-ocr page 1-

Mr. J. D. Ye e ge ns

Het Faillissement

de süeséange van betaling

DERDE DRUK

HAARLEM- li. D. TJEENK WILLINK

-ocr page 2-

L. oct.

2643 B

-ocr page 3-

--

■■ \' ■ • 1 : : : ■ ....

I

*

v\' , •

■ ■ ■ ■ \' •

lt;

.

\'

v\' . .....

• :

.

.

*■ * - ■ ;

\' ; •\' -

_

-ocr page 4-

-

.

.

.

_

-ocr page 5-

DE WET OP HET FAILLISSEMENT

EN DE

SURSÉANCE VAN BETALING.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

o\'JUVl I

■jJr T-; a ^l;-C~\' /\'-■ ■ ^ 1/

DE WET

HET FAILLISSEMENT

EN DE

SURSÉANCE VAN BETALING,

GEVOLGD DOOR DE INVOERINGSWET, met inleiding en aanteekeningen

DOOK

Mr. J. D. V E E G E N S,

(r

Advocaat en Procureur te \'s Gravenhage.

DERDE DRUK.

HAARLEM, h. d. t j e e n k w i l l 1 n k. 1897.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORBERICHT

VOOR DE EEKSTE UITGAVE.

Dit werkje heeft ten doel, de nieuwe wet up het failiiaserpent en de sunscance van httaling te doen kennen aan de hand van de memorie van toelichting, het advie-i van den raad van state, de timchen regeering en üaten-g ener aal gewisselde stukken en de in beide kamers gevoerde beraadslaging. Be zoo kort mogelijk saamgevatte aantee kening en zijn grootendeels daaruit getrokken; de bron, waaruit geput werd, is echter slechts bij uitzondering opgegeven. IVaar de wording eener bepaling haren zin bleek op te helderen, is daarmede rekening gehouden; van niet gevolgde adviezen zijn alleen de belangrijkste aangestipt. Zoo vaak eene zelfstandige uitlegging beproefd of eenige critiek geleverd werd, is eigen opvatting streng gescheiden van hetgeen aan officiëele bron ontleend werd, in den regel door gebruik van den eersten persoon.

In overleg met den uitgever is van de onderstelling uitgegaan, alsof het derde boek van het wetboek van koophandel en de laatste titel van dat van burgerlijke rechtsvordering niet meer golden en de nieuwe wet reeds in werking ware. De invoeringswet en de eventuëele nadere wijzigingen in het faillietrecht, die haar mochten vergezellen, zullen na afkondiging o.an deze uitgave worden toegevoegd.

J. D. VEEGrENS.

Den Haag, Juni 1894.

-ocr page 10-

VOORBERICHï

VOOR DE TWEEDE UITGAVE.

Be wet van 6 September 1895 (staatsblad nquot;. 155), op voorstel van den heer Pijnappel tot stand yekomen, is bij deze hoeede uiUjave in den tekst opgmomen en in de inleiding en aanteekeningen vernield.

De wet van 2U Januari 1890 (staatsblad nquot;. 9j — de invoeringswet — is aan deze uitgave toegevoegd.

Den Haag, Febi\'uari 1896. J. D. VEEGrENS.

x

VOORBERICHT

VOOR DE DERDE UITGAVE.

Bij de derde uitgave is de tekst op enkele plaatsen eenigszins aangevuld en zijn aan het slot opgenomen de algemeene maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 19, een drietal missiven van den minister van justitie en een kort begrip van inleiding, faillissementstoet en invoeringswet.

1)en Haag, Februari 1897. J. I). VEEGENS.

-ocr page 11-

inhoud.

Bladz.

FaIIjLISSEMENTSWET. ........... ]

Inleiding....................... ...... 1

Tekst met ixanteekeningen......................... 28

Wet ter invoering van de fatlltssementsweï...... ............ 205

Algemeene maatregel van bestuur , bedoeld bij artikel 19 der

faillissementswet...................................227

Missive van den minister van justitie van 28 September 1896,

BETREFFENDE ARTIKEL 14 DER FAILLISSEMENTSWET.......... 229

Missive van den minister van justitie van 19 December 1896.

BETREFFENDE ARTIKEL 14 DER FAILLISSEMENTSWET.......... 230

Missive van den minister van justitie van 19 December 1896,

BETREFFENDE ARTIKEL 99 DER FAILLISSEMENTSWET.......... 231

Kort begrip van inleiding, faillissementswet en invoeringswet. 232

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INLEIDING.

Het faillietrecht van 1838 voldeed niet langer aan de behoeften der Behoefte practijk noch aan de eischen der wetenschap. Sedert jaren klaagde aan her-de handel over de hooge kosten der faillissementen, de vele voorge- ziening schreven formaliteiten, den geringen invloed aan de schuldeischers van het toegekend, het gemakkelijk tot stand komen van accoorden, den failliet-langen duur der afwikkeling, vooral bij insolventie. De rechtspraak recht, had groote leemten in de wettelijke voorschriften aan het licht gebracht. Zoo ontbrak eene regeling omtrent den invloed van de faillietverklaring op bestaande rechtsbetrekkingen, omtrent de gevolgen van niet-nakoming van een gehomologeerd accoord door den schuldenaar, omtrent den rechtstoestand van den gefailleerde en de rechten der schuldeischers na de vereffening van den boedel. Blijkbaar had de wetgever van 1838 geen helder inzicht in het wezen van het faillissement of verstond hij althans niet voldoende de kunst zijne gedachten duidelijk uit te drukken. Buitenlandsche wetten waren met belangrijke verbeteringen voorgegaan. Het werd tijd, dat ook de nederlandsche wetgever zich met de herziening van het failliet-recht bezig hield.

Bij koninklijk besluit van 22 November 1879 nn. 26 werd eene Arbeid staatscommissie ingesteld tot herziening van het wetboek van koop- der handel. Aanvankelijk bestond zij uit de heeren mrs. J. G. Kist, tevens staats-voorzitter, H. C. Verniers van der Loeff, J. A. Fruin, T. M. C. Asser, com-M. J. Pijnappel en jhr. G. J. Th. Beelaerts van Blokland, tevens missie, secretaris. Gedurende den loop harer werkzaamheden werd aan den heer Verniers van der Loeft, op zijn verzoek, eervol ontslag verleend als lid der commissie, terwijl prof. Fruin haar door den dood ontviel. De haar toegevoegde adjunct-secretaris jhr. mr. R. K. W.

1

-ocr page 14-

— 2 —

IJ. Diert van\' Melissant werd in 1883, op zijn verzoek, eervol van die betrekking ontheven en vervangen door den heer mr. W. L. P. A. Molengraaff, die in 1885 tot lid der commissie benoemd werd. Latere wijzigingen in hare samenstelling hadden eerst plaats, nadat het ontwerp eener wet op het faillissement en de surséance van betaling, met toelichting, door haar aan den koning was aangeboden.

Die aanbieding geschiedde bij rapport van 28 Februari 1887. Uit mededeelingen van den heer Pijnappel en van den minister van justitie in de vergaderingen der eerste kamer van 25 en 26 September 1893 bleek, dat deze arbeid der staatscommissie voornamelijk voor rekening kwam van prof. Molengraaff, die ook aan de verdere behandeling ijverig bleef deel nemen. Ontwerp en toelichting werden door den druk openbaar gemaakt en aldus aan het oordeel van deskundigen onderworpen. De minister van justitie jhr. mr. Ruys van Beeronbroek won er de adviezen van een aantal kamers van koophandel en fabrieken over in. Daarvan verdient onder anderen vermelding dat van de kamer te Groningen, later door de commissie van voorbereiding uit de tweede kamer als uitvoerig en belangrijk geprezen. Nadat die adviezen en de beschouwingen van den minister aan de staatscommissie waren medegedeeld, verleende deze hare krachtige medewerking om het ontwerp ter aanbieding aan de staten-generaal gereed te maken.

Behande- Bij koninklijke boodschap van 9 December 1890 werd het ontwerp ling in de van wet, vergezeld van eene uitvoerige memorie van toelichting, tweede door den minister Kuys van Beerenbroek onderteekend, aan de kamer, tweede kamer ingezonden. Nadat daarvoor eene commissie van voorbereiding benoemd was, bestaande uit de heeren mrs. Smidt, tevens voorzitter, Travaglino, Heemskerk, Hartogh en Bevers, werd bet op 15 en 16 April 1891 in de afdeelingen der kamer onderzocht. Voordat deze commissie hare taak had kunnen volbrengen, werd het ontwerp, evenals alle andere aanhangige ontwerpen, door het inmiddels opgetreden ministerie-Van Tienhoven ingetrokken, doch bij koninklijke boodschap van 22 September 1891 onveranderd weder aangeboden; de memorie van toelichting droeg de onderteekening van den heer Smidt, vroeger voorzitter der commissie van voorbereiding, thans minister van justitie. Na benoeming eener nieuwe commissie van voorbereiding, bestaande uit de heeren mr. Travaglino, tevens voorzitter, mr. Hartogh, mr. Bevers, mr. Huber en Hintzen 1, werd het ontwerp op 12 en 17 November 1891 andermaal

1

De heer mr. Heemskerk was destijds geen lid der kamer.

-ocr page 15-

in de afdeelingen onderzocht. Den 22en Februari 1893 bracht deze commissie daarover een uitvoerig verslag uit, dat tevens het antwoord der regeering en de uitkomsten van het mondeling overleg van de commissie met de regeering bevatte en vergezeld ging van eene nota van den heer mr. Levy. Aan het verslag waren als bijlagen toegevoegd het advies van den raad van state met vier daarbij behoorende afzonderlijke adviezen, benevens het rapport van den minister Ruys van Beerenbroek naar aanleiding daarvan aan de koningin-regentes, welke stukken door de regeering op verzoek der commissie waren overgelegd. De beraadslaging in de tweede kamer duurde van 18 tot 26 April daaraanvolgende. De eindstemming had plaats op 28 April, nadat eenige wijzigingen van vormelijken aard,

alsnog door de commissie van voorbereiding in overleg met de regeering voorgesteld, zonder beraadslaging waren goedgekeurd. Over-Stemming eenkomstig het eenstemmig advies van de commissie van voorbe- over het reidiug, werd het wetsontwerp met 56 tegen 12 stemmen aange- wets-nomeu. ontwerp.

Voor stemden de heeren Huber, Veegens, Eoessingh, Brantsen van de Zijp, Bahlmann, Roijaards van den Ham, Vrolik, Van der Kaay, Roëll, Van Bylandt, Kielstra, Pijnacker Hordijk, Guyot,

Van der Borch van Verwolde, Van Delden, Harte, Bevers, Walter,

Van den Berch van Heemstede, Conrad, Schimmelpenninck van der Oye, Goeman Borgesius, Beelaerts van Blokland, Van Gijn, Tydeman, Van Karnebeek, Van der Kun, De Beaufort (Wijk bij Duurstede), Hartogh, Kerdijk, Liettinck, Michiels van Verduynen, Van Velzen, Smits van üijen, Gerritsen, ï. Mackay, Heldt, Mutsaers, Dobbelmann, Smeenge, Pyttersen, Land, De Beaufort (Amsterdam),

Ha velaar, Zijlma, Van Houten, Smit, Mees, Plate, Hintzea, Kink,

Van der Feltz, Travaglino, De Meijier, Kuys van Beerenbroek en de voorzitter mr. Gleichman.

Tegen stemden de heeren Ferf, De Kam, Keuchenius, Van der Schrieck, Heemskerk, Lambrechts, Clerux, Levy, De Geer van Jutfaas, A. Van Dedem, Van de Velde en Haffmans.

De eerste kamer verzond het wetsontwerp op 6 Juni 1893 naar Behande-hare afdeelingen, die tot rapporteurs benoemden de heeren mrs.|ing de jhr. De Savornin Lohman, Kahusen, Nijsingh, Pijnappel en Vlielander eerste Hein. Deze commissie van rapporteurs bracht den 21sten Juli een kamer, voorloopig verslag uit; 9 September verscheen haar eindverslag, de memorie van antwoord der regeering behelzend. Het ontwerp kwam 25 September in beraadslaging, na afloop waarvan het den 27sten Stem-September met 30 tegen 14 stemmen werd aangenomen. ming

Voor stemden do heeren A. Prins, Van Roijen, Smitz, Breuning,

-ocr page 16-

— 4 —

Rahusen, Welt, Blijdenstein, Fransen van de Putte, J. Prins, Wertheim, Viruly, Vening Meinesz, Pijnappel, Verheijen, Pyls, Muller, Van Alphen, JSTebbens Sterling, Van Lier, Van Gennep, De Jong, Stork, Nijsingh, Merkelbach, E. Cremers, Alberda van Ekenstein, Vlielander Hein, Fokker, Coenen en de voorzitter mr. Van Naamen van Eemnes.

Tegen stemden de heeren Van Nispen tot Pannerden, Melvil van Lynden, Bultman, Kegout, Van Pallandt van Waardenburg en Neerijnen, Breebaart, Prinzen, Magnée, Sassen, De Savornin Lobman, Kist, Godin de Beaufort, L. Van Nispen en Engelberts.

Karakter De kort daarop goedgekeurde en afgekondigde wet is geen uit-der vloeisel van nieuwe theoriën. Zij beoogt niet anders dan eene lou-nieuwe tering van het totdusver geldend recht, door verwerking van de wet. uitkomsten eener ruim vijftigjarige ervaring. Kon daarom geene der nieuwere buitenlandsche wetten als model dienen, desniettemin is bij de bewerking zorgvuldig nagegaan hoe elk punt elders geregeld is. In het bijzonder is dit geschied ten aanzien van de Konkursordnung far das deutsche Reich en van de Loi sur la Jail lite beige.

Grond- De wet gaat uit van de grondstelling, dat het faillissement is een stelling, gerechtelijk beslag op het geheele vermogen van den schuldenaar ten behoeve van zijne gezamenlijke schuldeischers. Hieruit zijn de volgende beginselen af te leiden:

Alleen de I- Het faillissement betreft uitsluitend de goederen^ niet den pergoederen soon van den schuldenaar. Deze wordt niet door capitis deminutio, worden burgerlijken dood of onbevoegdheid tot handelen getroffen. Hij heeft getroffen, het gerechtelijk beslag op zijnen boedel te eerbiedigen, maar blijft niet de in beginsel in het genot zijner burgerlijke rechten. Hij staat niet persoon onder curateele, maar is bekwaam om overeenkomsten aan te gaan.

Tot nakoming van verbintenissen, na zijne faillietverklaring aangegaan , kan door of tegen hem in rechten geageerd worden. De vonnissen, deswege tegen hem gewezen, kunnen in het algemeen ten uitvoer gelegd worden, alleen niet op zijn in beslag genomen vermogen. Ten einde te voorkomen, dat hij inbreuk make op het gelegd beslag, bepaalt artikel 24 dat uit verbintenissen, na de faillietverklaring door hem aangegaan, geene aanspraken tegen den faillieten boedel ontstaan, dan voorzoover deze ten gevolge daarvan gebaat is. Deze relatieve nietigheid is voldoende; absoluut nietig zijn zelfs niet overeenkomsten van den gefailleerde over bestanddeelen van den boedel. De curator kan tegen een ieder de nietigheid van handelingen van den gefailleerde met betrekking tot den boedel inroepen. Maar degene, met wien de gefailleerde gehandeld heeft, kan de nietigheid der overeenkomst niet beweren. Alleen kan hij de overeenkomst

-ocr page 17-

niet tegen den boedel executeeren, zoolang het faillissement niet opgeheven is.

De opneming van bepalingen over rehabilitatie, op voorstel van de meerderheid der commissie van voorbereiding, in de artikelen 206 en volgende, is mijns inziens met dit beginsel kwalijk te rijmen.

De voorschriften van het burgerlijk wetboek, volgens welke zij,

die in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren, van voogdij, toeziende voogdij, curateele en bewindvoerderschap worden uitgesloten of daarvan kunnen worden ontzet, vallen buiten het kader dezer wet, die alleen het faillissement (en de surseance van betaling) als zoodanig regelt. Hetzelfde geldt van andere, zuiver publiekrechtelijke gevolgen van het faillissement, als daar zijn verlies van kiesrecht, verkiesbaarheid, openbare betrekkingen.

II. Het faillissement doet den eigendom van het vermogen niet Er heeft overgaan. Dit vermag het evenmin als eenig ander beslag. De eigen- geen dom van den boedel blijft aan den schuldenaar. Alle rechten en eigenvorderingen van den schuldenaar blijven zijne rechten, zijne vorde-domsover-ringen; alle schulden en verplichtingen blijven zijne schulden, zijne, gang verplichtingen. Wel is einddoel van het faillissement, de goederen plaats, ten bate der gezamenlijke schuldeischers te realiseeren; maar altijd

zullen het de goederen, de vermogensrechten van den schuldenaar zijn, die verkocht worden door hen, wien de wet de bevoegdheid geeft daartoe ondanks den eigenaar over te gaan. De schuldeischers,

of de curator te hunnen behoeve, realiseeren niet eigen goederen en eigen rechten, maar die van hunnen schuldenaar. Zij staan als executanten met betrekking tot het in beslag genomen vermogen in zijne schoenen. Waar met de rechten van den schuldenaar lasten en verplichtingen verbonden zijn, zullen die rechten niet geldend gemaakt kunnen worden dan onder gehoudenheid die lasten te dragen, die verplichtingen na te komen. Al wat een derde tegenover den schuldenaar kan doen gelden, kan hij bij diens faillissement ook den realiseerenden schuldeischers tegenwerpen. Dezen treden, als vereffenaars van het vermogen van hunnen schuldenaar, zoowel in Hetgeen de daarmede verbonden verplichtingen als in de daartoe behoorende de schul-rechten. denaar

III. Het faillissement omvat het geheele vermogen, met inbegrip gedurende van hetgeen de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft, het faillis-Vermits het vermogen als verzamelbegrip, als algemeenheid van sement vermogensrechten, door het beslag getroffen wordt, moet dit, zoo- verwerft, lang het niet opgeheven of door vereffening geëindigd is, zich tot valt in de alle bestanddeelen van het vermogen uitstrekken. Alleen wordt uit- failliete gezonderd, hetgeen de schuldenaar voor zijn levensonderhoud niet massa.

-ocr page 18-

— 6 —

ontberen kan, artikel 21. Tegen dit beginsel der wet werd door sommigen bezwaar gemaakt, onder meer op grond dat het voor de schuldeischers een belang schept, om den staat van faillissement in bepaalde gevallen zoolang mogelijk te rekken. Het door hen ge-wenscht stelsel der duitsche Konkursordnung, die de goederen, door den schuldenaar gedurende het faillissement verkregen, buiten het faillissement laat, ware echter niet overeen te brengen met het beginsel van artikel 1177 b.w., dat alle goederen van den schuldenaar, zoowel tegenwoordige als toekomstige, voor zijne persoonlijke verbintenissen aansprakelijk zijn. Uit een practisch oogpunt verdient dat stelsel evenmin aanbeveling, daar het tot noodzakelijk gevolg heeft de mogelijkheid van een gelijktijdig tweede en derde faillissement, waarvan de schuldeischers in het eerste faillissement zonder onbillijkheid niet kunnen worden uitgesloten. Werd als regel aangenomen, dat de door den schuldenaar hangende het faillissement verkregen goederen daarbuiten vallen, doch daarop eene uitzondering toegelaten voor hetgeen hij gedurende het faillissement door erfenis of legaat mocht verkrijgen, zoo zou het bezwaar, dat de schuldeischers belang kunnen hebben om het faillissement te rekken, niet opgeheven worden; want dit bezwaar komt nooit sterker uit, dan wanneer eene erfenis in het verschiet ligt. Het ware niet billijk, een hoog tractement geheel aan het faillissement te onttrekken, of eene schenking, een prijs uit de loterij, een gevonden schat daarbuiten te houden; en de uitsluiting ware van weinig beteekenis, indien elk oogenblik een nieuw faillissement over de nieuwe ver-mogensdeelen kon worden aangevraagd.

Rechts- IV. Het faillissement eindigt met de realisatie van het vermogen, verhou- 1® het doel, de realisatie van de in beslag genomen goederen van ding na den schuldenaar ten bate der schuldeischers, bereikt, zoo is het fail-de ver- lissement afgeloopen. Daarna heeft het in beginsel geenerlei nawer-effening. king op de rechtsverhouding tusschen den schuldenaar en z\'jne schuldeischers. Dezen herkrijgen, voor het onvoldaan gebleven deel hunner vorderingen, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar. Het feit, dat de in beslag genomen goederen niet genoeg opbrengen om hunne vorderingen in haar geheel te verhalen, kan hunne rechten voor het ontbrekende niet wijzigen. De schuldenaar, wiens bekwaamheid om te handelen door het faillissement niet is opgeheven, staat gelijk met elk ander geëxecuteerde en heeft vrije beschikking over de goederen, die hij na afloop dei-vereffening van den boedel verwerft. Executie bij lijfsdwang ter zake van vroegere schulden, volgens het oorspronkelijk ontwerp toegelaten, is echter 015 aandrang van de tweede kamer uitgesloten.

-ocr page 19-

— 7 —

Bij deze opvatting kon geen sprake zijn van heropening van het faillissement, indien aan den schuldenaar na de vereffening goederen zijn opgekomen. Ook elders heeft men dat stelsel algemeen laten varen. De voorschriften van artikel 887 w. v. k., waardoor de schuldenaar na faillissement in den regel voor vervolging gevrijwaard werd, hebben in niet geringe mate medegewerkt tot lichtvaardige faillissementen op eigen aangifte en den geregelden gang der maatschappelijke zaken zeer benadeeld.

Ondanks de instemming, die deze beginselen en de uitwerking Faillisse-daarvan ontmoetten, vond, gelijk uit de stemlijsten bleek, de nieuwe ment van wet in beide kamers der staten-generaal betrekkelijk veel tegenstand, niet-koop-Deze was gericht tegen de daarbij gehuldigde gelijkstelling van niet- lieden. kooplieden met kooplieden. In dit opzicht keert de wet terug tot het oud-vaderlandsch recht, dat alle burgers aan het faillissement onderwierp. Ook volgens onderscheidene buitenlandsche wetten kan ieder schuldenaar failliet verklaard worden. Inderdaad vraagt men zich te vergeefs af, waarom in het stelsel der wet bij onvermogen van kooplieden andere voorzieningen zouden worden voorgeschreven dan bij dat van niet-kooplieden. De wet doet het faillissement alleen dienen om, bij staking van betaling door den schuldenaar, zijn vermogen op eene billijke wijze onder al zijne schuldeischers, met eerbiediging van ieders recht, te verdeelen. Die billijke verdeeling is wenschelijk en noodig, onverschillig of de schuldenaar al dan niet koopman is. Keeds de wetgeving van 1838 levert het bewijs, dat het maken van onderscheid ten deze met den aard der zaak in strijd is.

De daarin vervatte verschilpunten tusschen den staat van faillissement en dien van kennelijk onvermogen zijn toch slechts van ondergeschikte beteekenis. Het voornaamste verschil betreft de gronden,

waarop kooplieden in staat van faillissement en niet-kooplieden in staat van kennelijk onvermogen verklaard worden (artikelen 764 w.

v. k., 882 en 883 w. v. b. rv.). Door de regeling, in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering opgenomen, wordt de verklaring in staat van kennelijk onvermogen in hooge mate bemoeilijkt. Bestendiging van dit verschil is niet op goede gronden te verdedigen.

De raad van state vereenigde zich met de Uitbreiding van het Advies van faillissement tot schuldenaren, die geen kooplieden zijn. Ook op den raad dezen grond, dat het begrip van koopman niet juist is noch kan van state, worden afgebakend. „Trouwens de grenzenquot;, zoo leest men in het advies van den raad, „in artt. 3 en 4 van het wetboek van koophandel voor daden van koophandel getrokken, zijn tamelijk willekeurig. Dientengevolge is het soms twijfelachtig, of iemand als koopman dan wel als niet-koopman heeft gehandeld, of vallen soms

-ocr page 20-

— 8 —

buiten de categorie van kooplieden personen, die door hunne handelingen daaronder gevoeglijk zouden te rangschikken zijn. Men denke bijv. aan de stoommolenaars, wier handelingen niet in de termen van art. 3 van het wetboek van koophandel vallen, daar zij geacht worden voor loon te werken; aan landbouwers, die eene groote zuivelzaak hebben; aan vetweiders, die dikwerf belangrijken veeuitvoer drijven; aan hen die in effecten speculeeren; aan aannemers van gebouwen, enz. (arrest hoogen raad 28 Februari 1890, TF. v. h. r. n0 5845).quot;

Afzonder - Twee leden van den raad van state, de heeren mrs. jhr. Rochussen lijk advies en jhr. Van Humalda van Eysinga, waren echter van eene andere van twee meening, die zij in een afzonderlijk advies ontwikkelden. Met na-staats- druk wezen zij op het verschil tusschen kooplieden en niet-koop-raden. lieden, dat volgens hen tot behoud der onderscheiding tusschen faillissement en kennelijk onvermogen behoorde te leiden. Reeds de naam „faillissementquot; leende zich niet voor toepassing op particulieren. „Men ziet over het hoofdquot;, luidde het in hun advies, „dat de Ncder-landsche wetgever, door het faillissement ook voor niet-kooplieden in te voeren, in een gewichtig opzicht iets geheel anders zou doen, dan de vreemde wetgevers gedaan hebben. In Duitschland en in de Scandinavische landen drukt de naam der instelling haar wezen alleszins juist uit: te weten eene bereddering van den boedel des schuldenaars voor de gezamenlijke schuldeischers. De Nederlandsche wet heeft bijzondere regelen ten aanzien der kooplieden noodig gekeurd onder eene benaming die op de oorzaak wijst, welke de toepassing van die regelen ten gevolge heeft. De koopman toch, die zijn beroep met de daaraan verbonden wisselvallige kansen vrij gekozen heeft, aanvaardt daardoor in het openbaar de verplichting iedere opeischbare schuld aanstonds te voldoen; hij verklaart zich bereid steeds a bureau ouvert te betalen; houdt hij daarmede op, zoo doet hij aan die verplichting te kort, hij failleert. Staat hij aan grooter gevaar bloot, in den regel zal bij hem meer bedrevenheid in zaken gevonden worden, en meer middelen zullen hem ter beschikking staan om tijdelijke verlegenheid te boven te komen, clan lieden in ander beroep.

„Ten aanzien van dezen heeft de uitdrukking „ophouden te betalenquot; geen bepaalden zin. Te weelderige levenswijze of onoordeelkundig beheer van hnnne zaken kan hen zelfs dan, wanneer in hun boedel de baten de schulden overtreffen, buiten staat hebben gebracht om ieder het zijne te geven. Zoo zij niet vrijwillig het beheer over hunne goederen in meer bedreven hand leggen, zullen zij hetzij onder curateele gesteld of in staat van kennelijk onver-

-ocr page 21-
-ocr page 22-

^CsiïdeyT^L\'amp;^/\'c^\'^CïCe -f Cj^a^CcSï? £/\' ^-

I

er=^x

C(~c-*-?* t-rv CCe^ya^^ /Z(\'rfrgt;/r■

y/cé^

I

JcJu^c/^Ar/cr^t-

C^r S\'CïSjt S S^-- ^

.x^-- C\'S JCSs ; Cé \'.Sc \'*\' SérS\', it? C^y/quot;, /\'-\'

I .

cY\'

ff.

1

y

Lamp; fct^tt*//. ■£*€-•

j ^

^ f \'. rl \'lt;t^\'/dJ r:C\'lt;fS f /fétr* ( gt; / ^^\'{-/ J Clt;*r

SLS t lt;-; «. /SSe-tttSo / \'\'C ; , .■ gt; , Aifyt

//e/A/c/ MS A A ^


■^cu^^/jt^A/- , CSamp;C^U-icc Uj f*

[ I 1

\' cy\\

p^-f, O\'c^rz tAa^c^ \'Jy ^ ^

/rZr*igt;r7 rc*Sjcs/~i amp;^CS *-*?, c ri lt;amp;***/ \'lt;£d*r ^ quot;

CC£~*lt;/C£- JC* /tZry**^\'

/

t/c amp;-C\'

\'L--C^~y^2 *- J L ^

gt;GL»gt;--»-zlt;^t

CyC^/^S C-^CSf? Q^7

S)C- TLU-A-

t__dj-, «gt;-, -amp;eSa-r-v/. ?t*-£4-*^-l^Ci.Jgt;\'i-/a^ CXt-AjV

■j CS /\'f c£ /^-^/^lt;- /4 ir. //

gt; {s

^*7j \'\' ^ vamp;camp;r*, \'

^gt;-7 /^gt;lt;^*7 éZ*-*^lt;Y,

/v*y tVc*/

y/c^ .

f .4

// ^ //V


^/T

I

, lt;U^r -e-S

ec/c^n /^Oc^c^C^iJt^. quot;P^C-C-Scfc-e^c* /tisjtiu-.

e ■/ X^/\'i \'L lt;-1 / s f Sfy\' {~S-e ■ c/lt;_

Q e c/t-A^yeS* rroc*^^1 St~C*-*-? c^-rr c CicVc?5^-^«-«-

T^v

Se -t c-^c^/camp;r,*^

STCx^i C-^rt

c^Czj^éy Ci^- ^ ~^/, tamp;t\' c^C^L^y

t S^Cc-C^ïZ^t L* -H


ï-\\___/ *____/5-

cJ\'

-ocr page 23-

4

étr7-4Z£y£amp;£**. \' ^ „. /s. , CS-c f amp;C~rt^l.ïoy c£*c/ Sj-o-y* *^r7

olt;^ aZ /o-T, -i.jf. t f /■ -^-e^t^-e A s

-^-4^ j/^fcA/^?

f.cKtScS. J Zamp;amp;lt;/iu^„j / / gt;y^

i^trzrtr1^

l^y Tr^c^ 7 -^ . é^s^y. * a.^.

//*/#,./ y/^/^Y

eLv.cA Uf^ ?! ^ óeis .CÓL, J/titc*/\'-^

I f. (jct/J*. /fiJt\' /y oc^-^i. .y-t-t^Z/c c^

^\'gt; ^Jc^ x/

) \\CXU^k-amp;/ Ctsamp;ChiAj}. c^v^ct-rt-i^cr^ tPC-c

• i ^

j C j \' CÓ^ée^ c^Lc^dH.

^aamp;r 7. O^ Yt^c ruru^ /Tc^c^f /rc^i^ SC^^ri^Kz.

ófj^/ /^zZty\'

-tL-

s..

ïSbr.

gct iAsc* /* amp; r^dy

t/C^7 ZJtZ-t^ty »

//c/ /-/erf

Ac^ycts amp; *^Óamp; z

■^* act x^y c%0i/ c^cc oc*m.

C£lt;-JL-

■If-S

dLci

\'SJr

c^r-r yvc^t, CC^Cfi\\

\\i-*cct.*a. Cc-j^S^ cet-sretJ é

\' sn, gt;\'*„ t {Sgt;gt;i\'\'- s- ^ -^ «r \' / ?\'*\'?,

\'S 1-

i W CctSJc/e\'f ^

. (ƒ c/c^y^ s, CS C^^-r, cSfj

^\'^.s f

\'

S-gt;7

v ^ 1

/:, s s /s s /\'iS\'- t /^/cs

/-/^ cy /V«s^

t -r /i , s/1

Cte ZtAZr

f if lt; /r r lt;- St Sf, M S cs , /lt; s j -«^»-gt; C^t—^zfc^-^e Saz*T~n*-*,y

V

4

Cez^jfctji^,\'

/fcmCA \'Cs\'-s, //c/e --i / \'/ fS *£*- y

amp;ÜS i tc 2\' /c/sc2i „ rCï^-TK*-e-y, c yCc^SS\'.X^

/1 \'

•^-/^Zyct -yi t-z^

C/c \'rz^é^Ci^amp;^zce CS


^ 5^0- /rvlt;-

cfc/t.

-ocr page 24-
-ocr page 25-

mogen verklaard kunnen worden: dit laatste meest dan, wanneer het er op aankomt voor de sehuldeiscliers te redden wat nog te redden valt. De staat van kennelijk onvermogen zal dus worden uitgesproken, wanneer de niet-koopman zich bevindt in den toestand van Zahhmgsunfahigkeit. Failliet behoort daarentegen iedere koopman te worden verklaard, zoodra zich bij hem voordoet de Zahlungseinslelhmg.

„Er is inderdaad in de maatschappelijke verhouding der beide categoriën een verschil, dat tot verschil in de materiëele en formeele rechtsbepalingen moet leiden. Maar het verschil van naam is van geenszins geringe beteekenis. De niet-koopman, door den rechter failliet verklaard, zal doorgaan voor iemand, die zich door handelszaken buiten zijn werkkring te doen, door speculatiën zelf zijn ongeluk op den hals gehaald heeft; hem zal \'s rechters vonnis zwaarder treffen dan den koopman. Men bedenke echter wèl dat het, niet enkel voor de personen der belanghebbenden, maar ook, ja vooral uit een oogpunt van algemeen belang ernstig bezwaar heeft, wanneer geestelijken, onderwijzers, ambtenaren, officieren, landbouwers,

pachters, particulieren van onderscheiden stand failliet zullen worden verklaard.quot;

De minister Ruys van Beerenbroek liet deze bedenkingen niet Rapport onbeantwoord. In zijn rapport aan de koningin-regentes bleef hij van den de onderscheiding tusschen kooplieden en niet-kooplieden hier onge- minister rechtvaardigd achten. Immers wel aanvaardde de koopman, die zijn van beroep vrij gekozen heeft, daardoor de verplichting iedere opeisch- justitie bare schuld aanstonds te voldoen, maar die verplichting geldt even- aan de zeer voor den niet-koopman, tegen wien eene opeischbare schuld koningin-bestaat. Ten deze te onderscheiden tusschen den koopman en den regentes, niet-koopman, ware principieel in strijd met het burgerlijk] recht. Ongetwijfeld zal de koopman uit den aard van zijn beroep veelvul-diger dan de niet-koopman in een toestand kunnen geraken, die eene algemeene vermogens-executie wettigt, maar met dit onderscheid wordt voldoende rekening gehouden door de voorwaarde — het ophouden met betalen — waarvan de faillietverklaring afhankelijk is. Te weelderige levenswijze of onoordeelkundig beheer van zaken kan den niet-koopman , zelfs wanneer in zijnen boedel de baten de schulden overtreffen, buiten staat hebben gebracht om ieder het zijne te geven. Datzelfde geval kan zich echter ook bij den jkoopman voordoen. Toch zal ook hij alsdan in staat van faillissement verklaard worden, tenzij er termen zijn tot het verleenen van surséance van betaling, waarop in dat geval ook de particulier aanspraak zal kunnen maken. Dat een vonnis van faillietverklaring den particulier

-ocr page 26-

— 10 —

zwaarder zou treffen dan den koopman, en dat het niet enkel voor de belanghebbenden, maar ook en vooral uit een oogpunt van algemeen belang ernstig bezwaar zou hebben, wanneer niet-kooplieden van onderscheiden stand failliet verklaard worden, kan niet worden toegegeven. Men neme toch in aanmerking dat bij het vonnis van faillietverklaring alleen wordt geconstateerd dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen, en dat daarbij de vraag welke de oorzaak is van dat ophouden met betalen , en derhalve ook deze, of dat al dan niet aan des debiteurs schuld te wijten is, geheel in het midden gelaten wordt. Een vonnis van faillietverklaring zal de bedoelde personen niet zwaarder treffen dan een vonnis, waarbij de staat van kennelijk onvermogen wordt uitgesproken.

Verslag In het verslag der commissie van voorbereiding vonden de be-der zwaren tegen de uitbreiding van het faillissement tot niet-kooplieden commissie geen zeer sterken weerklank. Naar het oordeel van eenige leden van voor-zouden niet-kooplieden daardoor van veel slechter conditie worden, bereiding. Immers ook wegens ééne enkele opeischbare schuld, waarvan de voldoening voor het oogenblik niet mogelijk was, zou de faillietverklaring op daartoe gedane aanvraag moeten volgen. Een ambtenaar bijvoorbeeld, die, om zijne loopende schulden tc voldoen, moet wachten tot de eerstvolgende betaling van zijn kwartaal trac-tement, zou inmiddels door één kwaadwillig schuldeischer failliet verklaard kunnen worden. Een particulier, die op reis ging zonder iemand tot het waarnemen zijner zaken achter te laten, kon gesommeerd worden tot betaling eener schuld en nog vóór zijne terugkomst failliet verklaard zijn. Geenerlei maatschappelijk of bijzonder belang vorderde scherper bepalingen tegen niet-kooplieden dan nu in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering vervat zijn, volgens welke in den regel slechts eene vervolging of aanspraak door onderscheidene schuldeischers tot verklaring in staat van kennelijk onvermogen leiden kan.

Deze voorstelling werd echter terecht zeer overdreven genoemd. Bepaaldelijk toonde de minister Smidt de onjuistheid aan van de stelling, dat ook wegens ééne enkele opeischbare schuld, welker voldoening voor het oogenblik niet mogelijk is, de faillietverklaring op daartoe gedane aanvraag zal moeten volgen. Die stelling wordt door gecne enkele bepaling gerechtvaardigd. Artikel 1 vordert ophouden met betalen. Of deze feitelijke toestand aanwezig is, heeft in ieder geval de rechter te beoordeelen. Eene verplichting, om ter zake van niet-betaling van ééne schuld de faillietverklaring uit te spreken, bestaat in het minst niet.

De commissie van voorbereiding zelve achtte het aangenomen

-ocr page 27-

— 11 —

stelsel reeds wegens de moeilijkheid, om kooplieden en niet-koop-lieden in alle gevallen van elkander te onderscheiden, onvermijdelijk. Tegen de daarmede verbonden bezwaren behoorde door het nemen van de noodige maatregelen, bij artikel 1 nader te bespreken, te worden gewaakt.

Dat dit laatste raadzaam was om de wet niet in gevaar te bren- Beraad-gen, bleek bij de beraadslaging. De gelijkstelling van particulieren slaging met kooplieden werd toch met klem bestreden bij monde van de in de heeren Levy, Van Houten, Van Karnebeek en Harte, bij wie zich tweede bij de behandeling van artikel 1 de heer De Geer van Jutfaas aansloot, kamer. Zij zagen in ophouden met betalen een handelsterm, die ten aanzien van niet-kooplieden onbruikbaar was. Ten betooge daarvan beriepen zij zich onder anderen op de strenge omschrijving dier uitdrukking in de memorie van toelichting op artikel 1 als „het objectieve, naakte feit van het niet-voldoen van opeischbare schulden waarvan de betaling gevorderd wordt, terwijl de verplichting om te betalen niet ontkend wordtquot;. De wet wijkt ten deze af van de duitsche Konkiirsordnung, die onvermogen om te betalen vordert. Het uitspreken der faillietverklaring van een particulier ter zake van niet-betaling van ééne enkele opeischbare schuld moge voor den rechter niet verplichtend zijn, het blijft mogelijk; en ook dit gaat te ver. Immers de opvatting van het faillissement als een gewoon executie-middel bij concurms creditorura, eene inbeslagneming per universitatem, waardoor enkel het vermogen maar niet de persoon getroffen wordt, is niet in de volksovertuiging doorgedrongen; de schuldenaar verliest door de faillietverklaring zijne maatschappelijke stelling, zijnen naam en zijn crediet.

Bij de verdediging van het bestreden beginsel werd de minister ter zijde gestaan door de heeren Hartogh en Hintzen, leden der commissie van voorbereiding, en door den heer De Kanter. Door hen werd nader aangetoond hoe de onderscheiding tusschen kooplieden en niet-kooplieden, niet slechts ten aanzien van natuurlijke personen, maar ook ten opzichte van maatschappijen, meer en meer tot moeilijkheden leidt. Dat de eischen, in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering gesteld om een particulier in staat van kennelijk onvermogen te doen verklaren, veel te zwaar zijn, werd onder anderen toegelicht met een geval uit de practijk. Iemand, die slechts door één schuldeischer vervolgd werd, moest, om de door hem en door zijn raadsman noodzakelijk geachte verklaring in staat van kennelijk onvermogen te verkrijgen, door een zijner vrienden amicitiae caiusa gegijzeld worden! Voor faillietverklaring van particulieren wegens niet-betaling van ééne enkele schuld be-

-ocr page 28-

— 12 —

hoefde men niet te vreezen. Behalve in oordeelkundige toepassing der wet door den rechter, ligt een waarborg daartegen in de vordering tot schadevergoeding, waaraan de schuldeischer zich door een lichtzinnig of kwaadwillig verzoek tot faillietverklaring, bij ver-nieting daarvan door een later vonnis, blootstelt.

De minister ontkende, dat ophouden met betalen eene specifiek commerciëele uitdrukking zou zijn. De toestand van ophouden met betalen bestaat evenzeer voor den niet-koopman als voor den koopman. Of hij aanwezig is, moet door den rechter in ieder bijzonder geval beslist worden. Voor den een treedt hij anders en eerder in dan voor den ander. „Wanneer er sprake is van eene schuld, waarvan de voldoening is verbonden aan eene date certaine, bijvoorbeeld bij een wissel, een orderbriefje, of wanneer het geldt betaling ter zake van koop van handelswaren, die op zekeren termijn van levering, bijvoorbeeld 1 of 3 maanden, moeten betaald worden, dan zullen er bij niet-voldoening termen zijn om ophouden van betalen aan te nemen, terwijl wanneer er, zooals bij particulieren veelal het geval is, sprake is van niet-betaling van schulden, waarvan noch krachtens speciaal beding, noch krachtens het gebruik, de voldoening op gezette tijden verplichtend is, op andere wijze zal worden geoordeeld.quot; Het moge waar zijn dat de schuldenaar, die ophoudt te betalen, daardoor in zijne maatschappelijke stelling achteruitgaat; maar de burgerlijke wet hecht aan het faillissement geen compromitteerend karakter; zij legt op den gefailleerde geene nota infamiae.

Intusschen verklaarde de minister gaarne te willen medewerken om, zoo mogelijk, aan de gemaakte bezwaren tegemoet te komen. In tweeërlei richting werden daartoe van de zijde der kamer pogingen aangewend. Vooreerst door invoering van homologatie van accoord buiten faillietverklaring; ten anderen door wijziging der redactie van artikel 1.

Poging tot De heer Levy wenschte de wet te doen aanvangen met eene re-invoering geling van homologatie van accoord buiten faillietverklaring, waartoe van homo-hij bij amendement, als nieuwen eersten titel, een stel bepalingen logatie van voordroeg. Dit voorstel hing nauw samen met den gedachtengang, accoord in zijne nota ontwikkeld, die van dien der wet merkbaar afweek, buiten Naar zijne meening huldigde de wet te zeer eene civielrechtelijke faillietver-opvatting van het faillissement. Bij die opvatting treedt de wetgever klaring, tusschen beide, in zoover als en niet meer dan noodig is om de verhouding tusschen den schuldenaar en zijne schuldeischers tot een naar rechten bevredigend einde te brengen; de kern der regeling berust bij de schuldeischers, en het rechterlijk toezicht vormt de

-ocr page 29-

— 13 —

lijst, binnen welke hun wil zich openbaart. Daartegenover stelde de heer Levy eene publiekrechtelijke opvatting, die in het oog houdt dat het maatschappelijk belang en de staat in hooge mate betrokken zijn bij eene goede regeling van het faillissement, zoodat dit als eene openbare aangelegenheid beschouwd wordt, waarop de staat bevoegd en verplicht is toe te zien. Deze opvatting komt zijns inziens in de wet te weinig tot haar recht; de wet heeft niet genoeg een afschrikkend karakter. Al is men de leer toegedaan, dat het faillissement in de eerste plaats vermogens-executie blijven moet, daarmede verdraagt zich het streven deze zoo min begeerlijk mogelijk te maken.

De wet moet trachten den kring te verkleinen van hen, die met het denkbeeld: faillissement, en met de daaraan verknochte gevolgen zich gemeenzaam maken. Daartoe strekt de instelling der homologatie van accoord buiten faillietverklaring, die de gelegenheid opent om, met instandhouding van de paritas creditorum, het faillissement te voorkomen. Die instelling bestaat in onderscheidene andere landen,

onder anderen in België sedert 1887 onder den naam van concordat préventif de la faillile en in Frankrijk sedert 1889 onder den naam van liquidation judiciaire. Een voorstel om haar hier te lande in te voeren werd in 1835 door de tweede kamer verworpen. Zij verdient opnieuw overweging, nu het faillissement tot niet-koop-lieden wordt uitgebreid. Daardoor wordt het dringend noodig de gelijkstelling van den eerlijkeu met den oneerlijken schuldenaar op te heften, behoudens de vereischte maatregelen tegen den wedloop van schuldeischers om de laatste te zijn, ten einde zich te doen af-koopen. Dit een en ander kan worden verkregen door invoering van een stadium van gebleken onvermogen, voorafgaande aan het eigenlijke faillissement. „De afschrikwekkende beteekenis van dit laatste zal versterkt worden, indien men het met den engelschen wetgever hanteert als de climax van een bestaand onvermogen.quot;

Op deze wijze aanbevolen, was de instelling der homologatie van Bestrij-accoord buiten faillietverklaring tegen hoofdbeginselen der wet ge-ding dier richt. Zij werd dan ook door den minister met nadruk bestreden, instelling De minister deed opmerken dat het faillissement als algemeene ver-door den raogens-executie, mits goed geregeld, in zich zelf een niet te ver- minister, smaden opvoedend en, voor zooveel noodig, ook een voldoend afschrikkend element bezit. Eene verstandige wetgevings-politiek vordert, dat tegen den gefailleerde niet strenger worde opgetreden, dan de richtige volvoering van het beslag en van de vermogens-executie noodzakelijk maakt. De elders verkregen ervaring heeft dit bewezen.

Nergens hebben zoogenaamde strenge faillietwetten, het aantasten van de eer des gefailleerden, het treffen en tentoonstellen van zijn

-ocr page 30-

— 14 —

persoon, tot gewcnschte uitkomsten geleid; wel tot het ontduiken van de wet, tot liet insolvent worden buiten de wet om.

In Engeland gold vóór 1861 eene regeling van het faillissement, waarbij het publiekrechtelijk beginsel ten troon zat. De ongunstige ervaring, daarmede opgedaan, leidde tot de wetten van 1861 en 1869, die, tot een ander uiterste overslaand, de geheele liquidatie in handen der schuldeischers stelden, nagenoeg zonder officiëele controle over de bereddering van den boedel. Toen ook dit stelsel niet houdbaar bleek, werd bij de wet van 1883 de publiekrechtelijke zijde van het faillissement weder meer op den voorgrond geschoven. Dientengevolge bleef vermindering van het aantal faillissementen voor het uiterlijk niet uit; maar daarmede ging hand aan hand eene belangrijke toeneming der buitengerechtelijke accoorden, zoozeer zelfs, dat de wetgever zich genoodzaakt zag in 1887 wettelijke bepalingen daaromtrent in het leven te roepen.

Gelijke ondervinding werd in Frankrijk opgedaan. Ook daar had de groote gestrengheid van het faillietrecht van lieverlede uitgewerkt, dat de schuldenaren tot eiken prijs het faillissement trachtten te vermijden en in den regel eerst tot aangifte overgingen, wanneer zij letterlijk alles verloren hadden. Dit deed den wetgever in 1S89 besluiten de zuiver civielrechtelijke liquidation judiciaire als lokaas voor de insolvente schuldenaren in te voeren. De werking dier regeling, die ook een politiek karakter draagt — zij houdt namelijk verband met het verlies van het kiesrecht door faillissement — voldoet daar echter niet.

Hier te lande werden ten gunste van het voorstel, dat in 1835 bij de staten-generaal aanhangig was doch met groote meerderheid verworpen werd, twee argumenten aangevoerd; 1°. de harde bepalingen der fransche faillietwet; en 21, het misbruik, toenmaals gemaakt van de homologatie van accoord, door den souverein ex pleniludine potes-tatis verleend. Beide redenen zijn thans vervallen. Voorzoover het doel der fransche wet van 1889 aanbeveling verdient, is het volkomen te bereiken door de surséance van betaling, zooals die thans — ook voor niet-kooplieden — geregeld wordt. Ook deze instelling strekt: 1°. om faillissement te voorkomen; 2\'\'. om schuldenaren, die het vertrouwen hunner schuldeischers nog niet verspeeld hebben, voor faillissement te behoeden; 3quot;. om in de hand te werken, dat de schuldenaar tijdig maatregelen neme in het belang zijner schuldeischers. Doch het scheppen eener tweede klasse van gefailleerden, nevens en met behoud van de klasse der paria\'s, is niet goed en geheel onnoodig, wanneer de faillietwet den schuldenaar niet met onnoodige hardheid behandelt.

-ocr page 31-

— 15 —

Meer dan bij den minister, vond homologatie van accoord buiten Verdere faillietverklaring op zichzelve sympathie bij den heer Hartogh, of- beden-schoon hij namens de commissie van voorbereiding het amendement kingen bestreed. Naar zijne meening was het oogenblik tot invoering van dat tegen het rechtsinstituut ongelukkig gekozen. Vooreerst omdat het daar vooral amen-nuttig kan werken, waar de faillissementen zeer langdurig en kostbaar dementzijn; daarom moest men beginnen met af te wachten, of de behoefte Levy, daaraan zich nog deed gevoelen onder de nieuwe wet, die de fail-lissements-procedure zoozeer vereenvoudigt. In de tweede plaats omdat die wet geene smet wil werpen op den gefailleerde, terwijl de heer Levy daarentegen door gelijktijdige invoering der homologatie van accoord buiten faillietverklaring wil doen uitkomen, dat de toestand van den gefailleerde infamant is en blijft. Voor die instelling pleit een geheel andere grond, namelijk het belang dat zoowel de schuldeischers als de schuldenaar er bij kunnen hebben, dat de staat der zaken van den laatstgenoemde niet openbaar worde. In dergelijke gevallen kan een accoord buiten faillietverklaring doel treffen en verdient het overweging, eene kleine tegenstrevende minderheid onder de schuldeischers aan den wil van de groote meerderheid te onderwerpen. Daartoe moet die meerderheid intusschen overgroot en moet een enkel schuldeischer buiten machte zijn, gedurende den loop der onderhandelingen het faillissement van den schuldenaar te doen uitspreken. Het voorstel van den heer Levy voorziet echter in dit een en ander niet, en ontneemt daarenboven aan de instelling hare raison d\'etre door, in navolging van hetgeen in Ejngeland voor het faillissement is voorgeschreven, een openbaar verhoor van den schuldenaar voor de rechtbank verplichtend te stellen.

Die publieke tentoonstelling van den schuldenaar vond ook afkeuring bij den minister, die voorts in overeenstemming met den heer Hartogh betoogde dat het doel van den heer Levy, de verschillende berechting van den eerlijken en van den oneerlijken schuldenaar, door zijn voorstel niet bereikt werd. Eene onderscheiding tusschen beide werd daarin niet gemaakt. Trouwens de wetgever kan geene kenmerken aangeven ter onderscheiding van den eerlijken en oneerlijken schuldenaar. Juist daarom moet hij geene krenkende gevolgen aan het faillissement verbinden.

Op deze laatste bedenking antwoordde de heer Levy, dat de be- Repliek doelde onderscheiding in den aard der zaak ligt, vermits een eerlijk van schuldenaar, voorziende dat hij buiten staat zal geraken zijne ver- den heer bintenissen na te komen, tijdig een aannemelijk accoord buiten Levy, faillietverklaring zal aanbieden. Surséance van betaling is hier on-

-ocr page 32-

— 16 —

voldoende, omdat de schuldenaar die haar aanvraagt het vooruitzicht moet hebben, dat hij na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen. De bezwaren van den heer Hartogh liet de heer Levy meerendeels onbeantwoord, omdat zij niet het beginsel der homologatie van accoord buiten faillietverklaring betroffen, maar de uitwerking daarvan, waarover eventuëel nader zou zijn te debatteeren.

Stemming Dat nader debat bleef echter vooreerst achterwege. Immers nadat over de meerderheid had uitgemaakt, dat het voorstel de grenzen van artikel I het recht van amendement niet te buiten ging, werd het eerste van het artikel daarvan, waarin het beginsel vervat was, door de kamer met amende- 41 tegen 27 stemmen verworpen. Die stemming betrof niet zuiver het ment- beginsel; vooraf had de heer De Beaufort (Amsterdam), ook namens Levy, andere leden, verklaard enkel om redenen van opportuniteit tegen het amendement te zullen stemmen; omgekeerd konden zij, die voor stemden, daarom nog niet geacht worden met den heer Levy aan het faillissement een meer afschrikkend karakter te willen geven.

Voorstel Een ander middel, om het gevaar van te gemakkelijke failiiet-tot wijzi-verklaring van particulieren te bezweren, werd aan de hand gedaan ging der door den heer Van der Kaay. Het bestond daarin, dat het eigenlijk redactie doel van het faillissement in artikel 1 der wet eenigszins nader werd van aangeduid. Dat doel is, zoo redeneerde deze afgevaardigde, bij sta-artikel I. king van betaling door den schuldenaar zijn vermogen op eene billijke wijze onder al zijne schuldeischers, met eerbiediging van ieders recht, te verdeelen. Men gaat dus uit van de onderstelling van het bestaan van onderscheidene schuldeischers; in den concursus creditorum ligt de noodzakelijke voorwaarde voor de faillietverklaring. Het niet-betalen van ééne enkele schuld mag derhalve slechts dan tot het uitspreken der faillietverklaring leiden, wanneer het aantoont dat de schuldenaar in eenen toestand verkeert, die het hem onmogelijk maakt ook zijne andere schuldeischers te voldoen. Men drukke dit in de wet uit door te bepalen dat de schuldenaar, die ophoudt te betalen, in staat van faillissement zal worden verklaard, indien dit in het belang zijner gezamenlijke schuldeischers wenschelijk blijkt. Krachtens zulk een voorschrift zou het strenge bewijs van die wenschelijkheid niet behoeven te worden geleverd. Blijken of summier lijk blijken is nog niet hetzelfde als bewezen worden. De practijk ten aanzien van kooplieden zou daardoor niet gewijzigd worden. Hetzelfde denkbeeld ligt nu reeds ten grondslag aan elk goed vonnis, waarbij een koopman in staat van faillissement verklaard wordt. Voor den particulier zou het echter een veiligheidsmaatregel zijn

-ocr page 33-

— 17 —

tegen een kwaadaardig schuldeischer, die een verzoek tot faillietverklaring als een goedkoop middel van executie mocht willen bezigen. De heer Van der Kaay stelde een amendement in dien zin voor, dat bij zijne verplichte afwezigheid den volgenden dag dooiden heer Tydeman werd overgenomen. Laatstgenoemde wees in zijne toelichting rog in het bijzonder op het gevaar van te spoedige faillietverklaring van landbouwers.

Dit denkbeeld vond ingang. De minister verklaarde zich bereid De het amendement over te nemen, mits de minder gelukkige uitdruk- minister king „in het helanf/ zijner gezamenlijke schuldeischersquot; werd vervangen neemt het door „in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischersquot;, en mits amende-de bij te voegen clausule niet werd toegepast op de faillietverklaring ment over. op vordering van het openbaar ministerie; waarmede de heer Tydeman genoegen nam. Aanleiding tot deze concessie vond de minister in de memorie van toelichting, die zijns inziens bij artikel 1 over de beteekenis der technische uitdrukking „ophouden te betalenquot; eene „te specieuse en te casuïstischequot; beschouwing bevatte. De commissie van voorbereiding gaf te kennen, dat zij het artikel met zijne beproefde formule liever onveranderd behouden had, doch bereid was zich neder te leggen bij de „zeer onschuldigequot; bijvoeging, door den heer Van der Kaay aangegeven. De oppositie tegen de gelijkstelling van particulieren met kooplieden bleek door de gewijzigde redactie van artikel 1 te zijn gebroken. Een door den heer Van Karnebeek aangekondigd amendement, om de wet alleen op kooplieden van toepassing te verklaren, werd teruggenomen. Eveneens werd een amendement van den heer Van Houten, strekkend om in artikel 1 in plaats van „die ophoudt te betalenquot; te lezen „die blijk geeft van onvermogen om zijne opeischhare schulden te betalenquot;, om enkele vermoedens van zoodanig onvermogen, trouwens slechts enuntiatief, als richtsnoer voor den rechter te noemen, en voorts om het uitspreken der faillietverklaring facultatief te stellen, na op verschillende gronden te zijn bestreden, door den voorsteller ingetrokken.

Tegen het gewijzigd artikel 1 rees nu echter bedenking van anderen Nadere aard. De vrees werd geuit dat, wanneer de faillietverklaring in het wijziging gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk moest blijken, blijkt het voor de schuldeischers uiterst moeilijk zou \'worden, hunnen noodig. schuldenaar te doen failliet verklaren. Hoe zal, vroeg de heer Lucassei een schuldeischer, die zijne medeschuldeischers niet alle kent, den rechter het gemeenschappelijk belang der schuldeischers bij de faillietverklaring kunnen aantoonen? Ook dit bezwaar wist de minister ter zijde te schuiven, door het woord „blijktquot; alsnog te veranderen in „wordt geoordeeldquot;. Daarop werd een bereids door den heer De

2

-ocr page 34-

— 18 —

Stemming Kanter voorgesteld amendement, om de oorspronkelijke redactie te over herstellen, ingetrokken, en werd artikel 1 met 58 tegen 11 stemmen artikel I. aangenomen. Onder de minderheid waren blijkbaar enkele leden, naar wier oordeel het artikel door de gewijzigde redactie bedorven was. Voor- Zeker is het, dat de eerste kamer bij het onderzoek van het wets-loopig ontwerp in hare afdeelingen onder dezen indruk verkeerde. Terwijl verslag de nieuwe regeling vrij algemeen werd goedgekeurd, wat het fail-der jissement van kooplieden betreft, en de gelijkstelling van niet-koop-eerste lieden met kooplieden uitvoerig bestreden maar ook met klem verkamer. dedigd werd, vond de in artikel 1 opgenomen bijvoeging in het voorloopig verslag scherpe afkeuring. Zij werd geacht de wet onklaar en onoprecht, zoo goed als onmogelijk en daardoor willekeurig in de toepassing te maken. Ten aanzien van het faillissement van particulieren zou zij geen nut doen en het commerciëel faillissement zou zij verlammen. Het is eene open vraag gebleven, zoo werd betoogd, of de schuldeischer die het faillissement aanvraagt het gemeenschappelijk belang der schuldeischers bij de faillietverklaring-zal moeten bewijzen, althans aannemelijk maken bij zijn request. Maakt de rechtspraak uit dat hij deze voorwaarde voor zijne rekening heeft, hoe zal hij er aan voldoen? Wordt daarentegen uitgemaakt dat de voorwaarde voor rekening van den rechter komt, hoe moet deze zich van haar bestaan overtuigen? De rechtbank zou, wilde zij hare taak naar behooren vervullen, alvorens op de aanvrage te beslissen, eene openbare oproeping der schuldeischers moeten gelasten, ten einde hen over hun gemeenschappelijk belang te hooren. Doch dit is, wegens den ruimen termijn die zou moeten worden genomen om de oproeping niet tot eene schijnvertooning te maken, volstrekt onpractisch. Neemt men derhalve de voorwaarde ernstig op, dan verstikt zij de wet, en wil men den rechter louter op gevoel laten rechtspreken, hetgeen hij waarschijnlijk beslist zal weigeren, dan komt men tot de meest subjectieve en daardoor willekeurige resultaten.

Aangenomen dat hieromtrent van hem, die het faillissement aanvraagt, geen bewijs a priori verlangd wordt, gelijk de geschiedenis der bijvoeging wel schijnt aan te toonen, in elk geval zal de rechtbank op dit vereischte hebben te letten. De schuldenaar zal zich op het ontbreken daarvan kunnen beroepen, en evenzeer zullen dit kunnen doen andere schuldeischers of belanghebbenden , die van het recht van verzet of hooger beroep gebruik maken. Geschiedt dit, dan komt de zaak op een geheel verkeerd terrein. Er zal kunnen zijn ophouden met betalen en toch geene faillietverklaring, omdat deze in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers niet

-ocr page 35-

— 19 —

wenschelijk geoordeeld wordt. Maar voor dat geval is de surséance van betaling ingesteld, waarbij de sohuldeischers worden opgeroepen en gehoord en maatregelen tot behoud van den boedel genomen worden. Hier daarentegen wordt een element van beoordeeling in de wet gebracht; maar de middelen, om over de zaak een oordeel te kunnen vellen, ontbreken. Afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring, ofschoon er ophouden met betalen bestaat, wordt mogelijk gemaakt; maar de waarborgen, welke in dat geval onmisbaar zijn, ontbreken evenzeer.

Nu kan men wel zeggen: indien er staking van betaling plaats heeft, zal faillissement altijd in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers zijn, want het zal wanbeheer, spoliatie van den boedel en bevoorrechting van den eenen schuldeischer boven den anderen voorkomen. Maar juist omdat gemeenschappelijk belang, in dien zin opgevat, altijd aanwezig is, zoodra er een werkelijke con-cursus van schuldeischers bestaat, kan men het niet in dien zin opvatten, waar sprake is van eene voorwaarde, die zich nu eens wel, dan weder niet zal voordoen. Wordt de vraag gesteld, of faillissement in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers is, zoo dringt terstond het verschil van belang en het verschil van opvatting omtrent het gemeenschappelijk belang zich op den voorgrond.

De een zal meenen, dat het belang der schuldeischers het best behartigd wordt door hoe eer hoe liever het aanwezig actief te verdeden; een ander kan van oordeel zijn, dat alles nog wel zal terechtkomen , indien men den schuldenaar slechts niet laat failliet verklaren. Schuldeischers die eene opeischbare vordering hebben, en zij wier vordering nog niet verschenen is, hebben tegenstrijdige belangen;

van een gemeenschappelijk belang van beide kan geen sprake zijn.

Wil men het begrip van faillissement zuiver houden, dan moet dit element van gemeenschappelijk belang, dat nu eens wel, dan weder niet aanwezig zal zijn, hoe eer hoe liever uit de wet worden weggenomen.

Zonder het wetsontwerp, dat zooveel goeds bevat, uit dezen hoofde te willen verwerpen, behielden onderscheidene loden zich voor later tegen de invoeringswet te stemmen, indien niet vóór of bij die wet deze te kwader ure door de regeering overgenomen bijvoeging weder verwijderd werd.

Eene warme verdediging van de gewraakte bijvoeging was van den Memorie minister bezwaarlijk te verwachten. In de memorie van antwoord van erkende hij dat zij overbodig was en de wet ontsierde; doch ge-antwoord, vaarlijk achtte hij haar niet. Historisch stond het vast, dat de bijgevoegde woorden geene nieuwe, door den aanvrager te bewijzen,

-ocr page 36-

— 20 —

voorwaarde stellen, en dat zij de bedoeling hebben, niet om het artikel te wijzigen, maar eenig en alleen om het te verduidelijken. Zij kunnen dienst doen om den rechter niet een vermeenden concursus als den door de wet bedoelden te doen beschouwen, maar hem aan een werkelijken concursus als eisch van faillietverklaring te binden. Zij bevatten toch de vingerwijzing, dat het gemeenschappelijk belang der schuldeischers de hoeksteen is van het faillissement, dat chicaneuse, lichtvaardige of zuiver odieuse aanvragen derhalve be-hooren te worden afgewezen, dat ophouden met betalen niet reeds aanwezig is bij het niet-betalen van eene enkele schuld, maar eerst wanneer blijkt van zoodanigen toestand dat de schulden in het algemeen niet betaald worden of kunnen worden.

Dat van een gemeenschappelijk belang der schuldeischers geen sprake zou kunnen zijn, wanneer er schuldeischers zijn die eene opeischbare vordering hebben en andere wier vordering nog niet verschenen is, is niet juist. Niet op het mogelijk bijzonder belang van den individuëelen schuldeischer, maar alleen op het gemeenschappelijk belang der schuldeischers heeft de rechter bij zijne beslissing te letten. Dat belang is aanwezig, waar ten gevolge van een concursus creditorum het behoud van hetgeen er nog is, een eerlijk en zuinig beheer en de handhaving van de paritas creditorum gevaar loopen.

De bijgevoegde woorden strekken niet om den schuldenaar, die het faillissement aanvraagt, de verplichting op te leggen om bij zijn request het gemeenschappelijk belang der schuldeischers te bewijzen , althans aannemelijk te maken. Volgens artikel 6, tweede lid, moet de schuldeischer summierlijk doen blijken, behalve van zijn vorderingsrecht, van het ophouden met betalen. Meer niet, maar ook niet minder. Uit de summier aangetoonde feiten heeft de rechter zijn oordeel op te maken. Daarbij mag hij gebruik maken van al de feiten, die te zijner kennis komen. De feiten kunnen volledig vermeld en bewezen zijn in het verzoekschrift tot faillietverklaring, of kunnen door den aanvrager bij het onderzoek voor den rechter worden uiteengezet. Voorts kan de schuldenaar, wiens faillissement is aangevraagd, worden opgeroepen om in persoon te verschijnen. Ook kan het openbaar ministerie, dat op het verzoek moet worden gehoord, nadere inlichtingen\' verschaffen. Is dit alles nog niet genoeg, dan belet eindelijk niets den rechter, ook andere personen te hooren. Daarbij is hij aan geene wettelijke bewijsregelen gebonden; hij mag niet louter op gevoel rechtspreken, hij behoeft alleen met zijne overtuiging te rade te gaan.

-ocr page 37-

— 21 —

Bij de beraadslaging in de eerste kamer werd de gelijkstelling van Beraad-niet-kooplieden met kooplieden bestreden door de heeren Sassen, si aging De Savornin Lobman, Melvil van Lynden, Van Zinnioq Bergmann in de en Kist. Geen dezer sprekers vond in de gewijzigde redactie van eerste artikel 1 eenige tegemoetkoming. Integendeel beschouwden zij de kamer, daaraan toegevoegde woorden als eene fout te meer. De krachtigste bestrijding dier bijvoeging kwam van de zijde van den heer Pijnappel, voorstander van de uitbreiding van het faillissement tot niet-koop-lieden, die het debat opende en bij wien de heer Vlielander Hein zich aansloot. De heer Pijnappel achtte de in het artikel gemaakte verandering geenszins onschuldig. Zonder het beoogde doel te bereiken, zou zij tot bedenkelijke gevolgen leiden; de rechter zou moeten onderzoeken of de faillietverklaring voor de schuldeischera gewenscht was, en de strijd tusschen belanghebbenden over hare wenschelijkheid werd niet afgesneden. Genoemde afgevaardigde wenschte dat men er bij gelegenheid der invoeringswet alsnog op zou terugkomen. Bij de verdediging van het ontwerp, ook op dit punt, werd de minister bijgestaan door den heer Van Lier. Zij hielden vol dat men in de gewraakte bijvoeging eene niet noodige,

maar onschadelijke verduidelijking te zien had. De minister weigerde de van hem verlangde toezegging te geven, dat hij een ontwerp tot wijziging van artikel 1 zou aanhangig maken.

Het was den minister Smidt niet gegeven, de invoering der nieuwe Voorstel wet te regelen. Nadat hij was opgevolgd door den heer Van der Kaay , van den den auteur der gewraakte bijvoeging, werd deze laatste, krachtens heer parlementair initiatief, weder uit de wet verwijderd. Dit geschiedde op Pijnappel voorstel van den heer Pijnappel, die inmiddels het lidmaatschap der tot wijzi-eerste met dat der tweede kamer verwisseld had. Zijn voorstel strekte ging der eensdeels om de pen te halen door de formule omtrent het gemeen- vvet. schappelijk belang der schuldeischers, anderdeels om in de wet uit te drukken dat, om het uitspreken der faillietverklaring te wettigen, de toestand van het ophouden met betalen moet aanwezig zijn.

Artikel 1, zoo redeneerde de voorsteller, stelt in werkelijkheid twee eiscben: de schuldenaar moet hebben opgehouden te betalen,

en de rechter moet van oordeel zijn, dat faillietverklaring in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk is. Dit zijn twee onderscheidene zaken. Faillietverklaring zou zelfs wenschelijk kunnen zijn, voordat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen;

zij is dan echter niet mogelijk, omdat de eerste eisch voor faillietverklaring ontbreekt. Omgekeerd kan iemand ophouden te betalen,

en toch faillietverklaring voor zijne schuldeischers niet wenschelijk zijn. Daartegenover staan de redenen, die in het algemeen failliet-

-ocr page 38-

— 22 —

verklaring wel wenscliolijk maken; de vrapg, waaraan het meeste gewicht moet worden gehecht, is eene vraag van karakterbeoordeeling en van kansberekening. Maar in den regel behoort kansberekening bij de rechterlijke macht niet tehuis. In andere gevallen, waarin de rechter optreedt ter beoordeeling van wenschelijkheid, met het oog niet op rechten, maar op belangen, worden de belanghebbenden in de eerste plaats in de zaak gekend en daardoor aan den rechter de middelen verschaft om te kunnen oordeelen. Hier echter worden de sohuldeischers niet opgeroepen om gehoord te worden, veelmin om te stemmen over belangen, waarbij zij toch in de eerste plaats betrokken zijn. De rechter ontvangt geene andere voorlichting dan die hij verkrijgen kan van den schuldeischer die het faillissement aanvraagt, van den schuldenaar en eventuëel van in verzet komende schuldeischers. Nu vertegenwoordigt eerstgenoemde alleen zijn eigen belang. De schuldenaar, die het verzoek tegenspreekt, zal niet nalaten te beweren, dat faillietverklaring met het welbegrepen belang zijner schuldeischers in strijd zou zijn; maar die bewering is in zijnen mond verdacht. En de schuldeischers, die tegen de faillietverklaring in verzet komen, zullen onder de niet geheel ongegronde verdenking liggen van tot de vrienden van den schuldenaar te behooren. De rechter zal dus moeten oordeelen over het gemeenschappelijk belang der schuldeischers, zonder hunne belangen behoorlijk te kennen. En indien hij de faillietverklaring van den schuldenaar, die heeft opgehouden te betalen, weigert omdat hij haar niet in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers acht, staat hem geen enkel middel ten dienste, om hen te beschermen tegen wanbeheer van den schuldenaar, verspilling van het actief eu bevoordeeling van den eenen schuldeischer boven den anderen.

Intusschen is twijfel gerezen omtrent de beteekenis en de gepastheid van het criterium „ophouden te betalenquot;. Die twijfel moet worden opgeheven; maar dan ook door eene bepaling, die niet ligt buiten het terrein waarop de quaestie ontstaan is. „Men heeft de uitdrukking „ophouden te betalenquot; opgevat alsof zij gelijkluidend was met: eene schuld niet betalen. Men heeft daarbij miskend, dat ophouden te betalen een toestand aanwijst, en niet een op zich zelf staand, misschien aan bijzondere redenen toe te schrijven feit. Welnu, men noeme dat woord toestand uitdrukkelijk in de wet, en de oorzaak van misvatting is weggenomen. Niet alleen — wat van zelf spreekt — valt daaronder evenmin als thans eene weigering van betaling op grond dat de schuld betwist wordt of niet verschenen is, noch het nalaten van betaling waar geen betaling gevraagd is; want waar geene verplichting tot betaling vaststaat, daar staat de

-ocr page 39-

— 23 —

schuld geheel buiten den toestand van betalen of niet-betalen, en waar geen betaling gevraagd is, kan van geen nalatigheid, laat staan van een toestand van nalatigheid, sprake zijn. Maar ook het.

niet terstond betalen van erkende en verschenen schulden waarvan betaling verlangd wordt, zal, indien op grond daarvan faillietverklaring wordt aangevraagd, getoetst moeten worden aan de vraag, of daarin, in verband met bestaande handels- of maatschappelijke gewoonten, de overgang gelegen is van een toestand, waarin men zijne schulden betaalt, tot een toestand waarin men daarmede heeft opgehouden.quot;

De memorie van toelichting van den heer Pijnappel, waaraan het bovenstaande ontleend is, eindigde met de opmerking, dat bij de voorgestelde redactie ook het verschil van toestand tusschen kooplieden en niet-kooplieden ten volle tot zijn recht zal komen. Geen beroep op de stelling, dat dezelfde woorden der wet voor kooplieden en niet-kooplieden dezelfde beteekenis moeten hebben, zal meer openstaan, wanneer niet langer van woorden, maar van toestanden sprake is; want dat de toestanden van kooplieden en die van niet-kooplieden uiteenloopen, en daarop dus bij eene beoordeeling van feitelijke toestanden moet worden gelet, zal wel niet betwijfeld worden.

Het voorstel van den heer Pijnappel werd in handen gesteld van Behande-eene commissie van voorbereiding, bestaande uit de heeren mr. Tra-ling in de vaglino, tevens voorzitter, mr. Hartogh, Hintzen, mr. Lucasse en tweede mr. Drucker, die, nadat het onderzoek in de afdeelingen had plaats kamer, gehad, met den voorsteller in overleg trad. Dat overleg leidde tot eene gewijzigde redactie; van den toestand van het ophouden met betalen werd namelijk niet alleen in het tweede lid van artikel 6 gewag gemaakt, gelijk aanvankelijk door den heer Pijnappel was voorgesteld, maar ook in de artikelen 1 en 198. In de vergadering der tweede kamer van 28 Juni 1895 werd het aldus gewijzigd voorstel met 63 tegen 10 stemmen aangenomen. Vooraf had de kamer, met 46 tegen 27 stemmen, verworpen een amendement van de heeren Harte en Tydeman, strekkend om de formule omtrent het gemeenschappelijk belang der schuldeischers in gewijzigden vorm te herstellen, door aan het slot van artikel 1, eerste lid, te lezen:

„tenzij dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers niet wenschelijk wordt geoordeeldquot;; waartegen door den heer Pijnappel en anderen intusschen terecht nadrukkelijk was gewaarschuwd.

In de eerste kamer werd het voorstel van den heer Pijnappel met Verdere instemming begroet en den 18den Juli 1895 zonder hoofdelijke stem- behande-ming aangenomen, nadat enkele opmerkingen, in het eindverslag ling, gemaakt, door den voorsteller waren beantwoord. Eenigen tijd daarna

-ocr page 40-

— 24 —

verkreeg het de koninklijke goedkeuring. Onder het contraseign van den minister Van der Kaay werd het afgekondigd als wet van 6 September 1895 [staatsblad n0. 155).

Regeling Een gevolg van de uitbreiding van het faillietrecht tot niet-koop-van het lieden is, dat het niet langer in een of meer der wetboeken, maar failliet- bij afzonderlijke wet geregeld wordt, waartoe artikel 150 der grondrecht bij wet vrijheid laat. Het zou in het wetboek van koophandel niet meer afzonder- passen, en bevat te vele bepalingen van materieel recht, om in het lijke wet. wetboek van burgerlijke rechtsvordering, van formeel procesrecht, om in het burgerlijk wetboek op zijne plaats te zijn. Scheiding van materiëel en formeel recht, bij dit onderwerp niet gemakkelijk uitvoerbaar, is niet beproefd. Op het voetspoor van het wetboek van koophandel, is bij de indeeling der wet meer op practische bruikbaarheid dan op leerstellige eischen gelet en de gang der faillisse-ments-procedure op den voet gevolgd.

