-ocr page 1-
-ocr page 2-

v. -v., « • . . , . ■ . j »• •} • gt; \\ \' • v.- - . : • • » v \' gt;«- ■ . • • ■ - / v i : • « • * C- •

tv\'.-\'--xV-\'-v\',-■ vt\'v \'V • .\'-wt»\'ii v-\'-v. vw-\'-v-. -v av1\'1 kv-\'-\'V\'.

5\'Ï lt;•#* jtëwï*

tr- -v\'\' ■\'-\'gt;\'gt;lt; v Vr-. \'-x- •■lt;■■\'■•■•1 ■■ .\' n.^-ny h

t-v\'•••gt;?\'} ,■\'••.■-■ ^ •\' •. 1 •.»-» r ■, •\' o gt; c - •\'\'• •.*•■gt; r ■ 1\' \' ■ •gt; quot;i , iquot; ^ 1 i. ■ x\'t *• v

amp;f| ^ ■ x c^sP^ flquot;

■ v.Wv\'Vrl5w*,gt;?•*., A * Lffio •• tóf?1, - ..«..vjV.\'Y*.,L\'\',v^Jr.t J SM;.r.\'v.

las\' i «ft lt;■ lt;E ,•*■ ,,^r • ■! ■ ■••.;, Mfi\' ,•■: ...^ «-h lt; je V^\' Pw\'Ï W J*J\' -w ■ . f\'r* Vvlgt;\'^

I. .-vV .. V \'^ L- ■•.V .. V/--. 1-r ; .aV .. quot;Viquot;- -.■ - •-. ■ -. v-» v ,\'•■ : . vV - V ■ quot; -v\',\'■ ■» ^ W A* _• ■ ■ „

I

l\'f 1 .f i Viquot; » * \' v v* v ^ ^ J iv^ \' ^/ \'i^ ^ i J ^ quot;f L i ^ *quot;/\' ^ J \'V/quot; i i J L\'i

tw.;-.xv^* : *vlt;^ 135^*^^61 lamp;SWcquot;,

ll .v lt; vis gt;, •• ,■■ : ■« • * . , -quot;, • ■ \' ■■ i gt;T. • • ■« t t y - ■■\' \' » a{quot; / 4\'. .lt; . .»;• v ■«•V ► • , ■ .\'-\'•.t\'\' •\'!

/iyr - yr\'vj •\'gt;quot;■ \'V^Vyr-M vVr \\j.iV-

I .squot;gt; • r.u \' ^ quot;) - r x \'•- • W 2 ■■• \') • p- h . v. *\'r * s.1 a... •; ✓ . f h -v -Sv- „v ^t- rv, gt; „v.- quot;VA .

I-\';• .T^v-v^v.-vV\'.-?gt;\'\'\'.c;lt;• ••■\'.^v. .V-.;3TCi VV.JT ■;•»■ \'

|\' ^ ^s- quot;•\' ^ \'J\' gt; -j ij; it\' •ï-;.^. j;C -.V gt; •■}■• t \' -r- \' •;.i; *# * V^J1

Bk.»- •• T MV(X^\\ - --^x \' \'.gt;0 ^ \'v\' \'ï • ■ -O k i * \' •. V •% V • • f ■• x\' \'• gt; \' 1 \' \' \' gt;•»\' lt;■.-••.\'• I ■ (• Kgt;A3^j

X^-Vz-v \'i- i \'• VfN\'^\'i kv fv tv ,quot;\'V* \'\'■■ Vr \\ ïff v\'y quot;!-VVt*-V\'-Jj ; C • Wf •\'

-Avv\'-»:-» \'■■cs •■ • •lt;:\'-• •-•;lt;A-vvgt;\'hd-\'■lt;■■:*•-,\'■ s;v»vgt; .\'.tv -vlt;iv. - ö» J

,: $i .v . ..j,,\' $■ 7m% \' ■••• ;-.i.:t gt;-j-. -yjm ■:■lt;. \'•gt;*- gt; ■\';,•■ ^•:gt;, ^,», \' quot;iquot;,\' ♦!

lt; 1.1 lt; fti /■, x , a (•»,gt;■ i .lt;•, k\'n \'■ y, \' f . ^ 1 r \\ , -. \', \\ ! quot;..x*) f \\ , ».? ^ ,\'. .\'X\'gt; \'C *■* *. L-\'X^ , f H ■ gt;

a 1 ^, A: a^ ^\'HV-gt;\' 0 1\' v^v ^ ■\'v^ quot; ^;v?;;;,;u.;quot;■-•■ ■: ;\'-y:;lt;; ;i-Kv: -■:--\';vA.I•Xv:.:^:;. ;vl\'

.•,•■gt;«\'.x-J.....-C V gt;;\'x .gt; . quot; gt; ■C.quot;gt;, - i i quot;. gt;■ ■ ^ ,*\'/ v a ■ V quot; S\' \'J * iquot; \'/X\' \'

gt; • : -■ tv\'.j »\' * m uAw\' • ■ \'•■ ..; quot;l •• \'a \\• \' •• ■-■■•..\' lt;! •quot; S \'-\' - quot; \'-\' \'- ■:■\' lt; quot;* \'n U\'.\'. ■ gt; ■ •\'gt;, quot; X Vquot;v-gt; ■ quot; ^11 ■ \'.\'i. quot;

\'xy —

./K-XV\'

quot;• \' •? \'quot;iquot; 5 \' • ;

,U \'■\'-.v?\'

.; ,*.? fc;;. ■» • C \'■ ;.i c-. i •\'• j ;

Ugt;;-Xr-

i gt;»

, ^4V»\',v;;

: v\'0 c;v

-ocr page 3-
-ocr page 4-

1

h

ï:

i

\'V i

u

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

DE GENEESMIDDELEN

DER

MDERLANDSCHE PHARMACOPEE.

-ocr page 8-

v ■ • «;

RUKSUNIVERSITEJ UTRECHT

O

9055

-ocr page 9-

BIBIL10TLHfc^nul\'KI flIVUCEUTlSCH LABORATOtiUM

rilHESINGEL 60, UTtECHT

DE GENEESN

DER

D

n n

HEDERLANDSCHE PllAfflACO

DERDE UITGAVE

VOOR

Apothekers, (ieiieeskiindigen on 8tii(leoroii(leii

Bl\'AVERKT DOOR

K. VERLAAN,

Militair Apotheker der 1ste Klasse.

■»\';—t—l\'-g-

JOH. YKEMA. —

\'s-Graveniiage. —

1898.

-ocr page 10-

ZUID-HOLLAXUSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ, \'S-GRAVEMIAGE.

-ocr page 11-

HE RB A AGONITI

V E R S C H ACONITUMKRUI D.

Het opwaarts groeiend gedeelte, in verschen staat, van Aconitum N a p e 11 u s L., in ons vaderland gekweekt en ingezameld kort vóórdat de bloemen zich openen.

Stengel rechtstandig, stijf, zelden bovenwaarts een weinig vertakt. Bladen onbehaard, gesteeld; bladstelen gootvonnig, 2 tot 8 centimeter lang; bladschijven 5 tot 10 centimeter lang en breed, op de bovenvlakte glanzend, donkergroen, op de ondervlakte dof, bleeker, handvormig-in-gesneden, met 5, zeldzamer 7 hoofdinsnijdingen, die dubbel-of driewerf-vinspletig zijn, met lancet- of lijn-lancetvormige, ongeveer 4 millimeter breede slippen, die soms eenige zaagtanden dragen. Reuk der bladen, bij het wrijven, onaangenaam; smaak eenigszins bitter, later aanhoudend scherp en brandend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. aconitine, een alkaloïde, C33H43NOl2 (Wright), kleurlooze, zeer giftige kristallen, die bij 1930—194° smelten, zeer moeilijk oplosbaar zijn in water, gemakkelijk oplosbaar in alcohol, aether, chloroform en benzol, weinig oplosbaar in petroleumaether , niet bitter, doch scherp en eigenaardig, aanhoudend tintelend en brandend van smaak, kleurloos oplosbaar in zwavelzuur, salpeterzuur en phosphorzuur, het laatste ook na voorzichtige indamping \').

REGENS.

26

-ocr page 12-

390

2°. aconietzuur, CeH0O(i — [C3H3(COOH)3], gebonden aan kalk, een driebasisch zuur, kristallijn, bij ongeveer 1860 smeltende, gemakkelijk oplosbaar in water, alcohol en aether.

Voorts looizuur, suiker, minerale stoffen, enz.

Afkomst. Met Aconitumkruid der Ph. is het boven den grond groeiende gedeelte van Aconitum Napellus L., het geheele kruid dus, ontdaan van de twee onderaardsche stengelknollen en, daar ook deze in den tekst der Ph. niet beschreven worden, van de nog niet geopende bloemtrossen. De plant behoort tot de familie der R a n u n c u 1 a c e a e en komt in zeer vele verscheidenheden meest in gematigde, bergachtige streken van Noord- en Midden-

C31IIquot;i\\0quot; II »0 = O Ml3 quot;NO10 ClfO1

aconitino water pioro-aconitino bonzoëzuur

C5li30X01quot; -i- ll»0 = C2fcH37N010 -f GH3.0H

picro-aconitino water napellino methyl-alcohol

C,4I13,j\\0,u ll20 = G»M1-quot;N0° CMhO1

napollino wafcer aconine azijnzuur

De amorphe Aconitine v:iii den handel nu, zooals sommige Duilsche en I\'ransche soorten, uit de knollen van A. N a p e 11 u s L. bereid, bestaan uit oen wisselend mengsel van eigenlijke aconitine en een of\' tneei- van bovengenoemde amorphe, alkaloïdach-tige lichamen. liehalve verlies aan kristalvorm veroorzaken deze tevens den bitteren smaak, vooral bij aanwezigheid van picro-aconitine; voorts eeiie belangrijke verlaging van hot smeltpunt (tot 184°) en eene andere verhouding tegenover zwavelzuur en phos-phorzuur. In het eerste lost zulk Aconitine met eene gele kleur op, die langzamerhand, in \'2—4 uur, in geelrood en eindelijk door roodbruin en bruin in violetrood overgaat, terwijl zij, met 1 —\'2 cM3. phosphorzuur op het waterbad ingedampt, min of meer violet wordt gekleurd.

Engelscke Aconitine en wel die, welke bereid wordt uit de knollen van A. l\'erox, beslaat hoofdzakelijk uit het zuivere alkaloïde pseudo-aconitine, G3»I1quot;0N011-1-1110, benevens wisselende hoeveelheden van basische, alkaloïdachtige stoffen, op gelijke wijze daaru\'t ontstaan en analoog aan die als voor aconitine zijn vermeld. Zij toont veel overeenkomst met bovengenoemde Aconitine-soorten, doch onderscheidt zich daarvan, doordien zij niet bitter smaakt en zich met zwavelzuur en phosphorzuur niet kleurt, evenmin als zuivere aconitino on pseudo-aconitine. Eene kleine hoeveelheid, met ennige droppels rookend salpeterzuur op het waterbad ingedampt, levert een geel residu, dat hij bevochtiging mot spiritueuse kali-oplossing fraai purperrood wordt gekleurd. Met overmaat kalihydraat en weinig water saamgesmolten, levert het, na zuurmaking met chloorwaterstofzuur, protocatechmuur, dat zich mot ferrichloride blauwgroen kleurt, welke kleur door weinig natronloog in blauw en na verdere toevoeging daarvan in rood overgaat.

Aconitine, op overeenkomstige wijze behandeld, levert daarbij bonzoëzuur (zie boven en de ijzer-reactie daarop op hlz. 19). liet hosto reactief op aconitine is de physiologische proef, bijv. op kikvorschen; bij inspuiting van bijv. 1 mG. aconitine-nitraat in \'2 cM3. water staat de ademhaling plotseling geheel stil, treden sterke braakbewegingen op, treedt spoedig een kataleptische toestand on daarna verlamming op van de voorste extremiteiten en bij opening klopt hot hart onregelmatig, terwijl zich daarna z.g. wormvormige bewegingen van het hart vertoonon, dat ten slotte geheel stilstaat.

-ocr page 13-

39i

Europa in \'t wild voor. Behalve als sierplant om hare fraaie, blauwe bloemen wordt het kruid bij ons voor pharmaceutisch gebruik gekweekt. Alleen van dit laatste mag gebruik gemaakt worden, omdat, alhoewel de wilde plant voor werkzamer wordt gehouden dan de gekweekte, het gehalte aan werkzame stoffen bij het groot aantal verscheidenheden, der in \'t wild groeiende plant te zeer afwisselt, ja zelfs min of meer afhankelijk is van het klimaat en den bodem, waarop de plant groeit. Bij gekweekte exemplaren daarentegen heeft men den besten waarborg voor een meer gelijkmatig alkaloïde-gehalte en wordt eene mogelijke verwisseling met andere planten buitengesloten. De inzameling moet geschieden van Juni tot Augustus, kort vóórdat de bloemen zich openen, wijl men meent, dat de plant alsdan het werkzaamst is. Het kruid wordt in verschen staat ter extract-bereiding gebruikt.

Onderzoek.

A c o n i t u m N a p e 11 u s L. mag wegens onderscheid in werkzaamheid door het verschil in bestanddeelen o. a. niet verwisseld worden met:

i A c o n i t u m S t ö r c k i a n u m Reich. Hoofdinsnijdingen der bladschijven hreed-wigvormig met lancetvonnige slippen.

2°. Aconitum variegatum L. Bladschijven gewoonlijk lichter groen, op de bovenvlakte minder glanzend of dof, minder diep ingesneden, met spitsere, kortere en breedere, bijna ruitvormige hoofdinsnijdingen.

3°. Aconitum An thora L. Bladen met zeven hoofdinsnijdingen met uitgespreide, lijnvormige eindslippen.

4°. Aconitum Lycoctonum L. Bladschijven zae/itharig, gewimperd, handvormig-verdeeld met zuig-lancetvonnige slippen.

5°. Delphinium elatum L. Bladschijven zacht harig, handvormig-gespleten met ondiepe, ter nautvernood tot de helft der bladschijf reikende insnijdingen.

-ocr page 14-

392

HER BA BELLADONNAE REGENS.

V E R S C H BELLADONNAKRUID.

Het opwaarts groeiend gedeelte, in verschen staat, van Atropa Belladonna L., in ons vaderland gekweekt en gedurende het bloeien ingezameld.

Stengel sterk vertakt. Bladen der hoogere takken twee aan twee, van ongelijke grootte. Bloemen gesteeld, okselstandig, alleenstaand, knikkend, met een klokvormige bloemkroon.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen als bij Folia Bella-

d o n n a e \').

Afkomst. Het Belladonnakruid der Ph. is het opwaarts groeiend gedeelte van Atropa Belladonna L., gedurende het bloeien ingezameld, dus het kruid, boven den grond afgesneden, bestaande uit stengel, bladen en bloemen.

Omtrent afkomst, kweeking, inzameling, verwisseling met andere planten, enz. zie men bij Folia Be 11 a d o n n a e 1). Het kruid wordt in verschen staat ter extract-bereiding gebruikt.

HER BA CANNABIS INDICAE. I N D IS C H E - H E N N E P K R U I D.

Ue toppen der bloeiende takken van vrouwelijke exemplaren van C a n-nabis sativa L., in Noord-Indie gekweekt.

De bloeiwijzen, zooveel mogelijk van de groote bladen en takken ontdaan, meest in zekeren getale aaneengekleefd en platgedrukt, 2 tot 10 centimeter lang, vuil groenachtig. Schutbladen lancetvormig, ruw. Bloemen twee aan twee in de oksels der schutbladen, elk afzonderlijk door een schutblaadje gesteund, met een urnvormig, behaard, klierdragendbloem-dek. Reuk verdoovend; smaak onaangenaam bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

i0. ongeveer 0.3 pet. eener eigenaardig riekende vluchtige olie, volgens sommigen bestaande uit eene vloeibare, canna-been, C111H5 0, en eene kristalliseerende koolwaterstof, cannabcen-

\') Zie aldaar, blz. 331.

-ocr page 15-

393

waterstof, C18H; volgens anderen hoofdzakelijk uit een koolwaterstof, C,5H24, van 0.929 soort. gew. en bij ongeveer 2570 kokende.

2°. 6—7 pet. cannabine, een mengsel van harsen, lichtbruin van kleur, narcotisch van reuk en bitter van smaak.

3°. t et a n o-c a n n a b i n e (tetanine), een alkaloïde, in eigenschappen eenigen overeenkomst vertoonende met strychnine, naaldvormig-kristallijn, gemakkelijk oplosbaar in water en alcohol, moeilijker in aether en chloroform.

4°. can na bi nine, een vloeibaar, vluchtig alkaloïde, naar coniine riekende.

Voorts hennepzu u r , een kristallijn zuur , harszure n, looizuur, choline, minerale stoffen, enz.

Afkomst. Cannabis sat i va L., een kruid uit de familie der Urticaceae, behoort waarschijnlijk oorspronkelijk thuis in Voor-Indic. Zij wordt in de meeste landen van Europa, zoo ook bij ons, om hare spinbare bastvezels en de vette olie harer zaden verbouwd, niet om hare therapeutische waarde, die de bij ons gekweekte soort niet of slechts in zeer geringe mate bezit. Daartoe wordt zij in meer tropische landen , in Indië, 1\'erzië, Arabic en Afrika gekweekt, waar de plant, en vooral de vrouwelijke exemplaren, zich door hare rijke harsvorming, welke zij in kleine droppels op de bladen en takken uitzweet, onderscheidt. Deze hars wordt onder den naam van „Choeroesquot; of „Charasquot; door de Indiërs als bedwelmingsmiddel gebruikt, terwijl het kruid als zoodanig of een daaruit bereide stof, met tabak of opium vermengd, als „Haschischquot; of „Mo-lakquot; bij de Mohamedanen als bedwelmend genotmiddel dienst doet.

Als geneesmiddel wordt het kruid uit Noord-Indië naar Londen verzonden, en wel in twee soorten: i0. de geheele, tot op den grond afgesneden planten, gedroogd, zooveel mogelijk van de groote bladen en de takken ontdaan, met de aaneengekleefde bloeiwijzen, of wel alleen de afgesneden, bloeiende taktoppen , waarvan de bladen afgestroopt zijn, en welke dan, gedroogd, meest in zekeren getale aaneengekleefd en platgedrukt tot bundels ver-eenigd worden, G oen ja, Ganjah, ook Goeaza geheeten; en 2°. de in den bloeitijd afgestroopte, verbrokkelde bladen of wel de grof verbrokkelde, bloeiende taktoppen, vereenigd met fragmenten van bladen en stengels, Bhang, Siddhi of Scebjee geheeten. De laatste soort is minder harsrijk, de bloeiwijzen daardoor minder aaneengekleefd en de reuk zwakker. De beschrijving der Ph. komt met

-ocr page 16-

394

de eerste soort, de ,,Bengaalsche Ganjahquot;, die van uit Kalkutta tot ons komt en als de beste geldt, overeen.

Als kenmerk van deugdelijkheid der waar geldt, dat de reuk, vooral bij wrijving, goed waarneembaar, duidelijk en sterk zij.

HER RA CARD UI BENEDICT I.

GEZEGENDE- DIST E L KRUID.

Het opwaarts groeiend gedeelte vanCnicus benedictus Gaertn., op het punt van te bloeien ingezameld.

Stengel naar boven tuilvormig-vertakt, vlokkig. Bladen aan den voet des stengels lancetvormig, langgesteeld, vinspletig; hoogere langwerpig, korter gesteeld, vinlobbig; allerhoogste eirond, stengelomvattend, bijna gaaf; alle ongelijk-stekelig-getand. Smaak bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

ongeveer 0.2 pet. cnicine, C45H!;,1Ü1B, eene neutrale, reuk-looze bitterstof, wit-, doorschijnend-, zijdeglanzend-kristallijn, weinig oplosbaar in water en aether, beter in warm water, gemakkelijk in alcohol, met groene kleur in chloorwaterstofzuur, met bloed-roode in zwavelzuur oplosbaar, welke laatste kleur door toevoeging van weinig water in violet overgaat.

Voorts hars, slijm, gom, benevens veel kali u m-, ca lei urnen mag nesiumzouten van salpeter-, zwavel-, azijn-, zuring- en a p p e Izuur.

Afkomst. Het opwaarts groeiend gedeelte van Cnicus benedictus Gaertn., derhalve de geheele, vlokkig-behaarde stengel, boven den grond afgesneden, waaraan de onderste, lang-gesteelde, de hoogere, kortgesteelde en de hoogste, stengelomvat-tende, min of meer fijnharige bladen benevens de nog niet geopende, stekelige bloemkorfjes.

De plant behoort tot de familie der Compositae, is oorspronkelijk inheemsch in het Oosten (Perzie, Taurië, Syrïe) en heeft zich van daar uit in Zuid-Europa verspreid. Bij ons komt zij niet in \'t wild voor, doch wordt voor pharmaceutisch gebruik gekweekt. Men verzamelt het kruid van Juni tot Augustus op het punt, dat het zal gaan bloeien, als de bloemkorfjes ontluiken. De

-ocr page 17-

395

volwassen plantendeelen ziju dan het rijkst met sap gevuld, waarin de werkzame bestanddeelen; later worden de stengeldeelen langzamerhand hard, houterig en verdwijnen de sappen. Het kruid wordt eenvoudig in schuren onder de dakpannen gedroogd (5 = 1) , waarbij het den onaangenamen geur en zijr; kleverigheid verliest en eene grijsgroene kleur verkrijgt \').

Onderzoek.

C n i c u s b e 11 e d i c t u s G a e r t n. mag niet verwisseld worden met:

10. C i r s i u m oleraceum S c o p. Bladen aan de bovenzijde niet behaard of verspreid-zachtharig, niet stekelig-getand. Smaak niet bitter.

2°. Onopordon Acanthi um L. Bladen spinneivebhig-viltig, bochtig-uitgesneden, zeer doornig. Smaak wrang-, zontigAAttcr.

30. Silybum marianum G a e r t n. Bladen onbehaard, glanzend, witgevlekt, sterk gedoomd. Smaak eenigszins schcrp-zoutig.

H E R B A C E N T A U R11.

DUIZENDGULDENKRUID.

De bebladerde stengel en takken en de bloeiwijzen van E r y t h r a e a C e n t a u r i u m Per s., kort vóór het bloeien ingezameld.

Stengel benedenwaarts meestal onvertakt, hoekig, bovenwaarts tuilvormig-vertakt, 3 of meer decimeter lang en 2 of meer millimeter dik, evenals de takken en de bladen onbehaard. Bladen uiteenstaand, ongesteeld, kruis-wijs gezeten, langwerpig-ovaal of langwerpig, drie- of vijfnervig, gaaf-randig, de hoogste bijna lijnvormig. Bijschermen eindelingsch, gebundeld. Van het blijvend bloembekleedsel is de kelk buisvormig, vijfspletig, de bloemkroon trechtervormig, met vijfspletigen, rooskleurigen zoom, welks slippen ovaal en stomp zijn. Reukloos; smaak bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. eene niet nader bekende bitterstof, door sommigen eentaurine genoemd.

20. erythrocen taurine, C2 7 H210l!, kleu rlooze, reuk-

■) De bewaring der llorbae, alsmoiie van du Folia, gescliiedt in den regel het best in goed gesloten kisten, trommels ol\' bussen met dubbelen bodem, waarvan de bovenste geperforeerd is en waartusschen ongebluschte kalk kan worden aangebracht.

-ocr page 18-

396

looze, smaaklooze, neutrale kristallen, bij 136° smeltende, moeilijk oplosbaar in koud, gemakkelijk oplosbaar in warm water en spiritus, minder gemakkelijk in aether, zich aan het zonlicht spoedig rood kleurende en kleurloos oplosbaar in zwavelzuur.

Voorts een weinig hars, vluchtige olie, minerale stoffen, waarin voornamelijk calciumsulfaat, enz.

Afkomst. Erythraea Centaurium Pers., een kruid, behoorende tot de familie der Gentianaceae, komt door geheel Europa in \'t wild voor en wordt bij ons vooral van zandige, heideachtige gronden, ook in het duin, verzameld. Men verkiest de wilde plant boven de gekweekte, omdat zij bitterder en werkzamer is dan de laatste, en verzamele ongeveer in Juli die exemplaren, waarvan de bloemen op het punt staan zich te ontplooien, wijl de bladen alsdan het saprijkst zijn. De planten worden gewoonlijk in haar geheel uit den grond getrokken, vervolgens tot bundeltjes vereenigd en hetzij in dezen vorm aan de lucht, of, losgemaakt, door vuurwarmte gedroogd (4=1) en daarna weder tot bundels vereenigd. Volgens de beschrijving der Ph. moeten voor pharmaceutisch gebruik de zeer korte, vertakte penwortels benevens den wortelstandigen bladrozet verwijderd worden.

Onderzoek.

Erythraea Centaurium Pers. mag niet verwisseld worden met:

10. Erythraea 1 i t o r a 1 i s Fries. Stengel korter, evenals de takken en de bladen uiterst scherp en fijn-gewimperd. Bladen smaller, lijnvormig of lijnvormig-langiverpig, meestal drienervig. Bloeiwijze eerst bloeitopvormig, later meer pluimvormig. Zij groeit in gezelschap van E. C, en wordt dikwijls daarmede ingezameld.

20. Erythraea pulchella Fries. Stengel zonder bladrozet, veel korter, met een zeer korten hoofdstengel, aar uit herhaald-gig a ff el de, zvijdstaiidige zijstengels ontspruiten. Bladen eivormig of langwerpig eivormig. Bloeiwijze eene herhaald-gegaffelde pluim. Zij groeit eveneens in gezelschap van E. C. en wordt insgelijks dikwijls daarmede ingezameld.

30. Silene Armer ia L. Stengel niet hoekig, rond met ver-\' dikte knoopen, evenals de takken en bladen berijpt-behaard. Bloemkroon vijfbladig. Smaak niet bitter.

-ocr page 19-

397

HER BA COCHLEARIAE REGENS. V E R S C H COCHLEA R1AKR UI D.

Het opwaarts groeiend gedeelte van Cochlearia officinalis L,, in verschen staat, gedurende het bloeien ingezameld.

Stengel hoekig, vertakt, onbehaard, heldergroen. Bladen aan den voet des stengels lang gesteeld, 2 tot 3 centimeter breed, eirond of hartvormig; hoogere ongesteeld of stengelomvattend, eirond, spits, schaars getand; alle eenigermate vleezig, sappig, glanzig, onbehaard. Bloemen wit, kruisvormig. Reuk van het kruid, bij het wrijven, scherp, mosterdachtig; smaak scherp, bitterachtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. een eiwitstof, ferment, veel gelijkende op ofidentiscK met myrosine, het ferment uit het mosterdzaad.

2°. eene tot nu toe niet bekende stof, die met het ferment bij warmte onder toetreding van water, dus bijv. bij wrijving of destillatie der versche bladen \'^eene vluchtige olie(-|—^ pet.) doet ontstaan, die veel overeenkomst heeft met de vluchtige mosterdolie. Zij bestaat uit hutylisomlfocyanaat, C4H!).NCS, en is dus de isosulfocyaan-verbinding van den butylalcohol, zooals de vluchtige mosterdolie de gelijke verbinding van den allylalcohol is i). Zij heeft een soort. gew. van 0.942 en kookt bij 1590—160°.

Voorts bevat het kruid veel, ongeveer 20 pet. asch, rijk aan kalium- of natriumzouten, naar gelang van de groeiplaats, en aan organische en anorganische zuren gebonden.

Afkomst. Cochlearia officinalis L., behoorende tot de familie der Cruci ferae, komt vooral in koude luchtstreken aan de zeekust, ook meer binnenwaarts op ziltige gronden voor. Voor pharmaceutisch gebruik wordt zij langs onze zeestranden en dijken in \'t wild verzameld, doch ook gekweekt. Men gebruikt van het kruid het boven den grond groeiende gedeelte, d. i. den stengel met bladen en bloemen, dus noch den wortel, noch de bij de jonge plant in het eerste levensjaar aanwezige rozet van wortelstandige bladen, die, alhoewel rijk aan vluchtige olie, gering in aantal zijn,

\') Evenals bij «l\'^olia Laurocerasi» worilt ook hier bij destillatie van het gedroogde kruid geene olie gevormd, waarschijnlijk doordien het ferment daardoor onwerkzaam is geworden. Na toevoeging van myrosine toch vormt zich do vluchtige olie weder.

\') Zie bij «Olemn Sinapis.»

r

-ocr page 20-

398

doch de, in April en Mei bij de in \'t wild groeiende, iets vroeger bij de gekweekte, in het tweede levensjaar bloeiende, volwassen plant, op het tijdstip dat zij het rijkst gevuld is met plantensap.

Daar bij droging de werking van het ferment te niet gaat, moet de plant in verschen staat gebezigd worden.

Onderzoek.

Cochlearia officinalis L. mag niet verwisseld worden met:

i0. Cochlearia danica L. Plant veel kleiner. Bladen spies-vonnig-driekant, vijftandig, ook de bovenste kort gesteeld.

2°. Cochlearia anglica L. Bladen aan den voet des stengels meer eirond-langwerpig, aan den voet meer afgeknot of afgerond, in den bladsteel eenigszins ivigvormig afloopend, grof getand. Bloemstelen dikker-, bloemen grooter.

30. Ficari a ranunculoïdes M ö nc h. Bladen allen lang-gesteeld, duidelijker diep-hartvormig. Bloemen alleenstaand, goudgeel. Reuk afwezig.

Beide eerstgenoemde planten, ook bij ons inheemsch, hebben dezelfde chemische eigenschappen als C. officinalis, doch mogen, wat vroeger wel het geval was, thans niet meer in de plaats daarvan gebruikt worden.

H E R B A C O N 11 REGENS.

V E R S C H C O N I U M K R U I D.

Het opwaarts groeiend gedeelte, in verschen staat, van C o n i u m m a c u 1 a t u m I.., gedurende het bloeien ingezameld.

Stengel onbehaard, eenigszins berijpt, pijpig, bovenwaarts vertakt, meestal en vooral nabij zijn voet bruin- of roodgevlekt. Bladen onbehaard, op de bovenvlakte donkergroen, op de ondervlakte bleeker en eenigszins glanzend; de onderste het grootst, tot 3 decimeter lang, met pijpige stelen, drie- of vierwerf-vinsnedig; de hoofdslippen ovaal-langwerpig, spits; de laatste eindstippen ovaal of langwerpig, ingesneden-gezaagd, met lancetvormige, kort-witpuntige zaagtanden. Omwindsels meestal vijl-bladig, naar achter omgeslagen, vaak vroeg afvallend; omwindseltjes halfzijdig, drie- of vierbladig, korter dan de schermpjes; bloemkronen klein, wit; onrijpe vruchten kartelig-geribd. Reuk van het Kruid, bij het wrijven, eigenaardig, onaangenaam; smaak walgelijk bitterachtig, later scherp.

-ocr page 21-

399

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°, coniine, C8H,7N, waarschijnlijk gebonden aan appelzuur, een zuurstofvrij, kleurloos, vloeibaar, olieachtig, vluchtig, sterk alkalisch alkaloïde met een walgelijken , doordringenden, muizen-pisachtigen reuk en onaangenamen, scherpen, tabakaclitigen smaak, een soort. gew. van 0.850 — 0.860 en een kookpunt van ongeveer 166.50—[68.5°. Aan de lucht wordt het door oxydatie spoedig geel, langzamerhand bruin en ten slotte harsachtig dik. Het is oplosbaar in koud water (150), minder in warm, zoodat de koude oplossing bij verwarming troebel wordt; voorts gemakkelijk in alcohol en aether, minder in petroleumaether, moeilijk in chloroform. Met de gewone alkaloid-reagenticn als; kaliumrnercuridjodide, mercurichloride, pikrinezuur, tannine, enz. geeft het precipitaten, moeilijk echter met platinum- of goudchloride. Met verdunde zuren vormt het zouten, die den eigenaardigen reuk van coniine missen. Een spoor coniine met eene aetherische oplossing van chloonvater-stofzuurgas of een paar droppels coniine, in aether opgelost, met eenige droppels sterk chloorwaterstofzuur elk afzonderlijk op een horlogeglas, onder een bekerglas vrijwillig verdampt, geeft een naaldvormig-kristallijn zout, gemakkelijk oplosbaar in water en alcohol \').

2°. c o n y d r i n e (c o n hy d r i ne), CH1 7NO, een kleurloos, kristallijn, paarlemoerglanzend alkaloïde, smeltende bij ongeveer 120.50 en kokende bij 226°, tamelijk oplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in alcohol, moeilijker in aether.

Voorts sporen vluchtige olie, minerale stoffen, enz.

Afkomst. Het opwaarts groeiend gedeelte van C o n i u m m a-c u 1 a t u m L., een kruid, behoorende tot de familie der U m b e 1-li ferae, waarschijnlijk oorspronkelijk inheemsch in Azië, thans door geheel Europa, vooral in gematigde streken en zoo ook in ons land, veelvuldig in \'t wild voorkomende. Het boven den grond afgesneden gedeelte der plant wordt of van wilde öf van gekweekte exemplaren naar verkiezing verzameld 2) en wel in \'t tweede levensjaar.

») Behalvo coniiiio bevat liet kruid nog geringe hoeveellieden me t li y 1 c 0 ni in c, OH1 «(CH^X, eene kleurlooze, olieachtige vloeistof\'met een kookpunt van ongeveer 170°, veel op coniine gelijkend, doch minder giftig.

2) Wij zouden ook hier, evenals bij de andere narcotische planten of plantendeelen is voorgeschreven, de voorkeur geven aan het gebruik van het gekweekte kruid om redenen als bij «Folia lielladonnae» en elders vermeld.

-ocr page 22-

40O

In het eerste ontwikkelen zich slechts vvortelstandige, kleinere bladen, die weinig of geene werkzame bestanddeelen bevatten; in het tweede ontwikkelt zich de geheele plant en bloeit zij in Juli tot September, als wanneer het kruid het saprijkst, \'t meest werkzaam is en zich reeds eenige onrijpe vruchten vormen, die vooral veel werkzame bestanddeelen bevatten. Het kruid wordt in verschen staat ter extract-bereiding gebruikt.

Onderzoek.

C o n i u m maculatum L. mag niet verwisseld worden met andere Umbelliferae, zooals;

i0. Anthriscus sylvestris H o f f n. (W i 1 d e Kervel). Stengel benedenwaarts ruw-behaard, diep gesleufd. Bladen aan de ondervlakte op de hoofdnerven verspreid- ivitbehaard, aan den rand gewimperd, met bijna driehoekige, zaehtbehaardc stelen, twee- of drieiverf-vinsnedig, met lancetvormig-spitse slippen. Omwindsels éénbladig, meest ontbrekende; omwindseltjes vijf- tot aehtbladig. Vrucht ongeribd, kort-gesnaveld.

2°. Aethusa CynapiumL. (II ondspeterselie). Stengel gevuld, soms benedenwaarts paarsrood. Bladen, vooral op de ondervlakte, sterk glanzend, met gootvormige stelen, twee- of drieiverf-vinsnedig, met laneetvorniige, zeer spitse slippen. Omwindsels ontbreken; omwindseltjes half zij dig, driebladig, omgeslagen, even lang of langer dan de schermpjes. Vrucht met ongekartelde ribben.

30. Chaerophyllum b u 1 b o s u m L. (k n o 1 d r a g e n-de Kervel). Stengel behaard, van onder stijf-, van boven kort- en zaehtharig, aan de knoopen gezwollen, aan de onderste stengelleden roodgevlekt. Bladen, vooral op de hoofdnerven verspreid-kortharig, met eenigszins kielvormige stelen, drie- of vierwerf-vinsnedig met, naar onder, lijnlaneet- en, naar boven , draadvormige slippen. Omwindsels éénbladig of ontbrekende-, omwindseltjes vijf-of ^c.sbladig. Vrucht ongeribd.

4°. Chaerophyllum t e m u 1 u m L. (dronkenma-kende Kervel). Stengel van onder kort- en stijf harig, gevuld, aan de knoopen gezwollen, benedenwaarts roodgevlekt. Bladen zacht-behaard, twceiuerf-vinsnedig met stompe , kort-gepunte slippen. Omwindsels éénbladig of ontbrekende; omwindseltjes vijf- tot acht-bladig. Vrucht ongeribd.

50. C i c u t a v i r o s a L. (W atersc heer ling. Dolle Kervel). Stengel gestreept, ongevlekt. Bladen tzvee- of drieiverf-

-ocr page 23-

40i

vinsnedig met lijnlancetvormige, spitse, gezaagde slippen. Omwindsels ontbreken-, omwindseltjes veelb\\a.è\\g. Vrucht stompribbig.

HE RB A HYOSCY AMI REGENS.

VERSCH H YOSC YAMUSKRUID.

Het opwaarts groeiend gedeelte, in verschen staat, van Hyoscya-m ii s niger L., in ons vaderland gekweekt en gedurende het bloeien ingezameld.

Stengel niet of wel vertakt, bleekgroen, vlokkig. Bladen verspreid. Bloemen zeer kort gesteeld, eenzijdig, uit eene spiraalswijs opgerolde, met bladachtige schutbladen bezette as te voorschijn komend; bloemkroon trechtervormig, met 5 ongelijke lobben , stroogeel, zeer dicht paars geaderd.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen als bij Folia Hyos-cyami 1).

Afkomst. Het opwaarts groeiend, dus het boven den grond afgesneden gedeelte van Hyoscyamus niger L., een kruid, behoorende tot de familie der Solanaceae, dat door geheel Europa, ook bij ons, in \'t wild voorkomt en voor pharmaceutisch gebruik wordt gekweekt. Alleen van laatstbedoelde exemplaren in verschen staat mag ter extract-bereiding gebruik gemaakt worden \').

Het kruid moet tijdens het bloeien in Juli en Augustus worden ingezameld, liefst in het begin van den bloeitijd of even daarvoor, wijl de plant, en vooral de bladen, alsdan het rijkst aan alkaloïden zijn. De plant is één- of tweejarig. Zij onderscheiden zich van elkander, doordien de plant in het eerste jaar kleiner is dan in het tweede en alsdan nog een onvertakten stengel bezit. Beide planten mogen volgens de Ph. worden gebruikt; men verkiest echter gewoonlijk de tweejarige plant als sterker, geneeskrachtige!- boven de éénjarige 2).

\') Zio Ijlz. 338 en 332.

\') Hetzelfde yeldt ook voor « Folia llyoscyami».

-ocr page 24-

402

HE RB A LOB ELI AH.

L O B E L I A KRUI D.

Het opwaarts groeiend gedeelte van Lobelia i n f 1 a t a L., ten tijde der vruchtzetting verzameld, meermalen doorgesneden, gedroogd en in den vorm van een tegel samengeperst.

Stengel kruidachtig, kantig. Bladen onregelmatig kartelig-gezaagd, op de beide vlakten kortharig; de onderste langwerpig, stomp, kort gesteeld; de hoogere ovaal, spits, ongesteeld; de bovenste lancetvormig-gespitst, gaafrandig, op schutbladen gelijkend. Bloemen klein, gesteeld, oksel-standig; de hoogere tot trossen gerangschikt. De 5 slippen van den kelk-zoom lijnvormig, even lang als de bloemkroon. Zoom der bloemkroon tweeslippig, met een in tweeën gespleten bovenlip, licht blauwachtig of lilakleurig. Zaaddoos opgeblazen, bijna bolrond-eivormig, met den kelk-zoom gekroond, tweehokkig, talrijke zeer kleine zaden bevattend. Reukloos; smaak ten laatste scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

i0. lobeline, C^\'H^\'NO2, een naar nicotine zweemend, sterk alkalisch alkaloïde, olieachtig, licht geel gekleurd, vluchtig, sterk riekend en naar tabak smakend, oplosbaar in water, beter in alcohol, aether, chloroform en zwavelkoolstof. Met zuren vormt het kris-tallijne zouten, oplosbaar in water en spiritus.

2°. lobeliazuur, een niet vluchtig, kristalliseerbaarzuur, oplosbaar in water, spiritus en aether, waarschijnlijk in de plant gebonden aan lobeline als lobelacrine, ook wel beschouwd als een glucoside, in den vorm van wratachtige, bruine klompjes, scherp van smaak, moeilijk oplosbaar in water, gemakkelijk in aether en chloroform.

30. 30 pet. vette olie in de zaden.

Voorts sporen vluchtige olie, hars, gom en minerale stoffen.

Afkomst. Het opwaarts groeiend gedeelte van Lobelia i n-flata L., een kruid uit de familie der Lobeliaceae, dus het boven den grond afgesneden gedeelte daarvan, bestaande uit stengel, bladen, bloemen en vruchten. De meest éénjarige plant komt in \'t wild voor in oostelijk Noord-Amerika, doch wordt voor geneeskrachtig doel hoofdzakelijk in den Staat New-York gekweekt. In Europa en ook bij ons wordt het kruid als sierplant in tuinen gekweekt.

-ocr page 25-

403

in Duitschland bovendien voor pharmaceutisch gebruik. De plant wordt verzameld in Augustus en September, wanneer de vrucht zich begint te zetten, als wanneer alle deelen het meest gevuld zijn met een wit melksap, terwijl bovendien de zaden als de meest werkzame deelen der plant worden beschouwd. Het nog versche, vochtige kruid wordt vervolgens kleingesneden en deze stukken sterk samengeperst tot vierkante, baksteenvormige pakjes van ongeveer 8 cM. lengte en breedte en 2.5 — 5 CM. hoogte en 250—500 Grm. gewicht, waarna zij worden gedroogd. Deze pakjes, waarin een gedeelte der plant nog duidelijk te herkennen, het overige echter min of meer tot gruis is geperst, worden ten slotte gewoonlijk in blauw papier gewikkeld, dikwijls verzegelden, van een etiquette, waarop een handelsmerk of naam, voorzien, uit New-York verzonden.

Somtijds ook wordt het kruid, gedurende het bloeien verzameld, ter markt gebracht; dan echter slechts in stukken van verschillende grootte gesneden, niet samengeperst, terwijl ook van uit Duitsch-land het aldaar gekweekte kruid, van de dikkere stengels ontdaan, wordt uitgevoerd. Het gebruik van beide laatstgenoemde soorten wordt volgens de beschrijving der Ph., die den tegelvorm eischt, bij ons niet toegestaan.

HER BA MAIORANAE.

M ARJOLEINKRUI D.

Het opwaarts groeiend gedeelte van Origanum Majorana L., gedurende het bloeien verzameld.

Stengel opwaarts pluimvormig-vertakt, 3 tot 5 decimeter hoog, stomp-vierkant, kortgrijsviltig. Bladen gesteeld, kmiswijs gezeten, 2 tot 3 centimeter lang, 6 tot 10 millimeter breed, ellipsvormig of\'omgekeerd-eirond, stomp, aan hun voet versmald, gaafrandig, op beide oppervlakten kortgrijsviltig , klierachtig gestipt. Bloemen klein, wit of roodachtig, gebundeld tot bijna bol- of bijna eironde, gesteelde, 3 tot 5-tallige aartjes, welke gesteund worden door zeer dicht dakpansgewijs geplaatste, bijna ronde, kortgrijsviltige, klierdragende schutbladen. Reuk en smaak eigenaardig, aromatisch, min of meer kamferachtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

ongeveer 1.5 pet. vluchtige olie, oorspronkelijk dunvloei-

-ocr page 26-

404

baar, geel- of groenachtig-, langzamerhand donkerder, bruinachtig van kleur, ten slotte dikvloeibaar, harsachtig-kleverig. Zij riekt naar het kruid, doch minder aangenaam, smaakt scherp-peper-achtig, zwak bitter, reageert zuur, heeft een soort. gew. van 0.895—0.910 en is oplosbaar in 1 dl. alcohol.

Voorts eenig looizuur, minerale stoffen, enz.

Afkomst. Marjolein , Origanum M a j o r a n a L , behoo-rende tot de familie der L a b i a t a e, komt in \'t wild als een overblijvend , heesterachtig gewas voor in \'t bekken der Middelland-sche Zee, dus in Noord-Afrika en Zuid-Europa. Overigens wordt het ook bij ons uit zaad gekweekt voor huishoudelijk en pharma-ceutisch gebruik, doch blijft dan éénjarig, kruidachtig en brengt het niet tot rijpe zaad vorming. Het boven den grond afgesneden gedeelte wordt in den bloeitijd in Juli of September verzameld, aan de lucht in de schaduw of bij zachte kunstwarmte gedroogd (8 = 1) en daarna, in 3 of 4 stukken gehakt, verzonden.

HE RB A SABINAE.

SEVENBOOMKRUIÜ.

De jongste toppen van Sabina officinalis Garcke, in het voorjaar ingezameld.

Takjes kort, dun, bijna vierzijdig, dicht bebladerd. Bladen 2 tot 8 millimeter lang, op den rug met een ingezonken klier; hieronder zijn er die ruitvormig, drie- of vierrijig, tegenovergesteld, dicht over elkander gelegen en stomp zijn, en andere, die eirond-lancetvormig, wijder uiteengeplaatst, eenigszins afstaand en spits zijn. Reuk sterk, eigenaardig, terpentijnachtig; smaak onaangenaam, harsachtig, bitter, scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel;

1°. 2—4 pet. vluchtige olie \').

Voorts een weinig looizuur, hars, suiker, minerale stoffen, enz.

Afkomst. Sabina officinalis Garcke (Juniperus SabinaL.) komt vooral in \'t wild voor in de hoogere en subalpijnsche streken der

\') Zie bij « Oleum Sabinae».

-ocr page 27-

40S

bergen van Midden- en Zuid-Europa. Zij is een altijd groene, krachtige heester uit de familie der Coniferae, afdeeling Cupres-sineae, ook wel een boompje, dat bij ons veelvuldig in tuinen als sierplant wordt aangetroffen en bovendien voor pharmaceutisch gebruik wordt gekweekt. Van de gekweekte plant onderscheidt men twee variëteiten, nl. cupressina en tamariscifolia. De eerste heeft langere (48 millim.), afstaande, puntig toeloopcv.de, cirond-lancetvormige bladen; bij de tweede zijn deze korter (1—2.$ millim). dakpansgewijs over elkander liggend, stomp, ruitvormig. Bovendien is er bij beide onderscheid in den vorm van de aan de rugzijde gelegen olieklier; bij de eerste is deze langzverpig, meer lancetvormig, bij de tweede rond of ovaal. In \'t wild komt slechts de tweede soort voor; bij de gekweekte exemplaren vindt men dikwerf beide soorten van bladen op hetzelfde exemplaar. Daar het kruid bij ons slechts van de gekweekte plant afkomstig is, worden beide soorten toegestaan en door de Ph. beschreven.

Men verzamelt in het voorjaar, in April, de jongste toppen der plant, ontdoet ze van de grovere takjes en droogt ze spoedig bij zachte warmte (8 = 3), waardoor de donkergroene kleur in eene bruin- of geelachtiggroene overgaat en zij een groot gedeelte van den eigenaardigen, terpentijnachtigen, sterken reuk der olie verliezen. Verkieslijker is het daarom, het kruid nog in verschen staat aan te wenden.

Overigens moet het in goed gesloten vaatwerk buiten het licht en niet langer dan één jaar bewaard worden.

Onderzoek.

De bebladerde takjes van Sa bi na officinalis Garcke mogen niet verwisseld worden met die van:

1°. Juniperus communis L (Jeneverstrui k). De bladen staan in afwisselende, drietallige, dicht opeengedrongen kransen, zijn af staand,met de as, die ze draagt, geleed, min of meer priemvormig, scherf, stekelig-gespitst, zonder olieklier. Renk weinig, geheel verschillend. Komt bij ons in \'t wild voor.

2°. Juniperus phoenicea L. De bladen zijn meest zes-, zelden wVrrijig, dichter bijeen geplaatst, rondachtig-ruitvormig, niet gespitst, met sterk gewelfde ondervlakte, met langwerpige, ingezonken olieklier. Reuk minder aromatisch. Komt slechts naast „Sabina officinalis L.quot; in \'t wild voor.

3°. Juniperus virginiana L. (Roode Ceder). De

27

-ocr page 28-

4O6

bladen zijn kruiswijs geplaatst, wVrrijig, eirond-ruit- of eirond-lancetvorniig, bijna stekelig-gespitst, met eene eivormige of bijna ronde olieklier. Reuk minder sterk, eenigszins verschillend. Inheemsch in Amerika en aldaar voor pharmaceutisch gebruik aangewend; ook bij ons als sierplant gekweekt.

4°. Cupressus sempervirens L. (C y p r e s). De takjes zijn veel platter en vierzijdig. De bladen zijn kruiswijs geplaatst, kort en breed, zeer dicht over elkander gelegen, aan den top iets verdikt, van buiten gewelfd, met eene meer of minder duidelijke, lijnvormige olieklier. Reuk minder sterk, verschillend. Wordt bij ons gekweekt.

50. Thuja occidentalis L. (Witte C e d e r). De takjes zijn plat, schijnbaar geleed. De bladen zijn tegenovergesteld, viern]\\g, klein, omgeheerd-eirond, zonder olieklier of op de buitenvlakte onder den top met een verheven, rondachtige olieklier. Reuk verschillend. Wordt bij ons als sierplant gekweekt.

6°. Thuja o r i e n t a 1 i s L. Als de vorige, doch de takjes zijn niet plat en niet zoo sterk geleed. De bladen zijn eirond, stomp, met eene gootvormig-ingezonken olieklier. Reuk verschillend. Wordt bij ons als sierplant gekweekt.

HIRUDINES.

BLOEDZUIGERS.

De zuignapwormen , bekend als Sanguisuga m e d i c i n a 1 i s S a v. en Sanguisuga officinalis S a v.

De eerste (D u i t s c h e Bloedzuiger) op de rugzijde olijfkleurig, met 6 overlangsche, helder roestkleurige, zwart gestipte of gevlekte strepen, op de buikzijde eenigszins groen-geelachtig, zwart gevlekt.

De tweede (Hongaarsche Bloedzuiger) op de rugzijde groenachtig of zwartachtig-olij fkleurig, met 6 overlangsche, roestkleurige, zwart gestipte strepen, op de buikzijde lichtgroen, niet gevlekt.

Zij moeten glibberig, vlug zijn en in de zacht drukkende hand vrij spoedig zich bolvormig samentrekken.

Eigenschappen.

De Bloedzuiger behoort tot de afdeeling der Ve r m es (Wo r m e n)

-ocr page 29-

407

en wel tot de klasse der Cotylidea (Zuignapwormen) en de orde der Hirudinea of Discophora (Bloedzuigers of Sch ij fd r ag er s).

Zij hebben een wormachtig, d. i. lang en smal lichaam, dat zich door samentrekking bol- of eivormig kan verkorten. Zij zijn week en glibberig op het gevoel, 5—20 cM. lang en 6—12 maal langer dan breed, aan de rugzijde bolrond, aan de buikzijde plat en aan de uiteinden gelijkmatig versmald. Het breedste uiteinde is de staart, die eindigt in een zuigschijf; aan het smalste uiteinde bevindt zich de kop. Overigens is het geheele lichaam verdeeld in 80—100, gewoonlijk 95, smalle, naar \'t midden ietwat breeder wordende, niet van kop en staart gescheiden leden of ringen. De eerste 9 ringen vormen den kop, waarop in den vorm van een hoefijzer de tien oogvlekken liggen als zwarte, glinsterende stippen. De vier voorste ringen vormen de beweegbare bovenlip, waaronder de driespletige bek, in welks holte drie witte , kraakbeenachtige, halve-maansgewijs gevormde kaken, die elk met een dubbele rij fijne, stompe tandjes gewapend zijn. Bovenlip en bek kunnen zich vervormen tot een zuignap, waarmede de worm zich vastzuigt.

Aldus op een levend wezen gehecht, doorboren zij met hunne kaken de opperhuid en zuigen door de opening het bloed op in het langs het geheele lichaam uitgestrekte darmkanaal. Is dit geheel gevuld, dan vallen zij af.

De Bloedzuigers komen door geheel Europa voor en leven bepaaldelijk in niet te koude, stilstaande, moerasachtige, zoete wateren. Voor geneeskundig doel zijn bij ons gebruikelijk de Sanguisu ga medicinalis Sav. en deSanguisuga officinalis Sav.,ook wel Duitsehc, gewone of grijze en Hongaarschc of groene Bloedzuiger genoemd. De eerste hecht zich spoediger vast, zuigt gretiger, doch niet zoo veel als de tweede; deze pakt niet zoo spoedig, doch zuigt wel dubbel zooveel bloed uit als de eerste en maakt ook eene diepere wondopening, waardoor eene langere nabloeding wordt verkregen. Overigens geldt de eene als eene verscheidenheid van de andere en bestaat het onderscheid in enkele uitwendige kenmerken, die trouwens niet altijd constant zijn

De Sanguisuga medicinalis Sav., die vooral in noordelijk Europa voorkomt, is op de rugvlakte olijfkleurig. Op de linkeren rechterzijde daarvan liggen drie overlangs loopende, hcldcr-rocst-kleurtgc strepen. De middelste van elke drie is duidelijk zwart gevlekt\', de twee andere minder duidelijk of in V geheel niet zwart

-ocr page 30-

4o8

gestipt. De rug- en buikvlakte zijn ter wêerszijden door eene gele streep gescheiden. De buikvlakte is eenigszins gr oen-geelachtig en zwart gevlekt.

De Sanguisuga officinalis Sav., die voornamelijk in zuidelijk Europa voorkomt, is op de rugyXaXtie groenachtig of zwart-achtig-olijfkleurig. Op de linker- en rechterzijde daarvan liggen eveneens drie overlangs loopende strepen, die echter ietwat donkerder roestkleurig en niet bepaald gevlekt, meer zwart gestipt zijn. Rug- en buikvlakte zijn ook hier door eene gele streep gescheiden. De buikvlakte is lichtgroen en ongevlekt.

Bloedzuigers worden ook bij ons gevonden en verzameld; gewoonlijk worden zij voor geneeskundig doel in het land van Voorne, Goeree en Overvlakkee gekweekt, gespeend. Men vangt ze op verschillende wijzen, hetzij, bij koude, door den grond, waarin zij alsdan gekropen zijn, uit te spitten; hetzij door ze met daartoe ingerichte netten uit het water op te scheppen. Ook wel spreidt men wollen dekens in het water uit, waarin zij gaarne kruipen, of laat men ze hechten op de met wollen doeken omwonden, vroeger ook wel op de naakte beenen der visschers.

Alhoewel het gewicht der Bloedzuigers gewoonlijk afwisselt van 0.5—5 Grm., zijn die, welke minder dan één en meer dan drie Grm. wegen, voor geneeskundig doel minder verkieslijk. De middelsoort, wegende van 1—2 Grm., is de beste; de kleinere maken eene te nauwe wondopening, waardoor de nabloeding te gering is, terwijl de grootere minder zuigen en spoedig afvallen. De verzending geschiedt in linnen zakjes, waaromheen vochtig mos, of in vaatjes of kistjes, aangevuld met vochtig mos, of wel met aarde of klei, waarin zij gewoonlijk leven.

De bewaring van Bloedzuigers geschiedt op verschillende wijzen in flesschen of potten, gewoonlijk in water; dikwerf voegt men daaraan toe een laag zand, aarde, klei, turf of andere stoffen. Men beware ze op eene koele, luchtige, niet door de zon beschenen plaats, vrij van schadelijke gassen, en behandele ze met de grootst mogelijke zindelijkheid. Heeft men eene niet te groote hoeveelheid Bloedzuigers, dan bewaart men ze, volgens onze ondervinding, zeer goed in een tamelijk ruime, zorgvuldig gereinigde flesch zonder stop, op welks bodem een flinke laag, vooraf uitgewasschen, wit zand. Men vult de flesch verder tot op een weinig na met helder, zacht water en sluit haar met een stukje katoen of linnen. Wordt het water troebel of onrein door afgescheiden slijmdraden, dan

-ocr page 31-

409

brengt tren de Bloedzuigers, na ze op een zeetje met water van gemiddelde temperatuur afgewasschen te hebben, over in een dito flesch met water van ongeveer dezelfde temperatuur, die men daarom reeds toebereid naast de andere geplaatst had. Men reinige de gebruikte flesch uiterst zorgvuldig, make haar weder gereed en plaatse haar bij de andere. Overigens lette men er dagelijks op, of er ook zieke of doode wormen in de flesch zijn; men verwijdere deze zoo spoedig mogelijk en brenge de overige terstond in eene andere flesch over.

Onderzoek.

i3. De Zuignapwormen, bekend als Sanguisuga medicina lis Sav. en Sanguisuga officinalis Sav. Voor hetzelfde doel bezigt men ook wel andere soorten van bloedzuigers, die echter door de Fh. niet worden toegelaten, waaronder bijv:

a. Sanguisuga interrupta Moquin -Tandon (Afri-ka an sc he Bloedzuiger). Op de rugvlakte levendig groen, mat oranjekleurige strepen, die op regelmatige afstanden afgebroken worden door vierkante, zwarte vlekken, vaak door roode randen omgeven. Zeer goed te gebruiken.

b. Sanguisuga troctina John son(Alger ij nsc he Bloedzuiger), mede in Frankrijk in gebruik. Op de buikvlakte aan elke zijde een zigzag-loopende streep. Zeer goed te gebruiken.

c. Sanguisuga decora Say, in Amerika gebruikelijk. Op de rugvlakte blauwgrijs, loodkleurig, regelmatig rood gestipt. Op de buikvlakte geelrood met zwarte vlekken.

rf. Sanguisuga chlorogaster (Foolsche, Galicische Bloedzuiger). Op de rugvlakte groenachtig-grijs metgeelachtig-roode strepen. Op de buikvlakte lichtgroen met roodbruine vlekken of niet gevlekt. Minder deugdelijk.

Overigens mogen de genoemde Sa ng u is uga-soorten niet verwisseld worden met:

e. Haemopis (F aar de n - Bloedzu iger)-soorten, nauw aan Sanguisuga verwant. Daartoe behoort bijv.:

«. Haemopis sanguisorba Sav. Op de rugvlakte

groen, ongestreept, onregelmatig bruingevlekt. Op de buikvlakte

geelgroen.

(3. Haemopis nigra Sav. Op de rugvlakte zwart. Op de

buikvlakte min of meer donker-aschgrauw.

f. Aulastoma gulo Moq. (Zwarte of Wormbloedzui-

-ocr page 32-

4io

ge r). Op de rugvlakte bijna effen donker-zwartbruin. Op de buik-vlakte licht-olijf kleurig.

g. Trocheta viridis Dutr. (Hirudo fusca). Op de rugvlakte groenachtig of groenachtig-chocoladebruin. Op de buik vlakte grijsgroen of olijfgroen, meer rond.

Geen dezer drie soorten dringen met hare tanden in de men-schelijke huid en kunnen dus als bloedzuigers gebruikt worden.

2°. Zij moeten glibberig, vlug zijn en in de zacht drukkende hand vrij spoedig zich bolvormig samentrekken. Deze eigenschappen slaan op de deugdelijkheid der Bloedzuigers, vooral wat betreft hunne gezonde natuur. Behalve toch dat zij bij ziekte hunnen lust tot vlugge beweging in het water verliezen , doen zich tevens daarbij zicht- of onzichtbare veranderingen in het lichaam voor. Zoo voelt men bij knob belziekte van den Bloedzuiger bij lichte drukking tusschen de vingers kleine verhardingen, knobbels, in het lichaam. Bij slijmziekte zijn zij week en min of meer met slijm bedekt. Bij rotziekte of roode loop zwelt het lichaam op en vloeit een dun-slijmerig en roodachtig vocht uit het lichaam. Zweertjes kenmerken zich als kleine, witte stippen aan den huid. Bij insnoerings- of gewrichtsziekte} waarbij het dier de huid niet kan afstroopen, zit deze op het midden van het lichaam als een insnoerende ring opeen. Bij geelzucht of honger typhus , als de Bloedzuiger te lang ontbloot is geweest van voedsel, is het lichaam niet meer rond en vol, doch rimpelig, week, slap en geel van kleur. Ook wanneer de Bloedzuiger gezond is, doch zoo pas gezogen heeft, is hij niet vlug, doch strak; het lichaam is dan ook niet, zooals gewoonlijk, rekbaar en er vloeit, wanneer men den bek met azijn aanstipt of, van achteren naar voren strijkende, op het lichaam drukt, bloed uit, terwijl de buik dan mede roodachtig van kleur is.

Zieke of volgezogen Bloedzuigers trekken zich bovendien in de zacht drukkende hand niet of langzaam en moeilijk samen. Tevens kan deze eigenschap dienen tot onderscheid met de Haemopis-soorten, die zich niet bolvormig samentrekken, doch zich ringvormig omkrullen.

-ocr page 33-

4ii

HYDRARGYRUM.

KWIK.

Een vloeibaar, sterk glanzend, vluchtig metaal, met een soortelijk gewicht van 13.57.

Het is volkomen oplosbaar in salpeterzuur en levert hiermede een vloeistof, die, na verdampt te zijn, een overschot achterlaat, hetwelk, sterk verhit, geheel vervluchtigt.

Samenstelling. Hg

Het metaal kwik of kwikzilver.

Bereiding.

Kwik komt in de natuur gewoonlijk voor gebonden aan zwavel als mercurisulfide {cinnaber, vermiljoeii). Het wordt hieruit fabriekmatig gewonnen, hetzij door eenvoudige roosting aan de lucht in aarden buizen, hetzij onder toevoeging van kalk in retorten of hamerslag (ferro-ferridoxyde) in ovens, waarbij het metaal in bizonder daartoe ingerichte destillatie-toestellen vervluchtigt en wordt opgevangen.

Hg S -j- 2 O = Hg Sü2

mercuri- zuurstof kwik zwaveldioxyde sullide

4 Hg S -f- 4 Ca Ü — 4 Hg -1- 3 CaS Ca SO 5

mercurisulfide calciumoxyde kwik calciumsulfide calciumsulfaat

5 Hg S 4quot; Fe O, Fe\'O3 = 5 Hg 3 Fe S -j- 2 SO2

mercurisulfide ferro-ferridoxyde kwik ferrosulfide zwaveldioxyde

Het komt in ijzeren flesschen of zakken van schapenhuid in den handel en is alsdan min of meer verontreinigd met andere metalen als zilver, lood, koper, bismuth, zink, antimoon en tin.

Ten |einde het hiervan te zuiveren, kan men het bf behandelen met eene verdunde ferrichloride-oplossing öf met verdund salpeterzuur.

Door ferrichloride-oplossing worden, onder reductie tot ferro-chloride, de verontreinigende metalen in min of meer oplosbare chloriden omgezet. Men schudt 100 dln. kwik met 1 dl. ferrichloride-oplossing, verdund met 10 dln. water, in eene ruime flesch krachtig tot eene gelijkmatige massa dooreen , laat daarna het kwik gedurende 1 a 2 dagen bezinken, giet het bovenstaande vocht af

-ocr page 34-

412

en wascht het kwik eerst met verdund chloorwaterstofzuur en vervolgens met warm water af.

Door verdund salpeterzuur worden de verontreinigende metalen in oplosbare nitraten of, zooals antimoon en tin, in oxyden omgezet. Men schudt in eene flesch 100 dln. kwik herhaaldelijk gedurende 3 a 4 dagen met 5 dln. salpeterzuur, met evenzooveel water verdund, laat de gevormde, nitreuse dampen telkens ontwijken, giet ten slotte het vocht af en wascht het kwik met warm water uit.

Het aanhangende water wordt verwijderd door het kwik op een laagje filtreerpapier in een wijde schaal uit te gieten en het ook aan de oppervlakte daarmede tc bedekken. Men herhaalt deze bewerking, totdat al het water door het papier is opgezogen, terwijl ten slotte mogelijke stofdeeltjes worden verwijderd, door het kwik te filtreeren door een filter, waarin men aan het benedenste gedeelte met een zeer fijne naald eenige kleine gaatjes heeft gestoken of beter door het door zeemleder te persen in eene zooveel mogelijk luchtledig gezogen flesch.

Eigenschappen.

Een vloeibaar, sterk glanzend, zilverkleurig, in zeer fijn verdeelden toestand dofgrijs of zwart, volkomen vluchtig, zeer zwaar metaal. Soort. Gew. 13.57; kookpunt ongeveer 357°. Aandelucht tot aan het kookpunt verhit, verbindt het zich met zuurstof tot rood mercuridoxyde, dat bij verdere verhitting zich weder in kwik en zuurstof ontleedt. Het is oplosbaar in salpeterzuur en in warm zwavelzuur, onoplosbaar in chloorwaterstofzuur.

Onderzoek.

1°. Een vloeibaar, sterk glanzend metaal. Zuiver kwik vormt, langzaam uitgegoten, ronde droppels en is glanzend, zilverkleurig. Met vreemde metalen verontreinigd, zijn de droppels meer langwerpig, loopt het kwik z.g. met een „staartquot;, is de oppervlakte min of meer dof, mat gekleurd en scheidt zich bij schudding een doffe, poederachtige massa daarop af.

20. Een vluchtig metaal. Onvolkomen vervluchtiging bij zachte verhitting wijst op verontreiniging met minder vluchtige metalen, zooals: zilver, lood, koper, bismuth, zink, antimoon en tin.

30. Het is volkomen oplosbaar in salpeterzuur. Bij verontrei-

-ocr page 35-

413

niging met tin en antimoon worden deze in onoplosbare oxyden veranderd.

4°. en levert hiermede een vloeistof, die, na verdampt te zijn, een overschot achterlaat, hetwelk, sterk verhit, geheel vervluchtigt. Het gevormde kwiknitraat ontleedt zich bij verhitting, onder ontwikkeling van nitreuse dampen, in kwikoxyde, dat geheel vervluchtigt. De oxyden van metalen als zilver, lood, koper, bismuth en zink zouden achterblijven.

HYDRAS CHLORAL I.

CHLORALHYDRAAT.

Droge, kleurlooze, eigenaardig riekende kristallen , die, op een waterbad verhit, smelten en geheel vervluchtigen. Zij zijn oplosbaar in natronloog onder afscheiding van chloroform.

Chloralhydraat moet met minder dan 1.5 deelen water een volkomen heldere oplossing geven. In sterken spiritus lost het gemakkelijk op.

De oplossingen moeten neutraal of zwak zuur zijn en mogen, bij toevoeging van zilvernitraat, niet of nauwelijks opalesceeren.

Wordt Chloralhydraat met salpeterzuur verwarmd, dan mogen geen bruine dampen worden uitgedreven.

Met een gelijk volumen zwavelzuur zacht verwarmd, wordt Chloralhydraat vloeibaar, doch mag niet gekleurd worden en geen zure dampen afgeven.

Samenstelling. CC13, CH(OH)J

Chloralhydraat is het van de koolwaterstof aethane, C1HB \'), afgeleide aldehyde CH3.CH(OH)1 1), waarin de drie waterstofatomen der CH3 groep vervangen zijn door chloor.

Ook kan het beschouwd worden als acetaldehyde, CH3.COH 1), waarin de drie waterstofatomen der CH3-groep door chloor zijn vervangen, dus als chloral, gebonden aan één molecule water.

CH3.COH C Cl3.GOH CCl3.COH H\'0

acetaldehyde chloral chloralhydraat

Bereiding.

De bereiding van Chloralhydraat berust op de vorming van \') Zie bij «Acidum aceticum», blz. li en 12.

-ocr page 36-

414

aldehyde en daarna van chloral bij inwerking van chloor op alcohol en de verbinding van dit chloral met water tot chloralhydraat.

CH3.CH2.OH 2 CI = CH3.COH 2 HC1

aethylalcohol chloor acetaldehyde chloorwater-

stofzuiir

CH3.COH 6 CI = CCl3.COH -f 3 HC1

acetaldoliyilo chloor trichlooracetaldehyde chloorwater-

o( chloral stofzuur

CCP.COH IPO = CCl3.CH(OH)2

chloral water chloralhydraat

Bij de fabriekmatige bereiding leidt men gedurende eenige dagen onafgebroken , langzaam een stroom afgewasschen, droog chloorgas in alcohol, eerst onder afkoeling, later onder zachte verwarming tot 60 a 70°, totdat geen dampen van afgescheiden chloorwater-stofzuur meer overgaan, waarna men de vloeistof verder nog tot ongeveer 100° verwarmt, om haar geheel chloor- en chloorwater-stofzuurvrij te maken. Het gevormde chloral, dat zich hoofdzakelijk met water tot chloralhydraat en met alcohol tot alcoholaat ver-eenigd heeft, en verontreinigd is met tal van nevenproducten der

C Cl3.CH(OH)2 C Cl3.CH(OH).(O.CJHs)

of of

C C13.C0H.H20 (C Cls.COH).(C5H5.OH)

chloralhydraat chloralalcoholaat

inwerking van chloor en chloorwaterstofzuur op alcohol, zooals ; ae-thylchloride, ^H^Cl, aethylideenchloride, C2H4.C12 = CH\'.CH Cl2, aethyleenchloride, C2H4. Cl2 = CH2Cl.CHiCl, aethyltrichloride, C2H3.C13, tot chloorkoolstof, C2C14, toe; voorts met trichloor-azijnzuur, CCl3.COOH, het oxydatieprodukt van chloral, chloor-koolmonoxyde, COC12, enz., wordt gezuiverd door herhaaldelijk schudden of door destillatie met behulp van een terugvloeikoeler met zwavelzuur, waardoor chloralhydraat en alcoholaat onder verlies van water en alcohol ontleed worden in chloral, dat zich als eene olieachtige vloeistof aan de oppervlakte verzamelt en, na afheveling, over kalk, calcium- of natriumcarbonaat ter verwijdering van nog aanhangend zuur, wordt gedestilleerd.

Bij dit zuivere chloral wordt in gedeelten eene aequivalente hoeveelheid, op ioo dln. ongeveer 12 dln., water gevoegd, waardoor onder verwarming tot ongeveer 50° chloralhydraat wordt gevormd, dat zich bij bekoeling tot ongeveer 30° in kristallen afscheidt. Ter

-ocr page 37-

4iS

volledige zuivering wordt dit ten slotte nog uit warme chloroform, benzine of zwavelkoolstof omgekristalliseerd.

Eigenschappen.

Droge, kleurlooze, doorschijnende, neutrale of zwak zure, eigenaardig riekende, onaangenaam bitter en eenigszins bijtend .smakende kristallen, die bij ongeveer 58° smelten en, verder verhit, geheel vervluchtigen. Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in water (0.25), spiritus (o 35) en aether (0.26).

Bij verwarming van 10 mG. Chloralhydraat met 1 cM3. natronloog wordt het ontleed, onder afscheiding van chloroform \'). C Cl3.CH(OH)2 KHO = CHC13 H.COOK H2O

chloralhydrnat kaliloog chloroform miorezuro kali Water

loo mG. Chloralhydraat, opgelost in 15 cM3. water en hieraan toegevoegd 10 droppels zilvernitraat-oplossing (1 = 20) en daarna met een spoor ammonia vermengd, zet bij zachte verwarming aan den wand der buis een glanzenden zilverspiegel daartegen af {aldc-/yv/f-react ie).

CH3.COH -f Ag20 = CFP.COOH 2 Ag

acetaldehyde zilveroxyde azijnzuur zilver

Onderzoek.

1°. Droge, eigenaardig riekende kristallen. Chloralhydraat dissocieert zich aan de lucht onder invloed van licht en warmte langzaam in de bestanddeelen chloral en water. De eigenaardige, scherpe, prikkelende reuk van chloral, die Chloralhydraat somtijds bezit, en het vochtig worden der kristallen moeten aan deze dissociatie worden toegeschreven. Chloralhydraat behoort dus op eene koele plaats bewaard en tegen het licht beschut te worden. Vochtigheid der kristallen kan mede veroorzaakt worden dooreen gehalte aan zwavelzuur, waardoor zij water zouden aantrekken 2).

2°. die geheel vervluchtigen. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

3°. Chloralhydraat moet met minder dan 1.5 deelen water een volkomen heldere oplossing geven. Chloralalcoholaat lost minder gemakkelijk in koud water op en smelt, alvorens op te lossen, tot eene olieachtige vloeistof. Ook vele der c h 1 o o r substitutie-

\') Zie reactien op cliloroform, blz. lOS.

quot;) Chloralhydraat mag intusschen niet boven kalk bewaard worden, daar hierdoor de dissociatie zou worden bevorderd.

-ocr page 38-

4i6

producten van alcohol, zooals aethyleenchloride, chloor-koolstof, enz., zijn weinig of niet in water oplosbaar.

4°. De oplossingen moeten neutraal of zwak zmir zijn en mogen, bij toevoeging van zilvernitraat, niet of nauwelijks opaleseeeren. Slaat op verontreiniging met cliloorwaterstofzuur In voch-tigen toestand of waterige oplossing ontleedt Chloralhydraat zich gemakkelijk in lagere chlooraldehyden onder afscheiding van cliloorwaterstofzuur. Aldus gevormde sporen worden toegestaan.

5°. Wordt Chloralhydraat met salpeterzuur verwarmd, dan mogen geen bruine dampen worden uitgedreven. Bij verontreiniging met chloral-alcoh olaat zouden de alcohol en het salpeterzuur elkander ontleden onder vorming van geelbruine dampen van stik-stoftetroxyde.

6°. Met een gelijk volumen zwavelzuur zacht verwarmd, wordt Chloralhydraat vloeibaar, doch mag het niet gekleurd worden. Bij verontreiniging met chloral-a 1 co h o 1 aat zou de vloeistof min of meer bruin gekleurd worden ten gevolge van verkoling van den alcohol door het zwavelzuur,

7°. en geen zure dampen afgeven. Deze kunnen ontstaan bij aanwezigheid van cliloorwaterstofzuur of van trichloor-a zijn zuur, door oxydatie uit chloral ontstaan.

HYDROB ROMAS C H I N I N I.

KININEHYDROBROMAAT.

Glanzende, kleurlooze, bittere, geheel verbrandbare kristallen, die in i deel kokend water, in ongeveer 6o deelen koud water en in 2.5 deelen sterken spiritus oplosbaar zijn.

De verzadigde oplossing in water is neutraal of zwak alkalisch, lluores-ceert blauw bij toevoeging van verdund zwavelzuur en geeft, met ammonia vermengd, een wit neêrslag, dat verdwijnt als het mengsel met aether geschud wordt. Eén droppel der oplossing geeft met 3 cM3. wateren i cM3. chloorwater een mengsel, dat door toevoeging van ammonia groen wordt.

Wordt Kininehydrobromaat met ammonia ontleed, dan kleurt het gefiltreerde vocht, nadat het met verdund cliloorwaterstofzuur zuur gemaakt en met eenige droppels chloorwater vermengd is, chloroform, die er mede geschud wordt, geel. Hetzelfde vocht geelt, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, met zilvernitraat in overmaat een nêer-slag, dat, na afgewasschen en met ammoniumcarbonaat geschud te zijn,

-ocr page 39-

41/

een vloeistof oplevert, die, met verdund salpeterzuur oververzadigd, slechts opalesceeren mag.

üe verzadigde oplossing van Kininehydrobromaat in water mag door baryumchloride niet terstond troebel worden.

Indien 2 Grm. Kininehydrobromaat in 10 cM3 warm water opgelost en bij deze oplossing gevoegd wordt 500 mG. kaliumsulfaat, in 3 cM3. warm water opgelost; het mengsel door uitdamping gedroogd en het overschot, na fijn gemaakt te zijn, met 20 cM3. water\'/j uur, onder herhaald schudden, bij 60° tot 65° verwarmd wordt; het mengsel afgekoeld en nog 2 uur, onder herhaald schudden, op 15° gehouden en gefiltreerd is — dan moet 5 cM3. van dit filtraat, met 5 cM3. ammonia van 150 vermengd, een helder vocht opleveren.

Als het zout bij 100° gedroogd wordt, verlieze het niet meer dan 5 pet.

Kininehydrobromaat bevat 76.6 pet. Kinine.

Samenstelling C20H24N5O1.HBr H20

Gelijk ammoniak, NH3, zich rechtstreeks met zuren, bijv. chloor-waterstofzuur, HC1, verbindt tot zouten, zooals bijv. bij ammoniumchloride (NH3 HC1 = NH4.C1), zoo verbinden zich ook de alkaloïden als ammoniakbasen \') rechtstreeks met zuren tot alkaloïd-zouten. De verbinding van het alkaloïde kinine met broomwater-stofzuur is het kininehydrobromaat.

Daar kinine een z.g. tweezurig alkaloïde is, vormt zij met zuren twee reeksen van zouten, nl. normale, neutraal reageerende en zure, zuur reageerende 2). Zoo bestaan van chloor- en broom-waterstofzuur elk twee kinine-zouten, nl.;

C20H2 4N202.HC1

normaal, neutraal kininehydrochloraat

C2quot;H2 tN202.HBr

normaal, neutraal k ininehydrobromaat

C20H2 iN202.2 HC1

zuur

kininehydrochloraat

C2I)H24N202.2 HBr

zuur

kininehydrobromaat


Het Kininehydrobromaat der Ph. is derhalve het normale, neutrale kininezout van broomwaterstofzuur.

Het Zout kristalliseert met één molecule kristalwater.

Bereiding.

1°. Door neutralisatie van kinine met verdund broomwaterstofzuur.

10 Dln. Kininesulfaat worden met behulp van evenzooveel ver-

1

) Zie ook blz. 219.

-ocr page 40-

418

dund zwavelzuur in 100 dln. water opgelost en uit deze oplossing de kinine door toevoeging van 50 dln. natriumcarbonaat-oplossing (1 =5) als hydraat néergeslagen. Na bezinking wordt het neêr-

(C20Hï4NïOï)l.HïSO4 NasC03 = 2 C^H^NïO2

kinincsulfaat natriumcarbonaat kinine

Na2S04 CO1 H20

natriumsulfaal kooWioxyde water slag op een filter verzameld en zóó lang met water afgewasschen, totdat het filtraat geen troebeling met baryumchloride meer geeft.

Nog vochtig wordt het kininehydraat gebracht in 18 dln. broom-

C2quot;H14N201 -I- HBr = C10Hi4N202.HBr

kinine broomwater- kininehydrobromaat

stofzuur

waterstofzuur van 10 pot., tot 75 dln. met water verdund en tot ongeveer 6o0 verwarmd, en na oplossing der kinine de vloeistof, die zwak alkalisch moet reageeren, ter kristallisatie ter zijde gezet. Na de eerste afscheiding wordt de moederloog bij eene zachte temperatuur, hoogstens 450, ingedampt, ten einde het Zout verder te doen kristalliseeren. De kristallen worden ten slotte bij zachte warmte of boven zwavelzuur en kalk gedroogd.

20. Door ontleding van kininesulfaat met baryumbromide.

(C20H24N2O2)2.I IiSO4 -|- Ba Br2 = 2 C20H2\'1N2O2.HBr -f- Ba SO4

kininesulfaat baryumbromide kininehydrobromaat baryumsulfaat

100 Dln. Kininesulfaat worden met 800 dln. water tot koken verwarmd en bij deze nog kokende oplossing langzamerhand gevoegd eene oplossing van 38 dln. baryumbromide in 350 dln, water. Men laat het gevormde neerslag eenige oogenblikken afzetten en beproeft daarna of de bovenstaande heldere vloeistof door eene wanne oplossing van kininesulfaat troebel wordt; is dit het geval, dan voegt men nog zooveel der kinine-oplossing toe, totdat geen nêerslag meer ontstaat. Men filtreert daarna, wascht het achtergebleven baryumsulfaat met warm water af, dampt het gezamenlijke filtraat in het waterbad uit, laat na bekoeling kristalliseeren , verzamelt de kristallen en droogt ze.

In plaats van baryumbromide kan ook kaliumbromide (27.25 dln.1 gebezigd worden; het mede gevormde, oplosbare kaliumsulfaat moet dan echter na indamping door toevoeging van alcohol worden afgescheiden en het Zout door omkristalliseeren uit alcohol daarvan geheel gereinigd worden.

-ocr page 41-

419

Daar het Zout zich, aan \'t licht blootgesteld, min of meer geel kleurt en door warmte kristalwater verliest, moet het tegen \'t licht beschut op eene koele plaats bewaard worden.

Eigenschappen.

Zijdeachtig glanzende, kleurlooze, bittere, geheel verbrandbare kristallen, die moeilijk in koud (40), doch gemakkelijk in warm (1) water en in spiritus (2.5) tot eene neutrale vloeistof oplossen.

Zij fluoresceert blauw bij toevoeging van verdund zwavelzuur. Met ammonia vermengd, geeft zij een wit nêerslag van kininehy-draat, dat gemakkelijk oplosbaar is in spiritus en aether.

Één droppel der verzadigde, waterige oplossing geeft met 3 cM3 water en 1 dVP. chloorwater een mengsel, dat door toevoeging van eenige droppels ammonia smaragdgroen wordt gekleurd {thalleokine-reactie) 1).

Wordt in Kininehydrobromaat de kinine door ammonia neergeslagen en het gefiltreerde vocht, nadat het met verdund chloor-waterstofzuur zuur gemaakt is, met eenige droppels chloorwater vermengd, dan kleurt zich chloroform , die er mede geschud wordt, door afgescheiden broom geel of roodgeel. Hetzelfde vocht geeft, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn , met zilvernitraat een geelwit neerslag van zilverbromide, dat in ammonia moeilijk oplosbaar en in ammoniumcarbonaat onoplosbaar is.

Onderzoek.

i0. geheel verbrandbare kristallen. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. kalium-, natrium- of ba-ryumzout.

20. De verzadigde oplossing in water is neutraal of zwak alkalisch. Slaat op eene juiste bereiding, meer bepaaldelijk nauwkeurige verzadiging van het alkaloïde.

3°. Hetzelfde vocht geeft, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, met zilvernitraat in overmaat een ne\'er slag, dat na afgeiuasschen en met ammoniumcarbonaat geschud te zijn, een vloeistof oplevert, die, met verdund salpeterzuur oververzadigd, slechts opalesceeren mag. Reactie op chloorwaterstofzuur, dat, als zilverchloride neergeslagen, in ammoniumcarbonaat zou oplossen, terwijl zilverbromide onopgelost achterblijft. Door oververzadiging met salpeterzuur van de oplossing in ammoniumcarbo-

*) Over andere kinine-reactiën zie bij ((Cortex Gliinae», blz. 219 en 220.

-ocr page 42-

420

naat wordt daarna het zilverchloride weder geprecipiteerd. Sporen hydrochloraat worden toegestaan.

3°. De verzadigde oplossing van Kininehydrobrornaat in water mag door baryumchloride niet terstond troebel worden. Reactie op sulfaat. Sporen worden toegestaan.

4°. Indien 2 Grm. Kinine hydrobr ornaat in \\ocM\'. zvarm water opgelost en bij deze oplossing gevoegd ivordt %oo mG. kaliumsulfaat, in 3 cil/1. warm zvater opgelost; het mengsel door uitdamping gedroogd •) en het overschot, na fijn gemaakt te zijn, met 20 cM%. water \\ uur, onder herhaald schudden, bij 600 tot 65° verwarmd wordt; het mengsel afgekoeld en nog 2 uur, onder herhaald schudden, op 150 gehouden en gefiltreerd is — dan moet 5 cM^. van dit filtraat, met 5 cM%. ammonia van 150 vermengd, een helder vocht opleveren. Voor deze reactie op andere Kina-alkaloïden wordt het Kininehydrobromaat door toevoeging van kaliumsulfaat vooraf in watervrij sulfaat omgezet en dit vervolgens op dezelfde wijze als ,,Sulfas Chininiquot; onderzocht 2).

50. Als het zout bij ioo0 gedroogd wordt, verlieze het niet meer dan 5 pet. Slaat op een te groot watergehalte. 423 dln. Kininehydrobromaat (C:i0H24NaO2.HBr -|- HiO = 423) leveren 405 dln. watervrij zout (C20H:i4N;iO2.HBr = 405). Het gewichtsverlies door droging op het waterbad mag dus hoogstens

1

dln. kinine (C2H!!*N3O4 = 324), d. i. 3^4 X 5°_ == 76.6 pet

2

Over de methode tot afscheiding van Kinine zie men onder „Be

3

reidingquot;. Het aldus verkregen alkaloïde bevat 3 molec. water.

4

Door oplossing in spiritus en verdamping dezer oplossing of door

5

\') Zie over het verdere onderzoek bij «Sulfas Gliinini».

-ocr page 43-

421

HYDROBROMAS HOM A TROPIN I. HOMATROPINEHYDROBROMAAT.

Een wit, kristallijn poeder, dat door hitte smelt, onder ontwikkeling van eigenaardig riekende dampen ontleed wordt en verbrandt zonder iets achter te laten.

Homatropinehydrobromaat geeft met i deel kokend of met 10 deelen koud water een neutrale oplossing, doch is moeilijker oplosbaar in sterken spiritus.

De oplossing in water (i = 10), met eenig chloorwater vermengd, kleurt chloroform, die er mede geschud wordt, geel. Na met haar viervoudig volumen water verdund te zijn, wordt zij door ammonia niet troebel en geelt met mercurichloride een nóerslag, dat door het reagens in overmaat of door water wordt opgelost.

Ongeveer i mG. Homatropinehydrobromaat laat, na met rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat door een spiri-tueuse kalioplossing oranje wordt.

Ongeveer i mG. Homatropinehydrobromaat, verhit totdat zich nevels vertoonen, daarna met 1.5 cM3. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM3. water vermengd, geeft een eigenaardigen bloemengeur.

Samenstelling. C1 GH2 \'NO\'.HBr

Het alkaloïde Homatropine is een samengestelde aether.

Wordt atropine gedurende eenigen tijd met een base, bijv. baryt-hydraat of natronloog, of met een sterk zuur, bijv. chloorwater-stofzuur, bij hoogere temperatuur verhit, dan splitst het zich onder wateropname in een aan den alcohol der samengestelde aethers \') analoog, basisch lichaam, tropme, en een zuur, tropasuur.

C,7H23N03 -f H20 = CH1 quot;NO C8Hl0O3

atropine water tropine tropazuur

Omgekeerd kan door wateronttrekkende middelen, bijv. verdund chloonvaterstofzuur, eene verbinding van tropine met tropazuur, de tropazure tropine, omgezet worden in atropine.

C9Hl0O3,C8H1 sNO — I-PO = C17H,3N03

tropazure tropine water atropine

In plaats van het tropazuur kunnen zich ook andere organische zuren met tropine verbinden, bijv. benzoëzuur, salicylzuur, kaneel-

\') Zie bij «Acetas aethylicns», blz. 4.

28

-ocr page 44-

424

Onderzoek.

1°. Een poeder, dat verbrandt zonder iets achter te laten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. kalium- of natriumverbindingen.

2°. Homatropinehydrobromciat geeft een neutrale oplossing. Slaat op verontreiniging met zuur, bijv. chloorwaterstofzuur, of alkali,

bijv. natronloog.

3°. Na met haar viervoudig volumen water verdund te zijn, wordt de oplossing in water (i = io) door ammonia niet troebel. Homatropine wordt in verdunde oplossingen door alkaliën niet neergeslagen, slechts in geconcentreerde oplossing, terwijl het nêer-slag in overmaat alkali weder oplost Onderscheid met atropine-zouten , die, op dezelfde wijze opgelost, bij voorzichtige toevoeging van ammonia een troebeling geven, welke bij schudding wederom oplost; door toevoeging van meer ammonia ontstaat echter een blijvend nêerslag, dat bij verdunning met water verdwijnt.

4°. eu geeft met mcrcunchlonde een nêerslag, dat door het reagens in overmaat of door water wordt opgelost. Onderscheid met atr op i n e-zouten, die door mercurichloride bij genoemde verdunning niet worden neergeslagen \').

5®. Ongeveer i mG. Homatropinehydrohroviaat laat, na \'tgt;tet rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat door een spiritueuse kalioplossing oranje wordt.

Ongeveer i mG. Homatropinehydrobrornaat, verhit totdat zich nevels vertoonen, daarna met 1.5 cM*. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM\\ water vermengd, geeft een eigenaardigen bloemengeur. De laatste reactie, zoowel als de ontwikkeling van geurige dampen bij de ontleding door hitte, hebben de homatropine-zouten met die van atropine gemeen; beide zijn trouwens tropine reactiën. De eerste reactie echter komt alleen het homatropine-zout toe, in onderscheid met een a tropine-zout, dat, op dezelfde wijze behandeld, door een spiritueuse kalioplossing violet en daarna rood wordt 2).

\') Homatropine-zouten worden bovendien niet door tannine nêergeslagen, at-opine-•/.o\\iten daarentegen wel.

■*) Zie bij « Sulfas Atropini ».

-ocr page 45-

425

HYDROCHLORAS APOMORPHINI.

APOMORPHINEHYDROCHLORAAT.

Een kristallijn, kleurloos of lichtgrijs, reukloos poeder, dat door het licht groenachtig wordt en, bij verhitting, eerst smelt en dar geheel verbrandt, terwijl dampen zich ontwikkelen, die naar muskus rieken. In water en in sterken spiritus is het oplosbaar.

Aether en chloroform lossen Apomorphinehydrochloraat bijna niet op en mogen er niet door gekleurd worden.

