias; en Ozla.t gewon Jóatham, en Jóntham getoon Aehaz, en yiehaz gewon Ezehias.

Wol mag ons hart diep geroerd zijn bij do herinnering aan David on üiithseba! Do vrucht van hunne onheilige verbintenis stierf, maar na het berouw over de zondo word zij, dio „ Uria\'s vrouw was geweedquot;, do vrouw van David en de moedor van Salomo. Zeer bijzonder heeft (iods genade hierin uitgeblonken, dat de linie doorging in dit voormaals schuldig paar; maar aeh! welk eono verwantschap van den Iloere met de gevallen inenschheid wordt hier tevens mede aangetoond! Wij wen-schen geene nieuwsgierige blikken te werpen in do verborgenheid der mensch-wording; maar wij staan verbaasd over de nederbuigende goedertierenheid Gods, die voor onzen lloerc zulk 0011\' stamboom heeft bestemd.

10. En Ezeklas gewon Manasse, en Manasse gewon Anion, en Amon gewon Joslas.

Eono reeks van koningen van zeer verschillend karakter, geen van allen volmaakt, en sommigen van hen zoo slecht mogelijk. Drie hunner zjjn geheel en al weggelaten: er bevonden zich onder deze elkander opvolgende koningen ook zulke schrikkelijke zondaren, dat zij niets anders waard waren dan om aan do vergetelheid te worden prijs gegeven; en dit toont ons, hoe weinig goeds er te verwachten is van het geboren zijn uit den wille des vleeschos, of don wille des mans. Jn deze bijzondere linie van afkomst was do zaligheid noch uit den bloede, noch uit do geboorte. Laat ons hier inzonderheid denken aan zoodanig iemand als Manasse, die mede tot de voor-


-ocr page 17-

DU STAMliOOM 1)1« IvONINOH.

Hoofdst. 11

vaderen behoorde van onzen Ileere, als om ons een wenk te geven, dat er zieli in liet geslacht, dat na hem zou komen, sommigen van do voornaamsten der zondaren zouden bevinden, die wondoren van genade zonden worden. Wederom zeggen wij: hoe dicht nadert Jezus door deze geslachtsljjat tot ons gevallen geslacht!

11. Ivn •Jofgt;{((s (jcivon •IcrhónhiH en zijne hroedern, oinlrent de Bahylonixche overvoering.

Arme gevangenen, en zij, die ge-honden zijn met do ketenen der zonde, l.unnon in dit vormaarde voorgeslacht sommigen vinden, die hun gelijk zijn. Zij zijn do gevangenen dor hope, nu de Christus geboren is uit een geslacht, dat eenmaal gevankelijk naar Babel was overgevoerd.

12—10. En na de Bahi/lonische overvoering gewon Jechóni/is Saldthiël, en Sahifhiël gewon Zorohdhel; en Zorobdhel gewon Ahiud, en Abindgewon Eljakim, en Eljcdcim gewon Azor; en Azor gewon Sudok, en Sadoh gewon Achim, en Achim gewon Klind; en Elind gewon Kleózeir, en Kleuzar gewon Mafthan, en Mat than (jewon Jahoh ; en Jal\'oh gewon Jozef, den man van Maria, nii welke gehoren is Jkziis, gezegd Christus.

Op een of twee uitzonderingen na zijn dit namen van personen, die van weinig of geeno beteekenis zijn. De laatsten waren volstrekt onbekende en onbeduidende personen. Onze Heere was „als een wortel uit oene dorre aardequot;; „een rijsje uit den afgehouwen tronk van Isaï.quot; Hij heeft weinig waarde gehecht aan aardsche grootheid. Hij moest behooren tot het menschel ijk geslacht, maar Hij komt in eeno familie, die onaanzienlijk en gering is, en daar vindt Hij zijn\'vermeenden vader. Jozef, een\' timmerman van Nazareth, lljj is de Koning der armen. Hjj zal niemand onzer versmaden, omdat ouzes vaders huis gering is in Israël. Hij zal zich tot de ge-ringen nederbuigen.

quot;Wonder, dat alle wonderen te hoven gaat! Het Woord, door hetwelk alle dingen gemaakt zijn, is zelf vlecsch geworden en heeft onder ons gewoond! Hij was geboren uit oene menscheljjko moeder, uit do nedere maagd Maria. „Overmits dan de kinderen dos vlee-sches en bloods deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden.quot; Ons hart wenscht met het welriekend reukwerk der liefde en des lofs hot hoofd te zalven van Hem, die „gezegd wordt Christusquot;, do Gezalfde.

17. Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en ran Dnvid tot de Dabi/lonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babi/Ionische overvoering tot lt; \'hristns, zijn veertien geslachten.

De Heilige Geest hoeft zijn\' dienstknecht Matthéus geleid om oene eenvoudige methode te volgen bij zijne beschrijving, ten einde ons zwak geheugen te hulp te komen. AVij hebben hier driemaal het getal veertien. Laat ons hieruit leeren, om ons gemeenzaam bekend te maken met den stamboom onzes Heeren, en voel na te denken over zijn geboren zijn in deze wereld. Laat ons inzonderheid opmerken, dat Hij in letterlijken zin uit den huizo Davids en uit het zaad Abrahams was; want door volo profetiön uit het Oude Testament wordt op dit feit gewezen. Hij is waarlijk en werkelijk do Messias, de Vorst, die komen zoude.


-ocr page 18-

PE STAMUUOM DKS KONT NOS.

| Iloofdst. 1.

2

(lat zjju priestorscliap uict is „naar de wet des vieoseheljjken gebods, maar naar de kracht des onvergankehjken levens.quot; Hij is uit iludas\'koninklijken stam gesproten, want Hij is Koning.

3, 4. l\'Jn Judas gewon Fares en \'/ara hij \'1\'ha mar; en Fares (jewon Esrom, en Esrom ge icon Aram; en A ram gewon A minadah, en A minadah gewon JS\'ahasson, en Nahasson gewon Salmon.

Ijot op het onrein bloed, dat zich hier met den stroom vermengt door de bloedschande van .Inda met Thamar. O lleere! Qjj zijt de Vriend der zondaren!

5. En Salmon gewon Boöz hij Rachah, en Boöz gewon Ohed hij liuth, en Obed gewon Jessai.

Wij bemerken, dat in dit vijfde vers twee vrouwen genoemd worden : eeno \'Kanaanitische en eene Moabitische, zoodat het Hebreeuwsohe ras met llei-densch bloed wordt vermengd. Onze Koning is gekomen om don middelmuur des afscheidsels te verbreken. Wij, die tot do volken behooren, verblijden ons hierin. Jezus is erfgenaam van een geslacht, in welks aileron het bloed stroomt van Itaetiah, do hoer, en van h\'ii/h, het eenvoudige landmeisje. Hij is vermaagschapt aan de gevallenen en de nederigen van stand en geboorte, en 11 ij zal zell\'s aan de armsten en onaanzienljjksten zijne liefde betoonen. Ook ik kan deel aan Hem hebben.

6—9. Fn Jessai gewon David, den koning; en David, de koning, gewon Salomon hij degene, die UriiCs vronw was geweest. Fn Salomon gewon Itóhoarn, en Róboam gewon Ahia, en Abia gewon

Asa; en Asa gewon ,lósafat, en Jósafat gewon dorani, en .lorum gewon Ozias; en Oziat gewon Jóalham, en JóatJiain gewon Arliaz, en Aehaz geiron Fzel\'las.

Wèl mag ons hart diep geroerd zjjn bij de herinnering aan David en Bathseba! Do vrucht van hunne onheilige verbintenis stierf, maar na hot berouw over do zonde werd zij, die „ Uriahs vrouw was geweestquot;, de vrouw van David en do moeder van Salomo. Zoor bijzonder hoeft Gods genade hierin uitgeblonken, dat do linie doorging in dit voormaals schuldig paar; maar ach! wolk eono verwantschap van don Heore met do gevallen menschheid wordt hier tevens mede aangetoond! Wij wen-schen gcene nieuwsgierige blikken te worpen in de verborgenheid der mensch-wording; maar wij staan verbaasd ; over de nederbuigende goedertierenheid Gods, die voor onzen Heore zulk een stamboom heeft bestemd,

10. En Ezehlas gewon Manasse, en Munasse gewon Amon, en Amon gewon Joslas.

Eene reeks van koningen van zeer verschillend karakter, geen van allen volmaakt, en sommigen van hen zoo slecht mogolijk. Drie hunner zijn geheel cn al weggelaten: er bevonden zich onder deze elkander opvolgende koningen ook zulke schrikkelijke zondaren, dat zjj niets anders waard waren dan om aan do vergetelheid te worden prijs gegeven; en dit toont ons, hoe weinig goeds er te verwachten is van het geboren zijn uit den wille des vleosches, of den wille des mans. In deze bijzondere linie van afkomst was de zaligheid noch uit den bloede, noch uit de geboorte. Laat ons hier inzonderheid denken aan zoodanig iemand als Manasse, die mede tot do voor-


-ocr page 19-

dl-: stamboom des konings.

] loofdst. 11

vaderen bohoordo van onzen TToere, als om ons een wenk te geven, dat er zich in liet goslaclit, dat na hem zou komen, sommigen van do voornaamsten der zondaren zouden bevinden, die wonderen van genade zouden worden. Wederom zoggen wij: hoe dicht nadert .lo/.ns door deze geslachtslijst tot ons gevallen geslacht!

11. Kn Joftlas (iciron •lechónidx en zijne hroedera, omtrent de Bahi/idnischc overvoerinrj.

Anno gevangenen, cn zij, dio gebonden zijn met de ketenen der zondo, 1;linnen in dit vermaarde voorgeslacht sommigen vindon, dio hun gelijk zijn. Zij zijn do gevangenen der hope, nu de Christus geboren is uit een geslacht, dat eenmaal gevankelijk naar liabel was overgevoerd.

12-—10. I\'\'ii na de Babi/Ionische overvoer inr/ (jewon Jechónius Saluthiël, en Scddthiët gnron Zorobdbel; en Zorobabet gewon Ahiud, en Ahind (jetvon FAjakim, en Eljnkun f/eiron A zor; en A sar gewon Sndok, en Sadok gewon Achirn, en Achirn gewon Klind; en Wind gewon FAedzar, en VAedzar gewon Meittlnm, en Motthan gewon ./((kolt; en •Jakob gewon Jozef, den man ran Maria., uit welke geboren is Jkzüs, gezegd Christus.

Op oen of twee uitzonderingen na zijn dit namen van personen, die van weinig of goene beteekenis zijn. De laatsten waren volstrekt onbekende on onbeduidende personen. Onze Heere was „als een wortel uit cene dorre aardequot;; „oen njsjc uit den afgehouwen tronk van Isaï.quot; Hij heeft weinig waarde gehecht aan aardsche grootheid. Hij moest behooren tot bet menschel ijk geslacht, maar Hij komt in coiio familie, dio onaanzienlijk on gering is, on daar vindt ll jj zijn\'vermeenden vader. Jozef, eon\' timmorman van Nazareth. Iljj is do Koninc: der armen. Iljj zal niomu.id onzer versmaden, omdat onzes vaders huis gering is in Israël. IFij zal zich tot de go-ringon ncderbuigen.

Wonder, dat alle wonderen te boven gaat! Het Woord, door hetwelk allo dingen gemaakt zijn, is zolf vleesch geworden en heeft onder ons gewoond! Hij was geboren uiteenemenscheljjko moeder, uit do nedere maagd Maria. „Overmits dan do kinderen des vlee-sches on bloods deelachtig zijn, zoo ia hij ook desgelijks derzelvo doolnchtig geworden.\'\' Ons hart wenscht met het welriekend reukwerk dor liefde en des lofs hot hoofd te zalven van Hem, die „gezegd wordt Christusquot;, de Gezalfde.

17. Al de geslachtendan, ran Abi-a-hatn tot David, zijn veertien geslachten; en v((n David tot de lUihi/lonisehe overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babi/Ionische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten.

Do IToiligo (ionst hooft zijn\' dienstknecht Malthóus geleid om oono eenvoudige methode te volgen bij zijne beschrijving, ten einde ons zwak go-hougen te hulp te komen. quot;Wij hebben hier driemaal het getal veertien. Laat ons hieruit loeren, om ons gemeenzaam bekend te maken met don stamboom onzes Heeren, en voel na to donken over zijn geboren zijn in deze wereld. Laat ons inzonderheid opmerken, dat Hij in letterlijken zin uit den huizo Davids on uit het zaad Abrahams was; want door vele profetiën uit het Oude Testament wordt op dit feit gewezen. Hij is waarlijk en werkelijk de Messias, de Vorst, die komen zoude.


_

J

-ocr page 20-

I ITnofdst. T.

4

HOOFDSTI [De geboorte

18. De geboorte van Jezus Christus was nu aldus: want als Maria, zijne moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zatnen gekomen waren, u-erd zij zwanger bevonden uit den Heiligen (leest.

Eon paar woorden waren voldoondo om do goboorto to besclirjjven van al do koningen, wier namen wij hebben gelezen; maar van do geboorte van onzen Hooro Jozns Christus valt vool moer te zoggen. Do evangelist gordt zich aan tot zijne ploohtigo, g-rootscho taak, en schrijft: „De geboorte ran Jezus Christus was nu aldusquot; Hot is oen diepzinnig, goheimenisvol on toeder onderworp, moor geschikt voor eerbiedig geloof\', dan voor gissende nieuwsgierigheid. Do Heilige (Joost hooft in do verkoren maagd hot lichaam onzes Hoeren gewrocht. 11 ij kon op goene andere wijze zijn goboron; immers, indien Hij een\' zondigen vader had gehad, hoe zou lljj dan oone zondelooze natuur hebben kunnen bezitten? IIij is geboren uit oone vrouw, opdat llij monsch zou wezen, maar niet door don man, opdat Hij niet zondig zou zijn. Zie, hoe do Heilige Geest mede deelneemt aan hot werk onzer verlossing door zijne toebereiding van het lichaam onzes Hoeren.

li). Jozef nu, luiar man, alzoo hij rechtvaardig ivas, en haar niet willende openbaarlijk te schande maken, was ran wille haar heimelijk te. verlaten.

Maria was hem ondertrouwd, en hij was bedroeid en als verbijsterd, toen hij vernam, dat zij moeder moest worden, voordat zij werkelijk gehuwd waren.

\'KI. 18—25.

des Koninj^s.]

Velen zouden haar mot verontwaardiging hebben verstoeten en haar openlijk te schande gemaakt hebben; maar .lozot\'was van oen\'koninklijken geest, zoowel als van een koninklijk geslacht. Hij wilde hetgeen hij de zonde zijner ondertrouwde vrouw noemde niet openbaren, niet voor aller oog blootleggen. Ofschoon hij dus gevoelde, dat hij haar weg moest zenden, wilde hij dit stil en op kalme wjjzo doen. Als wij strenge maatregelen moeten nemen, zoo laten wij dit dan tooh op zoo toodore wjjzo doen als ons maar mogelijk is. Dan zou hot wol eens kunnen gebeuren, dat wij hot in het geheel niet behoeven te doen.

20. /■,\'» alzoo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des He-eren verscheen- hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uive vrouw tot u te nemen, want hetgeen in haai- ontrongen is, dat is uit den Heiligen (leest.

liet kou niet anders, of hij moest zich /.eer bezwaard en beangst gevoelen, en ongetwijfeld heeft hij wegens die zaak dag en nacht tot Üod gebeden. God wilde de eere der uitverkoren moedermaagd niet zonder bescherming laten. Jozef ontving weldra de beste leiding, lljj ontving van don hemel de verzekering, dat Maria niet had gezondigd, maar dat zij door den Hooro hoogelijk was bevoorrecht. Jozef wordt herinnerd aan zijn\' koninklijken rang, „gij zone Davidsquot; en hem wordt bevolen zijne vreeze van zich te werpen. Hoe grootoljjks moot hij vertroost zijn geworden door des Heeren „vrees niet!quot; Hij moest Maria onder zijne teedere


-ocr page 21-

DU (jKHOORTR DES KONINGS.

] [oofdst. 1.1

liocde nemen, en een voedstervader wezen voor den Zoon, die uit haar zou geboren worden.

M aria moet zelve ook in grooten angst en zorge zijn geweest, of have raededeeling van liet bezoek van den engel wel gelooid zou worden, want liet leek tamelijk onwaarschijnlijk. Ongetwijfeld werd zjj gesteund door haar geloof; maar zjj had dan ook zeer veel geloof noodig. Ieder groot voorrecht brengt eene greote beproeving met zich als deszelfs schaduw, en wordt aldus eene nieuwe geloofsbeproeviiig. De Heere heeft genadiglijk alle achterdocht uit Jozefs hart weggenomen, en op deze wijze gezorgd beide voor de eer der moeder en voor het welzijn van het heilig Kindeken. Indien Jezus in ons hart wordt geboren, dan zullen wij in benauwdheid en moeielijkheid komen ; maar de Heere zal getuigen,dat Christus de onze is, en onsgewisseljjkdoorlielpen.

21. Kn zij zal een\'\' zoon haven, en (jij zult zijii1 naam hecten Juzus; urenf hij zal zijti volk zalig maken van h unne zonden.

De Heere der li eerlijkheid is geboren als Zoon des menschen, en wordt op (iods bevel en door den mond des menschen, Jkzus, de Zaligmaker of Verlosser genoemd. Kn wat Hij genoemd wordt, is Hij. Hij verlost ons van de straf 011 de schuld der zonde. Dit doet Hij voor „zijn volk,\\ namelijk voor allen, die in Hem gelooven. Het is zijne natuur om dit te doen, gelijk wij zien in het feit, dat zelfs zijn naam is Jezus — Zaligmaker. ï\\Tog noemen wij Hem bij dien naam, want ook in deze laatste dagen maakt Hij ons nog zalig. Laat ons heengaan en zjjn\' Naam verkondigen onder demenschen; want Hij wil ook anderen nog zalig maken.

22, 23. En dit alles is rjescliied, opdat | vervuld zou worden, hetgeen van den j Heere gesproken is door den profeet, j zeggende: Ziet, de maagd zal zwanger j worden, en een\'1 zoo)i haren, en gij zult zijn\' naam heeten Immavuël, hetwelk \\ is, overgezet zijnde, God wet ons.

Wie zou gedacht hebben, dat de profetie, vervat in Jesaja VII* 14, heen zou wijzen naar onzen Heere? De tijd zal weldra komen, dat wij in het door God ingegeven Woord veel meer zullen ontdekken, dan wij er heden in zien kunnen. Het is, om eene profetie te begrijpen, wellicht noodig, dat wij er do vervulling van zien. Hoe blind zijn onze oogen!

Het is liefelijk om op te merken, dat overeenkomstig dit vers en het een en twintigste, Immanuël en Jezus hetzelfde beteekenen. „God met onsquot; is onze Zaligmaker. Hij is als God met ons, om ons zalig te maken. De menschwording vau -lezus is onze zaligheid, onze verlossing.

Om Jozef te bemoedigen en hem in zijn gemoed tot eene beslissing te doen komen, wordt hjj indachtig gemaakt aan de Heilige Schrift, en gewis! als wij ons in verlegenheid bevinden, en niet weten wat te doen, dan is er niets dat ons zooveel vertrouwen geeft om voorwaarts te gaan als het Woord Gods. Hoe innig vertrouwd was Jozef mot de profeten, dat hunne woorden hem in den droom voor den geest kwamen! Heere, hetzij ik uw Woord lees terwijl ik waak, hetzij het mij in herinnering wordt gebracht terwijl ik slaap, het is mij altijd even dierbaar en kostelijk! maar Gij, Heere Jezus, God met ons, zijt mij nog dierbaarder; en het geschreven Woord is voornamelijk hierom zoo kostelijk, wijl het spreekt van IJ, hot Woord, dat vleeseh is geworden.

24, 25. Jozi f dan, opgewekt zijnde


-ocr page 22-

ue koning vkrschunkn un de koning aanukkani). |IIüül\'dst. II.

6

van. den daap, deed, (jdijlc de engel de* \\ Hoeren hem bevolen licid, en heeft zijne \\ vroniv tot ziek (jenotnen; cn bekende haar \\ niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon gehaard had ; en heette zijn\'1 naam Jezus.

Jozef was hot liemelsch visioen in geen enkel opzicht ongehoorzaam. Hij heeft do zaak niet uitgesteld, maar zoodra liij opstond „deed hij gelijk de j engel des Ileeren hem bevolen had.quot; Zonder vertraging, zonder aarzeling ol voorbehoud, gehoorzaamde hij. Wolk een heilig ontzag vervulde zijn hart, toon hij de bevoorrechte maagd welkom heette in zijn huis, om haar met oor-bied en liefde te beschutten togen allo kwaad! Wat moot er wel bij hem zijn omgegaan, toen hij den Zoon dos Allor-hoogston aan don boezen zag liggen van zijno ondertrouwde vrouw! Het was hem zalig om den pasgeboren

Koning dienst te bewijzen. Daar hij Maria aannam als zijne ondertrouwde vrouw, was haar kind do erfgenaam van Jozef on bijgevolg ook van David, on aldus was Hij rechtens do Koning dor Joden. Onze Hoere Jezus had oen geboorterecht door zijne moeder; maar zijn recht van zijns vaders zijde was door Jozefs acte van aanneming, ou dus boven eiken twijfel gesteld.

Verlaten wij deze wondervolle Schriftuurplaats, terwijl wij den Zone Gods aanbidden, dio zich hooft verwaardigd om als Zoon des menschon to worden geboren. Aldus is onze God onze Broeder geworden, boon van ons boon, en vleosch van ons vleosch. Hoe meer Ifij tot ons nadert, hoe nederiger wij Hem moeten aanbidden. Hoe meer wezenlijk onze verwantschap is aan onzen Koning, met hoe meer geestdrift wij Hom moeten kronen als Heer van allen!


HOOFDSTUK II.

[De Koninjï verschciicn en de Ronliig\' amig\'erand.]

], 2. \'Toen nn Jezus r/thoren was te Bethlehem, gelegen in Jndc\'a, in de dagen rem den koning Heródes, ziet, eenige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien zijne ster in het Oosten, en zijn gekomen, om hem te aanbidden.

De Koning is geboren, on nu moot ll jj worden erkend. Op hetzelfde oogen-blik zal Hij ook worden aangerand. Zijne geboorte had plaats in de dagen van een\' anderen koning, van Edomi-tischo afkomst, die Davids troon had overweldigd. Hot koninkrijk der wereld staat tegenover hot koninkrijk onzes Hoeren: waar Jezus geboren is, daar zal oen Horodos in macht en aanzien zijn. Hot is oono wonderlijke zaak, dat Magiërs, storrankundigen in verre landen, wisten, dat er een groot Koning was geboren, on van zoo groeten afstand kwamen, om Hem hulde te doen, want de wijzen der wereld ziet men niet dikwijls zich noderbnigen voor Jezus\' voeten. Als wijzen onzen Koning zoeken, dan zijn zij in waarheid wijs. Dit waren vrome mannen, tot wie do sterren van God spraken. Een buitengewoon licht aan den hemel — dat betookendo voor hen do geboorte


-ocr page 23-

lloofdst. ir.| DK KONING VEIISCMENEN EN DE KONING AANGERAND.

7

van don Komende, naai\' wien velen in alle landen der wereld uit/agen. De sterren zouden ons ten gids kunnen zijn, indien wij ons slechts wilden laten leiden. Ifcere Jezus, iaat alles tot mij spreken van U, en mocht ik in waarheid geleid worden om IJ te vinden.

Do wijzen stelden zich er niet mede tevreden „zijne ster (jezien te hebbenquot;\', zij moeten ook Hom zeiven zien; en Hom ziende, moeten zjj Hom aanbidden. Dezen twijfelden volstrekt niet aan zijne Godheid: „ Wij zijn (jehommquot;, zeiden zjj, „ow hem te aanbiddenquot;. Heere, ik bid U, wil alle wijzen er toe brengen om IJ te aanbidden.quot;

3. De Icoyi ing Heródes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.

Heródes wordt uitdrukkelijk genoemd: „De koning [jeródenquot;; in die hoedanigheid is hij de vijand onzes Konings. Die menschen bevinden zicli wel in een\' zeer treurigen toestand, voor wie de Zaligmaker oene beroering is. Sommigen zijn gelijk Heródes, ontroerd, omdat zij vreezen hunne positie en hunne wereldsche eere te verliezen, als do ware Godsdienst zich uitbreidt, en velen hebben een\' onbe-stemdeu angst, dat do tegenwoordigheid van .le/.us hen van genot zal berooven, of offers van hou zal eischen, die zjj niet willen brengen. O Gij, Koning des hemels, mij ontroert Gij niet: mij zijt Gij tot vreugde en blijdschap!

Merk op den invloed van één\' enkelen mensch: dc ontroering van Heródes deelt zich mode aan „rjeheel Jerusalemquot;. Wol was daar reden toe, want deze wreedaardige vorst schiep er behagen in om bloed te vergieten, en het fronsen van zijn voorhoofd beteekende voor zeer velen den dood. Rampzalig Jeruzalem, dat ontroerd wordt wegens de geboorte van den Zaligmaker! Kamp-zalig volk, voor hetwelk de ware godsvrucht eene vermoeiing des geestcs is.

4. Kn bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en sehriftgeleerden des rol/,-*, r raagde run hen, waarde Christus zou geboren worden.

Het voorspelt niet veel goeds voor de waarheid, als de koning die uit de aarde, aardsch is, zich met theologie gaat bemoeien. Heródes onder de Over-priesters en Schriftgeleerden is nog altijd Heródes. Sommige menschen kunnen zeer wol onderwezen zijn in hun\' Bijbel, en er slechts te erger aan toe zijn om hetgeen zij er in hebben ontdekt. Evenals Heródes maken zij een slecht gebruik van hetgeen zij vernomen van de waarheid; of, gelijk deze Schriftgeleerden, kunnen zij veel weten omtrent den Ileero Jezus, en toch geen hart voor I fom hebben.

5, C. Kn zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa gelegen; want at zoo is gesehreven door den profeet: Kn gij Bethlehem, gij land dada! zijt getiis-zins de minste onder de vorsten oan Juda, trant uil u zal de leidsman voortkomen, die mijn roti- Israël weiden zal.

Zij maakten oene juiste gevolgtrekking, al waren zij ook eenigszins duister in hunne aanhaling. Jezus moest in de stad Davids geboren worden, in Bethlehem, hetwelk is, overgezet zijnde, „huis des broods.quot; Ofschoon het slechts een klein stadje was, lieeft zijne geboorte het toch beroemd gemaakt. Deze Schriftgeleerden wisten, waar den tekst te vinden, omtrent des Heilands geboorte, en zij konden hun\' vinger loggen op de stip op do kaart, waar Hij geboren moest worden; en toch kenden zij den Koning niet, hebben


-ocr page 24-

I)R KONINCJ VRRSCHKNKN EN I)K KONING AANGERAND, | Hoof\'dst. I 1.

s

zij er zich niet om bekommerd om Hem te ontdekken. Mocht ik toch nooit in liet treurige geval verkeeren van volleerd te zijn in dc aardrijkskunde der Schrift, in profetie en theologie, en toch ITcm te missen van wien de Schrift spreekt!

AVij willen met blijdschap letton op don titel van Leidsman, of lleerscher, die hier aan Jezus wordt gegeven-Indien Hij heerscht over ons, dan be-hooren wij tot het geestelijk Israël. O mocht de dag weldra komen, wanneer ook hot letterlijk Israël de heerschappij zal zien op zijn\' schouder!

I. Tom heeft Heródes de ivijzen heimelijk geroepen, en eer nam. naardujlijk van hen den tijd, wanneer de *ler verschenen was.

Wij verlustigen ons in personen, die naarstiglijk onderzoeken, maar deze onderzoeker behoorde tot een zeer slecht soort. Velen werpen nieuwsgierige blikken in heilige zaken ton einde ze te bespotten of tegen to staan. Hoe slecht is deze naarstigheid! Als er op zoor heimelijke wjjze een onderzoek wordt ingesteld, dan kunnen wij vermoeden, dat er iets verkeerds gaande is, maar toch is dit niet altijd het geval. Evenwel, de waarheid vreest het licht niet. Hetzij de menschen nu al of niet heimelijk onderzoeken, wij zjjn altijd gereed om hun inlichtingen tc verstrekken omtrent onzen Heere, en alles, wat Hem betreft.

8. En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat kindeken, en als (jij het zidt gevonden hebben, booilsehaj/l het mij, opdat ik ook korne, en datzelve aanhidde.

Listige snoodaard! Er was moord in zijn hart, en vrome woorden op zijne lippen. Mocht niemand onzer een Heródes zijn in geveinsdheid. Aanbidding te beloven, terwijl men voornemens is te verderven, is een bedrog, dat in onze dagen veelvuldig gepleegd wordt.

Merk op, dat do wjjzen niet beloofd hebben tot Heródes weder te koeren. Zeer waarschijnlijk hobbon zij vermoed, dat al die ijver niet zoo zuiver was als hij wel scheen, en hun zwijgen was volstrekt geen toestemmen. Wij moeten niet ieder goloovon, die sterke betuigingen doet, en evenmin moeten wij alles doen wat zij van ons vragen, opdat wij hun niet behulpzaam zijn in hunne booze plannen.

!), 10. Kn zij, den koning geJword hebbende, zijn heem/ereisd; en ziet, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam, en sfond boven de plaats, rvaur het kindeken was. Als zij na de ster zaegen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde.

Ja, „zij zijn heengereisdquot;, zij waren wijs genoeg om uit het booze gezelschap van Heródes weg te gaan. Zij hebben geene overeenkomst niet hem gesloten ; zij hoorden zijne valsche bo-tuigingen en gingen huns weegs. Do ster verscheen, toen de tyran was verdwenen.

Naar allo waarschijnlijkheid was die ster een meteoor, of bewegend licht, dat lang genoog aan den Westelijken hemol zichtbaar was, om hen naar Judóa te geleiden; daaruaonzichtbaar werd; maar wederom aan den hemel schitterde, nadat zij Jeruzalem hadden verlaten. Wij moeten niet altijd verwachten door zichtbare teckenen bemoedigd te worden; maar a/s de Heere ze ons schenkt, dan is ons dit tot groote blijdschap. Wij zien niet uit naar de ster dor innerljjke gewaarwordingen, noch naar uitwendige toe-


-ocr page 25-

!)

kenen, maar naar Jezus zelvcn; tocli is liet ons tot groote vreugde, als er hemelsche vertroosting tot onze ziel komt. Heere, doe aan mij een toeken ton goede: dat zal mij verblijden. Toon mjj U zeiven, en ik zal mij verheugen met zeer (jroote vreugde.

Zio, hoe de sterren boven, zoowel als de menschen beneden, den i)iis geboren Koning hulde bieden! Mijne ziel, wees niet traag om uwen Zaligmaker te aanbidden ! Do ster bewoog zich, „totdat zij kwam, en stond hoven de placds, waar het kindeken wan.quot; Zoo zal ook mijn hart niet rusten, vóórdat het den Heere heelt gevonden.

11. En in het huis (jetcomen zijnde, vonden zij het hindeken niet Maria, zijne moeder, en neder vallende, hebben zij het aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem ge-sehenken: goud, ei\' wierook, en mirre.

Zij, die Jezus zoeken, zullen llcni vinden: zjj, die Hem in waarheid zien, zullen Hem aanbidden: zij, die Hem aanbidden, zullen hetgeen zij bezitten Hem toewijden. Hot goud en de specerijen werden gebracht, niet aan Maria, maar aan ,,Hcniquot;. Do wijzen hielden hunne kisten gesloten, totdat zij Jezus zagen, maar toen openden zjj hunne schatten. Laat ons onze liefde en onzen heiligen arbeid voor het oog on/.es Heercn houden, en ze nooit bloot willen stellen voor den blik dor wereld. Het waren koninklijke geschonken, die do wijzen brachten, en er was ook iots priesterlijks in — „goud, en icierooki en mirre.quot; Deze keurgaven, inzonderheid het goud, konden Jozef\'en Maria helpen om het Koninklijk Kindeken te verzorgen, dat zoo spoedig als balling moest omzwerven. God bracht uit het verre Oosten menschen, om in de behoeften zijns Zoons te voorzien.

„Herinner u, dat do Almacht overal zjjno dienstknechten heeft.quot; Eer het kindoke naar Egypte gevoerd wordt, komen Oostersche wijzen om do reiskosten voor Hem to betalen.

Heere, IJ zal ik mijne aanbidding brengen en mijne gaven; want Gij zijt de eenigo Vorst mijner ziel; en ik zal uwe zendingszaak helpen bevorderen, opdat, wanneer Gij met uw evangelie naar Afrika gaat, mijne gaven mot U kunnen gaan.

12. Kn dooi\' Goddelijke openharing vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Utródes, vei trokken zij door eenquot;1 anderen weg weder naar hun land.

Waarschijnlijk hebben zij Heródes reeds half van kwade bedoelingen verdacht, en de Heere heeft door een\' droom hunne gedachten nog verder in die richting geleid. Ook de wijzen hebben het noodig om door God vermaand te worden, en als dit geschiedt, dan veranderen zij terstond van gedachten. Ofschoon zjj voornemens waren om langs een\' zekeren weg terug te koeren, sloegen zij nu toch een\' anderen weg in. Zjj draalden niet, maar „rertrokken door eenquot;\' eenderen weg naar hun tand.\'\'\'\' O dat ik aan eene wenk van den troon nooit ongehoorzaam mocht worden bevonden! „Gij zult mij leiden door uwen raad.quot;

13. Tooi zij nu vertrokken waren, ziet, de enge! des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot a dat kindeken en zijne moeder, en ■vlied, in Egi/ptc, en wees aldaar, totdat ik het n zeggen zal; want Heródes zal het kindeken zoeken, om het te dooden.

Ho engelen hadden in die dagen veel te doen; want hun was de bijzon-


-ocr page 26-

l»K KONING VKUSCHKNHN EN IJE KONING A A NOKRANI), [[loofdst. I I.

10

doi\'o zorg voor hun\' Koninlclijkon Moestor opgodragon. liet lioogc ambt van .lozof als voogd on bescliennor van hot kindeken en van z|jno moeder, braclit veol zorgo voor hom mode, en maakte hom tot een\' balling. Wij kunnen niet verwachten den Heoreto dienen, en tegelijk een gemakkelijk en genoegoljjk loven te leiden. Als God iets ol\' iemand aan onze zorgo heeft toevertrouwd, dan moeten wij blijmoedig door do woestijn reizen, en, zoo hot noodig is, ook in ballingschap gaan, en nooit terug willen koeren, voordat God ons ons paspoort zendt. Onze orders luiden: „ITees aldaar, iofda/ Ik het n zexjejen zal.quot; Des ] roeren dicnstkneehten moeten wachten op des Hoeren Woord, vóór zij oen\' enkelen stap doen, hetzij om uit te gaan of om te huis to komon. AYachten, en, vooral wachten in Egypte, is moeielijk, maar het is veilig om te blijven waar wij zijn, totdat wij eeno marschordor hebben ontvangen.

14, 15, Hij dan opgestaan zijnde, nam liet kindehen en zijne moeder tot zich in den nacht, en rertrok naar Kgi/pte, en iran aldaar tof den dood ran Heródes; opdat vervuld zon worden hetgeen van den Tfeere gesproken is door den profeet, zeggende-, lit Kgypte\'heh ik mijn\'\' Zoon geroepen.

Nachtelijk reizen, beide in gewonen, workelijken, en in geestelijken zin, kan hot deel wezen van hou, die Jezus mot zich voeren. Zelfs de /one Gods, die zoo ver verheven is boven alle andoren, moet vertrekken naar Egi/pte, evenals do overigen van het gezin, en mag het niet eerder weder verlaten, dan wanneer Iljj er toe geroepen wordt, jjuat het ons niet verwonderen, dat ook wij naar Egypte hebben te gaan, in der haast derwaarts zullen hebben te vertrekken, on dat wel des nachts, om er menigon dag te blijven verwijlen. Ook wij zullen dan tor bestemder tijd teruggeroepen worden door Hem, wiens roeping kracht van uitwerking hoeft. De engel, die ons naar Egypte leidt, zal ons ook zeggen, wanneer wij het wederom moeten verlaten, want al onze tijden zijn in do hand des Hoeren. Laat ons nooit vergeten, dat de uitverkorenen dos Hoeren wellicht naar Egypte moeten gaan, maar dat zij er ook wederom uitgevoerd zullen worden, want de regel is van algemcone toepassing: „Uit Egypte heb Ik mijii\' Zoon geroepen.quot;

Hoe werd door de profetiën de weg ouzos Heeren van het begin af aangewezen en als afgebakend! Do Koning Israels komt uit Egypte, evenals Mozes, die in zijne dagen Koning was in Jeshurun.

10. yI Is Heródes zag, dat hij van de ivijzen bedrogen teas, toen irercl hij zeer toornig, en eenigen afgezonden hehbendc, heeft omgehraeld al de kindereu, die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oad en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.

Met al zijn slim overleg mist Heródes toch zijn dool. Iljj waant bedrogenen bespot te zijn, ofschoon dit geenszins dor wijzen bedoeling was, maar hoogmoedige monschon verbeelden zich zoor snel boloedigd te zijn. Hij is in toorn ontstoken: Iljj moot dezen pasgeboren Koning doodon, opdat hij wellicht niet de kroon voor zich opoiscbe, en daarom beveelt hij don moord van ieder tweejarig kind in liethlohom, dien leeftijd zoo ruim stollende, opdat geen enkel kind door oone vergissing omtrent den ouderdom zou kunnen ontkomen. Wat was or hom aan gelegen, zoo er eenige


-ocr page 27-

I loofdst. 11.1 DK KONING VERSCHKNUN

kindorcn noodeloos omgebracht werden? ]Ijj moet de zekerheid hebben, dat er aan het leven des klcineu Konings een einde was gemaakt; en hij verbeeldt zich, dat eene snelle en algomeene slachting van alle kinderen, die hun tweede jaar bereikt hebben, hem van alle vrees voor dezen vermaarden mededinger zou verlossen. De mensehen zullen alles doen om maar van Jezus to worden verlost. Zij vragen niet hoe vele kinderen, of mannen, of vrouwen, verdelgd worden, zoo zjj slechts zijn koninkrijk kunnen weerstaan, en zijne heilige zaak reeds in derzelver aanvang kunnen vernietigen. Doch ijdel is hun toorn : het heilig Kindoke bevindt zich buiten hun rechtsgebieden buiten hot bereik van hun zwaard.

17, 18. Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet \\ Jeremia, zeggende: Eene stem is in Rama gehooid, geldeig, geween en veel gekerm, Rachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

Onze Vorst schrijdt voort op een\' weg, die als geplaveid is met profetiën. Maar zie, hoe zijne vroege jeugd reeds vervuld is van moeite en smart! De weonende profeet voorzegt het wee- 1 klagen over do onnoozele kinderkens. Hij is de onschuldige oorzaak van den dood van vele onschuldigen. De mensehen zeggen, dat de Godsdienst de oorzaak is geweest van wreedheid en bloedvergieten, maar do eerlijkheid moest hen nopen te erkennen, dat niet de Godsdienst, maar de tegenstand togen den Godsdienst dit hebben gedaan. Hoe! Zal Jezus worden gelaakt, omdat 1 [erodes Jlem trachtte te vermoorden, en daardoor zoovele moeders heeft doen weenen over hare doode kinderkens ! Welke drie droppelen van alsem hebben wij hier : „geklag, geween

EN Dl\'j KONING AANGEK AND. II

en red gekci inquot;! Dozo drievoudige vermenging wordt maar al te veel aangetroit\'on.

Nog weenen onze Rachels; maar heilige vrouwen, die don I leere Jezus kennen, zeggen van have kleinen niet, dat „zij niet zijn.quot; Zij weten, dat hare kinderen zijn, en zij weten, waar zjj zijn, en zij verwachten ze weer te zien in do heerlijkheid. Gewis! indien deze vrouwen het slechts hadden geweten, dan zouden zij vertroost zijn geworden door liet feit, dat, ofschoon hare kleinen gedood werden, de Vriend der kinderen toch ontkomen was, en nog leefde, om de Zaligmaker te zijn van allen, die sterven, eer zij daadwerkelijke zonden kunnen begaan.

19, 20. Toen Herudes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egi/pte, zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot n, en trek in het land Israels : want zij zijn gestorven, die de ziel des kindekens zochten.

Wederom engelen! Ja, en zij zijn nog altijd werkzaam voor „den Beminde des Heeren.quot; Jozef waakt nog over het Kindeken, evenals Jozef van ouds gewaakt heeft over Israël in Egypte. Let op do orde, waarin het gezin gerangschikt is, — „het Kindeken en zijne moeder.quot; De Heere wordt het eerst genoemd. Hier is het niet, zooa,ls in Rome, „de Maagd en het kind.\'\' De engel had er oen afkeer van om ILcrodes\' naam to noemen, hij zoide: „zij zijn gestorven.Zulk een ellendeling verdiende het niet, dat zijn naam door een\' heiligen engel genoemd zou worden. Heródos was heengegaan naar zijne eigene plaats, en nu brengt de Itcere zijne ballingen terug naar hunne eigene plaats. In stede van Jezus te doen sterven, is de tyran nu zelf ge-


-ocr page 28-

12 I)K KONING VKRSOHIONKN KN

storvcn. Mot liet zwaard in do hand heeft hij liet kindeko gemist, maar zonder zwaard heeft de Vader van dat kindeken zijn hart doodeiijk getroffen. Het is voor do wereld eeno verlichting als sommige menschen sterven, dit was stellig het geval niet Ilerodes. Zij, die onzen Koning van zjjn rechtmatig erfdeel weren, zullen waarschjjnljjk niet lang leven. Mjjne ziel, bepeins de lessen dor geschiedenis betreffende de tegenstanders des Konings!

21, 22. Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genonicn het kindeken en z ijne moeder, e)i is gekomen in hel land Israels; maai\' als hij hoorde, dal Ar-ehelóiis in. Judéa koning tras, in de plaats zijns vaders Ilerodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke, openharing vermnand in den droom, is hij vertrokken in de deden i\\in Galiléa.

Jozef gehoorzaamde zonder vragen of tegenspreken. Hij stond op, dat is: zoodra hij ontwaakte, bereidde hij zich om te doen, wat hom bevolen was. Hij begaf zich terstond op reis, en kwam in hot land Israels. Zoo bo-hooren ook wij ons to haasten om to gehoorzamen. Hij had zjjno vreezo mot betrekking tot Judéa; maar toch handelde hij niet naar zijne vreezo, hij ging slechts den weg, die hein door zijn\' hemelschen gids was aangewezen. Deze Jozef was, evenals zjjn naamgenoot van ouds, een „droomerquot;, en hij was tevens een practisch man, die van zijne droomen een verstandig gebruik maakte. Hij „is gekomen in het land. Israelsquot;, maar het was hem vergund om zich naar dat gedeelte er van te begeven, dat onder eeno zachtere rogeering was dan van Archelaüs, die volstrekt niet beter was dan zjjn vader. Galilea, eeno verachte provincie, een land, waar de Heidenen zich venneug-1)1\'! KONING AANOKtUNI). jlToofdst. II.

den met do Joden, en waar nog groote duisternis en onwetondheid hoerschton, moest het land wezen, waar onze Hcere zijne vroegste jeugd doorbracht. Hij behoorde tot het geineene volk, en Hij genoot zijne opvoeding in eeno cen-voudigo, landelijke omgeving, in „de deelen van Galiléaquot;, onder eenvoudige lieden, die de verfijnde, beschaafde manieren niet hadden van hen, die in steden wonen. Gezegende Koning, de dagen uwer minderjarigheid werden niet doorgebracht aan het hof, maar in hot midden der gansch gewone menigte, die hot U ook thans nog eene verlustiging is te zogenen! Ik bid II, wend U ook thans tot de deelen van dat Galiléa, en blijf met mij.

23, Eu daar gekomen zijnde, nam hij zijne iroonplaats in de stad, genaamd Xazareth, opdat vervuld zon worden, n at door de profeten gezegd is, dat hij Na-zaréuer zal geheeteu worden.

Onze Heere was genoemd „Xelzurquot;, Dk Spruit. Waarschijnlijk is dit do profetie, die hier wordt bedoeld, want „Nazarethquot; beteekent spruiten, of loten. Het kan ook wezen, dat hier gezinspeeld wordt op eene onvermelde profetie, van welke de profeten dikwijls spraken en die aan het geheele volk bekend was. Zeker is het, dat Hij gedurende langen tijd beide door Joden en heftige ongeloovigcn „Nazarenerquot; genoemd werd. Menigmaal heeft zjjn woeste togonstander op do aarde spuwende met walging en afkeer den naam „Na/.areuerquot; uitgesproken, alsof dit de diepst mogelijke verachting uitdrukte. En toch, o Nazarener, hebt Gij overwonnen! Jezus van Nazareth is de grootste Naam onder de menschen. O Heere, mijn Koning, naarmate Gij onteerd wordt door uwe vijanden, zult Gij van ganscher harte worden aan-


-ocr page 29-

DK IIHRAirT DKS KOXINTiS.

gobedeu dooi\' uwo viioiulüii. Terwijl men wij U Jozus-Johova, Koning dei\' anderoti U „Nazarenerquot; heeten, noe- koningen, en lleere der heeron.

HOOFDSTUK III. 1—12.

I De lieraut des lioiiin^s.]

De Koning is nu lang genoog verborgen gebleven, thans in het oogenblik aangebroken voor de verschijning van zjjn\' heraut om zijne komst aan to kondigen. Dit hoofdstuk spreekt ons vnn den kampioen, die den Koning vooraf ging.

IToofilst;. 11 I.{

1, 2. l-.\'n in (lie iliitji n l\'innn Joliriinirs ilr Ihoprr, pmlikenili\' in dr iriirslijii run .hnlra, ni •rgficndr: Bckrni n, ininl hrl l\'iiniiikrijl\' ilrr lii\'mrlrn /s\' niihij firkoninii.

Terwjjl Jezus nog te Nazareth verwijlde, is zijn bloedverwant, de Doopor, opgetreden: vóórdat de zon aan den hemel verschijnt, wordt de morgenster gezien, .lohannes versoheen niet aan het hof, hij kwam in de eenzame woestijn, in plaatsen, waar slechts schapen en eeno handvol landlieden aanwezig waren. Do zonding van Christus Jezus is in zedeljjke wildernissen en in de verlatene plaatsen der aarde. Daarheen baant des Hoeren voorlooper zich een\' weg, en daar predikt hij gevoegelijk het gebod: „Bel,■pert te.quot; (Jee ft op uwe doornen on distelen, o gij woestijnen; want uw IToere komt tot u! Zie, hoe .lohannes hot komende koninkrijk aankondigt, hoe hij do monsehen aanspoort om er zich voor te bereiden, en dat wel haastoljjk: „Want het koninkrijk der hemelen is nahij gekomenquot; Laat mij bereid zijn voordo komst des Hoeren, en alles wegdoen, wat zijn\' Heiligen Geest zou kunnen bedroeven!

3. \\l\'anf deze is hef, van denwelken grsiiroken Is door .lestija, den profn-t, zeggende: Jgt;e slem des roeiienden in de iroeslijn: Hereidi den iit/j des I lurch, maul:/ zijne linden rerhl.

Matthóus blijft lijj zjjno gewoonte om hot Oude Testament aan te halen. De profoton hebben niet slechts don Koning, maar ook zijn\' voorlooper beschreven. Zjj vermeldden de hoedanigheid van dezen voorlooper: hij was oene „stemquot;-, (Jezus is „hot Woordquot;); zijn\' toon, „roependequot;\\ zjjno plaats, „in de woestijnquot; \\ en zijne boodschap, die eeno boodschap was van aankondiging, waarin hij toebereiding oischte voor den komenden Koning: „Bereidt den weg des Heeren.quot; Het hart der monsehen was als eone woestjjn, waarin geen weg is; maar gelijk trouwe onderdanen bij do nadering van beminde vorsten wegen maken, zoo moesten do menschon den Heere verwelkomen door hun hart recht on bereid te maken om Hem te ontvangen.

O lloere, hoe gaarne zou ik U wolkom heeten, zoo Gij tot mij wildot komen! Ik heb grootoljjks behoefte aan Uwe koninklijke tegenwoordigheid, en daarom wenseh ik don weg voor U te boréiden. Mijne begeerten hebben U oen\' korten en zeer effen weg go-


-ocr page 30-

14 ÜK HERAUT lgt;KS KONINGS. [Hoofdst. li).

baaucl in mijn liai\'t. Kom, o llocro, 011 toef\'niet. Kom in injjne vviklernis-natunr en verander haar in een\' iiof des 1 feeren.

4. Kh dezelve Johannes had zijne Heeding van kemelshaar, en een\' lederen (jonlel ma zijne lenden; en zijn voedsel iras spyinklianen en irilde honimj.

Iljj was gelijlc Klia, ruw en stretifi\'. Zijne eeuvoudiglieid, zjjne strcnglieid, zijne zelfveriooeliening werden aangeduid door zijn gewaad. Zijn voedsel, liet voortbrengsel der woestjjn, waarin hij verwijlde, toonde, dat hjj onver-sehillig was voor weelde. Gelieol zjjne houding was symbolisch; maar zij was tevens voegzaam en gepast voor zijn ambt en zijne roeping. Het eenvoudigste voedsel is voor lichaam cn ziel hot beste; en daarenboven kweekt het ook mannelijkheid van karakter. Heere, laat noch mijne spijzen, noch mijn drank, noch mijne kleeding mij hinderen in nw werk!

5, (!. Toen is tot heni uitgegaan Je-rnzalem en geheet Jiidéa, en het geheele. land rondom dc Jordaan, en werden ran hem gedoopt in de Jordnan, belijdende hnnne zonden.

Het volk verbeidde een\' Messias. Zoodra nu de scherpe, doordringende stem van Johannes in do eenzaiimheid weerklonk, gingen allen tot hem uit. De kreet „Hekeert u!quot; ging zeer gepast vergezeld van don doop, of do wassching des lichaams in het water. Hot belijden hunner zonde, dat geilaard ging met den doop in do Jor-daan, duidde er de boteekenis van aan. Zonder de erkenning van schuld, zou het niets dan oen gewoon bad zijn geweest voor den persoon, zonder geestelijke beteekenis, maar de belijdenis van zonde, die er mede gepaard ging, maakte het tot eon zeer leerrijk teeken. Johannes moet er zich innerlijk over verwonderd hebben, om die menigte tot zich to zien komen, maar zjjn voornaamste gedachte was voor zijn\' komenden Heero. Hij dacht moor aan Hem dan aan „gansch dndéa.quot;

7. Hij dun, ziende veten van de Fa-rizeën en Saddueeën tot zijn\'\' doop kennen, sprak tot hen: (rij adderengebroedsels \\ trie h.e(ft n aangeirezen te vlieden van den toekomenden toorn ?

I let was vreemd om do trotsche Separatisten en de twijfelzuchtige Moralisten te zien komen ten einde gedoopt te worden; daarom heeft Johannes, om hen te beproeven, hen met strenge, brandende woorden aangesproken. Hjj zag, dat /,jj slangachtig waren iu hunne beweegredenen on als adders waren in hun\' aard en karakter, en daarom noemt hjj hen „ Adderengcbroedsolquot;, en dat was de toetssteen, die hem deed zien, of zij al of niet oprecht waren. Hjj vraagt, wie het hun heeft ingeblazen om den toorn te ontvlieden, waarvan hij, overeenkomstig de slotwoorden des Ouden Testaments, de voorbode was. Deze vraag was voor hen niet vleiend; maar des Heeren dienstknechten hebben zich niet tot taak gesteld om zich aangenaam te maken bij de menschen: zij moeten getrouw wezen, inzonderheid tegenover de aanzienlijken en geleerden. Deze trouw heeft Johannes do Dooper betoond, en Hij, die hem zond, heeft er hem voor geëerd.

8. Brengt dan vruchten voort der hekeering waardig.

Handelt zooals gij handelen zoudt, wanneer uw hart, uwe gevoelens, anders waren\' geworden ; laat af van den hoog-


-ocr page 31-

DU UKHAUT DES KONIXOS.

Hoofd st. lll.|

15

moed, wamiii «ij u hult, eu verlaat do slangen beweogredoncn, die u thuns doen handelen. ITeere, behoed ons voov eene onvruchtbare bok nering, die slechts eene verzwaring zou zijn van onze vroegere zonden.

!). /\'/« tment niet hij n seleen te zeggen;

11\'ij hehhen Ahraham tot eeii1 rader; imnt ih zeg n, dat (iod zei fx nil deze deenenA hmliatn kinderen Iran verirelrken.

Verbeeldt u niet, dat Ood n noodig iiool\'t om zijne belofte aan zijn\' dienstknecht Abraham te vervullen; want iederen steen in do Jordaan kan Hij tot een\' erfgenaam der genade maken. Vertrouwt niet op uwe afkomst, en waant niet dat alle de zegeningen van het toekomstig koninkrijk uw deel moeten wezen, omdat gij tot het zaad behoort van den vader dor geloovigen, (iod kan even gemakkelijk kinderen maken uit steenen als uit adderenge-broedsels, liet zal Hem nooit aan middelen ontbreken om zijn verbond na te komen, zonder zijn evangelie te plooien naar den gril van ijdelo, verwaande menschen. Indien zijn evangelie door do deftige, aanzienlijke lieden wordt verworpen, dan zal Hjj zich uit de achterbuurten een volk verzamelen. Laat niemand onzer zich inbeelden, dat wij, omdat wij zeer rechtzinnig zijn, of zeer schriftuurlijk in onze Godsdienstige beschouwingen, of in onzen kerkdienst, do gunst van God deelachtig moeten worden, en dat de bekeering voor ons niet noodig is. (iod kan buiten ons; maar wij kunnen niet buiten bekecring en buiten do werken, die aantoonen, dat zij waaien oprecht is. Wolk een zegen is hot, dat Hij hot steonen hart veranderen kan in een kinderlijk gemoed! Godes zijn wonderen van genade !

10. En ook is colreede de bijt aan den

irortel der booinen gelegd; alte hoorn die gei n goede rrueht voi/rthj\'engt, wordt ii/ifgeltonieen, en in het vunr geworpen.

Zijne bedoeling is: do Koning, de Ombouwer van iedere onvruchtbare boom, is gekomen. De groote i\'osch-wachter heeft zijne bijl nedergeworpen aan „den wortel der hoornen*. Hij heft zijne bijl op; Hij treft den on vruchtbaron boom en velt hem, en deze wordt in het vuur geworpen. Die schets is vol van leven. De Doopor ziet gansche wouden vallen onder de bijl, want Hjj, wiens heraut hjj is, zat de Rechter der menschen zijn, en het recht uitoefenen. Welk eene aankondiging had hij te doen. Welk een toonoel werd door zjjn geloofsoog aanschouwd! En wat wij aanschouwen, is nog tamelijk hetzelfde; do bijl is nog immer in werking. Heere houw mij niet af voor hot vuur. Ik weet, dat de afwezigheid van goede vruchten even noodlottig is tils de tegenwoordigheid van bedorven vruchten, lleere, laat mij niet een bloot negatief karakter hebben, opdat ik niet worde „nitgehomven, en in het ennr geworpen!\'

11. Tk doop n iret met aider tot hekeering; maar die na mij tromt, is sterker dan ik, n\'iens seltoene)i ik niet iraeirdig hen. hem na te dragen; die zal li met den Heiligen (leest en met rnnr doopen.

.loliannes kon don boetvaardige in het water dompelen; maar Een, die grootor is dan hjj, moet do menschen doopen in den Heiligen Geest en in ruur. De bekeering gaat gevoegelijk vergezeld van eene wassching met water, maar de ware doop van den geloovige door den Heere Jezus zeiven brengt ons in een geestelijken vloed van heilig vuur. Johannes beschouwde


-ocr page 32-

DE KONING AANGEWEZEN EN OEZAI.FD.

jHoofdst. lil.

10

ziolizolveu als niets moei\' dau een huisslaaf, onwaardig om zijns meesters sandalen van do voeten te nemen; en zijn doop in water stond even ver bonedon den doop dos Goestes, als een slaaf beneden zijn heer is. Jezus is do Goddelijke Unere, die ons bedekt mot de vurige invloeden van den Heiligen Geest. Kennen wij zijn\'doop? Wat is zonder denzelven de doop des waters? Wat zijn alle Johannossen der wereld met hun doopen in water, vergeleken bij Je/.us met zijn doopen in vuur!

12. 11 \'ini.x min in c ijiir ha ml hij zal zijii\' (Inrsrlrvlofr (tiiorziiircrrn, i n z ijne hinrr in zijne srlniiir Ie :\'(iincii hrnii/eii, en zul hel l-af mei oiniilhliis-sehelijl- rmir reyhntlillen.

Hij stelt zijn\' lloere voor onder nog een ander beeld: namelijk dat van oen Landman. Ditmaal houdt Hij in zijne hand geene bijl, maar eone wan. Fari-zeën, Saddueeën en al do overigen liggen op zijn\' dorschrloer: het is met dezen dat Hij handelt: „Hij zal zijn dorseltvloer doorzuineren.\'\' Indien zij niet wonsehen door Hem gereinigd te worden, dan moesten zij zich daar niet bevinden; maar zjj zijn er, en Ilij handelt met hen. W\'ien* van in zijne hand is: Hij werpt den hoop opwaarts in den wind, om te toetsen en van elkander te scheiden. Zijne tarwe vergadert Ilij. Het kaf wordt verder weggeblazen naar de plaats, waar het vuur brandt, en zoo wordt het weggeruimd en verbrand in hetgeen hij ons zegt een oniiithlnsscJielijk vuur te zijn. Onzes Hoeren onderwjjs zal de werking doen van eone groote wan, die liet goede en echte doet bljjven, en hetgeen onecht en waardeloos is, der algeheele vernietiging prjjs geeft. Zoo was het in het leven onzes Hoeren, zoo is het nog overal, waar Hjj wordt gepredikt. Hjj is de GrootoVerdeeler. Het is zijn Woord, dat de zondaren scheidt van de heiligen en Hem een volk bijeenvergadert.

Aldus bereidde de heraut het volk voor den Koning, die de Reiniger, de üithouwei\', de Wanner zijn zal. Mijne ziel, aanschouw uwen Heere onder deze gestalten, en wees vervuld van eerbied voor Hem.


HOOFDSTUK 111. 13—17.

[De Koiiin»\' aiingewozen cn gezalfd.]

Hot was betamelijk, dat er eeno eenigszins openlijke erkenning van den Koning zou plaats hebben, dat Hjj door betrouwbare getuigen onder do menschen zou aangewezen worden; en dat ook do Vader in den hemel het getuigenis zou geven, dat Hij inderdaad zijn geliefde Zoon was.

13. Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan, tof Johannes, nni ran hem (jedoopt te worden.

Ter bestemder tijd, toen alles gereed was, trad do Koning uit zjjne afzondering te voorschijn. Zich zeiven in eone nederige plaats stellende, heeft Hij den Dooper niet naar het Meer van Galiléa ontboden, maar ging Hij


-ocr page 33-

lioofclst. III.I

17

v\'EZliN KN iiK/.AI,rigt;.

))E KONING AANUKW

zelf af tot hem in do landstreek aan don oever der Jordaan, om door hem te worden gedoopt. Behoort nu een dienstknecht te verzuimen, wat zijn 1 leer zoo van harte heeft waargenomen ? Js er iemand, die durft zeggen: „Het is niet noodzakelijkquot;? Was het noodzakelijk voor den Ileere Jezus? „Ons betaamt hetquot;, zeide Ujj, en wat Hem betaamde, is gewis niet onvoegzaam voor zijne volgelingen. Laat ons, al zouden wij er ook een reize voor moeten doen, het gebod opvolgen, dat voor alle geloovigen verplichtend is.

14. Doch Johanne» weigerde hem zeer, zeggende: Mij /\'s noodij ran n gedoopt te worden, en hond gij tot mij ?

Dat was zeer natuurlijk. Johannes wist, dat Jezus verre weg heiliger was dan hij, en daarom protesteerde bij er tegen om als zijn\' reiniger op te treden. Johannes was zeer krachtig in zijn protest: hjj „weigerde hem zeer.\'\' Het scheen hem buiten de orde te zijn, dat luj iemand zou doopen, die zoo bjj uitnemendbeid goed was. Ofschoon hij van den hemel de verzekering nog niet had ontvangen, dat Jezus de Messias was (want hij had den Geest nog niet op Hem zien nederdalen) zoo heeft hjj toch met groote schranderheid vermoed, in Jezus inderdaad den Christus te zien. Hij wist, dat Hij een bijzonder gunstgenoot was van den hemel, dat Hjj verre boven hem stond, en daarom verwachtte hjj het teeken te zien, waaraan hij wist, dat de Christus gekend zou worden.

Johannes heeft nooit een\' plicht ontweken, maar eeno persoonlijke eer wees hij af. Hij wilde zelfs den schijn niet aannemen, alsof hjj zich, vergeleken bij zijn\' Heere, van eenige be-teekenis achtte. Gezegende Jezus, leer ons een\' zelfden ootmoed te betrachten.

15. Muur Jezus, antwoordende, zeide tot hem : JaiuI nu af; want (ddns bvtaand ons (die gerechtigheid te verruilen. Toen liet hij run hem af.

Jezus beantwoordde Johannes zoo volkomen, dat hjj terstond zijn\' tegenstand opgaf. Het was betamelijk, beide voor Johannes en voor Jezus, dat onze Heere door hem zou worden gedoopt. Deze verzekering voldeed den Doopcr iu zoo verre, dat hjj, ofschoon nog onder protest „ van hem uf Het.u Dc doop was betamelijk, zelfs voor onzen llecre, die geene persoonlijke reiniging behoefde; want Hjj was voor zijne gemeente hot Hoofd over alles, en dus betaamde het, dat Hij zou wezen gelijk de leden zijn zullen. De doop stelt op treffende wijze voor, hoe onze Heere als gedompeld was in lijden, alsmede zijne begrafenis en zijne opstanding. \' gt;p typische wijze wordt hiermede aldus „alle gerechtigheidquot; vervuld. Deze or-dinaiitic is vol van beteeken is, als zij op de rechte wijze wordt aangewend; en zij behoort met grooten eerbied te worden beschouwd, daar onze llecre zelf zich er aan heeft onderworpen. Zal ik weigeren mijn\' Heere na te volgen? Zal ik denken, dat er geene bcteekenis is in eene ordinantie, waarvan Hjj gezegd heeft: „Aldus betaamt ons (die gerechtigheid te rervnllenquot; ?

l(j, 17. I\'in Jezus gedoopt zijnde, is terstond opgeldommen uit het water-, en ziet, de hemden werden hem geopend, en hij zag den (leest Gods nederdalen, gel ijl:, eene duive, en op hem komen. En ziet, eene slem uit de hemelen, zeggende: Deze is mijn Zoon, mijn. Geliefde, in den welke)! Ik mijn welbehagen heb.

Onze Heere moet afgedaald zijn in het water, want. Hij is „opgeklommen uit het water.quot; Hij bleef niet verwijlen


-ocr page 34-

I)K KONING EN DE VORST HER DUISTERNIS. IRoofclst. TV.

18

in flo rivier, maar na eon\' plicht volbracht to hebben, «lins Hij terstond zijns weegs om oen\' anderen te vervullen. In den doop werd onze Heero, beide door Gods Woord en door Gods Geest openlijk erkend als de (Icliefde Zoon. Welk getuigenis is er meer noodig? /00 is het ook dikwijls met zijn volk: hun kindschap wordt hun duidelijk openbanr, terwijl zij cone daad van gehoorzaamheid verrichten ; liet Woord en do Geest getuigen met hun\' geest.

Onze lieoro Jezus moest nu zijn openlijk levenswerk beginnen, en Hij deed liet op de beste wijze. De wereld opende zich voor Hom, „en de hemelen werden hem (leopend.quot; Naarmate zijne behoefte duidelijk werd, zijn Hom ook de voorraadschuren geopend. Op Hem ia ook de Goddelijke zalving gekomen. Als cone snelvleugelige, reine, vreedzame duivo kwam „de Geest Gor/squot; en vond cene rustplaats in Hem. Toen Hij ingedompeld was in het element dos waters, word Hij terstond omringd door liet Goddelijk element des Geestes. Toen werd ook zijn oor gestreeld door des Vaders hoorbaar uitgesprokene erkenning van ITem, en door de nit-

\\ drukking van het welbehagen, dat God altijd in Hem heeft gehad. Hot was oen heerlijk oogenblik. Onze Koning was nu uitgeroepen 011 gezalfd. Zal Hij nu niet terstond zijn koninkrijk in bezit nemen? Wij zullen zien.

Ouzo Heere on Koning staat thans ton volle voor ons. 11 ij word vooraf-; gegaan, voorzegd en aangewezen door .lohannes den Hooper; Hij werd dooiden doop ingewijd tot zijn werk; lljj werd gezalfd door den Geest, en beleden door den Vader; zoo heeft lljj dan nu ton volle zijn koninklijk ambt aanvaard. Mocht niemand onzer voorbarig zijn in zijn\' arbeid voor den Ifeero, noch voorwaarts gaan zonder do bewustheid van des Vaders goedkeuring, en zonder de geestelijke zalving van Jioven!

O Heere, laat mij, in mijne mate, die zalving en goedkeuring ten deel vallen, die IJ in uwe mate ten deel vielen. Hiertoe wensch ik uwe zalving met den Geest te beschouwen in liet volle geloof, dat ik in ü gezalfd ben, gelijk ook bot lichaam mede gezalfd is in do zalving van hot Hoofd.


HOOFDSTUK IV. 1—11.

[De Koninn\' bogliit zijne rpgeerinjr met, eea\' strljtl tenen den Vorst

der Duisternis.]

1. Toen werd. Jezus ran den Geest ive{/(/eIf\'id in de woestijn, om rerzoeht te worden ran den did rel.

Niet zoodra is i 1 jj gezalfd, of 1 iij wordt ook aangevallen. Hij heeft do verzoeking niet opgezocht, maar was „van den Geest weggeleid.quot; De tijd, hiertoe uitgekozen, was terstond nadat zijn Zoonschap openlijk was erkend, toen Hij zou hebben kunnen denken, dat het onwaarschijnlijk was, op dat punt te zullen worden aangevallen. Tijden van geheiligd genot vloeien soms ineen met tijden van verzoeking. Onze Heere werd weggeleid „in de woestijn.quot; Het was eene plaats van groote eenzaamheid, waar Hij gansch alleen zou wezen


-ocr page 35-

V. 1 loofrlst. TV.] DE KONING EN DE

,ST DER DUISTERNIS. 1!)

lat in den strijd. De (hiirel /olf kwam op

Fot die plaats on wendde zijne duivelsclie

ize kunsten aan op don Monsch, die bestemd

f\'d. was oTn zijn Verder ver te zjjn.

k- Laat ik mij immer op mijn\' waeht-

m. toren bevinden, maar inzonderheid in tijden van Ki\'rmte genieting; want dan

na zal Satan mij hoogst waarschijnlijk

if- aanvallen. Heere Jezus, wees Gij met

or mij in de ure dor verzoeking, want dij

or weet hen, die verzocht zijn, te hulp te

[jj komen,

0-

jj 2. En als hij rwrtii/ (hilt;ilt;jn m vmii(i

Jt vachten ffemsf had, hrnujcrdc hem. ten

r- laatste.

n

■r Gedurende dien geheelen, langduri-

1- gen vastenstijd werd Hij op wonder-I- dadige wijze ondersteund; maar bij hot

einde begon do honger Hom te kwellen.

), Wij zijn in grooter gevaar als onze

il arbeid of ons lijden voorbjj is, dan

I terwijl die arbeid nog wordt verricht,

X of dat lijden nog wordt verduurd.

t do Heere als uitgedroogd is door zijn

, langdurig vasten, on verzwakt is door

1 den honger, nu zal de vijand Hem aanvallen. De duivel is een groote lafaard, en doet laaghartigljjk zijn voor

deel met onze zwakheid.

Heere, geel mij don vjjand te ktin-ncn weerstaan!

3. I\'jn de verzoeker tot hrm gekomen zijnde sekte: Indien gij (lod* Zoon zijt, zeg, dat deze xteenen hrooden irorden.

Hij richtte de verzoeking in naar de omstandigheden: hij verzocht een\'hongerige mot brood. Zeer listig werd dit door hom voorgesteld. Slechts een enkel woord, en do harde steonen dor woestijn zullen brood worden: laat Hij zelf in zjjno eigene behoeften willen voorzien, en van zijne wonderkracht als „Xonn rem GoeV gebruik maken.

om zich zeiven de tafel toe te richten. J)c verzoeker begint zjjno inblazing met een „indienquot;, een Jndienquot; omtrent zjjn Zoonschap. Dat is zijne gewone wijze van doen. Hij roept den Heere op om zijn Zoonschap te bewijzen door zelf in zjjno behoeften te voorzien, terwijl juist hieruit onbetwistbaar zou gebleken zijn, dat Hij do Zone Gods niet was. Een ware Zoon zal niet twijfelen aan zijn\' vader, zal niet zelf voor zjjn eigen levensonderhoud billen zorgen: hij zal wachten om door zijns vaders hand te worden gevoed. De booze wilde den oengeboren Zoon doen ophouden om van God afhankelijk te zjjn, hij wilde hem zeiven do zaak in handen laten nemen. Verzoeking tot een ongeloovig helpen van zich zei ven is zeer algemeen, maar zeer gevaarlijk,

4, Doch hij, antiroordende, zei de,: Kr i* geschreven: De tnensch zal trij brood alleen niet leren, maar bij alle woord, dat door den mond Gods vitgaat.

Daar flikkerde het zwaard des Gees-tes: want mot oen ander wapen wil de Heere niet strijden. Hij zou nieuwe openbaringen hebben kunnen uitspreken,, maar II ij gaf er do voorkeur aan te zeggen: „Kr is geschreven.quot; Er is in het Woord Gods eene kracht, die zelfs de duivel niet kan loochenen.

Ofschoon het zichtbare gewoonlijk gebruikt wordt tot onderhoud van ons leven, is ons leven en ons levensonderhoud toch van het zichtbare niet afhankelijk. Wij „leren niet hij brood alleen\'\\ ofschoon dit gewoonlijk het middel is tot ons onderhoud. Hij, die de krachten des Zaligmakers heeft ondersteund terwijl Hij veertig dagen heeft gevast, kon Hem ook verder nog zonder brood bij het leven behouden. De verborgen invloed van het woord dor Almacht kon do levenskrachten


-ocr page 36-

20

ook zonder brood in working houden, j Brood is do kraeht om ons lichaam to voeden verschuldigd aan de ver- | borgene werkingen Gods, en die Goddelijke werkingen kunnen oven gewis bestaan zonder, als door de gewone middelen, liet Woord dos Hoeren,dat de hemelen gemaakt heei\'t, kan gewis ook alles wat het heeft gemaakt, onderhouden. Onze lleero Jezus zeide tot don verzoeker, dat lljj de voorzienigheid Gods niet wilde wantrouwen, maar dat Hij zijns Vaders tijd om Hem te voeden wilde afwachten en geens-zins tot eene daad van ongeloof en van betrouwen op zich zolven gedreven wilde worden.

5, (i. Toen nam de. duif el hem mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des tempels, en zeide tot Item: indien (jij Gods Zoon zijt, irerp u zeiven nederwaarts-, want er is (jesehreven,dut Hij zijne engelen van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, oj)d(d gij niet te eeniger lijd uwen roet aan eeiC steen aanstoot.

Deze tweede verzoeking is listig. Hij wordt geprikkeld om eerder te voel, dan te weinig te gelooven. Hij moot thans niet meer voor zich zeiven zorgen; maar roekeloos vertrouwen op des Vaders belofte voor meer dan in die belofte lag opgesloten. Die plaats was zeer listig gekozen. Tempel-tinnen zijn geen veilige plaatsen om op te staan; hooge en heilige plaatsen zijn blootgesteld aan verzoekingen. Die houding was voor don verzoeker voordeelig, want als do natuur op hot hoogste toppunt wordt gestold, dan neigt zij tot vallen. Het doelwit voor dezen vurigen pijl was hot Zoonschap onzes Heeren; „Indien gij Gods Zoon zijt.\'\'\'\' indien do verzoeker het kinderlijk vertrouwen onzes Heeren had kunnen schaden, dan zou luj hier zijn doel bereikt hebben.

Satan gebruikte het eigen wapen des Hoeren, en zeide: rKr is gesehre-«■«;quot; maar bjj heeft dit zwaard niet wettig gebruikt. Het lag niet in den aard van den valschon vijand om de Schrift met juistheid aan te halen, lljj liet de onmisbare woorden „in al uwe wegenquot; weg, en aldus liet lijj do belofte zeggen, wat zij in waarheid nooit gezegd hooft, en toen stelde hij stoutmoedig eene wijze van handelen voor, die door Gods wet wordt veroordeeld, zeggende: „ Werp u zeiven neder-waarts.quot; Wij zullen bewaard worden in onze wegen, maar niet in onze dwaasheden. Do uitlating van een woord kan de beteekenis eener Sehrittuur-plaats bederven; de woordoljjko ingeving der Schrift stelt het ons ten plicht om haar nauwkeurig aan te halen, daar de weglating van een paar woorden den zin ganseh en al verandert. Welke betrouwbare ingeving kan er wezen behalve die, welke zoowel de woorden als de gedachten ingeeft?

Hoor, hoe de duivel spreekt omtrent engelen: hun Heer, hun\' last, hunne zorge en hunne naarstigheid. Men kan heilige onderwerpen met groote ge-meonzaamheid behandelen, en toch zelt onheilig zijn. Het is slecht om van engelen te spreken maar als duivelen te handelen.

Zie, hoe de booze van de verzoeking omtrent eenvoudig brood overgaat tot eene verzoeking, die do eerzucht prikkelt en tot roekeloosheid aanspoort. Door zulk eene plotselinge verandering hoopt hij den Heere op de eene wijze te vangen, al ontkomt lljj hem dan ook op de andere wijze. Maar onze Heiland was tegen hem bestand. Zjjn zwaard was gereed om alle slagen af te weren. Mochten wij door zijne genade even zoo gewapend zijn tegen


-ocr page 37-

Ilooftlst. IV.] DE KONING KN DE VORST DER DUISTERNIS. 21

den vijand! Al verandert de vijand ook van tactiek, zoo moeten wij toch niet ophouden van liem te weerstaan, noch mogen wij een ander wapen kiezen om hem te bestrijden.

7. Jezus zeide tot hem: Er is ire-denim geschreven: (lij zult den Heere, uwen God, niet rerzoehen,

„Er is wederom geschreven.quot; Men moet niet op één\'enkelen tekst blijven staren, en hem niet zoodanig vergrooten, dat do onderlinge verhouding der Schriften er door wordt verbroken, en het zou wezen, alsof die ééne tekst do gcheele Ejjbol ware. Iedere uitspraak dos Heoren moot in verband tot de overige Schrift worden beschouwd. Er is evenredigheid in de waarheid Gods. „Er is geschrevenquot; moet naast een „Er is wederom geschrevenquot; worden geplaatst.

Hoe kort en beslissend was dit antwoord des Ilceren aan den grooten vijand! Tegenover eene verkeerd aangehaalde belofte stelt Hij een duidelijk voorschrift, dat ons gebiedt niet roekeloos te zijn. „Gij zult nietquot; uit don mond Gods is het schild der conscientie tegen eene snoodo verzoeking tot zonde. Onze gedragslijn wordt noch door eene belofte, noch door eene beschikking der voorzienigheid aangeduid, maar wol door liet duidelijk gebod des ! lee-ron. Roekeloosheid is oen verzoeken van God, en „den Heere te verzoekenquot; dat is iets, waaraan geen oogenblik door ons mag worden gedacht. Herinner u, geloovige, dat Hij uw God is om to worden vertrouwd, maar niet om te worden verzocht. Bij die tweede verzoeking was de tegenstander zoo volkomen teleurgesteld en in het nauw gebracht, dat hij niet antwoordde, maar zijne wijze van krijgvoeren ging veranderen.

Heere, laat mij niet too te zondigen door roekeloosheid of oen aanmatigend vertrouwen! Ik zio, dat hot geloof don weg der gehoorzaamheid wil gaan, maar geene wufte, ijdolo inbeelding wil volgen. Laat niet toe, dat ik mij nederwaarts werpe, en alzoo buiten het bereik kom van uwe beloofde bewaring.

8, 0. Wederom nam de duivel hem mede op een1 zeer hoogen berg, en toonde hem cd de koninkrijlccn der wereld, en hunne heerlijkheid, en zeide tot hem: Al deze dingen zal ik u geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden.

Ellendige verrader! Geen van deze koninkrijken was werkelijk zijn eigendom : zij waren in waarheid het rechtmatige erfdeel des Hoeren, aan wien hij voorgaf zo te willen schenken. Hoe opende hij zijn\' mond en zeide: „Al deze dingen zal ik u gerenquot;! Een armzalig al mot dat al! en indien hij dit „alquot; had gegeven, dan zou het toch slechts oen gestolen gave zijn geweest. Toch zou het voor oen iegelijk onzer een schitterend en betooverond gezicht hebben opgeleverd; want zelfs de heerlijkheid van één onkel koninkrijk doet harten kloppen, en oogen glinsteren, en voeten uitglijden. Hot lokaas is zoet, maar er is een haak in verborgen. Die blinkende heerlijkheid zou te duur gekocht zijn voor don eisch — „val neder en aanbid mij.quot; Indien Jezus vleescholjjke middelen had willen gebruiken, dan zou hij spoedig „de koninkrijken der wereldquot; aan zijne voeten gehad hebben. Een weinig plooibaarheid ton opzichte van do waarheid, en een weinig vleien van vooroordeel, zou vele menschen tot 1 fem hebben gebracht, wier fanatisme onweerstaanbaar zou geweest zijn. Door hunne geestdriftige pogingen zou Hij spoedig over eene


-ocr page 38-

OK KONING EN UK VORST DKR DUISTKRNIS.

[Hoofdst. IV.

22

groote macht liobben beschikt, waarvoor Rome zou zijn gevallen. Onze heilige Zaligmaker versmaadde het om de hulp des kwaads te gebruiken, ofschoon do moester der boosheid ] lom welslagen beloofde. Hoe kan Hij zich nedorbuigen voor den duivel? Hot was het toppunt van onbeschaamdheid in den valschen vijand, om van den Yol-maakte aanbidding te vragen. Christus aan de voeten dos duivels! Dat herinnert ons aan een ondersteunen van den Godsdienst door komediespel en loterijen. Welke gaven van den boozen vijand zou den Zone Gods in verzoeking kunnen brongen om de dienstknecht te worden van het kwaad ? Voor dit geval durft do verzoeker geen gewag te maken van het Zoonschap; want dat zou do Godslasterlijke inblazing al te veel in hot oog hebben doen loopon. Geen Zoon van God kan den duivel aanbidden.

ü lleero, geef, dat zoo ons ooit hongert, of wanneer wij ons, gelijk onze lleero, in armoedige omstandigheden bevinden, wij niet toegeven aan do verzoeking om onrecht te doen, ton oiiulo rijkdom en oor te verkrijgen, ja zelfs niet om hot noodige te verkrijgen, om in onzen dringenden nood te voorzien ! Mocht uwe Kerk nooit buigen voor do wereld in het denkbeeld om op gemakkoljjkor wijze en sneller het koninkrijk van Christus op te richten dan door de eenvoudige prediking des evangelies!

10. Toen zeide .Jezus tot hem: Ga rveg, Satan! want er staat geschreven; ])en Jleere, ween God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

De lleero sprak krachtighjk tot don verzoeker. Satan had zijn eigen karakter verraden, en nu ontvangt hij zijn\' eigen naam, en wordt hem bevolen om op zijne eigene plaats te blijven. Hoe heeft dat woord hom verschrikt: „Ga teegquot;! Dat was het slotwoord, waarmede hij uit des Hoeren tegenwoordigheid word gebannen. Hoe laaghartig on lafhartig deinsde hij af! Beschaamd en te schande gemaakt haastte hij zich weg, a\'s een hond, dien men naar zijn hok jaagt.

Onze ITeere bracht hem bij het scheiden nog een\' slag toe met het zwaard des Geestes: wederom zeide Hij : „Er is geschreven.quot; Gods gebod, hetwelk alle aanbidding en dienst oischt voor Jehova, den verbonds-God, was een woord, dat aan Satan kon heugen, toen hij zich in der haast in de benedenste diepte stortte, om er beschaamd zijn hoofd to verbergen van wege de volkomen nederlaag, die hjj had go-loden. Ook hij is gebonden ouder Gods wet, en kan zijne banden niet van zich werpen. Ü dat wij de kracht mochten erkennen van dit gebod; dat wij mochten gevoelen, dat wij niets van doen hebben met het gewinnen van geheel do wereld mot al hare heerlijkheid, maar geheel ons leven hebben to besteden in den dienst van den eenigen Heer! De schopselvergo-ding verdort onder do verschroeiende hitte van deze gebiedende wet dos Allorhoogsten. Wij moeten ook zelfs geen schijn van eerbied bewijzen aan het kwade, al zou ook de geheelo wereld hot loon zijn voor óóne enkele daad van zondige onderwerping aan dezelve: „Hem alleen zult gij dienen.quot; Ons betaamt hot Jehova, te kiezen tot onzen God, om dan alleen voor zijn\' lof te leven on voor zijnen dienst.

Het is merkwaardig, dat al do Schriftuurplaatsen, aangehaald door onzen Heero, ontleend zijn aan het Boek van Deuteronomium, welk boek zoo zwaar een\' aanval had te verduren van do af brekende critici. Aldus heeft


-ocr page 39-

lloofdst. IV.| DE KONING OPENLIJK ZIJN

onzo llcerc oeno bijzondere core gelegd oi) dat deel des Ouden Testaments, hetwelk, naar Hij voorzag, het ineost aangerand zou worden. De laatste jaren, die wij beloofd hebben, hebben bewezen, dat de duivel hot Boek van Doutoronomium niet bemint. Hij zou zich gaarne willen wreken voor de wonden, die hot hom bij dozo ge-donkwaardige gelegenheid hooft toegebracht.

11. Toen Het de duivel can hem af; m ziet de engelen zijn toegekomen, en dienden hem.

Nadat lljj dozen laatsten schicht had afgeschoten, verliet do vijand Hem; maar zelfs toen verliet hij Mem slechts voor een\' tijd met het voornemen, om bij do oorsto gelegenheid torug to keeren. Alleen na het uiterste beproefd to hob-ben zal de verzoeker een kind van tiod met rust laten, om ook dan nog ijverig naar eene andere gelegenheid tot aanvallen uit te zien.

Niet zoodra was de boozo vertrokken, of er verschijnen engelen om eenc bediening waar te nemen, waarnaar zij

; KONINKRIJK OPRIOHTENDE. 23

reikhalzend hadden uitgezien, maar waarin zij door do tegenwoordigheid des duivels werden verhinderd. Ongetwijfeld haddon zij zich in de nabijheid opgehouden, wachtende op het gunstige oogenblik om te verschijnen. Zoolang do strijd nog gestreden werd, mochten dozo heilige wezens niet op hot tooneel verschijnen, opdat zij niet den schijn zouden aannemen van in de eer dor overwinning te dooien. Maar toen do tweestrijd was geëindigd, toon haastten zij zich om voedsel te brengen voor hot lichaam en vertroosting voor don geest van den Kampioen-Koning. IIeiL was een koninklijke strijd, on de overwinning verdiende door de hovelingen des homolschon Konings te worden gevierd. Laat ons deze engelen zien, hen beschouwen, loeren van hun voorbeeld, en gelooven, dat zij allen krijgshelden van het kruis ovenzoo nabij zijn, als hunne ure van strijd met den vijand is aangebroken.

O verzochte, maar triomfoorendo Koning, uwe dienstknechten aanbidden Ij en vragen om do vergunning en do genade om U te dienen, gelijk Gij door de engelen gediend zijt geworden!


HOOFDSTUK IV. 12-25. [De Koning openlijk zijn koninkrijk oprichtende.]

12. ^4Is nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd naar Galiléa.

Er is goono volgorde in het gesehiod-verhaal, want dat lag niet in de bedoeling van Matthéus. Hij laat veel wog, dat door anderen medogodoeld wordt, omdat het voor hot dool, dat hij zich heeft voorgesteld, niet geschikt is. Johannes is wellicht meer dan eens in de gevangenis geworpen. Het schijnt, dat deze gevangenneming van Johannes onzen Heero hot onmiddebjk tooneel dor vervolging hooft doen verlaten, om zich naar het moor landelijk gebied van Galiléa te begeven. Nu zijn voorlooper bititen dienst is gesteld, neemt zijne werkzaamheid in het openbaar toe. Als de morgenster zich voor


-ocr page 40-

21

bet oog verbergt, dan scbittert do zon in vollen glans. Zijn vertrek werd niet veroorzaakt door vrees, nocb door de begeerte om zichzelven te behagen, neen, zijne bewegingen werden geleid door den Heere (Jod, die Hem had gezonden.

13—1G. En Nazareth verlaten hebbende, is komen iconen te Kapérnaihn, gelegen aan de zee, in de landpalen van Zahulon en Néftiinlim; opdat vervuld zon ivorden hetgeen gesproken is door Jesdja, den profeet, zeggende: het land Zahulon en het Néfthalim, aan den teeg der zee, over de Jordaan, Galiléa der volkeren; het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot Held gezien; en dengenen, die zaten in het land en de schadmren des doods, denzelven is een licht opgegaan.

Merk op, hoe de bewegingen onzet Konings allen geregeld zijn overeenkomstig de Goddelijke profetie. „Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapórnaiimquot; om ecne schriftuurplaats in het boek van Jesaja te vervullen. Er was een aloud program, dat van onds den weg van zijn\' koninklijken tocht heeft aangewezen. Hij ging, waar de vóórkennis en de voorbeschikking van Jehova zijn\' weg bepaald heeft.

1 lij ging daarenboven naar de plaats, waar Hjj noodig was, namelijk naar „de landpalen van Zahulon en Néf-thalim.quot; Het „groote lichtquot; ging de grooto duisternis te gemoet; de ver gezetenen werden bezocht door Hem, die Israels verdrevenen bijeen vergadert. Onze Heere zoekt niet degenen, die roemen in hun licht, maar wel bon, die wegkwijnen in duisternis. Hij komt met njn hemolsch licht niet tot hen, dio roemen in hun eigen leven en hunne eigene kracht, maar tot hen.

die onder het vonnis des doods liggen, en reeds de schaduwen des doods gevoelen, welke hen uitsluiten van alle licht en van alle hoop. „Groot lichtquot; is een beeld van het evangelie, dat zeer rijk is in beteekenis, en „die zaten in het land en de schaduwen des doodsquot; is eene treffende beschrijving van hen, die gebogen zijn onder do macht der zonde en als verstijfd zijn door do vrees voor veroordeeling. Welk eene genade, dat Jezus komt met macht, om boni die buiten het bereik zijn van do gewone middelen, hen die wonen „aan den weg der zee, over de Jordaan, Galiléa der volkeren,quot; te verlichten en levend te maken.

Indien ik mij zeiven gevoel als een zondaar, die verre is, Heere kom tot mij, en doe mij weten, dat zelfs voor mij het „licht is opgegaan.quot;

17. Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zeggen: Bekeert ii, ivant het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

Hij zette de waarschuwing voort, die Johannes had doen hooien; „Be-keert u: uant het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.quot; De Koning overtreft zijn\' heraut, maar in de boodschap, die hij brengt, verschilt hjj niet van hem. Zalig de prediker, wiens woord door zijn\' Heere onderschreven kar worden. Bekeering is de eisch der Wet, dos Evangelies en van Johannes, die do schakel was, welke deze twee aan elkander verbond. Onmidddjjkc be-keering wordt geëischt, omdat de Gods-rogeering gevestigd is: het koninkrijk eischt een zich afkoeren van do zonde, in Christus Jezus ging God hcerschen onder de kinderen der menschen, en daarom behoorden de menschen vrede mot Hom zoeken te verkrijgen. Hoe veel meer rog behoorden wij ons te


-ocr page 41-

Iloofdst. IV.I DR KONING OPENLIJK ZIJN KONINKRIJK OPRICHTENDE.

I

mi

Ml

; ir li tl

Hquot;: I

I

\'1 I \'

i

ll

bekeeren, wij, die in het midden van dat koninkrijk wonen! Hoedanigen behooren wij to zijn, wij, dio zijne wederkomst verwachteu! , Het koninkrijk der hemelen is nahij.quot; l.aat ons wezen als menschen, die uitzien naar hun\' lieer. O mijn genadige Koning en Heiland, ik bid U, zie in welbehagen neder op mijne bekeering, mijn berouw vanwege mijn vroeger rebel-leeren, en neem het aan als een blijk van mijne tegenwoordige trouw!

18, 19. En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zay twee broeders, namelijk Simon, cjezeyd Petrus, en Andréas, zijn\'\' broeder, het net in de zee werpende {want zij waren visschers); en hij zeide tot hen: Votcjt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken.

Onze Heere predikte niet slechts het koninkrijk, Hij begon nu ook dezen en genen tot deszelf\'s dienst en deszelf\'s voorrechten te roepen. TTij was „wandelende aan de zeequot;, en te dier plaats en stonde begon Hij zijn werk van bekeering, roeping en ordineering. Waar Hij ook woonde, overal heeft Hij kracht van zich doen uitgaan. Onze werkkring is, waar wij zelf\' zijn.

Jezus had inzonderheid het oog op visschers. Hij riop de visschende broeders, die Hij van ouds had uitverkoren, aan zijne zijde. Te voren had Hij hen geroepen door genade, thans roept Hij hen tot de bediening. Zij waren werkzaam in oen wettig bedrijf, toen Hij hen riep om bedienaren dos evangelies te worden: onze Heere roept geene beuzelaars, maar visschers. Zijn woord was gebiedend — „ Volfit mij na.quot; Zijn werk was passend voor, was in overeenstemming met, hun beroep als visschers; het was vol van koninklijke belofte — „Jk zal n visschers der menschen maken f en het was bij uit

nemendheid leerrijk; want een evangelist en een visscher hebben vele punten van overeenkomst. Uit deze Schriftuurplaats loeren wij, datniemand dan onze Heere zelf, iemand tot een\' visscher van menschen kan maken, en dat zij, die door Hem worden geroepen, niet anders voorspoed kunnen hebben, dan voor zoover zij Hem navolgen.

Heere, geef mij als winner van zielen uwe geestesgezindheid, en loer mij uwe wijze van werken na te volgen, opdat ik niet te vergeefs arbeide!

20. Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn hem nagevolgd.

De roeping was krachtdadig. Oecno netten kunnen hen verwarren of verstrikken, die door Jezus geroepen zijn om Hem na te volgen. Zij komen „terstondquot;, zij komen ten koste van alles; zij komen zonder vrage of tegenspraak ; zij komen, en verlaten daarmede plaatsen, waar zij zich voormaals heen begaven; zij komen en volgen hun\' Leider zonder beding en zonder voorbehoud.

Heere laat mij immer, en zoo lang als ik leef, een getrouw en vastberaden volgeling zijn. Mochten geene netten mij kunnen terughouden, als O ij mij hebt geroepen!

21, 22. Kn hij vandaar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, den zoon van Zehedéüs, en Johannes, zijn\'\' broeder, in het schip met hun\'\' vader Zebedéiis hunne nettm vermakende, en heeft hen geroepen. Zij dan, terstond verlatende het schip, en hun\'\' vader, zijn hem nagevolgd.

Onze Heere verlustigde zich in visschers: hun vrijmoedig, harteljjk en openhartig karakter hebben hen wellicht inzonderheid geschikt gemaakt

25

-ocr page 42-

26 DE KOX 1X0 OPEXIjIJK zijn KONINKRIJK OPRICHTENDE. Iiloofdst. IV.

tot zijn\' dienst, lloo dit zij, dozen zullen do doornen zijn, waarin IIjj do rozen zijner genade zal enten. Sommigen roept Hjj tot den predikdienst, op het oogenblik dat zij hunne netton uitwerpen, en sommigen als zij ze „vermakenquot;; maar in beide gevallen zijn zij aan hot werk. Hot zal ons noodig zijn om, boido de netten uitte werpen on ze te vermaken, als wij tot onzos Iroeren werk worden geroepen. Merk op, hoe onze Heere wederom twee hrocder* roept. Twee te zamon zijn oneindig beter dan wanneer eón voor óón afzonderlijk werkt. Do Heere weet dat ons hart modegenootschap behoeft, on goon metgezel, geen mede-avbeidor is beter dan eon broeder.

Dit tweede broederpaar vei\'Iieten htm\' rader, zoowol als hun visschersbedrijf. Do eersten verlieten hunne netten, maar dezen verlieten hot schip. Van do eersten worden geene bloedverwanten genoemd; maar dozen verlieten, om Christus wil, vader en moeder;en zij deden het even welberaden en vastberaden als de anderen. Het scheen geen veelbelovend vooruitzicht om don „dakloozenquot; Jezus to volgen; maar eene innerlijke aantrekkingskracht oefende hare werking op hen uit, en zij volgden Hem, verrukt om der Goddelijke stem te gehoorzamen. Zebedéüs kon wol gedacht hebben, dat het vertrek zijner zonen eon groot verlies voor hem was; maar wij lezen nergens dat hjj tegenwerpingen maakte, of er zijne afkeuring over te kennen gaf. quot;Wellicht heeft hjj zijne zonen met blijdschap afgestaan voor zulk oen\'dienst; wij houden er ons van overtuigd dat dit ten minste met hunne moeder hot geval was. In den dienst van Jezus moeten wij door gecne bandon van bloedverwantschap worden belemmerd. Hjj heeft hooger aanspraak op ons dan vader of echtgenoot.

Heero, roep mij, en mijn broeder, en geheel mijn geslacht tot uwe genade, al roept Gij ons dan ook niet tot do bediening des Woords!

23. En Jezus omging geheel Galiléa, leerende in hunne synagogen, en predikende het evangelie de* Koninlmjhs, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk.

Onze Heere was immer op reis; ny „omging geheel Galiléa,quot; De Qroote Reizende Prediker maakte eene geheele provincie tot zijn kerspel. Hij „leerde in hunne synagogenquot; maar Hij was oven te huis in hunne straten. Hjj gaf niet hot allerminst om gewijde gebouwen. Leerende cn predikende — het gaat uitnemend samen met genezende; want aldus werden beide lichaam en ziel verzorgd, Onzes Hoeren groote macht wordt gezien in de algemeenheid van zijne genezende kracht: ge-nezendo „alle ziekte en alle kir ale.quot; Verwijl bij dit woord „(die.quot; Maar onze Heere vergenoegde zich niet met wondoren voor het lichaam, Hij had het evangelie voor de ziel, dat evangelie, hetwelk verborgen is in zijn eigen Persoon als Koning, in zijne belofte van vergeving aan hen, die gelooven, en in zijne heerschappij der liefde, over hen, die Hem getrouw zijn. Hij predikte „het Kr angel ie des Koninklijksquot;, oen echt koninklijk evangelie, hetwelk de menschen tot koningen en priesters maakt. Voor dit evangelie waren do wonderen van genezing als even zoo vele zegelen. Te dezer dage is do genezing van zielen even gewis-selijk een zegel Gods op het evangelie.

Heere, ik ken de waarheid en do gewisheid van uw evangelie, want ik heb uwe genozendo hand gevoeld op mijn hart. Mocht ik de heerschappij en do kracht gevoelen van uw Konink-


-ocr page 43-

Iloofdst. IV. I DE KONING OPRNMJIC Z[JN KONINKRIJK OPRICHTENDE. 27

rijk, cn mij mot vrougdo buigen onder uwen scliepter!

24. Kn zijn gerucht (jhuj van daar uit in gel teel Syrië; en zij brachten tot hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen be-vangen zijnde, en van den duivel bezetenen, en maanzieken en geraakten; en hij genas dezelve.

Do menschen hobbon natuurlijk tot elkander van den groeten Profeet gesproken. Zelfs buiten quot;s lands begon men van Ifem te hoeren. Syrië vernam wederom, dat er een God was in Israël, die den monsch van molaatscli-heid kon genezen. ]STu wordenmonselien tot TIem gebracht, die in don droevig-sten toestand vorkeoren; epileptisolien, be/otoncn on waanzinnigen worden tot Hom gevoerd, en niet tevergeefs. Wolk eene lijst van krankheden vinden wij in dit vors! Ziekten, pijnen, duivelen, maanzieken, geraakten enz. En welk een recept aan hot einde: „En hij genas dezelvequot;! O dat do menschen gaarne bereid waren, om hunne gecstolijko krankheden tot den Zaligmaker te brengen! Dat zou tot dezelfde uitkomst leiden: in ieder zoodanig geval zouden wij lozen: „Hij genas dezelve.quot;

Onze Koning omringde zich van do geestelijke heerlijkheid dor dankbaarheid door zijne macht te openbaren om de beproefden te zegenen. Sommige koningen hebben voorgewond zekere krankheden door hunne aanraking to genezen; maar Jezus heeft dat in werkelijkheid gedaan. Nooit was er een koning of een profeet, die zulke wonderen kon werken als Hij. Wel mocht „c//» r/crwMquot;, dat is: zijn roem, zijne vermaardheid, groot zijn!

25. En vele scharen volgden hem na, van Galilea, en van Dekdpolis, en van Jeruzalem, en van Jadea en van over de J or daan.

Zulk een leoraar kan niet anders dan volo volgelingen hebben. En toch! hoe kloin is het getal van zijne geeste-hjke volgelingen, vergeleken bij de „vele scharenquot;, die om uitwendige oorzaken tot Hem kwamen! Onze Koning hoeft vele onderdanen in naam, maar het zijn slechts weinigen, die Hem kennen als hun\' Heero, omdat dooide kracht zijner genade hun hart vernieuwd is. Dozen alleen gaan in waarheid in tot zijn koninkrijk, en het is oven dwaas als goddeloos om te spreken alsof ook anderen in zijn geestelijk gebied mede begrepen zijn. Toch is het een moedgevend tceken als er veel navraag is naar Jezus, en als iedere landstreek en elke stad haar contingent van hoorders zendt.

Thans zullen wij meer hooien van de gezegende lippen van Hem, dio Koning was in Jeruzalem, en te gelijk ook een Prediker was voor het volk.


-ocr page 44-

DE KONING KONDIGT DE WET AF VAN ZIJN KONINKRIJK. | TToofdst. V.

HOOFDSTUK V. 1—12.

[De Koiiiiin- kondigt de wet af van zijn koninkrijk.]

Dit is do natuurlijke ordo dor koninklijke werkzaamheid. De Koning is gezalfd; Hij komt onder hot volk ter betooning zijner macht, daarna handelt Hij als Wetgever, en brengt Hij zijne inzettingen ter algcmeene kennisse.

28

Om stille afzondering, frissche lucht en veel ruimte te hebben, begeeft de Koning zich naar den bergrug. Het was ook zeer voegzaam, dat zoo verhevene zodelcer van de hoogte eens bergs zou gehoord worden. Een natuurlijke heuvel schikte zich boter voor zijn onderwijs dor waarheid, dan oen marmeren predikstoel. Zij, die Hom begeerden te volgen als discipelen, verzamelden zich dicht rondom den Rabbi, die op den loeraarszetel in hun midden had plaats genomen; in de buitenste kringen stonden „de schurenquot; om te luisteren.

2. En zijn\' mond geopend hebbende, leerde hij hen, zeggende:

Ook wanneer zijn mond gesloten was, loerde Hij door zijn leven; toch heeft Hij ook het getuigenis zijner lippen niet weerhouden. Als ernstige mannen hunne medomenschen toesproken, dan mompelen of aarzelen zij niet; zij openen hun\' mond en spreken op duidelijke, hoorbare wijze. Laten wij, als Jezus zijn\' mond opent, onze ooren openen en ons hart.

ii. Zalig zijn de armen run geest\', a:anl hunner is hel koninkrijk der hemelen.

Des Konings eerste inzettingen zijn zaligsprekingen. Hjj begint zijn onderwijs met oen koninklijk geschenk van zegeningen. Het Oude Testament eindigde met „een hemquot;, een vloek: het Miouwe Testament begint mot een „zaligquot;, of „gezegend.quot; Dit woord wordt door sommigen overgezet in „Gelukkigquot;, doch ons is hot woord „gezegendquot;, of „zaligquot; het liefst. Onze Heere brengt door zijn onderwijs en door zijn koninkrijk ware zegeningen of zaligheden tot de menschen.

Geestelijke armoede wordt geboden en te gelijk ook geprezen en aanbevolen. Zij is de grondslag der Christelijke ervaring. Zonder armoede van geest te gevoelen begint niemand op de rechte wijze. Toch wordt roods op dit eerste toeken van genade het koninkrijk in onmiddelijk bezit genomen: „hunner is het koninkrijk der hemelen.quot; In het hemelsche koninkrijk wordt niet gevraagd: „Zijt gij oen pair, een edelmanquot;, maar „zijt gij arm van geest.quot; Zij, die gering zijn in hunne eigene oogen, zijn van het koninklijk bloed des heelals. Dezen alleen hebben de beginselen cn de hoedanigheden, die hen geschikt maken voor een hcinolsch koninkrijk. Mocht ik tot hen behooren!

4. Zalig zijn zij die treuren-, uant zij zullen vertroost worden.

Dezen schijnen in nog droever omstandigheden te verkeeren, dan zij, die slechts arm van geest zijn, want „zij treurenquot;. Zij zjjn een graad hooger dan de vorigen, ofschoon zij oen graad lager schijnen. De wijze waarop men in hot koninkrijk hooger klimt, is zich zolven lager te schatten. Deze menschen zijn bedroefd om de zonde, beproefd door het booze der tijden; maar—


-ocr page 45-

1 toofdst. V. I DU itONINO KONDIGT DU WUT AF VAN ZIJN KONINKRIJK.

29

hun is een toekomst bereid van blijd-seiiap en rust. Z:j, die lachen, zullen weeklagen; maar /ij, die treuren zullen zingen. Iloe groot een zegen is do smart, daar zij den Ileero de gelegenheid biedt om vertroosting te schenken! Onze smarten zijn gezegend, want zij zijn ouzo punten van aanraking mot den Ooddeljjken Trooster. Die zaligspreking klinkt als eene paradox, eene machtspreuk; maar zij is waar,zooals sommigen van ons ten volle hebben ervaren. Onze uren van smart hebben ons meer vertroosting gebracht dan onze dagen van vroolijkheid.

5. Zalig zijn de zachtinoedijen; mint zij zullen het aardrijk beërven.

Zjj zijn nederig van hart, bereid om afstand te doen van hun dool in dozo aarde, en daarom zal dat deel tot hen terugkomen. Zij pralen noch pronken, zij twisten niet met, en verheffen zich niet boven, andoren; toch zijn zjj de erfgenamen van al hot good, dat God op de aarde geschapen heeft. In hunne zachtmoedigheid zijn zij gelijk aan hun\' Koning, en met Hem zullen zij heer-schen. liet beloofde land is voor de stammen der zachtmoedigen; en de Kanailnieten zullen voor hun aangezicht worden uitgedreven. Het beste van do wereld heeft hij, die er het minste waarde aan hecht, en die het geringste van zich zeiven denkt.

G. Zaliy zijn zij, die hongeren en dorden naar de gerechtigheid; uant zij zullen verzadigd worden.

Zij zijn niet vol van hunne eigene gerechtigheid; maar verlangen al meer en meer naar lietgeon van Boven komt. Zij smachten er naar, om zeiven recht te staan voor God on menschen, en te zien dat overal, in de gelicele wereld,

do gerechtigheid do bovenhand hooft. Hun verlangen naar gerechtigheid is zóó groot, dat zij er beide naar „hongeren en dorstenquot;. Waar God zulk eono onverzadolijke begeerte werkt, daar kunnen wij er zeker van zjjn, dat Hij haar zal vervullen, on wel ton volle, tot overvloeiens toe. Door de aanschouwing van de gerechtigheid Gods, de gerochtiglieid van Christus, en do zegepraal der gerechtigheid in do laatste dagen, zijn wij moer dan verzadigd. In do tookomondo wereld zal de verzadiging van „don man dor I begeertenquot; I) volkomen zijn. Do on-; sterfelijke ziel kan door niets hier benedon worden verzadigd; on daar er ; geschreven is; v\'/ij zullen verzadigd tvordenquot;, zien wij met blijmoedig vertrouwen uit naar den hemel dor heiligheid, waarmede wij eeuwigljjk verzadigd zullen worden.

7. Zalig zijn del)armhartigen,ivanl \\ hun zal harmhartigheid geschieden.

Zij vergeven, en hun word vergiffenis geschonken. Zij oordeelon een barmhartig oordeel, en zjj zullen niet veroordeeld worden. Zij helpen do nooddruftigon, en zjj zullen in hun\' nood hulp en bijstand erlangen. Wat wij zjjn voor anderen, dat zal God wezen voor ons. Om vriendelijk te kunnen zjjn, hebben sommigen eon\'zwaren strijd te voeren met hunne aangeboren vrekkigheid; maar de zegen ligt niet in j eono enkele daad van barmhartigheid, maar in de barmhartige gezindheid des , harten. J ozus\' volgelingen moeten barmhartig zjjn, want hun is barmhartigheid geschied, en de barmhartigheid heeft hen gevonden. I ndien wij „barmhartig-

1) Hot „zeor gowonsclit manquot; in Dun. IX : 2\'i, kun volgens do kunttookoning ook gelezen worden „Man van begeertenquot;.


-ocr page 46-

DE KONING KONDTOT OR WET AF VAN ZIJN KONINKRIJK. | Iloofdst. V.

lioid bij don lleoroquot; wenschon „to vindonquot; „in dien dagquot;, dan beliooren wij liarmliavtighcid to bewij/on in dozen dag.

8. Zalig zijn de rcinen van hart, want zij zullen God zien.

Onroino harton maken doffe oogen, zoodat zjj God niot kunnen zien. Om liet oog to vei\'lioldoron moot liet liart wovdon gereinigd. Alleen reinheid kan zich oen denkbeeld vormen van God, of\' oen waar gezicht op Hom hebben. Het is oen groot loon om in staat te zjjn God ie. zien, en, van don andoren kant: een waren blik te hebben op den driemaal Heilige is eene grooto hulpo om rein run harl te zjjn. Er zijn op aarde geene reine harten, tenzij dan dat do lleoro zo rein gemaakt hooit, en niemand zal God zien in den hemel, die hier bonoden niet door genade gereinigd was. Hoere, schop in mij een rein hart, opdat ik U moge aanschouwen, beide nu on tot in eeuwigheid.

!). Zalif/ zijn de. vredemahers 1), irunl zij zullen (1 odst kinderen (jenaamd worden.

Zij zijn niet slechts lijdelijk vreedzaam, zooals dezachtmoedigen, dioden vrede bewaren; zjj zjjn vreedzaam op actieve wijze, door er naar te stroven om krijgen en twistingon to doen eindigen, en aldus vrede temaken. Dozen zijn niet slechts do kinderen van den vrede Hof\'hebbendon God, maar zjj komen er toe om ook aldus te worden genoemd; want do menschon worden getroffen door hunne gelijkvormigheid met hun\' Vader. Hierdoor wordt ons kindschap aan ons zeiven en aan andoren bekend. Menschon dos vredeszjjn

1) Nnar de Engelsclio overzetting, nismede volgens knntteekening op den Staten-Hijbel.

do kinderen van don God dos vredes, en op hen rust do zogen huns Vaders.

Deze zevende zaligspreking is heor-Ijjk en verhoven; laat ons allen streven om haar op ons zolven to knnnon toepassen. Laat ons nooit vrodobrokers, maar altijd vredemakers zjjn. Toch moeten wij er ons wol voor wachten om „vrede, vrede,quot; to roepen, „waar goon vrede is.quot; Hot vorige vers spreekt van reinheid, en dit vors spreekt van vrede. Eerst znirer, daarna vreedzaam\', dat is Gods orde, on hot behoort ook onze orde te zjjn.

10. Zulir/ zijn. zij, die vervolgd worden om der gei echtigheid wille, want hunner is het koninkrijk der hemelen.

Dit is do bijzondere zogen van do uitverkorenen Gods, en op de Ijjstdor eoro staat die zegen zoor hoog. De oenigo hulde, die de goddeloosheid der gerechtigheid kan brengen, is haar to vervolgen, /jj, die in do eerste zaligspreking arm van geest waren, zjjn hier gesmaad on veracht, zoowel als arm en ellendig, on hierin ontvangen zjj oe;io nieuwe koninklijke handvest, waardoor hun voor do tweede maal „hei koninkrijk der hemelenquot; wordt verzekerd. Ja, zjj hebben thans reeds liet koninkrijk: hot is hunner in tegenwoordig en dadeljjk bezit. Niot om oen persoonljjk gebrek, maar eenvoudig van wege hun godvruchtig karakter worden dos Hoeren Daniels gehaat; maar juist door hetgeen een vloek schoen, zijn zij gezegend, fsmaöl bespot Jzak; maar toch hooft izak hot erfdeel, en wordt Ismaöl uitgeworpen. Hot is oone gave Gods als wij om zijns naams wil moeten lijdon. Mochten ook wij geholpen worden, om ons in Christus\' kruis te verblijden, als ons do eer wordt aangedaan van om zijns naams wil te worden gesmaad.


-ocr page 47-

ironfrlst. V.] DE KONING KONDIGT DK WET AF VAN ZIJN KONINKRIJK.

81

II, 12. ZaUcj zijl (/ij, al* de men-schen n smcidm en vervoU/en en liegende (die kwaad legen u spreken, om mijnent-mlle. Veihlijdl en vei\'lierajl u, wanl uui loon is groot in. de hemelen: mini (dzoo hehhen zij vervolgd de profelen, die vóór u geweest zijn.

Do vervolging der tong is moer algemeen, maar niet minder wreed dan die der hand. liastor is gewetenloos, en brengt allerlei beschuldigingen te berde: „alle kiraad,\\ is eene veelomvattende uitdrukking. Geen misdaad is te laag om er den onschuldige van te betichten; en evenmin zal do vervolger aarzelen ot\' terugdeinzen voor de snoodiieid dor beschuldiging. Do regel schijnt tozjjn: „Worp maar hooi veel slijk, er zal altijd wel iets van bljjven kloven.quot; Onder deze zoor zware beproeving nu moeten do godvruch-tigon buitengewoon gelukkig zijn, want aldus worden zij verheven tot den rang der profeten, op wie de storm dei-leugen met ontzettende woede aankomt. „Alzoo hehhen zij vervolgd de profelen.quot; Dat is het erfdeel van de boden des Hoeren: den oenen hebben zij gedood, en den anderen gestoonigd. De oor, van met de profeten om dos ITeeren wil te lijden, is zóó groot, dat het ons wel kan verzoenen mot alles wat er het gevolg van zijn zal. Er is eene inquisitoriale opvolging van vervolgers: „Want alzoo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijnquot;4, en or is eene profetische opvolging van heiligen, verordineerd om den Ileore op do brandstapels te verheerlijken. Wij hebben de hoogo eer van te be-hooren tot deze opvolging; en dit maakt ons gelukkig. Onze vreugde en blijdschap gaan alle grenzen te boven, als wij met de decoratie van het ijzeren kruis worden vereerd, en de halsketen van B. L dat is van „Belogen en Belasterdquot; fo worden ontvangen.

13. Gij zijl het zoiil dei\' aarde: indien mi het zont smakeloos wordt, umirmede zal het gezouten ivorden ? Het deugt nergens meer toe, dan om huilen geworpen en van de menschen vertreden te worden.

Aldus spreekt IIjj tot hen, die Hij aanwerft voor zjjn Koninkrijk. Kr is in hun aard en karakter ccno bewarende kracht, waardoor hot overige dool der maatschappij tegen oen algeheel bederf wordt beschut. Indien zij niot verstrooid waren onder de menschen, dan zou het goheele geslacht aan bederf zijn prijs gegeven. Indien zjj echter slechts Christenen zijn in naam, en de wezenlijke kracht is weggegaan, dan kan niets hen bewaren, en dan zijn zij van hoegenaamd geen nut voor hen, onder wie zij verkeeren. Kr is een verborgen iets, dat het geheim is van do kracht des goloovigon, dat iets is gour of smaak: het is niet gemakkelijk te omschrijven, en toch is het volstrekt onontbeerlijk, zoo wij andoren tot zegen willen zijn. Een wcreldling kan wel voor het een of ander nuttig zijn, al is hot ook, dat hij in sommige opzichten faalt; maar een Christen, die geen Christen is, is geheel en al slecht, hij „deugt nergens toequot;, hij is voor ieder en voor allen geheel en al onnut. Hem wacht oeno volkomene verwerping: hij zal huilen-geworpen en van de mensehen vertreden worden. Zijn godsdienst maakt een voetspoor voor de mode, of voor minachting, al naar do wereld hem opnoemt. In geen van beide gevallen is die godsdienst oone bewarende kracht, daar hij zichzelvcn niet eens voor verachting bewaart.

Hoe krachtig wordt ons hier do


-ocr page 48-

32 DK KONING KONDIGT 1)10 WliT Ah\' VAN ZI.IN KONINKUIJlC. ] lloüf\'dst. V.

noodzakelijkheid geleerd om te vol- | li arden tot den einde! Iinmers, is de | smaak dor goddelijke genade eens ge- | heel van don mensch geweken, dan i kan hij nooit meer worden hersteld; ; do tekst is omtrent dit punt lieel ] duidelijk en beslist. Hoe onzinnig is hot beweren, dat iemand wedergeboren kan zijn, daarna het goddelijk leven weder kan verliezen, om het dan eindelijk opnieuw te ontvangen. De wedergeboorte kan niet falen of\'mislukken: indien dit wèl kon, dan zou er nooit hoop kunnen bestaan voor den mensch. Hij zou niet telkens en wederom, en nogmaals, wedergeboren kunnen worden; hij zou geheel buiten het bereik komen dor genade. Maar wie is hopeloos? Is er iemand, die onmogelijk terecht kan gebracht worden? Zoo ja, dan moet zoo iemand geheel en al van de genade zijn vervallen, maar anders niet. Zij, die er van spreken, dat alle mcnschen binnen het bereik dor genade zijn, mogen noch Schriftuurlijk noch logisch in een\' al-gclieelcn afval golooven, daar het „onmogelijk is om hen wederom tot bokeering te vernieuwenquot;, indien zij wezenlijk afvallig zijn geworden.

Do groote les is, dat zoo de genade zelve te kort schiet om den mensch te behouden, niets anders voor hom gedaan kan worden. „Indien nu het zout .smakeloos wordt, waarmede zal het tje-zoutcn worden ?quot; O ij kunt wel vleesch, maar geen zout zouten; als de genade faalt, dan faalt alles. Genadige Heiland, laat mij toch nooit toe te beproeven in hoever ik mijn\' zoutsmaak kan verliezen; maar laat mjj immer vol blijven van genade en waarheid.

14, 15. Gij zijt het licht der wereld; eene Mad boven op een\' herg Hijgende, kan niet verborgen zijn. Noch steekt men eene kaars aan, en zet die onder eene korenmaat, maar op een\'\' kandelaar, en zij schijnt allen die in het huis zijn.

Wij hebben de duisternis weg te nemen dor onwetendheid, der zoude en dor smart. Christus heeft ons verlicht, opdat wij de wereld zouden verlichten. Het betaamt ons niet, om ons ten opzichte van onzen godsdienst te verbergen. God wil zijne genade even duidelijk zichtbaar doen zijn als eene stad, die op een\' berg is gebouwd. Zijn\' Geet,t te willen verbergen, is even dwaas als eene kaars „onder eene korenmaat te zettenquot;-, de kaars moet door „allen, die in het hais zijn, wor len gezien,\'\'\' en zoo behoort het ook te wezen met do genade des Christens. Vroomheid in het huisgezin is de boste vroomheid. Indien ons licht niet wordt gezien in het huis, dan kunt gij er verzekerd van zijn, dat wij geon licht hebben. Kaarsen zijn bestemd voor onze woonkamers en onze slaapvertrekken. Laat ons nooit het licht der genade bedekken, ja „wij kunnen niet verborgen zijn\'quot;, indien de Heere ons op den berg zij nor liefde heeft gebouwd; en evenmin kunnen wij in duisternis verwijlen, indien God ons verlicht, en „op een\' kandelaarquot; heeft gesteld.

Heere, maak mij ijverig om het licht, dat ik van IJ heb ontvangen, door de gansche wereld te verspreiden! Maallaat mij ten minste, en in elk geval, schijnen in mijn eigen huis!

10. Laat uw licht alzoo schijnen voor de nienschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

Onzer is het licht, maar de verheerlijking is voor onzen Vader in de hemelen. quot;Wij schijnen, omdat wij licht hebben, en omdat wij schijnen, worden


-ocr page 49-

onze koning eert de wet zijns vaders.

Hoofdst. V.]

wij gozien. ITet is door goodo werken, dat wij hot bost sciiijnon voor de men-schen. Het ware schijnen is stil; maar tocli is het zóó nuttig, dat monschen, die maar al to dikwijls zoor slechte beoordeelaars zijn, toch gedwongen worden, om God te loven voor het goede, dat zjj hebben ontvangen door hot licht, dat Iljj hooft ontstoken. De engelen verheerlijken God, dien zij zien, en de monschen zjjn genoopt God te verheerlijken, dien zjj niet zien, als zij do „yonlc werJcmquot; gadeslaan van zijne heiligen. Wij behoeven or niets tegen te hebben om gezien to worden, ofschoon wij niet moeten trenschen te worden gezien. Daar do monschen, als er eonige voortreffelijkheid in ons is, haar gewis wol zullen ontdokken, zoo moeten wij wol toezien, dat do eer er voor gegeven worde aan onzen llooro, aan wion zij geheel en uitsluitend foo-komt. Niet ons, o IIeere, niet ons, maar uwen naam zij oor!


HOOFDSTUK V. 17—20.

[Onze Koning; eert de «et zijns Vaders.]

TTij droeg zorg om de wetten dor monschen te horzien en te hervormen; maar do wet Gods heeft Hij bevestigd.

17. niet, dut He uekomenhen, om de iref of de profeten fe ontbinden; ik hen niet gekomen, om die te. ontbinden, maar te vervullen.

Het Oude Testament houdt stand in deszelfs doelen, beide mot betrokking tot „de wet en de profeten.\'\'\'\' Do llooro .lezus wist niets van „afbrekende critiek. quot; Hjj bevestigt in den diopsten zin al wat in de ïloiligo Schrift is geschreven, en brengt er oeno nieuwe volheid in. Dit zegt Hij, eer Hij er toe overgaat om opmerkingen temaken op de gezegden van de mannon van ouds. Iljj zelf is do vervulling en hot wezen dor typen, en profetieën, en geboden der wet.

18. Want voorwaar zeg ik n\\ totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, sa! er niet een jota, noch een tittel van de vet voorbijgaan, totdat het allef! zal zijn geschied.

Goono enkele syllabemoetonvrucht-baar of krachteloos worden. Tot zelfs in do kleinste letters, de punt op iedere „iquot;, on hot streepje door iedere „tquot; zal de wet do schepping overleven. Hot Oude Testament ia oven heilig en veilig bewaard als hot Nieuwe. „Hot woord dos Hoeren blijft in der eeuwigheid.quot; De hedendaagscho critici hebben een onmogelijk te volbrengen werk op zich genomen in hunne poging om zich van do goddelijke ingeving van go-hoel do gewijde Schrift, of van dit of dat boek, of hoofdstuk, of vors, to ontdoen, want hot geheel zal uit hun\' smeltkroes te voorschijn komen, als zilver, dat zevenmaal gelouterd is.

19. Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mcnschen alzoo zal geleerd hebJ)cn, die zal de minste genaamd worden in hel koninkrijk der hemelen; maar zoo wie ze zal gedaan en geleerd ebben, die zal groot


3

-ocr page 50-

ONZR KONING EERT DR WET ZI.TN\'S VADERS.

| Iloofdst V.

34

(jmacimil irorden in het koninlcvijl\' der hemelen.

Onze Koning is niet gekomen om do wet op te heffen, maar om haar te bevestigen. Zijne geboden zjjn eeuwig; en indien hare leeraren uit vergissing of dwaling zijne wet zouden verbreken, zouden loeren, dat ook maar derzelver minste gebod nietig of ongeldig is geworden, dan zouden zij van hun\' rang vervallen worden verklaard, en de laagste plaats moeten innemen, liet pairschap van zijn koninkrijk is geregeld naar gehoorzaamheid. Doorgeene kennis, geboorte of voorspoed zal iemand groot worden; maar wol door oot?uoe-dige en nauwkeurige gehoorzaamheid, beide in woord en daad. „Zoo wie ze zal (jedaan en yeleerd hebben,quot; hij is de man, die „Ui\'oot zal (jenaamd worden in het honinhrijk der hemelen.quot; Vandaar dat de ileerc Jezus geen milder, of minder strenge wet invoert, en evenmin zal lljj toestaan, dat een zijner dienstknechten dit doet. Onze Koning vervult de aloude wet, en zjjn Cieest werkt in ons het willen en liet doen van Gods welbehngen, geljjk dit aangetoond is in de onveranderlijke inzettingen dor gerechtigheid.

Jleere, maak mjj van dit uw koninkrijk een waarlijk getrouw onderdaan, en mocht ik beide „doen en leerenquot; overeenkomstig uw Woord. Hetzij ik groot of klein ben op de aarde, maak mij groot in gehoorzaamheid aan IJ.

20. Want ik zen n: tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftcjeleerden en der farizeën, dat gij in het koninkrijk der hemelen geenszins znlt ingaan.

Wij kunnen „het koninkrijkquot; zelfs niet „ingaanquot;, en beginnen des Hoeren te zjjn, indien wij niet verder gaan dan de voornaamsten onder de gods-dienstigen der wereld. De geloovigen moeten niet slechter zjjn in levensge-drag, maar oneindig beter dan de meest stipte en strikte wettisch gezinde. In hart en in daden moeten wij hooger staan dan de schriftgeleerden, hooger dan zij, die in de wet roemen. Het koninkrijk is niet voor de rebellen, maar voor hen, die nauwgezet gehoorzamen. Zij vereischt van ons niet slechts heiligheid, eerbied, oprechtheid en reinheid, maar zij werkt ook dit alles in ons hart en ons leven. Het evangelie geeft ons,van wege do grootere voortreffelijkheid van eene veronderstelde innerlijke heiligheid, geene vrijheid om uitwendig te zondigen. Veeleer brengt het, door in het binnenste onzer ziel eene heerlijke vrijheid in de wet des Heeron te werken, ook uitwendige heiligheid te weeg.

Welk een Koning hebben wij in Jezus! lloedanigen behoorden wij te zjjn, die belijden tot zijn heilig Koninkrijk te behooren! Hoe behoudend behoorden wij te wezen ten opzichte van onzes Vaders geopenbaarden wil! Hoe vast besloten om geen spelen of beuzelen te gedoogen met de wet en de profeten !


-ocr page 51-

Iloofdst. V.] DE KONINQ ZUIVERT DE OVERGELEVERDE WET.

HOOFDSTUK V. 21—37.

[De koning- zuivert de overgeleverde wet.]

Hot was noodig, dat do lleei\'O Jezus menscholjjkc ovcrlovoringen uit; den weg zou ruimen, ton einde plaats te maken voor zijn eigen geestelijk ondoi wijs.

21. Gij heht gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet dood en; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.

Do oudheid wordt dikwijls aangevoeld als autoriteit, als gezaghebbend; maar onzo Ifeoro maakt korte motton met „de, oudenquot;. Hij begint met oen hunner veranderingen van zijns Vaders wet. Zij hebben aan do hoiligo orakelen toegevoegd. Hot eerste deel van het gezegde, dat onzo iroore aanhaalde, was van goddeljjken oorsprong, maar hot word naar oen laag standpunt naar benodon getrokken door do bijvoeging van hot monsehelijko gericht on dos moordenaars verplichting, om daarvoor to verschijnen. Aldus werd hot veeleor oen spreekwoord ondor de meiischen, dan eono uitspraak uit Gods mond. Deszolfs botoekenis, zooals God het go-sproken hooft, reikte oneindig vorder dan de misdaad te beperken tot een ! werkeljjkon moord, waarvoor mon voor het monsoholjjk gerecht kon gedaagd worden. Een gebod tot kleiner omvang te beperken, is in zekere mate hetzelve op te heffen. Dat mogen wij niet doen, al kunnen wij er ons ook (gt;1) de oudheid voor beroepen. Beter is het om do ffohoolo waarheid op niouw geconstateerd te zien, dan oone oude leugen in oude taal to zien herleven.

22. Dnrh ik zeg u; zoo wie te onrechte dp zijn\'\' broeder toornig is, die zal strafbaar zijn doar het gericht; en wie tot zijn\' broeder zegt ; Halen! die zed strafbaar zijn door den grootcn raad; maar trie zegt-, (lij dwaas! die zal straf/aar zijn door het helsche raar.

In toorn ligt moord opgesloten, want aan hom, die hot voorwerp is van onzen toorn wenschen wij kwaad toe, ja zelfs wenschen wij, dat hjj niet bestond, en dit is hom dooden in onzo begeerte. „ Te ourechfe\'\' toornig zijn is verboden door hot gebod: „Gij zult niet doodslaanquot;, want onrechtvaardige toorn is doodslag in bedoeling. Zulk toornig zijn te onrechte brengt ons onder oen hoogor gericht dan der Joodscho politio-go-rechtshovon. God noemt kennis van do gemoedsbewegingen, waaruit oone daad van haat zou kunnen voortkomen, en Hjj eischt evenzeer rekenschap van de toornige gewaarwording als van do moordende daad. Ook woorden vallen ondor dezelfde veroordeeling: een mensch zal geoordeeld worden om hetgeen hij Jol zijn broeder zal zeggenquot;. Een man h\'dlca, of onwaardige, te noemen, is hem te dooden in zijn\' goeden naam; en tot hem te zoggen: „Gij dwaasquot; is hem te dooden in het edelst waardoor do mousch wordt gekenmerkt en onderscheiden. Vandaar dat dit alles ondor do straffen valt, dio door don menscb in zijne raadsvergaderingen, of gerechtshoven, wordt opgelegd; ja onder hetgeen nog voel erger is, namelijk ondor do straf, dio door het hoogste gorochtshof in hot heelal wordt toegewezen en don mensch veroordeelt om in „het hehchc rnai\'1 te worden ge-


-ocr page 52-

DE KONIXG ZUIVERT DE OVERGELEVEUDE WET.

lIToofdst. V.

30

worpoTi. Aldus licrslolt nn/.o ITccro on | Koning do wet Cioda in Imro volio kracht, on waarschuwt ons, dat zij niot slcciits do openlijke daad van doodslaan veroordeelt, maar ook iedere gedachte, gewaarwording en woord, dat strekken kan om een\' broeder te benadeelen, of hom door minachting te vernietigen.

Welk eeno hartontdekkende wet is dit! Mijne conscientie zou rustig en kalm hebben kunnen zijn ten opzichte van hot gebod: „gij zult niet doodslaanquot;; maar indien te onrechte toornig zijn moord is, hoe zal ik dit dan verantwoorden ? „Verlos mij van bloedschulden, o God! Gij God mijns heils!quot;

2\'5, 24. Zdo gij dan mre (jave op hrt altaar zult o//m», rn aldaar (jc-d art dig irordl, dat air broeder iet* tegen n. heeft, laat daar aire gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent n eerst met wren broeder, en kond dan, en offert uwe gare.

Do Farizeër zou als een bedeksel voor zijne boosaardigheid aanvoeren, dat hjj een offer gebracht heeft om verzoening te doen ; maar onze TIeere wil, dat wij eerst onzen broeder vergeving bieden, en dan ons offer brengen. Wij moeten God nadenkend en met overleg aanbidden, en zoo wjj ons door dat nadenken dan herinneren, dat nme broeder iets tegen ons heeft, dan moeten wij stilstaan. Indien wjj een ander verongelijkt hebben, dan moeten wij stilstaan, ophouden mot onze aanbidding, en ons haasten om eeno verzoening tot stand te brengen. Wij herinneren ons gemakkelijk, dat wij iets hebben tegen onzen broeder, maar nu wordt do herinnering naar de andere zijde gekeerd. Slechts als wjj ons eigen onrecht gedachtig zijn en ons hebben verzoend, kunnen wjj hopen den Heere welbehagelijk te zjjn. De regel is — eerst vrede met don menscli, en dan aangenomen zijn door God. Men moet het lioiliKR doorgaan om tot hot Heilige dor heiligen te komen. En als dan met onzen broeder de vrede gesloten is, dan moeten wjj onzen dienst besluiten voor den Vader, en dat zullen wjj dan met een lichter hart, en oprechter ijver doen.

Ik zou vuriglijk wenschon vrede te hebben met allo menschen, eer ik hot waag God to aanbidden, opdat ik Gode geen offer der dwazen aanbiede.

25, 20. Wrest haastelijh nel gezind .jegens mre ivederjiartij, terwijl gij met hem, nog oji den ireg zijl; opdat de wederpartij niet misschien a den redder overleverr, en de rechter n den dienaar orerlerere, en gij in de gevangenis geworpen wordt; voorwaar ik zeg n: gij zult daar geenszins nitkomen, totdat gij den laatst en penning znlt betaald hebben.

Woest bij ieder geschil begeerig naar vrede. Houdt op van twisting, eer gij nog begint.

Ingeval gij met iemand een rechtsgeding hebt, streeft naar eeno minnelijke schikking. Dit was in de dagen onzes Hoeren dikwijls het voordeeligst, en gewoonljjk is dit ook heden nog zoo. Het is beter nvve rechten te verliezen dan in de handen te geraken van hen, die n zullen uitzuigen in naam van het recht, en u zullen vast houden, zoolang er ook nog maar een\' schijn van eisch op u bestaat, en er nog een\' penning van u te halen is, In een land waar het „rechtquot; de boteekeuis had van rooverjj, was het verstandig om zich te laten borooven zonder er zich over te beklagen. Zelfs in ons eigen land is cone magere schikking boter dan een vet proces. Velen gaan voor het gerecht om wol te verkrjjgen, maar komen er kaal geschoren van


-ocr page 53-

1 loüfdst. V.] DE KONING ZUIVEKÏ 1)E

37

0 VERG ELF,VKTÏDK WET.

daan. Stel geen harde vervolging in tegen hen, die u te kort doen, maak zoo spoedig mogelijk vrede mot hen.

27, 28. Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is : Gij zult geen overspel doen-, maar ik zeg u, dat zoo wie tene vrouw aanziet, om haar te hegeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan.

Ook hier wederom stelt onze Koning de uitleggingen der menschen op Gods geboden ter zijde, en toont de wet in haren uitgestrekten goestelijkon om-vang. Ter wij 1 de o verleven ng het v orb od beperkt heef\'t tot eene openlijke daad van onkuischheid, wordt er door den Koning op gewezen, dat het ook do onreine begeerten van het hart heeft bedoeld. Hier wordt aangetoond, dat do goddelijke wet niet slechts betrekking heeft op den misdadigen omgang, maar ook zelfs op de begeerte, de verbeelding of do hartstocht, die zulk eene laagheid oppert. quot;Welk een Koning hebben wij, die zijn\' schepter uitstrekt over het gebied onzer innerlijke lusten! Hoe gezaghebbend spreekt Iljj: „Maar ik zeg «quot;! Wie anders dan een goddelijk wezen hoeft de macht om aldus te spreken? Zijn woord is wet. En zoo behoort het ook te wezen, daar Hij de ondeugd aantast in hare bron, door de onreinheid des harten te verbieden. Indien geone zonde werd toegelaten in de ziel, dan zou zij nooit openbaar worden in het lichaam.

Dat is dus eene krachtige, afdoende wijze van handelen; maar hoe hartont-dekkend en veroordeelend! Onbetamelijke blikken, onkuische begeerten en sterke hartstochten maken het wezen uit van het overspel; en wie kan er aanspraak op maken, dat hij er zijn leven lang vrij van was? Toch zijn het deze dingen, die den mcnsch verontreinigen. Heere, drijf ze uit mijne natuur; maak mij inwendig rein!

29. Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt iwt uit, en werpt het van u: want het is u nat, dat een uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde,

Kotgeen de oorzaak is der zonde wordt even goed opgegeven als de zonde zelve. Het is niet zondig om een oog te hebben, of een scherp onderscheidingsvermogen aan te kweeken; maai indien het oog der bespiegelende kennis er ons toe brengt om met het verstand (o zondigen, dan wordt het de oorzaak van kwaad en dan moet het worden gedood. Van alles, wat het ook zjj, al is hot op zich zeiven nog zoo onschuldig, dat mij verkeerd doet handelen, verkeerd doet denken, of verkeerd doet gevoelen, moet ik mij even zorgvuldig ontdoen, alsof het het kwaad zelf was. Al zou het gemis er van ook ontbering met zich brengen, toch moet het worden weggedaan, daar zelfs een ernstig verlies in één opzicht, toch oneindig beter is dan dat de geheele mensch verloren ga. Beter een blinde heilige, dan een scherpziend zondaar. Indien do onthouding van alcohol zwakheid van lichaam veroorzaakte, dan zou hot beter wezen om zwak te zijn, dan om sterk te zijn en tot dronkenschap te vervullen. Daar ijdcle gissingen en redeneeringen den mensch tot ongeloof brongen, willen wij or niet mede van doen hebben. „/« de hel geworpen te wordenquot; is een to groot kwaad, om er door het bloote toegeven aan oen boos oog der begeerlijkheid of der nieuwsgierigheid gevaar van te willen loepen.

30. En indien mee rechterhand u ergert hoawt ze af, en werpt ze van u: want het is n nut, dat een uwer


-ocr page 54-

DE KONINU ZUIVKRT DE OVEIKiKLEVKUDE WET.

Illoofdst. V.

38

leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel (jewoypen icovde.

Do oorzaak der overtreding lean wellicht moer actief zijn, gelijk do hand, dan verstandelijk, gelijk het oog; maar het is beter om belemmerd te zijn in ons werk, dan ter zijde afgevoerd te worden in verzoeking. De bekwaamste hand moet niet worden gespaard, als zij ons aanmoedigt om kwaad te doen. Het is niet, omdat een zeker iets ons bekwaam on voorspoedig kan maken, dat wij er mede moeten instemmen, of het moeten toelaten. Indien het zou blijken, dat wij er dikwijls door in zoado vervallen, dan moeten wij er afgedaan mede hebben, en liever in eeno onvoordeoligc positie komen ten opzichte van ons levenswerk, dan ons gansch en al in het verderf te storten door de zonde. Heiligheid behoort ons eerste doel te zijn, al het andere moetslechts eene ondergeschikte plaats innemen. Rechteroogen en rechterhanden zijn niet langer recht, als zij ons leiden tot hetgeen verkeerd is. /elfs handen en oogon moeten weggedaan, opdat wij door dozelven niet tegen God overtreden. Evenwel, niemand leze en versta dit in letterlijken zin en verminke daarom zijn lichaam, gelijk sommige dwepers gedaan hebben. De ware beteekenis is duidelijk genoog.

Itoero, ik heb U meer lief dan mijne oogen of mijne handen: laat mij nooit voor een onkel oogenblik aarzelen, om uwentwil van alles afstand te doen.

31, 82. AV is ooi: gezegd: Zoo vie :ijae rronir verlaten za\', die geve haar een\'\' neheidhrief. Maar ik zeg u, dat zoo trie z ijne vrouw verlaten zal, anders dan uit oor:al:e van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zoo wie de lerlatene zal trouwen, die doet overspel.

Ditmaal is het cone verordening van don Joodschen staat, die door onzen Koning wordt aangehaald cn veroordeeld. Er heerschtc onder de mannen de gewoonte om hunne vrouwen van zich weg to zenden, waarbij een haastig uitgesproken woord als eeno voldoende scheidingsacte gold. Mozes drong aan op „eeri seheidhriefquot; opdat toorn en hartstocht den tijd zouden hebben om te bekoelen, on do scheiding, indien zij toch moest plaats hebben, met bedachtzaamheid en wettelijke formaliteiten zou geschieden. Ueeisch van eene schriftelijke verklaring was in zekere mate eene beteugeling van eeno slechte gewoonte, die zóó door-godrongen was tot het volk, dat het nutteloos zou zijn geweest om haar terstond geheel en al te willen at-schaffen, hetgeen dan slechts eene andere misdaad in het leven zou hebben geroepen. De wet van Mozes ging zoo ver als zij practisch mogelijk cn uitvoerbaar was; het was van wego de hardheid hunner harten, dat dc echtscheiding was toegelaten: goedgekeurd was zij nooit.

Maar onze Hecre is moediger en heldhaftiger in zijne wetgeving. Hij verbiedt echtscheiding behalve in het geval, waar de misdaad dor ontrouw aan do huwelijksbelofte is gepleegd. Zij, die overspel bedrijft, ontbindt door dio daad den huwelijksband, en dan behoort de staat die ontbinding ook te erkennen. Doch om geene andere reden is het een\' man geoorloofd van zijne vrouw te scheiden. Het huwelijk is voor hot loven, en kan niet ontbonden worden, tenzij dan door die eene groote misdaad, die deszelfs band verbreekt, wie van beiden dan ook dc schuldige is. Onze Heere zou nooit do godde-looze wetten hebben geduld, die in sommige Amcrikaansche staten geldig zijn, en waarbij het aan gehuwde man-


-ocr page 55-

Iloofdst. V.| DE KONING ZUIVERT DE OVEUOEIiEVEUDE WET. 39

nen cn vrouwen geoorloofd is om op liet minste voorwendsel tot eclitschei-ditig over te gaan. Eene vrouw, die om eene andere oorzaak dan overspel van baren man is gescheiden en hertrouwt, bedrijft overspel in Gods oog, met welken naam do mensclielijke wetten dit dan ook bestempelen. Dit is heel duidelijk on beslist, en aldus wordt aan het huwelijk eene heiligheid, eene wijding gegeven, die door de menschelijke wetgeving niet geschonden behoort te worden. Laat ons toch niet behooren tot hen, die nieuwer-wetschc denkbeelden omtrent het huwelijk koesteren, on de huwelijkswetten zoeken te misvormen onder voorgeven van zo to hervormen, ünzo lleere weet het beter dan onze hedendaagsohe sociale hervormers. Wij zullen wel doen, zoo wij Gods wetten ongemoeid laten, want nooit zullen wij betere ontdokken.

33—37. Wederom hebt gij gehoord, dat eau de ondeu gezegd is: Gij zuil den eed niet breken, maar gij zult den lieere uire eeden houden. Maar ik zeg n: Zweert ganschelijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods; noch bij de aarde, omdat zij is de roeibank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des grooleu Konings; noch bij uw hoofd ztdt gij zweren, omdat gij niet een haar kunt tv it of zwart maken. Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boren deze is, dat is uit den booze.

Hot valschc zweren was van ouds verboden; maar thans wordt door het woord van onzen Heero Jezus alle zworen verboden. Hij noemt verschillende vormen van ecflon, en verbiedt ze allen, en dan schrijft II ij do eenvoudige vormen van bevestiging of ontkenning voor, van welke — en van geone anderen ■— zijne volgelingen zich mochten bedienen. In weerwil van veel dat voor het tegendeel aangevoerd kan worden, is or geen ontkomen aan, geen ontwijken van do duidelijke bctookonis dezer schriftuurplaats. Iedere soort van eed, hoe plechtig ook, en hoe waar gemeend, is den volgelingen van Jezus verboden. In do gerechtshoven zoowel als daar buiten, geldt de regel: „/.weert gansehelijk niet.quot; Toch hebben wij in dit Christelijk land overal oedon, inzonderheid onder hen, die do wetten maken. Onze wetgevers beginnen hun oHiciee! bestaan met cedzwcring. Voor hen, die do wet van des Zaligmakers koninkrijk gehoorzamen, is allo zweren afgeschait, opdat het eenvoudige woord van bevestiging of ontkenning mot kalmte en nadruk uitgesproken, als een voldoende band der waarheid zou blijven. Een slecht inensch kan van wege zijn\' eed niet worden geloofd, en een deugdzaam mensch spreekt ook zonder eed de waarheid. Waartoe dient het dan om de overtollige gewoonte van wettelijk zweren te handhaven? Christenen behoorden aan geeno slechte gewoonte toe te geven, hoe groot een druk er op hen ook worde uitgeoefend; zij behooren zich aan hot eenvoudig en onmiskenbaar gebod huns lleeren en Konings te houden.

38. Gij hebt gehoord, dat gezegd, is: „Oog om oog, en land om tandquot;.

De wet van oog om oog, gelijk die door de wettige gerechtshoven werd gehandhaafd, was gegrond in rechtvaardigheid, en werkte veel billijker dan het hcdondaagsche stelsel van boeten; want door deze methode kunnen rijke lieden, vergelijkenderwijs, straffeloos overtreden. Maar toen de Ier lal ion is 1) de regel werd voor het

1) Do wet der wedervergelding.


-ocr page 56-

J)K KONING /U1VKKT DE OVERÖELEVKKDE WET.

[Hoofdst. V.

40

dagolijkscli leven, kweekte zij wraakzucht, en onze Heiland wilde haar niet toelaten als oen beginsel, dat ook door bijzondere personen mocht toegepast worden. Eene goede wet in gerechtshoven kan eene zeer kwade gewoonte worden in de gewone maatschappij. Hij sprak tegen hetgeen een spreekwoord was geworden, en onder het volk gehoord en gezegd werd: „Gij licht gehoord, dat gezegd is.quot;

Onze liefdevolle Koning wil bjjzon-dere aangelegenheden geregeld hebben door den geest der liefde, en niet door den regel der wet.

!)!). Maar ik zeg u, dat gij den hooze niet ivedersiaat; maar, zoo wie nop de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe.

Geen tegenstand bieden, verdraagzaamheid behoort onder Christenen do regel te zjjn. Zij moeten persoonlijke mishandeling verdragen, zonder tot vechten over te gaan. Als slechte menschen de voorhamers zijn, dan moeten do Christenen hot aanbeeld wezen, om aldus door geduld en vergevensgezindheid te overwinnen. De regelen van den rechterstoel zijn niet voor het gewone leven; maar de regel van het kruis en van den alles ver-dragonden Zaligmaker is geldig voor ons allen. Maar door hoe velen wordt dit alles niet als dweperij, als een utopia, een niet te bereiken ideaal, ja zelfs als eene lafhartigheid aangezien. De Heere, onze Koning, wil dat wij dragen en verdragen, en door de macht dor lijdzaamheid zullen overwinnen. Kunnen wij dit? Hoe kunnen wij Christus\' dienaren zijn, zoo wij zjjn\' geest, zijne gezindheid niet hebben?

40. Kn zoo iemand met u rechten tril, en uwen rok nemen, laat hem ook den mantel.

Laat hem hebben alles wat hij vraagt, en nog meer. Het is beter om kleederen te verliezen, dan om een rechtsgeding to verliezen. In do dagen onzes Hoeren waren de gerechtshoven bedorven, en aan zijne discipelen werd de raad gegeven, om liever onrecht te lijden, dan zich op die rechtbanken te beroepen. Onze eigene gerechtshoven bieden dikwijls de zekerste en beste methode aan om moeielijkheden op te lossen, en er zijn ons gevallen bekend, waarin men zich juist om strijd te voorkomen tot die gerechtshoven heeft gewend. En toch moeten wij ook in ons land, waar wij recht kunnen verkrijgen, niet voor ieder persoonlijk onrecht gaan procedeeren. Veel liever moeten wij het verdragen om don tuin geleid, of bedrogen te worden, dan om maar terstond met eene aanklacht bij het gerecht gereed te zijn.

Soms kan het gebeuren, dat juist deze regel van zelfopoffering ons noopt om de noodige stappen te doen voor een beroep op de wet, om zoodoende te voorkomen, dat aan anderen groote schade wordt toegebracht. Maar ons eigen voordeel moeten wij dikwijls opgeven, ja wij moeten dit altijd doen, als de voornaamste beweegreden eene trotsche begeerte van zclf-rechtvaar-diging zou wezen.

Heere, geef mij een lankmoedigen geest, zoodat ik niet begeer mij te wreken, al zou ik dit ook rechtvaar-dighjk kunnen doen!

41. l\'Jn zoo wie u zal dwingen eene mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.

De regoeringon uit die dagen eischten door middel van de lagere ambtenaren gedwongen diensten van het volk. Do Christenen moeten toegevend van aard zijn, en zich liever eene dubbele afpersing getroosten, dan booze woorden


-ocr page 57-

41

en toorn uit te lokkon. Wij moetcngccno belasting ontduiken, maar bereid zijn om aan den keizer te geven wat des keizers is. „Toegevenquot; is ons wachtwoord. Het is onze roeping niet om ons tegen geweld te verzetten, dat kunnen wij aan andoren overlaten. Hoe weinigen gelooven in de lankmoedige, lijdzame leerstellingen onzes Konings.

42. Geeft denrienen, die iets van n bidt, en keert u niet af van dengenen, die va n u leen en uil.

Weest edelmoedig. Een gierigaard is geen volgeling van Jezus. Wij moeten bjj ons geven voorzichtigheid betrachten, opdat wij geene luiheid en bedelarij aanmoedigen; maar do algemeene regel is: „Geeft denjenen, die iets van u bidt.quot; Somtijds kan eeno leening nuttiger wezen dan eene gave; weiger haar niet aan degenen, die er een goed gebruik van maken. Deze voorschriften zijn niet bestemd voor dwazen; zij worden ons voorgesteld als onzen algemeenen regel; maar iedere regel wordt in evenwicht gehouden door andore geboden uit de Schrift, en wij hebben ook hot onderricht van een menschlicvend gezond verstand om ons te leiden. Ons hart moot immer bereid wezen om do nood-druftigen te hulp te komen met cone gave of met eene leening, en het is niet heel waarschijnlijk, dat wij hierin te ver zullen gaan. Vandaar hot eenvoudige van dit voorschrift. Eene nadere bepaling zou overbodig zijn.

43. Gij hebt gehoord, dat er tjezegd is. Gij zult uwen naaste lief hebben en uwen vijand zult gij haten.

In dit geval word aan eon gebod dor Schrift cone menscholjjke antithesis toegevoegd; en deze menschehjke toevoeging was noodlottig. Dit is eene gewone wijze van doen — aan het onderwijs der Schrift iets toe te voegen, dat er een uitvloeisel, of eene natuurlijke gevolgtrekking van schijnt te zijn; maar in werkelijkheid valsch en slecht is. Hiermede wordt eene grooto misdaad begaan tegen het Woord des Hoeren. Do Heilige Geest wil niet anders dan zijne eigene woorden erkennen. Hij erkent hot gebod: „ Gij zult turen naaste liefhebbenquot;, maar Hij verafschuwt de parasitische uitwas „turen vijand hatenquot;. Deze laatste volzin verwoest en vernietigt dien, waaruit hij wettig schijnt voortgekomen te zijn, daar zij, die hier vijanden genoemd worden, in werkelijkheid naasten zijn. Thans is de algemeene wet liefde, en onze Koning, die deze liefde heeft geboden, is er zelf het Voorbeeld van. Hij wil haar niet beperken, haar niet samenkoppelen met haat. Mocht Gods genade ons allen weerhouden van in deze dwaling te vervallen!

44, 45. Maar ik zeg n: Hebt uwe vijanden l\'uf; zegent ze, die u vervloeken-, doet vel dengenen,die u haten; en bidt mor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen\', opdat gij muogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is: want Hij doet zijne zou opgaan over boozen en goeden, en regent over reehtraardijen en onrecht vaardigen.

Onzer is het om te volharden in lief\' te hebben, ook dan wanneer de men-schen volharden in vijandschap. Wij moeten zogen gevou voor vervloeking, gebed voor vervolging. Zelfs aan wreede vijanden, moeten wij „weldoen, en voor hen biddenquot;. Wij zijn niemands vijanden meer, maar aller vrienden. Wjj houden niet slechts op te halen, om nu voorts eene koude onzijdigheid te bewaren, neen, wij hebben lief, waar


-ocr page 58-

1)K KONING ZUIVERT DK OVKKGKLEVKRDK WET. | 1 loofdfst. V.

42

haat ouvonnijdolijk scliccn. Wij zcgo-iion, waar ouzo oudo mensch ons dringt | tot vervloeken; en wij houden ons bezig met wèl to doen aan lion, die kwaad van ons verdienen, Waar dit in praktijk wordt gebracht, daar verwondert men | zich over, daar heeft men eerbied voor, de volgelingen van Jezus. De theorie moge bespot worden, maar de praktijk wordt geëerd, on zij wordt zóó verrassend en verbazingwekkend gevonden, dat men haar aan eene goddelijke hoedanigheid in de Christenen toeschrijft, en erkent, dat zij de kinderen zijn den \\radei\'ft, die. in de hemelen ia. En hij is ook inderdaad een kind van God, die in staat is om de ondankbaren en do boozen te zegenen; want in de dageljjksche voorzienigheid doet de Ucero dit op groote schaal, en niemand anders wil ilem hierin navolgen dan zijne kinderen. Goed te doen om den wille van het goed dat gedaan wordt, en niet om het karakter van den be-weldadigde, dat is eene edele navolging van God. I ndien do lleero den vruchtbaarmakenden regen alleen op hot land dor vromen liet nederdalen, dan zou er voor zeer groote uitgestrektheden lands eene droogte ontstaan, waardoor alle hoop op een\' oogst van die velden verdwenen zou zijn. Ook wij moeten goed doen aan de boozen, want anders zouden wij eene zeer enge sfeer van werkzaamheid hebben. Ons hart zou inkrimpen, en ons kindschap van den goeden God twijfelachtig worden.

4(5. Want indien gij lit fheht, die k liefhebben, tred loon hebt yij? Doen ook de iollenaarft niet hetzelfde?

Teder gansch gewoon mensch zal liefhebben, die hem liefhebben; zelfs tolgaarders en die tot het schuim der maatschappij behooren, kunnen zich ^ot deze armzalige deugd verheffen.

De heiligen kunnen zich niet tevreden stellen met een\' staat van zaken, die zoo laag bij den grond is. „Liefdevoor liefdequot; is monschelijk; maar „liefde voor haatquot; is gelijk Christus. Zullen wij niet begeeren overeenkomstig onze hooge roeping to handelen ?

47. En indien (jij mee broeders alleen (/roet, ind doet (jij boren onderen ? Doen ook niet de tollenaars alzoo?

Wij moeten op reis, of in de straten, of in ons huis, onze vriendelijke groeten niet beperken tot hen, die ons na bestaan, of die wij liefhebben. Deloefd-heid moet zich ver uitstrekken, en niet minder oprecht gemeend, dan algemeen wezen. Voor iedereen moeten wij een vriendelijk woord hebben, iedereen moet als broeder door ons worden behandeld. Wie zou niet de hand willen drukken aan een oud vriend? Maar wij moeten hartelijke beleefdheid bewijzen aan elk wezen, dat den vorm heeft van een\' mensch. Zoo niet, dan zullen wij geen hoogor standpunt hebben bereikt dan do verworpenen dor maatschappij. Iedere hond zal wel een\' anderen hond groeten.

4S. 1 Feest dan (jij lieden vol maakt, jelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.

Of, „Gij zult volmaakt wezen.quot; Wij moeten naar volkomenheid streven in de liefde — volheid van liefde voor allen, die ons omringen. Liefde is de band der volmaaktheid, en indien wij volmaakte liefde hebben, zal zij een volmaakt karakter in ons formeeren. llior is hetgeen, waarnaar wij streven — volmaaktheid gelijk aan die van God; hier is de manier om haar te bereiken — overvloedig te zijn in de liefde. En hier doet zich nu als


-ocr page 59-

Ifoofllst. VI.] DES KONINGS RECtELKN HETRUFI\'ENDM AM, MO HZ ION EN OHDKD. -I\'i

van zelf\' do vraag op, hoo ver wij gevorderd zijn op dien liomelschen weg, ea hier hebben wjj tevens do roden, waarom wjj er in moeten volharden tot den einde: omdat wij als kinderen op onzen Vader behooren te gelijken. Schiiftuurlijko volmaaktheid is bereikbaar; zij ligt veeleer in evenredigheid dan in graad of mate. Iemands karakter kan volmaakt, volkomen wezen, zonder dat er iets aan ontbreekt, en toch zal zulk een man do eerste wezen om te erkennen, dat do genade, die in hom woont, nog slechts in hare kindsheid is, en ofschoon nu een kind, in al deszelfs (loeien volmaakt is, hoeft hot toch nog niet de volkomenheid van don volwassene bereikt.

Welk een doelwit is ons voor oogen gestold door onzen volmaakten Koning, dio van zijn\' bergtroon ons toeroept: „ Weed dan (jijlieden volmaakt, gel ijl: uir Vader, die in de hemelen iV, volmaakt is!quot; Iloeie, geef wat (Jij beveelt, dan zullen beide de genade en de lieerlijkhoid alleen uwer zjjn.


HOOFDSTUK Vi. 1 18.

[De Koniii»\' stelt de wetten zijns Ivoiiiukrijks tegenover liet ftedni»\' van hen, die alleen den nlterlijken godsdienst waarnemen, en wel mét betrekliing\' tot aalmoezen en gebed.]

1. Hebt acht, dat gij mee aalmoes niet doet voor de memehen, om tan hen gezien te a-orden-, anders zoo hebt (jij geen\' loon bij aam Vader, die in de hemelen is.

Onze Koning helpt de monschen terecht met betrekking tot het geven van aalmoezen. Het wordt verondersteld, dat wij aan de armen geven. Hoe zouden wij tot Christus\' koninkrijk kunnen behooren, indien wij het niet deden ?

Aalmoezen kunnen in het openbaar worden gegeven, maar niet om den wille der openbaarheid. Het is van belang, dat wij een recht doel voor oogen hebben, want indien wij het resultaat verkrijgen van oen verkeerd doel, dan zal ons welslagen eigenlijk eeno mislukking zijn. Als wij geven om gezien te worden, dan zullen wij worden gezien, en dat is er dan hot einde van: Gij hebt geen\' loon bij anrn Vader, die in de hemelen isquot;: wjj verliezen dan hot eonigo loon, dat dor moeite waard is om te verkrijgen. Maar als wjj geven om onzen Vader to behagen, dan zullen wij ons loon uit zijne handen ontvangen. Wij moeten op ons oogmerk, onze bedoeling „ae/d hebhenquot;\', want niemand beweegt zich recht, als hij er zich niet zorgvuldig of) toelegt. Ons geven van aalmoezen moot een heilige plicht wezen, die met groote zorg gedaan moet worden, niet tor bevordering van onze eigene eer, maar om God te behagen. Laat ieder lezer zich zeiven afvragen, hoo veel hij gedaan hoeft tor vervulling van dit gebod des Konings.

2, Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat voor a niet trompetten, gelijl: de (jeveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij can de mensehen geëerd\' mogen worden. \\roorin(ai :eg ik n; zij hebben Itnn\' loon neg.


-ocr page 60-

DES KON 1 NOS REGKLKN liETREFFENDK AUIOEZEN EN GEBED. [Hoofdst. VI.

44

Wij mooton do luidruchtige, opzien barende liefdadigheid van zekere verwaande personen niet navolgen; hun karakter is geveinsd, hunne wijze van handelen opzichtig, hun dool gezien te worden, hun loon in liet heden. Dat loon is eon zeer armzalig loon, en geeft slechts oen zeer voorbijgaand genot. Met een\' penning in de cóne en eene trompet in do andere hand te staan, dat is do houding van een\' geveinsde. „Eer ran menschenquot; is iets dat men kan koopon; eer van God is gansch wat anders. Onze tijd is een tijd van adverteeren, van bekend maken, en maar al te velen roepen; „Ziet mijne vrijgevigheid!quot; Zij, die Jezus tot hun\' Koning hebben, moeten zijne livrei des ootmoeds dragen, en niet het schar-lakenroodo tooisel eener edelmoedigheid, die slechts van geld trots getuigt, en zelf op de trompet blaast, niet slechts in do straten, maar zelfs in de synagogen. Wij kunnen voor ééneen dezelfde daad niet tweemaal loon verwachten ; als wij ons loon thans reeds ontvangen, zullen wij liet hier namaals niet verkrijgen. Eij liet oordeel ton laatsten dage zullen het slechts onbe-loonde aalmoezen zijn, die meetellen en toegerekend worden.

3, 4. Maar als gij aalmoes doet, zoo laat aire linkerhand niet weten, wat mre rechter doet; opdat mee aalmoes in het rerhorgen zij: en uw Vader,die in het verborgen ziet, die zal het u in het openhaar vergelden.

Streeft naar geheimhouding voor uwe goede daden. Ziet zelfs uwe eigene deugd niet. Verbergt voor u zelvcn, hetgeen gij lofwaardigs gedaan hebt, want de trotsche beschouwing van uwe eigene edelmoedigheid neemt den glans er van weg. Houdt do zaak zoo geheim, dat gjj er u zeiven nauwelijks van bewust zijt iets prijzenswaardigs gedaan te hebben. Laat God tegenwoordig zijn, en dan zult gij een aanzienlijk gehoor genoeg hebben. Hij zal n beloonen, u in het openhaar beloo-nen, u beloonen, zooals een Vadel\'zijn kind beloont, u beloonen als Een, die wat gij deedt, gezien heeft, en die weet, dat gij het geheel en uitsluitend voor ITem gedaan hebt.

Ileere, help mij, om als ik wel doe, er mjjnc linkerhand uit te laten, opdat ik geene linksche. d. i. verkeerde beweegredenen hebbe, en geene begeerte om heden het loon van eer en lof van mjjne medemenschen te ontvangen.

