-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

®rl»4P\' iJfe

•%x-i. y^*» T^-yr \'jl. y-z** X-^ic 4\' yi^ 1 -^jr 4; ifci^ IWW

I^Épp^ppp

-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE GENEESMIDDELEN

PER

MDERLAMDSCHE PHARMACOPEK

-ocr page 6-
-ocr page 7-

W. SCHOOBl,

DE GENEESMIDDE^LEN

DER

n D

NEDERLA1SCHE PHARMACOPEIA

DERDE UITGAVE

VOOR

Apotlickors, (ienceskuiuligeii en Studeerenden

BEWERKT DOOR

K. YERLAAN,

Militair Apotheker der 1ste Klasse.

DKEL. I.

- —i—iK-

\'S-GRAVENIIAGE. — JOH. IJ KEMA. — 1893.

-ocr page 8-

zuid-homjAndsciie hoek- en handelsdrukkeiiij , \'s-graveniiaoe.

-ocr page 9-

ACETANILIDUM.

ACET ANILIDE.

ANTIFEBRINUM.

Kleurlooze, reuklooze, glanzende kristallen, die bij ongeveer 120° smelten en, sterker verhit, geheel vervluchtigen zonder ontleed te worden. In chloroform, in aether, in 4 deelen sterken spiritus zijn zij gemakkelijk oplosbaar; van koud water vereischen zij echter ongeveer 200 deelen ter oplossing. In 18 deelen water, dat langzaam tot kookhitte verwarmd wordt, lossen zij, na vooraf gesmolten te zijn, geheel op.

Een koud verzadigde oplossing van Acetanilide in water moet neutraal zijn. Door een weinig ferrichloride geel gekleurd, wordt zij bij verwarming bruinrood en behoudt zij deze kleur na afgekoeld te zijn.

100 mG. Acetanilide geeft, na met 1 cM3. chloonvaterstofzuur eenigen tijd verwarmd te zijn, een heldere oplossing, die, na toevoeging van 3 cM3, water en 1 droppel vloeibaar phenol, door chloorkalk troebel wordt en een violetroode kleur aanneemt, welke door ammonia in overmaat blauw wordt.

500 mG, Acetanilide, met 5 cM3. verdund chloonvaterstofzuur bij gewone temperatuur geschud, geve, na gefiltreerd te zijn, een vloeistof, die, eerst met r droppel vloeibaar phenol en daarna met chloorkalk en met ammonia vermengd, de zoo even beschreven verkleuringen niet oplevert.

Samenstelling. CH5 .NH.CH3 .CO

Acetanilide is een aniline-dcrivaat. In aniline laat zich de waterstof der amido-, NH2, groep vervangen door alcohol- en zuur-radicalen; de daardoor ontstane lichamen noemt men „anilidenquot;. Acetanilide is aniline, waarin één atoom waterstof der amido-groep vervangen is door het radicaal van azijnzuur.

1

-ocr page 10-

2

Cqp.Nlp CH\'.COOH C«Hn.NH.CH3.CO

aniline azijnzuur acetanilide

Bereiding. Deze berust op de vorming van azijnzure aniline uit aniline en geconcentreerd azijnzuur, ijsazijn, en op de ontleding daarvan bij hoogere temperatuur in acetanilide en water.

CnH5.NIp CH\'.COOH = C«Hs.NH.CH3.CO IPO

aniline azijnzuur acetanilide water

Gelijke deelen aniline en ijsazijn worden gedurende langen tijd in een kolf of retort bij gebruik van een terugvloeikoeler gekookt, totdat een weinig der vloeistof, bekoeld, geheel vast wordt. De kolfinhoud wordt daarna aan gefractioneerde destillatie onderworpen. Bij lagere temperatuur gaat overmaat azijnzuur en gevormd water, en ten slotte bij 2950 acetanilide over, dat door omkristal-lisatie uit kokend water en ontkleuring met dierlijke kool wordt gezuiverd.

Eigenschappen. Kleurlooze, reuklooze, glanzende kristallen, die bij 1120 a 1130 smelten en, sterker verhit, vervluchtigen. In ch.\'o-roform, aether en sterken spiritus (3.5) zijn zij gemakkelijk oplosbaar, moeilijk in koud (194), beter in warm (18) water, waarin zij oplossen, na vooraf gesmolten te zijn. Ue oplossing reageert neutraal.

Door een weinig ferrichloride geel gekleurd, wordt zij bij verwarming bruinrood en behoudt deze kleur na afgekoeld te zijn.

100 mG. Acetanilide geeft, na met 1 cM3. chloorwaterstofzuur eenigen tijd verwarmd te zijn, een heldere oplossing, die, na toevoeging van 3 cM3. water en 1 droppel vloeibaar phenol, door chloorkalk troebel wordt en een violetroode kleur aanneemt, welke door ammonia in overmaat blauw wordt. Deze, de „indo-phenol quot;-reactie is een aniline-reactie. Acetanilide wordt nl, door zuren of alkaliën bij verivarming, onder opname van water, in de bestanddeelen, aniline en azijnzuur, gesplitst.

De vloeistof, verkregen door 100 mG. Acetanilide eenige malen met 2 cM3. chloorwaterstofzuur te koken, geeft na bekoeling met 1 a 2 droppels chloorwater eene koornblauwe kleur, die weder verdwijnt.

Acetanilide, met spiritueuse natronloog en eenige droppels chloroform gekookt, verspreidt een doordringenden, onaangenamen reuk. Deze, de „isonitrielquot;- of ,,carbylaminquot;-reactie berust op de vorming van stinkend, vergiftig isocyaanphenyl uit aniline en chloroform.

-ocr page 11-

3

CnHr,.NH2 CHC13 3 NaHO = CN.C«Hr 3 NaCi 3 IPO

aniline chloroform natronloog isocyaan- natrium- water

phenyl chloride

Acetanilide, gedurende geruimen tijd met een gelijk gewicht droog zinkchloride verhit, geeft daarmede een fraai gele, groen fluoresceerende kleurstof, „ flavanilinquot;, die in warm, zeer verdund chloorwaterstofzuur oplost.

Acetanilide, zeer voorzichtig saamgesmolten met mercuronitraat, geeft daarmede een fraai groen gekleurde stof.

100 mG, Acetanilide, met 1 cM3. chloorwaterstofzuur en 1 cM3. sterken spiritus eenigen tijd verwarmd, verspreidt den reuk van aethylacetaat.

Onderzoek.

1°. reukloozc kristallen. Reuk kan afkomstig zijn van vrije aniline.

20. die bij ongeveer 120° {beter 112° a 1130) \') smelten. Ter onderscheiding van andere anilinc-derivaten, zooals methyl-acetanilide, die een lager, methacetine en phenacetine, die een hooger smeltpunt hebben, evenals van homologe aniliden, zooals acet-toluidide, -xylide, enz.

3°. en, sterker verhit, geheel vervluchtigen. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen.

40. zonder ontleed te worden. Onderscheid met antipyrine.

50. in aether gemakkelijk oplosbaar ; van kond water vereischen zij 200 deelen ter oplossing. Onderscheid met antipyrine. Bij verontreiniging met homologe aniliden, bijv. acet-toluidide en -xylide, is de oplosbaarheid in water grooter.

6°. in 18 deelen water, dat langzaam tot kookhitte verwarmd wordt, lossen zij geheel op. Vrije aniline zou de vloeistof troebel maken.

7°. een koud verzadigde oplossing in water moet neutraal zijn. Zure reactie wijst op vrij azijnzuur.

8°. door een weinig ferriehloride geel gekleurd, wordt zij bij verwarming bruinrood en behoudt zij deze kleur na afgekoeld te zijn. Onderscheid met antipyrine. Ook met azijnzure aniline, waarvan de oplossing met ferriehloride groenzwart wordt.

90. 500 inG. Acetanilide, met 5 cM*. verdund chloorwaterstofzuur bij geivone temperatuur geschud, geve, na gefiltreerd tc zijn,

0 Het smeltpunt van Acetanilide is nl. in de Pharmacopee veel te hoog aangegeven.

-ocr page 12-

4

ccn vloeistof, die, eerst met i droppel phenol en daarna niet chloorkalk en met ammonia vermengd, de zoo even beschreven verkleuringen niet oplevert. Reactie op vrije aniline. Bij gewone - temperatuur toch wordt Acetanilide door zuren niet ontleed; de indophenolreactie kan in het filtraat dus niet ontstaan dan bij aanwezigheid van vrije aniline.

ACETAS AET HYLIC US.

A E T H YLACETAA T.

AETHER ACETIC US.

Een heldere, kleurlooze, aangenaam riekende, volkomen vluchtige, brandbare vloeistof, met een soort. gew. van 0.900—0.904 en een kookpunt van 740—76°.

Aethylacetaat mag onder het verdampen geen vreemden reuk verspreiden , noch op blauw lakmoespapier een roode vlek achterlaten. Met een gelijk volumen water geschud, mag het niet meer dan V10 in volumen verminderen.

Met een gelijk volumen zwavelzuur, moet Aethylacetaat een helderen kleurloos mengsel geven.

Samenstelling. CI-P.COO.C2!!quot;

Aethylacetaat is een samengestelde aether of ester, die afgeleid kan worden van azijnzuur, door vervanging van de waterstof der carboxyl-, COOH, groep door het radicaal van aethylalcohol.

CH3.COOH C2HB.OH CH\'.COO.C5?!5

azijnzuur aethylalcohol aethylacetaat.

Bereiding. Deze berust: iü. op de vorming van aethylzwavei-zuur uit aethylalcohol en zwavelzuur en 2°. op de ontleding van dit aethylzwavelzuur door natriumacetaat.

C2Hr\'.üH IPSO4 = C2H5.HSÜ4 4- HJÜ

aethylalcohol zwavelzuur aethylzwavelzuur water

C1Hn.HS04 CH\'.COONa — CH3.COO.C2H!r NaHSO4

aethylzwavelzuur natriumacetaat aelliylacetaat natriumhydrosulfaat

Men bevrijdt 140 dln. natriumacetaat door verwarming tof 250° onder voortdurend omroeren van kristalwater, brengt het poeder terstond daarna in een ruime kolf en voegt hieraan toe een voorafgereed

-ocr page 13-

5

gemaakt, voorzichtig onder elkander geroerd \') en bekoeld mengsel van 64 dln. sterken spiritus en 110 dln. zwavelzuur. Men laat den kolfinhoud twaalf uren rustig, gesloten staan en destilleert daarna in het waterbad met behulp van een af koeler het gevormde aethylacetaat af. Ter verwijdering van kleine hoeveelheden mede overgehaalden spiritus en azijnzuur schudt men het destillaat met een vierde van zijn volumen water, waarin opgelost 20 pet. natriumchloride ï) en 2 pet. natriumcarbonaat, en wel herhaaldelijk en zoo lang als noodig is om de zure reactie weg te nemen. Ter verwijdering van aanhangend water wordt de aether, met behulp van een scheitrechter van het waterig vocht verzameld, met 10 pet. droog calciumchloride, beter versch gegloeid kaliumcarbonaat, flink en langen tijd geschud. Ten slotte wordt het aethylacetaat tot op van het volumen na, in het waterbad afgedestilleerd.

Met worde in volkomen droge fleschjes bewaard, ten einde ontleding te voorkomen.

Eigenschappen. Een heldere, kleurlooze, neutrale, eigenaardig en aangenaam riekende, zeer vluchtige, brandbare vloeistof, met een soort. gew. van 0.900—0.904 en een kookpunt van 740—76°, gemakkelijk oplosbaar in aether en spiritus, moeilijker in water (16).

Onderzoek.

1°. een volkomen vluchtige vloeistof. Afwezigheid van niet vluchtige , vaste stoffen, bijv. kalium-, natrium- of ealciumzouten.

2°. met een soort. gezv. van 0.900—0.904 en een kookpunt van 74°—76°. Lager soortelijk gewicht en kookpunt kunnen wijzen op een gehalte aan aether; lager soort. gew. en hooger kookpunt op spiritus; hooger soort. gew. en kookpunt op water. Een vermenging met aether, spiritus en water, waardoor aan deeischen van soort. gew. en kookpunt zou worden voldaan, kan aangewezen worden door de volume-vermindering bij proef 5.

30. Aethylacetaat mag onder het verdampen geen vreemden reuk verspreiden. Kan afkomstig zijn van vreemde aethers door het gebruik van foeselhoudenden, d. i. propyl-, butyl- en amyl-alcohol bevattenden spiritus.

40. noch op blauzv lakmoespapier een roode vlek achterlaten. Zure reactie wijst op vrij azijnzuur.

1) Men voege het zwavelzuur in een dunnen straal al roerend bij den spiritus.

2) De toevoeging van natriumchloride dient, om de oplossing van Aethylacetaat in water en daardoor veroorzaakt verlies tegen te gaan.

-ocr page 14-

6

5°. Met een gelijk volumen water gesehud, mag het niet meer dan \'/jg in volumen verminderen. Men bezigt hiervoor een z.g. aetherproefbuisje. Dit vult men tot de o-streep met water en voegt daaraan aethylacetaat toe tot de 10-streep, schudt vervolgens eenige malen flink om, laat daarna de vloeistoffen zich van elkander scheiden, en leest ten slotte de volume-vermindering af. Een grootere afname dan i C.C. wijst op een te groot gehalte aan spiritus of water of beide, i Dl. Aethylacetaat is oplosbaar in 16 dln. water; de volumen vermindering van den aether door schudding met 10 C.C. water zou dus ongeveer 0.6 C.C. moeten bedragen. Sporen spiritus echter verhoogen reeds de oplosbaarheid van den aether in water; deze worden toegestaan tot een volumevermindering van 1 C.C.

6°. Met een gelijk volumen zwavelzuur, moet Aethylacetaat een helder en kleurloos mengsel geven. Een min of meer donkere kleuring kan ontstaan door \'t gebruik van foeselhoudenden spiritus; alsmede bij verontreiniging met andere organische stoffen van allerlei aard.

ACETAS KALICUS.

K A L I U M A C E T A A T.

Een bladerig, glanzend of korrelig poeder, dat uit de lucht water aantrekt en, met zwavelzuur vermengd, den reuk van azijnzuur verspreidt, zonder van kleur te veranderen.

Kaliumacetaat is in 1.4 deelen sterken spiritus en in 0.4 deelen water volkomen oplosbaar. De oplossing in water zij neutraal of zwak alkalisch en geve met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neêrslag.

Een oplossing van Kaliumacetaat (1 = 50) mag met zwavelwaterstof of met zwavelammonium in het geheel niet en, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, met zilvernitraat of met baryumchloride nauwelijks gekleurd of troebel worden.

Samenstelling. CH3.COOK

Het kaliumzout van azijnzuur. De waterstof der carboxyl-,CüOH, groep van azijnzuur is vervangen door het eenwaardige metaal kalium.

Bereiding. Door neutralisatie van azijnzuur met kaliumcarbonaat. 2CH3.CüOH K2C03 = 2 CH3.COüK -f IDO -f- Cü^

azijnzuur kaliumcarbonaat kaliumacetaat water kooldioxyde

-ocr page 15-

7

loo Din. in ccn gesloten, porceleinen schaal warm gemaakt azijnzuur wordt zooveel kaliumcarbonaat, ongeveer 34.5 dln., bij kleine gedeelten toegevoegd, dat het zuur bijna verzadigd is. De vloeistof wordt gefiltreerd en, ten laatste al roerend, tot droog uitgedampt, waarna men het zout terstond in een vooraf verwarmde, goed sluitende flesch doet.

Eigenschappen. Een wit, bladerig, glanzend of korrelig, neutraal of zwak alkalisch poeder, dat uit de lucht water aantrekt en gemakkelijk oplost in spiritus (1.4) en water (0.4).— De oplossing in water kleurt een niet lichtende vlam violet en geeft met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neórslag van kaliumhydrotartraat. — Zij kleurt zich met ferrichlorideoplossing bloedrood door ferria-cetaat, welke kleur door chloorwaterstofzuur verdwijnt. Met zwavelzuur vermengd, verspreidt het poeder den reuk van azijnzuur en de waterige oplossing, na toevoeging van een weinig zwavelzuur en sterken spiritus, onder verwarming, dien van aethylacetaat.

Onderzoek.

10. een poeder, dat, met zwavelzuur vermengd, den reuk van azijnzuur verspreidt, zonder van kleur te veranderen. Verkleuring kan plaats hebben door \'t gebruik van azijnzuur, dat bran-dige stoffen bevat.

2°. Kaliumacetaat is in 1.4 deelen sterken spiritus en in 0.4 deelen water volkomen oplosbaar. Onvolkomen oplosbaarheid kan wijzen op silicaat door \'tgebruik van kiezelzuurhoudend kaliumcarbonaat.

30. De oplossing in water zij neutraal oj zzvak alkalisch. Zure reactie wijst op vrij azijnzuur; eene duidelijk alkalische reactie op meer dan sporen kaliumcarbonaat. Daar Kaliumacetaat zich, onder verlies van azijnzuur en opname van kooldioxyde, aan de lucht ontleedt, wordt eene zwak alkalische re:ictie toegestaan.

4quot;. Een oplossing van Kaliumacetaat (1 =50) mag met zwavelwaterstof of met zwavelammonium in het geheel niet en, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, met zilvernitraat of met haryumchloride nauwelijks gekleurd of troebel worden.

Onderzoek met zwavelwaterstof en met zwavelammonium duidt op afwezigheid van zware metalen als lood, koper, tin, ijzer enz., met zilvernitraat op chloride en met baryumchloride op sulfaat. Van beide laatsten worden sporen toegestaan.

-ocr page 16-

8

A C E T A S P L U M BI C U S.

LOOüACETAA T.

SACCHARUM SATURNI.

Doorschijnende of eenigszins verweerde, kleurlooze kristallen, dienaar azijnzuur rieken.

Loodacetaat geeft met water meestal een zwak troebele oplossing, die door een weinig azijnzuur helder wordt. Als al het lood daaruit door verdund zwavelzuur is neergeslagen, mag het fdtraat door ammonia in overmaat niet gekleurd of troebel worden , ook niet nadat men er zwavelammonium aan heeft toegevoegd.

De oplossing van i Grm. Loodacetaat mag, als zij met zwavelwaterstof van al het lood bevrijd is, na verdampt te zijn, niet meer dan sporen van vaste stof achterlaten.

Samenstelling. (CIP.CGO^rb 3 HïO

Het normale loodzout van azijnzuur. De twee atomen waterstof der carboxyl-, COOH, groepen van twee moleculen azijnzuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal lood. Het zout kristalliseert met drie moleculen kristalwater.

Bereiding. Deze geschiedt fabriekmatig door oplossing van lood-glit, loodoxyde, in overmaat houtazijn, waaruit men het zout laat kristalliseeren. Ook wordt het verkregen door warme azijnzuur-dampen over lagen loodglit te doen strijken.

2CH3.COOH PbO = (CIP.COO)2Pb H^O

azijnzuur loodoxyde loodacetaat water

Voor pharmaceutisch gebruik wordt het ruwe, witte zout, dat aan de oppervlakte verweerd, met een wit laagje loodcarbonaat bedekt is, omgekristalliseerd door oplossing in warm water, toevoeging van een geringe overmaat azijnzuur, filtratie en verdamping tot kristallisatie.

Eigenschappen. Doorschijnende of eenigszins verweerde, kleurlooze kristallen, die naar azijnzuur rieken. Zij geven met water (2.3) meestal een zwak troebele oplossing door aan de oppervlakte gevormd, onoplosbaar loodcarbonaat; door een weinig azijnzuur wordt dit echter gemakkelijk opgelost en wordt de vloeistof ge-

-ocr page 17-

9

heel helder. In spiritus (29) zijn zij niet gemakkelijk oplosbaar. Door verdund zwavelzuur wordt het lood uit de waterige oplossing als wit loodsulfaat neergeslagen, door zwavelwaterstof als zwart lood-sulfide, door kaliumbichromaat als geel chroniaat. — Met ferri-éhlorideoplossing kleurt zij zich, onder afscheiding van wit lood-chloride, bloedrood door ferriacetaat, welke kleur door overmaat zwavelzuur verdwijnt. Deze vloeistof, gefiltreerd en met een weinig sterken spiritus verwarmd, verspreidt den reuk van acthylacetaat.

Onderzoek.

1°. Als al het lood daaruit door verduud zwavelzuur is neergeslagen , mag het fdtraat door ammonia in overmaat niet gekleurd of troebel worden. Een blauwe kleur wijst op verontreiniging met koper, een wit neérslag op tin, een roodbruin op ijzer.

2°. ook niet nadat men er zwavelammonium aan heeft toegevoegd. Een gevormd neerslag kan behalve de sub i0. genoemde metalen ook nog zink bevatten, dat als zinkhydraat in overmaat ammonia oplost.

30. De oplossing van 1 Grm. Loodaeetaat mag, als zij met zivavelwaterstof van al het lood bevrijd is, na verdampt te zijn, niet meer dan sporen van vaste stof achterlaten. Een residu zou wijzen op verontreiniging met vreemde zouten, bijv. van alkaliën of aard-alkaliën. Sporen worden toegestaan.

• A C E T U M D I GI T A LI S.

DIGITALIS-AZIJN.

N, Digitalisbladen , fijngesneden, tien deelen ...... 10

Laat ze in

Verdund Azijnzuur negentig deelen........90

Sterken Spiritus tien deelen...........10

in een gesloten flesch, onder herhaald schudden, 8 dagen macereeren. Pers uit en filtreer het bezonken vocht.

ken heldere, bruinachtig gele, zuur en zeer bitter smakende vloeistof.

Samenstelling. Een azijnzuur-spiritueus aftreksel van Digitalis-bladen, bevattende min of meer de bestanddeelen daarvan , zooals: digitaline, digitale\'ine, digitonine, enz.

-ocr page 18-

io

Bereiding, Zoowel het azijnzuur als de sterke spiritus dienen ter oplossing van genoemde bestanddeelen. De spiritus dient bovendien om de slijm- en gomachtige stoffen der bladen te precipitec-ren en kan er tevens toe bijdragen, om ontleding der werkzame bestanddeelen tegen te gaan. Daartoe moet het ook tegen den invloed van het licht beschut worden.

Eigenschappen. Een heldere, bruinachtig gele, zuur en zeer 1 utter smakende vloeistof.

Onderzoek.

1°. Een bminachtig gele, zeer bitter smakende vloeistof. Onderscheid met Scilla-Azijn. Zie aldaar.

ACETUM SCILLAE.

S C I L L A - A Z IJ N.

N. Scillabol, fijngesneden, tien deelen........10

Laat ze in

Verdund Azijnzuur negentig deelen....... . 90

Sterken Spiritus tien deelen...........to

in een gesloten flesch, onder herhaald schudden, 8 dagen macereeren. Coleer, pers zacht uit en filtreer het bezonken vocht.

Ken heldere, geelachtige vloeistof, die eerst zuur doch daarna bitter smaakt.

Samenstelling. Een azijnzuur-spiritucus aftreksel van Scillabol, bevattende min of meer de bestanddeelen daarvan, zooals; seillipi-krine, scillitoxine, sell line, seillatne, enz.

Bereiding. Ook hier dienen het azijnzuur en de spiritus ter oplossing van genoemde stoffen; de spiritus bovendien om het plantenslijm te precipiteeren en de bestanddeelen voor ontleding te bewaren, waartoe het tevens tegen den invloed van het licht moet beschut worden. Het uitpersen moet hier zacht geschieden, ten einde te voorkomen, dat daardoor slijm, dat Scillabol rijkelijk bevat, mede uitgeperst wordt.

-ocr page 19-

I I

Eigenschappen. Een heldere, geelachtige, eerst zuur, daarna bitter smakende vloeistof.

Onderzoek.

1°. Een geelachtige vloeistof, die eerst rjnur doch daarna bitter smaakt. Onderscheid niet Digitalis-Azijn. Zie aldaar.

A C I D U M A C E T I C U M.

A Z IJ N Z U U R.

Een helder, kleurloos vocht, dat prikkelend zuur riekt\' en waarvan 10 Grm., na verdampt te zijn, geen weegbaar overschot mag achterlaten.

Na met natriumcarbonaat verzadigd te zijn, mag Azijnzuur niet bran-dig rieken.

Met 4 deelen water verdund, mag Azijnzuur noch door zilvernitraat, noch door baryumchloride, noch door zwavelwaterstof troebel of gekleurd worden. 20 cM3. van dit verdunde Zuur, met 1 cM3. volumetrisch per-manganaat vermengd, mag na vijf minuten niet lichter van kleur geworden zijn.

6 Grm. Azijnzuur vereischt ter verzadiging 30 cM3. volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 30 pet. Zuur.

Samenstelling. CH3.COOH-f aq.

Azijnzuur, een organisch zuur, kan afgeleid worden van aethane, de tweede koolwaterstof uit een reeks dier stoffen van de alge-meene formule CnH2n 2, behoorende tot de z. g. vetzuurlichamen.

CH4 C2H« C3M8 CM10 CH12 CnH2n 2

melhane aethane propane butane amane algemeen

Aethane is te beschouwen als methane, waarin éc:n atoom waterstof door de eenwaardige CH3-groep vervangen is; propane enz. kan op dezelfde wijze van de voorafgaande koolwaterstof afgeleid worden.

CH3.H CH3.CH3 CH3.CH2.CH3 CH3.CH2.CH2.CH3

methane aethane propane butane

Uit deze koolwaterstoffen ontstaan, door achtereenvolgens driemaal een atoom waterstof eener CH3-groep door de éénwaardige hydroxyl-, OH, groep te vervangen, de drie lichamen: alcohol, aldehyde en zuur.

-ocr page 20-

12

CII\'.CII3 CII3.C1I2(ÜII) CIP.CH^H)2- CH3.C(OII)3

Icool vvalerslof alcohol aldehyde zuur

l)c twee laatste lichamen treden echter doorgaans niet in dien vorm op, maar eerst na afsplitsing van twee atomen waterstof en een atoom zuurstof als water, zoodat uit aethane ontstaan;

CH\'.CIROH CIP.COH CH\'.COOH

aethylalcohol aelhylaldehyde (jf acetaldehyde azijnzuur

ITet Azijnzuur der Pharmacopee is eene 30-procentischc oplossing van dit azijnzuur in water.

Bereiding. Natriumacetaat wordt, evenals bij de bereiding van Aethylacetaat, door verwarming onder voortdurend omroeren van kristalwater bevrijd, waarna 100 dln. van het poedervormige zout met 80 dln. zwavelzuur in een ruime kolf onder \'t gebruik van een afkoeler in het zandbad worden gedestilleerd.

3 CIP.COüNa 2 H24 = 3 CH\'.COOH Na2SO\'\' NaHSOquot;

nalriumacetaat zwavelzuur azijnzuur natrium natrium

sulfaat hydrosulfaat

Bij verontreiniging van het natriumacetaat met vluchtige, empy-reumatische stoffen, zullen deze in \'t gedestilleerde azijnzuur overgegaan zijn. Tevens kunnen zij eenig zwavelzuur tot vluchtig zwaveligzuur gereduceerd hebben. Bevatte het natriumacetaat natriumchloride, dan is het destillaat bovendien chloonvaterstof-zuur-houdend. Ter zuivering worden de empyreumatische stoffen door een weinig kaliumdichromaat geoxydeerd; daardoor wordt tevens voorhanden zwaveligzuur wederom in zwavelzuur omgezet. Chloorwaterstofzuur bindt men als natriumchloride door toevoeging van een weinig natriumacetaat, waarbij bovendien eenig azijnzuur gevormd wordt. Ten slotte wordt het zuur op nieuw gedestilleerd.

Het aldus verkregen sterke zuur, waarvan het procentisch gehalte door titratie met volumetrisch alkali wordt bepaald, verdunt men met water tot de verlangde sterkte volgens de formule /1\' V M\\

W — f ) — waar\'11 ^ voorstelt de benoodigde hoe

veelheid water, 1\' het procentisch gehalte van het sterke zuur, p het procentisch gehalte van het verlangde zuur en M de gewichts-hoeveelheid van het te verdunnen zuur.

-ocr page 21-

13

Eigenschappen. Een helder, kleurloos, zuur reageerend vocht, met een soortelijk gewicht van 1.041 , dat prikkelend zuur riekt en smaakt en volkomen vluchtig is. ■—• Met alcohol en zwavelzuur verwarmd, ontwikkelt het den geur van aetliylacetaat. Na met natriumcarbonaat verzadigd te zijn, geeft het met ferrichloride een bloedroode kleur van ferriacetaat, die door chloorvvaterstofzuur verdwijnt.

Onderzoek.

1°. Een vocht, waarvan 10 Gnu., na verdampt te zijn, geen weegbaar overschot mag achterlaten. Een residu zou op niet-vluch-tige, vaste stoffen wijzen. Sporen worden toegestaan.

2°. Na met natriumcarbonaat verzadigd te zijn, mag Azijnzuur niet hrandig rieken. Afwezigheid van empyreumatische stoffen.

30. Met 4 deelen water verdund, mag Azijnzuur noch door zilvernitraat, noch door baryunichloride, noch door zwavelwaterstof troebel of gekleurd worden. Afwezigheid van chloride, van sulfaat en van zware metalen als lood of koper.

40. 20 cMz. van dit verdunde Zuur, met 1 cM1. volumetrisch permanganaat vermengd, mag na 5 minuten niet lichter van kleur geworden zijn. Reductie van het permanganaat kan veroorzaakt worden door empy reumatische stoffen, door zwaveligzuur, door aceton, het ontledingsproduct van natriumacetaat bij hooge temperatuur, endoor mierezuur, een oxydatieproduct van aceton.

5°. 6 Grm. Azijnzuur vereischt ter verzadiging 30 cM\'3,. volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 30pet. Zuur \'). 30 cM3. Volumetrisch alkali ncutraliseeren 30 cM3. volumetrisch zuur 2). Volumetrisch Azijnzuur (C2H\'102=6o) bevat 60 Grm. azijnzuur per 1000 cM3., d. i. i.lt;S Grm. per 30 cM3. Deze moet vervat zijn in 6 Grm., d. i. dus 30 pet.

1

Deze en volgende Zuur-bepalingen geschieden door titratie. Men brengt daartoe de opgegeven hoeveelheid Zuur, met water tot 50 cM3. verdund, in een ruim bekerglas onder toevoeging van een paar droppels lakmoestinctuur of phenolphtalëine-oplossing, en laat hierbij uit een buret met glazen kraan voorzichtig, langzaam, droppelsgevvijs en onder gestadig omroeren zooveel volumetrisch alkali bijvloeien, totdat het zuur verzadigd is. Dit tijdstip herkent men, doordien de roode kleur van het vocht bij lakmoestinctuur of de kleurlooze vloeistof bij phenolphalëine-oplossing plotseling door één droppel overmaat van volumetrisch alkali in blauw of purperrood overgaat. Het verzadigingspunt is dus bereikt, zoodra de/.e kleursverandering plaats heeft, waarna men het verbruikte aantal cM3. volumetrisch alkali op den buret alleest.

4) Zie Lijst van Volumetrische Vloeistoffen.

-ocr page 22-

14

ACIDUM ACETICUM Dl LU TIJM.

VERDUND A Z IJ N Z U U R.

ACETUM.

N. Azijnzuur twintig deelen...........20

Water tachtig deelen............80

Meng ze.

Een helder, kleurloos vocht, dat zuur riekt en bijna geheel vluchtig moet zijn.

Na met natriumcarbonaat verzadigd te zijn, mag Verdund Azijnzuur niet brandig rieken.

Het voldoe aan dezelfde kenmerken van zuiverheid als Azijnzuur.

20 Grm. Verdund Azijnzuur vereischt ter verzadiging 20 cM3. volume-trisch alkali, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 6 pet. Zuur.

Eigenschappen. Deze zijn in \'t algemeen dezelfde als van Azijnzuur. Het soortelijk gewicht echter is 1,008.

Onderzoek.

1(l. Verdund Azijnzuur voldoe aan dezelfde kenmerken van zuiverheid als Azijnzuur. Zie dus bij „Acidum aceticum.quot;

2°. 20 Grm. Verdund Azijnzuur vereischt ter verzadiging 20 cM7,. volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 6 pet. Zuur. Daar Verdund Azijnzuur voor bestaat uit Azijnzuur en het gehalte hiervan 30 pet. bedraagt, zal dit bij Verdund Azijnzuur 6 pet. bedragen. —• Overigens neutralis°eren 20 cM3. volumetrisch alkali 20 cM3. volumetrisch zuur, dat 60 Grm. azijnzuur per 1000 cM3. bevat, d. i, 1.2 Grm. per 20 cM3. Deze moet vervat zijn in 20 Grm., d. i. dus 6 pet.

ACIDUM ARSENICOSUM.

ARSENIGZUU R.

Witte, porseleinachtige stukken, soms met een glasachtige kern, of het daarvan bereide poeder.

Arsenigzuur, in een droog busje verhit, gaat over in een kleurloos.

-ocr page 23-

IS

kristallijn sublimaat. Het zij in water moeilijk, doch volkomen oplosbaar, gemakkelijker evenwel na toevoeging van chloorwaterstofzuur. Deze zure oplossing geeft met zwavelwaterstof een geel neêrslag, dat in y.mmonia geheel oplosbaar is.

De oplossing in verdund chloorwaterstofzuur moet, na met zwavel-waterstofgas verzadigd, gefiltreerd en verdampt te zijn, niet meer dan o.2 pCt. van het gebruikte Arsenigzuur achterlaten.

200 mG. Arsenigzuur, met 1 Grm. natriumhydrocarbonaat, onder verwarming in 40 cM3. water opgelost, vereischt, na bekoeld en met 1 Grm. natriumhydrocarbonaat en eenige droppels stijfseloplossing vermengd te zijn, 40—40.4 cM3. volumetrisch jood ter blauwkleuring.

Samenstelling, As2O3

Van het element arsenicum bestaan twee zuurstofverbindingen: arseentrioxyde, As\'O3, en arseenpentoxyde, As20!!. Alhoewel zij gewoonlijk arsenigzuur en arseen- of arsenikzuur worden genoemd, zijn zij geen eigenlijke zuren doch de anhydriden daarvan, d. w. z. zuren, waarvan de waterstof met een gedeelte der zuurstof in de verhouding als in water uitgetreden is. Het bedoelde arsenigzuur is dus arseentrioxyde of arsenigzuuranhydride.

2 H8As03 — 3 H2O = As203

arsenigzuur water arseentrioxyde

Bereiding. Door roosting van arseenhoudende ertsen, waarbij het arsenicum geoxydeerd wordt door de zuurstof der lucht tot arseentrioxyde, dat door „giftkanalenquot; in „gifttorensquot; wordt geleid en opgevangen. Door fijne ertsdeelen, metallisch arsenicum en zvvavel-arsenik verontreinigd, wordt het daarna gezuiverd door sublimatie in ijzeren ketels, waarbij het in „giftkamersquot; in gesmolten staat wordt opgevangen en als „ arsenikglasquot; verzameld.

Eigenschappen. Zware, reuklooze, oorspronkelijk araorphe en glasachtige, later kristallijne en wit-porseleinachtige stukken, soms nog met een glasachtige kern. Het witte poeder, daarvan bereid, smelt bij verwarming en vervluchtigt vervolgens geheel, waarna het zich bij bekoeling kristallijn afzet. liet is in water (25) \') niet gemakkelijk, in alcohol zeer moeilijk oplosbaar, gemakkelijk in chloorwaterstofzuur, natronloog of natriumhydrocarbonaat. —- De zure oplossing geeft met zwavelwaterstof een geel nóerslag van

\') Het kristnllijne As\'O3 is driemaal minder oplosbaar.

-ocr page 24-

üwavelarsenik, dat in ammonia oplosbaar is. Met kool verhit, verspreidt het den knoflookachtigen reuk van arsenicum.

Met ammonia geneutraliseerd, geeft de waterige oplossing met zilvernitraat een geel neêrslag van zilverarseniiet, dat bij meerdere toevoeging van ammonia gemakkelijk daarin oplost.

Onderzoek.

1°. Stukken of het daarvan bereide poeder. Sluit het gebruik van het in den handel voorkomende, menigvuldig vervalscht wordende poeder, z. g. „wit arsenikquot;, uit.

2°. Arsenigzuur, in een droog buisje verhit, gaat over in een kleurloos, kristallijn sublimaat. Een gehalte aan zwavelarsenik zod het sublimaat gekleurd doen zijn. Vervalschingen als krijt, gips, zwaarspaath enz. zouden terugblijven.

3°. Het zij in water moeilijk, doch volkomen oplosbaar. Ook hier zouden de sub 2°. genoemde vervalschingen door hare onoplosbaarheid achterblijven.

4°. gemakkelijker evenwel na toevoeging van ehloonvater stof zuur. Een gehalte aan zwavelarsenik, in chloorwaterstofzuur onoplosbaar, zou hierdoor ontdekt kunnen worden.

5°. Deze zure oplossing geeft met zwavelwaterstof een geel nefr-slag, dat in ammonia geheel oplosbaar is. Afwezigheid van anti-moonzout, daar zwavelantimoon weinig in ammonia oplosbaar ia.

6°. l)c oplossing in verdund chloonvaterstof zuur moet, na met zwavelwaterstof gas verzadigd, gefiltreerd en verdampt te zijn, niet meer dan 0.2 pet. van het gebruikte Arsenigzuur aehterlaten. Een overschot zou kunnen wijzen op verontreiniging met ijzer-, nikkel-, cobalt-, aard alkali-, alkali-verbinding enz. Sporen werden toegestaan.

70. 200 mG. Arsenigzuur, met 1 Grm. natriumhydrocarbonaat, onder verwarming in 40 eM3. water opgelost, vereiseht, na bekoeld en met 1 Grm. natrnimhydroearbonaat en eenige droppels stijfsel-oplossing vermengd te zijn, 40—40.4 cM3. volumetriseh jood ter blauzukleuring. Het arsenigzuur, door natriumhydrocarbonaat als arsenigzure natron in oplossing gebracht, wordt door het jodium geoxydeerd tot arseen- of arsenikzure natron onder vorming van joodwaterstofzuur, dat door natriumhydrocarbonaat wordt gebonden.

As203 4 I 2 H»0 = As20r- -f 4 Hl

arseentrioxyde jodium water arseenpentoxyde joodwaterstofzuur

De oxydatie tot arsenikzuur door het jodium zal geschieden zoo-

-ocr page 25-

i7

lang arsenigzuur voorhanden is; is dit niet meer het geval, dan zal een droppel overmaat van toegevoegde joodoplossing de stijfsel-oplossing blauw kleuren.

198 Grm, Arsenigzuur (As;!03 = 198) worden geoxydeerd door 508 Grm. jood (4!= 508); 0.200 Grm. dus door 0.513 Grm. jood. Volunictrisch Jood bevat daarvan 12.7 Grm. per 1000 cM3. \'); 0.513 Grm. is dus vervat in 40.4 cM3. Zijn niet meer dan 40 cM3. volu-metrisch jood, die 0.508 Grm. jood bevatten, ter blauwkleuring noodig, dan wijzen deze aan 0.198 Grm. arsenigzuur. Op 0.200 Grm. wordt dus 0.002 Grm., d. i. 1 pet., door jodium niet oxydeerbare verontreinigingen toegestaan.

ACIDUM BENZOICUM.

BENZO K Z U U R.

F LOR ES BENZOËS.

Het zij uit Benzot1 bereid door sublimatie.

Fijne, prismatische of plaatvormige, glanzige en naar Benzoë riekende kristallen, die, versch bereid, kleurloos zijn, doch allengs geel worden.

Verwarmd, smelt Benzoëzuur en gaat het in prikkelende dampen over, slechts weinig kool achterlatend, die geheel verbrandbaar moet zijn.

Met 16 deelen water verwarmd, losse het onder gedeeltelijke smelting volkomen op.

Benzoëzuur lost op in zijn drievoudig gewicht sterken spiritus, moeilijk in water, gemakkelijk in aether en in chloroform.

Als 5 cM\'. water, met 0.1 Grm. Benzoëzuur gekookt, na bekoeld te zijn, met 1 cM3. volumetrisch permanganaat vermengd wordt, moet de violette kleur nagenoeg terstond verdwijnen.

Benzpezuur, met de helft van zijn gewicht kaliumpermanganaat en eenige droppels water saamgewreven, mag geen reuk van bittere-amandelolie doen ontstaan.

Met water bevochtigd Benzoëzuur, dat met koperoxyde in een niet lichtende vlam verhit wordt, kleure deze niet blauw of groen. Met kalk-hydraat verwarmd, mag het geen ammoniakreuk verspreiden.

Samenstelling. C0Hr,.COOli ol; aeth.

Benzoëzuur, een organisch zuur, kan afgeleid worden van toluol,

\') /.ie Lijst van Volumetrische Vloeistoffen.

-ocr page 26-

-

18

de tweede koolwaterstof uit een reeks dier stoffen van de alge-meene formule Cquot;II2quot; behoorende tot de z.g. aromatische lichamen.

Coh» C7H8 C8Ii10 C»II12 C10li14 CnHin-G

benzol toluol xylol cumol cymol algemeen

Toluol is te beschouwen als benzol, waarin één atoom waterstof door de éénwaardige CH3-groep is vervangen; xylol enz. kan op dezelfde wijze van de voorafgaande koolwaterstof worden afgeleid.

C0H5.H CcH5.CH3 C\'IP.Cl-P.CII3 C\'IP.CIP.CIP.CH3

benzol toluol xylol cumol

Uit deze koolwaterstoffen ontstaan, evenals dit bij ,,Acidum aceticumquot; is aangegeven, door achtereenvolgens driemaal één atoom waterstof eener CH3-groep door de éénwaardige hydroxyl-, OH, groep te vervangen, de drie lichamen; alcohol, aldehyde en zuur, de beide kaatsten eveneens na afsplitsing van water. Voor toluol zijn deze substitutie-producten:

Cl-P.CH3 C0HS.CH2.OH CTP.COH C0H5.COOH

toluol benzylalcoliol benzylaldehyde beuzoë/.uur

Het Benzoczuur der Pharmacopee is dit benzoëzuur benevens aanliangende, mede vervluchtigde, riekende smeulingspioducteii der Benzoë.

Bereiding. Het Benzoëzuur der Pharmacopee moet bereid worden uit Benzoë door sublimatie en wel uit kancelzuurvrije, d. i. Siam-Benzoë, daar een gehalte aan kaneclzuur van het Benzoëzuur niet wordt toegestaan. Zij moet dus vooraf op een mogelijk gehalte aan kaneelzuur onderzocht worden, door 3 a4 Grm. poeder van verschillende stukken met de helft van het gewicht kalium-permanganaat en een weinig water saam te wrijven, waardoor, ook bij zachte verwarming, geen reuk van bittere-amandelolie mag waargenomen worden. Men brengt daarna de Benzoë tot giof poeder en strooit ze uit in een laag van 2—3 cM. dikte in e.enc ruime, doch lage, platte, ijzeren schaal. Deze plakt men van boven aan de opening met vloeipapier dicht en bevestigt er vervolgens een stevigen, papieren kegel overheen, waarna men gedurende eenige uren op het zandbad tot eene temperatuur van 1600 a 1800 verhit. Het Benzoëzuur sublimeert door het vloeipapier heen en verzamelt zich daarboven in den kegel.

Deze toestel kan natuurlijk naar omstandigheden gewijzigd worden. Zoo gebruikt men bij de bereiding in \'t groot in plaats van

-ocr page 27-

ig

den papieren kegel een vierkante, houten subiimeerkast, door een buis aan het sublimeervat verbonden, waarin de Benzoëzuur-dampen met behulp van een luchtstroom worden gedreven. Het Benzoezuur hecht zich aan de wanden der kast en aan daarin geplaatste, onvolkomen tusschenschotten, terwijl de lucht aan het uiteinde door een schoorsteen ontwijkt.

Eigenschappen. Fijne, lichte, prismatische of plaatvormige, glanzige en naar Benzoë riekende kristallen, die, versch bereid, kleurloos zijn, doch allengs geel worden. Verwarmd, smelt Benzoë-zuur en gaat het in prikkelende dampen over, een zeer geringe, bijna onweegbare hoeveelheid kool achterlatend. In koud water (370) is Benzoezuur moeilijk, in warm water (16), waarbij het gedeeltelijk smelt, gemakkelijker, in spiritus (2.5) en aether (3) goed oplosbaar. — Met ferrichlorideoplossing geeft het een isabelgeelkleurig neerslag van ferribenzoaat, dat door verdund zwavelzuur opgelost wordt onder afscheiding van benzoëzuur-kristallen.

Onderzoek.

in. het rjij uit Bciirjoë bereid. Benzoëzuur kan ook bereid worden:

a. uit toluol. Hierin wordt, onder verwarming en invloed van \'t licht, chloorgas geleid, waardoor zich benzyltrichloride vormt, dat onder drukking met water in benzoëzuur wordt omgezet.

C»Hs.CrP 6C1 = CH^CCl3 3HCI

toluol chloor benzyltrichloride chloorwaterstofzuur

C\'IP.CCl3 4- I-PO = C«HK.COOH 3HCI

benzyltrichloride water benzoëzuur chloorwaterstofzuur

b. uit naphtaline. Dit wordt door oxydatie met salpeterzuur in phtalzuur omgezet, welk phtalzuur, aan kalk gebonden, bij hooge temperatuur, onder afsluiting van lucht, met kalkhydraat benzoë-zure kalk levert, waaruit het zuur door een ander zuur kan worden afgescheiden.

C10H8 8 O = C«H*.(COOH)^ 4- COOH.COOH

naphtaline zuurstof phtalzuur zuringzuur

2 rC0H4.(COO)2Ca quot;j 4 Ca(OH)2 = (CöH-\'.COO)2 Ca 4 2 Ca CO3

L phtalzure kalk jcalciunihydroxyde benzoëzure kalk calciumcarbonaat

c. uit hippuurzuur, een vooral in de urine van plantenetende dieren, zooais paarden en koeien, voorkomend zuur. Dit wordt door langdurige koking met zuren of alkaliën onder opname van water gesplitst in benzoëzuur en amido-azijnzuur of glycocoll.

-ocr page 28-

20

CH2.NH.(C0H5.CO).COOH4-MïO==C(iH!!.COOH-|-CIlïNlI2.COüH hippuurzuur water henzoëzuur amido-azijnzuur.

2°. het zij bereid door sublimatie. Benzoözuur kan ook langs den natten weg uit Benzoë bereid worden.

a. door Benzoë herhaaldelijk met een alkali of aardalkah, bijv. kalkhydraat, uit te koken en het opgeloste benzoëzure zout, ealciumbenzoaat, door een zuur, chloorwaterstofzuur, te ontleden.

b. door Benzoë in sterken spiritus op te lossen en de oplossing na filtratie met water te verdunnen, ten einde de harsachtige stoffen te precipiteeren, waarna het opgelost gebleven Benzoëzum

kan worden uitgekristalliseerd.

30. naar Benzol! riekende kristallen, die, versch bereid, kleurloos zijn , doch allengs geel worden. Met door sublimatie verkregen

Benzoëzuur is riekend door bovengenoemde aanhangende, vluchtige

stoffen, die bij de sublimatie mede zijn overgegaan en, aanvankelijk kleurloos, door oxydatie aan de lucht onder invloed van het licht zich geel kleuren, waarom het Benzoëzuur daartegen beschut moet worden. Andere soorten van Benzoëzuur bezitten deze niet, rieken dus ook niet en zijn kleurloos. Het benzoe-zuur, uit hippuurzuur bereid, bezit een min of meer urineachti-gen reuk.

40. Verwar nul, gaat het in prikkelende dampen over, slechts weinig kool achterlatend. De kool is afkomstig van de aanhangende stoffen en is dus zeer gering. Eene grootere hoeveelheid zou kunnen wijzen op verontreiniging met hippuurzuur.

50. die geheel verbrandbaar moet zijn. Afwezigheid van niet-

vluchtige, anorganische stoffen.

6°. met 16 deelen water verwarmd, losse het onder gedeeltelijke smelting volkomen op. Andere soorten van Benzoëzuur dan het door sublimatie gewonnene smelten niet onder het oplossen. Onoplosbare stoffen, bijv. benzoëzure kalk, mogen niet achterblijven.

7«. Als 5 cM*. water, met 0.1 Grm. Bcnzoi\'znur gekookt, na bekoeld te zijn, met 1 rTI/3. volumetrisch permanganaat vermengd wordt, moet de violette kleur nagenoeg terstond verdwijnen. De reductie van het permanganaat geschiedt door de aanhangende, aldehydeachtige, vluchtige stoffen; andere soorten van Benzoëzuur zullen het permanganaat dus niet reduceeren. Bovendien slaat de proef op eene genoegzame hoeveelheid dezer ne-

-ocr page 29-

21

kende stoffen. Verdwijnt de kleur niet volkomen of eerst na langeren tijd , dan is de hoeveelheid daarvan te gering.

8°. Eenzoè\'zuur, met de helft van zijn gewicht kalmmpennan-ganaat en eenige droppels water sadmgeivreven, mag geen. reuk van bittere-amandelolie doen ontstaan. Reactie op kaneelzuur, waarmede het zuur verontreinigd kan zijn door het gebruik van daarmeó bedeelde Sumatra-Benzoë. Het kaneelzuur wordt door het permanganaat geoxydeerd tot benzylaldehyde, het riekende bestanddeel van bittere-amandelolie.

C0H5.CH: CH.COOH 4O = CBHs.COH -f 2 CO^ IPü

kaneelzuur zuurstof benzylaldehyde kooldioxyde water

9U. Met water bevochtigd Benzoc\'zuur, dat met koperoxyde in een niet lichtende vlam verhit wordt, klenre deze niet blauw of groen. Reactie op Benzoözuur, uit toluol bereid. Bij het leiden van chloorgas in toluol treedt in den regel niet alleen chloor in de CH3-gToep, maar ook in de benzolkern, in de C111P-groep, waardoor naast benzoëzuur tevens min of meer gechloorde benzoëzuren, chloorbenzoëzuren, ontstaan. Deze nu kleuren de vlam met koper-oxyde blauw tot groen. \') — Men gloeie het koperoxyde vóór de proef even in de vlam uit, omdat het door verontreiniging met chloruur soms op zich zelf reeds de vlam kleurt.

10°. Met kalkhydraat verwarmd, mag het geen ammoniakreuk verspreiden. Reactie op Benzoëzuur, uit hippuurzuur bereid, dat bij verhitting met kalkhydraat ammoniak ontwikkelt.

ACIDUM RORICUM.

V O O R Z U U R.

Glinsterend witte plaatjes of een wit poeder. Verhit, smelt lioomiur gemakkelijk, zwelt daarna sterk op en smelt ten tweeden male, om, na bekoeld te zijn, een glasachtige stof achter te laten.

Boorzuur kleurt een niet lichtende vlam groen.

I

In koud water is Boorzuur moeilijk oplosbaar, gemakkelijker in kokend

\') Aan deze proef voldoet geen enkel lienzoe^uur. Beter kan een mogelijk chloor-gehalte opgespoord worden door samensmelting van het Zuur met kaliumnatriumcarbo-naat, onder toevoeging van een weinig water. Men lost de achterblijvende massa op en onderzoekt, onder toevoeging van verdund salpeterzuur, met zilvernitraat op chloride.

-ocr page 30-

22

water en in warmen sterken spiritus. De oplossing in water kleurt blauw lakmoespapier flauw rood en, na met een weinig verdund chloorwater-stofzuur vermengd te zijn, curcumapapier bij het opdrogen roodbruin.

De oplossing van Boorzuur (1=50) mag niet troebel of gekleurd worden door baryumchloride, door zilvernitraat of door zwavelwaterstof.

Samenstelling. H3B03

Het element Borium is driewaardig, vormt dus met zuurstof het oxyde I^O3, waaruit door vervanging van de drie tweewaardige zuurstofatomen door zes éénwaardige hydroxyl-, OH, groepen het boorzuur ontstaat.

BH)3 B2(OH)B = 2 B(OH)3 = 2 H3B03

boortrioxyde boorzuur

Bereiding. Door ontleding van borax met een zuur.

(Na\'BH)7 10 H20) 2 HNO3 =4H3B03 -f- 2 NaNO3 5 Ilsü

borax salpeterzuur boorzuur natriumnitraat water

Men lost 10 dln. borax op in 30 dln. kokend water, filtreert en voegt toe 6.5 dln. salpeterzuur of 8 dln. chloorwaterstofzuur. Zwavelzuur laat zich minder goed gebruiken, daar het afgescheiden boorzuur steeds sporen hiervan terughoudt, die zich niet laten uitwasschen. Men laat het gevormde boorzuur door bekoeling in de koude zich afzetten, verzamelt den nöerslag, perst hem uit en kristalliseert het boorzuur uit 20 dln. kokend water om, waarna het bij zachte warmte wordt gedroogd. Bij het gebruik van chloorwaterstofzuur wordt het zuur ten slotte nog tot 1200 a 130° verhit, om aanhangende sporen chloorwaterstofzuur te doen vervluchtigen.

Eigenschappen. Reuklooze, glinsterend witte plaatjes of een wit poeder, moeilijk oplosbaar in koud water (25), minder moeilijk in spiritus (15), gemakkelijker in kokend water (3) en in warmen, sterken spiritus (6). — De oplossing in water reageert zwak zuur, kleurt blauw lakmoespapier flauw rood en, na met een weinig verdund chloorwaterstofzuur vermengd te zijn, curcumapapier bij het opdrogen roodbruin. Boorzuur, in alcohol opgelost, kleurt een niet lichtende vlam groen. Verhit, smelt het gemakkelijk, zwelt daarna sterk op en smelt ten tweeden male, om, na bekoeld te zijn, een glasachtige stof achter te laten.

-ocr page 31-

23

Onderzoek.

1°. De oplossing van Boorznur (i = 50) mag niet troebel of gekleurd zvorden door barytunchloride, door zilvernitraat of door zzvavehvaterstof. Afwezigheid van sulfaat, chloride of zware metalen als lood of koper.

A C I ü U M CI T R I C U M.

CITROENZUUR.

Kleurlooze, doorschijnende kristallen, die, als zij verwarmd worden, smelten, geheel verbrandbaar en in water en in sterken spiritus gemakkelijk oplosbaar zijn.

De oplossing in water blijft, na met een overmaat van kalkwater vermengd te zijn, bij de gewone temperatuur helder, maar geeft onder het koken een néerslag, dat bij het bekoelen geheel of nagenoeg geheel verdwijnt.

Poeder van Citroenzuur, met zwavelwaterstof water overgoten, worde niet gekleurd, zelfs niet na toevoeging van ammonia in overmaat.

De oplossing van Citroenzuur in water (1 == to) worde noch door baryumchloride, noch door ammoniumoxalaat terstond troebel.

1 Grm, poeder van Citroenzuur geve met 1 Grm. kaliumacetaat en 3 Grm. water een heldere oplossing.

Samenstelling. C0lI8O7 -f- IPG

Citroenzuur is een organisch, driebasisch zuur, d. w. z. het bevat drie carboxyl-, COOH, groepen, waarin de drie atomen waterstof door metaal kunnen worden vervangen. Het kristalliseert met één molecule kristalwater. Synthetisch kan het afgeleid worden van de reeds bij „Acidum aceticumquot; genoemde koolwaterstof propane, C3H8. Wordt in elke der drie CH-groepen dezer koolwaterstof één waterstofatoom door één hydroxyl-groep vervangen, dan ontstaat daaruit een driewaardige alcohol, de glycerine.

C3!!0 of CH\'.CfP.CM3; C3H5(OII)3 ofCH2(OH).CH(OH).CII2(üH)

propane glycerine

In de plaats van deze hydroxyl-grocpen kan ook het één waardige chloor treden, hetzij geheel of gedeeltelijk. Zoo kunnen in

-ocr page 32-

24

de glycerine door inwerking van chloorwaterstofzuur twee hydroxyl-groepen door chloor vervangen worden en

CH2C1.CH0H.CH2C1

dichloorhydrine

ontstaan.

Wordt dit geoxydeerd, dan treden de twee atomen waterstof der CHOH-groep met zuurstof als water, H1Ü, uit en ontstaat

CH2C1.C0.CH2C1

dichlooraceton

]?ij behandeling van dit lichaam met cyaanwaterstofzuur kan het chloor door het dénwaardige cyaan, CN, worden vervangen, terwijl de Cü-grocp het cyaanwaterstofzuur, CN1I, geheel bindt. Er ontstaat dan hot

CH2 CN.COHCN.CH2 CN

cyanuur of nitriel van citroenzuur

waaruit, door verhitting met chloorwaterstofzuur, onder watcrcp-name en afscheiding der stikstof als ammoniak. Nil3, het cyaan in carboxyl kan worden veranderd en

CIPCOOH.COHCOOH.CIPCOOH

citroenzuur

ontstaat.

Bereiding. Het Citroenzuur wordt fabriekmatig bereid uit het door vrijwillige gisting en daarop volgende koking geklaarde sap van voor de verzending ongeschikte en onrijpe citroenen. Dit sap wordt in looden kuipen door inleiding van stoom tot koken verhit en vervolgens koolzure kalk, geslibd krijt, onder omroeren daarin gebracht. Onder ontwikkeling van kooldioxyde vormt zich citroenzure kalk, die de eigenschap bezit, wel in koud, doch niet in warm water oplosbaar te zijn. Na volledige neutralisatie bezinkt dus het zout in de heete vloeistof; men giet daarna het bovenstaand vocht af, verzamelt den neêrslag, wascht hem met heet water af en brengt hem in de kuipen terug, waar men er onder omroeren eenigszins verdund zwavelzuur bijvoegt. Hierdoor wordt het zout ontleed en eene oplossing van citroenzuur verkregen, terwijl onoplosbare zwavelzure kalk, gips, zich afzet. Door coleeren hiervan afgezonderd, wordt de oplossing van citroenzuur ingedampt, ten einde het zuur te doen kristalliseeren. Ter reiniging wordt het, na behandeling met dierlijke kool, omgekristalliseerd.

-ocr page 33-

25

2 C,!Hö07 3 CaCO3 = Ca3(C6HB07)1 3 CO^ -f- 3 IPO

citroenzuur koolzure kalk citroenzure kalk kooldioxyde water

Ca3(C0H5O7)2 3 HsS04 = 2 C6H807 -f 3 CaSO4

citroenzure kalk zwavelzuur citroenzuur zwavelzure kalk

Eigenschappen. Kleurlooze, reuklooze, doorschijnende, sterk zuur smakende kristallen, die, als zij verwarmd worden, smelten en zonder reuk geheel verbranden. In water (0.54) en in sterken spiritus (i) zijn zij gemakkelijk oplosbaar. — De oplossing in water blijft, na met een overmaat van kalkwater vermengd te zijn, bij de gewone temperatuur helder, maar geeft onder het koken een neerslag van calciumcitraat, dat bij bekoeling wederom oplost.

Onderzoek.

i0. Kleurlooze kristallen. Is bij de bereiding een te groote overmaat zwavelzuur aangewend, dan kan tijdens de indamping verkoling en daardoor kleuring plaats hebben.

20. die geheel verbrandbaar zijn. Een residu zou kunnen wijzen op verontreiniging met niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. zwavelzure kalk.

2iquot;. De oplossing in water blijft, na met een overmaat van kalkwater vermengd te zijn, bij de gewone temperatuur helder, maar geeft onder het koken een neerslag, dat bij het bekoelen geheel of nagenoeg geheel verdivijnt. In onderscheid met wijnsteenzuur, dat reeds bij gewone temperatuur met overmaat kalkwater een neerslag geeft. Eene zeer geringe troebeling kan tijdens de proef ontstaan en ook na bekoeling blijven bestaan, door de vorming van koolzure kalk uit het kalkwater en het kooldioxyde der lucht.

40. Poeder van Citroenzuur, met zwavelwaterstof water overgoten, worde met gekleurd, zelfs niet na toevoeging van ammonia in overmaat. Reactie op zware metalen, met name op lood. Grootere hoeveelheden lood worden reeds in de zure oplossing, zeer geringe eerst na neutralisatie met ammonia ontdekt.

5°. De oplossing van Citroenzuur in water (1 = 10) worde noeh door baryumchlonde, noch door ammoniumoxalaat terstond troebel. Afwezigheid van zwavelzuur of sulfaat en van kalk-zout. Sporen worden toegestaan.

6°. i Grm. poeder van Citroenzuur geve niet 1 Grm. kaliumacetaat en 3 Grm. water een heldere oplossing. IS ij aanwezigheid

-ocr page 34-

26

van wijnsteenzuur zal een nóerslag ontstaan van kaliumhydro-tartraat. Men neme voor deze proef het gemengde poeder van verschillende kristallen.

A C I D U M HYDROCHLORIC UM.

C H LOORWATERSTOFZUU R.

Een kleurloos, helder vocht van 1.126 soort, gew., dat, met mangaan-peroxyde verwarmd, chloor ontwikkelt.

Het zij volkomen vluchtig.

Zwavelwaterstof mag Chloorwaterstofzuur, dat met ammonia bijna verzadigd is, niet troebel maken of kleuren, ook niet nadat ammonia in overmaat daaraan is toegevoegd.

Chloorwaterstofzuur, met zijn vijfvoudig volumen water vermengd , worde niet blauw door kaliumjodidestijfsel en niet troebel met baryumchloride, ook niet na toevoeging van broomwater.

Indien 3 cM3. Chloorwaterstofzuur, met 6 cM3. water vermengd, door broomwater even geel gekleurd en daarna door phenol ontkleurd; dit mengsel in een reageerbuis, waarin eenige stukjes zink, overgebracht, de opening der buis met een losse prop watten en een stuk filtreerpapier gesloten is, welks midden met zilvernitraat (1 = 2) bevochtigd wordt, dan mag deze plek, zelfs na 15 minuten, niet geel, en evenmin, met water bevochtigd, terstond zwart worden.

5 Grm. Chloorwaterstofzuur verzadigt 34.2 cM3. van h\'et volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 25 pet.

Samenstelling, HCl aq.

Chloorwaterstofzuur of zoutzuur is een gasvormig, éc;nbasisca, zuurstofvrij, z.g. halogeenzuur, ecne verbinding van de twee een-waardige elementen waterstof en chloor.

Het Chloorwaterstofzuur der Pharmacopee is cene 25-proccntische oplossing hiervan in water.

Bereiding. Door destillatie van natriumchloridc met zwavelzuur. Na Cl IPSO1 = HCl NaHSO*

natriumchloride zwavelzuur chloorwaterstofzuur natriumhydrosulfaat

10 Dln. keukenzout worden onder verwarming in een ruime kolf met veiligheidsbuis gedestilleerd met 18 dln. zwavelzuur, ver-

-ocr page 35-

27

dund niet 4 din. water. Het gas wordt, na in water afgewas-schen te zijn, in 15 dln. water opgevangen.

In den handel komt een geel tot geelbruin gekleurd, ruw zoutzuur voor, dat als bijproduct verkregen wordt bij de Soda-fabri-catie volgens de methode van Le-Blanc \'). Dit ruwe zuur kan verontreinigd zijn met zwavelzuur, zwaveligzuur, chloor, organische stoffen, ferrichloride en arsenik. Een zuiver zuur kan hieruit verkregen worden door destillatie, na genoemde verontreinigingen daaruit verwijderd of de vluchtige in nict-vluchtige omgezet te hebben. Men voegt daartoe eerst eenige korrels mangaanperoxyde toe, die met het zoutzuur chloor ontwikkelen.

Mn O2 -f 4 HCL = Mn Cl2 2 H20 2 Cl

mangaanperoxyde chloorwaterstofzuur mangaanchloruur water chloor

Dit chloor oxydeert voorhanden zwaveligzuur tot zwavelzuur, dat te gelijker tijd in mangaansulfaat wordt omgezet; bovendien vernietigt het organische stoffen. Daarna worden in het met 30-pct. water verdunde en lauwwarm gemaakte zuur gedurende eenige uren een paar stroken blank koper geplaatst. De overmaat ontwikkeld of reeds voorhanden chloor wordt door het koper als cuprichloride, CuCl2, gebonden; vluchtig ferrichloride wordt daardoor gereduceerd tot niet-vluchtig ferrochloride en voorhanden arsenik slaat op het

Fe2ClG Cu = 2 Fe Cl2 Cu2Cl2

ferrichloride koper ferrochloride cuprochloride

koper als arseenkoper. As2Cu\', neer. Men schuurt den aanslag op de koperen platen een paar malen af, waarna men ze er weer in plaatst, en destilleert ten slotte het zuur uit een retort, waarin een paar stukjes koper, om de oxydatie van ferrochloride te voorkomen. Men vangt het destillaat op in een afgekoelden ontvanger, waarin een geringe hoeveelheid water.

Is het op de een of andere wijze verkregen zuur te sterk, dan wordt het volgens de bij „ Acidum aceticum quot; opgegeven formule verdund.

Eigenschappen. Een kleurloos, helder, volkomen vluchtig vocht van 1.126 soort. gew., dat zeer prikkelend zuur riekt en sterk zuur reageert. —Een glazen staafje, met ammonia bevochtigd en boven het zuur gehouden, geeft witte dampen van ammoniumchloride af. Met mangaanperoxyde verwarmd , ontwikkelt het chloor.

\') Zie bij «Carbouas natricus.»

-ocr page 36-

28

Met zilvernitraat geeft het een wit neérslag van zilverchloricle, onoplosbaar in salpeterzuur, gemakkelijk oplosbaar in ammonia.

Onderzoek.

1°. Een kleurloos vocht. In onderscheid met het ruwe zoutzuur.

2°. van i.126 soort.gerv. Staat in verband met het zuurgehalte.

30. het zij volkomen vluchtig. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen.

4°. TLwavehvaterstof mag Chloorwaterstofrjnnr, dat met ammonia bijna verzadigd is, niet troebel maken of kleuren. Een witte troe-beling kan afkomstig zijn van zwavel bij aanwezigheid van zwa-veligzuur, chloor of ferrichloride, een gele van arsenik en donkerder troebeling of kleuring van zware metalen als lood, koper of tin.

50. ook niet nadat ammonia in overmaat daaraan is toegevoegd. Afwezigheid van zink of ijzer.

6°. Chloorwaterstof zuur, met zijn vijfvoudig volumen water verdund, worde niet blauw door kalium jodide stijfsel. Slaat op verontreiniging met vrij chloor, dat uit kaliumjodidc jodium vrij zou maken, hetwelk de stijfsel blauw kleurt.

7°. en niet troebel door baryumchloride. Afwezigheid van zwavelzuur of sulfaat.

8°. ook niet na toevoeging van broonnvater. Afwezigheid van zwaveligzuur. Het broomwater oxydeert het zwaveligzuur tot zwavelzuur, dat alsdan door baryumchloride wordt neergeslagen.

9°. Indien 3 cM*. Chloorwaterstofzunr, met 6 cM*. water vermengd, door broomwater even geel gekleurd en daarna door phenol ontkleurd; dit mengsel in een reageerbuis, waarin cenige stukjes zink, overgebracht; de opening der buis met een losse prop watten en een stuk filtreerpapier gesloten is, ivelks midden met zilvernitraat (1 — 2) bevochtigd zuordt, dan mag deze plek, zelfs na 15 minuten, niet geel, en evenmin, met water bevochtigd, terstond zwart worden. Reactie op arsenik. De waterstof, uitliet chloorwaterstofzunr en het zink ontwikkeld, vormt bij aanwezigheid van arsenik daarmede arseenwaterstof, die, door de watten gereinigd en gedroogd, met geconcentreerde zilvernitraat-oplossing geel arseenzilver vormt. Hij verdunning der zilvernitraat-oplossing scheidt zich metallisch, zwart gekleurd zilver af.

As IP 6 Ag NO3 = As Ag3 (Ag NO3)3 3 11NÜ3

arseenwaterstof zilvernitraat zilverarseen-zilvernitraat salpeterzuur

-ocr page 37-

29

2 As H3 4- 12 Ag NO3 3ri2ü = As^O3 -f i2HN03 i2Ag

arseenwuteistof zilvernitraat water arsenigzuur salpeterzuur zilver

Het broomwater dient, om mogelijk voorhanden zwaveligzuur, dat door de waterstof gereduceerd zou worden tot zwavelwaterstof, wat met zilvernitraat zwart zwavelzilver zou geven, tot zwavelzuur te oxydeeren en aldus onschadelijk te maken. De overmaat broom wordt aan phenol gebonden, omdat het broom met de waterstof broomwaterstofzuur zou vormen, dat met zilvernitraat geelachtig,, aan het licht grauw wordend broomzilver geeft \').

io0. 5 Grvi. Chloonuaterstofsinir verzadigt 34.2 c]\\P. van het volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Zuur gehalte van 25 pet. 34.2 cM3. Volumetrisch alkali neutraliseeren 34.2 cM3. volu-. metrisch zuur. Volumetrisch Chloorwaterstofzuur (HCl = 36.5) bevat 36.5 Grm. chloorwaterstofzuur per 1000 cM3., d. i. 1.248 Grm. per 34.2 cM3. Ueze moet vervat zijn in 5 Grm. Zuur, d. i. 25 pet. ongeveer.

ACIDUM HYDROCHLORICUM DILUTUM.

V E R DU N D C H L O O R WAT E R S T C) F Z U U R.

N. Chloorwaterstofzuur..............1

Water, van elk één deel............1

Meng ze.

Een helder, kleurloos vocht van 1.062 soort, gew., dat aan dezelfde eischen van zuiverheid moet voldoen als Chloorwaterstofzuur.

10 Grm. van het vocht verzadigt 34.2 cM3. van het volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 12.5 pCt.

Eigenschappen. In \'t algemeen dezelfde als Chloorwaterstofzuur. Het soort. gew. is 1.062.

Onderzoek.

1°. Verdund Chloorwaterstofzuur moet aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als Chloorwaterstofzuur. Zie dus aldaar.

2ft. to Grm. van het voeht verzadigt 34.2 cM*. van het volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 12.5 pet. Daar Verdund Chloorwaterstofzuur voor de helft bestaat

l) Wegens de groote gevoeligheid der zilvernitraat-oplossing voor reductie door andere oorzaken, bijv. licht, stof, papier, enz. is het wellicht beter, deze te vervangen door eene alcoholische mercurichloride-, sublimaat, oplossing, waardoor met arseenwalerstof op papier eene gele tot bruine vlek ontstaat.

-ocr page 38-

uit Chloorwaterstofzuur en het gehalte hiervan 25 pet. bedraagt, zal dit bij Verdund Chloorwaterstofzuur 12.5 pet. bedragen. — 34.2 cM3. Volumetrisch alkali neutraliseeren 34.2 cM3. volumetriseh zuur, dat 36.5 Grm. Chloorwaterstofzuur (IICl — 36.5) per 1000 cM3. bevat, d. i. 1.248 Grm. per 34.2 cM3. Deze moet vervat zijn in 10 Grm., d. i. dus 12,5 pet. ongeveer.

A C I D U M N IT RI C U M.

S A L 1\' E T E R Z U U R.

Een helder, kleurloos vocht van 1.317 soort. gew., dat koper, onder ontwikkeling van een bruinrood gas, oplost.

Het zij volkomen vluchtig.

Salpeterzuur mag, bij het oververzadigen met ammonia, niet troebel of gekleurd worden, ook niet als er daarna zwavelammonium aan wordt toegevoegd. (Jok raag het, na met zijn viervoudig volumen water verdund te zijn, noch door baryunmitraat, noch door zilvernitraat troebel worden.

Chloroform, geschud met Salpeterzuur, dat met een gelijk volumen water verdund is, mag niet gekleurd worden, ook niet na toevoeging van zwavelwaterstof.

5 Grm. Salpeterzuur verzadigt 39.fi cM3. van het volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 50 pCt.

Samenstelling. UNO3 -|- aq.

Een vloeibaar, cenbasisch, zuurstofhoudend, anorganisch stik-stofzuur. Stikstof treedt in hare verbindingen met zuurstof c:en-tot vijfwaardig op en vormt diensvolgens daarmede onderstaande verbindingen;

NjO N202 I^O3 N20/1 N^CK\'

stikstof stikstof stikstof stikstof stikstof

oxydule dioxyde trioxyde tetroxyde pentoxyde

of of

salpeterigzuur-anhydride salpeterzuur-anhydride

Wordt in de hoogste, vijfwaardige stikstofzuurstofverbinding, N2Os, ee:n tweewaardig zuurstofatoom door twee ciinwaardige hy-droxyl-, GIT, groepen vervangen, dan ontstaat salpeterzuur.

-ocr page 39-

3i

N\'Oquot; N2O4(OH)2 = IPN^8 = 2 TINO3

salpeterzuur-anhydricle sal pelerzuur

Het Salpeterzuur der Pharmacopee is een 50-proccntische oplossing van dit zuur in water.

Bereiding. Door destillatie van kalium- of natriumnitraat met zwavelzuur.

KNO3 -f IPSO» = UNO3 KHSO4

kaliumnitraat zwavelzuur salpeterzuur kaliumhydrosulfaat

Gelijke deelen kaliumnitraat en zwavelzuur worden in eene ruime, getubuleerde retort onder voortdurende afkoeling van den ontvanger in het zandbad gedestilleerd. Het destillaat, dat door het gebruik van kaliumchloride-houdend nitraat verontreinigd kan

2HCI -f 2 UNO3 == N204 4- 2CI 2 WO

chloorwaferstofzuur salpeterzuur stikstoftetroxyde chloor water

zijn met stikstoftetroxyde en chloor, wordt op de hieronder aangegeven wijze door gefractioneerde destillatie daarvan gezuiverd.

Fabriekmatig wordt het ruwe zuur verkregen uit ruw natriumnitraat, Chilisalpeter, en ruw zwavelzuur bij de zwavelzuurfabri-catie \'). Het is dan gewoonlijk verontreinigd met zwavelzuur, chloor, stikstofzuurstofverbindingen, jodium, joodzuur, als oxydatie-product van jodium door het salpeterzuur, en ijzerverbindingen. Uit dit geclgekleurde, ruwe, rookende zuur, „dubbel scheiwaterquot; genoemd, kan het zuivere bereid worden door gefractioneerde destillatie, na vooraf het zwavelzuur door toevoeging van eenig kalium-of natriumnitraat, waarbij tevens eenig salpeterzuur vrij wordt, gebonden te hebben. Men destilleert in een getubuleerde retort met afgekoelden ontvanger in het zandbad. Bij het verwarmen gaan de meer vluchtige verontreinigingen als gekleurde dampen het eerst over, terwijl vaste stoffen ten slotte achterblijven. Als de temperatuur tot 120° a 130° is gestegen, wordt de damp kleurloos en destilleert zuiver zuur. Men onderzoekt het juiste tijdstip, door een paar droppels afzonderlijk opgevangen destillaat met zilvernitraat op chloor te onderzoeken; zoodra een negatief resultaat is verkregen, legt men een anderen, ledigen ontvanger aan en vangt tot op een weinig na het overige als zuiver salpeterzuur op. Om sporen van stikstoftetroxyde, die het daardoor eenigs-

\') Zie bij « Acidum sulfuricum. »

-ocr page 40-

32

zins geel gekleurd destillaat nog steeds bevat, te verwijderen, verdunt men het destillaat eerst tot op het verlangde zuurgehalte volgens de formule bij „Acidum aceticumquot; opgegeven en verwarmt daarna voorzichtig eenigen tijd in het zandbad tot het kookpunt, waardoor het Zuur geheel en al kleurloos wordt.

Eigenschappen. Een helder, kleurloos, volkomen vluchtig vocht van 1.317 soort. gew., dat eigenaardig zuur riekt en sterk zuur reageert. — Onder ontwikkeling van een bruinrood gas, N2Ü4, lost het koper tot een blauwe vloeistof, die kopernitraat bevat, op. Met zwavelzuur vermengd, en op deze vloeistof voorzichtig gebracht een oplossing van ferrosulfaat, ontstaat aan den rand van afscheiding een violette tot bruine ring door eene verbinding van ferrosulfaat met stikstofdioxyde. Het kleurt de menschelijke huid geel, welke kleur door ammonia oranje wordt.

Onderzoek.

1°. een kleurloos vocht. In onderscheid met het ruwe salpeterzuur. Eene gele kleur kan ook wijzen op een gehalte aan stikstoftetroxyde, dat in het zuur kan ontstaan door ontleding onder den invloed van het licht, waartegen het dus beschut moet worden,

2 UNO3 = N^O4 -f O IPO

salpeterzuur stikstoftetroxyde zuurstof water

2°. van 1.317 soort. gew. Staat in verband met het zuurgehalte.

30. Het zij volkomen vluchtig. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen.

40. Salpeterzuur mag, bij het over verzadigen met ammonia, niet troebel of gekleurd worden, ook niet als er daarna zivavelam-monimn aan xvordt toegevoegd. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper, zink en ijzer; alsmede van chloor en jood, die zwavel zouden afscheiden.

50. Ook mag het, na met zijn viervoudig volumen water verdund te zijn, noch door baryumnitraat, noch door zilvernitraat troebel worden. Afwezigheid van zwavelzuur of sulfaat en van chloorwaterstofzuur of chloride.

6°. Chloroform, geschud met Salpeterzuur, dat met een gelijk volumen water verdund is, mag niet gekleurd worden. Afwezigheid van jodium, dat chloroform violet kleurt.

-ocr page 41-

33

7°. ook niet na toevoeging van zwavehvaterstof. Afwezigheid van joodzuur, hetwelk door zwavelwaterstof wordt gereduceerd tot jodium, dat chloroform zou kleuren.

8°. 5 Grvi. Salpeterzuur verzadigt 39.6 cM7,. van het volume-trisc/i alkali, hetgeen overeenkomt met een Znurgehalte van 50pet. 39.6 cM3, Volumetrisch alkali neutraliseeren 39.6 cM3. volumetrisch zuur. Volumetrisch Salpeterzuur (HNO3 = 63) bevat 63 Grm. salpeterzuur per 1000 cM3,, d. i. 2.495 Grm. per 39.6 cM3. Deze moet vervat zijn in 5 Grm. Zuur, d. i. 50 pet. ongeveer.

ACIDUM NITRIC UM DILUTUM.

VERDUND S A L P E T E R Z U U R. \'

N. Salpeterzuur, twee deelen............2

Water, drie deelen..............3

Meng ze.

Een helder, kleurloos vocht van 1.12 soort. gew., dat aan dezelfde eischen van zuiverheid moet voldoen als Salpeterzuur.

10 Grm. Verdund Salpeterzuur verzadigt 31.7 cM3. van het volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Znurgehalte van 20 pet.

Eigenschappen, In \'t algemeen dezelfde als Salpeterzuur. Het soort. gew. is 1.12.

Onderzoek.

i0. Verdund Salpeterzuur moet aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als Salpeterzuur. Zie dus aldaar.

20. 10 Grm. Verdund Salpeterzuur verzadigt cM* .van het volumetrisch alkali, hetgeen overeenkomt met een Znurgehalte van 20 pet. Daar Verdund Salpeterzuur voor 2/n bestaat uit Salpeterzuur en het gehalte hiervan 50 pet. bedraagt, zal dit van Verdund Salpeterzuur 20 pet. bedragen. — 31.7 cM3. Volumetrisch alkali neutraliseeren 31.7 cM3. volumetrisch zuur, dat 63 Grm. salpeterzuur (HNO3 = 63) per 1000 cM3. bevat, d. i. 1.997 Grm. per 31.7 cM3. Deze moet vervat zijn quot;in 10 Grm., d. i. dus 20 pet. ongeveer.

3

-ocr page 42-

34

A C I D ü M PHOSPHORICUM.

P H O S F H O R Z tJ U R.

J^eii heldere, kleur- en reuklooze vloeistof van 1.153 soort. gew., die, na met ammonia geneutraliseerd te zijn, met zilvernitraat een geel neêr-slag geeft, dat zoowel in salpeterzuur als in ammonia oplosbaar is.

Phosphorzuur mag, na met indigo even blauw gekleurd te zijn, die kleur bij verwarming niet verliezen. Met zijn drievoudig volumen water verdund, geve het noch met zwavelwaterstof, noch met baryumchloride terstond kleuring of troebeling, en evenmin met zilvernitraat, ook niet na daarmede verwarmd te zijn. Met ammonia oververzadigd, mag het niet troebel of gekleurd worden, ook niet na toevoeging van zwavelam-monium.

5 cM3. Phosphorzuur, met een gelijk volumen verdund zwavelzuur vermengd, moet, met zink behandeld zooals bij Chloorwaterstofzuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (1 = 2).

5 (Irm. Phosphorzuur verzadige, indien phenolphtalelne als indicator wordt aangewend, 25.5 cM3. van het volumetrisch alkali, betgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 25 pet.

Samenstelling. H3P04 aq.

Een driebasisch, zuurstofhoudend, anorganisch zuur. Phosphorus treedt in verbinding niet zuurstof drie- of vijfwaardig op en vormt dus daarmede de twee oxyden; P203, phosphortri- en PH)n, phos-phorpentoxyde. Worden in beide drie tweewaardige atomen zuurstof vervangen door zes ée\'nwaardige hydroxyl-, OH, groepen, dan ontstaan de zuren: pliosphorigzuur en phosphorzuur.

pjQ» P2(OII)(i = HBlgt;2ü(i = 2 IPPÜ3

phosphor pliosphorigzuur

trioxyde

PH)S PH)2(OII)quot; = 2113Pü\'1

phosphor phosphorzuur

pentoxyde

Behalve het H3P04 kunnen van het phosphorpentoxyde nog twee andere phosphorzuren afgeleid worden, door daarin niet drie, maar resp. een of twee atomen zuurstof door hydroxyl-groepen te vervangen.

pi Oquot; (OH)2 = HïP206 = 2 HPO3 P2 O3 (OH)4 =■ HHJ207

meta-phosphorzuur pyro-phosphorzuur

-ocr page 43-

35

r202(0 11)quot; = HT^O8 = 2 H3P04

ortho-phosphorzuur

Het officineele zuur is het ortho-phosphorzuur en wel een 25-procentische oplossing daarvan in water.

Bereiding. Met phosphorzuur voor pharmaceutisch gebruik wordt verkregen door oxydatie van phosphorus met behulp van salpeterzuur. Aanvankelijk vormt zich daardoor phosphorigzuur, terwijl, bij meerdere concentratie door indamping, het phosphorigzuur door een nieuwe hoeveelheid salpeterzuur tot phosphorzuur wordt geoxydeerd.

6 P -f- 6HNO3 6I-PO = óIPl\'O3 -f 3 N2Os

phosphorus salpeterzuur water phosphorigzuur slikstofdioxyde

6 II3PO3 4- 4 UNO3 = 6 H\'PO4 2N202 2 II20

phosphorigzuur salpeterzuur phosphorzuur stikstofdioxyde water

Men verwarmt in eene ruime kolf of retort met terugvloeikoeler 8 dln. salpeterzuur, verdund met 6 dln. water, waarin gebracht 1 dl. in stukjes gesneden phosphorus. Dc verwarming geschiedt het best in \'t waterbad; men zet haar voort, totdat de phosphorus geheel opgelost is. Men dampt vervolgens het vocht in eene porseleinen schaal zoolang uit, totdat geen nitreuse dampen meer ontwijken. Daarna verdunne men de overgebleven vloeistof met water tot 11 dln. en late er geruimen tijd, onder zachte verwarming, gewas-schen zwavelwaterstofgas door strijken. Hierdoor wordt mogelijk voorhanden arsenikzuur, afkomstig van arsenikhoudende phosphorus en daaruit door oxydatie met het salpeterzuur ontstaan, als zwavelarsenik neergeslagen. Om de laatste sporen hiervan te pre-

2 H3As O4 4- 5 H2S = As2S3 -f 8H2O 4- 2S

arsenikzuur zwavelwaterstof zwavelarsenik water zwavel

cipiteeren, zet men het met zwavelwaterstof verzadigde vocht nog eenigen tijd op een warme plaats neer, waarna men filtreert en de vloeistof zoolang verwarmt, totdat geen zwavelwaterstofreuk meer is waar te nemen. Men filtreert zoo noodig op nieuw en brengt het zuur ten slotte met water op het verlangde soortelijk gewicht.

Eigenschappen. Een heldere, kleur- en reuklooze, sterk zure vloeistof van 1.153 soort. gew., die verhit, onder waterverlies, eerst

-ocr page 44-

36

overgaat in pyrophosphorzuur en daarna bij roodgloeihitte in glasachtig metapbosphorzuur. — Met ammonia geneutraliseerd, geeft zij met zilvernitraat een geel neerslag van zilverphosphaat, dat zoowel in salpeterzuur als in ammonia oplosbaar is, en, met ammonia oververzadigd, met magnesiamixtuur een wit, kristallijn neérslag van ammonium-magnesiumphosphaat, dat in ammonia niet, in azijnzuur daarentegen gemakkelijk oplost.

Onderzoek.

1°. Ecu vloeistof van 1.153 soort. gew. Staat in verband met het zuurgehalte,

2°. die, na met ammonia geneutraliseerd te zijn, niet zilvernitraat een geel neerslag geeft. In onderscheid met p y r o p h o s p h o r z u u r, dat, na neutralisatie, door zilvernitraat wit wordt geprecipiteerd.

30. Phosphor zuur mag, na met indigo even blatnv gekleurd te zijn, die kleur bij verwarming niet verliezen. Reactie op oxydee-rende stoffen in \'t algemeen; hier meer bepaaldelijk op stikstof-zulirstofverbindingen, zooals salpeterzuur en salpeterigzuur.

40. Met zijn drievoudig volumen water verdund, geve hetnoeh met zwavekvaterstof. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper of tin, alsmede van arsenik.

50. noch met baryumchloride terstond kleuring of troebeling. Reactie op zwavelzuur, ontstaan uit zwavelhoudenden phosphorus door oxydatie met het salpeterzuur. Sporen worden toegestaan. Bovendien kan een gehalte aan zwavelzuur wijzen op phosphor-zuur, uit beenderasch bereid. Deze wordt daartoe met zwavelzuur behandeld, waardoor zich, onder afscheiding van calciumsulfaat, oplosbare zure phosphorzure kalk vormt, die, met natriumcarbo-naat verzadigd en vervolgens door chloorbaryum ontleed, in baryumphosphaat wordt omgezet, waaruit door zwavelzuur onder afscheiding van baryumsulfaat phosphorzuur wordt verkregen,

Ca3(P04)s f 2 HJS04 = CaH4(P04)2 2 CaSO4

Iricalciumphosphaat zwavelzuur monocalciuraphosphaat calciumsulfaat

Call4(PO\'\')2 2 Na2CO3 = CaNa4(P04)i 4- 2 CO2 -f- 2 H20

monocalcium- natrium- calcium-natrium- kool- water

phosphaat carbonaat phosphaat dioxyde

CaNa4(P04)2 3 BaCl2

calciu m-natrium- baryu m-

phospbaat chloride

= Pa3(PO4)2 -\\ 4 NaCl -f CaCP

baryum- natrium- calcium-

phosphaat chloride chloride


-ocr page 45-

37

Dit phosphorzuur is steeds zwavelzuur-houdend en mag dus niet gebruikt worden.

6°. cn evenmin met zilvernitraat. Reactie op chloor-, broom-cn joodwaterstofzuur. Ook metaphosphorzuur geeft, zonder voorafgaande neutralisatie met ammonia, een wit neêrsiag.

7°. ook niet na daarmede venvannd te zijn. Reactie op phos-phorigzuur, dat eerst na eenigen tijd of bij verwarming zilvernitraat, onder afscheiding van bruinzwart metallisch zilver, reduceert.

8°. Met ammonia oververzadigd, mag het niet troebel of gekleurd worden. Voorhanden kiezelzuur zou hierdoor neerslaan, eveneens zware metalen als lood, tin en ijzer. Koper zou de vloeistof blauw kleuren. Bovendien kan hierdoor eene verwisseling herkend worden met het phosphorzuur, uit beenderasch bereid. Dit phosphorzuur houdt steeds kalkzout opgelost, dat door oververzadiging met ammonia als phosphaat zou neêrslaan.

9°. ook niet na toevoeging van zzoavela nu non in m. Afwezigheid van zware metalen als zink of ijzer.

io0. 5 CjT/3. Phosphorzuur, met een gelijk volumen verdund ziva-velzuur vermengd, moet, met zink behandeld zooals bij Chloor-water stof zuur is voorgesehreven, zieh evenals dit gedragen tegen-over zilvernitraat (i — 2). Reactie op arsenik. Zie verder hierover bij „Acidum hydrochloricum. quot;

ii0. 5 Grm. Phosphorzuur verzadige, indien phenolphtale\'ine als indicator wordt aangewend, 25.5 ril/3, van het volnmetriseh alkali, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 25 pet. Bij neutralisatie met een alkali, bijv. natronloog, ontstaat uit het phosphorzuur, H3P04 , eerst wownatriumphosphaat, NaH^PO4, dat zuur, vervolgens c/Znatriumphosphaat, Na2l IPü4, dat zwak alkalisch, en ten slotte, indien de neutralisatie nog verder wordt doorgezet, /rmatriumphosphaat, Na3P04, dat sterk alkalisch reageert. Bij titratie gaat dus de zure reactie in eene duidelijke alkalische over, zoodra al het phosphorzuur in dinatriumphosphaat is omgezet; alsdan zal bij verdere toevoeging van volumetrisch alkali de kleurlooze vloeistof door de phenolphtaleïne violet-rood gekleurd worden. Men bezige natronloog als volumetrisch alkali en geen ammonia, omdat phenolphtaleïne als indicator bij ammoniakzouten niet te gebruiken is. Lakmoestinctuur, de gewone indicator bij Zuurbepalingen, zooals bij ,, Acidum aceticum, hydrochloricum , nitricum en sulfuricum,quot; kan bij Phosphorzuur niet dienen, omdat bij deze titratie geen eenvoudige overgang van de zure reactie

-ocr page 46-

in de alkalische plaats heeft, maar zoowel de zure reactie van het //w/tfnatriuinphosphaat, als de alkalische van hetrfVnatriumphosphaat, die elkander niet neutraliseeren, doch afwisselend sterker en zwakker naast elkander in de vloeistof voorkomen, zich doen gelden, zoodat een scherpe overgang van de roode kleur van het lakmoes in het blauw niet wordt verkregen. 25.5 cM3. Volumetrisch alkali neutraliseeren 25.5 cM3. volumetrisch zuur. Volumetrisch l\'hos-phorzuur 113PO \' = 49) 1) bevat 49 Grm. phosphorzuur per 1000 cM3., d. i. 1.25 Grm. per 25.5 cM3. Deze moet vervat zijn in 5 Grm., d. i. dus 25 pet.

A C I D U M SALICYLICUM.

SALICYLZUUR.

Kleurloo/.e, zeer lichte en fijne, glanzige kristallen, die aanvankelijk zoet, doch later samentrekkend smaken. Zij smelten bij ongeveer 1600 en gaan, sterker verhit, zonder overschot achter te laten, over in een kleurloos sublimaat.

Salicylzuur is oplosbaar in 600 deelen koud water, in 14 deelen kokend water, in 2.5 deelen sterken spiritus en in 2.1 deelen aether, en geeft met 6 deelen zwavelzuur een kleurlooze of bijna kleurlooze oplossing.

De oplossing van to mG. Salicylzuur in 125 cM3. water, wordt violet-rood, als men er ferrichloride aan toevoegt.

Salicylzuur mag niet naar phenol rieken.

De oplossing in sterken spiritus (1 = 10) mag, na met eenig verdund salpeterzuur vermengd te zijn, door zilvernitraat niet troebel worden.

Samenstelling. C6H4.OH.COOn

Salicylzuur is een organisch zuur uit de aromatische reeks. Het staat in nauw verband met benzoëzuur. Wordt hierin één atoom waterstof van de benzolkern, C8H!;, door één hydroxyl-, OH, groep vervangen, dan ontstaat salicylzuur.

C0H5.COOH CW.OH.COOH

benzoëzuur salicylzuur

Het onderscheidt zich dus van het benzoëzuur door het bezit van

Om één molec. phosphorzuur, II3PO^, in dinatriumphosphaat, NaMU\'O», om te zetten, zijn twee molec. natronloog, Nallü, noodig of één molec. NaHO voor | molec. im\'Oquot;.

-ocr page 47-

39

een atoom zuurstof meer; het wordt daarom ook wel „oxybenzoë-zuurquot; geheeten.

De hydroxyl-groep van het salicylzuur kan tegenover de car-boxyl-, COOH, groep verschillende plaatsen innemen; naar dit verschil in ligging zijn drie soorten van salicylzuur bestaanbaar. Men zie hiervoor onderstaande constructieformulen. N0. i geeft aan, hoe men zich de onderlinge binding der koolstofatomen bij benzol \'), de eerste koolwaterstof uit de aromatische reeks, denkt; n0. 2, hoe hieruit door vervanging van één atoom waterstof, onverschillig welk,

METOXY BENZOEZUUR (l-S) PAROXY BENZOÉZUUR (l:lt;i

door CH3 de koolwaterstof toluol ontstaat. N0. 3 geeft aan, hoe uit toluol door oxydatie der CM\'-groep tot carboxyl, COOH, ben-zoëzuur ontstaat. N0. 4, 5 en 6 geven aan, hoe uit benzoëzuur door

\') Zie bij «Acidum beu/.oicum». Terwijl bij de vette koolwnterstoffen de koolstofatomen door één of meer waardigheden onderling verbonden zijn tot een open keten (zie bij «Acidum aceticum»), vormen zij bij de aromatische koolwaterstoffen een gesloten kern, waar de koolstofatomen afwisselend met één en twee waardigheden aan elkander verbonden zijn.

sC.H

H.C

N?I.

C.H

H.C

H.c/ \\C.H

3]

Ni4,

2!c.üh

H.C

-ocr page 48-

vervanging van één atoom waterstof door hydroxyl salicylzuur ontstaat , en tevens hoe de ligging van dit hydroxyl verschillend kan zijn tegenover de carboxyl-groep. Het verschil is uitgedrukt door de verhoudingen 1:2, 1:3 en 1:4. Het zuur van de verhouding 1 : 2, het orthoxybenzoëzuur, is het officineele salicylzuur.

Bereiding. De verschillende fabriekmatige bereidingswijzen van salicylzuur berusten alle hierop, dat phenol, door een alkali in pheny-laat \') omgezet, met kooldioxyde of een derivaat daarvan, het kool-oxychloride, bij hooge temperatuur of bij lagere onder drukking, overgaat in een salicylzuurzout. Als alkali dient natronloog; kali-loog geeft onder gelijke omstandigheden niet het bedoelde salicylzuur, het orthoxybenzoëzuur, maar het paroxybenzoëzuur, dat zich insgelijks in plaats daarvan vormt bij eene te lage temperatuur. De voornaamste chemische processen, die bij de verschillende bereidingswijzen plaats hebben, zijn de volgende:

i0. C0H5.ONa -f- CO4 = C8H50.C01.Na

natriumphenylaat kooldioxyde phenylnatriumcarbonaat

C6H50.C02.Na = CHVOH.COONa

phenylnatriumcarbonaat natriumsalicylaat

2°. 2C«Hs.ONa COCl2 = C6H5O.CO.C0HsO 2NaCl

natriumphenylaat kooloxychloride diphenylcarbonaat natriumchloride

CBH5O.CO.CGHBü -f- NaHO = CH^OH.COONa -f C\'H^.OH

diphenylcarbonaat uatriumhydroxyde natriumsalicylaat plienul

3°. CH\'Ü.CO.CH^O 2C,iIPONa == C(iH4.ONa.COONa

diphenylcarbonaat natriumphenylaat dinatriumsalicylaat

CM5.OH C6HB.O.C0HS

phenol diphenylaether.

Het bij de bereiding gebezigde phenol moet vrij zijn van verontreinigende homologen, z. g. kresolen, daar deze naast salicylzuur ook de homologen van salicylzuur, z. g. kresotinzuren, zouden doen ontstaan. Uit het salicylzuurzout wordt ten slotte het zuur door chloorwaterstofzuur afgescheiden en verder op verschillende wijzen min of meer gezuiverd, hetzij door omkristalliseeren uit water, door sublimatie met waterdamp, door dialyse der alcoholische oplossing, of door omzetting in het calciumzout, kristallisatie en ontleding daarvan met chloorwaterstofzuur.

!) Zie bij «Phenolum gt;).

-ocr page 49-

41

Eigenschappen. Witte, zeer lichte, fijne, glanzige, reuklooze kristallen, die aanvankelijk zoet, doch later samentrekkend smaken. Bij \'t verstuiven prikkelen zij tot niezen. Zij smelten bij ongeveer 1570 en vervluchtigen, daarna langzaam verhit, zonder ontleed te worden; snel verhit, ontleden zij zich echter en verspreiden een phenol-reuk. Zij zijn moeilijk oplosbaar in koud water (500), gemakkelijker in kokend (14), zeer gemakkelijk in sterken spiritus (2.5) en aether (2.1). ■—- De oplossing in water wordt, als men er fcrri-chloride aan toevoegt, violet-rood door ferrisalicylaat, welke kleur door zwavelzuur verdwijnt. Met broomwater geeft zij een wit neerslag van mono- of dibroomsalicylzuur. De oplossing in spiritus, onder toevoeging van eenig zwavelzuur verwarmd, verspreidt den geur van salicylzure aethylaether 1).

Onderzoek.

i0. Kleurlooze kristallen. Minder zuiver salicylzuur is somtijds eenigszins geelachtig gekleurd. Een gehalte aan phenol kleurt het zuur bruinachtig, een ijzergehalte rood-violet.

20. Zij smelten bij ongeveer 160° (peter 157°) 2)\' Een gehalte aan kresotinzuren verlaagt het smeltpunt aanmerkelijk.

30. en gaan, zonder overschot achter te laten, over. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. natrium-chloride of kaIkzout.

40. Salicylzuur is oplosbaar in 600 deelen koud water, in 14 deelen kokend water, in 2.5 deelen sterken spiritus en in 2.1 deelen aether. Door deze oplosbaarheidsgetallen kan dc zuiverheid van het zuur gecontroleerd worden. Zoo zijn kresotinzuren veel moeilijker oplosbaar in water; paroxybenzoëzuur daarentegen veel gemakkelijker. Ook is een minder zuiver zuur niet zoo goed oplosbaar in de aangegeven hoeveelheden spiritus en aether.

5°. en geeft met 6 deelen zwavelzuur een kleur looze of bijna kleurlooze oplossing. Bij minder zuiver salicylzuur wordt door tot dusverre niet nader gedefinieerde verontreinigingen het zwavelzuur min of meer gekleurd.

6°. De oplossing van 10 inG. Salicylzuur in 125 cl/quot;3. water ivordt violet-rood, als men er ferrichloride aan toevoegt. Metoxy-benzoëzuur en paroxybenzoëzuur worden door ferrichloride

1

gt;) Gelijk aan dien van Gaultheria-olie.

2

) liet smeltpunt van Acidum Salicylicum is nl. in de Pharmacopee een weinig te

3

iioog aangegeven.

-ocr page 50-

42

niet gekleurd; liet laatste geeft daarmede een geel néerslag.

7°. Salicylznur mag niet naar phenol rieken. Geringe hoeveelheden worden het best ontdekt, door het Zuur met natriumcarbo-naat te neutraliseeren, de oplossing met aether uit te schudden en deze aether op een horlogeglas te laten verdampen, waarbij geen phenolreuk mag worden waargenomen.

8°. De oplossing in sterken spiritus (i = io) mag, na met eemg verdund salpeterzuur vermengd te zijn, door zilvernitraat niet troebelzvorden. Reactie op chloorwaterstofzuur of chloride, alsmede op oxy-isoph tal zuur, ontstaan, bij te hooge temperatuur of te langdurige verhitting, door inwerking van het kool-dioxyde op het natriumsalicylaat.

CPKOH.COOH CO2 = CcH3.OH.COOH.COOH

salicylzuur kooldioxyde oxy-isophtalzuur

A Cl DU M SULFURICUM.

ZWAVELZUU R.

Een heldere, kleurlooze, olieachtige vloeistof van 1.837—1.840 soort, gew., die door hitte geheel vervluchtigt en, na met water verdund te zijn, door baryumzouten sterk wordt nêergeslagen.

Er mag geen kleuring in het scheidingsvlak der vloeistoffen ontstaan, noch wanneer ferrosulfaat (1 = 3) voorzichtig op het Zuur gebracht wordt, noch wanneer 2 cM3. Zwavelzuur, waarop een laagje verdund chloorwaterstofzuur, \'t welk eenig natriumsulfiet opgelost houdt, werd uitgegoten, tot ioo0 verwarmd wordt.

Met zijn vijfvoudig volumen sterken spiritus vermengd, moet Zwavelzuur helder blijven.

Zwavelzuur, met zijn vijfvoudig volumen water vermengd, geve noch niet zwavelwaterstof, noch met zilvernitraat een kleuring of neêrslag, en worde evenmin gekleurd of troebel, als men het met animonia overver-zadigt, ook niet na toevoeging van zwavelammonium.

Als bij een bekoeld mengsel van 3 cM3. Zwavelzuur met zijn vijfvoudig volumen water t droppel volumetrisch permanganaat gevoegd wordt, mag het mengsel niet terstond ontkleurd worden.

2 cM3. Zwavelzuur, met io cM3. water verdund , moet bij de behandeling met zink, zooals bij Chloorwaterstofzuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (1 =2).

2 Grin. Zwavelzuur, met 25 cM3. water verdund, vereischt 38.4—39.2 cM3. van het volumetrisch alkali ter verzadiging, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 94 tot 96 pet.

-ocr page 51-

43

Samenstelling. H1S04 aq-

Een tweewaardig, zuurstofhoudend, anorganisch zuur. Zwavel treedt in verbinding met zuurstof vier- en zeswaardig op en vormt dus daarmede de twee oxyden: SO2, zwaveldi- en SO2, zwavel-trioxyde. Wordt in beide één tweewaardig atoom zuurstof door twee éénwaardige hydroxy!-, OH, groepen vervangen, dan ontstaan de zuren; zwavelig- en zwavelzuur.

SO2 SO(OH)2 = IPSO3 SO3 S02(0H)2 =H2S03

zwaveldioxycle zwaveligzuur zwaveltrioxyde zwavelzuur

Het zwavelzuur der Pharmacopee bevat 4—6 pet. water.

Bereiding. De bereiding van zwavelzuur berust op de oxydatie van zwaveldioxyde tot zwaveltrioxyde en de verbinding hiervan met water tot zwavelzuur.

SO2 O HiO = H2S04

zwaveldioxyde zuurstof water zwavelzuur

Ze geschiedt fabriekmatig door verbranding van zwavel of zwavelhoudende ertsen, pyrieten. Het hierdoor ontwikkelde zwaveldioxyde wordt, met lucht vermengd, geleid in met lood bekleede ruimten, z.g. looden kamers, waar de oxydatie van het zwaveldioxyde plaats vindt door salpeterzuur- of salpeterigzuur-verbin-dingen en het gevormde zwaveltrioxyde te gelijker tijd door als stoom ingebrachten waterdamp in zwavelzuur wordt omgezet. De medegevoerde lucht dient, om door haar zuurstof de uit het ge-desoxydeerde salpeterzuur ontstane verbindingen weer tot salpeterzuur of salpeterigzuur te oxydeeren. Een deel der gasvormige stoffen ontwijkt ten slotte met de verwerkte lucht door een aan het einde der kamers geplaatsten schoorsteen.

2 UNO3 = N202 H20 3 O

salpeterzuur stikstofdioxyde water zuurstof

N202 2O H20 = HNO3 HNO2

stikstofdioxyde zuurstof water salpeterzuur salpeterigzuur

(der lucht)

1

HNO2 = N202 H20 O

2

salpeterigzuur stikstofdioxyde water zuurstof

3

Het aldus gevormde, ruwe, verdunde zuur moet daarna gezuiverd worden. Als voornaamste verontreinigingen bevat het; arsenigzuur, stikstofzuurstofverbindingen, zwaveligzuur, chloorwaterstofzuur,

-ocr page 52-

44

lood-, ijzer-, aardalkali-, alkalisulfaat, enz. Men zuivert het hiervan door destillatie, waarbij niet-vluchtige stoffen achterblijven en vluchtiger stoffen dan zwavelzuur, als stikstofzuurstofverbindingen, zwaveligzuur en chloorwaterstofzuur, het eerst overgaan en dus afzonderlijk kunnen worden opgevangen. Arsenigzuur kan echter op deze wijze niet verwijderd worden, daar het niet het zwavelzuur in het destillaat overgaat. Men zet het daarom vóór de destillatie om in zwavelarsenik, hetzij door zwavelwaterstof, door zwavel-baryum of door natriumthiosulfaat en filtreert het zuur van den neerslag af.

Ass03 3 Na^O3 = As2S3 3 Na^O1

arseentrioxyde natriumthiosulfaat arseentrisullide natriumsulfaat

Ook wel wordt het zwaveligzuur door kaliumbichromaat of-per-manganaat tot zwavelzuur geoxydeerd, terwijl stikstofzuurstofverbindingen door een ammoniakzout, bijv. ammoniumsulfaat, in stikstof worden omgezet.

3 N2Ü4 8 Nil3 = 14 N 12 H2Ü

stikstoftetroxyde ammoniak stikstof waler

Ten slotte wordt het verdunde zuur eerst in vlakke, looden pannen boven een zacht vuur en daarna in glazen of platina-destillatietoestellen geconcentreerd.

Eigenschappen. Een heldere, kleur- en reuklooze, olieachtige, zeer hygroscopische vloeistof van 1.837—1.840 soort. gew., die door hitte geheel vervluchtigt, organische stoffen, bijv. suiker, verkoolt en, na met eenig water verdund te zijn, met baryum-en loodzouten een sterk neerslag geeft van baryum- en lood-sulfaat.

Onderzoek.

1°. Een kleurlooze vloeistof. Men beware Zwavelzuur in goed gesloten flesschen tegen invallend stof, wijl het door verkoling daarvan spoedig gekleurd wordt.

20. Een vloeistof, die door hitte geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen bijv. lood-, ijzerzout enz.

3quot;. Er mag geen kleuring in het scheidingsvlak der vloeistoffen ontstaan, wanneer ferrostUfaat (1=3) voorzichtig op het Zuur gebracht wordt. Reactie op stikstofzuurstofverbindingen, resp. salpeter- of salpeterigzuur, waardoor een min of meer bruine

-ocr page 53-

45

ring zou ontstaan, veroorzaakt door ecne verbinding van stikstof-dioxyde met ferrosulfaat.

4°. noch wanneer 2 cM*. Zzvavelztmr, waarop een laagje verdund chloonvaterstof zuur, \'t welk eenig natrinmsulfiet opgelost houdt, werd uitgegoten, tot ioo0 verzvarmd wordt. Reactie op selenig- en seleenzuur, HJSe03 en H2Se04, zuren vaneen naast zwavel in geringe hoeveelheden in pyrieten voorkomend element, het selenium, dat in chemisch karakter, d. i. in aard en samenstelling zijner verbindingen, volkomen op zwavel gelijkt. Door het zwaveligzuur worden deze zuren, het seleenzuur echter eerst bij verwarming, tot seleen gereduceerd, dat een roeden of roodachtigen ring zou doen ontstaan.

50. Met zijn vijfvoudig volumen sterken spiritus vermengd, moet Zwavelzuur helder blijven. Afwezigheid van ammonium en loodsulfaat, die in alcohol onoplosbaar zijn.

6H. Zwavelzuur, met zijn vijfvoudig volumen water vermengd, geve met zwavehvaterstof. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper, kwik, tin, arsenik en antimoon, alsmede van ferridzout en zwaveligzuur, waardoor zwavel zou worden afgescheiden.

7°. noch met zilvernitraat een kleuring of neerslag. Afwezigheid van chloorwaterstofzuur.

8°. en worde evenmin gekleurd of troebel, als men het met ammonia oververzadigt, ook niet na toevoeging van zwavelammonium. Afwezigheid van zware metalen als zink of ijzer.

9h. Als bij een bekoeld mengsel van 3 cM%. Zwavelzuur met zijn vijfvoudig volumen water 1 droppel volumetrisch permanga-naat gevoegd wordt, mag het mengsel niet terstond ontkleurd worden. Afwezigheid van zwavelig- en sal peter igzuu r, die permanga-naat reduceeren en ontkleuren.

io0. 2 fj/3. Zwavelzuur, met 10 cM\'*. water verdund, moet bij de behandeling met zink, zooals die bij Chloonvater stof zuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (1=2). Reactie op arsenik. Zie verder bij „Acidum hydrochlo-rifeum.quot;

ii0. 2 Gnn. Zwavelzuur, met 25 cM*. water verdund, ver-eiseht 38.4—39.2 cil/3. van het volumetrisch alkali ter verzadiging, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehaltc van 94 tot 96 pet.

384—39.2 cM3. Volumetrisch alkali neutraliseeren 38.4—39.2 cM3. volumetrisch zuur. Volumetrisch Zwavelzuur (lt; IPSO4 =49)

-ocr page 54-

46

bevat 49 Grm. zwavelzuur per liter \'), d. i. 1.88—1.92 Grm. per 38.4—39.2 cM3. Deze moet vervat zijn in 2 Grm,, cl, i. 94—96 pet.

ACIDUM SUL F URIC UM D I L U T U M.

V E R D U N D Z W A V K L Z U U R.

N. Zwavelzuur één deel..............1

IVaicr vijf deelen...............5

Meng ze.

Een helder, kleurloos voclit van i.m—1,114 soort, gew,, dat door hitte geheel vervluchtigt en met baryumzouten sterk wordt neergeslagen.

Met indigo even blauw gekleurd, verlieze het die kleur niet door warmte. Met chloorwaterstofzuur en een weinig natriumsulfiet gekookt, worde het niet gekleurd.

Verdund Zwavelzuur voldoe aan de eisehen van zuiverheid, die voor Zwavelzuur gesteld zijn,

12 Grm. Verdund Zwavelzuur vereischt 38,4—39.2 cM3, van het volume-trisch alkali ter verzadiging, hetgeen overeenkomt met een Zuurgehalte van 15.7—16 pet.

Bereiding. Bij de bereiding moet het Zwavelzuur voorzichtig in een dunnen straal en onder aanhoudend omroeren bij het water gevoegd worden, bij de verbinding van water met zwavelzuur, vorming van z, g, hydraten, heeft temperatuursverhooging plaats, die, plotseling ontstaan, tot gevaar voor springen als anderszins aanleiding kan geven.

Eigenschappen. In \'t algemeen dezelfde als Zwavelzuur. Dc vloeistof is echter door de verdunning niet olie- maar waterachtig, beeft daardoor min of meer haar bygroscopiscb en verkolend vermogen verloren en heeft een soort gew, van 1,111 —1.114,

Onderzoek.

1°, Verdund Zwavelzuur voldoe aan de eisehen van zuiverheid, die voor Zwavelzuur gesteld zijn. Zie dus aldaar.

De bij Zwavelzuur voorgeschreven ringproeven ter opsporing van

Zie Lijst van Volumetrische Vloeistoffen,

-ocr page 55-

47

stikstofzuurstofverbindingen cn selenig- of selecnzuur zijn dooide waterachtige consistentie van het verdunde zuur niet goed mogelijk en daarom vervangen door de volgende:

2°. Met indigo even blamv gekleurd, verlieze het die kleur niet door warmte. Reactie op stikstofzuurstofverbindingen.

3°. Met ehloorwaterstof zuur en een zveinig natriumsulfiet gekookt , worde het niet gekleurd. Reactie op selenig- of selecnzuur.

4°. 12 Grm. Verdund Zwavelzuur vereischt 38.4-—39.2 eM3. van het volunietriseh alkali ter verzadiging, hetgeen overeenkomt niet een Znurgehalte van 15.7—16 pet. Daar Verdund Zwavelzuur voor \'/o bestaat uit Zwavelzuur en het gehalte hiervan 94—96 pet. bedraagt, zal dit bij Verdund Zwavelzuur 15.7—16 pet. bedragen. Voor neutralitatie van hetzelfde aantal cM3. van het volumetrisch alkali als bij 2 Grm, Zwavelzuur, zal dus zesmaal meer Verdund Zuur, d. i. dus 12 Grm., noodig zijn.

ACID U M T A R T A R I C U M.

WIJNSTEENZUU R.

Kleurlooze, doorschijnende, niet hygroscopische kristallen, die, op een waterbad verwarmd, niet ondoorschijnend worden.

Wijnsteenzuur smelt door hitte en laat, na verbrand te zijn, slechts sporen van asch achter.

Wijnsteenzuur is in 0.8 deelen water en in 2.5 deelen sterken spiritus oplosbaar. De oplossing in water (1 = 2) geeft met een gelijk volumen oplossing van kaliumacetaat (1=3) terstond een wit, kristallijn neêrslag.

De oplossing in water (1 = 10) worde noch door zwavelwaterstof, noch door calciumsulfaat, noch terstond door baryumchloride gekleurd of troebel en, na met ammonia verzadigd te zijn, ook niet door ammonium-oxalaat of door zwavelammonium. Met kalkwater geve zij, eerst als dit reagens in overmaat aanwezig is, een neêrslag, dat in ammoniumchloride oplosbaar moet zijn.

Samenstelling. COOH.CHUl I.CHOH.CüOH

Wijnsteenzuur is een tweebasisch, organisch zuur. Om dit zuur synthetisch op te bouwen, kan men uitgaan van de koolwaterstof der vetzurenreeks aethane, C2!!11 of CH\'.CH3. Hieruit ontstaat

-ocr page 56-

48

door oxydatie ccncr CM3-groep het azijnzuur, CH\'.COOH \'). Wordt ook de andere CII3-groep aldus geoxydeerd, dan ontstaat het lichaam COOl l.COOI I, oxaalzuur genaamd. Is het aldehyde van azijnzuur CH\'.COH, dan is dat van oxaalzuur COM.COII. Laat men nu op dit aldehyde, glyoxaal geheeten, cyaanwaterstof-ziuir inwerken, dan wordt dit geheel gebonden en ontstaat dus CNH.COH.COH.CNH. Dit lichaam neemt onder verhitting met chloorwaterstofzuur water op en gaat daardoor onder afsplitsing van ammoniak, NH3, in wijnsteenzuur, COOH.CHOH.CHOH.COOH, over.

Voorts staat wijnsteenzuur, wat samenstelling betreft, in nauw verband met banisteenzuur, een voornaam bestanddeel van barnsteen. Wordt in elke CH2-groep van dit zuur e\'e\'n atoom waterstof door een hydroxyl-, OH, groep vervangen, dan ontstaat wijnsteenzuur.

COOII.CIP.CIP.CÜOH COOH.CHOH.CHOH.COOH

barnsleenzuur wijnsteenzuur

Het kan dus beschouwd worden als dioxybarnsteenzuur.

Er zijn vier verschillende soorten van wijnsteenzuur bekend, die zich niet chemisch, maar in physische eigenschappen van elkander onderscheiden, vooral wat betreft kristalvorm en werking tegenover gepolariseerd licht.

Het officineele wijnsteenzuur kristalliseert in mono-klinische zuilen en draait gepolariseerd licht rechts.

Een nevens dit wijnsteenzuur in wijnsteen voorkomend zuur, dat bovendien daaruit kan ontstaan door verhitting met water of chloorwaterstofzuur, alsmede zich vormt bij oxydatie van slijmzuur, het oxydatieproduct van sommige koolhydraten als inuline, levulose, enz., kristalliseert triklinisch, en is onwerkzaam tegenover gepolariseerd licht, Dit zuur, het pa ra-w ij n s teenzu u r of druive-zuur, kristalliseert bovendien met één molecule kristalwater.

Wordt druivezuur half met natronloog en half met ammonia verzadigd, zoodat een dubbelzout van beide alkaliën ontstaat, en laat men dit kristalliseeren, dan verkrijgt men twee soorten van kristallen; de eene vertoonen een bepaald, niet tot den hoofdvorm behoorend kristalvlak aan de ecne zijde boven rechts, terwijl de andere datzelfde vlak aan de bovenlinkerzijdc hebben, zoodat zij elkanders spiegelbeeld zijn. Ontleedt men beide soorten van kris-

\'j* Zie hij « Acidum aceticum ».

-ocr page 57-

49

tallen elk afzonderlijk, dan levert de eene soort het gewone, offici-neele, rechtsdraaiende zuur, terwijl de andere een even sterk linksdraaiend zuur levert. Druivezuur is dus eene verbinding van beide zuren. Het linksdraaiende zuur noemt men anti-wij nsteenzu u r.

Bovendien bestaat nog een vierde wijnsteenzuur, dar evenals druivezuur optisch inactief is, maar niet als dit in een rechts- en linksdraaiend zuur splitsbaar is. Het ontstaat door de inwerking van weinig water bij 165° in toegesmolten glazen buizen op een der drie andere zuren. Dit inactieve of m esc - w ij 11 s t een zu u r bevat ook e\'e\'n molecule kristalwater.

Bereiding. Wijnsteenzuur wordt fabriekmatig bereid uit den door omkristallisatie min of meer gezuiverden, z. g. half geraffi-neerden wijnsteen, die zich bij de nagisting van het druivensap afzet. Men lost dezen in looden kuipen door middel van stoom in warm water op en brengt daarbij onder omroeren koolzure kalk, geslibd krijt. Onder ontwikkeling van kooldioxyde vormt zich uit den wijnsteen, het kaliumhydrotartraat, oplosbaar kaliumtartraat en onoplosbaar calciumtartraat. Dit laatste bezinkt, terwijl het eerste in oplossing blijlt.

2 (CHOH)a : CaCO3 = (CHOH)2 : (COOK)5

kaliumhydrotartraat calciumcarbonaat kaliumtnrtraat

(CHOH)2 : (COO)2Ca CO2 -f H20

calciumtartraat kooldioxyde water

Daarna wordt aan de vloeistof calciumchloride of calciumsulfaat, gips, toegevoegd, ten einde ook het kaliumtartraat in het onoplosbare calciumzout om te zetten.