De oplossing in water (i = 100) moet kleurloos en neutraal of nauwelijks zuur zijn. Salpeterzuur kleurt haar bloedrood. Natriumcarbonaat brengt er een wit nêerslag in teweeg, dat weldra groen wordt en aether of chloroform, waarmêe het mengsel geschud wordt, in het eerste geval purper, in het tweede blauw of violet kleurt.

Samenstelling. C\'7H17N02.HC1

Apomorphine is een alkaloïde, dat in nauw verband staat met morphine. Door verlies nl. van een molecule water gaat morphine in apomorphine over.

C17H1!)N03 — H20 = C17H1 7N02

morphine water apomorphine

De verbinding van e\'e\'n molec. van dit eenzurig alkaloïde met één molec. chloorwaterstofzuur is het Apomorphinehydrochloraat der Pharmacopee.

Bereiding.

Deze geschiedt gewoonlijk uit morphine met behulp van water-onttrekkende middelen, zooals zinkchloride, chloorwaterstofzuur of zwavelzuur. In plaats van morphine kan ook codeïne, d. i. methyl-morphine \'), aangewend worden; nevens water scheidt zich dan methylchloride als bijproduct af.

C\' 7H18(CH3)N03 -1- HC1 = C\'7Hgt;7N02 CH^.Cl H20

codeïne chloorwater apomorphine methyl water

stofzuur chloride

Fabriekmatig bereidt men het Zout, door i dl. morphine met 20 dln. chloorwaterstofzuur in toegesmolten, glazen buizen gedurende 2 a 3 uren in een oliebad tot 140° a\' 150° te verhitten.

\') Zie bij a Codeïnum », blz. 206.

-ocr page 46-

422

zuur, enz. De daardoor ontstane, aan atropine analoge samengestelde aethers worden tropeinen genoemd.

Ook Homatropine behoort daartoe. Het in deze aan tropine gebonden zuur is het phenylglycolzuur of amandelzuur. Dit zuur kan afgeleid worden van azijnzuur, CH\'.COOH. Wordt in de CH3-groep van azijnzuur e\'en atoom waterstof vervangen door één hydroxyl-, OH, groep, clan ontstaat een alcoholzuur, het glycolzuur, CH2(OH)COOH. Bindt men dit aan de éénwaar-dige phenyl-, C0H5, groep, d. w. z. vervangt men één atoom waterstof der CH2-groep door het phenylradicaal, dan ontstaat C(\'H5.CH(OH).COOH, het phenylglycol- of amandelzuur.

De chemische constitutie van Homatropine is dus;

C8H15NO ofC8H\'4N.OH C8H5.CH(OH).COOH

tropine phenylglycolzuur

CeH5.CH(OH).COO.(C8H14N)

homatropine

Wegens de CGH5.CH(OH)-groep, afleidbaar van C6H5.CH3, toluol \'), wordt Homatropine ook wel oxytoluyltropelne genoemd.

De verbinding van één molec. van dit éénzurig alkaloïde met een molec. broomwaterstofzuur is het Homatropinehydrobromaat der I\'h.

Bereiding.

De bereiding geschiedt uit de bestanddeelen; i0. tropine, 20. amandelzuur en 3quot;. broomwaterstofzuur.

Zooals reeds boven gezegd is, kan tropine gewonnen worden door splitsing van atropine onder wateropname. Gewoonlijk bezigt men voor de bereiding niet dit alkaloïde, maar de daarmede isomeere hyoscyamine 1) in ruwen staat, die, met overmaat verdunde natronloog verhit, dezelfde splitsingsproducten levert. Door chloroform wordt de tropine uitgetrokken en door herhaalde kristallisatie daaruit gezuiverd.

Het amandelzuur ontstaat door verwarming van een mengsel van benzaldehyde en cyaanwaterstofzuur, de ruwe bitteramandelolie, met verdund chloorwaterstofzuur.

CGHs.COH -f HCN HC1 2 H20 =

benzaldehyde cyaan chloor water

waterstofzuur waterstofzuur

CBHs.CH(OH).COOH NIDC1

amandelzuur ammoniumchloride

\') Zie bij « Acidum benzoicum », blz. 48.

\') Zie bij « Folia Belladonnae», blz. 33\'2.

-ocr page 47-

423

Door vermenging van deze beide bereidt men eene neutrale, geconcentreerde oplossing van amandelzure tropine, die door verwarming gedurende eenige dagen op het waterbad met verdund zoutzuur, dat na verdamping telkens vernieuwd wordt, onder waterverlies overgaat in homatropine.

(C6 H5 .CH(OH).CO OH CRUN.OH) — H20 =

amnndelzuur tropine water

C«Hs.CH(OH).COO.(C8Hgt; 40)

homatropine

De homatropine, aan chloorwaterstofzuur gebonden, wordt in geconcentreerde oplossing door ammonia nêergeslagen en door uitschudden met chloroform daarin opgenomen; na verdamping van de chloroform blijft het ruwe alkaloïde achter. Men lost dit in alcohol op, neutraliseert het met broomwaterstofzuur en kristalliseert het Zout ter reiniging herhaaldelijk uit alcohol om of precipiteert het daaruit door middel van aether, waarin het onoplosbaar is.

Het Zout worde in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

Eigenschappen,

Een reukloos, wit, kristallijn poeder, gemakkelijk oplosbaar in koud (io), zeer gemakkelijk in warm water (i), moeilijker in spiritus (28), bijna onoplosbaar in chloroform en onoplosbaar in aether. De oplossing reageert neutraal.

Homatropinehydrobromaat smelt bij 210° en verbrandt ten slotte, na ontleed te zijn onder ontwikkeling van eigenaardig riekende dampen.

Ongeveer 1 mG. Homatropinehydrobromaat, verhit totdat zich nevels vertoonen , daarna met 1.5 cM3. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM3. water vermengd, geeft een eigenaardigen bloemengeur.

Ongeveer 1 mG. Homatropinehydrobromaat laat, na met een droppel rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een ietwat geelachtig gekleurd overschot achter, dat na bekoeling door één droppel spiritueuse kalioplossing oranjerood wordt.

De oplossing in water (1 = 10), met eenige droppels chloor-water vermengd, kleurt chloroform, die er mede geschud wordt, geel of roodgeel door afgescheiden broom.—Met zilvernitraat geeft zij een geelwit néerslag van zilverbromide, dat in ammonia moeilijk-oplosbaar en in ammoniumcarbonaat onoplosbaar is.

-ocr page 48-

424

Onderzoek.

i0. Een poeder, dat verbrandt zonder iets achter te laten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. kalium- of natriumverbindingen.

2°. Homatropinehydrobrornaat geeft een neutrale oplossing. Slaat op verontreiniging met zuu r, bijv. chloorwaterstofzuur, of alkali, bijv. natronloog.

3°. Na met haar viervoudig volumen water verdund te zijn, wordt de oplossing in water (i == io) door ammonia niet troebel. Homatropine wordt in verdunde oplossingen door alkaliën niet neergeslagen, slechts in geconcentreerde oplossing, terwijl het néer-slag in overmaat alkali weder oplost Onderscheid met atropine-zouten , die, op dezelfde wijze opgelost, bij voorzichtige toevoeging van ammonia een troebeling geven, welke bij schudding wederom oplost; door toevoeging van meer ammonia ontstaat echter een blijvend nóerslag, dat bij verdunning met water verdwijnt.

4°. en geeft met mer curie Jiloride een néér slag, dat door het reagens in overmaat of door water wordt opgelost. Onderscheid met at r op i n e-zouten, die door mercurichloride bij genoemde verdunning niet worden nêergeslagen !).

5°. Ongeveer i mG. Homatropine hydrobr ornaat laat, na met rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat door een spiritueuse kalioplossing oranje wordt.

Ongeveer i mG. Homatropine hydrobr ornaat, verhit totdat zich nevels vertoonen, daarna met 1.5 eM*. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM*. water vermengd, geeft een eigenaardigen bloemengeur. De laatste reactie, zoowel als de ontwikkeling van geurige dampen bij de ontleding door hitte, hebben de homatropine-zouten met die van atropine gemeen; beide zijn trouwens tropine reactiën. De eerste reactie echter komt alleen het homatropine-zout toe, in onderscheid meteen atropine-zout, dat, op dezelfde wijze behandeld, door een spiritueuse kalioplossing violet en daarna rood wordt 1).

1

) Zie bij « Sulfas Atropini ».

-ocr page 49-

42 5

HYDROCHLORAS APOMORPHINI.

APOMORPHINEHYDROCHLORAAT.

Een kristallijn, kleurloos of lichtgrijs, reukloos poeder, dat door het licht groenachtig wordt en, bij verhitting, eerst smelt en dan geheel verbrandt, terwijl dampen zich ontwikkelen, die naar muskus rieken. In water en in sterken spiritus is het oplosbaar.

Aether en chloroform lossen Apomorphinehydrochloraat bijna niet op en mogen er niet door gekleurd worden.

De oplossing in water (i = 100) moet kleurloos en neutraal of nauwelijks zuur zijn. Salpeterzuur kleurt haar bloedrood. Natriumcarbonaat brengt er een wit néér,slag in teweeg, dat weldra groen wordt en aether of chloroform, waarmêe het mengsel geschud wordt, in het eerste geval purper, in het tweede blauw of violet kleurt.

Samenstelling. C\'\'H17N02.HC1

Apomorphine is een alkaloïde, dat in nauw verband staat met morphine. Door verlies nl. van één molecule water gaat morphine in apomorphine over.

C\'WNO3 — I-PO = C17H\'7N02

morphine water apomorphine

De verbinding van één molec. van dit éénzurig alkaloïde met één molec. chloonvaterstofzuur is het Apomorphinehydrochloraat der Pharmacopee.

Bereiding.

Deze geschiedt gewoonlijk uit morphine met behulp van water-onttrekkende middelen, zooals zinkchloride, chloonvaterstofzuur of zwavelzuur. In plaats van morphine kan ook codeïne, d. i. methyl-morphine \'), aangewend worden; nevens water scheidt zich dan methylchloride als bijproduct af.

C\' 7HI 8(CH3)N03 HC1 = C17H17N02 CH3.C1 H20

codeïne chloorwater apomorphine methyl water

stofzuur chloricle

Fabriekmatig bereidt men het Zout, door i dl. morphine met 20 dln. chloonvaterstofzuur in toegesmolten, glazen buizen gedurende 2 a 3 uren in een oliebad tot 1400 a\' 1500 te verhitten.

■) Zie bij « Codeïnum », blz. 206,

-ocr page 50-

426

Na bekoeling wordt de inhoud der buizen met water verdund, de gevormde apomorphine en onveranderde morphine uit hare chloorwaterstofzure verbindingen door natriumhydrocarbonaat nêer-geslagen en het eerste van het laatste gescheiden door uitschudding met aether of chloroform, waarin apomorphine wel, morphine daarentegen niet oplosbaar is. Door toevoeging van chloorwaterstofzuur wordt de opgeloste apomorphine in het chloorwaterstofzure zout omgezet, dat, bijna onoplosbaar in aether en chloroform, zich daaruit kristallijn afzet. Men kristalliseert het ten slotte uit warm water om.

Eigenschappen.

Een kristallijn, kleurloos of lichtgrijs, reukloos poeder. Bij verhitting smelt het alvorens te verbranden, terwijl dampen zich ontwikkelen, die naar muskus rieken. Het is oplosbaar in water (30) en in spiritus (40), bijna onoplosbaar in aether en in chloroform. De waterige oplossing reageert neutraal of zeer zwak zuur.

In vochtigen toestand, in waterige oplossing bijv., wordt het Zout door oxydatie aan de lucht onder invloed van het licht langzamerhand groen, evenals het alkaloïde zelf, dat, door natrium-carbonaat neergeslagen, aanvankelijk w;t ziet, doch weldra groen wordt. Schudt men het daarna met aether of chloroform, dan wordt de eerste vloeistof purper, de laatste blauw of violet gekleurd.

Door één droppel salpeterzuur wordt 10 mG. van het Zout bloedrood, door chloorwater bruinrood en door ferrichloride rood gekleurd , welke kleur spoedig in violet en daarna in zwart overgaat.

10 mG. van het Zout, in 2cM■,,. natronloog opgelost, kleurt zich spoedig purperrood, langzamerhand bruin tot zwart.

In 10 mG. van het Zout, in 2 cM3. water opgelost, ontstaat door één droppel goudchloride een purperrood, later bruinrood, door pikrinezuur een geel néerslag.

10 mG. van het Zout, in 2 cM3. ammonia opgelost, wordt eerst bruin, daarna purperkleurig en na toevoeging van twee droppels zilvernitraat-oplossing zwart door afgescheiden xilver.

50 mG. Apomorphinehydrochloraat, met 50 mG. ferrosulfaat en 10 cM3. water geschud, geeft na verloop van eenigen tijd eene blauwe kleur, die langzamerhand in blauwzwart, ten slotte in vuil-groen overgaat \').

5c mG. Apomorphinehydrochloraat, in 5 cM3. water opgelost,

l) In onderscheid met codeïne, morphine, narcotine en narceïne.

-ocr page 51-

427

geeft, na toevoeging van één a twee droppels salpeterzuur, met zilvernitraat een wit neerslag van zilverchloride, dat aanvankelijk in ammonia oplost, doch spoedig door reductie tot zilver de vloeistof zwart kleurt.

Onderzoek.

1°. .Een kristallijn poeder. In den handel komt ook amorph Apomorphinehj^drochloraat voor, dat groen gekleurd is en niet gebruikt mag worden.

2°. kleurloos of lichtgrijs, dat door het licht groenachtig wordt, — Aether en chloroform mogen er niet door gekleurd worden. — De oplossing m water (i = ioo) moet kleurloos en nentraal of nauwelijks zuur zijn. Slaat op een door oxydatie aan de lucht onder den invloed van het licht bedorven, groen gekleurd preparaat, dat niet gebruikt mag worden. Vooral in vochtigen staat, in oplossing, ontleedt zich het Zout spoedig, welke ontleding en kleuring verhinderd worden door toevoeging van eenige droppels zuur, bijv. azijnzuur of chloorwaterstofzuur. Het is daarom, dat de Ph. eene zeer zwak zure reactie van vrij chloorwaterstofzuur toestaat. Het Zout moet dus, liefst in kleine fleschjes, tegen den invloed van lucht, licht en vocht bewaard worden.

3°. en bij verhitting geheel verbrandt. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. natriumzout.

4°. Salpeterzuur kleurt haar bloedrood. — Natruuncarbonaatbrengt er een wit néér slag in teweeg, dat tvcldra groen wordt en aether of chloroform, waarmee het mengsel geschud wordt, in het eerste geval purper, in het tweede blainv of violet kleurt. De eerste reactie hebben de apomorphine-zouten met die van morphine gemeen. De laatste geeft een middel ter onderscheiding, daar de néergeslagen morphine zich aan de lucht niet kleurt en zoo goed als onoplosbaar is in aether en chloroform. Niet-kleuring van het néerslag zou dus op verwisseling, een residu na schudding met aether of chloroform op verontreiniging met morphine-zout kunnen wijzen.

HYDROCHLORAS CHININI. KININEHYDROCHLORAAT.

Naaldvormige, witte, bittere, geheel verbrandbare kristallen, die oplosbaar zijn in ongeveer 30 deelen koud water, in 1 deel kokend water en in 3 deelen sterken spiritus.

-ocr page 52-

428

De oplossing in water (i = 60) is neutraal of zwak alkalisch, fluoresceert blauw bij toevoeging van verdund zwavelzuur en geeft, als zij met ammonia vermengd wordt, een wit neerslag, dat verdwijnt als het mengsel met aether geschud wordt. Eén droppel der oplossing geeft met 3 cM3. water en 1 cMs. chloorwater een mengsel, dat na toevoeging van ammonia groen wordt.

Wordt de oplossing van Kininehydrochloraat door ammonia van kinine bevrijd, dan geeft het heldere vocht, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, met zilvernitraat een wit, vlokkig neerslag, dat in een overmaat van ammonia gemakkelijk oplost.

De verzadigde oplossing van Kininehydrochloraat in water raag door baryumchloride niet terstond en door verdund zwavelzuur in het geheel niet troebel worden.

Indien 2 Grm. Kininehydrochloraat in 10 cM3. warm water opgelost en bij deze oplossing gevoegd wordt 500 mG. kaliumsulfaat, in 3 cM3. warm water opgelost; het mengsel door uitdamping gedroogd en het overschot, na fijn gemaakt te zijn, met 20 cM3. water ■/» uuri onder herhaald schudden, bij 60° tot 65° verwarmd wordt; het mengsel afgekoeld en nog 2 uur, onder herhaald schudden, op 150 gehouden en gefiltreerd is — dan moet 5 cM3. van dit filtraat, met 5 cM3. ammonia van 150 vermengd, een helder vocht opleveren.

Als het Zout bij ioo0 gedroogd wordt, verlieze het niet meer dan 9 pet.

Kininehydrochloraat bevat 81.7 pet. Kinine.

Samenstelling. C»0H4♦N^.HCl 2 H20

Het Kininehydrochloraat der Ph. is het normale, neutrale chloor-waterstofzure zout van kinine, de verbinding van één molec. chloor-waterstofzuur met één molec, van het tweezurig alkaloïde kinine 1),

Het Zout kristalliseert met twee moleculen kristalwater.

Bereiding.

Deze kan, evenals bij Kininehydrobromaat \'), geschieden door neutralisatie van kinine met verdund chloorwaterstofzuur.

Het uitgewasschen, nog vochtige nêerslag van kininehydraat, uit io din. kininesulfaat met eene oplossing van 3.5 dln. natrium-carbonaat bereid, wordt daartoe gebracht in 3.25 dln. chloorwaterstofzuur, tot 50 dln. met water verdund en tot hoogstens 30° verwarmd. Na oplossing der kinine wordt de vloeistof tot 60° verwarmd en naar behoefte eenig kininehydraat of verdund chloorwaterstofzuur toegevoegd, zoodat de vloeistof zwak alkalisch reageert, waarna zij ter kristallisatie ter zijde wordt gezet. Na de eerste af-

\') Zie verder bij «Hydrobromas Chinini», blz. 417.

-ocr page 53-

429

scheiding wordt de moederloog bij hoogstens 450 ingedampt, ten einde het Zout verder te doen kristalliseeren. De kristallen worden ten slotte bij zachte warmte of boven zwavelzuur en kalk gedroogd.

Het Zout kan, evenals bij de fabriekmatige bereiding, ook verkregen worden door wederzijdsche ontleding van kininesulfaat met baryumchloride. Daartoe worden 10 dln. kininesulfaat in 80 dln.

(C20!^2 4N202)ï : H2S04 Ba Cl2 = 2 C2 »H24N202.HC1 Ba SO4

kininesulfaat baryumchloride kininehydrochloraat baryumsulfaat

warm water opgelost en hierbij onder omroeren gevoegd eene oplossing van 2.8 dln. baryumchloride in 20 dln. warm water. Men onderzoekt daarna een weinig van het gefiltreerde vocht op sulfaat niet baryumchloride en op baryumzout met verdund zwavelzuur. Mocht het een of het ander nog in geringe overmaat aanwezig zijn, dan moet men bij kleine hoeveelheden nog zooveel baryumchloride of kininesulfaat toevoegen als noodig is om op beide geen reactie meer te verkrijgen Daarna wordt de vloeistof warm gefiltreerd , nadat het vocht onder verwarming op het waterbad bij 700—800 zoo volledig mogelijk bezonken is, en voorts ter kristallisatie ter zijde gezet. Evenals bij de vorige bereidingswijze kan men de moederloog daarna bij ongeveer 450 indampen, ten einde het Zout verder te doen kristalliseeren.

Daar het Zout, aan \'t licht blootgesteld, zich min of meer kleurt en door warmte kristalwater verliest, moet het tegen \'t licht beschut op eene koele plaats bewaard worden.

Eigenschappen.

Naaldvormige, zijdeachtige, witte, bittere, geheel verbrandbare kristallen, die niet gemakkelijk oplosbaar zijn in koud (24), doch gemakkelijk in warm (1) water en in spiritus (3). De waterige oplossing reageert neutraal of zwak alkalisch.

Zij fluoresceert blauw bij toevoeging van verdund zwavelzuur. Met ammonia vermengd, geeft zij een wit neerslag van kinine-hydraat, dat in aether en in chloroform oplosbaar is

Eén droppel der waterige oplossing (1 = 60) geeft met 3 cM3. water en 1 cM3. chloorwater een mengsel, dat na toevoeging van 2 droppels ammonia smaragdgroen wordt gekleurd {thalleokine-reactie) 1).

Wordt de oplossing van Kininehydrochloraat door ammonia

Over andere kinine-reactiën zie bij « Corlex Chinae», blz. 219 en \'2-20.

-ocr page 54-

43°

van kinine bevrijd, dan geeft het gefiltreerde, heldere vocht, na met verdund salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, met zilvernitraat een wit, vlokkig neerslag van zilverchloride, dat in salpeterzuur onoplosbaar, in een overmaat van ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

Onderzoek.

i0. geheel vevbymidbare kvistcillen. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. kalium-, natrium-of baryumzouten.

2°. De oplossing in water (i =60) is neutraal of zwak alkalisch. Slaat op de afwezigheid van vrij zuur, alkali of alkaloïde. Sporen van het laatste worden toegestaan.

30. De verzadigde oplossing van KinineJiydrochloraat in water mag door baryumchloride niet terstond troebel worden. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

40. en door verdund zwavelzuur in het geheel niet. Afwezigheid

van b a r y u m zout.

50. Indien 2 Gnn. Kininehydrochloraat in 10 cM%. warm water opgelost en bij deze oplossing gevoegd zvordt 500 mG. kaliumsulfaat, in 3 cM*. warm water opgelost; het mengsel door uitdamping gedroogd \') en het overschot, na fijn gemaakt te zijn, met 20 cM3. water \\ uur, onder herhaald schudden, bij 60quot; tot 65° verwarmd wordt; het mengsel afgekoeld en nog 2 uur, onder herhaald schudde n, op 150 gehouden en gefiltreerd is — dan moet 5 cM%. van dit filtraat, met 5 cM*. ammonia van 15° vermengd, een helder vocht opleveren. Voor deze reactie op andere Kina-alkaloïden wordt het Kininehydrochloraat vooraf in watervrij sulfaat omgezet en vervolgens op dezelfde wijze als „Sulfas Chinini onderzocht ).

6°. Als het zont bij ioo0 gedroogd zvordt, ver he ze het met meer dan 9 pet. Slaat op een te hoog watergehalte. 39Ö\'5 ^ln. Kininehydrochloraat (C2 quot;H2\'\'N102.HC1 -j- 2 IPO = 396.5) leveren 360.5 dln. watervrij zout (C20H:!4N1O1.HCl = 360.5). Het

(396.5—360.5) X 100 _ gewichtsverlies door droging bedraagt dus -------39675quot;

9 pet. ongeveer.

70. Kininehydrochloraat bevat 81.7 pet. Kinine. 396,5 dln. Kininehydrochloraat (C2quot;H2 4N20:1.HC1 -|- 2 H20 = 396.5) bevatten

, . 324 X 100 O. „ 324 dln. kinine (C22H24N202 = 324), d. 1. g j

\') Zie noot \') blz. 420.

,) Zie verder bij «Sulfas Chinini».

-ocr page 55-

43i

pet. \'). Het aldus verkregen alkaloïde bevat 3 molec. water. Door oplossing in spiritus en verdamping dezer oplossing of door voorzichtige verhitting tot 1250 wordt het watervrij verkregen.

HYDROCHLORAS COC A INI.

COCAÏNEHYDROCHLORAAT.

Kleurlooze kristallen, rlie door hitte smelten en geheel verbrandbaar zijn. Bij loo» ondergaan zij geen gewichtsverlies. Zij zijn in water en in sterken spiritus gemakkelijk, in aether en in chloroform moeilijker oplosbaar.

De oplossing in water (1 = 50) mag niet zuur zijn en geve met zilvernitraat een wit — in salpeterzuur onoplosbaar — met ammoniumcarbonaat een wit en met goudchloride een geel neerslag.

Een oplossing van 10 mG. Cocaïnehydrochloraat in 1 of 2 droppels water, vermengd met een oplossing van 3 mG. droog kaliumpermanganaat in 1 cM3. water, geeft een violet nêerslag. Wordt dit mengsel verwarmd, dan mag geen reuk van bittere-amandelolie merkbaar worden.

10 mG. Cocaïnehydrochloraat geeft met 0.5 cM\'. zwavelzuur een heldere, kleurlooze vloeistof, die, als men haar 1 tot 2 minuten tot 100° verwarmt en, nadat zij bekoeld is, met 1 cM3. water verdunt, kristallen oplevert, die weder verdwijnen als de vloeistof verwarmd of met aether geschud wordt.

Samenstelling. C17Hi,N04. HC1

Cocaïnehydrochloraat is de verbinding van ee\'n molec. van het eénzurig alkaloïde cocaïne met één molec. chloonvaterstofzuur.

») Over de methode lot afscheiding van kinine zie bij «Hydrobromas Ghinini», blz. 417. \') Cocaïne is een samengestelde aether. Wordt liet alkaloïde met sterke zuren, bijv. zwavelzuur, of basen, bijv. barytwater, gekookt, dan splitst het zich onder wateropname in de bestanddeelen: methylalcohol, benzoëzuw en ecgonine {methyltetrahydropyridil-fi-oxypropioonzuur: Clla.N: CMI\'.CHOH.CIIJ.G00I1).

C1 \'II1 \'NO \'2 Hgt;0 = C1K0H CMI\'.GOOH C»II\'»NO*

cocame water methylalcohol benzoözuur ecgonine

Omgekeerd kan Cocaïne opgebouwd worden door behandeling van ecgonine met een mengsel van metbyljodide en benzoëzuuranhydride.

2 CMI1 \'NO3 (C\'H\'Oj^O \'2 CH\'.I = Cquot;Hquot;NO».HI -f C»HlsNO«.HI

ecgonine benzoëzuur methyl jodide cocaïne ecgonine

anhydride hydrojodaat hj\'drojodaat

G\'II50».GH»

methylbenzoëzuur Z. 0. Z.

-ocr page 56-

432

Bereiding. .

Cocaïne kan gewonnen worden uit de bladen van E r y t h r o x y 1 o n

Coca Lam., een struik, beboerende tot de familie der Lry-throxylaceae, die in Zuid-Amerika (in Chili, Peru, Bohvie en Brazilië) veelvuldig wordt gekweekt, en waar uit de groene, glanzende, eedroogde bladen in belangrijke hoeveelheden de ruwe Cocaïne, d. i. Cocaïne, met hare neven-alkaloïden verontreinigd, gewonnen wordt. De bladen worden daartoe fijngesneden en vervolgens met eene natriumcarbonaat-oplossing gemacereerd, waarna zij weder worden gedroogd en daarna tot grof poeder gestampt. Dit poeder word- met benzine of petroleumaether uitgetrokken, waarin te vrij geworden Cocaïne oplost. Door uitschudding met verdund chloorwaterstofzuur gaat het alkaloïde als hydrochloraat m ce waterige oplossing over, terwijl verontreinigingen als bladgroen, enz. in de benzine opgelost blijven. Door precipitatie met natnum-

carbonaat wordt ten slotte het ruwe alkaloïde uit de geconcentreer e,

waterige oplossing afgescheiden. Naar Europa verzonden, wordt dit voorts naar verder als fabrieksgeheim onbekende methoden

tot zuivere Cocaïne verwerkt. Waarschijnlijk worden daar tevens, na afscheiding van het zuivere alkaloïde, volgens de methode, vermeld in de noot op blz. 431, de daarbij gewonnen neven-alkaloïden tot ecgonine verwerkt, en deze verder volgens de daarnevens ge-

llleiM.it blijkt, dat Cocaïne is: methylbenzoézure ecgonine {methylhenzoylecgonine).

(CU1). (CH\'.CÜ). CU\'\'NO\'

Andere alkaloïden, die nevens cocalooizuur en sporen vluchtige olie de Cocaïne in Coca-bladen vergezellen en min of meer met zekerheid daaruit zijn afgescheiden, zijn. 1» Cocaïne (r e c h t sd r a a i e n d), C-ll-NO\', een isorneer, pnsmatisch-

kristalliin bij 45c-4li° smeltende. Het werkt physiologisch als het linksdraaiende Cocaïne..

2« Benzoylecgonine, C-H-NO* 4 Il\'O, kristallijn, bij 8ü°-87°smol-

\'quot;Ï\' Cinnamylcocaïne, C\'MI-NO\', te beschouwen als Cocaïne waarin de benzoëzuur-groep vervangen is door die van kaneelzuur, naaldvormig-kristalhjn , sm -

\'fs^cinnamylcocaïne en a 11 o c i 1111 a m y 1 c 0 c a ï n e, Cquot;gt;Hquot;NO-,

isomeren van cinnamylcocaïne. , „ „ a m i n pï

5». «- eu (3-Truxilline (truxill-, i s a t r 0 p y 1 c 0 c a 1 n e , cocamne, (C\'MP\'NOm1, isomeren, te beschouwen als Cocaïne, waai in de benzoezuui fei ■ vervangen door die van truxillinezuur, (C»H»0»)gt;, polymeren, zeer waarschijnlijk dubb -moleculen van kaneelzuur. Truxilline is eene amorphe, zeor vergiftige base, linksdraaiend,

11». Hygrine, (CH^NOquot;)1, eene eigenaardig riekende, olieachtige stof, waan an de constitutie nog niet volledig bekend is.

-ocr page 57-

433

melde methode in cocaïne omgezet, Ook de bereiding van het hy-drochloraat kan op verschillende wijzen geschieden, door oplossing bijv. van het alkaloïde in aether of benzine, waarin droog chloor-waterstofzuurgas wordt geleid, waardoor het Zout, dat daarin onoplosbaar is, zich afscheidt, of door oplossing van het alkaloïde in absoluten alcohol, neutralisatie door chloorwaterstofzuur en toevoeging van watervrijen aether, waardoor het Zout wordt geprecipiteerd. \'

Eigenschappen.

Kleurlooze, doorschijnende, neutrale, watervrije, bittere, ver-doovende kristallen, die bij 186° smelten en verder geheel ver-branden, gemakkelijk oplosbaar zijn in water (0.75) en in spiritus (1), moeilijker in chloroform (23) en onoplosbaar in aether.

0.5 cM3. der oplossing van 10 mG. Cocaïnehydrochloraat in 5 cM\'.

water wordt door joodoplossing bruin, door kaliummercurid-jodide wit, door pikrinezuur en goudchloride geel nêergeslagen; ook door tannine, welk néerslag door overmaat echter weder verdwijnt.

10 mG. Cocaïnehydrochloraat, opgelost in 5 cM\'. water,

wordt door één droppel kaliloog of ammonia wit troebel, terwijl bij verdere toevoeging de oplossing weder helder wordt, waaruit ten slotte naaldvormige kristallen van vrije cocaïne kristalliseeren, die gemakkelijk oplosbaar zijn in alcohol en aether.

10 mG. Cocaïnehydrochloraat, met 1 cM3. salpeterzuur op een horlogeglas op het waterbad uitgedampt en hieraan toegevoegd 2 droppels spiritueuse kalioplossing, verspreidt den reuk van benzoëzure aethylaether.

10 mG. Cocaïnehydrochloraat, met 5 droppels zwavelzuur op het waterbad verwarmd, geeft na bekoeling bij verdunning met water eene kristallijne afscheiding van benzoëzuur.

10 mG. Cocaïnehydrochloraat, met evenzooveel mercurochloride gemengd, wordt bij bevochtiging met water of spiritus zwart gekleurd.

10 mG. Cocaïnehydrochloraat, in 1 cM3. water opgelost, geeft met één droppel kaliumbichromaat een geel néerslag, dat bij verwarming oplost; na toevoeging van 10 droppels zwavelzuur wordt de vloeistof groei) gekleurd. ^ \'

10 mG. Cocaïnehydrochloraat, in 2 droppels water opgelost en vermengd met eene oplossing van 3 mG. droog kaliumper-

i

i\'IH

l||. j ■ li 1

ft h

i

Pil

■ f1

m

1

\'f

-ocr page 58-

434

manganaatin i cM». water, geeft een violet nóerslag van cocaïne-

PeriodmGnaCtócaïnehydrochloraat) opgelost in 5 cM\'. water geeft met zilvernitraat een wit, vlokkig nêerslag van zi verchloride, dat in salpeterzuur onoplosbaar, in ammonia gemakkelijk oplosbaar is.

die geheel verbrandbaar zijn. Afwezigheid van

niet-vluchtige, anorganische stoffen. H . 7out ma£r

2« Bij ioo0 ondergaan zij geen gezvichtsverhes. Het Zout mag dus Ó-een kristalwater bevatten, wat het geval is, wanneer het uit de alcoholische oplossing verkregen is. Uit de waterige op-lossing daarentegen kristalliseert het naaldvormig met 2 molecule kristalwater. Dit zout mag dus niet gebruikt worden-

De oplossing in water (i = 50) mag met zuur zlJn- ^

wezigheid van vrij c h 1 o o r w a t e r s t o f z u u r. Overigens onder-

gaat* het Zout bij bewaring in waterige oplossing langzamerham ontleding waarbij het onder wateropname waarschijnlijk in boven-gêïïn noot bi. 43.) bestanddelen ontleed wordt en de vloeistof eene zure reactie verkrijgt. Men bereide de quot;P °ss,n^ alleen dan, wanneer dit noodig is, en beware be. Zont baden

40 en geve met zilvernitraat een lult — in salpeter aunt onop

Maar - neerslag Slaat op het het ^t/d/oquot;-

chloraat. Identiteitsreactie, in tegenstelling met het hy bromaat, hetwelk met zilvernitraat een geelwit nêerslag van zilverbromide geeft, dat, in tegenstelling met z.lverchlonde moei ij in ammonia oplosbaar is. Overigens zijn nog in gebruik het sal -

cylaat en nitraat1). • ƒ o

gt; Een oplossing van 10 mG. Cocalnehydrochloraat m 1 of droppels water, vermengd met eene oplossing van i kaliumpermanganaat in 1 cMgt;. water, geeft een quot;f*

Wordt dit mengsel verwarmd, dan mag geen reuk oan bittere amandelolie merkbaar zoor den. Reactie op n e v e n-a 1 k a 1 0 1 die het permanganaat geheel of gedeeltelijk zouden ontkleu voorts meer eigenlijk op c i n n a m y 1 c o c a 1 n e, die door de

t) Zie identiteitsreactiën Lij «Acidum salicylicum., blz. 41 en «Acid urn n.tncum », blz. 32.

-ocr page 59-

435

daarin voorkomende kaneelzuur-groep bij verwarming met per-manganaat den reuk naar bittere-amandelolie verspreidt 1).

6°. io mG. Cocaïnehydrochloraat geeft met 0.5 cM*. zwavel-zuuv een kleuvlooze vloeistof. Slaat op het gebruik van een goed gezuiverd preparaat. Een minder deugdelijk Zout door het gebruik van niet voldoend gezuiverde cocaïne wordt door zwavelzuur geel of bruin gekleurd.

HYDROCHLORAS MORPHINI.

MORPHINEHYDROCHLORAAT.

ICleurlooze, glanzende kristallen of witte kristalblokjes, die bitter smaken , door hitte smelten en geheel verbrandbaar zijn.

Morphinehydrochloraat is in 25 deelen koud of in 1 deel kokend water en in ongeveer 55 deelen sterken spiritus oplosbaar. De oplossing in water moet neutraal zijn.

Morphinehydrochloraat wordt door salpeterzuur rood en door ferri-chloride blauw gekleurd.

De oplossing in water (1 = 30) geve met natronloog een wit neerslag, dat door een overmaat van het reagens weder wordt opgelost, en met zilvernitraat een wit, in salpeterzuur onoplosbaar neêrslag.

Door het bij 100° te drogen, verlieze Morphinehydrochloraat niet meer dan 15 pet. water.

Moiphinehydrochloraat mag in de plaats van Morphineacetaat afgeleverd worden.

Samenstelling. C1 9N03.HC1 3 HJ0

De verbinding van één molecule van het éénzurig alkaloïde morphine met één molecule chloonvaterstofzuur.

Het Zout bevat drie moleculen kristalwater.

Bereiding.

Morphine wordt bereid uit Opium. De meest gebruikelijke methode daarvoor is die, welke bij de bereiding van Codeïne, dat

\') Zie bij «Acidutn benzoïcum », blz. 21.

Verontreiniging met trnxilline (i s a t r 0 p y I c o c a ï n e) kan nader herkend worden door 0,1 Grm. van bet Zout op te lossen in 100 Grm. water en hierbij 5 droppels ammonia te voegen, waarin deze amorphe, vergiftige base veel minder oplosbaar is dan cocaïne. Hierbij mag dus niet terstond eene melkachtig-witte troebeling ontstaan.

-ocr page 60-

436

daarbij als nevenproduct wordt verkregen, is vermeld De door ammonia afgescheiden morphine wordt met koud water afgewasschen, gedroogd en uit alcohol omgekristalliseerd.

Het hydrochloraat wordt hieruit verkregen, door de morphine (i dl.) in warmen alcohol (20 dln.) op te lossen en hieraan chloor-waterstofzuur (1 dl.) toe te voegen, waaruit bij bekoeling het Zout zich in fijne kristallen afscheidt. Zoo noodig worden deze nog weder in water of verdunden spiritus opgelost en de oplossing met dierlijke kool ontkleurd, wat afhankelijk is van de zuiverheid der gebezigde morphine.

De ten slotte verkregen kristallen worden met een weinig spiritus afgewasschen en bij zeer zachte warmte of bij gewone temperatuur gedroogd, terwijl uit de moederloog door verdere indamping opnieuw Zout kan worden afgescheiden.

Bij de fabriekmatige bereiding laat men veelal het Zout zich zóó afscheiden, dat de uiterst fijne kristallen met elkander een koek vormen, die na afwassching en droging in de bekende dobbelsteen-vormige stukjes kan worden gesneden.

Eigenschappen.

Witte, bittere, kleurlooze, glanzende, dunne, naaldvormige, in bundels of tot min of meer dobbelsteenvormige blokjes vereenigde kristallen, die bij verwarming smelten en ten slotte geheel verbranden. Zij zijn neutraal oplosbaar in koud (25) en warm (1) water, in kouden (50) en warmen (10) spiritus, niet in aether, daarentegen wel in kali- en natronloog, doch niet in ammonia.

Met de meeste algemeene alkaloïd-reagentïen, zooals kalium-^ mercuridjodide, mercurichloride, enz. geeft de waterige oplossing van Morphinehydrochloraat een neêrslag.

20 mG. Morphinehydrochloraat, op 1 cM3. salpeterzuur gebracht, wordt onder roodkleuring opgelost, vooral wanneer het zuur vooraf met 4 cM3. water verdund is geworden.

10 mG. Morphinehydrochloraat geeft met 2 cM3. zuiver zwavelzuur aanvankelijk eene kleurlooze oplossing, die echter langzamerhand blauwgroen wordt 2).

20 mG. Morphinehydrochloraat, in t cM3. zwavelzuur opgelost, wordt bij aanraking met 1 droppel salpeterzuur bloedrood gekleurd.

\') Zie bij « Godeïnum » , blz. 207.

\') Is het zwavelzuur niet volkomen zuiver, dan ontstaat, zoo ook bij Codeïne, do kleur terstond.

-ocr page 61-

437

20 mG. Morphinehydrochloraat, met 2 droppels zwavelzuur en io mG. suiker saamgewreven, wordt rozerood gekleurd.

20 mG. Morphinehydrochloraat, in een droppel water verdeeld, wordt door een droppel ferrichloride-oplossing (1 = 10) blauw gekleurd.

Een spoor morphine, gebracht op 10 mG. ammoniummolyb-denaat, opgelost in 5 droppels zwavelzuur, geeft violette strepen en ten slotte eene donkerblauwe vloeistof.

10 mG. Morphinehydrochloraat, met evenzooveel kaliumferri-cyanide in 5 cM3. water opgelost, geeft met een droppel verdunde ferrichloride-oplossing (1 = 10) een blauw precipitaat.

20 mG. Morphinehydrochloraat, in 1 cM3. water opgelost, wordt door 2 cM3. chloorwater geel gekleurd, welke kleur na toevoeging van 1 cM3. ammonia in bruin overgaat.

10 mG. Morphinehydrochloraat geeft in eene door zachte verwarming in het waterbad bereide oplossing van 100 mG. kalium-jodaat in 5 cM3. water, waaraan toegevoegd 5 droppels azijnzuur, eene geelbruine afscheiding van jodium, dat bij schudding met chloroform met violette kleur daarin oplost.

20 mG. Morphinehydrochloraat, met 20 mG. natriumnitriet en 40 mG. mercurichloride onder herhaald zacht schudden met 5 cM3. water in het waterbad verwarmd, wordt langzamerhand fraai blauw gekleurd en zet ten slotte een donkerblauwen neerslag af.

20 mG. Morphinehydrochloraat, opgelost in 5 cM3. water, geeft met zilvernitraat een neórslag van zilverchloride, dat onoplosbaar is in salpeterzuur, doch oplosbaar in ammonia.

■ ■

i i.f \'ï -:. M 1 i;

Itff 1 ■(

pil S\'liilU

Onderzoek.

1°. Kristallen of kristalblokjes, die geheel verbrandbaar zijn. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

2°. Morphinehydrochloraat is in 25 deelcn koud water oplosbaar. Slaat op een gehalte aan vrije morphine of narcotine, die zeer moeilijk oplosbaar zijn in water.

3°. Dc oplossing moet neutraal zijn. Afwezigheid van alkalische stoffen, bijv. vrije morphine of ammonia, of zure stoffen, bijv. vrij c h 1 o o r w a t e r s t o fz u u r.

4quot;. Morphtne ivordt door salpeterzuur rood gekleurd. In onderscheid — met het oog op verwisseling —- met andere alkaloïden of alkaloïdachtige stoffen, b.v. coffeïne, die met salpeterzuur eene kleurlooze oplossing geeft,

|f JiJj (■ ; f;

pHp

ifTOl\'

é li

29

-ocr page 62-

43«

5°. en door ferric h loridc blauiv. In onderscheid — met het oog op verwisseling — met Codeïne, die als base ferrichloride bij verwarming gedeeltelijk als ferrihydroxyde neêrslaat, gedeeltelijk tot ferro-chloride reduceert en eerst in zwavelzure oplossing bij verwarming met ferrichloride eene donkerblauwe kleur doet ontstaan.

6°. De oplossing in water (i = 30) geve met natronloog een wit néér slag, dat door een overmaat van het reagens weder wordt opgelost. In onderscheid met Codeïne, die in alkaliën onoplosbaar is. Slaat echter vooral op verontreiniging der morphine met narcotine, die, door natronloog neergeslagen, daarin niet weder oplost.

7°. en met zilvernitraat een wit, in salpeterzuur onoplosbaar neérslag. Identiteitsreactie op het hydrochloraat in onderscheid met het acetaat cn sulfaat. Met eerste geeft met zilvernitraat een neerslag, dat oplosbaar is in salpeterzuur; het tweede wordt daardoor niet neergeslagen.

80. Door het bij 1 oo0 te drogen, ver Hese Morphine hydrochloraat ■niet meer dan 15 pet. water. Het normale Zout (C17H19:,.HC1 -|- 3 H20 = 375.5) heeft een watergehalte (3 H20 = 54) van

——— V 100 = 14.3H pet. Een grooter verlies bij droging zou 375 5

op een te hoog watergehalte van het Zout wijzen.

90. Morphinehydroehloraat mag in de plaats van Morphineaeetaat afgeleverd worden. Vroeger was het laatste meer in gebruik dan het eerste. De verbinding der morphine met azijnzuur is echter zóó gering, dat het azijnzuur langzamerhand gedeeltelijk daaruit vervluchtigt, vooral bij langdurige bewaring of aanraking met de lucht, waardoor het preparaat overgaat in een wisselend mengsel van morphineaeetaat en vrije morphine. Het verliest daardoor zijne witte kleur, wordt alkalisch van reactie en is slechts gedeeltelijk oplosbaar in water. Het Morphinehydroehloraat benevens het sulfaat — het laatste is minder gebruikelijk — zijn daarentegen constanter van samenstelling en ondergaan bij zorgvuldige bewaring geene verandering, waarom deze boven het acetaat zijn te verkiezen en het eerste voor het laatste gegeven mag worden.

-ocr page 63-

439

HYDROCHLORAS P I L O C A R P I N 1.

PILOCARPINE H Y D R O C H L O R A A T.

Een kristallijn, kleurloos, hygroscopisch poeder, dat door hitte smelt en geheel verbrandbaar is. Het is in water en in sterken spiritus gemakkelijker oplosbaar dan in aether en in chloroform.

Rood-rookend salpeterzuur en zwavelzuur geven met Pilocarpinehydro-chloraat kleurlooze of weinig gekleurde oplossingen; die in zwavelzuur wordt na toevoeging van een korrel kaliumbichromaat smaragdgroen.

In de oplossing van Pilocarpinehydrochloraat in water (i = ro) ontstaat door natronloog een sterke troebeling, onder afscheiding van olieachtige droppels, die echter verdwijnen als tie oplossing geschud wordt.

De oplossing van Pilocarpinehydrochloraat in water (r = 50) is zwak zuur, wordt troebel door mercurichloride en geeft met zilvernitraat een wit, in salpeterzuur onoplosbaar neerslag.

Samenstelling. C\'1IIlliN202.HCl

De verbinding van e\'én molecule van het éénzurige alkaloïde pilocarpine met één molecule cbloonvaterstofzuur.

Bereiding. Het alkaloïde pilocarpine wordt vooral gevonden in de bladen van Pilocarpus pennatifolius Lemaire, ook wel, doch minder in die van andere Pilocarpus-soorten (P. Selloanus, heterophyllus, enz.), behoorende tot de familie der Rutaceae en inheemsch in Zuid-Amerika (Brazilië).

De tot grof poeder gestampte Jaborandi-bladen, die ongeveer 0.5 pet. van het alkaloïde bevatten, worden met chloor-waterstofzuurhoudenden spiritus gepercoleerd, waardoor de alkaloïden\') als hydrochloraten, benevens chlorophyll, vet en hars,

I li

Sul

I

1 ■

\' ) liehalve pilocarpine bevatten rle .labora n d i-bladen nog twee andere alkaloïden, nl.: 1°. jaborine (O\'li\'«.VO2)1, ecu polymeer van pilocarpine, dat zich bij verwarming gemakkelijk, vooral uil de zure oplossing van pilocarpine vormt (zie «liereiding»). Het is eene amorpbe, zeer sterke en vergiftige base, minder oplosbaar iu water. Terwijl pilocarpine pbysiologisch meer werkt als nicotine, komt jaborine in werking meer met atropine overeen.

\'2°. p i 1 o c a r p i d i n e, G1 quot;li1\'X\'O1, een homoloog van pilocarpine, dat door inwerking van zuren of alkaliën uit jaborine scliijnt te ontstaan. Het is eene stroopaclitige base, tamelijk oplosbaar in water, die physiologiscb werkt als nicotine.

Voorts komt er in de bladen van de z.g. valse be Jaborandi, de bladen van I\' i p e r r e t i c n 1 a t u m L., O 11 0 n i a .labo r a n d i K u nth, enz., in plaats van pilocarpine een ander alkaloïde voor, jaborandine, C1quot;HX\'03, amorph en physiologiscb ongeveer werkende als atropine. Uit deze en andere bladen, als J a b o-rand i-bladen in den handel gebracht, mogen do alkaloïden onder den naam va\'i pilocarpine natuurlijk niet bereid worden.

iti

Itquot;;1

. j\'!

i

IT

-ocr page 64-

44°

in den spiritus overgaan. De spiritus wordt bij zoo laag mogelijke temperatuur afgedestilleerd, het achterblijvende, vloeibare, zooveel mogelijk ingedampte extract in water opgenomen, de vloeistof door filtratie van vet, hars, enz. bevrijd en de alkaloïden vervolgens door ammonia in geringe overmaat in vrijheid gesteld en door herhaaldelijk uitschudden met chloroform daarin opgenomen.

Ook kan men de tot poeder gebrachte bladen met natriumcar-bonaat-oplossing bevochtigen en de daardoor vrij geworden alkaloïden met warmen benzol uittrekken, waarin zij overgaan. Ter reiniging wordt deze oplossing in benzol met verdund chloorwater-stofzuur geschud, waardoor de alkaloïden als hydrochloraten in waterige oplossing overgaan, waaruit zij weder door natriumcar-bonaat-oplossing worden afgescheiden en met chloroform uitgeschud.

Ter verdere afscheiding en zuivering der pilocarpine worden de gezamenlijke alkaloïden, die na destillatie der chloroform als eene bruine stroop achterblijven, door neutralisatie met verdund salpeterzuur in nitraten omgezet, de vloeistof na filtratie voorzichtig tot droog verdampt en het achtergeblevene in warmen alcohol opgenomen. Door voorzichtige uitdamping, kristallisatie en herhaald omkristalliseeren uit alcohol, waarin de nitraten der overige alkaloïden opgelost blijven, wordt het pilocarpine-nitraat van de andere nitraten gescheiden. Ten slotte in water opgelost, wordt het alkaloïde door ammonia uit het nitraat afgescheiden en met chloroform uitgeschud.

Ter bereiding van het hydrochloraat wordt de kleurlooze, stroop-achtige pilocarpine met verdund chloonvaterstofzuur geneutraliseerd en de oplossing voorzichtig uitgedampt, ten slotte door herhaaldelijk omkristalliseeren uit alcohol volkomen gezuiverd en boven zwavelzuur gedroogd.

Eigenschappen. Een zwak zuur, kristallijn, kleurloos, doorschijnend, hygroscopisch, zwak bitter poeder, dat bij 194°—196quot; smelt en verder geheel verbrandt en gemakkelijk oplosbaar is in water (0.5) en in spiritus (1.25), zeer moeilijk in aether (2000) en bijna onoplosbaar in chloroform.

Met vele alkaloïd-reagentiën, zooals joodoplossing, kaliummercu-ridjodide, mercurichloridc, platinum- en goudchloride geeft de waterige oplossing (1 = 50) een nêerslag.

In zwakke, waterige oplossing wordt het alkaloïde noch door

-ocr page 65-

441

ammonia, noch door natronloog nêergeslagen; \'in eene meer geconcentreerde oplossing (i = 10) scheidt zich door het laatste het alkaloïde als olieachtige droppels af, die in overmaat bij schudding weder oplossen.

Met zwavelzuur en rood-rookend salpeterzuur geeft Pilocarpine-hydrochloraat eene kleurlooze of zeer weinig gekleurde oplossing; de eerste wordt na toevoeging van een korreltje kaliumbichromaat smaragdgroen gekleurd 1).

Eene oplossing van Pilocarpinehydrochloraat geeft met zilver-nitraat een wit neerslag, dat onoplosbaar is in salpeterzuur, doch oplosbaar in ammonia.

Onderzoek.

1°. Een hygroscopisch poeder. Het Zout trekt vocht uit de lucht aan en vervloeit ten slotte. Het worde dus in kleine, goed gesloten fleschjes op eene volkomen droge plaats bewaard.

2°. dat door hitte smelt. Het Zout, na vooraf bij 50° gedroogd te zijn, smelt bij 1940—196°. Een lager smeltpunt zou kunnen wijzen op een gehalte aan jaborine en pilocarpidine, welke bij eene niet zorgvuldige bereiding, waarbij zooveel mogelijk eene hooge temperatuur en de invloed van zure of alkalische stoffen moet vermeden worden, uit pilocarpine zouden kunnen ontstaan.

3°. en geheel verbrandbaar is. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

4°. Rood-rookend salpeterztiur en zzvavelzuur geven met Pilocarpinehydrochloraat kleurlooze of weinig gekleurde oplossingen. In onderscheid met andere alkaloïden. Uc kleurloosheid met zwavelzuur slaat vooral op het gebruik van een goed gezuiverd Zout, ook op vervalsching met vreemde stoffen, die zwavelzuur kleuren. Eene geringe kleuring wordt toegestaan.

5°. De oplossing van Pilocarpinehydrochloraat in water y\\ = 50) geeft met zilvernitraat een ivit, in salpeterzuur onoplosbaar neerslag. De identiteitsreactie slaat op verwisseling met het h y d r o-bromaat of nitraat. Het eerste geeft een geelwit, het tweede geen neórslag met zilvernitraat.

\') De reactie met calomel (zie blz. ■\'i33) hoeft l ilocarpine met cocaïne gemeen.

-ocr page 66-

442

HYPOPHOSPHIS C A L C I C U S.

CALCIUMHYPOPHOSPHIET.

Een korrelig, kristallijn, wit, reukloos poeder, dat door hitte ontvlamt en met 6 tot 7 deelen water een heldere of zwak opalesceerende oplossing geeft, doch niet oplosbaar is in sterkon spiritus.

De oplossing in water is neutraal of zwak alkalisch en geeft met am-moniumoxalaat en met zilvernitraat een wit ncórslag; het laatstbedoelde wordt spoedig bruin en daarna zwart.

De oplossing in water (i = 100) geve niet terstond een troebeling niet baryumchloride of met loodacetaat.

Samenstelling. Ca(H5P02)2

Behalve het bij „Acidum phosphoricuniquot; \') genoemde phos-phorigzuur en phosphorzuur bestaat er nog een van phosphorus afgeleid zuur, waarvan echter geen correspondeerend oxyde bekend is, nl. het onderphosphorigzuur, 113PO2.

Dit zuur is, alhoewel het drie atomen waterstof bevat, een één-basisch zuur, d. w. z. slechts één der drie atomen waterstof kan door metalen worden vervangen.

Calciumhypophosphiet nu is het calciumzout van dit onder-phosphorigzuur. De twee verplaatsbare atomen waterstof van twee moleculen onderphosphorigzuur zijn dus vervangen door het t wee-waardige metaal calcium.

Bereiding. Wordt phosphorus in bijzijn van sterke basen, bijv. potasch, soda of kalk, met water verhit, dan vormt zich, onder ontwikkeling van phosphonvaterstof, onderphosphorigzuur, dat zich met de base tot een zout verbindt.

4 P 6 H20 = 3 H3PO2 PIP

phosphorus water onderphosphon\'g- phosphorzuur waterstof

8 P 6 II2Ü 3 Ca (OH)2 = 3 Ca (H2P02)2 2 PH3

phos- water calcium- calcium- phosphor-

phorus hydroxyde hypophosphlet vaterstof

i dl. Phosphorus wordt in fijn verdeelden toestand gebracht, door dezen in eene flesch met water tot 450 te verwarmen en alsdan daarmede tot koud te schudden. In kalkmelk gebracht, bereid uit 2.5 dln. versch kalkhydraat (uit 2 dln. kalk en 0.5 dl.

\') Zie blz. 34.

-ocr page 67-

443

water) en 1,5 din. water, wordt het mengsel in eene porseleinen schaal op het waterbad bij niet hooger dan 40°, dus beneden het smeltpunt van phosphorus, onder gedurig omroeren en aanvulling van het verdampte water, zóó lang verwarmd, totdat geen phosphorvvaterstof meer ontwijkt, kenbaar daaraan , dat zich geene gasbellen meer ontwikkelen, die, in aanraking komende met de lucht, onmiddelijk ontvlammen onder verspreiding van een witten , kringvormigen nevel van gevormd phosphorzuur.

Daarna wordt het vocht, met nog 2 dln. warm water verdund, door een linnen doek gecoleerd en de achterblijvende, onopgeloste kalk met water afgewasschen en uitgeperst. Door de verkregen en bijeengegoten vochten wordt vervolgens een stroom gewasschen koolzuurgas geleid, ontwikkeld uit stukjes marmer en chloorwater-stofzuur \'), ten einde de opgeloste overmaat kalkhydraat in car-bonaat om te zetten, en het vocht daarna verwarmd, waardoor het als calciumhydrocarbonaat in het kooldioxyde opgeloste cal-ciumcarbonaat wordt geprecipiteerd. Het vocht wordt ten slotte gefiltreerd en onder omroeren op het waterbad tot droog uitgedampt.

Het Zout worde in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

Eigenschappen. Een neutraal of zwak alkalisch, wit, korrelig-kristallijn, watervrij, reukloos poeder, onaangenaam en bitter van smaak, oplosbaar in water (6), onoplosbaar in spiritus en aether.

Bij verhitting ontwikkelt zich uit het Zout phosphorwaterstofgas, dat aan de lucht van zelf ontvlamt. De oplossing in water (1 == 10)

2 Ca (FPFO1)1 = 2 CaHPO4 -f 2 PIP

calcium- calcium- iiliospiior-

hypophosphiot hydrophosphaat waterstof

geeft met zilvernitraat een wit neêrslag van zilverhypophosphiet, dat door reductie tot zilveroxyde en voorts tot metallisch zilver spoedig bruin en daarna zwart wordt.

2 AglPPO2 HjO 4-20 = H3P04 HsP03 2 Ag

/ilvoiiiypophosphiet water zuurstof phosphorzuur phosphorigzuur zilver

Met ammoniumoxalaat geeft zij een wit neerslag van calcium-oxalaat, gemakkelijk oplosbaar in chloorwaterstofzuur en salpeterzuur, onoplosbaar daarentegen in azijnzuur.

•) Zie blz, 141.

-ocr page 68-

444

Onderzoek.

1°. Een korrelig, kristallijn poeder. Het Zout kan door kristallisatie ook verkregen worden in kleurlooze, dunne, paarlemoer-glanzende, schubvormige kristallen. Onze Ph. eischt het door uitdamping tot droog verkregen, kristallijne poeder.

2°. dat met 6 tot 7 deelen ivater een heldere of zivak opales-eeerende oplossing geeft. Het zuivere Zout is in de opgegeven hoeveelheid water helder oplosbaar. Mindere of niet volkomene oplosbaarheid kan veroorzaakt worden door een gehalte aan calcium car b o n aat, -phosphiet, -phosphaat of -sulfaat.

Sporen worden toegestaan.

30. De oplossing in ivater is neutraal of sivak alkalisch. Het zuivere Zout reageert neutraal. Zwak alkalische reactie kan afkomstig zijn van kalkhydraat. Sporen worden toegestaan.

40. De oplossing in ivater (1 = 100) geve niet terstond een troebeling met barynmehloride. Reactie op s ulfaat — het precipitaat is onoplosbaar in azijnzuur; tevens op phosphltet — het preci- l \\\\oamp; pitaat is oplosbaar in azijnzuur. Sporen worden toegestaan.

50. of met loodacetaat. Reactie op phosphiet — het precipitaat is onoplosbaar in azijnzuur. Sporen worden toegestaan.

HYPOPHOSPHIS N A T R I C U S.

N A T R 1 U M H Y P O P H O S1\' H 1 E T.

Een korrelig, kristallijn, wit, reukloos, hygroscopisch poeder, dat door hitte ontvlamt cn een niet lichtende vlam blijvend geel kleurt. Het lost op in 1 deel water en in ongeveer 30 deelen sterken spiritus. De oplossing in water is neutraal of zwak alkalisch en geeft met zilveniitraat een wit nêerslag, dat spoedig bruin en daarna zwart wordt.

De oplossing in water (1 = 2) wordt noch door natriumcarbonaat, noch door wijnsteenzuur, noch door magnesiamixtuur neergeslagen en geve, na met haar vijftigvoudig volumen water vermengd te zijn, niet terstond een troebeling met barynmehloride, noch met loodacetaat.

Samenstelling. Na H2 PO2

Het natriumzout van het ec-nbasische \') onderphosphorigzuur.

\') Zie bij « Hypophosphis calcicus», blz. 442.

-ocr page 69-

44 S

Eón atoom waterstof van dit, zuur is vervangen door cén atoom van het ée\'nwaardige metaal natrium.

Bereiding. Door ontleding van caIciumh)rpophosphiet met na-triumcarbonaat.

Ca (H»PO^ Na\'CO3 = 2 Na H^PO2 -f- Ca CO3

calcium- natrium- natrium- calcium-

hypophosphiot carbonaat liypophospliiet carbotiaat

9 dln. Natriumcarbonaat worden opgelost in 20 din. water, hieraan toegevoegd 5 dln. caleiumhypophosphiet en de massa daarna op een waterbad tot droog verdampt. De achtergebleven zoutmassa wordt, na fijngewreven te zijn, in eene kolf overgebracht, vervolgens overgoten met 30 dln. alcohol en gedurende eenigen tijd hiermede onder herhaald omschudden uitgetrokken, waardoor het natriumhypophosphiet in den spiritus oplost, terwijl calcium-carbonaat onopgelost terugblijft. Na filtratie wordt deze bewerking met nog 20 dln. sterken spiritus herhaald, terwijl het op het fil-trum achtergebleven calciumcarbonaat met sterken spiritus wordt afgewasschen. Van de vermengde spiritueuse vochten wordt daarna de alcohol in eene kolf op het waterbad afgedestilleerd en de massa ten slotte in eene uitdampschaal op het waterbad onder voortdurend omroeren tot droog uitgedampt.

Ten einde het Zout geheel te bevrijden van een mogelijk gehalte aan phosphiet en phosphaat, tijdens de bewerking door oxydatie aan de lucht uit het hypophosphiet ontstaan, worden 25 dln. van het natriumhypophosphiet met 1 dl. baryumhypophosphiet vermengd en met water tot 50 dln. gebracht, waarna gedurende eenigen tijd wordt omgeschud. Al liet aanwezige, oplosbare natriumphos-phiet en-phosphaat wordt hierdoor in baryumzout omgezet. Zonder filtratie wordt daarna ongeveer het viervoudig volumen absoiuten alcohol toegevoegd, waardoor bij staan het daarin onoplosbare baryum-phosphiet en-phosphaat benevens het grootste gedeelte der overmaat baryumhypophosphiet zich afscheidt. Nog opgeloste sporen van het laatste worden na filtratie door voorzichtige toevoeging van natriumsulfaat geprecipiteerd. Het door filtratie verkregen heldere vocht wordt vervolgens met ongeveer 500 dln. absoiuten spiritus vermengd en daarna absolute aether toegevoegd, waardoor onder krachtig schudden het zuivere natriumhypophosphiet zich afscheidt, dat verzameld en aan de lucht wordt gedroogd (methode E y k m a n).

-ocr page 70-

446

Het Zout worde in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

Eigenschappen.

Een neutraal of zwak alkalisch, wit, korrelig-kristallijn, water-vrij, hygroscopisch, reukloos poeder, ziltig van smaak. oplosbaar in koud (i) en warm (0.12) water en sterken spiritus (30), niet in aether,

]?ij verhitting ontwikkelt zich uit het Zout phosphorwaterstofgas, dat aan de lucht van zelf ontvlamt. De oplossing in water (1 — 10) geeft met zilvernitraat een wit neerslag van zilverhypophosphiet, dat door reductie tot zilveroxyde en voorts tot metallisch zilver spoedig bruin en daarna zwart wordt \'). — Het Zout kleurt een niet-lichtende vlam sterk en blijvend geel.

Onderzoek.

1°. Een korrelig, kristallijn poeder. Het Zout kan door kristallisatie ook verkregen worden in kleine, kleurlooze, paarlemoerglan-zende plaatjes. Onze Ph. eischt het door uitdamping tot droog verkregen, kristallijne poeder.

2°. De oplossing in water is neutraal of zwak alkalisch. Het zuivere Zout reageert neutraal. Zwak alkalische reactie kan afkomstig zijn van natriumcarbonaat. Sporen worden toegestaan.

3°. De oplossing in zvater (1 = 2) zvorde noch door natnwn-carhonaat neergeslagen. Afwezigheid van calciumzout.

40. noch door wijnsteenzuur. Afwezigheid van kaliumzout. Het wijnsteenzuur worde in overmaat toegevoegd.

50. noch door viagnesiavnxtuur. Afwezigheid van phosphor-zuur; daarvan zou het precipitaat in ammonia onoplosbaar zijn, doch gemakkelijk oplosbaar in azijnzuur.

6°. en geve, na met haar vijftigvoudig volumen ztiater verviengd te zijn, niet terstond een troebeling niet hary urnchloride. Afwezig leid van sulfaat; het precipitaat is oplosbaar in azijnzuur. Sporen worden toegestaan.

7°. of met loodacetaat. Afwezigheid van phosphiet: het precipitaat is onoplosbaar in azijnzuur. Sporen worden toegestaan.

\') Zie bij «Hypopliospliis calcicus», IjIz. 4i3.

-ocr page 71-

447

I N F U S A.

AFTREKSELS.

De grondstoffen, waarvan aftreksels bereid worden, moeten gelijkmatig verdeeld en derhalve elk naar haren aard öf fijngesneden, of tot een grof poeder gestampt zijn.

Zoo geeae andere verhouding is voorgeschreven en de maximaalgiften niet overschreden zijn, moeten voor too dcelen colatuur 10 deelen der grondstof gebruikt worden, behalve van

Ipecacnanhawortelbast...........0.5

Digiialishladen, van welke beide een half deel . . 0.5

Arnicabloemen.............. 4

Sennabladen, van welke beide vier deelen .... 4 gebruikt moeten worden.

Bereiding. Eene der verschillende wijzen van uittrekking der plantaardige grondstoffen volgens de Ph. is het infundceren o{aftrekken {trekken). In \'t algemeen bestaat er zeer veel overeenkomst, vooral volgens de tegenwoordig meest gevolgde methode van bereiding en de daarvoor dienende hulpmiddelen, tusschen het vroeger besproken koken \') en het infundeeren en bepaalt zich het onderscheid tusschen beide hoofdzakelijk tot een verschil in temperatuur, die, naar den aard der grondstoffen, voor de bereiding wordt vereischt. liet koken nl. heeft plaats bij ioo0, het kookpunt van water, terwijl volgens het voorschrift der Ph. het infundeeren moet plaats hebben bij 90°—98°, dus eenige graden daar beneden.

Kiest men voor de bereiding der Afkooksels in \'t algemeen die stoffen, zooals vele cortices, ligna, radices, enz., welke slijm- of harsachtige stoften bevatten en die door hare hardheid of vezeligheid moeilijk uit, te trekken zijn en bovendien eene hoogere temperatuur voor hare uittrekking kunnen verdragen, zonder nadeeligen invloed op de daarin bevatte, werkzame bestanddeelen uit te oefenen, voorde bereiding der Infusa daarentegen dienen die stoffen, zooals vele folia, fiores, fructus, herbae, semina, enz., welke zich gemakkelijker volledig laten uittrekken of waarbij door eene hooge temperatuur aanleiding zou kunnen bestaan tot ontleding of omzetting, bijv. bij narcotische kruiden, of verlies aan werkzame bestanddeelen, zooals bij vluchtige oliën bevattende bloemen, bladen, kruiden, enz. Ook de duur dei-uittrekking zal natuurlijk op genoemde factoren van invloed zijn

\') Zie bij «Decocta », IjIz. 246.

-ocr page 72-

44»

en deze moet dus bij de bereiding der infusa korter gesteld worden dan bij die der Decocta. Het spreekt echter wel van zelf, dat de grens tusschen beide bereidingswijzen voor sommige grondstoffen moeilijk te trekken is en vele dus zoowel in den vorm van decoctum als van infusum kunnen gebezigd worden.

Eene regelmatige, constante temperatuur van ongeveer 90quot; echter is voor de bereiding van alle infusa een voorgeschreven vereischte en het is daarom, dat de oudere wijze van infundeeren, die bijv, hierin bestond, dat de grondstof met de benoodigde hoeveelheid warm water werd overgoten of wel met koud water, dat dan ongeveer tot aan het kookpunt werd verwarmd, en men daarna het water, al trekkende, langzamerhand vrijwillig liet bekoelen, om vervolgens door te zijgen, veroordeeld moet worden. Ook het onderhouden der vereischte temperatuur door verwarming op het vrije vuur of de gasvlam moet verkeerd geacht worden, daar hierbij op den duur zeer moeilijk eene niet te lage of niet te hooge temperatuur kan worden verkregen en er bij deze wijze van werken lichtelijk gevaar voor aanbranden der grondstof bestaat.

Volgens eene betere methode ter bereiding van aftreksels, in overeenstemming met die, voor de bereiding van afkooksels gevolgd en aldaar vermeld \'), worden de grondstoffen met de noodige hoeveelheid koud water 2) overgoten en dit door den damp van kokend water in een decoctorium langzamerhand op de verlangde temperatuur van ongeveer 90° gebracht, waarna men de stof, zoo noodig onder herhaald omroeren, nog gedurende vijf minuten bij die temperatuur laat trekken, om daarna door te zijgen.

Grondstoffen, welke gewoonlijk getrokken worden, zijn o, a.: huibus scillac, caryopJiylli, cortex cascarillae en cinnamomi, fruciiis aurantii, flores arnicae, chamomillae romanac en vulgar-is, cinae, sambuci en tiliae, folia althacae, belladonnae, bucco, cocae, conii,

») Zie over andere wijzen van uittrekken bij «Dccocta», blz. 240 en « Extracta », bli. 264.

\') De meening als zouden de grondstoffen bij een IJecoctum met koud en bij een Infnsnm met warm water moeten worden overgoten, kunnen wij moeilijk deelen. Eene voorafgaande, niet te langdurige weeking der stoffen in koud water vinden wij in\'t algemeen voor eene volkomene uitlrekking dei bestanddeelen door warmte bij beide bewerkingen zeer gewenscht, terwijl overigens de plotselinge beliandeling met warm water aanleiding zal geven tot coagulatie der eiwitachtige stoffen in de grondstof, waardoor een gedeelte der vei langde, werkzame bestanddeelen kan worden ingesloten en aan de uittrekking onttrokken.

-ocr page 73-

449

digitalis, eucalypti, hyoscy ami, jaboraudi, ma tic o, menthae crispae en pipcntae, orthosipln, salviae, scnnae, stramonii en tabaci, fnictus a nisi en anisi stellati, cardanioini, coriandri, foeniculi, juniperi, petrosehni en phcllandrii, herba sabinae en tanaceti, lignum qnas-siac en sassafras, petala rhoeados en rosae, pulpa tamarindorum cruda, radix althaeae, angehcae, arnicae, artemisiae, belladonnae, bryontae, gentianae, ipecacuanhac, liquiritiac, rhei, senegae, serpen tariae en Valerianae, rhizoma calami, secale cornntum, semen sabadillae en smapis, species amarae, lax antes en pectorales, stigmata croci en summit atcs absinthn. Vele stoffen als cortex casca-nllae, folia trifolu fibnni, herba cardui bene die ti, centaurii, lobeliae en millefolii, pulpa tamarindorum cruda, radix heleniien senegae, summitates absinthn, enz. worden zoowel in den vorni van decoctum als van infusum gebezigd.

De stoffen worden vóór de trekking, zoo noodig, vooraf gelijkmatig verdeeld en dus elk afzonderlijk naar haren aard bf fijngesneden, bf tot grof poeder gebracht. Stoffen als flares arnicae, chamomillae, cinae en sambuei, petala rosae, pulpa tamarindorum emda, enz. worden als zoodanig gebruikt; stoffen als bulbus scillae, caryophyllt, petala rhoeados, stigmata croci, enz. benevens de meeste foha en herbae worden in kleine stukjes gesneden; vruchten en zaden worden in den regel gekneusd, terwijl stoffen als secale eornutum en verder in \'t algemeen de cortices, lig na en radices als grof poeder worden gebezigd.

Ue hoeveelheid der te nemen grondstof wordt gewoonlijk op het voorschrift aangegeven. Is dit niet het geval, dan neemt men als regel, met inachtneming der voor sommige krachtig werkende stoffen in de Ph. vermelde maximaal-giften, 10 dln. der grondstof voor ioo dln. aftreksel, met uitzondering der bij „Infusaquot; opgenoemde stoffen.

Overigens geschiedt de bereiding der Infusa, voor zoover betreft de daarvoor bcnoodigde hoeveelheid water, de trekking, het coleeren, het behandelen der colatuur, enz. als bij „Decocta quot; daarvoor is 0PSe§even en waaromtrent wij dus naar hetgeen aldaar is opgemerkt, meenen te mogen verwijzen \').

\') Zie « Decocta», blz. 2i7 en \'248.

-ocr page 74-

450

I N F U S U M H Y O S C Y A MI O L E O S U M.

OLEUM HYOSCYAMI.

H YOSCYAMUSOLI E.

N. Hyoscyamnshladen, tot grof poeder gebracht, tien deelen . . 10

Laat ze met

Sterken Spiritus twintig deelen........... 20

12 uur macereeren.

Voeg er dan bij

Olijfolie honderd deelen..............100

en verwarm ze op een waterbad, van tijd tot tijd roerend, totdat de spiritus is uitgedreven.

Pers uit, laat bezinken en giet de heldere olie af.

Een groene, eigenaardig — niet ransig — riekende olie.

Samenstelling. Hoofdzakelijk eene oplossing van hyoscya-111 ine- en hyoscinc-zouten in olijfolie, gekleurd door chlo-r o p h y 11.

Bereiding. De Hyoscyamusbladen moeten liefst zoo spoedig mogelijk na hunne droging voor de bereiding worden gebezigd. I\\a tot grof poeder gebracht te zijn, wordt dit met de voorgeschreven hoeveelheid spiritus in eene gesloten flesch gedurende 12 uur onder omroeren aan eene maceratie bij ongeveer 2 50, liefst eenige graden hooger, onderworpen, waardoor de werkzame bestanddeelen worden uitgetrokken en min of meer in spiritueuse oplossing overgaan,

Daarna in eene uitdampschaal overgebracht, wordt de olijfolie toegevoegd en na vermenging op hot waterbad zacht verwal md. De vloeistof van tijd tot tijd roerende, verdampt de spiritus en het zich daarin bevindende water langzamerhand geheel en gaan de uitgetrokken stoffen in olieachtige oplossing over. Vervolgens wordt de olie nog warm gecoleerd, het achtergeblevene door zacht wringen uitgeperst en het vocht in eene droge flesch gegoten en te bezinken gezet. Ten slotte wordt de helder bezonken olie afgegoten of, ten einde ze geheel helder te verkrijgen, door een vooraf met olijfolie doortrokken filter geschonken en in niet te groote, droge en geheel gevulde flesschen op eene koele en duistere plaats bewaard.

Eigenschappen.

Eene heldere, lichter of donkerder vuilgroene, eigenaardig naar olijfolie riekende olie.

-ocr page 75-

45i

Onderzoek.

10. Een heldere, groene olie. De kleur is ietwat lichter of donkerder vuilgroen, wat gedeeltelijk afhankelijk is van den ouderdom en de kleur der bladen, gedeeltelijk ook van de temperatuur, waarbij de verwarming op het waterbad heeft plaats gehad. Bij minder doelmatige of langdurige bewaring wordt de olie miskleurig, verbleekt ze, wordt ze daarbij dikwijls troebel en zet zich een bezinksel af.

2°. eigenaardig — niet ransig — riekende 1). Bij de verwarming op het waterbad moet vooral gezorgd worden, dat alle waterdeelen volkomen uitgedreven worden, daar anders de olie bij het staan lichtelijk ontleed en de reuk door vetzuurvonning ransig wordt. Eene verwarming bij te hooge temperatuur kan, behalve donkerkleuring, tevens oorzaak zijn, dat de olie eene eigenaardige, bran-dige reuk aanneemt.

INFUSUM SENNAE COMPOSITUM.

AQUA L A X A T I V A VIENNENSIS.

W E E N E R I, A X E E R W A T E R.

N. Scnnabladen tien doelen............................10

Anijsvruchtcn drie dealen. . . •....................3

Ka Hum - Na tr in tn tartraa /..............i o

Glycerine, van elk tien deelen...........io

Gcivoon lTa/er, zooveel als noodig is voor honderd deelen . ioo Infundeer de gesneden bladen en de gekneusde vruchten met het

water tot een cola tuur van io deelen en los daarin het zout en de glycerine op.

Het zich afscheidend bezhiksel moet verwijderd worden.

\') J)e Pli. schi ijft niets voor omtrent een gehalte aan alkaloïdachtige stolTen. In aanslniling niet het voorgesclireveno hij de narcotische Extracten zou het onderzoek daarop kunnen geschieden, door bijv. 10 Grm. Olie door herhaald schudden met 20 cM3. wijnsteen-zmnhoudend (0.5 fgt;Q.) water uit te trekken, na bezinking het waterig vocht af tlt;\' hevelen, door een dubbel filter helder te /lltreeren eu lot 1 cM3. uit te dampen, waarna ilit met 1 A \'2 droppels kaliummercurid,jodide eene duidelijke opalescentie moet geven, die in sterken spiritus oplosbaar is.

In dezelfde vloeistof kan een mogelijk gehalte aan zware metalen na neutralisatie door eeu kleuring of nfierslag met zwavelwaterstof ontdekt worden.

-ocr page 76-

452

Bereiding. Voor de bereiding van dit „Weener Laxeerwaterquot; bestaan verschillende voorschriften. Alle komen hierin overeen, dat het is een aftreksel van Sennebladen, waaraan in den regel is toegevoegd een aromatiek beginsel, hetzij van fructus anisi, coriandri of foenicnli, en gewoonlijk eene zoete, laxeerende stof, zooals manna of glycerine, benevens eene van zoutachtigen aard, bijv. sulfas magnesicus, tartras kalicus acidus of tartras kalico-natricus. Het voorschrift onzer l\'h. is het bovenstaande; het onderscheidt zich in hoofdzaak van dat der vorige l\'h. door de vervanging der daarin voorkomende manna door glycerine, wat uit een pharmaceutisch oogpunt eene verbetering mag geacht worden, daar het preparaat hierdoor helderder en houdbaarder is geworden, niet zoo spoedig aan gisting en bederf onderhevig is.

De bereiding geschiedt als bij „Infusaquot; is aangegeven. Vooral moet gezorgd worden, dat de temperatuur niet te hoog zij, daar bij verwarming tot aan het kookpunt aan de Sennebladen eene stof wordt onttrokken, die bij het gebruik hevige buikpijn verwekt. In de nog warme colatuur wordt het zout opgelost, vervolgens de glycerine daaraan toegevoegd en ten slotte het geheel op eene koele plaats te bezinken gezet. Ten gebruike wordt het vocht helder afgeschonken of, zoo noodig, gefiltreerd \').

\') Gewoonlijk wordt liet «Laxeerwater» tor aflevering in voorraad gehouden. Mon kan het helder gefiltreerde vocht, ten einde het voor eon spoedig bederf te bewaren, in llescbjes van HO—100 Grrn. gieten, doze met een propje watten sluiten on daarna gedurende een kwartier in het kokende water verbitten, waarna zij op eene koele plaats worden bewaard.

Grootere hoeveelheden kan men op de volgende wijze gedurende eenigen tijd bewaren. In eeno niet te ruime kolf, die mot oen dubbel doorboorde kurk volkomen gesloten is, roikt door do oono opening daarvan bijna tot op don bodem een huis, die zich boven de kurk hevelvormig ombuigt on in lengte even bonoden de kolf eindigt, waar zij door een kraantje kan worden afgesloten. Door de andere opening roikt een tweede buis even boneden de kurk; daarboven omgebogen, eindigt zij in oono wijdere, waarin een vastgedrukte prop watten, die op hare beurt weder in eono nauwere uitloopt. Men verwarmt nu het Laxeerwater eenigen tijd tot bij 100° in hot waterbad, laat daarna even opkoken on sluit vervolgens met don duim de opening der huis, waarin de watten. Ingevolge de vermeerderde spanning door den gevormden damp stijgt terstond het vocht in de hovelvormige buis omhoog; men opent nu het zich daaraan bevindende kraantje en sluit dit terstond weder, zoodra hot vocht door de spanning overhevelt en de buis daarmede geheel en al zonder luchtbellen is gevuld, liet Water laat zich op deze wijze goed bewaren, terwijl, bij het afschenkon van elke hoeveelheid, gefiltreerde lucht in do kolf vloeit, die slechts do bovenste, niet te gebruiken laag der vloeistof raakt.

-ocr page 77-

453

JODHTUM H YDR ARGYRICUM.

MERCURIDJO DIDE.

Een scharlakenrood poeder, dat door hitte geel wordt, tot een donkere vloeistof smelt en eindelijk geheel vervluchtigt. In een oplossing van kaliumjodide en in verwarmden sterken spiritus lost liet zonder klei;r op.

Water, met Mercuridjodide geschud, geve met zwavelwaterstof niet meer dan een bruine kleuring en met zilvernitraat niet meer dan een opalescentie.

Samenstelling. Hg I2

Mercuridjodide is het mercurz- of hydrargynVww ^-zout van joodwaterstofzuur, Hl, een halogeenzuur, evenals broomwaterstof-zuur 2) analoog aan chloorwaterstofzuur. üe twee atomen waterstof van twee moleculen joodwaterstofzuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal kwik.

Bereiding. Door wederzijdsche ontleding van mercurichloride met kaliumjodide.

Hg Cl2 2 K I = Hg I2 -f 2 K Cl

mercurichloride kaliumjodide mercuridjodide kaliumchloride

4 dln. Mercurichloride worden opgelost in 8o dln. water, de oplossing zoo noodig gefiltreerd en onder omroeren hieraan toegevoegd eene eveneens zoo noodig gefiltreerde oplossing van 5 dln. kaliumjodide in 15 dln. water. Na bezonken te zijn, wordt het neerslag op een filtrum herhaaldelijk met kleine hoeveelheden water afgewasschen, totdat het afloopend vocht door zilvernitraat niet of bijna niet meer troebel wordt, en het Zout ten slotte tusschen fil-treerpapier op eene lauwwarme plaats, bij 25°—30°, en buiten het licht gedroogd.

t

.iri \' r

iOÜ •• ■lt;» :

rmm 1 \'iill

wil

i 111

fII |i| li Ir

nl

1

• V- •• J

11

I\'S!

i rl

j • • rijn

i| l

m

Het voorschrift moet, wat de aangegeven hoeveelheden betreft, nauwkeurig worden opgevolgd. Overmaat mercurichloride toch geeft aanleiding tot vorming eener dubbel verbinding: Hg l2-[-2HgCI2, terwijl overmaat kaliumjodide een gedeelte van het gevormde mercuridjodide, als zijnde daarin gemakkelijk oplosbaar, wederom zou oplossen tot kaliummercuridjodide (2 KI -f- Hgl2). Tevens moeten de hoeveelheden water ter afwassching telkens niet te groot genomen worden, daar mercuridjodide ook hierin niet volkomen onoplosbaar is

\') Zie bij «Cliloretum hydrargyricum 9, blz. 187. \') Zie bij «Broinetmn ammonicum », blz. 115.

30

-ocr page 78-

454

Eigenschappen. Een neutraal, fijn, zwaar, kristallijn, reuk-en smaakloos, helder scharlakenrood poeder, bijna onoplosbaar in water (6500), beter en kleurloos oplosbaar in kouden (130) en warmen (15) spiritus; voorts oplosbaar in aether (60), chloroform , glycerine en vette oliën, mede in chloorvvaterstofzuur en salpeterzuur bij verwarming, en in halogeenzouten als kaliumjodide, ammonium-, kalium-, natrium- en mercurichloride, waarmede het oplosbare dubbelzouten vormt.

Wordt het scharlakenroode poeder tot ongeveer 150° verhit, dan wordt het door verandering van kristalvorm plotseling geel \'); verder verhit, smelt het bij 238° tot eene geelbruine vloeistof, die ten slotte geheel vervluchtigt tot een sublimaat van gele kristallen, die langzamerhand en bij wrijving terstond weder in de roode modificatie overgaan.

Met zwavelwaterstofwater overgoten, wordt Mercuridjodide zwart door vorming van mercurisulfide, dat onoplosbaar is in zwaveiam-monium. Door spiritueuse kalioplossing wordt het grootendeels opgelost; uit de gefiltreerde oplossing scheidt zich bij verwarming een geel neerslag van mercuridoxyde af. Door ammonia wordt het grootendeels opgelost onder achterlating van een roodbruin poeder 2). — De gefiltreerde ammoniakale oplossing geeft met zilvernitraat een geelwit neerslag van zilverjodide. Wordt Mercuridjodide met chloorwater en chloroform geschud, dan wordt de laatste door jodium afscheiding violet gekleurd.

Onderzoek.

1°. Een scharlakenrood poeder. In onderscheid met mercuro-jodide, dat groengeel is. — Aan het licht blootgesteld , wordt Mercuridjodide gereduceerd en daardoor min of meer bruin gekleurd; het moet dus buiten het licht bewaard worden.

2°. en geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, a no r-ganische stoffen, bijv kaliumchloride, -jodide, enz.

30. In een oplossing van kalimnjodide lost hel op. In onderscheid met m e r c 11 r oj o d i d e, dat door kaliumjodide ontleed wordt in mercuridjodide, dat oplost, en kwik, dat zich afscheidt.

40. en in verzvarmden sterken spiritus. Afwezigheid van en in onderscheid met mercuroj odide, dat onoplosbaar is in sterken

\') Mercuridjodide is dimovph. \') Zie bij «Ammonia», blz. 64.

-ocr page 79-

455

spiritus, Eene zure reactie der oplossing zou kunnen wijzen op aanwezigheid van mercurichloride.

5°. Water, met Mercuridjodide geschud, geve met zwavelwaterstof niet meer dan een bruine kleuring. Afwezigheid van mercurichloride en kal i u mm er cu r idj od ide, die in water zouden oplossen en met zwavelwaterstof een precipitaat zouden geven. Daar Mercuridjodide niet volkomen onoplosbaar is in water, zal door sporen opgelost Zout met zwavelwaterstof eene bruine kleuring kunnen ontstaan.

6°. en met zilvé ruit raat niet meer dan een opalescentie. Afwezigheid van mercurichloride, kaliu mchloride en -jodide. Is het nêerslag wit en geheei en gemakkelijk oplosbaar in ammonia, dan wijst dit op een chloride; is het daarentegen geelwit en niet of bijna niet oplosbaar in ammonia, dan wijst dit op jodide. Een mengsel van beide kan gescheiden en herkend worden door uitschudding met ammonia, waarin het chloride oplost, dat door overmaat salpeterzuur weder wit wordt nêergeslagen; het achtergebleven jodide is geelwit en zoo goed als onoplosbaar in ammonia. Daar Mercuridjodide niet volkomen onoplosbaar is in water, zal door sporen opgelost Zout met zilvernitraat een opalescentie kunnen ontstaan.

J O D E T U M HYDRARGYROSU M.

MERCUROJODIDE.

N. Kwik vier dealen.................4

Wrijf ze onder toevoeging van sterken spiritus met

Mercuridjodide negen deelen.............9

totdat geen metaalbolletjes meer zijn waar te nemen. Wasch het poeder zoo lang met sterken spiritus af, als deze nog door zwavelwaterstof gekleurd wordt en droog het in het duister bij een zeer zachte warmte,

Ken groengeel, in water en in sterken spiritus onoplosbaar poeder, dat door hitte smelt en onder afscheiding van kwik vervluchtigt.

Sterke spiritus, met Mercurojodide geschud, geve met zwavelwaterstof niet meer dan een lichtbruine kleuring.

Samenstelling. Hg2!4 Mercurojodide is het mercury- of hydrargynwww-zout van jood-

-ocr page 80-

456

waterstofzuur \'). De twee atomen waterstof van twee moleculen joodwaterstofzuur zijn vervangen door de atoomgroep [Hg2], d. i. door twee tezamen tweewaardige atomen kwik.

Bereiding. Door onmiddelijke vereeniging van kwik met jodium, In den aanvang ontstaat hierbij mercun-jodide, dat daarna met eene nieuwe hoeveelheid kwik in mercurö-jodide overgaat.

4 dln. Kwik2) en 2.5 dln. jodium worden, onder toevoeging van

Hg 2 I = Hg I2

kwik jodium mercuridjotlide

Hg I2 Hg = Hg2 I2

mercuridjodide kwik mercuro,jodide

0.5 dl. sterken spiritus, welke bij verdamping door de ontstane warmte nu en dan wordt aangevuld, in een ruimen, steenen mortier zóó lang samengewreven, totdat geene kwikbolletjes meer zijn waar te nemen en het aanvankelijk door gevormd mercuridjodide rood geworden mengsel de groenachtig-gele kleur van mercurojodide heeft aangenomen. Volgens het voorschrift der tegenwoordige Ph. wordt bij de bereiding niet uitgegaan van kwik, doch terstond van mercuridjodide (9 dln.), waardoor het eerste gedeelte der bewerking volgens bovenstaande formule, de bereiding daarvan, vervalt.

Het gevormde mercurojodide wordt daarna met kouden, sterken spiritus aangeroerd en hiermede afgewasschen ter verwijdering van nog voorhanden mercuridjodide, dat daarin oplost; het poeder wordt vervolgens op een dubbel fdter verzameld en met spiritus nagewasschen, totdat deze niet meer door zwavelwaterstof wordt gekleurd, waarna het tusschen filtreerpapier bij zeer zachte warmte en buiten het licht zoo spoedig mogelijk worde gedroogd.