5. En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn, gelijk de geveinsden: ivant die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensehen mogen gezien worden. Voorwaar ik zeg n, dat zij hun1 loon weg heihen.

Ook het bidden wordt verondersteld. Niemand kan tot Gods koninkrijk bc-hooren, die niet bidt.

Zij, die don Ileere omringden, wisten wat Iljj bedoelde, toen Hij zinspeelde op de „geveinsdenquot;, want zij hadden den trotschen sectaris dikwijls zien staan op publieke plaatsen om zijne geboden op te zeggen, en zeer waarschijnlijk hadden zij zich tot dusverre verplicht gevoeld om de zoodanigen als vergevorderde heiligen in eere te houden. Door de woorden onzes Hooien worden deze geveinsden ontmaskerd en in hot ware licht gestold. Onze Koning was verwonderlijkopenhartig,en noemde zoowel zaken als personen bij hun\' waren naam. Deze dwepers waren geene zoekers van God, maar zoekers van populariteit; mensehen, die zelfs de vroomheid tot zelfverheffing wisten te gebruiken. Zij verkozen plaatsen


-ocr page 61-

Hoofdst. VL] DES KONINGS REGELEN II ET UK F F F. NT) F, HET GEBED.

4;-)

on tijden, waardoor hun bidden opgemerkt kon worden. De synagogen en de hoeken der straten waren hun bij uitstek welgevallig; want hun dool was „van de menschcn gezien te iror-den.quot; Zij varen gezien, zij hadden wat zij begeerden. Uit was hun loon, ja hun volle loon.

ITeere, laat mij nooit zoo onheilig wezen om tot U te bidden mot het doel om lof voor mjj zeiven te verwerven.

C. Maar gij, minneer gij bidt, gaai in uwe binnenkamer, en nire deur gesloten hebbende, bidt uwen Vader, die in het verborgen is; en mv Vader, die in het verborgen ziet, zal het gt;i in het openbaar vergelden.

Wees alleen; treed een klein vertrek binnen, waar niemand anders binnen kan komen. Houd iederen indringer buiten door de deur te sluiten, en stort daar dan uw hart uit in smeeking en gebed. „Bidt uwen Vaderquot;: het gebed moet voornamelijk tot God den Vader gericht zijn, en immer tot God als onzen Vader, liid uwen Vader, die daar tegenwoordig is, uwen Vader, die u ziet, en inzonderheid opmerkt hetgeen blijkbaar voor Hom alleen bestemd is, daar het ,.in het verborgenquot; gedaan werd, waar geen oog dan het zijne hot kan zien. Indien het inderdaad God is, dien wij bidden, dan is het niet noodig, dat iemand er bij tegenwoordig is; want liet zou eerder eene belemmering dan cone hnlpe zjjn, indien een derde getuige was van den bjjzonderen omgang des harten met den Heere.

Daar de ziel van hot gebod als hot ware ligt in gemeenschap met God, zullen wij het best bidden, als onze aandacht geheel tot Hem bepaald is, en wij zullen het best ons doel bereiken van door Ifom aangenomen te worden, als wij geen acht slaan op de meening van wie het ook zij. liet gebed, dat in liet verborgen geschiedt, wordt in waarheid gehoord en op des Hoeren eigene wijze en op zjjn\'tijd m het openbaar verhoord. Onze Koning heerscht „in hot verborgen.quot; Daar hoeft Hij zjjn hof gevestigd, en daar zal lljj ons welkom heeten, als wij tot Hem naderen. Ais wjj openbaarheid zoeken en slechts bidden om voor onze vroomheid te worden geprezen, dan zjjn wij niet op de plaats, waar God ziet.

7, 8. En (ds gij bidt, zoo gebrwild geen ijdel verhaal ran woorden gelijk de Heidenen; urnit zij meenen, dat zij door hunne veelheid van woorden zullen rei hoord worden. Wordt dan hun niet gelijk: want uw1 Vader weet, wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt.

Voor onwetende, doch godsdienstige menschen scheen het altijd iets prijzenswaardig te zjjn. om zekere formulieren van gebed vele malen op to zoggen; maar dit is stellig niet zoo. Het is eene bloote oefening van hot geheugen, en van do organen, waarmede men gedruisch maakt; en hot ia ongerijmd te denken, dat zulk eono papagaaien-oefening den levenden God welbehagelijk kan wezen. Do Maho-modanen en papisten behouden dezo IToidonsche gewoonte; maar wjj moeten ze niet navolgen.

God heeft ons gebod niet noodig tor zijnor inlichting, want Hij „weet ind gij van noode hebt. Dot is ook niet noodig om dit gebed telkens weder to herhalen ten oindo ITom te overreden, want als onze Vader is Tljj gewillig om ons te zegenen. Laat ons dan niet bijgoloovig zjjn, on ons inbeelden, dat or kracht is in „veel/uid ran woorden.^ Zelfs in hot gebod ontbreekt in de vool-hoid dor woorden do overtreding niet.


-ocr page 62-

HES KONINGS RKGBLEN IIETUEKFENDE HET GEBED. [Hoofdst. Vf.

] ferhalingon zij\'1 geoorloofd, zoo liet | slocltts goeno „ijdele Jicrliallniicn\'quot; -/.iin. Ifet tellen van kralen (van den rozenkrans) en liet berekenen van den tijd, dien men in liet bidden heeft doorgebracht, zijn beiden jjdele zaken. Met gebed der Christenen wordt gescliat naar deszeifs gewicht, en niet naar deszeif\'s lengte. Velen van de gebeden, die liet meest hebben overmocht, zijn even kort als krachtig geweest.

!). (}ij (Jan bidt nldiin: Onze Vader, die in de hemelen zijt! uw naam ironie (leheUigd,

Nadat onze ITeere ons gewaarschuwd heeft tegen zekere verkeerdheden bjj het gebod met betrekking tot de plaats waar, en de gezindheid waarin, het geschiedt, geeft Hij ons thans oen voorbeeld, naar hetwelk wij onze gebeden hebben in to richten. Dit onuitsprekelijk heerlijk gebed is kort, godvruchtig en vol van beteekenis. Deszolfs eerste drie beden betreffen God en zijne heerlijkheid. Onze voornaamste gebeden tot God moeten ter zijner eer en heerlijkheid wezen. Beginnen wij in ons gebed aldus met God? Komt in ons bidden niet dikwijls het dagelijksch brood vóór het koninkrijk?

Wij bidden als kinderen tot een\' Vader, en wij bidden als broeders, want wij zeggen, „Onze i \'ader.\'\'\'\' „Onze Vaderquot; is eene gemeenzame benaming; maar do woorden: „die in de hemelen zijlquot; geven den eerbied te kennen, dien wjj Hem verschuldigd zijn. Onze Vader, en toch in do hemelen : in de hemelen, en toch onze Vader. Mocht zijn naam met eerbied worden behandeld, en mocht alles wat Hem betreft — zijn Woord en zijn evangelie —- met het diepst ontzag door ons worden beschouwd. Ons betaamt hot om in allen ootmoed voor des lleoren aangezicht te wandelen, opdat het door allen worde gezien, dat wij den aard, het wezen van den driemaal Heilige eerbiedigen. NV jj kunnen dan slechts in waarheid bidden : „Tir naam irnrde geheiligdquot; als wjj zeiven hem heiligen.

10. Jlrr koninkrijk home. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel (dzoooolc np de aarde.

O dat Gij mocht regeeren over allo harten en over allo landen! Demen-solien hebben hunne trouw aan onzen Vader, God, van zich geworpen; en wij bidden van ganscher liarto, dat Hij door zijne almachtige genade, hen zal terugbrengen tot do gehoorzaamheid der trouw. Wij verlangen naar do komst van Koning Jezus; maar in-tusschen roepen wij tot onzen Vader: „ Uw koninkrijk home.quot; Wij verlangen er naar, dat do opperste wil geschiede op de aarde, met eene blijmoedige, standvastige, algemeene gehoorzaamheid, gelijk aan die van don „hemel.quot; Wij zouden wenschen des Hoeren wil uitgevoerd te zien, niet slechts door do grooto physieke krachten, die nooit falen Godo te gehoorzamen, maar door liefderijk werkzame geesten ; door men-schen, die eens in opstand tegen Hem waren, maar door zjjno genade werden vernieuwd. O dat allen, die dit gebod bidden, do heilige vaardigheid in hot gehoorzamen mochten ten toon spreidon op do aarde, welke in den gelukzaligen, hartelijk en, eensgezinden en onbetwisten dienst der volmaakte heiligen en engelen voor den troon wor.lt gezien. De hoogste wensch onzes harten is voor Gods eer, heerschappij on heerlijkheid.

11. Gejf ons heden ons dagelijksch brood.

AVij bidden voor ons zeiven en voor andoren om door do voorzienigheid Gods te worden verzorgd „Geel\'


-ocr page 63-

IToofdst. YL] DES KONINGS REGELEN

47

BETREEPENDE HET GEBED.

ons.quot; Wij vragen om ons voedsel als om eene gave — „Geef ons.quot; Wij vragen sleclits om hrnoil, dat is: de spijze, die wij behoeven. Onze bode betreft den dag, en vraagt sleclits om het da gel ijl-sch benoodigde; brood genoeg voor heden, voor van daag. Wij vragen niet om het brood, dat aan andoren behoort, maar alleen om hetgeen ons eerlijk toekomt —• „ons da-(jelijkseh brood.quot; liet is het gebed van een nederig en tevreden gemoed, van een hart, dat zóó geheiligd is, dat het zelfs voor het dageljjksch voedsel opziet tot God, en op liefdevolle wjjze anderen met zich vereenigt in zijne sympathie en in zijn gebod.

Heere, geef mij, beide liet hemelsclic en het aardscho brood, hetgeen mijne ziel spijzigt en mijn lichnam onderhoudt. Tot U, mijn Vader, zie ik op voor alles.

12. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook irij vergeren onzen sch al de-na ren.

Geen gebed van don sterfelijken mensch zou volledig kunnen zijn zonder beljjdenis van zonde. Het gebod, dat goene vergeving zoekt te verkrijgen, zal falen, gelijk het gebed dos farizöers gefaald heeft. Laten do boog-moedigen zooveel, als zij willen, roemen op volmaaktheid en zondeloosheid, maar zij, die in Christus\' koninkrijk zijn, zullen altijd bidden: „Verge/f ons onze schulden.quot; Onze Heere wist, dat wij altijd schulden zouden hebben te erkennen, en dus altijd noodig zouden hebben om te roepen: „ Vergeef!quot; Dat is hot gebed van monschon, die van wege hun geloof in liet grooto zoenoffer door den Rechter vrijgesproken werden; want thans komen zij, als kinderen om vergeving tot hun\' Vader. Ceen enkel mensch mag een\' dag voorbjj laten gaan zonder te bidden: „ Verga fquot;, en in deze zijne smeeking moet hij zijne medezondaren niet vergoten; maar altijd bidden: „Vergeef onsquot;. Do schrijver waagt het om re bidden: „Deere, vergeef mij, en vergeef mijn\' broeder, die zegt, dat hij volmaakt is.quot;

Deze vergeving kunnen wij alleen dan verkrijgen, als wij van onzen kant ook vrij en van harte vergeven, wat anderen tegen ons hebben misdreven: „gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.quot; Dit is een redelijke, ja een zalige eisch, en het is eon genot om er aan te voldoen. God zou don mensch niet kunnen vergeven, die weigert om anderen tc vergeven.

Deere, ik vergeef van ganscher harte allen, die mjj wellicht onrecht hebben gedaan. Ik wil toegevend cn inschikkelijk zjjn jegens hen, die mjj iets schuldig zijn; en nu bid ik 11 met oen hoopvol hart mij te vergeven, even gewisseljjk, als ik thans een iegelijk vergeef, die, in welken zin dan ook, mijne schuldenaren zjjn.

13. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Ilrant uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eenivigheid, amen.

In den weg der voorzienigheid toetst do Docre onze genade cn de oprechtheid onzer belijdenis, cn met dit doel „leidt Hij ons in. verzoeking.quot; Wij smeeken Hom om ons niet al to streng te beproeven. Heere, laat noch mijne genietingen, noch mijne smarten ver-zoekingon voor mij worden. Daar ik mij zelvon niet in verzoeking wil begeven, zoo bid ik IJ, leid mjj niet henen, waar ik onvermijdelijk verzoeking moet ontmoeten.

Doch, indien ik verzocht woe^ worden, Heore, zoo behoed mjj van in hot booze te vallen, verlos mij inzonderheid van dm hooze, die bovenal mijne ziel zoekt


-ocr page 64-

DES KONINGS RKdULUN BETREFFENDE HET GEBED. | Hoofdst. V f.

■IS

to verdorven. Verzoeking of beproeving ! hem mij modeworken ton goede, indien ik verln.it bon van don hooze. iloere, doe dit voor mij, want ik kan mij zolvcu niet verlossen.

Hot gebod eindigt met cono lofzegging. De oefening dor godsvrucht, welke begint met gebed, eindigt in lof. Allo heerschappij en macht en eer behooren Oodo, laten zjj Hom tot in eeuwigheid worden toegebracht. Zijns is „het kon ink rij lc\\ of hot recht om te regeeren; „dn krachtquot;, of de macht om zijn gezag hoog te houden, en „de heerlijkheidquot;, of de eer, welke uit zijne regeering voortvloeit. Met ons gohocle hart verlustigen wjj er ons in, dat do Ileore aldus oppermachtig en heerljjk is; cn daarom zeggen wij, „ Amen.quot;

Hoe volmaakt is dit voorbeeld van gebed! Zoo geschikt voor don monsch om het te bidden, zoo voegzaam om ncdergelegd te worden voor den troon dor Majesteit hier Boven. O, dat wij do gonade mochten hebben om het ons loven lang na to volgen! Jezus onze Koning, zal niet weigeren een gebod aan zijn\' Vader aan te bieden, dat Hij zelf voor ons opgesteld heeft, en dat gericht is tot den Vader, dien lljj wil verheerlijken.

14, 15. Want indien (jij den nien-sr/wn hunne mixdaden vergeeft, zoo zal uw liemeUche Vader nnk n vergeven. Mnfir indien, (jij den mensehen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook nir Vader uwe nimlmlen niet vergeven.

Dit versterkt de Christelijke werkzaamheid door do kracht van het gebed to beperken naar de mate van onze gehoorzaamheid aan het gebod om te vergeven. Wenschen wij vergeving te erlangen, dan moeten wij zeiven vergeving schonken; indien wij niet willen vergeven, dan zal ook ons niet vergeven worden. Dit Juk is zacht, die last is licht. Het kan ecu zogen wezen om verongelijkt te worden, daar het ons do gelegenheid verschaft om te oordeelen, of wjj inderdaad de ontvangers zijn der vergeving, dio van den troon Gods komt. Heel liefelijk is het om anderor schuld jegens ons voorbij te zion, want aldus loeren wij hoe liefelijk het voor den Hooreis om ons veigcving te schenken.

16. Fm wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de. geveinsden: ■want zij mi smaken hunne aangezichten, opdat zij van de menschen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar ik zeg tl, dat zij linii1 loon iveghebhen.

G ehandeld hebbende over het gebed, onderricht onze Koning ons nu met betrekking tot vasten. Het vasten nam onder do wet eeno voorname plaats in, en hot zou zelfs onder het evangelie, mot groot profijt voor onze zielen overvloediger beoefend kunnen worden dan nu het geval is. De Puriteinen noemden hot vasten eeno „vetmaking der zielquot;, on velen hebben het ook aldus bevonden. Volgens het bevel van onzen Koning moeten wij zorgvuldig alles vermijden wat in dezen vorm van oefening der godsvrucht naar pronk of praal zou gelijken. Do geveinsden gingen mot ongewasschen, treurig aangezicht, opdat allen zouden zeggen: „Zie, hoe strong deze menschen vasten! Hoe vroom moeten zjj niet wezen!quot; Een ellendig voorkomen aan te nemen, ten einde voor heilig gehouden te worden, dat is snoodc huichelarij. En daar dit het vasten tot eene kunstgreep maakt om j der menschen bewondering op te wokkon, wordt het er als genademiddel door vernietigd. Wjj kunnen niet verwachten om beide door don lof van


-ocr page 65-

Hoofdst. VI. I DES KONINGS BEVELEN BETREFFENDE DIT LEVEN.

mensclien on door hof we!boliagon Gods beloond to worden. Wij moeten kiezen, en zoo wjj naar liet mindere loon grijpen, zal ons liet grootere ontgaan. Mocht het nooit van ons gezegd worden: „Zij hebben hun loon teeg.quot;

17, 18. Maar (/ij, als (jij rast, zalft mr hoofd, en wascht uw aangezicht, opdat het ran de mensclien niet gezien irorde, als gij rast, maar van wren Vader, die in het verborgen is; en un-I \'ader, die in het verborgen ziet, zal het a in het openbaar ver geld en.

quot;Wees naarstig om te verbergen hetgeen eene dwaasheid zou zjjn om te openbaren. Laat geeno uitwendige daad van persoonlijke reinheid of versiering na; „zalft mr hoofd en ■irascht me aangezicht.quot; Indien het O ode is dat gij vast, zoo bewaar het voor Hem. Handel in tijden van buitengewone oefening der godsvrucht, gelijk gij op andere tijden handelt, opdat zij, mot wie gij in aanraking komt, niet gewaar worden, aan welke oefening dor godsvrucht gij u overgeeft. Gij kant vasten, en dat vasten kan worden ontdekt, maar laat het uwe bedoeling niet zijn, „dat het van de mensehen gezien worde, als gij vast.quot; Vast, dat is: onthoudt u van do spijze der verwaandheid, dor eerzucht, des lioogmoods, en der zelfverheerlijking. Vast in het verborgen voor liet aangezicht van den Ziener der geheimen. Vasten in hot verborgen zal door den lloere in het openbaar worden beloond, maar hot vasten dut alleen uit praalvertooning geschiedt, zal in de boeken des Hoeren nooit opgeteekend worden. Aldus hoeft onze Koning ons geleerd, hoc aalmoezen te geven, hoe te bidden en hoe to vasten. Thans zal Hij overgaan tot de wetgeving voor de zaken, die het dago-lijksch leven betreffen.


HOOFDSTUK VI. 19—34.

[l)c Koning\' jgt;ceft bevelen met betrekkino\' tot de zorg-eu dezes levens.]

lljj wilde niet, dat zijne dienstknechten tweeërlei doel voor oogen zouden hebben, en twee meesters zouden dienen. Hij roept hen weg van do zorgen dezes levens tot een kalm en rustig geloof in God.

19. Vergadert n geene schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen.

Uesteedt uw leven niet in het vergaderen van rijkdommen: dat zou vernederend en verlagend voor u zijn als dienstknechten des heinelschen konink-njks. Indien gjj, hetzij geld of kleederen opeenhoopt, dan zullen uwe schatten er aan onderhevig zijn om door „mot en )vestquot; te worden verteerd; en van beiden kunt gij ook door oneerlijke lieden worden beroofd. Dat aardsche dingen vermolmen of ons ontnomen worden, isceno uitnemende reden om zo niet tot het groote doel van ons streven temaken. Vergadert niet voor dieven, vergadert niet voor het bederf, legt op voor de eeuwigheid, eu zendt uwe schallen naar het land, waar gij heengaat. Te leven om den wille van rijk te worden, dat is een vergulde dood in het leven.


-ocr page 66-

50 DUS KONINGS liEVEIJiN I

20. Maai\' vergadert n schatten in den hemel., waar ze noch mof noch roest verderft, en iraar de dieren niet doorgraven noch stelen.

Laat uwe begeerten cn uw streven uitgaan naar hemelsche dingen. Dezen zjjn aan geen bederf\', aan geene vermolming onderhevig, en evenmin kunnen zij ons door geweld of Hst worden ontnomen. Gebiedt do wijsheid ons niet om zulke vaste, veilige bezittingen to zoeken? Hetgeen wij uit onze aard-sche bezittingen voor God gebruikt hebben, dat is vergaderd in den hemel. Wat aan de armen wordt gegeven en voor dc zaak des Hoeren, dat is belegd in de Bank dor Eeuwigheid. Naar den honiel gaan wij, laten wij er dan onze schatten reeds vooruit heenzenden. Daar zullen zij veilig zija tegen bederf en roof; nergens anders kunnen wij zo veilig achten. Heere, laat mij rijk zijn in U. Ik moest nog veel meer van mijne bezittingen naar mijne schatkamer in den hemel heenzenden, dan ik er reeds heb gezonden. Ik zal terstond de Kerk gedenken en haren y.endingsarbeid, do weezen, de bejaarde heiligen en do arme broeders. Dezen zijn mijne schatkisten, en daar zal ik mijn gold in bewaren.

21. Want waar uw schat ii:, daar zal ook ua\' hart zijn.

Dat is eene groote zedelijke beweegreden, om onze begeerten naar geen lage, aardsche dingen te doen uitgaan. Het hart kan niet anders dan uitgaan naar hetgeen wij kostelijk cn dierbaar achten. De geheeie niensch zal in gedaante veranderd worden naar de gelijkenis van hetgeen, waarvoor hij leeft Waar wij onze sciiatten plaatsen, daar zullen onze gedachten natuurlijkerwijs heengaan. Het zal verstandig wezen, ;tkioefundk dit i.even. jlloofdst. VI.

om alles, wat wij hebben, als magneton te laten werken, die ons naar de rechte richting heentrekken. Indien onze allerbeste dingen in den hemel zijn, dan zullen ook onze beste gedachten derwaarts henengaan: maar indien onze kostelijkste bezittingen op de aarde zijn, dan zal ook ons hart slechts naar de aarde uitgaan.

22, 23. De kaars des lichaams is het oog; indien dan nw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheeie lichaam verlicht wezen; maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel aw lichaam duister zijn. Indien dan hef licht, dat in ti is, duisternis is, hoe gioot zal de duisternis zelve zijn!

De beweegreden is liet oog der ziel, indien dit helder is, dan zal geheel het karakter goed wezen; maar indien het bezoedeld is, dan zal geheel ons wezen verontreinigd zijn. Ook het oog des verstands kan bezoedeld wezeu; indien iemand de dingen niet in het rechte licht beschouwt, dan kan hij in zonde leven, terwijl hij in den waan verkeert, dat hij zijne plichten waarneemt. De mensch behoort te leven in overeenstemming met het licht, dat hij heeft; maar indien dat licht duisternis is, welk eene vergissing zal geheel zjjn leven, zijn doen en streven dan niet wezen ! Indien onze godsdienst er ons toe leidt om te zondigen, dan is hij erger dan ongodsdienstigheid. Indien ons geloof\' vermetelheid of aanmatiging is, indien onze ij ver zelfzucht, ons gebed vormelijkheid, onze hoop een zinsbedrog, onze ervaring eene verblinding is, dan is de duisternis zóó groot, dat zelfs onze Heere verbaasd staat cn uitroept: „Hoe groot is die duisternis r

O dat wij een eenvoudig oog mochten hebben voor Gods heerlijkheid, en eene


-ocr page 67-

4

Tloofdst. V!.] ONZE KONING EN DE ZORGEN DEZES LEVENS.

51

oprechte toewjjding aan onzen Hoere! Dit alleon kan mijne ziel vervullen met licht.

24. Niemand lean twee heeren dienen: want of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, nf hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten-, gij kunt niet God dienen enden Mammon.

Hier verbiedt onze Koning verdeeling in ons levensdoel. Wij kunnen niet door tweeërlei liefde worden be-heerscht; en al zouden wij hot kunnen, dan zouden wij toch niet beiden kunnen dienen; hare belangen zouden woldra mot elkander in strijd zijn, en wij zouden verplicht zijn om tusschen die boidon te kiezen. God en de wereld zullen nooit te zaïnen overeenkomen, en hoe wij het ook beproeven, nooit zullen wij in staat zijn om beiden te gelijk te dienen. Ons gevaar is hierin gelegen, dat wij in ons stroven om geld en goed te verkrijgen, of in ons najagen van een ander doel, dit te groote proportion laten aannemen, zoodat het onzen geest en ons leven be-heerscht. Gewin en godsvrucht kunnen niet beiden te gelijk meester zjjn in onze ziel. Wij kunnen wel/uredienen, maar niet „ücee/(peyenquot;, twee meesters. Gij kunt loven voor (loze wereld, of leven voor de toekomende wereld, maar voor beiden gelijkelijk te loven, dat is onmogelijk. Waar God regeert, daar moet de lust tot gewin verdwijnen.

O mochten wij zóó beslist zijn, dat wij slechts één dool najagen ! Mochten wij het kwade haten en God Hefhehhen, de leugen verachten en de waarheid aanhangen! Wij moeten weten, hoe wij gezind zijn, beide tegenover gerechtigheid en tegenover zonde, en als die vraag beantwoord is ter onzer vertroosting, dan moeten wij met onwankelbare standvastigheid volharden in hetgcon recht is. Do Mammon staat heden ten dage nog evenzeer tegenover God als in do voorbijgegane eeuwen, en wij moeten zijne inhaligheid en zelfzucht, zijne verdrukking en zjjn\' hoogmoed verafschuwen, want anders hebben wij God niet lief.

25. Daarom zeg ik u \\ zijt niet bezorgd roor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult\', noch voor uw lichaam, waarmede gij u Ideeden zuil: is het leren niet meer dan het voedsel, quot;n het lichaam dan de kleédiny?

„ Daarom\'quot;,opdat onze eenige Meester moge gediend worden, moeten wij ophouden van ons/,elven te dienen en afgedaan hebben met de knagende zorg, dio hot zoeken van zichzelven mot zich brengt. „Wees niet bezorgd rooi\' nw leven-, wij mogen wel onze gedachten er over laten gaan; wij mogen wel zorgen, maar niet bezorgd zijn, geene knagende zorg toelaten in ons hart. Onze dringendste lichaamsbehoeften mogen nooit onzen geest beheersehen of zóó innemen, dat wij daaraan al onze gedachten wijden. Ons leven is van meer belang dan hot voedsel, hetwelk wij eten, of de kleederen, die wij dragen. God, die ons liet leven geeft, zal ons ook brood en kleederen geven. Wij moesten voel meer bezorgd zijn over de wjj/.e, waarop wij leven, dan over hetgeen wij eten, liet geestelijke gaat vóór het lichamelijke, het eeuwige vóór hot tijdelijke. Vergeleken mot hetgeen wij zijn, is hetgeen wij drayen van heel weinig belang. Laat óns dan onze voornaamste zorge wijden aan hetgeen het voornaamste is, ja laat ons onze gedachten bezig houden met hot eenige doel van allo ware leven, de heerlijkheid Gods.

26. Aanziet de vogelen des hemels, ded zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de scharen; ennir hemel-


-ocr page 68-

ONZE KONING EX BE ZOKOEN DEZES LEVENS. jlfoofdst. VT.

52

sche I\'ader voedt nochtans dezelve,: (jadt (jij dezelve niet zeer veel ie hoven?

Do vogelen worden gevoed door God; zul IIij ook ons dan niet voeden? Zij kennen de kwelling niet, die verbonden is aan liet opeenhoopen van geld of goed; waarom zonden wij haar dan kennen? Indien God de vogelen dos liomolf! voedt zonder dat zij zaaien of oogsten, of wegbergen in de graan-sohuren, dan gewis, zal li ij ook in onze behoeften voorzien als wij, vol van vertrouwen op Hem, deze middelen gebruiken. Op deze middelen te steunen en God te vergeten, dat voorwaar zou dwaasheid zijn. Onze Koning wil, dat zijne onderdanen hun hart geven aan zijne liefde en zijn\' dienst, en zich niet kwellen met lage aard-sclie zorgen. Het is goed voor ons om deze dagelijksche behoeften te hebben, omdat zjj ons leiden tot onzen homelsclien Vader; maar als wij bezorgd worden, dan beantwoorden zij niet meer aan hot doel, maar dan worden zij slagboomen, die ons buitensluiten van den ITeere. O dat wij als de vogelen mochten zijn in betrouwen, daar wij in do waardigheid onzer na-tuur „dezelve zeev veel ie bovengaan!quot;

27. Wie toch van u kan, met he-zovyd te zijn, eene el lot zijne lengte toedoen.

Het is eene zaak van weinig aanbelang, of wij groot of klein van gestalte zijn; en toch zou al de kwelling en al het zorgen der wereld ons geen duim grooter maken. Waarom zijn wij dan bezorgd omtrent de dingen, die wij toch niet kunnen veranderen? Indien zich te kwellen tot iets nut ware, dan zou er nog eene verontschuldiging voor te vinden zijn; daar het echter geen goed doet, zoo moeten wij er van aflaten.

28, 29. Kn wat zijt gij hezovgd voor de Meeding? Aanmerlct de leliën des velds, hoe zij ivassen; zij arbeiden niet en spinnen niet; en ik zeg n, dat ook Salomo, in lt;d zijne heerlijkheid niet is bekleed gen-eest, gelijk eene van dezen.

Aan kleederen moet niet veel gewicht worden gehecht, want in ons schoonste gewaad worden wij nog door do bloemen overtroffen. Wij moeten niet bezorgd zijn, hoe wij zullen worden gekleed, want de veld leliën, die niet door don hovenier worden gekweekt, zijn even heerlijk als de prachtigst uitgedoste monarch; en toch genieten zij van het leven, vrij van arbeid en vrij van zorgen. Liefelijke leliën, hoe bestraft gij onze dwaze angsten! liet prachtgewaad der leliën komt zonder kwelling of zorge: waarom ondermijnen wij dan ons leven door bezorgd te zijn over datgene, hetwelk God geeft aan de planten, die niet zorgen kunnen ?

Ileere, ik wensch, evenals de lelie, te wassen tot uwe eer, tevreden te zijn met hetgeen Gij van mij maakt, en te dragen hetgeen Gij mij geeft.

30. Indien nn God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen ivordt, alzoo bekleedt, zal Hij n niet veel meer kleeden, gij klein-geloovigsn ?

Het is niet slechts waar, dat leliën groeien, maar dat God zelf ze met alles overtreffende schoonheid bekleedt. Terwijl deze leliën nog groeien, hebben zij slechts het voorkomen van gras, en zijn dus ietsganschgewoons; maalais God ze met haren vollen dos van goud laken bekleedt, zou zelfs Salomo ze niet in heerlijkheid kunnen overtreffen. Zal Hij dan niet ook gewis voor ons zorgen, die zoo dierbaar zijn in zjjne oogon? Waarom zouden wij


-ocr page 69-

llnofdst. VI.I ONZSO KONING KN DE ZORGEN DEZES I,HVENS.

53

zoo weinig vortrouwcncl zijn, dat wij op dit punt nog twijfel koesteren? Indien lietgeen sleelits zoo kort een bestaan heeft, toch zóó door den Ileere wordt bekleed, wees er dan zeker van, dat Ifjj onze onsterfelijke zielen zal bewaren, ja en ook zelfs onze sterfelijke licliamen, waarmede zij verbonden zijn.

„Klein (jcloof is geen klein gebrek, want grootelijks verongelijkt het den Hcere, en allerdroevigst kwelt hot den geest. Te denken, dat do Ileere, die do leliën bekleedt, zijne eigene kinderen naakt zal laten, dat is schandelijk. O gij klein geloof, loer toch betere manieren!

31. Daarom zijt niet hezoryd, zeggende; Wat zullen irij eten? nf wat zullen wij drinken? of waarmede zullen wij ons lel eed en P

„ Wees niet bezorr/d.\'\' Donk, dat gjj wellicht niet bezorgd behoeft te wezen. Volg niet immer der wereld drieëen-lieid van zorgen. Do vragen in dit vors zijn uit dos woreldlings cathe-chismus dos wantrouwons genomen. De kinderen Gods kunnen van dag tot dag rustig voortwerkon, en alle onheilspellende zorgen van zich werpen.

32 Want (d deze dingen zoeken de - Heidenen! want uir hemelsclie Vader ireet, ded gij al deze dingen heluxft.

Wij moeten boven hen staan, die slechts vreemdelingen en buitenlanders zijn: dingen, die „de Heidenen zoekenquot; zijn voor hot Israël Gods niet goed genoeg. Wereldsche monschon gaan uit naar do dingen dezer aarde, en hebben geen hart voor andere zaken: wij hebben een\' hemelsehen Vader, en daarom gaat ons hart uit naar hoogere dingen. En daar onze Vader ook

daarouboven al onze behcefton kent, behoeven wij niet bezorgd to zijn. Laten de Heidenen hunne vele en velerlei vlooschelijke doeleinden najagen; maar laten do kinderen des Hoeren hunne tijdelijke behoeften aan den Uoere dor oneindige genade overlaten , en slechts het ééne noodige zoeken.

lleoro, stel Gij mij in staat omniet bezorgd te zijn. Mocht ik zóó begeorig zijn naar hemelsclie dingen, dat ik al mijne aardsche belangen geheel en al ü kan overgeven !

33. Maar zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

Zoekt eerst God, dan zal al het overige tor bestemder tijd volgen. Wat „al deze dingenquot; betreft, gij zult ze niet behoeven te zookon; zij zullen u als iets dat van zelf spreekt worden toegeworpen. God, die u den hemel geeft, zal u op don weg derwaarts geen dagolijksch brood weigeren. Het koninkrijk Gods en ele gerechtigheid, dio bij dat koninkrijk past — zoekt dozen eerst en allermeest, dan zal alles, wat gij mot mogelijkheid kunt behoeven, uw doel wezen. Do regeering van Christus te bevorderen en gerechtigheid te beoefenen, dat is slechts één en hetzelfde doel; mocht dat ook hot ééne doel onzes levens zijn! Laat ons het leven besteden aan die ééne zaak, en het zal wèl besteed zijn, en wat do twintig andere, ondergeschikte belangen betreft, ook die zullen wij verkrijgen, indien wij slechts hot ééne najagen.

34. Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.


-ocr page 70-

DE KONING UliQELT HUT UEUKAG Z1.INHK ONDIJKDANEN. 11 loot\'dst. V I.

54

]]eschou\\v do voorafgaande verzen alö liot argument, do reden van liet „danquot; in dit vers. Bezorgdheid kan ii niet helpen (vers 27); zij is geheel nutteloos; zij zou n verlagen tot het standpunt van de Heidenen (vors ;S2), en het is niet noodig (vers 33) — zoo loopt de smart dan niet vooruit door bezorgd te zijn omtrent de toekomst. Het is met het heden, dat wij te doen hebben. Wij moeten slechts dag aan dag om brood vragen, en dat alleen in genoegzanien overvloed voor het gebruik van écnen dag. De mogelijke smarten van morgen in onze gedachten van heden te brengen is eeno overtolligheid van ongeloof. Als de morgen smart brengt, dan zal hij ook kracht met zich brengen voor die smart. Al do kracht, die wij hebben, wordt ver-eischt om het kwaad van heden te dragen, het kan niet noodig zijn om er ook nog de zorgen voor de toekomst bjj te voegen. Eiken dag te beladen met beproevingen, die nog niet gekomen zjjn, dat zou wezen hem te overladen. Bezorgdheid is verkeerd; maar bezorgdheid over dingen, die nog niet gebeurd zijn, is in het geheel niet te verontschuldigen.

O mijn hart, welk eene rust is er voor u, indien gij u met al uwe belangen wilt overgeven aan uwen Heore! Behartig gij slechts zijne zaken, cn Hij zal voor uwe zaken zorgen.


HOOFDSTUK VIL 1—12.

[Igt;e KoniiiR\' ftiuit voort met de re^eliiia\' van het gedrag zijner onderdanen ]

Hij handelt over zaken, die ons in aanraking brengen met onze medemen-schen, gelijk hij te voren orde gesteld heeft op ons persoonlijk gebed tot God, en op onze bijzondere aangelegenheden.

1, 2. Oordeelt niet, opdat (jij niet (jeoon/eeld wordt. Want met irelk oordeel (jij oordeelt, zult gij geoordeeld irorden; ui met welke mate gij meet, za! n weder gemeten worden.

Uw oordeel moet gij natuurlijk go-bruiken : de bedoeling is dat gjj oordeelt in den rechten zin. Maar geef niet toe aan het vermogen om op boris-ponde wijze kritiek uit te oefenen op anderen, alsof gij gezag over hen hadt en aangesteld waart om recht te sproken over uwe mcdemenschen. Indien gjj aan anderen beweegredenen toeschrijft, en voorgeeft in hun hart te kunnen lezen, dan zullen zij hetzelfde met u doen. Eene harde en berispende handelwijze jegens anderen kan gerust op weerwraak rekenen. Zij. die n omringen, zullen de maat opnemen, die gjj gebruikt hebt, en er u uw koren mede meten. Gij hebt er niets tegen, dat de menschen eene gunstige meening hebben van uw karakter, en het is u niet verboden om gunstig over hen te oordcelen. Daar gij echter niet gaarne hebt, dat zij als rechter over u gaan zitten, zoo ga gij dan niet als rechter zitten over hen. Het is heden de oordeelsdag niet, en wij zijn door Zijne Majesteit niet als rechters aangesteld ; daarom mogen wij ook niet vooruit-loopen op den tijd die voor de laatste.


-ocr page 71-

Hoofdst. VIL] DK KONING UICUKI.T HET ÜEUIIAO ZIJN EU ONDKUD.VNEN. 55

beslissende rechtszitting is bestemd, of ons de kroon rechten van den Roohter der gansche aarde aanmatigen.

Gewis, indien ik mjjzelven kon, dan behoef ik mijn oordeel niet te gebruiken om andere menschon te oordcolen; want ik kan het genoeg tc doen geven in mijn eigen Gerechtshof dos Gewetens om do verraders in mijn eigen hart te rechten.

3—5. En wat ziet gij den splinter, tl ie in het oog inrs broeders is, maar den hall:, die in un\' oog is, merkt (jij niet? Of, hoe znlt (jij tot uwen broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter int uw oog uitdoe; en zie, er is een halk in uagt; oog? Gij geveinsde! weriJ eerst den balk uit aw oog, en dan znlt gij bezien, om den splinter uit nws broeders oog uit le doen.

Het vermogen oin tc oordeelen wordt liet bost aangewend voor het eigen hart. Onze neiging is om naar splinters uit te zien in de oogeu van anderen, en den balk in onze eigene oogen niet eens op te merken. In plaats van met welgevallen hot kleine gebrek te zien in een ander, zouden wij verstandig handeion, zoo wjj het grootere gebrek merken in ons zeiven. Het is de balk in ons eigen oog, die ons blind maakt voor onze eigene verkeerde handelingen ; maar dio blindheid verontschuldigt ons niet, daar zjj blijkbaar onze oogen niet sluit voor de kleine dwaling van onzen broeder Die gedienstigheid wil den oogheelkundige spelen, maar iu werkelijkheid stelt zij zich aan als een dwaas. Verbeeld u iemand met een balk in het oog, die iets zoo teers als liet oog eens anderen ia, wil behandelen, liet wil beproeven om zoo klein oen ding als een splinter is, tc willen verwijderen! Is liet geen gereiusde, die voorwendt zóó bezorgd te zijn overdo oogen van anderen, ter vijl hij nooit acht geeft op zijne eigene oogen? Jezus is zachtmoedig, en toch noemt ilij den man een „geveinsdequot; die zich zoo druk maakt over kleine dingen in anderen, en geen aandacht schenkt aan de grootere belangen in zijn eigen huis en zijn eigen hart. Onze hervormingen moeten beginnen mot ons zeiven, of zij zijn niet waar, en konien niet voort uit het rechte beginsel. Wij mogen de zonde bestraffen; maar niet als wjj er zeiven aan toegeven. Wij mogen protestceron togen het kwaad; maar niet als wij het willens en wetens zeiven bedrijven. De Farizeën waren zeer bekwaam in het berispen van anderen; maar zeer traag in het verbeteren van zich zei ven. Onze Hcere wil niet, dat zijn koninkrijk bestaan zal uit geveinsde theoretici; Hij roept tot practischo gehoorzaamheid aan do regelen dor heiligheid.

Nadat wjj zeiven geheiligd zijn, zijn wij verplicht om den blinden tot oogen te zijn en hot onheilig leven te bestraffen ; maar eerder ook niet. Vóórdat wij persoonlijke godsvrucht hebben is ons prediken van godsvrucht niots dan geveinsdheid. Mocht niemand onzer den lloero roden geven om tot ons te zeggen: „Gij geveinsde]quot;

(!. Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwepaarlen voor de zwijnen; opdat zij niet tc ecnijrr tijd dezelve met hunne roeten vertreden, en zich omkeerende u verscheuren.

Als de menschon blijkbaar niet in staat zijn om de reinheid eenergroote waarheid op te merken, zoo stol zo hun niet voor oogen. Zij zijn bloote honden, en als gij hun heilige dingen voorzet, dan zullen zij geprikkeld worden om zich om te keeren en u tc verscheuren ; hoiligezakenzijn niet bestemd


-ocr page 72-

ONZE KOM NO EN 1)13 TROON\' DEK GENADE. [Hoofdst. VJI.

50

voor do onlioiligen. „Buiten zijn do iiondon;quot; liet moet hun niot toegelaten worden om liet liciligo binnen te treden. Als gij u in liet midden der boozeu bevindt, in liet midden van hen, die zich aan do ondeugd overgeven, en die als de „zwijnenquot; zjjn, zoo breng de kostoljjke verborgenliodendesgeloof\'s niet te voorschjjn, want zij zullen ze verachten, en ze „met hunne voeten vertredenquot; in het slijk. Gjj moet niet onnoodig een\' aanval uitlokken op u, of op de hoogere waarheden dos evangelies. Gij moet niet oordeelen; maar gij moet ook niet zonder oordeel des ondcrscheids handelen. Acht de nien-schen goene honden of zwijnen te zijn; maar a\'s zij zeiven zich nis zoodanig erkennen; of als zij door hun gedrag zich aanstellen alsof zij hot waren, zoo stel hen niet in de gclogonhcid om hun boos karakter to openbaren. Do heiligen moeten geene onnoozelen zijn , zij moeten zich niet aanmatigen om rechters te wezen; maar dwazen moeten zij ook niet zijn.

Qroote Koning, hoe voel wijsheid is er bij uwe bevelen niet van noodo! Ik heb IJ noodig, niet slechts om mijn\' mond te openen, maar soms ook oven-zeer om mijn\'mond gesloten te houden.

7, 8. Bidt, en u zal gegeren worden; zoekt en gij znU vinden; klopt, en uzal opengedaan worden\', want een iegelijk, die bidt, die ontvangt-, en die zoekt, die vindt-, en die klopt, die zal opengedaan worden.

Tot de menschen moogt gij niet altijd spreken van de hemelsche dingen; maar tot God moogt gij dit wèl.

„Bidt, zoekt, klopt-quot; laat uw gebed gepast zijn voor de zaak of den toestand; laat het toenemen in innigheid en vurigheid; laat het zich uitbreiden naar do grootte van het begeerde doel,

Ecno gave te ontvangen is eenvoudig, een\' schat te vinden is meer verrijkend, maar een paleis binnen te gaan, dat is het beste van alles. Iedere vorm van gebed is voorgeschreven, aangenomen en beloond op eene wijze, die bij deszelfs karakter past. De belofte is algemeen, omvat allen, die aan het gebod gehoorzamen. Deze geboden staan de methode van knagende zorg tegen, die in het vorige hoofdstuk veroordeeld werden; en zij zijn eene bemoediging om de voorschriften op te volgen omtrent het niet weerstaan, waar te voren op gewezen werd, daar hij, die van God kan ontvangen wat hij vraagt, wel aan den monsch mag ] geven, wat deze van hem vraagt, ja zelfs toe kan geven aan hen, die hem onrechtmatige eischen stellen. Met zulk een\' onuitpnttelijken voorraad ter onzer beschikking, moesten wij noch gierig noch pleitzuchtig zjjn. Ileere, help mij, om voor goed afgedaan te hebben met tobben, en om overvloedig te zijn in het bidden, zoeken en kloppen; dan zal ik weldra overvloeien in dankzegging.

9, 10. Of wat niensch is er onder n, zoo zijn zoon hem zou hidden om brood, die hem een1 steen zal geven? Kn zoo hij hem om een\'1 viseh zou bidden, die hem eene slang zon geven?

In tijdelijke dingen begaan wij vergissingen, en vragen om datgene als brood, hetwelk wij denken brood te zjjn, terwijl het in waarheid slechts een steen is. Eene slang zien wij aan voor een\' aal, en vragen er om alsof het een visch ware. Onze hemelsche Vader zal ons gebed verbeteren en ons geven, niet wat wij in onze onwetendheid vragen, maar wat wij in de werkelijkheid behoeven. De belofte van ons te zullen geven wat


-ocr page 73-

57

wij vragen, is hier verklaard en in liet ware licht gesteld. Dit is eeuc genaderijke terechtwijzing van do dwaasheid, die des Ileeren woorden in don meest letterlijken zin zou willen opvatten, en ons in don waan zou willen brengen, dat ieder onzer grillen slechts hot kleed des gebeds behoefde aan te doen, om te worden verwezenlijkt. Onze gebeden gaan in eene Herziene Vertaling naar don hemel. liet zou iets vreeselijks zijn, indien God ons altijd gaf, waar wij om vragen. „Onze hetnol-sche Vader zelf „weet hoe te (jeveri\\ veel beter dan wij weten te vragen.

11. Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen hinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal nw Vader, die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!

Ofschoon wij zeiven boos zijn, verbeteren wij toch do vergissingen onzer kinderen in hetgeen zij van ons vragen, en voel meer nog zal onze alwijze en goede hemelsche Vader in hetgeen Ihj ons schenkt de dwaling verbeteren van hetgeen wij van Hem afsmeekten. ITij zal ons het goede geven, waarom wij niet vroegen, en het kwade weerhouden, waarom wij zoo onverstandig gevraagd hebben. Wij kennen onze kinderen, en weten voor onze kinderen; en toch zijn wij arme, booze schepselen: zal dan niet de volmaakt goede Vader, die alle dingen weet, zijne gaven op het liefelijkst voor ons regelen en beschikken? Ja, gewis! „Hoe veel te meer!quot; zegt onze ireoro, en Hij zegt niet hoe voel moer dat is, maar laat dit over aan onze eigene overdenkingen. Wij weten niet, wat wij zullen bidden gelijk hot behoort, maar Hij weet hoe te geven gelijk het zijner volmaaktheid betaamt, en dat zal Hij ook doen. Hij zal „goede gavenquot; geven, en inzonderheid zijn\' Heiligen Geest, die alle goede gaven in zich bevat, lleero, ik wensch moer te denkon aan U dan aan mjjn eigen gebed, meer aan uwci: Zoon dan aan mijn eigen geloof, en meer aan uwen Ifeiligon Geest dan aan alle andere goede gaven.

12. Alle dingen dan, die gij ivilf, dat n de memchen zonden doen, doet gij hnn ook alzoo: trant dat i* de irel en de profeten.

Alles wat voorafging leidt hiertoe, en is er do roden voor. Het zal leerrijk zijn om eons terug te zien en dit te overdenken.

In deze Schriftuurplaats geeft onze Koning ons zijn Gouden Heg el. Stel u in do plaats van anderen, en handel dan ton zijnen opzichte, goljjk gij\' in dezelfde omstandigheden verkeerende, zoudt wenschen, dat hij met u handelt. Dat is een koninklijke regel, een voorschrift dat altijd te pas komt, en altijd goed is. Hier kunt gij rechter zijn, kunt gij oordeelon, zonder anderen te oordcelen. Dit is do hoofdsom der Tien Geboden, der vijf Boeken van Mozos en van geheel het Heilig Woord. O, dat allo menschen er naar handelden, dan zou er geen slavernij zijn en geen oorlog, geen afpersing, geen werkstaking, geen liegen en geen roeven; maar alles zou rechtvaardigheid wezen en liefde! Wolk een koninkrijk, dat zoodanige wet hoeft! Dat is de Codex Christi. Dat is de samenpersing van alles wat recht en edelmoedig is. Wij aanbidden den Koning, uit wiens mond en hart zulk eene wet heeft kunnen voortkomen. Deze ééne regel is het bewijs van den goddebjken oorsprong van onzen heiligen godsdienst. Do algemeene beoefening er van door allen, die zich Christenen noemen, zou overtuiging brengen in het hart van den Jood, den Turk, den ongeloovige, en


-ocr page 74-

5S DK KONING MOK KT ZIJNE DIMNSTKNKCUTMN TH ONDERSCHEIDEN. [I loofdst. VII.

dut wel sneller en zekerder dan allo do Ileere loer mij dit! Selujjf het op verdedigingsschriften en alle doredoneo- do vleozen tafelen van mijn vernieuwd ringen, die hot vernuft of de vroomheid hart. Schrijf het ten volle in mijn dor monschon zou kunnen voortbrengen, j loven.

11 O () P D 8 T IJ [De Koniii»\' leert zijne diens

13, 14. (autt in door de enge poort: want wijd in de poort, en breed in de teeg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan-, trant de poort is eng en de iveg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

Sta op, en begeef u op nwe reize. Ga in door do poort aan het begin des wegs, on blijf niet staan aarzelen. Indien het de rechte weg is, dan zult gjj don toegang tot denzelven wel eenigszins moeieljjk, en zeer eng vinden; want hij oischt zelfverloochening on roept tot eone stipte gehoorzaamheid en groote waakzaamheid van geest. En toch! „Gaat in door de enge poort.quot; AVat er ook togen te zeggen valt van wego do weinige reizigers, die daar heengaan, en hot nauwe, bekrompene van don ingang, kies dien weg en maak or gebruik van. Wol is waar, er is een andere weg, breed en veel bezocht; maar hij leidt tot het verdei f. Op don broeden straatweg gaan de monschon hun\' ondergang te gemoot; maar do weg ton hemel is een smal voetpad. Er kunnen tijden komen, wanneer do velen zich op den smallen weg zullen begeven; maar heden ten dage moet men om populair te zjjn, dat is: om zich bemind te maken bij do groote menigte, breed, mini zijn —■ ruim in de leer, ruim op zedelijk gebied, ruim in geestelijke opvatting. Maar zij, die

: YM i;3-23.

knechten te onderscheiden.]

op den nauwon weg gaan, gaan recht af op don hemel, en zij die op den broeden, ruimen weg zijn, zijn in de ruimte buiten het koninkrijk, zij zijn in het vreemde land. Alles is goed, dat goed eindigt: wij kunnen het er wel voor over hebben om ons in de engte te bevinden, zoo wij slechts op den rechten weg zijn; want dat is beter voor ons dan in de ruimte te zijn op don verkeerden weg, omdat de eerste henen voort naar het eeuwige leven, en de tweede ons voorthaast naar don eeuwigen dood.

Jloero, verlos mij van de verzoeking om op deze wijze „nawquot; te willen zijn, en houd Gij mij op den ongen weg, ofschoon er zoo weinigen zijn, die denzelven vinden !

15. Maar wacht u van de valsche profeten, deirelke in schaapskleederen tot n komen, maar van binnen zijn zij grijpende trol ren.

Wij hebben ons oordcol noodig, en wij moeten de geesten proeven van hen, die belijden van God te z:jn gezonden. Er zijn menselien met groote gaven, die „valsche profetenquot; zijn. Dezen nemen het voorkomen, de taal, de gezindheid aan van Gods volk, terwijl zij in werkelijkheid cr op uit zijn om do zielen te verslinden, evenals wolven naar hot bloed der schapen dorsten. „Schaaps/Wm/m*»quot; zijn heel


-ocr page 75-

IMNSTKNECHTKN TE ONDKRSCJIHIDEN. T)!)

fraui, maai\' wij moeten onder dozelven zien en do wolven bemerken. De mensch is, wat hjj van binnen is. Wij hebben het noodig om op otize hoede te zijn, ons te icachtcii\'. Wij moeten toezien niet slechts op onzen weg, maar ook op onze leidslieden. Zij komen tot ons; zij komen als profeten; zij komen met allerlei uitwendige zaken, die hen bij ons aanbevelen; maar zij zijn ware Balailms en zullen gowisselijk diegenen vloeken, die zij voorgeven te zegenen.

16. Aan hunne vruchten zult (jij hen hennen. Leed men ooi: eene druif can doornen, of vijgen van disteten?

Hunne leer, hun leven en do invloed, dien zij hebben op andoren, zullen een ware toetssteen voor ons zijn. Iedere leer, en iedereen, die eene leer belijdt, kan aldus beproefd worden. Indien wij er druiven van lezen, dan zijn het geene doornen: als zij niets dan distel wol voortbrengen, dan zijn het geene vijge-boomen. Sommigen protesteeren togen deze practisehe proefneming; maar verstandige Christenen zullen haar als laatste toetssteen gebruiken. Wat is de uitwerking der moderne theologie op do geestelijke gezindheid, hot gebedsleven, de heiligheid van het volk? Keoft zij een\' goeden invloed?

17, 18. Ahoo een ieder goede boom hrencjt voort (joede vruchten, en een kwade loom brengt voort kwade vruchten. Een goede boom kan geene kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

Iedere mensch brengt voort naar zijnen aard; hij kan niet anders. Goede boom, goede vi uclit] kwade boom, kwade vrucht. Er is geene mogelijkheid, dat do uitwerking hooger en beter is dan do oorzaak. Hot wezenlijk goede brengt geen kwaad voort, dat zou regen deszolfs natuur zijn. Hetgeen in den wortel slecht is, zal zich nooit verhoffon tot het voortbrengen van iets goeds, ofschoon hot er soms don schijn van kan aannemen. Daarom kan het oen en het ander gekend worden aan olks bjj-zondoro vrucht. Onze Koning is oen groot leoraar van voorzichtigheid. Wij moeten niet oordeelen; maar wij moeten onderkennen, en de regel voor doze kennis is even eenvoudig als veilig. Zoodanige monsehenkennis kan ons behoeden voor het groot nadeel, dat voor ons ontstaan zou uit onzen omgang mot slechte en bedriegelijke personen.

19. Een ieder boom, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

Hier is het einde, waarnaar kwade dingen zich strekkon. De bijl en het vuur wachten den ongodvruchtige, hoe fraai zij ook met do bladeren dor bo-Ijjdonis getooid zijn. Laat ons slechts wachten, en hot zal gezien worden, dat iedere mensch, die op aarde geene goodo vruchten voortbrengt, zijn oordeel niet zal ontgaan. Het zijn niet slechts do boozen, niet slechts de gift-bessen dragende boomon, die afgehouwen zullen worden; maar doonzjj-digen, de menschon, die geen vrucht dor positieve deugd voortbrengen, zullen evenzeer in het vuur worden geworpen.

20. Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen.

Wij zijn er niet toe geroepen om uit to houwen of to verbranden, maar wol zijn wij er toe geroepen om to kennen. Deze kennis moet ons er voor behoeden van onder do schaduw of den invloed van valscho leeraren te komen.

(


-ocr page 76-

GO UK KONING liKKRT ZIJNE DlKN\'STKNECHÏHN TE ONDERSCHEIDEN. | Hoofdst. VII,

Wio zou zijn nost willen bonwon op con\' boom, dio weldra uitgehouwen zal worden? Wie zou een onvruchtbare boom voor hot middenpunt van zijn\' boomgaard kiezen?

Ileore, laat ik mjj horinnoron, dat ik naar dezen regel mjjzelven hob to beoordeelen. Maak injj tot oen\' waren, vruchtdragcndon boom.

21. Ni ft een iegelijk, die tot mij zegt: Heere, Jleere! zal ingaan in het Iconint\'-rijk der hemelen, maar die daar doet den tril mijns l\'adcrs, die in de hemelen is.

(joono hulde dor lippen zal volstaan: „Niet een iegelijk, die tot mij zegt.quot; Wij kunnen goloovon in do Godheid onzos Hoeren, on wij kunnen ons veel moeite geven om hot telkens op nieuw to verklaren en uit te sproken mot ons „ Ileere, Heevequot;, maar tenzij wij do bevolen opvolgen van den Vader, brengen wjj goene ware hulde aan don Zoon. Wij kunnen onze verplichtingen aan Jezus erkennen, en Hom aldus ,Jleere, Heerequot; noemen; maar indien wij deze verplichtingen nooit nakomen door daden, wat is dan do waardij van hetgeen wij erkennen? Onze Koning ontvangt diegenen niet in zijn koninkrijk, wier godsdienst slechts in woorden en in plechtigheden bestaat; doch alleen diegenen, uit wier leven de ware gehoorzaamheid blijkt van .Tozus\' discipelen.

22, 23. Velen zullen ie dien dage tot mij zeggen-. Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam dninelen uitgeirorpen, en in uwen naam vele krachten gedaan? Kn dan zal ik hun openlijk aanzeggen-. Ik heb u nooit geleend, gacd iveg van mij, gij, die de ongerechtigheid ireri-t.

Eene rechtzinnige geloofsbelijdenis zal, als er niets moor bij komt, niet behouden; en evenmin zal dit hot geval zijn, als het vergezeld gaat van eene officioolo positie on bediening. Deze lieden zeiden: „Heere, Ifeere^cn daarbij beriepen zij zich ook nog op hun profeteeren en prediken in zijn\' naam. Al hot prediken dor wereld zal den prediker niet behouden, indien hij het-goon hij predikt, niet in praktijk brengt, -la, en hij kan wel zeer voorspoedig zijn geweest, — voorspoedig in zoor hoogo mate „en in uwen naam duivelen nitgeirorpeiiquot; en toch, zonder persoonlijke heiligheid, zal do uitwerpor van duivelen ten laatste zelf worden uitgeworpen. ])e goede uitslag dor werkzaamheid, waarop hier wordt geroemd, kan met vorbazingwokkonde omstandigheden van verschillende belangrijkheid zjjn gepaard gegaan — „en in uwen naam vele krachten gedaanquot;, en toch kan dio mensch aan Christus onbekend zijn. Driemalen wordt van dien mensch gezegd, dat hij alles gedaan heeft „in uiren naamquot;, en toch wist de Heere, wiens naam hij zoo veelvuldig en zoo vrijmoedig gebruikt, niets van hem, en wilde hem ook niet in zijne tegenwoordigheid dulden. Do Heere kan do (egenwoordigheid niet verdragen van hen, die Hom „Heere, Heerequot; noemen, en daarna ongorec\'i-tighoid werken. Zij zeiden Hem, dat zij Hom kenden; maar Hij zal hun aanzeggen: Ik heb u nooit gekend.

Hoe plechtig on ontzagwekkend is deze herinnering voor irnj en voor andoren! Uit niets anders zal blijken, dat wij ware Christenen zijn, dan uit oen oprecht doen van den wil des Vaders! Wij kunnen bij iedereen bekend wezen als groote macht te hebben over duivelen en monschon, en toch door onzen Heere in dien grooten dag niet erkend worden, maar verdreven worden als bedriegers, die Hij niet kan dulden in zijne tegenwoordigheid.


-ocr page 77-

Hoofd st. VIL] DK KOU ING VAT ZIJNE UEDE SAMEN. (U

HOOFDSTUK VII. 24—2fJ.

[De Künill•t, vat

24, 25. Ken iegelijk dan, die deze, mijne woorden hoort en dezelve doei, dien zal ik vergelijken hij een\' voorzichtig mun, die zijn h uis op eenc steenrots gebouwd heeft] en er is slagregen nedergevallen en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn. tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was np de steenrots gegrond.

W ij moeten onzen Heero hooren, en daarmede wordt natuurlijk bedoeld, dat wjj hetgeen Hij zegt als gezaghebbend moeten aannemen. Dat is meer dan sommigen heden doen; wantzjj matigen zich aan om als rechters te zitten over hetgeen door onzen Heere werd geleerd en het te oordeelen. Maar hooren is niet genoog; wij moeten deze woorden ook doen. Er moet eene praetische godsvrucht zijn, of er is niets recht in ons. De hoorder, die doet, heeft een huis met een vast fondament gebouwd; het verstandigst en hot veiligst, maar ook tevens het kostbaarst en het moeie-lijkst wat men doen kan. Kr komen beproevingen over hem. Zijne oprechtheid en waarheidsliefde beletten niet, dat hij beproefd, getoetst wordt. Van boven en van beneden, en van alle kanten komen de beproevingen: regens, waterstroomen, winden. Geen muur is opgetrokken om er hem tegen te beschermen: alle dezen „zijn tegen hetzelve huis aangevallenquot; Het is een sterk, stevig gebouw; maar de proefneming wordt zóó streng, dat niets het gebouw kau redden behalve de sterkte van deszelfs fondament. Omdat de voornaamste stut zoo onwankelbaar is, blijft geheel hot gebouw staan. „liet

Jjiie rede samen.]

is niet gevallen.\'\'\'\' Het kan hier on daar wol wat geleden hebben, eu hot kan er wel zeer verwoord hebben uitgezien ; maar „het is niet gevulltn.quot; Laat de Rots der Eouvveu worden go-prezen, indien er na veel cn ontzettende beroering van ons geloof gezegd kan worden: „Hel is niet gevallen, urmthet was op de steenrots gegrond.quot;

20, 27. En een iegelijk, die deze mijne ivoorden hoort, en ze niet doet, die zal bij een\' dwazen man rergeleken ■worden, die zijn huis oji het zand gr-bouwd heef; en de slagregen is nedergevallen, en de waterstroomen. zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.

De blooto hoorder bevindt zich in een\' hacheljjken toestand. Ook hij bouwt oen huis. Het hooren van des Hoeren woorden zet hom aan hot werk, en wel aan oen werk dat bestemd is om hem schuilplaats en genot te verschaffen. „Hij heeft zijn huis gebouwdquot;\'; hjj was praetiscli en volhardend; hij hooft uiot begonnen maar opgehouden eer hot werk voltooid was. En toch, in weerwil van zijne vlijt, was hij een dwaas. Ongetwijfeld hooft hij zeer snol gebouwd; want zijn fondament kostte hem geen\' zwaren arbeid; zijne uit-gravingon waren spoedig gedaan, er was goene rots weg te ruimen ; hij „heeft zijn huis op zand gebouwd.quot; Maar ook over do onoprechte belijders komen beproevingen. Zijn wij niot allen tot moeite geboren? Dezelfde soort van beproevingen komen over do dwazen on do wijzen, en bij beiden is


-ocr page 78-

r,2 DE KONING VAT

hare working gelijk; maar dc uitwerking, liot gevolg, is «oor verschillend.

„Het is gevallen.quot; Dat zijn ernstige, ontzaglijke woorden. Het was een fraai gebouw, en het beloofde de eeuwen te verduren; maar „het is gevallen.quot; Er waren ook kleinere gebreken in hot bouwwerk; maar deszelfa grootste zwakheid was onder den grond, in dc verborgene plaats van het fondament: do man heeft „zijn huis op het zand gebouwd.quot; Zijn grondslag was slecht.

Die instorting was ontzettend; het gedruisch er van werd tot van verre gehoord: „zijn val was groot.\'\' Velen hoorden den val, en nog meerderen zagen het puin, gelijk hot als een eeuwig gedcnkteeken bleef liggen van het gevolg dier dwaasheid, die zich vergenoegt met het bloote hooren, maar het doen veronachtzaamt.

28, 2!). En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over zijne leer: want hij leerde hen, ah macht hebben clc, en niet als de schriftgeleerden.

Dc rede is uitgesproken. Wat is er het gevolg van? .Nooit was er zoo groot een Prediker, en nooit heelt Hij grooter rede uitgesproken; hoe groot is nu het getal dor boetvaardigen ? Hoe velen hebben zich bekeerd ? Wij hooreu van geen\' enkele. De goddelijke waarheid kan, zelfs als zjj op volmaakte wijze wordt gepredikt, op zich zelve het hart niet bewerken tot bekeering. Het meest overweldigend gezag brengt geene gehoorzaamheid teweeg, tenzij de Heilige Geest het hart van den hoorder tot onderwerping brengt.

11 IJ DE SAMEN. IHoofdst. VIL

„De scharen ontzetten zichquot;: was dit nu alles? Twee dingen verbaasden hen; de inhoud van zijn onderwijs, en do wijze waarop Hij het mededeelde. Nooit te voren hadden zij zoodanige leer gehoord; de geboden, die Iljjliun gaf, waren hun geheel nieuw. Maar wat hunne verbazing het meest opwekte, was zijne manier van spreken. Er was eene stelligheid, eene macht, een gewicht in zijne woorden, zooals zij nooit in do gewone leeraren hadden opgemerkt. IIjj wierp geene vragen op; Hij was niet aarzelend of weifelend iu zijne prediking; en evenmin heeft hij hot gezag van anderen ingeroepen, om zijne eigene verantwoordelijkheid door groote namen te dokken. „Hij leerde hen, als macht heli-bende.quot; Hjj sprak koninklyk: do waarheid zelve was haar eigen argument en bewijs. Hij leerde op profetische wjjze, als iemand, die van lioven werd geïnspireerd. Le menscheti gevoelden, dat Hij sprak, geljjk iemand, die door God is gezonden. Hot was niet verkeerd van hen, dat zij zich ontzetten; maar het was eene zware misdaad in hen, dat het bij die ontzetting bleef.

Mijn Heiland, dit was een armzalig loon voor uwe koninklijke rede. — „De scharen ontzetten zich.quot; Laat liet toch niet mijn doel en streven zijn om de scharen te verbazen of te .mt-zetten, maar mocht ik in staat gesteld worden om hen voor U te winnen. En indien zjj, nadat ik alles gedaan heb, wat ik kon doen, zich wol ontzetten, maar het daar dan bij laten, mocht ik dan toch nooit klagen. Immers hoe kan de discipel meerder zijn dan zijn Meester?


-ocr page 79-

lloofdst. VTII.] DH KONING OPEN 13A.ART ZIJNE KONINK1.IJKH MACHT.

HOOFDSTUK VI11.

[Dc Konin»\', na met wijsheid «\'espn

1. Toen hij nu van den hercj afgeklommen waflt;, zijn hem vele schaven (jevolgd.

Do menigte was door nieuwsgierigheid gedreven. Onze lloere was po- j pulair; maar die populariteit heeft Hij nooit om haar zelve gezocht, li ij was te wjjs, om iets, dat zoo wispelturig is, op hoogen prijs te stellen. Toch zijn wij blijde om de menigte vergaderd

te zien om het Woord te hooren, want

\'

daar kan iets goeds uit voortkomen, Jezus kwam neder om dc schaven op te heffen.

2. Kn ziet, een melaatsche kwam, j en aanhad hem, zeggende: Heeve, indien | gij wilt, gij kunt mij veinigen.

Dit vers begint mot een „zietquot;. Het was niet te verwonderen, dat groote scharen tot Jezus kwamen; maar wel dat een melaatsche zou gelooven, dat lljj eeno ongeneeslijke kwaal kon wegnemen. De melaatsehe bewees goddelijke hulde aan Christus; en indien Jezus niets dan een goed man ware geweest, dan zou Hij die aanbidding met heilige verontwaardiging hebben afgewezen. Zij, die Jezus „lleevequot; noemen, en Hem niet aanbidden, zijn door ; ernstiger plage bezocht dan do melaatsche. Hij bezat eene hoogo mate van ge loof; want voor zoo voel wij weten, heeft niemand te voren op deze wijze in ; Jezus geloofd. Melaatschheid brengt groote wanhoop te weeg; maar deze arme rnensch heeft allen twijfel van zich geworpen: indien Jezus het wilde, | dan zou hy zelfs genezen kunnen worden.

•ken te heblien, werkt met macht.]

Hij heeft aan des Ileilands goeden wil niet getwijfeld, toen hij zeide: „Heeve, indien gij ivilt.quot; Noen, veeleer heeft hjj zoo zeer geloofd in dos lleoren macht, dat hij gevoelde, dat de Heiland slechts behoefde te willen, en de go-nozing zou terstond plaats hebben. Hebben ook wij zoo groot een geloof? Zjjn wij er van overtuigd, dat het blooto willen van Jezus ons gezond kan maken ?

Ileore, ik kan on ik wil even ver, ja zelfs nog verder gaan.

• i. En Jezus, de hand uilstvekkende, heeft hem aangevaakt, zeggende: Ik wil, wovil gereinigd! Fm terstond wevd hij van zijne melaatschheid geveinigd.

Ieder ander zou dooi* een\' melaatsche aan te raken verontreinigd zijn geworden; maar do heolende kracht in Jezus weert de verontreiniging. Hij raakt ons aan met dou vinger zijner menschheid; maar wordt door die aanraking niet besmet. Zijne aanraking toont zijne nederbuiging, zijn medegevoel en zijne gemeenschap. Hot was geene toevallige aanraking: „Jezus stvekte zijne hand uit.\'\' Onze Ileoro is door zijne eigene daad en werking tot ons gekomen. Hjj was besloten om tot ons te komen in onze walglijkheid en onze verontreiniging. Na de aanraking k ■ am het woord: „Ik toil.quot; Iemand heeft terecht opgemerkt, dat Jezus nooit zegt: „Ik wil niet.quot; Of wij willen of niet, lljj wil. „Word gereinigd,quot; was hot koninklijk woord van Eenen, die zich bewust was van groote en overvloedige macht. Welk een werk om een\' melaatsche te rei-


-ocr page 80-

DU KONING OPENBAART ZIJNE KONIXKLUKE MACHT. | Uooldst. VJII.

iiigcn! Toch is dit vooi\'onzou Koning gomakkclijic genoog, daar Hij goddelijk is; want anders zou ongeloof\' hier volkomen redelijk wezen.

Met welk een genot hoeft Jezus gesproken! Met wat vreugde heeft de melaatsche gehoord! Mot wat nieuwsgierigheid zullen de hen omringenden naar den uitslag hebben uitgezien! Zjj behoefden niet lang te waehten: het woord werd onmiddelijk gevolgd door het wonder. De genezing geschiedde oogenblikkelijk. lljj sprak en het was geschied. Dat onze Koning zijn\'troon had verlaten om naast een\' melaatsche te gaan staan, dat was het grootste van alle wonderen, en het kan ons niet verwonderen, dat hier nog andere wonderen uit zijn voortgevloeid.

4. En Jezus geide tot hein: /ie, dal f/ij dit niemand zegt; maar (ja heen, toon u zeieen den priester, en offer de gare, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

Onze Heere wilde zijn\' roem en vermaardheid niet vergrootcn. lljj zocht geene eer van menschen; cn Hij wilde do scharen niet nng doen toenemen, daar zjj hot Hem thans schier onmogelijk maakten, om zijn werk te verrichten. Hij begeerde slechts nuttig te zijn voor anderen; naar roem zocht of begeerde Hij niet. Hot zou moeio-lijk voor den melaatsche zijn geweest om te zwijgen; maar nu het iiem geboden was, had hij dit toch behooron te doen. Wij moeten spreken of zwijgen, al naar de Heere dit van ons eischt.

Do oude wet was nog van kracht; cn zoo lang zij niet was opgeheven, wilde de Heere haar geëerd zien. Daarom moest de genezen melaatsche naaiden priester gaan, zijne offerande aanbieden, en van de bevoegde macht, een certificaat van gezondheid erlangen. En daarenboven zou hij dan nog voor de natie getuigen, dat zij Eenen in hun midden hadden, die van inolaatschhoid kon genezen. De man was rein; cn toch moest hij zich nu nog officieel, naar de ceremoniëelo wet laten reinigen. Als wij do zaak, die ons door eone ordinantie werd beteekend of aangeduid, hebben verkregen, dan moeten wij daarom liet toeken niet veronachtzamen, integendeel, wij behooron er met nog moor zorg en oplettendheid acht op to geven. Hoe voorzichtig was het van den Heere, om die aloude regelingen niet op te heffen, vóórdat do tijd ton volle gekomen was nm do nieuwe in te voeren!

5—7. Ah nu Jezus te Kapérnaiim ingegaan tras, kwam tol hem een hoofdman orer honderd, biddende hem, en zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraaid, en lijdt zware pijnen. En Jezus geide tot hem : Ih zal komen en hem genezen.

Een man uit de volken, een Heiden, komt tot onzen Koning — een krijgsman, een van Israels verdrukkers; en onze Heere ontvangt hem met een „Ik zalquot;, op dezelfde wijze als Hij den melaatsche had ontvangen. Dozo Romeinsche officier kwam ten behoeve van zijn\'slaaf. Het is goed als meesters zich gelegen laten liggen aan hunne dienstknechten, inzonderheid als zij ziek zijn. Maar het beste van alles is, als zij voor hunno dienstknechten tot Jezus gaan, gelijk deze hoofdman over honderd gedaan heeft. De knecht was in hot huis zijns meesters; hij had hem niet in allerijl weggezonden, omdat hij krank was. De vriendelijke meester waakte aan het ziekbed zijns dienaars, en met hartelijk medegevoel beschrijft hij, wat hij er heeft waar-


-ocr page 81-

JToofdst. Vin.] DE KONING OPENBAART ZIJNE KOXINKUJKE MACHT.

05

genomen. Hij zoekt genezing, maar lijj schrijft den Heere niet voor lioe, of waar Hij de genezing werken moet; ju foitelijlc drukt lijj zijn verzoek niet uit in woorden, hjj voort het krank-lieidsgoval aan, en iaat do smart spreken. Dat do jonkman „zware pijnen lijdtquot; wordt vermeldt als een argument om dos Ileeren medelijden op to wekken. Men ziet niet dikwijls het „geraakt zijnquot; of verlamming, gepaard gaan mot zware pijnen; maar de opmerkzame hoofdman had deze ver-schjjnsolen waargenomen, en hij voort ze aan bij Jezus. Geeno verdienste, maar ellende, moet onze pleitgrond wezen bij don Heiland.

Onzo Heere behoefde niet lang gesmeekt te worden. Terstond zoido 11 ij: „ Ik zal komen, en hem genezenquot;. Heere, zog dit tot ons ten opzichte van hen, voor wie wij met liefde dos harten voorbede doen.

8, 9. En de. hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben viet waardig, dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk em noord, en mijn knecht zal genezen worden\', trant ik hen ook een mensch onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten-, en ik zeg tot dezen-. Ga! en hij Mat; en tot den anderen: Kom! en hij komt-, en lot mijii\' dienstknecht; Do;\' dat! en hij doet het.

Hij wilde niet, dat do Hooro Jezus zich de moeite gaf van in zijn huis to komen. Hij gevoelde zich niet waardig om ten koste van zóó voel moeite door zulk een\'Hoer te worden gediend. Hjj zegt, dat één enkel woord het wel alles tot stand zal brongen. Hij was zelf onder de macht ran anderen, vandaar dat lijj de macht had om gezag uit te oefenen over andoren. Hij geloofde, dat de Heere Jezus evonzoo oone opdracht had ontvangen van een oppergezag, en dat llij hierdoor omgord was met macht over al de kleinere, ondergeschikte krachten in hol heelal, eeno macht; die Hjj door een enkel woord te spreken, ook op oen\' afstand kon uitoefenen. Indien soldaten gaan en komen op hot bevel van een\' hoofdman, hoe veel to meer zullen dan krankheden niet wogvliedon op hot bevel-woord van don Heere Jezus. liet was oon argument, waaruit nadenken sprak, en hot was billijk en afdoend. Mochten ook wij Jezus kennen als staande onder oene macht. Jezus bekleed met macht, en onszelven onder de macht van Jezus! Mochten ook wij gelooven in de almacht dea goddeljjken Woords, en heengaan om deszelfs kracht te laten blijken in het hart dor menschen! O (jjj, dio onze Koning zjjt, wil uwe koninklijke macht tentoonspreiden!

10. Jezus n a, dit hoorciidc, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen, die hem volgden: Voorwaar zeg Ha, ik heb zelfs in Israël zoo groot cot geloof niet gevonden.

Jezus verwonderde er zich «ver om iemand te zien gelooven, want van nature zijn do menschen ongoloovig. Hij verbljjdt er zich in om eenen, die verre is, te zien gelooven; want helaas! do bevoorrechte hoorders zijn traag om op Hom te betrouwen, llij verwondert zich over oen\' krijgsman, een officier, die zooveel geloof heeft. Jezus heeft den hoofdman niet in zijn aangezicht geprezen; wat Hjj sprak „zeide Hij tot degenen, die hem volgden.quot; Vlei goene pas bekeerden. Leer uit hetgeen onze Heere zeide, dat llij uitziet naar geloof, dat Hjj er naar uitziet onder de hoorders des Woords; dat Hij hot geiroonlijk niet vindt; maar dat, als


-ocr page 82-

de koning opkn1uart zijne koninklijke macht. | Iloofdst. VIII.

66

Hij h et vindt, het zóu groot kan wezen, dat lljj er zich over verwondcit. Groot geloot\' Uan groeien waar sleclits een dun aardlaagje is, en er kan wel eens geen geloof\' gevonden worden, waar alles or toe selieen mede te werken, om geloof te vervvaeliten. Een groot geloof is den lleere .lezus zeer dierbaar; maar als Hij hot ziet, verwondert Hij er zich over, omdat het zoo zeldzaam is.

11, 12. Doch ik zen 111 vclrn ziillcti komen van Oosten en Weden, en stillen met Ahraham, en Iznk enJakoh aanzitten in het koninkrijk dee hemelen. En He kinderen des koninkrijk* zulten nitgeirorpen worden in rlehnitensteduisternis: aldaar zal weening zijn en knersing der tanden.

De hemel zal gevuld zijn. Indien zij, van wie men het gedacht had, er niet zullen komen, dan zullen zij er komen, van wie men het niet gedacht had, zjj van wie het niet waarschijnlijk was, dat zij zouden komen. Vele geliefdon zijn daar reeds aanwezig, eene soort van kern tot welke wij vergaderd zullen worden, evenals Israël vergaderd werd tot „Ahrahdin en Jzak en Jakoh.quot; Van „Oosten en Wisten\'quot; zullen groote scharen komen, niet teruggehouden door den grooten afstand; en dezen zullen in denzelfdon hoincl komen als de aartsvaders van ouds. Hoe treurig is het om te denken, dat do nakomelingen van deze aartsvaders nityeu-orpen zullen worden, als uitschot, of afval, dat in het duister achter den muur wordt geworpen, buitengelaten in de koude om in angst en smart op de tanden te knarsen! AVelk oen onderst boven koeren der dingen! Die het naast bij zijn, uitgeworpen, en die het verst verwijderd zijn, nabjjgebracht! Hoe dikwijls is dit niet het geval!

Do hoofdman over honderd komt uit hot kamp tot Christus, en de Israëliet gaat van de synagoge naar do hel. Do ontuchtige vrouw buigt zich boot-vaardig neder aan Jezus\' voeten, terwjjl do eigongoreclitigc farizeër de groote zaligheid verwerpt. O dat dit voorval ons op liefelijke wijze mogo bewogen om oen groot geloof te oefenen, on mocht niemand onzer twjjfolon aan do macht van den in hot vleesch verschenen Zoon van God!

En Jezus zei de tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en n {lesehiede, (lelijk (jij geloofd heht! En zijn knecht is gezond geworden te dier zelf der ure.

In die woorden; „Ga heenquot; zien wjj, dat oen terugkeeren tot onze dagoljjk-sche plichten en onze gewone kalmte van geest dikwijls hot beste bewijs is, dat ons geloof den beloofden zogen hooft aangegrepen. Waarom zou hij nog blijven dralen, als hij toch alles verkregen hoeft wat hij zocht? Laat hjj veeleer naar huis gaan en van do vrucht genieten van zijn welslagen in hot gebod. De lleere geeft ons dikwijls naar de mate van ons geloof, „tl geschiede, gelijk gij geloofd hebt,quot; is een woord, waardoor hot ons vergund wordt om onze eigene maat te brengen en den maatstaf te stollen van don zogen, dien wij wenschen te bezitten. lt; gt;nze Hoere sprak hot woord, dat door don hoofdman word verlangd. Het gevolg bleef geen oogonblik uit, en het was volkomen: het leven was niet slechts gespaard, ook de gezondheid was weder-gegevon. Hot lange bidden is dikwijls niets anders dan het gemompel des ongoloofs; terwijl heen to gaan naar ons gewone bedrijf, ons dagelijks werk, zou wezen, don lleere aan zijn woord te houden en zjjno waarheidsliefde to eeren.


-ocr page 83-

Hoofdst. VIII.] DE KONING OPENBAART ZIJNE KONINKUJKE MACHT.

G7

IToere! schenk mjj Ronoog geloof om, nadat ik het gebed des geloofs heb geboden, heen te gaan aan mijne zaken. liet behage U om in dezelfde uro, waarin ik IJ geloof, het wonder te werken, waarom ik heb gevraagd.

14. I\'})i Jezus yekontcn zijnde inhei huis van Petrus, snij zijner vrouws moeder te bed liijc/en, hebbende de koorts.

Het was een koortsige landstreek. Do godsvrucht maakt geeno ongezonde plaatsen gezond. Petrus had eene huisvrouw. Laten de zoogenaamde opvolgers van Petrus dit feit in gedachten houden. Zijner vrouws moeder had de koorts: heiligheid is goene vrijstelling van krankheid. Deze schoonmoeder was eene zeer voortreffelijke vrouw, want het werd haar vergund om bjj haren schoonzoon te wonen, en hij was zoor verlangend, dat zjj van hare krankheid mocht genezen. De Ileero Jezus sag do kranke, want zij werd in geen achtervertrek verborgen gehouden, en Hij was er niet op gesteld om buiten do besmetting te blijven. Jezus vreesde do koorts niet.

Onze Ifeore ziet al onze kranken, | en hierin ligt onze hoop voor hun herstel.

15. Kn hij raaide hare hand aan, \\ en de koorts vertiet huur\', en zij stond op, en diende henlieden.

Onze lleere werd gebeden door hare vrienden, en daarom raakte Hij hare hand aan, en door die aanraking gaf Hij haar do gezondheid weder. Het eerste wonder, vermeld in dit hoofdstuk, geschiedde door eene aanraking, het tweede door een woord, en dit nu weder door eene aanraking: het is alles volkomen hetzelfde voor .lozus. De genezing had onmiddoljjk plaats; en het was eene volkornene, algcheele genezing. Wij zouden denken, dat de koorts groote zwakheid bjj haar heeft moeten achterlaten; maar onzos Heeron genezingen zijn altijd volkomen. Zij gevoelde zich opgewekt genoeg om op te staan, krachtig genoeg om to werken, en wij behoeven er nauwelijks bjj te voegen, dankbaar genoeg om haren Geneesheer en zijne vrienden te dienen. Er is geen stelliger bewijs van herstel van do koorts der zonde, dan de heilige ijver van do genezenen om het werk te doen, dat geschikt is om hunne dankbaarheid uit te drukken jegens Hem, dio hen gezond heeft gemaakt.

1G. Kn ats het taat geworden tras, hebben :ij reten, ran dendairel bezetenen, tot hem gebracht, en hij irierji de bonze geesten uit met den iroorde, en h ij genas atten, die kwalijk gesteld waren.

Onze I loero heeft do dagen lang doen duren; mot hot ondergaan der zon was zijne macht niet verdwenen. Verstandige mensclien brachten, zoodra de Sabbat voorbij was, hunne kranken binnen den kring zijner tegenwoordigheid. En terstond ging er kracht van Hem uit. Itjj leefde in een krankenhuis, en wel in een krankenhuis van ongeneesljjken, waarin „velequot; zoor treurige gevallen voorkwamen; maar voor geen enkel van al deze gevallen schoot zijne macht te kort. Hij dreef de duivelen uit de arme mannen en vrouwen, die door hen bozeten waren; Hij riep hen niet slechts op om uit te gaan. Hij „vier]) hen uitquot; met een goddelijk geweld. Wat krankheden betreft, met geen enkele is men to vergeefs tot Hem gekomen ; Hij „genas allen, die kwalijk gesteld ivaren.quot; Met legioenen van vijanden hooft deze Koninklijke Held gestreden, en heeft zo allen overmocht. Wat waren domonon, wat waren krank-

I! I

i1. pfir I. j|

, i

i |


-ocr page 84-

OXZr, KONIXG ONDERSCHHIDT ZIJNE WARE VOLflEMNGEX. | Iloofdst. VTTl.

08

heden voor onzon Hoere ? Nog is zijn Woord alnmclitig.

17. Opdat vervuld zonde irnrdcn, dal (/esproken iras door Jewja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden Dl* zich yenomen, en onze ziekten gedragen.

no diulon van genezing bewezen zjjne lovende sympathie mot do mon-schen. Mensch wordende, achtte Hij der menschon krankheden zijne krankheden tc zijn, cu Ifij heeft geen oogen-blik gewacht om ze weg tc nemen. Die genezingen zijn Hem, wat zijn eigen lichaam betrof, duur te staan gekomen, want het werd als het ware beladen met dc mcnscholijke ellende. Naarmate e.\' kracht van Hem uitging, werd zijn gestel verzwakt, zoodat, tcr-wjjl zijne kracht uitging tot de men-sclien, hunne zwakheid tot Hem kwam. Hij boog zijne schouders onder onzen last, en aldus nam Hij hem weg van de schouders, die er onder verpletterd waren.

() Hecre, laat mjj nooit vergeten welk een broeder Gij zijt, en hoe gewisscljjk door de hulp, die Gjj ons verleent, wordt bewezen, dat Gij in onze smarten hebt gedeeld.

18. /\'/» ./ezan vete scharen rondom zich ziende, beval ((an de andere zijde over te varen.

Hij ontvluchtte de volksgunst. Allen geheeld hebbende, die krank waren, zocht do Koninklijke Geneesheer eene praktijk in eene nieuwe omgeving, ll jj zag, dat de scharen gevaarlijk werden, wellicht al te geestdriftig, en zoo voer Hij dan over naar de andere knst, om aan hunne roekelooze daden te ontkomen. Wij zoeken maar al te dikwijls do bekendheid, die onze Heere hooft vermeden. Is bet niet, omdat wij geleid worden door veel lager beweeg-redenen, welke over Hem geone macht hadden? Wij moeten niet blijven aan de zijde, waar wij gevleid worden, maar heengaan naar „de andere zijde?\\ waar wij van nieuws kunnen beginnen to werken. „De andere zijdequot; kan ook juist de zijde wezen, die ons het meest van noode heeft, en het is recht om zelfs de groote menigte te verlaten, dio hun deel van de voorrechten hebben genoten, en naar een kleiner gezelschap van menschon te gaan, die zoo genaderijken tijd of gelegenheid niet hebben gehad.

Heere, gebiedt Gjj mij om heen te gaan „naai\' de andere zijdequot;? /oo ga met mij, on ik zal terstond vertrekken.


HOOFDSTUK VIII. 10—22.

[Onze Koning onderscheidt zijne ware volgelingen.]

I20. En er kwam een zeker schriftgeleerde tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal n volgen, traar gij ook heengaat ! Kn Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensehen heeft niet, waar hij het hoofd nederlegge.

Was deze schriftgeleerde bekoord door hetgeen hij van den ITeero gezien en gehoord had? Wij gelooven hot. In plotselinge geestdrift ontstoken, noemt hij Hom „Meesterquot;. Hij had zich waarschijnlijk langs do kust honengespoed om Jezus te volgen, en hij verklaart, dat hij, waar do Meester ook heengaat,


-ocr page 85-

1 loofdst. VJ 11.1 ONZU KONING 0NDEK8CHI\'

IDT ZIJNE WARE VOLGELINGEN. ()9

Hein overal zal volgen. Hij wil onvoorwaardelijk cn zonder terughouding zijn discipel zijn, zonder op tijd of plaats acht te slaan: „Ik zal u volyen, tcaar (jij nuk heengaat.quot; Dat volgen was vrijwillig, ongevraagd, want de Heere had tot hem niet gezegd: „Volg mij.quot; liet was de beste vrucht der natuur; maar geen voortbrengsel dor genade. Onze Koning stelt zijn zoo luide en vast verzekerde getrouwheid spoedig op de proef, door aan dozen pas bekeerde mede te deelon, dat bij zóó arm een moester was, dat do dieren des voids en de „vogelen de* hemelsquot; ten opzichte van woning of verblijfplaats er beter aan toe waren dan Hij. Indien nu liet Hoofd, de Leider, in zoo benarde omstandigheden verkeerde, dan was er weinig goeds te wachten voor den volgeling. Itoe groot was de vernedering van onzen Heere cn Koning! Hij had geen paleis, geen zijden troonhemel. Hij, dio ons Hoofd is, had niets, waar Hij hot hoofd zou nederleggen.

Hooft deze schriftgeleerde zijn\' naam doen opschrijven onder die der arme discipelen van een\' armen, dakloozen Lecr-aar? Wij weten hot niet. Maar lioo staat het te dien opzichte met onsP Kunnen wij eene zaak omhelzen, die in de wereld gcono kans van slagen heeft P Kunnen wij eene leer verkondigen, die door de groote menigte gesmaad en veracht wordt?

21. V\'jt een ander iiil zijne (liscipdcit zeide tot hem: Heere, laat mij toe, dat ik rci\'st heenya, en mijn\'\' vader hegrace!

De eerste, die zich aanmeldde, liep te snel, do tweede te langzaam. Deze persoon was een discipel: Jezus droeg hom eene zending op, maar hij was niet gereed om te vertrekken. Er is iets anders, dat hij eerst moot doen. Dat iets had betrekking op oen\'bloed-verwant, die gestorven was. Het was eene ernstige fout om het graf vóór don Zaligmaker te stellen. Zijn vader zou gewis wel door eoir ander lid van zijne familie begraven kunnen worden; maar geen ander kon gehoorzamen aan het gebod van Christus, dat deze discipel van Hein luid ontvangen. Als do Heere ons tot oen\' bijzondoren en persoonlijken dienst bestemt, dan mogen wij werk, dat ook door andoren verricht kan worden, laten. Hot moet wezen: Eerst Christus, en daarna vader. Levende geboden moeten den voorrang hebben boven plichten jegens dedooden. Krijgsknechten kunnen zich van wege huiselijke plichten of aanspraken van bloedverwanten niet voor verontschuldigd laten houden, om mode ten oorlog te trokken.

22. Doch Jezus zeide tot hem : Volg mij, en laat de dooden hunne dooden hegraven.

Onze Heere herhaalde zijn gebod: „ Volg mij.quot; Anderen kunnen de dooden hegraven, den discipel betaamt het om zijne orders op te volgen. Menschcn, die niet zijn wedergeboren, zijn dood, cn zij zijn volkomen in staat om het doode werk te doen van begrafenis plechtigheden bij te wonen. Zoor vod van hotgcon behoort tot politieke aangelegenheden, partijzaken, vergaderingen over maatschappelijke hervormingen, onschuldige vermaken, en wat dies meer zij, kan gevoegelijk aangeduid worden als een begraven der dooden. Zeer veel hiervan is noodig, betamelijk, ja zelfs loffelijk; maar toch behoort dit alles tot die zaken, die even goed door onwedergoborenen verricht kunnen worden als door discipelen van Jezus. Laten zij het doen; maar als wij geroepen worden om het evangelie te prediken, zoo laten wij ons


-ocr page 86-

ONZK KONING IIEERSCIIBNDE OVER UK ZEE. | Iloofdst. VIII.

7U

geheel en al aan onze heilige roeping wijden. Laat hij, die tot hoogeren arbeid is geroepen, zieh niet inlaten met hetgeen werekllingen even goed kunnen 1

HOOFDSTU [Onze Honing; heers

2Ii. iïn als hij in het schil) yegaan nvs, zijn hem zijne discipelen (jevolgd.

Zij deden verstandig met Hem te volgen; en dit was tevens voor hen de veilige weg; maar toch waren zij daarom niet gevrijwaard tegen beproeving. In het schip met Jezus is ecne gelukkige plaats, maar zelfs a\'s wij ons daar bevinden, kunnen stormen ontstaan.

24. Kn ziet, er ontstond eene groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het sehij) van de galeen bedekt irerd; doch hij sliep.

Dit binnenlandsche meer was blootgesteld aan plotselinge windvlagen en stormen, wanneer de wind zóó onstuimig werd, dat do booten volkomen uit het water werden opgelicht. Dit was een buitengewoon zware storm; het scheepje scheen verloren, de vleugel van den storm bedekte het. Do vertroosting hierbij was, dat Christus zich in liet schip bevond, en dat zijne tegenwoordigheid liet evenzeer bedekte als de golven. Maar toch zal de tegenwoordigheid onzes Hoeren niet beletten, dat wij door „eene groote onstuimigheidquot; in de zee heen en weer worden geslingerd.

25. Kn zijne discipelen, hij hem komende, hebben hem opgeirekt, zeggende: Ifeere, behoed ons, wij vergaan!

doen als hij. „ Vüly mijquot; is een bevel, dat al onze gaven en krachten voreiseht om het nit te voeren ; maar door genade zullen wij gehoorzamen.

v VIII. 23—27.

ïhende over de zee.]

Hij was niet ontroerd of verbijsterd: zijn vertrouwen op zijn\' groeten Vader was zóó vast, dat Hij gewiegd op de baren, vreedzaam sluimerde. De storm loeide, en do golven sloegen over Hem henen, maar Hij bleef slapen. Zijne discipelen veroorzaakten Hem meer onrust dan de storm. Zij hebben „hem opgewektquot; mot hunne kreten. Zij waren wantrouwend, gereed om Hem zijne onverschilligheid te verwijten. Het kleingeloof bad: „ Behoed onsquot;-, de groote vreeze riep: „TF;} rergaun.quot; Menschen, die zich te midden van een\' storm bevinden, kunnen hunne woorden niet wikken en wegen; maar wèl loeren zij zoor ernstig en ijverig te zijn. De bede van deze discipelen is ook voor vele andoren gepast. Hier was eerbied voor Jezus — „Ileerequot;: eene verstandige bede — „behoed onsquot;, en een overstelpend argument — „tcij eergaan.quot;

21). En h ij zeide tot hen : I) \'aaroni 1) zijl gij rreesuchtig, gij kleingeloocijenY Toen stond hij ojj, en bestrafte de winde n en de zee; en er werd groote stilte.

Hij sprak eerst tot do menschen, want zij waren het moeieljjkst om mede te handelen: winden en zee konden daarna worden bestraft. 11 ij ondervraagt de discipelen. Helaas, zjj hadden Hem op onwaardige wijze ondervraagd! Er

1) Naar do Engolsclio overzetting.


-ocr page 87-

i IOENEN VOOR ZICH HENUN.

71

is in ons ongeloof goon vorstand, üp dit „waaromquot; kan niot worden geantwoord. Indien liet recht is, dat wij geloof\' hebben, dan moet het verkeerd wezen om vreesachtig te zijn. Uitéén oogpunt is klein geloof zeer kostelijk; maar uit een ander oogpunt is het onverschoonbaar. Waartoe „klein (jeloof in een\' grooten God? Jlot is goed, dat het (jdotif is, hot is slecht, dat het klein is.

Zie den lleero opstaan van zijne harde legerstede. Met koninklijke waardigheid verheft Hij zich. Eén woord doet kalmte ontstaan. Daar er groote onstuimigheid was, geeft]lij nu „groote stilte.quot; In do geheele zaak was niets klein behalve het geloof der discipelen. Toen onze Heere do winden bestrafte, heeft Hij op de beste wijze hun ongeloof bestraft. Iljj hoeft cone zeer gelukkige manier om ons te bestraffen door de grootte zijner goedertierenheid over ons.

Mijne ziol, gij weet, wat dio „groote stiltequot; is; zoo oefen dan voortaan een groot geloof in den grooten Vredema-kor. Dit geloof is u vooral dan noo-dig, als gij door een\' grooten storm wordt overvallen, en u in „groote onstuimigheidquot; bevindt.

27. I\'Jn de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn!

Het was recht, dat zij zich verwonderden, maar boter zou het geweest zijn, indien /.ij hadden aangebeden. Indien Christus een bloot mensch ware geweest, dan zou do verwondering over Hom alle verwondering zijn te boven gegaan. Hij was goddelijk, vandaar dat de geheele natuur zich boog voor zijn koninklijk woord. Dit is hot einde van do verwondering dos verstands, maar het begin van de aanbidding des harten. In dit! geval heeft onze glorierijke Koning voor oen oogenblik zijne heerlijkheid ontsluierd, en heeft Hij aan het onstuimigste der elementen gehoorzaamheid geboden. Hoe dikwijls hebben ook wij niet moeten uit-roepen: „Hoedanig een is deze!quot; Hoe majestueus heeft Hij ons niet door ontzettende stormen hoen geholpen! Hoe gemakkelijk hoeft Hij niet den storm in onze eigene ziel tot bedaren gebracht! Geloofd zij zijn naam! Nog altijd zjjn „de winden en de zee hem gehoorzaam.quot;


lit) O F I) S T U K VIII. 28—3-1. |l)c Konin»\' «irijft legioenen voor zich henen.]

28. Ka als hij orer aan de andere zijde was gekomen in het tand der Ger-gesénen, zijn hem twee, van den duivel bezetenen, ontmoet, komende uit de graven; die zeer wreed waren, al zoo dat niemand door dien weg koude voor-lijgaan.

Zijn zij uitgegaan om Hom tegen te staan? Heeft Satan, toen Christus aan land ging, bedoeld om Hem door dit dubbele legioen van duivelen terug te drijven? De graven waren Satans vesting; hij gebruikte den waanzin dezer zwaar beproefde menschen als zijne krijgswapenen. Alle andoren haddon zij verjaagd, zullen zij nu ook do nadering en den voortgang van den


-ocr page 88-

ON VOOR /ICII HENEN. | Hoofdst. VIII.

DH KONING DRUKT LKQIOE

Heere Jezus verhinderen? Zij waren „zeer wreedquot;: zullen zij ITem verschrikt op de vlucht doen gaan ?

2!). Kn ziet, zij riepen, zeyijende: Jezus, (jij /one Gods! tcat itehhen wij met n te doen? Zijt (jij hier gekomen, om ons te pijnigen vóór den tijd?

Dat is van oudsher het geroep: „Bemoei u met uwe eigene zaken! Bemoei u niet met ons doen! Laat ons met rust en ga elders henen!quot; De duivelen houden er niet van, dat men zich met hen bezig houdt. Maar, zoo de duivelen niets te doen hebben met Jezus, Jezus heeft wèl iets te doen met hen. Zijiio tegenwoordigheid is hun eene kwelling. Zjj weten, dat er een tijd komt, wanneer zij ten volle hunne hol zullen ontvangen; maar op dien tijd schijnt hun nu vooruit geloopen te zijn, nu do ITeere Jezus hunne eenzame schuilhoeken onder de graven overweldigt, liet waren do duivelen, dio hier spraken, en de lippen der menschen dwongen om alzoo togen hen zolven te pleiten. IIoo gelijkt dit niet op hen, dio vloeken, wier mond gebruikt wordt om een\' vloek in te roepon over hen zolven! Do duivelen erkenden Hem als den Zone Gods, want zelfs zij zijn niet zoo laag, om zijne Godheid te loochenen. Do demonen beleden, dat Hij niet onder hunne heerschappij stond: „ Wal hebben wij met u te doen?quot;1 Zjj drukten hun\' angst uit voor zijne alniachtigc kracht, en vreesden de pijniging, dio zij verdienden.

30, 31. En verre van hen was eene kudde reler zwijnen, weidende. Ivn de duivelen baden hem, zengende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen!

De Joden hadden het recht niet om kudden zwijnen te weiden, want voor hen waren zij onrein. De duivelen begonnen reeds te sidderen oor Jezus nog een woord had gesproken, „zejjende: Indien gij ons iiitu\'erpt.\'quot; Zij kunnen het niet verdragen om naar hunne eigene plaats to gaan, en daarom vragen zij om in do zwijnen te mogen varen. De duivelen willen liever in zwijnen zijn, dan in de tegenwoordigheid van Jezus. Indien zij geen kwaad kunnen doen aan monschen, dan willen zij nog liever zwijnen verderven, dan in het geheel geen kwaad te doen. Zonder toelating van Christus kunnen de duivelen echter zelfs geene zwijnen deren. Stel u deze demonen voor in hun\'hoogmoed Jezus smeekende. Hem smeekendo om zoo klein eene weldaad als in eene kudde zwijnen te mogen varen. Voorwaar! de Zone Gods is Koning! De jammerklachten van een legioen duivelen erkennen zijne opperheerschappij.

32. En hij zeide tut hen: Gaat heen. Fax zij uitgaande, roeren heen in de kudde zwijnen-, en ziet, de geheelc kudde zwijnen stortte van de steilte af In de zee, en zij stierven in het water.

Onze Heere verspilt nooit woorden aan duivelen: „Hij zeide tot hoi: Gaal heen.quot; Hoe minder wij zeggen tot slechte menschen, hoe beter. Eén woord is genoeg voor zulke honden als deze kwellende duivelen geweest zijn. De duivelen gingen spoedig uit do waanzinnigen, en voeren in de zwijnen. Voor een booze geest is van een\' krankzinnige naar een dier een korte weg. Do zwijnen verkiezen den dood boven den duivel, en indien de menschen niet erger waren dan de zwijnen, dan zouden zij wel van dezelfde meening wezen. Die door den duivel voortgedreven worden, loopen snel. De duivel drijft zijne zwijnen naar eene slechte markt. Zij, dio zonder na to donken een hellend


-ocr page 89-

Ifüofdst. Vlir.] DE KONINO DRIJFT LEOIOKNEN VOOR ZK\'II HENEN.

pad kiezen, zullen ton laatste in het verderf loopen. Do zwijnen „stierven in het waterquot;, maar do duivelen worden bewaard voor het oordeel des eeuwigen vuurs. Wij behoeven do machten der hel niette vreozen. Zij vluchten verward en verbijsterd voor den Heere henen.

33. En die ze weidden zijn gevluclit \\ cn als zij in de stad c/elcomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat den bezetenen geschied was.

Wel mochten de zwijnenhoeders vluchten! Als slechte menschen ten laatste omkomen, dan zal het hun\' boozen herders slecht vergaan.

Met hoe veel levendigheid verhaalden zjj hetgeen er geschied was! Geeno enkele bijzonderheid werd vergeten! „Zij boodschapten al deze dingen. A! de bijzonderheden ervan werden waarschijnlijk in een overdreven licht voorgesteld. Aldus wilden zij hun eigen verlies verontschuldigen van de zwijnen, die zij hadden moeten hoeden, maar voor hunne oogen zagen omkomen. Hunne meesters, do eigenaars der kudde, moeten grootcljjks hun verlies hebben betreurd, maar zij moeten tevens hebben gesidderd, als zij er do hand Gods iu zagen. Wolk een schrikkelijk ongeluk voor do zwijnenfokkers van Gadara! Wie, die weet, dat hun beroep onwettig was, zal hen beklagen H Do geschiedenis van do genezing der be-zetenen werd door deze verslaggevers als ecne zaak van ondergeschikt belang medegedeeld. Voor sommige menschen zijn zielen van minder belang dan zwijnen. Do genezing der twee bezetenen voegde iets toe aan hot wonder, en deed ieder oor in do stad klinken. Toch was do uitwerking er van op het volk niet wat men verwacht zou hebben.

34. Kn ziet, de rjeheele stad ging uit, Jezus te gemot\'t; en als zij hem \\ zagen, baden zij, dat hij uil hunne j landpalen trilde vertrelcken.

Een zeldzaam voorval — ecne goheele stad uitgaande om Jezus te ontmoeten, en die stad eenstemmig in hetgeen zij van Hem begeerden. Helaas! het was do eenstemmigheid des kwaads! Hier was eono geheelo stad vergaderd tot eene bijeenkomst dos gebeds, biddende tegen een\' zegen voor zich zei ven. Stel u voor, dat zij den Ileero in liim midden hebben, do zwaarste krankheden genezende, on Hom toch bidden om van hen weg te gaan! Zij wilden bevrijd wezen van den eenig Heerlijke, die alleen in staat was hen te zegenen. Hun gebod was afschuwelijk, maar het werd \'Verhoord, en Jezus vertrok uit hnnnelandpalen. Hij wil zich aan niemand opdringen. Hij wil een welkome Gast zijn, of Hij zal vertrekken. Welk eene genade is liet, dat do Heere niet allo do gebeden van deze soort verhoort! Hoe zou hot den vloekers vergaan, indien hunne vorwenschingen eens in vervulling kwamen r1

O Heere, ik dank IJ, dat Gij van mij niet zjjt weggegaan, toen ik in mijn on wedergeboren toestand gowcnscht heb, om door U maar met rust te worden gelaten!


-ocr page 90-

DES KUNIN(iS ÜHESTEMJKH MACHT TENTOONOESl\'REID. | ITool\'clst. IX.

74

IIO O F D S ï De Koning- g\'iuit voort met zijne

1. /•,\'« in het schip (jegtum zijnde, voer hij over, en kwam in zijne eigene .stad.

Meermalen is Hij liet moer van Galilea overgestoken; doch ditmaal lieeft Hij met meer droefheid dan toorn een volk achtergelaten, dat Hom liad gebeden te vertrekken, lljj had van Kapc\'rnaüm zjjne eigene stad gemaakt, van wege do voorrechten, waardoor lljj haar had verhoogd. Welk een naam ! „Zijne eigen;\' stat/quot;! Het was hare grootste eer, dat Hij hare haven binnen kwam, Hij, die do Groot-Admiraal was van allo zeeën. Toch hoeft dio bevoorrechte stad Hem verworpen, en haren dag niet gekend. Mocht niemand onzer, aldus bevoorrecht zijnde, ook aldus zijne onwaardigheid or van doen blijken.

2. Kn z iet, zij brachten tot hem een\'\' geraakte, op een bed liggende. En Jezus h an (/etoof ziende, zeide tot den geraedde: /(ion! trees icetgemoed, mee zonden zijn ii vergeven.

Hier openbaart onze Koning zijne macht over zwakheid. Do man is treurig cn geheel verlamd; het gewicht der zonde drukt op zijne conscieiitie, en zijn lichaam is in bandon. Maar hij heeft goede vrienden, en vier hunner dragen hem naar hot dak van hot huis, waarin onze lloere predikte, en laten hem op zijn bod met touwen neder. Zij hebben geloof in Jezus, en dat heeft hjj ook, en do Heore beantwoordt Inni geloof met een bemoedigend woord, waarin Hij hem „zoon\'\'\'\' noemde. Hoe liefelijk oen woord voor een\' jongen man, en voor eeneu, die zoo zwak was!

J K I X. 1—8.

Koimiklijke macht te oitenbaren.

De benauwdheid zijner ziel was het zwaarst om te dragen, en onze Heere heeft haar mot oen onkel woord weggenomen. Wellicht stond de zonde diens jongelings in eenig verband mot zjjne verlamming, vandaar zijne dubbele benauwdheid. Niemand dan Jezus kon do zonde vergeven, en met een koninklijk woord geeft lljj dio volstrekte kwijtschelding. Deze gaf Hjj eerst, omdat do geraakte daarnaar het meest verlangde, omdat het de grootste gave was, omdat het kwaad, dat er door weggenomen werd, aan den wortel ligt van allo ander kwaad, en omdat Hjj aldus zijne majesteit ontsluierde, en de golegenhoid had om tegenstanders te onderwijzen. Hoe helderde het gelaat des jongelings op, als hij den troost gevoelde van deze afdoende vergeving! Nog kan hij niot loopen, maar toch gevoelde hij zich gelukkiger dan eeno tong vermag uit te spreken. „Uwe zonden zijn n vergerenquot; is een klank, die nooit faalt om zelfs in hot versla-genste hart goeden moed te brengen.

3. Kn ziet, sommigen der schriftgeleerden leiden in zich zehen : Deze lantert God.

Zij waren bevreesd om luide te sproken, zij „zeiden in zich zeiven.quot; Ieder dezer wet-schrijvers gevoelde bitterheid in het hart tegen den Heere Jezus, cm door hunne blikken spanden zij samen om Hem te beschuldigen. Zij duidden Hem aan als „Deze.quot; Zij wisten niot hoe zij Hem, zelfs in hun hart,zouden noemen. Zjj wildon zeggen: Deze opkomeling, deze geringe, nietige onbekende, dit vreemde wezen, deze mensch.


-ocr page 91-

Iloofdst. IX.I 1)1« KONINGS OEESTIOLUKE MACHT TMNTOONOKSI\'HUil).

Mii

die zoo groot is, dat wij bevreesd voor liem zijn, en zoo goed, dat wij hem haten. Zij pleegden ton zijnen opziclite heiligschennis, door luinne moedwillige, zondige onwetendheid, en tocli durfden deze Godslasteraars don Heere van Godslastering beschuldigen. In de veronderstelling echter dat onze lleere een bloot mensch was, hadden zij goljjk-Vergeving van zonde is hot uitsluitend kroonrecht Gods: wie durft het zich aan te matigen?

Ik weet, dat niemand dan God do zonde kan vergeven; en toch heeft Jezus mjjne zonde vergeven, en dit doende hoeft lljj God niet gelasterd, omdat Hij in waarheid en werkelijkheid God is.

4. En Jezus, ziende hunne (jedach-ten, zeide: I Vaarom overdenkt gij kwaad in uwe harien?

Hjj is de groote Gedachten-Lozer. Eon oogonblik to voren vinden wij do uitdrukking: „hun geloof ziendequot;, on nu lezen w\\]: „ziendehnimegedachten.quot; Hij richt vragen tot deze vragers. Zjjne waaroin\'* en waartoé\'s raken den wortel dor zaak. Wij zijn verantwoordelijk voor onze verborgene gedachten, en de lleere zal er ons eens rekenschap van vragen. Beschuldigingen tegen Jezus zijn altijd onredelijk, en als men ze van nabij beziet, worden zij spoedig tot zwijgen gebracht, liet zou goed wezen, als velen vau onzes Heeren vijanden heden er toe gebracht wierden, om die vraag te overwegen: „ Waarom overdenkt gij kiraad in nice harten?\'\'\'\' Wat is er de oorzaak van ? Waar is het goed voor? Waarom laat gij er niet van afp

5. Want wat in Helder, te zeggen: De zonden zijn v vergeren? of te zeggen : Stei op, en wandet ?

Hij beantwoordt hunne booze gedachte door eene vraag, waarop zij niet konden antwoorden. Gewis: beide deze zaken zijn gelijkelijk boven de macht des menschen. Maar te zeggen: „lrwe zonden zijn ii rergerenquot; is naar allen oogensohijn gemakkelijker, omdat daar geen onmiddohjk zichtbaar gevolg van wordt verwacht, waaraan de waarheid der woorden kan worden getoetst. lUü-zenden iiobbou voorgewend den mensch kwijtschelding van zonden te verleenen, die liet niet zouden hebben durven wagen, om iemands krankheid te gebieden weg te vliegen, liet verschil in hot blooto zeggen is geheel en al in liet voordeel van hot eerste. Als wjj de twee wonderen vergelijken, dan zou liet lang duren eer men liet antwoord kon geven op de vraag, wat gemakkelijker is, want beide deze zaken zijn den mcnsch onmogelijk. In sommige opzichten is hot vergeven der zonde hot grootste, machtigste werk van die beide, want daarvoor wordt do ganschc toestel vereischt der menschwording en der verzoening. Onze lleere heeft beide wonderen gewrocht, en aldus zjjne aanspraak op macht gestaafd door een zichtbaar toeken, dat door niemand in twijfel kon getrokken worden.

Hij, die vergeving kan schenken aan niijno ziel, kan mijn lichaam hooien, want dat zou van deze twee daden der genade hot gemakkelijkst schijnen, ik mag beide vormen van krankheid tot Jezus brengen, en Hij zal ze behandelen en genezen, lleere, genees mijne ziel, en heel mijn vleescli! Ja, Gij zult dit doen, en wel op volkomen afdoende wijze, door mijn lichaam, onverderfelijk als het uwe, uit het graf te doen verrijzen.

6. Doch opdat gij moogt weten, did de Zoon des mensehen macht heeft lt;)jt de aarde de zonden te vergeren {tooi. zeide hij tot den geraakte): Sl(( op.

ii\'Sf tfil

\'■i. r\'if

\'l; M

i h

t I

it r

4

iii

i.iiii |: l!


!j|j

n

-ocr page 92-

DlilS KONINGS ClKHSTEIiIJ KK M.VCHT TENTOO.NOESI\'IJMID. | lloofllst. IX.

7(1

neem uw bed op, en ija henen naai\' uw huis.

Hot tweede deel van liet wonder gescliioddo om deze bedilzieke schriftgeleerden tot zwijgen te brengen. „Opdat (/ij moopt rceten.quot; Zijn zij ooit tot die kennis gekomen? De zaak werd hun duidelijk gemaakt; maar zij wilden haar niet zien. Jezus, „de Zoon des menschenquot;, was nog „op de aardequot;, maar in zijn\' nederigen staat had Hij hot gezag en do macht om zonden togen God te vergeven, omdat Hij zelf\' Cod was. Hij wilde bewijzen, dat Hij ,, niaclil had op de aardequot; door den geraakte te genezen. Door dio macht uit te oefenen, die zij de grootste waanden, wilde Hij bewijzen, dat Hij ook do mindere bezat. Dij beveelt den man oj) te staan. En daarna zegt Dij: „Neem me bed opquot;, of rol uwe mat op, neem haar op uwen schouder en „u-andelquot; of ga henen. Aldus zou dc gehoorzame patient door hot vrije gebruik zijner ledematen zelf bewijzen, dut hij volkomen hersteld was. Dit was eon groot woord, maar hij, die reeds vergeving van do lippen unzos Deeren had ontvangen, vond het niet mooieljjk om het te golooven, en hij zag zijn geloof gerechtvaardigd. Als do zonde is vergeven, dan is niets onmogelijk. En indien Jezus de macht had om op aarde de zonde te vergeven, dan moet hier gewis uit volgen, dat Hij over-vloedigljjk kan vergeven, nu wij Hem als den Zone Gods op den troon zien in den hemel.

7. I\'.n hij opgestaan zijnde, (jing heen naar zijn huls.

Zijne leden hadden kracht verkregen, en wat Jezus hom gebood te doen, deed hij terstond. Het geloof greep des Heilands gebod aan, en gehoorzaamde. Er was geen aarzelen of uitstellen, geen afwijken van do ontvangen orders, geen falen in de uitvoering er van. Het moet hard hebben geschenen om iemand te verlaten, aan wien hij zooveel verschuldigd was, en zich terstond naar de afzondering te begeven van zijn huis; maar hij deed wat hem was bevolen, en hierin is hij een voorbeeld voor ons allen. Dij begaf zich niet met hem, die heil zoekt in do sacramenten, naar don tempel; en evenmin ging hij mot den wereldling naar den schouwburg, hij ging naar zijn huis Zijne verlamming had zijn huis treurig gemaakt, en nu zóu zijne genezing zijn huisgezin verblijden. Des menschen herstelling door genade wordt het bost gezien in zijn eigen huis. Deere, laat het gezien worden in liet mijne. Iletzjj ik mijn bed draag, of mijn bed mij draagt, mocht ik alles doen ter uwer eer en verheerlijking!

8. De seharen nn dat ziende, hebben zich verwonderd en God verheerlijkt, die zoodanige macht den menschen (jetje ven had.

liet werd openlijk gezien door „de scharen.quot; Iedereen hoorde van hot wonder, en er werd overal in de stad van gesproken. Dot was blijkbaar geen zinsbedrog; do ongeneeslijk verlamde was gewissehjk genezen, want hjj had zijne matras gedragen en was naar huis gegaan. Det gewone volk had geene vittende aanmerkingen; maar zij verwonderden zich, en toon beefden zij, en werden vervuld van ontzag en daarna ook uitgedreven om God te aanbidden. Dat was nu in zoo verre heel goed; maar het ging niet ver genoog en duurde niet lang genoeg. Do menschen kun-uon zien, zich verwonderen, en zelfs in hunne woorden God verheerlijken, on toch zijn\' Zoon niet aannemen als hun\' Deere. De scharen hadden genoeg


-ocr page 93-

IToofdst. IX. I

77

gezond verstand om de oer van zulk oen work aan God te geven, en getroffen te zjjn van verbazing, dat Iljj „zoodaniye macht don mcnschcn (jcgevcn had.quot; Bljjkbaar beschouwden zij Jezus als een\' monsch, aan wien God bijzondere gaven had geschonken, een\' profeet, die wondermacht had ontvangen en haar gebruikte ten behoeve der menschen. Zjj gingen zoo ver als zij wisten te gaan. Wij zouden wol won-schon hetzelfde te kunnen zeggen van velen, die in onze dagen weigeren den liocre de goddoljjko eero te geven, waarop Hij aanspraak maakt, en die Hom ook ovorvloodigljjk toekomt. Indien „do Zoon dos menschenquot; al deze macht had, hoo kunnen wij hom dan als „don Zone Godsquot; beperken ? Laat ons van dit verbaal niet scheiden, eer wij God verheerlijkt hebben voor do velerlei wijzen, waarop Hij kracht hooft gegeven aan hen, die goono sterkte hebben; uit do verlamming dor zonde geloovigen verwekt en hen tot oen\' zegen stolt voor andoren.


H OOFDSTU K I X. 9- 13. [De genade des koninkrijks ]

9. I\'hi Jezus ran daarvoorfc/aande, zaa een\'\' niensch in het tolhui* zitten, cjenaamd Matthéüs, en zeide tot hem: Votfj mij! I\'hi hij opstaande, volgde hem.

Aldus spreekt onze evangelist van zich zolven, als „een man, genaamd Matthéiis.quot; Hjj zegt, dat do Hoero hein „zagquot;. Wolk een zien wordt hier bedoeld! Lezer, moge do Hoero nzien, wat uw naam ook moge wezen! Was Matthéiis in oenig opzicht gelijk aan den man, die geraakt was? Vermeldt hij hier zijne bekooring om op eene parallel, d. i. iets gelijksoortigs, te wijzen? Zjjn vroegere naam was Levi: was Matthéiis zjjn nieuwe naam, of was liet de naam, dien h|j had aangenomen, toen hjj zich tot een\' tollenaar had verlaagd? Iloo dit zij; het is oen schoone naam, en betoekent „gegevenquot;: hjj was een gave van Jehovali. Voor ons is hij een ware Theodorus, of Gods gave, door dat hjj do schrijver is van dit evangelie. Hjj was een ambtenaar dos Koninkrijks, on daarom des to meer geschikt om dit „evangelie dos Koninkrijksquot; te schrijven. In dien tijd hield hjj zich veel bezig met nemen, maar hjj word geroepen tot oen werk, dat in zjjn aard en wezen een geven is. Hjj was gozeten in ééno plaats, in „het tolhuis,1\' maar van nu voortaan zal hij mot don Hoero liet land doorgaan, goeddoende. Twee woorden volstonden om zijne bekoering te werken en hom gehoorzaam te maken : „Volg mijquot;. Hot zjjn woorden, die vol zijn van eene grooto, rjjke botoekonis. Evenals de geraakte, dood hij precies wat hom gezegd was; „Ilij stond o/i en rolgde hem.quot; Matthéiis beschrijft zijne eigeno handolwjjzoen wordt hierbij geleid door zijne eigene persoonlijke ervaring, maar hjj gebruikt daarbij geen onkel overtollig woord. 11 jj handelde met grooto beslistheid en vaardigheid. Ongetwijfeld hooft hjj zjjne boeken en rekeningen in orde gebracht; of hjj had wellicht juist zijne rekening en verantwoording ingezonden; on zoo kon hij onmiddoljjk heengaan, zonder verwarring in hot tolhuis te veroorzaken. Hoe dit zjj, te dier plaatse en


-ocr page 94-

mo (1KNADK llioa KON\'INKKI.IKS.

[rioofflst. TX.

7S

to eigenerstoiuleheeftliij Jezus gevolgd, y.ooals een schaap zijn\' herder volgt.

Iloore, laat mijne gehoorzaamheid ji^gens U zijn, wat do echo is voor do stom.

10 12. lui het (lotchlcdde, al* hij iii\' het huis van Mdf/hriis amizul, ziet, vele tollcinairfi en zonilmirs kivdinen, en zalen mede mil, met Jezus en zijne (iiseiprlen. Kn de farizeën, duf ziende, zeiden tot zijne diselpelen: Waarom eet mv Meester met de tollenaren en zondaren? Maar Jezus, zulks hoorende, zeide tot hen: Die ijezond zijn, hebben (hu medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn !

In hot huis van Matthéiis heeft de Ifeore aangezeten. Do nieuw bekeerde hoeft gansch natuurljjk zijne oude vriondon bij zioh genoodigd, opdat zij mode hun voordeel zouden kunnen doen met het onderwijs des liccren. Nu waren zjj eerder bereid om voor een\' maaltijd te komen, dan voor oene preek, en zoo hooft hij hun dan een\' maaltijd bereid, en lokto hen honen naar de plaats waar Jezus was. Wij mogen alle wettige middelen gebruiken, om andoren onder hot geklank des Woords te brengen. Daar verzamelden zich nu degenen, die tot het uitschot der maatschappij behoorden. „Zondaren,quot; door hun beroep, zoowel als door hun\' aard of karakter, gingen naar het huis van den tollenaar en waagden het, om „met Jezus en zijne discipelen aan te iitt(ri\\ alsof zjj leden waren gefeest van zijn gezelschap. Zeer waarschijnlijk zijn zij Matthéus\' vrienden en metgezellen geweest, en nu was het zijn wensch, dat zij zijne broeders in Christus zouden worden.

Onze iroere heeft de gastvrijheid van Matthéiis bereidwillig aangenomen; want II ij begeerde wM te doen aan hen, die het meest behoofto hadden aan ophefKng. lljj veroorloofde aan menschon, die alles behalve ter goeder naam en faam bekend stonden, om „met Urm en zijne dhr ij iel en aan te zitten.quot; Hier was nu eeno schoone gelegenheid voor de smalende farizeën. Zij gaven bedekteljjk, maar niet onduidelijk, te kennen, dat Jezus wel een heel min persoon moest wezen, daar lljj zulk gespuis rondom zich verzamelde, en hun zelfs vergunde om met Hem aan tafel te zitten, \'/ij gaven wel acht op hen, die zjj tot hunne gezellen kozen, als zjj door iemand gezien werden, want zjj dachten, dat hunne hooge heiligheid schade zou lijden, als zij don zondaren toestonden om met hen aan te zitten; en nu hebben zjj dan oen\' steen vlak bjj de hand om op Jezus te werpen, terwijl Hij met de tollenaren en zondaren eet.

De farizeën waren lafhartig genoeg om mot hunne vitterijen liever tnj de discipelen aan te komen, dan bjj den Meester zeiven; maar de Leider stolde zich vooraan en deed de tegenstanders weldra beschaamd afdeinzen. Zijne be-wjjsvooring was overstelpend en zjjne rechtvaardiging volkomen. Waar moet zich oen geneesheer bevinden? Waar anders dan onder do kranken ? Wie moeten er tot het huis eons doctors komen? Zjj n het niet de zieken ? Aldus was onze Ileere moer dan gerechtvaardigd, dat lljj hot middenpunt is, rondom hetwelk de zedelijk kranken zich vergaderen om geestelijk gezond gemaakt te worden.

Deere geef, dat, indien ik ooit in het gezelschap dor zondaren word gevonden, het moge wezen mot hot doel van hen te genezen, en dat ik zelf nooit door huuno krankheid worde besmet.

13. Doch yaid heen, en leert, wat het zij: Ik ivit barmhartigheid, en niet


-ocr page 95-

I)K IW.I.IDSCirAl\' DKS K0N1NKKI.IKS.

Iloofdst. IX. I

Ti)

offerande; want ik hen niet (jekomen om te roepen reehtraardlr/cn, man r zondaars lot hekeerincj.

Nadat do lloorc zicli aldus glorierijk verdedigd had tegen debesclmldigingen der trotsclie farizeën, brengt lljj nu den krijg in des vjjands eigen grondgebied over. lljj zegt rot lien: „(iaat heen, en hertquot;; en dit reeds ia zeer stuitend voor menschen, die dachten, dat zij alles wisten. Zij moesten nog de beteekenis loeren van eene schriftuurplaats in Tfoséa, Iloofdst. VI : (i; en dit zou hun loeren, dat barmhartigheid te betooncn aan zondaren een werk is, Godo moer wolbehagelijk dan het brengen van kostbare offers of do verrichting van godsdienstplechtigheden. Zij zouden loeren, dat llij voel liever zelf barmliartighoid wil betoonen, en dat wij barmhartig zullen zijn jegens anderen, dan hunne stiptste uitwendige waarneming van don godsdienst aan to nemen.

De Ifoero Jezus zeido hun ook oen zeer duidoljjk woord ton opzichte van hot dool zijner komst onder do menschen. llij is niet gekomen om gediend te worden door de braven, maar om de boozen to behouden, Hjj is gekomen om hen tot bekeering te roepen, dio bekoering van noode hebben, on niet rechtvaardigen, dio geone verbetering behoeven, hullen de zoodanigtn dan ook mochten bestaan. Dit was eeno zoor rechtvaardige satire op den trot-schon eigenwaan der farizeën; maar ter zolfder tijd was hot, en is hot, on zal het altijd blijven, eene groote vertroosting voor hen, dio hunne schuld erkennen. Onze Zaligmaker Koning is gekomen om wezenlijke zondaren zalig te maken. Hij heeft niet van doen mot onze verdienste, maar wel met onze zonden. Hot zou niet noodig zijn, ons zalig te maken, indien wij niet verloren waren. De Zone Gods doet geen onnoodig werk; maar lljj is gekomen om bekeering to brengen aan hen, dio haar behoeven.

iroero, ik bon iemand, die uwe roepstem noodig heb, want gewis, indien er iemand is, die bekoering behoeft, dan ben ik het. Roep mij mot uwe krachtige, afdoende roeping. „Bekeer mij tot ü, zoo zal ik bekoord zijn.quot;


HOOFDSTUK IX. 11—17. [De blijdschai) des koninklijks.]

14. Toen kimmen de discipelen van Johannes tot hem, zeggende: Waarom vasten wij en de farizeën veel, en uwe discipelen vasten niet?

Evenals hun leider, waren de discipelen ran Johannes asceten ; en daarom hebben zij, gelijk do farizeën, veelvuldig gevast. Het was hun eene ergernis, dat de discipelen van -lozus wol ge/.ien worden op feesten, maar dat men hen niet zag vasten. Zij hebben daarover niet in sti\'.to gemurmureerd, zooals de farizeën, zij gingen rechtstreeks tot Jezus om de zaak te bespreken. Zij kwamen tot hem. Als eerlijke vrienden, die zich gegriefd voelden, kwamen zij naar het hoofdkwartier en legden den Heere zeiven hunne vraag voor. Dit open en rond


-ocr page 96-

DE BLIJDSCHAP DES KONINKIUJKS.

1 riooWst. IX.

so

uitkomen voor huu bezwaar voorkwam, dat cr later gescliilleii over zouden ontstaan, en daarom was dit verstandig van hen geliandeld. Als godvrncli-tige menschen in gevoelen met elkander verschillen, ilan is het goed om met de zaak tot don Ileere zei ven te gaan. Samen overeen te komen, om van elkander in gevoelen to mogen verschillen, kan wel zeer goed zijn, maar nog veel heter is hot, om door verklaring of opheldering het geschil uit den weg te ruimen.

15. I\'hi Jezus zcide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, mdanj de bruidegom \'hij hen is? Maar de dagen sullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.

Onze IFcere antwoordt hier op hot tweede doel hunner vraag; op hot eerste dool moeten zij zelvon antwoorden. Zij wisten, of zij behoorden to hebben geweten, waarom zij en do farizeën vastten. Waarom zijne discipelen niet vasten, dat zal Hij hun opholdoren. Hij is „do Bruidegom,quot; die gekomen is om zjjne bruid voor zich to winnen; zij, die Hom volgden, waren de gasten, do bruiloftskinderen, die Hem vergezelden en dienden; hun dool was het om zich te verblijden, zoolang de Hruidogom zich aan het hoofd van hun gezelschap bevindt, want droefheid past bij geen bruiloftsfeest. Onze IIcore is die Bruidegom, van wien Salomo zong in zijn Hooglied, en wij, die gemeenschap met Hem oefenon, zijn óón mot Hem in zijne blijdschap. Waarom zouden wij vasten, zoolang Hij nabij is? Kunnen wij toelaten, dat kleine, nietige zaken onze grooto vreugde bedorven? Is het bestaanbaar met gezond verstand; komt hot overeen mot onzen eerbied voor den Heere, dat wij treuren zoolang de Bruidegom bij ons is?

Maar Jezus zal hen moeten verlaten. Hij zelf zegt: „De Bruidegom zal van hen weggenomen zijnquot; Voor het eerst spreekt hij hier van zijn\' dood. Hebben zijne discipelen gelet op dit woord van waarschuwing? Ais hun Welbeminde van hen weg zal zijn, dan zal er genoeg gelegenheid zijn tot vasten. Hoe waar was dit! Nadat Hij van bon weggenomen was, kwam droefheid op droefheid over hen. Evonzoo is het met ons. Onze llcore is onze blijdschap, zijne tegenwoordigheid is ons een feestmaal, zijne afwezigheid oen zwaar en bitter vasten. Allo ritueel vasten is het omhulsel, hot werkelijke vasten wordt alleen gekend door de bruiloftskinderen, als hun Hoore niet meer bij hen is. Dat is wezenlijk vasten, gelijk aan sommigen van ons wol bekend is.

Er is goono bruiloft zonder een Bruidegom, geen zielsgonot zondei1 Jezus. In zijne tegenwoordigheid is volheid van vreugde, in zjjQO afwezigheid diepte van ellende. Laat het hart slechts rusten in zijne liefde, en hot begeert niets meer. Noem do bowust-hcid zijner liefde weg uit de ziel, cn zij is ledig, in duisternis, don dood nnbij.

10. Ook zet niemand een lap nnge-rold laken o/i een oud kleed: ivxnt deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt eene ergere selware.

Jezus is niet gekomen om Israels versleten kleed to verstollen, maar om nieuwe kleodoren tc brengen. En al zou zelfs een bloot verstollen bedoeld zijn geweest, dan zou dit toch nog niet kunnen geschied zijn door hot navolgen, het kopiooron van oude gebruiken door de discipelen. Nieuw ongevold


-ocr page 97-

DE DLI.TnSCIIAr DES KONINKRIJKS.

TToofdst. TX.

81

laken is iiiet geschikt om als lap ge-bniikt te worden om een oud kleed te verstollen, dat door het vele wasschen volkomen gevold of „gekrompenquot;\' is. Zjjne discipelen moeten zich gelijk blijven in hnnne handelingen, en geen ontjjdig vasten samen laten gaan mot de blijdschap,die zij smaakten in zijn gezelschap. Zij waren niet do soort van mon-sclien om don ouden eoredionst van hot Judaïsme te herstellen, die thans verouderd, versleten was. Zjj waren nieitive menschen, ongevold door den geest dor overlevering, en hen op te sluiten in hot enge kleed van een\'rituoelon godsdienst, zou geone óouhoid bevorderen, wol hot tegendeel. Ware, ochte ge-loovigon moeten niet trachten in gemeenscha]) te loven mot hen, dio aan uiterlijke ceremoniën blijven hangen ; zij zouden spoedig bevinden, dat zij onder dezen niet op hunne plaats zijn. Jezus is niet gekomen om onze oude, uitwendige godsdienstigheid op te lappon, maar om oen nieuw kleed der gerechtigheid voor ons te maken. Alle pogingen om het evangelie met de wet der werken te doen samengaan, zullen do scheur tusschen die beiden slechts nog grooter maken. Wij kunnen hior gerust bijvoegen, dat het rookelooze streven, om do verschillende kerken to voreenigon, door al hunne dwalingen te besluiten binnen de grenzen van vermeende waarheid, de tegenwoordige betreurenswaardige verdeeldheid slechts zal vormeerdoren, on do wezenlijke éénheid grootelijks zal vertragen.

17. Xoeh dort men nieuiren irijn In onde lederzakken; anders zoo herzien de lederzakken, en de wijn wordt vif-(jestort, en de lederzakken verderven; maar wen doet niemren wijn in nienire lederzakken., en heide te zamen worden helt oud en.

Zijne leer en zijn geest konden niet samengaan met do farizoeache orde van zaken. In zijn\' ontaarden, verbasterden toestand was het Judaïsme oen oude lederzak, die deszelfs dag gehad hooft, en onze Ileero wildeden nieuwen wijn van het koninkrijk der hoinelen or niet in uitstorten. De discipelen van Johannes trachtten te wedijveren met de farizeën, en wilden gemeene zaak met hen maken om do oude kerk in stand to houden. Jezus wilde met dat plan niets van doen hebben: lljj wilde voor zjjne nieuwe loer en zijn\'nieuwen geest eene nieuwe kerk hebben. Er moest geene door-oenmenging wezen: het Christendom moest geen uitvloeisel zijn van het rabbinisme. Er moest scheiding wezen tusschen Jezus en de schriftgeleerden met hun stolsel van denken; want Hij, die gekomen was, had besloten om alle dingen nieuw te maken. Zeer dikwijls worden schikkingen voorgesteld, en er zijn goede lieden, die evenals de discipelen van Johannes, wenschon, dat wij , hetgeen zij goed achten in het bestaande, zullen aannemen ; maar voor ons is hot beter om ons gelijk te blijven en de voro, van nieuws, te beginnen, liet oude laken zal altjjd afscheuren, en wel des te erger naarmate ouzo stukkon nieuw zijn. Laat ons daarom het oude kleed overlaten aan hen, die aan het oude de voorkeur geven boven de waarheid.

De dooreenmonging van bruiloftsmaaltijden en het vasten bij begrafenissen, het zetten van nieuwe lappen van ongevold laken op een oud kleed, en hot doen van nieuwen wijn in oude lederzakken, zijn beelden van die vermengingen en schikkingen, die naaiden aard der dingen nooit tot eonig goed en blijvend resultaat kunnen leidon. Indien wij don juichenden Bruidegom volgen, laat ons dan niet trachten met de vastende farizeën te blijven, of mot


0

-ocr page 98-

iR KiiA-NKHHii) i:x noon. [Ifoofdst. IX.

82 DES KONINGS UEHIiSCIIAPPU OVK

hen, die in uiterlijke pleolitiglioden en in de werken dor wet heil zoeken. Laten ook do „wetenselmppoijjke twijfelaarsquot; huns weegs gaan, want liet geloof is niet naar hun\' smaak. Hot geloof ireety en kan dus nooit agnostic zijn, dat is: liet kan niet beweren, dat de inensoh niets weten kan, van niets

II O O F D S ï U [Des Koniii^\'s liccrscbiippij

18, 19. Als hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam, en aanbad hem, zengende: Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom, en leg mee hand op haar, en zij zal leven. En Jezus, opgestaan zijnde, volgde hein, en zijne discipelen.

Onze Heere had beter werk te doen dan te redeneeren over spijs en drank, feestvieringen en vasten: aan hot redetwisten hierover hoeft Hij zich spoedig onttrokken. Er woedde oen strijd tusschen hot leven en don dood, en in dien strijd was zijne tegenwoordigheid noodzakelijk.

Droefheid en smart dringen zelfs de huizen van de voortrotfelijken der aarde binnen. Een overste dor synagoge, die in den Heere Jezus geloofde, had eeno dochter, die door eene zoo hevige krankheid is aangegrepen, dat zij aan den rand des grafs is gebracht, en naar allo vvaarschijnlijkhoid op dat oogenblik werkelijk is gestorven. Maar haar vader heeft oen groot geloof. Ook al is zij gestorven, zal Jezus haar door eene aanraking in het loven kunnen terugroepen. O dat IIij slechts wilde komen! Hij aanbidt don Heere en pleit bij Hem: „Kom en leg uwe hand op haar.

zekerheid hoeft. Laat ons afgedaan hebben mot de twijfeling en mot hen, die ons doen vasten, en laat ons hoogtijd houden terwjjl do Bruidegom door zijn Geest nog bij ons is. „AVij willen niets en niemand volgen dan Jezus Christus, don Gekruiste.quot;

K IX. 18—26.

over kiunkheid en dood.]

en zij zal leven.quot; Hebben wij zulk een geloof? Wordt er, nadat Jezus eeuwen lang zijne almacht geopenbaard heeft, nog evenveel vertrouwen in Hom gestold als in de dagen zijns vleeschos? Zijn er niet onder ons, die de zalige vermenging nog niet kennen, welke wij in dos oversten handeling zien ? Hij kwam tot Jezus; hij aanbad Hem, hij bad Hem, hjj vertrouwde op Hem.

Onze Koning, die mot macht over leven en dood is bekleed, staat onmiddellijk de bode toe, die in het geloof tot Hem gericht is, en begeeft zich op wog naar hot huis des oversten, lïe Heere volgt de geloovigen, omdat de geloovigen den Heere volgen. Die volgorde zien wij in vers 19. Jezus doet wat wij Hem in het gebed vragen te doen, en wij volgen, waar Hij henen-leidt. De 1\'rodiker treedt af van zijnquot; kansel en wordt een Geneesheer, die zijne patienten bezoekt. Zeer gereodeljjk wendt onze grooto Rabbi zich af van den woordentwist over kerkelijke quaes-ties, om tot een krank meisje te gaan, ja dat alreeds gestorven is. IIij is moor te huis in goed doen dan in alle andere dingen.

20, 21. En ziet, eene vrouw, die


-ocr page 99-

Houfclst. IX. I DES KONINGS ItHEKSCIIAl\'PIJ OVER KRANKHEID EX DOOD.

83

tivaalf jaren het bloed vloeien (jehad had, komende tot hem van achteren, raaide den zoom zijns kleed* aan; want zij zeide in zich zelve: Indien ik alleen! ijk zijn kleed aan rake, zoo zal ih gezond worden.

Dit is oon voorval op don wog cn oon wonder in hot voorbijgaan. Terwijl de Heere zich naar do kamer begaf\', waar de dochter van den overste lag, werkt Hij een wonder zonder oen woord te spreken. Hij was gunscli vervuld van het plan om een meisje op te richten, maar zonder er een plan voor beraamd te hebben, geneest Hij eene vrouw. Zcll\'s hetgeen er van Christus\' macht overvloeit, is nog zeer kostbaar.

Merk op dit woord „ziet.quot; Hier hebben wij eene merkwaardige omstandigheid. Deze zwaar beproefde vrouw iiad gedurende „twaalf jaren aan eene zeer verzwakkende bloedvloeiing geleden en geene genezing kunnen vinden; maar thans aanschouwde zij den grooton Wonderwerker, en met schucli-tereu moed drong zij door de menigte heen cn raakte den. zoom zijns kleed* aan. Een groote angst hield er haar van terug om Hem aan te zien, Hem in de oogen te blikken ; een groot geloof leidde er haar toe, om te vertrouwen, dat eene aanraking van zijn kleed achter Hem, haar zou genezen. Zij was onwetend genoeg om te denken, dat er genezing van Hem kon uitgaan, zonder dat Hij het bespeurde; maar in weerwil van hare onwetendheid leefde haar geloof, en in weerwil van haar verlegen schaamtegevoel triomfeerde het. liet was haar eigen denkbeeld geweest om snel door de menigte heen te dringen en hare genezing te stelen, als hot ware, „zij zeide in zich zelve.quot; Hot was zoor verstandig van haar, dat zij terstond haar besluit ten uitvoer bracht. Arme vrouw! Het was haar eenigo kans op genezing, en zij wilde haar niet verliezen. Nu gebeurde hot, dat het kleed onzes Hoeren in het gedrang naar achteren werd getrokken, en daardoor was zij in staat om met haren nitgestrekten vinger deszelf\'s zoom aan te raken. Zij geloofde dat dit genoeg zou zijn, en do uitkomst bewees, dat zij gelijk had. O dat wij oven vuriglijk begeerden om verlost en zalig te worden, als zij was om te worden genezen! O dat wij zulk een vertrouwen haddon in Jezus, om er zeker van to zijn, dat, zoo wij in aanraking met Hem komen, al is het ook door de kleinste belofte en het kleinste geloof. Hij ons kan en wil redden!

Mijne ziel, wanneer gij u in dringenden nood bevindt, zoo wees moedig cn nader tot uwen Heere, want indien hot aanraken van zijn kleed genezing geeft, welk eone kracht moet er dan niet in Hem zei ven zijn!

22. En Jezus zich otnkcrrende, en haar ziende, zeide: Wee* welgemoed, dochter! uw geloof heelt u behouden. l\'Jn de vrowiv werd gezond ran dezelfde ure af.

Wij hebben hier niet de geheele geschiedenis, cn het zal goed zijn om haar ook in Markus V en Lukas VIII te lezen. Jezus wist alles wat er achter Hem voorviel. Indien ons thans zijn rug is toegokoerd, dan behoeft dit daarom niet altijd zoo to zijn, want, „Hij keerde zich omquot;. Zelfs als do vrees ons zou nopen om ons voor Jezus te verbergen, dan zal zijn oog don beschroomde toch ontdekken. Zijn oog heeft haar spoedig gezien, want Hij wist werwaarts den blik to richten. ,, Hij zag haar.quot; Zijne stem bemoedigde haar met de blijde tonen der aanneming. Hij heeft haar wegens de fouten en


-ocr page 100-

DE BLIJDSCHAP 11RS KON1NKUI.IKS.

| Moofdst. TX.

80

uitkomen voor huu bezwaar voorkwam, dat or later goscliillon over zouden ontstaan, en daarom was dit verstandig van lion gehandeld. Als godvruchtige menschen in gevoelen met eikander verschillen, dan is het goed om met de zaak tot den II core zei ven te gaan. Samen overeen te komen, om van elkander in gevoelen te mogen verschillen, kan wel zeer goed zijn, maar nog veel beter ia het, om door verklaring of opheldering het geschil uit den weg te ruimen.

15. En Jezus zeide tot hen-. Kunnen oigt;k de hruilnftsldndeven treuren, zoolmy de brnidecjom hij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de hruideijnm ran hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.

Onze lleere antwoordt hier op het tweede doel hunner vraag; op het eerste deel moeten zij zeiven antwoorden. Zij wisten, of zij behoorden te hebben geweten, waarom zjj en do farizeën vastten. Waarom zijne discipelen niet vasten, dat zal Hij hun ophelderen. Hij is „do Bruidegom,quot; die gekomen is om zijne bruid voor zich te winnen; zij, die Hem volgden, waren do gaston, do bruiloftskindoren, die Hom vergezelden en dienden; hun deel was het om zich te verblijden, zoolang do Hruidogoni zich aan het hoofd van hun gezelschap bevindt, want droefheid past bij geen bruiloftsfeest. Onze lleero is die Bruidegom, van wien Salomo zong in zijn Hooglied, cn wij, die gemeenschap met Hom oefenen, zijn óón met Hom in zijne bljjdschap. Waarom zouden wij vasten, zoolang Hij nabjj is? Kunnen wij toelaten, dat kleine, nietige zaken onze groote vreugde bederven? Is het bestaanbaar met gezond vorstand; komt hot overeen met onzen eerbied voor den lleere, dat wij treuren zoolang de Bruidegom hij ons is?

Maar Jezus zal hen moeten verlaten. IT ij zelf zegt: „De Bruidegom zal van hen weggenomen zijnquot; Voor hot eerst spreekt hjj hier van zijn\' dood. Hebben zijne discipelen gelet op dit woord van waarschuwing? Ais hun Welbeminde van hen weg zal zijn, dan zal er genoeg gelegenheid zijn tot vasten. Hoe waar was dit! Nadat Hjj van hen weggenomen was, kwam droefheid op droefheid over hen. Evenzoo is het met ons. Onze lleere is onze bljjdschap, zijne tegenwoordigheid is ons een feestmaal, zjj no afwezigheid eon zwaar en bittor vasten. Alle ritueel vasten is het omhulsel, het werkelijke vasten wordt alleen gekend door do bruiloftskinderen, ais hun lleere niet meer bij hen is. Dat is wezenlijk vasten, gelijk aan sommigen van ons wol bekend is.

Er is goene bruiloft zonder een Bruidegom, geen zielsgenot zonder Jezus. In zijne tegenwoordigheid is volheid van vreugde, in zijne afwezigheid diepte van ellende. Laat het hart slcchts rusten in zijne liefde, en het begeert niets meer. Neem do bewustheid zijner liefde weg uit de ziel, en zjj is ledig, in duisternis, don dood rnibij.

10. Goh zei niemand een /quot;/\' onge-vold lalcen oji een oud l\'lecd: u iinl deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt eene ergere scheare.

Jezus is niet gekomen om Israels versleten kleed to vorstellen, maar om nieuwe kleederen te brengen. En al zou zelfs een bloot verstellen bedoeld zijn geweest, dan zou dit toch nog niet kunnen geschied zijn door het navolgen, het kopieeren van oude gebruiken door de discipelen. Nieuw ongevold


-ocr page 101-

11K liLIJDSOH/Vl\' DKS KONINKRI.JKS.

IToofdst. IX-l

81

laken is niet; geschikt om als lap a\'f1-bniikt to worden om een oud kleed te vorstellen, dat door liet vele wasschen volkomen gevold of „gekrompen\'\' is. Zijne discipelen moeten zich gelijk blijven in hunne liandelingen, en geen ontijdig vasten samen laton gaan met do blijdschap,die zij smaakten in zijn gezelschap. Zij waren niet de sonrt van mon-schon om den enden eerodionst van hot Judaïsme te herstellen, die thans verouderd, versleten was. Zij waren nieuwe monsohen, ongevold door den geest der overlevering, en hen op te sluiten in het onge kleed van een\' ritueelen godsdienst, zon geeno éénheid bevorderen, wM het tegendeel. Ware, eebte ge-loovigen moeten niet trachten in gemeenschap te leven met hen, die aan uiterlijke ceremoniën blijven hangen ; zij zouden spoedig bevinden, dat zij onder dezen niet op hunne plaats zijn. Jezus is niet gekomen om onze ondo, uitwendige godsdienstigheid op te lappen, maar om een nieuw kleed der gerechtigheid voor ons te maken. Allo pogingen om het evangelie met de wet der werken to doen samengaan, zullen do scheur tusschen die beiden slechts Tiog grooter maken. Wij kunnen hier gerust bijvoegen, dat hot rookolooze streven, om de verschillende kerken to voroenigen, door al hunne dwalingen te bosluiton binnen do grenzen van vormeende waarheid, do tegenwoordige betreurenswaardige verdeeldheid slechts zal vermeerdoren, on de wezenlijke éénheid grootehjks zal vertragen.

17. Noch doet men nieuiren irijnin oude lederzakken; finders zoo hersten de lederzakken, en de wijn icnrdf uitgestort, en de lederzakken verderven; mcKir men doet niemren wijn in niemre lederzakken., en heide te zanten worden behouden.

Zijne leer en zijn geest konden niet

samengaan met de farizeeamp;che ordo van zaken. In zijn\' ontaarden, ver-bastordon toestand was hot Judaïsme oen oude lederzak, die desze\'.fs dag gehad hoeft, on onze Ileero wilde den nieuwen irijn van hot koninkrijk dor liomolen er niet in uitstorten. Do discipelen van Johannes trachtter te wedijveren met do farizoën, en wilden i gemeene zaak met bon maken om de oude kerk in stand te houden. Jezus wilde met dat plan niets van doen hebben: Hij wilde voor zjjno nieuwe loer en zijn\'nieuwen geest eeno nieuwe kerk hebben. Er moest geeno door-eenmenging wezen : het Christendom moest geen uitvloeisel zijn van hot rabbinismo. Er moest scheiding wezen ; tusschen Jezus en do schriftgeleerden met hun stelsel van denken; | want Hij, die gekomen was, had be-; sloten om allo dingen nieuw te maken.

Zeer dikwijls worden schikkingen voor-! gesteld, en er zjjn goede lieden, die j evenals do discipelen van Johannes, wenschon, dat wij , hetgeen zij goed achten in hot bestaande, zullen aannemen ; maar voor ons is het beter om ons gelijk to blijven on de novo, van nieuws, to beginnen. Ifct oude laken zal altijd afscheuren, en wol des te erger naarmate onze stukken nieuw , zijn. Laat ons daarom het oude kleed overlaten aan lien, die aan hot oude do voorkeur geven boven do waarheid.

De doorcenmenging van bruilofts-maaltijdon en het vasten bij begrafenissen, het zetten van nieuwe lappen van ongevold laken op oen oud kleed, en het doen van nieuwen wijn in oude lederzakken, zijn beelden van die vermengingen en schikkingen, die naaiden aard der dingen nooit tot eenig goed en blijvend resultaat kunnen leiden. Indien wij den juichenden Bruidegom volgen, laat ons dan niet trachten met de vastende farizoën to blijven, of mot


0

-ocr page 102-

IR KHANICMUII) KN 1)001). | UooWst. IX.

82 DES KONINGS UI^RSCI t Al\'l\'I.I O V U

hen, die in uiterlijke pleolitiglieden en in de werken der wet lioil zoeken. Laten ook de „weteiiseliappoljjke twijfelaarsquot; huns weegs gaan, want liet geloot\' is niet naar hun\' smaak. Ifet geloof weet, en kan dus nooit agnostic zijn, dat is: het kan niet beweren, dat de inensch niets weten kan, van niets

110 O F i) S T IJ [Hes Koniiigs heerschappij

18, 19. Als hij deze diwjen tot hen sprak, ziet, een overste kwam, en aanhad hem, zeggende: Mijne dodder is nu terstond gestorven, doch kom, en leg moe hand op haar, en zij zal leren. En Jezus, opgestaan zijnde, volgde hem, en zijne discipelen.

Onze Heere had beter werk te doen dan te redeneeren over spijs en drank, feestvieringen en vasten: aan het redetwisten hierover heeft Hij zich spoedig onttrokken. Er woedde een strijd tusschen het loven en den dood, en in dien strijd was zijne tegenwoordigheid noodzakelijk.

Droefheid en smart dringen zelfs do huizen van de voortreffeljjken der aarde binnen. Een overste der synagoge, die in den Heere Jezus geloofde, had eenc dochter, die door eciic zoo hevige krankheid is aangegrepen, dat zij aan den rand des grafs is gebracht, en naar alle waarschijnlijkheid opdatoogenblik werkelijk is gestorven. Maar haar vader heeft een groot geloof. Ook al is zij gestorven, zal Jezus haar door eene aanraking in het leven kunnen terugroepen. O dat Hij slechts wilde komen! Hij aanbidt den Heere cn pleit bij Hem: „Kom en leg uwe hand op haar.

zekerheid heeft. Laat ons afgedaan hebben met de twijfeling en met hen, die ons doen vasten, en laat ons hoogtijd houden terwijl de Bruidegom door zijn Geest nog bij ons is. „Wij willen niets en niemand volgen dan Jezus Christus, den Gekruiste.quot;

K IX. 18—2G.

over kriuikheid en dood.]

en zij zal leven.\'quot; Hebben wij zulk ecu geloof? Wordt er, nadat Jezus eeuwen lang zijne almacht geopenbaard heeft, nog evenveel vertrouwen in Hem gesteld als in de dagen zijns vleesches? Zijn er niet onder ons, die do zalige vermenging nog niet kennen, welke wij in des oversten handeling zien? Hij kwam tot Jezus; hij aanbad Hem, hij bad Hem, hij vertrouwde op Hem.

Onze Koning, die met macht over leven en dood is bekleed, staat onmiddellijk do bede toe, die in het geloof tot Hem gericht is, en begeeft zich op weg naar het huis des oversten. Do Heere volgt de geloovigen, omd.it de geloovigen den Heere volgen. Die volgorde zien wij in vers 19. Jezus doet wat wij Hem in het gebed vragen te doen, on wij volgen, waar Hij henen-leidt. De Prediker treedt af van zijnquot; kansel en wordt een Geneesheer, die zijne patiënten bezoekt. Zeer gereedelijk wendt onze groote llabbi zich af van den woordentwist over kerkelijke quaes-ties, om tot een krank meisje te gaan, ja dat alreeds gestorven is. Hij is meer te huis in goed doen dan in alle andere dingen.

20, 21. En ziet, eene vrouw, die


-ocr page 103-

Iloofdst. IX.] DKS KONINGS HEERSCHAPPIJ OVUll KRANKHEID EN DOOD. 83

tmuilf jaren het bloed vloeien jclniti htiil, komende tot hem van achteren, raaide den zoom zijns kleed* aan; want zij zeide in zich zelve: Indienihalleenlijk zijn kleed aan rake, zoo zal ik gezond worden.

Dit is oon voorval op don wog on con wondor in het voorbijgaan. Tonvijl de lloore zich naar de kamer begaf\', waar do dochter van don overste lag, werkt Hij een wondor zonder eon woord to sproken. Hij was gansoh vervuld van hot plan om oon meisje op te richten, maar zonder or een plan voor beraamd to hebben, genoost Hij oono vrouw. Zelfs hetgeen er van Christus\' macht overvloeit, is nog zeer kostbaar.

Merk op dit woord „ziet.quot; Hier hebben wij oono merkwaardige omstandigheid. Deze zwaar beproefde vrouw had godurondo „fw(quot;df jaren aan oono zeer verzwakkende bloedvloeiing geleden en geeno genezing kunnen vinden; maar thans aanschouwde zij don grooten Wonderworker, en met schuch-tereii moed drong zij door do menigte hoen en raakte den zoom zijns kleeds aan. Een groote angst hield er haar van terug om Hem aan te zien. Hom in do oogen te blikken; een groot geloof\' leidde er haar toe, om te vertrouwen, dat oono aanraking van zijn kleed achter Hem, haar zou genezen. Zij was onwetend genoog om te denken, dat er genezing van Hem kon uitgaan, zonder dat Hjj hot bespeurde; maar in weerwil van hare onwetendheid leefde haar geloof\', en in weerwil van haar verlegen schaamtegevoel triomfeerde hot. liet was haar eigen denkbeeld geweest om snol door de menigte hoon te dringen en hare genezing te stelen, als hot ware, „zij zeide in zich zelve.quot; Het was zeer verstandig van haar, dat zij terstond haar besluit ten uitvoer bracht. Arme vrouw! Het was haar eenige kans op genezing, en zij wilde haar niet verliezen. Nu gebeurde het, dat het kleed onzes Hoeren in het gedrang naar achteren word gotvokkon, en daardoor was zij in staat om mot haren uitgostrokten vinger deszelfs zoom aan te raken. Zij geloofde dat dit genoog zou zijn, en de uitkomst bewees, dat zij gelijk had. O dat wij even vuriglijk begeerden om verlost en zalig te worden, als zij was om te worden genezen! O dat wij zulk oen vertrouwen hadden in Jezus, om er zeker van te zijn, dat, zoo wij in aanraking mot Hem komen, al is hot ook door de kleinste belofte en het kleinste geloof. Hij ons kan en wil redden!

Mijne ziel, wanneer gij u in dringenden nood bevindt, zoo wees moedig on nader tot uwen Heere, want indien het aanraken van zijn kleed genezing geeft, welk oono kracht moet er dan niet in Hom zeiven zijn!

22. En Jezus zich omkeerende, en haar ziende, zeide: Wees irehjemoed, dochter! nw (jeloof heelt u lehouden. l\'Jn de vrouw werd gezond ran dezelfde ure af.

Wij hebben hier niet do gehcele geschiedenis, en het zal goed zijn om haar ook in Markus V en LukasVHI te lozen. Jezus wist alles wat er achter Hem voorviel. Indien ons thans zijn rug is toegekeerd, dan behoeft dit daarom niet altijd zoo te zijn, want, ,,Hij keerde zich omquot;. Zelfs als do vrees ons zou nopen om ons voor Jezus to verbergen, dan zal zijn oog den beschroomde toch ontdekken. Zijn oog heeft haar spoedig gezien, want Hij wist werwaarts den blik te richten. „Hijzag haar.quot; Zijne stem bemoedigde haar mot do blijde tonen der aanneming. Hij hoeft haar wegens de fouten on


-ocr page 104-

84 DEH koxintis HRKRSCItAPPl.T OVKR KliANKURII) EX pood. Ilfoofdst. IX.

vergissingen, die zij in have onwetendheid had begaan, niet berispt; neon Ifjj prees de kloekmoedigheid van haar geloof, en vertroostte haar bevond hart. Do zoom eens klocds en oen vinger volstonden om oene verbinding tot stand te brengen tusschen cene geloovigeljjderes en een\' alnmchtigon Zaligmaker. Langs die lijn zond hot geloof deszelfs boodschap, en do liefde haar antwoord. „De vrome werd gezondquot; en zij was er zich van bewust; maar toen zij ontdekt was, vreesde zij, dat zjj wellicht don zogen zou moeten verliezen en een\' vlook in deszelfs plaats over haar gebracht zou worden. Doze vreeze was spoedig geweken. Jezus noemde haar „dochferquot;. ITjj nam het vaderschap over haar aan, omdat lljj geloof in haar had geschapen. ITij gaf haar „f(W-gemoedquot; te zijn, omdat zjj eon goed geloof had. liet was zijn kleed, dat zjj had aangeraakt, maar hot was haar geloof, dat hot kleed had aangeraakt, en daarom zeide onzelleore: „lTic geloof heep u behoudenquot; en plaatste Hij de kroon op hot hoofd van haar geloof, omdat haar geloof do kroon reeds op zijn hoofd had geplaatst. Op hot eigen oogenblik, dat wij Jezus aanraken, zijn wij gezond gemaakt \\

dezelfde ure af.quot; Mogen wij 1 lom thuiiH aanraken, en moge deze ure oven gedenkwaardig zijn voor ons, als die ure voor haar geweest is!

23, 24. En als Jezus in het huis des oversten kurnn, en zag de pijpers en de woelende schare, zeide hij tof hen: Vertrekt, want het dochterken is niet dood, maar slaapt. En zij belachten hem.

De klage voor de begrafenis had reeds aangevangen: ,//e pijpersquot; hadden hunne afsclmwelijke wanklanken roods doen hooren. Wantrouwende vrienden willen ons begraven voor dat de rechte tijd er toe nog daar is, en wij zei von zjjn or maar al te zeer aan onderhevig, om in dezelfde dwaling te vervallen ten opzichte van anderen. Het ongeloof roept de begrafenisdienaren reeds in huis, om diegenen te begraven, die nog jaren daarna zullen leven. Wjj geven hen over aan hopeloosheid, die door Jezus gered zullen worden, of wij beginnen luidruchtig „woelendquot; te worden, waar een godvruchtig, zwijgend arbeiden oneindig beter zou wezen.