(CHOH)2 : (COOK)2 -f CaSO* = (CHOH)2 : (COO2) Ca -j- K2SO*

kaliumtartraat calciumsulfaat calciumtartraat kaliumsulfaat

Het aldus gevormde neerslag van calciumtartraat wordt verzameld, uitgewasschen en met verdund zwavelzuur in geringe overmaat ontleed. Hierdoor wordt, onder afscheiding van calciumsulfaat, dat wCer voor eene voorgaande bewerking gebruikt kan worden , eene oplossing van wijnsteenzuur verkregen, die ter kristallisatie wordt ingedampt.

(CHOH)2 : (COO)2Ca H2SO * = 2 (CHOH)2 : (COOH)2 -f- CaSO4

calciumtartraat zwavelzuur wijnsteenzuur calciumsulfaat

4

-ocr page 58-

So

De nog eenigszins gekleurde kristallen worden ten slotte, na behandeling niet dierlijke kool, ter zuivering omgekristalliseerd.

Eigenschappen. Kleurlooze, reuklooze, doorschijnende, sterk zuur smakende kristallen, die door hitte smelten en met een reuk naar caramel (gebrande suiker) 1) verbranden. In water (0.8) en in sterken spiritus (2.5) zijn zij gemakkelijk oplosbaar. — De waterige oplossing geeft met kaliumacetaat terstond een wit, kristallijn neerslag van kaliumhydrotartraat, oplosbaar in ammonia, natronloog en ammoniumchloride. Met overmaat kalkwater geeft zij een wit, vlokkig, later kristallijn precipitaat van calciumtartraat, dat in ammoniumchloride oplosbaar is.

Onderzoek.

iquot;, Kleurlooze kristallen. Goed gezuiverde kristallen dus, niet het meer gebruikelijke kristalpoeder.

20. doorschijnende kristallen. Kristallen van druivez\'uur worden bij verweêring melkwit.

3°. niet hygroseopisehe kristallen. Wijnsteenzuur met aanhangend zwavelzuur is hygroscopisch.

4°. die, op een water had verwar md, niet ondoorschijnend worden. Kristallen, die druivezuur bevatten, worden bij verwarming ondoorschijnend door verlies van kristalwater.

50. Wijnsteenzuur laat, na verbrand te zijn, slechts sporen van asch achter. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, zooals kali u m- of c a 1 c i u m-verbindingen. Sporen worden toegestaan.

•5°. Wijnsteenzuur is in 0.8 deelen water oplosbaar. Druivezuur is veel moeilijker oplosbaar (5) dan wijnsteenzuur.

70. en in 2.5 deden sterhen spiritus. Wijnsteenzuur, dat m ee r dan sporen c a 1 c i u m s u 1 fa a t bevat, is niet geheel oplosbaar in sterken spiritus.

8°. De oplossing in water (1=2) geeft met een gelijk volumen oplossing van kaliumacetaat (1 = 3) terstond een wit, kristallijn neerslag. In onderscheid met ci t roenzu u r, dat daarmede geen neerslag geeft.

90. De oplossing in water (1 =10) worde noch door zwavelwaterstof gekleurd of troebel. Afwezigheid van zware metalen als k o p e r en 1 o o d.

1

) Onderscheid met * Citroenzuur ». Zie aldaar.

-ocr page 59-

5\'

iou. noch door calciumsulfaat. Rcactic op druivezuur, waarvan het calciumzout veel minder oplosbaar is dan van wijnsteenzuur.

li0, noch terstond door baryumchloride. Afwezigheid van zwavelzuur of sulfaat. Sporen worden toegestaan.

12°. cn, na met ammonia verzadigd te zijn, ook niet door annnonmmoxalaat. Afwezigheid van ca 1 ciu m zouten.

IJ. of door zivavelammonium. Afwezigheid van zware metalen als zink of ijzer, ook van sporen lood, die in de sterk zure vloeistof door zwavelwaterstof niet worden neergeslagen.

140. Met kalkwater geve zij, als dit reagens in overmaat aan-zvczig is, een neerslag. In onderscheid met citroenzuur, dat daarmede bij de gewone temperatuur helder blijft, doch onder het koken een neerslag geeft, dat bij het bekoelen weder verdwijnt.

150. Met kalkivater geve zij, eerst als dit reagens in overmaat aanwezig is, een neerslag, dat in ammoniumchloride oplosbaar moet zijn. Afwezigheid van druivezuur, dat met kalkwater een néerslag geeft, dat in het zuur moeilijk oplosbaar is, terwijl wijnsteenzuur eerst wordt neergeslagen bij overmaat kalkwater. Dit calciumtartraat is oplosbaar in ammoniumchloride, terwijl druivezure kalk daarin niet oplost.

A D E P S S r I L L U S.

R E U Z E L.

AXUNGIA.

Verwarm verschen Varkensreuzel, in stukjes gesneden, op een waterbad en coleer het uitgesmolten vet bij tusschenpoozen.

Reuzel moet wit, in gesmolten staat volkomen helder en kleurloos zijn, en mag niet ransig rieken.

Sterke spiritus, met gesmolten Reuzel geschud, mag, na bekoeld te zijn, met een gelijk volumen water vermengd, blauw lakmoespapier niet rood kleuren.

Samenstelling. Vetten, waartoe Reuzel behoort, zijn\' samengestelde aethers \'). De zuren dezer aethers behooren ten deele tot die, welke, als azijnzuur, afgeleid kunnen worden van de kool-

\') Zie bij «Acetas aethylicus » en « Aether

-ocr page 60-

waterstoffen der algemeene formule Cquot;H-n 2 1de vetzuren, cn wel meer bepaaldelijk tot die, welke een hoog koolstofgehalte bezitten, zooals pahnitinezuur, ClfiH3202, en stearinezuur, C,8H3G02. In meerdere of mindere mate worden deze vergezeld van het olie zuur, C111113/102, het meest bekende eener reeks van zuren, welke, op gelijke wijze als dit bij „Acidum aceticumquot; is aangegeven, kunnen worden afgeleid van koolwaterstoffen van de algemeene formule CnHin 2). Als samengestelde aethers zijn deze zuren in de vetten gebonden aan één en denzelfden alcohol, de glycerine 3). Wordt de waterstof der drie carboxyl-, COOl I, groepen van drie moleculen dezer zuren vervangen door het radicaal van den driewaardigen alcohol glycerine, C3H;!(OH)3, dan ontstaan de drie vetten: palmitine, stearine en olëine.

OW. COOH C\' 7li3COOH C,7H33. COOH

palmitinezuur stearinezuur oliezuur

(C1 \'H31 .CC)0)3:.C3Ilr\' (C 7H3B.COO)3iC3Hs (C17H33.COO)3iC3H!;

glycerylpalmitaat glycerylstearaat glyceryloleaat

of of of

palmitine stearine olëine

Reuzel nu is een mengsel van ongeveer 40 pet. palmitine en stearine met ongeveer 60 pet. olëine.

Bereiding. Deze bestaat in eene zuivering van het natuurlijke vet van aanhangend vuil en van de vliezige deelen als anderszins door uitsmelting. Men gebruikt zoogenaamd niervet, verwijdert door uitsnijding, niet door afwassching, de deelen, die doorbloed, slijm, enz. verontreinigd zijn; daarna ontdoet men het zooveel mogelijk van de vliezen en snijdt het in kleine dobbelsteenen. Deze smelt men op het waterbad in een porceleinen schaal uit, coleert het vloeibare vet door een wollen doek en giet het terstond daarna in volkomen droge, goed sluitende wijdmondstopflesschen, die men geheel vult en op eene donkere, koele plaats bewaart.

\') Zie bij «Acidum aceticum».

a ) Uij de koolwaterstoffen der algemeene formule Cnïl2n-f2 zijn de koolstofatomen onderling door céne waardigheid verbonden (zie bij « Acidum aceticum »); bij die van de algemeene formule CnlJan zijn daarentegen twee der koolstofatomen door iwee waardigheden met elkander verbonden.

CMi* of CH2: CIIa 011« of CH«: CH.CH» OH8 of CH\': CH.CH\'.CH » aethene propene butene

3) Zie bij « Acidum citricum ».

-ocr page 61-

S3

Eigenschappen. Een zuiver wit, bijna reuk- en smaakloos, min of meer weck, bij 36°—420 gemakkelijk smeltbaar vet, onoplosbaar in water, weinig oplosbaar in kouden, beter in warmen (36) spiritus, oplosbaar in aether en chloroform. Bij onvolkomen verbranding ontwikkelt het prikkelende, onaangenaam riekende dampen van acrolëine \').

li

i

1

Onderzoek.

in gesmolten staat kleur loot. Een minder zuiver witte kleur kan afkomstig zijn van een minder soort vet, bijv. spekvet, ook van onreinheden als bloed, enz. Overigens ontleedt zich Reuzel onder den invloed van lucht en licht, vooral bij aanwezigheid van water, onder afscheiding van vrij vetzuur en kleurt zich alsdan langzamerhand een weinig geel.

2°. in gesmolten staat volkomen helder. Een bezinksel kan bestaan uit water of slijmige stoffen, uit natriumchloride bij \'t gebruik van gezouten reuzel uit den handel, uit alkalische stoffen, daaronder gemengd om in ransig geworden vet de vrije vetzuren te neutraliseeren, of uit vervalschingen, zooals krijt, meel, enz., ten einde den reuzel witter te maken of het gewicht te vermeerderen ^).

3°. en mag niet ransig rieken. Aanwezigheid van vrij vetzuur ten gevolge van onzorgvuldige bewaring, ouderdom, aanraking met vocht, enz.

4Ü. Sterke spiritus, met gesmolten Reuzel geschud, mag, na bekoeld te zijn, met een gelijk volumen water vermengd, blamv lakmoespapier niet rood kleuren. Nadere reactie op de aanwezigheid van vrij vetzuur.

Reuzel moet ivit zijn,

-ocr page 62-

54

A E T H E R.

A K THE R.

Ken heldere, kleurlooze, zeer vluchtige, eigenaardig riekende vloeistof van 0.722—0.725 .soort, gew,, die bij ongeveer 36° kookt en zeer licht ontvlambare dampen verspreidt.

Aether is in water moeilijk, in sterken spiritus en in chloroform in elke verhouding oplosbaar en vervluchtigt bij gewone temperatuur geheel, zonder een vreemden reuk te verspreiden.

Hij 15° met een gelijk volumen water geschud, mag Aether niet meer dan een tiende in volumen afnemen. Het water mag dan niet zuur reageeren en met kaliumjodidestijfsel geen blauwe kleur doen ontstaan.

1 cM3. zwavelzuur geve, met een gelijk volumen Aether voorzichtig vermengd, terstond een heldere, kleurlooze oplossing.

Als 2 cM3. Aether vermengd wordt met 6 droppels mercurichloride en 6 cM3. barytwater, dan moet een geel neerslag ontstaan, dat niet verdwijnt door de vloeistof te schudden. Wordt het mengsel gefiltreerd, dan mag het filtraat, na toevoeging van zwavelammonium, zelfs als het verwarmd wordt, niet gekleurd of troebel worden.

Samenstelling. C2H\'.0. C2IT\'

In de organische zuren kan de waterstof der carboxyl-, COOH, groep vervangen worden door alcohol-radicalen; daardoor ontstaan de samengestelde aethers \'). Ook in de alcoholen zelvcn kan de waterstof der hydroxyl-, OH, groep door een alcohol-radicaal worden vervangen; op deze wijze ontstaan de aethers. Is het vervangende alcohol-radicaal hetzelfde als dat van den alcohol, dan noemt men den aether een \'Maren aether, in het tegenovergestelde geval een gemengden aether.

De Aether der Pharmacopee is een ware aether, die afgeleid kan worden van aethylalcohol, door vervanging van de waterstof der hydroxyl-groep door het radicaal van den aethylalcohol zeiven.

CH\'.OH OH5.OH CH3.O.C2H5 C2Hr\'.O.C2H\'

methylalcohol aeihylalcohol methylaethylaether di-.aethylaelher of Aether

Bereiding. De vorming der aethers geschiedt door middel van zwavelzuur. Wanneer alcohol met dit zuur wordt vermengd, dan ontstaat een z. g. aetherzntir, het aethylzwavelzuur. Wordt dit met eene nieuwe hoeveelheid alcohol behandeld, dan vormt zich

\') Zie «Acetas aethylicus» en «Adeps suillus».

-ocr page 63-

55

C2 H5.ÜH IPSO4 = CJH5.HS04 II20

aethylalcohol zwavelzuur aethylzwavelzuur water Aether onder wederafscheiding van het zwavelzuur. Het zuur blijft

CMIMISü\'1 C2H!!.OH == C2H-.O.C»HB H24

aethylzwavelzuur aethylalcohol Aether zwavelzuur

derhalve ten slotte intact en dient slechts als middel voor de wisselwerking tusschen twee moleculen alcohol. Het zou daartoe voortdurend gebezigd kunnen worden, indien het ten slotte niet al te verdund werd door het bij de vorming van aethylzwavelzuur tevens afgescheiden water.

9 Dln. Zwavelzuur worden voorzichtig gemengd onder 5 dln. alcohol \') en dit mengsel in een ruime destilleerkolf, waarin een thermometer, gebracht, aan de eene zijde verbonden met een afkoeler en ontvangflesch. 1 Iet mengsel wordt daarna in het zandbad langzaam tot 1350 a 140° verwarmd, terwijl men, zoodra een weinig vocht is overgegaan, in de destilleerkolf uit een daarmede aan de andere zijde verbonden en een weinig hooger gelegen reservoir droppels-gewijs zooveel alcohol laat toevloeien als er vociit in de ontvangflesch overgaat, zoodat het niveau der vloeistof in de kolf steeds op dezelfde hoogte blijft. Ook de destillatie-temperatuur moet voortdurend op de aangegeven hoogte gehouden worden; zij mag niet lager zijn, omdat alsdan te veel onveranderde spiritus overgaat, en niet hooger, wijl zich dan, onder koolafscheiding en kleuring van het vocht, ontledingsproducten vormen van den alcohol en liet zwavelzuur, zooals aethene, zwaveligzuur, z. g. wijnolie 2), enz. Men zet de destillatie voort, totdat weinig of geen Aether meer overgaat, welk punt bereikt is, als ongeveer 5 a 6 maal zooveel alcohol is verbruikt als de hoeveelheid aangewend zwavelzuur.

De aldus verkregen ruwe Aether wordt, na afheveling van het daaronder verzamelde alcoholhoudende water, met een vierde van zijn volumen kalkmelk (1=6) herhaaldelijk en krachtig geschud, waardoor zwaveligzuur, wijnolie en tevens een groot gedeelte van den alcohol worden gebonden. Vervolgens wordt dit herhaald met kleine hoeveelheden water, ongeveer een tiende van het volumen

\') Zie noot blz. 5,

\') Wijnolie is eene kleurlooze, olieachtige, aromatische vloeislof van onvolledig bekende samenstelling, waarschijnlijk uit de ontlsdingsproducten van den alcohol hij hooge temperatuur met het zwavelzuur ontstaan.

j

-ocr page 64-

54

A E T H E R.

A E T H E R.

Ken heldere, kleurlooze, zeer vluchtige, eigenaardig riekende vloeistof van 0.722—0.725 soort. ge\\v., die bij ongeveer 36° kookt en zeer licht ontvlambare dampen verspreidt.

Aether is in water moeilijk, in sterken spiritus en in chloroform in elke verhouding oplosbaar en vervluchtigt bij gewone temperatuur geheel, zonder een vreemden reuk te verspreiden.

Hij 150 met een gelijk volumen water geschud, mag Aether niet meer dan een tiende in volumen afnemen. Het water mag dan niet zuur reageeren en met kaliumjodidestijfsel geen blauwe kleur doen ontstaan.

1 cM3. zwavelzuur geve, met een gelijk volumen Aether voorzichtig vermengd, terstond een heldere, kleurlooze oplossing.

Als 2 cM3. Aether vermengd wordt met 6 droppels mercurichloride en 6 cM3. barytwater, dan moet een geel neerslag ontstaan, dat niet verdwijnt door de vloeistof te schudden. Wordt het mengsel gefiltreerd, dan mag het filtraat, na toevoeging van zwavelammonium, zelfs als liet verwarmd wordt, niet gekleurd of troebel worden.

Samenstelling, C2lir,.0. C2!!quot;

In de organische zuren kan de waterstof der carboxyl-, COOII, groep vervangen worden door alcohol-radicalen; daardoor ontstaan de samengestelde aethers 1). Ook in de alcoholen zeiven kan de waterstof der hydroxyl-, OU, groep door een alcohol-radicaal worden vervangen; op deze wijze ontstaan de aethers. Is het vervangende alcohol-radicaal hetzelfde als dat van den alcohol, dan noemt men den aether een waren aether, in het tegenovergestelde geval een gemengden aether.

De Aether der Pharmacopee is een ware aether, die afgeleid kan worden van aethylalcohol, door vervanging van de waterstof der hydroxyl-groep door het radicaal van den aethylalcohol zeiven.

CH\'.OH C2Hr,.üM CH3.O.C2H5 C2Hr\'.0,CJI 1\'

methylalcohol aethylalcohol melhylaethylaether di-.aethylaether of Aether

Bereiding. Ue vorming der aethers geschiedt door middel van zwavelzuur. Wanneer alcohol met dit zuur wordt vermengd, dan ontstaat een z. g. aether zuur, het aethylzwavelzuur. Wordt dit niet eenc nieuwe hoeveelheid alcohol behandeld, dan vormt zich

\') Zie «Acetas aethylicus » en «Adeps suillus».

-ocr page 65-

55

C1H5.ÜII IPSO4 = C2H!;.HSÜ4 n2o

aethyl alcohol zwavelzuur aethylzwavelzuur water

Aether onder wederafscheiding van het zwavelzuur. Het zuur blijft CHMISÜ\'1 C211\'.01I = C111\'.O.C2! IB HsS04

aethylzwavelzuur aethylalcohol Aether zwavelzuur

derhalve ten slotte intact en dient slechts als middel voor de wisselwerking tusschen twee moleculen alcohol. Het zou daartoe voortdurend gebezigd kunnen worden, indien het ten slotte niet al te verdund werd door het bij de vorming van aethylzwavelzuur tevens afgescheiden water.

9 Dln. Zwavelzuur worden voorzichtig gemengd onder 5 dln. alcohol \') en dit mengsel in een ruime destilleerkolf, waarin een thermometer, gebracht, aan de eene zijde verbonden met een afkoeler en ontvangflesch. 1 let mengsel wordt daarna in het zandbad langzaam tot 1350 a 140° verwarmd, terwijl men, zoodra een weinig vocht is overgegaan, in de destilleerkolf uit een daarmede aan de andere zijde verbonden en een weinig hooger gelegen reservoir droppels-gewijs zooveel alcohol laat toevloeien als er vocht in de ontvangflesch overgaat, zoodat het niveau der vloeistof in de kolf steeds op dezelfde hoogte blijft. Ook de destillatie-temperatuur moet voortdurend op de aangegeven hoogte gehouden worden; zij mag niet lager zijn, omdat alsdan te veel onveranderde spiritus overgaat, en niet hooger, wijl zich dan, onder koolafscheiding en kleuring van liet vocht, ontledingsproducten vormen van den alcohol en het zwavelzuur, zooals aethene, zwaveligzuur, z. g. wijnolie 2), enz. Men zet de destillatie voort, totdat weinig of geen Aether meer overgaat, welk punt bereikt is, als ongeveer 5 a 6 maal zooveel alcohol is verbruikt als de hoeveelheid aangewend zwavelzuur.

De aldus verkregen ruwe Aether wordt, na afheveling van het daaronder verzamelde alcoholhoudende water, met een vierde van zijn volumen kalkmelk (1=6) herhaaldelijk en krachtig geschud, waardoor zwaveligzuur, wijnolie en tevens een groot gedeelte van den alcohol worden gebonden. Vervolgens wordt dit herhaald met kleine hoeveelheden water, ongeveer een tiende van het volumen

1

bekende samenstelling, waarschijnlijk uit de ontledingsproducten van den alcohol hij

2

) Wijnolie is eene kleurlooze, olieachtige, aromatische vloeistof van onvolledig

-ocr page 66-

56

van den Aether, om nog voorhanden alcohol te verwijderen, en eindelijk niet eenig calciumchloride, ongeveer 4 pet., om aanhangend water te binden. Ten slotte wordt de Aether in een destil-leerkolf met afkoeler voorzichtig in het waterbad gerectificeerd en dat gedeelte, hetwelk bij 350—40° overgaat, als zuivere Aether opgevangen en in volkomen droge, goed sluitende, niet te groote flesschen buiten het licht en op een koele plaats bewaard.

Eigenschappen. Een heldere, kleurlooze, neutrale, reeds bij gewone temperatuur zeer en volkomen vluchtige vloeistof, eigenaardig riekend en van 0.722— 0.725 soort. gew., die bij ongeveer 36° kookt en zeer licht ontvlambare dampen verspreidt. Aether is in water (10) tamelijk, in sterken spiritus en chloroform in\'elke verhouding oplosbaar.

Onderzoek.

1°. Een vloeistof van 0.722—0.725 soort, geiv., die bij ongeveer 36° kookt. Een gehalte aan alcohol of water of beide doen het soort. gew. en het kookpunt stijgen.

21\'. Aether vervluchtigt bij geivone temperatuur geheel. Afwezigheid van minder vluchtige stoffen, zooals wijnolie, of van vaste stoffen, zooals kalkzout, enz.

30. zonder een vreemden reuk te verspreiden. Een eigenaardige, scherpe reuk kan wijzen op wijnolie. Een vreemde reuk kan verder veroorzaakt worden door andere aethers, bijv. propyl-, butyl- of amylaether, bij het gebrnik van foezelhoudenden of beetwortelspiritus, ook door vervalsching met petroleum-aether.

4°. Bij 150 met een gelijk volumen water geschud, mag Aether niet meer dan een tiende in volumen afnemen. Men bezigt hiervoor het aetherproefbuisje 1). Een grootere afname van volumen wijst op een gehalte aan alcohol.

5°. Het water mag dan niet zuur reageeren. Slaat op verontreiniging met zwavelzuur, zwaveligzuur en vooral op azijnzuur. Aether toch wordt door de zuurstof der lucht onder invloed van het licht gemakkelijk ontleed. 1 lierbij vormt zich waterstof-superoxyde, dat door inwerking op den Aether vinylalcohol en

\') Zie bij «Acetas aetbylicus»

-ocr page 67-

57

ozoon doet ontstaan, welk ozoon niet alleen weêr den Aether ontleedt, doch tevens den gevormden vinylalcohol tot azijnzuur oxydeert l). Aether moet daarom zooveel mogelijk tegen den

C2H5.O.C1HB 30 = 2 CU2 : CH.ÜH 1[202

aether zuurstof vinylalcohol waterstofsuperoxyde

3 C2H5.O.C2H5 9 H2O2 = 6CH2: CH.OH -f i2H20 O3

aether waterstofsuperoxyde vinylalcohol water ozoon

3 CH2; CH.OH -f O3 = 3 CIF.CüüH

vinylakoliol ozoon azijnzuur

invloed van lucht en licht beschut worden.

6°. en met kaliuinjodidestijfsel geen blauwe kleur doen ontstaan. Reactie op ozoon en waterstofsuperoxyde, welke jodium zouden vrijmaken, dat stijfsel kleurt.

7°. 1 cM*. zwavchunr geve, met een gelijk volumen Aether voorzichtig, vermengd, terstond een heldere, kleurlooze oplossing. Bij vervalsching met p e t r o 1 e u m a e t h e r zou deze zich aan de oppervlakte afscheiden ; bij f o e s e 1 h o u d e n d e n Aether zou de vloeistof gekleurd worden.

8°. Als 2 cil/3. Aether vermengd worden met 6 droppels vier-curichloride en 6 eM*. barytivater, dan moet een geel neerslag ontstaan, dat niet verdwijnt door de vloeistof te schudden. Wordt het mengsel gefiltreerd, dan mag het jilt raat, na toevoeging van zzvavelammonium, zelfs als het verwarmd wordt, niet gekleurd oj troebel worden. Reactie op gemethyleerden spiritus, in plaats van alcohol bij de bereiding gebruikt. Het in gemethyleer-den spiritus steeds aanwezige aceton, een aldehyde van propyl-alcohol geeft met het kwik eene oplosbare verbinding, die, in het filtraat overgegaan zijnde, door zwavelammonium kan worden aangetoond.

\') De Pharmacopee geefl geene reactie op vinylalcohol op. Daartoe gebruikt men eene alkalische kwikzilvtroxychloride-oplossing (50 dln. kaliumhydrocarbonaat, opgelost in 200 dln. water, vermengd met 3 dln. mercurichloride, opgelost in 50 dln. water, laat men gedurende 2 a 3 dagen op een koele plaats staan en filtreert.) Gelijke deelen vinylalcoholhoudenden Aether en dit reagens gedurende eenige oogenblikken krachtig met elkander geschud, geven na eenigen tijd een volumineus, wit neerslag van vinylkwik-oxychloiide.

2) Afgeleid van de koolwaterstof propane, (\'Ml0. Zie bij « Acidun aceticum. »

-ocr page 68-

AETHER CUM SPI R ITU.

A K T H E R M E T S P I R I T U S.

LIQUOR AN O D Y N US HO F F M A NNI.

HOKF.MANSDROPI\'ELS.

N. Aether...................i

Sterken Spiritus van elk één deel.........i

Meng /,e.

Een heldere, kleurlooze, sterk naar Aether riekende vloeistof van 0-775-- 0-7^2 soort, gew., die, na verdampt te zijn, niets achterlaat en geen vreemden reuk verspreidt.

Zij mag niet zuur reageeren en, met een gelijk volumen water geschud, bij 150 niet meer dan zes tienden in volumen verminderen.

Zij voldoe verder aan de eischen, onder Aether vermeld.

Samenstelling.

Eene oplossing van Aether in sterken Spiritus.

Eigenschappen. Een heldere, kleurlooze, neutrale, volkomen vluchtige vloeistof van 0.775—0.782 soort. gew. — Zij riekt sterk naar Aether.

Wanneer op een weinig salpeterzuur, vermengd met eenige droppels zwavelzuur, een laagje Aether met Spiritus, verdund met water (1 =3), wordt gebracht, ontstaat aan den rand van afscheiding na eenigen tijd een prachtige, blauwgroene ring van stikstoftrioxyde, uit het salpeterzuur ontstaan door reductie met den alcohol.

10 cM3. Aether met Spiritus, met een gelijk volumen water vermengd, en na bezinking 10 cM3. der onderste, waterige vloeistof behandeld met een droppel kaliloog (1 = 10) en zooveel joodoplossing als noodig is, om de vloeistof blijvend licht gekleurd te doen zijn, geeft na zachte verwarming en daaropvolgende afkoeling eene afscheiding van jodoformkristailetjes.

10 cM3. van bovengenoemde, waterige vloeistof worden, na toevoeging van 5 droppels kaliumbichromaat-oplossing en evenzooveel verdund zwavelzuur, bij verwarming groen gekleurd door chromidsulfaat.

Onderzoek.

1quot;. Ecu vloeistof van 0.775—0.782 soort, gew. In onderscheid met Aether en in verband met het ge li al te aan Aether en Spiritus.

-ocr page 69-

59

2°. die, «« verdampt te zijn, niets achterlaat en geen vreemden reuk verspreidt. Zij mag niet znnr reageeren. Zie hierover bij „Aetherquot; en „Sterken Spiritusquot;.

3°. en, viet een gelijk volumen water geschud, bij 150 niet meer dan zes tienden in volumen verminderen. Een grootere afname van volume wijst op een te groot gehalte aan alcohol of water of beide. De volume-vermindering bedraagt voor den Spiritus de helft en voor den Aether een tiende van de helft, d. i. een twintigste, tezamen elf twintigsten. De grootere oplosbaarheid wordt veroorzaakt door toename in oplosbaarheid van den Aether in spiritushoudend water,

4°. Zij voldoe verder aan de eischen, onder Aether vermeld. Zie dus aldaar.

A L O K.

AL O K.

Het sap, aan de bladen van verschillende Kaapsche soorten van A loei., onttrokken en onder den invloed van warmte hard geworden.

Een donkerbruine of bijna zwartachtige, glanzige massa, met een bijzonderen reuk en een onaangenaam bitteren smaak, die gemakkelijk in schelpvormige kleinere stukken, glanzend als glas, en in spitse, doorschijnende, roodachtige of helder bruine splinters te breken is.

Geheel gedroogd en fijn gewreven, levert zij een geel poeder, dat, op een waterbad verwarmd, noch zich samenpakken, noch van kleur veranderen mag. In verdunden en in sterken warmen spiritus is Aloë geheel, in aether en in chloroform niet of zeer weinig oplosbaar.

Uit eene oplossing van Aloe in haar tienvoudig gewicht kokend water mag, als de vloeistof bekoeld is, niet meer dan ten hoogste de helft van de Aloö zijn afgescheiden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°. Alöine, ongeveer 60 pet., waarschijnlijk C\'quot;111 quot;O7, eene lichtgele, reukloozc, amorphe of kristallijne bitterstof, tamelijk gemakkelijk oplosbaar in koud, gemakkelijk oplosbaar in warm water en in spiritus. De aloïne der door de Pharmacopee verlangde Kaapsche Aloü is niet kristalliseerbaar. — Overigens schijnt elke soort van Aloë een uit een chemisch oogpunt en ook in samen-

-ocr page 70-

6o

stelling ander soort van aloïne te bezitten; men onderscheidt diensvolgens eenige verscheidenheden daarvan, naar de soort der Aloë genoemd, zooals socalolne, barb aloïne, nataloïne, curacalolne, enz.

2°. Aloëhars, 25 a 30 pet., onoplosbaar in koud water, oplosbaar in warm water en in spiritus.

Voorts bevat Aloë ongeveer 7 pet. water en laat ongeveer 1 pet. asch na.

Bereiding. Aloë is het ingedikte sap der bladen van verschillende soorten van Aloë, struiken of boomen, behoorende tot de familie der Liliaceae.

De door de Pharmacopee voorgeschreven Aloë wordt aan de Kaap de Goede Hoop gewonnen van verschillende aldaar groeiende soorten, zooals A. africana, ferox, spicata L., lingua, arbores-ccns Mill., vulgaris Lam., enz. De bladen, die in den vorm van een rozet boven op den stam gezeten, lang en smal, dikvleezig en saprijk zijn, worden afgesneden, waarna men ze in geitevellen, die in ondiepe kuilen in den grond zijn uitgespreid, laat uitlekken. Volgens eene betere methode wordt ook wel het binnenste, het bladmoes der bladen, dat geen werkzaam sap bevat, vooraf verwijderd en het buitenste gedeelte daarna uitgeperst. Het op de een of andere wijze verkregen sap wordt in ijzeren ketels gekookt, ingedikt en tot droog verdampt, waarna het in kisten, soms met geitevel gevoerd, naar Londen wordt verzonden.

Eigenschappen, Een donkerbruine of bijna zwartachtige, glanzige massa, met een bijzonderen reuk en een onaangenaam bitteren smaak, die gemakkelijk in schelpvormige kleinere stukken, glanzend als glas, en in spitse, doorschijnende, roodachtige of helder bruine splinters te breken is. Geheel gedroogd en fijn gewreven, levert zij een geel poeder, dat in verdunden en in sterken warmen spiritus, alsmede in glycerine, geheel, in aether en in chloroform niet of zeer weinig oplosbaar is. In kokend water lost Aloë geheel op; bij bekoeling echter zondert er zich een neérslag van aloëhars uit af.

Wordt eene spiritueuse oplossing van Aloë gedurende eenigen tijd met benzine geschud, dan geeft de heldere benzine-oplossing met ammonia eene lichtroode verkleuring met bruinachtige tint, vooral na verwarming.

Eene versch bereide, zeer verdunde, bijna kleurlooze, waterige

-ocr page 71-

6i

oplossing van Aloë wordt, na toevoeging van eenige droppels kopersulfaat-oplossing, geel gekleurd. Deze vloeistof kleurt zich met natriumchloride, bij zachte verwarming aan de oppervlakte of na toevoeging van alcohol, rood

Een splintertje Aloë, op een horlogeglas met een weinig salpeterzuur overgoten, doet na eenige minuten op den bodem eene groene kleur ontstaan.

De oplossing van 50 mG. Aloë in 12 droppels zwavelzuur wordt, na toevoeging van 3 droppels salpeterzuur en daarna van 25 Grm. water, oranjerood. Deze vloeistof kleurt zich na toevoeging van ammonia licht wijnrood.

Onderzoek.

1°. Een donkerbndne of bijna zwartachtige, glanzige massa, met een bij zonderen reuk, die gemakkelijk in schelpvormige kleinere stukken, glanzend als glas, en in spitse, doorschijnende, roodachtige of helder bruine splinters te breken is. Geheel gedroogd en fijn gewreven, levert zij een geel poeder. Eigenschappen van Kaapsche Aloë. Andere soorten van Aloë zijn:

a. Natal-Aloë. Grijsbruin van kleur en zeer dof. Met salpeterzuur blijvend karmozijnrood. Met zwavelzuur, salpeterzuur en water donker-kannozijn, daarna met ammonia donker-bruinrood.

b. Socotora-Aloë. Oorspronkelijk afkomstig van Socotora, verstaat men hieronder in den handel verschillende soorten van Aloë, afkomstig van de Oost-kust van Afrika. Donker-roodbruin, soms ook bruin- tot granaatrood van kleur en glanzig met saffraan-achtigen reuk. Fijn gewreven, levert zij een goudgeel poeder. Handels-Aloë met salpeterzuur zwak karmozijn, echte roodachtig-bruin. Met zwavelzuur, salpeterzuur en water karmozijn, daarna met ammonia donker-wijnrood; echte met salpeterzuur, enz. oranjerood, daarna met ammonia donker-bruinrood.

e. Zanzibar-, Madagascar-en Mocka-Aloë. Mindere soorten Afrikaansche Aloë, sommige zeer verontreinigd of vervalscht, die bij ons weinig of nooit in den handel komen.

d. West-Indisch- (Curasao- en Barbados-) Aloë. Donker-leverkleurig, chocolade-bruin tot zwart van kleur, gewoonlijk ondoorschijnend met eene gelijke, niet schelpvormige breuk en doffe, wasachtige oppervlakte. Met salpeterzuur voorbijgaand karmozijn.

\') Het niet onstnan dezer reactie is geen bewijs voor de afwezigheid van Aloë.

-ocr page 72-

62

Met zwavelzuur, salpeterzuur en water karmozijn, daarna met ammonia donker-iuijnrood.

c. Oost-Indisch- (Jaffarabad-) Aloë. Zwart, dof of glanzend. De laatste gelijkt zeer veel op Kaapsche Aloë. Door salpeterzuur wordt zij echter niet groen gekleurd. Komt bij ons niet in den handel.

2°. een poeder, dat, op een waterbad verwarind, noeh zich sauienpakken, noch van kleur veranderen mag. Dit zou het geval zijn bij een te groot watergehalte, het eerste ook bij verval-sching met stoffen als pik.

3°. In verdund en en in sterken ivarmen spiritus is Aloe geheel oplosbaar. Verontreinigende of ter vervalsching dienende stoffen, als minerale stoffen, zetmeel, gom, dextrine, enz. zouden hierbij terugblijven.

4°. in aether en in chloroform niet of zeer weinig. Een belangrijk residu na verdamping van den aether of chloroform zou kunnen wijzen op vervalsching met hars, pik, enz.

5°. Uit eene oplossing van Aloe\' in haar tienvoudig gewicht kokend water mag, als de vloeistof bekoeld is, niet meer dan ten hoogste de helft van de Aloi\' zijn afgescheiden. De Pharmacopee verlangt dus eene Kaapsche Aloë, die hoogstens 50 pet. in water onoplosbare stoffen, hoofdzakelijk hars, bevat, en dus een daaraan evenredig voldoend gehalte aan aloïne.

AMMONIA L 1 O UI I) A.

A M M O N I A.

Een heldere, kleurlooze, zeer doordringend riekende vloeistof, die een daarboven gehouden rood lakmoespapier blauw kleurt en een soort. gew. heeft van 0.958—0.960.

Ammonia late, na verdampt te zijn, niets achter.

2 lt; -MAmmonia mag, met 3 cM3. verdund zwavelzuur vermengd, niet opbruisen en geen vreemden reuk verspreiden. Deze vloeistof mag 3 droppels van liet volumetrisch permanganaat niet terstond ontkleuren.

Ammonia, met azijnzuur oververzadigd, mag niet troebel wordendoor baryumchlonde, door ammoniumoxalaat, noch, na toevoeging van een weinig salpeterzuur, door zilvernitraat, en ook niet gekleurd of troebel worden door zwavelwaterstof.

-ocr page 73-

63

S (jrm. Ammonia eisclit 30.3—28.5 c.M3. van liet: volurnetrisch zuur ter verzadiging, hetgeen overeenkomt met een gehalte van ongeveer 10 pet. Ammonia.

Samenstelling. NH3 -|- aq. of NH4.HO aq.

Ammonia is eene 10-procentische, waterige oplossing van ammoniakgas, NH3, eene verbinding van één atoom driewaardige stikstof met drie éénwaardige atomen waterstof.

Wegens hare alkalische eigenschappen wordt zij ook we! beschouwd als eene oplossing van ammoniumhydroxyde, eene verbinding van ammoniak met water, analoog aan kalium-, KHO, en natriumhydroxyde, NaHO

NH3 -f- HH) = NHMiÜ

ammoniak water ammoniumhydroxyde

Zij bevat de atoomgroep NH4, eene verbinding van één atoom thans vijfwaardige stikstof met vier atomen éénwaardige waterstof, die als een éénwaardig alkali-metaal daarin optreedt.

Bereiding. Door destillatie van ammoniumchloride met cal-cimnhydroxyde.

2 NI H Cl Ca(HO)2 = 2 NHfHO Ca Cl2

ammoniumchloride calciumhydroxyde ammonia calciumchloride

5 ]31n. Calciumoxyde, ongebluschte kalk, worden met warm water gebluscht en verder met water tot 10 dln. kalkmelk aangeroerd. Deze wordt in een ruime kolf met veiligheidsbuis gebracht, onder omschudden 4 dln. ammoniumchloride daaraan toegevoegd en het gevormde ammoniakgas in het zandbad gedestilleerd. Het gas wordt, na in water afgewasschen te zijn, in 8 dln. water opgevangen \').

Fabriekmatig wordt Ammonia verkregen uit het ammoniakwater der gasfabrieken, waarin een groot gedeelte van de stikstof der steenkool in den vorm van ammoniakverbindingen , als ammonium-carbonaat, -sulfocyanaat en zwavelanunonium , wordt teruggevonden. Dit water wordt onder toevoeging van kalkmelk in ijzeren ketels gedestilleerd en de ammoniakdampen, na reiniging, in water opge-

\') Daar Ammonia lichter is dan water, moet de aanvoerbuU van het gas tot op den bodem der ontvangllesch in het water reiken, zoodat de gevormde Ammonia steeds naar boven stijgt. Het omgekeerde moet geschieden bij «Acidum hydrochloricum », wijl dit zwaarder is dan water en dus naar den bodem zakt.

-ocr page 74-

64

vangen. Het grootste gedeelte echter wordt in zwavelzuur geleid en aldus in ammoniumsulfaat omgezet, waaruit door ontleding met kalkmelk ammonia wordt verkregen.

Deze ammonia komt min of meer zuiver en in verschillende sterkte in den handel. Uit zulk eene meer geconcentreerde ammonia kan men zuivere bereiden door eenvoudige destillatie op het water-of zandbad in een kolf met afvoerbuis, wasch- en ontvangflesch met water. Zoo noodig voegt men vooraf eenig kaliumperman-ganaat toe, totdat geene ontkleuring meer plaats heeft, ter oxy-datie van empyreumatische stoffen, en bovendien een weinig kalkmelk , om mogelijk aanwezig carbonaat te ontleden.

Is het op de een of andere wijze verkregen vocht te sterk, dan wordt het volgens de bij „Acidum aceticumquot; opgegeven formule met water verdund.

Eigenschappen. Een heldere, kleurlooze, zeer doordringend riekende volkomen vluchtige vloeistof met een soort. gew. van 0.958—0.960. Zij reageert alkalisch en hare dampen kleuren dus rood lakmoespapier blauw.

Een met azijnzuur of chloorwaterstofzuur bevochtigd, glazen staafje, boven het vocht gehouden, geeft witte nevels af van ammoniumacetaat of -chloride. Met een weinig kopersulfaat-oplossing geeft Ammonia een heldere, donkerblauwe vloeistof onder vorming van cuprisulfaat-ammoniak, CuSüquot; -4-4HN1. Met Nessler\'s reagens geeft zij een roodachtig bruin neérslag, bij zeer sterke verdunning zelfs nog eene gele verkleuring van oxydimercuriammoniumjodide.

[2 (Hg P.KI) -f 3 KI 10] NH3 =(Hg I.NIP.HgO) 5 KI 2 IPO

Nessler\'s reagens ammoniak oxydimercuri- kaliumjodide water

ammoniumjodide

Onderzoek.

iö. Een vloeistof, die een soort. geiv. heeft van 0.958—0.960. Staat in verband met het ammoniakgehalte.

2°. Ammonia late, na verdampt te zijn, niets aeliter. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen, bijv. metaal- of cal-cium-verbindingen.

30. 2 ril/3. Ammonia mag, met 3 eM*. verdund zzvavelzuur vermengd, niet opbruisen. Afwezigheid van ammoniumcarbonaat\').

1

merking blz. 25 sub 30.

-ocr page 75-

65

4°. en geen vreemden reuk verspreiden. Slaat op verontreiniging met empyreumatische stoffen, waarvan de reuk het best na neutralisatie waargenomen wordt.

5°. Deze vloeistof mag 3 droppels van het volumetrisehpernian-ganaat niet terstond ontkleuren. Grensreactie op voorhanden teer-producten, zooals aniline, t o 1 u i d i n e, 1 e u c o 1 i n - cn p i r i-dinbasen, die het permanganaat ontkleuren. Bij neutralisatie met verdund zwavelzuur wordt eene dergelijke stoffen bevattende Ammonia roserood tot bruinrood gekleurd.

6°. Ammonia, met azijnzuur oververzadigd, mag niet troebel ivorden door barynmehloride. Reactie op sulfaat,

70. door ammoninmoxalaat. Reactie op calciumverbindingei).

8°. noch, na toevoeging van een weinig salpeterzuur, door zilvernitraat. Reactie op chloride.

90. e7i ook niet gekleurd of troebel ivorden door zzvavekuaterstof. Reactie op zware metalen als lood, koper en ferrid-zout.

100. 5 Gnn. Ammonia eiseht 30.3—28.5 cM*. van het volumetriseh zuur ter verzadiging, hetgeen overeenkomt met een gehalte van ongeveer 10 pet. Ammonia.

30.3—28.5 cM3. Volumetriseh zuur neutraliseeren evenzooveel cM3. volumetriseh alkali. Volumetriseh Ammonia (NU3 = 17) bevat 17 Grm. ammoniak per 1000 cM3., d. i. 0.515—0.484 Grm. per 30.3—-28.5 cM3. Deze moet vervat zijn in 5 Grm. Ammonia, d. i. dus 10.3—9.7 pet.

A M M O N I A C U M.

A M M O N I A K G O M.

Het gomharshoudend sap van Do rem a Ammoniacum don, uit den stengel gevloeid en in de lucht hard geworden.

Afzonderlijke of min of meer samengekleefde, geel- of bruinachtige, inwendig witachtige, harde korrels, die in de warme hand week en door koude brozer worden. Reuk, vooral bij verwarming, eigenaardig, niet aangenaam. Smaak bitter, eenigszins scherp, onaangenaam aromatisch. Poeder van Ammoniakgom wordt door chloorkalk fraai rood gekleurd.

Grootere, gelijkmatig bruine of donkerder stukken moeten verworpen worden.

5

-ocr page 76-

66

Ten gebruike moet de hoven gebluschte kalk gedroogde of bij vriezend weder bros geworden Ammoniakgom tot poeder gebracht en doormiddel eener zeef van vreemde lichamen gezuiverd worden.

Samenstelling. Ammoniakgom is een mengsel van ongeveer 70 pet. hars, ongeveer 20 pet. gom, benevens een weinig, 0.4 pet., vluchtige olie. Zij bevat ongeveer 7 pet. water.

Afkomst. Ammoniakgom is het aan de lucht hard geworden sap, dat vloeit uit den stengel van Dorema Ammoniacum don, eene Um bellifera, die inheemsch is in de onvruchtbare woestijnstreken van Afghanistan en l\'erzië. De plant is, zoowel wat betreft den stengel als den wortel, met een wit sap gevuld, dat of vrijwillig óf ten gevolge van de talrijke beten van insecten door de daardoor in tien stengel ontstane openingen naar buiten vloeit, alwaar het, opdrogend, zich in grootere of kleinere korrels vasthecht of wel zich op den bodem tot grootere stukken verzamelt. Het wordt naar Bombay gebracht en komt van daar over Londen in den handel.

Ten gebruike moet Ammoniakgom van vreemde bijmengselen, zooals blad- en stengeldeelen, zooveel mogelijk gezuiverd worden, door haar bij vriezend weder, na afkoeling in ijs of boven gebluschte n kalk gedroogd, waardoor zij bros wordt, tot poeder te stampen en door middel eener zeef daarvan te bevrijden. Men bewaart het poeder tegen vocht in kalkstopflesschen, ten einde het samen-bakken te voorkomen.

Eigenschappen. Afzonderlijke (//. in grauis s. lacryntis) of min of meer samengekleefde (A. amygdaloides), geel- of bruin-, inwendig witachtige, harde korrels, die in de warme hand wecken door koude brozer worden. Reuk, vooral bij verwarming, eigenaardig, niet aangenaam. Smaak bitter, eenigszins scherp, onaangenaam aromatisch.

Poeder van Ammoniakgom wordt door chloorklalk fraai rood gekleurd. — Met water gekookt, wordt de troebele vloeistof door ferrichloride vuil-roodviolet gekleurd. —Met water gewreven, wordt de melkwitte vloeistof met natronloog eerst geel, later bruin. — Met zwavelzuur overgoten, wordt dit na eenigen tijd donker-bloed-rood gekleurd; deze vloeistof, met water verdund, fluoresceert met ammonia in overmaat niet. (Afwezigheid van unibellifcron) 1).

1 ^ Ken karakteristiek bestanddeel van vele Umbelliferae.

-ocr page 77-

6;

Eene oplossing van Ammoniakgom in verdunde natronloog, alcohol of aether, droppelsgewijs broomloog \') oi natriumhy-pochloriet-oplossing toegevoegd , wordt voorbijgaand prachtig violet-rood gekleurd (/(«;■,v-reactie).

Onderzoek.

i0. Grootere, gelijkmatig bruine of donkerder stukken moeten vervjorpen worden. De Pharmacopee eischt dus bovengenoemd A. in granis s. lacrymis of amygdaloides en niet het minder zuivere, waarschijnlijk niet van den stengel maar van den grond verzamelde A. in massis s. plaeentis.

AMYLUM SO LA NI.

A A R D A P P E L Z E T M E E L.

Het zetmeel uit de knollen van Solanum tuberosum L,

Een zeer wit, bijna reuk- en smaakloos, tusschen\'de vingers knis-terend poeder.

Samenstelling. (CM10(J\'\')quot;

Aardappelzetmeel behoort tot de koolhydraten, organische stoffen, bestaande uit koolstof, waterstof en zuurstof, haren naam ontleenende aan de eigenschap, dat de twee laatste elementen daarin voorkomen in de verhouding, waarin zij water vormen. Hare algemeene formule is dus; C\'lPOquot;. Volgens deze kent men koolhydraten van de empirische samenstelling: C11H1 uü■quot;, waar toe o. a. amylum en cellulose behooren , C1\'M P\'^O11, waaronder de suiker en de melksuiker, en CH14Oquot;, waarvan de druivesuiker of glucose het belangrijkste is. Overigens is de constitutie dezer lichamen nog niet volledig bekend; in \'t algemeen gedragen zij zich als meerwaardige alcoholen, sommige tevens als aldehyden.

Luchtdroog Zetmeel bevat ongeveer 14 a 15 pet. water.

Bereiding. Aardappelmeel wordt fabriekmatig bereid uit de aardappelen, de knollen van Solanum tuberosum L., eene ook bij ons welbekende plant, behoorende tot de familie der Solaneae.

.?) 30 Grm. natriumhydroxyde, opgelost in gedestilleerd water, daarbij onder afkoe-ling 20 Grm. broom gevoegd en verdund tot een liter.

-ocr page 78-

68

De aardappelen worden daartoe eerst door afwassching van vuil ontdaan, vervolgens met behulp van raspen tot moes gebracht, welk moes in ronddraaiende zeeften met water wordt uitgespoeld, zoodat het fijnere zetmeel door de poriën gaat en het grovere celweefsel, waarin het oorspronkelijk besloten was, in de zeeften terugblijft. Het zetmeel wordt daarna door herhaald omroeren en bezinking in water van onreinheden bevrijd en, na uitdruiping in met linnen bekleede bakken, ten slotte in verwarmde vertrekken gedroogd.

Eigenschappen. Een zeer wit, bijna reuk- en smaakloos, tus-schen tie vingers knisterend poeder, onoplosbaar in koud water, spiritus en aether. — Met water gekookt, wordt de bekoelde oplossing door jodium blauw gekleurd, welke kleur door verwarming verdwijnt, doch bij bekoeling terugkeert. — Mikroscopisch bestaat het voor het grootste gedeelte uit enkelvoudige, eironde korrels (0.06—0.1 m.M.) met een stipvormig kernvlekje even onder het smalste uiteinde en zeer duidelijke, concentrische kringen.

Onderzoek.

1quot;. Ecu poeder. Slaat op een te hoogwatergehalte, waardoor het meel zich tot grootere of kleinere klontjes zou samenpakken. Zetmeel nl. is vrij hygroscopisch en kan tot 25 pet. en meer water bevatten, waarvan men het door zachte verwarming op het waterbad moet bevrijden.

2n. neer wit. In tegenstelling met geringere soorten,

^0. bijna reuk- en smaakloos. In onderscheid met andere meelsoorten, die volkomen reuk- en smaakloos zijn. De reuk-van aardappelzetmeel naar versche, onrijpe snijboonen komt vooral uit na schudding en zachte verwarming met eenig verdund zuur, bijv. chloorwaterstofzuur.

Eenige der voornaamste, andere zetmeelsoorten zijn de volgende;

a. Tarwezetmeel. Enkelvoudige korrels van tweeërlei grootte. De grooteren (0.035—0-04 m-M.) zijn lensvormig, de kleineren (gemiddeld 0.0088 m.M.) kogelrond. Kernvlekje en concentrische kringen in den regel afwezig.

b. Roggezetmeel. Veel gelijkend op tarwezetmeel. De korrels zijn echter een weinig grooter (0.04—0.05 m.M.) en hebben in \'t midden meestal eene duidelijke, gebogen kruisvormige spleet.

c. Gerstezetmeel. Zeer veel gelijkend op tarwezetmeel. Zij zijn echter kleiner (gemiddeld 0.02 m.M.).

-ocr page 79-

69

d. Rijstezetmeel. Enkelvoudige benevens samengestelde, ovale korrels. De eersten, waaruit de laatsten (0.018—0.036 m.M.) bestaan , zijn zeer klein (0.003—0.007 m.M.) en veelhoekig. De meesten hebben eene groote kernvlek, doch geene concentrische kringen.

c. Haverzetmeel. Hoofdzakelijk samengestelde, ovale korrels (0.020—0,050 m.M.), bestaande uit een zeer aanzienlijk getal veelhoekige, kleine korrels, iets grooter dan van rijst (0.004—0.00S m.M.); daarnevens weinige, enkelvoudige, meer afgeronde, eenigszins pit-of peervormige korrels (hoogstens 0.015 m.M.). Kernvlekje of concentrische kringen afwezig.

ƒ. Maïszetmeel (Maïzena). Veelhoekige, hier en daar nog samenhangende korrels, grooter dan die van rijst of haver (0.01—0.025 m.M). Die, welke elkander meer hebben losgelaten, zijn ronder. Zij bezitten of een duidelijk kernvlekje öf eene centrale holte, met of zonder daarvan uitgaande spleten. Concentrische kringen afwezig.

g. Boekweitzetmeel. Veel-, meestal vijfhoekige korrels, vaak niet een gedeeltelijk afgeronden rand, grooter dan die van haver, kleiner dan die van maïs (gemiddeld 0.009 m.M.). Meestal een kernvlekje, somtijds eene centrale holte.

h. Boonen- en Erwtenmeel. Langwerpige, ellips- of ook wel meer eivormige, groote (0.03 — 0.08 m.M.) korrels niet een in de lengte gelegen streepvormige kernvlek, veeltijds ook spleetvormig met zijarmpjes naar links en rechts en duidelijke, concentrische kringen.

i. Arrowroot.

West-Indisch of Surinaamseh A. van Mara 11 ta Arundi-nacea L. Enkelvoudige, eironde, rollende korrels (hoogstens 0.07 m.M.) met een aan het breedste gedeelte of ietwat meer naar het midden gelegen kernvlekje of dwarsspleetje en duidelijke, concentrische kringen.

Oost-Indisch of Bombay-A. (Tikmeel) van Cu reu ma-soorten. Enkelvoudige, elliptische, platte korrels (hoogstens 0.06 m.M.), aan het ééne uiteinde uitloopende in een versmald puntje, waaronder het kernvlekje, met niet rondloopende, boogvormige kringen.

Braziliaansch A. (Cassave-meel) van Manihot-soorten. Samengestelde korrels of de daarvan afkomstige en alsdan door een of meer platte vlakken begrensde, enkelvoudige korrels (0.008—0.029 m.M.). Elk dezer bezit een dikwerf min of meer stervormig kern-vlekje en concentrische kringen.

h. Sago.

Oost- Indischc, ec/ite, Bard- of Palnien-S., vooral afkomstig van

-ocr page 80-

Pal m-soorten. Enkelvoudige, groote, veel-, soms min of meer schoenvormige, overigens langwerpige of meer eivormige, hier en daar afgeknotte korrels, waaronder sommige met kleine, zijde-lingsche uitpuilingen. Kernvlekje aan het smalste uiteinde, stip-, streep- of stervormig en duidelijke, concentrische kringen.

Tapiocca (Cassave- of Manihot-S.) wordt bereid van Cassave-meel, soms valschelijk van aardappelmeel. Zie verder bij beiden.

Aardappel-, valschc, Parel- of Bloem van S. Min of meer gezwollen korrels, waarin overigens nog zeer goed de vorm van aardappelzetmeel is te herkennen 1).

A N T I D O T U M A R S E N I C I.

T E G E N G I E T VOOR ARS E N I C U M.

N. l\'crrichlorideoplossing zestig deelen........ 60

Verdun ze met

Ha/er tweelionderd zestig deelen........260

N. Ma^ncsiumoxyde veertien deelen......... 14

tot een homogeen mengsel geschud met

1 tater tweehonderd zestig deelen........260

Houd van elk dezer vloeistoffen ongeveer 500 cM3. nevens elkander [in voorraad, tegen liet licht beschut. Meng, zoodra Tegengift voor Arsenicum gevraagd wordt, van elk dezer vloeistoffen, na ze te hebben geschud, een even groot volumen onder elkander en schud het mengsel zoo lang, tot het een gelijkmatig dunne brij geworden is.

Samenstelling, liet Tegengift voor Arsenicum bestaat uit ccne oplossing van magncsiumchloride, waarin gesuspendeerd ferrihy-droxyde, benevens een overmaat van magnesiumoxyde. Het ferri-

lt;Fe2Cl« 12 H»O) 3 MgO 31120 = 3 MgCl2 Ee1 (OH)0 12 H = O

ferricbloricle magnesium water magnesium ferri waler

oxyde chloride hydroxyde

hydroxyde vooral moet als tegengift werken door de vorming van

\') De Phnrmacopee Inal niet onderzoeken op eene vervalsching met minerale stoffen als krijt, gips, enz. Men bepaalt daartoe liet aschgehalte, dat hoogstens 0.5 pet, mag bedragen.

-ocr page 81-

een onoplosbaar ferridarseniiet met het arsenigzuur; intusschen geven ook de magnesiumverbindingen daarmede ono])losbare arsenigzure zouten.

Bereiding. De beschutting tegen het licht dient, om ontleding van het ferrichloride te voorkomen. De bereiding moet bij zoo laag mogelijke temperatuur plaats hebben en eerst dan, wanneer Tegengift gevraagd wordt, omdat slechts het versch geprecipiteerde ferri-hydroxyde zich gemakkelijk met arsenigzuur verbindt. Hij bewaring nl. gaat dit langzamerhand in andere, minder waterhoudende hy-droxyden over, die zich moeilijker met het arsenigzuur verbinden.

ANTIPYRINU M.

ANTI P V R I N E.

Kleine, bittere, kleurlooze kristallen, die bij ongeveer 110° smelten, bij sterker hitte ontleed worden en geheel verbrandbaar zijn.

Antipyrine geeft met i deel water en met 2 dee!en sterken spiritus kleurlooze, neutrale oplossingen. Chloroform lost het gemakkelijk, aether moeilijker op.

De oplossing in water (1 = 200) wordt door tannine en door broom-water neêrgeslagen . doch door kaliummercuridjodide niet dan na toevoeging van eenig verdund zwavelzuur. Met kaliumnitriet en eenig azijnzuur vermengd, wordt zij na eenigen tijd groen. Met haar viervoudig volumen water verdund, geve zij met ferrichloride een roode kleur, die na toevoeging van verdund zwavelzuur verdwijnt.

Antipyrine mag door zwavelwaterstof niet veranderd worden.

Samenstelling. CI,H1JNiO = C0H5.(CH3)2. CM IN2 O

Antipyrine is phenyldimethylpy razolon. Hare samenstelling kan afgeleid worden van pyrrol, een bestanddeel der vroeger in de geneeskunde gebruikelijke brandig-dierlijke, z. g. Dippelsche Olie, Wordt in dit pyrrol (zie hieronder nu 1) de naast de stikstof gelegen, driewaardige Cl I-groep vervangen dooreen tweede atoom driewaardige stikstof, dan ontstaat het pyrazol (n0. 2). Door reductie gaat dit lichaam, onder opname van twee atomen waterstof en opheffing daardoor eener dubbele binding, over in pyra-

-ocr page 82-

72

zolin (n0 3). Vervangt men in ee\'n der CH2-groepen de twee atomen waterstof door eén atoom zuurstof, dan vormt zich pyra-zolon (n0. 4). Bij de bereiding nu van Antypirine vormt zich een derivaat van dit pyrazolon, nl. liet phenylmethyIpyrazolon (n0 5 en 6), uit welk lichaam , door inbrenging eener methyl-, CH3, groep antipyrine (n0. 7) ontstaat.

H.C N?1

H C

H

N

\\

\\|C.H N

N?2

1

C.H H.C

, /

__________IC.H H.C________

PYRROL CJH! PYRAZOL CeH\' PYRAZOLIN C\'Hquot; PYRAZOLON N N N

\\C:0 CH;N/ N? 7

C;H2CH;C

f\': O

N? S

H.C

C.H

OIMETHYIPHENYL PYRAZOLON

C:H!CH:C

FHENYLPYRAZOLON METIIYLPHENYL PYRAZOLON

C:ü N N?6

N

Bereiding. Antipyrine wordt bereid uit acetacthylacetaat, phe-nylhydrazin en methyljodide.

1°. Acetacthylacetaat is te beschouwen als aethylacetaat, waarin één atoom waterstof der CH3-groep van het a;:ijnzuur-radicaal vervangen is door hetzelfde azijnzuur-radicaal.

CH:!,(CH3.CO).COO.C2H5

acetaelhylacetaat

CH3.COO.C2Hr\' CH3.CÜOH

aethylacetaat azijnzuur

2quot;. De hydrazin-verbindingen kenmerken zich door de éénwaardige atoomgroep NH.NH2. Zij kan beschouwd worden als een amido-groep \'), waarin één atoom waterstof door eene andere, éénwaardige amido-groep is vervangen.

NIP. NH.NH2

amido-verbinding hydrazin-verbinding

C(iHr,.NH2

amido-benzol of aniline

C^H3.NH.NH2

phe d ylhy d razin


1) Zie bij a Acetanilidum ».

-ocr page 83-

73

3°. Methyljodide is methane waarin één atoom waterstof door jodium is vervangen.

CH4 CIP.I

methane joodmethyl

Worden 100 dln. phenylhydrazin vermengd met 125 dln. acct-aethylacetaat, dan ontstaat hierdoor onder waterafscheiding phe-nylhydrazinacetacthylacetaat, eene olieachtige vloeistof, die, langdurig op het waterbad verwarmd, onder alcoholafscheiding overgaat in methylphenylpyrazolon. Men verwarmt, totdat een weinig der vloeistof, bekoeld of in aether, geheel vast wordt, waarna zij in

C6HS.NH.NH2 CH!!.(CH3.CO).COO.CiH5 = CMI\'.OH

phenylhydrazin acetaethylacetaat aethylalcohol

C6 H5. C H3. C3 H2 N2 O

phenylmethylpyrazolon

aether wordt uitgegoten, waardoor liet methylphenylpyrazolon in kristallen wordt verkregen. In methylalcohol opgelost, worden deze in gesloten buizen eenigen tijd met gelijke deelen methyljodide tot ioo0 verhit, waardoor zich, onder afscheiding van joodwaterstof, antipyrine vormt.

C6H5.CH3.C3H2N20 CH\'.I = C0H!;.(ClI3)i.C3HNïü Hl

phenylmethylpyrazolon methyljodide phenyldimethylpyrazolon joodwater

of stofzuur

antipyrine

Door jodium gekleurd, wordt de massa door koking met zwave-ligzuur ontkleurd, de alcohol afgedestilleerd en de antipyrine door natronloog als eene olieachtige vloeistof afgescheiden.

Ten slotte wordt deze in aether opgelost, waaruit de antipyrine bij verdamping zuiver, kleurloos kristalliseert. (Knorr) 2).

Eigenschappen. Kleine, bittere, kleurlooze, bijna reuklooze kristallen, die bij 110° smelten, bij sterker hitte ontleed worden en ten slotte geheel verbranden. Antipyrine lost gemakkelijk op in water (1), sterken spiritus (1) en chloroform (1.5), moeilijker

*) Zie bij « Acidum aceticum

a) Tiet door inwerking van /3-broomboterzuur op phenylhydrazin ontstane hydrophenyl-methylpyrazolon geeft by oxydatie en daaropvolgende methyleering (13 üh ringer) een phenyldimethylpyrazolon, dat men voor indentisch hield met antipyrine. Hoogstwaarschijnlijk echter is dit een isomeer daarvan.

-ocr page 84-

74

in aether (50). Alhoewel basisch van karakter en dus met zuren zouten vormend, reageert de oplossing neutraal.

De oplossing in water wordt door de meeste algemeene alkaloïd-reagentiën, zooals pikrinezuur, mereurichloride, tannine en broom-water neergeslagen, echter niet door kaliummercuridjodide dan na toevoeging van eenig verdund zwavelzuur.

100 m.G. Antipyrine, met 5 c.M3. kaliumnitriet en 10 droppels azijnzuur vermengd, wordt na eenigen tijd blauwgroen door vorming van isonitrosoantipyrine, C\'1II11 N\'O®, welke kleur bij verwarming in groen en na toevoeging van eenige droppels rood-rokend salpeterzuur in rood overgaat.

5 c.M3. Antipyrine-oplossing (1 = 200) geeft met 5 droppels ferrichloride een roode kleur, die na toevoeging van 10 droppels zwavelzuur verdwijnt.

200 mG, Antipyrine, opgelost in 2 c.M3. salpeterzuur, wordt bij verwarming kersrood en na toevoeging van eenig ammonia geel.

In 1 c.M3. zwavelzuur opgelost, wordt 100 m.G. Antipyrine door een droppel salpeterzuur kersrood gekleurd.

Onderzoek.

1°. Kleine kristallen. Antipyrine komt ook voor in groote kristallen en in poedervorm. De Pharmacopee eischt dus Antipyrine in de bekende, fijne kristalschubben.

2°. kleurlooze kristallen. — Antipyrine geeft met water en spiritus kleitriooze oplossingen. Een goed gezuiverd preparaat dus, vrij van kleurende onzuiverheden.

30. die bij ongeveer 1 io0 (beter 1130) \') smelten. Een onzuiver preparaat smelt in den regel bij lagere temperatuur. Ook ter onderscheiding van andere stoffen, zooals m et h ace tine en phenace-tine, die een hooger smeltpunt hebben.

40. hij sterker hitte ontleed worden. Onderscheid met anti-f e b r i n e.

5®. en geheel verbrandbaar zijn. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen.

6°. Antipyrine geeft met 1 deel water en met 2 deelen sterken spiritus kleurlooze, neutrale oplossingen. In onderscheid met stoffen als antifebrine, methacetine en p henace tine, die veel

\') Het smeltpunt van Antipyrine is nl. in de Pharmacopee niet nauwkeurig genoeg aangegeven.

-ocr page 85-

7 5

minder goed oplosbaar zijn, ook met p h c n y 1 m ct h y 1 py r a-zolon, dat in water niet gemakkelijk oplost. • Eene neutrale oplossing waarborgt de afwezigheid van vrij zuur of alkali.

7°. aether lost het moeilijker op. Onderscheid met antifebrine. S0. Mei haar viervoudig volumen water verdund, geve zij met ferrichloride een roode kleur, die na toevoeging van verdund ziva-vehuur verdwijnt. Onderscheid met a n t i fe b r i n e.

9°. Antipyrine mag door zwavelwaterstof niet veranderd worden. Afwezigheid van z w a r e m e talen.

AQUAE ARC) M A T I C A E.

AROMATISC H E W A T E R E N.

De Aromatische Wateren moeten duidelijk rieken en smaken naar cle grondstoffen of naar de vluchtige oliën, waaruit zij bereid zijn.

Zij mogen noch gekleurd zijn, noch slijmige deelen bevatten, en ook niet door zwavelwaterstof gekleurd worden.

Samenstelling. De vroeger uitsluitend gebruikelijke, eigenlijke Aromatische Wateren, die door destillatie worden verkregen, zijn zooveel mogelijk verzadigde, heldere oplossingen der vluchtige oliën in water, verkregen door de dampen der oliën zich met die van het water te doen mengen, daarin op te lossen en vervolgens de oplossing af te koelen. De meeste, uitgezonderd „Aqua Cinna-momiquot; en „Aqua Laurocerasiquot;, zijn in de tegenwoordige Pharma-copee, vooral omdat zij spoedig aan bederf onderhevig zijn, vervangen door hunne surrogaten, verkregen door vermenging eener spiritueuse oplossing der olie met water, waarbij wel eene gedeeltelijke oplossing plaats heeft, doch een groot gedeelte der olie gesuspendeerd blijft en de vloeistof troebel maakt.

Bereiding. Bij de bereiding der Aromatische Wateren door destillatie worden de versche of gedroogde grondstoffen, des ver-eischt, vooraf verkleind en vervolgens met de noodige hoeveelheid gewoon water in een zorgvuldig vertinden destilleerketel gebracht, waarna de inhoud goed omgeroerd en in den regel nog gedurende

-ocr page 86-

76

vier en twintig uren in rust wordt gelaten, ten einde de stof volkomen met het vocht te doen doortrekken. Alvorens te gaan destilleeren, moet de massa nogmaals flink omgeroerd worden, om de grondstof zoo gelijkmatig mogelijk onder het water te ver-deelen en te voorkomen, dat, door uitzakking der stof op den bodem gedurende het staan, bij verwarming aanbranding kan plaats hebben. Ook zorge men er voor, dat de destilleerketel niet te vol zij, d. i. voor niet meer dan de helft of twee derden, al naar den aard der stof, gevuld is, ten einde bij de destillatie door den te grooten \'nhoud geen last te hebben van overschuimen, waartoe sommige grondstoffen, zooals bloemen, veel neiging bezitten. Om een en ander te ontgaan, worden de stoffen ook wel in een groven, linnen zak op een in den destilleerketel, dicht bij den bodem aangebracht, zeefvormig, metalen tusschenschot gebracht of spant men over den mond van den ketel een grof gaas, dat bij opschuiming het overgaan der stof belet en verstopping der koelhuis voorkomt.

Nadat daarna de destilleerketel gesloten is en de open voegen met een dikke lijnmeelpap zijn besmeerd, geluteerd, zoodat de ketel volkomen dicht is, begint men aanvankelijk zachtjes te verwarmen, om langzamerhand de temperatuur tot het kookpunt te doen stijgen. De gevormde waterdamp neemt allengs de vluchtige olie uit de grondstof op en stijgt naar boven in den tinnen helm, van waar hij in een buis van hetzelfde metaal wordt gedreven, die voortdurend door koud water in een koelvat omgeven is. I lier wordt de damp afgekoeld en tot water gecondenseerd, dat aan het uiteinde der buis in eene flesch wordt opgevangen. Men zorge er bij de destillatie voor, dat de temperatuur langzaam, niet plotseling stijgt, dat zij niet hooger is dan noodzakelijk en het destillaat volkomen afgekoeld, niet warm of dampend uit de af koelhuis wordt opgevangen.

In plaats van water kan men voor de uittrekking der vluchtige olie ook gebruik maken van waterdamp. De in een ketel ontwikkelde damp wordt dan onder eene geringe drukking geleid in het vat, waarin op het zeefvormig, metalen tusschenschot de vooraf vochtig gemaakte grondstof is gelegen. De waterdamp treedt onder aan den ketel in, strijkt onder eenigen druk door en langs de stof, neemt daardoor de vluchtige olie op, om voorts, gelijk bij de gewone destillatie, aan het einde eener af koelhuis wederom als water te worden opgevangen.

-ocr page 87-

//

Het verkregen destillaat eindelijk wordt van tijd vot tijd flink cn krachtig omgeschud, ten einde nog zooveel mogelijk vluchtige olie op te lossen, en ten slotte na een paar dagen staan, zoo noodig, van de overmaat olie afgefiltreerd.

De meeste Aromatische Wateren der Pharmacopee worden eenvoudig bereid, door de vluchtige olie in de opgegeven hoeveelheid spiritus op te lossen, dezen in de helft der voorgeschreven hoeveelheid water uit te gieten, het mengsel flink en krachtig gedurende eenigen tijd te schudden, vervolgens de andere helft van het water bij te voegen, en wederom eenige minuten te schudden, hetgeen men van tijd tot tijd en telkens vóór \'t gebruik moet herhalen.

Zeer goede Aromatische Wateren, die uitstekend rieken en duurzamer zijn dan de eerste, kan men verkrijgen men door beide bereidingswijzen aan elkander te verbinden, d. w, z. door gebruik te maken van de vluchtige oliën in\'plaats van de grondstoffen, waaruit zij verkregen zijn en deze met water, ook onder toevoeging van eenigen spiritus, op de gewone wijze te destilleeren \').

De Aromatische Wateren worden het liefst op een koele plaats buiten het licht, in niet te groote, geheel gevulde en volkomen gesloten flesschen bewaard.

Eigenschappen. De Aromatische Wateren rieken en smaken naar de grondstoffen of naar de vluchtige oliën, waaruit zij bereid zijn. De gedestilleerde zijn, enkele uitgezonderd, in den regel helder, de uit de olie bereide daartegen troebel. Zij zijn volkomen vluchtig.

Onderzoek.

irt. Dc Aromatische Wateren moeten duidelijk rieken en smaken ■naar de grondstoffen of naar de vluehtige olii\'n, waaruit zij bereid .zijn. Zij moeten dus een voldoend gehalte aan vluchtige olie bevatten. Wateren, waarvan de reuk bij t bewaren min

l) Somtijds worden, in plaats van de gewone Aromatische Wateren, geconcentreerde Wateren, z.g. Aquae aromaticae concentratae gebezigd, vooral omdat zij veel minder aan bederf onderhevig zijn. Zij worden bereid, door icq dln. van het gewone Aromatische Water met 2 dln. sterken spiritus op nieuw te destilleeren en de eerste io dln. van het destillaat op te vangen. Ook wel destilleert men de grondstof, onder toevoeging van een vierde gedeelte sterken spiritus, op de gewone wijze en vangt vat» het eerst overgegane destillaat zooveel op als de hoeveelheid verbruikte grondstof bedraagt. De laatsten worden vóór \'t gebruik met eene dubbele hoeveelheid water verdund.

-ocr page 88-

of meer verdwenen is of die muffig als anderszins rieken, mogen niet gebruikt worden.

2°. Zij mogen noch gekleurd zijn, noch s lij uiige de eten bevatten. Bij aanwending van te groote warmte bij de destillatie, door aanbranding enz. kunnen de Aromatische Wateren gekleurd zijn door de vorming van empyreumatische producten. Tevens hebben vele, hetzij hierdoor, hetzij door staan aan de lucht en liet licht of door ouderdom, neiging tot slijmig worden. Gewoonlijk kunnen bij \'t begin der vorming de slijmige vlokken door tijdige filtratie verwijderd worden en is het Water nog bruikbaar. Is echter gelijktijdig de geur van het Water verminderd of veranderd, dan moet het verworpen worden.

3°. en ook niet door zwavelwaterstof gekleurd worden. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper, tin of ijzer.

AQUA A U R A N T I O R U M.

A O U A C O R TI C U M A U R A N T I O R U M.

O R A N J ESC H li, W A T K R.

N. Een oplossing van één deel O ra njeseh ito lie in negen de eten

ster keil Spiritus tien deelen.......... io

Waier negenhonderd negentig deelen.......990

Schud ze dooreen.

A O U A C I N N A M O M I.

K A N E K L W A T K R,

N. Kaneel, tot grof poeder gebracht, honderd deelen . , 100

Gewoon Water zooveel als noodig is.

Destilleer er van af rooo deelen.

Bereiding. In plaats van ais grof poeder gebruike men de Kaneel in den vorm van kleine stukjes, waardoor mogelijke aanbranding beter wordt voorkomen.

-ocr page 89-

79

Eigenschappen. Kaneelwater is, versch bereid, troebel door onopgelost cinnamyl- of kaneelaldehyde, het voornaamste bestanddeel der kaneelolie. Door oxydatie aan de lucht gaat dit langzamerhand in oplosbaar kaneelzuur over, waardoor het water helder wordt. Daarbij schijnt evenwel langzamerhand eenige verharsing der olie plaats te vinden, blijkbaar aan de geelachtige tint van het Water en de afscheiding van harsachtige deeltjes, welke natuurlijk vóór \'t gebruik door filtratie moeten verwijderd worden.

AQUA C I T R I.

C 1 T R O E N W A T E R.

N. lien oplossing van één deel Citrocnolie in negen deelen

sterken Spiritus tien deelen.......... 10

IVater negenhonderd negentig deelen.......990

Schud ze dooreen.

A O IJ A COMMUNIS.

G E WOON W A T E R.

Regenwater, water van openbare drinkwaterleidingen en water van anderen oorsprong — dit laatste voor zooverre het niet meer dan 500 niG. vaste stof per liter bevat, en voor zooverre 100 c.M3. daarvan, na met 1 cM3. natronloog vermengd te zijn, door toevoeging van 1 cM van Nessler\'s reagens tot de heldere of door bezinking helder geworden vloeistof niet gekleurd wordt.

Gewoon water moet steeds aan de volgende eischen voldoen:

Het zij helder, neutraal, kleur- en smaakloos en, ook bij verwarming, reukloos.

100 cM\'. Water, met 10 cM3. verdund zwavelzuur en r cM3. volume-trisch permanganaat vermengd, en 3 minuten lang gekookt, mag niet geheel ontkleurd worden.

1000 cM3. Water, met ammoniumchloride en ammonia vermengd en

-ocr page 90-

So

gefiltreerd, en daarna met azijnzuur zuur gemankt, mag met kaliumferro-cyanide, ook na een half uur, geen troebeling doen zien.

iooo cM1. Water, met 10 cM3. azijnzuur vermengd, mag met zwavelwaterstof niet gekleurd worden.

Samenstelling.

De samenstelling van het gewone of drinkwater verschilt naar den oorsprong. Al naar dien kunnen er de meest verscheidene stoften; georganiseerde wezens of de producten daarvan, organische zoowel als anorganische, vluchtige zoowel als vaste stoffen, hetzij daarin levend, hetzij in zwevenden toestand of opgelost in voorkomen. In gesuspendeerden staat kan men er bijv. in vinden: luchtstof door aanraking met de atmosfeer, calcium-, magnesiumverbindingen benevens silicaat uit den bodem, afval van dierlijken en plantaardigen aard en de dezen vergezellende organismen, zooals infusoriën, bacteriën, enz. In opgelosten staat kunnen er bijv. in voorkomen; als gassen de wezenlijke of toevallige bestanddeelen der lucht, zooals stikstof, zuurstof, kooldioxyde, ammoniakgas, salpeterigzuur, zwavelwaterstof, enz., en als vaste stoffen: anorganische stoffen, zooals kalium-, natrium-, ammonium-, calcium-, magnesium-, aluminium- en ijzerzouten van verschillende zuren als koolzuur, chioorwaterstofzuur, zwavelzuur, salpeterzuur, salpeterigzuur, phosphorzuur en kiezelzuur. Daarnevens komen er in opgelosten staat steeds in meerdere of mindere mate organische stoffen in voor, waarvan de aard en samenstelling nog zeer onvolkomen bekend zijn.

Bereiding. Vóór \'t gebruik moet Gewoon Water aan eene zuivering onderworpen worden, vooral van gassen, gesuspendeerde en georganiseerde stoffen, zooals bacteriën. Zij geschiedt door filtratie. Het water wordt daartoe in een vat, filter, gegoten, waarin min of meer voor water moeilijk doordringbare stoffen, zooals zand, kool, enz., die bij de doorzijpeling van het water bovengenoemde verontreinigingen opslurpen of terughouden en het water aldus gereinigd doen afvloeien \').

1

systeem Pasteur».

-ocr page 91-

81

Eigenschappen. Een heldere, neutrale, kleur-, reuk-en smaak-looze vloeistof, die bij verdamping een min of meer gekleurd residu achterlaat.

Onderzoek.

i0. water van anderen oorsprong, voor zooverre het niet meer dan 500 mG. vaste stof per liter bevat, üe Pharmacopee staat, behalve regenwater en water van drinkwaterleidingen, ook he;- gebruik van andere watersoorten toe, zooals welwater, rivierwater, enz., doch stelt door boven omschreven eisch voor dergelijke wateren een maximum van hardheid, d. i. van het gehalte aan calcium- en magnesiumzouten.

2°. en voor zoo verre 100 eM3. daarvan, na met 1 ril/3. natronloog vermengd te zijn, door toevoeging van 1 eM7,. van Nessier\'s reagens tot de heldere of door be zinking helder geworden vloeistof niet gekleurd wordt. Deze eisch duidt op de afwezigheid van ammoniak-verbindingen, gewoonlijk ontledingsproducten van organische stoffen bij rotting buiten toetreding der lucht \').

30. Het zij helder. Afwezigheid van gesuspendeerde stoffen, hetzij anorganische of organische.

40. neutraal. Afwezigheid van alkalische of zure stoffen.

50. kleurloos. Afwezigheid van eene beduidende hoeveelheid opgeloste, organische stoffen of bijzonder kleurende zelfstandigheden, bijv. ijzer-verbindingen , enz.

6°. smaakloos. Afwezigheid van eene groote hoeveelheid zouten, vooral natrium chloride.

70. en, ook bij verwarming, reukloos. Afwezigheid van riekende gassen als zwavelwaterstof, ammoniak, moerasgas, lichtgas, enz.

8°, 100 eM* . Water, met \\o eM*. verdund zwavelzuur en 1 eM*. volumetriseh pennanganaat vermengd, en 3 minuten lang gekookt, mag niet geheel ontkleurd worden. Slaat op het gehalte aan opgeloste, organische stoffen. 1 cM3. Volumetriseh Pennanganaat bevat o.ooi Grm. KMnO4 2), die men aanneemt, dat 5-maal

*) De toevoeging van natronloog dient, om de als hydrocarbonaat opgeloste calcium-en magnesiumverbindingen in carbonaten om te zetten en aldus te doen precipileeren. Men voege tevens een weinig natriümcarbonaat-oplossing toe, om de sulfaten dier verbindingen neer te slaan en vergelijke de door het reagens ontstane kleur met die van een gelijke hoeveelheid eveneens behandeld, ammoniakvrij gedestilleerd water.

l) Zie Lijst van Volumetrische Vloeistoffen.

6

-ocr page 92-

82

zooveel, dus 0.005 Grm. opgeloste, organische stof kan oxydeeren. De Pharmacopee verlangt derhalve water, dat hoogstens 50 mGrm. opgeloste, organische stof per liter bevat, afgezien van een mogelijk gehalte aan n i t r i e t e n, die eveneens het permanganaat reduceeren 1).

90. 1000 cM*. Water, met aminoniumc/tloride en ammonia vermengd en gefiltreerd, en daarna met azijnzuur zuur gemaakt, mag met kalmviferrocyanide, ook na een half uur, geen troebeling doen zien. Reactie op koper-, ijzer- en zink-verbindingen.

iou. 1000 cM*. Water, met 10 cMi. azijnzuur vermengd,-mag met zioavelwaterstof niet gekleurd worden. Reactie op zware metalen als lood, koper en tin.

A O U A D E S T I L L A T A.

G E D E S T I L L E E R D W A T E R.

Gedestilleerd Water zij helder, neutraal, kleur-, reuk- en smaakloos. 10 cM3. daarvan late, na verdampt te zijn, niets achter.

Zilvernitraat, baryumchloride, zwavelammonium, Nessler\'s reagens mogen het niet troebel maken of kleuren.

100 cM3, Gedestilleerd Water, met 10 cM3. verdund zwavelzuur en 5 droppels volumetrisch permanganaat vermengd, mag na 3 minuten kokens de kleur niet verloren hebben.

jooo cM3. Gedestilleerd Water, met 10 cM3. azijnzuur vermengd, mag met zwavelwaterstofgas niet gekleurd worden.

Ter bereiding van oplossingen voor subcutane injectiën, worde het Water telkens vooraf gekookt.

Samenstelling. H2ü

Zuiver Water is eene verbinding van twee atomen éénwaardige waterstof met één atoom tweewaardige zuurstof.

Bereiding. Door destillatie van gewoon water, waarvoor men dezelfde toestellen kan bezigen als die, welke men gebruikt voor de destillatie der Aromatische Wateren. Het water gaat daarbij

\') De Pharmacopee laat niet afzonderlijk op ni tri et en onderzoeken. Men vermengt daartoe 100 cM3. Water met 2 cM3. verdund zwavelzuur en voegt eenige droppels kaliumjodidestijfsel toe, waardoor de vloeistof zich niet onntiddelijk blauw mag kleuren.

-ocr page 93-

«3

in damp over, terwijl de opgeloste, vaste stoffen achterblijven; de dampen worden in het koelvat gecondenseerd en als zuiver water opgevangen. De meer vluchtige verontreinigingen als: lucht, ammoniak, salpeterigzuur, enz., die het water wellicht bevat, gaan voor het grootste gedeelte met de eerste waterdampen over. Daarom vangt men het eerste vierde gedeelte van het water afzonderlijk op en haalt vervolgens, zoodra 5 c.M3. destillaat met één droppel basisch loodacetaat-oplossing niet meer troebel wordt en dus alle kooldioxyde en andere gassen zijn uitgedreven, de daarop volgende helft als zuiver water over; het laatste vierde gedeelte levert eveneens een onzuiver destillaat door verontreiniging met de bij meerdere concentratie en hoogere temperatuur ontstane, vluchtige ontledingsproducten der in het water aanwezige organische stoffen.

Ten einde een volkomen zuiver gedestilleerd water te verkrijgen, vrij van elke verontreiniging, die dus bestaan kan in sporen vluchtige, organische stof of de ontledingsproducten daarvan, zooals ammoniak, wordt het gewone water vóór de destillatie behandeld: 1°. met zooveel kaliumpermanganaat-oplossing als noodig is om het water blijvend lichtrood te kleuren; hierdoor worden organische stoffen en nitrieten geoxydeerd; 2°. daarna met zoo veel aluin als noodig is om de vloeistof zwak zuur te doen reagecren, ten einde voorhanden ammoniak te binden, en eindelijk 30. meteenig (3/4-gedeelte van de toegevoegde hoeveelheid aluin) natrium(hydro)phos-phaat, om het door toevoeging van overmaat aluin uit aanwezige chloriden vrij geworden chloorwaterstofzuur te binden. Na bczinking wordt het water uit een voor niet meer dan de helft gevulden ketel gedestilleerd en, na afzondering van het eerst en laatst overgehaalde, als zuiver water opgevangen.

Bij de bereiding van oplossingen voor subcutane injection is het steeds raadzaam, het water nogmaals vooraf eenigen tijd te koken, ten einde mogelijk voorhanden organismen, zooals bacteriën, te vernietigen.

Eigenschappen. Een heldere, neutrale, kleur-, reuk-en smaak-looze vloeistof, die bij verdamping niets achterlaat.

Onderzoek.

i0. 10 cM%. daarvan late, na verdampt te zijn, niets achter. Afwezigheid van vaste stoffen, in onderscheid met gewoon water.

-ocr page 94-

84

2°. Zilvernitraat, baryumchloride, zivavelainnionumt, Nessier\'s reagens mogen het niet troebel maken of kleuren. Afwezigheid van chloride of chloorwaterstofzuur, van sulfaat, van zware metalen als lood, koper, tin, ijzer en zink en van ammoniak-verbindingen.

3°. ioo eM*. Gedestilleerd Water, met io cM*. verdund zwa-velrjuur en 5 droppels volumetrisch permanganaat vermengd, mag na 3 minuten kokens de kleur niet verloren hebben. Afwezigheid van opgeloste organische stoffen.

40. 1000 cM3. Gedestilleerd Water, met 10 eM*. azijnzuur vermengd, mag Diet zivavehvaterstofgas niet gekleurd worden. Afwezigheid van sporen lood, koper en tin.

AQUA FOE NI CU LI.

V E N K E L W A T E R.

N. Een oplossing van één deel Venhelohe in negen dee ten

sterken Spiritus twintig deelen......... 20

Hater negenhonderd tachtig deelen.......980

Schud ze dooreen.

A Q U A LAUROCERAS I.

L A U R I E R K E R S W A T E R.

N. Versche Laurier kersbladen duizend deelen.....1000

Gewoon Water zooveel als noodig is.

Destilleer er van af ongeveer 1000 deelen.

Bepaal, als de afgescheiden olie door herhaald schudden in het destillaat opgelost is, het gehalte aan Cyaanwaterstofzuur en verdun het destillaat daarna, zoo noodig, met zooveel water, totdat 1000 deelen 1 deel Cyaanwaterstofzuur bevatten.

Beproef de sterkte van het laurierkerswater op de volgende wijze:

Meng 10 Grm. daarvan met 6 droppels natronloog en 2 droppels op-

-ocr page 95-

85

lossing van natriumchloride (io pet.). Voeg daarbij, onder voortdurend roeren, zooveel van het decimaal volumetrisch zilver, totdat een lichte witte troebeling niet meer verdwijnt, waartoe 18.5 cM3. van het proef-vocht vereischt wordt.

Laurierkerswater zij helder en rieke sterk. Als de cyaanverbindingen er uit verwijderd zijn, moet de reuk van Laurierkersolie er nog duidelijk aan zijn waar te nemen.

Is Bittere-Amandelwater voorgeschreven, dan mag Laurierkerswater gegeven worden.

Samenstelling.

Eene waterige oplossing van cyaanwaterstofzuur en bcnzal-clehyde, grootendeels aan elkander gebonden als benzaldehyd-cyaanhy drin e.

Cyaanwaterstofzuur, IICN, is een zuur, analoog aan chloor-vvaterstofzuur, HC1. In plaats van het éénwaardige chloor bevat cyaanwaterstofzuur de eveneens éénwaardige atoom-groep CN, cyaan, eene verbinding van één atoom vierwaardige koolstof met één atoom driewaardige stikstof.

Benzaldehyde of benzylaldehyde, C6HB.COH, is het aldehyde van benzoëzuur \').

Bovendien komt in Laurierkerswater eene waarschijnlijk aan benzaldehyde verwante, vluchtige stof voor, die er, in onderscheid met Bittere-Amandel water, dat overigens dezelfde bestanddeelen bezit, den eigenaardigen geur en smaak aan mededeelt.

Bereiding. De destillatie der bladen (1 dl.) met het water (4 a 5 dln.) geschiedt als bij de Aromatische Wateren is aangegeven. De bladen worden echter niet vooraf gekneusd of verkleind, daar dit een mindere opbrengst aan cyaanwaterstofzuur ten gevolge zou hebben. Men begint, met de vloeistof in den ketel gedurende een paar uren tot een temperatuur van 40° a 50°, echter niet hooger, te verwarmen. Bij deze temperatuur wordt de in de bladen voorkomende laurocerasine, waarvan waarschijnlijk amygdaline, een glucoside, het hoofdbestanddeel uitmaakt, vermoedelijk onder invloed van een daarnevens voorkomend ferment, gesplitst in cyaanwaterstofzuur en benzaldehyde.

C20M17NO11 2 hl2O = HCN C(iHB.COH 2CllIIÜ,i

amygdaline water cyaan benzaldehyde glucose

waterstofzuur

1) Zie bij « Acidum benzoïcum ».

-ocr page 96-

86

Bij hooger temperatuur houdt de vorming van cyaanwaterstof-zuur op, waarschijnlijk doordien het ferment van eiwitaehtigen aard is en dus bij hoogere verwarming langzamerhand stremt, waardoor het zijne werking op de laurocerasine verliest. Ten slotte verwarmt men de vloeistof sterker en destilleert eerst ongeveer i dl. af \'). Men zet daarna de destillatie nog voort, en wel zoolang totdat een paar droppels destillaat met zilvernitraat-oplossing niet meer dan een zeer geringe opalisatie geven ; dit afzonderlijk opgevangen destillaat, de naloop, kan later dienen om het eerste destillaat tot op de verlangde sterkte te verdunnen. Ue eerst overgaande vloeistof is troebel door het groote gehalte aan mede gedestilleerde, vluchtige olie; het latere destillaat is helder. Door herhaald schudden gedurende een dag staan wordt de olie zooveel mogelijk in het water opgelost. Ten einde omzetting der bestanddeelen en daardoor verlies aan cyaanwaterstofzuur te voorkomen, moet het water in zooveel mogelijk gevulde flesschen buiten het licht op een koele plaats bewaard worden.

Vooraf wordt het water op de verlangde sterkte gebracht, door het destillaat, waarvan men het gehalte aan cyaanwaterstofzuur heeft bepaald, zoo noodig, met zooveel water te verdunnen, dat iooo deelen i deel cyaanwaterstofzuur bevatten. Ten einde de sterkte van het destillaat te bepalen, mengt men 10 Grm. daarvan met 6 droppels natronloog; daardoor wordt het benzaldehydcyaan-hydrine in de bestanddeelen, cyaanwaterstofzuur en benzaldehyde, gesplitst en al liet cyaanwaterstofzuur in cyaannatrium omgezet. Hierbij voegt men, onder omroeren, zilvernitraat-oplossing, waardoor cyaanzilver wordt gevormd, dat zich, alhoewel op zich zeiven onoplosbaar, met het nog voorhanden cyaannatrium verbindt tot een oplosbaar dubbelzout, cyaannatrium-cyaanzilver. Voegt men

2 NaCN Ag NO3 = AgCN.NaCN Na NO3

cyaannatrium zilvernitraat cyaanzilver-cyaannatrium natriumnitraat

nu nog meer zilvernitraat toe, dan wordt ook het in het dubbelzout voorhanden cyaannatrium in cyaanzilver omgezet, dat met het vrij geworden cyaanzilver terstond neérslaat. Men kan ook,

AgCN.NaCN Ag NO3 == 2 Ag CN -f Na NO3

cyaanzilver-cyaannatrium zilvernitraat cyaanzilver natriumnitraat

*) Ten einde elk verlies te voorkomen, kan de HCN-houdende lucht, die vóór liet overkomen van het destillaat uit den ketel ontwijkt, in een weinig water worden opgevangen, waarbij het destillaat wordt gevoegd.

-ocr page 97-

87

zooals de l\'liarmacopee voorschrijft, bij de vloeistof een paar droppels oplossing van natriumchloride voegen; er ontstaat dan, nadat al het cyaanwaterstofzuur in het dubbelzout is omgezet, een neerslag van zilverchloride in plaats van cyaanzilver. Noodzakelijk echter is deze toevoeging niet.

Na Cl Ag NO3 = Ag Cl Na NO3

natriumchloride zilvernitraat zilverchloride natriumnitraat

Uit bovenstaande vergelijkingen blijkt, dat één dl. zilvernitraat (AgNO3 = 170) twee dln. cyaanwaterstofzuur (2 HCN = 2 X 27 = 54) aanwijzen. Daar 1000 deelen 1 deel cyaanwaterstofzuur moeten bevatten, zullen de gebezigde to Grm. 0.01 Grm. HCN bevatten.

Deze worden dus aangewezen door X0-01 =0\'0315 Grm. zil-

54

vernitraat. Decimaal Volumetrisch Zilver \') bevat 1.7 Grm. zilvernitraat per 1000 cM3.; 0.0315 Grm. is dus vervat in 18.5 cM3.

Zijn voor de vorming van het neêrslag meer cM3. zilveroplossing noodig, dan bevat het vocht ook meer cyaanwaterstofzuur; het is alsdan te sterk en moet met water verdund worden tot op o. 1 pet. Stel bijv. dat gebruikt waren 25 cM3. zilveroplossing. Deze bevatten 0.0425 Grm. zilvernitraat, die correspondeeren met

0.0425 X ^ = 0.0135 Grm. HCN. Dit is vervat in ioGrm,d. i.

dus 0.135 l)ct- Om nu het destillaat tot het ware gehalte van o. 1 pet. te brengen, berekent men, in hoeveel vocht 0.135 Grm. 1ICN bevat is, wanneer 100 Grm. daarvan o. 1 Grm. bevat, volgens de evenredigheid 0.1 : 0.135 = 100: x, waarin x = 135. Men moet dus elke 100 Grm. vocht met 35 Grm. water verdunnen, om het op de sterkte van o. 1 pet. te brengen.

In plaats van water gebruikt men voor de verdunning den naloop. Stel dat deze bijv. 0.03 pet. HCN bevat. Gebruikt men 35 Grm. hiervan in plaats van water, dan zou daardoor 0.0003 X X 35 = 0.0105 Grm. HCN te veel in het vocht gekomen zijn.

Deze zijn vervat in 100 X 00|0i __ ongeveer 8 Grm. vocht van

o.ijs b

0.135 Pct-; men zou dus 92 Grm. vocht van 0.135 1gt;C,:- met 35 Grm. vocht van 0.03 pet. of elke 100 Grm. van het eerste met 38 Grm. van het laatste moeten verdunnen, om een vloeistof van o. r pet. te verkrijgen.

1

1 Zie Lijst van Volumetrische Vloeistoffen.

-ocr page 98-

88

Eigenschappen. Een heldere, kleurlooze, volkomen vluchtige vloeistof, die sterk riekt en smaakt naar bittere amandelen met een eigenaardigen bijreuk. — Met zilvernitraat geeft zij een wit neérslag van cyaanzilver, gemakkelijk oplosbaar in ammonia, onoplosbaar in salpeterzuur. Met eenige droppels kali- of natronloog, daarna met ferrosulfaat en vervolgens met ferrichloride-oplossing behandeld en ten slotte met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt, ontstaat een nêerslag van ferriferro-ferrocyanide of z. g. Berlijnsch blauw. — Met een gelijk volumen ammonia vermengd, ontstaat na

6KCN Fe SO4 = K4Fe(CN)0 K^.SO4

Ualiumcyanirte ferrosulfaat kaliumferrocyanide kaliumsulfaat

2 K4Fc(CN)0 -j- Fe5 Cl6 = Fe(CN)11 j2 6KC1

kaliumferrocyanide ferrichloride ferrikaliumferrocyanide kaliumchloride

of

oplosbaar Berlijnsch blauw

Fe(CN)6 J2 -f Fe SO4 = |^Fe(CN(i)2 J2 K2S04

ferrikaliumferrocyanide ferrosulfaat ferriferro-ferrocyanide kaliumsulfaat

of

onoplosbaar Berlijnsch blauw

eenigen tijd een witte troebeling van hydrobenzamide.

Onderzoek.

1°. Laurierkerswater zij helder en rieke sterk. Versch bereid is het Water eenigszins wit troebel; eerst bij het staan wordt liet volkomen helder. Overigens kan het Water door lucht en licht verandering ondergaan en zich verschillende oplosbare en onoplosbare omzettingsproducten vormen, zooals ammoniumformiaat, cyaanammonium, hydrobenzamide, benzoëzuur, benzoïne, enz., waardoor verlies aan hoofdbestanddeelen plaats heeft en de reuk dus min of meer verdwijnt.

IICN -f- 2ll20 = H.COO(NH4.)

cyaanwaterstofzuur water ammoniumformiaat

HCN NIP = (NH4)CN

cyaanwaterstofzuur ammoniak cyaanammonium

3 (CCH\'. COH) -f 2 NH3 = (C(iI-P. CII)3N2 3 IPü

benzaldehyde ammoniak hydrobenzamide water

CM5. COM O = C0HS. COGH

benzaldehyde zuurstof benzoamp;uur

-ocr page 99-

89

2 CH1quot;\'. COH = CH-^.CH.OH.CO.C0H2

benzaldehyde benzoïne

2°, A/s dc cyaanverbindingen er uit verzvifderd zijn, moei de reuk van Leiurierkerso/ie er nog duide/ijk aan zijn toaar te nemen. Slaat men dc cyaanverbinclingen door zilvernitraat onder toevoeging van eenig natronloog neêr, dan blijft de reuk naar Lauricr-kersolie bestaan.

Hij een kunstproduct, bestaande uit eene oplossing van cyaanwaterstofzuur in water, zou de reuk geheel verdwijnen en met ammonia geen troebeling van hydrobenzamide ontstaan.

Hij Bittere-Amandelwate r zou alleen de bittere amandelreuk van benzylaldehyde nog waar te nemen zijn. \').

Een kunstmatig Laurierkerswater onderscheidt\' zich van het gedestilleerde, doordien in het eerste al het cyaanwaterstofzuur in vrijen staat voorkomt en niet, zooals in het laatste, grootendeels gebonden als benzaldehydcyaanhydrine, waaruit het eerst door een alkali vrij wordt. Worden dus to cM3. van het Water met zooveel zilvernitraat behandeld, dat al het vrije cyaanwaterstofzuur wordt geprecipiteerd, bijv. io cM3. Decimaal-Volu-metrisch Zilver onder toevoeging van eenige droppels salpeterzuur, dan mag de gefiltreerde vloeistof met zilvernitraat niet terstond weder een neerslag geven.

AQUA M E N T H A E PI P E R I T A E.

1\' E P E R M U N T W A T E R,

N. Een oplossing van één deel Pepermuntolie in negen deelen

sterken Spiritus tien deelen.......... io

Water negenhonderd negentig deelen.......990

Schud ze dooreen.

1

) Dit water wordt gestookt uit bittere amandelen, na vooraf de vette olie, die zij bevatten, door koude persing verwijderd te hebben. Het bevat, evenals Laurierkers

2

Het in de Ed. II voorkomende «Aqua Amygdalarum amararum» bevatte o, 1006 pet. IICN, welk gering verschil dus verwaarloosd mag worden.

3

stof zooals dit laatste. Overigens stemmen deze Wateren overeen, waarom volgens de

-ocr page 100-

AQUA PHAGEDAENICA.

N, Mcrcnrichloride één deel........... t

Ca lcium hydroxy de- oplossing twee honderd vijftig deelen 250

Meng ze.

Samenstelling. Eene oplossing van calciumchloride met overmaat calciumhydroxyde-oplossing, waarin mercuridoxyde in fijn verdeelden staat gesuspendeerd is.

Bereiding. Men brengt het tot zeer fijn poeder gewreven sublimaat in de flesch, waarin het kalkwater, en schudt sterk dooreen.

Ca (OH)2 Hg Cl2 = Hg O -j- Ca Cl2 H20

calciumhydroxyde mercuvichloricle mercuridoxyde calciumchloride water

De Pharmacopee schrijft voor de bereiding een overmaat van calciumhydroxyde-oplossing voor, omdat in \'t tegenovergestelde geval, bijv. door een eenigszins te slap kalkwater, bij overmaat van mercurichloride, dit zich met het gevormde mercuridoxyde zou verbinden tot mercuridoxychloride. Het is ook om de vorming daarvan tegen te gaan, dat het sublimaat bij het kalkwater moet worden gevoegd en niet omgekeerd.

Men bereide het vocht liefst eerst dan, wanneer het voor \'t gebruik noodig is; in voorraad gehouden, worde het buiten het licht bewaard, om reductie van het mercuri-tot mercuro-oxyde te voorkomen.

Eigenschappen. Eene troebele, gele vloeistof, waaruit, als men ze laat staan, een geel bezinksel zich afzet, dat in chloonvaterstof-zuur oplost.

AQUA P I C I S.

T E E R W A T E R.

N. Teer vijftig deelen............. 50

Kokend water duizend deelen.........1000

Schud ze een half uur sterk dooreen, laat een dag staan en filtreer. Het zij een heldere, bruingele vloeistof, die sterk naar Teer riekt.

Samenstelling. Een oplossing in water van de daarin min of

-ocr page 101-

9i

meer oplosbare bestanddeelen van houtteer, zooals; azijnzuur, methylalcohol, phenol, kresol, guajacol, pyrocatechine, pyrogallol, kreosoot, enz.

Bereiding. Tcervvater bederft vrij spoedig. Het wordt dan donkerder van kleur, terwijl zich bruine, harsachtige stoffen aan de wand van de flesch afzetten. Men bereide het dus zooveel mogelijk versch, ook, zooals voorgeschreven is, met gedestilleerd in plaats van gewoon water en beware het buiten het licht op een koele plaats.

Eigenschappen. Een heldere, geelachtige tot bruingele, zwak zure vloeistof, die sterk naar Teer riekt en smaakt.

i

20

AQUA PLUM BI.

L O O D W A T E R.

AQUA GOULARDl.

GOULARDS WATER.

N. Oplossing van basisch Loodacetaat één deel Water twintig dealen.......

Meng ze.

Hut zij slechts weinig troebel.

Bereiding.

De aanvankelijk heldere, verdunde oplossing van het basisch loodacetaat wordt aan de lucht steeds een weinig troebel door aantrekking van kooldioxyde en vorming dientengevolge van basisch loodcarbonaat. üe eisch van slechts weinig troebel te mogen zijn, slaat op het gebruik van gedestilleerd water voor de verdunning in plaats van het vroeger steeds gebruikelijke gewone water, dat door zijn gehalte aan carbonaten en sulfaten met het basisch loodacetaat een melkwitte vloeistof geeft door de vorming van basisch loodcarbonaat en -sulfaat.

-ocr page 102-

92

A Q U A ROS A R U M.

R O Z E W A T E R.

N. Een gefiltreerde oplossing van één deel Rozenolie in negentien deelen sterken Spiritus vier deelen...... 4

Water negenhonderd zes en negentig deelen .... 996

Schud ze dooreen.

Bereiding. Rozenolie is slechts gedeeltelijk oplosbaar in sterken spiritus e;i geeft daarmede dus een troebel mengsel; het riekende bestanddeel lost in den spiritus op, terwijl een bijna reukeloos stearopt terugblijft, dat door filtratie verwijderd wordt. Het aldus bereide Water houdt zich veel langer goed dan het vroeger gebruikelijke, dat door destillatie der rozebladen verkregen werd en spoedig bederft.

A R G E N T U M FOLIA T U M.

B L A D Z I L V E R.

Zeer dunne blaadjes, die de kleur en den glans van zuiver zilver hebben.

Salpeterzuur lost ze op tot een heldere vloeistof, die, na verwarmd te zijn, kleurloos is en waarin chloorwaterstofzuur een wit, vlokkig neêrslag teweegbrengt, dat in salpeterzuur niet, doch in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

Samenstelling. Ag.

Het metaal zilver.

Bereiding. Zeer zuiver zilver wordt gesmolten en in kleine staven gegoten, daarna door hameren gerekt, vervolgens onder walsen geplet, in stukjes gesneden en eindelijk tusschen perkamentpapier en ten slotte tusschen goudvlies tot de bekende, dunne plaatjes geplet.

Eigenschappen. Zeer dunne blaadjes, die de kleur en den glans van zuiver zilver hebben. Salpeterzuur lost ze op tot een vloeistof, waarin chloorwaterstofzuur een wit, vlokkig neórslag teweegbrengt van zilverchloride, dat in salpeterzuur niet, doch in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

-ocr page 103-

93

Onderzoek.

i0. Zeer dunne blaadjes, die de kleur en den glans van zuiver silver hebben. Onecht bladzilver, stanniol, is dikker, niet zoo rein wit en heeft minder glans.

2°. Salpeterzuur lost ze op tot een heldere vloeistof . Afwezigheid van tin, dat onopgelost temgblijft.

3°. die, na verwarmd te zijn, kleurloos is. Afwezigheid van koper, dat de vloeistof blauwgroen zou kleuren.

4°. en tv aar in chloorwaterstof zuur een ivit, vlokkig neerslag teweegbrengt, dat in salpeterzuur niet, doch in ammonia gemakkelijk oplosbaar is. Afwezigheid van lood, dat als chloorlood onoplosbaar is in ammonia.

ASA FOETID A.

D U I V E L S D R E K.

Het gomharshoudend sap van Ferula Scorodosma Benth. kt Hook., Ferula Nart hex lioiss. en misschien van andere soorten van Ferula L., dat uit de ingesneden wortels gevloeid en in de lucht hard geworden is.

Afzonderlijke of samengekleefde korrels of grootere stukken. Zij zijn geelbruin, inwendig op de versche breuk witachtig, worden spoedig purperachtig en eindelijk bruinachtig. Warmte maakt ze week en kleverig, doch koude brozer. Reuk sterk knoflookachtig, doordringend, nablijvend; smaak scherp-bitterachtig.

Duivelsdrek mag, na verbrand te zijn, niet meer dan 20 pet. ascli achterlaten.

Gelijkmatig bruinzwartachtige, zwak riekende of met steentjes of andere verontreinigingen vermengde massa\'s moeten verworpen worden.

Ten gebruike moet de boven ongebluschte kalk gedroogde of bij vriezend weder bros geworden Duivelsdrek tot poeder gebracht en door middel eener zeef van vreemde lichamen gezuiverd worden.

Samenstelling.

1°, 50—70 pet. Hars. Zij reageert zuur en is bijna geheel oplosbaar in spiritus, aether en chloroform. Zij bevat een weinig ferulazuur en ongeveer J pet. umbelliferon en levert, met kali gesmolten, resorcine.

-ocr page 104-

94

2°. 20—3° Pct- Gom. Zij is slechts gedeeltelijk oplosbaar in water en bestaat voor \'t grootste gedeelte uit bassorine.

3°. 4—9 pet. Vluchtige Olie. Zij is lichtgeel, heeft den reuk van Duivelsdrek, ontwikkelt, onder zuur worden aan de lucht, zwavelwaterstof en bestaat waarschijnlijk grootendeels uit allylsul-fide, (C3H5)4S.

4°. io—20 pet. Asch.

Afkomst. Duivelsdrek is het hard geworden sap, dat door verwonding vloeit uit den wortel van Ferula Scorodosma Benth. et Hook., Ferula Narthex Boiss. en misschien andere soorten van Ferula L., Umbelliferae, die groeien in de woestijnen en steppen van Perzië en vooral van Afghanistan, van waar het over Bombay naar Londen komt. Na den bloeitijd wordt de stengel tot op den grond afgesneden, het bovenste gedeelte van den wortel ontbloot en aldaar aan den top herhaaldelijk ingesneden, waarna men, tot afsluiting van het licht, alles weder met de bladen van de plant bedekt. Het melksap vloeit uit de gewonde plaatsen en droogt in de aarde tot kleinere korrels of grootere stukken op, die men verzamelt, om dezelfde bewerking nog eenige malen te herhalen.

De zuivering en bewaring van Asa foetida geschiedt op dezelfde wijze als die, voor „ Ammoniacumquot; vermeld.

Eigenschappen. Afzonderlijke (A. f. in gr an is s. lacrymis) of samengekleefde {A. f. amygdaloidcs) korrels of grootere stukken (A. f. in massis), de laatste bestaande uit eene donkerder grond-massa, waarin talrijke, lichte korrels. De korrels zijn geelbruin, inwendig op de versche breuk witachtig, doch zij worden aan de lucht spoedig purperachtig en eindelijk bruinachtig. Warmte maakt ze week en kleverig, doch koude brozer. Reuk sterk knoflook-achtig, doordringend, nablijvend; smaak scherp-bitterachtig.

Met water gewreven, wordt de melkwitte vloeistof door natronloog of ammonia geel. — De inwendig witte kleur der korrels wordt bij het aanstippen met chloorwaterstof- of salpeterzuur malachiet-groen. -— Met zwavelzuur verhit, wordt Asa foedita bloedrood gekleurd ; daarna met water verdund en met ammonia geneutraliseerd, fluoresceert de vloeistof fraai blauw (aanwezigheid van mnbelliferon).1)

1

) Zie bij « Ammoniacum ».

-ocr page 105-

95

Onderzoek.

1°. Duivelsdrek vuig, na verbrand te zijn, niet meer dan 20 pet. aseh achterlaten. Asa foetida wordt op dc plaats der inzameling veelvuldig vervalscht, bijv. met kleiaarde, gips, krijt, enz. Ook geeft de wijze van inzameling aanleiding tot verontrei-ging, bijv. met zand, aarde, stengeldeelen, enz. Het aschgehalte is daardoor zeer uiteenloopend en kan 50 pet. en meer bedragen. Goede Asa foetida bevat tegenwoordig 10—20 pet. asch.

2°. Gelijkmatig bruinzwartachtige, zwak riekende of met steentjes of andere verontreinigingen vermengde massa\'s moeien verzvorpen worden. Somtijds worden de stukken vermengd met steenen, met meel, pik en andere stoffen, waardoor zij in \'t laatste geval meer gelijkmatig en zwakker van reuk worden. Deze (A f. petraea) mag natuurlijk niet gebruikt worden.

B A L S A M U M C O P A I V A E. CO PAIVA BALSEM.

Het sap van Co p ai f era officinalis L., C. guianensis Desf., C. coriacea Mart., C. Langsdorffii Desf. en misschien van andere sooten van Copaifera L., uit verwonde stammen gevloeid.

Een heldere, dun- of dikvloeibare, gele of geelbruinachtige, niet of zeer zwak lluoresceerende vloeistof, die eigenaardig aromatisch riekt en bitterachtig, blijvend scherp maakt.

Op een waterbad verwarmd, mag Copaivabalsem niet naar terpentijn rieken en moet hij, nadat al de vluchtige olie verdreven is, in bekoelden staat een harde en broze hars achterlaten.

Samenstelling. Copaivabalsem is een ware balsem, d. i. hars opgelost in vluchtige olie.

De afwisselende hoeveelheid van in spiritus oplosbare hars bestaat grootendeels uit verschillende, amorphe en kristallijne, voorts nog weinig bekende zuren, eopaivazuren, {eopaivazmir, oxycopaivazmir, metaeopaivaznur).

De vluchtige olie is een terpeen, Cï0H, kleurloos, dunvloei-baar, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus en aether en kleurt zich met zoutzuurgas donker-violetblauw; de hoeveelheid is

-ocr page 106-

96

zeer verschillend, bepaalt de mate van vloeibaarheid en het soortelijk gewicht en wisselt bij de verschillende soorten af van 18—80 pet.

Afkomst. De balsem wordt verkregen van onderscheidene soorten Copaiferae, boomachtige Caesalpinaceae, voorkomende in de warmere landen van Zuid-Amerika (Brazilië, Para, Venezuela, West-Indië). Ter verzameling wordt aan den voet van den boom, even boven den grond, een gat geboord of een stuk uitgehouwen tot op het hout, waarna de balsem vrijwillig bij tus-schenpoozen uitstroomt en door middel van een soort houten goot in een daaronder geplaatst vat wordt opgevangen. Naar verschillende havens in vaatjes of blikken bussen vervoerd, komt hij over Londen en Hamburg bij ons in den handel.

Eigenschappen. Deze wisselen, vooral wat kleur en vloeibaarheid betreft, bij de verschillende soorten, zooals Para-, Maranhavi-, Maracaibo-, Veneztiela-haXstm, enz., eenigszins af. De tegenwoordig meest in den handel voorkomende soorten zijn de Para- en de Maracaibo-haXsem. De eerste is lichtgeelkleurig, dikwijls bijna kleurloos en dunvloeibaar; de laatste is geel of geelbruinachtig, dikvloeibaar en somtijds zwak fluoresceerend. Overigens is het een heldere vloeistof, met een soort. gew. van 0.916—0.995 , die eigenaardig aromatisch riekt, bitterachtig, blijvend scherp smaakt en bij vervluchtiging een harde, broze hars achterlaat. Copaivabalsem is onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus, aether, vette en vluchtige oliën.

Onderzoek.

i0. Een niet of zeer zwak Jluoresceercndc vloeistof. Bij ver-valsching met Gurjunbalsem, afkomstig van verschillende Oost-Indische Diptcrocarpus-sooYten, fluoresceert de vloeistof, zelfs bij geringe toevoeging (5 pet.), vrij sterk.

20. Op een waterbad verwarmd, mag Copaivabalsem niet naar terpentijn rieken. Slaat op eene vervalsching met terpentijn; bovendien op het gebruik van West-Indischen balsem, die een terpentijnachtigen geur verspreidt en daarenboven niet helder, doch opaliseerend is.

3°. en moet hij, nadat al de vluchtige olie verdreven is, in bekoelden staat een harde en broze hars ae liter laten. Eene weeke of kleverige hars wijst op vervalsching met colophonium, terpentijn, vette oliën, bijv. ricinusolie, harsolie, enz.

-ocr page 107-

97

Min of meer betrouwbare, niet in de Pharmacopee vermelde reactiën op verschillende vervalschingen van Copaivabalsem zijn o. a :

a. Eene oplossing van 2 droppels Copaivabalsem in 2 cAP. zwavelkoolstof, geschud mei eenige droppels van een afgekoeld mengsel van gelijke deelen zwavelzuur en salpeterzuur, mag daarmede geene roode of violette kleur geven. Reactie op Goerjoenbalsem. Sommige zuivere Copaiva-balsemsoorten worden bij deze reactie roodbruin, daarna min of meer violet gekleurd.

b. 1 cM\\ Copaivabalsem, met 5 cM\'K water van 50° krachtig geschud, geeft een troebel mengsel, dat zich bij verwarming in het waterbad weder spoedig in twee doorschijnende of bijna doorschijnende lagen scheiden moet. Eene blijvende emulsieachtige vloeistof wijst op Go erj oen ba 1 sem, eene belangrijke, blijvende opaliseering der balsemlaag op terpentijn, colo-phonium, sassafrasolie, terpentijnolie, harsolie, enz.

c. 1 Grm. Copaivabalsem, in 10 c]\\\'P. absoluten alcohol opgelost, waaraan toegevoegd ro droppels phenolphtaleïne en zooveel volumetrisch alkali, met 3 dln. absoluten alcohol verdund, als noodig is om de vloeistof even rood te kleuren, daarna alsnog 20 cM3. van het verdund volumetrisch alkali toegevoegd, het vocht gedurende een kwartier op het waterbad verwarmd en de overmaat alkali met volumetrisch zuur teruggetitreerd, moet daartoe ongeveer 5 cM*. van het laatste noodig hebben. Reactie op Goer-joenbalsem. Zij berust op de neutralisatie der copaivazuren door alkali. Wordt daarna aan de vloeistof nog eene zekere overmaat alkali toegevoegd , dan moet deze bij terugtitratie met het zuur zoo goed als geheel worden teruggevonden. Bevat de balsem echter Goerjoenbalsem, die samengestelde aethers bevat, dan worden deze, na de neutralisatie, bij verwarming op het waterbad ontleed en het vrij geworden aetherzuur aan een gedeelte van het alkali gebonden, waardoor de overmaat volumetrisch vocht min of meer zal zijn afgenomen, wat bij de terugtitratie uit een verminderd aantal benoodigd cM3. volumetrisch zuur kan blijken.

d. i cM%. Copaivabalsem, met 4 cM*. petroleumbenzine geschud, mag daarmede niet terstond eene troebele vloeistof geven of na eenig staan zich een wit bezinksel op den bodem afzetten, noch de vloeistof zich in twee lagen splitsen. Reactie op Goerjoenbalsem, colophonium en terpentijn. Bij aanwezigheid van eenigszins belangrijke hoeveelheden ricinusolie zal zich de vloeistof na eenigen tijd in twee lagen scheiden.

7

-ocr page 108-

98

BALSAMUM PERUVIANUM.

V E R U B A L S E M.

Het sap, dat aan den gedeeltelijk geschilden stam van Toluifera Pereirae Baill. door roosting onttrokken is.

Een zwartbruine, in dunne lagen helder doorschijnende, op het gevoel zalfachtige, doch niet kleverige vloeistof, die in de lucht niet opdroogt, aangenaam naar vanielje of benzoë riekt, zeer scherp en bitterachtig smaakt en een soort. gew. heeft van 1.137-—1.145.

Perubalsem mag, op een waterbad verwarmd, geen reuk van terpentijn, copaivabalsem of styrax verspreiden en geen gewichtsverlies ondergaan.

Samenstelling.

1°. 8—10 pet. vrij kaneelzuur; 20. geringe hoeveelheden benzyl alcohol en benzoëzuur; 30. ongeveer 60 pet. ka-neelzure en een weinig benzoëzure be nzy la et her, te zamen cinname\'ine genoemd, benevens geringe hoeveelheden ka-neelzure (kaneel-) cinnamylaether of styraciue; 40. sporen van ill ine; 50. ongeveer 30 pet. eener zwarte, reuklooze hars.