Eigenschappen. Een neutraal, fijn, zwaar, reuk-en smaakloos, groengeel poeder, onoplosbaar in water en spiritus, evenzoo in chloorwaterstofzuur, daarentegen oplosbaar in warm salpeterzuur.

Bij zachte verwarming tot 70° neemt het eene roode kleur aan, welke bij bekoeling wederom geelachtig wordt; bij sterkere verhitting tot 290° smelt het; door verdere verhitting gaat het gedeeltelijk over in mercuridjodide onder afscheiding van kwik en vervluchtigt het ten slotte geheel.

\') Zio bij «Chloretum hydrargyricum », b!z. 187 en bij «Jodetum hydrargyricum », blz. 453.

quot;) Deze boeveelheid kwik is iets to boog; bij de bereiding vervluchtigt echter dooide ontstane warmte steeds eeno geringe hoeveelheid.

-ocr page 81-

457

Met zwavehvaterstofwater overgoten, wordt Mercurojodide zwart door vorming van mercurosulfïde, dat oplosbaar is in zwavel-ammonium. Met kalioplossing wordt het zwart door vorming van mercuro-oxyde; eveneens met ammonia \').

De gefiltreerde, ammoniakale oplossing geeft met zilvernitraat een geelwit neerslag van zilverjodide. Wordt Mercurojodide met cMoor-water en chloroform geschud, dan wordt de laatste niet gekleurd \').

Onderzoek.

i0. Een groengeel, in water en in sterken spiritus onoplosbaar poeder. In onderscheid met en afwezigheid van mercuridj o-dide, dat scharlakenrood, niet geheel onoplosbaar in water en oplosbaar is in kouden en warmen sterken spiritus. Onder den invloed van het licht nl. wordt Mercurojodide spoedig ontleed in kwik en mercuridjodide; het poeder wordt daardoor eerst olijfgroen, later grijs gekleurd. Het preparaat worde dus tegen den invloed van het licht bewaard.

2°. dat onder afscheiding van kwik vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. kalium-chloride, afkomstig van voor de bereiding gebezigd, verontreinigd mercuridjodide.

3°. Sterke spiritus, met Mercurojodide geschud, geve met zwavelwaterstof niet meer dan een lichtbruine kleuring. Afwezigheid van mercuridjodide, tengevolge van slechte bereiding of bewaring daarin aanwezig, dat in sterken spiritus zou oplossen.

Daar zich zelfs bij de meest zorgvuldige bewaring sporen mercuridjodide vormen, worden deze in het preparaat toegestaan.

J O D E T U M K A LI C U M.

K A L I U M J O D I D E.

Kleurlooze, niet hygroscopische kristallen, die een niet lichtende vlam blijvend violet kleuren. Zij zijn in 0.75 deelen water en in 12 deelen sterken spiritus oplosbaar.

De oplossing in water, waaraan eenig chloorwater is toegevoegd, kleurt chloroform, die er mede geschud wordt, violet.

De oplossing (1 = 20) moet neutraal zijn en mag noch terstond troebel worden met baryumchloride, noch terstond blauw door verdund zwavel-

\') Onderscheid met «Jodetnm hydrargyricmn »; zie hlz. 454.

-ocr page 82-

458

zuur en amylumoplossing. Voegt men bij de oplossing een weinig ferro-sulfaat en natronloog, dan mag zij, na verwarmd en met verdund chloor-waterstofzuur oververzadigd te zijn, niet groen of blauw worden.

Een oplossing van 250 mG. Kaliumjodide in 2.5 cM3. ammonia, vermengd met een oplossing van 275 mG. zilvernitraat in 5 cMs. water, geeft, na gefiltreerd te zijn, een vloeistof, die, met salpeterzuur oververzadigd, niet meer dan een opalescentie mag doen ontstaan.

Samenstelling. KI

Het kaliumzout van joodwaterstofzuur \'). De waterstof van dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal kalium.

Bereiding, i0. Verdunde, warme kaliloog van 1.33 soort. gew. wordt met zooveel jodium verzadigd, dat de vloeistof door overmaat jodium geel of lichtbruin is gekleurd. Hierdoor ontstaat eene oplossing van jodide en jodaat, die men tot droog verdampt. Tijdens

6KHO 6 I = 5 KI KIO3 3 HU)

kaliumhydroxyde jodium kalium- kalium- water

jodide jodaat

de indamping mengt men de vloeistof met kool en gloeit daarna de achterblijvende massa, waardoor het jodaat onder vorming van kooldioxyde tot jodide wordt gereduceerd. Men lost in water 2 KIO3 3 C = 2 KI 3 CO2

kaliumjodaat kool kaliumjodiclo kooldioxyde

op, filtreert, dampt de oplossing uit en laat het Zout bij ongeveer 500 kristalliseeren.

20. Men brengt in 15 dln. water, waarin 1 dl. ijzerpoedcr, 3 dln. jodium bij kleine gedeelten, zoodat telkens, zoo noodig onder zachte verwarming, het vrije jodium is verdwenen en zich ten slotte eene lichtgroene oplossing van ferrojodide heeft gevormd. Na filtratie en afwassching van overmaat ijzer wordt gewoonlijk nog 1 dl. jodium onder zachte verwarming in het ferrojodide opgelost, waardoor dit in ferroferrijodide [Fel2 -j- (Fe2)!0] = Fe3I8 wordt omgezet.

Fe -f 2I = Fel2 3FeI2 2I = Fe3 I8

Ijzer jodium ferrojodide ferrojodide jodium ferroferrijodide

Deze oplossing brengt men in eene kokende oplossing (100 dln.) van kaliumcarbonaat (2.2 dln.) of beter kaliumhydrocarbonaat (3.2 dln.), waardoor zich kaliumjodide vormt, dat in oplossing blijft. Bij het gebruik van ferrojodide vormt zich tevens onoplosbaar fcrrocar-

\') Zie bij «.lodetum hydrargyricum », blz. 453.

-ocr page 83-

4S9

FeP K5 CO3 = 2 KI Fe COquot;

forrojodiile kaliumcarbonaat kaliumjodide lerrooaibonaal bonaat; ferroferrijodide daarentegen levert ferroferrihydroxyde, dat beter en spoediger bezinkt en zich gemakkelijker laat uitwas-schen. Men filtreert, wascht den neerslag uit, neutraliseert zoo

Fe3!8 4 K2 CO3 4 IPO = 8 KI Fe3(OH)8 4 CüJ

ferroforri- kalium- water kalium- lorroferri- kool-

jodido carbonaat jodiilo hydroxyde dioxyde

noodig met joodvvaterstofzuur \'), dampt de oplossing in en laat het Zout kristalliseeren.

3°. Ook wel wordt voor de bereiding gebezigd het naast natriumnitraat (Chili salpeter) uit de ruwe grondstof in aanzienlijke hoeveelheid gewonnen cupro-jodide 2). Na gewasschen te zijn, wordt dit als fijn poeder onder aanhoudend roeren in water gesuspendeerd en door inleiding van zwavelwaterstofgas ontleed, waardoor zich, onder afscheiding van zwavelkoper, eene oplossing van joodwater-stofzuur vormt, terwijl overmaat van zwavelwaterstof door toe-

Cu1 P H»S = 2 Hl Cu1 S; IPS -f 2 I = 2 Hl S

cnprojoilide zwavel- joodwater- cupro- zwavel- jodium jood- zwavel waterstof stofzuur sulfide waterslof waterstofzuur

voeging van jood-oplossing, onder afscheiding van zwavel, evenzoo in joodwaterstofzuur wordt omgezet. Na filtratie wordt de jood-waterstofzure oplossing met kaliumcarbonaat geneutraliseerd, de oplossing van kaliumjodide uitgedampt en tot kristallisatie gebracht.

2 HI K2 CO3 = 2 KI -f CO2 H2 O

joodwaterstofzuur kaliumcarbonaat kaliumjodide kooldioxyde water 40. Analoog aan de vorming van joodwaterstofzuur door ontleding van zwavelwaterstof met jodium kan deze ook geschieden uit zwavel-baryum. In 5 dln. water gesuspendeerd, wordt dit door toevoeging van kleine hoeveelheden jodium en wel zooveel als nog zonder BaS 2 I = Bal2 S

baryumsulfide jodium baryumjodide zwavel blijvende kleuring kan geschieden, daarmede gedigereerd en het

quot;S

1

) Zie bij «Jodium», blz. 4G5.

-ocr page 84-

460

gevormde baryumjodide door kaliumsulfaat ontleed. De oplossing van kaliumjodide wordt afgefiltreerd en ter kristallisatie uitgedampt, terwijl het mede gevormde baryumsulfaat, met vrijen zwavel ver-

BaP K2 SO4 = 2 KI 4- BaSO4

baryumjodide kaliumsulfaat kaliumjodide baryumsulfaat

mengd, gedroogd en met kool en olie tot een deeg gebracht, door sterke verhitting weder in zwavelbaryum kan worden omgezet.

Eigenschappen. Kleurlooze, glinsterende, doorschijnende of porseleinachtige, zwak-eigenaardig riekende, scherp-ziltig smakende, meestal kubische, niet-hygroscopische, neutrale kristallen, die door hitte smelten, gemakkelijk oplosbaar zijn in koud (0.75), beter nog in warm (0.44) water, moeilijker in kouden (12) en warmen (5) spiritus, bijna onoplosbaar in aether.

De oplossing in water kleurt een niet-lichtende vlam violet en geeft met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neerslag van kaliumhydrotartraat.

Met loodacetaat ontstaat een geel nóerslag van loodjodide, met zilvernitraat een geelwit van zilverjodide, dat in ammonia en in ammoniumcarbonaat onoplosbaar is. Chloroform, geschud met de oplossing (1 = 20) van het Zout, waaraan eenige droppels chloor-water zijn toegevoegd, wordt violet gekleurd door afgescheiden jodium.

Onderzoek.

1°. Kleurlooze, niet hygroscopische kristallen. Zuiver Kaliumjodide is ongekleurd en niet hygroscopisch. Een gehalte aan kaliu mcarbonaat of natrium jodide echter maakt het hygroscopisch, terwijl het Zout dan tevens onder den invloed van het licht, de zuurstof en het kooldioxyde der lucht zich door afscheiding van jodium spoedig geel kleurt, waarom het daartegen beschut moet worden. Ook bij een gehalte aan jodaat wordt het Zout, onder invloed van vocht en van het kooldioxyde dei-lucht, min of meer geel gekleurd \').

2°, die een niet lichtende vlam blijvend violet kleuren. Eene voorbijgaande gele kleuring zou op verontreiniging met na tri u inzout wijzen.

30. Zij zijn in 0.75 deelen water en in 12 deelen sterken spiritus oplosbaar. Onderscheid met kaliumbromide, dat in water

\') Zie de analoge formule bij « Bromelum ammonicum», blz. 117.

-ocr page 85-

461

(i.8), doch vooral in spiritus (180) moeilijker oplost. Dc g-emakke-lijke oplosbaarheid van het Zout in spiritus kan bovendien dienen ter constateering van verontreiniging met andere zouten, als kali u mcarbo naat,-c h 1 o ride,-j odaat, - nitraat, - s ul faat, enz., welke alle veel minder of niet in spiritus oplosbaar zijn.

4°. De oplossing (i = 20) moet neutraal zijn. Slaat op verontreiniging met carbonaat \').

5°. en mag- noch terstond troebel worden met baryumchloride. Afwezigheid van sulfaat en carbonaat. Het laatste wordt n;: toevoeging van chloonvaterstofzuur wederom opgelost. Sporen worden toegestaan.

6°. noch terstond blauw door verdund zwavehnur en aniylnni-oplossing. Afwezigheid van j odaat. Sporen worden toegestaan. Zie boven sub i0.

7°. Voegt uien bij de oplossing een weinig ferrosulfaat en natronloog , dan mag zij, na verwarmd en met verdund chloonvaterstofzuur oververzadigd te zijn, niet groen of blauw worden. Reactie op cyaankalium, dat met het ferrosulfaat en het door verwarming daaruit ontstaan ferrisulfaat na zuurmaking een nêerslag geeft van ferroferricyaanijzer of Berlijnsch blauw 2). Bij zeer geringe hoeveelheden schijnt de vloeistof groen, bij grootere terstond blauw.

8°. Een oplossing van 250 viG. Kaliumjodide in 2.5 cM*. ammonia, vermengd met een oplossing van 275 niG. zilvernitraat in 5 cNP. water, geeft, na gefiltreerd te zijn, een vloeistof, die, niet salpeterzuur oververzadigd, niet meer dan een opalescentie mag doen ontstaan. Slaat op verontreiniging met chloride en bromide. Door toevoeging van overmaat zilvernitraat wordt zilverjodide, bij aanwezigheid van chloride of bromide tevens zilverchloride en -bromide gevormd. Daar zilverjodide in ammonia zoo goed als onoplosbaar is, zal dit dus worden neergeslagen, terwijl zilverchloride en -bromide daarentegen in de ammonia opgelost blijven en bij aanwezigheid , na filtratie van het afgescheiden zilverjodide, door overmaat salpeterzuur, als zijnde daarin onoplosbaar, weder zullen worden nêergeslagen. Sporen, | — JL pet., worden toegestaan \').

\') Unter kun een gelialte aan carbonaat aangeloond worden door toevoeging van 1 a 2 droppels phenolphlalcïne, waardoor geen roode kleur mag ontstaan. Zie voorts de noot op blz. 113.

») Zie blz. 88.

Over eene reactie op nitraat 011 zware metalen zie bij «Carbotiaskalicusu, blz. 140.

-ocr page 86-

462

JODETUM NA TRI CUM.

NATRIUMJODIDE.

Ken kristallijn, kleurloos, hygroscopisch poerler, dat een niet lichtende vlam blijvend geel kleurt. I Iet is oplosbaar in 0.6 deelen water en, gedroogd, in 2.5 deelen sterken spiritus.

De oplossing in water, waaraan eenig chloorwater is toegevoegd, kleurt chloroform, die er mede geschud wordt, violet.

De oplossing (1 = 20) moet neutraal zijn en mag noch terstond troebel worden door baryumchloride, noch terstond blauw door verdund zwavelzuur en ainylumoplossing.

Water, met natriumjodide verzadigd, mag met een overmaat van wijnsteenzuur geen nêerslag geven.

Een oplossing van 230 mG. Natriumjodide in 2.5 cMs. ammonia, vermengd met een oplossing van 275 mG. zilvernitraat in 5 cM\'. water, geeft, na gefiltreerd te zijn, een vloeistof, die, met salpeterzuur oververzadigd , niet meer dan een opalescentie mag doen ontstaan.

Natriumjodide bevatte niet meer dan 1 pet. water.

Samenstelling. Na I

Het natriumzout van joodvvaterstofzuur \'). De waterstof van dit zuur is vervangen door het éénvvaardige metaal natrium.

Bereiding. Deze kan op dezelfde wijze geschieden als die van kaliumjodide 1). In plaats van de daartoe benoodigde kalium-gebruikt men hier natuurlijk de overeenkomstige natrium-verbindingen. Daar de Ph. het poeder verlangt en geen kristallen, moet de oplossing van het Zout ten slotte tot droog worden uitgedampt.

Eigenschappen. Een neutraal, wit, kristallijn, zvvak-eigenaardig riekend, zeer hygroscopisch poeder, zout-bitter van smaak, dat bij sterke verhitting smelt en gemakkelijk oplosbaar is in water (0.6) cn in spiritus (2.5).

De oplossing in water kleurt een niet-lichtende vlam sterk en blijvend geel.

Met loodacetaat ontstaat een geel nêerslag van loodjodide, met zilvernitraat een geelwit van zilverjodide, dat in ammonia en am-moniumcarbonaat onoplosbaar is. Chloroform, geschud met de oplossing (1 = 20) van het Zout, waaraan eenige droppels chloorwater zijn toegevoegd, wordt violet gekleurd door afgescheiden jodium.

Zie bij «Jodolum hydrargyricum», blz. \'i53.

s) Zie bij «Jodelum kalicnm», blz. ■/i58.

-ocr page 87-

463

Onderzoek.

1°. Een kleurloos, hygroscopisch poeder. Zuiver Natriumjodide is een ongekleurd en droog poeder. Het is echter zeer hygroscopisch en ontleedt zich in vochtigen toestand onder den invloed van het licht, de zuurstof en het kooldioxyde der lucht langzamerhand onder afscheiding van jodium, waardoor het Zout zich geel kleurt. Ook bij een gehalte aan j o d a a t wordt het, onder den invloed van vocht en het kooldioxyde der lucht, min of meer geel gekleurd. Het moet daarom tegen het licht beschut en tegen vocht, liefst: in kleine kalkstopflesschen, bewaard worden.

2°. dat een niet lichtende vlam blijvend geel kleurt. Eene voorbijgaand violetroode kleuring der vlam, vooral door kobaltglas goed waar te nemen, zou op verontreiniging met kaliumzout wijzen.

30. Het is oplosbaar in 0.6 deelen water en, gedroogd, in 2.5 dcelen sterken spiritus. Onderscheid met natriumchloride, n a t r i u m b r o m i d e en kalium jodide, die alle in water en vooral in spiritus minder oplosbaar zijn. De gemakkelijke oplosbaarheid van het Zout in spiritus kan bovendien dienen ter constateering van verontreiniging met andere zouten als n a t r i u m-carbonaat, -jodaat, -nitraat, -sulfaat, enz., welke veel minder of niet in spiritus oplosbaar zijn.

40. De oplossing (1 = 20) moet neutraal zijn. Slaat op verontreiniging met carbon aat \').

5°. en mag noch terstond troebel ivorden door baryumchloride. Afwezigheid van sulfaat of carbonaat. Het laatste wordt na toevoeging van chloorwaterstofzuur wederom opgelost. Sporen worden toegestaan.

6°. noch terstond blauw door verdund zivavelzuur en amylum oplossing. Afwezigheid van jodaat. Sporen worden toegestaan. Zie boven sub 10.

7°. Water, niet natriumjodide verzadigd, mag met een overmaat van wijnsteenzuur geen neerslag geven. Slaat op verwisseling of verontreiniging met k a 1 i u mjodide. Zie boven sub 20.

8°. Een oplossing van 230 mG. Natriumjodide in 2.$ cM3. ammonia, vermengd niet een oplossing van 275 mG. zilvernitraat in S cM3. water, gcejt, na gefiltreerd te zijn, een vloeistof, die met salpeterzuur oververzadigd, niet meer dan een opalcseentic mag

\') Zio noot blz. 461.

-ocr page 88-

464

doen ontstaan. Slaat op verontreiniging met chloride en bromide. Sporen, | | pet., worden toegestaan \').

90. Natriumjodide bevatte niet meer dan 1 pet. zvater 1). Bij gewone temperatuur kristalliseert natriumjodide met 2 molec. kristalwater; boven 40° of bij verdamping der oplossing tot droog wordt het watervrij verkregen. Het kristahvaterhoudende zout (Na I -f- 2 H20 = 186) heeft een watergehalte (2 H20 = 36) van quot;^6

X 100 = Pct., dat het bij verhitting zou verliezen.

I oO

Het natriumjodide der Ph. is dus niet dit, doch het kristalwater-vrije zout. Wegens de groote hygroscopiciteit van het Zout staat de 1\'h. een watergehalte van 1 pet. toe.

J O D I U M.

JOOD.

Kristallijne, grijsachtig-zwarte, metaalachtig glanzende, eigenaardig riekende plaatjes, die reeds bij een zachte warmte in violette dampen overgaan en geheel vervluchtigen. Zij kleuren stijfseloplossing blauw.

Jood is oplosbaar in sterken spiritus, in aether en in chloroform, alsmede in een oplossing van kaliumjodide.

Water, met lood geschud, mag slechts even geel worden.

200 mG. Jood met 500 mG. kaliumjodide in 25 cM3. water opgelost en met eenige droppels verdund chloorwaterstofzuur vermengd, vereischt 15.5—15.7 cM\'. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring.

Samenstelling. I

Het niet-metaal (metalloïde) jodium of jood.

Bereiding.

1°. Jodium komt o. a , waarschijnlijk als jodaat, in hetzeewater voor en wordt door daarin levende planten en dieren daaruit opgenomen en vastgelegd. Uit de eerste en wel meer bepaaldelijk uit sommige soorten van zeewieren, Fucns- en La vi in a s o o r te n, die op de Schotsche, lersche en Fransche kusten, door den wind gedreven, aan land spoelen, wordt het verkregen, door deze, na droging, tot asch (in Engeland Kelp, in Frankrijk Varec genoemd)

\') Zio veriloi\', ook over oene reactie op cyaan, bij «Jodelum kalicnmblz.46\'1.Over cene reactie op zware metalen zie bij « Carbonas natricus», blz. 156.

2) De droging van het Zont geschiede op het waterbad bij 100° zóó lang, totdat bet niet meer in gewicht afneemt.

-ocr page 89-

46s

te brengen, waardoor het jodaat onder reductie door de kooldeelen in jodide wordt omgezet. De asch wordt daarna uitgeloogd en de loog ingedampt, zoodat na afscheiding der minder oplosbare zouten eene zeer geconcentreerde oplossing van het jodide wordt verkregen. Hieruit wordt in daartoe bestemde destillatie-toestellen het jodium gesublimeerd, door de oplossing te behandelen en te destilleeren hetzij met bruinsteen en zwavelzuur, hetzij met ferrichloride-oplos-sing of door inleiding van chloor.

2 Na I Mn O2 -f- 2 H2S04 = Na^SO4 -j- Mn Sü4 -f

natnum- mangaan- zwavelzuur natrium- mangaan-

jodide dioxyde sulfaat sulfaat

2 IPO 2 I

water jodium

2 Na I Fe2 Clquot; = 2 Na Cl -f 2 Fe Cl1 2 I

natriumjodiJe ferrichloriJo nalriumchloride ferrochloride jodium

Na I -f Cl = Na Cl -f I

natrium- chloor natrium- jodium jodide chloride

2°. De moederloog, die na winning van het Chili-salpeter (natriumnitraat) in Peru en Bolivia uit de ruwe grondstof achterblijft, bevat natriumjodaat. In de laatste jaren wordt hieruit veelvuldig het jodium gewonnen door behandeling met zwaveligzuur, waardoor het jodaat tot jodide wordt gereduceerd en waaruit dan verder hetzij door inleiding van chloor (zie boven) of door salpeterigzuur het jodium wordt vrij gemaakt.

H I O\' -f- 3 SO2 3 H2Ü = H I -f 3 H2S04

joodzuur zwaveligzuur water joodvvaterslofzuur zwavelzuur

2 H I -f N203 = 2 1 N202 H20

joodwatcr- salpeterig- jodium stikstof- water

stofzuur zuur dioxyde

Veelvuldig ook wordt in de moederloog na reductie tot jodide het jodium door middel van kopersulfaat en ferrosulfaat als cupro-jodide neergeslagen en dit bf met kaliumcarbonaat tot kaliumjodide

2 Na I -f 2 Cu S O4 -1-2 Fe S O» = Na2 S O4

natriumjodide cuprisulfaat ferrosulfaat natriumsulfaat

Fe2 (S O4)3 Cu2 I2 ferrisulfaat cuprojodide

verwerkt \'), of, hetzij door verhitting met bruinsteen en zwavelzuur

\') Zie blz. 459.

-ocr page 90-

466

(formule als boven), hetzij door gloeiing met bruinsteen alleen, het jodium daaruit afgescheiden.

Cu2 I2 • 3 Mn 0J = 2 Cu O Mn ü, Mn2 O3 2 I

cupro- mangaan- cuprid- mangaanoxydule- jodium

jodide dioxydo oxyde oxyde

Het op de eene of andere wijze verkregen Jodium is het ruwe Jood, dat ter zuivering zorgvuldig wordt geresublimeerd.

Zuiver Jodium, vrij van broom- en chloorjood, wordt verkregen door het geresublimeerde Jood met ^ dl. kaliumjodide samen te wrijven en uit dit mengsel in eene lage, porseleinen of glazen schaal, waarover een dito voorwerp of trechter, op het zandbad bij zachte verwarming het zuivere Jodium te sublimeeren.

1 Cl3 -f 3 K I = 3 K Cl -f 4 I

jood- kalium- kalium- jodium

trichloride jodide chloride

Eigenschappen. Kristallijne, grijsachtig-zwarte, metaalachtig glanzende, eigenaardig naar chloor riekende, zachte, broze, wrijfbare, droge plaatjes van 4.948 soort. gew., die de huid of papier bruin kleuren, reeds bij gewone temperatuur langzaam verdampen, bij 1140 smelten, bij 1800 koken, reeds bij zachte verwarming in violette dampen overgaan en geheel vluchtig zijn.

Jood is met lichtgele kleur zeer weinig oplosbaar in water (7000), met bruine kleur gemakkelijk oplosbaar in spiritus (10) en aether (3), met violette kleur in chloroform en zwavelkoolstof; voorts met bruine kleur in water, dat oplosbare joodverbindingen, bijv. joodwaterstofzuur en vooral kaliumjodide, bromiden, chloriden, ammoniumzouten of tannine bevat. Stijfseloplossing wordt door Jodium lichter of donkerder blauw of violet gekleurd, welke kleur bij verwarming verdwijnt, om bij bekoeling weder te voorschijn te treden.

Wegens zijne groote vluchtigheid moet Jodium in volkomen gesloten, niet te groote, glazen stopflesschen liefst buiten he\'; licht bewaard worden.

Onderzoek.

1°. Kristallijne, gr ijsachtig-zwarte, metaalachtig glanzende plaatjes. Bedoelde kleur, glans en kristalvorm wijzen op zuiver of bijna zuiver Jodium. Onzuiver Jodium is zwarter, minderglan-zend en vormt minder fraaie kristalplaten.

-ocr page 91-

467

2°. die reeds bij eene zachte warmte in violette davipen overgaan. Zijn de bovenste dampen bij verwarming tot ongeveer 400 m eene reageerbuis bruin gekleurd, dan wijst dit op chloorjood, dat zich verder als een geel gekleurd sublimaat afzet. Joodcyaan zet zich in den vorm van kleurlooze naaldjes aan het bovenste einde der buis af.

3°. en geheel vervluchtigen. Slaat op verontreiniging met niet-vluchtige, anorganische stoffen, in \'t bijzonder op verval-sching met stoffen als potlood (graphiet), bruinsteen, houtskool, been derkool, steenkool, lei, hamerslag (ferro-ferridoxyde), enz.

40. Jood is oplosbaar in sterken spiritus, in aether. Genoemde vervalschingen zouden hierbij als onoplosbaar terugblijven.

5U. en in chloroform. Als sub40. Een gehalte aan water zou de chloroform, ook zwavelkoolstof, ondoorschijnend maken. Een ietwat belangrijk watergehalte, teneinde het gewicht van Jodium te vermeerderen, kan voorts ontdekt worden door zachte drukking tusschen vloeipapier, dat daarbij niet vochtig mag worden of door onmiddelijke blauwkleuring met droge stijfsel.

6°. Water, met Jood geschud, mag slechts even geel worden. Eene donkere, bruingele kleur zou op chloor- en b r o o m-j o o d wijzen. Een gehalte aan joodtrichloride en -bromide kan in de waterige oplossing nader aangetoond worden door toevoeging van ammonia en zilvernitraat in overmaat. Het Jodium wordt als in ammonia onoplosbaar zilverjodide neergeslagen, terwijl het chloor en broom als zilverchloride en -bromide in de ammonia opgelost blijven, die na filtratie door toevoeging van overmaat salpeterzuur worden geprecipiteerd. Een mogelijk gehalte aan gemakkelijk oplosbaar joodcyaan kan in deze oplossing aangetoond worden, door het Jodium met thiosulfaat te ontkleuren, daarna aan de vloeistof toe te voegen eene verdunde oplossing van ferrosulfaat, een paar droppels ferrichloride en eenig natronloog, vervolgens zacht te verwarmen en eindelijk chloorwaterstof-zuur in overmaat toe te voegen, waardoor een neerslag van Berlijnsch blauw zou ontstaan 1).

70. 200 mG. Jood met 500 mG. kalmmjodide in 2 5 cM*. water opgelost en met eenige droppels verdund chloorwater stof zuur vermengd, vereischt 15.5 —15.7 clip. volumetrisch thiosulfaat ter

IF

I

II

F f if ?

it

i i

1 i

i

\'i

- M mm

i;\'

i f

Hl

lis; lil\'!

\') Zie blz. 88.

-ocr page 92-

468

ontkleuring. Uit nevensgaande formule blijkt, dat één molec. jodium één molec. thiosulfaat ter ontkleuring noodig heeft; dat derhalve 127 Grm. jodium (I = 127) correspondeeren met 248 Grm. thio-

2 I 2 (Na2 S^3 4- 5 H20) = 2 Na 1 Na2 S^0 ioH20

jodium natriumthiosulfaat natrium- natrium- water

jodide tetrathionaat

sulfaat (Na2S203 5 H20 = 248); 0.2 Grm. jood correspondeert

dus met X 0.2 = 0.30 Grm, thiosulfaat. Volumetrisch

127

Thiosulfaat bevat 24.8 Grm, thiosulfaat per 1000 cM3,; 0.39 Grm, is dus vervat in 15,7 cM3.

icc cM3, Volumetrisch Thiosulfaat bevatten —:--—^— =

J J IOOO

I 27

0.3844 Grm. thiosulfaat, hetwelk correspondeertniet X 0.3844 = 0,197 jood.

Hei gebruik van iS-7 cM3. Volumetrisch Thiosulfaat bij de titratie wijst dus op zuiver Jodium; 15.5 cM3. wijzen op eene verontreiniging van 0.200—0.197 — 0-003 mG. per 0.2 Grm., d. i, derhalve 1,5 pet., welke door de Ph, wordt toegestaan.

J ODOFORMUM.

J O D O F O R M.

Citroengele kristallen of een citroengeel poeder, die sterk rieken, eenigszins als saffraan. Zij smelten bij 1150—120° en gaan daarbij in een zeer donkere vloeistof over, die, onder ontwikkeling van violette dampen, geheel vervluchtigt,

Jodoform is nagenoeg onoplosbaar in water. Met 60 deelen sterken spiritus en met 5,5 deelen aether geeft het heldere, neutrale oplossingen,

AVater, met Jodoform geschud, moet kleurloos blijven, door baryum-chloride niet terstond troebel worden en met zilvernitraat, zelfs na 24 uur, niet meer dan een gering grijs, geen zwart, nêerslag opleveren.

Samenstelling, CH13

Jodoform is trijoodmethane, d. i. methane, CFP, de eerste koolwaterstof der Cquot;H2quot; 2-reeks, waarin drie atomen waterstof zijn vervangen door jodium.

-ocr page 93-

469

Bereiding. Gelijk de constitutie van Jodoform analoog is aan die van chloroform, berust ook de bereidingswijze van beide op denzelfden grondslag, nl. op de inwerking van jodium op alcohol of aldehyde in tegenwoordigheid van een alkali of alkali-carbonaat 1).

C2H5.ÜH 81 6 KHO = CHI3 H.COOK

aethylalcohol jodium kaliumhydroxyde jodofurm kaliumfonniaal

s KI s HȆ

kaliumjodide water

Het eerste gevolg dezer inwerking kan men zich voorstellen te zijn de vorming van onderjodigzuur, HIO, dat de alcohol tot aldehyde oxydeert. Uit de wederzijdsche inwerking van het onder-

Na23 2 I H20 = HIO Na I Na H CO\'

natrium- jodium water onder- natrium- natriuin-

carbonaat jodigzuur jodide hydrocarbonaat

C2H5.OH HIO = CiH3.OII Hl H20

aethyl- onder- acet- jood- water

alcohol jodigzuur aldehyde waterstofzuur

jodigzuur en het tevens gevormde joodwaterstofzuur ontstaat voorts wederom vrij jodium, dat het aldehyde omzet in trijood-

HIO Hl = 2 I H20

onder- joodwater- jodium water

jodigzuur stofzuur

CJH3.OH 6 1 = C2I3.ÜII 3 Hl

acetaldehyde jodium trijoodacetaldeliyde jood-

(jodal) waterstofzuur

aldehyde, hetwelk ten slotte door het alkali ontleed wordt in jodoform en een mierezuurzout.

C2I3.OH Na HCO3 = CHI3 H.COONa CO1

jodal natrium- jodoform , natrium- kool-

hydrocarbonaat formiaat dioxyde

Een gedeelte van het gebezigde jodium echter wordt niet in Jodoform omgezet, doch werkt in op de verwarmde loog en vormt daarmede jodide en jodaat 2). Ten einde aan clit verlies tegemoet te komen, leidt men, na de eerste afscheiding van Jodoform, chloor in de vloeistof of behandelt men haar met een hypochloriet, waardoor een gedeelte van het aldus gebonden jodium wederom in vrijheid wordt gesteld, dat tot nieuwe Jodoform-afscheiding kan dienen.

M Ook aethylacetaat, melkzuur, dextrine, suiker, eiwitstolTen en vele andere organische stollen leveren o|i gelijke wijze .Iodoform.

3) Zie bij «Jodetum kalicmn», blz. 458.

3\'

-ocr page 94-

47°

i0, In cene op het waterbad tot ongeveer 70° verwarmde oplossing van 2 din. natriumcarbonaat in 10 din. water, waaraan is toegevoegd i dl. alcohol, wordt in kleine gedeelten gebracht 1 dl. poeder van jodium. De door vrij jodium aanvankelijk bruine vloeistof wordt telkens weder kleurloos, terwijl ten slotte na bekoeling de gevormde Jodoform zich als een kristallijn poeder afscheidt. Men verzamelt dit op een filter en wascht het met water af, totdat, na zuurmaking met eenige droppels salpeterzuur, de vloeistof door zilvernitraat niet meer troebel wordt, waarna men de Jodoform bij gewone temperatuur en onder afsluiting van licht tusschen vloeipapier droogt of ter zuivering nogmaals uit warmen alcohol omkristalliseert.

Uit de moederloog kan, na verdamping van allen alcohol en volkomen afscheiding der Jodoform, natriumjodide of, wanneer in plaats van natriumcarbonaat kaliumcarbonaat wordt gebezigd, ka-liumjodide als bijproduct verkregen worden.

Intusschen kan zij ook gebruikt worden tot vermeerdering der opbrengst aan Jodoform, die op boven beschreven wijze slechts ongeveer 20 pet. bedraagt, door op nieuw 2 dln. natriumcarbonaat en 1 dl. alcohol daaraan toe te voegen en , na wederom tot ongeveer 70° verwarmd te zijn, een langzame, telkens afgebroken stroom chloorgas in de vloeistof te leiden, waardoor weder jodium wordt afgescheiden, dat de vloeistof aanvankelijk kleurt, doch telkens in Jodoform wordt omgezet. Zoodra geene afscheiding van jodium meer plaats heeft en de vloeistof daardoor dus niet meer gekleurd wordt, moet de inleiding van chloorgas gestaakt worden, ten einde inwerking daarvan op de gevormde Jodoform te voorkomen. De opbrengst kan op deze wijze tot 50 pet. worden verhoogd.

20. 100 dln. Kaliumhydrocarbonaat worden opgelost in 1000 dln. water en na filtratie hieraan 250 dln. alcohol en daarna 100 dln. zuiver jodium toegevoegd, waarna men in een retort met ontvanger langzaam tot 800 verwarmt. Zoodra de vloeistof is ontkleurd, worden nogmaals 25 dln. jodium toegevoegd en daarna nog 20 dln. en later nog weder 10 dln. jodium, zoolang als nog oplossing en ontkleuring volgt. Blijft ten slotte de vloeistof gekleurd en is dus te veel jodium toegevoegd, dan wordt bij de half bekoelde vloeistof het in den ontvanger overgehaalde vocht gevoegd en, zoo daardoor geene geheele ontkleuring volgt, nog zooveel verdunde kaliloog, totdat dit het geval is. Bij bekoeling scheidt zich de Jodoform af, die men verder als boven verzamelt, afwascht en droogt of

-ocr page 95-

47i

vooraf uit warmen alcohol omkristalliseert. üe opbrengst bedraagt ongeveer 35 pet.

Uit de moederloog kan verder door indamping, gloeiing met poeder van houtskool en uittrekking met alcohol kaliumjodide verkregen worden.

30. Gemakkelijker geschiedt de vorming van Jodoform, wanneer in plaats van alcohol geheel of gedeeltelijk aldehyde wordt gebezigd.

1 dl. Alcohol, oie ongeveer 25 pet. aldehyde bevat, wordt daartoe vermengd met 10 din. natriumcarbonaat-oplossing van 20 pet. en hieraan zonder verwarming onder omschudden zooveel jodium in kleine gedeelten toegevoegd als zonder blijvende kleuring daarin kan worden opgelost. De afgescheiden Jodoform wordt verder als boven gereinigd.

4n. In plaats van alcohol, aldehyde of een mengsel van beide gaat men ook veelvuldig uit van aceton \'), terwijl tevens het aan te wenden chloorgas voor de vrijmaking van jodium vervangen kan worden door eene hypochloriet-oplossing. Bij gebruik van aceton is het bijproduct intusschen geen mierezuur- doch een azijnzuurzout2).

Bij eene oplossing van 50 dln. kaliumjodide in 2000 dln. water, waaraan toegevoegd 6 dln. aceton en 2 dln. natriumhydroxyde, wordt onder omroeren druppelsgewijze eene oplossing van natrium-hypochloriet gevoegd, totdat zich geen Jodoform meer afscheidt. Met jodium wordt op deze wijze geheel in Jodoform omgezet. In de praktijk bezigt men bij deze methode van bereiding de z.g. Kclp-asch 3). Deze wordt uitgeloogd, het jood-gehalte in de loog bepaald , eene dienovereenkomstige hoeveelheid aceton en daarna onder omroeren zoolang natriumhypochloriet toegevoegd, totdat geen neerslag van Jodoform meer ontstaat.

5°. 100 Gnn. Jodium wordt bij kleine gedeelten in 320 Grm. verwarmde natronloog van 10 pet. opgelost, vervolgens aan de bekoelde, kleurlooze vloeistof 20 Grm. aceton en daarna weder bij kleine hoeveelheden 100 Grm. poeder van jodium toegevoegd. Hierop wordt voorzichtig natronloog toegevoegd, totdat al het jood verdwenen is, en ten slotte na bekoeling het gevormde Jodoform afgefiltreerd.

Aan het filtraat wordt daarna weder 20 Grm. aceton toegevoegd.

\') Zie bij « Chloroformum gt;1, bh. 100. a) Zie hij «Ghloroforrninn », bi/. 107. ;,) Zie bij «Jodium», blz. 404.

-ocr page 96-

47 2

vervolgens met chloonvaterstofzuur zuur en daarna weder met natronloog alkalisch gemaakt. De beide laatste bewerkingen worden zóó dikwerf herhaald, als door toevoeging van zoutzuur nog jodium-afscheiding volgt en vorming van Jodoform plaats heeft.

Is dit punt bereikt, dan kan nog weder door voorzichtig inleiden van chloor of door toevoeging van chloorkalk-oplossing en herhaalde toevoeging van natronloog eene meerdere Jodoform-afscheiding uit het filtraat verkregen worden. Na uitwassching wordt ten slotte, evenals bij de vorige bereidingswijzen, de gezamenlijke Jodoform uit alcohol omgekristalliseerd.

6°. Eindelijk dient nog vermeld, dat groote hoeveelheden Jodoform bereid worden langs electrolytischen weg, door eene oplossing van kaliumjodide (i = io), waaraan eenige alcohol (TV dl.) is toegevoegd, onder inleiding van kooldioxyde, of wel door kalium-jodide-oplossing, waaraan aceton en eenig natriumcarbonaat is toegevoegd, door eene electrische stroom te ontleden.

Eigenschappen. Kleine, glinsterende kristallen of een min of meer fijn, kristallijn poeder, vettig op \'t gevoel, citroengeel van kleur en doordringend, saffraanachtig van reuk. Jodoform vervluchtigt reeds bij gewone temperatuur, smelt bij verwarming bij 1150—120° en gaat daarbij in eene zeer donker-bruinroode vloeistof over, die, verder verhit, onder ontleding en ontwikkeling van violette jodium-dampen, ten slotte geheel vervluchtigt. Daar Jodoform onder den invloed van lucht en licht onder afscheiding van jodium en bruinkleuring min of meer ontleed wordt, moet het in niet te groote flcsschen buiten het licht bewaard worden.

Jodoform is nagenoeg onoplosbaar in water (14000), beter oplosbaar in kouden (50) en warmen (10) spiritus en aether (5.2); voorts oplosbaar in chloroform, vette en vluchtige oliën, benzol, zwavelkoolstof, enz.

Met spiritueuse kalioplossing verwarmd, wordt Jodoform ontleed onder vorming van kaliumformiaat en kaliumjodide \').

CHP -f- 4 KHO = H.COOK -f 3 KI -f 2 H\'O

jodoform kaliumhydroxyde kaliumformiaat kaliumjodide water

J) Mierezuur kan in do/.e oplossing aangetoond worden door haar te schudden niet geel morcuridoxyde en terstond daarna Ie filtreeren. Het filtraat wordt wit troebel door afscheiding van kwikformiaat, dat bij verwarming grauw zwart wordt door afgescheiden kwik.

Joodwaterstofzuur kan in deze oplossing, na verzadiging met azijnzuur, aangetoond worden door de vorming van een geelachtig-wit neerslag van zilverjodide met zilver-nitraat, dat onoplosbaar is in salpeterzuur en ammonia, doch oplosbaar in kaliumcyanide.

-ocr page 97-

473

Onderzoek.

1°. Citroengele kristallen of een citroengeel poeder. Jcdoform komt in min of meer duidelijke kristalplaatjes of als een min of meer fijn kristalpoeder in den handel voor. Uit alcohol omge-kristalliseerd vormt het duidelijke, zeer fijne kristalplaatjes (J. crys-tallisatum); uit warmen spiritus door water geprecipiteerd vormt het een fijn kristalpoeder of kristalmeel (J. praecipitaturn), evenals het langs electrolytischen weg gevvonnene (J. farinoswn of absolntuni), terwijl het als een uiterst fijn poeder verkregen wordt door slibbing met water (J, pracparatimi).

De kleur moet lichtgeel, citroengeel zijn. Donkerder, bruinachtig gekleurde preparaten moeten verworpen worden.

2°. die sterk rieken, eenigszins als saffraan. De reuk moet krachtig, doch zuiver saffraanachtig zijn en zonder nevenreuk, bijv. naar aceton, foezelolie, pyridinebasen of dergelijke stoffen.

3°. Zij smelten bij 1150—1200 en gaan daarbij in een zeer donkere vloeistof over, die, onder ontwikkeling van violette dampen, geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. kalium- of natriumzouten.

40. Jodoform is nagenoeg onoplosbaar in water. Met 60 deelen sterken spiritus en met 5.5 deelen aether geeft het heldere, neutrale oplossingen. Zuiverheidsreactien. Meer dan sporen residu na schudding met water, filtratie en verdamping van het filtraat zou kunnen wijzen op verontreiniging met stoffen als kalium- of natrium-hydroxyde, kalium- of natriumcarbonaat, -formiaat, acetaat, -chloride, -jodide of -jodaat door onvoldoende reiniging. Evenzoo zijn vele der genoemde stoffen bf onoplosbaar in spiritus, zooals kalium- en natriumcarbonaat, of veel moeilijker oplosbaar, zooals kalium- en natriumchloride, bf gemakkelijker oplosbaar, zooals kalium- en natrium acetaat, kalium- en n at riumj odide, enz.

Voorts zou eene alkalische reactie der oplossing kunnen wijzen op verontreiniging met kalium- of natrium hydroxy de of -carbonaat, eene zure reactie op chloor- of joodwater-s 10 fz u u r , m i e r e z u u r of az ij n z u u r.

5°. Water, met Jodoform geschud, moet kleurloos blijven. Slaat op vervalsching met pikrinezuur, dat met gele kleur in water oplost, welke kleur door toevoeging van ammonia donkerder wordt.

6°. door baryuntehloride niet terstond troebelzvorden. Afwezigheid

-ocr page 98-

474

van kalium- of natriumcarbonaat, dat een neerslag zou doen ontstaan van baryumcarbonaat, oplosbaar in salpeterzuur, of van sulfaat, waardoor baryumsulfaat zou precipiteeren, onoplosbaar in salpeterzuur. Sporen worden toegestaan.

7ft. en met zilvernitraat, zelfs na 24 uur, niet meer dan een gering grijs, geen zwart, neerslag opleveren. Een wit of geelachtig-wit neerslag met zilvernitraat, dat terstond ontstaat, zou kunnen wijzen op verontreiniging met chloride, onoplosbaar in salpeterzuur en oplosbaar in ammonia, of jodide, onoplosbaar in salpeterzuur en ammonia, of op beide, alsmede op carbonaat, oplosbaar in salpeterzuur. Een zwart neerslag, dat na korter of langer tijd zich in de vloeistof vormt, zou kunnen wijzen op mierezuur of formiaat, waardoor zich metallisch zilver als een zwart poeder afscheidt. Daar Jodoform niet geheel onoplosbaar is in water, zal zich met zilvernitraat na eenigen tijd steeds een gering grijs, echter geen zwart nêerslag vormen.

KREOSOTUM.

K R E O S O O T.

Ken olieachtige vloeistof, uit \'leer van Beukenhout verkregen.

Neutraal, helder, sterk lichtbrekend, bleekgeelachtig, doordringend rookerig van reuk en sterk brandend van smaak. Soortelijk gewicht 1.065—i-oSS-

Kreosoot lost in water moeilijk, in sterken spiritus, in aether en in chloroform daarentegen gemakkelijk op.

Met een gelijk volumen collodium geschud, moet Kreosoot een gelijkmatig vloeibaar mengsel geven, dat noch geheel, noch gedeeltelijk in den geleivorm overgaat.

Tusschen 200° en 210° moet de grootste helft van Kreosoot destil-leerbaar zijn.

Samenstelling.

Kreosoot is een mengsel van verschillende phenolen 1).

J) Behalve dat, zooals bij «Acidum beuzoicnm» (blz. 18) is aangegeven, door liy-droxyliseering der aan de aromatisebe koolwaterstoffen gehccbte zijketens alcoholen kunnen worden gevormd, kan de hydroxyliseering ook plaats hebben in de benzolkern, OH\'-groep, zelve. Do daardoor ontstane alcoholen noemt men phenolen. Behalve door

-ocr page 99-

475

Als de meest gewichtige bestanddeelen moeten beschouwd worden de phenolen van guajacol \') en kreosol (ir;cl. m e-t h y Ik r e o s o 1), welke in mindere of meerdere mate als verontreiniging vergezeld worden door die van k r e s o 1, p h 1 o r o 1 en x y 1 e n o 1.

De twee eerstgenoemde phenolen moeten tevens het hoofdbestanddeel van Kreosoot uitmaken; de hoeveelheid daarvan bedraagt ongeveer 50—80 pet. Overigens komen de bestanddeelen, ook wat de overige phenolen en de isomeeren daarvan betreft, in afwisselende hoeveelheden naast elkander voor, waardoor Kreosoot tolde geneesmiddelen van wisselende samenstelling moet gerekend worden.

Bereiding. Kreosoot wordt verkregen uit beukenhoutteer, een product der droge destillatie van beukenhout. Dit teer wordt ge-fractioneerd gedestilleerd en de daarbij overgegane oliën, welke

hmi zuur karakter, do eigenschap nl. 0111 de waterstof der hydroxyl-groep door metalen OllMI CMKCU3 OH\'.CMl» CIKOIKCH»

benzol toluol aethylbonzol xylol

G«HHOH).H GMIHOH^GII3 CH3.CM13(0H).GH3

phenol kresol phlorol xylenol

te laten vervangen en alzoo een soort van zouten, phenolalen, te doen ontstaan, onderscheiden zicli deze alcoholen van de eersten ook en vooral daardoor, dat zij liij oxydatie geen overeenkomstig aldehyde ol\' zuur leveren.

Evenals dit bij «Acidum salicylicum» (blz. 39) is aangegeven, kan in de benzolkern de hydroxyl-groep tegenover de aangehechte groep of groepen der zijketens verschillende plaatsen innemen en kunnen diensvolgens naar dit verschil in ligging verschillende soorten van een en hetzelfde phenol, z.g. isomeeren, bestaan.

Overigens kan ook meer dan één atoom waterstof in de benzolkern door een hydroxyl-groep vervangen worden en onderscheidt men diensvolgens, behalve wionohydroxylen (de phenolen in engeren zin), ook di-, tri-, enz. hydroxylen, waarbij natuurlijk nog meerdere isomeeren mogelijk zijn.

Zoo bestaan van het dihydroxylphenol of dioxybenzol, C°ll4(011)2, drie isomeeren, nl. pyrocatechine, resorcine en hydrochinon (zie verder bij «Metadioxybenzolnm »).

De melhylaethcr nu van pyrocatechine, C0!!\'1 :qq||3 i is het juajacol, terwijl kreosol de methylaether is van een dienovereenkomstig methylpyrocatechine,dusCH\'^ll\'):^^||3i

en inethylkreosol de methylaether van dimethylpyrocatechine, dus CH^Cll11)2

\') Het Guajacol, dat tot nu toe door gefractioneerde destillatie uit Kreosoot verkregen wei d als eene kleurlooze vloeistof van 1.107—1.12 soort, gew., die bij\'200°—202° kookt en nog steeds verontreinigd is met afwisselende, kleine hoeveelheden kreosol en kresolen, is thans langs synthetischen weg geheel zuiver verkregen als eene kleurlooze, kristal-lijne stof van 1.1534 soort. gew. bij 0°, die oplosbaar is in water, spiritus en aether, bij 33° smelt en bij 200° kookt.

-ocr page 100-

476

zwaarder zijn dan water, voor de afscheiding van Kreosoot gebezigd. Men schudt ze daartoe met natronloog, waardoor phenolen en zuren worden gebonden en verschillende onzuiverheden zich als eene lichtere, waterachtige laag afscheiden. Na verwijdering van deze worden de natriumverbindingen weder door zwavelzuur ontleed en deze zuivering door beide bewerkingen, behandeling met natronloog en wederafscheiding door zwavelzuur na verwijdering van onzuiverheden, zoo dikwijls herhaald, totdat het achterblijvende volkomen helder in natronloog oplost. Ue phenolen worden vervolgens ter bevrijding van zuren met water, waaraan een weinig natronloog is toegevoegd, afgewasschen en ten slotte aan eene zorgvuldige gefractioneerde destillatie onderworpen, waarbij dat gedeelte, hetwelk tusschen 2000 en 220° overgaat, als Kreosoot wordt opgevangen.

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, sterk lichtbrekende, aanvankelijk kleurlooze, doch aan de lucht spoedig bleckgeelachtig wordende, olieachtige, volkomen vluchtige vloeistof, doordringend rookerig van reuk, sterk brandend en bijtend van smaak en de huid wit uitbijtend. Zij is zwaarder dan water; het soort. gew. van goed Kreosoot bedraagt 1.065—1.085, terwijl het kookpunt tusschen 200° en 220° is gelegen.

Kreosoot is slechts weinig oplosbaar in koud (200), een weinig beter in warm (120) water, welke oplossing bij bekoeling weder troebel wordt en waaruit het grootste gedeelte der Kreosoot zich als olieachtige droppels weder afzondert. Gemakkelijk en in alle verhoudingen oplosbaar daarentegen is Kreosoot in spiritus, aether, chloroform, verdunde kali- en natronloog, vette oliën, enz.

De oplossing in water geeft met broomwater een harsachtig, roodbruin neerslag.

Met een droppel eener sterk verdunde ferrichloride-oplossing ontstaat in de waterige oplossing aanvankelijk eene blauwviolette kleuring, welke onder troebelwording spoedig overgaat in grijsgroen en ten slotte in vuilbruin onder afscheiding van gelijkgekleurde vlokken.

In de spiritueuse oplossing (1 = 10) ontstaat door een droppel eener sterk verdunde ferrichloride-oplossing eene donkerblauwe kleuring, welke door meer ferrichloride in donkergroen overgaat,

Onderzoek.

1°. li01 olieachtige vloeistof, uit Teer van Beukenhout verkregen.

-ocr page 101-

477

Dc Ph. eischt, dat Kreosoot bereid zij uit beukenhoutteer. Ook uit het steenkoolteer wordt een steen kolen- kreosoot olie verkregen, die voornamelijk phenol bevat. Deze mag dus niet in de plaats van Kreosoot gebruikt worden; evenmin als het vloeibaar Phenol (P h e n o 1 u m 1 i q u e f a c t u m) zelve, wat volgens de voorgaande Ph. geoorloofd was.

2°. Neutraal. Kene zure reactie der vloeistof, verkregen door schudding van Kreosoot met water, kan wijzen op aanwezigheid van empyreumatische zuren uit het beukenhoutteer of var zwavelzuur bij onvoldoende reiniging; eene alkalische reactie door gelijke oorzaak op kali- of natronloog.

3°. helder. Ook de oplossing van Kreosoot in verdunde kali-of natronloog moet helder zijn. Eene troebeling zou op verontreiniging met koolwaterstoffen kunnen wijzen \').

4U. sterk lichtbrekend. In tegenstelling met vloeibaar Phenol.

5h. bleekgeelachtig. Oorspronkelijk kleurloos, wordt Kreosoot, vooral aan het licht blootgesteld, gewoonlijk langzamerhand eenigs-zins geelachtig gekleurd, waarom zij tegen den invloed daarvan beschut moet worden. Onzuiver Kreosoot wordt aan de lucht donker gekleurd. Steenkolenteer-kreosootolie is kleurloos of roodachtig gekleurd.

6°. doordringend rookerig van reuk. Kreosoot mag niet teer-achtig rieken.

7°. Soortelijk gewicht 1.065—1.085. Het soortelijk gewicht is een voornaam criterium voor de deugdelijkheid van Kreosoot. Terwijl een lager soort. gew. duidt op een te hoog gehalte aan minder gewenschte phenolen als kresol, phlorol en xylenol, wijst een hoog soort. gew. op een ruim gehalte aanguajacol en kreosol.

8°. Kreosoot lost in water moeilijk op. Vloeibaar phenol is in water gemakkelijk oplosbaar.

90. Met een gelijk volnmen collodium geschud, moet Kreosoot een gelijkmatig vloeibaar mengsel geven, dat noch geheel, noch gedeeltelijk in den geleivorm overgaat. Slaat op verwisseling of vermenging met phenol, waardoor zich nitrocellulose als een gelei zou afscheiden 2).

io0. Tusschen 200° en 210° moet de grootste helft van Kreosoot

\') Zie ook noot 7. blz.

*) Fiij deze proef lette men ei\' op, dat hot te bezigen Collodium neutraal niet zuur

-ocr page 102-

478

destilleer baar zijn. In verband met het soort. gew. slaat deze eisch op een voldoend gehalte aan guajacol en kreosol, die bij de aangegeven temperatuur voornamelijk overgaan. Een gehalte aan phenol zou het kookpunt verlagen.

L AC TAS FERROSUS.

F E R R O L A C T A A ï.

Meer of minder groengele kristalkorsten of poeder daarvan.

Ferrolactaat geeft met ongeveer 40 deelen koud of met 12 deelen kokend

en ilfi Ijnis goed droog zij. In plants van Collodium kan ook eiwit gebezigd worden, dat door Kreosoot niet, door phenol daarentegen wel gecoaguleerd wordt.

Behalve bovengenoemde kenmerken van deugdelijkheid of reactlen Ier herkenning van verontreiniging of vervalsching vinden hier alsnog de volgende, aan deugdelijk Kreosoot te stellen eischen vermelding.

n. Ecne olieachtige vloeistof, die :elfa bij — \'20° niet vast wordt. In onderscheid met phenol, dat bij gewone temperatuur vast is, en vloeibaar Phenol, dat beneden 4° eveneens vast wordt.

lgt;. Dn waterii/e oplossing geeft met broomwatcr een roodbruin neèrslaij. In onderscheid met phenol, welks zeer verdunde oplossing mot overmaat broomwater een w.t neerslag geeft van tribroompbenol.

c. Met ecu droppel cener sterk verdunde ferric/iloride-oplossing ontstaal in dn waterige oplossing aanvankelijk enne hlauwviolettn klnuring, wnlkn ondnr troebelwor-ding spoedig overgaat in grijsgroen en ten slatin in vuilbruin onder afscheiding van gelijkgekleurde vlokken. In onderscheid met phenol, welks oplossing met ferrichlori Ie eene blijvend blauwviolette kleur geeft.

d. 1 cM3. Kreosoot, met 10 spiritueuae kalioplossing vermengd, geve daarniedn na eenigen tijd ecne vaste kristalbrij. Slaat op een voldoend gehalte aan guajacol en kreosol, die met het alkali phenolaten vormen, welke in alcohol zoo goed als onoplosbaar zijn, terwijl de phenolaten van verontreinigende phenolen daarin beter oplosbaar zijn en dus niet vast worden.

e. 4 e.l/:l. Kreosoot, in ecne gegradueerde buis geschud met 9 cM\'\'. glycerine, vnr-dund mnt 3 cM3. water, moet bij staan zich zoo goed als geheel tonder afscheiden. Kreosoot is in het opgegeven mengsel zoo goed als onoplosbaar, terwijl phenol ine\', kresol daarin zal oplossen. Op deze wijze kan benaderend quantitatief eene vervalsching met phenol worden geconstateerd.

I e.l7:i. Kreosoot, met i (.\'.U3. petroleumhemine en \'2 cA/3. barytwater geschu t, mag dn bemine-oplossimj niet blauw of violet, de waterige oplossing niet rood kleuren. Slaat o|) verontreiniging met vreemde toer bestand doelen, vooral die, welke een te hoog kookpunt bezitten, derhalve op eene onvoldoende reiniging van do Kreosoot.

\'2 cM\\ Kreosoot moet mnt 4 cM:K natronloog en 4 cM3. water eene volkomen heldere, lichtgele oplossing geven. Troebeling zon wijzen op indifferente t e e r-o 1 iën, bruinklenring op vreemde teerbestanddeelen.

-ocr page 103-

479

water groengele, licht troebele en zwak zure oplossi;igen. In sterken spiritus is het nagenoeg onoplosbaar.

Als 500 mG. Ferrolactaat in 5 cM3. verdund zwavelzuur opgelost en vermengd wordt met 500 mG. kaliumpermanganaat, moet de reuk van aldehyde worden waargenomen.

De oplossing in water geeft met kaliumferricyanide een donkerblauw nêerslag.

De gefiltreerde oplossing in water (1 = 50) geve met loodacetaat niet meer dan een opalescentie en worde, na toevoeging van verdund chloor-waterstofzuur, met zwavelwaterstof niet gekleurd of troebel.

5 cM3. der oplossing in water (1 = 50), met 10 droppels verdund zwavelzuur gekookt, in bekoelden staat vermengd met natronloog in overmaat en gefiltreerd, mag, na verwarmd te zijn, niet gekleurd worden.

Na de verbranding van 1 Grm. Ferrolactaat, blijve ongeveer 270111(1. Ferrioxyde achter, dat geen in water oplosbare stof bevat.

Samenstelling. Fe (C3H503)2 -j- 3 II20

Worden in den propylalcohol \') de drie atomen waterstof eener CH3-groep vervangen door drie hydroxyl-, OH, groepen, dan ontstaat, onder afsplitsing van H^O, een zuur2), het melkzuur. Naar gelang deze zuurvorming plaats heeft van den primairen of van den secundairen propylalcohol ontstaan twee soorten van melkzuur, nl. het aethyleen- of vleesch-meWwMnr en het aethylideen- oigisting-melkzuur.

CH2.OH

CH2

CH3

primaire propylalcohol

CH2.OH

CH2

COOH

aetlvjleen-«Jeesc/i-melkzuur P10\'\'i \'a\'co\'10\'

CH3 CM.OH CH3

secundaire

CH3

CH.OH

COOH

aeOujluleen-of

jisfin^-melkzuur


Ferrolactaat nu is het ferro-zout van het gewoon of gisting-melkzuur. In twee moleculen van dit zuur is de waterstof der COOH-groepen vervangen door het tweewaardige metaal Fe.

Het Zout bevat drie moleculen kristalwater.

Bereiding. De bereiding berust op de vorming van melkzuur door gisting en neutralisatie van het gevormde zuur hetzij direct door ijzer, hetzij door een ander metaal en in \'t laatste geval op daaropvolgende omzetting van het gevormde zout door een ferro-zout.

■) Zie blz. 369. ») Zie blz. 12.

-ocr page 104-

480

De vorming van het melkzuur geschiedt uit suiker door ferment-organismen in tegenwoordigheid van eiwitstoffen. De suiker wordt daarbij onder wateropname veranderd in glucose, die daarna in melkzuur wordt omgezet.

(j12j-j2 aQ 11 i-pO = 2 C(\'H12O0 = 4 C3H603

suiker water glucose melkzuur

Eene temperatuur van 30°—40° bij de bereiding is voor de melkzuur-vorming een vereischte. Bij lagere temperatuur toch ontstaat uit de suiker geen melkzuur doch aethylalcohol, azijn- en propi-oonzuur, terwijl bij hoogere temperatuur de melkzuur-gisting in boterzuur-gisting overgaat.

CH\'406 = 2 C^s.OH 2 CO2

glucose aetliylalcolinl kooldioxyde

3 C«HllOc = 2 CWÜ2 4 CMif\'ü2 2 CO2 4- 2 H2Ü

glucose azijnzuur propioonzuur kooldioxyde water

2 C3H6O3 = C4H8Oj 2 CO2 4 H

melkzuur boterzuu r kooldioxyde waterstof

10. 24 dln. Koemelk, welke zuur begint te worden, worden onder toevoeging van 1 dl. melksuiker en 1 dl. ijzervijlsel gedurende eenige dagen op eene temperatuur van 30°—40° gehouden, zóó lang totdat er zich in de vloeistof geen gas meer ontwikkelt, waarna eene nieuwe hoeveelheid melksuiker wordt toegevoegd en de vloeistof weder op de aangegeven temperatuur wordt gehouden, totdat alle gas-ont-wikkeling heeft opgehouden. Zoodra op deze wijze het ijzer bijna verdwenen is, wordt het mengsel gekookt, terstond daarna doorgezegen en het filtraat in een flesch opgevangen, waaruit het Fer-rolactaat bij bekoeling kristalliseert. Men verzamele de kristallen na eenige dagen, wassche ze met water af en droge ze zoo snel mogelijk op eene warme plaats tusschen vloeipapier.

20. Men neme zuur geworden melk en coleere deze door eene fijne zeef, ten einde de gestremde kaasstof af te zonderen. Bij 500 dln. der doorgeloopen zure wei voege men 25 dln. rietsuiker, 25 dln. ijzervijlsel en vervolgens nog 10 dln. rottende kaas, met 150 dln. water aangemengd en fijngewreven. Dit mengsel late men gedurende eenige dagen onder herhaald schudden of roeren bij eene temperatuur van 30°—40quot;\' trekken, voege na vier of vijf dagen wederom 25 dln. suiker toe en herhale dit, totdat 125 dln. suiker verbruikt zijn. Nadat de gisting geeindigd en alle gasontwikkeling opgehouden is, wordt de vloeistof met 200 dln. water verdund, vervolgens gekookt, terstond daarna gefiltreerd en het achterblijvende

-ocr page 105-

481

nogmaals met 250 din. water uitgekookt en gefiltreerd. Bij de ver-eenigde filtraten worden 400 dln. alcohol gevoegd en het mengsel daarna op eene koele plaats gezet. Het na eenigen tijd afgescheiden Zout wordt verzameld, met alcohol afgewasschen en bij gewone temperatuur of op eene lauwwarme plaats tusschen vloeipapier gedroogd.

30. Men kookt 3 K.Grm. rietsuiker met 15 Grm. wijnsteenzuur en 10 liter water, waardoor de suiker in glucose wordt omgezet, en voegt na 2 dagen staan 100 Grm. rottende kaas toe, met 3 liter water fijngewreven. Verder voegt men 1.5 K.Grm. geslibd krijt toe, met 4 liter zure wei aangemengd. Dit mengsel laat men onder herhaald omroeren gedurende eene week bij 30°—35quot; staan, waardoor het in eene brij van calciumlactaat verandert, die men met zoo weinig mogelijk koud water verdunt, om de massa te kunnen doorzijgen en uitpersen. Vervolgens wordt het calciumlactaat met 15 Grm. calciumoxyde en 10 liter water gedurende een uur gekookt, de vloeistof door bezinking geklaard en daarna ter kristallisatie uitgedampt. Ue kristalmassa, die zich na eenigedagen afgescheiden heeft, wordt door coleeren, uitpersen en afwasschen met een weinig koud water van de aanhangende moederloog gezuiverd en uit het dubbele gewicht kokend water omgekristalliseerd.

308 Dln. van dit calciumlactaat, in viermaal zooveel kokend water opgelost, worden met 278 dln. ferrosulfaat, vrij van ferrizout en in driemaal zooveel koud water opgelost, vermengd en eenige bellen zwavelwaterstofgas in de vloeistof geleid of eenig zwavelwaterstof-water toegevoegd, om mogelijke vorming van ferri-zout te voorkomen. Onoplosbaar calciumsulfaat en mogelijk eenig ijzersulfide scheiden zich af en worden afgefiltreerd en het filtraat op eene koele plaats ter kristallisatie ter zijde gezet. De laatst opgegeven bewerkingen moeten zoo spoedig mogelijk geschieden, ten einde de vorming van ferri-zout zoo veel mogelijk tegen te gaan en een fraai, licht gekleurd preparaat te verkrijgen. De kristalmassa wordt ten slotte verzameld, zacht uitgeperst, met een weinig spiritus afgewasschen en beneden 500 gedroogd.

4°. 600 dln. Versche wei, 50 dln. afgeroomde melk en 25 dln. oude, vette kaas, met 100 dln. lauwwarm water fijngewreven, worden vermengd met 200 dln. warm water, waarin 50 dln. suiker zijn opgelost en dit mengsel bij eene temperatuur van 30quot;—35quot; ter zijde gezet. Na verloop van anderhalven dag wordt de reeds zure vloeistof met baryumcarbonaat, in den vorm van poeder van

-ocr page 106-

482

witheriet, geneutraliseerd, waarbij eenc geringe overmaat niet kan schaden. Deze neutralisatie geschiedt voorts eiken dag (in \'t geheel worden hiervoor ongeveer 125 dln. baryumcarbonaat vereischt) en verder worden om de drie dagen 50 dln. suiker toegevoegd, tot in \'t geheel 200 dln. daarvan verbruikt zijn. Eindelijk wordt de vloeistof met de overmaat baryumcarbonaat in een kolf gedurende eenige minuten gekookt en na bekoeling gefiltreerd. De aldus verkregen oplossing van baryumlactaat wordt, na tot op twee derden van het volumen uitgedampt te zijn, nog warm met verdund zwavelzuur in zeer geringe overmaat ontleed, zoodat een weinig van het filtraat met baryumchloride eene uiterst zwakke reactie op zwavelzuur geeft. De vloeistof wordt na bezinking gefiltreerd en het nêerslag met warm water nagewasschen.

De aldus verkregen verdunde oplossing van melkzuur wordt, onder toevoeging van 4 dln. suiker, ten einde de oxydatie van het te vormen ferro-zout eenigermate tegen te gaan, met 40 dln. grof, zuiver ijzervijlsel bij gedeelten en onder schudden bij 35°—40quot; behandeld, de vloeistof ten slotte in een zandbad tot zacht koken gedurende eenige minuten verwarmd en daarna snel door een doek-gefiltreerd, het achterblijvende in de kolf en op den doek met 500 dln. kokend water overgoten, wederom gekookt en nog kokend door den doek gegoten. Het doorgezegene wordt op eene koele plaats gezet en, afgekoeld, met een derde van het volumen aan alcohol vermengd. Van tijd tot tijd omroerend, verandert de vloeistof ten slotte in eene dikke kristalbrij, die men in een trechter overbrengt en laat afdruipen, waarna ten slotte door uitwassching met verdunden spiritus de nog aanhangende loog wordt verwijderd. Het kristalmeel wordt eindelijk op een coleerdoek verzameld, uitgeperst en bij 35°—40° tusschen vloeipapier gedroogd.

Eigenschappen. Groenachtig-witte of min of meer groengele kristalkorsten of een bijna wit of groenachtig-wit of groengeelachtig poeder, dat zuiver reukeloos is, doch gewoonlijk een eigenaardige:!, eenigszins aan kaas herinnerenden reuk heeft en zoet-zoutachtig smaakt. Het poeder lost in koud (38.2) en warm (12) water op tot eene licht troebele, zwak zure vloeistof, aanvankelijk kleurloos doch spoedig groengeel van kleur, zich bij het staan aan de lucht of bij verwarming door oxydatie bruin kleurende. In spiritus is het Zout nagenoeg onoplosbaar.

De waterige oplossing van het ferro-zout geeft met kalium-

-ocr page 107-

483

ferricyanide een donkerblauw neerslag van Berlijnsch blauw, door een gering gehalte aan ferrizout tevens een lichtblauw met kalium-ferrocyanide en eene roode verkleuring na zuurmaking met chloor-waterstofzuur door kaliumsulfocyanaat.

500 mG. Ferrolactaat, in 5 cM3. verdund zwavelzuur opgelost en vermengd met 500 mG. kaliumpermanganaat, verspreidt c!en reuk van aldehyde.

CH\'.CHOH.COOH ü = CH\'.COH CO2 IPG

melkzuur zuurstof acetaldehyde koolilioxyde water

Worden 10 droppels eener oplossing van Ferrolaetaat (1 =40) gebracht in 5 cM3. water, waarin opgelost 1 droppel vloeibaar phenol en daarna door 1 droppel ferrichloride violet gekleurd, dan gaat de violette kleur terstond in eene geelgroene over \').

Onderzoek.

1°. Aleer of minder groengele kristalkorsten of poeder daarvan. Ferrolaetaat geeft met ongeveer 40 deelen koud of met 12 deelen kokend water groengele oplossingen. De kleur der kristallen of van het poeder daarvan moet groenachtig-wit of groengeelachtig, hoogstens groengeel zijn. Eene donkerder kleur der kristallen of eene bruine kleur der oplossing wijst op een te groot gehalte aan ferri-lactaat.

20. licht troebele oplossingen. Het Zout lost niet volkomen helder in water op. Eene sterkere troebeling of minder volkomene oplosbaarheid kan wijzen op een gehalte aan c a 1 c i u m-, b a r y u m- of zinklactaat of -sulfaat.

30. en zwak zure oplossingen. Eene sterker zure reactie kan afkomstig zijn van een gehalte aan vrij melkzuur. Een gehalte aan boterzuur of ferrobutyraat, dat het preparaat gewoonlijk in geringe mate bevat, openbaart zich door een eigenaardigen, eenigszins aan kaas herinnerenden reuk.

40. De gefilti\'eer de oplossing in water {1 = 50) geve met lood-acetaat niet meer dan een opaleseentie. Afwezigheid van chloride en s 111 f a a t; voorts van andere organische zuren als a p p e 1 z u u r,

\') Kenmerkend voor het melkzuur zijn voorts:

a. liet kalkzout, dat kristalliseert in tot bundels vereenigde naaldIjcs, waarvan er steeds twee zoodanig met hunne korte stolen aan elkander verbonden zijn, dat ze op in elkander overgaande penseelen gelijken.

h. het zinkzout, dat kristallen vormt, welke op aan bolde zijden afgestompte wiggen gelijken.

-ocr page 108-

484

citroenzuur, wijnsteenzuur, zuringzuur, die door lood-acetaat worden neergeslagen, terwijl loodlactaat oplosbaar is. Spoien verontreiniging worden toegestaan.

50. cn n\'orde, na toevoeging van verdund chloorwater stof zuur, met zivavekuaterstof niet gekleurd. Afwezigheid van vreemde metalen als koper, lood of zink.

6°. of troebel. Afwezigheid van vreemde metalen in meer beduidende hoeveelheid; tevens van ferri-zout, waardooi eene afscheiding van zwavel zou ontstaan.

7». 5 cM*. der oplossing in water (1 = 50)- met 10 droppels verdund zwavelzuur gekookt, in bekoelden staat vermengd met natronloog in overmaat en gefiltreerd, mag, na verwarmd te .^ijn, niet gekleurd worden. Afwezigheid van melk- of r i e t s u i k e r, gom, zetmeel of dextrine, in \'t algemeen van koolhydraten ]), welke, door koking met zwavelzuur gedurende eemge minuten, in glucose worden omgezet, die door natronloog, na filtratie van het neergeslagen ijzerhydroxyde, bij verwarming onder

bruinkleuring wordt ontleed.

8°. Na de verbranding van 1 Gnn. Ferrolaetaat, blijve ongeveer 270 mG. Ferrioxyde achter. 2 [Fe (C\'FPO3)1 -f- 3 HjO] = 576 din. Ferrolactaat laten bij verbranding achter FeW = 160

160 n

dln. ferrioxyde. 1 Grm. Ferrolactaat laat dus ^ = 0.277 Gnn.

0.277—0.270

ferrioxyde achter. De Ph. staat derhalve----X 100 —

2 pet. ruim verontreiniging van het preparaat toe.

90, dat geen in water oplosbare stof bevat. Slaat op verontreiniging met alkali- en aar dalkali-zouten.

LACTUCARIUM.

LACTUCARIU M.

Het melksap van Lactuca virosa Ij., uit liet bij herhaling a.ge-sneden bovenst gedeelte des stengels gevloeid en in de lucht hard geworden.

gt;) In den regel ouk te herkennen door behandeling van.het Zout met zwavelzuur, waardoor geene bruin- of /, war Ik leuring mag ontslaan»

-ocr page 109-

485

Droge, onregelmatige, kantige of eenigszins op bolsegmenten gelijkende, geelachtig-bruine stukken, die in verschen staat van binnen witachtig zijn, doch ten laatste bruinachtig worden. Reuk verdoovend, smaak zeer bitter.

Na verbrand te zijn, mag Lactucarium niet meer dan 10 pet, asch achterlaten.

Ter bereiding van het poeder, moet Lactucarium, zoo noodig, boven ongebluschte kalk gedroogd worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelcn;

1°. ongeveer 45—50 pet. lactucon (lactucerine), C2ilH4402, ook wel beschouwd als een mengsel van twee isomere samengestelde aethers, een wit, kristallijn, reuk- en smaakloos poeder, bij 2000 smeltend, onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in alcohol, aether en petroleumaether.

20. ongeveer 0.3 pet. 1 a c t u c i n e, C11H14 ü4, glanzende, bittere, neutrale, moeilijk in water oplosbare, kristallijne blaadjes.

30. lactucopikrine, eene amorphe bitterstof.

4°. lactucazuur (waarschijnlijk slechts een mengsel van lac-tucine en oxaalzuur of barnsteenzuur), kristallijn, bitter, waarvan de kleurlooze, waterige oplossing door alkaliën rood wordt.

Voorts ongeveer 1 pet. vrij oxaalzuur, ongeveer 2 pet. man niet, asparagine, eiwit, harsen en ongeveer 8 pet. asch, waarin kalium-, calcium- en magnesium-nitraten en -phos-phaten.

Afkomst. Het Lactucarium der Ph, is het vastgeworden melksap van Lactuca virosa L., een tweejarig kruid, behoorende tot de familie der Com po sitae, dat vooral in het zuidwesten van Europa, in Spanje en Frankrijk, voorts in Zwitserland en Duitschland langs den Rijn, hier en daar ook in Engeland en Schotland in \'t wild wordt aangetroffen. Bij ons komt het niet in \'t wild voor, doch wordt het, voor zoover noodig, als éénjarige plant voor pharmaceutisch gebruik gekweekt. Echter niet ter winning van het Lactucarium, die voornamelijk uit opzettelijk daartoe gekweekte, ook wel, doch minder, uit wilde exemplaren, welke voor werkzamer worden gehouden, geschiedt bij het stadje Zeil aan den Moezel tusschen Coblentz en Trier. In Mei, zoodra de plant bloeit, als wanneer zij het rijkelijkst melksap bevat, wordt daar de bloempluim van den top des stengels afgesneden en het uit de hierdoor ontstane wondvlakte vloeiende, dunvloeibare, kleverige, witte melksap, dat aan de lucht spoedig geelachtig, dikker van

I\'M ♦W

\'■ tW i ISE1

1

l) 1

llill

\'M

■ 14 *\'quot;!

MfW! I Ifjfe 1] \' quot;

IP

kk

32

-ocr page 110-

486

consistentie, taaier en kleveriger wordt, in nappen of koppen verzameld. Daarna wordt iederen dag tot in September met een mes een schijfje boven van den stengel afgesneden, waardoor telkens eene nieuwe hoeveelheid melksap naar buiten vloeit, dat als boven wordt verzameld. Ten slotte stolt het in de nappen vergaderde san tot eene aanvankelijk weeke, daarna wasachtig-vaste en ten slotte droge, harde, van binnen witachtig of grijs en van buiten o-eelachtig-bruine, half bolronde massa, die in vier of acht stukken wordt gesneden, welke men in de zon uitspreidt, ten einde ze geheel

uit te drogen.

Eigenschappen. Droge, harde, doffe, ruwe, onregelmatige, kantige of eenigszins op bolsegmenten gelijkende stukken, hoogstens\'ter grootte eener walnoot, uitwendig geelachtig-bruin, inwendig

in verschen staat van binnen witachtig, dan meer geelachtig, eenigszins wasglanzig, later donkerder en ten slotte bruinachtig van kleur. Reuk onaangenaam, sterk verdoovend; smaak scherp en zeer bitter,

onder \'t kauwen aan de tanden een weinig klevend. Met water afgewreven leveren zij eene melkachtige, troebele, zure vloeistof en een taai onopgelost overschot. In spiritus en aether lossen zij gedeeltelijk op.

Ten gebruike moeten zij tot poeder gebracht worden, waartoe men ze? zoo noodig, vooraf boven ongebluschte kalk uitdroogt, om ze daarna te stampen en het poeder door zeef B 30 te ziften.

Onderzoek.

Hei melksap van Lactuca virosa L. Alle Lactuca-soorten bevatten veel melksap, dat bij verwonding uit de plant vloeit. De thans vigeerende Th. eischt, dat het Lactucanum gewonnen zij uit genoemde Lact uca-soort, 111 tegenstelling met c-Ph. Ed. I, welke het liet zamelen uit L. sativa L., de gewone „Latuwquot; of „Tuinsaladequot;, terwijl de Th. Ed. II het sap, uit beide

genoemde planten gewonnen, toeliet.

2°. Droge, onregelmatige, kantige of eenigszins op bolsegmenten gelijkende geelachtig-bruine stukken. De beschrijving van hetLac-tucarium der Ph. komt overeen met het boven beschreven, m Duitschland gewonnen sap (L. germanicum). Men onderscheidt voorts nog als de voornaamste soorten .

a. Engelseh L. (L, anglicum), eveneens gewonnen uit L. virosa L., dat steeds voorkomt in onregelmatige stukken, nooit als bolsegmenten, zelden grooter dan eene erwt of kleine boon, met

-ocr page 111-

48;

roodachtige of donkerbruine oppervlakte, somtijds bedekt met een aschgrauvü beslag.

b. Fransch L. (L. gallicum), verkregen uit gekweekte L. altissima Bieberst, dat voorkomt in den vorm van platte, cirkelronde, lichtbruine schijfjes of koekjes.

Onder denzelfden naam van L. gallicum, gewoonlijk echter Thridax geheeten, komt ook voor het tot een vast extract ingedikte sap, door persing verkregen uit de versche schors van L. sativa L. var. capitata (L. capitata D. C.). Het is een bruinzwart, vast, hygroscopisch extract, dat aan de lucht week zvordt.

3°. Na verbrand te zijn, mag Lactucarium niet meer dan io pet. asch achterlaten. Zuiver Lactucarium heeft gewoonlijk een aschgehalte van ongeveer 8 pet. Een grooter aschgehalte dan io pet. zou derhalve wijzen op verontreiniging of vervalsching met minerale stoffen \').

LICHEN I S L A N D I C U S.

IJSLANDSCH MOS.

Het loof van C e t r a r i a i s 1 a n d i c a Ach.

Bladachtig, ten hoogste 0,5 millimeter dik, in slippen verdeeld, die dikwerf gootvormig of gekroesd en met dikke wimpers bezet zijn. De eene vlakte olijfgroen-kastanjebruin, hier en daar rood gevlekt; de andere bleeker, witachtig of grijs, met dieper liggende witte vlekjes; beide aan haar voet meest bloedrood. Gedroogd is IJslandsch Mos kraakbeenachtig en broos; bevochtigd wordt het week en eenigszins lederachtig. Het vormt, met water gekookt, een gelei. Smaak bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

iu. ongeveer 60 pet. lichenine, (C\'H1 quot;Oquot;)quot;, in gedroogden toestand eene harde, doorzichtige, gomachtige, reuk-en smaaklooze massa, in koud water opzwellende doch niet oplosbaar, in warm water daarentegen gemakkelijk oplosbaar, te beschouwen als eene oplosbare vorm van cellulose en als deze oplosbaar in koperoxyde-ammoniak 2) en zich met jodium niet blauw kleurende.

\') De melkachtige, troebele vloeistof, verkregen dooi\' afwrijving van L. met water, mag niet blauw gekleurd worden door jood-oplossing, wat op eene vervalsching met zetmeel zou wijzen.

\') Zie blz. 374.

-ocr page 112-

488

2o_ jo—ii pet. dextro-lichenine, een isomeer, gemakkelijk oplosbaar in koud, weinig in warm water, zich met jodium

blauw kleurende. r-iousonii

3°. ongeveer 2 pet. cetrarine of eetraarzuur, C 11 ,

eene bittere, zure stof, die poedervormig in fijne, witte, glanzige

naaldjes kristalliseert, bijna onoplosbaar in water, moeilijk oplosbaar

in kouden, gemakkelijk in warmen spiritus, moeilijk ook in aether \').

4°. ongeveer i pet. lichenstearinezuur, C^H\'^O1quot;, knstal-

liseerende in paarlmoerglanzende plaatjes, bij 1200 smeltende,

scherp, niet bitter van smaak, onoplosbaar in water, gemakkehj-

oplosbaar in spiritus en aether.

Voorts thallochloor, de groene kleurstof, i—2 pet. as ch, enz.

Afkomst. Cetraria island ica A char i us behoort tot de R a m a 1 i n ea e, eene familie uit de orde der L i ch e nes 2). Zij groeit veelvuldig op de vlakte in het hooge noorden als in Groenland, Spitsbergen Siberië, Scandinavië, IJsland en noordelijk Amerika, doch komt ook in meer gematigde luchtstreken van ons werelddeel als in Groot-Britannië, Duitschland, Zwitserland, Oostenrijk, Italic, Frankrijk en Spanje in ruime mate in bergbosschen en zelfs, alhoewel schaars, in het zuidelijk halfrond als aan Kaap Hoorn en

op de Falklands-eilanden voor.

Alhoewel de naam „IJslandsch Mosquot; op hare eertijds meest bekende groeiplaats doelt, wordt zij als handelsartikel thans met meer van daar uitgevoerd, hoogstens nog aldaar in tijden van schaarschte als voedsel gebezigd. Men zamelt het Mos in verschillende landen als Zweden, Duitschland, Oostenrijk, Zwitserland en Spanje; het voor ons land benoodigde komt vooral uit bergachtige, streken van Duitschland, waar het in de zomermaanden, wanneei de plant nog niet vruchtdragend is, wordt ingezameld en na droging

in geperste balen verzonden.

Het kan alsdan in meerdere of mindere mate verontreinigd zijn met toevallige inmengsels als fragmenten van loof-of andere korst-

gt; ) Uit zuur geeft met alkaliën zeer bittere, in water gemakkelijk oplosbare verbindingen, waarop de bereiding van L i c h e n i si a n d i c u s a b a ma n t. e 1. b e r a-

tus en het daarvan bereide Decoct um en de G e 1 a 11 n a L i c b e n is ■ dici, principio arnaro orbati, berust door weeking van be IJslandscU Mos n water waaraan een weinig kaliuincarbonaat is toegevoegd en daarop volgende afwasscbing.

.) Hoofdorde Ascomycetes, klasse Carposporeae, groep \'1 ballopbyta, afdeeling Sporophyta ofGryptogamia.

-ocr page 113-

489

mossen \'), conileeren-naalclen, enz., welke vóór \'t gebruik er uit verwijderd moeten worden, evenals steentjes, klompjes aarde, zand, enz., wat door zifting kan geschieden. Men beware het overigens in goed gesloten vaatwerk tegen vocht 2).

LIGNUM QUA SSI AE. KWASSIEHOUT.

Het hout van Quassia a m a r a L. en van Picraena excelsa L i n dl.

Witachtig of zeer zwak geelachtig, licht, taai, gemakkelijk splijtbaar, evenals de binnenste bastlaag dikwijls met blauwachtig-zwarte vlekken geteekend. Smaak zeer bitter.

Dat van eerstgenoemden boom (Surinaamsch Kwassiehout) óf ontbloot, of met den zeer dunnen, gemakkelijk los te maken, op de buitenzijde vuilgrijzen of bruinachtigen bast bekleed.

Dat van den tweeden (J a m a ï k a a n s c h K w a s s i e h o u t) óf ontbloot, óf vrij stevig samenhangend met den dikkeren, uitwendig don-kerder-bruinachtigen bast.

Ten gebruike wordt het wegnemen van den bast niet gevorderd.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

10. tot ongeveer 0.25 pet. q u as si i 11 e, C\' quot;H12Ü3 (W i g g e r s), C31H\'i209 (C h r i s t e n s e n), C30H3,i(CH3)iOI 1 (Oliveri), een mengsel van twee {Jamaïkaansch K.) tot vier (Surinaamsch K.) homologe bitterstoffen , klcurlooze, reuklooze, neutrale, zeer bittere, paarlmoerglanzende, kristallijne blaadjes, die bij 210° smelten, moeilijk oplosbaar zijn in water, gemakkelijk in spiritus en chloroform, moeilijk oplosbaar in warm water en aether.

Voorts eenig hars, zetmeel en minerale stoffen.

Afkomst. Kwassiehout is afkomstig van:

a. Quassia am ara L., een boomvormig heestergewas, be-hoorende tot de familie der Simarubaceae, dat, behalve in het

\') Bijv. liet sierlijke, tjccl- ol\' blaiiwachtig-gro\'jne, kleinere looi\' van C e t ra r i a nivalis Ach. en G1 a il 0 n i a-soorten met draadvormige loofslippon eu vertakkingen.

gt;)quot;Ten gebruike worde liet, alvorens het fijn te snijden, bij 50°—SO0 sterk gedroogd, volgens anderen een weinig vochtig gemaakt, t-\'n einde bet vervallen tot pooler te voorkomen.

-ocr page 114-

490

noordelijk gedeelte van Zuid-Amerika, vooral inheemsch is in de bosschen van Suriname. Het stam- en takbout wordt onverpakt als ballast uit onze West-Indische bezittingen naar bier verzonden.

b. Picraena excelsa Lindley, een boogen boom , eveneens beboorende tot de familie der Simarubaceae, die inbeemscb is in de Britsch-West-Indiscbe bezittingen en wel inzonderheid op Jamaïka, Antigua en St. Vincent. Het stam- en takbout wordt, vooral van Jamaïka, naar Londen verzonden.

Voor pbarmaceutiscb gebruik wordt bet hout in kleine brok-stukjes gekliefd; ook wel komt het in geraspten of gescbaafden vorm in den handel voor. De bast behoeft volgens de Pb. voor deze bewerkingen niet vooraf verwijderd te worden.

Het worde in gesloten vaatwerk bewaard.

Eigenschappen. Naar de streken van uitvoer, tevens dus naar het verschil in moederplant, onderscheidt men;

a. Surinaamseh K w a s s i e h o u t (L i g n u m Q u a s s i a e surina-

mensé). Dit wordt aangevoerd in den vorm van ronde, rechte of kromme, ook wel vertakte, langere of kortere (0.3—1.3 M.), dikkere of dunnere (2—8 cM.) staven, bf ontbloot, bf, zooals gewoonlijk, nog omhuld door den zeer dunnen (0.5—2 m.M.), licht-loslatenden, gemakkelijk en in korte platen breekbaren, op de buitenzijde vuilgrijzen of bruinachtig en, effenen of eenigszins bulUgen bast. Op de horizontale doorsnede ziet men, zelfs met het gewapende oog \\ niet dan zeer dunne mergstralen en concentrische kringen.

Het hout zelve is zwak-geelaehtig, vrij licht (soort. gew. 0 830-0.835), tamelijk week, zeer taai, fijnvezelig, doch gemakkelijk splijtbaar, op de buitenzijde overlangs gestreept, evenals de binnenste bastlaag dikwijls geteekend met blauwachtig-zwarte vlekken, veroorzaakt door het aldaar woekerende mycelium eener nog onbekende zwamsoort. Het hout is evenals de bast reukloos en

smaakt zeer zuiver bitter.

b. JamcClkaansch Kwassiehout (Lignum O u as s i a ey.z-maïcense). Dit wordt aangevoerd in den vorm van vrij dikke

(2_3 d.M.) knuppels, blokken of schijven, bf ontbloot, of, zooals

gewoonlijk, nog omhuld door den vrij dikken (ongeveer 1 c.M.) en stevig vastzittenden, zeer vasten en taaien, op de buitenzijde grijsbruinen of bruinzwarten, vaak diep overlangs geslenf den bast. Op de horizontale doorsnede ziet men, reeds met het ongewapende oog, breeder e, goed waarneembare mergstralen en concentrische kringen.