Jezus wil, dat die begrafenismuziek zwijge, want zij is voorbarig, en zelfs leugenachtig in hare beteekenis. lljj zegt tot do pijpers: „ \\ reiire]dquot; of maakt plaats. A\'ole dingen moeten plaats maken, moeten heengaan, als Jezus komt, on Hjj zorgt er voor, dat zij heengaan, want Hij verwijdert hen uit de kamer. Voor Hem slaapt hot meisje veeleer, dan dat hot dood is; want H\'j is o;) hot punt van haar in het leven terug to roepen. Hij ziet de toekomst, zoowel als hot heden, on in dat licht is voor Hom „het docht erken niet dood, maar slaaptquot; het. Do lleere Jezus hooft geene pijpers van noode, geene fluitspelers, goeno rouwbedrijvers; zijne eigene zachte stem is geschikter in do sterfkamer van oen jong meisje. Jezus zal wonderen doen, en de gehuurde verrichtingen van hen, die leed nabootsen, zijn daarmede niet in overeenstemming.

Als Jezus tot deze huurlingen zegt, dat hot niet noodig is om mot do bo-grafenisplechtighedon voort te gaan, omdat het meisje zal leven, antwoorden zjj mot spotternij, want zjj zijn er zeker van, dat het meisje gestorven is. 1 fot is iets zeer schandeljjks om Christus te belachen. Toch heeft Hij zonder zich te vertoornen „zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich verdragen.quot; Wij behoeven niet verslagen of verbaasd te zijn, als wij worden bespot, want „zij belachten HEM.quot; En


-ocr page 105-

FToofdst. IX. I DES KONINGS AANRAKING GENEKST DE BLINDEN.

85

wij mogen van wege bespotting ook niet aflaten van ons werk; want Jezus is in weerwil van de spotters met zijn opstandingswerk voortgegaan.

25. A/s nu de schare uityeclreven mis, fjinri hij in, en (/reep hare hand; en het dochterken stond op.

liet voegde niet, dat die liederlijke menigte van do majestueuze verborgenheid der opstanding getuige zou zijn, zij moeten „uitgedrevenquot; worden. Het afschuwelijk geraas der rouwbe-dnjvers was daarenboven ook niet geschikt om zich met des Iloilands machtwoord te paren. De schare werd uitgedreven, en toen „(//quot;n;/quot; de Ileere „mquot; om zijn wonder te werken. Hjj werkt gaarne in stilte Er zijn in het heden-daagsche kerkelijke leven richtingen, waarin het geraas en de opgewondenheid der menigte tot een einde zullen moeten komen, eer dat er veel voor den Ilcere gedaan zal kunnen worden.

Als wij lezen: Hij „greep hare handquot; dan herinnert ons dit aan zijne aanraking van de moeder van Petrus\'huisvrouw. Hij heeft eene heilige gemeenzaamheid met hen, die Hij verlost en redt. In dit evangelie wordt niot gezegd, dat Hij toen heeft gesproken, en aldus komt hot contrast tusschen het ledig, onbeduidend geraas en zijne machtige stilte des te sterker uit. liet leven was uit dit kind gevloden; maar de uitkomst was gelijk aan die van Petrus\' bloedverwante, die nog in leven was: zij stond op. Hoeveel was er niot gebeurd, eer een dood meisje kon opstaan! Dit is de eerste opstanding, die door onzen Heerc was gewerkt. 1 let geschiedde met een kind, dat zoo oven pas was gestorven, en het is een type van het geven van geestelijk leven aan menschen, die nog niet tot dien toestand van bederf zijn gekomen, waardoor het noodzakelijk wordt, dat zij worden uitgedragen, zooals de zoon der weduwe; of tot dadelijke vermolming, die tot begraven noodzaakt, zooals het geval was met Lazarus. In ieder dezer gevallen was het hetzelfde wonder, maar do omgeving was zeer verschillend, zoodat ook de leering anders was.

Heere, grijp de hand onzer jonge kinderen en wek hen op, terwijl zij nog kinderen zijn, tot hot eeuwige loven!

2G. En dit gerucht ging uit door dut geheele land.

Do tijding, dat oen doode was opgewekt, moest wol alom worden verspreid, inzonderheid nu dit met het dochtertje van een\' overste der synagoge geschied was. Waar nieuw leven wordt gegeven, daar behoeft men niet te vreezen, dat het niot zal worden opgemerkt. Indien wij loven hebben, zal Jezus roem hebben, en wij behoo-ren er voor te zorgen, dat dit zoo is.


HOOFDSTUK IX. 27—31. [Des Kon in ss aannikin»- geneest de blinden.]

27. F.u als Jezus van daar romt-ging, zijn hein tirce hl inden gevolgd, roepende en zeggende: G\\] ZoneUeieids, ontferm ii onzer!

Niet zoodra begeeft Jezus zich op weg, of er melden zich nieuwe kandidaten aan voor zijne weldadigheid: de blinden zoeken bij Hem het go-


-ocr page 106-

PES KONINGS AANRAKING GENEEST DE lil,INDEN.

[Hoofdst. IX.

86

zicht to verkrijgen. Twee mannen, die liet gezicht moesten derven, waren metgezellen geworden in do beproeving; of zij kunnen wellicht vader en zoon zijn geweest. Zij waren vurig on ernstig in hunne begeerte om van hunne blindheid genezen te worden, want zij zijn Hem gevolgd, „roepende en zeggende\'. Gij Zone Davids, ontferm ii onzer.quot; Zjj waren heftig en volhardend in hun smoeken; maar hot getuigde tevens van verstand en nadenken. Zij deelden mot betrekking tot Jezus elkanders gevoelen, en daarom gingen zij te zamen en gebruikten dezelfde woorden van gebod, en richtten die tot denzelfden Persoon. OnzeHeere wordt hier bij zijn\' koninklijken naam genoemd: „Gij Zone Davids.quot; Zelfs de blinden konden zien, dat Hij een koningszoon was. Als Zone Davids wordt Hij gebeden om zich te ontfermen en naar zijn\' koninklijken aard to handelen, liet is uit genade, dat wij onze vermogens hebben, en het is ook alleen uit genade, dat zij ons weder gegeven worden.

Dit gebed is ook zeer geschikt voor ons, als wij do duisternis van onzen eigen geest bespeuren. Als wij de waarheid niet zien, laat ons dan roepen tot den lleere om liciit en onderwijs, maar laat ons daarbij altijd gedenken, dat wij gcene andere aanspraak hebben, dan die ontleend is aan zijne genade.

28. Kn ids hij in hef huis gekomen /ras, kwamen de blinden lot hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat ik dat doen kan? Zij zeiden tot hem: Ja lleere.

Zij waren zeer begeerig naar deze gave. Zij lieten Hem geen tijd, zij drongen het huis binnen, waar lljj afzondering cn rust had gezocht; zij kwamen tot Hem, inimelijk tot Jezus zei ven. De lleere wilde, dat zij hun geloof zouden uitspreken, en daarom vraagt Hij hun wat zij. Hem betreffende, gelooven. Jezus vraagt hun niets omtrent hunne oogen. Hij stelt slechts een onderzoek in naar hun geloof; want dat is altijd do levensvraag, het punt, waar het op aankomt. Zij konden niet zien, maar zij konden gelooven, en dat doden zij. Zjj hadden een bijzonder geloof ten opzichte van de zaak, waar zij om baden, want onze Heero stelt hun de eenvoudige vraag: „Gelooftgij dat ik dat doen kan?quot; Zij hadden ook een\' helderen blik op den Persoon van Hem, tot wien zij zich hadden gewend; want zij hadden Hem reeds „Zone Davidsquot; genoemd, en thans noemen zij Hem „lleerequot;.

2!). Toen raakte hij hunne oogen aan, zeggende\'. IJ geschiede mar vw geloof.

Wederom wekt Hij hun geloof op, en ditmaal legt Hij de gansche verantwoordelijkheid op hun vertrouwen in Hem. „II geschiede nanr uir geloof.quot; Hy raakte hen aan met zijne hand; maar zij moeten Hem aanraken mot hun geloof. Hot machtwoord in de laatste zinsnede is het woord, waarop Hij zoo voortdurend werkt, dat wij het den regel zijns koninknjks kunnen noemen. AVij hebben den maatstaf van onze eigene zegeningen; ons geloof verkrijgt meer of minder, al naar mate van deszelfs eigen vermogen om te ontvangen. Indien deze mannen slechts hadden voorgewend to gelooven, dan zouden zjj blind zijn gebleven. Indien wij niet in waarheid betrouwen op onzen Heero, dan zullen wij in onze zonde sterven.

80. Dn hunne oogen zijn geojjen !geworden Dn Jezus heelt hun zeer strengc-lijk verboden, zeggende: Ziet, dot het niemand urte.


-ocr page 107-

lloofdst. IX.J

loeiden zagen. Het dubbele wonder was gewrocht op hetzelfde oogenblik. Zij waren elkanders metgezellon geweest in de duisternis, thans verheugen zij zich te zamen in het licht. liet is opmerkelijk, dat er alzoo voor twee zielen eene zelfde lotsbestemming is! liet was een zeer bijzonder dubbel feest, en het verdiende alom te worden bekend gemaakt; maar onze Hoere had wijze redenen om stilzwijgen te verlangen. Hij „heeft hun zeer strmgelijk verbodenquot; Hij liet hun goeno keuze; Hij eischte een volkomen stilzwijgen. Hij, die hunne oogen had geopend, sloot hun\' mond. Jezus begeerde geen\' roem; Hij verlangde naar meer stilte en minder gedrang; Hij wensclito alle opwinding te vermijden, en daarom gaf Jljj hun dit streng bevel: „Ziet, dat het niemand icete.quot;

31. Maar zij, uitgedaan zijnde, hebben hem ruchtbaar cjcmaakt door dat (jeheele land.

Met grooten ijver hebben zij datgene bekend gemaakt, wat hun bevolen was verborgen te houden, totdat het ,/je-hcele landquot; er vol van was. Hierin liebbcn zij grootolijks gedwaald, en waarschijnlijk hebben zij er den Zaligmaker zóó grooten overlast 011 moeite

mode veroorzaakt door het gedrang der menigte, dat Hij genoodzaakt was de stad te verlaten. Wij kunnen niet hopen wèl te doen met don Hecre ongehoorzaam te zijn. Hoe natuurlijk do ongehoorzaamheid ons ook moge toeselnjnen, het is ongohoorzaainheid, en mag niet worden verontschuldigd. Al blijken de gevolgen ook heilrijk te zijn, dan zou het hierdoor toch niet recht worden om het gebod onzes Hoeren te overtreden. Als onze Koning het beveelt, dan is zwijgen meer dan goud. Hij zoekt geene toejuiching. Hij laat zijne stem niet hooren in destra-ten, opdat hot bekend worde, dat Hij een groot werk heeft tot stand gebracht. Zijne volgelingen zullen wèl doen mot zijn voorbeeld te volgen.

Het verwondert ons niet, dat de naam onzes Hoeren vermaard werd, als hij door zoodanige personen bekend go-maakt werd. Met hoeveel vurige welsprekendheid zullen de twee voormalige blinden verhaald hebben op wat wijze hunne oogen waren geopend! II\'O ontvingen geen verbod, maar wol do vermaning om do wonderen zijner ! genade bekend te maken. Laat ons in dozen natuurlijken, noodwendigen on nuttigen plicht niet achterlijk zijn. Laat ons al meer cn meer „Hon ruchtbaar maliën door het yeheele tand.quot;


HOOFDSTUK IX. 22—35. [De en de bezetenen.]

32. J/.s dezen nu uitgingen, ziet, zoo brachten zij lot hem een mensch, die atom en van den duivel bezeten was.

Nadat twee palienten vertrokken waren, komt oon andere ongelukkige om hulpo te verkrijgen. Merk opdat „ziet.quot; Het is con merkwaardig, treffend geval, lljj komt niet vrijwillig of uit eigene beweging. „Zij brachtenquot; hom: aldus moeten wij de menschen tot Jezus brengen. Hij roept niet om hulp, want hij was „stom.quot; Laten wij onzen mond openen voor de sknimen


-ocr page 108-

DE KONING EX DE BEZETENEN.

[Hoofdst. TX.

88

HÜ is zich zelf niet, Inj is „van den duivel hezeten.quot; Anne ongelukkige! Zal er iets voor hem gedaan kunnen worden ?

3;J. En als dc duivel uitgcivovpcn tvas, sprak de stomme. En de schuren verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israël gezien!

Onze Heere handelt niet met de symptomen, maar met de bron dor krankheid, namelijk met den boozen geest. „De duivel tvas uitgeworpenquot;, en dit wordt vermeld als iets dat natuurlijk is en van zelf spreekt, zoodra Jezus op de plaats aanwezig is. De duivel had dien menseli tot zwjjgen gebracht, zoodra dus de booze uitgeworpen was, „sprak de stomme.quot; Hoe gaarne zouden wij weten, wat hij gezegd heeft! Maar wat dit ook geweest zjj, het doet er niet toe, het wonder bestond daarin, dat hij iets kon zeggen, liet volk erkende, dat dit een wonder was, waarvan geen voorbeeld bestond, eu hierin spraken zij niet meer dan do waarheid: „Er is nooit desgelijks in Israël gezien.quot; Jezus weet groote verrassingen to bereiden; Hij komt met nieuwigheden, die van zeer groote kracht en betcekenis zijn. Het volk haastte zich om hunne bewondering uit te drukken, toch zien wij al zeer weinig teekenen, dat zjj inonzesHee-reu zending geloofden. Het is van weinig bctockeuis om zich te verwonderen ; maar van zeer groote beteekenis is het, om to gelooven.

O Heere, geef aan hen, die ons omringen, zoodanige opwekkingen en bokoeringon te aanschouwen, als zjj nooit te voren gezien hebben!

34. Muur de farizeën zeiden: Hij u\'er/jt de duiielen uit door den overste der dnirelen.

Natuurlijk waren zij met eene bittere uitspraak gereed. Niets was voor hen te slecht om van Jezus te zeggen. Zij moeten zeer in het nauw zijn gebracht, als zjj tot zulk een gezegde de toevlucht nemen, dat op eene andere plaats zoo gemakkelijk door den Heere werd wederlegd. Zij gaven te kennen, dat Hij die macht over de duivelen door oen onheilig verdrag met „den overste der duivelenquot; had verkregen. Voorwaar! dit was wol zeer dicht naderen tot do zonde, die niet vergeven zal worden!

35. En Jezus omging al de steden en vlekken, leerende in hunne synagogen, en predikende het evangelie des konink-rijks, en genezende alle ziekte en alle kir ale onder het volk.

Dat was zijn antwoord op de Godslasterlijke leugonen der farizeën. En welk een heerlijk antwoord was het. Laat ons op laster antwoorden door grooter ijver in goed doen.

Kleine plaatsen worden door den Heere niet geminacht. Hij omging do dorpen eu vlekken zoowel als de steden. Dorpsvroomheid is van het grootste gewicht, ou staat in nauwe betrekking tot het stadsleven. Jezus maakte een kostelijk gebruik van oude instellingen: Aq„sijnagogenquot; worden zijneseminariën. Hij had een drievoudig dienstwerk: het oude te verklaren, het nieuwe te verkondigen, de kranken te genezen.

Merk op de herhaling van hot woord „allequot; waarmede de groote omvang van zijne heelendo kracht wordt aangeduid. Dit alles stond in betrekking tot zijn koningschap; want het was het „m(«-gelie des Koninkrijksquot; dat Hij verkondigde. Onze lleoro was de groote „Reizende Predikerquot;: „Jezus omging al de steden en vlekken, lirvdikcnde en genezende.\'\' Hij dood een\' geneeskun-


-ocr page 109-

Iloofdst. IX.] OR KONING ZICH ONTFERMENDE OVER PE SCHAREN.

digon, zoowel als een\' ovangelisclicn wjj thans meer zien van zijne wer-omgang. Gelukkig het volk, dat Jezus \' kingen onder ons eigen volk!

in zijn midden heeft! Ach mochten i

89

H O O F D S T U [De Koning- zich ontfei

80. En hij, de schare ziende, werd innerlijk met onlferming hewoyen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, (jelijlc schapen, die geen herder hebben.

Eene groote menigte wekt ons medelijden op, omdat zij aan vele zonden en groeten nood doet denken. Hier was de grootste behoefte onderwijs: „Zij tear en vermoeidquot; en derfden vertroosting; zjj „ivoren verstrooid,quot; en derfden leiding. Zij waren begeerig om te loeren; maar zij hadden geene geschikte ondervvjjzers ; „schajicn, die geen herder hebbenquot; bevinden zich in zeer treuri-geu toestand. Niet gevoed, zonder schaapskooi om in te vernachten, onbewaakt: wat zal er van hen worden? Onze Heer werd bewogen door een gevoel, dat Hem ontroerde tot in de ziel. „I/ij werd innerhj/c met onlferming bewogen.quot; quot;Wat li jj zag, trof niet slechts zijn oog, maar ook zijn hart. Hij was als overmeesterd door medelijden. Zijn geheele wezen was aangedaan, zoodat alles in Hem in beweging kwam. Ook thans bezielt Hem een zelfde gevoel voor ons volk. Hij wordt door innerlijke ontferming bewogen, als wij hef niet zijn.

37, 138. Toen zeidc hij tot zijne dis-cipelen : \'De oogst is iret groot, maar de arbeiders zijn weinige: bidt dan den lieer (t es oogst ex, dat Hij arbeiders in ^ijn\' oogst a it stoot e.

K IX. 30—38.

tiende over de schuren.]

Zijn bezwaard hart zocht troost en verlichting ouder „zijne discipelen,quot; en Hij sprak tot hen. Hij betreurde de schaarschte der arbeiders. Er waren wel velen, die voorwendden arbeiders te zijn, maar de \'wezenlijke arbeiders waren weinig in aantal. De schoven stonden te bederven. De scharen waren bereid om onderwezen te worden, zooals de rijpe tarwe gereed is voor de sikkel; maar er waren slechts weinigen om hen te onderwijzen, en waar zou men meerdere onderwijzers kunnen vinden?

God alleen kan „arbeiders uitstoolen,quot; of uitzenden. Leeraren, die slechts door menschen tot leeraren gemaakt zijn, zijn nutteloos. Ook heden wordt de oogst meer geschaad dan gebaat door mannen, die zich wel naar het oogstveld begeven, maar de sikkel niet weten te hanteeren. Nog altijd zijn zij, die do vruchten moeten inzamelen, zeer weinig in aantal. quot;Waar vindt men leerrijke, zielwinnende evangeliebedieningen? Waar zijn de predikers, die als in barensnood zijn van wege het heil hunner hoorders ? Laat ons den Heer des oogstes bidden om zelf voor zijn\' oogst te zorgen, en er zijne eigene mannen heen te zenden. Moge menig oprecht en trouw hart bewogen worden om op de vraag: „Wien zal Ik zenden? en wie zal ons henengaan?quot; fc antwoorden: „Zie, hier ben ik,zend injj henen.quot;


-ocr page 110-

DE KONING VAA.UDIGT ZIJNE DIENAREN AF.

| Moofclst. X.

90

HOOFDSTUK X. 1—15. [De Kouin»; vaardigt zijne dienaren af ]

1. En zijne tu-aalf discipelen lot zich geroepen hchhcnde, heeft hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om ze uit te werpen, en om olie ziekte en cdle Icwale te genezen.

Zie op wat wijze apostelen gemaakt worden. Zij waren eerst discipelen, en daarna leeraren van anderen. Zij waren inzonderheid de zijnen, en toen werden zij gegeven om een zegen te zjjn voor de menschen. Hij heeft hen „tot zich geroepenquot;, en aldus is hunne hoogere roeping tot hen gekomen. In de tegenwoordigheid huns Heeren ontvingen zjj hunne toerusting; „ Hij heeft hun macht gegevenquot;. Is dit zoo met ons voor liet ambt, dat wjj bekleedon ? Laat ons tot Hem komen, opdat wij bekleed worden met zijn gezag, en omgord worden met zjj ne sterkte. Hunne macht was wonderdadig, maar zij was eene navolging van die huns Heeren, en de woorden, die er voor worden gebruikt, zijn ongeveer dezelfde, die wij gebruikt zagen voor zijne wonderen van genezing. De twaalven worden uitgezonden om hun\' Heere te vertegenwoordigen. Ook wij kunnen in staat gesteld worden om te doen, wat Jezus onder de menschen gedaan heeft. O dat wij aldus met macht mochten bekleed worden!

2. De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: dc eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedéiis, en Johannes, zijn broeder.

Do Heilige Geest heeft geen bezwaar tegen eene nauwkeurige statistiek: er waren twaalf apostelen. Dit was een volkomen getal, dat het geestelijk Israël

verbond met do natie, welke van dit geestelijk Israël het type was. Do Heilige Geest hoeft geone liefde voor het anonyme, het naamlooze, on ook evenmin voor initialen, of voorletters, die door sommigen heden ten dage worden gebruikt. Hij geeft hunne namen; en waarom ook niet? Er is in deze monsterrol acht genomen op : orde. „De eerstequot; — want over het algemeen heeft hij zich op de eerste plaats gesteld, en van wego zijne geestkracht en zijne bekwaamheid was hij ook zeer . geschikt om de eerste, do leider, te zijn — „Simon, gezegd Petrusquot;, „een steenquot;, en een zeer vaste, onwrikbare steen is hij geworden. Met hem is Andreas, zijn broeder. Het is kostelijk, als broeders naar den vleesche ook broeders zijn naar den geest. Dan komen Jakobus en Johannes, de twee zonen dos donders, van welken dc een reeds zoo vroeg een martelaar moest j worden, en do ander aan den Heere Jezus zoo onuitsprekelijk dierbaar was,

3. Filippus en BartholomcHs\\ Thornos en Maithéüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alféüs, en Lebbéiis, toe-genaamd \'radde ils,

Waarschijnljjk is Bartholoméüs Na-thanaël, dien Filippus tot Jezus geleid heeft: zij zijn uitnemend samengevoegd. Bartholoméüs wordt nooit genoemd zon-der een en; hjj was een man, die samen kon werken met anderen. Evenzoo is het ook waarschijnlijk, dat Lebbéiis 1 dezelfde is als „Judas, niet de Iscariotquot;;

hij kan door don een\' of\'anderen band : aan Jakobus zijn verbonden geweest. Merk op hoe Matthéüs ons er aan blijft herinneren, dat lijj oen tollenaar


-ocr page 111-

IToofcIst. X.| DE KONING VAARDIGT ZIJNE IlIKNARKN AF.

91

is geweest. Met heilige dankbaarheid vermeldt hij zijn voormalig beroep, opdat de genade, die hem heeft geroepen, des te duidelijker zou gezien worden. Thomas was even waarachtig door den Ileere geroepen als de anderen, al is liij dan ook moeieljjke, verbjjsterende vragen in zijn hart blijven koesteren.

4. Simon KananÜes, cu Judas Is-Icdriot, die hem ook verraden het ft.

Aldus gaan zij paarsgewijze, totdat de verrader den optocht sluit. Simon, Zelótes, de IJveraar, wordt kalm en koel gehouden door de berekenende voorzichtigheid van Judas hkarioth. 1 Judas was waarschijnlijk de beste financier van het gezelschap, en bij komt het laatste, met de beurs. Deze ! hoedanigheid maakte hem nuttig, maar zij werd verkeerd tot zijn verderf, want hij heeft zijn\' Meester voor geld verkocht. Welk een toevoegsel aan oen\' naam — „die hem ook verraden heeftquot;! God geve, dat dit nooit bij den naam gevoegd worde van een onzer! Het apostolisch getal vertegenwoordigt de twaalf stammen Israels, en voor prae- ^ tische doeleinden wordt door een getal van twaalf personen eenc groep van leiders gevormd, zeer geschikt om er mede te werken, een genoegzaam getal voor eene jury, ecu bevoegd gezelschap van getuigen.

5, (5. Deze tinudf heeft Jezas uitgezonden, en hun hevelyeyeren, zegyende: (•ij zult niet heen ff aan op den weg der Heidenen, en ff ij zult niet inffaan in eeniffc stad der Samaritanen. Maar ff((ut veel meer heen lot de verlorene sehapen van het huis Israels.

Dit was „eene zending onder de -lodenquot;, die slechts bestemd was om

het uitverkoren volk in het algemeen op te wekken, liet is een voorbeeld van eene bijzondere zending, en het wettigt dus zendingen onder eene bepaalde soort van menschen; maar het moot niet tot een voorbeeld worden gemaakt, hetwelk doet veronderstellen, dat de Ileere daarmede een\' ijzeren regel en voorschrift had gegeven voor alle zendingen. Het volk was te dion tijde gunstig gezind voor onzen Ileere, en zoo konden zijne apostelen op eene vriendelijker soort van behandeling van hen rekenen, dan men in dien tijd verwachten kon. Sommigen van deze voorschriften werden bij eene volgende zending gewijzigd, toen het volk minder welgezind was. Dit was eenc zending van Israël tot Israël. liet was niet voor de Heidenen, maar moest strikt bepaald blijven tot „het huis Israels.quot; Zelfs mocht toen het volk, dat den Joden het meest nabij kwam, niet worden bezocht: „Gij zult niet inffaan in eenicje stad der Samaritanen.quot; Het was een zoeken van do „verlorene sehapen van het huis Israels,quot; in de weiden, die bij de schaapskooi waren. Wij kunnen nu en dan godsdienstoefeningen hebben voor werklieden enz.; maar do blijvende orders luiden niet aldus; dozen zijn : „Gaat heen in do geheele wereld, predikt het evangelie aan allo kreaturen.quot;

7. I\'Jn heenffeuinde predikt, zeffffende: Het koninkrijk der hemelen is nabij ffekomen.

Hun eerste werk was hot komende koninkrijk te verkondigen, en den weg te bereiden voor den komenden Koning. Die Israëliten, welko daartoe bereid waren, mochten onderdanen worden van dit homelsche koninkrijk, en daarom werd hun do nabjjzijndo komst van hetzelve medegedeeld.


-ocr page 112-

DE KONING VAARDIGT ZIJNE DIENAKEN AF.

[Hoofdst. X.

92

8. Geneest de kranken, reinigt de melaatschen, trekt de door ten op, werjjt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.

Na hun dienstwerk volbracht te hebben aan de zielen, moesten zjj ook liet lichaam der menschen ten zogen zjjn, en aldus zouden zij de boodschap, die zij brachten, ook bezegelen door hunne wonderen. Deze werken van barmhartigheid gaan in opklimmende volgorde. Merk op de verschillende trappen. En alles moest geschieden zonder loon ot\' belooning. De macht om ze te kunnen doen, hadden zij niet gekocht, hunne wonderen moesten dus ook niet verkocht worden.

9, 10. Verkrijgt n noch goud, noch zit eer, noch kopergeld in uwe gordels, noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf: want de arheider is zijn voedsel waardig.

Voedsel of nachtverblijf behoefden zij niet to betalen: het volk zou hen om niet herbergen, en daarom hadden zij geen geld of geldswaarde noodig, ja niet eens kopergeld. Zij behoefden geen knapzak mode te nemen, want luiune spijze zou hun vriendelijk verstrekt worden door hen, die zij onderwezen en genazen. Zij moesten zich ook niet belasten met meer dan de benoodigde kleedingstukken, want, indien do weersgesteldheid het noodig maakte, zou hot volk er in voorzien; zelfs als hunne schoenen versloten mochten zijn, zouden hunne hoorders hun schoeisel bezorgen. Als eene bediening des Woords wezenlijk zogenrijk is, dan zal inoii den leeraar geen gebrek laten lijden aan do volstrekte levensbehoofton. Zij behoefden zelfs niet te wachten om een\' staf te vinden, want, indien zij zonder staf op weg waren gegaan en er toch een noodig hadden, dan zou er hun wel een verschaft worden. Onder oen bereidwillig volk is zulk eene zending niet slechts mogelijk, maar ook ten hoogste gepast, liet is niet meer dan recht en billijk, dat de menschen voorzien in de tijdelijke behoeften van hen, die hen dienen in geestelijke zaken, en hot is goed, dat er plannen gevolgd worden die, evenals hier, hun dien plicht opleggen. De prediker behoort vrij en om niet te prediken,, maar zij, die er door bevoorrecht en gezegend worden, moeten hun even vrij en om niet van het noodige voorzien. Zulk eene zending is in geen enkel opzicht eene zending onder do Heidenen. Hare wijze van werken is geschikt voor haar zelve; maar die methode zou onmogelijk zijn te volgen onder een vijandig volk. Voor hot geval, dat wij onder tegenstanders hebben te arbeiden, behoort het gebod opgevolgd te worden, dat do ITeero onder andere omstandigheden heeft gegeven. Zie Lukas XXI1 :BG, „Wie een\' buidel heeft, die neme hemquot;, enz. Voor verschillende tijden moeten verschillende methodes worden gevolgd. Ach, dat sommigen van ouzo overgeostelijke broederen toch een weinig gezond verstand hadden. Het is met een terneergeslagen hart, dat wij die bede opzenden.

11. En in wat stad of vlek (jij zult inkomen, onderzoekt, ir ie daar in waardig is; en blij ft aldaar, totdat gij daar uitgaat.

Zoekt do mensclien op, die geschikt zjjn om deel te nemen aan uwen heiligen arbeid. Welke hunne positie of\' omstandigheden ook mogen zjjn, hebt bovenal acht op hun karakter. Zoekt voor het beste work do boste menschen. lirengt uwen Moester niet in


-ocr page 113-

l)R KONING VAARDIflT Z[.TNH DIKNARKN AF.

ironfdst. X.|

93

opspraak door vcrbljjf\' to houden bij Ttienselion, dio een\' slocliton imnin liob-bcn. Maar jcaat niet van den oen naar den anderen, opdat gij niet don scliijn op ii laadt van sleelits bedelaars te zijn, die huis aan buis gaan bedelen. Blijft bij dio vrome nienscben, bij wie uwe zending begonnen is. liet zou kunnen wezen, dat gij met rijker lieden in aanraking komt; maar nooit moet gjj de tvnardige mannen en vrouwen vergeten, die u bet eerst gastvrijheid hebben bewezen. Dat zijn verstandige regelen. Gleono methode om te volgen onder de Heidonen, waar niemand ^iraardiy\'quot; genoemd kan worden. Dfiur zoeken wjj hen op, die zondig zjjn, daar gevoelen wij gezonden te zjjn tot de meest verlaagden.

12. Kn als (jij in lid huis (jaaf, zoo f/roet hetzelve.

Zegt: „Vrede zij dozen huize.quot; Woest openljjk en uitwendig zeer hofFelijk, en woest inwendig vriendelijk en welwillend. Gij komt als een zegen, komt ook mot oen\' zogen. Nooit moeten wij een huis binnentreden, zonder dat wij er hot goede voor wenschon, noch hot verlaten zonder gepoogd te hebben om liet boter te maken.

13. En indien clrd huis waardig is, zon home nw vrede orer hetzelre; maar indien het niet waardig is, zoo leeere nw vrede weder tot u.

Donk goed van allen, totdat zij door hun gedrag bewijzen, dat uwe goede meening eene dwaling, eeno vergissing is. Zogen het huis, en zoo het iraardicj is, dan zal do lleero kracht leggen in uwen zegen, en er zal vrede wonen; maar indien het huis niet waardig is, dan zal door de ordinantie uws Hoeren do zogen „tot u wederlceerenquot; en dat zal u in staat stollen om dit torug-stooten te verdragen zonder ontmoedigd te worden. H\'y kunnen over hot waardig zjjn niet oordeolon, maar do ITeere zal het doen. Wij moeten van allen het goede hopen. Wjj zullen goed ontvangen, al is het ook dat wij geen goed kunnen doen. Indien dit falen onze schuld niet is, dan zal het voor ons geen falen zijn.

14. En zoo iemand n niet zal ont-raiigen, noeh uwe woorden hooren, uitgaande uit d\'d\' huis of uit dezelve stad, schudt het stof uwer voeten af.

Weiger alle gemeenschap mot hen, die geeno gemeenschap willen hebben met uwen lleero. Woest niet vertoornd; laat or gcene bitterheid zjjn in uwe aanklacht; gij moet eenvoudig „hel stof uwer voelen afschuddenquot; en ergens anders heengaan. Gaat niet weg om ergens in het verborgen op die lieden te smalen; maar laat hen weten, dat gij hen verlaat, omdat zij uwe boodschap weigeren aan te nemen. Doet dit openlijk en op do indrukwekkendste en leerrijkste wijze, in de hoop, dat uwe daad van te vertrekken herdacht zal worden. Het is to vreezen, dat wij de verwerpers van Christus op eeno wijze behandelen, die veel te onbeduidend is, en hunne verwerping van Christus mot voel minder verfoeiing en afschuw voorstellen dan zij verdient. Wjj behooren de onboetvaardige zondaars te doen weten, dat wij hen beschouwen buiten onze gemeenschap te zijn. Indien zij niet willen hooren, dan moeten wjj hen doen zien, dat wij hen verloochenen, hen als onrein achten, omdat zij Christus Jezus verwerpen. Hoe weinig geschiedt dit door onze hedendaagsche predikers! De men-schen mogen hot evangelie verwerpen en toch de boezemvrienden zijn van


-ocr page 114-

94 DES KONINGS BODEN KUNNEN VERWACHTEN MISHANDELD TE WOUDEN. | 1 H\'dst. X.

hunne predikers. Ja zjj trachten ben zelfs van den kansel aan te moedigen in hunne onboetvaardigheid door hunne droomerjjen van cene „ruimere opvatting der Schrift.quot;

15. Voorwaar zeg ik u: het zal den lande van Sodom en Gomórra venlra-(jelijlcer zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad.

Do ges\'loekto steden der vlakto kunnen oen ontzettend oordeel verwachten, maar hun lot zal toch niet zoo ondragelijk zijn als dat van hen, tot wie het evangelie zoo vrij en ruimschoots gebracht is, maar die doszelfs boden niet willen ontvangen, ja zelfs hunne woorden niet willen aanhooren. Mot welk oen ontzag on majesteit worden door deze bedreigingen beide do prediking en het hooron van het koninkrijk omgeven! Onze lleere bezegelt zijne ontzaglijke profetie niet een Voortvaar, en mot de plechtige inleiding: „Zeg ik uquot; Hier zendt onze eeuwig gezegende Koning zijne koninklijke gezanten met de orders om hot Joodsche volk op te roepen om hun\' Souvoreinen Hoer te erkennen; en Hij ondersteunt hen in hunne zending door cene ontzettende bedreiging van oordeelen over hen, dio hen niet willen ontvangen, of niet willen luisteren naar hunne woorden.


11 O O F 1) S T U K X. IG—25.

[Des Kouiii^s boden kunnen verwacüteu mishandeld te worden.]

Ki. Ziet, ik zeilde u als schapen in 1 het midden der wolven: zijl dan voor- \\ zichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.

„Ziet.quot; Onze Hoero vraagt om onze bijzondere aandacht, cn dan stolt Hij voor zijne gezondenen, beide van toen en van nu, wat do toekomst zal zijn van hun\' kruistocht. Wat Hij deed was zoor verwonderiijk. vandaar dit „Ziet!quot;

Hot zou roekeloos zijn om te gaan, indien Jezus niet zeide: „Ik zenden.quot; Als Jezus schapen uitzendt, dan kunnen zij onbevreesd in „het midden der wolvenquot; gaan. iiy zendt hen, niet om i mot de wolven to strijden, noch om hen uit hunne schuilhoeken to verdrijven, maar om hen van gedaante en van aard te doen veranderen. Do discipelen werden gezonden tot woeste.

harde menschcn om hen te overtuigen van zonde, en daarom moeten zij wijs, voorzichtig zijn; en om hen te bekeeren, en daarom moeten zij zachtmoedig wezen. De wapenen der Christenen bestaan in hun ongewapend zijn. Zij moeten voorzichtig zijn „gelijk de slangen,quot; maar zij moeten ook liefdevol, vreedzaam zijn, „oprecht gelijk de duiven.\'\'\'\' Do Cliristenzondeling zal grooto voorzichtigheid noodig hebben om te voorkomen, dat hem kwaad wordt gedaan, maar hij moot toch ook oprecht van aard zijn, opdat hij geen kwaad doe. Wij zijn geroepen om martelaars to zijn, maar niet om waanzinnigen te wezen; wij moeten eenvoudig, niet kinderachtig of onnoozel zijn.

En mot dat al is do zending van schapen onder wolven toch zeer hoopvol, daar wij ook in do natuurlijke wereld zien, dat dc schapen met al


-ocr page 115-

11 Kist. X.] DUS KONINGS BODEN KUNNEN VERWACHTHN MISHANDELD TE WORDEN. 95

hunne zwakheid toch voel talrijker zjjn dan do wolven met al hunne kracht en woestheid. Do dag zal komen, wanneer do vervolgers oven scliaars zullen zijn als do w olven, en do heiligen oven talrijk als de schapen.

lleero, wil mij in hot werk, dat ik voor U doe, zóó onderwijzen, dat ik dio wondervolle veroeniging in mjj openbaar van slang on duivo, die Gij uwen dienstknechten hier aanbeveelt. Laat mij nooit voor andoren worden als oen wolf, maar moge hot mij gegeven worden om door do zachtmoedigheid eons lams te overwinnen!

17, 18. Maar wacht n voorde men-schen: want zij zullen n overleveren in de raadsvergaderingen, en in hunne synagogen zullen zij n geeselen; en gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid 11 orden, om mijnentwil, hun en den Heidenen tot getuigenis.

„Wacht n voor de menschenquot;. Stount niet op hen, beschouwt hen niet als helpers of modoarbeidors in het oprichten van het koninkrijk dor homelen; en tracht ook niet uw getuigenis te verflauwen om hot hun naar don zin te maken. Streeft niet naar hunne goedkeuring, en hecht geone grooto waarde aan hunne gunst. Zij zullen u niet boschormen, u geen schuilplaats verleenen, maar „u overleverenquot;. Zij zullen geone schikkingen maken om u gastvrijheid to verleenen, maar om u aan te klagen „in de raadsvergaderingen\'quot;. Zij zullen u niet beladen met cereteekenon, maar u geeselen in hunne plaatsen van bijeenkomst. Aldus zouden Israëlieten door Israëlieten worden bo-haudold. Do wreedheid aangeduid door do woorden: „in hunne synagogen zullen zij u geeselen\'\'\'\' moet voorzeker eeno verfijning van boosaardigheid zijn geweest; maar bij sommige monachen maakt vervolging een deel van hun\' godsdienst uit. De boosaardigheid der Joden zou do tusschonkomst van Hei-densche overheidsporaonen en vorsten inroepen Ook dozen zullen vervolgers worden, en voor hunne rechtbanken zullen do heiligen hebben te pleiten voor hun loven. Daar dit echter o/w Chridits wil zou wezen, zullen zij ook in staat gesteld worden om te getuigon voor hun\' lleero, en tegen zijne vijanden. Alleen op die wijze \'iowien stadhouders en koningen hun getuigenis kunnen hooren, en daarom moesten zij de dagvaarding welkom hooton, die hen voor aardsche hoorscliors bracht.

Ouzo houding moet voorzichtig wezen tegenover do mensehen. Wij mooton ons niet aan hen toevertrouwen en niet steunen op hunne bescherming; maar wij moeten tegelijk iedere gelegenheid aangrijpen, om bij hou te getuigen voor onzen Hooro. Onze Heer en Beschermer is in den hemel.

19. Doch, wanneer zij u overleveren, zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult: want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult.

Als gij voor don rechter staat, of op hot punt zijt van voor hem gebracht te worden, zoo kwelt u niet over do vraag „hoe of wat gij spreken zult.quot; Woest noch bezorgd over den inhoud, noch over den vorm uwer verdediging. Indien gij oen waar dienstknecht dos Hoeren zijt, dan zijt gij de woordvoerder van don Heiligen Geest, en Hij zal eeno kalme gemoedsgostoldheid in u werken, en ook de gepaste woorden zullen u „gegeven worden.quot; Hij zal in en door u spreken. De Vader zelf zal u in die ure hot geschiktste antwoord voor uwe tegenstanders in don mond geven. Dit is verwonderlijk waar ge-


-ocr page 116-

90 DRS KONINOS nOPRN KUNNRN VKliWAflITKN MISIIANDKI.n TK WOUDKX. | HCdst. X.

wcost. in vorige ecuwon ton opzichte | van do martolavon voov do waarheid, on de kloekmoedige verdedigers des geloofs zillion nog dezelfde soort van leiding ontvangen. Groote geleorden worden soms door eenvoudige boeren in verlegenheid gebracht, on nederige | vrouwen bobben dikwijls door haar j kinderlijk geloof de drogredenen van doctoren in de theologie beschaamd.

20. Want (lij zij! hel niet, die Kptrdd, manv het is de Geest nws Vaders, die. in a spreek\'.

Ten allen tjjdo zijn do mannen Gods eenvoudig Gods werktuigen geweest. Onze lleere Jezus verklaarde niet van zich zolven te spreken, maar van den Vader, en dit wil Hij ook van zijne getrouwe getuigen. Zjj spreken, en toch spreken zij niet; God zwijgt en toch spreekt 11 jj door hen.

21. En de eene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de rader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen dooden.

Uit bittere twisten over den godsdienst is onnatuurlijke haat voortgekomen. Do oude slang heeft niet slechts getracht de betrekking te vergiftigen, waarin het schepsel staat tot den Schepper, maar zelfs die, waarin hot kind staat tot zijne ouders en de ouders tot het kind. Broeders kunnen onbroederlijk worden, en alle andere betrekkingen onnatuurljjk, als men onder de heerschappij komt van godsdienstige dweperij. In tijden van vervolging kunnen wij van hen, die geeno liefde hebben voor God, geene liefde verwachten voor ons zeiven. Het zou onmogelijk hebben kunnen schijnen, dat bloedverwanten gewillig zouden /.ijn om elkanders dood te bewerken; maar do geschiedenis heeft overvloodig-lijk bewezen,datonzes 1 loeren woorden volstrekt niet te sterk waren. Hij kende het nienschelijk hart, en waarschuwde zijne discipelen voor de mee-doogenloozo stormen, waardoor zjj tengevolge van der menschcn vijandschap tegen do waarheid geteisterd zouden worden.

22. En (/ij zult van allen gehaat u-orden om mijnen naam; maar die volstandig zal blijven tot hel einde, die :lt;:(d zalig ivorden.

Dat zijn ontzettende woorden, maar zij zijn waar. Indien wij getrouw zjjn, dan zullen wij noodwendig vijanden maken. Het is alsof Jezus zegt: De klassen der maatschappij en de massa der monschen zullen zich tegen u koeren vanwege den naam, do leer en de regee-ring van uwen Meester. Nu eens zal do vorst des lands, en dan weder de heffe des volks tegen u woeden ; maar hetzij van den een of van de anderen, of van beiden tegelijk, altijd zal er tegenstand tegen u ontstaan, „(lij zult van allen gehaat ivorden om mijnen naamquot;, dat was het storm-signaal, waarmede do elkander opvolgende vervolgingen werden aangekondigd. Dat signaal kan iu de orde der goddelijke voorzienigheid opnieuw worden vertoond. Zalig zij, die vervolging kunnen verdragen, on kunnen volharden „tot het einde\' der beproeving, -- hot einde des levens of der bedoeling. Do zoodanigen zullen zalig worden, maar die door den tegenstand worden overwonnen, zijn verloren.

Moge do lleere ons bereiden om ook onder de grootste onvriendelijkheid te kunnen volharden, tot dat de dag des oordeels aanbreekt, of tot dat Hij zelfs I onze vijanden met ons bevredigt.


-ocr page 117-

Ilfdst. X.] DES KONINGS r.ODEN KUNNEN VERWACHTEN MISHANDELD TE WORDEN. 97

23. Wanneer zij u dan in deze stad vervol(jen, vliedt in de andere; want voorwaar zeij ik u: (jij zult aire reize door de steden Israels niet geëindigd hebben, of de Zoon des menschen zal (jekomen zijn.

Zij moesten aan hun werk blijven en in allo stoelen Israels prediken; maar om aan liet gevaar te ontkomen in lt;le óéno stad, moehten zij vlieden naar cono andere. Zjj moesten in geene stad blijven om mot de overheid te twisten en ongeregeldheden te doen ontstaan; maar bij wreeden tegenstand snel heengaan. Het is uiterst dwaas om de menschen don godsdienst op te willen dringen; want de godsdienst wordt wèl door zachtlieid bevorderd, maar niet door geweld. Indien eene stad do wapens opvat tegen een\' prediker, zoo laat hem heengaan naar eene plaats, waar hij minder tegenstand zal ontmoeten.

Er zullen altijd steden overblijven die het licht van noode hebben; omdat er dus steden zijn, die hunno poorten voor hen sluiten, zullou zij hun\'arbeid daarom niet behoeven te staken. Er zijn nog vele woeste gronden te ontginnen, laten zij zich dan honenspoo-don naar nieuwe arbeidsvelden, om van daar een\' oogst in te zamelen.

Maar terwijl zij van plaats veranderden, moesten zij zich toch aan hun plan blijven houden. Hunne zending tot Israël moest in alle opzichten met snelheid volbracht worden, want weldra zou do Heoro het land bezoeken ten oordeel; en zij zouden nauwelijks den tijd hebben om !;et in zijn geheel te doorloopen, vóórdat do dag dor genade voor Israël, als natie, wonende in hun eigen land, voorbij zou zijn. Do vervolging, die zij leden inde éóne stad, moost hunne schreden verhaasten naar eene andere, om alzoo het snelle bezoek aan het geheole land to bevorderen.

Zij moesten niet aarzelen, om eene stad te verlaten, die geene hoop gaf\' om er goed te kunnen doen, want zij hadden geen tijd om er te blijven verwijlen. Even naarstig en ijverig moeten wij uitgaan om do wereld te evangeliseeren, geloovende,dat wij geen uur te verliezen hebben om te kunnen dralen en talmen. Indien zijne wederkomst weldra plaats hoeft, dan zou dit zijn, vóórdat alle volkenen stammen zijn evangelie hadden gehoord, en dit moot niet geschieden. Er behooren velen her- en derwaarts te gaan, om de kennis te verspreiden van het kruis. Indien wij dit niet gewillig doen, dan zou het wel eens kunnen zijn, dat wij er toe worden gedwongen, want vervolging is altijd een prikkel geweest voorde Kerk. Laten wij ons benaarstigen in onze heilige roeping, en het evangelie prediken terwijl wij dit kunnen doen in vrede, want er zouden moeiehjke, gevaarvolle tijden voor ons kunnen aanbreken, of\' wel do lleere zelf kan verschijnen, eer wij er aan donken.

24, 25. De discipel is niet boren den meester, noch de dienstknecht hoven zijn\'\' heer. Het zij den discipel (joioeii, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den heer des huizes Beelzebul hebben geheeten, hoe veel te meer zijne huis-genooten!

De leerling is niet voortreffelijker dan de leermeester, noch de dienstknecht dan zijn heer. Wie zou zulk een onderstbovonkeering wenschen te zien van alle orde en regel? Indien ons dus minder eerbied werd betoond dan aan onzen Heere, dan zouden wij toch nog tevreden hebben moeten zijn. Als wij dezelfde behandeling ontvangen als onze Meester, dan is ons dit eere genoeg, en meer dan wij recht hebben


-ocr page 118-

Of) DUS ICON\'IN\'(IK BOPRN KUNNEN VKRWAOIITUN MISHANDKI.P TK WORPEN. 111(\'dat. X.

woost in vorige ecuwon ten opzichte van do martelaren voor do waarheid, en do kloekmoedige verdedigers dos geloofs zullen nog dezelfde soort van leiding ontvangen. Grooto geleerden worden soms door eenvoudige boeren in verlegenheid gebracht, en nederige vrouwen hebben dikwijls door haar kinderlijk geloof do drogredenen van doctoren in de theologie beschaamd.

20. Want (jij zijl hd niet, dir npvcxht, nuifi)\' het is (ii\'fxt mi\'s I (k/its, die in ii spreekt.

Ten allen tijde zijn de mannon Gods eenvoudig Gods werktuigen geweest. Onze ITecre Jezus verklaarde niet van zich zclven te spreken, maar van don Vader, en dit wil Hij ook van zijne getrouwe getuigen. Zij spreken, en toch sproken zij niet; God zwijgt on toch spreekt Hij door hen.

21. En de eene broeder zal den anderen broeder overleveren lol den dood, en de rader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen dooden.

Uit bittere twisten over don godsdienst ia onnatuurlijke haat voortgo-koinon. Uo oude slang heeft niet slechts getracht de betrekking te vergiftigen, waarin hot schepaol staat tot don Schepper, maar zelfs die, waarin het kind staat tot zijne ouders en do ouders tot het kind. Broeders kunnen onbroederlijk worden, en alle andere betrekkingen onnatuurlijk, als men onder de heerschappij komt van godsdienstige dweperij. In tijden van vervolging kunnen wij van hen, die geene liefde hebben voor God, geene liefde verwachten voor ons zeiven. Het zou onmogelijk hebben kunnen schijnen, dat bloedverwanten gewillig zouden

zijn om elkanders dood te bewerken; maar do geschiedenis hoeft overvloedig-lijk bewezen, datonzes lleeron woorden volstrekt niot te sterk waren. Hij kende hot monschelijk hart, en waarschuwde zijne discipelen voor do moe-doogenlooze stormen, waardoor zij tengevolge van der menaehen vijandschap togon de waarheid geteisterd zouden worden.

22. En gij zult van alten (jehaat word en om mijnen naam; maar die vohtandig zal hl ij ren tot het einde, die ^al zalig icorden.

Dat zijn ontzettende woorden, maar zij zijn waar. Indien wij getrouw zijn, dan zullen wij noodwendig vijanden maken. Ifet is alsof Jezus zegt: De klassen der maatschappij en de massa der monschon zullen zich tegen u koeren vanwege den naam, do leer en de regce-ring van uwen Meester. Nu eens zal de vorst des lands, on dan weder de lioffe des volks tegen u woeden; maar hetzij van don oen of van de anderen, of van beiden tegelijk, altijd zal er tegenstand tegen u ontstaan, „(lij zult van allen gehaat ivorden om mijnen naamquot;, dat was het storm-aignaal, waarmede de elkander opvolgende vervolgingen werden aangekondigd. Dat signaal kan in do orde dor goddelijke voorzienigheid opnieuw worden vertoond. Zalig zij, die vervolging kunnen verdragen, en kunnen volharden „fol het eindequot; der beproeving, — het einde des levens of der bedoeling. De zoodanigen zullen zalig worden, maar die door den tegenstand worden overwonnen, zijn verloren.

Moge do ITecre ona bereiden om ook onder de grootste onvriendelijkheid te kunnen volharden, tot dat do dag dca oordeels aanbreekt, of tot dat Hij zelfs onze vijanden met ons bevredigt.


-ocr page 119-

llfdst, X.l DES KONINGS ÜODËX KUNNEN VERWACHTEN MISHANDELD TE WORDEN. 97

213. Wanneer zij u dan in deze stad vervol (jen, vliedt in de andere; ivant voor waar zexj ik u: cjij zult uwe reize door de steden Israels niet (jeëlndigd hebben, of de Zoon des menschen zal gekomen zijn.

Zij moesten aan luin werk blijven en in alle steden Israels prediken; maar om aan het gevaar te ontkomen in de ééne stad, mochten zij vlieden naar eene andere. Zij moesten in goene stad blijven om met de overheid te twisten en ongeregeldheden te doen ontstaan; maar bij wreeden tegenstand stiel heengaan. Met is uiterst dwaas om de menschen den godsdienst op te willen dringen; want do godsdienst wordt wel door zachtheid bevorderd, maar niet door geweld. Indien eene stad de wapens opvat tegen een\' prediker, zoo laat hem heengaan naar eene plaats, waar hij minder tegenstand zal ontmoeten.

Er zullen altijd steden overbljjven die het licht van noode hebben; omdat er dus steden zijn, die hunne poorten voor hen sluiten, zullen zij hun\' arbeid daarom niet behoeven te staken. Er zijn nog vele woeste gronden te ontginnen, laten zij zich dan henonspoe-den naar nieuwe arbeidsvelden, om van daar een\' oogst in te zamelen.

Maar terwijl zij van plaats veranderden, moesten zij zich toch aan hun plan hljjven houden. Hunne zending tot Israël moest in alle opzichten met snelheid volbracht worden, want weldra zou de lleere hot land bezoeken ten oordeel; en zij zouden nauwelijks den tijd hebben om het in zijn geheel te doorloopen, vóórdat de dag der genade voor Israël, als natie, wonende in hun eigen land, voorbij zou zijn. Do vervolging, die zij leden inde ééne stad, moest hunne schreden verhaasten naar eene andere, om alzoo het snelle bezoek aan hot geheele land te bevorderen.

Zij moesten niet aarzelen, o;n eene stad te verlaten, die geene hoop gaf\' om er goed te kunnen doen, want zij hadden geen tijd om er te blijven verwijlen. Even naarstig en ijverig moeten wij uitgaan om do wereld te evangoliseeren, gcloovende,dat wjj geen uur te verliezen hebben om te kunnen dralen en talmen. Indien zijne wederkomst weldra plaats heeft, dan zou dit zijn, vóórdat alle volken en stammen zijn evangelie hadden gehoord, cn dit moet niet geschieden. Er behooren velen her- en derwaarts te gaan, om de kennis te verspreiden van het kruis. Indien wij dit niet gewillig doen, dan zou het wel eens kunnen zijn, dat wij er toe worden gedwongen, want vervolging is altijd oen prikkel geweest voor de Kerk. Laten wij ons benaarstigen in onze heilige roeping, en hot evangelie prediken terwijl wij dit kunnen doen in vrede, want er zouden moeielijke, gevaarvolle tijden voor ons kunnen aanbreken, of wel do lleere zelf kan verschijnen, eer wij er aan denken.

24, 25. Dc discipel is niet horen deii meester, noch de dienstknecht hoven zijn\' heer. liet zij den discipel (jenoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den heer des huizes Beelzebul hebben gehecten, hoe veel te meer zijne huis-genooten!

De leerling is niet voortreffelijker dan de leermeester, noch de dienstknecht dan zijn heer. Wie zou zulk een onderstbovenkeering wenschen te zien van allo orde cn regel? Indien ons dus minder eerbied werd betoond dan aan onzen lleere, dan zouden wij toch nog tevreden hebben moeten zijn. Als wij dezelfde behandeling ontvangen als onze Meester, dan is ons dit eere genoeg, en meer dan wij recht hebben


J

-ocr page 120-

m; KOM Nd H HM 013 Did T ZIJNE STRIJDERS.

| IToofdst. X.

OH

to verwacliten. Indien dan do Hooi\' dos huizos wordt vorgolokon bjj Beël-zchtil, don vliogon-god dor Filistijnon, aldus genaamd naar don overste der demonen, welke namen zullen zij ons dan geven? Ongetwijfeld zal hun ver- 1 nuCt gescherpt worden door hunne kwaadwilligheid, en het sarcasme zal j woorden verzinnen, welke doorvlijmend zijn als dolken, of snijdend als messen. I Gode zij dank, zij mogen ons nonnen | zoo als zij willen, doch ons slecht maken, ! dat kunnen zij niet. Zij kunnen en ; willen onze namen brandmerken als ! slecht; want het goed noemen zij kwaad, i en het kwaad goed. God werd belasterd in het Paradijs, en Christus op Cal-varië, hoe kunnen wij dan hopen aan den laster te zullen ontkomen? Laat ons, in plaals van het kruisdragen te willen vermijden, tevreden zijn om voor onzen Koning smaad en schande te

HOOFDSTl [He Koning- bemoei

2G. Vreest dan hen niet: want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt icorden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten u-orden.

De koning duidt de redenen aan om moed to betoenen, zeggende: „ Vreed dan hen niet.v Hebt goeno vrees voor laster; uw Heere en Moester heeft do volle woede van dien meedoogenloozen storm verduurd. Vreest goeno verkeerde voorstel lingen, wan t de grooto God zal oerlang recht doen wedervaren aan uw karakter. Gij en uwe lasteraars zult beiden in het licht der waarheid worden gezien. Al zoudt gij nu ook „bedekt\'\' worden door smaad, uwe oprechtheid en eerlijkheid verduren. Laat het onze eerzucht wezen om in alle dingen on~en Meester (/elijk te zijn. Daar wij tot zijn „Imis\' bo-hooren, moeten wij ons verblijden om hot lot van „den heer des hnizes\' te mogen deelon. Hot is zulk eene grooto oer om lot het koninklijk gezin to behooren, dat geen prijs te hoog is, dien wij daarvoor moeten betalen. Don beekle huns Hoeren al meer en meer gelijkvormig to worden, dat is do heorljjkheid der heiligen. Te wezen als zijn heer, dat is van ieder waar dienstknecht de hoogste core, waarnaar hij streeft.

O Hoere Jezus, onze Heiland en Koning, wij zien, hoe Gjj behandeld werdt, en het is mot blijdschap, d;it wij gemeenschap gevoelen met uw lijden! Schenk ons genade om nooit van onze trouw aan U af te wijken, hoe duur dit ons ook moge te staan komen!

K X. 20—42.

i»t zijne strijders.]

zullen „ontdektquot; worden; en al is uwe wezenlijke waardij „verborgen,quot; zij zal toch eenmaal worden gekend. Geheime slechtheid en geheime deugd zullen beiden in hot volle daglicht worden geplaatst. Smaakt reeds bij voorbaat het goede, dat u in do toekomst wacht, maar laat u niet door het heden overstelpen.

27. Hetgeen ik u zeg in de duintern is, zegt het in het Held; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.

God is de grooto Onthuller, en gij behoort Hem na to volgen door do waarheid bekend te maken aan de men-


-ocr page 121-

IfoofiJst. X.|

sclien. Gaat voort, geloovigen, gaat voort mot uw werk van (iods mond to zijn. Ontvangt in uwe stille overdenking oene boodscha;) van Hem, en maakt liaar dan alom bekend. Hoort het als een fhiistoron in uiv ooi\\ on verkondigt het dan met eene stem, die alom wordt gehoord, evenals een omroeper in liet Oosten, die zich naar hot hoogste punt van do stad begeeft, en zijne boodschap allo menschen doet hooren van de dalem. Houdt het studeervertrek en do binnenkamer buiten hot gezicht, komt daar in het verborgen samen met Jezus, maar zet dan den kansel van uw getuigenis op eene plaats, die zoo publiek mogelijk is. Indien gij „w de dulstentisquot;\' zijt van krankheid ol\' benauwdheid, luistert naar Hem, wiens stem in de dikste duisternis wordt vernomen, en „zegt in het liclitquot; welke nuttige lossen gij daar hebt geleerd.

Hoere, laat niemand onzer spreken, vóórdat Gij tot hom hebt gesproken, maar laat hem dan ook niet zwijgen. Mochten al uwe discipelen naar U luisteren, on dan hunne door vuur aangeraakte tong gebruiken in uwen dienst, om uwe zaak te bevorderen!

28, En vreest 11 niet voor degenen, die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen doodeii; maar vreest veel meer Hem, die heide ziel en lichaam kan verderven in de hel.

Dit vors, volgende op hot vooral-gaande, verbiedt ons om uit menschen-vrees ons getuigenis achterwege to laten. Wij mogen van wege don tegenstand dos vijands niet meer zeggen en niet minder zeggen. Een machtig argument tegen vrees is de betrekkelijke zwakheid van den vijand. Do menschen kunnen slechts het mindere doel van ons wezen, namelijk hot lichaam, wondon, maar de ziel kunnen zij niet dood en.

Maar zjjn wij ongohoorzaam aan God, den oppermachtigon Hoor van loven en dood, Hij heeft macht om beide doelen van ons bestaan te verderven, door ze beidon neder te werpen in don dood en de duisternis der Gehenna, of der hel. Laat ons den Grootero vreezen, dan zullen wij den mindere niet vreezen. God te vreezen is het boste middel om ons van menschen-vrees te genezen.

29—31. Worden niet twee muschjrs om oen penningsken verkocht? Kn niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uwen \\\'ader. En ook awe haren des hoofds zijn allen geteld.

Ilior is eene predikatie tegen vrees, en de tekst dier prediking is muschjes. Die vogels hebben slechts zeer geringe waarde, en gij zijt van oneindig meer gewicht en belang dan velen hunner. God bemerkt don dood van oen muschje, maar veel meer merkt 1 lij op het leven en don dood zijns volks. Zelfs het geringste deel van hot lichaam zijner kinderen is geregisterd, als hot ware. Ook de haren hans hoofds zjjn getold en opgo-teekond. Geheel luin leven, tot inde kleinste omstandigheden is onder de schikking en regeling van den Heer der liefde. Hot toeval is ons credo niet: hot raadsbesluit van den eeuwigen Wachter beheersebt ons loven, en in lederen regel van dat raadsbesluit staat liefde to lezen.

Daar ons door hot eigenaardige gedrag der menschen geen leed kan wedervaren zonder den wil en de toelating van onzen Vader, zoo laat ons bereid zijn om mot heilige kloekmoedigheid alles te dragen wat de toorn dos mensehen over ons brengen kan. God zal hot loven van geen enkelen zijner krijgsknechten verspillen, ja, niet eons eon haar van hun hoofd.

IM3 KONING DEMOKDIOT ZIJNE STRIJDERS. !)!)


-ocr page 122-

DE KONING BEMOEDIOT ZIJNE STUI.IDEUS.

[Iloofdst. X.

100

Indien wij in Gods krijar\'sterven, dan zullen wij in don hoerlijksten zin des woords loven, want door het leven te verliezen, gewinnen wij het loven.

32, 33, Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijn1 Vader, die in de hemelen is\', maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijn\' Vader, die in de hemelen is.

Omdat de goddelijke voorzienigheid heerscht over allen, is hot lot der ge-loovigen veilig, bovon hot bereik van vrees of van lood, en zij moeten niet terugdeinzen voor het vrijmoedigst belijden van hun geloof uit vrees van het loven tc zullen verliezen. quot;Wat wij te doen hebben is Christus te belijden voor de menschen. In Hem heeft de waarheid, die wij belijden, haar begin, haar middenpunt en haar einde. Ouzo geloofsbelijdenis is een belijden van Christus. Hij is onze theologie, ons Woord van God. Welk cone blijdschap, welk een genot om Hem thans te belijden. Welk een loon om hiernamaals door Hem beleden te worden in de wereld der heerlijkheid! Hot zal eene zware beloodiging zijn tegon den grooton God, dien Jezus twee malen noemt: „mijn Vader, die in de hemelen isquot;, indien wij nalaten zijn\'Zoon te belijden op de aarde.

Het is duidelijk, dat Jezus „rerloo-chenen^ aan dezo plaats beteek ent Hem niet te belijden. Welk. eene ernstige vermaning voor den lafhartigen ge-loovige! Kan een geloof, dat niet beleden wordt, zalig maken? Te leven en te sterven zonder Christus te belijden voor dc menschen, dat is zich aan een ontzettend gevaar blootstellen. Zijne belijdenis te herroepen en Christus op te geven, dat moet eene gruwelijke misdaad wezen, en de straf hiervoor is iets vreeselijks om aan te denken. Door Jezus verloochend te worden voor zijn\' Vader die in de hemelen is! Welke hel kan erger wezen dan deze?

Heere, laat ik mij toch nooit schamen om U tc beljjden voor welk gezelschap het ook zij. Werk door uwen Heiligen Geest oen\' kloekmoedigen geest in mij. Laat mij, welke de geest der eeuw ook zij, voor uwe waarheid uitkomen, uwe kerk hoog houden, wanneer zij het meest in verachting is, uwe geboden opvolgen, wanneer mij dit het duurst tc staan komt, en roemen in uwen naam, wanneer er de meeste smaad over wordt uitgestort.

34—3G. Meent niet, dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; ik hen niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard: want ik ben gekomen, om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn\' vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder; en zij zidlen des menschen vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn.

Vrede zal van des Hoeren komst het oindgovolg zijn; maar in den beginne is het een zwaard, dat Jezus onder do menschen brengt. Hij voert oorlog-tegen den oorlog, en met de twisting-twist Hij. Terwijl Hij den vrede des hemels teweegbrengt, wekt Hij de woede op dor hol. Do waarheid wekt tegenstand op, reinheid verwekt vijandschap, cn gerechtigheid brengt al do kracht van het onrecht in beweging.

Gedurende het proces der gisting, waarin het recht naar de opperheerschappij streeft, hebben natuurlijke betrekkingen hoegenaamd gcono kracht of invloed om den vrede te bewaren. Do komst van Christus in een huis is dikwijls do oorzaak van tweedracht


-ocr page 123-

DE KONING liEMOEDIQT ZIJNE STRIJDERS.

Iloofdst. X.]

101

tusschcn de bekeerden en de onbo-keerden. Hoe liefdevoller een Christen is, hoe meer bij kan worden tegengestaan : liefde verwekt een\' toedoren ijver voor de zaligheid van vrienden, en hec is juist deze ijver, die dan hun\' toorn opwekt. Dit hebben wij te verwachten, en daarom moet hot ons niet vertoornen, als het ons overkomt. Haat of wrok van wege don godsdienst doet dikwijls do heftigste vijandschap ontstaan, en het vuur dezer vijandschap zal dan door bloedverwantschap eerder aangewakkerd dan gebluscht worden. Wat er echter ook van kome, wij moeten voortgaan met den lleere te belijden. Al zou ook ons eigen huis als een leeuwenkuil voor ons worden, toch moeten wij pal staan voor onzen Heero. De lieden van „vrede tot eiken prijsquot; hebben geen deel in dit koninkrijk.

lleere, leer Gij ons, hoe wij ons onder zoo moeielijke omstandigheden hebben te gedragen.

37. Die vader of moeder liefheeft hoven mij, is mijns niet ivactrdig; en die zoon of doe/der liefheeft hoven mij, is mijns niet uriardiy.

Christus moet de eerste zijn. Hierin maakt Hij aanspraak op de hoogste plaats in ieder menschelijk hart. Zou hij dit hebben kunnen doen, indien Hij niet goddelijk was? Geen gewoon profeet zou op die wijze hebben gesproken. Toch bemerken wij niet do allergeringste zelfzucht in die woorden, on evenmin hebben wij het gevoel alsof Hij te ver ging. Wij zijn ons bewust, dat de Zone Gods, en Hij alleen, het recht heeit om aldus te spreken.

Wij moeten er ernstig op bedacht zijn om van onze geliefden geene afgoden te maken door hen meer lief to hebben dan Jezus. Nooit moeten wij hen nabij don troon plaatsen van onzen Koning. Wij zijn niet waardig om hier Boven bij Christus te *vonen, ja zelfs niet om met Hem vergezeld te worden hier beneden, indien wij eenig aardsch voorwerp waardig achten om zijn mededinger te zijn.

Vader en moeder, zoon en dochter — wij zouden alles willen doen om hun genoegen te geven, maar indien zij tegenover Jezus staan, dan mogen zij ons geen enkel oogenblik in onze trouw aan den Heere doen wankelen.

38. Kn die zijn kruis niet op zich neemt, en mij navolgt, is mijns niet waardig.

Voor de tweede maal brengt do Heero in dit evangelie hier zijn\' dood ter sprake. Eerst sprak Hij er van, dat Hij van hen weggenomen zou worden; maar nu spreekt Hjj van het kruis. Er is voor iederen mensch een kruis, dat hij als rzijn kruisquot; kan beschouwen. Het kan wezen, dat het kruis ons niet zal opnemen; maar wij zullen het moeten opnemen, door go-willig te zijn alles te verduren om Christus wil. Wij moeten het kruis niet achter ons aan slepen, wij moeten hot opnemen. „Kruisen, die men sleept, worden zwaar, kruisen, die men draagt, worden lichtquot; Hot kruis dragende, moeten wij Jezus navolgen; een kruis te dragen zonder Christus te volgen, dat is armzalig! Een Christen, die hot kruis schuwt, is geen Christen; maar een kruisdrager, die Jezus niet volgt, mist evenzeer het doel. Is het niet vreemd, dat niets zoo onmisbaar is om iemand Christus waardig te doen zijn als Hem het kruis na te dragen? Toch is dit zoo, en wel ontwijfelbaar. Heero, G jj hebt mij een kruis opgelegd, geef mij het nooit te willen ontwijken, noch er voor terug te deinzen.


-ocr page 124-

DK KONING BEMOEDIGT ZIJNE STRIJDERS.

I rrooffist. x.

102

39. Die zijne ziel vindt, zal ze verliezen, en die zijne ziel zal verloven hebben om mijnentwille, zal ze vinden.

Indien hij, om aan den dood te ontkomen, Christus verzaakt, en aldus cene voortduring vindt van dit armzalig, sterfelijk leven, zal hij juist daardoor het ware leven verliezen. Hij gewint het tijdelijke ten koste van het eeuwige. En van don andoren kant, hij, die om Christus wil hot leven verliest, zal in don hoogsten/.in dos woords hot leven vinden, het eeuwige, hot oneindig zalige loven. Dio monsch doet wol do boste keuzo, die zijn leven voor Jezus overgeeft, on in Jezus loven vindt.

40. Die u ontvangt, ontvangt mij; en die mij ontvangt, ontvangt Hem, die mij gezonden heeft.

Welk cene zalige eenheid en heilige gemeenschap bestaat er tussohen don Koning en zijne dienstknechten! De woorden, die voor ons liggen, zijn inzonderheid waar van do apostelen, tot wie zij hot eerst gericht waren, liet apostolisch onderwijs is hot onderwijs van Christus. Do twaalven te ontvangen, dat is hun lloore Jezus te ontvangen, dat is God zei ven te ontvangen. Er zijn in onze dagen leeraren, die de brieven minachten, welke door de apostelen geschreven waren, maar die dit doen, maken hierdoor zich zeiven voraehteljjk. Dat is oen der stelligste konteekonen van rechtgeloovigheid. „Die God kont, hoort onsquot;, zegt Johannes. Door doze uitspraak krijgen de liedondaagscho critici het hard te verantwoorden, daar zij op huichelachtige wijze voorwenden Christus to ontvangen, en dan do apostelen verworpen, die door Hom geïnspireerd waren.

Heero, leer mij uw volk in mijn

hart te ontvangen, opdat ik aldus IJ mogo ontvangen, en mogo het U behagen ton opzichto van do leer, die ik heb aangenomen, mij te bevestigen in het geloof dor apostelen.

41. Die een\'\' profeet ontvangt inden naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen, en die een vecht-vaardige ontvangt in den naam eens reehtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.

Do mensclien kunnen oen\' profeet ontvangen als patriot, of als dichter; maar dat is niet liet punt in cinaostio, niet dc zaak, waar hot op aan komt. Do profeet moet ontvangen worden in zijne hoogste hoedanigheid, „in den naam eens profetenquot;, on om zijns lleeren wil. Dun wordt de Heero zolt ontvangen, en dan zal Hij den ontvanger beloon en op dezelfde wijze, als die, waarop zijn profeet beloond is. Indien wij al de gocdo daden niet kunnen doen van een1 rechtvetardige, dan kunnen wij toch deelen in zijn geluk door gomeonselmp met hem to hebben, en door ons met hem tc vereenigen in het handhaven des geloofs en in het versterken van zijn hart. Gods vervolgde dienstkneenten in ons huis en in ons hart te ontvangen, dat is hun loon te doelen. Voor do zaak en hot karakter van goede men-schen op te komen, dat is met hen gerekend to worden in Gods schatting. En daar nu de daad zoo gering, en hot loon zoo groot is, is dit dus blijkbaar alles uit genade.

42. En zoo wie een van deze Idcinen te elrinhen geeft alleenlijl\' een beier kond waters, in den naam eens discipels, voortvaar zeg ilc n, hij zal zijn loon geenszins verliezen.

Hij wendde den blik af van do


-ocr page 125-

Iloofdst. XL] DE KONING ONDERSTEUNT ZIJNE BODEN.

103

iipostclon 011 richtte dien op oonigcn van do minsten en de jongsten onder degenen, die Hem volgden, en Hij verklaarde, dat ook de allerminste vriendelijkheid, die hun zou worden betoond, niet onbeloond zou blijven. Er kan in „een beleer koud tcatersquot; eeno zee van warme liefde zijn. Groote trouw aan den Koning kan uitgedrukt worden in eeno kleine vrioiulclijkhcid jegens zijne dienstknechten, en wellicht nog moor door vriendelijkheid jegens de Jdeinen onder hen dan door vriendschap voor de grooteren. Een arm en veracht kind van God lief te hebben om Christus wil toont grootere liefde voor Christus, dan wanneer wij de geëerde, beminnelijke en rijke leden zijner gemeente liefliebbcn.

Daden van liefde worden door God meer gewaardeerd naar hare boweeg-redenen dan naar haren omvang. nEen beker koud watersquot; kan van even groote beteekenis zijn bij den een, als een rijke maaltijd bij oen ander. Inheeto landstreken heeft koud water eone bijzondere waarde; maar de tekst maakt dit overal kostbaar. Eonige verkwikking te schonken voor het lichaam kan een kostelijk middel van genieenschap worden met godvruchtige mon-schen, zoo wij haar geven omdat zij discipelen zijn; inzonderheid wanneer vervolgzieke rogeeringen het strafbaar maken om do heiligen op eenigorlei wijze te ondersteunen.

Ofschoon iedere daad van vriendelijkheid haar loon heeft in zichzelve, belooft de irecro hier toch nog een verder loon. Wat wij voor de zaak van Christus geven, is tegen schade of verlies verzekerd door den tekst, door het „voorwaar zecj ik dat er het zegel op zet, en door het gebruik der ontkenning „cjeenszins\'\\ waardoor de mogelijkheid wordt uitgesloten, dat dit anders zou kunnen zijn.


HOOFDSTUK Xl. 1—19.

[I)e Kouinu,\' ondersteunt zijne boden door zijne eigene verseliljnhig\'.]

bht het is geschied, toen Jezus geëindigd had zijnen twacdfdiseipelcn heceten te geven, dat Hij van daar voortging, om te leeren en te prediken in hunne steden.

Hij heeft eerst hunne zondingsreize geregeld, en daarna is Hij hen terstond gevolgd. Het was zijn plan om hen twee aan twee door de steden Israels te zenden, en hen daarna in persoon te volgen en hun getuigenis te ondersteunen door zijn eigen onderwijs; want iljj kwam „om te leeren en te predikenquot; Wij moeten voor do menschen doen wat wij kunnen, en dan hopen, dat onze lïeere zich zal verwaardigen om ons onderwijs te bekrachtigen door zijne eigene komst in hun hart. Do uitdrukking „hunne stedenquot; klinkt ietwat zonderling. Heeft onze Hoere deze steden aan de twaalven gegeven ? Dit schijnt zoo. In geestelijken zin moeten wij eerst heengaan en bezit nemen van de zielen, die ons zijn toevertrouwd, en dan kan de Koning zelf komen en het zijne uit onze handen ontvangen. Hoere geef mij vele zielen, die ten dage uwer verschijning de uwen zullen wezen. Om dit doel tot stand te brengen, zal ik op uw bevel gaarne heengaan en uw Woord prediken, vertrouwende, dat ik het geluid van mijns Meesters voetstappen achter mij hoeren zal.


-ocr page 126-

104

[De Koning liaiidliiiuft ei

2, 3. En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen, en zeide tot hem: Zijl gij degene, die komen zou, of verwaehtcn wij een\'1 anderen?

Hier hebben wij bel begin van eene go-heel andere gescbiedeiiis. Jleteei sto vers van dit hoofdstuk bad eigenlijk aan het einde van bet vorige moeten geplaatst worden, want daar behoort bet. Johannes was in de gevangenis. Hij, de man van do woestijn en de rivier, was geen\' vogel, die er zich aan kon gewennen, om in eene kooi te worden opgesloten. Hij was in de gevangenis, en zijn geloof begon te kwijnen. Dat is sommiger meening. Maar was bet zoo? Of heeft hij dit gezantschap om den wille zijner discipelen totonzen Heere afgevaardigd? Hebben dezen zóó zeer gewankeld in hun geloof, dat Johannes ben zonder de hulpe van Jezus niet gerust kon stellen? Of heeft Johannes aan Je/,us willen te kennen geven, dat er twijfel begon te ontstaan onder de menschen, waaraan tegemoet moest worden gekomen door eene nadere uiteenzetting zijner zending ? Was dit alles dat Johannes zich in staat achtte te doen, namelijk den Heere te vragen om zijne pinspraken duidelijk, helder, en onmiskenbaar bloot te loggen. Had Johannes besloten om onzen Heere eene ondubbelzinnige verklaring te ontlokken, opdat zijne discipelen aldus gemakkelijk en zonder schroom tot Jezus konden overgaan? De vraag of onze Heere eene zending bad, was gewis niet om Johannes\' wil gedaan: hij wist volkomen goed, dat Jezus do Zoon van God was. Maar toen bij hoorde van alles wat Jezus deed, kon hij zich verwonderd hebben, dat hij (Johannes) inde

bemoedigt zijn\' heraut.]

gevangenis werd gelaten, en hij kan gedacht hebben, dat wellicht een ander komen moest, eer alle dingen recht zouden gemaakt worden. Ook de kloek-moedigsten kunnen door sombere gedachten gekweld worden, als zij in eene enge cel zijn opgesloten. Het was goed, dat Johannes deze vraag gedaan heeft, opdat er een bepaald en duidelijk antwoord op zou worden gegeven, geruststellend voor hem zeiven, en leerrijk voor ons.

4, 5. En Jezus antwoordde, en zeide tof hen: Gaat henen, en boodschapt Johannes weder het gene gij hoort en ziet: de blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen-, de melaatsehen worden gereinigd, en de dooven hooren; de dooden worden opgeweld, en den armen wordt het evangelie verkondigd.

Onze Ileerc zegt niets, maar hij plaatst een bolder getuigenis voor do oogen dor afgozondenen van Johannes, iry grondde het bewijs van zjjn Mos-siasschap op zijne wonderen. Waarom zegt men heden ten dage, dat de wonderen eerder eene beproeving dan eene ondersteuning zjjn van het geloof? Aldus wordt door een ongeloovig geslacht spijze verkeerd in vergift. Wat Johannes in de gevangenis had gehoord, konden zijne boden mot hunne eigene oogen aanschouwen, en het dan hun\' gekerkerden meester mededeelen.

Gevangenismuren kunnen het gerucht van Jezus niet buitensluiten; maargoede tjjdingen worden hot best medegedeeld door vrienden, die er persoonlijk getuigen van zijn.

De boden ontvangen bevel: „Gaat henen en boodschapt Johannes weder, het gene gij hoor! en ziet.quot; Zij hadden


-ocr page 127-

DE KONING HANDHAAFT ZIJN* HERAUT.

Iloofdst. XI.

meer gehoord en gezien, dan zij ten volle berichten konden, en moer dan genoeg om voor zich zolven te zien, dat Jezus was de Christus. De genezingen, welke gewrocht waren, waren allen weldadig en bovennatuurlijk, en van de soort, die voorspeld waren door de profeten als teekenen, die do komst van den Messias zouden vergezellen. I Iet bewijs was opeenlioopend, het argument nam toe in kracht. De laatste twee bewijzen zijn blijkbaar do climax van het argument: „De dooden icordin opgeweld, tn den armen het eramjelie verlcondijd.quot; Deze twee wonderen zijn naast elkander geplaatst. Er is even veel wonderbaarlijks in het evangelie voor de armen als in do opstanding der dooden.

De discipelen van Johannes waren op hot rechte oogonblik gekomen, toen hot werk onzos Hoeren in vollen gang was, en allo zijne wonderen elkander snel haddon opgevolgd. Jezus is liet boste bewijs van zich zolven. Indien de menschen argumenten willen hebben voor hot evangelie, laten zij hooron en zien wat het is, en wat hot doet. Laat ons aan zielen, dio in do gevangenis van don twijfel zuchten, verhalen, wat wij Jezus hebben zien doen.

G. Kn zedig in hij, die aan mij niet zal geërgerd norden.

Die monsch is zalig, die op zulk oeno wijze gelooft, dat niets zijn geloof kan doen wankelen. Dat is een wenk voor Johannes. Johannes was niet gevallen; maar wol was hot mogelijk, dat hij was gestruikeld. Hij was een weinig verbijsterd door de gedachte van niet verlost te zijn in zijn\' tijd van nood, en daarom had hij dio vraag gesteld. Zalig hij, die gevangen kan worden gezet, tot zwijgen kan gebracht worden in zijn getuigen

voor de waarheid, verlaten kan schijnen te zijn door den Heere; on toch ioderen twijfel uit zijn hart kan bannen. Johannes hoeft die zaligheid spoedig vor-1 kregen, ,cii toen ook volkomen zijne zielskalmte herwonnen.

lloore, geef mij onwrikbaar vast te staan in mijne overtuiging, opdat ik do zaligheid moge genieten, welke voortvloeit uit eon onwankelbaar go-loof. Mocht ik nimmer door iets, dat ik in U zie, kunnen struikelen!

7. Als nu dezen heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen ran Johannes: Wat zijt gij uitgegaan ■in de ivoestijn te aanschouwen ? een riet, dat ran den wind ginds en weder be-| wogen wordt?

Onze Heere zal vroeg of laat getuigen voor don mensch, die met getrouwheid van Hem getuigd hooft. ; Johannes eert Jezus, en tor bekwamer tijd zal Jezus Johannes ooren. Onze Heere vraagt zijnen hoorders, wat zij van Johannes dachten. Ojj zjjt uitgegaan om Johannes te zien; gjj zjjt zelfs „uitgegaan in de woestijnquot; om hom te zien. En wat zaagt gij? Een wankelend redenaar? Een man, die den invloed onderging van zijn\' tijd, on voor don tijdgeest boog, als eone biezo voor den wind? Neon, voorwaar! Johannes was goon man, die zich voegt naar don tijd, geen vleiend hoveling, geen behagor van do grooton der aarde. Do Doopor had niet naar Jezus go-zonden, omdat hij zwak was, maar omdat hij oorljjk en rondborstig zeide wat hij dacht, en zóó vurig naar volstrekte ! zekerheid verlangde, dat hij ook zell\'s geen schaduw van twijfel kon verdragon. Johannes had naar het hoofdkwartier gezonden, om door de herhaalde verklaring uit Christus\' eigen mond de waarheid voor iedereen te doen uitkomen.


-ocr page 128-

104 DE KONING HANDHAAFT ZIJN* HERAUT. [Hoofdst. XI.

[De Konin»\' lianilhauft ei

2, 3. En Johannes in de jevancjenis gehoord hebbende de werken van C \'hristtis, zond twee van zijne discipelen, en zeide tot hem; Zijl (jij degene, die komen zou, of verwachten wij een\'\' anderen?

Hier hebben wij liet begin van eene geheel andere geschiedenis. 1 Iet eei\'ste vers van dit hoofdstuk had eigenlijk aan het einde van het vorige moeten geplaatst worden, want daar behoort hot. Johannes was in de gevangenis. lljj,dcman van de woestijn en de rivier, was geen\' vogel, die er zich aan kon gewennen, om in eene kooi te worden opgesloten. Hij was in de gevangenis, en zijn geloof begon te kwijnen. Dat is sommiger meening. Maar was het zoo? Of heeft hij dit gezantschap om den wille zijner discipelen tot onzen lleere afgevaardigd ? Hebben dezen zóó zeer gewankeld in hun geloof, dat Johannes hen zonder de hulpc van Jezus niet gerust kon stellen r1 Of heeft Johannes aan Jezus willen te kennen geven, dat er twijfel begon te ontstaan onder do menschen, waaraan tegemoet moest worden gekomen door eene nadere uiteenzetting zijner zending ? Was dit alles dat Johannes zich in staat achtte te doen, namelijk den lleere te vragen om zijne aanspraken duidelijk, helder, en onmiskenbaar bloot te loggen. Had Johannes besloten om onzen lleere eene on-dubbelzinnige verklaring te ontlokken, opdat zjjno discipelen aldus gemakkelijk en zonder schroom tot Jezus konden overgaan? De vraag of onze lleere eene zending had, was gewis niet om Johannes\' wil gedaan: hij wist volkomen goed, dat Jezus do Zoon van God was. Maar toen hij hoorde van alles wat Jezus deed, kon hij zich verwonderd hebben, dat hij (Johannes) in de

bemoedigt zijn\' heraut.]

gevangenis werd gelaten, en hij kan gedacht hebben, dat wellicht een ander komen moest, eer alle dingen recht zouden gemaakt worden. Ook de kloek-moedigsten kunnen door sombere gedachten gekweld worden, als zij in eene enge cel zijn opgesloten. Het was goed, dat Johannes deze vraag gedaan heeft, opdat er een bepaald en duidelijk antwoord op zou worden gegeven, geruststellend voor hem zeiven, en leerrijk voor ons.

4, 5. En Jezus antwoordde, en zeide tot hm: (laai henen,en boodschapt Johannes weder hetgene gij hoort en ziet: de blinden ivorden ziende, en de kreupelen wandelen-, de melaatschcn worden gereinigd, en de dooven hooren; de dood en worden opgewekt, en den armen ivordt het evangelie verkondigd.

Onze Heero zegt niets, maar hij plaatst een helder getuigenis voor do oogen dor afgezondenen van Johannes. Hij grondde het bewijs van zjjn Mes-siasschap op zijne wonderen. quot;Waarom zegt men heden ten dage, dat de wonderen eerder eene beproeving dan eene ondersteuning zijn van het geloof? Aldus wordt door een ongeloovig geslacht spijze verkeerd in vergift. quot;Wat Johannes in de gevangenis had gehoord, konden zijne boden met hunne eigene oogen aanschouwen, en het dan hun\' gekerkerden meester mededeelen.

Gevangenismuren kunnen het gerucht van Jezus niet buitensluiten; maargoede tjjdingen worden het best medegedeeld door vrienden, die er persoonlijk getuigen van zijn.

De boden ontvangen bevel: „Gaal henen en boodschapt Johannes weder, hetgene gij hoort cn zielquot; /ij hadden


-ocr page 129-

DE KON I NO HANDHAAFT ZIJN\' HERAUT.

Iloofdst. XI. I

1C5

meer gehoord en gezien, dan zij ten volle bericliten konden, en meer dan genoeg om voor zich zeiven te zien, dat Jezus was de Christus. De genezingen, welke gewrocht waren, waren allen weldadig en bovennatuurlijk, on van de soort, die voorspeld waren door do profeten als teokenen, die do komst van den Messias zouden vergozelion. 1 let bewijs was opeenhoopend, het argument nam toe in kracht. Do laatste twee bewijzen zijn blijkbaar do climax van hot argument: „De dooden worden opgewekt, cn den (innen het evangelie verkondigd.quot; Dozo twee wonderen zijn naast elkander geplaatst. Er is even veel wonderbaarlijks in hot evangelie voor de armen als in do opstanding der dooden.

Do discipelen van Johannes waren op het rechte oogenblik gekomen, toon hot werk onzes J loeren in vollen gang was, en alle zijne wonderen elkander snel haddon opgevolgd. Jezus is het beste bewijs van zich zolven. Indien de monschen argumenten willen hebben voor hot evangelie, laten zij iiooron en zien wat het is, en wat het doet. Laat ons aan zielen, die in de gevangenis van den twijfel zuchten, verhalen, wat wij Jezus hebben zien doen.

G. En zalig if hij, die aan mij niet zal geërgerd uorden.

Die mensch is zalig, die op zulk oono wijze gelooft, dat niets zijn geloof kan doen wankelen. Dat is een wenk voor Johannes. Johannes was niet gevallen; maar wol was het mogelijk, dat hij was gestruikeld. Hij was een weinig verbijsterd door do gedachte van niet verlost te zijn in zijn\' tijd van nood, en daarom had hij die vraag gesteld. Zalig hij, die gevangen kan worden gezet, tot zwijgen kan gebracht worden in zijn getuigen voor de waarheid, verlaten kan schijnen te zijn door den Heere; en toch iederen twijfel uit zijn hart kan bannen. Johannes heeft die zaligheid spoedig verkregen, ,011 toon ook volkomen zijne zielskalmte herwonnen.

Heere, geef mij onwrikbaar vast te staan in mijne overtuiging, opdat ik do zaligheid moge genieten, welke voortvloeit uit een onwankelbaar go-loof. Mocht ik nimmer door iets, dat ik in (J zie, kunnen struikelen!

7. Als nu dezen heengingen, heeft .Jezus lot de scharen begonnen te zeggen van Johannes-. Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschoutrrn ? een riet, dat van den wind ginds en weder he-irogen wordt?

Onze Heere zal vroeg of laat getuigen voor den mensch, die mot getrouwheid van Hom getuigd hoeft. Johannes eert Jezus, en ter bekwamer tijd zal Jezus Johannes eeren. Onze Heere vraagt zjjnen hoorders, wat zij van Johannes dachten. Gij zijt uitgegaan om Johannes te zien; gij zijt zelfs „uitgegaan in de woestynquot; om hem te zien. En wat zaagt gij? Een wankelend redenaar? Eon man, die den invloed onderging van zijn\' tijd, en voor don tijdgeest boog, als eeno biezo voor den wind? Noen,voorwaar! Johannes was geen man, die zich voegt naar den tijd, geen vleiend hoveling, geen bohager van de groeten der aarde. De Dooper had niet naar Jezus gezonden, omdat hij zwak was, maar omdat hij eerlijk en rondborstig zeide wat hij dacht, en zóó vurig naar volstrekte zekerheid verlangde, dat hij ook zelfs geen schaduw van twijfel kon verdragen. Johannes had naar het hoofdkwartier gezonden, om door do herhaalde verklaring uit Christus\' eigen mond do waarheid voor iedereen te doen uitkomen.


-ocr page 130-

DE KONINO HANDHAAFT ZIJN\' HERAUT.

[Iloofdst. xr.

IOC)

8. Maar wat zijt gij uitcjegaan te zien? een memch, met zachte Ueedeini hekleed ? Ziet, die zachte Ideederen dragen, zijn in der koningen huizen.

Zaagt gij con\' man mot hoofscho manieren, kostbaar gewaad, hoogdra-vonde woorden on fijn beschaafde uitdrukkingen? Was iTohannos een liol-prediker, gcscliikt om vorstelijke vi\'on-won to vleien? Zoo ja, lioo kwam hij dan in do woestijn? Ziet, die zachte \\ lileederen dragen zijn in der koningen huizen. Johannes was gehaat omzijn rondborstig en openlijk bestraffen van het kwaad, en er brandde wraakzucht in het hart van eone, die zeer dicht bij den troon was, omdat hij niet wist to zwijgen in do tegenwoordigheid van koninklijke zonde. Johannes do Dooper was niet in het paleis: hij was bevorderd tot eene plaats in de gevangenis. Zijn stijl had het oor boleedigd eener schaamtclooze vorstin; want hij wist gecne zachte woorden te spreken, gelijk zij, die „niet zachte Ideederen zijn be-ld eed.quot;1 Aldus geeft onze Ileere getuigenis voor Johannes, die gekomen was om zijn getuige te zijn.

9, 10. Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? een profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een profeet-, want deze is het, ran den wel ken geschreven staat: Ziet, ik zende mijn\' engel voor mr aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor n henen.

Johannes was alles wat de grootste profeet geweest is; en hij is meer dan al do anderen Jezus nabij gekomen; de voetstappen zijns Meesters volgden dicht op de zijnen. Hij was als de ster van Milton: — „Schoonste der sterren, de laatste in do rjjeu van den nacht, zoo gij niet veeleer tot den dageraad behoort.quot;

Hij was schier een prediker van het evangelie, en er in falende om geheel en al op die hoogte te komen, was hij toch de voornaamste dor profeten, ja veel meer dan een profeet, In het Boek van Maleachi heeft de Ileere God beloofd om een\' bode te zenden vóór don Messias henen, on nu haalt do Messias zelf de profetie aan met eone verandering van personen, die niet begrepen kan worden, tenzij wij gelooven in do Drieëenheid. Hij, die „Mijnquot; is, is dezelfde, als die bedoeld wordt mot al naar gelang het

licht is, waarin men Hem beschouwt, of al naar do persoon is, die spreekt. Johannes was do bode van God om den weg te bereiden voor den lloore Jezus, ou ouzo Ileere erkent hem in dio eervolle hoedanigheid. Jezus schaamt zich zijn\' heraut niet, omdat hij in de gevangenis is, veeleer spreekt Hij nu nog meer openlijk over Hem. Johannes heeft zijn\' lieerobeleden, en nu wordt hij beleden door zijn\'Heero. Dit is do regel onzes Konings.

11. Voorwaar zeg ik u: onder dege-\\ nen, die ran vrouwen geboren zijn, is \' niemand opgestaan meerder dan Johan-; nes de hooper\', doch die de minste -s in het koninki ijk der hemelen, is meerder dan hij.

Jezus stelt Johannes op een zeer hoog standpunt, en wij weten dat zijn 1 oordeel juist is. Tot aan de komst van onzen Heero was Johannes de grootste van allen, dio van vrouwen geboren zijn; maar do nieuwe bedoeling was naar een hoogor plan ingericht, want „het koninkrijk der hemelenquot; is opgericht. Gelijk wij iiiogen zoggen, dat de donkerste dag in den regel lichter is dan do helderste nacht, zoo staat Johannes, de eerste in zijne orde, toch achter bij den laatste in de nieuwe of evangelie-


-ocr page 131-

DE KONING HANDHAAFT ZIJN\' HERAUT.

IToofdst. XL]

orde. Dc minste in hot ovangolio staat op liooger grond dan do grootste onder do wet. Hoe bevoorroebt zijn wij, die uit kracbt van door liet geloof het koninkrijk dor hemelen te zijn binnengegaan, nu ook zien, on hooren, en gciiicton van die dingen, waarin zelfs de profeet der profeten niet komon kon!

Wij kunnen er ons van verzekerd houden, dat er niet beters ontdekt of geopenbaard kan worden dan dat hemolsch koninkrijk, waar onzolleere en Koning ons ingebracht heeft.

12. En van de dagen ran Johannes den Dooper tot nu foe, wordt het koninkrijk der hemelen (jeireld aanyedaan, en de (jeweldigers nemen het met geireid.

Johannes had een\' ongewonon ijver opgewekt, die nog niot geheel iiitge-bluscht was. Do menscbon verlangden vurig naar do heerljjkheid van „het koninklijk der hemelenquot;. Ofschoon zij hot vorkoord begrepen en verkeerd voorstelden, waren zij toch vol verlangen om het te bezitten. In zijne overmaat van ijver heeft Johannes zelf zijne twee discipelen met eeno ongeduldige vraag tot Jezus gezonden. Onze TIeore laakt dit ijverig onderzoek niet; Hij zegt, dat hot aldus moet wezen. Een heilig geweld was door Johannes aan de ordo gestold; dit hadden zij gezien in zijne vraag; en onze Heere wilde, dat allen, die het koninkrijk wenschten te verkrijgen, er zich met donzolfden vurigon ijver van zouden meester maken. De tijd was gekomen, om een einde te maken aan do onverschilligheid, en eeno heil igo voortvarendheid te toonen voor de dingen Gods.

Aldus toont de Koning aan, welke geest en gezindheid goëischt worden in hen, die deel willen hebben aan zijne grooto zaak en zijn koninkrijk.

Iloere! wek Gij ons op! Laat ons niet too in doode vormelijkheid heil te zoeken • waar alleen een heilig gewold van nut kan zijn.

13. Want al de profeten en de icet hehhen tot Johannes toe geprofeteerd.

God heeft zich niet zonder getuigen gelaten. Johannes was do laatste schakel van de keten dor voorzieners en voorzeggers, en nu verschijnt de Heere zelf. Onze Heere trekt do lijn bjj Johannes, zeggende: „lot JohanneJ\'. Van nu voortaan is het koninkrijk opgericht.

14. En zoo gij het wilt aannemen, hij is 1\'jIias, die komen zon.

Johannes was de Elias, naar wien zij uitzagen. Zullen de menscbon dit gelooven ? Zullen zij gehoorzamen aan zijne aanmaning van zich te bokeeren ? Dan zou hij een ware Elia voor ben zijn, en den weg des Hoeren recht voor hen maken. Zelfs een man Gods is in grooto mate voor zijn\' hoorder, wat die hoorder van hem maken wil. Ongetwijfeld is menige kostelijke weldaad verloren gegaan voor menschen, die haar niet wilden aannemen. „Zoo gij het reilt aannemenquot;, dan kan eeno prediking, eeno bediening dos evangelies, bet kanaal der zaligheid voor u wezen, of het middel tot geestelijke opbouwing, of tot alles overtreffende blijdschap: maar zoo hot niot aangenomen wordt, dan kan het eeno vermoeiing des geestes voor u worden, of iets dat even weinig beteokenis heeft als klinkend metaal of eeno luidende schol.

15. II7c ooren heeft om te hooren, die hoore.

Deze zaak is onze ernstige aandacht


-ocr page 132-

flloofdst. XT.

100

8. Maar wat zijt cjij uitgegaan te zien? een menscli, met zachte lieederen bekleed? Ziet, die zachte Ideederen dragen, zijn in der koningen huizen.

Zaagt gij ccn\' man mot lioofsclio manieren, kostbaar gowaad, hoogdra-vondo quot;woordc.i on fijn boschaafde nit-drukkingon? Was Johannes een hofprediker, geschikt om vorstelijke vrouwen to vleien? Zoo ja, hoe kwam hij dan in de woestijn ? Ziet, die zachte Ideederen dragen zijn in der koningen huizen. Johannes was gehaat omzijn rondborstig en openlijk bestraffen van hot kwaad, en er brandde wraakzucht in het hart van eene, die zeer dicht bij den troon was, omdat hij niet wist te zwijgen in de tegenwoordigheid van koninklijke zonde. Johannes de Dooper was niet in het paleis: hij was bevorderd tot eene plaats in de gevangenis. Zjjn stjjl had het oor beleedind cenor scbaamtelooze vorstin; want hij wist geene zachte woorden te spreken, gelijk zij, die ,.met zachte Ideederen zijn bekleed.quot; Aldus geeft onze Heere getuigenis voor Johannes, die gekomen was om zjjn getuige te zijn.

9, 10. Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? een profeet? da, ik zeg n, ook veel meer dan een profeet-, want deze is het, ran denwelken geschreven staat: Ziet, ik zende mijn\' engel voor na\' aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u henen.

Johannes was alles wat de grootste profeet geweest is; en hij is moer dan al do andoren Jezus nabij gekomen; do voetstappen zijns Meesters volgden dicht (gt;1) dc zijnen. Hij was als de ster van Milton : — „Schoonste der sterren, de laatste in do rijen van den nacht, zoo gij niet veeleer tot den dageraad behoort.quot;

Hij was schier een prediker van het evangelie, en er in falende om geheel en al op die hoogte te komen, was hij toch do voornaamste der profeten, ja veel meer dan een profeet. In hot I?oek van Maleachi hooft de Ileere God beloofd om een\' bode te zenden vóór den Messias henen, en nu haalt de Messias zelf de profetie aan met oone verandering van personen, die niet begrepen kan worden, tenzij wjj gelooven in de Drioëenheid. Hij, die „Mijnquot; is, is dezelfde, als die bedoeld wordt mot al naar gelang het

licht is, waarin men Hem beschouwt, of al naar do persoon is, die spreekt. Johannes was do bode van God om don weg te bereiden voor den Heere Jezus, en onze Heere erkent hom in die eervolle hoedanigheid. Jezus schaamt zich zijn\' heraut niet, omdat hij in do gevangenis is, veeleer spreekt Ily nu nog meer openlijk over Hem. Johannes heeft zijn\' Heere beleden, en nu wordt hij beleden door zijn\'Heere. Dit is do regel onzes Konings.

11. Voorwaar zeg ik u: onder degenen, die can vrouwen geboren zijn, in niemand opgestaan meerder dun Johannes de Dooper-, doch die de minste is in het koninki ijk der hemelen, is meerder dan hij.

Jezus stelt Johannes op een zeer hoog standpunt, cn wij weten dat zijn oordeel juist is. Tot aan de komst van onzen Heere was Johannes do grootste van allen, die van vrouwen geboren zijn; maar de nieuwe bedoeling was naar een hooger plan ingericht, want „het koninkrijk der hemelenquot; is opgericht. Gelijk wij mogen zoggen, dat de donkerste dag in den regel lichter is dan do helderste nacht, zoo staat Johannes, de eerste in zijne orde, toch achter bij den laatste in de nieuwe ofevangolic-


-ocr page 133-

IToofdst. XL]

107

orde. Do minste in het evangolio stuat op hooger grond dan de grootste onder do wet. Hoe bevoorrecht zijn wij, die uit kracht van door het geloof\' liet koninkrijk der hemelen te zijn binnengegaan, nu ook zien, en hooren, en genieten van dio dingen, waarin zelfs de profeet dor profeten niet komen kon!

Wij kunnen er ons van verzekerd houden, dat er niet beters ontdekt of geopenbaard kan worden dan dat hemelsch koninkrijk, waar onze Heere en Koning ons ingebracht heeft.

12. Kn van de dagen van Johannes den Dooper tol nu foe, icordt liet Iconinlc-rijk der hemelen geweld aangedaan, en de (jeireldigers nemen het met geiretd.

Johannes had oen\' ongewonen ijver opgewekt, die nog niet geheel nitge-bluscht was. De inenschen verlangden vurig naar de heerlijkheid van „het koninkrijk der hemelenquot;. Ofschoon zij het verkeerd begrepen en verkeerd voorstelden, waren zij toch vol verlangen om het to bezitten. In zijne overmaat van ijver heeft Johannes zelf zijne twee discipelen met oono ongeduldige vraag tot Jezus gezonden. Onze Ilecre laakt dit ijverig onderzoek niet; Djj zegt, dat het aldus moet wezen. Een heilig geweld was door Johannes aan de orde gesteld; dit hadden zij gezien in zijne vraag; en onze Heere wilde, dat allen, dio het koninkrijk wenschton to verkrijgen, or zich met denzelfden vurigen ijver van zouden meester maken. Do tijd was gekomen, om een einde te maken aan do onverschilligheid, on oone heilige voortvarendheid te toonon voor de dingen Gods.

Aldus toont do Koning aan, welke geest en gezindheid geëischt worden in hen, dio deel willen hebben aan zijne grooto zaak en zijn koninkrijk.

Heere! wek (Jij ons op! Laat ons niet toe in doode vormelijkheid heil te zoeken; waar alleen een heilig geweld van nut kan zijn.

13. Want cd de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.

God hoeft zich niet zonder getuigen gelaten. Johannes was de laatste scha kel van do keten der voorzieners en voorzeggers, on nu verschijnt de Heere zelf. Onze Heere trekt do lijn bij Johannes, zeggende: Jot Johannesquot;. Van nu voortaan is het koninkrijk opgericht.

14. En zoo gij het wilt aannemen, hij is Elicis, die komen zou.

Johannes was de Elias, naar wien zij uitzagen. Zullen de mensehon dit gelooven ? Zullen zij gehoorzamen aan zijne aanmaning van zich to bokeeron ? Dan zou hij een ware Elia voor hen zijn, en den weg des Heeren recht voor hen maken. Zelfs een man Gods is in grooto mate voor zijn\' hoorder, wat die hoorder van hem maken wil. Ongetwijfeld is menige kostelijke weldaad verloren gegaan voor inenschen, die haar niet wilden aannemen. „Zoo gij het wilt aannemenquot;, dan kan eeno prediking, oone bediening des evangelies, het kanaal der zaligheid voor u wezen, of het middel tot geestelijke opbonwing, of tot alles overtreffende blijdschap: maar zoo hot niet aangenomen wordt, dan kan het eene vermoeiing des geestes voor u worden, of iets dat even weinig beteokenis heeft als klinkend metaal of eene luidende schel.

15. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

Deze zaak is onze ernstige aandacht


-ocr page 134-

108

waardig. Zoo gij iets kunt liooron, zoo hooit deze waarheid. Dit opwekken tot aandachtigheid moet dikwijls geschieden. Door liet hoerende oor komt de goddelijke zegen tot do ziel; zoo hoort dan, en uwe ziel zal leven. Onze Heere en Koning, die het ooi-gemaakt heeft, heeft er recht op, dat wij aandachtig luisteren naar zijne stem. Sommige menschen hebben geeno ooien om de waarheid te hooren, maar wèl hebben zij oen fijn gehoor voor do leugen. Wij behooren dankbaar to wezen, als de Heere een geestelijk begrip heeft gegeven; want „liet hoo-rende oor en het ziende oogquot; zijn van den Heere.

16—19. Doch vaar bij zal ik dit (jesJacht vergelijken? Het is (jelijk de kinderkens, die op de markten zitten, en Inni\' gezellen toeroepen, en zeggen\'. Wij hebben n op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedund; uij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel. De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen-. Ziet duur een rnemch, die een vraat en wijnzuiper is, een vriend can tollenaren en zondaren. Doch de irijsheid is gerechtvaardigd geworden, ran hare kinderen.

Onze Heere veroordeelt do dwaasheid van de eeuw, waarin Hij leefde. Het volk wilde iiiet luisteren naar den bode Gods, wie hjj ook zijn mocht, maar bedachten kinderachtige tegenwerpingen. Daarom vergelijkt de Heere hen bij „kinderkens, die ojj de markten zitten,quot; aan wie door hunne makkers gevraagd was om te spelen, maar met Avie zij het nooit over hot soort van spel eens konden worden. Indien sommige kinderen eene bruiloit wildon nadoen, en begonnen te pijpen, dan wildon de anderen niet dansen-, en als zij eene begrafenis wilden voorstellen, en begonnen te treuren, dan wilden de anderen niet weenen. Zij waren onaangenaam, gemelijk, twistziek, en besloten om ieder voorstel af te wijzen.

Zoodanig was de dwaze handelwijze der menschen in onzes Ileeren tijd. Johannes was een asceet: hij moet uitzinnig wezen en onder don invloed van een\' duivel. Jezus is monscli onder do menschen, en woont hunne feesten bij: Ilij wordt beschuldigd van overmatig eten en drinken, en zich to vergezelschappen met lage en slechte lieden. Men kon hen niet behagen. Zoo is hot ook nog to dezer ure. Daar is een prediker, die sierlijke taal gebruikt: hij is te bloemrijk. Daar is een ander, die eenvoudig spreekt: hjj is te grof en te alledaagsch. Die onderwijzend spreekt, is te vervelend, en die met vurigheid en ernst predikt, is to opwindend. Er zijn menschen aan wie niets naar don zin is. Zelfs Hij, die Jleere is over allen, moet ondervinden, dat men met zijne wijze schikkingen niet tevreden is.

Maar do irijsheid heeft met dat al hare leer doen bekend maken door goedgekozen gezanten. Zij is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen. Hare kinderen erkenden do geschiktheid van hare boden; on hare boden, die ook hare kinderen waren, deden hare keuzo oer aan, en rechtvaardigden hunne verkiezing en toebereiding. Do al wijze God kan beter oordeelen over hetgeen ecu leeraar behoort te wezen, dan wij. Met recht hooft George Herbert geschreven

„Spreek geen oordoel uit ovor den prediker, HÜ is liet, die u oordeelt.quot;

De verschillende soorten van predikers zijn allen noodig, en, zoo wij het


-ocr page 135-

Iloofdst. XI.I DES ICOXINOS WAARSCHUWINGEN EN UITNOODIGINÖEX.

10!)

slechts wilden aannemen, zij zijn allen onzer; hetzij Paulus of Apollos, of\' Cefas; en ons betaamt het niet hen te bedillen, maar onze ernstige aandacht to geven aan hetgeen zij ons zeggen.

lleere, verlos ons van een\' twistzieken, bedillcnden geest; want als wij beginnen met tegenwerpingen te maken.

dan zijn wij maar al te zeer geneigd om er ook mede voort te gaan. Als wij den eonen prediker niet willen hooron, dan zullen wij gewaar worden, dat wij spoedig een\' tweeden en eeu\' derden moede zullen zijn, en dan zal * het eerlang gebeuren, dat wjj geep.\' onkelen leeraar kunnen hooien mot stichting en nuttigheid voor onze ziel


HOOFDSTUK XL 20-30.

[Des Konings waarschuwingen, verheugingen en uitnoortig\'ingen.]

Het wondervol deel der Schrift, vervat in do overige verzen van dit hoofdstuk, handelt over drie zaken, waaromtrent veel geredetwist is, namelijk: do verantwoordelijkheid van den mensch, do vrijmachtige uitverkiezing Gods, on do vnjo, ruime uitnoodiging des evangelies. Dezen worden hier allen in heerlijk verband mot elkander aangetroffen.

20. Toen heyun hij de steden, in dewelke zijne krachten meest jeschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden.

Sommige steden waren meer bcvoor-recht met des Hoeren tegenwoordigheid dan andere, en daarom verwachtte Hij ook meer van deze steden. Zij hadden zich moeten bekeeren, of Christus zou geen verwijt tot haar gericht hebben: bekeeriug is een plicht. Hoe meer do menschen van des Heeren werk zien en hooron, hoe grooter hunne verplichting is om zich te bekeeren. Waar het meeat gegeven is, daar wordt het incest geëischt. De menschen zijn verantwoordelijk voor do wijze, waarop zij den Heere Jezus en „zijne krachteri\' behandelen.

Er is een tjjd van verwijting: „Toen begon hij.quot; De liefderijkste prediker zal oorzaak van klacht vinden over zijne onboetvaardige hoorders: HU verwijt, Hij, die ook heelt geweend. Bekeeriug is het dool, dat wjj, predikers, beoogon, en waar wij dio bekeering niet zien, daar zijn wij gegriefd. Onze smart wordt niet veroorzaakt door dat onze hoorders onze bekwaamheid niet prijzen, maar omdat zij zich niet bekeeren. Er is genoeg, waarvan zij zich moeten bekeeren, en zonder bekeeriug is er een wee over hen; on daarom is hot, dat wjj treuren, omdat zij zich niet bekeeren.

21. Wee u, Chórazin! tvee n. Belli -sakla! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren (jeschied, die in u (jeschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en assche bekeerd hebben.

Jezus wist, wat het oordooi over sommige Joodsche steden wezen zou; en 11 ij wist wat sommige Heidenscho steden gedaan zouden hebben, indien zij in hare gunstige omstandigheden hadden verkeerd. Hij sprak in on-feilbaarhoid. örooto voorrechten waren verspild aan Chórazin en Bethsaida, maar zouden kracht ten goede hebben


-ocr page 136-

1)1\',S KONINGS WAAliSOHUWINOHN EN HITNOODIGINGEN. [ lloofdst. XI.

110

geoefend, indien zij aan Ti/rus en Sidon \\ gesclionken waven geworden. Volgens do uitspraak onzes Hoeren, liool\'t God do gunstige gelegenheid gogovon, waar i zij verworpen werd, en werd zij ont- i houden, waar zij gebruikt zou zijn geworden. Dit is waar; maar hoe duister is hot! Hot practisehe punt was deschuld dezer bevoorrechte steden, daar zij onbewogen bleven door bezoekingen, waardoor do lleidenscho Sidoniërs bekeerd zouden zijn; ja, en dat wol spoedig, „eertijdsquot;, of roods voor lang; cn op de ootmoedigste wijze: „in zak cn asschequot;. Hot is treurig, dat onze onboetvaardige hoorders smaad-hoid aandoen aan de genade, die zolfs kannibalen aan dos llcilands voeten zou hebben gebracht.

22. Doch ik zeg u : het zal Tjrus cn Sidon verdrag dijker zij)i in den dag des oordeels, dan ulicden.

Schrikkelijk als de hol van deze twee zondige steden zijn zal, toch zal hunne straf rerdragelijker zjjn dan hot oordeel, uitgesproken over do steden van Galiloa, waar Jezus leerde en wonderen van liefde heeft gewerkt. De zonde is evenredig aan het licht. Zjj, die omkomen, terwijl de zaligheid voor hunne oogen is, komen dubbel om. O gewis! de dag (les oordeels zal merkwaardige verrassingen brengen, AVio zou gedacht hebben Bcthsaïda lager te zien zinken dan Sidon? In den dag des oordeels zullen de geloovigen niet verrast, niet verwonderd wezen, want in dien dag zullen zij des Heeron; „Ik zeg uquot; gedenken.

23. I\'Jn gij, Kapèrnaihnldattotden hemel toe zijl verhoogd, gij zult tot de helle toe nedergestooten worden. Want zoo in Sodom die krachten geschied ■waren, die in n geschied zijn, zij zouden lot op den huidigen dag gebleven zijn.

De waarschuwing, tot Kapornaüm gericht, is, zoo mogelijk, nog nadrukkelijker, want Sodom was reeds door vuur van don hemel verwoest geworden. Kapèrnaüm, zijne eigene stad, het hoofdkwartier van het iogei des heils, had don Zone Gods gezien cn gehoord. Hij had er datgene in gedaan, dat zolfs door do inwoners van Sodom gevoeld zou zjjn, on toch bleef hot onbewogen. Indien do snoode, onreine zondaren van het gevloekte Sodom do wonderen van Cluistus haddon aanschouwd, dan zouden zij afgelaten hebben van hunne zonden, zoodat hunne stad gespaard zou zijn gebleven, .lozus wist, dat dit zoo geweest zou zijn, en daarom betreurde Hij hot, om Kapèrnaüm even verhard te zien blijven als ooit te voren. Vanwege dit versmaden van hun bijzonder voorrecht zal de stad, die tot den hemel toe verhoogd was, in dezelfde mate naar de diepte gebracht worden der straf, als zjj hoog opgeheven was door het bijzonder voorrecht, dat haar to beurt was gevallen. Mocht toch niemand van ons bevoorrecht volk onder dit zelfde oordeel vallen en omkomen! Helaas! hoe grootelijks vreezon wij, dat dit met millioenea van hen hot geval zal wezen!

24. Doch ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u.

Wat Sodom zal verdragen als do groote Rechter van allen het oordeel der goddeloozen heeft bepaald, mogen wij niet beproeven te realiseeren; maar het zal iets minder zjjn dan de straf, welke over hen zal komen, die gezondigd hebben togen het licht, en het getuigenis van den Ileore uit den hemel hebben verworpen. Hot evangelie van den Zone Gods te verwerpen, dat is zich eenc zevenvoudige hel te bereiden.


-ocr page 137-

IToofdsfc. XI.1 DUS KOXIXOS WAARSClïüWINOKX EX ( ITXOODKJINOKX.

111

Ook hier spreekt onze Heere wederom krachtens zijn vol gezag met een „H: zpj li.quot;\' lljj spreekt wat IIij weet: 11 jj zelf zal do Rechter zijn.

Tot zoover heeft do I leero in droefheid des harten gesproken; maar zijn gelaat verhelderde zich, toen lljj aan de hoogheerlijke loer der verkiezing-kwam in de volgende verzen.

25, 20. In dienselven tijd antwoordde Jezus, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat (!ij deze dingen voor de wijzen en verst andigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard, da, Vader! want atzoo is geweest het welbehagen voor U.

Hij keerde zich tot de andere zijde der waarheid. „Jezus antwoorddequot;: de ééno leerstelling is het antwoord op eene andere leerstelling: vrije genade is hot antwoord op groote, overvloedige schuld. Met blijdschap in hot hart ziet Jezus, hoe do vrije genade het ontzettend overvloedige der monscho-Ijjke zonde bedekt, en zich het hare uitverkiest overeenkomstig het welbehagen van des Vaders wil. Dat is de geest, de gezindheid, waarin wij do uitverkiezende genade Gods hebben te beschouwen. „ Ik dank Hot is cene oorzaak van innige dankbaarheid. Hier is de Werker der uitverkiezing; „ I \'ader.quot; Hot is do Vader, die de keuze doet en de zegeningen openbaart Hier is zijn recht om te handelen zooals Hij handelt: Hij is „Heere des hemels oi der aarde.quot; Wie zal het welbehagen van zijn\' wil in twijfel trekken ? Hier zien wij de voorwerpen der verkiezing onder beide gestalten; do verkorenen en hen, die voorbij zijn gegaan. Kinderkens zien, omdat de gewijde waarheden hun zijn geopenbaard, maar niet anders. Zij zijn zwak en zonder ervaring. Zij zijn eenvoudig; zij kunnen zich vastklemmen en vertrouwen, zij kunnen weencn, roepen en liefhebben, en aan dezulken opent de Heere de schatten zijner wjjsheid. Dczoodanigen zijn do voorwerpen zijner verkiezing. Heere, laat mij tot hen bchooren! De waarheden dos hemelsehen koninknjks zjjn door eene rechtsdaad fiods verborgen voor hen, die in hunne eigene schatting „de wijzen en verstandigenquot; zijn. Zij kunnen niet zien, omdat zjj op hun eigen duister licht betrouwen, en het licht Gods niet willen ontvangen.

Hier zien wij ook de roden der uitverkiezing: do wil Gods: „Alzoo is geweest het welbehagen voor U.\'\' Vorder kunnen wij niot gaan. De uitverkiezing was goed in hot oog van Hem, die nooit dwaalt, en daarom is zij goed. Dit is voor de kinderen Gods de reden, die boven alle redeneering verhoven is. Deus vult is voor ons genoeg. Als God hot wil, dan moet het geschieden, en dan behoort het te geschieden.

27. Alle dingen zijn mij overgegeven van ))njll, Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noeh iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.

Hier hebben wij het kanaal, door hetwelk de uitverkiezende liefde komt tot den mensch. „Alle dingen zijn mij overgegeven van mijn\' \\\'ader,quot; Allo dingen zijn in de handen dos Middelaars; geschikte handen beide voor God on don mensch; want lljj alleen kent beiden volkomen. J ezus openbaart don Vader aan de kinderkous, die lljj heeft uitverkoren. Alleen do Vader kan den Zoon vervullen van zegen, en alleen door den Zoon kan die zegen tot den mensch komen. Kon Christus, en gij kent den Vader, en dan weet gjj, dat de Vader zelf u liefheeft. Er is geen


-ocr page 138-

DES KONINfiS WAAUSCIirWIN\'fiIIX EN ÜITNOOntQlNGEJf. [Iloofdst. XI.

112

andere weg om den Vader te kennen 1 dan door don Zoon. Hiorin heeft on/e lleero zich verblijd; want zjju ambt van Middelaar is Hom dierbaar, en Hij wil gaarne do weg van gomcen-schap zijn tusschen den Vader, dien Hij liefhecfi:, en iiot volk, dat Hij om des Vaders wil liefheeft.

Merk op do innige gemeenschap tusschen den Vader en den Zoon, en hoe zij elkander kennen, zooals zij door niemand anders gekend worden. O mochten wij alles door dos Vaders bostel zien in Jezus, om aldus, door Christus te vinden, ook des Vaders liefde en genade te vinden.

Mijne ziel, hier zijn groote verborgenheden! Streef er naar om, wat gij niet kunt verklaren door het verstand, te genieten door het geloof.

28. Komt herwaarts tot mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste yeven.

Dat is de genaderijke uitnoodiging des evangelies, waarin des Heilands tranen en genietingen samenvloeiden als in een verbondsregenboog van belofte.

„Komtquot;; Hij drijft niemand weg: Hij roept lien tot zich. Zijn geliefkoosd woord is: „Komt.quot; Niet: — Gaat tot Mozes, maar „Komt tot mij.quot; Tot Jezus zolven moeten wij komen door een persoonlijk betrouwen. Tot geene loer, geoiie ordinantie, of evangeliebediening moeten wij het eerst komen, maar tot den persoonlijken Zaligmaker. Allen, die vermoeid en belast zijn mogen komen. Hij stelt geene grens aan de roeping. Hij beperkt haar niet tot, bon, die (jeestelijk vermoeid zijn, neen ieder, die arbeidt en vermoeid is, mag komen. Het is goed om alles wat door de barmhartigheid gesproken wordt, in den ruimsten zin op te vatten. Jezus roept mij. Jezus belooft „rustequot; als zijne gave.

Vrij en om niet schenkt Hij onmidde-Ijjkc, persoonlijke, afdoende rust aan allen, die door liet geloof tot Hem komen.

Tot Hem te komen is de eerste stap, en n-j smeekt ons dien stap te doen. Het geweten, het hart, het verstand, verkrijgen in I lom, als het groote zoenoffer voor do zonde, volkomone ruste. Als wij ruste hebben verkregen, die ny geeft, dan zullen wij bereid zijn om verder te hoeren van eene ruste, die wij vinden.

29, 30. Neemt mijn juk op u, en leert van mij, dat ik zachtmoedig ben, en nederig van harte\', en gij zult ruste vinden voor uwe zielen. Want mijn juk is zacht, en mijn last is licht.

„Neemt mijn juk op u, en leert:quot; dat is de tweede instructie; die wij „vinden\'quot;. Do eerste rust geeft ] I ij door zijn\' dood; do tweede vinden wij door zijn leven na te volgen. Dit is geene verbetering van de vorige verklaring, het is er eene toevoeging, eene uitbreiding van. Eerst rusten wij door het geloof in Jezus, en dan rusten wij door Hom te gehoorzamen, Hot rusten van de vreezo wordt gevolgd door rusten van de beroering der inwendige hartstochten, en het lage werk der zelfzucht. Wij moeten niet slechts een juk dragen, maar 24/« juk; en wij moeten er ons niet slechts aan onderwerpen, als het ons opgelegd is, wij moeten hot ojions nemen.Wij moeten arbeiders zijn, en zijn juk nemen; en terzelfder tijd moeten wij ook leerlingen zijn, en van Hem, als onzen Leeraar, leeren. Wij moeten loeren van ( hristus 011 wij moeten ook Christus leeren. II ij is beide do Leeraar en do los. Zijne zachtmoedigheid van hart maakt Hem geschikt om te onderwijzen, om do illustratie, do verduidelijking, te zjju van zijn oigon onderwijs, 011 zijn groot


-ocr page 139-

lloüf\'dst. XI I.j omxio konInu als lib

plan in ons to werken, indien wij kunnen worden, zooais Hij is, dan zullen wij rusten, gelijk Hij rust. Wij zullen niet slechts rusten van do schuld der zonde — dit geeft Hij ons; maar wij zullen ook rusten in den vrede der heiligheid, welke wij rimlen door gehoorzaamheid aan Hein. Hot is het hart, dat de rust des menschen werkt of verstoort. Heero, maak ons „imle-rirj van hartequot;, dan zullen wij een rustig hart hebben.

„Neem mijn jak.quot; Het juk, onder hetwelk wij trekken Christus, moet wel con zalig heerlijk juk wezen, en de last, dien wij dragen voor Hom, een gezegende last. Wij rusten inden volston zin des woords, als wij dienen, zoo Jezus de Meester is. Door zijn\'

HE VAN DKN SAliiiAT. 113

last te dragen zijn wij ontlast, en door zijne zending te volgen, rusten wij.

„Komt tot in ff1 is dus een goddelijk recept, ons kwaad, onze krankheden genezende door do vergeving der zonde door onzos Hoeren offerande, en ons don diepsten vrede schenkende door ons to heiligen tot zjjri\' dienst.

O mochten wjj do genade ontvangen om altijd tot Jezus te komen, en altijd anderen te noodigen om hetzelfde lo doen! Immer vrij, en toch altjjd zijn juk dragende; immer de ruste hebbende, die ons eenmaal werd geschonken; en toch altjjd meer rust vindende. Dat is do ervaring van hen, die altijd en voor alles tot Jezus komen. Oeze-gond erfdeel! en—dit erfdeel is onzer !


HOOFDSTUK X 1 I. 1—13. [On/.*; lioiiiiig\' tils Heerc van lien sabbat.

j doen ojt den sabbat.quot; Mot deze hunne ernstige klachten kwamen zij tot Jezus zeiven. Voor eeno enkele maal haddon zij dus den moed om met den Leider zeiven te handelen; want op hot punt van den sabbat voelden zjj zich zeer sterk, en zij achtten het billjjk om den Leeraar voor do verkeerdheden zijner discipelen verantwoordelijk te stellen.

Als ter loops loeren wij uit deze geschiedenis, dat onze Heero en zijne discipelen arm waren, en dat Hij, die do schare spijzigde, zjjne wondermacht niet gebruikte om zijne eigene volgelingen te voeden; maar hen verliet, totdat zij deden, wat armen gedwongen zijn te doen om hun\'honger eenigszins te stillen. Onze Heero koopt niemand om om Hem te volgen; zjj kunnen zijne apostelen zijn, en toch op den sabbat hongeren.

I, 2. In dien tijd yimj Jezax, op i eeii1 sabbatdag door het genaaide, en zijne discipelen hadden honger, en begonnen aren te plakken, en te eten. En de farizeën, dat ziende, zeiden tot hem: Zie, mee discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.

Zij waren waarschijnlijk op weg naar de synagoge. De wet vergunde hun korenaren te plukken, als zjj langs hot koren heengingen, maar waar de farizeën op tegon hadden was, dat zij dit deden np den sabbat. Voor hun\' Ict-terzifterigen geest was plukken gelijk aan oogsten, en do korrels uit do aar wrijven gelijk aan dorschen. Hunne overleveringen en hunne inbeeldingen beschouwden zij als een wetboek, en overeenkomstig dat wetboek deden de discipelen, „wat niet geoorloofd is te

8

-ocr page 140-

ON/K KOXINO ALS HUEUE VAN DEN SAliliAT. 11 loofdst. Xlt.

114

w aaiom hobbcn dezo furi/.eüu hun geen brood gegeven, om to voorkomen dat zij datgene zouden doen, waartegen zij bezwaar hadden? Wij zouden ook billijkerwijs kunnen vragen : Hoe hebben zij de discipelen gezien!\' Hebben zij don sabbat niet geschonden, door wachten aan te stellen om hen te bespieden ?

4. Muur hij zeide tot hen: licht ijij niet (jetezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem \\ waren? Hos hij gegaan Is in het huis j Gods, en de toonbrood en gegeten heelt, • die hem niet geoorloofd waren te eten, j noch ook huu, die met hem waren, maur den priestemi alleen.

Hij spreekt tot zjjne geleerde tegenstanders alsof zij do wet niet gelezen hadden, welke zij beweerden te handhaven. „Hebt gij niet gelezen?quot; liet voorbeeld van David kwam don Zone Davids goed te stade. Uit zijn voorbeeld blijkt duidelijk, dat noodzakelijkheid gceno wet hoeft. Gekweld | zijnde door den honger, hebben David en zijne volgelingen do wet des tabernakels overtreden, en dezo wetsovertreding betrof een zeer teedor punt van den Joodschen eeredienst, en toch , is hem dit nooit verweten, is hij er nooit om bestraft geworden. Uit moedwillige heiligschennis, of uit lichtzinnigheid en aanmatiging de gewijde toonbrooden te eten - dat zou hem, die zich hieraan schuldig maakte, onder het oordeel des doods hebben gebracht; maar dit te doen in dringenden nood, was voor David niet lakenswaardig. Gelijk do monschcn alle tekortkoming in gewoonten en gocdo manieren gaarne verontschuldigen, als zij door den drang dos hongers hiertoe komen, zoo veroorlooft do Heere, dat ieder ceremonieel punt der wet zal wijken voor zijne goedertierenheid en voor des menschon blijkbare behoefte. De wet op den sabbat heeft nooit bedoeld de mensclien van honger te doen omkomen, evenmin als do wet op „het huis Gods1\' en „de toonbrooden.quot; Werken dor noodzakelijkheid zijn op den sabbat geoorloofd.

5, (i. Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat onthei-li gen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn? En ik zeg u, dat Ken meerder dan de tempel hier is.

Dit voorbeeld is geheel en volstrekt afdoend. De priesters werkten hard op den sabbat door het offeren dor offers en door andere werkzaamheden, die hun waren opgedragen. Maar hierom moesten zij veeleer geëerd dan gelaakt worden, daar zij hot gezag der tem-pelwet voor zich hadden. Maar wat Christus\' discipelen betreft, dezen hadden de machtiging van den Heere des toinpels, die veel meerder is dan de tempel. Werk, dat men op den sabbat voor God doet, is geone wezenlijke ontheiliging van don sabbat, al zou dit ook hun, wier godsdienst geheel in uitwendigheden bestaat, ook aldus toeschijnen. Indien wij werken met Jezus en voor Jezus, dan bekommeren wij ons om geeno aanmerkingen der formalisten. Gelijk do substantie meerder is dan de schaduw, zoo is onze Heere grooter dan do tempel of dan iedere ceremonieole wet; en zijne goedkeuring beheerscht al do opvattingen on uitleggingen der wet, dio aseetismo of bijgeloof ons zou willen opdringen.

Werken dor godsvrucht zjjn op den sabbat geoorloofd.

7. Doch zoo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet rei \'oordceld h ebben.


-ocr page 141-

rtoofdst. XIL] ONZE KONING ALS IIK

115

KUK VAN DEN SAIIÜAÏ.

Onze Hecre heeft de farizeöu gekwetst, door tweemaal te zoggen: „ IIchl (jij niet gelezen Pquot; Dacht Hij dan, dat er oenig doel was van de Psalmen of van do Wet, dat zjj niot haddon gelezen? Nu valt Hij hen nogmaals aan mot do beschuldiging van onwetendheid, van onbekendheid mot do botoekenis eonor schriftuui-plaats in do profeten : „Zoo gij geirelcii hadt wat het zij.quot; En dan haalt 11 jj aan uit Hosea VI: 6, welke plaats Hij te voren roods togen hen gebruikt heeft, (/ie hoofst. IX : UJ.) „//.• heb lust tot weldadigheid, en niet tot ofjey.quot; Dit woord van don profeet moet wol van zeer grooto botoekenis zijn. God wilde liever, dat zijne priesteren als eeao daad van barmhartigheid do tuon-broodon zouden geven aan David, dan zo afgezonderd te houden voor hunne oorspronkelijke bestemming, lljj wilde liever, dat zijne discipelen eenigo oogenblikken zouden doorbrengen in hot plukken van korenaren om hun\' honger to stillen, dan flauw te worden door verkeerd begrepen ijver om den dag heilig te houden. Aldus van den Heero zei ven verlof bekomen hebbende, zijn zij, die de barmliartigo daad toestonden om den honger te stillen, onschuldig, en behooren dus niet veroordeeld te worden. Zij zouden ook inderdaad niet veroordeeld zijn geworden, indien hunne beoordeelaars slechts boter onderwezen waren geweest.

Werken dor barmhartigheid zijn geoorloofd\'op don sabbat.

8. Want de Zoon den menschen is een Heere ook van den sabbat.

Dit stelt de gehoolo zaak nu buiten verdere bespreking. „De /oon des menschenquot;, Christus Jezus, voreend zijnde met do (Jodhoid, „is Ileercquot; van alles, dat binnen den omtrek ligt van do wet, betreffende God en den mcnsch, daar Hij do Middelaar is, en daarom kan Ui) do sabbaten regelen en schikken al naar het Hem behaagt. Dit hoeft Hij gedaan, en Hij heeft do sabbatswet verklaard, niot in losbandigheid, maar mot oeno liefdevolle billijkheid, die do strenge dwepers niot tentoonspreiden. Uitzijn voorbeelden uit zijn onderwijs kunnen wij loeren, dat do Sabbat door geen werk der noodzakelijkheid, dor godsvrucht, of dor barmhartigheid wordt ontheiligd, en dat wij ons do scherpe aanmerkingen der letterzifters niet behoeven aan te trokken, die de sabbatswet overdrijven, en datgene tot eeno slavernij maken, hetwelk bestemd was om eeno heilige ruste te zijn.

!). En ran daar roortgaande, kwam hij in hunne synagoge.

De tijd naderde, dat hot vraagstuk van den Sabbat wederom de geesten in beroering zou brengen, en wel met betrekking tot dos Hoeren eigen arbeid onder de krank en.

.lozus hooft het voorbeeld gegeven van het bijwonen van den openlijken eeredienst. Do synagogen kondon op geeno goddelijke ordinantie wijzen om hun bestaan te wettigen, maar naar don aard der dingen moot hot recht en goed wezen, om op don dag des Hoeren samen te komen ter zijner aanbidding, en daarom is Jezus er ook heengegaan. Hij had er niets to loeren, maar toch begaf Hij zich naar de vergadering op den dag, dien de Heero God had geheiligd.

10. En ziet, daar was een nienseh, die eene dorre hand had; en zij vraagden hem, zeggende : Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen ? (opdat zij hein beschuldigen mochten.)

Hot was een merkwaardig voorval.


-ocr page 142-

ONZE KONING .VLS HEERE VAN DEN SAIllUT. [lioofflst, XII.

116

en daarom wordt hot verhaal er van ingeleid met een Hot was op

merkelijk, dat er zich zoo heel spoedig een geval voordeed, om de zaak, waarover de twist liep, wederom de berde te brengen. Hebben de farizeën den man die eene dorre hand had, naar de synagoge gebracht met het doel om deze quaestie practisch tot een einde te brengen? Zij gingen naar de synagoge om hunne dweepzucht bot te vieren, niet om te aanbidden; en het is te vreezen, dat zjj door maar al te velen in onze dagen worden nagevolgd. Eer de Heere nog het minste gedaan had om een wonder te werken, vielen zij Hem reeds aan met hetgeen zjj hoopten eene strikvraag voor Hem te zullen zijn. „Is het ook geoorloofd op de sahhatdajen te genezen?quot; Hij had er aanspraak op gemaakt Heere te zijn van don sabbat, en nu komen zij met een groot vertoon van eerlijkheid en billijkheid Hem om beslissing vragen in eene moeielijkheid; maar zij deden het met eene laaghartige bedoeling. Voor het zedelijk karakter van ondervraging hangt alles af\' van de beweegreden. Zij deden Hem die vraag niet om van Hem te leeren, maar „opdat zij hem beschuldigen mochten.\'quot; Zij hadden hunne strikken gespannen, doch hunne list mislukte.

11, 12. Kn hij zeide tol hen: Wat mensch sal er onder u zijn, die een schaap heeft, en zoo dat op een\' sahhat-dag in eene gracht valt, die het niet zal aangrijpen en uithelf\'en? Hoeveel gaat nu een mensch een schaap te hoven? Zoo is het dan o/j de sabbatdagen geoorloofd ivèl te doen.

Hij beantwoordt hunne vraag met eene wedervraag. Hij stelt een geval, en laat hen als rechters beslissen, Er is een arme man, die slechts één schaap heeft, en dat schaap ziet hij „in de grachtquot; vallen „op een\' sabbatdagquot;. Zal hij het nu niet „aangrijpen en uitheffenquot;? Voorzeker zal hij dit, en hij zal ook recht handelen met dit te doen. „ Hoeveel gaat nu een mensch een schaap te boven?\'\' Zoo moet het dan ook recht zijn om een\' mensch ter hulpe te komen. Helaas! sommigen handelen, alsof een mensch niet beter ware dan eendier; want hunne honden en paarden zijn beter behuisd dan hunne arbeiders, en zij zijn meer verontwaardigd wegens het dooden van een stuk wild, dan wegens het verhongeren van een\' arme.

Onzes Heeren argument was verpletterend. De eene vorm van men-scheljjke barmhartigheid bewezen zijnde recht te zijn, geeft men ook rechtaan de geheele klasse van weldadige handelingen, en „het is dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.quot; Men vraagt zich af, hoe het mogelijk is, dat iemand er anders over heeft kunnen denken. Maar als blinde ijver voor uitwendigheden vereenigd is met vjjand-schap togen den geestelijken godsdienst, dan wordt hier uit eene enghartige dweepzucht geboren, die even wreed is als bespottelijk. Onze Heere heeft ons van het rabbinistische juk bevrijd, en in den waren geestelijken sabbat vinden wij rust voor onze ziel. Laat echter niemand uit deze vrijheid losbandigheid afleiden, er do vergunning aan ontleenen, om met den dag des Heeren te doen, alsof het zijn eigen dag ware, en doorgebracht mag wordeA ter bevordering van zijne eigene doeleinden en belangen. Diegenen zullen den sabbat het best waarnemen, die op den zevenden dag, en alle dagen, rusten van hunne eigene werken, gelijk God gerust heeft van de zijnen; maar hoe kan iemand rusten, tenzij hij het volbrachte werk Gods kent in Christus Jezus?


-ocr page 143-

Hoot\'dat. XIJ.| ONZE KONING IN DE MAJESTEIT ZIJNER VKEKDZAAMIÏEID. 117

13. Toen zeide hij tot dien mensch: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.

Aldus hooft onze Heoro zijn eigon ondorwijs practisch voortgezet. lljj,du) zulk ee» wonder kon werken, was goddelijk, en kon zjjno eigene wet op de juiste, rechte wijze verklaren. De man was gezeten; en Jezus gebood hem op te staan, opdat allen hom zouden kunnen zien; en toen gebood Hij hom zijne hand uit te strekken, zoodat allen konden zien in wat levenloozo toestand zjj zich bevond. Het blijkt niet, dat ook zijn arm verdord was, gelijk sommigen gedacht hebben; maar door het gebruik van zjjn\' arm kon hij zijne hand aan allen vertoonen. Dit geschied zijnde, heeft do Hoere haar terstond in do tegenwoordigheid dor ganscho synagoge, en al de bedilzieke farizoën, genezen. De man strekte iederon vinger uit, en het bleek, dat zij in hunne volle kracht waren hersteld. De arme man had zijne hand verborgen, toon zij verdord was, maar nadat zij genezen was, was hot betamelijk, dat zjj door allen in de synagoge gezien zou worden. Door die tot hare kracht herstelde hand, welke op den sabbatdag genezen was, zouden alle monschen weten, dat Jezus werken van barmhartigheid verricht op den sabbat. Laat ons Hem bidden om hetzelfde te doen in onze vergaderingen. O dat de handen, die nutteloos waren tot heilige doeleinden, op zijn bevel gezond mochten worden! O dat zij, aan wie bevolen wordt te golooven en te leven, wilden aflaten van twijfelende vragen op te worpen, en mochten gehoorzamen, zooals deze man gehoorzaamd heeft; dan zou er gewis genezing tot hen komen, gelijk ook tot dezen gehoorzamen mensch genezing gekomen is.


HOOFDSTUK XII. 14—21.

[Onze Koning iu de nmjesteit zijner vreedzaamheid.]

14. En de farizeën, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen hem, hoe zij hem dooden mochten.

De synagoge was te heet voor de farizeën, en zoo gingen zij uit. Volkomen verslagen, onttrekken zjj zich aan de blikken van het publiek, den Mensch hatende, die hen zoo beschaamd en in het nauw had gebracht. Zij konden Hem niet tot zwijgen brengen, en daarom willen zij Hem dooden. Zjj, die beginnen met te zoeken den Heere te beschuldigen, zullen er weldra toe komen om te zoeken Hem te dooden. Het was niet gemakkelijk iemand leed te doen, die zoo hoog stond aangeschreven bij hot volk, en zoo hebben zij dan te zamen beraadslaagd over do boste wijze van hierin te slagen. Hun dooden van Jezus was inderdaad hot gevolg van boosaardig overleg, want zij hebben de wreede daad rijpelijk overwogen. Ook te dezer ure houden de monschen te zamen raad „tegen hem.quot; Waarom? en waarvoor? Laat hunne eigene conscientio antwoorden, indien zij eene conscientio hebben. Do tegenwoordige kool berekende aanvallen dor twijfelaars op hot evangelie zijn zeer bijzonder misdadig.


-ocr page 144-

118 ONZK KONUNG IN\' ÜK MAJESTHIT i

15, 1G. Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en rele scharen vohj-dm hem, en hij genas ze allen; en hij gebood hun scherpelijk, dat zij hem niet openhaar maken zouden.

Hunne geheime raadslagen werden allen door zijne alwetendheid ontdekt. „Jezus, dat wetende.quot; En dienovereenkomstig handelde 11 jj. TIjj is niet go-komen om met bedillers te twisten, en daarom „vertrok hij veen daar,quot; ging Hij weg van het tooneel hunner onophoudelijke twisten. Maar Hij kon zicli niet afzonderen; de scharen volgden Hem, en zijne liefde kon hun niet weigeren om hen te zegenen met genezing. Hij verlangde geene opwinding te veroorzaken, toen dus liet volk in grooteu getale zich rondom Hem verzamelde, gebood Hjj hun zijne tegenwoordigheid niet bekend te maken. Voor Hem was populariteit oene belemmering voor zijn werk, en Hij vermeed haar. Tn dit vermijden van algemeene bekendheid, heeft II jj oene aloude profetie vervuld.

Ons is niet bevolen om zijne genaderijke wonderen te verzwijgen, en daarom willen wij met blijdschap ver-wjjlcn bij die heerlijke vermelding: „//(}\' genas ze allen.\'\'\'\' Welk eene bemoediging voor zielen, die krank zijn door de zonde, om op Hem te betrouwen!

17—19. Opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door Jesdja, den profeet, zeggende: Ziet, mijn knecht, UM\'lken Ik verkoren heb, mijn beminde, in welken mijne ziel een welbehagen heef!; Ik zal myn\' Geest op hem leggen, en hij :lt;(l hef oordeel den Heidenen verkondigen. Hij zal niet twisten, noch roepen, en daar zal niemand z ijne stem op de straten hoor en.

liet is in Jesaja XLI1 : 1—4, dat

aiXKK VREEDZAAMHEID. | I foofdst. XII.

wij de woorden lezen, die, zoo al niet letterlijk, dan toch in hunne volle be-teekonis door don evangelist zijn aangehaald. De Knecht Gods, verkoren, bemind en den lleere welbehagehjk, | bekleed met den Geest Gods, zou voortkomen en des Hoeren zin en bedoeling openbaren aan do volken; maar dit zou mot geen geraas en getier, met geen rumoer of oproer geschieden.

Om twist en ijdele praal te vermijden, heeft de Heere hen, dio Hij had genezen, tot stilte en kalmte aangemaand, of hun ten minste bevolen Hein niet bekend te maken. Hot was onzes Hoeren bedoeling niet om zich in de schatting der menigte te doen rijzen door een\' schitterenden redetwist met do \' farizeön; — zijne methode was van een\' ! geheel anderen aard. De namen, die hier aan den Heiland worden gegeven, zijn boven alles kostelijk, en wel waard om door ons te worden bepeinsd, inzonderheid in verband mot de plaats in Jesaja. Jezus is de Verleorene van Jehovah, verordineerd om zijn knecht te zijn; in die hoedanigheid is Hij I bemind door, en icelbehagelijk aan, zijn\' Vader. Do kracht van dezen beminden Knecht Gods zal gelegen zijn in den Geest Gods, in de leer, die Hij zal ! prediken, en in de wet, die Hjj zal afkondigen; terwijl zijn geheele leven voor de oogen van alle inenschen een oordeelen en veroordeelen zal zijn van de zonde. Xiet door kracht, noch door : geweld, maar door den Geest Gods en de kracht der waarheid zal Hjj over-mogon. De toorn dos menschen in heeten woordentwist, de waanzin cener onstuimige redekunst, de stroom van populaire voordrachten — dit alles liet Ilij over aan de volksinisloidors: zulke wapenen versmaadde Hij bjj de oprichting van zijn koninkrijk. Sommigen van zijne volgelingen hebben een\' te-gcnovergestelden weg gekozen; zij


-ocr page 145-

OM/10 KONING ION UK MA Cl IT JON DIOR DUISTEKNIS.

1 lüof\'dst. XII,

119

hebben veel op met luiclruclitigo, oj)-zienbarendo handelingen : maar zjj zullen bevinden, dat zj; liierin den Heero niet welbehagolijk zijn.

20. Het gek rookte riet zal hij niet verbreken, en het rookende lenunet zal hij niet nithlnsschen, totdat hij hel oordeel zal uitbrengen ter overirinning.

Het gelcrooktc riet van do valschc aanspraken der farizeën werd door Hom niet aangeraakt; dit zou zelt\' wel zijne eigene onmacht bewijzen; hot was toen voor Hem niet dor moeite waard om het te verbroken; on liet rookende lemmet van eeno naamgodsdienstigheid giquot;g Hij voorbij. Wat daarmede te doen was, stelde Hij uit tot een\' andoren dag, wanneer de ure zou zijn gekomen om aan het aanstootolijke daarvan een oindo to maken. Ton laatsten dage zal 11 jj zegevierend oor-doelen over do geveinsden, die even nutteloos waren als gekrookto rieten ou rookende vlaswieken; maar in den eersten tijd van zij-,ie zending onder de menschon wilde IIjj dit niet doen. Hij haast zich niet om terstond elkon niotigen tegenstand te onderdrukken.

Dit houd ik voor den juisten, nauw-keurigen zin dezer woerden in dit verband; maar de beteekenis, die men er gewoonlijk aan geeft, is even waar, on veel rijker in vertroosting. Ook de zwaksten worden door don Hoerc

Jozns niet veracht, ofschoon zij naar allen oogonschijjn oven nutteloos zijn als een gokrookt riot, of zelfs even schadelijk en onaangenaam als een rookend lemmet. Hij is zachtmoedig en oefent goeno hardvochtige gestrengheid uit. Iljj draagt en verdraagt hen, die onliefelijk zjjn in zijne oogen. Hij verlangt hot gekrookto riet to verbinden, en dc rookende vlaswiek tot eene levende vlam aan te wakkeren. O dat zij, die zich bewust zijn, arme, ellendige zondaars te wezen, dit mochten gedenken en op Hom wildon betrouwen!

naam zullen de

a

21. Kn in zijnen Heidenen hopen.

Omdat Hij zoo goed en vriendelijk is, zullen dc verachte Heidensche honden komen en ncderliggen aan zijne voeten, en Hem liefhebben als hun\' Meester. Iljj zal de hoop wezen van hen, die als hopeloos waren verlaten. Onzcs Hoeren verlangen naar kalme stilte, en zijn vermijden vau alle twisting was een bewijs, dat Hij do Messias was dor profeten. Zullen wij niet meer en meer betrouwen op den Gezalfde des Hoeren? Ja gewis! uit do volken, als wij zjjn, hopen irij in zijn1 naam. In ons is deze profetie vervuld. En toch! hoe onwaarschijnlijk scheen hot, dat del loidenon dit zouden doen, terwijl Israël Hom verstiet!


HOOFDSTUK XII. 22—37.

[Onze Koning en do mnchtcn der duisternis.]

22, Toen werd tot hem gehracld een Hot is kostelijk, als do menschen

ran den duivel heieten, die blind en er zich too begeven om anderen tot

sfoHi iras, en hij genas hem, ahoo dat Jezus te brengen: daaruit kan niets

de blinde in stomme heide spnd,\'en zag. anders dan goeds geboren worden. Een

-ocr page 146-

ONZE KOM NU UN DE MACHTEN DER DUISTERNIS.

| Iloot\'dst. XI1.

120

buitengewoon geval openbaarde een\' nieuwen vorm van Satans handwerk. Do booze geest had zich verschanst door de vensferen en de deur der ziel te sluiten; het slachtoffer washlinden stom. Hoe zou hij kunnen ontkomen ? Hij kon den Heiland niet zien, noch Hem aanroepen. Maar het dubbele kwaad verdween, nadat Jezus in een oogwenk den boozen geest had verdreven ; „alzoo dat de blinde en stomme beide zag en nprok.quot; Als Satan onttroond is, dan beginnen de geestelijke vermogens terstond in werking te komen. Er is niets, waar do Heere voor staat, niets dat zijne macht te boven gaat. Menschon, die noch hunne zonde zien, noch tot Hem roepen om vergeving, kunnen door zjjne genade worden behouden.

Heere, wees met ons, als wij prediken. en werp door uw Woord de duivelen uit, dan zal de zedelijke onmacht gevolgd worden door de gezondheid der godsvrucht.

2:i. Ivn al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Ju deze niet de Zone Davids?

Wederom en nogmaals hebben wij hunne verbazing opgemerkt; en hier werd eeno vraag gedaan, die als de voetstap zou kunnen zijn van het naderend geloof bij velen. Onze Herziene Vertaling van het Nieuwe Testament 1) hoeft met volle recht het woord „nietquot; weggelaten. Het was natuurlijk, dat do overzetters het ingelascht hebben; want het scheen, alsof velen in dezen Wonderwerker den waren Salomo moesten zien. Daar het echter niet voorkomt in het oorspronkelijke, moeten wij dit „nietquot; ook niet toelaten; en dan bljjkt uit die vraag, hoe onbegrijpelijk ongeloovig zij waren, maar

1) De Engclsoho.

tevens, hoe de overtuiging zich als het ware aan hen opdrong. „Is hij Pquot; Hij kan het niet zjjn; hij moet het niet zijn; maar is hij? Is dit de Zone Da rids? Dit waren onderscheidene stemmen; maar in hunne verbazing was het volk écn: al de scharen ontzetten zich.

24. Maar de f irueen dit gehoord hrbhende, zeiden: Deze werpt de duireien niet uit, dan door Beëlzebtil, den overste der duivelen.

Dit was hun vorig verzinsel. Het was oud en versleten, maar bjj gebrek aan een beter, of liever, een bitterder denkbeeld, blijven zij er bij. Onze Heere had geen tijd om op die vuile lastering te antwoorden, toen zij voo;? het eerst werd uitgesproken (Matth. IX: 84). Of wellicht heeft zij Hem zulk een\' weerzin ingeboezemd, dat lljj haar niet wilde aanraken, maar die afgrijselijkheid overliet om zich met haar eigen gift te dooden. Nu brengen zij haar wederom te berde, eu treden in nadere bijzonderheden der leugen; zij noemen Beëlzebul als den naam van den overste der duivelen, met wicu Hij in verbond zou zijn. Naarmate do leugen voortgaat, neemt zjj toe in omvang. Zij, die twijfelen aan Gods werk in de bekeering van zondaren, maken weldra vordering in hunne stoutheid, en schrijven do gezegende verandering toe aan geveinsdheid, eigenbelang, waanzin, of aan den een of anderen boozen invloed.

25, 2G. Doch Jezus, kennende h\'inne gedachten, zeide tot hen: Ken ieder koninkrijk, dat tegen zich zelf verdeeld is, wordt verwoest; en eene iedere stad, of huis, dat tegen zich zelf verdeeld is, zul niet bestaan; en indien de Satan den Satan uitiverpt, zoo is hij legen


-ocr page 147-

lloofclfcit. XII. I ONZK KONING EN DK MACHTKN OER DUISTERNIS.

121

zich zeiven verdeeld: hoe zal dan zijn rijk hedaun ?

Do Gedachten-lezer komt hun tegen met eon argument, dat in do hoogste mate bondig en beslissend is, hon verpletterende door hot ongerijmde hiinner verklaring in hot licht te stollen. Verbeeld u Satan verdeeld tegen zich zeiven, on zijn koninkrjjk aldus verdeeld en verscheurd door inwendigen krijg! Neen; welke gebreken do duivelen ook hebben, met elkander in strijd zijn zij niet; dat gebrek blijft bewaard voor do dicnstknecliten van een\' beteren Meester. Ach, dat er niet zoo veel verwoestende verdeeldheid ware in de kerk! Hot zou eene hoopgevende omstandigheid zjjn, indien wjj konden hooren van verdeeldheid onder de machten der duisternis; want dan zou Satans rijk ineenstorten. Neen, o gij listige farizeën; uwe lasterlijke inblazing is maar al te blijkbaar eene leugen, en verstandige menschen zullen er zich niet door laten misleiden!

27. En indien ik door Beëlzebid de-duivelen uitirerpe, door ivien icerpen ze mee zonen dan uit? Daarom zullen die uwe rechters zijn.

Onze Ilecre gebruikt hier een argument, geschikt voor de menschen, met wie Hij te doen had. Hot was in zich zelf minder krachtig dan het vorige, maar als argument gebruikt tegen hen was het buitengewoon ter snede. Sommigen van de discipelen der farizeën, on waarschijnlijk ook sommigen van hunne zonen, handelden als bezweerders, en, terecht of to onrecht, gaven zij voor duivelen uit te werpen. Indien Jezus dit wonder had gewrocht door Beëlzebul, en do farizeën zouden die ontdekking hebben gedaan, hoe zouden zij het dan beter hebben kunnen vernemen dan van hunne eigene zonen? Hadden hunne zonen omgang met den overste der duivelen? Dit zou hon ter wille van iiunne eigene vrienden beletten, om met hun boosaardig verzinsel nogmaals voor den dag to komen.

28. Maar indien ilc door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het koninkrijk Gods tot u cjekomcn.

Wat de Ilecre bedoelt is dit: — Indien Ik de duivelen uitu erp door den Geest Gods, dan is een nieuw tijdperk aangebroken; dan is de kracht Gods in bepaalde botsing gekomen met den booze, en dan is God blijkbaar zegevierend. In mijn\' Persoon is „het koninkrijk Godsquot; aangevangen, en door mijne tegenwoordigheid in uw midden zjjt gij in eene zeer gunstige positie geplaatst. Maar indien de duivelen niet door den Geest Gods worden uitgeworpen, dan is do troon Gods niet onder ulieden gevestigd, en dan lijdt gij een smartelijk, een ontzettend verlies. Do omverworping des kwaads is een duidelijk bewijs, dat het koninkrjjk der genade is gekomen.

Merk op, dat onze Ileere, schoon Hij geheel in en uit zich zelvon macht had, toch den Geest Gods heeft geëerd, en gewerkt heeft door zijne kracht, en het heeft uitgesproken, dat Hij dit deed. Wat kunnen wij doen zonder dien Geest! Ileere God, Heilige Geest, leer ons op U te wachten!

29. Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijne ruim ontrooven, tenzij dat hij eerst den sterke (jehonden nebbe? en alsdan zal hij zijn huis herooven.

De duivel is de sterke, de reusachtige roover. ii.j houdt de menschen in zijne


-ocr page 148-

122

macht, gelijk eon krijger zij no bezitting. Zijne vaten, — zijn good — kunnon hom niet ontnomen worden, zonder dat er eerst eene ontmoeting plaats liebbo met hem. Met bloote denkbeeld van hom te borooven, terwijl gij zijn vriend y.ijt, of zoolang bij nog niet onderworpen is, is ongerijmd, is bospotteljjk. Toen onze Heere zijn werk beeft aango-vangen, heeft lljj Satan gebonden, do tegenwoordigheid Gods in menscbelijk vleeseh was een beslag op des raenschen vijand. Den vijand gebonden liobboiulo, noemt Hij nu uit zijn huis don buit, die anders voor altijd in zijn bezit zou zijn gebleven. Er is goone verlossing voor ons dan door on/.os Hoeren zegepraal over onzen machtigon tyran. Eere zij zijn naam, Hij heeft don machtige gebonden, en lljj hoeft hem zjjne prooi ontnomen! Dit was onzos Hoeren eerlijke en klaarbljjkoljjkc verklaring van do zaak, waarover do farizeën eene zoo armzalige theorie huldigden.

!i(). 11 \'ir nu t mij niet in, die is tegen mij; en wie met mij niet ccryailert, die verstrooit.

Onze Heere heeft geen verdrag aangegaan met Satan. Satan was niet met hem, maar ie (jen hem. lljj wilde even beslist zijn in zjjno verhouding tegenover alle andere partijen. Do monschen moesten of aan zijne zijde staan, of als zijne tegenstanders worden geacht; een middenweg bestaat niet, Jezus bedoelde krjjg togen den groeten vijand, en tegen allen, dio do partij kozen van het kwaad. Het kou niet anders, of do monschen moesten practisch partij kiezen: hunne daden zouden strekken om of tot Hem te vergaderen, öf van Hein weg to drijven, te verstrooien, .lezus is hot ééne en eenig mogelijke middenpunt dor men-schelijke eenheid; en welke leer hot ook zij, die do monschen in Hem niet veroonigt, zal hen verstrooien door zelfzucht, hoogmoed, haat, en duizenderlei andere ontbindende krachten. Onze Koning hooft den strijdhandschoen geworpen, en nooit zal hij oen\' wapenstilstand sluiten of oen verdrag aangaan. Heere, laat mij nooit aarzelen, maar met U zijn, en met U vergaderen.

31. Daarom zeg ik u: alle zonde en lastering zal den mensehen vergeven worden, maar de lastering tegen den Geest zal den mensehen niet vergeven worden.

Hier hebben wij eene plechtige waarschuwing aan deze lasterende farizeën: de zonde van den Geest Gods te smaden, en zijn werk aan Beölzobul toe te schrijven, is ontzettend groot, en verhardt ook zoozeer hot hart, dat de menschon, die er zich aan schuldig maken, nooit tot bekeering komen, on bijgevolg ook nooit vergeving zullen erlangen. Onze lloore laat zijnen tegenstanders zien, waar zij heengaan, waar zij zullen aanlanden; zij waren op het punt van eono zonde te bedrijven,waarvoor goone vergeving mogelijk is. Wij moeten zeer toedor zijn in ons gedrag tegenover „den Heiligen Geestquot;, want deze plechtige tekst vormt eene zoor bijzondere wacht rondom zijne oor.

32. Kn zoo wie eenig woord (/esproken z(d. hebben tegen den Zoon des mensehen, het zal hem vergeven worden-, maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw noch in de toekomende.

Waarom zou or oen woord gesproken worden tegen Jezus? Toch worden er vele zoodanige woorden gesproken,


-ocr page 149-

Hoof\'dst. XII.I ON/10 KONING UN DK MACHTEN DEK DUISTERNIS.