Afkomst. Perubalsem wordt gewonnen uit den stam van Toluifera Pereirae Baill., een boom uit de familie der Papilionaceae, die groeit langs de smalle kuststreek van den Midden-Amerikaanschen staat San-Salvador, daardoor de „balsem-kustquot; geheeten. De schors van den boom wordt aan vier zijden murw geklopt en wel zóó, dat tusschen twee verwonde en daardoor van schors ontbloote plekken het overige gedeelte der schors ongedeerd blijft vastzitten. Nadat de vrijwillig uitdruipende balsem van de ontbloote plaatsen is opgevangen, worden deze door flambouwen verwarmd en verkoold, waardoor meer balsem begint uit te zweeten. Door doeken tegen den stam aan te houden, laat men de vloeistof hierin opzuigen, waarna men ze in water uitkookt en ten slotte uitwringt. Men laat den balsem bezinken, giet het water af en verzamelt hein eerst in kalebasschalen, later in met leder bekleede kruiken of bussen. Ook wel wordt, ter verkrijging van den balsem, de bast eenvoudig uitgekookt, waardoor men echter eene mindere soort erlangt, die soms onder de andere wordt gemengd. Vroeger werd de balsem over Peru (van daar de naam) naar Londen, tegenwoordig direct naar Hamburg verscheept.

-ocr page 109-

99

Eigenschappen. Eene oorspronkelijk liclitgele, door verwarming zwartbruin geworden, min of meer dikvloeibare, in dunne lagen helder doorschijnende, op het gevoel zalfachtige, niet kleverige vloeistof, die in de lucht niet opdroogt, zuur reageert, aangenaam naar vanielje of benzoë riekt, zeer scherp en bitter-achtig smaakt en een soort. gew. heeft van 1.137—1.145. Zij is onoplosbaar in water, oplosbaar in gelijke deelen spiritus en in chloroform, gedeeltelijk in aether en vette oliën.

Onderzoek.

i0. Een zwartbruine vloeistof. In eene dunne laag bezit Perubalsem een roodachtige tint. Door vele vervalschingen, zooals benzoë, a s p h alt, enz. wordt deze kleur donkerder bruin tot zwart.

20. Een op het gevoel zalfachtige, doch niet kleverige vloeistof. Terpent ij n, hars, to 1 uba 1 sem, storax, copaivabal-sem, goerjoen balsem, benzoëtinctuur, ricinu so 1 ie maken de Perubalsem taaivloeibaar en kleverig, waardoor de vloeistof niet in ronde, regelmatige, doch in taaie, draderige droppels afvalt.

3°. die aangenaam naar vanielje of benzoo\' riekt. Sommige vervalschingen, zooals benzoë, tolubalsem of storax veranderen den reuk weinig of niet, terpentij nacht ige stoffen en vluchtige oliën daarentegen bij eenige belangrijke hoeveelheid wel.

4°. zeer scherf en bitter ach tig smaakt. Terpentijn, copai-vab alsem en vluchtige oliën zijn gemakkelijk aan den smaak te herkennen.

50, en een soort. gew. heeft van 1,137 — Door het soort,

gew. kunnen de meeste vervalschingen herkend worden, daar de daarvoor meest gebruikelijke stoffen een lager soort, gew. hebben, uitgezonderd tolubalsem en benzoë, die het verhoogen.

6°. Perubalsem mag, of een waterbad verwarmd, geen reuk van terpentijn, copaivabalsem of styrax verspreiden. Reukreactie op genoemde stoffen.

7(,. en geen gewichtsverlies ondergaan. Slaat op aanwezigheid van spiritus, bijv. van benzoëtinctuur, die vervluchtigen zou en daardoor het gewicht doen verminderen 1).

\') Spiritus kan nader aangetoond worden in het vocht, verkregen door destillatie van den balsem met eenig water, door de reactiën , daarvoor op blz. 58 aangegeveo. Ook copaivabalsem kan bij deze destillatie ontdekt worden door de afscheiding van vloeibare copaiva-olie.

-ocr page 110-

lOO

Min of meer betrouwbare, niet in de Phannacopee vermelde reaction op bovengenoemde vervalschingen van Perubalsem zijn o. a;

a. i Grm. Perubalsem, met 3 Grm. zwavelkoolstof geschud, mag niet meer dan 16 pet. hars achterlaten, noch de oplossing doen fluoresceeren. Eene grootere hoeveelheid hars kan wijzen op vervalsching met benzoë, een fluoresceeren der zwavelkoolstof op G oerjoen- of Copaivabalsem.

b. r Grm. Perubalsem, in 3 Grm. aether opgelost en met 2 Grm. ammonia krachtig geschud, mag niet ge la tin eer en of, bij scheiding in twee lagen, zich in de bovenste geene geleiachtige klompjes vertoonen. Bij aanwezigheid van grootere hoeveelheden storax gelatineert de vloeistof, bij geringere vormen zich in de aetherlaag gelatineuse klompjes.

c. noch zich in de onderste laag, na niet verdund azijnzuur zuur gemaakt en tot koken verwarmd te zijn, harsachtige deelen afscheiden. Afwezigheid van colophonium of copaivabalsem.

d. 2 Grm. Perubalsem, met 4 droppels sterken spiritus vermengd en daarna met 1 Grm. calcium hydroxy de sadmgewreven, mag, ook na eenigen tijd, niet hard worden. Afwezigheid van colophon ium, storax, benzoë en tolubalsem.

e. en het mengsel, daarna op V vuur verhit, geen reuk naar brandend vet verspreiden. Afwezigheid van vette oliën, bijv. ricinusolie.

f. 10 Droppels Perubalsem, met 20 droppels zwavelzuur vermengd, mag daardoor niet opschuimen en geen prikkelenden reuk van zwavelig-zuur verspreiden. Afwezigheid van copaiv abalsem.

g. de daarbij afgescheiden, taaie massa moet, na uitwassching eerst met 7varm en daarna met koud water, spoedig een broze, aan de oppervlakte violet schijnende hars vormen. Een weeke, smerige hars wijst op vette olic\'n, bijv. ricinusolie, ecne roodbruine hars op storax.

h. 2 Grm. Perubalsem, met 8 Grm. petroleumbenzine krachtig geschud, de vloeistof daarna af geschonken en gefiltreerd, het filtraat op het waterbad uitgedampt en, bekoeld, met 5 droppels ruw salpeterzuur behandeld, moet daardoor, ook bij zachte verwarming, zuiver geel gekleurd zijn. Terpentijn, storax en copaivab alsem zijn na verdamping der benzine aan den reuk te herkennen. Eene blauwe tot groene kleur van het residu na behandeling met salpeterzuur wijst op vervalsching met storax, terpentijn, colophonium en copaiva-balsem.

i. 1 Grm. Perubalsem, in 10 cAP. absoluten alcohol opgelost, met to cM\'\\ spiritueus volumetrisch alkali in een kolfje gedurende een kwartier op het waterbad verwarmd onder herhaald aam\'ullen van den verdampenden alcohol, en, na verdunning met een gelijk volumen water en toevoeging van 10 droppels phenolphtaleïne, ter neutralisatie van de overmaat alkali met volumetrisch zuur teruggetitreerd, mag niet meer dan 6 cAP. hiervan behoeven. Bepaling van de hoeveelheid in den balsem voorhanden zuur.

-ocr page 111-

IOI

het verzeepingsgetal, zoowel vrij, het zuurgctal, als gebonden in den vorm van samengestelde aethers, het es ter ge tal\'). Het verzeepingsgetal van Perubalsem, alhoewel afwisselende, bedraagt minstens 240. Een belangrijk lager getal wijst dus op vervalsching van den balsem.

BALSAM IJ M T O L U T A N U M.

T O L U B A L S K M.

Het saj) van T o 111 i f e r a Balsa m u m 1 , uit den verwonden stam gevloeid en hard geworden.

Een bruinroode massa, die reeds bij zachte warmte week wordt en tot een geelachtig poeder zich laat wrijven, dat aangenaam naar benzoë riekt en zwak aromatisch smaakt.

Samenstelling. Toiubalsem heeft in samenstelling veel overeenkomst met Perubalsem. Hij bevat, evenals deze; hars, ka-nee 1 z u ur, be nzoc z u u r, kaneelzure en benzoëzure benzylaether. Daarenboven komt er een weinig van een dun-vloeibare, sterk riekende koolwaterstof, toleen, C1quot;!!1quot;, in voor.

Afkomst. De balsem wordt verkregen uit den stam van \'1 olui-fera Balsamum L., een aan den Perubalsem leverende Tolui-fera Pereirae Baill. verwanten boom, eveneens uit de familie der Papilionaceae, groeiende in Venezuela en Columbia. Ter inzameling worden meestal in den bast van den boom, eerst lager, vervolgens booger, een aantal V-vormige insnijdingen gemaakt, die aan het ontmoetingspunt der beide beenen een weinig worden uitgehold, zoodat er een kalebasscbaal in past, waarin men den balsem opvangt. Ook wel wordt de balsem, al afdruipende langs den stam, aan den voet daarvan in bladen opgevangen. In lederen zakken vervoerd, wordt hij in blikken bussen van uit Columbia of over New-York naar Hamburg en Londen verzonden.

Eigenschappen. In verschen staat is Toiubalsem dikvloeibaar, bruingeel van kleur, in dunne lagen helder doorschijnend. Aan de lucht wordt hij langzamerhand hard en doet zich ten slotte, zooals de Ph. hem verlangt, voor als een bruinroode massa, die

1

) Deze getallen worden uitgedrukt in de voor de neutralisatie benoodigde hoeveelheid milligrammen KIIO.

-ocr page 112-

102

echter reeds bij zachte warmte week wordt en zich tot een geelachtig poeder laat wrijven, dat aangenaam naar benzoë riekt en zwak aromatisch smaakt. De balsem wordt met zwavelzuur schoon rood gekleurd, is onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus en chloroform, gedeeltelijk oplosbaar in aether, onoplosbaar in zwavelkoolstof \').

BALSAMUM VITA E HOFFMAN NI.

11 O F F M ANN\' S BALS E M. MIX TUK. A OLEOSA BALSAMICA.

Kaneelolic...............

Citroenolie . . . •...........

• • 5

Lavendelolie, van elk vijf deelen.......

Kruidnagelolie.............

Foelieolie, van elk acht deelen........

Perubalsem negen deelen..........

• 9

Sterken Spiritus negenhonderd en zestig deelen. .

. 960

Schud ze dooreen en filtreer na eenige dagen.

Eigenschappen. Eene aangenaam naar de vluchtige oliën riekende, amberkleurige vloeistof van 0.840 soort. gew., die, met water verdund, een melkwit, neutraal of zeer zwak zuur reagee-rend vocht geeft.

B ENZ OAS FERRIC US.

F E R R I B E N Z O A A T.

N. Nairiumhenzoaat vijf dealen........... 5

Los het op in

]Vater vijfentwintig deelen...........25

Voeg bij de heldere oplossing

Ferrichlorideoplossing vier deelen.........4

\') Door het laatste kan eene mogelijke vervalsching met Colopbonium ontdekt worden, dat in zwavelkoolstof oplost. Uit\'rolubalsem lost alleen het benzoë-en kaneelzuur op. Zwavelzuur kleurt een dergelijken balsem bruinzwart.

-ocr page 113-

los

Vooraf verdund met

Water veertig deelen.............40

Verzamel het neêrslag, wasch het met gedestilleerd water zoolang uit, totdat het afwaschwater door zilvernitraat bijna niet meer troebel wordt en droog het.

Een vleeschkleurig, reuk- en smaakloos poeder, dat door hitte smelt en onder ontwikkeling van brandbare gassen verkoolt. Het ijzeroxyde, dat na de verbranding overblijft, bedrage ongeveer 20 pet. van het droge Zout.

Samenstelling. (C0 Hr\' .COO)6 [Fe1 ]

Het normale ferri-zout van benzoëzuur. De zes atomen waterstof der carboxyl-, COOH, groepen van zes moleculen benzoëzuur zijn vervangen door de zeswaardige ferri-, [Fe2], groep 1),

Bereiding. De bereiding berust op de wederzijdsche ontleding van natriumbenzoaat en ferrichloride. De afwassching dient tot verwijdering van het tevens gevormde natriumchloride, dat door

6(C8H5.COONa-t-H,iO)-[-(Fe1Cl0 i2H2ü) = (C(iH\'.COO)(! [Fe2]-}-

natriumbenzoaat ferrichloride ferribenzuaat

972 541 838

6 Na Cl 18 H20

natriumchloride water

zilvernitraat als onoplosbaar zilverchloride wordt aangetoond.

972 dln. Natriumbenzoaat ontleden 541 dln. ferrichloride; 5 dln. natriumbenzoaat dus 2.8 dln. ferrichloride. 4 dln. Ferrichloride-oplossing bevatten 3 dln. ferrichloride. Er is dus bij de bereiding een geringe overmaat ferrichloride, die eveneens door uitwas-sching wordt verwijderd.

Eigenschappen. Een vleeschkleurig, reuk- en smaakloos poeder, dat door hitte smelt en onder ontwikkeling van brandbare gassen verkoolt. Met is onoplosbaar in water, oplosbaar in azijnzuur, bij zachte verwarming ook in chloorwaterstofzuur, salpeterzuur en vette oliën (levertraan).

Onderzoek.

10. Het ijzeroxyde, dat na de verbranding overblijft, bedrage ongeveer 20 pet. van het droge Zont. 838 dln. Ferribenzoaat

1

) Over Ferro- en Ferri-verbindingen zie bij « Ferrum pulveratum.»

-ocr page 114-

I04

leveren bij verbranding 160 dln. ijzeroxyde (Fe^3 = 160), d. i. dus 19,09 pet. De eisch der Pharmacopee van ongeveer 20 pet. wijst dus op een normaal, hoogstens sporen van basisch zout bevattend preparaat.

BENZOAS NATRICüS.

NATRIUM BENZOAA T.

Een wit, korrelig, reukloos of flauw naar benzoëzuur riekend poeder, dat door warmte smelt en door sterke hitte verkoolt. De dus verkregen kool bruist met zuren op en kleurt een niet lichtende vlam sterk geel.

Natriumbenzoaat is in sterken spiritus slechts weinig oplosbaar en geeft met i.8 deelen water een neutrale of zwak alkalische oplossing.

De oplossing in water (1=20) voldoe aan de volgende eischen;

Verdund chloorwaterstofzuur schelde daaruit kristallen af, die, als men de vloeistof met een genoegzame hoeveelheid aether schudt, geheel verdwijnen.

3 cM3., vermengd met 1 cM3. salpeterzuur en 4 cM3. sterken spiritus — ter oplossing der aanvankelijk afgescheiden kristallen — wordt door zilvernitraat slechts flauw opalesceerend en door baryumnitraat niet terstond troebel.

Samenstelling, CcH5.COONa -f H^O

Het natriumzout van benzoëzuur. De waterstof der carboxyl-, COOH, groep van benzoëzuur is vervangen door het éenwaardige metaal natrium. Het zout bevat één molecule kristalwater.

Bereiding. Door neutralisatie eener oplossing van 10 dln. benzoëzuur in 100 dln. warm water met eene eveneens warme oplossing van ongeveer 12 dln. natriumcarbonaat in 3 dln. water. De neutrale of zwak alkalische oplossing wordt gefiltreerd en onder

Na2 CO3 2C«H \'.COOH = 2 CTRCOONa CO2 H\'O

natriumcarbonaat benzoëzuur natriumbenzoaat kooldioxyde water

omroeren op het waterbad tot droog verdampt.

Eigenschappen. Een wit, korrelig, reukloos of flauw naar benzoëzuur riekend, neutraal of zwak alkalisch poeder, gemakkelijk oplosbaar in water (1.8), minder gemakkelijk in kouden (13),

-ocr page 115-

io5

beter in warmen (8) spiritus, onoplosbaar in aether, dat door warmte smelt en door sterke hitte verkoolt. — De dus verkregen kool, die met zuren opbruist, kleurt, evenals het poeder zelve, een niet lichtende vlam blijvend en sterk geel. — Verdund chloor-waterstofzuur scheidt uit de waterige oplossing kristallen van ben-zoëzuur af, die, als men de vloeistof met een genoegzame hoeveelheid aether schudt, dajirin oplossen. Met ferrichlorideoplossing geeft zij een isabelgeelkleurig neerslag van ferribenzoaat.

Onderzoek.

1°. Een korrelig poeder. Natriumbenzoaat kan ook, alhoewel niet gemakkelijk, in kristallen verkregen worden; deze verweêren echter spoedig.

2°. Een reukloos of flauiv naar henzo?zuur riekend poeder. Voor de bereiding kan, ook wijl de Ph. geen kaneelzuurvrij zout schijnt te verlangen, in plaats van het officineele elke andere, goedkoopere soort van benzoëzuur gebruikt worden. Voor de fabriekmatige bereiding bezigt men hiervoor veelal een zuur, door sublimatie verkregen uit mindere Benzoë-soorten, die veel zuur, doch daarentegen weinig aanhangende, brandige olie leveren.

3°. Natriumbenzoaat is in sterken spiritus slechts weinig oplosbaar. Onderscheid met natrium sal icy laat, waarmede het in oplosbaarheid in water en in oplosbaarheid in aether van het door andere zuren afgescheiden zuur overeenkomt, doch waarvan het zich door voorkomen, door veel mindere oplosbaarheid in spiritus alsmede door de reactie met ferrichloride onderscheidt \').

4°. en geeft met water een neutrale of zwak alkalische oplossing. Het normale zout reageert neutraal. Een geringe overmaat van n a t r i u m ca r b o n aa t wordt dus bij de bereiding toegestaan.

5°. 3 cM3., vermengd met i cM*. salpeterzuur en 4 cM%. ster-kén spiritus — ter oplossing der aanvankelijk afgescheiden kristallen — wordt door zilvernitraat slechts flainv opalesceerend en door baryumnitraat niet terstond troebel. Afwezigheid van ch 1 o r i de en sulfaat. Sporen worden toegestaan.

1) Zie bij « Salicylas natricus».

-ocr page 116-

io6

BENZOË.

151lt;: n z o Ë.

Het harshoudend sap van Sty ra x Benzoin Dry and., uit den verwonden stam gevloeid en in de lucht hard geworden.

Een grijs- of roodbruinachtige, dikwijls grofporeuze, gemakkelijk fijn te wrijven massa, waarin melkwitte korrels of klompjes verspreid liggen, en die, vooral in verwarmden staat, naar vanielje riekt.

Benzoo moet, bij zachte warmte, voor het grootst gedeelte in sterken spiritus oplosbaar zijn, met uitzondering van wellicht voorkomende verontreinigingen; wordt bij de oplossing water gevoegd, dan ontstaat, onder afscheiding van hars, een melkwitte, zuur reageerende vloeistof.

Ter bereiding van Benzoezuur gebruike men kaneelzuurvrije Benzoë.

Samenstelling. Benzoë bestaat voor het grootste gedeelte uit verschillende, amorphe harsen, ongeveer 80 pet., en afwisselende hoeveelheden, gewoonlijk 12 a 18, soms tot 24 pet. benzoezuur, meestal vergezeld van eenig kaneelzuur, ongeveer 10 pet. Enkele soorten van Benzoë zijn steeds vrij van kaneelzuur; somtijds daarentegen vervangt dit het benzoëzuur geheel. Voorts heeft men er in gevonden: sporen vluchtige olie, vanilline en ben-zoëzure benzylaether.

Afkomst. De bij ons meest gebruikelijke Benzoë wordt op Sumatra, vooral in de Battalanden en Palembang, gewonnen van gekweekte of wilde exemplaren van Styrax Benzoin Dryand., een boom, ook op Java inheemsch, behoorende tot de familie der Styraceae. Gewoonlijk wordt de Benzoë daaruit verkregen dooide stammen in te snijden, waardoor het witte, dikvloeibare vocht na korten tijd naar buiten vloeit, hetwelk aan de lucht donkerder van kleur wordt, stolt en zorgvuldig wordt verzameld. In palmbladen gewikkeld, wordt de Benzoë naar havenplaatsen gebracht, waar zij door weeking van de bladen wordt ontdaan, om in langwerpig-vierkante blokken, met wit katoen omhuld en in kisten verpakt, naar Nederland te worden verzonden.

Eigenschappen. Een grijs- of roodbruinachtige, doorschijnende, dikwijls grofporeuze, gemakkelijk fijn te wrijven massa, waarin min of meer talrijke, melkwitte korrels of klompjes verspreid liggen (B. amygiialoidcs). Zij riekt, vooral in verwarmden staat, naar

-ocr page 117-

I

107

vanielje. Benzoë is bij zachte warmte in sterken spiritus (5) oplosbaar, met uitzondering van wellicht daarin voorkomende verontreinigingen.

Wordt bij dc spiritueuse oplossing water gevoegd, dan ontstaat, onder afscheiding van hars, een melkwitte, door benzoë- en kaneel-zuur zuur reageerende vloeistof. Uoor ferrichlorideoplossing wordt zij donkerbruin, met min of meer groene tint, gekleurd. Benzoë lost in zwavelzuur met eene karmijnroode kleur op, die bij toevoeging van water donkerpaars of lilakleurig wordt.

Onderzoek.

1°. Een grijs- of roodbruinachtige, dikwijls grof poreuze, gemakkelijk fijn te wrijven massa, ivaarin melkwitte korrels of klompjes verspreid liggen, en die, vooral in verwarmden staat, naar vanielje riekt. Genoemde eigenschappen komen overeen met die van goede Sumatra-Benzoë \'). Men onderscheidt daarvan drie soorten, die in waarde verschillen naar den leeftijd van den boom, waarvan zij ingezameld werden. De in de eerste jaren van een en denzelfden boom verzamelde Benzoë (hoofd-B.), die als de beste geldt, is het lichtst van kleur en bestaat bijna geheel uit witte korrels. Het product der volgende jaren {buik-B.) is eenigs-zins donkerder van kleur, doch bevat eveneens nog eene genoegzame hoeveelheid korrels ; zij is de bij ons meest gebruikelijke soort. De laatst verzamelde {voet-B.), die verkregen wordt door uitschrapping of uitsmelting van den gekloofden, ouden boom bevat weinig korrels, is donkerder van kleur, min of meer verontreinigd en dus de minste soort.

Andere Benzoësoorten zijn:

a. Pen ang-Benz o ë. Zij wordt voor eene verscheidenheid van Sumatra-B. gehouden. De betere soorten bestaan uit eene lichtere, grijze massa met grootere en wittere korrels; de mindere uit eene bruine, poreuze massa zonder korrels. Zij riekt aangenamer, naar storax, en bevat weinig of geen benzoëzuur, doch veel kaneelzuur.

b. Siam-Benzoë van nog niet volledig bekenden afkomst; waarschijnlijk van denzelfden boom afkomstig of van eene daarmede zeer verwante plant. Zij komt voor: of als bleek roodaehtig-geele, van binnen witte, onregelmatige, afgeplatte, glanzige of dof bestoven korrels {B. in granis s. lacrymis), bf als eene donker

\') Hiertoe moet ook de voor de bereiding van benzoëzuur zeer gezochte P a 1 e m-bang -benzoë gerekend worden.

é

1

iip

4

1 fi

-ocr page 118-

io8

barnsteenbndnc, doorschijnende massa met gcelachtig-zvitie, opaal-kleurigc, arnandclgroote of kleinere, soms zeer kleine korrels (B. aniygdaloides). Zij bevat alleen benzoëzuur, geen kaneelzuur en wordt daarom meer bepaaldelijk voor de bereiding van Benzoö-zuur voorgeschreven quot;).

c. Calcutta-Benzoë, eene verscheidenheid van Siam-Benzoë. Eene vitilroodbmine, dofglanzende, poreuze, blokvormige massa {B. in mass is s. in sortis) met talrijke, kleine, licht gekleurde korrels. Zij is veelvuldig met allerlei plantaardige fragmenten verontreinigd en bevat eveneens alleen benzoëzuur.

2°. Een massa, zvaarin melkwitte korrels of klompjes verspreid liggen. Hoe grooter het aantal korrels of klompjes is bij eene kleine massa, voor des te beter wordt de soort van Benzoë gehouden.

3°. Benzee moet, bij zachte warmte, voor het grootste gedeelte in sterken spiritus oplosbaar zijn, met uitzondering van wellicht daarin voorkomende verontreinigingen. Benzoë kan min of meer verontreinigd zijn met plantaardige fragmenten, zooals stukjes van takken, bast, hout, bladen, ook met zand, klei, enz.

4quot;. ivordt bij de oplossing water gevoegd, dan ontstaat een znur reageerende vloeistof. Duidelijke aanwezigheid van benzoë-of kaneelzuur of beide, waarvan de Benzoë soms gedeeltelijk beroofd wordt door uitkoking met water of kalk.

BIBORAS NATRICUS.

BORA X.

Kleurlooze, harde, kristallijne stukken, wier oppervlakte langzaam verweert.

Door hitte smelten zij, zwellen daarna, water verliezend, sterk op en gaan, langer verhit, in een doorschijnende, glasachtige stof over, die een niet lichtende vlam geel kleurt.

Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in heet water, doch onoplosbaar in sterken spiritus. De oplossing in water kleurt, na met c.hloorvvaterstofzuur zuur gemaakt te zijn, curcumapapier bij het opdrogen bruin.

De oplossing van Borax in water (i = 50), met salpeterzuur even zuur

) Zie hierover en over het onderzoek op aanwezigheid van kaneelzuur bij «Acidum benzoicum.»

-ocr page 119-

log

gemaakt, worde niet terstond troebel door baryumnitraat, geve met zil-vernitraat niet meer dan een opalescentie en worde door zvavelwaterstof niet veranderd.

Samenstelling, Na2B407 ioH2©

Het normale natriumzout van het op zich zelf niet bestaande tetrahoorzuur; 1PIVH)7. Dit zuur kan afgeleid worden van 4 moleculen boorzuur: 4 H\'BO3 = H\'MV\'O12. Laat men hieruit 10 atomen waterstof en 5 atomen zuurstof treden in den vorm van 5 moleculen water, dan verkrijgt men het tetraboorzuur.

H12B\'\'O —5H20 = H2B4O7.

Worden in dit zuur de twee atomen waterstof vervangen door twee atomen van het éénwaardige metaal natrium, dan ontstaat Borax. Het zout kristalliseert met tien moleculen kristalwater.

Bereiding. Vroeger werd Horax verkregen door zuivering, z. g. raffineeren, van het in de natuur voorkomende ruwe zout, Ttnkal of Poiinxa geheeten.

Tegenwoordig bereidt men hem uit \'t natuurlijke, ruwe boorzuur, dat in ruime hoeveelheid voorhanden is in de uit moerassen opstijgende dampen in Toskane en tevens in vasten staat als sassoliuc voorkomt, Eene warme oplossing van natriumcarbonaat wordt hiermede geneutraliseerd, vervolgens geklaard, uitgedampt en tot kristallen gebracht, welke ter zuivering uit eene langzaam bekoelende oplossing worden omgekristalliseerd.

Na1 CO3 4 H3BO3 = Na2BH)7 CO2 -f 6H20

natriumcarbonaat boorzuur borax kooldioxyde water

Ook wordt het zout verkregen uit een uit Zuid-Amerika veelvuldig aangevoerd mineraal, het boronatrocalcict: Na2B407 -4-2 Ca IV\'O7 -j- i8 1I20, een dubbelzout van natrium- en calcium-biboraat. Hieruit wordt of door een zuur het boorzuur neergeslagen en dit met natriumcarbonaat geneutraliseerd, bf door directe toevoeging van natriumcarbonaat alles in natriumbiboraat, borax, omgezet onder afscheiding van calciumcarbonaat.

(Na2B407 -f 2 Ca B407 18 H20) 2 Na2C03 =

boron atrocalciet natriumcarbonaat

3 Na2B407 2 CaCO3 -f 18 H20

borax calciumcarbonaat water

Bij kristallisatie van het zout moet deze steeds plaats hebben in eene niet te geconcentreerde oplossing bij middelbare temperatuur

-ocr page 120-

I IO

of lager. In geconcentreerde oplossing en bij hooger temperatuur kristalliseert Borax nl. niet in prisma\'s maar in octaëders, die 5 in plaats van 10 moleculen kristalwater bevatten.

Eigenschappen. Kleurlooze, doorschijnende, harde, kristal-lijne stukken, wier oppervlakte langzaam verweert. Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in warm (0.5), moeilijker in koud (17) water, goed oplosbaar in glycerine (5) en onoplosbaar in spiritus. — De oplossing in water reageert alkalisch, kleurt rood lakmoespapier blauw, en, na met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt te zijn,cur-cumapapier bij het opdrogen bruin, welke kleur door aanstippen met ammonia in blauwzwart overgaat. — Door hitte smelten de kristallen, zwellen daarna, water verliezend, sterk op en gaan, langer verhit, in een doorschijnende, glasachtige stof over, die een niet lichtende vlam geel kleurt.

Onderzoek.

1°. De oplossing van Borax in water (1 = 50), met salpeterzuur even zuur gemaakt, worde niet terstond troebel doorharyutn-nitraat, geve niet zilvernitraat niet meer dan een opaleseentie. Reactie op sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan.

2°. en worde door zivavelwaterstof niet veranderd. Afwezigheid van zware metalen, bijv. lood.

BICARBONAS NATRICUS.

N A T R 1U M H YDROCARBONAA T.

D U B BELK O OLZURE SO D A.

Een wit poeder of witte kristallijne korsten, die door warmte wateren koolzuur verliezen en een niet lichtende vlam terstond en blijvend geel kleuren.

Natriumhydrocarbonaat is oplosbaar in 12 deelen water, doch onoplosbaar in sterken spiritus.

Als de oplossing van 1 Grm. Natriumhydrocarbonaat in 15 deelen water gevoegd wordt bij 3 cM3. mercurichloride, geve het mengsel binnen 5 minuten geen roodachtig neêrslag.

-ocr page 121-

111

i Grm. Natriumhydrocarbonaat, in to cM3. verdund zwavelzuur opgelost, moet, na de behandeling met zink, zooals die bij cbloorwaterstof-zuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (i = 2).

Natriumhydrocarbonaat verspreide, als het verwarmd wordt , geen reuk van ammoniak en geve, in overmaat van azijnzuur opgelost, een vloeistof, die niet gekleurd of troebel wordt door zwavelwaterstof.

Een oplossing in water (1 = 100), met salpeterzuur zuur gemaakt, worde door baryumnitraat of door zilvernitraat niet terstond troebel.

Samenstelling. NaHCO3

Kooklioxyde, CO2, de verbinding van één atoom vierwaardige koolstof niet twee atomen tweewaardige zuurstof, kan beschouwd worden als het anhydride van een zuur, het koolzuur: I^CO3. Op zich zelf bestaat dit zuur niet; bij vorming splitst het zich terstond in kooldioxyde en water. Met basen vormt het echter, evenals andere zuren, zouten, en wel normale en rjurc zouten, naarmate de twee atomen waterstof geheel of gedeeltelijk door metaal vervangen zijn. De eerste noemt men carhonaten, de tweede hydrocarhouaten.

Natriumhydrocarbonaat is dus het zure natriumzout van het tweebasische koolzuur. Kén der twee atomen waterstof van het zuur is vervangen door het éénwaardige metaal natrium.

Bereiding. Deze geschiedt door inwerking van kooldioxyde op natriumcarbonaat. Voor de fabriekmatige bereiding gebruikt men in den regel een mengsel van gewoon waterhoudend en van min

(Na2C03 10 H20) CO2 = 2 NaHCO3 9 H20

natriumcarbonaat kooldioxyde natriumhydrocarbonaat water

of meer watervrij, verweerd zout, in die verhouding dat voor de inwerking van het kooldioxyde juist genoeg water aanwezig is, om het hydrocarbonaat te vormen. Hevat de verweerde soda meer

(Na2C03 -f 10 H20) 9 Na2 CO3 10 CO2 = 20 NaHCO3

natriumcarbonaat natriumcarbonaat kool natriumhydrocarbonaat

watervrij dioxyde

kristalwater dan noodig is, dan scheidt zich dit af en vloeit als eene verzadigde oplossing van het zout weg, waarin zich dan tevens de gemakkelijk oplosbare verontreinigingen als chloride en sulfaat oplossen. Het benoodigde kooldioxyde kan bereid worden door ontleding van een carbonaat, bijv. krijt of marmer, calcium-carbonaat, met een zuur, bijv. chloorwaterstofzuur. Bij de fabriek-

-ocr page 122-

1 12

Ca CO3 -f 2 HQ = Ca CP H»0 -f CO\'

calciumcarbonaat chloorvvaterstofzuur calciumchloride water kooldioxyde

matige bereiding wordt het gewoonlijk verkregen uit minerale bronnen of als bijproduct bij de gisting van druivensap. Het natriumcarbonaat wordt alsdan in dunne lagen op boven elkander geplaatste horden uitgespreid in achter elkander gelegen absorb-tiekamers, waarin kooldioxyde wordt gevoerd, zoolang dit nog wordt opgenomen. Het gevormde hydrocarbonaat wordt ten slotte bij hoogstens 30°, gewoonlijk in een stroom van kooldioxyde, gedroogd.

Eigenschappen. Een reukloos, wit poeder of witte kristal-lijne korsten, oplosbaar in water (12), onoplosbaar in spiritus, die door warmte water en koolzuur verliezen.

2 Na HCO3 = Na2CO3 -f PPO CO2

natriumhydrocarbonaat natriumcarbonaat water kooldioxyde

Ook aan de lucht blootgesteld, verliest het poeder, vooral bij aanwezigheid van vocht, langzamerhand kooldioxyde, waarom het in zooveel mogelijk gevulde, goed gesloten flesschen op eene droge plaats moet worden bewaard. Vooral in oplossing, bij schudding of verwarming, heeft dit verlies gemakkelijk plaats, waarbij het zout eerst in sesquicarbonaat, (Na2C03 2 Na HCO3), en ten slotte in carbonaat wordt omgezet.

Het poeder kleurt een niet lichtende vlam blijvend en sterk geel. — Met zuren bruist het op onder ontwikkeling van kooldioxyde. — De waterige oplossing reageert zwak alkalisch. Zij wordt door mercurichloride slechts weinig wit, door magnesiumsulfaat niet neêrgeslagen en door phenolphtaleïne niet rood gekleurd 1).

Onderzoek.

1°. Ilc/i nnt poeder of witte kristallijne korsten. Beide komen tegenwoordig zuiver in den handel voor en mogen derhalve gebruikt worden. Vroeger was alleen het gebruik der meer zuivere korsten veroorloofd.

2°. en een niet liehtendc vlam terstond en blijvend geel kleuren. Afwezigheid van kalj-tfmzout, dat, vooral door kobaltglas gezien, de vlam violetrood zou kleuren.

\') Onderscheid tusschen «hydrocarbonaat» en «carbonaat». Zie bij «Carbonns natricus ».

-ocr page 123-

i \'3

30. Natriumhydrocarbouaat is oplosbaar in 12 dee leu water. In onderscheid met n a t ri u m ca r bo n a a t, dat vee! gemakkelijker in water (r.6) oplost.

4°. Als de oplossing van i Grin. Natriiimhydrocorbonaat in i 5 deelen water gevoegd wordt bij 3 cM*. inercurichloride, geve het mengsel binnen 5 mimiten geen roodachtig neerslag. Slaat op een gehalte aan carbonaat. Natriumhydrocarbonaat geeft met inercurichloride hoogstens een zwakke, witte troebeling van kwik-carbonaat; natriumcarbonaat daarentegen een rood-tot bruinachtig neórslag van kwikoxychloriden. Daar natriumhydrocarbonaat in oplossing echter langzaam kooldioxyde verliest, zelfs reeds bij sterk schudden, moet de oplossing door zoo zacht mogelijk schudden bereid worden en de reactie binnen den aangegeven tijd worden waargenomen \'). Volgens deze methode staat de Ph. een gehalte van ongeveer 2 pet. aan carbonaat toe.

50. 1 Grm. Natrininhydrocarbonaat, in 10 cM%. verdund zwavelzuur opgelost, moet, na de behandeling met zink, zooals die bij chloorwater stof zuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (1 =2). Reactie op ar se nik. Zie verder bij „Acidum hydrochloricumquot; 1).

6°. Natriumhydrocarbonaat verspreide, als het venvannd wordt, geen reuk van ammoniak. Dubbelkoolzure Soda wordt ook verkregen als tusschenproduct bij de Soda-fabricatie volgens het z. g. „ammoniak-procesquot; 3). Het aldus verkregen zout bevat steeds ammoniumcarbonaat, dat aan den reuk bij verwarming kenbaar is 4).

7°. en geve, in overmaat van azijnzuur opgelost, een vloeistof, die niet gekleurd of troebel wordt door zwavehvaterstof. Reactie op zware metalen als lood, koper, arsenik, tin en ferri-zout.

8°. Een oplossing in water (1 = 100), met salpeterzuur zuur

\') Een zelfde gehalte aan carbonaat kan beter aangetoond worden door toevoeging van 3 droppels phenolphtaleïne. Hierdoor mag geen roode kleur ontstaan of, zoo zij ontstaat, dan moet zij door een spoor zuur, c. q. 2 cM3. decimaal-volumetrisch zuur, weder verdwijnen.

\') Bij deze reactie kan een mogelijk gehalte aan thiosulfaat ontdekt worden door de afscheiding van zwavel in de zwavelzure oplossing, evenals door een allengs zwart wordend neerslag van zwavelzilver met zilvernitraat in de met salpeterzuur geneutraliseerde oplossing.

\') Zie hierover bij « Carbonas natricus».

\') Kleinere hoeveelheden zijn, beter dan door den reuk, te herkennen door eene blauwe reactie met rood lakmoespapier.

-ocr page 124-

114

genimkt, worde door barynmnitraat of door zilvernitraat niet terstond troebel. Reactie op sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan.

BOLUS ALBA.

WITTE BOLUS.

A RGILLA.

Een poeder, dat hoofdzakelijk uit waterhoudend aluminiumsilicaat bestaat.

Het is wit, reukloos en bijna smaakloos.

Het mag geen zand bevatten en door zuren niet opbruisen.

Samenstelling. Hoofdzakelijk Al4Si3012 4quot; 4HjO

Het vierwaardige element silicium verbindt zich met twee tweewaardige atomen zuurstof tot SiO2, het anhydride van het daarmede overeenkomstige kiezelzuur: Si O2 -)- 2 H20 = Si(OH)1 = H4Si O4.

De aluminium-verbindingen bevatten, analoog aan de ferri-ver-bindingen, de zeswaardige atoomgroep (Al2). Vervangt men dus in 3 moleculen H4Si04 = H12Si3012 de waterstof door twee dezer groepen, dan verkrijgt men bovenstaand aluminiumsilicaat.

In Argilla bevat dit zout 4 moleculen water.

Bereiding. Men bezigt daartoe zoogenaamde porseleinaarde of kaoline. Deze behandelt men met chloorwaterstofzuurhoudend water, ten einde voorhanden calciumcarbonaat als calciumchloride in oplossing te brengen, wascht het achterblijvende poeder herhaaldelijk met water uit, totdat dit met zilvernitraat geen reactie meer op chloride geeft, en scheidt daarna het fijne aluminiumsilicaat door slibbing met water zooveel mogelijk van de grovere zanddeelen. Men verzamelt het fijne poeder, perst het zacht uit en droogt het.

Eigenschappen. Een wit, reukloos, bijna smaakloos, neutraal, in water en in zuren onoplosbaar poeder, dat bij kneding met water ietwat taai wordt en bij verhitting smelt.

Onderzoek.

1quot;. Het mag geen zand bevatten, wat men kan ontdekken door het poeder in een mortier te wrijven, waarbij het niet mag knarsen.

2°. en door zuren niet opbruisen. Slaat op verontreiniging met calciumcarbonaat.

-ocr page 125-

11 5

BROMETUM A M M O N I C U M.

AMMONIUM BROMID E.

Een wit, kristallijn, reukloos, hygroscoijisch poeder, ck.t door hitte zonder te smelten vervluchtigt en in T.5 deelen water oplosbaar is, maar moeilijk in sterken spiritus.

Met natronloog overgoten, verspreidt het den reuk van ammoniak. Chloroform, geschud met de oplossing (1 = 20) van het Zout, waaraan een weinig chloonvater toegevoegd is, wordt geelrood.

Ammoniumbromide mag bevochtigd blauw lakmoespapier niet terstond rood kleuren.

De oplossing in water (1 =20) worde door baryumchloridè niet terstond troebel en door verdund zwavelzuur noch terstond, noch na n;et stijfseloplossing en een weinig kaliumnitriet vermengd te zijn, gekleurd.

De oplossing van 300 mGr. droog Ammoniumbromide in 10 cM3. water, even gekleurd met kaliumchromaat, mag niet minder dan 30.6 en niet meer dan 31.4 cM3. volumetrisch zilver ter roodkleuring vereischen.

Samenstelling. NI 14 Hr

Het ammoniumzout van brooimvaterstofzuur, HBr, een halogeen-zuur, analoog aan chloonvaterstofzuur. De waterstof van dit zuur is vervangen door de éénwaardige ammonium-, NH4, groep \').

Bereiding. Ammoniumbromide kan bereid worden door neutralisatie van broomwaterstofzuur met ammonia of ammonium-carbonaat. Hetzelfde resultaat wordt verkregen door 3 dln. gecon-

H Br -f- NH4HO = NH4Br IPO

broomwaterstofzuur ammonia ammoniumbromide water

centreerde ammonia van 20 pet. bijna te verzadigen met 2 dln. broom. Het broom wordt droppelsgewijze door een glazen trechter

3 Br 4 NH3 = 3 NH4Br N

broom ammoniak ammoniumbromide stikstof

met kraan, die in een gesloten, afgekoelden kolf reikt, in de ammonia gebracht, de kraan telkens wederom afgesloten en de vloeistof daarna omgeschud. De mede gevormde stikstof en mogelijk vervluchtigende ammonia worden door een zijbuis afgeleid en de laatste in eenig water opgevangen, wat aan het einde der bewerking weder bij den kolfinhoud wordt gevoegd. Deze laat men daarna nog gedurende een paar dagen rustig, ge-

,) Zie bij «Ammonia liquida».

-ocr page 126-

116

sloten staan, totdat een weinig van het vocht met verdund zwavelzuur niet meer geel gekleurd wordt. Ten slotte wordt de zoutoplossing tot droog verdampt. Hij de bewerking moet steeds voor eene geringe overmaat ammonia gezorgd worden, ten einde de vorming van ontplofbare broomstikstof en vrijwording

NH4Br 6 Br = 4 HBr N Brs

ammoniumbromide broom broomwaterstofzuur broomstikstof

van broomwaterstofzuur tijdens de indamping, die daarom ook op het waterbad behoort te geschieden, te voorkomen.

Ook kan het Zout verkregen worden door wederzijdsche ontleding van een ammoniumzout met een ander bromide, bijv. ammoniumsulfaat met baryumbromide, zooals bij de fabriekmatige bereiding geschiedt; hierbij wordt tevens onoplosbaar baryum-sulfaat gevormd.

(NHi)ïS04 Ba Br2 = 2 NH4Br -f BaSO4

ammoniumsulfaat baryumbromide ammoniumbromide baryumsulfaat

Ten slotte is nog aangegeven, het Zout te bereiden door sublimatie van een mengsel van ammoniumsulfaat en kaliumbromide, waarbij echter een groot gedeelte van het Zout in ammoniak en broomwaterstofzuur ontleed, gedissocieerd wordt.

Het worde in goed gesloten flesschen, tegen liet licht beschut, bewaard.

Eigenschappen. Een wit, kristallijn, reukloos, hygroscopisch, volkomen vluchtig poeder, dat door hitte niet smelt, gemakkelijk in koud (1.5) en in warm (0.7), maar moeilijk in kouden (30), minder moeilijk in warmen (15) spiritus oplosbaar is. — Met natronloog overgoten, ontwikkelt zich ammoniak, dat aan de witte nevels, gevormd door een met azijn-of chloorwaterstofzuur bevochtigd staafje boven het vocht gehouden, of aan den reuk kenbaar is. — Met loodacetaat ontstaat een wit neerslag van loodbromide, met zilvernitraat een geelwit van zilverbromide, dat in ammonia moeilijk oplosbaar en in ammoniumcarbonaat onoplosbaar is. Chloroform , geschud met de oplossing (1 =20) van het Zout, waaraan eenige droppels chloorwater toegevoegd zijn, wordt geelrood door afgescheiden broom.

Onderzoek.

1°. Een ivit poeder. Bevat het Zout bromaat, dan kleurt het zich, onder afscheiding van broom, door zuren, ook onder invloed van het kooldioxyde der lucht, min of meer geel.

-ocr page 127-

ii;

5 NH4Br -f- NH4Br O3 6 CO» 3 IPO = 6 NH^HCÜ\' 6 Br

ammonium ammonium kool water ammonium broom

bromide bromaat dioxyde hydrocarbonaat

Evenzoo wordt het langzamerhand gekleurd bij een mogelijk ijzer-gehalte. Aanvankelijk aanwezig als bijna kleurloos ferrobromide, wordt dit langzamerhand aan de lucht geoxydeerd tot ferribro-mide, dat eveneens het preparaat min of meer geel kleurt.

2°. dat vervluchtigt. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen.

30. zonder te smelten. Onderscheid met kalium- en natrium-bromide.

40. en in 1.5 deelen xuater oplosbaar is. Onderscheid met ammoniumchloride, dat in ongeveer de dubbele hoeveelheid water (2.8) oplosbaar is.

50. Ammoninmbromidc mag bevochtigd blauw lakmoespapier niet terstond rood kleuren. Afwezigheid van vrij bro om wat erst ofz uur, dat bij wateraantrekking uit de lucht door dissociatie van het Zout daaruit kan ontstaan.

6°. De oplossing in water (1 = 20) zoor de door baryumchloride met terstond troebel. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

70. en door verdund zwavelzuur noch terstond gekleurd. Afwezigheid van bromaat. Sporen worden toegestaan. Zie boven sub 1 ^

8°. noch na met stijfseloplossing en een weinig kaliumnitriet vermengd te zijn. Afwezigheid van jood zout, dat eveneens het preparaat langzamerhand geel zou kleuren, liet nitriet oxydeert het joodwaterstofzuur en doet daaruit water ontstaan onder vrijstelling van jodium, dat stijfsel kleurt.

2NH4I 2 KNO2 -f- 4 IPSO4 = 2NH4HS04 -f

ammoniumjodide kaliumnitriet zwavelzuur ammoniumhydrosulfaat

2 KHSO4 2 NO 2ll20 -f 21

kaliumhydrosulfant stikstofdioxyde water jodium

90. De oplossing van 300 mGrm. droog Ammoniumbromide in 10 cM3. \'water, even gekleurd met kaliumchromaat, mag niet minder dan 30.6 en niet meer dan 31.4 cM3. volnmetrisch zilver ter roodkleuring ver else hen. Door toevoeging van zilveroplossing bij de broomzout-oplossing wordt, zoolang dit laatste aanwezig is, onoplosbaar, geelwit zilverbromidc gevormd. Is al het broomzout hierin omgezet, dan ontstaat bij meerdere toevoeging van zilveroplossing met het kaliumchromaat zilverchromaat, dat de vloeistof rood kleurt.

-ocr page 128-

118

NH4Br Ag NO3 = Ag Br 4- NI I1 NO3

ammoniumbromide zilvernitraat zilverbromide ammoniumnitraat

98 Dln. Ammoniumbromide (NH4Rr = 98) liebben 170 dln. zilvernitra.\'it (AgNü3 = 170) noodig, om in zilverbromide te

worden omgezet; 0.3 Grm. dus ^22 0.3 — 0.52 Grm. zilvernitraat. Volumetrisch Zilver bevat 17 Grm. zilvernitraat per 1000 cM3.; 0.52 Grm. is dus vervat in X 0-S2 :=:: 30-6 cMf.

Daar het voor de bereiding gebezigde broom steeds min of meer chloorhoudend is, zal Ammoniumbromide een gering gehalte aan ammoniumchloride bevatten. Bestond de 0,3 Grm. van het Zout geheel uit ammoniumchloridc, dan zou dit, in aanmerking genomen dat 53.5 Grm. ammoniumchloride (NH4C1 = 53.5) 170 Grm. zilvernitraat noodig heeft, om in zilverchloride te

worden omgezet, ^0. X Oo = 0-953 Grm. zilvernitraat daartoe noodig hebben, dat vervat is in X 0-953 ^ S^-1 cM3, Volumetrisch Zilver. Het verschil in hoeveelheid benoodigd Volumetrisch Vocht voor dezelfde hoeveelheid, 0.3 Grm., chloride en bromide is dus 56.1—30.6 = 25.5 cM3. Daar de Pharmacopee een verschil toestaat van 31.4—30.6 = 0.8 cM3., mag het

Zout dus een gehalte aan chloride bevatten van X IOO= 3-1 Pct- \')

B R O M E T U M K A LI C U M.

K A L 1 U M H R O M I D E.

Kleurlooze, glanzige kristallen, die in 1.8 deelen water oplosbaar zijn, maar moeilijk in sterken spiritus, en die een niet lichtende vlam terstond violet kleuren.

Chloroform, geschud met de oplossing (1 = 20) van het Zout, waaraan een weinig chloorwater is toegevoegd, wordt geelrood.

1

) Een booger gebalte aan chloride, zoodat bet benoodigd aantal cM3. volumetrisch zilver voor de titratie van bet Zout volkomen aan de eischen, door de Pb. gesteld, voldoet, kan nog mogelijk zijn. wanneer voor eene vervalscbing van het Zout is gebezigd een mengsel van chloride en in uiterlijk veel daarop gelijkend nitraat. Een onderzoek op het laatste mag dus niet overbodig geacht worden en kan geschieden, door 500 mG. van het Zout met natronloog en een mengsel van zinkpoeder en ijzerpoeder te koken, waarbij geen reuk van ammoniak mag ontstaan (zie bij «Carbonas kalicus »).

-ocr page 129-

ii9

De kristallen mogen bevochtigd rood lakmoespapier niet terstond blauw kleuren.

De oplossing in water (1 = 20) worde door baryumchloride niet terstond troebel en door verdund zwavelzuur noch terstond, noch na met stijfseloplossing en een weinig kaliumnitriet vermengd te zijn. gekleurd.

De oplossing van 300 mGr. droog Kaliumbromide in 10 cMJ. water, even gekleurd met kaliumchromaat, mag niet minder dan 25 en niet meer dan 25./ cM3. volumetrisch zilver ter roodkleuring vereischen.

Samenstelling. K Bi-

Het kaliumzout van broomwaterstofzuur \'). De waterstof vat: dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal kalium.

Bereiding. De voornaamste bereidingswijzen van dit Zout zijn de volgende;

1°. Verdunde, warme kaliioog wordt met zooveel broom verzadigd, dat de vloeistof door overmaat broom even gekleurd blijft. Hierdoor ontstaat eene oplossing van bromide en bromaat, die men tot droog verdampt. Tijdens de indamping mengt men de

6 KHO 6 Br = 5 K Br KBrO3 3 H\'O

kaliumhydroxyde broom kaliumbromide kaliumbromaat water

vloeistof met kool en gloeit daarna de achterblijvende massa, waardoor bet bromaat onder vorming van kooldioxyde tot bromide wordt gereduceerd. Men lost in water op, filtreert, dampt de oplossing uit en laat het Zout kristalliseeren.

2 KBrO3 3C = 2 K Br -f 3 CO2

kaliumbromaat kool kaliumbromide kooldioxyde

Men gebruikt in plaats van kaliioog ook we! barythydraat, waardoor baiyumbromide wordt verkregen, dat men daarna door kaliumsulfaat, onder afscheiding van onoplosbaar baryumsulfaat, in kaliumbromide omzet.

Ba Br -f K^SO1 = 2 K Br Ba SO4

baryumbromide kaliumsulfaat kaliumbromide baryumsulfaat

2°. Men brengt in 10 dln. water, waarin 1 dl. ijzerpoeder, 2 dln. broom bij kleine gedeelten, zoodat telkens de roode kleur van het vrije broom verdwenen is en zich ten slotte een lichtgroene oplossing van ferrobromide gevormd heeft. Deze ontleedt men warm door kaliumcarbonaat of kaliumhydrocarbonaat in overmaat.

\') Zie bij « Brometum ammonicum. »

-ocr page 130-

120

Fe Br5 K5C03 = 2 K Br Fe CO3

ferrobromide kaliumcarbonaat kaliumbromide ferrocarbonaat

waardoor zich kaliumbromide vormt, dat in oplossing blijft, benevens onoplosbaar ferrocarbonaat. Men filtreert, wascht den neêrslag uit, dampt de oplossing in en laat het Zout kristalli-seeren.

In plaats van ferrobromide maakt men tegenwoordig bij de fabriekmatige bereiding gewoonlijk gebruik van het in den handel voorkomende broomijzer, ferroferribromide, [Fe Br2 -|- (Fe2)Br6] = Fe3Br8, dat bij ontleding met kaliumcarbonaat, in plaats van ferrocarbonaat, ferroferrihydroxyde levert, dat spoediger bezinkt en zich gemakkelijker laat uitwasschen.

Fe3Br8 ^^CO3 4H20 = 8 K Br Fe3(OH)8 4 CO»

ferroferri kaliumcarbonaat water kalium ferroferri kool

bromide bromide hydroxyde dioxyde

Eigenschappen. Kleurlooze, reuklooze, glanzige, niet hygros-copische kristallen, die door hitte smelten, gemakkelijk in water (1.8), doch moeilijk in spiritus (180) oplosbaar zijn. — De oplossing in water kleurt een niet lichtende vlam violet en geeft met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neêrslag van kalium-hydrotartraat. — Met loodacetaat ontstaat een wit neêrslag van loodbromide, met zilvernitraat een geelwit van zilverbromide, dat in ammonia moeilijk oplosbaar en in ammoniumcarbonaat onoplosbaar is. Chloroform, geschud met de oplossing (1 = 20) van het Zout, waaraan eenige droppels chloorwater toegevoegd zijn, wordt geelrood door afgescheiden broom.

Onderzoek.

1°. kristallen, die in 1.8 dcelcn waicy oplosbaar zijn, maar moeilijk in sterken spiritus. Onderscheid met kaliumjodide, dat in water (0.75), doch vooral in spiritus (12) gemakkelijker oplost.

2°. kristallen, die een niet lichtende vlam terstond violet kleuren. Eene voorbijgaande gele kleuring zou op verontreiniging met natrium zout wijzen.

30. De kristallen mogen bevochtigd rood lakmoespapier niet terstond biauw kleuren. Slaat op verontreiniging met kaliumcarbonaat. Sporen worden toegestaan.

-ocr page 131-

121

4°. De oplossing in zvater (i = 20) worde door baryunichloride niet terstond troebel. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

5quot;. en door verdund zivaveIzmir noch terstond gekleurd. Afwezigheid van bromaat. Zie bij „Brometum ammonicum quot; Sporen worden toegestaan.

6°. nocli na met stijf se lop lossing en een weinig kaliumnitriet vermengd te zijn. Afwezigheid van j o o dzout. Zie bij „Brometum ammonicum.quot;

7°. De oplossing van 300 niGr. droog Kalinmbroniide in 10 cM%. water, even gekleurd met kaliumehrornaat, mag niet muider dan 25 1) en niet meer dan 25.7 cM*. volumetrisch zilver ter roodkleuring vereisehen. 119.1 Din. Kaliumbromide (K Br =119.1) hebben 170 dln. zilvernitraat (AgN03 = i70) noodig, om in zilverbromide te

worden omgezet; 0.3 Grm. dus X 0.3 = 0.428 Grm. zilvernitraat. Volumetrisch Zilver bevat 17 Grm. zilvernitraat per 1000 cM3.; 0.428 Grm. is dus vervat inX 0428 = 25.2 cM3.

Daar het voor de bereiding gebezigde broom steeds min of meer chloorhoudend is, zal Kaliumbromide een gering gehalte aan kaliumchloride bevatten. Bestond de 0.3 Grm. van het Zout geheel uit kaliumchloride, dan zou dit, in aanmerking genomen dat 74.6 Grm. kaliumchloride (K Cl = 74.6) 170 Grm. zilvernitraat noodig heeft, om in zilvercliloride te worden omgezet,

^ X 0-3 = 0.684 Grm. zilvernitraat daartoe noodig hebben , dat vervat is in X 0-(584 = 40.2 cM3. Volumetrisch Zilver. Het verschil in hoeveelheid benoodigd Volumetrisch Vocht voor dezelfde hoeveelheid, 0,3 Grm., chloride en bromide is dus 40.2— 25.2= 15 cM3. Daar de Pharmacopee een verschil toestaat van 25.7—25.2 = 0.5 cM3., mag het Zout dus een gehalte aan chloride bevatten van ^ X 100= 3.3 pet.

\') Beter 25.2.

-ocr page 132-

I 22

BROMETUM NATRICUM.

NATRIUM BROMIDE,

Een wit, korrelig, zeer hygroscopisch poeder, dat in 1.2 deelen water oplosbaar is, maar moeilijk in sterken spiritus.

Het smelt door hitte en kleurt een niet lichtende vlam terstond sterk geel.

Chloroform, geschud met de oplossing (1 = 20) van het Zout, waaraan een weinig chloorwater is toegevoegd, wordt geelrood.

Het poeder mag bevochtigd rood lakmoespapier niet terstond blauw kleuren.

De oplossing in water (1 =2) geve met wijnsteenzuur in overmaat geen kristallijn neêrslag.

De oplossing in water (1 =20) worde met baryumchloride niet terstond troebel en door verdund zwavelzuur noch terstond, noch na met stijfsel-oplossing en een weinig kaliumnitriet vermengd te zijn, gekleurd.

De oplossing van 300 mG. van het gedroogde Zout in 10 cM3. water, even gekleurd met kaliumchromaat, mag niet minder dan 29 en niet meer dan 29.7 cM3. volumetrisch zilver ter roodkleuring vereischen.

100 deelen Natriumbromide mogen, na verhit te zijn, niet minder dan 95 deelen achterlaten.

Samenstelling, Na Br

Het natriumzout van broomwaterstofzuur \'). De waterstof van dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal natrium.

Bereiding, Deze geschiedt op dezelfde wijze als die van kalium-bromide 2). In plaats van de daartoe benoodigde kalium- gebruikt men hier natuurlijk de overeenkomstige natrium-verbindingen. Daar de Pharmacopee het poeder verlangt en geen kristallen, moet de oplossing van het Zout ten slotte tot droog worden uitgedampt.

Eigenschappen. Een wit, korrelig, reukloos, zeer hygroscopisch poeder, dat door hitte smelt, gemakkelijk oplosbaar is in water (i.2), moeilijker in spiritus (5). ■—- Het kleurt een niet lichtende vlam sterk en blijvend geel. ■— Met loodacetaat ontstaat een wit neêrslag van loodbromide, met zilvernitraat een geelwit van zilverbromide, dat in ammonia moeilijk oplosbaar en in ammo-

\') Zie bij « Brometum ammonicum. »

l) Zie bij « Brometum kalicum. »

-ocr page 133-

123

niumcarbonaat onoplosbaar is. Chloroform, geschud met de oplossing (i =20) van het Zout, waaraan eenige droppels chloor-water is toegevoegd, wordt geelrood door afgescheiden broom.

Onderzoek.

1°. Een poeder, dat in 1.2 deelen zvater oplosbaar is. Onderscheid met natriumchloride, dat moeilijker (3), en met natriumjodide, dat gemakkelijker (0.6) in water oplosbaar is.

20. Het kleurt een niet lichtende vlam terstond sterk geel. Eene voorbijgaand violetroode kleuring der vlam, vooral door kobaltglas goed waar te nemen, zou op verontreiniging met kali u mzout wijzen.

3®. Het poeder mag bevochtigd rood lakmoespapier niet terstond blauw kleuren. Slaat op verontreiniging met na tri unica r-bonaat. Sporen worden toegestaan,

4°. De oplossing in water (1=2) geve met zvijnsteenzunr in overmaat geen kristallijn neerslag. Slaat op verwisseling of verontreiniging met k a 1 i u m b r o m i d e.

5°. De oplossing in zvater (1=20) worde met barymnchloride niet terstond troebel. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

6°. en door verdund szvavelzuur noch terstond gekleurd. Afwezigheid van bromaat. Zie bij „Brometum ammonicum.quot; Sporen worden toegestaan.

7°. noch na met stijfseloplossing en een weinig kaliumnitriet vermengd te zijn. Afwezigheid van jood zout. Zie bij „Brometum ammonicum.quot;

8°. De oplossing van 300 inG. van het gedroogde !) Zout in 10 cM*. water, even gekleurd met kaliumchrornaat, mag niet minder dan 29 en niet meer dan 29.7 eM*. volumetrisch zilver ter rood-kleuring vereischen. 103 Dln, Natriumbromide (Na Br = 103) hebben 170 dln. zilvernitraat (AgNO:) = i7o) noodig, om in zilverbromide te worden omgezet; 0.3 Grm. dus^ X 0-3 =: 0-495 Grm. zilvernitraat. Volumetrisch Zilver bevat 17 Grm. zilvernitraat per 1000 cM3.; 0.495 Grm. is dus vervat in X 0-495 =:= 29

Daar het voor de bereiding gebezigde broom steeds min of meer chloorhoudend is, zal Natriumbromide een gering ge-

\') De droging, evenals de bij de waterbepaliag voorgeschreven verhitting, geschiede op het waterbad bij ico\' gedurende een paar uren, totdat het ïout niet meer in gewicht afneemt.

-ocr page 134-

124

halte aan natriumchloride bevatten. Bestond de 0.3 Grm. van het Zout geheel uit natriumchloride, dan zou dit, in aanmerking genomen dat 58.5 Grm. natriumchloride (Na Cl = 58.5) 170 Grm. zilvernitraat noodig heeft, om in zilverchloride te worden om-

gezet, X 0-3 ^ 0 ^72 Grm. zilvernitraat daartoe noodig hebben, dat vervat is in X 0-S72 := 51-3 cM3. Volumetrisch Zilver. Het verschil in hoeveelheid benoodigd Volumetrisch Vocht voor dezelfde hoeveelheid, 0.3 Grm., chloride en bromide is dus 51.3— 29 = 22.3 cM3. Daar de Pharmacopee een verschil toestaat van 29.7—29 = 0.7 cM3., mag het Zout dus een gehalte aan

chloride bevatten van X 100— 3.1 pet. \')

90. 100 deden Natriuinbroniide mogen, na verhit te rjijn, niet vlinder dan 95 deele 11 achterlaten. Bij gewone temperatuur kristalliseert natriumbromide met 2 moleculen kristalwater; bij hooger temperatuur of bij verdamping der oplossing tot droog wordt het watervrij verkregen. Het kristalwaterhoudende zout (NaBr -j- 2 H *0=

139) heeft een watergehalte (2 HïO = 36) van X 100 = 25.9

pet., dat het bij verhitting zou verliezen. Het natriumbromide der Pharmacopee is dus niet dit, doch het kristalwatervrije zout 2). Wegens de groote hygroscopiciteit van het Zout staat de Pharmacopee een watergehalte van 5 pet. toe.

BULBUS SCILLAE.

S C I L L A B O L.

Reepen, uit de middelste rokken der bollen van -Urginea maritima Baker gesneden en gedroogd.

Ongeveer 3 millimeter dik, geelaehtig-wit, walgelijk bitter, zeerhygros-copiseh.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. Scillitoxine (Merck). Een amorph, kaneelbruin, heftig

Vooi «Brometum natricum » geldt hetzelfde als in de noot blz. 118 van « Brometum ammonicum » is gezegd.

s) Het kristalwater bevattende zout is bovendien veel minder in spiritus (10 a II) oplosbaar dan het watervrije.

-ocr page 135-

125

tot niezen prikkelend poeder, onoplosbaar in water en aether, oplosbaar in spiritus. Met zwavelzuur wordt het rood, later bruin gekleurd; met salpeterzuur licht rood, daarna oranjegeel tot groen.

2°. Scillipikrine (Merck). Een amorph, geelachtig-wit, bitter, hygroscopisch poeder, gemakkelijk oplosbaar in water.

3°. Scilline (Merck). Een kristallijn, lichtgeel, smakeloos poeder, moeilijk oplosbaar in water, gemakkelijker in spiritus en warmen aether. Met zwavelzuur wordt het roodbruin gekleurd; met salpeterzuur geel, bij verwarming donkergroen.

4°. Scillaine (v. Jarmenstedt). Een licht, los, kleurloos of geelachtig glucoside, met eene roode kleur in chloorwaterstofzuur oplosbaar.

5°. Sinistrine (Schmiedeberg), 30 pet., een koolhydraat. Een amorph, kleurloos, in water oplosbaar slijm.

6°. Vluchtige Olie, bijna kleurloos, vloeibaar, onaangenaam, eenigszins naar uien riekend.

70. Asch, 4—5 pet., waarvan ongeveer 3 pet. calcium-oxalaat in den vorm van bundels kristalnaalden (raphiden).

Afkomst. Scillabol is afkomstig van Urginea maritima Baker, een bolgewas, behoorende tot de familie der Liliaceae, inheemseh aan de boorden der Middellandsche Zee. Men onderscheidt twee soorten der plant, nl. eene met roode en eene met voor \'t meerencleel kleurlooze rokken. De laatste is bij ons offici-neel en wordt voornamelijk van Malta betrokken.

De peervormige, groote, zware bol bezit drie soorten van rokken: nl. de buitenste, die droog, vliezig en bruin, de middelste, die vleezig, saprijk en glanzig en de binnenste, die week en zeer slijmerig zijn. Men verzamelt de bol, als de plant uitgebloeid en bladerloos is geworden, op welk tijdstip zij veel bitterstof bevat; alsdan haalt men er de buitenste en binnenste rokbladeren af, terwijl de middelste in schijven worden gesneden, waarvan de aan-eengehechte reepen elkander onder het drogen in den zon loslaten.

Eigenschappen. Ongeveer 3 millimeter dikke en 4—5 centimeter lange reepen, halfdoorschijnend, walgelijk bitter van smaak, in drogen toestand hoornachtig hard en geelachtig-wit van kleur. Zij zijn echter zeer hygroscopisch, waardoor zij buigzaam, taai en miskleurig worden en waarom zij in kalkstopflesschen moeten bewaard worden.

-ocr page 136-

126

Onderzoek.

i0. Reepen, ongeveer 3 millimeter dik, geelachtig-wit. Dunne, vliezige, bruin of bruinrood gekleurde en miskleurige reepen moeten verworpen worden.

2°. zeer hygroscopiseh. Scillabol moet, zoo noodig, vóór \'t gebruik, bijv. bij de bereiding van Scilla-Azijn, op nieuw eenigen tijd bij matige temperatuur gedroogd worden.

CAMPHOR A.

K A M F E R.

Her stearopt, door destillatie met water uit het hout van C i n n a-momum Camphora Nees et Eberm. verkregen en daaina door

sublimatie gezuiverd.

Een kleurlooze, doorschijnende, broze massa, die door gedeeltelijke vervluchtiging de binnenzijde der flesschen, waarin zij bewaard wordt, met glanzende kristallen bedekt. Reuk eigenaardig aromatisch, doordiin-gend; smaak min of meer brandend, bitter-aromatisch, ten laatste verkoelend. Kamfer is gemakkelijk oplosbaar in aether, in sterken spiritus en in chloroform.

Samenstelling. C10 H160

Kamfer is een aldehyde, dat afgeleid kan worden van eamphceu, C10Hlfl, een koolwaterstof, behoorende tot een groep dier stoffen van de algemeene formule (C^H8)quot;, de z. g. terpenen. Uit deze ontstaat door oxydatie een alcohol, C1 quot;H1 aO, borneolci z. g. Borneokamfer, eene kamferachtige stof, die in de natuur voorkomt en vooral op Borneo en Sumatra gewonnen wordt uit het hout van „Dryobalanops Camphora Colebr. \', een „Dipterocarpea \').

») Borneol wordt ook kunstmatig verkregen uit Kamfer, door deze in toluol of aether op te lossen en met natriummetaal te behandelen. Door toevoeging van water

2 C\'1 °H1 f O 2 Na = CH^NaO Cgt;0H17NaO

kamfer natrium kamfernatrium borneolnatrium

worden de gevormde natriumverbindingen ontleed onder vorming van borneol en Kamfer, welke laatste opnieuw met natriummetaal behandeld wordt.

C1 • H11 Na O C\' quot;H1 \'Na O 2 H\'O = 2 Na HO

kamfernatrium borneolnatrium water kamfer borneol natronloog

-ocr page 137-

127

Het met dezen alcohol correspondeerende aldehyde, Cl()H1(iO, is de Kamfer. Ook het hierbij behoorende en door oxydatie daaruit ontstane zuur, het cainpholzmir, is bekend \').

C10 H10

{koolwaterslof) campheen

C,0H\'«O

{aldehyde) camphol

C\'WÜ1

{zuur) campholzuur

of Kamfer

Afkomst. Kamfer wordt in Japan en in China, vooral op het eiland Formosa, gewonnen uit het hout van Cinnamomum Camphora Nees et Eberm., een boom uit de familie der Lauraceae.

Oorspronkelijk bevatten alle deelen dezer plant eene vloeibare, vluchtige olie, waaruit zich door oxydatie langzamerhand de Kamfer als een kristallijn stearopt afzet. De afscheiding uit het hout geschiedt door sublimatie met behulp van waterdamp. Het wordt daartoe in spaanders gelegd op een houten deksel, van openingen voorzien, waaronder een vat met water en waarboven een omgekeerde aarden pot. Het water wordt daarna aan de kook gebracht; de damp, welke door de spaanders trekt, voert de Kamfer mede, die zich op den bodem der pot afzet (Formosa- of Chiueesche Kamfer). Deze methode, die men op Formosa volgt, is in Japan vervangen door een andere, betere, waarbij voor behoorlijke afkoeling der dampen is gezorgd en deze daartoe door een buis van bamboesriet worden geleid in een houten kast; die geheel door een andere is omgeven en tusschen welke koud water vloeit {Japanschc of Hollandsche Kamfer). De mede overgegane, aanhangende, nog vloeibare olie, kamferolie, laat men daarna van het bekoelde, vaste stearopt afdruipen of wordt door uitpersing verwijderd.

De op deze wijze verkregen Kamfer is de ruwe kamfer, die nog verschillende verontreinigingen als gips, keukenzout, zwavel, plant-aardigen afval, enz. kan bevatten. Naar andere landen verzonden.

\') Een ander zuur, dat door oxydatie met salpeterzuur uit Kamfer kan ontstaan, is het iu de geneeskunde gebruikelijke Kamferzuur, Acidum ca mphoricum. C10II160, kleine, glinsterende, witte kristalnaalden, die bij 1750 smelten, moeilijk oplosbaar zijn in water (140), gemakkelijk in spiritus ^i), moeilijker in aether (50) alsmede in vette oliën. Met ferrosulfaat ontstaat in de oplossing, vooral bij verwarming, een wit, vlokkig precipitaat; met ferrichloride een bruin-vleeschkleurig, vlokkig neerslag.

-ocr page 138-

128

wordt zij verder aldaar, onder toevoeging van kalk, krijt, zand 01 kool, door voorzichtige sublimatie in ronde, glazen of ijzeren kolven gezuiverd, geraffineerd, waardoor ze in den bekenden vorm van platte of schotelvormige, bolholle, in\'t midden van eene ronde opening voorziene koeken of brooden wordt verkregen.

Tegenwoordig komt Kamfer ook in poedervorm in den handel, wat verkregen wordt, door de dampen van Kamfer in sublimatiekamers snel af te koelen door middel van een stroom koude lucht.

Moet Kamfer ten gebruike tot poeder gebracht worden, dan geschiedt dit het best door besprenkeling en afwrijving met enkele droppels aether of spiritus.

Eigenschappen. Eene kleurlooze, doorschijnende, onduidelijk kristallijne, glanzige, op \'t gevoel vettige, taaie en tegelijk broze massa, met een spec. gew. van 0.992^—0.996, die bij 1750 smelt en bij 204° kookt, daarbij in witte dampen overgaande, welke, aangestoken, met een heldere, doch sterk walmende vlam verbranden. Bij gewone temperatuur reeds vervluchtigt Kamfer, zoodat zich de binnenzijde der flesch, waarin zij bewaard wordt, met glanzende kristallen daarvan bedekt. Reuk eigenaardig aromatisch, doordringend; smaak min of meer brandend, bitter-aromatisch, ten laatste verkoelend. Kamfer is zeer weinig oplosbaar in water (840), gemakkelijk echter oplosbaar in spiritus (0.75), aether (0.4), en chloroform (0.35) benevens vluchtige en vette (2.5 a 3) oliën.

Onderzoek.

1°. Een kleurlooze massa. Ruwe Kamfer is niet zuiver-, meer

vuilwit of roodachtig.

2°. Re id\' eigenaardig aromatisch, doordringend. Borneol onderscheidt zich, behalve door een smeltpunt van 198° en een kookpunt van 2120, door een minder aangenamen, ietwat scherpen, kruidachtigen reuk. — Kunstkamfer, CI0H10.HC1, bereid door zoutzuurgas in terpentijnolie te leiden, riekt eenigszins naar terpentijnolie, smelt bij 1250 en kookt bij 210° \').

30. Kamfer is gemakkelijk oplosbaar in aether, in sterken spiritus en in chloroform. Afwezigheid van in een der genoemde middelen onoplosbare stoffen, zooals: gips, zand, natrium-, ammoniumchloride, plantaardige fragmenten, enz.

gt;) Het C h 1 o o v-gehalte hiervan kan aangetoond worden door samensmelting met natriumcarbonaat, oplossing in salpeterzuurhoudend water en toevoeging van zilvemitraat.

-ocr page 139-

129

CAMPHOR A MONOBROMATA.

BROOMKAM F E R.

Kleurlooze, doorschijnende, glanzende, naaldvormige kristallen, die kamferachtig rieken en met een roetgevende vlam verbranden, zonder iets achter te laten.

Door warmte smelten zij tot een vloeistof, die bij ongeveer 270° kookt.

De kristallen zijn gemakkelijk oplosbaar in aether, in chloroform en in benzol, zeer moeilijk in sterken spiritus, niet in water.

Zwavelzuur lost Broomkamfer op, zonder gekleurd te worden en scheidt haar, na met water verdund te zijn, weder af.

De oplossing in sterken spiritus verandere de kleur van bevochtigd blauw lakmoespapier niet en geve, als men haar met azijnzuur en zink verwarmt, met haar dubbel volumen water verdunt, filtreert en met verdund salpeterzuur vermengt, een vloeistof, waarin zilvernitraat een geelwit neêrslag doet ontstaan. Dit neérslag moet in ammoniumcarbonaat niet oplosbaar zijn en, nadat er chloorwater aan is toegevoegd, chloroform, die er mede geschud wordt, geelrood kleuren.

Samenstelling. C10 H1 Br O

Het aldehyde kamfer, waarin één atoom waterstof vervangen is door het éénwaardige halogeen bromium (broom).

Bereiding. In eene ruime destilleerkolf met veiligheidsbuis wordt bij 100 dln. fijngewreven kamfer 107 dln. broom gevoegd. Deze verbinden zich onder schudden langzamerhand tot kamferdibro-mide, dat, na volkomen binding van het broom en vast worden der vloeistof, in het waterbad wordt verwarmd , waardoor zich broom-waterstofzuur afscheidt, dat door een zijbuis afgeleid en in water

C\' quot;Hquot;e Br4O = C10H1 r\' Br O H Br

kamferdibromide kamfermonobromide broomvvaterstofzuur

kan worden opgevangen, terwijl kamfermonobromide, Broomkamfer, terugblijft. Ter zuivering van vrij zuur wascht men na bekoeling met een 5-procentische oplossing van natriumcarbonaat snel uit, lost vervolgens in warmen, absoluten alcohol op en laat bij bekoeling daaruit kristalliseeren.

Eigenschappen. Kleurlooze, doorschijnende, glanzende, naaldvormige kristallen, met een spec. gew. van 1.437—1-449) die kamferachtig rieken, bij 76° smelten, bij 2740 koken en met een

9

-ocr page 140-

• 3°

roetgevende vlam geheel verbranden. Zij zijn onoplosbaar in water, vrij gemakkelijk \') oplosbaar in spiritus (10), zeer gemakkelijk in aether (1.5), chloroform (0.75) en benzol (085). Ook zwavelzuur lost Broomkamfer op, doch scheidt haar, na met water verdund te zijn, weder af.

Als de oplossing in spiritus met zilvernitraat-oplossing wordt gekookt of als men haar met azijnzuur en zink s) verwarmt, met haar dubbel volumen water verdunt, filtreert en met verdund salpeterzuur vermengt, dan ontstaat een geelwit neêrslag van zilverbromide, dat moeilijk oplosbaar is in ammonia en onoplosbaar in ammoniumcarbonaat en dat, nadat er een weinig chloorwater aan is toegevoegd, chloroform, die er mede geschud wordt, geelrood kleurt.

Onderzoek.

1°. Kleurlooze kristallen. Een goed gezuiverd, zoo noodig herhaaldelijk uit alcohol omgekristalliseerd preparaat.

2°. die verbranden, .zonder iets achter te laten. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen.

30. Door ivarmte smelten zij tot een vloeistof, die bij ongeveer 270° kookt. Onderscheid met kamfer, die bij 204° kookt. Zie daarenboven het verschil in spec. gew. en smeltpunt.

40. Dc kristallen zijn zeer moeilijk in sterken spiritus oplosbaar. Onderscheid met kamfer, die gemakkelijk daarin oplost.

50. Zwavelzuur lost Broonikanifer op, zonder gekleurd te worden. Afwezigheid van kamfer, die met geel- tot roodkleuring daarin oplost.

6°. Dc oplossing in sterken spiritus verandere de kleur van bevochtigd blauw lakmoespapier niet. Afwezigheid van vrij broom-waterstofzuu r.

70. en geve, als men haar met azijnzuur en zink verwarmt, met haar dubbel volumen water verdunt, filtreert en met verdund salpeterzuur vermengt, een vloeistof, waarin zilvernitraat een geelwit neerslag doet ontstaan. Dit neerslag moet in ammoniumcarbonaat niet oplosbaar zijn. Reactie op een chloor-gehalte, dat als chloorzilver in ammoniumcarbonaat oplost.

gt;) De Pharmacopee geeft abusievelijk op: «zeer moeilijk.»

^2) Uit het zuur met het metaal ontwikkelt zich waterstof, die met het broom broom-waterstofzuur vormt.

-ocr page 141-

13\'

CANTHARIDE S.

S P A A N S C H E VLIEGEN.

Schildvleugelige insecten, genaamd Lytta vesicatoria Fabr.

Glinsterend goudgroen, 1.5 tot 3 centimeter lang, 6 tot 8 millimeter breed.

Zij mogen niet aangevreten zijn.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen : 0.3—0.5 pet. canthari-dine, het werkzame beginsel, deels vrij, deels aan alkaliën gebonden; voorts ongeveer 12 pet. vetstoffen, een weinig vlucli-tige olie en eenige calcium- en magnesiumzouten van organische en anorganische zuren, zooals mierezuur, azijnzuur, piszuur en phosphorzuur, tezamen 6—7 pet. asch achterlatende.

Afkomst. De Lytta vesicatoria Fabr. komt vooral in Zuid-Europa voor en wordt van uit Oostenrijk en Hongarije bij ons ingevoerd. Het is een schildvleugelig insect, dat leeft op den olijfboom, de sering, kamferfoelie, enz. Men vangt de kevers, door de boomen, waarop zij des avonds zijn neergestreken, \'s morgens vroeg, als zij nog verstijfd zijn, te schudden. Men verzamelt ze alsdan in flesschen, doodt ze door den damp van aether, chloroform of iets dergelijks en droogt ze vóór de verzending in de zon of boven ongebluschte kalk op een lauwwarme plaats.

Bij het pulveriseeren der insecten zij men voorzichtig voor het licht ontsteking verwekkende poeder. Men belette daarbij het stuiven zooveel mogelijk door het afsluiten van den mortier en bedekke bovendien de bloote deelen van het lichaam gedurende het stampen.

Eigenschappen. Een schildvleugelig insect, slank, 1.5—3 centimeter lang en 6—8 millimeter breed , glinsterend goudgroen, soms ietwat blauw van kleur. Ue kop is eenigszins hartvormig, in het midden overlangs gesleufd, met twee zwarte, draadvormige sprieten, waarvan het onderste lid brons- of goudkleurig en grooter is dan de andere. Het achter den kop gelegen borststuk is bijna vierkant; hierachter volgt een driehoekig schildje. Het achterlijf maakt het grootste gedeelte van het lichaam uit en bestaat uit acht ringen. De aan het borststuk bevestigde, smalle, dunne dekschilden bedekken het achterlijf niet volkomen ; hieronder zijn twee

-ocr page 142-

132

dunne, vliezige vleugels verborgen. Tevens zijn aan het borststuk zes sterke, slanke pooten bevestigd. Het geheele lichaam is aan de onderzijde witgrijs-vlokkig behaard. Zij rieken onaangenaam naar moederkoorn en smaken wrang en bijtend.

Onderzoek.

1°. Glinsterend goudgroen, 1.5 tot 3 centimeter lang, 6 tot 8 millimeter breed. Kleur, vorm en grootte zijn de beste kenmerken ter onderscheiding van andere, wellicht daarmede te verwisselen of te vervalschen insecten. Zoo zijn de Cerambyx moschatus groen tot staalblauw, de My labris-soorten uit China geelbruin, de Cetonia aurata of „Gouden Torquot; groen en grooter, de Lytta syriaca kleiner, de Chrysomela fastuosa de helft korter en iets breeder, enz.

2°. Zij mogen niet aangevreten zijn. Spaansche Vliegen zijn, gedroogd, zeer hygroscopisch, worden dus bij minder goede bewaring spoedig vochtig en in dien staat gaarne door parasieten bezocht, die vooral de cantharidine bevattende, weeke deelen doen verteren. Zij moeten dus, na bij 250 a 30° gedroogd te zijn, zorgvuldig afgesloten en goed droog bewaard worden \').

CANTHARID1NU M.

CANT H A R I D I N E.

Kleur- en reuklooze, glanzende, kristallijne blaadjes of naalden, die bij 2100 smelten en, verder verhit, sublimeeren.

Cantharidine is nagenoeg onoplosbaar in water, oplosbaar in kokender. sterken spiritus en zeer gemakkelijk oplosbaar in chloroform en in aether.

\') Het gehalte aan Cantharidine kan bepaald worden, door 25 Grm. tot poeder gebrachte Cantharides met 100 Grm. chloroform en 2 Grm. chloorwaterstofzuur gedurende 12 uren te digereeren en vervolgens, na herhaald schudden gedurende eenigen tijd, te filtreeren. Van het liltraat wordt 62 Grm., overeenkomende met 15 Grm. Cantharides. verdampt, het overblijvende met 5 cM3. zwavelkoolstof aangeroerd, op een gewogen fdter gebracht en nogmaals met 10 cM3. zwavelkoolstof afgewasschen. De toename in gewicht van het bij 60° gedroogde fdter geeft, vermeerderd met 10 mGrm. voor het verlies door oplossing in de zwavelkoolstof, de hoeveelheid Cantharidine in 15 Grm. Cantharides aan. Voor de bepaling van het gehalte aan vrije Cantharidine handelt men eveneens, doch zonder toevoeging van chloorwaterstofzuur.

-ocr page 143-

133 ■

II

Deze oplossingen veranderen blauw lakmoespapier niet. In verdunde natronloog wordt zij gemakkelijk opgelost en uit deze oplossing, nadat men ze met chloorwaterstofzimr verzadigd heeft, weder afgescheiden.

Zwavelzuur en verwarmd salpeterzuur lossen Cantharidine op zonder kleuring, doch scheiden haar, na met water verdund te zijn, weder af.

Samenstelling. C10 H12 O4

Cantharidine is het anhydride van het tweebasische cantharidine-

zuur; C,0H14O5 = C8HllO: ^OOH quot; 0p zich zelf best;iat dit

zuur niet; bij behandelinfj van zijn zouten met een ander zuur wordt niet het cantharidinezuur, maar cantharidine en water afgescheiden \').

Bereiding. 40 Dln. tot poeder gebrachte Spaansche Vliegen worden in een deplaceertoestel gedurende 24 uren met 200 dln. chloroform uitgetrokken, na afloop van het vocht deze bewerking met dezelfde hoeveelheid en daarna nogmaals met de helft der chloroform herhaald. Van de vermengde vochten wordt de chloroform bijna geheel afgedestilleerd en de rest beneden 40° uitgedampt. Het achterblijvende wordt, ter verwijdering der vetstoffen, met 50 dln. zwavelkoolstof uitgetrokken, de achtergebleven Cantharidine op een filter verzameld, met zwavelkoolstof afgespoeld, daarna gedroogd en in chloroform opgelost. Deze oplossing laat men beneden 40° zoover uitdampen, dat de Cantharidine zich in kristallen afscheidt. Zoo noodig worden zij uit warmen spiritus omgekristalliseerd.

Ook kan men de Spaansche Vliegen (1 dl.) met een lauwwarme, zwakke kaliloog (0.05 dl. = 6 dln.) uittrekken, waardoor de Cantharidine als cantharidinezure kali in oplossing komt, en deze gefiltreerde oplossing na neutralisatie door zwavelzuur ontleden, waarbij de Cantharidine zich afscheidt. De vloeistof wordt verder ingedampt, de Cantharidine door aethylacetaat of chloroform uitgetrokken en ten slotte door omkristallisatie uit chloroform of sterken spiritus gezuiverd.

Eigenschappen. Kleur- en reuklooze, glanzende, kristallijne

:! ,)!

1

\') Een der belangrijkste zouten van dit zuur is liet in de geneeskunde gebruikelijke

Kaliumcantharidinaat, CH1 U\'O, een neutraal, kristallijn, door

andere zuren, ook door het kooldioxyde der lucht, gemakkelijk ontleedbaar zout, oplosbaar in koud (25) en warm (7) water, zeer weinig in spiritus, aether en chloroform.

II

I

Ui

III

ii

1

li

ii 1

! It

i

lt;1!

IH

fil, lil

ii

m

-ocr page 144-

134

blaadjes of naalden, die bij 218° \') smelten en, verder verhit, sublimeeren. Cantharidine is nagenoeg onoplosbaar in water (5000), bijna onoplosbaar in kouden (3000), beter oplosbaar in warmen spiritus (46), aether (910), chloroform (84), aethylacetaat en oliën. De oplossingen reageeren neutraal, met zeer gevoelig lakmoespapier uiterst zwak zuur.

0.2 Grm. Cantharidine wordt door 0.4 Grm. kalium-of0.3 Grm. natriumhydroxyde, met 20 cM\'. water op het waterbad verwarmd, gemakkelijk tot cantharidinezure kali opgelost, uit welke oplossing zij door verzadiging met chloorwaterstofzuur weder wordt afgescheiden. Ook zwavelzuur en verwarmd salpeterzuur lossen Cantharidine op, doch scheiden haar, na met water verdund te zijn, weder af. De waterige oplossing wordt door barytwater, niet door kalkwater neergeslagen. Met chroomzuur-houdend zwavelzuur 2) ontstaat langzamerhand een fraai groene kleur, die na verloop van eenige uren bladgroen wordt.

Onderzoek.

1°. Kleur- en reuklooze blaadjes of naalden, die bij 210° 1) smelten , oplosbaar in kokenden sterken spiritus en neer gemakkelijk\' oplosbaar in chloroform en in aether. Zwavelzuur en verwarmd salpeterzuur lossen Cantharidine op zonder kleuring. Kleur- en reukloosheid, een smeltpunt van 218°, volkomen oplosbaarheid in kokenden spiritus, chloroform en aether en kleurlooze oplossing in zwavelzuur en warm salpeterzuur zijn kenmerken voor de zuiverheid van Cantharidine.

CAPSULAE GELATINOSAE.

GELATINEUSE C A P S U L E N.

Onder Oelatineuse Capsulen verstaat men omhulsels, waarvan Gelatine het hoofdbestanddeel is en die dienen om er geneesmiddelen in over te brengen, waarvan men den smaak of den reuk onwaarneembaar wil maken.

Hare samenstelling verschilt naar den aard van het te gebruiken geneesmiddel.

Geschikte mengsels zijn:

•) Het smeltpunt van Cantharidine is in de Pharmacopee te laag aangegeven.

1) 0.02 Grm. kaliumbichromaat, 10 Grm. water en 30 Grm. zwavelzuur.

-ocr page 145-

i3S

I,

Gelatine één deel...............i

Water twee deelen..............2

voor Capsulen, met Aether of Teer te vullen.

II.

Gelatine drie deelen..............3

Water zes deelen...............6

Glycerine één deel.......•......1

voor Capsulen, met Vluchtige Oliën of met Aetherische Extracten te vallen.

UI. I

Gelatine één deel...............1

Water twee deelen..............2

Glycerine twee deelen.............2

voor betrekkelijk groote Capsulen, bijv. met Levertraan of met Ricinusolie te vullen.

Ter vervaardiging der Capsulen, maakt men het vooraf bereide mengsel bij een zachte warmte vloeibaar; dompelt een aan een steel bevestigden bol- of olijfvormigen, met een weinig olie bestreken metalen vorm erin,

en trekt het dunne laagje van de vloeistof, hetwelk zich daarop heeft afgezet, nadat het vast geworden is, er af.

De dus gevormde Capsulen worden met het geneesmiddel gevuld en de opening met een weinig der gelatine-oplossing gesloten.

Bereiding. De Gelatineuse Capsulen, die ten doel hebben, om daarin geneesmiddelen toe te dienen, welke door reuk of smaak als zoodanic: minder genietbaar zijn, waarom men deze dus zoo-veel mogelijk onwaarneembaar wil maken \'), verschillen in samenstelling naar den aard der daarin over te brengen stoften. De

T

m

-ocr page 146-

136

Pharmacopee onderscheidt diensvolgens drie soorten, nl. harde voor zeer vluchtige stoffen als aether en teer, middehueeke voor vluchtige oliën of aetherische extracten en weeke voor niet vluchtige stoffen, vette oliën als levertraan, ricinusolie, enz. als anderszins, door hare elasticiteit tevens meer geeigend tot het toedienen van grootere giften.

De mengsels moeten vooraf en naar het gegeven voorschrift der Pharmacopee bereid worden. Men smelt daartoe de ingrediënten op het waterbad onder elkander en giet na smelting der gelatine het heete vocht ten overvloede door een gaasje, ten einde mogelijk vuil of zeer kleine deeltjes ongesmolten gelatine terug te houden. Vervolgens verwarmt men de gelatine-oplossing nog zoolang op het waterbad, totdat geene luchtblaasjes meer in het vocht worden waargenomen.

De indompeling van den met een weinig olie bestreken capsulen-vorm in het vloeibare of bij eene zachte warmte weder vloeibaar gemaakte vocht geschiedt daarna minstens twee of drie malen, totdat zich een laagje van behoorlijke dikte daaromheen heeft gevormd, terwijl na elke indompeling de vorm tusschen de handen wordt gedraaid, ten einde de gelatinelaag overal even dik te doen worden en snel te doen afkoelen. Na handige aftrekking der capsulen van den vorm, wordt de onregelmatige opening met een schaar tot aan den ronden vorm gelijk gemaakt. De Capsulen worden daarna voorzichtig door middel van een injectiespuitje, van eene fijne canule voorzien, of met behulp van een ander daartoe geschikt instrumentje gevuld en ten slotte door een droppel der gelatine-massa aan een glazen staafje of penseel gesloten.

Onderzoek.

1°. wcicivvciu vicu (leu st}L(i(ik of den vculc oitwciciyuecvibciuy wil maken. Of de capsulen volkomen gesloten zijn, kan het best geconstateerd worden, door ze eenigen tijd op een koele plaats op een stuk papier te laten liggen. Kr mag zich hierop geen vlek van het geneesmiddel vormen, noch zich eenige reuk daarvan in de nabijheid openbaren.

-ocr page 147-

\'37

CAPSULAE CUM BALSAMO COPAIVAE.

CAPSULEN MET COPAIVA.BALSEM.

Deze worden vervaardigd met het mengsel 11, onder het opschrift „Capsulae gelatinosaequot; vermeld, en moeten elk 500 mG. Copamp;ivabalsem bevatten, tenzij een andere hoeveelheid is voorgeschreven.

C A R B O L I G N I.

HOUTSKOOL.

Een zwart, droog, licht, reuk- en smaakloos poeder, uit gegloeide houtskool bereid. Het mag, in een buisje verhit, geen empyreumatische dampen ontwikkelen en moet zonder rook of vlam verbranden. Hierbij mag niet meer dan 2 pet. asch achterblijven.

Water, met Houtskool gekookt, mag noch gekleurd worden, noch een zure of sterk alkalische reactie aannemen.

Samenstelling. C

Nevens geringe hoeveelheden van verbindingen der koolstof met waterstof en zuurstof en van aschbestanddeelen als kaliumcarbonaat, sulfaten en phosphaten van calcium en magnesium, kiezelzuur, enz. bestaat Houtskool uit het vierwaardige element koolstof in amorphen staat.

Bereiding. Houtskool wordt verkregen bij onvolledige verbranding van hout door onvolkomen toetreding der lucht. De bereiding geschiedt door z. g. droge destillatie in retorten, waarbij verschillende vluchtige stoffen, zooals azijnzuur, houtgeest, teer, enz. als bijproducten worden verkregen, of door het hout tot hoopen, met aarde gedekt, op te stapelen en deze daarna aan te steken, waarbij genoemde bijproducten vervluchtigen.

Ter bereiding van houtskool voor pharmaceutisch gebruik wordt de ruwe houtskool, afkomstig van lichte houtsoorten, zooals linden- en populierenhout, in een bedekten windoven uitgegloeid, waardoor men eene zoo volledig mogelijke verkoling verkrijgt. Na bekoeling ontdoet men ze van aanhangende asch en brengt ze tot een zeer fijn poeder, dat na zifting terstond in volkomen

-ocr page 148-

13»

sluitende flesschen wordt overgebracht en bewaard, ten einde aantrekking van vocht of gassen uit de dampkringslucht te voorkomen.

Eigenschappen. Een zacht, licht, zeer droog, zwart, reuken smaakloos poeder, dat, met water geschud, slechts bovengenoemde , daarin oplosbare aschbestanddeelen afgeeft, doch overigens onoplosbaar is in alle bekende oplossingsmiddelen.

Onderzoek.

1°. Een licht poeder. In tegenstelling van poeder van andere koolsoorten, zooals been der kool, steenkool, enz.

2°. Het mag, in een buisje verhit, geen empyreumatische dampen ontwikkelen en moet zonder rook of vlam verbranden. Water, met Houtskool gekookt, mag noch gekleurd worden, noch. een zure of sterk alkalische reactie aannemen. De Pharmacopee verlangt dus een volkomen uitgegloeide, goed bewaarde kool, vrij van teer-achtige stoffen, die het water zouden doen kleuren en zuur of alkalisch doen reageeren; vrij ook van gassen, waardoor de kool met een vlam zou verbranden of die, zooals ammoniak, het water alkalisch zouden maken.

3°. Hit, \'ij mag niet meer dan 2 pet. asch achterblijven. De Pharmacopee verlangt dus een kool, afkomstig van eene lichte, weinig anorganische stoffen bevattende houtsoort en zooveel mogelijk van aanhangende aschbestanddeelen ontdaan.

CARBONAS AMMONICUS.

AMMONIUMCARBONAA T.

SESQU1CA RB C) N A S A M M O N I C U S.

Kristallijne, harde, sterk naar ammoniak riekende, witte korsten of stukken, wier oppervlakte in een wit poeder overgaat. Met chloorwater-stofzuur bruisen zij op, vervluchtigen door warmte en zijn in 4 tot 5 deelen water oplosbaar.

De oplossing in water (1 = 20) mag, na met azijnzuur zuur gemaakt te zijn, niet troebel of gekleurd worden door baryumehloride of door zwavelwaterstof, en met zilvernitraat, na toevoeging van eenig salpeterzuur, ter nauwernood opalesceeren.

-ocr page 149-

139

Samenstelling. (NH4.HC03 -f- NHJCOO.NH4)

Eene verbinding van gelijke moleculen ammoniumhydrocar-bonaat en ammoniumcarbaminaat.

Ammoniumhydrocarbonaat, NH4.HC03, is het zure ammonium-zout van het tweebasische koolzuur, een zout, analoog aan natrium-hydrocarbonaat \').

Ammoniumcarbaminaat is het ammoniumzout van het eenbasische carbaminezuur, het amido-zuur van koolzuur, d. i. koolzuur, waarin één hydroxyl-, OH, groep door de amido-, NH2, groep is vervangen. De waterstof der carboxyl-, COOH, groep van dit zuur is vervangen door de éénwaardige ammonium-, NH4, groep.

H2C03 of OH.COOH NIF.COOH NH1.COO(NH4)

koolzuur amido-koolzuur ammoniumcarbaminaat

of

carbaminezuur

Bereiding. Deze geschiedt fabriekmatig, te gelijker tijd bij de bereiding van ammoniumchloride en -sulfaat, door sublimatie van gelijke deelen van een dezer zouten met calcium- of baryum-carbonaat (witheriet) onder toevoeging van eenig houtskool. Door wederzijdsche ontleding ontstaan calcium- of baryumchloride of -sulfaat en ammoniumcarbonaat, dat echter bij hooge temperatuur niet blijft bestaan, doch onder ontwijking van ammoniakgas en waterdamp in ammoniumhydrocarbonaat en ammonium-

4 NH4C1 -f 2 Ca CO3 = 2 (NH4)2C03 -f 2 Ca Cl2

amraoniumchloride calciumcarbonaat ammoniumcarbonaat calciumchloride

2 (NH4)2C03 = (NID.HCO3 NIP.COONH4) NH3 H20

ammoniumcarbonaat ammonium ammonium ammoniak water

hydrocarbonaai carbaminaat

carbaminaat wordt omgezet. Ter zuivering wordt het ruwe zout, onder toevoeging van eenig water, opdat het zout doorschijnend worde, bij lage temperatuur geresublimeerd.

Eigenschappen. Kristallijne, harde, sterk naar ammoniak riekende, volkomen vluchtige, oorspronkelijk kleurlooze en doorschijnende korsten of stukken , gewoonlijk echter ondoorschijnend , met een wit poeder bedekt, waarin zij verder langzamerhand geheel overgaan. Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in water (4 a 5) en bruisen met zuren op.

\') Zie bij «Bicarbonas nalricus».

-ocr page 150-

140

Onderzoek.

i0. stfrl\' naar anunoitiak riekende, witte korsten of stukken, wier oppervlakte in een wit poeder overgaat. Deze omzetting is een gevolg van de ontleding van het ammoniumcarbaminaat aan de lucht, dat daarbij langzamerhand omgezet wordt in ammoniak en kooldioxyde.

NH1.COO(NH2) = 2 NH3 CO2

ammoniumcarbaminaat ammoniak kooldioxyde

Het witte poeder is dus het van \'t Zout terugblijvende ammo-niumhydrocarbonaat,

2lt;). Zij vervluchtigen door warmte. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen, bijv. calcium- of baryum-verbindingen.

3°. en zijn in 4 tot 5 deelen water oplosbaar. Het Zout van normale samenstelling lost in 4 deelen water op. Door bovenvermelde ontleding van het ammoniumcarbaminaat echter wordt liet gehalte aan ammoniumcarbonaat langzamerhand grooter, waardoor de oplosbaarheid geringer wordt. De Pharmacopee laat eenige omzetting van het Zout toe, doch tot eene bepaalde grens.

4°. De oplossing in water (1 =20) mag, na met azijnzuur zuur gemaakt te zijn, niet troebel of gekleurd worden door baryurn-chloride of door zwavelwaterstof, en met zilvernitraat, na toevoeging van eenig salpeterzuur, ter nauwernood opaleseeeren. Afwezigheid van sulfaat of van zware metalen, bijv. lood, en van chloride, waarvan sporen worden toegestaan \').

CARBONAS CALCICUS.

CALCIUMCARBONAAT.

Het zij langs scheikundigen weg bereid.

Een fijn, zeer wit poeder, dat geheel uit kristallen bestaat en met ver-

1

thiosulfaat, bij aanwezigheid waarvan een zwart neerslag van zwavelzilver zou ontstaan.

2

zouten (zie bij «Ammonia^), kunnen ontdekt worden door i Grm. van het Zout na oververzadiging met salpeterzuur, op het waterbad tot droog te verdampen, waarbij een kleurloos overschot moet achterblijven.

3

Teer producten, afkomstig van de bij de bereiding gebezigde ammonium-

-ocr page 151-

Hi

dund azijnzuur, onder opbruising, een kleurlooze vloeistof oplevert, die met ammoniumoxalaat een wit neêrslag geeft.

Bevochtigd curcumapapier mag door Calciumcarbonaat nieiquot; van kleur veranderen.

De met behulp van verdund salpeterzuur verkregen oplossing iu water (1 = 50) worde door baryumnitraat niet terstond troebel en geve met zilvernitraat ternauwernood een opalescentie; met ammonia worde zij niet troebel of gekleurd, ook niet na toevoeging van zwavelammonium ; ook worde zij, na met ammoniumcarbonaat in overmaat gekookt, bekoelden gefiltreerd te zijn, door natriumphosphaat niet troebel.

Is Creta praeparata voorgeschreven, dan mag Calciumcarbonaat worden afgeleverd.

Samenstelling. Ca CO3

Het calciumzout van het tweebasische koolzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal calcium.

■ 11 ||

N,

S liliil H

k\' I;

i 11

Bereiding. Deze berust op eene zuivering van het in de natuur voorkomende ruwe calciumcarbonaat. Dit wordt daartoe door middel van chloorwaterstofzuur, met de verontreinigende metaalverbindingen, in oplosbare chloriden omgezet, vervolgens de vreemde chloriden uit de oplossing neergeslagen, om daarna het opgelost achterblijvende, zuivere calciumchloride door natriumcarbonaat weder in onoplosbaar calciumcarbonaat om te zetten.

CaCO\' 4- 2HCI = CaCl1 CO2 -f H\'O

calciumcarbonaat chloorwaterstofzuur calciumchloride koolclioxyde water

CaCl2 4- Na2CO3 = CaCO3 -f 2 NaCl

calciumchloride natriumcarbonaat calciumcarbonaat natriumchloride

Men lost daartoe in 40 dln. chloorwaterstofzuur, met 60 dln. gewoon water verdund, zooveel wit marmer op als mogelijk is, voegt vervolgens bij de oplossing 1 dl. chloorkalk, vooraf met water tot een dunne brij aangeroerd en zet het mengsel onder herhaald omroeren eenige uren op eene warme plaats ter zijde. De chloorkalk dient; i0. om met behulp van het chloor mogelijk voorhanden ferro-zout in ferri-zout om te zetten en 2°. om door het kalkhydraat de verontreinigende ferri-, mangaan-, aluin- en mag-

2 Fe Cl2 2 Cl = Fe»Cl8

ferrochloride chloor ferrichloride

Fe2ClG -f 3 Ca(OH)1 = Fe2(OH)« 3 CaCl2

ferrichloride calciumhydroxyde ferrihydroxyde calciumchloride

ij

v

i

. \\

A

f M

-ocr page 152-

142

nesiumverbindingen als hydroxyden neêr te slaan. De calcium-chloride-oplossing wordt afgefiltreerd en bij het filtraat, al roerend, ^ een oplossing gevoegd van 45 dln. natriumcarbonaat in 200 dln. grJr\'quot;\'\' gewoon water. Men laat bezinken, verzamelt den neêrslag op een /th filter, wascht hem volkomen uit en droogt hem.

Eigenschappen. Ken fijn, zeer wit, reuk-en smaakloos poeder, dat uit mikroscopisch kleine kristallen bestaat. Het is onoplosbaar in water, doch onder opbruising gemakkelijk oplosbaar in azijnzuur, chloorwaterstofzuur en salpeterzuur, niet in zwavelzuur. De oplossing in verdund azijnzuur geeft met ammoniumoxalaat een wit neerslag, dat in chloorwaterstofzuur en salpeterzuur gemakkelijk oplosbaar, in azijnzuur daarentegen onoplosbaar is.

Onderzoek.

i0. Het zij langs scheikundigen weg bereid. Calciumcarbonaat, zooals het in de natuur voorkomt, bijv. marmer, krijt, kreeftsoogen, enz. in poederverm, mag dus niet gebruikt worden; ook niet in gezuiverden staat, zooals de Creta praeparata der Pharmac. Neerl. Ed. I. Omgekeerd echter mag het meer zuivere Calciumcarbonaat worden afgeleverd, wanneer de minder zuivere Creta praeparata is voorgeschreven.

20. Een fijn, zeer wit poeder, dat geheel uit kristallen bestaat. Hierdoor kan verwisseling of vervalsching met bovengenoemde minder fijne en witte, min of meer amorphe soorten van calciumcarbonaat, zooals krijt, geconstateerd worden.

30. en met verdund azijnzuur een kleurlooze vloeistof oplevert. Kiezelzuur zou hierbij onopgelost terugblijven. Minder zuiver calciumcarbonaat, bijv. ijzerhoudend krijt, geeft een min of meer gekleurde oplossing.

40. Bevochtigd cnrcumapapier mag door Calciumcarbonaat niet van kleur veranderen. Afwezigheid van natriumcarbonaat of kalk, bij de bereiding gebezigd, die cnrcumapapier bruin zouden kleuren.

50. De met behulp van verdund salpeterzuur verkregen oplossing in water (1 = 50) worde door baryumnitraat niet terstond troebel en geve met zilvernitraat ter nauwernood een opalescentie. Afwezigheid van sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan.

6°. met ammonia worde zij niet troebel of gekleurd. Afwezigheid van aluin- of ferri-zout, bijv. bij vermenging met

[L^

-ocr page 153-

\'43

krijt, of van calciumphosphaat, bijv. bij vervalsching met beenderenasch.

7°. ook niet na toevoeging van zwavelanimonium. Afwezigheid van zware metalen, inzonderheid ijzer.

8°. ook worde zij, na met animoniuvicarbonaat in oven/iaat gekookt, bekoeld en gefiltreerd te zijn, door natriuniphosphaat niet troebel. Afwezigheid van magnesiumverbindingen.

CARBONAS KALICUS.

KALIUMCARBONAA T.

Een wit, korrelig, hygroscopisch poeder, dat met verdund chloorwater-stofzuur sterk opbruist en een niet lichtende vlam slechts voorbijgaand geel en dan blijvend violet kleurt.

Met i deel water geeft het een heldere vloeistof, waaruit met verdund zwavelzuur een reukloos gas zich ontwikkelt.

De oplossing in water (i = 5) geve, na met verdund chloorwaterstofzuur oververzadigd te zijn, een heldere vloeistof, die door zwavelwaterstof niet veranderd wordt, ook niet na toevoeging van ammonia in overmaat.

De oplossing in water (1=20) mag, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, noch door baryumnitraat, noch door zilvernitraat terstond troebel worden.

De oplossing in water (1 = 10) mag, als zij met natronloog en een mengsel van ijzer- en zinkpoeder verwarmd wordt, geen reuk van ammoniak doen ontstaan, en, na met enkele droppels ferrosulfaat gekookt en met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt te zijn, niet groen of blauw worden.

2 Grm. Kaliumcarbonaat vereischt ter verzadiging niet minder dan 27.5 cM3. volumetrisch zuur, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 95 pet. zuiver Kaliumcarbonaat.

Samenstelling. KJC03

Het kaliumzout van het tweebasische koolzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door twee atomen van het éénwaardige metaal kalium.

Bereiding. Kaliumcarbonaat of potasch wordt bereid:

10. uit de mineralen van Stassfnrth en wel uit het daarin voorkomende earnalliet, een dubbelzout van kalium- en magnesium-

-ocr page 154-

144

chloride, (KC1MgCl2) -|- 6H20. Het ruwe zout wordt met zoo weinig mogelijk warm water behandeld, waardoor bij bekoeling uit de verkregen oplossing min of meer zuiver kaliumchloride kristalliseert , dat verder volgens de methode van Le-Blanc in kalium-carbonaat wordt omgezet \').

2°. uit plantenasch, in boschrijke streken, vooral in Rusland, Illyric, Hongarije en Amerika, verkregen door verbranding der boomstammen en takken van harde houtsoorten. Deze asch wordt in tonnen met behulp van water uitgeloogd, totdat dit met zouten, waaronder vooral het gemakkelijk oplosbare kaliumcarbonaat, verzadigd is, waarna de oplossing tot droog wordt verdampt en, ter vernietiging van organische stoffen, gegloeid.

3°. uit de spoeling der heetzvortelen, die daaruit achterblijft na de suiker- cn spiritusbereiding. Zij wordt door indamping en gloeiing tot asch gebracht en deze asch met water uitgeloogd, waaruit bij concentratie en bekoeling de meeste verontreinigende zouten kris-talliseeren, terwijl hoofdzakelijk kaliumcarbonaat in oplossing blijft, die ten slotte wordt uitgedampt en zwak gegloeid.

4°. uit schapenwol, die in de wolwasscherijen vóór hare verdere bewerking van vet wordt ontdaan. Het daarbij verkregen wasch-water wordt tot droog verdampt en in retorten verkoold, waardoor naast lichtgevende gassen een kool wordt verkregen, waaruit door uitlooging, concentratie der oplossing en gloeiing een vrij zuivere potasch wordt bereid.

De op deze wijzen verkregen ruwe potasch kan verschillende andere zouten in afwisselende hoeveelheden als verontreinigingen bevatten, zooals: kaliumchloride, -sulfaat, natriumcarbonaat, silicaat, aluminaat, benevens koper-, ijzer-, mangaan-verbindingen, enz. Daar deze alle minder oplosbaar zijn dan het gemakkelijk oplosbare kaliumcarbonaat, kan men de ruwe potasch min of meer zuiveren, door ze te behandelen met een gelijk gewicht koud water, daarin onder omroering zooveel mogelijk kaliumcarbonaat oo te lossen, deze oplossing af te filtreeren zonder het achterblijvende na te wasschen, haar sterk in te dampen en eenigen tijd te laten staan, om mede opgeloste, verontreinigende zouten gelegenheid te geven uit te kristalliseeren, de moederloog vervolgens af te gieten, deze onder sterke afkoeling te doen kristalliseeren, de kristallen van waterhoudend kaliumcarbonaat te verzamelen, met weinig water

*) Zie bij « Carbonas natricus ».

-ocr page 155-

145

af tc spoelen en ten slotte door warmte watervrij te maken.

Kaliumcarbonaat kan ook verkregen worden door gloeiingquot; van wijnsteen, kaliumhydrotartraat, of van het oxalaat. Om het langdurige gloeiproces hierbij te bekorten, voegt men meestal eenig kaliumnitraat toe, waardoor de oxydatie der koolstof tot kool-dioxyde bespoedigd wordt. Het aldus bereide zout is echter meestal verontreinigd met een weinig cyaankalium, gevormd door verbinding der koolstof van het tartraat of oxalaat met de stikstof van het kaliumnitraat.

Het zuiverste kaliumcarbonaat wordt verkregen door gloeiing van kaliumhydrocarbonaat. Voor dc fabriekmatige bereiding van het laatste bezigt men het kooldioxyde, dat in \'t groot als bijproduct wordt verkregen bij de alcoholische gisting, wat men laat inwerken op gewone potasch, die in platte vaten in water is opgelost, waardoor zuiver kaliumhydrocarbonaat uitkristalliseert. Wordt dit gegloeid, dan verliest het wederom kooldioxyde en water en wordt zuiver kaliumcarbonaat verkregen.

2 KHCO3 = K2CO3 CO2 1I20

kaliumhydrocarbonaat kaliumcarbonaat kooldioxyde water

Eigenschappen. Een reukloos, wit, korrelig, hygroscopisch poeder, gemakkelijk oplosbaar in water (0.9), onoplosbaar in spiritus en aether. — Het kleurt een niet lichtende vlam blijvend violet en geeft in oplossing met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neerslag van kaliumhydrotartraat. -— Met zuren bruist het op onder ontwikkeling van kooldioxyde. — De waterige oplossing reageert sterk alkalisch. Zij wordt door mercurichloride rood, door niagnesiumsulfaat wit neergeslagen en door phenol-phtaleïne rood gekleurd \').

Onderzoek.

1°. Een poeder, dat een niet ïichtende vlam slechts voorbijgaand geel Ideurt. Afwezigheid van natrium zout. Sporen worden toegestaan.

2°. Met 1 deel ivater geeft het een heldere vloeistof. Geringer oplosbaarheid zou wijzen op verontreiniging met onoplosbare of minder oplosbare zouten, bijv. silicaat of kaliumhydrocarbonaat, dat in 3 a 4 din. water oplost.

\') Onderscheid met « Bicarbonas kalicus ». Zie ook « Bicarbonas natricusen « Car-bonas natricus ».

IO

-ocr page 156-

146

3°. lüüiivuit met verdund zwavelzuur een reukloos gas zich ontwikkelt. Een reuk naar zwavelwaterstof zou wijzen op verontreiniging met zwavelkalium, bij de gloeiing door reductie uit sulfaat ontstaan; een reuk naar cyaanwaterstofzuur op verontreiniging met cyaankalium.

40. De oplossing in water (1 = 5) SLquot;VC gt; na met verdund ehloor-waterstofzuur oververzadigd te zijn, een heldere vloeistof. Hij verontreiniging mei silicaat zou een neêrslag van kiezelzuur, met thiosulfaat een van zwavel ontstaan.

5\'\', die door zwavelwaterstof niet veranderd wordt, ook niet na toevoeging van dinmonia in overmaat. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper, mangaan, zink en ijzer.

6°. De oplossing in zvater (1 =20) mag, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, uoeh door baryumnitraat terstond troebel worden. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

70. uoeh door zilver nitraat. Afwezigheid van chloride, sulfide en thiosulfaat. Sporen worden toegestaan.

8°. De oplossing in water (1 = 10) mag, als zij met natronloog en een mengsel van ijzer- en zinkpoeder verwarmd wordt, geen reuk van ammoniak doen ontstaan. Reactie op nitraat en nitriet. Uit de natronloog ontwikkelt zich met het ijzer- en zinkpoeder waterstofgas, dat het salpeter- of salpeterigzuur tot ammoniakgas reduceert 1).

NaHO Zn = (NaÜ)2Zn H20 H

Datriumhydroxyde zink natriumzinkoxyde water wateistof

HNO3 -f 8 H = NH3 3 HH)

salpeterzuur waterstof ammoniak water

90. en, na met enkele droppels ferrosulfaat gekookt en niet ehloorwater stof zuur zuur gemaakt te zijn, niet groen of blauw kleuren. Reactie op cyaankalium, dat met het ferrosulfaat en door verwarming\' daaruit ontstaan ferrisulfaat een neêrslag geeft van ferroferricyaanijzer of Berlijnsch blauw *). Bij zeer ge-

1

gt;) Een gehalte aan nitraat, tevens aan nitriet, kan ook aangetoond wordendoor de op blz. 32 beschreven reactie met ferrosulfaat. 0.5 Grm. Kaliumcarbonaat, opgelost in 2 cM3. verdund zwavelzuur, daaraan toegevoegd 2 cM3. geconcentreerd zuur en op deze vloeistof voorzichtig gebracht eene oplossing van ferrosulfaat (I = 3). mag geen min of meer bruine kleuring in het scheidiogsvlak doen ontstaan.

2

) Zie blz. 88.

-ocr page 157-

/% , A / / «-l , f /\'? lt;. /f-f , c - ■ze^fy.c\'

j,( ^ yU. e* - A xgt; ¥ Si /r./

147

ringe hoeveelheden schijnt de vloeistof groen, bij grootere terstond blauw.

1 ou. 2 Gnu. Kaliuuicarbonaat vereist hl ter verzadiging niet minder dan 27.5 cM*. volnmetrisch zuur, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 95 pet. zuiver Kaliuniearbonaat. 27.5 cM\'1. Volnmetrisch zuur neutraliseeren 27.5 cM3. volnmetrisch Kaliuniearbonaat. Volnmetrisch Kaliumcarbonaat (| K23 = 69.1) \') bevat 69.1 Grm. kaliumcarbonaat per 1000 cM3., d. i. 1.9 Grm. per 27.5 cM3. Deze moet vervat zijn in 2 Grm., d. i. dus 95 pet. De Pharmacopee staat derhalve een gehalte van 5 pet. aan vocht toe. Daar Kaliumcarbonaat zeer hygroscopisch is en daardoor langzamerhand aan de lucht vervloeit, beware men het Zout op een droge plaats in goed gesloten flesschen.

CARBONAS LIT H IC US.

L 1 T H I U M C A R B O N A A T.

Ken wit, licht poeder, dat door hitte smelt en dan onder het afkoelen kristallijn vast wordt. Het kleurt een niet lichtende vlam karmijnrood.

Lithiumcarbonaat geeft met 75 deelen koud water een alkalische vloeistof, die onder liet koken troebel wordt cn hare troebelheid onder het bekoelen niet geheel verliest.

De met behulp van azijnzuur verkregen oplossing in water (\'=50) is helder en kleurloos. Zij worde, na gekookt te zijn, niet terstond troebel door harytwater in overmaat en doe met zilvernitraat, waaraan verdund salpeterzuur is toegevoegd, niet meer dan een opaleseentie ontstaan. Zwavelwaterstof brenge er noch troebeling, noch kleuring in teweeg: ammonia in overmaat late haar helder en ongekleurd, ook nadat er am-moniumoxalaat of zwavelammonium aan is toegevoegd.

Dat, wat na de verdamping van de oplossing van 200 niG. Lithiumcarbonaat in 1 Grm. chloorwaterstofzuur is overgebleven, zij in 2 Grm. sterken spiritus nagenoeg geheel oplosbaar.