Toepasse- Opneming van een afzonderlijk voorschrift ter voorkoming van lijkheld twijfel, of het voor zaken van koophandel geldend recht van toeder bij- passing zal zijn, is onnoodig geoordeeld. In de toepasselijkheid der zondere bijzondere bepalingen voor handelszaken wordt niet de minste wij-bepalin- ziging gebracht door het feit, dat de schuldenaar in staat van fail-gen voor lissement verkeert. Van die toepasselijkheid kan alleen sprake zijn handels- bij verificatie-geschillen en bij procedures, waarin de boedel mocht zaken, worden gewikkeld; de oplossing moet dan gezocht worden in de artikelen 3—5 van het wetboek van koophandel. De regelen voor procedure en bewijs in zaken van koophandel zullen, ook bij faillissement van een niet-koopmau, blijven gelden, wanneer het geschil eene handelszaak, bijvoorbeeld eene wisselrechtelijke vordering betreft. Omgekeerd zullen zij, zelfs bij faillissement van een koopman, niet toepasselijk zijn , waar het geschil loopt over een onderwerp van zuiver burgerrechtelijken aard.

Eenheid In elk faillissement zijn zekere formaliteiten noodig tot waarborg van be- voor de rechten van alle belanghebbende partijen. Bij het ontwerpen rechting der wet is getracht die formaliteiten tot een minimum terug te voor alle brengen, zonder aan de rechtszekerheid te kort te doen. Bovendien boedels, zijn, waar het eenigszins mogelijk was, verscheidene bepalingen facultatief gesteld. Aldus is eene regeling verkregen, eenerzijds elastiek genoeg om met den meer of minder ingewikkelden aard van elk concreet faillissement rekening te houden, aan den anderen kant zeer eenvoudig, zoodat in geen faillissement formaliteiten behoeven te worden vervuld, die niet strikt noodzakelijk te achten zijn. Bovendien kan, indien de toestand van den boedel er aanleiding toe geeft, hetzij kostclooze behandeling, hetzij opheffing van het faillissement

-ocr page 41-

— 25 —

worden bevolen (artikel 16). Voor eene bijzondere procedure voor kleine boedels is naast de eenvoudige regeling der wet geene plaats.

Zij ware niet anders te verkrijgen dan door opoffering van bepalingen ,

die voor de rechtszekerheid en tot het waarborgen van aller belangen onmisbaar zijn. Eene nog eenvoudiger berechting voor kleine boedels,

onder anderen door den heer Levy in zijne nota voorgestaan, is dan ook niet in de wet opgenomen. Daartegen woog ook, dat eene ratio-neele splitsing van groote en kleine boedels bezwaarlijk is te maken ,

terwijl kleine boedels ingewikkeld, grootere eenvoudig kunnen zijn.

Evenmin wordt de berechting der faillissementen aan den kanton- Bereoh-rechter opgedragen, gelijk bij de engelsche en duitsche wetten ge- ting door schiedt. Het stelsel van berechting door den gewonen rechter, dat de recht-in de practijk deugdelijk bleek, is gehandhaafd, ook ter voorkoming bank. van de vermeerdering van het aantal kantonrechters, die, naar de minister vreesde, het gevolg zou moeten zijn van eene zoo groote uitbreiding van hunnen werkkring. Ter wegneming van het bezwaar,

voor de schuldeischers gelegen in de uitgestrektheid der tegenwoordige arrondissementen, is bepaald dat de gewichtigste stukken betreffende het faillissement, behalve ter griffie van de rechtbank, ook ter griffie van het kantongerecht moeten worden nedergelegd, tenzij het bevoegde kantongerecht in dezelfde gemeente als de rechtbank zetelt.

Deze tegemoetkoming werd echter in de nota . van den heer Levy onvoldoende geoordeeld. Volgens dien afgevaardigde komt het niet zoozeer op inzage van die stukken aan, als op de gelegenheid voor den schuldeischer, om persoonlijk zijne zaken waar te nemen. De schuldeischer, die niet woont ter plaatse, waar de rechtbank gevestigd is, wordt daardoor verplicht zich te doen vertegenwoordigen gt;

tegen welken omslag, met kosten gepaard, hij pleegt op te zien. Dit werkt de lijdzaamheid, die men thans veelal kan waarnemen ,

in de hand. De kantonrechter staat nader bij de partijen dan hetzij de rechter-commissaris, hetzij de rechtbank; en zijne gewone competentie omvat tal van zaken, niet minder ingewikkeld of gewichtig dan de berechting der faillissementen. De ware reden voor het behoud van de bestaande berechting zag de heer Levy in verkeerd geplaatste zuinigheid. In gelijken geest werd in het verslag der commissie van voorbereiding in overweging gegeven: hetzij der rechtbank de bevoegdheid toe te kennen, den kantonrechter te bekleeden met het ambt van rechter-commissaris; hetzij alle bemoeiingen betreffende het faillissement, desnoods met uitzondering van de faillietverklaring,

aan den kantonrechter op te dragen, zoo vaak het faillissement viel buiten den kring van het kantongerecht, terzelfder plaatse als de rechtbank gevestigd.

-ocr page 42-

— 26 —

De minister achtte geen van beide denkbeelden aannemelijk. Tegen facultatieve benoeming van den kantonrechter tot rechter-commis-saris bestaat het bezwaar, dat de rechtbank bij het uitspreken van het faillissement de noodige gegevens mist om de vvenschelijkheid daarvan te beoordeelen en althans bij aanvraag van faillietverklaring door een schuldeischer niet weet, \'waar de meeste en grootste schuld-eischers wonen. Dit stelsel zou voorts tot ongelijke behandeling der faillissementen, tot verschillende verwikkelingen en in vele gevallen tot vertraagde afdoening leiden. Bestaat er bovendien voldoende waarborg dat een kantonrechter, die slechts bij uitzondering een faillissement zal behandelen, de meest geschikte persoon is tot het nemen der gewichtige beslissingen, die daarin kunnen voorkomen? Dit bezwaar geldt in nog veel hooger mate tegen het denkbeeld, om in bepaalde gevallen alle bemoeiingen betreffende het faillissement aan den kantonrechter op te dragen. Waar deze geen kennis neemt van eene personeele vordering boven ƒ 200, gaat het nier, aan hem in failliete boedels te doen beslissen over vorderingen tot welk bedrag ook, ter verificatie-vergadering betwist, ja zelfs over de homologatie van een accoord. Dat het staatsbelang zou vorderen, de berechting der faillissementen aan den kantonrechter op te dragen, kon de minister den heer Levy dan ook volstrekt niet toegeven. Vrijdom De stukken, ter voldoening aan de bepalingen betreffende het van faillissement opgemaakt, zijn vrijgesteld van zegel en van de for-kosten. maliteit van registratie; echter niet van griffiekosten, tenzij op grond van den toestand des boedels kostelooze behandeling bevolen is (artikelen 16, 17). Vrijstelling van griffiekosten is atigestuit op de daarmede verbonden uitgaven tot schadeloosstelling der griffiers. Inlichtingen omtrent het bedrag der griffiekosten, onder de werking van het wetboek van koophandel gedurende de laatste jaren in faillissementen geheven, konden niet volledig verkregen worden. Bl.jkens ingesteld onderzoek bestond het gebruik om van beschikkingen, zoo van den rechter-commissaris als van de rechtbank, acten in forma op te maken en deze aan den curator in afschrift mede te deelen, bij verreweg de meeste rechtbanken niet; bij de zeer enkele colleges, waar hot wel bestond, waren de afschriften voor den curator meestal simpele copicn. Werd het opmaken van acten niet verder dan noo-dig uitgebreid en het geven van afschriften tot de noodzakelijke beperkt, zoo mocht in het algemeen worden aangenomen, dat de griffiekosten in een faillissement bij insolventie gemiddeld ƒ 20 en bij homologatie van een accoord gemiddeld ƒ 16 bedroegen. Op het bedrag der griffiekosten was, wegens de eenheid van berechting voor alle boedels, de hoegrootheid van het actief in den regel slechts

-ocr page 43-

— 27 —

van geringen invloed. Ten slotte kwam het denkbeeld, om het heffen van griffiekosten naar het bestaand tarief te vervangen door een percentage-stelsel, den minister om onderscheidene redenen niet aanbevelenswaardig voor.

Of de genomen beslissingen omtrent betwiste punten alle juist te Oordeel achten zijn, kan hier in het midden blijven. Het ligt in den aard over de der zaak, dat het faillietrecht minder nog dan andere onderwerpen nieuwe van wetgeving tot de volmaaktheid vermag te naderen. Ook in de wet. nieuwe wet zal de practijk ongetwijfeld gebreken aan het licht brengen. Vergeleken met het faillietrecht van 1838, vertegenwoordigt zij echter ongetwijfeld een grooten vooruitgang. Gebruik makend van hetgeen wetenschap en ervaring hebben geleerd, komt zij aan menige gegronde grief tegemoet en vult zij menige schadelijke leemte aan. Aan haar rechtskundig gehalte is van bevoegde zijden hooge lof toegebracht. Men heeft haar geroemd als een voortreffelijk werk,

dat de vergelijking met buitenlandsche wetten veilig doorstaan kan.

Ook de heer Levy, zeker geen blind bewonderaar, gevoelde zich gedrongen in den aanhef zijner nota hulde te brengen aan haar gehalte.

„Aan de hand van den voorarbeid der staatscommissiequot;, zoo schreef die afgevaardigde, „verzuimt het ontwerp nergens rekenschap zich te geven van het eens gekozen en onwrikbaar ingenomen standpunt.

Om dit middelpunt worden de tallooze vragen, die de bestaande wet in de literatuur deed rijzen of door de jurisprudentie beslechten, met vaste hand gegroepeerd. Daardoor verkrijgt het ontwerp eenheid van bouw en vastheid van gedachte: onschatbare voorrechten in legislatieven arbeid. De wet, die ééne streek volgt, is voor rechts-hanteering en uitlegging het begeerlijkstquot;.

-ocr page 44-

WET VAN DEN 30slquot; SEPTEMBER 1893 (staatsblail w\'. 140),

op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van den 61«quot; September 1895 (staatsblad nquot;. 155).

In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie

Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-

Nassau, enz., enz., enz.

Wij EMMA, Koning in-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk;

Allen, die deze zullen zien of hoeren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wettelijke bepalingen omtrent het faillissement en de surséance van betaling herziening vereischen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

TITEL I. VAN FAILLISSEMENT.

EERSTE AFDEELING.

Van de faillietverklaring.

Artikel 1.

De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.

De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op de vordering van het Openbaar Ministerie.

-ocr page 45-

— 29 —

Artikel 1.

Strekking van het artikel. Ieder schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, kan in staat van faillissement verklaard worden. Hierbij wordt geen verschil gemaakt tusschen kooplieden en niet-kooplieden. Over de bezwaren, bij de vaststelling der wet tegen deze gelijkstelling ingebracht, en over de wording van dit artikel in zijne tegenwoordige gedaante, raadplege men de inleiding, bladz. 7—12 en 16—24.

Eerste lid. De tegenwoordige tekst is vastgesteld bij de wet van 6 September 1895 (staatsblad n0. 155). De vroegere luidde:

„De schuldenaar, die ophoudt te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard, indien dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk wordt geoordeeldquot;.

Ophouden met betalen. Of de schuldenaar in dezen toestand verkeert , is eene vraag van feitelijken aard, door den rechter in elk voorkomend geval te beslissen. Het ophouden met betalen bestaat niet in één los, op zichzelf staand feit, maar in een toestand van algemeenen en voortdurenden aard. Op een toestand van betalen volgt een toestand van niet meer betalen. Het bewijs, dat de schuldenaar dezen toestand is ingetreden, is uit den aard der zaak lichter te leveren wanneer geregelde betalingen, die op gezette tijden moeten plaats hebben, achterwege blijven, dan wanneer op den schuldenaar geene dergelijke verplichtingen rusten. Het niet-betalen door een koopman van hetgeen hij op een bepaald tijdstip verschuldigd is heeft een ander karakter, dan het niet-betalen van eene huisschuld door een niet-koopman. Het zal dan ook in den regel veel gemakkelijker zijn een koopman te doen failliet verklaren dan een particulier. Niet wegens eenig wettelijk onderscheid tusschen beide categoriën van personen of tusschen huis- en andere schulden; zoodanig onderscheid wordt hier niet gemaakt. Maar wegens de feitelijke omstandigheden waarmede de wet, vorderend dat de schuldenaar in den toestand verkeere van te hebben opgehouden met betalen, den rechter noodzaakt rekening te houden; wegens het verschil in den werkkring, de levenswijze, de gewoonten van den schuldenaar.

De schuldenaar moet in den toestand verkeeren dat hij heeft opgehouden niet-ontkende, opeischbare schulden, waarvan de voldoening gevorderd wordt, te betalen. In dit opzigt verschilt de wet met de duitsche Konhurs-ordnung, die het onvermogen van den schuldenaar om zijne schulden te voldoen als voorwaarde van faillietverklaring stelt. Het verschil is echter minder groot dan het schijnt, daar ook de duitsche wet staking van betaling als wettelijk vermoeden van onvermogen om te betalen aanneemt. Voor de nederlaudsche lezing pleit, dat onvermogen om te betalen geen uiterlijk waarneembare, maar een innerlijke toestand is, slechts bij benadering te bepalen en uit het ophouden met betalen af te leiden. Bovendien ligt de reden van bestaan van het faillissement juist in de staking van betaling met haren nasleep: den samenloop van executeerende of tot executie gerechtigde schuldeischers, het dringen en jagen om betaling te erlangen, den wedloop om iets van des schuldenaars vermogen machtig te worden, de conflicten die daarvan het gevolg zijn, het gevaar voor minder vervolgzieke schuldeischers om achter het net te visschen.

-ocr page 46-

— 30 —

Artikelen 1, 2.

Tweede lid. „Om redenen van openbaar belang.quot; Artikel 768 w. v. k. beperkte de bevoegdheid van het openbaar ministerie om faillietverklaring te requireeren tot de gevallen, dat de schuldenaar voortvluchtig is zonder order op zijne zaken te hebben gesteld , of dat hij bezig is zijne goederen te verdonkeren. Voor die beperking was geen voldoende grond. Tot het optreden van het openbaar ministerie ten deze bestaat aanleiding, zoo vaak het openbaar belang het vordert: niet alleen in de genoemde gevallen, maar bijvoorbeeld ook bij oplichting of verduistering van in bewaring gegeven gelden of goederen, alsmede wegens andere omstandigheden, die het ondoenlijk ware volledig in de wet te noemen. Daarom is het aan het oordeel der ambtenaren van het openbaar ministerie overgelaten te beslissen , of het openbaar belang vereischt dat zij faillietverklaring requi-leeren. De woorden „om redenen van openbaar belangquot; kwamen aanvankelijk niet in den tekst voor, maar zijn daarin opgenomen ter tegemoetkoming aan de bedenking, dat het openbaar ministerie zich krachtens zijne onbeperkte bevoegdheid ten deze in particuliere belangen zou kunnen mengen, zonder dat dit door het openbaar belang gevorderd werd. Die uitdrukking verplicht de rechtbank om eene door den officier van justitie gerequireerde faillietverklaring af te wijzen, indien daarbij naar haar oordeel geen openbaar belang betrokken is.

Onder de „redenen van openbaar belangquot; nemen voortvluchtigheid van. den schuldenaar en verdonkering zijner goederen eene plaats in. Innus-lüchen behoort het openbaar ministerie ook in die gevallen slechts dan faillietverklaring te requireeren, wanneer deze in het openbaar belang noodig is.

De regeering antwoordde op eene vraag in het voorloopig verslag dei-eerste kamer, dat ook het openbaar ministerie in zijne vordering tot faillietverklaring gehouden is aan het ophouden met betalen van den schuldenaar. Blijkt daarvan niet, zoo zal de rechter, op grond van het tweede in verband met het eerste lid van dit artikel, de vordering moeten afwijzen.

De bevoegdheid van het openbaar ministerie om, wegens redenen van openbaar belang, faillietverklaring te requireeren van eene vereeniging die rechtspersoonlijkheid bezit, is wel te onderscheiden van die om, krachtens artikel 10 der wet van 22 April 1855 (staatsblad n0. 32), wegens afwijking van goedgekeurde statuten, vervallenverklaring eener vereeniging van hare hoedanigheid van rechtspersoon te vorderen. Na die vervallenverklaring kan de vereeniging niet meer vallen onder de faillietwet, maar geschiedt de vereffening van hare zaken op den voet van het laatste lid van gemeld artikel. De gevallen zijn geheel verschillend en conflict tusschen beide is moeilijk denkbaar.

Artikel 2.

De faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars.

Indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft begeven, is de rechtbank zijner laatste woonplaats bevoegd.

Ten aanzien van vennooten onder eene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.

-ocr page 47-

— 31 —

Artikel 2.

Indien de schuldenaar binnen liet Rijk in Europa geene woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of bedrijf uitoefent, is de rechtbank, binnen welker gebied hij een kantoor heeft, bevoegd.

Wordt in het geval van het derde of vierde lid of in dal; van artikel 3 door meer dan ééne daartoe bevoegde rechtbank op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken , dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak; rechtsgevolgen. Heeft de uitspraak van verschillende rechtbanken op denzelfden dag plaats, dan heeft alleen de uitspraak van de rechtbank , die in de wetten van 9 April 1877 (Staatsbladen nos. 74—78) het eerst genoemd wordt, rechtsgevolgen.

Ten aanzien van naamlooze vennootschappen, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen , coöperatieve of andere , rechtspersoonlijkheid bezittende , vereenigingen en van stichtingen geldt, ter toepassing van dit artikel, de plaats, waar zij haren zetel hebben, als woonplaats.

Strekking van het artikel. Het stelsel van het wetboek van koophandel, volgens hetwelk in den regel uitsluitend de rechter der woonplaats tot het uitspreken der faillietverklaring bevoegd was, is als het eenvoudigste behouden. Naar het oorspronkelijk ontwerp was ten aanzien van den schuldenaar, die een beroep of bedrijf uitoefent, de rechter van het kantoor of hoofdkantoor mede bevoegd; alleen aan zijn vonnis werd gevolg gegeven in geval van gelijktijdige faillietverklaring door twee bevoegde rechters. De bedoeling was gelegenheid te openen om de afwikkeling van het faillissement te doen geschieden waar de schuldenaar zijne zaken drijft. De wetgever is echter hiervoor teruggedeinsd uit vrees voor veelvuldige geschillen van bevoegdheid, die ook door ingewikkelde bepalingen bezwaarlijk zouden zijn te voorkomen.

Tweede lid. Het wetboek van koophandel liet de vraag onbeslist, of de rechter der laatste woonplaats bevoegd was tot faillietverklaring van een schuldenaar, die, met inachtneming der wettelijke voorschriften omtrent verandering van woonplaats, zich naar het buitenland begeven had. Deze bepaling heft dien twijfel op. Aanvankelijk was er nog bijgevoegd „met achterlating van schuldenquot;, welke woorden volgens de memorie van toelichting moesten dienen om het voorschrift behoorlijk te begrenzen. Bij de beraadslaging in de tweede kamer keurde de heer Huber deze nadere omschrijving af. Hij zag daarin , naast het woord „schuldenaarquot;, een pleonasme, en achtte de toelichting onduidelijk. De minister gaf dit toe en deed de gemelde wToorden vervallen.

Derde lid. Omtrent het rechtskundig karakter der vennootschap onder eene firma en de verschillende vragen, die zich daaraan ten opzichte van het faillissement vastknoopen, wordt hier niets beslist. Vergelijk artikel 4, tweede lid. Kegeling van dit onderwerp zou trouwens in deze wet mis-

-ocr page 48-

— 32 —

Artikel 2.

plaatst zijn: zij blijft voor herziening der wettelijke bepalingen omtrent de vennootschappen voorbehouden. Intusschen werd het raadzaam geacht te voorkomen, dat de leden eener firma in verschillende arrondissementen failliet verklaard worden. Daartoe is deze zinsnede ingelascht, die den rechter van het kantoor der vennootschap mede bevoegd verklaart; in het geval van faillietverklaring door meer dan één bevoegden rechter voorziet het vijfde lid. Of het doel hiermede bereikt is, moet ik betwijfelen. Immers de rechters van de woonplaatsen der firmanten, die in verschillende arrondissementen kunnen gelegen zijn, blijven bevoegd; en indien de faillietverklaring door verschillende bevoegde rechtbanken is uitgesproken, wordt het vonnis van den rechter van het kantoor der vennootschap als zoodanig niet vóór de overige gerangschikt. De commissie van voorbereiding wilde lezen: „De faillietverklaring van twee of meer schuldenaars, die in vereeniging een beroep of bedrijf uitoefenen, geschiedt door de arrondisse-ments-rechtbank, binnen welker gebied dat beroep of bedrijf wordt uitgeoefendquot;. De minister had echter tegen deze redactie bedenking, en de commissie maakte er geen voorstel van.

Vierde lid. Deze bepaling strekt om buitenlandsche kooplieden of indus-triëelen, die hier te lande filialen of inrichtingen hebben, binnen het bereik der nederlandsche faillietwet te brengen. Voor dat geval moest wel de rechter van het kantoor bevoegd verklaard worden.

Onder „kantoorquot; verstaat men eene localiteit, waar degene die een beroep of bedrijf uitoefent, of iemand van zijnentwege, geregeld voor zijne zaken te vinden en te spreken is. Naar omstandigheden kan het dus bijvoorbeeld ook een winkel of een pakhuis ziju.

Vijfde lid. Is de faillietverklaring door twee of meer bevoegde rechtbanken uitgesproken, zoo wordt hier geregeld welk dier vonnissen rechtsgevolgen heeft. De overige worden als niet-gewezen beschouwd. Zij kunnen niet herleven, wanneer de uitspraak, die van kracht gebleven is, latei-mocht worden vernietigd. Alsdan zal opnieuw faillietverklaring kunnen worden aangevraagd.

Voor het geval de faillietverklaring door verschillende rechtbanken op denzelfden dag is uitgesproken , wordt de beslissing, welke uitspraak rechtsgevolgen heeft, afhankelijk gesteld van eene toevallige volgorde. Deze bedenking was van ondergeschikt belang, zoolang naar eene vroegere redactie hier alleen het geval geregeld werd, dat een buitenlandsch schuldenaar hier te lande meer dan één kantoor heeft (vierde lid), doch heeft iets meer beteekenis verkregen, nu deze voorschriften ook van toepassing verklaard zijn ten aanzien van vennooten onder eene firma (derde lid) en van eene gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent of een eigen vermogen bezit (artikel 3): ten aanzien van de laatste bij de beraadslaging, op voorstel der commissie van voorbereiding. Het zwaarst woog evenwel, dat zoo spoedig mogelijk zekerheid moet bestaan, aan welke uitspraak rechtsgevolgen verbonden zijn.

Behooren de rechtbanken, die op denzelfden dag uitspraak deden, tot het rechtsgebied van verschillende hoven, zoo geschiedt, de rangschikking met inachtneming van de nummers der staatsbladen, waarin de aangeduide wetten van 9 April 1877 voorkomen.

-ocr page 49-

— 33 —

Artikelen 2, 3, 4.

Zesde lid. Voor de opgesomde lichamen was eene bijzondere bepaling noodig, wijl zij geene woonplaats, wel een zetel hebben. Mogelijke leemten in de opsomming worden ondervangen door de algemeene uitdrukking: i,andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereenigingen.quot; Niet genoemd zijn reederijen en burgerlijke maatschappen, die geene rechtspersonen zijn en niet failliet verklaard kunnen worden; alleen de reeders of\' vennooten in eene burgerlijke maatschap kunnen failleeren.

Artikel 3. \\

De gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent of een eigen vermogen bezit, kan ook ter plaatse, waar zij dit doet of waar zij gevestigd is, in staat van faillissement worden verklaard.

Volgens artikel 78 b. w. is de woonplaats der gehuwde vrouw, die niet van tafel en bed gescheiden is, die van haren man. Dit geldt ook voor de gehuwde openbare koopvrouw. Een uitdrukkelijk voorschrift was mitsdien noodig om faillietverklaring van eene zoodanige vrouw, die in Nederland haar bedrijf uitoefent doch wier man buitenslands woont, door den neder-landschen rechter mogelijk te maken. Eveneens moest, nu het faillissement niet meer tot kooplieden beperkt is, voorzien worden in de faillietverklaring van eene gehuwde vrouw, die een eigen vermogen en eigen schulden heeft. Ook indien de man, hoewel afzonderlijk, binnenslands woont, kan de rechter van de verblijfplaats der vrouw, alwaar de failliete boedel in den regel zal te vinden zijn, hier zonder bezwaar optreden.

Door de bijvoeging van het woord „ookquot;, dat in het ontwerp der staatscommissie niet voorkwam, is duidelijk uitgedrukt dat behalve de rechter van de plaats, waar de vrouw haar beroep of bedrijf uitoefent, of van hare verblijfplaats, ook die van de woonplaats van haren man tot hare faillietverklaring bevoegd kan zijn. Dat hij deze bevoegdheid niet bezit ten aanzien van eene van tafel en bed gescheiden vrouw, die eene andere woonplaats heeft, schijnt geen betoog te behoeven. Bij faillietverklaring door meer dan één bevoegden rechter geldt het vijfde lid van artikel 2.

Artikel 4.

De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met den meesten spoed in raadkamer behandeld. Het Openbaar Ministerie wordt daarop gehoord.

Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten.

Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken en is bij voorraad, op de minute uitvoerbaar, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening.

3

-ocr page 50-

— 34 —

Artikelen 4, 5.

Eerste lid. Het voorschrift van artikel 765 w. v. k., dat de koopman binnen drie dagen nadat hij had opgehouden te betalen daarvan aangifte moest doen, is vervallen. Gelijk de niet-koopman reeds volgens artikel 882 w. v. b. rv., is ieder schuldenaar tot aangifte bevoegd, niet verplicht. De ondervinding leerde dat de termijn van drie dagen niet in acht genomen werd, en dat het middel ontbrak om de naleving van dezen of van eenigen anderen termijn te verzekeren. Immers de toestand van ophouden met betalen pleegt niet plotseling te voorschijn te treden, maar zich te ontwikkelen in den loop der lijdensgeschiedenis, die aan het faillissement voorafgaat; wanneer hij eigenlijk aanvangt, kan niet met zekerheid wor-dsn bepaald. Het vervallen der verplichting tot aangifte brengt intrekking mede van artikel 441 w. v. s.

Het verzoek tot faillietverklaring door een of meer schuldeischers wordt schriftelijk ingediend door een procureur, artikel 5. Eigen aangifte kan door den schuldenaar of zijn gemachtigde mondeling gedaan worden. De ten deze bestaande practijk kon veilig worden gehandhaafd, omdat de griffier van de mondelinge aangifte onmiddellijk eene acte opmaakt, die door hem en den aangever onderteekend wordt.

In aansluiting aan de bestaande practijk en met het oog op de verschillende belangen, bij de faillietverklaring betrokken, wordt het hooren van het openbaar ministerie op de aangifte of het verzoek daartoe voorgeschreven.

Derde lid. Uitspraak ter openbare terechtzitting was reeds onder het wetboek van koophandel regel; doch bij enkele arresten van den hoogen raad werd beslist, dat zij ook in raadkamer kon geschieden. Het vonnis kan ook in eene buitengewone openbare terechtzitting worden uitgesproken, indien de rechter dit raadzaam oordeelt. Belanghebbenden kunnen ter griffie vernemen wanneer de uitspraak zal geschieden.

„Niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorzieningquot;: dus ook ondanks beroep in cassatie, hetwelk in artikel 791 w. v. k. niet vermeld werd.

Artikel 5.

De verzoekschriften, bedoeld in het vorige artikel en in de artikelen 8, 9, 10, 11, 67, 155, 166, 198 en 206, worden ingediend door een procureur.

Dit artikel dient om uit te maken, in welke gevallen de bijstand van een procureur noodig is. De behandeling van het beroep in cassatie, bij de artikelen 12 en 156 vermeld, is geregeld bij artikel 429 juncto 406 w. v. b. rv.

Mocht de commissie uit de schuldeischers, bij de artikelen 74 en volgende bedoeld, den bijstand van een procureur behoeven, zoo kunnen de daaruit voortvloeiende kosten volgens de regeering tot de kosten van het faillissement gebracht worden.

-ocr page 51-

— 35 —

Artikel 6.

Artikel 6.

De rechtbank .kan, bevelen, dat de schuldenaar worde opgeroepen , oiu in persoon of bij gemachtigde gehoord te worden. De oproeping geschiedt bij brief door den griffier.

De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien suramierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen.

Eerste lid. De rechtbank kan den schuldenaar doen oproepen om gehoord te worden, niet alleen wanneer zijne faillietverklaring door een of meer zijner schuldeischers verzocht of door het openbaar ministerie ge-requireerd is, maar ook in geval van eigen aangifte. Ook dan kan zijn verhoor nuttig zijn om den rechter licht te verschaffen omtrent den toestand van den boedel. Het oorspronkelijk ontwerp verplichtte den schuldenaar bij zijne aangifte een staat van baten en schulden over te leggen. Daartegen werden echter in de afdeelingen der tweede kamer bezwaren ingebracht, waarmede de commissie van voorbereiding en de minister zich vereenigden.

De oproeping van den schuldenaar is facultatief. Haar te bevelen waar het noodig is, kon veilig aan den rechter worden overgelaten. De regeering achtte het onnoodig en ongeraden, den rechter daartoe te verplichten. In notoire gevallen van insolventie en bij voortvluchtigheid van den schuldenaar ware daarvan schadelijke vertraging te duchten.

„In persoon of bij gemachtigdequot;. Blijkens eene verklaring van den minister in de tweede kamer, staat het niet ter bepaling van den rechter maar ter keuze van den schuldenaar, of deze in persoon dan wel bij gemachtigde zal verschijnen.

„De oproeping geschiedt bij brief door den griffierquot;. Bij de behandeling in de tweede kamer werd door den heer De Kanter, in het belang der verdediging van den schuldenaar, voorgesteld hierbij te voegen, dat de brief van den griffier moet inhouden den naam van den verzoeker en opgave van de vordering, waarop hij zich beroept, en dat het verzoek tot faillietverklaring voor den opgeroepene of zijn gemachtigde ter griffie ter inzage moet liggen. Tegen dit amendement werd aangevoerd, dat het te zeer inbreuk zou maken op de vrijheid van handelen, die den rechter moet worden gelaten. Aan de gelegenheid voor den schuldenaar, om zich op zijne verdediging voor te bereiden, zou het meer kwaad dan goed doen, daar het gevolg allicht zou zijn dat de brief van den griffier enkel het voorgeschrevene inhield, in plaats van meer bijzonderheden of zelfs den geheelen inhoud van het verzoekschrift, gelijk onder het wetboek van koophandel een loffelijk gebruik bij sommige rechtbanken medebracht. Bovendien paste het niet in een voorschrift, dat behalve op verzoeken van schuldeischers, ook op requisitoiren van het openbaar ministerie en

-ocr page 52-

— 36 —

Artikelen 6, 7.

op eigen aangiften tot faillietverklaring van toepassing is. Ten gevolge van deze bedenkingen werd het amendement verworpen.

Tiveede lid. De tegenwoordige tekst is vastgesteld bij de wet van 6 September 1895 {staatsblad n0. 155). De vroegere luidde:

„De faillietverklaring, door de rechtbank in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk geoordeeld, wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het ophouden met betalen, en, zoo een schuld-eischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen.quot;

Vergelijk de inleiding, bladz. 7—12 en 16—24.

Door de tegenwoordige redactie aan te nemen, is de wetgever in hoofdzaak teruggekeerd tot het voorschrift van artikel 766, eerste lid, w. v. k. Gelijk in het voorloopig verslag der eerste kamer werd opgemerkt, kon de vroegere tekst, vooral bij de uitbreiding van het faillissement tot niet-kooplieden, aanleiding geven tot overdreven gestrengheid jegens den schuldenaar. In afwijking van artikel 766 w. v. k., is de tegenwoordige bepaling ook van toepassing in geval van eigen aangifte. Men meende dat het den schuldenaar niet moeilijk zal kunnen vallen, feiten of omstandigheden aan te voeren, waaruit zijn toestand van niet meer betalen blijkt; en men wenschte in elk geval het zich failliet geven niet al te gemakkelijk te maken.

„Ook van het vorderingsrecht van dezen.quot; Indien een schuld-eischer de faillietverklaring verzoekt, moet van zijn vorderingsrecht summierlijk blijken. Volledig bewijs van zijn vorderingsrecht behoeft de schul-eischer niet te leveren. Hij kan volstaan met het den rechter aannemelijk te maken. Dit is aldus bepaald om den schuldenaar te beletten eene faillietverklaring, waartoe overigens alle termen zijn, op te houden door eenvoudige ontkenning eener schuld, waarvan geen executoriale titel of schriftelijk bewijs kan worden overgelegd, of door soortgelijke middelen. Heeft hij gegronde middelen van verdediging, zoo moet hij daarvan zijnerzijds althans summierlijk doen blijken.

Onder het wetboek van koophandel liep de rechtspraak uiteen over de vraag of de schuldeischer, van wiens vordering de vervaltijd nog niet verschenen is, het faillissement van zijn schuldenaar kan aanvragen. De redactie der zinsnede laat, volgens eene verklaring der regeering in het verslag der commissie van voorbereiding, ruimte voor een toestemmend antwoord; van de feiten of omstandigheden, die aantoonen dat de schuldenaar in den toestand verkeert van zijne betalingen te hebben gestaakt, zal dan van elders moeten blijken.

Artikel 7.

Hangende het onderzoek kan de rechtbank den verzoeker toestaan den boedel te doen verzegelen. Zij kan daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling, tot een door haar te bepalen bedrag, verbinden.

De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. Buiten de

-ocr page 53-

— 37 —

Artikelen 7, 8—12.

verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in artikel 21, n0. 1.

Deze voorloopige verzegeling van den boedel kan een voortreffelijke conservatoire maatregel zijn. Volgens het ontwerp der staatscommissie geschiedde zij door een notaris. De raad van state ontwikkelde daartegen bedenkingen, die der regeering aanleiding gaven de verzegeling aan den kantonrechter op te dragen.

Artikel 8.

De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, heeft gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, recht van hooger beroep.

Zoo hij niet is gehoord. heeft hij gedurende yeertien dagen, na den dag der uitspraak, recht van verzet. Indien hij tijdens J de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt, wordt die termijn verlengd tot eene maand.

Van het vonnis, op het verzet gewezen, kan hij gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, in hooger beroep komen.

^ Het verzet of hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den schuldenaar van het gedane verzet of ingestelde hooger beroep, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot aan den procureur, die het verzoek tot faillietverklaring heelt ingediend, kennis gegeven.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldeischer, die de faillietverklaring heeft uitgelokt.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven. y

Strekking der artikelen 8—-12. Bijzondere voorschriften omtrent de voorziening tegen een vonnis van faillietverklaring zijn noodzakelijk, omdat in deze materie de gewone wijze van procedeeren niet voldoet aan de behoeften van het verkeer en de eischen der rechtszekerheid. Beide vorderen dringend, dat eene aangevraagde faillietverklaring niet geruimen

-ocr page 54-

— 38 —

Artikelen 8—12.

tijd slepend kan worden gehouden. Door het faillissement wordt in nagenoeg alle rechtsbetrekkingen, waarin de boedel verkeert, ingegrepen. Langdurige onzekerheid dienaangaande mag niet bestaan. De ondervinding leerde, dat door de bepalingen van artikel 791 w. v. k. het beoogde doel, eene spoedige rechtspleging, slechts zeer onvolkomen bereikt werd. Door korter termijnen en vereenvoudiging der procedure trachten deze artikelen spoedige afdoening ook bij de hoogere rechtscolleges te verzekeren.

Wat de verkorting van termijnen betreft, ging het oorspronkelijk ontwerp in artikel 8 nog verder. Naar het oordeel van den heer Rink te ver, met het oog op de behoeften der practijk ten plattelande. Genoemde afgevaardigde stelde bij de behandeling in de tweede kamer voor, de termijnen van artikel 8 vast te stellen zooals zij thans luiden. Het eerste zijner amendementen werd, ondanks bestrijding door de commissie van voorbereiding en door don minister, met aanzienlijke meerderheid aangenomen, waarna de minister de overige overnam. Ook na die beslissing steekt de wet in dit opzicht gunstig af bij artikel 791 w. v. k., dat niet alleen langer termijnen stelde, maar ook deze meerendeels eerst deed loopen van den dag der bekendmaking of beteekening, niet van dien der uitspraak. De nieuwe voorschriften vonden in het voorloopig verslag der eerste kamer bestrijding, doch werden in de memorie van antwoord met klem verdedigd.

Vergelijk voorts artikel 5 en het daarop aangeteekende.

Artikel 8, eerste lid. „Gehoordquot;: de schuldenaar die opgeroepen, doch niet verschenen is, kan tegen het vonnis niet in hooger beroep, maar volgens het tweede lid in verzet komen.

„Na den dag der uitspraakquot;. De schuldenaar krijgt van de faillietverklaring kennis door het optreden van den curator, die ingevolge artikel 92 onmiddellijk de noodige maatregelen moet nemen.

Vierde lid. „Aan den procureurquot;. Beteekening aan den procureur der wederpartij, niet aan deze zelve, wordt gemotiveerd door den dringenden eisch eener spoedige rechtspleging, die niet mag worden belemmerd door het feit dat de schuldeischer, die de faillietverklaring heeft uitgelokt, buitenslands kan wonen. De opdracht aan een procureur, om het verzoek tot faillietverklaring in te dienen, strekt zich uit tot het voeren der geheele procedure, die dat verzoek na zich kan sleepen.

Zesde lid. De schuldenaar en de schuldeischer, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, worden mitsdien gehoord in raadkamer, waar zij hunne belangen contradictoir kunnen voordragen. De rechter is bevoegd ook den curator te hooren.

Het openbaar ministerie wordt altijd gehoord. Daarom is beteekening van het verzet, hooger beroep of beroep in cassatie aan het openbaar ministerie, indien dit de faillietverklaring gevorderd heeft, niet voorgeschreven. Vergelijk artikel 12, tweede lid.

-ocr page 55-

— 39 —

Artikelen 9, 10.

Artikel 9.

Bij afwijzing van de aangifte of aanvraag tot faillietverklaring bestaat recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.

Hetzelfde geldt bij vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet, in welk geval van het hooger beroep door den griffier van het gerechtshof, waarbij het is aangebracht, onverwijld wordt kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank die de vernietiging heeft uitgesproken.

De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.

Eerste lid. Ook de schuldenaar heeft recht van hooger beroep bij afwijzing zijner aangifte tot faillietverklaring.

„Aanvraagquot; omvat zoowel het requisitoir van het openbaar ministerie als het verzoek van een of meer schuldeischers.

Tweede lid. De griffier der rechtbank behoeft deze kennisgeving in verband met het bepaalde bij artikel 15.

Artikel f * Cexn- y r- - Vr\'r/ie J S-c gt; ■

Elk schuldeischer. met uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en elk belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht dagen na den dag der uitspraak.

^ Het verzet geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat de faillietverklaring heeft uitgesproken.

De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den verzoeker van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot kennis gegeven aan den schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuldeischer is verzocht, ook aan den procureur, die namens dezen het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar en van dien schuldeischer.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorge-^ schreven.

-ocr page 56-

— 40 —

Artikelen 10, 11.

Artikel 11.

De schuldeischer of de belanghebbende, wiens in het vorige artikel bedoeld verzet door de rechtbank is afgewezen, heeft recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.

Hetzelfde geldt, bij vernietiging der faillietverklaring door de rechtbank ten gevolge van dat verzet, voor den schuldenaar, den schuldeischer, die de faillietverklaring verzocht heeft, en het Openbaar Ministerie, in welk geval tevens het tweede lid van artikel 9 van toepassing is.

De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.

Is het verzet bij het gerechtshof gedaan, dan is hooger beroep uitgesloten.

Strekking der artikelen 10 en 11. Deze artikelen zijn in de wet opgenomen bij amendement van de commissie van voorbereiding. Volgens het oorspronkelijk ontwerp hadden andere schuldeischers, dan die de faillietverklaring aanvroegen, en belanghebbenden geen recht van verzet, of, bij afwijzing, van hooger beroep. Dit werd onnoodig geacht, op grond dat het faillissement strekt tot behartiging der belangen van alle schuldeischers, zoodat daarbij geen sprake kan zijn van benadeeling cf tegenstrijdig belang van dezen of genen schuldeischer, terwijl derde belanghebbenden moeilijk denkbaar zijn. Onder het wetboek van koophandel, dat dit rechtsmiddel in het zevende lid van artikel 791 toekende, werd het slechts zelden toegepast. De regeering was dan ook met de staatscommissie van oordeel, dat deze gelegenheid tot het voeren van langdurige processen, gedurende welker loop de curator zich van ingrijpende maatregelen dient te onthouden, veilig kon worden gemist.

De commissie van voorbereiding was van eene andere meening. Zij achtte het geenszins ondenkbaar, dat een faillissement met bijbedoelingen werd uitgelokt, en dat het belang van de schuldeischers of van derden, voor wie de nieuwe wet in de artikelen 35 en volgende aan de faillietverklaring verschillende gevolgen verbindt, kon medebrengen dergelijken toeleg te verijdelen. Al werd van het rechtsmiddel weinig gebruik gemaakt, reeds praeventief kon het heilzaam werken. De commissie beriep zich overigens op een paar recente gevallen waarin het gebezigd was, in het bijzonder op dat van het waterschap Groot-Mijdrecht. Tegen de verklaring van dat waterschap in staat van kennelijk onvermogen, op eigen verzoek, kwam een der schuldeischers in verzet. Bij vonnis der rechtbank te Utrecht van 19 November 1892 (W. v. h. r. n0.6273) werd dat verzet gegrond verklaard en de staat van kennelijk onvermogen opgeheven, op grond dat de bepalingen der wet van 12 Juli 1855 {staatsblad nn. 102) betreffende het heffen van een omslag over de ingelanden ter betaling der schulden nog niet op dat waterschap waren toegepast.

-ocr page 57-

— 41 —

Artikelen 10, 11, 12.

Hiertegenover betoogde de minister dat er geenerlei nadeel aan verbonden geweest ware, indien gemeld waterschap in staat van kennelijk onvermogen gebleven was. Het amendement der commissie van voorbereiding werd door hem uitvoerig bestreden. De meerderheid der kamer stelde echter, door aanneming van het amendement, de commissie in het gelijk.

De redactie der beide artikelen sluit zich zooveel mogelijk aan bij die van de artikelen 8 en 9. De termijnen zijn geregeld in overeenstemming met het daar bepaalde.

Artikel 12.

Van het arrest, door het gerechtshof gewezen, kunnen de schuldenaar, de schuldeischer die de faillietverklaring verzocht, de in artikel 10 bedoelde schuldeischer of belanghebbende en het Openbaar Ministerie, gedurende acht dagen na den dag der uitspraak, in cassatie komen.

Het beroep in cassatie wordt aangebracht en behandeld op de wijze bij de artikelen 4, 6 en 8 bepaald.

Indien de cassatie is gericht tegen een arrest, houdende vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, geeft de griffier van den Hoogen Raad van het verzoek tot cassatie onverwijld kennis aan den griffier van liet gerechtshof dat de vernietiging heeft uitgesproken.

Eerste lid. Bij de behandeling in de tweede kamer is de redactie aangevuld in verband met de artikelen 10 en 11.

De bedoeling is, dat het openbaar ministerie dan alleen in cassatie kan komen, wanneer het de faillietverklaring gerequireerd heeft. In het advies van den raad van state werd opgemerkt, dat dit in het artikel behoorde te worden uitgedrukt, hetgeen der regeering echter onnoodig voorkwam.

Tiveede lid. Het beroep in cassatie geschiedt mitsdien bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van den hoogen raad. Artikel 429 w. v. b. rv. is daarop van toepassing.

Op de behandeling moet artikel 4 worden toegepast, indien de cassatie gericht is tegen een arrest waarbij de faillietverklaring is afgewezen; artikel 8, indien zij gericht is tegen een arrest waarbij de faillietverklaring is toegewezen.

In verband met de bij amendement ingelaschte artikelen 10 en 11 komt de redactie mij onvolledig voor. Het vierde lid van artikel 8 kan toch niet letterlijk worden toegepast, indien het bestreden arrest, waarbij de faillietverklaring is toegewezen, ingevolge artikel 11 gewezen is. Alsdan zal de voorgeschreven kennisgeving bij deurwaarders-exploot moeten wor-

-ocr page 58-

— 4:2 —

Artikelen 12, 13.

den gedaan door den requestrant in cassatie — schuldeischer bij artikel 10 bedoeld of belanghebbende — in plaats van door den schuldenaar; en, zoo de faillietverklaring oorspronkelijk door de rechtbank op eigen aangifte van den schuldenaar is uitgesproken, aan den procureur van den schuldenaar, of wel aan dezen zelf, indien hij geen procureur heeft, in plaats van aan den procureur die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend. De wet voorziet hierin niet; de leemte zal zich echter wel niet dikwijls doen gevoelen.

Derde lid. Vergelijk het aangeteekeude bij het tweede lid van artikel 9.

Artikel 13.

Indien ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor den schuldenaar de handelingen, door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is voldaan.

Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie kan geene raadpleging over een akkoord plaats hebben, noch tot de vereffening van den boedel ^buiten toestemming van den schuldenaar worden overgegaan.

Eerste lid. Onder het wetboek van koophandel was dit twijfelachtig. De voorloopige tenuitvoerlegging van het vonnis van faillietverklaring, bij het derde lid van artikel 4 bestendigd, treft intusschen geen doel, wanneer de ten gevolge daarvan genomen maatregelen later kunnen worden tenietgedaan. Wie zou trouwens de schade eener zoodanige vernietiging moeten dragen? De curator kan niet aanspiakelijk gesteld worden; hij handelt krachtens wettelijke opdracht, niet mo periculo. Evenmin de schuld-eischers, die niet met het beheer van den boedel belast zijn. Het minst van allen derden, die te goeder trouw met den beheerenden curator handelen. Wel zou de curator aan eene vordering tot schadevergoeding blootstaan, indien hij nalatig mocht blijven in het aankondigen van de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring, waartoe hij volgens het tweede lid van artikel 15 verplicht is. Daarin en in het rechterlijk toedicht zijn waarborgen gelegen tegen mogelijke plichtverzaking van den curator.

De curator brengt de door hem gemaakte kosten op zijne rekening ten laste van den boedel. Bij vernietiging der faillietverklaring komen die kosten mitsdien ten laste van den schuldenaar. Omtrent de verplichting van den schuldeischer, die de faillietverklaring kwaadwillig of ongemotiveerd aanvroeg, tot schadevergoeding na hare vernietiging, wordt hier niets beslist.

Tweede lid. Hiermede is bedoeld de grenzen der voorloopige tenuitvoerlegging aan te wijzen. Zij bepaalt zich tot maatregelen, die een voorloopig

-ocr page 59-

— 43 —

Artikelen 13, 14.

of liever conservatoir karakter dragen. Definitief zijn in het faillissement alleen de vereffening en de raadpleging over een accoord. Al wat daaraan voorafgaat, strekt slechts tot voorbereiding. De schuldenaar kan zich niet met recht beklagen over voorloopige voorzieningen, ten doel hebbend den boedel in zijn geheel te houden.

De minister achtte het niet raadzaam de gevallen van de artikelen 39 (opzegging van huur) en 104 (dading enz.) van de voorloopige voorzieningen uit te sluiten, gelijk in het voorloopig verslag der eerste kamer werd aanbevolen. Voor deze handelingen, die spoed kunnen vereischen, moet de curator het advies inwinnen van de commissie uit de schuldeischers, zoo zij er is, en behoeft hij machtiging of goedkeuring van den rechter-com-missaris (vergelijk de artikelen 68 en 78). Onder deze waarborgen wordt het aan zijn beleid overgelaten te beoordeelen, of het noodzakelijk is daartoe hangende het geding over de faillietverklaring over te gaan.

Het voorschrift van het tweede lid heeft overigens zijne practische be-teekenis vrij wel verloren, nu de beschikkingen van den rechter-commis-saris, in artikel 108 vermeld, worden genomen binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde gegaan is, in plaats van binnen gelijken termijn na de Jaillie.tverklanng, zooals het oorspronkelijk ontwerp luidde.

Artikel 14.

Het vonnis van faillietverklaring houdt in de benoeming van een der leden van de rechtbank tot rechter-commissaris in het faillissement en de aanstelling van een of meer curators.

Van de faillietverklaring wordt door den griffier onverwijld kennis gegeven aan de administratie der posterijen en der telegrafie.

Een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, houdende vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den rechtercommissaris, van den naam en de woonplaats of het kantoor des curators, van den dag der uitspraak, alsmede van den naam , het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers, zoo er eene benoemd is, wordt door den curator onverwijld geplaatst in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door den rechtercommissaris aan te wijzen nieuwsbladen.

Eerste lid. Aan den aandrang op verplichte benoeming van twee curators, waarvan één uit de schuldeischers zou moeten worden gekozen, is niet voldaan wegens den omslag en de kosten, die daaruit in kleine boe-

-ocr page 60-

— 44 —

Artikelen 14, 15.

dels zouden voortvloeien. Ook de in artikel 787 w. v. k. voorkomende bepaling betreffende de keuze der curators bij voorkeur uit de schuld-eischers, die eene doode letter bleef, is achterwege gelaten. Ten einde aan de schuldeiscliers van den aanvang af meer invloed op den gang van zaken toe te kennen, is bij de artikelen 74 en volgende de gelegenheid geopend tot benoeming, zoowel van eene voorloopige als van eene definitieve commissie uit de schuldeiscliers, om den curator van advies te dienen.

Het vonnis van faillietverklaring zal niet meer, gelijk volgens artikel 787 w. v. k., den last moeten inhouden om door verzegeling, of door andere gepaste middelen, of door een en ander, voor de bewaring van den boedel te zorgen. Naast de bepalingen van de artikelen 92 en 93 ware dergelijk voorschrift overbodig.

Tweede lid. Vergelijk artikel 99. Met de kennisgeving is de griffier belast, omdat hierin een officicele waarborg gelegen is voor de juistheid van haren inhoud.

Volgens circulaires van den minister van justitie van 28 September en 19 December 1896, die hierachter zijn opgenomen, heeft de griffier de kennisgeving te doen aan het postkantoor en aan het telegraafkantoor van de woonplaats des gefailleerden. Is aldaar geen postkantoor noch telegraafkantoor noch vereenigd post- en telegraafkantoor gevestigd, dan geschiedt de kennisgeving aan het postkantoor en aan het telegraafkantoor of aan het vereenigd post- en telegraafkantoor ter plaatse waar de rechtbank zetelt, die de faillietverklaring heeft uitgesproken. Heeft de gefailleerde hier te lande geene woonplaats, dan wordt de kennisgeving gericht tot het hoofdbestuur der posterijen en telegrafie.

De bij artikel 787 w. v. k. aan den griffier opgelegde verplichting, om een afschrift van het vonnis aan den kantonrechter te zenden, is vervallen.

Derde lid. De bij artikel 787 w. v. k. voorgeschreven aanplakkingen aan het huis der gemeente, het gebouw waar de rechtbank vergadert, en de beurs, zoo er eene is, zijn als nutteloos achterwege gelaten. Plaatsing in de Nederlandsche Staatscourant is voorgeschreven, opdat elk faillissement in het geheele land in een bepaald dagblad te vinden zij. Deze plaatsing geschiedt volgens artikel 17 kosteloos.

Artikel 15.

Zoodra een vonnis van faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie is vernietigd, en in de twee eerste gevallen de termijn, om in hooger beroep of in cassatie te komen, verstreken is zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door den griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis gegeven aan den curator en aan de administratie der posterijen en der telegrafie.

De curator doet daarvan aankondiging in de bladen in artikel 14 genoemd.

-ocr page 61-

— 45 —

Artikelen 15. 16—18.

Eerste lid. Vergelijk het aangeteekende op artikel 14, tweede lid.

Tweede lid. Evenzeer als de faillietverklaring, dient hare definitieve vernietiging te worden openbaar gemaakt. Deze openbaarmaking is ook noodig met het oog op artikel 13. Een ieder moet kunnen weten of de curator nog bevoegd is als zoodanig te handelen.

Artikel 16.

Indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeft, kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris en na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, gehoord te hebben, bevelen, hetzij de kostelooze behandeling, hetzij, na verhoor of behoorlijke oproeping van den gefailleerde, en in dit geval bij beschikking in het openbaar uit te spreken, de opheffing van het faillissement. -

Strekking der artikelen 16—18. Twee verschillende wegen, om in faillissementen met weinig of geen actief geene verdere kosten te doen maken, worden bij artikel 16 geopend: kostelooze behandeling en opheffing van het faillissament. Naar gelang van den toestand des boedels kan de rechtbank een van beide bevelen.

Voor een deel kon kostelooze behandeling bij gebreke van comptanten, krachtens ministeriëele resolutiën, reeds vroeger worden verkregen door verstrekking van gezegeld papier en registratie in debet. Thans\'zijn, naar aanleiding eener opmerking in het advies van den raad van state, bij het tweede lid van artikel 17 de stukken, ter voldoening aan de bepalingen betreflende het faillissement opgemaakt, in alle failliete boedels vrijgesteld van zegel en van de formaliteit van registratie. Blijven over de griffiekosten, waarvan volgens het vierde lid van artikel 17 door een bevel tot kostelooze behandeling vrijstelling verkregen wordt. Zie daarover de inleiding, bladz. 26 en 27.

Evenmin voorzag het wetboek van koophandel in opheffing van het faillissement bij gemis van actief. Wel placht in dat geval, met goedvinden van den rechter-commissaris, het faillissement feitelijk onafgedaan te blijven , zoolang niet eenig belanghebbende zich bereid verklaarde de kosten voor te schieten. Hierdoor werd het faillissement echter niet rechtens opgeheven , zoodat de schuldeischers elk verhaal op hunnen schuldenaar misten.

In het advies van den raad van state werd in overweging gegeven, bij eene uitdrukkelijke bepaling belanghebbenden in de gelegenheid te stellen de opheffing van het faillissement te voorkomen door voorschot der kosten. De regeering achtte dit onnoodig, daar het niet denkbaar is dat zonder goede gronden en zonder behoorlijk onderzoek tot opheffing van het faillissement zal worden overgegaan, vooral niet nu daarnevens gelegenheid tot kostelooze behandeling bestaat. Zij stelde intusschen ter inlichting van den rechter voorafgaand verhoor van de commissie uit de schuldeischers verplichtend, zoo die er is. Of dit in faillissementen, die voor opheffing in aanmerking komen, dikwijls het geval zal zijn, mag worden betwijfeld.

-ocr page 62-

— 46 —

Artikelen 17, 18.

Artikel 17.

Elke in dezen titel bevolen plaatsing in de Nederlandsche Staatscourant geschiedt kosteloos.

Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van den boedel, dan die welke het gevolg zijn van de verwijzing door den rechter-commissaris bedoeld in artikel 122.

Het bevel tot kostelooze behandeling van het faillissement heeft bovendien ten gevolge vrijstelling van griffiekosten.

Derde lid. Deze zinsnede, blijkbaar opgenomen in verband met het tweede lid, dat in het ontwerp der staatscommissie niet voorkwam, zou aanleiding kunnen geven tot de vraag, of ook deze stukken vrij van zegel en van de formaliteit van registratie zijn, indien kostelooze behandeling van het faillissement bevolen is. Ondanks het woord „bovendienquot; in het vierde lid zou ik meenen dat deze vraag in ontkennenden zin moet worden beantwoord, vermits de hier bedoelde stukken niet tot de behandeling van het faillissement behooren en niet worden opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel. De zinsnede had kunnen worden gemist.

Artikel 18.

De beschikking, bevelende de opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt en daartegen kunnen de schuldenaar en de schuldeischers op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen, als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaalcTTlndien na eene dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aanvrager verplicht aan te toonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.

De vraag, in het verslag der commissie van voorbereiding gedaan, wie de kosten draagt der aan het slot van artikel 14 verordende plaatsing van een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring in een of meer dooiden rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen, wanneer denoodige activa ontbreken, bleef uit den aard der zaak onbeantwoord. Hier wordt

-ocr page 63-

— 47 —

Artikelen 18, 19.

die plaatsing ook voorgeschreven ten aanzien der beschikking, waarbij de opheffing van het faillissement bevolen wordt. Het ware mijns inziens beter geweest haar althans voor dit geval achterwege te laten.

Artikel 19.

Bij elke rechtbank wordt door den griffier een openbaar register gehouden, waarin hij, voor ieder faillisseinent afzonderlijk , achtereenvolgens, met vermelding der dagteekening, inschrijft:

1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of de uitgesprokene weder opgeheven is;

2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord ;

3°. de ontbinding van het akkoord;

4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening;

5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 16;

6°. de rehabilitatie.

Omtrent vorm en inhoud van het register worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur nadere regels gegeven.

De griffier is verplicht aan ieder kostelooze inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.

Op het register bestaat een alphabetische klapper.

Dit openbaar register is ingevoerd naar aanleiding van de geleidelijke toeneming van het aantal faillissementen. Door raadpleging daarvan zal een ieder, alvorens crediet te geven, zich uit officiëele bron kunnen vergewissen, of en in hoever de crediet vragende met de faillietwet in aanraking kwam. Een register bij elke rechtbank werd door de regeering verkieslijk geacht boven een algemeen register voor het geheele land, dat veel administratieven arbeid zou vorderen zonder evenredig nut; in vele gevallen zal de raadpleging van het register bij de rechtbank voor belanghebbenden zelfs gemakkelijker zijn.

Eerste lid, lquot;. „Of de uitgesprokene weder opgeheven is\'quot;: dat wil zeggen vernietigd ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie. Opheffing, niet van de faillietverklaring, maar van het faillvsnement ingevolge artikel 16, wordt sub 5°. vermeld.

Tweede lid. Die nadere regelen zijn vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 Juni 1896 (staatsblad nquot;. 97), hierachter opgenomen.

Derde lid. De betaling der te verstrekken uittreksels is geregeld bij artikel 25 van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.

-ocr page 64-

— 48 —

Artikelen 20, 21.

\'

TWEEDE AFDEELING.

quot;Van de gevolgen der faillietverklaring.

Inhoud der tweede afdeeling. De gevolgen der faillietverklaring op het gebied van het raateriëele recht zijn in deze afdeeling zooveel mogelijk bijeengebracht. Over die gevolgen, over den invloed der faillietverklaring op de rechtsbetrekkingen waarin de schuldenaar tot anderen staat, hield het wetboek van koophandel weinig in. Het besliste niet welke rechten zij, wier vordering niet bloot gericht is op voldoening uit den boedel, in het faillissement kunnen uitoefenen, of in hoever bestaande verbintenissen al dan niet gewijzigd blijven voortbestaan, vervallen of kunnen worden ontbonden. Van daar onzekerheid op menig punt, welke de nieuwe wet tracht op te heffen.

Artikel 20.

Het faillissement omvat het geheele verinogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.

Het in dit artikel uitgesproken beginsel is reeds toegelicht in de inleiding, bladz. 5 en 6. Ten einde nog duidelijker uit te drukken, dat het faillissement zich uitstrekt tot alle bestanddeelen van het vermogen, die de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft, rechten zoowel als goederen, is het woord „hetgeenquot; in de plaats gesteld van „de goederen diequot;, gelijk het aanvankelijk luidde.

Uit den aard der zaak vallen buiten het faillissement die rechten, die alleen door den schuldenaar persoonlijk kunnen worden uitgeoefend en dus niet voor executie vatbaar zijn. Daartoe behooren het recht van gebruik en dat van bewoning, althans voorzoover deze alleen door den gerechtigde kunnen worden uitgeoefend, artikelen 870 en 874 b. w.

Evenmin behoort tot den boedel, hetgeen de curator ten behoeve van derden ontvangt; bijvoorbeeld hetgeen aan den curator in het faillissement van een commissionair wordt afgegeven ter voldoening aan eene overeenkomst, door den commissionair als zoodanig en dus voor zijnen commissiegever aangegaan.

Artikel 21.

Niettemin blijven buiten het faillissement:

1°. de goederen vermeld in artikel 447, n0». 2—5 van het

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de gelden of ^

jaarwedden vermeld in artikel 756, 3°. van dat Wetboek,

de gagie, indien de gefailleerde schipper of schepeling is,

/ff-, \' Ir \' /(fj quot;é? J\'f\'é /J

-ocr page 65-

— 49 —

Artikel 21.

en het auteursrecht; alsmede hetgeen in het eerste lid van artikel 448 van genoemd Wetboek omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen , vermeld in het tweede lid van dat artikel;

2°. hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan , ter beoordeeling van den rechter-commissaris;

3°. de gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan eenen wettelijken onderhoudsplicht/J/v ^

4°. een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in artikel 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in artikel 367 van dat Wetboek vermelde lasten;

5°. de uitkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling van artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek, uit de inkomsten zijner kinderen geniet.

Strekking van het artikel. Bij alle noodzakelijke gestrengheid, moet de gefailleerde toch menschelijk behandeld worden. Noch het belang der schuldeischers, noch dat der maatschappij zou worden gediend door hem van alles te berooven. Eerstgenoemden zouden daardoor elk uitzicht verliezen om ooit terug te zien hetgeen zij aan hem tekort kwamen; de maatschappij zou hem tot armlastigheid of misdaad zien vervallen. Het absolute voorschrift van artikel 20 behoort derhalve te worden getemperd. Daartoe dienen de bepalingen van dit artikel.

1°. Deze zinsnede is eene toepassing van het beginsel dat zaken, die niet vatbaar zijn voor beslag, buiten het faillissement blijven, waarover onder het wetboek van koophandel verschil van meening bestond. Die zaken worden ah initio van het faillissement uitgesloten en blijven volgens het derde lid van artikel 93 buiten verzegeling. Dit geldt niet van het huisraad, in het tweede lid van artikel 173 bedoeld. Eerst wanneer de boedel insolvent is, zal zijn te overwegen in hoever de menschelijkheid gebiedt, aan den gefailleerde eenig huisraad te laten.

Voor den onbetaalden koopprijs van de in artikel 447, n0. 2—5, w. v. b. rv. bedoelde goederen bestaat, volgens het antwoord der regeering op eene bedenking in het verslag der commissie van voorbereiding, geen recht van praeferentie, vermits de in den aanhef van gemeld artikel 447 voorkomende woorden „uit welken hoofde ookquot; aan artikel 1185, 3°., juncto 1190 b. w. derogeeren. Door die goederen buiten het faillissement te houden , wordt derhalve aan de verkoopers daarvan geen recht ontnomen.

4

-ocr page 66-

— 50 —

Artikel 21.

Volgens de slotwoorden vallen de in artikel 448 w. v. b. rv. genoemde zaken wel in het faillissement, indien daarin schuldeischers opkomen met vorderingen als in het tweede lid van dat artikel bedoeld. Daarentegen blijven de gelden of jaarwedden, vermeld in artikel 756, 3°., w. v. b. rv., altijd buiten het faillissement, al komt een tot onderhoud gerechtigde, die er in gewone omstandigheden beslag op zou mogen leggen, als schuld-eischer in den faillieten boedel op. De reden van het verschil is daarin gelegen, dat de schuldvorderingen van het tweede lid van artikel 448 bevoorrecht zijn, die van het tweede lid van artikel 756 niet, terwijl deze laatste bovendien vervallen , wanneer de curator krachtens artikel 380 b. w. ontheffing van den boedel van de verplichting tot onderhoud vordert.

2quot;. Dit is billijk en rationeel. De gefailleerde moet er belang bij blijven hebben, ijverig te arbeiden. De toepassing wordt overgelaten aan het beleid van den rechter-commissaris, van wiens beschikking geen hooger beroep valt, artikel 67 tweede lid.

„Persoonlijke werkzaamheidquot;; volgens het tweede lid van artikel 22 wordt hieronder begrepen die van de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde.

3quot;. Het ware in strijd met het doel van den wettelijken onderhoudsplicht, indien deze gelden aan hunne bestemming konden worden onttrokken. Uitkeeringen van ouders aan hunne kinderen blijven altijd buiten het faillissement, hetzij krachtens dit voorschrift, hetzij als niet bij de wet opgelegde ondersteuning. Vergelijk voorts artikel 22, tweede lid.

4\'. De opbrengst van het vruchtgenot is volgens artikel 367 b. w. ten deele bestemd ter bestrijding van de daarmede verbonden lasten. Alleen dat deel blijft buiten het faillissement. Hoeveel het zal bedragen, wordt bepaald door den rechter-commissaris, met uitsluiting van hooger beroep, artikel 67 tweede lid; dit was de eenvoudigste oplossing. De bepaalde som komt in handen van dengene, die de goederen der minderjarigen beheert. Dit kan de gefailleerde zelf, maar ook een ander zijn; niet de curator, daar het hier een familierecht geldt. Hetgeen de goederen der minderjarigen meer afwerpen dan het door den rechtercommissaris bepaald bedrag, wordt door den beheerder aan den curator uitgekeerd. In antwoord op eene vraag in het verslag der commissie van voorbereiding verklaarde de minister aanvankelijk, dat het recht van den boedel op die uitkeering niet licht verkoopbaar zal zijn. Later verduidelijkte hij zijne meening, overeenkomstig die der commissie, in dien zin, dat van verkoop van het recht van vruchtgenot ten bate van het faillissement nimmer sprake kan zijn. Zijn ten tijde der vereflening nog uitkeeringen uit de opbrengst van het vruchtgenot te verwachten, zoo meen ik dat deze vallen onder artikel 175, eerste lid.

5°. Evenals de gelden, sub 3°. bedoeld, heeft ook de hier vermelde uitkeering eene bepaalde, door de wet aangewezen bestemming. Vergelijk voorts ook hier artikel 22, tweede lid.

-ocr page 67-

— 51 —

Artikel 22.

Artikel 22.

Indien de gefailleerde wegens een ambt of bediening een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuldeischers alleen binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, geschiedt de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uitsluitend door den curator ten behoeve van den boedel, en nemen door de faillietverklaring alle rechten, door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde.

In dit en het vorige artikel wordt onder „gefailleerdequot; mede begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde.

Eerste lid. In deze voorschriften, in de wet opgenomen ingevolge het advies van den raad van state, vindt men eeue toepassing van algemeene beginselen; onder andere van het reeds bij hot vorig artikel vermelde , dat zaken, voor beslag onvatbaar, buiten het faillissement blijven. Artikel 757 w. v. b. rv. houdt in dat bezoldigingen en pensioenen wegens ambten of bedieningen niet in beslag genomen kunnen worden dan voor zoodanig gedeelte, en op zoodanige wijze, als door de bijzondere wetten bepaald wordt. Dergelijke bepalingen komen voor in de wet van 24 Januari 1815 (staatsblad n0. 5), junctis artikel 40 der wet van 9 Mei 1846 [staatsblad n0. 24), artikel 68 der wet van 28 Augustus, 1851 (staatsblad nquot;. 127), artikel 67 dei-wet van dienzelfden datum (staatsblad n0. 129), artikel 30 der wet van 9 Mei 1890 (staatsblad nquot;. 78), artikel 22 der wet van dienzelfden datum (staatsblad n0. 79); ook in wettelijke verordeningen, zooals het arrêté van 18 Nivose an XI betreffende de tractementen van geestelijken 1, omtrent de voortdurende geldigheid waarvan verschillend gedacht wordt.

Volgens de wet van 1815 kunnen tractementen, soldijen en pensioenen ten laste des rijks niet in beslag genomen worden, doch kan daarop, wat officieren betreft door de departementen van oorlog en van marine in bepaalde gevallen tot een derde of een vierde gedeelte van het bedrag, en wat burgerlijke ambtenaren betreft door den koning op het rapport van het hoofd der betrokken administratie, korting worden verleend. Slechts dat deel van het tractement of pensioen, waarvoor korting wordt toegestaan, komt ten bate van den faillieten boedel. Hetgeen de wetgever in elk geval aan den schuldenaar heeft willen verzekeren, blijft mitsdien ook aan het gerechtelijk beslag op zijn geheele vermogen onttrokkea. De geldende wettelijke bepalingen treden hier in de plaats van de beschikkingen van den rechter-commissaris, in artikel 21 sub 2°. bedoeld. De korting wordt door den curator aangevraagd. Kortingen, vroeger door schuldeischers afzonderlijk verkregen, nemen, evenals alle gerechtelijke Tenuitvoerleggingen, door de faillietverklaring een einde.

1

Mr. C. J. Fortuijn, Verzameling van ivetten enz. van franschen oorsprong, II, blz. 227.

-ocr page 68-

— 52 —

Artikelen 22, 23.

Hier wordt alleen gewaagd van tractementen, soldijen en pensioenen. De wet van 24 Januari 1815 strekt zich evenwel verder uit. Zij bepaalt in hare artikelen 1 en 2 in het algemeen, dat geene arresten zullen verleend of gedoogd worden op gelden of geldswaarden, berustend onder de hoofden van de algemeene lands-administratiën of op daartoe behoorende bureelen of kantoren, of wel onder provinciale, plaatselijke of andere administratiën, voorzoover die betrekking hebben tot waterkeerende werken; wie daarop, ter voldoening aan een vonnis of tot zekerheid van eenige vordering ten laste van particulieren of corporatiën , aanspraak maakt, zal zich hebben te wenden tot het hoofd der betrokken administratie, op wiens rapport door den koning zal worden beschikt. Ook hierop acht ik, krachtens algemeene beginselen van faillietrecht, in volgende artikelen uitgedrukt, den inhoud der behandelde zinsnede toepasselijk.

Over cessie handelt deze zinsnede niet. Heeft vóór de faillietverklaring eene door de wet niet verboden cessie plaats gehad, zoo blijft het bestaande recht daaromtrent gelden.

Tweede lid. „Eenige gemeenschapquot; omvat algeheele gemeenschap van goederen, die van winst en verlies, die van vruchten en inkomsten en alle andere soorten van gemeenschap. Vergelijk artikel 63.

Artikel 23.

Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.

De schuldenaar verliest de beschikking en het beheer over zijn vermogen op den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken. Voor de verklaring in staat van kennelijk onvermogen op eigen verzoek hield het eerste lid van artikel 888 w. v. b. rv. nagenoeg hetzelfde in; daarentegen begon dat vonnis, indien het op verzoek van een of meer schuldeischers gewezen was, eerst na beteekening aan den schuldenaar te werken. Wat de faillietverklaring betreft, was de rechtspraak onder het wetboek van koophandel in dien zin gevestigd, dat de gefailleerde moest geacht werden beschikking en beheer te hebben verloren op den dag, in artikel 769 van dat wetboek bedoeld; in één geval werd door rechtbank en hof in anderen zin beslist, doch de oude leer door den hoogen raad gehandhaafd. Deze terugwerkende kracht van het vonnis van faillietverklaring was niet te rijmen met het wezen van het faillissement als gerechtelijk beslag op het vermogen, dat niet door de aangifte of aanvraag, maar door het vonnis gelegd wordt. In niet mindere mate was zij in strijd met de behoeften van het verkeer en verkortte zij de rechten van derden, die te goeder trouw met den schuldenaar hadden gehandeld; hetgeen te bedenkelijker werd, zoo vaak aanhouding der uitspraak op een verzoek tot faillietverklaring

-ocr page 69-

— 53 —

Artikelen 23, 24, 25.

door de rechtbank werd toegestaan. Door met de terugwerkende kracht van het vonnis van faillietverklaring te breken, handhaaft de wet het beginsel, dat wijzigingen in bestaande rechtstoestanden tegenover derden niet kunnen werken, dan van het oogcnblik af dat zij bekend gemaakt zijn; vergelijk artikel 52.

Alleen met den dag, niet met het oogenblik der uitspraak wordt rekening gehouden. Al stonden het uur en de minuut der uitspraak vast, dan nog zou in de meeste gevallen het oogenblik, waarop eenige handeling verricht werd, niet geconstateerd zijn.

„Vermogenquot;: dit woord is gekozen in plaats van „goederenquot;,om boven twijfel te verheffen, dat ook rechten worden inbegrepen.

Artikel 24.

Uit verbintenissen, door den schuldenaar na de faillietverklaring aangegaan, ontstaan geene aanspraken tegen den faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat.

Handelingen, door den sehuldenaar na de faillietverklaring verricht zijn niet absoluut, maar slechts relatief nietig. Hij blijft bevoegd tot handelen buiten den faillieten boedel, en verliest in het algemeen zijne persona standi in judicio niet. Zijne handelingen binden echter alleen hem zei ven, niet den boedel; men kan zich daarop tegenover den curator niet beroepen. Dan alleen kan de curator op grond daarvan worden aangesproken , wanneer en voorzoover de boedel daaruit voordeel genoten heeft. Dit moet worden bewezen door dengene, die met den gefailleerde handelde en met diens toestand bekend was of kon zijn. De aanspraak ten beloope eener baat, door den boedel ten gevolge van eene door den gefailleerde aangegane verbintenis verkregen, is eene boedelschuld, door den curator te voldoen.

„Gebaatquot; is in de plaats gesteld van het aanvankelijk gebezigde „verrijktquot;, om beter in de terminologie te blijven van artikel 52 derde lid dezer wet en van de artikelen 1487 en 1681 b. w. Het artikel is van alge-meene strekking en betreft alle verbintenissen over vermogensrechten, door den gefailleerde aangegaan, ook die, waarbij door hem mocht zijn beschikt over deelen van zijn tot het faillissement behoorend vermogen.

1 c\'

^ $ x_ *\' Artikel 25.

Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.

Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voort-

-ocr page 70-

— 54 —

Artikelen 25—30.

gezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge hebben , heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boedel geene rechtskracht.

Strekking der artikelen 2 5—30. De invloed der faillietverkluring op aanhangige processen, waarin de schuldenaar betrokken is, wordt hier op meer uitvoerige wijze geregeld dan in de artikelen 771, tweede en derde lid, en 813 w. v. k., waarbij eene soberheid betracht werd, die tot zeer uiteenloopende rechtspraak en groote rechtsonzekerheid leidde. Naast de daartoe strekkende voorschriften vindt men in het eerste lid van artikel 25 en in artikel 26 bepalingen omtrent rechtsvorderingen, tijdens de faillietverklaring nog niet aanhangig.

Men onderscheide drieërlei rechtsvorderingen:

1°. die, welke strekken tot handhaving van andere dan vermogensrechten, met name van persoonlijke of familierechten;

X 2°. die, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoo-rend ten onderwerp hebben en mitsdien vermogensrechten betreffen, doch niet gericht zijn op voldoening eener verbintenis uit den boedel;

^ 3\'\'. die, welke voldoening eener verbintenis uit den boedel beoogen.

Over de sub 1°. bedoelde vorderingen zwijgt de wet, omdat het faillissement, dat uitsluitend vermogensrechten betreft, op die vorderingen geen invloed oefent. Zij worden, daar de schuldenaar door het faillissement zijne bevoegdheid tot handelen en zijne persona standi in juclido niet verliest, door of tegen hem voortgezet en ingesteld als ware er geen faillissement. De curator behoeft in deze gedingen, hetzij vóór of na de faillietverklaring ingesteld, niet te worden geroepen. In de meeste gevallen heeft do boedel daarbij geen belang. Mocht dit wel het geval zijn, zoo •kan de curator volgens artikel 285 w. v. b. rv. zich in het geding voegen of daarin tusschenkomen.