-ocr page 115-

491

Het hout zelve komt in eigenschappen met het vorige overeen; alleen is het iets lichter, meer witachtig-geel van kleur en iets vnnder zwaar (soort. gevv. 0.790—0.800) dan het eerstgenoemde.

Onderzoek.

10. Het hout van Quassia a m a r a L. en van P i c r a e n a e x c e 1 s a L i n d 1. In vele Ph. wordt alleen de eerstgenoemde houtsoort als de echte voorgeschreven, in enkele andere alleen de tweede. Daar het gebruik van de eene of andere soort zich min of meer regelt naar den aanvoer en deze van de Surinaamsche houtsoort gedurende de laatste jaren minder en die der Jamaïkaansche veel vermeerderd is, staat onze Ph. het gebruik van beide soorten toe, te meer wijl in de therapeutische werking geen verschil schijnt te bestaan \').

Terwijl echter het Surinaamsche hout steeds onvervalscht wordt aangevoerd, komt het Jamaïkaansche soms vervalscht voor met het hout van Rhus M e t o p i u m L. Wijl deze houtsoort sterk looi-zuurhoudend is, zal een afkooksel van zulk vervalscht hout, in tegenstelling met het onvervalschte, een zwart neêrslag met ferri-chloride geven.

LIGNUM SANTALINU M. SANTELHOUT.

RASURA LIGNI SAN TAL INI R U B R I.

Het gemalen hout van Pterocarpus s a n t a li n u s L. Kil,

Een rood, fijn, licht, vlokkig, gedeeltelijk tot wollige klompjes samenhangend poeder, zonder reuk of smaak.

De soort, „Caliatourquot; geheeten, verdient de voorkeur.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

10. s a n t a 1 i n e (santelzuur, santelrood), eene amor-phe, roode stof (C1\'H1 quot;Oquot;), in zuiveren toestand roode, pris-

\') In \'t algemeen geldt het Surinaamsche hout als het beste; het zou door elkander meer quassline (0.205 pet.) en minder asch (3.6 pet.) bevatten dan het Jamaïkaansche (0.072 pet. quassiine en 7.8 pot. asch).

-ocr page 116-

492

matische kristallen (CI5H14Os), bij 104° smeltende, onoplosbaar in water, met bloedroode kleur gemakkelijk oplosbaai in spiritus, met eene gele in aether, met eene violette in ammonia en oplossingen der andere alkaliën.

2°. ongeveer 0.1 pet. p te ro ca r p i n e, C20HlcO6, prismatische kristallen, bij 1520 smeltende, onoplosbaar 111 water, moeilijk oplosbaar in spiritus en aether, met smaragdgroene kleur oplosbaar in salpeterzuur.

30. ongeveer 0.5 pet. homopterocarpine, Ci4H2406, naaldvormige kristallen, bij 86° smeltende, onoplosbaar in water, moeilijk oplosbaar in spiritus, gemakkelijk in aether.

40.\'san tal, CIPO3, kleurlooze blaadjes, onoplosbaar in water, moeilijk oplosbaar in spiritus en aether, gemakkelijk oplosbaar in kali- en natronloog, welke oplossing zich aan de lucht spoedig rood kleurt. Ferrichloride kleurt de spiritueuse oplossing

donkerrood.

Voorts 0.8 pet. minerale stoffen, enz.

Afkomst. Santelhout is afkomstig van Pterocarpus s a n-t a 1 i n u s L. F i 1., een boom uit de familie der Papilionaceae, inheemsch in Voór-Indië en op de Philippijnen.

Van den omgehouwen boom wordt de bast afgeschild en, nadat het splint door mieren is afgevreten, het kernhout in balk- of plankvormige blokken vooral uit Madras naar Europa vervoerd.

Eigenschappen. Als drogerij komt het voor in den vorm van bloedroode, zware, dichte, gemakkelijk splijtbare, kleine stukjes of als raspsel in den vorm van donker-oranjekleurige, fijne en grovere vezels of in gemalen toestand, zooals de Ph. verlangt, in den vorm van een rood, fijn, licht, vlokkig, gedeeltelijk tot wollige klompjes samenhangend poeder, bijna zonder reuk en smaak.

Onderzoek.

10. De soort, „ Caliatour quot; geheeten, verdient de voorkeur. Deze soort bestaat uit de zwaarste en donkerste blokken; zij bevat meer en schooner kleurstof dan andere soorten

\') Over\'gens lolte men er met het oog op mogelijke vervalsching op, dat ilit hout, in onderscheid met andere verfhouten, aan water bijna geen kleurstof afstaat.

-ocr page 117-

493

LIGNUM SASSAFRAS. SASSAFRAS.

Het wortelhout, met den bast bekleed, van Sassafras officinale N e e s.

ISast vrij dik, buitenwaarts sponsachtig, binnenwaarts vaster en bros, inwendig roestbruin; hout licht, gemakkelijk splijtbaar, bruinachtig of bleekrood. Reuk zeer aromatisch, venkelachtig; smaak zoetachtig.

Het stam- of takhout worde niet gebruikt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

iö. vluchtige olie (in het hout ongeveer i—2.5 pet., in den bast ongeveer 2—5 pet.) van 1.05 — 1.07 soort, gew., bestaande uit ongeveer 10 pet. vloeibaar safreen, C111H1 0, en ongeveer 90 pet. bij koude vast, kristallijn safrol, Zij is oplosbaar

in 4-—s dln. spiritus, venkelachtig van reuk en smaak, aanvankelijk kleurloos, doch spoedig geel, roodachtig-geel tot roodbruin.

Voorts eene waarschijnlijk uit een looizuur ontstane, roode kleurstof (sassafridé), looizuur, zetmeel, gom, hars, vet, zouten, enz.

Afkomst. Sassafras is de in den herfst uitgegraven wortel cn de zware worteltakken, in stukken verdeeld en gedroogd, van Sassafras officinale Nees, een hoogen boom uit de familie der Lauraceae, die vooral groeit in de bosschen van Noord-Amerika en langs de rivieren van Canada tot Florida. Het wordt bijna uitsluitend van uit Baltimore in den handel gebracht in den vorm van groote blokken of stukken van verschillende lengte en dikte, soms ter dikte van een arm, rond, knoestig, soms vertakt en heen en weer gebogen. Voor den kleinhandel wordt het tot platte of gebogen, vrij dikke, breede spaanders, ook wel tot schilfers, schubben, krullen of raspsel, soms, doch zeldzamer, tot dobbelsteenvormige stukjes gebracht. Het worde in goed gesloten vaatwerk bewaard.

Onderzoek.

1°. Het wortelhout, met den bast bekleed. In afwijking van andere Ph., bij welke Sassafras naar verkiezing met of zonder den bast

-ocr page 118-

494

wordt verlangd, eischt onze Ph. de aanwezigheid van den bast wegens het groot gehalte daarvan aan vluchtige olie.

2°. Het stam- of tak hout worde niet gebruikt. De boven den grond groeiende deelen van den boom nl. zijn niet of zeer weinig aromatisch, bevatten geene vluchtige olie. Soms komt dit stam- of takhout in den vorm van spaanders in den handel, waaraan men dan door besprenkeling met venkelolie een aromatischen geur heeft gegeven. Men herkent het aan de lichtere, geelachtige kleur der spaanders.

LINIMENTUM A M M O N I A E.

AMMONIAS M E E R S E L.

L I N 1 M E N T U M V O L A T 1 L E.

N, Olijfolie tachtig deelen............

Ammonia twintig deelen............20

Schud ze dooreen tot een homogeen mengsel.

Eigenschappen. Linimenta (smeersels) zijn geneesmiddelen tot uitwendig gebruik van verschillende samenstelling. De consistentie hangt van de laatste af; zij kan waterachtig, olieachtig zijn of dikvloeibaar en alsdan, zooals veelal, het midden houden tusschen

die der oliën en zalven.

Het Ammoniasmeersel bestaat uit eene waterachtige en eene olieachtige vloeistof, welke tezamen een wit, emulsieachtig, dikvloeibaar mengsel vormen. Dat bij de vermenging der olie met de alkalische ammonia geene verzeeping \') plaats grijpt, blijkt uit de niet-afscheiding van glycerine.

Volgens sommigen echter zouden bij het vermengen der bestand-

deelen kleine hoeveelheden ammoniakzeep worden gevormd, die, als de eiwit- en slijmstoffen bij de echte of het gomslijm bij de onechte emulsicn, de olie verder in eene uiterst fijne verdeeling houden. De zeepvorming zou zich bij bewaring zelfs eenigszins voortzetten, waaruit het langzamerhand dikker worden van het smeersel zou kunnen

■) Zie blz. 52, 258 en 369.

-ocr page 119-

495

worden verklaard, wat door toevoeging van een weinig water of spiritus verholpen kan worden. Ook wordt beweerd, dat geene zeepvorming plaats vindt, doch dat zich bij het staan van het mengsel amide-verbindingen van de vetzuren en het oliezuur, bijv. palmitamide en oleamide, zouden vormen, waaraan het te wijten zou zijn, dat het aanvankelijk homogene mengsel zich weder scheidt, hetgeen echter ook verklaard kan worden door de veranderde samenstelling bij bewaring door inwerking van het kool-dioxyde en de zuurstof der lucht resp. op de ammonia en de olie.

LY COPODIUM.

S T U I F P O E D E R.

De sporen van Lycop odium cl ava t um L.

Een bleekgeelachtig, hoogst beweeglijk, op het gevoel zacht poeder, hetwelk aan de vingers hangen blijft, reuk- en smaakloos is, op water drijft en, in eene vlam gestrooid, zeer snel zonder rook verbrandt.

Het moet volkomen droog zijn.

Ten gebruike wordt het door zeef B 4c van den afval van stengels en bladen bevrijd en daarna de zuiverheid door middel van een mikros-koop vastgesteld.

Samenstelling, Hoofdbestanddeelen:

1quot;. ongeveer 50 pet. vette olie, neutraal, van ongeveer 0.925 soort. gew., groengeel van kleur, zacht van smaak, die zelfs bij — 22° nog vloeibaar blijft.

2°. geringe sporen lycopodine, C32H52N203, kleurlooze, bittere, prismatische kristallen, die bij 1140—1150 smelten en gemakkelijk oplosbaar zijn in water, spiritus en aether.

30. pollenine, de zelfstandigheid der celwand.

Voorts 1.5—3 pet. suiker en ongeveer 1—4 pet. asch.

Afkomst. Lycopodium bestaat uit de sporen van Lycopo-dium clavatum L., eene door bijna geheel Europa, ook bij ons, op veenachtigen heidegrond voorkomende, kruidachtige, overblijvende plant uit de familie der Ly co p o di a ceae \').

In het vierde of vijfde levensjaar der plant ontspruiten uit den top der talrijke, recht opstijgende, ronde en dichtbebladerde tak-

\') Behoorende tot de groep der Lycopodinae van de afdcoling Cormophyta der Cryptogamia.

-ocr page 120-

496

ken van den langs de aarde kruipenden, sterk vertakten hoofdstengel dunne, rechtopstaande, weinig bebladerde stelen, welke elk gewoonlijk twee rolronde aren dragen. L)eze bestaan uit dicht opeen en dakpansgewijs over elkander geplaatste, fijngetande en langgespitste bladen. Even boven den versmalden voet van zulk een schut- of vruchtblad bevindt zich aan de binnenzijde eene plat-niervormige, éénhokkige sporenhouder, welke door eene over hun hoogste gedeelte heen loopende, boogvormige spleet met twee kleppen openspringt en waaruit in den herfst de talrijke, stoffijne sporen ontsnappen.

Ter inzameling van liet Lycopodium, welke vooral in Duitsch-land, Zwitserland, Rusland en Bohemen geschiedt, worden de aren in Juli en Augustus afgesneden, als zij nog niet ten volle rijp zijn, voorts op schotels in de zon gedroogd en door schudden en kloppen de sporen daarna losgemaakt en verzameld. Na eene grove zifting van het verdere afval der aren wordt het L. in vaatjes verpakt en in den handel gebracht.

Ten gebruike worde het, zoo noodig, door zeef 13 40 van verderen afval van stengels en bladen, enz. bevrijd.

Eigenschappen. Een licht, zeer fijn, bleekgeelachtig, hoogst beweeglijk en verstuivend, op het gevoel zacht en min of meer vettig, reuk- en smaakloos poeder van 1.062 soort, gew., hetwelk aan de vingers hangen blijft. Het wordt moeilijk vochtig en drijft daardoor op water; daarmede gekookt of na behandeling met alcohol of aether zinkt het echter daarin. Sterk gewreven en daarna voorzichtig met water behandeld, laat het zich daarmede vermengen. Langzaam verhit, verbrandt het rustig; in eene vlam gestrooid, daarentegen zeer snel zonder rook en met een knetterend geluid, veroorzaakt door het bersten van den sporen-wand.

Mikroskopisch bestaat L. uit nagenoeg even groote korrels van ongeveer 0.03 mM., welke den vorm hebben van een tetraëder, waarvan het céne vlak, de basis, sterk gebogen en de drie andeie, die tot eene korte, driezijdige pyramide vereenigd zijn, vlak z:.jn en van elkander gescheiden door groeven, welke niet geheel tot het gebogen vlak doorloopen. Over alle vlakken loopen uitspringende lijsten, welke elkander in alle richtingen kruisen en daardoor op de oppervlakte een netwerk doen ontstaan, waarvan de mazen vijf- of zeshoekig zijn.

-ocr page 121-

497

Onderzoek.

1°. Dc sporen van Lycopodium clavatum L. Lycopodium mag niet verontreinigd zijn met sporen van andere Lycopodium-soorten, waaronder vooral in aanmerking komen die van:

a. L. annotinum L. De mazen van het netwerk zijn wijder en meer afgerond.

b. L. eomplanatum L. De drie niet-gebogen vlakken zijn slechts weinig verheven en de sporen hebben daardoor eene bijna pauk-vormige gedaante.

2°. Een bleekgeelachtig poeder. Vochtig L. is donkerder geel. Niet zuiver, met anorganische stoffen vermengd L. is meer grijsgeel, ietwat grauw gekleurd. Vervalscht met stuifmeel-korrels van andere planten in eenigszins belangrijke hoeveelheid is L. meer zwavelgeel van kleur.

30. hoogst beweeglijk. O nr ij p e sporen zijn minder beweeglijk. Vochtig L. pakt zich meer tezamen. Ook door droging bij vuur warmte of bij verontreiniging met vreemde stoffen is L. meer klonterig.

4°. op het gevoel zacht, hetwelk aan de vingers hangen blijft. Bij vervalsching met stuifmeel van Conifeeren is L. iets ruw op het gevoel en tusschen de vingers harsachtig-kleverig.

5°. reuk- en smaakloos. Bij vervalsching met stuifmeel van Conifeeren riekt L. min of meer terpentijnachtig. Ook colo-p h o n i u m verraadt zich door den reuk, alsmede zwavel bij verbranding.

6°. op water drijft. Door deze proef kunnen vervalschingen met anorganische stoffen als gips, kalk, krijt, loodchrornaat, baryumsulfaat, magnesia, speksteen, zand, zwavel, enz. ontdekt worden, doordien deze in het water bezinken. In plaats van water kan ook chloroform of zwavelkoolstof gebezigd worden. Colo-phonium zou in chloroform oplossen en bij verdamping terugblijven; eveneens zwavel in zwavelkoolstof \').

7°. en, in eene vlam gestrooid, zeer snel zonder rook verbrandt. Bij vervalsching met zwavel zou hierbij de reuk naar zwavel-dioxyde waargenomen worden.

8°. Het moet volkomen droog zijn. Vochtig L. wordt daardoor donkergeel en pakt zich tezamen.

\') Vervalsching mut anorganische stoffen verraailt zich ooU llool■ pon te hoog ascligehalte, dat niet meer dan 4—5 pet. mag bedragen.

-ocr page 122-

498

9°. Ten gebruike worde het door zeef B 40 van den afval van stengels en bladen bevrijd en daarna de zuiverheid door middel van een viikroskoop vastgesteld. Door het mikroskoop kunnen

herkend worden:

a. sporen van andere Lycopodium-soorten. Zie

sub i0.

b. anorganische stoffen door hare onregelmatige vormen en gemis aan organische structuur.

e. zetmeelkorreis door hunnen bijzonderen vorm \').

d. stuifmeeIko r r els , o. a. van:

1«, Pinus- en A bi es-soorten. De korrels zijn grooter, glad, dwars ovaal of eenigszins niervormig, op de eene zijde vlak of iets verdiept, op de andere geivelfd, met een fijnkorrelige stof gevuld, aan elk der uiteinden met eene half bolronde, naar de vlakke zijde uitspringende, netvormig geteekende, blaasvormige uitzetting voorzien, waardoor de geheele korrel het voorkomen heeft, als bestond zij uit drie cellen gt;).

2°. Cory lus Avellana L. (Hazelaar). De korrels zijn iets kleiner, glad, afgerond-driezijdig, met drie tepeivormige uitpuilingen , in water bolvormig opzwellende. Het buitenste omhulsel der tepelvormige uitpuilingen is in den top van eene opening voorzien i).

3quot;. Ju glans regia L. (Noteboom). De korrels zijn bolvormig en met een kring van kleine openingen voorzien.

40. Typha latifolia en angustifolia L. (Lischdodden). De korrels zijn rond en hangen steeds vier bij vier aan elkander.

MEL.

H O N I G.

De vloeistof, die uit de honigraten van Apis mellifica L. gevloeid is.

\') Zie blz. 68. Benevens dextrine en c ureum a-poeder tevens te herkennen door de jodium-reactie.

a) In eene spiritueuse fuchsine-oplossing worden deze stuifmeelkorrels terstond praclitig paarsrood gekleurd; de sporen van L. niet dan na verwarming.

-ocr page 123-

499

In verschen staat wit-geelachtig, lijvig als stroop, doorschijnend, langzamerhand in eene korrelige, dofte massa overgaand, zeer zoet van smaak en eigenaardig zoet van reuk.

De oplossing van Honig in zijn gelijk gewicht aan water zij neutraal of slechts zwak zuur en geve, gefiltreerd, met een viervoudig volumen sterken spiritus geen neörslag.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: ruim 75 pet. invert-suiker, die zich bij het staan splitst in ongeveer 35 pet. dextrose (glucose, d rui v e s u i k e r) en ongeveer 40 pet. lev u lose (vruchtesuiker), benevens ruim 2.5 pet. saccharose (rietsuiker).

Voorts 1 —1.5 pet. proteïnestoffen, 0.1—0.3 pet. vrije zuren (mierezuur, azijnzuur, appelzuur, melkzuur), stuif meel korrels, kleurstof, bijenspeeksel, was, slijm, sporen van vluchtige stoffen, welke den geur veroorzaken, ongeveer o. 1 pet. zouten, waarvan 0.2—0.3 Pct- asch en t 6— 18 pet. water.

Afkomst. Honig wordt, evenals was, door de Bij, Apis mellifica L., en wel door de werkbijen, de geslachtlooze individuen of eigenlijk onvolkomen ontwikkelde wijfjes, geleverd. Zij verzamelen daartoe vooral den bloemenhonig, welke door de nectaria der bloembladen wordt geleverd, den honigdauw, door planten en insecten afgescheiden, en voorts alle andere zoete, suikerhoudende sappen, ook zoetzure, bijv. vruchtensappen, welke zij op hunnen weg ontmoeten. Benevens geringe hoeveelheden van andere stoffen, bovengenoemd, als stuifmeel, enz., welke zij toevalligerwijze mede opslurpen, worden deze suikerhoudende sappen door haren zuigsnuit in eene verwijding van den slokdarm, een soort voormaag, krop, honigmaag of honig zak geheeten, opgeborgen, aldaar tot invertsuiker, overigens vermengd met een spoor mierezuur, afkomstig uit den angel der bij, verwerkt en in dien toestand bij thuiskomst in de cellen der honigraten neergelegd. In het vóór- of najaar worden door de ijmkers de korven geledigd, de honigraten er uit genomen en laat men liefst bij zonnewarmte of anders op eene lauwwarme plaats den honig daaruit afdruipen (witte, maagden-, lek- of juffers honig; M. album s. virgineum). Niet zoo helder en licht van kleur wordt de honig verkregen, wanneer deze door centrifugen uit de raten geslingerd wordt, terwijl de minst zuivere (gewone, ge

1

:É\\ : : ■.

tl

\' üfid

iteri

-ocr page 124-

50o

meene of bruine H.; M. commune, crudum s. vulgare) verkregen wordt, door den na afdruiping in de raten achtergebleven honig bij zachte vuurvvarmte uit te persen en dezen hetzij door een fijne zeef of linnen zak te laten loepen. De eerste soort, de zuiverste, is de honig onzer apotheken.

Honig wordt in vele landen van Europa en elders door bijenteelt verzameld; zoo ook bij ons, vooral in Friesland, Drenthe, op de Vel uwe en in Noord-Brabant, vanwaar hij in kruiken, doch meest in potten of vaatjes in den handel wordt gebracht.

Eigenschappen. Behalve naar de landen, waarvan hij afkomstig is en naar de wijze van winning, onderscheidt men verschillende soorten van honig naar den tijd van het jaar, waarin hij verzameld wordt, naar de soorten der bijen, naar de planten, waarvan hij in hoofdzaak afkomstig is, enz.

De door de Th. bedoelde, boven vermelde witte, maagden-, lek- of j uffershonig, in ons land en grootendeels in Friesland en Drenthe gewonnen, is kleverig, wit-geelachtig van kleur, in verschen staat doorschijnend en lijvig als stroop, na eenigen tijd langzamerhand overgaande in eene korrelig-kristallijne, doffe massa, een gevolg van de scheiding der invertsuiker in kristalhjne dextrose, vermengd met de saccharose en doortrokken met de vloeibare levulose. Overigens is hij zeer zoet van smaak en eigenaardig zoet van geur, afkomstig van het aroma der bloemen, waarvan de bij den honig zamelde. Hij bezit een soort. gew. van ongeveer i.410—1.440, is neutraal of zeer zwak zuur van reactie en niet geheel helder oplosbaar in water en in spiritus.

Onderzoek.

1«. Dc vloeistof, die uit de honigraten van Apis mellifica L. gevloeid is. De Ph. verlangt dus uitdrukkelijk den boven beschreven witten, maagden-, lek- of j u ffe rsh o nig.

2°. In verschen staat wit-geelachtig, lijvig als stroop, doorschijnend, langzamerhand in eene korrelige, doffe massa overgaand, zeer zoet van smaak en eigenaardig zoet van reuk. Eigenschappen van deugdelijken witten honig, die bovendien niet schuimig mag zijn of zuur rieken door gisting. De gewone, gemeene of bruine H. is geel, bruingeel, bruin, soms roodachtig gekleurd, onrein, troebel. Hij scheidt zich langzamerhand in twee lagen, waarvan de onderste laag vast en korrelig (dextrose en saccharose)

-ocr page 125-

5oi

en de bovenste vloeibaar en doorschijnend (levulose) is en gemakkelijk in gisting overgaat. De smaak is minder aangenaam, iets scherp, soms bitterachtig; de reuk eveneens minder aangenaam. Deze kenmerken gelden tevens min of meer voor minder deugdelijke buitenlandsche honig-soorten {Poolse he, Russische, F ranse he, Amerikaanse he, Havana- of Cuba-Honig, enz.), welke zich ook dikwerf door een eigenaardigen geur (naar rosmarijn, lavendel, tijm, honigklaver, rozen) onderscheiden.

Honig, geheel of gedeeltelijk bestaande uit k unst matige druivesuiker \'), bezit bf niet öf slechts in geringere mate den eigenaardigen smaak en reuk van natuurlijken honig, terwijl honig, met melasse vermengd, donkerder van kleur is.

3°. De oplossing van Honig in zijn gelijk gezuicht aan water zij neutraal of slechts zwak zuur. Slaat op de deugdelijkheid van den Honig, die liefst in steenen vaatwerk op eene zeer koele plaats tegen gisting en zuurwording moet worden bewaard. Eene geringe zure reactie wordt toegestaan.

4°. cn geve, gefiltreerd, met een viervoudig volumen sterken spiritus geen neerslag. Honig lost in water en in spiritus niet geheel helder op door afscheiding van een weinig proteïnestof, stuifmeel, enz. Een beduidend neêrslag bij oplossing in water zou kunnen wijzen op vervalsching met zetmeel of stoffen als gele oker, curcumapoeder, pijpaarde, gips, fijn zand, enz. Een neêrslag bij verdunning met spiritus zou kunnen wijzen op vervalsching met 1 ij m of dextrine, welke laatste afkomstig kan zijn van toegevoegde kunstmatige druivesuiker 1).

33

1

) toevoeging van den spiritus geschiede onder flink schudden en bij gedeelten, wijl, in eens toegevoegd, eene troebeling kan ontstaan door afscheiding van druivesuiker uit den honig.

Daar kunstmatige druivesuiker meestal ook eenig gips, calciumsull\'aat, bevat, kan eene vervalsching daarmede, behalve door aanwijzing van dextrine, ook ontdekt worden door behandeling der gefiltreerde waterige oplossing, na zuurmaking door chloonvaterstolzuur, met baryumchloride, waardoor slechts eene zwakke troebeling, geen neêrslag mag ontstaan.

Op gelijke wijze kan eene vervalsching met melasse ontdekt worden door het gehalte daarvan aan natriumchloride en calciumzouten, waardoor in de gelilti\'eerdo waterige, met salpeterzuur zuurgemaakte oplossing geen belangrijk neêrslag mag ontstaan door zilvernitraat en evenmin in de ammoniakale door ammoniumoxalaat.

Voorts moet hot soort. gew. van Ilonig liggen tusschen 1.410 en 1.440. Is hij niet meer

-ocr page 126-

502

MEL DEPURATUM.

GEZUIVERDE HONIG.

. . . IOO

N. Honig...............

Gewoon Water, van elk honderd dcelen. . . • _• • 100 Menquot; ze; laat ze 24 uur op een koele plaats staan; filtreer en damp het heldere vocht zoo lang op een waterbad uit, totdat het gewicht van

den gebruikten honig herkregen is.

Het zij een dikke, heldere stroop, met een soortelijk gewicht van ,.300—t.350, die, met haar dubbel volumen sterken spiritus vermengd, wel opalesceeren, maar niet troebel mag worden.

Bereiding. De zuivering van Honig heeft ten doel, om daarin voorkomende, in water onoplosbare verontreinigingen als proteïne-

stof, stuifmeelkorrels, slijm, enz. te verwijderen, zoodat een in water

volkomen helder oplosbare Honig wordt verkregen.

Volgens het oudste, bij ons gebruikelijke voorschrift (Ih. bel. 1)

werd de honig met zijn drie-of viervoudig gewicht water opgekookt

waardoor de verontreinigingen worden gecoaguleerd en zich als schuim op de oppervlakte afscheiden, dat behoorlijk wordt verwijderd waarna het vocht verder tot stroopdikte uitgedampt en ten overvloede nog door een wollen lap wordt gegoten. De nadeelen, aan deze wijze van reiniging verbonden, zijn deze, dat door de kooktemperatuur de eigenaardige reuk van den honig door vervluchtiging van het aroma verloren gaat en een gedee te der suiker in caramel wordt omgezet, waardoor de kleur donkerder, bruinachtig wordt en de smaak tevens verandert.

In het daaropvolgende voorschrift (Ph. Ed. II) wordt de hooge temperatuur vermeden en de honig, met zijn dubbel gewicht water verdund, tot bijna ioo0 verwarmd gedurende een uur, waarna het halfbekoelde vocht door een wollen doek wordt gegoten en verc er op het waterbad tot stroopdikte uitgedampt, om daarna nogmaals doorgezegen te worden. Alhoewel bij deze wijze van zuivering de omzetting der suiker in caramel wordt vermeden en kleur, geur en smaak minder worden gewijzigd, heeft dit voorschrift het gebrek, dat dc honig, vooral ook omdat daarbij het gebruik van den gewonen, gemeenen honig was toegestaan, daardoor minder volkomen helder wordt, waaraan men getracht heeft tege-

stroopachtig doch vast, dan losse men hem in het dubbele gowicht waUM\' op o.l bepale hiervan het soort, gew, dat 1.101-1.115 bij 15° ol 1.111-1.121 bij 17 bediafcrlt;;-

Het oschgehalte bedrage ten slotte 0.2-0.3 pet. en het watergehalte met mee. dan 20 pet.

-ocr page 127-

503

moet tc komen door toevoeging van klaarmiddclen als poeder van houtskool, witte bolus, snippers filtreerpapier, eiwit, looizuur, enz.

Het huidige, bovenstaande voorschrift levert een zeer goed , helder preparaat. De hoeveelheid water ter oplossing is verminderd tot gelijke deelen, waarbij temperatuursverhooging wordt vermeden, waarvoor 24 uur rust ter bezinking op eene koele plaats in de plaats treedt. Volgens onze ondervinding echter is de geconcentreerde honig-oplossing moeilijk te filtreeren, waarom wij er de voorkeur aan geven, evenals in het eerste voorschrift, den honig in zijn drie-of viervoudig gewicht water op te lossen. De filtratie geschiede door filtreerpapier, zoodat een volkomen helder vocht wordt verkregen, dat bij zoo laag mogelijke temperatuur wordt uitgedampt, ten einde kleur, geur en smaak zooveel mogelijk te behouden. Voorts is de graad van uitdamping niet meer tot stroopdikte bepaald, doch tot het oorspronkelijk gewicht van den honig.

Bekoeld, wordt de Gezuiverde Honig in volkomen droge fles-schen geschonken, die, goed gesloten, op eene zeer koele plaats worden bewaard.

Onderzoek.

1°. Het zij een dikke, heldere stroop, met een soortelijkgezvicht van 1.300—1.350. Slaat op eene zorgvuldige bereiding en bewa-ring. De stroop moet volkomen helder zijn en, met water gemengd, helder blijven, terwijl men verder het vocht liefst tot het hoogst vermelde soortelijk gewicht uitdampe. De Honig is onder deze twee gegevens het best houdbaar. Voorts moet de Honig nog geel van kleur zijn, een aangenamen geur en smaak bezitten en niet bran-dig of zuur rieken of smaken.

2 . die, viet heictr dubbel volumen sterken spiritus vermengd, wel opaleseeeren, maar niet troebel mag worden. Slaat op verval-sching van den Honig met dextrine, afkomstig van kunstmatige druivesuiker \').

. 8

. 40

M E L R O S A T U M. ROZEHONIG.

N. Rozebladen acht deelen........

Kokend gewoon IVater veertig deelen

\') Zie verder de noot op blz. 501.

-ocr page 128-

504

Suiker..................3 6

Gezuiverden Honig, van elk zes en dertig deelen . ■ • 36 Meng de gekneusde rozebladen met het kokend water en zet ze 12 uur ter zijde; pers uit en behandel het achtergeblevene zoo lang met kleine hoeveelheden kokend water, totdat een colatuur van 50 deelen verkregen is.

Laat bezinken en los de suiker op in het heldere vocht. Damp op een waterbad uit tot 64 deelen en voeg er den honig bij.

Bereiding. Deze heeft ten doel, om, nevens den geur en de kleurstof, het werkzame beginsel, het looizuur, uit de rozebladen te trekken en dit in waterige oplossing met suiker en honig tot stroop te brengen. Hoofdzaak is daarbij, een geurige, heldere en helder blijvende stroop te verkrijgen met eene fraai roode kleur, wat volgens de verschillende bestaande voorschriften niet altijd even goed gelukt. Vooral moet daartoe bij de bereiding zorg gedragen worden voor de aanwending van eene niet te hooge temperatuur en moet tevens de inwerking van het looizuur op de slijm- en eiwitachtige stoffen der bladen en van den honig zooveel mogelijk

voorkomen worden.

Volgens het oudste, bij ons gebruikelijke voorschrift (Ph. Ed. I) werden de rozebladen met kokend water gedurende eenige uren getrokken en het uitgewrongen, bezonken vocht met gezuiverden honig door verdamping bij zachte verwarming tot stroop gebracht.

Het daarop volgende voorschrift (Ph. Ed. II) beoogde eene betere uittrekking der rozebladen, door, na de eerste trekking van het water met de helft der bladen, de verkregen colatuur voor eene nieuwe trekking met de andere helft der bladen aan te wenden, waarop het aldus verkregen vocht door filtratie helder werd gemaakt. In plaats van gezuiverden honig werd van den ongezuiverden gebruik gemaakt, doch deze vooraf van eiwitachtige stoffen, enz. gezuiverd door zachte koking en afschuiming, terwijl tevens de helft van den honig door suiker werd vervangen, wat de kleur helderder maakt.

Het tegenwoordige, bovenstaande voorschrift mag als eene combinatie van beide voorschriften beschouwd worden. Hierbij toch is weder de vroegere wijze van trekking gt;) en zuivering van het vocht door bezinking gevolgd, terwijl uit bet tweede voorschrift het mengsel van suiker en honig is behouden, met dit onderscheid, dat weder gebruik gemaakt wordt van gezuiverden honig, welke bovendien

\') Beter is het hierbij van gedestilleerd water gebruik te maken.

-ocr page 129-

S05

eerst na uitdamping van het suikerhoudende vocht wordt toegevoegd, ten einde de inwerking van het looizuur op de mogelijk nog voorhanden eiwitachtige stoffen in den honig, welke door de langdurige verwarming en den waterigen toestand van het vocht wordt bevorderd en de kleur der stroop bruinachtig zou maken, te voorkomen.

Nog kunnen volgens andere voorschriften, elders gebruikelijk, de slijm- en eiwitachtige stoffen der rozebladen in het waterig aftreksel door spiritus worden geprecipiteerd of eene verontreiniging daarmede vermeden worden, door de bladen terstond met verdunden spiritus uit te trekken.

De aan te wenden rozebladen moeten, ten einde eene fraai gekleurde stroop te verkrijgen, versch gedroogd, niet door ouderdom verkleurd en het waterig aftreksel volkomen bezonken zijn. Voorts moet de bereiding zooveel mogelijk in aarden of porseleinen vaatwerk geschieden en wegens het looizuur-gehalte elke aanraking met ijzeren voorwerpen vermeden worden. Uaar de Honig zeer gemakkelijk aan gisting onderhevig is, moet hij op eene zeer koele plaats bewaard worden. 1 en einde gisting tegen te gaan, wordt ook wel eenig glycerine toegevoegd. Overigens zij de stroop helder, donkerrood, met een aangenamen rozengeur en een zoeten, eenigszins samentrekkenden smaak. Zij mag niet zuur of brandig rieken of smaken.

METADIOXYBENZOLUM.

METADIOXYBENZOL.

R E S O R C I N U M.

RESORCINE.

Kleur- en reuklooze kristallen, die bij 1100—115° smelten, bij ongeveer 2 730 koken en geheel in een kleurloos sublimaat overgaan.

Metadioxybenzol is oplosbaar in water, in sterken spiritus en in aether, bijna onoplosbaar in chloroform.

De oplossing in water (1 = 10) zij neutraal, kleureferrichloride violet en worde met zilvernitraat en ammonia, onder afscheiding van zilver, allengs donkerder gekleurd.

Samenstelling. CBH4: (OH)2

Resorcine is een phenol. Zij kan beschouwd worden als benzol.

-ocr page 130-

5o6

C^H6, waarin twee atomen waterstof door twee hydroxyl-, OH, groepen zijn vervangen. Daar zij in onderscheid met benzol twee atomen zuurstof bevat, draagt zij ook wel den naam van

dioxybenzol \').

Naar het verschil in ligging der twee hydroxyl-groepen onderling in de benzolkern bestaan van het dioxybenzol drie isomeren, nl. ortho- {pyrocatcchiné), mcta- (rcsorcine) en para- iliydrochinon) dioxybenzol.

;ir c

C.lï

HX

n.c

G.IT

C.tt

C.01L

\\

C

. OH

H.C

II.C

i ; 2 1:3 1 : 4

ortho- meta- para-

dioxybenzol.

Resorcine nu is C(iH4 : (OH)2 (1 : 3) of ?//t,Azdioxybenzol.

Bereiding. Resorcine wordt fabriekmatig bereid door aanvanke lijk zachte, later sterkere verhitting van benzol met zwavelzuur

1) Zie voorts de noot op blz. 47i en 475.

-ocr page 131-

507

dat daardoor bijna geheel in benzolmetadisulfozuur wordt omgezet.

C0Hc 2 H2S04 = CBH4(HS03)2 2 H2Ü

benzol zwavelzuur benzoldisulfozuur water

In water opgelost, wordt dit onder verwarming met kalkmelk geneutraliseerd, waarbij de aanwezige overmaat zwavelzuur als calciumsulfaat neêrslaat. De oplossing der aldus gevormde benzoldisul-fozure kalk wordt vervolgens met de benoodigde hoeveelheid natriumcarbonaat in het natriumzout omgezet, waarbij zich calcium-carbonaat afscheidt. Nadat de oplossing tot droog is verdampt, wordt dit natriumzout gedurende eenige uren met natriumhydroxyde bij eene temperatuur van 270° saamgesmoltcn, waardoor zich natriumresorcinaat en natriumsulfiet vormen.

C(iH4(NaSü3)2 4NaHO = C8H4(ONa)2 2 Na2 SO3 2 II20

benzoldisulfozure natrium- natrium- natriumsulfiet water

natron hydroxyde resorcinaat

De bekoelde massa wordt in water opgelost en met chloor-waterstofzuur behandeld, waardoor resorcine wordt afgescheiden, en daarna het tevens vrij geworden zwaveligzuur door verwarming uitgedreven.

C(iH4(ONa)2 -|- 2 Na2S03 -f 6 HQ = C«H4(OH)2 -f 6 Na Cl

natrium- natrium- chloor- resorcine natrium-

resorcinaat snlllet waterstofzuur chloride

2 SO1 2 IPO

zwaveldioxyde water

Na filtratie der oplossing van teerachtige stoffen, wordt de resorcine door aether uitgetrokken en, na het afdestilleeren van den aether, nog aanhangende sporen aether en water benevens een groot gedeelte der onzuiverheden door verhitting tot 27 50 verwijderd. De aldus verkregen ruwe resorcine, die nog phenol en teerachtige stoffen kan bevatten, wordt gereinigd door destillatie met waterdamp of door omkristalliseeren uit water, na behandeling met dierlijke kool, of uit benzol of door sublimatie.

Daar Resorcine, aan licht en lucht blootgesteld, langzamerhand eene roodachtige kleur aanneemt, moet zij tegen den invloed daarvan bewaard worden.

Eigenschappen. Neutrale, kleur- en reuklooze, prismatische

-ocr page 132-

So8

of tafelvormige kristallen, die bij no0—115° \') smelten, bij ongeveer 2730 \') koken en, verder verhit, geheel vervluchtigen. Metadioxybenzol is oplosbaar in water (0.82), in spiritus (06), in aether (0.73) en in glycerine, bijna onoplosbaar in benzol, chloroform en zwavelkoolstof.

De oplossing in water (1 = 10) wordt noch door ferrosulfaat\'), noch door loodacetaat geprecipiteerd 3).

Zij wordt door ferrichloride donkerviolet gekleurd, welke kleur door chloorwaterstofzuur terstond verdwijnt, en met zilvernitraat en ammonia, onder afscheiding van zilver, allengs donkerder gekleurd.

Resorcine, in kalkwater opgelost, wordt daardoor lichtrose, door ammonia aanvankelijk lichtgeel, spoedig groenachtig gekleurd.

200 mG. Resorcine, in 5 cM3. chloorwater opgelost, kleurt dit voorbijgaand lilakleurig, spoedig bruin; bij toevoeging van een droppel ammonia wordt de vloeistof fraai rood.

In weinig broomwater gebracht, scheidt Resorcine witte vlokken van tribroomresorcine af, welke bij schudden oplossen tot eene heldere, gele vloeistof, die door ammonia roodachtig wordt gekleurd.

100 mG. Resorcine, met 100 mG. suiker en 10 droppels chloorwaterstofzuur verwarmd, geeft eene fraai geel- tot bruinroode vloeistof.

Een weinig Resorcine, gestrooid op 1 cM3. zwavelzuur, waarin 10 mG. natriumnitraat, kleurt de vloeistof groen, bruinachtig en ten slotte violet 2).

Een spoor Resorcine, gestrooid op 1 cM3. zwavelzuur, waarin 50 mG. natriumnitriet, kleurt de vloeistof prachtig blauw.

50 mG. Resorcine, met 100 mG. wijnsteenzuur en 10 droppels zwavelzuur voorzichtig boven de vlam verhit, geeft eene donker-karmijnroode vloeistof,

100 mG. Resorcine, in 2 cM3. water opgelost, waaraan toegevoegd eenige droppels natronloog en met een droppel chloroform of een spoor chloralhydraat vermengd, geeft eene geelroode, zelfs bij sterke verdunning nog prachtig fluoresceerende vloeistof *).

100 mG. Resorcine, in 2 cM3. water opgelost, waaraan toegevoegd 2 droppels ammonia en 5 droppels kopersulfaat, geeft daarmede eene donkere, zwartgroene kleur.

gt;) Voor volkomen zuivere, walervrije Resorcine wordt opgegeven als smeltpunt 118° en als kookpunt 270°.

quot;) OnrJerscheid met pyrogallol.

3) Onderscheid met pyrogallol en p y r oca tech i n e.

\'•) Zie ook «Cliloroforrn», blz. 498.

-ocr page 133-

509

Onderzoek.

1°. Kleur- en reuklooze kristallen, die bij no0 —1150 smelten, bij ongeveer 27 30 koken en geheel in een kleurloos sublimaat overgaan. De eischen der Ph. slaan op het gebruik van een goed gezuiverd preparaat, vrij van kleurende en riekende onzuiverheden. Eene gele of bruinachtige kleur kan afkomstig zijn van empyreumatische stoffen. Een dergelijk preparaat riekt dikwerf een weinig urineachtig; ook mag het niet rieken naar phenol. Een laag smelt- en kookpunt wijzen eveneens op onvoldoende zuivering, evenals de vorming van een gekleurd sublimaat bij vervluchtiging.

2°. die bij 1 io0—1150 smelten. Onderscheid met hydrochinon, dat bij 169°, en met pyrocatechine, dat bij 104° smelt.

30. bij ongeveer 2730 koken. Onderscheid met pyrogallol, dat bij 2100, en p y r o cji t e c h i n o, dat bij 2400—2450 kookt.

4°. en geheel in een kleurloos sublimaat overgaan. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

5°. Metadioxybenzol is oplosbaar in water, in sterken spiritus en in aether. Resorcine is zeer gemakkelijk oplosbaar in water, spiritus en aether; in onderscheid met hydrochinon, dat in water moeilijk oplost, en met pyrogallol, dat moeilijker in water, spiritus en aether oplosbaar is.

6°. De oplossing in water (1 = 10) zij neutraal. Slaat op verontreiniging met zuren als chloor waterstofzuur,zwavel-z u u r en zwaveligzuur, of alkalische stoffen als n a t r i 11 m -hydroxyde en kalk.

7°. kleur e femchloride violet. Onderscheid met hydrochinon, dat aanvankelijk blauw, spoedig daarmede geel wordt; met pyrocatechine, dat daarmede groen wordt, en met pyrogallol, dat daarmede bloedrood wordt gekleurd \'),

8°. en worde met zilvernitraat en ammonia, onder afscheiding van zilver, allengs donkerder gekleurd. Onderscheid met p y r o -ga 11 o 1 en pyrocatechine, die zilvernitraat terstond redu-ceeren, en met hydrochinon, hetwelk dit eerst bij verwarming doet.

\') Zie ook « Acetanilide », blz. \'2; « Aciduin salicylicum », blz. 41; « Antipyrinum », blz- 74; «Naphloln, blz. 524; « Phenolum «, « Tanniimm » en «Thymolum».

-ocr page 134-

Sio

M O S C H U S.

MUSKUS.

De stof, welke bij het mannelijk dier van Moschus moschiferus L. in een zakje nabij den navel besloten is.

Alleen die Muskus, welke Tonkineesche, Tibetaanse he of Chineesche genoemd wordt, mag gebruikt worden.

Kruimig, gedeeltelijk uit eenigszins vetglanzige korreltjes en klompjes bestaande, waartusschen bruine, half doorschijnende vliesjes voorkomen, dikwijls vermengd met korte, zeer fijne haren. Muskus is zwartbruin of rossig-donkerbruin, tot een dunne laag te wrijven, die, lichter van kleur, meer of minder harsachtige, glanzige, grijze of geelachtige deeltjes te zien geeft. Reuk eigenaardig, aromatisch, doordringend en zeer lang nablijvend; smaak eenigszins bitter-scherp.

Een gevuld zakje moet zoo gaaf mogelijk zijn, bijna half-bolrond, gezwollen, eenigszins afgeplat, 4 tot 7 centimeter lang, 3 tot 4 centimeter breed, op de ééne vlakte een weinig vlak, onbehaard, op de andere gewelfd en met geelbruinachtige borstels bezet, die er plat tegen aan liggen, doch rondom de twee openingen, welke zich min of meer in het middelpunt bevinden, overeind staan. Inwendig zij het met een fijn vlies bekleed, welks binnenvlakte geel of rossig-bruin is.

Ten gebruike moeten uit de Muskus de vliesjes en de haren , zoowel als de vreemde lichamen, die er wellicht onder gemengd zijn, verwijderd worden.

Samenstelling. De samenstelling van Muskus, ook wat het reuk verspreidende beginsel betreft, is nog zeer onvolledig bekend. Bestanddeelen zijn: 1°. 50—75 pet. in water oplosbare stoffen; 2°. 10—12 pet. in spiritus oplosbare stof.

Voorts bevat Muskus 10—12 pet. galstoffen, 6—9 pet. eiwit- en 1 ij m s t o f, cholesterine, vet, 1 o—14 pet. water en zouten, 6—8 pet. asch leverende, waarin voorkomen ammoniak (waarschijnlijk als ammoniumcarbonaat), phos-phaten, sulfaten en chloriden, sporen van melkzuur, boterzuur, enz.

Afkomst. Muskus is afkomstig van het mannelijke M u s k u s-dier, Moschus moschiferus L., een herkauwend zoogdier, dat leeft in de bossehen der Alpen van Midden-Azië vanaf het Zuid-Siberische Altai- tot het Tibetaansche Himalaya-gebergte. Gevangen en gedood, wordt de tusschen den navel en de roede

-ocr page 135-

5quot;

gelegen muskuszak van de minstens driejarige dieren, die tegen de buikspieren aangegroeid is, uitgesneden, in de zon of op warme steenen gedroogd en verpakt over China (Tonkineesche, Tibetaanse Jic, Chineesche M.) of over Rusland (Kabardijnsche, Tartaarsehe, Siberische, Russische M.) naar Londen verzonden.

Wordt de laatste gewoonlijk in looden, houten of blikken kisten tot een gewicht van 3—9 K.Grm. verzonden, de eerste, bij ons gebruikelijke M. wordt in den handel gebracht, elk zakje afzonderlijk in een fijn papier gewikkeld, waarop veelal chineesche karakters in roode of blauwe letters of eene prentachtige afbeelding eener muskusjacht of van een chineeschen afgod voorkomen. Twintig tot vijf en twintig van zulke omhulde zakjes worden in een klein, langwerpig-vierkant, papieren doosje of kistje, een cattie, dat van binnen met theelood en van buiten met zijde gevoerd is, verpakt, op het deksel waarvan naar binnen nogmaals de boven beschreven teeke-ningen en van buiten de woorden „Lingchong Musk quot; voorkomen.

len gebruike worden de soms verzegelde zakjes langs de onbehaarde vlakte opengesneden, de inhoud uitgekrabt, bijv. op papier uitgestort en met een pincet de vliesjes, de haren en overigens alles, wat daartoe niet behoort, uit de Muskus verwijderd.

Zoo noodig vooraf boven zwavelzuur of chloorcalcium gedroogd, moet Muskus wegens den doordringenden reuk in volkomen gesloten fleschjes afzonderlijk bewaard worden, evenals alle werktuigen , welke bij de receptuur voor de dispensatie daarvan be-noodigd zijn.

Eigenschappen. De Muskus-zakjes der Ph., de To n ki neesche, Thibetaansche of Chineeeche M., zijn bijna cirkelrond, ietwat eivormig, aan het naar den navel gelegen uiteinde iets breeder dan aan het andere, 4—7 cM. lang, 3—4.5 cM. breed, 1.5—2.5 cM. hoog en ongeveer 15—45 Grm. zwaar. De eene zijde en wel die, waarmede het zakje aan den buik verbonden was, is vlak, plat, onbehaard en zonder opening. De andere, vrije zijde is bol, behaard en bezit ongeveer in \'t midden eene bijna halvemaanvormige opening van een kanaal, dat uitloopt in de inwendige ruimte van den zak. De haren der bolle zijde, waarmede deze gewoonlijk geheel is bekleed, zijn geel of geelbruin, aan de buitenzijde kort geschoren, dik, stijf, overeind staande, meer naar binnen dun, slap, liggend en alle met den top naar de opening van het kanaal gericht. Aan het smallere uiteinde bevindt zich nog eene

-ocr page 136-

512

tweede, kleine opening, verborgen onder een bundel lange, stijve, penseelsgewijze bij elkander geplaatste haren, behoorende tot het voorhuidskanaal en waarin een mede afgesneden gedeelte van de roede. De binnenzijde van het zakje, die niet zeer vast aan de buitenzijde is gehecht, is dunner, doorschijnend, lichter of donkerder bruin en draagt de klieren, welke de muskus afscheiden en in de mazen van een netwerk van plooien gedoken liggen.

De Muskus, welker gewicht in de zakjes ongeveer 5—25 Grm. bedraagt, is in verschen staat zalfachtig, later eene niet zware, droge, doch nog gemakkelijk snijdbare, kruimige stof, donkerroodbruin tot zwartbruin van kleur, bestaande uit rondachtige korrels en klompjes van verschillende grootte, niet samenhangende, ietwat vetglanzig, tot eene dunne laag te wrijven, die, lichter van kleur, meer of minder harsachtige, glanzige, grijze of geelachtige deeltjes te zien geeft, eigenaardig, zeer doordringend, aromatisch van reuk en zeer lang nablijvend, aromatisch, scherp en bitter van smaak, welke gedeeltelijk omhuld en overigens los doortrokken zijn met kleine, weeke, dunne, bruine, eenigszins doorschijnende vliesjes en waartusschen gewoonlijk korte, zeer fijne haartjes voorkomen , afkomstig van de buitenhuid en door het kanaal naar de inwendige ruimte doorgedrongen.

Onderzoek.

i0. Alleen die Muskus, welke Tonkineesche,Tibetaanse he of Chineesche genoemd wordt, mag gebruikt worden. Andere soorten van M. zijn:

a. Kabardij nsche, Tartaarsche, Siberische of Rus-si che M. De zakjes zijn langer, langwerpig-ovaal, meestal peervormig of naar de roede zijde toegespitst. De vlakke, onbehaarde zijde is vaak gerimpeld en eenigszins gewelfd. De andere, behaarde zijde is platter, minder gezwollen, dikwijls zelfs met ingeschrompelde of geplooide oppervlakte. De opening van het kanaaltje naar de inwendige ruimte is meer naar het midden gelegen. De haren der bolle zijde zijn bleeker, bijna zilverkleurig of bruinachtig, langer, fijner, buigzamer, echter aan de buitenzijde ook zeer dikwijls kort geschoren.

De Muskus is lichter, meer geelbruin of bruin, meer zalfachtig of korrelig-poedervormig, veel minder sterk, zwak, onaangenaam, meer urincachtig, eenigszins ammoniakaal en empyreumatisch van reuk. In -water lost slechts 40—50 pet. van dezen muskus op.

-ocr page 137-

5i3

b. Assam- of Bengaalse he M. gelijkt veel op de Chi-neesche. De zakjes zijn grooter, minder gelijkmatig van vorm, meer afgeknot-kegelvormig. De haren zijn grooter, aan den rand witachtig, overigens roodbruin. De Muskus is ztoakker van reuk. Zij komt zelden in den handel voor.

e. Bucharijsche M. De zakjes zijn kleiner, ter grootte van een duivenei, rondaehtig, zeer schraal met geelroodachtige haren bezet. De Muskus is zwakker van reuk. Zij komt niet meer in den handel voor.

Verder komen nog de gedroogde roeden van Myogale moschata als Amerikaan se he, voorts Nepal-, H i m a 1 a y a-, ook kunstmatige \') M. enz. in den handel voor, welke, evenals de vorige soorten, niet voor pharmaceutische doeleinden, doch slechts voor de bereiding van parfumeriën mogen gebezigd worden.

2°. Muskus is lot een dunne laag te wrijven, die, lichter van kleur, meer of minder harsachtige, glanzige, grijze of geelachtige deeltjes te zien geeft. Indien de lichtere deeltjes in een dun uitgewreven laag zich kristallijn voordoen, wijst dit op eene mogelijke vervalsching. Worden eenige deeltjes met een weinig glycerine of gezuiverde terpentijnolie gewreven, verwarmd en na bekoeling onder \'t mikroskoop beschouwd, dan doen zij zich voor als verdeeld in kleine, geelbruine, schotsvormige kluitjes, welke aan de randen en in dunne lagen geel zijn en er zoo eigenaardig uitzien, dat andere vreemde bijmengselen daarnevens terstond in \'t oog vallen.

3°. Een gevuld zakje moet zoo gaaf mogelijk zijn. Vochtige, vuile, knobbelige, overmatig gevulde, doorboorde, niet of weinig behaarde, saam gelijmde, dichtgenaaide of van een onbehoorlijk wijde kanaalopening voorziene zakjes zijn te wantrouwen. Ook worden de zakjes soms nagemaakt, door ze te vervaardigen uit een stuk huid van een muskusdier, aan de kanten ruw vastgenaaid aan een stuk vlies, dat dan de onbehaarde vlakte van den zak moet voorstellen. Ook wel neemt men de huid van eene verwante soort muskusdier en vervormt deze tot muskuszakken. Tevens heeft dit bedrog natuurlijk ten doel, om deze zakjes te vullen met eene nagemaakte muskusstof, ook wel gedeeltelijk ter verhooging van het gewicht. Als zulke stoffen dienen bijv, leder,

\') Verkregen door inwerking van niet al te geconcentreerd salpeterzuur (3 dln. van 1.23 soort, gew.) op gerectificeerde barnsteenolie (I dl.).

-ocr page 138-

514

bloed, erwten, boonen, lood, hagel, ijzervijlsel, vleesch, gedroogde gal, hoorn, gelei, lijm, hout, vogelmest, was, asphalt, storax, benzoö, catechu, ammonia, ammoniumcarbonaat, tabak, snuif, zand, turfmolm, papier, aarde, haren, enz.

MUCILAGO GUMMI ARAB IC 1.

GO MS LIJM.

N. Poeder van Arabische Gom veertig dealen.....40

Gewoon Wa/er zestig deelen..........60

Los de gom in het water op.

Bereiding. Het Gompoeder wordt in een mortier met het water overgoten en deze massa zóó lang geroerd en gewreven, totdat een gelijkmatig dik, halfdoorschijnend, kleurloos slijm zonder klonters is ontstaan. Teneinde bij bewaring het spoedig zuurder worden der oplossing te voorkomen, is het beter gedestilleerd dan gewoon water te gebruiken of kan men de oplossing gedurende eenige uren op het waterbad verwarmen en daarna, bekoeld, in droge, daarmede geheel te vullen flesschen gieten. De verhouding van gom en water, die voorheen gelijk was, is thans als 2:3, zoodat het slijm een weinig dunner is geworden, wat de houdbaarheid niet verhoogt \').

MUCILAGO SAL EB.

SALE BS LIJM.

DILATATIO OF SOLUTIO S A L E B.

N. Poeder van Salcb één deel.......■ . . . 1

Kokend gewoon Wa/er negen en negentig deelen ... 99 Schud ze dooreen tot een dikvloeibaar vocht, waaruit geen bezinksel zich raag afscheiden.

quot;) Over de eigenschappen eener gom-oplossing zie voorts blz. 385.

-ocr page 139-

SIS

Bereiding. Salebpoeder lost niet in vvatei\' op. Met koud v/ater geschud, geeft het daarmede een ietwat slijmig vocht, waarin het poeder grootendeels weder bezinkt; in warm water daarentegen zwelt het op en geeft, daarmede lang genoeg en aanhoudend geschud, een gelijkmatig, dikvloeibaar, slijmig vocht. Wordt het schudden niet lang genoeg voortgezet of te veel onderbroken, dan is het slijmig vocht niet zoo dik en bezinkt weder een gedeelte van het uitgedijde poeder.

De bereiding geschiedt het best, door eerst in de flesch 10—20 cM3. water te gieten, vervolgens het salebpoeder, waarin zich geene klontjes mogen bevinden, — welke door drukking vooraf fijn gemaakt moeten worden —, daarin te brengen en dit door schudden in het water fijn te verdeelen, waarop de rest van het kokende water wordt toegevoegd, de flesch terstond gesloten en zóó lang geschud, totdat het vocht geheel of bijna geheel bekoeld is. Bij rust zal zich dan, zooals de Ph. verlangt, geen bezinksel afscheiden. DaarSaleb-slijm vrij spoedig bederft, waarbij zich het Salebpoeder ook weder afscheidt, moet het slijm zooveel mogelijk telkens versch bereid worden.

M U C IL A G O T R A G A C A N T H A E. TR AG AC A NTS LIJM.

N. Poeder van Tragacani twee deelen........2

Gewoon Wa/er acht en negentig deelen......98

Maak van het poeder met zijn twintigvoudig gewicht water een homogene massa en voeg er het overige water aan toe.

Bereiding. Tragacantslijm is geene oplossing, maar ontstaat door opzwelling der bassorine van de Tragacant in water. Analoog aan Salebslijm, geschiedt deze opzwelling echter reeds bij\'t gebruik van koud water. Men wrijft in een mortier de 2 dln. Tragacant-poeder met 40 dln. koud gewoon, beter gedestilleerd water, in eens toe te voegen, tot een homogeen slijm, dat vervolgens met de rest van het water wordt gemengd. Volgens het vroegere voorschrift

-ocr page 140-

Si6

was de verhouding van tragacant tot water als i; 12; het slijm is dus veel dunner geworden en daardoor verbeterd.

M Y R R H A.

M Y R R H E.

Het gomharshoudend sap van B a 1 s a m e a M y r r h a E n g 1 e r, uit den stam en de takken gevloeid en in de lucht hard geworden.

Onregelmatige stukken van verschillende grootte. Zij zijn geel-of roodachtig of bruin, inwendig dikwerf hier en daar witachtig, met eene ongelijke, dikwijls bestoven oppervlakte, bros, op de breuk glanzig als was of dof; kleinere stukjes zijn bijna doorschijnend. Reuk aromatisch; smaak bitter, blijvend scherp.

Myrrhe geeft met water een lichtgele emulsie en is in die vloeistof voor ongeveer twee derden oplosbaar. Sterke spiritus lost er ongeveer een derde van op en doet zich dan voor als eene heldere, roodgele vloeistof.

Poeder van Myrrhe, met salpeterzuur bevochtigd, worde bij zachte verwarming in een porseleinen schaaltje fraai rood gekleurd.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°. 28—35 pet. hars. Zij bestaat uit verschillende, minstens twee harsen, waarvan de eene, C^\'H^O5, week en riekend, de andere, bevattende twee harszuren, C,3H,G08 enC4eH3209, hard en reukeloos is. Zij is geheel oplosbaar in spiritus en chloroform , doch slechts gedeeltelijk in aether.

2°. 40—67 pet. gom, C6H,0O!i, in water oplosbaar.

^ 2—5 ^ pCtt vluchtige olie (myrrhol), hoofdzakelijk C10H14O, met een kookpunt van ongeveer 266°, gemakkelijk verharsende.

40. eene bittere stof, waarschijnlijk een glucoside, die de hars vergezelt, eene broze, helder bruine stof, sterk en zuiver bitter van smaak.

50. 3—8 pet. zouten en eenig water.

Afkomst. Myrrhe is afkomstig van Balsamea Myrrha

-ocr page 141-

Si7

Engler (B al s am od e n d r o n Myrrha Ne es von Esen-beck) \'), een kleinen boom of heester, behoorende tot de familie der Burseraceae, welke groeit in de landen langs de beide zijden van de Roode Zee en zuidwaarts in Afrika tot in het Somali-land. Zij is waarschijnlijk het product van een vervloeiingsproces der schorscellen en vloeit van zelve uit spleten, in de schors van stam en takken ontstaan, naar buiten, is aanvankelijk olieachtig en wit, later boterachtig en stolt ten slotte tot goudgele korrels, die aan de lucht allengs harder en donkerder, roodachtig tot bruin worden. Door de inwoners van Somali-land worden deze korrels van de boomen, welke op de langs de kust gelegen kalkgebergten groeien, verzameld en uit de haven van Berbera naar Aden verscheept (echte M. of Heera Bol). Ook hier, in de op de zuidkust van Arabic gelegen streken wordt Myrrhe verzameld; deze is echter van mindere qualiteit. Van uit Aden wordt zij gedeeltelijk rechtstreeks naar Europa, naar Engeland verscheept; gedeeltelijk wordt zij ook naar Bombay gebracht, waar zij wordt uitgezocht, zoodat de betere soorten naar Europa worden verzonden, welke te Londen nog weder nader worden gesorteerd.

Moet Myrrhe tot poeder gebracht worden, wat moeilijk geschiedt, dan kan dit het best plaats hebben bij winterkoude; door zeef 15 30 wordt het poeder van onzuiverheden als schorsfragmenten, steentjes, enz. gezuiverd.

Eigenschappen. Onregelmatige, rondachtige stukken van verschillende grootte, soms zelfs ter grootte van een vuist, dikwerf aaneengekleefd. Zij zijn geel- of roodachtig of lichter-of donkerder-bruin, inwendig hier en daar witachtig, met eene ongelijke, hobbelige, doffe, dikwijls bestoven oppervlakte, vettig op\'t gevoel, bros, op de breuk glanzig als was of dof; kleinere stukjes zijn bijna doorschijnend (M. alba s. electa). Reuk eigenaardig en doordringend aromatisch; smaak onaangenaam bitter, blijvend scherp.

Bij verhitting zwelt Myrrhe op zonder te smelten en verspreidt zij een sterken, onaangenamen reuk, waarna zij met eene heldere vlam verbrandt. Met water geeft zij eene lichtgele of -bruine emulsie en is daarin voor ongeveer twee derden oplosbaar. Sterke spiritus lost er tot ongeveer een derde aan hars van op tot eene heldere, roodgele vloeistof.

\') Volgens S c h \\v e i n f u r t h stamt XI. af van CommiphorH abyssinica en C. S c li i m ji e r i.

34

-ocr page 142-

Si8

Poeder van Myrrhe, met chloonvaterstof-of salpeterzuur bevochtigd, wordt bij zachte verwarming in een porceleinen schaaltje fraai violet gekleurd. Beter kan voor deze proef Myrrhe-tinctuur gebezigd worden, waarmede filtreerpapier wordt doortrokken; met salpeterzuur bevochtigd, wordt daardoor de rand der papierstrook, vooral bij verwarming, donker-purperrood gekleurd.

Wordt Myrrhe-tinctuur verdampt en de achterblijvende hars in aether opgelost, dan kleurt zich deze oplossing door broomdamp rood of violet.

Onderzoek.

i0. Het gomharshoudend sap van B a 1 s a m e a M y r r h a E n g 1 e r, uit den stam en de takken gevloeid en in de lucht hard geworden.

Onregelmatige stukken van verschillende grootte. Zij zijn gcel-of roodachtig of bruin, inwendig dikwerf hier en daar witachtig, ■met ecne ongelijke, dikwijls bestoven oppervlakte, bros, op de breuk glanzig als was of dof; kleinere stukjes zijn bijna doorschijnend. Reuk aromatisch; smaak bitter, blijvend scherp. Behalve boven beschreven echte M. of IIeera Bol onderscheidt meno. a. nog:

a. Oost-Indisch M. (Bissa Bol, Habaghadi) uit noord-oost-Afrika en het binnenste van Somali-land. Stukken, veel overeenkomst hebbende met gewone M., doch donkerder van kleur en vrij onzuiver. Reuk zeer eigenaardig, afwijkend; smaak minder aromatisch bitter, doordringend scherp.

b. Arabische M., van de zuidkust van Arabic, ten oosten van Aden verzameld. Stukken kleiner, zelden grooter dan 4 cM.; de grooteren schijnen uit kleinere samengesteld. Zij hebben een gomachtig, minder vetglanzig voorkomen zonder inwendige, witachtige plekken. Reuk en smaak als van de gewone M.

Voorts komt bovenvermelde beschrijving overeen met de eigenschappen der M. a 1 b a s. electa, in tegenstelling met de M. naturalis s. in sortis, welke donkerder van kleur, vaak zwartachtig, geheel ondoorschijnend, zzuakker van reuk is endoor velerlei bijmengselen verontreinigd als zand, steentjes, stukjes schors, enz. Verder komen nog in den handel voor M. alba (witte RL), wit- of geelachtige stukken, dof glanzig, reukloos, bitter, doch nut aromatisch van smaak; M. o r ie n talis s. nova, harde, hoekige, 2 7 cM. lange en 2—3 cM. dikke stukken, onooglijk, van buiten zwart van kleur, van binnen lichter tot bruinrood van kleur, on-

-ocr page 143-

Si9

doorschijnend en met een vuil, brninachtig-wit stof bekleed. Reuk als van echte M., doch iets zoetachtiger; smaak meer aromatisch, minder hitter.

2quot;. Myrrhe geeft met water een lichtgele emulsie en is in die ■vloeistof voor ongeveer twee derden oplosbaar. Sterke spiritus lost er ongeveer een derde van op cn doet zich dan voor als eene heldere, roodgele vloeistof.

Poeder van Myrrhe, met salpeterzuur bevochtigd, worde bij zachte verwarming in een porseleinen schaaltje fraai rood gekleurd. M. kan o. a. vervalscht zijn met andere gomharsen of gems oorten als arabische gom, kersegom, pruimegom, enz., waardoor de oplosbaarheid in water en in spiritus zou worden gewijzigd. Voorts wordt M. ook wel vervalscht met afrikaansch of indisch bdellium. Het eerste is eene zeer taaie gomhars, met eene donkerder, dikwijls bijna zwartbruine, diep dzvars-gestreepte oppervlakte, bijna reukloos en zwak bitter, doch scherper van smaak. Het tweede bestaat uit onregelmatige stukken, donkerder-roodbniin van kleur, met glanzende harsstippen bedekt; reuk cederachtig, smaak zwak-scherp, doch niet bitter. Al deze vervalschingen zijn tevens daardoor te onderkennen, dat zij de reactie met salpeterzuur niet geven, evenals de Oost-Indische M. (Bissa Bol), welke tevens vee! minder hars bevat, wat de oplosbaarheid in water en spiritus wijzigt.

NAPHT ALINU M.

N A P H T A L I N E.

Kleurlooze, doorschijnende, glanzende kristalhlaadjes, die eigenaardig en doordringend rieken en bij 8o0 smelten tot een vloeistof, die bij 218° kookt en geheel sublimeert.

In water is Naphtaline nagenoeg onoplosbaar, gemakkelijk daarentegen in aether, in chloroform en in zwavelkoolstof en , als het verwarmd wordt, ook in sterken spiritus, in vette en in vluchtige oliën.

Samenstelling. C10 H8

Naphtaline is eene koolwaterstof, behoorende tot de z g. aromatische lichamen \'). Zij kan beschouwd worden als te bestaan uit

■) Zie bl. 18.

-ocr page 144-

520

twee benzol-, CeHfi, groepen \'), welke zoodanig aan elkander gebonden zijn, dat zij twee koolstofatomen met elkander gemeen hebben 2).

W (5)

(1) (8)

Bereiding. Naphtaline wordt verkregen uit steenkolenteer en wel uit dat gedeelte, hetwelk bij destillatie daarvan als zware steen-kolenteerolie tusschen 1800—250° overgaat, waaruit de naphtaline zich bij staan, vooral bij afkoeling, als sterk gekleurde, kristallij ne massa\'s afscheidt, welke door uitpersen van de aanhangende vloeistof kunnen worden bevrijd. Ter zuivering wordt de naphtaline eerst met natronloog ter verwijdering van zure stoffen en daarna met verdund zwavelzuur ter verwijdering van basische stoffen (aniline-, pyridinebasen, enz.) behandeld en vervolgens met behulp van waterdamp gedestilleerd. Ter verdere zuivering kan de aldus gereinigde naphtaline nogmaals herhaaldelijk met zwavelzuur bij 180° behandeld en vervolgens met waterdamp gedestilleerd worden.

Ter volledige zuivering van nog aanhangende kleurende onzuiverheden smelt men deze naphtaline met 5—10 pet. zwavelzuur, voegt ter oxydatie 5 pet. bruinsteen, mangaandioxyde, daaraan toe en verhit eenigen tijd op het waterbad; na afwassching met water en natronloog wordt zij daarna op nieuw gedestilleerd, waarbij dat gedeelte, wat tusschen 2170 en 2190 overgaat, afzonderlijk wordt opgevangen. Voor pharmaceutisch gebruik wordt de naphtaline ten slotte nog uit alcohol omgekristalliseerd.

\') Zie bi. 18 en 31).

\') Juister als benzol, waarin twee atomen waterslof door een C\'H\'-gi\'oep zijn vervangen.

-ocr page 145-

521

Eigenschappen. Kleurlooze, doorschijnende, glanzende, geheel vluchtige kristalblaadjes, die eigenaardig en doordringend rieken, aromatisch en brandend smaken en bij 800 smelten tot eene vloeistof, die bij 218° kookt,

In water is Naphtaline nagenoeg onoplosbaar, gemakkelijk daarentegen in aether (1.9), chloroform en zwavelkoolstof, ook in kouden (51.5) en warmen (20) spiritus, vette en vluchtige oliën.

100 mG. Naphtaline, gewreven met 2 droppels ferrichloride en daarna droppelsgewijze met 10 cM3. zwavelzuur vermengd, wordt aanvankelijk roodachtig, daarna lilakleurig, welke kleur bij verwarming in \'t waterbad in donker-violet overgaat en, met water verdund, rood wordt.

10 mG. Naphtaline, gestrooid op 5 cM3. zwavelzuur, waarin 30 mG. natrium nitriet, wordt terstond bruin-zwart of zwart gekleurd.

50 mG. Naphtaline, opgelost in 1 cM3. chloroform, kleurt 2 cM3. zwavelzuur onder schudden bij zachte verwarming fraai rood.

100 mG. Naphtaline en 150 mG. pikrinezuur, opgelost in 5 cM3. warmen sterken spiritus, geven bij afkoeling eene rijkelijke hoeveelheid van gele kristallen van naphtalinepikraat.

Onderzoek.

i0. Kleurlooze kristalblaadjes, die bij 8o0 smelten tot een vloeistof, die bij 218° kookt. Kenmerken van zuiverheid. Onzuivere Naphtaline kleurt zich, aan lucht en licht blootgesteld, vooral aan de randen der kristalblaadjes, roodachtig tot bruin. Eveneens moet Naphtaline zich bij zachte verwarming in zwavelzuur zonder noemenswaardige kleuring oplossen, welke kleuring afkomstig is van nog niet nader bekende, uit het steenkolenteer afstammende onzuiverheden.

2°. en geheel sublimeert. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. natriumhydroxyde. Zure stoffen, bijv. zwavelzuur, kunnen herkend worden door de zure reactie bij schudding met water.

-ocr page 146-

522

NAPHTOLUM.

ISO- OF /3 N A P H T O L.

Ivleurlooze, glanzende, plaatvormige kristallen of een wit kristallijn poeder.

Naphtol riekt zwak naar phenol, smelt bij 1230 en kookt dan bij 286°—290°, waarbij het geheel vervluchtigt.

Het is oplosbaar in 75 deelen kokend, doch weinig in koud water, zeer gemakkelijk in sterken spiritus, in aether, in chloroform, in vette oliën en in alkalische vloeistoften, uit welke laatstgenoemde het, bij toevoeging van een zuur ter verzadiging, weder wordt afgescheiden.

Van water, dat met Naphtol verzadigd is, geeft 10 cM\'. met chloor-water een troebele vloeistof, die door ammonia eerst helder, daarna groen en eindelijk roodachtig bruin wordt.

Samenstelling. C1UH7.0H

Evenals door vervanging der waterstof door hydroxyl-, OH, groepen in de benzolkern, C(iH5-groep, alcoholen, phenolen, ontstaan 1), eveneens kan ook in naphtaline de waterstof door hydroxyl worden verplaatst en alcoholen daaruit worden gevormd.

Vergelijkt men de acht atomen waterstof in de constitutie-formule

van naphtaline 2), dan blijkt hieruit, dat zij vier aan vier een verschillenden stand innemen tegenover de verbindingsplaatsen der

\') Zie blz. 474 en 475. \') Zie blz. 520.

-ocr page 147-

523

twee benzol-groepen door de twee atomen koolstof (9 en 10). De atomen waterstof 1, 4, 5 en 8 nemen onderling dezelfde, doch eene andere plaats in als de waterstof atomen 2, 3, 6 en 7. Wordt nu een der eerstgenoemde atomen waterstof door hydroxyl vervangen, dan zal derhalve een andere alcohol (een .z-alcohol) ontstaan, dan wanneer de hydroxyliseering in een der laatstgenoemde (vorming van een /3-alcohol) plaats vindt.

Het door de Ph. bedoelde Naphtol is het /3-Naphtol, ook Iso-Naphtol genoemd.

Bereiding. De bereiding van Naphtol is analoog aan die van resorcine 1).

Wordt naphtaline met zwavelzuur verwarmd bij lagere temperatuur, bij 80°—90°, dan ontstaat as-naphtalinesulfozuur. Verhit men daarentegen gedurende langen tijd bij 200, dan gaat deze ^-verbinding in de /3-verbinding over.

Voorts heeft de bereiding plaats als voor resorcine \') is vermeld. Het /3-sulfozuur wordt met kalkmelk geneutraliseerd, waardoor het zich als onoplosbaar kalkzout afscheidt, terwijl het kalkzout van het mogelijk mede gevormd «-naphtalinesulfozuur als gemakkelijk oplosbaar in oplossing blijft. Het calcium-zout wordt daarna door natriumcarbonaat in het natriumzout omgezet en dit met natrium-hydroxyde saamgesmolten, waardoor zich natriumnaphtolaat en natriumsulfiet vormen. Het natriumnaphtolaat wordt verder door chloorwaterstofzuur ontleed, waardoor naphtol in vrijheid wordt gesteld. De zuivering heeft plaats door destillatie met behulp van waterdamp en omkristallisatie uit warm water, waardoor het ais een wit, kristallijn poeder wordt afgescheiden, terwijl het in plaat-vormige kristallen wordt verkregen door omkristallisatie uit warmen petroleumaether.

Eigenschappen. Kleurlooze, glanzende, plaatvormigekristallen of een wit, kristallijn poeder. Naphtol riekt zwak naar phenol en smaakt brandend-scherp, smelt bij 1220—1230 en kookt bij 286°—290°, waarbij het geheel vervluchtigt. Het is neutraal oplosbaar in 1000 dln. koud en 76 dln. warm water, bovendien zeer gemakkelijk oplosbaar in spiritus (1.3), aether (0.8), chloroform en vette oliën, alsmede in alkalische vloeistoffen, uit welke het echter

\') Zie blz. 506 en 507.

-ocr page 148-

524

bij toevoeging van een zuur ter verzadiging weder wordt afgescheiden.

De oplossing in water (i = 1000) wordt door ferrichloride aanvankelijk groenachtig gekleurd; spoedig daarna troebel en doet ten slotte witte vlokken van /3-dinaphtol, C50!!12(OH)ï, ontstaan \').

io cM1. der waterige Naphtol-oplossing wordt door 3 droppels eener chloorkalk-oplossing niet, slechts geel gekleurd 1).

10 cM3. der waterige Naphtol-oplossing geeft met 5 cM3. chloor-water eene troebele vloeistof, die door 2 droppels ammonia eerst helder, daarna groen en eindelijk roodachtig-bruin wordt 3).

10 mG. Naphtol, opgelost in 5 droppels chloroform, waaraan toegevoegd 5 droppels kali- of natronloog, kleuren deze bij zachte verwarming tot 50° blauw 2).

200 mG. Naphtol, met 10 cM3. water in \'t waterbad geschud met 200 mG. mercurichloride en 100 mG. natriumnitraat, geeft daarmede eene amorphe, roodbruine verbinding 3).

500 mG. Naphtol, met 2 cM3. zwavelzuur gedurende eenigen tijd bij 8o0^—100° verwarmd, de oplossing daarna met 20 cM3. water verdund, vervolgens met loodcarbonaat geneutraliseerd en ten slotte gefiltreerd, wordt in het filtraat door ferrichloride violet gekleurd quot;).

Wordt Naphtol met kalkmelk geschud en daarna gefiltreerd, dan ontstaat in het violet fluoresceerende filtraat door broomwater eene troebeling, waaruit zich spoedig donkerbruine vlokken afscheiden 4).

100 mG. Naphtol, met 150 mG. pikrinezuur bij zachte verwarming opgelost in 1 cM3. spiritus en 1.5 cM3. water, geeft daarmede bij bekoeling kristallen van een oranjerood pikraat 5).

1

) In onderscheid met «-naphtol, dat daarbij Mauwjroen wordt.

2

\'•) Volgens sommigen (K I ü c k i g e r) ook eigen aan «naphtol; volgens anderen (Raupenstrauch) daarentegen wordt dit op deze wijze een weinig groen gekleurd.

3

») In onderscheid met «-naphtol, dat op deze wijze eene veel gerimjere hoeveelheid eener schaiiakenroode verbinding geeft.

4

\') In onderscheid met «-naphtol, dat, op deze wijze behandeld, violette vlokken geeft.

5

quot;) Zie bij „Naphtalinnmquot;, blz. 521.

-ocr page 149-

525

loo mG. Naphtol, gestrooid op 5 cM3. zwavelzuur, waarin 30 mG. natriumnitriet, wordt aanvankelijk rood, zeer spoedig echter bruinzwart gekleurd.

Onderzoek.

i0. Kleurloozc kristallen of een wit kristallijn poeder. Onzuiver Naphtol wordt aan het licht donker gekleurd.

2°. Plaatvonnige kristallen of een kristallijn poeder. In onderscheid met x~n a p h t o 1, dat in lange naalden kristalliseert.

3°. Naphtol smelt bij 123° en kookt dan bij 286°—290°. Behalve kleurloosheid vormen het smelt- en kookpunt de belangrijkste kenmerken voor de zuiverheid van Naphtol. Tevens in onderscheid met «-naphtol, dat bij 940—950 smelt en bij 260quot;—280° kookt.

4°. iu aar bij het geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluch-tige, anorganische stoffen.

5°. Het is oplosbaar in 75 deelen kokend, doch zueinig in koud water, zeer gemakkelijk in sterken spiritus, in aether, in chloroform , in vette oliën en in alkalische vloeistoffen, uit welke laatstgenoemde het, bij toevoeging van een zuur ter verzadiging, weder wordt afgescheiden. Ook de gemakkelijke oplosbaarheid in genoemde vloeistoffen, vooral in spiritus en alkalische vloeistoffen, bijv. ammonia, vormen aanwijzingen voor de zuiverheid van het preparaat. Ue oplossingen moeten neutraal zijn, wat slaat op afwezigheid van zure, bijv. zwavelzuur, of alkalische stoffen, bijv. natriumcarbonaat of natriumhydroxyde. Uit de ammoniakale oplossing moet Naphtol bij verzadiging met een zuur weder zuiver wit worden afgescheiden.

6°. Van water, dat met Naphtol verzadigd is, geeft 10 cM\'i. met chloorwater een troebele vloeistof, die door ammonia eerst helder, daarna groen en eindelijk roodachtig bruin wordt. Identiteitsreactie; tevens in onderscheid met «-naphtol \').

N .1 T R A S ARGENTIC U S.

Z I L V E R N I T R A A T.

Doorschijnende, kleurlooze kristallen, die door hitte smelten en daarna onder het verspreiden van roode dampen ontleed worden.

\') Zie verdere onderscheidingskenmerken tusschen u- en /3-naphtol in de noot op blz. 52^.

-ocr page 150-

Zilvernitraat lost in 0.6 deelen water, in 11 deelen sterken spiritus en, zonder kleuring, in ammonia op.

De oplossing in water is neutraal. Chloorwaterstofzuur brengt er een wit, vlokkig néerslag in voort, dat in ammonia wel, in salpeterzuur niet oplosbaar is.

Wordt de oplossing van 200 mG. Zilvernitraat door chloorwaterstofzuur van zilver bevrijd, dan mag het liltraat, na verdampt te zijn, geen weegbaar overschot achterlaten. Het gepraecipiteerde en gedroogde zilverchloride moet 168 mG. bedragen.

Samenstelling. Ag NO3

Het zilverzout van salpeterzuur. Het atoom waterstof van dit zuur is vervangen door het ée\'mvaardige metaal zilver.

Bereiding. 2 dln. Gewoon Zilver, in den vorm onzer gewone, koperhoudende zilveren munten, worden in eene glazen kolf, ten slotte onder zachte verwarming, opgelost in 3 dln. salpeterzuur, vooraf met 2 dln. water verdund, waardoor het zilver en koper onder ontwikkeling van kleurlooze dampen van stikstofdioxyde, N202, welke zich aan de lucht oxycieeren tot bruingekleurd stik-stoftetroxyde, Nï04, in nitraten worden omgezet.

6 Ag 8 H NO3 = 6 Ag NO3 N2©1 4 H20

zilver salpeterzuur zilvernilra.it stikstofdioxyde water

Uit deze onzuivere, koperhoudende zilvernitraat-oplossing kan het zuivere Zout verkregen worden:

1°, door het zilver door middel van chloorwaterstofzuur als zilverchloride nêer te slaan, dit na verzameling in zoo weinig mogelijk ammonia op te lossen, uit deze oplossing door reductiemiddelen als ijzer of zink, beter koper, het zilver in zuiveren, fijn verdeelden staat af te scheiden, dit ter verwijdering van aanhangende onzuiverheden met chloorwaterstofzuur en daarna met water af te wasschen en na droging weder op boven beschreven wijze in salpeterzuur op te lossen.

2U. door de oplossing van zilver- en kopernitraat in eene porseleinen schaal tot droog te verdampen en het achterblijvende daarna tot ongeveer 240°, niet hooger, te verhitten. Boven de ge-gesmolten massa, doch zonder haar aan te raken, worde een omgekeerde glazen trechter gehangen, teneinde het invallen van stof-deelen, waardoor het zilvernitraat ontleed en gekleurd zou worden , te voorkomen. Door de verhitting wordt het kopernitraat, onder

-ocr page 151-

S27

ontwikkeling van dampen van stikstoftetroxyde, in zwart, onoplosbaar koperoxyde omgezet, terwijl het zilvernitraat onontleed

Cu (NO3)2 = Cu O -f ISPCH -j- ü

kopernitraat koperoxyde stikstoftetroxyde zuurstof

blijft. Men verhit zóó lang, totdat alle gasontwikkeling heeft opgehouden, de massa ten slotte rustig vloeit en eene gefiltreerde oplossing van een weinigje van het zout in water niet meer blauw wordt door overmaat ammonia of roodbruin door kaliumferro-cyanide, waarna de bekoelde massa onder zachte verwarming in 3 dln. water wordt opgelost en van het onopgelost gebleven koperoxyde , liefst door glaswol, afgefiltreerd, dat ten slotte nog wordt nagewasschen.

3°. door bovengenoemde ter bevrijding van overmaat salpeterzuur tot droog uitgedampte oplossing van zilver- en kopernitraat wederom in water op te lossen en te verwarmen met eenig zilver-oxyde of zilvercarbonaat, verkregen door eene zilvernitraat-op-lossing te precipiteeren met natronloog of natriumcarbonaat-op-lossing en uitwassching van het gevormde nóerslag met water, totdat dit na verdamping niets achterlaat. Blijft het zilvernitraat hierbij onaangetast, het kopernitraat daarentegen wordt onder vorming van zilvernitraat omgezet in onoplosbaar koperoxyde of koper-carbonaat, welk laatste bij verdere indamping onder ontwikkeling van kooldioxyde in het eerste overgaat. Of al het kopernitraat aldus in zilvernitraat is omgezet, kan op boven beschreven wijze

Cu (NO3)2 -f Ag20 = 2 Ag NO3 Cu O

kopernitraat zilveroxyde zilvernitraat koperoxyde

door ammonia of kaliumferrocyanide herkend worden, waarna de zilver-oplossing van het onoplosbare koperoxyde wordt afgefiltreerd.

De op een of andere wijze verkregen oplossing van zilvernitraat wordt onder toevoeging van eenige droppels salpeterzuur en de noodige voorzorg voor het invallen van stof voorzichtig uitgedampt en het zilvernitraat voorts, ter verwijdering van vrij salpeterzuur, in een porseleinen kroes eenigen tijd onder omroeren bij 200° gesmolten, waarna het, bekoeld, wederom in | deel warm water wordt opgelost ter verkrijging van kristallen, welke, in een trechter verzameld, door afdruiping van het aanhangende water worden bevrijd en ten slotte in eene porseleinen schaal bij zachte warmte worden gedroogd.

-ocr page 152-

Eigenschappen. Plaatvormige, vier- of zeshoekige, meestal onregelmatige, doorschijnende, reuk- en kleurlooze, niet hygros-copische kristallen, die door hitte smelten en daarna onder het verspreiden van roode dampen ontleed worden. Zij zijn neutraal en zeer gemakkelijk oplosbaar in koud (0.6) en warm (0.4) water en in ammonia, minder gemakkelijk in kouden (11) en warmen (6) spiritus, bijna onoplosbaar in aether.

Wordt aan de waterige oplossing (1 = 10) voorzichtig droppels-gew ijze ammonia toegevoegd , dan ontstaat aanvankelijk een bruinachtig neerslag van zilveroxyde, dat door toevoeging van meer ammonia wederom oplost. — Met chloorwaterstofzuur geeft de waterige oplossing een wit, vlokkig nóerslag van zilverchloride, dat aan het licht spoedig grauw wordt en gemakkelijk oplosbaar is in ammonia. Met broomwaterstofzuur geeft zij een geelwit neerslag van zilverbromide, dat in ammonia moeilijk oplosbaar is, en met joodwater-stofzuur een geelwit van zilverjodide, dat in ammonia onoplosbaar is.

De oplossing in water, met zwavelzuur vermengd, en op deze vloeistof voorzichtig gebracht eene oplossing van ferrosulfaat, ontstaat aan den rand van afscheiding eene violette tot bruine ring door eene verbinding van ferrosulfaat met stikstofdioxyde.

Op zichzelf, buiten aanraking met organische stof, ondergaat het Zout, ook aan het zonlicht blootgesteld, geene verandering. Bij aanraking met organische stoften echter wordt het, vooral onder inwerking van het licht, grauw tot zwart gekleurd, waarom het in goed gesloten flesschen buiten het licht bewaard moet worden.

Onderzoek.

in. kleurlooze kristallen. De kleur der kristallen moet zuiver wit zijn. Eene min of meer grauwe tint kan wijzen op aanraking met organische stof of op een gehalte aan zilveroxyde of zilver 11 itriet, gedurende de bereiding door reductie ontstaan door aanwending van eene te hooge of te langdurige verhitting bij de smelting van het zout.

2°. Zilvernitraat lost in 0.6 deelen ivater op. Afwezigheid van zilverchloride, dat in water onoplosbaar, doch in ammonia oplosbaar is.

30. cn, zonder klei/ring\', in ammonia op. Eene blauwe kleuring zou wijzen op aanwezigheid van koper, eene witte troebeling op lood \') of bismuth.

\') Aanwezigheid van lood kan nader geconstateerd worden door bij eene zeer

-ocr page 153-

4°. De oplossing in water .■jij neutraal. Afwezigheid van vrij salpeterzuur. De Th. eischt dus ziivernitraat, dat vooraf eenigen tijd gesmolten is geworden alvorens tot kristallen te zijn gebracht. Het niet vooraf gesmolten, terstond uit de geconcentreerde waterige oplossing gekristalliseerde zout sluit daarbij gewoonlijk eenig salpeterzuur in, waarom de oplossing daarvan in den regel zuur reageert.

5°. Wordt de oplossing van 200 mG. Zilvernitraat door chloor-waterstof zuur van zilver bevrijd, dan mag het filtraat, na verdampt te zijn, geen weegbaar overschot achterlaten. Afwezigheid van metalen als bismuth, lood, koper, ijzer, aardalkaliön en alkaliën, in \'t algemeen van metalen, welke met chloorwater-stofzuur oplosbare en niet-vluchtige chloriden geven. Eene eenigszins belangrijke overmaat chloorwaterstofzuur kan schaden, daar sporen zilverchloride daarin oplosbaar zijn.