\') Om één molec. kaliumcarbonaat door een éénbasisch zuur, bijv. chloorwaterstofzuur, te neutraliseeren, zijn twee molec. zuur noodig of één molec. zuur neutraliseert ^

lOCO3 -f 2IICI = 2KCI CO2 IIJ0 kaliumcarbonaat chloorwaterstofzuur kaliumchloride kooldioxycle water

molec. kaliumcarbonaat.

-ocr page 158-

148

i Grm. van het droge Zout vereischt ter verzadiging 26 ;\\ 27 cMs. volumetrisch zuur, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 96.2—99.9 pet. zuiver Lithiumcarbonaat.

Samenstelling. Li2 CO3

Het lithiumzout van het tweebasische koolzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door twee atomen van het éénwaardige metaal lithium.

Bereiding. Uit lithiumhoudende mineralen, zooals; Icpidoheth of lithionglininiei\' en triphyUien; vooral uit het eerste, waarin het lithium, naast andere verwante metalen als caesium en rubidium en verontreinigende verbindingen van mangaan en ijzer, vooral aan fluoor en ongeveer voor de helft aan kiezelzuur gebonden, voorkomt. Hieruit wordt het na gloeiing en besprenkeling van het mineraal met water, waardoor het, evenals kalk, in fijn poeder vervalt, gewonnen door behandeling met zwavelzuur, waardoor het in sulfaat wordt omgezet, het fluoor als kiezelfluoonvaterstof-zuur ontwijkt en het overige kiezelzuur wordt afgescheiden. Na verwijdering van de overmaat zwavelzuur door verhitting wordt het sulfaat met water uitgetrokken en dit, na kristallisatie der caesium- en rubidiumzouten door indamping der oplossing, door kalkmelk in hydraat omgezet, waarbij ijzer- en mangaanverbindin-gen geprecipiteerd worden. Daarna wordt het opgeloste hydraat door ammoniumcarbonaat neergeslagen en het lithiumcarbonaat verder gereinigd, door het, in water gesuspendeerd, door inleiding van kooldioxyde als hydrocarbonaat in oplossing te brengen, waarna het door verwarming weder in carbonaat wordt omgezet en geprecipiteerd.

Eigenschappen. Een kristallijn, wit, licht, reukloos, loogachtig smakend poeder, dat door hitte smelt, daarbij onder verlies van kooldioxyde gedeeltelijk in oxyde overgaat en dan onder het afkoelen kristallijn vast wordt. In koud (75) water lost het niet gemakkelijk, in warm (140) moeilijker op; in spiritus is het onoplosbaar. —In zuren daarentegen, uitgezonderd phosphorzuur, is het onder opbruising gemakkelijk oplosbaar. — De oplossing in water reageert alkalisch, wordt onder het koken troebel door afgescheiden hy-droxyde, dat bij bekoeling niet weder geheel oplost. Zij wordt door wijnsteenzuur in overmaat niet neergeslagen, wel echter door

-ocr page 159-

149

natriumphosphaat bij verwarming. Het Zout kleurt een niet lichtende vlam karmijnrood.

Onderzoek.

i0. Lithiumcarhoiiaat geeft met 7 5 deelen koud zvater een alkalische vloeistof. Grootere oplosbaarheid zou wijzen op verontrei-niging met carbonaten der alkali-metalen kalium, natrium, caesium en rubidium; onvolkomen oplosbaarheid op carbonaten der a a r d a 1 k a 1 i - m e t a 1 e n , als calcium-,baryumcarbonaat, enz.

2°. Zij worde, na gekookt te zijn, niet terstond troebel door barytivater in overmaat cn doe met zilvernitraat, waaraan verdtmd salpeterzuur is toegevoegd, niet meer dan een opalescentie ontstaan. Afwezigheid van sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan.

30. Zwavelwaterstof brenge er noch troebeling, noch kleuring ui teweeg. Reactie op zware metalen als lood, koper, tin en fer ri-zout.

40. ainnionia in overmaat late haar helder en ongekleurd. Bij aanwezigheid van aluinaarde, m angaan en ijzer-verbindingen zouden deze neergeslagen worden.

50. ook nadat cr aninioniumoxalaat aan is toegevoegd. Reactie op calciu mverbindingen.

6°. of zivavelamnionium. Reactie op zware metalen als zink, aluin, mangaan en ijzer.

70. Dat, wat na de verdamping van de oplossing van 200 mG. Lithiumcarbonaat in 1 Grm. c hloorwater stof zuur is overgebleven , zij in 2 Gnn. sterken spiritus nagenoeg geheel oplosbaar. Slaat op verontreiniging met kalium- en natrium zout, waarvan de chloriden in sterken spiritus zoo goed als onoplosbaar zijn. Sporen worden toegestaan.

8°. 1 Grm. van het droge Zout vereiseht ter verzadiging 26 A 27 cM3. volumetrisch zuur, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 96.2—99.9 pet. zuiver Lithininearbonaat. 26 a 27 cM3. Volumetrisch zuur neutraliseeren 26 a 27 cM3. volumetrisch Lithiumcarbonaat. Volumetrisch Lithiumcarbonaat L^CO3 = 37) \') bevat 37 Grm. Lithiumcarbonaat per 1000 cM3., cl. i. 0.962—• 0.999 Grm. per 26 a 27 cM3. Deze moet vervat zijn in 1 Grm., d. i. dus 96.2—-99.9 pet.

\') Zie de noot bij « Carbonas kalicus blz. 147. »

-ocr page 160-

ISO

CARBONAS MAGNESICUS.

MAGNESIUMCARBONAAT.

¥

MAGNESIA ALBA.

MAGNESIA.

Witte, zeer lichte, meestal vierkante, gemakkelijk fijn te wrijven stukken, of een wit, zeer licht poeder.

Magnesiumcarbonaat lost in verdund chloor waterstof zuur, onder op-bruising, snel op en levert daarbij een heldere of slechts flauw opales-ceerende vloeistof, die, na met ammonia oververzadigd te zijn, een neerslag geeft met natriumphosphaat.

Water, met Magnesiumcarbonaat gekookt, geve, na gefiltreerd te zijn, slechts een zwak alkalische reactie en late, na verdampt te zijn, niet meer dan een spoor van vaste stof achter.

De met behulp van azijnzuur verkregen oplossing in water (i = 50) worde door baryumchloride niet terstond troebel, brenge met zilvernitraat, onder toevoeging van eenig verdund salpeterzuur, niet meer dan een opalescentie teweeg en worde door zwavelwaterstof noch troebel, noch gekleurd. Na toevoeging van ammoniumchloride en oververzadiging net ammonia, ontsta een heldere vloeistof, die niet terstond troebel worde door ammoniumoxalaat en geen verandering onderga door zwavelammonium.

Samenstelling. ^M^CÜ3 -f- Mg(OH)2) -j- 4 a 6 HiO

Wordt een magnesiumzout door een alkalicarbonaat neergeslagen, dan ontstaat niet het normale magnesiumcarbonaat, doch een basisch zout \'), welks samenstelling min of meer varieert en vooral afhan-

\') 15e mzinaX-kydroxytien of basen kunnen beschouwd worden als metaal-öx_vaW« (d.z. de verbindingen van aequivalente hoeveelheden metaal met tweewaardige zuurstof), waarin de zuurstof voor elk atoom door twee éénwaardige hydroxyl-, OH, groepen is vervangen.

Ca O Ca(OH)1 MgO Mg(nll)2 Fegt;(gt; l-eHOH)» calcium calcium magnesium magnesium ferri ferri

oxyde hydroxyde oxyde hydroxyde oxyde hydroxyde

Met zuren (zie bijv. « Acidum aceticum, hydrochloricum», enz.) vormen deze oxyden en hydroxyden zoti/en door wisselwerking van de waterstof van het zuur tegen het metaal der oxyden of hydroxyden onder afscheiding van water (zie bij c Acetas plumbicus», enz). Over normale en zure zouten zie bij « Hicarbonas natricus». Neemt niet alle base aan bedoelde wisselwerking deel, zoodat deze in het gevormde zout gedeeltelijk als zoodanig aanwezig blijft, dan ontstaan basische zouten.

-ocr page 161-

i5i

kelijk is van de temperatuur en den verdunningsgraad der gebezigde oplossingen en van den warmtegraad, waarbij het preparaat wordt gedroogd.

De samenstelling van het door de Pharmacopee bedoelde Mag-nesiumcarbonaat kan het best door bovenstaande formule worden uitgedrukt; het wordt dus geacht te bestaan uit vier moleculen normaal magnesiumcarbonaat en één molecule magnesiumhydroxyde, gebonden aan vier tot zes moleculen water.

Het normale magnesiumcarbonaat, MgCO3, is het magnesium-zout van het tweebasische koolzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal magnesium.

Magnesiumhydroxyde, Mg(OH)2, is de verbinding van magnesium met twee éénwaardige hydroxyl-groepen \').

Bereiding. Magnesiumcarbonaat wordt fabriekmatig bereid: 1°. uit magnesiumchloride of -sulfaat houdende moederloogen of zoutbronnen, nadat andere vreemde zouten, zooals calcium- en ijzerverbindingen, daaruit verwijderd zijn. De 50°—6o0 warme op-oplossing van het magnesiumzout wordt met een warme en even sterke oplossing van natriumcarbonaat neergeslagen. Door wederzijdsche ontleding ontstaat magnesiumcarbonaat, dat zich

MgSOquot; -f Na2C03 = MgCO3 Na2 SO4

magnesiumsulfaat natriumcarbonaat magnesiumcarbonaat natrium sulfaat

met water, onder afscheiding van magnesiumhydroxyde, gedeeltelijk verbindt tot hydrocarbonaat, dat in de warme vloeistof

2 MgCO3 -f 2112O = Mg(HC03r- Mg(OH)2

magnesiumcarbonaat water magnesiumhydrocarbonaat magnesiumhydroxyde

onmiddellijk ontleed wordt in magnesiumhydroxyde onder ontwik-Mg(HC03)2 = Mg(OH)2 2 CO2

magnesiumhydrocarbonaat magnesiumhydroxyde kooldioxyde

keling van kooldioxyde.

2°. Veelvuldig wordt Magnesiumcarbonaat tegenwoordig bereid uit dolomiet, een dubbelzout van magnesium- en calciumcarbonaat. Met fijn gemalen mineraal wordt, in water gesuspendeerd, onder drukking en voortdurende beweging, gelijk bij de fabricatie van

*) Zie de noot op pag. 150. liet kan ook beschouwd worden als twee molec. water, 2 IIlO = waarin twee atomen waterstof vervangen zijn door het tweewaar

dige metaal magnesium.

-ocr page 162-

\'52

minerale wateren, verzadigd met kooldioxyde, waardoor het mag-nesiumcarbonaat als hydrocarbonaat wordt opgelost, terwijl men overigens zorgt, dat niet alle magnesiumzout aldus wordt omgezet, ten einde het calciumcarbonaat, dat als calciumhydrocarbonaat minder oplosbaar is dan het magnesiumhydrocarbonaat, buiten oplossing te houden. De met magnesiumhydrocarbonaat verzadigde

MgCO3 CO2 II2 O == Mg(HC03)2

magnesium kool water magnesium

carbonaat dioxyde hydrocarbonaat

oplossing wordt afgefiltreerd en hieruit door verwarming de magnesia neergeslagen.

5 Mg(HC03)2 = 4 MgCO3 Mg(OH)2 6 CO2 4ll20

magnesium magnesium magnesium kooldioxyde water

hydrocarbonaat carbonaat hydroxyde

Het verkregen neerslag wordt bij beide bereidingswijzen verzameld, uitgewasschen, in den bekenden broodvorm gebracht en aan de lucht gedroogd.

Eigenschappen. Witte, zeer lichte, meestal vierkante, gemakkelijk fijn te wrijven stukken, of een wit, zeer licht, reukloos en bijna smaakloos poeder. Het is zoo goed als onoplosbaar in koud (2500) en warm (9000) water. — In verdunde zuren lost het, onder opbruising, snel en gemakkelijk op. — Het levert daarbij een heldere of slechts flauw opalesceerende vloeistof, die, na met ammonia oververzadigd te zijn, met natriumphosphaat een neerslag geeft van ammonium-magnesiumphosphaat.

Onderzoek.

1 0. zeer liehte stukken of ecu zeer licht poeder. Men onderscheidt twee soorten, nl. lichte en zware Magnesia. De eerste, die volgens bovengenoemde wijzen bereid wordt, is dus de bij ons voorgeschre-vene. De zware, die in Engeland gebruikelijk is, wordt verkregen door de heete oplossingen van het magnesiumzout en de soda met elkander te mengen, de vloeistof daarna tot droog uit te dampen en de achtergebleven magnesia uit te wasschen en te drogen; ook door de oplossingen koud, beneden 110, bij elkander te voegen en eenige dagen te laten staan, waardoor de afgescheiden magnesia in een kristallijn, zwaar poeder overgaat.

2quot;. Magnesiumcarbonaat lost in verdund chloorwaterstofzuur op en levert daarbij een heldere of slechts flauzv opalesceerende

-ocr page 163-

153

vloeistof. Eenc gekleurde oplossing zou op verontreiniging met ijzer of mangaan kunnen wijzen.

3°. Water, met Magnesiuincarbonaat gekookt, geve, na gefiltreerd te zijn, slechts een zwak alkalische reactie en late, na verdampt te zijn, niet meer dan een spoor van vaste stof achter. Het eerste gedeelte slaat op verontreiniging met alkali, alkali-carbonaat of -hydrocarbonaat en aardalkali; het laatste gedeelte, behalve op deze, in 7t algemeen op in water oplosbare, vreemde zouten.

4°. De met behulp van azijnzuur verkregen oplossing in water (i = 50) worde door baryumchloride niet terstond troebel. Reactie op sulfaat. Sporen worden toegestaan.

50. brenge met zilvernitraat, onder toevoeging van eenig verdund salpeterzuur, niet meer dan een opalescentie teweeg. Reactie op chloride. Sporen worden toegestaan.

6°. en worde door zwavelwaterstof noch troebel, noch gekleurd. Reactie op zware metalen als koper, lood en ferri-zout.

70. Na toevoeging van ammoniumchloride en oververzadiging niet ammonia, ontsta een heldere vloeistof, die niet terstond troebel worde door ammoniumoxalaat. Reactie op calciumzout. Sporen worden toegestaan.

8°. en geen verandering onderga door zzvavelammonium. Reactie op zware metalen als ijzer, mangaan en zink.

C A R B O N A S N A T R I C U S.

N A T R I U M C A R B O N A A T.

Doorschijnende, kleurlooze kristallen, die in de lucht verweeren, door warmte smelten en een niet lichtende vlam terstond en blijvend geel kleuren.

Natriumcarbonaat is in 1.6 deelcn koud en in 0.25 deelen kokend water oplosbaar.

De oplossing in water (t == 10), met chloorwaterstofzuur oververzadigd, blijve onder liet koken helder, ook na toevoeging van ammonia in overmaat. Zwavelwaterstof kleure noch de zure, noch de met ammonia oververzadigde oplossing en make haar evenmin troebel.

De oplossing in water (1 = 50) mag, na met verdund salpeterzuur even

-ocr page 164-

iS4

zuur gemaakt te zijn, noch door baryumnitraat, noch door zilvernitraat terstond troebel worden.

2 Grm. Natriumcarbonaat, in 10 cM3. verdund zwavelzuur opgelost, moet, met zink behandeld op de wijze als bij chloonvaterstofzuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (1 = 2).

5 Grm. Natriumcarbonaat vereische ter verzadiging niet minder dan 34.3 cM3. \') volumetrisch zuur, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 9S pet. zuiver Natriumcarbonaat.

Samenstelling. Na2CO3 -f ioH20

Het natriumzout van het tweebasische koolzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door twee atomen van het éénwaardige metaal natrium. Het Zout kristalliseert niet tien moleculen kristalwater.

Bereiding. Natriumcarbonaat wordt fabriekmatig bereid:

1°. volgens de methode van Le-lHane uit natriumchloride en zwavelzuur, waarbij ruw chloonvaterstofzuur als bijproduct wordt verkregen 2). Het gevormde natriumsulfaat wordt gegloeid met

2 NaCl -4- H24 = Na2S04 2 MCI

natriumchloride zwavelzuur natriumsulfaat chloorvvaterstofzuu

kool en krijt, waarbij het door de kool wordt gereduceerd tot zwavelnatrium, dat zich met het calciumcarbonaat omzet in natriumcarbonaat en zwavelcalcium.

Na2SO4 2 C = Na2S 2 CO2

natriumsulfaat kool natriumsulficle kooldioxyde

Na2S Ca CO-1 == Na2CO:i Ca S

natriunisulfide calciumcarbonaat natriumcarbonaat calciumsulnde

2°. volgens de methode van Solvay, het z. g. ammoniak-proces. Men leidt ammoniakgas in eene verzadigde oplossing van natriumchloride en brengt hierin onder drukking kooldioxyde, waardoor zich natriumhydrocarbonaat 3) vormt, dat door gloeiing

NaCl -j- NH3 -f CO2 H20 = NaHCO3 NIHC1

natrium ammoniak kool water natrium ammonium

chloride dioxyde hydrocarbonaat chloride

■ In den tekst der l\'harmacopee staat abusievelijk « 35 cM3. », welk ciifer op een volkomen zuiver Zout zou slaan.

■) Zie bij « Acidum hydrochloricum » blz. 27.

) Zie bij « Bicarbonas natricus » blz. lij.

-ocr page 165-

155

in natriumcarbonaat wordt omgezet. Het als bijproduct gewonnen 2 Na HCO3 = Na2CO3 -f CO5 HH)

natriumhydrocarbonaat natriumcarbonaat kooldioxyde water

ammoniumchloride wordt met kalk, calciumoxyde, behandeld, waardoor zich ammoniakgas ontwikkelt, dat wederom in keuken-

2NH*Cl CaO = 2NH3 Ca Cl2 H \'0

ammoniumchloride calciumoxyde ammoniak calciumchloride watev

zout-oplossing wordt geleid, evenals het bij de gloeiing van het natriumhydrocarbonaat gewonnen kooldioxyde.

3ft. uit kryolith, een mineraal, bestaande uit fluornatriuiu en fluoraluminium. Bij gloeiing met calciumcarbonaat, krijt, ontstaat hieruit, onder ontwikkeling van kooldioxyde, in water oplosbaar natriumaluminaat en onoplosbaar fluorcalcium.

(AlJFlfi 6 NaFl) 6 CaCü3 = Na«Al»0G (i CaFP -f 6 CO2

kryolith calcium natrium fluorcalcium kool

carbonaat aluminaat dioxyde

Leidt men het ontwikkelde kooldioxyde in de oplossing van het natriummaluminaat, dan vormt zich natriumcarbonaat onder afscheiding van aluminiumhydroxyde, dat voor aluinbereiding kan dienen.

Na0Al2O\' 3 CO2 3 WO = 3 Na2C03 M\'^OH)6

natrium kool water natrium aluminium

aluminaat dioxyde carbonaat hydroxyde

Ue op deze wijze gewonnen, ruwe Soda, is vooral verontreinigd met eenig sulfaat en chloride, waarvan zij voor pharmaceutisch gebruik gezuiverd moet worden. Daartoe wordt ze in een derde van haar gewicht warm water opgelost, de oplossing warm gefiltreerd en bij bekoeling onder omroeren tot kristalbrij gebracht. Deze brengt men in een trechter, laat haar afdruipen en dekt haar met filtreerpapier, waarop men zoolang water bij kleine hoeveelheden giet, dat dit, uit den trechter afloopende, met baryum-en zilvernitraat geene of ternauwernood eene reactie op sulfaat en chloride meer geeft. De kristallen worden daarna weder in een derde van haar gewicht warm water opgelost, om zich bij bekoeling en rustig staan wederom af te scheiden; door concentratie en bekoeling der oplossing laat men het overige zout kristalliseeren. Men verzamelt ten slotte de kristallen, laat ze afdruipen en droogt ze aan de lucht tusschen filtreerpapier.

-ocr page 166-

15*5

Eigenschappen. Doorschijnende, kleur- en reuklooze kristallen, die in de lucht verweéren en door warmte smelten, gemakkelijk oplosbaar in koud (1.6) en warm (0.25) water en onoplosbaar in spiritus zijn. — Zij kleuren een niet lichtende vlam blijvend en sterk geel. —- Met zuren bruisen zij op onder ontwikkeling van kool-dioxyde. — De waterige oplossing reageert sterk alkalisch. Zij wordt door mercurichloride rood, door magnesiumsulfaat wit neergeslagen en door phenolphtaleïne rood gekleurd 1).

Onderzoek.

10. kristallen, die een niet lichtende vlam terstond en blijvend geel kleuren. ]?ij verontreiniging met kaliumzout zou de vlam, vooral door kobaltglas gezien, in den aanvang violetrood gekleurd zijn.

2°. Natnuinearbonaat is in 1.6 deelen koud water oplosbaar, In onderscheid met natriumhydrocarbonaat, dat niet zoo gemakkelijk (12) oplosbaar is.

3°. De oplossing in water (1 = 10), met ehloorzvaterstof zuur oververzadigd, blijve onder het koken helder. Slaat op verontreiniging met silicaat, waardoor kiezelzuur, of met thiosulfaat, waardoor zwavel zou worden afgescheiden.

4°. ook na toevoeging van ammonia in overmaat. Slaat op verontreiniging met alumina at.

50. Zivavehvaterstof kleure noch de zure, noch de niet ammonia oververzadigde oplossing en make haar evenmin troebel. Reactie op zware metalen als lood, koper, tin, zink en ijzer.

6°. De oplossing in water (1 = 50) mag, na met verdund salpeterzuur even zuur gemaakt te zijn, noch door baryumnitraat terstond troebel worden. Reactie op sulfaat. Sporen worden toegestaan.

7°. noch door zilvernitraat terstond. Reactie op chloride, ook op sulfide en thiosulfaat. Sporen worden toegestaan.

8°. 2 (hm. Natriumcarbonaat, in 10 cM%. verdund zwavelzuur opgelost, moet, met zink behandeld op de wijze als bijchloorwater-s tof zuur is voorgeschreven, zich evenals dit gedragen tegenover zilvernitraat (1 = 2). Reactie op arsenik. Zie verder bij „Acidum hydrochloricum.quot;

^ Onderscheid tusschen « carbonaat ) en «hydrocarbonaat ». Zie bij « Bicarbonas natricus ».

-ocr page 167-

157

9°. 5 Grm. Natriumcarbonaat vereische ter verzadiging niet vlinder dan 34.3 c]\\P. volmnetrisch zuur, hetgeen overeenkonit niet een gehalte van 98 pet. zuiver natrimncarbonaat. 34.3 cM3. Volume-trisch zuur neutraliseeren 34.3 cM3. volumetrisch Natriumcarbonaat. Volumetrisch Natriumcarbonaat [J- (Na2C03 -f- ioH40)— 143] \') bevat 143 Grm. natriumcarbonaat per 1000 cM3., cl. i. 4.9 Grm. per 34.3 cM3. Deze moet vervat zijn in 5 Grm,, cl. i. dus 98 pel.

De Pharmacopee staat dus 2 pet. verontreiniging van het Zout toe, welke, in aanmerking genomen de overige gestelde eischen van zuiverheid, wel hoofdzakelijk uit aanhangend water zal mogen bestaan.

CAR B O NAS P L U M R I C U S.

L O O D C A R B O N A A T.

C l\', R li S S A.

Een fijn, wit, zwaar poeder, dat in water onoplosbaar is, doch in verdund salpeterzuur en in verdund azijnzuur, onder opbruising, bijna geheel oplost.

De oplossing in verdund salpeterzuur zij kleurloos en geve, nadat zij door zwavel waterstofgas van lood bevrijd en gefiltreerd is, een vloeistof, die, na verdampt te zijn, slechts sporen van vaste stof mag achterlaten.

Samenstelling. 2 Pb CO3 lJb(01I)2

Het Loodcarbonaat der Pharmacopee is niet het normale lood-carbonaat, doch een basisch zouts), eene verbinding van twee moleculen normaal, loodcarbonaat met een molecule loodhydroxyde.

Het loodcarbonaat is het normale loodzout van het tweebasische koolzuur. De twee atomen waterstof van het zuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal lood.

Het loodhydroxyde is de verbinding van lood met twee eenwaardige hydroxyl-, OH, groepen 2).

Bereiding. Deze geschiedt fabriekmatig en berust op de ontleding van een basisch loodacetaat door kooldioxyde. Men onderscheidt de volgende methoden:

1°. de Hollandsche. In boven elkander geplaatste aarden potten,

\') Zie lt;te noot bij « Carbonas kalicus» blz. 147.

\') Over ((Icis/sclie zonfen» en «hydroxyden» zie noot bij 6 Carbonas magnesicus» blz. 150. Zie verder de noot op pag. 151.

I\'fh /r

-ocr page 168-

158

waarin azijn, worden spiraalvormig opgerolde looden platen gebracht, de potten los toegedekt en niet paardenmest of run omgeven. De azijnzuur-dam pen vormen met het lood, onder invloed van de rottingswarmte en de zuurstof der lucht, basisch loodacetaat, dat door het uit den mest ontwikkelde kooldioxyde in carbonaat wordt omgezet, waardoor weêr azijnzuur vrij wordt, dat op dezelfde, bovengenoemde wijze op het lood inwerkt, totdat dit geheel in carbonaat is omgezet.

2°. dc Duitse hc of Oostenrijkse/te. De loodplaten worden, dak-vorrnig gebogen, aan latten boven elkander opgehangen in kamers, op de gewone wijze verwarmd. Azijnzuurdampen stijgen van uit den met gaten doorboorden bodem, waaronder bakken, daarmede gevuld, terwijl het kooldioxyde wordt verkregen door gisting of door verbranding van coaks of kolen.

3°. de Fransehe. Men maakt een sterken loodazijn, door zooveel mogelijk loodglid in azijnzuur op te lossen, en leidt daarna in de vloeistof, die in wijde en ondiepe bakken is gebracht, op verschillende plaatsen door middel van buizen kooldioxyde, verkregen door het branden van kalksteen. Terwijl loodwit neêrslaat, blijft loodacetaat in oplossing, dat weêr met loodglid wordt verzadigd.

4°. de Engelsehe. Loodglid wordt met eene oplossing van loodacetaat tot een dikke brij aangeroerd, deze in lagen uitgespreid en alsdan een stroom van kooldioxyde, uit coaks verkregen , onder voortdurend omroeren, er overheen geleid.

Eigenschappen. Een fijn, wit, zwaar poeder, onoplosbaar in water en spiritus, bij verwarming oplosbaar in kali- en natronloog. -— Ook in verdund salpeterzuur en azijnzuur lost het, onder opbrui-sing, geheel of bijna geheel op; niet echter in chloorwaterstofzuur en zwavelzuur. — De zure oplossing wordt door zwavelwaterstof als zwart sulfide, door zwavelzuur als wit sulfaat en door kaliumbi-chromaat als geel chromaat neergeslagen.

Onderzoek.

1°. hen poeder, dat in verdinid salpeterzuur cn in verdund azijnzuur bijna geheel oplost. Slaat op verontreiniging of verval-sching met zand, lood sulfaat, loodchloride, calcium-of baryumsulfaat, enz. Sporen verontreiniging worden toegestaan.

2°. De oplossing in verdund salpeterzuur zij kleurloos. Afwe-

-ocr page 169-

\'59

zigheid van koper, dat bij verwarming de vloeistof blauwgroen zou kleuren.

30. en geve, nadat zij door zwavelwaterstof gas van lood bevrijd en gefiltreerd is, een vloeistof, die, na verdampt te zijn, slee hts sporen van vaste stof mag achterlaten. Hierbij zouden bijv. de volgende stoffen, die ter vervalsching kunnen dienen, achterblijven: krijt, calciumcarbonaat; gips, calciumsulfaat; beenderenasch, calciumphosphaat; whiter iet, baryumcarbonaat; zwaars paath, baryumsulfaat; zinkwit, zinkoxyde, enz. Een spoor verontreiniging wordt toegestaan.

CARRAGEEN.

IER SC H MOS.

Met loof van Chondrus crispus I.yngb. en (ligartina mam-in il 1 o sa Ag.

Niet grooter dan een hand en in vlakke of eenigszins gootvormige, in drogen staat dooreengewarde slippen verdeeld. Tersch Mos is kraakbeenachtig, bleek- of bruingeelachtig, riekt eigenaardig, zwak, en smaakt slijmerig. Het zwelt in water op en wordt er glibberig en week in.

Samenstelling. Hoofdbestanddeeien: ongeveer 8o pet. plan-te n s 1 ij m , p a r a r a bine, C0 H1 0O5; voorts ongeveer i 5 pet. asch, bestaande uit calcium- en magnesiumphosphaat, -sulfaat en -chloride, benevens sporen jodide en bromide.

Afkomst. Tersch Mos bestaat voor \'t grootste gedeelte uit het loof van Chondrus crispus Lyngb., min of meer vermengd met dat van G i g a r t i 11 a m a m m i 11 o s a A g., beide Algen, die rijkelijk groeien op de rotsachtige stranden langs de kusten der Noordzee en van den Atlantischen Oceaan. De inzameling heeft vooral plaats aan de kusten van Ierland en Schotland, het noorden van Frankrijk en aan de Oostkust van Noord Amerika, waar zij met een platten, schijfvormigen voet op de steenen, waarop zij groeien, zijn vastgehecht. Door den golfslag losgeslagen, spoelen zij aan land of worden met harken uit het water opge-vischt. Men laat ze aan het strand liggen, waar zij door het hemel-

-ocr page 170-

i Go

of ander water worden afgewasschen, waardoor tevens de zwart-tot groenroode kleurstof, die zij bevatten, door het licht ontleed, oplosbaar wordt en wegspoelt. Ten slotte worden zij in de zon gedroogd en gebleekt en in fragmenten uit Liverpool, Havre en Plymouth in den handel gebracht.

Eigenschappen. Het loof is (bij Chondrus crispus) ongeveer 2 d.M. lang en ongeveer i d.M. breed en in vlakke slippen, of (bij Gigartina mamillosa) minder lang en breed en in eenigszins gootvormige slippen verdeeld, die in drogen staat dooreengeward zijn. Het draagt hier en daar meestal kleine verhevenheden, spore-houders of cystoearpien, die half bolvormig aan ééne zijde (bij Chon-dms crispus) of tepelvormig aan beide zijden (bij Gigartina mamillosa) min of meer boven het loof uitpuilen, terwijl krijthuisjes van Flustra pi los a als kalkachtige korsten hier en daar het loof aanhangen. lersch Mos is kraakbeenachtig, bleek- of bruingeelachtig, riekt eigenaardig, zwak chloorachtig, en smaakt slijmerig. Het zwelt in water, vooral in warm, op, wordt er glibberig en week in en vormt er ten slotte een min of meer doorschijnende, geelachtige gelei mee.

Onderzoek.

1°. Loof, niet grooter dan een hand en in vlakke of eenigszins gootvormige slippen verdeeld. Ier se h Mos is bleek- of brinngeel-achtig. Soms komen onder lersch Mos andere Algen als verontreinigingen voor, die door grootte en vorm meestal gemakkelijk te onderkennen en daaruit te verwijderen zijn. Een der belangrijkste is de Gigartina aeieularis Lam., die voor phannaceutisch gebruik ongeschikt is, daar zij bij koking een ondoorschijnende, witte gelei geeft. Zij is te onderkennen, doordien het loof rolrond en gegolfd en lichtbruin van kleur is.

C A S T O R E U M.

C A S T ü R E U M.

De stof, die bij Castor Fiber L. var. a uier ie an us in twee onder den schaambeenboog gelegen zakjes besloten is.

Vrij hard, bijkans harsachtig, glanzend op de breuk, met vliesjes bc-

-ocr page 171-

i6i

deeld, roodbruin of een weinig geelachtig of bruinzwart. Reuk eigenaardig, duidelijk waarneembaar; smaak bitter, scherp, een weinig aromatisch.

Gevulde zakjes moeten droog, langwerpig-knotsvormig, afgeplat en gerimpeld zijn. Hunne beide buitenste rokken moeten nauw me!: elkander samenhangen en niet of moeilijk vaneen te splijten zijn.

Ten gebruike moet men Castoreum van de vliesjes zuiveren.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. i pet. Vluchtige Olie. Zij is kleurloos of lichtgeel, dik als olijfolie, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en heeft den reuk van Castoreum.

2°. 14 pet. Hars (Castoreum-resinoide). Zij is donkerbruin, oplosbaar in sterken, onoplosbaar in verdunden spiritus.

30. 0.7 pet. Castorine (Castoreum-kamfer), eene kristal-lijne, in spiritus weinig oplosbare vetstof.

Voorts bevat Castoreum nog organische (uraat, oxalaat) en anorganische (carbonaat, phosphaat en sulfaat), vooral calcium-, zouten (35 pet). Ook meent men er geringe hoeveelheden ben-zoezuur en salicylzuur in gevonden te hebben.

Afkomst. Met Castoreum der Ph. is afkomstig van Castor Fiber L. var. americanus, een knaagdier, dat, vroeger over geheel Noord-Amerika verspreid , thans nog voornamelijk in Canada wordt aangetroffen. Men vangt het in vallen of netten, snijdt na den dood de twee met elkander samenhangende, onder den schaam-beenboog gelegen zakjes uit en droogt ze tegen bederf in den rook. Zij worden in vaatjes in den handel gebracht en naar Londen vervoerd.

Voor phannaceutisch gebruik bezigt men als Castoreum enkel den harden inhoud der zakjes, na hem van aanhangende vliesjes te hebben ontdaan. Het tot poeder brengen en de bewaring van Castoreum geschiedt het best als bij „Ammoniacumquot; is vermeld.

Eigenschappen. Het door de Pharmacopee verlangde Castoreum is eene vrij harde, bijna harsachtige stof, glanzend op de breuk, roodbruin of een weinig geelachtig of bruinzwart, met vliesjes bedeeld. Reuk eigenaardig; smaak bitter, scherp, een weinig aromatisch. De zakjes, waarin zij besloten is, zijn langwerpig-knotsvormig, afgeplat en gerimpeld, meestal paarsgewijs vereenigd. De wand bestaat uit vier verschillende lagen of rokken, die nauw met elkander samenhangen en dus niet of moeilijk van elkander te splijten zijn.

11

-ocr page 172-

102

Onderzoek.

1°. Vrij hardy bijkans harsachtig, glanzend op de breuk, roodbruin of een weinig geelachtig of bruinzvuart. Reuk duidelijk waarneembaar ; smaak bitter, scherp. Gevulde zakjes moeten langzverpig-knotsvormig, afgeplat en gerimpeld zijn. Hunne beide buitenste rokken moeten nauw met elkander samenhangen en niet of moeilijk vaneen te splijten zijn. Behalve in Amerika komt de Castor Fiber ook voor in Azië, vooral in Siberië, en vroeger kwam het Castorenm vooral van daar als Europeesch, Russisch, Mos co vis ch of Siberisch Castoreum in den handel. Het onderscheidt zich van het boven beschreven Amerikaansche, Engelse he of Canadasche Castoreum door het meer aardachtige voorkomen, eene doffe breuk, eene lichtere,geelbruine kleur en minder bitteren, doch scherperen smaak. Bovendien zijn de zakjes meestal enkel, breeder en greater, bijna eivormig, slechts weinig afgeplat, niet gerimpeld, terwijl de beide buitenste rokken gemak-lijk van elkander te splijten zijn.

2°. Reuk duidelijk \'waarneembaar. Deze eisch doelt op het bedrog, dat somtijds gepleegd wordt, om de stof in de zakjes te vervangen door andere stoffen, zooals: ged roogd bloed, afval van vleesch enz. met hars vermengd, aloë, pik, gomharsen, enz. De eigenaardige reuk ontbreekt in dat geval.

C A T E C H U.

C A C H O U.

Het extract uit het hout van Acacia Catechu Wil ld. en Acacia Sum a Kurz.

Baksteen vorm ige of onregelmatige, in bladen gewikkelde en met bladen doorsneden massa\'s, die zwartbruin, hier en daar lichter, kleinporeus, bros en op de breuk eenigszins glanzig zijn. Cachou riekt niet en smaakt samentrekkend, eenigszins bitter, ten laatste min of meer zoet.

Als Cachou in 15 deelen kokend water opgelost is, moet daarvan in de bekoelde oplossing ten minste 80 pet. opgelost blijven. Na verbrand te zijn, mag Cachou niet meer dan 6 pet. asch achterlaten.

Samenstelling. 1 loofdbestanddeelen;

1°. Catechine (Catechuzuur). Kleine, witte, zijdeglanzende,

-ocr page 173-

163

-

: )

P il

l i

i 1 i 1

! f

jta

ii 1

;

: \'ijf

■ li \\

|!

fi -

\'1

;!J

naaldvormige of bladerige kristallen, zeer moeilijk oplosbaar in koud (iioo), gemakkelijk in warm (3) water, alsmede in konden (5—6) en warmen (2—3) spiritus. Met ferrichloride wordt de oplossing groen gekleurd en vormt zich langzamerhand een bruinachtig precipitaat. Met ferrosulfaat-oplossing blijft zij aanvankelijk kleurloos; door oxydatie aan de lucht wordt zij echter spoedig eveneens groen. In deze nog kleurlooze vloeistof ontstaat door toevoeging van een spoor alkali, bijv. een spoor kaliumacetaat, eene violette, door meer alkali eene roode kleur.

2°. Catechu looizuur, ruim 50 pet., door verwarming uit het catechuzuur ontstaan. Eene roodgele, glanzende en doorschijnende, gomachtige stof, gemakkelijk oplosbaar in water. Met ferrichloride geeft zij een vuil-olijfgroenen neêrslag.

Voorts bevat Cachou nog eene zeer kleine hoeveelheid quer-cetine, 30—40 pet. extractiefstoffen, 4—8 pet. gomstoffen, 15 pet. water en minerale stoffen.

Bereiding. Cachou is het extract uit het hout van Acacia Catechu Willd. en Acacia Suma Kurz., boomen uit de familie der Mimosaceae, waarvan de eerste in Britsch-Indië en Hirmah, de laatste in Zuid-Indië en Bengalen groeit. Voor de bereiding wordt het kernhout in spaanders gehakt, deze met water in aarden vaten uitgekookt, totdat de vloeistof dikvloeibaar is, waarna zij door verdamping wordt geconcentreerd en ten slotte in vormen van klei of bladeren of op matten gegoten, om verder in de zou uit te drogen.

Eigenschappen. Men onderscheidt: Pegu- of Bom bay-C. van A. Catechu Willd. en Bengaalsch-C. van A. Suma Kurz. Het meest in den handel zijnde, ook bij ons gebruikelijke Pegu-C. komt voor in baksteenvormige stukken, zwartbruin, hier en daar lichter, kleinporeus, bros en op de breuk eenigszins glanzig, gewikkeld in en doorsneden met bladen van Dipterocarpus tubercnlatns Roxb. Het door de 1\'h. eveneens toegestane, doch minder gebruikelijke Bengaalseh-C. komt voor in onregelmatige stukken of brooden, die op de breuk laagsgewijs en min of meer dof zijn.

Cachou riekt niet en smaakt samentrekkend, eenigszins bitter, ten laatste min of meer zoet. In koud water (85 pet.) lost het slechts gedeeltelijk op, evenals in spiritus (75 pet.), beter echter in verdunden spiritus (92—^93 pet.) en, uitgezonderd verontreinigin-

S

-ocr page 174-

164

^en, bijna geheel in warm water. De oplossing reageert zuur en wordt door ferrichloride vuil-olijfgroen neergeslagen.

Onderzoek.

1°. Baksteenvonnige of onregelmatige massa\'s, die sivartbruiu, hier en daar lichter, en op de breuk eenigszins glanzend zijn. In onderscheid met Gambler (Catechu pallidum, Ca ta gam ba, Terra japonica), een soort Catechu, vooral op Sumatra gewonnen door uitkoking der bladen en jonge takken van U near ia Gambir Roxb., een heester uit de familie der Rubiaceae. Het wordt van uit Singapore uitgevoerd en bestaat uit ongeveer 3 eM*. groote, kubusvormige stukken, die uitwendig donkerbruin of zzvart-aehtig, imvendig okergeel of kaneelhruin en dof zijn. Het bevat dezelfde werkzame bestanddeelen als bovengenoemde Catechu-soor-ten, doch in den regel in grootere hoeveelheid, en wordt vooral voor technische doeleinden gebezigd; de Phannacopee staat het gebruik van deze soort niet toe.

2°. Als Caehou in 15 deelen kokend water opgelost is, moet daarvan in de bekoelde oplossing ten minste 80 pet. opgelost blijven. Slaat op een voldoend gehalte aan Catechu looizuur, dat nevens extractiefstof, enz. in oplossing blijft, terwijl Catechinezich bij bekoeling wederom afscheidt, benevens verontreinigingen of ver-valschingen, zooals blad- en houtdeelen, zand, kleiaarde, harsen, enz., die onopgelost terugblijven.

3Ü. Na verbrand te zijn, mag Caehou niet meer dan 6 pet. asch achterlaten. Slaat op vervalsching met minerale stoffen, zooals zand, kleiaarde, enz., die het aschgehalte zouden verhoogen.

CERA FLA VA.

GEEL WAS.

Een gele massa, afkomstig uit de honigraten van A pis met li f ica I,. Zij wordt week in de warme hand en is in de koude korrelig en dof op de breuk, doch niet kristallijn. Zij riekt eigenaardig naar honig. Soort. gew. 0.956—0.967.

Met zijn elfvoudig gewicht aan chloroform zeer zacht verwarmd, moet Was een heldere oplossing geven. De vloeistof, verkregen door 1 Grm.

-ocr page 175-

16$

Was met 3 Grm. natriumcarbonaat en to cMj. water te koken, mag, na bekoeld te zijn, slechts een geringe opalescentie te zien gaven, t Grm. moet, in zijn vijfvoudig gewicht spiritueuse natronloog verwarmd, volkomen oplossen.

Samenstelling. Was is een mengsel van:

iu. 20—25 pet. eer ine of cerotinezuur, C27Hr\'40^ \'), het in warmen spiritus oplosbare gedeelte.

2°. 70—75 pet. myricine, een mengsel der samengestelde aethers; cetyl- en mclissyl-pahnitaat en -stearaat \'), onoplosbaar in kouden of warmen spiritus, oplosbaar in warmen aether.

Voorts bevat het nog ongeveer 5 pet. ceroleïne, eene in spiritus oplosbare stof, die de kleverigheid van Was veroorzaakt, benevens eene gele kleurstof.

Afkomst. Was is een afscheidingsproduct van de Bij, Apis mellifica L., het welbekende, vliesvleugelige insect, dat ook bij ons te lande veelvuldig in tammen staat in koloniën, korven, leeft. Bij zulk eene kolonie onderscheidt men eene koningin, het vruchtbare wijlje, vele mannetjes, homvtcls, en werkbijen, het grootstin aantal, geslachtloos of eigenlijk onvolkomen ontwikkelde wijfjes. Deze laatste, en vooral de jongere daaronder, scheiden het was af uit kliervormige zakjes, tusschen de ringen van het achterlijf gelegen, in den vorm van dunne plaatjes en verwerken deze met bek en pooten tot de honigraten, waarin zij later den door hen verzamelden honig bergen. Ter inzameling van Was worden, na verwijdering der bijen, de gevulde raten uit den korf genomen; men laat den honig uitdruipen en perst de raten uit, wascht ze af en smelt ze in warm water, waarna het bovendrijvende, gezuiverde Was in aarden schotels, waarin een weinig water, ter bekoeling wordt uitgegoten. Voor pharmaceutisch gebruik moet het nogmaals worden omgesmolten.

Eigenschappen. Een gele, eigenaardig naar honig riekende massa, die in tie koude vast, op de breuk dof en korrelig is, in

gt;) Cerotinezuur benevens laurine-, O\'lI^O, en myris\'dne-, C\'quot;H1 quot;O1, zuur (zie bij « Cetaceum ») behooren tot dezelfde zurenreeks als liet palmitine- en stearinezuur (zie bij « Adeps suillus»). Ook cetyl-, C\' 0II3 \'O, en melissyl-, C301Iquot;10, alcohol kunnen van de koolwaterstoffen dezer reeks (zie bij « Acidum aceticum ») afgeleid worden.

-ocr page 176-

166

de warme hand echter week wordt en bij 63°—64° \') smelt. Het soort. gew. wisselt naar de samenstelling af van 0.956—0.967. Was is onoplosbaar in water en in spiritus, gedeeltelijk oplosbaai-in kokenden spiritus en aether, geheel oplosbaar in chloroform (11) en oliën.

Onderzoek.

1°. Ecu gek massa. Chineesch was, het afscheidingsproduct van een soort schildluis, de „Coccus chinensis WESTRW.quot;, op dc takken van de „Fraxinus chinensis ROXB.quot; is wit. Japanseb was, verkregen door uitpersing der gerooste zaden van „Rhus succedanea L. en ,,R. chinensis MILL.quot;, is bleek-geelachtig. Ook a m e r i k a a n s c h e, afrikaansche en Indische p 1 a n t a a r-dige wassoorten, bijv. Carnauba-Was, verschillen van ons Was, doordien zij min of meer groen, grijsgeelachtig of bruin gekleurd zijn 1).

2°. Zij XL\'ordt weck in de wanne hand en is in de koude korrelig en dof op de breuk, niet kristallijn. Zij riekt eigenaardig vaar honig. Chineesch was is zeer hard, straalvormig-kristal-lijn, glanzend en reukloos. Japansch was is vettig, weeker en brokkeliger met eenigszins harsig-talkachtigen, ransigen reuk. Ook de overige vreemde, plantaardige wassoorten onderscheiden zich door eene meerdere of mindere hardheid en brokkeligheid.

Bij vervalsching met aard was (ozokeriet), een minerale paraffine, Chineesch was en stearinezuur zou de breuk meer kristallijn zijn of glanzend.

30. Soort. gew. 0.956—0.967. Een lager soort. gew. zou wijzen op vervalsching met ceresine 2), paraffine of talk, een hooger op vervalsching met aard was, stearinezuur, hars of Japansch was. Ook verschillende andere stoffen als meel, zwavel, oker, zwaars p a a t, enz. verhoogen het soort. gew.

40. Met quot;ijn elfvoudig gewicht aan chloroform zeer zacht ver-

1

) Sommige vreemde kleurstoffen, als Curcuma, kunnen ontdekt worden door uittrekking met warmen alcohol, die daardoor, in plaats van lichtgeel, min of meer donkergeel zou gekleurd worden.

2

) liet product van aardwas na smelting, behandeling met sterk zwavelzuur en verdere zuivering.

-ocr page 177-

ID/

wannd, moet Was een heldere oplossing geven. Ue meeste verontreinigende of ter vervalsching dienende stoffen kunnen door hare onoplosbaarheid in chloroform worden opgespoord, bijv. sommige vreemde was soorten, benevens water en minerale stoffen als klei, oker, gips, zwavel, loodwit, 1 o o d g 1 i d, k r ij t, zwaarspaat enz, of stoffen van organischen aard zooals meel, hars, enz.

5°. De vloeistof, verkregen door i Grm. Was met 3 Gr in. natriume ar banaat en 1 o cM1. water te koken , mag, na bekoeld te zijn, slee hts eenc geringe opalescentie te zien geven. Slaat op vervalsching met stearinezuur, ta Ik, Japansch was en hars.

6°. 1 Grm. moet, in zijn vijfvoudig gewiekt sfiritueuse natronloog verwarmd, volkomen oplossen. Slaat op vervalsching met paraffine, die onopgelost zou terugblijven \').

1

Paraffine en c e r e s i n e kunnen aangetoond worden door behandeling met 70 dln. sterk zwavelzuur, waardoor zij, in tegenstelling van Was, niet worden aangetast en zich aan de oppervlakte der vloeistof afscheiden. Daarna voorzichtig met een gelijk volumen water verdund en na bekoeling met de helft van het volumen petroleumaether zacht geschud, blijft daaruit bij verdamping de paraffine of ceresine achter.

Met water uitgekookt, mag de vloeistof na bekoeling door chloorwaterstofzuur niet troebel, wat zeep, en door jodium niet blauw gekleurd worden, wat meel verraadt.

Voorts kan nog eene vervalsching van Was ontdekt worden door bepaling van het zuur- (20) en het ester- (75), te zamen uitmakende het verzeepings- (95) getal, op gelijke wijze als bij « Balsamuin peruvianum » is beschreven.

-ocr page 178-

168

CETACEUM.

SPERMACETI.

WALSCHOT.

Het vaste gedeelte, gezuiverd van al het overige, wat in onderhuidsche holten van den kop van P h y s e te r m a c r o c e p h a 1 u s L. besloten is.

Een zeer witte, glanzende, bijna doorschijnende, op het gevoel eenigs-zins vettige, zachte massa. Zij is plaatvormig-kristallijn op de breuk, riekt eigenaardig, zwak en smaakt eenigszins flauw.

Met zijn veertigvoudig gewicht aan sterken spiritus gekookt, moet Walschot geheel worden opgelost tot een neutrale vloeistof, die, na bekoeld en gefiltreerd te zijn, bij vermenging met water slechts weinig troebel mag worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: eet ine, c ety 1 pal m i taat, de samengestelde aether van palmitinezuur metcetyl-alcohol \'^Voorts komen er nog in voor de samengestelde aethers van la urine-, myristine-1) en stearin ezuur met de niet nader gedefinieerde, hoogere alcoholen lethal, C12H25.OH, methal, C14IlS!).OH, en stethal, C18H37.OH.

Afkomst, Walschot wordt verkregen uit den kop van den P o t v i s c. h, P h y s e t e r m a c r o c e p h a 1 u s L., een walvischachtig zoogdier, dat vooral gevangen wordt in de groote, zuidelijke zeeën. Tusschen de met een dikke speklaag voorziene opperhuid en de bovenkaak bevindt zich eene door een horizontaal tussclienschot in twee verdiepingen gesplitste ruimte, die een paar meters hoog is en zich, langzaam versmallende, van af den schedel langs den rug tot aan de staartvin voortzet. Ueze ruimten, ook andere holten in liet vleesch en spek, zijn geheel gevuld met een geelachtige, door de dierlijke warmte vloeibare stof, die na den dood van het dier wordt afgetapt. Aan de lucht scheidt ze zich in een vloeibaar, de spermaceti-olie, en in een vast gedeelte, het Spermaceti. Men scheidt deze twee volkomen, eerst door uitdruiping, daarna door uitpersing in zakken, waarna het vaste Spermaceti, ter verwijdering van aanhangende olie, na omsmelting in water, met een slappe kaliloog afgewasschen en door middel van stoom nogmaals wordt

\') Zie noot bij « Cera (lava» blz. 165,

-ocr page 179-

i6g

omgesmolten. Ter volledige ontkleuring en zuivering wordt het uit een mengsel van aether en spiritus omgekristalliseerd. Het wordt vooral van uit Amerika over New-York, ook uit Engeland, minder uit Frankrijk, in den handel gebracht.

Moet Spermaceti ten gebruike tot poeder gebracht worden, dan geschiedt dit het best door besprenkeling en afwrijving met enkele droppels alcohol of door het, na smelting op het. waterbad, tot bekoeling aanhoudend te roeren.

Eigenschappen. Een zeer witte, glanzende, bijna doorschijnende, op het gevoel eenigszins vettige, zachte massa. Zij is plaatvormig-kristallijn op de breuk, riekt eigenaardig, zwak en smaakt eenigszins flauw. Soort. gew. 0.940—0.950; smeltpunt 45°—50° Zij is onoplosbaar in water en in kouden, gemakkelijk oplosbaar in warmen (40) spiritus, aether (3) en chloroform (2).

Onderzoek.

i0. Een zeer witte massa. Een goed gezuiverd preparaat dus; ruw Walschot is geelachtig. Ook door ouderdom wordt Walschot geel.

2°. Een glanzende, bijna doorschijnende massa. Zij is plaatvormig-kristallijn op de breuk. Bij vervalsching met stearine-zuur, paraffine of ceresine wordt de massa dofwit, ondoorschijnend en minder kristallijn of korrelig. Ook is het smeltpunt dan lager.

30. Met zijn veertigvondig gewicht aan sterken spiritus gekookt, moet Walschot geheel worden opgelost. Paraffine, die in spiritus moeilijk oplosbaar is, zou hierbij kunnen achterblijven.

4°. tot een neutrale vloeistof. Stearinezuur zou haar zuur doen reageeren. Ook door ouderdom krijgt Walschot eene zure reactie en gaat ransig rieken.

50. die, na bekoeld en gefiltreerd te zijn, hij vermenging met water slechts weinig troebel mag worden. Reactie op stearin e-zuur en vetten, die door water worden neêrereslagen.

-ocr page 180-

170

CHARTA ANTASTHMATICA.

ASTHMAPAPIE R.

N. Belladonnabladen...............1

Digiialisbladcn.................

Saliebladen..................

Stramoniumbladen, van elk één deel........1

Snijd ze fijn en infundeer met

Gewoon water, tot een colatuur van veertig deelen . . 40 l.os daarin op

Kaliumnitraat zes deelen............6

Laat wit filtreerpapier met het gefiltreerde vocht doortrekken; droog het en bevochtig het gelijkmatig met een mengsel van

Benzoetinctuur één deel............ 1

Sterken spiritus vier deelen . . .........4

Droog het en verdeel het in stukken van 10 bij 15 centimeter.

Bereiding. Het Asthmapapier der Ph. is filtreerpapier, doortrokken met salpeter en de in water oplosbare, riekende en narcotische bestanddeelen der opgegeven bladen, geurig gemaakt door benzoë.

Ten einde scheuring te voorkomen, gebruike men een niet al te dun filtreerpapier, dat men, over een gespannen draad gehangen, lepelsgewijze met het vocht ruim overgiet, zoodat het daarmede geheel bevochtigd is, waarna men het bij de gewone temperatuur laat drogen, om het ten slotte met de verdunde benzoëtinctuur te besprenkelen. Evenals de hierna volgende papiersoorten, worde ook dit, gelijk de narcotische bladen zelve, buiten het licht in goed gesloten bussen bewaard.

CHARTA E P I S P A S T I C A.

F O N T E N E L P A P I E R.

N. Poeder van Spaanse he Vliegen tien deelen......10

Olijfolie zes en twintig deelen..........26

Geel Jl-\'as vijftig deelen............50

Walschot achttien deelen............18

Terpentijn zes deelen.............6

-ocr page 181-

\'7i

Digereer het poeder 12 uur met de olie; filtreer en overgiet het achtergeblevene met kleine hoeveelheden olijfolie, totdat het voorgeschreven gewicht der olie verzameld is. Meng hieronder de overige, vooraf bij een zachte warmte op een waterbad gesmolten bestanddeelen.

Haal over dit door bezinking gezuiverde mengsel strooken dik velijn-papier, zóó dat slechts de eene zijde daarvan met een zoo gelijk mogelijke laag van het mengsel bedekt worde.

Verdeel de strooken, als de zalf bekoeld is, in stukken van C bij 9 centimeter.

Bereiding. Het doel der bereiding is, om door middel van de olie de cantharidine der Spaansche Vliegen uit te trekken, de olieachtige oplossing tot een zalfachtige massa te brengen en deze cantharidinezalf op papier uit te spreiden. Voor het digereeren der Spaansche Vliegen gebruike men niet terstond de geheele hoeveelheid olie, bijv. 20 dln., ten einde volgens het voorschrift het na filtratie achtergeblevene poeder met de rest, eveneens tot 40° verwarmd, te kunnen nawasschen. De trekking geschiede bij niet hooger temperatuur, ten einde vervluchtiging der cantharidine te voorkomen. Daarom ook moeten de overige ingrediënten bij eene zoo laag mogelijke temperatuur onder het olie-aftreksel gemengd worden,

CHARTA S I N A P I Z A T A.

M C) S T E R D P A T I E R.

N. Mosterdzaad zooveel als noodig is.

Kneus het en bevrijd het door deplaceeren met petroleumaether van de vette olie; droog het bij ten hoogste 30° en maak er poeder (B 30) van.

Meng dit poeder met zijn drievoudig gewicht eener oplossing van Gutta Percha in Chloroform (1 = 10) en strijk dit mengsel gelijkmatig en snel uit op grof velijnpapier; bestrooi het met hetzelfde poeder en strijk het glad uit.

Droog het dus toebereid papier voorzichtig, schud het overtollige poeder er af en knip het in stukken van 8 bij 12 centimeter.

Elk stuk moet, na aftrek van het gewicht aan papier, ongeveer 1.5 Grm. wegen.

Bevochtiging met water doe terstond den reuk van vluchtige mosterdolie ontstaan.

-ocr page 182-

1/2

Bereiding. Ten einde een goed werkzaam en duurzaam papier te verkrijgen, moet het zaad vooraf volkomen van de vette olie bevrijd worden 1). De droging van het mosterdpoeder geschiede bij ten hoogste 30°, wijl bij hooger temperatuur het in \'t zaad aanwezige ferment myrosine voor de vorming van vluchtige mosterdolie uit het kaliummyronaat onwerkzaam zou worden 2). Als grof velijnpapier gebruike men liefst z.g. oud-hollandsch papier.

Onderzoek.

1°. Elk stuk moet, na aftrek vau het gewicht aan papier, ongeveer 1.5 Grin, wegen. Bevochtiging met water doe terstond den reuk van vluchtige mosterdolie ontstaan. Het papier moet dus eene voldoende hoeveelheid goed werkzaam mosterdzaad aanhangen. Vooral de oogenblikkelijke ontwikkeling der vluchtige olie is een bewijs voor de deugdelijkheid van het papier.

C H L O R A S K A L I C U S.

K AL IU MC H L O R A A T.

Glanzende, doorschijnende, kleurlooze kristallen, die doorhitte, onder ontwikkeling van zuurstof, smelten en , met chloorwaterstofzuur verwarmd, den reuk van chloor verspreiden.

Kaliumchloraat lost gemakkelijk op in kokend, doch in niet minder dan 16.5 deelen koud water. De oplossing is helder, kleurloos, reageert neutraal en geeft met wijnsteenzuur in overmaat een wit kristallijn neêrslag.

Zwavelwaterstof mag de oplossing in water (1=20) niet kleuren of troebel maken; baryumchloride of zilvernitraat mogen daarin geen troe-beling doen ontstaan.

500 mG. Kaliumchloraat, met natronloog en een mengsel van zink-poeder en ijzerpoeder gekookt, mag geen reuk van ammoniak doen ontstaan.

Samenstelling. KCIO:!

Behalve ee\'nwaardig, zooals in chloorwaterstofzuur, treedt chloor ook vijfwaardig op in het chloorzuur, HCIO3, en zevenwaardig in het overchloorzuur, HCIO4.

Over deplaceeren zie bij «Extracla». a) Zie bij « Oleum Sinapis. »

-ocr page 183-

173

HQ HCIO3 = Clü2(OH) HCIO4 = Cl Ö^OH)

chloorwaterstofzuur chloorzuur overchloorzuur

Kaliumchloraat is het kaliumzout van liet chloorzuur. De waterstof van dit zuur is vervangen door het éénvvaardige metaal kalium.

Bereiding. Wordt chloorgas tot verzadiging geleid in warme kaliloog, dan ontstaat, nevens kaliumchloride, kaliumchloraat.

6 KOH -f- 6 Cl = KCIO3 5 KC1 -f 3 H\'O

kaliumhydroxyde chloor kaliumchloraat kaliumchloride water

Bij de fabriekmatige bereiding leidt men het chloor in warme kalkmelk, waarin kaliumchloride is opgelost. Het gevormde cal-ciumchloraat wordt door dit kaliumchloride omgezet in kaliumchloraat en calciumchloride. Door indamping kristalliseert bij be-

Ca(C103)2 2KCI = 2 KC1Ü3 CaCl1

calciumchloraat kaliumchloride kaliumchloraat calciumchloride

koeling het moeilijk oplosbaar kaliumchloraat uit, terwijl calciumchloride in oplossing blijft. Het Zout wordt door omkristallisatie uit de warme, waterige oplossing gezuiverd.

Eigenschappen. Glanzende, doorschijnende, kleurlooze kristallen, die gemakkelijk oplosbaar zijn in warm (1.7), moeilijker in koud water (16.5) en spiritus (130). De kleurlooze oplossing reageert neutraal. — Zij kleurt een niet lichtende vlam violet en geeft met wijnsteenzuur in overmaat een wit, kristallijn neerslag van kalium-hydrotartraat. — De kristallen smelten door hitte, onder ontwik-

2 KCIO3 = KC1 KCIO4 2 O

kaliumchloraat kaliumchloride kaliumperchloraat zuurstof

KCIO4 = KC1 4 O

kaliumperchloraat kaliumchloride zuurstof

keling van zuurstof en verspreiden, met chloorwaterstofzuur verwarmd , den reuk van chloor.

KCIO3 6 HC1 = KC1 3 HsO 6 Cl

kaliumchloraat chloor kalium water chloor

waterstofzuur chloride

Onderzoek.

10. Kaliumchloraat lost op in niet minder dan 16,5 deelen koud zvater. In onderscheid met nat riu mch lo r aat, dat veel gemakkelijker in water (1) oplosbaar is.

-ocr page 184-

•74

2°. Zwavehvaterstof mag dc oplossing in water (1=20) niet kleuren of troebel maken. Reactie op zware metalen.

30. haryumchloride of zilver nitraat mogen daarin geen troche-ling doen ontstaan. Reactie op s u 1 f a a t en chloride.

4°. 500 viG. Kaliunichloraat, met natronloog en een mengsel van zinkpoeder en ijzerpoeder gekookt, mag geen reuk van ammoniak doen ontstaan. Onderscheid met het eveneens oxydeerend werkende nitraat \').

C H L O R B T U M A M M O N I C U M. AMMONIUMCHLORIDE.

Een wit, reukloos, kristallijn poeder.

Ammoniumchloride vervluchtigt door hitte zonder te smelten of iets achter te laten, is in sterken spiritus bijna onoplosbaar, doch geeft met 2.8 deelen water een heldere, kleurlooze vloeistof, die neutraal of zwak zuur reageert.

In de oplossing in water doet natronloog den reuk van ammoniak ontstaan ; zilvernitraat brengt er een wit, vlokkig neerslag in te weeg, dat in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

De met chloorwaterstofzuur zuur gemaakte oplossing in water (1 = 20) mag noch door baryumchloride, noch door zwavelwaterstof, noch door ferrichloride troebel of gekleurd en, na met ammonia verzadigd te zijn, door zwavelammonium niet meer dan flauw groen worden.

Samenstelling. NU4Cl

Het ammoniumzout van chloorwaterstofzuur. Ue waterstof van dit zuur is vervangen door de écnwaardige ammonium-, NH4, groep.

Bereiding. Ammoniumchloride wordt fabriekmatig bereid, door ammoniakgas, uit ammoniakwater of daaruit bereid ammoniumsulfaat met kalkmelk ontwikkeld1), in verdund chloorwaterstofzuur

(NH4)2S04 Ca(OH)1 = 2 NIP CaSO4 -f 2H\'0

animoaiitmsulfaat calciumhydroxyde ammoniak calcmmsulfaat water

NH3 -f HC1 -= NH4C1

ammoniak cliloor«aterstofziiur ammoniumchloride

1

) Zie bij «Ammonia» blz. 6j.

-ocr page 185-

i/S

te leiden. Na afscheiding van teerachtige stoffen wordt de zoutoplossing gefiltreerd, uitgedampt en tot kristallen gebracht, welke verder ter zuivering één- of meermalen worden gesublimeerd. Ook wordt het zout direct verkregen door sublimate van ammonium-sulfaat met natriumchloride.

(NH4)1S04 -f 2 Na Cl == 2NII4C1 -f- Na^SO4

ammoniumsulfaat natriumchloride ammoniumchloride natriumsulfaat

Uit het gesublimeerde zout van den handel kan een voor phar-maceutisch gebruik geschikt , zuiver ammoniumchloride bereid worden, door ioo dln. daarvan in 150 dln. warm water op telossen, daaraan ongeveer 5 dln. chloorwater toe te voegen, ten einde mogelijk voorhanden fcrro- tot ferri-zout te oxydeeren, vervolgens ammonia bij te voegen tot zwak alkalische reactie, waardoor het ferri-zout als ferrihydroxyde wordt afgescheiden, de oplossing verder met dierlijke kool te ontkleuren en na filtratie en indamping het Zout door gestoorde kristallisatie als fijn poeder te doen kris-talliseeren.

Eigenschappen. Een wit, reukloos, kristallijn, volkomen vluchtig poeder, gemakkelijk oplosbaar in koud (2.8) en warm (1.2) water, bijna onoplosbaar in spiritus. — In de waterige oplossing doet natronloog den reuk van ammoniak ontstaan. — Zilvernitraat brengt er een wit, vlokkig neerslag van zilverchloride in te weeg, dat in salpeterzuur onoplosbaar, in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

Onderzoek.

1(). Een zvit, reukloos poeder. Amnioniumchloride geeft met water een heldere, kleurlooze vloeistof. Minder zuiver Ammonium-chloride, dat ijzer, kooldeelen of teerachtige stoffen •) bevat, is min of meer gekleurd, geeft met water eene min of meer gekleurde oplossing en riekt min of meer brandig,

2°. Ammoniumehloride vervhic/Uigt door hitte zonder te smelten. Onderscheid met natriumchloride en -bromide.

30. of iets aeliter te lateti. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen.

\') Teerachtige stoffen kunnen ontdekt worden door i firm, van het Zout, na overzadiging met salpeterzuur, op het waterbad tot droog te verdampen, waarbij een kleurloos overschot moet achterblijven.

-ocr page 186-

176

4°. gccft met 2.8 din. water een heldere vloeistof. Onderscheid met ammoniumbromide, dat gemakkelijker in water (1.5) oplost.

5°. die neutraal of sivak zuur reageert. De oplossing reageert eigenlijk neutraal. Daar het Zout zich echter, onder vervluchtiging van ammoniak, een weinig dissocieert, vooral in oplossing en bij verhooging van temperatuur, zal de oplossing meestal zwak zuur reageeren.

6°. zilvernitraat brengt er een zuit, vlokkig neerslag in teweeg, dat in ammonia gemakkelijk oplosbaar is. Onderscheid met a 111 m o-nium- en 11 atr iu m br o m ide of natriu mjodide, die met zilvernitraat een geelachtig wit, in ammonia moeilijk oplosbaar of onoplosbaar neérslag geven.

7°. De met chloorwaterstofzuur zuur gemaakte oplossing in water (1 = 20) ///ag noch door baryumehloride troebel worden. Reactie op sulfaat.

8°. noch door zwavelwaterstof troebel of gekleurd. Reactie op zware metalen als lood, koper, tin en ferri-zout.

90. noch door ferrichloride gekleurd. Reactie op sulfocyaan-verbinding, die zich met ferrichloride rood zou kleuren.

io0. en, na met ammonia verzadigd te zijn, door zwavcl-animoniinn niet meer dan flauw groen worden. Reactie op ij z e r. Sporen worden toegestaan.

C H L O R E T U M AURIC O-N A T R I C U M ET CHLORETUM NATRICUM.

NATRIUMGOUDCHLORID E.

N. Zuiver Goud één deel.............1

Los het op in een mengsel van

Chloorwaler stof zuur vier deelen..........4

Salpeterzuur één deel.............1

Damp de oplossing op een waterbad tot stroopdikte uit, voeg bij het overgeblevene

Gedroogd Nairiumchloridc één en vijf en vijftig honderdste deelen................j.55

opgelost in

Waier vier deelen...............4

-ocr page 187-

177

Droog dit mengsel, roerend, zoolang op een waterbad, tot liet overgeblevene, nog warm, geen zure dampen meer verspreidt.

Een oranjekleurig poeder, dat in 2 deelen water volkomen, doch in sterken spiritus slechts gedeeltelijk oplosbaar is en in beide gevallen een zuur reageerende vloeistof oplevert.

Een met ammonia bevochtigd staafje, boven het poeder gehouden, veroorzake geen nevels.

500 mG. va,n het poeder moet, na in water opgelost en met een voldoende hoeveelheid zuringzuur verwarmd te zijn, niet minder dan 150 mG. goud opleveren, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 30 pet. aan zuiver Goud.

De vloeistof, overgebleven na de afscheiding van het goud, m;;g noch door zwavelwaterstof, noch door ammonia, ook niet nadat er zwavelammonium aan is toegevoegd, gekleurd of troebel worden.

Samenstelling. (NaAuCl4 2 II20) xNaC!

Het Natriumgoudchloride der Phannacopee is een mengsel van ongeveer 3 dln. van het eigenlijke natriumgoudchloride met 2 clin. natriunichloride.

Het eigenlijke natriumgoudchloride, Na Au Cl4 2 H20, is een dubbelzout van goudchloride, Au Cl3, en natriunichloride, Na Cl. Het kan beschouwd worden als vier moleculen chloorvvaterstofzuur, 4 HC1 = H4C14, waarin 3 atomen waterstof door het driewaardige metaal goud en één atoom waterstof door het éénwaardige metaal natrium vervangen zijn. Dit zout bevat twee moleculen kristalwater 1).

Bereiding. Het voor de bereiding benoodigde zuivere Goud wordt verkregen door in een glazen kookkolfje gewoon goud in den vorm van munten als anderszins op te lossen in een mengsel van 3 dln, chloorwaterstofzuur en 1 dl. salpeterzuur, ten laatste onder zachte verwarming en zoo noodig onder toevoeging van een weinig meer van het zuurmengsel. De daardoor verkregen oplossing van metaalchloriden, goud-, zilver-, koper- en loodchloride,

2 Au -f- 6 HC1 2HNO3 = 2 Au Cl3 -f 2NO 4 H20

goud chloor salpeterzuur goudchloride stikstof water

waterstofzuur dioxyde

wordt ter verdrijving van stikstofdioxyde op een waterbad tot stroopdikte ingedampt en daarna met 10 dln. water verdund. De

\') Over natriumchlorkle zie bij « Cliloretum natricum ».

-ocr page 188-

daarin onoplosbare chloriden van zilver en lood worden afgefil-treerd, mogelijk opgelost gebleven lood door toevoeging van een weinig eener natriumsulfaat-oplossing neergeslagen , en daarna bij het filtraat gevoegd eene oplossing van 5 din. ferrosulfaat in 20 dln. water benevens eenige droppels chloorwaterstofzuur. Door het ferrosulfaat wordt onder zachte verwarming al het goudchloride tot metallisch, poedervormig goud gereduceerd. Men verzamelt dit

2 AuCl3 -4- 6 FeSO4 = 2 Fe2(SO4)3 Fe2Cl« 2 Au

goudchloride ferrosulfaat ferrisulfaat ferrichloride goud

op een filtrum , wascht het eerst met verdund chloorwaterstofzuur en daarna met water volledig uit en droogt het ten slotte.

Het zuivere Goud wordt vervolgens als chloorwaterstofzuur-gordchloride in het voorgeschreven zuurmengsel opgelost, de

2 Au 8 HC1 2 UNO3 = 2 (AuCl3, I1C1) 4- 2 NO 4 H\'-O

goud chloor salpeterzuur chloorwaterstofzuur- stikstof water

waterstofzuur goudchloride dioxyde

oplossing, ten einde door te hooge temperatuur reductie van het goudchloride te voorkomen, op het waterbad uitgedampt en door vermenging met goed droog natriumchloride in overmaat, onder ontwikkeling van chloorwaterstofzuurdampen, in een mengsel van natriumgoudchloride met dit zout omgezet, liet mengsel moet,

AuCl3, HC1 (x 1) NaCl 2IIH) = [(NaAuCl4 2H2 0) xNaCl] HCl

chloor natriumchloride water natriumgoudchloride natrium chloor

waterstofzuur- chloride water

goudchloride stofzuur

bij vermijding van stof, onder het drogen aanhoudend geroerd worden, ten einde de vermenging zoo innig mogelijk te doen zijn en afscheiding van grootere kristallen van natriumchloride te voorkomen. Het Zout wordt ten slotte nog warm in volkomen droge, geheel gevulde fleschjes overgebracht en buiten het licht bewaard.

Eigenschappen. Een oranjekleurig, kristallijn, eenigszins hygros-copisch poeder, dat volkomenen gemakkelijk oplosbaar is in water (2), doch slechts gedeeltelijk in spiritus. In beide gevallen reageert de oplossing zuur. — Ferrosulfaat of kaliumnitriet, alsmede oxaalzuur bij verwarming, reduceeren Natriumgoudchloride onder afscheiding van metallisch goud. Eene oplossing van stannochloride, met een weinig chloorwater vermengd, geeft in de waterige oplossing een

-ocr page 189-

179

purperrood tot bruinrood neérslag van z.g. Cassius\' goudpurper \'). -Zilvernitraat brengt er een wit, vlokkig neêrslag \\quot;an ziiverchloride in te \\NTeeg, dat in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

Onderzoek.

1°. Een poeder, dat in water volkomen oplosbaar is. A fwezigheid van daarin onoplosbaar z i 1 v e r c h 1 o r i d e of g o u d c h 1 o r u u r, het laatste door te hooge temperatuur bij de bereiding of bij inwerking van licht of stof door reductie uit het Zout ontstaan.

2°. doch in sterken spiritus slechts gedeeltelijk oplosbaar. Het natriumgoudchloride lost in den spiritus op, terwijl het natrium-chloride terugblijft. In onderscheid met het vroeger gebruikelijke Chloretum aurico-natricum (Sal Auri Figuieri), dat enkel uit natriumgoudchloride bestond, in sterken spiritus dus geheel oploste, doch minder duurzaam en zeer hygroscopisch was.

3°. Een niet ammonia bevochtigd staafje, boven het poeder gehouden, veroor,zake geen nevels. Reactie op vrij c h 1 o o r w a t e r-s t o f z u u r.

4°. 500 mG. van het poeder moet, na in water opgelost en met een voldoende hoeveelheid zuringsuur verzvarmd te zijn, niet minder dan 150 mG. goud opleveren, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 10 pet. aan zuiver Goud. 197 dln. Goud (Au = 197) leveren 303.5 dln. goudchloride (AuCl3 = 303-S)gt; d\'2 z\'c^ mt;\': 197 X \' SS = 305-35 dln. natriumchloride en 36 dln. water (2 1120 = 36) in 303.5 -f- 305.35 36 = 644.85 dln. Natriumgoudchloride omzetten. Het Zout bevat dus X 100 =: 30\'5 Pct\' goud. Daar het echter steeds eenige vochtigheid bevat, zal het procentisch gehalte in den regel iets lager zijn.

5°. De vloeistof, overgebleven na de afscheiding van het goud, mag noch door zwavelwaterstof, noch door ammonia, ook met nadat er zwavelammonium aan is toegevoegd, gekleurd of troebel worden. Reactie op verontreinigende zware metalen als koper, lood, tin, zink en ijzer.

*) Bestaande uit linoxyde-houdend, fijn verdeeld goud.

-ocr page 190-

i8o

C H L (3 R E T U M F E R R I C U M.

F E K R 1 C H L O R I D E.

N. Dun IJzerdraad honderd vijf en twintig deelen . . . 125 Chloorwalersiofzuur vijfhonderd vijf en twintig deelen 525

Overgiet het ijzerdraad in een ruime kolf met het zuur, verwarm totdat de gasontwikkeling ophoudt en filtreer liet vocht nog warm door een gewogen filter.

Het onopgeloste worde afgewasschen, gedroogd en gewogen. Voer dooide verwarmde oplossing zoo lang gewasschen chloorgas, totdat een droppel, met water verdund, niet meer blauw worde door kaliumferricyanide. Damp de vloeistof zoo lang uit, totdat voor elke 100 deelen opgelost Ijzer zijn overgebleven 483 deelen , en laat deze op een koele plaats kristalliseeren.

(Jele of bruinachtig gele kristallijne stukken, die in de lucht vervloeien r reeds bij een zachte warmte smelten en gemakkelijk in water en in sterken spiritus oplosbaar zijn.

De oplossing in water (1 = 100) blijve onder het koken helder. Voor het overige voldoe de oplossing van Ferrichloride in water (3 = 4) aan de kenmerken van zuiverheid, vermeld onder „Ferrichlorideoplossing.quot;

Samenstelling. Ke\'Cl6 -f i2llJü

Het ferri-zout van chloorwaterstofzuur. In zes moleculen chloor-waterstofzuur i.s de waterstof vervangen door de zeswaardige ferri-, [Fe2], groep \'). Het Zout bevat twaalf moleculen kristalwater.

Bereiding. Het ijzer, dat voor ongeveer een vijfde in overmaat aanwezig is en dus zooveel minder kan genomen worden, wordt onder waterstofontwikkeling door het chloorwaterstofzuur opgelost tot ferrochloride, dat door het chloorgas wordt geoxydeerd tot ferrichloride.

2 Fe 4HCI = 2 FeCl2 4H

ijzer chloorwaterstofzuur ferrochloride waterstof

2 Fe Cl1 2 Cl = Fe2 Cl6

ferrochloride chloor ferrichloride

Ferro-zouten geven met kaliumferricyanide een neêrslag van ferriferro-ferrocyanide of Berlijnsch blauw 2), ferri-zouten daarentegen slechts een roodbruine verkleuring. De vloeistof zal dus niet meer blauw worden, als al het ferrochloride door het chloor in ferrichloride is omgezet.

1

) Over Ferro- en Ferri-verbindingen zie bij « Ferrum pulveratum.»

-ocr page 191-

T

i8i

112 din. Ijzer (2 Fe = 112) leveren volgens bovenstaande for-mulen 541 dln. Ferrichloride (Fe2Cle i2lIaO = 54i); 100 dln. ijzer derhalve 483 dln. ferrizout. De Pharniacopee laat dus de zoutoplossing uitdampen, totdat de geheele overmaat water is verdwenen en slechts het bij warmte vloeibare Zout is overgebleven, om dit bij bekoeling te laten kristalliseeren. Wordt echter de oplossing te ver ingedampt, dan geschiedt dit ten koste van het kristalwater van het Ferrichloride en wordt bij kristallisatie een zout verkegen met minder, bijv. 5 a 6 molec. kristalwater.

Ten einde reductie van het Zout tot ferrochloride te voorkomen, worde het zooveel mogelijk buiten het licht, en tegen vochtaan-trekking in goed gesloten flesschen bewaard.

Eigenschappen. Gele of bruinachtig gele, kristallijne stukken, die in de lucht vervloeien, reeds bij een zachte warmte (35° -40°) smelten en gemakkelijk in water (0.7), in spiritus en aether oplosbaar zijn. De waterige, zuur reageerende oplossing geeft met kaliumferrocyanide een neerslag van Berlijnsch blauw en met kaliumsulfocyanide eene donker bloedroode verkleuring van ferrisulfocyanide of rhodaanijzer. — Zilvernitraat brengt er een wit, vlokkig neerslag in te weeg, dat in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

pill

111

\'II

l\'i , \'

•Mi

1;

Onderzoek.

1°. De oplossing in ivater (1 = 100) blijve onder het koken helder. Slaat op een gehalte aan meer dan sporen onoplosbaar basisch zout, ferrioxychloride, ontstaan door dissociatie van het Zout, onder verlies van chloorwaterstofzuur, bij het te ver indampen of te hoog verhitten der ferrichloride-oplossing. De indamping geschiede dus voorzichtig op het waterbad 1).

2°. Voor het overige voldoe de oplossing van Ferrichloride in water (3 = 4) aan de kenmerken van zuiverheid, vermeld onder ^Ferrichlorideoplossing.quot; Zie bij „Solutio Chloreti ferrici.quot;

!\' tl

\\{. , Ij

j. jUi:

IHm

iülJ

\') Geringe hoeveelheden oxychloride kunnen beter herkend w orden door de afscheiding bij bekoeling van eenige vlokjes ferrihydroxyde, afkomstig van het basische zout, wanneer 200 mG. Ferrichloride, in 5 cM3. water opgelost, met 10 cM* volumetrisch thiosulfaat langzaam tot koken wordt verhit.

[Fe2 Cl6 4- Fe» (011)«] -f 3 Na* S* O3 = Fe\'^S-O^)1 Fca (O H)e -|- 6 Na Cl ferrioxychloride natrium ferri ferri natrium

thiosulfaat thiosulfaat hydroxyde chloride

iii\'

ji!

lil

J

-ocr page 192-

I 82

CHLORETUM FERRICUM HT CMLO-RETTM AMMONICUM.

F E R R 1- E N A M M ONIUMCMLORID E.

N. Ferrichlorideoplossing één deel..........i

Ammoniunuhloride vijf deelen..........5

Meng ze; droog liet mengsel onder voortdurend roeren op een waterbad en wrijf het fijn.

Een kristallijn, oranjekleurig poeder, dat in de lucht vochtig wordt en in 3 deelen water volkomen oplost.

H jt Ijzergehalte van het zout zij 2.69—2.86 pet., hetgeen bepaald wordt door 1 Grm, van liet Zout op te lossen in 25 cM3. water en 10 cM1. chloorwaterstofzuur, de oi)lossing tot 50° te verwarmen, met 5 cM3. ka-lium;odideoplossing (i=to) te vermengen en met voluraetrisch thiosul-faat te ontkleuren, waartoe vereischt wordt 4.8—5,1 cM\'.

Voor het overige voldoe de oplossing (1=3) aan de eischen van zuiverheid, onder „Ferrichlorideoplossingquot; voorgeschreven.

Samenstelling. Het preparaat is een mengsel der beide samen stellende zouten, ferri- en ammoniumchloride.

Bereiding. De droging moet op het waterbad plaats hebben, ten einde dissociatie van het ferrichloride en daardoor vorming van basisch ferrioxychloride door te hooge temperatuur te voorkomen. De bewerking geschiedt onder voortdurend roeren, ten einde het mengsel zoo innig mogelijk te doen zijn en dus de afzonderlijke afscheiding van elk der samenstellende deelen te voorkomen. Evenals Ferrichloride worde het in goed gesloten flesschen buiten het licht bewaard.

Eigenschappen. Een kristallijn, oranjekleurig poeder, dat in de lucht vochtig wordt en gemakkelijk in water (3), doch slechts gedeeltelijk in spiritus oplosbaar is. — In de waterige oplossing doet natronloog den reuk van ammoniak ontstaan onder afscheiding van een roodbruin neêrslag van ferrihydroxyde. —- Zilvernitraat brengt, na toevoeging van overmaat natronloog en filtratie, in het filtraat een wit, vlokkig neêrslag te weeg, dat in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

Onderzoek.

10. Een poeder, dat in 3 deelen water volkomen oplost. Slaat op een gehalte aan onoplosbaar ferrioxychloride.

-ocr page 193-

i «3

2°. Het IJzergehaltc van het zont zij 2.69—2.86 pet., hetgeen bepaald wordt door 1 Gnu. van het Zout op te lossen in 25 eJ/3. water en 10 cM*. ehloonvater stof zuur, de oplossing tot 50° te verwannen, met 5 cM*. kaliumjodideoplossing (1 -= 10) te vermengen en met volumetriseh thiosnlfaat te ontkleuren, ivaartoe vereiseht wordt 4.8 — 5.1 cM*. Ferrichlorideoplossing bevat 14.5-—-IS S Pct:-ijzer 1). Het voor de bereiding benoodigde 1 dl. Ferrichlorideoplossing bevat dus 0.145—0.155 dln. ijzer. Daar 1 dl. Ferrichlo-ride-oplossing bestaat uit f dln. Ferrichloride en dl. water, wat bij de bereiding verdampt, zal 0.145 o^SS ij261quot; vervat zijn in -} dln. Ferrichloride -|- 5 dln. Ammoniumchloride = 5f dln.

Ferri- en Ammoniumchloride. 1 Iet Zout bevat dus X 100 =

2.52—2.7 pet. ijzer. Bij de bereiding schijnt echter niet alleen het water der Ferrichloride-oplossing, doch ook een weinig kristalwater van het Ferrichloride te verdampen, waardoor het ijzergehalte iets hooger, 2.69 2.86 pet., wordt.

Bij de bepaling van het IJzergehaltc wordt door toevoeging van kaliumjodide-oplossing, onder reductie van het Ferrichloride, jodium vrij, dat bij titratie met natriumthiosulfaat weder gebonden wordt,

(Fe2ClB 12 H20) 2 KI = 2 Fe Cl2 2 KC1 12 IPO 2 I

ferrichloride kalium ferro kalium water jodium

jodide chloride chloride

zoodat zich dus de vloeistof ten slotte weder ontkleurt. Uit 2I -f- 2 (Na^ü3 5 1I2Ü) = 2NaI Na2S40B 5H10

iodium natriumthiosulfaat natrium natrium water

jodide tetrathionaai

nevensgaande formulen blijkt, dat 112 Grm. Ijzer (Fe2 = 112) correspondeeren met 254 Grm. jodium (2 I = 254) en deze wéér met 496 Grm. thiosnlfaat [2 (Na2S2ü3 5 1120) = 496]; 0.0269— 0.0286 Grm. Ijzer, in 1 Grm. van het Zout bevat, correspondeert

dus met ^ X (0.0269—0.0286) = 0.119—0.127 Grm. thiosnlfaat.

Volumetriseh Thiosnlfaat bevat 24.8 Grm. thiosnlfaat per lOoocAI3.2); 0.119—0.127 Grm. is dus vervat in 4.8—5.1 cM3.

\') Zie bij lt;1 Solutio Chloreti ferrici ».

■\') Zie lijst van Volumetrische Vloeistoffen.

-ocr page 194-

184

CHLORETUM H Y D R A R G Y R O-AMMONICUM.

ME RCURI-AMMONIUMCHLORIDE.

M ERCURIUS P R A E C I P I T A T US AI, Pgt; U S.

WIT PRECIPITAAT.

NT. Mcrcurkhloride één deel.............

Ammonia,

IFa/er, van elk een voldoende hoeveelheid.

Los liet mercunchloride op in 20 deelen warm water en voeg bij de heldere en bekoelde oplossing, onder voortdurend roeren, langzamerhand zoo veel ammonia, totdat de vloeistof even alkalisch is. Verzamel het neêr-slag, wasch het, nadat het vocht volkomen is afgevloeid, met 9 deelen water af en droog het op een donkere plaats, bij een temperatuur, die 30° niet overschrijdt.

Witte stukjes of een daarvan bereid poeder, dat door hitte, zonder vooraf te smelten, geheel vervluchtigt en daarbij ontleed wordt.

Mercuri-Ammoniumchloride is in water nagenoeg onoplosbaar.

Met natronloog verwarmd, wordt het geel en verspreidt het den reuk van ammoniak.

Met lost zonder op te bruisen volkomen op in verwarmd verdund azijnzuur.

Dit preparaat vervangt het Chloretum hydrargyricum et Amididum hydrargyricum der 2de Uitgave.

Samenstelling. NHïHgCl

Mercuri-Ammoniumchloride kan beschouwd worden als ammoniumchloride, NH4C1, waarin twee atomen waterstof der ammonium-, NH \'1, groep vervangen zijn door het tweewaardige metaal kwik.

Bereiding. Voor de bereiding van een constant preparaat moet het voorschrift der Pharmacopee in alle opzichten nauwkeurig worden gevolgd. Bij de inwerking toch van ammonia op mercuri-cliloride of omgekeerd ontstaan prepicitaten, welker samenstelling geheel verschillend kan zijn en vooral afhankelijk is van het bezigen eener overmaat ammonia, van de concentratie en de temperatuur der vochten , van de omstandigheid of de mercurichloride-oplossing bij de ammonia wordt gevoegd of omgekeerd, van de hoeveelheid

-ocr page 195-

i8S

gebezigd afwaschwater benevens de temperatuur daarvan, van den warmtegraad, waarbij gedroogd wordt, enz.

Uit de mercurichloride-oplossing vormt zich door toevoeging van overmaat ammonia mercurioxyde en ammoniumchloride, die

HgC!2 2 NH4HO = HgO 2 NH^Cl I P O

mercurichloride ammonia mercurioxyde ammoniumchloride water

zich onmiddellijk met elkander verbinden tot mercuri-ammonium-chloride.

HgO NH4C1 = NH5 HgCl II10

mercurioxyde ammonium mercuri-ammonium water

chloride chloride

Het neerslag moet met niet meer dan de voorgeschreven hoeveelheid water afgewasschen worden, omdat bij verder voortgezet afwasschen het Zout ontleed wordt en er zich geelrood, basisch oxydimercuriammoniumchloride vormt, dat het preparaat min of

2 NH\'HgCl I PC) = HgO.NFPHgCl -f NI PCI

mercuri- water oxydimercuri- ammonium

ammoniumchloride ammoniumchloride chloride

meer kleurt. Het drogen moet op een donkere plaats en bij lage temperatuur plaats hebben, omdat in \'t tegenovergestelde geval het Zout zich eveneens ontleedt onder reductie en vorming van mercurochloride, waardoor het min of meer grijs gekleurd wordt. Het moet daarom ook buiten den invloed van het licht bewaard worden.

Eigenschappen. Witte stukjes of een daarvan bereid wit poeder, dat door hitte, zonder vooraf te smelten, onder ontleding volkomen vervluchtigt. Het is in water en spiritus nagenoeg onoplosbaar, oplosbaar echter in warm verdund azijnzuur en salpeterzuur. —-Met natronloog verwarmd, wordt het door vorming van oxydimercuriammoniumchloride geel en verspreidt het den reuk van ammoniak. — In de azijnzure oplossing brengt zilvernitraat een wit, vlokkig neerslag te weeg, dat in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

Onderzoek.

i0. lVitte stukjes of een daarvan bereid poeder. Doelt op een zorgvuldige bereiding en bewaring.

2°. dat door hitte geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen,

-ocr page 196-

#//. A te , mv, ✓ ?

//^j ^ 1lt;rlt;r -5 * \' ^V/ /7 \' / 4

30. zonder vooraf tc smelten. Dit preparaat vervangt het C h 1 o-r et urn hydrargyricum et A mid id um hydrargyricum der 2de Uitgave, dat, bereid door precipitatie eener oplossing van 1 dl. mercuri- en 1 dl. ammoniumchloride met 4 dln. natrium-carbonaat, opgelost in t6 dln. water, eene eenigszins andere samenstelling bezit, (NH2HgCl, NH4C1), en smeltbaar is \').

40. en daarbij ontleed wordt. In tegenstelling van mercuri-en mercurochloride, die zonder ontleding sublimeeren.

50. Mercuri-Ammojiiumckloride is in water nagenoeg onoplosbaar. Afwezigheid van ammonium- en mercurichloride.

6°. Met natronloog verwarmd, wordt het geel en verspreidt het den reuk van atmnoniak. In onderscheid met mercurochloride en mercurichloride. Het eerste wordt door natronloog zwart, het tweede geel; beide rieken daarbij niet naar ammoniak.

70. Het lost zonder op tc bruisen op in verwarmd verdund azijnzuur. Het vroeger gebruikelijke C blo return hydrargyricum et Amididum hydrargyricum kan door de bereiding n a t r i u mcar b o 11 aat bevatten , dat met het zuur zou opbruisen.

8°. Het lost volkomen op in verwarmd verdund azijnzuur. Afwezigheid van mercurochloride, dat daarin onoplosbaar is.

C H LOR E T U M H Y DAR G Y R I C U M.

M E R C U R 1 C H L O R 1 D E.

MKRCURIUS SUHLIMATUS CORROSIVUS. SUI3UMAAT.

Kleurlooze, glanzende, zeer zware, naaldvormige kristallen, die door hitte smelten en daarna geheel in een wit, kristallijn sublimaat overgaan.

Mercurichloride is oplosbaar in aether, in 16 deelen water en in 3 deelen sterken spiritus.

De oplossing in water (1 = 20) reageert zuur; deze reactie verdwijnt

\') Dit preparaat kan beschouwd worden als twee moleculen ammoniumchloride,

(N\'II\'XN\'II\'X

^jjtjCl1, waarin twee atomen waterstof, van elk der ammonium-, Nil1, groepen

een, verv

(X\'IIX\'II3 \\ Nil \') ^2,

-ocr page 197-

18;

echter door toevoeging van natriumchloride. Dezelfde oplossing geeft met zilvernitraat een wit en met kalkwater in overmaat een geelrood neêrslag.

Wordt uit de oplossing van 500 mG. Mercurichloride net kwik door middel van zwavel waterstofgas afgescheiden, dan mag de vloeistof, na verdampt te zijn , niet meer dan een onweegbaar overschot achterlaten.

Samensitelling. HgCl2

Er bestaan twee reeksen van kwikverbindingen. In de eene, de mercLin- of hydrargynV«;«-verbindingen, treedt het kwik als tweewaardig metaal op. De andere, do mercurö- of hydrargyr, verbindingen, daarentegen bevatten de atoomgroep [Hg2], bestaande uit twee, tezamen tweewaardige atomen kwik.

Mercurichloride is dus het mercun- of hydrargynVww-zout van chloorwaterstofzuur. De twee atomen waterstof van twee moleculen chloorwaterstofzuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal kwik.

Bereiding. De bereiding geschiedt fabriekmatig door 5 dln. kwik bij verwarming op te lossen in 6—7 dln. zwavelzuur, de daardoor gevormde mercurisulfaat-oplossing tot droog te verdampen, het

Hg 2H:!S01 = HgSü4 4- SÜ2 2 IPO

kwik zwavelzuur mercurisulfaat zwaveldioxyde water

zout vervolgens innig te vermengen met 5 dln. fijngewreven natriumchloride en een weinig bruinsteen, mangaanperoxyde, en het mengsel ten slotte in eene glazen retort of kolf op het zandbad te sublimeeren.

HgSO4 2 NaCl = HgCl2 -I- Na2S04

mercurisulfaat natriumclilorirle mercurichloride natriumsulfaat

De toevoeging van bruinsteen dient, om met het natriumchloride en zwavelzuur chloor te ontwikkelen, dat mogelijk gevormd mer-curochloride in mercurichloride omzet.

2 NaCl 2 IPSO1 Mn O2 = Na2SO4 Mn SO4 Cl2 2 H20

natrium zwavelzuur mangaan natrium mangaan chloor water

chloride peroxyde sulfaat sulfaat

Hg2Cl2 -(- Cl2 = 2 HgCl2

mercurochloride chloor mercurichloride

Eigenschappen. Reuklooze, zeer zware, witte, halfdoorschijnende, kristallijne stukken of kleurlooze, glanzende, naaldvormige kristallen, die door hitte bij 265° smelten en vervolgens geheel

-ocr page 198-

188

vervluchtigen. Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in warm water (3), minder in koud (16), gemakkelijk ook in spiritus (3) en in aether (4). De oplossingen reageeren zuur. Ook zijn zij gemakkelijk oplosbaar in de chloriden der alkali-metalen, zooals ammonium- en natrium-chloride, waarmede zij neutrale dubbelzouten vormen. — Met zwavelwaterstof, druppelsgewijze toegevoegd, geeft mercurichloride-oplossing een aanvankelijk wit, daarna geel, vervolgens bruinrood en eindelijk zwart neerslag \'). Met kali-, natronloog of kalkwater in overmaat geeft zij een geel neerslag van mercuri-oxyde 2), met ammonia in overmaat een wit van mercuri-ammoniumchloride 3) en met kaliumjodide een rood precipitaat van mercurijodide 4), dat in overmaat kaliumjodide gemakkelijk oplost. Stannochloride geeft door reductie in de zoutoplossing een neerslag aanvankelijk van mercurochloride, later van metallisch, grauw, poedervormig kwik. De reductie van het Zout tot mercurochloride heeft in oplossing zelfs eenvoudig reeds plaats onder den invloed van het licht, vooral bij aanwezigheid van organische stoffen. — Zilver-

HgCl2 IPO = HgJCI5 2HCI -f O

mercurichloride water mercurochloride chloonvaterstofzuur zuurstof

nitraat geeft in de oplossing een wit neerslag van zilverchloride, onoplosbaar in salpeterzuur, gemakkelijk oplosbaar in ammonia.

Onderzoek.

1°. kristallen, die door hitte smelten. Onderscheid met mer-c u r i - a m m o 11 i u m chloride en m e r c u r o c h 1 o r i d e.

2U. en daarna geheel in een wit, kristallijn sublimaat overgaan. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen. Een geelwit of geelachtig sublimaat duidt op verontreiniging met mercurochloride.

3°. Mercurichloride is oplosbaar in aether, in ivater en in sterken spiritus. Onderscheid met mercurochloride en m e r c u r i-a m m o n i u m c h 1 o r i d e. Slaat ook op verontreiniging met arsenik, dat als mercuriarseniaat niet in aether zou oplossen.

*) Genoemde kleurschakeeringen berusten op de vorming van mercurisulfochloriden, x HgCl» -|- y Hg S, van verschillende samenstelling, afhankelijk van de hoeveelheid voorhanden nog onontleed mercurichloride en van door zwavelwaterstof gevormd mer-•curisulfide. Het eindresultaat is zwart mercurisulfide.

2) Zie bij « Aqua phagedaenica.»

3) Zie bij « Chloretum hydrargyro-ammonicum «.

Zie bij «Jodetum hydrargyricum ».

-ocr page 199-

189

4°. Wordt uit dc oplossing van 500 mG. Mercurichloridc het kivik door middel van zwavelwaterstof gas afgescheiden, dan mag de vloeistof, na verdampt te zijn, niet meer dan een onweegbaar overschot achterlaten 1). Afwezigheid van door zwavelwaterstof niet precipiteerbare verontreinigingen, bijv. natri u m chloride of -sulfaat. Sporen worden toegestaan.

C H L O R E T U M H Y D R A R G Y R O S U M.

M E R C U R O C H L O R 1 D E.

MERCURIUS DU!,CIS.

CALOMEL.

Het wordt verkregen door gesublimeerd Mercurochloricle fijn te wrijven en te slibben.

Een zeer fijn, geelachtig-wit, zwaar poeder, dat, als het verhit wordt, bijna zonder overschot en zonder te smelten sublimeert.

Met natronloog overgoten, wordt het zwart.

Met een weinig water mag Mercurochloride op blank ijzer, binnen een minuut, geen vlek doen ontstaan.

Samenstelling. Hg2CP

Mercurochloride is het mercurf- of hydrargynw«;«-zout van chloonvaterstofzuur. üe twee atomen waterstof van twee moleculen chloorwaterstofzuur zijn vervangen door de atoomgroep [Hg5], d. i. door twee tezamen tweewaardige atomen kwik.

Bereiding. Calomel kan bereid worden uit mercurichloride, door 4 dln. van dit zout, fijngewreven, door middel van een weinig spiritus innig te vermengen met 3 dln. kwik, zoodat geene kwikbolletjes meer kunnen worden waargenomen, dit mengsel op het zandbad onder omroeren voorzichtig te drogen en daarna over te brengen in ruime, voor niet meer dan een derde gevulde, met

x) In dit neerslag van mercurisuUïde kan een gehalte aan ar se nik opgespoord worden door uitschudding met verdunde ammonia (1=2), waarin mercurisulfide niet. arseentrisullide daarentegen wel oplost, dat zich na neutralisatie met chloorwaterstofzuur door een gele kleur of een geel neerslag verraadt.

-ocr page 200-

I go

een krijtprop los gesloten kookkolven. Deze worden zóó in \'t zandbad geplaatst, dat zij ter halver hoogte met zand gedekt zijn, waarna bij verhitting het mercurochloride sublimeert en zich aan \'t bovenste gedeelte der flesch afzet.

HgCl5 Hg = Hg 2 Cl2

mercurichloride kwik mercurochloride

Voor de fabriekmatige bereiding bezigt men het bij „Sublimaatquot; genoemde, uit kwik en zwavelzuur gevormde mercurisulfaat (6 dln.), vermengt dit, onder bevochtiging met water, innig met 4 dln. kwik, waardoor zich mercurosulfaat vormt, en sublimeert dit na droging met 3 dln. natriumchloride.

HgSO Hg = Hga SO4

mercurisulfaat kwik mercurosulfaat

Hg2SO4 -f 2 NaCl = Hg2 Cl2 Na2SO4

mercurosulfaat natriumchloride mercurochloride natriumsulfaat

Het dus verkregen Calomel wordt, ter zuivering van aanhangend sublimaat, in een onverglaasd porseleinen of in een agaten mortier tot zeer fijn poeder gewreven en daarna onder omroeren met koud water overgoten, dit water, waarin zeer fijn verdeeld Calomel, na een oogenblik staan afgegoten en dezelfde bewerking-herhaald, totdat al het Zout in een uiterst fijn poeder is overgegaan. Men verzamelt dit, wascht het op een filtrum zóó lang met water uit, totdat het sublimaatvrij is, zoodat ammonia of zilvernitraat in het afwaschwater geen witte troebeling van mercuri-ammonium- of zilverchloride meer doet ontstaan, en droogt het bij zeer zachte warmte buiten het licht, ten einde ontleding van het preparaat en vorming van sublimaat te voorkomen.

Eigenschappen. Een zeer fijn , geelachtig wit \'), reukloos, zwaar poeder, dat, als het verhit wordt, zonder te smelten geheel vervluchtigt. Het is onoplosbaar in water, spiritus en aether. — Met zwavelwaterstofwater overgoten wordt het zwart door mercuro-sulfide, met natronloog of kalkwater eveneens door mercuro-oxyde, ook met ammonia door mercuro-ammoniumchloride. De verdunde, salpeterzure oplossing geeft met zilvernitraat een wit neerslag, dat na neutralisatie in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

*) Onder drukking gewreven geeft het poeder een duidelijk gele streep.

-ocr page 201-

igi

Onderzoek.

iö. Het wordt verkregen door gesublimeerd Mcrcurochloride fijn te wrijven en te slibben. Behalve het door sublimatie verkregen Calomel onderscheidt men nog mercurochloride, dat langs den natten weg bereid wordt, het Chloreturn hydrargyrosum via hu mi da paratum, o. a. verkregen door precipitatie eener waterige oplossing van natriumchloride (3 = 20) met eene salpeterzure (2) oplossing van mercuronitraat (10) in water (90).

Hg1 (NO3)1 2 NaCl = Hg2Cl2 2 Na NO3

mercuronitraat natriumchloride mercurochloride natriumnitraat

Voorts onderscheidt men van het gesublimeerde, behalve het geslibde, nog een tweede soort Calomel, nl. het Chlo return hydrargyrosu m vapore paratum, verkregen door het gesublimeerde zout door verhitting te doen vervluchtigen en de dampen door een warnjen luchtstroom in eene ruimte te voeren, waar zij zich verdichten, of door de dampen gelijktijdig met die van water in een ballon op te vangen, waardoor zij bij bekoeling wederom tot een uiterst fijn poeder worden gecondenseerd, dat in een onder den ballon aangebracht vat in water wordt opgevangen.

Beide soorten onderscheiden zich van het door de Ph. voorgeschreven, geslibde Calomel voornamelijk, behalve door de zuiver witte kleur, door hare grootere fijnheid en haren minder kristallijnen vorm. Onder \'t mikroscoop nl. doet het geslibde, gesublimeerde Calomel zich voor als doorschijnende, kleinere of grootere kristalbrokjes.

Met langs den natten weg, door precipitatie verkregen zout doet zich daarentegen voor als een ondoorschijnend, zeer jjn, amorph poeder.

Het door damp verkregen mercurochloride houdt tusschen genoemde twee soorten het midden en bestaat uit half doorschijnende of slechts aan de kanten doorschijnende, kleine, onregelmatige stukjes, waartusschen eenige doorschijnende kristallen of kristalbrokjes.

20. Een zeer fijn poeder. Het Calomel der Fh. heeft de eigenschap, langzamerhand eenigszins korrelig te worden. Het Chlo return hydrargyrosum via humida en vapore paratum zijn zeer fijn en korrelen niet.

30. Een gee lach tig-wit poeder. In onderscheid met mercuri-chloride, dat een zuiver wit poeder levert. Ook de beide andere

-ocr page 202-

ig2

soorten Calomel, het Chloretum hydrargyrosum via humida en vapore paratum, zijn zuiver wit. Bovendien wordt Calomel onder invloed van licht en warmte, vooral bij aanwezigheid van vocht of van organische stoffen, ontleed onder vorming van mer-curichloride en afscheiding van kwik, waardoor het min of meer grijs wordt gekleurd 1). Het moet dus buiten den invloed van het licht bewaard worden.

Hg2Cl2 = Hg Cl2 Hg

mercurochloride mercurichloride kwik 4°. dat, als het verhit zvordt, bijna zonder overschot sublimeert. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen. Sporen worden toegestaan.

5°. en zonder te smelten. Onderscheid met mercurichloride en met het Chloretum hy drargy ricu m et Amididum hy drargy ricu m der 2lt;te Uitgave.

6°. Met natronloog overgoten, zuordt het zwart. Onderscheid met mercurichloride en mercuri-ammoniumchloride J), die daarbij geel worden.

7°. Met een weinig water mag Mercurochloride op blank ijzer, binnen een minuut. geen vlek doen ontstaan. Reactie op mogelijk voorhanden mercurichloride, dat onder reductie door het ijzer daarop een vlek van afgescheiden kwik zou doen ontstaan 3).

C H L O R E T U M N A T R I C U M.

N A T R IUMCHLORID E.

Een wit, kristallijn poeder, dat een niet lichtende vlam terstond en blijvend geel kleurt.

Natriumchloride geeft met 3 deelen water een heldere oplossing, die

1

) Metallisch kwik kan herkend worden door schudden met koud, verdund salpeterzuur (1=2), waarin het oplost en in welke oplossing het door zwavelwatei-stof, enz. kan worden aangetoond.

2

21 Mercuri-ammoniumchloride kan ontdekt worden door uittrekken met azijnzuur, waarin het oplosbaar is, en behandeling dezer oplossing met zwavelwaterstof, enz.

3

=) Een gehalte aan mercurichloride kan ook geconstateerd worden, door ( firm, van het Zout met 10 cM3. water te schudden en daarna te liltreeren, waarbij in \'t filtraat noch door zilvernitraat, noch door zwavel waterstofgas of stannochloride eene troebeling of kleuring mag ontstaan.

-ocr page 203-

193

neutraal reageert en met zilvernitraat een wit, vlokkig neêrslag geeft, dat in ammonia gemakkelijk oplost.

De oplossing in water (1 = 20) worde niet troebel door bar/umchloride of door natriumcarbonaat, en niet gekleurd noch door Nessler\'s reagens, noch door zwavelwaterstof, noch door zwavelammonium.

Samenstelling. Na Cl

Het natriumzout van chloorwaterstofzuur. Met atoom waterstof van dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal natrium.

Bereiding. Deze berust op eene zuivering van het ruwe keukenzout, dat gewoonlijk verontreinigd is met calcium- en magnesiumchloriden en -sulfaten. Men lost dit daartoe in water (1=4) op en voegt bij de verwarmde oplossing zoo veel eener oplossing van barythydraat, dat er geen neêrslag meer ontstaat. Hierdoor worden aanwezig sulfaat als baryumsulfaat en magne-

NaïS04 -f Ba(OH)2 = Ba SO4 2 Na(OH)

natriumsulfaat barythydraat baryumsulfaat natriumhydroxyde

MgCl2 -f Ba(OH)1 = Mg(OH)2 BaCl1

magnesiumchloride barythydraat magnesiumhydroxyde baryumchlorlde

siumzouten als magnesiumhydroxyde neergeslagen, terwijl tevens gevormd natriumhydroxyde en baryumchloride oplossen. Men filtreert het neêrslag af en voegt daarna eene oplossing van natriumcarbonaat in geringe overmaat toe. Hierdoor worden: 1°. aanwezige calciumzouten als calciumcarbonaat, 20. de overmaat barythydraat en het gevormde baryumchloride als baryum-carbonaat en 3quot;. sporen nog opgelost magnesiumhydroxyde als niagnesiumcarbonaat neêrgeslagen. Na filtratie worden het natriumhydroxyde en de overmaat toegevoegd natriumcarbonaat met chloorwaterstofzuur geneutraliseerd, totdat geen kooldioxyde meer ontwijkt, waarbij natriumchloride ontstaat. Eindelijk dampt men de aldus gereinigde zoutoplossing uit, laat kristalliseeren, droogt het Zout en bewaart het tegen vocht in goed sluitende of kalk-stopflesschen.

Eigenschappen. Een wit, kristallijn, reukloos, sterk zout smakend poeder, dat tot een neutrale vloeistof gemakkelijk oplost in water (2.cS), doch moeilijk in spiritus (125). — Het kleurt onder een knetterend geluid een niet lichtende vlam terstond en blijvend geel. — De waterige oplossing geeft met zilvernitraat een wil, vlokkig neêrslag, dat in ammonia gemakkelijk oplost.

13

-ocr page 204-

194

Onderzoek.

i0. Een poeder, dat een niet lichtende vlam terstond en blijvend geel kleurt. Eene voorbijgaand violetroodo kleuring der vlam, vooral door kobaltglas goed waar te nemen, zou op verontreiniging met kaliuinzout wijzen.

2°. Een oplossing\', die met zilvernitreiat, cm wit, vlokkig neér-slag geeft, dat in animo niii^gcm alike lijk oplost. In onderscheid met natriu m br omide en -jodide, waarvan het neerslag met zilvernitraat geehvit en in ammonia moeilijk oplosbaar of onop-losba^x-tóT

3quot;. De oplossing in water (i = 20) worde niet troebel door harynmchloride. Reactie op sulfaat.

4°. of door natriumearbonaat. Reactie op calcium-, b a r y u m-en maguesiu inzouten.

5°. en niet gekleurd noch door Nessier\'s reagens. Reactie op a m m o 11 i u m zout.

6°. noch door zwavelwaterstof, noch door zwavelammoniuni. Reactie op zware metalen als lood, koper, tin, ijzer en zink.

C H LOROFORMU M.

C H L O R O F ü R M.

Een kleurlooze, doordringend riekende, zeer vluchtige vloeistof van 1.485—1.490 soort. gew. en 610—62° kookpunt, die in water weinig,doch gemakkelijk in sterken spiritus, in aether en in vette oliën oplosbaar is.

Op filtreerpapier verdampend, verspreide zij geen vreemden reuk en late geen vlek achter.

Als 4 cM3. water met 2 cM3. Chloroform geschud wordt, mag het volumen der laatste niut merkbaar verminderen; ook mag dit water niet zuur reageeren en evenmin troebel of gekleurd worden door zilvernitraat of door kaliumjodidestijfsel.

Wordt s cM3. Chloroform met 5 cM3. zwavelzuur geschud, dan mag geen der beide vloeistoffen gekleurd worden.

Chloroform, ter inhalatie bestemd, voldoe bovendien aan de volgende eischen:

Als 5 cM3. van die Chloroform met haar eigen volumen zwavelzuur geschud wordt, dan moeten beide vloeistoffen, zelfs na 24 uur met elkander in aanraking te zijn geweest, kleurloos blijven.

-ocr page 205-

195

Voorts mag die Chloroform, bij het schudden met verwarmde natronloog, deze niet kleuren, noch zelve gekleurd worden.

lo cM3. dezer Chloroform mag 2 cM3. van een uit 149 cM3. water en 1 cM3. volumetrisch alkali samengesteld en door een droppel phonol-phtaleïne rood gekleurd vocht, bij liet schudden daarmede in een gesloten tleschje, zelfs na 24 uur, niet ontkleuren.

Samenstelling. CHC15

Chloroform is trichloormethane, d. i. methane, CH4, de eerste koolwaterstof der CnH2U \'-reeks 1), waarin drie atomen waterstof door chloor vervangen zijn.

Bereiding. De gewone bereidingswijzen van Chloroform berusten op de inwerking van chloor op (aethyl-)alcohol in tegenwoordigheid van een base. Het eerste product dezer inwerking kan men

C2H5.OH 4-2CI = C\'H\'.OH 2HCI

aethylalcohol chloor acetalclehyde chloorwaterstofzuur

zich voorstellen te zijn het aldehyde van den alcohol, het tweede C5H3.OH 6C1 = C2C13.0H 3 HC1

acetalclehyde chloor trichlooracetaldehyde chloor

of waterstofzuur

chloral

een trichloor-aldehycle daarvan, dat in de derde plaats door de base ontleed wordt in chloroform en een mierezuurzout.

C2Cl3.OIT Na HO = CHC13 H.COONa

trichlooracetaldehyde natrium chloroform natrlumformiaat

of hydroxy de

chloral

a. Alcohol-Chloroform. Bij de oudste bereidingswijze bezigt men, in plaats van het chloor en de base elk afzonderlijk, deze tesaamgebonden in den vorm van chloorkalk. Men mengt in een ruimen destilleerketel 25 dln. chloorkalk van 30 pet. 2) met 100 dln. water aan, voegt 5 dln. sterken spiritus daaraan toe, sluit vervolgens den ketel en verwarmt langzamerhand tot 450 a 50°. Men breekt daarna de verwarming af, wijl zich bij de intredende chemische werking genoegzaam warmte ontwikkelt om de chloroform te doen destilleeren. Aan het einde der bewerking kan overigens de destillatie weder door een weinig warmte ondersteund worden.

*) Zie bij (.lt; Acidum aceticum ».

») Zie over chloor-bepaling bij « Solutio Chlorii »,

-ocr page 206-

196

Het na afkoeling opgevangen destillaat scheidt zich bij rust in twee lagen, waarvan de onderste bestaat uit ruwe chloroform, de bovenste uit verdunden spiritus, waarin, naast een weinig chloroform, tal van bijproducten der bereiding zijn opgelost, zooals: chloorwaterstofzuur, vrij chloor, aldehyde, chloral, trichloorazijn-zuur, onderscheidene andere gechloorde aethanen, zooals; aethyl-chloride, CIP.CIPCI, aethylideenchloride, CH\'.CHCl1, aethyleen-chloride, CHJCl.CHaCl, tetrachloormethane, CC12, enz.

De door een scheitrechter afgezonderde ruwe chloroform wordt ter reiniging van genoemde stoffen herhaaldelijk met water afge-wasschen en daarna gedurende eenige dagen zoolang met zwavelzuur geschud, dat dit door bovengenoemde vreemde chloorsubsti-tutieproducten niet meer gekleurd wordt. Daarna wordt zij met eene verdunde oplossing van natriumcarbonaat en vervolgens met water nagewasschen, sporen aanhangend water door schudden met chloorcalcium verwijderd eti ten slotte in \'t waterbad bij ongeveer 600 gerectificeerd.

b. Chloral-Chloroform. De aldus genoemde Chloroform bereidt men fabriekmatig door ontleding van chloral met een base, natronloog. Het chloral wordt verkregen door langdurig chloorgas in spiritus te leiden; men schudt de vloeistof daarna nog warm met zwavelzuur, waardoor zich bij bekoeling een polymeer van chloral, het metachloral, aan de oppervlakte verzamelt Dit wordt met water afgewasschen en bij zachte warmte met 3 dln. natronloog van 1.1 soort. gew. eenigen tijd gedigereerd, de daardoor gevormde chloroform afgedestilleerd, op de boven beschreven wijze gereinigd en ten slotte gerectificeerd.

c. Aceton-Chloroform. In den laatsten tijd bezigt men, in plaats van den alcohol, veelvuldig terstond het aldehyde. Men gat^t daartoe uit van aceton ^), dat, door chloor in trichlooraceton omga-

1

^ Aceton, een belangrijk bestanddeel van houtgeest, dat tevens bij de fabriekmatige

2

van azijnzure zouten, is het aldehyde, de keton, van den scantdairen of /V^propyl-

-ocr page 207-

197

zet, door een base ontleed wordt in chloroform en een azijn-zuurzout.

CIP.CO.CCI1 Na HO = CHC13 f CH\'.COONa

trichlooraceton natriumhydroxyde chloroform n atriumacetaat

Aceton wordt, met 3 dln. water verdund, langzaam vermengd onder 12.5 dln. chloorkalk van 30 pet., met 30 dln. water aangeroerd en verder als boven gedestilleerd. De bewerking verloopt zonder kunstmatige verwarming; alleen aan \'t einde wordt de gevormde chloroform door zachte verwarming uitgedreven, waarna zij verder wordt gezuiverd en gerectificeerd 2 j.

Door toevoeging van alcohol wordt ten slotte de op een of andere wijze verkregen chloroform op het verlangde soort. gew. gebracht.

Eigenschappen. De Chloroform der Pharmacopee is een heldere, bewegelijke, kleurlooze, doordringend riekende, zoet smakende, zeer vluchtige vloeistof van 1.485—-1.490 soort. gew. met een kookpunt van 610—62°, die in water weinig (140), doch gemakkelijk en in elke verhouding in sterken spiritus, aether en oliën, daarentegen niet in glycerine oplosbaar is.

1

vangen. liet soort. gew. van deze Chloroform bedraagt 1.5001 —1.5004, het kookpunt 60.9°—61.1°. Bij verdamping laat zij nauwelijks iets terug. Somtijds bevat zij nog sporen van alcohol; trouwens, evenals de andere Chloroform-soorten wordt ook die van Pictet, spiritus-vrij. door licht en lucht ontleed.

2

) De meest zuivere Chloroform is de Chloroform Piet et. /ij wordt uit bovengenoemde Chloroform-soorten bereid door afkoeling tot —82° door middel van z. g. Pictetsche vloeistof, d. i. vloeibaar zwaveldioxyde, waaraan 2 pet. vast kooldioxyde is toegevoegd. Daardoor scheidt zich ongeveer 1/,l van de Chloroform als kristallen af.

-ocr page 208-

198

Een droppel Chloroform, met eenig spiritueuse natronloog en een droppel aniline of een weinig van een derivaat daarvan, bijv. acetanilide, gekookt, verspreidt een doordringenden, onaangenamen reuk van vergiftig isocyaanphenyl 1).

Een droppel Chloroform, verwarmd met eene oplossing van 100 mG. metadioxybenzol (resorcine) in 2 cMs. water, waaraan toegevoegd eenige droppels natronloog, geeft eene geelroode, zelfs bij sterke verdunning, nog prachtig fluoresceerende vloeistof.