123

on Hij vergeeft zo. Als hot er echter toe komt, dat mon don Heiligen Geest moedwillig verwart mot den boezen geest, dan is die misdaad ontzettend grof en snood, en verhardt het hart tot hot uiterste. In geen staat der goddelijke bedoeling is hot ooit mogelijk geweest om de vergiffenis uit te strekken tot iemand, die God zeiven in verbond achtte te zijn met den duivel. Dat is de geestelijke dood, ja verrotting en bederf van do ergste soort. Het is geeno dwaling, maar eene booze, moedwillige lastering van den Heilijcn Geest, als men zjjn werk der genade en kracht aan duivelsche invloeden durft toeschrijven. Hij, die zich aan zulk eene buitensporige misdaad schuldig maakt, heeft zich in een\' toestand gezondigd, waarin het geestelijk gevoel dood is, en waarin de bekeering zedelijk onmogelijk is geworden.

33. O f maakt den hoorn i/oed, en zijne vrucht (joed-, of maakt denhoom kwaad, en zijne vrucht kwaad: ivant uit de vrucht wordt de hoorn gekend.

Nog altijd wederlegt Hij do farizeën, en hot is alsof Hjj tot hen zeido; „Woest consequent; gij moet of Mij ou mijne werken aannemen, of Mij on mijne werken verwerpen; want alleen uit mijne werken kunt gij Mij oordoelon. Maar erkent niet hot werk als een goed work, terwijl gij Mij beschuldigt van met den duivel in verbond te zijn, torwjjl Ik hot doe. Indien Ik in verbond ware met don duivel, dan zou Ik do werken dos duivels doen, maar geeno werken, die zjjn rijk doen wankelen.quot; Hot betoog is allerkrachtigst, omdat het gegrond is op gerechtigheid. Wij kennen een\' boom aan zijne vruchten, en een\' meusch aan zijne daden, eene andere wijze van recht te oordoelon is er niet.

Lees de woorden buiten hun verband, en dan loeren zij de groote, algomoeno waarheid, dat hot inwendig en het uitwendig leven met elkander in overeenstemming behooren te wezen.

34, 35. Gij adderen-(/ehroedseIs! hoe kunt gij (joede duigen spreken, daar gij hoos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond. De goede mensch hrenjt goede dingen voort uit den goeden sehat des harten, en de booze mensch brengt booze dingen voort wit den hoozen schat.

Onze Heere beschuldigt hen van „hoos te zijn.quot; Hij herhaalt de woorden van Johannes: „Gij adderen-gehroed-sels!quot; Zij haddon booze dingen gesproken : hoe kon het ook anders, wanneer hun hart zoo vol was van boosheid jegens Hem? Zij waren tot do uiterste grens van kwaadwilligheid gegaan door Hom te beschuldigen van met Satan in verbond te zjjn, en hieruit bleek, welk een schat van boosheid er in hun hart was. Zij brachten het kwaad te voorschijn met kracht van hartstocht en mot overvloed van leugen, omdat zij er van binnen zoo gansch van waren vervuld. Hetgeen in don put is, komt in den emmer. Het hart verraadt zich door den mond. Waren zij goed geweest, dan zouden ook hunne woorden goed zijn geweest; maar zoo groot was de laagheid van hun hart, dat zij geeno „goede dingen konden s/jreken.quot; Aldus bracht do Hoere don oorlog op hun eigen grondgebied over, en heeft Hjj hen met zijne heilige verontwaardiging als verschroeid.

36, 37. Maar ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels; want uit uwe woorden zult gij


-ocr page 150-

EEN T KEK EN GEËISCHT. [Hoüfdst. XII.

124

EK WORDT VAN DKN KONING

gerechtvaarclijd worden, en uit uwe woorden zult gij veroordeeld worden.

Zij konden zich wel inbeelden, dat zij geen groot kwaad hadden bedreven, toen zij hunne zwarte, giftige gezegden onder het volk verbpreidden. Zjj hadden slechts met meer of minder lichtzinnigheid hunne meening te kennen gegeven, en op zijn ergst genomen, alleen maar een Jjdel woordquot; gesproken. Aldus zouden zij, nu dc Heere hen zoo volkomen verpletterd had, hetgeen zij gedaan hadden van weinig of geene beteekenis willen achten. Maar onze Heere verjaagt hen uit dien schuilhoek. Hij handelt strikt en streng met zulke grove kwaaddoeners. Van ivooiden zal in den laatsten grooten dag rekenschap gegeven moeten worden. Woorden bewijzen, dat de menschen lt;gt;f rechtvaardig, of veroordeelenswaardig zijn. Tot zelfs hunne werken kunnen geoordeeld worden naar hunne woorden. Er is iets hartontdekkends in de taal der menschen, inzonderheid in die woorden, welke uit diepgewortelden hartstocht voortkomen. Als wij er van worden overtuigd onrechtvaardig te hebben gesproken, dan kunnen wij wel beproeven ons te verontschuldigen met de uitvlucht, dat „ons blaffen erger was dan ons bijten,quot; en dat wij dit of dat slechts zeiden zonder te willen, dat het zoo ernstig wierd opgevat, maar die verontschuldiging zal ons niet baten. Wij moeten acht geven op hetgeen wij zeggen van godvruchtige menschen, inzonderheid op hetgeen wjj zeggen van hun\' Heere, want lasterlijke woorden blijven leven, en zullen tegen ons getuigen in den day des oordeels, wanneer wij zullen bevinden, dat zij in Gods boek staan opgeteekend.

Gewis, die aantijging dat de Heere Jezus in verbond was met Satan, zal, zoolang als Hij leefde, wel nooit meer gehoord zijn geworden. Die soort van laster heeft Hij eens voor goed doen verstommen, voor zooveel dit de fari-zeën betrof.

Dierbare Meester, help mij mijne tong in toom te houden, opdat ik mjj niet schuldig make aan ij dele woorden te spreken; en leer mij wanneer te spreken, opdat ik mij evenmin schuldig make aan ijdel stilzwijgen.


HOOFDSTUK XII. 38—42. [Kr wordt van den Koning een tecken ^ecischt.]

88, 139. Toen antwoordden sommigen der schriftgeleerden en farizeën, zeggende: Meester! wij wilden ran n wel een teelcen zien. Maar hij antwoordde, en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teelcen •, en hun zal geen teelcen gegeven worden, dan het teelcen ran Jonas, den profeet.

J)(; farizeën veranderen van tactiek, maar het is hetzelfde dool, dat zij najagen. Hoe hopeloos was het met de dwepers uit die dagen gesteld! Niets kon hen overtuigen. Zjj openbaren hun\' haat tegen den Heere Jezus, door al de wonderen, die Hij gewrocht heeft, te ignoreeren. Welke andere teekenen konden zjj begeeren, dan die Hij reeds had gegeven ? Fraaie onderzoekers ? Al de wonderen onzes Ileeren achten


-ocr page 151-

Hoofdst. XII.] EU WORDT VAN DÉN KONING EEN TKEKGN OEËISOHT.

125

zij als niet geschied te zijn. Wèl mocht de Heere hen „hoos en overspelvf noemen, daar zij zich aan zoodanige persoonlijke ongebondenheid overgeven, en geestelijk ontrouw waren aan Grod. Er zijn thans menschen onderons,die zóó onoprecht zijn, dat zij alles wat door de leer dos evangelies teweeggebracht is, als niets achten, en tot ons spreken alsof de prediking des evangelies zonder eenig resultaat is gebleven. Er is zeer veel geduld noodig om wijselijk mot de zoodanigen om te gaan.

40. Want gelijk Jonas drie dacjen en drie nachten teas in dm huik van den walvisch, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten wezen in het harte der aarde.

Het groote toeken van onzes Hoeren zending is zijne opstanding en zijne bereiding van een evangelie der zaligheid voor de Heidenen, /jjno levonsgo-schiedonis is uitnemend afgeschaduwd door die van .Jonas. Zij hebben onzen Heere over boord geworpen, zooals do zeelieden den man Gods over boord wierpen. Het offer van Jonas bracht de zee tot bedaren voor de zeelieden; onzes Heeren dood heeft ons vrede aangebracht. Onze Heere was voor eene wijle in het harte der aarde, gelijk Jonas in de diepte der zee was; maar Hij is weder opgestaan, en zijn dienstwerk was vol van de kracht zijner opstanding. Gelijk Jonas\' prediking getuigenis ontving uit zijne weder-brenging van do diepte der zee, zoo wordt ook onzes Heeren dienstwerk gestaafd door zijne opstanding van de dooden. De mensch, die teruggebracht was van den dood en van zijn graf in de zee, heeft aller aandacht in Nuievé gaande gemaakt, en zoo eischt en verdient de Heiland ook het gehoorzame

geloof van allen, tot wie zijne boodschap komt.

41. De mannen van Ninivé zullen opstaan in het oordeel met dit geslachte, en zullen het veroordeel en: want zij hebben zich beheerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!

De Heidenen te Ni\'nivé waren overtuigd door hot teeken, dat een\' profeet wedergebracht was van uit zijn graf in do zee, en door die overtuiging bewogen, hebben zij zich op zijne prediking bekeerd. Zonder vitterij en zonder uitstel heeft de geheelo stad rouw be-; dreven, en God gesmeekt om zijn\' toorn af te koeren. Jezus kwam met een duideljjker gebod van bekeering, en eono heerlijker belofte van verlossing; maar het was tot verharde harten, dat ilij sprak. Onze Hoore herinnert do farizoën hier aan; en daar zij het moest Joodsch waren van do Joden, moesten zij diep getroffen zijn door het feit, dat Heidenen hebben begrepen, wat Israël niet hooft bo-grepen, en dat do Nfnivioten zich hebben bekeerd, terwijl do Joden verhard zijn gebleven.

Allo menschen zullen opstaan in het oordeel: „De mannen can Ninivé zullen opstaan?\' Het leven der boetvaardigen | zal hen veroordoelen, die zich niet hebben bekeerd: do Ni\'nevieten zullen : de Joden veroordeelen, ,,tvant zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonasquot;, en dat hebben de Joden niet gedaan. Zij, die Jonas hebben gehoord en zich hebben bekeerd, zullen woldra getuigen tegen hen, die Jezus hebben gehoord en zijn getuigenis niet hebben willen aannemen.

Het blijvend getuigenis voor onzen Heere is zijne opstanding uit de dooden. God geve, dat oen iegelijk onzer, dit


-ocr page 152-

12G OXJiE ItONING ONTHÜr/r I)R TACTIEK VAM DEN AAHTSV1.IAN 1). [Hoofdst. XI 1.

ontwijfelbare feit geloovende, zóó over- l verste eilanden der zee. Indien Israël tuigd zal zijn van zijne zending, dat de heerljjkheid zijner wijsheid niet wij ons bekoeren en hot evangelie bespeurt, zoo zullen toch Mooronland gelooven. en Soba er van hooren, en zich voor

De opstanding is óón bewijs: ja Hem komen nederbuigen. De koningin eigenlijk is \'/.ij het toeken bij uitnemend- van Sheba zal „opstaanquot; als een geheid, ofschoon het, gelijk wij zullen tuigo tegen de ongeloovige Joden, want zien, vervolledigd wordt door nog een zij heeft oene verre roize gedaan om ander toeken. Deze twee teekenen ■ Salomon te hooren, terwijl de Joden zullen onsof overtuigen, of veroordeelen. den Zone Gods zei ven niet willen hooren,

die in hun midden is gekomen. De 42. De hmincjin van het Zuiden zal voortreffelijkheid zijner wijsheid is een opstaan in het oordeel met dit geslachte, toeken voor onzen Heere, dat nooit en het veroordeelen: want zij is gekomen met goed gevolg betwist kan worden van de einden der aarde, om te hooren Welke andere loer voorziet in alle de de wijsheid van Salomon-, en ziet, meer behoeften dor menschen? Wie anders elan Salomon is hier! : hooft zoodanige genade en waarheid

geopenbaard? Hij is oneindig grooter liet tweede teeken van onzes Hooren dan Salomon, die uit een zedelijk oogzending is zijne koninklijke wijsheid, punt zoo smartelijke kleinheid heelt Gelijk de roem van Salomon dekoniiKjin geopenbaard. Wie anders dan do Zone van het Zuiden van de einden der aarde \\ Gods kon don Vader hebben doen heeft doen komen, zoo dwingt do loer kennen, zooals Hij dit gedaan heeft? onzes Hoeren de aandacht af van do

HOOFDSTUK XII. 43—45.

[Onze Koning onthult de tactiek van den aartsvijand ]

Onze Heere wilde oen\' laatsten slag toebrengen aan het denkbeeld van door satanische medewerking geholpen te worden, door nogmaals op zijne gelijkenis (vers 29) terug te komen, en aan te toonen, dat, al zou het ook gebeuren, dat do booze geest eigener beweging van oen\' mensch ware uitgegaan, doze mensch daarom volstrekt niet moor hoopgevend zou wezen, omdat de vijand toch eerlang zou wedorkeoren.

43. Kn wanneer de onreine geest van den mensch uitgegaeni is, zem ejetat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.

Met recht wordt de duivel „de onreine geestquot; genoemd. Hij bemint het onreine) en maakt den mensch, in wien hij woont, onrein van hart. In het go-beurde, dat hier beschreven is, had do duivel een\'1 mensch bozeten, en hij is voor zijne eigene doeleinden van hem „aitgegaan.quot; Eigener beweging on zonder den minsten strijd heeft hij dien mensch verlaten. Dit is iets, dat zeer dikwijls plaats heeft. Op deze wijze verlaat do duivel hen, die verregaand onzedelijk zijn, on laat hen toe be-


-ocr page 153-

Hoofdst. XI i. I ONZE ICOXIXG ONTHULT DE TACTIEK VAN\' DEN AARTSVIJAND. 127

tamelijlv ou ordelijk te worden. De listige geest neemt echter den sleutel van het huis niet ■cich, want hij is voornemens terug te komen. Hij hoeft het huis voor het oogenblik wel willen ontruimen, maar hjj heeft; niet willen ophouden er de eigenaar van te zijn. Hij is uitgegaan, om niet uitgedreven te worden. Wie kan de listigheid dor I oude slang doorgronden?

Maar als de booze geest niet heersoht I over het hart van den mensch, dan is hij onrustig en gejaagd. Hij waart rond, zoekende rust, en vindt ze niet. Nergens, op aarde, in den hemel of iu de hel, vindt hij iets om hem te bemoedigen of te vervroolijken; deze alien zijn voor hem dorre plaatsen. Binnen iu het zondige hart was hij te huis, en daar vond hjj eenig genot, maar daar buiten, in de natuur, vindt hij niets dan eene woestijn voor zijne onreine begeerten.

„Alloa in do natuur is liefelijk Alleen de menscli is onrein.quot; 1)

Vandaar dat ook alleen do menscli j voor den oureinen geest eene passende j woning is.

44. Dan zegt hij: Ik zal wederkeeren j in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ! hen; en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.

De booze vijand noemt den mensch „Mijn huis.\'quot; Zijne vermetelheid is ontzettend. Hij heeft dat huis noch \' gebouwd, noch gekocht, en hij hooft ; er geen recht op. Hij spreekt van zijn \' verlaten van dien mensch als een bloot uitgaan; „vanwaar ik uitgegaan hen.quot; Alsot het iets heel gewoons on gemakkelijks ware, zegt hjj: „Jk zal wederkeeren. \' Blijkbaar schijnt hij dus

I) Bisschop Hebor.

do natuur des menschen als zjjn vrjj goed te boschouwen, waar hjj, naar het hem lust, in en uit kan gaan. Als Satan een\' mensch vrijwillig verlaat, dan zal hij ongetwijfeld woder-kooren, zoodra dit mot zijne doeleinden strookt. Alleen de kracht Gods, die hom uitwerpt, kan hem beletten terug te koeren. Eene verbeterde levenswijze, die de vrucht niet is van overwinnende genade, is gewoonlijk slechts j tijdelijk, en leidt dikwijls tot nog voel erger toestand in latere jaren.

Do onreine geest brengt zjjn besluit ton uitvoer: hjj keert weder, en komende, vindt hij het ledig.quot; Niemand anders hoeft er bozit van genomen, en zoo is or ook niemand om zijn\' terugkeer te beletten. Wel is waar, het is met bezemen gekeerd, sommige grove zonden zijn weggeveegd, en versierd met wat fraaie zedelijkheid; maar do Heilige Geest is daar niet; geouo goddelijke vorandoring is er gewrocht, en daarom is do onreine geest er oven te huis als ooit te voren. De gelijkenis behoeft goon verdere verklaring: oone tijdelijke, voorbijgaande verbetering van levenswijze is er uitnemend in geschetst. De duivel heeft er niets op tegen, dat zjjn huis met bozomou gekeerd en versierd is, want iemand van uitwendig goede zeden kan oven stellig zijn slaaf\' zijn als de losbandige. Zoolang hot hart niet in bezit genomen is door zijn\' grooten vijand, en hij den mensch tot zijne eigene doeleinden kan gebruiken, zal do tegenstander onzer zielen hom zijn leven laten boteren, zooveel hot hem gelust,

45. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, hoozer dan hij zelf, ut ingegaan zijnde, wonen zij aldaar\', en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. Al zoo zal het ook met dit hoos geslachte zijn.


-ocr page 154-

ONZK 1COMNO ION ZUiVE AAUDSCUI\'! HKTKKKKIMOKN.

Illoofflst. XII.

128

; weder instorten bij krankheid, ongetwijfeld nog gevaarlijker dan do oorspronkelijke ziekte.

In Christus\' dagen bevonden do farizeën en anderen zich in dien toestand. De ^eest, die do Joden tot afgoderij bewoog, was verdwenen, maar de ware God werd niet geestelijk door hon bemind, ja niet eens gekend, on zoo had de duivel nog steeds macht over hen. Zelfs in dit booze jeslacht zal de booze geest, die het Judaïsme had verdorven, en zich openbaarde in haat tegen Christus en dweepzieke minachting van andere volken, zich daarna in nog afschuwelijker vorm openbaren, zooals geschiedde van den tijd des Hoeren af tot aan de verwoesting van Jeruzalem, toen hot volk als waanzinnig scheen geworden onder den duivolschen invloed, die hen „hatelijk\'\' maakte en „elkander hatende.quot; Wij hebben allo reden om to vrcezen, dat onze tegenwoordige eeuw van „beschaving en vooruitgang,quot; voort zal gaan totdat zij aan oen\' zelfden eindpaal is gekomen. Zij schrijdt voort naar ongeloof en ongerijmdheid; en terzelfder tijd neemt de wereldschge-zindheid toe en wordt er met hoilignoid den spot gedreven.

Hij gaat nog eene andere wandeling j doen. Hij is zóó ingenomen met zijne fmaie woning, dat hij andere duivelen bezoekt en lion uitnoodigt om met hem in zijn versierd huis te komen wonen. Do booze geesten voegen zich bij hom, en de bewoners van het huis zijn nu acht tegen één van hun vorig getal. „Ingegaan zijnde, tronen zij aldaar.quot; Zij nemen volkomen bezit van hot huis en maken het tot hun bestendig verblijf. Voortaan zijn zij er togen gevrijwaard om verdreven te worden, en nu is dio mensch erger dan in het eorst, want do onreine geesten zjjn talrijker en boozer. De zondige mensch wordt meer hoogmoedig en meer onge-loovig; of hij wordt meer verdorven van zeden en meer lasterlijk dan in het begin. Dat is nu het einde van die schijnbaar zoo hoopgevende verbetering van levenswijze, die echter van den beginne in werkelijkheid hopeloos was, omdat Jezus daar niet was, en de Heilige Geest er niet mode van doen had. Met slim overleg onderwerpt do onreine geest er zicli aan, om schijnbaar zijne macht op te geven, ten einde zijne heerschappjj daarna des te onwrikbaarder te vestigen. Het weder instorten in do zonde is, evenals een

HOOFDSTUK XI I. 4G-50.

[Onze Koning en zijne aunlsclie betrekkinn-en.]

46. Kn als hij nog tot de schare sprak, ziet, zijne moeder en zijne broeders stonden buiten, zoekende hem te spreken.

De loden zijner familie waren gekomen om Hem mode te nemen, omdat zij dachten, dat Hij buiten z|jne zinnen was. Do farizeën hadden zijn dienstwerk ongetwijfeld aldus aan zijne bloedverwanten voorgesteld, zoodat zij dachten wol te doen met dwang op Hem uit te oefenen, opdat Hij zich door zijn jjverig prediken niet in het verderf zou storten. Vrienden on betrekkingen kunnen wel eens de grootste hinder-


-ocr page 155-

lioofdst. Xti.l ON/K KONING EN ZIJNE MO F. OKU EN HIIOEDEKS.

12Ü

palen worden voor den godvruchtige. Zij drongen zich bjj Hein In en overvielen Hem In zijn liclllg dienstwerk „als Hij nor/ tot de schare sprak.quot; Dit voorval wordt ons mot oen toeken van verwondering medegedeeld: „Ziet.quot; Hoe durven zjj dit te doen? Op verzoek van zijne moeder en zijne broeders wordt Hij weggeroepen van zijn dringend noodzakelijk werk om het volk to onderwijzen, dat zijne levenstaak was; maar die roepstem vermocht niets op Hom. Wat is Maria overkomen, dat zjj aan die handeling deelnam? Menige beangste moeder is bereid gevonden om haren zoon terug te houden, als hij met kloekmoedigheid gevaar trotseerde. Onze Heere liet zich door zijne liefde voor zijne moeder echter niet ter zijde afleiden.

47. En iemand, zeide tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, zoekende u te spreken.

Een gedienstig persoon bracht do boodschap der familie over: iemand zeide tot hem: Zie uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, liet is hard als de stoornis komt van hen, die ons eigen vleesch en bloed zijn; want immer zullen zjj door vreemdelingen daarin worden gesteund. In onwetendheid of wel niet opzet heeft die persoon er zich toe geleend, om het plan der familie te helpen bevorderen, door er op te wijzen, dat zjj Hem zochten te spreken; ofschoon zjj eigenlijk zochten Hem met zich te voeren. Hoe zal 11 jj, die aan geen\' discipel wilde veroorloven een\' plicht te verzuimen, al voerde deze ook aan, dat hij zijn\' vader moest begraven, thans handelen, nu zijne moeder Hem komt hinderen ? Hij zal doen wat recht is. Wij kunnen altijd den regel vinden voor ons gedrag door do vraag te stellen: „Wat zou Jezus doeniquot;\'

48, 49. Maar hij, antwoordende, zeide tot deuyene, die hem dat zeide-. Wie is mijne moeder, en wie zijn mijnt broeders! Eu zijne haud hitstrekkeudr orer zijne discipelen, zeide hij: Ziet, mijne moeder en mijue broeders I

Hij miskent de teedere banden niet van zijne mensehelijke natuur, maar Hij laat ze in hunne ware plaats blijven, als ondergeschikt aan de geostelijlve banden, die Hem aan zijne geestelijke familie verbond. Zij, die door de bandon van het discipelschap aan Hem verbonden waren, waren in do meest ware éénheid mot Hem. Hij wees op „zijne discipelen, en zeide: Ziet, mijne moeder eu mijne broeders! Allon, dio in Jezus gelooven, behooren tot het koninklijk geslacht, zjj zijn prinsen van don bloede, broeders van den Christus. Zie, hoe Hij die betrekking erkent, on wil, dat allen er mede bekend zullen zijn. „Hij schaamt zich niet hen broeders te noemen.quot; Zijne wjjze van hen te erkennen was hier zeer bijzonder treffend; daar Hij hen zelfs boven zijne moeder en zijne aardsche broe-! dors stelde.

Heere, laat ons weten, hoe na wij U bestaan, en er onze blijdschap in vinden. Help ons ook om U lief te hebben ais eene moeder haren zoon ; en als een man zijn\' broeder behoort | lief te hebben.

50. Want zoo wie den wil mijns Vaders doet, die in de hemelen is, dezelve is mijn broeder, en zuster, en j moeder.

Hij verwijlt bjj deze waarheid, leder, die don wil des Vaders doet, bewijst daarmede, dat hij een waar discipel is, en dan is hij Jezus zoo na als een broeder, zoo dierbaar als eene zuster, iemand, dilt;gt; Hem zoo ter harte gaat

9


-ocr page 156-

/KVKN (iKTjIJKKNISSEN DKS KONINKlil.TKS.

[Hoofdst. XIII.

als oono mnofloi\'. Laat ons ovorcon-konistig onze positie en ons vermogen tegenover den Meere liandelen als een broeder in liet verieenen van hulp, als cene zuster in medegevoel, als eene moeder in teedere liefde, want al deze banden hebben eene dubbele strekking en werking; er is geven in opgesloten, zoowel als ontvangen. Welk oen gezegend „zoo une.quot;1 Dit is dus niet slechts voor leeraren, of voor personen, die tot een\' speeialen dienst zijn afgezonderd; allen, die den teil des Vaders doen, in welke levensom-standigheden zij zich ook bevinden, behooren tot den familiekring van den lleere Jezus Christus.

Onze Heerc Jezus had zich eene kleine wijle te voren ontdaan van de banden van het formalisme, door de farizeën en schriftgeleerden tc verslaan. Thans gaat het mes dieper, on alles wat van het vloesch geldt, ook wanneer het het beste en het edelste is, wordt gescheiden van lictgeen uit don geest is. Van nu voortaan is hot duidelijk, dat Hij niemand meer zal kennen naar het vleesch. En zoo kunnen wij ook niet hopen Hem te konnen uit kracht van in de kerk — dat is: uit Christenouders geboren te zijn, of uit kracht van iets dat uit bloed, of geboorte, of naar den wille des vloesches is. Hot innerlijk leven, dat verwant is aan God, en zich openbaart in heiligheid, dat is hot, dat ons éénheid geeft met onzen Heere. O dat wij al meer en meer don invloed hiervan mochten gevoelen!


HOOFDSTUK XIII. 1—53.

i)c Koning stelt zeven quot;\'elijkeiiisseii voor van zijn Koninkrijk.

1. En te dien datje Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat hij de zee.

Hij was niet bevreesd van met geweld door zjjne familie medegevoerd te worden, maar ging vrijelijk uit. Hoe kalm was zijn gedrag on houding! IIjj „zal bij de zeequot;] dit moet eene groote verlichting voor Hom geweest zijn. Hij liet af van do twistgesprekken in huis en op straat, en kwam in do rustgevende kalmte der natuur. Op hot strand, in de open lucht, vierde Hij den vrijen teugel aan zijne verbeelding en verwisselde Hijdendidac-tischen met den parabolischen stijl.

2. l\'Jn tot hem vergaderden vele scharen, zoodat hij in een schip ging, en neder zat, en al de schare stond oji den oever.

Groote scharen verlangden zjjne leer to hooien en zjjno wondoren to zien. Dezen verdrongen zich zoo zeer om Hem, dat er gevaar was, dat zij Hom in do zoo zouden dringen, en dit te meer, wijl hetgeene verstrooide menigte was; maar vele scharen tot hem vergaderden — zich verdringende rondom zijn\' Persoon, liet schip werd zijn kansel, en do kleine ruimte tussclien het schip en den oever stolde Hem in staat om vrij te ademen, en hen om beter te kunnen hooren. De glooiende kust en do blauwe hemel moeten eene grootsche gehoorzaal gevormd hebben, ruim genoeg voor „al de schare^ eene


-ocr page 157-

Hoofdst. XIII. I ÜKVKN GUMJKIONtSSEN DES KON* INK RIJ KIS.

131

veelomvattende uitdrukking. Do Loor-aar zat neder, en hot volk stond. Er zou minder geslapen worden in onze vergaderingen, indien deze regeling ook thans nog gevolgd werd.

3. Kn hij sprak tot hen vele dingen door (jelijkeuissev, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit nm te zaaien.

Hij had hun veel te leeren, en als voertuig van zjjn onderwijs koos Jljj gelijkenissen. Wat wondervolle beelden! Welk eene wereld van be-teekenis hebben zij voor ons, zoowel als voor hen, die Hem hoorden! Deze gelijkenis van den zaaier is een schat van leering betreffende het koninkrijk; want het zaad was „het woord des Koninkrjjkquot;. (Zie vers 19.)

rZietieder woord is onze aandacht waardig. De Prediker wees wellicht op een\' landman aan den oever, die een der terrassen begon te bezaaien. „Ken zaaier,quot; lees „/gt; Zaaier.quot; Jezus, onze Heere, heeft op zijns vaders bevel dit werk dos zaaiers op zich genomen. Do zaaier „ging uit.quot; Zie Hem, het huis zijns Vaders verlatende met dit ééne dool voor oogen en in zjjn hart ,.te zaaien.quot;

4. Kn als hij zaaide, riet een deel zaads hij den weg-, en de regelen kt va- j men, en aten dat o/i.

Als HU zaaide, viel een der1 zaads ! hij dm weg: zelfs als de Opperzaaier aan het werk is, zal een deel zaads verloren gaan. Wij weten, dat Hij hot boste zaad zaait, en op de boste wijze; maar een deel des zaads valt op den beganen weg, en ligt daar onbedekt, zonder dat de grond liet in zich opneemt. Die grond was hard geworden door veel verkeer. Daar, bjj den weg, vinden wij ook stof, dat de oogen verblindt, verzamelplaatsen i van slijk om het zaad te verontreinigen en vogels om hot op te pikken: het is geene goede plaats voor goed zaad. Geen wonder, dat, terwijl het zaad, aldus open en bloot lag, de vogelen kwamen en het opaten. Indien de waarheid niet ingaat tot het hart, dan zal zij weldra door booze invloeden weggenomen worden.

5, G. En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, daar het niet vee! aarde had-, en liet ging terstond o/), omdat het geene diepte van aarde had; maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geirorden, en omdat het geen wortel had, is het verdord.

Op de rotsen, of op de ondiepe aarde, met on verbrijzelden rotsgrond daar onder, viel dit zaad; want indien de zaaier zulke plaatsen gansch en al gemeden had, dan zou Hij wellicht ook een deel van den goeden grond zijn voorbijgegaan. I n deze steenaehtige plaatse)i ging het terstond ojj, omdat de rots er al do hitte aan gaf, die zij opving, en aldus het ontkiemen bespoedigde. Maar het was een snel opkomen en een snel verdwijnen. Toon de tijd daar was, dat de zon hare kracht uitzond, zjjn die wortellooze planten terstond gaan kwijnen en woldra waren zij dood. „Omdat het geen diepte van aarde hadquot; en „geen wortel.quot; I Foe kan het anders dan verdorren ? Alles ging met die planten even haastig; het zaad had geen tijd om wortel te schieten, en zoo is die snelle groei in een\' snellen dood geëindigd. Geen spoor bleef er van over.

7. En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen o]j, en verstikten het.

Oorspronkelijk was die grond een doornbosch, waarvan de doornen waren


-ocr page 158-

ZEVEN GELIJKENISSEN DES KONINKRMKS. fHoofdst. XIII.

at\'gesneden; maar de oude wortels -sproten opnieuw uit, en daarbij mengde zich ook ander onkruid. Die verwarde wildernis van doornen en distelen — en wat niet al meer! —verstikten de zwakke halmen van het koren. De planten, welke in dien grond inheemsch waren, verdikten den armen vreemdeling. Zij wilden niet toestaan, dat liet indrin-gende koren het veld met haar zou deelen: het kwaad eischt het monopolie van onze natuur.

Aldus hebben wij drieërlei soort zaad tot een ontijdig einde zien komen.

8. En een ander deel viel in de \\ (joede aarde, en gaf vrucht-, het een \\ honderd, het ander zestic/, en het ander ; dertig vond.

Hierdoor zal alle verlies worden vergoed, vooral door het meest vruchtdragende, waarvan hier gesproken wordt. Door den vogel, het weder en het onkruid is een drievoudig zaad te loor gegaan; doch gelukkig is er één zaad overgebleven om vrucht te dragen en de voorraadschuren te vullen. Het zaaien van goed zaad kan nooit gansch en al mislukken: „een ander deel viel in de goede aarde.quot;

Op iedere plek van dien vruchtbaren grond, was de oogst niet even overvloedig; hij warieerAe \\m honderdvoud ] tot dertigcoud. Alle goede aarde is niet even goed, en daarenboven kan I ook de ligging verschillend wezen. Op ! dezelfde hoeve, in hetzelfde jaargetijde en onder de bewerking van denzelfden landman zijn de oogsten niet allen gelijk, ofschoon toch iedere akker een voldoenden oogst oplevert.

Heere, indien ik het honderdvoud niet kan bereiken, zoo laat het dan ten minste toch blijken dat ik goede aarde ben, doordat ik dertigvoudige vrucht voortbreng.

9. m ie ooren heeft om te hooren, die hoore.

Dit herinnert ons aan een officier, die zijnen manschappen liet „Geeft acht!quot; toeroept. 111.1 spreekt, die, als Heere van allen, recht heeft om te worden gehoord. De ooren zijn om er mede te hooren; gebruik ze het meest, als HIJ spreekt, die ze gemaakt heeft.

10. En de discipelen, tot hem komende, zeiden tot hem: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen?

Het volk had er wellicht bij de discipelen over geklaagd, dat zij niet wisten, waar de Meester heen wilde; en do apostelen gevoelden zich mogelijk niet in staat om te antwoorden. Daalde zaak hun duister was, deden zij svol met er hun\' onfeilbaren Leeraar naar te vragen. Dit was veel beter dan er eene verklaring voor uit te donken, die geheel verkeerd en ongegrond kon zijn.

11. En hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen, te weten, maar dien is het niet gegeven.

Do gewone reden voor het gebruik van gelijkenissen zou wezen: de waarheid duidelijk te maken, do aandacht to boeien, en het onderwijs aldus vast in het geheugen te inenten. Maar in dit geval heeft de Heere door zijne parabolische wijze van spieken ook hot vonnis ten uitvoer gelegd, dat reeds lang te voren over de afvallige natie was uitgesproken, door welke Hij zoo onwaardig behandeld was. Zij waren veroordeeld om het licht te hebben, en moedwillig in duisternis te blijven.


-ocr page 159-

ZEVEN GELIJKENISSEN DES KÜNINKRIJKS.

Iloofdst. XIII.]

133

Voor zijne eigene discipelen wilde onzo lleere de gelijkenis verklaren, maar niet voor de buitenstaande, ongeloovige menigte. Indien iemand onder de schare oprecht begeerig werd om des Hoeren bedoeling te verstaan, dan zou hij zijn discipel worden, en dan zou ook hom „de verborgenheden van het koninkrijk der honelenquot; geloerd worden; maar zij, die den Messias verwierpen, zouden, terwijl zjj luisterden naar gelijkenissen, hooren, en niet hooren, zien en niet bemerken.

Het uitwendige woord te hooren, is een gewoon en algemeen voorrecht: „De verborgenheden Ie weten\'quot; is oeno gave der vrije genade. Onze Hoere spreekt de waarheid met groote vrijmoedigheid: „Het is u gegeven„maar dien is het niet gegeven.\'\'\'\' Plechtige, ontzaglijke woorden! Verootmoedigende waarheden. Do zaligheid en de kennis, door welke zij komt, worden gegeven naardat hot den Hoere behaagt. Er is met dat al zoo iets als onderscheidende genade, hoe deze leer door do hedendaagsche ongeloovigen ook worde gesmaad.

12. Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Zij, die eenig begrip haddon van geestelijke waarheid, zouden tot nog helderder licht komen; maar zij, die moedwillig in duisternis bloven, zouden in de tegenwoordigheid dos lichts al meer en meer verbijsterd raken, en slechts tot do ontdekking komen, dat zij, wat zij dachten te weten, niet geweten hebben. Een onwetend, onontwikkeld man, die in eon museum komt, of eene geleerde voordracht hoort, gevoelt zich daar slechts dommer of onwetender. Hij leert niets, omdat hij niet in staat is de elementaire termen der wetenschap te begrijpen. Evenzoo is het met vleescholijke menschen; door geesteljjke waarheid worden zij veeleer verblind dan verlicht.

13. Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en hoorende niet hooren, noch ook verstaan.

Dit was de reden, waarom Hij tot hen sprak door gelijkenissen ; zij konden geene geestelijke zaken begrijpen, en daarom gaf Hij hun geene eenvoudige, naakte leerstellingen, want daarnaar zouden zij-in het geheel niet geluisterd hebbon. Zij hebben niet wezenlijk gezien, wat zij zagen, noch gehoord wat zij hoorden. Hoe eenvoudiger het onderwijs, hoe minder zij er van begrepen. Zij waren zedelijk en geestelijk zóó krank geworden, dat zij alleen aan de aantrekkelijke inkleeding der waarheid eenigo aandacht wildon schenken; de waarheid zelve hebben zij noch bemind, noch begrepen. Tot op den huldigen dag zijn, voor vloeschclijke menschen, de wonderen dor schepping, do werken der genade, de daden der voorzienigheid en de ordonnantiën van den godsdienst als stommelooze muziek, of als geschilderde zonnen, zjj gevoelen er de kracht niet van.

14. En in hen wordt de profet ie van Jesaja vervuld, die zegt : Met het gehoor zult gij hooren, en {/eenszins verstaan-, en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.

Voortdurend wordt dit wondervolle zesdo hoofdstuk van Jesiija in het Nieuwe Testament aangehaald. Hoe duidelijk wordt er het oordeel over hot schuldige Israël in voorgesteld! Zij, die weigeren te zien, worden gestraft met onmacht om te zien. De


-ocr page 160-

IN DES KOXJNKKI.IKK, |ITüofclst. Xll].

/EVKM GEIjIJKEN1SSE

straf dor zonde is in do zonde gelaten te worden. De Joden nit de dagen onzes Heeren wilden beuzelen met hetgeen zij hoorden, en zoo kwamen zij er toe om te hooren zonder te verstaan. Zelfs do Engel des Verbonds zou to vergeefs tot hen spreken.

15. Want hat hart dezes volk* its dik geworden, en zij hebben met de noren zwaarlijk (jehoord, en hunne oog en hebben zij toegedaan \\ opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zonden zien, en met de ooren hooren, en met het harte verstaan, en zich hekeeren, en Ik hen geneze.

Zij hadden zelf hunne zintuigen verstompt. Boosheid en zonde hadden hen ongevoelig, doof en blind gemaakt voor alles wat geestelijk was. Aldus hebben zij den weg der zaligheid voor zieh-zelven versperd, en al hunne krachten ingespannen om hunne bekeoring te beletten, liet was niet meer dan rechtvaardig, dat de waarheid hen zou bereiken op eene wijze, die hen wM veroordeelen, maar niet bekeeren zou. Indien zij in iederen anderen dan den parabolischen vorm tot hen gekomen ware, zij zouden zich niet verwaardigd hebben er naar te luisteren. In dien vorm zou de waarheid duidelijker gezien kunnen worden, dan in iederen anderen vorm, indien zij haar slechts hadden willen zien; maar daar zij er onwillig toe waren, werd het zinnebeeld als eene donkere lantaarn voor hen, die hot licht voor hen verborg. Indien do menschen moedwillig hunne oogen sluiten, dan zal het licht hunne oogen verblinden. Als de lleere dus sommigen voorbijgaat, dan is dit te wijten aan hunne zonde; maar als Hij anderen verkiest, dan is dit niet, omdat zij beter zijn, maar opdat Iljj hen beter zou maken.

Deze schriftuurplaats leert ons, dat hot bezit van gaven en talenten van zeer weinig beteekenis is, tenzij wij ze gepast gebruiken. Do menschen behooren met de oogen te zien, en met de noren te hooren en met het hart te verstaan. Indien zij zich tot Christus wenden, dan zal hij hen genezen, genezen zelfs van het hart, dat dik is geworden, en van hot zwaarlijke hooren en van do gedoten oogen. Maar helaas! er is een geslacht, dat niet bekeerd wil wezen, want zij verhoo vaardig en zich op hunne blindheid en doofheid.

10, 17. Doch mee nngen zijn zalig, omdat zij zien, en nice ooren, omdat zij hooren-, want cooncaar zeg ik n, d(d vete profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien\', en te hooren de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.

Gelukzalige menschen, die tot zulk voorrecht waren uitverkoren! Uwe oogen en ooren zijn door genade geopend. I \'ice nngen zijn zalig, omdat zij zien. Wat wonderen, schatten, openbaringen zien zij! Oogen zijn zalig, die do verborgenheden dor goddelijke liefde aanschouwen. Utce ooren zijn zalig, omdat zij hooren, iets hooren, dat liefelijker is dan het lied der engelen, namelijk do stem der eeuwige liefde uit hot hart van Jezus. Gij hebt de groote verborgenheid gehooi d, do raad des Hooren is u geopenbaard, en gij zjjt zalig. Onder het evangelie wordt u bekend gemaakt, wat do\'grootsten en voortreffelijks ton dor menschen onder de wet niet hebben kunnen ontdekken. Do kortste dag van den zomer is langer dan do langste dag van den winter; en gij, nodorigon, ziet onder de bedoeling des evangelies meer waarheid in Jezus, dan de besten dor heiligen


-ocr page 161-

Hoofdst. XI II. I ZEVEN (iEl.l.lK KMSSI

zien konden, voordat Jhj gekomen is. Hieromtrent bestaat geen twijfel, want Jezus plaatst hot zegel van zijn — „Voorwaar zey ik op deze verklaring. Boven alle anderen zijn zij bo-voorrecht, wier vernieuwde zintuigen de waarheid Gods beide zien en hooren. Behooren wij tot hun gezegend getal ? Zoo ja, laat ons den Heere loven voor zoo groot eene weldaad. Het evangelie in waarheid la hooren en zijne zegeningen te zien is een groot voorrecht. Zoo behooren dan ook onze liefde en dankbaarheid groot te zijn.

18. Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.

Omdat gij achter do schermen ziet, en u de genade is geschonken om door het uitwendige beeld do innei-Ijjke beteekenis tc begrjjpen, zoo komt en hoort do vork\'hiring van de gel ijken is van dm zaaier.

19. Als iemand dat woord des ko-n ink rijks hoort, en niet verstaat, zoo komt de booze, en rukt wee/ hetgeen in zijn hart gezaaid iras: deze is degene, die hij den weg bezaaid is.

Het evangelie is „het woord des koninklijks:\'quot; het heeft koninklijk gezag; het verkondigt en openbaart Koning Jezus, en het leidt de menschon tot gehoorzaamheid aan zjjn bestuur. Te hooren, maar niet tc verstaan, dat is het goede zaad buiten uw hart te laten, hot niet in u op te nomen. Zulk hooren zal voor niemand iets goeds opleveren.

Satan is er altijd op uit om het Woord te belemmeren en in den weg te staan: „Zoo komt de booze\'\'\' op het eigen oogeublik, dat hot zaad gevallen is. Hij is altijd bevreesd voor do waarheid, zelfs als zij in harde, droge

;n des komnkkuks. 135

aanraking komt mot onzen geest, en zoo rukt hij het terstond weg, cn het woidt of vergeten, of niet geloofd. In elk geval is het weg; en dan hebben wij in het hart van onzen hoorder geen korenveld, maar eene heirbaan, oen\' harden, druk bezochten weg. Die monsch was geen tegenstander, hij ontving het zaad; maar hij ontving de waarheid zooals hij was, zonder dat de grond zijner natuur was veranderd; en het zaad bleef zooals het was, totdat de onreine vogel der hel hot van de plaats wegnam, en dat was er hot einde van. In zoover do waarheid in zijn hart gezaaid iras, was het zijn natuurlijk on vernieuwd hart, en daarom kon hot er niet in loven. Ifoevelo dusdanige hoorders hebben wij! Voor dezen prediken wij te vergeefs; want wat zij aanleeren, loeren zij ook weer af, on wat zij ontvangen, wordt schier ovon snol weder door hen verworpen.

Heero, laat niemand onzer toch ondoordringbaar wezen voor uw koninklijk Woord,maar indien liet kleinste zaadje der waarheid in ons gezaaid wordt, zoo geef, dat wij er onze ziel voor openen!

20, 21. Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het noord hoort, en dat terstond met rreiKjde ontvangt-, doch hij heeft geen\' wortel in zichzelven, maar is roor een tijd; cn als verdrukkincj of vervolging komt, om des woords wille, zoo wordt hij terstond geërgerd.

Hier was hetzelfde zaad en dezelfde zaaier, maar de uitkomst was eonigs-zins verschillend. In dit geval was er aarde genoog om hot zaad te bedekken, en warmte genoog om het snel tc doen uitspruiten. Do bekeerde was aandachtig en gemakkelijk te bewegen, lljj scheen het evangelie gaarne aan


-ocr page 162-

:n des KONi.MvKi.iKH. |lloofdst. XIII

l.\'iG ZEVION GEI.IJKENI8SK

te nemon; lijj was vol ijver en geestdrift, blijmoedig eu levendig. J)eze is degene, die het woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt. Gewis! dit heeft een zeer moedgevend aanzien! Maar die grond was in werkelijkheid slecht, hard, onvruchtbaar, ondiep. Die mensch had geen levenden toegang tot de verborgenheden des Evangelies, geen wortel in zichzelven, geen beginsel, geen vat op de waarheid met een vernieuwd hart, en zoo heeft hij dan voor eene wijle, maar ook slechts voor eene wijle, een\' snellen, schijnbaar voorspoedigen wasdom. Het is kernachtig uitgedrukt: Hij „is roor een\'\' tijdquot; Die „tijdquot; kan korter of langer wezen, al naar de omstandigheden zijn. Als het voor do Christenen heet begint te worden, hetzij door beproeving, die de Heere over hen brengt, of door vervolging van de zijde dor wereld, dan is die geloovige voor een\' tijd als eene plant zonder sap of wortel, en zóó gansch ontbloot van de vochten der genade, dat hij opdroogt, en zijne belijdenis verdort. Wederom is de zaaier dus teleurgesteld in zjjne hoop, en is zijn arbeid te vergeefs geweest. En zoolang de steenen harten onveranderd blijven, moet het altijd zoo zijn. Wij ontmoeten velen, die spoedig heet en even spoedig koud zijn. Zij ontvangen het evangelie „terstondmaar „terstondquot; verlaten zij het weder. Alles is oppervlakkig, en daarom gejaagd en onwezenlijk. Mochten wij allen een verbroken hart en een toebereiden geest hebben, opdat, wanneer de waarheid tot ons komt, zij wortel in onsschiete en blijve.

22. Kn die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het woord hoort ; en de zorgvuldigheid dezer wereld en j de verleiding des rijkdoms verstild het woord, en het wordt onvruchtbaar.

In onze tegenwoordige drukke eeuw kennen wij deze klasse van hoorders door persoonlijk met hen in aanraking te zijn gekomen. Zij hooren het woord, zij worden aangedaan en bewogen door hot evangelie, zij ontvangen het als een zaad in hun gemoed, en vooreen\' tijd groeit het voorspoedig op. Maar het hart kan niet behooren aan tweeërlei zaken, die het beiden geheel en al in beslag willen nemen, en daarom kunnen die menschen zich ook niet lang tegelijk aan de wereld geven eu aan Christus. Zorg om geld te verkrijgen, gierigheid, bedrog, en zonden, die geboren worden uit de haast om rijk te worden ; of anders hoogmoed, weelde verdrukking en andere zonden, die uit hot verkrijgen van rijkdom zijn voortgekomen, verhinderen den mensch om nuttig to zijn in godsdienstige zaken, of zelfs om met zichzelven oprecht te zijn: „het wordt onvruchtbaar. quot; Hij blijft bij zijne belijdenis; hij blijft zijne plaats innemen; maar zijn godsdienst groeit niet; ja hij vertoont de droeve teekenen van verstikt en belemmerd te zijn door wereldscligezindheid. Het blad der uitwendige godsdienstigheid is daar, maar er is geen dauw op; de aar der beloofde vrucht is daar, maar er zijn geene korrels in. Het onkruid heeft do overhand boven de tarwe, en verstikt het. Wij kunnen geene doornen en koren tegelijk en door elkander telen, do poging daartoe zal den oogst voor den Heere Jezus volmaakt bederven.

Zie, hoe rijkdom hier vergezeld gaat van zorgvuldigheid, verleiding en onvruchtbaarheid. Het is iets, dat rnet grooto teederheid behandeld moet worden. Waarom zijn do menschen er zoo belust op om hunne doornbosschen met nog meer doornen te bezaaien ?

Zou een goed landman do doornen en distelen niet uitroeien van zijn grond? Moesten wij ons niet zooveel


-ocr page 163-

ZKVEN (JELIJKUNISSEN DES KONI.NKUUK\'S.

llool\'dst. XI11.

137

mogelijk vrij houden van de zorg om wereldsche goederen te verkrjjgen, te bólioudcn, te vermeerderen en op te hoopen ? Onze hemelsche Vader zal er voor zorgen, dat wij genoeg hebben; waarom kwellen wij ons dan voor aardsehe zaken? Wij kunnen ons hart niet tegelijk aan deze dingen en aan liet koninkrijk geven.

2;5. Die nu in de goede aarde bezaaid M, deze is degene, die hei noord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd, de ander zestig, en de ander dertigvoud.

Hier is de geschiedenis van den voorspoed des Woords. Dit vierde stuk lands zal alle onkosten vergoeden. Geenc enkele gelijkenis leert natuurlijk de geheele waarheid, en daarom wordt hier geene melding gemaakt van het ploegen, dat aan iederen goeden oogst altijd moet voorafgaan. Geen menschen-liart is van nature goed: de goede Ileere heeft dit stuk lands tot „goede (lardt1\' gemaakt. Hier zjjn beide het hart en de gedachten ingenomen en gansch vervuld van de hemelsche boodschap, en do mensch „hoort het woord en verstaat hef.quot; Door met liefde te verstaan, dringt do waarheid door tot den mensch, scliiet er wortel, groeit er en beloont den zaaier. Wij moeten streven naar het innerlijk vatten en begrijpen van het Woord Gods: want alleen op die wijze kunnen wij er vruchtbaar door gemaakt worden.

Zij het ons ernstig streven, om te behooien tot hen, die honderdvoudige vrucht voortbrengen! Ach,zoo het in onze macht ware, wij zouden den Deere tienduizendvoudigc vrucht willen geven. Voor iedere leerrede, die wij hooien, moesten wjj trachten honderd daden te doen van godsvrucht, van barmhartigheid of van zelfverloochening. Met zulk hemelsch zaad verdient onze goddelijke Zaaier met een\' heerlijken oogst te worden beloond.

24. Eens andere gelijkenis heelt hij hun voorgesteld^zeggende: het koninkrijk de)\' hemelen is gelijk een mensch, die goed zaad zaaide in zijn akker.

Ten einde ons nog altijd herhaaldelijk don grondtoon aan te geven van dit evangelie, spreekt onze Ueere van „het koninkrijk der hemelen,quot; en om voort te gaan met zijne methode van do waarheid zóó duidelijk voor te stellen, dat slechts do moedwillig blinden haar niet zien, stelt Hij hun eene andere, zeer beteekenisvollegelijkenis voor. Zeer goed kennen wij dien „mensch, die goed zaad zaaide in zijn\'\' akker.quot; Op uitnemende wijze heeft Hij het gezaaid; gezaaid in zijn eigen verkoren grond, „zijn akker;quot; en zeer goed was het zaad, dat Hij zaaide. Hij is heengegaan naar zijn hemelsch huis, en heeft de zorg over zijn\'akker opgedragen aan zijne dienstknechten. Helaas! hunne zorge er voor is alles behalve wat zij wezen moest!

25. Kn als de mensehen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.

De dienstknechten zijn allen maar al te zeer tot slapen geneigd. Er is een tijd, wanneer de natuur dit van hen eischt, en er zijn andere tijden, als zij er zich door zondige traagheid toe laten verlokken. Goede, gemakkelijke menschen; zij kunnen niet gelooven, dat iemand aan huns Meesters akker schade of nadeel zou willen toebrengen; en daarenboven: waken, vreemde indringers verjagen is zulk onaangenaam werk! Waakzaamheid scheldt men voor „ketterjacht,quot;


-ocr page 164-

138 ZKVEN GELIJKEN 1SSK

„Stjjf puritanismequot; is do verachtelijke titci, dien men aan getrouwe uitoefening van tucht geeft. „Dweperijquot; is de benaming waarmede men nauwgezetheid omschrijft. Zou, terwijl nde men-schen sliepenquot;, een beschaafd man den geest der eeuw kunnen weerstaan, en wakker blijven?

„Kwam zijn rijmdquot;: wij weten, wie die vijand is. Zjjn tijd van werken is in den nacht. Hij slaapt niet. Als de wachters in slaap zijn gedompeld, dan juist is hij zeer werkzaam. Behoedzaam, listig, zonder dat men het bemerkte, zaaide die booze de dolik, de bastaard tarwe; een gewas, dat zoo zeer op tarwe geleek, dat niemand er eenig verschil in kon bespeuren, voordat het begon te rijpen. Hij wist hen daar binnen, te doen komen, die de „moderne gedachtequot; beminden, en wereldsche vermakelijkheden; menschen, die volgens hunne sprake Christenen, en naar hun eigen roemen te oordeclen, diep geestelijk waren; en na hen listisljjk binnengeleid te hebben, vertrok hij. Men zou achterdocht hebben kunnen krijgen, indien hij op het tooneel zijner listen en lagen had blijven verwijlen, en zoo „lt;jinlt;j hij /vecf, om elders hetzelfde te doen. Zijne lieve kinderen verklaarden allen, dat hij niet bestond, dat hij eene mythe was, en daar hij weg was gegaan, zijn velen tot het besluit gekomen, dat zij gelijk hadden. Satan is niet alomtegenwoordig, maar daar weet hij listig partij van te trekken, want dikwijls vermag hij moer door zijne afwezigheid dan door zijne tegenwoordigheid. Een gekende duivel is maar een halveduivel,

26. Toen het nn tot kruid opje-schoten was, en vnicht voortbracht, toen opevhaarde zich ook het onkruid.

Goed zaad groeit, en, helaas! ook boos zaad heeft het vermogen van zich te vermenigvuldigen. Satans begin-

N DES ICONINKRIJKS. | Hoofdst. XI I I.

selen bezitten eene ontzettende levens-vatbaarheid en kracht Beiderlei zaad was voor eene wijle verbolgen, maar toen het cone „opschoot\'\' „openbaardequot; zich ook het andere.

liet onkruid is even spoedig opgeschoten tils de tarwe, en het is er zoo volkomen aan gelijk, dat het geheel en al dezelfde plant schijnt te zijn. Do akker is bedorven; zjjn voortbrengsel is vergiftigd door de vermenging mot een boos onkruid. Wat heeft do vijand daar voor zich zeiven nu mede gewonnen ? Niets; het was hem genoeg, dat hij den man, dien hij haatte, had benadeeld.

27. En de diensthiechten van den heer des huizes gingen, en zeiden tot hem: Hccre! hebt (jij niet rjoed zaad in uiren akker gezaaid? Van naar heef! hij dan dit onkruid?

Nu ontwaken zij! Het zou beter zijn geweest, zoo zij wakende waren gebleven. Zij zien het booze gewas, ofschoon zij het booze zaaien niet hebben bemerkt. Verpletterd op den aanblik van dien verwoesten akker, haastten zij zich om het hun\' heer mede te deelen, terwijl zij zich verwonderd afvragen, hoe die toestand geboren is. Welk eene vraag deden zij aan hun\' meester: „ I\'un/raar heeft hij dan dit onkruid? Zij waren er van overtuigd, dat hij „cjocd zaadquot; gezaaid heeft, eu niets anders; en blijkbaar dachten zij, dat hij wist, wie de bastaardtarwe gezaaid had. Ook wij verwonderen ons, hoe zoo veel kwaad kon binnendringen in een gebied, waar Christus zijne dienstknechten gesteld heeft, en verbaasd roepen wij uit: I\'aniraar heeft het dan dit onkruid?quot; Die vraag zal het best door den Meester beantwoord worden; maar, dat wij die vragen doen, is het bewjjs dat wij ingeslapen waren.


-ocr page 165-

Iloofdst. XI 11.1 ZEVEN OELUKKNISSBN DKS KÜN1NKKUKS. 180

28. Kn hij zeidc tot hen: Een vijandig mensch heeft dut gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dut trij heengaan, en datzelveverguderen?

üe heer des huizes had niet geslapen. Hij wist, wie dat wreedo onrecht had gepleegd. Hij die do vijand Gods is en der menschen, on Itij alleen, had dit boozo stuk bedreven. Oogenscliijn-Ijjk was liet een geleerde, of een bekwaam dichter, of een verraderlijk redenaar, die twijfel zaaide onder het volk eu twijfelaars in de Kerk bracht; maar de werker achter de schermen, de wezenlijke werker van het kwaad is altijd do duivel zelf.

De dienstknechten waren zeer verlangend om liet kwaad ongedaan te maken, en wel op de eerste de bcsto wijze, die zich aan hen voordeed. Weg met do valsche tarwe, en laat de echte tarwe opwassen! Iets, dat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, maar dat gansch natuurlijk opkomt in hot hart van ieder waar dienstknecht, die zijne achteloosheid betreurt, en vurig verlangt hot kwaad ongedaan to maken. Ware er gewoon onkruid onder hot koren gegroeid, hot wiedijzer zou hot hebben kunnen verwijderen; maar deze dolik groeide samen met de tarwe, en was geljjk aan do tarwe, en vertoonde aldus hot ware beeld van hen in do gemeente en in do wereld, die Christenen zijn in naam, en oen schoon zedelijk vertoon maken, maar het loven Gods hoegenaamd niet kennen. Aran dozen kunnen wij niet afkomen. En toch! hoe dikwijls zouden wij wenschen ons van hen te ontdoen!

29. Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.

De dolik was zóó overvloedig, en zóó zoor vermengd geraakt met het koren, en zóó zeer er aan gciijk, dat het niet mogelijk zou zijn, o;n hot eeno uit te rukken zonder het andore. Er was inderdaad oen valsch koren, dat met het och to saamgegroeid was, en dit nu van elkander to scheiden zou don oogst in gevaar hebben go-bracht. Zij, die zoo haastig zijn om tucht uit te oefenen, hebben dikwijls hot beste uitgeworpen en het slechte behouden. Waar hot kwaad duidelijk onderscheiden kan worden, mogen wjj niet aarzelen om het te verwijderen; maar waar het twijfelachtig is, doen wjj beter met onze hand terug te houden, totdat wij eeno volkomeuor leiding ontvangen.

510. knal ze heide te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zat ik lot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in husselen, om het te rerhranden; maar brengt de tarwe te zamen in de schuren.

Laat de twee zaden voor eeno wijle bij elkander blijven, opdat zij later des te beter van elkander gescheiden kunnen worden. ]let is waar: het booze gt;.al hot goede hinderen en in don weg staan, maar zelfs dit is beter, dan dat gij bij vergissing het goede zoudt uitwerpen. Do tijd dor scheiding zal komen, en dat zal „de tijd des oogstesquot; wezen, wanneer beiderlei zaad tot volle ontwikkeling is gekomen. Dat zal hot geschikte oogenblik wezen om de schifting zonder schade of nadeel tot stand te brengen. De maaiers, die dan gebruikt zullen worden, zullen die schifting nauwkeurig, volkomen, eens voor altijd verrichten, liet valsche koren zal dan in busselen gebonden en verbrand worden, het echte in des Hecren eigene graanschuur worden ingezameld. Dat zal eene vol-


-ocr page 166-

ZEVKN GELIJKENISSEN DES KONINKUIJKS. [Hoofdst. XIII.

140

komene afscheiding wezen, en ons wordt bevolen daarop te wachten. Onzes Heeren : „ Ik sal tot de maaiers zeygenquot; kan ons er van terughouden om ovcrjjlde voorstellen te doen in onze kerkeraden, of de overheid van liet land tot ecne haastige, onodclmoedigo uitoefening der tucht aan te sporen. Doornen en distelen kunnen zij uitroeion, maar dolik, liet hier bedoelde onkruid, is gansch wat anders. Magistraten en kerken kunnen de openbaar sleclitcn uit hun midden bannen; de uitwendig goeden, die innerlijk waardeloos zijn, moeten zij laten blijven, want het oordeel des harten gaat hunne bevoegdheid te boven.

Onze Ileere verklaart, dat het oordeel der valsche tarwe, — do bastaard belijders,— schrikkelijk zal zijn. Bindt het in husselen\', doet bij elkander wat bjj elkander behoort, de zondaar bij don zondaar. Om het fe verbranden. Gcono woorden kunnen sciirikkcljjkor verwoesting aanduiden. Maar wat kalme, vreedzame woorden zijn liet, die wij daarna te hooren krijgen: „Brengt de tarwe tezamen in mijne schuur.quot; Allen vergaderd, allen erkend als het eigendom des Hoeren, allen ingebracht in zijn huis.

31, 32. Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: het koninkrijk der hemelen is gelijk liet mostaardzaad, hetwelk een mensch heeft genomen, en in zijn\' akker gezaaid, hetwelk wel het minste is ouder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden, en het wordt een hoorn, ahoo dat de vogelen des hemels komen, en nestelen in zijne takken.

Mostaardzaad is het minste onder al de zaden in verhouding van hetgeen cr uit voortkomt; maar liet bezit een bijzonder, eigenaardig loven, on daarom hoeft hot zoo reusachtig een wasdom. Den Mensch uit de gelijkenis kennen wij: zijn akker is de Kerk, of hot hart; Hij neemt hot zaad, dat wellicht door andoren werd veronachtzaamd, omdat hot zoo klein is. Iljj zaait het lovende zaad in zijn eigen akker, en waakt er over. liet groeit en groeit, totdat hot eindelijk het meeste wordt van de moeskruiden, en gelijk is aan eoi boom. Do resultaten van het goddelijk leven in de ziel zijn volstrekt niet gering; groote genade, groote plannen en grooto daden worden er door voortgebracht. Het werk der genade in do Kerk en iu den enkelen persoon is zóó blijkbaar, dat menschen, die van hemelsche dingen oven weinig af weten als vlasvinken en musschen, komen en eene toevlucht vinden onder de heilige en weldadige invloeden en instellingen, die er uit zijn voortgekomen.

Wij zouden niet hebben kunnen gissen of vermoeden, dat onze Ileere cn zijne twaalf apostelen de myriaden van kerken des Christendoms in het. loven zouden roepen. Ook thans kunnen wij niet weten, wat er uit eene nederige, geringe poging om goed te doen voort zal komen. Wij weten niet, waartoe ons eigen innerlijk loven komen zal. Er is eene zich uitbreidende kracht in verborgen, en het zal iederon band, elk bedwang verbreken, en iets worden dat schaduw werpt, vrucht voortbrengt, bescherming en schuilplaats verleent. Indien de Ileere hot onverderfelijk zaad in ons binnenste geplant heeft, dan is ons eene groote, heerlijke bestemming weggelegd.

Goede Moester, verhaast deze goze-gendo ontwikkeling. Van het mos-taardzaad hebben wij bijna genoog gezien; laat ons thans ook den hoorn mogen aanschouwen.

33. Eene andere gelijkenis sprak hij


-ocr page 167-

Hoofdst. Xni.l ZKVKN «EM.IKKXISSKX DES KONINKRIJKS.

141

tot hen, zeggende: Het koninkrijk fier hemelen is gelijk een zuurdeesem, welken eene vrouw nam, en verborg in drie meden meels, totdat het geheel gezuurd was.

Vele schriftverklaarders zijn van meening, dat dit ziet op de macht des kwaads in do Kerk of in hot hart. Naar doze uitlegging zien wij waarom „eene vrouwquot; liet zuurdeeg „namquot;, en waarom zij er zoo geheimzinnig mode was, dat er gezegd wordt, dat zij liet „verborg.^ Naar don regel, die bij het gebruik van dit zinnebeeld wordt gevolgd, moet do zuurdeezem beschouwd worden als hot type dos kwaads; en indien deze regel hier dan moot worden toegepast, dan is de leering, die er in ligt opgesloten, duidelijk en van groot aanbelang. Do zuurdeesem begon weldra zijn\' vcrdoifolijken invloed uit te oefenen in do kerk, en in don oen of andoren vorm blijft hij nog steeds die werking uitoefenen.

Maar liet verband leidt ons niet om de zaak aldus te verklaren. De golij-kenis begint mot dezelfde woorden als de voorgaande: „Het koninkrijk der hemelen is gelijk aanquot;; en er is geen woord van waarschuwing om ons er op verdacht te maken, dat hot thema veranderd is, en dat de lleero thans niet meer spreekt van hot koninkrijk zelf, maar van kwaad in hot koninkrijk. Onze Heere zegt ook niet; „zal gelijk zijnquot;; maar „is gelijk\'\', en bijgevolg duidt Hij iets aan, dat toen in werking was; en wij kunnen werkelijk niet inzien, dat de vrouw toen don zuurdeesem had verborgen, en nog veel minder, dat zij hem had verborgen „in drie maten meels-\', dat is, in eene groote, talrijke kerk. Wórdt zuurdeesem hier niet eenvoudig gebruikt als nog een ander beeld van een\' invloed, die hot voorkomen heeft van zwak te zijn, maar daarna werkzaam, overwinnend, en ten laatste alles doordringend blijkt te wezen? Dozo, ofschoon verborgen in het midden van volken, die mot „drie maten meetsquot; zijn te vergelijken, werkte met eenegohoimonisvollo snelheid, en zal aldus blijven werken in de ganschc massa dor wereld en de natiën aan zich onderwerpen. Onze vrienden kunnen tusschen deze twee verklaringen of opvattingen kiezen, en van elk, of van beide, eene nuttige leering atloidon. Moge do Hooro ons bewaren voor den boozon zuurdeezem; maar mochten wij allen onder do bewerking van heilige invloeden komen !

34, 35. Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; opdat vervuld zoude worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: Ik zal mijnquot;1 mond opendoen door gelijkenissen; ik zal voortbrengen dingen , die verborgen waren van de grondlegging der wereld.

Dio profeet was David, of Asaf. Do Psalm (LXXVIII) bogint; „O mijn volk! noemt mijne wet ter ooren.quot; 1) Door wien anders kon dit gesproken zijn dan door God? En toch spreekt diezelfde persoon in vors drie van „onze vadersquot;; en daarom moot hij een mensch zijn. Hier in dozen acht en zeventigston Psalm hebben wij dus den lioogheerlijken Persoon, die beide God en Mensch is, en zoo zijn die woorden door don evangelist uitnemend toegepast op onzen Heere Jezus Christus. Onze Hoere spreekt verborgenheden, en brengt dingen, die verborgen waren, voort in eono openlijke gelijkenis, welke verstaan wordt door hen, van wie do oogen des vorstands geopend zijn,terwijl zij, die zich zolven hebben verblind.


1

Naar de Kngelacho overzetting.

-ocr page 168-

ZHVEN\' (IKIJ.IKKNISSION\' DKS KON\'INICHIJKS. jHoof\'dst. XIII.

I4\'2

er do beteekcnis niet van kun nor, vatten. Deze gelijkenissen bevatten aloude verborgenheden en diepe geheitnenis-son, en er is wellicht nog meer profetie in, dan wij tot heden bemerkt hebben.

36. Toen nu Jezus (Je scharen van zich (jeluten had, ging hij naar huis. I\'ln zijne discipelen kwamen lot hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis ran het onkruid des akkers.

Het mostaardzaad en den zuurdeezem hadden zij wellicht begrepen, maar het onkruid bleet\' hun een raadsel. Dit betreuren wjj niet, daar wij nu door hunne onwetendheid des Heeren eigene uitlegging bezitten. Zonder haar, zouden wij voorzeker van den rechten weg afgedwaald zijn.

.■57. Kn hij, anlaoordcnde, zeide tol hen: Die het goede zaad zaait, Is de Zoon des menschen.

Hij is in deze wereld gekomen mot hot doel om er hot koninkrijk der hemelen in te zaaien. Al de genade, en waarheid, al het geestelijk leven onder ons is zijn zaaisel.

38. Kn de akker is de wereld, en

hef. goede zaad zijn de kinderen des

koninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des hoozen.

De akker is de wereld, mot inbegrip van do Kerk; maar do akker is niet uitsluitend de Kerk: want „het goede zaadquot;, of\' „de kinderen des Koninkrijksquot;, is tamelijk hetzelfde als do Kerk; en het booze zaad, het onkruid, zijn do personen, dio zich bij het volk Gods voegen, en in den groeten akker der wereld in onvermijdeljjkon omgang met hen leven. Er wordt hier niet in liet bijzonder gedoeld op kerkelijke gemeenschap, al wordt zij ook door de termen, die gebruikt zijn, er bij ingesloten. Dwepers hebben getracht ketters uit te roeien, en staatskerken hebben hen, die ongezonde denkbeelden koesterden, zelfs verboden in het land to blijven; maar alle pogingen om eenig gebied of terrein vrij te waren tegen de inwoning van ongoloovigen of ketters zijn ontaard in vervolging. Nergens op aarde kunnen wij eene kolonie hebben, die uit louter heiligen bestaat. Dikwijls is de wreede behandeling, die men do boste menschen liet ondergaan, voortgekomen uit het denkbeeld, dat zij dwaal leeraars waren, on dus niet geduld mochten worden. Met geestelijke middelen ernstig tegen dwaling te strijden is recht en noodzakelijk, maar vleescholijke wapenen en andere middelen van geweld te gebruiken, is volstrekt dwaas on goddeloos. Deze wereld is thans eon akker mot verschillend gewas, en zoo moet hetzjjn, totdat hot einde gekomen ia

Ii9. En de rijand, die het gezaaid heeft, Is de duivel-, en de oogst Is de voleinding der wereld\', en de maaiers zijn de engelen.

De duivel is de zaaier van booze menschen. Do zoodanigen waren er niet, voordat hij in het paradijs kwam; maar thans zijn zij overal, niet slechts op don akker der wereld, maar ook in den hof der kerk. Thans is het de tijd van groeien: de oogst zal weldra daar zijn, en do maaiers zijn door den lieer des huizes roods aangewezen. Wij kunnen er ons in verblijden, dat engelen, en niet menschen, de maaiers zijn. In welke ure „de voleinding der wereld\'\'\' daar zal zijn, weten wjj niet, maar zij is voorzeker nabij.

40—42. Gelijkerwijs dan het onkruid


-ocr page 169-

Hoofdst. XIILI ZKVKN (tKM.)KMXIS8EN DKS KONINKLIJKS.

14:5

rmyaderd, en met vuur verbrand wordt, alzoo zal lid ook zijn in, de voleinding dezer wereld; de Zhou des mensc/icn zal zijne erujelen uitzenden, en :ij znitcn uit zijn koninkrijk vergaderen al de ere/mussen, en degenen, die de ongerechtigheid doen, en zidlen hen in den vurige)! oven werpen: daar zal weening zijn, en knersing der tanden.

Wolk eeno beschrijving! Do bijeen-vcrgadoring van „nZ de ergernissen\'quot; •, on van allo personen, die andoren ton aanstoot zijn, on die do ongerechtigheid doen, zal eeno voloindi?ig wezen, waarnaar wij reikhalzend mooteu uitzien. Niet slechts do uitwendig slechten, maar ook zij, dio voorgeven te zijn, wat zjj niet zijn, de valscho tarwe zal weggenomen worden. Dat zal do reiniging wezen, niet van de kerk, maar van het koninkrijk, dat in dien tijd don goheelen akker dor wereld zal omvatten. Deze uitzuivering kunnen wij niet tot stand brengen; maar dos Hoeren engelen kunnen hot, en znllen hot. Dit zal wezen bij „de roleinding der wereld\'\', hot einde en hot toppunt van deze bedoeling. Hot dool van deze ongodvruchtigon zal vaur wezen, de sehrikkeljjksto van allo straften; maar het zal bon niet vernietigen; want zij zullen de stelligste tookonen

vertoonen van eeno lovende ellende.....

„weening en knersing der fanden.quot; Dat is hot lot, dat vroeg of laat, don goddoloozen beschoren is. Ofschoon zij in deze wereld met do godvruch-tigen groeien en bloeien op denzelfden akker, en nauwelijks van hen te on-derschoiden zijn, zullen zij toch van dit eervolle gezelschap worden verwijderd, en met het puin des lieelals in dien grooten „vurigen oven\'quot; geworpen worden, wiens rook opgaat tot in eeuwigheid. Dit zal de Zoon des mensehen doen door zijn gezag; de engelen zijn slechts de uitvoerders van den toorn dos Lams.

43. Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het koninkrijk huns Vaders. Die ooren heeft o)u Ie hooren, die hoore!

Bevrijd van do wolk, door de ge-dwongen gemeenschap met geveinsden teweeggebracht, zullen de rechtvaardigen blinken, liet koninkrijk is altijd huns Vaders geweest, en nu zullen zjj geopenbaard worden als zijne erfgenamen, en bijgevolg erfgenamen van zijne heerlijkheid en blijdschap. Tot aan dien tijd moeten zij grootelijks verborgen blijven door hen, die hunne onwaardige tegenwoordigheid aan hou opdringen, en door do vermenging der wereld ook in ocne zekere mate van duisternis bljjven verwijlen. Do indringers verwijderd zijnde door de hiertoe afgezonden engelen, zullen „de recht-vaardigen^ eone heldere openbaarheid van karakter erlangen, waardoor hunne voorti\'ctl\'oljjkheid zoo duidelijk gezien zal worden ala do zon op den middag. Dit is kostelijk voor hen om te hooren, en daar zjj „ooren hebben om te hoorenquot;, zoo laat hen mot blijde aandacht er naar luisteren.

44. Wederom is hel koninkrijk der hemelen gelijk een schat, in den akker verborgen, irelken een mensch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dien akker.

liet thema is nog steeds „het koninkrijk der hemelen.\'\'\'\' De mensch vond ee:i\' verborgen schat; misschien wel terwijl hjj aan het spitten of ploegen was, lljj zocht dien schat niet en toch vond hij hem. Is er niet geschre-


-ocr page 170-

7EVEN GEhUlCGNISSKN DES kONINKlUJKS. [Hoofdst. XIII

144

ven: „Ik hen gevonden van hen, die Mij niet zochtenquot;? Om op dien gevonden schat recht to krijgen, moet de vinder den akker koopon; en om dit te kunnen doen, verkoopt hij al wat hij heeft.quot; Aldus handelen de men-schen, als zij de schatten des evangelies hebben ontdekt. Zoo heeft Jezus zeil\' tot zeer duren prijs de wereld ge-kocht om zijne kerk te verkrijgen, die de schat was, dien Hij begeerde. Do bijzondere toepassing dezer gelijkenis laten wij den lezer over. In practi-schen zin zal hij wel doen, om in gelijke omstandigheden als hoofdpersoon handelend op te treden. Moge hij met blijdschap scheiden van alles wat hij heeft, ten einde zich van het koninkrijk der hemelen te kunnen verzekeren.

45, 40. Wederom is het koninkrijk der hemelen gelijk een koopman, die schoonepaarlen zoekt; dewelke, hebbende eene parel van groote wairde gevonden, ging heen, en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.

Merk op, dat de kostbare zaak hier niet gevonden werd bij geval, maar na een vlijtig en verstandig zoeken ontdekt werd. De eerste geljjkenis beschrijft den gewonen mensch, tot wien het evangelie komt, terwijl hij in zijn gewoon beroep of bedrijf bozig is, en volstrekt niet ernstig naar geestelijke dingen verlangt. Terwijl lij] bezig is met ploegen, vindt hij eene kruik met goud, en genoeg verstand bezittende om het goud boven eene kluit aarde te verkiezen, koopt hij den akker met den schat erin. In deze gelijkenis is de handelende persoon geen ploeger, maar een koopman, die in kostbare zaken handelt. Deze is een bekwaam, ontwikkeld man, die een oog heeft voor de waardij van juweelen, en het tot zjjne levenstaak maakt ze te zoeken.

Hij is een nadenkend, ernstig persoon, zeer bogeerig naar de beste, kostbaarste zaken, en daarom leest hij, hoort hij, denkt hij na, en zoekt, zoo als een juwelier zou doen, die schoone paarlen zoekt. Hij ontdekt het evangelie, en oordeelt mot recht, dat „het hm ink rijk der hemelenquot; de parel der paarlen is, en daarom ottert hij alles op, om deze parel te verkrijgen. In beide gevallen was alios verkocht om den schat te bezitten, en zoo moeten wij altijd, op wat wijze onze bekeering ook plaats hebbe, alles opgeven voor Christus; niet gedwongen, maar vrijwillig. Het moet ons een genot wezen om otters te brengen, ja wij moeten ze niet achten als offers; evenals deze twee mannen zeer begeerig waren om al hunne bezittingen te verkoopen om den eenen schat te verkrijgen, die hen hun leven lang rijk zou maken.

47, 48. Wederom is het koninkrijk der hemelen gelijk een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vis-schen te zamen brengthetwelk, wanneer het vol geworden is, de visschers aan den oever optrekken, cn neder zittende, lezen het goede uit in hunne inden, maar het kwade werpen zij iveg.

Hier beneden onder de menschen is het „koninkrijk der hemelenquot; als een zegen of een vischnet. Het beslaat eene groote oppervlakte van water, en verzamelt allerlei soort van dieren, die in de zee leven. Het net is geworpen met goed gevolg, want het brengt te zamen, en wordt vol. Toch kan die voorspoed wol niet zoo groot wezen als hij schijnt te zijn, want de inhoud van het net levert eene groote verscheidenheid op; het bracht allerlei soorten van visschen tezamen. Zoolang het in het water is, bevat het noodzakelijkerwijs kwaad an goed. Dat kan


-ocr page 171-

Hoot\'dst. Xlir.1 ZMVKN GELIJKENISSE

145

EN DES KUNI.VKUIJ KS.

niot anders, en zoolang liet nog in de zee is, zou het ijdel zijn en tot niets leiden, om al te gaan sorteeren. De plaats, waar de scheiding moet plaats hebben, is de oever. Watgeenc waarde heeft, wat tot niets nut of\' bedorven is, zal weggeworpen worden, ook al is het eenmaal in het net geweest; maar het waarlijk kostbare zal uit het net genomen en hun\' Heere worden aangeboden. Thans moeten wij staan en visschen, het net uitwerpende, en wachtende om hot op te trekken. Niet vóór het einde zullen wjj iieder-zitten, om hetgeen wjj gevangen hebben te sorteeren. Er zijn velen, die trachten het laatste hot eerste te doen.

49, 50. Al zoo zcd het in de voleinding der eeuwen toezen: de encjelen nullen uitgaan, en de hoozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden, en zullen hen in den vurigen oven \'Werpen: daar zal zijn weening en knersing der tanden.

De scheiding tusschen „de hoozenquot; en „de rechtvaardigenquot;, die in het koninkrijk zijn, zal aan hot einde der bedoeling plaats hebben. Zij zal geschieden door do boden üods, do daartoe bestemde engelen : hot zal onfeilbaar, bereidvaardig, grondig, en met eindbeslissing geschieden, liet oordeel der boozen is beschreven in termen, die in de hoogste mate schrikkelijk zijn. Zij, dio willen, dat wij zeer licht over de straf\' der goddeloozen zullen donken, worden in hunne mooning niet gesteund door hetgeen de Heere Jezus geleerd heeft. Kn evenmin wordt het denkbeeld, dat vuur vernietiging veroorzaakt, gesteund door het beeld, dat hier wordt gebruikt, want in den vurige)! oven „zal weening zijn en hiersing der tanden.quot;

51. En Jezus zeide tot hen . If ebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot hem: Ja, Heere!

Dat is eene zeer belangrijke vraag. De waarheid te verstaan is volstrekt noodzakelijk; alles te verstaan is wen-scheljjk. Do bloote letter der gelijkenis, zonder begrip of besef van hare be-teekenis, zal noch levend, noch heilig maken. Gelijk voedsel gegeten, verteerd en met het lichaam vereenzelvigd moet worden, zoo moet men de waarheid door don geest in zich opnemen. Zouden wij kunnen zeggen: „Ja, Heerequot;, indien Uij die vraag tot ons richtte!\' Hunne schatting van huu eigen verstaan was wellicht ook niet zoo nederig als het wel moest.

52. Kn hij zeide tot hen: Daarom een iegelijk schriftgeleerde, in het koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijn\'\' schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.

Onze eerste begeerte moet wezen, zclven „in het koninkrijk der hemelen onderwezen te zijn.quot; Dit is eene merkwaardige uitdrukking. Dit geschied zijnde, zijn wij allen bestemd om te wezen als een heer des huizes, en worden wij verantwoordelijk gesteld voor het gebruik onzer kennis als voedsel voor allen, die in ons huis zijn.

Wat wij verstaan, moeten wij onderwijzen. Wat wij in onzen schat hebben ontvangen, moeten wij voortbrengen. Indien de Heere ons in zijn koninkrijk heeft onderwezen, dan is dit om don wille van anderen. Ten opzichte van dezen moeten wij handelen, als iemand, die huis houdt, en provisie uitgeeft voor hot gezin. Sommige zaken zijn bewaard om nog te rijpen, en dezen brengt de hofmeester ter bestemder tijd te voorschijn. Anderen zijn boter om

10


-ocr page 172-

) n vaderland.

14G

de koning in zij

[Iloofdst, XTIl.

zoo verscli uit den hot\' gebruikt te worden; en dozen plaatst hij terstond oi) tafel. Niets houdt hij terug; maar hij beperkt zijn\' voorraad niet tot\'eene enkele zaak. Het oude is hij niet moede, en voor het nieuwe is hij niet bevreesd. De oude waarheid wordt nieuw gemaakt door eene levende ervaring; nieuwe beschouwingen der waarheid — indien het wezenlijk de waarheid is — zijn dan slechts de oude waarheid in een nieuw licht. Wij moeten in ons onderwijzen van andoren op verscheidenheid bedacht zjjr., maar dat doel moeten wij niet zoeken te bereiken door de kinderen te vergiftigen met doodeljjke kruiden, alleen maar om hun nieuwe gerechten voor te zetten. Alleen die dingen, welke waard zijn om in don schat te worden bewaard, zijn ook waardig om voor het gezin voortgebracht te worden. Die schriftgeleerde moet wol onderwezen zijn, die gedu

IIO O F D S T U 1 [De Koning in

54. I\'hi gekomen zijnde in zijn vaderland, leerdehij ze in hunne synagoge, zoodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van tvaar komen dezen die wijsheid en die krachten?

Met welk eene aandoening dos harten is onze Heere naar zijn vaderland teruggekeerd! Hoe bereid was Hij om met zijne vorige vrienden samen te komen, want „Hij leerde ze in hunne synagoge.quot; Hoe ijverig kwamen zij te samen om hun\' jongen Landsman te hooren, die zoo grooto ontroering had teweeggebracht! Hoe verbaasd waren zij over do meesterlijke wijze, waarop HÜ groote, gewichtige onderwerpen rende een lang loven eene verscheidenheid van kostelijke waarheden heeft voort te brengen.

Heere, maak Gij ons tot deze dingen bekwaam. Onderwijs ons, opdat wij ons gezin mogen onderwijzen. Mochten wij niets terughouden voor ons zelven, maar voor uw volk alles voortbrengen, wat Gij ons hebt toevertrouwd. O mochten wij, ten dage als Gij wederkomt, U wolbohagelijk zjjn, omdat wij getrouw zijn bevonden.

53. En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok hij van daar.

Hij bleef niet om door te veel te doen te bederven wat Hij zoo goed gedaan had. Toen Hij „geëindigd\'* had, ging Hij weg. Als Hij zijn dienstwerk in ééne plaats had volbracht, „vertrok hij van daar.quot;

: XIII. 54-58.

zij» vaderland.]

behandelde en grooto daden dood! Verbazing leidde tot navraag. Zij begonnen zich af te vragen hoe dit kon. De vraag: „ Van tvaar komen dezen die wijsheid en die krachten Pquot; zou met eerbied kunnen gedaan zjjn, en zou tot een zeer leerrijk antwoord hebben kunnen leiden, maar sommigen gaven aan hunne vraag een\' geur van ongeloof, en dit is hun duur te staan gekomen.

Heere, geef dat mjjne vragen nooit voortkomen uit ongeloof. Geef mij verbaasd te zijn over hetgeen G ij doet, en toch weer niet verbaasd te zijn, dat Gij in staat zijt om zulke krachten te doen?


-ocr page 173-

DE HERAUT DES KONINGS GEDOOD.

Hoofdst. xrv.i

147

55, 5G. Is deze niet de zoon des timmermans? en is zijne moeder niet cjenaamd Maria, en zijne broeders Jaho-hus en Joses, en Simon en.Judas? En zijne zusters, zijn ze niet allen hij ons? Van waar komt dan dezen dit alles

Zijn stamboom sclieen hun van de nederigston to zijn. Hij was uit hun midden voortgekomen; Dio geacht werd zijn vader te zijn was een dorpsambachtsman. Zijne moedor was eenvoudig Maria, en zijne bloedverwanten gansch gewone personen. Dit had lion belioo-ren aan te moedigen, had hun genoegen behooren te doen; maar zoo was liet niet, Zjj worden sarkastisch; en bleven verwijlen bij de welbekende namen van Jakobus, en Joses, en Simon en Judas. Zij gaven te kennen, dat hij niet heel veel wijsheid opgedaan kon hebben in eeno timmermanswerkplaats; on daar hij niet onder do rabbis had verkeerd, om eeno betere opleiding te erlangen, kon hij in werkelijkheid ook niet heel veel weten. Hoe kon hij tot zoo groot eeno hoogte zijn gekomen ? Hij was een gansch onbeduidend persoon. Wel, zij liobben hem immers gekend, toon zijne ouders op hunne reize naar liet feest to Jeruzalem liem hadden verloren ! Zij konden niet luisteren naar het gepraat van den zoon des timmermans.

57. hhi zij icerden aan hem cjeër-cjerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.

Zij violen over een\' steen, die hun tot stapsteen had behooren te dienen. Arme zielen! Hoe gelijken zij op velen in onze dagen, die glans en schittering moeton zien en van hooge aanspraken moeten hooron, of zij zullen de grootste wijsheid als niets achten! Als zij eeno j leerrede kunnen begrijpen, dan denken zij, dat zij onmogelijk goed of degelijk ! kan zijn. Indien iemands handelwijze i eenvoudig en natuurlijk is, dan kan hij, naar hunne meening, niet heel veel aandacht waardig zijn. Nog altijd is het gewoonlijk het geval, dat waar iemand bekend is, zijne naburen moeie-lijk kunnen gelooven, dat lijj inderdaad oen groot man is. Afstand geeft | bekoring: eeno wolk schijnt dedingen in omvang te doen toenemen. Dat is dwaasheid.

| 58. En hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.

Ongeloof bond Hom do handen. Waarom zou Hij zijne heilige krachten aanwenden onder een volk, dat ! er niet van wilde profitooren? Waar Hij gaarne hot meeste gedaan zou hebben, was Hij gedwongen om liet minste te doen, omdat Hij zag, dat alles wat Hij deed, aan hen verspild ; zou zijn. Do Heere behoede ons voor zulk een\' geestestoestand! O Heere, geef ons volkomen te gelooven, zoodat Gij voor ons, en in ons, en door ons i vete krachten dor genade doen kunt.


HOOFDSTUK XIV. 1—12. [De Hernat des Konings g\'edooil.]

I, 2. Te dterzelfder tijd hoorde Her (kies, de viervorst, het gerucht van Jezus, en zeide tot zijne knechten: Deze-is Johannes de Dooper\' hij is opgewekt van de dooden, en daarom werken die krachten in hem.

Toen het geheolo land in beweging


-ocr page 174-

DE I IKK AUT DES KONINGS GEDOOD.

[Hoofdst. XIV.

14S

was, ,/c dier zelf dei- tijd hoorde Heródes, de viervorst, het gerucht van Jezus.quot; Toon, maav niet eerder, was liet gerucht van Jezus doorgedrongen tot dezen nietswaardigen vorst, die al te zeer met zich zei ven en met zijne booze lusten was vervuld, om veel te hoeren van geestelijke zaken. De boer hoeft eerder van Jezus gehoord dan de vorst. Hot Woord Gods kan hot paleis wol binnentreden; maar het baant er zich slechts langzaam oen\' weg. Heródes sprak over dozen vermaarden persoon tot zijne dienstknechten, want hij was zóó verschrikt, dat hij zijne vrees niot kon verbergen. Een schuldig geweten wordt door oeno misdaad voortdurend gekweld en verontrust. Op de herinnering van den tyran stond do naam „Johannesquot; geschreven, en nu hij opgeschrikt wordt door hot gerucht van wonderen, die geschied waren, roept hij: „Deze is Johannes de Dooper; hij is opgeweld van de dooden.quot; Naar zijne belijdenis was Heródes een sad-dueeër, maar zjjn an^stheeft zijn twijfel-geloof tot stof\' vergruisd. Voor Johannes ten minste gelooft hij, datereene opstanding is der dooden. Onder de oppervlakte van luid uitgesproken ongeloof, ligt dikwijls groot bijgeloof\'. Heródes Antipas bezat een vierde deel van zijns vaders koninkrijk, en minder dan een vierde deel van zijns vaders bekwaamheid ; maar in zelfzuchtige wreedheid was hij een echte welp van den ouden wolf. Zijn geweten sprak luide genoeg om hem te verschrikken, maar dat was niet genoeg om hem te veranderen. Merk op, hoe hij in de macht geloofde van den verrezene; „Daarom werken die krachten in hem.quot; Indien nu Heródes op een bloot hooren zeggen aan den Heere zulk een macht toeschreef op aarde, zullen wij niet gelooven in de macht van onzen verrezen Heere op zijn\' troon in de heerlijkheid?

3, 4. Want Heródes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in dot kerker gezet, om Heródias, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder; want Johannes zeide tot hem: Bet is n niet geoorloofd haar te hebben.

Natuurlijk was het hem niet geoorloofd de huisvrouw van Filippus, zijn\'\' broeder, te nemen, terwijl Filippus nog leefde, en terwijl ook zijne eigene vrouw nog leefde. Toen hij de gast was van Filippus te Kome, werd hij verstrikt door Heródias, en het schuldige paar, dat, behalve dat zij beiden reeds gehuwd waren, zich te na in den bloede bestonden om wettig met elkander te huwen, kwam terug in (lalilóa alsof zij man en vrouw waren. Het was moedig gesproken van den Dooper, toen hjj kortaf zeide: „Met is ii niet geoorloofd haar te hebben\'\'; maar die volzin is hem duur te staan gekomen. Heródes Antipas kon het wèl onwettige dragen om de daad te doen; maar hij kon het niet dragen, dat men hem zeide, dat hij eene onwettige daad had gepleegd. Johannes heeft de zaak niet bewimpeld, en evenmin heeft hij or over gezwegen. Wat beteekende voor hem een koning, indien deze koning do wet Gods met voeten durfde treden ? Hij sprak scherp, en op don man af, en Heródes wist hot. Heródes heul Johannes gevangen genomen, omdat quot;net woord van Johannes Heródes gevangen had.

De macht van zondige liefde komt uit in de woorden „om Heródias wd.quot; Deze wreedaardige vrouw duldde geene bostrafliiig van hare losbandigheid. In hoogmoed en wreedheid was zij een ware Isebel; en Heródes was als was in hare handen.

5. En willende hem dooden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een,\'1 profeet.


-ocr page 175-

DE HUKA.UT 1)1« KONINGS GEDOOD.

Hoofdst. XIV.I

149

Zulke eerlijke, openhartige taal kon noeli door hem, noch door zijne bijzit worden verdragen, en zoo zou iiij don bestraffenden mond voor altjjd tot zwijgen hebben gebracht, indien hij niet door een heilzame vrees voor hot volk ware teruggehouden. Heródes was in bedoeling reeds een moordenaar, maar voor het oogenblik heeft do vrees hom nog belet de daad ten uitvoer te brengen. Het volk had hoogo achting voor Johannes als ecu dienstknecht Gods, en do tyran durfde den toorn der menigte niet bravceron. Welke slaven der vrees kunnen slechte vorston niet worden. Dit is goed, want aldus wordt hunne tyrannic voor eene wijle ten minste in toom gehouden. Helaas! lang duurt dit gewoonlijk niet, want weldra laten zij zich niet meer weerhouden, cn dan zullen zjj tor wille van eene gunstelinge den toorn ecnor gohoole natie tarten.

0. Maar ah de day der geboorte van Heródes geliondoi werd, danste de dochter van Ueródias in het midden van hen, en zij behaagde aan IIeródes.

Er is niets verkeerds in hot vieren van geboortedagen, maar zeer groot kwaad schuilt or in een\' wellustigen dans, of in andere spelen, waardoor kwaad wordt opgewekt. Salome was eene ware „dorhfer van Ueródias.quot; VA] vergat haren rang, en devnste in het midden van hen naar do wellustige wijze van dien tijd, ton einde een\' waarschijnlijk dronken vorst te behagen. Zjj „behaagde aan Heródesquot;, don overspeligen minnaar harer moeder, en wjj kunnen ons gemakkelijk voorstellen wat soort van dans het was, die hem behaagde.

I n onze dagen worden dochters maar al te vaak door hare moeders aangemoedigd om zich to kleeden op eene wijze, die nauweljjks betamelijk mag genoemd worden, en ingeleid tot danspartijen, die niet zeer aanbevelenswaardig zijn voor de bevordering van reinheid van zeden. Dit kan niets goeds ten gevolge hebben. Aan Hero-dessen moge dit behagen, maar aan God mishaagt hot. In dit geval heeft de dans tot eene wreedo misdaad geleid, en het is te vreezen, dat maar al te dikwijls grove onzedelijkheid het gevolg is geweest van dansen, waardoor onreinheid on oneerbaarheid werden opgewekt.

7. Waarom hij haar met eede he-toafdc te, e/even, weit .:ij ook eischen zonde.

Eene dwaze betofle en een goddc-looze eed. Menschen van de soort van Herodes zijn altijd mot eeden gereed. Men behoorde te weten wat men doet, als men iets belooft, en nooit mag men zijn\' naam in blanco teekenen, en het door iemand anders laten invullen, want aldus zou men met die naam-tookening alles wat men heeft kunnen verliezen. En daarenboven kon toch ook op ocne verdienste, die slechts in eene onzedige houding van het lichaam bestond, zulk oeno grooto belooning niet volgen! Heródes was gewis even dwaas als slecht. Hadden wijn en wellust zijn hart weggenomen?

8. I\'Jn zij, te voren onderricht zijnde dooi\' hare moeder, zeide: Geef mij hier in een\'1 schotel, hel hoofd van Johannes den Dooper.

Do geheele zaak was vooraf overlegd tusschon deze schaamtelooze moeder en dochter, die beiden Heródes\' zwakke zijde kenden, en met hem wisten om te gaan. Do moeder hoeft hare dochter tot dansen aangespoord, en haar toen dit verzoek ingeblazen. Do dochter aardde naar do moeder,


-ocr page 176-

150 DE HERAUT DES

on heeft zeev bereidvaardig do instructies dier booze vrouw uitgevoerd. Ongetwijfeld was Heródias nog veel meer verbitterd dan Heródos wegens hetgeen de Doopcr had durven zeggen, want gewoonlijk zal de vrouw meer vertoornd zijn dan de man als zij om zulk cone zonde wordt bestraft. Hoe treurig is het, dat uit het edele geslacht der Macabeërs zulk een vrouwelijk monster is voortgekomen! Zij wil het hoofd tan Johannes den Dooper op een\' schotel hebben. De vermelding der bijzonderheden toont het koelbloedige van den eisch. Als of hot eene aangename spijze was, moet het hoofd des profeten haar op een\' schotel worden voorgezet!

9. En de leaning werd bedroefd; doch om de eeden, en deejenen, die met hem aanzaten, ejehood hij, dat het haar sou gegeven worden.

Fraaie droefheid! Men zegt dat do krokodillen tranen storten over hen, die zij door midden bijten. „De koningquot; was bevreesd voor de gevolgen. Arme koning! Hij kan nog eene laatste, stervende worsteling dos gewetens iiob-bon gevoeld, want Herodes had oen\' zekeren eerbied voor Johannes; maar zijne smart kon niot heel diep zijn geweest, daar hij hem reeds had willen dooden. Do koning vreesde, dat zijno hovelingen en drinkgezellen hem zwak zouden vinden, en hem wellicht zouden bespotten als te godsdienstig om een\' profeet te durven doren. Die vrees van voor zwak gehouden te worden bewees, dat hij inderdaad zwak was. Hier kwam nog bij, dat Heródias zou don-kon, dat zijne liefde voor haar lang zoo groot niet was, als hij had voorgewend; en hoe zou hij haar hartstochtelijke smart hierover kunnen verdragon? Daarenboven; hij was „een

KONINOS GEDOOD. | Hoofdst. XI V.

man van eerquot;, om de eeden kon hjj dus niet terug. Mot het leedwezen, dat de wolf gevoelt, omdat hij het lam moet verslinden, gaf hij bovel om Johannes te vermoorden, en zijn hoofd aan het jonge meisje te geven. Roekelooze beloften en zelfs eeden, zijn goene verontschuldiging voor onrechtvaardige daden. Do belofte was in zich zelve van nul en gcener waarde, omdat niemand het recht hoeft te beloven, dat hij onrecht zal doen. Goddelooze oedon moeten betreurd, maar niet go-houden worden; maar deze wreede tyran boval den moord, en heeft alzoo zijne afschuwelijke belofte gestand gedaan.

10. Fm zond heen en onthoofde Johannes in den kerker,

Herodos zond heen, en onthoofde Johannes. Met oen enkel woord wordt oen kostbaar leven afgesneden. Hoe gering denken tyrannen over een\' moord! Geen wonder werd gewrocht om Johannes te bevrijden. Waartoe ook ? Voor den Dooper was het heerlijk om heen te gaan en zijn loon te ontvangen, want zijn werk was afgedaan. Hij moest niet wegkwijnen in de eenzaamheid; de man Gods verliet de gevangenis voor hot paradijs, en dat wol met één\' onkelen zwaardslag. Het was oon afgrijselijke moord, maar voor don Dooper was het eene zalige verlossing. Hij was niet langer in do macht van Heródos of van Heródias ; hij ontving zijne kroon in den hemel, ofschoon hjj op aarde zijn hoofd had moeten verliezen.

Van Heródos wordt gezegd, dat hij „Johannesheeft onthoofdquot;\', want hetgeen op zijn bevel was geschied, is voor zijne verantwoordelijkheid, en zijn geweten zeide hom dit. Wat wij door anderen doen, doen wij zolven. De


-ocr page 177-

Hoofdst. XTV.| ONZE KONING GEEFT EEN\' GROOïEN MAALTIJD.

151

menschcn kunnen Kondigen door volmacht; maar zei ven staan zij er voor schuldig.

11. En zijn hoofd -werd gebracht in een\'\' schotel, en aan het docht erken gegeven; en zij droeg het tot hare moeder.

Wolk een geschenk aan eeno jonge dame! liet werd aan het dochterken gegeven! Het meisje schaamt zich niet om dien fijnen schotel op to nemen en hem naar hare duivolsche moeder te dragen, opdat zjj hare boosheid verzadigen kan met hot gezicht van het hoofd van haren trouwen bestraffer. Welk eene moeder en dochter! Twee booze vrouwen kunnen cene wereld van kwaad doen. Wolk een lot voor zulk een hoofd! Heeft het wellicht ook nog van dien schotel do lage overspeelster bestraft ?

12. En zijne discipelen kwamen en namen het lichaam teeg, en hegroeven het; en gingen en boodschapten het Jezus.

Be volgelingen van don godvruchtige hebben hun\' vermoorden leider niet verlaten: „zijne discipelenhrameriquot;. Het verminkte lichaam werd hun overgegeven; met eerbied namen zij het lichaam weg en begroeven het. Nog waren zij zijne discipelen, en zijn dood was de dood niet voor hun geloof. Zij volbrachten de eenige daad van vriendelijkheid, die toen in hunne macht was, voor hem, dien zij hadden gevolgd. Zij beschouwden den hoof-deloozen romp als do laatste overblijfselen van Johannes, en zjj verzamelden er zich om heen en gaven het tone eerlijke begrafenis. Er wordt door don evangelist echter niet gezegd, dat zij Johannes begroeven: „zij namen het lichaam weg en begroeven het, maar hem niet. Do wezenljjke Johannes kon door niemand begraven worden, en Herodos heeft weldra ondervonden, dat Johannes nog sprak, nadat hij was gestorven.

Wat bleef er voor Johannes\' discipelen nu anders te doen over, dan om naar den Vriend en Meester huns leiders heen te gaan. Hem de omstandigheden mede te doelen en verdere orders af te wachen ? Johannes had hen goed onderwezen, daar zij terstond na den dood huns leeraars tot Jezus gingen.

Als wij in groote benauwdheid zijn, dan zullen wij verstandig handelen met zeiven te doen wat wij kunnen, en terzelfder tijd alles aan Jezus mede te deelen, opdat Hij ons zegge, wat wij nu verder te doen hebben. Wolk eene verlichting om het alles aan Jezus te zeggen! Het was een pijnljjk verhaal voor Hem om aan te hooren: maar Hij zal deze treurenden gewisselijk vertroosten, on ook ons zal Hij in onzo omstandigheden vertroosting zonden.


HOOFDSTUK XIV. 18—22. [Onze Koning\' «\'eeft een\' grooten maaltijd.]

13. En als Jezus dit hoorde, vertrok hij van daar te scheep, naar eene woeste plaatsalleen; en descharen, dathooremle, zijn hem te roet gevolgd uit de steden.

Onze Heere kon zoo droevig cene gebeurtenis, als dc dood van zijn\' voor-looper niet laten voorbijgaan zonder bijzonder gebed in de eenzaamheid.


-ocr page 178-

ONZE KONING GEEFT EEN* GROOTEN MAALTIJD [Hoofdst. XIV.

152

cn wellicht heeft ITij het toen ook verstandig geaclit, om op dien tijd buiten hot gebied van Herodes te zijn, Heeft zulk een tijger eenmaal bloed geproefd, dan zal hij allicht naar meer dorsten. Daarenboven was eenige rust beide voor Hem zei ven en voor de kleine groep, die Hom vergezelde, hoogst noodzakelijk, en onze lleere was geen harde Meester, die zijnen dienstknechten te zware lasten oplegt. Zoo-dm Jezus dus hoorde van Johainien\' dood, ging Hij met zjjne volgelingen naar eene eenzame plaats buiten het rechtsgebied van Heródes; „eene woeste plaats alleenquot; Hij begaf er zich heen per schip, ten einde do zee te stellen tusschen zich en de scharen. Het was moeiehjk voor Hem om zich af te zonderen; maar Hij gebruikte de middelen, die door gezond verstand worden aangewezen, om er toe te komen. Hij kende de volstrekte behoefte aan eenzaamheid, en Hij zocht haar. Hot moet nog door vele arbeiders worden geleerd, om een verstandig gebruik te maken van de eenzaamheid.

De scharen wilden Hem echter geene rust toestaan. Zij waren nieuwsgierig, bezorgd, nooddruftig; en daarom zijn zij Hem weldra ta voet gevolgd. Terwijl Hü do zee overstak, spoedden zij zich voort langs de kust. Het is een gelukkig teeken, als er eene grooto begeerte is om het Woord Gods te hooren. De Heere zonde er ons moer van in deze dagen van onverschilligheid voor den godsdienst.

14. En Jezus uitgaande, sag eene groote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen heieogen, en genas hunne Icranken.

Toen Hij do boot verliet, vond onze Heero eene groote menigte, die Hom opwachtte. In den vollen, nadrukke-1 ij ken zin des woords zag Hij het volk, en op dat gezicht werd Hij bewogen. Hij was niet toornig op do groote schare, en Hij toonde ook geene teleurstelling, omdat zijne poging om rust te vinden in do eenzaamheid verijdeld was go-worden; Hij tras innerlijk met ontferming over hen bewogen. Het oor-spronkeljjko woord is krachtig van uitdrukking; zijn goheole wezen was tot in do diepste diepten geroerd, en daarom begon HÜ terstond wonderen van barmhartigheid onder hen te werken. Zij kwamen ongevraagd; Hij ontving hen met toederheid; Hij zegende hen, en ten laatste liceft Hij hen mildeljjk gespijzigd. Hij was als een hert, dat voor den jager was gevlucht, maar zij hadden Hem achterhaald, en Hij gaf zich aan hen over. Die H cm het meest noodig hadden, heeft Hij hot eerst verzorgd: „Hij genas hunne Icranlïen!quot; lleere, genees mij, want, indien al niet mjju lichaam, zoo is toch mijne ziel krank !

15. En als het na avond werd, kwamen zijne discipelen tot hem, zeg-gende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan,; lacd de scharen van n, opdat zij heengaan in de vlekken, en zich zeiven spijze koopen.

De discipelen haddon hot medelijden van menschen, dioden nood zien; maar naar hunne menschelijke gedachten, was er slechts éón weg om uitdien nood te geraken, namelijk, door de scharen van zich te leden, en aldus aan de moeie-Ijjkheid te ontkomen. Zulk oen korte weg om uit eene verlegenheid to go-raken is heel armzalig. Tot op den huidigen dag kunnen vclo Christenen niet vorder komen dan de „massa\'squot; aan zich zei ven over te laten, of aan onbekende invloeden, die hier of daar wel zullen ontstaan. Een ding was


-ocr page 179-

Ifoofdst. XIV.I ONZE KONING GEEFT EEN* OROOTEN MAAI/njI).

153

verstandig van de discipelen; zij zjjn met do zaak tot Jezus gegaan; „ A Is het nu avond irerd, kwamen zijne discipelen lot hein.quot; Zij wezen op liet woeste, onvruchtbare van do plaats, het late uur, de grooto scharen, het veelvuldige van hunno behoeften : zij waren volkomen op do hoogte van alles wat kon ontmoedigen. Hun voorstel hoe hierin te handelen was het eenige zwakke punt in hetgeen zij zeiden. Onze plannen zijn gewoonlijk armzalige bedonkselen. liet is schier een wonder, dat wjj er mede voor don dag durven komen. Vergeten wjj, dat de lleere Jezus onze ellendige voorstellen hoort?

Merk op de woorden der discipelen: „De tijd is nu voorhijtjegaan.quot; Voor grooto ondernemingen achten wjj den tijd gewoonlijk ongunstig. En wat do plaats, de gelegenheid, betreft — zjj is hopeloos: „Deze plaats is iroesl.quot; quot;VVat kan men hier uitrichten? liet voorstel der discipelen is wat men gewoonlijk hoort: „Laat do meuschen niet voor onze oogen sterven; haal de krotten in de naaste straat naar beneden; breek de onbewoonbare huizen in ons district af.quot; „Laat de scharen van Of, beter nog, maak het volk opmerkzaam op het edele van zich zeiven te helpen ! Spreek hun van emigratie; dring bjj hen aan op zuinigheid en sparen. Zeg hun, dat zjj heengaan in de vlekken en zich zeiven spijze koopen. Dit is in onze dagen een geliefkoosd geheim-middel van hen, die hunne eigene brooden en visschen wenschen te sparen. Onze lleere heeft edeler gedachten dan zjj. Hij zal onder die hongerende menigte zijne koninklijke milddadigheid tentoonspreiden.

](!. Maar Jezus zeide tot hen: Het ■is hun niet van noode heen 1c gaan; geeft gij hun Ie den!

van noode heen te gaan.\'\'\'\' Als Hij met ons is, dan zijn wjj in staat om in allerlei nooden te voorzien; wjj behoeven de scharen nooit weg te zenden, om ze door den staat te laten ver-zorgen, of door een armbestuur, of door huurlingen. Indien wij ons sleclits aan den arbeid willen begeven, dan zullen wjj bevinden, dat de Heere ons voor ieder geval, dat zich aan ons voordoet, bekwaam maakt om er in te handelen en in te helpen, „Geeft gij hun te eten.quot; Gij spreekt van hun heengaan om zich spijze te koopen, maar zjj bezitten geen\' penning en kunnen dus niet koopen. Alles moet hun geschonken worden, of\' zij zullen van honger omkomen. Cï ij zjjt de mannen, die hen om niet te eten moet geven, begeeft u tot dit werk, en doet het terstond.

17. Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broaden en twee visschen.

Merk op, hoe zjj hun\' voorraad nazien ; en den uitslag mededeelon: „ Wij hebben hier niet dan vijf brooden.quot; Hoe somber klinkt dit „niet dan Zjj toonen aan, hoe slecht het er met hunne provisie uitzietj! Die twee vischjes schenen den voorraad bepaald belachelijk te maken. liet is goed voor ons te weten, hoe arm wij zijn, en hoe ver van in staat om in de behoeften te voorzien van hen, die ons omringen, liet is kostelijk om dit in zoo vele woorden voor onzen lleere te belijden.

Voorwaar! hij, die deze regelen schrijft, heeft zeer dikwijls het gevoel gehad, alsof hij noch een brood noch een vischje bezat; en toch is hij nu bijna veertig jaren een dienstknecht geweest aan des 1 leeren tafel, die met volle handen de weldaden zijns Hoeren kan uitdeelen.


Heerlijk woord! „Het is hun niet \\ 18. En hij zeide: Brengt ze mij hier,

-ocr page 180-

154

Hij wil, dat wij geven wat wij hebben: wij mogen niets terughouden, maar moeten alles aan Jezus overgeven. „Brengt ze mij hier.quot; Hij verwaardigt zich aan te nemen, wat wjj Hem brengen: dit ligt opgesloten in het bevel van het te brengen. Hij zal maken, dat men met heel weinig heel ver komen kan: hetgeen tot Jezus komt, zal langs den veiligsten en zeker-sten weg tot Hem komen. De kortste weg om in den nood te voorzien van zielen, die op het punt zijn van om te komen, is ten hunnen behoeve tot Jezus te gaan.

19. En hij beval den scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf hrooden en de twee visschen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende ze; en als hij ze gebroken had, gaf hij de brood en aan de discipelen, en de discipelen aan de scharen.

Door gras te laten groeien in zijne feestzaal in de open lucht, had Hij zijne gasten beide van tapijt en zitplaatsen voorzien. Op uitnoodiging van hun\' verheven Gastheer, zaten de scharen neder, „Hij bevalquot; en zij gehoorzaamden, een bewijs van do bijzondere macht der persoonljjkheid van onzen Heere, om ook in zulke eenvoudige dingen gehoorzaamheid te verkrijgen. Men zou kunnen denken, dat zij zouden hebben geantwoord —-„Waartoe dient het om neder te zitten ? Hoe zal ons in deze woestijn eene tafel worden bereid ?quot; Maar onzes Hoeren tegenwoordigheid heeft het ongeloof doen zwijgen. De Koning der men-schen wordt onmiddelijk gehoorzaamd, zoodra Hij in de volheid zijner majesteit beveelt. „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij.quot;

Nu alles in orde is, neemt de Heere den geringen voorraad in zijne handen.

Door een eenvoudig teeken loert Hij het volk van waar de genaderijke voorziening te verwachten : „opwaarts ziende naar den hemel.quot; Niet zonder zegenspraak zal deze al fresco maaltijd een aanvang nemen. Hij „zegende ze.quot; Zelfs als Jezus daar is, moet Gods zegen worden gezocht: zonder den Vader wil Hij niet handelen. Voor dezen maaltijd werd alles door Jezus gedaan: Hij zegende. Hij brak, Hij gaf aan zijne discipelen. Alles berust; bij Hem. Nadat Hij zijne goddelijke scheppingsmacht heeft geopenbaard, komen de discipelen om hunne ondergeschikte plaats in te nemen. Zij zijn de dienaren: zij bedienen en deelen uit; meer kunnen zij niet, maar het verblijdt hen om dat te mogen doen. Haastig, en toch ordelijk, verdeelen zij de spijze onder de menigte, onderwijl zij zich in stilte verwonderden en aanbaden. Het was brood met eenige toespijs; goed en aangenaam voedsel; genoeg, maar geene weelde, geen overdaad. Sommigen zouden aan de armen slechts het volstrekt noodzakelijke willen geven; niets dan brood; onzo Heere voegt er visch bij. Welk een maaltijd! Christus voor Gastheer, apostelen tot bedienden; duizenden van gasten, en in het noodige voorzien door wonderen! En welk een nog oneindig heerlijker feestmaal bereidt het evangelie voor hongerige zielen! Welk een voorrecht om door den Zone Gods te worden gespijzigd!

20. En zij aten allen, en werden verzadigd-, en zij namen op het overschot der brokken: twaalf volle korven.

Niemand was veronachtzaamd; aan niemand was iets geweigerd; niemand was te flauw; niemand ging heen zonder verzadigd te zijn; niemand vond do spijze ongeschikt voor zich; want


-ocr page 181-

Iloofdst. XIV. I ONZE KONING GKEFÏ EEN* QROOTEN MAALTIJD.

155

zij waren inderdaad allen hongerend, „e» zij aten allen.quot; Niemand beperkte zich of werd beperkt door anderen; zij werden allen verzadigd. Wij hebben een\' milddadigen Weldoener, en het is voedende, verzadigende spijze, die Il.j ons schenkt.

Na den maaltijd waren twaalf korven noodig om er het overschot der brokken in te bewaren. Het was onmogelijk om den voorraad uit te putten. De korven waren vol en het volk was verzadigd; en na die spijziging was er meer voorraad dan te voren. Door andoren te voeden vermeerderen wij onze goederen. Hetgeen overgebleven was, was evenzeer gezegend, als hetgeen gegeten was, en daarom was dit kostelijk voedsel voor de discipelen. Zij gaven eenvoudig brood en visch, en zij ontvingen meer in hoeveelheid, en nog daarenboven een\' zegen om er do hoedanigheid van te verbeteren. Zij, die op Christus\' bevel anderen dienen, zullen ook voor zich zolven een ruim deel ontvangen. Zij , die den mond vullen van anderen, zullen zei ven hunne korven gevuld krijgen. Als Jezus een feestmaal aanricht, dan is iedereen tevreden.

21. Die nu (jeyeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en de kinderen.

„Vrouwen en kinderen\' zijn gewoonlijk in grooter aantal aanwezig in eone godsdienstoefening dan mannen; maar daar het volk te voet was gekomen, waren de mannen bij deze gelegenheid wellicht talrijker vertegenwoordigd, zooals dit trouwens gewoonlijk het geval is bij eene spijziging.

Vrouwen en kinderen zijn van me-nigon grooten maaltijd uitgesloten; maar in Christus Jezus wordt noch sekse noch jeugd buitengesloten.

Vijf duizend menschen! geen klein getal voorwaar! om ter maaltijd te hebben ! Vijf duizend mannen gevoed met vijf brooden! Eén brood per duizend! Laat ons toch nooit vreezen, dat onze Gode toegewijde voorraad uitgeput zal raken, of dat wij geen talent en bekwaamheid genoeg bezitten, als het den Heere behaagt ons te gebruiken. Onze Koning zal nog alle natiën spijzigen met dit evangelie, dat heden zoo weinig geteld wordt. Amen ! zoo zij het.

22. En terstond dironcj Jezus zijne discipelen in het schip te gaan, en voor hem af te varen naar de andere zijde \\ terwijl hij de scharen van zich zou laten.

Terstond is een bedrijvig woord. Jezus verliest geen tijd. Niet zoodra is de maaltijd afgeloopon, of Hij zendt de gasten terug naar hunne woningen. Terwijl zij nu goed gevoed zijn, zegt Hij, dat zjj op de beste wijze naar huis moeten gaan. Hij, die do scharen heeft kunnen doen nederzitten, was ook bij machte, om ze van zich te laten. Maar hot was noodig hen weg te zonden, want zij waren uit zicli zeiven ongenegen om te gaan.

Wederom moet de zee overgestoken worden, of Jezus kan geene afzondering vinden. Wat heeft Hij niet te dragen eer Hij oen weinig rust kan bekomen ! Eer Hij nu heengaat verrichtHij wederom eene daad van zelfverloochening; want Hij kan niet vertrekken, vóór Hij de schare goed en ordelijk uit elkander ziet gaan. Dat werk neemt Hij persoonlijk op zich, en zoo geeft Hij aan de discipelen de gelegenheid om rustig heen te gaan. Gelijk de kapitein do laatste is, die het schip verlaat, zoo is de Heere de laatste om het tooneel des arbeids te verlaten. De discipelen zouden liever in zijn gezelschap zijn


-ocr page 182-

DE KONING HEERSCHT OVER WIN\'DEN EN BAREN. [IToofdst. XIVquot;.

151J

gebleven, om ook mede van de dankbaarheid des volks te genieten, maar Hij dwong hen in het schip te (jaan, In dien tijd ging niemand van Hem weg, zomlei door Hem weggezonden of gedwongen te worden om te gaan. Deze magneet bezat eene groote aantrekkingskracht. Blijkbaar beloofde Hij zijne discipelen hen te zullen volgen; want de woorden luiden, dat zij „voor

HOOFDSÏU [l)c Koniiijf licerscht c

2\'i. En als hij nu de scharen van zich (jelaten had, Idom hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zoo was hij daar alleen.

Nu de scharen vertrokken zijn, kan Hij rust nemen, en Hjj vindt haar in het gebed. Hij klom op den berg alleen: in eene plaats, waar Hij overluid kon spreken, en noch gehoord, noch gestoord kon worden; Hij oefende gemeenschap met den Yader alleen. Dit was zijn genot, zijne verkwikking. 11 ij bleef daar, tot dat de zwartste schaduwen van den nacht zich hadden vergaderd en de dag voorbij was. „Alleenquot;, en toch niet alleen, dronk Hij nieuwe kracht in, terwijl Hij gemeenschap oefende met zijn\' Vader. Hij moet deze bijzondere aangelegenheid aan den evangelist hebben medegedeeld, en dat geschiedde voorzeker met het doel, dat wij uit zijn voorbeeld zouden leeren.

Wij kunnen niet altijd in gezelschap zjjn met anderen, daar zelfs onze gezegende Heiland gevoeld heeft, dat Hij alleen moest wezen.

34. En het schip was nu midden hem zouden afvaren naar de andere zijde quot; Hoe Hij hen zou volgen, deelde Hij hun niet mede, maar hjj kon altijd wel de middelen vindon oin zijne afspraken te houden. Hoe teeder en zorgzaam was het van Hem, om in het midden der schare te blijven wachten, terwijl de discipelen rustig afvoeren. Het zwaarste einde van den last neemt Hij altijd op zich.

K XIV. 23—3(3.

\'er winden en baren.]

in de zee, zijnde in nood van de baren, want de wind teas hun tegen.

Terwijl Jezus alleen was, waren zij, in het schip, in den zelfden toestand; maar niet op dezelfde geestelijke wijze werkzaam. In den beginne, nadat zij van wal waren gestoken, was de vaart in do avondkoelte kalm en liefelijk; maar toen de hemel door don nacht werd omsluierd, kwam er ccu storm opzetten. Het meer van Galilea wordt dikwijls geteisterd door rukwinden, die uit de gleuven der bergen komen en zeer gevaarlijk zijn voor do kleine booten, welke zij soms geheel uit het water opheffen, om ze in het volgende oogenblik neder te slingeren, zoodat zij dan geheel door de golven bedekt worden. Vooral voor kleine vaartuigjes was dit diepe meer zeer gevaarlijk. De discipelen waren ver van land, want zij waren „midden in de zee,quot; op gelijken afstand van iedere kust. De zee was heftig bewogen, en het schip was „in nood ran de baren.\'\'\'\' Schrikkelijk was de orkaan. „De wind was hun tegen,quot; en belette hen naar de plaats been te gaan, die zij zochten. Het was een dwarlwind, en zij


-ocr page 183-

Hoofdst. XIV.] dk koning hekrscht over winden en daken.

157

werden er door hoen en weer geslingerd, maar zij konden er geen partij van trekken om eene kust te naderen. Hoe geleek hun toestand op den onze, als wij ons in grooten nood of benauwdheid bevinden! Wij worden heen en weer geslingerd en kunnen niets doen; do storm is te heftig om er tegen in te gaan, ja zelfs om te blijven leven, terwijl wij erdoor voortgedreven worden. Eén gelukkig feit blijft over: Jezus pleit aan den oever, terwijl wij worstelen op de zee. Het is ook zeer troostrijk te weten, dat wij zijn, waar Hij ons gechroiu/cn heeft te gaan, (zie vers 22), en lljj heeft beloofd ter bestemder tijd tot ons te zullen komen. Al woedt de storm dan ook nog zoo schrikkelijk, moet alles toch veilig wezen.

25. Muur ter vierder wake des nachts, Icivam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.

Jezus zal gewis komen. Het wordt later in den nacht, en do duisternis neemt toe, de vierde walx des nachts nadert, maar waar is Hij? Hot geloof zegt; „Hij moet komen.quot; Al zou Hij ook wegblijven totdat de dag schier aanbreekt, toch moet Hij komen. Het ongeloof vraagt: „Hoe kan Hij komen ?quot; Ach! Hij staat voor zich zeiven in: Hij zal zich wel een\' weg weten te banen. „Jezus hwam af tot hen, icon-delende op de zee.quot; Hij komt in weerwil van storm of orkaan; Hij wandelt op do golven. Vrees niet, dat Hij het door den storm geteisterde vaartuig niet zal kunnen bereiken: zijne liefde zal er den weg heen weten te vinden. Het zij bij een\' enkelen discipel, of bij de kerk in haar geheel, Jezus zal te zijner ure verschijnen, en de tijd, dien Hij kiest, kan niet anders dan do geschiktste tijd wezen.

26. En de discipelen, ziende hem op de zee tvandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees.

Ja, de discipelen zagen Hem, zagen Jezus hun\' Heere, en werden door dat gezicht niet vertroost. Vergeleken bij het gezicht des geestelijken geloofs, is het gezicht der arme menschelijke natuur blind. Zij zagen, maar wisten niet wat zij zagen. Wat anders kon het wezen dan een spooksel ? Hoe zou een wezenlijke mensch op die onstuimige baren kunnen wandelen ? Hoe zou hij te midden van zulk een orkaan staan kunnen blijven? Zij waren reeds teu einde raad, en deze verschijning ontnam hun allen moed. Het is ons, alsof wij hun\' alarmkreet hooren: „Zij schreeuwden van vrees.quot; Wij lezen niet, dat zij te voren „ontroerd warenquot;, het waren oude varensgezellen, en zij hadden geene vrees voor de krachten der natuur, maar „een spooksel!quot; — dat was iets schrikkelijks! Hun toestand was thans op het ergst; en toch! indien zij het slechts hadden geweten — waren zij op het punt van in den besten toestand te komen. Het is opmerkelijk, dat, hoe dichter Jezus tot hen naderde, hoe grooter hunne vrees werd. Gebrek aan onderscheidingsvermogen maakt do ziel blind voor hare rijkste vertroosting. Heere, wees mij nabij, en laat mij U kennen! Laat mij niet met Jakob zeggen: „Gewisselijk is de Heere aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!

27. Maar terstond sprak Jezus hen aan zeggende: Zijt goedsmoeds, ik hen het, vreest niet!

Hij heeft hen niet in spannende onzekerheid gelaten: „Terstond sprak Jezus hen aan.quot; Hoe welluidend klonk dio


-ocr page 184-

HE KONING HEERSCHT OVER WINDEN EN BAREN. [Iloofdst. XIV.

158

liefdevolle en majestueuze stem. IJoven liet gedruisch der golven en het gieren van don wind hoorden zij de stom des Heeron. Dit was ook van ouds zijn woord: //ijt goeds moed*.quot; De meest afdoende reden om moedig te zijn was zijne tegenwoordigheid. „Ik ben het, vreest niet. Indien Jezus nabjj is, indien de geest van den storm de lleere der liefde blijkt te zijn, dan is alle reden tot vrees verdwenen. Kan Jezus door den storm heen tot ons komen ? Dan zullen wij den storm ook het hoofd kunnen bieden, en tot Hem kunnen komen. Hij, die den storm boheerscht, is niet de duivel, is niet het toeval, is geen boosaardig vijand; maar Jezus. Dit moest aan alle vrees een einde maken.

28. En Petrus antioor,rdde hem, en zeide: lleere! indien gij het zijt, zoo gebied mij tot u te komen op het Kater.

Petrus moet de eerste zijn, die spreekt. Hij handelt naar den indruk van het oogenblik, en daarenboven was hij ook cenigszins do leider van het gezelschap. Do eerste spreker is echter niet altijd de verstandigste. De vrees is schier geheel van Petrus geweken; er is nog slechts één nindien\', van over; maar dat „indienquot;\' deed hem geen goed, want het scheen zijn\' Meester als hot ware uit te dagen; „ Heer et indien gij het zijt.quot; Wolk eene proef wordt door hem voorgeslagen! „Gebied mij tot ti te komen op het waterquot;! Waarom wilde Petrus op het water wandelen? Zijn naam zou hom de gedachte hebben kunnen ingeven, dat hij als een steen zou nederzinken. Het was een onvoorzichtig verzoek: het was de schommeling van den slinger in Petrus, van wanhoop naar eene onverstandige waaghalzerij. Gewis! hij wist niet, wat hij zeide. Toch hebben ook wij den

Heere op even onbetamelijke wijze op de proef gesteld. Hebben wij niet gezegd: „Indien Gij mij ooit gezegend hebt, zoo geef mij dit of datquot;? Ook wij hebben onze wandeling op hot water gehad, en hebben ons op plaatsen gewaagd, waar niets dan zeer bijzondere genade ons staande heeft kunnen houden. Heere, wat is de mensch ?

29. En hij zeide: Kom! En Petrus klom neder van het schip, en icandelde op het water, om tot Jezus te komen.

Als godvruchtige menschen onverstandig en vermetel zijn, dan kan het hun blijvend goed veroorzaken, om door ervaring hunne dwaasheid te leeren kennen. „Hij zeide: Kom!quot; Petrus zal nu van zijn\' Heere eene practischo les leeren. Hij vraagt, dat hem bevolen zal worden te komen. Hij komt. Hij verlaat do boot en treedt op de baren. Hij is op weg naar zijn\' Heere. Als wij volmacht hebbenquot; van God, en moed genoeg orn Hem aan zijn Woord te houden, dan kunnen wij alles. Nu waren er dan twee personen op de zee, twee wonderen! Wat was het grootste? De lezer zal het wellicht niet gemakkelijk vinden om het antwoord hierop te geven. Hij denke na.

30. Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd-, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende; Heere, behoud mij!

„Maarquot;: een droevig „maarquot; voor den armen Petrus. Zjjn oog was afgewend van zijn\' Heere en op den onstuimigen wind gericht. „Ziende den sterken windquot;, ontzonk hem de moed, en toen hebben zijne voeten gewankeld. „Hij begon neder te zinkenquot; een ontzettend oogenblik is dit beginnen, toch


-ocr page 185-

159

was het slechts oen „beginnenquot;, hjj had den tjjd om tot zijn\' Heere te roepen, die zich in geen\' zinkenden toestand bevond. Petrus riep, en hij was behouden. Zijn gebed was even volledig als kort. Hjj had zijn oog en zijn geloof\' weder op Jezus gevestigd, want hij riep: „Heere!quot; Hij was door gehoorzaamheid in dit gevaar gekomen, en daarom was er een pleitgrond in dat woord „Heerequot;. In gevaar of in geen gevaar, nog altjjd was Jezus zijn Heere. Hij is verloren, en hij gevoelt hot, tenzij do Heere hem wil behouden — hem geheel en al, hem thans, wil behouden. Gezegend gebed: „Heere, behoud mij.quot; Lezer: is het niet ook geschikt voor u? Petrus was dichter bij zijn\' Heere toen hij zonk, dan toen hij nog wandelde. In onzen nederigen staat zijn wij dichter bij Jezus dan in onze roemrijker oogenblikken.

31. En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij Ideingeloovige! waarom hebt (jij gewankeld?

Als het gevaar nabij is, en ons roepen dringend, dan stelt de Heere niet uit om ons ter hulpe te komen: „Jezus, terstond de hand uitstekende.\'1\'1 Eerst grerp Hij hem, en daarna leerde Hij hem. Eerst redt Jezus, en daarna bestraft Hjj, als Hij dit dan volstrekt noodig acht. /Vis wij behouden zijn, dan is het de geschikte tijd om ons te kastijden voor ons ongeloof. Laat ons van onzen 1 leere leeren, om anderen niet te bestraffen, eer wij hen uit hunne moeielijlcheden hebben geholpen.

Onze twijfel is onredelijk: „ Waarom hebt gij getwijfeld?quot; 1) Indien er reden is voor een klein geloof, dan is er blijkbaar ook reden tot groot vertrouwen. Indien het recht is om op Jezus te betrouwen, waarom dan niet gansch en al op Hem betrouwd? Vertrouwen was Petrus\' kracht; twijfel was zijn gevaar. Het scheen groot geloof, toen Petrus wandelde op het water, maar door een weinig wind bleek het weldra slechts „klein geloofquot; te zijn. Vóór dat ons geloof beproefd is, kunnen wij er geene betrouwenswaardige schatting van maken.

Nadat zijn Heere hem gegrepen had, is Petrus niet meer gezonken, maar heeft hij den wandel des geloofs wederom aangevangen. Hoe gemakkelijk is het te gelooven, als wjj ons dicht bij Jezus bevinden!

Heere, als ons geloof faalt, kom Gij dan tot ons, dan zullen wij op de baren kunnen wandelen.

32. Kn als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.

Zoodat Petrus\' wandelen op het water en zijne redding gedurende, en in weerwil van, den storm hebben plaats gehad. Toen de Heere zijne hand vasthield, kon hij wol op de golven wandelen, en dat kunnen ook wjj. Welk een gezicht! Jezus en Petrus hand in hand wandelende op de zee! Ueiden gingen terstond naar het schip, want wonderen worden nooit onnoodig verlengd. Was Petrus niet verheugd om het onstuimige element te verlaten, en meteen ook te bemerken dat de storm voorbij was? „Alx zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.quot; Het is goed, om veilig te zijn in den storm, maar aangenamer is het, om stilte en kalmte terug te zien keeren, en den orkaan geëindigd te zien, Hoe vroolijk hebben de discipelen hun\' Heere verwelkomd, en hun\' broeder, Petrus, die ofschoon doornat, door dit; voorval een wijzer man is geworden.


1

Naar do Engslaclie overzetting, alsmede volgons de kanttoekening op don Statenbijbel.

-ocr page 186-

DE KONING IIKK li SC UT OVER WINDEN EN BAREN, [Iloüfdst. XIV.

160

33. Die nu in het schip waren, kimmen, en aanbaden hem, zeggende; Waarlijk, gij zijt Gods Zoon.

Geen wonder dat Petrus Hem aanbadquot;, noch dat zijne makkers hetzelfde deden. Al de discipelen, die aldus door des Hoeren komst tot hen over de onstuimige zee gered waren, waren overstelpend overtuigd van zijne Godheid. Nu waren zij er dubbel zeker vau door een onwraakbaar bewijs, en met nederigen eerbied gaven zij uitdrukking aan hun aanbiddend geloof, zeggende: „Waarlijk, gij zijt Gods Zoon.quot;

34—30. En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennésaret. En als de mannen ran die plaats hem werden kennende, zonden zij in dat geheele omliggende land, en hrachten tot hem allen, die kwalijk gesteld waren, en baden hem, dat zij alleenlijk den zoom zijns kleeds zonden moijen aanraken; en zoo velen als hem aanraakten rcerden gezond.

De boot, die nog zoo kort geleden, door den storm heen en weer werd geslingerd, is weldra in de gewenschte haven, en nu zullen onze oogen andere wonderen aanschouwen. 11 aar Hij ook moge landen, overal zal degroote Geneesheer kranken vinden. Sommigen van de mannen van die plaats werden hem kennende; en dezen waren als vonken om de overigen des volks in vlam te zetten door hunne wondervolle verhalen van hetgeen Jezus gedaan had. Velen werden ijverige bekendinakers van zijne bekwaamheid, en gingen of zeiven of „zonden \' anderen „ in dat geheele omliggende land.quot; Zeer ijverig en bedrijvig waren deze mannen. Zij zonden; zij brachten tot hem; zij baden hem; zij raaiden den zoom zijns kleeds aan; zij werden gezond. Die volzinnen volgen elkander onafgebroken op. Hot volk vroeg weinig, zij baden, „dat zij alleenlijk den zoom zijns kleeds zouden mogen aanrakenquot;-, maar zij ontvingen veel, want „zij teerden gezond^ Nergens en bij niemand was er mislukking, in alle gevallen was hot werk volkomen. Hunne nederige bode was gegrond op oen precedent, d. i. oen vroeger geval; zij kwam voort uit oprechte harten, en ging vergezeld van practisch medegevoel, en daarom werd zij niet afgewezen. Hoe werd die gansche landstreek verblijd! „Allen die kwalijk gesteld waren,quot; waren gelukkige getuigen geworden van des Heeren heelende kracht.

Onze Koning is Meester, beida te land en te water. Hetzij Hij zich op de zee van Gennésaret bevindt, of „in het land Gennésaretquot;,\'/Ajne oppermacht en majesteit worden ontwijfelbaar bewezen. Hij brengt stormen tot bedaren en doet koortsen wijken. Hij raakt de golven aan met zijn\' voet, en zij worden tot een\' vasten bodem; Hij raakt kranke lichamen aan met zijne hand, en zij worden gezond. Aan zijn dienstknecht Petrus en aan den zoom van zijn eigen kleed, deelt Hij zijn wonderkracht mede.


-ocr page 187-

OXZE KONING BESTRIJDT FORMALISTEN.

IToofdst. XV.

1CI

HOOFDSTUK XV. 1—20. [Onze Koning bestrijdt foramlisten.]

1, 2. Toen kwamen int Jezus eenige schriftgeleerden en farizeën, die van Jeruzalem ivaren, zeggende: Waarom overtreden mee discipelen de inzetting der ouden? trant zij wasschen hunne handen niet, imnneer zij brood zullen eten.

Als onze Heere hot drukst bozig was, dan kwamen zijne vijanden Hom aanvallen. Deze geestelijken „van Jeruzalemquot; waren waarschijnlijk do voor-naamsten van do gohoole groep, en van wege don grooton roep, die er van hen uitging, rokenden zij oono gemakkelijke overwinning te zullen behalen over den dorpsprediker. Wellicht waren zij eono deputatie, afgezonden van hot hoofdkwartier om don nieuwen leeraar to verstrikken on in do war to brengen. Zjj kwamen mot oen vraagstuk, dat hun wellicht belangrijk tooschoon, of dat zjj misschien tor bereiking hunner eigene doeleinden voorgaven belangrijk te achten: De inzettingen der ouden waren voor hen gewichtige zaken, en ze te overtreden eono zware misdaad. Het wasschen der handen is voorzeker een heel betamelijk iets; men zou kunnen wenschon,dat velen het dikwijls deden, maar het tot eono godsdienstige plechtigheid te verheffen, dat is dwaasheid on zonde. Deze „Schriftgeleerden en farizeën\'\'\'\' wieschon hunne handen, of het noodig was of niet, uit oen vormoonden ijver om zich ook van liet kleinste stofdeeltje te ontdoen, dat hen volgens de coremonioelo wet onrein kon maken. Onzes Hoeren discipelen waren in zoover tot Christelijke vrijheid gekomen, dat zij de rabbinistische in-zettingon niet onderhielden: „zij wasschen hunne handen niet, als zij brood zullen etenquot; Waarom zouden zij hunne handen ook wasschen, indien zij reeds rein waren? De inzettingen der ouden haddon geono macht over hunne consciëntie. Niemand heeft méér recht om een\' nieuwen plicht op te leggen, dan om oen\' ouden plicht te verwaarloozcn. Het uitvaardigen van geboden komt alloen den Koning toe. Toch stellen deze dwepers oen onderzoek in, waarom dos Hoeren discipelen eono wet overtreden, die geono wet was. Het staat goed met ons, indien onze tegenstanders geen zwaardere beschuldiging tegen ons kunnen inbrengen.

3. Maar hij, antwoordende, zeide tot hen: waarom overtreedt, ook gij het gebod Clod.t, door uwe inzetting?

„Hij antwoorddequot; op hunne vraag met eono andere vraag. Dit was des Hoeren gewone wijze van handelen, en als wij mot bedilzieke personen te doen hebben, dan zullen wij wel doen met Hem hierin na te volgen. Onze Heere laat een schitterend, verblindend licht op hen vallen door deze vraag: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uwe inzetting? Wat is eono „inzettingquot;, vergeleken bij een „gebodquot;? Wat is eono inzetting als zij in botsing komt met eon gebod? Wat zijn de ouden, vergeleken bjj GOD? Onze Heere wist hot best hoo deze boodschappers van boozo machten te woord te staan. Zijne vraag bracht den oorlog over in hun eigen gebied, en heeft hun\'snoevenden aanval volkomen afgeslagen.

4—C. Want God heeft geboden, zeg-

11


-ocr page 188-

ONZE ItONISG BESTRIJDT FORMALISTEN.

[Hoofdst. XV.

102

(jende: Eert uw\'\' vader en uwe moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterren! Maar gij zegt: èoo wie tof vader of moeder ?al zegyen: Het is een ga ve, zoo wat u van mij zon kunnen te nutte komen; en zijn\'\' vader of zijne moeder geenszins zal eer en, die voldoet. En gij hebt alzoo Gods gebod krachteloos gemaald door uwe inzetting.

Onze Heero verklaart zijne vraag en doet zijne beschuldiging doordringen tot hun geweten. God hoeft den zoon en de dochter do verplichting opgelegd om hunne ouders te eeren, en hierin lag gewisselijk opgesloten, dat zij hun vader en moeder de hulpe zouden ver-leenen, die zij behoefden. Aan dezen plicht kon men niet ontkomen, zonder liet stellige, duidelijke gebod Gods te overtreden. Naar de wet der natuur was het altijd recht om dankbaar te zijn aan zijne ouders, en naar de wet van Mozes was het eone doodzonde hen te smaden. In Exodus XXI : 17 lezen wij: „Wie ook zijn\' vader of zijne moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.quot; Vader en moeder moeten in eere worden gehouden, moeten met liefde worden verzorgd; en het gebod, hetwelk dit verordineert, wordt genoemd: „het eerste gebod mot eene belofte.quot; Omtrent de bcteekenis der goddelijke wet was geene vergissing mogelijk, toch hebben de nietswaardige leeraren van dien tijd iets weten uit te donken om zich van zoo duidelijk een\' plicht te kunnen ontslaan.

Deze ellendige liefhebbers van inzettingen, of overleveringen, leerden, dat, zoo iemand riep: „Corban! Eene gavequot;, en dus in naam voor God afzonderden wat zijne ouders van hem trachtten te verkrijgen, hij het iiun niet mocht geven. Indien hij in toorn, of zelfs ook in schijn, hetgeen zijn vader of moedor van hem verzochten onder een\' ban plaatste, dan was hij ontheven van de verplichting om zijne ouders te helpen. Wol is waar, de rabbijnen eibchten niet van hem, dat hij zijne gelofte ten uitvoer zou brengen, en dit geld of goed werkelijk aan God zou geven, maar daar hij den heiligen naam er bij betrokken hoeft, moet hij de gave in geen geval aan zjjno ouders geven. Zoodat een haastig woord een kind van de verplichting ontsloeg om zijn\' vader of zijne moeder te helpen, terwjjl dit kind dan nog kon voorwenden, dat hot hem zeer lood dood dit woord gezegd te hebben, maar dat zijn geweten hem niet toeliet om, nu het eenmaal gezegd was, oen ban te verbroken. Lage huichelaars! Advokaten van den duivel! Was er ooit nietiger uitvlucht? Maar toch hebben zij alzoo het gebod Gods krachteloos gemaakt.

1, 8. Gij geveinsden! wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: Dit volk genaakt Mij met de lippen, maar h un harte houdt zich verre van Mij.

Volkomen verdienden zij den naam, dien de verontwaardigde Heiland hun heeft gegeven; „Gij geveinsden.quot; Over ongewasschen handen gevoelden zij zich bezwaard in hun geweten, en toch durfden zij hunne onreine hand slaan aan Gods heilige wet. De profetische woorden van Jesaja hebben volkomen hun boold geschetst, ja hen geteekend naar het leven. Hun godsdienst was een mondgodsdienst, eene hulde der lippen, en niets moor. Met hun hart hebben zij den Heero nooit genaderd.

Aldus gaf onze Heero aan zijne tegenstanders de Schrift in de plaats der overlevering; met het zwaard des G eostes heeft Hij hunne houten wapenen verbroken. Tegen do tradities der Kerk moet de Heilige Schrift ons wapen zijn; niets dan hot Woord des Hoeren zal Rome omver werpen.


-ocr page 189-

ONZE KONING BESTRIJDT FORMALISTEN.

Hoofdsfc. XV.]

Als onze gezegende Heiland do profetie van Jesaja aanhaalde, dan gebruikte Hij goene bloote vertaling; maar Tlij gaf den zin en de beteekenis vrij weder; en aldus bestrafte Hij do lettorknechterij der Rabbijnen. Zjj kondon do letters van eon heilig boek tollen, en tooh do betoekonis er van gansch en al misverstaan: Hjj gaf do ziel, do geest dor heilige woorden. Jezus drong aan op aanbidding van hot hart, en zoido niets omtrent het al of niot wasschen der handen vóór dat men brood eet. Dat was eene al te nietige zaak voor Mem om er bij to verwijlen.

9. Doch te vergeef* eeren zij Mij, leerende leeriiic/en, die geboden van men-sehen zijn.

Een godsdienst, gegrond op men-scheljjk gezag, is waardeloos; wij moeten den waren God eeren op de wijze, die Hij verordineerd heeft, want anders eeren wij Hem in het geheel niot. Leeringen en ordinantiën mogen dan slechts worden aangenomen, als zjj door Gods woord worden gesteund, on het is alleen daarom, dat zij mogen aangenomen worden, üo stiptsto vorm van aanbidding is eene ij dele vereeriny, indien hij, buiten hot gebod des Hoeren om, slechts door monschelijke ordinantiën is geregeld.

10. En als hij de schare tot zich geroepen had, zeide hij tot hen: Hoort en verstaat.

Hjj wendt zich tot het gewone volk, onder hetwelk Hij zijne wondoren der liefde had gewrocht. Hij riep de schare tot ziek, en gebood hun te hooren en te verstaan. Het is alsof Hjj door zijne handelingen te kennen geeft, dat Hij liever de onwetende landlieden wil onderwijzen, dan do onoprechte schriftgeleerden en f\'arizeën. Hjj had meer hoop om door de onontwikkelde menigte te worden begrepen, dan door do beschaafde geleerden, die door waarde-looze tradities to volgen, hun oordeel op zoo ellendige wijze aan banden haddon gelogd. Het beroep des evangelies is van de geleerden op hot volk. Deze laatsten hebben meer gezond verstand en zjjn eerlijker dan de eersten; doch ook zjj hebben de vermaning van noode: „Hoort en verstaat.\'quot;

11. Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mensch niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mensch.

Hier is iets voor de schare om over na te denken, en voor do farizeën om te bepeinzen. Het moot voor velen een raadsel, en voor allen eene grooto verrassing zijn geweest. Formalisten bovenal moet zulk eene verklaring ontsteld hebben. De dwepers uit die dagen legden het zwaartepunt des zedelijken levens in spijs en drank; de Heore Jezus daarentegen verklaarde, dat het in de gedachten en daden was gelegen, i^u hadden de farizeën dan iets om Hom van te beschuldigen; dit gezegde zou voor langen tijd do tekst wezen waaraan zij hunne boosaardige uitloggingen gaven. Zij hadden gezocht naar een woord, eene uitspraak van Hem, waaruit zij eene beschuldiging konden smeden; en nu gaf Hij hun een volzin, dien zjj, indien zjj het durfden, voor dat doel koudon aanhalen. Hot was in lijnrechten strijd met hetgeen zij leerden, on toch was hot niet gemakkelijk om de grooto kracht er van te weerstaan.

12. Toen kwamen zijne discipelen tot hem, en zeiden tot hem: Weet gij


-ocr page 190-

OXZE Koxrxa BESTRIJDT FORMALISTEN.

ITToofflst. XV.

ir,4

wel, dat de farizeën, deze rede hooreiide, geërgerd zijn c/eweesf.

De discipelen liebben blijkbaar ineer geschroomd de farizeën te ergeren clan hun Meester. Hij wist, dat zij zouden geërgerd worden, en achtte dit volstrekt geene ramp. Hij plaatste zijne merkwaardige stelling in hun\' weg, opdat zij er door in hot nauw zouden gebracht worden. Zij waren op laag vleiende manier tou Hom gekomen, begeerendo Hem in zijne rede te vangen: Hij was verontwaardigd wegens hunne geveinsdheid, en door zijne nooit gehoorde, verbazingwekkende verklaring heeft Hij hen ontmaskerd, en vertoonden zij zicli in hunne ware gedaante. Zij konden hun\' haat niet langer bedekken; voortaan zullen zij de discipelen door hunne voorgewende vriendelijkheid niet meer kunnen verstrikken,

13. Maar hij antwoordende, zeide: Alle plante, die mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.

Indien do menschon zelvon eene ergernis zijn, dan verdienen zij geërgerd te worden. Indien zij, die voorgeven Gods bedoelingen te kennen en te leeren, den Zone Gods bedillen, dan verdienen zij geen kwartier, maar dan is het recht, en ook wijs, om hen op waarheden te onthalen, die lastig voor hen zijn. Een goed hovenier zal zoowol het onkruid uitroeien, als de planton bewateren. Onzes Hoeren bondige uitspraak werkte als een wiedijzer, om deze lieden van hunne godsdienstige belijdenis te ontwortelen, en dat was er ook zijne bedoeling mede. Maar welk een ontzaglijk woord is dit! Indien onze godsdienst niet gansch en al van God is, dan zal hij tot een einde komen, en dat einde zal verwoesting wezen. Hoe fraai de bloem ook zij, indien de Vader haar niet geplant heeft, dan is haar oordeel verzegeld: zij zal niet gesnoeid, maar „uitgeroeid\'\'\' worden. Die door de waarheid wordt ontworteld, die is inderdaad ontworteld.

14. Laat ze varen: zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zoo zullen zij heiden in de gracht vallen.

Hij keerde zich van hen af als onwaardig om zich nog langer met hen bezig te houden,zeggende: „Laat ze varen.\'quot; Het was niet noodig voor de discipelen om de farizeën te bestrijden ; naar de natuurlijke orde van zaken zullen zij door de onvermijdelijke gevolgen hunner eigene handelingen worden ontworteld. Zij zeiven zullen met hen, die door hen bedrogen werden, „in de gracht vallenquot;, in de gracht der dwaling en der ongerijmdheid, en aldus het verderf ten prooi worden. Zoo is hot altijd: als do dweepzieke leeraar den onwetenden discipel leidt, dan moeten zij beiden den verkeerden weg opgaan. Zoo is hot ook met iederen vorm van geesteljjke blindheid in hen, die de leiders zijn van hun\' tijd, en in hen, die hunne verkeerde leiding volgen. Het philosophisch ongeloof dezer eeuw is verblind door eigenwaan, en ontzettend is de gracht, de afgrond, werwaarts hot zich henen spoedt. Helaas! de leeraars van dit ongeloof voeren kostbare zielen met zich in don afgrond van Godloochening on regeerinlt;rloosheid.

O Heere, laat ons niet vertwijfelen van wege het tegenwoordige overwicht der valsche leeringon. Mochten wij ouzo zielen bezitten in onze lijdzaamheid! Wij kunnen noch do blinde leidslieden, noch hunne blinde volgers de gracht doen zien, die voor hen ligt^


-ocr page 191-

ONZli KONING BESTRIJDT KOKMALISTKN.

Jloofdst. XV. I

165

maar toch is zij daar, cn dat /,jj er in vallen zullen, is zeker. Gij alleen kunt de oogen der blinden openen, cn wij vertrouwen, dat dit wonder der genade door U gedaan zal worden.

15. En Petrus, antwoordende, zeidc tot hein: Verklaar ons deze gelijkenis.

Het gezegde, dat door Petrus eene gelijkenis wordt genoemd, was uitgesproken voor de seliare, en hun was bevolen het te verstaan; maarzij hebben het zeker niet verstaan, daar zelfs het college der apostelen niet in staat was hot te vatten. Petrus heeft als hun woordvoerder, wel gedaan met terstond tot de bron te gaan en mot ootmoed te zeggen: „Verklaar ons deze gelijkenis.quot; Die de duistere rede had uitgesproken, was het best in staat om haar te verklaren.

lö. Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden als nog onwetende?

Uo farizeën zullen natuurlijk het licht haten, en dus de geestelijke waarheid niet willen zien, die onze Ileere hun zoo duidelijk voor oogen had gesteld. Ook was het niet te verwonderen, dat de schare te onwetend was om de goddelijke beteekenis van dien saamgedrongen volzin te vatten. Maar behoorden de verkoren twaalven geen beter inzicht te hebben? Waren zij na al het onderwijs huns Heeren „nog onwetende?quot; Hadden zij niet tot den innerlijken zin van do woorden huns 1 leeren behooren door te dringen ? Helaas! hoe dikwijls bevonden wij ons niet in dienzelfden toestand! IIoc gepast zou ook ons die vraag kunnen gedaan worden: ,, Zijt ook gijlieden als nog onwetende?quot;

17. Verstaat gij nog nier, dat al wat ten monde ingaat in den huik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?

Zjjn wij, na jaren lang des Meesters onderwijs genoten te hebben, nog niet in staat om eene eenvoudige waarheid te begrijpen ? Kunnen wij het onderscheid niet zien tusschen lichamelijke en geestelijke verontreiniging? De spijze raakt de ziel niet, zij gaat door het lichaam, maar komt niet in tot do genegenheden of het verstand, en daarom verontreinigt zij den mensch niet. Hetgeen gegeten wordt is eene stoffelijke zelfstandigheid, en komt niet in aanraking met het zedelijk bewustzijn. Dit is voor ieder, die onbevooroordeeld is, duidelijk genoeg. De spijze gaat door het goheele lichaam, van dat zij inkomt door den mond met haar doorgang dooide ingewanden, totdat zij ten laatste uitgeworpen wordt; maar zij staat in geenerlei betrekking tot het geestelijk deel van ons wezen, en daar alleen kan wezenlijke verontreiniging plaats hebben.

18. Maar die dingen die ten monde uitgaan, komen voort uit het harte, en zij ontreinigen den mensch.

De uitgangen van hot hart zijn voort-gekomen uit do ziel des menschen, en hebben een zedelijk karakter: „dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het harte.quot; Woorden, en de gedachten, die woorden hebben tot haar gewaad, en de daden, die de belichaming zijn der woorden, dezen zijn van den mensch zei ven, en dezen zijn het, die hem verontreinigen. Indien het verstand of het hart niets te doen had met eene daad, dan zou zij den mensch evenmin verontreinigen als hot voedsel, dat hij eet cn daarna uitwerpt. Omdat daden en wooiden niet slechts uit den mond voortkomen, maar uit de ziel, zijn zjj


-ocr page 192-

ONZ1\'! KONING liUSTRI.IDT FORMAI.ISTKN.

| Moofdst. XV

van oneindig meer gewicht dan spijs of drank. Natuurlijk zal do menscli verontreinigd worden als lijj zich schuldig maakt aan gulzigheid of dronkenschap; toch is dit niet van wege de spijs of drank zelve, maar omdat het onmatig gebruik er van voortkomt uit eone onbeteugelde begeerlijkheid, en ook deze noemt toe door hetgeen haar voor het oogenblik bevredigt.

19. \\]ruiit uit het hart komen voort tioo2ehlt;\'(Jenkinge)i,doodslar/en,orerHpeleti, hoererijen, dieverijen, valschc getuicje-n ixsen, lasteringen.

Welk eene lijst! Wat moot dat hart wezen, dat zoo velerlei boosheid uitgiet! Dat zijn de bijen: wat moet de bijenkorf dan wel wezen! „Booze bedenkingenquot;, of redeneeringen, zooals die, waaraan de farizeën zich hadden schuldig gemaakt. De „moderne gedachte\'\' is eene proeve van die boosheid ; zij komt uit het hart veeleer, dan uit het hoofd. Doodslagenquot; beginnen niet met den dolk, maar niet de boosheid der ziel. „Overspelen en hoererijen\'\'\'\' worden eerst in het hart gekoesterd, vóórdat zij door het lichaam worden uitgevoerd, liet hart is de kooi, waaruit deze onreine vogels aan komen vliegen. Ook „Dieverijenquot; worden in het hart geboren: de monsch zou niet onrechtmatig nemen mot de hand, indien hij niet onrechtmatig had begeerd met het hart. „ Valsche getuigenissenquot;, of leugen en laster, ook dezen gisten eerst in het hart, om daarna hun venijn uit te storten in de gesprekken. Hij, die „lasteringenquot; uit tegen zijn\' Maker, toont een zeer verdorven hart: hoe kon hij tot zulk eene noodelooze, nuttolooze ondeugd komen, indien lijj tot in hot binnenste zijner ziel niet doortrokken ware van opstand togen God. Al dit ontzettend kwaad komt voort uit écne fontein, uit de natuur zelve en het leven van den gevallen monsch.

20, Deze dingen zijn het, die den rnensch ontreinigen ; maar het eten met ongewasschen handen ontreinigt den mensch niet.

Zij komen niet slechts uit eene verontreinigde natuur, maar zij Terontreinigen den rnensch ook nog verder. Aldus had de Heiland zijne stelling bewezen. De dingen van binnen zijn blijkbaar van een\' zeer verontreinigen-den aard, en maken don menscli ongeschikt tot gemeenschapsoefening met God en tot het vervullen van heilige plichten ; maar het nalaten van water op do handen te gieten kan niet in liet minst hierbij worden vergeleken. En toch waren zij, die zich niet hadden bekeerd van verontreinigende zonden, vervuld van afschuw en ontsteltenis, omdat iemand met ongeirasschen handen een stuk brood at.

Gezegende Meester, wasch mij inwendig, en behoed mij voor de ont-reiniging der verdorven natuur! Laat mij op goene uitwendige vormen betrouwen, maar wil Gij mij reinigen tot in mijne verborgenste deelen!


-ocr page 193-

Hoot\'dst. XW| ONZE KONING EN DE KANANÉSCHK VU O UW.

1()7

II0 0 F D S ï U [Onze Koning- en de

21. En Jezus, van daar gaande, vertrok naar de deden van Tjnis en Sidon.

Hij verliet het weerzinwekkend ge-zelschap der f\'arizeön, en ging van daar, zoo ver gaande als hij slechts kon, zonder zijn eigen land te verlaten. De groote Bisschop begaf zich tot aan de uiterste grens van zjjne diocese. Ecne innerlijke aantrekking voerde Hem honen naar do plaats, waar Hij wist, dat een geloovig hart naar Hem verlangde. Hij was als Prediker gezonden tot hot huis Israels; maar H.j gaf aan zijne opdracht de ruimste be-teekenis, en ging „naar de dcelen van Tyrus en Sidon.quot; Als zjj, die zich in het middenpunt bevinden, onverbeterlijk blijken te wezen, dan gaat de Hecro tot hen, die slechts van don omtrek des cirkels bereikbaar zjjn. Laat ons altijd het veld tot aan het uiterste einde beploegen, en ons geslacht tot aan de uiterste grens onzer omgeving dienen.

22. En ziet, eene Kananésche vrouw, uit die landpale komende, riep tot hem , zeggende: Heere, gij Zone Davids, ontferm u mijner! mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten.

„Zietquot;: hier is iets, dat waard is gezien te worden; iets, dat goed is voor oogen en voor harten. Juist op het oogenblik, datJezus naardedeelen van Tyrus en Sidon heenging, kwam eene vrouw uit die landpalen om Hem te ontmoeten. Vroeg of laat zullen Christus en de Hem zoekende ziel elkander altijd ontmoeten. Deze „Kananésche

K XY. 21—28.

liananésche vrouw.]

vrouwquot; had geen recht op Hem van wege hare nationaliteit; zij behoorde tot do ergste soort van Heidenen, tot een geslacht, dat reeds lang ter dood was veroordeeld. Zjj kwam uit de enge landstreek, waar do Tyriers woonden, en, evenals Hiram, do koning van Tyrus, kende zij don naam van David; maar zij ging verder, want zij had geloof in Davids Zoon. De liefde voor hare dochter deed haar op reis gaan, deed haar roepen en bidden om ontferming. Wat zal de liefde eener moeder niet vermogen ? Haar nood had don middelmuur tusschen Heiden en Jood nedergeworpen en zij wendde zich tot Jezus, alsof zjj van hetzelfde land was als zijne discipelen. Zij vroeg om genezing voor haar kind als eene gunst en goedertierenheid bewezen aan haar zelve: „Ontferm u mijner. quot; Zij vroeg het van Jezus als Heere. Zij vroeg het van Eeneu, grooter dan Salomo, den Zone Davids, den wijsten en machtigsten Wonderwerker. Zij stelde hare zaak voor in korte, aandoenlijke woorden, en pleitte voor hare dochter met al de tcedere, liefdevolle bezorgdheid eener moeder.

Haar nood leerde haar bidden. Voordat ook wij weten, wat wij behoeven, en vol zijn van hopend verlangen, zullen wij nooit overmogend bidden. Bidden wij voor onze kinderen, gelijk deze vrouw voor hare dochter heeft gepleit? Hebben wij geene reden om haar tot voorbeeld te nemen ?

23. Doch hij antwoordde haar niet één woord. En zijne discipelen, tot hem komende, baden hem, zeggende: Laat haar van u, want zij roept ons na.


-ocr page 194-

OJS\'ZK KONING UN DK KANANliHCHE VROUW. IHoofdst. XV.

168

Stilzwijgen was een hard antwoord, want door vreeze kan hot vertolkt worden in iets, dat erger is dan het onvriendelijkste spreken. „Niet één woordquot;, geen woord van Hein, van wien elk woord kracht is! Dit was eene ontzettende ontmoediging. Toch werd zij door dat zwjjgen niet tot zwijgen gebracht. Zij hield aan niet hare smeekingen. De discipelen vergisten zich, toen zij zeiden: Zij roept ons naquot; Neen, noen, zij riep Hem na. Alle dienstknechten des Ileeren, die een inededoogend hart hebben, moeten er naar verlangen oin op zoo kostelijke wijze te worden lastiggevallen De discipelen waren er echter toe gebracht om zich voor haar tot hun\' Meester te wenden, en dit was nu wel iets, maar veel was liet niet! Het is mogelijk, dat zij niet hunne klacht bedoelden do vrouw te helpen, door een antwoord voor haar te verkrijgen, wat dit antwoord clan ook zijn moge; maar hunne woorden hebben oen kouden, harden klank. „Laat haar van n.quot; Mochten wij nooit zoo zelfzuchtig wezen, dat wij hen, die zoekende zijn, lastig vinden! Mochten wij zeiven hen nooit door koele blikken en harde woorden „van ons laten\'\'\'\' of wegzenden!