De sub 2°. bedoelde vorderingen, waarbij de boedel rechtstreeks betrokken is, worden gedurende het faillissement door of tegen den curator ingesteld. Is eene dergelijke vordering tijdens de faillietverklaring aanhangig, zoo wordt het geding daardoor niet ipso jure geschorst. De wederpartij van den gefailleerde, eischer of gedaagde, kan echter schorsing van het geding vragen ten einde den curator in liet geding te roepen. Slechts wanneer de curator het geding heeft overgenomen of daarin geroepen is, kan de wederpartij een vonnis verkrijgen, dat tegenover den boedel rechts-kracht bezit. Zijnerzijds heeft de curator er niet altijd belang bij, partij in het geding te zijn, daar eene veroordeeling, niet tegen hem verkregen, tegenover den boedel geene rechtskracht heeft, terwijl een door den schuldenaar gedurende het faillissement verkregen gunstig vonnis krachtens artikel 20 eene baat van den boedel uitmaakt.

Verschijnt de curator op eene zoodanige oproeping, zoo neemt bij hot geding over en zet dit met de wederpartij ten bate of schade van den boedel voort. Geeft hij aan de oproeping geen gevolg, zoo wordt onderscheiden of de vordering door dan wel tegen den schuldenaar is ingesteld. In het eerste geval kan de wederpartij ontslag van de instantie vragen of wel het geding met den gefailleerde voortzetten; die voortzet-

-ocr page 71-

— 55 —

Artikelen 25—30.

ting geschiedt alsdan, wat de kosten van het voortgezet proces betreft, buiten bezwaar van den boedel. In het tweede geval, wanneer namelijk de vordering tegen den schuldenaar is ingesteld en de curator op de hem gedane oproeping niet verschijnt, heeft het tegen den gefailleerde te verkrijgen vonnis tegenover den boedel rechtskracht. De wederpartij, die den curator in het geding riep, kan toch door zijne onwilligheid om het proces over te nemen niet verstoken worden van haar recht op een tegen den boedel executabel vonnis.

Wat de sub 3°. bedoelde vorderingen betreft, deze kunnen gedurende het faillissement uitsluitend geldend gemaakt worden door aanmelding ter verificatie, al waren daarover tijdens de faillietverklaring gedingen tegen den schuldenaar aanhangig. Dit voorschrift past in het stelsel dat aan de artikelen 126, 159 en 196 ten grondslag ligt, volgens hetwelk de verificatie eener vordering den gefailleerde bindt, tenzij hij die betwistte. Voor gedingen, tijdens de faillietverklaring aanhangig, wordt schorsing imperatief voorgeschreven. Zij worden slechts voortgezet, indien de verificatie der vordering betwist wordt en tegen dengene die dit doet. Is eene vordering tot voldoening eener verbintenis uit den boedel met eene van andere strekking verbonden, zoo moet na de faillietverklaring het geding geschorst worden wat eerstbedoelde vordering betreft, terwijl over de laatstbedoelde kan worden voortgeprocedeerd; men denke aan eene actie tot ontbinding met schadevergoeding.

Ook wegens de bezwaren, aan deze splitsing verbonden, maar tevens als onnoodig en in de practijk moeilijk uitvoerbaar, werd de onderscheiding tusschen de sub 2°. en 3°. bedoelde vorderingen, blijkens het verslag der commissie van voorbereiding, door een deel van de leden der tweede kamer afgekeurd. Volgens hen verdiende het de voorkeur, alle vorderingen betreffende vermogensrechten, als ten slotte oplosbaar in eene op geld waardeerbare praestatie, aan het verificatie-proces te onderwerpen. De minister antwoordde, dat dit schijnbaar eenvoudig stelsel onpractisch ware en verwarring zou stichten. De gemaakte onderscheiding steunt op een natuurlijk verschil, dat zich niet laat wegredeneeren. Niemand zal bijvoorbeeld eene vordering tot revindicatie, tot demping van eene sloot of openstelling van een voetpad op grond van eigendoms- of servituutrecht, in aard gelijkstellen met eene vordering tot voldoening eener verbintenis. Onder het wetboek van koophandel werden dergelijke vorderingen nooit tor verificatie aangemeld en werd de onderscheiding in de practijk dus reeds gemaakt. Die practijk gaf niet de minste aanleiding voor eene zoo ingrijpende verandering van stelsel, als in verificatie van alle vorderingen betreffende vermogensrechten zou gelegen zijn. In het stelsel der wet ontstaat volgens den minister ook ten aanzien eener vordering tot ontbinding met schadevergoeding geen overwegend bezwaar. De vordering tot ontbinding is dan tegen den curator voort te zetten, die tot schadevergoeding te verifiëeren. Wordt de ter verificatie ingediende vordering tot schadevergoeding betwist, zoo volgt renvooi. Is de schadevergoeding op te maken bij staat, zoo moet de staat ter verificatie worden aangeboden. In één woord, de vordering tot schadevergoeding zal worden behandeld gelijk elke vordering, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel heeft.

-ocr page 72-

— 56 —

Artikelen 25, 26.

Artikel 25, eerste lid. De curator behoeft machtiging van den rechtercommissaris, artikel 68 tweede lid.

„Welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoor en de ten onderwerp hebben.quot; Deze uitdrukking geeft de bedoeling beter weder dan de woorden van artikel 813 w. v. k.: „waarbij de belangen van den boedel betrokken zijn.quot; Dit laatste kon ook gezegd worden van vorderingen, niet rechtstreeks vermogensrechten betreffend, aooals bijvoorbeeld van eene vordering tot echtscheiding, die immers ontbinding der huwelijksgemeenschap medebrengt; zoodanige vordering heeft echter niet rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorend, maar den persoonlijken staat van den schuldenaar ten onderwerp, en valt dus buiten de nieuwe redactie. Of eene vordering tot de hier bedoelde categorie behoort, blijft overigens ook thans eene quaestio facti, soms voor verschillende beantwoording vatbaar en in elk voorkomend geval door den rechter te beslissen. Behalve in de woorden van het artikel, vindt hij daarbij een richtsnoer in de boven vermelde drieledige onderscheiding, in heï bijzonder in de tegenstelling met vorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben. Zoo is het bijvoorbeeld zeker, dat de vorderingen in het tweede en derde lid van artikel 771 w. v. k. vermeld, reclame en revindicatie, onder deze zinsnede vallen.

Artikel 25, tweede lid. Hier geldt het zoowel gedingen, na de faillietverklaring ingesteld, als tijdens deze aanhangig. In beide kan de gefailleerde partij zijn. De bevoegdheid om als eischer of verweerder in rechte op te treden wordt hem nergens ontzegd, hier integendeel implicite erkend ten aanzien van vorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den boedel behoorend ten onderwerp hebben, waartoe het oorspronkelijk meer algemeen gesteld voorschrift thans beperkt is. Eene veroordeeling, tegen den gefailleerde verkregen zonder dat de curator partij in het geding of daarin geroepen was, geldt echter tegenover den boedel niet. Bij artikel 30 wordt hierop eene uitzondering gemaakt voor het geval, dat de stukken van het geding vóór de faillietverklaring aan den rechter zijn overgelegd.

Dezelfde beginselen moeten worden aangenomen, niet alleen voor vorderingen betreffende persoonlijke of familierechten, maar ook voor die over vermogensrechten, uit nieuwe verbintenissen ontstaan. Wat deze laatste betreft, kan de wederpartij dan alleen krachtens het eerste lid van dit artikel en artikel 23 eene exceptie opwerpen om den rcchtsstrijc met den gefailleerde af te wijzen, wanneer de vordering den faillieten boedel aangaat. Maakt de wederpartij van deze hare bevoegdheid geen gebruik, zoo heeft eene veroordeeling, tegen den gefailleerde verkregen, tegenover den boedel geene rechtskracht.

Artikel 26.

Rechtsvorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen den gefailleerde op geene andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie.

-ocr page 73-

— 57 —

Artikelen 26, 27.

Oorspronkelijk volgde dit artikel op het tegenwoordig artikel 29. Het stond toen te midden van bepalingen betreffende reeds aanhangige vorderingen , en is daarom verplaatst. De tegenwoordige plaatsing komt mij nog minder gelukkig voor. Het artikel scheidt nu bijeen behoorende artikelen over rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorend ten onderwerp hebben, van elkander.

„Voldoening een er verbintenis.quot; Men denke hierbij niet alleen aan betaling eener geldsom, maar aan betaling in de uitgebreide betee-kenis van de artikelen 1418 en volgende b. w. Alle vorderingen tot voldoening eener verbintenis uit den boedel worden door het faillissement omgezet in geldvorderingen en zijn, zoo noodig met toepassing van artikel 133, aan verificatie onderworpen. Aanvankelijk werd het woord „betalingquot; gebezigd. In de vermelde artikelen van het burgerlijk wetboek wordt daaronder verstaan voldoening van het verschuldigde, van welken aard het zij: voldoening eener geldsom, levering van eenige andere zaak, het verrichten eener daad. De bedoeling werd dus daarmede volkomen juist wedergegeven. Desniettemin is dat woord door de aangehaalde uitdrukking vervangen, om den indruk weg te nemen van een lapsus in de memorie van toelichting, die ten onrechte gewaagde van vorderingen, gericht op eene geldpraestatie, op de betaling eener geldsom.

Artikel 27.

Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van den gedaagde geschorst, ten einde dezen gelegenheid te geven, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator tot overneming van het geding op te roepen.

Zoo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de gedaagde het rechtjmtslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tusschen den gefailleerde en den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den boedel.

Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten het geding te doen stellen.

Eerste lid. Wegens de min gelukkige plaatsing van artikel 26 is het niet geheel overbodig op te merken, dat hier evenals in artikel 28 uitsluitend vorderingen bedoeld worden, die rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorend ten onderwerp hebben.

Handelt de wederpartij niet aanstonds volgens dit voorschrift en verschijnt de curator later, zoo gelden de inmiddels verrichte processuëele handelingen tegenover den curator slechts dan, wanneer zij door hem erkend worden. Dit zal met name mogen worden afgeleid uit het feit, dat hij op de laatste stukken voortprocedeert.

-ocr page 74-

— 58 —

Artikelen 27, 28.

Onder „gedaagdequot; in dit artikel en „eischerquot; in artikel 28 heeft raen, in geval van beroep, den oorspronkelijken gedaagde en eischer te verstaan. De rechtspleging in beroep is toch de voortzetting van het geding in eersten aanleg.

Tweede lid. Bij niet-verschijning van den curator kan de wederpartij kiezen tusschen ontslag van de instantie en voortzetting van het geding met den gefailleerde. Kiest zij dit laatste en wint zij het proces, zoo kan zij de kosten der voortzetting niet op den boedel verhalen. Er is geen reden om haar dat verhaal toe te staan; immers de curator neemt hét geding niet over, omdat hij de voortzetting daarvan niet in het belang van den boedel acht en dezen voor schade wil vrijwaren.

Bij de behandeling in de eerste kamer werden de aan het slot der zinsnede voorkomende woorden „buiten bezwaar van den boedelquot; aldus opgevat, alsof de rechterlijke beslissing in dit geval geene rechtskracht tegenover den boedel zou bezitten. Ware die opvatting juist, zoo zou de wet onbillijk zijn jegens een gedaagde die, na in eersten aanleg te zijn veroordeeld, in appel tegenover den gefailleerde in het gelijk gesteld werd. Volgens het antwoord der regeering beteekenen de woorden „buiten bezwaar van den boedelquot; echter alleen, dat de kosten der voortzetting van het geding niet ten laste van den boedel komen , maar wordt deze wel degelijk door de uitspraak des rechters gebonden. Taalkundig hebben de aangehaalde woorden enkel betrekking op de voortzetting van het geding. Zoo werd het ook begrepen in het verslag der commissie van voorbereiding uit de tweede kamer. Indien de wet hier aan de rechterlijke uitspraak rechtskracht tegenover den boedel had willen ontzeggen, zou zij dit, evenals in het tweede lid van artikel 25, uitdrukkelijk bepaald hebben. Men kan er bijvoegen dat dit, waar de curator tot overneming van het geding is opgeroepen, eene zonderlinge processuëele regeling zou zijn, die alleen zou mogen geacht worden te zijn voorgeschreven, indien de woorden der wet daartoe noodzaaktenmaar deze pleiten juist voor de opvatting der regeering.

Artikel 28.

Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen den schuldenaar ingesteld is, is de eischer bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator in het geding te roepen.

Door zijne verschijning neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding.

Indien de curator verschijnende dadelijk in den eisch toestemt, zijn de proceskosten van de tegenpartij geen boedelschuld.

Zoo de curator niet verschijnt, is op het tegen den gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 25 niet toepasselijk.

-ocr page 75-

— 59 —

Artikelen 28, 29, 30.

Derde lid. Hieruit volgt dat de proceskosten wèl boedelschuld zijn, indien de curator den eiscli betwist doch in het ongelijk gesteld wordt.

Boedelschuldquot;, welke uitdrukking ook in de artikelen 39 en 40 voorkomt, is eene schuld ten laste van den curator in zijne hoedanigheid en niet aan het vericatie-proces onderworpen, in tegenstelling van schulden van den gefailleerde.

Artikel 29.

Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening eener verbintenis uit den boedel ton doel hebben , wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde, partij in het geding.

Vergelijk over de uitdrukking „voldoening eener verbintenisquot; het aan-geteekende bij artikel 26.

Artikel 30.

Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van artikel 25 en de artikelen 27—29 niet toepasselijk.

De artikelen 27—29 worden weder toepasselijk, indien het geding voor den rechter, bij wien het aanhangig is, ten gevolge van zijne beslissing wordt voortgezet.

Wanneer de stukken aan den rechter zijn overgelegd, is de reden vervallen om aan het te wijzen vonnis rechtskracht tegenover den boedel te ontzeggen. Die reden is toch daarin gelegen, dat de gefailleerde beschikking en beheer over zijn vermogen verliest, terwijl procedeeren beschikking over het vermogeu in zich sluit. Met het overleggen der stukken houdt het procedeeren feitelijk op. Bij voortzetting na eene beslissing, die geen eindvonnis is, begint het weder. Daarom is het tweede lid, dat in het oorspronkelijk ontwerp niet voorkwam, later aan het artikel toegevoegd.

De bepaling van het eerste lid is ook van toepassing, wanneer de stukken aan het openbaar ministerie zijn overgegeven lot het nemen van conclusie. Het is toch de rechter, die het openbaar ministerie hoort en daartoe de door partijen overgelegde stukken in handen van dien ambtenaar stelt.

-ocr page 76-

— 60 —

Artikelen 31, 32.

Artikel 31.

Indien een geding door of tegen den curator, of ook in het geval van artikel 29 tegen een schuldeischer wordt voortgezet kan door den curator of door dien schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding verricht, zoo bewezen wordt dat deze door die handelingen de schuldeischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijne tegenpartij bekend was.

Ya ïcLn^j chd/f f yOVX-/ c- u cU tciiMsjL

In het algemeen zijn de handelingen, in een aanhangig geding door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring verricht, voor den curator bindend. Bijaldien echter de schuldenaar handelde met het bewustzijn daardoor zijne schuldeischers te benadeelen en de wederpartij dit wist of kon weten, wordt den curator de bevoegdheid toegekend de nietigheid dier handelingen in te roepen. Men denke bijvoorbeeld aan erkentenissen van schuld tegen beter weten in of aan ongemotiveerden afstand van exception, zoo-jals die van verjaring. Het bewijs, dat in fraudern creditorum gehandeld is, kan voor den curator zeer moeilijk zijn; maar indien hij daarvan ontslagen en door de praecedenten van het proces niet gebonden was, zou de faillietverklaring feitelijk terugwerkende kracht bezitten. Gelijke bevoegdheid als de curator heeft in het geval van artikel 29 de schuldeischer, die de verificatie der vordering betwist.

De nietigheid kan in het proces bij incidenteele conclusie werden ingeroepen; eene afzonderlijke vordering tot nietigverklaring is niet noodig.

Artikel 32.

In de gedingen, door of tegen den curator ingesteld of voortgezet, of in het geval van artikel 122 tegen een schuldeischer gevoerd, kan de rechter den gefailleerde de eeden opleggen, bedoeld bij artikel 1977 van het Burgerlijk Wetboek.

In de hier bedoelde gedingen is de gefailleerde geen partij. Eeeds daarom kan hij, zonder uitdrukkelijke bepaling, geene handelingen verrichten, waartoe verschijning in het geding noodig is; in het geding kan hem geen eed worden opgedragen, kan hij niet op vraagpunten gehoord worden. Maar bovendien mist hij de bevoegdheid tot dergelijke handelingen, omdat deze, gelijk procedeeren in het algemeen, beschikking over den boedel in zich sluiten. Bij uitzondering kunnen hem, krachtens dit artikel, de sup-pletoire en de schattingseed worden opgelegd. Deze beide eeden worden door den rechter opgelegd en alleen wanneer reeds van elders eenig bewijs aanwezig is (artikel 1978 b. w.), zoodat het gevaar van collusie, bij den decisoiren eed zoozeer te duchten, hier gering is.

De curator zal den gefailleerde moeten kennis geven van de eedsopleg-

-ocr page 77-

— 61 —

Artikelen 32, 33.

ging, met last om ten bepaalden dage voor den rechter te verschijnen. Hoe de curator zelf daarvan kennis krijgt, indien hij geen partij in het geding is, gelijk in renvooi-processen kan voorkomen, is aar; de practijk ter oplossing gelaten. In geval van wederspannigheid kan, naar omstandigheden, artikel 87 op den gefailleerde worden toegepast.

Indien vóór de faillietverklaring een decisoire eed aan den schuldenaar is opgedragen en door hem aangenomen en de stukken aan dei.\' rechter zijn overgelegd, zal, volgens het antwoord der regeering op eene vraag in het verslag der commissie van voorbereiding, geschieden wat in alle gevallen geschiedt, waarin de schuldenaar na de eedsoplegging in de onmogelijkheid geraakt om den eed af te leggen, bijvoorbeeld door overlijden.

Artikel 33.

Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.

Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87.

Eerste lid. „Een einde neemt.quot; Deze uitdrukking is gekozen in de plaats van „wordt gestaaktquot; in het eerste lid van artikel 771 w. v. k., ten einde uit te maken dat een gelegd beslag door de faillietverklaring voor goed vervalt. Onder het wetboek van koophandel we\'rd dit reeds door den hoogen raad aangenomen, doch vonden ook andere wetsuitleg-gingen voorstanders. Het wezen van het faillissement als gerechtelijk beslag op het geheele vermogen brengt mede, dat de faillietverklaring aan begonnen executiën op deelen van het vermogen een einde maakt. Latere herleving van het afzonderlijk beslag, waarvan bij insolventie in het geheel geen sprake kan zijn, is ook na homologatie van een aucoord onnoodig. Alsdan worden de praeferente schuldeischers. over wier voorrecht bij de verificatie beslist wordt, voldoende beschermd door de bepalingen van artikel 163, terwijl de concurrente schuldeischers voor de hun toekomende percenten een executorialen titel hebben in het vonnis van homologatie in verband met het procesverbaal der verificatie, artikel 159.

Zoogenaamd pandbeslag kan na de faillietverklaring niet meer gelegd worden. De verhuurder is geen pandhouder, wordt dit ook niet door het pandbeslag, en valt dus niet onder artikel 57. Hij heeft het recht, hem bij artikel 1188 b. w. toegekend, niet meer noodig na faillissement van den huurder. Dat recht dient om hem tegen oneerlijke handelingen van den huurder te beveiligen; maar deze kunnen niet meer gepleegd worden, nadat het beheer over het vermogen van den huurder in handen van den curator is overgegaan.

-ocr page 78-

— 62 —

Artikelen 33, 34, 35.

„Eenig deel van het vermogenquot;: niet alleen goederen, maar ook rechten.

Tweede lid. Dit voorschrift maakt, in verband met het bepaalde aan het slot van het eerste lid, een einde aan de harde en onrechtvaardige bepalingen van de artikelen 888 w. v. k. en 890 w. v. b. rv. Daarbij werd uit het oog verloren, dat de lijfsdwang geene straf, maar een middel van executie is, hetwelk behoort te vervallen zoodra het den schuldenaar, door de inbeslagneming van zijn geheele vermogen, feitelijk en rechtens onmogelijk gemaakt is de schuld te voldoen.

De schuldeischer behoedt den gefailleerde eerst uit de gijzeling te ontslaan , wanneer het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde gegaan is. Moest de gefailleerde terstond na de uitspraak van het vonnis ontslagen worden, zoo zou hij in de gelegenheid zijn zich aan verderen lijfsdwang te onttrekken, waardoor de schuldeischer, in geval van latere vernietiging van het vonnis, feitelijk van een krachtig middel van executie tegen hem zou worden verstoken. Die verschuiving van het ontslag uit de gijzeling wordt niet overbodig gemaakt door het bepaalde bij artikel 87. Immers tot bet geven van een bevel, dat de gefailleerde iu verzekerde bewaring gesteld worde, is de rechtbank bevoegd, niet verplicht; en het is de vraag, of zij daartoe ter wille van een enkelen schuldeischer zal overgaan.

Artikel 34.

Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning zijner roerende of onroerende goederen zoo ver was gevorderd , dat de dag van den verkoop reeds was bepaald, kan de curator, op machtiging van den rechter-commissaris, den verkoop voor \'rekening van den boedel laten voortgaan.

Van deze beschikking van den rechter-commissaris valt geen hooger beroep, artikel 67 tweede lid.

De slotwoorden van het nagenoeg gelijkluidend artikel 772 w. v. k.: „onverminderd het recht van den executant op de opbrengst, indien hij voorrang, pand of hypothecair verband heeftquot;, zijn, als geheel overbodig, hier achterwege gelaten.

Artikel 35.

Van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten kan de door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 309 van het Wetboek van Koophandel gevorderde overschrijving, en van bevorens verleende hypotheken, alsmede van de akten genoemd in artikel 315 van laatstgenoemd Wetboek de inschrijving, na de faillietverklaring niet geldig meer geschieden.

-ocr page 79-

— 63 —

Artikel 35.

Eene zeer betwiste vraag wordt hier in anderen zin beslist dan onder andere bij het arrest van den hoogen raad van 14 Mei 1875 (IF. v. h. r. n0. 3853), waartegenover trouwens op tegenstrijdige uitspraken te wijzen viel; in anderen zin ook dan, voor het geval van executoriaa\' beslag op onroerende goederen en schepen, voor de inschrijving van hypotheken en pand- of verbandbrieven bepaald werd bij de artikelen 505, laatste lid, en 566, laatste lid, w. v. b. rv.

De thans genomen beslissing is hierop gegrond, dat, „al moge men voor de eigendomsoverschrijving medewerking van den verkooper onnoodig achten, de kooper daardoor toch nimmer het recht kan verkrijgen om goederen, waarop eenmaal krachtens het vonnis van faillietverklaring een gerechtelijk beslag rust, aan dat beslag eenzijdig te onttrekken. Het beslag toch werkt tegen derden , de bevoegdheid tot eigendomsoverschrijving slechis tegen dengene aan wien men die bevoegdheid ontleent. In werkelijkheid geeft het koopcontract naar ons burgerlijk recht aan den kooper niet anders dan een persoonlijk recht op levering jegens den verkooper. Deze persoonlijke vordering moet op gelijken voet worden behandeld met alle andere persoonlijke vorderingen. Met name zal ook artikel 37 toepasselijk kunnen zijn. Den kooper eene geprivilegieerde stelling te geven laat zich niet rechtvaardigen. Overschrijving, door den kooper na de faillietverklaring eenzijdig bewerkstelligd, is feitelijk individuëele executie^ eener persoonlijke vordering, en dus vlakweg in strijd met het wezen van het faillissementquot; (memorie van toelichting).

Vooral door sommige leden der eerste kamer werd hiertegen met nadruk opgekomen. Zij zagen in de stelling, dat de kooper aan zijn koopcontract de bevoegdheid niet kan ontleenen om goederen, waarop krachtens het vonnis van faillietverklaring een gerechtelijk beslag rust, aan dat beslag eenzijdig te onttrekken, eene op dwaling berustende petitio prindpn. Elk recht, zoo redeneerden zij, van den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring verkregen, werkt tegen de gezamenlijke schuldeischers. Immers dezen , of de curator te hunnen behoeve, realiseeren niet eigen goederen en rechten, maar die van hunnen schuldenaar. Hieruit volgt logisch dut zij nimmer meer rechten kunnen uitoefenen dan den schuldenaar toekomen. De kooper verzekert zich in den regel, indien het tegendeel niet bedongen is, de levering door overschrijving van den titel zonder medewerking van den verkooper; de schuldeischer neemt na het verlijden der obligatie eene hypothecaire inschrijving zonder medewerking van den schuldenaar. Hieruit blijkt dat de kooper of schuldeischer daartoe heeft een verkregen recht, waarop dit artikel inbreuk maakt. „Het is in strijd mei het wezen van het faillissement als beslag, om hetzij dat beslag, hetzij het louter ten behoeve van dat beslag den schuldenaar ontnomen beheer, te doen achteruit werken, ten einde onder den hamer der schuldeischers terug te brengen objecten, die sine fraude waren vervreemd.quot;

Andere leden der eerste kamer, bij wie de minister zich aansloot, antwoordden dat ieder schuldeischer een verkregen recht heeft, maaralle schulueischers, voorzoover zij geen voorrang hebben, zich bij faillissement van den schuldenaar eene vermindering van het provenu hunner vorderingen moeten getroosten. Wie een zakelijk recht heeft, staat buiten het faillissement; maar geen zakelijk recht heeft de kooper wiens titel, de crediteur wiens hypotheek niet overgeschreven of ingeschreven is. Dat

-ocr page 80-

— 64 —

Artikelen 35, 36, 37.

geen zakelijk recht op onroerend goed bestaat zonder openbaarmaking in de daartoe bestemde registers, is een beginsel van nederlandsch burgerlijk recht, waarvan, hoe men er over denke, de faillietwet niet mag afwijken.

Naast de principiëele, werden ook practische bezwaren aangevoerd. Tusschen het verlijden der acte en de overschrijving of inschrijving, zoo werd opgemerkt, moet noodwendig eenige tijd verloopen. Is het nu met hard dat de bona fide kooper of schuldeischer, indien de schuldenaar inmiddels failleert, door die onvermijdelijke vertraging zijn zakelijk recht verbeurt? Ware het niet billijk hem, indien hem door de spoedig gevolgde faillietverklaring de noodige tijd ontbroken heeft voor de overschrijving of inschrijving, daartoe niettegenstaande het faillissement nog gedurende een korten termijn, wel te verstaan ingaand met het verlijden der acte, gelegenheid te laten? Voor de inschrijving van hypotheken en pand- of verbandbrieven achtte de regeering geen zoodanigen termijn noodig, vermits zij geschiedt op borderellen, die de registratie der acte niet behoeven te vermelden. Dit geldt intusschen niet voor de, overschrijving van koop-acten, inzonderheid bij publieken verkoop, waarbij de kooper het niet altijd in de hand heeft voor den gevorderden spoed te zorgen.

Aan den anderen kant moesten ook bestrijders van dit artikel erkennen, dat het een einde maakt aan het misbruik om bijvoorbeeld hypotheken te verleenen, waarvan de inschrijving opzettelijk wordt nagelaten om het crediet van den schuldenaar niet te benadeelen. Kan de inschrijving nog na de faillietverklaring met vrucht geschieden , zoo wordt de houder eener dergelijke stille hypotheek bevoorrecht boven andere schuldeischers, die wellicht juist crediet gegeven hebben, omdat zij het goed van den schuldenaar onbezwaard waanden. Het bedoelde euvel zou overigens ook gekeerd zijn indien, met behoud van het beginsel van dit artikel, voor de overschrijving of inschrijving, ondanks faillissement, een korte termijn na het verlijden der acte was toegestaan.

Artikel 36.

Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting der verjaring ten gevolge.

Die indiening is het eenige middel om vorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, gedurende het faillissement in rechte te doen gelden; zij is eene daad van rechtsvervolging, artikel 2016 b. w. Ten aanzien van andere vorderingen wordt de rechtsvervolging geenszins verhinderd door het faillissement, dat daarom ook niet de verjaring stuit.

Artikel 37.

Indien eene wederkeerige overeenkomst ten tijde van de faii-lietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen,

-ocr page 81-

— 65 —

Artikel 37.

is deze laatste bevoegd den curator te sommeeren binnen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst gestand wil doen. Indien de curator zich daartoe binnen dien tijd niet bereid verklaart, is de overeenkomst ontbonden en kan de wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen; verklaart de curator zich daartoe wel bereid, dan is hij verplicht bij die verklaring zekerheid te stellen voor de richtige nakoming der overeenkomst.

\\ Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op overeenkomsten, waarbij de verbintenis van den gefailleerde eene uitsluitend door dezen persoonlijk te verrichten handeling inhoudt.

Eerste lid. Uit haren aard oefent de faillietverklaring op bestaande weder-keerige overeenkomsten geen invloed uit. Heeft de gefailleerde aan zijne / 2 - quot; verplichtingen voldaan, de curator zal de contra-praestatie te zijner tijd /^/ y --

voor den boedel ontvangen of opvorderen. Heeft de wederpartij harerzijds___—gt;

voldaan, zij zal voor de contra-praestatie als concurrent schuldeischer opkomen, of wel ontbinding der overeenkomst vragen en vervolgens voor schadevergoeding eveneens als concurrent schuldeischer opkomen; in elk geval weet zij a priori, dat zij op nakoming der verbintenis van de zijde des curators niet te rekenen heefc. Is echter de overeenkomst door beide partijen nog in het geheel niet of slechts gedeeltelijk nagekomen, zoo zal de wederpartij in onzekerheid verkeeren of de curator te zijner tijd de verplichtingen des gefailleérden ten volle zal vervullen, dan wel het in het belang van den boedel zal achten in gebreke te blijven en eene actie tot ontbinding met schadevergoeding af te wachten. Die onzekerheid kan haar groote schade berokkenen. Het is billijk haar in de gelegenheid te stellen om te weten te komen waaraan zij zich te houden heeft.

Tot dat einde wordt bepaald, dat zij den curator kan sommeeren binnen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst wil gestand doen.

Die termijn, in het oorspronkelijk ontwerp op vijf dagen gesteld, kan voor den curator ook nu nog kort genoeg zijn. Hij behoeft toch niet alleen machtiging van den rechter-commissaris (artikel 68 tweede lid),

maar moet ook, zoo er eene commissie uit de schuldeischers is, haar advies inwinnen en in het geval van artikel 79 de uitvoering der voorgenomen handeling gedurende drie dagen opschorten. De regeering achtte het echter niet raadzaam, overeenkomstig het advies van den raad van state den rechter de bevoegdheid te geven tot verlenging van den bepaalden termijn op verzoek van den curator, omdat onzekere toestanden zoo kort mogelijk moeten duren. Verklaart de curator zich niet binnen dien termijn tot nakoming bereid, zoo is de overeenkomst van rechtswege ontbonden. Verklaart hij zich daartoe wel bereid, zoo moet hij tevens, tot geruststelling der wederpartij, zekerheid stellen voor de richtige nakoming der alsnu in stand blijvende overeenkomst. Wanneer de wederpartij geene sommatie doet, blijft de overeenkomst bestaan totdat zij eventueel op grond van wanpraestatie ontbonden wordt.

5

-ocr page 82-

— 66 —

Artikelen 37, 38.

Met het oog op deze regeling zijn de artikelen 1515 b. w. en 285 w. v. k. bij artikel 2 der invoeringswet ingetrokken. Het speciale voorschrift van artikel 1554 b. w. is voor de daarbij bedoelde koopovereenkomsten van kracht gebleven.

Tweede lid. In dit geval hangt de nakoming der overeenkomst geheel van den wil des gefailleerden af en kan de curator daarover geene beslissing nemen.

Artikel 38.

Indien in het geval, bedoeld bij het vorige artikel, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden enTau de wederpartij van den gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuld-eischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.

Termijnhandel is alleen mogelijk bij voortdurende en ongestoorde zekerheid omtrent het lot der getroffen overeenkomsten. Elke onzekerheid dienaangaande kan de speculatie in gevaar brengen. Daarom wordt hier bepaald, dat de bedoelde overeenkomsten door de faillietverklaring van eeue der partijen ontbonden worden. De uitdrukking: „die ter beurze op termijn worden verhandeldquot;, is gekozen in plaats van de in het oorspronkelijk ontwerp gebezigde woorden; „die een markt- ot beursprijs hebber^ , ten einde beter te doen uitkomen, dat het artikel uitsluitend de eigenlijk gezegde termijnzaken op het oog heeft.

„Waren.quot; Volgens het antwoord van den minister op eene vraag in het verslag der commissie van voorbereiding, zijn hieronder effecten begrepen.

„Schadevergoedingquot;. Deze zal bestaan in het koersverschil. Stellige voorschriften daaromtrent alsook omtrent de wijze van berekening achtte de regeering echter, wegens de eindelooze verscheidenheid van denkbare gevallen, niet raadzaam.

„Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoedenquot;. Deze bepaling is hierop gegrond, dat de curator bij termijnzaken geene keus heeft; de overeenkomst wordt, ter wille der zekerheid van het handelsverkeer, van rechtswege ontbonden verklaard. Het is hier dus evenzeer mogelijk dat de boedel, als dat de wederpartij door de ontbinding schade lijdt; maar laatstgenoemde

-ocr page 83-

— 67 —

Artikelen 38, 39.

moet clan ook casu quo tot schadevergoeding gehouden zijn, gelijk zij eventueel voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer kan opkomen. Schijnbaar wordt de boedel hierdoor bevoorrecht : hij kan volstaan met percenten te voldoen, terwijl de wederpartij integraal moet betalen. Maar dit is niet anders dan eene toepassing van algemeene regelen van faillietrecht.

„Schadequot; omvat geleden verlies en winstderving. Zij zal zijn te berekenen naar den beursprijs tijdens de faillietverklaring.

Artikel 39.

Indien de gefailleerde huurder is, kau zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden , dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Van den dag der faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld.

Bepalingen in dezen geest waren dringend noodig. Het wetboek van koophandel zweeg geheel over dit onderwerp. Groot verschil van opvatting was het natuurlijk gevolg. De eenvoudige regeling, in dit artikel vervat, strekt om daaraan een einde te maken. Zoowel aan den curator als aan den verhuurder wordt het recht toegekend de huur op te zeggen tegen een tijdstip en met inachtneming van een termijn, als in het artikel nader zijn omschreven. De curator behoeft mitsdien eene voor den boedel on-noodige huur niet langer aan te houden dan de wettelijke voorschriften medebrengen; de verhuurder kan tijdig naar een anderen huurder omzien, en ontvangt den huurprijs, van den dag der faillietverklaring af, uit handen van den curator.

In de eerste kamer vond deze regeling bestrijding. Men achtte eene afwij-king van het gemeene recht, gelijk dit artikel inhoudt, onrechtvaardig en door de behoeften der practijk geenszins gewettigd. De verhuurder wordt, naar men meende, voldoende beschermd door de voorschriften van het burgerlijk wetboek en door artikel 37 dezer wet, maar zou groote schade kunnen lijden, wanneer bijvoorbeeld de huur eener hoeve met land, die wellicht nog twaalf jaren moest loopen, hem bij faillissement van den pachter door den curator werd opgezegd. De regeering antwoordde dat eene regeling voor bijzondere gevallen zeker alleszins geoorloofd is, mits zij voldoe aan de eischen der billijkheid in verband met den staat van faillissement, die afwikkeling der hangende rechtsbetrekkingen nood-

-ocr page 84-

— 68 —

Artikelen 39, 40.

zakelijk maakt. De hier voorgeschreven regeling is de meest billijke voor alle belanghebbenden en evenzeer in het belang van den verhuurder als in dat van den boedel. Zij ontheft den verhuurder van den omslag en de kosten, aan ontbinding van het huurcontract langs den gewonen weg verbonden. Bleef de huur in stand, dan zou, in het genoemde voorbeeld der landhoeve, wellicht gedurende ettelijke jaren het bedrijf van den pachter voor rekening van den boedel zijn voort te zetten en vereffening van den boedel worden opgehouden, hetgeen allerminst een gewenschte toestand zou mogen heeten. Men kan er bijvoegen, dat ook artikel 37 den verhuurder, althans voorzoover hij niet door borgtocht gedekt is, in ongunstiger toestand zou brengen, daar dat artikel de overeenkomst reeds acht dagen na gedane sommatie aan den curator ontbindt, indien deze zich binnen dien tijd niet bereid verklaart haar gestand te doen, waartoe hij natuurlijk niet verplicht is.

„De curatorquot; behoeft machtiging van den rechter-commissaris, artikel 68 tweede lid, en moet het advies der commissie uit de schuldeischers inwinnen, zoo zij er is, artikel 78 eerste lid.

„De huur tusschentij ds doen eindigenquot;. Ook indien het verhuurde nog niet is geleverd, is niet artikel 37, maar dit artikel, als lex spedalis, van toepassing.

„Overee.ngekomen of gebruikelijkequot;. Deze woorden, aanvankelijk in omgekeerde volgorde gebezigd, zijn aldus gerangschikt omdat, wanneer schriftelijk of mondeling een termijn van opzegging is overeengekomen, daaraan de voorkeur toekomt boven den gebruikclijken termijn, behoudens het maximum van drie maanden.

„Met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijnquot;. De bedoeling is, dat slechts de overeengekomen of gebruikelijke termijn moet worden inachtgenomen, wanneer deze korter dan drie maanden is, en dat het voldoende is drie maanden te voren op te zeggen, al is een langere termijn van opzegging overeengekomen of gebruikelijk. Dit wordt in het artikel ondubbelzinnig uitgedrukt; alleen eene minder duidelijke uitdrukking in de memorie van toelichting kon eenigen twijfel doen rijzen. Overigens kan de opzegging, volgens de eerste zinsnede, alleen geschieden tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen.

„Boedelschuldquot;. Vergelijk het aangeteekende op artikel 28 derde lid_

Artikel 40.

Alle bezoldigde personen, in dienst van den gefailleerde, kunnen hunne betrekking opzeggen en hun kan wederkeerig door den curator hunne betrekking opgezegd worden, met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termijnen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in

-ocr page 85-

— 69 —

Artikelen 40, 41.

elk geval voldoende zal zijn. Van den dag der-faillietverklaring af is het salaris boedelschuld.

Dit artikel strekt om eene rechtszekerheid te verschaffen, die onder het wetboek van koophandel ontbrak, en de nadeelige gevolgen van het faillissement voor de bedoelde personen binnen billijke grenzen te beperken. Ten aanzien van loon, vóór de faillietverklaring verdiend, blijft artikel 1195, 4°. b. w. van kracht.

„Bezoldigde personen, in dienst van den ge faill eer dequot;. Ue directeur eener naamlooze vennootschap is te beschouwen als in haren •dienst staande en derhalve in deze uitdrukking begrepen.

„Door den curatorquot;, namelijk met machtiging van den rechtercommissaris en na ingewonnen advies van de commissie uit de schuld-eischers, indien zij er is.

„Met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen t e r ra ij n e n, met dien verstande echter dat een t e r m ij n van zes weken in elk geval voldoende zal z ij nquot;. De redactie is in overeenstemming gebracht met die van artikel 39, wat de laatste woorden, doch niet wat de omzetting der woorden „gebruikelijkequot; en „overeengekomenquot; betreft. Desniettemin ligt het mijns inziens in den aard der zaak, dat een overeengekomen termijn primeert. Vergelijk voorts het aangeteekende bij artikel 39. Voor dienst- en werkboden blijft artikel 1639 b. w. van toepassing, voorzoover noch door hen, noch door den curator van het hier toegekend recht van opzegging gebruikt gemaakt wordt. Heeft overeenkomstig dit artikel opzegging plaats, dan is geen verder loon verschuldigd dan tot het tijdstip, waarop ingevolge de opzegging de dienstbetrekking eindigt.

„Boedelschuldquot;. Vergelijk het aangeteekende op artikel 28 derde lid

Artikel 41.

Erfenissen, gedurende het faillissement aan den gefailleerde opkomende, worden door den curator niet anders aanvaard dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.

Tot het verwerpen eener nalatenschap behoeft de curator machtiging vau den rechter-commissaris.

Het oorspronkelijk ontwerp hield enkel in, dat bij aanvaarding eener zoodanige erfenis door den curator de boedelafscheidjjig, in artikel 1153 b. w. bedoeld, van rechtswege plaats heeft. Daarmede werd besparing van kosten beoogd. In het advies van den raad van state werd evenwel aangetoond, dat die boedelafscheiding in deze wet niet past. Ten gevolge van dat betoog en van het schriftelijk overleg met de commissie\' van

-ocr page 86-

— 70 —

Artikelen 41, 42—51.

voorbereiding is het artikel in zijn tegenwoordigen vorm gebracht. Zooals het nu luidt, ware het wellicht in de vierde afdeeling van dezen titel beter op zijne plaats geweest. Het stemt overeen met hetgeen voor den voogd en den curator in de artikelen 459 en 506 b. w. bepaald is; alleen geeft in die gevallen de kantonrechter, hier de rechter-commissaris machtiging tot verwerping der nalatenschap.

De curator is ook ten opzichte van erfenissen, aan de echtgenoot van den gefailleerde opkomend en vallend in de tusschen de echtgenooten bestaande gemeenschap van goederen, aan den inhoud van het artikel gehouden. Dit volgt uit artikel 63, volgens hetwelk het faillissement de geheele gemeenschap omvat.

Legaten, onder bezwarende bepalingen gemaakt, kunnen door den curator worden geweigerd, indien het belang van den boedel dit medebrengt; niemand, ook niet de curator, is verplicht een legaat aan te nemen.

Artikel 42.

- - Onverminderd de bijzondere bepalingen in de artikelen 44—46

r

v\\f

omtrent schenkingen gemaakt, kan ten behoeve van den boedel de nietigheid ingeroepen worden van alle vóór de faillietverklaring door den schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, mits bewezen worde, dat bij het verrichten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling der schuldeischers liet gevolg zoude zijn.

• Strekking der artikelen 42—51. Dc rechtsmiddelen tot vernietiging van vóór de faillietverklaring verrichte handelingen, waardoor de schuldenaar willens en wetens ten nadeele zijner schuldeischers deelen van zijn vermogen aan dezen hunnen gemeenschappelijken waarborg onttrokken heeft (actio I\'auüana), worden hier veel nauwkeuriger en stelselmatiger geregeld dan bij de artikelen 773—777 w. v. k. Aan deze waren twee hoofdfouten eigen, namelijk:

1°. dat niet voldoende onderscheiden werd tusschen handelingen, door den schuldenaar krachtens eene op hem rustende verplichting en onverplicht verricht;

2n. dat tegenover het vermoeden van kwade trouw, aan bepaalde handelingen verbonden, het bewijs van goede trouw niet werd toegelaten.

Het sub 1°. bedoeld gemis van onderscheiding (behalve bij de hypotheek, van den voogd of curator, artikel 774 laatste lid w. v. k.) gaf aanleiding tot de interpretatie, dat zoowel verplichte als onverplichte handelingen van den schuldenaar aan vernietiging blootstonden. Deze leer rust niet op rationeelen grondslag. De Pauliana kan uit haren aard slechts handelingen treffen, door den schuldenaar onverplicht verricht. Hem kan er geene grief van gemaakt worden, dat hij datgene doet, waartoe hij rechtens

-ocr page 87-

— 71 —

Artikelen 42—51.

verplicht is. Evenmin valt een redelijke grond aan te wijzen om hem, die datgene ontving, waarop hij aanspraak had, tot teruggave daarvan te noodzaken. Wel kan de handeling, krachtens eene bestaande verplichting verricht, eventueel worden bestreden tegelijk met de vroegere handeling, waarbij de schuldenaar die verplichting op zich nam- maar op zichzelf zijn in het betalen eener opeischbare schuld door den schuldenaar (de type eener verplichte handeling) de elementen der Pauliana niet ver-eenigd. De vernietigbaarheid van verplichte handelingen, door den schuldenaar, die onvermogend is om zijne schulden te voldoen, vóór zijne faillietverklaring verricht, past in het stelsel van den franschen code de commerce, die den staat van faillissement bij staking van betaling van rechtswege deed intreden. Daarmede heeft echter reeds het wetboek van koophandel gebroken. Volgens het nederlandsch faillietrecht verliest do schuldenaar de beschikking en het beheer over zijn vermogen eerst door de faillietverklaring, en blijft hij in de volheid zijner rechten en verplichtingen, totdat het vonnis van faillietverklaring daarin verandering brengt. Bovendien is de vernietiging van verplichte handelingen van den schuldenaar in strijd met de zekerheid van het verkeer, omdat zij den schuldeischer belemmert in het doen gelden zijner rechten juist wanneer dit het meest noodig is. Om crediet te verleenen, moet men kunnen vertrouwen dat, wanneer de schuldenaar betaalt, die betaling onaantastbaar blijft, al mocht hij zelfs kort daarna in staat van faillissement geraken. Om deze redenen wordt bij artikel 42 als regel gesteld dat alleen van handelingen, door den schuldenaar onverplicht verricht, ten behoeve van den boedel de nietigheid kan worden ingeroepen. Zoo is bijvoorbeeld bij de ter beurze gebruikelijke prolongatie- en beleeningscontracten het geven van surplus, ter uitvoering van vooraf bedongen zekerheid, in den regel1 onaantastbaar. Op den regel worden slechts twee uitzonderingen toegelaten, die in artikel 47 zijn opgenomen.

Wat het sub 2°. vermeld gebrek van het wetboek van koophandel betreft, zij opgemerkt dat, naast schenkingen, die eene eigenaardige plaats innemen, hier drieërlei handelingen kunnen worden onderscheiden: a. die welke nietig verklaard worden indien de kwade trouw der handelende partijen bewezen wordt (het geval van de gewone Pauliana)-, h. die welke, krachtens eene praesumtio juris, ondersteld worden te kwader trouw verricht te zijn en nietig verklaard worden, tenzij degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, zijne goede trouw bewijst; c. die welke, krachtens eene praesumtio juris et de jure, geacht worden te kwader trouw te zijn verricht en absoluut nietig zijn. De artikelen 773—777 w. v. k. kenden de sub b aangeduide categorie niet, maar verklaarden verschillende handelingen absoluut nietig. Dit was eenvoudig, maar hield geen rekening met de talrijke schakeeringen, die het verkeer vertoont. Het is waar dat minder nauwgezette schuldenaars aan den vooravond van het faillissement allerlei maatregelen plegen te nemen, waardoor zij willens en wetens hunne gezamenlijke schuldeischers benadeelen. Door die handelingen zonder onderscheid volstrekt nietig te verklaren, werd men echter onbillijk jegens hen, die van hunne goede trouw overtuigend konden doen blijken, en

1

De memorie van toelichting zegt: steeds. Het komt mij echter voor dat artikel 47 ook op deze handeling van toepassing is. Vergelijk het aangeteekende bij dat artikel.

-ocr page 88-

— 72 —

Artikelen 42—51.

deed men tevens afbreuk aan de zekerheid van het verkeer. Tal van omstandigheden laten zich denken, waaronder betaling eener niet-opeisch-bare schuld of het geven van niet bij de overeenkomst bedongen zekerheid (artikelen 773 en 774 w. v. k.) volkomen te goeder trouw kan geschieden. De schuldenaar bedingt bijvoorbeeld daartegenover van zijnen schuldeischer bijzondere voordeden, als verlenging van een geopend crediet of nieuwe bestellingen; of wel hij wil over gegeven onderpand beschikken en ruilt dit met toestemming van zijnen schuldeischer tegen ander onderpand. Daarom verklaart de nieuwe wet bepaalde handelingen, die door haren inhoud in verband met het korte tijdsverloop, dat haar scheidt van het faillissement, een verdacht karakter bezitten, niet absoluut nietig. Zij bepaalt zich daaromtrent in artikel 43 tot het aannemen der praesumtie van kwade trouw, die echter voor het bewijs van goede trouw moet wijken: de bewijslast wordt omgekeerd.

Artikel 42. „Nietigheidquot;. De bedoelde handelingen zijn nietig, niet slechts vernietighaar. De curator behoeft niet te beginnen met hare vernietiging van den rechter te vragen, maar kan hare nietigheid aan zijne vordering of verwering ten grondslag leggen. Op grond van die nietigheid kan hij rauwelijks het uit den boedel in handen van een derde overgegane terugvorderen of daarop revindicatoir beslag leggen. Op die nietigheid kan hij ook, zonder reconventioneelen eisch, zijne verwering tegen eene ingestelde vordering doen steunen.

„ïen behoeve van den boedelquot;. De nietigheid is slechts relatief. Zij bestaat alleen ten opzichte van den boedel en kan mitsdien uitsluitend door den curator worden ingeroepen; niet door de wederpartij of door den schuldenaar zelf, nadat deze door accoord als anderszins zijne bevoegdheid tot beschikking heeft teruggekregen.

„Handelingenquot;. Het is onverschillig, waarin de onverplicht verrichte handeling van den schuldenaar bestaat. Zij kan strekken tot vermindering van het vermogen, mear ook om dit niet te vermeerderen; men denke bijvoorbeeld aan het verwerpen eener erfenis. Niet-h.mdelen. waa.r handelen plichtmatig was — zooals het verzuim van den langstlevenden echtgenoot om overeenkomstig artikel 182 b. w. een inventaris te doen opmaken — valt niet onder het artikel.

„Waardoor de schuldeischers benadeeld zijnquot;. Het is niet voldoende, dat de handeling kon str -kken tot benadeeling der schuldeischers, maar deze moet werkelijk hebben plaats gehad. Heeft de handeling op het bedrag van het actief geeu invloed uitgeoefend, dan zijn de schuldeischers niet benadeeld en vervalt elke grond tot nietigheid.

„De wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijnquot;. Artikel 777 w. v. k. sprak van „bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischersquot;: eene dubbelzinnige uitdrukking, krachtens welke soms het bewijs verlangd werd van bedrog in strafrechtelijken zin of van het oogmerk om de schuldeischers te benadeelen. Dit oogmerk, dat in de meeste gevallen niet aanwezig is,

-ocr page 89-

— 73 —

Artikelen 42, 43.

wordt hier niet gevorderd. Voldoende is de desbewuste benadeeling der schuldeischers, de wetenschap bij den schuldenaar dat de schuldeischers ten gevolge der handeling minder ontvangen dan anders het geval geweest ware. De curator heeft aan te toonen dat het actief door de handeling verminderd is en dat de schuldenaar, toen hij handelde, dit wist of moest weten.

„Degene met wien of te wiens behoeve hij handeldequot;. Evenmin als in den schuldenaar, wordt in dengene met wien hij handelde het oogmerk gevorderd om de schuldeischers te benadeelen. Die persoon behoeft slechts de wetenschap te bezitten, dat de schuldeischers door de handeling benadeeld worden.

Ook wanneer de schuldenaar alleen gehandeld heeft, kan de nietigheid dier handeling worden ingeroepen tegen hem die daardoor gebaat werd. Zoo bijvoorbeeld de nietigheid van de verwerping eener erfenis door den schuldenaar tegen dengene, die daardoor erfgenaam werd, indien hij wist dat de verwerping plaats had ter benadeeling der schuldeischers.

Ontbrak dat medeweten, om welke reden ook, bij hem met wien of te wiens behoeve de schuldenaar handelde, zoo kan de nietigheid der handeling niet worden ingeroepen.

Tegenover hem, te wiens behoeve de schuldenaar handelde, schijnt het artikel mij niet gemakkelijk toe te passen. Ook op hem hebben namelijk, zooals de tekst luidt, de voorafgaande woorden „bij het verrichten der handelingquot; betrekking. Daar hij niet mede handelde, zal hij bij letterlijke toepassing nooit, of althans alleen ingeval hij bij het verrichten der handeling tegenwoordig was, in de termen van het artikel vallen. Zelfs al wilde men het woord „bijquot; opvatten in den zin van „tijdensquot;, zou het bewijs, dat hij de gevorderde wetenschap reeds ten tijde der handeling bezat, veelal moeilijk te leveren zijn.

Artikel 43.

Indien de handeling, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, verricht is binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aanvang van dien termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot van het vorige artikel bedoelde wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan:

1°. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft;

2°. bij handelingen ter voldoening van of zekerheidstelling voor eeue niet opeischbare schuld;

-ocr page 90-

— 74 —

Artikelen 43, 44.

3°. bij handelingen, door den schuldenaar met of ten behoeve van zijn echtgenoot of zijne bloed- of aanverwanten tot in den derden graad verricht.

Hier worden de handelingen aangewezen, die wegens haar verdacht karakter, tot op tegenbewijs, verrAoed worden verricht te zijn met de wetenschap van benadeeling der schuldeischers. Vergelijk het aangeteekende bij artikel 42 over de strekking van dat en volgende artikelen. De wederpartij kan tegenbewijs leveren door aan te toonen dat zij, ten tijde waarop en met het oog op de omstandigheden waaronder de bestreden handeling verricht werd, geen reden had om aan te nemen dat de schuldeischers daardoor zouden worden benadeeld. Zoo zal zij, indien het eene handeling geldt als sub 2quot;. vermeld, zich er op kunnen beroepen, dat tegenover de voldoening van of zekerheidstelling voor eene niet-opeischbare schuld een naar de gewone opvatting voldoend equivalent stond.

De termijn van veertig dagen is overgenomen uit het wetboek van koophandel. In het stelsel der wet kon hij slechts loopen van den dag der faillietverklaring.

Het artikel doelt alleen op handelingen, onverplicht verricht of waartoe de schuldenaar zich binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring verbonden heeft; derhalve niet op hypotheekstelling door den voogd of curator ter voldoening aan zijne wettelijke verplichting.

1°. De type dezer handelingen is verkoop beneden de waarde. Vergelijk de artikelen 341, 2quot;., en 343, 2°., w. v. s.

3quot;. De omkeering van den bewijslast wordt hier uitgebreid tot alle handelingen , van welken aard ook. De bedoelde personen, veelal geneigd om den schuldenaar bij handelingen ten nadeele zijner schuldeischers de behulpzame hand te bieden, zullen met zijn benarden toestand zelden onbekend zijn.

Artikel 44.

Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane schenkingen in te roepen, kan de curator volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der schenking wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.

Schenking vermeerdert het vermogen van den begiftigde, zonder dat eenige contra-praestatie daartegenover staat. Den begiftigde, die onder bepaalde omstandigheden verplicht wordt het ontvangene aan de schuldeischers van den schenker terug te geven, wordt dus veeleer eene ongedachte winst onttrokken dan een werkelijk nadeel toegebracht. Daarom wordt voor de nietigheid eener schenking alleen bij den schuldenaar, niet bij den

-ocr page 91-

— 75 —

Artikelen 44, 45, 46.

begiftigde het bewustzijn gevorderd, dat de schuldeisehers daardoor benadeeld worden. Absolute nietigheid van schenkingen, al waren beide partijen te goeder trouw, gelijk bij artikel 775 w. v. k. onder bepaalde voorwaarden word uitgesproken, is moeilijk te verdedigen. Zoolang schenking eene geoorloofde handeling is, dient zij, mits te goeder trouw verricht door iemand die bevoegd is over zijn vermogen te beschikken, a-ls rechtsgeldig erkend te worden. De wet kan volstaan met de vrijheid van partijen binnen bepaalde grenzen te beperken.

Eene bepaling in den geest van het derde lid van artikel 775 w. v. k. is, als overbodig, achterwege gelaten.

Artikel 45.

Schenkingen, gedaan binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring, worden, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn gedaan met de wetenschap, dat de schuldeisehers daardoor benadeeld worden.

Deze termijn wordt verdubbeld, indien de begiftigde een bloedof aanverwant tot in den derden graad van den schenker is.

Eerste lid. Schenkingen, aan den vooravond van het faillissement gedaan, worden gerangschikt onder de verdachte handelingen, waarbij de bewijslast wordt omgekeerd. Tegenover het hier aangenomen vermoeden van kwade trouw bij den schenker kan alleen de begiftigde tegenbewijs leveren; de gefailleerde is geen partij in het geding.

Tweede lid. De termijn, overigens dezelfde als naar artikel 43, wordt voor schenkingen aan de naaste familieleden verdubbeld. De echtgenoot wordt niet genoemd, omdat schenkingen tusschen echtgenooten, staande huwelijk gedaan, bij artikel 1715 b. w. verboden zijn. Ook van den „aanstaandenquot; echtgenoot, in eene vroegere redactie opgenomen, wordt geen melding gemaakt uit hoofde van het zwevend karakter dier uitdrukking.

Artikel 46.

De begiftigde, van wien niet blijkt dat hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was, is niet verplicht het door hem ontvangene terug te geven, voor zooverre hij aantoont , dat hij , ten tijde der faillietverklaring , ten gevolge der schenking niet was gebaat.

De strekking dezer bepaling is rationeel. De wet zou haar doel voorbijstreven door den begiftigde, die te goeder trouw ontving, te verplichten

-ocr page 92-

— 76 —

Artikelen 46, 47.

tot teruggave ook van hetgeen hij, niets kwaads vermoedend, verbruikt of verteerd heeft.

Wel is hij verplicht het ontvangene terug te geven, indien blijkt dal hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was. Wanneer moet hij daarvan kennis gedragen hebben? Het artikel zegt dit niet uitdrukkelijk; maar uit het verband met de artikelen 44 en 42 valt af te leiden, dat dit op het tijdstip der schenking het geval moet geweest zijn. Toont de curator aan, dat de begiftigde destijds te kwader trouw was, zoo wordt deze niet toegelaten tot het bewijs, dat hij door de schenking niet verrijkt is, maar moet hij al het ontvangene teruggeven. Kan de curator de kwade trouw van den begiftigde ten tijde der schenking niet bewijzen, zoo kan laatstgenoemde aantoonen dat hij, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge der schenking niet gebaat was; voorzoover hij dit aantoont, wordt hij van teruggave van het ontvangene ontheven. Zoo meen ik althans het artikel te moeten verstaan. De ratio legis brengt mede dat de begiftigde, hoewel bij het aannemen der schenking van den vermogenstoestand des schenkers onkundig, ook dan kan worden genoodzaakt tot teruggave van het ontvangene, ofschoon hij daardoor ten tijde der faillietverklaring niet gebaat was, wanneer hij dien vermogenstoestand kende op het tijdstip dat hij het ontvangene verbruikte, verteerde of weder wegschonk. Antlers wordt eene wijde deur voor misbruiken geopend. De w6t gewaagt hiervan evenwel niet.

„Dat hij, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge der schenking niet was gebaat.quot; De faillietverklaring is voor den bona fide begiftigde eene waarschuwing, dat hij tot teruggave van het ontvangene kan worden aangesproken. Om daaraan te ontkomen, heeft hij aan te toonen dat zijn vermogen op dat tijdstip niet grooter was dan het zou geweest zijn, indien hij de schenking niet ontvangen had. De woorden „ten tijde der faillietverklaringquot; zijn ingelascht ter voorkoming van twijfel, of wellicht het tijdstip, waarop de curator de nietigheid inroept, kon bedoeld zijn. Het oorspronkelijk ontwerp sprak van „rijker gewordenquot;, hetgeen echter, evenals in artikel 24, is vervangen door „gebaatquot;.

Artikel 47.

De nietigheid van de voldoening, door den schuldenaar, aan eene opeischbare schuld kan alleen dan worden ingeroepen, wanneer wordt aangetoond , hetzij dat hij, die de betaling ontving, wist dat het faillissement van den schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tusschen den schuldenaar en den schuldeischer, ten doel hebbende laatstgenoemde door die betaling boven andere schuld-eischers te begunstigen.

Dit artikel bevat twee uitzonderingen op den regel, dat nietigheid van verplichte handelingen van den schuldenaar niet kan worden ingeroepen.

-ocr page 93-

— 77 —

Artikelen 47, 48.

De eerste spreekt voor zich zelve. De schuldeisoher, die weet dat aanvraag gedaan is tot faillietverklaring van den schuldenaar, handelt in strijd met de goede trouw jegens zijne mede-schuldeischers , wanneer hij onder die omstandigheden nog betaling ontvangt en zich aldus aan den concursus onttrekt. De tweede uitzondering, die op denzelfden grond steunt, doet niet te kort aan betalingen, door middel van aandrang, vonnis, beslag of executie op regelmatige wijze verkregen. Zij bedoelt die betalingen te treffen, die öf op eene afspraak berusten om den schuldeischer buiten den concursus te houden, öf gedaan worden met het oog op de aanstaande faillietverklaring en terwijl de schuldeischer volkomen bekend is met den toestand waarin de schuldenaar verkeert. Een termijn, binnen welken de betaling moet gedaan zijn, is niet gesteld; het is onverschillig op welken tijd het bedoeld overleg tusschen schuldenaar en schuldeischer plaats had. De curator heeft de feiten, op grond waarvan hij de nietigheid eener gedane betaling inroept, te bewijzen.

„Voldoening aan eene opeischbare schuldquot;. Het woord „betalingquot; is in den aanhef door de aangehaalde uitdrukking vervangen, om dezelfde reden, waarom het uit artikel 26 verwijderd is. Vergelijk het aan-geteekende op dat artikel. Ook hier heeft de wet mitsdien niet alleen voldoening eener geldsom op het oog, maar evenzeer andere praestatiën, van welken aard zij mogen zijn. Ik kan dan ook niet inzien dat het geven van surplus, den schuldenaar bij een vroeger aangegaan prolongatie- of beleeningscontract opgelegd, buiten dit artikel zou vallen. Ook het nakomen dezer verplichting, wanneer daartoe termen zijn, is toch te beschouwen als voldoening aan eene opeischbare schuld , in den uitgebreiden zin die bedoeld is. Zie boven, bladz. 71.

„Aangevraagdquot;. Aangifte blijft hier onvermeld, ofschoon de terminologie der wet haar onder aanvraag niet begrijpt (vergelijk artikel 9). Indien echter ten tijde der betaling de schuldenaar aangifte tot faillietverklaring gedaan heeft en de schuldeischer hiermede bekend is , zal daaruit in den regel wel voldoende blijken van overleg om dezen laatste boven andere schuldeischers te begunstigen.

Artikel 48.

Krachtens het vorige artikel kan geene terugvordering geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder, uit hoofde zijner rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming der betaling verplicht was.

In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den boedel ^ terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeld.

-ocr page 94-

— 78 —

Artikelen 48, 49, 50.

Eerste lid. De houder van een wissel of van eene promesse of assignatie is verplicht op den vervaldag betaling te vragen, bij gebreke daarvan van non-betaling te doen protesteeren, en bij bereidverklaring tot betaling deze aan te nemen, ook al weet hij dat het faillissement van den betrokkene is aangevraagd, alles op straffe van verlies van zijn recht van regres tegen zijne voormannen. Eveneens is de houder van kassiers-papier of ander papier\'aan toonder, bij de artikelen 221 en volgende w. v. k. bedoeld, verplicht dat papier binnen de in de artikelen 225 en 227 van dat wetboek bepaalde termijnen ter betaling aan te bieden, wil hij zijn verhaal op zijnen voorman niet verliezen. Daarom vindt de exceptioneele bepaling van artikel 47 te zijnen aanzien geene toepassing. De uitdrukking „papier aan order of toonderquot; is, met het oog op eventuëele uitbreiding van het regres-recht tot andere papieren van dien aard, zoo algemeen mogelijk gekozen.

Tweede lid. Deze bepaling strekt om ontduiking van artikel 47 te voorkomen.

„Hij, te wiens bate het papier is uitgegevenquot;: zoowel de derde voor wiens rekening bijvoorbeeld de wissel is getrokken, als de trekker die door middel van den wissel eene vordering op den betrokkene geïnd heeft.

Artikel 49.

Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artikelen 42—48, worden ingesteld door den curator.

Niettemin kunnen de schuldeischers op gronden, aan die bepalingen ontleend, de toelating eener vordering bestrijden.

Onder het wetboek van koophandel is veel strijd gevoerd over de vraag, of de Pauliana moest worden ingesteld door den curator of door de schuld-eischers, dan wel of beide gelijkelijk bevoegd waren. Deze vraag wordt hier beslist in dien zin, dat alleen de curator de actie kan instellen. Hij is de aangewezen persoon om namens de schuldeischers op te treden. De individuëele schuldeischers missen de qualiteit om naast hem voor den boedel te handelen. Wel kunnen zij krachtens de bepalingen der artikelen 42—48 de verificatie eener vordering betwisten; het tweede lid voorkomt mogelijken twijfel dienaangaande.

Artikel 50.

Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige artikel bedoeld vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeischers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.

-ocr page 95-

— 79 —

Artikelen 50, 51,

Na de homologatie van een accoord is voor de Pauliana in den regel geene plaats meer. Houdt echter het accoord boedelafstand in, zoo wordt feitelijk de gerechtelijke vereffening ten behoeve der schuldeischers door eene contractuëele vervangen en behouden de schuldeischers hun belang bij de nietigheid van te hunnen nadeele verrichte handelingen. Van daar eene uitzondering voor dit geval.

Artikel 51.

Behoudens het bepaalde bij artikel 46 moet hetgeen door de nietige handeling uit het vermogen van den schuldenaar gegaan is, door hem, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, teruggegeven worden.

Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hij het ontvangene niet meer kan teruggeven in den toestand, waarin hij het ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoeding verplicht.

Rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd.

Het door den schuldenaar ontvangene, of de waarde daarvan, wordt door den curator teruggegeven, voor zooverre de boedel er door is gebaat. Voor het te kort komende kan degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent schuldeischer opkomen.

Eerste, tweede en derde lid. Bepalingen in dezen geest zijn noodig in het belang der zekerheid van het verkeer. Onder het wetboek van koophandel werd bijvoorbeeld uitgemaakt, dat\' bij toewijzing der Pauliana het in fraudem ereditorum verkocht onroerend goed viij en onbezwaard fot den boedel terugkeert, zoodat de daarop inmiddels door den kooper verleende hypotheken vervallen, onverschillig of de hypotheekhouder al dan niet te goeder trouw was (arrest van den hoogen raad van 28 Maart 1884, II\'. v. h. r. nquot;. 5019, bevestigend een arrest van het hof te Leeuwarden van 20 December 1882, W. v. h. r. n0. 4862). Dat rechtsgevolg der actie maakte in hooge mate inbreuk op de zekerheid van den eigendom en van het hypotheekrecht; eene Pauliana, tegen eene vroegere overdracht van het goed gericht, bleef den kooper of geldschieter steeds bedreigen. Het artikel vervangt de nietigheid ex tune (herstel in den toestand vóór de nietige handeling) door nietigheid ex nunc (herstel in den vorigen toestand met eerbiediging der rechten, inmiddels door derden te goeder trouw verkregen). De failliete boedel ontleent aan de nietigheid der in fraudem ereditorum verrichte handeling slechts een persoonlijk recht tot teruggave, casit quo tot schadevergoeding. Is het terug te geven goed door een derde te goeder trouw gekocht, zoo kan het van dezen derden bezitter niet opgeëischt worden; heeft een derde er geld op geschoten onder hypothecair verband, zoo blijft dit er op gevestigd. Mocht de boedel hierdoor schade lijden, het is

-ocr page 96-

— 80 —

Artikelen 51, 52.

billijk dat deze komt ten laste der schuldeischers, die den schuldenaar vertrouwen schonken door hem crediet te verleenen, veeleer dan ten laste van derden, die te goeder trouw en niet met den schuldenaar handelden.

Vierde lid. Tegenover de verplichting van dengene, die in fraudem cre.di-torum ontving, om het ontvangene terug te geven, staat die van den curator om uit den boedel de contra-praestatie terug te geven, voorzoover het actief daardoor vergroot is. Is dit niet het geval, heeft de schuldenaar de contra-praestatie bijvoorbeeld vóór de faillietverklaring verteerd, zoo kan hij, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, daarvoor slechts als concurrent schuldeischer opkomen. Dat de contra-praestatie verteerd is, zal zijn op te maken uit de omstandigheden, zooals daaruit, dat zij niet meer aanwezig is en geen daarvoor in de plaats gekomen equivalent in den boedel gevonden wordt.

Artikel 52.

Voldoening na de faillietverklaring doch vóór de bekendmaking daarvan, aan den gefailleerde gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens dezen vóór de faillietverklaring aangegaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover den boedel, zoolang zijne bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt.

Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendmaking der faillietverklaring aan den gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover den boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woonplaatse langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het- recht van den curator om aan te toonen, dat zij

hem toch bekend was.

In elk geval bevrijdt voldoening aan den gefailleerde den schuldenaar tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen.

Eerste lid. Het ware onbillijk alle verplichte betalingen aan den gefai -leerde op den dag der faillietverklaring of daarna, doch voor de bekendmaking daarvan gedaan, ongeldig te verklaren. Degene, die haar deed, wordt daardoor echter niet van zijne schuld bevnjd jndien decuratoi bewijst dat hij ten tijde der betaling met de faülietverklarin£ bekend was , quot;BéEoudens quot;KeT voorschrift van het derde lid.

^Tweede Ud. Artikel 888, tweede lid, w. v! b. rv. hield eene f bepaling in. Zij doelt op het geval, dat de bekendmaking dei failliet verklaring den derde op het tijdstip der betaling, wegens buitengewone

-ocr page 97-

— 81 —

Artikelen 52, 53.

omstandigheden of afgelegenheid zijner woonplaats; langs den weg dei-wettelijke aankondiging nog niet kon bekend zijn. De derde kan niet volstaan met zijne eigen onwetendheid aan te toonen; inclivlduëele oor-zalTeh van onwetendheid komen niet in aanmerking. Hii behoef1-, echter alleên te bewijzen, dat de Nede.-landache Staatscourant en de nieuwsbladen, in artikel 14 bedoeld, zijne woonplaats nog niet konden bereikt hebben; niet, dat niemand te zijner woonplaats van de faillietverklaring onderricht Tïon zijn, bijvoorbeeld door een telegram. De curator kan tegenbewijs leveren ïïoor\' aimquot; te quot;toonen, dat de faillietverklaring den derde toch bekend was.

Derde lid. Vergelijk artikel 24, dat door het hier bepaalde als het ware gecompleteerd wordt.

Artikel 53.

Hij, die zoowel schuldenaar als schuldeischer van den gefailleerde is, kan zich op schuldvergelijking beroepen, indien zijne schuldvordering en zijne schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht.

De schuldvorderingen op den gefailleerde worden zoo noodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteld.

Omtrent de vraag, in hoever schuldvergelijking was toegelaten, in het bijzonder ten aanzien van vorderingen, die ten tijde der faillietverklaring niet vereffenbaar en opeischbaar waren, bestond onder het wetboek van koophandel, dat er over zweeg, groot verschil van meening. Zij wordt hier beslist door uitbreiding van het recht om schuldvergelijking in te roepen, in verband met hetgeen in de vijfde afdeeling van dezen titel ten aanzien der verificatie bepaald wordt. De schuldeischer-schuldenaar kan zijne vordering op en zijne schuld aan den faillieten boedel in vergelijking brengen, mits beide ontstaan zijn vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht. Vorderingen op dezen, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, die welke recht geven op periodieke uitkeeringen, en die met tijdsbepaling, worden geverifieerd volgens de regelen, in artikel 131 gesteld. Zij worden beschouwd als opeischbare schulden tot een bedrag, zoo noodig door berekening te bepalen; hare houders kunnen die comptante of opeischbare waarde in vergelijking brengen met hetgeen zij den boedel schuldig zijn. Hetzelfde geldt van eene vordering onder eene opschortende voorwaarde, indien zij volgens het eerste lid van artikel 130 voor hare waarde geverifieerd wordt, zoodat de schuldeischer eeue opeischbare vordering verkrijgt, die hij tot het geschat bedrag met zijne schuld aan den boedel kan compenseeren. Wordt eene dergelijke vordering op andere wijze geverifieerd (artikel 130 tweede lid), dan kan, zoolang de voorwaarde niet vervuld is, hot recht van den houder op schuldvergelijking uit den aard

6

-ocr page 98-

— 82 —

Artikelen 53, 54.

der zaak ook slechts voorwaardelijk zijn, en ontleent hij aan dat voorwaardelijk recht op schuldvergelijking eene dilatoire exceptie. Eene vordering tot voldoening eener verbintenis uit den boedel, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in nederlandsch geld of in het geheel niet in geld uitgedrukt is, wordt volgens artikel 133 geverifieerd voor hare geschatte waarde in nederlandsch geld en kan tot dat bedrag in vergelijking komen; dit laatste lijdt mijns inziens geen twijfel, al wordt naar dat artikel hier niet verwezen.

Bij vorderingen van den boedel, die niet opeischbaar zijn, brengt het faillissement geene conversie in opeischbare inschulden te weeg. Daarom worden zij niet op dezelfde wijze behandeld als niet-opeischbare vorderingen op den boedel. De curator kan van dit artikel geen gebruik maken. Wel kan de schuldeischer-schuldenaar desverkiezende zijne vordering op den boedel in vergelijking brengen met het door hem aan den boedel op tijd verschuldigde, altijd indien beide vorderingen vóór de faillietverklaring zijn ontstaan of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht. Die bevoegdheid kan den schuldeischer-schuldenaar, die immers volgens de artikelen 1304—1306 b. w. tot betaling vóór den vervaldag bevoegd is, niet ontzegd worden. Acht hij het in zijn belang er gebruik van te maken, zoo wordt de vordering op tijd van den boedel te zijnen laste echter niet tot de comptante waarde teruggebracht.

„Zijn ontstaan vóór de faillietverklaring.quot; Deze woorden, die aanvankelijk niet in het artikel voorkwamen, zijn ingelascht met het oog op verbintenissen, uit kracht der wet geboren.

Artikel 54.

Niettemin kan noch de schuldenaar van den gefailleerde zijne schuld vergelijken met eene vordering, door hem tegen den gefailleerde verkregen, noch de schuldeischer zijne vordering met eene schuld aan den gefailleerde, door hem van een derde overgenomen , terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen nimmer in vergelijking gebracht worden.

Dit artikel is gericht tegen het opkoopen van vorderingen en het overnemen van schulden kort vóór ot gedurende het faillissement, met het doel schuldvergelijking te verkrijgen.

Tweede lid. „Na de faillietverklaringquot;. De exceptioneele aard dezer handelingen maakt haar verdacht. Daarom kunnen de gronden van bil

-ocr page 99-

— 83 —

Artikelen 54, 55, 56.

lijkheid, die ten aanzien van de voldoening van opeischbare schulden kort na de faillietverklaring bij artikel 52 in aanmerking genomen zijn, hier niet gelden.

Artikel 55.

De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehouden te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier.

Dit voorschrift is niet nieuw; voor wissels en promessen aan order werd hetzelfde bepaald bij artikel 205 juncto 209 w. v. k. De staatscommissie achtte artikel 54 voldoende en wilde artikel 205 w. v. k. doen vervallen; doch de regeering nam den inhoud van laatstgemeld artikel, uitgebreid tot elke schuldvordering aan order of toonder, te dezer plaatse op. Dat de schuldeischer-schuldenaar zijne goede trouw moet bewijzen, is zeker eene afwijking van een algemeen rechtsbeginsel, die echter noodzakelijk is om te voorkomen, dat schuldenaren van den boedel zich van hunne schuld bevrijden, door schuldvorderingen aan order of toonder voor geringen prijs op te koopen. Op het behoud eener dergelijke bepaling werd dan ook met name in het advies van de kamer van koophandel en fabrieken te Groningen aangedrongen. Dat hier, in afwijking van artikel 54, alleen van „het oogenblik der faillietverklaringquot; gewaagd wordt, vindt zijnen grond in de verschillende regeling van den bewijslast.