Een paar droppels Chloroform, met 50 mG. naphtol en 2 cM3. sterke kaliloog (1=2) zacht verwarmd, geeft een fraai blauw gekleurde vloeistof, welke kleur aan de lucht eerst in groen, daarna in bruin overgaat.

Een paar droppels Chloroform, met een weinig ammonium-chlor\'de en spiritueuse kali- of natronloog gedurende eenigen tijd zeer zacht in het waterbad verwarmd, geeft een cyaanhoudende vloeistof, welke door ferrosulfaat en ferrichloride-oplossing, na zuur gemaakt te zijn, blauw wordt neergeslagen 2).

CHC13 -f 2 NH3 -f 3 KHO = NH4.CN -f- 3 KC1 -f 3 H20

chloroform ammoniak kaliloog ammonium kalium water

cyanide chloride

Onderzoek.

1°. Een vloeistof van 1.485—1.490 soort. geiv. en 610—62° kookpunt. Volgens het opgegeven soort. gew. en kookpunt bedoelt de Pharmacopee een Chloroform met een gering gehalte, ongeveer 1 pet., aan spiritus. Deze toevoeging dient, om de zeer gemakkelijke ontleding van Chloroform, aan lucht en licht blootgesteld, onder vorming van verschillende ontledingsproducten als; chloor, chloorwaterstofzuur, chloorkoolmonoxyde of phosgeengas, enz. tegen te gaan, reden waarom ook Chloroform in niet te groote.

\') Zie bij « Acetanilidum ».

Zie bij « Aqua Laurocerasi ». Cyaanwaterstofzuur kan, ook in Laurierkerswater, verder aangetoond worden door de bloedroode kleur van femsulfocyanide, rhodaaa-ijzer, welke, na neutralisatie met kali- of natronloog, indamping met eenige droppels zwavel ammonium en liltratie, door toevoeging van ferrichloride in de vooraf aange-zuurde vloeistof ontstaat.

KCN (NHquot;)gt;S\' = KCNS (NH\')gt;S kalium ammonium kalium ammonium cyanide disulfide sulfocyanide sulfide

6 KCNS -f Fequot;Cl» = Fe2(CNS)quot; 6 KC1 kaliumsulfocyanide ferrichloride ferrisulfocyanide kaliumchloride

-ocr page 209-

199

goed sluitende flesschen buiten het licht en op eene koele plaats moet worden bewaard.

2 CHC13 30 = 2COCI2 4- 2CI H2O

chloroform zuurstof chloorkoolmonoxyde chloor water

CHCl3 -f O = COC12 -f HC1

chloroform zuurstof chloorkoolmonoxyde chloorwaterstofzuur

Een te groot gehalte aan alcohol verlaagt zoowel het soort. gew. als het kookpunt; een gehalte aan chloorsub-stitutieproducten van aethyl- of amylalcohol, bijx\'. aethyleenchloride en tetrachloormethane, verhoogen ze.

20. Op filtreerpapicr verdampend, verspreide zij geen vreemden reuk en late geen vlek achter. Slaat op de afwezigheid van verschillende, hetzij min of meer vaste of olieachtig vloeibare bijproducten , ontstaan bij de bereiding door \'t gebruik van min of meer foezelhoudenden spiritus. Een scherpe, prikkelende reuk-kan ook afkomstig zijn van chloorkoolmonoxyde of phos-ge en gas. De reuk van zuivere Chloroform moet zoetachtig-zacht zijn.

30. Als 4 fJIP. water met 2 cM1. Chloroform geschud wordt, mag het volumen der laatste niet merkbaar verminderen. Slaat op een te groot gehalte aan alcohol. Men bezigt hiervoor het aetherproefbuisje \').

40. ook vuig dit loater niet zuur reageer en. Afwezigheid van vrije zuren als: chloor waterstof z u u r, z w a v e 1 z u u r, a z ij n-zu u r en tr ich 1 oo razij nz u u r.

50. en evenmin troebel of gekleurd worden door zilvernitraat. Afwezigheid van chloorwaterstofzuur, dat een wit neerslag van chloorzilver, en van aldehyde, dat een zwart van gereduceerd zilver zou geven.

6°. of door kaliumjodidestijfsel. Reactie op vrij chloor, dat jodium vrij zou maken, wat stijfsel blauw kleurt.

70. Wordt 5 cAP. Chloroform met 5 cMz. zwavelzuur geschud, dan mag geen der beide vloeistoffen gekleurd \'worden. Reactie op vreemde chloorsubstitutieproducten van acthyl-en amylalcohol, zooals; aethylchloride, aethylideenchloride, aethyleenchloride, enz., waardoor de vloeistof min of meer geel tot bruin gekleurd wordt.

1

Zie bij « Acelas aethylicus ».

-ocr page 210-

200

8Ö. Chloroform, ter inhalatie bestemd, voldoe bovendien aan de volgende cischen :

a. Als 5 fvl/3. van die Chloroform met haar eigen volumen zwavehnur geschud vuordt, dan moeten beide vloeistoffen, zelfs na 24 uur met elkander in aanraking te zijn geweest, kleurloos blijven.

b. Voorts mag die Chloroform, bij het schudden met verwarmde natronloog, deze niet kleuren, noch zelve gekleurd worden.

c. 10 eJIJ3. dezer Chloroform mag 2 cAP. van een uit 149 cM*. zvater en 1 cM3. volumetrisch alkali samengesteld en door een droppelphenolphtale\'ine roodgekleurd vocht, bij het schudden daarmede in een gesloten jleschje, zelfs na 24 uur, niet ontkleuren.

Voor Chloroform, die niet alleen voor gewoon uitwendig gebruik, doch tevens voor narcose wordt aangewend, stelt de l\'h. door bovenstaande reaction bizondere, strengere eischen. Door de eerste reactie verlangt zij volkomen afwezigheid van bo ven-genoemde vreemde chloorsubstitutieproducten van den alcohol, door de tweede die van aldehyde, door de derde die van zure stoffen, als: k o o 1 d i o x y d e, a z ij n -zuur, chloorwaterstofzuur, zwavelzuur, a z ij 11 z u u r , trichloorazijnzuu r. Ook mogelijk aanwezige stoffen als aldehyde en samengestelde aethers als; c h 1 o o r k 001 z u re aethyl-aether, CïHs.CC102, acthy Ifor m i aat en -acetaat zullen na eenigen tijd de phenolphtaleïne doen ontkleuren.

CHRYSAROBINUM.

CHRYSAROBINE.

Een geel, reuk- en smaakloos poeder, uit Goapoeder verkregen, dat door hitte smelt en zonder iets achter te laten verbrandt.

In water is het nagenoeg onoplosbaar; sterke spiritus en aether worden er duidelijk geel door gekleurd. Kokende benzol lost het bijna geheel en met een bruinroode kleur op.

In alkaliën lost Chrysarobine op niet een bruinroode kleur, die in de lucht purperrood wordt.

Met zwavelzuur geeft zij een bloedrood vocht, dat, met water verdund, de Chrysarobine met hare oorspronkelijke eigenschappen weder afscheidt.

Als Acidum chrysophanicum is voorgeschreven, mag Chrysarobine gegeven worden.

-ocr page 211-

20I

Samenstelling. C30H2CO7

Chrysarobine in zuiveren staat is een phenolachtig lichaam van bovenstaande samenstelling. De Chrysarobine der Pharmacopee bestaat minstens voor 90 pet. hieruit en kan overigens nog ongeveer 10 pet., ook in benzol oplosbare onzuiverheden bevatten.

Bereiding. In spleten en holle ruimten van het hout der Andira araroba Aguiar, een boom uit de familie der l\'api-lionaceae, thuis behoorende in Brazilië, komt een bruingeel poeder, het Goa- of Arlt;m^rt-poeder, ook Pok di Bahia, voor. Waarschijnlijk is het een vast oxydatieproduct van eene oorspronkelijk vloeibare, in afgestorven cellen voorkomende hars. Dit poeder bestaat naast vele onzuiverheden gedeeltelijk uit Chrysarobine, die men er door kokenden benzol uittrekt en na filtratie daaruit laat kristalliseeren. Ter zuivering wordt zij uit azijnzuur omgekristalliseerd en daarna fijngewreven.

Eigenschappen. Een kristallijn, geel, reuk- en smaakloos poeder, dat bij 170°—178° smelt, volkomen vluchtig en verbrandbaar is. In water is het nagenoeg onoplosbaar, moeilijk in kouden of warmen (150) spiritus en aether (230), die er duidelijk geel, gemakkelijker in kokenden benzol (33), die er bruinrood door gekleurd wordt.

In alkaliën lost het op met een bruinroode kleur, welke bij schudden aan de lucht purperrood wordt door oxydatie onder vorming van chrysophaanzuur.

C30H1 G07 40 = 2 C1 s H1 0 O4 3 IPO

chrysarobine zuurstof chrysophaanzuur water

Ammonia, met het poeder geschud, wordt eveneens naeenigen tijd karmozijnrood gekleurd.

In zwavelzuur lost het met een bloedroode kleur op; met water verdund, wordt de Chrysarobine weder met hare oorspronkelijke eigenschappen uit deze oplossing afgescheiden.

Wordt 1 mG. Chrysarobine op c\'c:n droppel rood-rookend salpeterzuur uitgestrooid en de roode vloeistof in een dunne laag uitgespreid, dan ontstaat bij aanstippen met ammonia eene violette kleur.

Daar Chrysarobine en Acidum chrysophanicum in nauw verband met elkander staan, het eerste door oxydatie in het laatste overgaat, de therapeutische werking van beide op hun oxydatiever-mogen berust en daardoor veeltijds verwarring bij liet voorschrij-

-ocr page 212-

202

ven bestaat, staat de Pharmacopee toe, dat, als Acidum chr3rso-phanicum is voorgeschreven, Chrysarobine daarvoor gegeven mag worden.

Onderzoek.

1°. Een poeder, dat zonder iets achter te laten verbrandt. Afwezigheid van minerale stoffen.

2°. Kokende benzol lost het bijna geheel op. In onderscheid met het Goa-poeder, hetzij ruw of gezuiverd, dat door zijn gehalte aan houtdeelen als anderszins slechts gedeeltelijk in warmen benzol oplosbaar is.

CITRAS MAGNESICUS EFFERVESCENS.

BRUISMAGNESIA.

N. Poeder van Citroenzuur dertig deelen.......30

Wrijf het nauwkeurig met

Water vier deelen..............4

en meng er onder

Magnesiumcarbonaat tien deelen.........10

Laat dit mengsel op een droge plaats bij de gewone temperatuur vast worden; wrijf het fijn; droog het boven ongebluschte kalk en meng het met Poeder van Natriumhydrocarbonaat vier en dertig deelen 34

Poeder van Citroenzuur zestien deelen.......16

Poeder van Suiker tien deelen..........10

elk afzonderlijk bij ongeveer 30° gedroogd.

Breng dit mengsel, door het met absoluten alcohol te bevochtigen, tot samenhang, droog het en maak er een grofkorrelig poeder (A 3) van.

Bruismagnesia geve met water een ruime ontwikkeling van koolzuur en dan een heldere, zwak zuur reageerende vloeistof.

Samenstelling.

Hoofdbestanddeel der Bruismagnesia is amorph magnesium-citraat, (CGH507)2Mg3 11 H20, het aan elf molec. water gebonden, normale magnesiumzout van citroenzuur, te beschouwen als twee molec. van dit zuur 1), waarin de zes atomen waterstof der carboxyl-, COOH, groepen vervangen zijn door drie atomen van het tweewaardige metaal magnesium.

gt;) Zie bij «Acidum citricum ».

-ocr page 213-

203

Overigens bevat Bruismagnesia, naast een geringe overmaat citroenzuur en de smaakverbeterende suiker, een mengsel van natriumhydrocarbonaat en citroenzuur, dat bij het gebruik der Magnesia door overgieting met water, onder vorming van natriumcitraat, eene ruime ontwikkeling van kool-d i o x y d e geeft.

3 Na HCO3 (C(iII8ü7 H20) = CGns07.Na3 3 CC)2 4 H20

natrium citroenzuur natriumcitraat kool water

hydrocarbonaat 210 dioxyde

252

Bereiding. Van het magnesiumcitraat bestaan twee modificatiën, nl. het amorphe, gemakkelijk in water (2) oplosbare met 11 molec. en het kristallijnc, moeilijk in water (100) oplosbare zout met 14 molec. water. Het eerste gaat, vooral bij aanraking met vocht of bij verhooging van temperatuur, langzamerhand in het laatste over. Daar het de bedoeling is, door het preparaat een gemakkelijk oplosbaar magnesiumzout toe te dienen, moet dus bij de bereiding vooral gelet worden op een zoo gering mogelijk gebruik van water en vermijding van een te hoogen warmtegraad \'). Overigens wordt de oplosbaarheid van het zout bij Bruismagnesia nog verhoogd door de overmaat citroenzuur en het bij \'t gebruik gevormde natriumcitraat, waardoor het magnesiumcitraat tijdens de oplossing allengs in een gemakkelijk oplosbaar natrium-magnesiumcitraat wordt omgezet.

Het eerste gedeelte der voorgeschreven bereidingswijze bestaat in de vorming van het amorphe magnesiumcitraat. Daar ongeveer 1400 dln. tnagnesiumcarbonaat 2100 dln. citroenzuur en 270 dln.

3 [4MgCO3 -f Mg(OH)2 4 H2O] -f 1 o(C811quot;O7 II2O) 15 H2O =

magnesiumcarbonaat citroenzuur water

1398 2100 270

5 [(C0HsO7)2Mg3 11 H20] 12 CO2

magnesiumcitraat kool

amorph dioxyde

water noodig hebben voor de omzetting in het citraat, zullen 10 dln. magnesia ongeveer 1 5 dln. zuur en 2 dln. water daartoe behoeven. Bij de bereiding wordt dus van een overmaat van het

) De l\'h. schrijft daarom droging boven ongebluschte kalk voor. Het mengsel is echter op deze wijze moeilijk en slechts na langen tijd droog te krijgen, waarom voorzichtige droging bij ongeveer 30° wenschelijker is.

-ocr page 214-

204

laatste gebruik gemaakt, wat voor eene geschikte ondereenmenging der ingrediënten noodzakelijk is. Overigens dient de groote overmaat van citroenzuur, om de vorming van onoplosbaar citraat tijdens de droging tegen te gaan, terwijl bij het tweede gedeelte der bereiding — de vermenging met natriumhydrocarbonaat en citroenzuur — het te kort aan zuur daardoor wordt aangevuld. 252 Dln. Natriumcarbonaat toch behoeven 210 dln. citroenzuur, om in natriumcitraat te worden omgezet; 34 dln. van het eerste dus ongeveer 28 dln. van het laatste. Daar 16 dln. citroenzuur zijn voorgeschreven, is er dus een tekort van 12 dln. bij een overmaat van 15 dln. gedurende de eerste bereiding. Er blijft dus een overmaat van ongeveer 3 dln. citroenzuur in het preparaat voorhanden.

De droging van het natriumhydrocarbonaat moet bij zoo laag mogelijke temperatuur, hoogstens 30°, plaats hebben, ten einde verlies aan kooldioxyde te voorkomen \'), terwijl de vermenging met het magnesiumcitraat plaats heeft door middel van absoluten alcohol en niet door water, ten einde daardoor verlies van kooldioxyde, ontwikkeld uit het carbonaat en het zuur, zooveel mogelijk tegen te gaan, tevens om een spoedig drogend preparaat te verkrijgen.

Nadat het mengsel door den alcohol even tot samenhang is gebracht, wordt de massa door een zeef van opgegeven wijdte gewreven en de korrels opgevangen op een stuk papier, dat op een plaat ligt, die een temperatuur heeft van ongeveer 40° 1).

Eigenschappen. Bruismagnesia is een droog, wit, grofkorrelig poeder, dat met water, onder ruime ontwikkeling van kooldioxyde, een heldere, door de overmaat citroenzuur zwak zuur reageerende vloeistof geeft. — Het poeder kleurt een niet lichtende vlam blijvend en sterk geel. — De waterige oplossing geeft, na met ammonia oververzadigd te zijn, een neerslag met natriumphosphaat

1

) Een zeer goed voorschrift voor eene terstond helder oplossende Bruismagnesia, die bovendien minder vrij zuur bevat, is het volgende: 10 dln. carb. magnes. cryst, (bereid door 10 dln. magnesiumsulfaat, opgelost in 30 dln. water, beneden I20lepieci-piteeren met 12 dln. natriumcarbonaat, in 12 dln. water opgelost, en de na 24 uren afgescheiden kristalkorsten met water af te wasschen, totdat alle sulfaat verdwenen is), 25 dln. bicarb, natric., 28 dln. sacchai. alb. en 37 dln. acid. citric. Na droging bij ongeveer 30° worden de ingrediënten onder elkander gemengd en daarna met zooveel sterken spiritus bevochtigd, dat de massa even aan elkander hangt, waarna men er op dezelfde wij/.e een grofkorrelig poeder van maakt.

-ocr page 215-

20S

van magnesium-ammoniumphosphaat. Met overmaat kalkwatcr vermengd, geeft zij een neerslag van magnesiumhydroxyde, — Wordt deze vloeistof gekookt en na bekoeling gefiltreerd, dan wordt het filtraat bij verwarming troebel door afgescheiden calciumcitraat, dat bij bekoeling wederom oplost.

Onderzoek.

i0. Brnismagnesia geve met water een ruime ontivikkeling van koolzuur en dan een heldere, zzvak zuur reageerende vloeistof. Slaat op eene nauwkeurige bereiding van het preparaat. Ook bij eene minder zorgvuldige bewaring verliest het door aantrekking van vocht aan de lucht langzamerhand kooldioxyde en gaat het oorspronkelijk oplosbare, amorphe citraat in de moeilijk oplosbare, kristallijne modificatie over. Men beware het dus in goed gesloten flesschen, liefst in een kalkstopflesch, op eene droge plaats \'),

C O D E I N U M.

C O D E I N E.

Kleurlooze, eenigszins doorschijnende kristallen, die, op een waterbad verwarmd, 6 pet. water verliezen, bij ongeveer 150° smelten en, in de lucht verhit, zonder overschot verbranden.

Zij zijn oplosbaar in sterken spiritus, in aether, in chloroform en in 130 deelen koud water. De oplossing in water smaakt bitter en reageert alkalisch.

In kokend water smelt Codeïne, alvorens opgelost te worden, tot een olieachtige vloeistof, die onder het bekoelen tot kristallen stolt.

Codeïne geeft met zwavelzuur een kleurlooze oplossing, die, met zeer weinig ferrichloride verwarmd, donkerblauw wordt.

De oplossing van 1 mG. kaliumferricyanide in 10 cM3. water, met 2 droppels ferrichloride vermengd, mag, na toevoeging van een oplossing van 5 mG. Codeïne in r cM3. water en 1 droppel chloorwaterstofzuur, niet terstond groen of blauw worden.

Samenstelling.

C\'11H21NO3 HjO = C\' ^-I1 7NO(OH)(OCH3) -f IPO

De oplossing in water (1=5) mag met een gelijk volumen kaliumacetaatoplos-sing (1 = 3) geen neerslag geven. Reactie op \\v ij n s l e e n z u u r.

-ocr page 216-

2o6

Codeïne behoort tot de alkaloïden, eene reeks van basische, stikstof houdende, organische lichamen, die, hetzij kunstmatig daar-gesteld of uit het planten- of dierenrijk gewonnen, zich physiolo-gisch gewoonlijk kenmerken door eene bizondere, dikwerf zeer heftige of doodelijke werking op het dierlijk lichaam. Chemisch bestaan zij uit koolstof, waterstof en stikstof en bevatten, op enkele uitzonderingen na, ook zuurstof. Overigens moeten zij gerekend worden tot de organische ammoniakderivaten en wel meer bepaaldelijk tot de tertiaire aminen \'), terwijl de meesten nog nader als pyyidine-ha.sen 1) kunnen beschouwd worden.

Codeïne is een der alkaloïden, welke in het Opium voorkomen, evenals de morphine, waarmede liet chemisch nauw verwant is. Het kan nl. beschouwd worden als eene homologe methylverbin-ding van morphine, als methylmorphine.

C17H19N02 C1 7H18(CH3)N03 = C\'IP\'NO3

morplüne methylmorphine codeïne

De Codeïne der Pharmacopee kristalliseert met één molecule water.

Bereiding. Kunstmatig kan Codeïne bereid worden uit morphine, door hierin op de eene of andere wijze een methyl-, CH3, groep te brengen. Men laat daartoe methylchloride, CH3.C1, of methyljodide, CH3.I, of methylzwavelzure kali of natron, Na(CH3)S03, in overmaat onder verwarming in \'t waterbad bij gebruik van een terugvloeikoeler inwerken op eene oplossing van morphine (i) in spiritueuse kali- of natronloog (2). De gevormde Codeïne en mogelijk buiten werking gebleven morphine worden daarna met zwavelzuur geneutraliseerd, de morphine vervolgens door ammonia neergeslagen en de Codeïne door uitschudding van het filtraat met benzol of aether verkregen.

C4 \'H1 \'\'NO3 Na(CI I3)S0 4 Na HO =

morphine natriummethylsulfaat natriumhydroxyde

C\' 7HI 3(CH3)N03 -t- Na2SO5 IPO

codeïne natriumsulfaat water

1

) Pyridine, OH\'.N, en homologen vormen o. a. een voornaam bestanddeel der

2

z. g. Dippelsche Olie (zie blz. 71 en 72). Zij is het eerste lid eener homologe reeks vin

3

stoffen, dat afgeleid kan worden van benzol. C0H0, door hierin één der driewaardige

4

Cl I-groepen te vervangen door één driewaardig atoom stikstof (zie blz. 39).

-ocr page 217-

2oy

Overigens wordt Codeïne gewonnen uit Opium als bijproduct bij de morphine-bereiding. De meconzure verbindingen van beide alkaloïden worden in het niet calciumcarbonaat (100) behandeld waterig opium (iooo)-aftreksel onder verwarming door calcium-chloride (50) onder toevoeging van eenig chloorwaterstofzuur (10) ontleed, zoodat calciummeconaat precipiteert en morphine en Codeïne als hydrochloraat in oplossing blijven. Na filtratie worden zij door indamping en kristallisatie als dubbelzout verkregen, na omkristallisatie de oplossing door dierlijke kool ontkleurd en deze met ammonia in geringe overmaat vermengd. 1 lierin is morphine onoplosbaar, welke zich afscheidt, terwijl Codeïne daarin oplosbaar is en dus in oplossing blijft. Uit de warme oplossing van het codeïnehyclrochloraat wordt de Codeïne vervolgens door kaliloog neergeslagen, terwijl nog aanwezige sporen morphine, die in kali- en natronloog oplosbaar is, opgelost blijven. Eindelijk wordt de Codeïne in waterhoudenden aether opgelost, waarin misschien nog aanwezige morphine bijna onoplosbaar is, en daaruit ten slotte omgekristalliseerd.

Eigenschappen. Kleurlooze, eenigszins doorschijnende kristallen, die bij 1530 smelten en, in de lucht verhit, verbranden. Zij zijn moeilijk oplosbaar in koud (80), gemakkelijk in warm (17) water, gemakkelijk ook in spiritus (r.5) en aether (6).

De oplossing in water smaakt bitter en reageert alkalisch. In kokend water smelt Codeïne, alvorens opgelost te worden, tot een olieachtige vloeistof, die onder het bekoelen stolt.

In verdund chloorwaterstofzuur opgelost, wordt Codeïne wel door kali- of natronloog, echter niet door ammonia neergeslagen. Met de meeste algemeene alkaloïd-reagentia, zooals kaliummercurid-jodide, mercurichloride, tannine, enz. geeft de waterige oplossing van Codeïne een neêrslag.

50 mG. Codeïne, op 2 cAI3. salpeterzuur gebracht, wordt, onder geelkleuring van het zuur, rood gekleurd.

10 mG. Codeïne geeft met 2 cM3. zuiver zwavelzuur aanvankelijk eene kleurlooze oplossing, die echter na eenigen tijd, vooral bij verwarming, blauwgroen wordt.

De kleurlooze, warme, zwavelzure oplossing wordt bij aanraking met een droppel zeer verdunde (1 = 100) ferrichloride-oplossing donkerblauw gekleurd, welke kleur door toevoeging van water of spiritus verdwijnt.

-ocr page 218-

208

De warme zwavelzure oplossing, na bekoeling met i droppel salpeterzuur behandeld, wordt daardoor bloedrood gekleurd.

De zwavelzure oplossing, voorzichtig i a 2 droppels eener geconcentreerde oplossing van rietsuiker toegevoegd , wordt daardoor bij zachte verwarming purperrood gekleurd.

Onderzoek.

10. Eenigssins doorschijnende kristallen , die, op een waterhad verwarmd, 6 pet. water verliezen. De Pharmacopee verlangt dus het waterhoudende alkaloïde en wel dat met één molecule kristalwater. 317 Dln. Codeïne (C 8Ha\'NO3-j-H20 == 317) toch verliezen bij verwarming iS dln. water (IPü = 18), d. i. dus ongeveer 6 pet.

Beide Codeïne-soorten, het waterhoudende en het watervrije, onderscheiden zich trouwens door den vorm der kristallen, die bij liet waterhoudende preparaat bestaan uit vrij groote, eenigszins doorschijnende, rechthoekige oktaëders, bij het watervrije uit kleinere, ondoorschijnende, naaldvormige kristallen.

2°. en, in de lne/it verhit, zonder overschot verbranden. Afwezigheid van niet vluchtige, anorganische stoffen.

3°. Zij zijn oplosbaar in aether. Onderscheid met morphine.

40, In kokend water smelt Codeine, alvorens opgelost te ivorden, tot een olieachtige vloeistof. Slaat op liet gebruik van water-bevattende Codeïne. De watervrije, kleiner en fijner gekristalliseerde, smelt niet in warm water.

50. Codeine geeft met zwavelzuur een kleurlooze oplossing. Afwezigheid van vreemde stoffen als: suiker, gom, enz. Het hiervoor te bezigen zwavelzuur moet zeer zuiver zijn.

6°. De oplossing van 1 viG. kalhmferricyanide in 10 cM%. water, met 2 droppels ferrichloride vermengd, mag, na toevoeging van een oplossing van 5 inG. Codeine in 1 ril/3, water en 1 droppel chloorwaterstofztinr, niet terstond groen of blauw worden. Slaat op een mogelijk gehalte aan morphine, die het kalium-ferricyanide tot -ferrocyanide zou reduceeren, dat met ferrichloride Berlijnsch blauw geeft.

C O F F EI N U M.

C O F F E I N E.

Lange, naaldvormige, witte, glanzende, zeer lichte kristallen, die door hitte smelten en dan geheel sublhneeren.

-ocr page 219-

209

In 2 deelen kokend water lossen zij op en geven daarmede een heldere, neutrale, bitter smakende vloeistof, die onder het bekoelen tot een kristalbrij stolt. Coffeïne is in chloroform gemakkelijk, in sterken spiritus minder gemakkelijk, in aether zeer weinig oplosbaar.

Coffeïne, met chloorwater overgoten en op een waterbad weder gedroogd, wordt geelrood en, met ammonia bevochtigd, purperkleurig.

Zwavelzuur en salpeterzuur geven met Coffeïne kleurlooze oplossingen.

De verzadigde oplossing in water worde noch door kaliummercurid-jodide, noch door chloorwater, noch door joodoplossing troebel. Tannine geeft er een neêrslag in, dat in een overmaat van dit reagens oplosbaar is.

Samenstelling.

O\'H10N4O2 -f IPC) = C5H(CHs)3N402 -f H20

Coffeïne wordt oneigenlijk tot de alkaloïden gerekend. Chemisch staat het in nauw verband met theobromine, het werkzaam bestanddeel der cacaoboonen, en met eene zeer nauw met piszuur verwante, ook in urine en in blaassteenen voorkomende stof, de xantJiine. Theobromine nl. is de rtVmethyl- en coffeïne de //-/metbyl-verbinding van xanthine,

C5H4Nquot;03 Cr,H4N*0J Cr:H2(CH3)JN402 C5H(CH3)3N40J

piszuur xanthine theobromine coffeïne

Coffeïne kristalliseert met één molecule kristalwater.

Bereiding. Coffeïne, die tevens voorkomt in de koffie, het zaad van Coffea arabic a L., ook in guarana, de tot deeg gekneusde vruchten van Paullinia sorbilis Mart., in Paraguaythee, tie gedroogde bladen van Ilex paragitayensis St. Mil., en in de Kolanoot, het zaad van Cola acuminata Scbott et En dl., wordt gewoonlijk bereid uit theestof, het afval der gedroogde bladen van The a chinensis Sims. Men trekt dit meermalen niet warm water uit en behandelt het warme aftreksel met kalkmelk , waardoor de aan looizuur gebonden Coffeïne wordt vrij gemaakt. Men dampt na filtratie tot extractdikte in en trekt de Coffeïne met sterken spiritus uit, destilleert den spiritus af, lost het achtergeblevene in water op, filtreert, ontkleurt door behandeling met dierlijke kool, dampt in en laat kristalliseeren.

Eigenschappen. Lange, naaldvormige, witte, glanzende, zeer lichte kristallen, die door hitte bij 230.50 smelten en dan geheel sublinieeren. Coffeïne is in warm water (2) en in chloroform (8)

14

-ocr page 220-

2IO

gemakkelijk, in koud water (75) en in spiritus (50) minder gemakkelijk, in aether (540) zeer weinig oplosbaar.

De oplossing in water smaakt een weinig bitter en reageert niet alkalisch doch neutraal. Coffeïne vormt slechts met sterke zuren, zooals zwavelzuur, werkelijke zouten; met zwakke zuren, zooals citroenzuur, vereenigt het zich weinig of niet, zoodat de hiervan bestaande z. g. zouten eerder als een mengsel van beide samenstellende deelcn zijn te beschouwen.

De zouten met sterke zuren worden door alkaliën niet neergeslagen. Met vele algemeene alkaloïd-reagentia, zooals kaliummer-curidjodide, chloorwater en joodoplossing, wordt de verzadigde oplossing in water niet geprecipiteerd, wel echter door tannine, welk neerslag in een overmaat van dit reagens oplosbaar is.

Coffeïne, met 10 dln. chloorwater overgoten en op een waterbad weder gedroogd, wordt geelrood door gevormd amalinezuur, dat, met r:ecr zveinig ammonia bevochtigd, door murexidi?-vorming purperkleurig wordt {murexideproef).

Onderzoek,

i0. Kristallen, die door hitte geheel sublinieeren. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

2Ö. Zwavelzuur en salpeterzuur geven met Caffeine kleur loo ze oplossingen. De proef met zwavelzuur slaat op verontreiniging met vreemde stoffen als suiker, gom, enz., die de oplossing zwart, of met salicine, een bitterstof uit den wilgebast, die haar bloedrood zoude kleuren. De proef met salpeterzuur slaat op verwisseling met andere alkaloïden, bijv. morphine, die de oplossing rood zouden kleuren.

30. De verzadigde oplossing in water worde noch door kalimn-merenridjodide, noch door chloorwater, noch door joodoplossing troebel. Tannine geeft er een neerslag in, dat in een overmaat van dit reagens oplosbaar is. Afwezigheid van andere alkaloïden, die met genoemde reagentia een blijvend neerslag zouden geven.

-ocr page 221-

21 1

C O L L O D I U M.

COLLODIUM.

N. Gewoon Salpeterzuur van 1.380 soort. geiu. vier honderd deelen................400

Voeg er voorzichtig bij

Gewoon Zwavelzuur van 1.830 soort geiv. duizend deelen 1000

Dompel in dit mengsel, zoodra de temperatuur tot 20° gedaald is,

Gezuiverde Boomwol vijf en vijftig deelen.....55

en laat het 24 uur staan.

Werp de aldus gevormde Collodiumwol in een ruime hoeveelheid water en laat haar, nadat zij door herhaalde wasschingen van al het aanhangend zuur bevrijd en goed uitgeplozen is, onder 80° drogen. Voeg bij deze goed gedroogde

Collodiumwol drie deelen............3

zooveel van een mengsel van

Aether tachtig deelen.............80

Sterken Spiritus zeventien deelen.........17

totdat de wol geheel of bijna geheel opgelost en een stroopdikke vloeistof verkregen is.

Laat de oplossing, zoo noodig, eenigen tijd bezinken en giet haar helder af.

Het zij een heldere, kleurlooze, sterk naar aether riekende vloeistof, die, tot een dunne laag uitgestreken, na verdamping van den aether en den spiritus, een doorschijnend, kleurloos en samenhangend vlies achterlaat, dat, met water bevochtigd, niet zuur mag reageeren.

Samenstelling.

Eene oplossing van Collodiumwol in alcoholhoudenden aether.

Collodiumwol bestaat in hoofdzaak uit dinitroccllulose nevens eene kleine hoeveelheid trinitrocellnlose.

Di- en trinitrocellnlose zijn samengestelde aethers, afgeleid van cellulose, een koolhydraat \'), waarin resp. twee of drie atomen waterstof door het salpeterzuur-radicaal, Nü2, zijn vervangen.

CGH10O5 C6H8(N02)20quot; CgH7(N0:i)30\';

cellulose dinitrocellulose trinitrocellulose

1) Zie bij « Amylum Solani )gt;, blz. 67.

-ocr page 222-

212

Bereiding. De vorming der nitrocellulosen geschiedt volgens het gegeven voorschrift door inwerking van het salpeterzuur op

CcHgt;oOB 2 HNO1 = CeHé(N02)30s IPO

cellulose salpeterzuur dinitrocellulose water

de gezuiverde boomwol, waarbij water vrij komt, dat door het zwavelzuur wordt gebonden \'). Voor eene goede inwerking van het zuur is het noodzakelijk, de wol fijn uit te pluizen en aldus in het zuurmengsel te dompelen.

Eigenschappen, Een heldere, neutrale, kleurlooze, stroop-dikke, sterk naar aether riekende vloeistof, die, tot een dunne laag uitgestreken, na verdamping van den aether en den spiritus, een doorschijnend, kleurloos en samenhangend vlies achterlaat.

Onderzoek.

i0. Het zij een heldere, kleurlooze vloeistof, die een door se!lijnend, kleurloos vlies achterlaat. De deugdelijkheid van Collodium hangt geheel en al af van een juiste opvolging van het voorschrift voor de bereiding. Een juist soort. gew. der zuren, eene afkoeling van het zuurmengsel tot 200, het gebruik van zuivere boomwol, een niet te lange duur 1) echter voor de inwerking der zuren op de cellulose , eene zorgvuldige, volkomene uitwassching van de Collodium-wol, het drogen daarvan bij niet hooger dan 8o0 en een juist mengsel van aether en spiritus zijn daarvoor bepaalde vereischten. Zoo kan een sterker salpeterzuur of eene indompeling der wol boven 20° of een te lange duur daarvan aanleiding geven tot de vorming van hoogere nitrocellulosen, bijv. pentanitrocellulose, pyroxyline of schietkatoen, die minder of niet oplosbaar zijn in spiritushoudenden aether. Eene minder zorgvuldige uitwassching geeft een Collodiumwol, die onder het drogen geel wordt en een min of meer gekleurde oplossing veroorzaakt. Collodiumwol, die nog vrij zuur bevat, geeft een troebele oplossing. Bevat Collodium water door onvolkomen droging of te veel waterhoudenden aether, dan geeft de vloeistof na verdamping een ondoorschijnend vlies.

1

daarna, of een weinig der wol, na uitwassching met water en daarna met spiritus en droging tusschen filtreerpapier, in liet mengsel van aether en spiritus oplost.

2

) De duur der inwerking van het zuur op de boomwol is in het voorschrift der

3

Ph. veel te lang opgegeven. Men late gedurende i a uur inwerken en beproeve

-ocr page 223-

213

2°. een vlies, dat, met water bevochtigd, niet zuur mag reagecren. Slaat op eene volkomene uitwassching, resp. gelieel vrij van zuur zijn van de Collodiumwol.

COLLODIUM ELASTICUM.

VEERKRACHTIG C O L L O D I U M.

N. Collodium zes en negentig deelen.........96

Ricinusolie vier deelen.............4

Meng ze.

COLOPHONIUM.

H A R S.

Een hars, die na de destillatie van terpentijnolie overblijft uit de Terpentijn, afkomstig van verschillende soorten van Pin us L.

Tot poeder wrijfbare, doorschijnende, broze stukken van een geelachtig of helderbruine kleur. Zij zijn breedschelpig op de breuk, rieken eigenaardig, zwak, zijn zwaarder dan water en smelten op een waterbad. Hars is in verdunden spiritus, bij verwarming, geheel oplosbaar.

Samenstelling. C14Ho:!ü4

Colophonium is in hoofdzaak het anhydride van abictinezuur, C44H(l4Or\', waarin het door opname van water overgaat.

C44HC204 H20 = C44H84Os

colophonium water abictinezuur

Bereiding. Door destillatie van de Terpentijn, verkregen door inkapping der stammen van verschillende Pinus-soorten. De bereiding heeft vooral plaats in Noord-Amerika van P. austral is, Taeda en Strobus, in Frankrijk van P. Pinaster en Laricio en in Duitschland van P. syl vest ris. Bij de destillatie vervluchtigt het water en de terpentijnolie en blijft de hars achter, die men verhit, totdat alle vocht is uitgedreven en ze als een

-ocr page 224-

214

glasachtige, volkomen helder doorschijnende massa vloeit, waarna men ze aftapt, soms door uiterst fijne metalen zeeften laat druipen en door bekoeling vast laat worden.

Eigenschappen. Een hars in gemakkelijk tot poeder wrijfbare, doorschijnende, broze stukken van een geelachtige of heider-bruine kleur. Zij zijn breedschelpig op de breuk, rieken eigenaardig, zwak, zijn zwaarder dan water en smelten op een waterbad. Hars is, ook bij verwarming, onoplosbaar in water, doch oplosbaar in verdunden en sterken spiritus, aether, chloroform, azijnzuur en alkaliën.

Onderzoek.

i0 doorschijnende stukken. Colophonium moet geheel en al doorschijnend zijn als glas.

2°. van een geelachtige of helderbrnine kleur. Alhoewel de kleur eenigermate samenhangt met de soort van Pinus, waarvan de Terpentijn is gewonnen, ook met den duur en de sterkte der verhitting, gelden de lichte soorten als de beste. Rood, donkerbruin en zwartbruin Colophonium mag niet gebruikt worden.

3°. Hars is in verdunden spiritus, bij verwarming, geheel oplosbaar. Afwezigheid van vreemde, daarin onoplosbare stoffen, als zand, aarde, h o u t s p 1 i n t e r s, enz.

C O R N U C E R VI PRAEPARAT Ü M.

GEPREPAREERD HE R T SHOO R N.

N. Schaafsel van Hertshoorn...........ioo

Chloorwatersiofzuur, van beide honderd doelen . . . ioo Water zooveel als noodig is.

Macereer totdat de kalkzouten zijn uitgetrokken; wasch het overgeblevene zoo lang met koud water af, totdat dit niet meer zuur reageert en droog het bij zeer zachte warmte.

Bereiding. Het doel der bereiding is, door het zuur aan het Hertshoorn de daarin bevatte phosphorzure en koolzure kalkzouten te onttrekken, zoodat slechts de verlangde dierlijke lijm, de gelatine, daarin achterblijft. Door het chloorwaterstofzuur worden het

-ocr page 225-

onoplosbare normale calciumphosphaat, het tricalciumphosphaat, in oplosbaar zuur calciumhydrophosphaat of calciumdiphosphaat en het onoplosbare calciumcarbonaat in oplosbaar calciumchloride omgezet.

Ca3(P04)J 4HCI = Ca H4{P04)2 -f 2 Ca Cl2

calciumtriphosphaat chloorvvaterstofzuur calciumdiphosphaat calciumchloride

CaCO3 2HC1 = Ca Cl2 CO2 H20

calcium chloor calcium kool water

carbonaat waterstof/.uur chloride dioxyde

Om zich te overtuigen of alle kalkzoutcn uitgetrokken zijn, digereert men een proefje van het uitgetrokken Hertshoorn, na met eenig water afgewasschen te zijn, afzonderlijk op nieuw met een weinig verdund chloorwaterstofzuur, filtreert dit na eenigen tijd af en voegt bij het filtraat ammonia in overmaat, waardoor geen neérslag van calciumtriphosphaat meer mag ontstaan.

2 Ca Cl Ca H4(P04)2 4NH3 = Ca3(P04)2 4NH4C1

calcium calcium ammoniak calcium ammonium

chloride diphosphaat triphosphaat chloride

CORNU CERVI RASPATUM.

RASURA CORNU S CERVI.

S C H A A F S E I, V A N H E R T S H O O R N.

Het gewei van het mannelijk dier van Cervus Elaphus L.

Het zij, door schaven verkregen, in smalle, dunne, gekrulde, witachtige strooken voorhanden.

Samenstelling. De voornaamste bestanddeelcn van Hertshoorn zijn: 27 pet. dierlijke lijm, 57.5 pet. calciumphosphaat en een weinig, 1 pet., calciumcarbonaat.

Afkomst. Hertshoorn is het gewei van het mannelijk hert, Cervus Elaphus L., een bij ons welbekend dier, behoorende tot de tweehoevige of herkauwende zoogdieren. Uit gewei, rolrond, vertakt, met ongekleurde, spitse toppen, vormt zich langzamerhand op den kop van het hert uit twee uitsteeksels, rozenstokken genaamd, is in den beginne kraakbeenachtig, verhardt later geheel

-ocr page 226-

214

glasachtige, volkomen helder doorschijnende massa vloeit, waarna men ze aftapt, soms door uiterst fijne metalen zeeften laat druipen en door bekoeling vast laat worden.

Eigenschappen. Een hars in gemakkelijk tot poeder wrijfbare, doorschijnende, broze stukken van een geelachtige ofhelder-bruine kleur. Zij zijn breedschelpig op de breuk, rieken eigenaardig, zwak, zijn zwaarder dan water en smelten op een waterbad. Hars is, ook bij verwarming, onoplosbaar in water, doch oplosbaar in verdunden en sterken spiritus, aether, chloroform, azijnzuur en alkaliën.

Onderzoek.

doorschijnende stukken. Colophonium moet geheel en al doorschijnend zijn als glas.

2°. van een geelachtige of helderbruine kleur. Alhoewel de kleur eenigermate samenhangt met de soort van Pinus, waarvan de Terpentijn is gewonnen, ook met den duur en de sterkte der verhitting, gelden de lichte soorten als de beste. Rood, donkerbruin en zwartbruin Colophonium mag niet gebruikt worden.

3°. Hars is in verdunden spiritus, bij verwarming, geheel oplosbaar. Afwezigheid van vreemde, daarin onoplosbare stoffen, als zand, aarde, houtsp 1 inters, enz.

C O R N U C E R VI P R A E P A R A T ü M. GE PRE PAREE R D HERTSHOOR N.

N. Schaafsel van Hertshoorn...........too

Chloorwaterstof zuur, van beide honderd deelen . . . ioo Water zooveel als noodig is.

Macereer totdat de kalkzouten zijn uitgetrokken; wasch het overgeblevene zoo lang met koud water af, totdat dit niet meer zuur reageert en droog het bij zeer zachte warmte.

Bereiding. Het doel der bereiding is, door het zuur aan het Hertshoorn de daarin bevatte phosphorzure en koolzure kalkzouten te onttrekken, zoodat slechts de verlangde dierlijke lijm, de gelatine, daarin achterblijft. Door het chloorwaterstofzuur worden bet

-ocr page 227-

215

onoplosbare normale calciumphosphaat, het tricalciumphosphaat, in oplosbaar zuur calciumhydrophosphaat of calciumdiphosphaat en het onoplosbare calciumcarbonaat in oplosbaar calciumchloride omgezet.

Ca3(P04)2 4HCI = Ca H4(P04)2 -f- 2 Ca Cl2

calciumtriphos])haat cliloorwaterstofzuur calciumdiphosphaat calciumchloride

Ca CO3 2HCI = Ca Cl2 CO2 H20

calcium chloor calcium kool water

carbonaat waterstof/.uur chloride dioxyde

Om zich te overtuigen of alle kalkzouten uitgetrokken zijn, digereert men een proefje van het uitgetrokken Hertshoorn, na met eenig water afgewasschen te zijn, afzonderlijk op nieuw met een weinig verdund cliloorwaterstofzuur, filtreert dit na eenigen tijd af en voegt bij het filtraat ammonia in overmaat, waardoor geen neérslag van calciumtriphosphaat meer mag ontstaan.

2 Ca Cl Ca H4(P04)2 4NH3 = Ca3(P04)2 4NH4C1

calcium calcium ammoniak calcium ammonium

chloride diphosphaat triphosphaat chloride

CORNU CERVI RAS FATUM.

RASURA CORNU S CERVI.

SCHA A F S E ] - V A N H E R T S H C) O R N.

Het gewei van het mannelijk dier van Cervus Elaphus E.

Het zij, door schaven verkregen, in smalle, dunne, gekrulde, witachtige strooken voorhanden.

Samenstelling. De voornaamste bestanddeelen van Hertshoorn zijn; 27 pet. dierlijke lijm, 57.5 pet. calciu mphosphaat en een weinig, 1 pet., calciumcarbonaat.

Afkomst. Hertshoorn is het gewei van het mannelijk hert, Cervus Elaphus L., een bij ons welbekend dier, behoorende tot de tweehoevige of herkauwende zoogdieren. Dit gewei, rolrond, vertakt, met ongekleurde, spitse toppen, vormt zich langzamerhand op den kop van het hert uit twee uitsteeksels, rozenstokken genaamd, is in den beginne kraakbeenachtig, verhardt later geheel

-ocr page 228-

2l6

tot been en valt elk jaar af. Het komt van uit het Noorden van Europa in den handel en wordt met schraapijzers tot krullen geschaafd. Men verkrijgt deze ook als afval bij het draaien van hertshoorn.

Onderzoek.

1°. smalle, dunne, gekrulde, ivitachtige strooken. Breede, dik geschaafde stukken benevens de meer gekleurde strooken der buitenste laag van het gewei mogen dus niet gebruikt worden.

CORTEX CASCARILLAE.

C A S C A R I L L E BAS T.

De bast van Croton Eluteria Benn.

Harde, broze pijpen, die doorgaans nog geen decimeter lang en i centimeter breed zijn, of wel gootvormige stukken, t tot 2 millimeter dik. Zij hebben een heldergrijze oppervlakte of, waar de kurklaag verloren ging, geelachtige of bruine, overlangs gestreepte en dwars gesleufde plekken. De binnenzijde is bruinachtig, gelijkmatig fijnkorrelig. Op de dwarsche breuk zijn zij effen, hoornachtig, en inwendig zeer fijn straalswijs gestreept. Reuk aromatisch; smaak aromatisch en bitter. Aangestoken, verspreidt de bast een sterk met muskusgeur bedeelden walm.

Ten gebruike behooren houtsplinters, takjes en andere vreemde in-mengsels er uit verwijderd te worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel:

Ca sea r i 11 i n e, C,SH,8Ü4, een bitterstof, kleur- en reukloos, naaldvormig kristallijn, bij 205° smeltende, zeer moeilijk oplosbaar in water, moeilijk ook in spiritus (30), minder moeilijk echter in warmen spiritus en aether, met een bloedroode kleur in zwavelzuur oplosbaar.

Voorts bevat zij ongeveer 1 pet. vluchtige olie, geelachtig van kleur, aromatisch riekend en smakend, van 0.91—0,93 soort. gew-, \'5 Pct- hars, zetmeel en sporen galluszuur.

Afkomst. Cascarillebast is afkomstig van Croton Eluteria UENN., een kleine boom uit de familie der Kuphorbiaceae, die groeit op de Bahama-eilanden. De bast wordt van de takken

-ocr page 229-

2 17

afgestroopt, gedroogd en van daar uit over New-York in den handel gebracht. Door de inzameling geraken er meestal ongeschilde takjes, stukjes hout als anderszins van de moederplant onder, die er ten gebruike uit verwijderd moeten worden.

Eigenschappen. Vaste, zware, harde, gesloten, broze pijpen, die doorgaans nog geen decimeter lang en i centimeter breed zijn, waartusschen halve pijpen of gootvormige stukken, i—2 millimeter dik. Zij hebben een witte of witgrijze oppervlakte, hier en daar met korstmossen begroeid en door de apothecia daarvan zwart gestippeld, of, waar de kurklaag verloren ging, geelachtige of bruine, overlangs gestreepte en dwarsgesleufde plekken. De binnenzijde is chocoladebruin en gelijkmatig fijnkorrelig. Op de dwarsche breuk zijn zij effen, dofglanzig, hoornachtig, en inwendig zeer fijn straalsgewijs gestreept. Reuk min of meer aromatisch; smaak aromatisch en eenigszins prikkelend bitter. Op vuur uitgestrooid, verspreidt de bast een sterk met muskusgeur bedeelden walm.

Onderzoek.

Cascarillebast mag niet vervalscht zijn met:

1°. den bast van Croton Pseudo-China SCIILECHT., den z. g. Cortex Copalchi. Deze is veel dikker, dikwerf meer dan 4 millimeter dik, terwijl de schors, die geen kurklaag meer bezit, als \'t ware met vijlstrepen bedekt is.

20. den bast van Croton lucid um L. Deze heeft eene reebruine oppervlakte, terwijl de binnenzijde paarsbruin en duidelijk overlangs gestreept is. Ook is de smaak niet aromatisch of bitter doch samentrekkend.

C O R T E X C H I N A E.

K I N A B A S T.

Pijp- of gootvormige of platte stukken. Van die, welke met licht loslatend lederkurk of met dun kurk bedekt zijn, is de buitenvlakte witgrijs of bruinachtig, met korte dwarsche spleten voorzien, op de ontbloote plekken donker kaneelkleurig, overlangs gerimpeld en dwars kortgespleten. Van die, welke met een bruinachtige, broze korst bekleed zijn, is de

-ocr page 230-

2l8

buitenvlakte overlangs en dwars diep gespleten, op de ontbloote plekken vlak-groevig, bruinrood. Op de binnenvlakte zijn beide bruinrood, vezelig en op de dwarsche breuk kort- en fijnsplinterig. Smaak bitter.

Kinabast, tot poeder gebracht, moet 5—6 pet. alkaloïden bevatten, lietgeen op de volgende wijze bepaald wordt.

Kook 10 Grm. van het poeder, vermengd met 15 Grm. kalkhydraat en 168 Grm. sterken spiritus zoo lang, totdat de roode kleur van het vocht geheel of grootendeels in geel is overgegaan. Breng het bekoelde mengsel, door toevoeging van sterken spiritus, tot het oorspronkelijke gewicht terug. Schud om, filtreer en damp 84 Grm. van het filtraat, na daaraan 3 Grm. verdund chloorwaterstofzuur en 10 Grm. water te hebben toegevoegd, op een waterbad, onder gestadig roeren, zoo lang uit, totdat 15 Grm. is overgebleven; voeg bij de nog warme vloeistof zooveel natrium-carbonaat, totdat zij niet meer dan zwak zuur reageert.

Voeg bij het bekoelde en gefiltreerde vocht zooveel natronloog, totda\'; de reactie duidelijk alkalisch geworden is. Schud het mengsel uit: eerst met 20 cM\'. en daarna telkens met 10 cM3. chloroform, totdat ergeene alkaloïden meer worden opgenomen.

De alkaloïden, verkregen na het afdestilleeren van de chloroform, moeten, na een uur bij 100° gedroogd te zijn, 250—300 mG. bedragen.

De neutrale chloorwaterstofzure oplossing dezer alkaloïden in 10 Grm. water moet, na met zoo veel natriumtartraat als het gewicht der alkaloïden bedraagt, verwarmd en weder bekoeld te zijn, eene hoeveelheid tartraten afscheiden, die, verzameld, afgewasschen en bij 100° gedroogd, 55 pet. der alkaloïden bedraagt. — 100 mG. van deze tartraten, met een paar droppels verdund zwavelzuur in 40 cM3. water opgelost, geve een vocht, waarvan 4 cM3., met 2—-4 droppels chloonvater vermengd, door 2 droppels ammonia duidelijk groen gekleurd wordt.

Samenstelling. Ue voornaamste bestanddeelen, die in afwisselende hoeveelheden in den kinabast kunnen voorkomen, zijn:

1°. Kinazuur, C7H1J0G = C6H7(OH)4.COOM, een kleurloos, kristalliseerbaar zuur, bij 161.6° smeltende, evenals zijne zouten gemakkelijk oplosbaar in koud (2.5), minder in warm water, tamelijk gemakkelijk oplosbaar in verdunden, moeilijk in sterken spiritus, weinig in aether. Het komt in den bast voor als alkaloïde- en als calciumzout, deels ook vrij. liet vrije zuur is oorzaak der zure reactie van kina-afkooksel.

2°. Kinalooizuur, C14II8On -f- 2 H20 (?), eene gele, amorpbe, hygroscopische stof, gemakkelijk oplosbaar in water, in spiritus en aether. Het komt zoowel vrij als aan basen gebonden in den bast voor. Het smaakt samentrekkend en slaat ferri-zouten groen néér.

-ocr page 231-

219

3°. Kinarood, C^H^O14, C^H^Oquot; ofC^K^Ü7, van nog niet zeker vastgestelde samenstelling, eene zwak zure, bruinroode, reuk- en smaaklooze, amorphe stof, weinig oplosbaar in water, beter in zuurhoudend, gemakkelijk in spiritus, aether en alkaliën. Het ontstaat gemakkelijk door oxydatie van het kina-looizuur.

4quot;. Kinovabitter of kinovine, C38H(l2011, een neutraal, kleurloos, amorph, gomachtig, bitter glucoside, onoplosbaar in water, beter oplosbaar in spiritus en alkaliën. Door zuren wordt het gesplitst in Kinovit, C0 H1 - O\'\', en

50. Kinovazuur, C:,2H48Oc, dat ook vrij in den kinabast voorkomt. Het is een wit, kristallijn poeder, onoplosbaar in wate», moeilijk oplosbaar in spiritus en aether.

6°. Kinovalooizuur, C14H1808 (?), eene barnsteengele, amorphe, gemakkelijk zuurstofaantrekken de, in water en spiritus oplosbare, in aether onoplosbare stof, die ferri-zouten donkergroen neerslaat.

70. Kinovarood, CJ4 (?), eene bijna zwarte, harsachtige stof, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus, aether en alkaliën.

8°. Kinine, C2«IP WO2 = C10H20N1(OH)(OCH3), een alkaloïde, evenals de hierna te noemen andere alkaloïden, in den bast aan kinazuur en kinalooizuur gebonden. Zij is eene amorphe, bittere, alkalische stof, bij 171.80 smeltende, die met gewoonlijk 3 moleculen water een wit, prismatisch-kristallijn hydraat vormt, dat bij 570 smelt en zeer weinig oplosbaar is in koud (1670) en warm (900) water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether (1). Oplossingen van kinine draaien het polarisatievlak naar links.

Als tweezurig alkaloïde vormt zij, evenals de na te noemen alkaloïden kinidine, cinchonine en cinchonidiite, met zuren twee reeksen van zouten, nl. normale, neutraal reageerende en sure, zuur reageerende. De normale kinine-zouten, bijv.

(C20H24N1O1)ï. H1S04 8 H2O, zijn zeer moeilijk, de zure, bijv. C20HS4N1O2. H2S04 7 H20, gemakkelijk oplosbaar. De oplossing in verdund zwavelzuur is blauw fluoresceerend. Het tartraat, door precipitatie met kalium-natriumtartraat verkregen, is zeer moeilijk in water oplosbaar; evenzoo het oxalaat, door precipitatie met neutraal kaliumoxalaat, en het chromaat, door precipitatie met neutraal kaliumchromaat bereid.

-ocr page 232-

220

to mG. Kinine of kinine-zout, met een paar droppels verdund zwavelzuur in 5 cM3. water opgelost, geve, met 2—4 droppels chloorwater vermengd, eene vloeistof, die door 2 droppels ammonia smaragdgroen wordt gekleurd {thalleokine-rea.c\\.\\é).

Voegt men bij de azijnzure oplossing van basisch kininesulfaat eene spiritueuse jodium-oplossing, dan ontstaat een neêrslag van kininejoodsulfaat, hcrapathict genaamd, in den vorm van dunne kristalblaadjes, die in doorvallend licht bijna kleurloos, doch in opvallend licht, als de dekschilden van Spaansche Vliegen, prachtig groen-metaalglanzend zijn en het licht als een toermalijnplaat polariseeren.

90. Kinidine, C20H:24N2O2, een isomeer van kinine, komt, naar het watergehalte, voor in rhomboëdrische (2\\ molec.), rhom-bisch-prismatische (2 molec.) of prismatisch-kristallijne(i —1| molec.), zwak alkalische, zeer bittere, licht verwéerende kristallen, bij 171.5° smeltende, die zeer moeilijk oplosbaar in water (2000), gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether (22) zijn. Oplossingen van kinidine draaien het polarisatievlak naar rechts.

Het normale zout is gemakkelijk, het basische moeilijk oplosbaar. Het tartraat, oxalaat en chromaat zijn betrekkelijk gemakkelijk oplosbaar. De oplossing in verdund zwavelzuur is blauw fluoresceerend.

Met chloorwater en ammonia geeft zij de tlialleoki?ie-rea.ctK.

Voegt men bij de oplossing van een kinidinezout eene oplossing van kaliumjodide, dan ontstaat een wit, zwaar, kristallijn, in alcohol onoplosbaar neêrslag van kinidinejodide.

100. Cinchonine, C1!)HN2ü, waarschijnlijk C9H,iN(H0)(OH)(CH3)

C9H0N

komt voor in witte, glinsterende, naaidvormige, watervrije, alkalische, bittere kristallen, die bij ongeveer 250° smelten, weinig of niet oplosbaar zijn in water (3670), moeilijk in spiritus (100) en aether (371). Oplossingen van Cinchonine draaien het polarisatie-vlak naar rechts.

Het normale en het basische zout zijn beide in water oplosbaar. Het tartraat, oxalaat, chromaat en jodide zijn gemakkelijk oplosbaar. De oplossing in verdund zwavelzuur fluoresceert niet. Cinchonine geeft geen thalleokiue-reactie.

ii0. Cinchonidine, C1 !,H22N20, een isomeer van cinchonine, vormt kleurlooze, glanzende, prismatische, watervrije kris-

-ocr page 233-

221

tallen, die bij 202.8° smelten, zeer moeilijk oplosbaar zijn in water {1680) en aether (188), gemakkelijker in spiritus (16). Oplossingen van cinchonidine draaien het polarisatievlak naar links.

Het normale en het basische zout zijn beide in water tamelijk oplosbaar. Het tartraat is zeer moeilijk, het oxalaat en het chro-maat daarentegen gemakkelijk in water oplosbaar. Ue oplossing in verdund zwavelzuur fluoresceert niet. Cinchonidine geeft geen thalleokine-vtzictxe.

Minder belangrijke alkaloïden, van welke de meeste voorai in de rnoederloogen van sommige kinabasten in meerdere of mindere hoeveelheid gevonden worden, zijn de volgende:

120. Amorph alkaloïde. In vele kinabasten wordt, na afscheiding der kristallijne alkaloïden, in de moederloog nog een alkaloïde gevonden, dat amorph is en waarvan ook de zouten niet kristalliseeren. Overige eigenschappen zijn nog weinig of niet bekend. Het door een alkali geprecipiteerde gedeelte der loog, dat als kino\'ldine in den handel komt, bestaat grootendcels daaruit \').

13°. Kinamine, C19H24NJ02, kristalliseert in fijne, lange, asbestachtige, witte, watervrije naalden, die bij 172° smelten, zeer moeilijk oplosbaar zijn in water (1516), gemakkelijker in spiritus (100) en vrij gemakkelijk in aether (32). Oplossingen van Kinamine draaien het polarisatievlak naar rechts.

Hare zouten zijn gemakkelijk oplosbaar. Ue oplossing in verdund zwavelzuur fluoresceert niet. Kinamine geeft ge ene thallcokine-reactie.

Met goudchloride geeft het in de chloorwaterstofzure oplossing een geelwit, amorph neerslag, dat onder afscheiding van goud spoedig purperrood wordt, terwijl de daarboven staande oplossing eene purperroode, later bruinroode kleur aanneemt.

14°. Hydrokinine, C20!-!2 quot;I^O2, een wit, amorph , alkalisch poeder, met 2\\ molec. water kristalliseerende in naalden of blaadjes, bij 172.3° smeltende, weinig oplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether, die, evenals Kinine, het polarisatievlak naar links draaien , met verdund zwavelzuur fluoresceeren en de thalleokiw-reactie geven.

150. Homokinine, C3quot;H4lt;!N404 (?), van nog niet volledig bekende samenstelling, kristalliseerende in blaadjes met 2 molec.

») Onze groote kinoloog de Vrij beschouwt het als het vooral in jonge planten, voorkomende materiaal, waaruit later de kristallijne alkaloïden ontstaan.

-ocr page 234-

222

of prisma\'s met i molec. kristalwater, watervrij smeltende bij gemakkelijk oplosbaar in spiritus, moeilijk in aether. De oplossing in zwavelzuur fluoresceert en geeft de thalleokine-reactiQ. Waarschijnlijk bestaat zij uit gelijke moleculen kinine en cupretne, eene, ook naast kinine, in valsche kinabasten (China cuprea van Remigia pedunculata Tr). aangetroffen base.

C39H4GN4Ü4 = C\' nH52Nï02

homokinine kinine cupreïne

16°. Hydrocinchonine, C10Hi4NiO, amorph, smeltende bij 256°.

17°. Cinchotine, C,9H:!4N20, een isomeer van hydrocin-chonine, vooral voorkomende in cinchonine-moederloogen en in Cuprea-bast, kristallijn, bij 268° smeltende, weinig oplosbaar in water (1360), oplosbaar in spiritus (go), minder in aether (534). Zij draait het polarisatievlak naar rechts.

18°. Cinchonamine, C10II24N2O, eveneens een isomeer van Hydrocinchonine, zeer giftig, kristalliseerende in watervrije prisma\'s, smeltende bij 185°, rechtsdraaiend, nauwelijks oplosbaar in water, gemakkelijker in spiritus (31.6) en aether (100).

19°. Dicinchonine, C38H44N402, amorph, bij 40°smeltende, rechtsdraaiend. De zwavelzure oplossing fluoresceert, doch geeft geene thalleokine-reactie.

20°. Hydrokinidine, C20H2nN1O2, met 2^- molec. water kristalliseerende als prismatische blaadjes, smeltende bij 1660 —167°, rechtsdraaiend, gemakkelijk oplosbaar in warmen alcohol, moeilijker in aether. De oplossing in zwavelzuur fluoresceert en geeft de thalleokine-reactie.

210. Dikinidine = Diconchinine, C4(gt;HNiÜ3, amorph, rechtsdraaiend, fluoresceert in zwavelzure oplossing en geeft de thalleokine-reactie.

22°. Cinchamidine = Hydrocinchonidine, C19ri24N20, kristalliseert in den vorm van blaadjes of prisma\'s, smelt bij 230°, is tamelijk gemakkelijk oplosbaar in spiritus, zeer moeilijk in aether en is linksdraaiend.

230. Homocinchonidine, C1!)H22N20, waarschijnlijk iden-tisch met Cinchonidine, linksdraaiend, kristalliseert in prisma\'s of blaadjes, die bij 207.6° smelten.

240. Conchinamine, C19H24N2Oj, lange, glanzende, prismatische kristallen, sterk rechtsdraaiend, bij 12i0—i23°smeltende, zeer gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

-ocr page 235-

223

25°. Kairamine, C2:!H2CN:!04 -|- H20, naalden of prisma\'s, die bij 140° hun kristalwater verliezen, bij 233° smelten, weinig in spiritus, gemakkelijk in aether oplosbaar en rechts-draaiend zijn.

26°. Kairamidine, CïJH2GN204 H20, isomeer, een amorph, wit poeder, watervrij bij 126°—128° smeltende, rechts-draaiend, onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

27°. Conkairamine, CH2(iN204 -j- I120, isomeer, rechts-draaiende prisma\'s, die bij 120° smelten.

28°. Conkairamidine, C22H2(iN2U4 HiO, isomeer, naalden, smeltende bij 1140—115°, linksdraaiend.

29°. Aricine, C23II2GN201, linksdraaiende, zwak alkalische prisma\'s, die bij 1880 smelten, weinig oplosbaar zijn in water en spiritus, gemakkelijk in aether.

30°. Cusconine, C23H2GN204 -fquot; 2H2ü, isomeer, prisma\'s, linksdraaiend, die bij 110° smelten, zoo goed als onoplosbaar zijn in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

310. Concusconine, C23II20N2O4 -j-IPO, isomeer, rechts-draaiende kristallen, die bij 1440, watervrij bij 206°—208° smelten, onoplosbaar in water, moeilijk in spiritus, gemakkelijk in aether.

320. Cusconidine, C23H211N2Ü4, isomeer, lichtgeel, amorph, min of meer harsachtig.

330. Co ncu sco nidi 11e, C23II26N2Ü4, isomeer, amorph, geelwit, rechtsdraaiend, bij 1240 smeltende.

Aan deze alkaloïden, waarvan het voorkomen in verschillende kinabasten is vastgesteld, zijn nog eenige toe te voegen, waarvan het bestaan en de samenstelling echter twijfelachtig zijn, zooals: cu^camine, cuscamidine, cincholine, javanine , pitoyaviine, enz.

Ten slotte bevat kinabast nog: koffie 1 ooizuur, oxaalzuur, minerale stoffen {calcium-, viagnesiuni-, aluminium- en ijzer-zouten) en verschillende indifferente stoffen als: zetmeel, gom-, wasachtige stoffen, enz.

De hoeveelheid gezamenlijke alkaloïden in den officieelen Kinabast moet 5—6 pet. bedragen, waarvan ruim 40 pet. chinine, incl. cinchonidine.

Afkomst. De planten, die den kinabast leveren, zijn verschillende soorten van het geslacht Cinchona, behoorende tot de familie der Rubiaceae. Het zijn boomen, oorspronkelijk in-

-ocr page 236-

220

Io mG. Kinine of kinine-zout, met een paar droppels verdund zwavelzuur in 5 cM3. water opgelost, geve, met 2—4 droppels chloorwater vermengd, eene vloeistof, die door 2 droppels ammonia smaragdgroen wordt gekleurd {thalleokine-vea.ctié).

Voegt men bij de azijnzure oplossing van basisch kininesulfaat eene spiritueuse jodium-oplossing, dan ontstaat een neêrslag van kininejoodsulfaat, herapathiet genaamd, in den vorm van dunne kristalblaadjes, die in doorvallend licht bijna kleurloos, doch in opvallend licht, als de dekschilden van Spaansche Vliegen, prachtig groen-metaalglanzend zijn en het licht als een toermalijnplaat polariseeren.

90. Kinidine, C2quot;H24N:!02, een isomeer van kinine, komt, naar het watergehalte, voor in rhomboëdrische (2^ molec.), rhom-bisch-prismatische (2 molec.) of prismatisch-kristallijne(i — i-L molec.), zwak alkalische, zeer bittere, licht verwêerende kristallen, bij 171.5° smeltende, die zeer moeilijk oplosbaar in water (2000), gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether (22) zijn. Oplossingen van kinidine draaien het polarisatievlak naar rechts.

Het normale zout is gemakkelijk, het basische moeilijk oplosbaar. Het tartraat, oxalaat en chromaat zijn betrekkelijk gemakkelijk oplosbaar. De oplossing in verdund zwavelzuur is blauw fluoresceerend.

Met chloorwater en ammonia geeft zij de ikallco/.7«c-reactie, Voegt men bij de oplossing van een kinidinezout eene oplossing van kaliumjodide, dan ontstaat een wit, zwaar, kristallijn, in alcohol onoplosbaar neêrslag van kinidinejodide. io0. Cinchonine, C1!\'H22N2Ü, waarschijnlijk C9H»N(Hc)(OH)(CH3)

C9HBN

komt voor in witte, glinsterende, naaldvormige, watervrije, alkalische, bittere kristallen, die bij ongeveer 250° smelten, weinig of niet oplosbaar zijn in water (3670), moeilijk in spiritus (100) en aether (371). Oplossingen van Cinchonine draaien het polarisatie-vlak naar rechts.

Het normale en het basische zout zijn beide in water oplosbaar. Het tartraat, oxalaat, chromaat en jodide zijn gemakkelijk oplosbaar. De oplossing in verdund zwavelzuur fluoresceert niet. Cinchonine geeft geen thalleokine-rea.ct\\Q.

ii0. Cinchonidine, Cl0H22N2O, een isomeer van cinchonine, vormt kleurlooze, glanzende, prismatische, watervrije kris-

-ocr page 237-

221

tallen, die bij 202.8° smelten, zeer moeilijk oplosbaar zijn in water (1680) en aether (188), gemakkelijker in spiritus (16). Oplossingen van cinclionidine draaien het polarisatievlak naar links.

Het normale en het basische zout zijn beide in water tamelijk oplosbaar. Het tartraat is zeer moeilijk, het oxalaat en het chro-maat daarentegen gemakkelijk in water oplosbaar. De oplossing in verdund zwavelzuur fluoresceert niet. Cinclionidine geeft geen thalleokine-reactie.

Minder belangrijke alkaloïden, van welke de meeste vooral in de moederloogen van soinmige kinabasten in meerdere of mindere hoeveelheid gevonden worden, zijn de volgende:

120. Amorph alkaloïde. In vele kinabasten wordt, na afscheiding der kristallijne alkaloïden, in de moederloog nog een alkaloïde gevonden, dat amorph is en waarvan ook de zouten niet kristalliseeren. Overige eigenschappen zijn nog weinig of niet bekend. Het door een alkali geprecipiteerde gedeelte der loog, dat als kinoldine in den handel komt, bestaat grootendeels daaruit \').

13quot;. Kinamine, C\'9H:i4N;!01, kristalliseert in fijne, lange, asbestachtige, witte, watervrije naalden, die bij 172° smelten, zeer moeilijk oplosbaar zijn in water (1516), gemakkelijker in spiritus (100) en vrij gemakkelijk in aether (32). Oplossingen van Kinamine draaien het polarisatievlak naar rechts.

Hare zouten zijn gemakkelijk oplosbaar. Ue oplossing in verdund zwavelzuur fluoresceert niet. Kinamine geeïtgeene thalleokine-reactie.

Met goudchloride geeft het in de chloorwaterstofzure oplossing een geelwit, amorph neerslag, dat onder afscheiding van goud spoedig purperrood wordt, terwijl de daarboven staande oplossing eene purperroode, later bruinroode kleur aanneemt.

140. Hydrokinine, C20II!!cN;!O2, een wit, amorph, alkalisch poeder, met 2.| molec. water kristalliseerende in naalden of blaadjes, bij 172.30 smeltende, weinig oplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether, die, evenals Kinine, liet polarisatievlak naar links draaien, met verdund zwavelzuur fiuoresceeren en de thalleoki «r-reactie geven.

150. Homokinine, C39H4(iN404 (?), van nog niet volledig bekende samenstelling, kristalliseerende in blaadjes met 2 molec.

1

voorkomende materiaal, waaruit later de kristallijne alkaloïden ontstaan.

-ocr page 238-

222

of prisma\'s met i molec. kristalwater, watervrij smeltende bij 177° gemakkelijk oplosbaar in spiritus, moeilijk in aether. De oplossing in zwavelzuur fluoresceert en geeft de tltalleokine-rea.cüe. Waarschijnlijk bestaat zij uit gelijke moleculen kinine en cnprëlne, eene, ook naast kinine, in valsche kinabasten (China cuprea van Remigia pedunculata Tr). aangetroffen base,

C33H46N404 = C1 quot;H2 4NJOï C19HJ 2N1Oi

homokinine kinine cupreïne

16°. Hydrocinchonine, C19H24NiO, amorph, smeltende bij 256°.

17°. Cinchotine, Cl9H24N:!0, een isomeer van hydrocinchonine, vooral voorkomende in cinchonine-moederloogen en in Cuprea-bast, kristallijn, bij 268° smeltende, weinig oplosbaar in water (1360), oplosbaar in spiritus (90), minder in aether (534). Zij draait het polarisatievlak naar rechts.

iS0. Cinchona mine, ClnH24N20, eveneens een isomeer van Hydrocinchonine, zeer giftig, kristalliseerende in watervrije prisma\'s, smeltende bij 185°, rechtsdraaiend, nauwelijks oplosbaar in water, gemakkelijker in spiritus (31.6) en aether (100).

190. Dicinchonine, C38H44N402, amorph, bij 40°smeltende, rechtsdraaiend. De zwavelzure oplossing fluoresceert, doch geeft geene thalleokine-reactie.

20°. Hydrokinidine, C2(lH2(!N102, met i\\ moiec. water kristalliseerende als prismatische blaadjes, smeltende bij 1660 —167°, rechtsdraaiend, gemakkelijk oplosbaar in warmen alcohol, moeilijker in aether, De oplossing in zwavelzuur fluoresceert en geeft de thalleokine-reactie.

210. Dikinidine = Diconchinine, C40H4,iN\',O3, amorph rechtsdraaiend, fluoresceert in zwavelzure oplossing en geeft de thalleokine-reactie.

220. Cinchamidine = Hydrocinchonidine, C19H24N20, kristalliseert in den vorm van blaadjes of prisma\'s, smelt bij 230°, is tamelijk gemakkelijk oplosbaar in spiritus, zeer moeilijk in aether en is linksdraaiend,

230. Homocinchonidine, C1!,H22N20, waarschijnlijk iden-tisch met Cinchonidine, linksdraaiend, kristalliseert in prisma\'s of blaadjes, die bij 207,6° smelten,

240. Con china mine, C1!)H24N202, lange, glanzende, prismatische kristallen, sterk rechtsdraaiend, bij 121°—-123°smeltende, zeer gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

-ocr page 239-

25°. Kairamine, CH:!CN204 -f- H\'^O, naalden of prisma\'s, die bij 140° hun kristalwater verliezen, bij 2330 smelten, weinig in spiritus, gemakkelijk in aether oplosbaar en rechts-draaiend zijn.

26°. Kairamidine, C1,Hï0N2O4 -f- H\'O, isomeer, een amorph, wit: poeder, watervrij bij 126°—128° smeltende, rechts-draaiend, onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

270. Conkai ramine, CHiGN104 -f-n20, isomeer, rechts-draaiende prisma\'s, die bij 120° smelten.

28°. Conkairamidine, C22H16N2Ü4 II20, isomeer, naalden, smeltende bij 114°—115°, linksdraaiend.

290. Aricine, Cl3H1GNT!04, linksdraaiende, zwak alkalische prisma\'s, die bij 1880 smelten, weinig oplosbaar zijn in water en spiritus, gemakkelijk in aether.

30°. Cusconine, C23H2BNJ04 2H2O, isomeer, prisma\'s, linksdraaiend, die bij no0 smelten, zoo goed als onoplosbaar zijn in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

310. Con cusconine, C23M2(iN204 -|-H20, isomeer, rechts-draaiende kristallen, die bij 1440, watervrij bij 206°—208° smelten, onoplosbaar in water, moeilijk in spiritus, gemakkelijk in aether.

320. C us co n id i n e, C2 3H2 CN2Ü4, isomeer, lichtgeel, amorph, min of meer harsachtig.

330, Concusconidine, C23II2(lN204, isomeer, amorph, geelwit, rechtsdraaiend, bij 1240 smeltende.

Aan deze alkaloïden, waarvan het voorkomen in verschillende kinabasten is vastgesteld, zijn nog eenige toe te voegen, waarvan het bestaan en de samenstelling echter twijfelachtig zijn, zooals: cuscamine, cuscainidine, cinclwline, javanine , pitoyamine, enz.

Ten slotte bevat kinabast nog: k o f f i e 1 o o i z u u r, oxaalzuur, minerale stoffen [calcium-, magnesium-, aluminium- en ijzer-zouten) en verschillende indifferente stoffen als: zetmeel, gom-, wasachtige stoffen, enz.

De hoeveelheid gezamenlijke alkaloïden in den officieelen Kinabast moet 5—6 pet. bedragen, waarvan ruim 40 pet. chinine, incl. cinchonidine.

Afkomst. De planten, die den kinabast leveren, zijn verschillende soorten van het geslacht Cinchona, behoorende tot de familie der Rubiaceae. Het zijn boomen, oorspronkelijk in-

-ocr page 240-

224

heemsch in Zuid-Amerika op de met wouden bedekte, oostelijke helling der Andes, een bergketen, die zich halvemaanvormig uitstrekt langs de westkust van Venezuela, Nieuw-Grenada, Ecuador, Peru en Bolivia. Uit vrees voor uitsterving dezer oorspronkelijke wouden en om zich onafhankelijk te maken van den uitvoer uit genoemde streken, heeft men door uitzaaing van het daar gewonnen zaad en door poting van jonge planten getracht, den kinaboom naar andere landen over te brengen en te kweeken, met het gevolg, dat op dit oogenblik een belangrijke kinacultuur gedreven wordt in Britsch- en Nederlandsch-Indië. Voor zoo ver de cultuur op Java betreft, worden aldaar in plantsoenen, na vele mislukte proefnemingen ook met andere soorten, alsnog gekweekt eenige soorten van Cinchona Calisaya (met inbegrip van de bastaardsoort C. Haskar Hand), de C. Ledgeriana, de C. succciru-bra (met inbegrip van de variëteit C. calopterd), de C. officinalis en de C. lancifolia. De waarde van den kinabast hangt af van het doel, waarvoor deze gebruikt wordt. Voor de kininefabricatie verlangt men natuurlijk een bast, die hoofdzakelijk en veel kinine bevat; hiervoor legt men zich vooral toe op de kweeking van C. Ledgeriana. Is het echter meer te doen om een hoog gehalte aan alkaloïden te zamen, dan bezigt men, zooals ook onze Phar-macopee verlangt, vooral den bast van C. snccirubra.

De inzameling van den bast in Amerika geschiedt eenvoudig door den boom aan den voet te vellen en zoowel den stam als de takken te ontbolsteren. Van den eersten verkrijgt men den bast in platen, van de laatste in pijpen. Zij worden in de zon gedroogd en naar de havenplaatsen tot uitvoer verzonden. De inzameling van den kinabast op Java geschiedt door schilling op de volgende drie wijzen. Ten eerste gebruikt men daartoe den geheelen boom met wortel en al, bijv. uitgeroeide of omgewaaide exemplaren. Deze leveren nevens den stambast, meestal van mindere kwaliteit, ook wortelbast. Ten tweede houwt men den stam even boven den grond af; uit de achtergebleven stomp ontwikkelen zich na eenigen tijd nieuwe loten, gelijk bij ons eikenhakhout, waarvan men na eenige jaren op nieuw den bast verzamelt, die natuurlijk meestal pijp-, hoogstens gootvormig is. Ten derde schilt men den boom niet geheel, doch op verschillende plaatsen platte stukken daarvan af; de opene plaatsen bedekt men met mossen, waarna de wonden opdrogen en zich aldaar langzamerhand een nieuwe bast vormt, die even rijk, ja veelal nog rijker aan alkaloïden

-ocr page 241-

225

is als cle vroeger afgeschilde. Na droging worden de basten in kisten of balen verpakt en naar Nederland verzonden, om na scheikundig onderzoek op het gehalte aan alkaloïden te Amsterdam op veilingen verkocht te worden.

Eigenschappen. Enkele of dubbele pijpen, gewoonlijk 1.5—2.5 dM. lang, soms langer, 1—5 cM. breed en 1—5 mM. dik, ofwel meer gootvormige en platte stukken van verschillende lengte en breedte, soms tot 1 cM. dik. Zij zijn of met licht loslatend leder-kurk of met eene dunne kurklaag bedekt, en dan witgrijs of bruinachtig van kleur, door dwarsche sleuven en overlangsche plooien oneffen, op de ontbloote plekken van den bast donker-kaneelkleurig, overlangs gerimpeld en dwars kort gespleten, of zij zijn met een broze, vrij stevig vastzittende, zeer oneffen, bruinachtige korst bedekt, en dan in verschillende richtingen overlangs en dwars diep gespleten en op de ontbloote plekken van den bast vlakgroevig, vingervormig ingedrukt en bruinrood. Op de binnenvlakte zijn zij bruinrood van kleur en vezelig, op de dwarsche breuk kort- en fijnsplinterig. De reuk is eigenaardig; de smaak is zuiver, doch zeer bitter en samentrekkend.

Onderzoek.

1°. Dc hast van Cinchona. Ten einde te zien of men werkelijk met een waren, goeden en niet met een onechten kinabast te doen heeft, kan men als voorloopige proef een weinig poeder daarvan in een droog reageerbuisje verhitten. Echte, d. i. kinineen kinidine-houdende bast levert hierbij een karmijnroode teer, die zich aan den wand van het buisje droppelsgewijs verzamelt; andere, valsche basten leveren een bruine teer \').

2°. Dc bast van Cinchona succirubra PAY. Behalve de vroeger onder den naam van Cortex Chinae ruber van wilde, niet gekweekte planten afkomstige en uit Amerika aangevoerde Succi-

1) Overigens berust de onderscheiding tusschen echten en valschen kinabast, die bij het tegenwoordig gebruik van gekweekten bast minder veelvuldig kan voorkomen, behalve in de eerste plaats op anatomische verschillen, het ontbreken nl. der voor kinabast kenmerkende vierkant-rondachtige bastvezels, met spitse uiteinden, zeer sterke ver-verdikking slag en cn talrijke onvertakte stippelkanalen in de wanden, zoodat de centrale holte zeer smal en op de dwarsche doorsnede nagenoeg stipvormig is^ en op de afwezigheid 7\'an kina-alkaloïden, op een niet kort- en fjnsplinterige, doch meer lint-of draadvormige, korrelige, brokkelige of gladde breuk en een niet of onaangenaam hitteren smaak.

\'5

-ocr page 242-

220

rubrabast mogen de eveneens van daar afkomstige, vroeger mede gebruikelijke Cortex Chinae Calisayae van verscheidenheden van C. Calisaya Wedd. en Cortex Chinae fuscus van C. officinalis, inicrantha R. P., macrocalyx Pa v., Uritusinga Pa v., Chahuayguera Pav. en andere soorten dus niet meer gebruikt worden. Zij onderscheiden zich van den verlangden Cortex Chinae snccirnbrac door de volgende kenmerken:

a. Cortex Chinae Calisayae s. regius. Pijpen of platte stukken. De pijpen, 1—4 cM. breed, zijn meestal aan beide zijden opgerold en vrij dik. De buitenvlakte is donkergrijsbruin of door korstmossen luitachtig, door dwarsche spleten en overlangsche scheuren in min of meer ruitvormige of langiverpig-vierkante vakjes met opgeworpen randen verdeeld, die de daaronder liggende kaneel-bruine laag gemakkelijk loslaten. Op de binnenvlakte zijn zij donker-bruin-gccl en overlangs gestreept. De breuk is naar buiten meer effen, naar binnen kortvezelig.

De platte, 1—2 cM. dikke stukken zijn roodgeel, soms hier en daar met harde korstschubben bedekt, doch meestal naakt, mei schelp- of vingervormige indrukselen met scherpe randen. Op de breuk zijn zij dicht-, stijf- en kortvezelig. Reuk een weinig naar run; smaak zeer bitter.

h. Cortex Chinae fuscus s. griseus. Men onderscheidt hiervan twee soorten: Loxa- en Huanuco-Kim..

a. Lo.va-Kina. Pijpen, doorgaans niet breeder dan 1 cM. en niet dikker dan 1—2 mM. De buitenvlakte is doorgaans donkerbruin, hier en daar grijs- of zwart-gevlekt, soms met verschillende korstmossen begroeid, overigens van tamelijk ver van elkander verwijderde, overlangsche en dwarsche sleuven voorzien. De binnenvlakte is lichter of donkerder kaneelkleurig en doorgaans wit-gestippeld.

b. Huamico-YJwvA. Naar eéne of beide zijden opgerolde pijpen, i2 cM. breed, 23 mM. dik. De buitenvlakte is grijsbruin of witachtig, overlangs gevoord, met niet diep doordringende, dwarsche sleuven. De binnenvlakte is licht-kaneelkleurig, dikwerf wit-gc-stippeld.

Op de dwarsche breuk zijn beide broos en vertoonen zij een donkeren, bijna zwarten, zoogenaamden harsring. Reuk weinig; smaak bitterachtig, eenigszins samentrekkend, een weinig geurig.

30. De bast van gekweekte Cinchona su cciru b ra l\'A v. De Pharmacopee verlangt dus den in Indië gekweekten, niet in Amerika verzamelden bast.

-ocr page 243-

4°. Kinabast moet 56 pet. alkaloïden bevatten. De methode der Pharmacopee, volgens welke dit gehalte bepaald wordt (methode Meijer), berust op: i0. omzetting der alkaloïdverbindingen door het kalkhydraat \'), waardoor, benevens binding der vrije zuren, de alkaloïden in vrijheid worden gesteld, waarna zij inden sterken spirtus oplossen; 20. omzetting der alkaloïden in de chloor-waterstofzure verbindingen en uitdamping onder afscheiding van verontreinigingen als kinovazuur, kinovine en wasachtig vet 1), waarna de overmaat zuur wordt geneutraliseerd 3); 30. ontleding der chloorvvaterstofzure alkaloïden door natronloog, waardoor de gezuiverde alkaloïden zich afscheiden en 40. oplossing daarvan in. chloroform •\'l).

50. De alkaloïden, verkregen na het af destilleer en van de ehlorofonn 5), moeten, na een uur bij \\oo0gedroogd te zijny 2$0— 300 mG. bedragen. Verkregen uit 84 Grm. van het filtraat, d. i. de helft van het spiritueuse aftreksel van 10 Grm. poeder van kinabast, dus uit 5 Grm. bast, is dit dus 5—6 pet. ü).

1

k) De uitschudding met chloroform geschiede door herhaaldelijk zacht omzwenken en niet door sterk schudden, doordien in het laatste geval de chloroform zich slechts zeer langzaam van de waterige vloeistof scheidt. Na afscheiding moet de chloroform, wat de Ph. niet vermeldt, door een vooraf gedroogd en met chloroform bevochtigd filter worden gezuiverd, waarna het achterblijvende met een weinig chloroform wordt afgewasschen.

-ocr page 244-

228

6°. Dc neutrale cliloonvaterstof zure oplossing dezer alkaloïden in 10 Grvi. water moet, va met zoo veel vatriuvitartraat als het gewicht der alkaloïden bedraagt, verwarmd en weder bekoeld te zijn, eene hoeveelheid tartraten afscheiden, die, verzameld, afge-wasschen en bij ioo0 gedroogd, 55 fct. der alkaloïden bedraagt. Door het natriumtartraat worden neergeslagen de tartraten van kinine en cinchonidine, terwijl die der overige alkaloïden opgelost blijven. Berekend als kininetartraat, moet de hoeveelheid kinine ruim 40 pet. der gezamenlijke alkaloïden bedragen, hetwelk overeenkomt met een kinine-gehalte van 2 pet. in den bast. Als bewijs eener deugdelijke analyse geldt, dat de neutrale chloorwaterstof-zure oplossing der alkaloïden helder zij. Bij minder volkomen helderheid moet zij natuurlijk vóór de precipitatie gefiltreerd worden.

70. 100 mG. van deze tartraten, met een paar droppels verdund zzvavelzuur in 40 cM*. water opgelost, geve een vocht, waarvan 4 cM*., met 2—4 droppels chloorwater vermengd, door 2 droppels ammonia duidelijk groen gekleurd wordt. Reactie op kinine. De eisch eener duidelijke groenkleuring geeft min of meer aan eene voldoende hoeveelheid van dit alkaloïde.

C (3 R T EX C I N N A M O M I.

KAN E E L.

IJc binnenlaag van den bast der takken van Cinnamomum zeyla-nicum Breyn.

Onderscheidene pijpen, zoodanig om elkander gelegen, dat zij cilinders vormen van bijkans 1 meter lengte en ongeveer 1 centimeter breedte. Voormelde binnenlaag zelve is 0.3 millimeter of minder dik, broos, effen, dof, bleek geelbruin, met verspreide, kronkelende, bleekerestrepen op hare buitenvlakte en dichtvezelig op de breuk. Binnenzijde donkerbruin. Reuk eigenaardig, aangenaam; smaak zeer aromatisch, brandend.

met een mengsel van lo cM3. ammonia, 20 cM3. sterken spiritus en 170 cM3. aether. Na 24 uur worden 100 cM3. helder afgegoten en, na toevoeging van 3 cM3. volume-trisch chloonvaterstofzuur en 27 cM3. water, de aether en spiritus op het waterbad verdampt en daarna zoo noodig nog eenig volumetrisch zuur tot zure reactie toegevoegd. Men filtreert vervolgens en voegt bij het bekoelde filtraat volumetrisch kaliloog tot alkalische reactie. Met op een filter verzamelde neerslag van alkaloïden wordt met water volkomen uitgewasschen, en daarna boven zwavelzuur en ten slotte op het waterbad tct constant gewicht gedroogd.

-ocr page 245-

Samenstelling, Hoofdbestanddeel: J-—i pet. vluchtige olie 1). Verder worden er nog in aangetroffen: kaneelzuur, hars, zetmeel, suiker, looizuur, slijm en minerale stoffen.

Afkomst. Kaneel wordt gewonnen van de C i n n a m o m u m zeylanicum BREYNE, een boomachtig gewas uit de familie der Lauraceae, oorspronkelijk inheemsch op het eiland Ceylon, doch later overgebracht naar tal van tropische streken, zooals Britsch- en Nederlandsch-Indië, China, enz. Op Ceylon groeit de plant in \'t wild, docli wordt tevens aldaar in z. g. kaneeltuinen in meerdere verscheidenheden ter inning van den bast, evenals elders, gekweekt. De teelt geschiedt op de wijze als bij ons die van het eikenhakhout. De boomen worden tot aan den grond geveld. Uit de achtergebleven stomp schieten dan na eenigen tijd jonge loten uit, die men na een paar jaren wegkapt. Hiervan verzamelt men den bast door afstrooping, na op verschillende afstanden in de breedte ringvormige insneden en daarna over de geheele lengte eene overlangsche snede gemaakt te hebben. Vervolgens wordt de schors van den eigenlijken bast verwijderd, door de pijpen, na eenigen tijd gelegen te hebben, over ronde, houten staven te schuiven en met een daartoe ingericht mes af te schrapen, waarna de repen in elkander worden geschoven , op maat gesneden en in de zon gedroogd, waardoor de oorspronkelijk witachtige bast een geelbruine kleur verkrijgt. Tot fardeelen saamgebonden, worden ze in balen of kisten verpakt en hoofdzakelijk naar Londen verzonden.

Eigenschappen. Cilinders van bijkans i M. lengte en ongeveer i cM. breedte, bestaande uit onderscheidene (6—-io) om elkander gelegen pijpen, ongeveer 0.3 mM. of minder dik, broos, effen. De buitenvlakte is dof, bleek-geelbruin van kleur, met verspreide, kronkelende, bleekere strepen. De binnenvlakte is donkerbruin, uiterst fijn- en dicht-gestreept. De breuk is dichtvezelig. Reuk eigenaardig, aangenaam aromatisch; smaak zeer aromatisch, brandend, min of meer zoet, bij lang kauwen eenigszins slijmerig.

Onderzoek.

1°. De binnenlaag van den bast der takken van Cinnamomu m

1

) Zie bij « Oleum Cinnamomi »

-ocr page 246-

2 30

zeylanicum UREVN. Dc Pharmacopee verlangt z. g, Ceylon-kaneel, dat niet verwisseld mag worden met:

a. Java-kaneel, van dezelfde moederplant afkomstig, op Java gekweekt en rechtstreeks naar Nederland vervoerd. Het onderscheid tusschen beide is gering. Door minder zorgvuldige afschraping is de buitenvlakte der pijpen vlinder gelijk van kleur. Ook zijn de pijpen losser in elkander gestoken en gewoonlijk dikker, waardoor de cilinders meestal ook dikker zijn. Ook wil men, dat de kleur iets donkerder, de reuk en smaak iets minder sterk zijn.

h. Chineesch kaneel, afkomstig van Cinnamomum Cassia 15LUME of C. aromaticum NEES, groeiende in Zuid-China. De pijpen zijn enkel, niet in elkander geschoven, korter en dikker. De buitenlaag is minder zorgvuldig afgeschraapt, nog hier en daar met kurk en schors bezet, waardoor de verspreide, kronkelende, bleckere strepen niet of onduidelijk te zien zijn. De kleur der buitenzijde is brninae/itig. De breuk is effen. De smaak is minder fijn, scherper en slijmeriger.

c. boerenkaneel, Cassia lignea of vera, afkomstig van Cinnamomum zeylanicum var. Cassia NEES, groeiende in Voor-lndië en uit Malabar afkomstig. De pijpen zijn enkel, niet om elkander gelegen, veel dikker, niet afgeschrapt. De breuk is houterig. Reuk en smaak veel minder aromatisch.

CORTEX C O N D U R A N G O.

CONDURANGOBAS T.

De bast van (Jonoiobus Condurango Tr.

(iootvormige stukken of omgebogen pijpen, 3—10 centimeter lang en 1—7 millimeter dik. Buitenvlakte bruinachtig of bruingrijs, overlangs gerimpeld, bultig; binnenvlakte lichtgrijs, overlangs grof- en afgebroken-gestreept. Dwarsche breuk korrelig, hier en daar vezelig. Smaak een weinig bitter, eenigszins scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: ongeveer 0.4 pet. condu-rangine, een mengsel van bittere glucosiden, dat zich tegenover vele reagentiën ook als een alkaloïde gedraagt en in koud water gemakkelijk, daarentegen in warm water moeilijk oplosbaar is.

-ocr page 247-

231

Voorts komen er in voor; zetmeel, gom- en slijmstof, hars, looizuur, vet en minerale stoffen.

Afkomst. Condurangobast is de waarschijnlijk door afstrooping verkregen stam- en takbast van Go nolobus Gondii ran go T K IA X A, eene in de wouden langs de bergachtige westkust van Ecuador en Peru groeiende slingerplant, behoorende tot de lamilie der A sc lep ia d ace ae.

Eigenschappen. Gootvormige stukken of omgebogen pijpen, gemakkelijk snijdbaar, ongeveer 3—-io cM. lang, soms langer en !—7, meestal 3—4 mM. dik. Buitenvlakte bruinachtig of bruingrijs, overlangs gerimpeld, bij jongere takken effen, bij oudere takken of van den stam afkomstig bultig. Binnenvlakte lichtgrijs, overlangs grof- en afgebroken gestreept. Dwarsche breuk korrelig, hier en daar vezelig. Reuk eigenaardig, zwak aromatisch; smaak een weinig bitter, eenigszins scherp.

Onderzoek.

10. De hast van Go nolobus C o n d u r a n g o T r. Volgens de beschrijving verlangt de Pharmacopee de Condurango Ma taper ro of C. vera. Het meest bekend zijn voorts de volgende soorten:

a. Condurango van Huancabamba of C. blanco, afkomstig van Marsdenia Condurango REICH. De stukken zijn dunner, van de dikte van een pennesehaeht, en dicht behaard.

b. Condurango van Nieuw-Granada, afkomstig van Ma-croscepis Trianae DECAISNE.

c. Condurango van Guayaquil. Stamplant onbekend. Houtige takjes met bast.

d. Condurango van Mexico. Stamplant onbekend. Korte, dunne, gespleten stukjes stengel.

e. Stipites Guaco, de stengel en bladen van Micania Guaco HUMB., ook wel valschelijk Condurango genoemd.

20. Buitenvlakte bultig. Verlangd wordt dus de bast van oudere takken of van den stam.

-ocr page 248-

232

CORTEX FRANGULAE.

R H A M N U S B A S T.

De bast van Rhamnus Fran gul a I-.

Pijpen ter lengte van bijkans 3 decimeter en ter breedte van i tot 2 centimeter. De bast zelf meest r.5 millimeter dik, met een donkerbruin-of vuilzwarte buitenvlakte, waarop talrijke dwarsche scheurtjes verspreid staan; aan de binnenzijde roodbruin; op de overlangsche breuk geel en vezelig. Smaak een weinig zoet- en bitterachtig.

Men gebruike geen bast dan die ten minste een jaar na de inzameling bewaard is.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. franguline, C21Hï0O10, een citroengeel, kristallijn glu-coside, bij 226°—228° smeltende, reuk- en smaakloos, in water en spiritus niet of weinig oplosbaar, dat door alkaliën kersrood wordt gekleurd en bij splitsing franguline zuur levert, een stof indentisch met de efno dine van den Rhabarberwortel.

2°. frangulazuur, eene stof veel overeenkomst vertoonende met het catarthinezuur der Sennabladen.

3°. minder belangrijke stoffen als; looizuur, harsachtige stof, bitterstof, suiker en minerale stoffen.

Afkomst. Rhamnusbast wordt in Duitschland, vooral in Saksen, door afschilling en droging gewonnen van Rhamnus Frangula L., een door geheel Europa en ook bij ons in \'t wild voorkomenden heester uit de familie der Rhamnaceae. Daar de versch verzamelde en gedroogde bast weinig afvoerend, daarentegen braak- en pijnverwekkend werkt, welke nevenwerkingen, benevens den onaan-genamen reuk en smaak, bij bewaring verloren gaan, terwijl de afvoerende werking daarbij toeneemt, mag geen bast gebruikt worden dan die ten minste een jaar oud is. Waarschijnlijk staat dit verschil in werking tusschen jongeren en ouderen bast in verband met het gemis aan franguline in den verschen bast, die zich eerst bij het liggen schijnt te vormen. Het braakwekkende bestanddeel is nog onbekend.

Eigenschappen. Opgerolde pijpen ter lengte van bijkans 3 cM, en ter breedte van 1—2 cM. en 0.5—2, meest 1.5 mM. dik. De buitenvlakte is dof-glanzig, oorspronkelijk roodbruin, later

-ocr page 249-

233

donkerbruin of vuilzwart van kleur, met talrijke, verspreide, kleine kurkwratjes, die zich als witte, dwarsche scheurtjes voordoen. De binnenzijde is glad, min of meer roodbruin. Op de over-langsche breuk is de bast geel en vezelig. Reuk afwezig; smaak een weinig zoet- en bitterachtig.

Onderzoek.

1°. De bast van Rhamnus Frangula L. mag niet verwisseld worden met;

a. den bast van Rhamnus cathartica L. De pijpen zijn korter. De buitenvlakte \\s grijs- of roodbruin, sterk glanzend, mei weinig zeer verspreide, dwarsche scheurtjes. De breuk is lang-vezelig, veel taaier. Smaak zeer scherp bitter.

b. den bast van Rhamnus purshiana DC. (Cascara sagrada). Heeft veel overeenkomst met Rhamnusbast, doch is lichter van kleur en dikker, ongeveer 3 millimeter.

c. den bast van Prunus pad us L. De buitenvlakte is roodbruin of donker-leikleicrig, glanzend, overlangs gerimpeld, met vuilgele, ronde kurkwratjes. Smaak samentrekkend bitter.

d. den bast van Alnus gliitinosa en incana L. De buitenvlakte is roodbruin, met ronde, witte kurkwratjes, spaarzaam hier en daar verspreid. De breuk is niet vezelig maar effen.

CORTEX F R U C T U S A U R A N T 11.

CORTEX AU R A N T I O R U M.

ORANJ ESCHI I,.

De beide buitenste lagen der rijpe vrucht van Citrus vulgaris Ris so, in 4 bijna ellipsvormige stukken verdeeld.

Deze zijn 6 tot 8 centimeter lang, 4 tot 5 centimeter breed, 2 tot 5 millimeter dik en op de buitenvlakte geelbruinachtig, rimpelig-kleingroevig; van binnen sponzig, wit. Reuk aromatisch; smaak aromatisch en bitter.

Ten gebruike worde de binnenste witte laag verwijderd en alleen de buitenste (Flavedo) gebezigd.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

-ocr page 250-

2 34

1°. ruim i pet, vluchtige olie l).

2°. aurantiine, een bitterstof, bestaande uit een amorph, zeer bitter glucoside, anrantiaviarine, gemakkelijk oplosbaar in water en spiritus, onoplosbaar in aether, en een eveneens zeer bitter zuur, aurantianiarinezuur, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, tamelijk oplosbaar in aether.

3quot;. hesperidine, bestaande uit een kristallijn, zeer weinig bitter glucoside, isohespcridine, en een kristallijn, smakeloos zuur, hesperineznur, onoplosbaar in water en aether, bijna ono])losbaar in spiritus.

4°. looizuur.

Afkomst. Oranjeschil is de in vieren gesneden en gedroogde schil van de rijpe vrucht van Citrus vulgaris R1SSO, een boom uit de familie der Aurantiaceae, oorspronkelijk inheemsch in Zuid-Azië, doch sedert eeuwen gekweekt in de warmere landen van Zuid-Europa. In balen komt de schil van uit Malaga tot ons.

Ten gebruike wordt de binnenste witte laag, het albedo, van de buitenste laag, het Jlavcdo, verwijderd. Daartoe wordt de schil gedurende een kwartier uur in koud water geweekt en na de overmaat water afgegoten te hebben, eenigen tijd op een koele plaats gezet, waarna men met een mes de weeke, witte laag gemakkelijk kan wegsnijden.

Eigenschappen. Bijna ellipsvormige stukken, 6 tot 8 centimeter lang, 4 tot 5 centimeter breed en 2 tot 5 millimeter dik, bestaande uit eene droge, geelbruinachtige, rimpelige, door de oliekliertjes kleingroevige buitenlaag en eene sponsachtige, witte bin-nenlaag. Reuk aangenaam aromatisch; smaak aromatisch en bitter.

Onderzoek.

10. De beide buitenste lagen, in 4 bijna ellipsvormige stukken verdeeld. De Pharmacopee verlangt de uit Malaga aangevoerde schillen. Ook van uit Malta worden zij uitgevoerd, welke echter, behalve in schillen, ook voorkomen in den vorm van spiraalswijs gewonden repen en als zeer dunne, van het witte weefsel ontdane schilfers.

20. der rijpe vrucht van Citrus vulgaris RISSO. Zij mag niet verwisseld worden met:

\') Zie bij « Oleum Aurantiorum ».

-ocr page 251-

235

a. Curafao-schilleji, afkomstig van eene op het eiland Curasao gekweekte verscheidenheid. Zij zijn gewoonlijk ieizuat kleiner, harder, dunner, dofvuilgroen van kleur. Reuk en smaak zijn doordringender.

h. Sinaasappel-schillen, afkomstig van Citrus Aurantium RISSO. Zij zijn dunner, lichter en geelrood van kleur. Reuk minder aromatisch; smaak minder bitter.

3°. op de bintenvlakte geelbrninachtig, van binnen ivit. Reuk aromatisch; smaak aromatisch. Goede Oranjeschillen moeten er frisch. aan de buitenzijde helderkleurig, aan de binnenzijde wit uitzien, aangenaam en sterk rieken en krachtig bitter, aromatisch smaken.

CORTEX GR AN ATI.

GRANAAT BAS T.

De wortelbast van Punica Gr an at um L,

Pijpen of gootvormige stukken, die hard en broos zijn en dofglanzend op de breuk. Buitenvlakte grijsbruin, nu eens vrij glad, dan eens door kurklijsten of -wratten, ook wel door rimpels of loslatende dunne kurk-schilfers oneffen. Binnenvlakte licht- of donkerbruin, veelal ruw door overlangs loopende streepvonnige verhevenheden. Smaak samentrekkend, bitterachtig.

Stukken, op wier buitenvlakte kurklijsten of -kammen tot ruitvormige of andere regelmatige figuren samenkomen en bij welke een sleuf met opgeworpen randen over het midden dier lijsten of kammen heenloopt; zoo ook dezulke, die aan hunne buitenvlakte hier of daar het loof of de schoteltjes van korstmossen of de sporenhouders van kernzwammen dragen en eindelijk ook die, welke aan de binnenvlakte lichtgeel en zeer glad zijn, mogen, als zijnde alle van stammen of takken afkomstig, niet worden toegelaten.

Voor den hierboven beschreven Zuid-Europeeschen Granaatbast mag die uit Oost-Indie, uit kleine stukjes en schraapsel bestaande, afgeleverd worden.

Granaatbast moet zooveel alkaloïden bevatten, dat daaruit ten minste i pet. chloorwaterstofzure verbindingen op de volgende wijze verkregen wordt;

Meng lo Grm. van den tot poeder gebrachten bast met 2 Grm. kalk-hydraat, 100 cMs, water en 2 Grm. natronloog; macereer dit mengsel.

-ocr page 252-

236

onder herhaald schudden, 24 uur en deplaceer. Voeg, als het vocht is afgeloopen, zoolang kleine hoeveelheden water aan het overschot toe, totdat in het afloopend vocht geene alkaloïden meer zijn aan te toonen. Schud het percolaat uit: eerst met 20 cM3, en daarna telkens met 10 cM3. chloroform, totdat de alkaloïden in de chloroform zijn opgelost. Voeg bij deze oplossing 10 cM\'. water en droppelsgewijs zoo veel volumetrisch chloorwaterstofzuur, als noodig is om de waterige vloeistof, na sterk schudden, zwak zuur te doen blijven. Schud de chloroform nog eens uit, maar nu met 5 cM3. water, en damp de bijeengevoegde waterige vochten bij zeer zachte warmte op een waterbad uit, totdat ongeveer 1 Grm. is overgebleven. Dit overschot wordt in den exsiccator uitgedroogd totdat het gewicht constant geworden is. Het mag niet minder dan 100 mG. wegen, slechts weinig gekleurd zijn en moet in water volkomen oplossen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen de alkaloïden :

i0. pelletierine, C8H,r\'NO, kleurloos, olieachtig vloeibaar, aan de lucht onder oxydatie en bruinkleuring verharsend, eigenaardig narkotisch van reuk, reageert sterk alkalisch, is oplosbaar in water (20), spiritus en aether, kookt bij 1950, rechtsdraaiend.

2u. isopelletierine, CH^NO, als pelletierine, doch zonder invloed op het gepolariseerde licht.

30. methyl pelletierine, C9H,7NO, kleurloos, vloeibaar, oplosbaar in water (25), spiritus en aether, kookt bij 2150, rechtsdraaiend.

40. pseudopelletierine, CH15NO-|-2 H20, kleurlooze, prismatische kristallen, gemakkelijk oplosbaar in water, spiritus en aether, smeltende bij 46°, kokende bij 246°, linksdraaiend.

Voorts komen er nog in voor: 20 pet. looizuur, gallus-zuur, hars, zetmeel en minerale stoffen.

Afkomst. Granaatbast wordt verkregen van 1\' unica G r a-natum L., een lagen boom uit de familie der Myrtaceae, oorspronkelijk inheemsch in Vóór-Azië, doch tegenwoordig veelvuldig gekweekt in het Zuiden van Europa, in Noord-Afrika en Oost-Indië. Zoowel van den stam als van den wortel wordt de bast verzameld. Onze Pharmacopee verlangt den wortel-bast als zijnde werkzamer. Vooral van uit het zuiden van Frankrijk en Italië komt deze tot ons, alhoewel hij ook van uit onze Oost-Indische bezittingen naar ons land wordt uitgevoerd.

Eigenschappen, De Zuid-Europeesche Granaatbast komt voor in pijpen, halve pijpen of gootvormige stukken, de laatste niet

-ocr page 253-

237

zelden buitenwaarts gebogen en gewoonlijk 0.5—1 dM. lang en 1 of meer mM. dik. Die uit Üost-Indië komt slechts voor als schraapsel of in kleine stukjes. Overigens is de bast hard, broos en kort, eenigszins korrelig en dofglanzend op de breuk.

De buitenvlakte is grijsbruin, nu eens vrij glad, dan eens door kurklijsten of -wratten, ook wel door rimpels of loslatende dunne kurkschilfers oneffen. De binnenvlakte is licht- of donkerbruin, veelal ruw door overlangs loopende, streepvormige verhevenheden. Smaak samentrekkend, bitterachtig.

Onderzoek.

1°. De wortelbast van Tunica Granatum L. De beschrijving der Pharmacopee komt met de eigenschappen van den wortcl-bast overeen. Het onderscheid tusschen wortel- en stambast bestaat in de volgende kenmerken :

Wortclh-Ast. \\ vSVc««bast.

Buitenvlakte vrij glad of oneffen door kurklijsten of-wratten , ook wel door rimpels of loslatende dunne kurkschilfers,

doch creen ruit- of vingervormige

B i n n e n v 1 ;i lc t e lichtgeel en

zeer glad, niet gestreept.

amp;

indrukselen en geen schoteltjes van Korstmossen of sporenhou-ders van Kernzwammen.

Binnenvlakte licht- of donkerbruin en veelal ruzv door overlangs loopende streep en.

2°. Granaatbast moet zoo veel alkaloïden bevatten, dat daaruit ten minste 1 pet. chloonvater stof zure verbindingen verkregen zuordt.

Volgens de door de Pharmacopee opgenomen methode (Stoeder) ter bepaling van het gehalte aan gezamenlijke alkaloïden worden deze, in den bast aan looi- en galluszuur gebonden, door kalkhydraat en natronloog \') in vrijheid gesteld en door deplaceeren 1) in water oj)-gelost. Of de alkaloïden geheel zijn uitgetrokken , kan hieruit blijken ,

Buitenvlakte oneffen door kurklijsten of -kammen, die tot ruit- of vingervormige indrnksc-len samenkomen, en door ovcr-langsche kurkruggen. Hier en daar het loof of de schoteltjes van Korstmossen of sporen houders van Kernswammen.

1

) Zie bij « Extracta ».

-ocr page 254-

238

dat een droppel van liet laatste percolaat, na aanzuring niet verdund chloorwaterstofzuur, niet meer door kaliumkwikjodide wordt neergeslagen. Aan de waterige oplossing worden zij vervolgens door herhaalde schudding met chloroform onttrokken en hieruit weder door schudden met zwak chloorwaterstofzuur als chloor-waterstofzure verbindingen in water opgenomen, welke waterige oplossing ten slotte op het waterbad voorzichtig wordt uitgedampt en boven zwavelzuur gedroogd. Uitgaande van 10 Grm. bastpoeder moet het overschot niet minder dan 100 niG., d. i. dus 1 pet., wegen. Als bewijs van eene deugdelijke bepaling kan worden ge-eischt, dat de alkaloïd-verbindingen slechts zeer weinig geel gekleurd zijn, in water volkomen oplossen en slechts zwak zuur reageeren.

30. De zvortelbast van 1\'unica G ran at 11111 L. Als verval-schingen gelden;

a. de bast van Buxus sempervirens L. Zeer onregelmatige, opgerolde stukken. Buitenvlakte grijszvitaclitig, zeer diep en un-regelmatig gerimpeld. Binnenvlakte bijna saffraangeel. Smaak niet samentrekkend, soetaehtig-bitier.

b. de bast van Berberis vulgaris L. Binnenvlakte hooggeel of groenachtig-geel. Smaak niet samentrekkend, sterk bitter.

CORTEX ME ZE REI.

G A R O E B A S T.

De bast van Daphne Mezereum L., in het begin der lente van den stam en de forschere takken verzameld.

Reepen, ter lengte van 3 tot 6 decimeter, ter breedte van 1 tot 4 centimeter en ter dikte van ten hoogste 1 millimeter, die zeer taai, buigzaam en tot bundels van 1 tot 3 decimeter lengte sadmgewonden zijn. Het bruinachtig lederkurk is met de dunne groene middellaag gemakkelijk los te maken van de zeer taaie, fijnvezelige, op de binnenvlakte eenigs-zins geel witachtige, zijdeglanzende binnenlaag. Smaak scherp en brandend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: eene nog niet nader gc-definiëerde harsachtige stof, die voor het scherp werkend beginsel wordt gehouden, en een bitter, kristallijn glucoside, daphnine, weinig oplosbaar in koud, gemakkelijk in warm

-ocr page 255-

239

water en warmen spiritus, onoplosbaar in aether. Voorts komen er nog in voor; een weinig eener vette, olieachtige stof, gom, was en minerale stoffen.

Afkomst. Garoebast is afkomstig van Daphne M e ze-reu m L., een in bosschen van bergachtige landen van Europa, ook bij ons in \'t wild gevonden heester, behoorende tot de familie der Thy melaeaceae. De zeer taaie, vezelige bast wordt gemakkelijk in de bekende lange, lintvormige, zeer buigzame strooken van den stam en de forschere takken getrokken, tot bosjes, met de binnenvlakte van den bast naar buiten gekeerd, gebonden en gedroogd. De inzameling, die vooral in Duitschland geschiedt, heeft plaats in het begin der lente, omdat alsdan de bast het meest de scherp werkende eigenschappen bezit.

Eigenschappen. Lange, taaie en zeer buigzame reepen, ter lengte van 3—6 dM., ter breedte van 1—-4 cM. en ter dikte van ten hoogste 1 mM., die tot bundels van 1 3 dM. lengte opgerold zijn, waarbij de binnenzijde naar buiten gekeerd is.

De buitenvlakte is bleek-roodbruin, dofglanzend, dikwijls bultig opgeblazen, en hier en daar van kurkwratjes en litteekens van afgesneden takken of door deze achtergelaten openingen voorzien.

De binnenvlakte is eenigszins geelwitachtig, zijdeglanzend, zeer taai en fijnvezelig en gemakkelijk van het bruinachtig lederkurk met de aanhangende dunne, groene middellaag los te maken.

Reuk in verschen staat onaangenaam, na droging afwezig; smaak scherp en brandend.

CORTEX S I M A R U B A E.

SIMARUBABAS T.

De wortelbast van Simaruba officinalis 1). C.

Zeer taaie reepen van verschillende lengte en 1 tot 6 millimeter dikte, die bijzonder vezelig en aschkleurig zijn en wier buitenvlakte nu eens rimpelig, hier en daar door bultjes of wratjes ruw, of met schilfers van een dun, bleekgeel, glanzig lederkurk bezet, dan weder in vezels ontbonden is. Smaak zeer bitter.

-ocr page 256-

24Ü

Samenstelling. Het werkzaam beginsel is eene bitterstof, nauw verwant en waarschijnlijk identisch met quassiinc, de bitterstof uit Kwassiehout.

Afkomst. Simarubabast is de wortelbast van S i maruba officinalis D. C., een boom uit de familie der Si m ar u baceae.

De dikke takken van den wortel, die, als alle overige deelen van de plant, bitter smaakt, doch zich vooral door een groot gehalte aan bitterstof onderscheidt, spreiden zich in horizontale richting ver onder den grond uit; men schilt den bast in grooter of kleiner stukken daarvan af, die in zware seroenen van uit Guyana naar Europa wordt verzonden.

Eigenschappen. Lange, platte, rechte of saamgevouwen of opgerolde, vrij lichte, zeer taaie reepen van verschillende lengte en breedte en i—6 mM. dikte, die een bijzonder vezelig voorkomen hebben.

De buitenvlakte is meermalen rimpelig, hier en daar ruw door bultjes of wratjes, soms nog met schilfers van een dun, bleekgeel en glanzig lederkurk bezet; overigens is zij afgeschraapt-ruw, dof en bleekgeel of lichtbruin van kleur.

Aan de binnenvlakte bestaat de bast geheel uit eene bruin- of bleekgele, taaie massa van een draderig uitgerafeld voorkomen.

Reuk afwezig; smaak iets slijmerig, zeer bitter.

Onderzoek.

i0. De wortelbast van S i m a r u b a officinalis D. C. Behalve dezen boom van het geslacht S i m a r u b a, die in de bos-schen van Guyana groeit, onderscheidt men nog de S. am ara HAVNE, die op Jamaika voorkomt. De bast van den eersten wordt in veel ruimer mate ingevoerd dan van den laatsten en geldquot;; als de beste. De Jamaikaansche is over \'t algemeen lichter van kleur, geehvitac/itig, dikker en op de binnenvlakte e ff ener, doch vezelig overlangs gestreept.

-ocr page 257-

241

CROCUS MARTI S.

IJZERSAFFRAAN.

SUBCARBON A S F E R R 1.

N, Ferrosulfaal honderd deelen..........100

Los ze op in

Heel Water vierhonderd deelen.........4°°

en voeg er eenige droppels verdund zwavelzuur aan toe.

Giet de oplossing, onder sterk roeren, in een heete en heldere oplossing van

Natriumcarbonaai honderd vijftien deelen.....115

in

Water vierhonderd deelen...........400

De vloeistof moet na de precipitatie alkalisch zijn.

Laat haar bezinken; neem de vloeistof boven het bezinksel weg; roer dit opnieuw met heet water om; laat andermaal bezinken; vervang het weggenomen water opnieuw door versch, en herhaal dit zoo lang, totdat een weinig van het afwaschwater, na met verdund chloorwaterstofzuur zuur te zijn gemaakt, niet meer terstond door baryumchloride troebel wordt. Breng het neérslag op een doek, pers het sterk uit en verdeel het in kleine brokken, die bij een zachte warmte gedroogd en daarna tot poeder gebracht moeten worden.

Een roodbruin tot geelbruin poeder, dat in chloorwaterstofzuur, onder opbruising, volkomen oplosbaar is en een vloeistof oplevert, die zoowel door kaliumferrocyanide als door kaliumferricyanide blauw wordt. Water, dat met het poeder geschud wordt, losse daaruit bijna niets op. De oplossing van het poeder in chloorwaterstofzuur worde door baryumchloride niet terstond troebel en geve, met salpeterzuur gekookt, daarna met een overmaat van ammonia vermengd en gefiltreerd, een kleurloos vocht, dat, na verdampt te zijn, een overschot achterlaat, hetwelk, aan gloeihitte blootgesteld, bijna geheel verdwijnt.

Samenstelling.

Een mengsel van ferrihydroxyde \') en ferrocarbonaat 1).

Ferrihydroxyde, Fes(OH)6, is de hydroxyl-verbinding van e\'en zeswaardig ferri-, Fe2-, molecule.