Evenwel, do discipelen konden haar niet onopgemerkt laten; zij waren genoodzaakt om bij Jezus voor haar te pleiten; zijne disci pelen tot hem komende, baden hem. Indien Christelijke men-schen geene sympathie toonon voor onze zaak, zoo laat ons, door ons vurig aanhouden, warmte bij hen trachten op te wekken.

24. Maar hij antwoordende, zeidc; Ik hen niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.

Toen Jezus nu eindelijk sprak, was hot niet tot haar, maar tot de discipelen. Zij hoorde het woord, en gevoelde dat

het voor haar bostonul was, maar tevens dat het haar hoop scheen te vernietigen. Zij behoorde niet tot „het huis Israelsquot;-, zij erkende, dat zij zich niet tot de i schapen rekende; tot haar was Hij : niet gebonden; hoo zou Hij dan buiten zijne zending kunnen gaan? Het zou , niet te verwonderen zijn geweest, zoo zij in hare vertwijfeling ware heengegaan. Maar het tegendeel geschiedde: zij verdubbelde hare smeekingen.

25. En zij kwam en aanhad hem, zeggende\'. Ileere, help mij!

In plaats van heen te gaan, kwam zij naderbij, en zij „aanhad hem.quot; Dat was recht. Zij kon het probleem van do lotsbestemming van haar volk en | van des Hoeren zending niet oplossen; maar zij kon bidden. Zij wist niet veel van do beperkingen vanhetMes-; siasschap, maar wèl wist zij, dat dos Hoeren macht onbeperkt was. Indien IIij haar als Herder niet kon toebrengen, zoo kon Hij haar toch helpen, üe goddelijke natuur van Christus is voor ontroerde harten eene bronwel van vertroosting.

Hare bede was kort, maar veelomvattend; zij welde op uit haar hart en ging recht op het doel af. Do nood van hare dochter was haar eigen nood, cn daarom riep zij: „Hcere, help Hocro, help ons te bidden, zooals zij geboden heeft.

2G. Doch hij antwoordde, cn zeidc. Ilcl is niet betamelijk, het brood der hinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.

Eindelijk wondt hij zich om on geeft een antwoord op hare bode; maar het is niet zoor moedgevend, Hoe hard is zijne taal! Hoo ongelijk aan des Hoeren gewone wijze van zijn! En


-ocr page 195-

Hoofdst. XV. I ONZE KONING EN DE KANANÉSCHE VHOUW. 169

toch ook, lioo waar! Hoo ouwodorleg-baar! Voorzeker! „Ket is niet betamelijk het brood der hinderen te nemen, en den hondekens voor ie werpen.quot; Voorrechten mooteii natuurlijk niet geschonken worden aan hen, die er geen recht op hebben, en gaven of weldaden moeten aan geene onwaardigen worden verspild. De gevraagde zegen is als brood voor kinderen, en do Kanaaniten waren niet móér leden van het uitverkoren geslacht, dan honden. Hun Heidensch karakter maakte hen van wege hunne onreinheid als honden. Eeuwen lang hadden zij niet méér van den waren God geweten dan de honden, die op straat rondzwerven. Dikwijls hadden zij en andere Filistijnscho stammen des Heeren volk aangeblaft als honden. Do vrouw had zulk een gezegde waarschijnlijk wel eens uit den mond van hoovaardige Joodsche dwepers gehoord, maar van den llcere had zij het niet verwacht.

27. En zij zei de: Ja, llcere, doch de hondekens den ook van de hrokskens, die er vallen van de tafel hunner heeren.

Dat was nederige taal: „.Ja Heere.quot; Het was moedige taal, want in het harde omhulsel van des Heeren woorden vond /.jj voedsel voor haar geloof. Onze Heere gebruikte het woord „hondekensquot; en dat woord ving zij op. Hondekens worden de speelmakkers der kinderen; zij liggen onder do tafel, en vangen de brokskens op, die van de tafel hunner kleine meesters op den grond vallen. De Heer des huizes verzorgt de honden in zoo ver hij ze vergunt onder zijne tafel te liggen. Indien zij, Heidensche hond, als zij is, niet als een schaap der kudde geherderd kan worden, zij zal tevreden wezen om geduld te worden in het gezin als een hondoke, want dan zal yAj de brokskens mogen hebben, die van het brood der kinderen, van de tafel der kleine heeren van don hond, op den grond vallen. Hoe groot de zegen ook was, dien zij zocht, hij was slechts als een broksko van des Hoeren milddadigheid en van hot deel, dat Israël verkreeg, en daarom bad zij om het te mogen hebben, hoe zeer zij zich ook zelve slechts als een hond erkende te zijn.

Laat ons de zwartste schildering aannemen, die de Hchrift geeft van ons karakter en bestaan, en er dan toch een argument in vinden om te hopen.

28. Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: o vrouwe! (jroot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. Kn hare dochter werd gezond van diezelfde ure.

Onzo Heiland bemint groot geloof, en geeft al wat het begeert. Haar geloof was vergelijkenderwijs groot: voor eene Heidensche vrouw, die zóó weinig van den Heiland wist, was zij buitengewoon krachtig in het geloof. Doch haar geloof was niet slechts ver-gel ij kendor wijze groot, het was ook positief en op zich zeiven groot: tege-looven in een\'zwijgenden Christus, die haar antwoordt mot eonc afwijzing, en haar een „hondokequot; noemt, is een buitengewoon groot geloof, naar welken maatstaf het ook worde gemeten. Weinigen van ons hebben ook maar een tiende van het geloof in onzen Heere, dat deze vrouw had. Te gelooven, dat Hij hare dochter terstond kan genezen, en zich aan Hem vast te klemmen om die weldaad te verkrijgen, toont een geloof, dat zelfs den Heere verbaasd doet staan, zoodat Hij uitroept: „O vrouwe! groot is uw geloof!quot; Hoe heerlijk is de belooning: „U geschiede gelijk gij wilt!quot; Overeenkomstig hetgeen zij wilde was hare dochter on-


-ocr page 196-

DK KONING GEEFT NOG EEN\' MAALTIJD.

[Hoofdst. XV.

170

middelijk, volkomen cn blijvend genezen. O mocliten wij hetzelfde kostelijk geloot\' hebben, inzonderheid het geloof niet betrekking tot onze zonen en doch-teren. Waarom zouden wij hot ook niet hebben F Jezus is dezelfde, en wij iieb-

II O O F I) S T U [De KoiiiDg- geeft

29. En Jezus, ran daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den ben/, en zat daar neder.

Hij was altijd op weg: Hij „ging het land door goeddoende.quot; Hij was naar de grenzen des lands vertrokken : weldra was Hij echter in het hoofdkwartier terug. Hij verspilt geen oogenblik. Hij blijft niet om geluk gewenscht te worden mot den voorspoed op zijn werk, maar spoedt zich henen naar anderen arbeid, en daarom is het, dat wij dikwijls lezen: „En Jezus van daar vertrekkende.quot;

Hoe lief had Hij de bergen en do zee! Bij het meer van Galilóa kiest Hij wederom een\' hoogen heuvel tot standplaats met den omliggenden grond voor do vergaderde menigte, en daar begint Hij nogmaals zijn\' dienst der barmhartigheid. Hij zat daar neder, want Hij had er zijn hart op gezet om op deze zoo gunstig gelegene plaats het volk te zogenen. In onze verbeelding zien wij Hem plaats nomen, en van de glooiing „hij de zee ran Galiléa spreken ex cathedra. De berghelling was voor ieder toegankelijk, en niemand kon klagen over oen onwettig binnendringen op zijn erf, en het was ook ver genoeg verwijderd van de woelige steden om aan het gedruiseh dos nood-ben zelfs meer reden om op Hem te betrouwen, dan deze Kanauósche vrouw kon gehad hebben. Heere, wij geloo-ven; kom Gij onze ongeloovigheid te hulp, cn maak onze kinderen gezond.

XV. 29—39.

nog een\' maaltijd.]

zakelijken arbeids te ontkomen. Waar HÜ nederzat, vergaderde zich het vol k. Als Hij „o/; den berg klomquot; klommen zij Hom na. Als wij in het afgele-genste dorp, in eene schier ontoegar.-kelijke landstreek Jezus prediken, dan zullen wij niet zonder hoorders blijven.

30, 31. En vele scharen zijn tot hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen en vele anderen, en wierpen ze voor de voelen van Jezus, en h ij r/enas ze; alzoo dat di scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende\\ en zij verheerlijkten den God Israels.

Nog altijd dezelfde geschiedenis. De magneet blijft zijne aantrekkingskracht uitoefenen. De schare is talrijker. „ Vele scharen zijn tot hem gekomen.quot; Zij schenen als uit den grond op te komen, zich in menigte van dezeebijeen te vergaderen, en zij hebben zich zóó snel rondom den Heere geschaard, dat er geene tusschenpoos voor Hem is, waarin Hij kan rusten. De kranken, die zij tot Hem brengen, zijn van nog verschillender soort dan te voren. Welk cone bjjeenvergadering van ellende op ééne plaats. Do verwachting des volks


-ocr page 197-

Iloofclst. XV.] de koning geeft gt;

a een\' maaltijd. 171

is lioog\' gespannen ; zij hebben de kran-ken bij zich, en zjj „tvierpen ze voor ile voeten van Jezusquot;; waar zjj hen vol vertrouwen lieten. Dc genezende kracht blijft immer vloeien. Die óene volzin is cene grootsche opsomming van zijne wondergenezingen: „Hij genas ze.quot; Ditmaal is het resultaat eene grootcre mate van verwondering onder do scharen, vergezeld van den liefeljjkoii geur van lof\' on dank aan den God Israels: „Zij verheerlijkten den God Israels,quot; liet was hun duidelijk dat Jehovah zijn volk was indachtig geweest en hen had bezocht, dat Hij hunne krankheden genas, en daarom gaven zij or Hem voor het oogenblik de eer van. Wat moet hot geweest zijn om ooggetuige te zijn van zulk een tooneel van genezing en aanbidding! Welk eene opvoeding voor de apostelen! Welk een steun voor hun geloof in de dagen van beproeving, nadat hun Meester van hen zal weggenomen zijn!

Hcore, als er onder ons eene herleving, eene opwekking komt van den waren godsdienst, dan zien wij do grootheid van uwo genezende kracht in de gcestcljjke wereld, en daarom verheerlijken wij den God Israels, den God des verbonds, don God des worstelenden gebeds, den God van alle genade.

B2, En Jezus, zijne disci pelen tot zich geroepen hebbende, zeide: Ik a arde innerlijk met ontferming henogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn, en hebben niet, wat zij eten zouden; en ik wil ze niet nuch-teren van mij laten, opdat zij op den weg niet hezivijken.

Do geschiedenis herhaalt zich. Wij zullen verstandig doen met de ver-schillonde trekken er in na te gaan. Wat Jezus eens gedaan heeft, kan en wil Hij nogmaals doen, zoo de nood het vereischt. Eigenlijk is de eene goedertierenheid ook de belofte voor eene andere. Thans is het do Ileore, dio het eerst spreekt van de wijze, hoe met do hongerende scharen te handelen: de discipelen komen niet tot Hem met de zaak. Hij zelf begint hot gesprek. Altijd is het zijn hart, dat het eerst mede gevoelt, en thans is Hij ook do eerste om te spreken. „Jezus, zijne discipelen tot zich geroepen hebbendequot; Zij moeten zijne medearbeiders zijn, en dus raadpleegt lljj hen, en maakt hen tot leden van zijn\' geheimen raad. Hij is één en al teederheid, en kan in waarheid zeggen: „Ik worde innerlijk met ont-ferming bewogen.quot; Hetzij Hij al of niet in een bijzonder geval van droefheid of nood handelend optreedt, zijn hart is immer innerlijk met ontferming bewogen, en thans denkt lljj aan den honger des volks, en aan hun mogelijk bezwijken dien ten gevolge. Zijn mededoogen is de springveer, die zijne macht in beweging brengt. De scharen waren Hem blijven volgen, en Hij kon niet anders dan modelijden hebben met den nood, die voortkwam uit hun volharden om naar zijn onderwjjs te luisteren. Dozo mensehen hadden een driedaagsch vasten verduurd, of ten minste zeer weinig voedsel genoten, ten einde Hem te hooren prediken. Wolk eene prediking moet dit geweest zijn! Maar de grooto Leeraar zorgt voor hun lichaam zoowel als voor hunne ziel, en wil zich niet ievreden stellen met alleen hunne ziel te voeden. Uit het gewone oogpunt beschouwd, was hun gebrek aan proviand hunne zaak: zjj waren uit eigene beweging bijeengekomen, en zij konden redelijkerwijs niet van Hem verwachten, dat lljj hun beide spijze en onderwijs om niet zou geven; maar zijn groot-


-ocr page 198-

een\' maaltijd. [Iloofdst. XV.

172 de koning geeft j

moedig hart kon er niet in berusten om hen te laten bezwijken. Hij wil ook de onschuldige oorzaak niet zijn van iemands leed. Plechtig verklaart Hij: Jk wil ze niet nuchteren van mij laten.\'quot; Hij wilde niet, dat zijne dienstknechten onverschillig zouden zijn voor het lijden der armen, zelfs niet ten opzichte van do spijs, die vergaat. Wij kunnen er dubbel zeker van zijn, dat Hij geen ernstig hoorder van geestelijken honger zal laten bezwijken. Hij kan ons wel laten wachten, teneinde don eetlust te scherpen; maar in het einde zal Hij ons toch niet ongespij-zigd van zich laten. Hij heeft er geen behagen in de hongerenden te laten omkomen; Hjj vreest, dat zij op den ivecj zullen bezwijken. Indien iemand onzer in dien toestand komt, dan bemerkt Hij het, en dan zal 11 ij tusschenbeiden treden. Laat ons den honger voor geestelijke spijze aankweo-ken, dan zal Jezus ons verzadigen.

33. En zijne discipelen zeiden lot Hein: Vanwaar zullen wij zoo vele hrooden in de woestijn bekomen, dat wij zulk eene r/roote schare zouden verzadigen ?

Bij deze tweede gelegenheid zouden wjj betere dingen van do discipelen hebben kunnen verwachten; maar zij zijn nog in het oude spoor, even twjj-felend als altijd, en even schuldig aan het vergeten van des Ileeren macht. Hij zeide: „Ik wil zo niet nuchteren van mij latenquot;, en zij beantwoorden zijne vriendelijke verklaring mot eene harde, koude vraag? Merk op, hoe zij vergeten, wat HIJ doen zou, en dwaselijk blijven staan bij hetgeen zij niet kunnen doen. „ Van waar zullen wij zoo vele hrooden hekomen?quot; AVio heeft dan iets gezegd omtrent „Wijquot;? Mot eenigo goede punt in hetgeen zij zeggen is, dat zij zich met den Hoere verbinden; maar ook hierin beslaan zij eene te groote plaats. Zij denken aan hunne eigene armoede, aan de woestijn, aan de „zoo vele hroodenquot;, en aan de „groote scharequot;-, en zij vergeten dat Christus zoo groot een\' Heer is. Zijn wij niet grooteljjks aan hen gelijk? Zijn wij er zeker van, dat wij even wijs zijn als zij waren? Wij vreezen van neen.

34. En Jezus zeide tot hen: Hoe vele hrooden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visschkens.

De Heere neemt hun deelgenootschap aan, en zegt: „Hoe vele hrooden hebt gij?quot; Hoe klein hun voorraad ook was, en hoe volstrekt onbeduidend voor het werk, dat Hij ondernemen wil, toch vergunt Hij hun het hunne er toe bij te dragen. Zij maken spoedig hunne boedellijst op en spreken er van met droefheid; „Zeven hrooden en weinige rischkens.quot; Zoo tamelijk gelijk aan ons armoedig fonds ton behoeve van den heiligen arbeid voor God. Do hrooden waren volstrekt niet dezelfde hoeveelheid spijze als wij onder dit woord verstaan; het waren slechts dunne koeken. De vischkens waren ■weinig in getal en klein, meer graat dan visch. Zoo zijn ook onze gaven en talenten zeer gering, en zij worden nog bedorven door allerlei onbekwaamheid; toch moeten wij alles wat wij hebben bijdragen tot het algemeene fonds, en dan zal het voldoende blijken in de- handen van Hem, die alle dingen werkt.

35. En hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde.

Het volk is bereid voor den maaltijd door gewilligheid om te gehoorzamen. Wat zij van onzes Hoeren wondermacht


-ocr page 199-

PE KONING O quot;REFT NOO EEN\' MA.AIjTI.TD.

Iloofdst. XV.1

173

haddon gezien, wekte verwachting bjj hen op en schiep bereidwilligheid in hen om zjjne leiding te volgen. Als Jezus op het punt is van zijne wonderen der genade te werken, dan zal er over het algemeen eene bereidwilligheid van geest worden gevonden, ifeore, maak ons volk bereid om „neder te zitten op de aardequot; als Gij hun don feestmaaltijd der genade bereidt.

36. Kn h ij na\'n de zeven hronden en visschen, en als hij gedankt had, brak hij ze, en cjaf ze aan zijne discipelen, en de discipelen cjaven ze aan de schare.

Hij deed als te voren. Zijne manier van werken is volmaakt, en daarom was het niet noodig er verandering in te brengen. „ Hij nam de zeven broaden en visschen.quot; Zij waren slechts eene handvol voor Hem. Dittoontons^latonzegeringe bekwaamheden ter zijner beschikking moeten worden gesteld, en in zjjne wonderdoende handen moeten worden overgegeven. Hij versmaadt het niet de broeden en visschen te dragen, ofschoon Hij beide den hemel en de aarde draagt. Zijn danken voor een maaltijd in do open lucht, moet ons leeren nooit te eten zonder te danken.

Het breken des broods leert ons, dat er een te koste leggen van gaven en talenten moet wezen, en dat do waarheid als het ware kruimelsgewijze toegediend moet worden, ten einde haar voor den menschclijken mond geschikt te maken. Zijn overgeven van den voorraad in vele handen toont ons, dat er niets teruggehouden of weggelegd moet worden, maar dat alles onder de schare behoort te worden verdeeld. Onze Heere Jezus eerde nogmaals zijne discipelen door hen tot de dienstknechten te maken, door wie Hij de schare bereikte. Heere, wil ons gebruiken, want indien wij noch brooden hebben noch visschen, zoo bobben wij toch gewillige handen.

37. En zij alen allen, en werden verzadigd ; en zij na mm op het overschot der brokken: zeven volle manden.

Het feestmaal liep zoo ordelijk af, en er was zulk een overvloed van spijze, dat allen aten en verzadigd werden: tot zelfs de kleine kinderen haddon hun brood en visch. Wat er overbleef, „de brokkenquot;, was to goed om weggeworpen te worden, en daarom werd hot bijeenverzameld in manden en voor toekomstig gebruik bewaard. De God des overvloeds is tevens de God der matigheid en spaarzaamheid. Wij hebben geen gebrek, maar ook verkwisten wij niet. Manden zijn altijd te verkrijgen; de moeiehjkheid bestaat in zo te vullen. Hier kwamen de manden overeen mot het aantal brooden; bjj den vorigen maaltijd waren zij gelijk aan hot ijetal der apostelen. De zegen, dio den dienst loont, kan betrekking hebben op de arbeiders, of op hetgeen zij oorspronkelijk hadden bijgedragen overeenkomstig de wijze van vergelijking. In beide gevallen van het spijzigen der schare was hetgeen na don maaltijd overbleef moor dan hetgeen oorspronkelijk voorhanden was. Hoe meer wij geven, hoe meer wij hebben. Kunnen sommigen van ons wellicht niet arm zjjn, omdat wij zoo weinig weggeven ? Zouden de moest begaafden thans niet nog meer begaafd zijn, indien zij onzelfzuchtig hetgeen zij hadden ten dienste van anderen hadden gebruikt?

38. En die daar (jeyeteu hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en de kinderen.

Wij zien hier geen verlangen om het getal te vergrooten, teneinde ook het


-ocr page 200-

174

wonder grooter te doen sclujiioii. In sommige opgaven van godsdienstige zaken zou men spoedig gereed zijn. indien de vrouwen en kinderen werden uitgelaten, want zij vormen do massa van de hoorders. In den Bijliel zien wij liet volk geteld naar het aantal mannen. Toen Mattheus belastingen liet betalen, was dit zjjne gewone wijze van heffing; en zoo wordt ook hier hetzelfde plan gevolgd. 1?ij onze tellingen heden ten dage is er geene reden, waarom wij do vrouwen en kinderen uit zouden laten, daar de geheele methode der volkstelling veranderd is, en beide seksen thans in hot getal worden begrepen. Daar do mannen de grootste eters waren en in alles het meest vooraan stonden, worden zij geteld, en ofschoon het getal dei-overigen niet wordt opgegeven, weten wij toch, dat ook zij worden gespijzigd, en dat is het voornaamste.

39. Kn de scharen van zich gelaten hebbende, cjing hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.

H O O V D S T U (De Koning en zijl

1. Kn de farizeën en saddueeën tot hem gekomen zijnde, en hem verzoekende, hegeerden van hem, dat hij hnn een teelten uit den hemel zon tonnen.

Wederom ontmoet do Koning zijne vijanden. Twee socton, die heftig en scherp tegen elkander over stonden, vereenigen zich tegen Hem. Het is do manier dor boozen, dat zij vrienden worden, wanneer z\\j het koninkrijk der hemelen omver zoeken te werpen.

Bij deze gelegenheid komen zij niet met eene vraag, maar wel mot den

Onze Heere was immer zoor begeorig om do scharen van zich te laten: IIij wilde hen niet van hun\' dagolijkschen arbeid afhouden. Hij verlangt niet, dat zij bij Hem zullen blijven, om Hom tot oerewacht te dienen, of een\' triomftocht met Hem te houden: Hij spoedt zich weg van hun\' lof. Hij „ging in het schip.\'\' Als een weversspoel door do ketting, gaat Hjj immer hoen onweer over het moor. Hij komt „in de landpalen van Magdala^ Zocht Hij wellicht Maria van Magdala? Hij had daar eene zending der barmhartigheid. Die zending was spoedig volbracht, want wederom gaat Hij naar do zee. Onze Heere is in don ruimen zin des woords eon zeevaarder geweest. Dat dan de zeelieden Christus\' vlag in top hijschen, en varen onder zijn commando. O Hooro Jezus, gaarne zou ik do zoo dos levens willen oversteken met U tot Stuurman, tot Eigenaar en tot Kapitein van het schip!

K XVI. 1—4.

i verkoren teeken.)

ouden eisch van oen teeken. Ditmaal moot hot „een teeken uit den hemel zijnquot;, wellicht iets wonderlijks aan de lucht. Wolk recht hadden zij Hem aan do proef, die hunne grillen hen ingaven, te onderworpen? Welke behoefte is er aan nog meer teekenen, terwijl zijne wonderen zoo talrijk zijn? Waren niet al zijne wonderen teekenen uit den hemel? Heeft deze eisch geene minachting uitgestort over alles wat Hjj reeds had gedaan? Was hot geen ignoreeren van alle zijne vorige machtige werken ? Maar al te dikwijls hebben ook wij do


-ocr page 201-

DE KONING ËN ZIJN VERKOREN TEEKEN.

Hoofdst. XVr.

175

zwakheid gehad om een nieuw toeken der goddelijke liefde te vragen,en aldus zijne vorige gunstbewijzen te onderschatten. Indien do blijken, die wij reeds gezien hebben van onzes Hoeren genade en macht niet volstaan, wanneer zal er dan een einde komen aan onze twijfelingen ?

Door dit eischen van een teeken hebben de vijanden onzes Heeron 7/m verzocht. Bestond de verzoeking daarin, dat zij Hem drongen om door eene pralende tentoonspreiding van macht, waaraan geene werkelijke behoefte bestond, zijne eigene eer te zoeken ? Hoe dit zij, onze Heere is ongedeerd door deze vuurproef heengegaan, want er was in Hem geen hoogmoed. Farizeën en sadduceën zullen ook ons in verzoeking brengen. Moge de Ileero ons van hunne listen on lagen verlossen! Mochten wij door onze liefde tot^Jezus gelukkig bevrijd blijven van bij de menschen hoog aangeschreven te willen staan!

2, 3. Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder, want de hemd is rood; en des morgens: Heden onweder, want de hemel is droevig rood. Gij ge-veinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de teekenen der lijden niet onderscheiden?

Zij konden aan zekere teekenon het weder voorspellen, en onze TTcere maakt melding van de teekenen des weers in Palestina, maar de veel duidelijker en overvloediger waarschuwingen der naaste toekomst konden zij niet onder-scheiden. Teekenen van het weder zijn onzeker; maar zij waren omringd van zedelijke en geestoljjke teekenen, die nauwelijks te miskennen waren, indien zij ze slechts wilden opmerken. Ieder land heeft zijne eigene weersgesteldheid en de daarmede in verband staande teekenon aan hot uitspansel; die van Palestina zijn verschillend van die in ons land; maar de teekenen der tijden zjju iu allo landen gelijk. Onze Heere haalt een der vele voorbeelden aan van hunne gewaande weerwjjsheid; hetzelfde toeken, dat des avonds „schoon weder*\'\' aanduidde, was des morgens eon teeken van on weder. Zij waren in staat om tijne onderscheidingen te maken in den afwisselenden toestand van Jiet aanschijn des hemelsquot;; waarom konden zij dan ook niet „de teekenen der tijden onderscheiden?\'\'\'\' Indien zij het hadden gewild, dan zouden zij hebben kunnen zien, dat al de profetiën één waren in te verklaren, dat het tijdstip, waarop de Messias moest verschijnen, was gekomen; en zij zouden ook hebben kunnen opmerken, dat elke gebourtonis deze profetiën in vervulling bracht; maar zij waren onoprecht van hart; zjj wilden niet zien, en toch bleven zij om een teeken roepen. Overal om hen heen waren teekenen, en toch horhaalden zij als papagaaien den kreet: „Toon ons een toeken.quot; Met volkomen recht was onze Heere verontwaardigd op hen, en gebruikte Hij in zijn verwijt en bestraffing do welverdiende strenge woorden: „Gij geveinsden!quot; De menschen, die heden ten dage sterker bewijzen verlangen van het bovennatuurlijke, verdienen eeno gelijke bestraffing.

Heere, laat toch niemand onzer blind zijn voor de teekenen des hemels, — uw kruis, uwe opstanding, uw Woord, uwen Geest en uw werk der genade. Leer ons deze dingen zorgvuldig te onderscheiden, als de in waarheid blijvende, „teekenen des tijds.quot; Laat ons zelfs in do toenemende koudheid der Kerk en dc overvloedige ongerechtigheid der wereld de teekenon zien van uwe wederkomst, zoodat wij


-ocr page 202-

ITfi DK KONt[NtO DOOR DE ZIJNEN MISVERSTAAN. [Höofdst. XVI.

wachten, on wakend uitzien naar uwe beloofde verschijning.

4. Het bons en overspelig geslncht verzoekt een teeken; en hun zal geen teelcen gegeven worden, dan het teeken ran Jonas, den profeet. En hen verlatende, ging hij weg.

Het was geen gebrek aan bewijs, maar detreurige verdorvenheid van hun hart en verstand, die hen drong om sen teeken te verzoeken; en daarom wilde de lleere aan dit ongezonde verlangen niet toegeven. Zij waren hoos in hunne zeden, en overspelig van hart, daar zij den eenen waren God hadden verlaten: en dan gingen zij hun ongeloof\' in den Zone Gods nog rechtvaardigen door te pleiten op een gebrek aan bewijs, nog meer wonderen eischende ten einde hen in staat te stellen om tot eene juiste gevolgtrekking te komen. Zoodanig is de bedriegehjkheid van het menschehjke hart.

Onze lleere herhaalt zijn vorig antwoord; Hij wil hun geen ander geven. Binnen don omtrek des Ouden Testaments is er geen vollediger toeken van onzen lleere dan Jona. Onze lleere wist, dat Hij zelfs tot in kleine bijzonderheden het type van Jona zou vervullen, en daarom wijst Hij hun op hot leven van dien profeet. Dit is oen onderwerp, dat onze zorgvuldige overdenking waardig is; maar wij kunnen er hier niet vorder bij stilstaan. Onze lleere ziet op zjjn\' dood en zijne opstanding, en gooft den prnfeet Jonas als zjjn toeken. Jezus zal begraven worden, en zal ten derden dage opstaan, en in de kracht zijnor opstanding zal Hij do Heidenen tot bekoering brengen. Hierin zal Hij het anti-type wezen van Jonas, en dit zal hot teeken zijn, dat Hij inderdaad do Christus Gods is. Dit had onze lleere te voren reeds gezegd, omdat hot oen voldoend antwoord was, en hot was niet noodig verscheidenheid te betrachten voor monschon, die zelvon altijd op hetzelfde aanbeeld sloegen.

Onze lleere verliet deze lieden, want er was niets mot hen aan te vangen. Jfen verlatende ging hij weg, en die plaats heeft Hem niet weder gezien. Heoro, wil niemand onzer verlaten, want dat zou voor ons een waar doodvonnis wezen.


HOOFDSTUK XVI. 5—12. [De Koning door lt;le /ijnen misversta an.]

5. En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten hrooden mede te nemen.

Zij haddon vergeten, hunne boot van mondbehoeften te voorzien. Dit schenen zij zeiven ontdekt te hebben, zoodra zij ,,o]) de andere zijde gekomen waren.quot; Hot was slechts zelden, dat zij zulke tijdelijke aangelegenheden vergaten.

Wellicht hebben zij don oen op don ander hiervoor gerekend, on wat alzoo ieders werk was, werd dan niemands werk. Zoolang zij nog op hot meer waren, hadden zij hot verzuim niet bemerkt; maar toon het etenstijd was, hebben zij weldra aan do brooden gedacht. Hun geest was door de twistgesprekken voor oouo wijle gansch on al beziggehouden mot godsdienstige


-ocr page 203-

Hoofdst. XVF.] DE KONING DOOK DB ZIJNUN MISVB\'RSTAAN.

177

zaken; maar broodsgebrek, 011 de honger die hieruit ontstond, hebben hen spoedig weder naar do dingen dezer aarde teruggebracht.

G. En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdeesem der farizeën en sadduceën.

Hij gebruikte eeno parabolische uitdrukking, die zij gereedeiijk zouden verstaan hebben, indien hunne gedachten niet vervuld waren geweest van hun gebrek aan brood, lljj zag, dat, nu zij brood noodig haddon, ook in hen weldra de begeerte naar een toeken zou opkomen, en Hij vreesde den in vloed zoowel van het ritualisme der farizeën, als van het rationalisme der sadduceën op zijne kleine gemeente. Vandaar zijn tweeledig woord van waarschuwing: „Ziet toe, en wacht u.quot; Die waarschuwing is heden nog even noodig als in de dagen onzes Heercn, ja wellicht meer, omdat er minder acht op geslagen wordt. „Farizeën en xad-duceën brengen beiden hun\' zuurdeesem in de kerk, en do geest van dezen is al even slecht als van genen. Overal zien wij de ééne boo/.e macht werkende op twee tegenovergestelde wijzen, maar den maaltijd van het naam-Ciiristen-dom snol van hun\' zuurdeesem doortrekkende. lleerc, behoed uw volk voor dezen verzurenden en verderven-den invloed!

7. En zij overlegden hij zich zeiven, zeggende: Het is omdat wij yeene broeden nirdegenomen hebben.

Hunne gedachten bleven do lage materieele lijn volgen : van zuurdeesem naar brood. Verbeeldden zij zich, dat Hij hun verbood zuurdeesem te Iconen van de farizeën toen zij hun baksel brood gereed maakten? Hoe kunnen zij eenige beteekenis hebben gevonden in den letterlijken zin van zuurdeesem, toegepast op de sadduceën? Hunne bezorgdheid bond hen aan het aardsche, anders zouden zij zoo dwaze vergissing niet hebben begaan. Als een aantal hongerige mcnschen bij elkander zijn, is het dan niet zeer natuurljjk, dat zij alles met hongerige oogen aanzien ? .Ja, dir is natuurlijk; en het is niet natuurljjk voor menschen om geestelijk te zijn. Wij hebben er behoefte aan te bidden, dat wij niet op deze lage aardsche wijze „hij ons zeiven overleggen^, als wij eenigszins in nood ver-koeren.

8—-10. En Jezus, dat wetende, zeide tot lien: Wat overlegt gij bij n zeiven, gij kleingeloovigen! dat gij geene brooden medegenomen hebt? \\rerstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijf duizend mannen, en hoe vele korven gij opnaamt ? Noch aan de zeven brooden der vier duizend mannen, en hoe vele manden gij op-naand?

Het was gebrek aan geloof, dat hen zoo stompzinnig en vleeschelijk maakte. Indien zij meer genade hadden gehad, zou het gebrek aan brood hen niet hebben ontroerd. Het is alsof onze Heere tot hen zeide: „Waarom begint gij ii af te vragen, wat er in deze onbeduidende moeielijkheid kan gedaan worden? Heb Ik niet voorzien ingrooter nooden dan dezen? Is er in uwe eigene persoonlijke behoeften niet rijkelijk voorzien ? Toen al uwe gedachten vervuld waren van de groote scharen, en al uwen voorraad van brood en visch aan hen was afgestaan, word zelfs toen uw voorraad uitgeput? Is het dan noodig om in mijne tegenwoordigheid u bezorgd te maken? Heb Ik niet altijd in uwe behoeften voorzien ?quot;


12

-ocr page 204-

DU KON\'lXG DÖOR DE ZIJNEN MISVERSTAAN, [Hoofdst. XVt.

178

Hoe dwaas waren zij; maar hoe zoor zijn wij iion gelijk! Wij scliijnen niets to leerou. Na jaren van ondervinding; moet onze lleere nog altijd zeggen: „Verstaat (jij notj niet? en ge-denkt gij niet?quot; Twee grooto, verbazingwekkende wonderen hadden do discipelen nog niet opgeheven tot die hoogte van denkwijze, die don geloovige betaamt; en na al onze ervaringen en uitreddingen zijn wij hun, helaas! nog tamelijk gelijk. Hoe hoeft onze geest zich niet bezig gehouden mot het brood, dat ons ontbreekt, en hoe licht vergeten wij niet de vorige tjjden, toen in al zulke nooden overvloediglijk werd voorzien! De vele manden, die zoo ruim door Gods voorzienigheid werden gevuld, waren het eigen deel, de eigen voorraad der discipelen, en daarom hadden zij die wondermaaltijden niet behooren te vergeten. Zelfs de ledige manden hadden de herinnering er aan levendig bij hen moeten houden, en hoe zij twee malen op wonderdadige wijze waren gevuld. Indien ons ellendig klein geloof en ons overleggen bij ons zeiven ons niet in den weg stonden, dan zou de herinnering aan vorige uitreddingen ons opheffen boven elke neiging om onzen God te wantrouwen.

(3 Heilige Geest, wil Gij ons onderwijzen, want anders zullen wij nooit loeren! Maak Gij ons verstandig, of wij zullen altijd in do dwaasheid der vleeschelijke redeneering blijven volharden !

11. Hoe! verstaat gij niet, dat ik a van geen brood gesproken heb, als ik zeide, dat gij u wachten zondt van den zuurdeesem der farizeën en saddueeën?

In den grond der zaak was het ongeloof, dat hun verstand benevelde. quot;Wel mag Jezus tot de twijfelaars zoggen: „Gij verstaat niet.quot; Gewis, er is niets dat hot geestelijk begripsvermogen meer afstompt, dan eene overstelpende bezorgdheid wegens de spijze die vergaat. Als eene leerstelling niet wordt begrepen, dan kan het wel niet altijd aan den leeraar liggen. Eene zeer duidelijke en verstaanbare taal wordt nog vorkoord begrepen, als de geest vervuld is mot onze dringende nooden en behoeften. Het was treurig om to zien, hoe de apostelen de woorden des Heeron letterlijk hebben opgevat, en de zoo duidelijke gelijkenis niet hebben begrepen. Hoe kon „dezuurdeesem der farizeënquot; een term wezen, waarmede brood bedoeld werd?

12. Toen verstonden zij, dat hij niet gezegd had, dal zij zich wachten zonden van den zuurdeesem des broods, maar ran de leer der farizeën en saddueeën.

Do leer van deze seetarissen had oen\' verborgen, zich indringenden en alios verzurenden invloed, en de discipelen moesten er zorgvuldig voor waken, dat ook niet hot geringste van hun\' geest of van hun onderwijs bij hen binnensloop, om zich dan van geheel hun wezen meester te maken. Do zuurdeesem van deze beide invloeden kan tegelijker tijd in dezelfde gemeente zijne werking uitoefenen; ja eigenlijk maken zij ook één en denzelfden zuurdeesem uit. De twee groepen van tegenstanders hebben den Heere Jezus tegelijk aangevallen, want de grond hunner oppositie tegen Hom was één. Tot op den huldigen dag zijn die twee vormen van kwaad nog altijd aan liet werk, hetzij in het verborgen, hetzij in het openbaar, en hot is ons noodig om ton allen tijdo op onze hoede er togen te zijn. Het is goed dit te verstaan, en boido den ouden zuurdeesem van hot farizeïsme uit te zuiveren en don nieuwen zuurdeesem van


-ocr page 205-

Hoofdst. XVI, I de koning alleen met zijne vrienden.

179

hot sadduceïsmo liet binnendringen besinot Evangelisch en tegelijk ook te beletten. Eigengereclitigheid en j bijgeloovig of rationalistisch te zijn, vleeschehjke redeneering moeten beiden : dat is onmogelijk. Sommigen van onze uit ons hart worden uitgeworpen. Aan tijdgcnooten trachten hun brood met liet geloof zijn zij beiden even vijandig. ; dezen zunrdeesem te bereiden, maar Er zijn velen, die zich met dien boozen ; hot zal zuur wezen. Ziet toe, en zunrdeesem vermaken, maar eer zij , wacht u!

het weten zullen zij er door worden !

HOOFDSTUK XVI. 13—28. [Ite Koning alleen met zijne vrienden.]

13. Ah nu Jezus gekomen teas in de deelen ran Cesaréa-FUippi, vraagde hij zijnen discipelen, zeggende: Wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, hen?

Onze Hoere wist volkomen goed, wat de menschen van Item dachten, maar Hij vroeg het zijnen discipelen, ten einde hen naar do Socratische methode te onderwijzen, door hen te laten uitspreken, wat zij dachten. Onze ITeere stond op het punt om hun medc-deelingen te doen betreffende zijn\' dood, en het was goed, dat zij heldere denkbeelden omtrent Hem haddon, en goed wisten, wie Hij was. Hij begint mot hun te vragen: „Wie zeggen dlt;; menschen, dat ik, de Zoon des menschen, hen? Menscheljjke meeningen omtrent hemolsche zaken zijn van weinig belang, toch is het goed er mede bekend te zijn, ten einde zo te kunnen weerstaan.

14. Kn zij zeiden: Sommigen: Johannes de Dooper; en anderen: Elias; en anderen-. Jeremia, of een ran de profeten.

Dit waren allen gissingen, maar allen waren zij even onjuist, toch was er in dio allen ook eenige schijn van waarheid. Het denkbeeld van Horódes, dat

Jezus Johannes do Dooper was, dio uit de dooden was opgestaan, scheen aan velen waarschijnlijk, daar onze lleere een\' zelfden moed en eene zelfde getrouwheid betoonde als Johannes. Ook Klia scheen in onzes Hoeren vurige woorden te herleven. In zijne voortdurende smart schenen zij Jeremia voor oogen te zien, en in zijn gedenkwaardig onderwijs en zijn wondervol leven scheen men eene herhaling te zien van het onderwijs cn het loven der profeten. Daar velen van dezen nu ook typen van Hem waren, is het niet te verwonderen, dat Hij vereenzelvigd met hen scheen. Ook thans nog kan de menscli uit zich zelvon niet begrijpen, wie de Hoere is; al leen zij, aan wie Hij zich openbaart zullen Hem ooit kennen.

Dwaling heeft vele stemmen, alleen de waarheid is één en blijvend. Do menschen zoggen verschillende dingen omtrent onzen Hoere, alleen zijn Geest geeft een krachtig getuigenis omtrent den éénen, waren Christus Gods.

15. Hij zeide tot hen: Maar gij, tvie zegt gij, dat ik hen?

Dit is eene veel hartontdekkender vraag. Onze persoonlijke denkbeelden


-ocr page 206-

180 DK KONING ALLEEN gt;1ET ZIJNE VRIENDEN. [Moofdst. XVI.

van Jezus raken oen levenspunt. Onze Heere stelt op den voorgrond, dat zijne discipelen niet dezelfde denkbeelden zouden hebben als nde menschenquot; hadden. Zij zullen den geest der eeuw niet volgen, en hunne inzichten vormen naar die der „beschaafde en ontwikkeldequot; lieden van het tijdperk. Zij zullen, ieder voor zich, een oordeel gevormd hebben naar hetgeen zij gehoord en gezien hadden, terwijl zij in zijn gezelschap waren. Daarom vroeg Hij: „Maar wie zegt (jij dat ik ben?quot; Laat ieder lezer, eer lnj verder gaat, die vraag voorzich zeiven beantwoorden.

10. Ka Simon Petras, antwoordende zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Als gewoonlijk was Petrus ook nn de woordvoerder van het gezelschap, en heel kostelijk heeft hij gesproken. Hij had hot Messiasschap en het goddelijk Zoonschap zijns Heeren bemerkt, en in rondborstige woorden sprak lijj zijn innerlijk geloof uit. Het was eene eenvoudige, maar voldoende geloofsbelijdenis. quot;Wij moeten altijd bereid zijn om te antwoordden aan lien, die omtrent zulk een centraal punt als den Persoon en hot karakter onzes Heeren, wensclien te weten, wat wij gelooven. Eene vergissing op dat punt zou al onzen godsdienst doen falen. Indien Hij voor ons de Christus, de Gezalfde des Heeren niet is, en „de Zoon des lerenden Godsquot;, dan hebben wij geone ware kennis aan Jezus.

17. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar .Jona! want vleesch en bloed heeft h dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.

Zijn oude naam wordt hier vermeld om hot onderscheid te doen uitkomen tusschen hetgeen Hij van nature was, en hetgeen de genade van hem heeft gemaakt. Simon, Bar-Jona, de verschrikte zoon eener duive, was nu geworden Petrus, eene rots. Hij was een gelukkig mensch, daar HÜ door God zeiven omtrent de centrale waarheid der openbaring was onderwezen. Hjj was niet door het bloote verstand tot dat geloof gekomen: vleesch, en bloed hadden dit probleem niet uitgewerkt, er was hem eene openbaring gedaan van den Vader, die in de hemelen is. Den Heer te kennen op bloot leerstellige wjjze, daar is zulk goddelijk onderwijs niet voor noodig; maar Petrus\' volle verzekerdheid van zijns Heeren natuur en zending was geeno theorie in hot hoofd; de waarheid was door den hotnelschen Geest in zijn hart geschreven. Do eonige kennis, die waard is om te bezitten, is de kennis van den Persoon onzes Heeren, want zij brengt een\' zogen met zich, — een\' zegen uit den mond des Heeren Jezus: „Zalig zijt gij.quot;

18, En ik zeg n ook, dat gij zijt Petrus en op deze petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der helle zullen dezelve niet overweldigen.

„Gij zijt Petrusquot;, oen stuk van eene rots, en op die rots, waarvan gij een deel zijt, „zal ik mijne gemeente houwen.quot; Hjj is door de openbaring des Vaders er toe gekomen om den Zoon te kennen, en met Hem vereenzelvigd te worden: aldus was hij een steen van de eóne Rots. Christus is de Rots, en Petrus is één met Hem geworden, en „op deze Potsquot; is de gemeente gofondeerd. Indien er geeno Roomschgezinden waren om die Schriftuurplaats te verwringen, dan zou zij nooit eene moeie-Ijjkheid hebben opgeleverd. Jezus is


-ocr page 207-

Ilüofdst. XVI.I DE KONING ALLEEN MIST ZIJNE VK1ENÜEN.

181

do IJouwmeestor, iljj on zijiio apostelen vormen de eerste lang steenen in den grooten tempel der gemeente, en deze eerste laag is één met do eeuwige Kots, waarop zij rust. In de eerste twaalf lagen, of\' fondamenten, zijn do namen der twaalf apostelen dos Lams (Openb. XXI : 14). quot;Wij zijn „gebouwd op liet fondament dor Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus do uiterste hoeksteen is.quot; De apostelen zijn geen fondament in verdienstelijken zin ; maar zij vormen de laag steenen, die onder ons ligt met betrekking tot den tijd; en betrotfende Jezus en zijne opstanding ruston wij op hun getuigenis.

De vergadering, die Christus bijeenbrengt, bouwt Hij op; want Hij zegt: „ Ih sal mijne gemeente houwen.quot; Hij bouwt op een vast fondament: „Ojt deze rots zal ik hou wen.quot; Wat Jezus bouwt is hot zijne; „mijne gonieente.quot; Hij maakt zijn op de rots gegrondvest gebouw tot ecne sterkte, dio door de machten des kwaads onophoudelijk, doch te vergeefs, belegerd wordt, want „de poorten der helle zullen dezelve niet overweldigen.quot;

19. En ik zal a geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen; en zoo irat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.

Het nieuwe koninkrijk zal niet, gelijk de arke Noachs, alomvattend zijn; hot zal zijne deuren hebben en zijne sleutelen. Voor practische doeleinden zal het volk Gods tucht behoeven, en ook de macht om leden te ontvangen, af te wjjzen, in do gemeente te houden of buiten te sluiten. Het is van deze sleutelen, dat onze Heere tot Petrus zegt: „ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen.quot; De eerste onder al de upostolen, heeft Petrus deze sleutelen gebruikt op het Pinksterfeest, toen hjj aan drie duizend personen toegang gaf tot de gemeente; in Jeruzalem, toen hij Ananias en Saffira buitensloot; en in het huis van Cornelius, toen hjj toegang gaf aan de Heidenen, Onze Heere heeft aan zjjne Kerk do macht gegeven, om voor Hom binnen in haar te heerschen; geone deuren to maken, maar ze te openen en te sluiten: geene wetten te maken, maar ze te gehoorzamen, en ze te doen gehoorzamen. Petrus, en zij, in wier naam hij sprak, werden des Ileoren Jezus rentmeesters in de kerk, en hunne daden werden door den Heere erkend en gewaarmerkt. Tot op den huldigen dag blijft de Heere het onderwijs en do daden zijner gezonden dienstknechten, de Petrussen, die stukken zijn van do ééne Kots, steunen met zijn gezag. De oordeelen zijner kerk, hebben, als zij rechtvaardig worden uitgesproken, zijne goedkeuring en zijne bekrachtiging, waardoor zij geldig worden. De woorden van zjjno gezonden dienstknechten, gesproken in zijn\' naam, zullen door den 1 leere worden bevestigd, en zullen, hetzij als belofte of als bedreiging, geene bloot redekundige wending blijven. Toon Hij op aarde was, heeft onze Heere zelf menscheu tot den uitgelezen kring zijner discipelen toegelaten; maar toen zijn vertrek aanstaande was, gaf Hij aan hun\'leider — en door dezen dus ook aan henzelven — do macht om anderen tot hun getal toe te voegen, of hen er van buiten te sluiten, indien zij onwaardig bleken te zijn. Aldus was de kerk, of de vergadering, geconstitueerd met een inwendig administratief gezag. De wetgeving komt ons niet toe, wij kunnen geene wetten maken; maar wij mogen en moeten do ordonnantiën en instellingen onzes Hoeren toedienen en beheeren, en wat wij roch tv aardigi ijk


-ocr page 208-

DE KONING ALLKEN MET ZIJNE VHIENDEN. [Hoofdst. XV [.

182

doen om do goddelijke wet in de kerk op aarde uit te voeren, zal door onzen Keere in den hemel bekrachtigd worden. Eene Kerk zou niets zijn dan eene kerk in schijn, en hare daden on handelingen eene bloote vertooning, indien hot groote Hoofd dor Kerk, niet alles wettigde, wat overeenkomstig zijn wetboek is geschied.

Wij behoeven ons niet lang op te houden orn do aanspraak van den Paus van Rome te bespreken. Zelfs al ware Petrus tot hoofd der kerk aangesteld, hoe zou dit den bisschop van Kome kunnen aangaan? Even goed zou men kunnen zeggen, dat de Khan van Tartar \\e Petrus\' opvolger is, als voor oen Italiaansch priester zulke aanspraken te laten gelden. Geen onbevooroordeeld lezer van zijn\' Bijbel ziet ook maar het minsto spoor van een pausdom in deze plaats. Uit dezen druiventros kan men geen wijn van Roomsch-gezindheid persen.

20. Toen rerhood hij zijnen discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat hij icas Jezua, de Christus.

Vooralsnog moesten zij omtrent dos Hoeren hoogste aanspraken liet stilzwijgen bewaren, uit vrees, dat het volk Hem door geweld van wapenen tot Koning zouden maken. Hot was gevaarlijk om aan zulk eone onontwikkelde, slecht onderwezene menigte iets mede te doelen, dat zij ongetwijfeld verkeerd zouden begrijpen, en verkeerd zouden toepassen. Het gebod om het aan niemand te zeggen moet den discipelen voorzeker vreemd in de ooren hebben geklonken. Hot was echter hunne zaak niet om de reden van des Ileeron orders te weten; voor hen was het genoog om te doen, wat Hij hun gebood. Op ons ligt niet zoodanig verbod, en daarom zullen wij aan allen zeggen, dat onze Heere do Zaligmaker is, de Gezalfde Gods, of, gelijk Hij zelf het heeft uitgedrukt:

„Jezus de Christus.quot;

21. Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest heengaan naar .Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en orerpriesteren en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgeweld worden.

De Kerk, of Vergadering, nu wer-keljjk geregeld zijnde en behandeld als een feit, begon onze Heere zijne discipelen voor te bereiden op den tijd, wanneer zij als vereenigd lichaam alleen zouden hebben te handeion, omdat Hij van hen weggenomen zou zijn. .Hunne eerste groote beproeving zou zijn dood wezen, waarvan Hij te voren, doch op duistere wijze, reeds had go-sproken. „ Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen\'\'\'\' op duidelijker wijze zijn\' dood te vertoonen. Er is een geschikte tijd voor smartelijke mededee-lingen, en onze Heere is wijs om dien geschikten tijd uit te kiezen. 11ij maakt melding van het bijeenvergaderen zijner vijanden: „ouderlingen en orerpriesieren en sehr\'tltgeleerdenquot; zullen zich gaarne te zamen vereenigen. Hunne woede zal zich openbaren in velerlei wreedheden: Hij zal veel lijden. Hij verklaart, dat zij hunne vijandschap zullen volhouden tot aan het bittere einde; Hij zal „gedood worden.quot; Hij voorzegt, dat Hij opgeweld zal wordenquot; er Hij duidt het tijdstip aan wanneer, namelijk „ten derde dagequot;. Dit alles moet smartelijk geweest zijn om te hooien voor menschen, die nog altijd gaarne dachten aan oen gansch ander koninkrijk.

De meesten hunner hebben in hunne droefheid wijselijk gezwegen, maar er was één in hun midden, wiens tong maar al te vrijmoedig was.


-ocr page 209-

Iloofdst. XVI.I DE KONING ALLEEN MET ZIJNE VRIENDEN.

183

22. En Petrus, hem tot zich genomen hebbende, heyon hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees n genadig! dit zal a geenszins geschieden.

Aan Petrus kon liet opzichterschap niet worden toevertrouwd. Hij matigt zich te vee! aan. Zie, iioe groot hij is! Hij beeldt zich half in, dat hij de Meester is. IFij had zijn\' Heere zoo lief, dat hij het niet kon aanhooren, dat Hij zou worden gedood, en luj zou Hem gaarne willen doen ophouden met over zoo treurig een onderwerp te spreken. Hij denkt, dat de Heere ziekelijk neerslachtig is, en meer gewicht hecht aan den tegenstand der farizeën dan wel noodig was. 1 \'aarom neemt hjj don Heere tot zich en bestraft Hem. De woorden zijn zeer krachtig: „Petrus, hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen.quot; Hij bedoelde des Heeren openhartige vriend te zijn, en te gelijkertijd die eerbiedige houding tegenover Hem te bewaren, die zijnen jongeren betaamt. Blijkbaar heeft hij zich echter te veel aangematigd, toen hij het waagde zijn\' Heere te bestraffen. Hij kon in onzes Heeren dood niets anders dan den ondergang zien der goede zaak, en daarom gevoelde hij, dat dit niet moest geschieden. Hjj smeekte do barmhartigheid des homels af om zoo schrikkelijk eene ramp af te weren. Heere trees u genadig.quot; Het moet niet, het kan niet uitkomen, zooals Jezus het had voorspeld. „Dit zal n geenszins geschieden.\'\' Hij wilde tot zelfs de gedachte hier aan uit des Heeren geest wegdrijven. Zouden wij, indien wij daar waren geweest, en de eer onzes Heeren ons evenzeer als aan Petrus ter harte ware gegaan, niet het zelfde gedaan hebben? Zou ons geene huivering door de leden zijn gevaren bij de gedachte, dat iemand als Hij zulk een\' wreeden dood zou

moeten sterven ? Zouden ook wij niet met ontzaglijken ernst do gelofte hebben gedaan: „Dit zal u geenszins geschiedenquot; ?

23. Maar hij zich omkeerende, zeidc tot Petras: Ga neg achter mij, Satanas! gij zijt mij een aanstoot: want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der menschen zijn.

Onze Heere was verheven boven de verzoeking, die uit de liefdezijns vriends zelve voortvloeide. Hij wilde niet langer met Petrus alleen zijn, Hij keerde zich om, dat is: Hjj keerde zich van hem af. Bemerkende hoe de duivel Petrus als zijn instrument gebruikt, richt hij het woord tot Satan zolven, en ook tot Petrus, in zoo ver deze zich met die booze ingeving had vereenzelvigd. „Ga weg achter mij, Satanas.quot; Er was beproefd om een struikelblok neder te : leggen op den weg der zelfverloochening, dien onze Heere tot aan het einde wilde loepen. Hij bemerkte de hindernis, en zeide: „Gij zijt mij eoi aanstoot.quot; Zijn dierbaarste vriend was zijn ergste vijand, toon hij Hem van zijn levenswerk wilde afhouden. De duivel dacht door des Heeren pas aan-gestolden leider der broederen te zullen slagen; maar Jezus maakte korte metten met die verzoeking; Hij verwijderde den steen uit zijn pad, en wierp hem achter zich, zoodat hij er niet over kon struikelen. Het hart van do dwaling was, dat Petrus dedingen bezag uit het oogpunt der menschelijke eer en voorspoed, en niet van het hooge standpunt, waar alles als verzwolgen wordt in de heerlijkheid Gods, uitblinkende in de zaligheid der menschen.

Hier is iels wonderlijks. Een menseh, die weet, wat alleen de Vader kan I geopenbaard hebben, en toch de dingen


-ocr page 210-

J)E KONING AIJ.IiliN MKT ZIJNE VKIENDEN. [Hüofdst. XVI.

1S4

niet versint, die Gods zijn. Tenzij hjj liet otter aauneenit van den Ileero Jezus, kan lijj de dingen Gods niet begrijpen. Iljj, die zich niet van harte verblijdt in de genoegdoening vanOhrstus, bespeurt het liefoljjko niet der ruste, welke God in het grooto zoenoffer gewaar wordt, en daarom heeft hjj dan ook geono gemeenschap met de dingen, die Gods zijn. Hij kont don smaak, don geur, het wezen niet der geestelijke dingen\'; en hoe zeer hij Jezus ook mogoeoren in woorden, hjj is oen vijand, ja een satan voor don waren Christus, wiens wezen als ons zoenott\'er in zijn werk is. Zij, die heden ton dage het plaatsbekloedend offer onzes Heeren smaden, hebben meer liefde voor do dingen, die der menschen zijn, dan voor die Gods zijn. Zij maken er op luidruchtige wijze aanspraak op grooto phil an tropen te zijn; maar gezonde godgeleerden zijn zij niet. Menschen-vrienden kunnen zij wellicht wezen, dienstknechten Gods zjjn zij niet. O, hoe smartelijk valt het ons om deze woorden te schrijven, als wij denken aan do vele predikers, op wie zjj van toepassing zijn!

24. Toen zeide Jems lot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis ojt, en volge mij.

Evenals onze Hcore zichzelven moet opofferen, ten einde zijne bestemming te kunnen volbrengen, zoo moet dit ook een iegelijk doen, die zijn volgeling wil wezen. Om den IFeere dicht achter aan te wandelen (hetgeen lljj bedoelt met do woorden: „achter mij Icomen\'quot;) moeten wij afgedaan hebben met het eigen-ik, want hij heeft zichzelven verloochend om zijn volk te verlossen. Wij moeten hot eigen-ik niet kennen, er niet mede instemmen; wij moeten „ons zeiven verloochenen.quot; Dit doende moot iedereen zijn\' eigen last van smart en van arbeid voor den Ileero goedsmoeds op zich nemen, en hem met zelfverloochening dragen, zooals Jezus zijn kruis gedragen heeft.

Hij h ad hun gesproken van zijn kruis, en nu gewaagt H\'J van hunne eigene kruisen. Zij zouden thans opnieuw voor de keus staan of zjj Hem wildon volgen. Met hunne vermeerderde kennis van zijne bestemming was hun nogmaals do vraag voorgesteld, of zij bij Hem wilden blijven, of Hem wilden verlaten. Indien zij Hem bleven volgen, dan moesten zjj hot .doen als kruisdragers, als menschen, die zich zelven verloochenen. En de voorwaarden zijn in onze dagen volstrekt niet veranderd. Nemen wij ze aan? Kunnen wij gelijken tred houden met hen, die den langen optocht vormen der kruisdragers, of zullen wij ons voegen naar den geest der eeuw, en zeer fraaie dingen zeggen van Jezus, terwijl wij zijne plaatsbokleedende offerande loochenen, en voor de persoonlijke zelfverloochening terugdeinzen, die Hij van ons eischt? Onze eigene wijsheid moet, indien zij ons er toe brengt om .„het dierbaar bloed\'\' gering te achten, volstrekt verloochend, ja verafschuwd worden.

25. Want zoo trie zijn leven zal willen hehouden, die zal het verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwille, die zal het vinden.

Thans hadden zij do leer, die lljj hun te voren verkondigd had, in praktijk te brengen. Hun echt, hun wezenlijk leven konden zij slechts hehouden, door hun tegenwoordig leven te verliezen; maar indien zjj hot bij zich zelven vaststelden, dat zjj vóór alles en boven alles hun uitwendig leven moesten


-ocr page 211-

Hoofdst. XVI.I DJü KONING ALLEEN MET ZIJNE VKIENUEN.

behouden, dan kon dit niet anders ge-achicden dan ten koste van hun waar en innerlijk bestaan, liet was eerlijk en openhartig; van den llcere, datlljj hun dit duideljjk en klaar hoeft gezegd, en het was een gunstig toeken in do disoipelon, dat zij Hom daarna nog getrouw zijn gebleven. Helaas! Er was een van deze verkoren twaalven, die wellicht op dit eigen oogenblik bjj zich zeiven overlegde, hoe hij de beurs kon blijven houden, en toch ten laatste aan de gevolgen van zijns Meesters oisch kon ontkomen.

2G. Want wat baat het een\' mensch, zoo ti ij de (jcheele wereld yewlnt, en lijdt schade zijner ziele? Of wat zal een mensch geven tot lossing zijner ziele?

Indien hij zijn wezenlijk leven verliest, hoe zou hij er dan nut uit kunnen trekken, al zou hij ook de gansche wereld bezitten? Het wezenlijke gewin of verlies is een gewin of verlies van het leven. Vergeleken bij dat leven, zjjn alle uitwendige dingen beuzelachtig. En zelfs thans: „Wat haat het een\' mensch}quot; Hij hoeft geen wezenlijk leven in Christus, en wat is al het overige, dat hij bezit? Wat anders dan eene praalvertooning, waarmede hij zijne ziel op den rand der hel vermaakt? En wat de toekomende wereld betreft, hieromtrent bestaat geen twijfel, want, hot eeuwige leven te verliezen, dat, voorwaar! is een overstelpend verlies!

Niets kan bij hot eeuwige leven worden vergeleken. Do waardij eener ziel kan door geeno gewone berekening worden bepaald. Werelden van werelden zouden er nog slechts oen erbarmelijk nietige prijs voor zijn. „Wat zal een mensch geven lot lossing zijner ziel?quot; Er kan van koop noch ruil sprake zijn. De ziel is zóó zeer des menschen erfdeel, dat hij, haar verloren hebbende, alles heeft verloren.

27. Want de Zoon des menschen zul komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne engelen, en alsdan zal hij een\'1 iegelijk vergelden naar zijn doen.

Er zal een dag komen, wanneer Christus het van zijn\' rechterstoel zal doen blijken, wie in zijn loven wijs en verstandig is geweest, want dan za\'. of do belooning of do straf haar licht werpen op dos menschen gedrag en handelingen in het verleden. Hij, die zelf gesmaad was, zal de Belooner wezen van hen, die hun leven voor zijne zaak hebben veil gehad. Te dien dage zal de gekruisigde „Zoon des menschen komen in heerlijkheid\'\'\'\'-, en die heerlijkheid zal dan blijken nde heerlijkheidquot; te zijn „zijns Vadersquot;-, die goddelijke heerlijkheid zal opgeluisterd worden door scharen van Ilom vergezellende engelen. Met al den luister des hemels zal Hij bij deze laatste rechtszitting aan een iegelijk zijn loon toebcdeclen. De rechtvaardigen zullen door de goddelijke genade hunne werken als blijk zien aannemen van hunne liefde tot God; en de goddeloozen zullen reclitvaardigljjk geoordeeld worden naar hun doen, hunne werken, omdat uit die werken duidelijk zal blijken, dat zij hot geloof niet hadden, hetwelk goede werken voortbrengt.

Heere! laat nuj door uwen goeden Geest dien groeten dag der dagen altijd in herinnering houden, die de eeuwigheid helder en schitterend zal maken met onuitsprekelijke gelukzaligheid, of somber en duister door onpeilbare ellende. Mocht ik alle dingen beschouwen in het licht, dat uwen rechterstoel omringt!

28. ]\'oor waar zeg ik n: er zijn


-ocr page 212-

186 ONZE KONING VAN GEDAANTE VUUANÜEUD. | Hoofdst. XV11.

sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zaan des menschen zullen hebben zien komen in zijn koninkrijk.

Zóó nabij was de rogccring, die hetgeen de heiligen om Christus hebben verloren, zou vergoeden, dat sommigen van hen, eer zij stierven, haar reeds bjj aanvang zouden aanschouwen in hot oordeel over Israël bij de belegering en do verwoesting van Jeruzalem, wanneer de lleere zijn koninkrijk zou hebben opgericht, waarvan de rechterstoel eene aanduiding en een instrument is.

Wij hebben hier te doen met eene moeielijke schriftuurplaats, en dit schijnt do eenvoudigste wijze te zjjn van haar in derzelver verband te lezen. Onze

Heere schijnt te zeggen: „Door lijden en dood ga Ik henen tot een\' troon, en door dit feit zal het gezien worden, dat verlies en dood zeer dikwijls do weg zijn naar wezenljjk gewin en waar leven. Dit mijn koninkrijk is niet verre en niet onwezenlijk ; sommigen van u zullen, vóór dat gij sterft. Mij aanschouwen in de uitoefening mijnor koninklijke macht.quot;

Men heeft hier echter ook do be-teekenis in meenen te zien, dat sommigen in werkelijkheid den dood niet smaken zullen, of zijne schrikkeljjke beteekenis niet ten volle zullen kennen, vóórdat de oordeelsdag is aangebroken. Dit is op zich zeiven waar, maar hot kan niet of nauwelijks de leering wezen, die hier bedoeld is.


HOOFDSTUK XVII. 1—13. |Onxe Koning van gedaante veranderd.]

1,2. En na zes dagen nam .Jezus met zich Petrus,en Jakobus,en Johannes, zijn\'\' broeder, en bracht hen op een\'\' hoogen berg alleen; en hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit, gelijk het licht.

Waren deze „zes dagenquot; eene week van kalme rust, waarin onze lleore zich bereidde voor de merkwaardige handeling op „den berg alleenquot; ? Heeft hot kleine gezelschap van drieën van don conen sabbat tot den anderen geweten, dat hun zulk eene onuitsprekelijke vreugde bereid was? Deze drie waren de uitgelezenen uit de verkorenen, en waren bevoorrecht om te zien, wat niemand anders in de gansche wereld zien mocht. Ongetwijfeld had de lleere voor deze, evenals voor elke keuze, die Hij doet, zijne redenen, maar die redenen ontvouwt Hij ons niet. Dezelfde drie hebben ook de doodsbenauwdheid in den hof aanschouwd; wellicht is dat eerste gezicht noodig geweest, om hun geloof onder het tweede gezicht staande te houden.

De naam van dien „hoogen bergquot; kan nooit geweten worden; want zij, die met de localiteit bekend waren, hebben ons hieromtrent geene inlichting achtergelaten. Tabor zoo het u lust; Hermon, indien gij dit liever wilt. Niemand kan het beslissen. Het was een eenzame en hooge berg.

Terwijl Hij in liet gebed was, straalde de glans des Heercn van Hem uit. Zijn gelaat, verhelderd door zijne innerlijke heerlijkheid, werd eene zon, en


-ocr page 213-

IToofclst. XVI f.I ONZE KONING VAN GEDAANTE VEUANDKRD.

1S7

gelijk wolken door die zon bestraald, werd zijn gansche gewaad zoo wit als het licht. „ Hij werd voor hen veranderd van gedaantequot;, Hij alleen was het middenpunt van alles wat zij zagen. Het was eene wondervolle ontsluiering van de verborgene natuur van Jezus. Toen was op éóne wijze het woord van Johannes in vervulling gebracht; „Het Woord is vieesch geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd.quot;

Do gedaanteverandering heeft slechts éénmaal plaats gehad: bijzondere visioenen van Christus\'heerlijkheid kunnen niet eiken dag worden genoten. Onze hoogste blijdschap op aarde is Jezus te zien, en grooter blijdschap kan er ook in den hemel niet wezen; maar wel zullen wij beter in staat zijn om die allesovertreffende zaligheid te dragen, als wij den last van ons lichaam zullen hebben afgelegd.

3. En ziet, ran hen iverden gezien Mazes en Elias, niet hem te zanten sprekende.

De Wet dus en de Profeten, ,, Muses en Eliasquot; oefenden gemeenschap met Jezus, „met hem te zammtsprc-kendequot;, in gemeenzaam gesprek tredende met hun\' Ileere. Heiligen, die reeds voor lang van de aarde zijn weggegaan, leven nog, leven in hunne persoonlijkheid, zijn bekend bij hunne namen; en hebben toegang tot Christus. Het is voor de heiligen eene groote vreugde om met Jezus te zijn : het is de hemel voor hen om te zijn waar zij met Hem kunnen spreken. De hoofden der vorige bodeeling hielden eene sa-menspreking met don Heere omtrent zijn\' dood, waardoor eene nieuwe bodeeling zal worden aangevangen. Na zoo lang in nedorbuigondo goedheid met zijne onwetende volgelingen te hebben gesproken, moet het voor de inenschelijke ziel van Jezus eene verademing zijn geweest om mot twee mannen van een zoo groot geestelijk verstand en bevatting gelijk Mozes en Elias te sproken. Wat moet het voor de apostelen geweest zijn om dit glorierijk drietal gade te slaan! zij werden „van hen gezienquot;; maar zij „spraken met Hem.quot; Het doel dezer twee heiligen was niet om met de apostelen te spreken, maar met hun\' Meester. Ofschoon heiligen van do mensehen worden gezien, is toch hunne gemeenschap met Jezus.

4. En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken: voor u een\', en voor Mozes een\\ en een\'\' voor Elias.

Dit gezicht sprak tot de drie toeschouwers, en zij gevoelden zich gedrongen om te antwoorden. Petrus moet do woordvoerder zijn : „En Petrus antwoordende: „Heere het is ons goed hier te zijnquot; 1). Iedereen was van zijne meening. Wie zou dit niet geweest zijn ? Omdat het hem zoo goed was, zou hij gaarne in dien zaligen toestand hebben willen blijven, en er nog meer, nog langer van willen genieten. Maar do eerbied is niet bij hem teloorgegaan, en daarom zou hij die groote, verhevene personen op gepaste wijze willen beschut zien. Hij onderwerpt zijn voorstel aan Jezus: „zoo gij ici W\\ Hij biedt aan om met behulp zijner broederen tabernakelen te bouwen voor do drie heiligen: „Laat ons hier drie tabernakelen maken.\'\' Hij stelt niet voor om die tabernakelen voor zich zeiven, en Jakobus en Johannes te bouwen, maar hij zegt: „Voor u een\' en voor Mozes

1) Naar do Engelscho overzetting.


-ocr page 214-

DAANTK VUKANimU). [Hoofdst. XVII.

188 ONZK KONING VAN (ill

een\'\' en een\'\' voor Elias.quot; Zijne taal klinkt als die van een verbijsterd kind. Hij is eenigszins ijlende, maar toch is hetgeen h\'j zegt zeer natuurlijk. Wie zou in zulk een gezelschap niet wen-schen te blijven? Mozes, en Elias, en Jezus: welk een gezelschap! Maar hoe onpractisch is Petrus! Hoe zelfzuchtig die éénegedachte ; „Het is ons (joed\'\' I)! Wat moest er geschieden met de ove- | rigen der twaalven, en met de andere discipelen, en met do wijde, wijde ; wereld ? Eene teuge van zoodanige i zaligheid kan goed wezen voor deze drie, maar er van te bljjven drinken, zou zelfs voor hen wellicht niet goed geweest zijn. Petrus wist niet wat hij zeide. Hetzelfde zou van menige op-gewondene uiting van geestdriftige heiligen gezegd kunnen worden.

5. Terwijl hij noy sprak, ziet, eene Inchtuie wolk heefl hen overschaduwd •, en ziet, eene stem uit de wolk. Zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in den welken Ik mijn welbehagen heb; hoort hem!

„Terwijl hij nog sprakquot;. Zulk buitensporig sproken mocht wel afgebroken worden. Wolk eene zalige stoornis! Zeer dikwijls kunnen wij den Heere dankbaar zijn, dat Hij ons dwaas, kinderachtig gepraat doet ophouden. „Eene schitterende wolk heeft hen overschaduwdquot; 1). Zij was helder en wierp tocli eene schaduw. Zij gevoelden, dat zij in die wolk kwamen, en vreesden, liet was eene wonderlijke gewaarwording; maar eene gewaarwording die ook wij kennen. Weten wij niet wat het is, om uit licht en schittering eene schaduw te zien voortkomen, en „eene stem uit de wolk\'\'\' te hooron? Aldus handelt de Heere zeer dikwijls met zijne gunstgenooten.

)) Nanr dc Engolscliii oveizetting.

De stom was helder en duidelijk. Eerst kwam het goddelijk getuigenis van het Zoonschap onzes Ileeren: „Deze is mijn geliefde Zoonquot;, en des Vaders verklaring van welbehagen in Hem, — „in denwelken Ik mijn welbehagen hebquot;. Hoe gelukkig is het voor ons, dat Jehova een welbehagen heeft in Christus, en in allen die in Christus zijn Toen volgde de eisch, die hieruit voortvloeit: „Hoort hem!quot; Het is beter den Zone Gods te hooren, dan heiligen te zien, of tabernakelen te bouwen. Dat zal den Vader meer welbehagelijk zijn dan alles wat de liefde anders zou kunnen bedenken.

Het welbehagen des Vaders in den Heere Jezus is een voornaam, een boven alles uitblinkend deel van zijne heerlijkheid. De stem heeft grooter heerlijkheid geopenbaard voor het oor, dan dc glans en de schittering des lichts konden mededeelen door het oog. Het hoorbaar deel der verheerlijking op den berg was even wondervol als hot zichtbare, ja zelfs bljjkt uit hot volgende vers, dat het in nog hooger mate verbazingwekkend was.

6. Fm de discipelen, dit hoorende vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.

Ja, de stem overweldigde hen. Dooide woorden des Hoeren werd een dieper indruk teweeggebracht dan door het verblindend licht. „De discipelen dit hoorende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.quot; Zij bevonden zich in de omniddolijke tegenwoordigheid Gods, en luisterden naar destein des Vaders: wèl mochten zij dus met het aangezicht ter aarde liggen cn sidderen. Eene al te duidelijke openbaring Gods, al is het ook, dat zij betrekking heeft op Jezus, zou ons eerder overstelpen dan versterken. De drie


-ocr page 215-

Iloofdst. XVIT.) ONZE KONING VAN G

KI\'VA NTK VIORANDKrU).

discipolon spraken niet meer van tabernakelen te bouwen, maar als één man. allen tegelijk „vielen zij op hun aangezichtquot; Eerbied en ontzag maken een einde aan gepraat, en hier in dit geval selieen er ook een einde dooi\' gemaakt te worden aan hunne bewustheid; doch het was slechts eene voorbijgaande onmacht, waaruit zij spoedig opgewekt zullen worden tot innige, zieldoordringende blijdschap.

7. Kn Jezus hij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet.

Jezus scheen van hen weggegaan te zjjn, als verdwenen in eene wolk van helderheid en glans, maar thans, „kwam Hij hij hen en raakte hen aan.^ Zijne samenspreking mot reine geesten heeft Hein de aanraking van broos vleesch niet doen versmaden. O welk eene liefelijke vertroosting was er in die zachte aanraking! De verbaasde, sidderende discipelen werden er door opgewekt, vertroost en versterkt. De aanraking der menschheid is voor zwak vleesch en bloed meer geruststellend, dan de schittering der Godheid. Do stem van den hemel werpt neder; maar het woord van Jezus luidt: „Staat op.quot; Door de stom des Vaders waren zij zeer bevreesd geworden; maar Jezus zegt: „ Vreest niet.quot; Hoogheerlijke God, hoe loven en danken wij U voor den Middelaar!

8. Kn hunne oncjen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

„Vanwege de heerlijkheid deszelven lichtsquot;, waren hunne oogen gesloten en zij durfden ze niet te openen vóór zij de aanraking van Jezus gevoelden. Toon hieven zij hunne oo/jen op. En wat zagen zij ? Mozes en Elias benevens het schitterende, glanzende licht waren verdwenen, en zij waren teruggebracht tot hun gewoon dageljjksch leven met Jezus. „Zij zayen tiiemandquot;, maar daar Jezus was gebleven, hadden zij niets verloren. Dat verdwijnen dor blinkenden was hun, integendeel, eene winste, daar zij Jezus nu des te beter konden zien, en hunne aandacht niet was verdeeld. ITet visioen van zijne gedaanteverandering had hen verblind en bedwelmd; maar „Jezus alleenquot; te zien, dat was terug te komen tot het practische leven en te bevinden, dat hot kostelijkste wat gezien kon worden, hun was overgebleven. O dat ook ons geestesoog zoo gevestigd mocht zijn op onzen Heere als op ons eenigdoelwit, dat HIJ onzen ganschen gezichtskring mocht vervullen, zoodat wij niets en niemand zien dan Jezus alleen!

9. Kn als zij ran. den hern afkwamen, yehood hun Jezus zeggende-. Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden.

Wat zij gezien hadden, zou hun eigen vertrouwen bevestigen en eene verborgen bron van blijdschap voor hou blijven; maar daar hot in anderen een zeer groot geloof vereischte om het als waar aan te nemen, moesten zij „)iie-mand dit gezicht zeggenquot;. De gedaanteverandering zou even moeiehjk zijn om te gelooven als do menschwording zelve, en er kon geen practisch nut uit voortvloeien, om aan een geloof, dat nauwelijks bestond, zulke eischon te stellen. Vóórdat in onzes Hoeren opstanding de grootste bevestiging van alles was gegeven, zou het visioen op don Heiligen Berg eerder oen bezwaar dan een steun zijn voor het geloof van hen, die het niet porsoonljjk hadden gezien, maar slechts het bericht er van door de apostelen vernamen. Het is verstandig om ons getuigenis


-ocr page 216-

ONZE KONING VAN GEDAANTE VEHANDEllI). [Hoofclst. XVI f.

100

niot to overladen, als het ware. Er ia een tijd wanneer de hoogoro waarheden bekend gemaakt moeten worden; want ontijdig zouden zij eerder een last clan eone hnlpe zijn voor zoekende zielen. Welk een geheim hadden deze mannen te bewaren! Zij hebben het bewaard; maar zij hebben het nooit vergoten noch opgehouden er den invloed van te gevoelen.

Thans, nu „de Zoon des menschenquot; is „opgestaan uit de doodenquot;, is er geeno leerstelling, die teruggehouden behoeft te worden. Door het leven en de onsterfelijkheid aan hot licht te brongen, hooft onze Hcero de voorhang gescheurd, die gedurende langen tijd de hoogere verborgenheden des evangelies bedekt had gehouden. Zijne verrijzenis uit het graf heeft allo begraven waarheid vrij uit doen gaan. Nu „de Heero waarlijk is opgestaanquot; is het nutteloos, zoo niet zondig, om over de diepe dingen Gods het stilzwijgen te bewaren. Toch zouden wij predikers kunnen noemen, die nooit gewag maken van de uitverkiezing, en jaren lang over het verbond en de volharding dor heiligen kunnen zwijgen.

10. Kn zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat FA!as eerst moet kamen?

De discipelen leggen den lloere hunne moeiehjkheden en bezwaren oón voor één bloot, en de oplossing wordt spoedig gegeven. Een dezer moeiolijk heden betrof Elia; en daar zij hem zoo even voor zich hadden gezien, bracht dit hen op het denkbeeld om er met den Heore over te spreken. „ Wat zeggen d(i)i de schriftgeleerden, dat Elias eerst moet komen? Dit is do uitspraak van mannen, die de Schrift hadden bestudeerd, dat voor de verschijning onzes lleeron Eh\'as eerst moet komen. Ongetwijfeld moet het hen ontsteld hebben, als zij die stelling op logische wijze hoorden voordragen, bjjvoorboeld:

De Messias kan niet komen, voordat Eh\'as verschenen is.

Eh\'as is nog niet verschenen;

Dus is Jezus de Messias niet.

11, 12, Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; maar ik zeg ii, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al, wat zij hebben gewild; alzoo zal nok de Zoon des men-schen van hen lijden.

„Jezus antwoorddequot;: op allo vragen heeft Hij een antwoord, on wij zullen wol doen als wij met onze moeielijkhe-den tot Hem gaan en zijne antwoorden iiooren. Onze Heere stemt toe, dat Elias vóór den Messias moet komen: „Elias sa! wel eerst komenquot;; maar Hij verklaart, dat de persoon, door de profetie bedoeld, reeds „gekomen isquot;, en dat do boozen „aan hem gedaan hebóen al, wat zij hebben gewildquot;. Hierdoor werd terstond alle twijfel opgeheven. Toen ging Jezus voort met te zeggen, dat al wat aan den waren Elias gedaan werd, ook aan Hom, den Messias, gedaan zou worden. Jezus zelf moot eenquot; wreeden dood sterven: „Alzoo zal ooi-de Zoon des menschen van hen lijdenquot; Hoe eenvoudig is do moeieljjkheid opgehelderd! Hoe dikwijls is het niet gebeurd, dat wij uitzagen naar hetgeen reeds gekomen was, of verbijsterd waren door eeno leerstelling, die, als de Heilige Gloest er zijn licht opheeft doen vallen, vol van leering on vertroosting voor ons is geweest. Zonder goddelijk onderwijs zullen wij in ondiepten al verzinken, maar mot dit onderwijs kunnen wij over onpeilbare diepten veilig heenzwemmen.


-ocr page 217-

lloüfclst. X VI I.| DE KONING It EERT TERUG TOT HUT STRIJDPERK.

191

13. Toen verstonden de discipelen, dat hij hun van .Johannes den Uooper ge-sproken had.

„ Toen verstonden de disci pelenquot;. Het leerrijk woord onzes neoreti opende liun verstand. Als Hij onderwijst zullen de onbevattelijkste scholieren nog loeren. Nu zien zij, dat Johannes de Dooper was Ellas redivivus. Hij was een streng bestraffer en vermaner van

koningen, en predikte aan Israël be-keering. Hij was gekomen om alles weder op te richten: en zoo is de Messias dus niet verschenen zonder door den waren Eli\'as voorafgegaan te zijn. Dit was hun duidelijk genoeg, zoodra do Heere hot hen had doen verstaan. Heere, wil niet slechts immer | tot ons spreken, maar wil ons ook uw : woord doen verstaan.


HOOFDSTUK XV11. 14-21. [üe Koninn\' keert terug tot het strijdperk.]

14—16. En als zij bij de scharen gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende-. Heere! ontferm a over mijn\'\' zoon, want hij iu maanziek, en is in zwaar lijden: want menigmaal valt hij in V vuur, en menigmaal in \'/ water; en ik heb hem tot uwe discipelen ge-hracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.

Van de gemeenschap en de samen-spreking met de heiligen en de bevestiging zijner aanspraken door de stem des Vaders komt onze Heere neder om slag te leveren aan den duivel. Onze Mozes daalt af van den berg, en vindt het booze juichend en overwinnend onder de schare beneden. Gedurende zijne afwezigheid had de vijand over zijne zwakke volgelingen getriomfeerd. Omringd van smalende tegenstanders, hadden de discipelen te vergeefs beproefd een\' boezen geest uit te werpen van een\' jongeling, die door deze afschuwelijke bezetenheid maanziek, krankzinnig, was geworden. De arme teleurgestelde vader wendt zich terstond ootmoedig tot den Heere, legt den toestand duidelijk bloot en pleit op zeer gepaste wijze. Zijn zoon leed aan vallende ziekte, maanziek eu in zwaar lijden door pijn en daarbij in groot gevaar door plotseling vallen. De toestand was hartbrekend om aan te zien: het schreeuwen en de lichaamsverwringing, waarmede vallende ziekte gewoonlijk gepaard gaat, zjjn dikwijls schrikkelijk om to zien en aan te hoeren. De discipelen hadden blijkbaar alles gedaan wat zjj konden; en daar zjj bij andere gelegenheden duivelen hadden uitgeworpen, waren zij verwonderd zich nu machteloos te zien, maar zoo was het, want de wanhopende vader riep in waarheid: „ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.\'\'\'\' Helaas, arme man, gij zeidot slechts wat allen daarna hebben gezegd, als zjj op discipelen, en niet alleen en uitsluitend op hun\' Meester hebben vertrouwd! Zeer verstandig was het van u, dat gij u hebt hoen-gespoed naar Jezus „vallende voor hem


-ocr page 218-

de koning Kuurt thrug tot fikt strijdi-euic. Iltoofdsfc. XVII.

102

op de knieen, en zeggende: Heere ontferm 11 over mijn\' zoon.quot;

lloo dikwijls zal do zonde den menscii tot hot eene of andere uiterste brongen! Menigmaal valt It ij in het vuur en menigmaal in het water.quot; Sommige menschen zijn nu eens maanziek en in pijn, en dan weer hard en onverschillig; voor eene wijle uitzinnig door opgewondenheid, een weinig later dof en dood als een steen. Als de zonde zich openbaart in verband mot woestheid van geest, dan is dit een toestand, waarin zij weinig kunnen uitrichten. Hoe dikwijls hebben zij, die vuriglijk wonschen te arbeiden aan het behoud van zielen, ten opzichte van dezen of genen moeten zeggen, dat zij „hem niet konden genezen.\'\'\'\' Er was iemand van een heel bijzonder temperament, met wien wij niets konden uitrichten, en de hartstochten, die hem gekluisterd hielden, waren onbedwingbaar. Wellicht was er geen andere schakel, dio hem aan betere dingen verbond dan een bejaarde vader of moeder, wier bidden en pleiten ons diepe, hartelijke belangstelling m, en bezorgdheid inboezemden voor, den half waanzinnigen en geheel verdorven jongeling. Bereid, als wij waren, om don ongelukkige weerspannige te redden en terecht te brengen, waren wij toch volkomen machteloos, en tot geenerlei hulp in staat.

Ook voor ons was hot, evenals voor do discipelen in dit verhaal, noodig dat Jezus zelf kwam. llcere, verlaat ons toch niet, want, indien zelfs apostelen zonder U niets konden doen, hoe zwak en machteloos moeten wij dan niet zijn!

17. En Jezus, antwoordende, zeide: O ongeloovig en verkeerd geslachte! hoe lang zal ik nog met ulieden zijn? hoe lang zal ik n nog verdragen\' brengt hem mij hier.

Het gansche (/eslacht, waaronder IIjj leefde, veroorzaakte den Heiland smart door hun gebrek aan geloof en dooide afwezigheid van dat eenvoudig en eerlijk vertrouwen op God, dat hun de grootste zegeningen zou verzekerd hebben. Zjjne eigene discipelen—-Ilij was met hen geweest, en toch hadden zij niet geleerd geloof in Hem te hebben. De schriftgeleerden en farizeën —Hij had reeds meermalen van hen geleden, en nu moeten zij een\' armen waanzinnige tot middenpunt maken van strijd tegen H om. Hij is in gemeenschap geweest met den hemel, en nu moet het hem uiterst weerzinwekkend geweest zijn, om weder onder zulk een weerspannig en ongeloovig gezelschap te komen. Zij waren beide „ongeloovig en verkeerdquot;, deze twee hoedanigheden gaan gewoonlijk samen; wie niet wil geloo-ven, wil ook niet gehoorzamen.

Welk eene beproeving was dit alles voor het heilig en godvruchtig gemoed onzes Heeren! „Hoe lang zal ik nog met nlieden zijn?quot; Moet Ik in zulk onwaardig gezelschap blijven verwijlen? „Hoe lang zal ik u nog verdragen?quot; Moet Ik immer door uwe slechte manieren worden beproefd? Het was een oogenblik, toon zijne triomfeerende vijanden en zjjne ongeloovige vrienden gelijkelijk verdienden te worden bestraft. Maar het woord eens gesproken zijnde, zal Jezus den armen lijder niet langer aan de boosaardige aanvallen van den boozen vijand ten prooi laten.

Zie, hoe onze koninklijke Veldoverste met een enkel woord de krijgskans doet koeren! Hij nam den strijd der discipelen zelf over: „Brengt hem mij hier.quot; Eenmaal binnen den omtrek van des Heeren eigene macht, is alles geschied. „Brengt hem mij hier.quot; Laat ons dit bevel nooit vergeten. Als wij het meest wanhopen aan ons zeiven, moeten wij het meest op Christus vertrouwen.


-ocr page 219-

103

18, llt;hi Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.

„Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem mlt;quot;. Eón woord van Christus, en Satan gaat op de vlucht. Marlcus noemt dezen boozen geest „stom en doofquot;, maar lijj hoorde Jezus, en op zijne stem antwoordde hjj meteen\' kreet; en het kind schrikkeljjk scheurende, ging hij van hem uit om nooit meer terug te keeren. „Het kind werd genezen van die ure afquot;-, dat is: terstond en voor altjjd. Geve Ood ons geloof om onze zonen en dochteren tot den Heere Jezus te brengen met vol vertrouwen in zijne macht om hen te genezen, hen voor geheel hun toekomstig leven te genezen. Al zouden de.jonge lieden dan ook heftig van temperament zijn, en vroeg rijp in ondeugd, dolleere kan de booze macht terstond ten onder brengen. Deze knaap behoefde niet te wachten totdat hij was opgegroeid. Hij was als kind onder de macht van den duivel, en als kind werd hij genezen. Laat ons de zaligheid onzer kinderen begeeren als zij nog kinderen zijn.

19. Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ?

Dit was eene zeer gepaste vraag. Als wjj niet slagen in onze pogingen, laat ons dan erkennen dat wjj niet geslaagd zijn, erkennen, dat dit niet slagen aan ons zeiven ligt, en tot onzen Heere gaan om zijne genadige tusschen-komst af te smeeken. Als wjj verslagen worden, laat er dan van ons gezegd worden: „ Toen kwamen de discipelen tot Jezus.quot; Laat ons er eene persoonlijke quaestie van maken: „Zij kwamen tot Jezus alleenquot;. Laat ons

met ootmoed aan des Heeren voeten zitten om, al naar Hjj het noodig oordeelt, bestraffing of onderwijs van Hem te ontvangen.

20. En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wille; want voorwaar zeg ik u: zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts! en hij zal heengaan, en niets zal n onmogelijk zijn.

Gebrek aan geloof is degroote oorzaak van falen bij de discipelen, beide met betrekking tot hen zeiven en in hun werk voor anderen. Er kunnen soms bijzondere ziektegevallen voorkomen, maar dit is de groote en voorname | oorzaak van elk falen: „Om uws ongeloofs wille.quot; Indien er waar geloof ware geweest, geloof van liet echte, levende soort, dan zouden de discipelen alle wonderen hebben kunnen verrichten, tot zelfs het verplaatsen van bergen toe. Maar welk geloof wij nu ook mogen hebben, een wonder zullen wjj niet doen, want wij leven niet in de eeuw der wonderen. Is ons geloof daarom beperkt? Geenszins. Wij kunnen door het geloof wat recht en goed is volbrengen zonder wonderen. Ons geloof moge klein zijn, „een mostaardzaad,quot; maar indien het levend en oprecht is, dan verbindt het ons aan den Almachtige. Toch blijft het waar „Gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga heuen van hier derwaarts! en hij zal heengaan.quot; Door ons geloof zullen bergen verzet worden oven zeker en gewis, alsof het door een wonder ware geschied, ja en het zal nog meer verwonderlijk zijn, dan wanneer de loop der natuur ware veranderd. Do opschorting van de wetten der natuur is, vergelijkenderwijs gesproken, niets dan een ruw hulpmiddel; maar als de Heere hetzelfde resultaat


13

-ocr page 220-

ONZU lvü.\\IN(i VAN QKDAANTt! VKRANDKUD |lloof\'dst. XVJT.

11)4

teweegbrengt zonder zijne wetten buiten werking te stellen, dan is dit eene daad, die niet minder goddelijk is dan een wonder. Dat is het wat het geloof te dezer ure van den Ileere verkrijgt. Het gebed is verhoord, en de dingen, die ons onmogelijk zijn, worden dooide kracht Gods tot stand gebracht. In geestelijken en syinbolisehen zin is de berg verzet. In letterlijken zin staat thans do berg, maar het geloof weet een\' weg te vinden, die er om heen, er over heen, of er door heen gaat; en aldus wordt de berg dan in werkelijkheid verzet.

Op het zendingsveld zijn bergen van uitsluiting, die de zendelingen verre hielden, verzet geworden. Inhetgewone leven zjjn onoverkomelijke moeielijk-heden genadiglijk uit den weg geruimd. Op allerlei wijze zullen voor het aangezicht des oprechten geloofs hindernissen verdwijnen, overeenkomstig het woord van den Ileere Jezus — „Niets zal u onmogelijk zijn.quot;

21. Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.

Ofschoon gebrek aan geloof de voornaamste hinderpaal was voor degene-zing van het arme, maanzieke kind, washettoch een geval, waarin bijzondere hulp noodig was. Het geloof zou deze middelen bedachten bijgebracht hebben. Daar deze middelen — zouden de discipelen slagen — volstrekt noodzakelijk waren, zou het geloof er zich in geoefend hebben. Bij God zijn alle dingen even mogelijk; maar voor ons is de eene duivel wol eens moeieljjker uit te werpen dan de andere. De eene soort zal op één enkel woord uitgaan, maar van anderen kan gezegd worden: deze soort, of „dit geslacht vaart niet uit dan door hidden en vastenquot; Hij, die in sommige gevallen den duivel wil overwinnen, moet eerst den hemel overwinnen door gebed, en zich zeiven overwinnen door zelfverloochening. De drankduivel is een van de soort, of geslacht, die gewisselijk door het geloof overwonnen kan worden, en toch moeten wij gewoonlijk ook veel voorbede doen bij God en liet middel der geheel-onthouding gebruiken als een voorbeeld tegenover den mensch, eer wij dezen duivel kunnen verjagen. Ons werk, onze levenstaak, hierbeneden is om de menschen te verlossen uit de macht des duivels, en wij moeten tot Jezus gaan om van Hem te loeren, hoe wij dit moeten doen. Geen gebed, geene zelfverloochening moet ons te veel zijn, indien wij daardoor céne ziel uit de macht des kwaads kunnen verlossen, en het ware geloof in God zal ons in staat stellen om het gebed te bidden en de zelfverloochening te beoefenen. Het kan wezen, dat sommigen van ons gefaald hebben, omdat wij niet behoorlijk onderwezen waren in de rechte manier van hierbjj te werk te gaan. Wij trachten of geloof te oefenen zonder daarbij van de aangewezen middelen gebruik te maken, of wij gebruiken do middelen, maar oefenen geen eenvoudig geloof in God. In beide gevallen zullen wij falen. Maar indien wij te werk gaan door geloof in God, en op de wijze, die Christus zelf ons heeft voorgeschreven, dan zullen wij den boozen geest uitdrijven.


-ocr page 221-

llüofdst. XVII.] DE KONING SPREEKT OPNIEUW VAN ZIJN* DOOD.

195

HOOFDSTUK [üe Kouiiiji; spreekt o

22, 23. En als zij in Galiféa verkeerden, zeide Jezus tot hen : De Zoon des menschen zal overgeleverd, worden in de handen der menschen; en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt tvorden. Kn zij werden zeer bedroefd.

Onze Heere is dikwijls teruggekomen op hot plechtig onderwerp van zijn\' dood door de handen der menschen. Zijn eigen geest was er mode bezig; en daarom sprak Hij er van tot zijne discipelen. Hun gemoed was voel te ontvankelijk voor andere denkbeelden met betrekking tot zijn koninkrijk, en daarom heeft Hij hun telkens opnieuw deze waarheid voor oogen gehouden, en schier altijd in dezelfde woorden. Hij wilde allo droombeelden omtrent een wereldsch koninkrijk uit hun hart verbannen. Zjjn dood zou eene zware beproeving voor hen zjjn, en Hij wilde hen er op voorbereiden. Thans spreekt Hij er van, dat Hij zal worden verraden, overgeleverd: dit was altijd een bittere droppel in zijn\' beker van alsem. De Zoon des menschen komt om de menschen te behouden, en door een\' monsc\'i wordt Hij „overgeleverd in de handen der menschen.quot; Voorden mensch heeft Hij geleefd, door den mensch wordt Hij verraden, en door den mensch sterft Hij. Hij hoeft het ten volle voorzien, dat „zij hem zullen dooden.quot; O zelfraoordende wereld! Kan niets dan het bloed van Gods eigen Zoon u tevreden stollen ?

Onze Heere wil, dat wij, nu zijn

XVII. 22—23.

nieuw van /iju\' dood.]

dood hooft plaats gehad, er dikwijls over zullen prediken, want Hij zelf spreekt er gedurig over, schoon hij nu nog slechts in liet verschiet is. Geen onderwerp is van zoo alles bo-heerschend belang, zoo practisch, zoo volstrekt noodzakelijk.

Zijn doordringende geest realiseerde den dood, en smaakte roods vooraf dien derden daj, wanneer het woord vervuld zou worden: — ,,//ij zal opgewekt wordenquot; Dat was hot morgenlicht, dat do duisternis der wanhoop uit hot hart der discipelen zou verbannen hebben, indien zij het slechts haddon begrepen en geloofd. Een oude schrijver zegt: JIÜ heeft de bittere pil zijns doods door do zoetheid zij nor gewisse opstanding verzoet.quot;

Onzo Heere was zich volkomen bewust van hetgeen 11 jj zeide, en lijj drukte zich uit in eenvoudige, duidelijke bewoordingen. Maar, hoe duidelijk zijne taal ook was, zijne volgelingen konden slechts ton dooie zijne bedoeling verstaan, on ivat zij verstonden maakte hen „zeer bedroefd.quot; Christus\' woorden kunnen, als zij slechts half begrepen worden, het hart zeer groote droefheid veroorzaken. Toch kan het wezen, dat deze verkoelende wolk dor vreeze kalmte bracht in hun gemoed en hen bewaarde voor die dweepzucht, waarvan do lucht rondom hen vervuld was. Hij wist het bost, welke ge-moedstoestand op dien tijd voor hen het veiligst was, en Hij weet dit ook te dezer ure voor ons.


-ocr page 222-

DE KONING KN UE SCHATTING.

[Hoofdst. XVH

196

HOOFDSTUK XVII. 24—27. [De Koning en de schattinfi;.]

24. En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeulen: Uw meester, betaalt hij de didrachmen niet?

De halve-sikkel schatting was eene godsdienstige betaling, die oorspronkelijk op eene wettelijke verordening berustte, maar allengs was uitgebreid door een gebruik, dat niet door de Schrift was gewettigd. De wet Gods verordineerde, dat iedereen dit geld den Heere moest offeren, als het volk geteld werd. Van dit losgeld was niemand vrijgesteld; maar het was geene belasting, die elk jaar geheven kon worden. Langzamerhand was het onder godsdienstige lieden gewoonte geworden, om ieder jaar deze schatting te betalen, ofschoon die betaling dan toch altijd aan ieders goedvinden bleet overgelaten. Aldus was dit door het gebruik ingesteld, maar het was niet voorgeschreven door do wet, en men kon er dus ook niet door de wet toe worden verplicht. Het was eene vrijwillige jaarlijksche gift, en alleen zulke personen, die den Joodschen godsdienst dweepzuchtig aanhingen, wilden haar betalen. Dwepers als dezen waren er bijzonder op gesteld, niet slechts om jaarlijks deze schatting op te brengen, maar ook om het bekend te maken, dat zij dit deden. De ontvangers van deze halve sikkels of didrachmen, hebben Jezus zeiven hierover niet aangesproken, daar zij wellicht eene heilzame vreeze voor Hem koesterden; maarzij wendden zich tot Petrus met de vraag, die wel eenigszins eene strikvraag was: „ Uw meester, betaalt hij de didrachmen niet?\'quot; Hetgeen zoo veel beteekende als: „Hij zal dit natuurlijk wel doen, wij zouden hem niet willen verdenken van dit te verzuimen. Iemand van zoo hooge voortreffelijkheid, een zoo vroom man, kan niet anders dan heel nauwgezet zjjn in het betalen van deze gebruikelijke schatting.quot;

25, 26. Hij zeide: Ja. Eu toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende-. Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting? van hunne zonen, of van den vreemde? Petrus zeide tot hem; van den vreemde. Jezus zeide tot hem: zoo zijn dan de zonen vrij..

Petrus was zoo ijverig om zjju\' Heere te rechtvaardigen, dat hij Hem compromitteerde. „Hij zeide Jaquot; Hij zou den Heere naar zijn goeddunken hebben kunnen vragen, of hij zou de ontvangers naar Jezus zeiven hebben kunnen verwijzen ; maar hij was haastig en dacht zich veilig te zijn, als hij zijns Meesters goeden naam maar hoog hield. Hij was er volkomen zeker van, dat zijn Meester alles doen zou, wat vrome menschen deden. Onze Heiland en zijne zaak hebben dikwijls door den ijver van vrienden geleden. Christus wordt beter gekend door hetgeen Hij zelf zegt, dan door hetgeen zijne vrienden voor Hem zeggen.

Petrus was buiten toen hij dit haastig antwoord gaf, en weinig vermoedde hij, dat de Heere Jezus zou hebben opgemerkt wat hij zeide, en hem er over zou spreken, zoodra hij „in huis tvas gekomen;quot; maar zoo geschiedde het.

Onze Heere sprak met Petrus over dit onderwerp, eer hij nog tijd had om te


-ocr page 223-

DE KONING KN DE HCHATTINO.

Iloofdst. XVII.1

197

zeggen, wat hij had gedaau,ofom zijne handelwijze te rechtvaardigen. „Jezus voorkwam hem.quot; Hij wist, wat zjjn dienstknecht gedaan had, en Hij haastte zich om hem terecht te wijzen. Daar hij zich in deze zaak al heel weinig een\' Petrus had betoond, noemt onze Heere hem rSimon.quot; Hij ondervraagt hem: „Wal dunkt u, „Simon?quot; Hij wil hem tot rechter aanstellen in de zaak. Laten de koningen hoofdelijken omslag heffen van hunne zonen, of van den vreemde? Het gezin van den vorst was natuurlijk altijd vrij van deze heffing. Des konings onderdanen, en inzonderheid de vreemdelingen, die onder zijne heerschappij stonden, moeten het hoofdgeld betalen; maar de prinsen van den bloede waren vrij. Behoort Jezus voor zich zeiven losgeld te betalen aan God? Moet Hij, die zelf dos Konings Zoon is, onder den hoofdelijken omslag komen van zijn\' Vader? Indien de schatting eene belasting is geworden, die in het koninkrijk Gods geheven wordt, „dan zijn de zonen vrij.quot; Noch Jezus, noch Petrus waren verplicht te betalen. Petrus had de zaak niet in dit licht gezien.

27. Maar opdat wij hnn geen aanstoot geven, ga henen naar de zee, iverp den angel uit, en den eersten visch, die opkomt, neem, en zijn1 mond geopend hebbende, zult gij een\'\' stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor mij en u.

Onze Heiland wilde niet gaarne aanleiding geven tot ergernis. Hij was niet verplicht te betalen; maar veel liever dan aanstoot te geven, wilde Hij beide voor zich en voor Petrus betalen. Hoe vriendelijk waren zijne woorden: „Maar opdat wij hun geen aanstoot gevenquot;! Indien de zaak zuiver op zich zelve ware gebleven, zonder met andere omstandigheden in verband te staan, dan zou onze Heere uit beginsel wellicht geweigerd hebben de schatting te betalen, maar Petrus\' ondoordacht antwoord had zijn\' Heere gecompromitteerd, en Hij wildeniet ontrouw schijnen aan de belofte, die zijn volgeling gedaan had. Daarenboven zou Petrus dan in een twistgeding zijn geraakt, en Jezus wil veel liever betalen, dan zijn\'dienstknecht in eene moeieljjkheid te laten. Als de beurs betrokken is bij een beginsel, dan moeten wij zeer zorgvuldig ook zelfs den schijn vermijden, dat wij een gewetensbezwaar aanvoeren om geld te kunnen sparen. Gewoonlijk zal het het verstandigst zijn om te betalen onder protest, opdat het den schijn niet hebbe, dat wij zeer zorgvuldig het geweten ontzien, als wij hiermede ook de beurs kunnen ontzien.

De wijze van betaling voorkwam, dat door de daad onze Heere gecompromitteerd werd. Zeer opmerkelijk was het vangen van den visch, die het zilver in den mond had. „Den eersten visch, die opkomt, neem, en zijnen mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden.quot; Zeer merkwaardig was de leiding der voorzienigheid, waardoor de stater in de zee viel, de visch hem verzwolg, en dat die visch terstond opkwam zoodra Petrus den angel had uitgeworpen. Aldus betaalt de groote Zoon de schatting, die voor zijns Vaders huis wordt geheven, maar in die daad maakt Hij tevens gebruik van zijn koninklijk prerogatief, en neemt den stater uit de koninklijke schatkist. Als mensch betaalt Hij, maar als God heeft Hij zich den stater door den visch doen brengen.

Dit geldstuk was voldoende om voor Petrus te betalen zoowel als voor zijn\' Heere. Aldus heeft Christus er zich aan onderworpen om behandeld te worden als een\', wiens leven verbeurd was, en voor wien de helft eens sikkels als losgeld betaald moest worden. Dit


-ocr page 224-

lOS 1)10 KONING HISOKIjT DION KANO IN ZIJN KONINKRIJK. [IlooWst. XVJ1T

liceft Hij gedaan om onzontwil on in vereeniging met ons; en door zijn\' dood zijn wij gelost, cn zijn wij met Hem vereenigd, want van dat geldstuk zeide liij : „Neem die», en geef hem aan hen voor mij en u.quot; Er werden geeno twee halve sikkels, maar één enkel geldstuk betaald voor Jezus en Petrus, en aldus zien wij, dat zijn volk in do ééno verlossing met llem is vereenigd.

„Aan het kruis onderging Hij liet vonnis

voor mij

Zoo zijn do I3org cn do zondaar nu beiden

ook vrij.quot;

Do zedelijke los, die hier voor de hand ligt, is: — Betaal liever dan aanstoot te geven.

Maar veel grooter en dieper waarheden zijn hier nog onder de oppervlakte verborgen. Waarheden als deze: de heerlijke vrijheid van den Zcon, zijn onderworpen zijn aan schatting om onzentvvil, en de bevrijding van schuld van zicli zeiven en van ons, door do ééno betaling, waarin Hijzelf voorzien hoeft.


H O O F D S ï UK XVIII. 1—5. [Dc Koning regelt den rang in zijn koninkrijk.]

1. Te dierzelfder ure huamen de discipelen tot Jezus zeggende: Wie is de meeste in het koninkrijk der hemelen ?

Hij sprak van zijne vernedering, zij dachten aan hunne eigene bevordering, en dat wel „te dierzelfder ure.quot; Welk een verschil heerscht er op hetzelfde oogenblik tusschen den Leeraar en de discipelen! Het denkbeeld van grootheid, en van meer of minder grootheid voor ieder afzonderlijk, was ingeweven met hun denkbeeld van een koninkrijk, ook al was dit het „konink) ijk der hemelend Zij kiranten tot Jezus; maar hoe konden zij dc vermetelheid hebben om hun\' ootmoedigen Hecro eene vraag te doen, die zoo vreemd was aan zijne gedachten en gezindheid P Het toonde hun vertrouwen, maar ook evenzeer hunne dwaasheid.

2. En Jezus, een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden ran hen.

lljj heeft hun niet slechts met woorden geantwoord, maar zijn onderwijs indrukwekkender gemaakt door eene handeling. „Ken kindeke tot zich qe-roepen hebbende.\'\'\' Het kind kwam terstond, en Jezus „stelde dat in het midden tan hen.quot; Dat het kind kwam, toen Hij het riep, en dat het zich gewillig liet plaatsen waar Jezus wilde, is een bewijs van het liefeljjke in de manieren van Jezus. Er moet voorzeker een glimlach hebben geblonken opzijn gelaat, toen Hij het kind tot zich riep, en er moet eene bekoorlijke zachtheid en teedei heid geweest zijn in de manier, waarop Hij het kind als zjjn klein model in het midden der twaalven stelde. Beschouwen wij Jezus en hot kindeke en de twaalf apostelen rondom deze twee gegroepeerd. Aldus kan de gehcele kerk bijeenvergaderen om Jezus en het kindcrljjk karakter te bestudeeren.

3. En zeide: Voorwaar zeg ik u: Indien gij u niet rerandoi, en wordt gelijk de kinderkins, zoo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.


-ocr page 225-

DM KONINO UN IJK KLEINEN.

Hoofdst. XVI11.1

199

Ia cén opzicht waren de apostelen bekeerd, maar zij hadden ook nog verdere bekeering van noode. Zij moesten van het zoeken van zichzelven bekeerd worden tot ootmoed en vergenoegdheid. Een kindeke hoeft geene eerzuchtige droomen ; het is tevreden met kleine dingen; het is vertrouwend, het jaagt niet naar grootheid, het gehoorzaamt. Er is geen ander ingaan in het koninkrijk der hemelen dan door neder te komen van ingebeelde grootheid tot waren ootmoed des harten, en „te worden als de kinderkens.quot; Om ons te verheffen tot do grootheid der genade, moeten wij afdalen tot de kleinheid, de eenvoudigheid en het betrouwen der kindsheid. Daar dit de regel was voor do apostelen, kunnen wij het er vast voor houden, dat wij niet op minder verootmoedigende wijze in het koninkrijk kunnen ingaan. Deze waarheid wordt bevestigd dooronzes Heeren plechtig woord van verzekering: „ Voor-tcaar zeg ik n.quot;

4. Zoo wie dan zich zei ren zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het koninkrijk der hemelen.

In het koninkrijk der hemelen is de minste de meeste. Die het ootmoedigst is, het verhevenst. Hij, die de laagste ambten wil waarnemen voor de broederen, zal in hunne schatting het hoogst staan aangeschreven. Wij moeten er naar streven om wezenlijk nederig van hart te worden, en indien wij door de almachtige genade Gods hierin slagen, dan zullen wij hooge graden verwerven in de school der liefde. Welk een koninkrijk is dit, waarin ieder opklimt, die gewillig is af te dalen!

liet is voor den mensch goed en verstandig, om zichzelven te vernederen, want aldus ontkomt hij aan de noodzakelijkheid om vernederd te worden. Kinderen trachten niet ootmoedig te zijn, zij zijn dit, en dit is ook het geval met wezenlijk godvruchtige menschen, Nederigheid na te bootsen is weerzinwekkend, maar ware nederigheid is uiterst aantrekkelijk. Moge Gods genade haar in ons werken!

5. En ie ie zoodanig een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij.

Het is geene geringe zaak om een nederig, ootmoedig karakter te kunnen waardeeren. Een kinderlijk geloovige te ontvangen in den naam van Christus, dat is Christus te ontvangen. Zich te verlustigen in een ootmoedig, vertrouwend karakter, dat is zich te verlustigen in Christus. Indien wij het eene vreugde achten om zulke menschen diensten tc bewijzen, dan kunnen wij er ons van verzekerd houden, dat wij daarin onzen lleere dienen, /ij, die in den naam van Christus de kleinen ontvangen, zullen hun gelijk worden, en zoo zullen zij op eene andere wijze Christus ontvangen in hunne eigene zielen.


HOOFDSTUK XVIII. G—14.

[Onzes Konings waarscbiiwin»\' togen crgernisseii.]

0. Maarzoo ivie een van dese kleinen. Een kleine te zegenen, dat is den

die in mij gelooven, ergert, het ware Zaligmaker zeiven tc ontvangen. Zich

hem nulter, dat een molensteen aan zijn\'1 er toe te zotten om de eenvoudigen

hals gehangen, en dat hij verzonken te verderven en te verleiden, of de

ware in de dieptquot;, der zee.quot; nederigen en geringen overlast aan te

-ocr page 226-

DK KONING UN DE KLEINEN.

[Hoofdst. XVITI.

200

doen, dat is de zekere weg naar een schrikkeljjk oordeel.

Kleinen, die in Jezus gelooven, zijn zeer bijzonder onder zjjnc wakende, boscliermende hoede; en alleen zjj, die dóór en dóór slecht zjjn en verhard in het kwaad, zullen hen aanranden en hen trachten te doen struikelen. Zulk een slecht mensch zal daar niets bij winnen, al zou hij ook de gemakkelijke overwinning wegdragen, waarnaar hij zoo zeer verlangt; integendeel, hij zal zich een schrikkelijk oordeel bereiden. „Het ware hem heter (Jat (Je grootste molensteen, zooals in molens gebruikt worden, die door een\' ezel in beweging worden gebracht, aan zijn1 hals gehangen, en dat hij zelf over boord geworpen, en in de diepte der zee ware verzonken. Verzinken zal hij, eerloos verzinken, om nooit weer naar boven te komen. De haters van den nederige behooren tot de slechtsten der mensehen, want hunne vijandschap is door niets uitgelokt of opgewekt. Zij kunnen wel hopen zich te verheffen door de eenvoudigen van hart te verdrukken of te misleiden, maar die handelwijze zal vroeg of laat hun wis verderf ten gevolge hebben. ITet is de nederige Heere der nederigen, die deze veroordeeling uitspreekt; en weldra zal de Hij de Jiechter wezen van de levenden en de dooden.

7. Wee der wereld van de ergernissen! want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mensch, door weJJcen de ergernis komt.

Het is van wege de steenen des aanstoots eene droevige wereld. Dit is de groote ellende der eeuw. De gelegenheden om in zonde te vallen zijn ontzettend talrjjk ; en naar do formatie der maatschappij te oordeelen, schijnt dit zoo te moeten wezen. „Het is noodzakelijk dat de ergernissen komenquot; Zoolang de mensch mensch is, zal zijne omgeving eeno beproeving voor hem zjjn, en zullen zijne medemenschen hem maar al te dikwijls aanleiding geven om kwaad te doen. Dat brengt wee over de wereld. Maar het middenpunt van dat wee zal in de schuldige oorzaak van het struikelen zijn, ivaarin dat struikelen dan ook moge bestaan. Zij, die de grootsten trachten te zijn, zjjn groote oorzaken van ergernissen: de nederigen zullen het minst aanleiding geven, dat anderen struikelen. Wee is dus het gewisse erfdeel van den hoovaardige; want hij is die mensch, door welken de ergernis komt.

8, 9. Indien dan moe hand of uw roet u ergert, houwt ze af en werpt ze ran u. Het is u heter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. En indien uw oog u ergert, trekt het uit en werpt het van u. Het is u beter maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee oogen hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden.

Onze Heere herhaalt hier eene plaats uit de Bergrede (Hoofdst. V: 29, 30.) Waarom zou Hij dit ook niet doen? Groote lessen moeten herhaaldelijk worden ingeprent, inzonderheid die lessen, welke eene pijnlijke zelfverloochening opleggen. Het is kostelijk als een leeraar bij het einde van zijne bediening des evangelies hetzelfde kan prediken als bij het begin. Jn onze dagen zjjn er sommigen, die voortdurend veranderen; Jezus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.

Verzoekingen en verleiding tot zonde zijn zóó gevaarlijk, dat wij, zo in ons zei ven vindende, ons tot eiken prijs van de oorzaak er van behooren te ontdoen.


-ocr page 227-

DE KONING EN DE KLEINEN.

Hoofdst. XVITl.I

201

Indien wjj, om aan deze verzoekingen te ontkomen, als kreupelen of verminkten moeten worden, of als eenooyigen, dan zal dit verlies van weinig beteekenis zijn, zoo wij tot het leren ingaan, liet is beter om van wege een stijf Puritanisme de fijne losheid van wercldselie manieren te moeten missen dan ten koste van onze geestelijke gezondheid alle beschaving en alle talenten der eeuw te bezitten. Ofschoon wjj bij onze intrede in het goddelijk leven zeer veel verloren schenen te hebben, doordat wjj afstand hebben gedaan van gewoonten, of van bezittingen, die wij ons verplicht gevoelden op te geven, zullen wij in werkelijkheid niets verloren, maar veel gewonnen hebben. Onze grootste zorge moet wezen in te gaan tot het leven, en zoo dit ons de bekwaamheid van hand moet kosten, of de vlugheid van voet, of do fijnheid van gezichtsvermogen, dan moeten wij ons zeiven blijmoedig verloochenen, ten einde het eeuwige leven te kunnen bezitten. Al onze werelsche voorrechten en gaven te behouden, maar in do zonde te blijven, dat zal een schrikkelijk verlies blijken te zijn, als wij geworpen worden in het helsche vuur, dat het gewisse deel is van allen, die in de zonde blijven leven. Een kreupele, verminkte, half blinde heilige is, zelfs op aarde, beter dan een zondaar wiens vermogens allen ten volle ontwikkeld zijn. Het is niet noodzakelijk, dat hand, of voet, of oog ons doen struikelen; maar .eoo zij het doen, dan is het chirurgische proces kort, scherp, beslissend; — Houwt ie af en irerpt ze van u, of: Rukt het uit en werpt het van n. De half ontwikkelde, bedeesde, eenvoudige geloovige, die, om aan do strikken der valsche wetenschap, wereldsche listen en lagen en hoofsche trotschheid te ontkomen, voor zich afgesneden heeft wat men „voorrechten en bevorderingquot; noemt, zal in het einde oneindig wijzer blijken te zijn dan zij, die hunne ziel in de waagschaal stellen om den wille van hetgeen de wereldlingen wanen noodig te zjjn om den mensch te volmaken. J)c mensch, die in God gelooft, en dien tengevolge geacht wordt zijn critisch oog te hebben verloren, is verstandiger dan hij, die zich door zjjne dubbele scherpzinnigheid naar de hel twijfelt. Twee handen, twee voeten, en twee oogen zullen van weinig nut zijn, als men in de hel wordt geworpen. De lezer merke op, dat do ontzaglijke termen, hier gebruikt, geene schepping zijn van de sombere droomerijen der middeneeuwen, maar dat zij woorden zijn van den liefdevollen Jezus.

10, 11. Ziet toe, dat gij niet één ran deze kleinen veracht: want ik zeg ulie-den, deit hunne engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht mijns Vaders, die in de hemelen is; want de Zoon des menscheli is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.

De goddeloozcn oordeelen, dat de nederigen van hart dwazen zijn, maar wij moeten met dit oordeel niet instemmen. „Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht.quot; quot;Wij moeten niet op hen neerzien met een medelijden, dat na verwant is aan minachting. Zij zjjn aan God zeer dierbaar; er wordt zorg voor hen gedragen door engelen, ja door die engelen, die bij den eeuwigen troon wonen. Hunne engelen zijn niet in het achterste gelid, neen, in de hemelen zien zij altijd het aangezicht des Vaders. De aanzienlijkste, voornaamste hovelingen in de heerlijkheid achten het eeno eere om over hen te waken, die nederig van harte zijn. Zij, die arme heiligen en kleine kinderen dienen, hebben vrijen


-ocr page 228-

N UK KLEINEN. [Hoofdst. XVIII.

1)10 KONING K

toegang tot don Koning: hoe hoog moeten de kleinen zeiven dan niet bij Hem aangoschroven staan?

En dit is niet alles. Jezus zelf\' trokt zich het lot aan van de arnisten en nooddruftigsten. Ja, Iljj is gekomen om, zaliy te maken dat verloren was. Hoe durven wij dan hoogmoedig zjjn en een kind minachten van wege des-zelfs jeugd, of oen\' mensch van wege zijne armoede of zijn gebrek aan verstand? Dc engelen en de Ileore der engelen zorgen voor do meest verachten van ons geslacht; zullen wij dit dan niet ook doen?

12. Wat dunkt u? Indien eenig mensch honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentüj laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?

quot;Wij mogen zelfs van de afgedwaal-den geene harde gedachten koesteren. Hij, die niet wil, dat wij do kleinen verachten, wil ook niet, dat wij do verlorenen veronachtzamen. Integendeel, aan dezen moet dubbele aandacht gewijd worden. Zal de eigenaar eener kudde schapen zich voor het oogenblik niet meer bekommeren om het eene dat afgedwaald is, dan over de negen en negentig dio veilig zijn? Het verlorene is niet beter dan de anderen, maar het komt meer in aanmerking van wege den toestand, waarin het zich bevindt. Het is voor don herder geen voorwerp van welverdiende berisping, en nog veel minder van verachting; waar zijn hart voornamelijk van vervuld is, is mede-doogen wegens het gevaar, waardoor het wordt bedreigd, en vrees dat hot wellicht zal omkomen, eer hij het hoeft gevonden. Om hot te redden, gaat hij persoonlijk hot gebergte in, en, vorge-lekon bjj zijne zorg voor dat eéne schaap, veronachtzaamt hij degansche kudde. Dit is een goed argument om niet slechts do kleinen, maar ook do meest afgedwaalden niet te verachten. ]]rut dunkt n? Gij, die eenmaal zeiven afgedwaald waart en door don Herder en Opziener uwer zielen terechtgebracht wordt, wed dunkt u?

13. Kn indien het geschiedt, dat hij het vindt, voorwaar ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.

Ten opzichte van dien herder lezen wij : „Indien het geschiedt, dat hij het vindt quot; maar onze Grooto Herder faalt niet en wordt niet ontmoedigd. Allo do schapen, die zijn Vader Hem gegeven heeft, zal Hij wederbrengen.

Het schaap, dat, na afgedwaald te zjjn, gevonden is, geeft den herder meer onmiddellijke blijdschap dan alle overigen, juist omdat het Hem meer dadelijke bezorgdheid inboezemde. Dos-zelfs redding stolde het in zijne gedachten op den voorgrond; Hij was genoodzaakt om er meer voor te doen dan voor de nogen on negentig; doszelfs waarde dus schattende naar hetgeen het Hem gekost heeft, „verblijdt Hij zich meer over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Het tijdverlies verdriet hem niet; het meerdere werk, de vermoeienis, vertoornen Hom niet; zijne blijdschap is onvermengd en overvloeiende. Wegens zijn afdwalen wordt de kleine dus blijkbaar door den Goeden Herder niet veracht, want, nadat Hij hem wedergebracht heeft, geeft Hij hem de voornaamste plaats in zijne gedachten der blijdschap, ja Hij ontvangt moor van dien éóno dan van nogen en negentig anderen, die tot de besten zijnor kudde behooren.


-ocr page 229-

Iloüfdst. X V111.1 DUS KONINGS WET liKTKUmONDK HELUEDIOINOEN.

203

14. Alzoo is de wil niet uws Vaders, die in de hemelen is, dal één van deze kleinen verloren (ja.

Wij kunnen zeiven de parallel doortrekken met betrekking tot den Herder onzer zielen; zij is teduideljjk om nog door den Zaligmaker nader te worden uitgewerkt.

In deze woorden verklaart de Heere verder, dat onze Vader, die in de hemelen is, niet wil, dat één van deze kleinen verloren ga. Vandaar, dat wij ook geen hunner mogen verachten, ja dat wij niemand van wege zijn\' ne-derigen staat mogen geringschatten. Klein en gering als zij zijn in hunne eigene schatting, licht geacht onder de menschen, als liet volk Gods dikwijls is, en omringd door wreede vijanden, gelijk dit maar al te dikwijls het geval is, wil do hemolsche Vader toch hun verderf niet, cn daarom kunnen zij ook niet verloren gaan. Wij moeten de armen, de onaanzienlijken, de weinig begaafden niet behandelen, alsof het maar beter ware, dat wij hen niet op onzen weg vonden, alsof er aan hen hoegenaamd niets gelegen is, zoodat men hen volkomen goed kan ignoreeron. Dat is, in zekeren zin, hen te doen omkomen, verloren te laten gaan, want zij, die wjj als niets achten, worden ook als niets voor ons. Hij, die gezeten is in de hoogste hemelen, zoekt hen, die nederig van harte en verslagen van geest zijn van wege hunne afdwalingen, en Hij stolt henophoogen prijs. Onze hemelsche Vader wil niet, dat wij hen verachten, die zoo kostbaar zijn in zijne oogen.


HOOFDSTUK XVII 1. 15—35. (Des Koniiin\'s wet bctreffeiulc beleediginseii.)

15. Maar indien uw broeder tegen it gezondigd heeft, ga heen, en bestraf hem tusschen a en hem alleen; indien hij u hoort, zoo heht gij uwen broeder gewennen.

Wel verre van iemand te verachten, moeten wjj er naar streven om de menschen goed te doen, als zij ons kwaad hebben gedaan. Hier is een geval van persoonlijke beleediging. Wij moeten trachten vrede te maken met onzen broeder, die tegen ons gezondigd heeft. Do beleedigde moet tot den be-leedigor gaan. Wjj moeten do beleediging niet in ons hart laten wroeten door een somber, gemelijk stilzwijgen te bewaren, cn evenmin mogen wij de zaak rond gaan vertellen. Wij moeten den beleediger opzoeken en hem zijne

fout onder hot oog brengen, alsof hij , er zich zelf niet van bewust is, gelijk ook werkelijk het geval kan wezen. Do bestraffing moet geschieden onder vier oogen, tusschen u en hem alleen. Het kan gebeuren, dat hij terstond het onrecht zal herstellen; en dan hebben wij niet ons proces gewonnen, maar iets dat veel beter is — onzen broeder. Wij zouden hem hebben kunnen verliezen, maar een vrijmoedig, openhartig woord heeft hem gewonnen. God zij er voor geloofd!

10. Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta.

Indien de broeder zwaar misdreven heeft, dan zal hij waarschijnlijk gemelijk


-ocr page 230-

DES KONINGS WET BETREFFENDE UELEEDIGINGEN. |IIoofdst. XVIII.

204

zjjn, of onbeschaamd en ongepast, en hij zal u niet hooren. Geef hem echter daarom niet op; volhard in vrede te zoeken. Geef aan uw eigen pleiten den steun van anderen: Neem nog één of twee met u. De schuldige wil mogelijk luisteren naar hetgeen de broederen zeggen, al is hij dan ook bevooi-oordeeld tegen u; of hij kan gewicht hechten aan de vermaning van meerderen, een gewicht, dat hij er niet aan zou hechten, als zij slechts van één ; kant komt. Door waardige scheidsrechters te hulp te roepen geeft gij den beleediger betere gelegenheid om zich weder op te richten. Laat ons hopen, dat de broeder ditmaal gewonnen is. Maar indien niet, dan zult gij u gevrijwaard hebben tegen verkeerde voorstellingen: opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. Het is door het verkeerd overbrengen van woorden, dat het twistvuur wordt aangestookt, en het is heerlijk om de middelen te hebben om valsche geruchten te logenstraffen. Ofschoon het heel onverstandig is om zich met twisten in te laten, is het toch duidelijk uit dezen tekst, dat wij bereid moeten zijn om één van de twee of drie te zijn, die geschillen moeten vereffenen.

17, En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zegt het der gemeente \\ en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij 11 als de Heiden en de tollenaar.

Menschen, die in staat zijn hunne medemenschen te kwetsen en te be-nadeelen, zijn dikwijls zóó verhard, dat zij op de vriendelijkste vermaning geen acht willen slaan. Indien nu een broeder aldus handelt, moeten wij hem dan opgeven? Neen, dan behooren wij nog eene laatste poging te doen: /eg Jiet der (jemeente. De gansche vergadering der geloovigen moet ten minste kennis dragen van de zaak, en zij moeten bij hem pleiten. Hij moet in de gelegenheid gesteld worden, om het oordeel en den raad dor gansche broederschap te hooren. Faalt ook deze poging, indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, dan moet hij als onverbeterlijk worden opgegeven. Geene straf of boete is hierbij aangewezen. De broeder wordt aan zich zeiven overgelaten: hij wordt beschouwd gelijk te zijn aan de rest der ongeloovige wereld. Dat is het uiterste onzer gestrengheid. Hij is iemand, die bekeering van noode heeft, evenals de Heidenen, die nog buiten staan, maar ook zelfs voor een\'Heiden, en tollenaar zijn wij vriendelijk gezind, want wij begeeren hunne zaligheid, en evenzoo begeeren en zoeken wij ook liet heil van den in den ban g9-danen broeder. Naar alle waarschijnlijkheid zal de halstarrige vriend met de daad der gemeente den spot drijven; toch bestaat de mogelijkheid nog, dat zij indruk op hem zal maken en hem tot eene betere gezindheid zal brengen. Hoe dit zij, van het eerste persoonlijk bezoek van den beleedigden broeder tot aan de laatste daad der verzaking of afsnijding, is er niets uit wraakzucht geschied, maar ging alles in de liefde, met het doel om den broeder terecht te brengen. De overtreder, die niet verzoend wil worden, heeft groote schuld op zich geladen door het streven der liefde te weerstaan, hetwelk geschied is in gehoorzaamheid aan het gebod van het groote Hoofd der gemeente.

18. Voorwaar zeg ik ti: al wat gij op de aarde hinden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.

Onze Hecre heeft de Kerk ingewijd


-ocr page 231-

Hoofdst. XVIII.) DES KONINGS WET ÜETllEFFENDE BELEEUIGINGEN. 205

door aan Petrus, als vertegenwoordiger van de gansche broederschap, do sleutelen te geven; en nu spreekt Hij het duidelijk uit, dat hij die sleutelen in de handen erkent van geheel de gemeente. Voorwaar zeg ik u: „Al wat gij op aarde binden zult.quot; Zij, die binden, zijn al de discipelen, of de gansche gemeente, die opgeroepen was om vrede te maken tusschen twee broederen. Iedere gemeente heeft de sleutelen van hare eigene deur. Als deze sleutelen door de vergadering hier beneden op de rechte wjjze worden gebruikt, dan wordt die daad hier Boven bekrachtigd : hetgeen zij binden op de aarde, zal in den hemel gebonden zijn. Indien dwalende broederen door Gods genade tot bekeering komen, zoodat de censuur der vergadering over hen wordt opgeheven, dan zal de Heere in den hemel hunne daad bekrachtigen, overeenkomstig zijn woord — Al wat gij op de aarde ontbinden zidf, zal in den hemel ontbonden wezen. Dit moet verstaan worden met dit voorbehoud, dat het eene wezenljjke gemeente, eene Kerk van Christus is, die handelt; dat zij handelt in zijn\' naam, en zijne wetten rechtmatig toepast. Dat binden en ontbinden, hetwelk door ware Christelijke kerken geschiedt, is ontzaglijk plechtig. Het is geene geringe zaak om als Kerk op te treden, geene geringe zaak om van haar afgesneden of wederom tot hare gemeenschap toegelaten te worden. Onze Heere heeft dit duidelijk doen uitkomen door zijne plechtige inleiding te gebruiken — Voorwaar zeg ik u.

19. Wederom zeg ik n: indien er twee van u te zamenstémmen op de aarde, om- eenige zaak, die zij zouden mogen begeer en, dat die hun zal geschieden van mijn\' Vader, die in de hemelen is.

Aldus drukt de Zaligmaker zjjn zegel op de bijeenkomsten der geloovigen, zelfs op de kleinste, de minst talrijke, niet slechts ten opzichte van hunne uitoefening der tucht, maar ook met betrekking tot hunne voorbede. Merk op met wat teederheid Jezus spreekt van zijne volgelingen ; „Indien er twee van u.quot; Arm als gij zijt, indien er twee van u te zamenkomen in het gebed op aarde, dan zal „mijn Vader, die in de hemelen is,quot; naar uw pleiten hooren. Het gebed moet eene zaak wezen van voorafgegane overweging, en do personen, die zich gaan vereenigen tot gebed, behooren samen te stemmen over eenige zaak, die zij zouden mogen hegeeren. Dan komen zij te zamen met een verstandig doel, een\' gekenden zegen zoekende, en overeenkomende om hunne begeerten en hun geloof saam te laten vloeien voor het ééne begeerde doel. Twee geloovigen, vereenigd in heilige begeerte en plechtig gebed, zullen groote macht hebben bij God. Wel verre van de uitspraak van zoo klein eene vergadering te verachten, moeten wij haar integendeel eerbiedigen, daar ook de Vader dit doet.

Merk op de macht van vereenigd bidden. Men kan het nalaten van bidstonden te houden niet verontschuldigen met te zeggen, dat er niet meer dan twee biddende menschen in de plaats zijn, want twee bidders kunnen bij God overmogen. Er is natuurlijk meer noodig dan een koel overeenstemmen, dat sommige dingen wen-schelijk zijn; er moet een dringend aanhouden zijn in het gebed, en er moet geloof wezen.

20. Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn\'1 naam, daar ben ik in het midden van hen.

De tegenwoordigheid van Jezus is hot vaste middenpunt der vergadering.


-ocr page 232-

2()() mos KONINGS wirr Hi\'iTRhkfendm JinLUKDiaiNateN. [lloof\'dst. XVJ1I.

de volniaclit voor Imnno sanionkomst, en de macht, waardoor zij handelt. Do gomeoute, hoe klein dan ook, /s vergaderd in sijll, naam. Jezus is daalde eerste: Daar hen ik in het midden van hen. Wij zijn saamgekomen door de heilige aandrift der Christelijke broederschap, en onze samenkomst is in den naam van Jezus, en daarom is Hij daar, gansch nabjj, niet slechts bij den voorganger ol\' den leeraar, maar in he\', midden van hen, en bijgevolg nabij iederen aanbidder. Wij komen samen om Hem te ecren, zijn Woord te hooren, elkander op te wekken om te gehoorzamen aan zijn\' wil, en 11 ij is daar om ons te helpen. Hoe klein ook ons aantal, toch zijn wij voltallig, en hetgeen overeenkomstig de wetten van Christus geschiedt, dat geschiedt met gezag. Vandaar dat er van het vereenigd gebed van zulke personen groote kracht uitgaat: het is Jezus, pleitende voor zijne heiligen. Dit moest de Christenen beletten om te beleedi-gen ot\' om zich beleedigd te achten; want zoo Jezus in ons midden is, dan moet onze vrede door geene twisting worden gestoord.

21. Toen kwam Petrus tot hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? tot zevenmaal?

Petrus\' vraag kwam hier goed te pas, daar zij den Heere gelegenheid biedt, om bij hot uit den weg ruimen van grieven te verwijlen. Petrus houdt het voor zeker, dat hij moet vergeren, hij wenscht slechts te weten, hoe ver zijn vergeven zich moet uitstrekken. Ongetwijfeld dacht hij al zeer ver gegaan te zijn, toen hij sprak van tot zevenmaal. Hjj gevoelde waarschijnlijk, dat hjj veel genade noodig had, om het zóó ver te brengen in het geduldig verdragen van zijns broeders zondigen togen hem. Het is waar: Petrus ging niet ver genoeg; maar gaan wij al zoj ver als hij;\' Zijn er niet belijders, die kleine grieven zeer hoog opnemen en zeer lang onthouden? Hebben velen onzer genoeg genade om zevenmaal te vergeven

22. Jezus zei le tot hem: Ik zeg u niet, tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal.

Onzes Heeren bedoeling is ons te loeren, dat wij altijd en onophoudelijk moeten vergeven. Hij stelt geene grenzen. Ik zeg n niet „Tot zevenmaal.quot; Afgometon goedertierenheid is niet volgons het gebod. Wij kunnen de woorden onzes Heeren in dit vers lezen als zeven en zeventig maal of als zeventigmaal zevenmaal, dat is: vierhonderd negentigmaal. Het is niet noodig om heel bepaald te wezen omtrent getallen, als er toch oen onbepaald getal bedoeld wordt. Wij behoorden beleedigingen van te weinig belang te achten, om er tijd aan te willen besteden om ze te tellen, of te willen uitrekenen hoeveel maal wij zo hebben voorbijgezien.

23. Daarom wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken hij een zéker koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde.

Wederom wordt het koninkrijk der hemelen in liet licht gesteld. Wij moeten niet vergoten, dat dit de sleutel is van het Evangelie naar de beschrijving van Matthéüs. In alle koninkrijken moet er een koning, oene rechtbank en oen tijd om recht te spreken wezen over hen, die geregeerd worden. De persoonlijke dienaren eens konings moeten verwachten, dat er rekenschap van hen gevraagd zal worden van do wijze,


-ocr page 233-

It00fdst. XVIlr.j DES KONINGS WKT IUOTUKFFKNUK liELKEDIQlNGEN.

2Ü7

waarop zij liotgocd huns heeren hebben besteed. Onze Heere is die zekere Kok inj, die rekenschap met zijne dienstknechten honden trilde. Al zou Hij niemand anders ter verantwoording roepen, dan zal Hij gewis zjjne eigene dienstknechten om rekenschap vragen.

24. Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tienduizend talenten.

Tienduizend talenten was voor een dienstknecht eene ontzettend grootesom om zijn\' koning schuldig tezjjn. Sommigen hebben uitgerekend, dat dit ongeveer vier en twintig millioen gulden was. Het was eene schuld, die niet kon betaald worden, eene overstelpende, schier onberekenbare schuld. Deze schuld kwam aan het licht, zoodra de koning begon te rekenen: hot was eene zaak van algeineene bokeudheid, die niet verborgen kon blijven. Do schuldenaar werd gebonden voor zijn\' heer gebracht; maar het was zjjne groote schuld, die zijne sterkste boeien vormde. Tienduizend talenten! En toch! wat beteekent dit bedrag bij den last onzer verplichtingen aan God? C) mijne ziel, verootmoedig u, als gij antwoordt op do vraag: „Hoe veel zijt gij schuldig?quot;

25. Kn als hij niet had om te betalen beval zijn heer, dat men hem zou ver-koopen, en zijne vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.

De schuldenaar bezat geen penning: hij had niet om te betalen. Deschuld-eischer maakt zich meester van den man: zijn heer beval dat men hem zou verkoopen. Ook zijne vrouw, zijne kinderen, en al wat hij had moesten verkocht worden; maar in vergelijking van de ontzettend groote schuld was dit alles geheel onbeduidend. Do verkoop van den man met zijn gezin geschiedde naar Oostersch recht. Do grootmoedige heer, die hier wordt beschreven, aarzelde niet om dien verkoop te eischen, en de schuldenaar zelf heeft do rechtvaardigheid er van niet in twjjfol getrokken. Onze Hecro rechtvaardigt de daad niet van den heer in dit verhaal. Hij maakt eenvoudig gebruik van de zeden en gewoonten van land en tijd, om deel uit te maken van het tafereel in de geljjkenis. Wij mogen wel dankbaar wezen, dat do geest des Christendoms eene wet volkomen heeft afgeschaft, die onschuldige kinderen liet lijden voor hetgeen hun vader had misdreven door hun hunne vrijheid te ontnemen. De dienstknecht bevond zich in een\' zeer treurigen toestand, voorwaar! toen hem niets overbleef, en hij ton laatste ook zelf verkocht werd. Hij had niet om te betalen; toch moest er op koninklijk bevel betaling plaats hebben: hij was inderdaad zeer ongelukkig!

2G. Dj dienstknecht dan, nederval-lende, aanbad hem, zeggende: Heere! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

Hij kon niet betalen, maar hij kon zich verootmoedigen voor zijn\' Heere. Nedervallende, aanbad hij hem. Hij erkende dc schuld, en bad om uitstel: „ Wees lankmoedig over mij.quot; Hij beloofde hem daarenboven aan zijne verplichtingen te zullen voldoen: „Ik zal u alles betalen.\'\'\'\' Die belofte was den adem niet waard, dio hij behoefde om haar uit tc spreken. Hot is iets zeer gewoons, dat menschen, die groote schulden kunnen aangaan, zeer licht en gemakkelijk denken over de betaling, en zich inbeelden, dat een wissel van


-ocr page 234-

208 DKS KONINGS WIST ÜETREFl\'MJf

lion op drie maandon zoo good is als goud. Zij wanen, dat tijd geld is, en dat eene belofte even goed is als betaling. Menig arm zondaar is zeer rijk in voornemens en besluiten. Deze dienstknecht-schuldenaar dacht, dat zijn heer slechts lankmoedig over hem behoefde te zijn, geduld met hem behoefde te hebben, maar inderdaad was het vergiffenis, die hem geschonken moest worden. Het schijnt vreemd, dat hij dit niet inzag, daar de schuld toch zoo groot was, en hij niets had om te betalen, geheel en al bankroet was. Maar het is oen bekend feit, dat de menschen hun\' waren toestand tegenover den Heere QoJ niet inzien, ook al bemerken zij, dat zij in vele dingen tekortkomen.

27. En de heer dezes dienstknechts, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.

Ootmoed en gebed hadden de overhand, want de heer dezes dienstknechts was een koning, met wien hot gansch heelal niet kan wedijveren in ontferming en genade. De schuldenaar ontving veel meer dan hij durfde vragen; want deze daad des ontformens was niet in evenredigheid met zijne eigene bewustheid van nood en ellende, ja niet eens in evenredigheid met zijn gebed, maar met de barmhartigheid zijns hoeren. Het hart van den grooten schuldeischer was geroerd, en alles was zóó vrij en om niet, zóó edel, zóó volmaakt, dat het een\' grooten, diepen indruk had moeten teweegbrengen, en hem er toe hebben geleid, om voor zooveel hij vermocht, het koninklijk voorbeeld na te volgen. Hard was het hart, dat door zulk eene warmte van liefde niet verteederd kon worden.

28. Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een\'\' zijner [DE BELEEDIGINGEN. | H üofdst. XV111.

mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig tvas, en hem aanvattende, greep hem hij de keel, zeggende: Betaal mij, wed gij schuldig zijt!

Dezelfde dienstknecht, maar hoe gansch anders is zijne houding! Een oogenblik te voren een ootmoedig smeekeling, thans een dreigend tyran. Uitgaande van de tegenwoordigheid van zijn\' medelijdenden heer; zich nauwelijks den tijd gunnende om zijne dankbaarheid uit te spreken, vond hij een zijner mededienstknechten, niet zijn eigen dienstknecht, niet zijn mindere, maar zijns gelijke, zijn metgezel in den dienst. Deze was hem honderd penningen schuldig, eene kleinigheid, vergeleken bij de ontzettend groote schuld, die hem kwijtgescholden wamp;.s. Wij denken niet anders dan dat bij deze kleine rekening terstond zal doorhalen ; maar neen: hij vatte hem aan, uit vrees, dat hij hem anders zou ontsnappen. Hij greep hem hij de keel en overstelpte hem met gebiedende eischen. Hij wilde geen geduld hebben met zijn\' schuldenaar; hij wilde hem niet toestaan te ademen, zoo hij hem niet betaalde. De schuld was heel gering, maar de betaling er van werd met woeste heftigheid geëisclit. Do kleine schulden onzer medemenschen worden maar al te dikwijls met zeer groote, niets sparende gestrengheid door ons ingevorderd. De schuldeischor wilde zelfs geen uur geduld hebben, hij vloog zijn\' mededienstknecht naar de keel met den ruwen eisch : „Betaal mij ivat gij schuldig .zijt.quot; Welk recht had hij om den dienstknecht zijns hoeren te worgen? Hij deed kwaad aan iemand, die zijn eigen koning toebehoorde. Onze medodienstknecht is de dienstknecht onzes Heeren, en niet do onze, om hem naar welgevallen te kunnen mishandelen en verdrukken.


-ocr page 235-

Iloofdst. XVIII.J DES KONINGS WET BETREFFENDE UELEEDIGINQEN.

209

29. Zijn mededienstknecht dan, ne-dervallende aan zijne voeten, had hem,, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

Het had den tyran moeten doen ontstellen toen hij y.ijno eigene bode tot zichzelven hoorde richten. Het was woord voor woord wat hij zelf had gezegd; en des smoekelings houding was volkomen gelijk aan die, welke hij zelf\' had aangenomen tegen zijn\' heer: neder val lende aan zijne voeten. Ook zijne eigene armzalige belofte: „Ik zal ii alles betalenquot; werd in zijne ooren herhaald, maar met veel moer waarschijnlijkheid van gehouden te zullen worden. Gewis, hij zal nu ook hetzelfde antwoord geven als zijn lieer hom gegeven heeft! Geenszins: hij was slaafsch en van eonc booze gezindheid; zijn heer was koning, en heeft koninklijk gehandeld.

30. Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem, in de gevangenis, totdat hij de schuld, zou, betacdd hebben.

Niet: hij kon niet, maar hij wilde niet. Hij gaf geen tijd; hjj steldegeene schikking voor; lijj beloofde geene genade. Hij gebruikte do wet zijns grootmoedigen Konings als een middel om zijn\' armen mededienstknecht te vertrappen. Ilij hoeft persoonlijk des schuldenaars gevangenneming bewerkstelligd: hij ging heen, en rvierp hem in de gevangenis. Hij laat hem veroor-deelen tot opsluiting in de gevangenis voor schuldenaren, zonder hoop van er anders uit te komen dan door betaling. Hot was ook de gevangenis, die zijn\' heer toebehoorde; hjj maakte er gebruik van om zijne eigeno kwaadwilligheid bot te vieren. Hij verklaarde, dat zijn modedienstknecht daar zou blijven, totdat hij de, schuld zou betaald hebben. Welk oen laaghartig gedrag! Helaas! het is even algemeen als laaghartig!

31. Als nu zijne medediemtknecMen zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden-, en komende, verklaarden zij hun1 heer al, wat er geschied, teas.

Indien hij hot booze zij nor handelingen niet kon inzien, — anderen kondon dit wol. Zijne mededienstknechten zagen, lidgeen geschied was-, hij had een in het oog loopoud karakter, en wat hij deed zal stellig worden opgemerkt. Er was hem veel vorgevon, en er word dus veel van hem verwacht. Zijne mededionstknechten zijn zeer bedroefd geworden om don gokorker-don schuldenaar, bedroefd ook omdat oen hunner medodienstknechton zich ging verlagen door te handelen op eene wijze, zoo zoor hot tegenovergestelde van de behandeling, die hij van zijn\' heer had ondervonden, liet was recht, dat zjj van het gebeurde mededeeling deden aan hot hoofdkwartier, want zulk eene gruwelijke misdaad moet bekend worden gemaakt ter plaatse waar recht kan worden gedaan. In plaats van do lynchwet too to passen, hebben zij hiDi\' heer verklaard wat er geschied was. Dit was eene zeer verstandige gedragslijn. Laat ons hou navolgen, als wij in dergelijke omstandigheden komen, dat is boter dan in kwaadspreken te vervallen of toornige vorwijtingon to doen.

32, 33. Toen heeft zijn heer hem tot zich, geroepen, en zeide tot hem, ; Gij booze dienstknecht! al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden heht: behoord et gij u ook niet over uwen mededienstknecht teontfermen, gelijk ik ook mij over a ontfermd heb?


14

-ocr page 236-

DUS KONINdS WKT liUTJiUKFEXDE BKI.KKDlölNGKN. [Hoofdst. XV I I 1.

210

Do ollencloling werd niet ongehoord veroordeeld ; zyu lieer oordeelde slechts nadat hij hem tot zich (/c.roepen had. \\ Zijn heer en koning stolde hem tie zaak zeer duidelijk voor oogen en beriep zich op zijn eigen oordeel van het geval. Hij herinnerde hem aan hetgeen hij vergeten scheen te hebben; hij had ten minste gehandeld alsof hot nooit was gebeurd. Zijn hoer richtte woorden tot hom van gloeiende verontwaardiging: „Gij booze dienstknecht.quot; liet was gruwelijke boosheid dos harten, die hem tot zoo onwaardige handelingen heeft gevoerd. „Al die schuld heb ik u kwijUjescholden.quot; • Welk een j al was dit! Hoe vrijelijk was do schuld weggedaan! „Heb ik u kwijtgescholden.quot; De reden, die hiervoor gegeven wordt, is „dewijl gij mij gebeden hebt.quot; \\ Niet, omdat gij die goedertierenheid hebt verdiend, noch omdat gij ooit in staat zult zijn om te betalen. De gevolgtrekking, afgeleid uit zoo grootc edelmoedigheid, was helder, sterk, on-woderlegbaar. De laatste woorden van hot vers zijn uitermate krachtig: „Behoordet gij u ook niet over uwen mededienstknecht te ontfermen?quot; Hoe gereedeljjk behoorden wij do kleine grieven te vergeven, die men ons aandoet, nu de Heere onze zoo groote overtredingen heeft vergeven! Geen leed, dat ons door onzen mededienst-knecht werd berokkend, kan vergeleken worden met onze zonden tegen don Heere. Welk een voorbeeld van me-dedoogen is ons voorgesteld in deze woorden „gelijk ik ook mij over u ontfermd hebr

De schuldige verdedigde zich niet. Wat kon hij ook zeggen? lljj was niet in staat om nogmaals zijns hoeren barmhartigheid in te roepen. Hij had barmhartigheid geweigerd te verloenen, en nu is er ook geene barmhartigheid voor hom.

:i4. En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijners over, totdat hij zon betaald hebben al, irat hij schuldig was.

Zijn heer vertoornd zijnde: hij, die zoo barmhartig kon wezen, moet wel oen man van warme gevoolens zijn geweest, en bijgevolg kon hij toornen. 11 ij was natuurlijk barmhartig jegens den armen schuldenaar in de gevangenis, en hij gloeide van verontwaardiging over den ellendeling, die hom in do gevangenis had geworpen. Hot was rechtvaardige toorn, die over don onmoedoogenden dienstknecht eone vreesolijke straf liet komen; hij ,.leverde hem den pijners overquot;, don eigen-lij kon uitvoerders der gerechtigheid. Zijne straf zou geen einde nomen, want zij moest duren totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was, en do schuldenaar kon zijne schud van tienduizend talenten nooit afdoen. Mot zulke boosaardigon moot het recht zijn loop hebben. Zij hebben zich buiten hot bereik geplaatst der goo-dertierenheid. De grootheid zelve dor liefde maakt groote verontwaardiging noodzakelijk over de boosheid, dio aandringt op wraak wegens kleine grieven. Do vrijmacht Gods is nooit onrechtvaardig, Hij geeft slechts diegenen den pijners over, die door do wetten des heelals noodwendig veroordeeld moeten worden.

35. Al zoo zal ook mijn hemdsche ]rader a doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden.

Dat is de groote zedelijke les. Wij beloopen grooter toorn door vergitfenis te weigeren dan door al het overige van onze schuld. Wij kunnen de ver-oordoeling niet ontgaan, indien wij aan


-ocr page 237-

db koning en 1)10 huwelijkswetten.

Hoofdst. XIX.1

211

anderen vergeving weigeren. Indien wij slechts in woorden vergeven, maar niet van harte, dan blijven wjj onder dezelfde veroordeeling. Aanhoudende toorn togen onzen broeder sluit ons de poort des heinois. De hemelsche Vader van den ITcero Jezus zal met recht toornig op ons zijn, en zal

11 O OF D S T U ] [üe Iioiiiii£ ea de

I, 2. En het geschiedde, torn Jezus deze moorden (leëindigd had, dat hij verfrol\' van (laliléu, en kwam over de Jordaan, in de land inden van Jiuléa. Kn vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar.

Hij had deze iroorden geëindigd, deze woorden betreffende vergeving, on nu spoedde Hjj zich iienon naar ander werk, dat niet geëindigd was. 11 jj was altijd in beweging, 011 hij vertrok van Galiléa, dat zoo veel van Hem ontvangen iiad, opdat nu ook andere streken van zijn dienstwerk mochten genieten, lijj wendde zich thans moer Zuidwaarts wvr de Jordaan in de landpalen van Jndéa, en overal heeft Hij goed gedaan. Toen Hy geëindigd had te spreken tot de discipelen, begon Hij daden van genade te werken in een nieuw district, en vele scharen volgden hem. Alljjd worden zijne schreden gevolgd door de scharen, beide om zijn woord en om zijn werk. Hij naderde Jeruzalem en zijne vijanden lagen op de loer; maar daarom beperkte Hjj zich niet in zijne werken van barmhartigheid; Hij genas ze aldaar. Ue plaats, waar onze Hoere zijn werk der genade volbracht, is waardig om herdacht te worden. Waar nood was, daar werd hulp verleend.

ons don pjjners overleveren, indien wij niet van harte een iegelijk zijn\'\' broeder zijne misdaden vergeven.

Heere! geef mij eon zachtmoedig, vergevensgezind gemoed! Mocht mijn hart even gereed zijn om te vergeven wat togen mij misdreven is, als hot gereed is om te kloppen.

v XIX. 1—12.

huwelijkswetten.]

3. Kn de farizeën ka-amen tot hem, verzoekende hem, en zeggende tot hem: Is het een\'\' mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?

Hier vinden wij deze adders weder! Welk eene volharding in hot kwaad! Weinig bekommeren zij zich om zijn onderwijs, toch namen zij het voorkomen aan van mensclien, die vrayen, omdat zij de waarheid wilden weten. Maar in werkelijkheid waren zij op do loer, immer gereed om met Hom te twisten, wat Hij ook mocht zeggen. De vraag is listig ingekleed, „/.s het een1 mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten om allerlei oorsaak? Hoealge-meener eene vraag gesteld wordt, hoe meer waarschijnlijk het is, dat de ondervraagde er door in do war zal gebracht worden. Hun eigen geweten zou hun hebben kunnen zeggen, dat de band des huwelijks niet verbroken kan worden om elke oorzaak, die het den man lust op te geven. Maar het was oeno zaak, waarover in dien tijd veel werd getwist, of een man zijne vrouw naar welgevallen weg kon zenden, of voor die daad ceno gewichtige, afdoende reden moest opgeven. IVat Jezus ook mocht zeggen, de farizeën waren niet anders voor-


-ocr page 238-

DU KONlNU KN DE IIUWKMJKSWETTEN.

[lloot\'dst. XIX.

212

nemons dan om /ij no uitspraak togen Hom te gebruiken.

4—0. Doch hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt tjij niet gelezen, die van den heginne de mensehen gemaald heeft, dat Hij ze gemaakt hseft manen vrouw? en gezegd heeft: D tarom zal een menseh rader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleeseh zijn; alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleeseh. [Jet-gene dan God te zamen geooegd heeft, schelde de menseh niet.

In ziju antwoord roept Jezus hunne kennis der wet in; „Hebt gij niet gelezen?quot; Het was eene krachtige manier van een beroep te doen op hunne eigene, hooggeroemde bekendheid met de boeken van Mozes. Onze Heere eert de Heilige Schrift door aan haar zjjne argumenten te ontleenen. Hij wilde inzonderheid zijn zegel plaatsen op een deel van het scheppingsverhaal — dat verhaal, liet welk door de hedendaagsche critici als eene fabel of mythe wordt voorgesteld. Hij voerde zijne hoorders terug tot den beginne., toen God de mensehen gemaald heeft man en vronw, en ze één heeft gemaakt. „Naar liet beeld van God schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij zequot; Gen. 1:27). Do vrouw was genomen uit den man, en Adam hooft in waarheid gezegd: „ Deze is ditmaal boen van mijne boenen, en vleeseh van mijn vleesehquot; (Gen. II : 23). Onder de goddelijke goedkeuring is deze eenheid door hot huwelijk voorgesteld en belichaamd. Deze éénheid is oone werkelijke, eene levenseenheid: „Alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleeseh.quot; Hierbij vergeleken zijn allo andere banden zwak: zelfs vader en moeder moeten achterstaan bij de echtgenoote: „Daarom zal een menseh vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleeseh zijn.quot; Door God aldus verordineerd moet deze eenheid door goono gril of wispelturigen inval der menschen worden verbroken: „ Het gene dan God te zamen gevoegd heeft, seheide de menseh met.quot; Aldus beslist onze Iloore voor den levenslangen duur van den huwelijksband tegenover hen, die eono scheiding wilden toestaan om allerlei oorzaak, hetgeen zeer dikwijls beteekende: om hoegenaamd geene oorzaak.

7. Zij zeiden tot hem: Waarom, heeft dan Mozes geboden een1 seheidhrief te geven, en haar te verlaten ?

Een ieder, die de plaats leest in do boeken van Mozes, waar hier naar verwezen wordt, zal getroffen worden door de onbillijke voorstelling er van door de farizeën. In Deuteronomium XXI V: 1, 2 lezen wij: „Wanneer een man eono vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zoo zal hetgoschioden, indien zij geene genade zal vinden in zijne oogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een\' scheldbrief zal schrijven, en in hare hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. Zoo zij dan uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal henengaan, en een\' anderen man ter vrouwe worden .. Mozes heeft hieromtrent niets geboden, hij heeft eene toenmalige zede nauwelijks geduld en grooteljjks beperkt. Om Mozes in tegenspraak to brengen met Mozes is niets nieuws; maar de farizeën zullen het nauwelijks wagen om .Mozes te stellen tegenover God, hem eene verandering laten gebieden in eono goddelijke wet, d\'evan den beginne verordineerd was. Toch hooft de Heere hun aangetoond, dat zij hiertoe moesten komen, indien zij de theorie van gemakkelijke echtschei-


-ocr page 239-

Uoofdst. XIX.| UH KONIXQ EN 1)K HUWKLIJKSWETTEN.

2 Ui

ding wilden handhaven, liet feit is, dat Mozes de echtscheiding in schier onbeperkte mate in wezen vond, on mot heel veel wijsheid heeft hij de afschaffing daarvan begonnen door de gewoonte in te krimpen veeleer, dan door haar terstond, volstrekt en bepaald te verbieden. liet was hun niet geoorloofd eene vrouw door een haastig gesproken woord weg te zenden; zjj moesten er eene wol overwogen plechtige handeling van maken, door een\' scheklbvief to vervaardigen en der vrouwe te geven] en dit werd dan nog slechts toegestaan in een bijzonder geval, „omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft.quot; Ofschoon nu vele farizeön deze beperking trachtten weg te cijferen, en het er voor hielden, dat do verordening in Deuteronomium do echtscheiding in schier onbeperkte mate wettigde, waren zij toch niet eenstemmig omtrent deze zaak, en zoo hebben zjj er dan onophoudelijk over getwist. Vandaar dat dos ITeeren uitspraak, hoe die ook zijn mocht, op velerlei manier tegen Hem gekeerd kon worden.

8. Hij zeide tot hen: Mozes Jictfl van ireye de hanliijheid uwer harten u toegelaten, uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne i* het al200 niet geweest.

Mozcs heeft eene slechte gewoonte geduld, doch beperkt, daar hij wist, dat zulk een volk haar niet zou opgeven, nu zij zoo diepe wortelen onder hen had geschoten. Eene hoogere wet konden zij niet dragen, en zoo behandelde hij hen als lieden, die aan hardheid van hart leden, hopende hen trapsgewijze tot een\' ouderen en beteren staat van zaken terug te voeren. Naarmate de onreinheid zou ophouden, en de geest van den waren godsdienst zijn\' invloed zou oefenen op het volk, zou de noodzakelijkheid der echtscheiding, ja zelfs de begeerte er naar van zelf vordwjjnon. Er was in het Paradijs geene voorziening gemaakt voor liet geval, dat Adam Eva zou willen wegzonden. In de gouden eeuw bestond er geen verlangen naar echtscheiding. J)e verordening der Mozaïsche wet op do echtscheiding was nieuw en slechts tijdelijk, en in den vorm, waartoe eene verklaring der Schrift, die den tekst uit zijn verband rukte, haar had verwrongen, was zij niet te verdedigen.

i). Maar ik zeg n, dat zoo wie zijne vrouw verlaat anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.