6°. Het gcpraecipiteerde en gedroogde zilverchloride moet 168 mG. bedragen. 200 mG. Zilvernitraat correspondeert met 168.8 mG. zilverchloride. De Th. staat dus 0.8 mG. zilverchloride als verlies bij de bewerking en overigens geene verontreiniging van het Zout toe.

NI TRAS ARCx ENT IC US F U S U S.

GESMOLTEN Z I L V E R NI T R A A T.

LAPIS INFER NA LIS.

HELS CUE STEEN.

Witte of grijze staafjes, die op de breuk een gestraald voorkomen hebben en voldoen aan dezelfde eischen van zuiverheid als voor Zilvernitraat zijn aangegeven.

Samenstelling. Ag NO3 \')

Bereiding. De bereiding van het benoodigde zilvernitraat geschiedt als boven is aangegeven. Dit wordt ten slotte bij 200° gesmolten en onder omroeren met een glazen staafje in een porseleinen kroes of schaal met tuit zóó lang gesmolten, totdat alle salpeterzuur- en water-

verdunde zilvernitraat-oplossing (1 = 100) eenig verdund zwavelzuur ie voegen, waardoor een wit neerslag van loodsuiïaat zou ontstaan.

1) Zie verder bij «Nitras argenticus », blz. 520.

-ocr page 154-

53°

deelen volkomen verwijderd zijn, waarna de gelijkmatig vloeibare massa in daartoe bestemde, vooraf met poeder van talksteen zorgvuldig gereinigde, metalen of glazen en tot ongeveer 500 verwarmde vormen wordt gegoten. Nadat het zilvernitraat in de kanaalvormige, naar beneden puntig uitloopende en aldaar gesloten sleuven der vorm is bekoeld en de op elkander passende en aan elkander geschroefde deelen der vorm losgemaakt zijn, wordende staafjes uit de sleuven gestooten en van het bovenste, minder gelijkmatige gedeelte ontdaan.

Voorzorgen voor verontreiniging met stofdeelen en bewaring geschieden als bij het gekristalliseerde Zilvernitraat is aangegeven.

Eigenschappen. Vaste, harde, niet hygroscopische, witte of eenigszins grijze, min of meer glanzige, ongeveer 0.5 cM. dikke, cilindervormige, puntige staafjes, op de oppervlakte min of meer effen of glad, soms met eene verhevenheid op elke zijde, die op de breuk een duidelijk middelpunt en een gestraald voorkomen hebben.

Overige eigenschappen hebben zij met het gekristalliseerde Zilvernitraat gemeen.

Onderzoek.

1°. Witte of grijze staafjes. De grijswitte of grijze kleur is een gevolg van eene zeer geringe ontleding van het zilvernitraat, hetzij door te hooge temperatuur of aanraking met organische stof en een daardoor ontstaan gering gehalte aan zilver n it riet, zilveroxyde of metallisch zilver, waarnaar de kleur van wit tot grijs-aschkleurig kan afwisselen.

2°. die op de breuk een gestraald voorkomen hebben. Gesmolten Zilvernitraat, dat zilverchloride of loodchloride bevat, is minder gestraald en niet min of meer glanzend, doch dof aan de oppervlakte. Ook het ,, N i t r a s argenticus cum nitrate k a 1 i c o quot; („ N i t r a s argenticus f u s u s m i t i g a t u s quot;) 1) is niet gestraald, nauwelijks kristallijn, porseleinachtig op de breuk.

30. en voldoen aan dezelfde eischen van zuiverheid als voor zilvernitraat zijn aangegeven. Zie aldaar. — Een gehalte aan kaliumnitraat zou o. a. ontdekt kunnen worden bij oplossing in spiritus, waarin dit onoplosbaar is.

\') P\'jpJRS) bestaande uit eon mengsel van 1 dl. zilvernitraat en 2 dln. kaliumnitraat.

-ocr page 155-

S3i

NITRAS BISMUTHICUS BASIC US.

BASISCH B I S M U T H N I T R A A T.

M A G I S T E R I U M HIS M U T H I.

Een wit, kristallijn poeder, dat bevochtigd lakmoespapier rood kleurt en bij verhitting bruine dampen uitstoot.

Basisch Bismuthnitraat geeft met chloonvaterstofzuur, met verdund zwavelzuur en met salpeterzuur, zonder op te bruisen, kleurlooze oplossingen.

De vloeistof, verkregen door 500 mG. Basisch Bismuthnitraat op te lossen in 2 cM3. verwarmd salpeterzuur en deze oplossing met 25 cM3. water te verdunnen, zij helder en worde noch door baryumnitraat, noch door zilvernitraat troebel; zij geve, na door ammonia van bismuth bevrijd te zijn, een kleurloos vocht, dat, na verdampt te zijn, en nadat het overgeblevene zacht gegloeid is, niets weegbaars achterlaat.

Een oplossing van 400 mG. Basisch Bismuthnitraat in 4 cM\'. verwarmd chloorwaterstofzuur mag, na met haar eigen volumen stannochloride verwarmd te zijn, niet troebel of gekleurd worden.

Basisch Bismuthnitraat mag, als er natronloog aan wordt toegevoegd, geen reuk van ammoniak doen ontstaan.

Na verhit te zijn, late Basisch Bismuthnitraat 78—82 pet, Bismuth-oxyde achter.

Samenstelling. Het normale, neutrale bismuthzout van salpeterzuur is: Bi (NO3)3. De drie atomen waterstof van drie moleculen salpeterzuur zijn daarin vervangen door het driewaardige metaal bismuth.

Op verschillende wijzen, bijv. door verwarming of toevoeging van water, kunnen onder verlies van salpeterzuur uit dit zout basische zouten \') ontstaan van verschillende samenstelling, waarom derhalve voor de bereiding van een zout van bepaalde samenstelling ook steeds een bepaald voorschrift moet worden gevolgd.

Een dier basische zouten is het Basisch Bismuthnitraat der Ph , waarvan de samenstelling, naar het in de Ph. opgegeven procen-tisch gehalte aan bismuthoxyde, kan uitgedrukt worden door

de formule: Bi3 (NO3)5 (OH)7, waarschijnlijk een mengsel van

—--—

\') Basische zouten onderscheiden zich van normale zouten (zie « Carbonas natricus», blz. 154), doordien in het zout nog metaal voorhanden is, dat door zuur vervangen kan worden, in tegenstelling van zure zouten (zie «Bicarbonas natricus», blz. Ill), waarin nog waterstof van het zuur door metaal kan worden verplaatst.

-ocr page 156-

532

Bi(N03)1üH en Bi(N03)(0H)J met eenig bismutlihydroxyde, Bi (OH)3, bovendien nog ongeveer 5 pet. kristalwater bevattend.

Bereiding. Bij een mengsel van 5 dln. salpeterzuur en 2 dln. water wordt in eene kolf onder eerst langzame, later tot 100° versterkte verwarming bij kleine gedeelten zooveel tot grof poeder gebracht bismuth gevoegd (ongeveer 2 dln.), als daarin kan worden opgelost, zoodat ten slotte nog eenig bismuth onopgelost achterblijft. Onder ontwikkeling van stikstofdioxyde, N202, dat zich aan de lucht tot bruine dampen van stikstoftetroxyde, N204, oxydeert, wordt hierbij normaal bismuthnitraat gevormd.

2 Bi 8 HNO3

bismuth salpeterzuur 2 Bi (NO3)3 N2Oï 4- 4 H50

normaal stikstof- water

bismuthnitraat dioxyde


Bij de van overmaat bismuth afgeschonken oplossing van dit zout wordt daarna zooveel water gevoegd, dat, terwijl de in den beginne gevormde troebeling wederom oplost, er ten slotte een weinig van een blijvenden witten neerslag gevormd wordt, die men na omschudden gedurende eenige uren volkomen laat bezinken. Deze bewerking dient, om de oplossing van een mogelijk arsenikgehalte, afkomstig van het bismuth, te bevrijden. Dit arsenik wordt door het salpeterzuur tot arsenikzuur, As205, geoxydeerd en met het bismuthnitraat als bismutharseniaat, Bi As O 4 , opgelost, dat, als in water zeer moeilijk en nog minder oplosbaar dan de basische bismuthzouten, dus allereerst bij verdunning met water wordt afgescheiden.

Nadat dit neerslag is afgefiltreerd, wordt de heldere oplossing van bismuthnitraat onder sterk roeren in eens uitgegoten in ioo dln. heet water, waardoor het bedoelde basische bismuthnitraat wordt gevormd en afgescheiden.

Bi (NO3)3

neutraal bismuthnitraat

Bi (NO3)3 -f

neutraal bismuthnitraat

Bi (NO3)3 -f-

neutraal bismuthnitraat

HiO

water

2 H20

water

3 H20

water

Bi (N03)20H

Va-basisch bismuthnitraat

Bi NO3 (OH)2

Vs-basiseh bismuthnitraat

Bi (OH)3

bismuth-hydroxyde

HNO3

salpeterzuur

2 HNO3

salpeterzuur

-f 3 HNO3

salpeterzuur


-ocr page 157-

533

Na bekoeling en volkomen bezinking wordt het bovenstaande vocht helder afgeschonken en bij het bezinksel ter uitwassching van het zuur tweemaal een weinig water gevoegd en daarmede omgeschud, waarna de bovenstaande heldere vloeistof wederom wordt afgeschonken. Het precipitaat mag slechts tweemaal en niet meer met water worden behandeld en niet te lang daarmede worden afgewasschen, teneinde vorming van meer basische zouten en ten slotte van bismuthhydroxyde te voorkomen, waardoor het preparaat nier meer aan de gestelde eischen, een bismuthoxyde-gehalte van ongeveer 80 pet., zou voldoen.

Ten slotte wordt het nêerslag op een linnen doek verzameld, door zachte persing van nog aanhangend vocht bevrijd en bij eene zeer zachte warmte gedroogd.

Eigenschappen. Een zeer wit, fijn-kristallijn, reuk- en bijna smaakloos poeder, dat zuur reageert en dus bevochtigd lakmoespapier rood kleurt, onoplosbaar is in weinig, zeer moeilijk en gedeeltelijk oplosbaar in veel water, doch geheel oplosbaar in chloor-waterstof-, salpeter- en verdund zwavelzuur. 15ij verhitting verliest het eerst zijn watergehalte, vervolgens zijn zuurgehalte onder uitstooting van bruine dampen van stikstoftetroxyde, ten slotte onder achterlating van geel bismuthoxyde.

De chloorwaterstofzure oplossing wordt door water, alkaliën, alkali-carbonaten en kaliumferrocyanide wit, door zwavelwaterstof bruinzwart, door kaliumjodide bruin en door kaliumbichromaat geel geprecipiteerd.

Onderzoek.

10. Een ïvtt poeder. Een met zilvernitraat of zilver-oxyde, afkomstig van het gebezigde bismuth, verontreinigd preparaat wordt aan het licht langzamerhand grauw gekleurd.

20. kristallijn. De vorm en grootte der kristallen hangt af van de temperatuur van het water, waarin de bismuthnitraat-oplossing is uitgegoten. Uit koud water scheidt zich het Zout af in grootere, zuilvormige kristallen, waardoor het preparaat grover en zwaarder is. Uit water van 80°—90° vormt het kleine, naaldvormige en uit water van 90°—98° zeer kleine, min of meer ruitvormige, afzonderlijke of aaneengestrengelde kristalletjes, met welke verschillen ook de soortelijke zwaarte samenhangt. Alhoewel de Ph. gecne bereiding opgeeft, zal het wel de bedoeling zijn, dat een der twee

35

-ocr page 158-

534

laatstgenoemde preparaten, en wel waarschijnlijk het door de vorige Ph. bedoelde tweede, bij ons gebruikt moet worden.

3°. Basisch Bisrnuthnitraat geeft met ehloorwaterstofzuur, met verdund zwavelzuur en met salpeterzuur kleurlooze oplossingen. Een residu na behandeling met zuur kan wijzen op vervalsching met daarin onoplosbare stoffen als gips, zwaarspaath, z e t-m eel, enz. Eene troebeling bij oplossing in chloorwaterstofzuur kan wijzen op verontreiniging met lood of zilver, eene geel-kleuring op ijzer, eene troebeling na behandeling met zwavelzuur eveneens op lood, eene blauwkleuring op koper.

4°. zonder op te bruisen. Afwezigheid van carbonaat. B i S m ut h carbonaat kan voorkomen, indien, na de afscheiding van het basische Zout, het nog in oplossing gebleven bismuth met ammonium- of natriumcarbonaat wordt geprecipiteerd, teneinde de opbrengst te vergrooten. Overigens kan vervalsching plaats hebben met c a 1 c i u m- en m a g n e s i u m c a r b o n a a t,

5». De vloeistof, verkregen door 500 niG. Basisch Bismuth-nitraat op te lossen in 2 cM*. verzvarmd salpeterzuur en deze oplossing met 25 cM*. water tc verdunnen, zij helder. Slaat op de samenstelling van het Zout. Is de vloeistof na verdunning niet helder, dan bevat het preparaat te weinig salpeterzuur en is het Zout dus te basisch.

6°. en worde noch door haryumnitraat. Afwezigheid van s u 1 faat.

70. noch door zilvernitraat troebel. Afwezigheid van chloride, meer eigenlijk van bismuth oxychloride, afkomstig van chloorwaterstofzuurhuudend salpeterzuur \').

8°. zij geve, na door ammonia van bismuth bevrijd te zijn, een kleurloos voclit. Afwezigheid van koper, waarbij blauwkleuring zou ontstaan.

9°. dat, na verdampt te zijn, en nadat het overgeblevene zacht gegloeid is, niets weegbaars achterlaat. Afwezigheid van alkali-, calcium- en m ag n e s i u m verbindingen.

io0. Een oplossing van 400 niG. Basisch Bismuthnitraat in 4 cM*. verwarmd chloorwaterstofzuur mag, na met haar eigen volumen stannochloride verzvarmd tc zijn, niet troebel of gekleurd worden. Afwezigheid van ar sen ik-, seleen- en teiluur-verbindingen (methode Bettendorf). De eerste en laatste worden door re-

■) qoI\' fna? \'Ü n\'et occ\' worden door ammoniummolybdenaal, wat ojt (ihosphaat zou wijzen.

-ocr page 159-

535

ductie als zwart, de tweede als rood metaal afgescheiden gt;).

ii0. Basisch Bismuthnitraat mag, als er natronloog aamvordt toegevoegd, geen reuk van ammoniak doen ontstaan. Afwezigheid van a m m o n i a k-verbindingen.

12°. Na verhit te zijn, late Basisch Bismuthnitraat 78—82pet. geel Bismuthoxyde achter. De opgave van het procentisch bismuth-gehalte doelt op de samenstelling van het Zout. Heeft dit de boven opgegeven samenstelling: Bi3 (NO3)2 (OH)7 = 873, dan leveren 2 X ^73 = 1746 dln. Basisch Bismuthnitraat 3 X4Ö8(Bi;!03 = 468) = 1404 dln. Bismuthoxyde, wat overeenkomt met een gehalte van ongeveer 80 pet. Daar het Zout echter geene constante samenstelling bezit, doch deze door zelfs geringe wijzigingen in de bereiding eenigermate afwisselt, eischt de Ph. een gehalte van 78—82 pet. Bismuthoxyde na verhitting.

NITRAS KALICUS.

KALIUMNITRAA T.

Een wit, kristallijn poeder.

Kaliumnitraat kleurt een niet lichtende vlam blijvend violet en geeft niet 4 deelen koud of met 2 deelen kokend water neutrale oplossingen.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met wijnsteenzuur in overmaat een wit, kristallijn neêrslag en wordt, met ferrosulfaatoplossing vermengd, na toevoeging van zwavelzuur, bruinzwart. Baryumchloride, natriumear-bonaat, zwavelammonium noch zwavelwaterstof mogen haar troebel maken of kleuren, en zilvernitraat mag er niet terstond een opalescentie in doen ontstaan.

Samenstelling. KNO3

Het kaliumzout van salpeterzuur. Het atoom waterstof van dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal kalium.

Bereiding. Worden stikstofhoudende organische stoffen bij aan-

\') Do reactie op seleen- en tel I uu r-verbindingen kan nader geschieden door de grens-roactie mot nalriumsulllot. Zie bij «Acidum sulfuricum», blz. i\'). Een roode ring wijst op seleen-, oen zwarte op telluur-veibindingen.

-ocr page 160-

53Ö

Avezigheid van basische lichamen als kali, natron, alkalische silicaten, kalk, magnesia, enz. onder den invloed van vocht en ruime toetreding van lucht aan rotting blootgesteld, dan vormt zich daarin aanvankelijk ammoniak, die, in aanraking met de zuurstof der lucht, wordt geoxydcerd tot salpeterzuur, dat zich met de base verbindt.

NH3 40 = UNO3 H20

ammoniak zuurstol salpeterzuur water

NH3 HNO3 = NH \'NO3

ammoniak salpeterzuur ammoniumnitraat

NH4N03 KHO = KNO3 NIP H20

ammonium- kalium- kalium- ammoniak water

nitraat hydroxyde nitraat

Komt het kaliumnitraat in den bodem van sommige warmere gewesten als in Spanje, Hongarije, Egypte, Bengalen, enz. in uitgestrekte lagen voor, kunstmatig bootst men bovenstaand proces in sommige landen van Europa, bijv. Hongarije en Zweden, na in z.g. salpeterplantages, door rottende dierlijke en plantaardige overblijfselen als mest, rottende potasch- en salpeterrijke planten, enz. met aarde, asch, mergel, puin, zand, enz. te vermengen, tot hoopen te brengen, de poreuze massa van tijd tot tijd met urine, gier, enz. te begieten en, onder herhaalde omwerking met de spade, aan de inwerking der lucht bloot te stellen. Na twee a drie jaar wordt de massa met water uitgeloogd en de aldus verkregen loog met kaliumcarbonaat of -sulfaat behandeld, ten einde de nevens kaliumnitraat mede gevormde natrium-, calcium-en magnesiumnitraten in kaliumnitraat om te zetten. 13e vloeistof wordt daarna verhit, waarbij zich het calcium- en magnesium-carbonaat en -sulfaat volledig afzetten, vermengd met het grootste gedeelte der kleurende organische stoffen, terwijl zich bij verdere uitdamping de minder oplosbare chloriden afscheiden. Ten slotte brengt men de vloeistof bij behoorlijke concentratie in kristalli-seerbakken en laat ze daarin bekoelen, waardoor het onzuivere Zout zich in groote kristallen afzet.

Na de ontginning der uitgestrekte velden van natriumnitraat in Peru \' ) is deze wijze van salpeter-bereiding bijna geheel verlaten en wordt het kaliumnitraat tegenwoordig bijna uitsluitend verkregen uit het natriumnitraat, door dit met een potaschzout zóódanig te

\') /ie bij «Nitras natricus», blz. Ml.

-ocr page 161-

537

ontleden, dat twee zouten ontstaan van verschillende oplosbaarheid, zoodat het gevormde kaliumnitraat in warm water opgelost blijft, terwijl het mede ontstane natriumzout zich uit de geconcentreerde oplossing afscheidt.

Het gewoonlijk daartoe dienende potaschzout is het kaliumchloride, dat verkregen wordt door ontleding van carnalliet \'). Aequivalente hoeveelheden van beide zouten worden in water opgelost, de oplossing door inleiding van stoom verhit en daarna zóólang uitgedampt, totdat zij een soort. gew. van 1.5 bezit, waarbij zich het mede gevormde natriumchloride afscheidt. Dit verwijdert men, waarna

Na NO3 KC1 = KNO3 Na Cl

nalriumnilraat kaliumchloride kaliumnitraat natiiumchloriilo

de oplossing wederom door uitdamping tot genoemd soort. gew. wordt gebracht, zoodat andermaal en ten slotte op deze wijze het geheele gehalte aan natriumchloride zich heeft afgescheiden, waarna de loog in kristalliseerbakken wordt gebracht, waaruit zich bij bekoeling onder omroeren het Zout in kleine kristallen afzet, die worden afgewasschen en gedroogd.

In plaats van kaliumchloride worden ook andere potaschzouten voor de ontleding van het natriumnitraat gebezigd. In Rusland b.v. en de aangrenzende streken van Duitschland, waar de pot-asch goedkoop is, wordt kaliumcarbonaat gebezigd; in Engeland

2 Na NO3 K23 = 2 KNO» Na2C03

natrium- kalium- kalium- natrium

nitraat carbonaat nitraat carbonaat

geschiedt de ontleding door bijtende potasch, in de oplossing bereid uit koolzure potasch en gebluschte kalk, terwijl in Amerika

K2CO3 Ca (HO)2 = 2 KHO -f- Ca CO3

kalium- calcium- kaliurn- calcium-

carbonaat bydroxyde bydroxyde carbonaat

Na NO3 -f KHO = KNO3 Na HO

natrium- kalium- kalium- nalrium-

nitraat bydroxyde gt; nitraat hydroxyde

het natriumnitraat door baryumchloride, verkregen door behandeling van witherict met zoutzuur, eerst in baryumnitraat wordt omgezet, dat vervolgens met kaliumcarbonaat- of sulfaat wordt ontleed.

\') Zio bij «Carbonas kallcus», blz. lio.

-ocr page 162-

538

Ba CO3 2 HQ = Ba Cl2 CO2 H20

• baryum- chloor- baryum- kool- water

carbonaat waterstofzuur chloride dioxydo

2 Na NO3 Ba Cl2 = Ba(N03)2 2 Na Cl

natrium- baryum- baryum- natrium

nitraat chloride nitraat chloride

Ba (NO3)2 K2CO3 = 2 KNO3 Ba CO3

baryum- kalium- kalium- baryum-

nitraat carbonaat nitraat carbonaat

Het op de een of andere wijze verkregen kaliumnitraat is de ruwe salpeter, die door raffineeren wordt gezuiverd, hoofdzakelijk van chloriden en kleurende organische stoffen. Het raffineeren berust op de eigenschap van het kaliumnitraat, om in warm water veel sterker oplosbaar te zijn dan in koud, terwijl de chloriden in,koud en in warm water bijna even oplosbaar zijn. Men bereidt daarom eene oplossing van het ruwe Zout, zoo warm en zoo geconcentreerd mogelijk, klaart deze zoo noodig door middel eener lijm-oplossing van kleurende organische stoffen, voegt eenig kalium-carbonaat toe, teneinde calcium-, baryum- en magnesium-verbindingen te precipiteeren, waarna overmaat carbonaat door salpeterzuur wordt geneutraliseerd, en giet haar daarna door een linnen filter in den kristalliseerbak, waar zich bij bekoeling onder omroeren het min of meer zuivere salpeter als kristalmeel afzet, terwijl de chloriden in de loog achterblijven. Ten overvloede wordt het Zout daarna nog gewasschen met eene geconcentreerde oplossing van zuiver salpeter, waarin de nog voorhanden chloriden zullen oplossen, terwijl het salpeter zelve onopgelost blijft. Het Zout wordt ten slotte bij matige warmte op tafels, die met linnen bedekt zijn, gedroogd.

Voor pharmaceutisch gebruik kan zoo noodig het Zout nog verder van achtergebleven sporen chloride gezuiverd worden door herhaalde door omroeren gestoorde kristallisatie der verzadigde oplossing in warm water, alsmede door herhaalde uitwassching met weinig koud water, terwijl volkomen reiniging van natriumzout kan geschieden door afwassching met spiritus, waarin kaliumnitraat niet, natriumnitraat daarentegen wel oplosbaar is.

Eigenschappen. Een neutraal, droog, niet hygroscopisch, bitter, glinsterend, wit, kristallijn poeder, gemakkelijk oplosbaar in koud (3.8) en warm (0.4) water, bijna onoplosbaar in spiritus en onoplosbaar in aether. Bij verhitting smelt het en, hooger

-ocr page 163-

539

verhit, wordt het, onder ontploffing in tegenwoordigheid van brandbare lichamen, onder afgifte van zuurstof en stikstofzuurstof-verbindingen ontleed.

Kaliumnitraat kleurt een niet lichtende vlam blijvend violet. De oplossing in water (i — 20) geeft met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neerslag van kaliumhydrotartraat.

De oplossing in water, met zwavelzuur vermengd en op deze vloeistof gebracht: eene oplossing van ferrosulfaat, ontstaat aan den rand van afscheiding een violette tot bruine ring door eene verbinding van ferrosulfaat met stikstofdioxyde.

Onderzoek.

1°. Een wit, kristallijn poeder. Kaliumnitraat moet zuiver wit, mag niet min of meer gekleurd zijn. Het Zout komt ook voor in den vorm van grootere of kleinere, kleurlooze en doorschijnende, prismatische kristallen \'). Het gezuiverde Zout komt echter gewoonlijk als kristalpoeder voor, terwijl de grootere kristallen min of meer met moederloog gevulde holten bevatten, waardoor zij minder zuiver zijn en bij wrijven een vochtig poeder geven. De Ph. eischt daarom het Zout in poedervorm,

2°. Kaliumnitraat kleurt een niet lichtende vlam blijvend violet. Eene voorbijgaande geelkleuring der vlam zou op verontreiniging met natrium-zout wijzen J).

3°. en geejt met 4 deelen koud of met 2 deden kokend water neutrale oplossingen. In onderscheid met natriumnitraat, dat gemakkelijker oplosbaar is. — Afwezigheid van alkal i sch e stoffen, zooals kaliumhydroxyde of kaliumcarbonaat, of zuren, zooals salpeterzuur.

4°. De oplossing in water (1 = 20) geeft met \'wijnsteenzuur in overmaat een wit, kristallijn neerslag. In onderscheid met het natrium-zout, dat door wijnsteenzuur niet wordt geprecipiteerd,

5°. Baryume/tloride, natriumcarbonaat, zwavelammonium noch zwavelwaterstof mogen haar troebel maken of kleu.ren. Afwezigheid van sulfaat, calcium-, baryum- en magnesium-zouten en zware metalen als lood, koper of ijzer.

6°. en zilvermtraat mag er niet terstond een opalescentie in

\') Het Zout kan ook in rliomboëders kristalliseeren. Het is ilus dimorph. \') Een gehalte aan natriumnitraat zou bovendien het Zout hygroscopisch maken en de oplosbaarheid in spiritus verhoogen.

-ocr page 164-

54°

doen oiitstciciii. Afwezigheid van chloride (bromide en jodide). Daar het Zout zeer moeilijk geheel vrij van chloriden te verkrijgen is, worden sporen daarvan toegestaan. Ten einde verwisseling met mogelijk aanwezig carbonaat te voorkomen, voege men aan de te onderzoeken vloeistof een paar droppels salpeterzuur toe \').

NI TRAS NATRICUS.

NATRIUMNITRAA T.

Doorschijnende, kleurlooze kristallen.

Natriumnitraat kleurt een niet lichtende vlam blijvend geel en geeft met 1.3 deelen water een neutrale oplossing.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met wijnsteenzuur in overmaat geen neerslag en wordt, met ferrosulfaatoplossing vermengd, na toevoeging van zwavelzuur bruinzwart.

Baryumchloride, natriuracarbonaat, zwavelammonium noch zwavelwaterstof mogen haar troebel maken of kleuren, en zilvernitraat mag er niet terstond een opalescentie in doen ontstaan.

gt;) Over liet onderscheid tusschon chloride, bromide en jodide bij precipitatie inot zilvernitraat zie bij «Nitras argenlicus», blz. S\'iS. Deze kunnen dus naast elkander aangetoond worden door voorzichtige 011 droppelsgewijzc toevoeging eoner verdunde zilvernitraat-oplossing. Onder omschudden wordt eerst geelachtig zilverjodide, daarna geelwit -bromide en ten slotte wit chloride afgescheiden. Daarna met ammonia geschud, blijft geel zilverjodide terug. Wordt do ammoniakale oplossing voorzichtig met verdund salpeterzuur geneutraliseerd, dan scheidt zich eerst geelwit zilverbromide af en daarna eerst wit zilverchloride.

Overigens kunnfin chloor-, broom- en jood-verbindingen naast elkander herkend worden door destillatie der stof met kaliumbichromaat (1 dl.) en zwavelzuur (3 dln). Bij aanwezigheid van chloor ontwikkelen zich bruinroode dampen van chrooinoxy-chloride, terwijl broom en jood in vrijen staat overgaan. In water opgevangen, ontstaat bij neutralisatie mot ammonia uit het oxychloride geel ammoniumchromaat, dat bij toevoeging van azijnzuur in intensief geel ammoniumbichromaat overgaat, liroom en jood leveren daarbij kleurloos ammoniumbromide en -jodide. Deze kunnen verder naast elkander herkend worden dooquot; voorzichtige toevoeging van eenige droppels chloorwater en chloroform, waardoor eerst eene geelroode van vrij broom, vervolgens kleurloosheid door vorming van chloorbroom en daarna eene violette kleuring van de chloroform door vrij jood zal plaats hebben (/.ie blz. 116 en 400).

lien gehalte aan jodaat, ook aan nitriet, kan herkend worden door blauwkleuring mot kaliumjodidestijfsol en eenige droppels zwavelzuur; een gehalte aan jodaat nader door behandeling van het Zout, na zuurmaking, met natriumsulfiet, waardoor jodium vrij gemaakt wordt, dat chloroform en amylumoplossing kleurt, en een gehalte aan nitriet door do reactie met resorcine (zie blz. 508).

-ocr page 165-

S4i

Samenstelling. Na NO3

Het natriumzout van salpeterzuur. Het atoom waterstof van dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal natrium.

Bereiding. Natriumnitraat wordt in de natuur in uitgestrekte lagen gevonden aan de westelijke helling der Andes in Zuid-Amerika op eene hoogvlakte, die zich door een gedeelte van Peru en Bolivia over eene lengte van meer dan twee honderd kilometers uitstrekt. Met zwarte klei, saamgebakken zand en schelpaarde bedekt, wordt het ruwe Zout, de caliche, op sommige plaatsen nadat men deze bovenste, harde en dikke laag door buskruit heeft laten springen, met houweelen losgemaakt en vervolgens naar raffinaderijen gebracht.

Door klei en ijzeroxyde geel gekleurd, is het ruwe Zout vooral verontreinigd met keukenzout (natriumchloride), voorts met gips (calciumsulfaat), natriumsulfaat en boorzure kalk, benevens geringe hoeveelheden jood- en broom-verbindingen. De zuivering van het Zout in de raffinaderijen berust op het groot verschil in oplosbaarheid van natriumnitraat in warm en in koud water, terwijl, afgezien van verontreinigingen, die in water onoplosbaar zijn, bij de andere, vooral natriumchloride, dit verschil zeer veel geringer is. De caliche wordt daartoe, na fijngestooten te zijn, in ketels gebracht, waarin ze onder verwarming met stoom tot verzadiging in water wordt opgelost. Daarna wordt de vloeistof eenigen tijd in rust gelaten, waardoor het grootste gedeelte der onzuiverheden zich afzet. De heldere, verzadigde oplossing wordt vervolgens door kranen afgetapt en in kristalliseerbakken overgebracht. Na kristallisatie wordt de moederloog, welke op jodium wordt verwerkt \'), afgegoten, de kristallen gedroogd, naar de havenplaatsen gebracht en aldaar verscheept. Vroeger geschiedde de verzending voornamelijk over de havens in Chili, waarvan de naam Chili-salpcter afkomstig is.

Voor pharmaceutisch gebruik moet dit Zout, dat 95—98 pet. zuiver Na NO3 bevat, door omkristallisatie gezuiverd worden. Men lost daartoe 1 dl. van het Zout op in 2 dln. warm water, voegt zooveel natriumcarbonaat toe als noodig is, om mogelijk voorhanden aardalkalicn te precipiteeren, neutraliseert met salpeterzuur, filtreert, dampt in tot een soort. gew. van 1.5 en laat onder omroeren kristalliseeren. De verzamelde kristallen worden vervolgens

\') Zie bij «Jodium», biz. 4üö.

-ocr page 166-

54°

doen ontstaan. Afwezigheid van chloride (bromide en j o d i d e). Daar het Zout zeer moeilijk geheel vrij van chloriden te verkrijgen is, worden sporen daarvan toegestaan. Ten einde verwisseling met mogelijk aanwezig carbon a at te voorkomen, voege men aan de te onderzoeken vloeistof een paar droppels salpeterzuur toe \').

NI TRAS NATRICUS.

N A T R I y M N I T R A A T.

Doorschijnende, kleurlooze kristallen.

Natriumnitraat kleurt een niet lichtende vlam blijvend geel en geeft met 1.3 deelen water een neutrale oplossing.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met wijnsteenzuur in overmaat geen néerslag en wordt, met ferrosulfaatoplossing vermengd, na toevoeging van zwavelzuur bruinzwart.

Baryumchloride, natriumcarbonaat, zwavelammonium noch zwavelwaterstof mogen haar troebel maken of kleuren, en zilvernitraat mag er niet terstond een opalescentie in doen ontstaan.

\') Overliet onderscheid Uisschen chloride, bromide en jodide hij precipitatie inot zilvernitraat zie hij «Nitras argenticus», hl/. 5\'i8. Deze kunnen dus naast elkander aangetoond worden door voorzichtige en droppelsgewijze toevoeging eener verdunde zilver-nitraat-oplosslng. Onder omschudden wordt eci\'st geelachtig zilverjodide, daarna geelwit -bromide en ten slotte wit chloride afgescheiden. Daarna met ammonia geschud, blijft god zilverjodide terug. Wordt de ammoniakale oplossing voorzichtig met verdund salpeterzuur geneutraliseerd, dan scheidt zich eerst geelwit zilverbromide af en daarna eerst wit zilverchloride.

Overigens kunnen c h 1 o o r-, b r 0 o m- en j o o d-verbindingen naast elkander herkend worden door destillatie der stof met kaliumbichromaat (1 dl.) en zwavelzuur (3 dln). Bij aanwezigheid van chloor ontwikkelen zich bruinroode dampen van chroomoxy-cldoride, terwijl broom en jood in vrijen staat overgaan. In water opgevangen, ontslaat bij neutralisatie met ammonia uit het oxychloride geel ammoniumchromaat, dat hij toevoeging van azijnzuur in intensief geel ammoniumbichromaat overgaat. Broom en jood leveren daarbij kleurloos ammoniumbromide en-jodide. Ileze kunnen verder naast elkander herkend worden door voorzichtige toevoeging van eenige droppels chloorwater en chloroform, waardoor eerst eene geelroode van vrij broom, vervolgens kleurloosheid door vorming van chloorhroom en daarna eene violette kleuring van do chloroform door vrij jood zal plaats hebben (zie hlz. 116 en 400).

Een gehalte aan jodaat, ook aan nitriet, kan herkend worden doorblauwkleuring met kaliumjodidestijfsel 011 eenige droppels zwavelzuur; een gehalte aan jod aat nader dooi\' behandeling van bet Zout, na zuunnaking, met natriumsulfiet, waardoor jodium vrij gemaakt wordt, dat chloroform en amylumoplossing kleurt, en een gehalte aan nitriet door de reactie met resorcine (zie hlz. 508).

-ocr page 167-

S4i

Samenstelling. Na NO3

Het natriumzout van salpeterzuur. Het atoom waterstof vm dit zuur is vervangen door het éénwaardige metaal natrium.

Bereiding. Natriumnitraat wordt in de natuur in uitgestrekte lagen gevonden aan de westelijke helling der Andes in Zuid-Amerika op eene hoogvlakte, die zich door een gedeelte van Peru en Bolivia over eene lengte van meer dan twee honderd kilometers uitstrekt. Met zwarte klei, saamgebakken zand en schelpaarde bedekt, wordt het ruwe Zout, de c a lie he, op sommige plaatsen nadat men deze bovenste, harde en dikke laag door buskruit heeft laten springen, met houweelen losgemaakt en vervolgens naar raffinaderijen gebracht.

Door klei en ijzeroxyde geel gekleurd, is het ruwe Zout vooral verontreinigd met keukenzout (natriumchloride), voorts met gips (calciumsulfaat), natriumsulfaat en boorzure kalk, benevens geringe hoeveelheden jood- en broom-verbindingen. De zuivering van het Zout in de raffinaderijen berust op het groot verschil in oplosbaarheid van natriumnitraat in warm en in koud water, terwijl, afgezien van verontreinigingen, die in water onoplosbaar zijn, bij de andere, vooral natriumchloride, dit verschil zeer veel geringer is. De caliche wordt daartoe, na iijngestooten te zijn, in ketels gebracht, waarin ze onder verwarming met stoom tot verzadiging in water wordt opgelost. Daarna wordt de vloeistof eenigen tijd in rust gelaten, waardoor het grootste gedeelte der onzuiverheden zich afzet. De heldere, verzadigde oplossing wordt vervolgens door kranen afgetapt en in kristalliseerbakken overgebracht. Na kristallisatie wordt de moederloog, welke op jodium wordt verwerkt \'), afgegoten, de kristallen gedroogd, naar de havenplaatsen gebracht en aldaar verscheept. Vroeger geschiedde de verzending voornamelijk over de havens in Chili, waarvan de naam Chi li-salpeter afkomstig is.

Voor pharmaceutisch gebruik moet dit Zout, dat 95—9S pet. zuiver Na NO3 bevat, door omkristallisatie gezuiverd worden. Men lost daartoe 1 dl. van het Zout op in 2 dln. warm water, voegt zooveel natriumcarbonaat toe als noodig is, om mogelijk voorhanden aardalkalien te precipiteercn, neutraliseert met salpeterzuur, filtreert, dampt in tot een soort. gevv. van 1.5 en laat onder omroeren kristalliseeren. De verzamelde kristallen worden vervolgens

\') Zio bij «Jodium», bl/. 405.

-ocr page 168-

542

in een deplaceertrechter telkens met kleine hoeveelheden koud water afgewasschen en wel zóó lang, totdat het afgeloopen vocht, na zuurmaking met salpeterzuur, geen of bijna geen opalescentie meer geeft met zilvernitraat en baryumchloride, waarna het Zout in 0.5 dl. warm water wordt opgelost, de oplossing gefiltreerd en tot kristallen gebracht.

Eigenschappen. Neutrale, hygroscopische, zwak bittere, doorschijnende, kleurlooze kristallen, gemakkelijk oplosbaar in koud (1.2) en warm (0.6) water, minder oplosbaar in spiritus (100), onoplosbaar in aether. Bij verhitting smelten zij en, hooger verhit, worden zij, evenals als kaliumnitraat doch zwakker, onder ontploffing bij aanwezigheid van brandbare lichamen, onder afgifte van zuurstof en stikstofzuurstofverbindingen ontleed.

Natriumnitraat kleurt een niet lichtende vlam sterk en blijvend geel.

De oplossing in water (1 == 20), met zwavelzuur vermengd en op deze vloeistof gebracht eene oplossing van ferrosulfaat, ontstaat aan den rand van afscheiding een violette tot bruine ring door eene verbinding van ferrosulfaat met stikstofdioxyde.

Onderzoek.

1°. Doorschijnende, kleurlooze kristallen. Slaat op het gebruik van een voldoende gezuiverd Zout \').

2°. Natriumnitraat kleurt een niet lichtende vlam blijvend geel. Afwezigheid van k a 1 i u m-zout, dat, vooral door kobaltglas gezien, de vlam violetrood zou kleuren.

30. en geeft met 1,3 deelen ivater een neutrale oplossing. In onderscheid met kaliumnitraat, dat niet zoo gemakkelijk oplosbaar is. — Afwezigheid van alkalisch e sto ffe n, bijv. natrium-carbonaat, of zuren, zooals salpeterzuur.

40. De oplossing in water (1 == 20) geeft met wijnsteenzuur in overmaat geen neerslag. In onderscheid met k a 1 i u m -zout, dat daarmede een neêrslag geeft van kaliumhydrotartraat.

5Ó. Baryumchloride, natriumcarhonaat, zzvavelamvionitim noch zwavelwaterstof mogen haar troebel maken of kleuren. Afwezigheid van sulfaat, calciu m-, b a r y u m - en m a g n e s i u m-zouten en zware m e t a 1 e n als lood, koper of ijzer.

\') liet Zout krislalliseert gewoonlijk in rhomboëJers; het kan echter ook,\'evenals halinmnitraat, prismatische kristallen vormen. Beide zouten zijn dus ditnorph en kunnen denzelfden kristalvorm aannemen.

-ocr page 169-

543

6°. en zilvernitraat mag er niet terstond een opalescentie in doen ontstaan. Afwezigheid van chloride (bromide en j o d i d e). Daar het Zout zeer moeilijk geheel vrij van chloriden te verkrijgen is, worden sporen daarvan toegestaan. Ten einde verwisseling met mogelijk aanwezig carbonaat te voorkomen, voege men aan de te onderzoeken vloeistof een paar droppels salpeterzuur toe \')•

NI TRAS STRYCHNIN I. STRYCHNINE NITRAAT.

Glanzende, naaldvormige, kleurlooze kristallen, die verbranden zonder iets achter te laten.

Strychninenitraat is oplosbaar in 3 deelen kokend water, doch moeilijker in koud water en in sterken spiritus.

In kokend chloonvaterstofzuur lost het op met een bloedroode kleur, die later in een bruinroode overgaat.

De verzadigde oplossing in water geeft met kaliumbichromaat kristallen, die door zwavelzuur eerst blauw en daarna violet gekleurd worden.

Strychninenitraat losse zonder kleuring op in zwavelzuur.

Samenstelling. C^H^NW.HNO3

De verbinding van éc;n molecule van het éénzurige alkaloïde strychnine met één molecule salpeterzuur.

Bereiding. Strychnine wordt bereid uit Strychnoszaad, dat ongeveer 0.5 pet. daarvan bevat.

1°. 10 dln. Strychnoszaad wordt tot grof poeder gebracht en, na weeking in weinig warm water, daarmede zooveel mogelijk tot eene slijmige brij gewreven. Deze wordt driemaal met 50 dln. verdunden spiritus uitgekookt of door percolatie met warmen verdunden spiritus de alkaloïdzouten daaraan onttrokken, waarna de spiritus tot 10 dln. wordt afgedestilleerd. Bij het verkregen waterig extract droppelt men eene oplossing van 2 dln. loodacetaat, totdat geen neêrslag meer ontstaat, filtreert, slaat de overmaat

\') Over reactiën op chloride, bromide, jodide, joda al en n i t r i e t zie noot, blz. 5i0.

-ocr page 170-

544

lood door zwavelwaterstof of zwavelzuur neêr, fdtrcert wederom en dampt in tot 5 dln., waarna de alkaloïden door toevoeging van natronloog of natriumcarbonaat in overmaat worden afgescheiden en verzameld.

20. Tot grof poeder gebracht Strychnoszaad wordt gedurende 24 uren uitgekookt met eene niet te ruime hoeveelheid water, dat |—-/g dl. van het zaad aan zwavelzuur bevat, onder herhaalde toevoeging van het verdampte water, waarna de stof stevig wordt uitgeperst en het vocht door bezinking gezuiverd. Of wel 20 dln. zaad, tot grof poeder gebracht, wordt met 300 dln. water, waaraan \\ dl. zwavelzuur is toegevoegd, gedurende 24 uren koud getrokken en daarna doorgezegen, welke bewerking met het achterblijvende nog driemaal, doch nu met de helft van het zuur, wordt herhaald, waarna de bijeengegoten vochten, door bezinking gezuiverd, tot 300 dln. worden uitgedampt.

In beide gevallen wordt ten slotte aan het warme vocht, dat de alkaloïden als sulfaten bevat, zooveel kalkhydraat toegevoegd als noodig is, om na verzadiging van het overtollige zuur eene geringe overmaat kalk te verkrijgen, waardoor de alkaloïden worden geprecipiteerd. Het geheele neerslag, dat, behalve uit de vrije alkaloïden, uit calciumsulfaat, kalkhydraat en andere stoffen bestaat, wordt na bezinking verzameld, afgewasschen en gedroogd, daarna tot poeder gebracht en drie of vier malen met eene voldoende hoeveelheid verdunden spiritus uitgetrokken, waarin de alkaloïden oplossen, die na het afdestilleeren van den spiritus en verdere voorzic htige uitdamping van het vocht zich afscheiden.

Ter zuivering van het op de eene of andere wijze verkregen alkaloïde wordt dit met sterken spiritus behandeld, waarin brucine gemakkelijk oplost, strychnine daarentegen bijna niet wordt opgenomen. Deze wordt verzameld, eenige malen met sterken\'spiritus afgewasschen, gedroogd en daarna, in verdund azijnzuur of zwavelzuur opgelost, de oplossing over poeder van dierlijke kool gefiltreerd en hieraan ten slotte zóóveel ammonia of natriumcarbonaat toegevoegd als noodig is om het alkaloïde geheel neêr te slaan, waarna men het met koud water afwascht, droogt en uit warmen verdunden spiritus omkristalliseert.

De bereiding van Strychninenitraat bestaat in het oplossen van strychnine (5 dln.), met warm water (100 dln.) aangemengd, in salpeterzuur (i.g dln.). Bij bekoeling kristalliseert het Zout uit, terwijl door verdere voorzichtige uitdamping en kristallisatie het

-ocr page 171-

545

overige Zout kan worden verkregen, dat, zoo noodig onder behandeling met een weinig dierlijke kool, wordt omgekristalliseerd en bij zachte warmte gedroogd.

Eigenschappen. Neutrale, zijdeachtig glanzende, naaldvormige, luchtbestendige, kleur- en reuklooze, uiterst bittere kristallen, oplosbaar in koud (90) en warm (3) water en in kouden (70) en warmen (5) spiritus, onoplosbaar in aether.

Met ammonia, alkaliën en alkali-carbonaten geeft de waterige oplossing eene kristallijne afscheiding van strychnine, die weinig oplosbaar is in spiritus, zoo goed als onoplosbaar in aether, gemakkelijk oplosbaar echter in chloroform.

Met vele algemeene alkaloïd-reagentiën, zooals kaliummercurid-jodide, mercurichloride, tannine, pikrinezuur, joodoplossing, platinum- en goudchloride geeft de waterige oplossing een neerslag.

100 mG. Strychninenitraat, tot koken verwarmd met 2 cM3. chloorwaterstofzuur, lost daarin op met een bloedroode kleur, die later in een bruinroode overgaat.

10 mG. Strychninenitraat, opgelost in 5 cM3. water, geeft met 1 cM3. oplossing van kaliumbichromaat een geel, fijn-kristallijn neerslag van strychninechromaat. Op een filter verzameld en een weinig hiervan op een horlogeglas gebracht, wordt bij aanraking met zwavelzuur voorbijgaand blauw-violet, daarna rood en eindelijk geel gekleurd.

100 mG. Strychninenitraat, opgelost in 5 cM3. water, hieraan toegevoegd 1 cM3. ammonia en het gevormde neórslag van strychnine afgefiltreerd, het filtraat met 3 cM3. zwavelzuur vermengd en op deze vloeistof voorzichtig gebracht eene oplossing van ferro-sulfaat, ontstaat aan den rand van afscheiding een violette tot bruine ring door eene verbinding van ferrosulfaat met stikstofdioxyde.

Onderzoek.

1°. klenrloorje kristallen. Slaat op het gebruik van een zoo noodig door dierlijke kool en omkristallisatie voldoende gezuiverd Zout. Overmaat salpeterzuur moet bij de bereiding vermeden worden, daar dit op het alkaloïde zou inwerken en het Zout daardoor eenigszins geel gekleurd zou worden.

2°. die verbranden zonder iets aehter te laten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. natrium- of cal-ciumzout.

30. Strychninenitraat is oplosbaar in 3 deelen kokend ivater,

-ocr page 172-

546

doch moeilijker in koud water en in sterken spiritus. In onderscheid met het vrije alkaloïde strychnine, dat zeer moeilijk in koud (6300) en warm (2500) water, beter in kouden (160) en warmen (12) spiritus oplosbaar is. Aanwezigheid van het vrije alkaloïde zou bovendien de oplossing alkalisch, van vrij sal peter zuurtquot; zuur doen reageeren.

40. In kokend chloonvaterstof zuur lost het op viet cenbloedroode kleur, die later in een bruinroode overgaat. Iclentiteitsreactie voor stry ch ninenitraat; andere strychnine-zouten geven deze reactie niet.

5°. De verzadigde oplossing in water geeft met kaliumhiehro-viaat kristallen. In onderscheid met brucine \'), dat daarmede geene troebeling geeft.

6°. Strychninenitraat losse zonder kleuring op in zivavelzuur. Afwezigheid van brucine, waardoor de oplossing bruin-roodachtig zou gekleurd worden \'); tevens in \'t algemeen van organische stoffen, zooals rietsuiker, enz., welke zich met zwavelzuur kleuren.

NITRIS AETHYLICUS CUM SPIRIT U.

AETH YLNITRIET M T SPIRITUS.

SPIRITUS NITRI DULCIS.

N. Sterken Spiritus honderd deelen.........100

Salpeterzuur drie en twintig deelen........ 23

Destilleer op een waterbad totdat zijn overgegaan

negentig deelen..........90

Schud het destillaat met

Magnesiumoxyde één deel ........... 1

en rectificeer het op een waterbad.

Het zij een heldere, zeer lichtgele, aangenaam riekende vloeistof, met een soort. gew. van 0.840—0.850, die neutraal of zeer zwak zuur moet reageeren en, na verdampt te zijn, niets mag achterlaten.

1) Aanwezigheid van brucine kan beier aangetoond wonlen door vrij salpeterzuur, waannodo strychnine-zouten slechts geelachtig, brucine-zouten daarentegen bloedrood, daarna geelrood gekleurd worden.

-ocr page 173-

547

Als i cM\'. Aethylnitriet met Spiritus met water verdund wordt tot 20 cM3., dan moet 2 cM3. van dit mengsel, wanneer daaraan 2 cM3. cener oplossing van ferrosulfaat (15 = 100) in verdund chloonvatcrstof-2uur toegevoegd wordt, nog duidelijk olijfgroen tot bruingeel gekleurd worden.

Als 5 cM3. Aethylnitriet met Spiritus met 10 cM3. ammonia vermengd cn aan dit mengsel 2 cM3. eener oplossing van 1 deel jodium en 2 deelen kaliumjodide in 17 deelen water wordt toegevoegd, scheidt zich een zwart precipitaat af, dat na eenigen tijd weder oplost. Voegt men nu nog 2 cM3. of meer van dezelfde oplossing aan het mengsel toe, dan mogen, zelfs na V, uur, geene kristallen van jodoform zichtbaar zijn geworden.

Samenstelling.

Eene oplossing van aethylnitriet in spiritus, waarnevens als normale bestanddcelcn acetal dehy de en aethyl acetaat als bijproducten der inwerking van het salpeterzuur op den spiritus voorkomen \').

Aethylnitriet, C2II5.N02, is een samengestelde aether of ester, die afgeleid kan worden van het salpeterigzuur, UNO2 ^), door vervanging der waterstof van dit zuur door het aethylalcohol-radicaal.

HNO2 C2H5.OH CMRNO2

salpotorigzuur aothylalcohol aethylnitriet

Bereiding. Wordt een mengsel van spiritus cn salpeterzuur aan destillatie onderworpen, dan ontstaat niet de samengestelde aether van het salpeterzuur, aethylnitraat, doch dan werkt het salpeterzuur oxydeerend op den alcohol onder reductie van het salpeterzuur tot salpeterigzuur, dat zich met den alcohol omzet in aethylnitriet.

C2Hs.OIi HNO3 = UNO2 4- CH3.COH -f- H20

aothylalcohol salpeteiv.uur salpotorigzuur acotaldehydo watoi\'

C2H5iOH HNO2 = C2Hs.N02 H20

aothylalcohol salpetorigzuur aethylnitriet water

Behalve dat bij de destillatie, benevens een groot gedeelte van den onveranderden spiritus, ook geringe hoeveelheden vrij salpeterzuur en salpeterigzuur met het aethylnitriet overgaan, vormt zich door oxydatie van den alcohol acetaldehyde, dat gedeeltelijk

\') Zie over «acetalilehydo» hlz. 12 011 over «aethylacetaat» blz. 4.

Af to leiden van de drie waard igo stikstofzuurstofverbinding N20\' op dezelfde wijze als bij «Salpeterzuur» (blz. 30) daarvoor is vermeld.

-ocr page 174-

548

verder tot azijnzuur wordt geoxydeerd en zich als zoodanig met den aethylalcohol in aethylacetaat omzet.

Intusschen komen, van omstandigheden afhankelijk, nog andere oxydatie-producten van den alcohol en daaruit ontstane verbindingen in het destillaat voor, zooals kooldioxyde, mierezuur, azijnzuur, aethylformiaat, ammoniumformiaat en daaruit gevormd cyaan-waterstofzuur en aethylcyanide (propionitriel), aether, oxaalzuur, aethyloxalaat, enz., welke met het vrije salpeter-en salpeterigzuur bij neutralisatie met een base, natronloog of magnesiumoxyde, gedeeltelijk worden gebonden en verder bij de voorgeschreven rectificatie achterblijven.

üe vorming van genoemde bestanddeelen en de hoeveelheden daarvan hangen nauw samen met de onderlinge hoeveelheden en ile sterkten der gebezigde ingrediënten, de aangewende temperaturen , zelfs met de wijze van arbeiden, waarom bij de bereiding, ten einde een preparaat te verkrijgen van zooveel mogelijk gelijke samenstelling, een bepaald voorschrift nauwkeurig moet worden gevolgd.

Volgens liet voorschrift der Ph. worden 23 dln. salpeterzuur in eene ruime kolf onder voortdurend, zacht omschudden en bij kleine gedeelten vermengd onder 100 dln. sterken spiritus, de kolf daarna in ecu waterbad geplaatst, gesloten en door een gebogen glazen buis met een Liebig\'schen afkoeler en een ruimen, los aangebrachten ontvanger, welke voortdurend afgekoeld moet worden, verbonden. Terstond daarna wordt tot de destillatie overgegaan, welke voorzichtig moet geschieden, zoodat de temperatuur van het vocht, die door een in de kolf aangebrachten thermometer kan worden gecontroleerd, langzaam stijgt. Is de temperatuur zóó hoog gestegen . dat er zich in de kolf gekleurde dampen van stikstofzuur-stofverbindingen vormen, dan is zij te hoog; bij hooger temperatuur kan zelfs ontploffing ontstaan. Overigens heeft in den aanvang bij lagere temperatuur weinig chemische werking in de vloeistof plaats en gaat tot ongeveer 8o0 bijna niet anders dan onveranderde alcohol over. Bij 80°—83° geschiedt de eigenlijke werking, komt de vloeistof in levendige beweging en gaat naast alcohol het grootste gedeelte der gevormde producten over, terwijl tegen het einde der destillatie de temperatuur tot 950 stijgt. In den regel is dan de destillatie geëindigd; overigens destilleert men totdat go dln. zijn overgegaan.

Het zure destillaat wordt vervolgens in eene flesch overgebracht

-ocr page 175-

549

en daaraan toegevoegd i dl. magnesiumoxyde, waarmede het zóó lang wordt geschud, totdat de zure reactie volkomen verdwenen is. Men laat daarna bezinken, controleert nog eenmaal of het vocht niet meer zuur reageert, giet in dit geval het bovenstaande vocht in een getubuleerde retort over, waaraan later het in het magnesiumoxyde achtergebleven en daarvan afgefiltreerde vocht wordt toegevoegd en rectificeert het vocht op een waterbad \'). Men verwarme het vocht zeer langzaam, koele den ontvanger sterk af en menge na de rectificatie de destillatieproducten door omschudding

van het vocht 2).

«

Eigenschappen. Ecnc heldere, zeer lichtgele, aangenaam naar reinette-appelen riekende en eenigszins zoet en brandend smakende, volkomen vluchtige vloeistof, met een soort. gevv. van 0.840—0.850, die neutraal of zeer zwak zuur reageert en zich in elke verhouding met water, spiritus en aether laat mengen.

2 cM3. Oplossing van Aethylnitriet met Spiritus in water (1 = 20), waaraan toegevoegd 2 cM3. eener oplossing van ferro-sulfaat in verdund chloorwaterstofzuur (3 = 20), wordt olijfgroen tot bruingeel gekleurd.

2 cM3. Oplossing van Aethylnitriet met Spiritus in water (1 = 20), voorzichtig gegoten op 2 cM3. der ferrosulfaat-oplossing, wordt aan den rand van afscheiding donkerbruin gekleurd.

2 cM3. Oplossing van Aethylnitriet met Spiritus in water (1 = 20) wordt door één droppel kaliumjodidestijfsel donkerblauw gekleurd.

\') Do Pli. gcoft niet op, of liet doslillaat met of zonder do overmaat magnesiumoxyde moet worden gereclificcerd. Daar echter tiet oxyde voor de rectificatie onnoodig is en zeer waarschijnlijk niet anders dan nadeelig, ontledend op lietaethylnitiiet kan werken, meenen wij, dat \'t in de bedoeling ligt, het vóór de rectificatie grootendeels te verwijderen.

quot;) Kleine, min nf meer practische wijzigingen in het voorschrift worden hier en daar, zooals in de Ph. Germ. Ed. Ill, aangetroffen. Teneinde bijv. bij de vermenging der vochten eene te hevige inwerking van het salpeterzuur op den spiritus te voorkomen, laat deze een gedeelte, de helft, van den spiritus voorzichtig op het salpeterzuur brengen en het vocht gedurende twee dagen zonder schudden staan, zoodat eene langzame vermenging van den spiritus met het salpeterzuur plaats heeft. De andere helft van den spiritus, die in ons voorschrift onveranderd overgaat en dus geen deel neemt aan do chemische werking, wordt door haar in den ontvanger gebracht, om daarin de eerste, vluchtige destil-latieproducten op te vangen en aldus minder gelegenheid tot vervluchtiging daarvan te geven.

Sommige Ph. schrijven bovendien het gebruik van zwavelzuur (V. S.) of suiker (Belg,) bij de destillatie voor; andere (de liiitsche) ook koper, teneinde zooveel mogelijk vorming van bijproducten te voorkomen. Die der V. S. laat het gevormde en gedepuroerde aethylnitriet verder eenvoudig in alcohol oplossen, zoodat dit preparaat enkel uit eene oplossing van aethylnitriet iu alcohol bestaat.

36

-ocr page 176-

55°

5 cM1. Aether met Spiritus, met 5 cM3. water verdund, wordt, vooral bij verwarming, door 1 cM3. kaliloog langzamerhand donkerbruin gekleurd.

5 cM3. Aether met Spiritus, met $ cM3. water verdund en

met 1 cM3. ammoniakale zilvernitraat-oplossing \') langzaam in het waterbad verwarmd, geeft reductie tot een zilverspiegel.

Onderzoek.

i». een zeer lichtgele vloeistof. Onder den invloed van het licht en het watergehalte van den spiritus wordt Aethylnitriet met Spiritus door de zuurstof der lucht allengs ontleed en ten slotte kleurloos. Het gehalte aan aethylnitriet en aldehyde neemt daarbij langzamerhand af, terwijl vrij salpeterzuur en azijnzuur de vloeistof zuur doen reageeren. Het preparaat worde daarom buiten den invloed van het licht in geheel gevulde en goed gesloten flesschen

op eene koele plaats bewaard.

2°. aangenaam riekende. Eene vreemde reuk bij zachte verwarming kan veroorzaakt worden door het gebruik van foezelhoudenden s p i r i t u s bij de bereiding. Bij vermenging met zwavelzuur zou de vloeistof alsdan gekleurd worden.

3». met een soort. gew. van 0.840—0.850. Aethylnitriet heeft een soort. gew. van 0.947, terwijl dat van alcohol 0.831—0.837 bedraagt. Afgezien van de andere bestanddeelen kan dus het soort, gew. eenigermate een maatstaf zijn voor het gehalte aan aethylnitriet. Een te groot watergehalte kan echter ook bijdragen tot

verhooging van het soort. gew. 2).

40. die neutraal of zeer zzvak zuur moet reageeren. Slaat op eene deugdelijke bereiding en bewaring van het preparaat (zie sub 1°). Gewoonlijk reageert de vloeistof zwak zuur, daar geheele verhindering van zuurvorming bij dagelijksch gebruik van het preparaat moeilijk te voorkomen is, tenzij het boven magnesium-oxyde of eenige kristallen van kaliumtartraat worde bewaard. Sporen vrij zuur worden daarom toegestaan •\').

1

\') Eene opgave in de Ph. van de grens der veroorloofde aciditeit ware wenschelijk geweest. De Ph. Germ. Ed. Ill geeft bijv. op, dat 10 cM\'. na toevoeging van 3 droppols volumetrisch alkali niet rneer zuur mogen reageeren.

2

Aetliylnilriet met Spiritus moet, met een gelijk volumen chloroform geschud, helder blijven. Bij een te hoogwatergehalte wordt het mengsel melkachtig troebel en scheidt zich langzamerhand een weinig water af.

-ocr page 177-

S5i

5°. en, na verdampt te zijn, niets mag achterlaten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. magnesiumverbindingen bij een niet gerectificeerd preparaat.

6°. Ah i eM*. Aethylnitriet met Spiritus met water verdundvjordt tot 20 eM3., dan moet 2 eM*. van dit mengsel, wanneer daaraan 2 cM%. eener oplossing van ferrosulfaat (15 = 100) in verdnnd chloorwaterstofzuur toegevoegd wordt, nog duidelijk olijfgroen tot bruingeel gekleurd worden. Bij gebrek aan eenvoudige en doeltreffende methoden ter bepaling van het gehalte slaat deze proef als grensreactie op de aanwezigheid van eene voldoende hoeveelheid aethylnitriet in het preparaat. De reactie berust hierop, dat het aethylnitriet door het verdund chloorwaterstofzuur ontleed wordt en het vrij geworden salpeterigzuur door het ferrosulfaat, onder oxydatie tot ferri-zout, gereduceerd wordt tot stikstofdijoxyde, dat in de overige ferrosulfaat-oplossing met eene lichter of donkerder bruine kleur oplost \').

\') Metlioiien Ier bepaling van het gehalte aan aethylnitriet in Aelhylnltriet met Spii itus zijn bijv.:

a. ilie, welke berust op de ontleding van het aethylnitriet met kaliumhydroxyde en bepaling van het gevormde kalinmnitriet door titratie, na aanzuring niet zwavelzuur, van hot door toevoeging van kaliumjodide daaruit afgescheiden jodium met thiosulfaat of door titralie met kaliurnpermanganaat, totdat dit niet moer ontkleurd wordt. Zoo geeft de 1\'h. V.S. op, 10 Grm. Aethylnitriet met Spiritus gedurende i\'2 uren onder omschudden te digereeren met 1.5 Grm. kaliumhydroxyde, daarna bet vocht met een gelijk volumen water te verdunnen, na bet geheel verdwijnen van den reuk met verdund zwavelzuur zwak zuur te maken en vervolgens langzamerhand eene ■oplossing van 0.335 Grm. kaliurnpermanganaat toe te voegen, die geheel ontkleurd moet worden, wat op een gehalte van minstens 4 pet. zuiver aethylnitriet in bet preparaat wijst. Hij aanwezigheid van grootere hoeveelheden aldehyde en andere bijproducten geeft deze methode echter onvoldoende resultaten.

h. die, welke berust op de ontleding eener oplossing van ammoniumnitriet bij verhitting in stikstof en water. Het Aethylnitriet met Spiritus wordt daartoe in een gesloten

N11-.N0» = \'2 N 2 llgt;0 ammoniumnitriot stikstof water

kolfje met alkoholische kali gedigereerd, de vloeistof daarna ter verwijdering van alcohol, enz. uitgedampt en het kaliumnitriethoudende residu met eene geconcentreerde ammoniumchloride-oplossing verbit in een door kooldioxyde luchtvrij gemaakt apparaat. Uit bet ontwikkelde stikstofgas wordt het gehalte aan aethylnitriet afgeleid (Rose n b I ad t).

c. die, welke berust op de bepaling van het stikstofdioxydo, hetwelk bij de ontleding van aethylnitriet door ferro-zouten gevormd wordt en door destillatie uit een luchtvrij toestel kan worden verzameld.

2 C\'H\'.NO1 -f 2 Fe SO^ ll!S0» = 2Cgt;11S0II [Fe1] (SO4)3 2 NO

aethylnitriet fevrosnlfant zwavelzuur aethjlalcohol ferrisultaat stikstotoxyde

-ocr page 178-

552

7°. Als 5 cM%. Aethylnitriet met Spiritus met \\o cM*. ammonia vermengd en aan dit mengsel 2 cM*. eener oplossing van \\ deel jodium en 2 deelen kaliumjodide in 17 deelen ïvater zvordt toegevoegd, scheidt .zich een zwart precipitaat af, dat na e enig en tijd weder oplost. Voegt men nu nog 2 ril/3. of meer van dezelfde oplossing aan het mengsel toe, dan mogen, zelfs na \'/s uur, geene kristallen van jodoform zichtbaar zijn geworden. Deze proef slaat op het gebruik van gemethyleerden spiritus bij de bereiding. Het daarin aanwezige aeeton zet zich nl. onder invloed van een base op de aangegeven wijze in jodoform om \'). Aethylalcohol vertoont dezelfde reactie, doch alleen dan, wanneer als base kali- of natronloog gebezigd wordt, niet echter bij gebruik van ammonia, zoodat bij de reactie geen der eersten in plaats van het laatste mag gebezigd worden.

In eone vooraf luclitledig gemaakte kolf, liie ook tijüpns de bewerking lucbllodig wordl geliondcn en dus terstond weder voor een nieuw onderzoek gescliikt is, wordt uit 0011 mengsel van ferrosulfaat oplossing, verdund zwavelzuur en Aethylnitriet met Spiritus door verwarming stikstofoxyde uitgedreven en in eene meetbuis, met natronloog gevuld, opgevangen, daarna het volumen van het gas afgelezen en, na correctie van temperatuur, dampkringsdrukking en spanning van waterdamp, op aethylnitriet berekend volgens de

formule 1/ , w H ~ 6 , -. 0.1207. (1/ = aantal cM1. gas; II = barometer-b X a (237 t)

stand; e = spanning waterdamp bij l°\\ S = soort. gew. Aethylnitriet met Spiritus; a = aantal cM3. daarvan voor het onderzoek gebezigd; t = temperatuur) (Eijkman). In plaats van ferrosulfaat kan ook kaliumjodide gebezigd worden (Allen), bij welke

CMl\'.NO» KI H\'SO» = CMI\'.Oll K11SO\' 1 NO

aethylnitriet kalium- zwavelzuur aethylalcohol kaliumhydro- jodium stikstof-

jodide sulfaat oxyde

methode tevens de controle kan geschieden door titratie van hot afgescheiden jodium met thiosulfaat.

Volgens bovenstaande methode is bijv. in de Britsche Pb. als minimum-gehalte opgenomen, dat onder gewone drukking en temperatuur hel versche preparaat zijn 7-voudig, het eenigen lijd bewaarde niet voel minder dan zijn 5-voudig volumen aan stikslofoxyde moot opleveren.

■) Zie blz. 471. Het is wenschelijk hierbij ten slotte nog 2 cMs. water te voegen, waardoor de afscheiding van jodoform wordt bevorderd.

-ocr page 179-

553

O L E A.

O LIEN.

Zoowel de vette als de vluchtige OliC\'n moeten helder en onvervalscht zijn. De vette Oliën mogen niet ransig smaken of rieken, en de vluchtige moeten in hooge mate rieken naar de plantendeelen, waaruit zij werden afgescheiden.

Een droppel vluchtige Olie, in water gebracht, mag aan zijn oppervlakte niet troebel worden. Op een waterbad verwarmd, mogen vluchtige Oliën geen destillaat geven.

Op papier gedroppeld, moeten vluchtige Oliön, als zij verwarmd worden, geheel verdwijnen, zonder een doorschijnende vlek achter te laten.

A. O L E A P I N G U I A.

V E T T E OEI Ë N.

Samenstelling. Vette Oliën zijn te beschouwen als vloeibare vetten \'). Als deze bestaan zij, afgezien van de daarnevens voorkomende, voor sommige Oliën kenmerkende verbindingen, in hoofdzaak uit een mengsel van samengestelde aethers , glyceriden van palmitine-, stearine- en oliezuur (palmitine, stearine en oleïne) Terwijl echter bij de min of meer vaste vetten de palmitine en stearine de overhand hebben, vormt bij de vloeibare, de Oliën, de oleïne het voornaamste bestanddeel, waarnaast dan gewoonlijk kleine hoeveelheden palmitine en stearine voorkomen.

In sommige vette Oliën, de drogende 3), is het oliezuur geheel of grootendeels door een ander, waterstofarmer, eigen zuur vervangen, bijv. het lijnoliezuur bij Lijnolie, ricinusoliezuur bij Ricinusolie, enz. 4)

Bereiding. De vette Oliën zijn als zoodanig voorhanden in de grondstoffen, waaruit zij worden verkregen. Deze zijn gewoonlijk

gt;) Door hare vaslhoid maken hierop uilzondeiing Cacao- en Muskaat boter, welke in plaats van onder de Oliën ook onder de Vetten zouden gerangschikt kunnen worden. Eigenaardig zijn zij daarom onder de lusschen deze beide instaande Dolers geplaatst.

*) Zie bij «Adeps suillus», blz. 51.

3) Zie blz. 55i.

Zie verder bij «Oleum Lini»), ft Oleum Uichii», enz.

-ocr page 180-

S 54

van plantaardigen oorsprong, terwijl de bereiding meestal geschiedt door uitpersing na voorafgaande fijnmaking en dikwijls onder aanwending van meerdere of mindere warmte. In enkele gevallen laat zich de Olie ook door heet water, aether of zwavelkoolstof aan de weefsels, waarin zij vervat is, onttrekken. Na uitpersing of uittrekking laat men gewoonlijk de vloeibare Olie bezinken, giet haar verder helder af en filtreert haar.

Ten einde ontleding door licht, lucht en vocht tegen te gaan, moeten de vette Oliën tegen den invloed van het licht in goed gesloten, zooveel mogelijk gevulde en volkomen droge flesschen bewaard worden.

Eigenschappen. Neutrale, niet-vluchtige, bij gewone en lagere temperatuur meestal vloeibare en heldere, somtijds ook vaste stoffen, kleurloos of wit-, geel- tot bruinachtig van kleur, reuk- en smaakloos of weinig, doch eigenaardig riekend en smakend, lichter dan water en daarin niet oplosbaar, evenzoo niet of zeer moeilijk oplosbaar in spiritus quot;), gemakkelijk daarentegen oplosbaar in chloroform, aether , zwavelkoolstof en aetherische oliën.

Op papier laten zij eene doorschijnende vlek achter. Bij bewaring onder invloed van lucht en licht blijven zij vloeibaar en worden daarbij ten slotte onder afscheiding van vrij zuur rans {niet-drogende Oliën) of zij drogen daarbij langzamerhand harsachtig op, ten slotte tot een soort van vernis {drogende Oliën). Met alkaliën vormen zij door verbinding van deze met de vetzuren in water oplosbare (zeepen), met metaaloxyden onoplosbare (pleisters) verbindingen onder afscheiding van glycerine 1). Door verhitting worden zij ontleed onder verspreiding van den reuk van acroleïne 2).

Onderzoek.

1°. de vette Oliën moeten helder zijn. Slaat op eene deugdelijke bereiding der vloeibare vette Oliën, zoodat mede uitgeperste bestand-deelen der grondstoffen als slijm-, eiwitstoffen, enz. door bezin-king en filtratie voldoende verwijderd zijn. Sommige vloeibare vette Oliën blijven ook nog bij lage temperatuur vloeibaar en helder, terwijl elk harer eene zekere temperatuur bezit, waarbij zich

1

!) Zie bij «Krnplastruin Oxydi plumbici», bi/.. iioS.

2

) Zie bij «Glycerimim», blz. 371.

-ocr page 181-

555

vaste vetdeden beginnen af te scheiden, zoodat dit stollingspunt als een kenmerk harer echtheid en onvervalschtheid kan worden gebezigd 1).

2°. en onvervahcht. Behalve hare helderheid bij gewone temperatuur en de warmtegraad, waarbij de vloeibare vette Oliën nog vloeibaar blijven of beginnen te stollen, de kleur, reuk 2) en smaak en verder haar soortelijk gewicht, dat meestal tusschen enge grenzen varieert, vormen, uitgezonderd eigenaardige, bij de desbetreffende Oliën te vermelden reactiën, vooral het gehalte aan vrije vetzuren 3), het smelt- en stollingspunt der daaruit afgescheiden vetzuren ^), het

\') De bepaling van liet stollingspunt der vlooiljare veile Oliën kan geschie-ilen, door eene ongeveer 10 cM. lange en ongeveer 0.5 cM. of minder wijde, volkomen droge buis van zeer dun glas voor ongeveer twee derden met Olie Ie vullen en hieraan op zijde een kleinen tliermomeler te verbinden. Zoodra bij rust onder geleidelijke afkoeling de Olie aan den wani der buis begint te stollen, leest men de temperatuur af, welke die van het slollingspimt is.

J) De reuk is het best waar te nemen, door eenige droppels Olie op de handvlakte uil te wrijven of door zachte verwarming in een porseleinen uitdampschaallje. Men vergelijke den waar te nemen reuk met dien, welke eene als echt en onvervalscht bekende Olie onder gelijke omstandigheden geeft.

^1) Hg\' gehalte aan vrije vetzuren kan bepaald worden, door 10 Grm. Olie op te lossen in de drie- of viervoudige hoeveelheid aether en de oplossing daarna met ab^oluten alcohol te verdunnen. Na de heldere oplossing met eenige droppels phenol-phlaleïne vermengd te hebben, voege men onder omroeren zooveel Vio\'VoIumetriscli Alkali toe, dat de vloeistof eene geringe roode kleur heeft aangenomen. Iedere 10 cM3. verbruikte \'/iirVolumelrisch Alkali stelt volgens Burstijn óón zuurgraad voor, overeenkomende met 0.282 Grtn. oliezuur, of men geeft het zuur getal aan, wat beteekent, hoeveel milligrammen kaliumhydroxyde ter verzadiging van de vrije vetzuren in 1 Grm. Olie noodig zijn.

\'•) Voor de afscheiding der vetzuren brengt men 10 cM3. Olie met 15 cM3. natronloog en 10 cll3. alcohol in een kolfje van ongeveer 150 cM3. en verwarmt onder gedurig omschudden op het waterbad bij ongeveer 40°, totdat hot mengsel helder is en dus volkomen verzeeping heeft plaats gehad. Vervolgens voegt men 100 cM3. warm water loe, waarbij eene heldere oplossing moet worden verkregen. Door zuurmaklng met chloorwaterstofzuur worden de vetzuren afgescheiden, die men onder verdere verwarming en toevoeging van warm water boven aan den hals van hot kolfje verzamelt, zoodat ze na volkomen heldere afscheiding voorzichtig in een ander kolfje kunnen worden overgebracht. Men wascht ze verder met warm water volkomen uit, laat ze wederom onder verwarming en toevoeging van warm water boven aan den hals van hot kolfje afzetten, verzamelt ze op een filler en weegt zo. Het Hehner\'sche gotal geeft aan de hoeveelheid in water onoplosbare vetzuren, uit 100 Grm. Olie verkregen.

Het smeltpunt der vetzuren kan bepaald worden op analoge wijze als voor de bepaling van het stollingspunt der Oliën hier boven is aangegeven. Zoodra zich bij geleidelijke verwarming een weinig vloeibaar vetzuur onder in het aldaar liefst vernauwde buisje afzet, wordt de temperatuur afgelezen.

De bepaling van het stollingspunt geschiedt na volledige smelting op overeenkomstige wijze als die der Oliën zelve.

-ocr page 182-

5Sö

verzeepingsgetal 1) en het joodadditiegetal 2) de voornaamste kenmerken voor de echtheid en onvervalschtheid der vloeibare vette Oliën. Bovendien vormt de elaïdine-proef eveneens voor som-

1

\') Do bepaling van hot verzeepingsgetal geschiedt iloor aan i a2Grtn.01ie \'25 cM:i. \'/j-volurnetrische spiritueuse kalioplossing toe te voegen en dit mengsel in een kolfje, met oen trechter afgesloten, gedurende een kwartier op het waterbad zacht tot kook temporat uur te verwarmen. Na toevoeging van 2a3 droppels plienolphtaleïno wordt daarna de overmaat kaliloog met behulp van \'/a-volumetrisch chloorwaterstofzuur terug-getitreerd. Ter vergelijking stelt men op gelijke wijze den titer van de spiritueuse kalioplossing vast, door \'25 cM3. daarvan eveneens gedurende een kwartier op het waterbad zacht tot kooktemperatuur to verwarmen en vervolgens na toevoeging van phenolphtaleïne met \'/a-volumetrisch chloorwaterstofzuur te titreeren. liet verzeepingsgetal, het Kötts-törfersche getal, geeft aan, hoeveel milligrammen kaliuinhydroxyde noodig zijn, om 1 Grm. Olie geheel te verzeepen.

2

\') De bepaling van het joodadditiegetal, het II übl\'se he joodgetal, berust daarop, dat, terwijl jodium bij gewone temperatuur slechts zeer langzaam op vette Oliën inwerkt, d3 daarin voorhanden vrije vetzuren en de glycoriden daarvan gemakkelijk in chloorjoodadditioproducton worden omgezet, wanneer eone spiritueuse oplossing van jodium en mercurichloride daarop inwerkt. De hoeveelheid Jodium, die de verschillende

3

vette Oliën zich daarbij toeëigonen, is zeer verschillend, daar de eigenlijke leden der vetzuurreeks geen, die der oliezuurreeks 2 atomen on do loden der lijnoliezuurreeks

-ocr page 183-

557

mige vette Oliën een middel ter opsporing van vervalsching met andere Oliën, ook en vooral ter onderscheiding en opsporing van vervalsching der niet-drogende Oliën met drogende \'j.

Bij het onderzoek naar de echtheid en onvervalschtheid der vaste vette Oliën is vooral de bepaling van haar smelt- en stollingspunt van belang 2).

3°. De vette OliSn mogen niet ransig smaken of rieken. Slaat op het gebruik van deugdelijk bereide en niet te oude Oliën, tevens op eene deugdelijke bewaring, zoodat gcene door ransigen smaak of reuk te onderkennen belangrijke hoeveelheden vrij olie- of vetzuur in de Olie aanwezig zijn.

B. O L E A A E T H E R E A.

VLUCHTIGE OLIËN.

Samenstelling. Naar hare bestanddeelen worden de vluchtige Oliën verdeeld in zuurstofvrije en zuurstofhoudende.

De zuurstofvrije aetherische Oliën zijn allen koolwaterstoffen van de formule (Cnll8)°, terpenen of camphenen. Naar hare isomeere of polymeere samenstelling worden deze weder verdeeld in; a. hendterpenen of pentenen, koolwaterstoffen van de samenstelling C5H8; b. eigenlijke terpenen van de samenstelling C] 0H10, van welke men weder vooral naar verschil in kookpunt, soortelijk gewicht, enz. verschillende groepen onderscheidt, als de pine en-, eampheen-, terpinoleen-, sylvestreen-, terpineen-, phellandreen-, limoneen- en dipenteen-gïoep; c. sesquiterpenen van de samenstelling CI5H24; d, diterpenen van de samenstelling C20H32, enz.

De zuurstofhoudende aetherische Oliën bestaan eveneens uit bovenstaande terpenen, waarnaast echter een zuurstof houdend lichaam voorkomt, dat het belangrijkste bestanddeel van de Olie uitmaakt en waarschijnlijk bf tot de oxydatieproducten öf tot de hydraten der bijbehoorende terpenen moet gerekend worden.

\') De o 1 aï cl i ne-p r o o f berust hierop, dat de oleine der niet-drogende Oliën, wanneer zij mot een spoor salpcterigzuur i» aanraking komt, ineen isomeer vast, wit vet, elaïdine, overgaat. Bij tegenwoordigheid van sommige vreemde oliën kleurt zich de Olie onder deze omstandigheden rood-, bruin- of groenachtig, terwijl de oleïne dor drogende Oliën onder dezelfde omstandigheden vloeibaar blijft. Bij tegenwoordigheid van deze zal de Olie dus slechts geileellolijlt vast worden en olieachtig of week, zalfachtig blijven. Zie verder bij «Oleum Amygdalarum » , blz, üO\'2. enz.

\') Zie noot 4) blz. 555.

-ocr page 184-

558

Bereiding. De vluchtige Oliën komen gewoonlijk reeds gevormd voor in de planten of plantendeelen, waaruit zij worden gewonnen. Somtijds worden zij door uitpersing daaruit verkregen, een enkele maal ook door uittrekking met alcohol, aether, zwavelkoolstof of vette oliën, ook wel door glycerine. Gewoonlijk echter worden zij bereid door destillatie uit de zoo noodig verkleinde plantendeelen met water of met behulp van waterdamp, waarbij clan tevens de z.g. aromatische wateren worden verkregen \'). Bij het bewerken van plantendeelen, welke arm zijn aan vluchtige Olie, moet hetzelfde water, ten einde eene behoorlijke opbrengst te verkrijgen, soms herhaalde malen over nieuwe grondstof worden gedestilleerd. Ter afscheiding van de op den bodem of aan de oppervlakte verzamelde Olie bedient men zich gewoonlijk van z.g. Florentijnsche flesschen.

Eigenschappen. Neutrale, vluchtige, bij gewone temperatuur min of meer beweeglijke en dunvloeibare, heldere, bij lagere temperatuur of langere bewaring veelal gedeeltelijk vast of kristallijn {stearopten) zich uitscheidende Oliën, soortelijk lichter (de zuurstof-vrije), enkele malen gelijk aan of zelfs zwaarder dan water (de zuur-stothoudende) 1), kleurloos of min of meer gekleurd, in hooge mate riekend en smakend naar de grondstoffen, waaruitzij zijn afgescheiden, weinig oplosbaar in water, min of meer gemakkelijk in alcohol, aether, benzol, chloroform, zwavelkoolstof en vette oliën. Op papier geven zij eene doorschijnende vlek, die bij vervluchtiging langzaam verdwijnt.

Daar de vluchtige Oliën door inwerking van lucht en licht verandering ondergaan, in zooverre zij daarbij langzamerhand zuur van reactie, donkerder van kleur, dikvloeibaar worden en ten slotte in eene taaie, bijna vaste, harsachtige massa overgaan, waardoor tevens reuk en smaak veranderen, het soortelijk gewicht en het kookpunt verhoogd worden en de oplosbaarheid vermindert, moeten de vluchtige Oliën in niet te groote, volkomen droge en gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard worden.

Onderzoek.

i0. de vluchtige Oliën moeten helder zijn. Slaat op eene deug-

1

\' ) Incl. « Oleum Sinapis».

-ocr page 185-

559

delijke bereiding, zoodat bijv. mede uitgeperst of overgehaald slijm en water door bezinking en filtratie volkomen verwijderd worden. Gewoonlijk blijven de vluchtige Oliën ook bij lagere temperatuur vloeibaar en helder. Sommige echter scheiden bij verlaging tot zekere temperatuur kristallen af of worden daarbij vast, zoodat dit als een kenmerk harer echtheid en onvervalschtheid kan worden gebezigd.

2°. en onvervalscht zijn. Behalve hare helderheid bij gewone temperatuur, wat tevens kan wijzen op afwezigheid van meer dan sporen water \'), en de warmtegraad, waarbij zich kristallen beginnen af te scheiden of waarbij zij vast worden, vormen vooral de reuk, de smaak, het soortelijk gewicht en de oplosbaarheid in alcohol de voornaamste kenmerken voor de echtheid en onvervalschtheid der vluchtige Olie.

Behalve vluchtige Oliën van mindere kwaliteit dienen vooral ter vervalsching: alcohol, vette olie en terpentijnolie. Ook zijn enkele malen petroleum, paraffineolie, colopho-nium, benzol, zwavelkoolstof, chloroform, enz. daartoe aangetroffen.

3°. de vluchtige moeten in hooge mate rieken naar de planten-deelen, waaruit zij werden afgescheiden. De deugdelijkheid der vluchtige Olie, wat haar riekend vermogen betreft, hangt vooral af van die der gebezigde grondstof en de zorgvuldige bereiding. Behalve onvervalschtheid komen daarnevens ook hare ouderdom en zorgvuldige bewaring in aanmerking. Vervalsching met goedkoopere vluchtige Oliën van mindere kwaliteit kan zeer moeilijk en meestal niet anders dan door den geur herkend worden. Ter vergelijking bezige men eene versche, als echt en onvervalscht bekende Olie, die men op de hand uitwrijft of door afwrijving met suiker fijn verdeelt.

4°. Een droppel vluchtige Olie, in water gebracht, mag aan sijn oppervlakte met troebel wórden. Bevat de Olie eenigszins belangrijke hoeveelheden spiritus, dan wordt het water melkachtig troebel of de droppel met een melkachtigen zoom omgeven

-ocr page 186-

560

mmmmmm

50. Ofi ecu waterbad verivanud, mogen vluchtige Oliën geen destillaat gsven. Afwezigheid van aether, spiritus, benzol, chloroform, petroleumaether, Zwavelkoolstof, enz.

6°. Op papier gedroppeld, moeten vluchtige Oliën, als zij verwarmd worden, geheel verdwijnen, zonder een doorschijnende vlek acht ei-te laten. Bij vervalsching met vette olie is de vlek blijvend en doorschijnend vet \').

O L E U M A M Y G D A L A R U M.

AMANDELOLIE.

Bereid haar uit zaden van Prunus Amygdalus Stokes, door deze fijn te stampen en uit te persen, en ze deze bewerkingen nog eens te doen ondergaan.

(Het de door bezinking helder geworden Olie af en filtreer het overige. Vul met de Olie droge flesschen, die goed gesloten moeten worden.

Een heldere, bleekgele, niet drogende, vette Olie, die zacht smaakt, reukloos is, zelfs bij —10quot; vloeibaar blijft en een soortelijk gewicht heeft van 0.915—0.920.

Wordt 4 cM3. van deze Olie met 4 cM3. salpeterzuur geschud, dan

waarin aan de onderzijcic eon korreltje fiiclisino, goslnten en vervolgens gedurende eenigen tijii bij ongeveer 90° verwarmd, dan zal bij aanwezigheid van spiritus de fuchsine daarin bij verdamping oplossen en de watten rood gekleurd worden.

\') Bij vervalsching mot vette olie (behalve ricinusolie) is de oplossing der Olie in spiritus troebel. In twijfelachtige gevallen verwarrne men eene kleine hoeveelheid Olie na toevoeging van een weinig water zoolang op oen horlogeglas op het waterbad, totdat de reuk der vluchtige Olie geheel verdwenen is. liij vervalsching mot vette olie blijft deze als eene vette stof terug, die onoplosbaar is iu spiritus en bij verhitting, vooral met kalinmbisulfaat, de reuk naar acroleïne verspreidt.

Terpentijnolie, benevens cederhout-, sassafras-, eucalyptus- cu dergelijke oliën, kunnen moeilijk anders dan dooi\' don reuk 011 smaak, den invloed op het soort. gew. en de oplosbaarheid in spiritus herkend worden.

Petroleum en paraffineolie verlagen het soort, gew., zijn zoer moeilijk oplosbaar in spiritus en geven niet, zooals vele vluchtige Oliën of de oplossing daarvan in zwavelkoolstof, kenmerkende kleuringen met inineralo zuren als salpeter- en zwavelzuur.

Golopbonium blijft bij vervluchtiging der Olie terug.

13 e n z 0 1 en z w a vel koolstof zijn aan den reuk bij gefractioneerde destillatie to herkennen.

Chloroform herkont men door de reactiën, op blz. quot;l\'.IS opgegeven.

Cetaceum, naphtaline, oz okeriet, paraffine, enz. kunnen aan de min of moer vlokkige afscheiding bij vermenging mot vei dunden spiritus herkend worden.

-ocr page 187-

56I

mag de Olie niet geel, geelachtig rood of roodachtig bruin worden; wordt bij dit mengsel eenig kwik gevoegd, dan moet de Olie, naeenige\' uren, in een vaste, bijna witte massa veranderd ziin.

Samenstelling. Ongeveer 75 pet. oleïne en 25 pet. pal mi-tine en stearine.

Bereiding. Amandelolie wordt bereid uit zoete en uit bittere amandelen, de zaden van Prunus Amygdalus Stokes, een boom uit de familie der Amygdalaceae. Niet te oude, lucht-droge amandelen worden vooraf door zifting van stof bevrijd en uitgezocht, zoodat aangestoken en gebroken exemplaren, die de ransheid der Olie kunnen bevorderen, worden verwijderd. Vervolgens worden zij tot grof poeder gestampt en dit in zakken tusschen ijzeren platen langzaam, doch gelijkmatig sterker uitgeperst, terwijl de uitdruipende Olie wordt opgevangen. Na eenigen tijd, wanneer de afvloeiing der Olie begint te verminderen, wordt de amandelkoek uit de pers genomen, nogmaals fijngestooten en de persing herhaald.