Ferrocarbonaat, FeCO3, is het ferro-, Fe-, zout van het tweebasische

16

1

Over ferri- en ferro-verbindingen zie bij « Ferrum pulveratum ».

-ocr page 258-

242

koolzuur, li2CO3. De twee atomen waterstof zijn hierin vervangen door een tweewaardig atoom Fe.

Bereiding. Uit het ferrosulfaat en het natriumcarbonaat ontstaat aanvankelijk een wit neêrslag van ferrocarbonaat, dat zich

Fe SO4 Na2C03 = Fe CO3 -f Na^SO4

ferrosulfaat natriumcarbonaat ferrocarbonaat natriumsulfaat

echter langzamerhand door oxydatie in tegenwoordigheid van water omzet in ferrihydroxyde onder ontwikkeling van kool-dioxyde.

2 Fe CO3 3 H20 -f O = Fe^OH)0 2 CO2

ferrocarbonaat water zuurstof ferrihydroxyde kooldioxyde

De toevoeging van eenige droppels verdund zwavelzuur bij de warme ferrosulfaat-oplossing dient, om het door warmte gemakkelijk tot ferri-zout oxydeerbare ferrosulfaat als zoodanig te behouden , terwijl liet schenken van de ferrosulfaat-oplossing bij die van het natriumcarbonaat, en niet omgekeerd, ten doel heeft, de vorming van basisch zout te voorkomen en het ferrosulfaat geheel te ontleden.

Ook de precipitatie in de warme, luchtvrije vloeistoffen, het afwasschen met heet water, om zooveel mogelijk aanraking met lucht te voorkomen en spoediger te kunnen uitwasschen, het drogen bij zachte warmte, niet hooger dan 30°, hebben alle ten doel, zooveel mogelijk oxydatie te voorkomen en daardoor een zoo groot mogelijk gehalte aan ferrocarbonaat in het preparaat te behouden. Het gehalte zal intusschen steeds eenigermate afwisselen \').

Eigenschappen. Een roodbruin tot geelbruin poeder, dat onoplosbaar in water, doch in chloorwaterstofzuur, onder opbruising van kooldioxyde, oplosbaar is en daarmede een vloeistof oplevert, die zoowel door kaliumferrocyanide als door kaliumferri-cyanide blauw wordt, d. i. uit een mengsel van ferri- en ferro-zout bestaat.

Onderzoek.

1°. Een poeder, dat in chloorwaterstofzuur volkomen oplos-

\') Wenschelijk ware het daarom, dat, met een nauwkeuriger voorschrift, een be-paald gehalte aan ferrocarbonaat was voorgeschreven.

-ocr page 259-

243

baar is. Slaat op de afwezigheid van de lagere ferri-hydro xyl verbindingen: Fe20(0H)4 en Fea02(0H)4, door te hooge temperatuur bij de droging onder waterverlies uit het Fe2(OH)G ontstaan, welke moeilijk of niet in koud chloorwaterstofzuur oplosbaar zijn. — Ook kan gedeeltelijke oplosbaarheid in chloorwaterstofzuur wijzen op vervalsching met natuurlijk ijzer-oxyde (lapis haematitis) en op verontreiniging met minerale stoffen, als roode steen, oker, enz., in het zuur onoplosbaar.

2°. Water, dat met het poeder geschud zuordt, losse daaruit bijna niets op. Afwezigheid van n a t r i u m c a r b o n a a t en - s u 1-faat, daarin aanwezig door onvoldoend uitwasschen. Sporen worden toegestaan.

3°. De oplossing van het poeder in chloorrvaterstof zuur worde door baryumchloride niet terstond troebel. Afwezigheid van sulfaat, Sporen worden toegestaan. De oplossing in chloorwaterstofzuur worde vooraf met eenig water verdund.

4°. en geve, niet salpeterzuur gekookt, daarna met een overmaat van ammonia vermengd en gefiltreerd, een kleurloos vocht. Door koking met salpeterzuur wordt het ferro- in ferri-zout omgezet en dit met het reeds aanwezige ferri-zout door ammonia geprecipiteerd. Een blauwe kleur der vloeistof zou op verontreiniging met koper wijzen.

5 0. dat, na verdampt te zijn, een overschot achterlaat, hetwelk, aan gloeihitte blootgesteld, bijna geheel verdwijnt. Het overschot bestaat uit ammoniumchloride en -nitraat, in de chloorwaterstof-zure en salpeterzuurhoudende oplossing door ammonia, onder afscheiding van ferrihydroxyde, ontstaan. Deze ammoniumzouten vervluchtigen bij het gloeien geheel. Sporen verontreinigende, niet vluchtige, anorganische stoffen worden toegestaan.

CU BE B A E.

C U B E B E N.

De vruchten van Cubeba officinarum Miq.

Bolrond, ten hoogste 5 millimeter in middellijn, met een uitwendig grijsbruin of zwartachtig, netvormig-gerimpeld, 0.25 tot 0.50 millimeter dik vruchtbekleedsel, dat benedenwaarts versmald is tot een staart van

-ocr page 260-

244

ten hoogste i centimeter lengte en nauwelijks i millimeter dikte. De binnenlaag, lichter van kleur en bros, sluit één zaad in, dat slechts aan zijn voet vastzit, meestal gerimpeld en gevuld is. Reuk aromatisch; smaak aromatisch, doordringend, bitterachtig, niet scherp.

Ten gebruike behooren zij van vruchtstelen en twijgstukjes gezuiverd te worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer i pet. cubebenzuur, een wit, amorph, harsachtig, zwak zuur, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus en aether.

2°. 6—15 pet. cubebeen, C15H24, eene dikvloeibare, kleur-looze of bleekgroenachtige, uit eene lichte en eene zware bestaande vluchtige olie, waaruit zich bij bewaring door koude een kleurloos, kristallijn hydraat, de cubebenkamfer, afzet.

30. 0.5—2.5 pet. eubebine, een naaldvormig-kristailijn, reukloos , bitter, onwerkzaam lichaam, bijna onoplosbaar in water, minder moeilijk in spiritus en aether.

4®. ongeveer 6 pet. amorphe, indifferente hars.

Minder belangrijke bestanddeelen zijn: gom, zetmeel, vette olie en appelzure zouten.

Afkomst. Cubeben zijn de gedroogde vruchten van Cubeba officinarum Miq., een klimheester, behoorende tot de familie der Piperaceae, die in onze Indische bezittingen, vooral op Java en Sumatra, hetzij in afzonderlijke plantages, doch meestal in koffieplantages als schaduwgevend gewas gekweekt wordt.

De tot kolven vereenigde, ronde vruchten worden vóór hare volledige rijpheid geplukt, gedroogd en in balen over Batavia en Singapore naar Holland verzonden. Ten gebruike moeten zij van vruchtstelen en twijgstukjes der moederplant gezuiverd worden.

Eigenschappen. Steenvruchtjes, bolrond met bovenaan een klein puntje — het overblijfsel der stempels —, hoogstens 5 mM. in middellijn, met een uitwendig grijsbruin of zwartachtig, dikwerf aschgrauw bestoven, netvormig-gerimpeld, 0.25—0.50 mM. dik vruchtbekieedsel, dat benedenwaarts zich langzamerhand versmalt en daardoor geleidelijk overgaat in een staart, welke dus niet door middel van eene geleding met het vruchtbekleedsel verbonden is, langer dan de vrucht, ten hoogste echter 1 cM. lang en nauwelijks 1 mM. dik. De binnenlaag, rood-, meer naar binnen bleek-

-ocr page 261-

245

bruin van kleur en bros, op de doorsnede glanzig, sluit één zaad in, dat slechts aan zijn voet vastzit, roodbruin of zwart, meestal gerimpeld en gevuld is. Reuk na kneuzing aromatisch; smaak aromatisch, doordringend, bitterachtig, niet scherp.

Onderzoek.

Cubeben mogen niet vervalscht of verwisseld worden met:

i0. de vruchten van Cubeba canina Miq. Bolvorniig-eirond, kleiner, minder gerimpeld met kleinen staart.

2°. de vruchten van Cubeba Clusii Miq. {Afrikaansche Cnbeben). Kleiner, minder gerimpeld, aschgrauzu niet smullen, gewoonlijk gebogen staart. Reuk en smaak sterk naar peper.

3°. de vruchten van Cubeba crassipes Miq. Grooter, meer verschrompeld met dikken, afgeplatten staart. Reuk aangenaam naar kajoepoetolie; smaak zeer bitter.

4°. de vruchten van Cubeba Lowong Miq. Ovaal. Staart kleiner, dikker en ietwat platgedrukt.

5°. de vruchten van Piper nigrum L. {Zwartepeper). Minder regelmatig gerimpeld. Geen staart. Het zaad geheel met het vruchtbekleedsel vergroeid.

6°. de vruchten van üaphnidium Cubeba N. en E. De vrucht bevat één zaad met twee olieachtige zaadlobben.

7°. de vruchten van Myrtus Pimenta L. {Piment). Vrucht grooter, niet netvormig-gerimpeld maar korrelig, ruw, met een kelk gekroond. Geen staart. De binnenlaag sluit gewoonlijk tzvee zaden in. Reuk en smaak naar nagelen.

8°. de vruchten van Rhamnus cathartica L. {Krnisdoorn-bessen). Vrucht zivarter, grof-netvormig, onregelmatig gerimpeld. Staart of vruchtsteel gemakkelijk loslatend. De binnenlaag sluit vier hokjes in, elk met één zaad. Reuk en smaak onaangenaam.

D E C O C T A.

AFKOOKSELS.

De grondstoffen , waarvan afkooksels bereid worden, moeten, zoo noodig, gelijkmatig verdeeld en dus elk afzonderlijk, naar haren aard, óf fijn gesneden, óf tot grof poeder gebracht zijn.

-ocr page 262-

246

Zoo geen andere verhouding is opgegeven en de niaximaal-giften niet overschreden zijn, moeten voor 100 deelen colatuur 10 deelen der grond

stof gebruikt worden , behalve van ;

lersch Mos, waarvan anderhalf deel........1.5

Lijnzaad, ,, drie deelen..................3

Kinabast, „ zes deelen..................6

Yslandsch Mos, „ zes deelen..................6

Gepelde Gerst, „ acht deelen................8

gebruikt moeten worden.

Bereiding, De uittrekking der plantaardige grondstofTen geschiedt volgens de Ph, op verschillende wijzen. Afgezien van het te bezigen uittrekmiddel en het bij enkele artikelen voorgeschreven deplaceeren of percoleeren 1), onderscheidt zij vier verschillende wijzen van uittrekking, nl. het macereeren, het digereeren, het infundeer en of aftrekken en het koken. Het onderscheid tusschen deze vier bewerkingen ligt in hoofdzaak in het verschil van temperatuur, waarbij de uittrekking geschiedt. Het macereeren toch moet volgens de Ph. geschieden bij een warmtegraad van 1 50—25°, het digereeren bij dien van 3 50—-45°, het infundeeren bij 90°—98° en het koken, wat wel niet vermeld staat, doch wat wel de bedoeling zal zijn, bij het kookpunt van water, dus bij 1000 plaats hebben.

Wat laatstgenoemde bewerking, het koken, betreft, geeft de Ph. evenmin aan de wijze, waarop dit kookpunt moet worden bereikt, noch den tijdduur gedurende welken het kokende water op de grondstof moet inwerken; beide zaken, welke trouwens in nauw verband staan met de wijze van werken, welke naar den aard der grondstof en de ten dienste staande hulpmiddelen verschillend kan zijn, waarom blijkbaar de Ph. de beschrijving eener algemeene methode van bereiding heeft achtergelaten.

De tegenwoordig gewoonlijk gevolgde wijzen van koken nl. zijn tweeërlei. Pij de eerste, de oudere, wordt de grondstof in een daartoe geschikt, liefst porseleinen voorwerp, de kookpan, met de noodige hoeveelheid koud, gewoon, beter gedestilleerd water overgoten, met spatels van aardewerk of glas daaronder geroerd, zoodat alle deelen goed vochtig zijn, welke bewerking van tijd tot tijd tot aan het koken wordt herhaald, vervolgens de inhoud op het open vuur aan de kook gebracht en deze koking alsdan ge-

1

) Zie bij « Extracta ».

-ocr page 263-

247

durende gewoonlijk een kwartier bij gesloten deksel onderhouden.

De nieuwere methode ter bereiding van afkooksels, o. a. in de Duitsche Pharmacopee voor alle afkooksels verplichtend gesteld, bestaat daarin, dat de grondstoffen met de noodige hoeveelheid koud water worden overgoten en onder herhaald omroeren gedurende een half uur aan den damp van kokend water in een daartoe ingericht toestel, decoctorium, worden blootgesteld \').

Grondstoffen, welke gewoonlijk gekookt worden, zijn o a.: carrageen, cornu cervi praeparatuni en rasp a tuni, cortex chinae, condurango, frangulae, granati, mezerei, quebracho, quercus, salicis en simarubae, folia juglandis en uvae ar si, fructus colocynthidis, hordei en oryzae decorticatum, myrtilli en papaveris, herb a poly-galac antarae, lichen islandicus, ligntun guajaci, radix bardanae, calumba, ratanhiae, sarsaparillae, rhizoma graminis en senten lini. Enkele stoffen als folia trifolii fibrini, herb a car did benedicti, pulpa tamarindorum cruda, radix helenii, senegae, enz. worden zoowel in den vorm van decoctum als van infusum gebezigd.

De stoffen worden vóór de koking, zoo noodig, vooraf gelijkmatig verdeeld en dus elk afzonderlijk, naar haren aard, öf fijngesneden , of tot grof poeder gebracht. Semen lini wordt als zoodanig gebruikt, wijl het verlangde slijm aan de oppervlakte van het zaad is gelegen en kneuzing aanleiding zou kunnen geven tot het uitkoken der vette olie. Stoffen als carrageen, cornu cervi, lichen islandicus benevens de meeste foliac en herbae worden in kleine stukjes gesneden; vruchten , bijv. fructus myrtilli, benevens folia uvae ursi, worden gekneusd, terwijl in \'t algemeen de cortices, radices en ligna als grof poeder worden gebezigd.

De hoeveelheid der te nemen grondstof wordt gewoonlijk op het voorschrift aangegeven. Is dit niet het geval, dan neemt men als regel, met inachtneming der voor sommige krachtig werkende

») lïekle methoden bieden o. i. zekere voordeelen aan. Terwijl bij de eerste, de oudere, zeer zeker beter de vereischte temperatuur van 1000 wordt verkregen en door het voortdurend opborrelen der vloeistof de stof zich beter verdeelt en daardoor weinig gelegenheid lot bezinken bestaat, zoodat de aanraking van de grondstof met het water minder plaatselijk is, waardoor de uittrekking wordt bevorderd, is daarentegen bij de tweede, de nieuwere, de temperatuur meer constant en bestaat er in den aanvang minder gevaar voor aanbranden en later voor overkoken. Bij de laatste wijze van bereiding is het echter noodig telkens om te roeren en zouden wij er de voorkeur aan geven, de uittrekking te doen plaats hebben niet door den damp van het water, doch in het kokende water zelf of, waar dit kan, in een decoctorium met gespannen waterdamp, zoodat men zekerheid hebbe, dat voortdurend eene temperatuur van ioo0 wordt bereikt.

-ocr page 264-

248

stoffen in de Ph. vermelde maximaal-giften, 10 din. der grondstof voor 100 dln. afkooksel, met uitzondering der bij „Decoctaquot; opgenoemde stoffen.

Voor de bereiding der afkooksels van zeer harde stoffen als sommige cortices en radices, bijv. cortex coto, granati, quebracho, radix sarsaparillae, enz. is eene kortere of langere maceratie vóór de koking, bijv. van 6—\\2 uur, voor eene betere uittrekking der bestanddeelen noodzakelijk.

De hoeveelheid van het voor de uittrekking te bezigen water moet ongeveer even groot zijn als de verlangde hoeveelheid afkooksel, de cclatuur; men rekene daarbij echter op een kleine overmaat voor de verdamping alsmede voor de absorbtie der stof, het laatste vooral bij het gebruik van sommige cortices, folia en herbae. Intusschen neme men de hoeveelheid water ook weder niet te ruim, wijl een te kort aan colatuur later hersteld kan worden, doch een overmaat niet.

Na koking wordt het mengsel met behulp van coleer kom en -doek nog warm doorgezegen en, nadat het vocht is doorgeloopen, de achtergebleven stof door zacht wringen uitgeperst \'). Bedraagt de colatuur een weinig minder dan verlangd wordt, dan overgiet men de op den coleerdoek achtergebleven stof met de ontbrekende hoeveelheid kokend water en perst ten slotte nogmaals zacht uit.

Bij de colatuur gevoegd, laat men de vloeistof gedurende eenige minuten bezinken en giet eindelijk het bovenstaande vocht van het bezonken vuil af 2).

*) Zeer doelmatig is voor dit doel ook het door den heer Marius te Utrecht in der. handel gebrachte centrifugaal-toestelletje, ook te bezigen voor infusa, tincturen, en/..

a) Enkele opmerkingen aangaande sommige afkooksels vinden hier nog vermelding;.

Decoctum Carrageen (i.5—100) koke men gedurende vijf minuten zacht op het vrije vuur of, onder omroeren, in het decoctorium en coleere zonder uit te persen.

Decoct um Chinae (6—100) koke men liefst op het vrije vuur, waarbij vooral zorg moet worden gedragen tegen overkoking, coleere terstond daarna en late de colatuur slechts eenige oogenblikken, niet te lang bezinken, ten einde geene gelegenheid te geven tot het mede-uitzakken der werkzame bestanddeelen.

Decoctum Condurango. Daar hel werkzame bestanddeel van dezen bast, de condurangine, beter oplosbaar is in koud water dan in warm, wordt dit afkooksel het best bereid, door het poeder (A3) van den bast, na maceratie gedurende 6—12 uren, te koken en daarna nog gedurende eenige uren koud te trekken onder herhaald omroeren.

Decoctum Granati. Wegens de moeilijke oplosbaarheid der alkaloid-verbindingen van dezen bast bereide men het af kooksel het best, door, na de boven voorgeschreven

-ocr page 265-

249

DECOCTUM CORNUS CERVI COMPOSITUM.

SAMENGESTELD HERTSHOORNAFKOOKSEL.

D E C O C T U M A 1,1! U M S Y D E N H A M I.

N. Geprepareerd Hertshoorn, twee deelen...... 2

Broodkruim,............... 10

Suiker, van elk tien deelen.......... io

Gewoon water, zooveel als noodig is voor een colatuur

van tweehonderd deelen...........200

Kook het hertshoorn \'/j uur me,: l16*- water, doe er de broodkruim lij en zet het koken nog vijf minuten voort. Voeg, als de suiker in de olatuur is opgelost, zoo noodig, de vereischte hoeveelheid water er bij.

Bereiding. Voor de bereiding wordt van het Geprepareerd Hertshoorn gebruik gemaakt, omdat het niet-geprepareerde, cal-ciumphosphaat bevattende schaafsel dit laatste slechts voor een gering gedeelte als hydrophosphaat aan het water afstaat en de uittrekking der dierlijke lijm, waarom het hoofdzakelijk te doen is, daaruit moeilijker geschiedt dan uit het geprepareerde.

maceratie, het poeder (A 1.5) van den bast herhaaldelijk met water uit te koken eu deze afkooksels gezamenlijk op het waterbad uit te dampen tot de verlangde colatuur.

Decoctum Uvae Ursi. Ten einde eene betere uittrekking der bestanddeelen bij dit decoct te verkrijgen, worden de fijngesneden, lederachtige bladen met de helft van het gewicht sterken spiritus gedurende een kwartier gemacereerd en daarna op het vrije vuur gekookt.

Decoctum Sarsaparillae. Voor een zooveel mogelijk uittrekken van het werkzaam bestanddeel worde de wortel vooraf gedurende 12—24 uur met warm water geinfundeerd en daarna gedurende een half uur gekookt. Men kan echter ook terstond tot de koking overgaan, wanneer men den wortel niet enkel snijdt, doch daarna vóór de koking met heet water geheel murw, tot een brei stampt.

Decoctum Lini (3—100) koke men gedurende vijf minuten zacht op het vrije vuur of, onder omroeren, in het decoctorium en coleere het best door een zeefje zonder napersen.

Decoctum Tamarindorum (T a m a r i n d i) en S e n e g a e worden het best als infusum bereid.

-ocr page 266-

2SO

H L E O S A C C H A R A. OLIESUIKERS.

Vermeng i droppel van de voorgeschreven Vluchtige Olie met 2 Grm. Suiker.

Bereiding. De oliesuikers, eene zeer fijne verdeeling van vluchtige olie onder suiker beoogende, worden bereid, door de olie op een gedeelte der suiker in droppels (uit den droppelteller van Lebaigue) uit te gieten, de overige suiker daarbovenop te brengen en vervolgens alles door flink wrijven gedurende eenigen tijd innig te vermengen.

Alhoewel de Pharmacopee bij dit artikel het voorhanden zijn der Oliesuikers verplichtend stelt, terwijl het daarentegen in tabel VI niet genoemd wordt, zal de bereiding natuurlijk zooveel mogelijk alleen dan geschieden, wanneer dit direct noodig is, ten einde vervluchtiging der olie te voorkomen.

ELHCTUARIUM C A T E C H U.

CACHOUCONSERF.

N. Poeder van Opium één deel....................1

Poeder van Muskaatnoot vijf deelen........5

Poeder van Kaneel tien deelen..................10

Poeder van Cachou vier en veertig deelen.....44

Eenvoudige Stroop honderd veertig deelen.....140

Meng ze nauwkeurig ondereen.

too Deelen moeten 0.5 deel Poeder van Opium bevatten.

Bereiding. Electuaria of Conserven noemt men in \'t algemeen artsenyvormen, die bestaan uit een mengsel van organische incl. anorganische poedervormige stoffen, met vloeibare of halfvloeibare stoffen als eenvoudige stroop, honig, keukenstroop, enz. tot eene dikke, lijvige brij aangemengd.

Bij Cachouconserf moeten de poeders \') eerst nauwkeurig onder elkander gemengd en dit mengsel vervolgens innig en gelijkmatig onder de stroop geroerd worden.

\') Poeder van Muskaatnoot (H. 20).

-ocr page 267-

251

Onderzoek.

i0. loo deelen moeten 0.5 deel Poeder van Opuan bevatten. Daar dit preparaat wel steeds zelf bereid zal worden, mag eene afzonderlijke bepaling van het opium-gehalte hier overbodig geacht worden.

ELECTUARIUM SENNAE COMPOSITUM.

ELECTUARIUM L E N I T I V U M.

pruim p:ncons k R F.

N. Pruimen.................rS0

Ruw Tamarindenmoes, van elk honderd vijftig deelen . 150

Bereid van elk afzonderlijk het moes en wel: uit de pruimen, door deze met water te koken en te pulpeeren; en, wat het ruw tamarinden-moes betreft, door dit met kokend water weeker te maken en eveneens te pulpeeren.

Meng de dus verkegen moezen met

Eenvoudige Stroop twee honderd deelen......200

Poeder van Sennabladen vijftig deelen....... 5°

Damp het mengsel, al roerend, op een waterbad uit, totdat zijn overgebleven

vijf honderd deelen.............500

Bereiding. Het pulpeeren der pruimen en tamarinden bestaat hierin, dat, nadat de eerste met zoo weinig mogelijk water zacht gekookt en de laatste met kokend water weeker gemaakt zijn, beide onder fijnwrijven en zachte drukking niet behulp van een of ander voorwerp, gewoonlijk een houten lepel, door eene niet al te fijne zeef worden gewreven, zoodat schillen, zaden en andere grovere verontreinigingen achterblijven en het fijne moes onder de zeef wordt opgevangen.

Nadat het poeder der sennabladen met de stroop en vervolgens met het moes nauwkeurig is vermengd, wordt de massa op het waterbad uitgedampt. De uitdamping heeft niet alleen ten doel de verwijdering van overtollig vocht, doch geschiedt ook en vooral om een spoedig bederf van het preparaat door gisting te voorkomen. Men roere daartoe de massa voortdurend om en brenge tevens het conserf nog warm in volkomen droge potten, late het

-ocr page 268-

252

hierin, toegedekt, geheel afkoelen en beware het, evenals alle conserven, op eene koele, luchtige, droge plaats.

ELEMI.

E L E M I.

Het harshoudend sap, onttrokken aan de stammen van verschillende tot boomen zich ontwikkelende soorten uit de familie der Burseraceae.

Manila-Elemi, bij ons het meest gebruikelijk, komt voor in stukken, welke tiisschen de vingers week en kleverig worden; vetglanzend, uitwendig bleek citroenkleurig, inwendig witachtig zijn; sterk aromatisch, citroen- en venkelachtig rieken, en aromatisch, eenigszins bitter smaken.

Elemi moet in kokenden sterken spiritus geheel oplossen, met uitzondering van de vreemde lichamen, die er soms in voorkomen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 10 pet. vluchtige olie.

2°. twee harsen, waarvan de eene, 6o—70 pet., amorph, in konden spiritus oplosbaar; de andere, amyrine of elemi ne, 20—25 pet., kristalliseerbaar, slechts in warmen spiritus oplosbaar is en bij 1770 smelt.

30. bryoïdine, naaldvormig-kristallijn, bij 133.50 smeltende, gemakkelijk oplosbaar in spiritus.

4°. elemizuur, een kristalliseerbaar zuur.

5°. een bitter stof, niet nader bekend.

Afkomst. Er bestaan of liever bestonden vroeger verschillende soorten van Elemi. Zoo werden voorheen o. a. aangevoerd:

1°. E. uit Mexico of Vera-Cruz, ook wel West-Indisch of Yucatan-E. genoemd;

2 0. Braziliaanse/1 E.;

30. E. van Nieuw-Grenada, ook Caragna of Caranna genoemd;

4°. E. van Mauritius en

50. Afrikaansch E.

Tegenwoordig kent men bij ons geen ander meer dan het in de Pharmacopee beschreven Manila-Elemi, dat op de Philippijnsche eilanden gewonnen wordt uit de daartoe ingesneden stammen van verschillende overigens nog onbekende, zich tot boomen ontwik-

-ocr page 269-

253

kelende soorten van Burseraceae. Het wordt voornamelijk van Manila of Luzon, het noordelijkste der Philippijnsche eilanden, uitgevoerd, vanwaar de naam afkomstig is.

Eigenschappen. Oorspronkelijk is Elemi eene weeke, taaie, witte tot lichtgele, harsachtige stof, veel gelijkende op witten honig, die echter door blootstelling aan de lucht onder verlies van vluchtige olie langzamerhand vast wordt en eene gele tint aanneemt. Het komt bij ons voor in bolronde, halfbolronde of onregelmatige stukken, welke zelfs reeds door de warmte der vingers week en kleverig worden, als vet glanzend, half doorschij nend, aan de buitenvlakte bleek-citroenkleurig, van binnen witachtig. Reuk sterk aromatisch, citroen- en venkelachtig; smaak aromatisch, eenigszins bitter.

Eene spiritueuse oplossing van Elemi wordt met eene oplossing van droog chloorwaterstofzuurgas in alcohol violet gekleurd, welke kleur allengs donkerder wordt en bij verwarming in kersrood overgaat.

Onderzoek.

1°. stukken, welke citroen- en venkelachtig rieken. Eene verwisseling met pijn hars of eene vervalsching met terpentijn en s p ij k o 1 i e, die voorgekomen is, zou door den reuk herkend kunnen worden \').

2°. stukken, uitwendig bleek citreenkleurig. Elemi moet in kokenden sterken spiritus geheel oplossen, met uitzondering van de vreemde lichamen, die er soms in voorkomen. Elemi is gewoonlijk verontreinigd met onzuiverheden van allerlei aard, als kooldeeltjes, waardoor het grijs- of zwartachtig van kleur wordt, splinters hout en andere plantaardige fragmenten, waardoor het bij verwarming niet geheel in spiritus oplost.

E M P L A S T R A.

P L E I S T E R S.

Ter bereiding der Pleisters moeten het Vet, het Was en de andere smeltbare stoften op een waterbad gesmolten, zeer nauwkeurig met de

•) Eene vervalsching met hars of terpentijn kan beter herkend worden dooreen neerslag in de spiritueuse oplossing van Elemi met eene spiritueuse oplossing van loodacetaat.

-ocr page 270-

254

overige bestanddeelen vermengd en het mengsel gekneed en tot rollen worden gemaakt, die in was- of paraffine-papier gewikkeld worden.

Bereiding. De pleisters kunnen gerekend worden te be-hooren tot de zalfachtige geneesmiddelen. Intusschen zijn zij gewoonlijk van hardere consistentie dan deze, bij gewone temperatuur in den regel min of meer hard, doch bij warmte kneed- en smeltbaar.

Zij bestaan uit eene hoofdpleistermassa, waaraan toegevoegd zijn een of meer geneeskrachtige stoffen. Als hoofdpleistermassa, waarvan de meerdere of mindere hardheid afhangt, dient veelal de eenvoudige loodoxydepleister \'), ook wel een mengsel van was, olie- en harsachtige stoffen. Ter bereiding van de pleister wordt deze grondmassa of de ingrediënten daarvoor op het waterbad in een porseleinen schaal voorzichtig gesmolten en daarna, hetzij terstond of, waar dit, zooals bij poedervormige en vooral bij vluchtige stoffen, noodig is, na gedeeltelijke bekoeling de overige ingrediënten toegevoegd en alles door roeren en, onder bekoeling, door kneeden nauwkeurig onder elkander gemengd. Ten slotte wordt de massa tot dunnere of dikkere stangen als eene dikke pillenmassa uitgerold, die in was- of paraffine-papier worden gewikkeld en op eene droge, koele plaats in blikken bussen moeten worden bewaard.

Ten gebruike worden zij, hetzij op zich zelve of onder elkander, hetzij met andere stoffen vermengd, na geheele of gedeeltelijke smelting op linnen, leder, zijde, enz. in verschillende vormen van bepaalde grootte uitgesmeerd.

80 5

15

EMP LAST RUM ADHAESIVUM.

K L E EFPLEIST E R.

K M PLAS T R U M RESINOSU M.

N. Loodoxydepleister tachtig deelen

Geel Was vijf deelen

//ars vijftien deelen...........

Smelt ze ondereen.

Een gele, taaie pleister, die langzamerhand hard wordt.

\') Zie bij « Kmplastrum Oxydi plumbici».

-ocr page 271-

255

Bereiding. Men lette er vooral op, dat de loodoxydepleister volkomen vrij van glycerine en, evenals de andere ingrediënten, vrij van water zij, daar deze de kleefkracht van de pleister aanzienlijk verminderen. Men verwarme daartoe het mengsel onder omroeren geruimen tijd op liet waterbad, zoodat men zekerheid heeft, dat alle vocht verdwenen is \').

EMPLASTRUM AROMATIC U M.

AROMATISCHE PLEISTER.

N. Geel JFas zes en dertig deelen..........36

Reuzel vijf en twintig deelen ..........25

Mnskaatnootolie zeven deelen..........7

Terpentijn vier deelen.............4

Meng er, als zij gesmolten zijn en het mengsel voldoende bekoeld is, onder

Poeder van Olibanum (B. 30) achttien deelen.....18

Poeder van Kruidnagelen (B. 20) negen deelen.... 9

Pepermuntolie één deel........................1

Ken geel-bruinachtige, aromatisch riekende pleister, die zich gemakkelijk kneden Iaat.

EMPLASTRUMCANTHARILUM

SPAANSCHE- VLIEGEN PLEISTER. E M PLAST RUM V E S I C A T O R I U M.

N. Geel Was.................24

Hars, van elk vier en twintig deelen.......24

Olijfolie zeven deelen.............7

Smelt ze en voeg er bij

Poeder van Spaanse he Vliegen vier en dertig deelen . . 34

1) De vroeger gebruikelijke toevoeging van terpentijn is bij het tegenwoordige voorschrift nagelaten, daar deze min of meer aanleiding geeft tot het scheuren, bersten van de uitgestreken pleister.

-ocr page 272-

256

Laat het mengsel, onder herhaald roeren, 2 uur digereeren en meng er onder

Terpentijn elf deelen.............11

Een groenachtig zwarte, gemakkelijk kneedbare pleister, waarin fijne groenachtig glinsterende deeltjes waarneembaar zijn.

Bereiding. Men lette er vooral op, dat alle ingrediënten vrij van vocht zijn, daar dit een spoedig schimmelen van de pleister veroorzaakt. Daartoe wordt het poeder van Spaansche Vliegen vooraf gedurende eenigen tijd bij 200—250 gedroogd, terwijl zoowel het mengsel van was, hars en olie als de terpentijn eenigen tijd op het waterbad onder omroeren worden verwarmd.

Het poeder van Spaansche Vliegen moet niet al te fijn zijn, zoodat de groene deeltjes van de dekschilden nog duidelijk waar te nemen zijn.

Het digereeren heeft ten doel, om de cantharidine uit de Spaansche Vliegen te trekken en in de olie op te lossen; dit moet bij zoo laag mogelijke temperatuur geschieden, om vervluchtiging der cantharidine te voorkomen 1).

De vermenging der ingrediënten moet zeer nauwkeurig geschieden; men roert totdat de massa stijf geworden is, ook om het brokkelen van de vast geworden pleister te voorkomen 2).

Het uitrollen geschiedt met behulp van eenige droppels olijfolie, niet met water, om boven vermelden reden.

EMPLASTRUM G U M M O S U M.

GOMPLE1STER.

EMPLASTRUM DIACHYLON CUM GUMMI.

N. Loodoxydepleisier zeventig deelen.........7°

Geel JTas acht deelen............8

Smelt ze en roer er onder

Gezuiverde Amvioniakgom..............8

\') Het is daarom beter, ook ten einde hooger temperatuur te vermijden, dat het poeder van Spaansche Vliegen vooraf alleen met de olijfolie wordt gedigereerd. 2) Dit moet bij alle was-houdende pleisters geschieden.

-ocr page 273-

257

Gezuiverd Galbanum, van elk, tot poeder gewreven,

acht cleelen................8

vooraf door zachte warmte opgelost in

Terpentijn zes deelen.............6

Een bruinachtig gele, vrij harde en taaie pleister, die eigenaardig riekt.

Bereiding. De oplossing van de gomharsen in den terpentijn heeft ten doel, om bij de vermenging met de overige ingrediënten eene volkomen homogene massa te verkrijgen. Het gebruik van niet gezuiverde gomharsen en het niet vooraf in den terpentijn oplossen van het poeder daarvan, zoomede eene te hooge temperatuur, geven allicht aanleiding tot een niet homogene, gestippelde, gespikkelde pleister.

E M P L A S T R U M H YDRARGYR I.

KWIKPLEISTER.

K M P L A S T R U M M E R C U R I A L E.

N. Kwik vijf en twintig deelen..........25

Reuzel tien deelen..............10

Wrijf de reuzel, onder langzame toevoeging van het kwik, zoolang met dit laatste dooreen, totdat geen kwikbolletjes meer te bespeuren zijn. Kneed er onder

Loodoxydepleister vijf en vijftig deelen.......55

Geel Was tien deelen................10

vooraf ondereengesmolten en behoorlijk bekoeld.

Een blauwgrijze, harde pleister, waarin geen kwikbolletjes zichtbaar mogen zijn.

Bereiding. Het mengsel van loodoxydepleister en was moet, alvorens onder het nauwkeurig bereide mengsel van kwik en reuzel \') gekneed te worden, behoorlijk bekoeld zijn, d. w. z. noch te warm, omdat het kwik zich alsdan weder in bolletjes afscheidt, noch te koud zijn, omdat de massa dan licht korrelig wordt. Als bewijs eener deugdelijke bereiding mag geeischt worden dat, ook met het gewapende oog bij 4—5malige vergrooting, geen kwikbolletjes in den doorgesneden pleister worden waargenomen.

gt;) Zie bij « Uuguentum Hydrargyri ».

17

-ocr page 274-

258

EMPLASTRUM OXYDI PLUMBIC 1.

LOODOXYDEPLEISTER.

EMPLASTRUM UIAPALMAE.

N. Loodglid, tot een zeer fijn poeder gebracht,

Olijfolie,

Reuzel,

Gewoon Water, van alle gelijke deelen.

Kook ze zacht, onder aanhoudend roeren, in een ruim koperen bekken en voeg er nu en dan een weinig heet water bij om het verdampte te vervangen, totdat de pleister den vereischten samenhang verkregen heeft. Wasch haar door kneden in water uit.

Een witte, taaie pleister, die langzamerhand geelachtig en hard wordt en waarin geen deeltjes van het metaaloxyde zichtbaar mogen zijn.

Samenstelling. Een mengsel der loodverbin dingen van stearine-, pal mi tine- en oliezuur. In twee moleculen stea-rine-, palmitine- of oliezuur \') zijn de twee waterstofatomen der carboxyl-, COOH-, groepen vervangen door het tweewaardig metaal lood.

C\'6H310J of C\'W.COOH C\' «H3 «O2 of C\'7H3 ^.COOH

palmitinezuur stearinezuur

C\' 8H3401 of C17H3 3.COOH

oliezuur

(C10H3 \'O2)2 Pb (C 8H3 sOi)2 Pb (C18H3302)2 Pb

loodpalmitaat loodstearaat loodoleaat

Bereiding. Deze berust op verzeeping. Het onoplosbare locd-glid, Pb O. wordt allereerst onder invloed van het water en de aangebrachte warmte langzamerhand in oplosbaar loodhydraat, Pb (OH)2, veranderd, waarna het zich met de samengestelde aethers, de glycerine-esters, waaruit het vet en de vette olie bestaan \'), in de resp. loodzouten, de zeepen, omzet, terwijl de glycerine wordt afgescheiden. De omzetting is volkomen, wanneer het eerst

2 C3 Hs (C1 H3102)3 3 P b (O H)2 = 3 (C16 H3102)2 P b 2 C3 H(O H)3

glyceryl-palmitaat loodhydroxyde loodpalmitaat glycerine

\') Zie bij « Adeps suillus» blz. 52.

-ocr page 275-

259

roode, daarna witgrijze mengsel ten slotte geheel wit is geworden en een proefje na afkoeling in water niet meer aan de vingers blijft kleven of zich vettig laat aanvoelen. Na nog gedurende eenigen tijd gekookt te hebben, overgiet men de massa vervolgens herhaaldelijk met warm water en kneedt men haar telkens met een houten of porseleinen spatel gedurende langen tijd daarin flink uit, ten einde haar geheel van glycerine te bevrijden. Vervolgens wordt de pleister door langdurige en flinke kneeding van water bevrijd \') en ten slotte op een marmeren, met water bevochtigde plaat tot stangen uitgerold.

Het te bezigen loodglid moet zoo zuiver mogelijk en, na tot fijn poeder gebracht te zijn, door een zeef geslagen worden, ter verwijdering van grovere deelen, die hinderlijk zijn voor de verzeeping.

Voorts zorge men er voor, dat de temperatuur niet te hoog zij, waardoor het water te snel zou verdampen, de verzeeping zou ophouden, de massa te droog worden en licht zou aanbranden. Het is derhalve noodzakelijk dat de aangegeven hoeveelheid water steeds voorhanden zij en men zorge dus, bij korte tusschenpoozen en kleine hoeveelheden tegelijk, telkens zooveel warm water toe te voegen, als er verdampt.

Onderzoek.

i0. Een witte pleister, die langzamerhand geelachtig wordt. Een volkomen watervrije pleister is ietwat grauwwit van kleur; de Ph. staat dus sporen water toe. Een pleister, die spoedig geel wordt, is bereid met een minder deugdelijke soort, bijv. raapolie bevattende olijfolie.

2°. Een taaie pleister, die hard wordt. Een pleister, die meer kneedbaar of glibberig is op \'t gevoel, bevat vrij vet door onvolkomen verzeeping en water of glycerine door onvolkomen uitkneeding.

3°. waarin geen deeltjes van het metaaloxyde zichtbaar mogen

\') Ten einde nog aanhangende sporen water te verwijderen, moet de pleister ten slotte in het waterbad gesmolten en gedurende langen tijd onder herhaalde toevoeging van een weinig spiritus geroerd worden.

a) De Ph. staat bij « Oxydum plumbicum semivitreum» een gering gehalte aan carbonaat, menie of peroxyde toe. liet eerste verzeept zeer moeilijk, terwijl beide laatste bruine stippeltjes van het peroxyde in de pleister achterlaten.

-ocr page 276-

200

zijn. Het best worden deze, incl. die van mogelijk voorhanden peroxyde, na smelting der pleister bij bekoeling als bezinksel herkend.

EMULSION ES.

E M U L S I Ë N.

Zaademulsien worden, zoo geen andere verhouding is voorgeschreven, bereid uit 15 deelen van het zaad voor too deelen colatuur.

Amandelen worden vooraf van de zaadhuid bevrijd.

Olieemulsién, voor welke de verhouding der bestanddeelen niet is aangegeven, worden bereid met de helft en, wat Ricinusolie betreft, met een derde van het gewicht der te gebruiken Olie aan poeder van Arabische Gom.

Bereiding. Emulsiën zijn innige mengsels van oliën met water, aldus bereid, dat de eersten in zeer fijn verdeelden toestand in het laatste gesuspendeerd zijn en gedurende geruimen tijd blijven. Zij hebben gewoonlijk een melk- of roomachtig uiterlijk en kunnen het best, wat vorm en aard betreft, met koemelk worden vergeleken.

Ter bereiding bezigt men bf de oliehoudende grondstoffen zelve, zooals bij eene emulsie van amygdalae, seinen cannabis, papaver is, enz., bf men gaat uit van de uit de grondstof bereide olie, zooals bij eene emulsie van oleum amygdalaruin, olivarum, ricini, enz. Men onderscheidt diensvolgcns echte (emulsiones verae) en onechte (e. spuriae) emulsiën.

a. De echte of zaademulsien worden, zoo geen andere verhouding is voorgeschreven, bereid uit 15 deelen van het zaad voor 100 deelen colatuur. Amandelen worden, na eene korte weeking in lauwwarm water, vooraf van de zaadhuid bevrijd. Overigens worden de zaden eerst door afwassching met koud, gewoon water van aanhangend vuil ontdaan en vervolgens in een steenen mortier met het nog aanhangende en zoo noodig nog onder toevoeging van een zeer geringe hoeveelheid koud water tot een zeer fijn deeg gestooten, zoodat dit zich tusschen de vingers niet meer korrelig laat aanvoelen, en dat men verder voorzichtig, in den aanvang met zeer kleine, langzamerhand met ietwat

-ocr page 277-

261

grootere hoeveelheden van het voor de emulsie benoodigde gewone water afroert, zoodat de olie zeer fijn daarin gesuspendeerd is en een ondoorschijnende, melkachtige, min of meer witte vloeistof ontstaat, die zich bij het staan niet spoedig in een bovenste, roomachtige en in een onderste, waterachtige laag mag schelden. Men zijgt daarna door en wringt het op den coleerdoek achterblijvende zacht uit. Bedraagt de vloeistof een weinig minder dan verlangd wordt, dan wordt de achtergebleven stof met de ontbrekende hoeveelheid water overgoten en nogmaals zacht uitgeperst. Men laat vervolgens gedurende eenige minuten bezinken en giet ten slotte het bovenstaande vocht van mogelijk bezonken vuil af.

b. Geschiedt het emulgeeren bij de echte zaademulsiën met behulp van de in het zaad aanwezige eiwit- en slijmstoffen, bij de onechte of olieevtulsiën geschiedt de vermenging van de olie met het water door het een of ander hulpmiddel, gewoonlijk poeder van Arabische Gom 1). Men vermengt daartoe de helft, wat Ricinusolie betreft een derde, van het gewicht der te gebruiken olie aan poeder van Arabische Gom met drie vierden van datzelfde gewicht aan water tot slijm en mengt hieronder droppelsgewijze de olie onder aanhoudend, ferm roeren. Men kan ook meestal, en komt dan spoediger tot het doel, het gompoeder onder de olie vermengen en bij dit mengsel in ééns de bovengenoemde hoeveelheid water voegen, waarna men vlug alles onder elkander mengt. Ook wel voegt men het water bij de olie en vervolgens hieraan het gompoeder toe. In alle drie gevallen levert een eigenaardig klotsend of knetterend geluid bij het omroeren der massa het bewijs, dat de ingrediënten goed onder elkander gemengd zijn. Daarna wordt het overige benoodigde water verder voorzichtig, in den beginne met zeer kleine, later met ietwat grootere hoeveelheden bijgevoegd 2).

1

) Ook wel wordt eidooier (vitellum ovi) als zoodanig gebezigd; één eidooier geldt in bindkracht gelijk aan 15 Grm. poeder van Arabische Gom. Vooris wordt daartoe enkele malen gebruik gemaakt van tragacant, salebpoeder, caseïne, enz,

2

») Tot de emulsiën worden ook gerekend:

a. Mixturen met bal se m s. Zij worden het best volgens de onder b. het eerstgenoemde methode bereid.

h» Mixturen met gomharsen. Zij worden bereid, door de gomhars, na zeer fijn gewreven te zijn, eerst met weinig water tol een gelijkmatig deeg te mengen en dit

-ocr page 278-

202

EXTRACT A.

EXTRACTEN.

Voor de met water te bereiden Extracten moeten de door maceratie of op andere wijze verkregen vochten, na bezonken te zijn, beneden 100° verdampt worden, totdat — tenzij is voorgeschreven, dat verdere zuivering onnoodig is •—• \'/3 van volumen is overgebleven, waarna men ze 24 uur op een koele plaats late staan. Het door afgieten en coleeren opnieuw gezuiverde vocht worde dan verder op een waterbad uitgedampt — zoodra een vlies op de oppervlakte bespeurd wordt onder aanhoudend roeren — totdat de vereischte dikte verkregen is.

Deze laatste voorzorg geldt ook voor de met spiritus te bereiden Extracten. Het uittrekken met spiritus moet evenwel, zoo niet anders is voorgeschreven, door deplaceeren geschieden. Het hierbij verkregen spiri-tueuse vocht worde bij ten hoogste 80° van den spiritus bevrijd en op een waterbad uitgedampt, totdat de vereischte dikte verkregen is.

De bereiding met aether geschiede op dezelfde wijze als voor cle spiritueuse Extracten is voorgeschreven.

Dikke Extracten moeten nauwelijks zijn uit te gieten.

Droge Extracten worden verkregen door de verdamping zoo lang voort te zetten, totdat de massa, na bekoeld te zijn, gemakkelijk tot poeder gewreven kan worden.

In de Extracten moeten de reuk en de smaak der grondstoffen, waaruit zij bereid zijn, duidelijk zijn waar te nemen.

Wordt 2 Gnn. Extract in 5 Grm. kokend water opgelost, onder toevoeging van enkele droppels chloonvaterstofzuur, dan mag op blank ijzer, daarin gestoken, ook na een uur, geen koperkleurige aanslag zichtbaar zijn geworden.

vervolgens met meer water tot eene emulsieachtige vloeistof af te roeren, deze te laten bezinken, af te schenken en het achterblijvende, na weder zoo fijn mogelijk gewreven te zijn, langzamerhand met de overige hoeveelheid water af te mengen. Is bij de gomhars gompoeder (1 dl.) of eidooier (1 op 15) voorgeschreven, dan worden deze vooraf onder de fijngewreven gomhars gemengd en verder als boven gehandeld.

c. Mixturen met harsen. Zij worden na fijnwrijving met het gompoeder of eidooier vermengd en met water afgemengd als bij « gomharsen » is beschreven.

d. Mixturen met vluchtige oliën. Zij worden het best volgens de onder b het eerst genoemde methode bereid. Men neemt echter gelijke dln. olie en gom of 1 eidooier op 8 Grm. olie.

e. Mixturen met stoffen als c e r a , c e t a c e u m en oleum cacao. Zij worden het best bereid volgens de onder b nquot;. 2 genoemde methode. Men neemt echter gelijke dln. gom en dln. kokend water, terwijl de stoffen vooraf moeten worden gesmolten en de bewerking in een heeten mortier met stamper moet geschieden, terwijl na bekoeling verder met de ontbrekende hoeveelheid koud water wordt afgemengd.

-ocr page 279-

263

De narcotische Extracten mogen voor een deel als poeder in voorraad zijn en kunnen tot dien staat gebracht worden door ze met Melksuiker te vermengen en bij ten hoogste 60° uit te drogen. Het gewicht aan Melksuiker behoort aldus geregeld te worden, dat 3 deelen van het mengsel nauwkeurig met 1 deel van het Extract overeenkomen, welke verhouding in het opschrift moet worden aangeduid.

De Extracten, die vluchtige bestanddeelen bevatten, alsmede de narcotische, spiritueuse, aetherische en droge moeten in goed gesloten flesschen bewaard worden.

Samenstelling. Extracten zijn gezuiverde en uitgedampte plantensappen of min of meer gezuiverde uittreksels van planten-stoffen, waarbij het uittrekkingsmiddel zooveel mogelijk door verdamping verwijderd is. Zij moeten voornamelijk de werkzame bestanddeelen der grondstoffen, waaruit zij bereid zijn, bevatten.

Bereiding.

1°. Grondstoffen. De plantaardige stoffen, waaruit de extracten bereid worden, zijn verschillende. Zoo gebruikt men bijv. het kruid met wortel voor Extractum Tarcixaci; het kruid alleen voor Extractum Aconiti, Belladonnae, Cannabis, Car did benedicti, Centaurii, Conii en Hyoscyarni; den wortel of wortelstok voor Extractum Calumba, Gentianae, Helenii, Liqui-ritiae, Ratanhiae, Rhei, Valerianae, Filicis, Graminis en Hydrastis liquidum; den bast voor Extractum Cascanllae, Chinae, Chinae liquiduni, Frangulae en Granati; liet hout voor Extractum Quassiae; het blad voor Extractum Trifolii fibrini; de vrucht voor Extractum Colocynthidis; het zaad voor Extractum Phy-sostigmatis en Strychni; plantensap voor Extractum Aloe\'s en O/iü; het sclerotium voor Extractum Secalis cornuti.

In den regel worden zij in gedroogden toestand gebruikt, behalve voor Extractum Taraxaci en voor de z. g. narcotische extracten {Extractum Aconiti, Belladonnae, Conii en Hyoscyarni), waarvoor men de kruiden in verschen staat aanwendt.

De grondstoffen behooren deugdelijk en van de beste soort te zijn. Ten einde de bestanddeelen beter en vollediger te kunnen uittrekken, worden zij vóór \'t gebruik in een, van den aard der stof afhankelijk, verkleinden toestand gebracht, hetzij door snijden of door ze tot grover of fijner poeder te stampen.

2°. Uittrek middelen. Het uittrekmiddel is verschillend en dient af te hangen van den aard der werkzame stoffen, in de

-ocr page 280-

264

plantendeelen vervat. Zijn deze bijv. oplosbaar in water, dan bezigt men dit; zijn zij, zooals bijv. bij alkaloid- of harsachtige stoffen, daarin minder oplosbaar, doch gemakkelijk in spiritus, dan gebruikt men dezen; andere laten zich het best door aether uittrekken. Men onderscheidt diensvolgens :

a. waterige extracten, waarbij gebruik gemaakt wordt van gewoon of gedestilleerd, koud of warm water, bijv.: Extractum Aioi\'s, Cardui benedicti, Cascarillae, Centaurii, Frangulae, Gentianac, Graminis, Liquiritiae, Opii, Quassiae, Ratanhiac, Secalis cornuti, Taraxaci en Trifolii fibrini.

b. spiritueuse extracten, waarbij gebruik gemaakt wordt van verdunden of sterken spiritus, zooals: Extractmn Ca hun ha, Cannabis, Chinae, Colocynthidis, Granatin Hydrastis liquidum, Physostigmatis, Rhei en Strychni.

c. spiritueus -waterige extracten, waarbij eerst met spiritus en daarna met koud of warm water wordt uitgetrokken, zooals: Extractmn Helenii en Valerianae.

d. aetherische extracten, waarbij met aether wordt uitgetrokken, zooals Extractmn Filicis.

De hoeveelheid van het uittrekmiddel worde liefst zoo gering mogelijk genomen, ten einde niet door onnoodig langdurige uitdamping mogelijke ontleding der bestanddeelen te veroorzaken.

30. Het uittrekken, a. Bij de narcotische extracten wordt geen uittrekmiddel gebezigd. De versche, fijngesneden kruiden worden na kneuzing in een steenen mortier eenvoudig door uitpersing van hunne sappen, waarin de werkzame bestanddeelen, beroofd. Beide laatste bewerkingen worden herhaald en dan onder toevoeging van een weinig water, ten einde het nog in \'t moes achtergebleven sap vollediger te kunnen uitpersen.

b. Bij de waterige extracten in \'t algemeen wordt de verkleinde stof met het koude of warme water overgoten en dan gedurende 12 a 24 uur ter trekking ter zijde gezet, terwijl van tijd tot tijd wordt omgeroerd. Vervolgens perst men uit en wordt de vorengaande bewerking met de achtergebleven stof herhaald , waarna men wederom uitperst en de beide uitgeperste vochten vereenigt, om te laten bezinken of zoo mogelijk te coleeren of te filtreeren \').

1) Bij de extracten, waarbij de grondstoffen door kokend water worden uitgetrokken, zullen de eiwitstoffen worden gecoaguleerd, die daarbij werkzame bestanddeelen kunnen terughouden, waarom wij er den voorkeur aan zouden geven, deze stoffen eerst met koud water te macereeren, om ze vervolgens met hetzelfde water te infundeeren.

-ocr page 281-

265

c. Bij de spiritueuse, aetherische en vloeibare extracten geschiedt de uittrekking door deplaceeren of percoleeren. Deze bewerking bestaat hierin, dat de verkleinde, poedervormige stof niet zooveel vocht wordt overgoten , dat beide zich na herhaald omroeren tot eene dunne brij vermengd hebben. Na volledige verwijdering der luchtbellen daaruit, zoodat alle deeltjes der stof met het vocht in aanraking zijn, giet men na eenige uren de brij in het deplaceertoestel of den percolator en laat 24 uur daarin rustig staan. Gedurende dien tijd bezinkt de stof en scheidt zich daarboven een laag vloeistof af. Men opent nu den percolator en laat het vocht langzaam, droppelsgewijze afvloeien \'). Het eerst afloopende wordt afzonderlijk opgevangen en wel zoolang totdat de vloeistof geheel helder afdroppelt; het min of meer troebele vocht wordt daarna weêr boven in den percolator op de stof gebracht. Is de daarboven staande laag vocht langzamerhand verdwenen , dan wordt de percolator met nieuw vocht gevuld en zorgt men daarenboven, dat uit een daarboven geplaatst vat telkens zooveel vocht kan toevloeien als er beneden uitdroppelt. De bewerking is geëindigd, wanneer de vloeistof geheel of zoo goed als geheel kleurloos afloopt en een paar droppels bij verdamping op het waterbad slechts een kleine rest nalaten. Ten einde bij de bereiding der spiritueuse extracten geen verlies van in de stof achter-blijvenden spiritus te lijden, deplaceert men na afloop der bewerking met water, vangt den afdroppelenden spiritus op en rectificeert dezen of, zoo dit door den aanhangenden reuk der grondstof niet kan geschieden, bewaart men het vocht voor eene volgende bereiding.

c/. Hij de spiritneus-waterige extracten wordt de grondstof eerst uitgetrokken met spiritus door maceratie onder herhaald omroeren. Na uitpersing wordt daarna de achtergebleven stof nog een paar malen, eveneens onder omroeren, met koud of warm water uitgetrokken en geperst. Het spiritueus aftreksel wordt gefiltreerd ; het waterige laat men bezinken en coleert daarna. Beide vochten worden ter verdere bewerking afzonderlijk gehouden.

4°. De uitdamping. De aldus verkregen vochten moetenter extractvorming verder worden uitgedampt. Deze uitdamping geschiede niet in metalen, bijv. koperen pannen, doch in porseleinen

*) Ten einde verstopping door het fijne poeder te voorkomen, kan men onder in den percolator een propje gezuiverde watten en daarboven een laagje gegloeid en daarna uitgewasschen zand aanbrengen.

-ocr page 282-

266

uitdampschalen, ten einde door inwerking der plantenzuren op het metaal verontreiniging daarmede te voorkomen.

Ook dampe men niet in op het vrije vuur, doch bij zoo laag mogelijke temperatuur in het water- of op het dampbad, ten einde door te hooge warmte mogelijke ontleding der bestanddeelen en aanbranding te voorkomen. Bij voorkeur bezigt men tegenwoordig een z. g. vacuum-apparaat, waarbij de verdamping plaats heeft in een zooveel mogelijk luchtledig en door verminderden luchtdruk de vloeistof reeds bij lagere temperatuur, ver beneden het gev/one kookpunt, kookt en verdampt, en dus elke oxydatie, ontleding of vervluchtiging der bestanddeelen door hoogere temperatuur wordt voorkomen. Overigens geschiede de uitdamping vrijwillig, zonder omroeren, behalve op \'t laatst, als wanneer bij stilstand zich een vlies op de oppervlakte vormt, ten einde eene ongelijkmatige afscheiding der extractbestanddeelen te voorkomen \'). Bij vele extracten heeft na uitdamping tot op \'/3 van het volumen der vochten nog eene zuivering plaats van vreemde bestanddeelen, door de vloeistof daarna 24 uur op een koele plaats te laten staan, het heldere vocht af te gieten en te coleeren.

Bij sommige extracten wordt na uitdamping tot extractdikte nog eenige glycerine (op 100 dln. extract 5 dln. glycerine en weder-uitdamping tot 100 dln.) toegevoegd, ten einde schimmelvorming of uitdroging te voorkomen.

a. Bij de narcotische extracten worden de door uitpersing verkregen vochten terstond tot 80° verwarmd, ten einde de mede uitgeperste eiwitachtige stoffen, die hierbij stremmen, benevens chlorophyl, enz. te doen afscheiden. Men coleert van deze stoffen af, dampt verder bij zoo laag mogelijke temperatuur, ten hoogste 70°, uit en voegt na bekoeling spiritus toe, om daardoor nog voorhanden eiwit, zetmeel, zouten en andere indifferente stoffen neêr te slaan, zoodat men zooveel mogelijk eene zuivere oplossing der werkzame bestanddeelen verkrijgt. Men laat het neérslaggoed bezinken, fdtreert af en dampt uit tot extract.

b. Bij de waterige extracten worden de gecoleerde vochten eerst tot een derde van het volumen uitgedampt, waarna men ze 24 uur op eene koele plaats bij keldertemperatuur laat staan, ten

*) Bij de spiritueuse en sommige waterige extracten kunnen, wanneer zich tijdens de uitdamping korrelige deelen afscheiden, deze door toevoeging van een weinig spiritus weder onder de massa gebracht worden.

-ocr page 283-

26/

einde in de plantendeelen voorhanden, mede uitgetrokken en door de verwarming gecoaguleerde eiwit- en harsachtige stoffen, zouten, enz. zich te doen afscheiden en te laten bezinken. Het dcor afgieten en coleerea opnieuw gezuiverde vocht wordt dan verder tot extract uitgedampt.

c. Bij de spiritueuse en aetherische extracten heeft geene verdere zuivering van het percolaat plaats. Men destilleert eenvoudig bij zoo laag mogelijke temperatuur, wat betreft de spiritueuse bij ten hoogste 80°, de overmaat spiritus of aether af en dampt verder uit.

d. Bij de spiritueus-waterige extracten wordt het spiritueuse en het waterige aftreksel, het laatste na zuivering, zooals bij de waterige extracten is voorgeschreven, elk afzonderlijk tot stroop-dikte uitgedampt, daarna onder elkander gemengd en voorts tezamen tot extract gebracht.

50. Extractvormen. De vochten worden niet alle tot denzelfden graad van dichtheid uitgedampt, alhoewel elk extract op zich zelf steeds eene zelfde dikte moet hebben , welke echter niet in eenige verhouding staat tot de hoeveelheid gebruikte grondstof. Dit is wel het geval met de tegenwoordig meer en meer gebruikelijke:

a. vloeibare extracten, bijv. Extracttim Hydrastis Uqnidi Lm. Zij worden, evenals de spiritueuse en aetherische extracten, door deplaceeren of percoleeren bereid. Het eerste, sterke percolaat houdt men afzonderlijk. Slechts de laatst opgevangen perco-laten, die zeer weinig opgeloste stoffen bevatten, worden uitgedampt en wel zóó, dat zij, met het eerste percolaat vermengd, zoo noodig onder toevoeging van spiritus, dezelfde hoeveelheid bedragen als die der grondstof, waaruit zij bereid zijn. Deze extracten vertegenwoordigen dus als \'t ware de geneeskrachtige stoffen in den vloeibaren vorm.

Men onderscheidt voorts naar de consistentie;

b. dunne extracten, zooals Extraction Filicis, die de dikte hebben van verschen honig en dus behoorlijk kunnen worden uitgegoten.

c. dikke extracten, zooals Extracttim Aconiti, Bella-donnae, Calmnba, Cannabis, Cardtii benedicti, Cascarillae, Centaur ii, Cottii, Gentianae, Gr antinis, Helenii, Hyoscyami, Eiquiritiae, Physostigmatis, Secalis cornuti, Taraxaci, Trifolii fibrini en Valerianae, die nauwelijks zijn uit te gieten. Zij bevatten ongeveer 20 pet. water.

-ocr page 284-

268

d. droge extracten, zooals Extractum A lol\'s, Chinae, Colocynthidis, Frangulae, Granati, Opii, Quassiae, Ratanhiae, Rhei en Stryc/mi, die verkregen worden door de verdamping zoo lang voort te zetten, totdat de massa, na bekoeld te zijn, gemakkelijk tot poeder kan gewreven worden \'). — Tot deze droge extracten kunnen ook gebracht worden de narcotische extracten in poedervorm. Zij worden bereid door de dikke narcotische extracten met dubbel zooveel melksuiker af te wrijven, op het waterbad bij ten hoogste 6o0 uit te drogen, daarna fijn te wrijven, weêr te drogen en ten slotte met nog zóóveel vooraf gedroogde melksuiker innig te vermengen, dat drie deelen van het mengsel nauwkeurig met één deel extract overeenkomen.

6°. Bewaring. De gewone, waterige extracten worden gewoonlijk in potten bewaard. Extracten echter, die vluchtige bestand-deelen bevatten, alsmede de narcotische, spiritueuseen aetherische, moeten in goed gesloten, niet te groote, droge flesschen, tegen den invloed van het licht bewaard worden, terwijl de droge, zoowel als de poedervormige narcotische extracten, tevens in kalkstop-flesscben tegen vocht beschut moeten worden.

Onderzoek.

i0. In de Extracten moeten de reuk en de smaak der grondstoffen, waaruit zij bereid zijn, duidelijk zijn zvaar te nemen. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, vooral op het vermijden van eene te hooge temperatuur daarbij, waardoor een branderige reuk en smaak zouden kunnen ontstaan. De reuk is het best waar te nemen bij zachte verwarming op het waterbad.

2°. Wordt 2 Grm. Extract in 5 Grm. kokend water opgelost, onder toevoeging van enkele droppels chloorwaterstofznur, dan mag op blank ijzer, daarin gestoken, ook na een uur, geen koperkleurige aanslag zichtbaar zijn gevoorden. Slaat op verontreiniging met koper door het gebruik van koperen of slecht vertind koperen uitdampscbalen.

1) Beter is het bij deze extracten de massa zoo ver uit ie dampen, dat men ze tot draden kan trekken, die niet of weinig meer aan de vingers kleven, om ze daarna boven ongebluschte kalk volkomen uit te drogen.

*) De Pli. eischt dit voor de grondstoffen; wij achten het dus ook voor de extracten wenschelijk.

-ocr page 285-

269

Gevoeliger reaction daarop, ook voor andere Extracten aan te wenden, zijn die, bij „Extractum Cannabisquot; aangegeven \').

EXTRACTUM A C O N 1 T I.

ACONITUMEXTRACT.

E X \'1\' R A C T U M A C O NI T I S P I R I T U O S U M.

N. Versch Aconiiumkruid honderd deelen.......100

Snijd het fijn , kneus het en pers het uit. Doe den perskoek met

Gewoon Water vijf deelen........... 5

nogmaals de laatste beide bewerkingen ondergaan.

Verwarm de bijeengevoegde vochten tot 8o0, coleer en damp bij ten hoogste 70° uit, totdat zijn overgebleven

tien deelen.................10

Vermeng deze, als zij bekoeld zijn. met

Sterken Spiritus twaalf deelen..........12

en laat het mengsel 48 uur op een koele plaats staan.

Filtreer en damp de vloeistof bij ten hoogste 70° uit tot een dik extract.

Het Extract geve met 10 deelen water een heldere oplossing, die bij toevoeging van een gelijk volumen sterken spiritus niet troebel mag worden.

Als 100 mG. van het Extract opgelost wordt in 1 cMs water, aan deze oplossing 5 droppels ammonia toegevoegd en zij daarna met 10 cM3. aether wordt uitgeschud, moet de afgescheiden heldere aetherlaag, in twee gelijke deelen verdeeld, na verdampt te zijn, overschotten achterlaten, waarvan het eene, opgelost in 1 droppel verdund chloorwaterstof-zuur en 5 droppels water, door 1 droppel kaliumkwikjodide een sterk wit neêrslag geeft, en het andere, met 2 droppels phosphorzuur vermengd en op een waterbad verwarmd, violet gekleurd wordt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: aconitine-, nape 11 ineen aco n i n e-verbindingen. Alkaloïd-gehalte ongeveer 1.5 pet.

Aschgehalte ongeveer 3.5 pet., waarvan ongeveer 25 pet. K2COs 2).

\') De Ph. geeft geen onderzoek op verontreiniging met tin of zink op, welke metalen eveneens in de asch kunnen worden opgespoord.

!\') De identiteit en vervalsching der extracten kunnen naar Kremel en Dieterich min of meer geconstateerd worden door bepaling van het aschgehalte en de alkaliniteit daarvan als kaliumcarbonaat berekend.

De asch wordt verkregen door 2 Grm. extract bij 105°—no0 in een droogstoof vol-

Z. O. Z.

-ocr page 286-

2/0

Bereiding. Opbrengst ongeveer 2.5 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract geve met 1 o deelen water een heldere oplossing, die bij toevoeging van een gelijk volumen sterken spiritus niet troebel mag worden. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, en wel meer bepaaldelijk op eene volledige zuivering van eiwitstoffen, minder oplosbare zouten, enz. door zorgvuldige uitdamping na precipitatie met spiritus.

2°. Als 100 inG. van het Extract opgelost wordt in 1 cM*. water, aan deze oplossing 5 droppels ammonia toegevoegd en zij daarna met 10 cM3. aether wordt nitgeschud, moet de af gescheiden heldere aether laag, in twee gelijke deelen verdeeld, na verdampt te zijn, overschotten achterlaten, waarvan het eene, opgelost in 1 droppel verdund chloorwater stof zuur en 5 droppels ivater, door 1 droppel kalinmkwikjodide een sterk zvit neerslag geeft. Reactie op de aanwezigheid van, en, bij gebrek aan eene eenvoudige methode tot quantitatieve bepaling, tevens op het voorhanden zijn van eene voldoende hoeveelheid alkaloïden 1),

komen uit te drogen, wair.loor tevens het watergehalte wordt verkregen, en daarna in een vooraf gewogen platinaschaaltje tot asch te verbranden.

De alkaliniteit wordt bepaald, door de asch met warm water uit te loogen, totdat phenolphtaleïne dit niet meer kleurt en de oplossing met denzelfden indicator en lll0 normaal (volumetnsch)-chloorwaterstofzuur te titreeren.

*) Algemeene methoden tot bepaUng van het alkaloid-gehalte in narcotische extracten zijn de volgende:

1°. methode van Dragen dor ff. Zij berust op de oplosbaarheid van de zwavelzure zouten der alkaloïden in water en van de alkaloïden zelve in benzol. Het extract wordt bij 400—50° uitgetrokken met zwavelzuurhoudend water, na 12—24 uur treerd, het filtraat tot stroopdikte uitgedampt en daarna met het 3—4voudige volumen aan spiritus vermengd en vervolgens gefiltreerd. Na destillatie van den spiritus en verdunning met water wordt ter zuivering met benzol uitgeschud, daarna met ammonia alkalisch gemaakt en ten slotte de vrij geworden alkaloïden in benzol opgenomen. Tn zuur water opgelost tot een bepaalden graad van concentratie wordt het alkaloid met M a y e r\'sche oplossing (Vjo normaal-kaliummercuridjodide: 13.540 Hg Cl249-8 P* ^L*) get\'treer(i*

2°. de methode van Schweissinger en K u n z. 5 Grm. Extract wordt vooraf gezuiverd door 4—5malige behandeling met spiritus, de verkregen spiritueuse vochten na filtratie tot extractdikte uitgedampt, het achtergeblevene met 50 Grm. verdund zwavelzuur onder zachte verwarming gedurende een half uur behandeld, gefiltreerd. het filtraat met ammonia alkalisch gemaakt en met chloroform uitgeschud. Na afscheiding en verdamping der chloroform worden de alkaloïden met 1/100 normaal (volumetrisch)-chloorwaterstofzuur en cochenille-tinctuur als indicator getitreerd. — Gunstiger resultaten worden verkregen, wanneer de chloroform-oplossing eerst met zwavelzuurhoudend-water

-ocr page 287-

271

3°. en het andere, met 2 droppels phosphor zuur vermengd en op een waterbad verwarmd, violet gekleurd wordt. Identiteitsreactie op a c o n i t i n e.

wordt uitgeschud, de zure alkaloïd-oplossing daarna met ammonia alkalisch gemaakt en ten slotte wederom met chloroform wordt uitgeschud.

Schweissinger wijzigde later deze methode, door 2 Grm. extract op te lossen in 8 cM3. water, daaraan 2 cM3. ammonia toe te voegen en vervolgens gedurende 5 minuten krachtig uit te schudden met een mengsel van 15 cM3. chloroform en25cM3. aether. Na afscheiding van den chloroform-aetherlaag wordt de helft van dezen = 1 Grm. extract helder afgeheveld, verdampt en het achtergebleven alkaloid gewogen of op bovengenoemde wijze getitreerd.

3°. de methode van Dieterich. 0.2 Grm. Ongebluschte kalk wordt met 3 Grm. water afgewreven, hierin 2 Grm. extract opgelost en het geheel daarna zorgvuldig vermengd met 10 Grm. tot poeder gewreven, zuivere ongebluschte kalk. Dit mengsel wordt, in filtreerpapier gehuld, in een (S o x h 1 e t of B a rth e 1) extractie-apparaat gebracht en met 30 Grm. watervrijen aether volkomen gedeplaceerd. liet apparaat worde goed afgesloten met een laagje ontvette watten, ten einde te voorkomen, dat fijne kalkdeeltjes met den afloopenden aether worden medegevoerd. Men verdampt den aether bij 30°, lost de achterblijvende alkaloïden in 0.5 cM3. spiritus en 10 cM3. water op en titreert niet J/100 normaal (volumetrischVzwavelzuur en rosolzuur of campêche-tinctuur als indicator.

Schmidt wijzigde deze methode, door 2 Grm. extract op te lossen in 3 Grm. water, hierop 10 Grm. ongebluschte kalk in grof poeder te laten inwerken, daarna met aether te extraheeren, den aether tot op 2 cM3. te verdampen, onder toevoeging van 50 cM3. Vjoo normaal (volumetrisch)-zwavelzuur op het waterbad te verwarmen, tot de aether vervluchtigd en het alkaloid geheel is opgelost, de oplossing te filtreeren, het filtraat tot 100 cM3. te verdunnen en in 50 cM3. hiervan, met jodeosine als indicator, de overmaat zuur met 1/100 normaal-alkali terug te titreeren.

40. methode van Beckurts en Holst. 2.5 Grm. Extract wordt in 3 cM3. spiritus en 6 cM3. water opgelost, aan deze oplossing 1 cM3. ammonia toegevoegd en vervolgen-; eerst met 20 en daarna tweemaal, telkens met 10 c M3. chloroform uitgeschud. De chloroform wordt verdamot, het achtergeblevene onder verwarming gedurende eenige minuten in het waterbad in 5 cM3. 1/J0 normaal (volumetrisch)-chloorwaterstofzuur opgenomen, gefiltreerd en de overmaat zuur met 1l10o normaal (volumetrisch)-alkali en cochenille als indicator teruggetitreerd. — In plaats van chloroform gebruike men volgens S a r n o w het bovengenoemde mengsel van chloroform en aether.

5°. methode van Itallie. 5 Grm. Extract wordt met behulp van 10 droppels verdund zwavelzuur (5 = 100) in 50 cM3. water opgelost. Men laat onder omschudden 1 — 2 uur macereeren, voegt daarna 25 cM3. loodacetaat-oplossing (1 = 10) toe en filtreert na bezinken 50 cM3. af. Het filtraat wordt door middel van 10 cM3. verdund zwavelzuur (5 = 100) van lood bevrijd en daarna 50 cM3. afgefiltreerd. In een scheitrechter worden deze met ammonia alkalisch gemaakt en daarna driemaal met een gelijk volumen chloroform uitgeschud, de chloroform verdampt, de rest in 5 cM». spiritus opgelost en met l/luo normaal (volumetrisch)- zuur getitreerd. Het verbruikte aantal cM3. zuur geeft aan de hoeveelheid, welke benoodigd is om de alkaloïden in 2^-Grm. extract te neutraliseeren.

-ocr page 288-

2/2

EXTR ACTUM ALOES.

ALOËEXTRACT.

N. Aio? honderd deelen.............100

Gewoon Water vijfhonderd deelen........500

Verwarm totdat de aloë opgelost is en vermeng het vocht met

Gewoon Wafer vijfhonderd deelen........500

Laat het mengsel 24 uur op een koele plaats staan, coleer het vocht en damp het, zonder verdere zuivering, uit tot een droog extract.

Het extract geve met 10 deelen water een heldere oplossing.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: aloïne.

Aschgehalte 1—2 pet., waarvan 15—20 pet. K2C03.

Bereiding. Alocextract behoort niet tot de eigenlijke extracten en wordt dan ook niet volgens de voor waterige extracten opgegeven regelen bereid. Het doel der bereiding is eene zuivering der aloë van de aloëhars. Hiertoe wordt eerst de aloë in wanu water opgelost, om daarna door toevoeging van eene voldoende hoeveelheid koud water onder afkoeling de hars zooveel mogelijk te precipiteeren, terwijl de aloïne opgelost blijft.

Bij Extractum Conii make men, in plaats van met ammonia, met eene oplossing van kaliumhydroxyde (l =2) alkalisch, schudde met aether in plaats van met chloroform uit en voege vóór het afdestilleeren van den aether 2 cM8. water toe.

50. methode van Lloyd. 2 Grm. Extract, tot 5 cM8. in water opgelost, wordt met behulp van versch geprecipiteerd ferrihyd\'oxyde en natriumbicarbonaat tot een tamelijk stevig deeg gemaakt en dit in een mortier met 20 cM8. chloroform afgewreven, welke bewerking nog driemaal, zoo noodig onder toevoeging van eenige droppels water om de massa vochtig te houden, met 10 cM3. chloroform wordt herhaald. De chloroform wordt daarna op een waterbad met 2 pet. zwavelzuurhoudend-water eenige minuter, zacht verwarmd, de zure vloeistof afgefiltreerd, met ammonia zwak alkalisch gemaakt en met 10 cM3. chloroform gedurende een paar minuten in een scheitrechter herhaaldelijk uitgeschud en de alkaloïden na verdamping van de chloroform gewogen.

Bij de titratie der alkaloïden met 1/lü0 normaal-zuur neutraliseert 1 cM3. daarvan 5.33 mGnn. aconitine, 2.89 mGrm. atropine, 1.27 coniine en 2.89 mGrm. hyoscyamine. Ais zeer gevoelige indicator bij deze titratie kan ook gebruik gemaakt worden van 20 cM8. eener oplossing van 2 mGrm. jodeosine (tetrajodfluoreseeïne) in 1 liter aether (overgang met overmaat alkali onder omschudden van kleurloos in roserood).

Behalve de alkaloïden bevatten de narcotische extracten een afwisselend gehalte, ongeveer 1 pet., aan choline, OH.N(CM3)3.CaH^.OH, eene basische stof, die, behalve dat zij met vele alkaloïd-reagentia, o. a. kaliummercuridjodide, precipitaten geeft, volgens sommigen (Brieger en Dragend or ff) wel, volgens anderen (B ö h m) niet met de alkaloïden uit de alkalische oplossingen in aether en chloroform overgaat. De boven opgegeven methoden berusten op het laatste gevoelen.

-ocr page 289-

273

De uitdamping der extract-oplossing geschiede op het waterbad, totdat zich in de massa vlokken beginnen af te scheiden. Alsdan zet men de verdamping op eene warme plaats bij ot;geveer 50° voort, om het extract ten slotte boven kalk volkomen uit te drogen.

Opbrengst 50—60 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract geve met 1 o deden tv at er een heldere oplossing \'). Slaat op eene zorgvuldige afscheiding der hars. Men gebruike daartoe de bij de bereiding voorgeschreven hoeveelheid water en niet minder, wijl de alochars in eene meer geconcentreerde oplossing der aloïne min of meer zou opgelost worden en het extract alsdan eene troebele oplossing geven 1).

EXTRACTUM BELLA D ONNA E.

BELLADONNAEXTRACT.

E X T R A C T U M B E L LA DON N A E S PIR I T U O S V M.

Uit Versch Belladonnakruid te bereiden op de wijze als voor Aconitum-extract is voorgeschreven.

Het moet aan dezelfde eischen van oplosbaarheid voldoen.

Als 100 mG. van het Extract opgelost wordt in 1 cM2. water, aan deze oplossing 5 droppels ammonia toegevoegd, en zij daarna met 10 cM3. aether wordt uitgeschud, moet de afgescheiden heldere aetherlaag, in twee gelijke deelen verdeeld, na verdampt te zijn, overschotten achterlaten, waarvan het eene, opgelost in 1 droppel verdund chloorwaterstof-zuur en 5 droppels water, door 1 droppel kaliumkwikjodide een sterk wit neêrslag geeft, en het andere, met 2 droppels rood rookend salpeterzuur op een waterbad verwarmd totdat geen zure dampen meer ontwijken, door 2 droppels spiritueuse kalioplossing donker purperrood gekleurd wordt.

1

Ook na toevoeging van chloorvvaterstofzuur moet de extract-oplossing helder blijven. Slaat op eene behandeling der aloii met alkali, ten einde daardoor in water oplosbare harszeepen te vormen en de opbrengst dus te vergrooten. Door het zuur worden de harszeepen weder ontleed en de hars geprecipiteerd.

2

I8

-ocr page 290-

2/4

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: atropine-, hyoscya-mine- en hyoscine-zouten. Alkaloid-gehalte i —1.5 pet.

Aschgehalte 14—21 pet., waarvan meer dan 50 pet. K1COJ.

Bereiding. Opbrengst ongeveer 2.5—3 pet.

Onderzoek.

10. Het moet aan deselfde eischen van oplosbaarheid {als voor Aconitiunextract is voorgeschreven) voldoen. Zie aldaar.

2°. Als 100 niG. van het Extract opgelost wordt in 1 cM*. water, aan deze oplossing 5 droppels ammonia toegevoegd, en zij daarna met 10 cM*. aether wordt uitgeschud, moet de afgescheiden heldere aether laag, in twee gelijke deelen verdeeld, na verdampt te zijn, overschotten achterlaten, waarvan het eene, opgelost in 1 droppel verdund chloorwaterstofzuur en 5 droppels water, door 1 droppel kaliumkwikjodide een sterk wit néér slag geeft. Reactie op de aanwezigheid van, en, bij gebrek aan eene eenvoudige methode tot quantitatieve bepaling, tevens op het voorhanden zijn van eene voldoende hoeveelheid alkaloïden.

30. en het andere, met 2 droppels rood rookend salpeterzuur of een zvaterbad verwarmd totdat geen zure dampen meer ontwijken , door 2 droppels spiritueuse kalioplossing donker purperrood gekleurd wordt. Identiteitsreactie op atropine 2).

E X T R A C T U M C A L U M B A.

CALUMBAEXTRACT.

N. Calumbawortel, tot poeder (B 10) gebracht, zooveel gij wilt. Sterken Spiritus, vooraf verdund met de helft van zijn volumen gewoon Water, zooveel als noodig is.

Deplaceer het poeder met den verdunden spiritus, zoolang er iets wordt opgelost. Damp het vocht uit tot een dik extract. Voeg

bij elke honderd deelen Extract.........100

Glycerine vijf deelen............. 5

en damp weder tot 100 deelen uit.

1

van kaliumnitraat en zwavelzuur.

2

) Tn plaats van rood rookend bezige men salpeterzuur der Ph. of wel een mengsel

-ocr page 291-

275

Het Extract lost in water tot een gele, troebele vloeistof op, die na eenigen tijd een geringe lioeveelheid, in sterken spiritus oplosbare hars afscheidt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; columbine ofcolum-bobi11er, columbozuur en berberine.

Aschgelialte, ongeveer 14 pet., waarvan 13—45 pet. K^CO3.

Bereiding. Spiritus is hier het aangewezen uittrekmiddel, omdat bovengenoemde werkzame bestanddeelen onoplosbaar of moeilijk oplosbaar zijn in water, doch oplosbaar in spiritus. Tevens wordt spiritus aangewend, om de groote hoeveelheid zetmeel in den wortel buiten oplossing te houden. Voor een en ander ware het echter wenschelijker geweest dat, in plaats van verdunden, sterke spiritus was voorgeschreven \').

Opbrengst ongeveer 20 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract lost in zoater tot een gele, troebele vloeistof op, die na eenigen tijd een geringe hoeveelheid, in sterken spiritus oplosbare hars afscheidt 2). De hars bevat bovenvermelde in water onoplosbare, in spiritus oplosbare bestanddeelen. Een residu zou op eene minder zorgvuldige bereiding, bijv. de aanwezigheid van amylum wijzen.

EXT R ACTUM CANNABIS. HENNEPEXTRAC T.

N. Ttidisc he-Hennep kruid, tot poeder (B to) gebracht, zooveel gij wilt.

Sterken Spiritus, zooveel als noodig is.

Deplaceer en maak er een dik extract van.

») Door de zwelling van het poeder in den verdunden spiritus, die ook nog voortgaat na voorafgaande maceratie gedurende 24 uren, kan bij dit extract licht verstopping van den percolator plaats hebben, waarom hier vooral voor een goede laag zand onder in den percolator moet gezorgd worden.

1) Identiteits-reactie. Een weinig Extract: Calumba, in zwavelzuurhoudend water opgenomen, wordt door alkaliën donker en door chloorwater frambozerood gekleurd.

-ocr page 292-

2/6

Het Extract zij donkergroen; in water niet, doch in sterken spiritus geheel oplosbaar.

Na verbranding blijve er een geringe hoeveelheid asch achter, waarvan de oplossing in chloorwaterstofzuur, na toevoeging van ammonia in overmaat, kleurloos zij.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; cannabine, can na-binon, vluchtige olie en hars.

Aschgehalte 0.3—7 Pct gt; waarvan het K2CO3-gehalte zeer uiteenloopt.

Bereiding. Spiritus is hier aangegeven als uittrekmiddel, omdat bovengenoemde bestanddeelen onoplosbaar zijn in water, doch oplosbaar in spiritus.

Opbrengst ongeveer 20 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract zij donkergroen; in ivater niet, doch in sterken spiritus geheel oplosbaar. Een lichtgroen gekleurd extract kan wijzen op eene opzettelijke toevoeging van chlorophyl en op eene verontreiniging of vervalsching met koper. — Geheele oplosbaarheid wijst op eene zorgvuldige bereiding.

20. Na verbranding blijve er een geringe hoeveelheid asch achter, waarvan de oplossing in chloorwaterstofznnr, na toevoeging van ammonia in overmaat, kleurloos zij. Nadere reactie op koper, waardoor de vloeistof blauw gekleurd zou worden \').

E XT R ACTUM CARD UI BENEDICTI.

GEZEGENDE-DISTEL K R U I D E X T R A C T.

N. Gezegen de-Disielkrnid, fijn gesneden, honderd deelen . 100

Kokend gewoon Water vijfhonderd deelen.....500

Laat ze 12 uur staan, doch roer van tijd tot tijd om. Pers uit en herhaal dezelfde bewerking, doch nu met

Kokend gewoon Wa/er driehonderd deelen.....300

\') Koper kan in de zwakzure oplossing ook aangetoond worden door eene roodbruine verkleuring met kaliumferrocyanide.

-ocr page 293-

277

Coleer de bezonken vochten, giet ze bij elkander en maak er, volgens de voorgeschreven regelen, een dik extract van.

Het Extract geve met 10 deelen water een heldere oplossing.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel; c n i c i n e.

Aschgehalte ongeveer 20 pet., waarvan 10—30 pet. K2C03.

Bereiding. Door uittrekking met kokend water worden, behalve bovengenoemde, in koud water minder oplosbare bitter-stof, tevens de harsachtige stoffen en de groote hoeveelheid kalium-, calcium- en magnesiumzouten opgelost. De hars en minder oplosbare zouten zullen door de voorgeschreven verdere zuivering grootendeels wederom afgescheiden worden.

Opbrengst 25—35 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract geve met 1 o deelen ivater een heldere oplossing. De Pharmacopee bedoelt eene geheele afwezigheid van hars en onoplosbare zouten. Intusschen scheiden zich de in het versche extract opgeloste zouten langzamerhand kristallijn af, waardoor het bij bewaring een korrelig aanzien verkrijgt en met water geene heldere oplossing meer geeft \').

EXTRACT U M CASCARILLAE.

CASCARILLEËX TRACT.

N. Cascarillebasi, tot poeder (B. 10) gebracht, honderd deelen 100

Kokend gewoon l Va ter vierhonderd deelen.....400

Laat ze 24 uur staan en roer van tijd tot tijd om. Pers uit en herhaal dezelfde bewerking, doch nu gedurende 12 uur, met

Kokend gewoon Water driehonderd deelen.....300

\') Aan den eisch, om in water helder op te lossen, door de Ph, bij verschillende extracten gesteld, zal moeilijk voldaan kunnen worden, wanneer voor de bereiding gebruik gemaakt is van water, dat, alhoewel voldoende aan de daarvoor gestelde eischen der Ph., een hoog gehalte aan vaste stoffen, o. a. kalkzouten, bezit. Ook kunnen bijv. bij een kalkhoudend water deze door ontleding van misschien in het extract aanwezige talmaten aanleiding geven tot de vorming van onoplosbare oxydatieproducten. liet gebruik van gedestilleerd water voor de bereiding is daarom in dergelijke gevallen noodzakelijk.

-ocr page 294-

278

- Colcer de bezonken vochten, giet ze bij elkander, en maak er, zonder verdere zuivering, een dik extract van.

Het Extract geve met water een troebele oplossing, die na eenigen tijd een bezinksel afscheidt, dat in sterken spiritus oplosbaar is.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: cascarilline, hars en sporen vluchtige olie.

Aschgehalte 15 — 36 pet., waarin afwisselende hoeveelheden K2C03.

Bereiding. Door het kokend water worden de bitterstof, de hars en de vluchtige olie uitgetrokken. Daar echter cascarilline, zoowel als de hars zeer moeilijk oplosbaar zijn in water, zelfs in kokend, en de vluchtige olie door het warme water voor het grootste gedeelte zal vervluchtigen, terwijl alle drie bestanddeelen minder moeilijk of goed oplosbaar zijn in spiritus, was het zeer zeker beter geweest van dit uittrekmiddel gebruik te maken. Voor eene zoo volledig mogelijke uittrekking der werkzame bestanddeelen door water is het derhalve zeer gewenscht, de grondstof niet alleen met het kokende water te overgieten, doch daarmede gedurende den voorgeschreven tijd te infundeeren en de infusie nog warm te coleeren. Ook om zooveel mogelijk de bestanddeelen in het extract te houden, wordt het vocht zonder verdere zuivering uitgedampt.

Opbrengst 12—16 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract geve met water een troebele oplossing, die na eenigen tijd een bezinksel afscheidt, dat in sterken spiritus oplosbaar is \'). Bewijs eener zorgvuldige bereiding.

EXTRACTUM C E N T A U R I I.

DUIZENDGULDEN KRUIDEX TRACT.

N. Duizcndguldenkruid, gesneden en gestampt, honderd deelen 100

Kokend gewoon Water vijfhonderd deelen......500

Laat ze 24 uur staan en roer van tijd tot tijd om. Pers uit en herhaal dezelfde bewerking, doch nu gedurende 12 uur, met

Kokend gewoon Water driehonderd deelen......300

») i Grm. (ter waterige optossiog (i = 10) van het extract met 10 cK3. aether uitgeschud, geeft het achterblijvende na verdamping van den aether met 20 droppels zwavelzuur eene roodbruine kleur. Hieraan een spoor suiker en 1 a 2 cMs. sterken spiritus toegevoegd, gaat de kleur in violet over.

-ocr page 295-

279

Coleer de bezonken vochten, giet ze bij elkander en n.aak er, volgens de voorgeschreven regelen, een dik extract van.

De oplossing van het Extract in water is troebel, doch moet door toevoeging van sterken spiritus volkomen helder worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; een taurine en ery-throcenta urine.

Aschgehalte ongeveer 10 pet., waarvan ongeveer 15 pet. K1 CO2.

Bereiding. De uittrekking geschiedt door warm water, omdat een der hoofdbestanddeelen, de erythrocentanrine, beter daarin oplosbaar is dan in koud. Bij de voorgeschreven veisdere zuivering moet de mede opgeloste hars zooveel mogelijk wederom afgescheiden worden.

Opbrengst 22—28 pet.

Onderzoek.

1°. De oplossing van het Extract in water is troebel, doch moet door toevoeging van sterken spiritus volkomen helder ivorden. Bewijs eener zorgvuldige bereiding. De troebeling bestaat hoofdzakelijk uit hars, die in den spiritus oplost \').

EXTR ACTUM C H I N A E.

KINAEXTRAC T.

N. Poeder van Kinabast, zooveel gij wilt.

Sterken Spiritus met een zelfde volumen gewoon Water verdund , zooveel als noodig is.

Deplaceer zoo lang, totdat het atloopende vocht bijna kleur-en smaakloos is geworden. Bereid uit de verkregen oplossing een droog extract. Roodbruine stukken, die, fijngewreven, een lichtrood poeder opleveren. Het Extract moet, in water verwarmd, voor ongeveer de helft, doch in verdunden spiritus zoo goed als geheel oplosbaar zijn. Het alkaloïdgehalte worde op de volgende wijze bepaald:

5 Grin, van het Extract, fijngewreven en gemengd met 15 Grm. kalk-

1

) Voor de bepaling van een toegestaan gehalte aan hars ware het bij deze reactie

2

aan te geven.

-ocr page 296-

280

hydraat, wordt met 140 Grm. sterken spiritus gekookt op de wijze als voor Kinabast is voorgeschreTen. 84 Grm. van het fikraat, vertegenwoordigend 3 Grm. van het Extract, moet op de voorgeschreven wijze 270—330 niG. alkaloïden opleveren, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 9—11 pet. in het Extract,

De verkregen alkaloïden moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de alkaloïden van Kinabast zijn voorgeschreven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: de alkaioïd-verbindingen van Kinabast.

Aschgehalte ongeveer 3 pet. waarvan gemiddeld 25 pet. K2CO3.

Bereiding. Spiritus is als uittrekmiddel gekozen, omdat de werkzame bestanddeelen van den kinabast min of meer gemakkelijk hierin oplossen, terwijl het vroeger gebruikelijke water slechts weinig daaruit opnam. De uitdamping geschiede zooveel mogelijk onder afsluiting van lucht, ten einde oxydatie van het kinalooizuur tot kinarood te voorkomen. Het geschikst bezigt men hiervoor een retort, waarbij men tevens gelegenheid heeft, den spiritus af te destilleeren.

Opbrengst 32—36 pet.

Onderzoek.

10. Roodbruine stukken, die, fijngewreven, een lichtrood poeder opleveren. Niet volkomen goed gedroogd, bakken de stukken langzamerhand samen en wordt het poeder donkerder van kleur. Men droge dus het extract ten slotte, in draden uitgetrokken, boven kalk en beware het in kalkstopflesschen en tegen den invloed van het licht beschut.

2°. Het Extract moet, in water verwarmd, voor ongeveer de helft, doch in verdunden spiritus zoo goed als geheel oplosbaar zijn. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, zoodat het extract een niet te groot gehalte aan in water en verdunden spiritus onoplosbaar kinarood bevat.

3°. Het alkalo\'ldgehalte worde op de volgende wijze bepaald:

5 Grm. van het Extract, fijngewreven en gemengd niet 15 Grm. kalkhydraat, wordt met 140 Grm. sterken spiritus gekookt op de wijze als voor Kinabast is voorgeschreven. 84 Grin, van het fil-traat, vertegenwoordigend 3 Grm. van het Extract, moet op de voorgeschreven wijze 270—330 mG. alkaloïden opleveren, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 9— 11 pet. in het Extract.

-ocr page 297-

28 I

• 270—-330 mG. alkaloïden, verkregen uit 84 Grm. filtraat, vertegenwoordigende dus ^ X S — 3 Grm. van het extract, wijst

op een gehalte van 9—11 pet. \').

40. De verkregen alkaloïden moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de alkaloïden van Kinabast zijn voorgeschreven. Slaat op de aanwezigheid van en het gehalte aan kinine in de gezamenlijke alkaloïden.

EXT R ACTUM CHINAE LIQUIDUM.

VLOEIBAAR KINAEXTRACT.

N. Poeder van Kinabast honderd dealen.......100

Verdund Chloorwa ter stof zuur twaalf deelen.....12

Glycerine twintig deelen............20

Water, zooveel als noodig is.

Vermeng het kinabastpoeder met zijn viervoudig gewicht water, vooraf met het zuur en de glycerine vermengd en macereer gedurende 24 uur.

Deplaceer, nadat het vocht is afgeloopen, liet achtergeblevene zoolang met water, totdat uit 2 droppels van het afloopende vocht door 4 droppels natriumcarbonaat geen precipitaat meer wordt afgescheiden.

Damp het vocht terstond op een waterbad, bij niet hooger dan 80° uit,

totdat verkregen zijn

negentig deelen...............90

Meng die met

Sterken Spiritus tien deelen...........10

zoodat het gezamenlijk gewicht gelijk is aan dat van het gebruikte kinabastpoeder.

Het zij een vloeibaar, roodbruin Extract, dat met zijn vijfvoudig gewicht water, zoo noodig onder toevoeging van enkele droppels verdund chloorwaterstofzuur, een helder mengsel geeft. Door zijn vijfvoudig volumen absoluten alcohol wordt het troebel en scheidt het een vlokkig wit precipitaat af, dat zich na eenigen tijd samenpakt.

Als het Extract met de helft van zijn volumen chloorwaterstofzuur

\') Bij de bepaling van het gehalte moet gedurende de uitdamping van liet spiritueuse filtraat met verdund chloorwaterstofzuur voortdurend worden geroerd, ten einde te voorkomen , dat de zich afscheidende hars en was de alkaloïden ingesloten houden. Zie overigens bij «Cortex Chinae» biz. 227.

-ocr page 298-

282

verdund wordt, ontstaat een overvloedig, eerst wit, later roodbruin, zich samenpakkend precipitaat.

Het alkaloïdgehalte worde op de volgende wijze bepaald:

Meng s Grm. van het Extract met 40 Grm. water en met zooveel natronloog als noodig is om de reactie duidelijk alkalisch te maken. Schud dit mengsel uit: eerst met 20 cM3. en daarna zoo dikwijls met 10 cM\'. chloroform, als er nog alkaloïden worden opgenomen.

T3e alkaloïden, achtergebleven na het afdestilleeren van de chloroform, moeten, na een uur lang bij 100° gedroogd te zijn, 200—225 mG. wegen, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 4—4.5 pet. alkaloïden in het Extract.

De verkregen alkaloïden moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de alkaloïden van Kinabast zijn voorgeschreven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: eene oplossing der alkaloid verbindingen (chi n otann ate n) van Kinabast in verdund chloorwaterstofzuur.

Bereiding. Het doel der bereiding is, de kinalooizure verbindingen zooveel mogelijk — een klein gedeelte blijft steeds in den bast — in oplossing te brengen. Door water wordt slechts een gering gedeelte uitgetrokken, terwijl door spiritus de alkaloïd-verbindingen wel gemakkelijker, doch daarnevens ook minder gewenschte bestancldeelen als kinarood, plantenwas (cinchocerotine), enz. worden uitgetrokken.

Als basis voor de hoeveelheid te gebruiken chloorwaterstofzuur wordt aangenomen, dat 1 molec. totaal-alkaloïden 2 molec. chloorwaterstofzuur noodig heeft om in oplossing te komen. Stelt men het moleculair gewicht der totaal-alkaloïden op 310, dan zullen 310 Grm. dezer 2 X HC1 = 2 X = 73 Grm. chloorwaterstofzuur ter oplossing noodig hebben en 6 Grm., het ver-eischte hoogste alkaloïd-gehalte van den bast, dus ongeveer 1.4 Grm., dat vervat is in 11.2 Grm. verdund chloorwaterstofzuur. Er is dus bij de bereiding minstens een overmaat van 0.8 Grm. verdund chloorwaterstofzuur.

De glycerine en de later toe te voegen alcohol dienen om het preparaat voor bederf, gisting en schimmelvorming, te bewaren. Bovendien verhoogt de glycerine de oplosbaarheid van sommige der bestanddeelen, vooral der chinotannaten.

De uittrekking geschiedt bij gewone temperatuur, omdat, alhoewel het chloorwaterstofzuur bij verwarming beter alle alkaloid-

-ocr page 299-

283

verbindingen uittrekt, daardoor tevens pectineacl.tige stoffen in het extract zouden komen.

Men deplaceert, totdat door de opgegeven hoeveelheid natrium-carbonaat in een paar droppels percolaat geene alkaloïden meer kunnen worden aangetoond.

Wegens de groote oxydeerbaarheid van het kinalooizuur tot kinarood geschiede de uitdamping in een retort, welke in een waterbad is geplaatst, dat tot niet hooger dan 8o0, be^er 70°, verwarmd is. Men kan in plaats hiervan ook gebruik maken van een uitdampschaal, waarover ter afsluiting van de lucht een trechter is geplaatst, door welke in het vocht een thermometer reikt. De verdamping wordt hierbij echter vertraagd, terwijl de methode voor eenigszins groote hoeveelheden minder bruikbaar is.

Onderzoek.

1°. Het zij een vloeibaar, roodbruin Extraet, dat met zijn vijfvoudig gewicht water, zoo noodig onder toevoeging van enkele droppels verdund chloorwater stof zuur, een helder mengsel geeft. Is tijdens de uitdamping een weinig te veel chloorwaterstofzuur vervluchtigd, dan zal de oplossing in gedestilleerd water niet volkomen helder zijn, wat door toevoeging van enkele droppels chloorwaterstofzuur kan worden verkregen.

20. Door zijn vijfvoudig volumen absoluten alcohol wordt het troebel en scheidt het een vlokkig wit precipitaat af, dat zich na e enig en tijd samenpakt. Het precipitaat is eene zuur reageerende verbinding van kalk met kinazuur en kinalooizuur. Deze reactie moet tot bewijs dienen, dat bij de bereiding niet te veel chloorwaterstofzuur gebruikt is. Eene te groote hoeveelheid zuur toch, veel meer dan toereikend is om de alkaloïdzouten op te lossen, dus een te groote overmaat, zou dit kalkzout ontleden en in alcohol gemakkelijk oplosbaar calciumchloride veranderen, zoodat in dat geval het extract in alcohol oplosbaar zou zijn en geen precipitaat daarmede zou ontstaan.

30. Als het Extract met de helft van zijn volumen chloorwaterstofzuur verdund wordt, ontstaat een overvloedig, eerst lüit, later roodbruin, zich samenpakkend precipitaat. Het precipitaat bestaat uit eene chloorwaterstofzuur-kinalooizure verbinding, die onoplosbaar in zuur, doch oplosbaar in water is, zoodat het dus door bijvoeging van veel water onder schudden weder verdwijnt.

40. Het alkalo\'ldgehalte worde op de volgende zvijze bepaald:

-ocr page 300-

284

Meng 5 Grm. van het Extract met 40 Grm. water en met zooveel natronloog als noodig is om de reactie duidelijk alkalisch te maken. Schud dit mengsel uit: eerst met 20 cM1. en daarna zoo dikwijls met 10 cM3. chloroform, als er nog alkaloïden worden opgenomen. De alkaloïden, achtergebleven na het afdestilleeren van de chloroform, moeten, na een uur lang bij 100° gedroogd te zijn, 200—225 inG. wegen, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 4—4.5 pet. alkaloïden in het Extract. Door toevoeging van overmaat natronloog worden de alkaloïden afgescheiden \'). Bij ontoereikende toevoeging van loog worden niet de alkaloïden, maar hunne chinotannaten 2) afgescheiden. De alkaloïden worden door uitschudding met chloroform 3) daarin opgenomen welke herhaald wordt, totdat de chloroform na verdamping geen vaste stof meer achterlaat.

5°. De verkregen alkaloïden moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de alkaloïden van Kinabast zijn voorgeschreven. Slaat op de aanwezigheid van en het gehalte aan kinine in de gezamenlijke alkaloïden.

EXTRACTUiM COLOCYNTHIDIS.

K O L O K W I N T ENEXTRAC T.

N. Kolokwinten, van de zaden gezuiverd, gesneden en gestampt, honderd deelen...........100

Sterken Spiritus vierhonderd deelen.......400

Gewoon Water tweehonderd deelen........200

Macereer gedurende 4 dagen en roer nu en dan om. Peis uit en herhaal dezelfde bewerking, doch nu met een mengsel van

Sterken Spiritus tweehonderd deelen.......200

Gewoon IVater driehonderd deelen........300

1

) De uilschudding der alkaloïden geschiedt beter door middel van 250 cM3. aether en daarna nog met 100 cM\'. aether.

2

) Een zeer gering gedeelte blijft in ile loog opgelost.

-ocr page 301-

285

Giet de gefiltreerde aftreksels hij elkander en maak er een droog extract van.

Het Extract moet, met water afgewreven, een harsachtige stof achterlaten, d.\'e in verdunden spiritus geheel oplost.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: 2.5 pot, colocynthine, 2 pet. colocynthidine en hars.

Aschgehalte 15 — 25 pet., waarin minstens 35 pet. K1 CO3.

Bereiding. De kolokwinten worden van de zaden gezuiverd, wijl de laatste zeer weinig werkzame bestanddeelen, daarentegen veel onwerkzame vette olie bevatten, die in het extract niet ge-wenscht is. Voor de uittrekking, die in een gesloten vat moet geschieden, ten einde vervluchtiging van den spiritus te voorkomen, wordt gebruik gemaakt van verdunden spiritus, omdat colocynthine daarin gemakkelijker oplosbaar is dan in sterken; bovendien zou sterkere spiritus de in den kolokwint zeiven voorhanden vette olie oplossen. Alhoewel colocynthine in water oplosbaar is en de uittrekking, ook om het niet opnemen van de hars, daarmede zou kunnen geschieden , is spiritus boven water te verkiezen, wijl colocynthidine daarin onoplosbaar is en het waterige extract bovendien spoedig bederft. Bij de eerste behandeling met sterkeren spiritus worden meer colocynthine, colocynthidine en hars, bij de tweede met slapperen spiritus meer de overige bestanddeelen als plantenslijm, gomachtige stoffen, enz. uitgetrokken.

Opbrengst 20 —30 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract moet, met water afgewreven, een harsachtige stof achterlaten, die in verdunden spiritus geheel oplost \'). Bewijs eener zorgvuldige bereiding.

1

) Identiteits-reaciie. Het Extract lost in zwavelzuur met eene roodbruine,

-ocr page 302-

286

EXT R ACTUM CONII.

CONIUMEXTRACT.

EXT R ACTUM CO Nil SPIRITUOSUM.

Uit A\'ersch Coniumkruid te bereiden, op de wijze als voor Aconitum-extract is voorgeschreven.

Het moet aan dezelfde eischen van oplosbaarheid als dit laatste voldoen.

Als aoo mG. van het Extract opgelost wordt in 4 cMs. water, en de eene helft dezer oplossing verwarmd wordt met 2 droppels natronloog, dan moet de reuk van coniine duidelijk merkbaar worden. Wordt de andere helft eerst vermengd met 5 droppels ammonia en daarna uitgeschud met 5 cM3. aether, dan moet, na het verdampen van de afgescheiden heldere aetherlaag, waaraan vooraf 1 droppel verdund chloor-waterstofzuur werd toegevoegd, een overschot achterblijven, dat, opgelost in 5 droppels water, door 1 droppel kaliumkwikjodide een sterk wit neér-slag geeft.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: coniine en conydrine (c o n h y d ri n e)-zouten. Alkaloïd-gehalte ongeveer 0.5 pet.

Bereiding. Wegens de lichte ontleedbaarheid der coniine moet het extract zorgvuldig en niet te lang bewaard worden.

Opbrengst 2—3 pet.

Onderzoek.

10. Het moet aan dezelfde eischen van oplosbaarheid als dit laatste (Extractum Aconiti) voldoen. Zie aldaar.

20. Als 200 mG. van het Extract opgelost wordt in 4 cAP. water, en de eene helft dezer oplossing verwarmd ivordt met 2 droppels natronloog, dan moet de reuk van coniine duidelijk merkbaar worden. Identiteitsreactie op coniine. De reuk van coniine is bedwelmend , sterk, walgelijk, muizepisachtig.

30. Wordt de andere helft eerst vermengd niet 5 droppels ammonia en daarna uitgeschud met 5 cM*. aether, dan moet, na het verdampen van de afgescheiden heldere aetherlaag, waaraan vooraf 1 droppel verdund chloor waterstofzuur werd toegevoegd, een overschot achterblijven, dat, opgelost in 5 droppels water, door 1 droppel ka Hu m kwikjodide een sterk %vit neerslag geeft. Slaat op de aanwezigheid van alkaloid, dat, door ammonia uit de verbinding met plantenzuur vrij gemaakt, in aether oplost. Tevens,

-ocr page 303-

287

bij gebrek aan eene eenvoudige methode tot quantitatieve bepaling, doelt de reactie op het voorhanden zijn van eene voldoende hoeveelheid alkaloid.

EXTR ACTUM F I L I C I S.

VARENEXTRAC T.

N. Varenwortel, tot poeder (B. 10) gebracht, zooveel gij wilt Aether zooveel als noodig is.

Deplaceer en bereid van het vocht een extract, dat de dikte vargt; verschen honig heeft.

Het Extract zij donkergroen en in aether geheel oplosbaar.

Ten gebruike roere men het tot een homogene massa.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen •. ongeveer 1.5 pet. filix-zuur, filixlooizuur, vette olie en hars.

Aschgehalte 0.25—0.65 pet. zonder K1C02.

Bereiding, Het eenige aetherische en dunne extract ,der Phar-macopee. Aether is hier het aangewezen uittrekmiddel, omdat de werkzame bestanddeelen, het filixzuur en het filixlooizuur, hierin gemakkelijk oplossen. De wortel moet goed droog zijn en de aether watervrij, wijl anders het extract troebel zal zijn. De aether wordt bij eene temperatuur van ongeveer 30° met behulp van een af koeler afgedestilleerd \'). Bij bewaring kristalliseert het filixzuur als hydraat gedeeltelijk op den bodem der flesch en aan de wanden uit. Men roere het extract vóór \'t gebruik tot eene homogene massa om, ten einde de uitgezakte werkzame bestanddeelen door het geheele extract weder te verdeden.

Opbrengst 10—^5 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract zij donkergroen. Slaat op de deugdzaamheid van het extract door het gebruik van den verschen, nog groen gekleurden, werkzamen Varenwortel. Men lette .hierbij echter op een mogelijk gehalte aan koper ^).

1

*) Over het onderzoek op koper zie bij « Extracta» en nader bij «Extractum

2

Cannabis ».

-ocr page 304-

288

2°. en in aether geheel oplosbaar. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, zoodat geene in den wortel voorkomende, in aether onoplosbare stoffen, zooals zetmeel, in het extract zijn opgenomen \').

EXTRACTUM FRANGULAE.

RHAMNUSEXTRACT.

Uit fijn gesneden en gestampten Rhamnusbast op dezelfde wijze te bereiden als voor Duizendguldenkruidextract is voorgeschreven, doch tot een droog extract te maken.

Het Extract geve met 10 deelen water een bijna heldere oplossing, die door daaraan toegevoegden sterken spiritus volkomen helder wordt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; franguline, frangu-lazuur, looizuur en bitter stof.

Aschgehalte ongeveer 5 pet., waarvan 20 pet. K1C02.

Bereiding. Van de twee eerstgenoemde, werkzame bestanddeelen zal het extract slechts weinig kunnen bevatten, daar zij in water zeer moeilijk oplosbaar zijn en dus bij de voorgeschreven zuivering, voor zooverre zij opgelost waren, met de harsachtige stoffen wêer zullen precipiteeren. Ook spiritus kan hier niet worden aangewend, daar franguline daarin zeer moeilijk oplost. Wegens de oplosbaarheid van franguline in alkaliën zou eene ammoniakaal-spiritueuse maceratie en percolatie hier aangewezen zijn 2).

Opbrengst 15 — 20 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract geve met 1 o deelen water een bijna heldere oplossing, die door daaraan toegevoegden sterken spiritus volkomen helder wordt 3). Bewijs eener zorgvuldige bereiding. Eene ge-

1

l) Daar het extract zeer hygroscopisch is, moet het in een kalkstopllesch bewaard worden.

2

) Evenals bij «Exiractum Ceptaurii» ware het wenschelijk, dat hierbij de hoeveelheid te bezigen spiritus was voorgeschreven, zooals bij «Extractum Gentianae» is geschied.

-ocr page 305-

289

ringe troebeling in de waterige oplossing kan afkomstig zijn van eenig hars, die in den spiritus oplosbaar is \').

EXTRACT UM GENTIANAE.

GENTIAANEXTRACT.

N. Genüaanwor/el, tot poeder (B. 10) gebracht, honderd

deelen.................100

Gewoon Water achthonderd deelen........800

Macereer gedurende 24 uur en roer herhaaldelijk om. Pers uit en herhaal de maceratie, doch nu gedurende 12 uur, met

Gewoon Wa/er vierhonderd deelen........400

Pers weder uit en bereid van de heldere vochten, volgens de voorgeschreven regelen, een dik extract.

Het Extract zij in 10 deelen water oplosbaar. De geringe troebeling der oplossing moet door toevoeging van 2 deelen sterken spiritus geheel verdwijnen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: gentiopi kr i ne (gen-tiaanbitter).

Aschgehalte ongeveer 2.5—4.5 pet., waarin zeer uiteenloopende hoeveelheden, 13—60 pet., K^CO3.

Bereiding. Water is hier het aangegeven uittrekmiddel, omdat genoemde bitterstof daarin gemakkelijk oplosbaar is, terwijl het haar vergezellende gentisine (gentianine of geniiaanztiur) er zeer weinig in oplost. Voorts wordt koud water gebezigd, om de pectine, die in vrij groote hoeveelheid in den wortel voorkomt, buiten oplossing te houden.

Ten einde bederf door gisting van het eerste maceratievocht te voorkomen bij het bewaren gedurende de aangegeven 12 uren, waartoe bij dit Extract veel neiging bestaat, moet dit eerste vocht terstond uitgedampt worden en later, met het tweede vereenigd,

•( Ideutiteits-reactie. De waterige oplossing va» het Extract (1 = 10) geeft met ferrichloride-oplossing eeue blauwe, met alk alien eene kersroode verklem iog en reduceert Fehling\'s proefvocht.

19

-ocr page 306-

290

zoo spoedig mogelijk gezamenlijk tot extract verwerkt worden.

Opbrengst 30—40 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract zij in 10 deelen water oplosbaar. De geringe troebeling der oplossing moet door toevoeging van 2 deelen sterken spiritus geheel verdwijnen \'). Bewijs eener zorgvuldige bereiding, zoodat het Extract geen pectine bevat. Ue geringe troebeling, die in spiritus oplost, zal afkomstig zijn van een weinig hars.

Wordt daarentegen de troebeling bij toevoeging van spiritus sterker onder afscheiding van geleiachtige vlokken, dan kan dit wijzen op het gebruik van warm water bij de bereiding in plaats van kotui, waardoor de opbrengst zou worden vergroot, doch pectinestoffen in het Extract opgenomen zouden zijn 2).

EXT R ACTUM G R A M I NI S.

GRASWORTELEXTRACT.

Uit gesneden en gestampten Graswortel te bereiden op de wijze als voor Duizendguldenkruidextract is voorgeschreven.

Het Extract geve met 10 deelen water een heldere oplossing.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: t r i t i c i n e, s u i k e r en appelzure zouten.

Aschgehalte ongeveer 5 pet., waarvan ongeveer 20 pet. K2C03.

Bereiding. De voorgeschreven duur van uittrekking is te lang en kan daardoor aanleiding geven tot zure gisting, waarbij triticine zich zal afscheiden. Door toevoeging van eene kleine hoeveelheid

\') De oplossing van het Extract worde door alkaliën geel, door zuren rood gekleurd.

\') Voor de bereiding van een goed oplosbaar Extract neme men een wortel, welke uitwendig hoogstens geelbruin, inwendig licht-geelachtig, doch niet door gisting rood-bruin geworden is; de laatste geeft een extract, dat bij staan spoedig niet meer helder in water oplost. Ook is de opbrengst aan extract bij zulk een wortel beduidend minder (13—16 pet.). Zie verder bij «Radix Gentianae u.

-ocr page 307-

291

ammonia, waarvan de overmaat tijdens de bewerking verdampt, kan het echter weder in oplossing gebracht worden.

Opbrengst 30—-35 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met 10 deelen water een heldere oplossing \'). Bewijs eener zorgvuldige bereiding, vooral daarop slaande, dat tengevolge van de voorgeschreven zuivering door uitdamping en volkomen bezinking alle eiwitstoffen, enz. verwijderd zijn s).

EXTRACTUM GRANATI.

GRANAATEXTRAC T.

N. Granaaibasl, tot poeder (B. 20) gebracht, zooveel gij wilt.

Verdunden Spiritus, zooveel als noodig is.

Deplaceer en damp het vocht uit tot een droog extract.

Het Extract geve met water een gele, troebele oplossing, die door toevoeging van sterken spiritus helder wordt.

Granaatextract moet zooveel alkaloïden bevatten, dat daaruit ten minste 2.5 pet. chloorwaterstofzure verbindingen verkregen wordt. Men bepale zulks \'op de volgende wijze :

Meng 4 Grm. van het Extract met 2 Grm. kalkhydraat, 50 cM3. water en 2 Grm. natronloog. Macereer dit mengsel 24 uur, filtreer en wasch het op het filtrum achtergeblevene met kleine hoeveelheden water zoolang af, totdat in het afloopend vocht geen alkaloïden meer zijn aan te toonen. Schud dit filtraat met chloroform en behandel het op dezelfde wijze als bij Granaatbast is voorgeschreven. Het overschot mag niet minder dan 100 mG. wegen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: de alkaloïden p e 11 e t i e-rine, isopelletierine, methyl- en pseudopelletierine benevens looizuur en hars.

Aschgehalte ongeveer 1.5 pet., waarvan ongeveer 45 pet. K2CO3.

\') Deze oplossing reduceert Fehling\'s proefvocht reeds bij gewone temperatuur. J) Ook hier geldt hetzelfde als bij « Radix Gentianae», nl. dat de Graswortel niet gegist mag zijn, daar anders veel minder en een troebel extract wordt verkregen. Zie verder bij «Radix Graminis».

-ocr page 308-

292

Bereiding. Spiritus dient hier als uittrekmiddel, omdat bovengenoemde alkaloïden, als zouten aan het looizuur gebonden, daarin het best oplosbaar zijn.

Opbrengst ongeveer 13 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met xvater een gele, troebele oplossing, die door toevoeging van sterken spiritus helder wordt x). Bewijs eener zorgvuldige bereiding. De door water afgescheiden hars moet geheel in den spiritus oplossen. De reactie slaat vooral op vermijding van eene te hooge temperatuur bij de uitdamping, waardoor de tannaten zouden kunnen worden geoxydeerd en onoplosbaar worden 2).

2°. Granaatextract moet zooveel alkaloïden bevatten, dat daaruit ten minste 2.5 pet. chloorivater stof zure verbindingen verkregen ivordt. Zie over de methode bij „Cortex Granatiquot;. Uitgaande van 4 Grm. Extract moet het overschot niet minder dan 100 mG., d, i. dus 2.5 pet. wegen. De alkaloid-verbindingen mogen slechts weinig gekleurd zijn en moeten in water volkomen oplossen.

E X T R A C T U M H E L E N 11.

H E L EMU M E X T R A C T.

N. lleleniunnvor/cl, tot grof poeder (A. 5) gebracht, honderd dealen...............100

Verdunden Spiritus driehonderd dealen......300

Maeereer gedurende 3 dagen, roer herhaaldelijk om, pers uit en behandel het overschot op dezelfde wijze, gedurende 24 uur, niet

Gewoon Hater vijfhonderd dealen........500

Pers weder uit en herhaal de macaratia, doch nu gedurende 12 uur, niet Ge-woon ]Vater driehonderd dealen........300

») I cl entiteits-reactie. Wordt 1 a 2 Grm. Extract opgelost iu water, met een paar droppels natronloog alkalisch gemaakt en met chloroform uitgeschud, dan wordt het na verdamping der chloroform achtergeblevene door zwavelzuur eerst rood gekleurd, daarna in groen overgaande.

Ook hier ware het wenschelijk geweest, om, zooals bij «Extractum Gentianae», de voor de oplossing benoodigde hoeveelheid spiritus aan te geven.