Hoererij maakt den schuldige tot een geschikt voorwerp voor rechtmatige en wettige echtscheiding, want zij is in werkelijkheid reeds eene vernietiging van den huwelijksband. In een geval van hoererij, kan, wanneer de duidelijke bewijzen vooriianden zijn, de band ontbonden worden; maar in geen ander geval. Iedere andere soort van echtscheiding is door do wet Gods van nul en geener waarde, en het brengt voor de personen, die daar naar handelen, echtbreuk mede. Die de verlatene trouwt doet ook overspel, daar zij niet wettig gescheiden is, maar de echtgenooto blijft van haren vorigen man. Onze Koning duit geen van deze verordeningen, die in sommige landen, een spel drijven met huwelijksbanden. De natiën kunnen wetten maken, al naar zij durven, maar do feiten veranderen, dat kunnen zjj niet: menschen, die eenmaal gehuwd zijn, zijn in Gods oog voor hun leven lang gehuwd, behalve in hot eene geval van hoererij.

10. Zijne discipelen zeiden tot hem:


-ocr page 240-

DE KONINO KN DU HUWFLIJKSWUTTUN.

[Tloofdst. XIX.

214

Indien de zaak den nienschcn met de vromr al zoo nfaal, zoo is het niet oorhaar te trouwen.

Zij waren or toe gekomen om do gemakkclijklieid, waarmede liet huwelijk ontbonden kon worden, als eono soort van verlicliting te gevoelen, en liet luiweljjk, zonder de macht van er door eelitschoiding aan te ontkomen, te beschouwen als een kwaad, of dat ten minste naar allo waarschijnlijkheid een kwaad zal blijken te zijn. ITet is beter niet te trouwen, dan een huwelijk aan te gaan voor het geheele leven: dat scheen hunne denkwijze te zijn. liet gevaar van een ongelukkig huwelijk in aanmerking genomen, zijn zelfs zijne discipelen tot de gevolgtrekking gekomen, dat hot dan maar beter was om ongehuwd te blijven. „Zoo is het niet oorhaar te frouireri\\ zeiden zij, en er was wol eene zekere mate van waarheid in hun gezegde.

11. Doch hij zeide tot hen: Alten ratten dit noord niet, maar dien het gegeven is.

ITet kan in sommige opzichten beter zijn niet te ti\'onwcn; maar (dien ratten dit woord niet, brengen het niet in praktijk: indien zij het wM deden, dan zou er ook oen einde zijn aan het menschel ijk geslacht. Do ongehuwde staat is niet voor velen: do natuur verbiedt hot. Voor sommigen is het celibaat boter dan het huwelijk, maar do zoodanigon hebben een bijzonder gestel, of bevinden zich in bijzondere omstandigheden. Onthouding van hot huwelijk is voor sommigen eene kostelijke gave, geschonken tot een groot doel, maar voor het mcerendecl der menschheid is het huwelijk even noodzakelijk als eerbaar.

12. Want er zijn gesnedenen, die i uit moeders lichaam ahoo gehoren zijn ; en er zijn gesnedenen, die van de men-schen gesneden zijn-, en er zijn gesne-\\ denen, die zich zeiven gesneden hebben om het hminkrijlc der hemelen. Die dit vallen lean, vatte het.

Sommigen hebben niet dan zwakke begeerten betreffende het huwelijk, on i dezen zijn alzoo gehoren. Zij zullen | er zich wol bij bevinden om te blijven ! zoo als zij zijn. Anderen onderdrukken do begeerten der natuur om prijzors-waardige en heilige redenen, om het Ivninkrijk der hemelen; maar dit is niet voor allen, niet voor velen. Het I is aan ieders keuze overgelaten om te 1 trouwen of niet te trouwen. Indien zij trouwen, dan is de natuur bevredigd, maar de genade zwijgt; indien zij, om Christus wil, zich van het huwelijk onthouden, zoo is de genade tevreden en de natuur verzet zich niet. Het gedwongen celibaat is con broeinest van zonde. „Hot huwelijk is eerlijk onder allen.quot; Schending van reinheid is eon verfoeisel voor hot aangezicht dos Hoeren. In deze zaak hebben wij, y\'.oo wij den gewonen weg volgen, leiding en genade van noode; en zoo wij den minder beganen weg volgen, dan znllen wij nog meer leidirg en genade behoeven. En wat hot besluit betreft om in den ongehuwden staat to volharden: Die dit vatten kan, ratte het.


-ocr page 241-

I\'lloofdst, XIX. DE QIIOOTE KON1XU ON DEK DE KIjGINE KINDEKEN.

215

110 O F 1) S T UK XIX. 13—15. [He gruute Koning onder de kleine kiiideren.]

13. Toen imrden TcinderTcem tof- hem (jehrarht, opdaf hij hun de handen zou. oplegden, en hidden\', en de discipelen bestmlten dezelrn.

Van het vraagstuk dos imwcljjks tot hot ondonvorp van kindoron was con gemakkelijke overgang, en do voorzienigheid liooi\'t do gebeurtenissen zoo geleid, dat onze Heere van hot eene onderwerp ophot andere kon overgaan.

In liet feit, dat iemand er aan kon denken om kinderen, knapen en mois-jos, tot don lleere to brengen, kunnen wij zien, hoo zachtmoedig on teeder •lij was. Klnderkms /rm/r» door hunne vrienden of\' betrekkingen tot hem i/e-braclit, opdat hij hnn de handen zou oplei/f/en en hun een\' zegen zou soheu-kon, on opdat Hij tevens zijnehandon zou ophollen tot God om voor hou te bidden. Dit was eene zeer natuurlijke begeerte van vrome ouders, en het toonde veel geloof in des lleeren neder-buigende goedheid. Wij houden ons ei\' van \'overtuigd, dat zij door hunne moedors tot Hem gebracht werden; want heilige vrouwen doen dit ook nog heden. De discipelen, najjvorig op do oor huns lleeren, bestraften ze. Zij oordeelden, dat het te kinderachtig was in die moeders, en dat zij eene al te groote gemeenzaamheid gebruikten met den grooten Leeraar. Waren niet de discipelen nog veel kinderachtiger, als zij waanden, dat hun lleere onvriendelijk kon wezen jegens kinderkous;\'

14. Maar Jezus zelde: Laat af van de klnderkms, en rerhlnde)\' hen niet tot mij te komen\', want derzulken is het koninkrijk der hemelen.

Do llccro is nederiger dan zijne dienstknechten. Hij zegt hun at\' te laten van de kinderkens\' te verhinderen. Hij roept zo tot zich. Hij verklaart dat het juist dezulken zijn, voor wie het koninkrijk der hemelen bestemd is. „Derzulken is het koninkrijk der hemelenquot; — dit is de banier van de Zondagschool. Kinderen, on zij, die hun gelijk zijn, mogen vrijmoedig komen tot het koninkrijk van don lleere dos hemels, ja de zoodanigen alleen kunnen dat koninkrijk binnengaan.

15. En als hij hun de handen opdelend had, vertrok hij van daar.

Hij heeft hen niet gedoopt, maar wM heelt li ij hen gezegend. De aanraking zijner handen hetoekende racer dan de pen vermag te beschrijven. Gelukkige kinderen, die in deze handoplegging hebben gedeeld, want die handen waren noch ledig, noch machteloos !

Jezus bleef zelfs in dit liefelijk gezelschap niet verwijlen, maar spoedde zich henen naar den Hem opgedragen arbeid; hij vertrok van ddar. Maar in de twee volzinnen van het vorige vers heeft Hij zoo veel gezegd, dat de aarde en de hemel nooit zullen ophouden er rijker door te wezen.


-ocr page 242-

21G

H O O V D S T U [l)c Koning regelt de

1(3. I\'hi ziet, er kwam een tot hem, en zeide tut hem\'. Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuivvje leven hebbe?

Hier was cr con, die zich zei ven dacht de eerste te zjju, maar die zicli bij dc laatstca zal hebben te voegen, ja, en zoli\'s bedroefd weg zal gaan.

Hij was oen verwaand inensch. Hjj scheen te denken, dat iets goeds van hem genoeg moest wezen, en dat kon cn wilde Inj dan ook terstond doen. Heel zeker was hij cr echter niet van, anders zon Inj de vraag niet gedaan hebben. „ Waf zal ik goeds doen?quot; Er zou wellicht zelfs aan een bewonderenswaardig leven als het zijne toch nog wel iets kunnen ontbreken. Indien dit nu het geval mocht wezen, dan kon hjj in dat ontbrekende terstond voorzien.

Hij was zeer eerbiedig en sprak den Hcere Jezus aan als „Goede Meestert Dat is in zoo verre nu ook heel goed. Zijne vraag was ook van groot persoonlijk gewicht. „II\'cit zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige teven hehhe?quot; O dat er meer jongelingen waren, die deze zelfde vraag deden! Het wasvoor een ernstig man, als hij ongetwijfeld geweest moet zijn, ook eene zeer gepaste vraag. IIÜ zocht het eeuwige leven, en kon zich niet vergenoegen met do eer en heerlijkheid van het oogenblik. Hij verlangde slechts te weten, wat te doen om het eeuwige leven te gewinnen, en dan wilde hjj cr terstond werk van maken.

Dat is een zoekende, die groote hoop en verwachtingen opwekt. Gewis! hier zullen wij een groot bekeerde hebben! quot;Wacht ecu weinig, cn wij zullen zien.

XIX. 10—30.

orde vim voorraujf.]

17. Eu hij zeide tot hem: Wat noemt (li) gt;nij goed? niemand is goed dan een, namelijk God. Dach wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.

Onze Hcere was niet gesteld op ijdele plichtplegingen, en daarom vraagt Hij: „AVat noemt gij mjjgoed\'rquot; Vele hedendaagsche ketters prijzen Jezus, en hun lof is zulk eene beleediging van zijn\' hooghecrlijken Persoon, dat 11 ij met recht kan zeggen; „ Wat noemt gij mij goed Fquot; Heeft deze man dit werkelijk gemeend? Zoo ja, dan wilde de Heere Jezus hem te verstaan geven, dat Hjj, met wien hij sprak, meer was dan mensch. Het argument is duidelijk, .lezus was of goed, óf hjj had hem niet goed moeten noemen; daar echter niemand goed is dan een, namelijk God, moet Jezus, die goed is, ook God wezen.

Wat nu do vraag betreft om het eeuwige leven te hebbe i door een goed werk, geeft Jezus hem een antwoord van zijn eigen standpunt. Door de wet komt het loven slechts als de mensch hare geboden onderhoudt: „Wilt gij in het leven ingaan, onderhond de geboden.\'\'\'\' Niemand hoeft ze ooit zóó onderhouden, dat hij er goed door werd. Dacht deze jongeling dan, dat hij dit zou kunnen? En toch, op den bodem der wet moest hjj, om het eeuwige leven te verdienen als een loon, zoo goed wezen als God en de geboden op volmaakte wijze onderhouden. Aldus werd hem de ruwe weg der werken voorgesteld, niet opdat hij zou trachten er het eeuwige leven door te verwerven, maar om zijne eigene tekortkomingen in te zien, en zoo zeer zijne zwakheid te gevoelen, dat hjj de zaligheid langs een\' anderen weg zou zoeken tc bereiken.


-ocr page 243-

Iloofdsfc. XIX.I 1)13 KONING UKGELT DE OUDK VAN YOORKANO.

^17

18, 19. Hij zeide tot hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet dood en; tjij zult geen overspel doen ; (jij zult niet stelen; gij zult (jeen mhche getuüjenis geven-, eer uwen vader en mee moeder; en: Gij zult mren naude liefhebhen als n zei ven.

De man waagthet te vragen: „ Welke?quot; Dacht lijj wellicht, dat het een of ander ceremonieel gebod zou genoemd worden? Dit is wel waarschijnlijk, want omtrent allo punten dor zedelijke wet gevoelde hjj zich volkomen veilig. Onze lleere stelt hem echter niets nieuws voor; Hij wendt zich tot do aloude Tien Geboden. De tweede tafel der wet haalt Hij het eerst aan, en begint met die geboden, die don jongen man let gansch alledaagsche der zedelijkheid moesten toeschijnen, liet laatst aangehaalde gebod is cene samenvatting van al de overigen, en het had den vrager do oogen moeten openen voor zijne tekortkomingen, want wie heeft zijn\' naaste lief als zich zeiven? Die jonge aristocraat was echter nog van geeno zonde overtuigd. Hij hield aan in zijn onderzool: naar do zaligheid door do werken, omdat hij dacht op weg te zijn haar op die wijze te verkrijgen.

20. De jongeling zeide tot hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?

Wellicht sprak hjj de waarheid in den zin zooals hij do wet opvatte. Hij had van zijne kindsheid af oen voortreffelijk, hoog zedelijk leven geleid. Dij gevoelde, dat hij in zijn\'handel en wandel al deze geboden had onderhouden zonder eonigc fout of gebrek van aanbelang, lljj was geen snoever, maar hij kon er eerlijk aanspraak op maken een lofwaardig leven te hebben geleid. Hij was ongetwjjfeld een voorbeeldig persoon, en zóó beminnelijk, dat Jezus hem zeer liefdevol heeft aangezien. Wij kennen sommigen, die hem gelijk zijn, en van wie men zeggen kan, dat zij „naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijkquot; zijn. Hij was echter niet alles wat hij dacht te zijn: hij heeft zijn\' naaste niet liefgehad als zich zeiven, gelijk hem dit spoedig duidelijk gemaakt zou worden : „ \\ \\\'(d ontbreekt mij nog?\'\'\'\' is eene vraag, die slechts weinigen zouden durven doen. Hjj gevoelde, dat zoo er nog iets aan hem ontbrak, hjj volstrekt niet wist wat dit zijn kon. Zijne achting voor zich zolvcn behoefde geenszins vermeerderd te worden.

21. Jezus zeide tot hem: /00 gij trilt volmaakt zijn, ga heen, verkool) wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een\' schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij.

Onze Ilecre beproeft hem met do eerste tafel der wet: „Gij zult liefhebben den lleere, uwen God, met geheel uw hart.quot; Indien hjj dit deed, dan zou hjj bereid zijn om op een gebod Gods afstand te doen van zijn eigendom, evenals Abraham bereid was zijn\' zoon to offeren. Onze Heere Jezus, als God, eischto van hem een ongewoon offer. Was zijne liefde voor God groot genoeg om dit offer te brengen? Det gebod onzes Ileeren was eene uitdaging aan de eigengerechtigheid om te bewijzen wat zij van zich zelve beleed. Wij kunnen het ook beschouwen als een op do proef stellen, waaruit blijken moest, dat hjj inderdaad zijn\' naaste liefhad als zich zeiven. Beminde hij de urmen als zich zeiven? Zoo ja, dan zou het geen bezwaar voor hem opleveren om zijne bezittingen te verkoopen


-ocr page 244-

218

cu de opbrengst aan de armen te (jeven. Wij moeten liieruit nu niet afleiden, dat Jozus van al zijne volgelingen eischt, om alles wat zij hebben te verkoopen: dit was slechts eene proef voor dien óénen man: „Zoo (jij trilt i rolmaakt zijn.quot; Maar tocli, indien wij onze bezittingen meer liefhebben dan God, dan zijn wij afgodendienaars, en indien wij onze bezittingen zóó vasthouden, dat wij de armen laten verhongeren, dan kan er van ons niet worden gezegd, dat wij hen liefhebben als ons zei ven. AVij hebben van men-schen gehoord, die er aanspraak op maken volmaakt te zijn, en toch mil-lioenen schats in bezit houden, en toon hebben wij getwijfeld aan hunne volmaaktheid. En was er geene oorzaak ? Medelijden met armoede, ijver voordo waarheid en begeerte naar goeddoen zullen geen Christen toelaten zeer groote rijkdommen te bezitten. Hoe dit zij, zulke rijken zullen het mocielijk vinden om op den laatsten grooten dag rekenschap te geven van hun rent-meesterschap. Wij moeten .fcziis en zijne groote zaak liever hebben dan onze schatten, want anders zijn wij zjjne ware volgelingen niet. Indien 1 onze godsdienst ooit do zware proef | van heftige vervolging moest doorstaan, zoodat wij of van onze bezittingen afstand moesten doen, of Christus moesten verzaken, dan zou aarzeling noodlottig wezen.

22. yil* nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd ver/; trant hij had vete goederen.

lljj kon zijn eigen plan niet ten einde toe volgen. Hij wilde zalig worden door de werken, en toch wilde hij die werken niet naar don vollen oiscb der wet volbrengen. Hij zag den geest der wet voorbij, beide van de

eerste en van de tweede tafel. Hij had zijn\' armen broeder niet lief als zich zeiven; hij had, in Christus Jezus, Grod niet lief mot geheel zijn hart en geheel zijne ziel. Hij achtte zich zeiven de eerste te zijn; maar weldra stond hij achter bij den laatste, want hij ging bedroefd treg. Aldus stolt de Zaligmaker het karakter op do proef. Hetgeen zoo schitterde en blonk wordt niot bevonden goud te zijn. Dezes mans groote bezittingen hadden hom zóó in bozit, dat hij nooit zjjne eigene ziel bezeten heeft.

23. En Jezus zeide tot, zijne disci-peten: ]roonva((r ik zeg tt, dat een rijke bcztractrlijk in het koninkrijk der bemeten zat ingaan.

Zonder de genade Gods hebben vveroldsche bezittingen een\'doodelijkcn, verhardenden, belemmerenden invloed op do ziel. Er zijn rijken, die ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar het is zeer moeieljjk, zeer bezwaarlijk voor hen. De verzoeking is, om de rijkdommen over den geest te laten heerschen; en als dat het geval is, dan zal het koninkrijk dezer wereld het koninkrijk der hemelen tegenstaan. Huizen en land, en goud en zilver werken als vogellijm op de ziel, en verhinderen haar in hare vlucht hemelwaarts. Dit is inzonderheid het geval in tjjdeu van vervolging; maar het is ook evenzeer een feit in allo tjjdporken van do geschiedenis der menschheid. Het is merkwaardig, dat dit harde oordeel Christenen gold, want er is geschreven; „Jezus zeide tot zijne discipelen: Voortvaar ik zeg u.quot;

24. En wederom zeg ik n: het is Helder, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk (lods.

Gewichtige woorden worden ingeleid


-ocr page 245-

Iloofclüt. XIX. I DE KONING RHOKI/l\' DE ORDE VAN YOOURANG.

219

door liet gczaghebbondo: Wederom zey ik u. hi dozo verklaring logt do Jleoro liet volle gewicht zjjncr persoonlijkheid. Hij gebruikt een zinrijk spreekwoord, hetwelk volkomen en nauwkeurig beteekent, wat de gewone lezer onder die woorden verstaat. Het hoeft geen zin om naar diepzinnige beelden uit te zien, waar toch do leering van het spreekwoord zoo duidelijk mogelijk is. Hij wilde aantoonen, dat rijkdom eerder eene hindernis dan eone hulpe is voor hen, die het koninkrijk doch willen ingaan, ja zoo groot oene hindernis, dat do zaak zonder de goddelijke tusschenkomst practisch onmogelijk wordt. Een kameel is niet slechts groot, maar hij heeft bulten, hoe kan hij dan heengaan door zoo klein cene opening al* hef ootj eener naald? Zonder een groot, een vreemd en verbazingwekkend wonder zou dit niet kunnen geschieden, en evenmin kan een rijke ine/aan in het koninkrijk Gods, tenzij er een wonder van genade in hom plaats hebbe. Hoe weinigen van de rijken hooren hot evangelie! Zij zijn te groot, te voornaam, zij hebben het te druk, zij zijn te trotsch om op den noderigen prediker van het evangelie dor armen acht te slaan. Indien zij do hemelsche boodschap wellicht toch hooren, dan ontbreekt het hun aan do noodon, en behoeften, en wederwaardigheden, die den mensch er toe brengen om van de tegenwoordige wereld af te zion, en troost te zoeken in do toekomende, en zoo gevoelen zij er dan ook geono behoefte aan om Christus te zooken. Goud en het evangelie gaan zelden samen. Die rijk zijn in deze wereld, zullen het in verre weg do moeste gevallen beneden zich achten om onderdanen te worden van het koninkrijk, waarin do rijkdom bestaat in geloof, on do oor in heiligheid.

Indien do rijken het goddelijk leven beginnen te leiden, hoe moeieljjk is het dan niet voor hen om te volharden in het midden van zorgen, van weelde, van de verzoekingen, die do positie van rijk te zijn medebrongt! Do mooiolijkliodcn zijn ontzettend, als wij denken aan den hoogmoed dos levens, het vleien van rang en aanzien, hot gevaar, verbonden aan hot bezit van macht en invloed, en vleeschelijke gerustheid. En toch! geloofd zij God! wij hebben rijken gezien, die arm van geest zijn geworden. Wij hebben ka-meelen gezien, die niet bulten en al door hot oog dezer naald zijn go-gaan ! En wij hopen nog moor van zulke wonderen der almachtige genade to aanschouwen.

25. Zijne discipelen ?:«, dit hou-rende, werden zeer verdagen, zeggende; Wie kan dan zalig worden?

Zij waren van geene geringe verbazing getroffen. Zjj haddon van hun\' Moester vele verbazingwekkende waarheden gehoord, maar deze overtrof alles, on zjj „werden zeer verslagen.quot; Te voren hadden zij rijkdom beschouwd als een voordeel, en nu oordeelden zij, dat, indien de rijken niet anders dan met de grootste, alles overtreffende moeielijkhoid, zalig konden worden, er voor anno werklieden gelijk zij zolven waren, hoegenaamd geene hoop overbleef. Zij waren gereed to wanhopen, en daarom deden zij don Heore de gansch natuurlijke vraag: Wie kan dan zalig worden ? Zelfs de discipelen on/.es Heeren gevoelden zich door deze duidelijke uitspraak als verbijsterd, zóó moeiolijk is het, om zich van de vooringenomenheid met rijkdom te ontdoen.

2(1. Kn Jezus hen aanziende, zeide tot hen: Bij de menschen is dat onnto-


-ocr page 246-

DE KONING REOHt/r DE OUDE VAN VOORKAN\'O. [Uoofdsi;. XIX.

220

gelijk, maar hij God zijn alle dingen mogelijk.

Jezus hen aanziende. Hij zag hen aan met medelijden on met liefde, en zeide hun, dat God datgene tot stand kon brengen, wat buiten Hem nooit kon geschieden. In te gaan in het koninkrijk, dat is den mensch, zonder hulp van Boven, onmogelijk: de weg zal altijd door do eene of andere zonde versperd zijn. Do zorgvuldigheid dezer wereld, en do verleiding des rijkdoms zijn helaas maar al te stevige slag-boomen voor do ziel, als zij het beproeft om in te gaan in de stad der heiligheid; maar God kan deze slagboomen wegnemen en do ziel in staat stollen om in te gaan door de enge poort. Hij kan zaligtnaken. Bij God zijn alle dingen mogelijk. Welk eene vreugdevolle waarheid voor den schrijver on don lozer! Als wij op onze eigene zwakheid zien en op de macht der zonde, dan is onze zaligheid hij de mensehen onmogelijk. Alleen wanneer wij ons tot God en zijne genade wenden, is de zaligheid mogelijk geworden.

Op do Ijjst der aspiranten voor hot koninkrijk wordt de rijke door onzen llocro niet bovenaan, maar onderaan geplaatst.

lleere, mijne hope van in uw koninkrijk gevonden te zullen worden, is gelegen in uwe macht en genade, en niet in mijne bezittingen!

27. Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Zie, uij hebben (dies verlaten, en zijn u gcrolgd: wat zal ons dan geleerden.

Hier is nog iemand, dio aanspraak maakt op eene plaats vooraan. Toen antwoordde J\'etrus mot nog eene vraag, die, naar hij dacht, noodig was tot yolledige bespreking van dit onderwerp.

Petrus spreekt voor zijne broodoren: „Zie, uij hebben alles verlaten, en zijn u gevolgd;quot; Wat do rijke jongeling weigerde te doen, dat hebben wij gedaan: „Wat zal ons dan geworden?quot; Uij sprak als do vertegenwoordiger van een aantal personen, dio om den wille des koninknjks arm zijn geworden: gewis, aan dezen moot oen groot loon worden toegekend. Weinig als deze eerste goloovigen hadden te verlaten, was het toch hun al, en dat hadden zij verlaten om Jezus te volgen: Petrus zou gaarne hooren wat loon hun wachtte. Wat Petrus zeide, was waar; maar liet was niet verstandig gesproken. liet heeft een zelfzuchtig, inhalig aanzien, en het is in zulke naakte bewoordingen geuit, dat het in dien vorm van geen\' dienstknecht dos Hoeren had moeten komen. Wat hooft iemand onzer met dat al voor Jezus to verliezen, dat de vergelijking kan doorstaan met hetgeen wij door Hom gewinnen? „Wat zal ons geworden?quot; is eene vraag, dio wij niet behoeven op te werpen, want wij behoorden veeleer te denken aan hetgeen wij roods uit des I roeren hand hebben ontvangen. Hij zelf is loon genoeg voor do ziel, dio Hem bezit.

28. En Jezus zeide tot hen: Faor-waar ik zeg n, dat gij, die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensehen zal gezeten zijn ojt den troon zijner heerlijkheid, dat gij ooh zult zitten op twaalf tronen oordeelenden de twaalf geslaelden Israels.

Onze Hoore beschouwt Petrus als don woordvoerder van allen, en daarom was zijn antwoord gericht tot allen: „Jezus zeide tot hen.quot; Hun vragenden, twijfelenden gemoedstoestand bemerkende, begint Iljj met „Voorwaar ik zeg u.quot; Mot nedorbuigendo goedheid


-ocr page 247-

rioofdst. XIX.] DE KONING KEGELT DE ORDE VAN V00RKAN6.

221

gaat Hij in op hunne wel ietwat zelfzuchtige vraag. Zij behoefden niet te twijfelen, of er zou eene ruime en volle belooning wezen voor hen, die Hem hadden gevolgd. Zijne eerste aanhangers zouden een\' hoogen rang bekomen, en zouden ten dage zijner verhooging als assessoren met den groeten Rechter zitting hebben. Zij, die gedeeld hebben in zijne vernedering, zullen ook deelen in zijne heerlijkheid.

Als onze lleere zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dan zullen alle dingen nieuw gemaakt zijn. Die bedeeling zal genoemd worden de weder-geboorte. Dan zal onder hunne mede-genooten van de twaalf stammen Israels de hoogste eer toegewezen worden aan de twaalven, die Jezus zijn gevolgd, en daarvoor alles hebben verlaten.

20. Kn zoo wie verlaten zal hebben h uizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijns naams wil, die zal honderdvoud ontvangen en het eeuwuje leven beërven.

Niemand zal er op den hingen duur bij verliezen, dat hij den Heere Jezus gevolgd is. Zoo ivie, dat is: een iegelijk, die kloekmoedig do gemakken en genoegens van dit leven om Christus wil heeft verlaten, zal een honderdvoudig loon ontvangen. Onze lleere vergoedt de vervolgden alles, waarvan zij om zijnentwil afstand hebben moeten doen. Ballingen voor de waarheid hebben een\' vader en broeder gevonden in ieder Christen: eene moedor en eene zuster in iedere heilige vrouwe. Door ons zijne eigene liefde te geven en de liefde onzer medechristenen, geeft onze lleere eene honderdvoudige vergoeding aan hen, die om zijnentwil vrouw of kinderen hebben moeten verlaten. Als zij gastvrij onthaald en geherbergd worden door liefderijke brooderen, dan hebben de heiligen in hunne verbanning in zeker opzicht huizen en land terug ontvangen. Om overal te huis te zjjn, dat is eene groote winsto, al zouden wij dan ook om Cliristus wil van onzen geboortegrond verbannen zijn. Bovenal: in God hebben wij een honderdvoudig loon voor alles wat wij bij mogelijkheid voor zijne zaak kunnen verliezen, en dan wordt ons nog het eeuwige leven geschonken, hetwelk geene huizen of bezittingen ons zouden hebben kunnen verschaffen. In dit geloof zien wij uit naar de regeering der heiligen, wanneer zij zelfs hier het aardrijk zullen beërven en zich zullen verheugen in overvloedigen vrede. En bovendien blijft er, als er geen tijd meer zijn zal, eene eindelooze zaligheid, want wij zullen het eeuwige leven beërven. O dat wij nooit aarzelden om met blijdschap voor Jezus verliezen te willen lijden! Zij die voor Christus alles verliezen, zullen in Christus alles vinden, en met Christus alles ontvangen.

80. Maar vele eersten zullen de laaiden zijn, en vele taatsten de eersten.

Aldus vat de lleere zijne rede samen met betrekking tot de rijken, en geeft Hij ons deze leerspreuk, die Hij reeds verklaard en opgehelderd heeft, en naderhand in het zestiende vers van het volgende hoofdstuk zal herhalen. Wij zien hier onzen Koning, do inon-scheljjke positie regelende, gelijk zij gezien wordt van zijn\' troon. Voor zijn oog zjjn vele eersten de laatsten, en vele laatsten de eersten, en naar deze goddeljjke orde zal Hij den men-schen in zijn koninkrijk hunne plaats aanwijzen.


-ocr page 248-

222 EGNK GBfiUKENIS DES KONINKRIJKS. Illüofdst. XX,

IIOOPDSÏU [Eene gelijkenis

1,2. If r(int het koninkrijk der hemelen itt gelijk een\'1 heer des huizes, die met den morgenstond nitginy, om arbeiders te huren in zijn\' wijngaard. F.n als hij niet de arbeiders eens geworden was voor een\' penning daags, zond hij ze henen in zijn\'\' tvijngaard.

Het koninkrijk der hemelen is goliool uit genade, en dat ia ook de arbeid, die er aan verbonden is. Dit moet bij de verklaring dezer gelijkenis in gedachten worden gehouden. De roeping tot arbeid, de bekwaamheid en het loon zijn allen uit het beginsel der genade en niet der verdienste. Dit was hier geen gewoon heer des huizes en zijn uitgaan om arbeiders te haren in zijn\'1 wijngaard was niet naar do gewoonte der menschen, want dezen eischon een\' vollen dag werk voor een vollen dag loon. Deze heer des huizes dacht meer aan de arbeiders dan aan zich zeiven. Hij was op, vóór dat de dauw nog van hot gras was, en vond arbeiders, en zond ze lie)wn in zijn\' wijngaard. Het was een kostelijk voorrecht, om aldus met den morgenstond don heiligen arbeid te mogen aanvangen. Zij teerden eens met den heer des huizes, en begaven zich op zijne voorwaarden aan het werk. Zij konden ook wèl tevreden zijn, daar hun een vollen dag loon was toegezegd, en zij er zeker van waren het te zullen ontvangen: een penning des daags was hot gewone en algemeen aangenomen loon. De heer des huizes werd helmet de arbeiders eens omtrent dit bedrag, en dit is het punt, waarop later gelet dient te worden. Jonge geloovigen hebben een zalig vooruitzicht: zij kun-

K XX. 1—10.

des koninklijks.]

non wel gelukkig zijn daar zjj een goed werk doen, in eeno goede plaats, l voor een\' goeden Meester, en op goede voorwaarden.

4. En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt; en hij zeide tot hen: Gaat gij ook henen, in den wijngaard, en zoo wat recht is zal ik u geven. En zij gingen.

Ledigheid hatende, en er smart over gevoelende, dat hij anderen zag, ledig staande op de markt, huurde hij omtrent de derde ure nog meerdere arbeiders, Zjj konden slechts het drie vierde van den dag arbeiden, maar het was voor hun bestwil om niet langer op straat te staan beuzelen. Dezen zijn als menschen, wier jeugd voorbij is, maar die toch nog niet oud zijn. Zij hebben het voorrecht van nog een goed deel van hun\' levensdag vóór zich te hebben om in heiligen arbeid te besteden. Tot dezen zeide de goede heer des huizes: „Gaat gij ook henen in den wijngaard, en zoo wat redd is zal ik a geven.quot;

Hij wees op hen, die zich reeds in den wijngaard bevonden, en zeide: „Gaat gij ook;quot; er. hjj beloofde hun, geen bepaalde som, gol[jk hij de anderen beloofd heeft, die hij het eerst had gehuurd, maar „zoo wat recht isquot;, zeide hij, „zal ik ii geven.quot; Zij gingen aan den arbeid; want zij wilden niet langer ledig staan, en als welgezinde lieden, konden zij do schikking van den heer des huizes niet onbillijk vinden, om hun te geven wat recht was. O dat zjj, die ons omringen, en die tot den inannelijken leeftijd zijn gekomen, ter-


-ocr page 249-

KKNE GELIJKENIS DES KONIXKUIJKS.

lloofdst. XX,]

223

stond huuno goreedschappcn wildon opnemen en hun\' lleorc begonnen te dienen!

5. Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en de negende are, deed hij desgelijks.

Ware dit geheel en uitsluitend eene aangelegenheid geweest van gewoon zaken doen, dan zou do heer des huizes gewacht hebben om een\' nieuwen dag te beginnen, en dan zou hij geen vollen dag loon voor slechts een gedeelte van een\' dag werk betaald hebben. Do geheele zaak betrof alleen genade, toon daarom do halve dag voorbij was, omtrent de zesde ure, riep hij nog meerdere arbeiders. Menschen van veertig of vijftig jaar worden uitgenoodigd om in den wijngaard te komen. Ja, en ook omtrent de negende ure werden er nog arbeiders aangenomen. Door zijne genade roept Hij menschen, dio reeds zestig jaren oud zijn! Het is verkeerd om te beweren, dat de menschen na hun veertigste jaar niet meer behouden worden; wij weten hot tegendeel, en zouden de voorbeelden kunnen noemen, in do grootheid zijner liefde roept God menschen tot zijn\' dienst, uit wie de overvloedigheid van kracht reeds geweken is; 11 jj wil ook de afnemende uren van don dag nog van ons aannemen, lljj heeft werk voor de zwakken, zoowel als voor de sterken. Hij laat niemand voor zich arbeiden zonder het loon der genade, al hebben zij ook het beste deel huns levens doorgebracht in de zonde. Ditisgeene aanmoediging om hot in dienst treden uit te stellen; maar wel om vergrijsde zondaren er toe te brengen den Heere terstond te zoeken.

(!, 7. En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig

| staande, en zekle tot hen\'. Wat staat gij hier den geheelen dag ledig? Zij zeiden tof hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ! ook gij henen in den wijnguard, en zoo wat recht is zult gij ontvangen.

De dag was bijna teneinde; er was nog slechts één enkel uur van over: en toch! omtrent de elfde ure. ging hij nog uit. De edelmoedige heer des huizes was bereid om nog meer arbeiders aan te nemen, en hun het loon te geven, ofschoon de zon al onderging. Hij vond nog eene groep bij den Leeg-loopers Hoek — ledig staande. Hjj wenschte do geheele stad van die lodig-gangers te bevrijden, en daarom zeide hij tot hen: „ \\V(d staat gij hier den geheelen dag ledig?quot; Men kan zijne vraag zóó lozen, dat op elk der woorden beurtelings de klemtoon valt, en dan is zij vol van beteekenis. Wat staat gij hier ledig? Waartoe is dit nut? Wat staat gjj hier ledig, waar iedereen de handen vol works heeft? Wat staat gij den (jeheden dag ledig? Is oen korter tijdsbestek niet voldoende? Wat staat gij ledig? Gij hebt het noodig te arbeiden, gij zjjt er toe in staat, en gjj behoort dus terstond te beginnen. Waarom is iemand onzer ledig blijven staan voor God? Was er nog niets, dat de kracht had om ons voor zoo heilig een\' dienst aan te werven? Durven wij zeggen: „Omdat ons niemand gehuurd heeftquot;? lijjna zeventig jaren oud en nog niet verlost! Laten wij toch nu opstaan en aan het werk gaan. Hot is tijd, dat wij zonder een oogen-blik langer uit te stellen, heengaan en hot onkruid uitrooien, de wijnranken snoeien, iots doen voor onzen Heere in zijn\' wijngaard. Wat anders dan groote, rijke genade kon Hem er toe brengen om deze lediggangers nog ter elfder ure aan te nomen? Toch noodigt


-ocr page 250-

ÊENE QI5LIJKRNÏS HES K0NINKR1JKS.

[IToofdst, XX.

Hij hen mot oven veel aandiang als lion, die in den morgenstond kwamen, on hij zal hun ook even gewis hun loon geven.

8. AU het nu avond geworden was, zeide de heer den icijmjaards tot zijn\' rentmeester\'. Roep de arbeiders, en (/erf hun het loon, beginnende van de laat-sten int de eersten.

Do dagen gaan spoedig voorbij en voor al do arbeiders toas het nu avond geworden. Dat was de betaaltijd, en de heer des wijngaards vergat zijne overeenkomst niet met de arbeiders, en evenmin heeft hij hen op hun loon laten wachten. Onze Iloere zal niemand van zijn loon berooven. De heer des huizes in deze gelijkenis geeft overal zelf acht op. Hij huurt do arbeiders; hij geeft order om hen te betalen. Terstond zegt hij tot zijn1 rentmeester: „Roep de arbeiders en geef hun het loony Wij zullen, een iegelijk onzer, geroepen worden om, als onze dag voorbij is, ons loon te ontvangen. Zalig zijn wij, dat wij reeds geroepen zijn tot den arbeid in den wijngaard, de tweede roeping om ons loon te ontvangen is ons zeer welkom.

Do heer des wijngaards, wiens wijze van handelen bjj het huren volstrekt niet het gewone doen was, had ook eene zeer eigenaardige wijze van betalen. Hij regelde het zoo, dat zij, die het eerst kwamen, hot laatst betaald worden; hetgeen bij de menschen gemeenlijk niet aldus toegaat. Het was geene handeling zooals men dit gewoonlijk in zaken ziet: zooveel om zooveel; neen, het was eene tentoonspreiding van vrije gunst, en zoo zien wij de groote hoedanigheid der vrijmacht zelfs in de order voor betaling „beginnende van de laatsten tot de eersten\'\'1. De Heere zorgt er voor dat in do handelingen zijner genade zijne vrijmacht zoo wol als zijne goedheid uitkomt.

9. Km als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij een1 penning.

Onzes Hoeren betaling is geen loon van verdienste, maar oene gave zijner goedheid. Hij betaalde naar don maatstaf der genade, en niet naar die der verdienste. Hij begon op edele wijze. Aan hen, die ter elfder ure waren beginnen te werken, gaf hij iedereen\' penning. Hier was dus een volle dag loon voor het werk van een uur. Daarin werd dc oneindige goedheid van den heer des wijngaards tentoongespreid. Dat sommigen, die den Heere slechts een\' zeer korten tijd hebben gediend, hen hebben geëvenaard, ja zelfs overtroffen, die reeds gedurende vele jaren goloovigen zijn geweest, is duidelijk, want vele korte, maar gezegende, levens getuigen het. Op lateren leeftijd bekeerd, hebben zij zich buitengewoon bevljjtigd, waren zij gansch vol van toewijding, en zeer heilig, en aldus hebben zij zeer snol hot volle resultaat verkregen der genade. God zal ook hen in do hemelsche heerlijkheid doen ingaan, die zich op het laatste oogonblik pas tot Christus wenden. Heeft onze Heere niet zelfs tot den stervenden moordenaar gezegd: „Heden zult gij met mij in het paradijs zijnquot; ? Tot wat betere plaats zou een eerwaardig heilige hebben kunnen gebracht worden? O hoe groot is de rijkdom van Gods genade!

10. En de eersten komende, meenden, ded zij meer ontvangen zouden; en zij zeiven ontvingen ook elk een\' penning.

Die eersten voelden zich wellicht ge-


-ocr page 251-

BENE UEtJJKKNIS DEH KONINK1UJKS

Hoofdst. XX.]

225

krenkt in hunne ijdollioid door gelijke betaling te ontvangen als de anderen. Zij hebben hun\' wachttijd gebruikt, voor hot overdenken van hunne meerderheid boven do laatst aangekomeuen. Gansch vol van wettische beginselen, verzetten zij zich tegen de vrijmacht der genade, en, voor zooveel liot deze zaak gold, kwamen zjj innerlijk ook tegen de gerechtigheid in opstand. Zij, die de ééne hoedanigheid Gods ongenegen zijn, hebben ook de anderen niet liet\'. Vroeg of laat zullen zij, die tegen de vrijmacht woeden, ook de gerechtigheid weerstaan. Zij hadden, wat hun was toegezegd; wat wilden zij meer? Er was hun een billijk loon uitbetaald: zij ontvingen elkeen\'\' penniny. Wat konden zjj meer verwachten? Maar zij meenden — daarin lag do nioeiehjkheid. Zij hadden eone theorie staande te houden, eene veronderstelling waar te maken, en nu waren zij gegriefd, omdat hunne mceniog zich niet tot feit ontwikkelde. God wil zich door onze meeningen niot laten binden, en wij bedriegen slechts ons zeiven, als wij in den waan verkeeren, dat 11 ij dit wèl wil.

11, 12. Fm dien ontvanyen hebbende murmureerden zij tegen den heer des huizes, zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.

Niet zoodra was de penning in hunne hand, of er was murmureeringin hun\' mond. Het was een billijk loon, een loon, waarover zij het eens waren geworden, en toch, dien (penning) oiit-vangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes. Zijne cenig denkbare fout bestond hierin, dat hij een goed man was, hjj was te goed voor die slechts-éón-uur-arbeiders. Dikwijls gebeurt het. dat de ITeere die men-schen grootehjks zegent, wier levens-tijd om te werken kort is, en zelfs ook diegenen, die pas op laten leeftijd bekeerd werden. Hij meet het werk niet af, gelijk wij het afmeten, bij de roede, of bij het uur. Hij heeft zijne eigene genadige manier van den arbeid te schatten, en do berekening der genade is anders dan die van de wet.

Op het gezicht van groote genade worden afgunstige harten verzuurd. De murmureerdei\'s zeiden niet, dat de grootmoedige hoor hen had verlaagd of te kort gedaan, maar dat hij andoren te veel had bevoordeeld, die maar één uur hebben gearbeid. Hunne klacht was: „gij hebt ze ons gelijk gemaakt.^ Hiervoor heeft hij zijn eigen geld gebruikt naar het hom behaagde, evenals God ook naar zijn eigen welbehagen genade geeft. Hij is voor niemand onrechtvaardig, maar in de gaven zijner milddadigheid wil Hij zich door onze denkbeelden van recht en billijkheid niet laten binden. Indien hun hart op de rechte plaats ware geweest, dan zouden zij zich verheugd hebben, dat zjj in staat waren om hem een vollen dag werks te leveren, daar zjj den last des daags en de hitte gedragen hebben.

In elk geval is het een groot voorrecht om den Heere gedurende een lang leven te dienen, en zij, aan wie dit hooge voorrecht te beurt valt, zijn der genade Gods zeer veel verschuldigd. Geloofd zij onze hemelsche Vader, sommigen van ons zijn vanonzejeugd af zijne dienstknechten geweest, en hebben om zijns naams wil gearbeid; maar hierin verheugen wij ons grootehjks, hierin verheerlijken wij zijn\'naam.

13. Docli hij, antwoordende, zeide tot eenen van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een1 penning ?


15

-ocr page 252-

KKNU GKLUKKNIS DUS K\'ON\'INKU1.IICS.

[lloofdst. XX.

22«

Hij begaf zich in goou twist met het gansche gezelschap; hij iintwoordde en zeide tot eenen van hen, hetgeen volkomen genoeg was. Zjj waren persoonlijk gehuurd, en persoonlijk redeneert hij met hen. Het was een kalm en verstandig antwoord: „Vriend ik doe u geen onrecht.\'\'\'\' Indien de Heere ons genadiglijk beloont voor hetgeen wij doen, dan geschiedt ons geen onrecht, omdat een ander, die minder heeft gedaan dan wij, toch een zelfde loon ontvangt. Op deze vraag, die op kalmen toon en op den man af gedaan werd, moest hij hot antwoord schuldig blijven. „Zijt (jij niet met mij eens geworden voor eeri penning?quot; Toch zal de wettische geest zich willen doen gelden ook met betrekking tot werk, dat geheel en al uit genade is. Zelfs onder des Vaders ware zonen, zal de oudste broeder door den vreemden geest worden bevangen. Niemand onzer is er geheel vrjj van: zij schijnt onzer hoogmoedige natuur als ingeschapen; en toch is er niets dat meer onliefelijk of onredelijk is.

14, 15. Neem het uwe en ga heen. Ik wil dezen laaiden ook geven, gelijk als n. Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne, ivat ik wil? Of is mv oog boos, omdat ik goed hen?

De grootmoedige man blijft bij zijn besluit van milddadig te zijn. Uij wil zich door geene afgunstige tongen laten weerhouden van wèl te doen. Wat hij geeft, is het zijne, en hij handhaaft zijn recht om met hot zijne te doen wat hij wil. Dit is eene schoone voorstelling van de vrijmacht der goddelijke genade. Een iegeljjk zal ontvangen, alles, waarop hij aanspraak heeft. „Neem het uwequot;, en dit genomen hebbende, moet hij tevreden wezen. „Ga heenquot;. De Heere wil zich niet door onze reglementen laten regeeron, maar verklaart : „Ik wil dezen laatst en ook geven, gelijk als Het is eene groote, neder-buigende vriendelijkheid van hem, dat hij nog een woord wil zeggen ter verdediging van zijne zoo uiterst gepaste en redelijke handelwijze: Is het mij niet geoorloofd te doen niet het mijne wat ik wil ? Indien genade des Heeren is, dan mag Hij haar schenken aan wien het Hem behaagt; en indien het loon van Hem te dienen geheel uit genade is, dan mag do Heere dat loon toobedeelen al naar het Hem goeddunkt. Wees er ook van verzekerd, dat Hij dit doen zal. In woorden des donders zegt Hij, beide onder de wet en onder het evangelie: „Ik zal Mij ontfermen diens ik Mij ontferme, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.\'\'

Dat was eene vraag op den man af, eene vraag, die tot het geweten sprak van al deze murmureerders: „Js uw oog hoos omdat ik goed hen?quot; Maakt het u afgunstig als gij ziet, dat anderen van mijne goedheid genieten? Als ik goed bon voor hen, die dit zoo weinig verdienden, berooft dit u van het goed, dat ik u geschonken heb ?

Laat ons nooit hen, die op lateren leeftijd bekeerd werden, hunne blijdschap benijden, of hunne gave om voor anderen wat te wezen; juich veeleer over de vrijmachtige genade Gods, die hen zoo ruimschoots heeft gezegend. Wij deolon mot hen in de genade; laat ons hun dan ook een gelijk deel gunnen in de blijdschap.

IC. Alzoo zullen de laalsten de eersten zijn, en de eersten de laalsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Hier herhaalt onze Heere zijn vermaard gezegde, dat wij in hoofdstuk XIX vers 30 hebben opgemerkt, en


-ocr page 253-

DE ItONlNG OP WEG NAAR llKT ItliUlS.

Hoofdst. XX.]

227

doet ons weten, dat in het koninkrijk der hemelen de voorrang is naar de orde der genade. In zijn eigen hof wil do Koning regeeren, en wie zal zjjn\' wil betwisten? Daar Hij Koning is, is het zijn recht om te heerschen. Trouwe onderdanen zjjn altijd bereid om hun\'vorst te steunen. Onze Koning heerscht door genade, en kan geen kwaad doen. Van David werd gezegd: „Alles, zoo als de koning gedaan had, was goed in de oogen van het gausche volk.quot; Laat dit ook waar zijn van den Zone Davids en zijn volk. Jezus zegt ons, dat, terwijl vele menschen tot dienen geroepen zijn, weinigen slechts hot hooge standpunt bereiken van uit-gelezene menschen te zijn. Sommigen van de laatsten zullen de eersten zijn, want in hunne korte ure des dienens wordt overvloedige genade tentoongespreid; maar sommigen van de eersten zullen de laatsten zijn, want gedurende hun langoren dag zijn zij niet altijd naarstig geweest, en zoo blijven zij achter in den wedloop, of wel zij worden van wege hunne wettische denkbeelden ver achter gesteld bij hen, die op lateren leeftijd geroepen zijn, maar in de beginselen dor goddelijke genade beter waren onderwezen.


IIO O F D S ï U K XX. 17—28. [De Koning\' op weg: naar het kruis.]

17—19. En Jezus, opgaande naar Jeruzalen, nam tot zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den over-priesteren en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen; en zij zullen hem den Heidenen overleveren, om hem te bespotten, en te geeselen, oi ten derden dage zal hij weder opstaan.

Opgaande naar do schuldige hoofdstad, ging Jezus met vastberaden, krachtigen stap zijne sidderende discipelen vooruit, die voorzagen, dat er een ontzettend treurtooneel zou volgen. Zij gingen met Hem, en dat was iets, want het toonde, dat zij, indien ook bloohartig en bevreesd, toch oprecht waren. Zijne woorden waren waar en van groote beteokenis: „Ziel, wij gaan oj) naar Jeruzalem.quot; Hij achtte het verstandig.

om hun nogmaals van do donkere toekomst te spreken, die thans mot rassche schreden naderde, en zoo „nam hij tot zich de ticaalf discipelen alleen op den weg.quot; Dat is do kostelijkste gemeenschap, als Jezus zelf ons alleen neemt. Hij kont den geschiktsten tijd voor de volste openbaringen. Het is mogelijk, dat zijne menschelijke ziel hierin gemeenschap en medegevoel zocht; maar hoe weinig vond Hjj die onder zijne zwakke volgelingen! lloere, als Gij mij alleen neemt, zoo bereid mjj toe voor volle gemeenschap, opdat mij do gouden gelegenheid niet ontglippo!

Hot hart van Jezus was vol van zijne offerande. Merk op, hoe Hij bij do bijzonderlieden verwijlt van zijn Ijjden, zijn\' dood en zijne opstanding. Hij gebruikt ongeveer dezelfde termen en bewoordingen, als toen zij nog in Galilóa waren. Wij hebben die verklaring opgemerkt, toen wij haar lazen


-ocr page 254-

DE KONING 01\' WHO NAAK IIKT KRUIS.

[Iloof\'dst. XX

228

in vors 22 van hoofdstuk XVII, en hier hebben wij eene tamelijk gelijkluidende herhaling er van. liet was een te ernstig onderwerp om er verscheidenheid van uitdrukkingen voor te gebruiken. Hij maakt hen opmerkzaam op het feit, dat zij opjinjen naar Jeruzalem, de plaats der offerande. De reize waarop Hij zijne grootste smart zou hebben te verduren, was nu aangevangen: het einde nabij. Welk eene felle pijn moot Hjj gevoeld hebben in zijn hart, toon Hij zeide: „De Zoon des menschen zal overgeleverd worden^! en dit zeide Hij in de tegenwoordigheid van den discipel, die Hein zou verraden. Hom zou overleveren. Is er in diens slecht, verachtelijk hart toon geen gevoel van berouw opgekomen!-\' Do twaalven wisten, dat Jezus goeno wreeder vijanden had dan „de overpriesteren en schriftgeleerdenquot;, de mannen van hot Sanhedrin. Dezen zullen, na Hem voor do leus een gerechtelijk verhoor te hebben doen ondergaan, „ter dood veroordeelenquot;, Hoe nauwkeurig beschrijft de Heere hunne wijze van handelen met Hom! Gocnc enkele van de zoo schandelijke bijzonderheden ziet Hij voorbij. Hij zegt, dat zij Hem den Ilomeinen zullen overleveren „om hem te bespotten, en tegeeszlen, en te kruisigen.\'quot; Hier waren drie scherpe zwaarden; men weet nauwelijks welk van do drie het scherpst was. Ons hart moest wegsmelten van smart als wij denken aan deze drievoudige foltering: bespotting, wreedheid, dood. Onze gezegende Moester heeft er echter oen woord bjjgevoegd, dat de bitterheid dier doodclijke teuge wegnam. Hier was de schitterende rand van de donkere wolk : „ Ten derden dage zal hij weder opstaan.quot; Hierdoor werd oen stroom van licht uitgestort op hetgeen anders een zevenvoudige middernacht zou zijn geweest.

Heeft do Heere aldus verwijld bij zijn Ijjden, en zullen wij dit dan niet doen? O gewis! hot behoort levenslang het thema onzer prediking te wezen. Te dezer uro van verzaking en ontrouw zegt men: „Donk veeleer aan zijn loven dan aan zijn\' dood;quot; maar wij zullen ons niet door hen laten misleiden. „Wij prediken Christus, den gekruisigde.quot; „Het zij verre van mij, dat ik zoude roemen, anders dan in het kruis onzes Hoeren Jezus Christus.quot;

20, 21. Toen kwam de moeder der zonen van Zebedéüs tot hem met hare. zonen, hem aanbiddende, en begeerende wat van hem. Kn hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot hem: Zeg, dat deze mijne twee zonen zitten mogen, de een tot litre rechter- en de ander tot uwe linkerhand in uw koninkrijk.

Terwijl Jezus nog geheel vervuld was van zijne vernedering en zijn\' dood, dachten zijne volgelingen aan hunne eigene eer en hun gemak. Helaas! arme menscheljjke natuur! De moeder der zonen van Zebedéüs sprak slechts uit wat anderen gevoelden. Mot de liefde eenor moeder begeerde zij grootheid en rang, ja voorrang, voor hare zonen; maar hot feit, dat dit aan do andore discipelen mishaagde, toont, dat ook zij eerzuchtig waren. Ongetwijfeld hebben zij zolven do plaats wenschen in te nemen, waarom de moeder van Jakobus on Johannes voor hare zonen vroeg. Eerbiedig naderde zij don Heere, „hem aanbiddende.\'\'\'\' Toch kon Christus, zonder dat zij hot nader aanduidde, haar verzoek niet toestaan; „fe/ee/ m/e wat van hem\'\'\'\'

Onze Heere geeft ons hier\'net voorbeeld van nooit iets zoo maar vootstoels te beloven. „Hij zeide tot haar: Wat wilt gij?\' Weet, wat gij belooft, vóórdat gij belooft. Groot was het geloof dezer


-ocr page 255-

Hoofd St. X_X. I DE KONING 01\' WKÖ NAAK HUT KRUIS.

229

vrouw in des Hoeren eindoverwinning en in zijne troonsbestijging, daar zij die zóó zeker acht, dat zij bidt, dat hare twee zonen aan zijne rechter en zjjne linkerhand zullen mogen zitten. Wist zij, wat onze Ileere aan zijne discipelen had medegedeeld? Wij zijn half geneigd dit te denken, want de woorden luiden: „ Toen kwam de moeder der zonen van Zebedéiis tot hem. Indien zij wist wat er voorafgegaan was, en het begreep, dan wilde zij, dat hare zonen het lot vau Jezus zouden deelen, beide zijn kruis en zijne kroon, en dit stelt hare bode dan in een helder, schitterend licht. Toch was er ook veel van de partijdigheid der moeder in haar verzoek. Zie, hoe zij spreekt van „deze mijne twee zonen;\'quot; hare wijze van handelen is ook niet geheel vrij van hoogmoed. Hoe grootsch beschrijft zij de begeerde positie — „mogen zitten, de een tot uwe recliter- en de ander tot nwe linkerhand in uugt; koninlcrijklquot; Zij had ongetwijfeld zeer grootsche denkbeelden van hetgeen dit koninkrijk ten laatste worden zou. Hoe dit zij, er was blijkbaar veel vertrouwen in haar verzoek, en veel trouwe, aanhankelijke eenheid met Christus, al was er dan ook wel ietwat zelfzucht in. Haar behoeven wij niet te laken, maar wel mogen wij ons zeiven onderzoeken, of wij oven hooge gedachten van onzen Heere koesteren als zij.

22. Maar Jezus antwoordde, en zeide: Gijlieden weet niet, wat gij he-(leert; kunt (jij den drinkbeker drinken, dien ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede ik gedoopt worde? Zij zeiden tot hem : U\'ij kunnen.

De bede der moeder was ook die der zonen; want Jezus antwoordde en zeide: „Gijlieden weet niet irat gij begeert.quot; Van do zijdo der moeder was hot verzoek waarschijnlijk van betere hoedanigheid dan van de zijde der zonen, want de Heere spreekt eerder tot hen dan tot haar. Zij hadden het verzoek gedaan door hunne moedor, maar hebben hot wellicht in grooter onwetendheid gedaan dan zij, on indien zij geweten hadden wat hun verzoek inhield, dan zouden zij hot wellicht nooit gedaan hebben. Hoe dit zij : onze Heere beschouwt de bode moer als komende van hen dan van hunne moeder, cn daar zij hen zelven betrof, vraagt Hij hun, in hoever zij bereid waren de gevolgen er van te aanvaarden. Nabij den troon des Konings te wezen, dat bracht gemeenschap voor hen mode in zijn lijden en in zijns zelfs offerande, waardoor Hij zjjn geos-teljjk koninkrijk oprichtte. Waren zij hiertoe bereid? Haddon zij kracht om tot don einde toe te volharden ? „ Kunt gij den drinkbeker drinken, dien ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede ik gedoopt worde?quot; Zij zeidon tot hem: „Wij kunnen.quot; Dit was wellicht eon te haastig antwoord ; en toch kan het op dat oogen-blik wol hot boste geweest zijn, dat zij kondon geven. Indien zij op den Heere alleen zagen, om van Hom kracht te verkrijgen, dan waren zij door zijne genade in staat om alles te dragon. Maar terwijl zij dachten aan zijn\' troon, hebben zij zich toon ook den drinkbeker herinnerd on den doop, zonder welke er geeno blijdschap des konink-njks zijn kon?

23. En hij zeide tot hen: Mijn1 drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot mijne rechter-, en tot mijne linkerhand staat bij mij niet te geren; maar het zal gegeven worden dien het bereid is van mijn1 Vader.


-ocr page 256-

DE KONING 01\' WHO NA.Ul MET KRUIS.

[Hoofdst. XX.

230

Do verzekering hunner bereidvaardigheid hoerende, om in alles gemeen schap met Hem te hebben, verklaart onze Heero, dat Hij niet weigert met hen verbonden te zijn; maar Iljj wijst hen op liet onmiddeljjk en ontwijfelbaar gevolg dier gemeenschap. Waar wij ons voor het oogenblik mede bezig hebben te houden, is niet om naar een\' hoogen rang te streven in het koninkrijk, maar om gelaten en onderworpen den lijdensbeker te drinken, en ons in de diepte der verootmoediging te begeven, die do ITeere voor ons bestemd heeft. Het is eene groote eer, als bet ons vergund wordt te drinken van zijn\'\' drinkbeker en met zijn\'1 doop gedoopt te worden: dit schenkt n.j aan zijne geloovige discipelen. Deze gemeenschap is het wezen des geestelijken koninklijks. Indien onze beker bitter is, het is zijn drinkbeker; indien onze doop overstelpend is, het is de doop, waarmede Hij cjedoopt is, en dit maakt den beker zoet, en voorkomt dat de doop eene doodelijke overstelping wordt. Ja voorwaar, het feit, dat het zijn drinkbeker en zijn doop is, maakt ons deelen er in tot eene eer, die ons door genade wordt geschonken.

Andere belooningen des koninkrjjks worden niet willekeurig toegestaan, maar op gepaste, voegzame wijze geschonken. Jezus zegt, dat de hooge plaatsen in het koninkrijk gerjeven zullen ivorden dien het bereid is ran zijn\'\' Vader. Hij aarzelt niet in zijn spreken van hetgeen zijn Vader heeft „bereidquot;. In onzes Heeren koninkrijk is alles bestemd en geordend door God; aan toeval of noodlot is niets overgelaten.

Zelfs Jezus wil zich niet mengen in het goddelijk bestel, betreffende zijn koninkrijk. Hij mag als vriend niet worden aangezocht om zijn\' veronderstelden invloed te gebruiken, teneinde in de beschikkingen dor oneindige wijsheid veranderingen te brengen. De eeuwige voornemens moeten op het verzoek van onberaden discipelen niet worden gewijzigd. In zekeren zin is het Jezus, die alles geeft, maar als Middelaar komt Hij niet om zijn eigen wil te doen, maar den wil desgenen, die Hom gezonden heeft, en zoo zegt Hij dan met juistheid en nauwkeurigheid van allen rang en plaats in zijn konink-rjjk: het staal bij mij niet te geren. Hoe volkomen heeft de Heere om onzent-willo eene nederige plaats ingenomen. In dit zich ontdoen van gezag, geeft Hij ons eene stille bestraffing voor ons zoeken van ons zeiven. Het kan wezen, dat Jljj niet slechts bedoelde de moeder der zonen van Zebedóiis te berispen, maar al .de discipelen, die altijd groote dingen zochten voor zich zei ven.

24—20. Kn als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders. Kn als Jezus hen tot zich geroepen had, zeide hij: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de grnoten gebruiken macht over hen; doch alzoo zal het onder 11 niet zijn, maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar.

Het was natuurlijk dat de poging der zonen van Zebedóiis om den voorrang boven hen te verkrijgen, den anderen apostelen niet geviel. quot;Wij hebben nooit gehoord, dat zij do voorkeur, die onze Heere aan Petrus, Jakobus en Johannes schonk, kwalijk hebben genomen; maar als twee van dozen voorrang zoeken voor zich zeiven, dan konden zij dat niet dulden. Petrus was het indezen met hen eens, want wij lezen: „ A Is de andere tien dat hoorden.quot; Zij waren | eenstemmig in hunne toornige afkeu-


-ocr page 257-

DE KON1NO 01\' WKÖ NAAK HET KRUIS.

Iloofdst. XX. I

281

ring van het gedrag dozer twee broeders. Dat zij het zeer hm!ijk namen, was een bewijs, dat zij zeiven eerzuchtig waren, of dat zij ten minste niet bereid waren om do laagste plaats in te nomen. Omdat zij schuldig waren aan dezelfde verkeerdheid, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeder*.

Hier was nu eene treurige verdeeldheid in het kleine leger; hoe zou zij kunnen weggenomen worden? Jezus riep hen tot zich. Hij wilde dit opkomend kwaad persoonlijk bestrijden, en zoo riep Hij de twaalven tot zich, ten einde hen te doen luisteren naar iets, dat alleen voor hun oor bestemd was. Zjj hadden zijn koninkrijk verward met de gewone regeering der menschen, en daarom koesterden zij allerlei denkbeelden van grootheid en van heerschappij uit te oefenen in zijn\' naam, maar Hij wilde die denkbeelden rectificeren, en aan hunne gedachten eene andere richting geven. Wel is waar, het was zeer eervol om zijne volgelingen te zijn, en hot maakte hen tot dcolge-nooten van zijn koninkrijk; maar het was niet zoo als in aardsche koninkrijken. In de groote monarchieën dor Heidenen hecrschten de vorsten door gezag, door kracht van gewold en door eene tentoonspreiding van groote pracht en praal; maar in zijn koninkrijk zou liefde de regel zijn, en andoren te dienen de hoogste waardigheid. Wie hot moest kon dienen, zou het grootst zijn. De nedorigston, de moest goëor-den; die do moeste zelfverloochening betrachtten, do meeste macht hebben. Telkenmale als wij de edelen dor aarde om don voorrang zien twisten, dan moest het ons wezen, als of wij onzen Moestor hoorden zeggen: „Doch onder u zal het al zoo niet zijn.quot; Wij moeten voor altijd afgedaan hebben met het najagen van eor bij menschen, of hooge ambten, macht en invloed. Indien wij naar grootheid streven, dan moet hot wezen naar grootheid in het dienen, naar de oer om onzer broederen dien aar te zijn.

27. En zoo wie onder u zal ivillen de eerste zijn, die zij nw dienstknecht.

Om op te klimmen in Christus\' koninkrijk, moeten wij eerst afdalen. Wie onder do heiligen de eerste wil wezen, moet hnn dienstknecht, hun slaaf zijn. Naarmate wij ons dieper hebben nodergobogen, zijn wij hooger opgeheven. Jn die soort van wedijver of mededinging zal het ons vergund worden anderen te overtroffen, zonder dat dit don toorn der brooderen opwekt.

28. Gelijk de Zoon des menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven tol een rantsoen voor velen.

Voorzeker is Hi.i onder ons do grootste en de eerste, die ons van hot zwaarste dienen der liefde het voorbeeld heeft gegeven. Hij had gecne knechten om Hom te bedienen. Hij was do Meester en do Hoorc, maar Hij heeft de voeten zijner dienstknechten gewasschon. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Hij heeft niets van anderen ontvangen; zijner was oen loven van geven, en hot geven van een leven. Te dien einde was Hij de Zoon des menschen; met dit doel is Hij gekomen-, daarom hooft Hij zijne ziel gegeven tot een rantsoen voor velen. Geen dienst is grootor dan die van zondaren te verlossen door zijn eigen dood; geen dienstwerk is nederiger, dan in de plaats van zondaren testervon.


-ocr page 258-

DE KONING OPENT DK OOOHN DER lil,INDEN. [Iloofdst, XX.

232

HOOFDSTUK XX. 29—34. [I)c Koning\' opent de oogen der blinden.]

20, 30. Kn als zij ran Jericho uitgingen, is hem ecne groote schare gevolgd. En ziet, twee blinden, zittende aan den ireg, als zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Hcere, gij Zone Davids! ontferm ii onzer.

Op Jericho rustte een vloek, maar de tegenwoordigheid van Jezus bracht een zegen. Wij veronderstellen, dat j HÜ door Jericho moest gaan, gelijk | IIij to voren eens door Samaria moest gaan. Onze ITeere ging uit van Jericho, en eene grooto menigte vergezelde Hem, want Hij was wijd en zijd vermaard. Er wordt ons van zijne handelingen niets bijzonders medegedeeld, voordat deze tweo bedelaars op het tooneel verschijnen. Do barmhartigheid heeft de ellende van noodo om de gelegenheid te hebben van zich te betoenen. Ziet, ticee blinden zittende aan den weg. Zij kondon Jezus niet zien, maar wij worden uitgenoodigd om hen to zien, hen gade te slaan. Zij hadden zich eene geschikte plaats gekozen om neder te zitten — aan den weg, want daar hadden zij do beste gelegenheid om goede tijdingen te hoeren,en daar zouden zij door do mode-lijdenden kunnen opgemerkt worden. Indien zij algeeneeogen hebben, ooren hebben zjj wol, en daarvan maken zij een uitstekend gebruik. Zij vernemen, dat Jezus voorbijging, en geloovende, dat Hij hun het gezichtsvermogen kon teruggeven, werden zjj vurig en dringend in hun gebed tot Hem : zij riepen. Zij smeekten om ontferming: „Ontferm u onzerquot;. Zij deden een beroep op Jezus\' koninklijk hart: „Heere, (lij Zone Davidsquot;. Onzes Ileeren rede ; werd gestoord, afgebroken door de aan- i

houdende kreten van deze twee blinde bedelaars van Jericho; maar dit mishaagde Hem niet; en evenmin zullen de ware predikers van het evangelie in de war raken of uit het veld geslagen zijn, indien hot eens mocht gebeuren dat sommigen van hunne hoorders mot evenveel ernst en aandrang roepen om verlossing.

31. En de schare bestraf te hen, opdat zij zwijgen zonden, maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm n onzer, Heere, gij Zone Davids!

De schare verlangde Jezus te hooren, maar de kreten der blinden maakten dit onmogelijk. Daarom bestrafte hen de schare. Berispten zij hen om hunne slechte manieren, of om hot gedruisch, dat zjj maakten, of omdat zij zelfzuchtig verlangden Jezus voor zich alleen te hebben? Als men een\' hond wil slaan is het immer gemakkelijk om een\' stok te vinden. Het volk verlangde, dat zij zich stil zouden houden, dat zij zouden zwijgen, en zij vonden eene menigte argumenten hiervoor. Dat was nu alles heel goed voor hen, die in hot bezit waren van hunne zintuigen; maar menschen, die liet gezicht verloren hebben, kunnen niet tot zwijgen worden gebracht als er mogelijkheid voor hen is om het terug te bekomen; en daar de gelegenheid nu snel voor deze arme lieden voorbijging, werden zij heftig in hun verlangen. Zich niet latende terughouden door do dreigementen der menigte, riepen zij te meer. Sommige monschen worden juist door de pogingen, dio men doet om hen terug te houden, als ; voortgedreven. Als wij den Heere

-ocr page 259-

lloofdst. XX.l DE KONING OPENT DE

OOGEN DER UT,INDEN. 233

zoeken, clan zullen wij verstandig handelen, door van iederen hinderpaal, die ons in don weg staat, een\' prikkel te maken om voorwaarts te gaan. Als ons groote doel is genade te verkrijgen van Jezus, dan kunnen wij ons wol bestraffing en terugstooting van mon-schen getroosten.

Onveranderd was hot roepen dier blinde bedelaars: Ontferm u onzer, ileere gij Zone Davids! Zij hadden geen tijd om eono afwisseling te bodenken in hunne woorden. Gevraagd hebbende om hetgeen zij behoefden in woorden, die opwelden uit hun hart, herhaalden zij hunne bede cn hun pleiten, en dit was geene „ijdele herhaling.quot;

32. En Jezus, stilstaande, riep ze, cn zeide: Wat wilt (jij, dat ik n doe?

Jezus stond stil. Op de stemme des gebeds bleef do Zon der Gerechtigheid stil staan in zijn\' loop. Do kreten des geloofs kunnen don Zone Gods weerhouden van voort te gaan. lljj riep se; en dit was, omdat zij Hom hadden aangeroepen. Wolk eono vertroosting was er voor hon in die roepstem! Er wordt ons niet gezegd, dat zij tot I lom kwamen: dat is niet noodig. Zoodra do woorden gesproken waren, bevonden zij zich aan zijne voeten. Mot welk eono treurige blindheid zijn diegenen geslagen, die duizendmaal door do stom dos ontfermens geroepen zijnde, tocii weigeren te komen!

Onze Ileero geeft licht aan har-ton, zoowel als aan oogen, on daarom wilde Hij, dat deze blinden duidelijk hunne behoefte zouden gevoelen onto kennen geven, lljj stolt hun de persoonlijke vraag: „ ]lrat wilt gij dat ik ii doe?quot; Het was geene moeieljjke vraag, on toch zouden velen, die ouzo openlijke Godsdienstoefeningen bijwonen.

het moeielijk vinden om er een antwoord op te geven. Gij zegt, dat gij „wenscht zalig te wordenquot;: wat bedoelt gij met deze woorden?

33. Zij zeiden tot hem : Ileere, dat onze oogen geopend worden.

Zoo behoort het. Zij hadden geen tijd noodig om zich te bedenken. O dat ons volk even vlug en vaardig mocht bidden : „Heere, dat onze oogen geopend\' irorden.quot; Zij gingen recht np het doel af. Er kan geen woord gemist worden uit hunne bede. Er was geen boek noodig, geen gebedsformulier; do begeerte hulde zich in eene eenvoudige, natuurlijke, ernstige sprake.

34. En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hunne oogen aan-, en terstond werden hunne oogen ziende, en zij volgden hem.

Daar zij nu hunne begeerte hadden te kennen gegeven, en hun r.ood zoo groot was, was Jezus innerlijk met barmhartigheid over hen bewogen. lljj had medelijden met hunne eenzaamheid in de duisternis, hunne ontbering van genot, het verlies van hun vermogen om een handwerk uit te oefenen, en hunne armoede, die hiervan het gevolg was. Hij raaide hunne oogen aan. Welke handen waren het, die zoo nederige gemeenschap wilden hebben met menscheljjk vleesch, en zulke groote daden tot stand1 brachten! Terstond werden hunne oogen ziende. Niets dan eeno aanraking, en het licht stroomde naar binnen. Voor do genezingen, dio Jnzus werkt, is geen tijd noodig. Het bewijs, datzjj zien konden, kwam terstond, want zij volgden hem. Wij gebruiken ons geestelijk gezichtsvermogen het best, als wij op Jezus zien, en Hem dicht achteraan volgen.


-ocr page 260-

DE KONING RIJDT ZIJNE HOOFDSTAD liINNEN. [Hoofdst. XX1

234

O dat dc lezer, indien lijj geestelijk blind is, om do aanraking van Jezus wilde vragen, en haar terstond mocht ontvangen, want dan zal hjj onmiddellijk liet gezicht ontvangen. Een innerlijk licht zal terstond zijne ziel bestralen, en dan zal de geestelijke wereld voor zijn\' verlichten geest openbaar worden. Nog leeft de Zone Davids, en nog altijd opent Hij do oogen der blinden. Nog hoort hij de ootmoedige bede van hen, die zich van hunne blindheid en hunne armoede bewust zijn. Indien do lezer vreest, dat ook hij geestelijk blind is, dat hjj dan op dezen eigen oogenblik roepe tot don Hcoro, en dan zal hij zien, wat hjj zien zal, en dan zal hij voor altijd de hand zegenen, die aan de oogen zijner ziel het gezicht heot\'t geschonken.


HOOFDSTUK XXL 1—II. [De Koning\' rijdt in triomf zijne hoofdstad binnen.]

1—3. En ah zij mi Jeruzalem cje-naakten, en gekomen waren te Bethfayé, aan den Olijfherg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: Gaat henen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en ecu veulen met haar; ont-hindt ze, en brengt ze tot mij; en indien iemand u iets zegt, zoo zult gij zeggen dat de J Ier re deze van mode heeft, en hij zal ze terstond zenden.

Do tijd was voor onzen ITeere gekomen, om zijn groot werk op aarde te voleindigen, en met dat dool ging Hij op naar Jeruzalem. Hij besluit thans openlijk zijne intrede te doen in zijne hoofdstad, en zich daar als Koning te openbaren. Toen zij dus nabij do stad waren gekomen zoml Jezus twee discipelen om Hom het veulen eener ezelin te brengen, ten einde er do stad op binnen te rijden. Zijne orders aan do twee discipelen, die Hij uitzond, zjjn onze ernstige aandacht waardig. Hij wees hun de plaats aan, waar zij het dier vinden zullen : „Gaat henen in het vlek, dat tegen u over ligt.quot; De Heere weet, waar hetgeen Hij noodig heeft te vinden is. Het is wellicht dichter bij ons dan wij vermoeden : „dat tegenover u ligt.quot; Hij zoido hun, dat /ij niet zullen behoeven te zoeken : „Gij zult terstond vinden.\'\'\'\' Als de Heere ons uitzendt om iets voor Hem te doen, dan zal Hjj onzen weg voorspoedig maken. Hjj beschreef den toestand dier dieren: üij zult eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar.quot; Onze Heere kent den toestand van elk dier op aarde, en Hjj acht gcene omstandigheid beneden zijne waardigheid om er aandacht aan te schenken. Hij heeft zjjne discipelen ook niet zonder orders gelaten hoe nu verder te handelen : „Ontbindt ze, en brengt ze tot mij.quot; Er zal geen twist over ontstaan en geone mooielijklieid, zij konden terstond tot handelen overgaan. Te blijven staan vragen, dat past geene boden onzes Konings; hun plicht is hunne orders te volgen en niets te vreezen. Als de discipelen zeggen: „De Heere heeft ze van noodequot; zullen de twee dieren gewillig door hun\' eigenaar worden afgestaan; ja hij zal ze niet slechts geven; maar hij zal


-ocr page 261-

Hoofdst. XXI.I DE KONING KIJDT ZIJNE HOOFDSTAD ÜINNEN.

235

ze terstond zenden. Do eigenaar was of in het geheim zelf een discipel, of er moet eerbied in zjjn hart geweest zjjn voor den Tleere Jezus, maar volgaarne en met blijdschap wil Hij de ezelin en haar veulen ter leen afstaan voor het doel waarvoor zij werden gevraagd.

Welk eene wonderlijke samenvoeging van woorden: „do Heerequot; en „heeft van noode!quot; Zonder daarom zjjne souvereiniteit af te leggen, heett .lezus eene natuur vol van nooden aangenomen ; maar in nood zijnde, was n.j toch de Heere en kon Iljj over zjjne onderdanen gebieden en hun\' eigendom opvorderen. Als wij iets bezitten, dat voor de zaak des Heeren noodig is, hoe blijmoedig behoorden wij het Hem niet over te geven! De eigenaar der ezelin en haar veulen beschouwde hot als eene eer om Jezus van een rijdier te voorzien ! Hoe groot is de macht van Jezus over het men-schelijk hart, zoodat Hij hen door een enkel woord beweegt om aan zijn bevel te gehoorzamen!

Er wordt ons hier medegedeeld, dat twee discipelen gezonden werden om eene ezelin te halen — zij die kleine, geringe diensten doen voor Jezus worden er door geëerd. Hunne zending scheen vreemd; want hetgeen zij deden zou als diefstal kunnen worden aangemerkt; maar Hij, die hen zond, heeft er voor gezorgd om hen ook zelfs tegen den minsten schijn van verdenking te vrij waren. De gezondenen wierpen geene vragen op, hadden geene bedenkingen tegen hunne zending, en ondervonden ook geene moeiel ijk heden. Onzer is het te doen wat Jezus ons gebiedt, zooals Hij het ons gebiedt, en omdat Hij het ons gebiedt, want zjjn bevel is onze volmacht.

4, 5. Dit all ex nu i* geschied, opdat j ver rul d worde, hetyeen (/esproken is door den profeet, zeggende: Zegt der dochter /ions: Zie, uw Koning komt tot n, zachtmoedig, en gezeten np eene ezelin en een venten, zijnde ecu jong een er jnkdragendc ezelin.

Immer herinnert Matthéüs ons aan liet Oude Testament, en wèl mocht hij dat, want immer wordt het door onzen Heere vervuld. Elke bijzonderheid is overeenkomstig het profetisch model: Dit altes nu is geschied, opdat vervuld worde hetgeen gesproken is door den profeet. Het Oude en het Nieuwe Testament sluiten in elkander. De menschen hebben „Harmonieën der evangeliënquot; geschreven; maar God heeft ons eene Harmonie gegeven van het Oude en Nieuwe Testament. De plaats, hier bedoeld, is in Zacharia IX: 9. Zij stelt Zions Koning voor als zachtmoedig en nederig, zelfs in do ure van zijn\' Iriomfantelijken intocht in zijne hoofdstad ; rijdende, niet op een krijgsros, maar op een\' jongen ezel, waarop geen mensch ooit heeft gezeten. Te voren had Hij van zich zeiven gezegd: „Ik ben zachtmoedig en nederig van hart,quot; en thans geeft Hij nogmaals het bewijs van do waarheid zijner woorden, en tevens van de vervulling der profetie: „Zegt der dochter Zions: Zie uw Koning komt lot u en gezeten op eene ezelin.quot; Hij heeft niet, gelijk Salomo, paarden uit Egypte doen komen om zijn\'hoogmoed te streelon; neen, Hij, die grooter was dan Salomo, vergenoegde zich met een veulen, zijnde een jong eener jak-dragende ezelin, en ook zelfs dat nederige dier was nog geleend, want Hij bezat er geen in eigendom. De teeder-heid van .lezus blinkt uit in hot feit, dat Iljj de ezelin liet komen niet haar veulen, opdat zij niet zouden worden gescheiden. Als Koning was Hij één en al


-ocr page 262-

HOOFDSTAD BINNEN. [Hoofdst. XXL

DE KONING RIJDT ZI.INK

zachtmoedigheid en ontferming. Zijne grootheid br.aclit voor liet geringste levende wezen geene pijn of smart mede. Hoe zalig om door zulk een\' Koning geregeerd te worden!

G, 7. Kn dc discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had, brachten de ezelin en het verden. en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetten hem daarop.

Dit behoorde eene nauwkeurige beschrijving te wezen van het gedrag van alle Christenen. De discipelen gingen heen en deden gelijk Jezus hun bevolen had. Zij hebben huns Konings bevolen noch betwijfeld noch beoordeeld, zij deden beter: zij hebben zo gehoorzaamd. Welk eene kerk zouden wij op aarde zien, indien dit overal en van iedereen waar zou zijn! Zij hebben huns Konings bevelen tot in do kleinste bijzonderheden stipt uitgevoerd.

De discipelen brachten de ezelin en het vculen,\\\\\\ niets afwijkende van dc ontvangen orders. Zij hebben er handelingen bijgevoegd, dio gansch natuurlijk uit huns Konings orders voortvloeiden. Er moeten passende schabrakken zijn, voor dc rijdieren, die tot dezen koninklijken optocht werden gebruikt, en zoo hebben zij er dan hunne kleederen opgelegd. Dit deden zij uit eigene beweging. Velen zijn wel bereid om andcrer lieden ezels te halen, maar gansch niet bereid om hunne eigene kleederen te Iconen. Deze discipelen waren zeer gewillig, ja verlangden vurig om hun aandeel bij te dragen tot den triomfantelijken intocht des ] loeren Jezus. Van liet begin tot hot einde waren er geene gedwongeno bijdragen en geene loondiensten voor gebruikt. Alles was even vrijwillig: de ezelin en haar veulen Werden volgaarne ter leen gegeven.

de kleederen werden er gansch vrijwillig opgelegd. Alles was eenvoudig en natuurlijk, vol van waarheid en hartelijkheid. Hoe verschillend van de gekunstelde plechtigheden in het leven van gewone vorsten!

Zij zetten hem daarop. Toen do menschen voormaals het beproefd haddon om Jezus naar de wijze dor aarde met gewold tot koning te maken, heeft ITij zich aan hen onttrokken; maar dc ure van zijn\' openlijken intocht in Jeruzalem was gekomen, en daarom vergunde Hij aan zijne discipelen om Hein op het nederige dier te plaatsen, dat Hem in de stad zou dragen. Volgaarne en met blijdschap hebben zij den 1 Iccre op de plaats der eere gesteld, en nu liepen zij vroolijk en goedsmoeds naast Hem.

8. Kn de meeste scharen spreidden hunne kleederen ojj den weg, en anderen hieuwen takken ran de boomen, en spreidden ze op den weg.

Het volk was zoo talrijk, dat zij worden beschreven als eene zeer groote menigte 1). Er hcerschte eene ongewone eenstemmigheid onder het gepeupel. Allen vergaderden zich rondom «lozus. Do aardsvadcr Jakob had betreffende den Silo voorspeld: „Tot hem zullen de volken vergaderd wordenquot; 2). Deze profetie is gedurende des Hecren dienstwerk op aarde meermalen vervuld ; en die vervulling blijft nog scceds voortgaan.

Dc schare verkeerde in zeer opgewonden toestand, en vol geestdrift j gingen zjj mot Jezus do stad in. Den weg met een tapijt willende overdekken, spreidden zij hunne kleederen op den

1) Naar du Engolsclie overzetting.

2) Genesis 49 : 10 naar de Engolsclie overzetting.


-ocr page 263-

lioof\'dst. XXI.] 1)K KONING KIJUT ZIJN 10 HOOFDSTAD lUNNNEX.

237

weg, on als of dit nog niet genoeg ware, hieuwen anderen takken van de hoornen, en spreidden ze op den irey. In hun sehaamtogevocl hebben onze eerste ouders zich uit do bladoren dor boomen kleederen vervaardigd, maar nu worden kleederen en bladeren onder de voeten gelegd van des menschon Verlosser. Johannes zegt, dat hot volk „de takken van palmboonien nam en uitgina hem te (jemoet. De lange vederachtige bladeren der palmen waren geschikt om er mode te wuiven in de lucht, of zo voor do voeten dos Konings te werpen, liet gemeone volk bereidde op do eenvoudigste en to gelijk indrukwekkendste wijze een koninklijk wolkom voor den Zone Davids. Welk oen ongewoon schouwspel! Hunne verwachting was op het hoogst gespannen, terwijl zij uitzagen naar een\' koninklijken Verlosser, en er was eene onbestemde hoop in hun hart, dat „Jezus, de profeet van Nazarethquot;\' zou blijken die Beloofde Verlosser te zijn. Hij had hunne verwondering opgewekt en hun\' eerbied verdiend. Voor het oogenblik eerden zij Hem op het hoogst. Kan ons dit verwonderen, als wij bedenken dat Hij hunne kranken had genezen, en hen bij duizenden had gespjjzigd, toen zij moede waren on Hauw van den honger?

9. En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende : Hosanna den Zone Davids! Gezegend, is hij, die komt in den naam des Heer en! Hosanna in de hoogste hemelen!

Talrijke menigten stroomden nog te zamen, zoodat er niet slechts eene schare was, maar scharen, van welke sommigen voorgingen, en anderen volgden. Dio scharen nu, die den Heere voorgingen en die Hem volgden, waren eensgezind omtrent Hem; zjj schenen slechts óéne stom te hebben. Nauwelijks wetende wat zjj deden, cn waarschijnlijk in hunne gedachten immer bozig zijnde niet een aardsch koninkrijk, hieven zij den kreet der trouw en dor aanhankelijkheid aan: „Hosanna den Zone Davids! Gezegend, is hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen.quot; Zij haalden een\' aloudou Psalm (OXVIJ1) aan, ou pasten hom toe op Jezus, on gaven op alle manieren hunne groote blijdschap on hoopvolle verwachting te kennen! Helaas! hoe spoedig zal deze flikkering van zonlicht plaats maken voor de zwartste duisternis. De dag der palmen werd heel snel gevolgd door don dag der kruisiging. Zoo wis-pelturig zijn de kinderen der menschon. „Vox populiquot; — do stem dos volks — is alles behalve „Vox Dei,quot; — de stemme Gods.

10. En als hij te .Jeruzalem inkwam., werd de geheele stad beroerd, zeggende: Wie is deze?

Hij was daar ook vroeger geweest, maar niet op deze wijze. Nooit was Hij door eene schare omringd geweest die Hem met zoo veel geestdrift heeft toegejuicht. Rustige burgers, die hun huis niet haddon verlaten, verwonderden zich over de menigte. Een groot aantal monschen waren door een\' onbe-dwingbaren aandrang Jezus tegemoet gegaan, en, als hij te.Jeruzalem inkwam, worden nog grooter scharen tot Hom getrokken, de geheele stad werd bvroerd. Er is niets dat het menschelijk geslacht zoo kan „beroerenquot; of bewegen, als do komst van Christus. Iedereen vroeg: „ Ii\'ie is deze?quot; In sommigen kan dit ijdele nieuwsgierigheid geweest zijn, en in anderen eene oogenblikkelijke, doch ras voorbijgaande belangstelling, maar dit was toch veel boter dan de doffe onverschilligheid, dio zich aan geen dezer


-ocr page 264-

DK KONING KHIN1GÏ DI\'iN TEJtl\'KI,

1 Hoofdst. xxr.

238

dingen gelegen laat liggen. Overal waar Jezus komt, brengt Hij beroering te weeg, waardoor de mensehen gaan navragen en onderzoeken. „Wie is deze?quot; is eone gepaste, nuttige, persoonlijke, dringend noodzakelijke vraag. Laat onze lezer dit onderzoek omtrent Jezus instellen, en niet rusten voor dat hij er den uitslag van weet.

11. Kn de scharen zeiden: Deze is Jezus, de profeet van Nazareth in Galiléa.

Ieder, die met den koninklijken stoet de stad was binnengekomen, was bereid om aan de burgers inlichtingen te geven omtrent Jezus. De scharen zeiden; hun antwoord was eenstemmig: „Deze is Jezus, de profeet van Nazareth in Galilea.quot; Het antwoord was waar, maar het was niet do volle waarheid. Slechts zelden is eene volksmenigte zoo juist ingelicht als hier liet geval was. Christus\' naam, zijn ambt, zijne vroegere woonplaats en zijne nederige afkomst, dit alles wordt hier aangeduid. Zij, die meer omtrent Hem wenschten te weten, ontvingen in het antwoord der scharen den sleutel tot alles wat hun noodig was te ontdekken. Ach, mocht de bevolking onzer steden en dorpen evenveel van Jezus weten, als de scharen te Jeruzalem. Maar toch! indien zij evenveel wisten, dan zou het ook kunnen zijn, dat zij even laaghartig handelden als deze zondaars te Jeruzalem, toen hunne hosanna\'s zoo spoedig overgingen in de wreede kreten van: „Weg met dezen! Kruis hem!quot;


HOOFDSTUK XXL 12—14. [De Koulil»\' reinigt den tempel.]

12, 13. En Jezus (jing in den tempel I Gods, en dreef uit allen, die verkochten \\ en kochten in den tempel, en keerde om \\ de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten. En hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden\', maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.

Wederom ging Jezus in den tempel Gods, gelijk Hij dit ook bij don aanvang van zijn dienstwerk gedaan heeft. Toenmaals beeft de hervormende Profeet aangeduid wat er noodig was, thans gaat de Koning er toe over om uitvoering te geven aan de zaak. Een

tempel, die aan God gewijd is, moet geene plaats worden, waar men handel drijft en roof pleegt. Jezus.... dreef uit allen, die verkoelden en kochten in den tempel. De verkoopers waren degenen, die het bestendigst in den weg waren, en voortdurend ergernis gaven, daarom werden zij het eerst uitgedreven. Wijl er echter geene verkoopers zouden geweest zijn, indien er geene koopers waren, moeten ook dezen worden verwijderd. Zij, die de i af elan der wisselaars hielden, zouden hebben kunnen aanvoeren, dat zij daar waren ten behoeve van het publiek, daar zij de Romeinscho munten tegen de sikkels en andere muntstukken des


-ocr page 265-

1)10 KONING REINIGT DEN TEMl\'El,

239

hoiligdoms inwisselden. Voor de zitstoelen derfienen,diecledutvi\'H verkochten, sclieon vergunning te zjjn verkregen, daar zij handelden in jonge duiven en tortelduiven voor de offeranden. Doch deze kooplieden hebben hierin God niet gediend, maar winst gedaan voor zich zeiven, en daarom heeft onze Heere al hunne inrichtingen verwoest, omgekeerd, en de heilige plaats aldus gezuiverd.

Door welk eene majesteit moet die ééneMensch niet omgeven zijn geweest, dat die gansclie menigte van handelaars voor Hem henen vluchtte, terwijl zij de omkeering hunner tafelen en zitstoelen aanzagen en toelieten! Noch de tempelwacht, noch do Romeinsche soldaten schenen op eenigerlei wijze zich met do zaak bemoeid te hebben, of tusschenbeiden getreden te zijn. Als Jezus machthebbend optreedt, dan houdt elke tegenstand op. Wolk eene profetie is er in dit voorval van de gemakkelijkheid, waarmede 11ij bij zjjne wederkomst do wan in zijne hand zal nomen, om zijn\' dorschvloer te doorzuiveren!

Terwijl onze Hoero de tempelont-wjjders verdrijft, rechtvaardigt Hij zijn heilig geweld, zeggende: „Er in t/e-schreven.quot; Hetzjj Hij streed tegen don aarts-vijand, of tegen booze menschen, immer gebruikte Hij dit céne wapen: „Het zwaard des Geostes, hetwelk is Gods Woord.quot; Laat ons hierin, evenals in allo andere dingen zjjn voorbeeld volgen. Jesaja heeft deze woorden geschreven (,los. LVI: 7): „Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor allo volken.quot; Deze profetie zag in het bijzonder op den Voorhof der Heidenen, die op zoo grove wijze door deze kooplieden ontwijd werd. Onze Heiland vergeleek het huis zijns Vaders, terwijl het door doze koopers en verkoopers in bezit was genomen, bij do spelonken in de bergen, waar zich in zijn\' tijd do roovers plachten op te houden : „Gij hebt dat tot een moordenaarsknil tje-ma(dd.quot; Des Konings woorden waren sterk, maar niet sterker dan door de omstandigheden vereischt werd. Het is des konings plicht de schuilplaatsen der bandieten te verstoren, en dat heeft Jezus gedaan. Hij kon het niet dulden, dat zijns Vaders huis des geberta in oen roovershol werd verkeerd.

14. En er kwamen blinden enkreu-pelen tot hem in den tempel, en hij genas ze.

De komst van blinde en kreupele bedelaars in den tempel was geene ontwijding der heilige plaats. Er kwamen blinden en kreupelen tot hem; tot wien zouden zij anders komen? Was hij niet de goede Geneesmeester? Zjj kwamen tot Hem in den tempel. Waar anders zouden zij komen? Was hot niet hot huis der barmhartigheid? In zijns Vaders naam heeft Jezus de bonte menigte welkom geheeten, en Hij genas ze. Sommige menschen sclujnon te denkon, dat als de zeer armen in eene kerk komen, zij er niet op hunne plaats zijn, maar dat is de ij dele waan des boozen hoogmoeds. De armsten en zondigsten mogen tot Jezus komen. Ook wij zijn eenmaal als geestelijk blinden en kreupelen in de vergadering der heiligen gekomen, maar Jezus heeft onze oogen geopend, en ons van onze kreupelheid genezen, indien Hij thans iets in ons ziet, dat niet in orde is, dan zjjn wij er zeker van, dat Hjj ons niet van zijne voorhoven zal verdrijven, maar dat Hij ons terstond zal genezen. Laten alle blinden en kreupelen thans tot Hom komen.


-ocr page 266-

240 RE KONING KltKUNT DE TOEJUICHING BEU KINDEKEN. [Hoofdst. XXI.

HOOFDSTUK XXL 15—16.

[Oe Koiiiu»\' erkent «lc toejiiicbiu»\' der kiiulereii.]

15, 1G. ^l/.s nu de overpriesters en schrifkjeleerden zagen de wonderheden, die hij deed, en de kinderen, roepende iii den tempel, en zengende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk, en zeiden tot hem: Hoort gij ■wel wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hew. Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen hebt Gij U lof toebereid?

Do overpriesters en schriftgeleerden liggen altijd op do loor; niets, dut don Heere Jezus verheerlijkt, ontgaat liumio bespiedende blikken. Verwacht ook niets anders in onze dagen: als het evangelie de overhand noemt, zullen de formalisten in woede worden ontstoken. Lof, toegebracht aan den Heere Jezus, was gal en alsem voor de geestelijken, wier misbruiken door Hem werden bestraft. Zijne dadon in den tempel, die klaarblijkelijk goed waren, durfden zij niet aanvallen; maar niettemin waren zij vol van toorn van wege de wonderheden, die hij deed. Al meer en meer gaven zij voedsel aan hunne gramschap. Eindelijk gevende juichkreten der kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids, hun de gelegenheid om hunne minachting aan den dag te loggen. Hoe kon een waar profeet dulden, dat kinderen, knapen en meisjes, hem op die wijze nariepen? Doch hunne minachting was slechts geveinsd: in werkelijkheid vreesden zij Jezus, vroos-don zij de uitwerking van de geestdrift des volks, en daarom namen zij dut zeer kwalijk. Zoodra zij er do gelegenheid toe kunnen vinden, zullen zij hun venijn op den Heere uitspuwen.

Met stoutmoedigheid spraken zij tot don Heere Jezus over dit jeugdig gepeupel. Zij zeiden tot hem: Hoort gij wel wat dezen zeggen? Zij begroeten u alsof gij koning waart. Deze on-noozele kinderen roepen uhet Hosanna toe. Waarom laat gij hun toe dit te zeggen? Gebied hun op te houden met dit geraas. Hoe kunt gij als man, zulk kinderachtig geschreeuw verdragen? Het antwoord onzos Zaligmakers was volkomen afdoend. Op hunne vraag: „Hoort gij wel wat dezen zoggen?quot;zeide Jezus tot hen: Ja-, hebt gij nooit gelezen? O ij overpriesters en schriftgeleerden, hebt gij uw oigon Psalter niet gelezen, dat gij voorgeeft zoo ijverig te bestu-deeren? Indien gij het gelezen hebt, herinnert u dan de woorden van David in Psalm VIII: 3: „Uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen hebt Gij U lof toebereid.quot; Onze Heere geeft den zin, de betookenis, vooloor, dan do letterlijke bewoordingen. Gods lof is toebereid, volkomen gemaakt in den mond der kinderen. In hen wordt zij no heerlijkheid gezien, en ook dikwijls door hon uitgeproken. Als anderen zwijgen, dan zullen dezen spreken, en in hunne eenvoudige waarachtigheid zullen zjj den lof dos Hoeren volko-mener uitspreken, dan dit door volwassen mannen en vrouwen gescliiodt.


-ocr page 267-

lloüt\'ilst. XXI. I DES KUNINüS TE EK EN VAN DE MACHT DES GEBEDS.

241

H 0 0 F D STUK XX I. 17—22.

[Be lioniiiquot;\' «:ecft een teeken van liet oordeel over Jerimlem en van de maeht des gebeds.]

17. En hen verlatende, cjimj hij van daar uit de stad, naar Bethanië, en overnachtte aldaar.

Jezus beinindo geone spitsvondige priesters. Op hunne vraag gaf Hij hun een schrifUmrljjk antwoord; maar toen, wetende, dat het nutteloos was om nog verder met hen te redeneeren, verliet Hij hen. Een verstandig voorbeeld voor ons om na te volgen. Hij verlangde naar rust en stilte, en zoo ging Hij van daar uit de stad. Hij beminde do dorpen, en daarom keerde Hij zich af van de woelige vergaderplaatsen der menschen, en ging )iaar Bethanië. Daar ter plaatse woonde een geliefd huisgezin, in welks midden Hij immer van harte welkom was; en Hij overnachtte aldaar. Daar was Hij te huis, want Hij had Maria en Martha en Lazarus lief. Een dag van opwinding en rumoer werd gevolgd door een\' avond van stille afzondering ineene landelijke woning. Den nacht van dien zeer gewichtigen dag bracht Hij door met zijne getrouwe vrienden. Welk een contrast tusschen zijn\' intocht in Jeruzalem, en zijn bezoek aan zijne vrienden te Bethanië! Heere, overnacht bij mij! Maak mijn huis tot uwe woonstede!

18. En des morgens vroeg, als hij wederkeerde naar de stad, hongerde hein.

Hem hongerde. Wondervolle woorden! Den Heere des hemels hongerde ! Wij kunnen ons niet voorstellen, dat zijne liefdevolle gastvrienden verzuimd hadden om in zijne behoeften te voorzien; maar Hij was waarschijnlijk zóó diep in gedachten verzonken, dat Hij vergat brood te eten. Het kan ook wezen, dat Hij naar zijne gewoonte des morgens vroeg was opgestaan, terwijl alle anderen in het huis nog sliepen, ton einde in de eenzaamheid gemeenschap te oefenen met zijn\' Vader, en kracht van Boven te ontvangen, voor het werk dat Hem wachtte. Dit was ten minste bjj Hem niets ongewoons. Hij keerde weder naar de stad; Hij was niet af-keerig van het werk, dat Hem nog te doen stond, maar ditmaal kwam de Koning hongerend zijne hoofdstad binnen. Hij stond nu op het punt om een\' langen dag arbeida te beginnen zonder spijze te nuttigen, en toch had zijne hand eens duizenden gespijzigd. Gewis, de gansche hemel en de aarde zullen vurig verlangen om in zijne behoefte te voorzien.

19. En ziende een\' vijgeboom aan den weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan denzei ven, dan alleenlijk bladeren, en zeide tol hem\'. Uit a worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.

Uitziende naar voedsel, beloofde een vijgeboom in vol blad een weinig verkwikking. Deze vijgeboom was blijkbaar niemands eigendom; hij stond aan den weg, hij groeide alleen en afzonderlijk aan den openbaren weg. Do plaats, waar hij stond, was in het oogvallend, en zijn voorkomen treffend, zoodat Hij hem terstond zag. Het was de tijd niet der vijgen, maar do vijge-booni heeft de eigenaardigheid, dat de

16


-ocr page 268-

DKS K0N1NUS \'l\'HHICHX VAN IHO MACHT DES «HBKDS. | I loot\'ilst. XXI.

242

vrucliten er aan konion vóói\' do bladoren; indien dus do bladeren ten volle ontwikkeld zijn, dan zien wij ganseh natuurlijk uit naar vijgen, die gegoten kunnen worden. Deze boom had bladeren vóór don tijd doen uitspruiten, toon andere vijgeboomon nog kaal waren, on do vroege vijgen zich nog niet begonnen to vertoonon. Hij is, om zoo te zeggen, zijne medegenooten voorbijgestreefd, maar zijn vroegtjjdigo groei was bedriegelijk. Toen onze ileere naar hem toeijiny, vond Hij niets aan, clen-zelven, dan alleenlijk bladeren. Het eerste noodzakelijke tijdperk van groene vijgen voort te brengen was overgesprongen, en or was op eons een onvruchtbaar gebladerte ontwikkeld. Do boom was krachtig en fraai wat hout en bladoren betrof, maar ten opzichte van vruchten volstrekt waardeloos. Hierin vertoonde hij eene treurige gelijkenis met Jeruzalem, dat door schijnbare godsdienstigheid oen fraai aanzien had, en vol van geestdrift scheen, maar waaraan bekeering, geloof en heiligheid ontbraken, en deze zaken zijn van oneindig meer aanbelang dan vrome vormen. De Heero Jezus gebruikte dezen groenen , maar on vruchtbaren en teleurstelling veroorzakendon boom, als een voorbeeld. 11 ij kwam tot dien boom, zooals Hij tot de Joden gekomen is; Hij vond niets dan bladeren; Hij doemde hom tot eeuwige onvruchtbaarheid. „ Uit ii u-orde (jeene vrucht meer in dei\' eeuwigheidquot; en Hij verliet hem onder een oordeel, dat zoor spoedig ten uitvoer zou worden gelegd, evenals ook Jeruzalem weldra verwoest zou worden.

Kn de vijgebootn verdorde terstond. Men hoeft dit hot eenige wonder des oordeels genoemd, dat door onzen Heere werd gewrocht; maar gewis, hetgeen aan een\' boom geschiedt, kan geene wraakgierigheid genoemd worden. Een gansch woud to vellen heeft men nooit voor wreedheid aangezien, en een\'en-kolen on vruchtbaren boom als een voorbeeld te gebruiken, kan alleen aan hen onvriendelijk toeschijnen, die sentimen-teel of van hunne zinnen beroofd zijn. I lot wasgroote vriendelijkheid jegens de menschheid, om aan een\' waardeloozen boom zulk eene heilzame leering te ontleenen.

20. En de discipelen, dut ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgebootn zoo terstond verdord?

Des Hoeren woord kwam zóó snel in vervulling, dat de discipelen zich verwonderden. AVij verwonderen ons, dat zij zich ver wonderden. Zij hadden thans wel reeds gewoon moeten zijn aan zijne machtige daden, en aan de snelheid, waarmede Hij ze volvoerde. Zelfs tot op den huldigen dag twijfelen sommigen aan een werk, dat met snelheid tot stand is gekomen, en aldus herhalen zij den kreet: „Hoe is de vijgeboon zoo terstond verdord!quot; Al wat de Ileere doet, doet Hij volmaakt en volkomen. Do vijgeboom vevdordo „terstond.quot;

21. Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg ilc n: indien gij geloot hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen hetgeen den vijgeboom Is geschied, maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven, en in de zee geivorjten ■\' het zon geschieden.

Aan de eerste discipelen was door onzen Heere do macht gegeven om volstrekte wonderen te werken, en die macht was hun gegeven in verband met een eenvoudig, onwankelbaar vertrouwen ; Indien gij geloof\' hadt en niet twijfeldet.quot; God moge al geene won-


-ocr page 269-

UoolUst. XXI.I DU KONlNii liKSCHAAMT UN WAAUSOHUWT ZIJNE VIJANDKN. 243

deren voor ons doen, maar wèl zal Hij alles doem wat noodi» voor ons is in overeenstemming met ons geloof, en Hij zal liet doen in den weg der voorzienigheid, in overeenstemming met de tegenwoordige bedeeling. Maar ook hier moet het geloof, dat wij in Hom hebben, vrij zijn van twijfel.

Voor een levend geloof zullen onvruchtbare godsdienststelsels verdorren, en door de kracht van een ontwijfelbaar vertrouwen op God zullen heiyen van moeieljjkheden worden opgeheven en indezeeciewoi\'pen. Hebben wij ooit in Christus\' naam tot onvruchtbare vjjgeboomen en wegvor-sperrende bergen gesproken, en hun gezegd van ons pad weg te gaan P Zoo niet, waar is ons geloof? Indien wij geloof hebben en niet twijfelen, dan zullen wij de waarheid kennen van deze belofte: Fint zal geschieden. Zonder het werkelijk bezit van een onwankelbaar geloof, zullen de woorden ouzos Heoren ons fabelachtig toeschijnen.

22. l\'Jn al wat gij zult hegeeren in het gebed, geloooende, zult gij ontvangen.

Dit geeft ons een groot bon-boek op de Bank des Geloofs, waarvan wij oen onbekrompen gebruik mogen maken. Hoe ruim zijn die termen. „Al u-at gij zult hegeeren in het gehed, geloooende!quot; Als wij in staat worden gesteld om hot gebod des geioofs te bidden, dan zullen wij den zegen verkrijgen, waarin die dan ook moge bestaan. Dit is niet mogelijk ten opzichte van dingen, die niet beloofd zijn, of die niet in overeenstemming zijn met den wil Gods. Het geloovig gebed is de schaduw van den komenden zegen. Het is eene gave Gods, geene inbeelding of gedachte van don wil des menschen, geen gril van ijdele verlangens. „Geloovende zult gij ontvangenquot;, doch het gebeurt maar al te dikwijls, dat het geloof niet aanwezig is.


11 O O F D S T UK XX I. 23—32. [!gt;c Koning beschiiumt en waarscliuwl zijne vijiuideii.]

23. l\'/n als hij in den tempel gekomen tras, kwamen tot hem, terwijl hij leerde, de overprienters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet gij deze dingen? en wie heeft u deze ■macht gegeven?

Jezus keerde terug tot het huis zijns Vaders, en ontmoette er wederom zijne oude tegenstanders. Als hij in den tempel gekomen was, kwamen tot hem de ooerpi \'testers en de ouderlingen des volks. Zij hadden hunne krachten verzameld,. en tijd gehad om wederom moed te vatten. Zij kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, en vroegen naar /.jjiie volmacht voor hetgeen Hij zeide en deed. Hij had hen verrast en verbaasd door zijne stoutmoedige reiniging van den tempel, ongewapend en zonder iemands bijstand; en niet voordat er een nacht over heengegaan is, durven zij twijfel te opperen aan zijn recht om te handelen zoo als Hij gehandeld had. Nu ondervragen zij Hem dan: „Door wat macht doet gij deze dingen? en wie heelt u deze macht gegeven?quot; Dat Hij wonderheden deed, werd er-


-ocr page 270-

21 4 DE KONING 15ESCHAAMT UN WAAKSCHUWT ZIJNE VljANDUN. |I[ool(lst. XXI,

kond; maar in welko officieele hoedanigheid trad Hij op, en wie heeft Hem in dat ambt gesteld ? Dit was een oorlog van zeer nabij; zij richtten verwoede slagen op hun\' aanvaller. Zij hoopten Hem in dit punt te wonden en over Hem te zegepralen. Arme dwazen! Zjj waren geen antwoord van Hem waardig.

24. En Jezus antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk, indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen, door wat macht ik deze dingen doe.

Ja, Jezus antwoordde. Zijne antwoorden zijn altijd volledig, maar zelden zooals zijne vijanden ze verwachten. De haarkloovers onzer dagen moeten niet al te gehaast zijn om hunne stellingen onwederlegbaar te noemen. Op zijn\' tijd zal Jezus antwoorden. Tot deze overpriesters en ouderlingen zegt Hij: „Ik zal u ook een woord vragen.quot; Hunne vraag werd ontvangen door eene wedervraag; evenals do staven der Egyptische toovenaars toen zij in slangen veranderd waren, ontvangen werden door Aiirons staf\', die, als slang, hunne staven verslond. Het zal dikwijls verstandig zijn om op haarkloo-verijen van de vijanden des evangelies niet te antwoorden, maar hen door eene verborgenheid, welke te diep voor hen is, in het nauw te brengen.

Onzes Heeren voorwaarden waren eerlijk en billijk. „Indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen, door UHit macht ik deze dingen due.quot; De vragers hadden er blijkbaar niets tegen in te brengen, want Jezus heeft hun terstond zijne vraag gesteld.

25—27. De doop ran Johannes, can iraar was die? uit den henicl of uit de menschen? Fm zij overleiden hij zich zeiven, en zeiden: Indien wij zeggen : Uit den hemel, zoo zal hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? En indien wij zeggen-. Vit de menschen, zoo vreezen wij de schare, want zij honden allen Johannes voor een\'\' profeet. En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet En hij zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet, door wat macht ik dit doe.

De vraag, die onze Heore den overpriesters en ouderlingen deed, was eenvoudig genoeg, indien zij eerlijk waren geweest, daar zij echter eeno rol haddon te spelen, was het zeer moeieljjk voor hen om een antwoord te vinden.

Menschenbehagers zijn verplicht po-litisch te zijn, en te zien uit welken hoek de wind waait. Onze Heore stelde zijne ondervragers voor een dilemma. Indien Johannes de Dooper uit den hemel gezonden was, waarom hebben zij hem dan verworpen? Dat Johannes uit de menschen was, durfden zij niet beweren, want hunne vreeze voor de schare legde hun hot zwijgen op. Zij waren in het nauw gebracht, en er was voor hen geen weg ter ontkoming, en zoo hebben zij dan onwetendheid voorgewend: „Zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet.quot; Welk antwoord van hou geen antwoord was, maar Hem van oen verpletterend antwoord voorzag aan hen : „Zoo zeg ik u ook niet, door wat macht ik dit doe.quot; Zij zouden Jezus wol hebben kunnen zeggen, van w.ar de doop van Johannes was, maar zij wilden het niet; en Hij zou hun volkomen hebben kunnen inlichten omtrent zijn goddelijke macht, maar Hij wist, dat dit tot niets nut geweest zou zijn, en daarom weigerde Hij om meer te zeggen. Het is eene hoog ernstige zaak, als de liefde zelve vermoeid wordt, en verdere


-ocr page 271-

IToofdst. XX 1.1 DE KONING I5I0SCHA AMT EN WAARSOHIJWT ZIJNE VIJANDEN.

245

bespreking weigert. De toon, dien ouzo Jlcere aanneemt tegenover deze ondervragers, is de toon van iemand, die met menschen spreekt, voor wie geene hoop meer bestaat, en die geen kwartier verdienen, daar zij toch van geene genade of goedertierenheid gebruik zouden willen maken. Zij konden door geene zachtmoedigheid worden gewonnen, men moet ze van zich afschudden, hen tentoonstelion, hen voor de oogen van allen, die door hen misleid werden, afrukken van hot gestoelte der macht.

28, 29. Maar irat dunkt u? Een mensch had tirec zonen, m gaande tof den eersfe, zeide: Zoon! (ja ]ieen,werlc heden in wy»\' wijngaard; doch hij antwoordde^ en zeide: Ik wil niet! en daarna berouw hebbende, ging hij heen.

De ITeere handelt met hen, die Ifem hadden tegenstaan, door twee gelijkenissen.

In de eerste, die van do twee zonen, stelt Hij hunne schoonschijnende, maar valsche handelwijze met God voor. „ l\'.\'en mensch had twee zo)ien.quot; Beiden waren verplicht, om op liet land, dat do familie in eigendom bezat, te arbeiden, en zij hadden dit ook gaarne en met blijdschap behooren te doen. De eerste zoon was eigenzinnig en stijf-hoofdig, maar hij was oprecht, eerlijk en openhartig in alles wat hij deed. Zijn vader zeide tot hem: „Zoon! ga heen, werk heden in mijn\'\' wijngaard,quot; een bevel, waarin het recht des vaders, de plicht des zoons, de onmiddeljjke aard van dien plicht, on do sfeer, waarin hjj uitgeoefend moest worden, lag opgesloten. Het gebod was eenvoudig genoeg, en even eenvoudig was het antwoord: „Hij antwoordde, en zeide: Ik iril niet.quot; Dat antwoord was lomp, oproerig, ondankbaar, onkinderlijk, maar het was haastig en driftig, en toen er eenige oogenblikkon over heen waren gegaan, kwam do eigenzinnige knaap tot betere gedachten. „ Daarna berouw hebbende ging hij heen.quot; Dit was echt berouw, want het leidde hem tot practische gehoorzaamheid. Hij ging zich niet in woorden verontschuldigen, legde geene belofie af van zich in het vervolg beter te zullen gedragen; hij deed veel beter, want zonder nog verder moeite er over te maken, ging hij aan zijns vaders werk. O dat velen, die tot nu toe het evangelie weigerden te gehoorzamen, thans tot andere gedachten mochten komen, naar do stemme Gods luisterden, en Hem terstond gingen dienen!

;Ï0. /\',« gaande tot den tweede, zeide desgelijks, en deze antwoordde, en zeide: Ik ga, heer\' en hij ging niet.

De tweede was zachtzinniger van aard en meer beleefd in zijne manieren. Tot hem heeft de vader gesproken evenals tot den oudste, en het antwoord was alles wat men zou kunnen verlangen. „Ik ga heer.quot; Alsof het geheel van zelf sprak. Met voorbeeldige beleefdheid verzocht hij zijn vader om hem als geheel ter zijner beschikking te beschouwen. Hij stemde toe en hjj stemde in; hij was rechtzinnig en strikt. Hij had eene natuurlijke, gemakkelijke godsdienstigheid, die eene scherpe tegenstelling vormde met de lompe ongodvruchtigheid van zijn\' broeder. Doch let oi) deze woorden: „En hij ging niet.quot; Zjjne fraaie woorden en fraaie beloften waren valsehheid en bedrog. Hij is niet eens naar don wijngaard gegaan, en nog veel minder heeft hij een snoeimes of spade ter hand genomen. Voor zooveel hem betrof mocht zijns vaders wijngaard verwoest worden; maar intusschen sprak hij


-ocr page 272-

ZI!I,VKN TOT UECUTKKS. | IFoofdst. XXI.

240 DKKONING MAAKT ZMNH VIJANDEN

beleefde, schoonklinkende woorden, en deed hij beloften, die hij niet van plan was te houden.

31, 32. Wie van deze f ireehei ft den wil den vaders (jedaan ? Zij zeiden tot hem: De eerste, Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zeg m, d(d de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koninkrijk Gods. Want Johannes is tot n gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hehhen hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen herouw gehad, om hem tegelooren.

Jezus stelde de geveinsde geestelijken tot rechters aan in een geval, dat in waarheid hun eigen geval was. Ifjj vraagde hun: „Wie ran deze twee haft den tril des vaders gedaan ?quot; Slechts één antwoord was mogelijk: „zij zeiden lot hem: De eerste.quot; liet was duidelijk, dat de eerste zoon, in weerwil van zijne ruwe weigering toen hij zijns vaders gebod hoorde, met dat al toch de dader was van zijns vaders wil. En toen toonde Jezus aan, dat de tollenaars en de hoeren waren als de eerste zoon, terwijl de overpriesters en ouderlingen des volks mot al hun fraai vertoon van godsdienstigheid, zoo be-driegeljjk en ongohoorzaan waren als de tweede zoon. Zij hadden een\' grooten eerbied betuigd voor het Woord Gods, maar toen het door Johannes tot hen kwam, hehhen zij geen berouw gehad om hem tegelooren. Openbare zondaren, die dor stemme Gods gehoor schonen te weigeren, hebben in werkelijkheid hem geloofd, en zoo zijn zij, door acht te slaan op Johannes\' bediening der gerechtigheid, ingegaan in het koninkrijk Gods vóór hen, van wie men dit waarschijnlijker geacht zou hebben. Wat moeten deze over zich zei ven zoo voldane overpriesters en ouderlingen wel gedacht hebben, toen zij aan tollenaars en hoeren boven zich den voorrang hoorden geven? Tandenknarsend hebben zjj in hun hart moord beraamd.


HOOFDSTUK XXI. 33—44. [De Koning inaiikt zijne vijunden zeiven tot rechters.]

33. Hoort eene andere gelijkenis. Kr was een heer des huizes, die eeii \'wijngaard plantte, en zette een\'\' tuin daarom, en groef een\'1 ivijnpersbak daarin, ev bouwde ecu\'\' toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde huiten \',s lands.

In deze gelijkenis heeft een heer des huizes voorzjjn\' wijngaard alles gedaan, wat gedaan kon worden. Hij wasgoed geplant, en er was een\'\' t/ in daarom gezet, lljj was voorzien van een\'wijnpersbak, gegraven in de rots, en bewaakt door een\'\' toren, die voor dat doel gebouwd was. Evenzoo is de Joodscho Kerk geformeerd, gekoesterd en gekweekt, bewaakt en door don Heere van alles voorzien: „Want de wijngaard van den IlEEiiE der heirscharen is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn eene plant zijner verlustingenquot; (Jesaja V : 7). Alles was in goeden staat om vrucht voort to brengen, zoodat de Ifoere kon zeggen: „Wat is er meer to doen aan mijn\' wijngaard,


-ocr page 273-

IfoofVlst, XXI. I DE KONING MAAKT ZIJN\'10 VIJANDEN ZEI/VEN TOT KECHTEUS. 247

hetwelk ik lt;aan liem niet gedaan heb ?quot; (Jesaja V ; 4.)

De eigenaav reisde huiten \'s lands, en gaf de bezitting over aan landlieden, die haar moesten verzorgen, en hem een zeker dcol van de opbrengst moesten geven als huur. Evenzoo heeft do groote Heere van Israël do natie gestold onder de zorg van priesters, en koningen, en geleerden, die dit erfdeel van Jehovah voor Hem haddon moeten bewerken, en Hem van dozen keurigen wijngaard do vruchten geven. Voor eene wijle scheen God van zijn uitverkoren volk weg te zijn gegaan; want de wonderen hadden opgehouden. Dit had do overpriestors en schriftgeleerden echter des te waakzamer moeten maken, evenals goede dienstknechten over het goed huns IToeren hot zorgvuldigst waken, als hij van huis is

34. Toen nn de tijd der rruehfen genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landliedm, om zijne rruchten te ontvangen.

De hoer dos huizes wachtte, totdat do tijd bjjna was aangebroken, wanneer hij vrucht kon verwachten. De tijd der vruchten {/enaakte; en daar de landlieden hom niets van de opbrengst des wjjngaards zonden, zond hij zijne dienstknechten om zijne vrachten te ontvangen, en zo hem te brengen. Als do vertegenwoordigers huns hoeren hadden deze dienstknechten met verschuldigde eer ontvangen moeten worden; maar dat geschiedde niet. Gedurende langen tijd hebben de leiders van het .Toodscho volk don Heere gecne hulde, geone liefde of dienst bewezen. Er werden door God profeten tot Israël gezonden, maar de oversten des volks weigerden hunne boodschap te ontvangen.

35. En de tandtiedoi, nemende zijne dienstknechten, hehhen dm eenen geslagen, en den anderen gedood, en den derden gesteenigd.

De landlieden; de personen aan wie macht en gezag was gegeven: koningen, priesters en leeraars, vereenigden zich om dos oigonaarH dienstknechten kwaad te doen. Zeiven waren zjj zijne „dienstknechtenquot; niet, zij verdienden zulk een\' eorvollen titel niot. „Slaan, clooden, steenigenquot;, dit alles duidt do verschillende vormen van mishandelingen aan, die do profeten dos Hoeren van Israels landlieden — do godsdienstige overheden dor natie — hebben ondervonden. Zij, aan wie do wijngaard verhuurd was, waren verraders van don eigenaar, en zij hebben zij no boden geweld aangedaan, want in hun hart koesterden zij don wonsch om don wijngaard voor zich zei ven to houden.

30. Wederom zond- hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.

De Hoor dos wjjngaards was lankmoedig, en gaf hun nog de gelegenheid om hun loven te beteren; Wederom zond hij andere dienstknechten. Het was do schuld niot der eerste dienstknechten, dat zij geeno vruchten brachten, want, evenals zij, werden ook de andere dienstknechten verworpen. De hoor dos huizes was zeer begeerig om de landlieden tot eene betere gezindheid te brengen, want hij vermeerderde hot aantal zijner vertegenwoordigers, daar hij nu meer in aantal zond dan de eersten, vertrouwende, dat die booze mannen naar zoo herhaalde roepstemmen zouden luisteren. Maar deze vriendelijke poging bracht geen goeds te weeg, want do slecht gezinde landlieden volhardden slechts in hunne moorddadige wreedheden: zij deden


-ocr page 274-

ZELVEN TOT RECHTERS. 11 Foofdst. XXF.

248 DE KONING MA \\ KT ZIJNIi VIJANUES

hun desgelijks. Hot was blijkbaar een boos geval. Het Joodsche volk wilde niet luisteren naar do stom van dos Hoeren dionstknocliten, en luinne heer-schors gaven hun hot voorbeeld van de mannen te vervolgen, die door God tot hen waren gezonden.

87. Fm ten laatste zond hij tot hen zijn\'1 zoon, zeggende: /ij zullen mijn\' zoon ontzien.

Hot zenden van zijii1 zoon was het laatste middel, dat de hoer dos huizes te baat nam. Lukas stolt hom voor, zeggende: „Wat zal ik doen?quot; Hij zou terstond hebben kunnen besluiten om do boosdoeners te straffen; maar zijne daad be wees, dat do goedertierenheid de overhand had behouden over den toorn. Ten laatste zond hij tot hen zijn\' zoon. De zending van Jezus naar Jeruzalem was Gods ultimatum. Indien ook Hij werd verworpen, dan zou liet oordeel over do schuldige stad worden uitgesproken. Het scheen onmogelijk, dat zijne zending zou falen. Zijn\' geliefden Zoon zendende, scheen do Vader te zeggen: „Gewis, zij zullen mijn\'\' Zoon ontzien.quot; Kunnen zij zóó ver gaan van den Erfgenaam aller dingen smaadheid aan te doen? Zal zijne eigene schoonheid en majesteit hun geen ontzag inboezemen ? De hemel aanbidt Hem; de hel beeft voor Hem, gewis: zij zullen mijn\' Zoon ontzien.quot;

88. Maar de landlieden den zoon ziende, zeiden onder elkander-. Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem dooden, en zijne erfenis aan ons he-honden.

De zaken liepen niet, zooals een liefhebbend hart gewenschtzou hebben. Het kwaad werkte door tot aan doszelfs voleindiging. De landlieden den zoon ziende, dat is: zoodra do overpriestors en do farizeën bemerkten, dat de waro Messias gekomen was, zeiden zij onder elkander, wat zij niet openlijk durfden te zeggen. Het zien van den Erfgenaam aller dingen vervulde hen mot boosaardigheid. In hun hart hebben zij Jezus gehaat, omdat zij wisten, dat Hij waarlijk de Messias was. Zij vreesden, dat Hij hen weg zou zendon, en zijn erfdeel in bezit zou nemen, en daarom staan zij hem naar het loven: „Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem dooden.quot; Hij eenmaal uit den weg zijnde, hoopten zij de natie in hunne macht te houden, en haar tot hunne eigene doeleinden te gebruiken: daarom zeiden zij bij zich zelven: laat ons zijne eifenis aan ons behoudenquot; Zij wisten, dat Hij „de erfgenaamquot; was, en dat het ,,zijne erfenisquot; was; maar hunne wetenschap heeft hun niet belet, om den wijngaard aan zijn\' wettigen eigenaar te willen ontrooven. Onze Heere heeft naar het leven geschetst wat er in het binnenste der hoovaardige geestelijken, die Hem omringden, omging, en Hij aarzelde niet, om dit ^in hun bijzijn te doen. Er werden geene namen genoemd, maar dit was eerie persoonlijke prediking van de beste soort.

[59. E)i hem nemende, wierpen zij hem uit, huiten den wijngaard, en doodden hem.

De Heere Jezus wordt hier profetisch, daar Hij door do gelijkenis het succes hunner boosheid voorspelt. De landlieden maakten haast om hun boos komplot ten uitvoer te brengen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Er waren drie be-dnjven in dit drama, en zij volgden snol op elkander. Wij zullen met do beeldspraak ophouden, en de feiten ontsluieren, Zij namen Hon in den hof van Geth-


-ocr page 275-

HoofclSt. XXI.I DE KONING MAAKT/IJNK VI.IANI)ION ZELVEN TOT KECIITEUS. L\' li)

scmanc; zij wierpen Urm uit in hun\' raad in do zaal van Kajafas, on toen Hij uitgeleid werd buiten de poort van Jeruzalem, doodden zij Hem op Golgotha, want hunner was de misdaad, schoon do Ivomeinen haar volbrachten. Aldus was de Erfgenaam gedood, maar do moordenaars hebben den wijngaard niet lang in hun bezit gehad; er werd zeer snel gerechtigheid aan hen geoefend.

40. Wanneer dan de heer de* injriff aards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen r1

Jezus stelt hun do zaak voor. Uit hun eigen mond zal do uitspraak worden gehoord. Er is een tijd, wanneer de heer des wijngaards komen zal. Voor deze overpriosters was de ure zeer nabjj, en voor hou was het nu slechts de vraag: Wal zal hij dien landlieden doen\'?quot; Als klasse waren do godsdienstige leiders dor Joden schuldig aan het blood van eene lange roi van profeten, en zij stonden op hot punt om hunne lange loopbaan van misdaden te kronen door don moord van den Zone Gods zelvon. In do verwoesting van Jeruzalem heeft de God des hemels hen bezocht on hun hunne gerechte straf toegemeten, riet beleg dor stad, cn do slachting van hare inwoners was eene schrikkelijke wrake over liet onschuldige bloed, hetwelk door het volk en zijne overheden gestort was.

41. Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een\' kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verharen, die hem de vruchten o]) hare tijden zullen geven.

Hun antwoord was waarschijnlijk zoo volledig on zoo omstandig, om door con vertoon van rechtvaardigheid in eene zaak, waaraan zjj gaarne den schijn wilden geven, dat zij hun niet aanging, hunne schande te kunnen verborgen. In waarheid en werkelijkheid hebben zij editor het oordeel over zich zelvon uitgesproken, dat zjj kwaden waren, wien een kwaden dood aangedaan moest worden, en wier ambten aan betere menschen moesten gegeven worden. „11 ij zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren.quot; Zij konden of wilden hunne meoning niet zeggen omtrent de zending van Johannes don Dooper, maar wel schenen zij een oordeel over zich zei ven to kunnen uitspreken. Des Hoeren wijngaard is aan andere landlieden gegeven, en de apostelen en do eerste predikers van hot evangelie zijn getrouw bevonden aan hunne opdracht.

Heden ten dage zijn er velen, die zich dienstknechten van Christus noemen, en toch de waarheid verlaten, die Hij als een heilig pand zijnen rentmeesters heeft toevertrouwd, en er hunne eigene leer voor in de plaats stellen. O dat de Heere mannen mocht verwekken, „r/i. hem de vruchten op hare lijden zullen geven!quot; Het is het kenmerk eens getrouwen leeraars, dat hij van ieder werk, dat hij in staat was te verrichten, aan God do eer geeft. Hetgeen der Heere niet verheerlijkt, zal voor de mensehen geen zegen wezen.

42, 43. Jezus zeide tot hen : Helt gij nooit gelezen in de Schriften ; De steen, dien de houuiieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; vandm Heere is ditgeschied, en het is tvonderlijk in onze oogen? Daarom zeg ik ulieden, dat het koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en aan een volk gegeven, dat zijne vruchten voortbrengt.

Onze Heere herinnert hen aan de taal


-ocr page 276-

UN TKOKK HEM SAMEN. | 1 loofdst, XX 1.

250

DES KONlNfiS VIJANDEN\' SPA N\' N

van David in Psalm CXVI II: 22, 23. Zij waren do officicolo houivlieden, cn zij hadden Hom verworpen, dio de hoeksteen was. Maar do Hoeve God heeft dien verachten steon tot hoofd des hoeks gestold. Hij was do voornaamste en do moest geëerde steen in hot gebouw Israels. Dit was togen don zin en den wil van schriftgeleerden en ovorpriesters tot. stand gebracht, want hef is van den Jfeere c/eschied. Zij konden or zich om vertoornen, maar do heilig gozindon aanbaden en zeiden : Het is ivonderlijk in onze norien.quot; Hot lijden en do heerlijkheid van Christus zijn hot wonder des hoelals: „In welke dingen do engelen bogeorig zijn in to zien,quot; (1 Potr. 1 : 12.) Alles wat Hom betreft is wonderlijk in de oogen zijns volks.

Het oordeel dor ontrouwe godsdienstige bouwlieden was hot gevolg hunner zonde: „Daarom zeg ik tilieden.quot; Zjj waren gedoemd om do zegeningen des evangelies te verliezen : „ Dat hel koninkrijk Gods ran n zal wegyenomen rrorden.quot; Elk aandeel in de oor en do ambten van dat koninkrijk zou hun ontzegd worden. Dat verlies zal dos te zwaarder voor hen zjjn, omdat zjj het zullen zien „gegeven aan een volk, dat zijne rruchten voortbrengt.quot; Wolk eeno waarschuwing is dit voor ons eigen land! Ook wij zien do Godheid onzes Hooron on zijne offerande in twijfel gesteld, en zijn heilig Woord aangerand door hen, die hot hadden bohooren to verdedigen. Tenzij er spoedig verbetering komo, zou do llcoro don kandelaar van zijne plaats kunnen nomen, en een ander geslacht vinden, dat aan Hom en zijn evangelie getrouwer zal bljjkon dan wij geweest zjjn.

44. En irie op dezen steen valt, die zal verpletterd, ivorden; en op irien hij valt dien zat hij vermorzelen.

Zjj, die over Christus, den Hookiiteen dor gemeente, als over een struiko blok vallen, zullen gewond worden ; zij zullen zware kneuzingen bekomen, maar Hij blijft ongedeerd. Jezus togen te staan, dat is ons zeiven te benadoelen. Zij, op wie Hjj valt in zjjn\' toorn, zullen vermorzeld ivorden; want do gevolgen van zjjn\' toorn zijn overstelpend, noodlottig, onherroepelijk. Sta Hom togon, en gij lijdt; maar als Hij opstaat in zijne kracht, on u tegenstaat, dan is do verwoesting u alreeds ovor-komen.


HOOFDSTUK XXI. 45—4(1. [Des lionin^s vijHiiden spiuincn tegen Hem stiinen.]

45. En als de overpriesters en farizeën deze zijne gelijkenissen hoorden, verslonden zij, dat hij van hen sprak.

Zjj hadden getracht do bedoeling van deze gelijkenissen te ontwijken, do scherpe punt or van van zich af to wonden; maar to vergeefs: de overeenkomst was treffend, do paralollon volkomen; zij konden niet anders dan weten, dat hij van hen sprak. Hoo zouden zij aan zulke gelijkenissen, zoo waar, zoo snijdend, zoo juist, ook kunnen ontkomen; hoe zouden zij ze kunnen verdragen ?

4(5. h\'n zoekende hem le rangen,


-ocr page 277-

1 foofVlst. XXI l.l OMM.IKKNIS VAX UK ItltUILOFT VAN DUN ZOON i)ES KONINGS. 251

vreesden zij de scharen, dewijl deze hem hielden voor een\' profeet.

Daar zjj Ilcm niet konden antwoorden, wilden zjj de handen aan Hein slaan. Gelukkig hadden de scharen te goede gedachten van Jezus, om toe te laten, dat zjj Hem zouden vangen, ofschoon zjj zochten dit to doen. Deze groote dwepers waren oven lafhartig als wreed: zij vreesden de scharen, denijl deze hem hielden voor een\' profeet Zij durfden de waarheid niet zeggen omtrent Johannes, omdat zij het volk vreesden, en die vreezc weerhield ook hun toorn tegen den Heere van Johannes. In do orde der voorzienigheid was het zoo beschikt, dat de boosheid der kerkelijke vijanden in toom werd gehouden door de gezindheid, die heerschte onder het volk. Dat was een voorbeeld van dc wijze, waarop de aarde zeer dikwijls de vrouw is te hulpe gekomen (Opent. XII ; !(!), en de wil der volksmenigte de dienstknechten Cüods tegen de vreedheid dor priesters heeft beschermd. Hij, die alles bestuurt, brengt in do zaken dor menschen met betrekking tot de kerk eeiio hoogc politiek in beweging. Soms is het gebeurd, dat de mannon Gods door vorsten beschermd werden tegen den wrok der priesters, en een andermaal was hot de menigte, die hen togen den haat van do grooten dor aarde hcoft beschut. Maar hoe, en door wie ook, altjjd kan Jehovah zijn\' Zoon, en allen, die met Hem zijn, bewaren, totdat do ure gekomen is, wanneer zjj door hun\' dood zijn\' naam kunnen verheerljjken, en zelvon tot zjjno heerlijkheid kunnen ingaan.


H O O F D S T U K X X 1 J. 1—14. [Gelijkenis van de bruiloft van den Zoon des lioiiings.]

1. Kn Jezus, antwoordende, spral\' tot hen wederom door t/elijkenissen, zeggende:

En Jezus antwoordende, spt ak tot hen wederom. Dit was zjjn antwoord op den haat der overpriesters en farizeën. Hij antwoordde hun door met zijn dienstwerk voort to gaan. Voor hen, on ook voor hot volk, sprak 11 jj wederom door c/etijkenissen. Zij kwamen tot Hem met spitsvondigheden; Hij antwoordde hun door gelijkenissen. In het vorige hoofdstuk zagen wij, dat „zij verstonden dat hij van hen sprak.quot; Dit heeft hen echter volstrekt niet tot berouw of bekeoring gebracht; hot heeft slechts hun\' haat togen don Heiland doen toenemen. Hun half bedekte toorn was er slechts te grooter om, dat zjj, uit vreeze voor do scharen, aan Jezus de handen niet konden slaan en Hem ombrengen. Zij hadden moedwillig hunne oogen gesloten voor hot licht, maar toch bleef het ben beschijnen. Indien zjj hot niet wildon ontvangen, dan zouden wellicht sommigen van degenen, die door hen misleid worden, het willen aannemen; en daarom zal de Koning hun nog eens oene gelijkenis voorstellen omtrent het koninkrijk en omtrent zich zeiven. Deze gelijkenis moot onderscheiden worden van die, welke in Lukas XIV ; 10—2-t staat opgoteekeiid, en die bij eene andere gclegonheid en met een ander doel


-ocr page 278-

252 OEI.1,1 KKMS VAN DK HUU1L0FT VAN DEN /.UOS DKS KONIXGS. | IToofrlst;. XXI l.

werd gesproken. I let zou de moeite wel loonen om de twee parabolen met elkander te vergelijken, en or de overeenkomst en het verschil van op te merken.

2. Het koninkrijk der hemden is {/el ij Ie een zeker koniiu/, die. zijn\' zoon eene bruiloft bereid had.

Een zeieer koning had eene bruiloft bereid voor zijn\'\' zoon. Aldus viert do Koning der oore de vereeniging van zijn\' Zoon met onze menschheid. Do Zone Gods verwaardigde zich om inet onze inenschelijke natuur vereenigdte worden, ten einde de beminde voorwerpen zijner keuze te verlossen van do straf\', die op hunne zonde moest volgen, en in de innigst mogelijke betrekking tot hen te komen, liet evangelie is een heorljjk feest tor eere van dat wondervolle huwelijk, waardoor God en de menseli één worden. Het was eeno grooto gebeurtenis, en op nmjes-tuouzo wijze hoei\'t do Koning zich voorgesteld haar te vieren door oen bruiloftsfeest der genade. Do bruiloft on hot bruiloftsfeest waren reeds door den Koning geregeld. Jlij had zulk een welbehagen in zijn\' eengeboren en geliefden Zoon, dat alles wat tot zijne oor en blijdschap geschieden kon, een groot genot was voor hot hart dos Vaders. Behalve dos Zoons gelijke eer mot don Vader als Schepper, Onderhouder en Voorziener, zou Hij door zjjn huwelijk ook nog als do Zaligmaker, Verlosser en Middelaar mot nieuwe eer worden gekroond.

8. \'En zond zijne dienstknechten uit om de (jenooden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.

Pc bestemde tijd was gekomen, en do Joden, die, als natie lot de bruiloft je-fioodiyd u-aren, werden geroepen om van des Konings milddadigheid te genieten. Zij wrarcn reeds lang te voren „genoo-digdquot; door do profeten, die de Koning hun had blijven zenden; en nu do dag des feestos was aangebroken, sonrf do Koning zijne dienstknechten, om de genooden ter bruiloft te roepen. Dit was in overeenstemming mot do Oostor-sche gewoonte van eene tweede uit-noodiging te zenden aan hen, die do eerste gunstig hadden aangenomen. Johannes do Dooper on do eerste apostelen en discipelen onzes lleeren hebben het volk duidelijk aangezegd, dat do lang verwachte gebeurtenis naderde, ja dat do bestemde ure reeds was gekomen, do bestemde tijd om Zion gunstig te zijn, en dat er nu niets moer noodig was, dan dat do gaston tot do bruiloft zouden komen.

Do Joden waren hoogolijk geëerd, nu zjj uit alle volkeren der aardo vorkoren waren om do bruiloft van den Zoon dos Konings bij te wonen; maar helaas! zij hebben hunne voorrechten niet op prijs gestold: zij wilden niet komen. Zij waren onderwezen, zij waren vermaand en gewaarschuwd, maar to vergeefs: „zij wilden niot komen.quot; Onze Deere was nu dicht bij hot einde van zijn verblijf op aarde, en Hij somde alles op wat Dij van Israels gedrag jegens Dom had gezien in dezen korten volzin: „zij wilden niet komen,quot; Er wordt niot gezegd: „zij konden niot komenquot;, maar „zjj wilden niet komen.quot; Sommigen om die reden, anderen om deze reden, en sommigen wellicht om in het geheel geene reden, maar van allen zonder uitzondering heet hot: „zij wilden niet komen.quot; Aldus openbaarden zij hunne ontrouw aan don Koning, hunne ongehoorzaamheid aan zijn gebod, hun tegenzin in des Konings bruiloftsfeest, en hunne minachting voor do boden, die de Koning tot hen had gezonden.


-ocr page 279-

I lloot\'döt. XXI I. GKMJICKNIS VAN DE liRUILUl\' l\' VAN DION ZOON DES KONINGS, 258

Merk op, dat hot de Koning was, dio dit bmiloftsf\'üost bereidde, en dat bijgevolg\' do weigering om liet bij te wonen, terwijl de uitnoodiging zulk eene hooge eer was voor hen, die haar ontvingen, eene zoo besliste bcieediging was, als er men mogelijkheid beide den Koning en zijn\' Zoon aangedaan kou worden. Indien een ordinair persoon hen had uitgenoodigd, dan zou liet aan hen gestaan hebben om de uitnoodiging al of niet aan te nemen, maar eene koninklijke uitnoodiging is een bevel, waaraan men niet zonder groot gevaar ongehoorzaam kan zijn. Laat dit in gedachten worden gehouden door hen, die thans de noodiging des evangelies afwijzen.

4. Wederom sonil hij andere diennt-knechten uit, zeggende: Zegt den ge-nooden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne oasen en de gemede beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de brnilolt!

De Koning was geduldig, en gaf den ontrouwen onderdanen nogmaals de gelegenheid om tot de bruiloft te komen: Wederom zond hij andere dienstknechten uit. Iljj wilde alle mogelijke inschikkelijkheid gebruiken jegens hen, die zijne uitnoodiging hadden geweigerd, zoodat, indien zij iu hunne weigering bleven volharden, er geene verontschuldiging voor hen overbleef. Wellicht was er in die eerste dienstknechten iets geweest, dat hen afstootte veeleer dan aantrok; of zij konden misschien des Konings boodschap niet in den besten vorm hebben overgebracht; of mogelijk was do aanzegging niet duidelijk. Het kon ook wezen, dat zij, die „niet wilden komenquot; bij eonig nadenken hunne haastige weigering betreurden, en zeer gaarne eene tweede uitnoodiging zouden willen ontvangen.

Zoo heeft de Koning dan andere dienstknechten uitgezonden; en opdat er nu goone vergissing meer plaats zou hebben omtrent de boodschap, die zij hadden to brengen, zeide hij tot hen: „Zegt den genooden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.\'\' Jezus schijnt hier in do verre toekomst te blikken, en te voorzeggen, wat er na zijn\' dood zal geschieden. De apostelen en de oumiddelijke discipelen onzos Hoeren gingen het land door, het evangelie verkondigende in al zijne volheid, vrijheid en bereidheid. In het eerst bleven zij bij de Joden, overeenkomstig hot woord des Konings: „Zegt den genooden.quot; Te Antiochië en I\'isj\'diö zeiden Paulus en Barnabas tot de Joden, die wederspraken en lasterden: „Het was noodig, dat eerst tot u hot woord Gods gesproken zoude worden.quot; (Hand. XIII: 40.) De apostelen schenen in don beginne hunne zending beschouwd te hebben als beperkt tot de Joden, maar aan hen hebben zij het evangelie dan ook go-wisselijk gepredikt. Zij zeiden hun aan, dat door don dood van Jezus de zaligheid nu ton volle bereid was voor de mensclien, naar hot woord des Konings: „Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid.quot; Zij predikten eene dadelijke verlossing, die den rijkdom dor goddelijke genade zou openbaren: „Mijne ossen en de gemeste boesten zijn geslacht.quot; Inderdaad hebben zij eene algenoegzamo genade verkondigd, die aan elke behoefte der ziel kon voldoen: „Allo dingen zijn gereed.quot; En toen brachten zij des Konings uitnoodiging over: „Komt tot de bruiloft.quot; In zijn\' naam hebben zij genoodigd, gedrongen, ja „de genoodenquot; zelfs bevolen te komen. Zij begonnen te Jeruzalem, en riepen tot het feest het


-ocr page 280-

254 OHIjIJKt\'NIS VAN IJ IS ültUILül\'r VAN UlON ZOON DKS KONINGS. | Hoofclst. XXI I.

bevoorrecht zaad van Abraham, aan hetwelk do eer was to bourt gevallen om het eorst tot hot koninklijk f\'oost-maal to worden geroepen

5. Maar zij, zulks niet achtende, zijn heemjegaan, deze tot zijn1 akker, gene tot zijne koopmanschap.

Do massa vau hot Joodscho volk gaf weinig acht op do prediking der apostelen; zij hobbon zulks niet geacht, „zij vonden hot van minder aanbelang dan do woreldsche zaken, waarvan hun hart was vervuld. Het evangelie niet achtende, hebben zij ook don grooton Koning zolven niet geacht, don Zone Gods vertreden en don Qoest der genade smaadheid aangedaan. De loer des kruises was hun een aanstoot; hot geestelijk koninkrijk van don JSTaza-rener was verachtelijk in hunne oogon: „zij hebben zulks niet geacht.quot;

Zij „zijn heengegaan.quot; Zij gingen niet op don weg, dien de Koning wilde, dat zij gaan zouden; zij hebben zijn\' weg veracht, en gingen hun\' eigen weg: deze tot zijn\'1 akker, gene tot zijne kooimanschap.

„Zijn akkerquot; en „zijne koopmanschapquot; worden gesteld tegenover des Konings middagmaal: „mijno ossen en mijne genieste beesten.quot; „De Koning kan met zijne ossqw en gemeste beosten doen wat hij wil\'\', scheen de rebel te zeggen, „ik ga myV akker bezorgen, of mijne koopmansohap in orde brengen.quot; Vlecscholijkomoiischon boniinneii vleescholijke zaken; geestelijke dingen „achtenquot; zjj niet. Jloe treurig is het, dat het zaad van Abraham, den vriend Gods, oven aardscligozind werd als zij, die door de Joden minachtend „zondaren uit do Heidenenquot; genoemd worden!

(J. Fm de anderen grejien zijne dienstknechten, deden him smaadheid aan, en doodden ze.

De godsdienstige anderen onder do Joden, die met woeste dweepzucht aan uiterlijke vormen bleven hangen, stonden op togen do eerste predikers des evangelies, en hebben hen wreedelijk vervolgd. Zij bekommerden zich niet om do menschwording van Immanuël, liet mystieke huwelijk tusschen God en don menscli; zij bekommerdon zich niet om don iloero God zelvon, maar grepen zijne dienstknechten, en deden hun door hen te geoselon, te steenigen, te belasteren on te kerkeren smaadheid aan. Hunne wreede handelingou met ile dienstknechten des Hoeren bewezen, dat zij vol waren van haat, boosaardigheid en toorn. Voor zjjne bekoeling was Saulus van Tarsen eeu type van do dweepzieke farizeën en godsdienstige oversten des volks, die, gelijk hij aan koning Agrippa beleed, „boveiiniate woeddenquot; togen de volgers van Christus.

in vele gevallen hebben zij des Konings dienstknechten niet slechts smaadheid aangedaan, maar hen ook gedood. Stefanus was na de kruisiging van zjjn\' Hoore do eerste martelaar der waarheid, maar geenszins de laatste. Indien „hot bloed dor martelaren hot zaad der kerk isquot;, dan was hot Heilig Land er in de eerste dagen des Christendoms overvloodiglijk mede bezaaid. Dit was Israels antwourd aan don Koning, die hot gedurende zoo langen tijd bevoorrechte volk noodigde om zijn\' geliefden Zoon to eeren. „Wij tarten den Koningquot;, zeiden zij, „wij willen niet, dat zijn Zoon over ons hoersohe, en ten bewijze van onzen opstand tegen Hem hebben wij zijne dienstknechten gedood.quot;

7. yl/,s\' nn de koning dat hoorde, irerd hij toornig, en zijne krijgsheiren


-ocr page 281-

IlootVlat XXII -1 (11\'jLlJlvl\'M8 VAN UK UKUII.Ol\'T VAN DUN ZOON DES KONINGS. 255

zendende, heeft de doodslagers vernield, en hanne stad in brand gestoken.

In doze schrikkelijke woorden worden het beleg van Jeruzalem, de slachting des volks en de verwoesting hunner hoofdstad beschreven. Als nu de koning dat hoorde werd hij toornig. De Koning had do uiterste grens van lankmoedigheid en geduld bereikt. „De wijnbeker van des Heeren toorn\'\' vloeide over, toen Hij hoorde, hoe zijne dienstknechten mishandeld en gedood waren, en Hij zond- zijne hrijyshairen. De Romeinsche keizer dacht, dat hij zijne heirlegers zond tegen de Joden, maar onbewust heeft hij de eeuwige bedoelingen des Allerhoogsten Gods uitgevoerd, evenals de koningen van Babyion en Assyrië voormaals do werktuigen zijn geweest, waarmede do ITeere zjjn tegen Hem rebelleerend volk had gekastijd. (Zie .los. X : 5; Jerem.XXV: 9 .

Do wreede beulen hebben hun werk zoo volkomen mogelijk verricht. Lees Josephus, en zie, hoe do Romeinen die doodslagers hebben vernield, en hiinne stad in brand gestoken. Zeer merkwaardig zijn die woorden in hunne ontzaglijke kracht onnauwkeurigheid. Alleen do Alwetendheid kon zoo volkomen en zoo naar waarheid de rampen voorspellen, waardoor de moordenaren en hunne stad getroffen zouden worden.

Die goddelijke wrake, waardoor Jeruzalem word verwoest, behoort eene plechtige waarschuwing voor ons te zijn, nu er heden ten dage zoo velen zijn, die in ons hoog bevoorrecht land het evangelie voor niets achten. Geene natie heeft ooit het evangelie versmaad, zonder dat een ontzettend oordeel op deze hemoltergonde misdaad is gevolgd. Frankrijk lijdt nog tot op den huidigen dag onder do gevolgen van den Hartholonieus moord. Indien ons land de waarheid Gods zou verworpen, dan zou het licht, dat wij als natie bezitten, in eene zee van bloed worden uitgobluscht Moge God door zijne almachtige genade zoodanige ramp van ons weren.

8, 9. Toen zeide hij tot zijne dienstknechten : de bruiloft is wel bereid, doch de (jenooden waren het niet waardig; daarom gaai op de uitgangen der wegen, en zoo velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.

Toen : zelfs toen de Koning vertoornd was, was Hij nog vol van genade. In zijn\' toorn heeft Hij gedacht aan goe-dertierenheid. Het oordeel is zijn vreemd werk; maar Hij „heeft lust in gooder-tiereuheid.quot; Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: de Koning had nog dienstknechten, schoon zijne vijanden waren vernield. Toon er geene over-priesters en farizeën meer bestonden en Jeruzalem verwoest was, zijn er nog Christelijke predikers overgebleven. De koninklijke Gastheer verzamelde zijne dienstknechten, en logde den staat van zaken nauwkeurig voor hen bloot: „De bruiloft is wel bereid.\'\'\'\' Er is eene overvloedige evangelie voorziening gegeven ; van des Konings zijde hoeft het aan niets ontbroken. De bruiloft zijns Zoons moet door een\' feestmaaltijd worden opgeluisterd; en voor een\' feestmaaltijd zijn gasten noodig: „doch de (jenooden waren het niet waardig.quot; Dat is het laatste dat wij van deze genooden hooren. Daar zij zich zeiven het eeuwige leven onwaardig keurden, moeten anderen geroepen worden. Do zaligheid is geene zaak van waardigheid, want indien zij het wol ware, dan zou er niemand zalig worden. Deze lieden waren te hoogmoedig, te zelfgenoegzaam, te hooggevoelende om waardige ontvangers te zijn van des


-ocr page 282-

25(5 GELIJKENIS VAN DE I! RUI LOKT VAN DEN ZOON DES KONINGS. [Ilüot\'dst. XXII.

Koniags gunst. Zij gaven er do voorkeur aan om hunne akkers en hunne koopmanschap te verzorgen. Eer te bewijzen aan den Koning eu zijn\' Zoon wilden /.ij niet, want in hun hart waren zij verraders.

Wat moest er geschieden? Moet de bruiloft niet plaats hebben, en do toebereidselen voor het feestmaal worden vernietigd? Nietalzoo. De Koning zeide tot zijne dienstknechten: „ Daarom gaaf op de uitgangen der wegen, en zoo vel vu als gij er zult vinden, roept ze iot de hrniloftquot; Heerlijk was de openbaring der genade, die den apostelen beval zich tot de Heidenen te wenden. Tot nu toe waren zij niet genoodigd; maar taen de Joden den Messias ten laatste verworpen hebben, gaf Hij zijnen discipelen de ruimere opdracht: „Gaat henen in de geheele wereld, predikt liet evangelie aan alle kreaturen.quot; 1 n de gelijkenis wordt melding gemaakt van struikroovers, landloopers, en allerlei slag van lieden. Alzoo moet Jezus gepredikt worden aan menschen van allerlei staat en toestand, maar inzonderheid aan, de „dwalendenquot; aan hen, die buiten den weg zijn.quot; 1) Het is niet de gewoonte dor menschen om personen, die op de wegen omdolen, „menschen van de straatquot; tot een bruiloftsfeest te noodigen; maar Jezus heeft het heerlijke vrije der evangelie noodiging in het licht gesteld: „Zoo velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.quot; Uit wijst op geene beperkte roeping, geene prediking alleen maar tot godvruchtigen. In den beginne zijn er — en met recht — beperkingen geweest; maar na den dood van Christus zjjn zij allen weggenomen. Zelfs onze Heere heeft gezegd: „ ik ben niet gezonden dan tot do verlorene

1) llebi-. V ; 2 naar de Engelsche overzetting.

schapen van hot huis Israelsquot;, en toen Hij voor het eerst zijne twaalf apostelen uitzond, luidde zijn bevel: „Gij zult niet heengaan op den weg der Heidenen, en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen/\' Maaide tijd voor de algemecne verkondiging van het evangelie was nu gekomen. Na zijne opstanding zeide Jezus tot zijne discipelen: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al do volkoren.quot;

U). En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, heiden kwaden en goeden; en de hrniloft werd vervuld mei aanzittende gasten.

Kn dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen: zij deden wat hun bevolen was. Dit was voor de discipelen de volmacht om te doen, wat hun in den beginne zeer vreemd moet hebben toegeschenen. Zeiven behoorden zij tot het bevoorrecht geslacht, dat in het eerst genoodigd was; maar G ods genade heeft hun vooroordeel overwonnen, en zij „gingen uitquot; onder de Heidenen om (le bruiloft des Zoons Gods bekend te maken, en de menschen dringend uit te noodigen om tot het bruiloftsmaal te komen. Dc dienstknechten gingen in verschillende richtingen op de wegen; — het woord staat in het meervoud — „de uitgangen der wegen\'\'; in de Herziene Vertaling des Nieuwen Testaments 1) heet het: —-de kruiswegen, waar men de meeste menschen bijeen kon vinden. Overal waar het volk is, daar behoorden de predikers des evangelies heen te gaan met de boodschap, die zij van God hebben ontvangen. Des Konings dienstknechten waren zóó ijverig, en do ge-

I) Do Engelsche.


-ocr page 283-

lloot\'dst. XXI I.| GKLl.JKKN18 VAN DE ÜIUIILOI\'F VAN DEN ZOON DKS KONINGS. 257

iiado liuns Meesters liecft zóó krachtig door lien gewerkt, dat hun arbeid zeer voorspoedig was. Zij „veiyuderden allen, die zij vonden.quot; De boodschap, die door do Joden was veracht, werd met blijdschap aangenomen door do Heidenen, en van de groote ITeidensehe heirwe-gen der wereld, — Rome, Athene, Ef\'eze, enz., — zijn er velen tot het evangeliefcest vergaderd. Menschen van alle rangen en standen zijn tot het feestmaal dor liof\'de gekomen, i )czc lieden waren blijkbaar zeer gewillig om te komen, want des Konings dienstknechten „vergaderden allen, die zij vonden.quot; Menschen, die uitwendig grootelijks van elkander verschilden, vereenigden zich om aan die roepstem gehoor te geven: heiden kwaden en goeden waren aan die tafel bijeen. De boste vergadering in de zichtbare kerk, zal in don tegenwoordigen staat van onvolkomenheid der menschheid toch altjjd nog eeno zeer gemengde vergadering zijn; er zullen sommigen bij worden toegelaten, dio er niet behoorden te zijn. Altijd zal er onkruid zijn onder de tarwe. Koren en kaf liggen op denzelfden dorschvloer. Het schuim zal met het kostbare goud zijn vermengd. Onder de schapen zullen bokken gevonden worden. Het ovangelienet zal allerlei soorten van visch in zich bevatten, „beiden kwaden en goeden.quot;

Fm de bruiloft werd rervnld met aanzittende (jasten. Gelukkige, gewillige, verwonderde en van geestdrift vervulde gasten bevonden zich op eens van do uitgangen der wegen in het koninklijk gezelschap. De bedelaar werd van den mesthoop opgenomen, om met de vorsten aan te zitten in de tegenwoordigheid des Konings. Hallelujah! Aldus was de Koning gelukkig, de Prins geëerd, do feestzaal gevuld, en alles ging zoo blij en zoo vrooljjk als de klokketonen bij een huwelijk. Wat kreten van blijdschap zullen er van deze verworpenen iler aarde zijn opgegaan, terwijl zij daar aanzaten aan den koninklijken disch! Alls was reeds te voren voor hot feest io gereedheid gebracht; er ontbrak niets dan do gasten om van des Konings weldadigheid te genieten. Nu zjj gekomen zijn, zal voorzeker ook alles wel gaan. Wij zullen zien.

11. En uls de koning ingegaan ivas, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mensch, niet gekleed zijnde met een bruilofislcleed.

De voorspoed der dienstknechten in het vullen der feestzaal was niet zoo groot, als men bij den eersten aanblik gezegd zou hebben. Hij was ten minste niet onvermengd. De gasten bleven het paleis binnenstroomen. terwijl zij zich bekleedden met een gewaad, dat hun door den Koning was verstrekt. Maar onder die allen bevond zich één gast, die den Koning en zijn\' Zoon haatte, en die besloten had om in die feestvergadering te komen, zonder het gewaad der blijdschap te dragen, en aldus, zelfs in de koninklijke tegenwoordigheid zijne verachting te toonen voor alles, wat er gaande was. Hij kwam, omdat hij genoodigd was, maar hij kwam slechts in schijn. Het feestmaal was bestemd om den Zoon des Konings te eeron, maar deze mensch had dit volstrekt niet op het oog. Hij was wel bereid om de kostelijke spijzen te nuttigen, maar in zijn hart was noch voor den Koning, noch voor des Konings Zoon ook maar do minste liefde.

Zijne tegenwoordigheid werd verdragen tot aan een zeker plechtig oogenblik, toon de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien. Toen is hot oog, dat alles overziet, maar niets voorbijziet, don vermetelen indringer gewaar geworden; hij zag


17

-ocr page 284-

258 OKU.fKKNIS VAX DU lilvl\'ll.OI\'l\' VAN DUN ZOON DUS l\\OXINOS. [UoofVlst. XXII

dUludi\' een\' incnsch, niet tjckleed zijnde met een bruiloftskleed. Hot bruilofts- : Icleed is do voorstelling van alles, wat onontbeerlijk is voor den Christen, maar dat het onverniouwdo hart niet wil aannemen. Do meusch, die het bruiloftskleed niet aan had, was buiten gemeetischap met de vergadering, in disharmonie met haar doel, ontbloot i van trouwegehechtheid aan den Koning, i En toch braveerde hij allen en alles, j en drong zich onbeschaamd in ondor I de bruiloftsgasten. Het was eene onbeschoftheid, die noch onopgemerkt, noch ongestraft kon blijven. In sommige opzichten was hij erger dan zij, die de uitnoodiging hadden afgewezen; want terwijl hij voorgaf haar aan te nemen, kwam hij daar slechts om den Koning in het aangezicht te beleedigen. \\ Hij wilde het kleed niet aandoen, dat hem om niet was aangeboden, ! omdat hij, dit doende, den Prins zou geëerd hebben, wiens huwelijk voor hem eene zaak was van minachting i en spot.