Artikel 205 w. v. k. is ingetrokken bij artikel 2 der invoeringswet.

A—7^

Artikel 56.

Hij, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar wordt ontbonden, is bevoegd van het bij scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap aangegane schulden af te houden.

Men denke zich het geval aldus. Een medeëigenaar eener aan meer dan één persoon toebehoorende zaak, of een vennoot in eene burgerlijke maatschap, heelt ten bate der gemeenschap schulden gemaakt, waarvoor hij, omdat hij alleen handelde, door de schuldeischers ten volle kan worden aangesproken. Een der medeëigenaren of vennooten failleert en de gemeenschap wordt ontbonden. Bij de scheiding worden baten en schulden beide gelijkelijk verdeeld. Nu zou de boedel van den gefailleerden medeëigenaar of vennoot voor zijn aandeel de volle baten genieten, ter wille waarvan de schulden zijn aangegaan, doch hij, die de schulden

-ocr page 100-

— 82 —

Artikelen 53, 54.

der zaak ook slechts voorwaardelijk zijn, en ontleent hij aan dat voorwaardelijk recht op schuldvergelijking eene dilatoire exceptie. Eene vordering tot voldoening eener verbintenis uit den boedel, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in nederlandsch geld of in het geheel niet in geld uitgedrukt is, wordt volgens artikel 133 geverifieerd voor hare geschatte waarde in nederlandsch geld en kan tot dat bedrag in vergelijking komen; dit laatste lijdt mijns inziens geen twijfel, al wordt naar dat artikel hier niet verwezen.

Bij vorderingen van den boedel, die niet opeischbaar zijn, brengt het faillissement geene conversie in opeischbare inschnlden te weeg. Daarom worden zij niet op dezelfde wijze behandeld als niet-opeischbare vorderingen op den boedel. De curator kan van dit artikel geen gebruik maken. Wel kan de schuldeischer-schuldenaar desverkiezende zijne vordering op den boedel in vergelijking brengen met het door hem aan den boedel op tijd verschuldigde, altijd indien beide vorderingen vóór de faillietverklaring zijn ontstaan of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht. Die bevoegdheid kan den schuldeischer-schuldenaar, die immers volgens de artikelen 1304—1306b. w. tot betaling vóór den vervaldag bevoegd is, niet ontzegd worden. Acht hij het in zijn belang er gebruik van te maken, zoo wordt de vordering op tijd van den boedel te zijnen laste echter niet tot de comptante waarde teruggebracht.

„Zijn ontstaan vóór de faillietverklaring.quot; Deze woorden, die aanvankelijk niet in het artikel voorkwamen, zijn ingelascht met het oog op verbintenissen, uit kracht der wet geboren.

Artikel 54.

Niettemin kan noch de schuldenaar van den gefailleerde zijne schuld vergelijken met eene vordering, door hem tegen den gefailleerde verkregen, noch de schuldeischer zijne vordering met eene schuld aan den gefailleerde, door hem van een derde overgenomen , terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen nimmer in vergelijking gebracht worden.

Dit artikel is gericht tegen het opkoopen van vorderingen en het overnemen van schulden kort vóór of gedurende het faillissement, met het doel schuldvergelijking te verkrijgen.

Tweede lid. „Na de faillietverklaringquot;. De exceptioneele aard dezer handelingen maakt haar verdacht. Daarom kunnen de gronden van bil

-ocr page 101-

— 83 —

Artikelen 54, 55, 56.

lijkheid, die ten aanzien van de voldoening van opeischbare schulden kort na de faillietverklaring bij artikel 52 in aanmerking genomen zijn, hier niet gelden.

Artikel 55.

De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehouden te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier.

Dit voorschrift is niet nieuw; voor wissels en promessen aan order werd hetzelfde bepaald bij artikel 205 juneto 209 w. v. k. De staatscommissie achtte artikel 54 voldoende en wilde artikel 205 w. v. k. doen vervallen; doch de regeering nam den inhoud van laatstgemeld artikel, uitgebreid tot elke schuldvordering aan order of toonder, te dezer plaatse op. Dat de schuldeischer-schuldenaar zijne goede trouw moet bewijzen, is zeker eene afwijking van een algemeen rechtsbeginsel, die echter noodzakelijk is om te voorkomen, dat schuldenaren van den boedel zich van hunne schuld bevrijden, door schuldvorderingen aan order of toonder voor geringen prijs op te koopen. Op het behoud eener dergelijke bepaling werd dan ook met name in het advies van de kamer van koophandel en fabrieken te Groningen aangedrongen. Dat hier, in afwijking van artikel 54, alleen van „het oogenblik der faillietverklaringquot; gewaagd wordt, vindt zijnen grond in de verschillende regeling van den bewijslast.

Artikel 205 w. v. k. is ingetrokken bij artikel 2 der invoeringswet.

Artikel 56.

Hij, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar wordt ontbonden, is bevoegd van het bij scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap aangegane schulden af te houden.

Men denke zich het geval aldus. Een medeëigenaar eener aan meer dan één persoon toebehoorende zaak, of een vennoot in eene burgerlijke maatschap, heett ten bate der gemeenschap schulden gemaakt, waarvoor hij, omdat hij alleen handelde, door de schuldeischers ten volle kan worden aangesproken. Een der medeëigenaren of veunooten failleert en de gemeenschap wordt ontbonden. Bij de scheiding worden baten en schulden beide gelijkelijk verdeeld. Nu zou de boedel van den gefailleerden medeëigenaar of vennoot voor zijn aandeel de volle baten genieten, ter wille waarvan de schulden zijn aangegaan, doch hij, die de schulden

-ocr page 102-

— 84 —

Artikelen 56, 57.

maakte, voor hetgeen zij boven zijn aandeel in de schulden der gemeenschap mochten bedragen slechts als concurrent schuldeischer in den boedel van den gefailleerden deelgenoot kunnen opkomen, — indien tegen deze onbillijkheid niet door dit artikel gewaakt werd.

/Geldt het hier bepaalde ook voor eene onverdeelde nalatenschap? Men zou kunnen beweren dat deze slechts dan is te beschouwen als „eene gemeenschap die tijdens hot faillissement wordt ontbondenquot;, wanneer het recht om boedelscheiding te vorderen, na tijdelijk te zijn uitgesloten, . door alioop van den overeengekomen termijn gedurende het faillissement herleeft (artikel 1112 b. w.). In antwoord op eene vraag in het verslag der commissie van voorbereiding verklaarde de minister intusschen zonder voorbehoud, dat het artikel ook geldt ten opzichte van eene onverdeelde nalatenschap, „die immers ook eene gemeenschap uitmaaktquot;. Volgens den minister vloeien ontbinding eener gemeenschap en hare scheiding en deeling in elkander en omvat de bepaling mitsdien ook het geval, dat een deelgenoot tijdens de scheiding en deeling in staat van faillissement geraakt ; „immers de gemeenschap is eerst ontbonden, als de scheiding en deeling voltooid isquot;. Deze opvatting van den minister schijnt mij bezwaarlijk overeen te brengen met die van ons burgerlijk recht, welke met name in artikel 183 b. w. is nedergelegd.Geldt het hier bepaalde ook voor eene onverdeelde nalatenschap? Men zou kunnen beweren dat deze slechts dan is te beschouwen als „eene gemeenschap die tijdens hot faillissement wordt ontbondenquot;, wanneer het recht om boedelscheiding te vorderen, na tijdelijk te zijn uitgesloten, . door alioop van den overeengekomen termijn gedurende het faillissement herleeft (artikel 1112 b. w.). In antwoord op eene vraag in het verslag der commissie van voorbereiding verklaarde de minister intusschen zonder voorbehoud, dat het artikel ook geldt ten opzichte van eene onverdeelde nalatenschap, „die immers ook eene gemeenschap uitmaaktquot;. Volgens den minister vloeien ontbinding eener gemeenschap en hare scheiding en deeling in elkander en omvat de bepaling mitsdien ook het geval, dat een deelgenoot tijdens de scheiding en deeling in staat van faillissement geraakt ; „immers de gemeenschap is eerst ontbonden, als de scheiding en deeling voltooid isquot;. Deze opvatting van den minister schijnt mij bezwaarlijk overeen te brengen met die van ons burgerlijk recht, welke met name in artikel 183 b. w. is nedergelegd.

Dat alleen gedoeld wordt op schulden, ter zake van de ontbonden gemeenschap aangegaan, staat duidelijk in den tekst te lezen.

Overigens is niet te verwachten, dat het artikel in de practijk dikwijls zal worden ingeroepen, daar de solvente deelgenooten wel zullen zorgen, dat aan den gefailleerde tegenover zijn aandeel in de baten der gemeenschap geen aandeel wordt toegescheiden in schulden, voor welker betaling zij zelf aansprakelijk zijn.1

Artikel 57.

De hypothekaire schuldeischer, die het beding, vermeld in artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gemaakt, en de pandhouder kunnen hunne rechten uitoefenen, alsof er geen faillissement ware.

Is hunne vordering eene zoodanige als vermeld in de artikelen 130 en 131, dan kunnen zij dit alleen doen na verificatie en niet anders dan tot verhaal van het bedrag, waarvoor de vordering is erkend.

Door de plaatsing van dit en volgende artikelen in deze afdeeling wordt buiten twijfel gesteld, dat de pand- en hypotheekhouder met de uitoefening hunner rechten niet op de insolventie behoeven te wachten. Ook wordt daartoe, behalve in de gevallen van de artikelen 130 en 131, geene voorafgaande verificatie vereischt. Wel moet de pand- of hypotheekhouder

1

Mr. J. C. De Miirez Oijens, De beginselen van het hedendaagse!ie faillietenreeht, \'s Gra venhage 1883 , biadz. 170.

-ocr page 103-

— 85 —

Artikelen 57, 58.

in elk geval zijne vordering doen verifiöeren , om als concurrent schuld-eischer te kunnen opkomen voor dat gedeelte zijner vordering, dat niet op het verbonden goed kan worden verhaald, artikel 59 tweede lid. Wat den hypothecairen schuldeischer betreft, die het beding van artikel 1223 b. w. niet gemaakt heeft, deze wordt behandeld op denzelfden voet als de overige schuldeisohers. Voor crediet-hypotheken zijn afzonderlijke bepalingen onnoodig geacht.

Evenmin zijn bijzondere bepalingen gemaakt ten aanzien van hypotheken, door voogden, curators of rekenplichtige ambtenaren tot zekerheid van hun beheer gesteld. Indien de personen of lichamen, te wier behoeve zoodanige hypotheken gesteld zijn, niets te vorderen hebben, worden de hypothecaire inschrijvingen op bevel van den rechter-commissaris geroyeerd, zoodra de uitdeelingslijst verbindend geworden is, artikel 188. Dit wordt daardoor gerechtvaardigd, dat de schulden ten laste van een faillieten boedel beschouwd worden gelijk zij waren op het tijdstip, waarop het faillissement een aanvang nam. Bestond er toen eene schuld, zoo kan zij op het verbonden goed verhaald worden; in het tegenovergesteld geval is er grond tot royement eener hypothecaire inschrijving, die ten tijde der faillietverklaring niet tot waarborg van eene bestaande schuld strekte. Hierbij komt de practische overweging, dat de last eener dergelijke hypotheek zich niet laat schatten, zoodat een daarmede bezwaard blij vend goed in den regel feitelijk onverkoopbaar zou zijn. Voor de belangen, die bij gebreke van zakelijke zekerheid schade zouden kunnen lijden, kan door ontzetting van den gefailleerden voogd of curator of ontslag van den gefailleerden rekenplichtigen ambtenaar gewaakt worden.

Eerste lid. „Pandhouderquot;: hieronder is de bel eener begrepen. Vergelijk voorts het aangeteekende bij artikel 33, eerste lid.

Tweede lid. Vorderingen, door pand of hypotheek verzekerd doch ten tijde der faillietverklaring niet-opeischbaar, moeten alzoo volgens de bepalingen der artikelen 130 en 131 geverifiëerd worden, alvorens de pand-of hypotheekhouder zijne rechten kan uitoefenen. De toepasselijkheid dier artikelen vervalt intusschen van zelf voorzoover bedongen is, dat de vordering door het faillissement van den schuldenaar opeischbaar wordt.

Artikel 58

De hypothekaire schuldeischer en de pandhouder, in het vorige artikel bedoeld, zijn verplicht hunne rechten uit te oefenen vóór het verstrijken van ééne maand, nadat de insolventie is begonnen , behoudens de bevoegdheid van den rechter-commissaris om dien termijn te verlengen. Na verloop van dien tijd zal de curator de verpande voorwerpen opeischen, en deze, evenals de verhypothekeerde goederen, behoudens het recht van den pandhouder of hypothekairen schuldeischer op de opbrengst daarvan, zelf doen verkoopen óp de wijze bij artikel 174 omschreven.

-ocr page 104-

— 86 —

Artikelen 58, 59.

De curator kan te allen tijde het verpande voorwerp lossen, tegen voldoening van het daarop verschuldigde met de interesten en kosten.

Eerste lid. Ter vermijding van den omslag en de kosfen, aan het doen bepalen van een termijn door den rechter verbonden, stelt de wet zelve hier een fatalen termijn. De pand- of hypotheekhouder kan dadelijk na de faillietverklaring tot het uitoefenen zijner rechten overgaan. Mocht hij daarmede niet vóór het einde van den termijn gereed komen, zoo kan de reehter-commissaris dien verlengen. Deze beschikking van den rechtercommissaris is niet aan hooger beroep onderworpen, artikel 67 tweede lid.

De curator kan de goederen in het openbaar, of, met toestemming van den rechter-commissaris, ook ondershands doen verkoopen, artikel 174. Volgens artikel 78 moet hij in het algemeen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel het advies der commissie uit de schuldeischers, zoo zij er is, inwinnen; derhalve ook omtrent den hier bedoelden verkoop. Zijne bevoegdheid tot onderhandschen verkoop, waartegen bij den raad van state en in de afdeelingen der tweede kamer eenige bedenking rees, is gewenscht bijvoorbeeld opdat hij, evenals de pandhouder volgens het tweede lid van artikel 1201 b. w., in pand gegeven effecten ter beurze door makelaars kunne doen verkoopen.

Tweede lid. „Het verpande voorwerpquot;: derhalve alleen roerende zaken, waarvan de waarde dikwijls aan snelle fluctuatiën onderhevig is. Do curator behoeft machtiging van den rechter-commissaris en is verplicht het advies der commissie uit de schuldeischers in te winnen, indien zij er is, artikelen 68 tweede lid en 78 eerste lid.

Artikel 59.

De hypothekaire schuldeischer of pandhouder, die van zijne rechten gebruik heeft gemaakt, is verplicht de opbrengst van het verbonden goed aan den curator te verantwoorden, met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde met de interesten en kosten te boven gaat.

Indien die opbrengst niet toereikende is om den hypothe-kairen schuldeischer of den pandhouder te voldoen, treedt deze, zoo hij zijne vordering heeft doen verifiëeren, voor het ontbrekende als concurrent schuldeischer in den boedel op.

Tweede lid. Vergelijk het aangeteekende op artikel 57.

-ocr page 105-

— 87 —

Artikel 60.

Artikel 60.

De schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den schuldenaar toebehoorende, terug te houden, totdat zijne schuldvordering is gekweten, verliest door de faillietverklaring van den schuldenaar dit recht van terughouding niet.

De vraag, die bij dit artikel wordt uitgemaakt, werd vóór de nieuwe wet in verschillenden zin beantwoord. Sommige rechtsgeleerden kenden aan liet recht van retentie — waarvan men voorbeelden vindt in de artikelen 1766 en 18-19 b. w. — het karakter van een beslag toe ot\' zagen daarin een dwangmiddel ter verkrijging van volledige betaling, dat door het faillissement een einde moest nemen. Volgens hen zou men, door anders te beslissen, den schnldeischer een hem niet toekomend recht van praeferentie geven. Anderen beschouwden het retentie-recht als een eigenaardig recht van den schuldeischer om afgifte van goederen, aan den schuldenaar toebehoorend, te weigeren, zoolang zijne vordering niet gekweten werd. Naar hunne meening kan dit recht door het faillissement niet te niet gaan, omdat de gezamenlijke schuldeischers nooit meer rechten kunnen doen gelden dan aan den schuldenaar toekomen, en omdat het faillissement den schuldeischer, die wettig in eene betere positie verkeert dan zijne mede-schuldeischers, niet daaruit kan stooten.

De laatstvermelde meening wordt in het artikel gehuldigd. De wetgever overwoog dat de paritas creditorum alleen gelijke behandeling vordert van schuldeischers die gelijke rechten hebben, maar niet medebrengt dat een schuldeischer ten bate van zijne mede-schuldeischers van een bijzonder recht beroofd wordt. Door deze beslissing wordt het retentie-recht niet tot een zakelijk recht gemaakt, omdat het niet tegenover iederen derde, maar alleen tegenover den faillieten boedel gehandhaafd wordt; noch ook tot een recht van voorrang, omdat er geene nieuwe rechtsgevolgen a?n verbonden worden, maar alleen bepaald wordt dat het blijft voortbestaan in dier voege als het vóór het faillissement bestond. De schuldeischer blijft alleen bevoegd de goederen onder zich te houden tot de betaling. Hetgeen betaald moet worden, wordt eventueel geregeld door het accoord, dat na homologatie verbindend is voor alle schuldeischers, die geen voorrang hebben, artikel 157. De schuldeischer, die recht van terughouding, geen recht van praeferentie heeft, kan alsdan, evenals elk ander concurrent schuldeischer, slechts aanspraak maken op de accoord-percenten; zijn deze voldaan, zoo mag hij de goederen niet langer onder zich houden. Wanneer de boedel in staat van insolventie geraakt, blijft zijne vordering ten volle bestaan. De curator kan haar geheel voldoen en de teruggehouden goederen in den boedel terugbrengen, indien het belang van den boedel dit medebrengt, artikel 175 tweede lid. Doet de curator dit niet, zoo betaalt hij de uit te deelen percenten te zijner tijd, evenals aan de overige concurrente schuldeischers, aan den retentor, die zijne vordering, voorzoover zij onvoldaan bleef, en zijn recht van terughouding behoudt. Op de teruggehouden goederen kan hij, nadat de slotuitdeelingslijst verbindend geworden is, zijne vordering verhalen, artikel 195.

-ocr page 106-

— 88 —

Artikelen 60, 61.

De sohuldeischer, die recht van retentie heeft, wordt bij artikel 143 niet uitgesloten van de stemming over een aangeboden acooord. In het voorloopig verslag der eerste kamer werd hiertegen bedenking gemaakt, omdat zijn belang medebrengt elk accoord af te wijzen. De regeering antwoordde dat, daar het recht van retentie geen voorrang medebrengt, uitsluiting van den retentor van het stemrecht bezwaarlijk te verdedigen ware. Bij de beraadslaging in de eerste kamer werd betoogd dat, om zijne i-echten niet te praejudiciëeren, had moeten bepaald zijn dat een accoord hem slechts bindt, indien hij vóór gestemd heeft. De minister merkte hiertegen op, dat er geen reden is om verschil te maken tusschen dit en andere gevallen; het ligt in den aard van het gerechtelijk accoord, dat het na homologatie voor alle concurrente schuldeischers verbindend is, onverschillig in welken zin zij gestemd hebben.

Behalve in artikel 175 tweede lid, wordt het recht van terughouding, ten deele ingevolge het overleg tusschen de regeering en de commissie van voorbereiding, nog vermeld in de artikelen 110, 113, 119 en 153 tweede lid, 1°.

Artikel 61.

In geval van faillissement van den man, neemt de vrouw alle roerende en onroerende goederen, welke haar toebehooren en niet in de gemeenschap vallen, terug.

De aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelijks buiten de gemeenschap gehouden, wordt bewezen zooals bij artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.

Van de roerende goederen staande huwelijk bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeenschap vallende, moet, in geval van geschil, blijken op eene der wijzen in artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven.

De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbeleg-ging van gelden aan de vrouw buiten de gemeenschap toebe-hoorende, worden insgelijks door haar teruggenomen, mits die belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van den rechter, zij bewezen.

Indien de goederen, haar toebehoorende, door haren man zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met den faillieten boedel aanwezig zijn, kan zij haar recht van terugneming op dien koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen.

Voor hare persoonlijke schuldvorderingen treedt de vrouw als schuldeischeres op.

-ocr page 107-

— 89 —

Artikelen 61, 62, 63.

De bepalingen van dit artikel komen in hoofdzaak overeen met die van de artikelen 880 en 881 w. v. k. Alleen het vijfde lid is nieuw. Eene betere regeling van de rechten der vrouw bij faillissement van dei) man moet wachten op de zoozeer noodige herziening der titels van het burgerlijk wetboek, waarin het goederenrecht der gehuwde vrouw behandeld wordt.

Derde lid. „Op eene der wijzen in artikel 221 van het burgerlijk wetboek aangegevenquot;. De verwijzing naar artikel 221 b. w. ;s hier opgenomen op verlangen van de commissie van voorbereiding, met het oog op de bij dat artikel toegelaten bewijsmiddelen.

Vierde lid. „Van den rechterquot;. Bedoeld is de rechter, die over eene vordering van de vrouw tegen den curator tot teruggave der bedoelde goederen te beslissen heeft.

Zesde lid. Gelijke bepaling kwam voor in de tweede zinsnede van artikel 881 w. v. k. De eerste zinsnede van dat artikel en artikel 882 w. v. k. zijn, als overtollig, niet overgenomen.

Artikel 62.

De vrouw heeft geen aanspraak op den boedel ter zake van voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken. Wederkeerig kunnen de scbuldeiscbers geen genot hebben van de voordeelen , die de vrouw aan den man bij huwelijksche voorwaarden heeft toegezegd.

Gelijkluidend met artikel 883 w. v. k.

Artikel 63.

Het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van artikel 21, alle goederen, die in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeischers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Indien de echtgenoot, die failliet verklaard is, goederen bezit, die niet in de gemeenschap vallen, worden ook deze\' onder het faillissement begrepen, maar zijn alleen aansprakelijk voor de schulden, waardoor de gefailleerde persoonlijk verbonden is.

De bepalingen in deze wet vervat omtrent handelingen door den schuldenaar verricht, zijn, bij faillissement van een in ge-

-ocr page 108-

— 90 —

Artikelen 63, 64.

meenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie der echtgenooten deze verrichtte.

Deze voorschriften sluiten zich aan bij de practijk onder het wetboek van koophandel, dat omtrent het faillissement van den in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot geene regelen stelde.

Eerste lid. „Eenige gemeenschapquot;: deze uitdrukking is hier, evenals in het tweede lid van artikel 22, gekozen om alle soorten van gemeenschap van goederen in te sluiten.

„Faillissement van die gemeenschapquot;. Dit klinkt eenigszins vreemd, doch is onberispelijk. Eigenlijk is elk faillissement dat van het vermogen of van den boedel, waarop ten behoeve der gezamenlijke schuld-eischers gerechtelijk beslag gelegd wordt.

„Schulden, waardoor de gefailleerde persoonlijk verbonden isquot;, zijn die waarvoor hij aansprakelijk zou zijn, ook indien hij niet in gemeenschap van goederen gehuwd ware. Voorbeelden zijn: schulden, door hem aangegaan vóór zijn huwelijk; lasten, verbonden aan goederen, die hem vermaakt zijn ouder bepaling, dat zij niet in de gemeenschap vallen.

Tweede lid. Het kan voorkomen dat beide echtgenooten bevoegd zijn over de gemeenschap te beschikken , bijvoorbeeld wanneer de vrouw openbare koopvrouw is. Daar nu het faillissement van den in gemeenschap gehuwden echtgenoot behandeld wordt als faillissement van die gemeenschap, doet het zijn invloed gelden op de handelingen van elk der echtgenooten, die de gemeenschap wettig verbonden. Zoo zijn bijvoorbeeld de artikelen 37—40 van toepassing op elke overeenkomst, waarbij, om het zoo uit te drukken, de gemeenschap wettig partij was, door wien der echtgenooten ook aangegaan; zoo kan de Pauliana tegen handelingen van elk der echtgenooten gericht worden.

DERDE AFDEELING.

quot;Van het bestuur over den faillieten boedel.

§ I. Van den rechter-comrnissaris.

Artikel 64.

De rechter-comraissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

Alleen de curator beheert en vereffent. De rechter-commissaris voert in het algemeen geen medebeheer of opperbestuur; behalve in het bijzonder

-ocr page 109-

— 91 —

Artikelen 64, 65, 66.

geval van artikel 69 heeft hij omtrent het beheer in dezen of genen zin geene bevelen te geven. Hij houdt uitsluitend toezicht; gaat na, of de curator zijne taak behoorlijk vervult; oefent daarop invloed uit door middel van raadgevingen, opmerkingen, berispingen. Zoo noodig kan hij aan de rechtbank eene voordracht doen om den curator te ontslaan of hem een of meer mede-curators toe te voegen, artikel 73. Tot bepaalde handelingen behoeft de curator zijne machtiging.

In het oorspronkelijk ontwerp werd de rechter-commissaris in het algemeen belast met de beslissing van geschillen ter zake van het beheer en de vereffening van den boedel, waarvan de kennisneming niet aan de rechtbank is opgedragen. Dit voorschrift is achterwege gelaten, als niet voldoende gewettigd naast de bijzondere opdracht in sommige artikelen, zooals in de artikelen 70 en 79.

Artikel 65.

Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, eene beslissing te geven, is de rechtbank verplicht den rechter-commissaris te hooren.

„Eenige zaak, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffendequot;. Deze omschrijving doelt alleen op zaken, de afwikkeling van het faillissement betreffend; verificatie-processen en andere burgerlijke gedingen, die voor of tegen den boedel gevoerd worden, zijn daaronder niet begrepen. Dezelfde bedoeling lag opgesloten in de aanvankelijk gebezigde uitdrukking „eenige faillissementszaakquot;, die echter niet duidelijk genoeg geacht werd.

Artikel 66.

De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen.

De getuigen worden gedagvaard namens den rechter-commissaris.

Bij niet-verschijning of weigering om getuigenis af te leggen j zijn de artikelen 116—119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.

De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere afkomelingen en de ouders en grootouders des gefailleerden kunnen zich van het geven van getuigenis verschoonen.

Eerste lid. Dit onderzoek van den rechter-commissaris kan bijvoorbeeld loopen over de oorzaken van het faillissement, het gedrag van den schuldenaar, enz.

-ocr page 110-

— 92 —

Artikelen 66, 67.

Tweede lid. De dagvaarding geschiedt, op last van den rechtei-oommissaris, door een deurwaarder: artikel 1 van reglement n0. IV, op de organisatie en den dienst der deurwaarders en verdere reehtsbedienden.

Derde, lid. De strafbepalingen van de artikelen 116 en 117 w. v. b. rv. zijn vervangen door de artikelen 192 nquot;. 2 en 444 w. v. s., ingevolge artikel 3 d der invoeringswet van 15 April 1886 (staatsblad nn. 64).

Vierde lid. Een volstrekt verbod om de hier bedoelde personen te ondervragen, ook indien zij tot het verstrekken van inlichtingen bereid zijn, gelijk in de artikelen 805 derde lid w. v. k. en 893 derde lid w. v. b. rv. was opgenomen, streeft het doel voorbij. Ter tegemoetkoming aan de wenschen van den raad van state en van de commissie van voorbereiding is hier echter bepaald, dat zij zich van het geven van getuigenis kunnen verschoonen.

„Gewezen echtgenootquot; omvat niet alleen de weduwe en den weduwnaar, maar ook den gescheiden echtgenoot.

Artikel 67.

Van alle beschikkingen van den rechter-commissaris is gedurende vijf dagen hooger beroep op de rechtbank. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden.

Niettemin valt geen hooger beroep van de beschikkingen vermeld in de artikelen 21, 2°. en 4°., 34, 58, eerste lid, 79, 94, 98, 100; 102, 125, 127, vierde lid, 173, 174, 175, 177,179 en 180.

Eerste lid. Onder het wetboek van koophandel was de rechtspraak verdeeld over de vraag, of de rechtbank dan wel het gerechtshof tot kennisneming van het hier bedoeld hooger beroep bevoegd was.

Het hooger beroep kan worden ingesteld door dengene, die de beschikking gevraagd heeft, en door hem, tegen wien zij gevraagd is en die zich door haar bezwaard acht; bijvoorbeeld door den schuldeischer of den gefailleerde , die tegen eene handeling van den curator opkomt, of door den curator, tegen wiens handeling opgekomen wordt. Het geschiedt bij verzoekschrift, in te dienen door een procureur, artikel 5.

Tweede lid. Deze uitzonderingen zijn noodig om te voorkomen, dat de geregelde loop van zaken telkens belemmerd worde. Blijkens verklaring van den minister in het verslag der commissie van voorbereiding, zijn de artikelen 75 en 188 hier niet vermeld, omdat het daarbij geene beschikkingen geldt en dus hooger beroep van zelf is uitgesloten.

-ocr page 111-

— 93 —

Artikelen 68, 69.

I 2. Van den curator.

Artikel 68.

De curator is belast met het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

Alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verificatie-^geschillen betreft, alsmede in de gevallen _van de artikelen 37. 39, 40 en 58, tweede lid, behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris.

Eerste lid. Van den curator wordt geen eed gevorderd. De wetgever overwoog, dat het wenschelijk is den eisch van eedsaflegging bij liet aanvaarden eener betrekking zoo min mogelijk te stellen.

Tweede lid. Deze machtiging kan mondeling verleend worden. Ter beveiliging van hen, die met den curator handelen, en ter voorkoming van chicaneuse exceptiën is bij artikel 72 bepaald, dat het ontbreken der machtiging, voor zooveel derden betreft, op de geldigheid der handeling geen invloed heeft.

Artikel 69.

Ieder der schuldeischers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commissaris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.

De rechter-commissaris beslist, na den curator gehoord te hebben, binnen drie dagen.

Ook indien geene commissie uit de schuldeischers benoemd is, kan ieder schuldeischer langs dezen weg invloed oefenen op den gang van zaken. De schuldeischers kunnen niet alleen bestrijden hetgeen verricht is, aandringen op hetgeen huns inziens ten onrechte is nagelaten, maar ook zich verzetten tegen eene voorgenomen handeling. De curator wordt mitsdien geplaatst onder de voortdurende controle van hen, in wier belang hij is aangesteld.

Aan den gefailleerde is hetzelfde recht toegekend als aan de schuldeischers, omdat elke handeling van den curator zijn belang geldt. Al mag hij zelf niet beheeren, het is voor hem van het grootste belang dat er goed beheerd worde. Behoudens deze controle en liet toezicht van den rechter-commissaris blijft echter aan den curator de beslissing, wat voor

-ocr page 112-

— 94 —

Artikelen 69, 70, 71.

den boedel moet gedaan worden. Bepaaldelijk is niet, gelijk in de fransche en belgisdie wetten, den rechter de bevoegdheid toegekend ora den gefailleerde in gedingen over vermogensrechten als interveniënt toe te laten.

Artikel 70.

Indien meer dan één curator benoemd is, wordt voor de geldigheid hunner handelingen toestemming der meerderheid of bij staking van stemmen eene beslissing van den rechtercommissaris vereischt.

De curator, aan wien bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.

Tweede lid. Hier is bijvoorbeeld gedacht aan het faillissement van een schuldenaar, die bedrijven van verscliillenden aard uitoefent of op verschillende plaatsen kantoren heeft. Voor dergelijke gevallen wordt de mogelijkheid geopend, de taak van beheer en vereffening onder de curators te verdeelen en elk hunner te belasten met de afwikkeling der zaken, die tot een dier bedrijven behooren of op eene dier plaatsen worden gedreven. Ook kan de rechter het raadzaam achten, de voortzetting eener handels- of winkel-affaire aan deskundige handen toe te vertrouwen.

Artikel 71.

Het salaris van den curator wordt in elk faillissement door de rechtbank vastgesteld.

In geval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis van homologatie bepaald.

Het wetboek van koophandel regelde het salaris van den curator alleen voor het geval van insolventie, en bepaalde het op 1 pet. van het actiet, behoudens de bevoegdheid van de rechtbank om hem daarenboven eene som voor buitengewone vacatiën toe te leggen, in geval van homologatie van een accoord ontbrak elke regeling omtrent het salaris, dat mitsdien door den curator en den gefailleerde bij onderling goedvinden werd vastgesteld. Het gevolg was dat de curator in geval van accoord, voor minder arbeid, in den regel aanmerkelijk meer salaris ontving dan in geval van insolventie het wettelijk loon en de toelage van de rechtbank te zamen zouden bedragen, en derhalve bij het tot stand komen van een accoord vrij wat geldelijk belang had.

Aan dien ongewenschten toestand tracht dit artikel een einde te maken door de vaststelling van het salaris, zoowel bij accoord als bij insolventie, aan den rechter op te dragen. Verder kan de wet moeilijk gaan. Zij kan

-ocr page 113-

95

Artikelen 71, 72, 73.

niet verhinderen d.it de gefailleerde den curator vrijwillig een hooger bedrag uitkeert, dan hem door den rechter is toegelegd. Ook een uitdrukkelijk verbod aan den curator, om als gemachtigde van den gefailleerde op te treden tot het aanbieden van een accoord, ware al te gemakkelijk te ontduiken. De rechter heeft het evenwel in de hand, door verstandige toepassing van dit artikel en wel overwogen benoemingen van curators misbruiken ten deze te keer te gaan.

Het bedrag van het salaris wordt geheel aan de waardeering van de rechtbank overgelaten. Ook indien zij kostelooze behandeling van het faillissement bevolen heeft, bepaalt zij het salaris naar bevind van zaken.

Artikel 72.

liet ontbreken van de machtiging van den rechter-commissaris , waar die vereischt is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zooveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelijk.

De bedoeling is tweeledig: eenerzijds derden te vrijwaren voor de tegenwerping van ongeldigheid eener door den curator verrichte handeling, mitsdien hen te ontheffen van den last om te onderzoeken, of de voorgeschreven formaliteiten zijn inachtgenomen; anderzijds den boedel te waarborgen tegen exceptiën, aan het niet-nakomen dier formaliteiten te ontleenen. Of zij , die met den curator handelden, met de veronachtzaming der wettelijke voorschriften al dan niet bekend waren, maakt geen verschil ; ingevolge eene opmerking van de kamer van koophandel en fabrieken te Haarlem werd aanvankelijk achter het woord „betreftquot; ingelascht; „die daarvan onkundig warenquot;, doch wegens practische bezwaren werden deze woorden later weder geschrapt. Tegen overschrijding van de bevoegdheid van den curator zijn voldoende waarborgen gelegen in zijne verantwoordelijkheid en in het rechterlijk toezicht op zijn beheer.

Artikel 73.

De rechtbank heeft de bevoogdheid den curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van den rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeischers, de commissie uit hun midden, of den gefailleerde.

-ocr page 114-

— 96 —

Artikelen 73, 74—79.

De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan den in zijne plaats benoemden curator.

Tweede lid. De nieuwe curator moet over die rekening en verantwoording liet advies van de commissie uit de schuldeischers inwinnen, indien zij er is, artikel 78.

Wordt aan deu curator een mede-curator toegevoegd, zoo treedt deze, zonder overdracht, van rechtswege in het medebeheer van den boedel.

$ 3. Van de commissie uit de schuldeischers.

Artikel 74.

Bij het vonnis van faillietverklaring of bij eene latere be-scbikking kan de rechtbank, zoo de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding geeft, uit de haar bekende schuldeischers eene voorloopige commissie van een tot drie leden benoemen , ten einde den curator van advies te dienen, zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie geen beslissing is genomen.

Indien een lid van de voorloopige commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechtbank, uit eene voordracht van een dubbeltal door den rechter-commissaris, in de daardoor ontstane vacature.

Strekking d er artikelen 74—79. Onder het wetboek van koophandel beklaagde de handel zich vrij algemeen, dat de schuldeischers in het beheer en de vereffening van den boedel niet gekend werden. Bij gebreke van de noodige handelskennis werden door de curators, in den regel rechtsgeleerden, niet zelden fouten begaan. In elk geval viel het recht der schuldeischers, om den noodigen invloed te oefenen op den gang van zaken, moeilijk te betwisten. Tegen een meer imperatief voorschrift omtrent keuze van den curator uit de schuldeischers, dan de weinig of niet behartigde wenk van artikel 787 w. v. k., was intusschen in te brengen dat de curator boven de partijen moet staan en rechtskennis dient te bezitten; en verplichte benoeming van twee curators, waarvan een uit de schuldeischers, ware voor kleine boedels zeer onpractisch. De wet tracht het doel, om waar het noodig is den schuldeischers meer invloed te verzekeren, langs anderen weg te bereiken, namelijk door gelegenheid te geven tot benoeming eener commissie uit hun midden, ten einde den curator van advies te dienen.

De rechtbank kan eene commissie uit de schuldeischers benoemen hetzij

-ocr page 115-

— 97 —

Artikelen 74—79.

bij het vonnis van faillietverklaring, hetzij bij eene latere beschikking. In vele gevallen zal zij reeds ten tijde der faillietverklaring over voldoende gegevens beschikken om te beoordeelen, of de belangrijkheid of de aard van den boedel benoeming eener zoodanige commissie wettigt. Mocht dit niet het geval zijn, doch die benoeming later wenschelijk blijken, zoo kan zij alsnog daartoe overgaan; ieder schuldeischer kan daartoe een verzoek tot haar richten. Bepaaldelijk in den aanvang van het faillissement heeft de curator gewichtige beslissingen te nemen, waarbij het advies der commissie hem van nut kan zijn; bijvoorbeeld deze, of het bedrijf van den gefailleerde zal worden voortgezet. De benoeming der commissie kon niet gebiedend voorgeschreven worden, omdat zij in kleine faillissementen, verreweg de talrijkste, meestal slechts noodeloozen omslag zou teweegbrengen.

De door de rechtbank benoemde commissie is slechts eene voorloopige. Ter verificatie-vergadering benoemt de rechter-commissaris eene definitieve commissie uit de schukleischers, indien de vergadering deze wenschelijk acht. Het oorspronkelijk ontwerp liet de benoeming der definitieve commissie aan de vergadering zelve over. Dit is veranderd, eensdeels omdat juist die schuldeischers, wier vorderingen boven alle bedenking staan, het minst reden hebben om daar tegenwoordig te zijn, anderdeels om overwegenden invloed van de groote schuldeischers op de samenstelling der commissie tegen te gaan.

De leden der commissie genieten geenerlei geldelijke belooning noch schadeloosstelling voor tijdverlies. De regeering achtte dit in strijd met het karakter der commissie, welker lidmaatschap een post van vertrouwen is ter behartiging der gemeene belangen, en vreesde van toekenning van salaris allerlei misbruik. De noodzakelijke uitgaven der commissie be-hooren tot de kosten van het faillissement.

Artikel 74, eerste lid. „De belangrijkheid of de aard des boedelsquot;: ook een minder belangrijke boedel kan van dien aard zijn, dat het beheer en de vereffening groote moeilijkheden opleveren.

„Uit de haar bekende schuldeischers.quot; Benoeming van gemachtigden wordt niet toegelaten. Zonder eenige beperkin x ging dit niet aan; en beperking bijvoorbeeld tot gemachtigden van schuldeischers, in de koloniën of in den vreemde woonachtig, zou willekeurig zijn.

„Eene voorloopige commissie van een tot drie leden.quot; De commissie kan dus ook, al klinkt dit vreemd, uit één lid bestaan. Aanneming der benoeming is niet verplicht.

„Zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie geen beslissing is genomenquot;: de voorloopige commissie blijft in elk geval slechts in stand tot de verificatievergadering.

7

-ocr page 116-

— 98 —

Artikelen 75, 76, 77.

Artikel 75.

Hetzij al of niet eene voorloopige commissie uit de schuld-eischers is benoemd, raadpleegt de rechter-commissaris op de verificatievergadering de schuldeischers, na afloop der verificatie, over de benoeming van eene definitieve commissie uit hun midden. Zoo de vergadering deze wenschelijk acht, gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie bestaat uit een tot drie leden.

Een verslag van het hieromtrent verhandelde wordt in het proces-verbaal der vergadering opgenomen.

Indien een lid van de definitieve commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commissaris iu de daardoor ontstane vacature.

De in dit artikel vermelde benoemingen zijn, gelijk reeds bij het tweede lid van artikel 67 werd aangeteekend, geene beschikkingen en niet aan hooger beroep onderworpen.

Artikel 76.

De commissie kan te allen tijde inzage van de boeken en bescheiden, op het faillissement betrekking hebbende, vorderen. De curator is verplicht aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken.

De commissie moet zich op de hoogte kunnen houden, ten einde hare taak behoorlijk te vervullen. Overigens bestaat die taak in het geven van advies, niet in het oefenen van controle, dat aan den rechter-commissaris is opgedragen.

Artikel 77.

Tot het inwinnen van het advies der commissie vergadert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.

De curator bepaalt de wijze van oproeping der commissie en het tijdstip waarop de vergaderingen zullen worden gehouden. De opgekomen leden, zij het slechts één lid, hebben over het te geven advies te beslissen. Formaliteiten zijn niet voorgeschreven; bij zaken van ondergeschikt belang

-ocr page 117-

— 99 —

Artikelen 77, 78.

kan alles desnoods mondeling geschieden. Is er meer dan één curator, zoo kunnen zij de hier aan hen opgedragen werkzaamheden onderling verdeelen.

Bijzondere bepalingen voor spoedeischende gevallen zijn overbodig geacht. Geen der gevallen, waarin de curator het advies der commissie moet inwinnen, is zoo spoedeischend, dat tijdige raadpleging, zelfs bij verschil van woonplaats , niet mogelijk zou zijn.

Niets verhindert de commissie, buitendien uit eigen beweging bijeen te komen, zoo dikwijls zij het wenscht: bijvoorbeeld tot het onderzoek van boeken en bescheiden of het erlangen van inlichtingen van den curator, artikel 76. Nalatigheid of weigering van den curator, om desverlangd met de commissie samen te werken, is niet te duchten, omdat hij zich daardoor zou blootstellen aan een verzoek van de commissie tot zijn ontslag, artikel 73.

Artikel 78.

De curator is verplicht het advies der commissie in te winnen , alvorens eene rechtsvordering in te stellen of eene aanhangige voort te zetten of zich tegen eene ingestelde of aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve waar het geldt verificatiegeschillen ; omtrent het al of niet voortzetten van het bedrijf des gefailleerden; alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40, 58, tweede lid, 73, tweede lid, 100, 101 en 177quot;, en in het algemeen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel en het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeelingen.

Dit advies wordt niet vereischt, wanneer de curator de commissie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en er geen advies wordt uitgebracht.

Eerste lid. „Het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeelingen.quot; De curator moet de commissie hieromtrent raadplegen voordat het bevel, bij artikel 179 bedoeld, door den rechter-commissaris gegeven wordt, opdat deze op het advies der commissie kunne letten.

Tweede lid. Het kan voorkomen dat geen enkel lid verschenen is, dat geene meerderheid is te verkrijgen of dat een ontwijkend besluit genomen wordt. In dergelijke gevallen eischt het belang der zaak dat de curator bevoegd zij, ook zonder advies der commissie zoo te handelen, als hem voor den boedel raadzaam voorkomt.

-ocr page 118-

— 100 —

Artikelen 79, 80.

Artikel 79.

De curator is niet gebonden aan het advies der commissie. Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, die de beslissing van den rechtercommissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen , met het advies der commissie strijdige, handeling gedurende drie dagen op te schorten.

De commissie kan de beslissing van den rechter-commissaris zoowel mondeling als schriftelijk inroepen; de rechter-commissaris kan haar zoowel mondeling als schriftelijk geven. Evenmin als het verkeer tusschen curator en rechter-commissaris, wordt dat tusschen dezen en de commissie hier aan vormen gebonden. Van de beslissing van den rechter-commissaris valt geen hooger beroep, artikel 67 tweede lid.

„Gedurende drie dagen.quot; Blijkens de memorie van toelichting houdt deze termijn verband met dien, bij het tweede lid van artikel 69 aan den rechter-commissaris voor zijne beslissing toegekend. Intusschen geldt het daar eene beschikking op een verzoekschrift, aan hooger beroep onderworpen; hier niet. In het geval van dit artikel zal de beslissing van den rechter-commissaris iu den regel wel geen drie dagen uitblijven. Het ware dan ook mijns inziens beter geweest den curator slechts te verplichten, die beslissing af te wachten, waardoor bijvoorbeeld in het geval van artikel 37 tijd had kunnen zijn gewonnen.

$ 4. Van de vergaderingen der schuldeischers.

Artikel 80.

In de vergaderingen der schuldeischers is de rechter-commissaris voorzitter.

De tegenwoordigheid van den curator of van iemand, die hem met goedvinden van den rechter-commissaris vervangt, is verplicht.

Strekking der artikelen 80—84. De bepalingen dezer artikelen zijn ook van toepassing op de vergaderingen, belegd voor de verificatie der schuldvorderingen of ter raadpleging en beslissing over een accoord, voorzoover daarvoor geen bijzondere voorschriften zijn gegeven.

Artikel 80, tweede lid. De vergadering zou geen voortgang kunnen hebben, indien de curator mocht wegblijven zonder zich te doen vertegenwoordigen.

-ocr page 119-

— 101 —

Artikelen 81, 82.

Artikel 81.

Op de vergaderingen van schuldeischers worden de besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige schuldeischers. Voor elke honderd gulden brengt ieder schuldeischer ééne stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden, wordt mede ééne stem uitgebracht.

Splitsing van vorderingen, na de faillietverklaring gedaan, doet geen stemrecht verwerven.

Eerste lid. De vergadering van schuldeischers beslist over een aangeboden accoord; op die beslissing is dit artikel echter niet van toepassing. Over de verificatie van eene vordering onder opschortende voorwaarde voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring kan zij volgens artikel 130 slechts eenstemmig en in overeenstemming met den curator beslissen. Overigens kan zij bij meerderheid van stemmen de benoeming van eene definitieve commissie uit de schuldeischers wenschelijk verklaren, artikel J5.. en een advies over een aangeboden accoord of wel uitstel verlangen, nrtil-pl ]41 Tot welke andere besluiten de vergadering van schuldeischers bevoegd is, blijkt noch uit de wet, noch uit hare toelichting. Wel wordt bij de artikelen 84 en 178 het beleggen van zoodanige vergaderingen geregeld; maar over hare bevoegdheid tot het nemen van besluiten bewaren die artikelen het stilzwijgen.

Bij de regeling van het stemrecht is een gemengd stelsel aangenomen. Eene zuivere meerderheid van personen zou aan de kleine, eene zuivere meerderheid van kapitaal aan de groote schuldeischers te veel overwicht geven. Beperking van stemrecht, door bepaling van een minimum der daarop aanspraak gevende vordering, en, naar analogie van artikel 54 w. v. k., van een maximum van het aantal stemmen, door één schuldeischer uit te brengen, is niet raadzaam geacht, omdat de boedels en het bedrag der afzonderlijke vorderingen in de verschillende boedels te zeer uiteenloopen.

Tweede lid. De bedoeling is aan de schuldeischers de macht te ontnemen om door splitsing hunner vorderingen het aantal hunner stemmen willekeurig te vergrooten.

Artikel 82.

Stemgerechtigd zijn de erkende en de voorwaardelijk toege-laten schuldeischers, alsmede de toonder eener ten name van „toonderquot; geverifieerde schuldvordering.

Hieruit volgt dat in vergaderingen, die vóór de verificatie mochten worden gehouden, niet gestemd kan worden. Trouwens de hoedanigheid van schuldeischer staat eerst na de verificatie vast.

-ocr page 120-

— 102 —

Artikelen 82, 83, 84.

„V o o r w a a r d e 1 ij k toegelatenquot; kan eene vordering worden volgens de artikelen 121 tweede lid , 125,130 tweede lid, 135 tweede lid en 136 tweede lid.

„Schuldeischersquot;. Op advies van den raad van state zijn, door weglating van het woord „concurrentequot;, dat in het oorspronkelijk ontwerp vóór het woord „schuldeischersquot; geplaatst was, de praeferente schuldeischers ten opzichte van het hier bedoeld stemrecht met de concurrente gelijkgesteld.

„Toonderquot;; vergelijk artikel 134 en het daarop aangeteekende.

Artikel 83.

Ten behoeve van de schuldeischers, die zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken , dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.

Dit voorschrift sluit zich aan bij hetgeen de practijk onder het wetboek van koophandel, in afwijking van het bepaalde bij artikel 828 van dat wetboek, had ingevoerd. Voor elders wonende sehuldeischers is het van belang, dat oproepingen rechtstreeks aan hun vertegenwoordiger gedaan worden.

Artikel 84.

Behalve de door deze wet voorgeschreven vergaderingen, wordt er eene vergadering van schuldeischers gehouden, zoo dikwijls de rechter-coiumissaris dit noodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de schuldeischers of door ten minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigde één vijfde deel der erkende en der voorwaardelijk toegelaten scliuldvorderingen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan.

In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en plaats der vergadering, waartoe de stemgerechtigde schuldeischers ten minste tien dagen van te voren door den curator worden opgeroepen , bij advertentie in het nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14 en bij brieven, beide vermeldende het in de vergadering te behandelen onderwerp.

-ocr page 121-

— 103 —

Artikelen 84, 85, 86.

Eerste lid. Raadpleging der schuldeischers kan bijvoorbeeld wenschelijk zijn voor eene belangrijke dading, voor verkoop en bloc van alle activa of van een deel daarvan, enz.

De schuldeischers kunnen zich ter vergadering door een advocaat doen vertegenwoordigen of vergezellen.

Aan den curator is de bevoegdheid, om eene vergadering te doen houden, niet toegekend. Vindt hij toch ten deze geen steun bij den rechter-com-missaris noch bij de commissie uit de schuldeischers noch bij het hier gevorderd aantal schuldeischers, zoo is de noodzakelijkheid eener vergadering aan gegronden twijfel onderhevig.

Tweede lid. De termijn van tien dagen is voorgeschreven, ora ook veraf wonende schuldeischers in de gelegenheid te stellen, aan de vergadering deel te nemen.

I 5. Van de rechterlijke beschikkingen.

Artikel 85.

Alle beschikkingen in zaken, liet beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, worden door dj? rechtbank in. het hoogste ressort gewezen, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald.

Artikel 86.

Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, ook die welke niet uitgaan van de rechtbank , zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeeTis bepaald.

Strekking der artikelen 85 en 8 6. Deze artikelen dienen om eene geregelde en spoedige bereddering van den boedel te bevorderen. Bij beslissingen van ingrijpenden aard, zooals faillietverklaring, opheffing van het faillissement, homologatie en ontbinding van een accoord, is hooger beroep afzonderlijk geregeld.

„Zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffendequot;. Omtrent de beteekenis dezer woorden, die ook hier in de plaats gekomen zijn van het aanvankelijk gebezigde „faillissementszakenquot;, vergelijke men het aangeteekende bij artikel 65.

-ocr page 122-

— 104 —

Artikelen 87, 88.

VIERDE AFDEELING.

Van de voorzieningen na de faillietverklaring en van het beheer des curators.

Artikel 87.

De rechtbank kan bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den curator of van een of meer der schuldeischers en na den rechter-commissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de gefailleerde in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van bewaring, hetzij in zijne eigene woning onder het opzicht van eenen dienaar der openbare macht.

Het bevel hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.

Dit bevel is voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van dien termijn kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris of op een verzoek en na verhoor als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden.

De voorschriften van dit en het volgend artikel komen in hoofdzaak overeen met die van artikel 789 w. v. k.

Eerste lid. De kosten der verzekerde bewaring komen ten laste van den boedel, in welks belang de maatregel genomen wordt.

Derde lid. In de afdeelingen der tweede kamer werd betoogd dat een voorschrift waarbij, zonder aanvoering van redenen en zonder tijdsbepaling, inbewaringstelling bevolen wordt, in onze wetgeving misplaatst mag heeten. Ter tegemoetkoming aan dit bezwaar zijn deze bepalingen opgenomen op aandrang der commissie van voorbereiding, die daarbij wees op artikel 116 w. v. strafv.

Artikel 88.

De rechtbank heeft de bevoegdheid, op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den gefailleerde, dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zeker-

-ocr page 123-

— 105 —

Artikelen 88, 89, 90.

heidstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen.

Het bedrag der zekerheidstelling wordt door de rechtbank bepaald en komt bij niet-verschijning des gefailleerden ten voor-deele des boedels.

Artikel 89.

Het verzoek tot inbewaringstelling van den gefailleerde moet toegestaan worden, indien het gegrond is op het zonder geldige reden opzettelijk niet-nakomen van de verplichtingen hem opgelegd in de artikelen 91, 105 en 116.

Dit voorschrift is nieuw. Het maakt geen inbrenk op het beginsel, dat het faillissement alleen de goederen, niet den persoon treft. Immers de gefailleerde wordt in bewaring gesteld niet omdat hij failliet verklaard is, maar omdat hij eene wettelijke verplichting niet nakomt, dus ten gevolge van zijne eigen daad of nalatigheid.

„Zonder geldige reden opzettelijkquot;; dezelfde redactie vindt men in artikel 194 w. v. s.

Artikel 90.

In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van den gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel betreffende, vereischt wordt, zal hij , zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van den rechter-commissaris uit de bewaarplaats kunnen worden overgebracht.

De last hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.

Eerste lid. Komt in hoofdzaak overeen met het eerste lid van artikel 790 w. v. k. Van gijzeling wordt geen melding meer gemaakt, in verband met artikel 33 tweede lid.

Tiveede lid. Het is verkieslijk geacht, in plaats van den rechter-commissaris, het openbaar ministerie met de uitvoering en de verantwoordelijkheid daarvoor te belasten.

-ocr page 124-

— 106 —

Artikelen 91, 92.

Artikel 91.

Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van den rechter-comraissaris zijne woonplaats niet verlaten.

Hier wordt gewaakt tegen het meermalen voorgekomen euvel, dat de getailleerde zich aan zijn boedel niet verder laat gelegen liggen en naar elders vertrekt. De sanctie ligt in artikel 89.

Intusschen moet de gefailleerde volgens artikel 116 de verificatie-vergadering bijwonen, en zal hij derhalve, woont hij niet in de gemeente waar de rechtbank zetelt, tot dat einde zijne woonplaats moeten verlaten.

Artikel 92.

De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding zijner betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring des boedels. Hij neemt onmiddellijk de boeken, gelden, klei-noodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in bewaring te geven.

De curator moet de boeken onder zich nemen onmiddellijk bij zijn eerste bezoek aan de woning of het kantoor van den gefailleerde, ten einde dezen buiten staat te stellen om die alsnog te wijzigen of bij te werken. Gelijke verplichting is hem opgelegd ten aanzien van gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, omdat op deze zaken moeilijk het oog te houden is en verzegeling of beschrijving van den boedel niet altijd op staanden voet kan plaats hebben. De gefailleerde vindt zijne decharge in het ontvangbewijs, dat de curator hem ter hand stelt. De curator kan de bedoelde zaken onder zich nemen door die naar elders, met name naar zijne woning, over te brengen, of wel door neder-legging bijvoorbeeld in eene brandkast van den gefailleerde of in eene kamer van het door dezen bewoonde huis, waarvan de curator de sleutels onder zich houdt. Wenscht hij de verantwoordelijkheid voor de bewaring der voorhanden gelden niet te dragen, bijvoorbeeld omdat hij daarvoor te zijnent geene goede bewaarplaats heeft, zoo kan hij gebruik maken van de hem toegekende bevoegdheid om de aanwezige comptanten in bewaring te geven bij den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën: dat is de ontvanger der registratie, en in de hoofdplaatsen der arrondissementen bepaaldelijk de ontvanger, belast met de registratie der gerechtelijke acten (artikel 4 van ket koninklijk besluit van 1 December 184:).

„Kleinoodiënquot;: hierbij is gedacht aan kleine voorwerpen van groote waarde, die gemakkelijk kunnen verloren gaan, zooals edelgesteenten en paarlen.

-ocr page 125-

— 107 —

Artikelen 92, 93, 94.

„Papieren van waardequot;. Volgens de memorie van toelichting zijn hieronder te verstaan al die documenten, welker bezit noodzakelijk is tot het uitoefenen van het daarin omschreven of daaraan verbonden recht, al is ook de inhoud van dat recht iets anders dan eene praestatie in geld: bijvoorbeeld cognossementen, ceelen en dergelijke.

Artikel 93.

De curator doet, zoo hij of de rechter-commissaris dit noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen.

De verzegeling geschiedt door den kantonrechter.

Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het procesverbaal kortelijk beschreven , de goederen vermeld in de artikelen 21 n0. 1 en 92, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf van den gefailleerde vereischt, indien dit wordt voortgezet.

Eerste lid. De verzegeling is facultatief; zij zou in zeer vele gevallen tot geheel onnoodige opdrijving van kosten leiden. De curator wordt niet verplicht eventueel het advies der voorloopige commissie uit de schuldeischers dienaangaande in te winnen, omdat de daaruit voortvloeiende vertraging het doel, met de verzegeling beoogd, allicht zou verijdelen.

Tweede lid. Volgens het ontwerp der staatscommissie geschiedde de verzegeling door een notaris. Op advies van den raad van state is zij opgedragen aan den kantonrechter, die dei-halve ook met de ontzegeling belast is.

Derde lid. De goederen, in artikel 21 nn. 1 vermeld, worden algemeen van de verzegeling uitgesloten, zonder dat melding gemaakt wordt van de uitzondering, aan het slot dier bepaling opgenomen. Ik leid hieruit af dat hetgeen omschreven is in het eerste lid van artikel 448 w. v. b. rv. ook dan buiten verzegeling moet blijven, wanneer in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel, en dit den curator ten tijde der verzegeling bekend is. Bij eene uitlegging in anderen zin zou ook het vee, in het eerste lid van artikel 448 w. v. b. rv. sub 3° bedoeld, in de verzegeling moeten worden begrepen, indien de verhuurder van het onroerend goed daarop wegens vervallen huurpenningen bevoorrecht is: eene ongerijmdheid, die niet mag worden ondersteld. In het gestelde geval blijft alzoo het omschrevene in hot eerste lid van artikel 448 w. v. b. rv. on verzegeld, zonder daarom aan- het faillissement en aan de zorgen van den curator te worden onttrokken.

Artikel 94.

De curator gaat zoo spoedig mogelijk over tot het opmaken van eene beschrijving des faillieten boedels.

De boedelbeschrijving kan ondershands worden opgemaakt en

-ocr page 126-

— .108 —

Artikelen 94, 95, 96.

de waardeering door den curator geschieden , een en ander onder goedkeuring van den rechter-commissaris.

De leden der voorloopige commissie uit de schuldeischers zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn.

Eerste lid. Daarbij zijn, naar analogie van artikel 681 nn. 3. w. v. b. rv., in elk geval alleen de roerende goederen te waardeeren.

Tweede lid. Komt in het wezen der zaak overeen met hetgeen volgens de artikelen 800 en 798 eerste lid w. v. k. gold.

Artikel 95.

Van de goederen, vermeld in artikel 21 n0. 1, wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 92, worden in de beschrijving opgenomen.

Op den staat, aan de beschrijving te hechten, zal onder meer zijn te brengen hetgeen omschreven is in het eerste lid van artikel 448 w. v. b. rv., ook wanneer er vorderingen zijn als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Het is eenigszins onregelmatig dat die goederen, die alsdan binnen het faillissement vallen, niet in de boedelbeschr-ijving zelve maar in den daaraan gehechten staat worden opgenomen. De anomalie is daaruit te verklaren, dat de aanhaling van artikel 448 w. v. b. rv. aanvankelijk in artikel 21 nquot;. 1 niet voorkwam, maar daaraan bij het schriftelijk overleg tusschen de commissie van voorbereiding en de regeering is toegevoegd.

Artikel 96.

De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den boedel over tot het opmaken van eenen staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner blijken.

De hier bedoelde staat van baten en schulden is hetzell\'de als de „balansquot; van de artikelen 801—805 w. v. k. Het opmaken daarvan is een der eerste plichten van den curator. De gefailleerde moet hein daartoe de noodige inlichtingen verstrekken, artikel 105. Zoo noodig kan de rechter-commis-saris gebruik maken van de bevoegdheid, hem bij artikel 66 toegekend.

-ocr page 127-

— 109 —

Artikelen 97, 98.

Artikel 97.

Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boe quot;lel-beschrij ving en van den staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kostelooze ~ihzage van eeti ieder nedergelegd ter griffie van de rechtbank en van het kantongerecht, binnen welks ressort zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naar gelang de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college van de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde. Indien de zetel van het kantongerecht is gevestigd in eene gemeente, waar tevens de zetel is van de rechtbank, waarbij het faillissement aanhangig is, geschiedt de nederlegging uitsluitend ter griffie van dit college.

De nederlegging geschiedt kosteloos.

Langs dezen weg kunnen de schuldeischers zonder veel moeite een overzicht van den staat van zaken verkrijgen. Door de nederlegging der stukken ook ter griffie van het kantongerecht wordt aan de bezwaren, bij de uitgestrektheid der bestaande arrondissementen aan berechting der faillissementen door de rechtbank verbonden, althans eenigszins tegemoetgekomen. Vergelijk de inleiding, bladz. 25 en 26.

Artikel 98.

De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde voort te zetten. Indien er geene commissie uit de schuldeischers is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den rechtercommissaris noodig.

Van de tusschenkomst der rechtbank, bij artikel 797 w. v. k. voorgeschreven, is ter vereenvoudiging afgezien. Of voortzetting van het bedrijf in het belang van den boedel is, hangt in elk bijzonder geval van omstandigheden af, die alleen door den curator, de commissie uit de schuldeischers en den rechter-commissaris kunnen worden beoordeeld. De rechtbank zou slechts op hunne voorlichting knnnen afgaan.

De curator kan niet in hooger beroep komen, indien de rechter-commissaris de gevraagde machtiging weigert, artikel 67 tweede lid.

Is eene commissie uit de schuldeischers benoemd , zoo moet de curator haar advies inwinnen, artikel 78. Heeft eenig schuldeischer of wel de gefailleerde tegen het voornemen of besluit van den curator bezwaar, zoo kan hij volgens artikel 69 de beslissing van den rechter-commissaris inroepen.

De voortzetting van het bedrijf houdt op wanneer de vereffening is begonnen, artikel 176.

-ocr page 128-

— 110 —

Artikelen 99, 100.

Artikel 99.

De curator opent de brieven en telegrammen aan den gefailleerde gericht. Die, welke niet op den boedel betrekking hebben, stelt hij terstond aan den gefailleerde ter hand. De administratie der posterijen en der telegrafie is, na van den griffier ontvangen kennisgeving, verplicht den curator de brieven en telegrammen, voor den gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangt, bedoeld in artikel 15.

Protesten, den gefailleerde betreffende, worden gedaan aau den curator.

Eerste lid. Voor de belangen van den gefailleerde wordt gezorgd door de bepaling, dat de curator hem de brieven en telegrammen, die niet op den boedel betrekking hebben, terstond moet afgeven, en door het, aan het slot der alinea geregeld, ophouden van de verplichting der administratie tot afgifte aan den curator, zoo noodig ook op last van den rechter-commissaris.

„Na van den griffier ontvangen kennisgevingquot;. Deze geschiedt onverwijld; zie artikel 14 tweede lid en het daarop aangeteekende. Onder het wetboek van koophandel werd bij enkele postkantoren overlegging eener expeditie van het vonnis van faillietverklaring gevorderd.

„Of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat.quot; Bij circulaire van den minister van justitie van 19 December 1896, hierachter opgenomen, is aan de rechters in overweging gegeven, de daartoe betrekkelijke kennisgeving eventueel te richten aan het postkantoor en aan het telegraafkantoor of aan het vereenigd post- en telegraafkantoor ter plaatse waar de gefailleerde woont, of, bij gebreke daarvan te dier plaatse, aan die kantoren ter plaatse waar de rechtbank gevestigd is.

Tweede lid. Aanleiding tot dit voorschrift gaf.een arrest van den hoogen raad van 29 Maart 1889 (W. v. h. r. nquot;. 5700), waarbij artikel 180 w. v. k. in dien zin werd uitgelegd, dat bij faillissement van den betrokkene het protest niet geldig aan den curator kan worden gedaan. Een protest aan den gefailleerde is ongeldig; de houder van een wissel wordt even goed als ieder ander geacht kennis te dragen van eene op wettelijke wijze bekend gemaakte faillietverklaring.

Artikel 100.

De curator is bevoegd naar omstandigheden eene door den rechter-commissaris vast te stellen som ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin uit te keeren.

-ocr page 129-

— Ill

Artikelen 100, 101, 102.

Ook hier is de tusschenkomst der rechtbank, die bij artikel 80S derde lid w. v. k. werd voorgeschreven, ter vereenvoudiging achterwege gelaten. De beschikking van den rechter-commissaris is niet aan hooger beroep onderworpen , artikel 67 tweede lid. Indien eene commissie uit de scbuld-eischers benoemd is, moet de curator haar advies inwinnen, artikel 73.

De uitkeering houdt op, wanneer de vereffening van den boedel begonnen is, artikel 176.

„Naar omstandighedenquot;; het is bijvoorbeeld denkbaar dat de gefailleerde in zijn onderhoud en dat van zijn huisgezin kan voorzien uit hetgeen hij ontvangt krachtens artikel 21 n0. 2 of 3, of wel dat bij gebrek aan comptanten geene uitkeering kan plaats hebben. De rechter-commissaris wordt ten deze geheel vrijgelaten.

Artikel 101.

De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien en voor zoo ver de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding der kosten van bet faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijven.

De bepaling van artikel 174 is toepasselijk.

Regel behoort te zijn dat de boedel, zoolang bij niet in staat van insolventie verkeert, intact blijft. De regel moet echter wijken, waar het noodig is ter bestrijding der kosten, bijvoorbeeld bij geheel gemis van comptanten, of om nadeel voor den boedel te ontgaan. Aan den curator wordt overgelaten te beslissen, of een dezer gevallen zich voordoet. Verlof van de rechtbank, bij artikel 809 w. v. k. voor den verkoop van niet licht aan bederf onderhevige waren voorgeschreven, wordt niet meer ver-eischt. Maar de curator is verplicht het advies der commissie uit dc schuldeischers in te winnen, indien zij er is, en behoeft voor onderhand-schen verkoop de toestemming van den rechter-commissaris, artikel 174.

„Goederenquot;: hieronder zijn effecten begrepen.

Artikel 102.

De curator houdt alle gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijne onmiddellijke bewaring, tenzij door den rechter-commissaris eene andere wijze van bewaring wordt bepaald.

Gereede gelden, die voor het beheer niet noodig zijn , worden door den curator belegd ten name van den boedel op de wijze door den recbter-commissaris goed te keuren.

-ocr page 130-

— 112 —

Artikelen 102, 103, 104.

De „kist van twee ongelijk werkende sloten voorzienquot; van artikel 810 w. v. k. behoort hiermede tot het verleden.

Van de in dit artikel vermelde beschikkingen van den rechter-commis-saris valt geen hooger beroep, artikel 67 tweede lid.

Eerste lid. De curator behoort ten opzichte van voorwerpen van waarde bijzondere voorzorgen te nemen. Daarom wordt hem de verplichting opgelegd het hier genoemde onder zijne onmiddellijke bewaring te nemen, zoodat zijne verantwoordelijkheid voor deze zaken strenger is. Overigens kan de rechter-commissaris het raadzaam achten de bewaring daarvan aan den curator te onttrekken, bijvoorbeeld indien deze over geene goede bewaarplaats beschikt. De rechter-commissaris mag de bewaring echter niet aan den gefailleerde opdragen; deze werd reeds bij artikel 92 uitgesloten en wordt dit nader bij artikel 103, waarin alleen van bewaring door een

derde sprake is. _ ,... „

Over de beteekenis der uitdrukkingen „kleinoodien en „papieren van waardequot; vergelijke men het aangeteekende bij artikel 92.

Tweede lid. Storting bij den ontvanger voor de gerechtelijke consignatien is mitsdien niet verplicht. De gekweekte renten komen aan den boedel.

Artikel 103.

Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, die, volgens bepaling van den rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van door den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken.

Vergelijk het aangeteekende bij artikel 102 eerste lid.

Artikel 104.

De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, bevoegd dadingen te treffen en akkoorden of schikkingen aan te gaan.

Goedkeuring door de rechtbank, gelijk bij artikel 884 w. v k. werd voorgeschreven, wordt niet vereischt. De rechter-commissaris beslist, doch hooger beroep op de rechtbank, hetwelk in het ontwerp der staatscommissie bij artikel 67 tweede lid ook voor dit geval werd uitgesloten, is op advies van den raad van state toegelaten. . , , ..

Uit de plaatsing van dit artikel in de vierde atdeeling volgt, dat dadingen enz. reeds in het aan de insolventie voorafgaand stadium van het iaillisse-

-ocr page 131-

— 113 —

Artikelen 104, 105, 106.

ment kunnen worden getroffen, hetgeen onder het wetboek van koop-handel twijfelachtig was. Tevens is de ongemotiveerde beperking van artikel 884 w. v. k. tot de schuldenaren van den boedel vervallen.

Artikel 105.

De gefailleerde is verplicht voor den rechter-commissaris, den curator of de commissie uit de schuldeischers te verschijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.

Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot, rust de verplichting om inlichtingen te geven op ieder der echtgenooten voor zoover hij gehandeld heeft.

Tegenover den gefailleerde ligt de sanctie in artikel 89, benevens in artikel 194 w. v. s. Beide artikelen vorderen opzet.

Of artikel 89 (of 87) van toepassing is op den in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot van den gefailleerde, is zeer de vraag. De minister verwees naar artikel 63. Ik betwijfel echter of dat artikel inbewaringstelling van dien echtgenoot vermag te wettigen. Elders (artikel 22 tweede lid) is eene afzonderlijke bepaling noodig geacht om onder „gefailleerdequot; zijn in gemeenschap gehuwden echtgenoot mede te begrijpen. Deze kan echter vallen onder artikel 194 w. v. s., zooals het is gewijzigd bij artikel 6 der invoeringswet.

Eerste lid. Om desgevraagd advies te kunnen uitbrengen, dient de commissie uit de schuldeischers over de noodige middelen van informatie te beschikken. Daarom wordt de gefailleerde verplicht, na ontvangen oproeping ook voor de commissie te verschijnen.

Tweede lid. Het faillissement van den in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot is eigenlijk dat van die gemeenschap, artikel 63. Beide echtgenooten kunnen de gemeenschap wettig verbonden hebben, de vrouw bijvoorbeeld als openbare koopvrouw. Het kan van belang zijn nauwkeurig te weten wat er gedaan is. Daarom rust de verplichting tot het geven van inlichtingen op beide echtgenooten, op ieder wat betreft de door hem zelf verrichte handelingen.

„Gemeenschap van goederenquot;. De bijvoeging van het woord „eenigequot; vóór deze uitdrukking, die in de artikelen 22 en 63 dient om alle soorten van gemeenschap van goederen in te sluiten, is hier achterwege gebleven. Vergelijk het aangeteekende op artikel 6 der invoeringswet, ad artikel 194 w. v. s.

Artikel 106.

Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, weder-keerige verzekerings- of waarborgmaatschappij , coöperatieve of

-ocr page 132-

— 114

Artikel on 106, 107.

andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting zijn de bepalingen der artikelen 87—91 op de bestuurders, die van artikel 105 eerste lid op bestuurders en commissarissen toepasselijk.

Artikel 107.

De griffier is verplicht aan eiken schuldeischer op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, die ingevolge eenige bepaling dezer wet ter griffie worden neder-gelegd of zich aldaar bevinden.

„Of zich aldaar bevindenquot;. Deze woorden zijn aan het artikel toegevoegd om boven twijfel te stellen, dat het zich uitstrekt tot acten door den griffier opgemaakt, die niet gezegd kunnen worden ter griffie te worden nedergelegd, doch aldaar berusten.

VIJFDE AFDEELING.

Van de verificatie der schuldvorderingen.

In de wijze van verificatie wijkt de nieuwe wet van het wetboek van koophandel onder anderen op de volgende punten af:

1°, Tot de verificatie wordt eerst overgegaan na indiening en onderzoek der schuldvorderingen. Onder het wetboek van koophandel bleek het gemis der verplichting tot voorafgaande indiening der vorderingen een groot ongerief. Bij gebreke daarvan kwamen in nagenoeg elke verificatie-vergadering schuldeischers den curator verrassen met vorderingen, die gedurende de vergadering niet wel konden worden onderzocht en met de boeken vergeleken. De curator had alsdan te kiezen tusscheu het betwisten van wellicht juiste, en het zonder behoorlijk onderzoek toelaten van misschien onjuiste vorderingen, tenzij hij zich met de schuldeischers over uitstel kon verstaan, hetgeen echter bij de beslissing over een accoord niet altijd mogelijk was en in geen geval eene goede oplossing mocht heeten. Door het afhankelijk stellen der verificatie van voorafgaande indiening der vorderingen wordt het voordeel verkregen, dat de curator daarover aan de vergadering een praeadvies kan uitbrengen, waarnaar de schuldeischers zich bij de beoordeeling van elkanders vorderingen kunnen richten. De curator is toch, door de hem ten dienste utaande middelen van onderzoek, het best in staat om over de juistheid van elke vordering een oordeel uit te spreken, en neemt tegenover de schuldeischers een onpartijdig standpunt in. Laatstgenoemden zijn, in het bijzonder door het voorschrift van artikel 114, in de gelegenheid vooraf kennis te nemen van alle vorderingen, waarvan de verificatie gevraagd is. Tevens heeft het stelsel der

-ocr page 133-

— 115 —

Artikel 108.

wet deze goede zijde, dat, behoudens het Viepaalde bij artikel 119 derde lid, met ééne verificatie-vergadering kan worden volstaan.

2°. De schuldeifKjhers zijn niet meer verplicht de verificatie-vergadering bij te wonen. In elk faillissement vindt men een aantal vorderingen, die tot geene bedenkingen aanleiding geven en welker verificatie totdusver alleen bestond in het oproepen van den schuldeischer en het constateeren dat niemand zich tegen de erkenning verzette. Die formaliteit kwam den schuldeischers op tijdverlies of op de kosten van een gemachtigde te staan. Wel kwam de practijk daaraan tegemoet, doordat de curator zich belastte met het bezorgen der verificatie van tal van vorderingen en de rechtercommissaris hem als mondeling gemachtigde van schuldeischers toeliet; maar wettelijke voorziening verdient ongetwijfeld de voorkeur boven een zoodanig huismiddel.

3°. Betwiste vorderingen kunnen voorwaardelijk toegelaten worden. Bij gebreke van een dergelijk voorschrift in het wetboek van koophandel werd de loop van het faillissement door geschillen over de verificatie van vorderingen, in de eerste vergadering ingebracht, niet zelden jaren lang opgehouden. Al dien tijd moest de boedel in statu quo blijven. De verificatie der vorderingen kon niet eens worden voortgezet.