Zijn de zoete amandelen te versch^ dan worden zij vooraf gedurende eenige dagen bij ongeveer 30° uitgedroogd, waardoor zij beter tot poeder gebracht kunnen worden. Bij winterkoude worden de fijngestooten amandelen vóór de persing tot ongeveer 30° verwarmd of tusschen warme persplaten gebracht. Eene hoogere temperatuur werkt schadelijk op de houdbaarheid der verkregen Olie. Bij het gebruik van bittere amandelen, waaraan tevens de bereiding van bittere-amandelwater of -olie kan worden verbonden, moet liefst elke temperatuursverhooging, alsmede aanraking met vocht vermeden worden, ten einde cyaanwaterstofzuur-ontwikkeling te voorkomen.

De afgedropen Olie wordt vervolgens in droge en geheel gevulde flesschen op eene koele plaats gezet, ten einde mede uitgeperste slijm- en eiwitachtige stoffen te doen bezinken en haar dus te klaren. Na eenige dagen wordt de helder bezonken Olie afgeschonken en met het onderste troebele vocht door vooraf gedroogd filtreerpapier gezuiverd. De Olie worde ten slotte in goed droge, geheel gevulde en volkomen gesloten flesschen in het donker en op eene koele plaats bewaard.

Opbrengst uit zoete amandelen 40—45 pet., uit bittere amandelen 35—38 pet.

-ocr page 188-

562

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, bleekgele, dunvloeibare, niet-drogende, vette Olie, die aangenaam zacht smaakt, reukloos is, zelfs bij —10° nog vloeibaar blijft, bij —20° troebel en eerst bij —25° vast wordt, een soortelijk gewicht heeft van 0.915—0,920, onoplosbaar is in water, oplosbaar in 60 dln. kouden en 15 dln. warmen spiritus en in elke verhouding in aether en andere vette oliën.

Zuurgetal = 201.6. Hehner\'sche getal 96.2. Smelpunt vetzuren = 14°. Stollingspunt vetzuren = 50. Köttstörfer\'sche getal = 195.4. Joodgetal = 96—98.

Onderzoek.

10. Bereid haar icit zaden van PrunusAmygdalusStokes, door deze fijn te stampen en uit te persen, en ze deze bexverkingen nog eens te doen ondergaan. Giet de door he zin king helder geworden Olie af en filtreer het overige. Als waarborg voor echtheid en deugdelijkheid eischt de Ph., dat de bereiding van Amandelolie door den apotheker zeiven geschiede. In den handel komen twee soorten Amandelolie voor, nl. Eng else he en Fransehe, welke uit kleine, goedkoope bittere-amandelen en perzikpitten worden bereid. De eerstgenoemde geldt als de beste.

20. Vul met de Olie droge flessehen, die goed gesloten moeten worden. Een heldere, bleekgele, niet drogende, vette Olie, die zacht smaakt, reukloos is. Niet geheel watervrij of bij aanraking met lucht en licht wordt Amandelolie spoedig ransig en daardoor scherp van smaak en onaangenaam, scherp van reuk.

30. zelfs bij— io0 vloeibaar blijft. Slaat op verwisseling of ver-valsching met Oliën, die minder oleïne en meer palmitine en stearine bevatten en daardoor bij hooger temperatuur beginnen te stollen, bijv. o 1 ij fo 1 i e.

40. en een soortelijk gewicht heeft van 0.915—0.920. Slaat op vervalsching met katoenzaad-, papaver-, sesam-, zonnebloem* en notenolie, waarvan het soortelijk gewicht 0.921 — 0.928 bedraagt. Olijfolie heeft een iets lager, ricinusolie een

veel hooger soortelijk gewicht.

5°. Wordt 4 cM*. van deze Olie met 4 eM*. salpeterzimr geschud, dan mag de Olie niet geel, geelachtig rood of roodachtig bruin worden. Afwezigheid van abrikoos- en perzikpitolie.

6°. wordt bij dit mengsel eenig kwik gevoegd, dan moet de Olie, na eenige uren, in een vaste, bijna witte massa vereindeid ^ijn.

-ocr page 189-

563

Afwezigheid van drogende Oliën als papaver-, hennep- en lijnolie, die daarbij vloeibaar, en ka toen zaad-, ar ach is- en sesamolie, die daarbij halfvloeibaar blijven. \')

OLEUM A N I S I.

A N IJ S O LI E,

De vluchtige olie, uit Anijsvruchten door destillatie bereid.

Zij is kleurloos of lichtgeel, sterk lichtbrekend, van 0.980—0.990 soortelijk gewicht, zoetachtig, eigenaardig aromatisch van smaak. Zij stolt gewoonlijk reeds bij 90 tot een kristallijne massa, die eerst bij 150 wedek\' begint te vervloeien.

Zij moet oplosbaar zijn in 2 volumina sterken spiritus.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: ongeveer 90 pet. anethol, C1 0H12O, witte, glinsterende kristallen met reuk en smaak naar anijsvruchten, een soort. gew. van 1.040, smeltende bij 210—220, kokende bij 2340, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether. Bij langdurig bewaren wordt het door de inwerking der lucht vloeibaar en verliest het de eigenschap om te kristalliseeren. Met zwavelzuur wordt het (ook Anijsolie) fraai rood gekleurd.

Voorts bevat Anijsolie nog ongeveer 10 pet. van een vloeibaar bestanddeel, waarschijnlijk bestaande uit eenig vloeibaar anethol en een t e r p e e n.

Bereiding. De bereiding geschiedt fabriekmatig uit anijsvruchten in die streken, waar deze in \'t groot worden gewonnen, als in Ihüringen, de Saksische Hertogdommen, Frankrijk, Spanje en Zuid-Rusland. Vooral de in laatste streken gewonnen Olie geldt als de beste. Zij wordt uit de geheele, vooraf vochtig gemaakte vruchten verkregen door destillatie met waterdamp, waarbij vooral zorg moet worden gedragen, dat het water in het koelvat eene niet te lage temperatuur, ongeveer van 20°, bezit, opdat zich de vaste deelen der Olie niet in de koelbuis afzetten. Daar de eerst en de

\') Zie over ilo K 1 a ï il i 11 e-proef blz. 557.

-ocr page 190-

564

laatst overgegane Olie in samenstelling van elkander verschillen moet na de destillatie alles nauwkeurig onder elkander gemengd worden.

Opbrengst 2—3 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, kleurlooze of lichtgele, ietwat dikvloeibare, sterk lichtbrekende, vluchtige Olie van 0.980—0.990 soort, gew., met een aangenamen, zoeten, aanhangenden reuk en een zachten, zoetachtigen, later brandenden, eigenaardig aromati-schen smaak. Zij stolt gewoonlijk reeds bij 10° a 90 tot eene witte, bladerige, kristallijne massa van anethol, die eerst bij 150—180 weder vloeibaar wordt. Zij kookt bij 230° en is in minstens twee dln. (volumina) en verder in alle verhoudingen in alcohol oplosbaar.

Onderzoek.

1°. vluchtige olie. Vette olie, par af fineolie, walschot e. d. blijven bij vervluchtiging achter.

2°. Zij is van 0.980—0.990 soortelijk gewicht. Een lager soort, gew. kan wijzen op vervalsching met alcohol, terpentijnolie, petroleum en par af fineolie.

3°. zoetachtig, eigenaardig aromatisch van smaak. Eene minder eigenaardige, zoete reuk en smaak kan wijzen op vervalsching met terpentijnolie, ven kei olie, s ter a n ij s o li e en an ijs-stoppelolie \')• Ook kamfer verraadt zich door haar geur.

40. Zij stolt getvoonlijk reeds bij 90 tot een kristallijne massa, die eerst bij 150 weder begint te vervloeien. Anijsstoppelolie, die meer anethol bevat, stolt gewoonlijk reeds bij 150, s t e ra n ij s-olie eerst bij 2° a iquot;. S t e r a n ij s o li e cn venkelolie vervloeien reeds weder bij lager temperatuur. Hoe hooger smeltpunt, hoe beter de Olie.

50. Zij moet oplosbaar zijn in 2 volumina sterken spiritus. Vette olie, walschot en was maken den alcohol troebel en laten een vlek op papier na. Petroleum en paraffineolie zijn moeilijk-oplosbaar in spiritus.

\') De Olie, verkregen uit de achlerblyvende vruchtstralen.

-ocr page 191-

Sö\'S

OLEUM AURANTIORUM.

O R A N J E S C H I L O L I E.

])e vluchtige Olie, uit versche Oranjeschil door uitpersing bereid.

Lichtgeel, aangenaam van reuk, eigenaardig zwak bitter van smaak, met een soortelijk gewicht van 0.850—0.870.

Zij moet oplosbaar zijn in 7 volumina sterken spiritus.

Samenstelling. Een terpcen, C1 quot;H1 G, lies peridee n (recht s-limoneen), die bij 1750—178quot; kookt en zich met chloorwater-stofzuur verbindt tot een kristallijn, kamferachtig lichaam \').

Bereiding. Oranjeschilolie wordt in Zuid-Europa, en wel meer eigenlijk in Italië en het zuiden van Frankrijk, verkregen uit de versche Oranjeschil, door deze uit te persen. Somtijds, zooals in Sicilië, geschiedt dit, door de schillen eenvoudig uit te persen in zakken, of, zooals in Kalabrië, tusschen cilinders, die daarenboven voorzien zijn van korte, scherpe punten, welke dienen om de oliehoudende ruimten open te scheuren. Op de kust van Genua worden de schillen geschaafd, langs wrijfijzers gewreven en de afvloeiende Olie verzameld. In het zuiden van Frankrijk rijt men de vruchten open door wrijving langs naalden, welke rechtop staan in een tinnen schotel, in welks bodem zich eene buis bevindt, waarinde Olie afvloeit, terwijl men ze in Messina en Palermo met de hand tegen eene spons drukt, die de Olie opzuigt en die men, wanneer zij daarmede genoegzaam is gevuld, in een aarden vat uitperst. Opbrengst ongeveer 2.5 pet.

Zeldzamer wordt de Olie verkregen door de gedroogde schillen met water of met behulp van waterdamp te destilleeren. De opbrengst is dan ook veel minder, ongeveer 0.8 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, lichtgele of geelachtig-groene, dunvloeibare, vluchtige Olie, aangenaam van reuk en eigenaardig zwak bitter van smaak, met een soortelijk gewicht van 0.850— 0.870, kokende bij 174°—1800, oplosbaar in minstens zeven dln. (vol.) alcohol en verder in alle verhoudingen.

\') Zie bij «Camphora», blz. 128. Voorts zou de Olie nog 0.3 pet. myristicol, C10ll,00, oenc bij \'212°—218° kokende, olieachtige vloeistof, on 2.8 pet. van een reukelcos, bitter, harsachtig lichaam, CHJ,,03, bevatten.

37

-ocr page 192-

566

Onderzoek.

1°. De vluchtige Olie, uit verse he Oranjeschil door uitpersing bereid. De Ph. eischt de uitgeperste Olie en Iaat die, door destillatie verkregen, niet toe.

2°. Lichtgeel. De door uitpersing verkregen Olie is terstond of reeds zeer spoedig lichtgeel gekleurd; die, door destillatie bereid, daarentegen is kleurloos en wordt eerst later geelachtig.

3°. aangenaam van reuk. Olie, door uitpersing verkregen, is fijner en aangenamer van reuk dan die, door destillatie bereid. Sinaasappelschilolie, waarmede de Olie wegens hare mindere kostbaarheid wordt vervalscht, is eenigszins verschillend van reuk, veel minder geurig.

4°. Zij moet oplosbaar zijn in 7 volumina sterken spiritus. Sinaasappelschilolie is gemakkelijker in spiritus oplosbaar. Zie voorts sub 5) bij ,,Oleum Anisiquot;.

OLEUM CACAO.

BUTYRUiM CACAO.

CACAOBOTER.

De vaste vette Olie, door uitpersing bereid uit Zaden van T h e o-b r o m a Cacao L,, die zacht geroost en van hunne bolsters bevrijd zijn.

Zij is geelachtig-wit, zacht van smaak, riekt aangenaam en smelt reeds bij ongeveer 300 tot een heldere vloeistof.

Met 2 deelen aether geve zij een heldere oplossing.

Samenstelling. Een mengsel van glyceriden, samengestelde aethers van glycerine, met de zuren p a 1 m i t i n e -, stearine-, olie-, laurine-1) en arachinezuur(C20H40O;i), benevens zeer geringe hoeveelheden glyceriden van de vluchtige vetzuren mierezuur, azijnzuuren boterzuur J).

Bereiding. Cacaoboter wordt bereid uit de zaden van T h e o-broma Cacao L., een in Zuid-Amerika inheemscheti boom uit de familie der Sterculiaceae. De z.g. cacaoboonen, die ongeveer 50 pet. daarvan bevatten, worden daartoe vooraf in

\') Zie bij \'lt; Adeps suillus», blz. 52 en « Cera flava», blz. 165.

\') Zie blz. it, 13 en 480.

-ocr page 193-

567

ronddraaiende, gesloten trommels, als bij het branden der koffie gebruikelijk zijn, of in ketels onder omroeren bij iod01401 geroost, waarna de bolsters, de ,,cacaoschillenquot;, gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Daarna worden de zaden onder verwarming bij 70°—8o0 zeer fijn gestampt of gemalen tot „cacaoquot;, welke vervolgens bij herhaling in zakken tusschen verwarmde platen wordt uitgeperst. De uitdruipende Olie wordt met behulp van een warmwatertrechter bij ongeveer 40quot; gefiltreerd en ten slotte in daartoe geschikte blikken vormen gegoten. In den groothandel wordt Cacaoboter gewonnen als nevenproduct bij de chocolade-fabricatie.

Opbrengst 40—50 pet.

Eigenschappen. Eene vaste, harde, broze, vette Olie, ondoorschijnend, smeltende bij ongeveer 30quot; tot eene heldere vloeistof, op de breuk wasachtig, zalfachtig op het gevoel, met een soortelijk gewicht van ongeveer 0.950, versch geelachtig-wit, later witter, zacht van smaak en aangenaam van reuk, oplosbaar in 5 dln. warmen absoluten spiritus, in 2 din. aether en onoplosbaar in kouden spiritus.

Zuurgetal — 1—2. Hehner\'sche getal = 94.6. Smeltpunt vetzuren = 520. Stollingspunt vetzuren — 510. Köttstörfer\'sche getal == 192—202. Joodgetal = 31.5 — 38.5.

Onderzoek.

10. vaste vette Olie. Vermenging met andere vetsoorten maakt Cacaoboter weeker.

20. Zij is gee lach tig- zvit. Ransige Cacaoboter is wit of grauwwit.

30. zacht van smaak, riekt aangenaam. Ransige Cacaoboter smaalct en riekt minder aangenaam. Andere vetsoorten wijzigen den reuk en smaak en maken de Olie spoedig ransig.

40. en smelt reeds bij ongeveer 30quot; tot eene heldere vloeistof. Was, talk, e. d. verhoogen het smeltpunt en maken de bij 30° gesmolten vloeistof dus troebel.

5°. Met 2 deelen aether geve zij een heldere oplossing. Slaat op vervalsching met was, talk, stearinezuur, paraffine, enz.

-ocr page 194-

568

OLEUM CAJUPUTI.

KAJOEPOETOLI E.

De vluchtige Olie, uit versche Bladen van Melaleuca minor Smit h door destillatie bereid.

Zij is geelachtig of meer of minder groen gekleurd, riekt en smaakt eigenaardig , kamferachtig en heeft een soortelijk gewicht van 0,920—0.930.

Zij geve in elke verhouding met sterken spiritus een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: ongeveer 67 pet. caj u p u tol, C10II1»O , eene bij 176° kokende vloeistof van 0.930 soort, gew., identisch met cineol\') en cucalyptolJ), benevens geringe, afwisselende hoeveelheden t e r p i n e o 1 (caj ep uteen), C1 quot;H1 G, een terpeen 3).

Wordt cajuputol (ook Kajoepoetolie) met eene verzadigde joodoplossing geschud, dan scheiden zich groene, metaalglanzende kristalletjes af.

Bereiding. Kajoepoetolie wordt op Celebes, doch voornamelijk op het eiland Boeroe verkregen door destillatie met water uit de bladen van Melaleuca minor Smith, een meestal boom-vormig, soms heesterachtig gewas uit de familie der Myrtaceae. Zoowel de jonge als oudere, doch versche bladen en jonge takken worden in een ijzeren ketel met water overgoten, waarmede een koperen helm en ontvanger verbonden zijn. De afvoerbuis daarvan loopt door een waterton, uit welke buis het destilleerende vocht wordt opgevangen in een trechter, waardoor het komt in eene voor een derde met water gevulde en in eene kuip met water afgekoelde kelderflesch, die in den bodem eene kleine opening heeft, waardoor het water, dat met de Olie overkomt, wegvloeit, terwijl de lichtere Olie op het water blijft drijven.

De versche Olie laat men bezinken en brengt haar daarna in flesschen van Boeroe, Celebes, Java, Singapoer, enz., in kisten verpakt, naar Nederland en Hamburg in den handel.

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, doorschijnende, beweeglijke, dunvloeibare, geelachtig of meer of minder groen gekleurde.

\') Het hoolilbestimddecl van « Oloiirn Cinae» (zie IjIz. 3\'26).

1) Zie bij «Kolia Eucalyiili», blz. Ö37.

3) Voorts zou de Olie nog terpilenol, C101I100, en geringe hoeveelheden aldeliyden en esters van boter- en valeriaan zuur bevatten.

-ocr page 195-

569

vluchtige Olie van 0.920—o.930soort. gevv., eigenaardig doordringend, eenigszins rosmarijnachtig, kamferachtig van reuk en aromatisch, bovendien bitterachtig, eerst iets brandend, later verkoelend van smaak. Zij blij ft zelfs bij —130 nog vloeibaar, wordt bij -250—50° vast, kookt bij ongeveer 1750 en is in elke verhouding in spiritus oplosbaar.

Onderzoek,

1°. Zij is geelachtig of meer of minder groen gekleurd. Dikwijls is Kajoepoetolie een weinig koperhoudend en daardoor, alsmede door chlorophyl, meer of minder groen gekleurd. Dit kopergehalte is gewoonlijk het gevolg van hare aanraking met het koper der destiileertoestellen of afkomstig van ter verzending dienende koperen flesschen. Ook meldt men, dat somtijds eenigkoper, bijv. in den vorm van Indische koperen geldstukken, aan de Olie wordt toegevoegd, ten einde haar eene groene kleur te doen verkrijgen.

2°. heeft een soortelijk gewicht van 0.920—0.930. Eene verval-sching met r o s m a r ij n- of terpent ij nolie zou het soort. gew. doen dalen, met kamfer verhoogen.

3°. Zij geve in elke verhouding met sterken spiritus een helder mengsel. Bij aanwezigheid van terpentijnolie zou het mengsel met minder dan 4 din. (vol.) spiritus niet helder zijn. Zie voorts sub 5) bij ,,Oleum Anisiquot;.

OLEUM CAJUPUTI DEPURATUM.

GEZUIVERDE KAJOEPOETOLIE.

N. Kajoepoetolie honderd dealen..........100

Geivoon Water zes honderd deelen........600

Destilleer. Bewaar de Olie, na haar behoorlijk van het water te hebben afgescheiden.

Een heldere, kleurlooze of lichtgele Olie, die als Kajoepoetolie riekt en smaakt.

Bereiding. De zuivering van Kajoepoetolie heeft ten doel, om de Olie van een mogelijk kopergehalte te bevrijden. Eenvoudige destillatie is hiertoe onvoldoende, daar op deze wijze het destillaat nog steeds sporen koper bevat. Zelfs schijnen op de voorgeschreven wijze somtijds nog zeer geringe sporen koper mede over te gaan, waarschijnlijk doordien deze eene vluchtige verbinding met de Olie

-ocr page 196-

57°

aangegaan hebben. Om de Olie zeker en absoluut kopervrij te maken, moet zij (50 dln.) gedurende eenige dagen onder herhaald omschudden bij ongeveer 50° gedigereerd worden met eene voldoende hoeveelheid eener kaliumferrocyanide (1 dl.) -oplossing (3 dln.), waardoor het koper zich langzaam als rood ferrocyaankoper afzet.

Men destilleert met de opgegeven hoeveelheid gewoon water of met eene geringere hoeveelheid water onder inleiding van stoom, en bevrijdt de overgehaalde Olie van mede overgegaan water met behulp van een scheitrechter of eene Florentijnsche flesch.

Onder2:oek.

i0. Een kleurlooze of lichtgele Olie. In onderscheid met ongezuiverde Kajoepoeto 1 ie, die minstens geelachtig, dikwijls meer of minder groen gekleurd is.

OLEUM CARYOPHYLLORU M.

KRUIDNAGELOLIE.

De vluchtige Olie, uit gedroogde Bloemknoppen van Eugenia caryophyllata T h u n b. door destillatie bereid.

Zij is, versch bereid, bijna kleurloos, doch wordt langzamerhand geel en eindelijk roodbruin. Zij riekt eigenaardig en smaakt scherp-aromatisch. Haar soortelijk gewicht bedraagt 1.041 —1.060.

Zij geve in elke verhouding met sterken spiritus een helder mengsel.

Met een gelijke hoeveelheid natronloog geschud, worde zij in een weeke, gele, kristallijne massa veranderd.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: ongeveer 90 pet. eugenol (eugeenzuur, k ruidnageIzu ur), C^H^O2, eene vloeistof, die in hooge mate den geur van nagelolie bezit, kleurloos, echter spoedig bruin wordende, sterk lichtbrekend, van ongeveer 1.070 soortelijk gewicht, bij 247.50kokende, onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether. Het is een phenolachtig lichaam en vormt als zoodanig met basen eugenylaten, die echter reeds door zwakke zuren, bijv. het kooldioxyde der lucht, worden ontleed. De spiritueuse oplossing daarvan wordt door ferrichloride blauw-violet gekleurd.

Voorts bevat Kruidnagelolie 10 pet. vaneen koolwaterstof, z.g. lichte nagelolie, een sesquiterpeen, C,r\'H54, eene kleur-

-ocr page 197-

57i

looze, zwak terpentijnachtig riekende vloeistof van 0.910 soort, gew., bij 2540 kokende, en sporen v a n i 11 i n e.

Bereiding. Kruidnagelolie wordt bereid uit Kruidnagelen, de in de zon gedroogde en daarna van de stelen bevrijde bloen.knoppen van Eugenia caryophyllata Thunb., behoorende tot de familie der Myrtaceae. Zij wordt verkregen eenvoudig door destillatie met waterdamp of door 1 dl. der tot grof poeder gestampte Kruidnagelen, die ongeveer 20 pet. vluchtige olie bevatten, met 10—12 dln. water en 3 dln. natriumsulfaat (ten einde de temperatuur van het water te doen stijgen) te destilleeren en het voor de helft overgehaalde vocht opnieuw twee of drie malen over de Kruidnagelen te destilleeren. Het eerst gaat hierbij over de koolwaterstof, waarom de naam „lichte nagelolieen eerst later het eugenol. De verkregen vloeistoffen moeten daarom bijeengevoegd en goed onder elkander gemengd worden. Ook wel worden de Kruidnagelen met petroleumaether uitgetrokken en de Olie daaruit door rectificatie verkregen.

Opbrengst 15—20 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale of zeer zwak zure, versch bereid bijna kleurlooze, langzamerhand geel en eindelijk bruin wordende, vluchtige Olie van 1.041 —1.060 soort, gew., eenigszins dikvloei-baar, nog bij —250 vloeibaar, kokende bij 2470, eigenaardig van reuk en scherp-aromatisch van smaak, in elke verhouding oplosbaar in spiritus en aether.

Kruidnagelolie (10 dln.), met weinig zwavelzuur (1 dl.) geschud, wordt langzamerhand donkerblauw gekleurd. Meer zwavelzuur veroorzaakt eene purperroode kleuring.

In eene dunne laag aan den wand van een reageerbuis gebracht, wordt de Olie door inwerking van broomdamp donkerblauw of violet gekleurd.

2 Droppels Kruidnagelolie, in 4 cM3. alcohol opgelost, worden door één droppel ferrichloride groen gekleurd. Eén droppel verdunde ferriehloride-oplossing geeft eene blauwe, spoedig door rood in geel overgaande kleur.

5 Droppels Olie, met 10 cM3. kalkwater krachtig geschud, geven eene vlokkige, gedeeltelijk aan den wand aanhangende afscheiding. Met eene gelijke hoeveelheid kali- of natronloog geschud, wordt zij in eene weeke, gele, kristallijne massa veranderd.

-ocr page 198-

572

Onderzoek.

i0. Dc vluchtige Olie, uit gedroogde Bloemknoppen van Eugenia caryophyllata Thunb. door destillatie bereid. De verlangde Olie mag dus niet door uittrekking met aether of petroleumaether bereid zijn. Een gehalte aan aether of petroleumaether zou het soort. gew. verlagen.

2°. Zij is, verscli bereid, bijna kleurloos, doch wordt langzamerhand geel en eindelijk roodbruin. Eene geringere soort Olie wordt bereid uit de nagelstelen, onrijpe bloemknoppen, enz. Deze Olie is kleurloos, doordien de oorspronkelijk donkere kleur door rectificatie over water is weggenomen. Zij heeft bovendien een iets lager soort. gew. en is minder fijn van geur.

30. Haar soortelijk gewicht bedraagt i .041 — 1.060. T e r p e n t ij n-olie en spiritus zouden het soort. gew. verlagen.

40. Zij geve in elke verhouding met sterken spiritus een helder mengsel. Sassafrasolie, terpentijnolie, paraffineoiie, palmolie, enz. geven met spiritus een troebel mengsel. Zie voorts sub 5) bij „Oleum Anisi.quot;

OLEUM CINNAMOMI.

K A N E E L OLIE.

De vluchtige Olie, uit Kaneel door destillatie bereid.

Zij is geel, doch wordt mettertijd geelrood- of bruinachtig en minder vloeibaar. Zij riekt aangenaam, smaakt eerst zoetachtig, later eigenaardig aromatisch en reageert zwak zuur. Haar soortelijk gewicht bedraagt 1.020—1.040.

Zij geve in elke verhouding met sterken spiritus een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: 70—75 pet. cinnamylal-dehyde, CCH5. CH: CH. COH \'), eene kleurlooze, spoedig geel wordende, sterk lichtbrekende, olieachtige vloeistof van 1.040 soort, gew., bij 220°—2250 onder gedeeltelijke ontleding kokende, met een zeer sterken, zuiver zoeten kaneelsmaak en -reuk, onder gedeeltelijke verharsing langzamerhand in kaneelzuur overgaande.

Voorts bevat Kaneelolie steeds kleine hoeveelheden kaneelzuur

Zie bij «Styrax liquiilum».

-ocr page 199-

573

cn volgens sommigen geen, volgens anderen eveneens kleine hoeveelheden van een terpeen, C10HIÜ 1).

Bereiding. Kaneelolie wordt op Ceylon, ook in Duitschland, bereid uit afval van Kaneelbast, nl. uit de stukjes bast, die na afstrooping van den bast nog aan het hout blijven zitten, uit het afschraapsel, verkregen bij de zuivering van de Kaneelpijpen, en uit hetgeen bij de verpakking afvalt. Dit afval wordt vooraf in zeewater geweekt en de Olie door waterdamp daaruit gedestilleerd. Uit het melkachtig troebel destillaat scheiden zich bij staan eene lichte en eene zware Olie af, die door elkander gemengd in den handel gebracht worden.

Opbrengst 0.5 — 1 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, gele, tamelijk dunvloeibare, mettertijd zwak zuur, geelrood- of bruinachtig en minder vloeibaar wordende, vluchtige Olie van 1.020 1.040 soortelijk gewicht, bij ongeveer 220quot; kokende. Zij riekt aangenaam, smaakt eerst zoetachtig, later eigenaardig aromatisch en lost in elke verhouding in spiritus en aether op.

Onderzoek.

iu. Zij riekt aangenaam, smaakt eerst zoetachtig, later eigenaardig aromatisch. Haar soortelijk gezvicht bedraagt 1.020—1.040. De voornaamste kenmerken voor de deugdelijkheid van Kaneelolie zijn geur, smaak en soortelijk gewicht. De J a v a a n s c h e en vooral de Chineesche Kaneelolie, Cassiao 1 ie (01 eu m Cinnam omi chinensis. Oleum Cassiae) is minder fijn van geur, veelminder aangenaam, scherp van smaak en heeft een hooger soort. gew. (1.055 —1.065). Nagelolie (Oleum Cary o ph y llo r u m) geeft bij verdamping onder zachte verwarming een prikkelenden geur, Kaneelolie een zachten; terwijl de alcoholische oplossing van Kaneelolie met ferrichloride eene bruine, geene groene of blauwe kleur geeft. Vervalsching met vetteOliën geven een lager soort, gewicht,

20. Zij geve in elke verhouding met sterken spiritus een helder mengsel. Terpentijnolie, paraffineolie, vette oliën, enz. geven met spiritus een troebel mengsel. Zie voorts sub 5) bij „Oleum Anisiquot;.

\') Ook bevat ile Olio eene kleine lioeveelhekl (4—S pet.) oiigenol (zie bij «Oleum Caryophyllorum»).

-ocr page 200-

574

OLEUM CI TRI.

CITROENOLIE.

De vluchtige Olie, uit versche Vruchtschillen van Citrus Limo-n u m R i s s o door uitpersing bereid.

Zij moet dunvloeibaar en lichtgeel zijn, zeer aangenaam rieken en een soortelijk gewicht hebben van 0.840—0.855.

Zij is in minder dan 6 volumina sterken spiritus oplosbaar.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: een mengsel van verschillende terpenen, C10H10, waaronder, naast een weinig p i nee n met een kookpunt van 160°—165°, vooral voorkomt citreen (rechts-limoneen) met een kookpunt van 17 5°, benevens een weinig cymol, C10H,4, en ongeveer 7 pet. van een zuurstofhoudend lichaam, C10H10O, citral, met een soort. gevv. van 0.899 en een kookpunt van 2250, dat den eigenaardigen reuk en smaak der Olie bezti 1).

Bereiding, Citroenolie wordt verkregen uit de versche schil van de Limoen, de vrucht van Citrus Limonum Risso, uit de familie der Aurantiaceae, en wel vooral uit de groene, nog onrijpe vrucht, voor de verzending ongeschikt, wijl deze rijker is aan vluchtige Olie dan de geheel rijpe.

In Sicilië en Kalabrië wordt in November en December de schil der vrucht in drie dikke, overlangsche reepen afgepeld en deze in tegenovergestelde richting kromgebogen, waardoor de oliehoudende ruimten worden verbroken. De schil wordt in dezen toestand op eene spons gelegd en stevig daar tegen aan gedrukt, waardoor de Olie in de spons wordt opgezogen. Zoodra zij daarmede geheel is doortrokken, wordt zij uitgewrongen in eene aarden kom, waarin zich de Olie van het haar vergezellend waterig vocht scheidt, waarna zij wordt gefiltreerd.

Te Mentone en Nizza in Frankrijk bezigt men voor de verzameling der Olie een tinnen vat met scherpe pennen op den bodem en afvloeibuis, ongeveer gelijk als voor de verzameling van Oranjeschilolie is vermeld. 2)

Ook wel wordt de Olie verkregen door de vruchten snel om te

\') Voorts volppns Doebner ook niet onbelangiijke liooveelheden oi t ron el la I, C\'li-\'O, een alilehyilo, chemisch zeer nauw aan citral verwant, met een kookpuiit van 2e-)c—507°.

quot;) Zie bij (1 Oleum Aurantiorum », LI?,. 565.

-ocr page 201-

575

wentelen in een verwarmden blikken trommel met dubbelen wand waarvan de binnenste doorboord en van pennen is voorzien, waardoor de vruchtwand wordt opengereten.

Ten slotte worden ook de reeds uitgeperste schillen nog verder over groote raspen gewreven en het afschraapsel, dat r;og rijk is aan vluchtige Olie, aan destillatie met water onderworpen, waardoor echter eene mindere soort Olie wordt verkregen.

Opbrengst ongeveer 2 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, dunvloeibare, lichtgele, vluchtige Olie van 0.840—0.S55 soortelijk gewicht, kokende bij 1750, met sterken, aangenamen reuk en zachten, slechts weinig bitteren smaak, oplosbaar in ongeveer 5 din. (vol.) sterken spiritus en in aether.

Onderzoek.

10. Dc vluchtige Olie, itit vcrsche VnicJttschillen van Citrus L i m o n u m R i s s 0 door uitpersing bereid. De Ph. eischt de Olie, door uitpersing verkregen. Zij laat dus de mindere soort, de door destillatie bereide, niet toe, noch eene vermenging van de eerste met de laatste, wat in den handel dikwerf geschiedt. De door destillatie verkregen Olie is kleurloos, bederft spoedig, waarbij zij een onaangenamen, terpentijnachtigen reuk aanneemt en laat bij verdamping minder residu achter dan de door uitpersing bereide. Terwijl voorts de door uitpersing verkregen Olie met zwavelzuur terstond eene roodbruine verkleuring geeft, wordt de door destillatie verkregene in veel minder mate daardoor gekleurd.

2°. Zij moet dnnvloeibaar en lichtgeel zijn, zeer aangenaam rieken en een soortelijk gewicht hebben van 0.840—0.855. Oude, gedurende langen tijd bewaarde Citroenolie wordt ietwat dikvloei-baar, donkergeel van kleur, onaangenaam, terpentijnachtig van reuk, scherp en brandend van smaak en sterk zuur van reactie, terwijl het soort. gew. stijgt tot 0.880 en zich een amorph, somtijds kristallijn stearopt (citropteen, citroen- of citroen-oliekamfer, C0H0O3) uit de Olie afscheidt. Overigens moet zij geheel helder zijn en zich bij bewaring geene noemenswaardige hoeveelheid slijmachtige stoffen daaruit afzetten.

Sinaasappelolie en spiritus verlagen het soort, gew., terwijl vette olie en terpentijnolie het verhoogen. De laatste verraadt zich bovendien door den reuk, terwijl de eerste aan dc vetvlek bij verdamping kenbaar is.

-ocr page 202-

576

3°. Zij is in minder dan 6 volumina sterken spiritus oplosbaar. Slaat nader op vervalsching met terpentijnolie, vette olie, paraffineolie, enz. Zie voorts sub 5) bij ,,Oleum Anisiquot;.

OLEUM C ROT O NIS.

CROTONOL I E.

Dc vette Olie, uit Zaden van Croton Tiglium L. door uitpersing bereid.

Zij is helder, geelachtig-bruin, aanvankelijk zacht, maar spoedig uiterst scherp van smaak.

Zij geve in elke verhouding met absoluten alcohol een helder mengsel.

Samenstelling. Een mengsel van glyceriden van verschillende zuren der vetzuren-reeks als: m i e r e-, a z ij n-, i s o b o t e r-, v a 1 e r i a a n-, c a p r o n-, o e n a n t h y 1-, 1 a u r i n e-, m y r i s-t i n e-, p a 1 m i t i n e- en stearinezuur 1), alsmede van o li e z u u r, benevens de eigen zuren c r o t o n o 1- en met h y 1-crotonzuur (t i g 1 i n e z u u r). Behalve als glyceriden zijn deze zuren ook in afwisselende hoeveelheden in vrijen staat aanwezig, waaronder vooral (tot ongeveer 4 pet.) vrij croton olzuur (c r o t o n o 1).

Bereiding. Crotonolie wordt verkregen uit de zaden van Croton Tiglium L., een kleinen boom uit de familie der E u p h o r-b i a c e ae, inheemsch in Zuid-Azië. De bereiding geschiedt vooral op Ceylon, te Madras en te Bombay, waar de zacht gerooste zaden, van de schil bevrijd, tot poeder worden gebracht en gedurende eenige dagen, op overeenkomstige wijze als bij Amandelolie 2)is vermeld, tusschen ijzeren platen worden geperst, terwijl de uitdruipende Olie wordt opgevangen. De uitgeperste zaadkoek wordt vervolgens zacht verwarmd en daarna opnieuw uitgeperst (Oost-Indische C.).

Ook in Engeland wordt Crotonolie bereid uit zaad, vooral uit Bombay en uit Cochin afkomstig. Zij geschiedt aldaar op gelijke wijze als boven is beschreven, doch zonder voorafgaande roosting van het zaad en door geheel koude persing {Engelsehe C ).

«) Zip bij «Acidum aceticum», blz. 11. quot;) Zie bij «Oleum Amygdalarum», blz. 561.

-ocr page 203-

577

Op deze wijzen wordt ongeveer 25 pet. vette Olie uit het zaad gewonnen. Een belangrijker bedrag, ongeveer 50 pet., wordt verkregen , door herhaalde uittrekking of percolatie der tot grof poeder gebrachte zaden door aether, petroleumaether of zwavelkoolstof, welke na filtratie weder bij 40°—50quot; worden afgedestilleerd.

Ook wel worden beide wijzen van uittrekking aan elkander verbonden, zoodat na de uitpersing de zaadkoek nog met aether wordt uitgetrokken en de beide aldus verkregen Oliën bij elkander worden gevoegd.

Eigenschappen. Eene zure, heldere, geelachtig-bruine, dik-vloeibare, min of meer drogende, vette Olie van 0.942—0.95 5 soort, gew., bij —160 stollende, versch reukloos, doch spoedig sterk, eigenaardig, onaangenaam van reuk en aanvankelijk met een zachten, doch spoedig uiterst scherpen, brandenden smaak, onoplosbaar in water, naar bereiding en ouderdom oplosbaar in 40—60 dln. sterken en in elke verhouding in kouden en in 2 din. (vol.) warmen absoluten spiritus, in aether, petroleumaether \') en vette oliën. Zij geeft de elaïdine-proef niet.

Zuurgetal 201. Joodgetal go—100.

Onderzoek.

1°. De vette Olie, uit Zaden van C r o t o n T ig 1 i u m L. door uitpersing bereid, üe Olie, door uitpersing bereid, geldt als werkzamer dan die door uittrekking met aether of zwavelkoolstof verkregen. Voorts wordt algemeen de Engelsche Olie boven de Oost-Indische verkozen, wijl de laatste meer aan vervalsching met andere oliën schijnt bloot te staan.

20. Zij geve in elke verhouding niet absoluten alcohol een helder mengsel. Slaat op vervalsching met andere vette oliën 2).

OLEUM FOENICULI.

VENKELOLIE.

De vluchtige Olie, uit Venkel vruchten door destillatie bereid.

Zij is kleurloos of geelachtig, heeft een soortelijk gewicht van 0.950—

J) Onderscheid met Ricinusolie.

\') Uitgezonderd Ricinusolie, die met andere vette Oliën door soort. gew. en stollings-punt, niet-drogende Oliën tevens door de elaidineproef kunnen worden herkend, alsmede door zwavelzuur, dat de Olie terstond donker zou kleuren en troebel zou maken.

-ocr page 204-

578

0.990, smaakt eigenaardig zoetachtig en scheidt in de koude bladeiige kristallen af of wordt vast.

Zij geve met een half volumen sterken spiritus een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: ongeveer 60 pet. a n e-thol \'); voorts fenchon, C,0HlcO, dat op zich zelf een onaangenamen, schimmelachtigen reuk en een zeer bitteren, kam-ferachtigen smaak, doch met het anethol te zamen den reuk en smaak der Olie bezit, bij 50—6° smelt en bij 1920—1930 kookt.

Ook bevat zij minstens nog twee terpenen, nl. pi neen (rechts-phellandreen), kokende bij 15 50— 156° en d i p e n-teen, kokende bij 176°.

Niet al de opgenoemde bestanddeelen echter komen steeds in alle soorten Venkelolie in dezelfde verhoudingen voor; sommige soorten bijv. bevatten minder pineen, andere weder geen fenchon, enkele eindelijk weinig of geen anethol.

Bereiding. Deze geschiedt door destillatie met waterdamp op overeenkomstige wijze als die van Anijsolie l). Ook hier heeft men dezelfde voorzorgsmaatregelen bij de destillatie te nemen als daar is vermeld. Ten onzent is de Duitsche of Saksische Olie de meest voorkomende.

Opbrengst 4—6 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, kleurlooze of geelachtige, dun-vloeibare, vluchtige Olie van 0.950^—0.990 soort, gew., kokende bij 1600—240°, met eigenaardig zoetachtigen reuk en smaak, die in de koude bij ongeveer 50 bladerige kristallen afscheidt of vast wordt en in een half volumen sterken spiritus oplost.

Onderzoek.

1°. Zij is kleurloos of geelachtig, heeft een soortelijk gewicht van 0.950—0.990, smaakt eigenaardig zoetachtig en scheidt in de koude bladerige kristallen af of wordt vast. Zij geve met een half volumen sterken spiritus een helder mengsel. Uiterlijk, soortelijk gewicht, reuk en smaak, temperatuur van kristalvorming, eene rijkelijke afscheiding in de koude van anethol en zeer gemakkelijke oplosbaarheid in spiritus zijn de kenmerken voor de deugdelijkheid van Venkelolie. Venkelstoppelolie \') is donkerder van kleur, minder aangenaam van reuk en ietwat scherp van smaak. Alcohol,

\') Zie bij « Oleum Anisi » , blz. 504.

-ocr page 205-

579

terpent ij nolie, petroleum en paraffineolie verlagen het soort. gevv. Vette oliën, terpent ij nolie, paraffineolie enz., geven met spiritus een troebel mengsel. Zie voorts sub 5) bij „Oleum Anisiquot;.

OLEUM JE CO RIS A S E L L I. LEVERTRAAN.

De vette olie uit de versche Lever van G a d u s M o r r h u a L.

Zij zij helder, bleekgeel of goudgeel, eigenaardig van reuk en smaak, met een soortelijk gewicht van 0.923—0.928.

Voegt men bij 5 droppels Levertraan 1 droppel zwavelzuur, dan moet de Traan daar, waar zij met het zuur in aanraking komt, fraai violet gekleurd worden. Deze kleur deelt zich bij het omroeren aan de omringende Traan mede en gaat daarna door kersrood in bruin over.

Wordt bij 10 droppels Levertraan 3 droppels salpeterzuur gevoegd, dan moet de Traan daar, waar zij met het zuur in aanraking komt, licht rozerood gekleurd worden. Deze kleur deelt zich bij het roeren aan de omringende Traan mede en verandert weldra in geel.

Blauw lakmoespapier, met spiritus bevochtigd, mag door Levertraan slechts zwak rood worden gekleurd.

Aan een temperatuur van 00 blootgesteld, moet Levertraan, ook na geruimen tijd, vloeibaar blijven en geene of althans zeer weinig korreltjes afscheiden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: ongeveer 70 pet. oleïn e, ruim 25 pet. p a 1 m i t i n e en een weinig stearine, benevens geringe hoeveelheden der glyceriden van lagere vetzuren als azijn-, boter-, valeriaan- en caprinezuur, waarvan de vrije zuren ook in zeer geringe mate (0.3—0.5 pet.) in Traan voorkomen. Voorts 0.3 pet. cholesterine, zeer geringe hoeveelheden (0.0002—0.0003 pet.) jodium, nog iets minder chloor,broo m, phosphorus en zwavel, aan basische stoffen gebonden als ammoniak, trimethyl-, b u t y 1-, a m y 1- en h e x y 1-amine, benevens de eigen basen a s e 11 i n e, C2 r,H3 4N4, m o r-rhuïne, C1!,H27N3, enz. Verder bevat Levertraan nog een eigen zuur, morrhuïnezuur, C0HI3NO3, en eigenaardige kleurstoffen , lipochromen, benevens eiwitstoffen en sporen ijzer, aan organische stoffen gebonden.

-ocr page 206-

5 So

Levertraan laat bij verbranding slechts sporen van asch achter.

Bereiding. Levertraan is de vloeibare vette Olie, verkregen uit den lever van verschillende soorten van het geslacht Ga dus \'). Hoofdzakelijk dienen daartoe de G. Morrhua (Kabeljauw) en de G. C a 11 a r i a s (D o r c h e), eene jeugdige vorm van de eerste, welke in het noordelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan leven en aan de Newfoundlandbank, de Lofodden, de Rockallbank, de Farocr- en de Shetlandsche eilanden worden gevangen.

De oudste bereidingswijze der Olie uit de levers dier visschen bestaat daarin, dat men ze na reiniging opstapelt in vaten, welke ter zijde van kranen zijn voorzien. Men plaatst de vaten in de zon, ten einde de afscheiding der Olie te bevorderen en perst de levers verder door bezwaring uit. Uit de openingen der bovenste kranen vloeit daardoor eene zeer weinig gekleurde, goed smakende en weinig riekende Olie, de blanke, lichiblanke of gele L., terwijl bij langer liggen en verdere bezwaring uit de onderste kranen eene donkerder gekleurde Olie vloeit met sterkeren, vischachtigen reuk en scherperen, iets bitteren smaak, de bruinblanke of blankc-licht-bruine L. De achtergebleven levers worden ten slotte in ijzeren ketels met water boven een open vuur uitgekookt, waardoor dan nog eene donkerbruine tot bijna zwarte, troebele, dikvloeibare, onaangenaam brandig riekende en smakende Olie, de bruine L , wordt verkregen.

Eene nieuwere bereidingswijze, o. a. in Newfoundland gebruikelijk, bestaat daarin, dat de versche Kabeljauw-levers vooraf worden gesorteerd, de minder deugdelijke worden verwijderd en de beste, na gereinigd, opengesneden en herhaaldelijk afgewasschen te zijn, aan stoomhitte van ongeveer 8o0 worden blootgesteld. De bovendrijvende Olie wordt verzameld, gefiltreerd en dan tot io0 afgekoeld , waardoor de vastere vetten stollen, waarna de Olie opnieuw wordt gefiltreerd.

Te Bergen in Noorwegen, waar men inzonderheid de levers der Dorche daartoe gebruikt, en op de Lofodden, waar men daarentegen bijna alleen die der Kabeljauw daartoe bezigt, wordt de Levertraan ook verkregen door de gave of tot moes gebrachte levers op een waterbad in al of niet dubbelwandige ijzeren ketels tot hoogstens

\') Behooretule tot de familie tier Kabeljauwen (G a cl o i d e i) van de orde der Weekvinnige Visschen (Pisces M a I a c o p l e r y g ï i).

-ocr page 207-

S8i

50° te verwarmen of door er stoom van lagere temperatuur (38°) doorheen te leiden en de massa daarna tot —50 af te koelen, waardoor de stearine en palmitine stollen, de vloeibare Olie alsdan af te scheppen en daarna te filtreeren, waardoor de blanke L. wordt verkregen. Na doorvoering van stoom van hoogere temperatuur (50°) wordt op dezelfde wijze de gele L. verkregen, door sterker verhittingen uitpersing de bruingele L. en ten slotte door uitkoking van het overschot met water de bruine L.

Eigenschappen. Eene neutrale of meestal zeer zwak zure, heldere, niet of weinig dikvloeibare, aan de lucht zeer langzaam uitdrogende, bleek- tot goudgele, vette Olie van 0.923—0.928 soort gew., met een zwakken, onaangenamer! vischreuk en zoetachtigen, zachten, later slechts weinig scherpen vetsmaak, onoplosbaar in water, in kouden (2.5 pet.) en warmen (3—4 pet.) spiritus weinig, in aether in alle verhoudingen oplosbaar. Bij gewone temperatuur is zij helder doorschijnend ; bij lage temperatuur (—5—6°) zet zich een vast vet er uit af.

Voegt men bij 5 droppels Levertraan 1 droppel zwavelzuur, dan wordt de Traan daar, waar zij met het zuur in aanraking komt, fraai violet gekleurd. Deze kleur deelt zich bij het omroeren aan de omringende Traan mede en gaat daarna door kersrood in bruin over. — 1 Droppel Levertraan, opgelost in 20 droppels zwavelkoolstof, wordt bij schudden met 1 droppel zwavelzuur voorbijgaand fraai violet gekleurd.

Wordt bij 10 droppels Levertraan 3 droppels salpeterzuur gevoegd, dan moet de Traan daar, waar zij met het zuur in aanraking komt, licht rozerood gekleurd worden. Deze kleur deelt zich bij het roeren aan de omringende Traan mede en verandert weldra in geel.

Zuurgetal = 0.5 — 3. Hehner\'sche getal = 94—99. Smeltpunt vetzuren = 50.5°—52°. Köttstörfer\'sche getal == 170—195. Joodgetal = 123—141.

Onderzoek.

10. De vette olie uit de versche Lever van GadusMorrhuaL. Eehalve van de Kabeljauw en de Dorche, de laatste, zooals reeds boven gezegd is, slechts eene jeugdige vorm van de eerste, wordt nog traan gewonnen o. a. van de G. Carbonarius {Kol of Kool-visc/i), G. Molva (Leng), G. Pollachius (Pollak), G. Merlang us (Wij tuig), G. Aeglefimcs (Schelvisck) en enkele visschen, tot andere geslachten

38

-ocr page 208-

582

behoorend. Voor geneeskundig doel wordt tegenwoordig echte alleen de Traan van G. M o r r h u a (incl. die van G.Callanas) gebezigd, terwijl de traansoorten van anderen oorsprong slechts

voor technische doeleinden dienen.

2°. Zij zij helder, bleekgeel of goudgeel, eigenaardig van reuk

en smaak, met een soortelijk gewicht van 0.923-0.928. «e döor de Ph bedoelde, bij ons vooral en ook 111 Duitschland in gebrul zijnde Levertraan is de Bergs che (Dorche-) en de Loffodijn-sche (Kabeljauw-) Traan en wel de beste soort daarvan ce

blanke, lichtblanke of g e 1 e L., welke uit de Noord-en Oostzeehavens wordt aangevoerd. In Engeland, Franknjk en Amerika daarentegen bedient men zich vooral van de Newfoundlandsche

of Labrador-Levertraan.

Naar de zorgvuldigheid bij de bereiding onderscheidt men verschillende trappen van deugdelijkheid der Levertraan. Zij is des te helderder, lichter van kleur, zachter van smaak en zwakker van reuk, naarmate de levers, waaruit zij bereid is, verscher, voller en blanker waren, de Olie daaruit spoediger en bij lager temperatuur is afgescheiden en verzameld. Naarmate de levers minder versch, minder vol en grijs van kleur of gevlekt waren, of langer tijd bewaard alvorens de Olie daaruit te bereiden, zoodat zij reeds in gisting waren en in beginnenden of meer gevorderden staat van ontbinding verkeerden, of bij aanwending van hoogere temperatuur, des te minder helder, donkerder van kleur en onaangenamer van reuk en smaak is de Olie.

De bruinblanke {blanke-Hehtbrnine) L. is ook helder, doch meer dikvloeibaar, lichtbruin, tusschen madera- en kastanjebruin, heeft een sterkeren, vischachtigen reuk en een scherper en, iets bitteren smaak, ook scherper in de keel. Haar soort. gew. is iets hooger, (0028-0.930). De bruine L. is troebel, slechts in zeer dunne lagen doorschijnend, donkerbruin tot zwart, dikvloeibaar, onaangenaam brandig van reuk en walgelijk vzn smaak. Haarsoort, gew. is hooger,

(0.930—0.935).

Een lager soort. gew. dan 0.923 kan wijzen op vervalsching met

Va3So. Voegt men bij 5 droppels Levertraan 1 droppel zwavelzuur, dan moet de Traan daar, waar zij met het zuur m aanraking komt, fraai violet gekleurd -worden. Deze kleur deelt zich hij het omroeren aan de omringende Ir aan mede en gaat daarna door kersrood in bruin over.

-ocr page 209-

583

Wordt bij \\o droppels Levertraan 3 droppels salpeterzuur gevoegd, dan moet de Traan daar, waar zij met het zuur in aanraking komt, licht rozerood gekleurd worden. Deze kleur deelt zich bij het roeren aan de omringende Traan mede en verandert weldra in geel.

Identiteits(11 p o c h r o o m)-reactiën, welke kunnen dienen ter onderscheiding van andere vette oliën als raap-, sesam-, katoenzaadolïe, enz. \') of andere traansoorten als die van genoemde G a d u s-soorten, haaien, zeerobben, walrussen, enz., welke deze gezamenlijke reactiën niet of anders geven.

40. Blauw lakmoespapier, met spiritus bevochtigd, mag door Levertraan slechts zwak rood zvorden gekleurd. üe uit versche levers zorgvuldig bereide blanke, lichtblanke of gele L. bevat oorspronkelijk geen of zeer weinig v r ij vetzuur. Door ouderdom of bij niet zorgvuldige bewaring echter wordt het gehalte aan vrij zuur langzamerhand grooter. In \'t algemeen geldt de regel, dat, hoe geringer de Traan in waarde is, des te meer vrij vetzuur bevat zij en des te sterker reageert zij dus op lakmoes. De bruinblanke Traan bijv. is duidelijk, de bruine zelfs sterk zuur.

5°. Aan een temperatuur van o0 blootgesteld, moet Levertraan, ook na geruimen tijd, vloeibaar blijven en geene of althans zeer weinig korreltjes afscheiden. Mindere soorten Levertraan, alsmede andere traansoorten als de traan van G. carbonarius L., de Labrador-levertraan,Japansche traan, haai- en robben-traan, ook andere vette oliën bevatten veel meer vaste vetten, die zich, ook gemengd met Levertraan, bij afkoeling tot o0 zullen afscheiden.

OLEUM JECORIS ASELLI CUM BEN ZO ATE F E R R I C O.

OLEUM J EC O RIS ASELLI F ERRATUM.

STAAL-LEVER TRAAN.

N. Ferribenzoaat één deel.............

Levertraan negen en negentig deelen.......99

\') Met zekerheid kunnen antiore vette oliën herkend worden door de aanwezigheid van phytosterine, die, na verzeeping der Olie met Na 110 en spiritus en uilschudding met aether en petroleumaether, na zuivering hij verdamping daaruit achterblijft in den vorm van naalden, terwijl de in alle oliën voorkomende cholosterine daaruit in plaatjes kristalliseert (methode Sal ko w sk i-Wefers Bettink; zie voorts Feestnummer N. M. t. B. v. Ph. 1842—1892).

-ocr page 210-

584

Meng het volkomen droge zout allengs met de traan en verwarm zoo lang bij ongeveer 30°, totdat het is opgelost.

Staai-Levertraan zij helder en roodbruin.

Na verbrand te zijn, moet 20 Grm. Staal-Levertraan ongeveer 40 mG. Ferrioxyde achterlaten, overeenkomend met een gehalte van 0.14 pet. Ijzer.

Bereiding. Voor de bereiding van Staal-Levertraan is het gebruik van verschillende ijzer-preparaten voorgeslagen. De vereischten, daaraan te stellen, zijn voornamelijk deze, dat het ijzerzout niet te moeilijk en bij niet te hooge temperatuur in de Olie oplosbaar zij en blijve, zoodat een Traan van voldoend ijzergehalte kan worden verkregen en reuk en smaak van het preparaat bovendien het gebruik er van niet in den weg staan.

Behalve enkele preparaten van minder belang is vooreerst daartoe aangewend een mengsel van vetzure ferrizouten, bereid door eene verdunde ferrichloride-oplossing met eene spiritieuse oliezeep-oplos-sing te precipiteeren, welk mengsel van zeepen onder verwarming zooveel mogelijk in de Traan wordt opgelost. Daar evenwel het ijzerzout van palmitinezuur alsmede dat van stearinezuur slechts bij verhoogde temperatuur in de Traan oplosbaar zijn en zich bij bekoeling nagenoeg geheel weder afscheiden, zal hoofdzakelijk slechts het ferri-oleaat in oplossing komen, zoodat een moeilijk helder te maken preparaat met onaangenamen zeepsmaak en zeer gering ijzergehalte wordt verkregen (Kohlman).

Een preparaat met hooger ijzergehalte kan bereid worden, door allereerst de Traan met natronloog innig te vermengen , dit mengsel op het waterbad te verwarmen en hieraan, onder het doorvoeren van een flinken luchtstroom, eene oplossing van ferrosulfaat toe te voegen. Onder het voortdurend onderhouden eener temperatuur van ongeveer go0 en een onafgebroken luchtaanvoer, wordt het aanvankelijk gevormde ferro-oxyde door de zuurstof der lucht in ferrioxyde omgezet, dat zich op hetzelfde oogenblik met de vetzuren der Traan in eene oplosbare vetzure verbinding omzet. Alhoewel op deze wijze een Staal-Levertraan van voldoend ijzer-gehalte wordt verkregen, is de bereiding niet op eenvoudige wijze te bewerkstelligen en zijn zoowel reuk als smaak der Traan onaangenaam en min of meer walgelijk (v. d. Burg). ^

Aan de gestelde eischen voldoet zeer goed het door de 1 h. gebezigde ferribenzoaat, waarmede eene bijzonder goedblijvende en aangenaam smakende Traan van voldoend ijzergehalte wordt ver-

-ocr page 211-

585

kregen. Het ijzerzout moet vooraf boven zwavelzuur volkomen gedroogd worden, wijl door aanhangend water de innige aanraking van het poeder met de Traan verhinderd en dientengevolge de oplossing belet of vertraagd wordt. Het zout wordt vervolgens eerst met een weinig Traan saAingewreven, daarna met de overige 1 raan gemengd en ten slotte bij zeer zachte warmte, hoogstens ongeveer 30°, op het waterbad onder gestadig omroeren daarin opgelost, waarna de Olie zoo noodig nog warm wordt gefiltreerd lt;Schwarz, Godin).

Evenals Levertraan moet ook deze Traan tegen den invloed van het licht in volkomen droge, gevulde en goed gesloten flesschen bewaard worden.

Onderzoek.

1°. Staal-Lever traan zij helder en roodbruin. Slaat op eene deugdelijke bereiding, meer bepaaldelijk op de aanwending eener niet te hooge temperatuur, langzame oplossing van het ijzerzout en, zoo noodig, behoorlijke filtratie. Staal-Levertraan, langs boven beschreven eersten weg bereid, is donker bruinrood, volgens de tweede methode donkerrood, granaatkleurig. Zij bezitte noch een zeep-, noch een bijtenden ijzersmaak.

20. Na verbrand te zijn, moet 20 Grm. Staal-Levertraan ongeveer 40 ntG. Fernoxyde achterlaten, overeenkomend met een gehalte van 0.14 pet. Ijzer. 20 Grm. der Traan bevatten 0.2 Grm. Ferribenzoaat. Daar het ijzeroxyde, dat na de verbranding van Ferribenzoaat overblijft, ongeveer 20 pet. van het droge Zout moet bedragen \'), zal het Ferrioxyde-gehalte van 20 Grm. der Olie 0.04 Grm. bedragen, welk ferrioxyde (Fe 203 = 160) over-112

eenstemt met X 0.04 = 0.028 Ijzer (Fe4 = 112). Daar

Levertraan bij verbranding slechts sporen van asch achterlaat, welke bij deze berekening niet in aanmerking behoeven genomen

te worden, bedraagt het IJzergehalte dus —X 100=0.14 pet.

\') Zie (i Benzoas ferricus » , blz. quot;103. Daar van dit preparaat verschillende zouten bestaan, waarvan het ijzergebalte afhankelijk is van de bereiding, mag slechts het preparaat lt;ier Ph. gebruikt worden, waarvan de bereiding is voorgeschreven.

-ocr page 212-

586

OLEUM JECORIS ASELLI CUM JODETO FERROSO.

JOOD IJZER-LEVERTRAAN.

N. Jood, tot poeder gebracht, vijf deelen....... S

Levertraan drie honderd vier en negentig deelen . . 394 Ijzer poeder tien deelen........... • 10

Vul een stopflesch bijna geheel met de traan en los hierin door schudden het jood op. Voeg er het ijzerpoeder bij en schud zoo lang totdat de traan een violette kleur heeft aangenomen. Na 24 uur gestaan te hebben, mag 1 droppel van de Traan kaliumjodidestijfsel niet meer kleuren.

Doe het bezonken preparaat in fleschjes van geel glas en van 50 Grm. inhoud en sluit ze nauwkeurig.

Het zij een violette Traan, vrij van ongebonden jood.

Na verbrand te zijn, moet 20 Grm. Joodijzer-Levertraan ongeveer 77 mG. Ferridoxyde achterlaten, overeenkomend met een gehalte van 1.5 pet. Ferrojodide.

Bereiding. Eene volkomen droge stopflesch wordt nagenoeg geheel met Traan gevuld en hierin het jodium, liefst in poe-dervorm, gebracht. De flesch moet volkomen droog zijn, daar zelfs sporen water schadelijk op het later te vormen ferro-jodide werken, in zóóverre dat dit door het water aan de Traan zou worden onttrokken en ontleed. Het gebruik van poedervormig jodium, bereid door fijn jodium in een mortier af te wrijven, bespoedigt het oplossen daarvan in de Traan. Overigens geschiedt de oplossing, door de Traan gedurende eenige dagen in de goed gesloten flesch herhaaldelijk te schudden; na eenigen tijd rustig gestaan te hebben, heeft de vloeistof alsdan een soortelijk gewicht

van 0.932—0.937 (bij 13.50—21°).

Daarna wordt het ijzerpoeder toegevoegd, dat opzettelijk zoo ruim is genomen, ten einde de vorming van het ferro-jodide te bespoedigen.

Fe -f 2 J = Fe J2

ijzer jodium ferro-jodide

De jodium-oplossing wordt met het ijzer in de nagenoeg geheel gevulde en volkomen gesloten flesch gedurende eenige uren geschud en wel zóó lang, totdat één droppel der vloeistof,

-ocr page 213-

587

welke langzamerhand eene purperviolette kleur heeft aangenomen, niet meer door kaliumjodidestijfsel wordt gekleurd en dus geen reactie op vrij jodium meer vertoont. De flesch moet zoo goed als geheel gevuld en volkomen gesloten zijn, wijl het ferro-jodide bij aanraking met de lucht langzamerhand aanleiding geeft tot de vorming van ferri-oxyjodiden van wisselende samenstelling, waardoor een preparaat zou worden verkregen met grooter ijzer-, geringer jodium-gehalte en dus van inconstante samenstelling. Daar het uiterst moeilijk is, de lucht geheel buiten te sluiten, zullen zich steeds sporen van deze ferri-oxyjodiden vormen, welke zich terstond door de violette kleur van het preparaat verraden, wat echter een onoverkomelijk bezwaar mag worden genoemd, daar zij ook terstond bij het gebruik der Traan zouden ontstaan en alsdan door de kleursverandering reden tot wantrouwen zouden kunnen veroorzaken.

Men laat de vloeistof daarna aldus 24 uur rustig staan en schudde vervolgens opnieuw gedurende minstens één uur, totdat, ook na 24 uur, opnieuw met kaliumjodidestijfsel gebleken is, dat het preparaat elk spoor van vrij jodium mist. Dat bij de bereiding het aanvankelijk jodiumvrije preparaat na 24 uur weder eene reactie op vrij jodium vertoont, heeft zijn grond daarin, dat ook een weinig ferro-ferri-jodide schijnt te ontstaan., dat allengs in ferro-jodide en vrij jodium ontleed wordt.

Ten slotte late men het preparaat helder bezinken, overtuige zich door soortelijk gewicht (0.937—0.940 bij 8°—130) en analyse, dat het \'t vereischte procentisch gehalte ferrojodide bezit en beware het eindelijk in geheel gevulde en volkomen gesloten fleschjes van geel glas en 50 Grm. inhoud, waardoor zoo min mogelijk gelegenheid wordt aangeboden om door inwerking van lucht en licht verandering te ondergaan (v. d. Bur g).

Onderzoek.

1°. Het .zij een violette Traan, vrij van ongebonden jood. De Ph. staat dus de moeilijk geheel te vermijden sporen van ferri-oxyjodiden toe, doch geen vrij jodium, wat door kaliumjodidestijfsel op de voorgeschreven wijze kan worden aangetoond 1). Naar mate bij de bereiding de lucht meer heeft ingewerkt, wordt de kleur der Traan donkerder.

\') hl plaats van stijfseloplossing wordt hier voor de reactie op vrij jodium kalium jodidestijfsel gebezigd, wijl de reactie daardoor wordt verscherpt.

-ocr page 214-

588

2°. Na verbrand te zijn, moet 20 Grm. Joodijzer-Levertraan

ongeveer 77 m G. Ferridoxyde achterlaten, overeenkomend met een

gehalte van 1.5 pet. Ferrojodide. Eveneens wordt, naar mate bij

de bereiding de lucht meer heeft ingewerkt, het ijzergehalte grooter

en het jodiumgehalte dus geringer. De Traan bevatte 1.5 pet,

ferro-jodide en wel 0.27 pet. ijzer en 1.23 pet. jodium.

20 Grm. Traan moet bij verbranding achterlaten ongeveer 77

mG. = 0.385 pet. ferri-oxyde (Fe1 O2 = 160), wat overeenkomt

5.6 X 2 310

met —^r;— X 0.385 = 0.27 pet. ijzer (Fe = 56)= -^r-Xo.27

127 ^ 2

= 1.5 pet. ferro-jodide (Fe J2 = 310) = —^— X M =1-23

pet. jodium (J = 127). Met het oog daarop, dat Levertraan bij verbranding slechts uiterst geringe, ter nauwernood weegbare hoeveelheden asch achterlaat, kunnen deze bij de bepaling verwaarloosd worden 3).

OLEUM LAURI.

LAURIEROLIE.

Een zalfachtige Olie, uit versche Vruchten van La u rus nobilis L. door uitpersing bereid.

Zij is korrelig, geelachtig-groen, bestaat uit een mengsel van vluchtige en vette olie, en riekt eigenaardig aromatisch.

Zij moet in 2 deelen verwarraden absoluten alcohol oplosbaar zijn.

1

Voor de jodium-bepalhig wordt 5 Grm. Traar. door verhitting in een porseleinen kroes op het waterbad gedurende een paar uren met spiritueuse kali-oplossing verzeept, de gevormde zeep door voorzichtige verhitting in denzelfden kroes volledig verkoold, de kool met water uitgeloogd, totdat dit niet meer alkalisch reageert, en in deze oplossing, die bij volkomen verbranding der organische stoffen geheel kleurloos moet zijn,

2

het jodium op de bekende wijzen bepaald (v. d. Burg).

3

) IJe verbranding geschiede in een platina-schaaltje, ongeveer voor i met de Traan gevuld. Zoodra zich bij voorzichtige verhitting in voldoende hoeveelheid dampen ontwikkelen, steekt men ze met de vlam aan en verwijdert deze, welke bewerking worde hrrhaald. Zoodra de Traan geheel verkoold is, wordt zij verder door sterker verhitting verbrand, wat bespoedigd kan worden, door meermalen te laten bekoelen, de kooldeeltjes even met een droppel water te bevochtigen, dit voorzichtig te verdampen en daarna opnieuw te gloeien tot eene bij bekoeling helder roode asch (v. d. Burg).

-ocr page 215-

589

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; eene vette olie, bestaande uit een mengsel der glyceriden van laurinezuur (laurostearine) en van o 1 iezuur; ongeveer0.8 pet. vluchtige olie, waarin vooral c i n e o 1, benevens geringe hoeveelheden pineen, sesqu iterpeen en vrij laurinezuur; voorts ongeveer 1 pet. la u r i n ek am fer (laurine), C21H30O3, en eenig chlorophyll.

Bereiding. Laurierolie wordt bereid uit de versche vruchten van Laurus nobilis L,, een altijd groenen boom uit de familie der I.auraceae, die, in Klein-Azië inheemsch, in Zuid-Europa en ook elders in vele verscheidenheden gekweekt wordt. In het noorden van Italië, ook in Griekenland en Kreta, wordt de Olie gewonnen, door de versche vruchten, die ongeveer 30 pet. vette Olie bevatten, tusschen verwarmde platen uit te persen. Ook, doch zeldzamer, wordt zij bereid uit de gedroogde vruchten, door deze tot grof poeder te stampen, met heet water aan te mengen, eenige uren daarmede te verwarmen en daarna uit te persen. Zij komt tegenwoordig in vierkante blikken bussen, vroeger in groote vaten, in den handel.

Eigenschappen. Eene geelachtig-groene, korrelig-kristallijne, week-zalfachtige, bij zomerwarmte bijna olieachtig-dikvloeibare, bij winterkoude boterachtig-vaste Olie, bij ongeveer 40° smeltende tot eene donkergroene vloeistof, met een eigenaardig aroma-tischen, sterk specerijachtigen geur en bijtenden, bitteren smaak, weinig oplosbaar in kouden, oplosbaar in 2 dln. warmen absoluten alcohol, welke oplossing bij bekoeling melkachtig troebel wordt, alsmede oplosbaar in aether en chloroform.

Zuurgetal = 18. Köttstörfer\'sche getal = 206. Joodgetal =49.

Onderzoek.

1°. Een zalfachtige Olie, uit versche Vruchten van Laurus nobilis L. door uitpersing bereid. De Olie, uit de gedroogde vruchten na weeking met warm water verkregen, is minder groen en tevens minder geurig.

2°. Zij is korrelig, geelachtig-groen, bestaat uit een mengsel van vluchtige en vette olie, en riekt eigenaardig aromatisch. In den handel komen als Laurierolie voor vetten of mengsels van verschillende vetten en oliën, getrokken op laurierbessen of door

-ocr page 216-

590

vluchtige olie gearomatiseerd en door toegevoegd chlorophyll, curcuma, indigo, naar men meent ook door cupridacetaat (groen-spaan) gekleurd. De kleur moet geelachtig-groen, niet al te donkergroen zijn en resten van plantaardige weefsels, afkomstig van de vruchten, mogen er niet in gevonden worden.

30. Zij moet in 2 deelen verzvarmden absoluten alcohol oplosbaar zijn. Ontstaat onder schudden bij verhitting tot koken geene heldere oplossing, dan kan vervalsching met reuzel, vaseline, enz. hebben plaats gehad. Ook minerale stoffen zouden onopgelost achterblijven. Wordt de vloeistof na bekoeling helder afgeschonken en met ammonia behandeld, dan mag deze daardoor niet rood geklemd worden, wat op curcuma, en niet blauw, wat op koper zou wijzen.

OLEUM LAVANDULAE.

LAVENDELOLIE.

De vluchtige Olie, uit Bloemen van Lavandula vera D. C. door destillatie bereid.

Zij is kleurloos of lichtgeel, riekt aangenaam en heeft een soortelijk gewicht van 0.885—0-^95-

Zij geve met sterken spiritus in elke verhouding een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: 25 pet. ter peen, C1 quot;II1 e, met een kookpunt van 200°—210°; voorts ongeveer 65 pet. van een stearopt, lavendel kamfer, in samenstelling met een mengsel van kamfer en borneol overeenkomende, 10 pet. hars en geringe hoeveelheden azijnzuur en waarschijnlijk val er iaa n zu u r in den vorm van samengestelde aethers.

Bereiding. Lavendelolie wordt gewonnen uit de bloemen van Lavandula vera D. C., eene heesterachtige plant uit de familie der Labiatae, inheemsch in bergachtige streken van de landen, gelegen aan de westelijke helft van het gebied der Middellandsche Zee. In het zuiden van Frankrijk, aan de Italiaansche grenzen, wordt in den bloeitijd der in \'t wild groeiende plant, in Juli en Augustus, de Olie daaruit verzameld, door op de velden zelve de versche enkele bloemen, ook wel de bloeiende takken, of wel de stelen alleen, of zelfs de plant in haar geheel aan destil-

-ocr page 217-

59i

latie met water te onderwerpen. Ook wel worden de bloemen terstond gedroogd en daarna naar elders vervoerd, om daaruit de Olie door destillatie met water of stoom te winnen.

In gekweekten toestand komt de plant, behalve in ons land in tuinen en voor pharmaceutisch gebruik, ook in Duitschland en in \'t bijzonder in Engeland voor. In het laatste, vooral te Hitchin en Mitcham, wordt de Olie van deze gekweekte exemplaren in \'t groot gewonnen.

Opbrengst in Engeland 0.8 pet.; in Frankrijk van de versche bloemen ongeveer 0,5 pet., van de gedroogde ongeveer 2 pet.; in Duitschland 2—2.8 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale of zwak zure, kleurlooze of lichtgele, dunvloeibare Olie van 0.885—0.895 soort. gew., aangenaam, doordringend van reuk en brandend-aromatisch en bitter-achtig van smaak, kokende bij 190°—1920, in minstens gelijke deelen (vol.) alcohol en verder in elke verhouding daarin en in aether oplosbaar.

Onderzoek.

1°. De vluchtige Olie, uit Bloemen van Lavandula veraD. C. door destillatie bereid. Van de beide in den handel voorkomende soorten, de Fransche en de Engelsche, wordt de laatste voor de beste gehouden. Van de eerste komen naar de kwaliteit vele verscheidenheden in den handel voor. De mindere hiervan, die uit de takken of zelfs enkel uit de stelen daarvan, ook uit gedroogde bloemen bereid worden, zijn minder fijn van geur en voor officinaal gebruik ongeschikt.

2°. Zij is kletcrloos of lichtgeel, riekt aangenaam en heeft een soortelijk gewicht van 0.885—0.895. Aan de lucht bewaard, wordt de Olie door verharsing langzamerhand dik vloeibaar, waarmede vermindering van geur en zure reactie gepaard gaat. Ook een gering gehalte aan water of alcohol doet na eenigen tijd schade aan den reuk. Oleum Spie a e, afkomstig van Lavandula Spica Chaix, heeft een hooger soort. gew. (0.905—0.915), evenals de Olie, in Spanje bereid uit L. Stóchas en L. dentata L. (0.926—0.942). De eerste heeft bovendien een doordringenden, kamferachtigen, de laatsten een meer rosmarijnachtigen reuk. De Engelsche Olie daarentegen heeft een lager soort. gew. (0,883—0.8S7), — Te r-pentijnolie verlaagt het soort. gew. en kookpunt.

-ocr page 218-

592

3°. Zij geve met sterken spiritus in elke verhouding een helder Slaat op vervalsching met vette oliën, paraffi neo lie, terpent ij n olie, benzol, enz. Zie voorts bij „Oleum Anisi,quot; sub 5).

OLEUM LINI.

L IJ N O L I E.

De vette Olie, uit Lijnzaad door uitpersing bereid.

Zij is helder, geel of bruinachtig-geel, drogend, riekt eigenaardig, blijft zelfs bij —20° nog vloeibaar en heeft een soortelijk gewicht van 0.93c-—0.940.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; 80—90 pet. linoleïne, het glyceride van lijnoliezuur, C1CHÏ802 \'), benevens eenig oleïne, palmitine en my rist i cine.

Bereiding. Lijnolie kan uit het Lijnzaad verkregen worden door koude of door warme persing. Fabriekmatig wordt zij gewonnen in fabrieken, de z. g. oliemolens of olieslagerijen, waar het zaad, in onrijpen staat verzameld of niet meer kiemingsvatbaar door te lange of onvoldoende bewaring, z. g. slagzaad, onder rondwentelende steenen wordt fijngemalen, daarna, ter verwijdering van water en slijm, boven vuur wordt geroost, om ten slotte in zakken onder slagstampers of tusschen hydraulische persen bij herhaling te worden uitgeperst, waarbij het van Olie bevrijde zaad in langwerpig-vierkante, geribde koeken, de lijnkoeken, achterblijft-

Opbrengst bij koude persing 16—20 pet., bij warme persing 22—27 Pct-

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, gele of bruinachtig-gele, drogende, vette Olie van 0.930—0.940 soort, gew., kokende bij 130°, bij —2o0 nog vloeibaar en bij —27.50 eerst stollende, eigenaardig, onaangenaam van reuk en smaak, oplosbaar in 5 dln. absoluten en 32 dln. sterken spiritus en 1.5 dl. aether.

Lijnoliezuur is volgens I! a u e r en Hazura geen enkelvoudig lichaam, duoli bestaat uit 20 pet. li nol zuur, C^U^O\', en 80 pet. li n 0 1 e e n- en i s 0 1 i n o-leenzuur, beide met de formule C1°I1quot;gt;0,.

-ocr page 219-

593

In eene dunne laag aan de lucht blootgesteld, droogt Lijnolie door oxydatie van het iijnoliezuur langzamerhand op onder vermeerdering van gewicht tot eene doorschijnende, harsachtige, elastische, bij verwarming niet-smeltbare massa {oxylinoleïne, lino.vine), in tegenstelling van de Olie zelve onoplosbaar in aether, petro-leumaether en zwavelkoolstof.

Zuurgetal = 201.3. Smeltpunt vetzuren = 170—240. Stollings-punt vetzuren = 13.30—17.5°. Köttstörfer\'sche getal = 187.4 — 195.2. Joodgetal = 170 —181.

Onderzoek.

10. De vette Olie, uit Lijnzaad door uitpersing bereid. Zij is geel of hruina.chtig-gccl. Hoe verscher de Olie, des te lichter is hare kleur. Overigens staat de Ph. zoowel het gebruik van door koude als door warme persing verkregen Olie toe. De door koude persing verkregene is geel, dunvloeibaar, zwak van reuk en zacht van smaak, doch spoediger ransig wordend, terwijl de door warme persing verkregen Olie bruinachtig-geel, lijviger, sterker van reuken zoetachtig-bitter, later iets scherp van smaak is, doch minder spoedig rans wordend.

20. drogend. Niet-drogende vette Oliën kunnen, behalve door de elaïdine proef, ook herkend worden door de Olie in eene dunne laag op een glazen plaat of horlogeglas uit te strijken; bij zachte verwarming aan de lucht moet de Olie langzamerhand tot eene harde, doorschijnende, harsachtige massa opdrogen. Is de terugblijvende stof niet harsachtig hard, doch smerig vloeibaar, dan wijst dit op vervalsching met niet-drogende vette Oliën. Overigens zijn stollingspunt, soortelijk gewicht en vooral het hooge joodgetal bij vervalsching met andere vette oliën kenmerkend voor Lijnolie \').

■) Zie vooi-ls over reactiën op vreemde oliën bij «Oleum Olivarum», bl/. 005.

-ocr page 220-

594

OLEUM MACIDIS.

FOELIEOLIE.

De vluchtige olie, uit Zaadmantels van Myristica f rag rans Hout t. door destillatie bereid.

Zij is kleurloos of geelachtig en smaakt en riekt aromatisch.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: een mengsel van terpenen (pineen met een kookpunt van i6t0 en dipenteen met een kookpunt van 176°); voorts myristicol, C10H,0O, met een kookpunt van 2100—220°, en myristicine, C]2H1403, eene vaste, aetherachtige stof, bij 30° smeltende, met den reuk van Foelieolie. Somtijds komt ook een weinig vrij myristine-zuur in de Olie voor.

Bereiding. Deze Olie wordt gewonnen uit de Foelie, Macis, den zaadmantel (arillus) van het eivormige, nootachtige zaad van den Muskaatboom, Myristica fragrans Houttuyn, uit de familie der Myristicaceae, een altijd groenen, hoogen boom van de Banda- en verdere eilanden des O. en W. I.-Archipels, die aldaar zoowel in wilden als in gekweekten staat voorkomt Nadat het vruchtbekleedsel verwijderd is, wordt de vleezige en fraai rood gekleurde arillus voorzichtig met de vingers van de buitenste zaadhuid losgemaakt en zacht gedroogd, waardoor de fraai roodekleur in eene donkerder of wel oranjeachtige overgaat, na verpakking in kisten verscheept en als foeli e bij ons in den handel gebracht. Naar de kleur onderscheidt men vooral lichte of blanke, d. i. oranje-of saffraankleurige, zijnde de beste, en gewone of bruine, roodbruin van kleur. Uit den verschen afval van de eerste soort wordt in Oost-Indië door destillatie met water de Foelieolie gewonnen. Ook in Duitschland wordt tegenwoordig uit aldaar aangevoerde Foelie de Olie gedestilleerd.

Opbrengst uit versche Foelie 10—15 pet., uit gedroogde 4—8 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, kleurlooze of geelachtige, ietwat dikvloeibare, vluchtige Olie, waaruit zich in de koude soms een kristallijn stearopt afzet, van 0.885—0.950 soort. gew., met een sterken, aangenamen, aromatischen reuk en aanvankelijk

\') Zie voorts bij «Semen Myristicae».

-ocr page 221-

595

zachten, daarna scherpen, aromatischen smaak, oplosbaar in minstens 5—6 din. (vol.) alcohol en aether \').

Onderzoek.

10. De vluchtige olie, ïdi Zaadmantels van Myristica fra-grans Houtt. door destillatie bereid. Nevens vette olie komt in de Muskaatnoot ook eene vluchtige olie voor, de Oleum Nu cis Moschatae aethereum. Alhoewel de identiteit van deze en Foelieolie nog niet als zeker bewezen is, doch tusschen beide geen verschil schijnt te bestaan, zoodat er in den handel geen onderscheid tusschen beide wordt gemaakt, verlangt de Ph. de Olie, uit Foelie bereid.

2°. Zij is kleurloos of geelachtig en smaakt en riekt aromatisch. Oudere Olie wordt roodachtig-geel. Overigens zijn reuk en smaak de voornaamste kenmerken voor de deugdelijkheid der Olie, De Olie n.1., uit gedroogde Foelie verkregen, is van minder fijnen geur, terwijl oude Olie langzamerhand een onaangenamen, terpen-tijnachtigen, ransigen reuk aanneemt.

OLEUM MENTHAE P I P E R I T A E.

PEPERMUNTOLIE.

De vluchtige Olie, uit Pepermuntbladen door destillatie bereid.

Zij is kleurloos of lichtgeel, heeft een soortelijk gewicht van 0.900— 0.920, riekt en smaakt eigenaardig en verwekt op de tong, bij inademing, een gewaarwording van koude.

De oplossing van 5 droppels Olie in 20 droppels ijsazijn neemt langzamerhand een donkerblauwe kleur aan, die met een koperroode kleur fluoresceert.

Met sterken spiritus geve zij in elke verhouding een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. menthol (m e n t h a k a m fe r), een alcohol, C10H19(OH), kleurlooze, glinsterende, vluchtige, prismatische kristallen met een sterken reuk naar pepermunt en zeer verkoelenden smaak, smel-

\') De Olie is mede oplosbaar in een half dl. zwavelkoolstof; meer dan gelijke dln. zwavelkoolstof veroorzaakt eene troebeling.

-ocr page 222-

596

tende bij 430 en kokende bij 2120, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether en chloroform.

2°. ment h on, C,0H,8O, een keton, welke door oxydatie uit menthol ontstaat, eene vloeistof met zwak-pepermuntachtigen reuk, ongeveer 0.896 soort. gew. en kokende bij 207°.

30. terpenen van verschillende samenstelling, waaronder menthccn, C^H18, dat door wateronttrekkende middelen uit menthol ontstaat, met een kookpunt van 1650—170°, een ter peen (links-limoneen), C10H16, kokende bij 1730 — 176° en een sesquiterpeen, C,r\'H24, kokende bij 2530—260° \').

Bereiding. Pepermuntolie wordt door destillatie met water verkregen uit het Pepermuntkruid, H e r b a M e n t h a e piperitae i). Tot dat doel wordt het kruid in verschillende landen gekweekt, vooral in Engeland, Duitschland, Frankrijk en Noord-Amerika, alhoewel de bereiding der Olie ook in Rusland en Italië, in de grootste mate zelfs in Japan plaats heeft. De hoedanigheid der verkregen Olie echter is verreweg niet overal dezelfde en hangt behalve van kweeking ook van onderscheidene factoren bij de bereiding af. Zij verschilt o. a. in de eerste plaats naar de soort van het kruid, dat voor de bereiding wordt gebruikt. Terwijl bijv. de verschillende vormen, waaronder M. piperita L. zich voordoet, in de eerstgenoemde landen niet ver uiteenloopen, komen de voor hetzelfde doel in China en Japan gekweekte Men th a\'s, vermoedelijk variëteiten van M. a r v e n s i s L., noch onderling, noch met M. piperita L. overeen. De Japansche Pepermuntolie is dan ook voor geneeskundig doel niet geschikt en wordt, wegens haren rijkdom aan menthol (60—77 pet. tegen 58—67 pet. in de Engelsche en 45—60 pet. in de Amerikaansche), bijna uitsluitend voor de bereiding daarvan en, met eenige vaseline en paraffine saèmgesmolten, van de z.g. mentholstiften gebezigd.

In de tweede plaats hangt de kwaliteit der Olie somtijds af van verontreinigingen van het kruid. Terwijl bijv. in Engeland de plant zorgvuldig wordt verzameld en van onkruid bevrijd, groeien in

») Power en Kleber vonden in Amerikaansche Pepermuntolie: acetaldehyde, isovaleriaanaldehyde, azijnzuur, isovaleriaanzuur, pineen, phellandreen, links-limonecn, cineol, menthon, menthol, menthyl-aethers (4—8 pet. in de Engelsche, 4 15 pet. in de Amerikaansche en 3—7 pet. in de Japansche) als acetaat, isovalerianaat, enz.5 vooits lacton, Cgt;olllo0gt;, en cadineen.

gt;) Zie bij «Folia Menthae piperitae», hlz. 1341.

-ocr page 223-

597

Amerika, waar o. a. in den staat New-York zeer veel Olie wordt gewonnen, naast het Pepermuntkruid veelvuldigErigeron canadensis, Erechthites hieracifolia e. a. als onkruid. Daar het door den zeer grooten verbouw van het Kruid moeilijk is dit onkruid uit te roeien, wordt het met de versche of zacht gedroogde plant veelvuldig mede gedestilleerd. Bij de betere soorten geschiedt de destillatie door stroomenden waterdamp. Dikwijls echter is de Ameri-kaansche Pepermuntolie, ook door deze verontreinigingen, eene slechte en verwerpelijke soort, die tevens veelvuldig aan verval-sching met andere oliën blootstaat. Te Hamburg wordt zij in groote hoeveelheden gerectificeerd.

In de derde plaats hebben het gebruik van het versche of van het gedroogde Kruid, en vooral de deelen der plant, welke voor de bereiding worden gebezigd, invloed op de deugdelijkheid der Olie. Hoewel sommigen beweren, dat eene voorzichtige droging geen afbreuk doet aan de hoedanigheid en hoeveelheid van het product, wordt de Olie volgens anderen liever verkregen uit het versche Kruid, ingezameld wanneer de plant in bloei overgaat. Overigens is de alleen uit de bladen verkregen Olie fijner dan die uit het geheele of gedeeltelijke Kruid; door bijmenging van stengels en beschadigde bladen wordt de fijnheid der Olie zeer benadeeld.

Ten slotte is deze, vooral kenbaar aan reuk en smaak, ook afhankelijk van de zorg bij de bereiding. De fijnste soort wordt verkregen door stoomdestillatie en daarop volgende rectificatie. Naast de F ranse he en Duits e he, welke in mindere hoeveelheden worden gewonnen, geldt vooral de Engelse he Pepermuntolie als de fijnste. Van de laatste onderscheidt men naar de kweekplaatsen der moederplant en naar de streek van bereiding twee soorten, eene Cambridge-en eene MUchain-soort, en van de laatste nog weder drie verscheidenheden, de gewone, tweemaal gerectificeerde en extra-fijne. De Duitsche en vooral de z.g. geconcentreerde staat haar het meest nabij.

Opbrengst uit het versche kruid o.i—0.35 pet., uit het gedroogde 0.7 pet.

Eigenschappen. Eene versch neutrale, later zure, kleurlooze of lichtgele, vaak ook iets groenachtige, dunvloeibare, vluchtige Olie van 0.890—0.920 soort. gew., kokende bij ongeveer 190°—210°, aangenaam, doordringend, aromatisch van reuk en min of meer kamferachtig, brandend van smaak, bij inademing op de tong eene gewaarwording van koude verwekkende, oplosbaar in gelijke dln.

39

-ocr page 224-

598

en verder in elke verhouding in sterken spiritus, bij krachtig schudden ook oplosbaar in 4—5 dln. verdunden spiritus, ook in aether en chloroform, onoplosbaar in petroleumaether en zwavelkoolstof.

Door 25 droppels sterken spiritus en één droppel salpeterzuur wordt één droppel Pepermuntolie langzamerhand blauw tot blauwgroen gekleurd; eveneens, doch sterker, door toevoeging van één droppel salpeterzuur bij 50 droppels Olie.

De oplossing van 5 droppels Olie in 20 droppels ijsazijn neemt aan de lucht langzamerhand eene donkerblauwe kleur aan, die met eene koperroode kleur fluoresceert.

Onderzoek.

10. De vluchtigc Olie, uit Pepermuntbladen door destillatie bereid. De Ph. eischt dc beste Amerikaanse he, Engelsche of D u i t s c h e Pepermuntolie.

20. Zij is kleurloos of lichtgeel. Ruwe, niet-gerectifi-c e e r d e Pepermuntolie is groenachtig tot geel gekleurd. — Bij langdurige bewaring kleurt zich de Olie donkerder, zelfs bruinachtig.

30 heeft een soortelijk gewicht van 0.900—0.920. Gewoonlijk bedraagt het soort. gew. 0.900—0.910. De Amerikaansche Olie heeft over \'t algemeen een hooger soort, gew., boven 0.910; de Japansche een veel hooger, ongeveer 0.960 Door ouderdom neemt het soort. gew. toe.