Ifet is goed om ons te herinneren, dat er vijanden zijn des hemelschen { Konings, niet slechts buiten do belijdende kerk van Christus, maar ook binnen hare palen. Er zijn sommigen, die geheel en al, en ronduit weigeren om tot de bruiloft zijns Zoons te komen; maar anderen helpen de feestzaal vullen, terwijl zij toch vijanden zijn en blijven van den grooten Stichter van hot feest. Deze mensch zonder bruiloftskleed is het type van hen, die in deze dagen voorgeven Christenen te zijn, maar den Heere Jezus niet ceren, evenmin als zijn zoenoffer, of zijn heilig ! Woord. Zij zijn niet in overeenstemming met hot dool van don evangelie maaltijd: de eer en heerlijkheid, namelijk, van den Heere Jezus in zijne heiligen. Zij voegen zich bij de kerk, om des gewins wille, om de eer, of

omdat het de mode is, of wel met het doel om het geloof van anderen to ondermijnen. De godvruchtigen kunnen hen dikwijls zien. Deze mensch moet onder de gasten noodwendig aller aandacht getrokken hebben. Maar de verraders in de kerk hebben het meest te vreezen van de komst des Konings. Hij zal ze in een oogwenk ontdekken, evenals de koninklijke gastheer in de gelijkenis, die, zoodra hij binnenkwam om de gasten te overzien, terstond den mensch bemerkte, die het bruiloftskleed niet aanhad.

12. En zeide tot hem: Vriend hoe zijt (jij hier iiKjekomen, geen hruilo/ls-Ideed aanhebbende? Kn hij verstomde.

De Koning sprak hem vriendelijk genoeg aan: Hij zeide tol hem: „Vriend.quot; Wellicht was het toch zijne bedoeling niet geweest den koning te beleedigen, daarom noemde hij hom „Vriend.quot; Hij gaf voor een vriend te zijn, en daarom sprak de Koning hem aan als zoodanig. Maar toch! het was eene grove beleediging, waaraan hjj zich had schul dig gemaakt, en hij heeft er zich voor Ie verantwoorden: „Hoe zijt (jij hier imjekomen, jeen bruilofIsldeed aanhebbende? „Was het bij ongeluk, of met op/.et? Hebben de dienaren u niet medegedeeld, dat er voor al mijne gasten bruiloftskleederen waren gegeven? Hebt gij u niet gevoeld als een gespikkelde vogel, nu gij al uwe metgezellen in bruiloftskleederen zaagt ge kleed, terwijl uw eigen gewaad volstrekt niet voegzaam is in deze feestzaal F Indien gij een vijand zijt, hoe zijt gij dan hier ingekomen? Was er geene andere plaats, om mij te honen en te weerstaan dan mijn eigen paleis ? Was er geene andere tijd, geschikt om mij te beleedigen, dan juist op den bruiloftsdag mijn Zoons? Wat hebt gij te


-ocr page 285-

lloof\'dst. XXI 1.1 OKI.I.IKK.NIS VAN 1)10 HRUI1.ÜFT VAN DUN ZOON DKS KONINGS. 259

zeggen, om uw vreeinilsooitig gedrag te verklaren ofte verontschuldigen?quot; Merk op, boe persoonlijk de vraag is. ] )o Koning spreekt iiem aan, alsof hij alleen tegenwoordig is.

En hij verstomde. Hij had eene goede gelegenheid om zicli te veront schuldigen, indien hij het kon; maar hij was overweldigd van ontzag door de majesteit des Konings, en doorzijn eigen geweten van schuld overtuigd. Er behoefde niet tegen hem getuigd te worden: hij stond daar voor het geheele gezelschap door zich zei ven veroordeeld, schuldig aan openlijke, onmiskenbare ontrouw. In liet oorspronkelijke staat: „Hij was zeer ge-mnilbaudquot;, of de mond was hem zeer gesnoerd. Hij kan wel zeer vloeiend gesproken hebben, eer de Koning binnenkwam; maar daarna had hij geen woord meer to zeggen. Welsprekend stilzwijgen! Waarom is hij zelfs toen niet op de knieën gevallen, om vergiffenis af te smeeken voor zijne vermetele misdaad? Helaas! do hoogmoed maakte hem onbekwaam, om zich te bekceren; zelfs op het laatste oogenblik wilde hij nog niet buigen.

Er is voor den mensch, die in de kerk van Christus is, maar wiens hart niet recht is voor God, geenc verdediging of verontschuldiging. Nog komt de Koning, om de gasten te overzien, die zijne koninklijke uitnoodiging tot de bruiloft zijns Zoons hebben aangenomen. Wee dengene, dien Hij dan vindt, geen bruiloftskleed aanhebbende.

13. Toen zeide de kon\'uuj tot de dienaars-. Bindt zijne handen en voeten, neemt hem teeg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis: daar zul zijn ireening en hnersing der tanden.

Door zijne daad, indien al niet door zijne woorden, had hjj gezegd: „Ik bon een vrij man, en zal doen wat mij behaagt.quot; Zoo zeide dan de koning tot de dienaars; „liindt hem.quot; Hooit hem, ontneemt hem voor altijd de vrijheid. Hij was al te vrij geweest met de heilige zaken, hij had den Koning beleodigd, hij had zijne hand in rebellie tegen hem opgeheven, en toch zijn\' voet in het paleis des Konings durven zetten: „liindt zjjne handen en roeten.\'quot; Bereidt den misdadiger voor de terechtstelling, en laat er geene mogelijkheid zijn, dat de rebel ontkome. Hjj is, waar hij niet behoort te wezen: „Neemt hem weg.quot; Des Konings paleis is geene plaats voor verraders. Somtijds wordt dit banvonnis uitgevoerd door de Kerk, als door eene rechtvaardige tucht de bedriegers buiten hare gemeenschap worden gesloten; maar meer ten volle wordt het ten uitvoer gelegd in de ure des doods. Het is merkwaardig, dat hier een ander woord wordt gebruikt voor „dienstknechten\'\' dan in vers iJ, 4, O, 8 en 10 gebruikt is. Daar is het ilonloi, hier is het diaJco)ioi, „dienaarsquot; beteekenende de engelen, wier werk het inzonderheid is om uit Christus\' koninkrijk te vergaderen, „al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doenquot; (XIJ[:41) „en de boezen uit het midden der rechtvaardigen af te scheidenquot; (XI li: 4!)).

De mensch in de gelijkenis had het gewaad des lichts geweigerd, en zoo zegt de Koning tot zijne dienstknechten: „ Werpt hem uit in de buitenste duisternis.quot; Werpt hem henen, zooals men onkruid overeen\' tuinmuur werpt, of zooals men adders afschudt in het vuur. Werpt hem ver weg van de feestzaal, waar do toortsen vlammen en de lampen een helder licht verspreiden, „in de buitenste duisternis.quot; Het zal er voor hem des te duisterder zijn, nu hij in het licht geweest is. Zijne vermetele onbeschoftheid verdient de


-ocr page 286-

IIUM TH VKUSÏKIKKKN. | I loofVlst. XXII.

2t)()

1)1« KONINCiS VIJAND!■)N\' \'l\'KACUTKN

zwaarste straf: liij wordt verwezen naar eonc plaats, waar „zal zijn weeninj en knersing der tanden.quot; Hetzalgcene plaats wezen dos berouws en bekeoring, want do tranen, die er gestort worden, zijn geene tranon eener droefheid naar God van wogo do zonde, maar hoeto, verschroeiende tranen uitoogen, waarin het vuur flikkert van den opstand tegen God, en van nijd, die het onvorwonnen hart verteert. Hot „knersen der tandenquot; toont het karakter, den aard der „weening.quot; De door God verworpene zal in al de woede van teleurgosteldon haat, wijl zjjno pogingen om oneer te brengen over den Koning in verband met do bruiloft zijns Zoons, verijdeld werden, op de tanden knarsen. Zjj, die belijden Christenen te zijn, maar in werkelijkheid ongeloovig en ongehoorzaam zijn, zullen 0011 vonnis verkrijgen gelijk aan dat, hetwelk hier is beschreven. Moge de Heere in zijne genade ons allen voor zulk oen ontzettend lot bewaren!

14. Want reien zijn (jeroepen^mriar weinigen uitverkoren.

Velen zijn geroepen: daar ligt de beperking niet. Wij prediken geen beperkt evangelie. Allen, die dat Evangelie hooren, zijn geroepen; doch hot komt niet met kracht tot ieders hart: maar w.unigen uilverlcoren. Do uitkomst toont, dat do massa op de eene of andere wij/.e het bruiloftsmaal mist, en slechts weinige kourgeesten er door do verkiezing van Gods genade oeno plaats vinden.

Deze woorden hebben natuurlijk betrekking op de goheele gelijkenis. Tot hen die „geroepenquot; waren, behoorden ook de vorwerpers van dos Konings uitnoodiging, die door hunne weigering bewezen, dat zij niet „uitverkorenquot; waren. Zelfs onder degenen, die de uitnoodiging aannamen, was er een, die niet „uitverkorenquot; was, want hij beleedigde den Koning in zijn eigen palcis, en toonde zijne vjjandschap door zijne ongehoorzaamheid aau hetgeen door den Koning werd vereischt. Er waren echter „uitverkorenenquot;, en wel in genoegzaam aantal om de feestzaal des grooten Konings te vullen en eer te bewijzen aan de bruiloft zijns Zoons. Zalig zij, die aan zullen zitten aan hot avondmaal van de bruiloft des Lams! Mogen de schrijver cn al zijne lezers onder dit uitverkoren gezelschap gevonden worden, en voor altijd de onderscheidende genade aanbidden van God, die hen zoo hoogeljjk heeft bevoorrecht!


11 O O ¥ D S T UK XXI I. 15—22. [Hes Konings vijuuden trachten Hem te verstrikken.]

15. Toen gingen de farizeën heen, en hielden te namen raad, hoe zij hem verstrildrn zouden in zijne rede.

Toen gingen de farizeën: zij moeten bemerkt hebben, dat do gelijkenis van hot bruiloftsfeest, evenals die van do hoozo landlieden, togen hen gesproken was, dat is: op hen doolde. Onzes Ileoren woorden hebben hen echter niet tot inkeer gebracht, maar wel hunne boosheid en hun\' haat tegon Hem doen toenemen. Hun hart was verhard, en hun geweten toegesehroeid; on zoo hielden zij te zamen raad, hoe zij hem verstrikhen zonden in zijne


-ocr page 287-

lloül\'dst. XXI 1.1 DES KONINGS VIJANDEN TKACHTEN HUM TH VKUWTIUKKKN. 261

rede. Zij wildon niet erkennen dat Christus de wijsheid Gods en do kracht Gods was. Hadden zij dit gedaan, dan zouden zjj zulk een onmogelijk werk niet hebben ondernomen. Zij zagen, dat het eene mooielijke zaak was, om Jezus in zijne rede te verstrikken, en daarom „hielden zij te zamen raad \', hoe zij dit zouden kunnen tot stand brengen. Indien Hij even gebrekkig ware geweest als wij, dan zouden zjj geslaagd zjjn, want menschen, die ons in onze redo willen verstrikken, behoeven daartoe niet veel raad te nemen.

Dit voorval leert ons, dat menschen, die even strikt en vormelijk zijn als deze farizeën, er zich toch opzet-teiyk op kunnen toeleggen, om hun\' tegenstander te verstrikken. Voel uitwendige godsdienstigheid kan gepaard gaan met de laagste geestesgezindheid.

Ki. A\'n zij zonden uit tot hem h unne discipelen, met de Herodianen, zeijijende: Meester! irij weten, dat gij iraarachtuj zijt, en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt: want gij ziet den persoon der menschen niet aan.

Zij zonden uit tot hem hunne discipelen. Waarschijnlijk schaamden zij zich, om, nadat lljj hun gedrag jegens Hem, als des Konings Zoon had blootgelegd, wederom in do tegenwooulig-heid van Christus te verschijnen. Zoo zonden zij dan eene uitgelezene afcleeling van hunne discipelen, in de hoop, dat, waar de leermeesters hadden gefaald, de leerlingen zouden slagen. Met de Herodianen. De discipelen der farizeën moesten versterkt worden door eone tegenovergestelde sectie van de vijanden van Christus. Do vereenigde bende kan van verschillende zijden tegen Jezus opereeren. De farizeën haatten do heerschappij cenor vreemde macht, terwijl de Herodianen voorstanders waren van de opperheerschappij van Caesar. Hoe deze twee partijen nu ook in gevoelen met elkander verschilden, een verschil dat zelfs zóó hoog liep, dat zjj elkander haatten, hebben zij voor hot oogenblik hunne onderlinge twisten laten rusten, ten einde op de eene of andere wijze onzen Heere te verstrikken.

Zij begonnen met zeer sohoone woorden. Zij spraken Jezus aan met een\' titel, die achting en eerbied uitdrukte: „Meesterquot;: maar zij waren geveinsd in het gebruik van dit woord. Zij gaven voor Hem te beschouwen als een Leeraar der wet, een autoriteit in geschillen over punten van leerstelling of praktijk. Zij erkenden ook zijne oprechthoid en waarheidsliefde: „ Wij weten, dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert.quot; Zij prezen Hem voorts ook om zijne onverschrokkenheid : „en naar niemand, vraagt.quot; Daarna prozen zij Hem om zijne onpartijdigheid; „want gij ziet den persoon der menschen niet aan.quot; „Gjj zult spreken, zonder te vragen wat Crcsar, of Pilatus, of Herodos, of iemand onzer or van donken of zeggen zal. Aldus poogden zij Hom te overrompelen door hetgeen zij uit vleierij tot Hem zeiden. Al wat zij zeiden was waar; maar zij meenden hot niet. Van hunne lippen was hot niets dan vleierij. Laat ons goed onthouden, dat, wanneer slechte menschen ons het luidst prijzen, zij gewoonlijk boozo plannen tegen ons koesteren. Zij kruipen en vleien, ten einde te kunnen bedriegen en verwoesten.

17. Zeg ons dan: wat dunkt u? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geren of niet.

„Zeg ons danquot;. „Omdat gij waar-


-ocr page 288-

2iVgt; DES KONINGS VI.TANDKN TKACHTHN HUM \'J\'U VHKSTK1KKEN. | 1 loofVlut XXII.

uclitig zjjt. omdat gij den weg Gods in der waarheid leert, omdat gij naar niemand vraagt, als gij zelt recht hebt, en omdat gij den persoon des menschon niet aanziet, maar de waarheid durft sproken, of zij haar willen hooren of niet; zeg ons dan, IVnt dmikf. u? \\ Wij zjjn zeer begeerig uwe meening te weten omtrent dit belangrijk punt, waarvan do een dit zegt en een ander weer wat anders. Het is eene zaak van groot publiek belang, ledereen spreekt er van. Er moet veel en van alle zijden over nagedacht zjjn door zulk een wijs leeraar als gij zijt, en wij zouden gaarne willen weten wat gij er van denkt: Wat dunkt u?quot; [ Die lieve onnoozele menschon! Zjj verwachtten en verlangden naar veel 1 onderwijs van irom! Gedurende al den tijd, dat zij met Hem spraken, verheugden zij zich inwendig over den triomf, dien zjj stellig dachten te zullen behalen, als Hij, door welk antwoord Hij ook zou geven, of zelfs door zjjn stilzwijgen, zich de vijandschap van het een of ander deel des volks op den hals zou halen.

Hier is do vraag, die zjj onzen Heere voorlegden: ,, Is het(jcoorloofd, denheizer schatting te geven, of niet?\'\' Zjj bedoelen do jaarljjksche belasting van het hoofd- j geld, die hun door de llomeinen was ; opgelegd, en die de groote oorzaak van verontwaardiging was onder do Joden, en tot menigvuldige opstanden aanleiding gaf. Judas do Galilóër (Hand. V : ;57), een der vele valschoMessiassen, had geleerd, dat hot niet geoorloofd was den keizer schatting te geven, en , was tengevolge van zjjn\'opstand tegen Kome omgekomen. Do ondervragers van Christus kunnen de hoop gekoesterd hebben, dat Hem een dergelijk lot zou treffen.

Hunne vraag was in velerlei opzicht moeieljjk, en van zeer toedoren aard.

Elk antwoord, dat 11 jj gaf, zou stekelig zjjn, en door deze stekels hoopten zjjne vijanden vat op Hem te krjjgen. Indien iiü zeido: „Het is geoorloofdquot;, dan zouden zjj Hom kunnen beschuldigen van in verbond te zjjn met don verdrukker, een verrader to zjjn van de Theocratie, waarin zjj roemden, ofschoon zjj in werkeljjkheid de goddoljjko heer-schappjj over zich hadden verworpen. Indien Iljj zeido: „Het is niet geoorloofdquot;, dan konden zjj Hem bjj den Romeinsclien landvoogd aanklagen wegens opruiing van het volk. Dit was ook foiteljjk eene dor valsche beschuldigingen, die tegen Jezus ingebracht werden, toen Hjj voor Pilatus stond: „Wjj hebben bevonden, dat deze het volk verkeert, en verbiedt don keizer schatting te geven, zeggende, dat hjj zelf Christus, do Koning is.quot; Indien Hij bleef zwjjgen, dan zouden zjj Hem verwjjten een lafaard te zjjn, die niot uit durfde komen voor hetgeen hjj dacht, ton einde zjjne hoorders niette ergeren. Heel bekwaam en handig was het net gespreid, maar zjj, die het zoo kunstig gelegd hadden, hebben weinig gedacht, dat zjj slechts een strik spanden voor zich zeiven. Dat gebeurt dikwijls, gelijk David gezegd heeft: „De goddelooze is verstrikt in het werk zjjner handen.quot;

18,10. Maar Jezus, bekennendehunne boosheid, zeide: Gij geveinsden! irat verzoekt (jij mij? toont mij den schatting-penning. Kn zij brachten hem een\'\' penning.

O n ze groote, god ach ton lozende Kon i ng kon noch door hunne vleierjj, noch door hunne listige ondervraging bedrogen worden: Maar Jezus, bekomende hunne boosheid, want dat was bot, en niets anders. Boosheid en bedrog bonuunden zijn\' verderf; maar Hjj


-ocr page 289-

Hoof\'dst. XX.1 l,| ])ES KUNINdS VIJANDEN TK ACHT ION HUM TE VEHSTHIKK EN. 20\'?

doorzag de list zijner vijandon, en be-morkto do boosheid, die hen dreef om Hem aan to vallen. J)o toeschouwers konden hunne boosheid wel niet bc-inerkt hebben, en onzos Hoeren discipelen liebben wellicht niet geweten, hoe Hij hun zou antwoorden; maar, evenals in allo andere moeielijko omstandigheden, wist Jezus zelf, wat Hij doen zou.

Waarschijnlijk hebben zelfs zijne vijanden do vraag niet verwacht, die lljj hun thans voorleide: „Gijcjeveins-deii! irat rersoelct- (jij mv?quot; Zij hoopten hun ware doel zoo handig verborgen te hebben gehouden, dat liet hun verrast moet hebben, dat hun liet masker zoo spoedig zou worden afgerukt, en in hun waar karakter van „geveinsdenquot; in liet openbaar ten toon gesteld te worden. Jezus vergelijkt hen bij tooneel-spelers, menschen, die eono rol spelen met het dool van te misleiden. Zeer juist heeft Hij hen gonoetnd, en met wijsheid heeft lljj tot hen gezegd: „Wat verzoekt gij mij!\'quot; Het is alsof Hij tot hen had gezegd: „Gij ziet,dat ik niet misleid word door uwe vleiende, doch val soli e woorden! Ik kan de boos-lieid lezen, die in uwe harten is geschreven. Indien Ik met u wil doen wat Ik met u kan dt.en, dan zijt gjj machteloos tegenover Mij. Wat kunnen arme, nietige schepselen als (/ij zijt, doen tegen Mij?\'\'1 Daar is onuitsprekelijke minachting in de vraag onzes ITeilands; toch is er ook een toon van medelijden in te bespeuren, zelfs met hen, die het niet verdienden. „Wat, waarom verzoekt gij Mij? Heb Ik u reden gegeven, waarom gij Mij zoekt te verstrikken ? Waarom zjjt gij zoo dwaas van vragen te doen, die niet anders dan tot uw eigen nadeel moeten uitloopen ?quot;

Als de menschen grooten eerbied voorwenden voor Jezus, en dan door hunne dwaalleer, of door hunne val-schelijk aldus genaamde wetenschap zijn evangelie zoeken omver te werpen, dan zijn zij niets anders dan lage huichelaars.

Hunne dwaasheid en geveinsdheid aangetoond hebbende, zal Jezus hen thans openlijk te schande maken. Hij zeide tot hen • „ Toont mij den schattiny-penning.quot; Dit verzoek van zijne zijde en hun voldoen er aan, zal de gansche zaak duidelijker en meer indrukwekkend maken voor do omstanders. Als er iets to zien en te tasten is, dan zal de locring altijd meer doel treffen. Onze Heere vroeg, dat men Hem een muntstuk zou toonen, waarmede de belasting van het hoofdgeld gewoonlijk betaald werd: en zij brachten hem een\'\' pennin(j, een\' dpnarim. Het bedrag van deze munt was de dagelijksche soldij van een llomeinsch krijgsman, en in de gelijkenis van den wijngaard wordt er van gezegd, dat hij hot dagloon was van een\' arbeider. Indien deze lieden hadden kunnen gissen, waartoe Jezus zulk een\'denarius zou gebruiken, zjj zouden er Hem niet zoo spoedig een\' gebracht hebben. Met dit muntstuk brachten zij hunne eigene beschaming. Zij zouden naderhand nooit meer de schattingpenningen kunnen aanzien, zonder te gedenken, hoe hunne poging, om den gehaten Nazarener te verstrikken, verijdeld was geworden.

20, 21. Kn hij zeide tot hen: Wiens ia dit beeld en het opschrift? Zij zeiden tot hem: Des keizers. Toen zeide hij tot hen\'. Geelt dan den keizer, dat des keizers is, en Gode dat Gods is.

Hij deed nog eeno vraag, opdat zij zeiven helpen zouden, om hun het antwoord te geven op hunne vraag: Hij

zeide lot hen: „ Wiens is dit beeld en het opsch! ift Zij hadden op dit


-ocr page 290-

204 DES KONINGS VIJANDEN TRACHTEN

muntstuk hot beeld en liet opschrift van don liomeinsehen keizer voor zich; maar Hij wilde, dat zij zeiven ditzoudon zeggen, en daarom vraagt Hij hun: „AViens is dit?quot; De Joodsche Kubbis leerden, dat „zoo eens konings munt gangbaar is in een land, de inwoners van dat land hiermede het bewijs leveren, dat zij hem als hun\' heer erkennen.quot;

Als wij met goddelooze menschen te doen hebben, dan is het kostelijk, als wij er hen toe kunnen brengen om hunne eigene beschuldigers te zjjn.

Zij zmlen tot hem : „Des Keizers.quot; Geen ander antwoord was mogelijk. Deze schattingpenning was geen sikkel der Joodsche munt, maar munt van het Romeinsche. rijk. Dit was dus een duidelijk bewijs, dat zij, of zij dit nu wilden ot niet, liomeinsche onderdanen waren, en dat Gesar over hen regeerde. Wat moet hier dan uit volgen, zoo niet dat zij hun\' erkenden heerscher betaalden, wat hem toekwam? Toen ze.ide hij tot hen: (leeft dan den keizer, dat des keizers is. Al wat des keizers is, behoort hom te worden gegeven. Jezus zeide niet, irat aan den keizer toekwam, wat des keizers was, het muntstuk zelf lost het vraagstuk van de schatting op. Zjjn antwoord omvatte al de plichten van trouwe onderdanen jegens den heerscher, onder wiens rechtsmacht zij leefden; maar dit raakte do souveroiniteit Gods niet. Jehovah voerde heerschappij over het geweten en het hart, en zij hebben wel acht te geven, om, gelijk de keizer het zijne ontving, ook den Jleere het zijne te geven. Geeft dan „Gode, dat (lods is.quot; Dit was van Christus\'zijde geen ontwijkend antwoord; het was

HEM TE VERSTRIK KEN. [Iloofdst. XXII.

vol van beteekenis, en ter zake; en toch was het zoo gesteld, dat noch do farizeën, noch de ITerodianen er munt uit konden slaan voor hunne partij, of er hun ellendig doel mede konden bereiken om Jezus in zijne rede to verstrikken. Geen van beide secten kon met hun\' penning „zaken doen.quot;

Do leering, die in dit voorval ligt opgesloten voor ons, is, dat de staat zijne sfeer heeft, en dat wjj onze plichten tegenover den staat hebben te vervullen. Maar wij moeten niet vergeten, dat God zjjn\' troon heeft, en wij moeten niet toelaten, dat het koninkrijk der aarde ons tot verraders maakt van het koninkrijk dor hemelen. Ctesar moet op zijne plaats blijven, en mag volstrekt niet verder gaan dan zijne plaats; maar God alleen moet de geestelijke heerschappij hebben.

22. Kn zij, dit hoorende, verwonderden zich, en hem verlatende, zijn zij weggegaan.

Kr restte hun toch nog eenig verstand, al waren zij dan ook van gevoel ontbloot. Zij zagen, dat hun complot smadelijk was mislukt; zij venvonder-den zich over de wijsheid, waarmede Christus hunno listen had verijdeld. Zij wisten, dat het hopeloos was om den strijd voort te zetten, zoo hebben zij Hem dan verlaten en zijn weggegaan. Hun weg was zijn weg niet. In hunne vleiende woorden hadden zij reeds erkend, dat Hij don weg Gods in der waarheid leerde, en nu vervolledigden zij hunno eigene vcroordeeling door Hem te verlaten, en hun eigen weg te gaan.

Hecre, behoed ons van hun boos voorbeeld te volgen! Mochten wij liever Christus aankleven en zijn\'weg gaan !


-ocr page 291-

DE KONING KN DE SA DDÜOKKN.

1 loofdst. XX11.1

HOOFDSTUK XXII. 23—33. [He Koning\' en ile sadducecii.]

23. Te diemelfden dage Jciramen tot hem de saddueeën, die zcygen, dat er geene opstanding is, en vraagden hem.

Te dienzelfden dage: er was voor Jezus geene rust; niet zoodra was eene groep van vijanden verslagen en verdreven, of er kwam een ander gezelschap om Hem aan te vallen. Hij had de farizeën en Herodiancn tot zwijgen gebracht, thans kwamen tol hem de saddueeën, de lieden van „de ruime leerquot; in de kerk, de rationalisten uit don tijd onzes Zaligmakers: die zeggen, dat er geene opstanding is. Zjj verwierpen nog veel meer van do leer der Schrift dan dit ééne punt der opstanding, maar dit wordt hier inzonderheid genoemd, omdat dit liet onderworp was, waaromtrent zij den Heiland zochten te verstrikken of in verwarring te brengen. Do saddueeën „zeggen, dat er geene opstanding isquot;; en tocli kwamen zjj tot Christus om te vragen, wat er iu zeker geval zou gebeuren, „in do opstanding.quot; Zjj hebben blijkbaar gedacht een geval te kunnen noemen, dat de leer van do opstanding der dooden in een bespottelijk dag licht zou stellen. Zjj zouden zich aan de ervaring der farizeën en do Herodiancn hebben kunnen spiegelen, maar zjj hebben zich ongetwijfeld zóó zeker gewaand van hunne zaak, dat zjj dachten te zullen slagen, waar de poging der anderen zoo volkomen mislukt was.

24. Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geene hinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszeifs vrouw trouwen, en zijn\'\' broeder zaad verwekken.

„Meester\'\'\'. Zjj kwamen met voorgewenden eerbied tot don grooten „Leeraarquot;. Zjj waren even beleefd als de vorige aanvallers, maar, ofschoon evenals bij dezen, de woorden in hun\' mond gladder waren dan boter, was er toch krijg in hun hart. Schoon hunne woorden zachter waren dan olie, waren zij bloote zwaarden (Psalm LV : 22).

„Mozes heeft gezegdquot;. Zjj gaven den inhoud, do substantie, schoon niet do letterlijke woorden van Deuteronomium XXV : 5. Do wet van Mozes heeft hierin, evenals in vele andere zaken, eenmaal bestaande usantiön erkend, en ze eenigerrnate geregeld. Als iemand stierf zonder een kind na te laten, dat zijn\' naam draagt en zijn erfgenaam is, werd dit als zulk eene ramp beschouwd, dat de Joden oordeelden allo mogelijke middelen te moeten gebruiken om het te voorkomen. Deze gewoonte bestaat nog onder verschillende Ooster-scho volkeren tot op den huidigen dug.

25—28. Nu waren er bij ons zeven broeden-.; en de eerste, eene vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zoo liet hij zijne vrouw voor zijnquot;1 broeder. Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevende toe, \'I en laatste na alten is ook de vrouiv gestorven. In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die teven? want zij hebben haar allen gehad.

Aan deze saddueeën kan wol een geval, zooals dat, waarvan zjj spraken, bekend zijn geweest, ofschoon het toch zeer onwaarschijnlijk is. Vermoedelijk


-ocr page 292-

dr sadiujceën. jHoofdst. XXII.

\'2()f) UK, KONING KN

was hot con (lor vorhalen, dio zij altijd klaar haddon, om de opstanding in oen bospottoljjk daglicht to stollon. Zij goloofdon in geeno goostolijko wozons; on daarom vorondorstoldon zij, dat, zoo or dan oon lovon was na dit leven, hot aan hot togonwoordigegoljjk moest wezen. Hot geval nu hebbendemodo-gedeeld, stollen zij don Heere do moeio-lijko vraag: „In de DpstancUny dav, wiens vrouw zal zij wezen ran die zeven? want zij hebben haar allen ye-had.quot; 7Aj hebben ongetwijfeld gedacht, dat deze vraag Christus in verlegenheid zou brengen, gelijk zij anderen, aan wio zij gesteld was, in verlegenheid had gebracht; maar hot viel Hom evenmin moeioljjk dozo, als do voorgaande vragen to beantwoorden.

29. Maar .Jezus antwoordde, en zeidc tot hen: (rij dwaalt, niet a-etende de Schriften, noch de kracht Gods.

Jezus antwoordde, en zeidc tot hen: „dij da\'cadt.quot; Do dwaling was niet bij Hem, maar bij hen. Hun vermeend argument was gegrond op hunne eigene dwaalbegrippen omtrent de onzichtbare wereld, en toen het licht van Gods Woord op hunne zeven stroomannen uitgestort werd, verdwenen zij in de lucht. Aan de tegensprekers, twijf\'el-zuchtigen en ongeloovigen on; er dagen kan het zelfde antwoord on/.es Hoeren gegeven worden: „Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de 1-racht Gods.quot; Deze sadduceön dachten, dat zij eono moeielijkheid hadden gevonden in do Schriften, maar hunne dwaling ontstond uit hun „niet wetenquot; van „de Schriften.quot; Dit is de wortel van schier elke dwaling: onwetendheid, onbekendheid mot hot door den Heiligen Geest ingegeven Woord Gods. Deze menschen kenden de letter, maar de gt;vezenlijko Schrift kenden zij niet, of zij zouden er overvloedige openbaringen in gevonden hebben omtrent do opstanding.

Hunne dwaling ontstond mode uit hun onbekend zijn met „de kracht Godsquot; De opstanding der dooden is oen dor grootste bewijzen van de kracht Gods, bij wien alle dingen mogelijk zijn. Jn hunne onbekendheid met, of hun ontkennen van, zijne macht, hebben deze sadduceön den Heilige Israels beperkt. Wat is er voor den mensch, die „de kracht Godsquot; kent, voor ongo-loofeljjks in de opstanding? Gewis, Hij, die door het woord zijner kracht allo dingen heeft geschapen, kan, op zijn\' eigen bestemden tijd, ook do dooden opwekken.

30. Want in de. opstanding nonen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk mtgegeren; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel.

„ hl de opstanclinyquot; ()nzo Heere geeft to kennen, dat er eono opstanding is; Hij heeft er niet bij willen stilstaan, om die waarheid te bewijzen, maar ging voort on sprak van het loven der opstanding als zijnde van cone hoogere orde dan ons tegenwoordig natuurlijk leven, „nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk nitgejeven; maar zij zijn als engelen Gods lt;n den hemelquot; Het antwoord onzes Hcilands bracht aan nog eono andere dwaling der saddueeën oon\' doodelijkon slag toe: zijne ondervragers geloofden niet in engelen. Jezus hooft niet gepoogd het bestaan der engelen te bewijzen; Hij nam dit aan als oen door ieder erkend feit door te zeggen, dat „inde opstandingquot; do menschen zijn „als do engolon Gods in den hemel.quot; Hij zeide niet, dat zij veranderd zijn in engelen; maar, gelijk Luk as ons zijne woorden mededeelt: „Zjj zijn don engelen gelijk.quot;


-ocr page 293-

IToofflst. XXI 1,1 DK KONING KN

DU SADDUCHi\'lN. 2()7

Hot zijn geestelijke wezens, gelijk Puu-lus het verklaart in 1 Corinthe XVquot;.

31, 32. Fai rvat aangaat de opstanding der dooden: hebt gij niet gelezen hetgeen door God tot nlieden gesproken is, die daar zegt: Ilc hen de God Abrahams, en de. God Izalcs, en de God Jdkobs! God is niet een God der dooden, maar der levenden.

Onze Heere geeft dezen sadducecn nu nog verder oiKlerricbt „wat, aangaat de opstanding der dooden.quot; IIij gebruikte de formule, die Hij zoo dikwijls gebruikt heeft als Hij sprak tot personen, die zeiden de Schriften te lezen: „Hebt gij niet gelezen?quot; „Gij verwerpt de mondelijke overleveringen, die de farizeën aannemen en leeren in de plaats van do geboden Gods. Hebt gij niet gelezen hetgeen door God tot nlieden gesproken is?\'\' Jezus heeft altijd den grootsten eerbied voor het geopenbaarde Woord Gods aan den dag gelegd. Hier toonde Hij, dat de waarheid, bekend gemaakt in do Schrift, eone zeer persoonlijke zaak is Deze boodschap was gesproken tot deze saddu-ceën, ofschoon zij hot niet wisten. Zij was gesproken door God, en toch namen zij haar niet aan.

Hoe noodzakelijk is hot, dat wij de Schriften onderzoeken, opdat er geene door God geopenbaarde waarheid moge zijn, die wij niet eens gelezen hebben ! Hoe volstrekt noodig is ook het onderwijs des Heiligen Geestes, opdat wij niet, gelijk deze saddueeën, lezen en toch met do Schriften onbekend blij ven.

Jezus zou omtrent de opstanding naar vele plaatsen in het Oude Testament hebben kunnen verwijzen ; daar echter de saddueeën in het bijzonder de vijf boeken van Mozes eerden, heeft Hij aangehaald, wat Mozes vermeldt in Exodus 111:6: „Ik ben de God mrs vaders, de God ran Abraham, de God van Izalc, en de God van Jakobquot;-, en voegde er toen zijne eigene uitlcirging en verklaring bij: „God is niet een God der dooden, maar der levenden.quot; Abraham, Izak en Jakob waren reeds lang gestorven, toon de Heerc tot Mozes uit hot brandend braambosch sprak. Zijne woorden gaven te kennen, dat do aartsvaders nog leefden. Zijn verbond was opgericht met hen, die nog bestonden.

Er is veel leering opgesloten in deze waarheid, dat „God niet is een God dor dooden maar der levenden.quot; Sommigen meenen, dat de heiligen tot aan do opstanding eigenljjk niet in wezen zijn; maar dit kan niet. Wol zijn zij ontdaan van het lichaam, maar toch loven zij. Jezus redeneert hier niet over. Hij betoogt hot niet, IIij constateert het feit als boven allen twijfel verheven. De levende God is de God van levende mensehen; en Abraham, Izak on Jakob zijn nog levend, iden-tisch dezelfden, die op aarde geloofd hebben. God is eon God van Abrahams lichaam zoowel als van zjjnc ziel, want hot verbondszegel was in zjjn vleesch. Hot graf kan geen enkel deel terughouden van hen, met wie het verbond gemaakt werd. God is do God van geheel ons wezen, van onzen geest, onze ziel en ons lichaam.

33. iïn de scharen, dit hoorende, werden verslagen over zijne leer.

ünzes Hoeren antwoord aan de saddueeën was zóó volkomen afdoend, dat Hij hun „don mond gestopt hadquot;, (Vers 34). Zij waagden nu geen\'vorderen aanval op Hem, want zij moeten van hun no eigene onmacht overtuigd zijn geweest. Zij, die als hoorders daar bij hadden gestaan, de scharen, die bijeengekomen waren, gelijk do menigte


-ocr page 294-

2(58 DE KON I NO DOOR KEN\' WHTUKMiHHIJK 01\' 1)10 I\'IUJKF GKSTELI), | Hoofdst. XXI I.

altijd gaarne doot, als er eene publieke discussie, of redetwist wordt gehouden, waren verslayen over zijne leer. Zij waren verbaasd, beide over den inhoud en over den vorm van Christus\' leer. Dit is eene uitdrukking, die wij dikwijls in hot leven onzes Heeren vinden; maar zjj, die „verslagenquot; ot\' verbaasd waren, hebben zjjne leer blijkbaar toch niet aangenomen. Zij spraken tot elkander over de wondervolle wijze, waarop

Hij allo vragen beantwoordde; maar zij stemden niet toe, dat zoodanig een Leeiaar niemand anders dan de lang verwachte Messias zijn kon. Zelfs de schriftgeleerden, die Christus wegens zijn antwoord lof toezwaaiden (Tjiikas XX : 39), zeggende: „Meester! gij hebt wM gezegdquot;, hebben die belijdenis niet opgevolgd, door nu ook zijne discipelen te worden.


HOOFDSTUK XXl 1. 34—40. [De door een\' wetgeleerde «p de proef gesteld.]

34. En de farizeen, cjehoord helihenlt;U\\ il((l hij den saddueeën den mond (jestopt had, zijn te zamen bijcenvergadeid.

De scharen, die naar Christus hadden geluisterd en „verslagenquot; waren geweest over zijn antwoord aan de saddueeën, zullen spoedig de tijding hunner nederlaag verbreiden. De farizeën, (je-hoard hebbende, dat hij den saddtic(ën den mond had gestopt, heeft het hun ongetwijfeld genoegen gedaan, dat hunne natuurlijke vjjanden verslagen waren; maar het verdroot hun, dat Jezus in dien redetwist had gezegevierd. Op één enkelen dag had ilij de overpriesters en ouderlingen des volks, de farizeën en hunne discipelen, do He-rodianen en de saddueeën beschaamd. Indien Hij aldus voortging mot de overwinning weg te dragen, dan zou het gansche volk weldra aan zijne zijde zijn. Zoo zijn zij dan opnieuw te zamen gekomen om te beraadslagen: zij zijn te zamen liijeenvergaderd. Zij moeten op nieuwe middelen zinnen, een nieuw plan uitdenken, om Hem te verslaan. Hoe

Ihardend zijn de goddeloozen op hun\' slechten weg! Laat ons hunne boosheid betreuren, maar hunne volharding navolgen.

35. Kn een uit hen, zijnde een iret-c/eleerde, heeft gevraagd, hem verzoekende en zeggende.

Blijkbaar was op hunne conferentie het besluit genomen, om een hunner tot Jezus te zenden, ten einde Hem eene nieuwe vraag voor te leggen: een uit hen, zijnde een wetgeleerde, heef\' gevraagd. Markus zegt, dat deze man een der schriftgeleerden was, die zich voortdurend bezig hielden met de Wet over te schrijven, en die tevens de beteekenis er van voor het volk verklaarde. Hij was een „wetgeleerde.\'\' Hij kwam, hetzij als vertegenwoordiger der farizeën, of wel uit eigene beweging en alleen voor zich zeiven, en vraagde Jezus, hem verzoekende. Als wij nu de zachtste beteekenis geven aan het woord „verzoekendequot;, dan geeft het ons het denkbeeld van een op de proef stellen met onvriendelijke bedoeling. Waarschijnlijk was hij iemand.


-ocr page 295-

Hoofdst. XXI 1 .1 1)K KONING DOOR HEN\' W

UTUEUOHUDH 01\' Dli i\'liOEK (JEHTEM). 2()!)

die meer liclit on grooter onderschei-dingsgaven had dan zijne metgezellen, want Inj heeft dit werk van Christus te verzoeken blijkbaar niet mot zijn gansche hart verriciit. Markus zegt, dat iijj onzos Heeren woorden tot de saddueeën had gehoord. „Wetende, dat hij hun wèi geantwoord hadquot;, heeft hij nu zelf eere vraag tot Christus gericht. Hij scheen een oprecht man te zijn met veel geestelijke kennis. Dit kan de reden helpen verklaren, waarom hij zijne vraag deed.

36. Meester! welk is het grootyébod in de ivet?

Volgens de rabijnen waren er vele geboden van slechts ondergeschikt belang, en anderen, die van het grootste gewicht waren. Zij hebben geboden, die, vergelijkenderwjjsgesproken, inderdaad van weinig belang waren, dikwijls gelijkgesteld met de grootsten. Een hunner waagde het te beweren, dat do geboden der rabbijnen van meer gewicht waren dan do geboden dor wet, omdat er bij do geboden der wet groote en kleine waren, terwijl de geboden der rabijnen allen groot waren. Sommigen van hen beschouwden het eten met ongewasschen handen even groot eene misdaad als moord, en het uitwrijven van korenaren op den sabbat stelden zij op ééne lijn met overspel, zoodat zij de grootste verwarring stichtten met betrekking tot de wezenljjke orde der zedelijke geboden. Het was dus zeer wenschelijk, om van dezen wijzen Leeraar, dien de wetgeleerde toesprak als „Meester\', een gezaghebbend antwoord te verkrijgen op do vraag: „ Welk is het groot gebod in de iret?quot; Die vraag zou den Heiland gewis verstrikt hebben, indien Hij haar niet verstandelijk had beantwoord, en daarmede heeft de wetgeleerde Hem dus verzocht, getoelst en op do proef gestold.

Geloofd zij zjjn dierbare naam, Mij kan iedere proef doorstaan. Satan heeft Hem ten uiterste verzocht en beproefd, maar zelfs hij kon niet hot niinste gebrek in Hom vindon.

37, 38. En Jezus zeide tot hem\'. Gij zult liefhebben den Heere, uwen (lod, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. DU is het eerste en het groote gebod.

Dit waren voor onzos Heeren hoorders zeer bekende woorden, want alle vrome Joden plachten ze dos morgens en des avonds to lezen, of op te zoggen. Deuteronomium Yl : 4—9, dat door onzen Heere werd aangehaald, was cón der vier schriftuurplaatsen, die als „gedenkcedelsquot; (Hoofdst. XXII1 : 5) gedragen werden. Jezus zeide tot hetn : Gij zult liefhebben den Heet e, uwen God, met geheel uw hart. Omdat Hij onze God is, maakt Jehovah aanspraak op al do liefde onzes harten. Als onze Schepper, Bewaarder, Voorziener en Hechter, gebiedt Hjj ons Hein al de genegenheid onzes harten te wijden. Hem het eerst, het meest, hot hartelijkst lief te hebben mot eene liefde, die ver verheven is boven de liefde, die wij onze medeschepselen of ons zolven toedragen.

„En met geheel uwe ziel.quot; Wjj zjjn gehouden en verplicht God lief to hebben met geheel ons leven. Hem meer lief te hebben dan ons leven, zoodat indien het noodig is, wij liever ons leven willen verliezen dan op te houden God lief te hebben.

„En met geheel uw verstand. quot; Wij moeten God liefhebben met ouzo verstandelijke vermogens, met al do vermogens van onzen geest, ons geheugen, onze godachten, onze verbeelding, onze


-ocr page 296-

1)10 KONING STKI/r VKAfiKX.

270

rede, ons oordeel, die allon uls gewillige 1 onderdanen in liefde en itanbidding doende nederbuigen aan Gods voeten.

„ Dit is het esrste en het gvoofe (jehociy liet is liet eerste met betrekking tot den tijd, want eer de menscli nog geschapen was, was het reeds verplichtend voor de engelen; en liet was verplichtend voor Adam van de ure at\', dat hij naar Gods beeld was geschapen. 1 Iet is hot „eerstequot; in gewicht of belangrijkheid, want geene lieldo voor oenig schepsel is waardig om vergeleken te worden bij de liefde voor den Schepper. Dit gebod is ook „grootquot;, omdat liet alle andere omvat en omdat zijne eischen zoo groot zijn, daar het al de liefde eischt van ons hart, onze ziel, en. ons verstand.

Wie kan God deze volkomeue liefde geven? Uit ons gevallen geslacht niemand. De zaligheid door de werken der wet is blijkbaar onmogelijk, want zelfs aan het eerste gebod kunnen wij niet gehoorzamen. Eén is er, die er aan gehoorzaamd heeft, en do gehoorzaamheid van Christus wordt gerekend als de gehoorzaamheid van allen, die op Hem betrouwen. Bevrijd van de wettelijke veroordeeling, trachten zij immer daarna dit „eerste en groote gebodquot; te gehoorzamen door do kracht des I leiligen Geestes, die in hen woont.

üi). En het tweede, aan dit gelijk, la: Gij zalf turen naaste liefhebben als a seleen.

liet antwoord is ruimer dan de vraag. Dc wetgeleerde vroeg naar „hot groot gebodquot;: Christus beantwoordde zijne vraag, en voegde er toen bij, „en het ticeede, aan dit cielijk, Is: Gij zult uwen naaste liefhebben als n zei ven.quot; Wie van ons hoeft zijn naaste wezenlijk zoo liefgehad als zich zei ven? Onder liet evangelie is dit gebod voorzeker niet minder bindend dan onder de wet.

40. ylan deze twee geboden hangt de jansche wet en de profeten.

De leer van Mozes en al de profeten kan saarngevat worden in „deze twee geboden.quot; De plicht van God lief te hebben boven alles, en onzen naaste lief te hebben als ons zeiven, is hot groote onderwerp der goddelijke openbaring. Dat is de groote pin, waaraan de (jansche wet en de profeten hangt. Neem deze pin weg, en wat blijft u over ter ondersteuning van de leer, welke de Heere ons geschonken heeft door de heilige menschen van ouds, die door den Heiligen Geest gedreven zijnde, ze hebben geschreven?


HOOFDSTUK XX11. 41-4G. [De KoiiiiiK\' stelt vragen.]

41, 42. Als nu de farlze\'én tezamen vergaderd waren, vraagde hnn Jezus, en zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids zoon.

Thans brengt do Koning den oorlog in des vijands gebied over. Hij had alle vragen, die Hem gesteld waren, beantwoord, nu was het zijne beurt om eenige vragen te stellen aan hen.


-ocr page 297-

UH KONIXO STUI/r VUAClKN.

lloofclst. XXI1.1

271

dio Hem ondervraagd hadden. Als nu de favizeën te zamen vergaderd meen, dat is; terwijl /.ij nog in zijne nabijheid verwijlden, teleurgesteld en verslagen, maar nog altijd uitziende naar do gelegenheid om Hem aan to vallen, vraagde Jezus, en geide: Wat dankt u ran den Christus? Onze Heere geeft zijn\' dienstknechten het voorbeeld, hoe met vitters, bedillers en tegensprekers te handelen. Na op al hunne vragen met wijsheid te hebben geantwoord, legde Hij hun de vraag der vragen op het hart: „Wat dunkt u van don Christus? Zij hadden gepoogd Hem in verlegenheid te brengen niet hunne vragen omtrent Kerk en Staat, het toekomende leven, on do betrekkelijke waardjj der geboden; maar Hij stolde hun do vraag, die oneindig meer do levensvraag is: „Wat dunkt u van den Christus?

Jezus drong bjj zij no hoorders aan op nog eene andere vraag betreffende nden Christusquot;, want de woorden, die hier gebruikt zijn, beteekenen klaarblijkelijk den Messias: „ Wiens zoon is hij?quot; Zij zeiden tot hem: „Davids zoon.quot; Zij wisten, dat de beloofde Verlosser van David zou afstammen; maar öf zij wisten niet, of zij wilden niet erkennen, dat Hij een\'goddeljjken, zoowel als een\' menscholjjkon oorsprong had. Dit laat de Heere door zijne verdere vragen uitkomen.

43—45. Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David, in den Geest, zijn\' Heere? zeggende: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten. Indien hem dan David noemt zijn\' Heere, hoe is hij zijn zoon?

Deze vragen onzes Hoeren bevatten liet antwoord aan de critici onzer dagen, die do goddelijke ingeving dor Schriften loochenen, alsmede hot Davidische auteurschap en do Messiaansche toepassing van sommige Psalmen, Hij zeide tot hen: „Hoe noemt hem dan Da rid in den deestzijii Heere?quot; (aan-halende Psalm CX: 1) „zeggende: De Heere hee/t gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rcditerhand, totdat Ik awe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer roeten.quot; Onze Heiland verklaarde, dat dit de woorden waren van David, sprekende „door don Heiligen Geestquot; (Zie Markus XII ; 3G), betreffende den Christus, don Messias. Dit behoort ton minste voor dezen Psalm voor altijd de vraag te beslissen omtrent do ingeving, het auteurschap en do toepassing er van. „De Heere heeft gezegd tot mijnen Heeroquot;, —Jehovah heeft gezegd tot mijn Adonai: dooiden Heiligen (leest heeft David vernomen, wat de Vader heeft gezegd tot den Zoon, aldus was hij in verbinding gebracht mot de heilige Drio-öenheid. „Zit aan mijne rechterhandquot;. De Messias werd uitgenoodigd om, na dat zijn groot middelaars work volbracht was, to ruston, en aan zijns Vaders rechterhand to zitten op do plaats dor macht en dor majesteit. „Totdat Jk uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten.quot; Jezus moet zijn\' zetel behouden, totdat al zijne vijanden in het stof aan zijne voeten nederliggen.

Dit was het probleem, dat do farizöen moesten oplossen: indien de Messias Davids Zoon was, hoe was het dan, dat David, gedreven door don Heiligen Geest, Hem zijn\' Heere noemt? Do Christus moot meer dan eon gewoon mensch zijn, want anders zouden do woorden van den Psalmist ongepast, ja Godslasterlijk zijn geweest. Hij was hoogor dan de engelen, want tot geen hunner had Jehovah ooit gezegd: „Zit


-ocr page 298-

272 DIÜS KONINGS WAAKSCHUWING TKGION V.VLS(\' 111\'. LEEllAUKN. [Hoofdst. X.X1I1.

.aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe 1 vijanden zal gezet hebben tot eene voet- | bank uwer voetenquot; (Ilobr. I : 13).

40. Kn niemand kon ham een woord antwoorden, noch, iemand durfde hem j van dien day aan iets meer vragen. \\

Indien de farizoöu hadden kunnen | ontkennen, dat de Psalm op den Messias ziet, dan zou het hun gemakkelijk hebben gevallen om op Christus\'vraag te antwoorden; maar niemand Icon hem \\ een woord antwoorden. De rabbjjnen uit don tijd onzes Hoeren erkenden, dat dit cón dor Messiaanscho Psalmen was, zonder in te zien wat in die erkenning lag opgesloten. In latere dagen, evenals ook in onzen tijd, hebben val-sehe leeraren getracht hem van zijne rechte beteekenis te berooven.

Christus\' vragen hebben zijne tegenstanders in dubbelen zin tot zwijgen gebracht. Ten eerste: zij konden Hem geen woord antwoorden, en vervolgens: „noch iemand durfde hem van dien dag aan iets meer vragen.quot; Hij bleef Meester van hot veld. Zij kondon Hem niet verstrikken, niet in zijne rode vangen, indien zij Hom tot zwijgen wenschon te brengen, dan moeten zij hot doen door Hom tor dood to brengen.


HOOFDSTUK XXIII. 1—12.

[Des Kouings waarschnwiiiiff tes\'en valsche leeraren.]

Toen sprak Jeas tot de scharen en \\ waarschuwde Hij hen togen hen, die tot zijne discipelen, zeggende. De schrift- hun\' ondergang zochten: „/eggende. geleerden en farizeën zijn gezeten op De schriftgeleerden en de farizeèn zijn den stoel van Mozes-. daarom, al. unt gezeten op den stoel van Mozes •.daarom, zij zeggen, dat gij honden zult, houdt al wat zij zeggen, dat gij houden zult, dat, en doet het; maar doet niet naar houdt dat, en doet het.quot; Mozes werk hunne tverken: -want zij zeggen het, en j was hot om voor het volk de wet Gods doen het niet. to verklaren. De schriftgeleerden en

farizeën waren in zijne plaats; maar Toen sprak Jezus tof de scharen: helaas! de Geest, die hom geleid heeft, do Koning begon zijne laatste toespraak was niet in hen. Zij spraken als van tot het volk. Hij zal zich weldra aan don stool van Mozes, ex cathedra, zoohen onttrekken; maar eerst wil Hij als wij zoggen; on in zooverre zij hen waarschuwen tegen hunne valsche j werkelijk zijne plaats innamen, en leeraren. Zij haddon gehoord wat Hij i zijne gezegden volgden, moesten hunne tot de schriftgeleerden had gezegd; I woorden worden gehoorzaamd. Onze thans zullen zij hooren wat Hij van Heiland kon niet bedoeld hebben, dat hen zeo-t. En tot zijne discipelen. Vol- i do menschen hunne valsche verklaringons Lukas sprak Jezus tot zijne dis- gen en dwaze uitleggingen van de wet cipolen „daar al het volk hot hoorde.quot; | van Mozes moesten aannemen; want Hy Zijn onderwerp betrof do gehoole bo- had alreeds gezegd, dat zij door hunne volking, zoowel als zijne eigene disci- I eigene overleveringen do wet Gods polen. Hij wist, datquot; lljj weldra van j overtraden en krachteloos maakten, hen weggenomen zou worden; daarom ! Doch toon heeft onze Hoere van een

-ocr page 299-

lloof\'dst. X \\ 11 1.1 nns KON1NUS WAAHSCIIUWINÜ TEGEN VAI.SCHE LEKR.VRHN. 273

ander groot gebrek der achriftgoleerden on farizeën gesproken, namelijk, dat zij niet deden wat zjj zeiden: „Maar doet niet naar hunne werken; want zij zeggen het en doen het niet.quot; Treurig voorwaar! is de toestand van dien godsdienstleeraar, van wien Hij, die het hart doorgrondt, zeggen moet: „Doe wat hjj zegt, maar niet wat hij doetquot; Er zjjn nog velen van do zoo-danigen onder ons, die gansch anders doen dan zij prediken. Moge de Heere het volk bewaren van hmi slecht voorbeeld na te volgen!

4. Want zij hinden lasten, die zwaar zijn, en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der menschen; maar zij ivillen die met htm\' vinger niet oer roe i\'en.

Ifet verschil tnsschen den waren Leeraar en de valsche leeraren wordt door dit vers helder in hot licht gesteld. „Zij hinden lasten, die zwaar zijn, en kwalijk om te dragen, en leggen ze op deschouderen der menschen.\'\'\'\' llunne regelingen omtrent zedelijke en ccre-inonieele voorschriften waren alsgroote takkebossen of\' verpletterende lasten, die saamgebonden waren, totdat zjj een ondragelijk gewicht verkregen, dat door niemand gedragen kon worden. Velen van die verordeningen waren op zich zeiven al zwaar genoeg, maar allen to zamen vormden zjj een juk, dat noch hot volk noch hunne vaders konden dragen. De schriftgeleerden en farizeën stapeldon den grooten last op hen, maar hebben hen daarbij niet ondersteund, en evenmin boden zij aan den last te verlichten, door er zei ven een gedeelte van over te nemen: „Zij willen die met him\' vinger niet verroeren.quot; Hoe gansch anders was de loer van Christus: „Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast zjjt, en ik zal u ruste gevenquot;! llunne lasten van zonde, en smart, en zorg op zijne eigene schouders nemende, geeft 11 jj hun zijn eigen zacht juk er voor in de plaats, hetwelk rust geeft aan allen, die het dragen,

5—7. En al hunne werken doen zij, om van de mensehen gezien te u-orden: want zij maken hunne gedenkcedels breed, en maken de zoomen hunner kleederen groot; en zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden en de voorgestoelten in de synagogen; ook de begroetingen op de markten, en van de menschen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi!

Dit was het noodlottig gebrek [in hun karakter: „Al hunne werkendoen zij om van de menschen gezien te wordenquot;. Zoo lang zij hoog aangeschreven stonden in de schatting hunner medeschepselen, was er hun weinig of niets aan gelegen, wat zij in Gods oog waren. Zjj waren hooi nauwgezet in hot letterlijk opvolgen van sommigen van Mozos\' geboden, ofschoon er hun do geestelijke beteekenis van ontging: „Zij maken hunne gedenkcedels breed, en maken de zoomen hunner kleederen groot.quot; Vier plaatsen uit de wet. Exodus Xiri:3—10; 11—16; Deuteronomium VI: 4—0; X I : 13—31, worden op strookjes perkament geschreven, en als amuletten of voorbehoedmiddelen op het voorhoofd, de hand en den arm gedragen. Deze amuletten waren bij de farizeën in het oogloopend groot, maar hot Woord des Hoeren was niet verborgen in hun hart, en word niet gehoorzaamd in hun loven. De Heere gebood don kinderen Israels, dat zij zich snoertjes zouden maken aan de hoekon hunner kleedoren, en op de snoertjes dos hoeks een\' hemels-blauwen draad te zotten, opdat zij hot


18

-ocr page 300-

274 des KONINGS WAAUSCItUWlXU Tl\'.gen

aan/Acuile, /.ouden gedonkcMi aan al do geboden dos Heeren on dio to doen (Numeii XV : 38, 159). Do ritualiston uit do dagen dos Hoeren Jezus waron or zoor bijzonder op gestold om di(^ snoertjes en draden zoo breed mogelijk te hebben, maar zjj godachton do geboden dos lleoron niet om zo todoen. Velen houden do wet Gods voor hot oog, maar schonden haar in hun hart. Moge do Geest dor waarheid ons voor zulk bedrog behoeden.

Jezus heeft vier dingen te zameu-gevoegd, die do schriftgeleerden en farizeen beminden: „/)c; voomanziil inj in de maaltijden en de roorf/estoelh\'ii in de synngogeu, de hcijroetimjen ojj de marlden, en van de menschen ge-nactmd te worden: Rahhi, h\'ahhi! irotzij zjj met hunne tnodemensclien samenkwamen om te eten, of tor aanbidding, voor zaken of tot onderrichting, altijd wilden zij de eersten, en overal wilden zij vooraan zijn. Dat is do algemeen heerschendo zonde, waarin ook wij gemakkelijk vallen kunnen. Onze Heere gevoelde do noodzakelijkheid om zelfs do discipelen tegen dat kwaad te waarschuwen, want blijkbaar zijn de volgende woorden inzonderheid tot hen gericht.

S—10. Doch (jij zult niet Itahhi (je-naamd worden\', want Eén Ik na\' Meester, namelijk Christus; en gij zijl allen broeders. En gij zult niemand mr vader noemen op de aarde; wunt hen is uw Vader, namelijk, die in de hemelen is. Noch zult gij meesters genoemd worden : want Eén is uw Meeste\'\', namelijk Christus.

Allo ecrotitols in de kerk van Christus, die do menschen verhoö|en en hun aanleiding geven tot hoogmoed, zijn hier verboden. In het Oliristolijk gemocnebest behoorden wjj naar eeno moor ware „Vrijheid, ^lijkheid en

VAI.SCHI-: LEEUAUEN. [ 1 [oofdst. XXI 1 1 .

broederschapquot; to stroven, dan die om welke te vergeefs in do wereld wordt geroepen. Hij, die „Rabbiquot; genoemd wordt, berooft Christus van zijne oer als don oenigon Meester of Loeraar zijner discipelen : „want Eén is mr Meester, namelijk Christus.quot; Hij neemt ook van zijne mede-Christenen het voorrecht weg, dat zij gelijkelijk met hom doelen : „en gij zijt allen hroeders.v Het zou hen, die titels gebruiken als „Ifeiligo Vader,quot; en dergelijke meer, zeer mooioljjk vallen des Jleilands woorden weg te cijferen : „Gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde: want Eén is uw Vader, namelijk die in de hemelen is.\'\' In het tiendevers zouden onzes Hoeren woorden aldus gelezen kunnen worden: „Noch zult gij leiders, (gidsen, onderwijzers of voorgangers) genoemd worden : want Eén Is uw Lei-der {Gids of Leeraar), namelijk Christus {de Messias).quot; Indien wij Hem volgen, dan kunnen wij niet dwalen.

11, 12. Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. En wie zich zeiven verhoogen zal, die zal vernederd worden; en wie zich zei ven zal vernederen, die zal verhoogd worden.

Dat is ongeveer dezelfde leering als die wij in Hoofdstuk XX vers 27 vinden. Onze Heore heeft deze wet zijns ko-ninkrijks moeten herhalen : „De meeste van uzal uw dienaar zijn.quot; Gij zijt allen gelijk; maar indien er iemand onder u is, die er aanspraak op maakt do meeste te zjjn, die moet dan aller dienaar wezen. Waar onze Koning iieerscht, zal ieder discipel, die zich zclvon verhoogt, vernederd worden; terwijl van den anderen kant, luj, die zich zeiven vernedert, verhoogd zal worden. Om hoog te worden, moot het eigen-ik wegzinken. Hoe lager wij dalen in onze eigene schatting, hoohoogorwij bij onzen Meester aangeschreven zullen staan.


-ocr page 301-

lloofdst. XXfll.J

275

11 O O V I) S T U K [De Koninn\' n

13. Many wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, (jij yereinsdenl want gij sluif het koninkrijk der hemelen voor de mensehen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, lt;1 ie ingaan zouden, laat ingaan.

Terwjjl onze Zaligmaker tot hot volk on tot zjjno discipeion sprak, zjjn do scliriftgeloordoa on tarizoon wolliciit wodor naderbij getroden. Ifoo dit zij: zijne volgende woorden waren tot bon gericht: „ Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden^. Dit is hot eerste van do acht „weeën \', waarin do Ifoere hot lot voorspelt van do geveinsden, die vóór Hom stonden, en tevens do diepte van zjjn medelijdon niet hen openbaart. In zeven van die acht „weeënquot; noemt Hij hen „geveinsdenquot;, in één er van noemt lljj hen „blinde leidslieden.quot; Dit eerste „weequot; werd over bon uitgesproken, omdat zij, voor zooveel zjj dit kondon, „het koninkrijk der hemelen voor de mensehen sluiten.quot; Hot was eene ontzettende beschuldiging, die hiermede togen ben werd uitgesproken door Hem, die iu hun hart kon lozen, en die in waarheid tot ben kon zeggen: „overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.quot;1 /ij haddon do mensehen bebooren te helpen om in te gaan, maar in plaats van dit te doen, bobben zij hen, die ingingen, verhinderd. Zjjn er heden ton dage geene valsche leeraren, dio struikelblokkon in plaats van stapsteenon leggen op don weg van lien^ die hot koninkrjjk der hemelen willen binnengaan ?

14. Wee n, gij seJw if tg el eer den en

XXIII. 13—83.

ept weeën uit.]

farizeën, gij geveinsden ! want gij eet de huizen der weduwen op, ended onder \\ den schijn van lang te hidden-, daarom | zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.

Hot tweede „weequot; vond zjjn\' grond in twee hoogst ernstige beschuldigingen, die onze Heere niet zóu bebbou uitgesproken, indien zjj niet waar waren geweest: „Gij eet de huizen deriredn-wen op, en dat onder den schijn van lang te hidden.1\'\' Deze zonden zonden, ieder op zich zelve, roods zoor zwaar geweest zijn, maar die beiden te zamen vormen een kwaad, groot genoog om hen, die er zich aan schuldig maken, tot in de diepste hel te doen verzinken. Do mannen, die weduwen beroofd en bedrogen bobben, zullen wegens liuiine misdaden zich to verantwoorden bobben voor „don Rechter dor weduwen (Psalm LXVIll : G). Zij, die hunne misdaden hadden zoeken te bedekken mot den mantel dor hoogere heiligheid, verdienden, om voor het volk, dat zij hadden bedrogen, rentoongostold to worden, en dos Konings rechtvaardig vonnis to hooren: „Daarom zult gijle zwaarder oordeel ontvangen.quot; Deze woorden bewijzen, dat er onderscheid is, dat er graden zijn in do straf, zoowel als in do zaligheid. Aldegodde-loozon zullen door den liochtvaardigen Rechter worden geoordeeld en veroordeeld, maar hot „zwaarder oordeelquot; zal de geveinsden treffen, die „onder den schijn van lang te bidden don eigendom van weduwen on weezen hebben verslonden.

15. Wee tl, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! ivant gij omreist zee en land, om een? Jodengenoot te maken -, en als hij het getvorehn is,


-ocr page 302-

du Koning roept wiokk.v uit.

] i loüi\'dst. xxi ir.

276

zoo maakt (jij hem een knul der helle, tireemaal meer dan gij zijt.

liet derdo „weequot; gold den onlieiligen ijver der schriftgeleerden en farizeën om aanhangers voor liet Judaïsme en voor hunne eigene partij te werven, die zij dan nog slechter maakten dan zij zelven waren, /ij gaven vrij en mild hun\' tijd en hun\' arbeid in het vooruitzicht van slechts zeer weinig vergelding: „Gij omreist zee en tand om een\' Jodeiu/enoot te maken.quot; Zij zouden als het ware do Groote Zee met een slagnet hebben willen afvis-schen in de hoop van een\'enkelen .lo-dengenoot in do mazen te vangen; of zij wilden het gansche land afreizen om maar één enkelen Heiden over te halen om zich te laten besnijden, zoodat hij „in het openbaarquot;, dat is uitwendig, een Jood werd. Wat hieruit voortvloeide voor zulk oen\' proseliet was niets dan kwaad; „AU hij het geworden is, zoo maakt yij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt. Menschen, die zich door anderen hebben laten verleiden, om zonder dat dit uit eenhooger beginsel geschiedt, hun\' godsdienst te omhelzen, worden gewoonlijk dwepers. De nieuw bekeerde tot het Jodendom zal natuurlijkerwijs de ondeugden zijnor geveinsde leermeesters navolgen,zonder daarbij die Schriftkennis te hebben, die tot op zekere hoogte nog een heilzaam bedwang op hen uitoefende. De besneden Heiden zou dan veeleer een Judas zijn dan een Jood, hij zal een ware „zoon der verderfenisquot; wezen.

1(5—19. Wee n, gij blinde leidslieden! die zegt-. Zoo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij het gotul des tempels, die is schuldig. Gij dwazen en blinden! want welk is meerder-, het goud, of de tempel, die het goud heiligt? En zoo wie gezworen zal hebben bij het (dtaar, dat is niets; maar zoo wie gezworen zul hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. Gij dwazen en blinden! want wat is meerder: de gave, of het (dtaar, dat de gave heiligt ?

Do vorm van hot vierde „weequot; verschilt van al de overigen; in dezeven anderen zeide onze Zaligmaker: „Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden!quot; Hier luiden zijne woorden: „ TJ Ve n gij blinde leidslieden /quot; In naam waren zij de godsdienstige leidslieden der Joden, maar in werkelijkheid waren zij „blinde leidslieden.quot; Zonde, vooroordeel, dweepzucht en geveins-heid hadden hun de oogen verblind. Zij beschouwden zich als de wijzen des volks; maar Jezus noemde hen„ dwazen en blinden.\'quot; Niemand is zoo dom als zij, die niet willen loeren; en niemand is zoo blind als zij, die niet willen zien. Dit was het geval met de schriftgeleerden en farizeën: zij waren moedwillig dwaas en moedwillig blind.

Onze Heere veroordeelde hier hunne ^ valscho, misleidende leer omtrent eeden. Zij hebben werkelijk geleerd, dat, zoo iemand zwoer „bij den tempelquot;, zijn eed niet verbindend was; maar dat, zoo hij zwoor „bij het goud des tempels, hij door zijn\' eed was gebonden. En evenzoo verklaarden zij, dat het zworen „hij het altaarquot; niet verbindend was; maar dat, zoo iemand zwoor „bij de gare die daarop isquot;, hij door zijn\' eed was gebonden. Des Hollands verontwaardigde uitroep verwondert ons niet; „Gij dwazen en blinden! want welk is meerder: het goud, of de tempel, die het goud heiligt? ... de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?quot; Do heiligheid, de wijding, lag in den tempel en het altaar, niet in het goud of de gave.

Jezus had elk zworen verboden (Hoofdst. V : 34—3G); zoodat Hij den óénon eed niot boven don andoren


-ocr page 303-

I)K KONING UOKl\'T WEKlÓN UIT.

Hootclst XXIII.I

277

stelde. Veeleer toonde Hij do dwaasheid en blindheid dor schriftgeleerden on farizeën aan, die do orde dor dingen omkeerden. Indien zweren geoorloofd was, dan zou oen eed, gezworen „bij den tempelquot; moer verbindend moeten zijn dan een eed, gezworen „bij het goud des tempelsquot;; maar deze val-sehe leeraren zeiden : „ Dut is niets.quot; Hebben de menschou eens hot eenvoudig, duidelijk onderwijs van Christus verlaten, dan zullen zij zoor licht in allerlei ketterijen en ongerijmdheden vervallen.

20—22. Daarom, wie zweert hij het altaar, die zweert hij hetzelve en bij al, wat daarop is; en wie zweert bij den tempel, die zweert hij denzelvtn, en hij Dien, die daarin tcoont; en wie zweert hij den hemel, die zweert hij den troon Gods, en hij Dien, die daarop zit.

De Joden haddon allerlei phantas-tischo vornion van zworen verzonnen, ten einde het gebruik van Gods naam te vermijden. Onze Heero heeft daarom hot volkomen falen hunner pogingen hieromtrent bewezen. Zweren hij het altaarquot; was zweren „hij al wat daarop is.quot; Zweren „hij den tempelquot; was in werkelijkheid zweren „hij Dien, die daarin woont.quot; Do bindende kracht van don eed kan niet liggen in het gebouw, maar in den Allerhoogsten God, die zich verwaardigt daarin te wonen. Arelo Joden wilden zweren „hij den hemelquot;, ofschoon zij God niet tot getuige wilden aanroepen van de waarheid hunner bewering; maar Jezus toonde hun, dat zij wel wezenlijk deden wat zjj trachtten te vermijden: „Wie zweert hij den hemel, die zweert hij den troon Gods, en hij Dien, die daarop zit.quot; De eonig goede gedragslijn, die wij hebben te volgen, is, onzes Heeron gebod to gehoorzamen: „Ik zeg u: Zweert ganscholijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods; noch bij do aarde, omdat zij is do voetbank zijner vooton; noch bij Jeruzalem, omdat zij is do stad dos grooton Konings; noch bij uw hoofd zult gij zworen, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken: maar laat zijn uw woord ja, ja, neen, neon: wat boven dezo is, dat is uit den booze.quot;

23, 24. Wee u, (jij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! wunt gij vertient de niunte, en de dille, en het komijn, en gij laat na het zwaarste dei-wet, namelijk het oordeel, en de harm-hartijheid en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. Gij blinde leidslieden, die de mug nitzijgt, en den kemel doorzwelgt.

In dit vijfde „weequot; noemt onze Heero do schriftgeleerden en farizeën beide „geveinsden\'\'\'\' en „blinde leidslieden.\'quot; Zij waren „geveinsdenquot; met betrokking tot hun eigen karakter en gedrag, en „blinde leidsliedenquot; als godsdienstige voorgangers van het volk. Jezus sprak eerst van hun nauwkeurig acht geven op zaken van ondergeschikt belang: „Gij vertient de mante, en de dille, en het komijn.quot; Sommigen van hen waren zoo overdreven nauwgezet in hot betalen van tiendon, dat zjj zelfs hot tiende der kruiden gaven, die zij op do markt kochten, ton dienste dos tempels, even goed als van die, welke in hun\' eigon hof groeiden. Maar terwijl zij zoo strong on nauwgezet waren omtrent mindere aangelegenheden, hebben zij „het zwaarste der wetquot; nagelaten, namelijk „het oordcel, en de barndiartigheid en het geloof.quot; In het oog van God was hun hart niet recht, en daarom was hun geest, hun verstand ook niet in evenwicht. Do ondergeschikte voorschriften dor wet achtten zij van het grootste belang, terwijl zij „het zwaarste der wetquot; geheel en al veronachtzaam-


-ocr page 304-

DM KONING KOK PT WKKÜ.V UIT, 1 Uooftlst. XXI11.

276

zoo maakt (jij hem eau kind der helle, tweemaal meer dan gij zijl.

Hot derdo „weequot; gold den ouheiligen ijver der schriftgeleerden en farizoën om aanhangers voor liet Judaïsme en voor hunne eigene partij ie werven, die zij dan nog slechter maakten dan zij zeiven waren. Zij gaven vrij en mild hun\' tijd en hun\' arbeid in het vooruitzicht van slechts zeer weinig vergelding: „Gij oini\'eist zee eti land om ecu\' Jodemjenoot te maken.quot; Zij zouden als het ware do Grooto Zee met een slagnet hebben willen afvis-schen in de hoop van een\'enkelen-lo-dengenoot in de mazen te vangen; of zij wilden, het ganscho land afreizen om maar één enkelen Heiden over te halen om zich te laten besnijden, zoodat hij „in liet openbaarquot;, dat is uitwendig, een Jood werd. Wat hieruit voortvloeide voor zulk een\' proseliet was niets dan kwaad: „/l/s hij het geworden is, zoo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan (jij zijl. Menschen, die zich door anderen hebben laten verleiden, om zonder dat dit uit een hooger beginsel geschiedt, hun\' godsdienst te omhelzen, worden gewoonlijk dwepers. De nieuw bekeerde tot het Jodendom zal natuurlijkerwijs do ondeugden zijner geveinsde leermeesters navolgen,zonder daarbij die Schriftkennis te hebben, die tot op zekere hoogte nog een heilzaam bedwang op hen uitoefende. De besneden Heiden zou dan veeleer een Judas zijn dan een Jood, hij zal een ware „zoon der verderfenisquot; wezen.

16—19. Wee n, gij blinde leidslieden! die zegt: Zoo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dal is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben hij het goud des tempels, die is schuldig, dij dwazen en blinden! want welk Is meerder-, het goud, of de tempel, die het goad heiligt? En zoo irle gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. Gij (brazen en blinden! want wat Is meerder: de gare, of het altaar, dat de gave heiligt ?

De vorm van het vierde „weequot; verschilt van al de overigen; in de zeven anderen zeide onze Zaligmaker: „Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden!quot; Hier luiden zijne woorden: „Wee ii gij blinde leidslieden!quot; In naam waren zij de godsdienstige leidslieden der .loden, maar in werkelijkheid waren zij „blinde leidslieden.quot; Zonde, vooroordeel, dweepzucht en geveins-heid hadden hun deoogen verblind. Zij beschouwden zich als de wijzen des volks; maar Jezus noemde hen„ dwazen en blinden.quot; Niemand is zoo dom als zij, die niet willen leeren; en niemand is zoo blind als zij, die niet willen zien. Dit was het geval met de schriftgeleerden en farizeën: zij waren moedwillig dwaas en moedwillig blind.

Onze Heere veroordeelde hier hunne valsche, misleidende leer omtrent eeden. Zij hebben werkelijk geleerd, dat, zoo iemand zwoer „bij den temper, zijn eed niet verbindend was; maar dat, zoo hij zwoer „bij het goud des tempels, hij door zijn\' eed was gebonden. En evenzoo verklaarden zij, dat het zweren „bij het altaarquot; niet verbindend was; maar dat, zoo iemand zwoer „bij de gare die daarop Isquot;, hij door zijn\' eed was gebonden. Des Heilands verontwaardigde uitroep verwondert ons niet: „Gij dwazen en blindenI want welk is meerder: het goud, of de tempel, die het goud heiligt? ... de gare, of het altaar, dat de gave heiligt ?\'\' De heiligheid, de wijding, lag in dentempel en het altaar, niet in het goud of de gave.

Jezus had elk zworen verboden (Hoofdst. V : 34—30); zoodat Hij den éénon eed niet boven don anderen


-ocr page 305-

1)K KONING KOEPT WEKÜN UIT.

Jioof\'dst XXIII.I

277

stelde. Veeleer toonde Hij de dwaasheid on blindheid der schriftgeleerden en farizeön aan, die de orde dor dingen omkeerden. Indien zweren geoorloofd was, dan zou een eed, gezworen „bij den tempelquot; meer verbindend moeten zijn dan een eed, gezworen „bij het goud des tempelsquot;; maar deze val-sche leeraren zeiden : „ Dat is niets.quot; Hebben do menachen eens het eenvoudig, duidelijk onderwijs van Christus verlaten, dan zullen zij zeer licht in allerlei ketterijen en ongerijmdheden vervallen.

20—22. Daarom, icie zweert hij het altaar, die zweert hij hetzelce en hij «7, wat daarop is; en trie zweert hij den tempel, die zweert hij denzelven, en hij Dien, die daarin woont\', en wie zweert hij den hemel, die zweert hij den troon Gods, en bij Dien, die daarop zit.

De Joden hadden allerlei phantas-tische vormen van zweren verzonnen, ten einde het gebruik van Godsnaam te vermijden. Onze Heero heeft daarom hot volkomen falen hunner pogingen hieromtrent bewezen. Zweren hij het altaarquot; was zweren „hij al wat daarop is.quot; Zweren „hij den tempelquot; was in werkelijkheid zweren „hij Dien, die daarin woont.quot; De bindende kracht van den eed kan niet liggen in het gebouw, maar in den Allerhoogsten God, die zich verwaardigt daarin te wonen. Vele Joden wilden zweren „hij den hemelquot;, ofschoon zij God niet tot getuige wilden aanroepen van do waarheid hunner bewering; maar Jezus toonde hun, dat zij wel wezenlijk deden wat zij trachtten te vermijden : „Wie zweert hij den hemel, die zweert hij den troon Gods, en hij Dien, die daarop zit.quot; Do eenig goede gedragslijn, die wij hebben te volgen, is, onzos 1 Toeren gebod te gehoorzamen: „Ik zeg u: Zweert ganschelijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods; noch bij de aarde, omdat zij is do voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is do stad des groeten Konings; noch bij u^v hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken: maar laat zijn uw woord ja, ja, neen, neon; wat boven deze is, dat is uit den booze.quot;

23, 24. Wee n, (jij schriftgeleerden en farizeën, (jij jeveinsden! want (jij rertient de munte, en de dille, en het komijn, en (jij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de harm-hartijheid en het geloof. Deze din,(jen moest men doen, en de andere niet nalaten. Gij hl inde leidslieden, die de mag uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.

In dit vijfde „weequot; noemt onze Heere de schriftgeleerden en farizeën beide „geveinsdenquot; en „hlinde leidslieden.quot; Zij waren „geveinsdenquot; met betrekking tot hun eigen karakter en gedrag, en „blinde leidsliedenquot; als godsdienstige voorgangers van het volk. Jezus sprak eerst van hun nauwkeurig acht geven op zaken van ondergeschikt belang: „Gij vertient de munte, en de dille, en het komijn.quot; Sommigen van hen waren zoo overdreven nauwgezet in het betalen van tienden, dat zij zelfs het tiende der kruiden gaven, die zij op de markt kochten, ten dienste des tempels, even goed als van die, welke in hun\' eigen hof groeiden. Maar terwijl zij zoo streng en nauwgezet waren omtrent mindere aangelegenheden, hebben zij „het zwaarste der wetquot; nagelaten, namelijk „het oordeel, en de harmhartigheid en het geloof.quot; In het oog van God was hun hart niet recht, en daarom was hun geest, hun verstand ook niet in evenwicht. Do ondergeschikte voorschriften dor wet achtten zij van het grootste belang, terwijl zij „het zwaarste der wetquot; geheel en al veronachtzaam-


-ocr page 306-

!78 BE KONING ROEPT WEEËN UIT.

IHoofdst. XXI li.

den. Onze Heere heeft hen om dit vert,ionen niet gelaakt: Hij toonde slechts aan, dat zij in de eerste plaats „het oordeelquot; — of do gerechtigheid -„de barmhartigheid en hot gelootquot; hadden moeten beoefenen. Deze dimjen monxt men dom, en de andere niet tuda-ten.quot; Er is geen gebod Gods, dat niet essentieel is; maar hetgeen betrekking heeft op den toestand van ons hart en op ons leven in het oog van den iloere Jehovah, moet onze eerste en beste aandacht hebben.

Jezus gebruikte een zeer zinrijk beeld om het tegenstrijdige in de handelingen der schriftgeleerden en farizoön aan te toonen: „Gij hlinde leidslieden, die de mug mtzijfjt, en den kemel detor-zweJyt.quot; Zij beschouwden kleinigheden alsof zij van het hoogste belang waren, en zoo hebben zij als het ware muggen uit hun\' wjjn gezift, uit vrees van anders te stikken; terwijl zij groote zonden bedreven zonder do minste wroeging of zich ook maar in het minst bezwaard te gevoelen in hun geweten. En zoo hebben zjj inderdaad een\' kemel doorgezwelgd een onrein dier, in grootte aan een schier oneindig aantal muggen gelijk. Er zijn ook onder ons van die muggenuitzijgers, die blijkbaar niet de minste moeite hebben om een\' kemel door te zwelgen „met bult en al.quot;

25, 2G. Wee », {/ij sclirifUieleerdm en feirizeën, e/ij geveinsden! want gij reinigt het hnitenste des drinkbekers en des schotels, maar van hinnen zijn ze vol reen roof enonmeitigheid. (Jij hlinde farizeër! reinigt eerst weit hinnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste elerzelve rein worde.

Het zesde „weequot; wordt uitgeroepen over de schriftgeleerden en farizeën in betrekking tot hun eten en drinken: „Gij reinigt het buitenste des drinlcbe-hers en des schotels, maetr vein hinnen zijn ze rol van roof en onmatigheid.quot; Zjj hadden menigvuldige wasschingen, beide van zich zelvon en van de vaten, waaruit zij aten en dronken. Zij deden wol met „het buitenste des drinkbekers en des schotelsquot; te reinigen, maar het kwaad bestond in het vullen en ledigen der vaten. Zij werden gevuld door „rooiquot;, en gebruikt tot „onmatigheidquot;, en daarom was al hun wasschen van de buitenzijde tot niets nut. Een der boosdoeners als mot den vinger aanwijzende, zeide onze Heere; „Gij hlinde farizeër! reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is,quot; ontdoe u eerst van den „roofquot; in het vergaderen, en van de „onmatigheidquot; in het verteren; dan zullen de reine drinkbeker en schotel in overeenstemming zijn met hetgeen er in is.

27, 28. M ee n, gij schriftgeleerden en farizeén, gij geveinsden ! iremt gij zijl den witgepleisterden graven gelijk, die veen huilen wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinigheid: alzoo ook schijnt gij wel den menschen van hniten rechtvaardig, maar van hinnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.

De reden, die voor het zevende „weequot; wordt gegeven, toont aan wat de schriftgeleerden en farizeën in de oogen van Christus waren; „Gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van hniten ivel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze rot doodsbeenderen, en alle onreinigheid.quot; liet jaarlijksche witten der graven had onlangs plaats gehad, zoodat do begraafplaatsen er op haar best uitzagen, maar binnen in de graven zette het bederf zijn doodelijk werk voort. Zij waren gewit, niet slechts als maatregel ter bevordering der gezondheid, maar


-ocr page 307-

lloofdet. XXII 1.1 DU KONING

bovenal om de monschen er op ecu afstand van te lioudon, opdat zij er niet door verontreinigd zouden worden. Onze Heere hoeft de farizeën en scliriftgc-leerden door deze vergelijking voorzeker niet gevleid; maar hoe nauwkeuriger men haar beziet, hoe afschuwelijker hun karakter er door in het licht treedt. Hoe zeer zij van buiten den menschen rechfcaardig scJumen, run linnen waren zij vol (jeveinsdheid en onrjerecldujheid. Wol mocht do hoiligo Jezus over zoo snoodo zondaren con „Wee!quot; uitroepen.

2!)—31. Wee ii, gij sehrifhjeleerden en farizeën, gij (jeveinsden! want gij hoinrt de graven der profeten ojj, en zegt: Indien wij len tijde onzer vaderen iraren gen-eest, wij zonden met hen geene gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen n zet ven, dat gij hinderen zijl der-genen, die de profeten gedood hebben.

Het achtste „weequot; betreft hunne valscho betuigingen van eerbied voor „de gemeenschap dor profetenquot; on „do edele schare der martelaarsquot;: „Gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de grafteehmen der reehtraar-digen.quot; Zij gaven voor zulk een\' hoogen eerbied to hebben voor do heilige mannon van ouds, dat zjj, in do onmogelijkheid verkeerende om hen persoonlijk te eoren, graftomben wilden oprichten ter hunner nagodachtonis, en hunne laatste rustplaatsen mot do teekonon hunner liefde en hoogachting wilden versieren. Zjj getuigden ook wat zij gedaan zouden hebben, indien zjj in do dagen hunner vaderen hadden geloofd : „ Wij zonden met hen gem cjerneensehap gehad hebben aan het bloed der profeten.quot; Wat bittere ironie was er in zulke taal van do lippen van monschen, die op hot eigen oogenblik

KPT WKKÜN UIT. 27!)

hot komplot beraamden om denlTcere dor profeten en der rechtvaardigen uit alle tijdon te dooden! Evenzoo spreken de menschcn nog met schijnbaren afschuw van de schrikkelijke daden van vroegere vervolgors, wier afstammelingen in rechte linie zij zijn, niet slechts naar het vloesch, maar ook naar den geest.

Uit hun\' eigen mond lieefi onze 1 leero deze geveinsden veroordeeld : „Aldus getuigt gij tegen u zeiven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben quot; Inderdaad zeidoJezus tot hen: „Gij erkent, dat gij de zonen zijt van do moordenaars der profeten. Dio erkenning sluit oneindig meer in dan gij vermoedt. Gij zijt hunne zonen, niet slechts door uwe geboorte, maar ook door uw gelijken op hen; gjj zijt de ware kinderen van hen, die de profeten hebben gedood. Indien gjj in hun\' tijd hadt geloefd, gjj zoudt do misdaad hebben geploegd, die gij thans voorgeeft te veroordeelen.quot;

152. Gij dan ook, vervult de mate uirer vculerenl

Dat is een der ontzettendsto volzinnen, die ooit van Christus\' lippen zijn gekomen. Het is gelijk aan zijn woord tot .1 udas: „ Wat gij doet, doo hot haastelijk.quot; De „matequot; van Israels ongerechtigheid was bijna vol. Do Heiland wist, dat de schriftgeleerden en farizoën besloten waren Hem te dooden, en aldus hunne eigene veroordeeling te voltooien. Deze laatste zonde, die de kroon opzette aan alle andoren, zou do mate vervullen van de schuld hunner vaderen, en hot rechtvaardig oordeel Gods over hen brengen.

Si). Gij stangen, gij adderengebroed-sels! hoe zoudt gij de heisehe verdoemenis ontvlieden P


-ocr page 308-

])l!gt;i KONINGS ArAAHWHIi AAN ZIJNE IIÜOKDSTAI). [IloofJst. XXIII.

Onze Heere sprak met zeer groote gestrengheid, maar die taal word door do getrouwheid volstrekt vereischt. Een goed heelmeester snijdt die]) in de wond, en dat deed ook Jezus. Onze hedendaagsche predikers zouden zoo niet spreken, zelfs niet tot de schriftgeleerden en farizeön, die Christus op

HOOFDSTUK [Hes Koirin»\'s vaarwel

34—36. Daarom ziet, ik zende lot n profeten, en u-ijzen, en schriftrjeleer-clen; en uit dezelve zult (jij sonmiijen dood en en kruisiejen, en sonmiejen uit dezelve zult cjij (jeeselen in inre sijna-(joyen, en zult ze vervolgen van stad tol stad; opdat oji n kome at het recht-vaardige hloed, dat vergoten is ojt de aarde, van het hloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharla, den zoon ran Barachia, welken gij gedood licht tnsschen den tempel en het altaar. Voorwaar zeg ik n: al deze dingen zullen komen over dit geslacht.

Onze groote Koning wist, dat zijn aardsehe loven spoedig zou eindigen, en nu zal Hij zjjn laatst vaarwel sproken tot het volk, dat in den tempel vergaderd was. Eer II ij hen echter verliet, gaf Hij hun eene koninklijke en profetische boodschap; „Ziet, ik zende tot n profeten, en wijzen, en schriftgeleerden.\'\'\'\' Niemand dan de Koning der koningen kan aldus zonder lastering spreken. Deze, „profeten, en wijzen, en schriftgeleerdenquot; zullen Christus\' hemel vaartsgaven zijn aan de Kerk en aan do wereld. Ujj voorzeide wat soort van ontvangst zijne dienaren van do Joden te wachten hadden:

nieuw kruisigen en Hem openlijk te schande maken. Maar hij, die de zachtste woorden spreekt, heeft niet hot meest lief. Ware liefde zal een eerlijk man dikwijls dringen om datgene te zeggen, wat veel meer pijn doet aan hem zeiven dan aan zijne ; verharde hoorders.

XXIII. 34—39.

mui zijne hoofdstad.]

„Kn uit dezelve zult gij sommigen dooden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geeselen in uwe synagogen, en zult ze vervolgen van stad tot stad.quot; Dit alles is letterlijk vervuld geworden.

liet dool desKonings, in het zenden van zijne laatste vertegenwoordigers was, dat de schuldige stad geene verontschuldiging zou hebben, als hare mate der ongerechtigheid vol zou zijn, en haar ontzettend oordcol verzegeld. „Opdat op u kome al het rechtvaardige Idoed, dat vergoten is op de aarde, van het hloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het hloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt t usschen den tempel en het altaar.quot; De verwoesting van Jeruzalem was schrikkelijker dan iets wat ooit op aarde gezien werd, hetzij te voren of daarna. Zelfs Titus scheen in zijn wreedaardig werk de hand van een wrekend God te zien. Voorwaar! het bloed der martelaren, in Jeruzalem gedood, word overvloedig gewroken, toen do gehoelo stad een ware Akel-dama, een akker des bloods, was geworden.

De Koninklijke Profeet voorspelde don tijd van het einde: „Voorwaar


-ocr page 309-

Hoofclst. XX! 11.1 DES KüiMNOS VA AKW 1:1, AAN ZIJNE HOOFIJSTAD.

zeg ik u: al deze dinyen zullen komen over dit r/eslacht.quot; Het was eer dit geslacht was voorbijgegaan, dat Jeruzalem belegerd en verwoest werd. Er was nu eenc genoegzame tusschenpoos voor de volle verkondiging des evangelies door de apostelen en evangelisten van de eerste Christelijke Kerk, en voor do bijeenvergadering van hen, die den gekruisigden Christus als hun\' waren Messias erkenden. Toen kwam het ontzettend einde, dat de Heiland voorzien en voorzegd heeft, en waarvan het vooruitzicht aan zijne lippen en zjjn hart de treurige klage ontlokte, welke volgde op de profetie van hot oordeel, dat de schuldige hoofdstad wachtte.

i57. Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de prafelen doodl, en steeniyt, die lol n (jezonden zijn! hoe menignuud hel) ik uwe kinderen willen hijeenrergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild!

Wolk een beeld van medelijden en teleurgestelde liefde moet des Konings gelaat niet te aanschouwen hebben gegeven, toon Hij, terwijl de tranon Hem uit de oogen stroomden, deze woorden heeft geuit! Welk een uitnemend, treffend beeld gebruikte Hij om aan te toonen op wat wijze Hij de Joden voor zich had trachten te winnen ! „ Hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkencijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen.quot; Welk eene gemeenzame teederheid! Welk een warm Elysium der ruste! Wat kostelijk voedsel voor de zwakken! Welk ociie bescherming voor do kraehteloozen! Toch was dit alles te vergeefs geschonken: „Hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen .... en gij hebt niet gewild!quot; O wat ontzettende verdorvenheid van des nieiischcn rebelleerenden wil! Laten allen, die deze regels lozen, toezien, dat do Koning nooit zulk eene klage over hen heeft uit te spreken.

88, 39. Ziet, uw huis wordt u woest gelaten\', want ik zeg u: gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is hij, die komt in den naam des Heer en!

Niets bleef den Koning over dan het plechtig vonnis des doods uit te spreken over hen, die niet tot Hem wilden komen, opdat zij het leven zouden hebben: „/iet, uw huis wordt u woest gelaten.\'\'\'\' Het gansche „huisquot; der Joden werd woest gelaten, toon Jezus hen verliet; en de tempel, het heilig, heerlijk „huisquot; werd eene geestelijke verwoesting toen Christus er voor altijd van weggegaan was. Jeruzalem was te ver heen, om verlost te worden van het oordeel, dat het over zich zei ven had gebracht.

Te midden van al die somberheid was er toch nog één straal van licht: „Want ik zeg »: gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zidt: Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!quot; Na zijn\' dood en opstanding is de Heero Jezus vele malen verschenen aan zijne discipelen, maar geene enkele maal aan do ongeloovige Joden. Zijn persoonlijk dienstwerk onder hen \'was geëindigd, maar zou vernieuwd worden bij zijne wederkomst ter zaligheid, zonder zondoffer, en dan zouden zij zeggen : „Gezegend is hij , die komt in den naam des Heeren.quot; Lange eeuwen zijn voorbijgegaan sedert de Koning naar het vergelegen land reisde. Do teekenon der tijden zeggen ons, dat zijne wederkomst nabjj is. O dat beide Christenen en Joden mochten uitzien naar den waren Messias, wiens boodschap tot allen luidt: „Ziet, ik kom haastoljjk !quot;


-ocr page 310-

I)K KONING EN IIHT HUIS ZIJNS VADKKS. 11 [ooFdst, XXIV.

282

HOOFDSTUK XXIV. 1—2. [De Koning en het huis zijns Vaders.]

En Jezus yiny uit en vertrok van den tempel; en zijne discipelen kicanun hij hem, om hem de gehouwen des tempels te tonnen. Kn Jezus zcide tot hen: Ziet (jij niet al deze dinrjen? Vooneaar zeg ik: hier zal niet een steen op den anderen steen gelat en worden, die niet afgebroken zcd worden.

Do Koning, zjjno laatsto redo in den tempel hebbende uitgesproken, verliet bom, om er nimmer in weder te keeren. Jezus ging nit, en cei trok van den tempel. Zijn dienstwerk aldaar was geëindigd. En terwijl nu zijne discipelen mot Hem voortgingen in do richting van den Olijfberg, vestigen /.ij zijne aandacht op do groote steenen, waarmede de tempel gebouwd was, en op de rijke, kostbare versierselen die aan het overschoone gebouw aangebracht waren. Voor hen had dit alles een heerljjk aanzien, maar voor hun\' IToere leverde het een droevig gezicht op. liet huis zijns Vaders, dat een huis des gebeds had beboeren te wezen vooralle natiën, was oen moorde-naarshol geworden, en zou weldra aan eene volslagene verwoesting ten prooi worden gegeven. Jezus zeidc tot hen: Ziet gij niet cd deze dingen? Voorwaar zeg ik: hier zcd niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. Joseph us zegt ons, dat ïitus eerst beproefd bad den tompol te redden, zelfs nadat bij reeds in brand was gestoken; maar zijne pogingen ble\\ en vruchteloos. Ten laatste gaf hij bevel, dat de geheele stad en do tempel met den grond gelijk gemaakt zou worden, behalve een klein gedeelte dat voor het garnizoen gespaard moest blijven. Dit bevel werd zoo volkomen ton uitvoer gebracht, dat do geschiedschrijver zegt: „Er was niets overgebleven, dat hen, die herwaarts kwamen, kon doen gelooven, dat liet ooit eene bewoonde stad was geweest.quot;

Somtijds verblijden wij ons in den tjjdeljjken voorspoed van de Kerk, alsof\' dio voorspoed altijd zal stand ho lden; maar alles wat uitwendig is, zal voorbijgaan of verwoest worden. Laat ons slechts datgene als wezenljjk beschouwen, dat van God komt en Gods werk is. De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk.quot;


HOOFDSTUK XXIV. 3—31. [De Koiiinn\' beantwoordt inouielijke vragen.]

Kn als hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? en welk zal het teeken zijn van uwe lockomst, en van de voleinding der wereld?

Do kleine groep bleef den Olijfberg beklimmen, totdat Jezus eene rustplaats bereikte, van waar Hij den tempel zien kon Matth, XXHI ; 3). Daar zat Hjj nodcr, on de discipelen gingen tot hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer


-ocr page 311-

Hoofdst. XXIV.] DE KONING ISK.VXTW

zullen deze dingen zijn? en welk zal het leelcen zijn van uwe toekomst, en van de voleinding der wereld? Dat zijn do vragen, dio sinds do dagen on zes Zaligmakers in alle eeuwen gedaan zjjn. Kr zjjn hier twee onderscheidene vragen, on wellicht drie. De discipelen vroegen eerst naar het tijdstip van de verwoesting des tempels, en toen naar het teeken van Christus\' wederkomst, en van „de voleinding der eeuwquot; 1). Do antwoorden van -lozus bevatten vele verborgenheden, die slechts ten volle konden begrepen worden, toen hetgeen Hij voorspeld had in vervulling kwam. U ij sprak tot zijne discipelen van zaken, die betrokking hadden op de belegering van Jeruzalem, en van andere, die betrekking hadden op zijne wederkomst, en van nog andere, die „do voleinding der wereldquot; on-middelijk zouden voorafgaan. Als wij meer licht hebben, dan zullen wij wellicht inzien, dat alle de voorzeggingen onzes Heilunds bij deze gedenkwaardige gelegenheid mot alle drie deze groote gebeurtenissen in verband stonden.

4—6. En Jezus, antwoordende zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide! Want velen zullen komen onder mij)^ naam, zeggende\\ Ik hen de (\'hristns; en zij zullen reien verleiden. En gij zult hooren van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet ver-sehrikt: want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.

Jezus was altijd practisch. Het bo-langnjkste voor zijne discipelen was niet, dat zij zouden weten, wanneer „deze dingen zijn zullenquot;, maar dat zij mochten bewaard blijven voor hot eigenaardige kwaad destijds. Daarom

DRl/r MOKIKLUKK VKAGEN. 2S.\'i

antwoordde Jezus, en zeide tot hen: „Ziet toe, dat u niemand verleide! Want veten zullen komen onder mijii1 naam, zeggende: Ik hen de Christus-, en zij zullen velen verleiden:\'1 Zij hadden toe te zien, dat niet een dor valsche Mcssi-assen hen op een dwaalspoor zou leiden, gelijk zij vele anderen zouden verderven, Vóór de verwoesting van Jeruzalem kwamen zeer vele bedriegers te voorschijn, voorgevende, dat zij do gezalfden Gods waren. Schier elke bladzijde der geschiedenis is bezoedeld door de namen van zulke bedriegers; en ook in onze dagen hebben wij sommigen zien komen in den naam van Christus, zeggende, dat zij Christussen zijn. Zulke menschen verleiden velen; maar zij, die op de waarschuwing huns 1 loeren acht geven, zullen niet door hen begoocheld worden.

Onzes Heilands woorden: „Gij zult hooren ran oorlogen en geruchten vun oorlogen\'\', zouden op schier ieder tijdperk der wereldgeschiedenis toegepast kunnen worden. Do aarde heeft slechts zelden eeno langdurige rust genoten; want bijna altijd heelt men de werkelijkheid des oorlogs gehad en do geruchten des oorlogs gehoord. Er waren vele zulke oorlogen en geruchten van oorlogen eer do verwoesting van Jeruzalen plaats had, ook nog immer daarna, en er zullen er altijd zijn totdat het heerlijke tijdperk is aangebroken, wanneer „het eene volk tegen het andere volk geen zwaard ophotten zal, en zij geen oorlog moor zullen loeren.quot;

„Ziet toe, wordt niet verschriktquot; is eono gepaste vermaning voor do discipelen van Christus in allo eeuwen. „ Want (d die dingen moeten yeschieden\'1\'\'^ zoo laat ons dan niet verbaasd en verschrikt er over zjjn; „maar nog is het einde niet.quot; Do verwoesting van Jeruzalem was het begin van het einde, het groote t\\ pc en de voorsmaak van


1

Naar de kanttcokcning op dc herziene Engcluclie overzetting.

-ocr page 312-

UK KONING ION HET KUIS ZIJNS VADKHS. | llüufdst. XXIV.

282

HOOFDSTUI\' [lgt;e Koning\' en liet

l\'Jn Jezus (jukj uit en vertrok run don tempel; en zijne discipelen kwamen hij hem, om hem de cjehouicen des tempels te toonen. En Jezus zeide tot hen: Ziet (jij niet al deze dingen ? Voorwaar zeg ik: hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

Do Koning, zijne laatste redo in don tempel hebbende uitgesproken, verliet hem, om er nimmer in weder te koeren. Jezus ging uit, en vet trok van den tempel. Zijn dienstwerk aldaar was geëindigd. En terwijl nu zijne discipelen met Hem voortgingen in de richting van den Olijfberg, vestigen zij zijne aandacht op de groote steeneu, waarmede de tempel gebouwd was., en op de rijke, kostbare versierselen die aan het overschoone gebouw aangebracht waren. Voor hen had dit alles een heerlijk aanzien, maar voor hun\' Heere leverde het een droevig gezicht op. liet huis zijns Vaders, dat een huis des gebeds had behooren te wezen vooralle natiën, was oen moordc-naarshol geworden, en zou weldra aan eone volslagene verwoesting ten prooi

; xxiv. 1—2.

huis zijns Vaders.]

worden gegeven. Jezus zeide tot hen : Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg ik: hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. Josephus zegt ons, dat Titus eerst beproefd had don tempel te redden, zelfs nadat hij reeds in brand was gestoken; maar zijne pogingen ble\\ en vruchteloos. Ten laatste gaf hij bevel, dat de geheele stad en do tompol met den grond gelijk gemaakt zou worden, behalve een klein gedeelte dat voor het garnizoen gespaard moest blijven. Dit bevel werd zoo volkomen ten uitvoer gebracht, dat de gOBchied-schnjver zegt: „Er was niets overgebleven, dat hen, die herwaarts kwamen, kon doen gelooven, dat het ooit eeno bewoonde stad was geweest.quot;

Somtijds verblijden wij ons i\'i deu tijdelijken voorspoed van do Kerk, alsof die voorspoed altijd zal stand houden; maar alles wat uitwendig is, zal voorbijgaan of verwoest worden. Laat ons slechts datgene als wezenlijk beschouwen, dat van (iod komt en Gods werk is. Do dingen, die men ziet, zijn tijdelijk.quot;


IIOOEDSTUK XXIV. ij—31. [He lioning\' beantwoordt nioeielijke vragen.]

8. l\'ln (ds hij op den Olijfberg gezeten a-as, gingen de discipelen tot hem alleen, zeggende-. Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? en welk zal het teekev zijn ran uire toekomst, en van de rol-einding der wereld ?

Do kleine groep bleef den Olijfberg beklimmen, totdat Jezus eeno rustplaats bereikte, van waar Hij den tempel zien kon Matth, XXlIl : 3). Daar zat Hij neder, en de discipelen gingen tot hem alken, zeggende: Zeg ons, wanneer


-ocr page 313-

Iloofdst. X X I V. I DE KONING BH.VNTW

zullen deze dingen zijn? m welk zal het teelcen zijn van mre toekomst, en van de voleinding der wereld? Dat zijn do vragen, dio sinds do dagen on/cs Zaligmakers in allo eeuwen gedaan zijn. Kr zijn hier twee onderscheidene vragen, en wellicht drie. De discipelen vroegen eerst naar het tijdstip van do vorwoesting des tempels, en tamp;cn naar het toeken van Christus\' wederkomst, 011 van „de voleinding der eeuwquot; 1). Do antwoorden van Jezus bevatten velo verborgenheden, die slechts ten volle konden begrepen worden, toon hetgeen Hij voorspeld had in vervulling kwam. Hij sprak tot zijne discipelen van zaken, die betrekking haddon op do belegering van Jeruzalem, en van andere, die betrekking hadden op zijne wederkomst, en van nog andere, dio „do voleinding der wereldquot; on-middeljjk zouden voorafgaan. Als wij meer licht hebben, dan zullen wij wellicht inzien, dat allo do voorzeggingen onzes ITeilands bjj deze gedenkwaardige gelegenheid niet allo drie deze grooto gebeurtenissen in verband stonden.

4—6. En Jezus, an t te oord ende zedde tot hen: Ziet toe, dat niemand u ver-leidel Want velen zullen komen ondci\' mijn\' naam, zeggende; //,■ hen de (\'hristvs; en zij zullen velen verleiden. En gij zult hooren van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt: ivant al die dingen moeten geschieden, maar nocj is het einde niet.

Jezus was altijd practisch. Hot bo-langrjjkste voor zijne discipolen was uiot, dat zjj zouden weten, wanneer „deze dingen zijn zullenquot;, maar dat zjj mochten bewaard blijven voor het eigenaardige kwaad destijds. Daarom

1) Naar dc knntteokening op de herziene Engclsohe overzet l ing.

OUDT MOEIELIJKIO VRAGEN. 28\'!

antwoordde Jezus, en zeide tot hen: „\'/iet toe, dat n niemand verleide! Want veten zullen komen onder mijn\'\' naam, zeggende: Ik hen de Christus-, en zij zullen velen verleiden.\'\'\' Zij hadden toe te zien, dat niet een der valsche Mossi-assen hen op een dwaalspoor zou leiden, gelijk zij vele anderen zouden verdorven. Vóór de verwoesting van Jeruzalem kwamen zeer vele bedriegers te voorschijn, voorgevende, dat zij de gezalfden Gods waren. Schier elke bladzijde dor geschiedenis is bezoedeld door do namen van zulke bedriegers; en ook in onze dagen hebben wij sommigen zien komen in den naam van Christus, zeggende, dat zij Christussen zijn. Zulke menschen verleiden velen; maar zij, die op de waarschuwing huns ifeeren acht geven, zullen niet door hen begoocheld worden.

Önzos Hollands woorden: „Gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogenquot;, zouden op schier ieder tijdperk der wereldgoschiedonis toegepast kunnen worden. De aarde hooft slechts zelden eeno langdurige rust genoten; want bijna altijd heelt men de werkelijkheid dos oorlogs gehad en do geruchten des oorlogs gehoord. Er waren velo zulke oorlogen en geruchten van oorlogen eer de verwoesting van Jeruzalen plaats had, ook nog immer daarna, on or zullen er altijd zijn totdat het heerlijke tijdperk is aangebroken, wanneer „het oene volk tegen het andere volk geen zwaard opheffen zal, en zij geen oorlog meer zullen loeren.quot;

„Ziet toe, wordt niet verschrikt\'quot; is oono gepaste vermaning voor de discipolen van Christus in allo eeuwen. „ Want al die dingen moeten geschiedenquot;^ zoo laat ons dan niet verbaasd on verschrikt er over zijn; „maar nog is het einde nietquot; Do verwoesting van Jeruzalem was het begin van het einde, hot grooto t\\po en de voorsmaak van


-ocr page 314-

1)10 KONING liKANTWOORDT MOEIKM.IKK VHAOK\\, | Hoofdsh XXIV.

284

al hetgeen plaats zal hebben, als Christus ten laatsten dage zal staan op de aarde. Het was een einde, maar niet het einde: „nog is het einde niet.quot;

7, 8. Want het eene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het eene koninkrijk teyen het andere koninkrijk-, en er sullen zijn hongersnooden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen-, doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.

Men zou hebben kunnen denken, dat er reeds smart genoeg was in „hongersnooden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen; maar onze Heere zcide, dat „al die dingenquot; slechts „een beginsel der fniartenquot; waren; de eerste barensweeën, die zijne wederkomst voorafgaan, hetzij tot Jeruzalem ot\' tot de gehcele wereld. Indien hongersnooden, pestilentiën en aardbevingen slechts „het beginsel der smartenquot; zijn, wat zal dan het einde zijn? Deze profetie behoort de discipelen van Christus beide te waarschuwen voor hetgeen zij hebben te verwachten, en te spenen van do wereld, waar alle deze en nog grootere smarten ervaren zullen worden.

!J. Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen n dooden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om mijns naams wille.

Onze Heere heeft niet slechts de algemeene beproeving voorspeld, die over de .roden en over de wereld komen zou, maar ook de bijzondere vervolging, die van zijne verkoren volgelingen het deel zou zijn. „Alsdan zallen zij n overleveren in verdrukking, en zulten a dooden, en gij zult gehaat ivorden van alle volken om mijns naams iville.quot; Het Nieuwe Testament geeft do overvloedige bewijzen van de vervulling dezer woorden. Reeds in de dagen van Paulus was deze „secte overal tegengesproken.quot; Is er van toen aan wel één enkel land geweest, dat niet gedrenkt werd met het bloed der martelaren ? Overal, waar Christus\' evangelie werd gepredikt, zijn de menschen gewapenderhand opgestaan tegen do boden der genade, overal waar zij konden, hebben zij hen verdrukten gedood.

10. Kn dan zullen er velen geërgerd a-orden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.

Dat zou voor de volgelingen van Christus een bittere beproeving zijn, die zij echter altijd te verduren zouden hebben. Vervolging zou de verraders binnen in de kerk openbaren, zoowel als de vjjanden van buiten. In het midden der uitverkorenen zullen er opvolgers van Judas worden gevonden, bereid om de discipelen te verraden, zooals hij zijn\' Heere heeft verraden. Het treurigst van alles is het verraden van vrome menschen door hunne eigene bloedverwanten, maar ook dit hebben velen hunner om Christus wil te verduren gehad.

11,12. En vele valsche profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal d-: liefde van velen verkouden.

Hetgeen do vervolgers buiten de Kerk, en do verraders in do Kerk niet zouden kunnen doen, dat zal dooide leeraren der ketterij worden beproefd: „Vele valsche profeten zulten opstaan, en zullen er velen verleiden.quot; In allo eeuwen zijn zij opgestaan. In de nieuwere tijden zijn zij opgestaan in menigte, zoo dat de lucht van hen vervuld is, als van een heir van ver-


-ocr page 315-

1 loot\'dst. XXIV,] UK KONING 1110AMTWOÜKD\'L\' MOEIHMJKK VUAOKN.

slindende sprinkhanen. Dat zjjn de inlt;annen, die nieuwe leerstellingen uitdenken, en die van moening schijnen te zijn, dat do godsdienst van Jezus Christus iets ia, waaraan do menschen den vorm en do gestalte mogen geven, die hun behagen. O hoe treurig is het, dat zulke leeraren nog discipelen hebben! Dubbel treurig is het, dat zij in staat zijn „velenquot; to verleiden. Indien dit echter plaats beeft, zoo laat ons gedenken, dat do Koning voorzegd hoeft, dat hot zoo zjjn zou.

Is het te verwonderen, dat, waar zoodanige „oncjerechtigheid vermenigvuldigd wnrdtquot; en zulke bandeloosheid overal hoerscht „de liefde van velen zal verhouden\'quot;? Indien do leeraren hot volk bedriegen, en hun „een ander evangelie geven, daar er geen ander isquot; dan is het niet te verwonderen, dat er gebrek is aan ijver en liefde, liet is veeleer een wonder, dat er nog eenigo liefde en ijver is overgebleven, nadat zij aan zulk oene verkillende en doodendo werking waren onderworpen als door do voorstanders der hodendaagsche „afbrekende critiekquot; wordt uitgeoefend. Voorwaar, hot is wel terecht, dat zij „afbrekendquot;, ja verwoestend wordt genoemd, want het verderft en vernietigt schier alles, wat waard is bewaard te worden.

13. Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Wederom herinnert onze Zaligmaker zijne discipelen aan do persoonlijke verantwoordelijkheid van eon iegelijk hunner in zulk een\' tijd van beproeving en op-de-proofstelling, als dio zij te doorleven zullen hebben. Mij wilde, hen doen gedenken dat niet de man, die den wedloop begint, maar de man, die het einddoel bereikt, don prijs zal bo-balon. „ Wie volharden Z(d tot het einde, die zal zalig worden,quot; Indien doze leerstelling niet door oene andere leerstelling word aangevuld, dan zouden woorden ais dozen weinig of geen goede tijding bevatten voor de arme, verzochte, beproefde en worstelende heiligen. Wie onder ons zou volharden in don hemelschen wedloop, indien God ons niet voor struikeling behoedde en ons genade gaf om te volharden ? Maar, geloofd zjj zijn naam: „De rechtvaardige zal zijn\' weg vasthoudenquot;. „Vertrouwende ditzelvo, dat Hjj, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus.quot;

14. En dit evangelie des honinkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkeren; en dan zed het einde komen.

De wereld is voor de Kerk, wat een steiger is voor een gebouw. Is de Kerk gebouwd, dan wordt de steiger weggenomen. De wereld moet blijven bestaan, totdat de laatste uitverkorene behouden is: „Dan zed het einde komen.quot; Vóórdat Jeruzalem verwoest werd, is „dit evangelie des koninkrijks waarschijnlijk „in de geheele wereld geprediktquot; geworden, voor zoover de wereld toen bekend was; maar er zal nog eene vollediger verkondiging er van plaats hebben, „tot een getuigenis allen volkerenquot; eer de groote voleindiging aller dingen daar is: „dan zal het einde komen,quot; en dan zal de Koning zitten op den troon zijner heerlijkheid en over de eeuwige lotsbestemming van het gansche mensche-lijko geslacht beslissen.

15—18. Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verivoestmg, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige placds, {die. het leest, die merke daarop!) Dat alsdan die iu Judéa zijn, vlieden op de hergen,


-ocr page 316-

286 DK ICO XING liKANTWOORDT

die op het dak is, home niet af, om iets uit zijn huis irecj te vemen; en die op den akker is, keere niet weder terug, om zijne kleederen tvey te nemen.

Dit gerleolto van onzea lloilniuls woorden schijnt uitsluitend op de verwoesting van Jeruzalem betrekking te hebben. Zoodra Christus\' discipelen „den gruwel der verwoestingquot;, dat is : de llomeinsche banieren mei. hunne afgodische zinnebeelden, zagen, „staande \\ in de heilige plaatsquot;, wisten zij, dat do tijd voor hen was gekomen om te vluchten, en toon zijn zij „gevloden op de hergen.quot; Do Christenen in Jeruzalem en do omliggende steden en ; dorpen „in Jndéaquot; hebben de eerste gelegenheid te baat genomen om de llomeinsche heirscharen te ontwijken en toon zijn zij naar de bergstad Pella in Perea gevlucht, waar zij voor de algomeeno slachting en verwoesting, die onder de Joden was aangericht, bewaard bleven. Er was geen tijd te verliezen vóór de algehoele insluiting der schuldige stad plaats had. Do man, die „op het dakquot; was, kon niet „afkomen om iets uit zijn huis weg te nemen\'\', | eu do man „op den a.kkei\'\' kon niet „torugkeeren, om zijne kleederen weg te nemen.\'\' Op hot oogenblik, dat zij „Jeruzalem van beirlegers omringd zagenquot; (Lukas XXI: 20), moesten zij in aller ijl naar het gebergte vluchten.

19—21. Maar ivee de bevruchte en de zoogende vrouwen in die dagen! Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat; want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.

liet moet inzonderheid voor de vrouwen, die uit hare woningen moesten vluchten op het oogenblik, dat zij do

OEIEU.IKIO VRAGEN. [Hoofdst. XXIV.

grootste kalmte en rust noodig hadden, een tijd van zware beproeving zijn geweest. Hoe bedachtzaam en teeder was onze medelijdende Zaligmaker, daar JIjj aldus medegevoel betoont met do lijdende moeders in hare ure van nood en benauwdheid! „ \\ rluchtquot; . . „des wintersquot;, of „op een\'\' sabbatquot; zou met zeer bijzondero moeiolijkhodon gepaard zijn gegaan, en daarom werden de discipelen vermaand om te „hiddoiquot; dat dit op eon\' ander tijdstip mocht kunnen geschieden. De Ileere wist nauwkeurig wanneer zij zouden kunnen ontkomen, maar toch beval Iljj hun te bidden, dat hunne vlucht niet des winters of op den sabbat mocht wezen. Do wijzen onzer dagen zouden gezegd hebben, dat, onder zulke omstandigheden, het gebod noodeloos was; doch niet alzoo Mij, die de groote Leeraar en ons groote Voorbeeld is. Hij leerde, dat hot in zulke dagen bij uitnemendheid de tjjd is om gebed en bijzondere smocking op te zonden.

De roden voor dit bevel word door den Heiland aldus verklaard: „Want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van hel begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. Lees het verhaal, dat Josephus geeft van do verwoesting van .leruza-lem, en zie hoe volkomen des Hoeren woorden vervuld zijn geworden. Van don dood van Christus hebben de Joden goddelooslijk ge/.egd : „Zijn bloed kome over ons eu over ouzo kinderen.quot; Xooit heeft een volk zulk een\' ontzettonden vloek over zich ingeroepen, en over goeue andere natie is ooit zulk eon ontzettend oordeel gekomen. Wij lezen, dat er zóó vele Joden gekruisigd werden, dat er ton laatste geen hout meer was, om er kruisen van te maken. Wij lezen van duizenden des volks, die elkander doodden in hun\' woesten, ouderlingen partijstrijd in de


-ocr page 317-

1 loofdst. XXIV.] DE KONING BEANTWOORDT MOEIEM.IRE VRAGEN.

2.S7

stad. Wij lezen dat zoo velen hunner als slaven verkocht werden, dat zij als dingen van onwaarde op de markt stonden. Wij lezen van do ontzettende slachting, die aangericht werd, toon de Romeinen eindelijk de ongelukkige stad binnentrokken, en dit verhaal, waarbij iemand van ontzetting liet •bloed in do aderen stolt, komt nauwkeurig overeen met do profetie, die onze Heiland veertig jaren, vóórdat de schrikkelijke gebeurtenis plaats had, heeft uitgesproken.

22. En zoo die dagen niet verkort irerden, cjeen rleesch zou behouden icor-den; maar om der uitverkorenen wil zulten die dacjen verkort worden.

Dit waren woorden van den Koning, zoowel als van den Profeet, on als zoodanig waren zij beide geloofwaardig en gezaghebbend. Jezus sprak van hetgeen wezen zou; niet slechts als de Ziener, die in staat was in de toekomst te staren, maar als de Vrijmachtige Beschikker van alle gebeurtenissen. Hij wist, wat ontzettend zware beproeving de ongeloovige natie wachtte, en dat: „200 die dagen niet verkort werden, geen vleesch zou behouden worden.quot; Indien de afgrijselijkheden der belegering lang moesten duren, dan zou het gansche volk der Joden verdelgd worden. De Koning had de macht, om die booze dagen te verkorten, en Hij gaf de reden te kennen, waarom Hij van die macht gebruik zou maken, „ow der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.quot; Zij, die door hunne ■ eigene landslieden gehaat en vervolgd waren geworden, werden het middel om hen voor algeheelo vernietiging te bewaren. Zoo is het sedert die dagen dikwijls geweest. Om den wille zijner uitverkorenen heeft de Ifeeie vele oordcelen teruggehouden, en anderen verkort. Do ongodvruchtigen zijndegod-vruchtigen moor verschuldigd dan zjj weten, of willen erkennen,

23—26. Alsdan, zoo iemand tot ulieden zal zeggm-. Ziet, hier is de Christus, of daar, geloof! het niet-, want er zullen valsche Christ assen en valsche profeten opstaan, rn zullen groote teekenen en wonderheden doen, aïzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Ziet, ik heb het n voorzegd! Zoo zij dan tot a zullen zeggen: Ziet, hij is in de ivoestijn ; gaat niet uit: Ziet, hij is in de binnenkamer] gelooft het niet.

Ifet is groot en heerlijk om zulk oen geloof te hebben in Christus, dat men geen geloof over heeft voor bedriegers. Jlet is van hot grootste belang om uw geloof niet al te veel te verdoelen. Zij, die van alles een weinigje geloovon, zullen in het einde niets goloovon. Indien gij ten volle gelooft wat gewis on zeker is, dan zullen „valsche (\'hristussen en valsche prof denquot; u niet tot hun dupe kunnen maken. In één opzicht hebben de hedendaag-sche leeraren der ketterij moer succes dan hunne Joodsche prototypen, want inderdaad verleiden zij ook de uitverkorenen, al kunnen zij ook geene groote teekenen en wonderheden dooi. Een van de treurigste toekonen der tijden, waarin wij loven, is de gemakkelijkheid, waarmede „ook de uitverkorenenquot; bedrogen worden door de gladde tong der „valsche Christussen en valsche profetenquot;, die overvloedig in ons midden worden aangetroffen. Maai onze Zaligmaker beeft zijne volgelingen uitdrukkelijk togen hen gewaarschuwd. „Ziet ik heb het u voorzegdquot;. Vooraf waarschuwen is vooraf wapenen. Laat het zoo zijn voor ons. Onzos lleilands uitdrukkelijk gebod kan gevoegelijk toegepast worden


é

-ocr page 318-

DK ICON ING ÜKANTWOORD\'l\' MOK 1 KM,) KI\'! VKAOKN. 1 lloofdst. XXIV.

2S8

op liet gansche stolsel der „moderne gedachtequot;, die in tegenspraak is met het door den Heiligen Geest ingegoven Woord Gods. „Gelooft het nietquot;

27. Want gelijk de hlilmm uitgaat \\ ran het Oosten, en schijnt tot het Westen, alzoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen.

Als Hij komt, dan zullen wij weten, wie Hij is, en waarom Hij gekomen is. Dan zal er geone geheimenis, goene verborgenheid meer zijn omtrent „de komst van den Zoon dos menschen.quot; Dan zal het niet meer noodig zijn vragen te doen; niemand zal zich vergissen omtrent zijne verschijning, als zij werkelijk plaats heeft. „Elk oog zal Hem zien.quot; Christus zal plotseling wederkomen, en zal dan algemeen zichtbaar zijn, doch voor do goddeloozen zal zijn aanblik schrikkelijk wezen; „gelijk de bliksem uitgaat van hef Oosten, en schijnt tot het Westen.quot; Zijne eerste komst ton oordeel bij do verwoesting van Jeruzalem ging vergezeld van verschrikkingen, zooals zij vóór dien tijd nooit op aarde gezien waren. Zijne laatste komst zal nog schrikkelijkerzijn.

28. Want alwaar het doode lichaam \\ zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.

Het Judaïsme was oen „dood lichaamquot; geworden, dood en verdorven; de geschikte prooi voor do gieren en aasravon van Rome. Weldra zal een andere dag aanbreken, wanneer er eene doode wereld zal zijn, en „de arenden^ des goddelijken oordeels „vergaderd zullen worden\'quot; om diegenen te verscheuren, voor wie er dan geen verlosser zijn zal. Overal, waar doode lichamen worden gevonden, daar vergaderen de roofvogels, en als het staatkundig of godsdienstig lichaam tot ondragelijk bederf is overgegaan, dan zullen do oordeelen van Christus worden uitgestort.

29, 30. En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geren, en de sterren zuilen van den\' hemel vallen, en de krachten der hemeJen zullen bewogen worden. En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken ran den Zoon des menschen\', en dan zullen al de geslachten der aarde weenen, en zidtcn den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid.

Onze Hecro schijnt opzettelijk de profetie betreffende de verwoesting van Jeruzalem vermengd te hebben met die van zijne eigene wederkomst, zoodat uit zijne woorden niets gehaald kan worden, om ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen, terwjjl er alles in gevonden werd wat noodig was, om zijne discipelen wakend te doen blij ven en naar zijne komst te doen uitzien. Deze verzen moeten betrekking hebben op de komst des Konings op den laatston grooten dag. Gedeeltelijk kunnen zij wel vervuld zijn in „de rerdrukkin(f\\ waaraan de schuldige hoofdstad word overgegeven, en do woorden des Hei-lands kunnen zinnebeeldig genomen worden, om de wonderen „dei hemelenquot; en de weeën „der aardequot; aan te toonen; maar hier moeten wij Christua\' woorden beschouwen als de profetie van de laatste openbaring van „den Zoon des menschen, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. Er zal geene behoefte meer wezen aan „de zon, en da maan, en de sterrenquot;, als 11 ij, die schitterender is dan de zon, in al de heerlijkheid zjjns Vaders en zijner heilige engelen zal verschijnen.


-ocr page 319-

lloof\'dst. XXEV.j uu icoNiNa spiikkkt van dun tijd zijner wederkomst. 280

Do wederkomst van Christus zal de bron wezen van. onuitputtelijke vreugde voor zjjne vrienden, maar ongekende smart brengen over zijne vijanden: „dan zullen al de (jeslachten der aarde iceenenquot;. Als Jo/ms komt, dan zal Hij do natiën nog onverlost vinden, en dan zal afgrijzen en verschrikking hun eeuwig deel wezen.

31. En hij zal zijne engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.

Onzes Hoeren eerste zorge bij zijne wederkomst zal do veiligheid wezen van „zijne uitverkorenenquot;. Hij is heengegaan om huu plaats te bereiden; en als do plaats bereid, en do tijd hunner verheerlijking gekomen is, dan zal Hij „zijne engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier tuinden, van het eene uiterste der hemelen tot het eindere uiterste derzelve.quot;

Nuar Ooat en West, naiir Z.iid en Noord Spoón zieh Uoda heerlijke enjr\'len voort Op zilv\'reu wiek; hun teedre borst Draagt Sions volk tot Sions Vorst.

Wolk oen contrast tussclion hot bij-eenvergaderen der arenden om dedoode lichamen te verslinden, en de bjjeon-vergadering van Christus\' uitverkorenen bij het groot bazuingeluid zijner heilige engelen! Mocht ieder, die de/.e rogclou loost tot hot laatste gezelschap behoo-ren! Dozen zullen mot blijdschap on verlangen naar do verschijning dos Konings uitzien.


HOOFDSTUK XXIV. 32—41. [»e Kouin»- spreekt vau den tijd zijner wederkomst.]

32—■35. En leert van den vijgehoom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teeder wordt, en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij, dat de zouter nabij is. Alzoo nok gijlieden,, wanneer gij al deze dingen zult zien, zoo -weet, (lat het nabij is, voor de deur. Voorwaar ik zeg u, dit geslacht zed geenszins voorbijgaan, tolded al deze dingen zullen geschied zijn. De hemel en de ((arde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.

1 lier koert onze J looro blijkbaar terug tot het onderwerp van do verwoesting van Jeruzalem, en in deze woorden waarschuwt Hij zijne apostelen mot betrekking tot do teekenen der tijdon. Hij had kort to voren den on vruchtbaron vijgeboom als oen leerrijk voorbeeld gebruikt, en nu zegt Hij tot zijne discipelen: „Leert van den vijge-boomquot;, en van al do boomen (Lukas XX1 : 2!)) „deze gelijkenis.\'quot; Gods groot boek der natuur is vol van leerrijke voorbeelden voor hen, die oogen hebben om zo te zien; en de Heore Jezus,de groote Schepper, heelt dikwijls gebruik gemaakt van do licht verspreidende bladen van dit boek om zijn ouderwijs


19

-ocr page 320-

1)K KONING liKANTWOOKDT Mü KI KL IJ Iv K VKAGKN. [Iloofdst. XXIV.

godsdienstig lichaam tot ondragelijk bederf is overgegaan, dan zullen de oordeelen van Christus worden uit-\' gestort.

29, 30. En terstond na de verdruk-! king dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van dew hemel vallen, en de krachten der hemelen 1 zullen bewogen worden. En alsdan zal in den hemel verschijnen het teekfin van den Zoon des menschen\', en dan zullen \\ nl de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de nolken des hemels met { groote kracht en heerlijkheid.

Onze Heere schijnt opzettelijk de profetie betreffende de verwoesting van i Jeruzalem vermengd te hebben met die van zijne eigene wederkomst, zoodat uit zijne woorden niets gehaald kan worden, om ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen, terwijl er alles in | gevonden werd wat noodig was, om zijne discipelen wakend te doen blij ven en naar zijne komst te doen uitzien. Deze verzen moeten betrekking hebben op do komst dos Konings op den laatsten grooten dag. Gedeeltelijk kunnen zij wel vervuld zijn in ,/fc verdrukkingquot;, waaraan de schuldige hoofdstad werd overgegeven, en de woorden des Hei-lands kunnen zinnebeeldig genomen worden, om de wonderen „dei hemelenquot; en de weeën „der aardequot; aan te toonen; maar hier moeten wij Christus\' woorden beschouwen als de profetie van de laatste openbaring van „den Zoon des menschen, komende oji de rvolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid.quot; Er zal geene behoefte meer wezen aan „de zem, en de maan, en de sterrenquot;,a.\\» Hu, die schitterender is dan de zon, in al de heerlijkheid zijns Vaders en zijner heilige engelen zal verschijnen.

op liet gansche stelsel der „moderne gedachtequot;, die in tegenspraak is met het door den Heiligen Geest ingegeven Woord Gods. „Gelooft het nier

27. Want gelijk de hlilcsem uitcjaat van het Oosten, en schijnt tot het Westen, nlzoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen.

Als Hij komt, dan zullen wij weten, wie HÜ is, en waarom 11 ij gekomen is. Dan zal er geene geheimenis, geene verborgenheid meer zijn omtrent „de komst van den Zoon des menschen.quot; Dan zal het niet meer noodig zijn vragen te doen; niemand zal zich vergissen omtrent zijne verschijning, als zij werkelijk plaats heeft. „Elk oog zal Hem zien.quot; Christus zal plotseling wederkomen, en zal dan algemeen zichtbaar zijn, doch voor do goddeloozen zal zijn aanblik schrikkelijk wezen: „(jelijk de hliksem uitcjaat van het Oosten, en schijnt tot het Westen.quot; Zijne eerste komst ten oordeel bij do verwoesting van Jeruzalem ging vergezeld van verschrikkingen, zooals zij vóór dien tijd nooit op aarde gezien waren. Zijne laatste komst zal nog schrikkclijkerzijn.

28. Want alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zullen de. arenden vergaderd worden.

1 Iet Judaïsme was een „dood lichaamquot; geworden, dood en verdorven; de geschikte prooi voor de gieren en aasraven van Home. Weldra zal een andere dag aanbreken, wanneer er eene doode wereld zal zijn, en „de arendenquot; des goddehjken oordeels ^vergaderd zullen irordenquot; om diegenen te verscheuren, voor wie er dan geen verlosser zijn zal. Overal, waar doode lichamen worden gevonden, daar vergaderen de roofvogels, en als het staatkundig of

-ocr page 321-

1 louCdat. XXIV.] UK ICONINÖ SPKEEICT

AN DEN TIJD ZIJNEK WEDERKOMST. 28Ü

De wederkomst vim Christus zal do bron wezen van onuitputtelijke vreugde voor zijne vrienden, maar ongekende smart brengen over zijne vijanden: „dan zullen al de geslachten der aarde weenenquot;. Als Jezus komt, dan zal li ij de natiën nog onverlost vinden, en dan zal afgrijzen en verschrikking hun eeuwig doel wezen.

31. En hij zal zijne engelen uitzenden met eene bazuin van groot yeluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeen-vergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste der zelve.

Onzes Heeren eerste zorge bjj zijne wederkomst zal do veiligheid wezen van „zijne uitverkorenenquot;. Hij is heengegaan om hun plaats te bereiden; en als do plaats bereid, en de tijd hunner verheerlijking gekomen is, dan zal 1 lij „zijne engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.quot;

Nuar Oost on West, naai\' Zaid en Nooid Spoên zich Oods heerlijke eng\'Ien voort Op zilv\'reu wiek; htin teedro borst Draagt Sions volk tot Sions Vorst.

Wolk een contrast tusschen het bijeen vergaderen der arenden om do doode lichamen te verslinden, en de bjjoen-vergadering van Christus\' uitverkorenen bij het groot bazuingeluid zijner heilige engelen! Mocht ieder, die deze rogeion leest tot hot laatste gezelschap behoo-ren! Dozen zullen met blijdschap en verlangen naar do verschijning des Ivonings uitzien.


HOOFDSTUK XXIV. 32—41. [He Koning spreekt van den tijd zijner wederkomst.]

32—35. I\'lu leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teeder wordt, en de bladeren uitspruiten, zoo iveet gij, dat de zomer nabij is. Al zoo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zoo tveet, dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar ik zeg n, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.

Hier keert onzeliocro blijkbaar terug tot het onderworp van do verwoesting van Jeruzalem, on in deze woorden waarschuwt Hij zij no apostelen met betrekking tot de teekonon der tijden. Hij had kort te voren den onvrucht-baren vijgeboom als een leerrijk voorbeeld gebruikt, en nu zegt Hij tot zijne discipelen: „Leert van den vijgeboomquot;, en van al do booinon (Lukas XX I : 2!)) „deze gelijkenis.\'\'\'\' Gods groot boek der natuur is vol van leerrijke voorbeelden voor hen, die oogen hebben om zo te zien; en de Heero Jezus,do groote Schopper, hooit dikwijls gebruik gemaakt van do licht verspreidende bladen van dit book om zijn onderwijs


1!)

-ocr page 322-

200 BE KONING SPREEKT VAN DEN TIJD ZIJNER WEDERKOMST. [Moofdst. XXTV.

tot don goest zijner hoorders to doen doordringen.

]]ij deze gelegenheid gebruikte Hjj een eenvoudig beeld uit de goljjkeim van den vijgeboom : „ Wanneer zijn tak nu tceder wordt, cn de hinderen uitspruiten, zoo weet (jij, dat de zomer nabij is.quot; Zoo eenvoudig een teeken van don nabijzjjndon terugkeer dos zomers konden zij niet voorbijzien, en Jezus wilde, dat zij oven gemakkelijk de teekenen zouden lezen, die do herauten waren van het komend oordeel over Jeruzalem. „Alzoo ook gijlieden, wanneer gij cd deze. dingen zult zien. zoo ireet, dat het nabij in, voor de deur.\'\'\' In do Herziene Vertaling van het Nieuwe Testament 1), staat: „AVoet, dat hij nabij is,quot;\' Ilij, namelijk, do Zoon dos menschon, de Koning. Toen Hij in genade cn goedertierenheid is gekomen, heeft zijn eigen volk Hem verworpen, en zoo zal zijne wederkomst een tijd van schrikkelijk oordeel cn vergelding wezen voor zijne schuldige hoofdstad. O dat Joden cn Heidenen, dat Israël cn de volken, heden wijs genoeg waren om do leering ter harte te nemen, die in deze schrikkelijke ramp ligt opgesloten, dat zij hot aangezicht mochten zoeken van Hem, wiens toorn zij niet kunnen dragen!

Do Koning hooft zijne volgelingen niet in liet onzekere gelaten omtrent den tijd, wanneer deze dingen zullen geschieden: „Voorwaar ik zeg u : dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat cd deze dingen zullen geschied zijn.quot; Het was juist aan het einde van eon\' gewonen menschenleefcijd daarna, dat de Romeinsche legers Jeruzalem hebben ingesloten, want do mate harer ongerechtigheid was toen vol, en vloeide over in eenc rampzaligheid, ellende cn

1) Do Engelsclie, evenals ook in do Kuntteekening op den Statcn-Bijluil.

bloedvergieten, zooals de wereld nooit to voren, noch ooit daarna heeft aanschouwd. Jezus was een waar profeet; alles wat Hij heeft voorspeld, is letterlijk uitgekomen. 11 ij bevestigde, wat Hij al reeds had gesproken en wat Hij nog verder zoggen zou door do plechtige verklaring: „De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.quot; „Hot woord des Hoeren blijft in der eeuwigheid,quot; en ofschoon de Hcere in gedaante verschenen is als oen mensch, cn kort daarna als een misdadiger werd gekruisigd, zullen zijne woorden toch blijven bestaan, ook als hemel on aarde de bestemming hebben volbracht, waarvoor Hij ze hooit geschapen, en voorbijgaan.

Christus\' belofte van vergiffenis zal even gewis worden vervuld als zijne profetic betreffende hunne stn f; geen zijner woorden zal „voorbijgaan.quot;

36. Doch van dien dag en die ure iceet niemand, nok niet de engelen der hemelen, dan mijn Vader alleen.

Hier is eene blijkbare verandering in onzos Hoeren woorden, die duidelijk aantoont, dat zij betrekking bobben op zijne laatste majestueuze komst ton oordeel. „ Doch ran dien dag en die ure weet niemand.quot; Sommige zoogenaamde profeten hebben dit vers zoo verwrongen, dat er de blijkbare boteokonis van te loor ging. „Ofschoon wij den dag en de ure van Christus\' wederkomst niet weten,quot; zoggen zij, „zoo kunnen wij tocli wol hot jaar, do maand, en zelfs do week weten.quot; Indien deze methode van met des Heeren woorden te handelen ai niet Godslasterlijk is, dwaas is zij wol, en zij verraadt ontrouw aan don Koning. Hij voegt er bij, dat niet slechts geen mensch van dien dag cn ure weet, maar dat hot ook


-ocr page 323-

Iloofdst XXIV.] DU KONINft SPRUKIvl\' VAM OEN TUI) ZIJNER WEDERKOMST. 291

verborgen is voor de engelen: „Ook 11 iet de cncielnu der hemelen, dan mijn Vader allee)!.1\' AVij behoeven dus niet verontrust of gekweld te worden dooide ijdele profetieën van onzinnige dwepers, zelfs niet als zij voorwenden do Schriften te verklaren; want hetgeen de engelen niet weten is hun niet geopenbaard. Zelfs Christus heeft zich in zijne menscheljjko natuur zóó willen beperken, dat Hij den tijd zijner wederkomst niet heeft geweten (Markus Xlll ; ;i2.) Voor ons is hot genoeg te weten, dat Iljj gewissoljjk komen zal. Onze grooto zorge behoort dus tc wezen om bereid te zjjn voor zijne verschijning, wanneer die ook moge plaats hebben.

37—39. Kn gelijk de dagen van Noë waren, ahoo zal nok zijn de toekomst ran den Zonn den mensehen : want gelijk zij waren in de dagen vóór den zomlrloed, etende en drinkende, t rouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noë in dearke ging, en hekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam: (dzoo zal ook zijn de toekomst rati den Zoon des mensciien.

Ofschoon de Koning het tjjdstip niet heeft geopenbaard van „de toekomst van den Zoon des mensehenquot; heeft 1 Ijj toch duidelijk gezegd, dat de geschiedenis zich zou herhalen, en dat „die dagquot; zou wezen „gelijle dt\' dagen, ran Noë iraren.quot; Als Hij komt, dan zal Hij velen onbereid vinden, evenals zij die vóór den zondvloed waren, toen „de zondvloed kwam en hen allen treg-nam.quot; In beide gevallen zullen de zondaren ruimschoots gewaarschuwd zijn. Noach was „een prediker der gerechtigheidquot; voor de menschen uit zjjn\' tijd. „Mn dit evangelie des koninknjks zal in do geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkerenquot; (vers 14). Evenals de zondvloed zal Christus\' komst plotseling, onverwacht wezen, algemeen in hare uitwerking, en schrikkelijk voor de godde-loozen, ofschoon dezen volslagen onverschillig en onbekommerd zjjn zullen : „etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende tot den dag toe.quot; Hetgeen onder andere omstandigheden recht en geoorloofd is, wordt een positief kwaad, als het de plaats inneemt van hot zich bereiden voor do komst van don Zoon des menschen. Wee hun! wier eten en drinken het brood en hot water dos levens niet insluit, en die trouwen en ten huwelijk uitgeven, maar niet aan den hemelschen Bruidegom! Deze Dies Tra; zal voor de zondaren een dag der verschrikking wezen.

O din da;?, dio dug van loon !

O die dag, die dag dor wraken !

Als do Kiolitoi\' op den troon

Van den vollen toorn zal Maken !

quot;t Rijk d \'i\' zonde moot vergaan ! \'t Lam van God is opgestaan !

40, 41. Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. Kr zullen tare vrouwen nwden in den mo-\'en, de eene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.

Do afscheiding tusschen degodvruch-tigon en de ongodvruchtigen zal bij de wederkomst van Christus zeer streng en nauwkeurig plaats hebben. Op „dien dagquot; zullen zij, die metgezellen waren in don arbeid, voor eeuwig van elkander gescheiden zjjn: „Alsdan zullen er twee op den akker zijnquot;, ploegende, zaaiende, maaiende, of uitrustende van den arbeid; „de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.quot; De geloovige arbeider zal door de engelen


-ocr page 324-

DE KONING HBVEKtiT ZIJ NU DIUNST

202

genomen en heengevoerd worden om zich bij de schare dor verlosten te gaan voegen, terwijl zijn ongeloovige medegenoot in den arbeid overgelaten zal worden aan het oordeel, dat snellijk over hem komen zal. „Kr zullen twee wouwen malen in den molen;quot; het zijn wellicht beiden dienstmaagden in eens rijken mans huis;

maar hoe nauw zij ook aan elkander verbonden waren, indien de eene door genade verlost is, en de andere zich nog onder het vonnis der veroordeeling bevindt, dan zal „de eene aangenomen en de andere verlaten worden.\'quot; Deze afscheiding zal eeuwig wezen, er is nergens ook maar eene toespeling op eene toekomstige hereeniging.


HOOFDSTUK XXIV. 42—51. [De Koning\' beveelt zijne dienst knechten te waken.]

42. Waakt dan, want (jij weetniet, in welke ure uw Heere komen zal.

Dat is de practisehe slotsom van de geheele zaak. Dat onze Heere zal komen, is zeker; dat zijne komst elk oogenblik tegemoet kan worden gezien, is eene zaak des geloofs, en dat het tijdstip zijner wederkomst ons onbekend is, is eenvoudig een feit: „Gij weet niet, in welke ure uw Heere komtquot; 1). Christus\' woorden staan in den tegon-woordigen tijd. Iljj zegt niet: „Gij weet niet in welke ure uw Heere komen zalquot;, maar „in welke ure uw Heere komtquot;, als om ons immer naar zijne komst te laten uitzien; en opdat wij wol acht zouden geven op zijne woorden, drukt Hij zijn gebod uit in de eenvoudigste bewoordingen: „Waakt danquot;. De titel, dien Hij gebruikt zet nog kracht bij aan het gebod, dat Hij zijnen discipelen geeft om te waken, want het is onze Heere, die haastelijk komen zal.

43, 44. Maar weet dit, dat, zoo de

1) Naar de Engelscho overzetting.

heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven ; daarom zijl ook gij bereid, want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen.

Indien do heer dos huizes een betrouwbaar bericht ontvangt, dat er een dief komt, doch zonder dat het uur er bij vermeld wordt, dan zal hij den geheelen nacht waken en wachten op zijne verschijning; maar zoo „den heer des huizesquot; gezegd werd „in welke nachtwake de dief komen zouquot;, dan zou hij op dien tijd zeer bijzonder waakzaam zijn. Elk geluid maakt zijne opmerkzaamheid gaande. Hij denkt iemand aan do achterdeur te hooren! Neen, de dief tracht door het venster aan do voorzijde binnen te komen. Waar hij echter komt, overal zal hij gewaar worden, dat het oor des meesters luistert, dat het oog des meesters waakt en uitziet, dat de hand des meesters gereed is hein te vatten, want hij is in tijds gewaarschuwd, dat de dief komen zal. Aldus handelen de menschen wijselijk tegenover inbrekers, hoe


-ocr page 325-

]loofdst. XXI V. I BE KONIiNO 1513VKELT ZIJNE DIENSTKNECHTEN TE WAKEN.

203

jammer is liet, dat zij niet even verstandig zijn in liet uitzien naar de komst huns Ileeren! Wij weten niet, wij kunnen zelfs niet gissen, in welke nachtwake van des aardrjjks langen nacht Hu komen zal: „/?« trdke ure (jij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen.quot; Wederom is hier de tegenwoordige tijd gebruikt 1). „De Zoon dos menschen komt,quot; Hij is komende; zijne eigene woorden luiden: „Ziet, ik hen haastelijk komende.quot;

Christus\' wederkomst in de wereld zal wezen als de komst van een\'dief, wanneer zij noch verwacht, noch vermoed wordt, en er dus ook geene behoorlijke toebereidselen zjjn gemaakt om Hem te ontvangen; maar zijne getrouwe volgelingen zullen zich door „dien dagquot; niet laten overvallen, als door „een\' diefquot; (1 Thessalonicensen V : 4). Zij belmoren immer uit te zien naar zijne verschijning. OnzesHeeren bevel aan zijne discipelen behoort ons zelfs nog zwaarder te wegen, daar wij zoo veel dichter zijn bij het tijdstip zijner wederkomst, dan zij, tot wie zjjne waarschuwende woorden gericht waren: „Daarom zijt ook (jij bereid.quot; Wij behoorden even waakzaam te zijn, alsof wij wisten, dat Christus heden nacht komen zal, omdat, ofschoon wij niet weten, wanneer Hij zal komen, wij toch wèl weten, dat Ihj komt, ja dat Hij ieder oogenblik komen kan. O dat wij gereed waren voor zijne verschijning, wakende en op Hem wachtende, als dienstknechten, wier Heer geruimen tijd van hen wegwas, maar die te ieder stond tot hen kan terugkeeren! Dat zal ons onze dage-Ijjksclie roeping en plichten niet doen verwaarloozen, integendeel, wij zullen allen des te ijveriger onze dageljjksche plichten betrachten, naarmate ons hart

] J In do lingolacho overzetting.

meer gerust is omtrent onze hemelscho schatten.

45, 46. Wie is dan de getrouwe en voorzichtiye dienstknecht, denwelken zijn heer over zijne dienstboden gesteld heeft, om hunlieden hun voedsel te geven ter rechter tijd? Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zul vinden alzoo doende.

Do apostelen waren „uitdeelers der verborgenheden Godsquot; (1 Cor. IV: 1), en „goede uitdeelers der menigerlei genade Godsquot; (1 Petrus IV : 10). Eene goede hoedanigheid van een\' rentmeester, of uitdeeler, was, dat hij „getrouwquot; wordt bevonden, beide aan „zijn\' heerquot; en aan allo „dienstbodenquot; over wie hij „gesteldquot; was. Hij moest ook „voorzichtigquot; of wijs zijn in zijne handelingen tegenover zijne mede-dienstknechten; want, niettegenstaande de eer, die hem was aangedaan, was hij toch een „dienstknechtquot;, die aan zijn\' heer rekenschap zal hebben te geven van zjjn rentmeesterschap. Deze woorden duiden den dienst aan van een\' leeraar, die van ganscher harte de waarheid predikt, en er naar streeft om aan allen, over wie de Heilige Geest hem tot een\' opziener gesteld hooft „hun voedsel te geven ter rechter tijdquot;. Of zij stellen een\' onderwijzer voor, die den geest, hot verstand, der jeugd tracht to voeden met do gezonde leer. Of wel zij schilderen lederen dienstknecht van Christus, welke zijne roeping ook zij, die hot werk doet, dat zijn Meester hom op de handen heeft gezet, zooals hij het zou wenschen te doen, indien hij wist, dat zijn Heere op dien eigen oogenblik zou komen om hot in oogenschouw te nemen. „Zalig is die dienstknecht, trclken zijn heer, komende, zal vinden alzoo doende.quot; Zulk een dienstknecht van


-ocr page 326-

KNECHTEN TE WAKEN. [Hoofdst. XXIV.

294 nE KONING BEVEELT ZIJNE DIENST

Christus is zalig; hij is ccn gelukkig man, als hij door zjju\'lleoro gevonden wordt „alzoo doendequot;. Moge onze Meester ons op die wijze aan den arbeid vinden, als Hij komt!

47. Voorwaar, ik zeg u, dat hij hem sal setten over al zijne goederen.

Zijn heer had hem te voren „over zijne dienstboden gestoldquot;, als huisbezorger, die het opzicht had over alle do dienaren des huizes. Zijn trouw en verstandig gedrag in dat ambt won hem eeno bevordering tot hooger post, zoodal; zijn heer besloot hem „over al zijne goederen te zetten.quot; Eveuzoo is het onder de dienstknechten van Koning Jezus. Er is belooning voor getrouw dienen, geene belooning, die verschuldigd is, maar die uit genade wordt geschonken; niet overeenkomstig de regelen dor Wet, maar overeenkomstig dc tucht van het huis Gods, en van de hoogere regeling dor liefde, liet is opmerkelijk dat getrouwheid in één vorm van dienen met meerder dienen wordt beloond en met meerdere verantwoordelijkheid. De dienstknecht, die met zijn pond tien ponden gewonnen heeft, heeft macht ontvangen over tien steden (Lukas XIX: 17J.

48—51. Maar zoo die kirade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen! en zon beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards, zoo zal de heer dezes dienstkneehls komen ten dage, in welken hij hem niet ver-■)vacht, en ter ure, die hij niet weet, en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden: daar zal weening zijn en knersing der tanden.

Deze man was een „dienstknechtquot;, zoodat wij hier eeno waarschuwing hebben, niet gericht tot de uitwendige wereld, maar tot hen, die in de Kerk van Christus zijn, en voorgeven dienstknechten Gods te wezen. Inzonderheid geldt deze waarschuwing ook die dienaren des Woords, die tot opzieners in Gods huis zijn gesteld. Deze man was wol een dienstknecht maar hij was een „kwade dienstknechtquot;; een geveinsde, iemand die zich had ingedrongen in oen ambt, dat hij het recht niet had te bekleedon. Zijne gedachten en woorden waren boos: „Zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zon zeggen: Mijn heer vertoeft te komen.quot; Zijn gedrag jegens hen, die onder hem gesteld waren, was boos: „En zon beginnen zijne ■mededienstknechten te slaanquot;. Zijn eigen leven was boos: „en te eten en te drinken met dc dronkaards. Zijne booze handelingen zouden plotseling tot een einde gebracht worden door do verschijning zijns meesters : „Zoo zal de heer dezes dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet.quot; Onmiddelijk zal hem eone schrikkelijke straf opgelegd worden: „en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsdenquot;. Hij behoorde tot hen. Iljj gaf voor een dienstknecht Gods te wezen, terwijl hij een slaaf was van Satan, hot eigen-ik dienende on do zonde; zoo laat hij dan lieengaan en zich bij hun gezelschap voegen. Hij was reeds te voren werkelijk afgescheiden, in tweeën gedeeld: uitwendig een volgeling van Christus, heeft hij inwendig zjjne eigene lusten en begeerlijkheden gediend. Hom af te scheiden-in tweeën to houwen, gelijk hot oor-spronkelijke luidt — zal slechts oone rechtvaardige bestendiging wezen van zijn eigen dubbelhartig karakter. Zal dat het einde voor hem wezen? Neon; „daar zal weening zijn en knersing der tanddi.quot; Wolk een „deelquot; voor iemand,


-ocr page 327-

Iloofdst. XXV.] DE KONING EN ZIJN IIÜWELIJKSOPTOCHT.

295

die tot Gods dienstknechten werd gerekend! Laat ons dit lezende, met diepen ootmoed de plechtige vermaning des apostels gedenken: „Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.quot;


II O O F D STUK XX V. 1—13.

[De Koiiiii£ en zijn huwelijksoptocht.]

Onze Heerc was nog altjjd met zjjne discipelen gezeten op den Olijfberg (zie hoofdstuk XXIV : 3). Do leerrijke gelijkenis, welke nu volgt, werd uitgesproken ten vervolge op do rede, die wij hebben bepeinsd. Zij is blijkbaar bestemd, om, onder een zeer gemeenzaam beeld, de noodzakelijkheid aan te toonen van toebereiding voor dos Konings heerlijke verschijning, als Hij komt om zijne bruid op te eischen. Voor diegenen onder ons, die bij Christus\' wederkomst niet meer zullen leven, zal de middernachtskreet: „Gaat uit hem te gernoetquot; in do ure huns doods worden vernomen.

1, 2. Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tkn maagden, welke hare lampen namen en gingen nit, den bruidegom te gemoet] en lijf van haar waren wijzen, en vijf warendwazen.

Volgens Oostersche gewoonte wordt de bruidegom voorgesteld als heengegaan naar het huis van den vader zijner bruid, om haar van daar naar hare toekomstige woning te geleiden. Deze gelijkenis vangt aan bij het punt, waar sommigen van hen, die er aanspraak op maken zijne vrienden te zijn, wachtten, om zich bjj don optocht te voegen, on met hem tot den bniilofts-maaltijd te gaan. Evonzoo wacht ook de uitwendige kerk van Christus op de komst des Hoeren. Er scheen uitwendig niet veel verschil te zijn tus-schen de „tien maagden, welke hare lampen namen en uitgingen, den bruidegom te gemoet.quot; Zjj waren allen maagden, zij namen allen lampen, en zij gingen allen uit don bruidegom te gemoet. Allen maakten zij er aanspraak op genegenheid voor hem te hebben, welke haar er toe bracht, om zich to scheiden van hare overige vrienden en bekenden, ton einde hem op zijn\' bruiloftsavond te gemoet to gaan. Doch er was één alles beheer-schond verschil tusschen haar: „Vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazenquot;. Laat ons hopen, dat wij uit onzes Ileeren woorden niet behoeven af te leiden, dat de eene helft der belijdende kork bestaat uit hen, die Ilij „dwazenquot; noemt. Maar onze Heere zou zulk eene groote evenredigheid niet genoemd hebben, indien er niet werkelijk eene groote vermenging van dwaze belijders onder de wijze bezitters van Gods genade gevonden werd.

3. Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geen olie met zich.

Zij kunnen gedacht hebben, dat, indien zij slechts lampen hadden, die gelijk waren aan de lampen der anderen, dit voldoende zou zijn. Wellicht oor-


-ocr page 328-

29G DE KONING EN ZIJN IIUWELIJKSOPTOCI1T. [Hoofdst. XXV.

doelden zij, dat de verborgen voorraad olie, ongezien zjjnde, ook onnoodig was. Zij waren bereid eeno lamp in do oeno hand te houden; maar om nu in do andere hand ook nog oono oliekruik tc dragen, dat was te veel van haar gevergd. Het is do afwezigheid van do olie der genade, dat liet noodlottig gebrek is aan do lamp van monigen belijder. Velen hebben den naam, dat zij leven, maar hebben het loven Gods niet in hunne ziel. Zij geven voor Christus lief te hebben, maar hun ontbreekt do inwendige toevoer van den Geest der genade, om die liefde lovend te houden. Er is oene flikkering, een schijnsel, maar er is ijeen gestadig licht, en het kan er ook niet wezen, want, ofschoon zij „lampenquot; bobben, hehhen zij toch cjeene olie met tich.quot;

4. Maar de wijzen namen olie in hare vaten, met hare lampen.

Zij hadden olie in hare lampen, en olie met hare lampen. Lampen zijn niet nut, als er geene olio in is;maar toch heeft de olie de lamp noodig, of zij kan niet gebruikt worden, ])e genade moet hare tegenwoordigheid openbaren, het geloof in Christus moet beleden worden; maar het is moer dan nutteloos om liefde voor Cliiistus te belijden, zoo er geene verborgene voorraad van genade is, waardoor het uiterlijk deel van den godsdienst zelfs voor hot hart-doordringend oog des Konings zeiven gehandhaafd kan worden. Tenzij de Geest Gods inderdaad en in der waarheid in ons is, kunnen wij ons voor eeno wijle wol fraai voordoen in het vleesch, maar het einde zal eeuwige duisternis wezen.

5. Als nu de hruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

Het is, helaas! maar al te waar, dat in do geschiedenis van Christus\' Kerk, ware heiligen en bloot uitwendige belijders, dikwijls naast elkander „sluimerici werden en in slaap vielen.quot; Zij, die do olie dor genade bezitten, zijn niet altijd wakker om hun\' Meester tc dienen, cn naar zijne verschijning uit tc zien. Dat Christus vertoeft te komen veroorzaakt zelfs aan de ware geloovigen teleurstelling, vermoeidheid, slaperigheid, zoodat zijne Kerk op het eigen oogenblik dat zij behoorde uit te zien naar haren Ileero, in diepen slaap gedompeld is. En wat nu do „dwazenquot; betreft; hetzij zij zich zolven bedriegen, of wel geveinsden zijn—■ daar er geen waar leven Gods in hunne ziel. is, zal hunne schijnbare waakzaamheid na oono wijle verdwijnen, en Satan bon in een\' noodlottigen slaap hebben gewiegd.

(5. Kn ter middernacht gesch iedde een geroep: Ziet, de hruidegom komt, gaat uit hem te gemoet.

Die middernachtskreet: „Ziet, de hruidegom kondquot;, deed allen ontwaken. Hot zou goed wezen, als wjj allen meer dachten aan do grooto waarheid van on zes Hoeren wederkomst, Hoe vaker men or — in juiste evenredigheid met andere geopenbaarde leerstellingen — over predikt, hoe meer waarschjjnljjk het is, dat beide do sluimerende bezitters en do slapende belijders van liefde tot Christus zullen opgewekt worden. Naarmate de middernacht van deze tegenwoordige booze eeuw nadert, is het immer meer noodig, dat allen aangespoord worden oir te luisteren naar do roepstem: „Gaat uit hem te gemoet.quot;

7. Toen stonden al die maagden oji, en bereidden hare lampen.


-ocr page 329-

Iloofdst. XXV.I 1)K KONING EN ZIJN UUWEUJKSOPTOCHT.

297

Het plotselinge van dat geroep hooft zo allen doen opschrikken en er toe gebracht, om haro lampen na te zien cn in ordo te brengen. Zij kondon den bruidegom niet te gemoet gaan zonder oen licht bij zich te hebben. Dat was een onmisbaar bestanddeel in in haro voorbereiding om zich bij dos Konings huwolijksoptoclit te voegen. ])io maagden, welke „olie in hare vaten mot hare lampen hadden,quot; hadden wol-dra hare lampen in orde, en waren gereed om te vertrekken; maar zij, die, wol „lampenquot; maar „geeno oliequot;, hadden, waren niet lnj machte om ze behoorlijk in orde te brengen. Kot is zeer te betreuren, dat sommigen hunne lampen nog pas in orde moeten brongen als zij komen te sterven, of als het toeken van den Zoon des menschcn aan den hemel verschijnt, maar indien dit daarenboven beproefd wordt zonder den Geest of do genade Oods, dan zal dit volkomen en voor altijd mislukken.