4°. Over beweerden voorrang wordt reeds bij de verificatie beslist; ook de medeschuldeischers kunnen dien alsdan betwisten. De verificatie strekt tot vaststelling van de rechten der schuldeischers in het faillissement; daartoe is noodig dat over bedrag, aard en karakter der vordering beslist worde. Door de beslissing over beweerden voorrang tot de rangregeling te verdagen, gelijk onder het wetboek van koophandel vaste regel was, werd willekeurig gesplitst hetgeen ééne handeling behoort te zijn. Vooral in geval van accoord vloeiden hieruit allerlei moeilijkheden voort. Zoo werd ieder, die voorrang beweerde, van de stemming over het accoord uitgesloten, al kon later blijken dat hij slechts concurrent schuldeischer was. Zoo hing de positie van de schuldeischers, die voorrang beweerden, na homologatie van het accoord geheel in de lucht; velen hunner ondervonden, dat zij dan aan de genade van den schuldenaar waren overgeleverd , indien zij niet tegen dezen een kostbaar proces over de deugdelijkheid van den voorrang wenschten te voeren.

Terminologie. Het woord „verificatiequot; wordt gebezigd in den zin van „procedure tot vaststelling van het vorderingsrechtquot;. Van „verifiëerenquot; wordt gewaagd telkens wanneer algemeene voorschriften omtrent die vaststelling gegeven worden, bijvoorbeeld in ie artikelen 127 en volgende. De verificatie leidt hetzij tot „erkenningquot; der vordering (artikel 121 vierde lid), hetzij tot hare „voorwaardelijke toelatingquot; (artikelen 121 tweede lid, 125, 130 tweede lid, 135 tweede lid en 136 tweede lid). Voorts kent de wet „voorloopig erkendequot; vorderingen in de artikelen 112 en volgende.

Artikel 108.

De reehter-coimnissaris bepaalt binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan:

-ocr page 134-

— 116 —

Artikel 108.

1°. een termijn, vóór welks afloop de schuldvorderingen ingediend moeten worden ;

2°. dag, uur en plaats, waarop de verificatie-vergadering zal gehouden worden.

De termijn, onder 1°. vermeld, gaat in op den achtsten dag nadat de beschikking is genomen.

Tusschen het einde van den onder 1°. vermelden termijn en den dag der verificatie-vergadering moeten ten minste veertien dagen verloopen.

De tijd, den rechter-commissaris gesteld, dient om vertraging te voorkomen; de overige in dit artikel opgenomen termijnen hebben ten doel gelegenheid te geven tot indiening en onderzoek der schuldvorderingen. Het is niet raadzaam geacht den termijn voor de indiening der vorderingen en den dag der verificatie-vergadering reeds bij het vonnis van faillietverklaring te doen bepalen, omdat een en ander samenhangt met den meer of minder ingewikkelden aard van het faillissement, dien de rechtbank op dat tijdstip niet voldoende kan beoordeelen. De rechtercommissaris, die van den curator de noodige inlichtingen ontvangt, bepaalt termijn en dag en is daarbij , behoudens het voorschrift in den aanhef van het artikel, aan geen maximum van tijd gebonden.

Het ontwerp der staatscommissie gaf aan den rechter-commissaris voor zij ne beschikkingen slechts den tijd van eene week na de faillietverklaring, deed den termijn voor de indiening der vorderingen reeds eene week na de faillietverklaring ingaan, en stelde het in het laatste lid vermeld tijdsverloop op ten minste tien dagen. De wet wijkt hiervan af, eensdeels door langer termijnen , anderdeels door de beschikkingen van den rechter-commissaris voor te schrijven binnen een bepaalden tijd niet na de faillietverklaring, maar nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde gegaan is. Deze laatste wijziging was noodig om te voorkomen dat, terwijl de faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie alsnog aan vernietiging blootstaat, het faillissement inmiddels voortgang zou hebben en een accoord feitelijk zou zijn uitgesloten.

Intusschen heeft het stelsel der wet bepaaldelijk omtrent indiening en onderzoek der vorderingen, waarvan de voordeelen hierboven in het licht gesteld zijn, deze schaduwzijde, dat de behandeling van zeer eenvoudige faillissementen nog vrij lang zal duren. Het vonnis van faillietverklaring verkrijgt eerst kracht van gewijsde nadat de termijnen van hooger beroep of verzet, den schuldenaar bij artikel 8 toegekend, verstreken zijn. Aangenomen dat de rechter-commissaris terstond daarna de in het eerste lid bedoelde beschikkingen geeft, zoo gaat de termijn voor de indiening der vorderingen toch eerst eene week later in en zal hij in den regel wel niet minder dan veertien dagen beloopen. Daarbij komen weder ten minste veertien dagen voor het onderzoek der vorderingen door den curator en het ter inzage liggen der door hem op te maken lijsten volgens artikel 114. Tusschen het vonnis van faillietverklaring en de verificatie-vergade-

-ocr page 135-

— 117 —

Artikelen 108, 109, 110.

ring verstrijken dus, bij het betrachten van den meest mogelijiien spoed, ten minste zeven weken. Dit is voor kleine faillissementen niet weinig, al wordt daarna tijd bespaard, nu wegens betere voorbereiding slechts éóne verificatie-vergadering noodig is.

Artikel 109.

De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen , bedoeld in artikel 14.

De aanplakking ter beurze of aan het huis der gemeente, bij artikel 817 w. v. k. voorgeschreven, is achterwege gelaten. Evenmin is de aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant, waardoor volgens artikel 1-i het faillissement algemeene bekendheid verkrijgt, voor de hier bedoelde beschikkingen noodig geacht.

Artikel 110.

De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij den curator door de overlegging eener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van eene opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of recht van terughouding aanspraak wordt gemaakt.

De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvangbewijs te vorderen.

De indiening der vorderingen wordt niet aan een bepaalden vorm gebonden. Met den meest gewonen, indiening eener rekening, kan worden volstaan. Ook indiening ter griffie is niet voorgeschreven, daar zij slechts noodeloozen omslag zou medebrengen. Volgens het tweede lid kunnen de schuldeischers van den curator een ontvangbewijs vorderen. Dit ontvangbewijs levert, blijkens verklaring van de regeering in het verslag der commissie van voorbereiding, bewijs op van de indiening der vordering ter verificatie, die volgens artikel 36 stuiting der verjaring ten gevolge heeft. De bewijsstukken der vordering kunnen ook in afschrift, worden overgelegd , behoudens de bevoegdheid van den curator om inzage van het origineel te verlangen, artikel 111.

„Kecht van terughoudingquot;; vergelijk artikel 60 en het daarop aangeteekende.

-ocr page 136-

— 118 —

Artikelen 111, 112, 113.

Artikel 111.

De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de boeken en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating eener vordering bezwaar heeft, met den schuldeischer in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken, alsook inzage zijner boeken en der oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.

De curator legt de slotsom van dit zijn onderzoek neder in de plaatsing van elke ingediende vordering hetzij op de lijst van voorloopig erkende, hetzij op die van betwiste vorderingen, artikel 112. Het belang der scliuld-eisehers brengt mede de van hen verlangde gegevens bereidwillig te verstrekken , daar zij zich anders aan een verificatie-proces blootstellen. De bevoegdheid van den curator, om inzage van hunne boeken te vorderen, gaat vrij ver; intusschen bedenke men dat, zoo het tot een renvooi komt, openlegging van koopmansboeken reeds volgens artikel 12 w. v. k. dooiden rechter kan worden bevolen.

Artikel 112.

De curator brengt de vorderingen, die hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, die hij betwist, op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden der betwisting.

Artikel 113.

In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke vordering omschreven, en aangegeven of zij naar de meening van den curator bevoorrecht of door pand of hypotheek gedekt is, of wel ter zake der vordering recht van terughouding kan worden uitgeoefend. Betwist de curator alleen den voorrang, of het recht van terughouding, zoo wordt de vordering op de lijst der voorloopig erkende schuldvorderingen gebracht met aanteekening van deze betwisting en de gronden daarvan.

„Recht van terughoudingquot;; vergelijk artikel 60 en het daarop aan-geteekende.

-ocr page 137-

— 119 —

Artikelen 114, 115, 116.

Artikel 114.

Van ieder der lijsten, in artikel 112 bedoeld, wordt een afschrift door den curator ter griffie van de rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht nedergelegd, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatie-vergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen van een ieder.

De nederlegging geschiedt kosteloos.

„En van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht.\' Deze redactie is door hare beknoptheid eenigszins onduidelijk. Het komt mij intusschen voor, dat nederlegging van de hier bedoelde lijsten ter griffie van het kantongerecht niet gevorderd wordt, indien dit in dezelfde gemeente als de rechtbank zetelt, daar toch voor dit geval in artikel 97 geen kantongerecht wordt aangewezen.

Artikel 115.

Van de krachtens artikel 114 gedane nederlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waarbij hij eeue nadere oproeping tot de verificatievergadering voegt en tevens vermeldt of een ontwerp-akkoord door den gefailleerde ter griffie is nedergelegd.

Het ligt in den aard der zaak, dat deze mededeelingen kunnen geschieden bij gedrukte brieven.

Artikel 116.

De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in persoon bij , ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, die hem door den rechter-commissaris gevraagd worden. De schuldeischers kunnen den rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen. De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgeteekend.

Onder het wetboek van koophandel was de gefailleerde bijna nooit ter verificatie-vergadering aanwezig. Zijne verschijning aldaar is echter altijd wenschelijk. Immers de schuldeischers hebben aanspraak op volledige

-ocr page 138-

— 120 —

Artikelen 116, 117, 118.

opening van zaken; en de gefiiilloerde is dikwijls in staat tot het verstrekken van inlichtingen, die niemand anders geven kan. Daarom legt dit artikel, zonder deu gefailleerde aan liet openbaar verhoor van de engelsche wet te onderwerpen, hein de verplichting op in persoon ter verificatievergadering te verschijnen en aldaar de hem door den rechter-commissaris gevraagde inlichtingen te geven.

Terwijl eene vergadering der schuldeischers geen voortgang zou kunnen hebben, indien de curator mocht wegblijven zonder zich te doen vertegenwoordigen, gaat de verificatie-vergadering ook bij afwezigheid van den gefailleerde door. Om dit te doen uitkomen wordt, in tegenstelling met de redactie van artikel 80 tweede lid: de tegenwoordigheid van den curator enz. is verplicht, hier alleen gezegd dat de gefailleerde de vergadering in persoon bijwoont. Oveiigens wordt de nakoming van deze verplichting van den gefailleerde gewaarborgd door artikel 89 benevens door artikel 194 w. v. s.

Daar de gefailleerde zich niet kan doen vertegenwoordigen, maar in persoon moet verschijnen, komt hem niet het recht toe, zich door een advocaat te doen vergezellen. Dit kan hem evenwel door den rechtercommissaris worden toegestaan, evenals het medebrengen van een boekhouder, agent, enz. Een en ander wordt geheel aan de prudentie van den rechter-commissaris overgelaten.

De schuldeischers mogen zelf den gefailleerde geen vragen doen, maar kunnen den rechter-commissaris verzoeken hem omtrent bepaalde punten inlichtingen te vragen. Het artikel draagt aan den rechter-commissaris op te beslissen, of eene door een schukleischer gestelde vraag al dan niet aan den getailleerde zal gedaan worden. Ongepaste of beleedigende vragen zullen aldus worden vermeden. In het algemeen zal de rechter-commissaris, die de vergadering leidt, tegen onaangename bejegening waken.

Artikel 117.

Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, weder-keerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorig artikel den gefailleerde opgelegd.

Komen zij die verplichting\'zonder geldige reden opzettelijk niet na, zoo is artikel 89 op hen van toepassing ingevolge artikel 106.

Artikel 118.

De schuldeischers kunnen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en vaa def formaliteit van registratie.

-ocr page 139-

— 121 —

Artikelen 118, 119.

De schukleischers zijn niet verplicht de vergadering bij te wonen: verzet zich niemand tegen de toelating eener vordering , zoo geschiedt de erkenning ook bij afwezigheid van den schuldeischer. Aanvankelijk gingen in de eerste zinsnede de woorden „in persoon of bij gemachtigdequot; aan het woord „verschijnenquot; vooraf, zoodat men, in strijd met de bedoeling, het artikel kon lezen alsof het den schukleischers slechts de keus gaf tusschen beide wijzen van verschijning. De tegenwoordige redactie is gekozen om duidelijk uit te drukken, dat verschijning ter vergadering voor de schukleischers facultatief is.

„Bij gemachtigdequot;. In het oorspronkelijk ontwerp werd gelezen: „bij schriftelijk gevolmachtigdequot;; de staatscommissie wilde namelijk een einde maken aan de uiteenloopende practijk ten deze onder het wetboek van koophandel en in het vervolg alleen eene schriftelijke volmacht als geldig doen beschouwen. In het verslag der commissie van voorbereiding werd hiertegen geen bedenking gemaakt, maar de wensch geuit om te doen uitkomen, dat die volmacht vrij van zegel en registratie zou zijn, waartoe de commissie terecht het tweede lid van artikel 17 onvoldoende achtte. Aan dien wensch werd, door bijvoeging der tweede zinsnede, voldaan; maar tevens werd, door weglating van het woord „schriftelijkquot; vóór „gemachtigdequot;, wederom de deur geopend voor mondeling gemachtigden.

Artikel 119.

Op de vergadering leest de rechter commissaris de lijst der voorloopig erkende en die der door den curator betwiste schuldvorderingen voor. Ieder der op die lijsten voorkomende schuld-\'eischers is bevoegd den curator omtrent elke vordering en hare plaatsing op een der lijsten inlichtingen te vragen, of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde recht van terughouding te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van den curator aansluit.

De curator is bevoegd op de door hem gedane voorloopige erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen, dat de schuldeischer de deugdelijkheid zijner noch door den curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvordering onder eede bevestige; indien de oorspronkelijke schuldeischer overleden is, zullen de rechthebbenden onder eede moeten verklaren, dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is.

Bestaat er behoefte aan verdaging der vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechter-commissaris aan te wijzen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet.

-ocr page 140-

— 122 —

Artikelen 119, 120.

Eerste lid. De schuldeisehers kunnen de hier bedoelde inlichtingen slechts vragen en van hun recht van betwisting slechts gebruik maken, wanneer zij in persoon of bij gemachtigde ter vergadering verschenen zijn, niet ook schriftelijk bij afwezigheid. Stond hun dit laatste vrij, een van de doeleinden der vergadering, het bespreken van bezwaren en zoo mogelijk uit den weg ruimen van geschillen, zou worden gemist.

„Recht van terughoudingquot;; vergelijk artikel 60 en het daarop aangeteekende.

Tweede lid. Artikel 823 w. v. k. gaf aan elk opgekomen schuldeischer en aan den curator het recht, beëediging van elke ter verificatie aangeboden vordering te vragen. In het oorspronkelijk ontwerp was geen dergelijk voorschrift opgenomen, op grond dat het vorderen van beëediging van de deugdelijkheid eener vordering een hatelijk middel is, waartoe men gewoonlijk slechts zijne toevlucht neemt om een blijk van wantrouwen te geven wanneer men geen renvooi aandurft of verlangt. Op aandrang van den raad van state en van de commissie van voorbereiding is het recht om beëediging te vorderen thans aan den curator,, doch niet aan de schuldeisehers toegekend. Aldus beperkt, kanTde bevoegdheid tot eedsoplegging in menig geval nuttig werken, terwijl de bezwaren, aan de vroegere regeling verbonden, vermeden zijn.

Derde lid. Ook dit voorschrift kwam in het ontwerp der staatscommissie niet voor en is op advies van den raad van state aan het artikel toegevoegd. Het komt in hoofdzaak overeen met artikel 832 w. v. k. Behoefte aan verdaging der vergadering bestaat bijvoorbeeld, wanneer de werkzaamheden niet op éénen dag kunnen afloopen, of wanneer tegen de juistheid eener vordering of tegen haar beweerden voorrang bezwaren worden ingebracht i die bij afwezigheid van den schuldeischer niet zijn op te lossen of om andere redenen een nader onderzoek gewenscht maken. De vergadering kan slechts éénmaal verdaagd worden. Vertraging en verhoogde kosten worden zooveel doenlijk beperkt door de bepaling, dat zij binnen acht dagen, zonder nadere oproeping, wordt voortgezet.

Artikel 120.

De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gemachtigde afgelegd in handen van den rechter-cominissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een lateren door den rechtercommissaris te bepalen dag. De volmacht kan ondershands worden verleend.

Indien de schuldeischer, aan wien de eed is opgedragen, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van den voor de eedsaflegging bepaalden dag.

-ocr page 141-

— 123 —

Artikelen 120, 121.

De rechter-coramissaris geeft den schuldeischer eene verklaring van de eedsaflegging, tenzij de eed wordt afgelegd in eene vergadering van schuldeischers, in welk geval van de aflegging aan-teekening wordt gehouden in het proces-verbaal dier vergadering.

Het is geen vereischto, dat de eed in eene vergadering der schuldeischers wordt afgelegd; dit zou ondoelmatig zijn, nu in den regel slechtsééne verificatie-vergadering gehouden wordt. Heeft de eedsaflegging in eene vergadering der schuldeischers plaats, zoo strekt de aanteekening daarvan in het proces-verbaal — die volgens het derde lid altijd moet worden gehouden, al is de vergadering tot andere doeleinden belegd — den schuldeischer tot bewijs; anders verkrijgt hij een bewijsstuk in de hem af te geven verklaring van den rechter-cominissaris.

Artikel 121.

De vorderingen, welke niet betwist worden, worden overgebracht op eene in het proces-verbaal op te nemen lijst van erkende schuldeischers. Op het papier aan order en aan toonder wordt door den curator de erkenning aangeteekend.

De schuldvorderingen, van welke de curator de beëediging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van den eed, op den bij het eerste lid van artikel 120 bedoelden tijd, over hare toelating definitief zal zijn beslist.

Het proces-verbaal der vergadering wordt onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier.

De in het proces-verbaal der vergadering opgeteekende erkenning eener vordering heeft in het faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog kan de curator vernietiging daarvan-vorderen.

Eerste lid. Aanteekening der erkenning op papier aan order en aan toonder is gewenscht wegens de verhandelbaarheid van dit papier, en, wat papier aan toonder betreft, ook noodig met het oog op artikel 134.

Berde. lid. Het proces-verbaal wordt na afloop der vergadering ter inzage van belanghebbenden ter griffie nedergelegd, een en ander kosteloos, artikel 137.

Vierde lid. Dc erkenning dient om de rechten der schuldeischers in liet faillissement onherroepelijk vast te stellen en wordt daarom met een rechterlijk gewijsde gelijkgesteld. Het voorschrift omvat ook de erkenning

-ocr page 142-

— 124 —

Artikelen 121, 122.

van den voorrang; zie over den zin van het woord „vorderingquot; het aan-geteekende op artikel 122 vierde lid.

Voldoende waarborgen voor juiste opteekening vindt men in de geheele voorbereiding, in de lijsten van artikel 112, die door ieder schuldeischer kunnen worden gecontroleerd, in de voorlezing door den rechter-commis-saris. Eene bepaling in den geest van artikel 149 zou hier misplaatst zijn. Daar geldt het eene berekening, waarvan verbetering kan gevraagd worden , indien uit de stukken zelve blijkt dat zij foutief is. Hier daarentegen heett de griffier slechts te constateeren hetgeen te zijnen overstaan geschiedt, hetzelfde te doen als elk openbaar ambtenaar, die een procesverbaal bijvoorbeeld van openbaren verkoop verlijdt.

Artikel 122.

De rechter-coramissaris verwijst, in geval van betwisting, de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen, en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt.

De procureurs, die voor partijen optreden, verklaren dit bij de oproeping der zaak ter terechtzitting.

: De zaak wordt summier behandeld.

Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijne aanvrage te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de rechter de vordering.

Schuldeischers, die ter verificatie-vergadering geene betwisting hebben gedaan, kunnen in het geding zich niet voegen noch tusschenkomen.

Strekking van het artikel. Hier worden eenige voorschriften gegeven ter regeling van de wijze, waarop de zaak door renvooi aanhangig wordt, van de gevolgen van niet-verschijning van eene der partijen, enz. Overigens wordt de zaak behandeld gelijk elke andere; de bepaling van het derde lid heeft hare beteekenis verloren sedert het in werking treden van de wet van 7 Juli 1896 {staatsblad nquot;. 103), houdende wijzigingen in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Eene bijzondere wijze van procedeeren, gelijk voor de faillietverklaring, de homologatie van het ac-coord en het verzet tegen de uitdeelingslijst, is voor verificatie-geschillen niet voorgeschreven. Hun onderwerp vertoont geen eigenaardig karakter; de rechtsstrijd loopt hier, evenals in elk ander geding, over de vraag of en in hoever de eischer een vorderingsrecht kan doen gelden. Het tweede lid van artikel 834 w. v. k., waarbij beslissing van alle verificatie-geschil-len zooveel mogelijk bij een en hetzelfde vonnis bevolen werd, bleef dan ook in den regel buiten toepassing.

-ocr page 143-

— 125 —

Artikelen 122, 123.

De curator behoeft niet in het geding te worden geroepen, war.neer hij de vordering niet betwist heeft; de bepaling van artikel 834 eerste lid w. v. k. is niet overgenomen.

ïen aanzien van het stellen van zekerheid door vreemdelingen gelden de algemeene regelen.

Eerste lid. „Voor zoover het geschil niet reeds aanhangig isquot;: in dat geval is artikel 29 van toepassing.

„De rechtbankquot; is die, waartoe de rechter-commissaris behoort en waarbij het faillissement aanhangig is. Hare bevoegdheid om van verili-catie-geschillen kennis te iiemeu staat reeds krachtens deze bepaling vast, daar het anders geen zin zou hebben de partijen naar haar te verwijzen.

Vierde lid. Verstek wordt hierdoor uitgesloten. Bij niet-verschijning van hem, die de veriticatie vraagt, kan de wederpartij ontslag van de instantie vragen, met veroordeeling van den eischer in de kosten, of eenvoudig de zaak doen royeeren. Bij niet-verschijning van hem, die de verificatie betwist, kan de eischer de erkenning der vordering doen uitspreken, met veroordeeliug dei wederpartij in de kosten.

„En erkent de rechter de vorderingquot;. De erkenning wordt in het vonnis opgenomen en bezit dezelfde kracht als die ter verificatie-ver-gadering: niet alleen in dit geval, maar ook indien, na verschijning dei-betwistende partij, de betwisting ongegrond verklaard wordt.

„Vorderingquot; is hier, evenals op andere plaatsen van den tekst, nomen generis en omval, behalve de eigenlijke schuldvordering zelve, tevens den voorrang.en het recht van terughouding. Aldus verklaarde de minister bij Tie beraadslaging\'in de tweede kamer, na overleg met de commissie van voorbereiding en met intrekking van een door hem gedaan voorstel, om hier en in de beide volgende artikelen ook den voorrang te vermelden. Bijgevolg moet de rechterlijke erkenning zich eventueel ook tot den voorrang en het recht van terughouding uitstrekken.

Vijfde lid. Immers van de schuldeischers mag worden verlangd, dat zij hunne bezwaren tegen de verificatie eener vordering te berde brengen in de juist daartoe dienende verificatie-vergadering.

Artikel 123.

De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder bewijs gehouden, dan hij tegen den gefailleerde zelf zoude moeten leveren.

Blijkens de toelichting en de uitvoerige schriftelijke gedachten wisseling, aan dit artikel gewijd, bedoelt het uit te maken dat de curator en de schuldeischer, die de betwisting doet, niet als derden in deu zin van

-ocr page 144-

— 12fi —

Artikel 123.

artikel 1917 b.w. te beschouwen zijn. Het geldt hier eene zeer betwiste vraag, die onder het wetboek van koophandel door den hoogen raad in den zin der nieuwe wet\'werd beantwoord. Theoretisch is voor deze oplossing veel te zeggen. Immers de getailleerde blijft eigenaar van den boedel; de curator of de schuldeiscber, die eene vordering betwist, doet slechts de rechten van den gefailleerde gelden, zij het ten bate der gezamenlijke schuldeischers. Vergelijk de inleiding, bladz. 5. Uit een practisch oogpunt wordt voor het stelsel der wet aangevoerd dat men, door den curator en den schuldeiscber, die de betwisting doet, als derden aan te marken, de schriftelijke bewijzen van vele rechtmatige vorderingen tot scheurpapier zou maken. ïe goeder trouw opgemaakte acten plegen toch niet geregistreerd te worden. Door daaraan, ten aanzien barer dagteeke-ning, bewijskracht tegen den curator te ontzeggen, zou men dezen met eene waarlijk despotische macht bekleeden. Niet verplicht ongeregistreerde acten te erkennen, zou hij naar willekeur den eenen schuldeiscber kunnen toelaten, den anderen een moeilijk of in het geheel niet te leveren bewijs kunnen opleggen. En de gefailleerde zou zich met een zijner schuldeischers kunnen verstaan om de overige schuldeischers, die hem niet aanstonden of ongezind waren voor een accoord te stemmen, buiten het faillissement te houden. Zeker kan met onderhandsche acten bedrog gepleegd worden; maar dit is geen voldoende reden cm een stelsel in te voeren, vierkant in strijd met den regel, dat goede trouw ondersteld wordt, kwade trouw moet worden bewezen.

Hoe breed men deze bezwaren tegen toepassing van de leer der date certaine uitmete, tegen het beginsel der wet gelden eveneens practische bedenkingen, die mijns inziens zwaarder hadden moeten wegen. Het is bekend dat in vele faillissementen beproefd wordt den boedel te berooven door middel van geantidateerde acten. Dit kan geschieden door schuldbekentenissen, voor de gelegenheid opgemaakt, maar ook door fictieve kwijtingen van bestaande inschulden, door acten, volgens welke goederen tot den boedel behoorend aan een derde zouden toekomen en door den gefailleerde slechts in huur of bruikleen zouden worden bezeten, enz. Tegenover deze kwade praktijken staat de curator, volgens de thans door de wet bevestigde leer van den hoogen raad, veelal machteloos: niet alleen bij de verificatie, maar ook in andere gevallen, waarin hij krachtens het bij dit artikel gehuldigd beginsel evenmin als derde kan worden beschouwd. Hetgeen door den gefailleerde schriftelijk als juist erkend is, zal de curator en zullen de overige schuldeischers moeten laten gelden, zoolang zij niet kunnen bewijzen, dat de dagteekening der acte verd:cht is en deze is opgemaakt nadat de gefailleerde de beschikking en het beheer over zijn vermogen verloren had. Wel kan de curator de nietigheid van in fraudem crediiorum verrichte handelingen inroepen of kan de strafrechter krachtens de artikelen 340 en volgende w. v. s. tusschen beide komen; maar zeer dikwijls zal, bij gebreke van het noodige bewijsmateriaal, deze bescherming van den boedel onvoldoende blijken en die van artikel 1917 b. w. noode worden gemist.

Ook in verificatie-gedingen kan de gefailleerde, die immers de beschikking en het beheer over zijn vermogen derft, niet op vraagpunten gehoord worden en kan hem geen eed worden opgelegd, behoudens de uitzondering van artikel 32. Vergelijk het aangeteekende op dat artikel.

-ocr page 145-

— 127 —

Artikelen 123, 124, 125.

Op de vraag, in bet verslag der commissie van voorbereiding gedaan, of indien de curator reconventioneel ageert, het. beginsel van dit artikel voor den schuldeischer ook tot afwering der reconventioneele vordering zal gelden, antwoordde de regeering dat alsdan op den curator de bewijslast zijner vordering rust, terwijl dit artikel een voorschrift bevat omtrent den op den schuldeischer rustenden bewijslast.

Artikel 124.

Indien de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de gedane betwisting en verwijzing.

De schuldeischer kan zich in het geding op het ontbreken dier kennisgeving niet beroepen.

De kennisgeving geschiedt, volgens verklaring der regeering, bij brief, op betrouwbare wijze te bezorgen of met de post te verzenden. Daar het verloren gaan van aan de post toevertrouwde brieven, die geen waarde bevatten, tot de groote zeldzaamheden behoort, is het niet noodig geacht, verzending bij aangeteekenden brief voor te schrijven. Met dat al zal een schuldeischer, die de vergadering niet bijwoonde, voorzichtig handelen door zich bij den griffier of bij den curator omtrent de verificatie zijner vordering te vergewissen.

Artikel 125.

Vorderingen, die betwist worden, kunnen door den rechtercommissaris voorwaardelijk worden toegelaten tot een bedrag door hem te bepalen. Wanneer de voorrang betwist wordt, kan deze door den rechter-commissaris voorwaardelijk worden erkend.

Van de in dit artikel vermelde beschikkingen valt geen hooger beroep, artikel 67 tweede lid. Zij praejudiciëeren geenerlei recht, daar zij alleen aanleiding geven tot provisioneele maatregelen, artikelen 161 en 189.

In de hier geopende gelegenheid tot voorwaardelijke toelating van betwiste vorderingen mag men eene groote verbetering zien. Vergelijk hierboven, bladz. 115. Zij kan niet alleen voorkomen, dat de loop van het faillissement door verificatie-geschillen wordt opgehouden, maar ook een einde maken aan het vragen van renvooi met nevenbedoelingen. De bepaling van artikel 831 tweede lid w. v. k. is namelijk meermalen misbruikt om alle na de eerste verificatie-vergadering opkomende schuldeischers, van wie men verwachtte dat zij tegen een aangeboden accoord zouden stemmen , van de stemming daarover uit te sluiten, door voor de leus hunne vorde-

-ocr page 146-

— 128 —

Artikelen 125, 126.

ringen te betwisten. In liet vervolg zullen de voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeiscEërs aan de stemming over het accoord deelnemen. Dit kan eenig bezwaar opleveren, in zoover het lot van een aceoord somtijds kan afhangen van eene voorwaardelijk toegelaten vordering, die latei-door den rechter ontzegd wordt. De kans daarop zal echter gering zijn, wanneer de rechter-commissaris van deze zijne bevoegdheid slechts gebruik maakt, zoo de vordering hem voorshands voldoende gestaafd voorkomt.

Voorwaardelijke erkenning van betwisten voorrang kan voor den schuld-eischer van groot nut zijn met het oog op de bepaling van artikel 164, waardoor voorkomen wordt dat hij na de homologatie van het accoord achter het net vissche, wanneer zijn voorrang door den rechter erkend wordt.

Artikel 126.

Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating eener vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, zicli te verzetten. In dit geval geschiedt in het proces-verbaal aanteekening van de betwisting en van hare gronden, zonder verwijzing van partijen naar de rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wordt verhinderd.

Betwisting, waarvoor geene gronden worden opgegeven, of welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend, en welk betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt

De erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak: in het faillissement ook ondanks verzet van den gefailleerde, artikel 121 vierde lid; na homologatie van het accoord of na afloop der vereffening tegen den gefailleerde, tenzij deze ter verificatie-vergadering de vordering betwist heeft, artikelen 159, 196 en 197. Het stelsel, in deze artikelen gehuldigd,is nieuw. Onder het wetboek van koophandel ging de verificatie buiten den gefailleerde om en werd deze daardoor niet gebonden, zoodat de in het faillissement erkende schuldeischer na afloop van het faillissement aan de verificatie generlei recht ontleende, maar genoodzaakt kon worden tot een proces te^en den schuldenaar om zijn recht tegenover dezen te doen vaststellen of een executorialen titel tegen hem te verkrijgen. Thans bindt de verificatie den gefailleerde na beëindiging van het faillissement, indien hij zich ter verificatie-vergadering niet tegen de toelating der vordering verzet heeft. De bevoegdheid daartoe, hem bij dit artikel toegekend, is een noodzakelijk gevolg van het beginsel, omtrent de rechtskracht van de erkenning dei-vorderingen aangenomen. Het zou niet aangaan aan eenigen schuldeischer een executorialen titel tegenover den schuldenaar te verleenen, zoolang deze niet in de gelegenheid geweest is de vordering van genen te betwisten.

Die betwisting wordt in het proces-verbaal aangeteekend, maar leidt

-ocr page 147-

— 129 —

Artikel 126.

niet tot renvooi en belet de erkenning der vordering in het failliseruent niet. Het vorderingsrecht van elk schuldeischer in den boedel vloeit voort uit de erkenning door den curator en de overige schuldeischers, onverschillig of de gefailleerde al dan niet van zijn recht van verzet gebruik maakt. Maar door dit te doen, behoudt de gefailleerde zich het recht voor om zich na afloop van het faillissement tegen de vordering te verweren, voorkomt hij dat de schuldeischer een executorialen titel tegen hem ver-krijgt, die na homologatie van het accoord of na afloop der vereffening kan worden ten uitvoer gelegd. De schuldeischer, wiens vordering ter verificatievergadering door den gefailleerde betwist werd, kan zijne rechten tegenover dezen na het einde van het faillissement slechts op de gewone wijze doen gelden. Het stelsel der wet heeft mitsdien de strekking om chica-neuse verweringen tegen te gaan, zonder den gefailleerde te belemmeren in zijn recht om ongegronde vorderingen te bestrijden.

De gefailleerde zou van de hem toegekende bevoegdheid misbruik kunnen maken, door zich tegen de toelating van alle vorderingen te verzetten, ten einde aan de bepalingen der artikelen 159 en 196 te ontkomen. Het tweede lid strekt om dit misbruik tegen te gaan. Het verplicht den gefailleerde zijne betwisting behoorlijk te motiveeren, opdat zij niet ontaarde in een formulier, waarbij alle vorderingen betwist worden. Aan de schuldeischers is bij artikel 119 die verplichting niet opgelegd, omdat chicaneuse betwisting hunnerzijds wegens de gelegenheid tot voorwaardelijke toelating , geen doel zou treffen en derhalve niet te duchten is.

Het artikel is niet geheel zonder tegenstand in de wet opgenomen. Op grond van den ingewikkelden rechtstoestand waarin de schuldeischer geraakt, wiens vordering in het faillissement erkend maar door den gefailleerde betwist wordt, wenschte de raad van state het eerste lid van dit artikel te doen vervallen. In een afzonderlijk advies van de staatsraden mrs.jhr. De Jonge en De Vries Az. werd terecht hiertegen ingebracht, dat de bepalingen van dat eerste lid naast de artikelen 159 en 196 onmisbaar zijn. Genoemde leden vereenigden zich met het denkbeeld, door den raad van state subsidiair in overweging gegeven, om ook in geval van betwisting door den gefailleerde verwijzing naar de rechtbank voor te schrijven. Dit ware echter geheel in strijd met de stelling, die de gefailleerde bij de verificatie behoort in te nemen, en vond dan ook bij de regeering geen ingang.

Een ander bezwaar werd in de afdeelingen der eerste kamer te berde gebracht. Daar werd betoogd dat het artikel, in het stelsel waarvan het deel uitmaakt, het recht van verdediging van den gefailleerde niet voldoende waarborgt. Waar de verificatie eene res judicata tegen hem kan scheppen, moest hem het recht verleend zijn om zich ter vergadering door zijn rechtsgeleerden raadsman te doen vergezellen, en behoorde de toelating van dezen- niet aan de prudentie van den rechter-commissaris te zijn overgelaten (vergelijk artikel 116 en het daarop aangeteekende). Ook mocht gevraagd worden, waarom het recht van verzet van den gefailleerde werd gebonden aan de voorwaarde, dat de betwisting gemotiveerd zij en dat zij, indien zij niet de geheele vordering omvat, aan wijze wat erkend en wat betwist wordt; met welk recht den gefailleerde de aan elk gedaagde toekomende bevoegdheid onthouden werd om zich tot eene eenvoudige ontkenning zonder opgave van gronden te bepalen. De regeering antwoordde, dat van verkorting van den gefailleerde in zijne verdediging hier

9

-ocr page 148-

— 130

Artikelen 126, 127.

inderdaad geen sprake zijn kan. De gefailleerde heeft ter verificatie-vergadering in het geheel geene verdediging te voeren. Hij behoeft slechts op de wijze, in het artikel aangeduid, de vordering te betwisten; daardoor alleen reeds behoudt hij zich de bevoegdheid voor om zich later tegen de vordering te verweren. Hij moet summier opgave doen van de gronden van zijn verzet; daarbij heeft hij geene rechtsvragen te behandelen, maar slechts de redenen mede te deelen, waarom hij oordeelt niets of niet zooveel als beweerd wordt schuldig te zijn. Of die redenen juist zijn, wordt ter vergadering niet uitgemaakt. De eisch eener gemotiveerde betwisting is noodig, om het verzet niet in eene ijdele vertooning te doen ontaarden, en volstrekt niet onredelijk. Dat elk gedaagde het recht zou hebben om zonder opgave van redenen eenvoudig te ontkennen, is niet juist; artikel 139 (thans 141) w. v. b. rv. vordert van den gedaagde eene met redenen omkleede verwering, en daaraan voldoet eene eenvoudige ontkenning niet. Overigens kan motiveering den gefailleerde bij eene betwisting bona fide niet moeilijk vallen. Heeft hij werkelijk gronden van tegenspraak, hij zal die, waar het zijne eigen, door hem gedane zaken geldt, zonder bezwaar kunnen opgeven en daardoor de werking der verificatie als res judicata kunnen voorkomen.

„Zonder dat daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wordt verhinderd.quot; De vordering, niet door den curator noch door een der schuldeischers, maar alleen door den gefailleerde betwist, wordt in het faillissement erkend, niet slechts voorwaardelijk toegelaten: artikel 125 is op dit geval niet van toepassing.

Artikel 127.

Vorderingen, na afloop van den in artikel 108, 1°. genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bij den curator ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een der aanwezige schuldeischers daartegen bezwaar maakt.

Vorderingen, daarna ingediend, worden niet geverifieerd.

De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet toepasselijk, indien de schuldeischer buiten het Rijk in Europa woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.

In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld, of van geschil over het al dan niet aanwezig zijn der verhindering, in het derde lid bedoeld, beslist de rechter-commissaris, na de vergadering te hebben geraadpleegd.

Op verzuim van tijdige indiening der schuldvorderingen wordt hier eene sanctie gesteld. Zonder deze zouden de voorafgaande indiening en het onder-

-ocr page 149-

— 131 —

Artikelen 127, 128—131.

zoek door den curator veelal eene doode letter blijven. De schulieischers, wier vorderingen bij gebreke van tijdige indiening niet geveriflëem worden, verliezen in het faillissement niet alle recht (zie de artikelen 178, 186, 191), maar kunnen niet deelnemen aan de stemming over een aangeboden accoord. Dit kan nuttig werken om het misbruik tegen te gaan, dat de gefailleerde op het laatste oogenblik allerlei dubieuse schuldeisehers in het veld brengt om het accoord, dikwijls tegen den zin van grootere schuld-eischers, door te drijven.

Vierde lid. Tegen het eerste lid werd de bedenking gemaakt, dat aldus een enkel, wellicht slechts voorwaardelijk toegelaten schuldeischer zonder opgave van redenen de verificatie van de bedoelde vorderingen kan verhinderen. Om daaraan tegemoet te komen, is deze bepaling aan het artikel toegevoegd. De beslissing van den rechter-commissaris is niet aan hooger beroep onderworpen, artikel 67 tweede lid. .

Artikel 128.

Interesten, na de faillietverklaring loopende, kunnen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeischer uit deze verificatie geene rechten ontleenen.

Strekking der artikelen 128 —131. Aan de regelen, in deze artikelen gesteld, ligt het beginsel ten grondslag, dat de schuldeischers in het faillissement concurreeren voor het bedrag, dat zij ten tijde der faillietverklaring te vorderen hebben. De dag der faillietverklaring fixeert hunne rechten.

Artikel 128. Verificatie van interessen, na de faillietverklaring loopend, ware met voormeld beginsel in strijd. Intusschen wordt eene uitzondering toegelaten voor interessen, door pand of hypotheek verzekerd, waarop de schuldeischer een verkregen recht heeft. Maar dat recht reikt niet verder dan de opbrengst van het onderpand. De regel, dat na de faillietverklaring loopende interessen niet geverifieerd worden, herleeft, wanneer zij niet op het onderpand kunnen worden verhaald; uit den boedel worden de bedoelde interessen niet voldaan, tenzij voorzoover eenig deel van het vermogen daarvoor speciaal verbonden is. De verificatie daarvan kan dan ook alleen pro memorie geschieden, daar eerst na het te gelde maken van het onderpand kan blijken, in hoever de schuldeischer tegenover den boedel recht op interessen kan doen gelden.

De uitzondering strekt zich niet uit tot interessen van vorderingen, waarvoor recht van terughouding wordt uitgeoefend, noch tot die van bevoorrechte inschulden, zooals de niet door hypotheek gedekte renten

-ocr page 150-

— 132 —

Artikelen 128, 129, 130, 131.

van het slot van rekening van den voogd of curator, artikelen 471, 506 en 1195 nn. 7 b. w. Die interessen kunnen derhalve, naar ik meen, slechts tot den dag der faillietverklaring geverifieerd worden.

Artikel 129.

Eene vordering onder eene ontbindende voorwaarde wordt voor het geheele bedrag geverifieerd, onverminderd de werking der voorwaarde, waaneer zij vervuld wordt.

„Onverminderd de werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordtquot;: alsdan zal de sohuldeischer het ontvangene moeten teruggeven.

Artikel 130.

Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring.

Indien de curator en de schuldeischers het niet eens kunnen worden over deze wijze van verificatie, wordt zoodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.

Bij vorderingen onder opschortende voorwaarde is het bestaan van het vorderingsrecht afhankelijk van de vervulling der voorwaarde en dus onzeker. Streng genomen moet derhalve worden afgewacht of de voorwaarde al dan niet vervuld wordt, en kan de vordering inmiddels alleen voorwaardelijk worden toegelaten. Kunnen de curator en de schuldeischers zich evenwel verstaan omtrent de waardeering der kans, die het vorderingsrecht beheerscht, zoo kan de vordering geverifieerd worden voor hare comptante waarde op het tijdstip der faillietverklaring. Vergelijk hierover het aangeteekende op artikel 131.

„Het eens wordenquot; is eene gemeenzame uitdrukking, die mij voorkomt eenstemmigheid van den curator en alle ter verificatie-vergadering aanwezige schuldeischers te vorderen.

Artikel 131.

Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring.

Alle schuldvorderingen , vervallende binnen één jaar na den dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden be-

-ocr page 151-

— 133 —

Artikel 131.

handeld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar sedert den aanvang van het faillissement.

Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kanagenot , waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet.

De regel is, dat niet-opeischbare vorderingen voor de verificatie herleid worden tot hare comptante waarde op den dag der faillietverklaring. Die herleiding wordt echter niet toegepast op vorderingen met tijdsbepaling, binnen het jaar daarna vervallend, terwijl vorderingen met tijdsbepaling, later dan een jaar daarna vervallend, herleid worden tot de comptante waarde, die zij een jaar na de faillietverklaring bezitten.

De factoren, waarop bij die berekening moet gelet worden, zijn in het derde lid aangewezen. Bestaat onzekerheid omtrent het tijdstip van de opeischbaarheid der vordering of omtrent den duur der periodieke uit-keeringen, waarop de vordering recht geeft — men denke bijvoorbeeld aan verschillende vormen van levensverzekering en aan lijfrenten — zoo zal hare comptante waarde zijn te bepalen met behulp der waarschijnlijkheidsrekening. Bij rentedragende vorderingen wordt rekening gehouden met den bedongen rentevoet; hare comptante waarde op den dag der faillietverklaring hangt af van het bedrag der bedongen rente in verband met het tijdstip der opeischbaarheid. Overigens is de rentevoet, die aan de berekening ten grondslag moet liggen, niet bepaald. De staatscommissie wilde de berekening doen geschieden op den grondslag van den wette-lijken rentevoet. Hiertegen werden evenwel, onder anderen in het advies van de kamer van koophandel en fabrieken te Groningen, bedenkingen ingebracht; en in het ontwerp, zooals het aan de tweede kamer werd ingezonden, werd de wettelijke rentevoet niet meer als grondslag der berekening vermeld. „De wettelijke rentevoet van 5 pet. in burgerlijke en 6 pet. in handelszaken, hoewel daartoe schijnbaar aangewezen, is voor het hier beoogde doel in verloop van tijd een onbruikbare maatstaf geworden. Werd hij hier gebruikt, men zou tot\' onhoudbare uitkomsten geraken. Trouwens de wet van 22 December 1857 [staatsblad nn. 171) heeft meer bepaaldelijk regeling der moratoire interessen op het oog en is geenszins geschreven om eene toepassing te vinden als in dit artikel bedoeld. Bij de weinige vastheid van den rentestand scheen het niet wel mogelijk de wet in deze te laten beslissen en werd er de voorkeur aan gegeven in elk geval de beslissing over te laten aan het gemeen overleg van partijen, des noodig aan de deskundigen, wier advies wordt ingeroepenquot; (memorie van torlichting).

De regelen, in dit en in het vorig artikel gesteld, gelden ook voor vorderingen, door pand of hypotheek verzekerd, die ten tijde der faillietverklaring niet opeischbaar zijn en waarbij niet bedongen is, dat zij door het faillissement van den schuldenaar opeischbaar worden. Vergelijk artikel 57 tweede lid en het daarop aangeteekende.

-ocr page 152-

— 134 —

Artikelen 131, 132, 133.

Voor een voorschrift als dat van artikel 778 eerste lid w. v. k. was naast de bepalingen van dit artikel geene plaats meer.

Artikel 1820 b. \\v. is ingetrokken bij artikel 2 der invoeringswet.

Tweede lid. Hier worden bedoeld vorderingen met tijdsbepaling, die aanvankelijk ook in het eerste lid genoemd werden, doch daaruit geschrapt zijn op grond dat de daar gestelde regel op deze vorderingen nooit geheel van toepassing is. Schuldvorderingen, vervallend binnen het jaar na den aanvang van het faillissement, kunnen bijvoorbeeld zijn wissels en orderbriefjes, ten laste van den gefailleerde loopend, geldleeningen op korten termijn, vorderingen op jaarrekening te voldoen, enz. Herleiding van dergelijke vorderingen tot hare comptante waarde op den dag der faillietverklaring zou een omslag veroorzaken, dien de wetgever heeft willen vermijden. In verband hiermede is eene tweede uitzondering ten aanzien van vorderingen, later dan een jaar na de faillietverklaring vervallend, billijk geacht.

Artikel 132.

Schuldeischers, wier vorderingen door hypotheek of pand gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantoonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst dei-verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeischers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang.

Hunne rechten worden hierdoor niet gepraejudiciëerd. Aanvankelijk was aan het artikel toegevoegd, dat de taxatie in de boedelbeschrijving ten deze maatstaf van berekening is. Dit is achterwege gelaten, omdat die taxatie geheel buiten de bevoorrechte schuldeischers omgaat en met goedkeuring van den rechter-commissaris ook door den curator kan geschieden, terwijl zij zich tot roerende goederen bepaalt en zich niet tot zaken, den schuldeischers in pand gegeven, kan uitstrekken.

Artikel 133.

Vorderingen, waarvan de waarde onbepaaM, onzeker, niet in Nederlandsch geld of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunne geschatte waarde in Nederlandsch geld.

Bij de schatting van de waarde dezer vorderingen kan naar omstandigheden gehandeld worden. Mochten de curator en de schuldeischers zich daaromtrent niet kunnen verstaan, zoo kan de voorlichting van een deskundige worden ingeroepen.

-ocr page 153-

— 135 —

Artikelen 134, 135.

Artikel 134.

Schuldvorderingen aan toonder kunnen ten name van „toonderquot; geverifieerd worden. Iedere ten name van „toonderquot; geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk scliuld-eischer beschouwd.

Onder het wetboek van koophandel werden vorderingen aan toonder geverifieerd ten name van den houder ter verificatie-vergadering. Daardoor werd de handel bij voorbeeld in obligatiën, door eene gefailleerde maatschappij uitgegeven, zeer bemoeilijkt. De thans toegelaten wijze van verificatie van vorderingen aan toonder levert voor den boedel geen bezwaar op en kan voor den houder van het papier van belang zijn. De vordering behoudt daarbij de eigenschap van verhandelbaarheid, die het wezen van het papier aan toonder uitmaakt.

Uit het aangenomen beginsel volgt noodwendig, dat elk stuk als de vordering van een afzonderlijk schuldeischer moet beschouwd worden. Ook dit ligt in het wezen van het toonderpapier. Eene toepassing daarvan vindt men in artikel 82; ook bij de stemming over een accoord zal het voorschrift zijnen invloed doen gevoelen.

Papier aan order is hier niet genoemd, omdat daarvoor niet dezelfde behoefte aan naamlooze verificatie bestaat.

Artikel 135.

De schuldeischer, die door borgtocht is verzekerd, komt op voor zijne schuldvordering onder aftrek van hetgeen hij van den borg heeft ontvangen.

De borg heeft recht voor hetgeen hij den schuldeischer heeft betaald. Bovendien kan hij voor het bedrag, waarvoor de schuldeischer kan opkomen, voorwaardelijk toegelaten worden, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.

De eerste twee zinsneden van dit artikel houden hetzelfde in als artikel 879 w. v. k. De laatste zinsnede is nieuw, en strekt om te beletten dat de boedel tweemaal met dezelfde schuld worde bezwaard, doordat schuldeischer en borg daarvoor naast elkander geverifieerd worden. Onder het wetboek van koophandel kwam dit meermalen voor en vond het, ondanks ernstige bestrijding, ook in de rechtspraak ingang. De schuldeischer werd dan geverifieerd voor zijne vordering, de borg voor zijn regres ter zake van hetgeen hij eventueel aan den schuldeischer zou moeten voldoen. Thans is uitdrukkelijk bepaald dat de borg, voor hetgeen de schuldeischer alsnog te vorderen heeft, slechts voorwaardelijk kan worden toegelaten, namelijk slechts zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt. Hetzij de

-ocr page 154-

— 136 —

Artikelen 135, 136.

schuldeischer, hetzij de borg kan voor de door borgtocht verzekerde schuld in het faillissement opkomen; doch nooit kunnen dit beide tegelijk, al zij het op verschillende gronden. Dan alleen is de borg onvoorwaardelijk schuldeischer van den boedel, wanneer hij aantoont dat hij de schuld voldaan heeft.

In strijd met de zienswijze van de meerderheid van den raad van state, kwamen de staatsraden mrs. jhr. Van Humalda van Eysinga en Heemskerk in een afzonderlijk advies hiertegen op. Volgens hen behoorden de slotwoorden van het artikel: „zoolang de schuldeischer zelf niet opkomtquot;, te vervallen. Zij achtten de nieuwe bepaling niet billijk jegens den borg. De gefailleerde, zoo redeneerden zij, heeft twee verbintenissen aangegaan: ééne om de oorspronkelijke schuld te betalen en ééne om den borg, zoo deze voor hem moest betalen, schadeloos te stellen; en de borg weet met zekerheid dat hij zal moeten betalen hetgeen de schuldeischer heeft te vorderen, minus de percenten, die deze eventueel uit den boedel zal ontvangen , en dat hij dus ten gevolge van het faillissement schade zal lijden. De regeering antwoordde: 1quot;. dat de schuldenaar wel twee verbintenissen heeft aangegaan, maar dat eene daarvan, die jegens den borg, slechts voorwaardelijk is; 2quot;. dat beide verbintenissen feitelijk dezelfde schuld betreffen, zoodat tegenover den boedel slechts ééne schuld kan bestaan. De commissie van voorbereiding ging verder; zij kou niet aannemen, dat de schuldenaar twee verbintenissen aangaat, omdat de borgstelling volgens artikel 1860 b. w. zonder aanzoek van zijnen kant en zelfs buiten zijn weten kan geschieden.

Artikel 1880 n0. 2 b. w. is ingetrokken bij artikel 2 der invoeringswet, terwijl, bij artikel 3 dier wet, het eerste lid van artikel 1881 b. w. in verband daarmede gewijzigd is.

Voor hetgeen de borg aan den schuldeischer, na opkomst van dezen in den boedel, betaald heeft, behoudt hij, volgens verklaring der regeering in het verslag der commissie van voorbereiding, zijn regres op den ge-failleerden schuldenaar (artikelen 1876 en 1877 b. w.) in geval van insolventie; door homologatie van een accoord gaat dit regres evenwel te niet. Het faillissement zonder accoord werkt toch niet schuldbevrijdend, gelijk het accoord.

Eene vordering, hoofdelijk of solidair tusschen verschillende schuld-eischers, kan slechts eenmaal geverifieerd worden, ten name van den schuldeischer of de schuldeiscbers, die haar ter verificatie aanbieden; het staat toch vast dat er in dat geval tegenover den boedel slechts ééne schuldvordering bestaat.

Artikel 136.

Indien van hoofdelijke schuldenaren twee of meer ia staat van faillissement verkeeren, kan de schuldeischer in ieder faillissement opkomen voor en betaling ontvangen over het geheele bedrag, hem ten tijde der faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijiie vordering ten volle zal zijn gekweten.

-ocr page 155-

— 137 —

Artikel 136.

De hoofdelijke schuldenaar, die op den faillieten boedel recht van verhaal heeft, kan uit dien hoofde, voor zooverre de schuld-eischer zelf kan opkomen, alleen voorwaardelijk worden toegelaten , zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.

Indien in het geheel meer dan honderd percent beschikbaar mocht zijn, worden die meerdere percenten naar de onderlinge rechtsverhouding verdeeld.

Strekking van het artikel. Ten aanzien van de rechten van den schuldeischer bij faillissement van meer dan één hoofdelijken schuldenaar ^ dongen sedert de vorige eeuw twee stelsels om de zege. Volgens hef\'eene kan de schuldeiseher wel achtereenvolgens in ieder l\'aillissement opkomen,

maar telkens slechts voor het bedrag zijner vordering na aftrek van het bereids ontvangene. Volgens het andere kan hij in ieder faillissement voor , - * ^ ^ liet volle bedrag zijner vordering opkomén eu betaling ontvangen, tot de \'* e\' ?lt; geheele voldoening toe. En artikel 198 èn artikel 878 w. v. k. werden zoowel in den eenen als in den anderen zin verklaard. In het eerstvermelde stelsel wordt het beginsel, dat gedeeltelijke betaling gedeeltelijke vernietiging van schuld ten gevolge lieeft, streng gehandhaafd. Het tweede stelsel strookt beter met het beginsel der hoofdelijkheid: aansprakelijkheid van ieder der schuldenaren voor het geheel. Het laat de mogelijkheid bestaan van integrale betaling van den schuldeischer, die door het eerste stelsel wordt uitgesloten, vermits de schuldeischer daarbij telkens slechts percenten beurt over het resteerend bedrag. De eischen van het verkeer, bepaaldelijk in den wisselhandel, hebben in de praetijk en in de meeste buitenlandsche wetten het tweede stelsel doen verkiezen, dat ook bij dit artikel gehuldigd wordt. Dienvolgens is artikel 198 w. v. k. ingetrokken bij artikel 2 en artikel 199 w. v. k. gewijzigd bij artikel 4 der invoeringswet. Vergelijk het aangeteekende op artikel 2 dier wet, ad artikel 198 w. v. k.

Tegen het aangenomen stelsel werd onder anderen door de kamer van koophandel en fabrieken te Groningen aangevoerd, dat het aan den schuldeischer een voorrecht toekent en op de paritas ereditorum inbreuk maakt. Vasthoudend aan de leer, dat door gedeeltelijke betaling ook in het faillissement gedeeltelijke schuldbevrijding verkregen wordt, en met inachtneming van de tusschen de hoofdelijke schuldenaren bestaande onderlinge rechtsverhouding, gaf zij eene regeling in overweging op deze grondslagen: „1°. dat de houder van eene hoofdelijke verbintenis slechts in een der faillissementen zijner schuldenaren voor 100 pet. mag worden toegelaten en in de andere slechts voor het bedrag, dat hij telkens na eene ontvangen uitdeeling nog te vorderen heeft; 21. dat hij voor 100 pet.

slechts kan worden toegelaten in den boedel van hem, die naar de onderlinge rechtsverhouding, tusschen de debiteuren bestaande, moet worden aangemerkt als degene, dien de zaak alleen of in de eerste plaats aangaat,

dat hij voor het hem dan nog ontbrekende zich kan laten erkennen bij dengene, dien de zaak niet of slechts in de tweede plaats aangaat, en zoo vervolgens.quot; In het verslag der commissie van voorbereiding bleef dit niet zonder weerklank. De minister gaf evenwel niet toe, dat het beginsel

-ocr page 156-

— 138 —

Artikelen 136, 137.

der paritas creditorum door dit artikel zou worden geschonden. Dat beginsel strekt alleen om schuldeischers, die in dezelfde positie verkeeren, op dezelfde wijze te behandelen. Maar de positie van een schuldeischer, die eene solidaire vordering heeft, is juist door de solidariteit eene andere dan die van den schuldeischer, die eene vordering heeft zonder solidariteit. Eene regeling in den aanbevolen zin zou zonder overwegende redenen afwijken van het elders geldend recht en weder aanleiding geven tot bezwaren en onbillijkheden, die van het artikel, zooals het luidt, niet te duchten zijn.

Eerste lid. „Twee of meerquot;. Het ontwerp der staatscommissie verleende het hier bedoelde recht aan den „schuldeischer, die houder is van eene hoofdelijke verbintenis tusschen don gefailleerde en andere insgelijks gefailleerde medeschuldenaren.quot; Deze redactie, uit artikel 878 w. v. k. overgenomen , vereischte voor de toepassing het faillissement van alle hoofdelijke medeschuldenaren. Daarentegen wordt in de duitsche Konkursordnung slechts het faillissement van een of meer der hoofdelijke schuldenaren gevorderd en dus ook het geval voorzien, dat slechts een hunner gefailleerd is en de schul.\'eischer, na de faillietverklaring, van een of meer der solvente medeschuldenaren gedeeltelijke betaling ontvangen heeft. Door het faillissement van ten minste twee hoofdelijke schuldenaren te verlangen, nadert de wet het voorschrift der Konkursordnung.

„Ten tijde der faillietverklaringquot;. Ook hierin ligt eene niet onbelangrijke afwijking van het ontwerp der staatscommissie, waarin men las: „ten tijde der eerste faillietverklaringquot;. De wetgever wilde echter getrouw blijven aan het beginsel, dat in elk faillissement het tijdstip der faillietverklaring over de rechten der schuldeischers beslist.

Tweede lid. Het regres van hoofdelijke medeschuldenaren op elkander wordt bij faillissement slechts voorwaardelijk toegelaten, op dezelfde gronden als dat van den borg op den schuldenaar. Vergelijk het aangeteekende op artikell35.

Derde lid. Daar de schuldeischer in eiken faillieten boedel voor het volle bedrag zijner vordering ten tijde der faillietverklaring kan opkomen, is het denkbaar dat in alle boedels te zamen meer dan 100 pet. voor hem beschikbaar wordt. In dit geval kan voor die meerdere percenten onderling verhaal plaats hebben. Op welke wijze dit geschiedt, wordt hier met beslist; het zal afhangen van de rechtsverhouding waarin de boedels tot elkander staan, die bij wisselschuldenaren niet dezelfde is als bij andere hoofdelijke schuldenaren.

Artikel 137.

Na afloop der verificatie brengt de curator verslag uit over den stand van den boedel, en geeft hij daaromtrent alle door de schuldeischers verlangde inlichtingen. Het verslag wordt, met het proces-verbaal der verificatie-vergadering, na afloop dier vergadering ter griffie nedergelegd ter kostelooze inzage van ieder belanghebbende. De nederlegging geschiedt kosteloos.

-ocr page 157-

— 139 —

Artikelen 138, 139.

ZESDE AFDEELING.

Van het akkoord.

Artikel 138.

De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke sclmldeiscl;ers een akkoord aan te bieden.

Aan gegronde klachten over het gemakkelijk doordrijven van accoorden onder het wetboek van koophandel wordt door sommige bepalingen dezer afdeeling tegemoetgekomen. Een in de afdeelingen der tweede kamer aangegeven denkbeeld, om een percentage vast te stellen beneden hetwelk geen accoord wordt toegelaten, vond intusschen geen ingang. Eene dergelijke grens ware uit den aard der zaak geheel willekeurig, en zou het aanbieden van accoorden die boedelafstand inhouden — zoogenaamde liqui-datie-accoorden — zeer in de hand werken, niet altijd ten biijte der schuld-eischers. Het liquidatie-accoord wordt overigens niet uitgesloten. In artikel 50 wordt het vermeld en in het tweede lid van artikel 162 wordt er rekening mede gehouden. Bijzondere bepalingen voor deze soort van accoorden zijn onnoodig geacht. De liquidatie, die krachtens het liquidatie-accoord moet plaats hebben, wordt door den inhoud daarvan beheerscht; en van moeilijkheden, uit het stilzwijgen van het wetboek van koophandel daarover voortgevloeid, is niet gebleken.

De gefailleerde kan ook door een gemachtigde een accoord doen aanbieden. Het optreden van den curator als zoodanig, hoewel met zijne positie en in het bijzonder met de hem bij artikel 140 opgelegde taak moeilijk overeen te brengen, is niet uitdrukkelijk verboden; vergelijk het aangeteekende bij artikel 71. Aanbieding van een accoord door een negotiorum gestor, of door de echtgenoote van den gefailleerde met machtiging van den kantonrechter, is niet toegelaten.

Artikel 139.

Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie der schuldvorderingen, ter griffie van de rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht heeft nedergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na afloop der verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van artikel 141.

Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig met de nederlegging ter griffie, worden toegezonden aan deu curator en aan ieder der leden van de voorloopige commissie uit de schuldeischers.

-ocr page 158-

— 140 —

Artikelen 139, 140.

Eerste lid. Onderteekening van het aangeboden accoord door den gefailleerde en eventueel door de borgen is niet voorgeschreven. Van de aanbieding door den gefailleerde en van de borgstelling kan ook uit het optreden der betrokken personen ter vergadering blijken; van de borgstelling ook uit eene bij het accoord gevoegde afzonderlijke verklaring der borgen.

„En van het in artikel 97 aangewezen kantongerechtquot;: vergelijk het aangeteekende op artikel 114.

Tweede lid. Mededeeling in afschrift aan den rechter-commissaris is voor het ontwerp-accoord evenmin als voor andere stukken bevolen. Voorts is het onnoodig geacht te bepalen, dat een afschrift aan de bekende schuld-eischers moet worden toegezonden; volgens artikel 115 worden zij door den curator van de nederlegging ter griffie verwittigd, zoodat zij voor verrassingen gevrijwaard zijn.

Artikel 140.

De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.

Bij de beraadslaging in de tweede kamer verklaarde de minister in antwoord op eene vraag van de commissie van voorbereiding, dat deze verplichting van curator en commissie blijft bestaan wanneer zij, bij gebreke van tijdige nederlegging van bet ontwerp-accoord ter griffie overeenkomstig artikel 139, niet in de gelegenheid waren ter verificatie-vergadering daarover advies uit te brengen en de raadpleging en beslissing tot eene volgende vergadering wordt uitgesteld. De commissie van voorbereiding nam met deze verklaring genoegen. In dat geval moet de curator alzoo een schriftelijk advies geven ter vergadering, bij artikel 141 bedoeld. Wat de commissie betreft, merk ik op dat de voorloopige. commissie uit de schuldeischers volgens artikel 74 altijd ter verificatie-vergadering defungeert en dus daarna geen advies meer kan uitbrengen. Met „de commissie uit de schuldeischersquot; kan derhalve in dit artikel niet alleen de voorloopige commissie bedoeld zijn, gelijk de minister in het verslag der commissie van voorbereiding te kennen gaf. Integendeel moet op grond van \'s ministers hierboven vermelde, latere verklaring worden aangenomen, dat die uitdrukking hier zoowel de definitieve als de voorloopige commissie omvat. In geval van tijdige aanbieding van het accoord moet de voorloopige commissie advies geven ter verificatie-vergadering. Is het ontwerp-accoord niet tijdig ter griffie gedeponeerd en wordt tot uitstel besloten, zoo gaat de verplichting tot het geven van een schriftelijk advies ter volgende vergadering over op de definitieve commissie, ook indien zij uit dezelfde personen als de voorloopige bestaat; wordt in dat geval echter geene definitieve commissie benoemd, zoo blijft het schriftelijk advies der commissie achterwege.

-ocr page 159-

— 141 —

Artikelen 140, 141.

„Ieder afzonderlijkquot; en „schriftelijkquot;. Hiermede tracht de wet zooveel doenlijk een serieus onderzoek naar den inhoud en de aannemelijkheid van het aangeboden accoord te waarborgen en te voorkomen dat het geven van advies in eene zuivere formaliteit ontaarde.

Artikel 141.

De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende door den rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later te bepalen vergadering uitgesteld:

1°. indien staande de vergadering eene definitieve commissie uit de schuldeischers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorloopige, en de meerderheid der verschenen schuldeischers van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt;

2°. indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is neêrgelegd en de meerderheid der verschenen schuldeischers zich voor uitstel verklaart.

Buiten de twee gevallen, in dit artikel vermeld, is de rechter-commissaris niet bevoegd de raadpleging en beslissing uit te stellen. Aldus is bepaald om ongemotiveerde vertraging te voorkomen.

De nadere vergadering dient uitsluitend ter raadpleging en beslissing over het aangeboden accoord, niet tevens ter verificatie van schuldvorderingen. Aan den geuiten wensch, dat daartoe in die vergadering alsnog gelegenheid mocht worden gegeven, is door de regeering niet voldaan, wijl dit iu strijd ware met het aangenomen stelsel van veriücatie en kwade praktijken zou bevorderen.

„Ten hoogste drie weken later.quot; Lange termijnen voor de beslissing over een aangeboden accoord werken sluip-accoorden in de hand. Het hier bepaald maximum van drie weken uitste. heeft ten doel de gelegenheid daartoe te beperken. Voor de commissie uit de schuldeischers is het, ook in ingewikkelde gevallen, voldoende te achten om met haar advies gereed te komen.

1°. en 2°. „De meerderheid der verschenen schuldeischersquot;. Het stemrecht is geregeld bij de artikelen 81 en 82. De voorrang hebbende schuldeischers kunnen dus aan de hier bedoelde stêinmingerTdeelnemen: vreemd genoeg, daar zij buiten het accoord staan en van de stemming daarover zijn uitgesloten.

2°. „Tijdigquot;: namelijk met inachtneming van den termijn van artikel 139.

-ocr page 160-

— 142 —

Artikelen 142, 143.

Artikel 142.

Wanneer de raadpleging en stemming over het akkoord, ingevolge de bepalingen van liet voorgaande artikel, worden uitgesteld tot eene nadere vergadering, wordt daarvan door den curator onverwijld aan de niet op de verificatie-vergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kennis gegeven, bij brieven vermeldende den summieren inhoud van het akkoord.

Dit voorschrift is nieuw. De summiere inhoud van het accoord zal veelal zijn te vermelden door enkele opgave van de aangeboden percenten.

Artikel 143.

Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de hypo-theek- of pandhoudende en bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist wordt, tenzjj^, zij, vóór den aanvang der stemming, van hun hypotheek, pand of voorrecht ten behoeve van den boedel afstand mochten doen.

Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeischers, ook voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen.

Eerste lid. Schuldeischers. die recht van terughouding hfibben, ziin niet van de stemming uitgesloten. Vergelijk het aangeteekende op artikel 60.

, Wier voorrang betwist wordtquot;: onverschillig of de voorrang al dan niet door den rechter-commissaris voorwaardelijk erkend is.

„Tenzij zij... afstand mochten doenquot;. Artikel 838 tweede lid w. v. k. liet ook gedeeltelijken afstand toe. Daarvan werd misbruik gemaakt: de voorrang werd over een gering deel der vordering prijsgegeven, alleen om den gefailleerde aan eene meerderheid voor zijn accoord te helpen. Door de aangehaalde woorden wordt gedeeltelijke afstand van voorrang uitgesloten. Aan schuldeischers, wier vorderingen vermoedelijk niet voor het volle bedrag gedekt zijn, geeft artikell32 gelegenheid voor het ongedekt deel hunner vorderingen de rechten van concurrente schuldeischers te verkrijgen.

„Vóór den aanvang der stemmingquot;. Deze woorden zijn ingelascht naar aanleiding van hetgeen betoogd werd in een afzonderlijk advies van de staatsraden mrs. jhr. De Jonge en De Vries Az. De afstand moet gedaan worden vóór den aanvang der stemming, omdat hij verandering brengt in den staat van den boedel. Het actief wordt vermeerderd met het goed waarop de voorrang rustte, het totaal bedrag der concurrente vorderingen met dat der vordering waarvoor afstand van voorrang gedaan wordt. Elk

-ocr page 161-

— 143 —

Artikelen 143, 144, 145.

schuldeischer kan thans daarmede rekening houden bij het uitbreugen zijner stem over het aangeboden accoord.

Tweede lid. Het derde lid van artikel 838 w. v. k. hield het tegenovergestelde in. Dat voorschrift werd misbruikt, ditmaal ten nadeele van den gefailleerde. Praeferente sohuldeischers konden soms zonder eenig risico van hunnen voorrang afstand doen en door hunne stem tegen het accoord den doorslag geven. Door dien afstand definitief te verklaren, maakt de wet daaraan een einde. De raad van state had bedenking tegen de nieuwe bepaling, die daarentegen in het vermeld afzonderlijk advies van de staatsraden mrs. jhr. De Jonge en De Vries Az. verdedigd werd.

In het royement der hypothecaire inschrijvingen bij insolventie is voorzien bij artikel 188.

Artikel 144.

De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen.

„En het, staande de raadpleging, te wijzigen.quot; Dit lag, blijkens de toelichting van artikel 158, van den aanvang af in de bedoeling, en is, ingevolge eene opmerking in het verslag der commissie van voorbereiding, in de wet uitgedrukt.

Artikel 145.

Tot het aannemen van het akkoord wordt vereischt de toestemming van twee derde der erkende en der voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeischers, welke drie vierde van het bedrag der niet bevoorrechte, door geen pand of hypotheek gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.

Van den alternatieven eisch van artikel 841 w. v. k. is alleen] het eerste deel behouden. Eene meerderheid van :,/4 der personen en slechts -/3 van het bedrag der vorderingen gaf te veel overwicht aan de kleine schuldeischers , die veelal onder belotte van integrale betaling werden overgehaald om vóór het accoord te stemmen. Door altijd 3/4 van het bedrag te vorderen, komt het artikel aan de klachten over het gemakkelijk doordrijven van accoorden tegemoet.

Bij de berekening van het bedrag worden niet-geverifioerde vorderingen en betwiste_vorcleriiigeii. die nief. dom dfin rechter-commissaris voorwaar-ïieliik toegelaten zijn. niet medeaeteld. Dit is uitgemaakt door~de herhaling der woorden „erkende en voorwaardelijk toegelatenquot; aan het slot.

-ocr page 162-

— 144

Artikel on 146, 147, 148.

Artikel 146.

Indien twee derde der ter vergadering verschenen schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag der schuldvorderingen, waarvoor stemrecht kan worden uitgeoefend, vertegenwoordigende , in het akkoord bewilligen , zal ten hoogste acht dagen later eene tweede jstemming gehouden worden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem.

In dit geval heeft de wetgever liet raadzaam geacht dat alsnog blijke, of niet onvoldoende opkomst der schuldeischers oorzaak is, dat de meerderheid van artikel 145 niet verkregen werd; de hiertoe bij artikel 842 w. v. k. gevorderde meerderheid van 3/4 der aanwezigen is zelts tot 2/3 verminderd. Dat het houden eener tweede stemming, zij het op korten termijn, gelegenheid geeft tot slnip-accoorden, valt intnsschen niet te ontkennen. Het ware wellicht beter geweest, het geheele artikel achterwege te laten.

„Eene tweede stemmingquot;. Er wordt alleen gestemd. Heropening van het debat of wijziging van het accoord is niet meer toegelaten.

Artikel 147.

Latere veranderingen, in het getal der schuldeischers of in het bedrag der vorderingen, hebben geen invloed op de geldigheid van de aanneming of verwerping van het akkoord.

In het ontwerp der staatscommissie was na het woord „vorderingen ingevoegd: „ten gevolge van de uitwijzing van het recht van voorwaardelijk toegelaten schuldeischers.quot; Deze beperking is achterwege gelaten en het artikel is thans .algemeen gesteld. De bedoelde veranderingen kunnen bijvoorbeeld het gevolg zijn van de vervulling eener opschortende voorwaarde of van de beslissing van een verificatie-geding.

Dat bier alleen sprake is van veranderingen, die na de aanneming of verwerping van het accoord plaats vinden, komt in de eerste en laatste woorden van het artikel duidelijk uit.

Artikel 148.

Het proces-verbaal der vergadering vermeldt den inhoud van het akkoord, de namen der verschenen stemgerechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag

-ocr page 163-

— 145 —

Artikelen 148, 149.

der stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen. Het wordt na voorlezing onderteekend door den rechter-cominissaris en den griffier.

Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kostelooze inzage van her, proces-verbaal verkrijgen.

Eerste lid. Het proces-verbaal der vergadering, overeenkomstig dit artikel ingericht, levert tusschen partijen een volledig bewijs van het voorgevallene op. Onderteekening van het accoord door de toegetreden schuld-eischers wordt dan ook niet meer gevorderd; veelal werd aan de dadelijke onderteekening, bij artikel 843 w. v. k. voorgeschreven, toch niet de hand gehouden.

„Al wat verder op de vergadering is voorgevallenquot;. Blijkens de memorie van toelichting is de bedoeling, dat de geheele loop der beraadslaging in het proces-verbaal vermeld worde. Zeker moet bijvoorbeeld eene eedsaflegging (artikel 120 derde lid) ot\' een afstand van hypotheek, pand of voorrecht (artikel 143) in het proces-verbaal worden vermeld.

Tweede lid. De termijn van acht dagen houdt verband met de bepaling van artikel 149.

Artikel 149.

Zoowel de schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als de gefailleerde, kunnen gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de rechtbank verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat het akkoord door den rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd.

In de accoord-vergadering worden geene beschikkingen gegeven, vatbaar voor hooger beroep. De rechter-commissaris beslist niet dat het accoord is aangenomen of verworpen; hij constateert alleen dat de vereischte meerderheid al of niet verkregen is. Vergissingen van allerlei aard zijn daarbij mogelijk. Mochten die er toe geleid hebben om het accoord ten onrechte als aangenomen te beschouwen, zoo zal dit bij behoorlijk onderzoek dei-stukken aan de rechtbank blijken en kunnen ook de schuldeischers op dien grond tegen de homologatie opkomen. Voor het geval het accoord echter, bijvoorbeeld door eene vergissing bij de optelling, ten onrechte als verworpen beschouwd is, behoort aan den gefailleerde en aan de schuldeischers die vóór stemden gelegenheid te worden gegeven om verbetering van het proces-verbaal te verkrijgen. Daartoe dient dit artikel, dat hun de bevoegdheid toekent binnen acht dagen na afloop der vergadering zich tot de rechtbank te wenden met verzoek de begane fout te herstellen. Aan de bewijskracht van het proces-verbaal wordt daardoor geen afbreuk

10

-ocr page 164-

— 146 —

Artikelen 149, 150—156.

gedaan, daar het artikel alleen van toepassing is op het geval, dat de fout „uit de stukken zelve blijktquot;. Langs dezen weg kan dus alleen tegen eene onjuiste conclusie, niet tegen een geconstateerd feit worden opgekomen. Blijkt de fout of vergissing niet uit de stukken, zoo kan het proces-verbaal, evenals elke andere authentieke acte, alleen op grond van valschheid worden aangevochten.