40. riekt en smaakt eigenaardig. Bij bewaring wordt de Olie door verharsing dikker en gaat haar fijnen geur verloren, welke dan naar terpentijn gaat zweemen. — Japansche, evenals oude Olie is bitter-achtig van smaak. — Amerikaansche, welke Erigeronolie bevat, is minder fijn van reuk en smaak. Bij eenigszins belangrijke hoeveelheden, ongeveer 10 pet., wordt deze door kaliloog oranjerood gekleurd. Reuk en smaak mogen in geen geval terpentijnachtig zijn.

50. en verwekt op de tong, bij inademing, een gewaarzvording van koude. Geene andere vluchtige Olie bezit deze eigenschap.

6°. De oplossing van 5 droppels Olie in 20 droppels ijsazijn neemt langzamerhand eene donkerblauwe kleur aan, die met een koperroode kleur fluoresceert. Identiteitsreactie, welke echter slechts bij toetreding van lucht plaats heeft. Tegenover phenol en sali-cylzuur gedraagt de Olie zich op dezelfde wijze. Niet alle soorten van Pepermuntolie geven deze reactie even sterk. Mitcham-OWe bijv. geeft haar dikwijls slechts zwak, Amerikaansche daarentegen het sterkst, terwijl Japansche haar in \'t geheel niet geeft.

-ocr page 225-

599

7°. Met sterken spiritus geve zij in elke verhouding een helder mengsel. Goede Pepermuntolie is in gelijke deelen en verder in elke verhouding in spiritus oplosbaar. Aanwezigheid van Eri-geron- en E rech t h i tes - olie vermindert de oplosbaarheid. Omtrent de oplosbaarheid in verdunden spiritus geldt, dat fijne Pepermuntolie in 4—5 dln., minder fijne in 12 —15 dln. of nog minder oplosbaar is. Voorts toont gemakkelijke oplosbaarheid in spiritus de afwezigheid aan van vette olie, sassafrasolie, copaivaolie, mosterd olie, gemberolie en grootere hoeveelheden t e r p e n t ij n o 1 i e 1).

Zie voorts sub 2) bij „Oleum Anisiquot; J).

1

) Vervalsching met eenigszins belangrijke hoeveellieden terpent ij nolie kan in vluclilige Oliën, behalve door rlen reuk, ook aangetoond worden door bijv. 0.2 Grm. poeder van jodium met één droppel Olie te bevochtigen, waardoor geene ontploffing mag ontstaan.

Sassafrasolie kan herkend worden aan het /.wak rood worden met zwavelzuur, terwijl na vermenging met spiritus de kleur donker kersrood, bij sterke verdunning helder en donkerrood wordl.

2

M De deugdelijkheid van Pepermuntolie betreffende haar behoorlijk gehalte aan menthol kan worden gecontroleerd, door een droog reageerbuisje met de Olie te vullen en daarna in een koudmakend mengsel te plaatsen. Is de Olie zuiver, dan wordt ze na eenige minuten dikvloeibaar en ondoorschijnend. Voegt men alsdan eenige kristalletjes menthol toe, dan verandert de Olie in korten tijd in eene kristallijne massa. Blijft daarentegen de Olie bij 0° geheel of grootendeels vloeibaar, dan kan men aannemen, dat zij geheel of gedeeltelijk van menthol is bevrijd.

-ocr page 226-

6oo

OLEUM MYRISTICAE.

OLEUM NUCISTAE.

MUSKAATBOTER.

De vaste vette Olie, uit Muskaatnoot door uitpersing bereid.

Zij is geelachtig, hier en daar wit- of bruinachtig, kruimelig, bestaat uit vette en vluchtige olie en riekt en smaakt zooals Muskaatnoot.

Bij 400—450 smelt zij tot een bruinachtige, niet geheel heldere vloeistof.

Met 10 deelen sterken spiritus verwarmd, geve zij een bijna heldere oplossing.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; een mengsel van vette olie, bestaande uit m y r i s t i n e, p a 1 m i t i n e en o 1 e ï n e met een weinig vrij myristinezuur, en van 6—7 pet. vluchtige olie \').

Voorts bevat zij eene bruine kleurstof, gedeeltelijk oplosbaar in petroleumbenzine, beter in spiritus; voorts enkele weefselfragmenten, een weinig eiwitstof en zetmeel-korreltjes.

Bereiding. Muskaatboter wordt gewonnen uit de Muskaatnoot, de zaadkern der vrucht van den Muskaatboom, Myristica fragrans Houttuyn, uit de familie der Myristicaceae \'). In N. O.-Indiü, inzonderheid op de Banda-eilanden, wordt de Olie bereid uit gebroken of door insecten aangevreten Muskaatnoten in nog niet geheel rijpen staat, door deze na zachte roosting tot grof poeder te malen of te stampen, en, na in bamboezakken aan den damp van kokend water blootgesteld te zijn, tusschen verwarmde platen uit te persen. De vloeibare Olie stolt bij bekoeling en wordt in den vorm gebracht van langwerpige, rechthoekige blokken en in gedroogde palm- of pisangbladen, soms ook in biezen, schors of papier gewikkeld, waarna zij vooral van uit Singapoer naar ons land of naar Londen wordt uitgevoerd. Voor pharmaceutisch gebruik moet zij door smelten en coleeren van onzuiverheden als anderszins gereinigd worden.

In lateren tijd wordt zij ook in Duitschland, o. a. in Hamburg, vroeger ook in ons land, in Amsterdam, door uitpersing of uittrekking met spiritus bereid.

Opbrengst ongeveer 25 pet.

\') Zie over tie samenstelling bij «Oleum Alacidis», blz. 594.

-ocr page 227-

/

6oi

Eigenschappen. Eene zwak zure, oranjegeelachtige, wit of bruinachtig gevlekt-gemarmerde, talkachtig vaste, kruimelig breekbare, vette Olie, voorkomende in rechthoekige stukken van 0.990—0.995 soort. gew. en bij 40°—450 smeltende, aromatisch riekende naar de vluchtige Olie van en smakende naar Muskaatnoot. Gesmolten en in een platte schaal uitgegoten, wordt zij vast onder vorming van rozetten, welke na bekoeling onder en boven het niveau uitpuilen en aan de oppervlakte het voorkomen geven van berg en dal. Zij is bijna helder oplosbaar in 10 dln. warmen spiritus en in gelijke din. aether, chloroform, enz. Met zwavelzuur geschud, wordt dit fraai rood gekleurd.

Zuurgetal = 40. Smeltpunt vetzuren =42.5°. Stollingspunt vetzuren = 40°. Köttstörfer\'sche getal = 150—175. Joodgetal = 31.

Onderzoek.

i0. De vaste vette Olie, uit Muskaatnoot door uitpersing bereid. De Olie wordt ook bereid door het poeder der Muskaatnoten, na onder zachte verwarming herhaaldelijk uitgeperst te zijn, daarna nog verder met een mengsel van absoluten spiritus en aether bij 250 uit te trekken en de dus verkregen Olie met die, bij de voorafgaande persing verkregen, te vermengen. Het op deze wijze verkregen product is iets meer geelachtig, oranjegeel van kleur, weeker en iets minder vettig.

20. Zij is geelachtig, hier en daar wit- of bruinachtig en riekt en smaakt zooals Muskaatnoot. Ook uit de zaadkernen van andere M y r i s t i c a-soorten wordt een op Muskaatboter gelijkend mengsel verkregen, echter minder aangenaam van geur en afwijkend in kleur, b.v. uit de zaadkernen van M. Otoba Hb. in Columbia en M. officinalis Mart. in Brazilië, dat een vuilbruinachtig uiterlijk heeft.

3°. Bij 40°—450 smelt zij tot een bruinachtige, niet geheel heldere vloeistof. Afwijking van het smeltpunt kan wijzen op ver-valsching met talk, reuzel, vaseline, enz. Bij smelting mogen zich tevens geene vaste stoffen uit de Olie op den bodem afzetten, wat zou kunnen wijzen op vervalsching met zetmeel, minerale stoffen, enz,

4°. Met 10 deelen sterken spiritus verwarmd, geve zij een bijna heldere oplossing. Onoplosbaarheid bij verwarming tot koken slaat op vervalsching met talk, varkensreuzel, vaseline, enz. Eene roode verkleuring der bekoelde spiritueuse oplossing met ammonia zou op door curcuma gekleurde kunstproducten kunnen wijzen.

-ocr page 228-

602

OLEUM OLIVARUM.

O L IJ F O L I E.

De vette Olie, uit rijpe Vruchten van Olea europaea L. door uitpersing bereid.

Zij is helder, lichtgeel, heeft een soortelijk gewicht van 0.915—0.918, smaakt zacht, zet bij een lagere temperatuur eerst vaste deeltjes at en stolt bij het vriespunt tot een korrelige massa.

Wordt 4 cM3. Olie met 4 cM8. salpeterzuur geschud, dan mag de Olie niet rood- of bruinachtig worden, en wordt bij dit mengsel eenig kwik gevoegd, dan moet de Olie eenige uren later in een vaste, bijna witte, massa veranderd zijn.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: een mengsel van ongeveer 28 pet. vaste en 72 pet. vloeibare glyceriden. Tot de eersten behooren die van pa 1 mitine-, stearine- en arachinezuur, tot de laatsten vooral die van oliezuur benevens ongeveer 7 pet. van lijn oliezuur. Voorts bevat Olijfolie steeds geringe afwisselende hoeveelheden, de beste soorten ongeveer 2 pet., vr ij oliezuur, benevens een weinig cho les ter ine en ehlorophyl.

Bereiding. Olijfolie wordt verkregen uit de Olijven, de versche vruchten van den Olijfboom, Olea Europaea L., een lagen, sterk vertakten, altijd groenen boom uit de familie der Oleaceae, oorspronkelijk inheemsch in Klein-Azie en Syrië, doch reeds zeer vroeg overgebracht naar alle aan de Middellandsche Zee gelegen landen, waar hij vooral in Portugal, Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk en Algerië om hare vruchten op groote schaal in boomgaarden wordt gekweekt.

De boom bloeit vroeg in den zomer en de vruchten rijpen in October en November. Vooral het slappe, lichtgroene vruchtvleesch benevens het kiemwit en de kiem der zaden bevatten alsdan rijkelijk, ongeveer 70 pet. vette olie. De wijze, waarop deze, nadat de vruchten door afplukken, afschudden of afvallen van den boom verwijderd zijn, daaruit wordt verkregen, is niet in alle landstreken dezelfde en de deugdelijkheid der Olie is niet alleen van de verschillende bereidingswijzen en hare verdere behandeling afhankelijk, doch staat mede in verband met het verschil in klimaat en bodem, waarin de boom gekweekt is, van de verscheidenheid, van den

-ocr page 229-

6o3

staat van rijpheid der. vrucht, enz., zoodat men in den handel verschillende soorten van Olijfolie onderscheidt, waarvan natuurlijk slechts de beste soorten voor pharmaceutisch gebruik mogen worden gebezigd.

De beste, deugdelijkste, fijnste soort, de Maagdenolie {O. Oliv. virgineum), wordt verkregen in N. en Z.-Italië, vooral nabij Genua, en in Z.-Frankrijk, met name te Aix en Grasse in Provence, door de rijpe, met de hand geplukte vruchten, na ze eenige dagen ter narijping, op doeken uitgespreid, in de zon te hebben laten liggen, voorzichtig van de schil te ontdoen, de pitten er uit te halen, daarna het vruchtvleesch tot moes te stampen en dit in linnen uit te wringen. liet uitsijpelende vocht laat men in gesloten vaten op eene koele plaats ter klaring staan, schept er daarna de bovendrijvende Olie af en filtreert deze.

De meer bekende, eigenlijk officinale soort, cle beste of Provence-Olie [O. Oliv. optimum s. provinciale) wordt eveneens aldaar met zorg bereid, door de versche, rijpe vruchten in haar geheel tus-schen molensteenen te kneuzen, het moes in grove zakken door middel van schroefpersen langzaam onder zachte drukking koud uit te persen en de afvloeiende Olie boven water te klaren. Na de eerste persing wordt het achtergeblevene met eenig koud water opgeweckt, door stampen opnieuw fijn verdeeld, wederom geperst, het uitvloeiend vocht opgevangen en in rust gelaten, waarbij de Olie langzamerhand op het water komt drijven en van tijd tot tijd wordt afgeschept. Deze is natuurlijk al weder eene mindere, echter nog zeer deugdelijke soort Olie.

De fijne Spaansche Olijfolie, welke bovenbedoelde Fransche en Italiaansche nabijkomt, wordt eveneens bereid door koude uitpersing der versche vruchten en wel tusschen kegelvormige, ijzeren rollen, welke zóó ingericht zijn, dat de steenschalen der zaden niet mede gekneusd worden, zoodat de daarin vervatte Olie, welke afbreuk zou doen aan de fijnheid van smaak, niet mede uitgeperst wordt.

Mindere soorten Olijfolie worden verkregen door het reeds uitgeperste moes, met de verbrijzelde steenschalen en zaden vermengd, met kokend water te overgieten, te vermengen en daarna wederom uit te persen of door de Olijven, op hoopen geschud, eene korte gisting te doen ondergaan, waardoor het vruchtvleesch verweekt en in dien toestand gemakkelijk de Olie loslaat, welke er na kneuzing door warme persing uit gewonnen wordt {gemeene of groene Olijfolie, Boomolie, O. Oliv. commune s. viride.)

-ocr page 230-

6o4

De minste soorten Olijfolie worden gewonnen door de na de verschillende persingen verkregen resten, vooral van minder deugdelijke, soms rottende Olijven nogmaals met water aan te mengen en de na langen tijd aan de oppervlakte drijvende, somtijds kwalijk riekende Olie te verzamelen of ten slotte zelfs door ze met zwavelkoolstof daaraan te onttrekken.

Eigenschappen. Eene neutrale of bijna neutrale, heldere, lichtgele, eenigszins dikvloeibare, niet-drogende, vette Olie van 0.915—0.918 soort. gew., met eigenaardig aangenamen, doch zeer zwakken reuk naar olijven en zeer zachten, aangenamen, vettigen smaak. Zij begint bij ongeveer 10° troebel te worden; bij o0 stolt zij tot eene korrelig-zalfvormige massa. Zij is weinig oplosbaar in alcohol, gemakkelijk daarentegen in aether.

Hehner\'sche getal = 95.5. Smeltpunt vetzuren = 26.5°—28.5quot;. Stollingspunt vetzuren = 23.5°—24.6°. Köttstörfer\'sche getal = 191 —196, Joodgetal = 81 — 84.5.

Onderzoek.

1°. Z//\' is helder. Mindere soorten Olie scheiden reeds bij gewone temperatuur of geringe verlaging daarvan vaste deeltjes af.

2°. lichtgeel. In verschen staat is Olijfolie min of meer groen-achtig-geel door aanwezigheid van eenig nog onveranderd chloro-phyl. — Mindere soorten Olie zijn geel-bruinachtig of groenachtig.

30. heeft een soortelijk gewicht van 0.915—0.918. Hoe fijner de Olie, hoe lager het soortelijk gewicht. — Warm geperste Oliën hebben een weinig hooger soort. gew. (0.920—0.925).

40. smaakt zacht. In de lucht gaat goede Olie niet, doch slechtere spoedig in ontleding over en wordt dan rans. Geringere Oliën zijn daardoor minder aangenaam van reuk en smaak. Bij lange bewaring wordt ook goede Olie dikwijls een weinig scherp van smaak; zij mag echter volstrekt niet ransig zijn.

5°. zet bij een lagere temperatuur eerst vaste deeltjes af. Bij ongeveer 10° begint goede Olie troebel te worden; de allerfijnste soorten doen dit eerst bij 40—50.

6°. en stolt bij het vriespunt tot eene korrelige massa. Bij minder deugdelijke soorten geschiedt dit reeds boven o0 en wordt de massa bij het vriespunt tamelijk vast. Slaat tevens op verwisseling of vervalsching met oliën, die bij lagere temperatuur stollen, bijv. amandelolie, 1 ij n o 1 i e, enz.

-ocr page 231-

6os

7°. Wordt 4 cM*. Olie met 4 salpeterzuur geschud, dan

mag de Olie niet rood- of bruinachtig worden. Afwezigheid van abrikoos- en perzikpitolie.

8°. en wordt bij dit mengsel eenig kwik gevoegd, dan moet de Olie eenige uren later in een vaste, bijna witte, massa veranderd zijn. Afwezigheid van drogende Oliën als papaver-, h e n n e p-en lijnolie, die daarbij vloeibaar, en katoenzaad-, arachis-en sesamolie, die daarbij halfvloeibaar blijven \').

OLEUM R I C I N I.

RICINUSOLIE,

WONDEROLIE.

De vette Olie, uit Zaden van Ricinus communis L. door uitper-sing bereid.

Zij is helder, kleurloos of eenigszins geelachtig, dikvloeibaar en heeft

\') Zie over de el aid in o-proef blz. 557.

Vreemde Oliën in \'l algemeen kunnen voorts onldokt worden door 1 dl. dei\'Olie, met \'I dl. zwavelkoolstof verdund, een oogenblik te schudden met 2 dln. van oen bekoeld mengsel van gelijke deelen zwavelzuur en salpeterzuur. Bij rust mag aan de scheidingsvlakte der vloeistoffen geene groene of roode verkleuring ontstaan.

Katoen zaadolie kan ontdekt worden door aan 1 cM3. Olie in eene volkomen droge buis 10 cM3. petroleumaether en l droppel zwavelzuur toe Ie voegen, waardoor bij aanwezigheid daarvan eene bruine, allengs zwart wordende verkleuring ontstaat. Arachis-olie vertoont dezelfde reactie, doch zwakker.

Sesamolie kan ontdekt worden door 0.1—0.2 Grm. witte suiker op te lossen in 20 cM3. chloorwaterslofzuur van I.IS soort. gew., hieraan 10 cM3. Olie toe te voegen en het mengsel krachtig te schudden. 10 pet. Sesamolie geeft zich terstond te kennen dooi\' eene intensieve roodkleuring van de zich afscheidende suiker-zoutzuuroplossing (A m b ii h I).

Ricin 11 solic kan ontdekt en bepaald worden door 50 cM3. Olie met een gelijk volumen alcohol in eene gegradueerde buis krachtig te schudden. Na scheiding der vloeistoffen bepaalt men de eventueele volumen-vermeerdering van den alcohol. Men vergelijkt deze met die, op dezelfde wijze verkregen met eene zuivere Olijfolie.

flaap-, mosterd-, in \'t algemeen Cru cifeere n-01 ië n, nl. zwavelhoudende, zijn te herkennen door 2 cM3. Olie op te lossen in 5 cM3. aether en hieraan 5—10 droppels eener alcoholische zilvernitraat-oplossing (1 = 50) toe te voegen, waardoor na eenig staan buiten toetreding van licht bruinkleuring of een donker neerslag van zwavelzilver zon ontstaan, liet onderzoek kan ook geschieden door de Olie eerst met alkali te ver-zeepen en daarna met zilvernitraat of loodacetaat te behandelen, waardoor geene zwartkleuring door zwavellood mag ontstaan.

-ocr page 232-

6o6

een soortelijk gewicht van 0.950—0.970. Bij omstreeks 0° wordt zij dikker, zet witte korreltjes af en stolt bij een lagere temperatuur tot een boter-achtige massa.

Met een ten hoogste driedubbel volumen sterken spiritus geve zij een heldere oplossing.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: ricinoleïne, het gly-ceride van ricinusoliezuur, C,8H3403 1), benevens een weinig stearine.

Bereiding. Ricinusolie wordt gewonnen uit de zaden van Ricinus communis L., eene plant uit de familie der Euphor-biaceae, die in de keerkringslanden, waar zij eigenlijk thuis behoort, uitwast tot een hoogen boom, terwijl zij in minder warme streken een kleinen boom of heester en in gematigde streken zelfs een éénjarig, kruidachtig gewas vormt. De cultuur van deze plant, waarvan vele soorten of verscheidenheden bestaan, is, hetzij als sierplant of ter winning der Olie, zeer verspreid geraakt. Zij geschiedt voor het laatste doel echter het meest in tropische gewesten, zooals in ^Oost-, West- en Britsch-Indië, ook in Amerika en in minder warme streken, mede in Europa als in Italië, Frankrijk en Engeland.

De grootte, zoowel als de kleur der zaden, die ongeveer 50—60 pet. vette Olie bevatten, zijn afwisselend naar gelang van de plaatsen van oorsprong en van de aldaar gekweekte verscheidenheden der plant. Onder de grooterc soorten rekent men de Indische en de Amerikaansche, onder de kleinere de Europeeschc. De laatste worden gewoonlijk gebezigd; men houdt ze over \'t algemeen voor geschikter ter bereiding der Olie als zijnde rijker daaraan en de smaak minder scherp. De Olie, uit de groote zaden verkregen, daarentegen wordt slechts tot technische doeleinden als lampolie, machine-olie, enz. aangewend. Overigens wordt de Olie uit de gepelde zaden, dus uit de zaadkernen, verkregen door uitpersing of door uitkoking. De eerste bereidingswijze is de meest gebruikelijke en levert de deugdelijkste Olie. De persing geschiedt voorts al of niet onder aanwending van kunstwarmte; vandaar dat men in den handel verschil maakt tusschen warm- en koud-geperste Olie.

In Britsch-Indiö en met name in Bengalen, vanwaar de als bijzonder deugdzaam bekende „cold-drawn Castor-oilquot; naar Londen

\') liet Ricinusoliezuur beslaat uit twee isomeevo zuren, het r i e i n o 1 z n u r en liet r i c i n i s o 1 z 11 u i\', beide van de samenstelling C1,II1quot;,05.

-ocr page 233-

6o7

en verder naar ons land wordt uitgevoerd, worden de zaadkernen zonder kunstwarmte door hydraulische persing in van hennep bereid doek van Olie bevrijd, waarna de naar bui\'en gevloeide Olie in een tinnen ketel met water wordt gekookt, waardoor zich slijm en eiwitstoffen als een schuim aan de oppervlakte afscheiden, hetwelk wordt afgeschept. Deze koking met water dient om eene in de zaden voorkomende, vergiftige, scherpwerkende, n.1. misselijk makende en sterk drastische, eiwitachtige stof, de ricine, te ontleden en aldus te verwijderen. Ten slotte wordt de Olie door flanel gefiltreerd en in langwerpige tinnen bussen gegoten

In Oost-Indië, op Java en met name te Kediri, wordt tegenwoordig op overeenkomstige wijze, echter uit niet-ontbolsterdezaden, eene even deugdelijke Olie bereid, die na langdurige bezinking buiten het licht, ten doel hebbende haar volkomen van water-deelen te bevrijden, in petroleumblikken wordt verzonden.

In West-Indië, met name op Jamaika en Curasao, worden de gepelde of gerooste en gekneusde zaden in een ijzeren pot met water uitgekookt en de hierbij zich afscheidende Olie afgeschept, door doek gefiltreerd en in kruiken of flesschen gegoten. Deze koking der Olie is echter niet in haar voordeel; zij is daardoor bruinachtig van kleur, brandig van reuk en scherp van smaak. Zij komt bij ons niet in den handel voor.

In Noord Amerika worden de gepelde zaden in eene ondiepe ijzeren pan zacht verwarmd, ten einde de Olie genoeg vloeibaar te maken, om haar gemakkelijk in eene sterke schroefpers te kunnen uitpersen. Na vervolgens eerst met eene ruime hoeveelheid water te zijn gekookt, waarbij de zich aan de oppervlakte afscheidende onzuiverheden worden afgeschuimd, wordt de bovendrijvende Olie afgeschept en nogmaals, doch nu met eene kleine hoeveelheid water zóó lang gekookt, totdat alle waterdeelen weder volkomen verdampt zijn en de vloeistof na bekoeling volmaakt helder blijft. Hiermede bedoelt men, behalve klaring der Olie, haar minder prikkelend te maken, door er eene vluchtig wordende, scherpe stof uit te verdrijven.

In Engeland en Frankrijk worden de zaadkernen gekneusd, daarna koud uitgeperst en de Olie, door haar te laten bezinken of door filtreeren, geklaard.

In Italië worden de zaadhuiden door kloppen vooraf verwijderd en de gepelde zaadkernen in met filtreerpapier bekleede persen eerst zacht en daarna sterker geperst. In het noorden, vooral in

-ocr page 234-

6o8

de omstreken van Verona, wordt het versch gewonnen zaad zeer zorgvuldig tusschen cylinders van de doppen ontdaan, vervolgens de kernen gestampt en deze in hennipen zakken tusschen ijzeren, bij 320—38° verwarmde platen in hydraulische persen uitgeperst. De afgevloeide Olie, die ook bij ons zeer in aanzien is, wordt herhaaldelijk gefiltreerd en tot volledige klaarheid buiten het zonlicht in rust gelaten. Eene geringere soort verkrijgt men in Italië, door eerst heeten stoom op de zaden te laten inwerken en deze daarna nog warm te persen. De Olie wordt dan met dierlijke kool vermengd en door flanel gefiltreerd, welke bewerking \'s winters in tot 210 verwarmde vertrekken plaats vindt.

Opbrengst 40—45 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, klenrlooze of eenigszins geelachtige, zeer dikvloeibare, bij het uitschenken draderige, ten deele drogende, ten deele niet-drogendeOlie, papperig, aanvankelijk zacht, later eenigszins scherp van smaak, met eigenaardigen, zeer zwakken, niet aangenamen reuk en een soortelijk gewicht van 0.950—0.970. Tot bij 100 blijft zij helder; bij o0 of hieronder wordt zij dikker en troebel door afzetting van witte, kristallijne vlokken; bij —180 wordt zij vast tot eene geelachtige, boterachtige massa. Aan de lucht blootgesteld, wordt zij taai-vloeibaar en ransig, terwijl zij, in eene dunne laag uitgestreken, opdroogt. Zij geeft de elaïdine-proef \'). In ongeveer gelijke din. (vol.) en verder in elke verhouding is zij in spiritus en in aether, niet echter in petroleumaether ^oplosbaar.

Zuurgetal = 177.4. Smeltpunt vetzuren = 13°. Stollingspunt vetzuren = 30. Köttstörfer\'sche getal — 180—183. Joodgetal = 81—84.5.

Onderzoek.

i0.. De vette Olie, int Zaden van Ricinus communis L,, door uitpersing bereid. De Ph. laat dus niet het gebruik toe van Olie, door uitkoking verkregen, welke trouwens bij ons niet in den handel komt en door hare mindere zuiverheid ook niet voor geneeskrachtig doel geschikt is; evenmin van Olie, verkregen door uittrekking der zaden met absoluten alcohol, aether of zwavelkoolstof, welke eene veel sterkere en minder onschadelijke werking bezit.

\') Onderscheid mot Crotonolie; zie blz. 577,

-ocr page 235-

óóg

2°. Zij is helder. Bij omstreeks o° wordt zij dikker, zet witte korreltjes af en stolt bij eene lagere temperatuur tot eer boterachtige massa. De Olie is des te zuiverder, naarmate zij eerst bij lagere temperatuur vast wordt. De Amerikaansche Olie bijv., die ook minder aangenaam van smaak is, zet bij afkoeling spoediger, reeds bij 6°, witte korreltjes af.

3°. kleurloos of eenigszins geelachtig. Koud geperste Olie is minder gekleurd dan warm geperste, ofschoon ook somtijds warm geperste kleurlooze soorten in den handel voorkomen. De Ph. staat het gebruik van beide toe. Koud geperste Olie is bovendien minder riekend en zachter van smaak en blijft dit op den duur ook langer dan de warm geperste. Ook is de eerste beter bestand tegen ransheid en werkt als purgans minder snijdend dan de laatste. Ransig geworden Olie kan schadelijk, zelfs vergiftig werken en mag dus niet voor inwendig gebruik aangewend worden. Mindere soorten, voor technisch doel geschikt, zijn donker gekleurd en rieken en smaken sterk.

4°. dikvloeibaar. De dikvloeibaarheid en taaiheid bij het uit-schenken zijn kenmerkend voor Ricinusolie.

5°. en heeft een soortelijk gewiekt van 0,950—0.970. Het hoog soort. gew. is eveneens kenmerkend voor de Olie. Alle andere Oliön, zooals katoenzaad-, papaver-, sesam-, zonneb 1 oem-, noten-, olijf-, ook lijn- en crotonolie hebben een lager soortelijk gewicht.

6°. Met een ten hoogste driedubbel volumen sterken spiritus geve zij een heldere oplossing. Bij vervalsching met andere vette oliën zou met de opgegeven hoeveelheid spiritus eene troebele vloeistof ontstaan 1).

») De hoeveelheid der vreemde Olie kan zelfs door middel der spiritus-proef benaderend bepaald worden. Men schudt daarloe in eene gegradueerde buis 10 din. (vol.) Uicinusolie met \'20 din. (vol.) spiritus dooreen, verwarmt het mengsel tot 30° a 3;)° en zet bij gemiddelde temperatuur ter zijde. Na eenige uren vindt men bij aanwezigheid eener andere vette olie do vloeistof in drie lagen gescheiden, waarvan de onderste de vreemde olie is, welker hoeveelheid op de buis kan worden afgelezen.

Overigens kunnen vele vreemde oliën ontdekt worden door de elaïdine-proef, doordien de Olie daarbij geel-, geelacblig-rood of roodachtig-bruin wordt gekleurd of slechls gedeeltelijk vast wordt (zie blz, 557 en 5G\'2quot;|,

Iets minder scherp is de proef op vreemde oliën, dooi- 3 cM3. Uicinusolie met 3 cM3. zwavelkoolstof en I cM3. zwavelzuur gedurende eenige minuten te schudden, waarbij het mengsel wel roodachtig-bruin, doch niet bruinzwart mag worden gekleurd. Ook warm geperste Olie kan door deze proef ontdekt worden, daar bij deze wegens het grooter gehalte aan stearine donker-bruinkleuring zal ontstaan.

-ocr page 236-

6io

OLEUM ROSA RUM.

ROZENOLIE.

De vluchtige Olie, uit versche Bloembladen van Rosa damascena Mill, door destillatie bereid.

Een kleurlooze of lichtgele, aangenaam riekende vloeistof, waarin, reeds een weinig beneden de gemiddelde temperatuur, naald- of plaat-vormige kristallen zich vormen, en die bij lagere temperatuur in een vaste kristallijne massa overgaat.

Zij geve met sterken spiritus een troebel mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°. eene olieachtige, zuurstofhoudende vloeistof, rhodinol, C|0H18O, het geurend bestanddeel, een alcohol, isomeer met geraniol, die bij 216° kookt.

2°. een kristallijn, zuurstofvrij, reukloos s t e a r o p t e n, bestaande uit verschillende homologe, vaste koolwaterstoffen der vetzuren reeks (paraffin en) met een smeltpunt van

33-50—350-

Bereiding. Terwijl in Engeland en vooral in het zuiden van Frankrijk uit rozebladen gewoonlijk weinig Olie, daarentegen veel rozewater wordt gestookt, is sinds oudsher Bulgarije de bakermat der Rozenolie, waar op de zuidelijke helling van het Groote Balkangebergte, vooral in de omstreken van Kizanlik, de rozen, hoofdzakelijk van Rosa damascena Mill, uit de familie der Rosaceae, op uitgestrekte velden worden gekweekt. De bloemen der geheel of gedeeltelijk gevulde verscheidenheid, in April en Mei vóór zonsopgang afgeplukt, worden terstond daarna in koperen, zeer eenvoudig ingerichte toestellen met water gedestilleerd, uit welk destillaat door herhaalde gedeeltelijke destillatie ten slotte eene melkachtig-witte vloeistof wordt verkregen, waaruit zich bij staan aan de oppervlakte de Olie afscheidt. Veelvuldig wordt zij reeds in de Balkandorpen bij de destillatie met andere riekende oliën vervalscht, voornamelijk met de vluchtige olie, door de Turken „Idris Yaghiquot; genoemd, ook bekend als ,,Indisch-Grasquot; of„Roesaquot;-olie, ook onjuist als ,, Palmarosa- of Geraniuinquot;-olie, afkomstig van Andropogon-soorten , behoorende tot de Gramineeën, met name van A. Schoenanthus L. uit Oost-Indic; ook wel met de echte ,,Geranium- of Palmarosa^olie, o. a. van Pelargonium rosenm Willd.

-ocr page 237-

6i i

Verder wordt zij in platronde tinnen flesschen naar Constantinopel gebracht, van waaruit zij als Turksche Rozenolie gewoonlijk in kleine, vierkante, met vergulde teekeningen versierde glazen flesschen tot cns komt. Opbrengst ongeveer 0.04 pet.

In den laatsten tijd worden ook in Duitschland en wel in de nabijheid van Leipzig op uitgestrekte velden rozen van Rosa damas-cena en oentifolia gekweekt en hieruit in daartoe beter ingerichte destillatie-toestellen Olie van uitmuntende kwaliteit gewonnen. Opbrengst 0.02 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale of zwak zure, kleurlooze of lichtgele, dunvloeibare, vluchtige Olie van 0.870 — 0.890 soort. gew., met een — vooral bij verdunning — zeer aangenamen, sterken en lang nablijvenden reuk. Bij 18quot;—210 begint zich bet stearopt als glinsterende, doorschijnende, naald- of plaatvormige veertjes af te scheiden, terwijl zich de Olie bij lagere temperatuur als eene kris-tallijne brij voordoet, die bij verdere afkoeling in eene vaste, kristallijne massa overgaat. Zij is zeer moeilijk, in meer dan 100 dln. spiritus oplosbaar, gemakkelijk daarentegen in aether.

Onderzoek.

1°. De vluchtige Olie, uit versche Bloembladen van Rosa damascena Mill, door destillatie bereid. De Ph. bedoelt het gebruik der z.g. Turksche Rozenolie, tot op \'t oogenblik nog het meest gewild. Ook in Britsch-Indië, in Bengalen, wordt Olie gestookt uit R. damascena, alsmede in N.-Afrika in Tunis uit R. canina L. ; beide komen echter niet of zelden in Europa voor. R. alba, welke in Bulgarije tot afscheiding der rozevelden dient, levert eene minder geschatte Olie, rijker aan stearopt.

2°. Een kleurlooze of lichtgele vloeistof. Somtijds heeft de Olie eene groenachtige tint. — De vloeistof moet neutraal of hoogstens zeer zwak zuur reageeren. Sterker zure reactie zou kunnen wijzen op vervalsching met geranium- (Pelargonium-) olie.

30. aangenaam riekende. In zeer verdunden toestand, met suiker afgewreven of in water of spiritus opgelost, moet de Olie zoowel bij het begin als op het laatst der verdamping zuiver en aangenaam naar rozen rieken.

40. waarin, reeds een weinig beneden de gemiddelde temperatuur, naald- of plaatvormige kristallen zich vormen, en die bij lagere temperatuur in een vaste kristallijne massa overgaat. De

-ocr page 238-

6l2

afscheiding der kristallen geschiedt bij Turksche Rozenolie gemiddeld bij i80—21°, bij de Duitsche gemiddeld bij 28°, bij de Indische en Afrikaansche bij 210—320. Echte Turksche Olie bevat niet meer dan 12 18 pet. stearopt, Duitsche 28 —34 pet. en elders verkregene 25—68 pet. Een kenmerk van voortreffelijke Rozenolie is, dat zij spoedig, doch niet veel stearopt afscheidt bij niet te hooge temperatuur. Naarmate het gehalte aan stearopt grooter is, is het soort, gew. der Olie lager en de temperatuur, waarbij zij vast wordt, hooger.

De doorschijnende, naald- of plaatvormige kristallen verzamelen zich bij afscheiding eerst aan de oppervlakte der Olie, bij meerdere afscheiding door de geheele vloeistof. Bij lagere temperatuur gaat ze in eene vaste, kristallijne massa over, die echter door de warmte der hand reeds weder vloeibaar wordt. Bij vervalsching met walschot, soms toegevoegd om het soort, gevv. te verhoogen, dat door geranium olie \') lager wordt, zou dit bij voorzichtige verdamping op het waterbad terugblijven; tevens zou het stearopt niet doorschiinend zijn, zich niet eerst aan de oppervlakte, doch meer op den bodem verzamelen en zich door verzeeping met spiritueuse kaliloog, wat met het stearopt als paraffine niet het geval is, kenbaar maken. Bovendien smelt het stearopt bij 33.5°—350, terwijl walschot eerst bij 450 smelt en op papier een vetvlek achterlaat.

OLEUM ROSMARINI.

R O S M A R IJ N O L I E.

De vluchtige Olie, uit bloeiend kruid van Rosmarinus officinalis L. door destillatie bereid.

Zij is kleurloos of lichtgeel, riekt kamferachtig, smaakt scherp-aromatisch en heeft een soortelijk gewicht van 0.880—0.913.

Met een half volumen sterken spiritus geve zij een helder mengsel.

\') Worden eenige droppels Rozenolie geschud met 2 cM3. eener door zwaveligzuur ontkleurde fuchsine-oplossing, dan blijft bij zuivere Rozenolie do onderstaande vloeistof zelfs na langen tijd ongekleurd; bij aanwezigheid van geraniumolie echter wordt zij terstond blauw-violet.

Ook kan geraniumolie aangetoond worden door hot verschil in kookpunt tus-schen goraniol (\'230°) en rhodinol (210°). Do Olie (1 dl.) wordt daartoe van paraffinen bevrijd, door haar met spiritus (10 dln.) tot 70° a 80° te verwarmen en daarna tot 0° af te koelen, welke bewerking wordt herhaald, waardoor zich het stearopten volledig afscheidt.

-ocr page 239-

6i3

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 80 pet. terpeen (p ineen), C10H16, destilleerende bij 159°—167°.

2°. c i n e o 1 (e u c a 1 y p t o 1) »), C,0H18O, destilleerende bij 176°—182°.

3°. 9.5 —12.35 pet- kamfer a) en

40- 0.5—065 pet. borneol ï)) destilleerende bij 190°—220°.

Bereiding. Rosmarijnolie wordt door destillatie gewonnen uit Rosmarinus officinalis L,, een krachtigen heester uit het zuiden van Europa, behoorende tot de familie der Labiatae. De fijnste soort, de Franse he, wordt uit de bloeiende taktoppen der in \'t wild groeiende plant in Zuid-Frankrijk, o. a. te Monaco en te Nizza, door destillatie met stoom en rectificatie gewonnen. Eene mindere soort, de Italiaansche, wordt op primitieve wijze door eenvoudige destillatie op de Zuid-Dalmatische eilanden uit de geheele bloeiende plant gewonnen, vanwaar zij over Triest, ook naar Frankrijk en Italië wordt uitgevoerd.

Opbrengst ongeveer 1 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, kleurlooze of lichtgele, meestal zwak-groengeelachtige, dunvloeibare, vluchtige Olie van 0.880—0.913 soort. gew., kokende bij 1660, met een doordringenden, kamfer-achtigen reuk en een aromatischen, bitteren, verkoelenden smaak. Aan de lucht blootgesteld, verharst zij en wordt daarbij donkerder van kleur, zwak zuur en dikvloeibaar, somtijds onder afscheiding van een stearopt. Zij is in minstens | dl. (vol.) en verder in alle verhoudingen in spiritus en in aether oplosbaar.

Onderzoek.

i0. Zij heeft een soortelijk gewicht van 0.880—0,913. De gerectificeerde F ranse he Olie heeft steeds een lager soort. gew. en kookpunt dan de minder zuivere Italiaansche (185°). — Eene ver-valsching met terpent ij n olie zou het soort. gew. verlagen.

2°. Met een half volumen sterken spiritus geve zij een helder mengsel. Eene vervalsching met t e r p e n t ij n o 1 i e zou de oplosbaarheid verminderen. Zie voorts sub 5) bij „ Oleum Anisiquot;.

\') Zie bij « Oleum Cajuputi», blz. 568.

\') Zie bij « Camphora » , blz. 1 \'20.

40

-ocr page 240-

6i4

OLEUM SABINAE.

SEVENBOOMOLIE.

De vluchtige Olie, uit Sevenboomkruid door destillatie verkregen.

Zij is kleurloos of lichtgeel, riekt eigenaardig, smaakt scherp en heeft een soortelijk gewicht van 0.920—0.950.

Met een gelijk volumen sterken spiritus geve zij een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°. hoofdzakelijk terpeen (pineen, cadineen), C10H10, kokende bij 1550—160°, zich niet en

20. geringe hoeveelheden sesquiterpeen,C1!!H24, zich met chloorwaterstofzuur tot een kristallijn lichaam verbindende ■).

Bereiding. De Olie wordt verkregen door destillatie met water of waterdamp en rectificatie uit de jeugdige spruiten van het Sevenboomkruid, Sa bi na officinalis Garcke (Juniperus Sabina L.)

Opbrengst uit het versche kruid 1.3—3.1 pet., uit het gedroogde 2—3 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, in verschen staat kleurlooze, weldra lichtgele, dunvloeibare, in de lucht door verharsing langzamerhand dikker wordende, vluchtige Olie van 0.920—0.950 soort. gew., kokende bij 1550—1610, met een eigenaardigen, onaangenamen en doordringenden reuk en een scherpen, bitteren smaak. Zij lost in gelijke din. (vol.) spiritus op, doch wordt bij toevoeging van meer spiritus troebel

Met zwavelzuur geeft zij eene troebele, donkerroode oplossing, die na toevoeging van spiritus eene frambozeroode kleur aanneemt3).

Onderzoek.

1°. Zij is kleurloos of lichtgeel. In verschen staat kleurloos,

\') Zie bij «Catnphora », blz. 128 en Oleum Aurantiorum », blz. 565.

2) Zie bij «Herba Sabinae » , blz. 404.

a) Gewijzigde reactiën:

He oplossing van •! droppel Olie in 4 eM3. sterken spiritus, voorzichtig op verdund zwavelzuur geschonken, geeft aan de grensvlak Ie een rooden ring.

•I Droppel Olie wordt met 20 cM3. water geschud, het mengsel l\'i uur weggezet, daarna met üOO rnti. magnesiumcarbonaat geschud en gefiltreerd. Wordt het aldus verkregen aromatische water voorzichtig op verdund zwavelzuur geschonken, dan ontstaat een groene ring. Bij rust wordt deze ring door een bruinachtigen zoom begrensd.

-ocr page 241-

615

wordt de Olie langzamerhand geelachtig en geel, aan\'t licht blootgesteld zelfs rood.

2°. en heeft een soortelijk gewicht van 0.920—0.950. Versch gerectificeerde Olie heeft een lager soort. gew. van 0,890—0.910. Terpent ij n olie en petroleum verlagen het soort. gew.

30. Met een gelijk vobunen sterken spiritus geve zij een helder mengsel. De oplosbaarheid in spiritus dient tot kenmerk der zuiverheid. Bij aanwezigheid van terpentijnolie zou het mengsel niet helder zijn. Zie voorts sub 5) bij „Oleum Anisiquot;.

OLEUM SINAPIS.

MOSTERDOLIE.

De vluchtige Olie, uit Mosterdzaad door destillatie bereid.

Zij is helder, dun vloeibaar, kleurloos of lichtgeel, heeft een soortelijk gewicht van 1.015—1.022 en riekt scherp prikkelend.

Met sterken spiritus geve zij in elke verhouding een helder mengsel.

Voegt men bij 25 droppels zwavelzuur 4 droppels Olie, dan moet er bij zacht schudden langzamerhand een volkomen heldere oplossing ontstaan, die wel geelachtig, maar niet bruin mag zijn.

Als 1 Grm. Olie met 1 Grm. sterken spiritus en 2 Grm. ammonia geschud wordt, moet er langzamerhand een helder, geel vocht ontstaan, dat, bij een zachte warmte tot op een gewicht van 1.1 Grm. op een waterbad uitgedampt, na bekoeld te zijn, geheel vast wordt.

Deze kristallijne massa moet, met 2 deelen water verwarmd, een heldere oplossing geven, die zwak naar uie riekt en bitterachtig smaakt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: C3!-!5. NCS

Mosterdolie bestaat hoofdzakelijk uit allylisothiocyanaat (allylisosulfocyanaat, isothiocyaanallyl, iso-sulfocyaanallyl) \'). Ze bevat voorts steeds geringe hoeveelheden allylcyanide, C3H5. CN.

1; Belialve dal, zooals in glycerine, C3!ls : (OH)\', de C311\'-groep bij enkelvoudige binding (zie blz. 11) driewaardig is, kan zij bij meervoudige koolstofbinding, CH» : CH. Cll1 (H), ook éénwaardig zijn. Deze laatste, de allyl-groep, kan voorts op twee wijzen met de sulfocyaan-groep gebonden zijn; naar mate zij direct verbonden is aan de zwavel of aan de stikstof ontstaat de thiocyanaat- of de isothiocyanaat-verbinding.

C\'IK (S. C : N) CM1\'. (N:C:S)

allylfchiocyanaat allylisothiocyanaat

Het thiocyanaat ontstaat, wanneer de inwerking der myrosine op het kaliummyronaat iin de koude plaats heeft.

-ocr page 242-

6i6

Bereiding. Het zwarte Mosterdzaad \') bevat ongeveer 0.5—0.6 pet, van een glucosicle, sinigrine, d. i. kalhcniniyronaat, het kalium-zout van myronzuur, dat door de werking van een tevens in het zaad voorkomend ferment, myrosine, in tegenwoordigheid van water ontleed wordt onder vorming van allylsulfocyanaat.

C10H18KNSJO10 = C3HS.NCS KHSO4 C8Hi»08

kaliuinmyronaat allylisolhio- kalium- (jlucose

cyanaal hydrosulfaat

Het zaad, dat niet te oud mag zijn, wordt daartoe vooraf tot poeder gebracht en door koude persing van vette olie bevrijd Den perskoek brengt men vervolgens weder tot poeder, mengt dit met de 4—5-voudige hoeveelheid lauwwarm water aan en laat het gedurende 12—24 uur gesloten staan, in welken tijd het ferment gelegenheid heeft, het glucoside op boven beschreven wijze te ontleden. Het water, liefst regenwater, moet niet te hard en niet meer dan zwak lauwwarm zijn; bij hoogere temperatuur wordt het ferment, dat van eiwitachtigen aard is, gestremd en verliest het zijne werking op het kaliuinmyronaat. Men destilleert vervolgens in deugdelijk vertind koperen vaatwerk of nog beter in houten toestellen door inleiding van stoom, ten einde inwerking der zwavelhoudende Olie op het koper of tin te voorkomen, waardoor een gehalte der Olie aan cyaanallyl of zwavelkoolstof ontstaat.

C3H6. NCS Cu = C\'H5. CN Cu S

allylsulfocyanaat koper cyaanallyl zwavelkoper

In het destillaat lost men natriumchloride of natriumsulfaat op,, ten einde de Olie zich geheel te doen afscheiden of men bezigt het nog oliehoudende water voor vermenging met eene nieuwe hoeveelheid mosterdzaad. Men verzamelt de Olie, schudt met chloorcalcium , om aanhangende sporen water te binden en zuivert ze ten slotte door rectificatie, waarbij het tusschen 148°—150° overgaand gedeelte wordt opgevangen.

Opbrengst 0.5—0.9 pet.

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, dunvloeibare, kleur-looze of lichtgele, vluchtige Olie van 1.015 —1.022 soort. gew.,

\') Wit Mosterdzaad bevat eveneens en meer myrosine, doch geen kaliummyronaat. Met kan dus op zich zelf geen Mosterdolie leveren, doch door vermenging met het zwarte zaad zeer goed dienen, om de fermentwerking te ondersteunen.

-ocr page 243-

6i7

met een zeer doordringenden, neus en oogen scherp prikkelenden en tranen verwekkenden reuk en zeer scherpen, brandenden smaak. Bij inwrijving op de huid werkt zij hevig prikkelend en brengt blaarvorming teweeg. Zij kookt bij 1480—150°, is moeilijk in water (50), in elke verhouding daarentegen in spiritus en aether oplosbaar,

Voegt men bij 25 droppels zwavelzuur 4 droppels Olie, dan ontstaat er bij zacht schudden onder onbeduidende warmte- en gasontwikkeling langzamerhand eene volkomen heldere, geelachtige oplossing. Voegt men echter 3 Grm. Olie langzamerhand bij 6 Grm. zwavelzuur, dan heeft onder verlies van den reuk warmte- en gasontwikkeling plaats, verdikt zich de vloeistof en wordt deze ten slotte geheel of gedeeltelijk kristallijn \').

Als 1 Grm. Olie met 1 Grm. sterken spiritus en 2 Grm. ammonia geschud wordt, ontstaat er langzamerhand een helder, geel vocht, dat, bij een zachte warmte tot op een gewicht van 1.1 Grm. op een waterbad uitgedampt, na bekoeld te zijn, geheel vast wordt, welke kristallijne massa 2) oplosbaar is in water, zwak naar uie riekt en bitter smaakt.

Onderzoek.

1°. De vluchtige Olie, uit Mosterdzaad door destillatie bereid. Mosterdolie wordt ook kunstmatig bereid uit allyljodide en kalium-sulfocyanide.

C\'H\'.I -f CNS.K = C3HS.NCS KI

allyljodide kaliumsulfocyanide allylisosulfocyanaat kaliumjodide

Voor de bereiding van het allyljodide wordt aan een mengsel van 15 dln. glycerine en 10 dln. jodium in eene getubuleerde retort met afkoeler, waaruit te voren de lucht verwijderd en door kool-dioxyde vervangen is, 3 dln. phosphorus bij gedeelten gevoegd.

C3H5 (OH)3 3HI = C3H5.I 3 H20 21

glycerine jood- allyljodide water jodium

waterstofzuur

Na de eerste, heftige inwerking wordt het gevormde allyljodide afgedestilleerd, ter verwijdering van jodium met verdunde natronloog afgewasschen, door calciumchloride van water bevrijd en ten slotte door rectificatie bij 990—103° gezuiverd.

\') Door vorming van allylaminsulfaat, (C\' 11\'. NH1)1 H\'SO.

\\TII paHs

\') Van thiosinamine, CS :

-ocr page 244-

6i8

17 Din. van dit allyljodide, in 10 din. alcohol opgelost, wordt met 10 din. poeder van kaliumsulfocyanide (rhodaankalium) zóó lang in \'twaterbad verwarmd, totdat zich geen kaliumjodide meer afscheidt, de inhoud der kolf met water verdund, de afgescheiden mosterdolie verzameld, met chloorcalcium van water bevrijd en ten slotte gerectificeerd.

In plaats van allyljodide worden ook wel aangewend de zouten van het allylzwavelzuur, bij vermenging van allylalcohol met zwavelzuur ontstaan. De daartoe benoodigde allylalcohol wordt ver-

C3H5.KS04 -f CNS.K = C\'H^.NCS K2SO»

allylkaiiumsulfaat kalium- allylisosulfocyanaat kaliumsulfaat

sulfocyanide

kregen door destillatie van een mengsel van 1 dl. oxaalzuur met 4 dln. glycerine bij 220°—260°.

COOH.COOH = H.COOH CO2

oxaalzuur mierenzuur kooldioxyfle

C3HS ;• (OH)3 H.COOH = C3H5.(OH) CO1 2 H20

glycerine mierenzuur allylalcohol kool- water

dioxyile

Alhoewel het langs den een of anderen synthetischen weg verkregen preparaat na behoorlijke zuivering geheel met Mosterdolie overeenkomt, eischt de Ph. de Olie, door destillatie uit Mosterdzaad bereid, waarschijnlijk, wijl de kunstmatige Olie zwakker schijnt te werken.

Vaste stoffen mogen bij verdamping niet achterblijven.

2°. Zij is kleurloos of lichtgeel. De versch bereide en gerectificeerde Olie is kleurloos. Zij wordt echter spoedig geelachtig, vooral bij een gehalte aan allylcyanide. Door lange inwerking van licht en lucht wordt zij donkerbruin en van lieverlede ontleed.

30. heeft een soortelijk gewicht van 1.015—1.022 \'). Daar allylcyanide een lager soort. gew. heeft (0.835), zal het soort. gew. der Olie naar het gehalte daarvan dalen. Een te laag soort. gew. kan dus wijzen op een te groot gehalte aan allylcyanide, waardoor de Olie niet meer in water zou onderzinken. De kunstmatige Olie heeft een soort. gew. van 1 020—1.022. Bij vervalsching met andere vluchtige stoffen, zooals alcohol, benzine, enz., wordt het soort. gew. verlaagd, of verhoogd, zooals bij

M Uet soort. gew. komt ook wel eens iets hooger voor (t.020—1.030).

-ocr page 245-

6i9

copaïvao 1 ie, kruidnagelo 1 ie, wintergroen (Gaultheria-)

olie, chloroform, zwavelkoolstof, enz.

4°. en riekt scherp prikkelend. De kunstmatig bereide Olie onderscheidt zich door den reuk, die op onaangename wijze te voorschijn treedt, wanneer men een droppel op filtreerpapier laat verdampen. Zij schijnt van verontreinigende zwavelverbindingen afkomstig te zijn, die eerst bij i8o0 koken.

5°. Mei sterken spiritus geve zij in elke verhouding een helder mengsel. Bij aanwezigheid van terpentijnolie, petroleum, s assa fras o li e, e. a. zou het mengsel met weinig spiritus niet helder zijn. Zie voorts sub s) bij „Oleum Anisiquot;.

6°. Voegt men bij 25 droppels zwavelzuur 4 droppels Olie, dan moet er bij zacht schudden langzamerhand een volkomen heldere oplossing ontstaan. Is het mengsel troebel of bemerkt men bij zachte schudding van het schijnbaar heldere mengsel kleine droppels, die zich aan de oppervlakte verzamelen, dan wijst dit op vervalsching met petroleum of zwavelkoolstof. Blijven de droppels in de heldere vloeistof hangen en vertoonen zij daarbij eene geringe troebeling, dan wijst dit op vervalsching met chloroform \').

7°. die wel geelachtig, maar niet bruin mag zijn. Eene donkergele, roode, roodbruine, bruinroode of donkerbruine kleuring wijst op vervalsching met vluchtige oliën, bijv. kruidnagelolie, sassafrasolie; voorts op benzine, enz.

8°. Als 1 Gnn. Olie met 1 Grm sterken spiritus cn 2 Grm. ammonia geschud wordt, moet er langzamerhand een helder, geel vocht ontstaan, dat, bij een zachte warmte tot op een gewicht van 1.1 Grm. op een waterbad uitgedampt, na bekoeld te zijn, geheel vast wordt.

Deze kristallijne massa moet, met 2 deelen zvater verwarmd, een heldere oplossing geven, die zwak naar uie riekt en bitterachtig smaakt. Thiosinamine-reactie, waarbij de voorgeschreven wijze

\') Zwavelkoolstof, chloroform on petroleum, ook cyaanallyl, kunnen beneden lOO® worden afgedestilleerd. Zwav elk oolsto f kan dan verder herkend worden door verwarming met 4 dln. spiritus en 4 dln. ammonia, waardoor ammoniumsulfocyanaat ontstaat, dat met ferrichloride eene bloedroode kleur geeft. Sporen komen steeds in de Ülie zelve reeds voor. Chloroform kan herkend worden door de reaction, op blz.198 beschreven. Wintergroenolie (methyIsalicylaat) wordt iu de spiritueuse Olieoplossing eveneens door ferrichloride herkend aan de donkerviolette, phenol aan de blauwe kleur.

-ocr page 246-

620

nauwkeurig moet worden opgevolgd. Zijn vervalschingen in \'t algemeen aanwezig, dan is öf het mengsel van Olie met spiritus en ammonia niet helder, 5f er verzamelen zich droppels boven of onder in de vloeistof, of de massa is na uitdamping tot op genoemd gewicht niet geheel vast en de oplossing niet helder. De reuk mag voorts niet sterk of scherp en de smaak niet meer dan bitterachtig zijn.

OLEUM TEREBINTHINAE DEPURATUM.

GEZUIVERDE TERPENTIJNOLIE.

N. Gewone Terpentijnolie honderd deelen.......100

Gewoon Water vierhonderd deelen........400

Destilleer zoolang totdat bijna al de olie is overgegaan.

Eene heldere, kleurlooze, vluchtige Olie, die eigenaardig riekt en een soortelijk gewicht heeft van 0.855—0.865.

Zij moet met 4 volumina sterken spiritus een oplossing geven, die vochtig blauw lakmoespapier niet rood kleurt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: een mengsel van terpenen, C,0H16, hoofdzakelijk pineen, sylvestreen en dipenteen.

Bereiding. De gewone, ruwe Terpentijnolie wordt nevens hars verkregen bij de destillatie van Terpentijn. Zij geschiedt voornamelijk in Noord-Amerika en Erankrijk, gewoonlijk met behulp van water of waterdamp in daartoe ingerichte destillatie-toestellen »).

Opbrengst 18—24 pet.

Het zuiveren, rectificeeren der ruwe Olie heeft ten doel om haar te bevrijden van tevens overgegane of bij verharsing door oxydatie aan de lucht daarin gevormde zuren, als kool-, miere-, azijn-, barnsteen-zuur, harszuren, enz. Volgens het voorschrift der Ph. geschiedt dit door vermenging met water, waarin de verontreinigende stoffen oplossen, en verder door voorzichtige destillatie, waardoor echter, in aanmerking genomen de vluchtigheid van sommige dier stoffen, slechts eene gedeeltelijke zuivering kan worden verkregen. Beter is het der-

\') Zie bij « Colophonium », blz. 213.

-ocr page 247-

621

halve, de zure stoffen vóór de destillatie te binden, door in plaats van water gebruik te maken van kalkwater, de ruwe Olie hiermede te schudden en daarna te destilleeren, hetzij op de gewone wijze of beter onder inleiding van stoom, totdat ongeveer drie vierden van de Olie is overgegaan. Men bevrijdt de overgehaalde Olie van mede overgegaan water met behulp van een scheitrechter of eene Florentijnsche flesch.

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, doorschijnende, beweeglijke, dunvloeibare, kleurlooze, zeer vluchtige Olie van 0.855— 0.865 soort. gew., eigenaardig doordringend van reuk en scherp, aanvankelijk verwarmend, later bijtend van smaak. Zij zet bij —270 een wit, kristallijn stearopten af, dat bij — 70 weder smelt, kookt bij 150°—1C00, is onoplosbaar in water en oplosbaar in minstens vier din. (vol.) en verder in alle verhoudingen in alcohol alsmede in aether.

Onderzoek.

1°. Eene kleurlooze Olie. Bij staan aan de lucht kleurt de Olie , vooral de ruwe, zich onder zuurstof-opname en verharsing min of meer geelachtig, wordt zij dikvloeibaarder en zuur van reactie. De ruwe Olie is door destillatie in koperen toestellen somtijds groen gekleurd.

20. Eene vluchtige Olie. Bij verdamping mag de Olie slechts een zeer gering residu achterlaten. Een beduidend residu kan wijzen op harsachtige stoffen, paraffin eolie, petroleum, enz. Terwijl het residu van Terpentijnolie door verdund salpeterzuur wordt geoxydeerd en geheel opgelost, blijft dat van paraffineolie en petroleum daarbij onveranderd terug.

30. die eigenaardig riekt. Door oxydatie aan de lucht ondergaat de reuk verandering, wordt zij sterker.

40. en een soortelijk gewicht heeft van 0.855—0.865. Door verharsing aan de lucht wordt het soort. gew. hooger. Naar mate de Olie zuiverder is, zijn het soort. gew. en het kookpunt lager. Voor minder zuivere Olie bedraagt het laatste 1600—1800. Ver-valsching met benzine of petroleum verlagen het soort, gew. alsmede gewoonlijk het kookpunt.

5°. Zij moet met 4 volumina sterken spiritus een oplossing geven. Vette olie, benzine, petroleum, paraffineolie, enz. zijn minder oplosbaar, andere vreemde oliën daar-

-ocr page 248-

622

entegen gemakkelijker oplosbaar \'). Oudere Terpentijnolie is gemakkelijker oplosbaar dan versche.

6°, die vochtig blauw lakmoespapier niet rood kleurt. Afwezigheid van vrije zuren. Vertoont de Olie eene zure reactie, dan moet zij opnieuw gerectificeerd worden.

OLEUM VALERIANAE.

VALERIA AN OLIE.

De vluchtige Olie, uit Valeriaanwortel door destillatie bereid.

Zij is geel-bruinachtig, eenigszins groenachtig, heeft een soortelijk gewicht van 0.930—0.960, riekt en smaakt onaangenaam en kleurt vochtig blauw lakmoespapier duidelijk rood.

Zij geve met een half volumen sterken spiritus een helder mengsel.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°. 25 pet. terpeen, pineen, valereen, C10Hie, kokende bij 150°—1600, die met chloorvvaterstofzuurgas eene kristallijne verbinding geeft.

2°. een vloeibare alcohol, valerol, Cl0H,8O, kokende bij 205°—2150, waaruit door oxydatie kamfer, miere-, azijn- en valeriaanzuur ontstaat (ongeveer 5 pet.).

30. een vaste alcohol, waarschijnlijk borneol, C1UH,80, ook aan genoemde zuren gebonden als samengestelde aethers, kokende bij 2250•260°.

40. een aether, bor neo 1 (bor n y l)-ae th er, C\' quot;H17.0. C10H17,

\') Vervalsching van andere Oliën met grootere hoeveelheden terpentijnolie kan derhalve door mindere oplosbaarheid in spiritus herkend worden, alsmede door de guajak-methode (een mengsel van \'2 cM3. versch bereide guajaklinctuur en 10 droppels amylalcoliol, waaraan toegevoegd 10 droppels der te onderzoeken Olie, mag bij zacht schudden huiten het licht niet blauw gekleurd worden. Ter vergelijking dient eene zelfde tinctuur-oplossing, waaraan toegevoegd 2 droppels zuivere terpentijnolie). Voorts ontploft Terpenlijnolie, wanneer zij in aanraking wordt gebracht met jodium, kleurt zij zich onder sterke warmte-ontwikkeling met zwavelzuur, vereenigt zij zich met chloor-waterstofzuurgas tot een kamferachtig lichaam (zie bl«. 128) en vormt zij (4 dln.), in aanraking met water en lucht, het gemakkelijkst met behulp van eenig zuur, bijv. salpeterzuur (1 dl.), en alcohol (t dl.) onder opname van water kristallen van terpine-hydraat (Cgt;«ll\'s ail\'O = OMl\'oO\' I^O).

-ocr page 249-

623

eene groenachtig gekleurde, stroopachtige vloeistof, kokende bij 285°—290° (te zamen ongeveer 75 pet.).

Bereiding, De Olie wordt bereid uit den verschen of zacht gedroogden, niet te ouden, vooraf verkleinden Valeriaanwortel met bijwortels door destillatie met water of waterdamp en gezuiverd door rectificatie.

Opbrengt 0.5—2, gemiddeld ongeveer 1 pet.

Eigenschappen. Eene zure, geel-bruinachtige, eenigszins groenachtige, een weinig dikvloeibare, vluchtige Olie van 0.930—0960 soort. gew., met een zeer onaangenamen, doordringenden reuk\' en smaak, oplosbaar in een half volumen sterken spiritus. Bij —15° scheiden zich uit de Olie witte vlokken van valeriaanzuur af ; overigens blijft zij bij —40° zelfs nog vloeibaar.

1 dl. Valeriaanolie, opgelost in 20 dln. zwavelkoolstof, wordt door r dl. zwavelzuur rood gekleurd, welke kleur door alcohol in frambozerood overgaat. Na toevoeging van 1 dl. salpeterzuur wordt de oplossing purperrood gekleurd, welke kleur in violet en later in blauw overgaat.

Onderzoek.

1 0. Zij is geel-bnnnachtig, eenigszins groenachtig, riekt en smaakt onaangenaam en kleurt vochtig blaino lakmoespapier duidelijk rood. De groene tint is vooral merkbaar bij de uit den verschen wortel gedestilleerde Olie. Ook is de Olie, versch gerectificeerd, dun-vloeibaar en nagenoeg reukloos. Bij aanraking met de lucht echter veranderen hare hoedanigheden eenigermate; onder verharsing wordt zij min of meer dikvloeibaar, meer bruin van kleur, wordt de reuk onaangenamer en de reactie meer zuur, al hetwelk tevens samenhangt met den ouderdom van den gebezigden wortel.

2°. Zij heeft een soortelijk gewicht van 0.930—0.960. Zij geve met een half volumen sterken spiritus een helder mengsel. Kenmerken der zuiverheid en onvervalschtheid der Olie \').

\') Zie ovei\' algemeene vervalschingen bij «Olea aetherea », blz. 559 en 5G0, en over bijzondere vervalschingen bij de verschillende vluchtige Oliën.

-ocr page 250-

024

O L I B A N U M.

O L I B A N U M.

Het gomharshoudend sap van B o s \\v e 11 i a Carteri Birdw. en van andere soorten van B o s \\v e 11 i a R o x b., van zelf uit den stam gevloeid of door insnijdingen daaraan onttrokken en in de lucht hard geworden.

Langwerpige of eenigszins bolronde, dikwerf onderling samenhangende, droge, broze korrels. Zij zijn glazig op de breuk, uitwendig bestoven, dof of eenigszins doorschijnend, witachtig of een weinig geelachtig, of min of meer roodachtig. Door verwarming vervloeien zij niet geheel en verspreiden daarbij een balsemiek-harsachtigen reuk. Onder het kauwen worden zij week. Olibanum riekt zwak, aromatisch en smaakt aromatisch, eenigszins scherp, zwak bitter en verkoelend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 56—72 pet. hars, C!!0HO4, eene amorphe, bruine, broze, zuur reageerende stof, gemakkelijk smeltbaar, bij verhitting een aromatischen geur ontwikkelende, oplosbaar in spiritus.

2°. 27—35 pet. gom, in de meeste eigenschappen overeenkomende met arabische gom, echter slechts flauw zuur reageerende en niet precipiteerbaar door basisch loodacetaat.

30. 4—7 pet. vluchtige olie, grootendeels bestaande uit een terpeen, olibeen, C\'R10, terpentijnachtig van reuk, oplosbaar in spiritus en aether, door salpeterzuur verharsende, met chloor-waterstofzuurgas witte, kamferachtig riekende kristallen vormende, vergezeld van eene geringe hoeveelheid van een zuurstofhoudend lichaam, dat bij ongeveer 1750 kookt.

40. eene bitterste f, amorph, bruin van kleur, oplosbaar in water.

50. ongeveer 3 pet. anorganische stoffen.

Afkomst. Olibanum, Wierook, is de gomhars, afkomstig van verschillende soorten van het geslacht B o s w e 11 i a, alle welke soorten echter tot nog toe niet met juistheid zijn bepaald. Vooral de Boswellia Carterii Birdwood wordt gehouden den meesten en besten Wierook te leveren , doch ook van de B. B h a u-Dajiana Birdw. endeB. neglectaMoore, niet echter van de vroeger daarvoor gehouden B. serrata Colebrooke, wordt O. gewonnen, echter in geringer hoeveelheid en van minder

-ocr page 251-

625

qualiteit. Het zijn boomen, behoorende tot de familie der B u r-seraceae, welke vooral groeien op de oostkust van Afrika, namelijk op de bergen in het noordoostelijk gedeelte van Somali-land, alsmede, doch in geringer hoeveelheden, op de aan de andere zijde van de Golf van Aden gelegen kuststreken in het zuidwesten van Arabië.

Evenals Myrrhe is O. waarschijnlijk het product van een ver-vloeiingsproces der schorscellen, dat van zelf uit spleten, in de schors van stam en takken ontstaan, naar buiten vloeit of daartoe wordt gebracht door in het warme jaargetijde op verschillende plaatsen van den stam vrij diepe insnijdingen te maken , en in Somali-land bovendien door daaronder een stuk schors weg te nemen, teneinde de plaatsen van insnijding te kunnen herkennen, welke insnijdingen \'s maandelijks, doch nu dieper, een paar malen worden herhaald. De aanvankelijk vloeibare, doch aan de lucht allengs hard geworden gomhars verzamelt zich hoofdzakelijk op de plaatsen van insnijding in den vorm van korrels of, op den grond afgedropen, in den vorm van grootere stukken, welke, beide afzonderlijk gehouden, door de inwoners van Somali-land worden verzameld en van uit de kustplaatsen, hetzij rechtstreeks , hetzij over Aden naar Bombay worden vervoerd, van waar uit het O. in kisten naar de Europeesche markten Triest, Marseille en Londen wordt verscheept.

Eigenschappen. Peer-, knots , stengel- of traanvormige, in \'t algemeen langwerpige of eenigszins bolronde korrels van ongeveer i—2.5 cM. middellijn, dikwerf onderling samenhangend. Zij zijn hard, doch vrij broos, uitwendig meestal witachtig bestoven, wasachtig \') op de breuk, dof of eenigszins doorschijnend, melk kleurig gevlekt, witachtig, een weinig geelachtig, barnsteengeel of min of meer roodachtig. Reuk zwak, doch bij wrijving reeds goed waarneembaar aromatisch. Smaak eveneens aromatisch , zwak bitter, eenigszins scherp en verkoelend; onder het kauwen worden zij eerst poedervormig, daarna week en wit, waarbij een klein gedeelte aan de tanden blijft kleven.

Bij verwarming zwelt O. op onder onvolledige smelting en verspreidt daarbij een balsemiek-harsachtigen reuk, waarna zij onder sterke geur-verspreiding met een lichtende, roetgevende

\') In den tekst der Ph. staat abusievelijk «glazig».

-ocr page 252-

626

vlam en witten rook verbrandt Met water geeft het witte poeder eene neutrale, witte emulsie. In sterken spiritus en aether lost het grootendeels op. Met ferrichloride geeft deze oplossing een fraai dooiergelen neêrslag; onder bijvoeging van chloorwaterstofzuur verwarmd, eene eenigszins troebel-paarse kleuring.

Onderzoek.

i0. Het gomharshoudend sap van Boswellia Carteri Birdw. en van andere soorten van Boswellia Roxb. In onderscheid met pijn- of dennehars (resina pini) en den gewonen of wilden wierook (thus commune s. sylvestre, s. oliba-num nostras s. sylvestre), afkomstig van soorten uit \'t geslacht Pin us en Abies van de groep der Abie tin eae der Coniferae. Behalve dat deze, vooral bij verwarming, min of meer naar terpentijn rieken, onderscheiden zij zich van het echte Olibanum, doordien zij, evenals sa n d ar ak (van Callitris qnadrivalvis Ventenat, eene Cupressinee) en m as tik (van Pistaeia Lentisens L., eene Ana-cardiacee), glasglanzend, niet wasachtig op de breuk, voorts volkomen oplosbaar zijn in alcohol en in eene oplossing van natrium-carbonaat.

2°. Langwerpige of eenigszins bolronde, dikwerf onderling samenhangende, droge, broze korrels. Zij zijn glazig op de breuk, uitwendig bestoven, dof of eenigszins doorschijnend, witachtig of een weinig geelachtig, of min of meer roodachtig. Bovenvermelde beschrijving komt overeen met de eigenschappen van het O. e 1 e c t u m, in tegenstelling met het O. n a t u r a 1 e s. in s o r-t i s s. in m a s s i s, dat bestaat uit meer onregelmatige, groote stukken, gedeeltelijk ruw kantig, donkerder, dikwijls bruinachtig van kleur, soms sterk gespleten en min of meer met plantaardige fragmenten als stukjes bast of strookjes dunne kurklaag verontreinigd. Verder komt nog in den handel voor eene zeer geringe soort, O. par vu m, nagenoeg geheel uit gneis bestaande.

-ocr page 253-

627

OPIUM

OPIUM.

Het melksap, aan onrijpe Zaaddoozen van Papaver s o m n i f e-r ii m L., in Klein-Azië gekweekt, onttrokken, in de lucht dik geworden en gedroogd (S m y r n a \' s c h O p i u m).

Een bruine, uitwendig vaste, inwendig weekere en niet homogene, in volkomen drogen staat broze massa, die eenigszins glanzig is op de breuk. Zij komt voor in min of meer onregelmatig afgeplatte bollen, die meestal in Papaverbladen gewikkeld en doorgaans met de vruchten eener soort van Rumex bestrooid zijn. Reuk verdoovend; smaak bitter scherp.

Het Poeder, verkregen uit Opium, dat bij niet meer dan 50°gedroogd is, moet 10 pet. Morphine bevatten en ten minste 50 pet. droog Extract opleveren. Zijn Morphinegehalte worde op de volgende wijze bepaald:

Meng 1 Grm. calciumhydroxyde met 10 Grm. wateren 3 Grm. Opiumpoeder; voeg aan dit mengsel zoo veel water toe, dat het gewicht 32.5 Grm. bedrage; macereer het, onder herhaald schudden, ten minste 12 uur en filtreer. Schud 20 Grm. van het fikraat met 10 cM3. aether en 5 droppels benzol, en los er, zacht schuddend, 250 mG. ammoniumchloride in op. Schud het mengsel nogmaals herhaaldelijk; neem na 24 uur de aetherlaag weg; herhaal de uitschudding met 5 cMs. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze eerst met water zoolang af totdat dit kleurloos afloopt, daarna met 5 cM8. spiritus van 40 pet en droog ze bij 100°.

De afgescheiden Morphine wege 200 mG., hetgeen overeenkomt met het vereischte gehalte. Een Opiumpoeder, dat minder bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan worde dit, door vermenging van het Poeder met Aardappelzetmeel, tot de juiste verhouding gebracht

De afgescheiden Morphine zij in haar honderdvoudig gewicht kalkwater geheel oplosbaar, en late, na verbrand te zijn, bijna niets achter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

i0. morphine, C17H19N03 H20, het voornaamste bestanddeel, in zeer afwisselende hoeveelheden (van 1—22 pet., gemiddeld 12—15 pet.) daarin voorkomende, een zeer vergiftig alkaloïde met sterk nareotisehe eigenschappen, kristalliseerende in kleur- en reuklooze, doorschijnende, glinsterende, bittere, alkalische naalden of korte rhombische prisma\'s , die onder ontleding bij 230° smelten, zeer weinig oplosbaar zijn in koud (5000) en warm (500) water, minder moeilijk in kouden (too) en warmen (36) spiritus, bijna onoplos-

-ocr page 254-

628

baar in aether, benzol en chloroform, gemakkelijk in alkaliën en aard-alkaliën 1).

Door wateronttrekkende middelen als chloorwaterstofzuur, zink-chloride, enz. gaat morphine over in apomorphine 2). Door zwakke oxydatiemiddelen als kaliumpermanganaat, kaliumferricyanide, enz, vormt zich

2°. pse ii do morphine (oxymorphine, oxydimorphine, de hydro-morphine), (C17H1 quot;NO3)2 = C31H3«N406 3H20, ook als zoodanig in geringe hoeveelheden in Opium voorkomende, een niet vergiftig, zeer zwak alkaloïde in den vorm van fijne, witte, glinsterende, reuk- en smaaklooze, kristallijne blaadjes, vóór het smelten zich ontledende, onoplosbaar in water, spiritus, aether en chloroform, gemakkelijk oplosbaar in alkaliën en aard-alkaliën.

Salpeterzuur lost het met oranjeroode, zwavelzuur met olijfgroene kleur op. Ferrichloride kleurt de oplossing blauw 3).

30. codeïne (inonomethybnorphine), C18H21N03 -f- H2O = C17H1 7NO (OH) (OCH3) I-PO, in geringe, afwisselende hoeveelheden (0.2—o,8 pet.) daarin voorkomende, een homoloog van morphine, een sterk basisch, vergiftig alkaloïde met narcotische eigenschappen, kristalliseerende in kleur- en reuklooze, eenigszins doorschijnende, bittere, rhombische octaëders, die bij 1530 smelten, moeilijk oplosbaar zijn in koud (80), gemakkelijk in warm (17) water, zeer gemakkelijk in spiritus (1.5), aether, benzol en chloroform, bijna onoplosbaar in vaste alkaliën quot;).

40. thebaïne, C18H2\'N03 = C\'7H1BNO (OCH3)2, van 0.2—0.5 pet. in Opium voorkomende, een sterk basisch, zeer vergiftig alkaloïde, kristalliseerende in kleur-, reuk-en smaaklooze, fijne blaadjes, die bij 1930 smelten, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijker oplosbaar in spiritus (10), benzol (20) en chloroform, moeilijk in aether (140), onoplosbaar in alkaliën.

Salpeterzuur lost het op met gele, zwavelzuur en zwavelzuur met salpeterzuur met donkerroode kleur, zwavelzuur met ammo-niummolybdenaat met lila-kleur, welke langzaam in groenachtig overgaat, —0.2 Grm. Thebaïne, met 1.4 cM3. chloorwaterstofzuur en 2.8 cM3. water gekookt en met 4 cM3. koud water verdund.

1

Zie over reacliën op Codeinum, blz. 207.

-ocr page 255-

ósg

geeft na eenigen tijd kleine kristallen van thebeninehydrochloraat, welke met blauw-violette kleur in zwavelzuur oplossen; in de achterblijvende vloeistof ontstaat door ammonia een bruinachtig neerslag van thebenine, dat zich aan de lucht donker-bruinrood kleurt.

5n. codamine, C20II25NO4) groote, kleur-, reuk-en smaak-looze, hexagonale prisma\'s, bij 126° smeltende, onoplosbaar in koud, minder moeilijk in warm water, gemakkelijk in spiritus, aether, benzol, chloroform en alkaliën.

Salpeterzuur lost het alkaloïde op met donkergroene, zwavelzuur met verdunde ferrichloride-oplossing met blauwe kleur, welke laatste bij verwarming eerst in groen, daarna in donkerviolet overgaat.

6°. 1 a u d a n i n e, C20H25NO\'k, een isomeer van codamine, evenals thebaïne een zeer vergiftig, basisch alkaloïde, kristallisee-rende in kleine, stervormig gegroepeerde, kleur- en reuklooze, hexagonale prisma\'s, bij 1660 smeltende, gemakkelijk oplosbaar in warmen spiritus, benzol en chloroform, moeilijk in aether (647), gemakkelijk in alkaliën.

Salpeterzuur lost het op met oranjeroode, zwavelzuur met zwak-rozeroode, bij 150° vuil-roodviolette, zwavelzuur met verdunde ferrichloride-oplossing met sterk rozeroode, bij 150° fraai donker-violette kleur. Ferrichloride kleurt de oplossing smaragdgroen.

70. 1 au dan os ine, C11H57N04, evenals het voorgaande een zeer vergiftig alkaloïde, met de beide voorgaande in zeer geringe hoeveelheden in Opium aangetroffen, kristalliseert in witte, reuklooze, zwak bittere, sterk alkalische, prismatische naalden, tot losse vlokken vereenigd, bij 89° smeltende, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether, warmen benzol en chloroform, onoplosbaar in water en alkaliën.

Salpeterzuur lost het aanvankelijk kleurloos, later geelachtig op; zwavelzuur zwak-rozerood, bij 150° vuil-roodviolet; zwavelzuur met verdunde ferrichloride-oplossing bruinrood, bij 150quot; aanvankelijk groen, later blijvend donkerviolet; zwavelzuur met ammonium-molybdenaat donker-lilakleurig, spoedig in blauw overgaande.

8°. papaverine, C^H^NO4 = CI6H9N (O.CH3)4, een niet vergiftig, neutraal alkaloïde, van 0.5—1 pet. in Opium voorkomende, een kristallijn poeder, bestaande uit kleur-, reuk- en smaaklooze, bij 1470 smeltende prisma\'s, gemakkelijk oplosbaar in warmen spiritus en chloroform, moeilijk in kouden spiritus, aether (258) en benzol, bijna onoplosbaar in water en alkaliën.

1 cM3. Salpeterzuur geeft met 10 mG. papaverine eene kleur-

41

-ocr page 256-

630

looze oplossing, waaruit zich bij staan, vooral bij verwarming, gele kristallen van nitropapaverinenitraat afscheiden. Zwavelzuur lost het in de koude aanvankelijk kleurloos \'), bij verwarming terstond violet op; zwavelzuur met salpeterzuur donkerrood, meer bruinrood; zwavelzuur met ammoniummolybdenaat groen, bij verwarming spoedig in blauw, daarna in violet en eindelijk in kersrood overgaande.

9°. meconidine, C1\'H2 3NO4, eene bruinachtiggele, doorschijnende, alkalische, amorphe base, bij 58° smeltende, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether, benzol, chloroform en alkaliën.

Salpeterzuur lost het alkaloïde met oranjeroode, zwavelzuur met olijfgroene kleur op.

10°. lanth opine, Ci3H5!;N04, een neutraal, wit, reuken smaakloos, prismatisch-kristallijn, poedervormig alkaloïde, dat bij 2000 smelt, bijna onoplosbaar is in spiritus, aether en benzol, tamelijk gemakkelijk in chloroform en vaste alkaliën.

Salpeterzuur verandert het in eene donkerroode, met oranjeroode kleur langzaam oplossende hars. Zwavelzuur lost het op met zwak-violette, bij verwarming donkerbruine kleur.

li0, cryptopine, C41Hï,NO!!, kleur- en reuklooze, sterk alkalische, prismatische, poedervormige kristallen, bij 2170 smeltende, bijna onoplosbaar in water, aether en alkaliën, moeilijk in spiritus, beter in benzol en chloroform.

Salpeterzuur lost het alkaloïde met oranjegele kleur op; zwavelzuur met eene gele, daarna roodachtige, spoedig in violet en blauw, ten slotte in groen overgaande; zwavelzuur met verdunde ferri-chloride oplossing met eene donkerviolette kleur; zwavelzuur met ammoniummolybdenaat met eene groene, daarna zwarte en ten slotte blauwe kleur; zwavelzuur en natriumnitriet met eene zeer donker-violette kleur, langzamerhand in groen en bij toevoeging van veel water in rood overgaande.

120. protopine, Cï0H19NOs, kleurlooze, naald- of tafel-vormige kristallen of een wit, kristallijn poeder, smeltende bij 205°, onoplosbaar in water en alkaliën, moeilijk oplosbaar in spiritus, aether, benzol en chloroform.

Salpeterzuur lost het alkaloïde kleurloos, bij zachte verwarming met gele kleur op; zwavelzuur met blauw-violette; zwavelzuur met

\') Zie bij « papaveramino » , biz. C31.

-ocr page 257-

631

ammoniummolybdenaat met voorbijgaand violette en groene, daarna donkerblauwe en ten slotte fraai groene kleur.

130. papaveramine, C2lHJ,N05, een alkaloïde, meest bekend als verontreiniging van papaverine, dat daarin de oorzaak is van het soms in de koude terstond ontstaan eener blauwviolette kleur met zwavelzuur; fijne, kleurlooze, prismatische kristallen, bij 1420 smeltende, nauwelijks oplosbaar in water en alkaliën, weinig in aether, gemakkelijk in spiritus.

Zwavelzuur lost het in de koude terstond op met blauw-violette kleur.

I4U. rhoeadine, C11M2 \'NO0, evenals de voorgaande alkaloïden in weinig meer dan sporen in Opium voorkomende, kleine, witte, reuk- en smaaklooze, zwak alkalische, niet-vergiftige, prismatische kristallen, bij 2320 smeltende, bijna onoplosbaar in water, spiritus, aether, benzol, chloroform en alkaliën.

Salpeterzuur lost het op met gele, zwavelzuur met olijfgroene, chloorwaterstofzuur met verdund zwavelzuur met purperroode kleur.

150. nar cot ine, C22H2 •\'\'NO7 = C1 TI14N04(0.CH3)3) een gering narcotisch en weinig vergiftig alkaloïde, van 4-^-8 pet. in vrijen staat in Opium aanwezig, kristalliseerende in neutrale, kleur-, reuken smaaklooze, glinsterende, naaldvormige kristallen, die bij 176° smelten, onoplosbaar zijn in koud water en alkaliën, zeer moeilijk in warm water (7000), minder moeilijk in kouden (300), gemakkelijk in warmen (15) spiritus, minder gemakkelijk in kouden (170), beter in warmen (25) aether, evenals in benzol (25) en chloroform.

Salpeterzuur lost het op met gele, na eenigen tijd in rood overgaande kleur. Zwavelzuur lost het op met groengele kleur, welke bij zachte verwarming in eene geelroode, daarna karmijn-roode overgaat; bij verwarming tot aan het punt van verdamping van het zwavelzuur vormen zich aan de oppervlakte blauw-violette strepen, terwijl het geheel ten slotte eene vuil-rood-violette kleur aanneemt. Zwavelzuur met salpeterzuur lost het op met fraai roode, zwavelzuur met ammoniummolybdenaat met groene, spoedig in fraai kersrood overgaande kleur.

160. oxynarcotine, C2,H25N08, een kristallijn alkaloïde, moeilijk oplosbaar in water

170. nareeïne, C23H20NO!) 2 hPO, het meest narcotisch werkzame alkaloïde, van o. 1—0,4 pet. in Opium voorhanden, kristalliseerende in neutrale, lange, witte, glinsterende, reuklooze, zwak bitter, later samentrekkend smakende naalden, die bij 165.2quot;

-ocr page 258-

632

smelten, weinig oplosbaar zijn in koud (425), beter in warm (100) water, moeilijk in kouden (890) spiritus en chloroform, gemakkelijk in warmen spiritus en alkaliën, niet in aether en benzol.

Salpeterzuur lost het op met roode, later gele; zwavelzuur met vuilbruine kleur, welke bij verwarming terstond in bloedrood overgaat. Met verdund zwavelzuur verwarmd, treedt bij genoegzame concentratie door verdamping eene fraai violet-roodc kleur op, die bij langere verwarming in kersrood overgaat; wordt na bekoeling in deze kersroode vloeistof een spoor salpeterzuur gebracht, dan ontstaan daarin blauw-violette streepen. Zwavelzuur met salpeterzuur lost het op met donker-bruinviolette kleur. Zwavelzuur met ammoniummolybdenaat lost het op met bruingroene, langzaam in groen en daarna in bloedrood overgaande kleur, welke roodkleuring door zachte verwarming wordt bespoedigd; bij bekoeling neemt de oplossing van uit den rand langzamerhand eene sterk blauwe kleur aan. Een splintertje jodium, in de verzadigde, waterige alkaloïde-oplossing gebracht, doet daaromheen zeer fijne, witte, haarvormige kristalnaalden ontstaan, die langzamerhand eene eenigszins blauwe kleur aannemen.

180. hydrocotarnine, C12H1!:N03 iHïO, een ontledingsproduct van narcotine, dat ook als zoodanig in Opium voorkomt, een sterk basisch alkaloïde, vergiftiger dan morphine, kleur- en reuklooze, bittere kristallen, die bij 55quot; smelten, gemakkelijk oplosbaar zijn in spiritus, aether, benzol en chloroform.

Salpeterzuur kleurt het geel. Tegenover zwavelzuur verhoudt het zich als narcotine.

19«. gnoskopine, C3 4H3 WCM \' , C^H^N^O\'° H»0 of 2 C1 7H17NOs -f IrPO, een alkaloïde van twijfelachtig bestaan en niet zeker vastgestelde samenstelling, kristalliseerende in zwak alkalische, fijne naalden, die bij 2330 onder ontleding smelten, onoplosbaar zijn in water en alkaliën, moeilijk oplosbaar in spiritus (1500).

Zwavelzuur lost het op met gele, zwavelzuur met salpeterzuur met eene roode kleur.

200. tritopine, C41HB4NJ07, een zwak basisch alkaloïde, kristalliseerende in fraaie, korte, prismatische kristallen, die bij 182° smelten, moeilijk oplosbaar zijn in spiritus, bijna niet in water, aether en ammonia, wel in verdunde, vaste alkaliën, gemakkelijk in chloroform.

Zwavelzuur lost het op met rozeroode kleur, die bij zachte ver-

-ocr page 259-

633

warming in smaragdgroen, daarna in donkerblauw, bij sterker verwarming in violet-blauw overgaat. Zwavelzuur met verdunde ferrichloride-oplossing lost het op met rood-violetre, zwavelzuur met ammoniummolybdenaat met lila-kleur.

21°. xan thai ine, C37!!36]^^9, eene zwakke base, smeltende bij 206°, onoplosbaar in water en alkaliën, moeilijk oplosbaar in spiritus, gemakkelijker in benzol en zeer gemakkelijk in chloroform, welke met zuren duidelijk geel gekleurde zouten vormt.

Salpeterzuur geeft oranjegele, naaldvormige kristallen, Zwavelzuur lost het op met donker-oranjegele kleur; na verdunning met water scheiden zich allengs gele naaldjes af.

Behalve genoemde alkaloïden bevat Opium nog de volgende indifferente lichamen:

220. me co nine (opianyl), CHl0O4, eene neutrale stof, die gevormd wordt bij langdurig koken eener waterige nar-cotine-oplossing, als zoodanig ook in geringe hoeveelheid (0.05— 0,3 pet.) in Opium voorkomende. Zij is in alkaliën oplosbaar onder wateropname tot meconinezure zouten en kristalliseert in kleuren reuklooze, bittere, glinsterende naalden, die bij 102.50 smelten en, verder verhit, sublimeeren, moeilijk oplosbaar zijn in koud (500)gt; gemakkelijk in warm (20) water, spiritus en aether.

Zwavelzuur lost het kleurloos op, welke oplossing bij verwarming purperkleurig wordt.