-ocr page 309-

293

Filtreer het met spiritus bereide aftreksel, damp het op een waterbad tot stroopdikte uit en vermeng het met de tot 1/j ingedampte, bezonken, gecoleerde en daarna insgelijks tot stroopdikte gebrachte waterige vochten, om door verdere uitdamping een dik extract te verkrijgen.

De oplossing van het Extract in water scheidt een bezinksel af, dat in sterken spiritus geheel oplost.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: ;i 1 ;i n t z u u r-a n h y d r i d e, alantkamfer, h e 1 e n i n e, (a 1 a n t o 1), hars en bitter stof.

Aschgehalte ongeveer 6—-7 pet., waarvan ongeveer 25—40 pet. K2 CO3.

Bereiding. Het poeder (A 1.5) van den wortel wordt eerst met spiritus uitgetrokken, ten einde de in water onoplosbare bestand-deelen: alantzuur-anhydride, alantkamfer, hclcnine en alantol in oplossing te brengen. Hierdoor wordt tevens de in den wortel aanwezige hars opgelost. Wijl ook waarde gehecht wordt aan de bitterstof, wordt deze daarna met water uitgetrokken; echter met koud, en liefst op eene koele plaats, omdat warm water tevens de in groote hoeveelheid in den wortel voorkomende, onwerkzame innline in oplossing zou brengen. Beide uittreksels worden na zuivering elk afzonderlijk tot stroopdikte uitgedampt en dan eerst met elkander vermengd, om afscheiding van de in spiritus opgeloste stoffen door het water te voorkomen. De uitdamping geschiede bij zoo laag mogelijke temperatuur, ten einde zooveel mogelijk vervluchtiging van alantol te voorkomen.

Bij bewaring scheidt zich de alantkamfer schimmelvormig aan de oppervlakte af, waarom het Extract bij gebruik vooraf omgeroerd moet worden.

Opbrengst ongeveer 50 pet.

Onderzoek.

1°. De oplossing van het Extract in water scheidt een bezinksel af, dat in sterken spiritus geheel op losse. Bewijs eener zorgvuldige bereiding. Het bezinksel bestaat uit bovengenoemde in spiritus oplosbare stoffen.

-ocr page 310-

294

EXTRACTUM HYDRASTIS LIQUIDUM.

VLOEIBAAR HYDRASTISEXTRACT.

N. Hydrasiisworiel, tot poeder (B. 30) gebracht, honderd

deelen.................too

Verdunden Spiritus, zooveel als noodig is.

Deplaceer langzaam, totdat verkregen zijn

vijf en tachtig deelen............. 85

Zet deze ter zijde en ga met het deplaceeren zoolang voort, totdat het vocht bijna kleurloos afloopt.

Damp de laatst verzamelde vloeistof uit tot de dikte van extract, en los dit op in de eerst verzamelde vloeistof. Voeg aan dit mengsel, zoo noodig, zooveel verdunden spiritus toe, dat het geheel 100 deelen bedraagt.

Laat het Extract 4 weken op een koele plaats staan en filtreer.

Een heldere, bruingele vloeistof, die, op een waterbad verdampt, ten minste 20 pet, droog extract achterlaat.

Als 50 mG. van het Extract met water tot 20 cM3. verdund en daarna gefiltreerd wordt, moet 5 cM3. van het gele filtraat door 1 cM3. chloor-water weldra rood gekleurd worden, en 5 andere cM3., na toevoeging van 1 droppel verdund zwavelzuur en 1 droppel kaliummercuridjodide, een overvloedig neérslag geven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: ongeveer 3.5 pet. hydras tine, 2.5 pet. berberine en hars.

Aschgelialte ongeveer 0.5 pet.

Bereiding. 100 Din. van het vooraf goed gedroogde poeder van den wortel worden met ongeveer 30 dln. verdunden spiritus aangeroerd , in den percolator gebracht en hierop, na goed aangestampt te zijn, ongeveer 100 dln. verdunden spiritus gegoten, waarna men langzaam, droppelsgevvijze de voorgeschreven 85 cM3. vocht laat afvloeien. Voor het verdere deplaceeren !) zijn ongeveer 600 a 700 dln. verdunden spiritus noodig. De uitdamping van dit laatste percolaat geschiede tot de dikte van een dun extract, zoodat ongeveer 15 dln. zijn overgebleven.

Het gedurende vier weken in rust laten van het Extract op eene koele plaats heeft vooral ten doel, om mede opgelost, onwerkzaam phytosterinc zich te doen afscheiden, waarbij echter tevens eene geringe hoeveelheid berberine uitzakt.

\') Zie verder bij « Extracla », bb.. 265.

-ocr page 311-

295

Onderzoek.

1°. Een heldere, bruingele vloeistof, die, op een waterbad verdampt, ten minste 20 fet. droog extract achterlaat. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, vooral op eene voldoende uittrekking van den wortel \').

2°. Als 50 mG. van het Extract met water tot 20 cM%. ver-dnnd cn daarna gefiltreerd ivordt, moet 5 cM*. van het gele fdtradt door 1 cM%. chloorwater weldra rood gekleurd worden. Reactie op de aanwezigheid van berberine.

30. en 5 andere cM*., na toevoeging van 1 droppel verdund zwavelzuur en 1 droppel kaliummercuridjodide, een overvloedig neérslag geven. Slaat op het voorhanden zijn van eene voldoende hoeveelheid alkaloïden 1).

E X T R A C T U M H Y O S C Y A M I.

HYOSCYAMUSEXTRAC T.

E X T R A C T U M H Y 0 S C V AMI S P I R I T U O S U M.

Uit Versch Hyoscyamuskruid tu bereiden op dezelfde wijze als voor Aconitumextract is voorgeschreven.

1

\') Het gehalte aan gezamenlijke alkaloïden (methode Wefers li et tink) kan bepaald worden, door 5 Grm. Extract door uitdamping bij niet hooger dan 50° van spiritus te bevrijden, waarna 20 cM2. water worden toegevoegd, ten einde hars, vet, chlorophyl, enz. te precipiteeren. De vloeistof wordt vervolgens door een nat filter gefiltreerd. Het op het fdter achterblijvende wordt nog met 10 cM3. water, waarin

2

droppels verdund zwavelzuur, uitgekneed, ten einde ingesloten alkaloid in oplossing te brengen, welke oplossing, afgefiltreerd, bij het eerste liltraat wordt gevoegd. Terstond hierna worden de alkaloïden door toevoeging van Mayer\'sche oplossing (zie blz. 270) geprecipiteerd, waarbij een overvloedig neerslag ontstaat, dat snel bezinkt; door verdere toevoeging van een paar droppels Mayer\'sche oplossing aan de bovenstaande, heldere vloeistof kan men zich overtuigen, of al het alkaloid geprecipiteerd is. Het precipitaat wordt, tegen den invloed van liet licht beschut, op een bij 30° tot constant gewicht gedroogd en gewogen fdter verzameld, met water afgewasschen en bij 30° gedroogd.

100 mGrm. Hydrastine komt overeen met 182.5 mGrm. precipitaat en 100 mGrm. berberine met 183.92 mGrm. daarvan, zoodat men, voor correctie van mede-geprecipiteerde onzuiverheden, kan aannemen, dat loo mGrm. der gezamenlijke alkaloïden overeenkomt met 180 mGrm. precipitaat. Het gewicht van het laatste, vermenigvuldigd met 0.55, geeft dus het gewicht der alkaloïden aan, dat minstens 6—6.5 pet. moet bedragen.

-ocr page 312-

2g6

Met moet aan dezelfde eischen van oplosbaarheid als dit voldoen.

Als 200 mG. van het Extract opgelost wordt in 2 cM3. water, en deze oplossing, na toevoeging van 10 droppels ammonia, uitgeschud wordt met 10 cM3. aether, dan moet de afgescheiden heldere aetherlaag, in twee deelen verdeeld, na op een waterbad verdampt te zijn, overschotten achterlaten, welke zich zoo gedragen als bij Extractum Belladonnae is opgegeven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: hyoscyamin e- en li yos-cine-zouten. Alkaloïdgehalte ongeveer 0.3 pet.

Aschgehalte ongeveer 20 pet., waarvan ongeveer 50 pet. K2C03.

Bereiding. Opbrengst ongeveer 2—3 pet.

Onderzoek.

i0. Het moet aan dezelfde eischen van oplosbaarheid als dit voldoen. Zie bij „Extractum Aconitiquot;.

2°. Als 200 mG. van het Extract opgelost wordt in 2 cM3. water, en deze oplossing, na toevoeging van 10 droppels ammonia, uitgeschud wordt met 10 cRP. aether, dan moet de afgescheiden heldere aetherlaag, in twee deelen verdeeld, na op een waterbad verdampt te zijn, overschotten achterlaten, welke zich zoo gedragen als bij Extractum Belladonnae is opgegeven. De eerste, aldaar opgegeven reactie slaat dus op eene voldoende hoeveelheid voorhanden alkaloïden en de kleurreactie op de identiteit daarvan. In plaats van 100 mGrm., zooals bij „Extractum Belladonnaequot; is voorgeschreven, wordt wegens het geringer gehalte aan alkaloïden de dubbele hoeveelheid van het Extract voor de reactiën aangewend.

E XTRACTUM LI O U I R IT I A E.

Z O E T H O U T E X T R A C T.

N. Zoclhoutwortel, tot poeder (lgt;. 10) gebracht, honderd

deelen....................

Gewoon Water vierhonderd deelen........400

Ammonia twintig deelen........... 20

Macereer gedurende 24 uur in een gesloten vat, roer herhaaldelijk 0111, pers uit en overgiet het overschot met

-ocr page 313-

-97

Gewoon IVa/er driehonderd deelen........300

Aiiimonia zes deelen............. 6

Macereer nogmaals gedurende 6 uur en pers uit.

Bereid van de heldere en bij elkander gegoten vochten, volgens de voorgeschreven regelen, door verdamping een dik extract. Voeg

bij elke honderd deelen Extract........100

Glycerine vijf deelen............. 5

en damp weder tot 100 deelen uit.

Het Extract geve met water een troebele oplossing, die neutraal zij en door enkele daarbij gevoegde droppels ammonia helder worde.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: glycyrrhizine, aspa-ragine en druivesuiker.

Aschgehalte 5.5—9.5 pet., waarvan 7.5—30 pet. K2C03.

Bereiding. De toevoeging van ammonia dient, om het uit de glycyrrhizine, d. i. glycyrrhizinezure ammonia, mogelijk vrij geworden glycyrrhizinezuur wederom in het ammoniumzout om te zetten en dus als zoodanig in oplossing te houden. Tevens wordt de oplosbaarheid der glycyrrhizine in ammonia-houdend water verhoogd. De uittrekking van het poeder (liever A 5) van den wortel geschiede in een gesloten vat, ten einde vervluchtiging der ammonia te voorkomen. De uitdamping geschiede bij lage temperatuur, om mogelijke ontleding der glycyrrhizine tegen te gaan.

Opbrengst 25—30 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met water een troebele oplossing, die neutraal zij en door enkele daarbij gevoegde droppels ammonia helder worde. Een Extract, dat, zorgvuldig bereid, bij zoo laag mogelijke temperatuur is uitgedampt, zal met water eene heldere oplossing geven, die neutraal reageert. Wordt daarentegen bij de uitdamping gebruik gemaakt van eene hoogere temperatuur, zooals de Ph. toestaat, dan zal door verlies aan ammonia der glycyrrhizine het Extract in water troebel oplossen en slechts na toevoeging van ammonia helder worden en bovendien niet neutraal, doch min of meer zuur reageeren \').

\') Over glycyrrhizine-bepaling zie bij « Succus Liquiritiae ».

-ocr page 314-

298

EXTR ACTUM O PIL OPIUMEXTRACT.

N. Poeder van Opium honderd deden.......100

Wa/er vijfhonderd deelen...........500

Macereer gedurende 24 uur en roer van tijd tot tijd om.

Pers uit en behandel het overblijfsel nog tweemaal, doch nu gedurende 12 uur, op dezelfde wijze met

Water driehonderd deelen...........300

Damp de bijeengegoten en gefiltreerde vochten, zonder verdere zuivering, uit tot een droog extract.

Het Extract geve met 10 deelen water een bijna heldere oplossing.

Ter bepaling van het Morphinegehalte, worden 1.5 Grm. van het fijngewreven Extract en 1 Grm. kalkhydraat met 28.5 Grm. water gemengd , en dit mengsel, onder herhaald schudden, ten minste 12 uur gemacereerd en dan gefiltreerd. Schud 20 Grm. van het filtraat met 10 cM3. aether en 5 droppels benzol, en los er onder zacht schudden in op 250 mG. ammoniumchloride. Schud het mengsel nogmaals herhaaldelijk; neem na 24 uur de aetherlaag weg; herhaal de uitschudding met 5 cM:i. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze eerst met water zoo lang af totdat dit kleurloos afloopt, daarna met 5 cM3. spiritus van 40 pet., droog ze bij 100° en weeg ze.

Het gewicht bedrage 180 mG., hetgeen overeenkomt met een gehalte van 18 pet. Morphine in het Extract. Een Extract, dat minder Morphine bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan worde dit door vermenging van het Extract met Melksuiker tot de gewenschte verhouding gebracht.

De afgescheiden Morphine zij in haar ico-voudig gewicht kalkwater geheel oplosbaar en late, na verbrand te zijn, bijna niets achter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel; de in koud water oplosbare alkaloïd-verbindingen van Opium, hoofdzakelijk dus morph ineen n a r c o t i n e -zouten.

Aschgehalte ongeveer 6 pet., waarvan 3.56.5 pet. K2C03.

Bereiding. Deze heeft ten doel, de meest werkzame bestand-deelen van Opium door koud water uit te trekken en daarna in extractvorm te brengen ■). Hoofdzakelijk zal dus Opiumextract

\') Alvorens tot de bereiding van het Extract over te gaan, onderzoeke men het Opium op een misschien te hoog gehalte aan siijmige stoffen, welke zeer hinderlijk zijn voor het verkrijgen van heldere exlractvochten. Men schudde daartoe vooraf een weinig Upiumpoeder gedurende eenigen tijd met water, waarna bij filtratie het vocht niet troebel mag doorloopen.

-ocr page 315-

299

de gemakkelijk oplosbare morphine-, benevens narcotinezouten en een weinig vrije narcotine bevatten, terwijl de andere alkaloïden, zooals thebaïne, enz. benevens het grootste gedeelte der onwerkzame stoffen onopgelost terugblijven. De uittrekking van het poeder (beter B 10) geschiedt met gedestilleerd water, ten einde mogelijke ontleding van de alkaloïdverbindingen door de zouten van het gewone water te voorkomen.

Verder geschiede zij door maceratie bij 150, niet daarboven, ten einde ontleding der morphine tegen te gaan; voorts met de opgegeven hoeveelheden koud water gedurende de aangegeven tijdsruimten, en wel volgens de Ph. drie malen, ofschoon het beter mag geacht worden, slechts twee malen uit te trekken, daar de werkzame bestanddeelen ook op deze wijze voldoende worden uitgetrokken en bij eene derde behandeling met water slechts onwerkzame stoffen als hars, slijm, enz. in oplossing komen, die door den grooteren extract-opbrengst het gehalte aan werkzame bestanddeelen verlagen, terwijl door de grootere hoeveelheid vocht de duur der uitdamping onnoodig wordt verlengd en daardoor slechts aanleiding kan geven tot een minder deugdzaam en minder oplosbaar extract. Na filtratie \') worden de vochten telkens terstond uitgedampt, ten einde ontleding of uitzakking der werkzame bestanddeelen te voorkomen.

Daar het Extract hygroscopisch is, moet het zorgvuldig uitgedroogd en in kalkstopflesschen tegen den invloed van het licht worden bewaard.

Vóór \'t gebruik moet het echter op het gehalte aan morphine onderzocht worden. Een Extract, dat minder dan 18 pet. morphine bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan wordt het tot zeer fijn poeder gewreven Extract met eveneens zeer fijne en goed droge melksuiker tot de gewenschte verhouding gebracht.

Opbrengst ongeveer 53 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met 10 deelen water een bijna heldere

1) Wij geven er de voorkeur aan, de uitgeperste vochten op eene koele plaats te laten bezinken en daarna eerst zooveel mogelijk helder af te gieten om slechts het achterblijvende te filtreeren.

-ocr page 316-

3°°

oplossing 1). Slaat op eene zorgvuldige bereiding, zoodat niet bf door het bezigen van te veel of warm water bf door meer dan noodzakelijk langdurige uittrekking meer dan sporen minder oplosbare alkaloïden, eiwit- en harsachtige stoffen, enz. worden uitgetrokken , die de oplossing troebel zouden maken. Ook is hiervoor het gebruik van helder gefiltreerde vochten en uitdamping bij niet te hooge temperatuur noodzakelijk.

2°. Ter bepaling van het Morphinegehalte, worden 1.5 Grm. van het fijngewreven Extract en 1 Grm. kalkhydraat met 28.5 Grut. water gemengd, en dit mengsel, onder herhaald schudden, ten minste 12 uur gemacereerd en dan gefiltreerd. Schud 20 Grm. van het filtraat met 10 c]\\P. aether en 5 droppels benzol, en los er ouder zacht schudden in op 250 mG. ammoniumchloride. Schud het mengsel nogmaals herhaaldelijk; neem na 24 uur de aether-laag weg; herhaal de uitschudding met 5 cM3. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze eerst met water zoolang af totdat dit kleurloos afloopt, daarna met 5 fJ/3. spiritus van 40 pet., droog ze bij 100° en zveeg ze. Het gewicht bedrage 180 mG., hetgeen overeenkomt met een gehalte van 18 pet. Door het kalkhydraat worden de alkaloïdzouten onder afscheiding der alkaloïden ontleed, waarvan de morphine in de waterige kalkhydraat-oplossing overgaat, terwijl de narcotinegroo-tendeels onopgelost wordt afgescheiden. Bij schudding der gefiltreerde oplossing met aether gaan de mede opgeloste sporen narcotine hierin over. Wordt voorts bij de vloeistof ammoniumchloride gevoegd, dan ontwikkelt zich, door omzetting daarvan met het kalkhydraat onder vorming van calciumchloride, ammoniak 2). In de verdunde waterige oplossing hiervan is de morphine zoo goed als onoplosbaar, terwijl de afscheiding nog wordt verhoogd door de schudding en den in het water opgenomen aether. De toevoeging van eenige droppels benzol dient, om het aanhangen der morphine aan de wanden van de buis tegen te gaan.

Na verwijdering van de aetherlaag, waarin de narcotine, schudt men nog eens de vloeistof met een weinig aether na, verzamelt

\') Identiteits-reactien. De waterige Extract-oplossing (1 = 500) wordt door een droppel ferrichloride bloedrood gekleurd {meconzunr). Eene heldere oplossing van kaliumferricyanide en ferrichloride, vermengd met de waterige Extract-oplossing, geeft daarmede een neerslag van Berlijnsch blauw (tnorphinè).

*) Zie blz. 63.

-ocr page 317-

3° I

de afgescheiden morphine, droogt ze zacht ter verwijdering van aanhangenden aether, vvascht ze ter reiniging van kleurstoffen, enz. eerst met water en daarna met slappen spiritus af, droogt en weegt 1).

3°. De afgescheiden Morphine zij in haar Ioo-voudig gewicht kalkwater geheel oplosbaar. Slaat op verontreiniging met andere daarin minder oplosbare alkaloïden als narcotine 2). De oplossing is gewoonlijk min of meer gekleurd, terwijl de kleurstof zich bij staan in kleine vlokken langzamerhand afscheidt.

4U. en late, na verbrand tc zijn, bijna niets achter. Slaat op verontreiniging met anorganische stof, bijv. aanhangende mee onzure kalk, dat als calciumcarbonaat achterblijft.

E X T R A C T U M P H Y S O S T I G M A T I S.

EXTRACT UM CALABAR.

CALABAREXTRA C T.

N. Calabar zaad, tot poeder (15. io) gebracht, zoo veel gij wilt. Sterken Spiritus zoo veel als noodig is.

Deplaceer het poeder met den spiritus zoo lang, totdat io droppels van liet afloopend vocht, op een waterbad verdampt en met 20 droppels ammonia wederom ingedroogd, geen blauwe vlek meer achterlaten.

De vervluchtiging van den spiritus moet bij ten hoogste 60° geschieden en de uitdamping tot een bijna droog overschot worden voortgezet, hetwelk, in weinig sterken spiritus opgelost en daarna gefiltreerd, bij de opgegeven temperatuur tot een dik extract wordt uitgedampt. Voeg

bij elke honderd deelen Extract........100

Glycerine vijf deelen............. 5

en damp weder tot 100 deelen uit.

Het Extract moet in zijn tienvoudig gewicht sterken spiritus bijna geheel oplosbaar zijn. üe oplossing in water zij troebel.

Als 10 mG. van het Extract in 15 droppels ammonia wordt opgelost en deze oplossing op een waterbad verdampt is, moet er een donker-

1

*) Zie verder bij «Opium».

2

) De afgescheiden morphine bevat sporen narcotine en harsachtige stof.

-ocr page 318-

302

blauwgroen overschot achterblijven, dat in 2 droppels water met een blauwe kleur oplost.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: physostigmine (eserine)-, calabarine- en eseridine-verbindingen.

Aschgebalte ongeveer 4—5 pet., waarvan ongeveer 25—30 pet. tOCO1.

Bereiding. Spiritus is hier het aangewezen uittrekmiddel, omdat bovengenoemde alkaloïdverbindingen slechts weinig oplosbaar zijn in water, doch gemakkelijk en geheel in alcohol worden opgenomen. Bovendien blijven daardoor zooveel mogelijk de eiwitachtige stoffen benevens het in groote hoeveelheid in de zaden vervat zetmeel buiten oplossing. Het deplaceeren geschiedt zoolang, totdat in het afloopend vocht geen physostigmine meer kan worden aangetoond: 10 droppels vocht, op een waterbad verdampt en met 20 droppels ammonia wederom ingedroogd, mogen geen blauwe vlek meer achterlaten. Deze reactie berust op de gemakkelijke vorming aan de lucht, vooral bij verwarming, van een oxydatieproduct van physostigmine, rubreserine genaamd, dat met ammonia eene donkerblauwe verbinding vormt. Het is ook om deze omzetting te voorkomen, dat de uitdamping van het Extract bij zoo laag mogelijke temperatuur, mede zooveel mogelijk tegen het licht beschut, moet geschieden. De uitdamping tot bijna droog, oplossing van het residu in zoo weinig mogelijk alcohol en filtratie heeft ten doel de afscheiding van mede uitgetrokken, bederf-bevorderende, vetaehtige stoffen, zoodat eene zooveel mogelijk gezuiverde oplossing der alkaloïd-verbindingen wordt verkregen.

Opbrengst ongeveer 15 pet.

Onderzoek.

i0. liet Extract moet in zijn tienvoudig gezvicht sterken spiritus bijna geheel oplosbaar zijn. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, zoodat zoo weinig mogelijk vetaehtige stoffen in het Extract voorkomen en de uitdamping bij niet te hooge temperatuur heeft plaats gehad.

20. De oplossing in water zij troebel. Slaat op het gebruik van spiritus der voorgeschreven sterkte bij de bereiding.

30. Als 10 mG. van het Extract in 15 droppels ammonia wordt opgelost en deze oplossing op een waterbad verdampt is, moet er

-ocr page 319-

303

een donkcr-blauivgroen overschot achterblijven, dat in 2 droppels xvater niet een blauwe kleur oplost. Identiteitsreactie op p h y s o-stigmine \').

EXTRACTUM QUASSIAE.

K W A S S I E Ë X T R A C T.

N. Kwassiehout, gesneden en gestampt, honderd deelen . 100 Kokend gewoon Water vijfhonderd deelen.....500

Laat ze 24 uur staan en roer van tijd tot tijd om.

Herhaal, nadat het vocht is afgegoten, dezelfde bewerking, doch nu gedurende 12 uur, met

Kokend gewoon Water vierhonderd deelen.....400

Damp de heldere en bijeengegoten vochten, zonder nadere zuivering, uit tot een droog extract.

Het Extract geve met water een troebele vloeistof.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: q u a s s i i n e.

Aschgehalte 21—32 pet., waarvan 12—19 pet. KJC03.

Bereiding. Daar quassiine beter in spiritus oplosbaar is dan in water, ook in warm, ware het beter geweest van het eerste als uittrekmiddel gebruik te maken. Ook wordt door het water een groot gedeelte der zouten uit het hout opgelost, welke, daar het Extract zonder verdere zuivering wordt bereid en deze derhalve daarin zullen blijven, bij bewaring het Extract korrelig en de oplossing troebel maken. Bij het bezigen van water als uittrekmiddel zou het dus wenschelijk zijn, ter zuivering de tot een klein volumen uitgedampte extractvochten alsnog met een gelijk volumen spiritus te behandelen, te laten bezinken en het helder afgegoten vocht verder tot extract te brengen.

Opbrengst ongeveer 4 pet.

\') Ter bepaling van het alkaloïd-gehalte wordt het Extract in azijnzuur-houdend water opgelost, de kleurstof door loodacetaat neergeslagen, het üllraat door ammonium-carbonaat of natriumhydrocarbonaat van lood bevrijd en de in vrijheid gestelde alkaloïden daarna met chloroform uitgeschud. Na verdamping der chloroform blijven de alkaloïden als geel gekleurd residu achter, dat na droging wordt gewogen eu in zuur water volkomen moet oplossen.

De oplossing van het Extract (1 = 5000) moet nog eene duidelijke alkaloid-reactie geven.

-ocr page 320-

304

Onderzoek.

i9. Het Extract geve piet water een troebele vloeistof. Het gevolg- der bereiding van het Extract zonder verdere zuivering.

E X T R A C T I\'M R A T A N H I A E.

RATANHIAEX T R A C T.

N. Ratanhiawortel, tot een grof poeder (A. 5) gebracht,

honderd deelen..............100

Gewoon Ha/er vijfhonderd deelen ........ 500

Macereer gedurende 24 uur en roer van tijd tot tijd om. Pers uit en herhaal de maceratie, doch nu gedurende 12 uur, met

Gewoon Water vierhonderd deelen........400

Pers weder uit en bereid van de heldere en bijeengegoten vochten, volgens de voorgeschreven regelen, een droog extract.

Het Extract geve niet 10 deelen kokend water een heldere oplossing, die, na bekoeld te zijn, wel ondoorschijnend worden, doch geen bezinksel mag afscheiden. Door toevoeging van sterken spiritus, moet de bekoelde oplossing volkomen helder worden.

Samenstelling. 1 loofdbestanddeel: r a t a n h i a 1 o o i z u u r.

Aschgehalte ongeveer 1.5—^6 pet., waarin een afwisselend gehalte, tot ongeveer 25 pet. K^CO\'.

Bereiding. Het ratanhialooizuur lost in het water \') op, terwijl het onwerkzame ratanhiarood uit den wortel onopgelost blijft. Alhoewel eene behandeling met warm water de opbrengst aan extract zou verhoogen, mag dit niet aangewend worden, omdat het ratanhialooizuur daardoor zou kunnen worden omgezet in ratanhiarood en het in den wortel aanwezige zetmeel in oplossing zou komen. Tevens om het eerste te voorkomen, dampe men

\') Men zie over het gebruik van gewoon water bij de bereiding van looizuurhou-dende extracten de noot op blz. 277 en lette tevens hierbij op het gebruik van volkomen ijzervrij water.

De Ph. geeft op: poeder A. 5; dit moet zijn: poeder A. 1.5. Men bezige voor eene goede opbrengst zooveel mogelijk de dunste worteltakken, daar de bast ongeveer vijfmaal meer looizuur bevat dan het hout.

-ocr page 321-

305

zooveel mogelijk onder afsluiting der lucht en zoo snel mogelijk uit \').

Opbrengst ongeveer 13 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met 10 deelcn kokend water een heldere vplossing, die, 11a bekoeld te zijn, wel ondoorschijnend worden, doch geen bezinksel mag afscheiden 1). Slaat op een te groot gehalte aan ratanhiarood. Beide, het looizuur en het ratanhiarood, lossen in het warme water op; het laatste scheidt zich echter bij bekoeling weder als bezinksel af.

2°. Door toevoeging van sterken spiritus, moet de bekoelde oplossing helder worden. Slaat op de aanwezigheid van zetmeel, dat door het gebruik van warm in plaats van koud water voor de bereiding, ten einde de opbrengst te verhoogen, in het Extract zou kunnen zijn opgenomen.

E X T R A C T U M R H E I.

R H A H A R B E R E X T R A C T.

N. Rhabarberwortel, tot poeder (H. 10) gebracht, zooveel gij wilt. Sterken Spiritus, vooraf verdund met een gelijk volumen gewoon Water, zooveel als noodig is.

Deplaceer en bereid uit het verkregen vocht een droog extract. Het Extract geve met water een troebele vloeistof, die door toevoeging van sterken spiritus helder wordt.

Vervalschingen.

bij Kxtr; Ratanhiae » Bistortae )» Catechu i) Monesiae » Tormentillae

De oplossing in water (i = 40; is gekleurd :

donkerbruin, geelbruin, donkerrood ^

bruin,

rood,

die na toevoeging van ferrichloride wordt:

grijsbruin.

zwart,

grijsgroen.

zwartviolet.

zwart.


2Q

1

) Identiteits-reactie. Het Extract met aeiher uitgetrokken, de aetherische oplossing verdampt, het achterblijvende in warm water opgenomen en na bekoeling een paar droppels ferrichloride en een weinig natriumhydrocarbonaat toegevoegd, zal het filtraat door de aanwezigheid van protocotechuzmir violet- of ametistkleurig zijn.

-ocr page 322-

306

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; c h r y s o p h a an, c h r y-s o p h a a n z u ii r, e m o d i n e, r h e u m 1 o o i z u u r , cat hartin e-zuur, harsachtige stoffen (erythroretine, p h a e o r e-tine, a p o r e t i n e), enz.

Aschgehalte ongeveer 3—6 pet., waarvan ongeveer 30—50 pet. K2C03.

Bereiding. Verdunde spiritus wordt gebezigd, omdat de be-standdeelen van den wortel daarin beter oplosbaar zijn dan in water en het spiritueus Extract zich beter tegen bederf laat bewaren dan het waterige, wijl door het water ook de slijmige deelen en het zetmeel uit den wortel worden opgelost. Het worde in kalkstopflesschen tegen den invloed van het licht bewaard \').

Opbrengst 40—45 pet.

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met water een troebele vloeistof, die door toevoeging van sterken spiritus helder ivordt 2). Bewijs eener zorgvuldige bereiding 3).

EXTRACT UM RH EI COMPOSITUM.

SAMENGESTELD RHABARBEREXTRACT.

E X T R A C T U M C A T H O L I C U M.

N. Rhabarberextract zestig deelen..........60

Alocextract twintig deelen...........20

falapchars.................10

Medicinale Zeep, van elk tien deelen.......10

Meng ze tot een homogeen poeder.

\') In plaats van poeder li. 10 ware het beter geweest poeder A 1.5 te bezigen. Men zorge vooral bij dit Extract, het poeder vooraf innig met den spiritus tot eene brijachtige massa aan te roeren, alvorens het in den percolator over te brengen, ten einde verstopping bij de percolatie te voorkomen, waartoe bovendien eenige schijfjes van den wortel onder in den percolator kunnen worden gelegd.

\') Identiteits-reactie. liet Extract lost in alkali-houdend water op met eene roode kleur, die door zuren verdwijnt, waarbij het chrysophaanzuur zich als een geel neerslag afscheidt, dat oplosbaar is in benzol.

3) Ook hier ware het wenschelijk geweest, zooals bij «Extr: Centianae/gt;, de hoeveelheid te bezigen spiritus nader aan te geven.

-ocr page 323-

307

Bereiding. De verschillende ingrediënten voor dit Extract, vooraf goed gedroogd en tot fijn poeder gewreven, worden innig met elkander tot een homogeen poeder gemengd of met eenige droppels aether met spiritus tot een deeg gekneed, dat bij ongeveer 30° gedroogd, daarna tot poeder gewreven en ten slotte buiten het licht in kalkstopflesschen wordt bewaard.

EXTRACTUM S E C A L I S C O R N U T I.

MOED ERKOORNEXTR ACT.

E X T R A C T U M HA E MOS T A \'1\' I C U M.

ERGOTINUM.

N. Moederkoorn, tot poeder (B. 10) gebracht, honderd

deelen.................100

ÏVct/er tweehonderd deelen..........200

Macereer gedurende 12 uur, roer van tijd tot tijd om, pers uit en verwarm het vocht terstond op een waterbad, totdat het eiwit gestold is.

Macereer het poeder nogmaals met dezelfde hoeveelheid water, doch nu slechts gedurende 6 uur, en behandel het uitgeperste vocht op dezelfde wijze.

Damp de bijeengegoten en gecoleerde vochten op een waterbad uit, totdat zijn overgebleven

vijftig deelen................50

en meng die, nadat zij bekoeld zijn, met

S/erken Spiritus vijftig deelen..........50

Filtreer het verkregen vocht na 2 dagen en damp het uit tot een dik extract. Voeg

bij elke honderd deelen Extract.........100

Glycerine vijf deelen............. 5

en damp weder uit, totdat zijn overgebleven

honderd deelen...............100

Het Extract geve met 10 deelen water een heldere oplossing, die na toevoeging van een gelijk volumen sterken spiritus helder blijve.

De oplossing in water moet een overvloedig neêrslag geven met tannine, met vnercurichloride en met kaliummercuridjodide.

Samenstelling.

In aanmerking genomen de verschillende opgaven der werk-

-ocr page 324-

3O8

zame bestanddeclcn van Moederkoorn bij de voornaamste onderzoekers en de eigenschappen daarvan, uit een pharmaceutisch oogpunt beschouwd 1), ligt ook de kennis der bestanddeelen, waaronder vooral de physiologisch werkzame, van het Extract nog min of meer in \'t duister. Naar de onderzoekingen van Dragen-dorff zouden de hoofdbestanddeelen van het Extract onzer 1\'h. vooral zijn : s c 1 e r o t i n e z u u r en e r go t i n e; volgens die van Kobert het ergotinez u ur, sphacelinezure en cornu t i n e-zouten.

Aschgehalte ongeveer 8—ii pet., waarna 25—50 pet. K^CCP.

Bereiding. Bij het boven vermelde groote verschil van meening omtrent de bestanddeelen van Moederkoorn en de eigen-schappen daarvan is een daarop gebaseerd, afdoend voorschrift voor het Extract nog niet gevonden 2). Geleid door de ondervinding schrijft onze Pharmacopee voor het waterige, uitgedampte

1

) Zie bij « Secale cornutum ».

) Het Extract onzer Ph. is een gewijzigd Ergotinnm B o nj e a n. Andere bereidingswijzen voor Extr: Secal. cornut., welke echter wegens het verschil in samenstelling niet ir, de plaats van het onze mogen gesteld worden, zijn bijv.:

a. Extr. Secal. cornut, dialysatum W e r n i c h. Het gedroogde poeder van Moederkoorn wordt eerst met aether of petroleumaether, daarna met alcohol behandeld en vervolgens herhaaldelijk bij 8o0 met water uitgetrokken. Het waterige uittreksel wordt tot dunne-stroopdikte uitgedampt en vervolgens, ook onder toevoeging van een weinig chloroform, gedialyseerd. Het in den exarysator overgaande wordt ten slotte bij lage temperatuur uitgedampt.

b. Ergotinnm W i g g e r s. Moederkoorn wordt door aether of petroleumaether van de vette olie bevrijd en daarna met kokenden spiritus uitgetrokken. Deze tinctuur wordt verder tot extractdikte uitgedampt en vervolgens met koud water uitgetrokken, waarna het achterblijvende tot een droog poeder wordt uitgedampt.

c. Extr. Secal. cornut. V v o n. Poeder van Moederkoorn wordt door zwavelkoolstof van vet bevrijd en daarna met wijnsteenzuurhoudend water (4=1000) gedeplaceerd, het percolaat tot koken verhit en tot op x/3 uitgedampt, na bekoeling gefiltreerd en, na neutralisatie met calciumcarbonaat, met sterken spiritus vermengd en daarna gefiltreerd. Het filtraat wordt met dierlijke kool zooveel mogelijk ontkleurd, de spiritus verdampt en na toevoeging van salicylzuur met water tot het gewicht van het gebruikte Moederkoorn gebracht.

d. Extr. Secal. cornut. cornutino-sphacelinicuni K o b e r t. Poeder van Moederkoorn wordt vooraf door aether of petroleumaether van 20 pet. vet bevrijd, vervolgens met spiritus volkomen uitgetrokken en dit uittreksel voorzichtig tot extractdikte uitgedampt.

e. Ergotinum li om be Ion is waarschijnlijk een waterig extract, dat door kalium-carbonaat is geneutraliseerd.

2

f. Extr. Secal. cornut. /luid. {Ergotae liquid.) Voor de bereiding van dit extract geschiedt de percolatie met behulp van verdunden spiritus onder toevoeging van verdund chloorwaterstofzuur, waarna vervolgens tot een bepaald volumen wordt uitgedampt.

-ocr page 325-

309

en gezuiverde aftreksel van Moederkoorn, dat dus hoofdzakelijk bovenvermelde bestanddeelen zal bevatten.

De zuivering bestaat, evenals bij de bereiding der narcotische extracten, in verwarming, waardoor de mede opgeloste eiwitstoffen, enz. zich door stremming grootendeels afscheiden, en wel terstond na de maceratie, ten einde eene verandering der werkzame bestanddeelen te voorkomen; bovendien in precipitatie door sterken spiritus van nog opgeloste sporen eiwit benevens de in water oplosbare slijmstoffen, de scleromucine, zoodat eene zooveel mogelijk zuivere oplossing der bestanddeelen in water wordt verkregen \').

Opbrengst 9—15 pet.

Onderzoek.

10. Het Extract geve niet 1 o deelen zouter een heldere oplossing, die na toevoeging van een gelijk volunien sterken spiritus helder blijve. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, zoodat vooral alle eiwit- en slijmachtige stoffen volkomen verwijderd zijn.

20. De oplossing in water moet een overvloedig neerslag geven met tannine, met mercnrichloride en met kalinmmereiiridjodide 1). Slaat op eene voldoende hoeveelheid in het Extract voorhanden werkzame, alkaloïdachtige bestanddeelen 2).

E X T R A C T U M S T R Y C H N I.

STRYCHNOSEXT R A C T.

E X T R A C T U M N U C I S V 0 MI C A E.

N. Strychnoszaad, tot poeder (B. 10) gebracht, zooveel gij wilt.

Verdunden Spiritus zooveel als noodig is.

1

\') Het Extract, met kali- of natronloog verwarmd, ontwikkelt den eigenaardigen reuk naar trimethylamine.

2

) Bij de reactie met kaliummercuridjodide heeft de Ph. abusievelijk het daarvoor noodige en op andere plaatsen voorgeschreven verdund chloorwaterstofzuur vergeten aan te geven.

-ocr page 326-

31°

Deplaceer zoo lang totdat de vlek, achtergebleven na de verdamping van i droppel afloopend vocht, door 2 droppels salpeterzuur nauwelijks meer rood gekleurd wordt, en bereid uit het verkregen vocht een droog extract.

Fijn gewreven, zij het Extract een bruinachtig-geel poeder, dat met water een troebele vloeistof geeft, die door sterken spiritus volkomen helder wordt.

Het alkaloldgehalte worde bepaald door 1 Grm. van het Extract in 10 cM\'. water en 2 cM\'. verdund zwavelzuur door verwarming op een waterbad op te lossen; de bekoelde oplossing te filtreeren, haar met natronloog alkalisch te maken en met 20 cM\'. chloroform uit te schudden; de laa:ste bewerking zoo dikwijls met 10 cM3. chloroform te herhalen, als nog alkaloïden hierin worden opgelost; de chloroform af te destil-leeren en het achtergeblevene bij ioo0 te drogen.

De verkregen alkaloïden moeten 150 mG. bedragen, hetgeen overeenkomt met 15 pet. in het Extract. Zij moeten slechts weinig gekleurd zijn en met verdund chloorwaterstofzuur een heldere oplossing geven.

Een Extract, dat minder alkaloïden bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan wordt dit tot de gewenschte verhouding gebracht door het Extract met Melksuiker te vermengen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: strychnine- en b r u-c i n e-zouten.

Aschgehalte 2.5—3.5 pet., waarvan 15—28 pet. K2C03.

Bereiding. Spiritus is hier het aangewezen uittrekmiddel, wijl bovengenoemde alkaloïden, aan igasuurzuur gebonden, hierin het gemakkelijkst oplossen. De spiritus wordt verdund aangewend, ten einde de uittrekking der vetdeelen van het zaad zooveel mogelijk te voorkomen. Het deplaeeeren geschiedt zoo lang, totdat in het afloopend vocht geen brucine meer kan worden aangetoond, waarop de reactie met salpeterzuur doelt.

Vóór \'t gebruik moet het Extract op het alkaloïdgehaltc onderzocht worden. Een Extract, dat minder dan 15 pet. alkaloïden bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan wordt het tot zeer fijn poeder gewreven Extract met eveneens zeer fijne en goed droge melksuiker tot de gewenschte verhouding gebracht.

Opbrengst ongeveer 14 pet.

Onderzoek.

1°. Fijn gewreven, zij het Extract een bruinachtig-geel poeder, dat niet water een troebele vloeistof geeft, die door sterken spiritus

-ocr page 327-

3ii

volkomen luider ivordt \'). Ue trocbcling kan afkomstig zijn van eiwit- en slijmachtige stoffen, van onoplosbare ontledingsproducten der tannaten, door te hooge temperatuur bij de bereiding ontstaan , tevens van gesuspendeerde hars- en vetachtige deelen. Beide eersten zullen in den spiritus niet oplossen, terwijl beide laatsten daarin oplosbaar zijn 1).

2°. Hei alkaloldgehalte worde bepaald door I Grin, van het Extraet in 10 eM2. water en 2 cM*. verdund zivavelzuur door verwarming op een waterbad op te lossen; de bekoelde oplossing te filtreer en, haar met natronloog alkalisch te maken en met 20 eM3. chloroform int te schudden; de laatste bewerking zoo dikwijls met 10 cM3. chloroform te herhalen, als nog alkaloïden hierin worden opgelost; de chloroform af te destilleercn en het achtergeblevene bij 1100 te drogen. De alkaloïden lossen als sulfaten in het zure water op en worden na filtratie door natronloog afgescheiden en door uitschudding in chloroform opgelost 3).

1

) Het ware bij deze reactie wenschelijk geweest, de verhoudingen van extract, water en spiritus nauwkeuriger aan te geven.

2

) De uitvoering der aangegeven methode kan verbeterd worden als volgt: Bij de bekoelde oplossing der alkaloïden in verdund zwavelzuur wordt I Grm. talc, venet. gevoegd, ten einde het zeer langzame filtreeren en uitwasschen sneller te doen geschieden. Bij de uitschudding met chloroform vormt zich een emulsieachtig mengsel, waaruit de chloroform zich zeer traag weer afscheidt. Daarom wordt de zure oplossing der alkaloïden met natriumcarbonaat-oplossing (1=5) bijna neutraal gemaakt (ongeveer 4 cM3.), dan ingedampt tot ongeveer 5 cM3., daarna toegevoegd 0.5 Grm. natriumcarbonaat in poedervorm, en eindelijk nauwkeurig gemengd met 5 Grm. calciumcarbonaat. Na drogen op een waterbad, wordt het terugblijvende fijngewreven en in een deplaceerbuisje gebracht (een glazen buisje van ongeveer 10 cM3. lengte en 2 cM3. wijdte, van onderen uitgetrokken en met een prop ontvette watten gesloten). Men deplaceert met chloroform in een getarreerd kolfje, destilleert de chloroform af, droogt en weegt (methode Gulden steed en E g e 1 i n g).

Voorts kan in de verkregen, gezamenlijke alkaloïden het gehalte aan strychnine op de volgende wijze bepaald worden. Men reinigt ze daartoe vooraf, door ze op te lossen in verdund chloorwaterstofzuur, deze oplossing te Idtreeren, het hltraat met ammonia alkalisch te maken, de vloeistof tot droog te verdampen, de achtergebleven alkaloïden op te lossen in kokenden spiritus, de oplossing te filtreeren en weder tot droog te verdampen, het achterblijvende in verdund chloorwaterstofzuur op te lossen, hieraan spiritus toe te voegen, daarna met ammonia alkalisch te maken en ten slotte eerst met 20 cM3. en vervolgens nog twee malen, telkens met 10 cM3. chloroform uit te schudden.

Z. O. z.

-ocr page 328-

312

De verkregen alkaloïden moeten 150 mG. bedragen, hetgeen overeenkomt met 15 pet. in het Extract. Zij moeten slechts weinig gekleurd zijn en met verdund chloorwaterstofzuur eenc heldere oplossing geven. Slaat op eene zorgvuldige bepaling der alkaloïden 1).

EXTRACTUM TARAXACI.

TARAXACUMEXTRACT.

N. Verschen Taraxacunnoor/el en -kruid, gesneden , honderd deelen................too

Kokend gewoon Water tweehonderd deelen.....200

Laai; ze 24 uur staan en roer van tijd tot tijd om. Pers uit. Behandel het achtergeblevene op dezelfde wijze, maar nu slechts gedurende 1211111-cn pers weder uit.

Bereid van de bijeengegoten vochten, volgens de voorgeschreven regelen, een dik extract.

Het Extract geve met 10 deelen water een bijna heldere oplossing.

Samenstelling. Moofdbestanddcelen: taraxacine en taraxa-ccrine.

Aschgehalte 10—20 pet., waarvan ongeveer 20—60 pet. K2C03.

Bereiding. Voor de bereiding wordt gebruik gemaakt van de versche plant, ten einde hieruit het versche melksap te trekken. Door het warme water worden bovengenoemde daarin vervatte, werkzame bestanddeelen uitgetrokken, terwijl eiwitachtige stoffen dooide warmte worden gecoaguleerd. De na uitpersing verkregen vochten moeten, evenals bij ,,Extractum Graminisquot; is voorgeschreven, terstond daarna uitgedampt worden, ten einde bederf door gisting-bij staan te voorkomen.

Opbrengst 20—25 pet.

In de dus gereinigde alkaloïden wordt het strychnine-gehalte bepaald, door ze tot ongeveer een { pet.-oplossing in chloonvalerstofzuurhoudend water op te losseu tot sterk zure reactie en daarna met eene 1 pct.-kaliumferrocyanide-oplossing, waarvan de waarde tegenover strychnine bepaald is (door haar vooraf te titreeren tegenover strych-ninehydrochloraat) te titreeren, totdat een droppel der gefiltreerde oplossing op papier, gedrenkt in verdunde ferrichloride-oplossing, door overmaat kaliumferrocyanide daarmede eene blauwe verkleuring geeft. Uit het verbruikte aantal cM3. kaliumferrocyanide-oplossing kan ten slotte het gehalte aan strychnine berekend worden.

\') In verband hiermede raadplege men, hetgeen dienomtrent vermeld is bij de bepaling der alkaloïden in « Cortex Chinae », blz. 227 noot 4 en 5.

-ocr page 329-

313

Onderzoek.

1°. Het Extract geve met 10 deden water een bijna heldere oplossing. Slaat op eene zorgvuldige bereiding, meer in quot;t bijzonder op eene zoo volkomen mogelijke verwijdering door uitdamping en bezinking van eiwitstoffen en minder oplosbare zouten. Intusschen scheiden zich de in het versche Extract nog opgeloste zouten bij het bewaren langzamerhand min of meer af, waardoor het korrelig wordt en met water eene troebele oplossing geeft.

EXTRACTUM TRIFOLII F I B R I N 1.

DRIEBLADEXTRAC T.

Uit Driebladbladen te bereiden volgens de wijze, voor Duizendgulden-kruid-extract voorgeschreven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel; men y a nth ine.

Aschgehalte n-—16 pet., waarvan ongeveer 55—75 pet. K2C03.

Bereiding. Daar het werkzaam bestanddeel moeilijk in koud, doch gemakkelijk in warm water oplosbaar is, dient het laatste hier als uittrekmiddel.

Opbrengst 30—35 pet.

E X T R A C T U M VALERIAN A E.

V A L E R I A A N E X T R A C T.

Uit fijn gesneden Valeriaan wortel op dezelfde wijze te bereiden als voor Helenimnextract is voorgeschreven, doch met dit verschil, dat, na het uittrekken met den spiritus, kokend in plaats van koud water gebruikt worde.

Met 10 deelen water moet het Extract een troebele vloeistof geven, die door sterken spiritus helder wordt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; va Ier iaanzu u r, hars en sporen valeriaanolie.

-ocr page 330-

314

Aschgehalte ongeveer 5—6 pet., waarvan ongeveer 45 — 55 pet. K2 CO3.

Bereiding. De wortel wordt eerst met spiritus uitgetrokken, ten einde de in water onoplosbare bestanddeelen, zooals de olie en de hars, en minder daarin oplosbare, zooals het zuur, in oplossing te brengen. Daar ook waarde schijnt gehecht te worden aan de overige bestanddeelen, worden deze daarna met water, en wel met kokend, uitgetrokken. Beide uittreksels worden elk afzonderlijk tot stroopdikte uitgedampt en dan eerst met elkander vermengd, ten einde afscheiding van de in spiritus opgeloste stoffen door het water te voorkomen.

Opbrengst ongeveer 20 pet.

Onderzoek.

1°. Met 10 deden zvater moet het Extract een troebele vloei-stof geven, die door sterken spiritus helder wordt. Door het gehalte van in water oplosbare, doch in spiritus onoplosbare stoffen, zooals zetmeel, slijmachtige stoffen, enz., die door het warme water zijn uitgetrokken, zal aan bovengenoemden eisch, wat betreft de heldere oplossing in spiritus, moeilijk voldaan kunnen worden. Overigens ware een vloeibaar extract, door deplaceering met spiritus verkregen, met het oog op de bestanddeelen van den wortel hier meer gewenscht.

F E R R U M P ULVERATU M.

IJ Z E R P O E D E R.

Een fijn, zwaar, grijs, metaalachtig glanzend poeder.

JJzerpoeder wordt door verdund zwavelzuur, op een weinigje zwart poeder na, opgelost, terwijl een bijna reukloos gas ontsnapt.

Wordt deze oplossing met salpeterzuur verwarmd, daarna met ammonia in overmaat vermengd en gefiltreerd, dan moet zij ongekleurd blijven en, nadat zij verdampt en het overschot zacht gegloeid is, niets achterlaten.

100 m(!. IJzerpoeder, met 100 mG. kaliumchloraat en 5 cM3. cliloor-waterstofzuur in oplossing gebracht, moet, nadat het chloor door koken verdreven is en nadat eenige stukjes zink aan de oplossing zijn toegevoegd, een gas opleveren, dat zilvernitraat (1 = 2) niet kleurt.

-ocr page 331-

3\' 5

Samenstelling. Fe

Het metaal ijzer in poedervorm \').

Bereiding. IJzerpoeder wordt fabriekmatig verkregen door ijzerstaven met groote vijlen tot spanen te verwerken, deze verder door stampen in ijzeren mortieren tot poeder te brengen, door blaasinrichtingen hieruit het fijnste poeder te verzamelen en dit te ziften.

Eigenschappen. Een reuk- en smaakloos, fijn, zwaar, grijs, metaalachtig glanzend poeder, dat in zuren onder waterstofgasontwikkeling oplost. De oplossing in verdund zwavelzuur wordt door kaliumferricyanide terstond en, na verwarming met eenige droppels salpeterzuur, ook door kaliumferrocyanide blauw neergeslagen s) en de salpeterzure vloeistof door kaliumsulfocyanide 3) bloedrood gekleurd.

Onderzoek.

1°. Een grijs, metaalachtig glanzend poeder. In onderscheid met Ferrum reductum. Zie aldaar.

2°. IJzerpoeder ivordt door verdund zwavelzuur, op een weinig je zwart poeder na, opgelost. Slaat op verontreiniging met eene te groote hoeveelheid daaronder gemengde kool, die ijzer steeds in geringe hoeveelheid bevat; tevens op eene mogelijke vervalsching met stoffen als potlood, zand, enz.

3°. terwijl een bijna reukloos gas ontsnapt. Slaat op de aanwezigheid van eene te groote hoeveelheid gebonden kool, waardoor een sterke reuk naar kwalijk riekende koolwaterstoffen zou ontstaan; sporen worden toegestaan. Tevens kan de reuk veroorzaakt worden door verontreiniging met arseen-, zwavel- of phosphorijzer, waardoor de reuk naar arseen-, zwavel- of phosphorwaterstof zou worden waargenomen,

4°. Wordt deze oplossing met salpeterzuur verwarmd, daarna niet ammonia in overmaat vernietigd en gefiltreerd, dan moet zij ongekleurd blijven. Het uit ijzer en verdund zwavelzuur gevormde

*) Er beslaan twee reeksen van ijzerverbindingen. In de eene, de ferr^- of itxxosion-verbindingen, treedt het ijzer als /onwaardig metaal, Fe, op. De andere, de ferr/- of fernVww-verbindingen, daarentegen bevatten de atoomgroep [Fe4], bestaande uit twee, tezamen cmvaardige atomen ijzer.

*) Zie blz. 88.

3) Zie noot blz. 198.

-ocr page 332-

3i6

ferrosulfaat wordt door salpeterzuur geoxydecrd tot ferrisulfaat, dat door ammonia als ferrihydroxyde wordt neergeslagen. Is de vloeistof niet kleurloos doch blauw, dan wijst dit op verontreiniging met koper.

50. cn, nadat zij verdampt en het overschot zacht gegloeid is, niets achterlaten. Met overschot moet bestaan uit gevormd ammo-niumsulfaat, dat door gloeiing vervluchtigt. Slaat op verontreiniging met zink, dat als zinkhydraat in de overmaat ammonia opgelost blijft; tevens op andere niet-vluchtige, anorganische stoffen als alkali- en a a r d a 1 k a 1 i -verbindingen.

6°. ioo mG. IJzerpoeder, met ioo mG. kalmmchloraat en 5 ci\\P. chloortvaterstof zuur in oplossing gebracht, moet, nadat het chloor door koken verdreven is en nadat eenige stukjes zink aan de oplossing zijn toegevoegd, een gas opleveren, dat zilvernitraat (i == 2) met kleurt. Het ijzer wordt als ferrochloride opgelost en verder door het uit kaliumchloraat en chloorwaterstofzuur ontwikkelde chloor tot ferrichloride geoxydeerd. Slaat op verontreiniging met ar se nik- of antim oon-ijzer, die, na omzetting door het chloraat en chloorwaterstofzuur in oxyden, met de waterstof\', uit het zink en chloorwaterstofzuur ontwikkeld, de resp. waterstofverbindingen zouden geven, welke zilvernitraat kleuren \').

FERRUiM REDUCTUM. GEREDUCEERD IJ Z E R.

Een fijn, matgrijs poeder, dat, indien het gewreven wordt, metaal-glans aanneemt.

In verdund zwavelzuur lost het op, onder ontwikkeling van een bijna reukloos gas, waarbij niet meer dan i pet. onopgeloste stof achterblijve. Deze oplossing mag door zwavelwaterstof niet troebel worden en moet, na met salpeterzuur gekookt, met ammonia in overmaat vermengd en gefiltreerd te zijn, een kleurlooze vloeistof opleveren, die, na verdampt te zijn , een overschot achterlaat, dat bij zachte gloeiing geheel vervluchtigt.

\') Zie verder blz. 28. Overigens ware ook hier, evenals bij ïFerrum reductum», eene gehalte-bepaling van metallisch Ijzer wenschelijk geweest.

-ocr page 333-

3i7

loo mG. Gereduceerd Ijzer, met 25 mG. kaliumchloraat en 5 cM3. chloorvvaterstofzuur in oplossing gebracht, moet, nadat het chloor door koking is verdreven en nadat eenige stukjes zink aan de oplossing zijn toegevoegd, een gas opleveren, dat zilvernitraat (1 = 2) niet kleurt.

Gereduceerd Ijzer bevatte ten minste 86 pet. metallisch Ijzer, hetgeen bepaald wordt door 100 mG. met 20 cM3. verdund chloorwaterstofzuur en 50 mG. kaliumchloraat te verwarmen, totdat al het chloor is verdreven; de oplossing met 75 cMs. water te vermengen en tot 50° te verwarmen; 8 cM3. kaliumjodideoplossing (1 == 10) er aan toe te voegen en de vloeistof te ontkleuren met volumetrisch thiosulfaat, waartoe niet minder dan 17.2 cM3. verelscht wordt.

[De berekening is aldus: wanneer A het gevonden totaal-ijzergehalte is

(voor 17.2 cM3. volumetrisch thiosulfaat is dit 96.32 pet.) dan is net ge-

, , , ,1 \'-lt;) A—2100,

halte aan metallisch Ijzer ---j.

Samenstelling.

Het metaal ijzer in poedervorm, minstens 86 pet., benevens ongeveer 10 pet. ferroferri-oxyde.

Ferroferri-oxyde, Fe3O4, is te beschouwen als eene verbinding van ferro-oxyde en ferri-oxyde, Fe O-j-Fe\'O3, de beide oxyden, resp. van het tweewaardige atoom Fe en van twee, te zamen zeswaardige atomen [Fe1].

Bereiding. Door reductie van ijzeroxyde door middel van waterstofgas, ijzeroxyde, verkregen door eene verdunde, heete ferrichlorideoplossing met verdunde ammonia in overmaat nêer te slaan, het neerslag van ferri-hydroxyde met warm water uit te wasschen en op het waterbad te drogen, wordt in dunne lagen

Fe2 Cl» -f 6(NII3 -f H2O) = Fe2 (HO)0 6 N H4 Cl

fernchloride ammonia fetrihydroxyde ammoniumchloride

Fe2 (HO6) = Fe2 O3 3H20

fenihydroxyde feni-oxyde water

in ijzeren of porseleinen buizen gebracht en in een stroom waterstofgas verhit. Het waterstofgas wordt verkregen uit zink en zwavelzuur en gezuiverd, door het herhaaldelijk te laten strijken

IPSO4 -j- Zn = Zn SO4 2 11

zwavelzuur zink zinksulfnat waterstof

Fe2O3 6 H = 2 Fe 3 H20

ferri-oxyde waterstof ijzer water

door eene oplossing van kaliumpermanganaat, of door eene oplos-

-ocr page 334-

318

sing van loodacetaat in zwakke natronloog, die het verontreinigende zwavehvaterstofgas en mogelijk zwaveligzuur, vervolgens door eene oplossing van kopersulfaat of zilvernitraat, die de verontreinigende arseen-, incl. antimoon- cn phosphonvaterstof, en door zwavelzuur, dat de vochtigheid opneemt. Men verhit de buizen langzamerhand tot donkerroodgloeihitte en laat den tevens ge-vormden waterdamp aan het einde daarvan ontwijken. Houdt de ontwijking op, dan is al liet ferri-oxyde in ijzer, benevens een klein gedeelte in ferroferri-oxyde omgezet. Men laat den

3 Fe203 2 H = 2 Fe3O4 H20

ferri-oxyde waterstofgas ferroferri-oxyde water

inhoud der buizen daarna bekoelen in den stroom van waterstofgas , ten einde oxydatie te voorkomen. De verhitting geschiede tot zachte roodgloeihitte, daar bij lager temperatuur zelfontbrandbaar (pyrophorisch) ijzer ontstaat, cn bij hooger temperatuur het preparaat niet fijn en los, maar klonterig en samengepakt is.

Eigenschappen. Een reuk- cn smaakloos, fijn, tamelijk zwaar, matgrijs poeder, dat, indien het gewreven wordt, metaalglans aanneemt. Het lost in zuren onder waterstofgas-ontwikkeling op. De oplossing in verdund zwavelzuur wordt zoowel door kaliumferri-als door kaliumferrocyanide blauw neergeslagen \').

Onderzoek.

1°. Een matgrijs poeder, dat, indien het geivreven wordt, metaalglans aanneemt. Onderscheid met F e r r u m p u 1 v e r a t u m. Eene donkere, zwarte kleur kan wijzen op een te groot gehalte aan ferroferri-oxyde.

2°. In verdund zivavelzuur lost het op, onder ontzvikkeling van een bijna reukloos gas. Slaat op verontreiniging met eene te groote hoeveelheid gebonden kool, waardoor een sterke reuk naar kwalijk riekende koolwaterstoffen zou ontstaan; tevens op verontreiniging met arseen-, zwavel- of phosphor ijzer, waardoor de reuk naar arseen-, zwavel- of phosphonvaterstof zou worden waargenomen. Deze verontreinigingen kunnen afkomstig zijn van het gebruik van onzuiver waterstofgas of van lichtgas, voor de reductie in plaats van waterstofgas gebezigd.

3°. waarbij niet meer dan i pet. onopgeloste stoj achterblijve.

\') Onderscheid met « Ferrum pulveratum ».

-ocr page 335-

319

Slaat op een gehalte aan in verdund zwavelzuur onoplosbare stoffen als kool, graph iet, zand, enz.; vooral echter op een te groot gehalte aan kool, wat het geval kan zijn, indien het preparaat niet op bovenstaande wijze bereid is, doch door gloeiing van ferro-oxalaat, hetzij met of zonder behulp van waterstof.

Fe C204 -f- 8H = Fe -f 2C 4IPO

ferro-oxalaat waterstof ijzer kool water

40. Deze oplossing mag door zwavelwaterstof niet troebel worden. *-Slaat op verontreiniging met fe r r i-verbinding, welke door zwavelwaterstof gereduceerd zou worden tot ferro-verbinding onder afscheiding van zwavel.

Ijzer nl., bereid door gloeiing van kaliumferrocyanide met ktdium-carbonaat, oxydeert zich gedeeltelijk tijdens de bewerking, waar-

K4Fe(CN)c KïC03 = 5 KCN KCNO -f- CO* -f Fe

kalium kalium kalium kalium kool ijzer

ferrocyanide carbonaat cyanide cyanaat dioxyde

door dit preparaat, verkregen als bijproduct bij de cyaankalium-bereiding, steeds sterk ferrioxyde-houdend is \').

5°. en moet, na met salpeterzuur gekookt, niet ainmonia in overmaat vermengd en gefiltreerd te zijn, een kleurlooze vloeistof opleveren. Het uit ijzer en verdund zwavelzuur gevormde ferro-sulfaat wordt door salpeterzuur geoxydeerd tot ferrisulfaat, dat door ammonia als ferrihydroxyde wordt neêrgeslagen. Is de vloeistof niet kleurloos doch blauw, dan wijst dit op verontreiniging met koper.

6°. die, na verdampt te zijn, een overschot achterlaat, dat bij zachte gloeiing geheel vervluchtigt. Het overschot bestaat uit gevormde ammoniumzouten, welke door gloeiing vervluchtigen. Slaat op verontreiniging met zink, dat als zinkhydraat in de overmaat ammonia opgelost blijft; tevens op andere niet-vluchtige, anorganische stoffen zooals alkaliën en aardalkaliën.

70. 100 niG. Gereduceerd Ijzer, met 25 mG. kaütimchloraat cn 5 cil/3. chloorwaterstof zuur in oplossing gebracht, moet, nadat het chloor door koking is verdreven en nadat e enige stukjes zink aan de oplossing zijn toegevoegd, een gas opleveren, dat zilver-nitraat (1=2) niet kleurt ï). Door het uit kaliumchloraat en chloor-

\') Sporen lood en koper kunnen bij deze reactie aangetoond worden door op de zwavelzure oplossing voorzichtig zwavelwaterstofwater te brengen, waardoor op de scheidingsvlakte een gekleurde ring zou ontstaan.

a) Zie verder over deze proef op blz. 28.

-ocr page 336-

320

waterstofzuur ontwikkelde chloor wordt het ijzer als ijzerchloride opgelost. Slaat op verontreiniging met arsenik- of antimoon-ijzer, die met de waterstof, uit het zink en chloorwaterstofzuur ontwikkeld, de resp. waterstofverbindingen zouden geven, welke zilvernitraat kleuren.

8°. Gereduceerd Ijzer bevatte ten minste 86 pet. metallisch Ijzer, hetgeen bepaald wordt door i oo niG. met 20cAP. verdund chloorwaterstofzuur en 50 niG. kaliunichloraat te verwarmen, totdat al het chloor is verdreven; de oplossing Diet 75 cJ\\P. water te vermengen en tot 50° te verwarmen; 8 cMs. kaliumjodideoplossing (1 = 10) eraan\' toe te voegen en de vloeistof te ontkleuren met volumetrisch thio-sulfaat, waartoe niet minder dan 17.2 ol/3. vereischt wordt.

I De berekening is aldus; wanneer A het gevonden totaal-ijzer-gehalte is (voor 17.2 cAP. volumetrisch thiosulfaat is dit 96.32pet.)

dan is het gehalte aan metallisch Ijzer 29 A~2IO°].

Stel 100 dln. Gereduceerd Ijzer bestaan uit x dln, metallisch ijzer en y dln. ferroferri-oxyde. Deze/dln. ferroferri-oxyde (Fe304

= 232) bevatten y ijzer (Fe3 — 168). Het totaal-ijzergehalte A is dus .i--)- ij-j r; y is dus quot;j2 Daar .r y = 100 is,

is ook ,v -|- = 100, waaruit volgt, dat x, d. i. het ge

halte aan metallisch ijzer, is ; ^Is dit, zooals de Pharma-

copee voorschrijft, minstens 86 pet., dan is 86 = 29 - ^2quot;10 en dus A = 96.14 pet.

112 Grm. Ijzer correspondeert met 496 Grm. thiosulfaat \'). 100 mG. Gereduceerd Ijzer van 96.32 pet. bevat 0.09632 Grm. totaal-gehalte ijzer, dat dus correspondeert met X 0.09632 =

0.426 Grm. thiosulfaat. Volumetrisch Thiosulfaat bevat 24.8 Grm. thiosulfaat op 1000 cM3. i)] 0.426 Grm. is dus vervat in 17.2CM3. 3).

\') Zie bij « Chloretum ferricum et chloretum ammouicum ».

•) Zie Lijst van Volumetrische Vloeistoffen.

:l) Bij de voorgeschreven quantitatieve bepaling diene men er op te letten, dat vóór de toevoeging der kaliumjodideoplossing, het chloor volkomen is verdreven, daar dit, evenals het ferrichloride, jodium vrij zou maken.

Tevens vervluchtigt door de aangewende verwarming te veel chloorwaterstofzuur. dat voor de latere afscheiding van het jodium noodzakelijk is; men voege dus na de verwijdering van het chloor weder eenige cM3. chloorwaterstofzuur toe.

Overigens duurt door de voorgeschreven geringe hoeveelheid toe te voegen kalium-

-ocr page 337-

321

FLO RES AR NI CAE.

ARNICABLOEMEN.

De bloemkorfjes van Arnica mo n tan a L.

Omwindsel tweerijig, uit 20 tot 24 lijn-lancetvormige, behaarde schubjes gevormd,. Bloembodem hoog-gewelfd, klein-groevig, met korte franje aan de randen der groefjes, tot 6 millimeter breed. Straalbloempjes ongeveer 20, lintvormig, aan den top drietandig, tiennervig, vrouwelijk; schijf-bloempjes buisvormig, veel korter, vijftandig, tweeslachtig; allegeel-oranje. Vruchten, dikwerf onder de handelswaar gemengd, borstelig, vijfhoekig, tot 6 millimeter lang, geelgrijs of zwartachtig, met een vruchtpluis gekroond, dat uit stijve, ruwe, broze borstels bestaat. Reuk zwak aromatisch; smaak daarentegen bitterachtig.

Ten gebruike moeten de Arnicabloemen van hare omwindsels, bloembodems en vruchten bevrijd worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 0.04 pet. vluchtige olie, naar kamille riekend, geel, bij gewone temperatuur vloeibaar, bij lager temperatuur boterachtig, van 0.906 soort, gew., in spiritus weinig oplosbaar.

jodide de geheele afscheiding van hel jodium te laug, terwijl de bevordering daarvan door verwarming tot 50° aanleiding kan geven tot vervluchtiging. Beter kan de volkomen afscheiding van het jodium verkregen worden, door in een goed gesloten stop-llesch onder omschudden de zure ferrichloride-oplossing gedurende een uur met 3 Grm. kaliumjodide te digereeren.

Andere methoden ter bepaling van het IJzergehalte in «Ferrum pulveratum» en «Ferrum reductum» zijn:

1 Grm. Ijzer wordt in ongeveer 25 cM3. verdund zwavelzuur als ferrosulfaat opgelost en 10 cM3. der tot 100 cM3. verdunde oplossing droppelsgewijze met zooveel kalium-permanganaat-oplossing tot ferri-zout geoxydeerd, tot de kleur blijvend licht rood is; waarna men door toevoeging van eenige droppels alcohol of een spoor suiker weder ontkleurt. Daarna wordt bij dit vocht in een goed gesloten flesch 3 Grm. kaliumjodide en eenige cM3. chloorwaterslofzuur gevoegd en de vloeistof gedurende een uur onder omschudden gedigereerd, waarna het afgescheiden jodium met volumetrisch thiosulfaat wordt getitreerd.

I Grm. Ijzer wordt met 5 Grm. kwikchloride en 50 cM3. water in een gesloten kolfje gedurende een uur onder herhaald omschudden in het waterbad gedigereerd, waarbij het metallisch ijzer in ferrochloride wordt omgezet. Na bekoeling tot 100 cM3. aangevuld, Fe 2 Hg Cl» = Fe Cl» -f 2 Hg Cl ijzer mercuri ferro mercuro chloride chloride chloride uordt 10 cM3. van het filtraat, met iocM3. verdund zwavelzuur vermengd, door kalium-permanganaat-oplossing geoxydeerd tot blijvende lichtroodkleuring, en, na ontkleuring door alcohol of suiker, met kaliumjodide behandeld en met thiosulfaat getitreerd als boven.

-ocr page 338-

322

2°. ruim i pet. ar nicine, eene amorphe, gele, scherpe bit-terstof, weinig oplosbaar in water, gemakkelijk in spiritus en aether.

Voorts hars, looizuur, vet, was, enz.

Afkomst. Arnicabloemen zijn afkomstig van Arnica mon-t a n a L., eene ook hier te lande groeiende plant, behoorende tot de familie der C o m p o s i t a e. Zij komen , behalve waar zij bij ons in \'t wild worden verzameld , vooral uit Duitschland tot ons, waar zij na inzameling snel op horden in de zon gedroogd worden (5 = 1) \').

In den handel komen twee soorten van Arnicabloemen voor, nl. 1°. de geheele korfjes, bestaande uit het omwindsel, den bloembodem en de bloemen, dikwerf gemengd met de vruchten; en 2°. de bloemen alleen. De Ph. schrijft het gebruik der eerste soort voor, doch tevens dat, alhoewel juist de omwindsels en de bloembodem veel bitterstof bevatten, de Arnicabloemen ten gebruike van hare omwindsels, bloembodems en vruchten bevrijd moeten worden, waarschijnlijk wijl tusschen de twee eersten dikwijls de eitjes en larven van eene wellicht voor de gezondheid schadelijke vlieg, de Trypeta arnicivora La tv, voorkomen en de laatste, omdat: zij onwerkzaam zijn.

Zij moeten in goed gesloten vaatwerk buiten het licht bewaard worden.

Onderzoek.

Arnicabloemen worden soms vermengd met de bloemen van andere Compositae, die zich echter, behalve door het gemis van den geur, vooral daarvan onderscheiden door kleur, aantal tanden en nerven der straalbloempjes en vruchtpluis, bijv.;

1°. van An the mis tinctoria L. Bloempjes goudgeel. Geen vruchtpluis.

20. van Calendula officinalis L. Straalbloemen viernervig. Geen vruchtpluis.

30. van Doronicum Pardalianches L. Straalbloemen vier-of vijfnervig. Geen vruchtpluis.

40. van Inula britannica L. Straalbloemen viernervig.

50. van Hypochoeris, Scorzonera, Tragopogon en andere Cichoriaceae. Bloemen allen lintvormig en vijftandig. Gevederd vrucht p luis.

1) Gewichtsverhouding tusschen cle versche en de gedroogde plantendeelen.

-ocr page 339-

323

FLO RES CHAMOMILLAE ROM AN A E.

ROOMSCHE KAMILLE N.

De bloemkorfjes van An the mis n obi lis L.

Omwindsel met dakpansgewijs elkander bedekkende schubjes, half bolrond. Bloembodem gewelfd, bijna kegelvormig, inwendig met een los celweefsel gevuld, met stompe strooschubben bezet, die naar voren zaag-vormig gescheurd zijn. Straalbloempjes (door kweeking) zeer in aantal toegenomen, lintvormig, wit; schijfbloempjes in aantal zeer afgenomen, buisvormig, geel. Reuk eigenaardig aromatisch, sterk; smaak aromatisch, zeer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 0.7—^ pet. vluchtige olie, een mengsel van samengestelde aethers, vooral van butyl- en amylalcohol met angelica- en valeri-aanzuur, aanvankelijk licht blauwgroen, doch langzamerhand verkleurende tot geelbruin, dunvloeibaar, van ongeveer 0.860 soort. gew.

2°. kamillezuur, acidum anthemicuni, naaldvormig-kristallijn.

30. eene bitterstof, waarschijnlijk een glucoside, amorph, bruin.

Voorts looizuur, hars, vet, suiker, enz.

Afkomst. Roomsche Kamille is afkomstig van Anthemis nobilis L., behoorende tot de Compositae, oorspronkelijk in \'t wild groeiende in Zuid-Europa, thans ook voor geneeskrachtig doel gekweekt wordende in verschillende Midden-Europeesche landen. Vroeger ook bij ons te lande gekweekt, geschiedt dit tegenwoordig vooral in Engeland, Frankrijk, Duitschland en België, waar de bloemkorfjes in den bloeitijd met tie hand worden geplukt en door vuur of zonnewarmte gedroogd (4 = 1).

Door de kweeking ondergaan de bloemkorfjes der plant eene groote verandering in dien zin , dat de oorspronkelijk weinige straalbloempjes langzamerhand in aantal toe-, daarentegen de talrijke schijf bloempjes in aantal afnemen, ja, dikwerf zoo goed als geheel verdwijnen, zoodat de bloemkorfjes alsdan bestaan uit witte straalbloempjes. De laatste soort noemt men gewoonlijk dubbele kamillen, in onderscheid met de eerste, die enkele kamillen wordt geheeten. Waarschijnlijk worden door onze Ph. de enkele kamillen bedoeld, ook omdat deze door de oliehoudende kliertjes op de buizen der schijfbloemen geuriger en werkzamer zijn.

Zij moeten in goed gesloten vaatwerk tegen vocht bewaard worden.

-ocr page 340-

324

Onderzoek.

De bloemkorfjes van Anthem is nobilis L. mogen niet verwisseld worden met die van:

1°. Anthem is Cot u la L. Bloembodem met borstelvormige strooschubben. Reuk onaangenaam; smaak scherp.

2°. An them is arvensis L. Bloembodem met lijn-lancet-vormige y gepunte strooschubben. Reuk weinig.

3°. Achillea Ptannica L. Bloemkorfjes kleiner. Reuk afwezig; smaak scherp.

4°. Chrysanthemum Parthenium P. Bloembodem bijna vlak met lancetvornüge, spitse strooschubben. Reuk onaangenaam.

FLO RES CHAMOMILLAE VULGARIS.

G E W O N E KA M I L L E N.

De bloemkorfjes van Matricaria Chamomilla L.

Onbehaard. Schubjes van het omwindsel met een vliezigen rand. Bloem bodem uitgerekt-kegelvonnig, 4 tot 5 millimeter hoog, nabij den voet 1.5 millimeter breed, naakt, hol. Straalbloempjes 12 tot 18, lintvormig, wit; schijfbloempjes talrijker, buisvormig, geel. Reuk eigenaardig aromatisch, sterk; smaak aromatisch-bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ]-—£ pet. vluchtige olie, lijvig, sterk riekend, donkerblauw van kleur, door oxydatie aan \'t licht onder verharsing eerst groen, later bruin wordend, bitterachtig van smaak, van 0.92— 0,94 soort, gew., oplosbaar in 7—10 dln. alcohol.

Voorts bitterstof, hars, gom, sporen looizuur en asch, waarin vooral kaliumzouten.

Afkomst. De „gewone of kleine Kamillequot; is afkomstig van Matricaria Chamomilla L., eene Composita, die door geheel Europa en ook bij ons in \'t wild, vooral op graanakkers, voorkomt. De geheel ontwikkelde bloemkorfjes worden in den bloeitijd bij helder, droog weder geplukt en verder op zolders door zonnewarmte terstond en volkomen gedroogd (5 = 1), zoodat de bloemkorfjes niet uit elkander vallen en miskleurig worden. Dikwerf wordt met de bloemkorfjes ook een korter of langer stuk

-ocr page 341-

325

van den bloemsteel afgeplukt, dat echter daarvan verwijderd moet worden. Zij worden ook bij ons in \'t wild verzameld of komen uit Duitschland, doch vooral uit België tot ons.

Zij moeten eveneens in goed gesloten vaatwerk en tegen vocht bewaard worden.

Onderzoek.

De bloemkorfjes van Matricaria Chamomilla L. kunnen verwisseld worden met die van:

1°. Anthemis arvensis L. Bloembodem iets grooter, min of meer kegelvormig, met lijn-lancetvormige, gepunte strooschubben, niet hol. Reuk weinig.

2°. Anthemis Cotula L. Bloembodem iets grooter, aan den top met barsteIvormige strooschubben, niet hol. Reuk onaangenaam ; smaak scherp.

3°. Chrysanthemum inodorum L. Bloemkorfjes bijna tweemaal grooter. Bloembodem half holrond, naakt en niet hol. Reuk afwezig.

4°. Chrysanthemum Leucanthemum L. Bloemkorfjes tzvee-tot driemaal grooter. Bloembodem bijna vlak, naakt en niet hol. Reuk afwezig.

FLO RES CINAE.

CINA BLOEMEN.

SEMEN CINAE. SEMEN S A N T O N I C I.

WORMKRUID.

De nog ongeopende bloemkorfjes van Artemisia Cina Berg.

Klein, 2 tot 4 millimeter lang, 1.5 millimeter breed, bijna prisma-vormig, van boven nauw gesloten. Omwindselschubjes 12 tot 18, dakpansgewijs over elkander liggend, onbehaard; de laagste stomp-eirond, de hoogere smaller en langer; alle gekield, met een vliezigen rand, zaeht-glanzig-groen, later geel- of bruinachtig. De 3 tot 5 bloempjes, die elk korfje bevatten kan, zijn gewoonlijk niet of nauwelijks waar te nemen. Reuk zeer bijzonder, aromatisch; smaak walgelijk-aromatisch, bitterachtig.

Bladen, stengels of bloemstelen, mogen niet onder Cinabloemen gemengd zijn.

-ocr page 342-

326

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

i0. ongeveer 2 pet. s a n t o n i n e.

2°. 2—3 pet, vluchtige olie, lichtgeel, duuvloeibaar, onaangenaam van reuk en brandend van smaak, van 0.925—0.945 soort. gew.

Voorts hars, vet, suiker, slij m, asch, enz.

Afkomst. Wormkruid zijn de nog ongeopende bloemkorfjes van Artemisia Cina Berg, eene Com posi ta, die inheemsch is in de Kirgiezen-Steppen van Azië, eene moerasachtige streek om en nabij de Kaspische Zee gelegen. Zij worden van de toppen der takken afgestroopt, vóór dat zij zich openen, wijl de omwindselschubjes alsdan het talrijkst bezet zijn met kliertjes, waarin het werkzaam beginsel, de santonine, zich vormt. Gedroogd, werden zij vroeger door de Kirgiezen naar Orenburg, verder naar Nishni-Novgorod gebracht en kwamen zij van daar over Moskou en Petersburg in den handel. Tegenwoordig worden zij voor \'tgrootste gedeelte naar Tschimkent vervoerd en aldaar tot santonine-bereiding gebruikt. Het overige komt als Lcvautsch Wormkruid in den handel, gewoonlijk zeer zuiver en niet of nagenoeg niet met fragmenten van stengels of bladen of bloemstelen verontreinigd, die er, zoo noodig, uit verwijderd moeten worden.

Zij moeten in goed gesloten vaatwerk tegen het licht bewaard worden.

Onderzoek.

Behalve het Levantsch (Aleppisch, Alexandrij nsch, Perzisch) Wormkruid onderscheidt men nog: Russisch (Mos-kovisch), Indisch en Barbarysch (Afrikaansch) Wormkruid. Behalve door den minder en geur wegens geringer rijkdom aan olieklieren en door meerdere verontreiniging met plantaardige fragmenten als anderszins onderscheiden zich deze mindere soorten van de eerstgenoemde vooral door het behaard zijn der bloemkorfjes, zoodat deze in een witte wol of een wit vilt gedoken liggen.

-ocr page 343-

327

FLORE S KOSO.

FLO RES KOUSSO.

KOES SO.

De vrouwelijke pluimen of de vrouwelijke bloemen van Ha gen ia abyssinica Will cl., tegen het einde van den bloei verzameld.

Bloemen kortgesteeld, aan haar voet met 2 schutblaadjes voorzien, welke cirkelrondachtig, netvormig-geaderd en purperrood zijn. Buitenste kelkbladen langwerpig-omgekeerd-eirond, netvormig-geaderd, aan hun voet borstelig, tot 1 centimeter lang, donker purperrood; binnenste ternauwernood 3 millimeter lang, naar elkander toegebogen. Reuk zwak; smaak eerst weinig merkbaar, later onaangenaam bitter.

Ten gebmike moeten de pluimen van de dikkere bloemstelen gezuiverd worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. k os ine, ongeveer 3 pet., kleine, naaldvormige, gele, reuken smaaklooze, neutrale kristallen, bijna onoplosbaar in water, zeer moeilijk in spiritus, gemakkelijk in aether. De zwavelzure oplossing wordt bij zachte verwarming fraai purperrood gekleurd onder ontwikkeling van den reuk naar iso-boterzuur.

20. voorts tot 24 pet. looizuur, 6—10 pet. eener bittere, sterk riekende hars, vluchtige olie, suiker, gom, was, enz.

Afkomst. Koesso is afkomstig van Ha gen ia abyssinica W i 11 d. (B r a y e r a a n t h e 1 m i n t h i c a K u n t h), een fraaien, hoogen boom uit de familie der Rosaceae, meer eigenlijk tot de daartoe behoorende onderfamilie der Sanguisorbeae behoo-rende, die groeit in de bergstreken van Abessynië.

De bloemen, in pluimen gerangschikt, zijn van tweeërlei aard. Zij zijn nl. oneigenlijk éénslachtig, d. w. z. bij sommige zijn de meeldraden, bij andere daarentegen de stampers der bloem niet tot ontwikkeling gekomen. Men onderscheidt diensvolgens aan éénen boom pluimen met vrouwelijke en pluimen met mannelijke bloemen. Daar de vrouwelijke bloemen als veel werkzamer gelden dan de mannelijke, worden alleen de eerste verzameld.

Men herkent ze daaraan: 10. dat van de kelkbladen, welke in twee rijen zijn gezeten, die der buitenste rij veel, 3—4 malen grooter zijn dan van de binnenste, terwijl juist bij de mannelijke

-ocr page 344-

328

bloemen de kelkbladen der binnenste rij grooter zijn dan van de buitenste; 2°. dat de vrouwelijke bloemen zich grooter voordoen dan de mannelijke; 30. dat de oorspronkelijk groenachtig gekleurde schutblaadjes en kelkbladen van de vrouwelijke bloem langzamerhand purperrood worden gekleurd, wat bij de mannelijke niet het geval is.

De vrouwelijke pluimen, soms ook alleen de bloemen, worden tegen het einde van den bloei, als de bloemen purperrood zijn (roode K), verzameld, in de zon gedroogd, tot bundels ineengerold, die met een bies omwikkeld en vooral naar Engeland verzonden worden, van waar zij tot ons komen. Ten gebruike moeten de pluimen van de dikkere bloemstelen gezuiverd worden. Overigens worden zij in gesloten vaatwerk tegen het licht bewaard.

Onderzoek.

10. Bloemen, aan haar voet met 2 schutblaadjes voorden, welke purperrood zijn. Buitenste kelkbladen tot 1 centimeter lang, donker purperrood; binnenste ternauzoernood 3 millimeter lang. Kenmerken der rijpe, vrouwelijke bloemen. Te vroeg ingezamelde vrouwelijke, noch mannelijke bloemen {bruine K) mogen gebruikt worden.

FLO RES SAMBUCI. VLIERBLOEMEN.

De bloemen van Sambucus nigra L., bij droog weder verzameld, spoedig gedroogd en door middel eener zeef van zetmeel bevrijd.

Kelk klein, vijf- of viertandig. Bloemkroon radvormig, vijf- of vier-lobbig, met ovale, stompe lobben, door het drogen zeer ineengeschrompeld, geelachtig wit. Meeldraden 5 of 4, met gele helmknoppen. Vruchtbeginsel halfonderstandig; stempels 3 of 2, zonder stijlen. Reuk eigenaardig aromatisch; smaak een weinig slijmerig-zoetachtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

10. 0.025—0-0S Pct- eener gele, gedeeltelijk kristalliseerbare, naar de bloemen riekende vluchtige olie, aromatisch van smaak.

Voorts looizuur, hars, slijm. enz.

Afkomst. De Sambucus nigra L. (Gewone Vlier), een

-ocr page 345-

329

heester of lage boom, behoorende tot de familie der C a p r i f o 1 i a-ceae, komt bijna door geheel Europa in \'t wild voor en wordt ook bij ons te lande hetzij als sierplant, hetzij voor pharmaceutisch gebruik gekweekt. De oorspronkelijk meer witte, later door het stuifmeel geelachtig gekleurde, talrijke, kleine bloemen, tot schermen vereenigd, worden, zoodra zij geheel geopend zijn, geplukt en zoo snel mogelijk bij gewone warmte gedroogd (i i ~ 2), waarbij de bloemkroon zich donkerder kleurt. Ten slotte worden zij door zifting van het aanhangende stuifmeel bevrijd.

Zij worden in goed gesloten vaatwerk tegen vocht bewaard.

Onderzoek.

i0. Dc bloemen van Sambucus nigra L. Uit de beschrijving der Ph. volgt, dat de geheele bloem, bestaande uit kelk, bloemkroon, meeldraden en stamper, verlangd wordt. Dikwerf vindt men in plaats hiervan alleen de bloemkroon, welke de vluchtige olie bevat en waarom het dus eigenlijk te doen is. Dit is het geval, behalve ook daar, waar zij na volkomen ontwikkeling reeds afgevallen is, wanneer de afgeplukte schermen, zooals meermalen geschiedt, eenigen tijd vóór de droging op hoopen worden gelegd, waardoor eene hoogere temperatuur en een soort broeiing ontstaat, zoodat de bloemkroon gemakkelijk door schudden en wrijven afvalt en dus met de daaropzittende meeldraden afzonderlijk wordt verkregen.

20. bij droog voeder verzameld, spoedig gedroogd. Bloemkroon geelachtig wit. De eisch tot inzameling bij droog weder berust daarop, dat vochtige bloemen bij droging donker van kleur, bruin of zwart, en dus onooglijk worden; tevens verkrijgen zij in dat geval, evenals wanneer zij niet spoedig gedroogd worden, een onaangenamer! reuk.

F L O R ES T I L I A E.

LINDEBLO E S E M.

De bloeiwijzen van Til ia platy phy Hos Scop. en Til ia ulrai-folia Scop.

Drie- tot dertienbloemige bijschermen, wier bloemspil ter halver hoogte

-ocr page 346-

33°

ontspringt uit de middelnerf van het groote, lancetvormige, netvormig-geaderde, geelgroene, papierdunne draagblad. Kelk vijfbladig, vroeg afvallend; bloemkroon vijfbladig, geelachtig; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel bolvormig. Reuk zeer zwak.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 0.04—0.05 pet. cener dunvloeibare, kleurlooze, naar lindebloesem riekende vluchtige olie.

Voorts hars, looizuur, slijm, enz.

Afkomst. Men onderscheidt twee soorten van linden, nl. de Tilia platyphyllos Scop. (Tilia grandifolia Ehrh.) en de Tilia u 1 m i f o li a Scop. (Tilia p a r v i f o 1 i a E h r h.), beide boomen, behoorende tot de familie der T i 1 i a c e a e. Behalve dat zij zich op \'t oog reeds van elkander onderscheiden door de grootte der bladen, die bij den eersten bovendien aan beide zijden groen en aan de ondervlakte behaard zijn, terwijl zij bij den laatsten aan de ondervlakte grijsgroen en onbehaard zijn, onderscheiden vooral de bijschermen van beide zich door het aantal bloemen, dat bij den eersten 2—5, bij den laatsten 5—11, soms ook wel tot 13 of 15 bedraagt. Alhoewel beide soorten hier te lande gekweekt worden, komt de eerste bij ons het menig--vuldigst voor. Van beide wordt in ons land de bloesem geplukt en wel, als de bloemen zich geopend hebben, waarna men ze bij zonnewarmte zacht droogt (4= 1). Bij grootere partijen ook wordt Lindebloesem uit Duitschland en Belgie aangevoerd, waar vooral de laatstgenoemde linde groeit, waarvan men den bloesem verzamelt, die als geuriger geldt dan die van den eerstgenoemden boom. Zooals uit de opgenoemde moederplanten en het opgegeven aantal bloemen der bijschermen blijkt, maakt de Ph. tusschen beide bloesems geen verschil en wordt het gebruik van beide toegestaan.

Zij worden in gesloten vaatwerk tegen vocht bewaard.

FOLIA ALTHAEA E.

ALTHAEA B L A D E N.

De bladen van Althaea officinalis L.

Gesteeld, nu eens eenigszins hartvormig-eirond, meer of minder diep

-ocr page 347-

33i

drie- tot vijflobbig, dan eens bijna eirond en ongelobd, alle tamelijk stevig, ongelijkmatig getand-gekarteld, beiderzijds grijsviltig, fluweelachtig op het gevoel, ten hoogste 8 centimeter breed. Reukloos; slijmerig van smaak.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: s 1 ij m.

Afkomst. De bladen zijn afkomstig van Althaea officinalis L., een kruid, behoorende tot de familie der Mal vaceae, dat door geheel Europa en ook bij ons in \'t wild, vooral op ziltige gronden voorkomt.

Zoowel do hartvormig-eironde, vijflobbige, onderste als de drie-lobbige, middelste en de bijna eironde, gave, bovenste bladen der plant mogen gebruikt worden. Zij worden enkel van gekweekte planten en wel vóór den bloeitijd verzameld, daarna gedroogd (8 = i) en tegen vocht bewaard.

FOLIA BELLADONNA E.

BELLAÜONNABLAD E N.

De bladen van Atropa Belladonna L., verzameld van het bloeiende, in ons vaderland gekweekte kruid.

Ten hoogste 2 decimeter lang en r decimeter breed, ovaal of eirond, meestal eenigszins gespitst, gaafrandig, naar de bladstelen, die meer dan de helft korter zijn dan de bladschijven, versmald, op de bovenvlakte donkergroen en onbehaard, op de ondervlakte bleeker en aldaar soms min of meer zachtharig en met verspreide klieren bezet. Dit laatste geldt vooral voor de jongere, doch voor de meer volwassene slechts langs de nerven. In gedroogden staat zijn zij zeer dun en bros. Reuk der versche gewreven bladen eenigszins verdoovend; smaak onaangenaam, eenigszins scherp- bitterachtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen de alkaloïden:

1°. atropine, C17Hï3N03, kleurlooze, reuklooze, doorschijnende, glinsterende, prismatische naalden, smeltende bij 115°, weinig oplosbaar in koud (600), beter in warm water, gemakkelijk in alcohol, chloroform en amylalcohol, minder in aether (50) en benzol (50), weinig in zwavelkoolstof en nauwelijks in petroleum-aether. Bij verwarming smelten de kristallen en geven bij verdere

-ocr page 348-

332

verhitting eigenaardig riekende, witte dampen af. In zwavelzuur lossen zij kleurloos op. Het alkaloïde werkt pupil verwijderend \').

2°. hyoscyamine, C17H23N03, isomeer, kleurlooze, reuk-looze, lichte, zijdeglanzende naalden, smeltende bij 108.5° beter oplosbaar in water dan atropine, overigens van ongeveer dezelfde oplosbaarheid in genoemde stoffen als dit, waarmede het ook de chemische en physiologische reaction deelt.

3°. hyoscine, C17H23N03, isomeer, uit aether moeilijk kris-talliseerende als kleurlooze kristallen, overigens gewoonlijk voorkomende als een taai-stroopachtig, weinig in water oplosbaar lichaam met dezelfde chemische en physiologische reactiën als bovenstaande alkaloïden.

4°. belladonine (?), C173N03, C17H2SN04 ofC^H^NO2, een harsachtig, alkaloïdachtig lichaam van nog niet met zekerheid vastgestelde samenstelling, ook wel door sommigen als een mengsel van atropine en oxyatropine, door anderen als een isomeer van apoatropine beschouwd.

Voorts komen er nog in voor: choline, asparagine, barn-steenzuur, appelzuur, de kenmerkende zuren: chrysatro-p a zuur en leukatropazuur, kalk- en alkali-z o u t e n, enz.

Afkomst. De bladen zijn afkomstig van Atropa Bella-donna L., een kruid, behoorende tot de familie der Solanaceae, dat in de bergwouden van Midden- en Zuid-Europa thuis behoort, ook een enkele maal hier te lande in \'t wild is gevonden en overigens voor pharmaceutisch gebruik, ook bij ons, wordt gekweekt.

Zij mogen alleen van het laatste en wel bij ons gekweekte kruid verzameld worden, ten einde meer waarborg te hebben voor gelijkheid in het gehalte aan werkzame bestanddeelen, dat o. a. ook door invloed van den bodem, waarop de plant groeit, kan varieeren. De inzameling heeft plaats van het bloeiende kruid, volgens sommigen beter in den overgangstijd tusschen bloem- en vruchtvorming, als wanneer de bladen het rijkst aan alkaloïden zijn. Zoowel de grootere, ovale als de kleinere, eironde, doch gave bladen mogen gebruikt worden. Zij moeten vrij snel en bij niet te hooge temperatuur, hoogstens 30°, gedroogd worden (13 = 2); door te langzame droging of te hooge tempera-

\') Zie verder over reacties op atropine bij «Sulfas Atropini».

-ocr page 349-

333

tuur, alsmede wanneer de bladen vochtig verzameld zijn, worden zij van boven min of meer bruinachtig en van onderen grijskleurig. De eenigszins verdoovende reuk der bladen bij wrijving gaat door droging zoo goed als geheel verloren. Zij mogen slechts ée\'n jaar oud zijn, moeten dus jaarlijks ververscht worden en in blikken bussen, tegen licht en vocht beschut, bewaard worden.

Onderzoek.

Bellaclonnabladen zouden verwisseld kunnen worden met die van :

1°. Solanum nigrum L. Bladen de helft kleiner, ges tee ld, min of meer boehtig-getand.

FOLIA BUCCO.

BUCCO BLADEN.

F O L I A D I O S M A E.

De bladen van B a r o s ra a eren u lata Hoc k,, B a r o s m a se r-r a t i f o 1 i a W i 11 d. en Baros m a b e t u 1 i n a B a r 11.

Zeer kort gesteeld, onbehaard, bijkans lederachtig of papierachtig, vooral langs de randen zeer duidelijk klierachtig-gestipt. Die der eerste soort elliptisch of langwerpig, fijngezaagd of fijngekarteld, i tot 3 centimeter lang, 4 tot 8 millimeter breed; der tweede lijn-lancetvormig, aan hun top afgeknot, scherp gezaagd, 2 tot 4 centimeter lang, 3 tot 7 millimeter breed; der derde omgekeerd-eirond, aan inin top toegevouwen en naar achter gekromd, fijngetand, 1 tot 2 centimeter lang, 1 tot 1.5 centimeter breed. Reuk eigenaardig, wijnruitachtig; smaak evenzoo en daarenboven scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

1°. 0.8—1.5 pet. eener lichtgele, min of meer naar pepermunt riekende vluchtige olie.

Voorts ongeveer 3 pet. slijm, enz.

Afkomst. De bladen worden aan de Kaapstreken gezameld van bovengenoemde Baros ma-soorten, behoorende tot de familie der Rutaceae. Het zijn heesters, welker aan elkander tegenovergestelde bladen van verschillende grootte, soms van iedere soort afzonderlijk, doch meestal onder elkander gemengd, in balen verzonden worden. De na droging grijs- tot geelgroene bladen zijn

-ocr page 350-

334

gewoonlijk verontreinigd met grootere of kleinere takjes der heesters , een enkele maal ook met vruchten en zaden, welke vóór \'t gebruik er uit verwijderd moeten worden.

Zij worden in goed gesloten vaatwerk bewaard.

Onderzoek.

Tot de moederplanten der Buccobladen werd vroeger, ook dooide vorige Ph., nog gerekend de Empleurum serrulatum Ait.

Hare verspreide bladen komen zeer zelden en dan onvermengd in den handel en bevatten veel minder en kleiner olieklicren dan de bladen van bovengenoemde stamplanten. Zij bezitten bovendien een anderen geur en een bitteraehtigen smaak en mogen dus niet gebruikt worden. Men herkent ze bovendien, doordien ze zijn: donkerder van kleur, papierachtig, iets glanzend, lijnvormig tot lijn-laneetvormig, fijn gespitst met geen olieklier in den top, recht-ge zaagd, soms bijna gaafrandig, 2 tot 6 centimeter lang en 2 tot 5 millimeter breed.

O.ide, licht gele of bruinachtige en reukelooze bladen mogen natuurlijk niet gebruikt worden.

FOLIA DIGITALIS.

ÜIGITALISBLADEN.

De bladen van Digitalis purpurea L., in liet tweede levensjaar verzameld van het in ons vaderland gekweekte bloeiende kruid.

Middelmatig of kort gesteeld, of ongesteeld, met inbegrip van den meer of minder duidelijk gevleugelden bladsteel tot 2 decimeter lang, tot 8 centimeter breed, langwerpig, eirond of dikwerf eirond-langwerpig, onregelmatig gekarteld, op de bovenvlakte oneffen, op de ondervlakte door een sterk vooruitspringend adernet en een zacht vilt gekenmerkt. De gedroogde bladen behooren op de bovenvlakte licht-, op de onder-vlakte grijsgroen te zijn. Smaak onaangenaam, bitter.

Ten gebruike moeten zij van de bladstelen ontdaan worden.

Het poeder zij helder groen, worde dikwerf vernieuwd en in kalkstop-flesschen bewaard.

De vloeistof, verkregen door 1 Grm. Digitalisbladen met 10 Grm. water te infundeeren en te filtreeren, geve met tannine een sterk neêrslag.

-ocr page 351-

335

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. digitaline, (CsH802)n, eene kleurlooze, kristallijne stof, moeilijk oplosbaar in koud, iets beter in warm water, gemakkelijk in spiritus, moeilijk in aether. De goudgele oplossing in overmaat zwavelzuur geeft met broomwater eene prachtig rozeroode kleur. Het is een glucoside, dat bij splitsing digitaliresine oplevert.

2°. digitaleïne, eene gele, amorphe stof, gemakkelijk oplosbaar in water en in spiritus. Het is een glucoside, dat bij splitsing eveneens digitaliresine oplevert.

3°. digitoxine, (C^H^O7) of (C21H3307) of (C31H3207), van genoemde drie bestanddeelen het meest werkzame beginsel dei-bladen, eene kleurlooze, paarlmoerglanzende, kristallijne stof, onoplosbaar in water, beter in spiritus, weinig in aether. Het is geen glucoside en levert bij splitsing toxiresine, eene harsachtige stof.

4°. digitonine, (C3,Hs2017) of (C^\'H^O17), eene witte, amorphe stof, gemakkelijk oplosbaar in water en spiritus, bijna onoplosbaar echter in absolute:! alcohol en aether. Het is een glucoside, dat bij splitsing digitoresine en digitoneïne oplevert. Het mist de Digitalis-werking der vorige bestanddeelen.

Voorts digitaliszuur, een wit, kristallijn zuur; antir-rhinezuur, eene kleurlooze, vluchtige, zure vloeistof; in os iet, gom-, slijm- en harsachtige stof, zouten, enz.

Afkomst. De bladen zijn afkomstig van Digitalis purpurea L., een kruid uit de familie der Scrophulariaceae, dat door het grootste gedeelte van Europa, vooral in boschachtige bergstreken, in \'t wild voorkomt. Ook bij ons wordt het hier en daar in \'t wild aangetroffen en veelal om de schoone bloemen als sierplant of voor geneeskrachtig doel gekweekt.

De bladen moeten in het tweede levensjaar van de plant verzameld worden, wijl het gehalte aan werkzame stoffen alsdan grooter is dan in het eerste. Bovendien bevatten de bladen in het eerste jaar veel pectinestoffen, waardoor het daaruit bereide aftreksel troebel is en spoedig bederft.

Men gebruikt uitsluitend de bladen van gekweekte planten, omdat, afgezien van een verschil in werkzaamheid tusschen deze en die van wilde exemplaren verzameld, wat niet met zekerheid is geconstateerd, de wilde plant niet veelvuldig genoeg bij ons voorkomt en het gehalte aan werkzame stoffen bij wilde planten zeker meer kan afwisselen dan bij gekweekte exemplaren, terwijl

-ocr page 352-

336

bovendien mogelijke verwisseling met andere planten is buitengesloten. De bladen van in \'t wild groeiende planten zijn daaraan te herkennen, dat zij aan beide zijden zacht en kort behaard zijn, terwijl die der gekweekte plant vooral aan de bovenzijde, soms ook aan beide zijden onbehaard of ten minste veel minder behaard zijn.

Zij worden in den bloeitijd verzameld, als de plant aan hare bloemen duidelijk te herkennen is, als wanneer zij tevens het rijkst aan werkzame bestanddeelen zijn. Men verzamelt alleen de hooger geplaatste, kort- of niet-gesteelde, gave en niet de onderste, groote en lang-gesteelde stengel- of de wortelstandige bladen, droogt ze bij eene zachte temperatuur (5 = 1) en bewaart ze verder buiten licht en vocht, zoodat zij niet verkleurd en aan de bovenvlakte licht- en aan de ondervlakte grijsgroen gekleurd zijn.

Zij moeten elk jaar ververscht en vóór \'t gebruik van de bladstelen ontdaan worden, daar deze slechts zeer weinig of geen e werkzame bestanddeelen bevatten. Wordt het poeder der bladen in voorraad gehouden, dan moet dit eveneens buiten het licht ea in kalkstopflesschen bewaard en dikwerf vernieuwd worden. Als kenmerk van deugdzaamheid geldt, dat in 10 Grm. der waterige infusie van 1 Grm. der bladen of van het poeder daarvan zich met tannine terstond een sterk neêrslag van werkzame bestanddeelen afscheidt.

Onderzoek.

De bladen mogen niet verwisseld worden met die van:

1°. andere Digitalis-soorten, zooals: D. ambigna Murr., iutea L., parvijlora Lam. Bladen smaller of gezaagd, of op de ondervlakte een minder sterk vooruitspringend of geen adernet, of veel minder viltig.

20. Verbascum-soorten, zooals: V. Lyehnitis, nigrum, phlomoides L., enz. Bladen dikker, naar beneden hartvormig of met stervormige haren. Smaak niet bitter.

3°. Symphytum officinale L. Bladen grooter, ellips- of l.incetvormig, gaafrandig, rinv behaard met korte, stijve haren, scherp op \'t gevoel. Smaak niet bitter.

40. Conyza squarroza L. (Inula Conyza D. C.) Bladen ellipsvormig, ternauwernood getand of gaaf, met een tusschen de mazen niet fijn doorloopend adernet, met lange, spitse haren. Smaak weinig of niet bitter.

-ocr page 353-

337

5°. Inula Heleniu m L. Bladen zonder herhaald verdeeld adernet, op de ondervlakte wit-viltig.

6°. Teucrium Scorodonia L. Bladen hartvormig, niet viltig. Bladsteel ongevleugeld.

FOLIA EUCALYPTI.

EUCALYPTUSBLADEN.

De bladen van Eucalyptus Globulus Lab.

Smal-lancetvormig, dikwijls min of meer sikkelvormig, gespitst, gaaf, 15 tot 20 centimeter lang, tot 3 centimeter breed, aan hun voet afgerond-stomp of kort samengetrokken in den 2 tot 3 centimeter langen, meestal gedraaiden bladsteel, vrij dik, stijf, in gedroogden staat broos, dof-grijsgroen, aan weerszijden kleinwrattig, doorschijnend-gestipt. Reuk, vooral indien zij gekneusd worden, aromatisch; smaak aromatisch bitterachtig, eerst verwarmend, later verkoelend.

De bladen van jeugdige boomen, die dunner, eirond, aan hun voet hartvormig, ongesteeld zijn en een sterk uitpuilende middelnerf hebben, mogen niet gebruikt worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel:

3 pet. eener bijna kleurlooze, dunvloeibare, aan de lucht bruin wordende en deels verharsende, sterk aromatisch riekende v 1 u c h-tige olie. Zij heeft een soort. gew. van 0,922, lost in spiritus in alle verhoudingen op en bestaat hoofdzakelijk uit een kamferachtig stearopt, eucalyptol, benevens de vloeibare, isomere koolwaterstoffen eucalypteen en euealyptoleen.

Voorts komen nog in de bladen voor: harsen, looizuur, enz.

Afkomst. De bladen van Eucalyptus Globulus Lab., een boom uit de familie der Myrtaceae, inheemsch in Australië, tegenwoordig ook gekweekt wordende in de zuidelijke streken van Europa en bekend wegens de ozoniseerende en daardoor luchtzuiverende eigenschappen van de olie der bladen en de vocht opslurpende en daardoor moeras-drogende werking der wortels. De bladen worden in den zomer van de gekweekte boomen gezameld en gedroogd. Zij moeten in goed gesloten bussen worden bewaard.

Men gebruike de bladen van oudere boomen, die smal-lancet-

-ocr page 354-

338

vormig, meestal eenigszins sikkelvormig zijn. Die der jongere, welke meer eirond, 10 tot 15 centimeter lang en 4 tot 8 centimeter breed, dus korter en breeder en aan hun voet hartvormig, overigens ongesteeld zijn en een sterk uitpuilende middennerf hebben, mogen niet gebruikt worden wegens hun geringer gehalte aan vluchtige olie.

FOLIA HYOSCYAMI.

HYOSCYAMUS BLADEN.

De bladen van H y o s c y a m u s n i g e r L., van het bloeiende, in ons vaderland gekweekte kruid verzameld.

Langwerpig of eirond-langvverpig, spits, bochtig-grof-getand of min of meer in slippen verdeeld, dun, bleekgroen, klierdragend-vlokkig, in ver-schen staat slap, kleverig, 1 tot 2 decimeter lang, tot 1 decimeter breed; de laagste lang gesteeld, de hoogere ongesteeld, de allerhoogste half-stengelomvattend. Reuk verdoovend, smaak eenigszins scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

t0. de alkaloïden hyoscyamine en hyoscine \'), waarschijnlijk gebonden aan appelzuur.

Voorts zouten, waaronder veel kaliumnitraat, enz.

Afkomst. De bladen van Hyoscyamus niger L.\', een kruid, behoorende tot de familie der Solanaceae, dat door geheel Europa en ook bij ons in \'t wild voorkomt en voor pharmaceutisch gebruik wordt gekweekt. Zij moeten, evenals Folia Belladonnae en F. Digitalis van gekweekte planten en wel in den bloeitijd verzameld worden

Zoowel de lagere, lang gesteelde, als de hoogere, ongesteelde en de allerhoogste, halfstengelomvattende bladen mogen gebruikt worden; echter niet die der laagste, welke door kweeking langer dan 2 en breeder dan 1 decimeter geworden zijn. De gave bladen worden bij zachte warmte gedroogd (7 = 1), waardoor zij hunne kleverigheid benevens hunne kleur, die in een bleekgroene, en een

») Zie bij «Folia Belladonnae», blz. 332.

-ocr page 355-

339

groot gedeelte van hunnen verdoovenden reuk, die in een tabak-achtigen overgaat, verliezen. Zij moeten buiten licht en vocht in blikken bussen bewaard en elk jaar ververscht worden.

FOLIA JUGLANDIS.

NOTEBLADEN.

De bladen van Jug lans regia L., in de maand Juni verzameld.

Oneven-toenemend-gevind; de blaadjes ten getale van 3 tot 9, gewoonlijk 7. Deze zijn ten hoogste 10 centimeter lang en 5 breed, langwerpig of ovaal-langwerpig, aan hun voet niet symmetrisch, gaafrandig of een weinig gezaagd, spits, op de ondervlakte inde oksels der nerven gebaard, aan weerszijden klierdragend; de zijdelingsche uiterst kort, de eindeling-sche langer gesteeld; beiden met evenwijdige aderen. Reuk bij het wrijven aromatisch; smaak bitter, samentrekkend; beide bij gedroogde bladen zwakker dan bij versche.

Zij moeten groen, niet zwartachtig zijn.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

1°. juglon (juglandine?), C10H5(OH)Ol, oranjegele, naald-vormige kristallen, nauwelijks oplosbaar in water, moeilijk in spiritus, gemakkelijk in aether en chloroform, door oxydatie aan de lucht ontstaan uit:

a-hydrojuglon, C10H5(OH)3, een trioxynaphtaline, kleurlooze blaadjes of naalden, moeilijk oplosbaar in water, gemakkelijk in spiritus en aether, vergezeld van:

fi-hydrojuglon, een isomeer, niet oxydetrbaar, moeilijk oplosbaar in water en spiritus.

Voorts looizuur, een weinig vluchtige olie, nuciet (i no si et), enz.

Afkomst, üe bladen van Ju glans regia L., een boom uit de familie der J uglandeae, oorspronkelijk thuis behoorende in Azië, tegenwoordig overal in Midden- en Zuid-Europa, ook bij ons, gekweekt om de bladen, de vruchten en het hout.

De bladen moeten in de maand Juni worden verzameld, als zij

-ocr page 356-

34°

nog niet geheel volwassen en niet langer dan tien en breeder dan 5 centimeter zijn. Zij zijn alsdan geuriger van reuk en bitterder van smaak dan wanneer zij ouder en grooter zijn. Zij moeten zoo spoedig mogelijk door zonnewarmte gedroogd worden (3 = 1 ), zoodat zij groen blijven en niet bruin of zwart worden, een gevolg van de gemakkelijke oxydeerbaarheid der bestanddeelen aan de lucht.

De Ph. staat het gebruik van gedroogde zoowel als van versche bladen toe, alhoewel reuk en smaak der eersten zwakker zijn dan van de laatsten en deze dus boven gene te verkiezen zijn. Gedroogd moeten zij buiten het licht en vocht in blikken bussen bewaard worden, wijl zij aan de lucht hunnen aromatieken geur langzamerhand verliezen en het gehalte aan looizuur vermindert.

FOLIA LAUROCERASI RECENTIA.

VERSCHE LAURIERKERSBLADEN.

De versche bladen van Prunus Lauro-Cerasus L., volwassen en in den herfst verzameld.

Lederachtig, kort gesteeld, tot 2 decimeter lang, tot 5 centimeter breed, langwerpig of eirond-langwerpig, spits, onbehaard, met eenigszins naar achter gekromden, oppervlakkig- en wijdgezaagden rand, op de bovenvlakte donkergroen, glanzig, op de ondervlakte bleeker en terzijde van den voet der middelnerf met r tot 4 kliertjes voorzien. Gekneusd, verspreiden zij den reuk van laurierkersolie. Smaak bitter, wrang, eenigszins aromatisch.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel:

Lau roce rasi ne, C40HG7N03 0, eene amorphe, geelachtige, bittere, reuklooze stof, gemakkelijk oplosbaar in water, tevens oplosbaar in spiritus, niet in aether \').

Voorts komen nog in de bladen voor: looizuur, suiker, enz.

Afkomst. De bladen van Prunus Lauro-Cerasus L., een

\') Zie verder bij « Aqua Laurocerasi», blz. 85.

-ocr page 357-

341

altijd groenen heester, behoorende tot de familie der Rosaceae, oorspronkelijk thuis behoorende in den Kaukasus, Klein-Azië en Perzië, doch in Midden- en Zuid-Europa veelvuldig als sierplant gekweekt. Alhoewel nog niet volkomen is uitgemaakt, in welken tijd van den zomer of \'t najaar de bladen het rijkst aan laurocerasine zijn en dus bij destillatie het meeste cyaanwaterstofzuur leveren, is het bij ons gewoonte ze in den herfst, September of October, als zij volwassen zijn, voor het gebruik te verzamelen. Zij moeten in verschen staat gebruikt worden. Gedroogd toch ontwikkelt zich bij kneuzing niet de reuk van laurierkersolie en schijnt dus de vorming van cyaanwaterstofzuur zeer moeilijk te zijn.

Onderzoek.

De bladen mogen niet verwisseld worden met die van:

Prunus Pad us L., lusitanica L., serotina Wil ld. en Virginian a Michj Zij bezitten gecne kliertjes ter zijde van den voet der middennerf.

FOLIA MENTHAE PIPERIT AE.

PEPERMUNTBLADEN.

De bladen van Mentha piperita L., gedurende den bloei verzameld.

Vrij lang gesteeld, langwerpig of langwerpig-eirond, spits, tot 7 centimeter lang, klierdragend, meestal onbehaard, met een vrij krachtige middelnerf. Reuk aromatisch; smaak aromatisch, later verkoelend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel;

1°. ongeveer 1 pet. vluchtige olie \').

Voorts eenig looizuur, enz.

Afkomst. De bladen van Mentha piperita L., een kruid uit de familie der Labiatae, dat alleen in Engeland in \'t wild schijnt voor te komen en overigens ook daar, evenals in andere landen, zooals Duitschland, Frankrijk, Amerika, enz., hoofdzakelijk ter winning van de vluchtige olie, veelvuldig wordt gekweekt. Ook

\') Zie bij «Oleum Menthae piperitae».

-ocr page 358-

342

bij ons wordt de plant gekweekt, echter alleen om de bladen. Deze worden gedurende den bloei verzameld, wijl zij dan het rijkst aan olie zijn, en daarna zoo spoedig mogelijk bij zachte warmte gedroogd {5 = i). Eene te langzame droging heeft een schadelijken invloed op de hoedanigheid van de olie, terwijl matige kunstwarmte daaraan geene schade schijnt te doen. Zij worden in goed gesloten, blikken bussen bewaard.

Onderzoek.

De bladen van Mentha piperita L. mogen niet verwisseld worden met die van andere M e n t h a-soorten , zooals:

1°. Mentha aquatica L. Bladen bijna niet of kort-gzstee\\A, afgerond-ovaal, aan weerszijden kort-stijfharig.

2°. Mentha aquatica L. var. crispa (Kruizemunt). Bladen bijna ongesteeld, hartvormig of eirond, gezaagd, gekroesd, ongeveer 3 centimeter lang, onbehaard of zacht harig, aan weerszijden bultig en rimpelig.

3°. Mentha syl vest ris L, Bladen bijna ongesteeld, ei- tot lancetvormig, vooral aan de ondervlakte wit viltig behaard.

4°. Mentha arvensis L. Bladen kort-gesteeld, eirond of langwerpig-eirond, aan weerszijden min of meer behaard

5 0. Mentha v i r i d i s L. Bladen ongesteeld, smal, lancetvormig.

6°. Mentha gentilis L. Bladen ongesteeld, meer eivormig, fijn-behaard.

70. Mentha rotundi folia L. Bladen bijna cirkelrond, wol-lig-be haard.

Behalve door den vrij lang gesteelden toestand onderscheiden zich de bladen van Mentha p i p e r i t a L, van die der genoemde soorten vooral door hunnen eigenaardigen, aangenamen geur.

FOLIA SAL VIAE.

SALIEBLADEN.

De bladen van Salvia officinalis L.

Langwerpig of eirond, gesteeld, tot 6 centimeter lang, tot 2 centimeter breed, vrij dik, dicht-fijnkartelig, op de bovenvlakte oneffen, opdegrijs-viltige ondervlakte met een rijk vertakt en sterk uitpuilend adernet, dat kleine groefjes ingesloten houdt.

-ocr page 359-

343

Gekneusd, verspreiden zij een aromatischen reuk; smaak aromatisch, bitterachtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 1.5 pet. vluchtige olie, groengeel, oplosbaar in spiritus, van 0.893—0.920 soort. gew.

Voorts looizuur, zetmeel, gom, hars, zouten, enz.

Afkomst. De bladen van Salvia officinalis L., een half-heester, behoorende tot de Labiatae, die oorspronkelijk inheemsch is aan de kusten der Middellandsche Zee, door geheel Europa voor geneeskrachtig doel en als sierplant wordt gekweekt en daardoor hier en daar verwilderd voorkomt. Was vroeger het geheele kruid officinaal, thans gebruikt men enkel de bladen, waarin de verlangde vluchtige olie. Door kweeking zijn de oorspronkelijk kleinere bladen der wilde plant grooter geworden , zoodat mea zelfs onderscheid kan maken tusschen de bladen van S. minor of angtistifolia en S. major of latifolici. De bij ons gebruikelijke Saliebladen worden van gekweekte en dus van de laatste soort verkregen en kunnen soms tot 10 centimeter lang en 3.5 centimeter breed worden. Men dient dus bij de inzameling op de aangegeven lengte en breedte, 6 en 2 centimeter hoogstens, te letten; grootere bladen mogen niet gebruikt worden. De bladen worden daarom geplukt als zij nog niet geheel volwassen zijn, d. i. vóór of tijdens het begin van den bloei. Zij worden bij zachte warmte gedroogd (9 = 2). Overigens moeten zij van mogelijke dunnere of dikke takdeelen gezuiverd en in goed gesloten blikken bussen bewaard worden.

Onderzoek.