Het hier bedoeld verzoek aan de rechtbank wordt in artikel 5 niet vermeld, zoodat de bijstand van een procureur daarbij niet gevorderd wordt. Ik meen derhalve dat het, evenals de aangifte tot faillietverklaring, mondeling ter griffie kan gedaan worden.

Van de beschikking der rechtbank valt geen hooger beroep, artikel 85.

Artikel 150.

Indien het akkoord is aangenomen, bepaalt de rechtercommissaris vóór het sluiten der vergadering de terechtzitting, waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen.

Bij toepassing van artikel 149 geschiedt de bepaling der terechtzitting door de rechtbank in hare beschikking. Van deze beschikking geeft de curator aan de schuldeischers schriftelijk kennis.

De terechtzitting zal gehouden worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 149, na de beschikking van de rechtbank.

Strekking der artikelen 150 — 156. Door de in deze artikelen opgenomen regeling der procedure betreffende de homologatie is getracht den eisch van snel recht zoo goed mogelijk te bevredigen. De formaliteit van het verzet is vervallen; geschreven conclusiën worden niet genomen; elk schuld-eischer kan, in persoon of bij gemachtigde, mondeling zijn belang voor de rechtbank uiteenzetten; de termijnen, ook in hooger beroep en cassatie, zijn zoo kort mogelijk gesteld. De schuldeischers en de gefailleerde hebben er groot nadeel bij, wanneer de vereffening van den boedel een jaar en langer kan worden opgehouden door een proces over de vraag, of zij al dan niet langs den gerechtelijken weg zal geschieden. Onder het wetboek van koophandel was dit niet zelden het geval. Eene spoedige rechtspraak was met de artikelen 845—847 w. v. k. wel beoogd, doch bij gebreke van de noodige uitwerking der te volgen regelen niet verkregen.

Artikel 150, tweede lid. Het ligt in den aard der zaak dat de bepaling der terechtzitting, door den rechter-commissaris ingevolge het eerste lid gedaan, bij toepassing van artikel 149 vervalt.

Artikel 151.

Gedurende dien tijd kunnen de schuldeischers aan den rechtercommissaris schriftelijk de redenen opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenschelijk achten.

-ocr page 165-

— 147 —

Artikelen 152, 153.

Artikel 152.

Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenscht of haar bestrijdt.

De gefailleerde is mede bevoegd, tot verdediging zijner belangen op te treden.

De curator wordt hier niet genoemd; hij kan zich bij de behandeling der homologatie geen partij stellen.

Eerste lid. „Of bij gemachtigde.quot; De volmacht kan mondeling worden gegeven ten overstaan van de rechtbank, indien de schuldeischer en zijn gemachtigde beide verschijnen.

Tweede, lid. Met inachtneming van het bepaalde bij het eerste lid van artikel 153, kan de rechtbank den gefailleerde voor zijne verdediging eenig uitstel verleenen.

Artikel 153.

Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.

Zij zal de homologatie weigeren:

^ 1°. indien de baten des boedels met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan;

2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;

3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt.

Zij jsan ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.

Eerste lid. Het hooren van het openbaar ministerie is niet voorgeschreven. De inhoud van het accoord dient in de beschikking te worden opgenomen, ook met het oog op artikel 159.

-ocr page 166-

— 148 --

Artikel 153.

Tweede lid. Weigering der homologatie was onder het wetboek van koophandel eene zeldzaamheid geworden. Feitelijk had zij bijna uitsluitend plaats op den grond, in artikel 845 w. v. k. als eene der redenen van verzet genoemd, dat namelijk de baten des boedels de som, bij het accoord bedongen, aanmerkelijk overtroffen. Er viel te wijzen op rechterlijke beslissingen , waarbij in het ontbreken van waarborg voor de uitbetaling der aangeboden percenten, in bewezen kwade trouw van den gefailleerde of in bewezen sluip-accoorden geen reden gezien werd om de homologatie te weigeren, op de overweging dat de schuldeischers vrij waren om het accoord af te stemmen of wel dat dit voor hen minder nadeelig was te achten dan insolventie. Tegenover eene dergelijke rechtspraak ishetnoodig geacht de gevallen te noemen, waarin de homologatie moet worden geweigerd. Mijns inziens heeft de wetgever hierin volkomen juist gezien, ofschoon moeilijk te ontkennen valt, dat de gewraakte rechtspraak samenhing met de opvatting van het accoord als eene overeenkomst, die thans aan de artikelen 165 en volgende ten grondslag ligt.

De raad van state wenschte aan deze gevallen nog dit te zien toegevoegd, dat het benoodigd bedrag tot betaling der praeferente schuldeischers en tot voldoening der kosten van het faillissement niet in handen van den curator gestort of verzekerd is. De regeering meende echter dat het geen aanbeveling verdiende, den rechter te verplichten in dit geval de homologatie te weigeren; immers de bevoorrechte schuldeischers staan buiten het accoord, en hebben er alleen belang bij dat de boedel niet aan den schuldenaar afgegeven worde, zoolang niet gewaarborgd is dat zij het hun toekomende ontvangen, waarvoor artikel 163 waakt.

1°. „Met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend.quot; Daar het recht van terughouding geen voorrang geeft, zijn de vorderingen, waarvoor dat recht mag worden uitgeoefend, aan het accoord onderworpen, en maken de teruggehouden goederen deel van den boedel uit. Vergelijk liet aangeteekende op artikel 60.

2°. Of de nakoming van het accoord al dan niet voldoende is gewaarborgd, is eene feitelijke vraag, waaromtrent dé rechter beslist. Geen twijfel of het antwoord moet toestemmend luiden, wanneer solide borgen gesteld zijn; geen twijfel ook dat de nakoming niet voldoende is gewaarborgd, wanneer het accoord niet anders bevat dan eene belofte om te betalen. Maar tusschen deze uitersten laten zich vele andere gevallen denken. De soliditeit tier borgen kan meer of minder te wenschen overlaten; de gefailleerde kan in staat zijn met zekerheid aan te wijzen, dat hij de percenten zal kunnen voldoen; er kan zijn eene hypothecaire inschrijving op het goed van derden, eene commissie van controle uit de schuldeischers, enz. De wet kan dienaangaande geene regelen stellen; het oordeel moet aan den rechter blijven.

In het verslag der commissie van voorbereiding werd in overweging gegeven ter verzekering van de nakoming van het accoord te bepalen, dat de curator met de uitbetaling der daarbij bedongen percenten belast wordt. De regeering vond liet echter niet raadzaam de vrijheid van handelen ten deze aan banden te leggen, cn achtte de nakoming van het accoord, door dit en andere artikelen, praeventief en repressief\' voldoende gewaarborgd.

-ocr page 167-

— 149 —

Artikelen 153, 154, 155.

3°. Het ontwerp der staatscommissie wilde sluip-accoorden en andere kwade praktijken ook nog tegengaan door in een afzonderlijk artikel te bepalen, dat de schuldeischer, aan wien bijzondere voordeelen zijn toegekend of die tot oneerlijke middelen de hand geleend heeft, in het faillissement geene rechten als schuldeischer meer kan uitoefenen. Deze bepaling werd echter door de regeering niet overgenomen. Het kwam haar niet verdedigbaar voor op deze wijze, als straf, eene wettige vordering van haar effect te berooven, hetgeen tevens ten gevolge zou hebben, dat door de oneerlijke handeling van een der schuldeischers de andere schuld-eischers verrijkt werden. De poenale sanctie vindt men in artikel 345 (indirect ook in artikel 344, 2quot;.) van het wetboek van strafrecht.

„Onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt.quot; Al mocht het bezigen van oneerlijke middelen buiten den gefailleerde zijn omgegaan , dan nog hebben die middelen de meerderheid vervalscht, het recht der schuldeischers geschonden: reden genoeg om de homologatie uit te sluiten.

Artikel 154.

Binnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank kunnen , zoo de homologatie is geweigerd, zoowel de schuldeischers, die vóór het akkoord stemden, als de gefailleerde; zoo de homologatie is toegestaan, de schuldeischers, die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in Tïooger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeischers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 153 onder 3U. genoemd.

Artikel 155.

Het hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak moet kennis nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen. Van het hooger beroep wordt door den griffier van het rechtscollege, waarbij het is aangebracht, onverwijld kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank, die de beschikking omtrent de homologatie heeft gegeven.

Op de behandeling van het hooger beroep zijn, met uitzondering van het bepaalde omtrent den rechter-commissaris, artikel 152 en artikel 153, eerste lid, toepasselijk.

-ocr page 168-

— 150 —

Artikelen 155, 156, 157, 158.

Het verzoekschrift wordt ingediend door een procureur, artikel 5.

Het hooger beroep behoeft aan geene partij te worden beteekend noch ook behoeft eenige partij te worden opgeroepen. De homologatie is toch niet eene beslissing in een contradictoir geding, maar eene beschikking die de rechter, na onderzoek der zaak, vrijelijk verleent, zonder aan eenige voordracht van welke partij ook gebonden te zijn. Of er geappelleerd is en wanneer de behandeling zal plaats hebben, kunnen de gefailleerde en de schuldeischers ter griffie vernemen. Zij kunnen bij de behandeling optreden op de wijze, bij artikel 152 aangegeven. De curator, die als zoodanig buiten het accoord staat, neemt aan de behandeling geen deel.

Uit het toepasselijk verklaren van artikel 152 volgt dat, indien meer dan één hooger beroep is ingekomen, de behandeling gelijktijdig geschiedt.

Artikel 156.

Cassatie wordt binnen dezelfde termijnen en op dezelfde wijze aangeteekend en behandeld.

Het beroep in cassatie geschiedt bij verzoekschrift. Artikel 429 w. v. b. rv* is daarop van toepassing. De behandeling heeft plaats op de wijze van artikel 152, behalve wat den rechter-commissaris betreft. De schuldeiscaers, die daaraan deelnemen, kunnen derhalve in persoon of bij gemachtigde verschijnen; in den regel zullen zij zelf wel beseffen, dat rechtskennis hiertoe onmisbaar is.

Artikel 157.

Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.

In het verslag der commissie van voorbereiding werd de vraag gedaan, wat zal gelden ten aanzien van niet-opeischbare vorderingen, die niet ter verificatie zijn ingediend. De minister antwoordde dat de artikelen 129— 131 alleen geschreven zijn voor de verificatie en dus niet kunnen gelden voor vorderingen, van welke geene verificatie gevraagd is; wie bijvoorbeeld eene vordering met tijdsbepaling heeft, waarvoor hij in het faillissement niet opgekomen is, zal moeten wachten totdat zij opeischbaar is geworden. Tot vorderingen onder eene ontbindende voorwaarde (artikel 129) hadden vraag en antwoord zich mijns inziens niet behoeven uit te strekken.

Artikel 158.

Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde faillissement geen akkoord meer aanbieden.

-ocr page 169-

— 151 —

Artikelen 158, 159, 160.

De gefailleerde moet het niet in zijne macht hebben, door herhaalde aanbieding van accoorden de vereffening te verschuiven. Zijn de door hem aangeboden voorwaarden voor de schuldeischers niet aannemelijk, zoo kan hij daarin, staande de raadpleging, wijziging brengen. Indien hij later een nieuw accoord kon voorstellen, zou hij allicht beproeven zoo weinig mogelijk aan te bieden, om eerst na verwerping of weigering van homologatie met betere voorstellen voor den dag te komen.

Artikel 159.

Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal der verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voorzoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.

Aan de in kracht van gewijsde gegane beschikking, waarbij de homologatie verleend wordt, in verband met het proces-verbaal der verificatie — welk laatste hier eigenlijk bet eerst had moeten vermeld zijn — wordt bij dit artikel executoriale kracht toegekend ten behoeve der erkende vorderingen, voorzoover de gefailleerde zich niet ter verificatie-vergadering tegen hare toelating verzet heeft. De door den griffier aan den suhuldeischer af te geven grosse zal dus moeten bevatten: de beschikking der rechtbank houdende de homologatie, benevens een uittreksel uit het proces-verbaal van de verificatie-vergadering, waarin de erkenning der vordering geconstateerd wordt. Vergelijk voorts het aangeteekende op artikel 126.

Artikel 160.

Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers al hunne rechten tegen de borgen en medeschuldenaren van den schuldenaar.

De wet beschouwt het accoord als eene aan de goedkeuring des rechters onderworpen overeenkomst tusschen den gefailleerde en zijne gezamenlijke schuldeischers; zie artikel 165 en het daarop aangeteekende. Deze opvatting brengt mede, dat het accoord schuldvernieuwing teweegbrengt, waardoor volgens artikel 1460 b. w. de borgen en medeschuldenaren van hunne verbintenis ontslagen worden. Men kan desnoods aan deze gevolgtrekking ontkomen door aan te nemen dat het accoord ey-ene vrijwillige, maar eene gedwongen schuldvernieuwing ten gevolge heeft, eene novatio necessaria, waarop artikel 1460 b. vF. niet van toepassing is. De memorie van toelich-

-ocr page 170-

— 152 —

Artikelen 160, 161, 162.

ting sloeg echter een anderen weg in om het voorschrift van dit artikel met de gehuldigde opvatting van het accoord in overeenstemming te brengen. Zij deed opmerken, „dat het accoord niet zoozeer is eene kwijtschelding dan wel eene regeling van de wijze waarop de schuldeischers buitengerechtelijk voldaan zullen worden, altijd voor zooverre voldoening mogelijk is; eene minnelijke executie, waarbij de schuldeischers alleen afstand doen van hetgeen niet te verhalen is.quot; Of dit met de beschouwing van het accoord als eene overeenkomst in allen deele strookt, blijve hier in het midden.

Wat daarvan zij, de bepaling van dit artikel komt mij in elk geval juist voor. Zij zou geheel passen in de leer, volgens welke de homologatie van het accoord niets anders is dan eene rechterlijke beschikking omtrent de wijze van voldoening der schuldeischers en tot beëindiging van het faillissement, waarbij van toepassing van artikel 1460 b. w. geen sprake kan zijn. Maar ook op zichzelve zijn er goede redenen voor aan te voeren. Indien een gehomologeerd accoord de borgen en medeschuldenaren bevrijdde, zouden borgtocht en solidariteit, die beide dienen tot grootere zekerheid van den schuldeischer, hunne kracht verliezen juist wanneer zij noodig bleken. En jegens borgen en medeschuldenaren ligt in het voortbestaan van hunne verbintenis na homologatie van een accoord geenerlei onbillijkheid; immers zij konden door voldoening der schuld in de rechten van den schuldeischer treden, ten einde in het faillissement op te komen en voor hunne belangen te waken.

Artikel 161.

Zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.

Dit ligt in het wezen van het gehomologeerd accoord. Volgens artikel 896 2°. w. v. b. rv. werd bij het verleenen der homologatie tevens verklaard, dat de staat van kennelijk onvermogen wordt opgeheven; maar in het wetboek van koophandel ontbrak eene dergelijke bepaling.

Artikel 162.

Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan , is de curator verplicht, ten overstaan van den rechter-commissaris rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doen.

Indien bij het akkoord geene andere bepalingen deswege zijn gemaakt, geeft de curator aan den schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle goederen, gelden, boeken en papieren tot den boedel behoorende.

-ocr page 171-

— 153 —

Artikelen 162, 163

Tweede lid. „Goederenquot; omva.t effecten, die in artikel 849 derde lid w. v. k. afzonderlijk vermeld werden.

Artikel 163.

Het bedrag; waarop geverifieerde scliuldeischers, kraciitens eeu~~erkend voorrechtaanspraak kunnen maken , alsmede de kosten van het faillissement, moeten in handen van den curator worden gestort, tenzij deswege door den schuldenaar zekerheid wordt gesteld. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle goederen en geiden tot den boedel behoorende ouder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.

Wanneer ééne maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie is verloopen, zonder dat vanwege den schuldenaar de voldoening van een en ander is geschied , zal de curator daartoe overgaan uit de voorhanden baten des boedels.

Het bedrag in het eerste lid bedoeld, en het deel daarvan, aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoodig door den rechter-commissaris begroot.

Na homologatie van een accoord was het lot der bevoorrechte schuld-eischers onder bet wetboek van koophandel niet benijdenswaardig. Zonder verder voor hunne rechten te waken, deed de curator aan den schuldenaar rekening en verantwoording, met afgifte van alles wat hij onder zich had. Zij konden dan zelf beproeven van den schuldenaar betaling te verkrijgen. Hun recht van voorrang, waarover eerst bij de rangregeling zou beslist zijn, stond niet vast. Meestal hadden zij slechts te kiezen tusschen het genoegen nemen met accoord-percenten en het voeren van een proces over den voorrang met eene financiëel zwakke wederpartij.

Dit artikel strekt om in dien toestand eene zeer noodige verbetering te brengen. Dit kon te beter geschieden, nu over den voorrang reeds bij de verificatie beslist wordt. Den curator wordt de verplichting opgelegd, zoolang hij niet in het bezit is van de noodige gelden tot voldoening, niet slechts van de kosten van het faillissement maar ook van de overige bevoorrechte vorderingen, of daarvoor geen zekerheid gesteld is, den boedel onder zich te houden, om daaruit na verloop van eene maand desnoods zelf de betaling te doen.

Derde lid. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is noodig dat het bedrag vaststa, waarop de bevoorrechte schuldeischers, te zamen en ieder afzonderlijk, aanspraak hebben. Dit hangt af van de waarde der goederen, waarop het voorrecht, soms van meer dan één schuldeischer

-ocr page 172-

— 154 —

Artikelen 163, 164, 165—171.

op hetzelfde goed, rust. Met volkomen juistheid kan die waarde slechts blijken uit realisatie, die echter niet plaats heeft. De eenige weg om, bij verschil tusschen de belanghebbenden, op eenvoudige en onkostbare wijze uit deze moeilijkheid te geraken, is de begrooting op te dragen aan den rechter-commissaris, gelijk bij deze zinsnede geschiedt. Hij is in de gelegenheid, met behulp van de noodige voorlichting, de zaak zoo goed mogelijk te beüindigen. Nemen de belanghebbenden met zijne beschikking geen genoegen, zoo staat volgens artikel 67 eerste lid beroep op de rechtbank voor hen open.

Artikel 164.

Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in Tiet vorige artikel bedoelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag waarop het voorrecht aanspraak geeft.

In artikel 189 tweede lid vindt men eene soortgelijke bepaling ten aanzien der vereffening. Ook hier is kennelijk bedoeld, dat de uitspraak over den voorrang wordt afgewacht. Inmiddels is de schuldenaar alleen tot zekerheidstelling, en bij gebreke daarvan de curator alleen tot het ^onder zich houden van het bedrag verplicht. Verdere uitwerking ontbreekt, hetgeen wellicht daaruit te verklaren is, dat dit artikel aanvankelijk als vierde lid aan het vorig artikel was toegevoegd. Met name aan begrooting van het bedrag waarop het voorrecht eventueel aanspraak zal geven, overeenkomstig artikel 163 derde lid, kan zich intusschen ook in dit geval de behoefte doen gevoelen.

Artikel 165.

Ontbinding van het gehomologeerde akkoord kan door eiken schuldeischer gevorderd worden, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen.

Op den schuldenaar rust het bewijs, dat aan het akkoord is voldaan.

De rechter kan, ook ambtshalve, den schuldenaar uitstel van ten hoogste ééne maand verleenen, om alsnog aan zijne verplichtingen te voldoen.

Strekking der artikelen 165—171. Omtrent het wezen van het accoord staan twee opvattingen tegenover elkander. Volgens de eene is

-ocr page 173-

- 155 —

Artikelen 165—171.

het een besluit van de wettelijke meerderheid der concurrente schuld-eischers, op voorstel van den gefailleerde genomen, omtrent de wijze van voldoening hunner vorderingen en de beëindiging van het faillissement, hetwelk de rechter, zoo hij daarvoor termen vindt, ook voor de overige geen voorrang hebbende schuldeischers verbindend kan verklaren. De voorstanders dezer leer kunnen in het accoord geene overeenkomst zien, omdat de eerste voorwaarde voor de bestaanbaarheid eener overeenkomst, de toestemming van degenen die zich\'verbinden, ontbreekt zoolang niet alle niet-praeferente schuldeischers vrijwillig toetreden; de schuldeischers vormen toch geene vereeniging, welker meerderheid haren wil aan de minderheid kan opleggen. Van ontbinding der rechterlijke beschikking, waarbij de homologatie verleend wordt, bij niet-nakoming van het accoord door den schuldenaar, kan bij deze opvatting geen sprake zijn.

De andere opvatting ziet in het accoord eene overeenkomst tusschen den gefailleerde en zijne gezamenlijke schuldeischers, die, om in rechte te gelden, rechterlijke goedkeuring behoeft. Dat over het accoord bij meerderheid van stemmen beslist wordt en dat deze beslissing ook verbindend is voor de niet-géverifiëerde schuldeischers en zelfs voor hen die tegen stemden, is daaruit te verklaren, dat de wet de gezamenlijke schuldeischers als eene vereeniging van personen beschouwt en behandelt. Naast de vereeniging uit overeenkomst staat die uit de wet; met eene zoodanige heeft men hier te doen. Die behandeling wordt gerechtvaardigd door de gemeenschap van belangen, door de noodzakelijkheid besluiten mogelijk te maken die alle schuldeischers binden. Deze beschouwing brengt mede dat het accoord, evenals alle wederkeerige overeenkomsten, op grond van wanpraestatie kan worden ontbonden, indien het wederkeerige verbintenissen tot inhoud heeft.

Bij het stilzwijgen van liet wetboek van koophandel vond de laatstver-melde leer in de rechtspraak den meesten ingang. Het accoord werd beschouwd als eene overeenkomst, vatbaar voor ontbinding in dien zin dat de schuldeischer, op wiens vordering de ontbinding werd uitgesproken, zijn bij het accoord prijsgegeven vorderingsrecht herkreeg. De ontbinding, door den eenen schuldeischer verkregen , werkte echter niet ten behoeve van den anderen; ieder moest op zijne beurt ontbinding vragen.

Bij de artikelen 165 en volgende wordt de vraag beslist in dien zin, dat het accoord eene aan rechterlijke bekrachtiging onderworpen overeenkomst is tusschen den gefailleerde en zijne gezamenlijke schuldeischers, welker ontbinding kan worden gevorderd door eiken schuldeischer, jegens wien zij niet wordt nagekomen. De overeenkomst strekt om de gerechtelijke vereffening, met blijvende aansprakelijkheid van den schuldenaar voor het tekortkomende, te vervangen door eene buitengerechtelijke voldoening der schuldeischers, die bevrijding van den schuldenaar medebrengt. Wanpraestatie leidt niet tot relatieve ontbinding van het accoord alleen ten behoeve van den schuldeischer die haar vordert, maar tot algeheele ontbinding ten behoeve der gezamenlijke schuldeischers; tot herstel van den vroegeren toestand, gerechtelijke vereffening zonder bevrijding van den schuldenaar; derhalve tot heropening van het faillissement. Wanpraestatie bestaat, zoodra een der schuldeischers niet overeenkomstig den inhoud van het accoord voldaan wordt. Al is het accoord eene overeenkomst met de gezamenlijke schuldeischers, de betaling moet aan iederen schuldeischer

-ocr page 174-

— 156 —

Artikelen 165—171.

individueel geschieden. Er is slechts ééne overeenkomst, waaraan echter elk schuldeischer voor zich een vorderingsrecht ontleent. Daarom wordt voor de ontbinding van het accoord geene samenwerking van schuldeischers vereischt, maar kan zij door een enkelen schuldeischer worden gevorderd.

Naar mijne meening is de opvatting van het accoord als eene overeenkomst , die bij wanpraestatie kan worden ontbonden, hoe men overigens daarover oordeele, in elk geval moeilijk overeen te brengen met den inhoud van de artikelen 153 en 160; verplichte weigering van homologatie in bepaalde, geheel zelfstandige beslissing van den rechter in alle andere gevallen; en voortbestaan der verbintenis van borgen en medeschuldenaren. —Het oorspronkelijk ontwerp kende ook nog vernietiging van het gehomologeerd accoord, gedurende een jaar nadat het in kracht van gewijsde gegaan is, wegens het plegen van eene der oneerlijke handelingen, in het tweede lid van artikel 153 sub 3°. vermeld. Opneming daarvan in de wet is echter op overwegende bezwaren van practischen aard afgestuit.

Artikel Kiö, tweede lid. De reden hiervan is, dat de schuldenaar de kwijting in handen moet hebben.

Artikel 16\'), derde lid. Dit klinkt vreemd. Men bedenke intusschen, dat het aceoord voor eene overeenkomst geldt, en dat het vierde lid van artikel 1302 b. w. eeue soortgelijke bepaling inhoudt.

Artikel 166.

De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 6—9 en 12 is voorgeschreven.

In het stelsel der wet is de vordering tot ontbinding van het accoord eene vordering tot ontbinding eener overeenkomst, die niet in raadkamer , maar ter openbare terechtzitting als een gewoon geding behoorde te worden aangebracht en beslist. Voor deze consequentie is de wetgever evenwel teruggedeinsd, uit hoofde van den hier vereischten spoed. Te rechter tijd bedenkend, dat de vordering heropening van het faillissement in haar gevolg medebrengt, heeft hij bepaald dat zij op dezelfde wijze behandeld wordt als het verzoek tot faillietverklaring. De vordering tot ontbinding van het accoord wordt alzoo aangebracht bij verzoekschrift, in te dienen door een procureur, artikel 5. De rechtbank is bevoegd, niet verplicht, den schuldenaar over deze vordering tot ontbinding eener overeenkomst te hooren, artikel 6. Dit een en ander schijnt mij zonderling; maar het is aldus geschreven.

Artikel 12, waarin „de in artikel 10 bedoelde schuldeischer ot belanghebbendequot; genoemd wordt onder degenen die in cassatie kunnen komen, behoorde hier niet zonder voorbehoud van toepassing verklaard te zijn, nu de artikelen 10 en 11 niet worden aangehaald.

-ocr page 175-

— 157 —

Artikelen 167, 168.

Artikel 167.

In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillissement bevolen met benoeming van eenen rechter-commissaris en curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers, indien er in het faillissement reeds eene geweest is.

Bij voorkeur zullen daartoe de personen gekozen worden , die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen.

De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 14, derde lid, voorgeschreven.

Artikel 168.

De artikelen 13, eerste lid, 15—18 en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling van dezen titel, zijn bij heropening van het faillissement toepasselijk.

Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over de verificatie der schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, die niet reeds vroeger geverifieerd werden.

Niettemin worden ook de reeds geverifieerde schuldeischers tot bijwoning der verificatie-vergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht wordt, te betwisten.

Het heropend faillissement wordt op dezelfde wijze behandeld als een nieuw uitgesproken faillissement. Dezelfde formaliteiten moeten opnieuw vervuld worden. Boedelbeschrijving is bijvoorbeeld noodig, omdat de curator moet constateeren, wat hij onder zijn beheer neemt; verificatie, omdat na het einde van het faillissement nieuwe vorderingen kunnen zijn ontstaan.

Ook hier meen ik in de verwijzingen enkele onnauwkeurigheden op te merken. Van artikel 17 behoefde alleen het vierde lid, artikel 50 behoorde niet toepasselijk verklaard te zijn; het een noch het ander kan echter schaden. Daarentegen moest artikel 14, tweede lid, wel vermeld zijn. Ook had behooren te zijn uitgemaakt, of de volgens artikel 167 benoemde commissie uit de schuldeischers als eene voorloopige dan wel als eene definitieve is te beschouwen, waaromtrent twijfel mogelijk is, nu de artikelen 74 en 75, als in de derde afdeeling voorkomend, beide van toepassing zijn.

Derde, lid. „Vorderingenquot;: omtrent den zin, waarin dit woord op verschillende plaatsen en blijkbaar ook hier gebezigd wordt, vergelijke men het aangeteekende op artikel 122 vierde lid.

-ocr page 176-

— 158

Artikelen 169, 170, 171.

Artikel 169.

De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zijn voor den boedel verbindend , behoudens de toepassing van artikel 42 en volgende zoo daartoe gronden zijn.

Artikel 170.

Na de heropening van het faillissement kan niet opnieuw een akkoord aangeboden worden.

De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over.

Het accoord is eene gunst voor den gefailleerde, maar tevens eene instelling in het belang der schuldeischers. Door het niet na te komen, heeft de gefailleerde dit voorrecht verbeurd; en de schuldeischers moeten voor herhaling van het voorgevallene behoed worden.

Artikel 171.

Indien tijdens de heropening jegens eenige schuldeischers reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is voldaan, worden bij de verdeeling aan de nieuwe schuldeischers en diegene onder de oude, die nog geene voldoening ontvingen , de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijke betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt , vooruitbetaald.

In hetgeen alsdan nog overschiet, wordt door alle schuldeischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk gedeeld.

Eene andere oplossing was denkbaar. Men had, in navolging van hetgeen elders geldt, kunnen bepalen dat de oude schuldeischers, jegens wie aan het accoord volledig voldaan is, in het heropend faillissement geene uitkeering ontvangen; dat zij, wien de accoord-percentengedeeltelijk voldaan zijn, in de uitdeelingen worden opgenomen voor het deel hunner vorderingen, correspondeerend met het deel dier percenten, dat hun niet betaald werd; en dat zij, die geheel onvoldaan bleven, over het voile bedrag hunner vorderingen dividend genieten. Die oplossing is niet overgenomen, voornamelijk omdat zij de mogelijkheid opent dat de schuldeischers, die nog niets ontvingen, bij de vereffening eene hoogere uitkeering bekomen dan bij het accoord werd toegezegd en dus in beteren toestand geraken dan zij, jegens wie het accoord werd nagekomen.

Bij de in dit artikel vervatte regeling wordt hetgeen reeds krachtens

-ocr page 177-

_ X59 _

Artikelen 171, 172, 173.

het accoord ontvangen is beschouwd als eene vooruitbetaling op de uit-keering, na de heropening van het faillissement aan oude en nieuwe schuld-eischers gelijkelijk te doen. Daardoor wordt eene gelijke behandeling van alle schuldeischers verkregen, voorzoover die met eerbiediging van verkregen rechten bestaanbaar is. Wel is het nu mogelijk, dat de oude schuldeischers, die nog niets ontvingen, zich bij de vereffening met een geringer aantal percenten moeten tevredenstellen dan bij het aceoord werd toegezegd, en dus bij de overeenkomstig het accoord voldane schuldeischers achterstaan. Maar hierin ware slechts te voorzien door de laatstgenoemden alsdan ie verplichten, een deel van het ontvangene in den boedel terug te brengen, en derhalve aan de heropening van het faillissement terugwerkende kracht te geven.

Aan de oude schuldeischers wordt niet, gelijk bij de amsterdamsche ordonnantie op de desolate boedelskamer van 1777, een praeferent recht toegekend boven de nieuwe. Dit is in strijd geacht met de paritas credito-ruin, en te onbillijker, omdat het actief, dat tijdens de heropening van het faillissement aanwezig is, veelal juist van de nieuwe schuldeischers afkomstig zal zijn.

Artikel 172.

Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van den schuldenaar, terwijl door hem aan het akkoord nog niet volledig is voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard.

Hier wordt het geval voorzien, dat eene nieuwe faillietverklaring wordt uitgesproken wegens staking van betaling van schulden, na de homologatie van het accoord gemaakt, en terwijl de toegezegde percenten nog niet aan alle oude schuldeischers betaald zijn. Ook dan kunnen naast elkander voorkomen oude sclmldeischers, die de accoord-percenten geheel of gedeeltelijk ontvangen hebben, oude schuldeischers die niets ontvingen, en nieuwe schuldeischers.

ZEVENDE AFOEELING.

Van de vereffening des boedels.

Artikel 173.

Indien op de verificatie-vergadering geen akkoord aangeboden , of indien het aangeboden akkoord verworpen, of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie, en gaat de curator onmiddellijk tot ver-effening en te-gelde-making van alle baten des boedels over,

-ocr page 178-

— 160 —

Artikelen 173, 174.

zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig is.

Niettemin kan den gefailleerde eenig huisraad , door den rechtercommissaris aan te wijzen, worden gelaten.

Eerste lid. „Verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie.quot; Het vonnis van insolvent verklaring, dat bij artikel 851 w. v. k. werd voorgeschreven, is afgeschaft als eene noodelooze formaliteit.. Bij de beraadslaging in de, tweede kamer stelde de heer Levy bij amende-ifiênt voor liet te behouden, ten einde de beide stadiën van het faillissement door een rechterlijk vonnis van elkander af te scheiden en de gevolgen der faillietverklaring voor den persoon van den getailleerde zooveel mogelijk alleen aan de insolventverklaring te verbinden. Dit amendement werd evenwel, na bestrijding door de commissie van voorbereiding en door den minister, met groote meerderheid verworpen.

Daar de insolventie uit bepaalde feiten voortvloeit, staat de dag, waarop zij aanvangt, ook zonder vonnis vast. In geval van ontbinding van een gehomologeerd accoord begint de insolventie op den dag van het vonnis, waarbij de ontbinding uitgesproken en de heropening van het faillissement bevolen wordt, artikelen 167 en 170; dat vonnis is volgens artikel i derde lid uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening, terwijl artikel 13 tweede lid ten deze niet van toepassing is, artikelen 166 en 168.

Wel zou de vraag kunnen rijzen, op welken dag de insolventie aanvangt bij toepassing van artikel 149, indien de rechtbank bevindt dat de rechtercommissaris het accoord terecht als verworpen beschouwd heeft en het verzoek tot verbetering van het proces-verbaal afwijst. In dat zeker niet alledaagsch, maar toch denkbaar geval zou de boedel, naar het mij voorkomt, krachtens dit voorschrift in staat van insolventie verkeeren sedert den dag der vergadering, waarin het accoord verworpen is. Intusschen zou de bevoegdheid van den curator tot vereffening, zoolang het bedoeld verzoek bij de rechtbank aanhangig was, bij gebreke van voorziening niet vaststaan.

Tweede lid. Het kan een gebod der menschelijkheid zijn dat den gefailleerde eenig huisraad gelaten worde. De hiermede bedoelde goederen zijn andere dan die, bij artikel 21 nquot;. 1 vermeld, welke ah initio buiten het faillissement blijven. De beschikking van den rechter-coramissaris is niet aan hooger beroep onderworpen, artikel 67 tweede lid.

Artikel 174.

De goederen worden in het openbaar of met toestemming van den rechter-commissaris ondershands verkocht.

De formaliteiten, bij den verkoop der goederen in acht te nemen, worden, ter besparing van omslag en kosten, bij dit artikel vereenvoudigd.

-ocr page 179-

— 161 —

Artikelen 174, 175.

De bij de artikelen 853 en 857 w. v. k. voorgeschreven benoeming van den ambtenaar, ten wiens overstaan de openbare verkoop zal plaats hebben, door den rechter-commissaris, is als geheel overbodig achterwege gelaten. Onderhandsche verkoop, die met name ook voor ter beurze verhandelbare goederen zeer gewenscht kan zijn, wordt niet alleen voor roerende maar ook voor onroerende goederen toegelaten, mits met toestemming van den rechter-commissaris, van wiens beschikking geen hooger beroep valt, artikel 67 tweede lid; schatting door deskundigen wordt daarbij niet ver-eischt. Tusschenkomst der rechtbank, die toch alleen op verkregen inlichtingen zou kunnen oordeelen, is ook hier onnoodig geacht. Is er eete commissie uit de schuldeischers, zoo moet de curator omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel haar advies inwinnen, artikel 78.

Tegen onderhandschen verkoop van onroerend goed bestond bij den raad van state bedenking. Zij kan intusschen in het belang van den boedel geraden zijn. Dat zij alleen in dat geval zal plaats hebben, wordt door de gevorderde toestemming van den rechter-commissaris en eventuëel ook door het in te winnen advies der commissie gewaarborgd.

Artikel 175.

Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op de wijze door den rechtercommissaris goed te keuren.

Voor zooveel dit in het belang is van den boedel, brengt de curator de goederen, waarop schuldeischers recht van terughouding uitoefenen, door voldoening der vorderingen, waaraan dit recht is verbonden, in den boedel terug.

Volgens artikel 78 moet de curator omtrent dit een en ander het advies der commissie uit de schuldeischers inwinnen, indien zij er is.

Eerste lid. Men denke bijvoorbeeld aan litigieuse, twijfelachtige of oninbare vorderingen, aan incourante of moeilijk te realiseeren artikelen en dergelijke. Ook deze beschikking van den rechter-commissaris is niet aan hooger beroep onderworpen, artikel 67 tweede lid.

Tweede lid. De schuldeischers, wien recht van terughouding toekomt, hebben tegenover den insolventen boedel geen recht op integrale voldoening, maar zoolang deze niet geschiedt, kunnen zij weigeren de goederen, die zij onder zich hebben, af te geven. De curator zal dus hebben na te gaan, wat met het oog op de waarde der teruggehouden goederen voor-deeliger is: de vordering integraal voldoen, ten einde de goederen in den boedel terug te brengen, of de goederen onder den schuldeischer laten en dezen de uit te deelen percenten betalen. Vergelijk voorts het aange-teekende óp artikel 60. Ofschoon toepassing van artikel 69 mogelijk is,

11

-ocr page 180-

— 162 —

Artikelen 175, 176, 177, 178.

zou het mijns inziens raadzaam geweest zijn en in het stelsel der wet gepast hebben, voor de hier bedoelde handeling van den curator in elk geval machtiging van den rechter-commissaris te vorderen. De zinsnede is aan het artikel toegevoegd naar aanleiding eener opmerking in het verslag der commissie van voorbereiding.

Artikel 176.

De artikelen 98 en 100 houden op van toepassing te zijn als de vereffening des boedels overeenkomstig artikel 173 is begonnen.

Artikel 177.

De curator kan ten behoeve der vereffening van de diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen eene door den rechtercommissaris vast te stellen vergoeding.

Is er eene commissie uit de schuldeischers, zoo is de curator verplicht ook hierover haar advies in te winnen, artikel 78. Ten einde te voorkomen, dat deze vergoeding van diensten feitelijk in alimentatie ontaarde, is de\' rechter-commissaris met de vaststelling van haar bedrag belast. Van zijne beschikking valt geen hooger beroep, artikel 67 tweede lid.

Artikel 178.

Nadat de boedel insolvent is geworden, kart/de rechter-commissaris, op door hem te bepalen dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers beleggen, ten einde hen te raadplegen over de wijze van vereffening des boedels, en zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben der schuldvorderingen, die na afloop van den in artikel 108 n0. 1 bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111—114. Hij roept de schuldeischers, ten minste tien dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp der vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14.

Naast artikel 84 was dit artikel noodig om, boven twijfel te stellen, dat de hier bedoelde vergadering tevens kan worden dienstbaar gemaakt aan

-ocr page 181-

— 163 —

Artikelen 178, 179, 180.

de verificatie van te laat ingediende vorderingen. Overigens is het beleggen dezer vergadering facultatief. De rechter-commissaris kan de schuldeischers ook terstond over de vereffening raadplegen, indien geen accoord is aangeboden of indien het aangeboden accoord verworpen is op eene wijze, die geene toepassing van artikel 149 doet verwachten. Vergelijk voorts het aangeteekende op artikel 84.

In het. verslag der commissie van voorbereiding werd een voorschrift aanbevolen omtrent een uit te brengen verslag van den staat der vereffening. De regeering zag echter in dit stadium van het faillissement daarin geen nut; achten de schuldeischers zich niet voldoende ingelicht, zoo kunnen zij eene vergadering uitlokken.

„Ten einde hen te raadplegenquot;. De schuldeischers worden alleen gehoord; eene beslissing over de wijze van vereffening hebben zij niet te nemen.

Artikel 179.

Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechter-commissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, beveelt deze eene nitdeeling aan de geverifieerde schuldeischers.

Vooraf behoort de curator het advies der commissie uit de schuldeischers, zoo zij er is, in te winnen (artikel 78), en den rechter-commissaris te verzoeken zijn salaris overeenkomstig artikel 71 door de rechtbank te doen bepalen. Van de beschikking van den rechter-commissaris valt geen hooger beroep, artikel 67 tweede lid.

Artikel 180.

De curator maakt telkens de uitdeelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat der ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van den curator), de namen der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering, benevens de daarop te ontvangen uitkeering.

Voor de concurrente schuldeischers worden de door den rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken; voor de bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen zij, wier voorrecht betwist wordt, en de pand- en hypotheekhoudende schuldeischers, voor zooverre zij niet reeds overeenkomstig de bepaling van artikel 57 voldaan zijn, het bedrag waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der goederen,

-ocr page 182-

— 164 —

Artikelen 180, 181.

waarop zij bevoorrecht of die aan hen verbonden waren. Zoo dit minder is dan het geheele bedrag hunner vorderingen, worden voor het ontbrekende, — zoo de met het voorrecht belaste of aan hen verbonden goederen nog niet verkocht zijn, voor hunne geheele vordering — gelijke percenten als voor de concurrente schuldeischers uitgetrokken.

Ook de hier bedoelde beschikkingen van den reohter-commissaris zijn niet aan hooger beroep onderworpen, artikel 67 tweede lid.

Eerste lid. „De uitdeelingslij stquot;. Daar reeds bij de verificatie over den voorrang beslist wordt, is eene rangschikking in den zin van het wetboek van koophandel niet meer noodig. De uitdeelingslijst dient alleen om aan te wijzen, wat ieder schuldeischer op grond van zijn reeds vaststaand recht zal beuren, en wordt door den curator opgemaakt en aan de goedkeuring van den rechter-commissaris onderworpen, zoo dikwijls eene uitdeeliug zal geschieden. Wordt tegen de uitdeelingslijst verzet gedaan en dit gegrond bevonden, zoo zal het bedrag der uitkeering aan eiken schuldeischer opnieuw moeten worden berekend; dezen omslag dient men zich in dat geval te getroosten ter wille van het belang voor de schuldeischers om aanstonds te vernemen, hoeveel ieders deel bedraagt.

„Daaronder begrepen het salaris van den curatorquot;. Indian meer dan ééne uitdeeliug plaats heeft en het salaris van den curator percentsgewijze is vastgesteld, gelijk in groote faillissementen kan voorkomen , zal telkens zoodanig deel van het salaris, als met het totaal bedrag der uitdeeling correspondeert, op de uitdeelingslijst zijn uit te trekken. De curator behoeft niet tot het einde van het faillissement op zijn salaris te wachten.

Tweede lid. „Daaronder begrepen zij, wier voorrecht betwist wordt.quot; Vergeiijk artikel 189 tweede lid. Of de voorrang al dan niet, ingevolge artikel 125, voorwaardelijk erkend is , maakt ten deze geen verschil.

„Zoo de met het voorrecht belaste of aan hen verbonden goederen nog niet verkocht zij n,voor liunne geheele vordering.quot; De hypothecaire, pandhoudende of bevoorrechte schuldeischer wordt alsdan, in afwachting van den verkoop der goederen, waarop hij een recht van voorrang heeft, als concurrent schuldeischer behandeld. Vergelijk artikel 190. Men denke bijvoorbeeld aan den hypothecairen schuldeischer, die het beding van artikel 1223 b. w. niet gemaakt heeft, of aan den hypothecairen schuldeischer of pandhouder, die den termijn van artikel 58 ongebruikt liet.

Artikel 181.

Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen worden op de uitdeelingslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken.

-ocr page 183-

— 165 —

Artikelen 181, 182, 183.

„Voorwaardelijk toegelatenquot;: zie het aangeteekende over de terminologie, hierboven bladz. 115. Met het bedrag, voor deze vorderingen uitgetrokken, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 189 eerste lid.

Artikel 182.

De algemeene faillissementskosten worden omgeslagen over ieder deel van den boedel, met uitzondering van hetgeen overeenkomstig de bepaling van artikel 57 door den pand- of hypotheekhoudenden schuldeischer zelf is verkocht.

De kosten zijn een last, die op het geheele actief drukt, op den boedel in zijn geheel en dus ook op elk afzonderlijk bestanddeel daarvan. De opbrengst van elk deel wordt door den omslag met hetzelfde percentage verminderd. Buiten het faillissement staan alleen de pandhouder en de hypothecaire schuldeischer die onherroepelijke machtiging tot verkoop bezit, voorzoover zij gebruik maken van hun recht om het verbonden goed zelf te realiseeren. Dit doende, hebben zij in de kosten van het faillissement niet bij te dragen. Wel zijn daartoe verplicht de hypothecaire schuldeischer, die het beding van artikel 1223 b. w. niet gemaakt heeft, de hypothecaire schuldeischer of pandhouder, die den termijn van artikel 58 heeft laten voorbijgaan, en de bevoorrechte schuldeischer. Onder het wetboek van koophandel bestond hieromtrent verschil van meenipg.

De omslag der kosten zal feitelijk slechts behoeven te geschieyen over die deelen van den boedel, welker opbrengst tot eene afzonderlijke verdeeling aanleiding geeft. Zijn er geen schuldeischers met recht van voorrang, zoo kunnen de kosten in eens van het totaal der ontvangsten worden afgetrokken. Zijn er bijvoorbeeld hypothecaire schuldeischers, wier onderpand door den curator verkocht is, en bevoorrechte schuldeischers, dan zal de omslag moeten gedaan worden: 1°. over de opbrengst van het verhypothekeerde goed ; 2°. over de opbrengst van die goederen, waarop een zelfde voorrecht kleeft, 3n. over de opbrengst der goederen, niet bij voorrang voor eenige vordering verbonden en ten bate der concurrente schuldeischers komend. Van elk dezer posten wordt hetzelfde percentage afgetrokken. maar de aftrek moet telkens afzonderlijk geschieden, omdat de bestemming der saldo\'s verschillend is.

Artikel 183.

De door den rechter-commissaris goedgekeurde uitdeelingslijst ligt gedurende tien dagen ter griffie van de rechtbank ter kos-telooze inzage van de schuldeischers.

Een afschrift wordt door den curator met hetzelfde doel neder-gelegd ter griffie van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht. De nederlegging geschiedt kosteloos.

Van de nederlegging wordt door de zorg van den curator

-ocr page 184-

— 166 —

Artikelen 183, 184, 185.

aankondiging gedaan in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14, terwijl daarvan bovendien aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten scbuldeischers schriftelijk kennis wordt gegeven met vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.

Ticeede lid. „Het in artikel 97 aangewezen kantongerechtquot;: vergelijk het aangeteekende op artikel 114.

Artikel 184.

Gedurende den in het vorige artikel genoemden termijn kan ieder schuldeischer in verzet komen tegen de uitdeelingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.

Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd.

Eerste lid. „Een met redenen omkleed bezwaarschrift.quot; De gronden, waarop de homologatie van een aangenomen accoord bestreden wordt, strekken uitsluitend ter inlichting van den rechter, wiens zelfstandige beslissing in elk geval noodig is. Bij de uitdeelingslijst is dit anders. Hier wordt alleen in geval van verzet eene rechterlijke beslissing vereischt, en wordt op de door partijen aangevoerde gronden recht gedaan; de rechter beslist niet suo arbitrio, maar slechts naar aanleiding van het gedaan verzet. Daarom wordt hier, in afwijking van de procedure bij de homologatie van het accoord, een met redenen omkleed bezwaarschrift gevorderd; het oorspronkelijk ontwerp verlangde een exploot, de gronden van het verzet houdend. Het bezwaarschrift wordt door den schuldeischer ter griffie ingeleverd, waartoe hij den bijstand van een procureur niet behoeft.

Artikel 185.

Zoo er verzet gedaan is, bepaalt de rechter-commissaris, onmiddellijk na afloop van den termijn van inzage, den dag, waarop het ter openbare terechtzitting behandeld zal worden. Deze beschikking ligt ter griffie ter kostelooze inzage van een ieder. Bovendien doet de griffier daarvan aan de opposanten en den curator schriftelijk mededeeling. De dag van behandeling mag niet later gesteld worden dan veertien dagen na afloop van den termijn van artikel 183.

Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan de curator en ieder der scbuldeischers in persoon of bij

-ocr page 185-

— 167 —

Artikelen 185, 186.

gemachtigde de gronden uiteenzetten ter verdediging of bestrijding van de uitdeelingslijst.

Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.

Eerste lid. Beteekening van het verzet wordt, ter besparing van omslag en kosten, niet voorgeschreven, ofschoon de overige schuldeischers bij het verzet wel degelijk belang hebben. Dat belang zou mijns inziens beter zijn gewaarborgd, indien bij deze alinea minder werd afgeweken van de procedure bij de homologatie van het accoord. Immers dan zou den curator, evenals in het geval van artikel 150 tweede lid, zijn opgedragen den dag der behandeling van het verzet schriftelijk aan de schuldeischers te berichten; ook volgens artikel 873 w. v. k. werden de erkende schuldeischers bij brieven opgeroepen. In de plaats daarvan komt hier eene schriftelijke mededeeling van den griffier aan de opposanten en den curator, die althans wat den laatstgenoemde betreft niet volstrekt noodig schijnt; de overige schuldeischers ontvangen geenerlei kennisgeving. Hierbij komt dat zij, wanneer zij zich na afloop van den termijn van inzage ter griffie vervoegen, daar wellicht alleen de beschikking van den rechter-commissaris omtrent den dag der behandeling, niet de ingediende bezwaarschriften zullen vinden; want deze zijn als bijlagen bij de uitdeelingslijst gevoegd, artikel IS-t tweede lid.

Tweede lid. „De curatorquot; is hier ingelascht naar aanleiding eener opmerking in het verslag der commissie van voorbereiding. Ook deze afwijking van de procedure bij de homologatie van het accoord komt mij niet gelukkig voor. In de memorie van toelichting werd terecht betoogd, dat de curator hier even goed als daar buiten het geschil staat. De uitdeelingslijst wordt wel door hem opgemaakt, maar is aan de goedkeuring van den rechter-commissaris onderworpen; verzet tegen die lijst is verzet tegen beschikkingen van den laatstgenoemde, die in zijn schriftelijk rapport aan de rechtbank gelegenheid vindt om haren inhoud te verdedigen.

Artikel 186.

Ook een niet-geverifieerde schuldeischer kan verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, zijne vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voege, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doe om geverifieerd te worden. , c,.

De verificatie der vordering geschiedt alsdan op de wijze, bij artikel 119 en volgende voorgeschreven, ter openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en voordat daarmede een aanvang wordt gemaakt.

Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeischer ge-

-ocr page 186-

— 168 —

Artikelen 186, 187.

verifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den nalatigen schuldeischer.

Eerste lid. „Uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden.quot; Deze termijn dient om den curator in de gelegenheid te stellen de juistheid dei-vordering vooraf te onderzoeken. De aangehaalde woorden hebben, naar ik meen, uitsluitend betrekking op het indienen der vordering bij den curator, niet op den verderen inhoud der zinsnede. De bedoeling is al-zoo, dat het bezwaarschrift van een niet-geverifiëerden schuldeischer, hetwelk evenals andere bezwaarschriften binnen den termijn van artikel 183 ter griffie moet worden ingeleverd, tevens het verzoek moet inhouden om geverifieerd te worden en moet vergezeld gaan van een afschrift der vordering, terwijl deze bovendien uiterlijk twee dagen vóór den dag der behandeling yah \'het verzet bij den curator moet worden ingediend. Wel is deze uitlegging uit een taalkundig oogpunt niet geheel vrij van bedenking; maar anders wordt de bepaling onverstaanbaar. De indiening van het bezwaarschrift moet toch volgens artikel 184 plaats hebben binnen de tien dagen, gedurende welke de uitdeelingslijst ter inzage ligt; noch die indiening zelve, noch de toevoeging van een afschrift der vordering aan het bezwaarschrift, dat immers als bijlage bij de lijst gevoegd wordt, kan wachten tot uiterlijk twee dagen vóór dien der behandeling van het verzet, die eerst na afloop van den termijn van inzage bepaald wordt. In het ontwerp dei-staatscommissie luidde het voorschrift: „Ook een niet- geverifieerde schuldeischer kan verzet doen, mits hij vooraf zijne vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan bij het exploot voege, en in dit exploot tevens verzoek doe om geverifieerd te worden.quot; Onberispelijk was deze redactie evenmin; het woord „voorafquot; stond daarin niet op de juiste plaats.

Tweede lid. De verificatie geschiedt onder leiding van den rechter-com-missaris, die toch ter terechtzitting aanwezig moet zijn tot het uitbrengen van rapport, artikel 185 tweede lid. Ook met het oog op deze nadere gelegenheid tot verificatie van vorderingen zou het mijns inziens aanbeveling verdiend hebben bij artikel 185 te bepalen, dat de curator den dag der behandeling schriftelijk aan de schuldeischers kenbaar maakt.

Derde lid. Doet meer dan één nalatig schuldeischer verzet, zoo dragen zij de kosten daarvan gezamenlijk, allen voor gelijke deelen.

Artikel 187.

Door verloop van den termijn van artikel 183, of, zoo er verzet is gedaan, door het op het verzet gewezen vonnis, wordt de uitdeelingslijst verbindend.

Tegen het vonnis, op het verzet gewezen, staat geen beroep in cassatie open.

-ocr page 187-

— 169 —

Artikelen 187, 188, 189.

Tweede lid. Ziellier een voorbeeld van uitsluiting van beroep in cassatie, waartoe artikel 165 der grondwet den wetgever vrijheid laat. Daar reeds bij de verificatie over den voorrang beslist wordt, zal verzet tegen de uitdeelingslijst veelal louter quaestiën van cijfers betreffen. Wel zijn ook rechtsvragen daarbij geenszins ondenkbaar, maar zij zullen toch niet dan bij uitzondering voorkomen; in den regel zal het verzet slechts loopen over eenvoudige vragen van feitelijken aard.

Hooger beroep wordt hier uitgesloten door artikel 85.

Artikel 188.

De rechter cominissa.ris.beveelt de doorhaling der hypothekaire inschrijvingen , waarmede een tot den boedel behoorend onroerend goed is bezwaard , zoodra de uitdeelingslijst, waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen , verbindend is geworden.

Op verkoop, door den curator, van tot den boedel behoorende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk.

In het oorspronkelijk ontwerp kwam dit artikel niet voor. Het is in de wet opgenomen naar aanleiding eener opmerking in het verslag der commissie van voorbereiding.

Eerste lid. In tweeërlei opzicht wordt hier van artikel 870 w. v. k. afgeweken. Niet de rechtbank, maar de rechter-commissaris wordt met het geven van het bevel belast. Immers cfe zaak is reeds beslist bij de uitdeelingslijst, die uitmaakt welke hypothecaire schuldeischers-batig gerangschikt worden en tot welk bedrag; de doorhaling is daarvan het noodzakelijk gevolg. Voorts wordt niet meer verwezen naar de artikelen 1257 en volgende b. w. Het bedrag, waarvoor de hypothecaire schuldeischers geverifiëerd zijn, beslist toch over hunne aanspraken op de opbrengst der verbonden goederen.

Gelijk bij artikel 67 tweede lid werd aangeteekend, geldt het hier geene beschikking en is derhalve hooger beroep van zelf uitgesloten.

Artikel 189.

t

De uitdeeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk toegelaten schuldeischer, wordt niet uitgekeerd, zoolang niet omtrent zijne vordering beslist zal zijn. Blijkt het ten slotte dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor hem bestemde gelden geheel of ten deele ten bate van de andere schuldeischers.

Uitdeelingen bestemd voor vorderingen, welker voorrang be-

-ocr page 188-

— 170 —

Artikelen 189, 190, 191.

twist wordt, worden, voor zooverre zij meer bedragen dan de percenten over de concurrente vorderingen uit te keeren, gereserveerd tot ua de uitspraak over den voorrang.

Emte lid. „Zoolang niet omtrent zijne vord\'ering beslist zal zijn,quot; namelijk door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, indien de vordering betwist werd; door de vervulling der aan de vordering verbonden opschortende voorwaarde; of doordat de schuldeischer, in het geval van artikel 135 tweede lid of van artikel 136 tweede lid, bij de slot-uitdeeling zelf niet opkomt.

Artikel 190.

Indien eenig goed, waarop een bepaald voorrecht, een hypotheek of pandrecht rust, verkocht wordt, nadat aan den bevoorrechten hypotheek- of pand houdenden schuldeischer, ingevolge artikel 179 in verband met het slot van artikel 180, reeds eene uit-keering is gedaan , wordt dezen bij eene volgende uitdeeling het bedrag, waarvoor hij op de opbrengst van het goed batig gerangschikt is kunnen worden, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten, die hij reeds te voren over dit bedrag ontving.

In hoofdzaak wordt hier, in verbeterde redactie, hetzelfde bepaald als bij artikel 872 w. v. k. Achter het woord „bevoorrechtenquot; in den tweeden regel was in het ontwerp der staatscommissie eene komma geplaatst, die daar behoort, doch later is uitgevallen.

„Over dit bedrag.quot; Kan de bedoelde schuldeischer slechts voor een deel zijner vordering batig gerangschikt worden op de opbrengst van het verbonden goed, zoo wordt hem slechts een evenredig deel der percenten, bij eene vroegere uitdeeling ontvangen, in mindering gebracht. Immers voor het niet batig gerangschikt deel zijner vordering blijkt hij concurrent schuldeischer te zijn.

Artikel 191.

Aan schuldeischers, die, ten gevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schuldeischers reeds genotene, vooruitbetaald.

Indien zij voorrang hebben, verliezen zij dien, voor zooverre

-ocr page 189-

— 171 —

Artikelen 191, 192, 193.

de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schuldeischers bij voorrang is toegekend.

Dit artikel berust, evenals artikel 874 w. v. k., op twee beginselen: de nalatige schuldeischer wordt betaald uit de nog voorhanden baten; en reeds gedane uitkeeringen kunnen in geen geval teruggevorderd worden. Etrst-vermeld beginsel brengt mede dat de praeferente schuldeischer, die niet tijdig opkwam, ook indien het verbonden goed reeds verkocht is, uit den boedel het bedrag ontvangt waarvoor hij op de opbrengst van dat goed batig gerangschikt had kunnen worden. Wat moet echter geschieden, indien die opbrengst reeds is toegekend aan een bevoorrechten schuldeischer van lageren rang, die slechts concurrent schuldeischer zou geweest zijn , indien de schuldeischer van hoogeren rang niet verzuimd had op te komen? Volgens de artikelen 875 en 876 w. v. k. kon de nalatige schuldeischer ook in dat geval zijn recht van voorrang ten volle doen gelden op de nog voorhanden penningen. Dit was, daar het reeds uitgekeerde niet kan worden teruggevorderd, hoogst onbillijk tegenover de concurrente schuldeischers, die aldus de nadeelige gevolgen droegen van een niet door hen begaan verzuim. Daarom wordt bij het tweede lid van dit artikel bepaald dat de voorrang verloren gaat, voorzoover de opbrengst van het goed reeds vroeger bij voorrang is toegekend aan andere schuldeischers, die namelijk een lager recht van voorrang hadden.

Artikel 192.

Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij artikel 183, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkeeringen , waarover niet binnen ééne maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 189 gereserveerd zijn, worden door hem in de kas der gerechtelijke consignatiën gestort.

„Tn de kas der gerechtelijke consignatiënquot;: namelijk bij den ontvanger der registratie, en in de hoofdplaatsen der arrondissementen bepaaldelijk bij den ontvanger, belast met de registratie der gerechtelijke acteu (artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 December 1843).

Artikel 193.

Zoodra aan de geverifieerde schuldeischers liet volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd , of zoodra de slotnitdeelinlt;is-lijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde,

-ocr page 190-

— 172 —

Artikelen 193, 194.

behoudens de bepaling van artikel 194. Door den curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij artikel 14 bepaald.

Na verloop van eene nmand doet de curator rekening en verantwoording van zijn beheer aan den rechter-commissaris.

De boeken en papieren , door den curator in den boedel gevonden, worden door hem tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar afgegeven.

Eerste lid. De slotuitdeeling is het natuurlijk einde van het faillissement. Hoe de slotuitdeelingslijst verbindend wordt, is bij artikel 187 geregeld. De woorden: „Zoodra aan de geverifieerde schuldeischers het volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerdquot;, zijn in den aanhef opgenomen ter tegemoetkoming aan eene opmerking in het verslag der commissie van voorbereiding. Ik kan in die bijvoeging geene verbetering zien. Hoe toch zal de curator, wanneer hij het voorrecht heeft aan de concurrente schuldeischers 100 pet. te kunnen uitkeeren, dat doen zonder slotuitdeelingslijst?

Tweede lid. De rekening en verantwoording dient vooral om te doen blijken , dat de curator de uitkeeringen behoorlijk gedaan heeft. De controle daarop wordt alleen aan den rechter-commissaris opgedragen. Oproeping der schuldeischers tot het aanhooren der rekening en verantwoording, die onder het wetboek van koophandel eene ijdele formaliteit bleek, wordt niet meer voorgeschreven. De curator wordt niet ontslagen, maar defun-geert, daar hij, behalve in de gevallen van artikel J94, niets meer te doen heeft.

Derde lid. Soortgelijke bepaling vindt men in artikel 162 tweede lid voor het geval van accoord.

Artikel 194.

Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 189 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen, of mocht blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn , welke ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten.

Heropening van het faillissement is in deze gevallen niet noodig. De vereflening wordt alleen hervat. Van nieuwe schuldeischers kan geen sprake zijn, daar de gefailleerde de beschikking en het beheer over de gereserveerde uitdeelingen en verborgen gebleven baten geen oogenblik gehad heeft; het faillissements-beslag is daarop blijven rusten. Het bevel van de rechtbank kan worden uitgelokt door een of meer schuldeischers, door den gewezen rechter-commissaris of curator, ook door den schuldenaar; het artikel bevat dienaangaande geenerlei beperking.

-ocr page 191-

— 173 —

Artikelen 195—197.

ACHTSTE AFDEELING.

Van den rechtstoestand des schuldenaars na afloop van de vereffening.

Artikel 195.

Door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Strekking der artikelen 19 5—19 7. De rechtstoestand van den schuldenaar na alioop der vereffening en vóór de rehabilitatie was onder het wetboek van koophandel hoogst onzeker. Het faillissement was feitelijk teu einde, doch bleef rechtens voortduren. De wetgever kon zich den staat v^in faillissement niet geëindigd denken, zoolang niet alle schuldeischers te hunnen genoege voldaan waren en dit door rehabilitatie gerechtelijk geconstateerd was. Inmiddels konden de oude schuldeischers den schuldenaar niet aanspreken, tenzij door, krachtens artikel 887 w. v. k., heropening van het faillissement uit te lokken. Welke rechten de nieuwe schuldeischers konden doen gelden, of een nieuw faillissement mogelijk was, zoo ja wie het konden aanvragen en welke daarbij de verhouding was tusschen oude en nieuwe schuldeischers, deze vragen bleven onbeslist en werden in verschillenden zin beautwoord. Het gevolg was, dat voor schuldenaren met een ruim geweten de weg open lag, om zich door faillissement en insolventverklaring aan de aansprakelijkheid voor hunne verbintenissen te onttrekken.

Volgens de nieuwe wet is rehabilitatie niet meer uoodig om het faillissement te beëindigen. Het gerechtelijk beslag op het vermogen van den schuldenaar loopt met de slotuitdeeliiig af; het faillissement neemt een einde door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst. De vorderingen der schuldeischers zijn, voorzoover zij niet op den boedel verhaald konden worden, in stand gebleven. Elk schuldeischer krijgt daarvoor zijne afzonderlijke rechten van executie op de goederen van den schuldenaar terug en heeft, indien hij zijne vordering heeft doen verifiëeren en de gefailleerde haar niet betwist heeft, tegen dezen een executorialen titel; de algemeene executie wordt door eene individuëele vervangen. Dientengevolge zullen de schuldenaren door het faillissement niet zoo gemakkelijk meer aan de betaling hunner schulden kunnen ontkomen. Het oorspronkelijk ontwerp ging verder en deed de schuldeischers ook hunne rechten van executie „tegen den persoonquot; van den schuldenaar herkrijgen. Blijkens het verslag der commissie van voorbereiding achtten vele leden der tweede kamer dit te streng. De regeering stemde er in toe om executie bij lijfsdwang na afloop van het faillissement ter zake van vroegere schulden uit te sluiten, en deed mitsdien de woorden „tegen den persoonquot; uit het artikel vervallen. Vergelijk de inleiding, bladz. 6.

Het ontwerp der staatscommissie kende den schuldenaar de bevoegdheid toe, om bij gelegenheid van de slotuitdeeling aan zijne schuldeischers een slot-accoord aan te bieden, als het ware strekkend tot minnelijken afkoop

-ocr page 192-

— 174 —

Artikelen 195—197.

van hunne verdere rechten. Deze nieuwe instelling werd door de regeering echter niet overgenomen.

Voorts bevatte het oorspronkelijk ontwerp nog eene bepaling, waarbij de artikelen dezer afdeeling niet toepasselijk verklaard werden op het faillissement van de naamlooze vennootschap, wederkeerige verzekerings-of waarborgmaatschappij en coöperatieve vereeniging. Ingevolge bedenkingen in het verslag der commissie van voorbereiding is dat voorschrift, als in elk geval overbodig, achterwege gelaten. Voor de coöperatieve vereeniging is bij artikel 18 der wet van 17 November 1876 (staatsblad nquot;. 227) uitdrukkelijk bepaald, dat zij eindigt door hare verklaring in staat van faillissement. In antwoord op eene bij deze gelegenheid gedane vraag in het verslag gaf de minister te kennen, dat eene bereids ontbonden naamlooze vennootschap in staat van faillissement kan verklaard worden, gelijk onder het wetboek van koophandel werd uitgemaakt bij arrest van den hoogen raad van 5 Februari 1892 (IF. v. h. r. n0. 6152); ook in de nieuwe wet komt geene bepaling voor, die dit verhindert.

Artikel 19n. „Voor hunne vorderingenquot;, namelijk zooals die geverifieerd zijn, gelijk volgt uit artikel 196. Eene niet-opeischbare vordering, die voor hare comptante waarde geverifiëerd is, herleeft dus niet in hare vroegere gedaante. Omtrent niet-opeischbare vorderingen, die niet geverifiëerd zijn, vergelijke men het aangeteekende bij artikel 157.

„Herkrijgen.... hunne rechten van executie.quot; Dit is aldus te verstaan, dat de schuldeischers, die door het faillissement hun afzonderlijk recht van verhaal tegen den schuldenaar verloren hebben, na afloop van het faillissement het recht herkrijgen om individuëel den schuldenaar aan te spreken en de executie op zijne goederen opnieuw te beginnen. Van voortzetting eener executie, vóór het faillissement begonnen, kan geen sprake zijn, daar elke begonnen executie door de faillietverklaring dadelijk een einde neemt, artikel 33.

„Op de goederen van den schuldenaar.quot; De schuldeischer, die recht van terughouding bezit, kan zijn recht op de teruggehouden goederen uitoefenen. Zie artikel 60 en het daarop aangeteekende.

Artikel 196.

De in het vierde lid van artikel 121 bedoelde erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal der verificatie-vergadering levert voor de daarin uls erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar.

Vergelijk het aangeteekende op artikel 126. De griffier moet aan den schuldeischer op aanvrage eene grosse afgeven, een uittreksel bevattend uit het proces-verbaal der verificatie-vergadering, waarin de erkenning der vordering geconstateerd wordt.

-ocr page 193-

— 175 —

Artikelen 196, 197, 198.

„Den voor tenuitvoerlegging vatbaren titelquot;. Ten einde te doen uitkomen, dat bedoeld proces-verbaal voor de erkende vorderingen den eenigen geldigen executorialen titel oplevert, is het bepalend lidwoord hier gesteld in de plaats van het onbepalend, dat aanvankelijk gebezigd werd.

Artikel 197.

De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist is.

NEGENDE AFDEELING.

Van het faillissement eener nalatenschap.

Artikel 198.

De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen.

De tegenwoordige tekst is vastgesteld bij de wet van 6 September 1895 (staatsblad nquot;. 155). De vroegere luidde:

„De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene had opgehouden te betalen, en indien de rechtbank dit in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wensche-lijk oordeelt.quot; Vergelijk de inleiding, bladz. 7—12 en 16—24.

In overeenstemming met de staatscommissie, stelde de regeering voor de faillietverklaring eener nalatenschap ook toe te laten, ingeval zij niet toereikend is ter betaling van de schulden des overledenen, hetgeen iiumers niet zelden eerst na het overlijden blijkt. Bij de beraadslaging in de tweede kamer werd echter een amendement van den heer Van Houten, om deze nieuwe bepaling uit het artikel te lichten, ondanks bestrijding door de regeering en door de commissie van voorbereiding, met 56 tegen 13 stemmen aangenomen. De voorsteller van het amendement ontkende niet, dat de rechten der schuldeischers bij het openvallen eener nalatenschap thans onvoldoende gewaarborgd zijn, doch meende dat hierin behoort te worden voorzien door wijziging van het burgerlijk wetboek, niet bij de faillietwet.

De in artikel 767 w. v. k. voorkomende woorden: „om het even of zijne erfgenamen van het recht van beraad al dan niet gebruik maken, de erfenis zuiver of onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, dan of zij dezelve hebben verworpenquot;, zijn als overbodig weggelaten. De algemeene redactie van het artikel laat in dit opzicht geene beperkende uitlegging toe.

Het hier bedoeld verzoekschrift wordt ingediend door een procureur, artikel 5.

-ocr page 194-

— 176 —

Artikelen 198, 199, 200, 201.

Dat ook van het vorderingsrecht van den schuldeischer summierlijk moet blijken, is hier niet, gelijk bij artikel 6 tweede lid, uitdrukkelijk bepaald. Het ligt intusschen in den aard der zaak.

Artikel 199.

Het verzoek wordt gericht tot de rechtbank, welke tijdens het overlijden des schuldenaars bevoegd was de faillietverklaring uit te spreken.

De erfgenamen worden op het verzoek gehoord of daartoe opgeroepen bij een exploot, aan liet sterfhuis te beteekenen, zonder dat het noodig is hen bij name aan te duiden, alsmede, voor zooverre zij bekend zijn, bij brieven van den griffier.

Tweede lid. Komt in hoofdzaak overeen met het bepaalde bij artikel 767 tweede lid w. v. k. Alleen is daaraan toegevoegd dat de bekende erfgenamen, die toch elders kunnen wonen, tevens bij brieven van den griffier worden opgeroepen.

„De erfgenamenquot;, namelijk de testamentaire, of, als deze er niet zijn of verworpen hebben, de wettelijke erfgenamen.

Artikel 200.

De faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek is omschreven.

Is nagenoeg gelijkluidend met artikel 767 derde lid w. v. k.

Artikel 201.

De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoolano: niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap en tevens zeiTrnaanden na het overlijden van den schuldenaar zijn verstreken.

De staatscommissie stelde voor alleen te bepalen, dat de faillietverklaring moet verzocht worden binnen drie maanden na de aanvaarding der nalatenschap, en wel op grond dat de schuldeischers meestal eerst daarna zullen

-ocr page 195-

— 177 —

Artikelen 201, 202.

gewaar worden, dat de boedel ontoereikend is om de schulden des overledenen te voldoen. Intusschen is de aanvaarding eener nalatenschap, die volgens artikel 1094 b- w. ook stilzwijgend kan geschieden, vooi derden niet altijd gemakkelijk waar te nemen. Daarom voegde de regeering er den alternatieven termijn van zes maanden na het overlijden van den schuldenaar bij, welke termijn den schuldeischers gelaten wordt, ook indien de aanvaarding dadelijk na het overlijden plaats had. Het verzoek tot faillietverklaring is ontvankelijk, zoolang een van beide termijnen nog loopt; na de inlassching van het woord „tevensquot;, welke de regeering duidelijkheidshalve noodig achtte, staat dit nog vaster dan te voren. Wordt de nalatenschap eerst vier maanden of langer na het overlijden aanvaard,, gelijk volgens den veertienden titel van het tweede boek van het burgerlijk wetboek kan geschieden, zoo kan het verzoek tot faillietverklaring derhalve ook zeven maanden of langer na het overlijden worden ingediend.

Volgens artikel 767 w. v. k. moest het verzoek tot faillietverklaring uiterlijk binnen drie maanden na het overlijden van den schuldenaar gedaan worden. Het komt mij voor dat deze bepaling na de aanneming van het amendement van den heer Van Houten op artikel 198 zonder eenig bezwaar had kunnen zijn behouden. De grootere tijdsruimte, die den schuldeischers voor de aanvraag tot faillietverklaring wordt toegekend, was toch alleen noodig in verband met de thans vervallen toelating dier aanvraag, ingeval de nalatenschap tot betaling der schulden niet toereikend bleek. Dat de overledene had opgehouden te betalen , kan gemakkelijk binnen drie maanden na zijn overlijden worden aangetoond.

het faillissement eener de achtste afdeeling,

Artikel 202.

Cc

De zesde afdeeling van dezen titel is op nalatenschap niet toepasselijk; evenmin tenzij de erfenis zuiver is aanvaard.

Aanbieding van een accoord in het faillissement eener nalatenschap wordt niet toegelaten, omdat een hoofddoel van het accoord hier vervalt. Het accoord dient toch niet alleen om de gerechtelijke vereffening door eene minnelijke regeling te vervangen, maar ook om den schuldenaar van verdere aansprakelijkheid te ontheffen. Voor dit laatste zijn geen termen bij eene nalatenschap, die na vereffening niet meer bestaat. Erfgenamen, die de nalatenschap zuiver aanvaard mochten hebben, kunnen na afloop van het faillissement voor het tekortkomende in hun eigen vermogen worden aangesproken. In het recht van beraad en het voorrecht van boedelbeschrijving bezitten de erfgenamen voldoende middelen om zich daartegen te beveiligen; de regeering achtte het onnoodig hun daarnevens het recht toe te kennen om zelf de nalatenschap te doen failliet verklaren en een accoord aan te bieden, gelijk bij de schriftelijke gedachten wisseling door een deel der leden van beide kamers gewenscht werd.

Ook buiten de zesde en achtste afdeelingen vindt men in dezen titel bepalingen, die voor het faillissement eener nalatenschap niet geschreven

12

-ocr page 196-

— 178

Artikol 202.

zijn; zie bijvoorbeeld artikel 21. De wet laat zich daarmede niet in; de rechter zal in elk bijzonder geval te beslissen hebben, wat met den aard van het faillissement eener nalatenschap vereenigbaar is.

TIENDE AFDEELING.

Bepalingen van internationaal recht.

In het ontwerp der staatscommissie bevatte deze afdeeling nog een drietal artikelen, houdende erkenning van eene in het buitenland door de bevoegde macht uitgesproken en hier te lande bekendgemaakte faillietverklaring, tenzij de nederlandsche rechter volgens de nederlandsche wet tot het uitspreken der faillietverklaring bevoegd ware. Die ver strekkende bepalingen van internationaal recht zijn evenwel door de regeering niet overgenomen. Bij het bestaand verschil van toestanden en wetgeving, meende zij tenuitvoerlegging van een bnitenlandsch vonnis hier te lande als algemeenen regel niet te kunnen toestaan, maar de regeling der rechtsgevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement aan tractaten te moeten overlaten. Erkend moet worden, dat tusschen het weidsche opschrift en den vrij schralen inhoud dezer afdeeling thans eenige wanverhouding heerscht. Bij gebreke van internationale regeling blijft mot name de bekende vraag, of artikel 431 w. v. b. rv. toelaat den buiten-landschen curator als zoodanig in Nederland te erkennen, ter beslissing van den rechter.