8. I\'hi de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uwe o//e, want onze lampen gaan uit.

Thans beginnen zij te waardeoren, wat zij vroeger iiobbon geminacht. Zij waren zoo dwaas geweest van te donken, dat olio onnoodig was, thans zagen zij in, dat hot hot éóne noodigo is. Vandaar haar verzoek aan hare wijzer gezellinnen; „(leeft ons van uwe olie.quot; Zij gaven eeno ontzettende roden voor haar verzoek: „tvant onze lampen gaan uit.quot; Do droge pit Hikkerde voor eeno wijle, on stierf toen weg in duisternis.

Ontzettende woorden: „Onzelampen gaan uit.quot; liet is erger om eene lamp te hebben, die uitgaat, dan om nooit eone lamp te hebben bezeten. „Onze lampen gaan uit.quot; De dwaze maagden schonen to zeggen: „Wjj dachten, dat alles bereid cn in orde was voor den nacht. Wij hebben zelfs geroomd in onze lampen. Wij hebben ons eene schoono toekomst voorgespiegeld. Wij dachten, dat alles wèl was ten opzichte van ons deel aan het bruiloftsmaal; maar onze lampen zijn uitgegaan, en wij hebben geeno olie om ze te vullen. Mocht niemand van hen, die deze bladzijden lezen, ooit genoopt zijn om deze klago aan te heffen!

Zij, die hunne bekeering uitstellen tot aan do ure huns doods, zijn aan deze dwaze maagden gelijk. Hunne dwaasheid is ten hoogsten toppunt gestegen. Als liet koude doodzweet op het voorhoofd parelt, dan zal de voron-achtzaamde olie der genade op prijs worden gesteld. Dan zal de kreet der wanhoop worden ventomen: „Zend om den leeraar, opdat hij voor mij bidde; roep Christelijke vrienden tot mij, wellicht kunnen zij iets voor mij doen.

9. Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tol de verkoopers, en koopt voor u zelren.

Geen geloovigo heeft meer genade dan hij behoeft: „de wijzequot; maagden hadden geeno olie om weg te geven. Zij gaven haar den besten raad, dien zij onder deze omstandigheden geven konden, ofschoon hij nutteloos zou blijken: „Gaat liever tot de verlcoopers en koopt voor a zeiven.quot; Er is eene bestemde plaats, waar do olie op den geschikten tijd gekocht kan worden. Er wordt ons gezegd: „Koopt de waarheidquot;. Op Gods markt wordt de genade op evan-geliovoorwaarden verkocht, „zonder geld, en zonder prijsquot;; maar als het geroep ter middernacht wordt gehoord, dan is de dag der genade voorbij, en dan is koopen en verkoopen voor altijd afgedaan,


-ocr page 330-

DE KONING EN ZIJN UUWELIJKSOPTOCHT. |IIoofclst. XXV.

298

10. Als zij nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom-, en die gereed waren, gingen met hem in tot dc hruiloft, en de deur werd gesloten.

Het is niet te betwijfelen, dat er menschon op hun sterfbed bekeerd werden; maar het is te vreezon, dat de menschen, die zóó laat hun\' waren toestand beginnen in te zien in do moeste gevallen zullen bevinden, dat terwijl zij heengaan om de zoo lang geminachte genade te koopen, „de bruidegomquot; gekomen is. liet arme hoofd kan zóó verward zijn door hevige pijn, dat do geest niet in staat is om liet idoo te vatten van hetgeen geloof in Christus is. De geestelijke vermogens kunnen ons in die ontzettende ure geheel en volstrekt begeven. Dit gevaar is zóó groot, dat niemand dan de ongelukkige dwazen de toebereiding voor de komst des Konings zal willen uitstellen.

„Die gereed waren gingen met hem in tot de bruiloft.\'\' Haro gereedheid bestond hierin, dat zij brandende lampen of vlammende toortsen hadden. Ons gereed zijn voor don dood, of voor de komst van Christus is het bezit van genade in het hart. „En de deur werd gesloten.quot; Is die deur eenmaal gesloten, dan zal zij nooit meer worden geopend. Er zijn sommigen, die r.og droomen van een openen dezer deur na den dood voor hen, die onboetvaardig zijn gestorven; maar er is niets in do Schrift, dat deze verwachting rechtvaardigt. Elke andere hoop, dan die in het Woord Gods is geopenbaard, is eone zinsbegoocheling en een strik.

11, 12. Daarna kwamen ook de andere waagden, zeggende: Heere, heere, doe ons open! En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik n, ik ken u niet.

„De andere maagdenquot; waren niet „gereedquot;, toen de bruidegom kwam, en er staat geen woord in de gelijkenis, waaruit wij kunnen opmaken, dat zij het wol waren, toen zij voor zijne geslotene deur riepen om ingelaten te worden, „Heere, heere, doe ons open!quot; „Wij zijn uitgegaan u te gemoet, wij hebben lampen medegenomen, wij bevonden ons bij de andere maagden; Heere, heere, doe ons open!quot; Zijn antwoord was als het luiden der doodsklok voor elke ijdele hoop op toelating, dio zij nog gekoesterd hebben. „ Voorwaar zeg ik u, ik ken u niet.quot; „Zoo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend,quot; (1 Corinthe VUT : 3.) De Goede Herder zegt; „Ik ken de mijnen en worde van do mijnen gekend.quot; (Johannes X: 14.) Hon, die Jezus Christus in dien zin kent, hooft Hij lief; en zij hebben Hem lief, omdat Hij hen eerst heeft liefgehad. De dwaze maagden hadden beweerd tot des bruidegoms vrienden te behooren, maar het bleek, dat zij niet eens bekenden van hem waren. Mocht niemand onzer ooit van do gezegende lippen des hemolschon Bruidegoms dat ontzettend doodvonnis vernemen: „Ik ken u niet!quot;

13. Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet, noch de ure, in welke dc Zoon des menschen komen zal.

AVederom legt onze Heere zijnen volgelingen den plicht dor waakzaamheid op, evenals in Hoofdst. XXIV: 42; en in een\' eenigszins gewijzigden vorm herhaalt HÜ ook do reden, die Hij te voren genoemd had: „ Want gij weet den dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des menschen komen zal.quot; Het is ijdol te zeggen, dat wij, zoo niet den dag en de ure, dan toch wel hot jaar kunnen ontdekken van Christus\' wederkomst. De tijd van het einde is


-ocr page 331-

DE GELIJKENIS DEK TALENTEN.

Iloofdst. XXV.]

290

verborgen, en zal niet gekend worden, ijverig naar streven om er zeker van

voordat Hij plotseling zal verschijnen te zijn, dat wij, wanneer Hij ook

„op do wolken dos hemels met groote komen zal, gereed en bereid zullen

kracht en heerlijkheid.quot; Laat ons er wezen om Hem te ontmoeten.

II O O F U S ï U K [De gelijkenis

14, 15. Want het is gelijk een mensch, die huiten \'s lands reizende, zijne dienstknechten riep, en lt;jaf hun zijne goederen over; en den eenen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.

Onze Heiland had van van zichzolven gesproken als van den hemelschen Bruidegom; thans vergelijkt Hij zich bij „een mensch, die buiten\'\'s lands reisde.quot; In hot woord „reizendequot; ligt opgesloten, dat onze Ileere slechts tijdelijk afwezig zou zijn, en dat Hij, als het dool, waarmede ITij, „buiten \'s handsquot; ging, bereikt zou zijn, zal te-rugkeeren. Toen Hjj van de aarde terugging naar den hemel, was dat eeno langdurige rcize; maar Hij heeft zijne dienstknechten gedurende zijne afwezigheid niet zonder don hun noo-digen voorraad gelaten. Hij „riep zijne dienstknechtenquot;, zijne huisdienaren, „en gaf hun zijne goederen over.quot; Het waren zijne eigene dienstknechten, en zjjne eigene goederen. Zijne dienstknechten of slaven kondon noch hun\' persoon, noch hunne bezittingen als hun eigendom beschouwen of laten gelden; zij zolven met alles, wat zij hadden, behoorden hun\' hoer toe, en moesten in zijn\' dienst en ten zijnen nutte worden gebruikt.

Hij heeft allen niet dezclde hoevoel-

XXV. 14—30.

der talenten.]

heid van zijn goed toevertrouwd: „Den eenen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen.quot; Aan Hem was het oordeel over de bekwaamheid, het vermogen, van ieder zijner dienstknechten, en in de toebedeeling dei-talenten vergiste Hij zich niet. Indien wij des Hoeren dienstknechten zijn, dan kunnen wij er ons van verzekerd houden, dat Hij ons zoo vele talenten heeft geschonken als wij op de rechte wijze kunnen gebruiken, en juist zoo veel, als waarvan wij bij zijne terugkomst rekenschap zullen kunnen aheg-gon. Voor ons is het nu van het allergrootste belang, dat wij hetgeen ons toevertrouwd werd, getrouw gebruiken.

„Fm verreisde terstond.quot; Onze Ileere wist alles wat er zou gebeuren, vóór dat Hij de aarde ging verlaten, — zijn lijden, zijne kruisiging en opstanding — maar kalm en rustig sprak Hij er van, zoo als iemand zou spreken van zijne toebereidselen om buiten \'s lands te gaan. Hij is gegaan, en zijne dienstknechten zijn achtergebleven, om gedurende zijne afwezigheid van zijne hemel vaartsgaven het best mogelijk gebruik te maken.

Deze gelijkenis, evenals die van de tieu maagden, handelt over wezenlijke Christenen en naam-Christenen, over


-ocr page 332-

]JE 01,1.1.1 KENIS DER TALENTEN.

300

[Hoofdst. XXV.

hen, die zijne dienstknechten zijn en hen, die slechts voorgeven liet tezjjn. Onder „talentenquot; moet verstaan worden alles wat onze Ileero ons gegeven heeft, ton einde liet als zijne rentmeesters in zijn\' dienst te gebruiken.

1G—18. Die 7iii de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten. Desgelijks ook die de tiree ontvangen had, die won ook andere twee. Naar, die het eene ontvangen had, ging henen, en groef in de aarde, en verborg hel geld zijns heer en.

Hot is van groote beteokenis, dat onzo Heere zeide, Aai „hij, die het eenequot; talent „ontvangen hadquot; heenging, en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heeren.quot; Er zijn velen, dio „vijf latentenquot; hebben, of „tweequot;, die „daarmedequot; niet „gehandeldquot; hebben, en er geene „andere vijf talentenquot; oï „andere tweequot; mede gewonnen hebben; maar Jezus wist, dat hot do dienstknecht was met het éóne talent, die hot moest blootgesteld zou zijn aan de verzoeking, om, wijl hij slechts weinig kon doen, niets te doen. Aan het bezit van vijf talenten, of van twee, zijn gevaren verbonden ; maar do mensch, die slechts één talent heeft, bevindt zich in even groot, zoo niet grooter, gevaar. Laat ons allen gedenken, dat zoo hot zonde is om één talent in de aarde te verborgen, het nog grooter zonde is om vijf talenten, of twee te verbergen. Het was „hot geld zijns hoerenquot;, dat de luie dienstknecht hooft verborgen. Het zou reeds verkeerd zijn geweest om te begraven wat hem zelvon toebehoorde; maar hij was dubbel laakbaar nu bij, wat hem door zijn\' heer was toevertrouwd, verborg, in plaats van er mede te handelen, ten einde het te vermeerderen. ]s er iemand onder ons, die aldus tegen den Heere zondigt ?

19. En na een\'\' langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.

Er komt een dag van afrekening, al is het ook, dat er een langen tijdquot; verloopt, eer „de heer van dezelve dienstknechtenquot; komt. Jezus zal wederkomen vanwaar Hij heengegaan is. Zijn eigen woord luidt: „Ziet, ik kom haastehjk.quot; Dit groote feit moeten wij niet vergeten, en als zijne getrouwe rentmeesters moeten wij er ieder oogenblik op bereid zijn, dat Hij komt om rekening met ons te houden ten opzichte van de talenten, die Hij aan ieder zijner dienstknechten toevertrouwd heeft.

20, 21. En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heere! vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boren die gewonnen. En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijl gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.

Hebben wij allen, die „vijf talentenquot; van onzen Heere „hebben ontvangenquot; andere vijf talenten horen r/Zegewonnonquot; ? Ik denk hot niet. Hebben wij dubbel zooveel genade als wij in den beginne hadden? Tweemaal zooveel tact, als waarmede wij onzen dienst voor God begonnen? Dubbele geschiktheidvoor het werk, dat Hij ons te deen heeft gegeven ? Zoo was het met dezen dienstknecht, en daarom heeft zjjn heer liem geprezen en beloond. Er was geene evenredigheid tusschen zijn\' dienst en het loon, dat hij er voor ontving: „Over weinig zijtgij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten.quot; Hij, die getrouw is aan zijn\' Heere, zal meer en ruimer gelegenheid hebben


-ocr page 333-

1)K GELIJKENIS DÉR TALENTEN.

Iloofdst. XXV.]

301

om in hoogor sfeer van zijne trouw en toewijding te doen blijken, en daarenboven zal liij ook deelen in do zaligheid van zijns Hoeren wederkomst: Ga in, in de vreuyde uws heeven.quot; Dit is niet des dienstknechts deel, maar des Meesters deel, waarvan ]Ijj zijne getrouwe dienstknechten mode laat genieten. Het hoogste, het heerlijkste van al onze liemelsche genietingen zal niet zoo zeer bestaan in het bezit van eene eigene vreugde, als wel daarin, dat wij zullen ingaan in de vreugde onzes Hoeren.

22, 23. En die de twee talenten ont-vangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heere! twee talenten hebt (jij mij ge-ge oen ; zie, twee andere talenten heb ik boven die gewonnen. Zijn heer zeide tot hem: Wel gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.

Do lof en de belooning, die aan dezen dienstknecht worden gegeven, zijn gelijk aan die, welke aan zijn\' hooger bevoorrechten broeder ten doel vielen; alsof onze Zaligmaker ons wilde leeron, dat het niet het aantal is onzer talenten, maar hot gebruik, dat wij er van maken, waar het op aankomt. Van den man, die tweo talenten had, venvacht hij niet zoo veel als van hem, aan wien vijf waren geschonken ; wat hij verwacht is, dat zij beide getrouw zullen worden bevonden ovor het weinige, dat aan hunne zorg was toeverlrouwd. Zoo was het met do dienstknechten in de gelijkenis. De tweede had het kapitaal, dat hij van zijn\' heer had ontvangen, verdubbeld, evenals de eerste dit gedaan heeft met zijn grootcr kapitaal, en daarom werden zij gelijkelijk geprezen en gelijkelijk gezegend.

24, 25. Maar die het eene talent ontvangen had, kwam ook, en zeide: Heere! ik kende n, dat gij een hard mensch zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt; en bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde: zie, gij helt het uwe.

Op den dag der afrekening zullen de ongetrouwen zoowel als de getrouwen rekenschap van hun rentmeesterschap hebben te geven. Dezes mans woorden waren in tegenspraak met elkander, en zijne verontschuldiging was eene zelfveroordeeling. Hij zeide, dat hij wist, dat zijn lieer een hard mensch was, maaiende, waarbij niet gezaaid had, en vergaderende van daar, waar hij niet gestrooid had, en toch bekende hij, dat het talent, dat hij terugbracht, hem gegeven was door zijn\' meester, dien hij als zoo streng en onredelijk afschilderde. Hij erkende ook, dat hot zijns heeren geld was, dat hij in de aarde had verborgen: „uw talentquot;. Het was hom toevertrouwd, en de dienstknecht erkende zelf, dat het hem niet toebo-hoordo: „Zie, gij hebt het uwequot;. „Ik heb aan uw talent niets toegevoegd; maar ik heb het ook niet verloren, noch weggegeven; ik heb het u teruggebracht, zie, hier is hetquot;. Hij scheen te sproken, alsof dit alles was, dat met recht en billijkheid van hem verwacht kon worden, toch was hij blijkbaar niet over zich zeiven voldaan, want hij zeide: „Bevreesd zijnde, hen ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aardequot;. Zie, hoe vroezo de moeder kan worden der vermetelheid. Geloof in God kweekt heilige vrooze, maar slaafsche vrees brengt twijfel voort, en daaruit zal dan wederom een gansch geslacht van ongoloovigo rebellen geboren worden.


-ocr page 334-

DE dKLI.IKENIS DER TAIiKNTEN.

[Hoofdat, XXV.

26, 27. Maar zijn heer, antivoordende, zeide iot hem: (jij hno~e en luie dienstknecht! (jij tcist, dat ik maa Ie, iraar ik niet gezaaid heb, en van daar ver-yadere, waar ik niet gestrooid hel): zoo moest gij dan mijn geld den ivisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zon het mijne weder genomen hebben me\' woeker.

„Zijn heerquot; versloeg don „hoozen en luien dienstknecht met diens eigen argument hij veroordeelde hem door zijne eigene woorden. Do meester wilde volstrekt niet toegeven, dat hij was, zooals hij door den „boosaardigen en luien slaafquot; — gelijk men het oorspronkelijke letterlijk zou kunnen overzetten — werd voorgesteld; maar gesteld eens, dat zijne voorstolling juist ware, wat had dan behooren gedaan te worden? Indien hij bevreesd was om op zijne eigene verantwoordelijkheid met zijns hoeren gold handel te drijven, dan zou hij het naar den bankier hebben kunnen brengen, die het ten minste veilig bewaard en, zoo lang het onder zijne berusting was, rentogovend zou gemaakt hebben.

Indien wij niet direct en persoonlijk handelen kunnen voor onzen lleere, indien wij de bekwaamheid en den tact missen om eone vereoniging voor Hem te besturen, of een\' arbeid voor JTem te ondernemen, zoo kunnen wij ten minste onze bijdragen schonken voor het werk, dat door anderen wordt verricht, ons kapitaal bij het hunne voegen, zoodat onze Meester op deze wijze de rente bekomt, waarop IIjj recht hooft. Zjjn talent moet niet in de aarde begraven worden; hot moet worden belegd, waar hot Hom bij zijne wederkomst de meeste rente zal hebben opgeleverd.

28—30. Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft; want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben\', maar van dengene, die niet heeft, van dien zul genomen worden, ook dat hij heeft. En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis: daar zal zijn weening en knersing der tanden.

Do dienstknecht, die boven zijns hoeren vijf talenten nog vijf had gewonnen, mocht ze allen behouden, want zjjn moester sprak van „dengene, die de tien talenten heeft\'\\ Ook het ongo-bruikto talent van don luien dienstknecht werd hom gegeven, want hij, die een goed gebruik maakt van hetgeen hom toevertrouwd is, zal meer ontvangen. Wie geloof heeft, zal meer geloof\' verkrijgen, in hem, dio lust hooft in goddelijke zaken, zal nog grooter en sterker begeerte er voor worden ontwikkeld. Wie iets verstaat van do verborgenheden dos Koninkrjjks, zal ze meer ton volle verstaan: „Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal over vloedlglijk h/\'hbenquot;.

Het verlies van het talent, dat ongebruikt is gebleven, was slechts een gering doel van het oordooi over „den onnutten dienstknechtquot;. Zjjn heer beval, dat hij uitgeworpen zou worden „in de buitenste duisternisquot; en zijne straf wordt aangeduid door dat dikwijls hor-haalde referein van onzes Zaligmakers openbaring van do verschrikkingen, welke der zielen, dio verloren gaan, wachten: „daar z(d weening zijn en knersing der tandenquot;. Als wij van de toekomende wereld eone eenigszins sombere of schrikkelijke voorstelling geven, dan denkt men, dat wij die aan Dante of Milton hebben ontleend, maaide ontzettendste, pijnlijkste beschrijvingen van do hol, die ooit van men-schehjke lippen zijn gekomen, zjjn niet sterker dan de taal van den liefdovollon


-ocr page 335-

[Iloofdst. XXV. nu koninklijke en a lo emu ene rechter.

303

Chi\'istua zelvcn. Hij is do ware vriend en liefhebber der mensehon, die hen getrouwelijk waarschuwt voor het eeuwig wee, dat den onboetvaardige wacht; terwijl hij, die de rampzaligheid der hel afschildert alsof het slechts eene nietigheid ware, onder voorwendsel van vriendschap der mensehon zielen zoekt te vermoorden.


HOOFDSTUK XXV. 31—4(5.

[De KoniiiUlijke en iil^emeene Rechter.]

Hier hebben wij des Konings eigene beschrijving van don Dag des Oordeels, en in „do plechtige stilte van ons gemoedquot; mogen wij wel de schoenen uil-trekken van onzo voeten, terwijl wij tot dozen heiligen grond naderen.

31. En wanneer de Zoon des mon-schen komen zal in zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid.

Het was eene reeks van wondervolle tegenstellingen, die voor des Hollands oogen voorbijgingen, toon Hij deze verhevene profetie uitsprak. Binnen drie dagen zou Hij gekruisigd worden; en toch sprak Hij van den tijd „iran-neer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid.^ Hij was omringd door oen klein gezelschap van discipelen, van wie Hem een zal verraden, oen ander Hom zal verloochenen, en allen Hem zullen verlaten, en toch zag Hij door het geloof hot hetnolsch gevolg, dat Hom bij zijne wederkomst zal vergezellen : „c» al de heilige engelen met hem.quot; Vermoeid en afgemat door zijn\' arbeid, bedroefd wegens de hardheid van hot hart dor menschen en het naderend oordeel over Jeruzalem, zat Hij op de glooiing van den Olijfberg; maar zijne gedachten doorliepen do eeuwen, terwijl Hij zijn\' hoorders sprak van den glorierijken troon, waarop Hij bij zijne komst als koninklijk

Rechter der ganscho mensehheid zal gezeten zijn : „Dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid.quot; De groote witto troon, rein en schitterend, helder als een gepolijste spiegel, waarin iedere mensch zich zeiven en zijne zonden zal weerkaatst zien, zal worden opgericht, en op dien troon zal „de Zoon dos mensehonquot; zitten. Achter den koninklijken Hechter zullen „al do heilige engelenquot; geschaard zijn, rei aanrol, eene ontelbare, glorierijke Ijjf-wacht, om het hof van hun\' Hoer en Koning ten dage der laatste groote rechtszitting op te luisteren, on om, op zijn bevel, allen, die door Hem veroordeeld zullen worden, uit zijne tegenwoordigheid te verwijderen.

32, 33. En voor hem zulten al de volken vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de hokken scheidt-, en hij zal de schapen tot zijne rechterhand zetten, maar de hokken tot zijne linkerhand.

Op den laatston, grooton dag des Hoeren zullen allo volkoren, die ooit geleefd hebben, voor den rochtorstoel


-ocr page 336-

1)K ItONlNltUJKlO EN AI-GHMUHXK HECHTER. | Uoofclst. XXV.

van Clifiatus worden vergaderd. Do aarde, die thans al meer en meer écu groote doodenakker wordt, zal hare dooden wedergeven; en zelfs de zee, in vasten grond veranderd, zal de inil-lioenen te voorschijn brengen, die in hare duistere spelonken zijn verborgen. Het ganschc menschdom zal voor zijn\' rechter zijn vergaderd: „En alle oog zal hem zien, ook degenen, die hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hom rouw bedrijven.quot; Eerst zullen zij allen te zamen, als eene ongelijksoortige massa bijeen-vergaderd worden, maar die myriaden menigte zullen weldra in twee groepen worden verdeeld: „ ihi hij zal ze van elkander scheiden.quot; Indien vreeselijken dag zal de Koning do Vordeelor zijn. Hoe Hij ze zal afscheiden, kan door niemand worden verklaard, behalve dat het zal wezen „gelijk de herder de schapen van de hokken scheidt.quot; G een enkele bok zal onder de schapen worden gelaten, en geen enkel schaap onder de bokken. De afscheiding zal streng en persoonlijk zijn: „van elkander.quot; Zij zullen niet verdeeld worden in natiën, zelfs niet in geslachten, maar aan ieder persoon zal zijne of hare plaats worden aangewezen onder de schapen of onder do bokken.

„ En h ij zul de schapen tot zijne rechterhand zetten, maar de hokken tot zijne linkerhand. Er zullen niet meer dan twee groepen zijn, eene ter rechterhand des Rechters, en de andere aan zijne linkerhand. Dc Heere Jezus Christus zal do levenden en dooden in zijne verschijningquot; oordeelen; en allen, die opgeroepen worden, om voor zijn\' ontzaglijken rechterstoel te staan, zullen of levend gemaakt zijn van do dooden, óf nog dood zijn in zouden en misdaden. Er zal te dien dage geene middenklasse zijn, evenals er ook heden in Gods oog geene derde soort van men-schen is. Al onze namen zuilen óf geschreven staan in hot Doek des levens des Lams, óf in het Boek dos Doods des Rechters.

Sommigen hebben geleerd, dat het oordeel, hier voorspeld, het oordeel is van de belijdende Kerk, en niet van de geheele wereld. Het kan wezen, dat er eenige grond is voor hunne meening; doch hot schijnt onmogelijk, dat de volle beteekonis van onzes Ileilaiuls majestueuze woorden op eene andere gebeurtenis dan op het alge-meene oordeel van het gansche men-scholijke geslacht toegepast kan worden.

\'i-1. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot zijne rechterhand zijn : Komt, gij gezegenden mijns Vaders! he\'êr[t dat koninkrijk, hetwelk a bereid is van de grondlegging der wereld.

Zich het eerst wendende tot hot gezelschap der uitverkorenen aan zijne rechterhand, de „groote schare, die niemand tollen kanquot;, zal de Koning tot hen zeggen: „Komt.quot; Zij hadden zijne vroegere uitnoodiging: „Komt tot mijquot;, aangenomen, nu geeft Hij hun eene nog heerlijker uitnoodiging, die echter in de vorige reeds was opgesloten; want toen H.j zeide: „Ik zal u ruste gevenquot;, toen was hun daarmede de hemel zelf beloofd. De Koning noemt zijne beminden bij een\' kostelijken naam: „jij gezegenden mijns Vaders.quot; Welke zegen, welke zaligheid in die benaming ligt opgesloten, zullen wij niet weten, vóórdat wij haar van dos Zaligmakers lippen hoeren; en zelfs dan zullen wij pas beginnen te verstaan, wat wij gedurende de gansche eeuwigheid zullen genieten.

Alle ware geloovigen zijn medeërf-genamen van Jezus Christus, en daarom zal do Koning vervolgens tot hen zoggen: „Beërft dat koninkrijk, hetwelk


-ocr page 337-

Hoofdst. XXV.] DK KONINKLIJKE EN

ALQEMEENE RECHTER.

u bereid in van de grondlegging der wereldquot;. Do „onverderfelijke, en on-bevlekkeljjke, en onvonvelkelijko erfenisquot; is liet onvervreemdbaar reclit van allen, die Gode gemaakt zijn tot koningen en priesters, en hetgeen hun bereid was van voor de grondlegging der wereld, moet in hun aller bezit wezen, als de wereld zelve, na beantwoord te hebben aan het doel, waartoe zij werd geschapen, verbrand zal worden.

35, 36. Want ik hen hongerig geweest, en gij licht mij te eten gegeven \\ ik hen dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven] ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; ik was naakt, en gij hebt mij gekleed-, ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht-, ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen.

De Koning verwijlt met innig welgevallen bij de bijzonderheden van de liefde en vriendelijklieid, die zijn dienstknecht Tlom heeft bewezen. Worden wij dan nu toch door onze werken zaligt\' Geenszins. Maar wel zijn onze werken het blijk en kenmerk, dat wij verlost zijn en zalig worden. Indien onze daden en handelingen door Christus geprezen zullen worden op den dag-des oordeels, dan bewijzen zij, dat wij uit genade zali^ zijn geworden, en dat de Heilige Geest krachtig in ons en door ons gewrocht heeft. De diensten, welke door den Koning genoemd worden, zijn allen Hem zei ven bewezen : „Ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven; ik hen dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven-, ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd -, ik was naakt, en gij hebt mij gekleed-, ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht-, ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen.quot; Er wordt niet bij vermeld,

wat do rechtvaardigen gezegd hebben, of op wat wijzo zij hunne liefde voor Christus hebben heieden-, de lof werd hun gegeven voor hetgeen zjj naar des Konings verklaring, werkelijk gedaan hebben door Hem te hulp te komen.

37—39. Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben tcij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven? En wanneer hebben tcij n een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt, en gekleed? En wanneer hebben wij u krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen?

Beschaamd en verlegen zullen zjj den lof afwijzen, die door den Koning wordt uitgesproken. Het kwam niet bij hen op, dat er in hetgeen zjj gedaan hadden iets verdienstelijks was, en zjj hebben er dus evenmin aan gedacht, dat zjj er voor beloond zouden worden. Als de heiligen voor Christus\' rechterstoel zullen staan, dan zal het denkbeeld, dat er iets voortreffelijks j was in hetgeen zij deden, gansch nieuw voor hen zijn, want zjj hebben hunne eigene daden altijd zeer gering geacht. De hongerigen hebben zjj gevoed, de naakten hebben zij gekleed, do kranken hebben zjj bezocht, om Christus wil, omdat het hun onuitsprekelijk liefeljjk was iets voor Jezus te doen. Zjj hebben het gedaan, omdat zjj er zich in verlustigden om het te doen, omdat zjj het niet konden laten, omdat hunne nieuwe natuur er hen toe drong.

40. En de Koning zal antwoorden, en tot hen zeggen: Voorwaar zeg iku: voor zooveel gij dit ee/i van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dut mij gedaan.

Christus heeft veel meer te doen met


20

-ocr page 338-

DU KONINKUJltH EN ALQUMEKNE RECHTEU. [Moofdst. XXV.

de smarten zij nor broederen, dan wij wol eens denken. Zijn zij hongerig? Hij stelt dit voor als: „Ik bon hongerig geweest.quot; Zijn zij dorstig? l!ij zegt: „Ik bon dorstig geest.quot; De sympathie van Christus is doorgaande, strekt zich uit tot alles, en door allo eeuwen heen zal HÜ zich vereenzelvigen met het lichaam van zijn beproefd en lijdend volk. Vandaar, dat wij zoolang wij op de aarde zijn, immer de gelegenheid zullen hebben om Hom van dienst te wezen.

41. Ihm zal hij zeejejen ooh lot degenen, die ter linlcerliand zijn: Gaat ivcg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is.

leder woord van het vonnis, dat de Koning zal uitsproken over hen, die tot zijne linkerhand zijn, zal schrik en ontsteltenis in hun hart teweegbrengen. „Gaat weg van mijquot;. Uit Christus\' tegenwoordigheid gebannen te zijn, dat is de hel. „Gij vervloektenquot;\', zij kondon niet zeggen, dat zij de wet hebben gehouden, en evenmin, dat zij het evangelie hebben gehoorzaamd, en zoo waren zij dan ook in dubbelen zin vervloekt. Er werd hun bevolen weg te gaan „in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is.quot; Door trouw en gehoorzaamheid te weigeren aan den Hecro, hebben zij zich verbonden met den duivel, en zoo was het dan niet meer dan billijk, dat zij, hem nagevolgd hebbende in zijn\' opstand, ook deelen in zijne straf.

42, 43. Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik ben. dorstig geweest, en gij hebt mij niet te drinken gegeven; ik teas een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed-, krank, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezoekt.

liet ganseho verschil tusschcn hun gedrag en dat der rechtvaardigen wordt aangeduid door dat woordoke „nietquot;. Tot hen, die aan zijne rechterhand zijn, zal de Koning zeggen: „Ik was hongerig, en gij hebt mij te eten gegevenquot;, maar tot hen, die aan zijne linkerhand zijn, zal Hij zeggen: „Gij hebt mij niet te eten gegeven.quot; Dit hun verzuim was geene kleine zaak; hot was noodlottig, en hierom werd het vonnis des eeuwigen doods over hen uitgesproken. „Gaat weg van mij.quot; Do menschen kunnen hun gebrek aan liefde voor Christus thans wel als iets van weinig gewicht of aanbelang boschouwen, evenals hun verzuim om voor hunne arme brooderen te zorgen, maar in het helle licht van den laat-ston grooten dag zal hun genrag een gansch ander aanzien hebben. Toch zullen sommigen ook dan nog zich zeiven zoeken te rechtvaardigen.

44. Dan zullen ook dezen hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij n hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben u niet gediend ?

Hoe bodriogelijk is de zonde! Hoe vermetel! daar zij, zelfs in de tegenwoordigheid des alwetenden Rechters, haar eigen wezenlijk karakter ontkent on hare dienstknechten doet beweren, dat zij het goddelijk ideaal van heiligheid hebben bereikt!

45. Dan zal hij hun antwoorden, en zeggen: Voorwaar zeg ik u: voor zooveel gij dit een\' van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt \'jij het mij ook niet gedaan.


-ocr page 339-

1)K KONING PROFETEERT.

Hoofdst. XXV1.]

307

Het is des Heeren bedoeling niette zeggen, dat de menschen veroordeeld zullen worden, omdat zij den armen en nooddruftigen geene barmhartigheid hebben bewezen, of dat zij zalig zullen worden omdat zij grootmoedig en vrjj-gevig zijn geweest. Dat zou dan inderdaad cenc zaligheid zijn door de werken, waarop de gansche eeuwigheid door geroemd zou kunnen worden. Maar wat Hij wèl bedoelt, is, dat zij alleen, die zulke vruchten voortbrengen, bewijzen, dat „de wortel der zaakquot; in hen is. Wijl zij uit liefde tot Hem zijne arme broederen dienden, hebben zij hiermede getoond de voorwerpen te zjjn van die genade, welke hen van anderen onderscheidt. Het is van onze betrekking tot den Heere Jezus Christus, dat geheel onze toekomst afhangt.

46. En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige teven.

In beiderlei zin staat hetzelfde Griek-sche woord, dat wij door „eeuwigquot; vertalen. De „pijnquot; heeft don zelfden duur als het „teven.quot; Het eene is niet meer tijdeljjk of begrensd dan het andere. In den hemel zullen „de rechtvaardigenquot; immer de toekomstige zaligheid vooraf smaken, zoowel als genieten van do tegenwoordige zaligheid; en in do hel zullen do onrechtvaardige n immer uitzien naar „den toekomenden toornquot;, terwijl zij in het „eeuwige vuurquot; (vers 41) reeds verduren, wat onze Zaligmaker hier beschrijft als de „eeuwige pijnquot;. Tusschen den hemel en do hol is eene grooto klove gevestigd, een ontzettende afgrond, waar men niet over heen kan, zoodat de afscheiding tusschen de schapen en de bokken eeuwigdurend en onveranderlijk zjjn zal. Geve God, dat niemand onzer zich aan de verkeerde zijde dier diepe klove moge bevinden!


HOOFDSTUK XXVI. 1—5.

[De Koning profeteert, zijne vijaiidea smeden komplotten.]

1, 2. En het is geschied, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide: Gij u-eet, dat na twee dagen het pascha is, en de \'Zoon des menschen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.

Nadat onze Heere al deze woorden geëindigd had omtrent de verwoesting van Jeruzalem, zijne eigene wederkomst en den grooten Dag des Oordeels, bepaalde Hij de gedachten zijner discipelen nu weder bij zijn\' eigen dood. Hjj had dikwijls voorspeld wat het einde zijns levens zijn zou, thans geeft Hjj duidelijk en nauwkeurig op, wanneer dit zijn zou. „Gij weet, dat na tivee dagen het pascha is. In een\' zin en beteekenis, die zij waarschijnlijk niet ten volle begrepen hebben, stond het pascha, hot ééne groote pascha, gevierd te worden. Na twee dagen, zou Gods Paaschlam, „Christus, ons paschaquot; worden geslacht. Het verraad, dat aan Hem gepleegd zou worden, was zóó zeker en zóó nabij, dat er van gesproken kon worden als reeds geschied; De Zoon des menschen is overgeleverd om gekruisigd te wordenquot; 1).

1) Nnar do Engelsclio overzetting.


-ocr page 340-

308 de koning gezalfd voor zijne begrafenis. [Hoofdst. XXVT.

Dc tijd, wanneer Christus overgeleverd zou worden in de handen der zondaren, was bijna daar, en hebben zijne vijanden Hem eens in hunne macht, dan zullen zij niet rusten, vóórdat Hij gekruisigd is.

3—5. Toen vergaderden de over-prtesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen des volks in de zaal des hoogepriesters, die genaamd was Ka ja fas, en beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden\\ doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.

Terwijl Jezus profeteerde, waren zjjne vijanden bezig komplotten te smeden. Aldus werd vervuld wat geschreven is in Psalm II: 2 : „de heer-schers 1) beraadslagen te zamen tegen den Heere, en tegen zijn\' Gezalfde.quot; Hun doel was, dat zij hem dooden zouden] maar zij beraadslaagden te zamen, hoe zij Jezus met listigheid vangen zonden. Zij beslisten, dat zij Hem „niet in het feest zouden gevangen nemen; toch was de booze daad niet uitgesteld uit godsdienstigen eerbied voor het pascha, maar „opdat er geen oproer worde onder het volk.quot; Hun plan was in tegenspraak met Christus\' profetie; maar de uitkomst bewees, dat Hij recht had en zij zich vergisten, want Hij is gekruisigd geworden op het tijdstip, dat door Hem voorzegd was.

1} Naar de Engelsche overzetting.


HOOFDSTUK XXVI. 6—13. [De Koning gezalfd voor zijne begrafenis.]

6, 7. Als nu Jezus te Bethanië ivas, ten huize van Simon, den melaatsche, kwam tot hem eene vrouw, hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalf, en goot ze uil op zijn hoofd, daar hij aan tafel zat.

Wie Simon, de melaatsche, was, weten wij niet, en evenmin of deze vrouw Maria was, de zuster van Lazarus, ofschoon ik voor mjj geloof, dat zij het was, die tot Jezus kwam, hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalf, en ze uitgoot op zijn hoofd, daar hij aan tafel zat. Het schoone van de daad dezer vrouw bestond hierin, dat zij het alles voor Christus deed. Allen, die in het huis waren, konden den geur der kostelijke zalf bemerken en er van genieten, maar de zalving was voor Jezus alleen.

8, 9. En zijne discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggendeWaartoe dit verlies? Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden.

Als gij het beste doet, wat gij doen kunt, het doet uit de zuiverste beweegredenen, en als hetgeen gij doetden Heere welbehagehjk is, dan moet gij toch niet verwachten, dat uwe broederen al uwe handelingen zullen goedkeuren. Zoo gij dit wèl verwacht, zult gij teleurgesteld worden. Nooit is er schooner blijk van liefde voor Christus gegeven dan in die zalving to Bethanië;


-ocr page 341-

Iloofdst. XXVI.] DE KONING GEZALFD VOOR ZIJNE BEGRAFENIS.

300

toch vonden de discipelen er iets afkeurenswaardigs in. Zij „namen dat zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden.quot; Volgens .To-hannes was het Judas, die vroeg : „Waarom is deze zalf niet verkocht voor drie honderd penningen, en don armen gegeven ?v Dezelfde evangelist geeft ook do roden van de vraag des verraders: „Dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij oen dief was, en do beurs had, en droog hotgoon gegeven werd.quot; De aanmerking van Judas vond weldra instemming bij de andere discipelen. Indien deze vromo, van geestdrift vervulde vrouw op den raad dier wijze cn voorzichtige lieden had gewacht, dan zou zij de zalf noch verkocht, noch uitgestort hebben. Zij heeft wèl gedaan met haar eigen liefdevol hart te rade te gaan en den kostelijken nardus uit te storten op dat dierbaar hoofd, dat zoo spoedig daarna met doornen zou gekroond worden. Aldus toonde zij, dat er ten minste óón hart was in de wereld, dat niets te goed achtte voor haren Ileere, en dat het beste van het beste Hem gegeven behoort te worden. Mocht zij ten allen tjjde en tot aan Jezus\' wederkomst, vele navolgers vindon.

10. Maar Jezus, zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan mij gewrocht.

Terwijl zij die daad volbracht, was zij zeer gelukkig; waarschijnlijk was het do zaligste stonde haars levens, toen zij die kostelijko gave schonk aan den Ileere, dien zij zoo vuriglijk liefhad. Maar eeno wolk verduisterde haar gelaat, toen de gefluisterde klacht haar oor bereikte. Jezus bemerkte, dat het gemor der discipelen de vrouw ontroerde, en zoo heeft Hij hen bestraft en haar geprezen: „ Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan mij gewrocht.quot; Zij heeft iets gedaan, dat wij niet kunnen doen, want Christus is thans persoonlijk niet meer op aarde, om door hen, die Hem liefhebben, gezalfd te worden, go-lijk deze vrouw gedaan heeft. Wij kunnen om zijnontwil goede werken doen aan anderen, en Hij zal ze aannemen, alsof zij aan Hem zei ven geschied waren.

11. Want de armen hebt gij altijd met ii, maar mij hebt gij niet altijd.

Onze Ileere bekommordo zich om de armen. Hij zelf was arm; Hij was de Prediker der armen; Hij heeft do hongerige armen gevoed. Hij heeft de kranke armen genezen. Hij wilde, dat zijn volk altijd hunne liefde jegens llem zouden betoonon door voor do armen te zorgen; maar thans had Hij het oogenblik bereikt in zijn leven, wanneer het betamelijk was, dat er iets in het bijzonder voor Hem zeiven gedaan werd, en door de ingeving der liefde heeft de vrouw gedaan wat er toen juist gedaan moest worden. O dat wij allen Christus even vurig en innig liefhadden, als zij Hem liefgehad heeft!

12, 13. Want als zij deze zalf op mijn lichaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot eene voorbereiding van mijne begrafenis. Voorwaar zeg ik u: alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.

Zij heeft waarschijnlijk niet geheel en al geweten wat er in hare daad


-ocr page 342-

[Hoofdst. XXVI.

310

lag opgesloten, toon zij haren Ileere zalfde voor zijne begrafenis. De eenvoudigste daad, die voor Christus gedaan wordt, kan vee! grootore gevolgen hebben dan wij wel donken. Ga heen, zuster, doe wat God u zegt, en dan zal het blijken, dat gjj veel meer gedaan hebt, dan gij weet. Gehoorzaam de heilige aandrift in uw binnenste, mijn broeder, en gij doet wellicht tienduizend maal meer dan gij ooit voor

mogelijk hield.

De opwelling van liefde bij deze vrouw, de eenvoudige daad van hartelijke toegenegenheid voor Christus zeiven is één van dio dingen, die leven en in do herinnering zullen blijven zoolang als liet evangelie loeft. Zoo lang do wereld zelve zal bestaan, zoolang zal op de aarde de geur dezer liefdevolle daad bewaard blijven.


HOOFDSTUK XXVI. 14-16. [Des verraders beding.]

14—16. Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskdriot, tot de overpriesters, cn zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren? En zij hchhen hem toegelegd dertig zilveren penningen. En van toen afzocht hij gelegenheid, opdat hij hem overleveren mocht.

Welk een contrast vormt dit met hot voorval, dat wij straks hebben bepeinsd! Do zalving van Jezus moet een onderwerp van bewondering blijven overal waar het evangelie wordt gepredikt; maar het verraad van Judas zal tot in allo eeuwigheid afgrijzen en verfoeiing wekken. Het was een der twaalven, die tot de overpriesters ging om over den prijs te onderhandelen, waarvoor hij zijn\' Ileere zou verraden. In zijne schandelijke vraag: „Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren?quot; hoeft hij Christus\' naam zelfs niet genoemd, liet bedrag, waarvoor zij overeenkwamen, dertig zilveren penningen, was do prijs van een\' slaaf, en toondo op hoe weinig waarde de overpriesters Jezus hebben geschat, gelijk het ook de geldgierigheid aantoont van Judas, die voor zoo luttel eene som gelde zijn\' Meester verried. Toch zijn er velen, die Jezus verkocht hebben voor minder dan Judas heeft ontvangen. Een spottende glimlach of een smalend woord was genoeg om hen er toe te brengen hun\' Ileere te verraden.

Laat ons, die verlost zijn door het dierbaar blood van Christus, Hem op zeer hoogen prijs stellen, hooge gedachten van Hem koestoren en Hem grootelijks prijzen en verheerlijken. Als wij met schaamte en smart; aan deze dertig zilveren penningen denken, zoo laat ons Hom nooit onderschatten, noch do onwaardeerbare kostelijkheid vergeten van Hem, die op geeno hoogere waarde dan die van een\' slaat geschat werd.


-ocr page 343-

Iloofdst. XXVI . I HUT LAATSTE PASCHA EN DE NIEUW E GEDACHTENIS. 311

H 0 0 F D S T U K [Het laatste Pascha en

17, 18. En op den eersten dag der ongehevelde brood en kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot hem: Waar wilt gij, dat wij u bereiden het pascha te eten? Kn hij zeide: Gaat heen in de stad tot zulk eenen, en zegt hem: de Meester zegt: Mijn tijd is nabij-, ik zal hij ii het pascha houden met mijne discipelen.

IToo waarlijk was Jezus van Nazareth Koning, zelfs in zijne vernedering! Iljj bezat geene eigene woning, geen te huis, waarin hij met zijne discipelen Jiet pascha\'^ kon „houdenquot;. Hij zal weldra in het openbaar op smadelijke wijze ter dood worden gebracht, en toch behoefde Hij slechts twee zijner discipelen „in de stad tol zulk eenenquot; te zenden, en do eetzaal met alles wat er benoodigd is, wordt geheel toebereid tor zijner beschikking gesteld. Hij heeft dit vertrok door geen willekeur of geweld in bezit genomen, gelijk een aardsch vorst wellicht zou gedaan hebben; Hij verkreeg het dooiden goddeljjkon drang der almachtige liefde. Zelfs in zjjn\' nederigsteii staat heeft onze Heere Jezus hot hart van alle menschen onder zijn bestuur. Welk eenc macht heeft Hij dan niet, nu Hij in heerlijkheid regeert.

19. En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.

Indien Christus\' discipelen altijd getrouwelijk deden, gelijk Jezus hun bevolen had, dan zouden zij altijd welslagen in het volvoeren der opdracht

XXVI. 17—30.

de nieuwe gedachtenis.]

die Hij hun geeft. Er zjjn veel meer menschen in de wereld, die bereid zijn om Christus to gehoorzamen, dan sommigen van ons wol deuken. Indien wij slechts tot hen wildon gaan, gelijk Petrus on Johannes tot dezen man in .leruzalem gingen, en tot hen zeiden wat „do Moestor zegtquot;, dan zouden wij bevinden, dat hun hart geopend zou worden om Christus te ontvangen, evenals dezes mans huis op des Hoeren aanvraag gewillig afgestaan werd.

20, 21. En als het avond geworden was, zat hij aan met de twaalven. En toen zij aten zeide hij: Voorwaar zeg ik n, dat een van u mij zal verraden.

Tot aan den avond bleef onze Heere in afzondering, en toen ging Hij naar do bestemde plaats, en zat aan, (hot was een nederzitten in leunende houding) met de twaalven. En toen zij aten, zeide hij: „ Voorwaar ik zeg u, dat een van u tnij zal verraden.quot; Dat was oene alleronaangenaamste gedachte om mede aan een feestmaaltijd te komen, toch was zij zeer gepast bij het pascha, want Gods gebod aan Mozos betreffende het eerste paasclilam luidde: „Zij zullen het mot bittere saus eten.quot; Dit was voor onzen Heere, evenals voor zjjne twaalf verkoren metgezellen een smartelijk denkbeeld: „Een van uquot; ■— en terwijl Hij dit zeide zal Hij den blik over de aanzittenden hebben laten rondweiden. — „Een van u zal mij verraden.quot;

2\'2. En zij zeer bedroefd geworden


-ocr page 344-

HET LAATSTE PASCHA EN DE NIEUWE GEDACHTENIS. [Hoofdst. XXVI.

312

zijnde, hecjon een iegelijk van hen te secjcjen: Ben ik het Heere?

Die korte volzin viel als eeno bom onder de lijfwacht des ITeeren. Zjj werden er door opgeschrikt. Allen hadden zij sterke betuigingen gedaan van liefde en genegenheid voor Hem, en bjj verreweg de meesten, waren die betuigingen oprecht. En zij zeer bedroefd geworden zijnde: en wel mochten zij dat. Zulk een openbaring was genoeg om de diepste aandoening van smart teweeg te brengen. Het is een schoone trek in het karakter der discipelen, dat zij elkander niet verdach ten, maar dat een iegelijk van hen schier ongeloovig — gelijk door den vorm hunner vraag wordt te kennen gegeven — vroeg: „I?en ik het Heere?\'\' Niemand zeide: „Tlcere, is het Judas ?quot; Wellicht heeft geen der elven gedacht, dat Judas laaghartig genoeg kon zijn om den Heere te verraden, die hem eene eervolle plaats onder zijne apostelen had gegeven.

Wij kunnen geen goed doen met onze broeders te verdenken. Verdenking van zich zeiven is na verwant aan ootmoed.

23, 24. En hij, antwoordende, zeide: Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden. De Zoon des menschen juat wel heen, gelijk van hem geschreven is; maar wee dien mensch, door welken de Zoon des mensehen verraden wordt! het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest.

Men kan zeer dicht tot Christus naderen, ja de hand met den Heiland in denzelfden schotel indoopen, en Hom toch verraden. Wij kunnen hooge ambten bekleeden, en, gelijk Judas, zeer nuttig schijnen te zijn in do Kerk, en toch Christus verraden.

Uit de woorden des Heeren leeren wij, dat Goddelijke raadsbesluiten de schuld niet wegnemen van zondige daden: „De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk van hem geschreven is; maar wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt.quot; Zijne misdadigheid is even groot, alsof er geen „bepaalde raad en voorkennis Godsquot; was. liet ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest.quot; Het oord cel van Judas is erger dan niet in wezen te zijn. Met Christus vergezeld te zijn geweest, gelijk hij dit was, en hem dan in de handen zijner vijanden over te leveren, dat heeft des verraders eeuwig lot bezegeld.

25. Fm Judas, die hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.

Judas schijnt do laatste van de twaalven geweest te zijn, die deze vraag deed; „Ben ik het? Zij, die de laat-sten zijn, om zich zeiven te verdenken, zijn juist degenen, die dit het eerst behoorden te doen. Judas heeft Christus niet aangesproken als „Heerequot;, gelijk de andere discipelen gedaan hadden; hij noemde Hem „liabbi,quot;, of „Meester.quot; Overigens was zijne vraag gelijk aan die van zijne elf metgezellen; maar hij ontving van Christus een antwoord, dat aan niemand anders gegeven was. Hij zeide tot hem: „Gij hebt het gezegd.\'\'\'\' Waarschijnlijk heeft dit antwoord alleen zijn oor bereikt, en indien lnj geen hopeloos verworpeling ware geweest, dan zou dit ontmaskeren van zijn verraderlijk plan hem tot inkeer hebben kunnen brengen ; maar de stem van Christus vond geen weerklank in zijn hart. Hij had, eer hij zijn\' Heere verkocht, zich zeiven reeds aan Satan verkocht.


-ocr page 345-

IJoofdst. XXVI.] HET LAATSTE PASCHA EN DE NIEUWE GEDACHTENIS.

313

26—28. I\'Jn als zij aten, nam Jezus het hrood, en (jezegend hebbende, brak hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam. En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende,gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit, want dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen testamenU, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

Het Joodsche pascha werd opgelost in het Avondmaal des Heeren, geljjk de sterren des morgeus zich oplossen in het licht der zon. Ah zij aten — terwijl zij bezig waren met den paasch-maaltijd, stelde Jezus de nieuwe gedachtenisviering in, die tot aan zijne wederkomst waargenomen moet worden. Hoe eenvoudig was geheel die plechtigheid! Jezus nam het brood, en gezegend hebbende, brak hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: „Neemt, eet, dat is mijn lichaam.quot; Christus kon niet bedoeld hebben, dat het brood zijn lichaam was, waut zijn lichaam was leunend aanzittende bij de tafel. Wat Hij bedoelde was, dat het gebroken brood eene voorstelling was van zijn lichaam, dat woldra gebroken zou worden aan het kruis. Daarna volgde het tweede gedachtenisteeken, de beker, gevuld met „den vrucht des wijnstoksquot;, waarvan Christus zeide : „Drinkt allen daaruit.quot;

Er is hier geen spoor te vinden van altaar of priester, niets van de opheffing en aanbidding der hostie, geene de minste overeenkomst tusschen het Avondmaal des Heeren en de Roomsche mis. Laten wij ons in alles stipt houden aan do letter en don geest van Gods Woord, want, zoo de een er iets aan toevoegt, dan zal een ander er nog iets meer aan toevoegen; en indien de een in het een of ander wijziging brengt, en een ander in weer wat anders, dan weet men niet, hoe spoedig men geheel en al van de waarheid zal zijn afgeweken.

De discipelen waren indachtig gemaakt aan hunne eigene vatbaarheid voor zonde. Nu geeft hun Zaligmaker hun een persoonlijk onderpand van de vergeving van zonde, overeenkomstig Lukas\' vermelding van zijne woorden: „Deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.quot;

29. En ik zeg n, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik met u dezelve nieuw zal drinken in het koninkrijk mijns Vaders.

Aldus heeft Jezus de groote nazireër gelofte afgelegd, om nooit van de vrucht dos wijnstoks te drinken, totdat Hij dezelve nieuw zou drinken met zijne discipelen in het koninkl ijk zijns Vaders. Die afspraak tot bijeenkomst zal\' Hij houden voor al zijne volgelingen, en dan zullen zij voor eeuwig hoogtijd met Hem vieren.

30. En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

Was het niet recht kloekmoedig van den Heero, om onder deze omstandigheden nog te zingend Hij ging uit naar zijn\' laatsten, ontzettenden strijd, naar Gethsémane, eu Gabbatha en Golgotha; en Hij ging met een\'lofzang op de lippen. Hij moet den zang geleid hebben, want de discipelen waren te bedroefd om het Hallel aan te heffen, waarmede de paaschmaaltijd werd besloten: En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. Toen volgde de ontzettende worsteling, waarin de Overste Leidsman onzer zaligheid streed en worstelde, totdat Hem het bloedig zweet word uitgeperst, en overmopht,


-ocr page 346-

814 DE 1CONINO OPNIEUW PIIOFEÏEKRENDE. [Hoofdst. XXVI.

HOOFDSTUK XXVI. 31—35. [Be Kouiiij*\' opnieuw profeteerende, Petrus protesteert.]

31, 32. Toen zeide Jezus tot hen: Gij zuil allen aan mij (jeërgerd worden in dezen nacht: trant er ia geschreven: Jk zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik tl voorgaan naar Galilea.

Ijct op de gewoonte des Heeren om de Schrift aan te halen. Hij was in staat om zelf woorden van onfeilbare waarheid te spreken, en toch keerde Hij telkens terug tot het door den Heiligen Geest ingegeven Woord in het Oude Testament. Zijne aanhaling uit Zacharia schijnt niet volstrekt nood zakelijk geweest te zjjn, maar zij was uiterst gepast voor zijne profetie aan zijne discipelen: „Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht: want er is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid irorden.quot; Jezus was de Herder, die op het punt was om geslagen te worden, en Hij voorspelde de verstrooiing der schapen. Zelfs die leiders der kudde, die liet eerst door Christus verkoren waren geworden, en het meest met Hem geweest zijn, zullen in dien ontzettenden nacht struikelen en van Hom wegdwalon; maar de Herder zal hen toch niot verliezen, er zal tusschcn Hem en zijne schapen eeiie hcreeniging plaats hebben: „Nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik n voorgaan naar Galiléa, Nogmaals zal Hij voor eene wijle do hoedanigheid van hun\' Herder-Koning hernemen, en sommige plaatsen met hen bezoeken, waar zij te voren zoo menigmaal te zamen geweest zijn, eer

Hij opvoer naar zijne hemclsche woning. „Ik zal u voorgaanquot; geeft het denkbeeld van den Goeden Herder, die naar Oostersche wijze de schapen leidt. Hoe gelukkig zijn zijne schapen om zulk een\' Leidsman to hebben! Zalig zij, die Hem volgen, waar Hij ook henengaat.

83. Doch Petrus, antwoordende, zeide tot hem: Al worden zij ook allen aan n geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.

Dit was zeer vermetele en laatdunkende taal, niot slechts van wege het zelfvertrouwen, dat er door geopenbaard werd, maar ook omdat zij in lijnrechte tegenspraak was met de verklaring des Messias. Jezus zeide: „Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nachtquot;; maar Petrus dacht, dat hij het beter wist dan Christus, en daarom antwoordde hij: „Al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd irorden.quot; Ongetwijfeld zijn doze woorden nit zijn hart voortgekomen; maar „Arglistig is het hart, meer dan eonig ding, ja doodelijk is het.quot; Petrus moet den volgenden morgen verbaasd zijn geweest, toen hij de bedriegeljjkheid en boosheid van zijn eigen hart heeft ontdekt, gelijk die geopenbaard werden in zijne drievoudige verloochening van zjjn\' Heere.

Hij, die zich zoo veel sterker denkt dan zijne broederen, is juist de man, die zal blijken zwakker te zijn dan allo anderen, gelijk dit niet vele uren nadat hij zoo snoevende taal had gesproken, in Petrus gebleken is.


-ocr page 347-

DE KONING ONDER DK OLIJFBOOMEN.

Hoofdst. XXVI.]

315

34. Jezus zeide tot hem: Voortvaar ik zeg ii, dat gij in dezen zeiven nacht, eer de haan gekraaid zal hehhen, mij driemaal zult verloochenen.

Thans voorspelt Jezus aan zijn\' snoe-venden discipel, dat hij, vóór het hanengekraai in den morgen, Hem driemaal zal verloochend hebben. Hij zal niet slechts met zijne medediscipelen struikelen en vallen; maar hij zal verder gaan dan allen in zijne herhaalde verloochening van den dierbaren Meester, dien hij voorgaf met veel grooter innigheid lief te hebben dan zelfs Johannes. Petrus verklaarde, dat hij Christus trouw zou blijven, al zou Hem ook geen andere trouwe vriend overblijven. Jezus voorspelde, dat van al de twaalf discipelen alleen Judas den snoever in boosheid zou overtreffen.

35. Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met n sterven ^ zoo zal ik u geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

Wederom ontziet Petrus zich niet zijn\' Meester ronduit togen te spreken. Het was te betreuren, dat hij na zijns lleeren duidelijke profetie, dat al de discipelen in dien nacht aan Hem geërgerd zouden worden, reeds eenmaal gesnoefd had, maar dat hij in weerwil van Christus\' duidelijke voorzegging hem betreffende, opnieuw en mot zoo veel zelfvertrouwen zijne verklaring herhaalde, dat was schandelijke hardnekkigheid. Hij was echter niet de eenige, die zich aldus uitliet, want desgelijks zeiden ook al de discipelen. Allen hadden zij het gevoel, dat zij onder geenerlei omstandigheid hun\' Heere zouden kunnen verloochenen. Er wordt ons niet bericht, dat ook de andere tien apostelen den Heere hebben verloochend, ofschoon zij Hem allen verlieten en vloden, en Hemdusprac-tisch verloochenden. Denkende aan alles wat zij van Hom hadden gezien en gehoord, en zich inzonderheid zijne laatste gesprekken voor den geest brengende, de gemeenschap in do opperzaal en zijn heerlijk gebed voor hen, verwondert het ons niet, dat zjj zich voor altijd aan Hem verbonden gevoelden. Maar, helaas! niettegenstaande hunne zoo sterke betuigingen, is de profetic des Konings toch volkomen vervuld, want in dien nacht zjjn zjj allen aan Hem geërgerd, is IIij hun allen ten aanstoot geweest, en heeft Petrus zijn\' Heere driemaal verloochend.


HOOFDSTUK XXVI. 3G—46.

[De Koning onder de olijfboomen.]

Hier naderen wij tot het Heilige der Heiligen van onzes Heeren leven op aarde. Dit is eene verborgenheid, gelijk aan die, welke Mozes zag, toen de braambosch brandde in het vuur, en niet werd verteerd. Niemand kan zoodanig eene Schriftuurplaats naar behooren verklaren; het is veel meer een onderwerp om biddend te worden bepeinsd — bij welke overpeinzing het hart schier breekt van smart — dan om er mot onze menschchjko taal over te spreken. Moge de Heilige Geest ons al datgene openbaren van den

-ocr page 348-

DE KONING ONDER DK OL1JFBOOMEN. [Iloofdst. XXVI

310

Koning onder do oljjfboomon van den en geoorloofd is te zien!

36. Toen ging Jezus met hen in eene plaats, genaamd Gethsémané en zeide tot de discipelen: Zit hier neder totdat ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben

Aan acht zijner discipelen gaf onze Heere bevel om buiten Gethsémané — „de olijfpersquot; — of nabjj den ingang, de wacht te houden. Deze hof was Christus\' geliefkoosde plaats geweest om er in de eenzaamheid te bidden, en zij was goed gekozen, om het tooneel te zjjn van zijne laatste smeeking.

Wijl Gethscmanó zijn klachten

In dien aakligsten der nachten,

In dien bangsten strijd vernam;

Daar de PaaBchmaan somber lichtte

Op dat heraelech aangezichte

Van \'t verzoenend bloedzweet klam!

37, 38. En met zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedéiis, begon hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zeide hij tot hen: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij.

De drie discipelen, die met Hem op den Berg der Verheerlijking zijn geweest, hadden het voorrecht om dichter bij Hem te zjjn dan de overigen der broederen; maar ook zij moeten toch niet werkelijk bjj Hem zijn. Zijne droefheid was zóó groot, dat Hij haar alleen moet dragen, en daarbij moest ook dat Schriftwoord worden vervuld: „Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken bij Mjj.quot; Toch wilde Hij de drie keurlingen onder zijne metgezellen in zijne nabijheid hebben, opdat Hij do weinige vertroosting, die hunne tegenwoordig-hpid Hem kon aanbieden, genieten hof van Gethsémané, wat ons oorbaar.

mocht. Nooit te voren hadden zij hun\' Heere zoo overstelpt gezien van de Atlantische golven der smart, gelijk die over Hem heengingen, toen Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Hij was neergebogen alsof een ontzettend zwaar gewicht op zijne ziele woog, gelijk dit ook inderdaad het geval was. Dit was de arbeid der ziel, hot offeren zijner ziel voor do zonde, dat voltooid werd aan het kruis; en wèl mocht Hij zeggen : „Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.quot; De smart zijner ziel was de ziel zijner smart; zijne ziel was vol van smart, totdat Hij aan de uiterste grens van verdragen, en de poorto des doods was gekomen. In deze ontzettende benauwdheid had Hij behoefte aan de nabijheid van trouwe vrienden, en zoo zeide Hij dan tot Petrus, Jakobus en Johannes: „Blijft hier en waakt met mij.quot; Den ontzet-tenden last van de zonde zijns volks moet Hij alleen dragen; maar zijne discipelen kunnen Hem medegevoel betoonen door op een\' eerbiedigen afstand met Hem te bljjven waken, en hunne zwakke gebeden met zijne machtige worstelingen te vereenigen. Helaas! zij hebben het voorrecht, dat Christus hun schonk, niet gewaardeerd. Zijn wij hun niet maar al te zeer gelijk geweest, als onze Zaligmaker ons bevolen heeft om met Hem te waken?

39. En een wein ig voortgegaan zijnde, viel hij op zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan! doch niet, gelijk ik tvil, maar gelijk Gij wilt.

quot;Werd Hij verhoord? Gewis, inzonderheid in datgene, hetwelk de pit en het merg was van zijn gebed: „Niet,


-ocr page 349-

Iloofdst. XXVL] DE KONING ONDER DE OUJPBOOMEN.

317

gelijk ik tvil, maar gelijk Gij wilt.quot; Dit was het levensdoel van zijne bede, haar kern en wezen; want hoezeer zijne menscholjjke natuur ook terugdeinsde voor den „drinkbeker,quot; nog veel moer is Hij teruggedeinsd voor de gedachte om in tegenspraak te handelen met zijns Vaders wil. Helder en onbeneveld was zelfs in die donkere ure de bewustheid van zijn Zoonschap bij Christus, want Hij begon zijn gebed met den kinderlijken aanroep: „Mijn Vader.quot;

40. En hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus; Kunt (jij dan niet één uur niet mij waken?

Wjj weten niet, hoe lang Hij alleen in den gebede had geworsteld; maar het was lang genoeg voor zijne discipelen om onderwijl in slaap te vallen. Petrus was altijd de woordvoerder van het geheele gezelschap geweest, daarom heeft onze Heere tot hem de zachte bestraffing gericht, welke echter ook voor zijne metgezellen bedoeld was. „Kunt gij dan niet één uur met mij waken? Volgens Markus was de vraag persoonlijk tot Petrus gericht: „Simon! slaapt gij?quot; Het was al erg genoeg, dat Jakobus en Johannes sluimerden in stede van te waken, maar na al dat roemen van Petrus scheen liet in hem nog veel erger. Hij, die de luidste betuigingen van trouw en toewijding had gedaan, verdiende het meest wegens zijne ontrouw te worden bestraft.

41. Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.

Het was zoo echt vriendelijk van Christus, om eene verontschuldiging te vinden voor zijne zwakke en vermoeide discipelen. Het was geheel en al in overeenstemtning met zijn karakter, om alles te zeggen wat Hij kon tot hun\' lof, ofschoon zjj sliepen, toon zij hadden bohooren te waken. ïoch herhaalde Hij zijn bevel: „ Waaktquot;, want dat was de bijzondere plicht van het oogenblik, en Hij voegde er bij: „en bidtquot;, want het gebed zou hen ondersteunen bij het waken, on het waken kon hen eene hulpe wezen bij het gebed. Het waken en bidden was hun bevolen tot een bijzonder doel: „opdat gij niet in verzoeking komt.quot; Hij wist wat hevige verzoekingen hen weldra zouden bestormen, en daarom wilde Hij hen dubbel gewapend zien door „te waken in den gebede.quot;

42. Wederom ten tweeden male heengaande, bad hij,zeggende: Mijn Vader! indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan, tenzij, dat ik hem drinke, uw tvil geschiede!

Deze kalme, eenvoudige woorden kunnen ons nauwelijks een volkomen denkbeeld geven van do hevige doodsbenauwdheid, waarin zij werden uitgesproken. Lukas bericht ons, dat onze Zaligmaker in zijne tweede smeoking „ernstiger badquot;, en dat „zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloods, die op de aarde afliepen.quot; De spanning, waarin Hij verkeerde, was zóó groot, dat zijn leven Hem scheen te ontvloeien, en door die spanning werd Hij zóó zwak, dat Hij met recht kon vreezen, dat zijne menschelijke natuur onder die ontzettende beproeving zou bezwijken, en dat Hij dus vóór den tijd zou sterven. Toch was Hij zich zelfs toen van zjjn Zoonschap bewust: „Mijn Vaderquot;, en heeft Hij zich geheel en volstrekt aan zijns Vaders wil onderworpen : „ Uw wil geschiede,quot;


-ocr page 350-

t)E KONING VERRADK.V.

[Hoofdst. XXVI.

318

43, 44. Kn komende bij hen, rond hij hen wederom slapende: want hunne oogen waren bezwaard. En hen latende, (jincj hij wederom heen, en had ten derden male, zeggende dezelfde woorden.

Groote smart brengt ia verschillende personen verschillende uitwerkingen te weeg. In onzen Heiland werkte zij een vurig, dringend, hartgrondig bidden, in de discipelen werkte zij slaap. Lukas zegt, dat Hjj hen „slapendequot; vond „van droefheid.quot; Hun Meester mocht eene verontschuldiging vinden voor hunne veronachtzaming, maar ach! hoe zullen zij zich zeiven naderhand gelaakt hebben wijl zij die laatste gelegenheid om te waken met hun\' Heere, die daar zoo ernstig worstelde in den gebede, ongebruikt lieten voorbijgaan! Daar Hij nu echter geene vertroosting door hen kon erlangen, liet Hij hen, Jten latende, ging hij wederom heen, en had ten derden male, zeggende dezelfde woorden. Zij, die leeren, dat wij slechts eenmaal belioo-ren te bidden, en de bede niet moeten herhalen, die wjj tot den Heere hebben opgezonden, kunnen zich niet op het voorbeeld van onzen Heiland beroepen om hunne meening te staven, want in dien schrikkelijken nacht heeft Hij drie maal dezelfde smeeking opgezonden en dezelfde woorden er voor gebruikt. Ook Paulus heeft, evenals zijn Meester, den Heere „driemaal gebedenquot;, dat do „doorn in het vleesch, die een engel des Satansquot; was, van hem zou wijken.

45, 4G. Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen1. Slaapt nu voort, en rust: ziet, de nre is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. Staat op, laat ons gaan, ziet, hij is nabij, die mij verraadt.

Ik denk niet, dat Jezus ironische taal gebruikt heeft, toon Hij zeide: „Slaapt nu voort, en rustquot;; maar dat Hij hun vergunde nog een weinig te slapen, terwijl Hij bjj hen zat en waakte. Niet lang heeft Hij daar gezeten, en niet lang meer duurde hun slaap, want door de ohjfboomen heen zag Hij den gloed der naderende fakkelen., en do stilte van den nacht werd afgebroken door de voetstappen en de kreten van de menigte, die kwamen om Hem gevangen te nemen. Zachtkens wekte Hij zijne slaperige discipelen en zeide tot hen: „Staat op, laat ons gaanquot;, er bijvoegende hetgeen de hevigste ontsteltenis bij hen teweeg moest brengen ; „Ziet, hij is nabij, die mij verraadt.quot; De verbrijzeling in „de olijfpersquot; was voorbij. De lang verwachte „urequot; des verraads was gekomen; en Jezus trad rustig voorwaarts, gesterkt zijnde door God voor de schrikkelijke beproevingen, die Hem nog wachtten, eer Hjj de verlossing van zijn uitverkoren volk kon tot stand brengen.


HOOFDSTUK XXVI. 47—56. [De Koning verruden.]

47—49. En als hij nog sprak, ziet. Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem eene groote schare, niet zwaarden en stokken, gezonden van de or er-priesters en ouderlingen des volks. En die hem verried, had hun een teéken


-ocr page 351-

de koning vkiikadhn.

gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, dezelve is het, grijpt hem. En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Weesgegroet, Itahhi! en hij kuste hem.

Het is opmerkeljjlc, dat wij nergens in het Nieuwe Testament lozen, dat ooit een der twaalven, behalve Judas, Jezus gekust heeft. Het schijnt, dat de meest onbeschaamde gemeenzaamheid zeer na verwant was aan het snoodst en lafhartigst verraad. Dit teeken van Jezus is typisch van de manier waarop Jezus gewoonlijk wordt verraden. Als er schrijvers zijn, die de Schrift willen ondermijnen, hoe beginnen zij dan gewoonlijk hunne boeken? Wel, altijd met de verklaring, dat zij de waarheid van Christus wenschen te bevorderen! De naam van Christus wordt dikwijls gelasterd door hen, die het luidst van hunne liefde voor Hem gewagen, en dan even snood zondigen als do voornaamsten der overtreders. Eerst komst de Judaskus, daarna komt het verraad. Aldus zeide Judas: „ Wees gegroet. Rabbi, en hij kuste hemquot;; Hem verradende door eene daad. die de uitdrukking dor trouwste, innigste vriendschap had moeten zijn.

50. Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, ■waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem.

De zachtmoedige en nederige Jezus sprak niet, geljjk een bloot mensch onder zulke omstandigheden zou gesproken hebben. Hij heeft Judas niet aangesproken als „Ellendeling!quot; Zijn eerste woord, nadat Hij den kus des verraders ontvangen had, was „ Vriend!quot; Hij heeft hem niet den slechtsten der menschen genoemd; kalm en rustig zegt Hij: „Waartoe zijt gij hier?quot; of „Doe hetgeen, waarvoor gjj zijt gekomenquot; 1). Hecht koninklijk heeft onze Koning zich in die ontzettende ure der beproeving gedragen. Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus, en grepen hem. Hij bood geen tegenstand, ofschoon do geheele menigte onmachtig tegen Hem geweest zou zijn om Hem te grijpen, indien Hij niet gewillig ware geweest om zich te laten vangen. Zij kwamen om Hem gevangen te nemen, en zoo beschutte Hij zijne discipelen tegen een arrest, terwijl Hij zich zeiven aan zijne vijanden overgaf, zeggende: „Indien gij dan mjj zoekt, zoo laat dezen heengaan.quot; Jezus was altijd zorgzaam voor anderen, dat was Hjj in den hof, dat was Hij zelfs toen Hij aan het kruis hing.

51, 52. En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hoogepriesters, hieuw zijn oor af. Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijne plaats-, want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.

De hand eens vromen is nooit minder op hare plaats, dan wanneer zij op het gevest van het zwaard wordt gelegd. Toch heerscht nog altijd de neiging, zelfs onder Christenen, om het zwaard uit do schede te trekken. Het zou veel beter geweest zijn, zoo Petrus\' handen gevouwen waren geweest tot gebed. Die daad van Malchus\' oor af te houwen heeft er toe bijgedragen, om hom te doen herkennen als een\' die met Christus iu den hof is geweest, en heeft hem onmiddeljjk tot een der verloocheningen van zijn\' Heere gebracht (Johannes XVIII: 26, 27). Het zwaard is nooit eene hulpe

I) Naar de herziene Engelsche overzetting.


-ocr page 352-

[rioofdat. XXVI.

320

DE KONING VERRADEN.

om Christus\' koninkrijk te vestigen; alles wat er ooit door gedaan is, zal weer ongedaan gemaakt moeten worden. Wat door ruw geweld werd opgericht, zal door ruw geweld wederom neder-geworpen worden.

53, 54. Of meent gij, dat ik mijn\' Vader nu niet kan hidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? Hoe zonden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzoo geschieden moet.

Hoe koninklijk spreekt onze Koning! In werkelijkheid was Hij het, die den toestand heeft beheerscht. Hij behoefde slechts te bidden tot zijn\' Vader, en „meer dan twaalf legioenen engelenquot; zouden bliksemsnel van den hemel nederkomen. Ieder discipel, hoe beschroomd en bevreesd hij ook was, zou zich tot aanvoerder van een beir van engelen hebben zien aangesteld, terwijl hun Heere er zoo veel tot zijn\' dienst had kunnen verkrjjgen, als Hij verkoos. Er was slechts óéne moeie-lijkheid, die hierbjj in den weg stond: rHoe zonden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het ahoo geschieden moet?\'\' Jezus dacht meer aan de vervulling der Schriften, dan aan verlossing uit de handen der bnozen. Joodsche bandon noch Romeinsche koorden zouden Hem gevangen hebben kunnen houden, indien Hij niet door eene grootere macht en een sterker bedwang ware gehouden, de macht namelijk en het bedwang dos eeuwigen verbonds, dat Hij ten behoeve zijns volks is aangegaan.

55. Ter zeiver ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een\' moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik hij u, leerende in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen.

Lukas zegt, dat deze vraag gedaan werd aan „do overpriesters en de hoofdmannen dos tempels en ouderlingen.quot; Doch zelfs tot hen heeft Jezus niet anders dan eene zachte vermaning gericht in plaats van de strenge woorden van aanklacht en verwijt, die zij zoo volkomen hadden verdiend. Het scheen ook inderdaad eene dwaze vertooning, dat eene groote schare met zwaarden en stokken te middernacht van Jeruzalem uitging, om „den Man van smartenquot; te arresteeron, die zelfs aan oen zijner volgelingen niet wilde toelaten het zwaard te trekken ter zijner verdediging. Doch zelfs zijne vijanden wisten, dat Hij buitengewone kracht bezat, indien Hij verkoos er gebruik van te maken. Hun aantal, hunne wapenen en het gezag, waarmede zij bekleed waren, waren aldus eene onbewuste hulde, die zij brachten aan zijne koninklijke waardigheid en macht.

5G. Doch dit alles is geschied opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, hem verlatende,

Onzes Heeren eenige en groote zorg was, het werk te volbrengen, waartoe Hij in de wereld gekomen was, opdat aldus de Schriften der profden zouden vervuld worden.

Jezus was er niet over verwonderd, dat al de discipelen vluchtten en Hem verlieten; want IIij had voorspeld, dat zij dit zouden doen. Hij kende hen beter dan zij zich zei ven kenden, daarom profeteerde IIjj, dat, nadat de Herder geslagen zou zijn, de schapen verstrooid zouden worden. En zoo is het geschied, want toon de woeste wolven kwamen en Hem grepen, zijn de schapen allen gevloden. Het zou voor de discipelen eene eeuwige, onvergankelijke eer zijn geweest, zoo zij tot het laatste oogen-


-ocr page 353-

Hoofdst. XXVT.] 1quot;)E KONING VOOR OEN .TOODSCHUN HOOflEPKIESTEH.

blik Christus ter zijde waren gebleven; maar noch do liefhebbende Johannes, noch de grootsprekende Petrus iieeft in die plechtige ure do proef kunnen doorstaan. De menscheljjke natuur is, op zijn bost genomen, nog zóó zwak, dat wij niet kunnen hopen, dat iemand onzer kloekmoediger, of getrouwer zou zjjii geweest dan de apostelen het waren.


HOOFDSTUK XX VI. 57—68. [Oe Konin; voor den Joodsclien lioogepriester.]

57. Die nu Jezus gevangen hadden, leidden hem heen tot Kajafas, den hoogepriester, alwaar de schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.

Sommigen van do overpriesters waren in zoodanigj woede ontstoken togen Christus, dat zij mot do Romeinsche kohort, die uitgezonden was om Jezus gevangen te nomen, naar Gethsémanó waren getogen. Do overigen verga-dorden ten huize van Kajafas, den hoogepriester, in afwachting dat hun slachtoffer vóór hen gebracht zou worden. Het was nacht, of zeer vroeg in den morgen, doch zij waren maar al te bereid om op te blijven ton einde den Heero dor heerlijkheid te oordeelcn, en den Koning Israels smaadhoid aan te doen.

58. En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des hoogpriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij hij de dienaren, om het einde te zien.

Petrus was niet te laken, omdat hij volgde van verre, want in het eerst waren hij en Johannes de eenigo twee discipelen, die hun\' gevangen Meester volgden. Johannes ging met Jozus in de zaal des hoogepriesters en doorzijn\' invloed werd ook Petrus toegelaten.

Aangetrokken door het vuur, zat Petrus bij de dienaren, eene gevaarlijke plaats voor hom, gelijk maar al te spoedig blijken zou. Als een dienstknecht van Christus uit eigene, vrije keus bjj do dienaren der boozen gaat zitten, dan zullen zonde en smart spoedig volgen.

50—Gl. I\'hi de overpriesters, en de ouderlingen, en de geliede groote raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, oiidal zij hem dooden mochten; en vonden niet. En hoewel er vele valsche getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet. Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd; Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelvcn opbouwen.

De vijanden van Jezus verlangden -lozus te dooden; daarom moeten zij ten minste twee getuigen tegen Hem hebben, want volgens do wet van Mozes was het getuigenis van één persoon niet voldoende om iemand, die van eene misdaad werd beschuldigd, welke don dood verdiende, te doen veroor-doeleu. De overpriesters, en de ouderlingen, en de geheele groote raad, zochten valsche getuigenis tegen Jezus, en vondm niet; totdat ten laatste twee valsche

21


-ocr page 354-

DE KOMI NO VO0K DEN JOODSCltUN itOOGEPRIESTEIl. [Moofdst. XXVI.

322

getuigen kwamen, die Christus\' woorden verdraaiden, en zijne bedoeling in een valsch daglicht stelden. Maar zelfs vau dezen was het getuigenis niet eenparig, (Markus XIV : 59), en daarom kon Jezus niet veroordeeld worden.

62. En de hoogepriester, opstaande, zeide tot hem: Antwoordt gijniet? wat getuigen dezen tegen u?

Waartoe was het nut om te antwoorden? Er was in waarheid niets te antwoorden, dan dat zij blijkbaar en moedwillig valsche voorstellingen gaven van do zaken. Onze Heere wist ook, dat do raad besloten was on; Hem tor dood te brengen; daarenboven was er nog eene profetie te vervullen: „Als eon lam word hij ter slachting gcleidi en als een schaap, dat stom is voor hot aangezicht zijner scheerders, alzoo deed hij zijn\' mond niet open.quot;

03, G4. Doch Jezus zweeg stil. En de hoogepriester, antwoordMde, zeide tot hem: Ik bezweer u hij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij zijl de-Christus, de Zoon van God? Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch ik zeg ulieden: van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.

Do tijd om te spreken was nu voor Christus gekomen. Eerst antwoordde Hij op des hoogepriesters plechtige bezwering, en verklaarde, dat Hij was „De Christus, de Zoon des levenden Gods.\'quot; Er was nu geene reden meer om dit feit verborgen te houden. Daarna sprak Hij eene profetie uit, die zijne beschuldigers moet hebben verschrikt. Hij stond daar, gebonden, oogenschijn-hjk gansch alleen en hulpeloos, tegenover machtige vijanden,die verwachtten

Hem spoedig het leven te benemen; en toch verklaarde de Profeet-Koning, dat zij getuigen zouden zijn van zijne toekomstige heerlijkheid, dat zij Hem zullen zien „zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.quot; Zijne hoorders hebben goed begrepen, dat Hij er aanspraak op maakte goddelijk te zijn, en met vreugde erkennen wij het rechtmatige van zijne aanspraak.

65. Toen verscheurde de hoogepriester zijne kleederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van mode? Ziet, nu hebt gij zijne Godslastering gehoord. Wat dunkt ulieden? Kn zij antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.

Indien Hij niet ware God, verschenen in het vleesch, dan zou 11 ij ook inderdaad schuldig zijn geweest aan Godslastering, en den dood hebben verdiend. De wet van Mozes gebood, dut een Godslasteraar gesteenigd moest worden (Leviticus XXIV: 16). Christus\' werken hebben bewezen, dat Hij God is, en zoo waren zijne woorden dus niet die eens Godslasteraars; maar zijne belijdenis -gaf zijnen vijanden de opening, waarnaar zij zochten, en zij verklaarden, dat Hij niet waardig was te leven: Zij antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.quot; Hjj had voorspeld, dat Hjj gekruisigd zou worden, terwijl de straf, op Godslastering gesteld, steeniging was. Daarom moest men dan nog door andore vormen van gerechtelijk verhoor en rechtspraak liocn, eer het einde daar was.

G7, 68. Toen spogen zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten. En anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende-. Profeteer ons, Christus! wie is het, die u geslagen heeft?


-ocr page 355-

Hoofdsfc. XXVI . I DE KONING VERLOOCHEND DOOR ZIJN\' DISCIPEL.

323

vernedering sloegen zij Hem en bespotten zij Item, zeggende: „l\'rofetecr ons (\'kristus/ irie is het die n geslagen heeft?quot; Tenzij zij zich hebben bekeerd van hunne boosheid zal de dag komen, wanneer de goddelijke Hechter ceu ieder van hen zal aanwijzen, die Hein toen hebben mishandeld, zeggende: 1 „Gij zijt de man/\'

O lioe schandoljjke boleedigingen werden onzen dierbaren Zaligmaker aangedaan! Voeg doze hveo teksten te scamen: — Toen spogen zij in zijn aangezicht; — „En ik zag een\' grooten witten troon, en degene, die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel ivegvloden, en geene plaats is voor die gevonden.quot; Op den dag zijner i

IIO O F D S T U K X X V f. 69—75. [Igt;e Ivoiiin»quot; verluocheuit duur xiju\' discipel.]

(gt;9, 70. l\'Jn Petrus zat huilen in de zaal; en eene dienstmaagd\' kwam tot hem, zeggende-. Gij waart ook met Jezus den Galileër. Maar hij loochende het voor allen, zeggende-, //• weet niet, wat gij zegt.

Terwijl onze Ileere in hot huis was van den hoogepriester, zat Petrus hui-ten in de zaal. Op de binnenplaats, waarop de kamoren van liet paleis uitzagen, luidden de dienaren en de beambten een vuur aangestoken om er zich bij te warmen, terwijl zij wachtten om te zien, wat er met Jezus geschieden zou. Petrus voegde zich bjj dat gezelschap, en eene dienstmaagd, die hem op verzoek van Johannes had binnengelaten, zeide tot hem: „Gij waart ook met Jezus den Galileër. Nu zal dan de snoevende verzekering, die hij zijn\' Ileere gegeven heoi\'t, en waaruit zoo groot zelfvertrouwen sprak, op de proef worden gesteld: „Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen.quot; Maar hij loochende het voor allen, zeggende: „ik weetniet, wat gij zegt.\'quot; Welke gevolgen hot voor Petrus ook gehad zou hebben, indien hij Christus had beleden, zoo slecht als zijne laaghartige verloochening konden die gevolgen nooit geweest zijn.

71, 72. I\'Jn als hij naai- de voorpoort uitging, zag hem eene andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazaréner. En hij loochende het wederom met eeiü eed, zeggende: Ik ken den mensch niet.

Er waren zoo velen, die Petrus bij Christus hadden gezien, dat hjj gemakkelijk als een der metgezellen van den Nazaréner herkend kon worden. Zijne tweede verloochening verschilde van do eerste, daar hij nu aan zijne leugen nog een\' eed toevoegde, en betreffende Christus verklaarde: „ Ik ken den mensch niet.quot; Wellicht wilde hij met dien eed bewijzen, dat hjj geen\' volgeling was van Hem, die gezegd heeft: „Zweert ganschelijk niet,quot; of het was misschien oen terugkeeren tot Petrus\' oude gewoonte van voor zijne bekeering. Als een kind üods eens op den weg is, die afwaarts gaat, dan kan niemand


-ocr page 356-

DE KONING VOOR PILA.TUS

324

zoggon line snol on hoc vor liij zal gaan, cn hoe diep hjj zal vallen, tenzij Gofls almachtige genade hem weerhoudt en redt.

73. En een weinig daarna, die ei-stonden, bijkomende, zeiden tof Pet nis: Waarlijk (jij zijt ook van die, want ook uwe spraak maakt u openhaar.

Zelfs toen Petrus zwoer, hoorde men de platte uitspraak der Galileërs, zoo-dat dezo menschen in Jeruzalem terstond zijn provinciaal dialect ontdekten, cn tot hom zeiden; „Waarlijk (jij zijt ook van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar. Als een kind van God begint te zweren, dan zal hjj dit niet doen zooals de goddeloozen, cn dus zal hjj gewis ontdekt worden.

74, 75. Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den rnensch niet. En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig hel woord van Jez-m, die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buite.n gaande, weende hij bitterlijk.

Het liegen leidde tot zweren, en hot zworen tot vloeken. De llcere alleen weet hoe veel dieper Petrus nog gevallen zou zjjn, indien hij niet op goddelijke wijze terug ware gehouden van zijn\' zondigen weg. Vele monschen hebben dien morgen den liaan liooren kraaien, maar voor Petrus was dit hanengekraai eene plechtige herinnering aan zijns Hceren profctisclie waarschuwing: „Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen.\'quot; En er was nog iets, dat Petrus nog veel moer aandeed dan liet kraaien van deu haan. Lukas zegt: „De llcere, zich omkeerende, zag Petrus aan.quot; Petrus moet opgezien hebben tot den Heere, of hij zou dien blik, waarin zoo veel smart, medelijden, liefde en vergeving te lezen was, niet gezien hebben, eer hij naar buiten ging en bitterlijk weende.

Indien iemand onzer den TTeere, die hem heeft vrijgekocht en verlost, heeft verloochend, zoo laat inj opzien tot ITcm, die thans nederzict van den hemel, en bereid is den afgekeerde vergiffenis te schenken, die met den teruggekeerden verloren zoon uitroept: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel, en voor U, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.quot; Deze zelfde Petrus heeft, nadat hij in zijns Heeren gunst hersteld was, op het Pinksterfeest de rode gehouden, die duizenden van zijne hoorders tot overtuiging van zonde en bekeering heeft gebracht.


HOOFDSTUK X X V 11. 1,2. [De Koning voor Pi lat us.]

1. Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij hem dood en zouden.

Zij waren zoo vol van vijandschap tegen Jezus, dat zij gretig de eerste gelegenheid aangrepen om te zamen raad te nemen, dat zij hem dooden zouden. Het laatste gedeelte van den


-ocr page 357-

IToofdst XXVILJ DES VERRADERS BEROUW EN ZELFMOORD.

325

nacht en de vroegste oogonblikken van den morgenstond hadden zij doorgebracht met hun\' doorluchtigen Gevangene te ondervragen, te voroordeelen en te mishandelen. Jezus had voorspeld, dat Hij den Heidenen overgeleverd zou worden; zoo was dus de volgende acte in het ontzettend drama zijne verschijning voor den Romein-schen landvoogd.

2. En hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatns, den stadhouder.

Zij, die Jezus gevangen hadden genomen, hadden Hem gebonden eer zij Hem tot Annas leidden (Johannes XV1I J : 12, 13). Annas zond Hem gebonden tot Kajafas (Johannes XVIII: 24). Thans heeft het Sanhedrin Hem officieel gebonden, en Hem overgegeven aan Pontius Pilatns, den stadhouder. Gelijk Izak gebonden werd, eer hij op het altaar werd gelogd, zoo werd het groote Antitype gebonden, eer Hjj „als een lam ter slachting werd geleidquot; en den Romeinschen landvoogd overgeleverd.


HOOFDSTUK XXVII. 3—10. [Des verraders berouw en zelfmoord.]

3, 4. Toen heeft Judas, die hem verraden had, ziende, dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesteren en den ouderlingen tved er gebracht, zeggende-. Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan ? gij moogt toezien.

Judas heeft wellicht gedacht, dat Jezus zich door een wonder uit de handen van hen, die Hem gevangen hadden genomen, zou verlossen; en, toen hij zag, dat hij veroordeeld was, werd hij aangegrepen door berouw, en heeft hij het loon van zijn schandelijk verraad aan zijne medeplichtigen teruggebracht. Er was één goed gevolg van zijne wanhopende belijdenis: „Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed.quot; Judas was in het openbaar en in de afzondering met Jezus geweest, en zoo hij eenig gebrek in Christus\' karakter had kunnen ontdekken, dan zou het thans de tijd zijn geweest om er melding van te maken, maar zelfs de verrader heeft in zijne stervenswoorden verklaard, dat Jezus „onschuldigquot; was. De overpriesters en ouderlingen hadden niet meer medelijden met Judas dan met Jezus. Zij werden door geen naberouw gekweld. Zij hadden den Zaligmaker in hunne macht; om de gevolgen hunner daad bekommerden zij zich niet. Wat den verrader betreet, hij had den koop gesloten, en hij moest er bij blijven.

5. En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande, verworgde zich zeiven.

Deze schrikkelijke woorden : en heengaande verworgde zich zeiven, toonen den waren aard aan van Judas\' berouw. Hij had een berouw, waarvan hij berouw had moeten hebben: geene droefheid naar God, die eene onbe-


-ocr page 358-

[Hoofdst, XXVTT.

rouweljjke bokeering tot zaligheid werkt. In de geschiedenis van Christus\' kerk zijn cr nog enkele voorbeelden van een berouw, goljjk aan dat van Judas, hetwelk de menschen tot wanhoop, zoo al niet tot werkelijken zelfmoord bracht. Moge God in zijne barmhartigheid ons bewaren voor meerdere herhalingen van zoo ontzettend eene ervaring.

C—8. Fm de overpriesters de zilveren penningen nemende, zeiden : Het is niet (jeoorloofd, dezelve in de o/]erkisi te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is. En ie zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot eene begrafenis toor de vreemdelingen. Daarom is die akker genoemd de akker des bloeds tot o])den huidig en dag.

Of Judas don akker kocht, waarop hij zelfmoord ploegde (Handelingen I : 18), of dat de overpriesters, vernemende hoe hij de zilveren penningen voornemens was geweest te besteden, dit zijn voornemen ten uitvoer hebben gebracht, maakt geen wezenlijk verschil in de uitkomst. De akker des bloeds werd ten eeuwigen gedenkteeken van Judas\' schanddaad. quot;Weinig wist hij, toen hij zijn\' lieere verkocht,wat er met het geld. dat hij als prijs voor zijn verraad had ontvangen, gedaan zou worden. In don volst mogelijken y.in was hjj schuldig aan liet bloed des Heeren. Dat bloed was op hem, niet om zijno vergeving te bezegelen, maar om zijne veroordeeling te bevestigen.

i), 10, Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des gewaardeerden vem de kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben; en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen de Tl eer e ndj bevolen heeft.

Zelfs door de beschikking over de dertig zilveren penningen werd eene aloude profetie vervuld. De sombere gezegden dor profeten, zoowel als hunne heldere, hoopvolle uitspraken, zullen allen, naarmate zij één voor één tot rijpheid komen, blijken waar te zijn.

Het lot van Judas behoort eene plechtige waarschuwing te zijn voor allo belijdende Christenen, en inzonderheid voor alle leeraren. Hij was een der twaalf apostelen, en toch was hij do zoon des verderfs, en is hij ten laatste naar zijne eigene plaats gegaan. Een iegelijk onzer heeft zijne eigene plaats, den hemel of do hel; welke is hot?


HOOFDSTUK XXVII, 11—2(5. [Jezus, JMliitus, ItarablMis,]

11. En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde hern, zeggende: Zijt gij de Koning der Joden ? En Jezus zeide tot hem\'. Gij zegt het

Jezus zag cr niet uit als een Koning, toen Hij daar voor Pilatus stond; zijne eenvoudige kleeding geleek in niets naar een koninklijk gewaad. Toch


-ocr page 359-

JEZUS, PIIjATUS, J3ARABBAS.

Hoofdst. XXVI [.

327

moet cr zelfs in zijne vernedering zulk cene majesteit geweest zijn in zijn\' Persoon, dat zelfs lt;le stacllioucler zich gedrongen gevoelde te vragen: „Zijf. gij de Koning der Joden?quot; Er bestond nu gecne reden meer, waarom do Koning zijne ware positie verborgen zou houden, en daarom antwoordde Hij: „Gij zegt het.quot; „Het is, zooals gij zegt. Ik bon de Koning der Joden.quot; Do Joden verwierpen hun\' Koning: „Hij is gekomen tot het zijne, en de zjjnen hebben Hem niet aangenomen.quot; Toch was Hij hun Koning, ofschoon zij weigerden zich voor zijn\' schepter van genade en goedertierenheid neder te buigen.

12—14. En nis hij van de over-priesters en de ouderlingen beschuldigd irerd, antwoordde hij niets. Toen zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet, hoe vele zaken zij tegen u getuigen? Maar hij antwoordde hem niet op eenig woord, alzoo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

Thans was het voor Jezus het oogen-blik om stom te zijn, „gelijk een schaap voor het aangezicht zijner scheerders.quot; Zijn stilzwijgen verwonderde Pilatus, geljjk te voren de dienaars, die gezonden waren om Hom gevangen te nemen, met ontzag werden vervuld door zjjn spreken (Johannes ArIl; 45, 46). Jezus antwoordde niets, want Hij was daar als de Vertegenwoordiger zijns volks, en ofschoon Hij niet had gezondigd, waren zij toch schuldig aan alles, wat Hein valschelijk ten laste werd gelegd. Hij zou zich van iedere beschuldiging, die tegen Hem werd ingebracht, hebben kunnen zuiveren; maar dat zou dan de last der schuld gelaten hebben op hen, in wier plaats Hij was getreden. Daarom „antwoordde hij hquot;.m niet op een eenig woord.quot; Dat stilzwijgen was verheven.

15-18. En oj) het feest was de stadhouder gewoon den volke een\'\' gevangene los te laten, tvellcen zij wilden. En zij hadden toen een\' welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas. Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen; Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas of Jezus, die genaamd wordt Christ as? Weent hij wist, dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden.

Pilatus was werkelijk bogeerig om Christus uit do handen zijner wreede vijanden te verlossen; maar gelijk de meeste slechte menschen, was hij een groote lafaard, en zoo trachtte hij dan door eene listige kunstgreep zijn doel te bereiken. Hij wist, dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden; en hij kan hebben gehoopt, dat Jezus zóó bemind was onder het volk, dat oen beroep op do massa eene uitspraak ten gunste van Christus ten gevolge zou hebben, inzonderheid nu de keuze van hem, die losgelaten zou worden, lag tusschen „den Koning der Jodenquot; en een welbekend goddeloos en slecht man, Barabbas. Voorzeker zullen zij vragen, dat hun Koning in vrijheid zal worden gesteld! AVeinig wist Pilatus welk eene macht de overpriesters uitoefenden over het gepeupel, of hoe wispelturig do volksmenigte is, wier jubelend geroep van „Hosanna!quot; weldra over zou gaan in den rauwen kreet: „Weg niet hem! Kruis hem!quot;

19. En als hij op den rechterstoel zat, zon heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeggende-. Heb toch niet te doen met dien rechtvaardige; want ik heb heden reel geleden in den di oom om zijnentwil.

Hier was een onverwacht getuige voor de onschuld van Christus. Of de droom ran Pilatus1 huisvrouw eene


-ocr page 360-

JEZUS, PILATUS, BARAliliAS.

[Hoofdst. XXVII.

328

goddelijke openbaring van Christus\' heerlijkheid was of niet, dat kunnen wij niet zoggen; maar do boodschap, die zij den stadhouder zond, moet hem nog meer dan te voren hebben doen verlangen om Jezus los te laten.

20—22. Maar de overpriesfers en de ouderlingen hebben de scharen aangeraden, dat zij zouden Barahbas hegeeren, en Jezus dood en. En de stadhouder, antwoordende, zeide lot hen: Welken van deze twee trilt gij, dat ik u zal loslaten ? Kn zij zeiden: Barahbas. Pilatns zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat hem gekruisigd worden.

De teerling is geworpen, de keuze der scharen is gedaan; aan Barahbas wordt de voorkeur gegeven boven Jezus. Ue Ileere der heerlijkheid was door Judas verkocht voor een\' slavenpnjs, en thans valt aan een\' roover, een\' moordenaar en aanvoerder van rebellen grootcr gunst te beurt van hot volk dan aan den Vorst des levens. Werden er dan geene stemmen gehoord ten gunste van Christus? Was cr dan niemand onder die scharen, wier kranken H.j had genezen, wier honge-rigen Hij had verzadigd, die Hem op dien dag wilde gedenken, en die wilde vragen, dat Hij gespaard mocht worden? Neen, niemand. Er was niemand onder al die scharen, die in stilte medegevoel had met den Heiland, zij allen zeiden: „Laat hem gekruisigd worden.quot;

23. Doch de stadhouder zeide: Wat beeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat hem gekruisigd worden.

Een blinde, redelooze haat had zich meester gemaakt van het volk. Op den verwonderden uitroep van Pilatus : „ Wat heeft hij dan kwaads gedaan?quot; antwoordden zij niet, want Hij had niets verkeerds gedaan. Zij herhaalden slechts hun\' wreeden oisch; „Laat hem gekruisigd worden.quot;

Op geljjke wijze toont de wereld ook nog heden haren haat tegen Christus. Hij heeft geen kwaad gedaan, niemand heeft door Hem onrecht geleden ; allen vereonigon zich om Hem onschuldig te noemen, en toch wordt in practischen zin ook heden nog de kreet gehoord: „Weg met hem! kruis hem!\'

24, Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer, dat er oproer iverd, nam hij water en wiesch de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen-, gijlieden moogt toezien.

Ach! Pilatus, gij behoeft iets, dat krachtiger is dan water, om lui bloed van don rechtvaardige van uwe handen af te wasschen. Gij kunt door deze vertooning u niet van uwe verantwoordelijkheid ontdoen. Hij, die de macht heeft om een kwaad, een onrecht te beletten, is schuldig aan de daad, indien hij toelaat, dat anderen het plegen, al hoeft hij ook zelf dat onrecht niet werkelijk gepleegd.

Pilatus stemde in met al do andere getuigen in de verklaring, dat Jezus „rechtvaardigquot; was. Hij ging zelfs zoo ver van te verklaren: Ik vind geene schuld in hemquot; (Joh. XVIII: 38.)

25. En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed korne over ons en over onze kinderen!

Al het volk nam gewillig de schuld op zich van den moord, dio aan onzen


-ocr page 361-

Iloofdst. XXVII.] DE KONING BESPOT DOOR DE KUIJGSLIBDEN.

329

dierbaren Heero werd gepleegd: „Zijn bloed home over ons en onze kinderen. De schrikkelijke verwensching moet door velen herdacht zijn, toen de soldaten van Titus leeftijd noch sekse ontzagen, en de Joodsche hoofdstad een akker des bloeds was geworden. Die vloek, welke zij over zich zei ven hebben ingeroepen, rust nog heden ten dage op liet ongeloovige Israël, en vóór dat het den Messias aanneemt, dien het toen heeft verworpen, zal dit brandmerk op het voorhoofd dor verdwaasde natie blijven ingedrukt.

26. Toen liet hij hun Barabbas los, maar .lezxts gegeeseld hebbende, (/af hij hem over om gekruisigd te worden.

Do Romeinsche geeseling was een der schrikkelijkste straffen, waaraan iemand onderworpen kon worden, liet met roeden geslagen worden bij de Joden was, vergeleken bij de onmen-schelijke geeseling der keizerlijke lictoren, eene zachte kastijding; toch heeft de Heere haar om onzentwil verduurd. Dat waren de striemen, waardoor wij genezen zijn. (1 Petrus 11 : 24). Die geeseling was echter nog maar hot begin van liet ontzettend einde: Jezu^ gegeeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd, te u-orden. Wetende, dat Hij onschuldig was, heeft Pilatus Hem eerst gegeeseld en daarna aan de woede van zijne dweepzieke vijanden overgegeven.


HOOFDSTUK XXVII. 27—31. [I)e Koning\' bespot door de krijgslieden.]

27—30. Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over hem de gansche bende. En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem een?purperen mantel om, en eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op zijn hoofd, en eenen rietstok in zijne rechterhand; en vullende op hunne knieën voor hem, zeggende: „ Wees gegroet, gij Koning der Joden! En op hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd.

Bespotting is iets zeer pjjnljjks om te verduren; en do bespotting van onzen Heiland was daarenboven vermengd niet groote wreedheid. Deze Romeinsche soldaten waren menschen, voor wie bloedvergieten een vermaak was, en nu hun iemand oveigeleverd was, beschuldigd van zich zeiven koning te hebben willen maken, kunnen wij ons vcorstollon, wolk een voorwerp van belaching de zachtmoedige Jezus voor hen geweest moet zijn. Zij werden niet getroffen of geroeid door zijne zachtmoedigheid, noch dooide smartelijke uitdrukking van zijn gelaat; neen zij verzonnen allerlei hoon en smaad om over zijn hoofd uit te storten. Voorwaar! nooit heeft do wereld een wonderlijker toonecl aanschouwd, dan toen do Koning der koningen aldus door het laagste, gemeenste gepeupel bespot werd als iemand, die zich voor een\' monarch had uitgegeven en het niet was. De gansche bende der


-ocr page 362-

DE KOMXG OEKRUISIOD.

[rioofdst. XXVTT.

330

krijgslieden was over hem vergaderd, want zelden was or zoo iets vermakelijks te zien in het rechthuis. Jezus is Koning, en zoo moot lijj dan met een koninklijk gewaad bekleed zijn: ah zij hew ontkleed hadden, deden zij hem een mantel om, den een\' of\' anderen ouden scharlaken, of purperen soldatenrok. De Koning moet gekroond worden: eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op zijn hoofd. Hij moet den schepter voeren: een rietstok in zijne rechterhand. Er moet Hem hulde worden gebracht: vallende op hunne knieën voor hem. Wreedaards! Doch wnarsclujnlijk wisten zij niot beter.

O! waren wij maar half zoo vindingrijk om de eer onzes Konings te bevorderen, als deze soldaten waren om Hom te smaden! Laat ons dun Christus in werkelijkheid de hulde brengen die deze mannen Hem spottend en in schijn hebben gebracht. Laat ons

Hem kronen als Heere over allen en in oprechte trouw en aanhankelijkheid do knieën voor Hem buigen, en Hem begroeten als „Koning.quot;

81, En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem heen om te kruisigen.

Het was door Gods voorzienigheid aldus beschikt, dat Jezus zijne eigene klécderen aan had, toen Hij door de soldaten heengeleid werd om gekruisigd te worden, opdat niemand zou kunnen zeffgen, dat iemand anders voor don Zaligmaker in do plaats was gesteld. Terwijl zij Hem heen leidden, gekleed in dien welbekenden rok zonder naad, van boven af geheel geweven, konden allen, dio Hem zagen, zeggen: „Het is de Nazarener, dio daar naar de strafplaats geleid wordt; wij herkennen zijn kleed, zoowol als zijn persoon.quot;


H O O F D S ï UK XXVII. 32—38. [üe Koning g\'t-kruisigd.]

32. F.n uitgaande, vonden zij een\' man van Ci/réne, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij zijn kruis droeg.

Zij waren wellicht bevreesd, dat Christus van vermoeienis en uitputting zou sterven; on \'too dwongen zij Simon, dat hij zijn kruis droeg. Elk een der volgelingen van Christus zou hebben kunnen wenschen deze man van Cyrene to zijn; maar wij behoeven hein niot to benijden, want voor oen iegelijk onzer is er een kruis te dragen. O dat wij even gewillig waren om Christus\'

kruis te dragen, als Hij gewillig was om onze zonden te dragen op zijn kruis. Indien wij vervolging, smaad of bespotting om onzes Hoeren wil moeten lijden, of om des evangelies wil, zoo laat ons hot met blijmoedigheid verdragen. Gelijk er door den zwaardslag van een\' vorst ridders worden gemaakt, zoo zullen wij tot vorsten worden gemaakt in het koninkrijk van Christus, als Hij ons zijn kruis op de schouders legt.

33, 34. Kn gekomen zijnde tot de plaats, (jenaamd Golgotha, welke is ge-1 zegd HoefdscheC\'lplaats, gaven zij hem


-ocr page 363-

DE KONING GEKRUISIGD.

Hoofdsfc. XXVIL]

331

te drinken edik met yal gemengd-, en als hij dien gesmaakt had, •wilde hij niet drinken.

Golgotha was do plaats, waar do misdadigers gomoonlijk tor dood worden gebracht, en zij was buiten de stads poort gelegen. Er was eene bijzondere, symbolische reden, waarom Christus buiten de poort moest lijden, en zijne volgelingen worden vermaand om „tot hem uit te gaan buiten de legerplaats, zijne smaadheid dragende.quot; (Hebr. XIII: 11—13.)

Er werd den veroordeelden een\' verdoovenden drank toegediend, ten einde do zware pijniging der kruisiging eenigszins te verzachten. Maar onze Heere is gekomen om te lijden, en Hij wilde niets gebruiken, dat zijne geestvermogens ook maar in het minst kon aandoen. Hij heeft zijnen metgezellen in het lijden niet verboden te drinken van den edik met gal gemengd („ge-mirreden wijnquot;. Markus XV : 23), maar hij ivilde dien niet drinleen. Jezus heeft die teuge niet geweigerd wegens hare bitterheid, want Hij was bereid, om zelfs don ontzettenden droesem van den bitteren beker des toorns te drinken, die het deel was van zijn volk.

35. Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot ii-erpende-, opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hehhen mijne kleederen onder zich verdeeld, hl hehhen het lot over mijne kleeding geworpen.

Er is in dien korten volzin: „Zij kruisigden hemquot;, eene wereld van be-teekenis. Zij kruisigden Hom, hunne ijzeren nagelen door zijne gezegende handen en voeten drijvende. Hem vasthechtende aan liet kruis, en Hem oprichtende om te hangen aan eeno galg.

die voor boosdoeners was bestemd. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat de kruisiging voor onzen dierbaren Heere heeft beteekend, wat zij voor Hem geweest is, maar wol kunnen wij instemmen met Faber\'s bode: — „Heere Jezus, mochten wij weenon en beminnen, daar Gij voor ons gekruisigd zijt,quot;

Toen is vervuld geworden alles wat onze Heere voorzegd heeftin Hoofdstuk XX: 17—19, behalve zijne opstanding, waarvan de tijd nog niot daar was.

Do kleederen der misdadigers werden den scherprechters toebedeeld. De Romeinscho soldaten, dio Chriatus kruisigden, hadden er niet het minste denkbeeld van, dat zij do Schriften vervulden, toen zij zijne Ideederen verdeelden, het lot werpende; toch was deze hunne daad nauwkeurig voorspeld in Psalm XXII: 19. De rok zonder naad zou bedorven zijn, indien zij hem hadden gescheurd, en daarom hebben de soldaten gedobbeld om hel gewaad, terwijl zij de overige kleederen onzes Hoeren onder zich verdeelden. De dobbelsteenen waren schier bevlekt met het bloed van Christus, terwijl de dobbelaars onder de schaduw van zijn kruis hun spel speelden. Het spel is eene ondeugd, die het hart ontzettend verhardt! Hoedt u er voor in welken vorm hot ook zij! Geen kansspel behoort door Christenen te worden gespeeld, want het bloed van Christus schijnt ze allen bevlekt te hebben.

36. Kn zij, nederzittende, bewaarden hem aldaar.

Sommigen bleven daar om Hom nieuwsgierig aan te staren, sommigen om er zich van te vergewissen, dat Hij wezenlijk stierf; sommigen om hunne wreode oogen zich te doen verlustigen in zijn lijden. En er waren sommigen, dicht bij het kruis, die


-ocr page 364-

BE GEKRUISIGDE KONING BESPOT. [Hoofdst. XXVII.

332

weenden en treurden, terwijl hun oen zwaard door de ziel ging, daar zij den Zoon des menschen den doodstrijd zagen strijden, totdat Hij den geest had gegeven.

37. En zij stelden hoven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE \'KONING DER JODEN.

Welk eene wondervolle voorzienigheid is liet, die Pilatus\' pen bestuurd heeft! De vertegenwoordiger van den Romoinschon keizer was weinig geneigd om aan iemand, wie het ook zij, het koningschap toe te kennen; toch heeft hij opzettelijk en vastberaden geschreven : DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN, en niets kon hem er toe bewegen om, quot;wat hij go-schreven had, te veranderen. Zelfs aan het kruis is Christus tot Koning uitgeroepen in het priesterlijk Ho-breeuwsch, het classieke Qrieksch en het algemeen gesproken wordende Latijn, zoodat elk ecu van de menigten, dio daar stonden, het opschrift kon lozen.

Wanneer zullen do Joden Jezus ala hun\' Koning erkennen? Eens zullen zij het doen, ziende op Hem, dien zij hebben doorstoken. Wellicht zullen zij meer aan Christus gaan denken, als de Christenen eens meer denkon aan hen. Als onze hardheid van hart ten hunnen opzichte geweken is, dan zal mogelijk ook hunne hardheid van hart ten opzichte van Christus verdwijnen.

38. Toen teerden niet hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linkerzijde.

Als om aan te toonon, dat zij Christus als den ergsten der drie misdadigers beschouwden, plaatsten zij Hem tus-schen de twee moordenaren. Hem de plaats dor oneer, der schande gevende. Aldus is de profetie vervuld geworden; „Hij is met de overtreders getold geweest.quot; Do twoe boosdoeners hadden don dood verdiend, gelijk door één hunner ook werd erkend (Lukas XXIII: 40, 41); maar oen grootero last van schuld rustte op Christus, want „Hij heeft veler zonden gedragen,quot; en daarom was Hij mot recht aangeduid als de Koning der lijders, die wol in waarheid vragen kon: „Is er ooit eene smart geweest gelijk mijne smart?quot;


HOOFDSTUK XXVII. 30—49. [De ft-ekruisistle Koiiiiii!; bespot.]

39, 40. En die voorhij gin gen lasterden hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: Gij, die den tempel af-hreeld, en in drie dagen ophotnet! verlos n zeiven. Indien gij de Zone Gods zijt, zoo kom af van het kruis.

Niets kwelt iemand, die pijn en smart verduurt, meer dan spotternij. Toon Jezus Christus hot meest woorden van medelijden en vriendelijke blikken behoefde, hebben zij, die voorbijgingen, hem gelasterd, schuddende hunne hoofden. Wellicht is het pijnlijkste deel van bespotting dat deel, hetwelk iemands plochtigsto woorden der verachting prijs


-ocr page 365-

HE GEKRUISTODE KOXINft BKSPOT.

ITooWst. XXVIT.1

gcoft, gelijk dit gescliioddo met onzes lleorou woorden omtrent den tempel zijns lichaams : „(?/)\', die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt \\ verlos u zeiven.\'\' Hjj zou zich zeiven hebben kunnen verlossen; Hij zou af hebben kunnen komen van het kruis; maar indien Hij dit gedaan had, dan zouden wij nooit kinderen Gods hebben kunnen worden. Omdat Hij de Zone Gods was, is Hij niet afgekomen van het kruis, maar hing Hjj daar, totdat Hjj het zondoffer ter verzoening van de zonde zjjns volks had volbracht. Het kruis van Christus is de Jakobs ladder, waar langs wij opklimmen tot den hemel.

Dit is de kreet van de hedendaag-sche Socinianen: „Kom af van het kruis. Geef op het zoenoffer, dan zullen wij Christenen wezen.quot; Velen zjjn gewillig om in Christus te gelooven, maar niet in Christus gekruisigd. Zij erkennen, dat Hij een deugdzaam man was en een groot leoraar ; maar door zjjn plaatsbekleedend lijden te verwerpen ontchristussen zij den Christus, doen zij den Christus te niet, evengoed als do spotters op Golgotha dit gedaan hebben.

41—43. En desgelijks ook de over-priesters met de schriftgeleerden, en ouderlingen, en farizeën, hem bespottende, zeiden: Anderen heeft hij verlost, hij kan zich zeiven niet verlossen. Indien hij de Koning Israels is, dat hij nu aflcome van het kruis, en irij zullen hem gelooven. Hij heeft op God betrouwd: dat Hij hem nu verlosse, indien Hij hem wel wil! ivant hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.

Hunne hooge positie en hun\' rang vergetende, hebben de overpriesters met de schriftgeleerden en ouderlingen zich bij het grauw gevoegd, om Jezus nog in zijnen kaatsten doodstrijd te bespotten. Ieder woord hnd kracht en nadruk; elke lettergreep was een dolksteek in in hot hart onzes Hoeren. Zij bespotten Hem als Zaligmaker, als Verlosser: „Anderen heeft hij verlost, hij kan zich zeiven niet verlossen.quot; Zij bespotten Hem als Koning: „Indien hij de Koning Israels is, dat hij nu afkome van het kruis, en wij zullen hem gelooven.quot; Zij bespotten Hom als goloovige : „Hij heeft op God betrouwd, dat Hij hem nu verlosse, indien Hij hem wel wil.quot; Zij bespotten Hom als Zone Gods: „ \\ \\ranf hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.quot; Zij, die zeggen, dat Christus oen deugdzaam mensch was, erkennen hiermede zijne Godheid, want Hjj maakte er aanspraak op de Zone Gods te zijn. Indien Hjj niet was, wat Hij voorgaf to zjjn, dan was Hij oen bedrieger. Merk op hot getuigenis, dat Christus\' bitterste vijanden Hem gaven, zelfs toen zjj Hom aldus mot smaad overlaadden: „Andoren heeft hij verlost;quot; „Hjj is do Koning Israels\'\' 1); „Hjj hooft op God betrouwd.quot;

44. En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met hem gekruisigd waren.

Do deelgenooten in zjjno ellende, de verworpelingen, dio met Hom gekruisigd waren, stemden in met het smaden en bespotten van Jezus. Niets ontbrak or om zijn\' Ijjdensbeker ten boorde toe te vullen. De bokooring van den boot-vaardigen moordenaar was des te merkwaardiger, daar hij zoo kort te voren had medegedaan met hen, die zijn\' Zaligmaker bespotten. Welk eono tropee van Gods genade is deze mensch geworden!

45. En van de zesde ure aan werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe.

I; Na,ir dc liorziono Kngolsclio overzetting.


-ocr page 366-

1)10 ÖEltRUlSlöDE KONINO «ESPOT.

jiïoofdst. XXVI1.

Sommigen liebbon godaulit, dat deze duisternis het gansch heelal bedekte, zoodat een Heiden uitriep: „of de wereld is op het punt van te vergaan, of de God, die de wereld gemaakt heeft, verkeert in doodsbenauwdheid.quot; Deze duisternis was bovennatuurlijk; het was geen eclips. De zon kon haren Maker niet langer aanzien, terwijl Hij omringd was door hen, die Hem bespotten. Zij bedekte zich het gelaat, en reisde voort, gehuld in een\' tien-voudigen nacht, wijl zij zich schaamde, dat de groote Zon dor Gerechtigheid door zoo schrikkelijke duisternis omgeven was.

46. En omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stem, zeggende-. Eli, Eli, lama sabacidani! dat is: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten!

Om het offer van Christus volkomen te maken, heeft he.t den Vader behaagd zijn\' geliefdon Zoon te verlaten. De zonde werd op Christus gelegd, en daarom moest God zijn aangezicht van don Zonde-drager afwenden. Van zijn\' God verlaten to zijn, dat was het toppunt van Christus\' smart, dat was de quiutessens, do kern van zijn Ijjdon. Zio hier het onderscheid tusschen de martelaren en hun\' lleere; in hun\' stervensnood, zijn zjj door God ondersteund geworden, maar Jezus, lijdende als de Plaatsvervanger der zondaren, werd door God verlaten. Die heiligen, die geweten hebben wat het is, dat — zij het ook slechts voor eene korte wijle — het aangezicht huns Vaders voor hen verborgen was, kunnen zich nauwelijks het Ijjdon voorstellen, hetwelk aan den stervenden Heiland den kreet ontwrong: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten!quot;

47. En sommigen van die daar stonden, zulks hoorende, zeiden: Deze roe/it Elias.

Zij wisten wel beter, maar des Hei-lands bede was hun een onderwerp van scherts. Doosaardighjk, moedwillig en smadelijk hebben zjj zijn\' stervenskreet belachelijk gemaakt.

48, 49. En terstond een van hen, tocloopende, nam eene spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op eeti riet stok, en gaf hem te drinken. Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om hem te verlossen.

Iemand, die in een\' toestand van zulke doodsbenauwdheid en ondragelijke pijn verkeerde, als waarin Jezus zich toen bevond, zou van velerlei smarten hebben kunnen spreken, die hij verduurde, maar het was noodig, dat Hij zeggen zou: „Mij dorstquot;,opdat wederom een Schriftwoord zou worden vervuld. Een van hen, meedoogender dan zijne metgezellen, toeloopende, nam eene spons, en die gevuld hebbende met edik, wolken hij waarschijnlijk nam uit hot vat, dat de soldaten voor hun eigen gebruik hadden medegenomen, stak ze op een\'\' rietstok, en gaf hem te drinken. Hot is mij altijd merkwaardig voorgekomen, dat de spons, die de laagste, de minst ontwikkelde vorm is van dierlijk loven, in aanrakir.g werd gebracht mot Christus, die van alle loven het Hoofd is. Jn zijn\' dood was de geheelo cirkel der schopping voltooid. Gelijk de spons aan do lippen des stervenden Heilands verkwikking heeft gebracht, zoo kunnen do minsten van hen, die Gode loven, er toe bijdragen om Hem te verkwikken, nu Hjj van het kruis verhoogd werd tot den troon.


-ocr page 367-

Koot\'dst. XXV11.

335

ItET IS VOt.HRACHT.

11 O O F 1) S T U K XXV 1 L 50—54. [II e t is v o 11» r U c h t.]

50. I\'m Jezus, wederom met eene (jroote stem roepende, (jaf den ijeeat.

Christus\' kracht was niet uitgeput; zjjno laatste woorden worden met eene cjroote stem uitgesproken, liet was de luide juichkreet van oen overwinnend krijgsman. En wolk een woord was het! „liet is volbrachtquot;! Duizenden van predikatiën zijn over dien kleinen volzin gehouden; maar wie zal ons de gansehe boteckenis verklaren, die er als in saamgedrongen is? Met is eene soort van oneindige uitdrukking, die in breedte en diepte, in lengte on hoogte volstrekt onmeetbaar is. Christus\' leven nu volbracht, vervuld en vervolledigd zijnde, gaf Hij den (/eed, gewillig stervende, zijn leven afleggende, gelijk Hjj gezegd had dit te zullen doen: „Ik stel mijn leven voor de schapen — Ik log het van mij zelven af. Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen.quot;

51—53. En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot bsneden, en de aarde beefde., en de steenrotsen scheurden; en de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen,die ontslapen waren,werden opgewekt] en uit de graven uitgegaan zijnde, na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.

Christus\' dood was het einde van het Judaïsme: Het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van hoven tot beneden. Als gruwende van den heiligscheiinenden moord, gepleegd aan zijn\' Jleerc, scheurde de tempel zijne kleederen, gelijk iemand, die vervuld is van afgrijzen voor eene ontzettende, ongehoorde misdaad, liet lichaam van Christus gescheurd zijnde, werd ook do voorhang des tempels gescheurd van boven tot beneden. Nu was er dan, door het bloed van Jezus, oen\' ingang tot hot Heilige dor heiligen geopend, een\' weg van toegang tot God voor iederen zondaar, die op Christus zoon-offer betrouwt.

Lot op de wonderen, die den dood van Christus vergezelden en volgden: De (Uirde beefde, en de steenrotsen scheurden-, en de graven werden geopend. Aldus hoeft de stoffel ij ko wereld hulde gebracht aan Hem, die door do men-schen was verworpen. De stuiptrekkingen der natuur voorspelden, wat er geschieden zal, als de stem van Christus wederom de aarde zal doen beven, en niet «illoen do aarde, maar ook den hemel.

Deze eerste wondoren, gewrocht in verband met den dood van Christus waren typen van de geestelijke wondoren, die, totdat Hij wederkomt, voortdurend gewrocht zullen worden, ■— rotsachtige harten worden gescheurd, graven van zonde worden geopend, zij, dio dood waren in misdaden en zonden^ en begraven in grafsteden van booze lusten en van kwaad, worden levend gemaakt, komen uit van do dooden, on gaan in de Heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem.

54. Kn de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, deze was Gods Zoon!


-ocr page 368-

DES KONINGS GETROUWE DIENAREN.

[Hoofdst. XXVIL

336

Doze Romeinsclie soldaten hadden nooit te voren zulke dingen zien gebeuren in verband met eeno tereclit-stelling, en zij konden ten opzichte van den doorluchtige Gevangene, dien zij tor dood hadden gebracht, slechts tot ééne gevolgtrekking komen : „ Waarlijk, deze was Gods Zoon!\'\' liet was vreemd, dat deze mannon erkenden en beleden, wat do ovorpriostors en schriftgeleerden en ouderlingen loochenden Maar ook later is hot dikwijls geschied, dat de meest verdorvouen en diepstgezonkenen Jezus als don Zone Gods hebben erkend, terwijl hunne godsdienstige leiders zijne Godheid hebben geloochend.


HOOFDSTUK XX VII. 55—61. [Des Konin^s getrouwe dienaren.]

55, 56. Kn aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die .Jezus cje-vohjd waren van Galiléa, om hem te dienen. Onder dewelke was Maria Mag-daléna, en Maria, de moeder van .Jakohm en .loses, en de moeder der zonen van Zehedéiis.

Wij vinden nergens melding gemaakt van eone hardheid of\' onvriendelijkheid, die onzen Heere door eenigo vrouw werd aangedaan, schoon ons wel veel verhaald wordt van den lief-devollen dienst, die Hom in verschillende tijdperken van zijn leven door vrouwen werd bewezen. Daarom was het gepast, dat zelfs op Calvarië vele vrouwen van verre aanschouwden. Hot gepeupel en do ruwe soldaten wildon deze bedeesde, doch kloekmoedige zielen niet toelaten naderbij te komen; maar in Johannes XIX: 25 zien wij, dat sommigen van haar zich toch een\' weg hadden gebaand door do menigte, totdat zij „bjj hot kruis van .lezus stonden.quot; De liefde is tot alles in staat.

57, 58. En als het avond geworden teas, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die oolc zelf een discipel van Jezus was. Deze kwam tot Pilatus, en hegeerde het lichaam van Jezus. Toen he val Filatus, dat hem het lichaam gegeven zon worden.

Deze rijke man van Arimathéa, met name Jozef, een lid van het Joodsche Sanhedrim, was een discipel van Jezus, „maar bedekt om de vreeze der Joden\'1 (Johannes XIX: 38); doch toen zijn Heere nu werkelijk gestorven was, werd zijn hart door oeno buitengewone kloekmoedigheid vervuld en gesterkt, en daarom kwam hij vrijmoedig tot Pilatus en hegeerde het lichaam van Jezus. Jozef en Nicodemus zijn typen van velen, die door het kruis van Christus vrijmoedigheid hebben erlangd om te doen, wat zij zonder dien machtigen magneet, nooit zouden gewaagd hebben. Als de nacht komt, dan verschijnen de sterren; en zoo hebben in den nacht van Christus\' dood deze twee schitterende sterren een\' heerlijken, kostelijken glans verspreid. Sommige bloemen bloeien slechts in den nacht: zulk een bloesem nu was de moed vau Jozef en van Nicodemus.


-ocr page 369-

Iloof\'dst. XXVIL] DE KONINGS GRAF BEWAAKT.

337

59, GO. En Jozef, het lichamn nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad; en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uit-gehouwen had] en eenquot;1 grooien steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.

Zelfs in hei graf moet onze Koning het beste van het beste hebben. Zijn lichaam werd in een zuiver fijn lijnwaad gewonden en in Jozefs nieuw graf geleid, aldus vervullende de profetie van Jcsaja LUI: 9. Sommigen zien in deze linnen lijkwade eene toe-toespeling op de kleederen, waarmede de priesters gekleed moesten zijn,

Jozefs graf was nieuw, ongebruikt; tot op dien dag was er nog nooit iemand in begraven, zoodat niemand, toon Jezus opstond, zeggen kon, dat een ander in zijne plaats uit het graf was gekomen.

Deze in de rots uitgehouwen cel in den hof heiligde ieder deel van den Godsakker, waarin de heiligen begraven liggen. In stede van gelijk sommigen te verlangen om te blijven leven totdat Christus komt, moesten wij veeleer bidden om gemeenschap te mogen hebben met Jezus ia zijn\'dood en zijne begrafenis.

61. En aldaar was Maria Magda-léna, en de andere Maria, zittende tegenover het graf.

In deze twee Maria\'s, zittende tegenover het graf zien wij de typen van liefde en geloof. Zij zullen delaatston wezen, die de rustplaats baars Heeren verlaten, en, zoodra de Sabbat voorbij is, ook do eersten om er weder te keeren.

Kunnen wij Christus blijven aanhangen, als zijne zaak dood en begraven schijnt? Als de waarheid struikelt op de straat, ja zelfs begraven is in het graf der twijfelzucht of des bijgeloofs, kunnen wij er dan nog in gelooven, en hare opstanding verwachten. Dat is hot, wat sommigen van ons heden doen. O Heerc, laat ons getrouw blijven!


IIO O F D STUK XXVII. G2—GO. [Des Konings graf bewaakt.]

C2—64. Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeën tot Pilatus, zeggende-. Heer! wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal ik opstaan. Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de dooden: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste.

Deze zoo overdreven nauwgezette overpriesters en farizeën, die zoo strikt waren in het houden van den sabbat, vonden er niets verkeerds in om den rustdag te ontheiligen door eene raadsvergadering met den Romeinschen stadhouder. Zij wisten datChristus dood en begraven was; maar toch vreesden zij nog zijne macht. Zjj noemden Hem een „verleider\'\'1, en zelfs gaven zjj voor „indachtigquot; te zijn, wat Hij nog levende, gezegd heeft. ISij zijn gerechtelijk verhoor gaven hunne valsche getuigen eene


22

-ocr page 370-

jlloofdst. XXVIIT.

B38

MET LEDIOE Gil AF.

andere boteekeiiis aan zijne woorden, ofschoon zij volkomen goed wisten, dat Hij sprak van zijne opstanding, en niet van den tempel op den Berg Zion. Thans zijn zij bevreesd, dat Hij, zelfs in het graf, hunne plannen ter zjjner vernietiging nog zal doen mislukken. Zij moeten geweten hebben, dat de discipelen van Jezus Hem niet zouden delen en niet tot het volk zouden zeggen: Hij is opgestaan van de (loode)i,\\ en zoo hebben zij dan waarschijnlijk gevreesd, dat Hij inderdaad zou opstaan uit het graf. Hetgeen er nog van hun geweten in hen overgebleven was, maakte hen tot groote lafaards, daarom verzochten zij Pilatus te doen wat hij kou om de opstanding van hun slachtoffer te beletten.

65, 60. En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt eenu wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat. En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.

De overpriesters en farizeën verlangden, dat Pilatus het gra f zou verzekeren, maar hij liet dit aan hen zeiven over. Er is eene soort van norsche ironie in het antwoord des stadhouders: Gij hebt eene wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat.quot; Hetzij hij dit nu bedoelde als eene beschimping of als een bevel om het graf te verzekeren, zij werden onbewust getuigen, dat Christus\' opstanding een bovennatuurlijk feit was. Men kon het graf in do rots niet anders binnen gaan, dan door den steen af te wentelen, en hiertegen hebben zij zich verzekerd door den steen te verzegelen en eene wacht hij het graf te stellen.

Volgens do ongerijmde leer der lla-bijnen was het uitwrijven van korenaren eene soort van dorschen, en bijgevolg ongeoorloofd op den sabbat. Hier doen deze menschen echter een werk, dat, naar eene zelfde wijze van redeneeren, soldeoren, of smeden zou kunnen genoemd worden. Daarbij riepen zij nog eene wacht van llomoinsche soldaten om hen te helpen den sabbat te schenden. Zonder dit te bedoelen, eerden zij den slapenden Koning, toen zij de vertegenwoordigers van den Romeinschen keizer als wachten aanstelden bij zijne rustplaats tot aan den derden morgen, toen Hij als Overwinnaar van zonde en dood uit het graf te voorschijn kwam. Wederom heeft alzoo de grimmigheid des menschen moeten dienen om Hem, den Koning der eere, loffelijk te maken, en het overblijfsel dier grimmigheid was opgebonden.1)

1) Zie Psalm 7G : 11.


HOOFDSTUK XXVIII. 1—7. [Het ledige graf.]

1. En laat na den sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdaléna, en de andere Maria, om het graf te bezien.

Zoo lang de Joodsche sabbat duurde, hebben zij er den betamelijken eerbied voor betoond. Zij zijn zelfs niet naar hef graf gegaan, om er den vriendeljjken


-ocr page 371-

Hoofdst. XXVIII.]

339

HET LEDIGE GRAF.

dienst der balseming te vemehten. Maar toen de oude sabbat als wegstierf, en de nieuwe en betere sabbat begon te lichten, hebben deze heilige vrouwen zich op weg begeven naar het graf haars Heeren. De vrouw moet de eerste wezen aan het graf, gelijk zij de laatste is geweest aan het kruis. Wol kunnen wij vergeten, dat zij de eerste is geveest in de overtreding, want de eer, waarmede zij door Christus bekleed werd, heeft dien smaad van haar weggenomen. En wie anders dan Maria Magdaléna zal nu de eerste zijn aan het graf? Christus had zeven duivelen van haar uitgeworpen, en thans handelt zij, alsof Iljj zeven engelen in haar had gezonden. Zij had zooveel genade ontvangen, dat zij vol was van liefde voor haren Heere.

2. En ziet, er geschiedde eene groote aardbeving: want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven.

De dood werd omhoog geheven, en al de grendelen van het graf raakten los. Toen de Koning uit den slaap des doods ontwaakte, schudde Iljj de wereld. Het slaapvertrek, waarin Hij voor eene wijle had gerust, trilde, toen de hemelsche Held van zijn leger opstond; Ziet, er geschiedde eene groote aardbeving. Ook was de Koning bij zijne opstanding niet onverzeld: want de engel des Heeren daalde neder uit den hemel 1). Het was niet bloot één van het heir der engelen, maar een der machtige engelen, die altijd in de tegenwoordigheid des Heeren zijn: „de engel des Heerenquot;, die op dien opstandingsmorgen was gekomen om Hem te dienen. Jezus was in den kerker

}) Naar (}e Engelschc overzetting.

des grafs gelegd als gijzelaar voor zijn volk; en daarom moet Hij de kerkerdeuren niet zelf verbreken, maar moet een engel komen als beambte, met de order om Hem te verlossen, en den gevangene in vrijheid te stellen. Toen de engel den steen van de deur had afgewenteld, zat hij op denzelven, als om de aarde en de hel te tarten, om ooit dien steen weder op zijne plaats te wentelen. Die groote steen schijnt de zonde te vertegenwoordigen van al het volk van Christus, welke Hem in den kerker had opgesloten, en nooit kan hij wederom op den mond des grafs van eenig kind van God gelegd worden-Christus is opgestaan, en ook alle de zijnen moeten opstaan uit het graf.

3, 4. En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk sneeuw. En uit vrees van hem zijnde wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dood en.

Er was heel veel noodig, om Eomein-sche soldaten te doen ontstellen, zjj waren gehard tegen allerlei vrees en verschrikking, maar de schitterende gedaante en de sneeuwwitte kleeding van den engel heeft hen als verlamd van schrik, totdat zjj in zwijm vielen, en werden als dooden. De engel schijnt geen vlammend zwaard te hebben getrokken, ja zelfs niet tot de wachters te hebben gesproken; maar de tegenwoordigheid van volmaakte reinheid heeft deze ruwe krijgsknechten in ontzag gehouden. Door welk een\' schrik zullende goddeloozen worden bevangen, als al de engelenheiren op den laatsten groeten dag zullen nederdalen om den troon van den regeerenden Christus\' te omringen!

5. Maar de engel antwoordende, zeide tot de vrouwen; Vreest gijlieden


-ocr page 372-

[Hoofdst. XXVITI.

340

DE VERREZEN KONING.

niet: ivant ik weet, dat gij zocht Jezus, die gehruisijd was.

Laten de krjjgsknccliton beven, laten zij, door schrik overmand, als dood ter aarde liggen, maar, „ Vreest gijlieden niet: tvant ik wset, dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was.quot; Zij, die Jezus zoeken, behoeven niet te vreezen. Deze vrouwen vergisten zich, toon zij den levende gingen zoeken onder do dooden, toeli is haar zoeken geëindigd in vinden. Ofschoon de engel haar zcide: „Vreest gijlieden nietquot;, hebben zij toch gevreesd. Jezus alleen kan de vrees van hot sidderend hart wegnemen.

(i, 7. Hij is hier niet-, want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. En gaat haastelijk heen, en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden\', en ziet, hij gaal n voor naar Galiléa, daar zult gij hem zien. Ziet, ik heb het tdieden gezegd.

Jezus houdt immer zijn woord: „Hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft.\'\'\'\' Hij heeft gezegd, dat Hij zou opstaan van do dooden, en Hij heeft hot gedaan; Hij zegt, dat ook zijn volk zal opstaan, en het zal geschieden. „Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. Kn gaat haastelijk heen.quot; üe engel wilde de vrouwen niet lang in het graf laten zien, want er was werk voor haar te verrichten. Wij kunnen in deze wereld al onzen tijd niet doorbrengen in beschouwing, of bespiegeling, hoe hemelsch eene bezigheid dit ook zij. Let op de woorden des engels: eerst „Zietquot;, en dan „Gaat heen.quot; Verzekert u zei ven van het feit, en gaat dan hoen, om het anderen bekend te maken. Deelt mede, wat gij weet, en doet het „haastelijk.quot; Laat uwe voeten snel zijn. Zulk eene blijde boodschap, als gij hebt te verkondigen, behoort niet lang onder weg te blijven, „dewijl de zaak des Konings haastig was.quot;

„Zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden-, en ziet, hij gaal u voor naar Galiléa, daar zult gij hem zien.quot; Matthéüs schreef HET EVANGELIE DES KONINKRIJKS, maar or is in zijn geschrift zeer veel over de verachte landstreek, genaamd „Galiléa der Heidenenquot;, het grensland, hetwelk ons evenzeer aangaat als het verkoren zaad van Abraham. Daar, in Galiléa, is do plaats, waar Jezus de eerste algemeene vergadering zijner kerk zal houden na zijne opstanding-


HOOFD STUK XXVIII. 8—10. [üe verrezen Roiiiiig\'.]

8. h\'n haastelijk uitgaande van het graf, met vreeze en groote blijdschap, liepen zij henen, om hetzelve zijnen discipelen te boodschappen.

Eene vreemde vermenging: vreeze en groote blijdschap, diep ontzag en innig genot, twijfel en geloof; maar de blijdschap was grooter dan de vreeze. Het was niet blijdschap en groote vreeze, maar „vreeze en groote blijdschap.quot; Hebben wij die vermenging


-ocr page 373-

IjEUGEN k\\ omkooperij.

Hoofdst. XXVI11.1

nooit gokencl — droppelen van smart, als regenbuien in April, met vrede en blijdschap,gelijk zonlicht van den hemel, waaruit een heerlijke, schitterende regenboog ontstaat, die ons Gods verbond van vrede indachtig maakt? Eene heilige vreeze, vermengd mot groote blijdschap is een dor liefelijkste meng-selcn, die wij op Gods altaar kunnen brengen; zoodanig waren de specerijen, welke deze heilige vrouwen van Christus\' graf medenamen. Vreeze en blijdschap zullen haar als vleugelen aan de voeten geven, zoodat zij henen Hepen om hetzelve zijnen discipelen te hood-schappen. Elk dezer gemoedsbewegingen kan snelheid verleenen aan de voeten, maar als „vreeze en groote blijdschapquot; te zamen vereenigd zijn, dan is heen loopen, dat is zeer snel loopen, do eenige beweging, die in overeenstemming is met hetgeen er in het hart van den bode omgaat.

9, 10. En als zij heenyinyoi, om zijnen discipelen te boodschappen^ ziet, Jezus is haar ontmoet,zeggende: Weest gegroet ! lin zij, tot hem komende aanbaden hem. Toen zeide Jezus tot haar : Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnen broederen, dat zij heengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij mij zien.

Als de heiligen snel loopen op den weg der gehoorzaamheid, dan is het zeer waarschijnlijk, dat Jezus hen zal ontmoeten. Sommige Christenen reizen zoo langzaam naar den hemel, dat zij door dwaasheid en zonde, door

IIO O F D S ï U K [Léu^en en

11. En als zij heengingen, ziet, eeni-gen van de wacht kwamen in de stad, sluimering of door Satan worden achterhaald; maar hij, die Christus\' snel-loopende dienstknecht is, zal, terwijl hij zich honen spoedt op den weg, zijn\' Meester ontmoeten.

En zij tot hem h,mende, grepen zijne voeten en aanbaden hem. Deze heilige vrouwen waren geone unitariërs 1). Wetende, dat Jezus de Zoon van God was, aarzelden zij niet Hem te aanbidden. Er moet in Christus, nadat Hij van do dooden was opgestaan, eene nieuwe aantrekkelijkheid zijn geweest, iets liefelijkers in den toon zijner stem, iets bekoorlijk era in zijn gelaat, dat in Gethsémané en Gab-batha, en op Golgotha zoo „verdorvenquot; was geweest. Wellicht hebben deze ontroerde vrouwen Hom vastgegrepen uit vrees, dat Hij haar wederom ontnomen zou worden, en daarom „grepen zij zijne voeten, en aanbaden Homquot;, terwijl in haar binnenste vrees en geloof om den voorrang streden. Jezus bemerkte do ontroering, het onstuimig kloppen van hot hart dezer arme vrouwen, en zoo herhaalde Hij do boodschap dos engels: „\\rreest nietquot;. Hij bevestigde ook hot bericht dos engels omtrent „Galiléa\'quot;, alleen sprak Hij van zijne discipelen als van zijne „broederen.\'quot; Als Christus\' dienstknechten, zjj mogen engelen zijn of menschon, spreken, wat Hij hun bevolen heeft, dan zal Hij hunne woorden en gezegden gestand doen, zo voor zijne rekening nemen.

1) Belijders vun óón persoon in de Godheid, en niet drio.

XXVIII. 11—15.

omkooperij.]

en boodschapten den overpriesters al de dingen, die geschied waren.


-ocr page 374-

[Hoofdst. XXVIII.

342

LEUGEN EX OMKOOPERIJ.

Terwijl godvruchtigemenschen werk- | zaam waren, zaten do ongodvruchtigen : niet stil, ook zij waren werkzaam. Eenujen van de irachf, bekomen zijnde ! van hun\' schrik, kwamen in de stad \\ om de treffende, verbazingwekkende ! dingen, die zjj aanschouwd hadden, bekend te maken. Jlet is opmerkelijk, dat zij niet gingen naar Pilatus; zjj waren ter beschikking gesteld van de om-priesters, en terwijl dus eenigen van de soldaten op wacht bloven bij ; het graf, gingen anderen van lien naar hunne kerkelijke lastgevers, en hood- \\ schopten den overpriesters al de din- \\ (jen, die geschied tvaren, voor zoover j de bijzonderheden er van hun bekend waren. Het was een zeer verontrustend verhaal, waarmede zij aankwamen, een verhaal, dat nieuwe ontsteltenis bracht in hot hart der overpriesters, en tot verdere zonde bjj hen leidde.

12—15. En zij veniaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende gaven zij den krijgsknechten reel gelds, en zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben hem gestolen, als wij sliepen. En indien zulhs komt gehoord te worden van den stadhouder, tv ij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt. En zij, het geld genomen hebbende, deden gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huldigen dag.

Voor geld was Christus verraden, cn voor geld was do waarheid betreffende zjjno opstanding, zoo veel dit mogelijk was, teruggehouden. Zij gaven den krijgsknechten veel gelds. Geld heeft op sommigen van do uitnemendste dienstknechten Gods een\' verhardenden invloed gehad, en allen, die hot vuil gewin moeten aanraken, hebben er grootelijks behoefte aan om te bidden, dat die aanraking geene schade moge toebrengen aan hunne ziel.

De leugen, die den soldaten in den mond werd gegeven, was zóu doorzichtig, dat niemand er door bedrogen had moeten worden: „Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben hem gestolen, als ivij sliepen. Een Romeinsch krijgsknecht zou liever zelfmoord gepleegd hebben, dan te bekennen dat hij op wacht zijnde, had geslapen. Indien zij geslapen hadden, hoe wisten zjj dan, wat er geschied was? De overpriesters en ouderlingen waren niet bevreesd, dat Pilatus hunne leugen zou vernemen, of, indien hij er van hoorde, dan wisten zij wel, dat gouden argumenten evenveel vermochten bij hetn als bij de gemeene soldaten; „ Indien dit komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, cn maken dat gij zonder zorge zijt.

De soldaten handelden gelijk vele menschen, van hun\' tijd af tot nu toe, gehandeld hebben: Zij namen het geld, en deden gelijk zij geleerd } waren.

„quot;VVnt maakt cenc loerstelling lieldev en

[klaar?

Vijf honderd pond sterling, ongeveer, in

[het jaar\'\',

is eene oude rijmspreuk, die ook heden dikwijls te pas kan gebracht worden.

Hoeveel godsdienstige leering is er niet, die verklaard kan worden door het feit „zij namen hot geldquot;! Er zijn veleni dio hoog opgeven van hunne godsvrucht, en eene zeer schoone belijdenis afleggen, maar die belijdenis spoedig zouden opgeven, indien zij hun geen voordeel aanbracht. Mocht niemand onzer ooit geleid worden door i overwegingen van winst of verlies in


-ocr page 375-

DES KONINGS LAATSTE liHYEL.

Hoofdst. XXVIII.

343

zaken dor leer, of ten opzichte van plichtsbetrachting, of van hetgeen recht of onrecht is!

En dit woord is verbreid geworden hij de Joden lot op den hnidigen day. De leugen, die zelfs geen schijn van grond heeft, leefde voort tot Matthéüs zijn evangelie schreef, en nog lang daarna. Niets looft zoo lang als eene leugen, bel alve de waarheid. Wij kunnen noch de leugen noch do waarheid dooden, zoo laten wij ons er dan voor wachten om ooit eene leugen op hare verschrikkelijke loopbaan uit te zenden.

Laat ons nooit aau een kind ook maar do minste dwaling loeren, want ook dio dwaling kan voortleven en ocne groote ketterij worden lang nadat wij gestorven zjjn.

De hodendaagsche wijsbegeerte, die men gebruikt om eene smet te werpen op de groote waarheden dor openbaring, is niet meer geloofwaardig dan deze leugen, die den soldaten in den mond word gelegd. Toch wordt zij algemeen verbreid, en in zekere kringen hecht men er groote waarde aan.


HOOFDS T UK XXVI11. 1G—20. [Des Kouinu\'s hmtste bevel.]

10, 17. En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, vaar den berg waar Jezus hen bescheiden had. l/n als zij hem zagen, baden zij hem aan-, doch som m igen tw ij fel den.

Let op deze woorden: de elf discipelen. Er waren er twaalf: maar Judas, een der twaalven, was naar zijne eigene plaats gegaan, en Petrus, die zijn\' Ileere had verloochend, was in zijn\' rang hersteld onder de apostelen. De elven zijn heengegaan naar Galiléa, naar de plaats der bijeenkomst, dio door hun\' Ileere was aangewezen: naar den berg, waar Jezus hen bescheiden had. Jezus houdt altijd zjjno afspraken, en zoo ontmoette Hij dan het gezelschap, dat op de aangewezen plok bjjeen was gekomen: en als zij hem zagen baden zij hem aan. Hun\' Heere ziende, begonnen zij Hom te aanbidden, en Hem goddelijke eer te bewijzen, want voor hen was Hij God: doch sommigen twijfelden. Waar zal do hoer Twijfelaar met do overige leden van zijn geslacht niet gevonden worden? Nooit kunnen wij verwachten, om geheel van twijfelaars ontslagen te zijn in de kerk, daar zelfs in de tegenwoordigheid van den pas verrezen Christus „sommigen twijfelden.quot; Toch heelt do Heere zich aan het vergaderd gezelschap geopenbaard, ofschoon Hij wist, dat sommigen onder hen er aan zouden twijfelen, of Hjj wel waarljjk hun Heere was, die van de dooden was opgestaan.

Dit was waarschijnlijk do gelegenheid, waarop Paulua zinspeelde, toen de verrezen Zaligmaker „van meer dan vijf honderd broederen op eenmaal gezien is.quot; Het was blijkbaar eene bijeenkomst, waartoe II ij een\' bjjzon-deren last had gegeven, en zijne eigene woorden tot do vrouwen, gevolgd op die des engels, schenen dit aan te duiden als de óéne algemeene vergadering zijner Kerk, oer Hij opvoer tot zijn\'Vader. Die daar verzameld waren, vormden dus eene vertegenwoordigende vergadering; en de woorden


-ocr page 376-

344

DES KONINGS TJ

AiVTSTE BEVEL

[Hoofdst. XX V I f I,

tot hen gesproken, waren gericht tot de ééne kerk van Jezus Christus door allo eeuwen.

18—20. Kn Jezus hij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. En ziet, ik hen met nlieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

Wolk eeno echt koninklijke rede heeft onze Koning daar voor zijne trouwe onderdanen uitgesproken! Wolk eene tegenstelling vormt dit tooneel in Galiléa mot het kermen in Gethsémane en de duisternis op Golgotha! Jezus maakte aanspraak op de almacht en op de heerschappij over het heelal: „ Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.quot; Dit is een doel van het loon zijner vernedering (Filippensen 11 ; 6—10). Aan hot kruis werd Hij uitgeroepen als Koning der Joden, maar toon Johannes Hom zag in zijn apocalyptisch visioen waren „op zijn hoofd vele koninklijke hoedenquot; en op zijn kleed on op zijne dij was deze naam geschreven: KüNING DER KONINGEN EN IIEERE DEH HEEREN.

Krachtons zijn koninklijk gezag heeft Hij dit laatste groote bevel uitgevaardigd aan zijne discipelen: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen

Geestes-, leerende hen onderhonden alles, icat ik n geboden heb. Dit is onze opdracht, zoowel als do hunne. Daaruit loeren wij, dat het onze plicht on roeping is om uit alle volken discipelen te maken, en dit kunnen wij alleen doen, als wij hun do waarheid leorenr zoo als zij geopenbaard is in de Schrift, en als wij do kracht zoeken van don Heiligen Geest, om aan onze leer kracht en uitwerking te doen hebben in hen, die wjj in de dingen Gods wenschon te onderwijzen. En daarna moeten zij, die door geloof in Christus zijne discipelen worden, gedoopt worden in den naam van den Drioëenigen Jehovah; en na den doop moeten zjj nog verder onderwezen worden in alles wat Christus geboden heeft. Iets nieuws moeten wij niet uitdenken, en evenmin mogen wij iets veranderen ten einde het evangelie in overeenstemming te brengen mot de strooming der eeuw; maar de gedoopte geloovigen moeten wij loeren onderhouden „allesquot; wat onze goddelijke Koning geboden heeft.

Dit is do voortdurende opdracht aan do Kerk van Christus; en het groot-zegel des koninkrijks, dat er aan bevestigd is, er de macht aan verleent ter uitvoering en er het welslagen van waarborgt, is des Konings verzekering van sijne voortdurende tegen-tegenwoordigheid bij zijne getrouwe volgelingen : „Ziet, ik ben met nlieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. Mochten wij allen zijne tegenwoordigheid realiseeren, d. i. voor ons zolven verwezenlijken, totdat Hij ons oproept om met Hom te zijn: „Voor eeuwig bij den Heeroquot;! Amen.


-ocr page 377-

INHOUD.

Ilüofdat. Vers. ONDERWERP. lilailz.

1. 1—17. De stamboom des Konings....................1

18—25. De geboorte dos Konings....................4

II. De Koning verschenen en de Koning aangerand. . G

III. 1—12. De Heraut des Konings...........13

13—17. De Koning aangewezen en gezalfd.......16

IV. 1—11. De Koning begint zijne regeering met een\'strjjd mot

den Vorst der Duisternis..........18

12—25. De Koning openlijk zijn koninkrijk oprichtende . . 23

V. 1—16. De Koning kondigt de wet af van zijn koninkrijk . 28

17—20. Onze Koning eert de wet zijns Vaders.....33

21—37. De Koning zuivert de overgeleverde wet.....35

VI. 1—18. De Koning stelt de wet zijns koninkrijks tegenover het gedrag van hen, die alleen den uiterljjken godsdienst waarnemen, en wol met betrekking tot aalmoezen en gebed...........43

19—34. Do Koning geeft bevelen met betrekking tot de

zorgen dezes levens............49

VIL 1—12. De Koning gaat voort met de regeling van het gedrag

zijner onderdanen............54

13—23. De Koning leert zjjne dienstknechten te onderscheiden. 58 24—29. De Koning vat zijne rede samen........61

VIII. 1—18. De Koning, na met wijsheid gesproken te hebben

werkt met macht . . , , ........63

-ocr page 378-

INHOUD.

Hoofdst. Vers. OND JJ11W JJIU\'. Bladz.

VIII. 19—22. Onze Koning onderscheidt zijne ware volgelingen. . G8

23—27. Onze Koning heerschcnde over de zee......70

28—34. Do Koning drijft legioenen voor zich henen. ... 71

IX. 1— 8. De Koning gaat voort met zijne koninklijke macht

te openbaren..............74

9—13. Do genade des koninkrijks..........77

14—17. Do blijdschap des koninkrijks.........79

18—26. Dea Konings heerschappij over krankheid en dood . 82

27—31. Des Konings aanraking geneest do blinden .... 85

32—35. De Koning en de bezetenen.........87

36—38. Do Koning zich ontfermonde over de scharen ... 89

X. 1—15. Do Koning vaardigt zijne dienaren af......90

16—25. Des Konings bodon kunnen verwachten mishandeld

te worden...............94

26—42. Do Koning bemoedigt zijne strijders......98

XI. 1—19. De Koning ondersteunt zijne boden door zijne eigene

verschjjning . ..............103

De Koning handhaaft en bemoedigt zijn\' heraut . . 104

20—30. Des Konings waarschuwingen, verheugingen en uit-

noodigingen...............109

XII. 1—13. Onze Koning als Heere van den Sabbat.....113

14—21. Onze Koning in do majesteit zijner vreedzaamheid . 117

22—37. Onze Koning en de machten der duisternis. . . . 119 38—42. Er wordt van den Koning een toeken geëischt . . 124 43—45. Onze Koning onthult de tactiek van den aartsvijand. 126 46—50. Onze Koning en zijne aardsche betrekkingen . . . 128

XIII. 1—53. Onze Koning stelt zeven gelijkenissen voor van zijn

koninkrijk...............130

54—58. Do Koning in zijn vaderland.........146

XIV. 1—12. Do heraut des Konings gedood........147

13—22. Onze Koning geeft een\' groeten maaltijd.....151

23—36. De Koning heerscht over winden en baren .... 156

XV. 1—20. Onze Koning bestrijdt formalisten.......161

21—28. Onze Koning en de Kananéscho vrouw.....167

-ocr page 379-

I N It O Ü ft.

Vil

Jloofdst.

Vers.

0 N B E n W E R P.

Blndz.

XV.

29-

-39.

De Koning geeft nog een\' maaltijd.......

170

XVI.

1

- 4.

De Koning en zijn verkoren toeken.......

174

5-

-12.

De Koning door de zijnen misverstaan.....

176

13-

-28.

De Koning alleen met zijne vrienden......

179

XVII.

1

-13.

Onze Koning van gedaante veranderd......

186

14-

-21.

De Koning keert terug tot het strijdperk.....

191

22

-23.

Do Koning spreekt opnieuw van zijn\' dood ....

195

24-

-27.

De Koning en de schatting.........

196

XVIII.

1-

- 5.

Do Koning regelt den rang in zijn koninkrijk. . .

198

6-

-14.

Onzes Konings waarschuwing tegen ergernissen . .

1 99

15-

-35.

Des Konings wet betreffende beleedigingen. . . .

203

XIX.

1-

-12.

De Koning en de huwelijkswetten.......

211

13-

-15.

De groote Koning onder de kleine kinderen . . .

215

16-

-30.

De Koning regelt de orde van voorrang.....

216

XX.

1-

-16.

Eene gelijkenis des koninkrijks........

222

17-

-28.

De Koning op weg naar het kruis.......

227

29-

-34.

Do Koning opent de oogen der blinden.....

232

XXI.

1-

-11.

De Koning rijdt in triomf zijne hoofdstad binnen. .

234

12-

-14.

Do Koning reinigt den tempel........

238

15-

-16.

Do Koning erkent de toejuiching der kindoren . .

240

17-

-22.

Do Koning geeft een teeken van het oordeel over

Jeruzalem en van de macht des gebeds ....

241

28-

-32.

Do Koning beschaamt en waarschuwt zijne vij

anden .................

243

33-

-44.

De Koning maakt zijne vijanden zeiven tot rechters.

246

45-

-46.

Des Konings vijanden spannen tegen Hem samen .

250

XXII.

1-

-14.

Gelijkenis van de bruiloft van den Zoon des Konings.

251

15-

-22.

Des Konings vijanden trachten Hem te verstrikken.

260

23-

-33.

Do Koning en de saddueeën.........

265

34-

-40.

De Koning door een\' wetgeleerde op de proef gesteld.

268

41-

-46.

De Koning stelt vragen...........

270

XXIII. 1—12. Des Konings waarschuwing togen valacho leeraren . 272 13—33. De Koning roept weeën uit..........275

-ocr page 380-

vhl inhoud.

Jtoofdst. Vers. ONDERWEE 1\'. Blaik.

XX11I. 34—^39. Des Konings vaarwel aan zijne hoofdstad .... 280

XXLV. 1— 2. De Koning en het huis zjjns Vaders......282

3—31. Dc Koning beantwoordt moeieljjke vragen .... 282

32—-41. Do Koning spreekt van den tijd zijner wederkomst . 289

42—51. Do Koning beveelt zijne dienstknechten te waken . 292

XXV. 1—13. De Koning en zijn huweljjkaoptocht......295

14—-30. Do gelijkenis der talenten..........299

31—46. De koninklijke en algemeene Rechter......303

XXVI. 1—- 5. Do Koning profeteert: zijne vijanden smeden kom-

plotten................307

6—13. De Koning gezalfd voor zijne begrafenis.....308

14—-16. Dos verraders beding............310

17—30. Het laatste Pascha on de nieuwe gedachtenis . . . 311

31—35. De Koning opnieuw profeteerende: Petrus protesteert. 314

36—46. De Koning onder do oljjfboomen. . •.....315

47^—1)6. Do Koning verraden............318

57_68. Do Koning voor don Joodschon hoogepriester ... 321

69—75. De Koning verloochend door zijn\' discipel .... 323

XXVII. 1— 2. Do Koning voor Pilatus...........324

3—10. Des verraders berouw en zelfmoord.......325

11—26. Jezus: Pilatus: Barabbas..........326

27—31. Do Koning bespot door do krijgslieden.....329

32—38. Do Koning gekruisigd...........330

39—-49. Do gekruisigde Koning bespot........332

50—54. „Het is volbrachtquot;.............335

55—61. Des Konings getrouwe vrienden........336

62—66. Des Konings graf bewaakt..........337

XXVIII. 1— 7. Het ledige graf..............338

8—10. De verrezen Koning............340

11—15. Leugen en omkoopenj............341

16—20. Des Konings laatste bevel..........343

Af

-ocr page 381-
-ocr page 382-

quot; ^wÊWh\'\' II ■ ■

1 . •\' ;\' } ■ quot;: ■ lt; £quot; ........ \'f ;

1\'

^%\\;r ■ ft: •■

■h^r-p

; / ^ \\ —

\'■ • :V.\' :quot; ^ \' •: ; • \' •

gt;V; 1 • ■ « \' \' ■ r\' ■ • ■.■;,■\':■■• ;» :■gt;

\' ■ ■-■ ■■ •; ■\' ,(■■\'■ .■ - ■»

]0fis}

ilfeS

\'M

- M ü. ?

■I\': :

fc:!\'-\' \' , ■■

-■.gt;v./ I

v ■ 1

Éa»)

-ocr page 383-
-ocr page 384-