De bladen van Salvia officinalis L, mogen niet verwisseld worden met die van:

iu. Salvia praten sis L. (V e 1 d - Sa 1 i e). Bladen langtverpig-eirond of -hartvormig (aan hun voet uitgesneden), grof- en dubbel-gekarteld, met wijdmazig adernet, groen.

20. Salvia sylvestris L. Bladen langzverpig-lancetvormig, aan den voet afgerond of e enigs zins hartvormig, grof- of didihel-gekarteld of kartelig-gezaagd.

30. Salvia SclareaL. Bladen grooter, eirond of hartvormig, grof- en dubbel-gekarteld, wollig.

Bovendien verschilt de reuk van al deze soorten met dien van Salvia officinalis L.

-ocr page 360-

344

FOLIA SEN NA E.

SENNEBLADEN.

De blaadjes van gekweekte Cassia angustifolia Vahl, „Tinnevelly-Sennaquot; genoemd.

Lancet- of lijn-lancetvormig, tot 6 centimeter lang en 2 centimeter breed, met uiterst korte bladsteeltjes of ongesteeld, papierdun, stijf, vlak, aan den voet niet symmetrisch, aan den top met een kort spitsje, gaaf-randig, vinnervig, bleekgroen, onbehaard of eenigszins kort-fijnharig. Reuk zwak aromatisch; smaak eerst slijmerig-zoet, later bitterachtig, min of meer scherp.

Zij mogen niet geel- of bruinachtig zijn.

Samenstelling. Hoofd bestan ddeelen:

1°. cathartinezuur, deels vrij, deels als calcium- en mag-nesiumzout, eene amorphe, bruine, na droging zwarte, glinsterende stof, van nog niet volledig bekende samenstelling, onoplosbaar in water en aether, oplosbaar in spiritus en alkaliën. Bij splitsing levert het cathartogeninezuur.

2°. sennapikrine en sennacrol (sen nine), twee bitter-stofifen.

3°. cathartomanniet (senniet), eene zoete, kristalliseer-bare stof, oplosbaar in water, minder in spiritus, bijna onoplosbaar in aether.

40. chrysoretine, eene geel kleurende stof, waarschijnlijk nauw verwant aan chrysarobine en chrysophaanzuur.

Voorts sporen vette en vluchtige olie, alkali- en aardal k a 1 i-zouten van azijn-, wijnsteen-, appel-, zuringzuur en looizuur, enz.

Afkomst. De Sennebiaden der Ph. zijn afkomstig van Cassia angustifolia Vahl, een heester, behoorende tot de familie der C aesal p i n a ce ae. In \'t wild komt deze plant voor in de landen langs de oostkust van Afrika, van Opper-Egypte tot Mozambique, en in het zuidelijk deel van Arabic, waar hare bladen geplukt en, na gedroogd te zijn, als Arabische {Mekka-, Indische, Bombay-) Senne in den handel worden gebracht.

Veelvuldig echter ook komt de plant voor in Britsch-Indië, waar zij in den omtrek van het district Tinnevelly, nabij de zuidelijke spits van Vóór-Indië gelegen, om hare bladen op uitgebreide schaal wordt gekweekt en van waar deze, vóór het rijpen der vrucht ver-

-ocr page 361-

345

zameld en in de zon gedroogd, als TinnevellySenne. in den handel worden gebracht, naar Londen verzonden en van daar tot ons komen.

Onderzoek.

1°. De blaadjes van gekweekte Cassia angustifolia Vahl, „ Tinnevelly-Sennaquot; genoemd. Bovengenoemde twee Senne-soorten onderscheiden zich van elkander door de volgende kenmerken:

a. Tinnevelly-Senne, afkomstig van de gekweekte plant. Bladen tot 6 centimeter lang en 2 centimeter breed, bleekgroen, min of meer gelijk van kleur, zonder bijmengselen.

b. M ecca-Se n ne,\' afkomstig van de wilde plant. Bladen tot 5 centimeter lang en i centimeter breed, dus kleiner dan de vorige, bleekgroen, soms ivankleurig geel of bruin of als verschroeid, met bijmengselen als bladspillen, bloemen en vruchten (peulen).

Voorts komt nog in den handel voor;

c. Alexandrijnsche (Palta-) Senne, vroeger de officieel voorgeschreven soort, afkomstig van Cassia acuti folia Delile, groeiende in Egypte, Nubië en Centraal-Afrika, waar zij van wilde planten na droging wordt verzameld en naar Alexandrië vervoerd, vanwaar zij over Triest naar Europa komt \'). Bladen ovaal-langwerpig, tot 3 centimeter lang en tot i centimeter breed, dus kleiner dan beide vorige soorten, stijf-papierachtig, bleek-grijsgroen van kleur, van boven onbehaard, van onder, vooral op de middennerf, min of meer fijn- en zachtharig, in meerdere of mindere mate, behalve met steentjes en zand, ook nog verontreinigd met bijmengselen als takjes, bladspillen, bloemen en vruchten (peulen).

Tevens worden er dikwijls onder aangetroffen de bladen van Cassia obovata Coll., die vroeger ook gebezigd mochten worden. Deze zijn ongeveer even lang, doch min of meer omgekeerd-eirond, meestal aan den top eenigszins uitgesneden, en óf aan beide zijden, óf alleen van onder min of meer behaard.

Tegelijk daarmede vindt men er ook onder de veel op Senne gelijkende bladen van Solenostemma Arghel Hayne (Cy-nanchum Arghel Delile), eene Asclepiacee, z. g. Ar-gelbladen. Deze zijn ongeveer lancetvormig, tot 3 centimeter

\') Volgens Ströll zou deze Senne-soort door haar veel hooger gehalte aancathar-tinezuur, mede op grond van physiologisch onderzoek, boven de Tinnevelly-Senne te verkiezen zijn.

-ocr page 362-

346

lang en i centimeter breed, stijf en lederachtig, gerimpeld, met symmetrie ken voet, groengrijs van kleur, onduidelijk vinnervig en dichtbehaard. Zij rieken bovendien sterker en smaken sterk bitter, later eerst zoetachtig 1).

Naar de zuiverheid komen van deze Alexandrijnsche Seune verschillende soorten in den handel voor, waarvan de beste, ontdaan van gebroken en verkleurde bladen en bovengenoemde bijmeng-selen, zoodat zij geheel bestaat uit zuivere , frisscbe, geheele bladen, Senna electa genoemd wordt, terwijl de minste soort, bestaande uit gekneusde bladen en gruis daarvan, niet zelden ook met andere bladfragmenten vermengd, Senna parva wordt geheeten 2).

2°. Zij mogen niet geel- of bruinachtig zijn. Dergelijke bladen moeten verworpen worden, daar zij hunne werkzaamheid min of meer verloren hebben. Vooral beware men Sennebladen, evenals het poeder daarvan, buiten het licht, daar zij anders spoedig verbleeken.

1

) Als verontreiniging of vervalschingen van Alexandrijnsche Senne gelden overigen:» nog de blaadjes van:

a. Tephrosia Apolinea Del. Bladenomgekeeyd-eirond-lnngiuei\'pig^veelnewig^ zijdeglanzend- vil tig behaard^ zeer bitter.

b. C o 1 u t e a arbor escens L., ook bij ons gekweekt. Bladen ellipsvormig, aan den top licht uitgcra?id) dim, aan de bovenvlakte onbehaard, aan de ondervlakte kort, glanzig behaard.

c. Col ii tea cru ent a Ait. Bladen omgekeer d-eirond, bijna rond^ aan den top afgeknot.

d. Coronilla E m e r u s L. Bladen omgekeer d-eirond, met symmetrieken voet.

e. C o r i a r i a myrti folia L. Bladen langweipig-lancetvormig, 3 tot 5 centimeter lang, 0.6 tot 2.5 centimeter breed, drienervig, onbehaard,

2

a) Minder of thans niet meer bij ons voorkomende vSenne-soorten zijn nog:

a. Tripolitaansche (S o e d a n e e s c h e) Senne, in Soedan verzameld en over Tripoli in vlen handel gebracht. Zij bestaat hoofdzakelijk uit blaadjes van C. acuti-folia Dei, min of meer vermengd met die van C. obovata Coll. en is geheel of ten naastebij vrij van Argelbladen.

b. A 1 e p p o - (S y r i s c h e) Senne, over Triest in den handel gebracht. Zij bestaat uit blaadjes van C. acutifolia, angustifolia en pu bes eens. Zeer onaangenaam van smaak.

c. Italiaanse he Senne van gekweekte verscheidenheden van C, obovata Coll. Komt niet meer in den handel voor,

d. Amerikaanse he Senne van C Marylandica Neet, Komt niet in Europa in den handel,

e. Senegal-Sen ne van eene variëteit van C. obovata. Komt niet meer in den handel voor.

-ocr page 363-

347

FOLIA STRAMONIL

STRAMONIUM BLADEN.

De bladen van Datura Stramonium L., van het bloeiende, in ons vaderland gekweekte kruid verzameld.

Gesteeld, met een bladsteel, die i decimeter lang en i tot 2 millimeter dik kan worden, dun, eirond, spits, ten hoogste 2 decimeter lang, tot bijna 1 decimeter breed, getand, met ongelijke bochten tusschen de tanden, onbehaard. Reuk der versche bladen walgelijk; smaak bitter-achtig, zilt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel:

1°. ongeveer 0.4 pet. daturine, een alkaloïde, volgens sommigen identisch met atropine, volgens anderen met hyoscyamine, volgens weer anderen een mengsel van atropine en veel hyoscyamine 1).

Voorts ruim 17 pet. asch, waarin veel kaliumnitraat.

Afkomst. De bladen van Datura Stramonium L., een kruid, beboerende tot de familie der So I a n aceae, dat, oorspronkelijk thuis behoorende aan de oevers der Kaspische Zee, thans overal in Europa, ook bij ons in \'t wild voorkomt en bovendien voor geneeskundig doel wordt gekweekt. De bladen worden van het laatste s) gedurende den bloei, in Juli en Augustus, verzameld en bij kunstwarmte voorzichtig gedroogd (9 = 1), waardoor zij veel van hunnen walgelijken reuk verliezen. Wijl zij gretig vocht aantrekken en daardoor spoedig bederven, moeten zij in blikken bussen tegen vocht, tevens buiten het licht bewaard en elk jaar ververscht worden.

Onderzoek.

De bladen mogen niet verwisseld worden met die van:

10. Sola num,nigrum L. Bladen de helft kleiner, som* gaaf-randig, meestal stomp-getand.

2 0. Chenopodium h y b r i d u m L. Bladen gewoonlijk kleiner, bijna gelijkbeenig-driehoekig, aan den voet afgerond of hartvormig, lichtgroen, wijdbochtig-getand.

1

) Zie bij « Folia Belladonnae», blz. 332.

\') Redenen daarvoor als bij « Folia Belladonnae. •gt;

-ocr page 364-

348

FOLIA TRIFOLII FIBRIN 1.

DRIEBLAD BLADEN.

De bladen van Menyanthes trifoliata L., gedurende den bloei verzameld.

Lang gesteeld, drietallig-ingesneden; de bladstukken ellipsvormig of omgekeerd-eirond, tot 8 centimeter lang en 4 centimeter breed, nagenoeg ongesteeld, aan den top afgerond, gaafrandig of een weinig uitge-schulpt-gekarteld, onbehaard. Reukloos; smaak sterk bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel:

menyanthine, C30H46O14, een amorph, geelachtig, sterk bitter glucoside, bij 6o0—65° week wordende, smeltende bij 1100— 115° in koud water moeilijk, in warm water en spiritus gemakkelijk oplosbaar, in aether onoplosbaar. Als ontledingsproduct bij verhitting met verdunde zuren levert het menyanthol, eene kleur-looze, vluchtige, zware, naar bittere-amandelolie riekende, aldehy-deachtige vloeistof.

Afkomst. De bladen van Menyanthes trifoliata L., een ook bij ons in veenmoerassen veelvuldig in \'t wild voorkomend kruid, behoorende tot de familie der Gentianaceae. De bladen worden gedurende den bloei in Mei of Juni, als zij nog niet geheel volwassen en het sappigst zijn, verzameld, door ze boven de lange bladscheede af te snijden en daarna te drogen (9 = 2). Zij moeten tegen vocht worden bewaard.

FOLIA UVAE URSI. UVA-URSIBLADEN,

De bladen van Arctostaphylos U v a u r s i S p r.

Lederachtig, kort gesteeld, elliptisch-omgekeerd-eirond, gaafrandig, glanzig, ten hoogste 2 centimeter lang, naar voren tot 1 centimeter breed, netvormig-geaderd. Reukloos; smaak wrang.

Samenstelling. I loofdbestanddeelen:

1°. ruim 3 pet. arbutine, nevens een weinig methylarbu-tine (waarschijnlijk daarmede verbonden), er i cal ine en urson.

-ocr page 365-

349

Arbutine, (C,4Hie07)a H^O, komt voor in kleurlooze, lange, witte, glanzende, bittere, neutrale naalden, die bij 166°—1680 smelten, oplosbaar zijn in water (ongeveer 8), gemakkelijker in warm (ongeveer i), oplosbaar in spiritus (ongeveer i 5), zeer weinig oplosbaar in aether. De waterige oplossing wordt door ferri-chloride blauw gekleurd. 1 dl. Arbutine, verhit met een mengsel van 2 dln. zwavelzuur, 1 dl. water en 8 dln. mangaanperoxyde, ontwikkelt een doordringenden, chloorachtigen reuk (chinori).

Methylarbutine, [C] B(CH3)07]2 H20, dat nog niet vrij van arbutine verkregen is, stemt in de meeste opzichten met arbutine overeen. De waterige oplossing wordt echter door ferri-chloride niet blauw gekleurd.

Ericoline, C34Hri6021, een bruingeel, kleverig, bitter, harsachtig poeder, oplosbaar in een mengsel van aether en spiritus, dat bij verhitting met verdund zwavelzuur eenen eigenaardiger., aangenamen reuk naar ericinol, C,0H1BO, verspreidt.

Urson, C10HleO, kleur-, reuk- en smaaklooze, zijdeglanzende naalden, die bij 198°—200° smelten, onoplosbaar in water, moeilijk oplosbaar zijn in spiritus en aether, oplosbaar in zwavelzuur en salpeterzuur met oranjegele kleur.

Voorts tot 35 pet. looi- en galluszuur, 0.01 pet. vluchtige olie, gom, hars, zouten, enz.

Afkomst. De bladen van Arctostaphylos Uva Ursi Sprengel, een lagen, liggenden, altijd groenen heester, behoo-rende tot de familie der Ericaceae, die vooral thuis behoort in de noordelijke, koudere streken en op de bergen der meer zuidelijke landen. De plant komt bij ons niet in \'t wild voor. De bladen komen van uit Duitschland tot ons, waar zij gedurende den bloei der plant of van reeds vruchtdragende exemplaren worden verzameld en gedroogd (5 = 1). Dikwerf zijn zij met zeer fijne takjes, ook wel met enkele conifeerennaalden vermengd, welke er vóór \'t gebruik uit verwijderd moeten worden. Zij moeten tegen vocht worden bewaard.

Onderzoek.

De bladen mogen niet verwisseld worden met die van:

1°. Vaccin ium Vitis Idaea L. Bladen minder stijf en lederachtig, eirond, wijdstandig-kleingezaagd en eenigszins naar achteren omgekruld, op de bovenvlakte niet duidelijk netvormig-geaderd, op de ondervlakte met zwarte vlekjes.

-ocr page 366-

350

2°. Vacci niuni uliginosum L. Bladen niet lederachtig, omgekeerd-eirond, met omgekrulden rand, aan den top afgerond of iets uitgerand, op de ondervlakte blauwgroen.

3°. Vaccin ium Myrtillus L. Bladen vliezig, eirond of langxverpig-eirond, met spitsen top, kleinkartelig-gezaagd, lichtgroen.

4°. Buxus sempervirens L. Bladen langwerpig-eirond, langs den rand eenigszins omgekruld en aan den top min of meer uitgerand, op de bovenvlakte verheven nerven met niet-net-vormig vertakte zijnerven, op de bovenvlakte donkergroen, op de ondervlakte lichter, langs de vlakte gemakkelijk in twee helften splitsbaar.

5°. Arctostaphylos alpinaSpr. Bladen dun en slap, bij den steel langgewtmperd, scherp-gezaagd, ongeveer 3 centimeter lang.

6°. Vinca minor L. Bladen gesteeld, eirond of langiverpig; zijnerven op de bovenvlakte zeer duidelijk.

FRUCTUS ANISI.

AN IJ SV KUCHTEN.

De volkomen rijpe vruchten van P i m p i n e 11 a A 11 i s u m L.

Kegel-eivormige, zijdelings eenigszins afgeplatte hangvruchten, ter lengte van 3 tot 4 en ter breedte van 2 tot 3 millimeter, die gewoonlijk gesteeld, met korte haartjes bezet en grijsgroenachtig zijn. Afzonderlijke dop vruchten meestal samenhangend, met 5 draadvormige, bleeke ribben, 4 vlakke, drie- tot vijfstriemige groefjes, eene zes-tot tienstriemige voege en een naar voren nagenoeg vlak kiemwit. Reuk aangenaam; smaak zoetachtig, aromatisch.

Vruchten van C o n i u 111 m a c u 1 a t u m L. mogen er niet onder voorkomen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

iu. 2—3 pet. vluchtige olie 1),

20. ongeveer 3 pet. eener groenachtige vette olie.

Voorts s u i k er, hars achtige stof en minerale stoffen.

Afkomst.

De vruchten van P i m p i n e 11 a A n i s u m L., een kruid uit

1) Zie «Oleum Anisi ».

-ocr page 367-

35i

de familie der Umbelliferae, dat om zijne vruchten, vooral in het zuiden van Europa, menigvuldig wordt gekweekt. Naar de landen van oorsprong onderscheidt men verschillende soorten, zooals: Spaansck, Ttaliaansch [Siciliaansch, Ma\'tasch), F ranse h, Oostenrijksch, Duitseh en Hollandseh (inlandsch), Russisch (Poëtisch), Grieksch „anijszaadquot;. In Griekenland, Egypte en Klein-Azië is de plant oorspronkelijk inheemsch. Wanneer de vruchten in Augustus of September rijp of bijna rijp zijn, worden de stengels afgesneden ; men laat ze in de schaduw volkomen uitdrogen en verzamelt de vruchten door ze van de stengels af te dorschen. Van elders worden zij in linnen balen of matten aangevoerd.

Onderzoek.

i0. De volkomen rijpe vruchten. Dikwijls worden de vruchten verzameld, wanneer zij nog niet volkomen rijp zijn; men laat ze alsdan ter narijping een poosje liggen. De onrijpe vruchten zijn te herkennen aan hare mindere grootte, volheid en zwaarte, en daarenboven vooral aan den gerin geren geur, doordien zij minder vluchtige olie bevatten.

2°. Kegel-eivormige hangvruchten, ter lengte van 3 tot 4 en ter breedte van 2 tot 3 millimeter. De Ph. geeft geene bepaalde soort „anijszaadquot; op. Als de beste gelden het Spaanse he en het Italiaanse/ie, daarna het Franse he; minder hoog aangeschreven staat het Duitse he, terwijl het Russische en het inlandse/ie als de slechtste bekend staan. Daar de drie laatste soorten gewoonlijk kleiner zijn dan verlangd wordt, zullen wel de vruchten van een der beste soorten bedoeld worden, ook in verband met den verlangden vorm, die bij de geringere meer breed-ei rond is.

30. en grijsgroenachtig zijn. Vochtig ingezameld en verzonden, wordt „anijszaadquot; door verhitting in de balen donker gekleurd.

Zie over de kleur der vruchten van Conium maculatum L. hieronder.

40. Vruchten van Conium maculatum L. mogen er niet onder voorkomen \'). Deze vergiftige verontreiniging is meermalen, soms in vrij groote mate, waargenomen. Het onderscheid tusschen beide vruchten bestaat in de volgende kenmerken;

•) De Ph. spreekt niet over verontreiniging met steeltjes, klompjes aarde, steentjes, enz., welke dikwijls onder de vruchten voorkomen, of met vruchten van andere Umbelliferae, zooals venkel, peterselie, dille, karwij, koriander, enz., die men trouwens slechts onder de geringste soorten «anijszaad» aantreft. Deze verontreinigingen moeten natuurlijk vóór \'t gebruik verwijderd worden.

-ocr page 368-

352

Fructns A nisi.

Lengte 3 tot 4, breedte 2 tot

3 millimeter.

Steel gewoonlijk voorhanden. V r u c h t behaard, grijsgroenachtig.

Dopvruchten gewoonlijksamenhangend.

Ribben bijna niet verheven, draadvormig, bleekgeel of\' bruinachtig. Groefjes drie- tot vijfstnemxg. Voege drie- tot vijf- of meer-striemig.

K ie m w i t nagenoeg vlak-, op de dwarse doorsnede naar binnen recht, naar buiten afgerond.

Reuk aangenaam, aromatisch.

S m aak zoetachtig, aromatisch.

Fructus Conii.

Lengte en breedte meestal geringer.

Steel gewoowW^nietvoorhanden.

V r u c h t onbehaard, versch groen, gedroogd licht-bruingeel.

Dopvruchten meestal afzonderlijk.

Ribben vrij sterk verheven, golvend, lichter-of stroogeel.

Groefjes zonder striemen.

Voege zonder striemen.

K i e ra w i t vrij sterk gewelfd met een overlangsche sleuf door het midden, op de dwarse doorsnede naar binnen dus hoef-ijzervormig, naar buiten met uitspringende tanden.

Reuk versch onaangenaam, gedroogd afwezig-, met kali-loog muisepisachtig (co-niine).

S m aak bitter, scherp.


FRUCTUS CARDAMOM!.

CARDAMOM,

De vruchten van E 1 e 11 a r i a C a r d a m o m u m White et Ma 10 n.

Eivormig-driehoekige, grijsgele, 1 tot 2 centimeter lange, ongeveer 1 centimeter dikke , met een kort buisvormig snaveltje gekroonde, drie-hokkige doosvruchten, met buigzame, dicht generfde kleppen en ongeveer 20 bruine, onregelmatig hoekige , rimpelige zaden, in 3 loodrechte rijen. Alleen aan de zaden zijn een doordringende kamferachtige reuk en smaak eigen.

Men schaffe zich de zaden, die alleen gebruikt worden, niet aan zonder hunne vruchtbekléedsels.

-ocr page 369-

353

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

i0. z—5 pet. vluchtige olie, dunvloeibaar, bleekgroen, later geel van kleur en kleverig, kamferachtig, aromatisch van reuk en brandend van smaak, welke beide bij bewaring langzamerhand verloren gaan, van ongeveer 0.902 soort. gew. en 164° kookpunt, in spiritus gemakkelijk oplosbaar.

2°. 10 pet. vette olie.

Voorts een weinig hars, zetmeel, eiwitstof, minerale stoffen (mangaanhoudend), enz.

Afkomst. De vruchten van E 1 e 11 a r i a Cardamomum White et Ma ton, behoorende tot de familie der Z i n g i -beraceae, een kruidachtig gewas, dat in de bergwouden aan de kust van Malabar in \'t wild groeit en bovendien aldaar, en tegenwoordig ook op Ceylon , uit zaad gekweekt wordt. De vruchten, die in den handel komen, worden grootendeels van de gekweekte plant verzameld. De vruchtstengels worden, wanneer de vruchten min of meer rijp zijn, afgeplukt, deze, nu eens alleen de rijpe, meestal echter tevens de nog onrijpe afgestroopt en in de zon of bij matige vuurwarmte gedroogd. Zij worden in kisten naar Engeland verzonden en komen van daar tot ons.

Voor geneeskrachtig doel worden alleen de zaden gebruikt en verwijdert men de werkelooze vruchtbekleedsels.

Onderzoek.

i0. Dc vruchten van Elettaria Cardavwmum White et Matou.

De Cardamom, door de Ph. bedoeld, is de z.g. kleine of Malabar-Cardamom, die wegens geur en smaak voor de fijnste wordt gehouden.

Men onderscheidt hiervan naar de lengte twee soorten, nl. de korte, die 10—15 millimeter lang en ronder, en de kort lange, die 17—22 millimeter en meer eivormig is. Volgens den eisch der in de Ph. opgegeven lengte wordt het gebruik van beide soorten door haar toegestaan.

Naar de plaatsen van uitvoer onderscheidt men als handelsartikel onder de goede soorten, behalve de Alalabar-C, nog:

1°. Madras- C., die bleeker is en hoofdzakelijk uit kort lange vruchten bestaat, en

20. Aleppy-C., korte, dikke, gespitste en eigenaardig groene vruchten.

23

-ocr page 370-

354

Overigens komen nog de volgende mindere soorten C. in den handel voor;

a. C e y 1 o n- of lange C. Zij wordt op Ceylon verkregen van eene verscheidenheid der moederplant. Doosvruchten eirond, duidelijk driezijdig, grijsbruin, dikwijls gekromd, 2,5—-5 centimeter lang met versmalde uiteinden, met ongeveer 60 donkerder gekleurde, dubbel zoo groote zaden. Reuk en smaak zwakker, niet zoo fijn.

b. S i a m- of ronde C,, afkomstig van A m o m u m C a r d a-momum L., uit Siam, Java en Sumatra. Doosvruchten kogelvormig, onduidelijk driezijdig, geelbruinachtig, 0.75 — 1.5 centimeter lang amp;\\\\ breed, neergedrukt, niet generfd doch ge sleufd, dun, broos, e enigs zins behaard met ongeveer 30 donkerbruine, netgroevige zaden. Reuk aromatisch-, smaak sterk kamferachtig.

Tot deze soort moet ook gerekend worden de wilde of bastaard-Siam-C., afkomstig uit Tenasserim en Siam van Amomum xanthoides Wall. Doosvruchten dicht bezet met zachte, vlee-zigc stekels. Zaden zeer fijn-gerimpeld. Smaak eenigermate anders.

c. G r o o t e C. van Amomum K o r a r i m a P e r. van Oost-Azië (omstreken van Abyssinië). Doosvruchten kegelvormig, e enigs zins gelijkend of eene omgekeerde kleine vijg, doorboord. Zaden rond-achtig-hockig. Smaak aangenaam.

d. J a v a C., ook wel eens groote C. genoemd, afkomstig van A m o m u m m a x i m u m R o x b., op Java gekweekt. Doosvruchten kegel- of eivormig, gesteeld, veel langer en breeder, met doorloopende, gr of-getande, uitpuilende vleugels en aan den tof eene korte, verdroogde buis.

e. Bengaal- en N e p a 1-C., de eerste afkomstig van Amomum aromaticum Roxb., de laatste van eene nog niet bepaalde A m o m u m -soort. Doosvrucht eirond of eenigszins omgekeerd-kegelvormig, onduidelijk driehoekig, donkerbruin, ongeveer 2.5 centimeter lang, 1—2 centimeter breed, van onderen afgerond, de eerste gewoonlijk ongesteeld, de tweede kort-gesteeld, de eerste met aan den top eene afgeknotte, borstelige wrat, de tweede met een lang, buisvormig bloemgedeelte, beide grof gestreept en met 60 —80 rondachtig-hoekige, met eene zoete, kleverige pulpa samen-hangende zaden.

20. Men schajfe zich de zaden niet aan zonder hunne vrucht-bekleedsels. Het vruchtbekleedsel toch is een der voornaamste kenmerken voor de bepaling der soort; bovendien verliezen de losse zaden langzamerhand veel van hunnen geur.

-ocr page 371-

355

.F R U C T U S COLOCYNTHIDIS.

KOLOKWINTEN.

Ue vruchten van Citrullus Colocynthis S c h r a d., geschild en gedroogd.

Bijna bolvormig, zeer licht, met een middellijn van 5 tot 8 centimeter. Een witte of eenigszins geelachtige, dunne, zachte, bladerig-sponzige laag omhult een witachtig, niergachtig-sponzig, droog, los, reukloos, sterk bitter vruchtmoes en vele, omgekeerd-eironde, platte, wit- of geelachtige zaden.

Ue voorkeur verdienen die vruchten, welke veel vruchtmoes en weinig zaden bevatten.

Ten gebruike worde het vruchtmoes aangewend, na van de zaden ontdaan te zijn.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel:

pet. colocynthine, Cquot;0H84O23, een amorph, geel, bitter glucoside, gemakkelijk oplosbaar in water en spiritus, in aether onoplosbaar, dat bij splitsing colocynth\'cine, C4 4Hc 4 O1 3 , oplevert.

Waarschijnlijk komt er nog een tweede, onwerkzame, smaak-looze, kristallijne, in water en aether onoplosbare, in spiritus oplosbare stof in voor, colocynthitine genoemd.

Voorts hars, vet, gom, suiker, pectinezuur, minerale stoffen en in de zaden 17 pet. vette olie.

Afkomst, De vruchten van Citrullus Colocynthis Schrad., eene kruidachtige, ruwbehaarde , liggende of klimmende plant, behoorende tot de familie der Cucurbitaceae. Zij wordt gevonden van oost tot west in de warme, droge streken van Azië, Afrika en Europa en wordt ter verzending vooral gekweekt in Syrië, op het eiland Cyprus, in Egypte, in Marokko (Mogador), in Spanje, ook in Frankrijk. De oorspronkelijk groene pompoen-vrucht wordt in den herfst in rijpen staat, als zij geel geworden is, geplukt, meestal geschild, spoedig in de zon of kunstmatig gedroogd en in trommels, bussen, houten kisten, enz. in den handel gebracht.

Onderzoek.

1°. De vruchten, geschild. Als zoodanig komen in den handel de Cyprische (Turksche, Levantsche), de Eyptische, de Spaanse he en de Fransche soorten, terwijl de Syrische en Marokkaansche ongeschild voorkomen.

-ocr page 372-

356

2°. en gedroogd. Een witte of eenigszins geelachtige laag omhult een witachtig vruchtmocs. Door te langzame of onvoldoende droging wordt het vruchtmoes geelwit tot bruin of roodachtig. De Cyprische en Egyptische soorten zijn doorgaans het meest wit gekleurd.

30. De voorkeur verdienen die vruchten, welke veel vruchtmocs en weinig zaden bevatten, daar alleen het vruchtmoes wordt aangewend, na van de zaden ontdaan te zijn \').

De hoeveelheid vruchtmoes staat voornamelijk in verband met de grootte, die 5 tot 8 centimeter in middellijn moet bedragen.

Daar nu de Spaansche en Franse he kleiner zijn, de laatste bovendien minder werkzame bestanddeelen bevat, kunnen alleen de Cyprische en de Egyptische van de geschilde soorten bij ons in aanmerking komen. Aangezien daarenboven de vorm bijna bolvormig moet zijn, wat bij de Egyptische het geval is, terwijl de Cyprische meer platgedrukt is, zal de eerste de voorkeur verdienen. Deze , de Egyptische, staat dan ook boven alle aquot;ndere soorten bekend als de lichtste, de grootste, het rijkste aan vruchtmoes en het armst aan zaden.

Eindelijk moeten sterk ineengeschrompelde, donkergekleurde en bruine zaden bevattende vruchten verworpen worden, alsmede die, welke niet sterk bitter smaken.

F R U C T U S CORIANDRL

KORIANDERVRUCHTEN.

De rijpe vruchten van C o r i a n d r u 111 sativum L.

Bolvormige, geelbruine, onbehaarde en ongesteelde hangvruchten, me: een middellijn van 3 tot 5 millimeter, die 5 meer of minder duidelijke kelktanden en een kegelvormigen stijlvoet dragen, waarboven soms nog «Ie 2 teruggekromde stijlen uitsteken. Afzonderlijke dopvruchten samenhangend, met 5 golvende hoofd- en 6 rechte hijribben; geene oliestriemen aan de rugzijde, doch 2 aan de voege; kiem wit napvormig. Reuk en smaak aromatisch.

Zie bij «Extractum Colocynthidis», blz. 285.

-ocr page 373-

357

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 5—-j; pet. vluchtige olie, C10H18O, kleurloos of lichtgeel, dunvloeibaar, van 0.860—0.870 soort. gevv., in elke verhouding in alcohol oplosbaar.

20. 13 pet. vette olie.

Voorts s 1 ij m, enz.

Afkomst.

De vruchten van Coriandrum Sativum L., een kruid, behoorende tot de familie der Umbelli ferae, dat oorspronkelijk thuis behoort in Zuid-Europa en de Levant, doch ook in minder warme streken van Europa als onkruid tusschen het koorn , zeldzaam of niet echter bij ons, in \'t wild voorkomt. Overigens wordt het veelvuldig, ook bij ons te lande, om de vruchten gekweekt. De plant wordt, als de vruchten rijp zijn, afgemaaid, op schoven gedroogd, waarna de vruchten worden afgedorselu. om ze nog eens gedurende eenigen tijd te laten nadrogen. Ze worden ook van uit Duitsehland bij ons ingevoerd.

Onderzoek.

1°. De rijpe vruchten. In onrijpen staat verspreidt de vrucht, gekneusd, een onaangenamen, walgelijken reuk naar weegluizen, welke reuk, aan de olie eigen, onder \'t rijpen in een aangenamen verandert.

FRUCTUS CYDONIAE REGENTES.

V E R S C H E K W E E E N.

De rijpe versche vruchten van C y d o 11 i a vulgaris Pers.

Bijna bol- of peervormige, citroengele appelvruchten, door een grooten, vijfbladigen, groenen kelk gekroond, met een vast vruchtvleesch en een groot aantal zaden in 5 hokjes. Reuk aangenaam; smaak wrang, zuurachtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

a. in het vruchtvleesch: 31 pet. appelzuur, benevens een weinig looizuur, pectine en suiker.

/gt;. in de zaden: 20 pet. s 1 ij m , vette olie, a m y g d a -line, e m u 1 s i n e en looizuur.

-ocr page 374-

358

Afkomst.

De vruchten van C yd on ia vulgaris Pers., een in ge-kweekten toestand niet iioogen, heesterachtigen boom uit de familie der Pomaceae, die, oorspronkelijk in West-Azië inheemsch, vooral in Zuid-Europa, doch ook meer noordelijk en b\'j ons vrij menigvuldig om zijne vruchten wordt gekweekt. De vruchten moeten in September en October in rijpen staat worden geplukt en om haar sap versch gebruikt.

Onderzoek.

1°. Bijna bol- of peervormige appelvruchten. Men onderscheidt bij ons twee verscheidenheden der gekweekte plant, nl. die met kogelronde, Kweeappelen, van de variëteit z. maliformis en die met peervormige vruchten. Kweeperen, van /3. pyriformis. Beide vruchten mogen gebruikt worden.

F R U C T US F O E N I C U L I.

V E N K E L V R U C H T E N.

De rijpe vruchten van F o e n i c u 1 u m c a p i 11 a c e u m Gil.

Langwerpige, bijna rolronde, met den stijlvoet en de omgebogen stijlen gekroonde hangvruchten, die 5 tot 8 millimeter lang en 2 tot 3 millimeter breed, onbehaard en grijs- of bruin-groenachtig zijn. Afzonderlijke dopvruchtjes dikwijls vaneengescheiden, met 5 eenigszins uitpuilende, stomp gekielde, bleekere ribben, waarvan de 2 zijdelingsche een weinig breeder zijn; vlakke, bruine, éénstriemige groefjes, en eene vlakke, tweestriemige voege. Reuk aangenaam; smaak aromatisch, anijsachtig, een weinig zoet.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

i0. 2^—6 pet. vluchtige olie 1).

20■ 10—12 pet. vette olie.

30. 2 pet. suiker.

Afkomst.

De vruchten van Foeniculum capillaceum Gil., een

\') Zie «Oleum Foeniculi».

-ocr page 375-

359

kruid, behoorende tot de familie der U mbelliferae, dat langs de boorden der Middellandsche Zee in \'t wild voorkomt, doch elders in Europa, vooral in Zuid-Frankrijk en in Duitschland in de pruisische provincie Saksen, veelvuldig wordt gekweekt. Ook bij ons wordt de plant voor pharmaceutisch doel om hare vruchten geteeld, die, als zij in September rijp zijn, zeer voorzichtig worden gedroogd.

Onderzoek.

Het door de Ph. bedoelde „Venkelzaadquot; is het inlandsche, z.g, gewone, D u i t s c h e of Saksische V. Men onderscheidt overigens meerdere handelssoorten, waarvan de voornaamste zijn:

1°. Puglisch „Venkelzaadquot; uit Apulië. Evenals het gewone, doch met zeer weinig uitpuilende ribben, iets donkerder van kleur en fijner van smaak.

2°. zoet, Roomsch of Cretasch „Venkelzaadquot;, voornamelijk in Zuid-Frankrijk gekweekt van eene verscheidenheid der moederplant, bekend als of na verwant aan F o e n i c u 1 u m d u 1 c e D.C. Vruchten langwerpig oi omgekeerd-eirond, die io—15 millimeter lang en 3—4 millimeter breed, bleekgroen en niet zelden gekromd en ongelijkzijdig zijn. Afzonderlijke dopvruchtjes met sterk uit-pidlende, scherp gekielde, stroogele ribben en smalle, groenachtige groefjes. Reuk en smaak zeer zoet.

30. bitter of wild „Venkelzaadquot;, in Zuid-Frankrijk van in \'t wild groeiende planten verzameld. Vruchten 4—5 millimeter lang. Smaak eenigszins bitter.

F R U C T US J U N I P E R I.

JENEVERVRUCHTE N.

De rijpe vruchten van J u n i p e r u s co m m u n i s L.

Bolvormige kegelbessen met een middellijn van niet meer dan 6 millimeter, die versch zvvartachtig-paarsch, berijpt, in drogen staat zwart, aan haar top met 3 uit één punt uiteenwij kende sleuven en aan haar voet met 2 afwisselende kransen, elk van 3 blaadjes, voorzien zijn. Het vruchtmoes smaakt aromatisch-zoetachcig en bevat 3 harde, hoekige zaden, die met eenige oliehoudende blaasjes bezet zijn.

-ocr page 376-

360

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

i0- i—i pet. vluchtige olie, kleurloos of lichtgeel, door verharsing langzamerhand dikvloeibaar en bruin gekleurd, van ongeveer 0.850—0.900 soort. gew., versch in alcohol weinig, in ouderen staat in 8—10 dln. alcohol oplosbaar, oplosbaar in aether.

Voorts 13—40 pet. suiker; ongeveer 3 pet. organische zuren : m i e r e -, a z ij n - en appelzuur; 6—8 pet. hars; ongeveer 5 pet. eiwitstoffen; 6—8 pet. pectine; 3 pet. was; vet en 3—4 pet. minerale stoffen.

Afkomst.

De vruchten van Juniperus communis L., een altijd groenen heester, een Conifeer, behoorende tot de familie dei-Cup r e s s i n e a e, die zoowel in de zuidelijke, warme als in de noordelijke, koude streken van Europa wordt gevonden en ook bij ons op heiden en duinen in \'t wild groeit. In den herfst van het tweede jaar, als de bessen rijp zijn, vallen zij door zacht schudden af, terwijl de onrijpe vruchten blijven zitten. Gewoonlijk spreidt men ze daarna op tochtige zolders uit, om te drogen, waarbij men ze dikwijls omwerpt. In balen verpakt, komen zij van uit verschillende streken van Europa in den handel, bij ons vooral uit Duitschland en Italië, De laatste, die grooter en krachtiger zijn, gelden als de beste.

Onderzoek.

1°. De rijpe vruchten. Bolvormige kegelbessen, die versch zwart-achtig-paarsch zijn. In het eerste jaar na den bloeitijd groeien de drie fleschvormige eieren met de daaromheen gezeten vruehtbladen tezamen uit tot een driezadige, eivormige, groene bes, die eerst in den herfst van het volgende jaar rijp wordt en alsdan bolrond van vorm en zwartachtig-paarsch van kleur is. De onrijpe vruchten kunnen dus door vorm en kleur van de rijpe onderscheiden worden.

20. in drogen staat zivart zijn. Het vrnchUnoes smaakt aromatisch-zoetachtig. Zij mogen niet door kunstwarmte gedroogd zijn In dat geval is de kleur donkerzwart, het vruchtmoes min of meer verdroogd, de vrucht rimpelig en de smaak, evenals van onrijpe vruchten, niet zoet Ook moeten vruchten verworpen worden, die door ouderdom als anderszins den aromatisehen smaak en reuk bij wrijving verloren hebben.

-ocr page 377-

361

F R U C T U S PAPAVERIS.

PAPAVE RVRUCH T E N.

S L A A P B O I. L E N.

De onrijpe vruchten van Papaver somniferuin L.

Ei- of bolvormige zaaddoozen, ter breedte van 4 tot 5 centimeter, die grijsachtig-groengeel zijn, een groot veellobbig stempelschild hebben, naar onder plotseling zich versmallen, een gezwollen voet doen zien en onvolkomen veelhokkig zijn. De sikkelvormige tusschenschotten dragen de zaden op hunne platte zijden. Smaak bitterachtig.

Ten gebruike moeten zij van de zaden ontdaan worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

a. in de zaaddoozen-. Opium-alkaloïden in geringe hoeveelheden, nl.: 1—2 pet. morphine, nevens een weinig codeïne, na r-c o t i n e, n a r c ë i n e, papaverine, papaverosine en r h o e a d i n e.

Voorts m ekonzuur. a m m o n i u m-zouten van anorganische en organische zuren, zooals; chloorwaterstof-, zwavel-, wijnsteen- en citroenzuur, s 1 ij in , was, enz.

b. in de zaden: ongeveer 50 pet. vette olie, drogend, lichtgeel van kleur, dunvloeibaar, van zeer zwakken reuk en zachten, ietwat zoetachtigen smaak, van ongeveer 0.925 soort, gew., bij—180 stollende, oplosbaar in 25 dln. kouden, 6 dln, warmen alcohol en in aether.

■ Voorts 12 pet. eiwitstoffen, slijm, enz.

Afkomst. De vruchten van Papaver somniferum L., een kruid, behoorende tot de familie der Papaveraceae, dat afkomstig is uit West-Azië en sommige streken van Zuid-Europa, doch veelvuldig elders gekweekt wordt, hetzij om het melksap, het Opium, hetzij om de olierijke zaden der vruchten of om de vruchten zelve. Het komt in meerdere verscheidenheden voor, waarvan twee bij ons gekweekt worden, nl. de variëteiten x. nigrum en /3. album. Vooral de laatste dient bij ons ter inzameling der vruchten. Zij onderscheidt zich van de eerste door hare witte bloemen en eivormige zaaddoozen, die niet met poriën openspringen en witte of lichtgele zaden bevatten, terwijl de eerste donker-paarsche bloemen en bolronde zaaddoozen draagt, die met poriën openspringen en zwarte zaden bevatten. Daar de Ph. spreekt van ei-of

-ocr page 378-

302

bolvormige zaaddoozen, mogen deze dus van beide variëteiten gebruikt worden. Zij worden elders uiterlijk in Juli in onrijpen staat verzameld, wanneer zij het rijkst aan melksap zijn, d. i. wanneer zij iets meer dan de helft van den omvang hebben bereikt, dien zij in rijpen staat zouden bezitten en de door berijping blauwachtig-groene kleur nog niet in eene lichtere, bleekgroene is overgegaan. Bij ons geschiedt de inzameling meestal begin Augustus. Na de inzameling worden zij eerst aan de lucht en daarna bij zachte warmte gedroogd, waardoor de narcotische reuk en de sterk bittere smaak grootendeels verloren gaan. Zij komen voorts, in risten van honderd stuks geregen, in den handel. Ten gebruike moeten zij van de zaden ontdaan worden.

F R U C T U S S A M B U C I REGENTES.

V E R S C H E V 1.1 E R V R U C H T E N.

De rijpe versche vruchten van S a m b u c u s nigra 1

Eivormige steenvruchten, 5 tot 7 millimeter lang, paarsch-zwartachtig, glanzend, met de kelktanden en de litteekentjes der stempels gekroond. Het saprijk, purperkleurig vruchtvleesch omvat 3, zeldzamer 2, kleine, bruine steenkernen. Reuk eigenaardig, onaangenaam; smaak bitter-zuur-achtig-zoet.

Samenstelling. Hoofdbcstanddeelen;

a p p e 1 z u u r, wijnsteenzuur, sporen vluchtige vetzuren en vluchtige olie.

Voorts suiker, looizuur, bitterstof, gom, hars, was, eiwit en minerale stoffen.

De zaden bevatten eene groene vette olie.

Afkomst.

Ue vruchten van Sambucus nigra L. (Gewone Vlier), een heester of lagen boom, behoorende tot de familie der C a p r i-foliaceae, die bijna door geheel Europa in \'t wild voorkomt en bij ons te lande, hetzij als sierplant voor hagen, hetzij voor geneeskrachtig doel, wordt gekweekt. Zij worden in September in rijpen staat geplukt, gereinigd en nog versch tot gelei verwerkt.

-ocr page 379-

363

Onderzoek.

Niet gebruikt mogen worden de steenvruchten van:

1°. Sambucus nigra L. var. virescens D e s f. Vruchten groen.

20. Sambucus E b u 1 u s L. Vruchten kleiner, met duidelijker zichtbare kelktanden. Het vruchtvleesch omvat meestal vier aan weerszijden versmalde, licht-roodachtig-bruine steen kernen.

G A L B A N U M.

G A L B A N U M.

Het gomharshoudend sap van F e r u 1 a-soorten , zeer waarschijnlijk van Ferula galbaniflua B o i s s. et B u h s e en Ferula rubricaulis B o i s s., uit de stengels gevloeid en in de lucht hard geworden.

Afzonderlijke of samengekleefde korrels, die geelachtig of roodachtig-geel of eenigszins groenachtig-bruin zijn en na het doorbreken van binnen niet lang witachtig blijven; of grootere, onregelmatige,groenachtig-bruine of gele massa\'s, Bij verwarming worden zij spoedig week en kleverig, door koude brozer. Reuk zeer aromatisch; smaak scherp-bitter.

Verdunde spiritus, met Galbanum geschud en gefiltreerd, fluoresceert fraai blauw, als er een zeer geringe hoeveelheid ammonia bij wordt gevoegd.

Zeer donkerkleurig of verontreinigd Galbanum moet verworpen worden.

Ten gebruike moet het boven ongebluschte kalk gedroogd of bij vriezend weder bros geworden Galbanum tot poeder gebracht en door middel eener zeef van vreemde lichamen gezuiverd worden.

Samenstelling.

1°. ongeveer 60 pet hars, Zij is amorph, week, doorschijnend, donker-geelbruin van kleur en oplosbaar in spiritus, aether en chloroform. Zij reageert zuur, bevat hoogstens 0.8 pet. umbi\'l-liferon en levert, met kali gesmolten, resorcine.

20. ongeveer 20 pet. gom.

3°. ongeveer 6—7 pet. vluchtige olie. Zij is kleurloos of lichtgeel, heeft den reuk van Galbanum en is zwavelvrij.

40. ongeveer 2—10 pet. a s c li en ongeveer 1 — 5 pet. water.

-ocr page 380-

302

bolvormige zaaddoozen, mogen deze dus van beide variëteiten gebruikt worden. Zij worden elders uiterlijk in Juli in onrijpen staat verzameld, wanneer zij het rijkst aan melksap zijn, d. i. wanneer zij iets meer dan de helft van den omvang hebben bereikt, dien zij in rijpen staat zouden bezitten en de door berijping blauwachtig-groene kleur nog niet in eene lichtere, bleekgroene is overgegaan. Eij ons geschiedt de inzameling meestal begin Augustus. Na de inzameling worden zij eerst aan de lucht en daarna bij zachte warmte gedroogd, waardoor de narcotische reuk en de sterk bittere smaak grootendeels verloren gaan. Zij komen voorts, in risten van honderd stuks geregen, in den handel. Ten gebruike moeten zij van de zaden ontdaan worden.

FRUCTUS SAMBUCI REGENTES.

V E R S C H E VLIERVRUCHTEN.

De rijpe versche vruchten van Sambucus nigra L.

Eivormige steenvruchten, 5 tot 7 millimeter lang, paarsch-zwartachtig, glanzend, met de kelktanden en de litteekentjes der stempels gekroond. Het saprijk, purperkleurig vruchtvleesch omvat 3, zeldzamer 2, kleine, bruine steenkernen. Reuk eigenaardig, onaangenaam; smaak bitter-zuur-achtig-zoet.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

appelzuur, wijnsteenzuur, sporen vluchtige vetzuren en vluchtige olie.

Voorts suiker, looizuur, bitterstof, gom, hars, was, eiwit en minerale stoffen.

De zaden bevatten eene groene vette olie.

Afkomst.

De vruchten van Sambucus n i g r a L. (G e wo n e V1 i e r), een heester of lagen boom, behoorende tot de familie der C a p r i-foliaceae, die bijna door geheel Europa in \'t wild voorkomt en bij ons te lande, hetzij als sierplant voor hagen, hetzij voor geneeskrachtig doel, wordt gekweekt. Zij worden in September in rijpen staat geplukt, gereinigd en nog versch tot gelei verwerkt.

-ocr page 381-

363

Onderzoek.

Niet gebruikt mogen worden de steenvruchten van: i0. Sambucus nigra L. var. virescens D e s f. Vruchten groen.

2°. Sambucus EbulusL. Vruchten kleiner, met duidelijker zichtbare kelktanden. Het vruchtvleesch omvat meestal vier aan weerszijden versmalde, lieht-roodachtig-brnine Bteenkernen.

G A L B A N U M.

G A L B A N U M.

Het gomharshoudend sap van F e r u 1 a-soorten, zeer waarschijnlijk van F e r u 1 a g albaniflua B o i s s. et B u h s e en F e r u 1 a rubricaulis B o i s s., uit de stengels gevloeid en in de lucht hard geworden.

Afzonderlijke of samengekleefde korrels, die geelachtig of roodachtig-geel of eenigszins groenachtig-bruin zijn en na het doorbreken van binnen niet lang witachtig blijven; of grootere, onregelmatige, groenachtig-bruine of gele massa\'s. Bij verwarming worden zij spoedig week en kleverig, door koude brozer. Reuk zeer aromatisch; smaak scherp-bitter.

Verdunde spiritus, met Galbanum geschud en gefiltreerd, fluoresceert fraai blauw, als er een zeer geringe hoeveelheid ammonia bij wordt gevoegd.

Zeer donkerkleurig of verontreinigd Galbanum moet verworpen worden.

Ten gebruike moet het boven ongebluschte kalk gedroogd of bij vriezend weder bros geworden Galbanum tot poeder gebracht en door middel eener zeef van vreemde lichamen gezuiverd worden.

Samenstelling.

in. ongeveer 60 pet hars. Zij is amorph, week, doorschijnend, donker-geelbruin van kleur en oplosbaar in spiritus, aether en chloroform. Zij reageert zuur, bevat hoogstens 0.8 pet. uinbd-liferon en levert, met kali gesmolten, resoreine.

20. ongeveer 20 pet. gom.

30. ongeveer 6—7 pet. vluchtige olie. Zij is kleurloos of lichtgeel, heeft den reuk van Galbanum en is zwavelvrij.

40. ongeveer 2—10 pet. asch en ongeveer 1 — S pet. water.

-ocr page 382-

364

Afkomst.

Galbanuni is het aan de lucht hard geworden sap, dat vrijwillig- vloeit uit de stengels, vooral nabij hunnen voet en dien dei-bladen, van sommige nog weinig bekende F e r u 1 a-soorten uit Noord- en Zuid-Perzic, zeer waarschijnlijk van Ferula gal-ban i f 1 u a B o i s s. et B u h s e en Ferula rubricaulis Boiss., behoorende tot de familie der Umbelliferae. Men verzamelt zoowel de afzonderlijke korrels, die zich in de oksels dei-bladen en der schermstralen langs den stengel, als de tot klompen in elkander geloopen korrels, die zich aan den voet der plant afscheiden. Het wordt in Rusland over Astrakan en Orenburg-{Perzisch), uit Klein-Azië te Triest en Marseille {Levantsch), doch tegenwoordig meerendeels uit Bombay en den Levant te Londen aangevoerd en van daar tot ons gebracht.

De zuivering en bewaring van Galbanum geschiedt op dezelfde wijze als die, voor ,, Ammoniacum quot; vermeld.

Eigenschappen. Afzonderlijke of samengekleefde korrels {G. in granis s. lacrymis), geelachtig of roodachtig-geel of eenigszins groen-achtig-bruin van kleur, bij het doorbreken van binnen witachtig, doch zich aan de lucht spoedig geelachtig kleurende, of grootere, onregelmatige, groenachtig-bruine of gele massa\'s (6quot;. in massiss. placentis). Bij verwarming worden zij spoedig week en kleverig, door koude brozer. Reuk zeer aromatisch; smaak scherp bitter.

Met water gewreven, wordt de melkwitte vloeistof met natronloog of ammonia blauw iluoresceerend. Beter gelukt deze proef, wanneer men Galbanum met verdunden spiritus schudt, dezen affiltreert en bij dit lïltraat een spoor ammonia voegt. Met chloor-waterstofzuur overgoten wordt dit na eenigen tijd schoon roodgekleurd. Giet men hierbij onder verwarming tot 60° allengs alcohol, dan wordt de vloeistof voorbijgaand donkerviolet gekleurd (aanwezigheid van mnbelliferon •).

Onderzoek.

1°. Zeer donkerkleurig of verontreinigd Galbaimm moet ver-worpen zvorden. Slaat op het gebruik van te oud en daardoor verkleurd en weinig riekend Galbanum. Ook mogen er niet te veel plantendeelen, zand, steentjes, enz. in aan -getroffen worden.

») Zie bij «Ammoniacum» en «Asa foelida

-ocr page 383-

365

G A L L A E.

G A L N O T E N.

Uitwassen, door den steek van het Vliesvleugelig Insect, C y n i p s G a 11 a e tinctoriae O 1 i v. gelieeten, op jonge takken van Q u e r c u s infectoria O 1 i v. ontstaan.

Bolrond of peervormig, somwijlen kort-gestaart, meest 2 centimeter dik, naar boven spits-bultig, naar onder, als zij doorboord zijn, van een 3 millimeter wijde opening voorzien, zwaar, lichter of donkerder paarsch of olijfgroen, inwendig hard, vast, bruin, naar het midden lichter van kleur.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1 0. 60—-70 pet. looizuur 1 )•

20. 3 pet. galluszuur 1).

30. 2 pet. ellagzuur \').

Voorts 3 pet. suiker, 2 pet. zetmeel, gom, hars en 1 —2 pet. a s e h.

Afkomst. Uitwassen, door den steek van het Vliesvleugelig Inseet, C y n i p s G a 11 a e tinctoriae O 1 i v. (G a 1 w e s p) geheeten, op jonge takken van Q u e r c u s infectoria O 1 i v., een heesterachtigen eik uit Klein-Azië, ontstaan. Het wijfje doorboort met hare legboor de jonge twijgen en knoppen, teneinde in de daardoor ontstane holten hare eieren te leggen. Tevens ontlast het zich daarbij van een scherp vocht, onder welks invloed uit de verwonding een uitwas ontstaat, dat met de zich uit het ei ontwikkelende larve en later met de daaruit ontstane pop mede-groeit, Dikwijls sterft het inseet af; in het tegenovergestelde geval boort het, wanneer het volwassen is, met de bovenkaken een kanaal naar buiten om daardoor te ontvluchten.

In beide gevallen houdt met het verdwijnen van het levende insect de groei van de galnoot op. Oorspronkelijk is zij dan week, sappig en groen gekleurd, doch langzamerhand wordt zij hard, terwijl hare kleur verandert, om ten slotte geheel in te drogen. Men verzamelt ze in Augustus of September, liefst, wanneer zij nog niet doorboord zijn. Zij zijn dan donkerder van kleur, dichter en zwaarder dan de licht gekleurde doorboorde, die wel grooter, doch minder dicht en zwaar zijn en daardoor minder waarde

1

) Zie bij «Tanninum ».

-ocr page 384-

362

bolvormige zaaddoozen, mogen deze dus van beide variëteiten gebruikt worden. Zij worden elders uiterlijk in Juli in onrijpen staat verzameld, wanneer zij het rijkst aan melksap zijn, d. i. wanneer zij iets meer dan de helft van den omvang hebben bereikt, dien zij in rijpen staat zouden bezitten en de door berijping blauwachtig-groene kleur nog niet in eene lichtere, bleekgroene is overgegaan. Bij ons geschiedt de inzameling meestal begin Augustus. Na de inzameling worden zij eerst aan de lucht en daarna bij zachte warmte gedroogd, waardoor de narcotische reuk en de sterk bittere smaak grootendeels verloren gaan. Zij komen voorts, in risten van honderd stuks geregen, in den handel. Ten gebruike moeten zij van de zaden ontdaan worden.

FRUCTUS SAM BUG I REGENTES.

V E R S C H E VLIERVRUCHTEN.

De rijpe versche vruchten van Sambucus nigra L.

Eivormige steenvruchten, 5 tot 7 millimeterlang, paarsch-zwartachtig, glanzend, met de kelktanden en de litteekentjes der stempels gekroond. Het saprijk, purperkleurig vruchtvleesch omvat 3, zeldzamer 2, kleine, bruine steenkernen. Reuk eigenaardig, onaangenaam; smaak bitter-zuur-achtig-zoet.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

appelzuur, wijnsteenzuur, sporen vluchtige vetzuren en vluchtige olie.

Voorts suiker, looizuur, bitterstof, gom, hars, was, eiwit en minerale stoffen.

De zaden bevatten eene groene vette olie.

Afkomst.

De vruchten van Sambucus nigra L. (Gewone Vlier), een heester of lagen boom, behoorende tot de familie der C a p r i-foliaceae, die bijna door geheel Europa in \'t wild voorkomt en bij ons te lande, hetzij als sierplant voor hagen, hetzij voor geneeskrachtig doel, wordt gekweekt. Zij worden in September in rijpen staat geplukt, gereinigd en nog versch tot gelei verwerkt.

-ocr page 385-

363

Onderzoek.

Niet gebruikt mogen worden de steenvruchten van:

1lt;). Sambucus nigra L. var. virescens D e s f. Vruchten groen.

20. Sambucus Ebulus L. Vruchten kleiner, met duidelijker zichtbare kelktanden. Het vruchtvleesch omvat meestal vier aait weerszijden versmalde, licht-roodachtig-bruine steenkernen.

G A L B A N U M.

G A L B A N U M.

Het gomharshoudend sap van F e r u 1 a-soorten, zeer waarschijnlijk van Ferula galbaniflua B o i s s. et 15 u h s e en 1* e r u 1 a r u b r i c a u 1 i s B o i s s., uit de stengels gevloeid en in de lucht hard geworden.

Afzonderlijke of samengekleefde korrels, die geelachtig of roodachtig-geel of eenigszins groenachtig-bmin zijn en na het doorbreken van binnen niet lang witachtig blijven; of grootere, onregelmatige, groenachtig-bruine of gele massa\'s. Bij verwarming worden zij spoedig week en kleverig, door koude brozer. Reuk zeer aromatisch; smaak scherp-bitter.

Verdunde spiritus, met Galbanum geschud en gefiltreerd, fluoresceert fraai blauw, als er een zeer geringe hoeveelheid ammonia bij wordt gevoegd.

Zeer donkerkleurig of verontreinigd Galbanum moet verworpen worden.

Ten gebruike moet het boven ongebluschte kalk gedroogd of bij vriezend weder bros geworden Galbanum tot poeder gebracht en door middel eener zeef van vreemde lichamen gezuiverd worden.

Samenstelling.

i0. ongeveer 60 pet hars. Zij is amorph, week, doorschijnend, donker-geelbruin van kleur en oplosbaar in spiritus, aether en chloroform. Zij reageert zuur, bevat hoogstens 0.8 pet. umbel-liferon en levert, met kali gesmolten, resorcine.

20. ongeveer 20 pet. gom.

30. ongeveer 6—7 pet. vluchtige olie. Zij is kleurloos of lichtgeel, heeft den reuk van Galbanum en is zwavelvrij.

40. ongeveer 2—10 pet. asch en ongeveer 1^—5 Pct- water.

-ocr page 386-

364

Afkomst.

Galbanum is het aan de lucht hard geworden sap, dat vrijwillig vloeit uit de stengels, vooral nabij hunnen voet en dien der bladen , van sommige nog weinig bekende F e r u 1 a-soorten uit Noord- en Zuid-Perzië, zeer waarschijnlijk van Ferula gal-ban i f 1 u a B o i s s. et B u h s e en Ferula rubricaulis B o i s s., behoorende tot de familie der Umbelliferae. Men verzamelt zoowel de afzonderlijke korrels, die zich in de oksels dei-bladen en der schermstralen langs den stengel, als de tot klompen in elkander geloopen korrels, die zich aan den voet der plant afscheiden. Het wordt in Rusland over Astrakan en Orenburg {Perzisch), uit Klein-Azië te Triest en Marseille (Levanisch), doch tegenwoordig meerendeels uit Bombay en den Levant te Londen aangevoerd en van daar tot ons gebracht.

De zuivering en bewaring van Galbanum geschiedt op dezelfde wijze als die, voor „Ammoniacumquot; vermeld.

Eigenschappen. Afzonderlijke of samengekleefde korrels {G. in gravis s. lacrymis), geelachtig of roodachtig-geel of eenigszins groen-achtig-bruin van kleur, bij het doorbreken van binnen witachtig, doch zich aan de lucht spoedig geelachtig kleurende, of grootere, onregelmatige, groenachtig-bruine of gele massa\'s {G. in massiss. placentis). Hij verwarming worden zij spoedig week en kleverig, door koude brozer. Reuk zeer aromatisch; smaak scherp bitter.

Met water gewreven, wordt de melkwitte vloeistof met natronloog of ammonia blauw Huoresceerend. Beter gelukt deze proef, wanneer men Galbanum met verdunden spiritus schudt, dezen affiltreert en bij dit filtraat een spoor ammonia voegt. Met chloor-waterstofzuur overgoten wordt dit na eenigen tijd schoon rood gekleurd. Giet men hierbij onder verwarming tot 60° allengs alcohol, dan wordt de vloeistof voorbijgaand donkerviolet gekleurd (aanwezigheid van umbelliferon \').

Onderzoek.

10. Zeer donkerkleurig of verontreinigd Galbanum moet ver-worpen worden. Slaat op het gebruik van te oud en daardoor verkleurd en weinig riekend Galbanum. Ook mogen er niet te veel planten deelen, zand, steentjes, enz. in aan -getroffen worden.

*) Zie bij «Ammoniacum 4) en «Asa foetida».

-ocr page 387-

365

G A L L A E.

GALNOTEN.

Uitwassen, door den steek van het Vliesvleugelig Insect, C y n i p s G a 11 a e tinctoriae O 1 i v. geheeten, op jonge takken van Q u e r c u s infectoria Oliv. ontstaan.

Bolrond of peervormig, somwijlen kort-gestaart, meest 2 centimeter dik, naar boven spits-bultig, naar onder, als zij doorboord zijn, van een 3 millimeter wijde opening voorzien, zwaar, lichter of donkerder paarsch of olijfgroen, inwendig hard, vast, bruin, naar het midden lichter van kleur.

Samenstelling. 1 loofdbestanddeelen;

10. 60—70 pet. looizuur 1).

20. 3 pot. galluszuur 1).

3°. 2 pet. el lag zuur \').

Voorts 3 pet. suiker, 2 pet. zetmeel, gom, hars en 1 —2 pet. a s c h.

Afkomst. Uitwassen, door den steek van het Vliesvleugelig insect, C y 11 i p s G a 11 a e tinctoriae Oliv. (G a 1 w e s p) geheeten , op jonge takken van Q u e r c u s infectoria Oliv., een heesteraehtigen eik uit Klein-Azië, ontstaan. Het wijfje doorboort met hare legboor de jonge twijgen en knoppen, teneinde in de daardoor ontstane holten hare eieren te leggen. Tevens ontlast het zich daarbij van een scherp vocht, onder welks invloed uit de verwonding een uitwas ontstaat, dat met de zich uit het ei ontwikkelende larve en later met de daaruit ontstane pop mede-groeit. Dikwijls sterft het insect af; in het tegenovergestelde geval boort het, wanneer het volwassen is, met de bovenkaken een kanaal naar buiten om daardoor te ontvluchten.

In beide gevallen houdt met het verdwijnen van het levende insect de groei van de galnoot op. Oorspronkelijk is zij dan week, sappig en groen gekleurd, doch langzamerhand wordt zij hard, terwijl hare kleur verandert, om ten slotte geheel in te drogen. Men verzamelt ze in Augustus of September, liefst, wanneer zij nog niet doorboord zijn. Zij zijn dan donkerder van kleur, dichter en zwaarder dan de licht gekleurde doorboorde, die wel grooter, doch minder dicht en zwaar zijn en daardoor minder waarde

1

) Zie bij «Tanniuum ».

-ocr page 388-

366

hebben, d. w. z. minder looizuur bevatten. Na de inzameling worden-zij aan de lucht gedroogd.

Onderzoek.

i0. Uitwassen, door C y n i p s G a 11 a e tinctoriae O 1 i v. op O u e r c u s infectoria O 1 i v. ontstaan. Naar het insect en de plant, waarop dit leeft, onderscheidt men verschillende soorten van Galnoten.

De door de Ph. bedoelde, door genoemd insect op genoemden eik ontstaan, zijn de z g. Aziatische of O os terse he G., waartoe naar de plaats van uitvoer behooren de Aleppo-, Mosul-, Smyrna-, Tripoli- en Bassora Galnoten. De eerste hiervan staan bekend als de beste en worden door de Ph. bedoeld. De tweede herkent men aan hare als bestovene oppervlakte. De derde en vierde zijn grooter, lichter van kleur en meest doorboord. Men kent ook Galnoten uit andere wereldstreken, door andere C y n i p s-soorten op aldaar groeiende O u e r c u s-soorten ontstaan, bijv. E u r o-peescha, zooals Duitse he, Hongaarsche, Boheemsehe, Istrische, Franse he, Italiaan se he, Morea-GaXnoten, enz., alsmede A m e r i-kaansche en Afrikaanse h e. Voorts onderscheidt men nog Chineesche en JapanscheG., die echter niet door Cynips-, doch door Aphis {Bladluis^-sooxlfiw op AVww-takkeu {Rhus semialata en japonied) worden voortgebracht. Al deze soorten zijn van minder waarde en worden alleen wegens haar looizuur-gehalte in de techniek, met name tot looien of voor verf- en inktfabrikatie gebruikt. Zij onderscheiden zich in \'t algemeen, hetzij door haren grilligen vorm of door grootte, de met bobbels en punten bezette, zachtviltige oppervlakte en de grijsgele of bruine kleur. Ook zijn zij dikwijls niet zoo zwaar en hard, doordien hare wand dun en broos is, en zijn zij daardoor meer hol of sponzig en anders gekleurd van binnen.

-ocr page 389-

36.7

GLANDULAE L U P U L I.

H O P K L I E R E N.

LU P U L I N U M.

Dc klieren van de versch gedroogde bellen van H u m u 1 u s L u p u 1 u s L.

lien grofkorrelig, ongelijk, bruin-geelachtig poeder, met een aroma-tischen, licht verdoovenden reuk en een aromatisch-bitteren smaak. Sterk gewreven, vormt het eene kneedbare massa.

Hopklieren moeten zoo veel mogelijk van vreemde lichamen gezuiverd zijn , en mogen , na verbrand te zijn , niet meer dan 20 pet. asch achterlaten.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°, (Jjy pot. hop bitter, Cl0H46O10, eene amorphe, geelwitte, in water bijna onoplosbare, in spiritus gemakkelijk oplosbare bitterstof.

2°. 1—2 pet. eener, den geur veroorzakende, bitter smakende vluchtige olie van 0.91 soort. gevv., die door verharsing haren reuk verliest en waarvan naast koolwaterstoffen het voornaamste bestanddeel is valerol, C|0H18O, dat door oxydatie langzamerhand in valeriaanzuur overgaat

Voorts was {inyricy l-palmitaat), harsen, 3 pet. suiker en 7—10 pet. asch.

Afkomst. Lupuline zijn de klieren der samengestelde vruchten, hopbellen of hop kegels, van H u m u I u s L u p u 1 u s L., eene slingerplant, behoorende tot de familie der Cannabineae, die door geheel Europa en ook bij ons in \'t wild wordt gevonden. Men verzamelt ze echter in verschillende landen in den regel van de planten, die ten dienste van de bierbrouwerijen op hopvelden worden gekweekt; deze hopbellen nl. zijn grooter en daardoor rijker aan klieren dan de in \'t wild verzamelde. Alle deelen der kegels, zoowel het onderste gedeelte der buitenste als dat der binnenste schutblaadjes, het meest echter de buitenvlakte van het de vrucht omhullend meegegroeid bloemdek benevens de vruchten zelve en hare steeltjes, zijn met glanzende, goudgele klieren bezet. In den nazomer worden de bellen afgeknipt en op luchtige zolders op horden, ook wel, wat echter minder verkieslijk is voor het behoud van geur en kleur, voorzichtig boven een zacht vuur gedroogd. Ten einde de hopklieren te verzamelen, worden de groote en kleine schutbladen afgeplukt, op een zeef van de losge-

-ocr page 390-

368

laten klieren door schudden bevrijd, waarna men de blaadjes zacht wrijft, om ze van de nog aanhangende klieren te bevrijden en deze door eene nieuwe zifting te verzamelen. Eene zeer primitieve en ruwe wijze van inzameling is die, waarop men ze verkrijgt, door de zolders, waarop de kegels gedroogd zijn en waarbij een gedeelte der klieren is afgevallen, eenvoudig op te vegen.

Onderzoek.

1°. Een bruin-geelachtig poeder, met een aromatisehen reuk. Oorspronkelijk is Lupuline groengeel, later goud-of oranjekleurig, waarbij de aromatische, licht verdoovende reuk langzamerhand valeriaanachtig wordt Lupuline, die door ouderdom als anderszins geheel bruin geworden is en daarbij min of meer naar valeriaanzuur riekt, moet verworpen worden. Lupuline worde daarom in goed gesloten vaatwerk tegen licht en lucht en niet te lang bewaard.

2°. Hop klier en moeten boo veel mogelijk van vreemde lichamen gezuiverd zijn, en mogen, na verbrand te zijn, niet meer dan 20 pet. asch achterlaten. Lupuline kan verontreinigd zijn met allerlei stofdeelen, meestal fragmenten van plantaardigen oorsprong, gewoonlijk ook met eene kleinere of grootere hoeveelheid zand. Men kan deze verontreiniging ontdekken, door het poeder op water uit te strooien; het blijft hierop lang stil liggen, terwijl de meeste verontreinigingen door hare meerdere zwaarte bezinken. Goede Lupuline laat 7—10 pCt. asch achter, zoodat de Ph. eene vrij groote verontreiniging met zand of andere anorganische stoffen toelaat. Ook is een enkele maal eene vervalsching met ijzeroxyde voorgekomen.

GLYCERINU M.

GLYCERINE.

Een heldere, stroopachtige, kleur- en reuklooze, zoet smakende vloeistof, van 1.230—1.250 soort, gew., die, in de lucht verhit, ontvlamt en verbrandt, zonder verkoold te worden of iets achter te la.ten.

Glycerine is oplosbaar in water en in sterken spiritus, onoplosbaar in aether, in chloroform en in vette oliën.

-ocr page 391-

369

Glycerine geve, met 5 deelen water verdund, een heldere en neutrale vloeistof, die niet gekleurd of troebel wordt door zwavelwaterstof, door zwavelammonium, door baryumchloride, door zilvernitraat of door am-moniumoxalaat.

Glycerine mag, met natronloog verwarmd, geen reuk van ammoniak ontwikkelen of gekleurd worden.

2 cM\'. Glycerine moet, met een gelijk volumen zwavelzuur vermengd, kleurloos en nagenoeg reukloos blijven.

Als 2 cM3. Glycerine met 2 cM3. water en 2 cM3. chloorwaterstofzuur onderzocht wordt op de wijze als bij Acidum hydrochloricum is opgegeven, dan mag de vlek van zilvernitraat (1=2) zelfs na 15 minuten niet gekleurd worden.

Samenstelling. C-\'H3 ; (OH)3

Glycerine is een drievvaardige alcohol, die afgeleid kan worden van propane, C3II8, de derde koolwaterstof uit de vetzurenreeks ^). Wordt in één der koolwaterstof-groepen één atoom éénwaardige waterstof vervangen door een eveneens éénwaardige hydroxyl-, (OH), groei), ^111 ontstaat een alcohol. Daar propane drie zulke koolwaterstof-groepen bevat, kunnen zich ook drie alcoholen daaruit vormen. Is in alle drie deze groepen één atoom waterstof door de hydroxyl-groep vervangen, dan ontstaat glycerine. CH3 (JH2.OH CH3 CH\'.OH CH\'.OH CH\'.OH

CH2 CH1 of CH. OH CH» of CH. OH CH. OH CH3 CH3 CH3 CH2.OH CH3 CH\'.OH

propane primaire secundaire primaire secundaire glycerine

of of propylglycol of

propylalcohol wopropylalcohol Mopropylglycol

De Glycerine der Pharmacopee bevat 7—15 pet. water. Bereiding.

Glycerine wordt fabriekmatig bereid door ontleding van vetstoffen door z.g. verzeeping. De vetstoffen of vetten zijn, evenals de vette oliën, samengestelde aethers of esters van verschillende zuren met glycerine als alcohol 2). Bij deze verzeeping nu scheiden zich, onder opname van water, de zuren van den alcohol. C3H3(Ci«H3K02)3 3 H20 = C3H5(OH)3 3 CWO2

glyceryl-stearaat (stearine) water glycerine stearinezuur

Zij geschiedt door behandeling der vetstoffen met een base, kalk,

\') Zie bij «Acidum aceticum», blz. 11.

1) Zie bij «Adeps suillus», blz. 51 en «Emplastram oxydi plumbici», biz. 25S.

24

-ocr page 392-

37°

of met een zuur, zwavelzuur, of eenvoudig niet water in den vorm van stoom. De verschillende grondstoffen voor de verzeeping zijn: 1°. runder- en schapentalk, het vet, dat zich in den omtrek der nieren afzet, bestaande uit stearine en palmitine met zeer weinig oleïne; 2°. palmolie of palmboter, een plantenvet, verkregen uit het vleezig gedeelte der vrucht van verschillende palmen, bestaande uit palmitine en oleïne; 30. uit de kokos- of klapperolie, verkregen door uitpersing der kokosnoten, bestaande uit de glycerine-esters van vele vetzuren, van capronzuur af tot palmi-tinezuur toe.

:[0. De ontleding der vetten door kalk geschiedt met behulp van tot op 1800 verhitten stoom, waardoor het vetzuur zich met den kalk verbindt tot onoplosbaar kalkzout onder afscheiding van glycerine. Overmaat kalk wordt door oxaalzuur of zwavelzuur neergeslagen en de zeer verdunde glycerine ingedampt.

2°. Bij de ontleding der vetten door zwavelzuur worden deze daarmede verhit. Het zwavelzuur verbindt zich met het vetzuur tot sulfozuur en met de glycerine tot glycerine-zwavelzuur. Beide worden door toevoeging van kokend water ontleed; het vetzuur, dat bij bekoeling stolt, het zwavelzuur, dat door baryum- of cal-cium-carbonaat wordt neergeslagen, en de waterige glycerine scheiden zich af. De laatste, gedeeltelijk door het zwavelzuur ontleed, wordt door indamping geconcentreerd.

30. Bij de ontleding der vetten door oververhitten stoom wordt het vet bij ongeveer 300° eenvoudig ontleed in vetzuur en glycerine. Beide destilleeren over, waarna het vetzuur, dat bij bekoeling stolt, wordt verwijderd en de waterige glycerine ingedampt. Deze methode wordt tegenwoordig het meest toegepast; zij levert trouwens de meeste en zuiverste glycerine.

De aldus verkregen vloeistof is de „ruwe glycerinequot;, die min of meer gekleurd is en behalve anorganische ook organische verontreinigingen , speciaal vrij vetzuur en vooral vluchtige zuren als capronzuur, boterzuur, enz. bevat. Voor technische doeleinden wordt zij eenvoudig door precipitatie en neutralisatie der verontreinigingen en ten slotte door ontkleuring met kool geraffineerd. Zuiverder echter wordt zij verkregen door herhaalde destillatie met behulp van gespannen waterdamp, waardoor bij 100° de vluchtige verontreinigingen en bij hooger temperatuur de zuivere glycerine overgaat, terwijl vaste stoffen terugblijven.

-ocr page 393-

37i

Eigenschappen. Een heldere, siroopachtige, kleur- en reuklooze, vluchtige, hygroscopische, zoetsmakende, neutrale vloeistof van 1.230—1.250 soort. gew., die, in de lucht verhit, ontvlamt en bij onvolkomen verbranding den walgelijken reuk van acroleïne verspreidt.

C3Hs(OH)3 — 2 HiO = C3II3(CH)

glycerine water acroleïne

Glycerine is oplosbaar in water en in sterken spiritus, onoplosbaar in aether, in chloroform en in vette oliën.

Onderzoek.

1°. Een kleur- en reuklooze vloeistof. Ruwe Glycerine is min of meer gekleurd en riekt onaangenaam.

2°. van 1.230—1.250 soort. gew. Slaat op het watergehalte, dat 15—7 pet. mag bedragen.

3°. die verbrandt, zonder verkoold te worden. Aanwezigheid van kool zou op suiker kunnen wijzen.

40. of iets achter te laten. Slaat op aanwezigheid van minerale stoffen.

5°. Glyeerine geve, met 5 deelen water verdund, een neutrale vloeistof. Afwezigheid van alkalische, bijv. kalk, of zure stoffen, bijv. zwavelzuur, oxaalzuur, boterzuur, enz.

6°. die niet gekleurd of troebel wordt door swavehvaterstof, door zzoavelatn moniunt. Afwezigheid van zware metalen, bijv. lood, koper, zink, ijzer, ook arsenik.

7°. door baryunichloride. Afwezigheid van zwavelzuur of sulfaat.

8°. door zilvernitraat. Afwezigheid van c h 1 o o r w a t e r s t o f -zuur, chloride of a r s e n i k.

9U. of door aninionininoxalaat. Afwezigheid van kalkzout. 10°. Glycerine mag, met natronloog verwarmd, geen reuk van ammoniak ontwikkelen. Afwezigheid van a m m o n i a k zout.

ii0. of gekleurd worden. Slaat op aanwezigheid van druive-suiker (glucose).

12°. 2 cM%. Glycerine moet, met een gelijk volumen zwavelzuur vermengd, kleurloos blijven. Slaat op aanwezigheid van suiker en v r ij e vetzuren.

130. cn nagenoeg reukloos. Slaat op verontreiniging met vluchtige vetzuren als capronzuur, boterzuur, enz, 14°. Als 2 cl\\P. Glycerine niet 2 clP. water en 2 cM*. chloor-

-ocr page 394-

372

waterstof zuur onderzocht wordt op de wijze als bij Acidiuu hydro-chloricum is opgegeven, dan mag de vlek van zilvernitraat (1=2) zelfs na 15 minuten niet gekleurd worden. Reactie op a r s e 11 i k. Zie bij „Acidum hydrochloricum

GLYCERINUM CUM AMYLO.

GLYCERINE MET ZETMEEL.

U N G U E N T U M G L Y C E R 1 N I.

N. Aardappelzetmeel acht dealen..........8

Glycerine twee en negentig deelen........92

Vermeng ze en verwarm het mengsel, al roerend, totdat er een doorschijnende massa gevormd is.

Bereiding, De bereiding heeft ten doel, om de bij verwarming opgezwollen zetmeelkorrels met de glycerine eene homogene, zalfachtige massa te doen vormen. Men mengt daartoe het zetmeel eerst met de glycerine af, totdat zich geen klontjes meer ver-toonen en verwarmt vervolgens, al roerend, voorzichtig op het vrije vuur, zoodat zich het zetmeel niet op den bodem afzet.

GLYCERINUM GUM TRAGAGANTMA.

G L Y C E R INE-TRAGACAN T .

N. Poeder van Tragacant tien deelen........10

Glycerine negentig deelen...........90

Meng ze en laat het mengsel 24 uur staan.

Bereiding. De bereiding heeft ten doel, om de Tragacant in de Glycerine te doen zwellen, zoodat zich na eenigen tijd eene dikke, geleiachtige, kleverige massa gevormd heeft, die als con-stituens voor pillenmassa\'s kan dienen.

De bereiding geschiede zonder aanwending van warmte.

-ocr page 395-

373

G O S S Y PI U M DEP U R A T U M.

GEZUIVERDE 15 O O M W O L.

W A T T E N.

De gezuiverde zaadharen van verschillende soorten van (lossy pium L.

Gezuiverde Boomwol moet wit, reukloos, geheel van vet bevrijd zijn, geen vreemde lichamen bevatten en in warm water terstond zinken, lie-vochtigd lakmoespapier mag er niet door veranderd worden.

Samenstelling.

Watten bestaan, uitgezonderd een spoor asch (hoogstens 0.3 pet.), geheel uit cellulose, het oorspronkelijke, georganiseerde bestanddeel van den plantencelwand, een koolhydraat, C(;H10O:: \').

Bereiding. Watten zijn de gezuiverde zaadharen van verschillende soorten van Gossypium L., zooals G. arboreum, barbadense, herbaceum, hirsutum, religiosum L., enz,, behoorende tot de familie der Malvaceae, die in de tropische streken voorkomen en aldaar om de zaadharen gekweekt worden. De grootste hoeveelheid der ruwe boomwol komt tegenwoordig van uit Noord-Amerika tot ons. Zij wordt ook bij ons in fabrieken tot watten verwerkt. Hiertoe worden eerst met daarvoor ingerichte werktuigen de haren van de zaden gescheiden, van aanhangend stof en andere verontreinigingen bevrijd, uitgeplozen, vervolgens tot dunne vellen geplet en ten slotte gekaard, d. w. z. de haren in onderling evenwijdige richting gebracht.

Voor geneeskundig doel moeten deze watten van het van nature-aanhangend vet en van de bij de machinale bewerking daarvoor gebezigde vette olie gezuiverd worden. Men kan ze daartoe in benzine weeken en daarmede uittrekken, na korten tijd uitpersen en ten slotte drogen. Gewoonlijk reinigt men ze, door ze in eene verdunde oplossing van natronloog of natriumcarbonaat gedurende eenige uren te koken, daarna uit tc wasschen en uit te drukken, en eenigen tijd in eene chloorkalkoplossing te weeken. Van hier uit worden de watten terstond in een zwavelzuürbad gebracht, om daardoor geheel gebleekt te worden. Zoo noodig wordt deze blee-

\') Zie bij « Amylum Solani», bh. 67.

-ocr page 396-

374

king herhaald, waarna zij goed worden uitgewasschen en geperst. Eindelijk nog worden zij met zeep afgewasschen, wederom uitgeperst en, na gedroogd te zijn, ten slotte gekaard. Soms worden zij daarna nog licht gezwaveld, om geelkleuring bij bewaring te voorkomen.

Eigenschappen. Ue gezuiverde zaadharen bestaan uit 2—6 centimeter lange, lintvormige, holle cellen, aan de uiteinden spits of afgerond, in \'t midden het breedst, hier en daar kurketrekker-achtig gedraaid, kleur- en reukloos, hygroscopisch, brandbaar; soort. jew. 1.470—1.500.

Door joodoplossing worden zij geel tot bruin gekleurd, welke kleur door toevoeging van zwavelzuur in blauw verandert (amylo\'ld-reactie \'). In eene versch bereide oplossing van koperoxyde in ammonia 2) worden zij onder teruglating van de opperhuid geheel opgelost (reactie op cellulose).

Onderzoek.

i(\'. Gezuiverde Boomwol moet 10it zijn. Door lang liggen wordt zij somtijds ietwat geelachtig gekleurd. Ruwe boomwol is geelachtig gekleurd.

2°. reukloos. Zij mag niet rieken naar benzine of chloor,

30. geheel van vet bevrijd zijn. Men kan zich hiervan overtuigen door een weinig watten met aether uit te trekken en dezen te laten verdampen. Meer dan sporen residu (hoogstens mag dit o. 15 pet. bedragen) wijst op vet of op vetzuur. Het laatste hangt de Watten dikwerf aan, doordien men bij de zuivering na de was-sching met zeep terstond hierop nog een zwavelzuur-bad laat volgen; het uit de zeep vrijgemaakt vetzuur blijft dan aan de haren gehecht. Deze verontreiniging herkent men bovendien daaraan, dat de Watten bij het drukken knersen.

4°, geen vreemde lichamen bevatten. Anorganische verontreinigingen door eene niet zorgvuldige zuivering, of middelen als. natriumchloride (keukenzout), — s u 1 f a a t (Glauberzout), — silicaat (waterglas), enz., welke aangewend zijn om Watten zwaarder te maken, kan men in de asch terugvinden of met water of

\') In onderscheid met a m y 1 u m. Zie blz. 68.

Reagens van S w e i z e r. Versch geprecipiteerd Cu (OH)1 uit eene oplossing van Cu 10quot; (10=100) met KHO-oplossing (5 = 50) wordt na uitwasschen en een weinig drogen opgelost in zoo weinig mogelijk (ongeveer 20) sterke ammonia van 20 pet.

-ocr page 397-

375

verdund chloonvaterstofzuur uittrekken. De hoeveelheid asch mag niet meer dan 0.3 pet. bedragen. Ruwe boomwol levert ongeveer 1.8 pet. asch.

5°. en in warm water terstond zinken. Voor deze proef neemt men eene te voren sterk samengedrukte prop, om er de lucht uit te drijven. Daar Watten zwaarder zijn dan water, moeten zij terstond zinken; doen zij dit niet, dan zijn zij niet volledig ontvet.

6°. Bevochtigd lakmoespapier mag er niet door veranderd wor-den. Eene zure reactie kan ontstaan door c h 1 o o r w a t e r s t o f-zuur, zwaveligzuur \') of zwavelzuur (het laatste doet de Watten langzamerhand verteeren); eene alkalische reactie door kali- of natronloog, — carbonaat of kalk.

GOSSYPIUM CUM CHLORETO FERRIC O.

B L O E D S T E ETENDE WATTEN.

GOSSYPIUM STY P T I C U M.

N. Gezuiverde Boomwol vijf en zeventig dealen.....75

Spreid ze uit en besprenkel ze gelijkmatig met een mengsel van

1?errichlorideoplossing zestig deelen........öo

Sterken Spiritus vijf en zeventig deelen......75

Druk ze in een stopfiesch zacht samen; neem ze na eenige dagen, als zij gelijkmatig gekleurd zijn, er uit en droog ze bij ten hoogste 40°, totdat het gewicht

honderd deelen...............100

bedrage.

De kleur zij donkergeel.

Bloedstelpende Watten moeten nagenoeg 25 pet. watervrij Ferrichloride bevatten.

Bereiding. Wegens de moeilijkheid van eene gelijkmatige bespren-

1) Zwaveligzuur kan herkend worden, door het waterig uittreksel met zwavelzuur en zink te behandelen, waardoor zich zwavel waterstofgas vormt, dat een met lood-acetaat gedrenkt stuk t\'dtreerpapier (methode als bij «Acidum hydrochloricum*, blz. 28) zwart kleurt.

-ocr page 398-

37ö

keling en daardoor kleuring der watten, wat eerst na vele dagen geschiedt, geven wij er de voorkeur aan, meer spiritus (1 = 5) te bezigen en de watten met het spiritueuse mengsel volkomen te drenken en herhaaldelijk te persen.

De droging der Watten moet daarna bij zoo laag mogelijke temperatuur, hoogstens 40°, en , onder voortdurend uitpluizen, voorzichtig plaats hebben, ten einde ontleding van het ferrichloride te voorkomen.

Zij worden in geelgekleurd glaswerk tegen den invloed van het licht en vocht, wegens hare hygroscopiciteit, afgeleverd.

Onderzoek.

1°. I)c kleur .-jij donkergeel. Slaat op bovengenoemde ontleding, waardoor de kleur der Watten door vorming van ferrioxychloride en ferrioxyde ongelijkmatig lichter of donkerder bruin zou worden.

2°. Bloedstelpende Watten moeten nagenoeg 25 pet. watervrij Ferrichloride bevatten. Voor 100 dln. Watten worden gebruikt 60 dln. Ferrichlorideoplossing, bevattende X öo = 45 dln. ferrichloride (Fe2 Cl0 12 H2 O = 541) ofX 45 = 27 dln. ongeveer watervrij ferrichloride (Fe4 Clquot; = 325).

Ten einde het gehalte te bepalen, worden 2 Grm. Watten met zoo weinig mogelijk warm water, onder toevoeging van een paar droppels verdund chloorwaterstofzuur, volledig uitgetrokken, de verkregen oplossing tot 25 cM3. uitgedampt en warm gefiltreerd, hierbij terstond 10 cM3. chloorwaterstofzuur en daarna 10 cM3. kalium-jodideoplossing (1 = 10) gevoegd en met Volumetrisch Thiosulfaat ontkleurd. Daar 325 dln. watervrij ferrichloride correspondeeren met 496 dln. thiosulfaat \'), zal 0.5 Grm. watervrij ferrichloride, vervat in 2 Grm. Watten van 25 pet., correspondeeren met0.763 Grm. thiosulfaat, vervat in ongeveer 30.8 cM3. Volumetrisch Vocht.

GOSSYPIUM CUM CHLORETO HYDRARGYRI C O.

SUBLIMAAT \\V A T T E N.

N. Gezuiverde Boomwol drie honderd negen en zeventig

deelen..................379

\') Zie bij «Chloretum ferricum et chloretum ammonicum», blz. 183.

-ocr page 399-

377

Spreid ze uit en besprenkel ze gelijkmatig met een oplossing van

Mercnrichloride één deel.....1...... i

Vloeibare Var af fine twintig deelen........20

in

Aether vierhonderd deelen...........400

Druk ze in een stopflesch zacht samen en laat ze eenige dagen staan.

Het gewicht dezer aldus toebereide boomwol moet, nadat de aether vervluchtigd is, bedragen

vierhonderd deelen..............4°°

100 deelen moeten 0.25 deel Mercurichloride bevatten.

Bereiding, Evenals bij „Gossypium cum Chloreto ferricoquot; geven wij cr ook hier en bij de volgende soorten van Watten de voorkeur aan, de hoeveelheid aether te vergrooten 1), waardoor bij besprenkeling of drenking en herhaalde persing eene meer gelijkmatige verdeeling van het geneesmiddel wordt verkregen.

De paraffine dient, evenals bij de volgende soorten, om het antisepticum op de watten te bevestigen \'); hier tevens om de bijtende inwerking van het Sublimaat tegen te gaan en daardoor reductie tot mercurochloride te voorkomen 2).

Men droge de Watten ten slotte zoo spoedig mogelijk buiten den invloed van het licht en wikkele ze in paraffine- en daarna in perkamentpapier.

Onderzoek.

iquot;. 100 deelen moeten 0.25 deel Mercurichloride bevatten. Het gehalte aan Sublimaat kan minder zijn door verlies tijdens de droging en verdere behandeling of door ongelijkmatige ver-

1

Vignon neemt aan, dat Watten het kwik vastleggen als Hg O onder vrijwording van II Cl (Hg Cl2 -f- II2 O = Hg O 2 11 Cl), dat de cellulose, onder oxydatie tot oxycellulose, het kwikoxyde gedeeltelijk reduceert en, bij gelijktijdige aanwezigheid van Hg Cl1, calomel doet ontstaan (Hg Cl2 -|-Mg O = Hg1 Cl2 O), waardoor het verminderen van het gehalte aan Sublimaat in de Watten bij ligging wordt verklaard.

-ocr page 400-

378

deeling, hoofdzakelijk echter door reductie van het mercuri- tot mercurochloride tijdens de bewaring.

Het gehalte kan bepaald worden door uittrekking van het Sublimaat met water onder toevoeging van eenig natriumchloride, omzetting door een ferro-zout in mercurochloride, vorming van een dubbelzout door toevoeging van joodkalium-houdende jodiumop-

6 Hg Cl2 6 Fe (OH)2= 3 Hg2 Cl2 2 Fe2 (O H)« -f Fe2 Cl6

mercuri- ferrohydroxyde mercuro- ferrihydroxyde ferri-

chloride chloride chloride

Hg2 Cl2 6 KI 4- 2 I = 2 (Hg I2 , 2 KI) -f 2 K Cl

mercuro- kalium jodium kaliummercuri- kaliumchloride

chloride jodide jodide

lossing en titratie van de overmaat vrij jodium door thiosul-faatoplossing. 20 Grm. Watten worden daartoe met 0.5 Grm. natriumchloride en 250 Grm. water van 50° uitgetrokken onder herhaald omschudden en de vloeistof na bekoeling en zorgvuldige verwijdering der luchtblaasjes tot een liter aangevuld en omgeschud. Hiervan wordt de helft, 493 cM3. (d. i. 500 cM3.—/cM3., de ruimte die 10 Grm. Watten inneemt), afgefiltreerd, met 0.2 Grm. ferrosulfaat en daarna met natronloog tot zwak alkalische reactie vermengd en de overmaat uit het ferrohydroxyde door oxydatie ontstane ferrihydroxyde door verdund zwavelzuur tot zwak zure reactie opgelost. Bij deze, door tevens gevormd mercurochloride troebele vloeistof wordt nu zooveel Volumetrisch Jood gevoegd, dat er eenig jodium in overmaat is, hetwelk door Volumetrisch Thiosulfaat wordt bepaald. Door het aantal cM3. toegevoegd Volumetrisch Jood, verminderd met dat van het Volumetrisch Thiosulfaat, voor het terugtitreeren verbruikt, te vermenigvuldigen met 0.00271, verkrijgt men de hoeveelheid Sublimaat in 10 Grm. der Watten. \')

\') Eene andere methode berust op de ontleding van zwavelkwik door jodium. Hg S 2 I 2 KI = (Hg I, , 2 KI) S

mercuri- jodium kalium* kaliummercuri- zwavel sulfide jodide jodide

20 Grm. Watten worden, vast aangedrukt, gepercoleerd met 150 cM3. warme natrium-chloride-oplossing (1%) en in het percolaat, na toevoeging van een weinigchloorwater-stofzuur, het kwik door zwavelwaterstofgas geprecipiteerd. Daarna tot koken verhit, wordt de vloeistof door een propje zuivere watten gefiltreerd. Het precipitaat wordt met warm water uitgewasschen, met de watten in een stopüeschje gedaan, hierbij 10 cM3. Volumetrisch Jood gevoegd en eenige cM3. zwavelkoolstof, teneinde gevormden zwavel op te lossen, benevens een weinig stijfsel-oplossing en het fleschje daarna eenige malen

-ocr page 401-

379

GOSSYPIUM CUM JODIO.

JOODWATTEN.

N. Gezuiverde Boomwol, vooraf gedroogd, negentig leelen 90

Doe ze in een stopflescli en verwarm deze, ongesloten, tot 8o0; leg daarna op de boomwol

Jodium tien deelen..............10

in filtreerpapier gewikkeld. Sluit de flesch en zet de verwarming bij dezelfde temperatuur voort totdat de boomwol een gelijkmatig bruine kleur heeft aangenomen en het jood geheel vervluchtigd is,

100 deelen moeten 10 deelen Jood bevatten.

Bereiding. Voor eene goede opname van het Jodium is het noodig dat de watten volkomen droog zijn. Toch levert ook dan nog de bereiding volgens het voorschrift moeilijkheid op. Bij de aangegeven of eene lagere temperatuur al. nemen de watten zeer moeilijk al het jodium op en blijft een gedeelte in het filtreerpapier terug of kristalliseert bij afkoeling aan de wanden en stop der flesch uit. Bij eene hoogere dan de aangegeven temperatuur verteeren bovendien de watten dikwijls, zoodat zij tusschen de vingers tot poeder te wrijven zijn. Eene gelijkmatige kleuring der watten door het jodium, vooral in het midden der flesch, laat daarenboven dikwijls veel te wenschen over ■).

Zij worden in flesschen van geelgekleurd glas bewaard en afgeleverd.

Hink omgesclmd. De overmaat jodium wordt vervolgens door Volumetrisch-Tlüosulfaat teruggetitreerd. liet verbruikte aantal cM-1. Jood-oplossing, met 5Xa0 1355 vermenigvuldigd., geeft het procentisch gehalte der Watten aan (methode Denner-Schmidt).

Wil men de bruikbaarheid van Sublimaatwatten, wat het gehalte betreft, zeer spoedig weten, dan trekke men ongeveer 5 Grm. uit met ongeveer 100 cM3. water, dat eenig natriuir.chloride bevat, (iltreerl en voegt zwavelwaterstof of zwavelammonium toe. Neemt men alsdan eene duidelijke bruine kleur waar, dan kan het gehalte aan Sublimaat nog voldoende geacht worden.

\') Middelen, ter verbetering van het voorschrift aanbevolen bestaan hierin, dat men het jodium niet in filtreerpapier wikkele , doch op een horlogeglas of fijngewreven op verschillende plaatsen in filtreerpapier tusschen de uitgeplozen watten inligge.

Volgens MÉHU worden de watten, om ze geschikt te maken jodium op te nemen, eerst gedurende eenige minuten met natriumcarbonaat-oplossing (2 %) behandeld, daarna uitgeperst en afgewasschen, vervolgens een half uur lang in eene oplossing van calciumchloride (4 %) gebracht, daarop zoolang uitgewasschen, tot hetwaschwaterniet meer alkalisch reageert en ten slotte met chloorwaterstofzuur-houdend water (5 %) gedurende een kwartier behandeld , uitgewasschen en goed gedroogd.

-ocr page 402-

38O

Onderzoek.

1°. ioo deelen moeten 10 deden Jood bevatten. Het Jodium-gehalte kan bepaald worden door 2 Grm. der Watten, die dus 0.2 Grm. Jodium moeten bevatten, volledig uit te trekken met eene oplossing van 1 Grm. kaliumjodide in 50 cMs. water\') en het Jodium hierin, na toevoeging van cenige droppels chloonvater-stofzuur, met Volumetrisch Thiosulfaat tot ontkleuring te titreeren. Volumetrisch Jood bevat 12,7 Grm. Jood op 1000 cM3.; 0.2 Grm. zijn dus vervat in 15.7 cM3., die door evenzooveel cM3. Volumetrisch Thiosulfaat worden ontkleurd.

GOSSYPIUM CUM JODOFORMO.

J O D O F O R M W A T T E N.

N. Gezuiverde lioomwol negentig deelen.......90

Spreid ze uit en besprenkel ze gelijkmatig met een oplossing van

Jodoform.................. 5

Vloeibare Paraffine, van elk vijf deelen......5

in

Aether negentig deelen............go

Druk ze in een stopflesch zacht samen en laat ze staan totdat de boomwol gelijkmatig geel gekleurd is.

Na de vervluchtiging van den aether, bedrage het gewicht

honderd deelen...............100

die vijf deelen Jodoform moeten bevatten.

Bereiding. Zie bij „Sublimaatwattenquot;. Zij worden in stanniol en perkamentpapier gewikkeld.

Onderzoek.

1°. die 5 deelen Jodoform moeten bevatten. Ter bepaling van het gehalte worden 2 Grm. der fijn verdeelde Watten met aether gedeplaceerd en, na verdamping van den aether, het verkregen onzuivere jodoform op een waterbad eerst zacht, later tot op 100° gedigereerd met 10 cM3. eener 20 pet. zilvernitraat-oplossing.

\') Ook llt;an men de Watten in kaliloog oplossen en door toevoeging van zwavelzuur het jodium wederom afscheiden of met eene bekende hoeveelheid Thiosulfaat-oplossing deplaceeren en na verder uitwasschen de overmaat hiervan met Jood-oplossing terugtitreeren.

-ocr page 403-

38i

CHI1 3 Ag NO3 -f H20 = 3 Ag I 3 HNO3 -j- CO

jodoform zilvernitraat water zilverjodide salpeter kool-

394 705 zuur monoxyde

Na ophouding van alle gasontwikkeling wordt de vloeistof met water verdund en na bezinking het gevormde zilverjodide afgefil-treerd, bij 1000 gedroogd en gewogen. Daar 394 dln. Jodoform 705 dln. zilverjodide leveren, zullen 2 Grm. 5 pet.-Watten, dus 0.1 Gnn. Jodoform houdende, 0.18 Grm, zilverjodide moeten leveren, terwijl overigens het gewicht van het zilverjodide, met 0,559 vermenigvuldigd, de hoeveelheid jodoform aangeeft (methode G r e s-h o f f 3).

GOSSYPIUM CUM PHENOL O.

CARBOL W A T T E N.

N. Gezuiverde Boomwol drie en negentig deelen .... 93 Spreid ze uit en besprenkel ze gelijkmatig met een oplossing van

Phenol twee deelen............. 2

Vloeibare Paraffine vijf deelen......... 5

in

Aether honderd deelen............100

Druk ze in een stopflesch zacht samen, en laat ze staan totdat de boomwol gelijkmatig doortrokken is.

1

Men voegt daartoe bijv. bij 25 cM3. der vloeistof, na zuurmaking met zuiver, sal-peterigzuurvrij salpeterzuur . eene bekende hoeveelheid overmaat Decimaal-volumetriscli Zilver, waardoor het jodium als zilverjodide precipiteert, en titreert de overmaat Zilver terug, door, na toevoeging van een weinig ferrisulfaat (1 = 20), sulfocyaan (rhodaan)-ammonium-oplossing (ongeveer 8 = 1000), die vooraf op de Zilver-oplossing is gesteld, te laten toevloeien. Zoodra al het overmatige zilvernitraat als sulfocyaanzilver is neergeslagen, zal een droppel der rhodaanammonium-oplossing met het ferri-zout eene bloedroode verkleuring van rhodaanijzer geven. ! cM3. Decimaal-volumetrisch Zilver staat gelijk met 13.13 m Grm. Jodoform (methode Ifondius Boldingh).

2

De kolf wordt na bekoeling weder tot 100 cM3. aangevuld en het jodium-gehalte daarin verder bepaald als boven of volgens de maatanalytische methode V o 1 h a r d.

3

) Volgens eene andere methode worden 4 Grm. der Watten in een Soxhlet-apparaat of in een kolf van 100 cM3. inhoud op het waterbad gedigereerd met eene voldoende hoeveelheid spiritueuse (50 cM3.) kali-oplossing [10 cM3. (50%)], waardoor, bij een half uur koken onder gebruik van een terugvloeikoeler, het jodium als kalium-jodide wordt opgelost.

CHI3 4 KHO = H. COOK 3 KI 2 Hnj

jodoform kalium- kalium- kalium- water

hydroxyde formiaat jodide

-ocr page 404-

382

Na de vervluchtiging van den aether bedrage het gewicht

honderd dealen...............xoo

die 2 deelen Phenol moeten bevatten.

Bereiding. Zie bij „Sublimaatwattenquot;. Zij worden in stanniol en perkamentpapier gewikkeld.

Onderzoek.

1°. die 2 deden Phenol moeten bevatten. De Phenol-bepaling berust op de vorming van tribroomphenol, wanneer bij phenol eene broom-oplossing in overmaat wordt gevoegd. Als broom-op-lossing gebruikt men broomwater of, gelijk meestal, eene oplossing

C0HS. OH 6 Br = C(IH1 Br3. OH 3 H Br

phenol broom tribroomphenol broomwaterstofzuur

94 480

van bromide en bromaat, die door toevoeging van een zuur broom levert.

5 Na Br -f Na Br O3 IP SO4 = 6 Br 3 Na2 SO4 3 H20

natrium- natrium- zwavelzuur broom natrium- water

bromide bromaat sulfaat

515 ISgt; 4«°

De overmaat toegevoegd broom wordt bepaald door toevoeging eener kaliumjodide-oplossing, waardoor eene aan broom evenredige hoeveelheid jood vrij wordt, die door thiosulfaat tot ontkleuring wordt bepaald. Uit de aldus verkregen hoeveelheid verbruikt broom kan ten slotte de hoeveelheid phenol berekend worden.

4 Grm. der Watten worden met 200 cM3. water volkomen 1) uitgetrokken. Deze bevatten hoogstens 0.08 Grm. phenol, die

- X 0-0^ = 0.41 Grm. broom tot tribroomphenol kunnen

binden. Hierbij voegt men in een goed gesloten flesch 100 cM3. eener oplossing van 5.15 Grm. droog natriumbromideen 1.5 1 Grm. natriumbromaat in 1000 cM3. water en 5 cM3. verdund zwavelzuur en laat gedurende een kwartier inwerken. Deze 100 cM3. bromidc-bromaatoplossing leveren 0.48 Grm. broom, zoodat er na de afscheiding van het onoplosbare tribroomphenol 0.48—0.41 = 0.07 Grm. broom hoogstens ongebonden in oplossing blijven. De juiste hoeveelheid berekent men door toevoeging van 15 cM3. eener kaliumjodide-oplossing (1 = 10), waardoor eene aan de hoeveelheid

\') Kenbaar aan de reactie met ferrichloride. Zie «l\'henolum».

-ocr page 405-

3^3

broom evenredige hoeveelheid jood vrij komt, die door Volumc-trisch Tliiosulfaat wordt bepaald. Daar 12.7 Grm. Jodium corres-pondeeren met 24.8 Grm. tliiosulfaat \') en 12.7 Grm. Jodium met 8.0 Grm. broom, correspondeeren ook 8.0 Grm. broom met

24.8 Grm. tliiosulfaat en 0.07 Grm. broom dus met \' X 0-07

8.0

= 0.217 Grm. tliiosulfaat, die vervat zijn in 8.7 cM3. Volume-trisch Tliiosulfaat. Bij een gehalte van 2 pet. Phenol der Watten zullen dus 8.7 cM3. Volum: Tliiosulfaat ter ontkleuring noodig zijn.

G R A N U L A.

GRANULE N.

Elke Granule moet, zoo geen andere verhouding is voorgeschreven, 1 mG. van het te gebruiken geneesmiddel bevatten en ten hoogste 50 mG. wegen.

Granulen worden bereid door 1 deel van het fijn gewreven geneesmiddel te mengen met

Poeder van Melksuiker dertig deelen.......30

Poeder van Arabische Gom vijftien deelen.....15

Eenvoudige Siroop, zooveel als noodig is voor een geschikte massa.

Rol de Granulen, na ze met poeder (1!. 40) van Melksuiker bestrooid te hebben, totdat zij glad zijn.

Bereiding, Deze artsenijvorm dient om kleine hoeveelheden van sterk werkende geneesmiddelen, zooals narcotische extracten, alkaloïdzouten, enz,, in eenen zoo klein en zoo smakelijk mogelijken pillenvorm te brengen. Voor de bereiding wordt het geneesmiddel in zoo weinig mogelijk, eenige droppels water, alcohol of aether opgelost of, bij onoplosbaarheid daarin, met een paar droppels water uiterst fijn afgewreven en verdeeld en zorgvuldig niet het voorgeschreven poedermengsel, dat vooraf ook zoo fijn mogelijk gewreven moet zijn, en de noodige hoeveelheid eenvoudigestrooj) tot een witte pillenmassa gemaakt. Op een z.g. granulenplankje, een pillenplank met nauwe sleuven, wordt zij, onder inachtneming van de grootst mogelijke zindelijkheid, zoodat de witte kleur on-

\') Zie Lijst vaa Volumetrische Vloeistoffen.

-ocr page 406-

384

besmet blijve, met een weinig Melksuiker, om het aankleven te voorkomen, uitgerold en op de bekende wijze tot kleine pillen, granulen, afgesneden. Deze worden dan met poeder van Melksuiker bestrooid en in een pillenroller geschud, totdat zij glad zijn.

GUMMI ARABIC UM.

ARABISCHE GOM.

Het gomhoudend sap van Acacia Senegal Willd., uit stammen en takken gevloeid en in de lucht hard geworden.

Meer of minder afgeronde, wit- of geelachtige stukken van verschillende grootte, die uitwendig dof en gespleten, op de breukkleinschelpig zijn en zich in eenigszins iridiseerende splinters, glanzig als g\'ias, laten breken. Zij rieken niet en smaken flauw.

Zij moeten in hun dubbel gewicht aan water tot een helder, bijna kleurloos en geheel reukloos slijm oplossen, dat door sterken spiritus geprecipiteerd wordt en , met oplossingen van koolzure alkaliën gemengd, een nêerslag geeft. Zeer verdunde oplossingen worden niet door een oplossing van loodacetaat, maar wel door een oplossing van basisch lood-acetaat geprecipiteerd.

Samenstelling.

Een mengsel van verschillende zouten van arabinezuur, hoofdzakelijk een zuur c a 1 c i u m-zout benevens geringere hoeveelheden kalium- en magnesium-zouten daarvan.

Afkomst. Arabische Gom wordt in verschillende landstreken, vooral van Oost- en West-Afrika, gewonnen van onderscheidene A c a c i a-soorten, kleine boomen , behoorende tot de familie der M i m o s a c e a e. Zij is een chemisch desorganisatie-product der bastcelwanden en vloeit van zelf uit spleten in stam en takken naar buiten, waar zij aan de lucht opdroogt tot grootere of kleinere klompen en korrels. Men hakt of steekt deze af, om ze naar verschillende havens te verzenden, van waar ze naar Europa verscheept worden.

De bij ons meest gebruikelijke en door de Pharmacopee voorgeschreven Arabische Gom is afkomstig van Acacia Senegal Willd., een A c a c i a-soort, die gevonden won.. in enkele streken van Üost-Afrika, vooral in Kordofan en in Senegambië langs

-ocr page 407-

3^5

de Senegal aan de kust van West-Afrika, waarschijnlijk ook wel in de daartusschen gelegen onbekende binnenlanden.

De Kordofan-Gom, die als de beste geldt, werd vroeger over Arabische havens verzonden en droeg daarom meer uitsluitend den naam van „ Arabische Gom Door politieke verwikkelingen echter is de inzameling daarvan tegenwoordig zoo goed als geheel gestaakt. Overigens wordt zij over Kaïro naar Triest verzonden.

Meest gebruikelijk is daarom tegenwoordig de SfUfgai-Gom , die naar Marseille wordt verzonden, om aldaar gezuiverd en gesorteerd te worden. Chemisch onderscheidt zij zich niet van de Kordofan-Gom, terwijl zij physisch alleen daarvan verschilt, doordien zij dikwerf minder rond, meer eirond of langwerpig, vaak ietwat roodachtig van kleur en minder gespleten is 1).

Bij het tot poeder brengen van Arabische Gom moet dit geschieden zonder voorafgaande droging of na droging bij niet te hooge temperatuur, hoogstens 30°, daar door te hooge temperatuur het arabinezuur overgaat in eenen onoplosbaren, isomeeren vorm, het inetarabinezuur, waardoor de Gom onoplosbaar in water zou worden.

Eigenschappen. Meer of minder afgeronde, wit- of geelachtige stukken van verschillende grootte, die droog, hard, uitwendig dof en gespleten, op de breuk kleinschelpig zijn en zich in eenigszins iridiseerende splinters, glanzig als glas, laten breken. Zij rieken niet en smaken flauw en zijn in water oplosbaar tot een helder, bijna kleurloos, geheel reukloos, zuur reageerend slijm, dat door sterken spiritus, oplossingen van koolzure alkaliën, borax, ferri-chloride, basisch loodacetaat, niet echter door neutraal loodacetaat wordt geprecipiteerd. Door joodoplossing wordt zij bruinachtig, niet blauw gekleurd, ook niet na toevoeging van zuur. Op eene alkalische koperoxyde-oplossing (Fehling\'s procfvocht) werkt zij niet reduceerend.

Onderzoek.

1°. Het gomhoudend sap van Acacia Senegal W i 1 d d. De Ph. verlangt dus de Afrikaansche Kor dof au of Senegal-Gom.

De verschillende Afrikaansche Gomsoorten kunnen verdeeld worden in :

\') i-ie blz. 38Ö.

25

-ocr page 408-

386

A. Oost-Afrikaanse he.

a. Kordofan-Gom. van Acacia Senegal W i 11 d. Bolronde of langiverpig-ronde, kleur loo ze stukken, ter grootte van eene noot, sterk gespleten, op de breuk glasachtig. De beste soort.

b. Gezireh {Dschesire of Jcsiri^-Gom, waarschijnlijk van dezelfde Acacia-soort uit het noorden van Kordofan. Zij heeft veel overeenkomst met Kor do fan-Gom, doch bestaat uit kleine, glasachtige, kleur loose of ietivat geelachtige korrels. Zij is evenals deze tegenwoordig zeldzaam.

c. Sennaar-Gom. Acacia soort onbekend. Ronde, lichtgele stukken, die er goed uitzien en als even goed gelden als de Kor do fan-Gom.

d. Socakin (Talha of Talca)-Gom van Acacia stenocarpa Hochst. en Acacia fistula Schweinf. Kleine, meestal bruin of donker-roodbruin gekleurde korrels, gedeeltelijk als grof poeder, door het bersten der grootere stukken ontstaan. Eene slechte soort, verontreinigd en slechts gedeeltelijk oplosbaar in water.

e. Gedda (Jedda, Djiddah, Berberisché)-Gom. Waarschijnlijk van Acacia stenocarpa Hochst. Als de Soeakin-Gom, doch niet zoo poedervormig. Overigens kleine, donker gekleurde korrels, sterk verontreinigd, slechts gedeeltelijk oplosbaar in water en met een onaangenamen smaak.

B. Noord-Afrikaan sc he.

Mogador {Marokkaansehe of Barbarysche)-Gom. Waarschijnlijk afkomstig van Acacia arabica Willd. Wormvormige, licht-dofbruine stukken van middelmatige grootte, aan de oppervlakte gebersten, inwendig glasachtig, oplosbaar in water.

C. West-Afrikaansche,

Senegal-Gom van Acacia Senegal Willd. Bolronde, eivormige of onregelmatig langwerpige, wonnswijs gebogen, geel-tot roodachtige stukken, vrij groot, zveinig gespleten, waarvan men, gesorteerd, weder verschillende soorten onderscheidt, als: a. Gomms du bas du fleuvc, b. Go mme dn haut du fleuve of Galant-Gom, c. Go mme friable of Salabreda-Gom, enz., terwijl zij naar de kleur weder, gesorteerd, onderscheiden wordt als Gomme blanche, blonde, petite blonde, enz.

Voorts onderscheidt men o. a. nog de volgende gom-soorten uit andere wereldstreken, welke echter tot de mindere behooren en daarom ook tot geene andere dan tot technische doeleinden mogen gebezigd worden.

-ocr page 409-

387

D. Zuid-Afrikaanse h e.

Kaap sc he Gom van Acacia horrida Willd. Grootere,

knolvormige of kleinere, hoekige stukken, geel tot barnsteenbruin, met schorsfragmentèn, enz. verontreinigd en moeilijk en niet geheel oplosbaar in water.

E. Indische.

Deze wordt uit Bombay naar Londen verscheept. Zij bestaat voor een klein deel uit gom, in Britsch-Indiö van Acacia a r a-b i c a W. gewonnen {Ghatti of Dhauri Gom), doch voor \'t grootste gedeelte uit Oost-Afrikaansche gomsoorten , afkomstig van verschillende A c a c i a-soorten (Ainrad-Gom). Lichtbruine of roodachtige stukken van verschillende grootte, soms zoo groot als een ei) glasachtig doorschijnendv oplosbaar in water.

F. Australische van Acacia p y c n a n t h a B e n i h., bruinachtig, met weinig spleten, A. decurrens Willd. en homalophylla C u n n., knolvormige, barnstecngele tot roodbruine stukken, beide helder oplosbaar in water.

G. [Amerikaanse lie van A n a c a r d i u m occidentale L. {Kaju-Gom), Acacia A n g i c o Mart. {Para-Gom) en P r o s o p i s d u l c i s (Mc:: qui te- G om).

2°. Meer of minder afgeronde, wit- of geelachtige stukken van verschillende grootte, die uitwendig dof en gespleten, op de breuk kleinschelpig zijn en zich in eenigszins iridiseerende splinters, glanzig als glas, laten breken. Eigenschappen der Senega 1-Gom ter herkenning en onderscheiding van andere hierboven beschreven gomsoorten. Volkomen kleurloosheid, eene glasachtige doorschijnendheid, groote hardheid nevens gemakkelijkheid om zich tot splinters te laten breken, behooren tot de eigenschappen eener beste gomsoort.

30. Zij moeten in hun dubbel gewicht aan water tot een helder, bijna kleurloos en geheel reukloos slijm oplossen. Slaat eveneens op de deugdelijkheid der gomsoort, vooral wat betreft hare gemakkelijke en volkomene oplosbaarheid. Voorts op vervalsching met gomsoorten van sommige ooftboomen, zooals kersen-, pr ui-me n-gom en andere, die slechts gedeeltelijk in water oplosbaar zijn door haar gehalte aan metarabinezuur, of met gomsoorten, zooals B a s s o r a-gom van Acacia leucophloea Berth., K u t e e r a-gom en andere, die in water niet oplossen, doch slechts opzwellen. Eindelijk op afwezigheid van vreemde, onoplosbare bij-mengselen als z a d e n en v r u c h t e n van vreemde gewassen of stukjes schors en hout der Acacia-heesters zelve.

-ocr page 410-

\\ - 0

388

4°. dat, met oplossingen van koolzure alkaliën gemengd, een neerslag geeft. Slaat op vervalsching met d e x t r i n é, die daardoor niet wordt geprecipiteerd.

50. Zeer verdunde oplossingen zuorden niet door een oplossing van loodacetaat geprecipiteerd. Slaat op vervalsching met andere gomsoorten, zooals bijv. G h a 11 i-gom en alle s 1 ij m-gomsoorten, zooals van Althaeawortel, Lijnzaad, Peenen en Beetwortels, para-rabinehoudende Agar-Agar, enz,, welke men getracht heeft kunstmatig te fabriceeren.

6°. maar ivel door een oplossing van basisch loodacetaat. Slaat op vervalsching met dextrine, ook met kersen-, pruimen-, p e r z i k e ngom en andere dergelijke, die daardoor niet worden neergeslagen.

-ocr page 411-
-ocr page 412-
-ocr page 413-
-ocr page 414-