In een afzonderlijk advies van den staatsraad mr. A. J. Swart, gevoegd bij het advies van den raad van state, werd in overweging gegeven den gefailleerde, die goederen in het buitenland bezit, op straffe van verlies zijner bevoegdheid tot aanbieding van een accoord, te verplichten den curator bij authentieke acte tot den verkoop dier goederen ten behoeve van den boedel te machtigen. De bedoeling was het beginsel, dat het faillissement het geheels vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring omvat, waar ook de goederen zich bevinden, zooveel mogelijk langs indirecten weg te verwezenlijken. Dit denkbeeld werd, in eenigszins anderen vorm, door de commissie van voorbereiding overgenomen.

Zij stelde bij amendement de opneming van een nieuw artikel voor, luidend;

„De gefailleerde, die goederen bezit in het buitenland of inschulden op in het buitenland gevestigde personen, is verplicht, indien de curator zulks noodig acht, dezen bij authentieke acte over te dragen de uitoefening van alle zijne rechten op voormelde goederen of tegen voormelde personen.quot; Voor het geval van weigering wilde zij op den getailleerde, in plaats van uitsluiting van het accoord, welk dwangmiddel door de regeering als verkeerd en ondoelmatig bestreden was, inbewaringstelling doen toepassen ; daartoe zou in artikel 89 naar het nieuwe artikel worden verwezen. De minister verklaarde met het doel, om ten behoeve van den boedel de beschikking te verkrijgen over buitenslands aanwezige deelen van het vermogen van den gefailleerde, in te stemmen. Maar dat doel kon langs dezen weg niet bereikt worden. Was het reeds niet vrij van bedenking, dat aan denzeltden persoon, wien de beschikking en het beheer over zijn vermogen ontnomen zijn, de verplichting zou worden opgelegd eene daad van beheer te verrich-

-ocr page 197-

— 179 —

Artikelen 203, 204.

ten, in elk geval lag het gevaar voor de hand, dat eene dergelijke overdracht aan den curator, hetzij als zoodanig, hetzij in privé, door den buitenlandschen rechter niet erkend zou worden. Het ging ook niet aan, door bedreiging met inbewaringstelling, den gefailleerde tot het onderteekenen eener overeenkomst te dwingen. De minister kon dit expediënt dan ook niet goedkeuren. De wet, zoo sprak hij ongeveer, meet niet trachten hare werking op zijdelingsche wijze tot buiten de grenzen van het rijk uit te breiden; liever streve men naar wederzijdsche erkenning van den staat van faillissement door middel van internationale regeling. Het amendement werd ten slotte verworpen.

Artikel 203.

Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van den in Nederland gefailleerden schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

In vreemde landen , waar het nederlandsche faillissement niet erkend wordt, is afzonderlijk verhaal op dé zich daar bevindende deelen van het vermogen van den hier te lande gefailleerde mogelijk. Het aldus buiten voorrang verhaalde moet in den boedel worden teruggebracht. Immers de bedoelde goederen behooren tot den boedel, al vallen zij buiten het bereik van den curator. De rechtsgrond dezer bepaling is alzoo dat de schuld-eischer, die zijne vordering op in het buitenland aanwezige goederen van den boedel individuëel verhaalt, ten nadeele zijner medeschuldeischers op de paritas creditomm inbreuk maakt.

„Schuldeischersquot;, hetzij al dan niet geverifiëerd. Feitelijk zullen buitenlandsche schuldeischers ten deze van beter conditie zijn dan nederlandsche, omdat de curator eerstgenoemden niet tot vergoeding van het verhaalde kan noodzaken. Dit was echter geen reden om hen, die wel binnen het bereik der nederlandsche wet vallen, in het spoliëeren van den boedel vrij te laten.

Artikel 204.

De schuldeischer, die zijne vordering tegen den gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten einde dezen in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel of gedeeltelijk , afzonderlijk of bij voorrang te verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van den gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met

-ocr page 198-

— 180 —

Artikelen 204, 205, 206—212.

dit doel te zijn geschied, als zij is gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

Hier wordt het geval voorzien dat een schuldeischer, om aan de toepassing van het vorig artikel te ontkomen, zijne vordering overdraagt aan een ander, wien de curator niet kan aanspreken, omdat hij bijvoorbeeld buitenlands woont.

„Of bij voorrangquot;. Hierbij is gedacht aan vreemde wetgevingen, die aan nationalen een voorrang toekennen boven vreemdelingen, en aan de mogelijkheid dat hij, die de vordering overneemt, daarvoor volgens de vreemde wet een pand-, retentie- of voorrecht verwerft.

Artikel 205.

Gelijke verplichting tot vergoeding jegens den boedel rust op hem, die zijne vordering of zijne schuld, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, welke daardoor in staat wordt gesteld zich in het buitenland op eene door deze wet niet toegelaten schuldvergelijking te beroepen.

Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk.

Ook dit artikel is gericht tegen het overdragen van vorderingen en schulden ten einde de bepalingen der nederlandsche wet te ontduiken, ditmaal door middel van compensatie.

ELFDE AFDEELING.

Van rehabilitatie.

Artikel 206.

Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 161 of 193 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erfgenamen, ook in geval van artikel 198 , bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij de rechtbank. die het faillissement heeft berecht.

Strekking der artikelen 206—212. De bepalingen dezer afdeeling kwamen noch in het ontwerp der staatscommissie, noch in dat der regeering voor, maar zijn in de wet gebracht door een amendement van de meerderheid der commissie van voorbereiding, dat door de tweede kamer,

-ocr page 199-

— 181 —

Artikelen 206—212.

ondanks bestrijding door den minister en door een lid dier commissie, den heer Hintzen, met 38 tegen 30 stemmen werd aangenomen. De woordvoerders van de meerderheid der commissie erkenden, dat rehabilitatie niet meer noodig is om een einde te maken aan den staat van faillissement; vergelijk het aangeteekende op artikel 195. Evenmin zagen zij in de rehabilitatie een herstel van eer; zij aanvaardden het beginsel der wet, dat het faillissement, als gerechtelijk beslag op het vermogen, alleen de goederen , niet. den persoon van den schuldenaar betreft, en recuseerden het betoog van den heer Levy, die de rehabilitatie verdedigde als strekkend om de volgens hem onteerende gevolgen van het faillissement voor den persoon van den gefailleerde op te heffen. De op hun voorstel in de wet opgenomen rehabilitatie heeft alleen ten doel het feit te constateeren, dat de schuldenaar zijne schuldeischers heeft bevredigd, en dit in het bij artikel 19 vermeld register openbaar te maken. Die openbaarmaking van het feit der afbetaling heeft de strekking om aan te moedigen tot voldoening van de natuurlijke verbintenis, die voor den schuldenaar jegens zijne schuldeischers is blijven bestaan. De bedoeling is geen verschil te maken tusschen hen die te goeder of te kwader trouw in staat van faillissement geraakt zijn, maar alleen te vragen naar het feit van de voldoening der schuldeischers. Daarom is niet overgenomen artikel 850 w. v. k., dat toeliet den schuldenaar, die bleek ongelukkig en te goeder trouw geweest te zijn, reeds dadelijk bij het verleenen der homologatie te rehabiliteeren; noch ook artikel 893 w. v. k., waarbij van rehabilitatie werden uitgesloten zij, die schuldig zijn verklaard aan stellionaat of ter zake van bankbreuk of andere misdrijven zijn veroordeeld.

Het komt mij voor dat deze geheel oorspronkelijke opvatting der rehabilitatie nog op andere wijze, dan door de weglating van daarmede strijdige bepalingen van het wetboek van koophandel, in de wet had behooren te zijn uitgedrukt. Vooreerst had men, gelijk zeer terecht door den minister werd opgemerkt, voor het gewijzigd instituut eene andere benaming moeten kiezen dan die van rehabilitatie, waaraan nu eenmaal het begrip verbonden is van herstel in eer en goeden naam. Ten anderen had men in den tekst der wet, die zich thans in hoofdzaak bij dien van het wetboek van koophandel aansluit, moeten aanduiden dat het instituut voortaan alleen dient om de voldoening van alle schuldeischers ten genoege van elk hunner officieel te constateeren, niet om den schuldenaar in eer te herstellen. De minister betoogde in zijne memorie van antwoord op het voorloopig verslag der eerste kamer, dat de rehabilitatie in deze hare nieuwe beteekenis in het wezen der zaak niet in strijd is met de leer, dat het faillissement geen onteerend karakter draagt. Intusschen zal het behoud der rehabilitatie in de wet tot onvermijdelijk gevolg hebben, dat zij die haar verkregen in de openbare meening hooger aangeschreven staan dan zij die haar niet deelachtig werden. En dit misschien ten onrechte. Immers indien de in geen stellig voorschrift nedergelegde bedoeling wordt verwezenlijkt, zal de vraag van eerlijkheid of oneerlijkheid bij de rehabilitatie builen rekening blijven. In elk geval staat vast, dat ook in het vervolg niet volledige afbetaling, maar slechts voldoening ten genoege van elk der schuldeischers behoeft te worden aangetoond. Het zullen derhalve wel de handigsten, maar niet altijd de besten zijn, wien rehabilitatie wordt toegestaan. Hoe deze overigens verkregen zij, de wet verleent aan den gerehabiliteerde aanteekening van

-ocr page 200-

_ jg2 _

Artikelen 206, 207, 208, 209.

het op zijn verzoek gewezen vonnis in een openbaar register; en daar deze formaliteit geen verband houdt met de beëindiging van het faillissement, die immers aan de rehabilitatie voorafging, kan men reeds daarin eene afwijking zien van het beginsel, dat het faillissement alleen de goederen, niet den persoon van den schuldenaar betreft. Het ware dan ook beter geweest dit instituut, waarvan onder het wetboek van koophandel weinig gebruik gemaakt werd, geheel te doen vervallen.

Artikel 206. Het hier bedoeld verzoekschrift wordt ingediend door een procureur, artikel 5.

Artikel 207.

De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeischers, ten ge-quot;iioegenquot;van elk hunner, zijn voldaan.

Nagenoeg gelijkluidend met artikel 894 w. v. k.

Artikel 208.

Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.

De aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant geschiedt kosteloos, artikel 17 eerste lid.

Artikel 209.

Ieder erkend schuldeischer is bevoegd om binnen den tijd van twee maanden na voorschreven aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.

Dit verzet zal alleen daarop kunnen gegrond zijn, dat door den verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel 207 is voldaan.

-ocr page 201-

— 183 —

Artikelen 209, 210, 211, 212.

Komt in hoofdzaak overeen met artikel 896 w. v. k. Het verzet geschiedt echter niet meer bij exploot, maar door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie, waartoe de schuldeischer den bijstand van een procureur niet behoeft.

Artikel 210.

Na verloop van de voormelde twee maanden zal de rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is gedaan, op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek toestaan of weigeren.

In de memorie van antwoord op het voorloopig verslag der eerste kamer schreef de minister: „Volgens de artikelen 207 en 209 moet de rehabilitatie verleend worden, zoodra het bewijs is geleverd dat alle erkende schuld-eischers, ten genoege van elk hunner, zijn voldaan, en kan zij in dat geval nimmer geweigerd worden, zelfs niet wanneer kan worden aangetoond, dat de schuldenaar te kwader trouw heeft gehandeld. De zoo ge-heeten rehabilitatie heeft alleen en uitsluitend ten doel, officiéél te con-stateeren de voldoening van alle schuldeischers ten genoege van elk hunner, niets meer. De vraag van eerlijkheid of oneerlijkheid blijft daarbij buiten rekeningquot;. Dit is inderdaad de bedoeling, waarmede de rehabilitatie in de wet is opgenomen, doch wordt in den .tekst niet uitgedrukt. Het artikel komt woordelijk overeen met artikel 897 w. v. k.

Artikel 211.

Van de beslissing der rechtbank wordt noch hooger beroep, noch cassatie toegelaten.

„Noch cassatie toegelatenquot;: reeds artikel 187 tweede lid gaf een voorbeeld van uitsluiting van het beroep in cassatie, waartoe artikel 165 der grondwet den wetgever vrijheid laat.

Artikel 212.

Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan , wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 19 bedoelde register.

-ocr page 202-

TITEL 11.

VAN SURSÉANCE VAN BETALING.

Surséance van betaling heeft ten doel schuldenaren, die tijdelijk in ongelegenheid geraakt zijn, in staat te stellen na verloop van eenigen tijd hunne verplichtingen na te komen. Zij kan te pas komen wanneer de zaken van den sehuldena,ar wel levensvatbaarheid bezitten, doch zijn vastgeraakt, bijvoorbeeld door te groote uitbreiding in verhouding tot het bedrijfskapitaal. In dergelijke gevallen zou bij faillissement en vereffening een groot deel der waarde van het vast kapitaal verloren gaan. De grondslag der surséance is vertrouwen in de zaak en in den persoon van den schuldenaar. Om dat vertrouwen te wettigen, moet het vooruitzicht bestaan dat de schuldenaar na eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, en zijn waarborgen noodig, dat de belangen der schuld-eischers door den tijdelijken abnormalen toestand niet benadeeld worden. De schuldenaaar, die surséance verkreeg, is bij de beschikking en het beheer over zijn vermogen aan het toezicht van bewindvoerders onderworpen. De surséance beoogt niet vereffening van den boedel, maar behoud daarvan en voortzetting der zaak. Eene schikking tusschen schuldenaar en schuld-eischers blijft hier geheel aan hunne vrije overeenkomst overgelaten en kan aan niemand tegen zijn wil worden opgelegd.

Deze instelling handhavend, ontneemt de wet daaraan het exceptioneel karakter, dat haar volgens het wetboek van koophandel eigen was. De surséance blijft niet beperkt tot kooplieden, maar kan worden toegestaan aan eiken schuldenaar, bij wien de voorwaarden daarvoor aanwezig zijn. „Buitengewone omstandigheden van oorlogquot; of „andere onvoorziene rampenquot; worden niet meer gevorderd; laatstvermelde uitdrukking bleek trouwens bijzonder rekbaar. De wet maakt de surséance afhankelijk van het vooruitzicht, dat uitstel tot integrale betaling zal leiden, en van de toestemming van de groote meerderheid der schuldeischers. Door dezen laatsten, thans positief gestelden eisch wordt aan de surséance elke schijn van willekeur ontnomen. Zij is niet meer , gelijk voorheen, eene gunst, door de overheid aan den schuldenaar verleend, maar eene minnelijke regeling op verlangen en in het belang van schuldenaar en schuldeischers, onder controle van den rechter, die voor de rechten der minderheid waakt. In overeenstemming hiermede is de beslissing over de definitieve surséance aan den gewonen rechter opgedragen; de rechtsmacht van den hoogen raad in deze was eene herinnering aan de vroegere, thans geheel prijsgegeven opvatting van de surséance als eene gunst van den souverein.

Blijkens het verslag der commissie van voorbereiding gingen in de af-

-ocr page 203-

— 185 —

Artikel 213.

deelingen der tweede kamer stemmen op om de surséance te doen vervallen. Men zag in haar eene verouderde instelling, die bij de hedendaagsche toestanden niet meer past en dan ook in Duitschland, Frankrijk en Engeland niet bestaat. Wordt, zoo redeneerde men, het beoogde doel, dat namelijk de schulden na eenigen tijd integraal voldaan worden, niet bereikt, zoo brengt het uitstel de zaken slechts in nog ongunstiger toestand. Voor den groothandel en voor groote industriëele en financiëele ondernemingen, waarvoor de surséance hoofdzakelijk dient, is zij bij de tegenwoordige ontwikkeling van het credietwezen niet langer noodig. In gewone omstandigheden pleit niets voor haar behoud; in tijden van crisis zal zij meer kwaad dan goed doen, en in oorlogstijd kan een moratorium worden toegepast.

De regeering antwoordde dat de handel voor het behoud der surséance gestemd is en dat in sommige andere landen, ook nog in den laatsten tijd, soortgelijke instellingen in de wetgeving zijn opgenomen. Bij hare bestrijding wordt uit het oog verloren, dat zij niet wordt opgedrongen, maar slechts verleend wordt wanneer de groote meerderheid der schuld-eischers er in toestemt. Moge zij slechts in betrekkelijk weinige gevallen tot algeheele voldoening der schulden leiden, die gevallen zijn er dan toch; en de schuldeischers hebben het in de hand haar te weigeren, zoo vaak zij van haar verslimmering van den toestand vreezen. Zeker staan voor een schuldenaar tegenwoordig meer wegen open dan voorheen om zich hulp te verschaffen; maar dit is geen reden om, wanneer die wegen zijn afgesloten of het benoodigd crediet slechts onder zeer bezwarende voorwaarden te verkrijgen is, een uitstel van betaling, waaraan de schuldenaar en de groote meerderheid der schuldeischers de voorkeur geven, niet mogelijk te maken. In elk geval, de surséance bestaat en werkt bevredigend; en het bewijs, dat hare toepassing kwaad gesticht heeft, is niet geleverd.

Artikel 213.

De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch aan toot. t dat er vooruitzicht bestaat, dat hij na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, kan surséance van betaling bekomen.

„Die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan.quot; De oorspronkelijke redactie luidde: „die buiten staat is zijne opeischbare schulden te betalen.quot; Dit is gewijzigd, om meer in overeenstemming te blijven met de redactie van artikel 1 en om uit te drukken, dat de schuldenaar met zijn verzoek niet tot het laatste oogenblik behoeft te wachten.

„Vooruitzicht.quot; Aanvankelijk werd voorgesteld te lezen; „gegrond vooruitzichtquot;. Het woord „gegrondquot; is echter als overbodig weggelaten ; een ongegrond vooruitzicht ware eene contradictio.

-ocr page 204-

— 186

Artikelen 214, 215, 216.

Artikel 214.

Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in artikel 96, bij verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onderteekend, wenden tot de rechtbank aangewezen in artikel 2 of artikel 3.

Dat het verzoekschrift èn door den schuldenaar zelf èn door zijnen procureur moet worden onderteekend, vindt zijne verklaring in de strekking van het verzoek.

De over te leggen staat doet den tegemvoordigen toestand van het vermogen of van de onderneming kennen. Mocht die daarin te gunstig voorgesteld zijn, zoo zal dit blijken bij de verificatie door deskundigen ingevolge artikel 221. Onmiddellijke benoeming van deskundigen ten fine van onderzoek, in het verslag der commissie van voorbereiding aanbevolen, is niet raadzaam geacht: een summier onderzoek zou geen voldoende waarborgen verschaffen , en een grondig onderzoek zou het verleenen van voorloopige surséance en de benoeming van bewindvoerders, ten einde met den schuldenaar het beheer over zijne zaken te voeren, te zeer vertragen.

Artikel 215.

Het verzoekschrift met bijbehoorende stukken wordt ter griffie van de rechtbank neêrgelegd, ter kostelooze inzage van een ieder.

De griffier doet van de indiening van het verzoek en van den overeenkomstig het eerste lid van het volgende artikel bepaalden dag onmiddellijk aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen.

De stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel, zijn niet vrijgesteld van zegel en registratie. Evenmin zijn termen gevonden, om kostelooze plaatsing in de Neder landsche Staatscourant toe te staan.

„Ter griffie van de rechtbank neêrgelegdquot;. De stukken zullen aldaar bewaard moeten blijven opdat zij, in geval van hooger beroep van de te nemen beschikking, door den griffier van het gerechtshof kunnen worden overgenomen, artikel 218 vierde lid.

Artikel 216.

De rechtbank beveelt dadelijk, dat de in Nederland wonende schuldeischers benevens de schuldenaar, tegen een door haar

-ocr page 205-

— 187 —

Artikelen 216, 217.

op korten termijn bepaalden dag, door den griffier, bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve den dag worden uur en plaats der bijeenkomst daarbij vermeld.

Ieder schuldeischer is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen.

Tweede lid. „Ieder schuldeischerquot;, onverschillig of hij in Nederland dan wel elders woont en tot welke nationaliteit hij behoort.

Artikel 217.

Ten bepaalden dage worden de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeischers door de rechtbank in raadkamer gehoord, en kan den schuldenaar voorloopige surséance verleend worden, tenzij meer dan één derde der verschenen schuldeischers, of houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233 n0\'. 1—6 genoemde schuldvorderingen, zich daartegen verklaren.

Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de rechtbank.

Voorloopige surséance zal nimmer verleend kunnen worden, indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is.

Indien de rechtbank het verzoek afwijst, kan zij bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren.

Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling.

De beschikking op het verzoek wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Ook de voorloopige surséance is te beschouwen als eene regeling tusschen schuldenaar en schuldeischers, onder controle van den rechter. De voorloopige raadpleging der schuldeischers stelt hen in de gelegenheid haar dadelijk te doen afwijzen, indien de schuldenaar hun vertrouwen niet bezit, en kan tevens dienen tot voorlichting van den rechter bij de beoordeeling van de juistheid der beweringen van den schuldenaar. De rechter blijft vrij het verzoek af te wijzen, ook indien zich geene minderheid, als in het eerste lid omschreven, daartegen verklaart; hij is daartoe zelfs verplicht, indien hem blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is.

-ocr page 206-

— 188 —

Artikel 217.

Eerste lid. „Bij schriftelijk gemachtigdequot;. In tegenstelling met den titel over faillissement, volgens welken de schuldeischers in verschillende gevallen (artikelen 118, 152, 185) in persoon of bij gemachtigde kunnen verschijnen, wordt hier en bij artikel 219 eerste lid bepaaldelijk eene schriftelijke volmacht gevorderd.

„M eerdan één derde der verschenen schuldeischers, ofhou-ders van mee r dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde... sch uld vorderingenquot;. Eene zoo groote minderheid, hetzij van het aantal verschenen schuldeischers, hetzij van het bedrag hunner vorderingen, kan het verleenen van voorloopige — en daardoor ook van definitieve — surséance altijd verhinderen. Deze minderheid komt overeen met die, welke bij faillissement vereischt wordt voor de verwerping van een aecoord, behoudens dit verschil, dat bij de surséance alleen gelet wordt op de verschenen schuldeischers. Alleen naar hen en naar het bedrag hunner vorderingen wordt de berekening gemaakt; de afwezigen worden niet als tegenstemmers beschouwd. Dit is reeds daarom rationeel, wijl geene verificatie voorafgaat, zoodat niet-verschenen schuldeischers met onbekende gelijkstaan.

„Niet in artikel 233 no\'s i—6 genoemdequot;. Ten aanzien van deze vorderingen werkt de surséance niet; de houders daarvan hebben bij den maatregel geen belang.

Tweede lid. „Over de toelating tot de stemming,quot; niet over het vorderingsrecht; de vraag of hij, die beweert schuldeischer te zijn, dit al dan niet is, wordt door deze beslissing niet gepraejudiciëerd.

Derde lid. Kwade trouw van den schuldenaar kan bijvoorbeeld blijken uit het opzettelijk verzwijgen van schulden of het verdichten van baten. Het geldt hier eene quaestio facti, die in ieder geval door den rechter in algemeenen zin zal zijn uit te maken.

De staatscommissie wilde voorloopige surséance ook uitsluiten, indien blijkt dat de schulden de baten des boedels overtreffen. Deze bepaling is niet overgenomen. Zij zou eene alleszins vertrouwbare raming veelal onmogelijk maken. Bij eene jeugdige onderneming bijvoorbeeld kan het vooruitzicht bestaan, dat zij na eenigen tijd aan al hare verplichtingen zal kunnen voldoen, al blijven ten tijde van het verzoek om snrséance de baten, bij gedwongen realisatie te verkrijgen, beneden het bedrag der schulden.

Vierde lid. De faillietverklaring is facultatief. De rechter zal van zijne bevoegdheid daartoe geen gebruik maken, indien de schuldenaar aan het opsporen van nieuwe hulpbronnen de voorkeur geeft en de staat van den boedel nog van dien aard is, dat tijd en mogelijkheid daartoe bestaan. Is er echter geen vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van eenigen tijd aan zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, en blijkt bovendien dat hij reeds heeft opgehouden te betalen, zoo vordert het belang der schuldeischers, dat de staat van faillissement zoo spoedig mogelijk aanvange. Het ontwerp der staatscommissie hield voor dit geval een imperatief voorschrift tot

-ocr page 207-

— 189 —

Artikelen 217, 218.

faillietverklaring in, dat evenwel op [advies van den raad van state niet in de wet is opgenomen. De regeering overwoog, dat zoodanig voorschrift in strijd ware met artikel 1; het kan zijn dat het vooruitzicht op algeheele voldoening der schulden na eenigen tijd naar \'s rechters oordeel ontbreekt, zender dat nog van ophouden met betalen blijkt. Voor het facultatief laten der faillietverklaring bestond te meer reden, nu de koopman niet meer, gelijk volgens het wetboek van koophandel, verplicht is binnen drie dagen nadat hij heeft opgehouden te betalen daarvan aangifte te doen. Dat een min gewenschte toestand zal bestaan hangende het hooger beroep van een vonnis, waarbij het verzoek om surséance afgewezen doch geene faillietverklaring uitgesproken is, valt niet te ontkennen; immers de rechtbank kan in dien tusschentijd de faillietverklaring niet uitspreken. De minister achtte dit bezwaar evenwel niet overwegend met het oog op het korte tijdsverloop, gedurende hetwelk het verzoek bij het gerechtshof aanhangig zal zijn. Vergelijk ook het aangeteekende op artikel 219 eerste lid.

Artikel 218.

Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of ingeval de voorloopige surséance verleend is, ieder schuldeischer, die zich tegen het verleenen daarvan verklaard heeft, recht van hooger beroep.

Het hooger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift, door den verzoeker en zijnen jjrocureur onderteekend, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling.

Indien het hooger beroep door een schuldeischer is ingesteld, geeft deze uiterlijk op den vierden dag volgende op dien, waarop hij zijn verzoek heeft gedaan, aan den procureur, die het verzoek tot surséance heeft ingediend, bij deurwaarders-exploot kennis van het hooger beroep en van den tijd voor de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar.

De griffier van het gerechtshof doet van het hooger beroep en van den tijd, voor de behandeling bepaald; aankondiging in de nieuwsbladen waarin het verzoek tot surséance volgens artikel 215 is aangekondigd. Tevens geeft hij van het ingestelde hooger beroep aan den griffier der rechtbank kennis, neemt van dezen de in artikel 214 bedoelde stukkeu over en legt die op zijne griffie voor een ieder ter kostelooze inzage.

-ocr page 208-

— 190 —

Artikelen 218, 219.

Het wetboek van koophandel Het hier geen hooger beroop toe; doch in het stelsel der wet, dat geene definitieve surséance kan verleend worden indien de voorloopige surséance geweigerd is, diende de beschikking dei-rechtbank appellabel te zijn. De procedure komt in hoofdzaak overeen met die welke voor het hooger beroep van een vonnis van faillietverklaring geldt; de termijnen van het eerste en derde lid zijn in overeenstemming gebracht met die van artikel 8. Het hooren van het openbaar ministerie is hier niet voorgeschreven.

Eerste lid. Aan de schuldeischers, die bij de behandeling voor de rechtbank niet zijn opgekomen, is geen recht van hooger beroep toegekend; zij worden geacht tegen het verleenen der voorloopige surséance geen bezwaar te hebben.

Vierde lid. „Tevens geeft hij van het ingestelde hooger beroep aan den griffier der rechtbank kennisquot;. De rechtbank dient van het instellen van hooger beroep kennis te dragen, niet alleen indien zij de voorloopige surséance heeft toegestaan, maar ook indien zij het verzoek heeft afgewezen, omdat, hangende dat beroep, de faillietverklaring door haar niet kan worden uitgesproken.

Artikel 219.

Bij de behandeling van liet hooger beroep wordt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuldeischer is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.

De behandeling heeft plaats in raadkamer; het arrest wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Tegen het arrest, in hooger beroep gewezen, staat geen beroep in cassatie open.

Eerste lid. Herhaling der stemming zou ten gevolge hebben, dat het hooger beroep ontaardde in een appel bij de opgekomen schuldeischers; het hooger beroep is gericht tegen de uitspraak van den rechter, niet tegen de stemming der schuldeischers.

De schuldeischers kunnen van hunne bevoegdheid, om aan de behandeling deel te nemen, zoo noodig gebruik maken om het gerechtshof in kennis te stellen met de gronden, die zij bij den rechter in eersten aanleg hadden kunnen aanvoeren tot staving van een verzoek tot failietverkla-ring, ten einde van het gerechtshof eene beschikking te verkrijgen waarbij, met\' handhaving van de weigering der surséance, de schuldenaar alsnog in staat van faillissement verklaard wordt.

Derde lid. Evenals bij artikel 187 tweede lid en bij artikel 211, is gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot uitsluiting van het beroep in cas-

-ocr page 209-

—quot;191 —

Artikelen 219, 220, 221.

satie, den wetgever bij artikel 165 der grondwet toegekend. Gelijk in het verslag der commissie van voorbereiding werd opgemerkt, betreft het hier eene geheel feitelijke quaestie. Oppervlakkig schijnt het vreemd dat, in tegenstelling met het bepaalde bij artikel 12, ten deze geen beroep in cassatie openstaat van een arrest, dat bevestiging, uitspraak of vernietiging van eene faillietverklaring kan inhouden. Intusschen bedenke men, dat deze faillietverklaring in elk geval uit het verzoek om surséance van den schuldenaar zei ven is voortgevloeid, zoodat rechtsvragen daarbij moeilijk denkbaar zijn.

Artikel 220.

De uitspraak der rechtbank wordt, niettegenstaande het hooger beroep, bij voorraad ten uitvoer gelegd.

De artikelen 13 en 15 zijn ook hier toepasselijk, indien eene krachtens artikel 217 uitgesproken faillietverklaring wordt vernietigd.

Op handelingen, verricht in strijd met het voorschrift van artikel 230 eerste lid, blijft, indien bij vernietiging der verleende voorloopige surséance de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, de bepaling van het tweede lid van dat artikel van toepassing. De bevoegdheid, aldaar den bewindvoerders gegeven, gaat over op den curator in het faillissement.

Tweede lid. Deze bepaling, uit het ontwerp der staatscommissie afkomstig, ware, naar het mij voorkomt, beter achterwege gebleven. Niet dat tegen haren inhoud iets vak in te brengen. Maar het lijdt evenmin twijfel dat ook de overige bepalingen van den titel over faillissement, van artikel 13 af, op eene krachtens artikel 217 uitgesproken faillietverklaring van toepassing zijn. Dit had de wet behooren uit te drukken, indien zij iets zeggen wilde.

Derde lid. Wordt de voorloopige surséance, door de rechtbank verleend, door het gerechtshof vernietigd met faillietverklaring van den schuldenaar, zoo blijven daden van beheer of beschikking over zijn vermogen, door hem inmiddels zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders verricht, relatief nietig, en gaat de bevoegdheid der bewindvoerders dienaangaande op den curator over.

Artikel 221.

De beschikking, waarbij voorloopige surséance wordt toegestaan, ! houdt de benoeming ia van:

-ocr page 210-

192

Artikelen 221, 222.

1°. een of meer bewindvoerders, ten einde met den schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren ;

2°. een of meer deskundigen, ten einde, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, die zoo noodig verlengd kan worden, de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden te verifieeren, den stand des boedels te onderzoeken _en een beredeneerd verslag van hunne bevinding uit te brengen.

De beschikking, houdende verleening van voorloopige surséance, wordt aangekondigd gelijk in artikel 215 tweede lid is voorgeschreven.

Eerste fid, 1°. „Een of meer bewindvoerders.quot; De bewindvoerders worden alleen benoemd, wanneer voorloopige surséance wordt toegestaan; en definitieve surséance kan niet verleend worden, wanneer voorloopige surséance geweigerd is. In beide opzichten wijkt de wet af van het wetboek van koophandel, volgens hetwelk, ook in geval van weigering van provi-sioneele surséance, door de rechtbank bewindvoerders benoemd werden en door den hoogen raad definitieve surséance kon worden verleend. Dit kon aanleiding geven tot een verwarden voorloopigen toestand; er konden bewindvoerders zijn zonder surséance, en zelfs naast den curator, indien de rechtbank gebruik maakte van hare bevoegdheid om de faillietverklaring uit te spreken.

2quot;. „Een of meer deskundigen.quot; De taak, waarmede de bewindvoerders volgens het wetboek van koophandel belast waren, is gesplitst. Voortaan hebben de bewindvoerders alleen met den schuldenaar het beheer over zijne zaken te voeren, en worden nevens hen deskundigen benoemd om de door den schuldenaar verstrekte gegevens en den stand van den boedel te onderzoeken. Wordt in de bewindvoerders handels- en rechtskennis vereischt, de deskundigen zullen met de boekhouding en met het doen van taxatiën vertrouwd moeten zijn. Van deze splitsing wordt een deugdelijker onderzoek en tevens bespoediging verwacht. De wetgever is van^de gedachte uitgegaan, dat surséance bestemd is voor den groothandel en voor uitgebreide industriëele en financiëele ondernemingen. Het denkbeeld van den raad van state, om met het oog op kleinere boedels de benoeming van afzonderlijke deskundigen facultatief te stellen, vond dan ook geen ingang.

Tweede lid. Mitsdien zal de beschikking ook de aanwijzing van een of meer nieuwsbladen voor de aankondiging dienen te bevatten.

Artikel 222.

Het verslag van de deskundigen bevat een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den schulde-

-ocr page 211-

— 193

Art i kol on 222, 223, 224.

naar overgelegde staat en bescheiden en het gegronde van het vooruitzicht, dat na verleend uitstel volledige betaling van alle schulden zal volgen, met aanduiding van den tijd waarop deze vermoedelijk zal kunnen plaats hebben.

De deskundigen leggen hun verslag neder ter griffie van de rechtbank, ter kostelooze inzage van een ieder.

De nederlegging geschiedt kosteloos.

De deskundigen zijn bij hun onderzoek aan geene regelen gebonden. Met name is liun niet verboden, de activa te schatten naar de waarde, die zij hebben bij voortzetting der zaken van den schuldenaar. Surséance beoogt toch juist die voortzetting mogelijk te maken.

„Met aanduiding van den tijd waarop deze vermoedelijk zal kunnen plaats hebben.quot; Deze woorden zijn, naar aanleiding van een wenk in het verslag der commissie van voorbereiding, opgenomen om den rechter een richtsnoer te geven bij de vaststelling van den duur der surséance, waarvan het maximum bij artikel 226 bepaald is.

Artikel 223.

Onmiddellijk na de nederlegging van het verslag, worden de schuldeischers, benevens de schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen door den griffier bij brieven opgeroepen, tegen een door de rechtbank te bepalen, uiterlijk drie weken daarna invallenden dag.

Artikel 224.

Ten bepaalden dage worden de verschenen schuldeischers in raadkamer geraadpleegd over het verleenen van definitieve surséance aan den schuldenaar. De schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen zijn verplicht alle ophelderingen en inlichtingen te geven, welke de voorzitter hun, hetzij ambtshalve, hetzij ten verzoeke van een of meer der schuldeischers, zal vragen.

De raadpleging over het verleenen van definitieve surséance is eene herhaling van de voorloopige raadpleging ingevolge artikel 217, echter met dit verschil, dat zij plaats heeft onder voorlichting van bewindvoerders en deskundigen, en nadat de schuldeischers hebben kunnen kennis nemen van het door laatstgenoemden uitgebracht verslag. Eerst na deze

13

-ocr page 212-

— 194 —

Artikelen 224, 225, 226.

voorbereiding kan met kennis van zaken een definitief besluit genomen worden.

Dat de schuldeischers ook bij schriftelijk gemachtigde kunnen verschijnen, wordt niet gezegd, maar kan, ook naar analogie van artikel 217, niet wel betwijfeld worden.

Artikel 225.

Indien twee derde der verschenen schuldeischers, houders van drie vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233 nos. 1—6 genoemde schuldvorderingen, daarin toestemmen, wordt definitieve surséance verleend, tenzij het geval in artikel 217, derde lid, voorzien aanwezig is. Het\'tweede en het zesde lid van artikel 217 zijn toepasselijk. Bijaldien de definitieve surséance niet verleend wordt, kan de schuldenaar in staat van faillissement worden verklaard.

Vergelijk artikel 217 en het daarop aangeteekende. Van het daar bepaalde wordt in zoover afgeweken, dat de rechtbank de definitieve surséance, indien de gevorderde meerderheid der verschenen schuldeischers daarin toestemt, alleen kan afwijzen wanneer haar blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is.

Artikel 22G.

Surséance van betaling wordt verleend voor eenen tijd, niet langer dan één en een halfjaar, gerekend van den dag, waarop de voorloopige surséance is toegestaan.

De beschikking, houdende verleening van definitieve surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.

Gedurende één jaar na afloop der surséance kan zij niet opnieuw worden verleend.

Het maximum van den duur der surséance, dat volgens artikel 915 w. v. k. twaalf maanden was, bedraagt thans anderhalf jaar; maar de daar bedoelde verlenging „uit hoofde van dringende redenen en van een nieuw en volledig onderzoekquot; kan volgens dit artikel niet meer worden toegestaan, terwijl de bepaling van het derde lid tegen ontduiking waakt. Het is niet wenschelijk geacht een abnorinalen toestand als de surséance langer dan ten hoogste anderhalfjaar te doen voortduren. Indien het in dat tijdsverloop noch tot integrale betaling, nog, tot eene definitieve minnelijke regeling komt, is daarmede liet bewijs geleverd, dat faillissement noodzakelijk is.

-ocr page 213-

— 195 —

Artikelen 227, 228, 229.

Artikel 227.

Wordt door het gerechtshof, in hooger beroep van eene afwijzende beschikking der rechtbank, voorloopige surséance verleend , dan houdt het de zaak aan zich, ten einde, met inachtneming van de wijze van behandeling in de artikelen 221—226 voorgeschreven, ook over de verleening der definitieve surséance te beslissen.

Tegen het arrest staat geen beroep in cassatie open.

Tweede lid. Het geldt hier eeue geheel feitelijke quaestie. Vergelijk het aangeteekende op artikel 219 derde lid.

Artikel 228.

De beschikking van de rechtbank, waarbij definitieve surséance verleend of geweigerd wordt, is vatbaar voor hooger beroep. De bepalingen van de artikelen 218 en 219 zijn daarop toepasselijk.

Hangende het hooger beroep blijft de voorloopige surséance van kracht.

Bij vernietiging der verleende definitieve surséance is artikel 220, derde lid, toepasselijk.

Beroep in cassatie is, krachtens artikel 219 derde lid, ook hier uitgesloten. De beschikking der rechtbank is niet voorloopig uitvoerbaar verklaard , omdat de bestaande voorloopige surséance de belangen der schuld-eischers voldoende waarborgt. Spreekt de rechtbank, bij weigering der definitieve surséance, de faillietverklaring uit, zoo zal dus aan dit haar vonnis eerst gevolg gegeven kunnen worden nadat het in kracht van gewijsde gegaan is.

Artikel 229.

Het rechterlijk college, dat de bewindvoerders en deskundigen heeft benoemd, kan hen te allen tijde op hun verzoek, of op verzoek van een of meer der schuldeischers, of van den schuldenaar, of wel ambtshalve, ontslaan en door anderen vervangen.

Na het verleenen van definitieve surséance wordt door de bewindvoerders, telkens na verloop van drie maanden, een verslag over den toestand van den boedel uitgebracht. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in liet tweede en derde lid van artikel 222 is voorgeschreven.

-ocr page 214-

— 196 —

Artikelen 229, 230.

Eerste lid. Bij artikel 5 wordt uitgemaakt, in welke gevallen indiening van een verzoeksolirii\'t door een procureur noodig is. Geldt dat artikel ook voor den titel over surséance van betaling? Ik betwijfel het; artikel 5 komt voor in den titel over fiiillissement en vermeldt slechts artikelen van dienzelfden titel, doch geen enkel artikel van dien over suraéance, die zelf in de artikelen 214 en 218 tweede lid bijzondere voorschriften omtrent den vorm der daar bedoelde verzoeken bevat. Zoodanige voorschriften vindt men evenwel in dit artikel en in de artikelen 236 en 237 niet. De verzoeken, waarvan in deze artikelen sprake is, zullen mitsdien op gelijke wijze zijn in te dienen als voor verzoeken, tot rechterlijke colleges gericht, regel is.

Tweede lid. Dit voorschrift is, op verlangen der commissie van voorbereiding, aan het artikel toegevoegd, om den invloed der schuldeischers op het beheer van den boedel gedurende de surséance, dien zij alleen kunnen oefenen door het ontslag der bewindvoerders te vragen, althans eenigszins beter te verzekeren.

Artikel 230.

Zoodra de voorloopige surséance van betaling is verleend, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders, eenige daad van beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenen.

Indien de schuldenaar in strijd met deze bepaling gehandeld heeft, is zoodanige handeling voor den boedel niet verbindend, tenzij voor zooverre deze gebaat is, en zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereischt wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houden.

De strafrechtelijke sanctie vindt men in artikel 442 w.v. s., waarvan n0. 2 eenige uitbreiding heeft ondergaan bij artikel 6 der wet ter invoering van de faillissementswet. Vergelijk het aangeteekende op dat artikel, ad artikel 442 w. v. s.

Eerste lid. „Zoodra de voorloopige surséance van betaling is verleend.quot; Het oorspronkelijk ontwerp handhaafde de lezing van artikel 916 w. v. k.: „Zoodra de benoeming der bewindvoerders,----is aangekondigdquot;. Naar aanleiding eener opmerking in het verslag der commissie van voorbereiding werden die woorden door de thans gebezigde vervangen. De regeering zag daarin geen bezwaar, al vindt men in dezen titel geene bepalingen in den geest van artikel 52 eerste en tweede lid; immers de voorloopige surséance wordt in het vervolg ter openbare terechtzitting uitgesproken. Afdoende schijnt mij dit niet; een in het openbaar uitgesproken vonnis is daarom nog niet van algemeene bekendheid. Wel vinden zij, die met den schuldenaar handelen, in de voorafgegane aankondiging, bij artikel 215 tweede lid voorgeschreven, aanleiding om op hunne hoede te zijn.

-ocr page 215-

— 197 —

Artikelen 230, 231.

„Medewerking, machtiging of bijstandquot;. In welken vorm de bewindvoerders hunne toestemming verleenen, is onverschillig. De machtiging kan bijvoorbeeld ook vooraf gegeven zijn.

Tweede lid. Door handelingen van den schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand der bewindvoerders verricht, wordt de boedel slechts verbonden voorzoover hij daaruit voordeel getrokken heeft. De schuldenaar zelf wordt door die handelingen onvoorwaardelijk verbonden. Zij zijn alleen relatief, ten aanzien van den boedel, nietig; de bewindvoerders kunnen te dezer zake zelfstandig in rechte optreden. Dit ligt in den aard der zaak; immers de medewerking der bewindvoerders wordt gevorderd niet in het belang van den schuldenaar, maar alleen ten behoeve der schuld-eischers. Volgt faillissement, zoo gaat de bevoegdheid der bewindvoerders, om de nietigheid der bedoelde handelingen in te roepen, op den curator over, artikelen 220 derde lid, 228 derde lid, 238 tweede lid.

Artikel 231.

Gedurende den loop der surséance kan de schuldenaar niet tot betaling zijner schulden worden genoodzaakt.

Alle aangevangen executiën blijven gedurende dien tijd ge-scfiorst. Gelegde beslagen vervallen. Indien -de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij daaruit ontslagen, zoodra het vonnis houdende verleening der surséance in kracht van gewijsde is gegaan.

„Aangevangen executiën blijven... geschorstquot;. Indien de surséance eindigt zonder betaling en zonder vrijwillig acooord, zal eene vroeger begonnen executie kunnen worden voortgezet zonder herhaling van de be-teekening van het vonnis en van het bevel tot betaling. Dit kan, wanneer alsdan niet aanstonds faillissement volgt, voor den schuldeischer van belang zijn inzonderheid wegens het bepaalde bij artikel 503 w. v. b. rv.

„Gelegde beslagen vervallenquot;. Het beslag is een dwangmiddel tot betaling. Instandhouding daarvan gedurende den loop der surséance, welker strekking is dat de schuldenaar niet tol betaling kan worden gedwongen, is derhalve met het wezen dezer instelling in strijd. Bovendien kan het belang van schuldeischers en schuldenaar medebrengen dat de in beslag genomen goederen, onroerende zoowel als roerende , met medewerking der bewindvoerders vervreemd worden. Het tweede lid van artikel 918 w. v. k. hield bevorens gelegde beslagen in stand, behoudens mogelijkheid tot opheffing onder de hier minder practisohe voorwaarde van zekerheidstelling.

„Gijzelingquot;! Ook deze bleef volgens artikel 918 tweede lid w. v. k. voortduren totdat zij tegen zekerheidstelling werd opgeheven. Omtrent het thans voorgeschreven ontslag uit de gijzeling vergelijke men het aange-teekende bij artikel 33 tweede lid.

-ocr page 216-

— 198 —

Artikelen 232, 233.

Artikel 232.

De surséance stuit den loop niet van reeds aanhangige rechtsvorderingen , noch belet het aanleggen van nieuwe.

Indien niettemin de rechtsgedingen blootelijk betreffen de vordering van betaling eener schuld door den schuldenaar erkend, en indien de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, ten einde rechten tegen derden te doen gelden, kan de rechter, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot na het einde der surséance.

De schuldenaar kan, voor zooveel betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot zijn vermogen behoorende ten onderwerp hebben, noch eischende noch verwerende in rechte optreden, zonder medewerking der bewindvoerders.

Tweede lid. Is nagenoeg gelijkluidend met artikel 919 tweede lid w. v. k. Deze opschorting van het vonnis schijnt vreemd; intusschen kandeschuld-eischer er belang bij hebben onmiddelijk na afloop der surséance een executorialen titel te verkrijgen, zoo de surséance een onbevredigend einde neemt doch niet aanstonds door faillissement gevolgd wordt.

Derde lid. De elementaire vraag, die hier beslist wordt, werd onder het wetboek van koophandel, bij gebreke van een uitdrukkelijk voorschrift, in verschillenden zin beantwoord.

„Welke rechten of verplichtingen tot zijn vermogen behoorende ten onderwerp hebbenquot;. Deze redactie sluit zich aan bij die van artikel 25. Vergelijk het aangeteekende op dat artikel. In rechtsvorderingen , strekkend tot handhaving van andere dan vermogensrechten, met name van persoonlijke of familierechten, blijft de schuldenaar bevoegd zonder medewerking der bewindvoerders op te treden.

Artikel 233.

De surséance werkt niet ten aanzien:

X 1°. van de vordering van rijks-, provinciale of gemeentelijke belastingen, en van waterschaps-, veenschaps- of veenpolder-lasten, met de vervolgingskosten;

2°. van schuldvorderingen, gedekt door hypotheek of pand, of bevoorrecht op bepaalde goederen;

-ocr page 217-

— 199 —

Artikel 233.

X 3°. van leveiiiSDuderlioud r door den schuldenaar uit kracht van de derde afdeeling van den vijftienden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd;

4°. van huren en pachten ;

v. 5°. van loon van dienstboden, werklieden en andere bedienden ;

^ 6°. van schuldvorderingen wegens noodwendigheden, tot gewoon onderhoud van den schuldenaar en zijn huisgezin geleverd gedurende de laatste zes maanden vóór de surséance;

7°. van reclame en zakelijke rechten.

Voor zooverre bij executie blijkt dat de vorderingen, onder n0. 2 vermeld, op de verbonden zaak niet verhaald kunnen worden , werkt de surséance wel ten aanzien van deze vorderingen.

Eerste lid, 1°. „Provinciale belastingenquot; waren in artikel 920 nquot;. 1 w. v. k. over het hoofd gezien.

„Watersehaps-, veenschaps- ol\' veenpolderlastenquot;:hierbij isde terminologie van artikel 190 der grondwet gevolgd.

„De vervolgingskostenquot; zijn hier opgenomen op verlangen van de commissie van voorbereiding. Men heeft er onder te verstaan de kosten, op de invordering der onder dit nommer vermelde belastingen gevallen.

3°. Alleen het wettelijk levensonderhoud wordt aan de werking dei-surséance onttrokken. In het advies van den raad van state werd dit hard genoemd voor kleine lieden, wien bij uitersten wil een jaargeld tot levensonderhoud vermaakt is. De regeoring meende evenwel de gemaakte beperking te moeten handhaven, omdat moeilijk eene grens is aan te wijzen, waarbij eene uitkeering ophoudt, tot levensonderhoud te dienen; werd dit aan de beslissing van den erflater overgelaten, dan zouden uitkeeringen van hoog bedrag tot levensonderhoud gestempeld kunnen worden.

2°. en 7°. In artikel 920 nquot;. 2 w. v. k. werden „reclame en andere zakelijke rechtenquot; in éénen adem genoemd met onderzetting en pand. Beide categoriën van vorderingen worden thans afzonderlijk vermeld, zoodat duidelijk uitkomt dat, niettegenstaande de surséance, vorderingen door hypotheek of pand gedekt — waarmede die, op bepaalde goederen bevoorrecht, zijn gelijkgesteld— moeten worden voldaan, en de rechtsvordering tot reclame, alsook die tot het doen gelden van een zakelijk recht, kan worden ingesteld en vervolgd. Dit laatste behoefde eigenlijk niet gezegd te worden, daar het reeds volgt uit artikel 232 eerste lid, doch is ten allen overvloede behouden, om niet den indruk te wekken alsof bedoeld ware in dit opzicht van het wetboek van koophandel af te wijken.

-ocr page 218-

— 200 —

Artikelen 233, 234, 235, 236.

Tweede lid. De reden, waarom de surséance ten aanzien van deze vorderingen niet werkt, is gelegen in het recht van voorrang. De surséance herneemt derhalve hare werking voorzoover blijkt, dat dit recht op de verbonden zaak niet kan worden uitgeoefend.

Artikel 234.

De betaling van alle andere schulden, op het oogenblik van de verleening der voorloopige surséance bestaande, kan, gedurende de surséance, niet anders plaats hebben, dan aan alle schuld-eischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen.

Artikel 235.

De surséance werkt niet ten voordeele van de medeschuldenaren en borgen.

In afwijking van artikel 921 w. v. k. worden borgen, die al dan niet afstand gedaan hebben van het voorrecht van uitwinning, ten deze gelijkgesteld. Dit strookt met de behoeften van het verkeer en met het wezen van den borgtocht, die medebrengt dat de borg praesteere wanneer de schuldenaar in gebreke blijft. De raad van state en sommige leden der eerste kamer achtten het onbillijk, daar de borg, door het voorrecht van uitwinning te doen gelden, wellicht van zijne aansprakelijkheid ontheven ware, terwijl hij nu verplicht wordt tot dadelijke betaling en met de terugvordering moet wachten, totdat de surséance een einde genomen heeft. De regeering antwoordde dat de borg volgens artikel 1869 nquot;. 4 b. w. in geval van faillissement van den schuldenaar niet kan vorderen, dat de goederen van dezen vooraf uitgewonnen worden, en dat er geen reden is in dit opzicht verschil te maken tusschen ophouden met betalen, faillissement, en opschorting van betaling, surséance. Zonder deze zou de schuldenaar gefailleerd zijn en ware de schuld dan toch terstond bij den borg opvorderbaar geworden. Dat de borg eerst na afloop der surséance zijn verhaal op den schuldenaar kan uitoefenen, heeft hij met alle andere schuldeischers van dezen gemeen.

Artikel 286.

Het rechterlijk college, hetwelk de surséance verleend heeft, kan die, op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer der schuldeischers, intrekkenquot;:

1°. indien de schuldenaar zich, gedurende den loop der sur-

-ocr page 219-

— 201 —

Artikel 236.

séance, aan kwade trouw in het beheer van den boedel schuldig maakt;

2U. indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen;

\\ 3P. ^ .^iien hij handelt in strijd met artikel 230, eerste lid;

4°. indien hij nalaat te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerders in het belang van den boedel gedaan moet worden ;

5°. indien, hangende de surséance, de staat van den boedel zoodanig is achteruitgegaan, dat het vooruitzicht is verdwenen op volledige betaling van alle schulden bij het eindigen der surséance.

In het laatste geval kan de intrekking ook op verzoek van den schuldenaar worden uitgesproken.

In de gevallen, vermeld onder n®*. 1 en 5, zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.

De bewindvoerders en de schuldenaar worden, indien zij niet zelve het verzoek gedaan hebben, daarop gehoord of daartoe behoorlijk \'opgeroepen.

Indien op grond van de bepalingen van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan tevens de faillietverklaring van den schuldenaar worden uitgesproken.

Gedurende de surséance kan de faillietverklaring niet rauwelijks worden gevorderd.

De beschikking, houdende intrekking der surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.

Volgens artikel 922 w. v. k. kon het verzoek tot intrekking der surséance bij kwade trouw van den schuldenaar of benadeeling zijner schuldeischers alleen van een of meer schuldeischers, bij achteruitgang van den boedel alleen van de bewindvoerders uitgaan. Die onderscheiding is in dit artikel losgelaten. Tevens is, op aandrang in het verslag der commissie van voorbereiding, in de gevallen van kwade trouw van den schuldenaar en van achteruitgang van den boedel, aan de bewindvoerders de verplichting opgelegd intrekking der surséance te vragen. Het is te hopen dat die verplichting door de bewindvoerders zal gevoeld worden en hen van te groote toegeeflijkheid zal weerhouden.

Eerste en tweede lid. „Op verzoekquot;: zie het aangeteekende op artikel 229 eerste lid.

/K

-ocr page 220-

— 202 —

Artikelen 236, 237.

Vierde lid. „Behoorlijk opgeroepenquot;, namelijk bij brieven van den griffier, artikel 237 tweede lid.

Vijfde lid. In den regel zal dit behooren te geschieden; bepaaldelijk, indien de intrekking gegrond is op zoodanigen achteruitgang van den boedel, dat het vooruitzicht op volledige betaling der schulden verdwenen is. Intusschen blijft het oordeel, of er termen zijn voor faillietverklaring, aan den rechter.

Zevende lid. Deze bepaling is aan het artikel toegevoegd bij amendement der commissie van voorbereiding, dat door de regeering werd overgenomen.

Overlijden van den schuldenaar. Bij de beraadslaging in de tweede kamer werd door de commissie van voorbereiding voorgesteld in een nieuw artikel te bepalen, dat de surséance eindigt met den dood van den schuldenaar. De commissie meende dat dit in den aard der zaak lag, en zette de practische moeilijkheden, die bij voortduring der surséance na het overlijden van den schuldenaar in verschillende gevallen kunnen rijzen , in het breede uiteen. De minister ontkende die moeilijkheden niet geheel, maar achtte desniettemin in het bedoeld geval de voortduring der surséance en het in functie blijven der bewindvoerders raadzaam in het belang der ondernemingen, waarvoor surséance pleegt verleend te worden, ten einde eene overhaaste liquidatie te voorkomen. De meerderheid der kamer vereenigde zich, door verwerping van het voorgestelde nieuwe artikel, met de zienswijze van den minister.

Artikel 237.

De schuldenaar is steeds bevoegd van bet rechterlijk college, dat de surséance verleende, de intrekking daarvan te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder in staat stelt zijne betalingen te hervatten. Op dit verzoek worden de bewindvoerders en de schuldeischers gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen.

Deze oproeping, gelijk mede die bedoeld in het vierde lid van het vorige artikel, geschiedt bij brieven door den griffier tegen een door het rechterlijk college te bepalen dag.

Het staat niet aan den schuldenaar te beslissen, dat de surséance een einde zal nemen. Op zijn verzoek is de rechter tot intrekking daarvan bevoegd. De intrekking kan geweigerd worden, wanneer niet voldoende blijkt dat de toestand van den boedel verbeterd is, of wanneer van de zijde der schuldeischers tegen de intrekking bezwaar gemaakt wordt of zij er door zouden worden benadeeld.

„Te verzoekenquot;: zie het aangeteekende op artikel 229 eerste lid.

-ocr page 221-

— 203 —

Artikelen 238 , 239, 240.

Artikel 238.

Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken overeenkomstig eene der bepalingen van dezen titel of wel binnen ééne maand na de afwijzing van het verzoek tot surséance of na de intrekking of den afloop van de surséance, wordt het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop de indiening van bet verzoek tot verleening van surséance is bekend gemaakt.

De curator oefent dan de bevoegdheid uit, in het tweede lid van artikel 230 aan de bewindvoerders toegekend.

„Bekend gemaaktquot;, namelijk volgens artikel 215 tweede lid.

Artikel 239.

Het loon van de deskundigen , benoemd ingevolge de bepaling van artikel 221 2quot;., en van de bewindvoerders wordt bepaald door de rechtbank en bij voorrang voldaan.

Dit laatste is ook van toepassing op hunne verschotten en op die, door den griffier ten gevolge van de bepalingen van dezen titel gedaan.

De bepaling van het loon van bewindvoerders en deskundigen door de rechtbank strookt met de voorschriften van artikel 71 omtrent het salaris van den curator in het faillissement.

„Bij voorrang voldaanquot;. Het artikel maakt het loon en de verschotten, waarover het handelt, tot eene eerste bevoorrechte schuld op de goederen van den schuldenaar.

Algemeene slotbepaling.

Artikel 240.

Deze wet treedt in werking op een nader bij de wet te bepalen tijdstip.

-ocr page 222-

— 204 —

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst , en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 30sten September 1893.

EMMA.

De Minister van Justitie,

s M I D T.

Uitgegeven den zesden October 1893.

De Minister van Justitie,

s M I D T.

-ocr page 223-

WET VAN DEN 2öslquot; J.4NIMRI 1S% (Staatsblad f. 9),

houdende bepalingen omtrent het in werking treden van de wet op het faillissement en de sursrance van betaling, de wijziging van bestaande wetten in verband daarmede en den overgang van de oude wetgeving tot de nieuwe.

In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie

Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-

Nassau, enz., enz., enz.

Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen hebben , dat volgens artikel 240 van de wet van 30 September 1893 (Staatsblad nquot;. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 {Staatsblad nu. 155), het tijdstip van het in werking treden dier wet bij de wet moet worden bepaald, terwijl het tevens noodzakelijk is overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en de nieuwe wet, en den overgang van de oude tot de nieuwe wetgeving betreffende het faillissement en de surséance van betaling te regelen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Geschiedenis der invoeringswet. Het eerste ontwerp der invoeringswet werd reeds bij koninklijke boodschap van 31 October 1893 aan de tweede kamer ingezonden, met eene memorie van toelichting, onder-teekend door den minister Smidt. Bij de samenstelling was gebruik gemaakt van de voorstellen der staatscommissie, die de nieuwe regeling van het

-ocr page 224-

— 206 —

faillissement en de surséance van betaling had ontworpen. Het werd gesteld in handen van eene commissie van voorbereiding, bestaande uit de heeren mr. Travaglino, tevens voorzitter, mr. Hartogh, rar. Bevers, mr. Huber en Hintzen, en op 14 Februari 1894 in de afdeelingen der kamer onderzocht. Ten gevolge van de ontbinding der kamer in Maart 1894 kon die commissie hare taak echter niet ten einde brengen. Een nieuw ontwerp werd ingezonden bij koninklijke boodschap van 20 Juni 1894, met eene memorie van toelichting, onderteekend door den minister Van der Kaay; daarbij werden in het eerste ontwerp slechts enkele wijzigingen aangebracht. Na benoeming eener nieuwe commissie van voorbereiding, bestaande uit de heeren mr. Travaglino, tevens voorzitter, mr. Hartogh, Hintzen, mr. Lucasse en mr. Drucker, had het onderzoek in de afdeelingen in het begin van October 1894 plaats. Den 27sten Juni 1895 bracht deze commissie haar verslag uit, dat tevens het antwoord der regeering bevatte en waarbij, op verzoek der commissie, het advies van den raad van state over het oorspronkelijk ontwerp, en het rapport van den minister Smidt naar aanleiding daarvan aan de koningin-regentes, werden overgelegd. Kort daarop werd een nader ontwerp ingediend, waarin de wijzigingen, bedoeld in het schriftelijk antwoord der regeering op het verslag der commissie van voorbereiding, waren opgenomen. Dit ontwerp kwam op 16 October 1895 bij de tweede kamer in behandeling, en werd, nagenoeg zonder beraadslaging, zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De eerste kamer verzond het wetsontwerp op 6 November 1895 naar hare afdeelingen, die tot rapporteurs benoemden de heeren mrs. Mei vil baron Van Lynden, Rahusen, Sassen, Engelberts en Van Boneval Faure. Deze commissie van rapporteurs bracht den 8ste\'1 November 1895 een voorloopig verslag uit; 25 November verscheen haar eindverslag, de memorie van antwoord der regeering behelzend. Het ontwerp kwam den IS\'iequot; Januari 1896 in beraadslaging en werd dienzelfden dag zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Strekking der invoeringswet. De invoeringswet bevat in hoofdzaak: 1quot;. vaststelling van het tijdstip, waarop de wet op het faillissement en de surséance van betaling in werking treedt (artikel 1); 2\'\'. afschaffing of wijziging van onderscheidene wettelijke bepalingen, ten einde de bestaande wetboeken en wetten in overeenstemming te brengen met de nieuwe wet (artikelen 2—6); en 3°. bepalingen tot regeling van den overgang van de oude tot de nieuwe wetgeving (artikelen 7—13).

Bij het in overeenstemming brengen der bestaande wetten met de nieuwe wet is uitgegaan van het beginsel, dat in de eerstgemelde bij deze gelegenheid geene andere wijzigingen behooren gebracht te worden, dan met de invoering der nieuwe wet in onmiddellijk verband staan. Onveranderd zijn gebleven verschillende artikelen der bestaande wetten, welke alleen over faillissement spreken, doch blijkens hun inhoud ook alleen ten aanzien van kooplieden of daden van koophandel toepassing kunnen vinden of wel reeds bij analogie toegepast werden in geval van kennelijk onvermogen. Evenmin zijn de talrijke artikelen der bestaande wetten, waarin kennelijk onvermogen naast faillissement uitdrukkelijk vermeld wordt, in dit opzicht gewijzigd. De woorden, die daarin den staat van kennelijk onvermogen betreffen, kunnen in sommige gevallen nog toepassing vinden ten aanzien van verklaringen in staat van kennelijk onvermogen, gevorderd

-ocr page 225-

— 207 —

Artikelen 1, 2 In v.

of uitgesproken vóór het in werking treden der nieuwe wet, en verliezen overigens door de invoering dier wet van zelf hunne beteekenis.

Artikel 1.

De wet van 30 September 1893 {Staatsblad n0. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 {Staatsblad nu. 155) treedt in werking op den Isten September 1896.

Overeenkomstig het advies van den raad van state en den wensch dei-tweede kamer is de invoering der nieuwe wet bepaald op een datum, waarop bij de rechterlijke colleges een nieuw rechtsjaar aanvangt.

Artikel 2.

Op het in artikel 1 vermelde tijdstip zijn afgeschaft: de artikelen 1515, 1820 en 1880, 2quot;. van het Burgerlijk Wetboek; de artikelen 198, 205 en 285 benevens het derde boek van het Wetboek van Koophandel; het tweede lid van artikel 705, en de artikelen 707, 709 tot en met 720 benevens de zevende titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; artikel 441 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 17 van de wet van 17 November 1876 {Staatsblad nquot;. 227) tot regeling der coöperatieve vereenigingen.

Artikel 1515 b. w. is afgeschaft op grond, dat de verkooper in het daarbij bedoeld geval kan gebruik maken van de bevoegdheid, hem bij artikel 37 der nieuwe wet toegekend. Laatstgemeld artikel stelt geen fatalen termijn, waarbinnen de daarin vermelde sommatie moet geschieden. Wordt de verkooper tot levering aangesproken, zoo kan hij, door alsnog die sommatie te doen, zich voor alle schade vrijwaren.

Artikel 1820 b. w. moest worden ingetrokken, omdat liet daarin behandeld onderwerp anders is geregeld bij artikel 131 eerste lid der nieuwe wet, waarmede men vergelijke artikel 195 en het daarop aangeteekende. De renthefï\'er kan, desverkiezende, voor de hem uitgekeerde percenten over de comptante waarde zijner vordering, eene nieuwe, naar evenredigheid ingekorte lijfrente koopen. Hij lijdt dus geen schade bij de nieuwe regeling, die voor de vereffening van den boedel des rentplichtigen boven het vroegere recht te verkiezen is.

Afschaffing van artikel 1809 n0. 3 b. w., aanvankelijk voorgesteld, is

-ocr page 226-

— 208 —

Artikel 2 In v.

nagelaten, omdat dit voorschrift niet indruischt tegen artikel 131 der nieuwe wet en de wijzigingen in het geldend recht tot het strikt noodzakelijke beperkt zijn.

Artikel 1880 n0. 2 b. w. heeft aanleiding gegeven tot de opvatting, dat de borg naast den schuldeischer in het faillissement van den schuldenaar behoort te worden toegelaten. Naar die opvatting is het bedoelde voorschrift in strijd met de laatste zinsnede van artikel 135 der nieuwe wet en diende het dus te worden afgeschaft. Zie artikel 135 en het daarop aangeteekende.

Artikel 198 w. v. k. moest vervallen ingevolge de algemeene regelen, bij artikel 136 der nieuwe wet vastgesteld. Dat de niet-gefailleerde medeverbondenen, in het tweede lid van artikel 198 w. v. k. vermeld, in elk geval kunnen worden aangesproken voor alles wat na de uitdeeling nog verschuldigd is, lijdt ook na de intrekking van dat artikel geen twijfel; het volgt onmiddellijk uit artikel 186 eerste lid w. v. k., in verband met de bepalingen van het burgerlijk wetboek omtrent hoofdelijke verbintenissen.

Artikel 205 w. v. k. is ingetrokken met het oog op artikel 55 der nieuwe wet. Zie laatstgenoemd artikel en het daarop aangeteekende.

Artikel 285 w. v. k. Naar aanleiding van eene vraag in het verslag der commissie van voorbereiding is de afschaffing van dit artikel, die aanvankelijk niet werd voorgesteld, rationeel geacht wegens het bepaalde bij artikel 37 der nieuwe wet.

Artikelen 705, tweede lid, 707, 709 — 720 w. v. b. rv. Het doel van den gerechtelijken boedelafstand is vervallen. In vroegeren tijd was hij een middel tot behoud van de persoonlijke vrijheid, dat in de middeleeuwen in het bijzonder ten dienste stond van hen, op wie het faillissement niet toepasselijk was. Nu het faillissement op een ieder toepasselijk is geworden en volgens artikel 33 der nieuwe wet ontslag uit de gijzeling medebrengt, heeft de gerechtelijke boedelafstand, die trouwens slechts zelden meer voorkwam, zijne reden van bestaan verloren. Hij werd bovendien behandeld als een faillissement, zie artikel 720 w. v. b. rv.; zijn behoud zou dan ook niet strooken met de eenheid van wetgeving omtrent de al-quot;■eheele vermogens-executie, bij de nieuwe wet beoogd.

quot; De bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering omtrent den vrij willigen boedelafstand zijn behouden op den reeds herhaaldelijk vermelden grond, dat men zich bij de invoeringswet tot de volstrekt noo-dige wijzigingen in de bestaande wetten heeft willen bepalen. In het advies van den raad van state werd gevraagd of die bepalingen niet zouden kunnen gemist worden, als zijnde niet anders dan toepassingen van het gemeene recht. Dit laatste werd evenwel door den minister Smidt niet toegegeven; immers een beding, waarbij de schuldenaar al zijne goedeieu aan zijne schuldeischers in eigendom overdraagt, mag volgens artikel 708 in verband met het slot van artikel 70ü w. v. b. rv. niet gemaakt worden, doch zou, indien die bepalingen niet bestonden, door de voorschritten van de artikelen 667 en volgende b. w. niet worden belet.

-ocr page 227-

— 209 —

Artikelen 2, 3 Inv.

De oeconomie der invoeringswet brengt mede, dat men eerst uit haar artikel 5 te weten komt, hoe de gehandhaafde bepalingen van den derden titel van het derde boek van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voortaan luiden. Vergelijk de aanteekening op dat artikel.

Artikel 441 w. v. s. moest vervallen, omdat de verplichting tot aangifte van het faillissement binnen drie dagen na het ophouden met betalen in de nieuwe wet niet is overgenomen. Zie het aangeteekende op het eerste lid van artikel 4 dier wet.

Artikel 17 der wet op de coöperatieve v ereen igingen heeft onder de nieuwe wet zijne reden van bestaan verloren.

Artikel 3.

De artikelen 1377 en 1881, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden gelezen:

„Artikel 1377. Niettemin kan door ieder schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van alle door den schuldenaar onver-pligt verrigte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers zijn benadeeld, mits bewezen worde, dat bij het verrigten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling van de schuldeischers het gevolg zoude zijn.

Regten, door derden te goeder trouw verkregen op de goederen , die het voorwerp waren van de nietige handeling, worden geëerbiedigd.

Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane handelingen om niet in te roepen, kan de schuldeischer volstaan met aan te toon en, dat de schuldenaar op het oogenblik der handeling wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.quot;

„Artikel 1881, eerste lid. Indien verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld van denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld heeft voldaan, in het geval bij n0. 1 van het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.quot;

In het eerste lid van artikel 1490 van gemeld Wetboek ver-

14

-ocr page 228-

— 210 —

Artikel 3 Inv.

vallen de woorden; „(daaronder begrepen die waarvan bij artikel 1377 wordt gehandeld)quot;.

In het tweede lid van gemeld artikel wordt achter de woorden: „ontbinding des huwelijks;quot; ingevoegd eene nieuwe alinea luidende:

„Ingeval van nietigheid, waarvan in artikel 1377 wordt gehandeld, van den dag der ontdekking, dat de voor de nietigheid vereischte wetenschap bestond

Artikel 1377, eerste lid, b. w. De omschrijving der Pauliana buiten faillissement sluit zich aan bij artikel 42 der nieuwe wet.

„Nietteminquot;. Dit woord, afkomstig van het in de nederlandsche wetgeving niet overgenomen artikel 1166 van den code civil waarnaar trouwens in artikel 1167 van dat wetboek door het woord „aussiquot; verwezen wordt — is ondanks daartegen gemaakt bezwaar behouden. Men achtte het onschadelijk en vond geen verband tusschen het kiezen van een anderen aanhef voor het artikel en de invoering van het nieuwe recht.

„Door den schuldenaar onverplicht verrichte handelingenquot; zijn handelingen door den schuldenaar verricht, tot het verrichten waarvan geene in rechte bindende verplichting op hem rustte, ot met andere woorden, tot het verrichten waarvan hij rechtens niet verplicht was.

„Waardoor de schuldeischers zijn benadeeldquot;. Tegen het overnemen dezer woorden in het burgerlijk wetboek werden door prof. mr. C. Asser in W. v. h. r. n0. 6544 bedenkingen ingebracht, die blijkens het verslag der commissie van voorbereiding bij verscheidene leden der tweede kamer weerklank vonden. Zij kwamen, in het kort samengevat, hierop neder, dat de feitelijke benadeeling der schuldeischers, buiteu faillissement, bijna onmogelijk te bewijzen is. In geval van faillissement is dit bewijs quot;iet moeilijk te leveren; het zal den curator, met de stukken van hetlaillis-sement in de hand, niet zwaar vallen aan te toonen dat de gewraakte handeling, waardoor het actief verkleind of het passief vergreet wordt, ten gevolge heeft dat de schuldeischers een geringer percentage hunner vorderingen ontvangen dan anders het geval ware en hen mitsdien benadeelt. Maar buiten faillissement zullen de gewone bewijsmiddelen in den regel onbruikbaar zijn om de feitelijke benadeeling, in het bijzonder van de concurrente schuldeischers, aan te toonen. Zelfs het omslachtig middel eener voorafgaande uitwinning zou daartoe niet kunnen leiden, omdat het geen volledig overzicht verschaft van actief en passief, gelijk noodig is om te doen blijken dat de gewraakte handeling de schuldeischers heett benadeeld en evenmin aantoont dat de benadeeling reeds op het oogenbhk dier handeling heeft plaats gehad. Daarom werd in overweging gegeven in artikel 1377 b. w. niet voor te schrijven dat de gewraakte handeling de schuldeischers moet hebben benadeeld, maar alleen dat zij de strekking

-ocr page 229-

— 211 —

Artikel 3 Inv.

moet gehad hebben om de schuldeischers te benadeelen; volgens prof. Asser ware het nog beter te bepalen, dat zij moet gestrekt hebben om den schuldenaar of een ander ten koste der schuldeischers te bevoordeel en.

Dit denkbeeld vond evenwel geen ingang. Zoowel bij andere leden der tweede kamer als bij den minister stond de wensch op den voorgrond, om het verband tusschen de Pauliana in en buiten faillissement zooveel mogelijk te handhaven. Ook naar het geldend recht, zoo werd betoogd, moet voor de toewijzing der Pauliana buiten faillissement vaststaan, dat de schuldeischers benadeeld, of wel, wat geheel hetzelfde is, in hunne rechten verkort zijn. Het feit der benadeeling wordt in de practijk zelden ontkend, omdat het betrekkelijk gemakkelijk te bewijzen is; de handelingen, waartegen wordt opgekomen, zijn gewoonlijk van dien aard, dat het de schuldeischers benadeelend karakter volkomen duidelijk en niet betwistbaar is. Aan een volledig overzicht van actief en passief heeft de rechter ter beoordeeling van de aanwezigheid van rechtsverkorting nimmer behoefte gevoeld; en er is geen reden, waarom dit onder de nieuwe redactie anders zou worden. Intusschen deed de minister opmerken, dat hetgeen in de memorie van toelichting der nieuwe wet ter verklaring van de aangehaalde woorden in artikel 42 dier wet gezegd werd, niet mag worden uitgebreid tot het geval, dat er geen faillissement is. Men las daarin namelijk het volgende, dat hierboven bladz. 72 verkort is weergegeven: „De benadeeling moet werkelijk hebben plaats gehad. Dit zal het geval zijn als ten gevolge der handeling het actief van het faillissement kleiner is dan het anders zou geweest zijn. Heeft daarentegen de handeling op het bedrag van het actief geen invloed uitgeoefend, dan zijn de schuldeischers niet benadeeld en vervalt elke reden om te hunnen behoeve de handeling nietig te verklaren.quot; Deze redeneering houdt rekening met het feit, dat bij faillissement het yeheele actief zich bevindt in handen van den curator, met een feit dus dat, als er geen faillissement is, niet aanwezig is; zij kan daarom niet dienen ter verklaring van het nieuwe artikel 1377 b. w. Ter opheldering der vraag, wat in den zin van artikel 1377 b. w. (oud en nieuw) handelingen zijn, waardoor de schuldeischers zijn benadeeld, verwees de minister naar de rechtspraak:

Arresten van den hoogen raad van 2 Januari 1880, II\'. v. h. r. n0. 4459, en 28 Maart 1884, ]V. v. h. r. nquot;. 5019 en Rechtsgel. bijdr. en bij bi. 1885, D , 88 ; arresten van het hof te Leeuwarden van 11 Mei 1881, IV. v. h. r. nn. 4688, en 20 December 1883, W. v. h. r. nquot;. 4862 en Rechtsgel. bijbl. 1882, B, 272, van dat te Amsterdam van 12 November 1886, W. v. h. r. nquot;. 5420, en van dat te \'s Gravenhage van 7 Maart 1887, II7. v. h. r. nn. 5389 en 5481, bevestigend een vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 19 April 1886, W. v. h. r. nquot;. 5336; en vonnissen van de rechtbank te Amsterdam van 15 December 1852, W. v. h. r. nquot;. 1401, van die te Maastricht van 29 Juni 1860, ir. v. h. r. n\'1. 2260, en van 29 Maart 1883, IV. v. h. r. nquot;. 5148, van die te Assen van 16 Februari en 6 September 1880, W. v. h. r. iin. 4602, en van die te Winschoten van 27 Juli 1887, 11\'. v. h. r. nquot;. 5610.

Artikel 1377, tweede lid, b. w. Het oorspronkelijk ontwerp bevatte nog bepalingen, in hoofdzaak overeenkomend met artikel 51, eerste en tweede lid, en met artikel 46 der nieuwe wet. Deze zijn echter achterwege gelaten ingevolge bedenkingen, door prof. Asser in 11\'. v. h. r. nquot;. 6544

-ocr page 230-

— 212 —

Artikel 3 Inv.

daartegen gemaakt en in het verslag der commissie van voorbereiding overgenomen. Buiten faillissement is er namelijk geen boedel, aan welken wordt teruggegeven. Wilde men het stelsel der nieuwe wet ook in het burgerlijk wetboek voor alle gevallen volledig uitwerken , dan zouden daartoe omvangrijke en omslachtige bepalingen noodig zijn. ïer vermijding daarvan is het verkieslijk geacht de oplossing der vragen, die te dezen opzichte kunnen rijzen, aan de rechtspraak over te laten.

Het beginsel van artikel 51, derde lid, der nieuwe wet diende intusschen ook buiten faillissement boven eiken twijfel vast te staan. Het daarbij bepaalde is mitsdien hier in hoofdzaak herhaald. De uitdrukking „op het terug te geven goedquot;, die terugsloeg op den inhoud van artikel 51, eerste en tweede lid, der nieuwe wet, is echter vervangen door „op de goederen, die het voorwerp waren van de nietige handeling.quot; In het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs uit de eerste kamer werd opgemerkt dat de uitdrukking „rechten eerbiedigenquot; in eene wet minder op hare plaats is. De minister antwoordde dat dit niet kon worden ingezien en dat diezelfde uitdrukking in artikel 51, derde lid, der nieuwe wet. is opgenomen, zonder dat daartegen eenige bedenking gemaakt is.

Artikel 51, vierde lid, der nieuwe wet is niet overgenomen. Eene regeling van de teruggave der contra-praestatie, die door den schu Idenaar kan zijn gedaan, buiten faillissement, zou aan groote bezwaren onderhevig geweest zijn; en in elk geval ware zij hier misplaatst, nu de gevolgen der Pauliana, wat betreft de daaruit voortvloeiende verplichtingen van dengene, tegen wien zij is ingesteld, in het burgerlijk wetboek niet geregeld zijn.

Artikel 1377, derde lid, b. w. komt in hoofdzaak overeen met artikel 44 der nieuwe wet. Het woord „schenkingenquot; is echter, ingevolge eene opmerking van prof. Asser in W. v. h. r. n0. 6544 en in het verslag der. commissie van voorbereiding, vervangen door het meer omvattende „handelingen om nietquot;, dat ook in het oude artikel 1377 b. w. voorkwam. In verband hiermede had ook voor het woord „begiftigdequot; een ander moeten zijn gekozen, gelijk trouwens in het verslag gezegd werd; tot misverstand kan deze min juiste uitdrukking hier intusschen bezwaarlijk leiden.

Artikel 1881, eerste lid, b. w. De wijziging van deze bepaling staat in verband met de intrekking van artikel 1880 nquot;. 2 b. w.

Artikel 1490 b. w. De nieuwe alinea, in dit artikel ingelascht, dient om uit te maken wanneer de vijfjarige termijn van de Pauliana begint te loopen. Zij is blijkbaar te danken aan het meer genoemd opstel van prof. Asser in W. v. h. r. nn. 6544, waarvan in het verslag der commissie van voorbereiding met vrucht gebruik gemaakt is. Wel werd tegen deze aanvulling ingebracht, dat zij met de invoering van het nieuwe faillietrecht geen verband hield; maar dit werd door den minister weersproken. Immers totdusver redde men zich, bij het stilzwijgen van artikel 1490 b. w. omtrent het begin van den termijn, gedurende welken de Pauliana kan worden ingesteld, met eene analogische toepassing van hetgeen dat artikel omtrent „bedrogquot;, zij het in engeren zin, bepaalt. Nu echter de woorden „bedrogquot; en „bedriegelijkequot; uit artikel 1377 vervallen, zou die toe-

-ocr page 231-

— 213 —

Artikelen 3, 4, 5 Inv.

passing van artikel 1490 bedenkelijk worden. Daarom meende ook de minister, zonder buiten het kader der invoeringswet te gaan, de gelegenheid te kunnen aangrijpen om in deze leemte te voorzien.

Artikel 4.

In het Wetboek van Koophandel wordt in het eerste lid van artikel 84 in plaats van „854, 855 en 856 van het Wetboek van Koophandelquot;, gelezen: „57, 58 en 59 van de wet op het faillissement en de surséance van betalingquot;;

en in het eerste lid van artikel 199 de aanvang daarvan: „Wanneer echter de houder, hetzijquot; vervangen door: „Wanneer de houder van eenen geprotesteerden wisselbrief, hetzijquot;.

De wijziging van artikel 81 w. v. k. is een noodzakelijk gevolg van de vervanging der artikelen 854—856 van dat wetboek door andere bepalingen. Die van artikel 199 w. v. k. werd noodig door de intrekking van het daaraan voorafgaand artikel 198.

Voor wijziging van artikel 232 \\v. v. k. zijn geen termen gevonden, daar het niet in strijd is met artikel 38 der nieuwe wet. Naar de verklaringen der regeering onderstelt artikel 232 w. v. k. een koop en verkoop, hetzij a eomptant, hetzij op crediet, van dadelijk te leveren en dan ook ten tijde der faillietverklaring reeds geleverde koopmanschappen. Daarentegen is artikel 38 der nieuwe wet uitsluitend van toepassing op koop en verkoop van goederen, eerst te leveren tegen een tijdstip of binnen een termijn, invallend of verstrijkend na de faillietverklaring; daar die goederen nog niet geleverd werden, kan daarbij van reclame geen sprake zijn.

Artikel 5.

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ondergaat de volgende wijzigingen:

In artikel 126 wordt het dertiende lid gelezen als volgt:

„In zaken van faillissement of van kennelijk onvermogen, voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard, en wier uitspraak tevens regtsgevolgen heeft; indien de faillietverklaring door eenen boogaren regter is uitgesproken, voor de regtbank uit wier leden de regter-commissaris is benoemd.quot;

Van artikel 505 wordt het vijfde lid gelezen:

-ocr page 232-

— 21-1 —

Artikel 5 Inv.

„De door artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek gevorderde overschrijving van vroeger opgemaakte akten of de inschrijving van vroeger verleende hypotheken , na den dag der overschrijving van liet proces-verbaal der inbeslagneming, kan aan de regten van den inbeslagnemer geen nadeel toebrengen.quot;

Van artikel 566 wordt het laatste lid gelezen:

„Vroeger afgegeven pand- of verhand-brieven kunnen na den dag dier overschrijving niet meer worden ingeschreven.quot;

Van artikel 585 wordt het eerste lid, 1°. gelezen:

1°. Wegens stellionaat, hetwelk bestaat:

wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanbiedt, of mindere onderzettingen opgeeft dan die met welke die goederen bezwaard zijn.quot;

In artikel 596, 3°., vervallen de woorden: „den vrijwilligen of gerechtelijkenquot;; in het opschrift van den derden titel van het derde boek de woorden: „en de vormen van dienquot;; en in artikel 708, eerste lid, de woorden: „hetzij vrijwillig, hetzij geregtelijk.quot;

In artikel 706 wordt de aanvang daarvan: „De vrijwillige boedelafstand is die, welken de schuldeischers vrijwillig aannemen en die geen ander gevolg heeftquot; vervangen door: „Boedelafstand behoeft de vrijwillige aanneming van de schuldeischers. Hij heeft geen ander gevolg.quot;

Artikel 126, dertiende lid, w. v. b. rv. Aanvankelijk we-d intrekking hiervan voorgesteld, omdat bevoegdverklaring van de rechtbank, waarbij het faillissement aanhangig is — hetgeen de bedoeling van het voorschrift schijnt te zijn — alleen wenschelijk is voor verificatie-geschillen en voor zaken , het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffend. Ten aanzien van verificatie-geschillen nu volgt de bevoegdheid van deze rechtbank uit artikel 122 der nieuwe wet, terwijl de regeering haar voor zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffend,^ uit artikel 65 der nieuwe wet meende te mogen afleiden. Dit laatste werd m-tusschen , blijkens het verslag der commissie van voorbereiding , door vele leden der tweede kamer ernstig betwijfeld. Naar hunne meening bedoelt artikel 65 der nieuwe wet slechts, dat, wanneer de rechtbank be\\oegd ia, zij alvorens te beslissen verplicht is den rechter-commissaris te hooren.

-ocr page 233-

— 215 —

Artikel 5 In v.

Ter voorkoming van twijfel welke rechtbank bevoegd zou zijn, indien de woonplaats van den curator niet mocht liggen binnen het rechtsgebied van de rechtbank, die het faillissement heeft uitgesproken, gaven zij in overweging het dertiende lid van artikel 126 niet in te trekken, maar te wijzigen in overeenstemming met de nieuwe wet. Aan dezen wensch werd door den minister voldaan.

Artikel 505, vijfde lid, w. v. b. rv. De wijziging van dit voorschrift staat in verband met artikel 35 der nieuwe wet, waarbij omtrent de overschrijving -van vroeger opgemaakte acten van eigendomsverkrijging en de inschrijving van vroeger verleende hypotheken en van vroeger afgegeven pand- of verbandbrieven een ander stelsel is aangenomen dan dat, bij de artikelen 505, vijfde lid, en 566, derde lid, w. v. b. rv. gehuldigd. Zie artikel 35 der nieuwe wet en het daarop aangeteekende.

Het nieuwe vijfde lid van artikel 505 w. v. b. rv. geeft intusschen niet geheel dezelfde beslissing als bij artikel 35 der nieuwe wet voor het geval van faillissement genomen is. Daar worden de overschrijvingen en inschrijvingen, die niet tijdig mochten worden gedaan, niet geldig verklaard en dus met volstrekte, nietigheid getroffen. Hier wordt alleen gezegd, dat zij aan de rechten van den inbeslagnemer geen nadeel kunnen toebrengen, en worden zij dus slechts met betrekkelijke nietigheid bedreigd. Dit is in overeenstemming met het vierde lid van artikel 505 w. v. b. rv., waarin eveneens het stelsel van betrekkelijke nietigheid aangenomen en ook bij de wet van 7 Juli 1896 (staatsblad nquot;. 103) behouden is. Artikel 505, vierde lid, w. v. b. rv. luidt namelijk thans:

„Te rekenen van den dag dier overschrijving, zal de partij, tegen welke het beslag gedaan is, de in beslag genomen onroerende goederen niet mogen vervreemden, hypothekeeren of verhuren; overeenkomsten, in strijd met dat verbod aangegaan , kunnen tegen den inbeslagnemer niet worden ingeroepen. De huurcontracten, vóór dien dag aangegaan, zullen van kracht zijn, zoo zij niet zijn gemaakt om de rechten van den schuldeischer te verkorten.quot;

De redactie van artikel 505, vijfde lid, w. v. b. rv., is eerst na het verslag der commissie van voorbereiding door den minister in overleg met de commissie ontworpen. De oorspronkelijk voorgestelde lezing gewaagde namelijk alleen van vroeger verleende hypotheken , niet van vroeger opgemaakte acten van eigendoms verkrijging. De commissie van rapporteurs uit de eerste kamer over het voorstel van wet, houdende wijzigingen in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (thans wet van 7 Juli 1896), had op deze leemte de aandacht gevestigd. Geheel onberispelijk schijnt mij de nieuwe redactie niet. Artikel 671 b. w. beveelt de overschrijving van acten, niet die van vroeger opgemaakte acten. In artikel 35 der nieuwe wet is deze onnauwkeurigheid vermeden.

Artikel 566, derde lid, w. v. b. rv. Wat betreft de inschrijving van pand- of verbandbrieven, vóór den dag der overschrijving van het proces-vei baal van inbeslagneming afgegeven, is het stelsel van artikel 35 der nieuwe wet overgenomen. Voor afwijking was hier geene aanleiding, omdat het tweede lid van artikel 566 w. v. b. rv., in tegenstelling met artikel 505 vierde lid, volstrekte nietigheid uitspreekt.

-ocr page 234-

— 216 —

Artikelen 5, 6 Inv.

Artikel 585, eerste lid, n0. 1, w. v. b. rv. De intrekking van artikel 711 w. v. b. rv. maakte het noodig, de aldaar gegeven definitie van stelli-onaat naar artikel 585 over te brengen. Het oorspronkelijk wetsontwerp werd met deze bepaling aangevuld ingevolge eene opmerking van den raad van state.

Artikel 596, nn. 3, w. v. b. rv. Ook deze wijziging is te danken aan het advies van den raad van state. Bij het vervallen van den gerechtelijken boedelatstand blijft geen andere boedelafstand over, dan een die uiteraard vrijwillig is, en waaraan deze eigenschap dus niet meer uitdrukkelijk behoeft te worden toegekend.

Derde titel van het derde boek van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. De in het opschrift van dezen titel en in de artikelen 706 en 708, ten deele op advies van den raad van state, gebrachte wijzigingen zijn het gevolg van het vervallen van den gerechtelijken boedelafstand. De titel luidt nu in zijn geheel als volgt:

DERDE TITEL.

Van boedelafstand.

„Artikel 705. Boedelafstand geschiedt, wanneer een schuldenaar, die zich buiten staat bevindt zijne schulden te betalen, alle zijne goederen aan zijne schuldeischers overlaat.

„Artikel 706. Boedelafstand béhoeft de vrijwillige aanneming van de schuldeischers. Hij heeft geen apder gevolg dan hetgeen voortspruit uit de bepalingen van de overeenkomst zelve tusschen hen en den schuldenaar aangegaan: behoudens de bepaling van artikel 708 hieronder.

„Artikel 708. Boedelafstand draagt den eigendom aan de schuldeischers niet over; zij geeft hun alleenlijk het regt om de goederen ten hunnen voordeele te doen verkoopen en er de vruchten van te trekken tot de ver-kooping toe.

„Hetgeen na de voldoening van alle de schuldeischers mogt overschieten van de opbrengst van den verkoop zal aan den schuldenaar worden uitgekeerd.quot;

Artikel 6.

Het Wetboek van Strafrecht ondergaat de volgende wijzigingen:

In artikel 194 worden de woorden: „of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereenigingquot;, vervangen door: „of als echtgenoot van een gefailleerde, met wien hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris

-ocr page 235-

— 217 —

Artikel 6 In v.

eener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting,quot;.

In gemeld artikel vervallen de woorden; „of ze overeenkomstig de wet te quot;beëedigen,quot;.

In artikel 344, 1°. en 2°. vervallen de woorden „van een koopmanquot;.

In gemeld artikel worden de woorden: „eenig goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgdvervangen door: „indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd, eenig goed aan den boedel onttrekt, of betaling aanneemt hetzij van eene niet opeischbare schuld hetzij van eene opeischbare schuld, in het laatste geval wetende dat het faillissement van den schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met den schuldenaar;quot;.

In artikel 345 wordt het slot van het tweede lid gelezen: „gefailleerde vennootschap, maatschappij , vereeniging of stichting, die zoodanige overeenkomst sluit.quot;

In artikel 346 wordt achter: „koopman te zijn,quot; ingelascht: „in staat van faillissement is verklaard, ofquot;.

In gemeld artikel wordt achter: „vervreemd , hetzijquot; ingelascht: „ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, of op een tijdstip waarop hij wist dat het een of het ander niet kon worden voorkomen

In artikel 442 wordt de aanvang van 2°. gelezen:

„2quot;. de bestuurder of commissaris eener vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting welkequot; enz.

Artikel 194 w. v. s. is in drieërlei opzicht gewijzigd;

1°. Het artikel is ook van toepassing verklaard op den echtgenoot van een gefailleerde, met vvien hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, omdat de nakoming der verplichting, dien echtgenoot bij artikel 105, tweede lid, der nieuwe wet opgelegd, evenzeer door de strafbepaling behoorde te worden verzekerd.

Evenals het tweede lid van artikel 105 der nieuwe wet, gewaagt het gewijzigd artikel 19-1 w. v. s. enkel van „gemeenschap van goederenquot;, niet van „eenige gemeenschapquot;, gelijk de artikelen 22, tweede lid, en 63, eerste

-ocr page 236-

— 218 —

Artikel 6 Inv.

lid, der nieuwe wet. Op het achterwege laten van het woord „eenigequot; in het tweede lid van artikel 105 der nieuwe wet werd reeds hierboven, hladz. 113, de aandacht gevestigd. In het verslag van de commissie van voorbereiding der invoeringswet werd de meening ontwikkeld, dat onder „gemeenschap van goederenquot; geene andere dan algeheele gemeensohap van goederen te verstaan is. De minister antwoordde dat het beter geweest ware, indien ook in artikel 105 der nieuwe wet het woord „eenigequot; was ingelascht, daar thans tusschen dit en de andere genoemde artikelen een verschil van redactie bestaat, terwijl een materieel verschil niet bedoeld is. Het verband tusschen artikel 105 der nieuwe wet en artikel 194 w. v. s. liet echter niet toe in laatstgemeld artikel eene andere redactie te kiezen dan bij het eerstgeinelde is aangenomen; de rechtspraak ten deze zou moeten worden afgewacht. Het komt mij voor dat de strafrechter de uitdrukking „gemeenschap van goederenquot; slechts in den zin van algeheele gemeenschap van goederen zal kunnen opvatten. De zevende en achtste titels van het eerste boek van het burgerlijk wetboek, in het bijzonder artikel 199 b. w., laten bezwaarlijk eene andere uitlegging toe; en het woord „eenigequot; is in de artikelen 22 en 63 der nieuwe wet met voordacht gebezigd, om ook de gemeenschap van winst en verlies, die van vruchten en inkomsten en alle andere soorten van gemeenschap in te sluiten.

2quot;. In verband met artikel 106 der nieuwe wet is de poenale sanctie der verplichting tot het verschaffen van inlichtingen uitgebreid tot de bestuurders of commissarissen van alle lichamen, in dat artikel en in het zesde lid van artikel 2 der nieuwe wet vermeld. De redactie is hier , alsmede bij de artikelen 345 tweede lid en 442 n0. 2 w. v. s., waarbij gelijke uitbreiding noodig bleek, beknopter dan in de genoemde artikelen der nieuwe wet; bepaaldelijk is de beperkende bijvoeging; „rechtspersoonlijkheid bezittendequot;, vóór „vereenigingquot; hier niet herhaald. Op eene opmerking van den raad van state dienaangnande antwoordde de regeering, dat men zich van die herhaling met voordacht onthouden heeft, om de rechtspersoonlijkheid der vereeniging niet tot een der elementen van het misdrijf te maken. Of eene vereeniging rechtspersoonlijkheid bezit en mitsdien failliet verklaard kan worden, moet worden beoordeeld en beslist dooiden burgerlijken rechter, die de faillietverklaring heeft uit te spreken. Door zijne beslissing staat dit punt vast, ook voor den strafrechter, die alleen heeft na te gaan of er eene faillietverklaarde vereeniging is.

3\'\'. Weigering van den gefailleerde om de vereischte inlichtingen te becedigen is uit de rij der strafbare feiten verwijderd, omdat de nieuwe wet die beëediging niet meer voorschrijft, artikel 105. Ook in die gevallen, waarin het afleggen van den eed, bedoeld bij artikel 798 derde lid w. v. k., krachtens artikel 7 der invoeringswet nog kan worden gevorderd, is weigering daarvan niet langer strafbaar.

Artikelen 340—346 vv. v. s. De onderscheiding tusschen kooplieden en niet-kooplieden is in deze artikelen behouden, volgens het beginsel der invoeringswet, dat bij deze gelegenheid in de bestaande wetten geene andere wijzigingen behooren gebracht te worden, dan met de invoering der nieuwe wet in onmiddelijk verband staan.

Ook de gerechtelijke boedelafstand is uit de artikelen 340, 341 en 346 w. v. s. niet geschrapt, op dezelfde gronden, die er toe geleid hebben in

-ocr page 237-

— 219 —

Artikel 6 In v.

tal Viin artikelen der bestaande wetten de vermelding van kennelijk onvermogen te handhaven. Zie boven, bladz. 206.

De artikelen 342 en 343 w. v. s. zijn niet uitgebreid tot de bestuurders of commissarissen van alle lichamen, in het zesde lid van artikel 2 der nieuwe wet vermeld, omdat die uitbreiding buiten het kader der invoeringswet zou vallen. Immers het wetboek van strafrecht bedreigt tegen de bestuurders of commissarissen van die lichamen, welke in staat van kennelijk onvermogen verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand toegelaten zijn, geene straf ter zake der handelingen, in de artikelen 342 en 343 w. v. s. vermeld.

Voorts zijn de artikelen 341 , 343 en 346 w. v. s. niet in overeenstemming gebracht met de regeling der actio P au liana volgens de nieuwe wet. Die artikelen strooken evenmin geheel met de voorschriften van het wetboek van koophandel, en behoefden dit niet te doen , omdat het burgerlijk recht en het strafrecht door geheel verschillende motieven beheerscht worden. De gefailleerde schuldenaar zal nu strafrechtelijk vervolgd kunnen worden in gevallen, waarin artikel 47 der nieuwe wet niet van toepassing is. Men bedenke echter, dat dit artikel niet alleen den schuldenaar, maar ook den schuldeischer treft, en daarom vordert dat de schuldeischer gehandeld hebbe in strijd met de goede trouw jegens zijne mede-schuldeischers. De artikelen 341, 343 en 346 w. v. s. treffen daarentegen alleen den schuldenaar, zoodat hunne toepassing onafhankelijk behoort te zijn van de goede of kwade trouw van den schuldeischer. De schuldenaar, die, ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, opeen tijdstip waarop hij weet dat zijn faillissement niet kan worden voorkomen, eene opeisch-bare schuld betaalt, is en blijft strafbaar. Maar de schuldeischer, die deze betaling aanneemt, zonder te weten dat het faillissement van den schuldenaar reeds is aangevraagd en zonder overleg met den schuldenaar om begunstiging boven andere schuldeischers te verkrijgen, handelt te goeder trouw en is daarom volgens de nieuwe wet niet verplicht het in betaling ontvangene terug te geven.

Artikel 344 w. v. s. is in tweeërlei opzicht gewijzigd:

1°. De woorden „van een koopmanquot; zijn uit nn. 1 en 2 vervallen. Het artikel heeft ten gevolge der nieuwe wet eene ruimere strekking verkregen, daar het geen onderscheid meer maakt of de schuldeischer, of hij die als zoodanig zich voordoet, bedrieglijke handelingen pleegt ten aanzien van den boedel van een gefailleerden koopman dan wel van een gefailleerden particulier. De minister deed intusschen opmerken dat uit de geschiedenis van het artikel niet blijkt, dat de wetgever dat onderscheid zou gewild hebben, maar integendeel uit de memorie van toelichting ad artikel 346 mag worden afgeleid, dat zoodanig onderscheid niet in zijne bedoeling lag.

2quot;. De redactie van nquot;. 1 is aangevuld in den geest van artikel 47 dei-nieuwe wet. Dit is geschied ter voorkoming van den strijd tusschen strafrecht en burgerlijk recht, die zou kunnen ontstaan wanneer artikel 344 n0. 1 w. v. s. werd toegepast op den schuldeischer, die betaling eener opeisbare schuld aanneemt, wetende dat de schuldenaar niet meer in staat is de overige schuldeischers ten volle te voldoen. Immers dan zouden de personen, tusschen wie eene naar de nieuwe wet civielrechtelijk onaantastbare handeling plaats greep, beide strafbaar kunnen zijn. Men vreesde voor eene zoodanige interpretatie naar aanleiding van het arrest van deu

-ocr page 238-

— 220 —

Artikelen 6, 7 Inv.

hoogen raad van 26 October 1891, /F. v. h. r. n0. 6099, waarbij intusschen als feitelijk vaststaand werd aangenomen, dat bij den schuldeischer het oogmerk bestond om te handelen ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers. De nieuwe redactie is merkelijk langer dan de oude; of zij ook beter is, schijnt mij niet boven bedenking. Vooreerst ontbreekt aan het slot de bepaling, die in artikel 47 der nieuwe wet niet gemist wordt, dat het overleg ten doel gehad moet hebben den schuldeischer boven andere schuldeischers te begunstigen. Meent men dat dit reeds voortvloeit uit de bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers, die een element der strafbaarheid is, dan volgt daaruit dat althans het laatste gedeelte der nieuwe redactie overbodig is; immers „overleg met den schuldenaarquot; zonder meer is hier een zinledige uitdrukking. In de tweede plaats heeft de geheele aanvulling dan alleen betcekenis, wanneer het onttrekken van eenig goed aan den boedel daardoor een meer beperkten zin verkregen heeft, dan tot dusver aan die uitdrukking werd toegekend, en het aannemen van betaling van eene schuld niet langer omvat. Maar indien het aannemen van betaling van eene schuld niet meer is het onttrekken van eenig goed aan den boedel, kan dan ook het doen van betaling van eene schuld nog wel als zoodanig beschouwd worden? En is de zin der andere bepalingen van het wetboek van strafrecht, waarin van her, onttrekken van eenig goed aan den boedel gewaagd wordt, dan niet ontwricht?

Het tweede lid van artikel 345 w. v. s. is uitgebreid tot de bestuurders of commissarissen van alle lichamen, in het zesde lid van artikel 2 der nieuwe wet vermeld. Voor onderscheid bestond geen reden; het eerste lid van artikel 345 w. v. s. is nu reeds van toepassing zoowel bij kennelijk onvermogen als bij faillissement.

Artikel 346 w. v. s. is in tweeërlei opzicht gewijzigd:

1°. door de inlassching der woorden „in staat van faillissement is verklaard, ofquot; in den aanhef; een noodzakelijk gevolg van de invoering der nieuwe wet;

2quot;. door eene aanvulling der redactie aan het slot, ten doel hebbend een ongemotiveerd verschil op te heffen tusschen dit artikel en artikel 341 nquot;. 3. Daar het hierbij alleen te doen is om wegneming van eene onnauwkeurigheid , bij de vaststelling van het wetboek van strafrecht begaan, valt deze aanvulling buiten het kader der invoeringswet.

Artikel 42 2 n0. 2 w. v. s. is uitgebreid tot de bestuurders of commissarissen van de lichamen, in het zesde lid van artikel 2 der nieuwe wet vermeld, omdat zij voortaan alle surséance van betaling kunnen verkrijgen. De geschiedenis van het wetboek van strafrecht geeft geene lanleiding om artikel 442 nn. 1 bij de invoering der nieuwe wet tot kooplieden te beperken: dat voorschrift wordt ook op niet-kooplieden toepasselijk, waaruit volgt dat ook artikel 442 nn. 2 tot niet-commerciëele lichamen moest worden uitgebreid. Daarom is hier tot die uitbreiding overgegaan, terwijl zij bij de artikelen 342 en 343 vv. v. s. buiten het kader der invoeringswet viel.

Artikel 7.

Op aangiften, verzoeken of requisitoiren tot faillietverklaring ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving aan-

-ocr page 239-

— 221 —

Artikel 7 Inv.

hangig, en op de faillissementen, waarin op dat tijdstip door de curators nog niet overeenkorastg artikel 849 of artikel 885 van het Wetboek van Koophandel rekening en verantwoording is afgelegd, is bij uitsluiting de oude wetgeving van toepassing, met uitzondering van de artikelen 850, 887 en 892—898 van het Wetboek van Koophandel.

Het faillissement eindigt zoodra het vonnis, waarbij de homologatie van een akkoord is verleend, in kracht van gewijsde is gegaan of de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen.

In het laatste geval herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Nadat het faillissement is geëindigd, kan de schuldenaar, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie doen. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register, ïe dien aanzien blijft artikel 899 van het Wetboek van Koophandel van toepassing.

Strekking der artikelen 7—13. Het faillissement, waartoe vóór het in werking treden der nieuwe wet aangifte, verzoek of requisitoir gedaan is, behoort naar de oude wetgeving te worden berecht en afgedaan, zoowel wat de formeele zijde, de procedure, als wat de materiëele zijde, de gevolgen der faillietverklaring op het gebied van het materiëele recht betreft. In het faillissement loopeu formeel en materieel recht te zeer ineen, om toepassing van eene verschillende wet voor te schrijven. Volkomen hetzelfde geldt voor het kennelijk onvermogen waartoe de vordering, den gerech-telijkeu boedelafstand en de surséance van betaling waartoe het verzoek gedaan is vóór het in werking treden der nieuwe wet. De overgangsbepalingen zouden dus zeer eenvoudig kunnen zijn, indien niet de bepalingen der oude wetgeving betreffende de rehabilitatie moeilijkheden opleverden. Uit de artikelen 887 en 892—899 in verband met artikel 885 w. v. k., en uit artikel 899 in verband met artikel 897 w. v. b. rv., valt niet met zekerheid op te maken, wanneer de staat van faillissement en die van kennelijk onvermogen, indien geen accoord tot stand gekomen is, eindigen. Wel staat vast, dat het faillissement en het kennelijk onvermogen door het ontslag van den curator feitelijk een einde nemen. Maar het is onzeker of niet rechtens het faillissement eerst eindigt door rehabilitatie , het kennelijk onvermogen door opheffing volgens artikel 899 w. v. b. rv. ïen einde deze onzekerheid te doen ophouden , wordt aangewezen wanneer rechtens een einde neemt: a. elk faillissement en elk verklaard kennelijk onvermogen , dat na het in werking treden der nieuwe wet nog volgens de oude wetge-

-ocr page 240-

— 222 —

Artikelen 7, 8 Inv.

ving moet worden afgedaan (artikelen 7 en 9); en b. elk faillissement en elk verklaard kennelijk onvermogen, dat vóór het in werking treden dei-nieuwe wet feitelijk doch niet officieel beëindigd is (artikelen 8 en 10).

In het advies van den raad van state werd in overweging gegeven te bepalen, dat voor overeenkomsten, vóór de invoering der nieuwe wet gesloten, de invloed der faillietverklaring van eene der partijen op de wederzij dsche rechten en verplichtingen door de oude en niet door de nieuwe wet beheerscht wordt. Aan dien wensch is niet voldaan, omdat een dergelijk voorschrift tot schromelijke verwarring en tot onbillijkheid, met name bij de verificatie, zou leiden. Het faillissement in zijn geheel, dus ook de invloed daarvan op bestaande rechten en verplichtingen, wordt beheerscht óf door de oude óf door de nieuwe wet volgens de onderscheidingen , in deze artikelen gemaakt.

Artikel 7, eerste, lid. Aanhangige aangiften, verzoeken of requisitoiren tot faillietverklaring. De toepasselijkheid der oude wetgeving is afhankelijk van het tijdstip van de aangifte, het verzoek of het requisitoir tot faillietverklaring, niet van dat der uitspraak, omdat anders de bepalingen der nieuwe wet feitelijk terugwerkende kracht zouden verkrijgen. Tot de aanhangige aangiften, verzoeken of requisitoiren behooren natuurlijk ook die, waarop ten tijde van het in werking treden der nieuwe wet reeds beschikt is, zij het in afwijzender! zin behoudens beroep.

Faillissementen, waarin door de curators nog geene rekening en verantwoording is afgelegd. Bij sommige rechtbanken bestaat het gebruik faillissementen, waarin geene of zeer weinig baten zijn, niet af te doen. De curators leggen dan geene rekening en verantwoording af en worden niet ontslagen. Op dergelijke faillissementen, die ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving nog aanhangig zijn, en welker afdoening bijvoorbeeld door het opkomen van nieuwe baten noodig kan blijken, is dit artikel, niet artikel 8 van toepassing.

Artikel 7, derde lid. Den executorialen titel van artikel 196 der nieuwe wet verkrijgen de schuldeischers in dit geval niet. GeiueM artikel kon hier niet van toepassing verklaard worden, omdat de verificatie volgens de oude wet buiten den gefailleerde om geschiedt.

Artikel 7, vierde lid. De oude bepalingen omtrent de rehabilitatie konden niet van toepassing blijven op deze faillissementen, omdat die volgens het tweede lid van dit artikel officieel eindigen door de homologatie van een accoord of bij insolventie door de rekening en verantwoording en het ontslag der curators. De schuldenaar kan rehabilitatie verkrijgen volgens de bepalingen der nieuwe wet. Deze wordt alsdan niet in het register, bij artikel 19 dier wet bedoeld, ingeschreven; maar de gerehabiliteerde kan de inschrijving doen plaats hebben volgens artikel 899 w. v. k.

Artikel 8.

Een faillissement, waarin vóór den dag van liet in werking treden der nieuwe wetgeving de curators overeenkomstig artikel

-ocr page 241-

— 223 —

Artikel 8 Inv.

885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen, neemt, indien het na dit ontslag niet is geëindigd door rehabilitatie van den schuldenaar, met het in werking treden der nieuwe wetgeving een einde.

Indien bet geval voorzien bij artikel 886 van het Wetboek van Koophandel zich na het in werking treden der nieuwe wetgeving voordoet, is deze bepaling op de in het vorige lid bedoelde faillisssementen van toepassing.

De schuldeischers herkrijgen voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Door den schuldenaar kan, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie worden gedaan. Van bet vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan , geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register. Te dien aanzien blijft artikel 899 van het Wetboek van Koophandel van toepassing.

Het bepaalde in het vorige lid is ook van toepassing op den schuldenaar, wiens faillissement vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving door de homologatie van een akkoord is geëindigd maar die vóór dien dag niet is gerehabiliteerd. Mocht een verzoekschrift tot rehabilitatie reeds zijn ingediend , dan wordt dit overeenkomstig de oude wetgeving behandeld en afgedaan.

Dit artikel handelt over de faillissementen, waarin ten tijde van liet in werking treden der nieuwe wet de curators niet meer in functie zijn, maar die niet door rehabilitatie ofliciëel zijn beëindigd; met andere woorden over do groote meerderheid der insolvent verklaarde boedels van eenige beteekenis. Deze in latenten toestand voortdurende faillissementen zullen door het in werking treden der nieuwe wet een einde nemen, met de gevolgen, die in het artikel zijn aangegeven.

Tweede lid. Het geval van artikel 886 w. v. k. kan bij deze faillissementen nog voorkomen. Daarentegen niet dat van artikel 887 w. v. k., welk artikel, blijkens de daarin voorkomende woorden „vóór zijne rehabilitatiequot;, alleen toepasselijk is op faillissementen die nog niet rechtens geëindigd zijn. Komen aan een schuldenaar, wiens faillissement door het in werking treden dei-nieuwe wet een einde nam, goederen op, zoo kunnen de schuldeischers volgens het. derde lid van dit artikel 8 elk individuëel don schuldenaar aanspreken, of, indien daarvoor termen zijn, hem naar de nieuwe wet opnieuw doen failliet verklaren.

-ocr page 242-

— 224 —

Artikelen 9, 10 Inv.

Artikel 9.

Op vorderingen tot verklaring in staat van kenlijk onvermogen ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving aanhangig en op die gevallen van verklaard kenlijk onvermogen, waarin op dat tijdstip door de curators nog niet overeenkomstig artikel 849 of artikel 885 van het Wetboek van Koophandel rekening en verantwoording is afgelegd, is bij uitsluiting de oude wetgeving van toepassing met uitzondering van artikel 899 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het kenlijk onvermogen eindigt zoodra het vonnis, waarbij de homologatie van een akkoord is verleend, in kracht van gewijsde is gegaan of de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen.

In het laatste geval herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zoover deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Nadat het kenlijk onvermogen is geëindigd, kan de schuldenaar , overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie doen. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register.

Voor den staat van kennelijk onvermogen wordt hier nagenoeg geheel hetzelfde bepaald, als bij artikel 7 voor het faillissement. Artikel 886 w. v. k. behoefde niet afzonderlijk van toepassing verklaard te worden; het is krachtens het eerste lid van dit artikel van zelf toepasselijk. Artikel 887 w. v. k. geldt niet voor den staat van kennelijk onvermogen; zie artikel 897 w. v. b. rv.

Tweede lid. Dat het kennelijk onvermogen eindigt door de homologatie van een accoord, wordt reeds bepaald bij artikel 896 nquot;. 2 w. v. lgt;. rv. en hier alleen volledigheidshalve herhaald.

Artikel 10.

Verklaard kenlijk onvermogen, waarin vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen, neemt, indien het na dit ontslag niet is opgeheven overeenkomstig artikel 899 van het Wetboek van Burgerlijke

-ocr page 243-

— 225 —

Artikelen 10, 11 Inv.

Rechtsvordering, met het in werking treden der nieuwe wetgeving een einde.

Indien het geval voorzien bij artikel 886 van het Wetboek van Koophandel zich na het in werking treden der nieuwe wetgeving voordoet, is deze bepaling op het verklaard Kenlijk onvermogen in het vorige lid bedoeld van toepassing.

De schuldeischers herkrijgen voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Door den schuldenaar kan, overeenkomstig de artikelen 206— 212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling, verzoek tot rehabilitatie worden gedaan. Van het vonnis , waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register.

Komt in hoofdzaak overeen met hetgeen bij artikel 8 bepaald is voor het faillissement.

Artikel 11.

Van een akkoord, gehomologeerd onder de oude wetgeving ) kan de ontbinding worden gevorderd overeenkomstig de nieuwe. De artikelen 165—167 der wet op het faillissement en de surséance van betaling zijn alsdan toepasselijk.

Indien het akkoord is gesloten in een boedel die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard, wordt door den rechter in het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken , heropening van den staat van kenlijk onvermogen bevolen.

Op het heropende faillissement of kenlijk onvermogen is de nieuwe wetgeving van toepassing.

De bestaande onzekerheid, of en in hoever een gehomologeerd accoord voor ontbinding vatbaar is, wordt bij dit artikel opgeheven, met toepasse-lijkverklaring van de bepalingen der nieuwe wet. Een heropend kennelijk onvermogen, dat behandeld wordt op den voet van een heropend faillissement, klinkt zeker eenigszins vreemd. De oude wetgeving kon daarop echter moeilijk meer toegepast worden, nadat de ontbinding van het accoord volgens de nieuwe wet was uitgesproken; en van een heropend faillissement kon niet gesproken worden, omdat niet een faillissement, maar een kennelijk onvermogen voorafging.

15

-ocr page 244-

— 220 —

Artikelen 12, 13, 14, 15 Inv.

Artikel 12.

Indien een verzoeksclivift oni tot boedelafstand te worden toegelaten, is ingediend vóór het in werking treden der nieuwe wetgeving, is de oude wetgeving daarop van toepassing.

Artikel 13.

Indien een verzoekschrift, als bedoeld in de artikelen 902^ 903 van het Wetboek van Koophandel, vóór het in werking treden der nieuwe wetgeving aan de rechtbank is ingediend, is de oude wetgeving daarop van toepassing.

Artikel 14.

De wet van 30 September 1893 {Staatsblad nquot;. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 (Staatsblad n0. 155), kan worden aangehaald onder den titel van „Faillissementswetquot;, en deze wet onder den titel van „Wet ter invoering van de Faillissementswetquot;.

Artikel 15.

Deze wet treedt in werking op den Isten September 1896.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst , en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te \'s Gravenhage, den 20steii Januari 1.896.

De Minister van Justitie, EMMA.

Van der Kaay.

Uitgegeven den drieëntwintigsten Januari 1896.

De Minister van Justitie, Van der Kaay.

-ocr page 245-

KONINKLIJK BESLUIT van fcn ITquot; Juni 18% (Si. n0.97),

houdende voorschriften ter uitvoering van artikel 19 der Faillissementswet.

In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie Gons, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz. enz.

Wij EMMA, Koning in-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk,

Op de voordracht van den Minister van Justitie van den 22 April 1896, n0. 127, le afdeeling;

Gelet op artikel 19 der Faillissementswet;

Den Raad van State gehoord (advies van den 19 Mei 1896, n0. 12);

Gezien het nader rapport van den Minister van Justitie van den 11 Juni 1896, n0. 134, le afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Het register bedoeld in artikel 19 der Faillissementswet wordt ingericht volgens het bij dit besluit behoorende model.

Alle inschrijvingen in het register worden door den griffier onderteekend.

Artikel 2.

Het register wordt kosteloos van wege het Rijk verstrekt.

De Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State. Soestdijk, den 17den Juni 1896. EMMA.

De Minister van Justitie,

van der kaay.

Uitgegeven den zevenentwintigsten Juni 1896.

De Minister van Justitie,

van der kaay.

-ocr page 246-

c a

P CS P CS

C- lt;

tri: o oT\'

O O.

agt;

2- » ?? a

(T5

aq c^

\'-\' ctgt;

\' r^- e ! cr o

CP ft ^.

i S ^ ^

O C5 q

I CC C W

1 3 c «

•■ E fB 3

1

^ quot; 3

Sd bd cp

KH

CQ

bd er*

CD

O CD

gt;

a

O

ft

SS gt;

gt; «J

s* J*.

■ co cc

\' sï. £. o

S ^

SS. s ^

lt;5 cc ftgt;

2. 3 ^

sr ® ^

Jaar en volgnummer gedurende den loop van elk jaar. ï-1

Dag van de rechterlijke uitspraak houdende faillietverklaring.

Rechtscollege dat de faillietverklaring ^ heeft uitgesproken.

---

Naam, woonplaats of kantoor en beroep van den gefailleerde en, in geval eene vennootschap onder eene firma is failliet ver- ^ klaard, van elk der hoofdelijk voor het geheel verbonden vennooten.

Naam van den rechter-commissaris. cn

Naam en woonplaats of kantoor van den ^ curator, (a)

Naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der voorloopige commissie r3 uit de schuldeischers.

Naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder lid der definitieve commissie uit P0 de schuldeischers.

Dag van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak houdende opheffing ^ van de faillietverklaring ten gevolge van * verzet, hooger beroep of cassatie.

Dag van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak waarbij de homologatie o van een akkoord is toegestaan.

-1--

Summiere inhoud van het akkoord. ^

Dag van de rechterlijke uitspraak hou- ^ dende ontbinding van het akkoord.

Naam van den rechter-commissaris; naam, woonplaat s of kantoor van den curator; naam, beroep en woonplaats of kantoor van ieder os lid der commissie uit de schuldeischers in het heropend faillissement, (a)

Dag van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak waarbij de ontbinding *-van het akkoord is vernietigd.

---

Bedrag van de uitdeelingen bij vereffe-ning. 5quot;

Dag van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak houdende opheffing — van het faillissement naar aanleiding van^ j artikel 16 der Faillissementswet.

Dag van het vonnis waarbij rehabilitatie _ is toegestaan. T0

Opmerkingen. Jo,

Jaar en volgnummer gedurende den loop t-quot; van elk jaar.

t=J

gO Hj

c4-

h-*-CO

CD Hi

H=d

go

JZ1 CQ CD

B

CD t=i c-*-C»

CD

-ocr page 247-

— 229 —

MISSIVE van den minister van justitie aan de procureurs-generaal bij de gerechtshoven, betreffende artikel 14 der faillissementswet.

\'s Gravenhage, den 28sten September 1896.

Bij artikel 14 der faillissementswet wordt aan de griffiers bij de rechtbanken de verplichting opgelegd om van elke faillietverklaring onverwijld kennis te geven aan de administratie der posterijen en der telegraphic. Het is mij gebleken dat niet door alle griffiers aan die verplichting op gelijke wijze uitvoering wordt gegeven. Terwijl door sommige hunner de kennisgeving wordt gericht tot het hoofdbestuur der posterijen en telegraphie, richten andere griffiers haar rechtstreeks aan het postkantoor en het telegraafkantoor van de woonplaats des gefailleerden. Daar uit de bewoordingen der wet evenmin als uit hare geschiedenis blijkt op welke dier beide wijzen aan genoemde verplichting moet worden voldaan, en eene kennisgeving rechtstreeks aan het postkantoor en het telegraafkantoor waaronder de woonplaats des gefailleerden ressorteert, mij voorkomt het best te beantwoorden aan het blijkens artikel 99 der genoemde wet beoogde doel, schijnt liet mij raadzaam dat voortaan door alle griffiers ook op die wijze aan gemelde hunne verplichting worde voldaan. Alleen dan wanneer de gefailleerde hier te lande geene woonplaats heeft, zal, ter voldoening aan het wettelijk voorschrift, de kennisgeving behooren te worden gericht tot het hoofdbestuur der posterijen en telegrafie.

Ik verzoek U.W.E.G. de griffiers bij de rechtbanken binnen Uw ressort met het bovenstaande in kennis te stellen.

De Minister van Justitie, VAN DER KAAY.

-ocr page 248-

— 230 —

MISSIVE van den minister van justitie aan de procureurs-generaal bij de gerechtshoven, betreffende artikel 14 der faillissementswet.

\'s Gravenhage, den IQden December 1896.

In mijne circulaire dd. 28 September 11., 1ste afdeeling, n0. 134, werd de meening uitgesproken, dat door de griffiers bij de rechtbanken aan hunne verplichting om van elke faillietverklaring onverwijld kennis te geven aan de administratie der posterijen en der telegraphic, behoort te worden voldaan door die kennisgevingen, behoudens het geval dat de gefailleerde hier te lande geene woonplaats heeft, rechtstreeks te richten aan het postkantoor en het telegraafkantoor waaronder de woonplaats des gefailleerden ressorteert. Intusschen bevindt zich ter woonplaatse van den gefailleerde somtijds noch een post- en een telegraafkantoor noch een vereeuigd post- en telegraafkantoor. In die gevallen schijnt het raadzaam, dat de kennisgeving worde gericht aan het post- en het telegraafkantoor of aan het vereenigd post- en telegraafkantoor ter plaatse van de rechtbank die de faillietverklaring heeft uitgesproken. In dat geval zal het kantoor waaraan de kennisgeving gericht is, deze verzenden aan dat post- en telegraafkantoor, dat voor de uitreiking van voor den gefailleerde bestemde brieven enz. zorg heeft te dragen. Ter beoordeeling of in eenige gemeente zoodanig kantoor gevestigd is, gaan hiernevens lijsten vermeldende de namen der plaatsen alwaar zich een postkantoor en een telegraafkantoor of een vereenigd post- en telegraafkantoor bevinden.

Ik verzoek U.W.E.G. de griffiers bij de rechtbanken binnen Uw ressort, onder uitreiking van een exemplaar var. voormelde lijst, met het bovenstaande in kennis te stellen, tot welk einde mede een voldoend aantal exemplaren dezer circulaire hiernevens gaat.

De Minister van Justitie, VAN DER KAAY.

-ocr page 249-

— 231 —

MISSIVE van den minister van justitie aan de arrondissements-rechtbanken, betreffende artikel 99 der faiilissementswet.

\'s Gravenhage, den IQden December 1896.

Ingevolge art. 99 der Faiilissementswet is de administratie der posterijen en der telegraphie, na van den griffier eener rechtbank ontvangen kennisgeving van eene faillietverklaring, verplicht den curator in het faillissement de brieven en de telegrammen voor den gefailleerde bestemd af te geven, totdat o. a. de rechter-commissaris in het faillissement haar van die verplichting ontslaat.

Met het oog daarop heb ik, ingevolge ter zake gepleegd overleg met den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, de eer den rechters in Uw College, die als rechter-commissaris in een faillissement optreden, beleefdelijk in overweging te geven om, wanneer zij termen vinden om de administratie der posterijen en der telegraphie van genoemde verplichting te ontslaan, de daartoe betrekkelijke kennisgeving te richten aan het postkantoor en aan het telegraafkantoor of aan het vereenigd posten telegraafkantoor ter plaatse waar de gefailleerde woont, en indien aldaar een postkantoor of een telegraafkantoor ontbreekt en geen vereenigd post- en telegraafkantoor gevestigd is, aan het postkantoor of aan het telegraafkantoor of wel aan het vereenigd post- en telegraafkantoor ter plaatse waar de rechtbank gevestigd is. Laatstbedoelde kantoren zullen dan de kennisgeving verzenden aan het kantoor, dat voor de uitreiking van voor den gefailleerde bestemde brieven enz. heeft zorg te dragen. Indien bij een rechter-commissaris onzekeriieid bestaat of in de plaats waar de gefailleerde woont, een kantoor als hier bedoeld gevestigd is, zal zekerheid daaromtrent kunnen worden verkregen door kennisneming van de aan den griffier van elke rechtbank door mij toegezonden lijst, vermeldende de namen dei-plaatsen waar een post- of telegraafkantoor of een vereenigd post- en telegraafkantoor zich bevindt.

De Minister van Justitie, VAN DER KAAY.

-ocr page 250-

KORT BEGRIP VAN INLEIDING, FAILLISSEMENTSWET EN INVOERINGSWET.

[üe artikelen, zonder nadere aanduiding vermeld, zijn die der faillissementswet).

INLEIDING.

Behoefte aan herziening van het faillietrecht. Bladz. 1.

Arbeid der staatscommissie. Bladz. 1.

Behandeling in de tweede kamer. Bladz. 2.

Stemming over het wetsontwerp. Bladz. 3.

Behandeling in de eerste kamer. Bladz. 3.

Stemming. Bladz. 3.

Karakter der nieuwe wet. Bladz. 4.

Grondstelling. Bladz. 4.

Alleen de goederen worden getroffen, niet de persoon. Bladz. 4.

Er heeft geen eigendomsovergang plaats. Bladz. 4.

Hetgeen de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft, valt in de

failliete massa. Bladz. 5.

Rechtsverhouding na de vereffening. Bladz. 6.

Faillissement van niet-kooplieden. Bladz. 7.

Advies van den raad van states Bladz. 7.

Afzonderlijk advies van twee staatsraden. Bladz. 8.

Rapport van den minister van justitie aan de koningin-regentes. Bladz. 9. Verslag der commissie van voorbereiding. Bladz. 10.

Beraadslaging in de tweede kamer. Bladz. 11.

Poging tot invoering van homologatie van accoord buiten faillietverklaring. Bladz. 12.

Bestrijding dier instelling door den minister. Bladz. 13.

Verdere bedenkingen tegen het amendement-Levy. Bladz. 15.

Repliek van den heer Levy. Bladz. 15.

Stemming over artikel 1 van het amendement-Levy. Bladz. 16.

Voorstel tot wijziging der redactie van artikel 1. Bladz. 16.

De minister neemt het amendement over. Bladz. 17.

-ocr page 251-

— 233 —

Nadere wijziging blijkt noodig. Bladz. 17.

Stemming over artikel 1. Bladz. 18.

Voorloopig verslag der eerste kamer. Bladz. 18.

Memorie van antwoord. Bladz. 19.

Beraadslaging in de eerste kamer. Bladz. 21.

Vocrstel van den heer Pijnappel tot wijziging der wet. Bladz. 21. Behandeling in de tweede kamer. Bladz. 23.

Verdere behandeling. Bladz. 23.

Regeling van het faillietrecht bij afzonderlijke wet. Bladz. 24.

Toepasselijkheid der bijzondere bepalingen voor handelszaken. Bladz, 24.

Eenheid van berechting voor alle boedels. Bladz. 24.

Berechting door de rechtbank. Bladz. 25.

Vrijdom van kosten. Bladz. 26.

Oordeel over de nieuwe wet. Bladz. 27.

FAILLISSEMENTSWET. — TITEL I. FAILLISSEMENT.

Eerste Af dee ling. — Faillietverklaring.

Faillietverklaring van schuldenaar, die in toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen : op eigen aangifte, op verzoek van schuldeischers, op vordering van openbaar ministerie. Art. 1.

Rechter, bevoegd tot faillietverklaring. Art. 2.

Idem ten opzichte van gehuwde vrouw, die zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent of eigen vermogen bezit. Art. 3.

Indiening en behandeling van aangifte en verzoek tot faillietverklaring. Uitspraak vonnis. Uitvoerbaarheid bij voorraad en op minuut. Art. 4.

Indiening verzoekschriften door procureur. Art. 5.

Oproeping van schuldenaar. In welke gevallen faillietverklaring wordt uitgesproken. Art. 6.

Voorloopige verzegeling van boedel. Art. 7.

Verzet tegen en hooger beroep van faillietverklaring. Art. 8.

Hooger beroep van afgewezen of vernietigde faillietverklaring. Art. 9.

Verzet van belanghebbenden tegen faillietverklaring. Art. 10.

Hooger beroep van afgewezen verzet van belanghebbenden en van vernietiging van faillietverklaring ten gevolge van zoodanig verzet. Art. 11.

Beroep in cassatie. Art. 12.

Handelingen, door curator verricht vóór vernietiging van faillietverklaring. Grenzen van voorloopige tenuitvoerlegging van faillietverklaring. Art. 13.

Vonnis van faillietverklaring. Benoeming rechter-commissaris en curators. Kennisgeving aan post en telegrafle. Aankondiging. Art. 14.

-ocr page 252-

— 234 —

Kennisgeving en aankondiging van vernietiging van faillietverklaring. Art. 15. Kostelooze behandeling of opheffing van faillissement. Art. 16.

Vrijstelling van kosten. Art. 17.

Openbaarmaking van opheffing van faillissement en voorziening daartegen. Art. 18.

Openbaar register van faillissementen. Art. 19.

Tweede Afdeelikg. — Gevolgen vaït faillietverklaring.

Omvang van faillissement. Art. 20.

Goederen en gelden die buiten faillissement blijven. Art. 21.

Uitoefening van rechten op tractementen, soldijen of pensioenen. Echtgenoot van een in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde. Art. 22.

Gefailleerde verliest beschikking en beheer over zijn vermogen. Art. 23.

Verbintenissen , door schuldenaar na faillietverklaring aangegaan. Art. 24.

Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot faillieten boedel behoorend ten onderwerp hebben. Art. 25.

Rechtsvorderingen, die voldoening eener verbintenis uit boedel ten doel hebben. Art. 26.

Schorsing van gedingen, tijdens faillietverklaring aanhangig en door schuldenaar ingesteld. Art. 27.

Schorsing van gedingen, tijdens faillietverklaring aanhangig en tegen schuldenaar ingesteld. Art. 28.

Schorsing van gedingen, tijdens faillietverklaring aanhangig en voldoening eener verbintenis uit boedel ten doel hebbend. Art. 29.

Gedingen, waarin vóór faillietverklaring stukken aan rechter zijn overgelegd. Art. 30.

Inroeping van nietigheid van handelingen, door schuldenaar vóór faillietverklaring in aanhangig geding verricht. Art. 31.

Oplegging van eeden aan gefailleerde in gedingen. Art. 32.

Executie en lijfsdwang vervallen door faillietverklaring. Art. 33.

Voortgang van executorialen verkoop voor rekening van boedel. Art. 34.

Geen overschrijving of inschrijving meer van vóór faillietverklaring opgemaakte acten en verleende hypotheken. Art. 35.

Indiening van vordering ter verificatie stuit verjaring. Art. 36.

Gestand doen of ontbinding van wederkeerige overeenkomsten. Art. 37.

Ontbinding van overeenkomsten tot levering van waren op termijn. Art. 38.

Opzegging van huur. Art. 39.

Opzegging van huur van diensten. Art. 40.

Erfenissen, aan gefailleerde opkomend. Art. 41.

Actio Pauliana. Artt. 42—51.

-ocr page 253-

— 235 —

Inroeping van nietigheid van vóór faillietverklaring door schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, waardoor schuldeischers benadeeld zijn. Art. 42.

Handelingen, verricht binnen veertig dagen vóór faillietverklaring. Art. 43.

Schenkingen, door schuldenaar gedaan. Art. 44.

Schenkingen, binnen veertig dagen vóór faillietverklaring gedaan. Art. 45.

Begiftigden te goeder trouw. Art. 46.

Voldoening aan opeischbare schuld door schuldenaar. Art. 47.

Houders van papier aan order of toonder. Art. 48.

Actio Pauliana in te stellen door curator. Art. 49.

Actio Pauliana vervalt door homologatie van accoord, tenzij dit boedelafstand inhoudt. Art. 50.

Gevolgen van toegewezen actio Pauliana. Art. 51.

Voldoening van schulden aan gefailleerde. Art. 52.

Schuldvergelijking. Art. 53.

Gevallen waarin schuldvergelijking is uitgesloten. Art. 54.

Schuldvergelijking met vorderingen aan order of toonder. Art. 55.

Aandeel van gefailleerde in baten en schulden van ontbonden gemeenschap. Art. 56.

Eechten van hypothecairen schuldeischer en pandhouder. Art. 57.

Termijn, waarbinnen hypothecaire schuldeischer en pandhouder hunne rechten moeten uitoefenen. Rechten van curator. Art. 58.

Verantwoording van opbrengst van hypothecair verbonden of in pand gegeven goed. Hypothecair schuldeischer of pandhouder, mits geverifieerd, concurrent schuldeischer voor het ontbrekende. Art. 59.

Recht van terughouding. Art. 60.

Rechten van vrouw van gefailleerde. Art. 61.

Voordeelen, bij huwelijksche voorwaarden besproken. Art. 62.

Faillissement van in eenige gemeenschap gehuwden echtgenoot. Art. 63.

Derde Afdeelixg. — Bestuur ovee faillieten boedel.

| 1. Recht er-commissaris.

Taak van rechter-commissaris. Art. 64.

Rechter-commissaris door rechtbank te hooren. Art. 65. Rechter-commissaris kan getuigen hooren of onderzoek van deskundigen

bevelen. Art. 66.

Hooger beroep van beschikkingen van rechter-commissaris. Art. 67.

-ocr page 254-

— 236 —

? 2. Curator.

Taak van curator. Hande\'alingen waarvoor hij machtiging van rechtercommissaris behoeft. A-Art. 38.

Bezwaren tegen handelingen:!vjin curator. Art. 69.

Bevoegdheid tot handelen iiMen meer dan één curator benoemd is. Art. 70. Salaris van curator. Art. T\'l.

Handelingen van curator s zonder vereischte machtiging of inwinning van

advies. Art. 72.

Ontslag van curator of tocmoeging van mede-curator. Art. 73.

§ 3. CiEmmime uit schuldeischers.

Voorloopige commissie uit schuldeischers. Art. 74.

Definitieve commissie uit soschiilcleischers. Art. 75.

Inzage van boeken en beseoclieiden door — en inlichtingen aan commissie. Art. 76.

Vergaderingen van commiss-sie inet curator. Art. 77.

Inwinning van advies van o commissie door curator. Art. 78.

Handelingen tegen advies v wan commissie. Art. 79.

| 4. Vergigiieri-ngen van schuldeischers.

Leiding van vergaderingen \' m schuldeischers. Art. 80.

Nemen van besluiten in veasrgjderingen van schuldeischers. Art. 81. Stemrecht in vergaderingen van schuldeischers. Art. 82.

Oproepingen en kennisgeviani;eti aan gemachtigde. Art. 83.

Beleggen van vergaderingen ivan schuldeischers. Art. 84.

I 5. KEtckterlijke beschikkingen.

Rechterlijke beschikkingen in zaken, beheer of vereffening van faillieten boedel betreffend, in derreiregel niet vatbaar voor hooger beroep. Art. 85. Ree)ieerlijke beschikkingen : in zaken, beheer of vereffening van faillieten boedel betreffend, uitvoserbaai bij voorraad en op minuut. Art. 86.

Vierde Afdeeling. — VVooezieningen na faillietverklaring en beisbeer van corator.

In verzekerde bewaring stelle.en van gefailleerde. Art. 87.

Ontslag van gefailleerde uit v verzekerde bewaring. Art. 88.

Gevallen waarin verzoek tot inbewaringstelling van gefailleerde moet worden toegestaan. Art. 89GB

-ocr page 255-

— 237 —

Overbrenging van gefailleerde uit bewaarplaats, zoo vaak zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Art. 90.

Gefailleerde mag zonder toestemming van rechter-commissaris zijne woonplaats niet verlaten. Art. 91.

Zorg van curator voor bewaring van boedel. Art. 92.

Verzegeling vr,n boedel. Art. 93.

Boedelbeschrijving. Art. 94.

Staat van goederen die buiten faillissement blijven. Art. 95.

Staat van baten en schulden. Art. 96.

Nederlegging van boedelbeschrijving en staat van baten en schulden ter griffie van rechtbank en van kantongerecht, tenzij dit in dezelfde gemeente als rechtbank gezeteld is. Art. 97.

Voortzetting bedrijf van gefailleerde. Art. 98.

Brieven en telegrammen, aan gefailleerde gericht. Protesten, hem betreffend. Art. 99.

Levensonderhoud van gefailleerde en zijn huisgezin. Art. 100.

Bevoegdheid van curator tot vervreemding van goederen. Art. 101.

Bewaring van gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde. Belegging van gereede gelden. Art. 102.

Beschikking over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, bij een derde in bewaring, en over belegde gelden. Art. 103.

Treffen van dadingen; aangaan van accoorden of schikkingen. Art. 104.

Verplichting van gefailleerde tot verschaffen van inlichtingen. Art. 105.

Dwangmiddelen tegen en verplichtingen van bestuurders en commissarissen van maatschappijen, vereenigingen of stichtingen. Art. 106.

Verplichting van griffier tot geven van afschrift van ter griffie berustende stukken. Art. 107.

VlJFDK APDEEI.ING. - VERIFICATIE VAN SCHULDVORDEKINGEN.

Termijn voor indiening van vorderingen. Tijd en plaats van verificatievergadering. Art. 108.

Kennisgeving en aankondiging van deze beschikkingen. Art. 109. Indiening van vorderingen bij curator. Art. 110.

Onderzoek van ingezonden rekeningen door curator. Art. 111.

Lijsten van voorloopig erkende en betwiste vorderingen. Art. 112. Inhoud van lijsten, in art. 112 bedoeld. Art. 113.

Nederlegging van lijsten, in art. 112 bedoeld, ter griffie van rechtbank en

kantongerecht. Art. 114.

Mededeelingen aan bekende schuldeischers. Art. 115.

-ocr page 256-

— 238 —

Aanwezigheid van gefailleerde ter verificatie-vergadering. Art. 116.

Aanwezigheid van bestuurders van maatschappijen, vereenigingen of stichtingen ter verificatie-vergadering. Art. 117.

Verschijning van schuldeischers ter verificatie-vergadering, in persoon of bij gemachtigde. Art. 118.

Werkzaamheden ter verificatie-vergadering. Verdaging. Art. 119.

Beöediging van deugdelijkheid van vorderingen. Art. 120.

Erkenning van vorderingen. Voorwaardelijke toelating bij gevorderde be-ëediging. Procesverbaal van verificatie-vergadering. Art. 121.

Verwijzing van betwiste vorderingen naar terechtzitting. Art. 122.

Geen nader of meerder bewijs van betwiste vorderingen vereischt dan tegen gefailleerde zelf noodig ware. Art. 123.

Kennisgeving van gedane betwisting en verwijzing aan betrokken schuld-eischer. Art. 124.

Voorwaardelijke toelating van betwiste vorderingen. Art. 125.

Betwisting door gefailleerde. Art. 126.

Niet tijdig ingediende vorderingen. Art. 127.

Interessen, na faillietverklaring loopend. Art. 128.

Vorderingen onder ontbindende voorwaarde. Art. 129.

Vorderingen onder opschortende voorwaarde. Art. 130.

Niet-opeischbare vorderingen. Art. 131.

Praeferente vorderingen, die vermoedelijk ten deele niet batig zullen kunnen worden gerangschikt. Art. 132.

Onbepaalde vorderingen. Art. 133.

Vorderingen aan toonder. Art. 134.

Vorderingen, door borgtocht verzekerd. Rechten van borgen. Art. 135.

Rechten van schuldeischer bij faillissement van meer dan één hoofdelijken schuldenaar. Art. 136.

Verslag van curator over stand van den boedel. Art. 137.

Zesde Afdeeling. — Accoord.

Bevoegdheid van gefailleerde tot aanbieding van accoord. Art. 138. Voorwaarden voor dadelijke beslissing over aangeboden accoord ter verificatie-vergadering. Art. 139.

Advies van curator en commissie uit schuldeischers over aangeboden accoord. Art. 140.

Uitstel van beslissing over aangeboden accoord. Art. 141.

Kennisgeving van uitstel aan schuldeischers. Art. 142.

Schuldeischers, die van stemming over accoord zijn uitgesloten. Art. 143.

-ocr page 257-

— 239 —

Bevoegdheid van gefailleerde tot verdediging en wijziging van aangeboden

accoord. Art. 144.

Meerderheid, vereischt voor aanneming van accoord. Art. 145. Voorwaarden voor tweede stemming over accoord. Art. 146.

Latere veranderingen in getal schuldeischers of bedrag der vorderingen. Art. 147.

Procesverbaal van vergadering over accoord. Art. 148.

Bevoegdheid om verbetering van procesverbaal te verzoeken. Art. 149. Bepaling van terechtzitting ter behandeling van homologatie. Art. 150. Opgave van redenen voor weigering van homologatie. Art. 151. Behandeling van homologatie ter terechtzitting. Art. 152.

Beschikking omtrent homologatie. Weigering van homologatie. Art. 153. Hooger beroep van beschikking omtrent homologatie. Art. 154. Behandeling van dat hooger beroep. Art. 155.

Beroep in cassatie. Art. 156.

Gehomologeerd accoord verbindend voor alle niet-praeferente schuldeischers. Art. 157.

Na verwerping of weigering van homologatie geen nieuw accoord meer

aan te bieden. Art. 158.

Executoriale kracht van procesverbaal van verificatie en vonnis van homologatie. Art. 159.

Rechten tegen borgen en mcdeschuldenaren. Art. 160.

Faillissement eindigt door gehomologeerd accoord. Art. 161.

Rekening en verantwoording van curator na homologatie van accoord. Art. 162.

Voorzieningen in belang van praeferente schuldeischers na homologatie

van accoord. Art. 163.

Vorderingen, waarvan voorrecht voorwaardelijk erkend is. Art. 164. Vordering tot ontbinding van gehomologeerd accoord. Art. 165. Behandeling dier vordering. Art. 166.

Heropening van faillissement bij ontbinding van accoord. Art. 167. Behandeling van heropend faillissement. Art. 168.

Handelingen, door schuldenaar verricht tusschen homologatie van accoord

en heropening van faillissement. Art. 169.

Na heropening van faillissement geen nieuw accoord meer aan te bieden. Art. 170.

Rechten van oude en nieuwe schuldeischers in heropend faillissement. Art. 171.

Nieuwe faillietverklaring na homologatie van accoord. Art. 172.

-ocr page 258-

— 240 —

Zevende Afdeeling. — Vereffening van boedel.

Insolventie. Vereffening. Art. 173.

Verkoop van goederen. Art. 174.

Beschikking over illiquide baten. Goederen, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend. Art. 175.

Voortzetting van bedrijf en voorziening in levensonderhoud houden op bij insolventie. Art. 176.

Diensten vau gefailleerde ten behoeve van vereffening. Art. 177.

Vergadering van schuldeischers na ingetreden insolventie. Art. 178.

Uitdeelingen aan geverifiüerde schuldeischers. Art. 179.

Uitdeelingslijst. Art. 180.

Uittrekken van percenten voor voorwaardelijk toegelaten vorderingen. Art. 181.

Algemeene faillissementskosten. Art. 182.

Nederlegging van uitdeelingslijst ter griffie van rechtbank en kantongerecht. Art. 183.

Verzet tegen uitdeelingslijst. Art. 184.

Behandeling van verzet tegen uitdeelingslijst ter terechtzitting. Art. 185.

Verzet van niet-geverifiëerde schuldeischers tegen uitdeelingslijst. Art. 186.

Verbindend worden van uitdeelingslijst. Art. 187.

Doorhaling van hypothecaire insclirijvingen. Ontlasting van schepen van bevoorrechte schulden. Art. 188.

Gereserveerde uitdeelingen. Art. 189.

Inhouding van percenten, bereids aan praeferente schuldeischers uitgekeerd. Art. 190.

Uitkeering aan nalatige schuldeischers. Art. 191.

Verplichting van curator om vastgestelde uitkeeringen te doen. Storting van uitkeeringen in consignatie-kas. Art. 192.

Einde van faillissement. Rekeningen verantwoording van curator. Art. 193.

Vereffening en verdeeling van gereserveerde uitdeelingen of nader ontdekte baten. Art. 194.

Achtste Afdeeling. — Rechtstoestand van schuldenaar na afloop

van vereffening.

Door verbindend worden van slotuitdeelingslijst herkrijgen schuldeischers hunne rechten van executie op goederen van schuldenaar. Art. 195. Executoriale kracht van procesverbaal van verificatie-vergadering. Art. 196. Behalve voor vorderingen, door gefailleerde in die vergadering betwist. Art. 197.

-ocr page 259-

— 241 —

Negende Afdeeling. — Faillissement eenek nalatenschap.

Faillietverklaring van boedel van overledene. Art. 198.

Rechter, ten deze bevoegd. Oproeping van erfgenamen. Art. 199. Afscheiding van boedel van overledene van dien zijner erfgenamen. Art. 200. Alternatieve termijn voor aanvraag dezer faillietverklaring. Art. 201. Bepalingen, op faillissement eener nalatenschap niet toepasselijk. Art. 202.

Tiende Afdeeling. — Bepalingen van internationaal recht.

Vergoeding aan boedel van het buiten voorrang buitenslands verhaalde. Art. 203.

Overdracht van vorderingen aan derden ten fine van verhaal buitenslands. Art. 204.

Idem ten fine van schuldvergelijking buitenslands. Art. 205.

Elfde Afdeeling. — Rehabilitatie.

Indiening van verzoek tot rehabilitatie. Art. 206.

Bewijs over te leggen dat alle erkende schuldeischers, ten genoege van

elk hunner, zijn voldaan. Art. 207.

Aankondiging van verzoek tot rehabilitatie. Art. 208.

Verzet tegen verzoek tot rehabilitatie. Art. 209.

Beslissing van rechtbank. Art. 210.

Geen hooger beroep noch cassatie. Art. 211.

Uitspraak van vonnis, waarbij rehabilitatie wordt toegestaan. Aanteeke-ning in openbaar register. Art. 212.

FAILLISSEMENTSWET. — TITEL II. SURSÉANCE VAN BETALING.

Schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch aantoont dat vooruitzicht bestaat, dat hij na eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, kan surséance van betaling bekomen. Art. 213.

Indiening van verzoek om surséance aan bevoegden rechter. Art. 214.

Nederlegging ter griffie en aankondiging. Art. 215.

Oproeping van schuldeischers en schuldenaar. Art. 216.

Voorloopige surséance. Bij afwijzing van verzoek, rechtbank bevoegd tot faillietverklaring. Art. 217.

-ocr page 260-

— 242 —

Hooger beroep. Art. 218.

Behandeling van hooger beroep. Art. 219.

Uitspraak van rechtbank uitvoerbaar bij voorraad. Kelatief nietige handelingen van schuldenaar bij vernietiging van voorloopige surséance en faillietverklaring. Art. 220.

Benoeming van bewindvoerders en deskundigen. Aankondiging van voorloopige surséance. Art. 221.

Verslag van deskundigen. Wederlegging ter griffie. Art. 222.

Oproeping van schuldeischers, schuldenaar, bewindvoerders en deskundigen. Art. 223.

Raadpleging van schuldeischers over definitieve surséance. Art. 224.

Definitieve surséance. Bij afwijzing, rechtbank bevoegd tot faillietverklaring. Art. 225.

Duur van definitieve surséance. Aankondiging. Art. 226.

Verleening van surséance door gerechtshof. Art. 227.

Hooger beroep van beschikking van rechtbank, waarbij definitieve surséance verleend of geweigerd wordt. Art. 228.

Ontslag en vervanging van bewindvoerders en deskundigen. Verslag van bewindvoerders over toestand van boedel. Art. 229.

Schuldenaar onbevoegd om zonder medewerking van bewindvoerders daden van beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenen. In strijd hiermede verrichte handelingen voor boedel niet verbindend. Art. 230.

Schuldenaar niet tot betaling zijner schulden te noodzaken. Executiën blijven geschorst. Ontslag uit gijzeling. Art. 231.

Werking van surséance ten aanzien van rechtsgedingen. Art. 232.

Vorderingen, ten aanzien waarvan surséance niet werkt. Art. 233.

Andere schulden slechts te betalen aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen. Art. 234.

Medeschuldenaren en borgen. Art. 235.

Intrekking van- surséance. Rechter alsdan bevoegd tot faillietverklaring. Art. 236.

Verzoek van schuldenaar tot intrekking van surséance. Art. 237.

Aanvang van termijnen in geval van faillietverklaring naar dezen titel. Art. 238.

Loon van deskundigen en bewindvoerders. Verschotten van hen en van griffier. Art. 239.

SLOTBEPALING.

In werking treden van faillissementswet nader bij de wet te regelen. Art. 240.

-ocr page 261-

— 243 —

INVOERINGSWET.

Faillissementswet treedt in werking 1 September 1896. Art. 1 Inv. Afschaffing van eenige artikelen der wetboeken. Art. 2 Inv.

Wijziging van eenige artikelen b. w. Art. 3 Inv.

Wijziging van twee artikelen w. v. k. Art. 4 Inv.

Wijziging van eenige artikelen w. v. b. rv. Art. 5 Inv.

Wijziging van eenige artikelen w. v. s. Art. 6 Inv.

Aanhangige aangiften, verzoeken of requisitoiren tot faillietverklaring en

nog aanhangige faillissementen. Art. 7 Inv.

Faillissementen, waarin curators zijn ontslagen, doch die niet geëindigd

zijn door rehabilitatie. Art. 8 Inv.

Aanhangige vorderingen tot verklaring in staat van kennelijk onvermogen

en nog aanhangige déconfitures. Art. 9 Inv.

Déconfitures, waarin curators zijn ontslagen, doch die niet wettelijk zijn

opgeheven. Art. 10 Inv.

Ontbinding van gehomologeerde accoorden. Art. 11 Inv.

Aanhangige verzoekschriften tot boedelafstand. Art. 12 Inv.

Aanhangige verzoekschriften tot surséance van betaling. Art. 13 Inv. Benamingen van faillissementswet en invoeringswet. Art. 14 Inv. Invoeringswet treedt in werking 1 September 1896. Art. 15 Inv.

-ocr page 262-
-ocr page 263-
-ocr page 264-
-ocr page 265-
-ocr page 266-

•$fyn** - .yamp;(hdamp;

\'quot; t - \'^X. I f . y i-V^. \' V ^S^J f

^-^Jvv-xA\\QT

^ ,-J

/vLi lt;rfe^W v

gt;-X\'v 4 t \' .gt;%gt;^ lt;fn 1kgt;fc

v\' % W^. . • i-Sk \'^\'V ■gt;

4-

tM\\^ K ,k -}

r-trvu;\' rv: ■

^ S L\\v Ml !. gt;;^v

v^7v ^ gt;-W-^ . ..

Ü

^ liv

*.\\ i\'■» - •

v^vj- / \'*\\-c\\ -/■|^ lt; P*~^rti\'

\'-^■vw\'^rv ^v *- r

^,; 1 i^\'

- w \'-J

Sr^v

\'^f -X

quot;vsT r . * I t

r .\'C* \'