230. m e c o n o i o s i n e, C8H10OJ, kristallen, welke bij 88° smelten, zonder ontleding bij 280° sublimeeren en gemakkelijk oplosbaar zijn in water.

240. op io nine in zeer geringe hoeveelheid, nog niet nader geformuleerd, neutrale naalden, welke bij 2270 smelten en in alkaliën oplosbaar zijn tot opionylzure zouten.

Uitgezonderd narcotine, zijn genoemde stoffen, behalve aan melkzuur en zwavelzuur, vooral gebonden aan

25°. meconzu ur, C7H407 -f- 3 I-PO = C4HO(CO)(OH) (COOH)2 -j- 3 H20) 5- 8 pet., een niet-vergiftig, tweebasisch zuur, dat, met uitzondering der alkali-zouten, in water niet of moeilijk oplosbare zouten vormt. Het kristalliseert in kleurlooze, zilver-glanzende, rhombische prisma\'s of naalden, moeilijk oplosbaar in koud water en aether, gemakkelijker in warm water en spiritus, welke in oplossing door ferri-zouten bloedrood worden gekleurd.

Voorts bevat Opium nog: ongeveer 1—3 pet. vet en was, 2—6 pet, hars, 3—8 pet. caoutchoucachtige stof.

-ocr page 260-

634

io—20 pet. pectine, gom en slijm, eiwit, suiker, k 1 e u r- en r e u k s t o f, hoogstens 6 pot. a s c h en 8—20 pet. water.

Afkomst. Opium is het gedroogde melksap uit de vruchten van Papaver somniferum L. en wordt verkregen door deze, vóór zij rijp zijn, oppervlakkig in te snijden. Het éénjarige kruid, behoorende tot de familie der Papaveraceae, dat, zooals reeds is vermeld \'), afkomstig is uit West-Azië en oostelijke streken van Zuid-Europa, wordt ook veelvuldig elders gekweekt, hetzij om het melksap, het Opium, hetzij om de olierijke zaden dei-vruchten of om de vruchten zelve. Waar de plant groeit, kan Opium daaruit gewonnen worden, üit geschiedt bijv. op zeer ruime schaal in Klein-Azië, Perzic en Oost-Indië, vroeger ook veelvuldig, doch thans minder in Egypte, meer en meer ook in China. In andere landstreken echter, zooals in Noord-Amerika, Australië, aan de oostkust van Afrika en verschillende landen van Europa als Frankrijk, Spanje, Duitschland, Italië en Engeland, geschiedt de winning van Opium slechts op geringe schaal wegens de duurte van den grond en den hoogen prijs der arbeidsloonen; ze moet aldaar meer als proefneming beschouwd worden en de verbouw der plant geschiedt dan ook, zooals bijv. ten onzent, meer eigenlijk ter winning der vruchten en van het zaad.

Het bij ons gebruikelijke Opium (K lei n - A zi a t is ch , A n a t o-lisch, Levantsch, Turksch, Smyrnaasch ofConstanti-110 pels ch O.) is hoofdzakelijk afkomstig uit Klein-Azic, waar de plant, en wel eene verscheidenheid daarvan, de P. somniferu m var. glabrum, met purperkleurige, zelden witte bloemen en zonder borstels aan stengel en stengeltakken, door de geheele landstreek heen door boeren wordt verbouwd. De landen worden daartoe in drie gedeelten met tusschenpoozen bezaaid, zoodat telkens een stuk opschiet en de oogst dus in drie gedeelten op drie verschillende tijdstippen plaats heeft, waardoor werkkrachten en dientengevolge arbeidsloonen worden bespaard en de kans voor geheele mislukking van den oogst door vorst, droogte als anderszins wordt verminderd. Wanneer de kroonbladen zijn afgevallen en de eerst zeegroene en fijnberijpte zaaddoozen geelachtig-groen geworden zijn en eene doorsnede van ongeveer 4 cM. bereikt hebben, worden deze één voor één aan de plant met een daartoe ingericht scherp

\') Zio blz. 361.

-ocr page 261-

635

mes, liefst in den middag van een drogen, zonrijken, windstillen dag ingesneden. Deze insnijding geschiedt voor e!ke vrucht éénmaal en wel horizontaal in de onderste helft der vrucht over twee derden van zijn omtrek of spiraalsgewijs rondom de vrucht tot voorbij het punt van uitgang, soms ook wel door een paar elkander kruisende insnijdingen, in elk geval echter niet te diep wijl alsdan het melksap naar binnen zou vloeien, doch ook niet te oppervlakkig, omdat alsdan te weinig melksap naar buiten zou komen. Den volgenden morgen, wanneer het sap eenigermate gestold is, wordt het met een mes afgeschraapt, op een papaverblad verzameld en bij ge-noegzamen voorraad tot koeken van verschillende grootte gebracht en deze korten tijd in de schaduw gedroogd.

Aldus verkocht, worden zij, omhuld met papaverbladen en soms met Rumex-vruchtjes omgeven, ten einde het aaneenkleven te voorkomen, in katoenen, verzegelde zakken en deze weder in manden verpakt, waarna ze uit de noord-westelijke streken naar Constantinopel, uit de midden-en de zuidelijke streken naar Smyrna worden gebracht. Hier wordt het Opium in pakhuizen opgeslagen, waar het eenigen tijd blijft liggen, ten einde het te doen uitdrogen, wijl het in al te verschen staat aan broeiing en gisting onderhevig is en dus zou bederven. Gewoonlijk ook worden daar de oorspronkelijke koeken of brooden in andere vormen gebracht, dikwijls ook te dier gelegenheid met verschillende stoffen vervalscht. Te Smyrna, niet te Constantinopel, is daarom het uit te voeren Opium aan eene keuring onderworpen, welke keuring echter niet langs scheikundigen weg geschiedt, doch eenvoudig plaats heeft volgens uiterlijk, kleur, reuk, gewicht, toestand bij het doorsnijden der brooden, enz. Ten slotte worden de Opium-koeken, in papaverbladen gewikkeld en door Rumex-vruchtjes omgeven , in kisten van 70—75 K.Grm., van binnen met blik bekleed, verpakt, over Londen, Liverpool, Marseille en Triest in den handel gebracht.

Ook in Europeesch-Turkije, Bulgarije en Rumeniü wordt eenig Opium gewonnen, dat gedeeltelijk naar Londen, gedeeltelijk naar Smyrna en Constantinopel wordt vervoerd, om alsdan als „Smyr-naasch Opiumquot; in den handel te komen.

De winning van Opium in andere wereldstreken geschiedt op eenigszins overeenkomstige wijze.

Het Egyptisch, Thebaansch of Alexandrijnsch O. wordt gewonnen, door papaverzaad, waarschijnlijk van P. som-niferum var. glabrnm, met zand vermengd, uit te strooien op

-ocr page 262-

636

landerijen, welke te voren door den Nijl zijn overstroomd geweest, en de opgeschoten, jonge plantjes later naar een ander terrein over te brengen. Bij rijping der vruchten worden deze herhaaldelijk in horizontale en vertikale richting ingesneden, het uitgevloeide, gestolde sap den volgenden morgen verzameld en tot brooden gekneed, welke in papaver-bladen worden gewikkeld en opmatten in de schaduw en op eene tochtige plaats gedroogd. Aan opkoopers verkocht, wordt het dikwijls vervalscht. Vroeger werd het in ruime mate in den handel gebracht, doch thans wordt het bijna niet meer uitgevoerd, naar men beweert, wijl de cultuur bijna geheel door de regeering wordt gedreven ten behoeve der gasthuizen.

Het Perzisch O. wordt vooral verkregen in de centrale provinciën door kweeking van P. somniferum var. allnnn. Bij het rijpen der vruchten, na het afvallen der bladen, als nog alleen de zaaddoozen aan de stengels zitten, worden tegen den avond met kleine mesjes aan eéne zijde ondiepe, vertikale insnijdingen daarin gemaakt en den volgenden morgen het O. door afschraping met een stomp mes verzameld. Na twee dagen herhaalt men deze bewerking aan de tegenovergestelde zijde, waardoor een stroop-achtig vocht wordt verkregen, dat, op borden uitgestreken, onder omroering en kneeding in de zon of bij het vuur wordt uitgedroogd en daarna tot bolletjes of cilindertjes gerold. Ten einde eene grootere opbrengst te verkrijgen, wordt somtijds de opperhuid der zaaddoozen één- of meermalen afgeschraapt en dit af-schraapsel bij het dikvloeibare O. gevoegd.

Vroeger werd dit O., vermengd en doorkneed met olie, alleen over land naar China verzonden en kwam het uiterst zelden aan de Europeesche markt. Tegenwoordig echter wordt het ook over zee naar China vervoerd en komt het zelfs naar Singapoer en Londen, alsmede naar Constantinopel, om daar tot Turksch O. verwerkt en ook vervalscht te worden. Het wordt vooral voor de morphine-bereiding gebezigd.

Het Indisch, Oost- of B r i t sc h -1 n d i s c h, Be n g aal s ch O. van P. somniferum var. album wordt, behalve in de bergachtige tafellanden van Malwa en andere, betrekkelijk kleine uitgestrektheden van Indië, vooral gewonnen in Bengalen, inzonderheid in de vlakke, dicht bevolkte districten van Behar en Benares. In de eerste landen is de Opium-cultuur vrij; in Bengalen echter is zij regeeringsmonopolie, in zooverre dat de cultuur door iedereen vrij kan worden uitgeoefend, doch dat de opbrengst aan de factorijen

-ocr page 263-

637

der regeering in de districten van Behar en Benares moet worden verkocht, terwijl ambtenaren op cultuur, inzameling, bereiding, enz. toezicht houden.

Ook hier worden bij het rijpen der vrucht, als de bloembladen zijn afgevallen, op het heetste gedeelte van den dag met een bijzonder soort mes met verscheidene lemmeten herhaaldelijk eenige ondiepe insnijdingen in de vrucht gemaakt. Het uitvloeiende melksap bedekt zich terstond met een vliesje; den volgenden dag wordt het gestolde sap door afschraping met een troffelvormig schraapijzer, dat van tijd tot tijd met olie wordt bestreken, in aarden of koperen schalen verzameld, het vergaarde sap dooreen-gewerkt en naar de factorijen gebracht. Hier wordt het na onderzoek eerst in groote vaten bewaard en dagelijks geroerd, totdat het watergehalte zóóver is gedaald, dat de massa met de voeten door elkander gekneed kan worden.

Voor inlandsch gebruik wordt het sap verder in de zon uitgedroogd en tot groote, vierkante, in geolied papier gewikkelde koeken van ongeveer i KGrm. of tot platte, vierkante tabletjes gebracht {Akbari-O.). Gewoonlijk echter wordt de massa verwerkt tot ballen van bepaalde samenstelling en ongeveer 2 KGrm. gewicht en deze omhuld met een korst van aan elkander gelijmde papaver-kroonbladen , alles weder gewikkeld in een grof poeder van papavcr-stelen, -vruchten en -bladen. Allereerst worden deze ballen op smalle schotels aan zonnewarmte blootgesteld; zoo gisting intreedt, de bal doorgebroken, om de lucht te doen ontsnappen en daarna weder in elkander gezet, om eindelijk gedurende langen tijd onder herhaald omkeeren aan de lucht blootgesteld te worden, terwijl schimmelvorming wordt voorkomen door bij intreding daarvan den bal opnieuw in papaver-poeder rond te wentelen. Wanneer de ballen eindelijk droog en hard genoeg zijn geworden, worden zij in kisten van veertig stuks verpakt en verzonden.

Behalve eenig Malwa-Opium, dat niet tot ballen, doch tot koekjes wordt verwerkt, komt het Indisch O. hoogst zelden in den Europeeschen handel, wijl het voor verreweg het grootste gedeelte ten behoeve der Opium-schuivers naar China wordt vervoerd.

Het Chineesche O. wordt gewonnen van P. somniferum var, album op nagenoeg overeenkomstige wijze als het Indische, Was vroeger de Opium-cultuur in China verboden, niettegenstaande de enorme invoer uit Klein-Azië, Perzië en vooral uit Britsch-Indië is deze meer en meer onvoldoende voor het gebruik ten behoeve

-ocr page 264-

638

der Opium-schuivers, zoodat zij tegenwoordig weder door dc regee-ring wordt toegelaten en er dientengevolge in enkele provinciën van het land een niet onbelangrijke hoeveelheid O. wordt gewonnen, alhoewel men steeds de voorkeur aan het Indische O. blijft geven en dit dan ook gewoonlijk met het inlandsche vermengt. Ten gebruike wordt het O. vooraf zacht geroost cn daarna door herhaald oplossen en uitdampen een stijf extract (tjandoe) daaruit gemaakt.

Onderzoek.

i0. Het. melksap, aan onrijpe Zaaddoozen van Papaver so m-niferum L., in Klein-Arde gekweekt, onttrokken, vn de lucht dik geworden en gedroogd (Smyrna1 sch Opium).

Een bruine, uitivendig vaste, inwendig weekere en niet homogene, in volkomen drogen staat broze massa, die eenigszins glanzig is op de breuk. Zij komt voor in min of meer onregelmatig afgeplatte bollen, die meestal in Papaverbladen gewikkeld en doorgaans met de vruchten cener soort van Rumex bestrooid zijn. Reuk verdoovend; smaak bitter-scherp. De Ph. eischt dus het gebruik van het trouwens bijna alleen in den Europeeschen handel voorkomende Klein-Aziatische of Smyrna\'sche Opium. De ondoorschijnende brooden of koeken zijn aan de onderzijde plat, aan de bovenzijde meer of minder gewelfd en cirkelrond of hoekig. Het gewicht der kleine brooden wisselt af van 6o—700 Grm., dat der zeldzamere groote van 1 — 3 KG., terwijl de meeste van 200—900 Grm. wegen. Vooral de kleinere zijn gewoonlijk in papaver-bladen gewikkeld, waarop nog eenige Rumex-vruchten gehecht zijn. Zij kunnen met een mes gemakkelijk in stukken gesneden worden. De inwendige, lichter bruine massa is niet homogeen; daarin vertoonen zich nl. eenigszins lichtere, bijna doorschijnende korrels of strepen, zoogenaamde „tranenquot;.

Met Egyptische O. komt voor in kneedbare of harde, schijfvormige brooden of koeken van ongeveer 1 dM. middellijn en 90—120 Grm. gewicht, gewikkeld in overblijfselen van papaverbladen , doch niet met Rumex-vruchten bestrooid. De harde brooden zijn inwendig fijn-porens, donker-leverbruin van kleur, met hier en daar kleurlooze, glinsterende en ook roodgele stippen, de eerste waarschijnlijk afkomstig van zand en gomgruis, de laatste van hars.

Het Perzische O. komt in verschillende vormen in den handel voor: 1°. als korte, afgeronde kegels van 180—300 Grm. gewicht;

-ocr page 265-

639

2°. vaak ook in platte, haksteenvormige, cirkelronde brooden van ongeveer 600 Grm. gewicht, in een papaver-blad gehuld zonder Riunex-vrnchten, soms ook verpakt tusschen gestampte en fijngesneden slaapbollen; 30. soms ook als rolronde of eenigszins platgedrukte pijpen of stangen, 6—12 cM. lang en 10—15 mM. dik, gewikkeld m van binnen zvit, van buiten rood papier met in goud gedrukte Chineesehe letters; 4°. ook wel in den vorm van ballen, zooals het bijv. aan de Londensche markt wordt aangevoerd, in papaver-bladen of in rood papier gehuld, verpakt in kisten van 200 stuks; 50. ook, doch zeldzaam, zonder bepaalden vorm in blikken bussen. Men beschrijft het verder als lever-tot zwartbmin, fijnkorrelig op de breuk.

Het Britsch-Indische O. komt eveneens in verschillende vormen voor. In Malwa maakt men er gewoonlijk rechthoekige, baksteenvormige schijfjes van, onontwikkeld, in kisten van ruim 60 KG. verpakt. Een enkele maal is het ook voorgekomen in ronde massa\'s, met plantaardige overblijfselen bedekt, hard, donker van kleur en rookerig van geur.

Het Bengaalsch O., dat voor het gebruik in Indic zelf bestemd is {Akbari-O.), wordt toebereid in vierkante koeken, iets minder dan 1 KG. zwaar, in geolied papier gewikkeld, oi\'m platte, vierkante tabletjes, terwijl het naar China uit te voeren O. voorkomt als droge, zeer harde ballen van ongeveer 1.5 dM. middellijn en 2 KG. zwaar met een omhulsel van papaver-kroonbladen en gewikkeld m grof poeder van papaver-stelen, -bladen en -vruchten, verpakt in kisten van 40 stuks, in vakken verdeeld, wegende ruim 72 KG.

Het Chineesehe O. komt voor in dobbelsteenvortnige, iupapier gehulde of als kleverige, uitwendig broze, droge, zwartbruine, platte koekjes, gewikkeld in den scheedevormenden bladsteel van de eene of andere soort van Bambusa.

Het Europeesche O. uit Turkije, Bulgarije en Rumeniö eindelijk komt voor in den vorm van halfronde of eenigszins kegelvormige brooden, omwikkeld met druivenblad en. Overigens is het van het Klein-Aziatische niet te onderscheiden.

20. Een brume% uitwendig vaste, inwendig weekere en niet homogene, iu volkomen drogen staat broze massa, die eenigszins glanzig is op de breuk. Zij komt voor m min of meer onregelmatig afgeplatte bollen, die meestal in Papaverbladen gewikkeld en doorgaans met de vruchten eener soort van Rumex bestrooid zijn.

-ocr page 266-

640

Reuk verdoovend; smaak bitter-schcrp. Opium wordt dikwijls ver-valscht, zoowel in liet land waar het gewonnen wordt, als in de havens, waarheen het wordt uitgevoerd. Als vervalschingsmiddelen worden genoemd: poeder van papaverbollen, zand, steentjes, klei, gips, kalk, krijt, loodglid, bolus, tragacanth, gom, zetmeel, dextrine, sal eb poeder, hars, was, plan-te n- en vruchtensap, extracten, vruchtenmoes, drop, terpentijn, enz. Als kenmerken van deugdelijkheid geldt, dat de kleur der bollen bruin, niet zwartbruin, het poeder daarvan licht- of geelbruin is, reuk en smaak duidelijk narcotisch zijn; dat de massa op de breuk eenigszins glanzig, niet dof en tusschen de vingers eenigszins kneedbaar zij; dat de inwendige massa bovengenoemde tranen, doch geene plantendeelcn, bijv. bladen of daar-tusschen gemengde zaden vertoont; dat het verbrandt met eene heldere vlam 1).

30. Het Poeder, verkregen uit Opium, dat bij niet meer dan 50° gedroogd is, moet 10 pet. Morphine bevatten. De methode der tegenwoordige Ph., volgens welke het morphine-gehalte in Opium bepaald wordt, is de gewijzigde methode Hager-Jacobson, niet eenige verbeteringen uit de vorige Ph. overgenomen. Het Opium moet vooraf tot poeder gebracht worden, door het eerst in schijfjes

\') Voorts kan O. op de volgende wijze nader op deugdelijkheid onderzocht worden. \'2 Grm. Ojiiumpoeder wordt met 25 cM3. water onder omroeren gekookt. Ue hoven-staande vloeistof mag na hezinking en bekoeling wol slijmig, doch niet dlkslijmig, geleiachtig of vast zijn (zetmeel, s t ij f s e I, gom, sa lebpoeder, t ra gacant h). Met het viervoudig volumen koud water verdund en gefiltreerd, mag het filtraat hoogstens bruinachtig-geel, licht wijnkleurig, niet bruin, donkerkleurig zijn (extracten, vruchtensap), en zuur, niet neutraal of alkalisch rcageeren (kalk, krijt, klei, loodglid). noch, na indamping tol TV van het volumen en met 10 cM\'1. alcohol vermengd, terstond of na eenigen tijd een duidelijk neêrslag geven (gom, dextrine, zou ten). Hot op het filter achtergebleven, goed uilgevvasschen, gedroogd en gewogen O. mag hoogstens 1 Grm., d. i. de helft, wegen (onoplosbare minerale stoffen), 0.5 Grm. Opiumpoeder, met 5 cM3. chloroform geschud, moet zich, vooral na toevoeging van eenige droppels water, langzamerhand geheel aan de oppervlakte verzamelen, geen neerslag op den bodem geven (minerale stoffen, zetmeel, enz.) en de chloroform bijna niet kleuren (hars, extracten, enz.), ook niet na toevoeging van joodoplossing (zetmeel, enz.). Evenzoo met 5 cM3. zwavelkoolstof geschud, moet het O.-poeder op den bodem bezinken en evenmin de zwavelkoolstof kleuren.

Verbrand en verascht mag O. niet meer dan 6—8 pet. asch achterlaten (m i n e r a 1 e stoffen), waarin zich geene zware metalen mogen bevinden, terwijl O. door droging bij 100° niet meer dan 1(3 pet. water mag verliezen.

Ten slotte levere een deugdelijk O., zooals de Ph. voorschrijft, minstens 50 pet. droog Extract. Zie verder hierover bij «Extractum üpii», blz. 298.

-ocr page 267-

641

en kleine stukjes te snijden, deze bij 400—50° in eene droogstoof te drogen, daarna tot poeder (15 30) te stampen, welk poeder op het waterbad en ten slotte nog weder boven zwavelzuur of kalk volkomen wordt uitgedroogd \').

») Tot bedoelde verbeteringen bebooren voornamelijk: 1°. vermindering der gebezigde lioeveeibeid kalk en ammoniumchloride; \'2°. het uittrekken van hel Opium bij gewone temperatuur en 3°. het juist aangeven van den tijd, benoodigd voor do afscheiding der morphine.

Men zie voorts over de methode bij « Extractum Opii», hlz. 300.

De thans te volgen methode kan nog op onderstaande wijze verbeterd worden, waardoor de bepaling in een paar uren is afgeloopen, de morphine zich zeer weinig aan het glas hecht en zich dus gemakkelijker, alhoewel niet zoo goed gekristalliseerd, doch even zuiver afscheidt.

Meng 1 Grm. calciumhydroxyde met 10 Grm. water en 3 Grm. Opiumpoeder; voeg aan dit mengsel zooveel water toe, dat hot gewicht 32.5 Grm. bedraagt; macereer het, onder herhaald schudden gedurende een kwarlier en filtreer door een plooi-filter van 10 cM. doorsnede. Schud 20 Grm. van hel Altraat met 10 cM3. aether en 5 droppels benzol, en los er, zacht schuddend, 250 mG. ammoniumchloride in op. Schud het mengsel aanhoudend en krachtig gedurende 10 minuten en voeg dan nog 10 cM3. aether bij, om de eventueel gevormde emulsie te verdoelen. Noem de aetherlaag weg; herhaal de uitschudding met 5 cM3. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze eerst met water zoolang af, totdat dit kleurloos adoöpt, daarna met 5 cM3. spiritus van 40 pet. en droog ze bij 100° (v. I tal lie).

Het is raadzaam het mengsel van Opium, kalk en Water in een lleschje of buis te schudden, waarin het nagenoeg de geheele ruimte inneemt, daar het anders door het aanhoudend schudden gevormde schuim het verkrijgen van 20 Grm. Altraat bemoeilijkt, waarvan men geen last heeft bij schudden in eene bijna gevulde buis. Ook is het niet steeds noodig, meer aether te gebruiken dan de Ph. voorschrijft. De afscheiding der aetherlaag hoeft ook na de aanhoudende schudding bij normaal Opium spoedig plaats, vooral indien men de in cM3. verdeelde buis, waarin do geheele bewerking het gemakkelijkst geschiedt, in vertikalen stand snel tusschen beide handvlakken laat rondwentelen (Po la k).

Hehalve bovengenoemde zijn nog vele andere methoden voor morphine-bepaling in O. voorgeslagen, waarvan de moesten echter omslachtig en onnauwkeurig zijn. Alleen de volgende vinden hier vermelding:

6 Grm. Fijn Opiumpoeder wrijft men af met Cgt; Grm. water, verdunt, spoelt het mengsel met water in een gewogen kolfje en brengt den inhoud door verdere toevoeging van water op 54 Grm. Men laat, nu en dan omscluiddende, een kwartier staan on filtreert dan door een plooi-lilter van 10 cM. doorsnede, liij 42 Grm. van hol fdtraat voegt men 2 Grm. van een mengsel, bestaande uit 17 Grm. ammonia en 83 Grm. water, vermengt het goed door heen en weer bewegen (niet schudden) en filtreert dadelijk door een plooifdtor van 10 cM. doorsnede. Men vermengt 30 Grm. van het filtraat in een getarreerd kolfje door heen en weer bewogen met 10 Grm. aethylacetaat, voegt 4 Grm. der bovengenoemde verdunde ammonia-oplossing toe en schudt het kolfje krachtig gedurende 10 minuten. Dan voegt men weder lO Grm. aethylacetaat toe, om de emulsieachtige vloeistof te scheiden, giet het laagje aethylacetaat zoo good mogelijk af en herhaalt deze beide bewerkingen nog eens met 10 Grm. aethylacelaat. Men brengt nu den inhoud van het kolfje met het dunne laagje aethylacetaat op een liltor van H cM. door-

-ocr page 268-

642

4°. De afgescheiden Morphine ivege 200 inG , hetgeen overeenkomt niet het vereisehte gehalte. Een Opiurnpocder, dat minder bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan worde dit, door vermenging van het Poeder met Aardappelzetmeel, tot de juiste verhouding gebracht. Verkregen uit 20 Grm. van het

snode, zonder te letton op do in liet kolfje terugblijvende kristallen, en spoelt kolfje en filter twoomiial na met 5 Grm. water, dat met aethylacetaat verzadigd is. Nadat de vloeistof zooveel mogelijk uit kolfje en filter afgedroppeld is, droogt men ze bij \'100°, brengt den inhoud van het filter met behulp van een penseel in het kolfje en droogt tot constant gewicht (methode D i e t e r i c h).

Volgens deze methode (verbeterde methode der Ph. Germ. Ed. Ill) worden de alka-loïdzouten uit het Opium allereerst door water uitgetrokken en daarna zóóveel ammonia toegevoegd als noodig is om het vrije zuur te binden en de narcotine neer te slaan. Ten einde geen morphine mede te doen precipiteeren, mag niet geschud worden en moet terstond gefiltreerd worden. Daarna wordt door verdere toevoeging van ammonia de morphine neergeslagen; terwijl aethylacetaat wordt toegevoegd, om de oplosbaarheid der morphine in het vocht te verminderen en nog aanwezige sporen narcotine daarin te doen oplossen, terwijl het mot aethylacetaat verzadigde water eveneens dient om de morphine van nog aanhangende sporen narcotine te bevrijden.

Voorts zij hier nog als typische methode melding gemaakt van de colorimetrische methode van Steyn-Mylius, gegrond op de afscheiding van jodium door morphine en de oplosbaarheid en het kleurend vermogen van jodium in zwavelkoolstof.

500 mGrm. Opiumpoeder wordt met ongeveer 10 Grm. water in een kolfje van 50 cM3. gekookt, daarna 3 Grm. loodazijn toegevoegd en de vloeistof tot 50 cM3. met koud water aangevuld, na schudding en bekoeling gefiltreerd en bij het geheele filtraat 15 droppels zwavelzuur gevoegd of wel bij een zeker gedoelle van het filtraat eene daarmede overeenkomstige hoeveelheid zuur. Ten slotle wordt van het gevormde loodsulfaat afgefiltreerd, totdat het filtraat volkomen helder is. Ter vergelijking met het aldus verkregen Opium-aftreksel maakt men eene oplossing van 100 mGrm. morphine met 3 Grm. verdund zwavelzuur in 100 cM3. water.

Deze beide vloeistoffen behandelt men met joodzuur of wol een jodaat met zwavelzuur en met zwavelkoolstof, waarna de resultaten worden vergeleken. Men bezigt daartoe twee buizen van ruim 1G cM. lengte en 1.5 cM. middellijn, die tot 20CM3, in icM. verdeeld zijn. Men brengt in elk dor twee droge buizen eerst 5 droppels eener geconcentreerde oplossing van joodzuur of 80—10Ü mGrm. kaliumjodaat en 2 droppels zwavelzuur, hier bovenop 5 cM3. gerectificeerde zwavelkoolstof en eindelijk in de eene buis 10 cM3. der zuivere morphine-oplossing, bevattende 10 mGrm. morphine, en in de andere buis 10 cM3. van het ontkleurde Opium-aftreksel, dus correspondeerende met 100 mGrm. Opiumpoeder. Na sluiting der buizen met een kurk schudt men krachtig, in elke hand eene buis houdend, ü—3 minuten bij het gebruik van joodzuur, 3—4 minuten bij het gebruik van kaliumjodaat, waarna men de zwavelkoolstof zich laat afscheiden, wal bij de morphine-oplossing zeer spoedig, bij het Opiumaftreksel in hoogstens I a 2 minuten geschiedt, om vervolgens na ongeveer 10 minuten, wanneer zij geheel helder geworden is, de kleur der zwavelkoolstoflaag in beide buizen te vergelijken.

Is in beide buizen de kleur der zwavelkoolstof even sterk, dan bevat het Opium 10 pet. morphine. Is er daarentegen verschil, dan voegt men in de buis met de sterkst gekleurde zwavelkoolstof nog zooveel daarvan toe, totdat de kleur na schudding in beide

-ocr page 269-

643

filtraat, d. i. twee derden van 3 Grm. Opium-poeder, derhalve uit 2 Grm. O., is dit dus 10 pet. \'),

5°. De afgescheiden Morphine zij in haar honderdvoudig gewicht kalkwater geheel oplosbaar, en late, na verbrand te zijn, bijna niets achter. Zie bij „Extractum Opiiquot;, bh. 30:.

O X A L A S C E R O S U S. CERIUMOXALAAT.

Een wit, smaakloos poeder, dat door hitte ontleed wordt, daarbij 47—48 pet. van een gele tot bruine asch aehterlatend.

Ceriumoxalaat is onoplosbaar in water en geeft met warm ehloorwater-stofzuur een oplossing, die door zwavelwaterstof niet troebel of gekleurd mag worden.

Natronloog, met Ceriumoxalaat gekookt en dan verdund en gefiltreerd, wordt niet troebel door ammoniumchloride of door zwavelammonium, maar geeft, na met azijnzuur oververzadigd te zijn en nadat er calcium-chloride aan is toegevoegd, een wit neêrslag.

Samenstelling. Ce^OO4)3 9 H2O

Het zuringzure zout van het metaal cerium. In drie molec. zuringzuur, HJCJ04 ï), is de waterstof vervangen door twee atomen van het driewaardige metaal cerium.

Het Zout bevat negen molec. water.

Bereiding. Tot fijn poeder gebracht of geslibd Ceriet, hoofdzakelijk bestaande uit cerium-silicaat benevens geringe hoeveelheden lanthanium en didymium-zouten, wordt door zwavelzuur ontleed.

gelijk is. Men leest vei\'volgens de vermeerdering der vloeistof en derhalve die dor zwavelkoolstof af en berekent nu liet procentisch gehalte van het onderzochte Opiumpoedor naar de verhouding 5 : 5 -|- y = 10 : x, waarvan y hot volumen der bijgevoegde zwavelkoolstof en x het procentisch gehalte van het Opiumpoeder voorstellen.

\') De vermenging met droog Aardappelzetmeel bij te hoog morphine-gehalte is slechts noodig bij het gewone gebruik van het Opiumpoeder, Alhoewel zij ook voor de Extractbereiding niet schaadt, daar zij noch de uittrekking, noch de filtratie bemoeilijkt, is zij hier overbodig, wijl het zetmeel bij de maceratie terugblijft, de opbrengst dus niet wordt verhoogd en een te hoog morphine-gehalte alsdan door toevoeging van melksuiker kan worden hersteld,

quot;) Zin blz. 47 en 4S.

-ocr page 270-

644

de daarbij onder sterke warmte-ontwikkeling gevormde zoutmassa niet koud water uitgetrokken en het vrij geworden kiezelzuur afgefiltreerd. Ter verwijdering van vreemde metalen als bismuth, koper, enz. wordt door de met chloorwaterstofzuur zuurgemaakte vloeistof zwavelwaterstofgas geleid, het filtraat door zachte verwarming of inleiden van kooldioxyde van overmaat daarvan bevrijd en het cerium ten slotte door overmaat oxaalzuur-oplossing als ceriumoxalaat neergeslagen, dat, aanvankelijk kaasachtig-vlokkig, zich langzamerhand korrelig-kristallijn afscheidt en, na uitwasschen niet water totdat daarin door baryumchloride geene troebcling meer ontstaat, bij zachte warmte wordt gedroogd.

Eigenschappen. Een wit, kristallijn , reuk- en smaakloos poeder, onoplosbaar in water en spiritus, bij verwarming oplosbaar in chloorwaterstofzuur.

Door hitte wordt het ontleed, daarbij ceriumdioxyde, CeO2, achterlatende, dat bij gloeihitte donker oranjerood, bij bekoeling geelachtig gekleurd is, — Wordt de chloorwaterstofzure oplossing met overmaat kaliloog behandeld, dan scheidt zich wit cerium-hydroxyde af, dat aan de lucht door vorming van ceriumdihy-droxyde geel wordt gekleurd. — Een weinig hiervan, gestrooid op eene oplossing van strychnine in zwavelzuur (i = 1000), geeft daarmede eene donkerblauwe, spoedig in roodviolet overgaande kleur.

Ceriumoxalaat, met natronloog gekookt en van het daarbij afgescheiden hydroxyde afgefiltreerd, geeft in het filtraat, na oververzadiging met azijnzuur, met calciumchloride een wit neerslag van calciumoxalaat.

Onderzoek.

1°. daarbij 47—48 pet. van een gele tot bruine asch achterlatend. Slaat op de identiteit van het preparaat, ook wat betreft het watergehalte ; tevens op verontreiniging niet andere stoffen, die eene mindere of meerdere gloeirest zouden opleveren. Bij het Zout van bovenstaande samenstelling bedraagt deze ongeveer 48.7 pet. Eene alkalische reactie der gloeirest kan op kalk wijzen.

20. die door zwavelwaterstof niet troebel of gekleurd mag worden. Afwezigheid van zware metalen als bismuth en koper.

3°. Natronloog, met Ceriumoxalaat gekookt en dan verdund en gefiltreerd, wordt niet troebel door aminoniumcliloride. Afwezigheid

-ocr page 271-

645

van al u mi n i u m-verbinding. Natronloog ontleedt het Cerium-oxalaat onder afscheiding van ceriumhydroxyde en lost mogelijk voorhanden aluminiumzouten als hydroxyde op, dat door ammonia, uit het ammoniumchloride en natronloog gevormd, precipiteert.

4°. of door zwavelammonimn. Afwezigheid van zware metalen als z i n k.

O X Y D U M C A L C I C U M.

CALCIUMOXYDE.

ONGEBLUSCHTE KALK.

Witte of lichtgrijze, harde stukken, die, met de helft van hun gewicht aan water besprenkeld, warm worden, opzwellen en tot een fijn poeder uiteenvallen, dat, zonder op te bruisen, bijna geheel in chloorwaterstof-zuur oplosbaar is.

Samenstelling. Ca O

Het oxyde van het metaal calcium; de verbinding van een atoom van dit tweewaardige metaal met een atoom tweewaardige zuurstof \').

Bereiding. Kalk, gebrande of ongebluschte kalk, wordt verkregen door sterke verhitting van koolzure kalk onder toetreding van lucht, waarbij kooldioxyde ontwijkt.

Ca CO1 = Ca O CO\'

calciumcarbonaat calniiinnxydo koolilioxydn

Koolzure kalk komt in de natuur in verschillende vormen min of meer zuiver voor. De meest zuivere kalk bereidt men uit marmer of

1

water Wmrn- calcium- magnesium- water kalium- calcium- mat\'nosinm-

y e oxyde o.vydü hydroxyde hydroxyde hydroxyde

42

-ocr page 272-

646

kalkspaath. Fabriekmatig wordt zij elders gewoonlijk verkregen uit de talrijke variëteiten van kalksteen (steenkalk) en vooral die soorten daarvan, welke niet te veel (7—10 pet.) verontreinigingen als klei, ijzer- en mangaanoxyde, organische stoffen, zand, silicaten, gips, magnesium-, kalium- en natriumzouten bevatten. Bij ons te lande, waar de bodem geen koolzure kalk oplevert, gebruikt men als grondstof de schelpen {schelpkalk), die langs het zeestrand worden opgevischt, waaronder vooral de Texelsche het meest gezocht zijn.

De ontleding der koolzure kalk, het branden der kalk, bestaat in eenvoudige verhitting onder ruime toetreding der lucht. Elders, zooals o. a. aan de Maas in België, geschiedt dit in mijten, gevormd uit lagen kalksteen en steenkool, met aarde en zoden gedekt, terwijl in sommige streken van Duitschland daartoe algemeen veldovens worden gebruikt, uit stukken kalksteen ruw opgestapeld. Bij ons te lande geschiedt de verhitting in opzettelijk daartoe gebouwde steenen ovens, z.g. schelpkalkovens, zooals ze nog veelvuldig hier en daar, meestal groepsgewijze in gebruik zijn. Zij bezitten eene vrij aanzienlijke hoogte en eene min of meer tonvormige gedaante, zijn van boven open en van onder van openingen voorzien , waardoor gestookt wordt en die met deuren kunnen gesloten worden. Zij worden met afwisselende lagen lichte turf en schelpen geheel gevuld, waarna de massa van onder wordt aangestoken, die men verder rustig laat uitbranden, waarna de ovens worden geledigd en opnieuw gevuld. In het buitenland zijn de doorwerkende ovens algemeen in gebruik, waarbij de kalk uit de onderste openingen telkens kan worden weggehaald, waardoor de bovenste lagen kalksteen zakken, zoodat van boven voortdurend nieuwe kalksteen kan worden ingebracht; de oven blijft daardoor voortdurend warm, waardoor veel brandstof wordt bespaard. In den laatsten tijd zijn de z.g. ringovens meer in gebruik gekomen, die zoodanig zijn ingericht, dat de anders in de lucht ontwijkende , heete gassen van den brandenden oven achtereenvolgens door de overige ovens strijken en deze dus verwarmen.

Eigenschappen. Witte of lichtgrijze, amorphe, harde stukken, welke zich aan de lucht door opname van vocht en kooldioxyde langzamerhand met stof bedekken, stofferig worden en ten slotte tot poeder, een mengsel van hydroxyde en carbonaat, uiteenvallen.

Met de helft van hun gewicht aan water besprenkeld, bersten

-ocr page 273-

647

zij onder grootc warmte- en dampontwikkeling uiteen cn vervallen ten slotte daarbij onder sterke volumen-vermeerdering tot een fijn, wit poeder van calciumhydroxyde (gebluschte kalk), dat verder, met 3—4 dln. water aangemengd, eene kalkbrij vormt 1).

4

= Ca (HO)1

calciurnliydioxyde

Ca O H20

calciumoxyde water

Het poeder van calciumhydroxyde lost, op enkele verontreinigingen na, zonder opbruisen op in chloorwaterstofzuur of salpeterzuur, niet echter in zwavelzuur, welke oplossing, gefiltreerd en na omzetting met natriumacetaat in chloride en vrij azijnzuur, een wit neérslag geeft met ammoniumoxalaat.

Wegens de neiging tot aantrekking van vocht en kooldioxyde moet Calciumoxyde in volkomen droge, dichte flesschen, waarvan de voegen met paraffine gesloten zijn, bewaard worden.

Onderzoek.

i0. Witte of lichtgrijze, harde stuk ken. Men lette bij aankoop vooral op kleur en hardheid der stukken. Ue kleur moet zoo wit mogelijk, hoogstens grauw, niet geel of bruin- tot zwart-vlekkig zijn, afkomstig van ijzer, klei en organische stoffen. De stukken moeten voorts hard doch niet steenachtig, niet min of meer tot poeder vervallen zijn of door drukking met de vingers uit elkander vallen.

20. die, met de helft van hun gewicht aan water besprenkeld, warm worden, opzwellen en tot een fijn poeder uiteenvallen. Als kenmerk van deugdelijkheid geldt de gemakkelijke bluschbaarheid der kalk en de sterke hitte, die daarbij ontstaat. Men onderscheidt diensvolgens vette en magere kalk. De eerste bluscht zeer spoedig, zwelt daarbij sterk op en levert met water een vette brij. De laatste bluscht langzaam en onvolkomen, zwelt daarbij slechts weinig op en geeft met water eene weinig plastische massa. Het verschil tusschen beide soorten ligt aan de samenstelling der gebezigde grondstof of aan de temperatuur, waarbij zij gegloeid is. Bevat nl. de grondstof veel silicaten of een kleiner of grooter gehalte aan magnesiumverbindingen, dan verkrijgt men slechts magere kalk. Ook indien de kalk bij meer dan roodgloeihitte is gebrand,

1 I

is

li

Hl

\'

*lt;

I;

li • 1s

•kfe \' •p

4

■ ifquot;

li li

\') Over de oplosbaarheid in water zie bij «Solutio llydratis calcici».

m

é

-ocr page 274-

648

waardoor de silicaten smelten en dus min of meer een glazuur rondom het calciumoxyde vormen, de kalk z.g. is doodgebrand, zoodat het water bij het blusschen niet of slechts onvolkomen tot de kalk kan doordringen, wordt slechts magere kalk verkregen.

30. dat, zonder op te bruisen. Slaat op een gehalte aan ca r bo-naat, hetzij door slechte bewaring, hetzij door aanwending van te lage temperatuur bij de branding, waardoor niet al het kool-dioxyde wordt uitgedreven.

40. bijna geheel in cJiloonvaterstofzteur oplosbaar is. Slaat op een niet te groot gehalte aan onoplosbare stoffen als klei, zand, silicaten, enz.

OXYDUM CUPRICUM.

KOPEROXYDE.

Een zacht, zwart, zeer fijn poeder, dat met verwarmd verdund salpeterzuur, zonder op te bruisen, een licht blauwe oplossing geeft. Door ammonia in overmaat wordt deze oplossing donker blauw gekleurd.

Koperoxyde geve aan water geen oplosbare bestanddeelen af en doe, als het verhit wordt, geen gekleurde dampen ontstaan.

Samenstelling. Cu ü

Het oxydc van het metaal koper; de verbinding van één atoom van dit tweewaardige metaal 1) met één atoom tweewaardige zuurstof.

Bereiding. Deze geschiedt door gloeiing van basisch koper-carbonaat, verkregen door precipitatie van een koperzout met een alkali-carbonaat.

2 Cu SO4 2 Na1 CO3 H20 = [CuCO3 Cu(OH)i]-f

kopei\'sulfaat nalriumcarbonaat water basisch kopercarbonaat

2 Na1 SO4 CO1

natriumsulfaat kooKlioxyilo

[CuCO3 Cu(OH)1] = 2 Cu O CO5 -f H»0

basiscli kopercarbonaat koperoxyde kooldioxyilo water

\') Behalve als Cu-, cnprtci/m-, komt, alhoewel minder hekend en gobruikelijli, het koper ook als tweewaardige [Cu1]-, cuprosuni-verbindingen voor.

-ocr page 275-

649

Bij eene tot 50° a 60° verwarmde oplossing van 6 dln. natrium-carbonaat in 30 dln. water wordt langzaam onder omroeren gevoegd eene helder gefiltreerde en even warme oplossing van 5 dln. kopersulfaat in 30 dln. water. Men laat den gevormden blauwen neerslag bezinken, giet de bovenstaande vloeistof af, herhaalt deze bewerking met warm water, verzamelt het precipitaat op een filter, wascht het uit, totdat het afgeloopen vocht na verdamping op platinablik niets meer achterlaat of met baryumchloride geen reactie op zwavelzuur meer geeft, droogt het en verhit het bij zwakke roodgloeihitte in eene ruime, hessische kroes zóólang, totdat jxl het kooldioxyde en water uitgedreven zijn.

Eigenschappen. Een amorph, zeer fijn en zacht, zwart, vuur-bestendig poeder, onoplosbaar in water, onder zachte verwarming zonder opbruisen met blauwe kleur oplosbaar in verdund salpeterzuur en zwavelzuur, met groene kleur in verdund chloorwaterstof-zuur. In deze oplossingen ontstaat door kali- of natronloog een helder blauw, door ammonia een groenachtig blauw neérslag, dat bij verdere toevoeging van ammonia met blauwe kleur daarin oplost. Kaliumferrocyanide veroorzaakt in de oplossing een roodbruin precipitaat.

Met ammonia geschud, vooral bij aanwezigheid van een weinig ammoniumchloride, lost het poeder daarin op tot eene vloeistof met lazuurblauwe kleur van gevormd koperoxyde-ammoniak, Cu O 4NH4.ÜH, waarin cellulose oplost \').

Onderzoek.

1°. Een zacht, zwart, zeer fijn poeder. Koperoxyde kan ook op andere wijzen verkregen worden, waarbij het echter niet aan de gestelde physische eischen voldoet, Het kan bijv. verkregen worden door gloeiing van het metaal aan de lucht; het verkregen preparaat is dan echter te dicht en voor \'t gebruik ongeschikt. Ook door koking van het door een alkali uit een koperzout geprecipiteerde koperhydroxyde met overmaat alkali wordt het oxyde afgescheiden, doch met bruine of bruinzwarte kleur.

20. dat met verwarmd verdund salpeterzuur, zonder op te bruisen, een lichtblauwe oplossing geeft. Identiteitsreactie, Opbruising bij oplossing in het zuur zou wijzen op aanwezigheid van car bon a at door onvoldoende gloeiing of afkomstig van alkali-carbonaat bij onvoldoende uitwassching.

\') Zie blz. 374.

-ocr page 276-

650

3°. Door ammonia in overmaat wordt deze oplossing donker blauw gekleurd. Identiteitsreactie. Bij aanwezigheid van ijzer- of lood-verbindingen zouden deze worden neergeslagen en de oplossing troebel zijn.

40. Koperoxyde geve aan water geen oplosbare bestanddeelen af. Afwezigheid van alkali, alkalicarbonaat of koperzouten, m. n. natriumcarbonaat, -sulfaat, kopersulfaat 1) en - n i t r a a t.

50. en doe, als het ver hit wordt, geen gekleurde dampen ontstaan, Koperoxyde kan ook verkregen worden door gloeiing van kopernitraat.

Cu (NO2)1 = CuO 2 NO3 -f O

kopernitraat koperoxyde slikstofilioxyde zuurstof

Het ontstaan van gekleurde, nitreuse dampen bij verhitting kan dus wijzen op aanwezigheid van koper nitraat 2).

O X Y D U M H Y D R A R G Y R I C U M.

MERCURIDOXYDE.

M ERCURIUS PRAEC1PI T A T U S RU 15 E R.

Een zeer fijn, zwaar, matrood poeder, zonder glinsterende stippen, dut door hitte geheel vervluchtigt, zonder zure dampen te verspreiden.

Met chloor waterstof zuur geeft het een kleurlooze oplossing, die, met ammonia oververzadigd, een wit neêrslag levert.

Samenstelling. Hg O

Het oxyde van het metaal kwik of kwikzilver; de mercufz- of hydrargynVww-verbinding van het tweewaardige metaal met één atoom tweewaardige zuurstof 3).

1

) Beter kan nitraat aangetoond worden door uitschudding met water, lillratie en behandeling van bet (iltraat niet zwavelzuur en ferrosulfaat.

2

) Zie blz. 187,

3

Koperoxyde mag tevens bij verbitting niet meer dan 4—5 pet. aan gewicht verliezen, afkomstig van aanhangend water. Daar Koperoxyde, vooral bet zacht gegloeide, neiging bezit om water uit de lucht aan te trekken, moet bet goed afgesloten daartegen bewaard worden.

-ocr page 277-

651

Bereiding. io Din. zuiver kwik wordt in eene kolf onder verwarming op het waterbad opgelost in 30 dln. verdund salpeterzuur.

3 Hg 8 HNO3 = 3 Hg (NO3)2 2 NO 4H20

kwik salpeterzuur mercurinitraat stiltstofoxyde water

6 Hg 8 HNO3 = 3 [Hg1] (NO5)2 2 NO 4H20

kwik salpeterzuur mercuronitraat stikstofoxyde water

De aldus verkregen heldere oplossing van mercuri- en mercuronitraat wordt uitgedampt, totdat zij volkomen droog is, ten slotte op het zandbad onder omroeren, ten einde het wegspatten te voorkomen. Het achtergeblevene wordt fijngewreven en in eene dunne laag in eene ondiepe porseleinen schaal uitgespreid, die met eene andere schaal of plat bord in gelijken stand wordt gedekt, zoodat de bodem van de bovenste schaal het poeder kort nadert. Daarna wordt dit op het zandbad onder herhaald omroeren zóó lang verhit, totdat al het mercuri- en mercuronitraat in mercurid-

Hg (NO3)4 = Hg O -f N204 O

mercurinitraat mercurid- stikstof- zuurstof

oxyde dioxyde

[Hg4] (NO\')1 = 2 Hg O N^4

mercuronitraat mercurid- stikstof

oxyde dioxyde

oxyde is omgezet en bij het oplichten van het deksel geene nitreuse dampen meer worden waargenomen of zich onder aan het deksel een geringe, grauwe aanslag van metallisch kwik, ontstaan door ontleding van het gevormde kwikoxyde, heeft gevormd.

Bij de bereiding van grootere hoeveelheden kwikoxyde wordt bij het fijnwrijven van het kwiknitraat nog 10 dln. kwik daaraan toegevoegd en dit, onder besprenkeling met eenige droppels water, teneinde het verstuiven te voorkomen, daaronder gewreven, zoodat alle kwikbolletjes volkomen verdwenen zijn. De bij ontleding van het mercurinitraat vrij geworden zuurstof wordt op deze wijze benut, om het toegevoegde kwik bij verhitting in kwikoxyde om te zetten.

Na bekoeling wordt het roodgele poeder bij gedeelten in een mortier met water fijngewreven en aldus door slibbing tot een uiterst fijn poeder gebracht, dat vervolgens gedurende eenige uren met zeer verdunde natronloog onder zachte verwarming en onder herhaald omroeren wordt gedigereerd, ten einde wellicht aanwezige sporen salpeterzuur, kwiknitraat of bij verhitting daarvan ge-

-ocr page 278-

652

vormd basisch nitraat te binden of te ontleden en mede in kwik-oxyde om te zetten. Ten slotte wordt het poeder op een op linnen

Hg (NO3)2 -f- 2 Na HO = Hg O 2 Na NO3 H»0

kwiknitraat natriumhydroxyde kwikoxydo natriumnitraat water

gespannen, papieren filter gebracht, met water volkomen uitge-wasschen en in het donker bij 250—30° gedroogd.

Eigenschappen. Een reukloos, zeer fijn, kristallijn, dof, roodgeel, zwaar poeder, zeer weinig oplosbaar in water (30000), onoplosbaar in spiritus, tot zouten oplosbaar in chloorwaterstofzuur, salpeterzuur en zwavelzuur.

Bij zacht verhitten wordt Kwikoxyde niet ontleed, doch verandert de roodgele kleur in roodviolet, daarna in donkerviolet en ten slotte in bijna zwart, terwijl bij bekoeling de oorspronkelijk roodgele kleur weder terugkeert. Bij sterkere verhitting wordt het ontleed in zuurstof en kwik, dat gedeeltelijk vervluchtigt, gedeeltelijk zich bij bekoeling weder met zuurstof tot kwikoxyde vereenigt \').

Onderzoek.

1°. Een zeer fijn, niatrood poeder, zonder glinsterende stippen. In \'t groot bereid, vormt Kwikoxyde glinsterende, schubvormige kristallen of min of meer samenhangende, kristallijne stukken; in \'t klein wordt het als een dof, kristallijn poeder verkregen. De l\'h. staat het gebruik van het preparaat in dezen vorm niet toe, doch eischt het na nauwkeurige slibbing verkregen uiterst fijne poeder.

20. niatrood. In onderscheid met het amorphe, geleüxydum hyd rargy ricu m flavum s).

De kleur zal eenigszins afhangen van de hoeveelheid bij de verhitting onontleed gebleven nitraat en, daar het door precipitatie van een mercuri-zout door een alkali verkregen mercuridoxyde geel van kleur is, de kleur meer naar het gele overhellen, naar gelang meer nitraat na de verhitting achtergebleven en door natronloog ontleed is.

Aan \'t licht blootgesteld, wordt Kwikoxyde ook bij gewone temperatuur langzamerhand in kwik en zuurstof ontleed, waardoor het eene dónkerder, zwarte kleur verkrijgt. Het moet daarom in

\') Zie blz. 412 en verdere rcactiën op mercuri-zouten bij «Cliloretum liydrargyrieum», bi/.. 188.

\') Zie verdere kenmerken van onderscheid blz. 055.

-ocr page 279-

653

\' i

goed gesloten flesschen tegen den invloed van bet licht worden bewaard

30. dat door hitte geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, hetzij als verontreiniging, bijv. vreemde metalen of alkali door slechte afwassching ^), hetzij als vervalsching, bijv. menie of rood en steen.

40. zonder wire dampen te verspreiden. Afwezigheid van onont-leed gebleven nitraat, dat zich door de ontwikkeling van nitreuse, zure dampen zou verraden i).

5°. Met chloortvater stof zuur geeft het een kleur loo ze oplossing. Afwezigheid van in chloorwaterstofzuur onoplosbare stoffen, als cinnaber, menie, rood en steen, enz. Is de oplossing niet helder, maar eenigszins wit troebel, dan wijst dit op verontreiniging met mercu ro-verbinding 3), terwijl een zich langzamerhand vormend grauw afzetsel op den bodem of gasontwikkeling bij verwarming op metallisch kwik kan wijzen.

6°. die, met ammonia oververzadigd, een wit neerslag levert. Identiteits-reactie; tevens in onderscheid met mercuro-verbinding, die daquot;quot;bij zwart zou worden gekleurd.

i| H

i\' ■ Ik

OXYDUM HYDRARGYRICUM FLAVUM.

GEEL MERCURIDOXYD E.

lien zeer fijn, zwaar, geel poeder.

Wordt 300 mCr. Geel Mercuridoxyde met 600 mG. zuringzuur en 3 cM3. water op een waterbad verwarmd, dan verandert het in een wit zout. De oplossing van 250 mG. Geel Mercuridoxyde in 10 eM3. warm ver-

\') Op tfelijko wijze werken, vooral bij verwarming en langdurige bewaring, vele organische stolftm op Mercuridoxyde in, zooals vetten, gom, suiker, plantaardige poeders, enz.

\') Vrij alkali of zuur kan ook na uitschudding met water daarin worden aangetoond, evenals sporen nitraat, door de reactie met zwavelzuur en ferrosulfaat (zie blz. 32).

\') Ook zilver zou zich als chloride afscheiden, nader aan te toonen in de verdunde salpeterzure oplossing door chloorwaterstofzuur, evenals chloride door zilvernitraat, is de salpeterzure oplossing niet helder, dan kan dit, behalve op de sub 4° genoemde stollen, wijzen op a n t i in 0 0 n en t i n.

Mill

r.

1 I

:tmi

\' .1

\'.li

-ocr page 280-

654

(kind azijnzuur mag met zilvernitraat, na toevoeging van een weinig salpeterzuur, niet meer clan een opalescentie geven.

Met chloonvaterstofzuur geve het een kleurlooze oplossing, die met ammonia oververzadigd, een wit neêrslag levert.

Samenstelling. Hg O \')

Bereiding. Behalve langs den drogen weg door ontleding van mercurinitraat bij verhitting kan Kwikoxyde ook verkregen worden langs den natten weg door ontleding van een mercuri-zout met een alkali. Het wordt dan echter niet als een roodgeel, kristallijn, doch als een geel, amorph poeder verkregen.

Hg CP 4- 2 Na HO = Hg O 2 Na Cl IPO

morcurichloride nalriurnhydioxyde mercuriiloxyrle natriumchloride water

io Dln. mercurichloride wordt in ioo dln. warm water opgelost, dc oplossing gefiltreerd en deze langzaam onder omroeren gegoten in 30 dln. natronloog van 1.170 soort. gew. (15 pet. Na HO), met 50 dln. water verdund. De kwikchloride-oplossing moet bij de loog gevoegd worden en niet omgekeerd, wijl zich anders kwik-oxychloride zou vormen. Om steeds zich vormende geringe hoeveelheden daarvan te ontleden, moet het gevormd neêrslag niet terstond verzameld, doch onder herhaald omroeren en zachte verwarming tot 30° a 40° nog gedurende een uur met de overmaat natronloog onder zooveel mogelijke afsluiting van licht in aanraking gelaten worden.

Na afscheiding van het gele precipitaat wordt ten slotte de bovenstaande vloeistof zooveel mogelijk afgegoten, het precipitaat eerst herhaaldelijk met lauwwarm water overgoten en daardoor van het grootste gedeelte natriumchloride bevrijd, eindelijk opeen filter verzameld en zóó lang met warm water afgewasschen, totdat het filtraat na zuurmaking met salpeterzuur geen reactie met zilvernitraat meer geeft op chloride, waarna het neêrslag tusschen filtreer-papier in \'t donker bij 200—30° wordt gedroogd.

Eigenschappen. Een reukloos, zeer fijn, amorph, dof, geel, zwaar poeder met overigens dezelfde eigenschappen als het gewone, roodgele Kwikoxyde 2).

») Zio verder bij «Oxydum hydrargyricum», blz. 650.

\') Zie aldaar, blz. G5\'2.

-ocr page 281-

655

Onderzoek.

10. Ecu geel poeder. — Wordt 300 viG. Geel Mereuridoxyde niet 600 in G. zuring zuur en 3 cMz. water op een waterbad ver-wannd, dan verandert het in een wit zout. Onderscheid met het kris-tallijne, roodgele Oxydum hydrargyricum, welk onderscheid samenhangt met de uiterst fijne verdeeling van het langs den natten weg verkregen Kwikoxyde, waardoor het ook sneller en sterker werkt, gemakkelijker door licht wordt ontleed en gevoeliger reageert dan het langs den drogen weg verkregene. Met zuren vormt het daarom o.a. gemakkelijker zouten dan het roode, zoodat het met eene oplossing van oxaalzuur langzamerhand, vooral bij verwarming, in wit oxalaat wordt omgezet, terwijl het roodgele Kwikoxyde, ook bij verwarming, daarmede geene merkbare ontleding ondergaat \').

2°. De oplossing van 250 viG. Geel Mereuridoxyde in 1 o cj\\P. ivarm verdund azijnzuur mag met zilvernitraat, na toevoeging van een weinig salpeterzuur} niet meer dan een opalescentie geven. Afwezigheid van mercuri- en natriumchloride. Sporen worden toegestaan.

30. Met chloorwaterstofzuur geve het een kleurlooze oplossing, die, niet ammonia oververzadigd, een wit neerslag levert. Identiteitsreactie; tevens in onderscheid met m er euro-verbinding, die daarbij zwart zou worden gekleurd.

s

OXYDUM MAGNHSICUM.

MAGNESIUMOXYDE.

MAGNESIA U S T A.

GEBRANDE MAGNESIA.

Een fijn, homogeen, wit, zeer licht poeder, dat met verdund chloorwaterstofzuur een heldere, klenrlooze oplossing geeft, die, na met ammonia oververzadigd te zijn, door natriumphosphaat neêrgeslagen wordt.

\') In verband daarmode onderscheidt zich het gele Kwikoxyde bovendien nog van het roode, doordien het bij verwarming met eene alcoliolische kwikchloride-oplossing terstond in zwart oxychloride overgaat, terwijl het roodgele dit zeer langzaam, eorgt;t na langen lijd doet. Ook door droog chloorgas wordt het roodgele Kwikoxyde bij gewone tempe-ratuur weinig of niet veranderd, terwijl het gele daarbij terstond zwart oxychloride vormt.

Overigens geschiede het onderzoek op zuiverheid op gelijke wijze en voldoe liet preparaat aan dezelfde eischen als bij «Oxydum hydrargyricum», blz. 053, is aangegeven.

T

-ocr page 282-

656

Wordt 200 mG. Magnesiumoxyde met 10 cM3. water gekookt, dan mag het bezonken en gefiltreerde vocht slechts zwak alkalisch reageeren en, na verdampt te zijn, niet meer dan sporen van een vaste stof achterlaten. De achtergebleven magnesiabrij geve met chloonvaterstofzuur in overmaat, zonder of met slechts geringe opbruising, een heldere kleur-looze vloeistof, die door zwavelwaterstof niet verandert en, na met ammonia verzadigd te zijn, door zwavelammonium niet terstond donker wordt.

De oplossing van Magnesiumoxyde (1 = 50) in salpeterzuurhoudend water worde door baryumnitraat niet terstond troebel en geve met zilvernitraat niet meer dan een opalescentie.

Samenstelling. Mg O

Het oxyde van het metaal magnesium; de verbinding van con atoom van dit tweewaardige metaal met een atoom tweewaardige zuurstof.

Bereiding. Bij verhitting van magnesiumcarbonaat ontwijken kooldioxyde en water en blijft magnesiumoxyde terug.

|4 Mg CO3 Mg(OH)2 xll2ü| = 5 Mg O

magnesiutnearbonaat magnesiutnoxyde

4 COJ (x-t- l) HjO

koolilioxyde water

Poeder van magnesia of stukjes magnesia worden in eene toegedekte aarden schaal of kroes langzamerhand tot zwakke roodgloeihitte, het best in een windoven, verhit. Wanneer de golvende beweging der oppervlakte, een gevolg van het ontwijken van waterdamp en kooldioxyde uit het lichte poeder, heeft opgehouden, wordt een weinig daarvan uit het midden genomen, met water aangemengd en na bekoeling met verdund chloonvaterstofzuur of zwavelzuur overgoten. Heeft hierbij geene ontwikkeling van kooldioxyde meer plaats, dan is al het magnesiumcarbonaat in oxyde omgezet, waarna men het poeder langzaam laat bekoelen en ten slotte door eene fijne zeef slaat.

Opbrengst ongeveer 40 pet.

Eigenschappen. Een fijn, homogeen, wit, zeer licht, reukloos en bijna smaakloos poeder, bijna onoplosbaar in koud (5S3Ö8) en warm water \').

\') Do oplosbaarheid wordt door aanwezigheid van verschillende zouten, vooral ainrnoniumzouten, zeer verhoogd.

-ocr page 283-

657

In verdunde zuren lost het, zonder opbruisen, snel en gemakkelijk op. Het levert daarbij eene heldere vloeistof, die door alkali en alkalicarbonaat wit wordt neêrgeslagen en, na .-net ammonia oververzadigd te zijn, met natriumphosphaat een wit, kristallijn neêrslag geeft van ammonium-magnesiumphosphaat.

Onderzoek.

1°. Een fijn, homogeen poeder. Door te sterke en langdurige verhitting wordt het preparaat te dicht, korrelig en daardoor onbruikbaar, tenzij men de korrels door ziften kan verwijderen.

2°. zeer licht. Men onderscheidt twee soorten, nl. lichte en zware Magnesia. De eerste is de bij ons voorgeschrevene. De zware, die in Engeland gebruikelijk is en aldaar uit de zware magnesia bereid wordt, kan verkregen worden door gloeiing van het eigenlijke, neutrale magnesiumcarbonaat, Mg CO3, alsmede door aanhoudend, sterk gloeien van magnesiumcarbonaat, dat, met water bevochtigd, in eene kroes vast aangestampt is. Zij is schitterend wit, asbestachtig van glans, dicht en biedt eenigen weêrstand aan de doordringbaarheid van water en inwerking van zuren.

3°. dat met verdund chloorwaterstof zuur een heldere, kleur loo ze oplossing geeft. Eene gekleurde oplossing zou op verontreiniging met ijzer kunnen wijzen.

4°. Wordt 200 mG. Magn esiu m oxyde met i o cM*. water gekookt, dan mag het bezonken en gefiltreerde vocht slechts zzvak alkalisch reageer en en, na verdampt te zijn, niet meer dan sporen van een vaste stof achterlaten. Het eerste gedeelte slaat op verontreiniging met alkali, alkalicarbonaat of -hydrocarbonaat en aard alkali \'); het laatste gedeelte, behalve op deze, in \'t algemeen op in water oplosbare, vreemde zouten.

5°. De achtergebleven magnesiabrij geve met chloorwaterstofzuur in overmaat, zonder of met slechts geringe opbruising, een heldere kleurlooze vloeistof. Afwezigheid van magnesiumcarbonaat. Geringe hoeveelheden worden toegestaan J).

6°. die door zwavelwaterstof niet verandert. Reactie op zware metalen als koper, lood en f e r r i-zout.

») Afkomstig van het magnesiumcarbonaat; zie blz. 153.

■) Zie over de reactie op calcium-verbinding bij «Carbonas magnesicus», blz. 153, sub 7°.

Z w a veI-verbinding kan bij oplossing in cbloorwaterstofzuur herkend worden door eon strookje papier met loodacetaat, wat door gevormd zwavelwaterstof niet mag worden gekleurd.

-ocr page 284-

658

7°. en, na met ammonia verzadigd te zijn, door zwavelammo-niunt niet terstond donker wordt. Reactie op zware metalen als ij z e r, m a n g a a 11 en zink.

8°. De oplossing van Magnesiumoxyde (1 = 50) in salpeter zuur-houdend water worde door haryumnitraat niet terstond troebel. Reactie op sulfaat. Sporen worden toegestaan.

90. en geve met zilvernitraat niet meer dan een opalescentie. Reactie op chloride. Sporen worden toegestaan.

OXVDUM PLUMBICUM SEMIVITREUM.

LITHARGYRU M.

LOOD G LI D.

Geelroode, glanzende schubben of een oranjerood poeder.

Loodglid lost in verdund salpeterzuur, bijna zonder op te bruisen, óf geheel op, of met achterlating van een weinig eener bruinachtige stof, die bij toevoeging van een weinig zuringzuur terstond verdwijnt.

500 iïiG. Loodglid, met azijnzuur gekookt, late niet meer dan icmG. onopgelost achter. De verkregen oplossing, met verdund zwavelzuur in overmaat vermengd en gefiltreerd, worde, met ammonia oververzadigd, niet blauw en geve daarmede slechts een gering neêrslag. De van dit neérslag af gefiltreerde vloeistof moet, na verdampt te zijn, een overschot achterlaten, dat door sterker hitte nagenoeg geheel verdwijnt.

Samenstelling. Pb O

Het oxyde van het metaal lood; de verbinding van één atoom van dit tweewaardige metaal met een atoom tweewaardige zuurstof.

Bereiding. Wordt zuiver lood gesmolten en over de oppervlakte van het gesmolten metaal voortdurend een luchtstroom gevoerd, dan zet zich door oxydatie al het metaal in oxyde om.

Pb 4- O = Pb O

lood zuurstof loodoiyde

Fabriekmatig wordt Loodglid als nevenproduct verkregen bij de afscheiding van zilver uit zilverhoudend lood. Brooden zilverhoudend lood, werklood, worden gelijkmatig op een komvormigen haard, den drijf haard, uitgespreid, met een bolle kap toegedekt

-ocr page 285-

659

cn daarna verwarmd, waardoor het lood spoedig smelt. Vreemde metalen, koper, ijzer, enz , drijven als een grauwzwart schuim, het af strijksel, op het lood en worden afgeschept. Daarna worden door twee blaaspijpen in de kap twee elkander kruisende lucht-stroomen over de oppervlakte van het gesmolten metaal gevoerd, waardoor het lood zich oxydeert en zich bij 950° —10000 ten gesmolten , glasachtige laag van loodglid vormt, dat, terwijl het zilver als metaal in den haard achterblijft, door eene opening, het glidgat, tegenover de blaaspijpen gelegen, wordt verwijderd, afgedreven, gecnpelleerd, waarna het wordt afgekoeld. De schubvormige kristallen worden ten slotte tot poeder gemalen en geslibd.

Eigenschappen. Zware, weinig glanzende, geelroode schubben of een zwaar, fijn, oranjerood poeder, bijna onoplosbaar in water (12000), zonder opbruising geheel of bijna geheel oplosbaar in azijnzuur, verdund salpeterzuur en alkaliën, niet echter in chloor-waterstofzuur en zwavelzuur. Bij verhitting wordt het bruinrood; bij roodgloeihitte smelt het.

De zure oplossing wordt door zwavelwaterstof als zwart sulfide, door zwavelzuur als wit sulfaat, door kaliumjodide als geel jodide, door kaliumchromaat als geel chromaat neergeslagen, ook door overmaat alkali als wit hydroxyde, dat echter in meer overmaat oplosbaar is.

Onderzoek.

1°. Geelroode, glanzende schubben of een oranjerood poeder. De Ph. staat zoowel het gebruik van het schubvormig kristallijne als van het tot poeder gemalen en geslibde preparaat toe, niet echter van het «ww/zit\',, poedervormige loodglid , m ass ico t, vroeger als verfstof in gebruik en verkregen door verhitting van loodcarbonaat of -nitraat of door smelting van lood onder toetreding van lucht, waarbij echter wordt zorg gedragen, dat de temperatuur niet zoo hoog stijgt, dat het gevormde loodoxyde smelt.

Overigens verschilt de kleur van Loodglid, naarmate het bij de bereiding langzaam of sneller is bekoeld; het eerste, zilverglid, is meer geel, het laatste, goudglid, meer rood gekleurd.

Trekt het preparaat bij bewaring kooldioxyde en water uit de lucht aan, dan wordt het lichter van kleur en hecht het zich tot kleine klompjes samen.

In den handel komen twee soorten van Loodglid voor, n.1. Engelseh en Duitseh, waarvan de eerste de zuiverste is.

-ocr page 286-

66o

2°. Loodglid lost in verdund salpeterzuur bijna zonder op te bruisen op. Slaat op een gehalte aan c a r b o n a a t, bij het wrijven cn slibben of bij bewaring in min of meer vochtigen toestand of in vochtige lucht ontstaan. Sporen worden toegestaan \').

3°. of geheel, of met achterlating van een zveinig eener bruinachtige stof, die bij toevoeging van een weinig zuring zuur terstond verdwijnt. Deze bruine stof bestaat uit looddioxyde, l\'b O5, aan het loodoxydc gebonden, in den vorm van menie, 2 Pb O-f-l\'b O1. Het zuringzuur wordt hierdoor geoxydeerd onder vorming van kooldioxyde en water, terwijl het loodperoxyde tot loodoxyde wordt gereduceerd, dat in het salpeterzuur oplost. Een residu zou kunnen wijzen op verontreiniging of vervalsching, o. a. met zand, fijn gemalen steen, gele oker, ferridoxyde, loodsul-faat, enz.

40. 500 mG. Loodglid, met azijnzuur gekookt, late niet meer dan 10 mG. onopgelost achter. Slaat op vervalsching met stoffen, in warm azijnzuur onoplosbaar, als menie, loodsulfaat, zand, hoofdzakelijk echter metallisch lood. Eene verontreiniging tot 2 pet. wordt toegestaan.

5°. De verkregen oplossing, met verdund zwavelzuur in overmaat vermengd en gefiltreerd, worde, met ammonia oververzadigd, niet blauw. Afwezigheid van koper.

6°. en geve daarmede slechts een gering neerslag. Afwezigheid van ijzer. Sporen worden toegestaan.

70. De van dit neerslag af gefiltreerde vloeistof moet, na verdampt te zijn, een overschot achterlaten, dat door sterker hitte nagenoeg geheel verdwijnt. Afwezigheid van zink, antimoon, zilver, niet-vluchtige alkaliën en aardalkaliCn.

O Het Loodglid worde vóór do toevoeging van liet salpeterzuur met een weinig water geschud, teneinde aanhangende lucht te verwijderen, waardoor dwaling zou kunnen ontstaan. Carhonaat-houdend Loodglid kan door zachte verhitting daarvan bevrijd worden, liet preparaat worde intusschen in goed gesloten (lesschen tegen vocht en lucht bewaard.

-ocr page 287-

661

;

O X Y D U M Z I N C I C U M.

Z1NK0XYDE.

FLORKS ZIN CI.

Een wit of geelachtig-wit, zeer zacht poeder, dat door h\'tte een gele kleur aanneemt, die echter onder het bekoelen weder verdwijnt.

Water, met Zinkoxyde gekookt, mag door baryumchloride en door zilvernitraat niet meer dan een opalescence aannemen en, na verdampt te zijn, slechts sporen van een overschot achterlaten.

Met azijnzuur geve het, zonder op te bruisen, een kleurlooze vloeistof, die, na met ammonia in overmaat vermengd te zijn, helder en kleurloos blijft. Noch de verdere toevoeging van ammoniumoxalaat, noch die van natriumphosphaat mag haar troebel maken.

Giet men op de oplossing van Zinkoxyde in azijnzuur een laag zwavelwaterstof, dan moet het neêrslag, dat op de grensvlakte der vloeistoffen gevormd wordt, zuiver wit zijn.

Samenstelling. Zn O

Het oxyde van het metaal zink; de verbinding van een atoom van dit tweewaardige metaal met één atoom tweewaardige zuurstof.

Bereiding. Langs den drogen weg wordt zinkoxyde fabriekmatig als ,, zinkwitquot; verkregen, door in tot witgloeihitte verwarmde retorten zink te brengen en de zich ontwikkelende zinkdampen in aanraking te brengen met een warmen luchtstroom, waardoor zinkoxyde wordt gevormd, dat zich in condensatiekamers afzet. In de nabijheid der retorten, in de voorkamer, zet zich het zinkoxyde, verontreinigd met metallisch zink, ijzeroxyde en andere onzuiverheden, als een zwaar, grijs poeder, zinkgrijs, zinkstof, in de volgende kamers meer en meer zuiver en ten slotte als een licht, wit poeder, sneeuwwit, af.

Langs den natten weg wordt zinkoxyde voor pharmaceutisch gebruik bereid door verhitting van basisch zinkcarbonaat, verkregen door precipitatie eener oplossing van zinksulfaat met eenc natriumcarbonaat-oplossing.

5 (Zn SO4 7 IPO) -f s (Na2 CO3 io li2O) = [2 Zn CO3

zinksulfaat nalriumcarbonaat zinkcarbonaat

3 Zn (OH)2] s Na2S04 3 CO2 82 H20

zinkhydroxyde natriu msulf.iat kooldioxydc water

[2 Zn CO3 3 Zn (OH)M = 5 Zn ü 2 CO2 -{■ 3 II20

zinkcarbonaat zinkhydroxyde zinkoxyde kooldioxyde water

43

1 j I ,

1!

r.

I ,1

i,i

■ : ;?1

Èfif/

-ocr page 288-

662

Bij eene heldere en tot koken verwarmde oplossing van 9 dln. natriumcarbonaat in 60 dln. water wordt langzaam en onder bestendig roeren gevoegd eene eveneens kokend heete en heldere oplossing van 8 dln. zinksulfaat in 25 dln. water. De zinksulfaat-oplossing moet bij de natriumcarbonaat-oplossing gevoegd worden en niet omgekeerd, wijl zich, indien het natriumcarbonaat niet steeds in overmaat voorhanden is, basisch zinksulfaat vormt, dat zich bij verdere toevoeging van natriumcarbonaat moeilijk meer in carbonaat omzet en zich door uitwasschen zeer moeilijk laat verwijderen. De vloeistof moet derhalve ook na toevoeging van al het zinksulfaat nog duidelijk alkalisch reageeren. Ook moeten beide vloeistoffen kokend heet bij elkander gevoegd worden, wijl zich in de koude slijmig, geleiachtig normaal zinkcarbonaat zou vormen, dat wel langzamerhand in basisch zout overgaat, doch zich moeilijk en langzaam afzet, terwijl in de warme oplossing terstond basisch carbonaat wordt gevormd, dat zich spoedig als een zwaar, dicht neêrslag afzet en zich veel beter laat uitwasschen.

Nadat de neörslag volkomen bezonken is en het bovenstaande vocht afgegoten, wordt de neerslag eenige malen met kokend water afgewasschen, dat telkens na bezinking wordt afgegoten. Men verzamelt daarna den neêrslag op een linnen doek, wascht hem zóólang uit, totdat het afloopende vocht met baryumchloride geen troebeling meer geeft, perst daarna uit en droogt.

Daarna verhit men het droge, poedervormige basisch zinkcarbonaat in een kroes of glazen kolf of in eene porceleinen schaal onder gedurig omroeren zóólang, totdat de beweging van het poeder door ontwijking van kooldioxyde en waterdamp heeft opgehouden en een weinig daarvan, na aanmenging met water, met verdund zwavelzuur geene opbruising van kooldioxyde meer geeft.

Eigenschappen. Een amorph, wit of eenigszins geelachtig-wit, licht, los, zeer zacht, reuk- en smaakloos poeder, dat bij verhitting eene citroengele kleur aanneemt, die echter onder het bekoelen weder verdwijnt. Het is zoo goed als onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in zuren als azijnzuur, chloorwaterstofzuur, salpeterzuur en zwavelzuur en in bijtende alkaliën.

De azijnzure oplossing geeft met zwavelwaterstof een wit \'), met kaliumferrocyanide een wit, slijmachtig cn met alkaliën een

*) Do oplossing in sterkore zuren wordt door zwavelwaterstof niet neergeslagen.

-ocr page 289-

663

wit, geleiachtig neêrslag, dat in overmaat oplosbaar is; evenzoo met natriumcarbonaat een wit, dat in overmaat niet, en met ammoniumcarbonaat een wit, dat in overmaat oplosbaar is.

Onderzoek.

1°. Een wit of geelachtig-xvit, zeer zacht poeder. Door aanwending van te hooge temperatuur bij de verhitting van het basisch carbonaat, die ongeveer 250° mag bedragen, behoudt het achtergebleven Zinkoxyde somtijds eene meer gele kleur en verliest het zijne zachtheid, wordt het dichter en korrelig. Het laatste is ook het geval, wanneer het preparaat basisch sulfaat bevat of sterk met kooldioxyde en dan ook met vocht bedeeld is. Daar Zinkoxyde, vooral bij aanwezigheid van vocht, kooldioxyde uit de lucht aantrekt, moet het in goed gesloten en gevulde flesschen daartegen beschut worden.

20. Water, met Zinkoxyde gekookt, mag door harynmchloride en door zilvernitraat niet meer dan een opalescentie aannemen. Afwezigheid van (basisch) sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan.

30. en, na verdampt te zijn, slechts sporen van een overschot achterlaten. Afwezigheid van niet-vluchtige alkali-verbindingen, bijv. natriumcarbonaat of -sulfaat.

40. Met azijnzuur geve het een klenrlooze vloeistof . Gedeeltelijke oplosbaarheid zou kunnen wijzen op verontreiniging of vervalsching met metallisch zink, lood-, calcium- of ba ry u m s u 1 fa at. Ijzer zou de oplossing min of meer kleuren \').

5°. zonder op te bruisen. Afwezigheid van carbonaat.

6°. die, na met ammonia in overmaat vermengd te zijn, helder blijft. Afwezigheid van ijzer- en a 1 umi 11 ium-verbindingen.

7°. en kleurloos. Afwezigheid van koper.

8°. Noch de verdere toevoeging van ammoniumoxalaat, noch die van natriumphosphaat mag haar troebel maken. Afwezigheid van c a 1 c i u m- en m a g n e s i u m-zouten

90. Giet men op de oplossing van Zinkoxyde in azijnzuur een laag zwavekvaterstof, dan moet het neerslag, dat op de grensvlakte der vloeistoffen gevormd zvordt, zuiver wit zijn. Afwezigheid van

\') Kaliumjodido mag geene geclklcuring of een gooi neerslag in de oplossing verooi-zaken, wat op lood zon wijzen.

-ocr page 290-

vreemde metalen als ars en ik \').

664 lood, ij z e r,

koper, c a d m i u m alsmede

OXYMEL SCILLAE.

SCI LLA-AZ IJ N HONIG.

N. Scilla-Azijn vijftig deelen............ 5°

Poeder van Suiker..............2 5

Gezuiverden Honig, van elk vijf en twintig deelen . . 25

Verwarm den honig op een waterbad, los er de suiker in op en meng er, als de vloeistof bijna bekoeld is, den scilla-azijn onder.

Bereiding, liet vroeger te volgen voorschrift, vermenging van 1 dl. scilla-azijn met 2 dln. gezuiverden honig en gezamenlijke uitdamping tot 2 dln., gaf aanleiding tot vervluchtiging der oplosmiddelen, azijnzuur en spiritus, en door de langdurige verwarming wellicht ook tot verandering en vervluchtiging van de werkzame bestanddeelen der Scillabol.

Beide nadeelen worden bij het tegenwoordige voorschrift zooveel mogelijk vermeden, wat een belangrijk voordeel mag genoemd worden. De verdunning van den honig, ontstaan door de toevoeging van den Scilla-Azijn, wordt hier niet door uitdamping hersteld, doch door toevoeging van suiker. De bewerking geschiede bij zoo laag mogelijke temperatuur op het waterbad in een porseleinen schaal.

Evenals Scilla-azijn worde de Honig tegen den invloed van het licht bewaard.

OXYMEL SI M P LE X.

A Z IJ N H O N I G.

N. Azijnzuur vijf deelen............. 5

Gezuiverden Honig vijf en negentig deelen.....95

Meng ze ondereen.

\') Arsenik kan voorts worden aangetoond door de reactie met zink en /.wavnl-zuur, zooals bij « Chloorwaterstofzuur», bi/.. 28, is voorgeschreven, of door schudding van 1 Grin. Zinkoxyde met ii cM3. stannochloridc, waardoor ook na ecnigen tijd geene bruinkleiiiing mag ontstaan.

-ocr page 291-

66 s

P A R A F F I N U M L I Q U I D U M.

VLO E I B A R E PARA F F I N K.

Ken olieachtige, kleurlooze vloeistof, die uit ruw Petroleuia verkregen wordt.

Haar soortelijk gewicht bedrage 0.84—0.86.

Sterke spiritus of water, met vloeibare Paraffine geschud, n.oet neutraal reageeren.

Samenstelling\'. Vloeibare Paraffine is een mengsel van vloeibare koolwaterstoffen met hoog koolstofgehalte.

Overigens is er verschil in samenstelling der koolwaterstoften, naarmate de Paraffine gewonnen is uit Amerikaanseh of uit Russisch petroleum. Terwijl toch het eerste bijna geheel bestaat uit koolwaterstoffen der vetzuren-reeks van dealgemeene formule bestaat het laatste voor :t grootste gedeelte uit z.g. naphtenen, koolwaterstoffen van de algemeene formule Cquot;H2n ï), echter niet met open, doch met gesloten keten en derhalve behoorende tot de aromatische koolwaterstoffen 3).

Bereiding. Vloeibare Paraffine wordt verkregen uit ruw Petroleum. Wordt dit aan gefractioneerde destillatie onderworpen, dan worden bij verschillende temperaturen onderscheidene producten verkregen, die behalve in uiterlijke hoedanigheden vooral in kookpunt en soortelijk gewicht verschillen. Dat gedeelte, wat boven 300° overgaat, is de ruwe paraffineolie, waaruit door zuivering, vooral uit Russisch petroleum, de vloeibare paraffine wordt verkregen door \'ze herhaaldelijk met zwavelzuur te verhitten, vervolgens door wassching met water en met natronloog het zuur te verwijderen en ten slotte met kool volkomen te ontkleuren. Door verlaging van temperatuur scheidt men daarna de vaste deelen, de vaste paraffine, uit de vloeistof af, waarbij de vloeibare paraffine achterblijft.

\') Zie blz. 11.

11 Zie blz. 52.

\') Zie blz. ;J9. Deze koolwatersloffen kunnen afgeleid worden van die dei\'benzol-reeks door additie, binding van waterstof (zie blz. 1H); bijv. hexabydrobenzol (napbteen): Cll11 = C^ll\'ill*); oetonaphteen: CaIIquot;, = CU\'»(11\'); decanapbteen: C\'quot;!!10 — : tetradecanaphteen: C\'Ml10 = CMlquot; lle), enz.

-ocr page 292-

666

Eigenschappen. Eene neutrale, heldere, olieachtige, kleuren reuklooze vloeistof van 0.840—0.890 soort. gew., bij ongeveer 360° kokende, moeilijk brandbaar, onoplosbaar in water, weinig oplosbaar in spiritus, oplosbaar in aether, benzol, chloroform, zwavelkoolstof, enz, \').

Onderzoek.

1°. Een kleurlooze vloeistof. Kenmerk van zuiverheid. Zij mag niet fluoresceeren noch geelachtig gekleurd zijn, wat op onvoldoende reiniging zou wijzen, noch naar petroleum rieken. Bij verlaging van temperatuur tot 00 mogen er zich geene kristallen uit afscheiden, wat op aanwezigheid van vaste paraffine zou duiden. Tevens moet zij bij vermenging en zachte verwarming in het waterbad met een gelijk volumen zwavelzuur, ook na eenige minuten, ongekleurd of bijna ongekleurd blijven, evenals het zwavelzuur, wat op vervalsching met vetten of vette oliën of verontreiniging met onzuiverheden uit de paraffineolie zou kunnen wijzen.

2n. die uit nciu Petroleum verkregen wordt. Ook uit bruin-koolteer kan vloeibare Paraffine gewonnen worden, welke echter steeds zwavelhoudende verontreinigingen bevat.

3°. Haar soortelijk gewicht bedrage 0.84—0.86. Soort. gew. en kookpunt zijn voorname factoren tot herkenning der zuiverheid ï). Het soort. gew. kan ook iets hooger (0.84—0.89) zijn.

40. Sterke spiritus of water, met vloeibare Paraffine geschud, moet neutraal reageer en. Afwezigheid van zwavelzuur en verontreinigende zure organische verbindingen der paraffineolie.

\') Kigenaanlige reaction op paraffinen zijn niet bekend. Zij kenmerken zich jnisl omgekeerd door ongevoeligheid tegenover zelfs sterke reagentiën als hijv. bijtende alkaliën en sterke zuren als zwavelzuur, het laatste ten minste bij gewone temperatuur.

\') Opgave van kookpunt (3(50°) naast het soort. gew. is noodzakelijk, wijl bepaling van hot soort. gew. alleen oorzaak kan zijn, dat eene oplossing van een vast vet in koolwaterstoffen van Ifiger soort. gew. in de plaats wordt gegeven van de paraffine. Zie bepaling smeltpunt IjIz. 555.

-ocr page 293-

66;

PA RA FF IN UM SOLIDUM.

VASTE PARA F F l N E.

Een vaste, witte, reuklooze, fijn kristallijne stof, uit „Ozokerietquot; verkregen. Zij smelt bij ongeveer 750\'—800.

Sterke spiritus of water, met gesmolten Paraffine geschud, moet neutraal reageeren.

Samenstelling. Een mengsel, van vaste koolwaterstoffen met hoog koolstofgehalte van de algemeene formule Cquot;H2quot; 2 \').

Bereiding. De vaste Paraffine der Ph., wegens hare overeenkomst in meerdere of mindere mate met bijenwas gewoonlijk ceresine genoemd, wordt verkregen door zuivering van aardwas, ozokeriet, eene vooral in Galicië natuurlijk voorkomende, minerale paraffine in den vorm van bladerige, vezelige of dichte massa\'s van donkergele tot bruine kleur, die bij 50°—70° smelten.

De zuivering van dit aardwas geschiedt, na de massa door smelting van minerale, aardachtige stoffen en ook wel, na de bestand-deelen met laag kookpunt door destillatie met oververhitten stoom verwijderd te hebben , door het herhaaldelijk bij 200° met zwavelzuur te behandelen, daarna door afwassching met water en met natronloog te reinigen en ten slotte door kool volkomen te ontkleuren.

Eigenschappen. Eene neutrale, vaste, ondoorschijnende, witte, fijn-kristallijne, reuklooze stof van 0.918—0.940 soort, gew., smeltende bij 740—-So0, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus, aether, benzol, chloroform, zwavelkoolstof, enz. 2).

Onderzoek.

1°. Een vaste, zuitte, reuklooze, fijn kristallijne stof, uit „Ozokerietquot; verkregen. Zij smelt bij ongeveer 750—80°. De vaste Paraffine der Ph. is geene gedestilleerde paraffine. Gewoonlijk wordt Paraffine door destillatie verkregen, hetzij uit aardolie, bitumen of uit bruinkool- en turfteer, ook uit ozokeriet. Zij onderscheidt zich voorts van de ceresine der Ph., doordien zij doorschijnend, amorpii of grof-bladerig kristallijn is en een belangrijk lager smeltpunt bezit, dat, naarmate men met Weeke of harde paraffine

•) Zio hl/. 11.

•) Zio noot •), blz. 6Gü.

-ocr page 294-

668

te doen heeft, afwisselt van 440—48° met een soort. gew. van 0.870—0.890 en van 520—56° met een soort. gew. van 0.898—0.915.

2°. Ecu vaste stof. Eigenlijke paraffine is snijdbaar, de ceresine der Ph. is brokkelig.

30. Een witte, reuklooze stof. Kenmerken van zuiverheid. Zij mag niet rieken, noch gekleurd zijn. Tevens moet zij bij vermenging en zachte verwarming in het waterbad met een gelijk volumen zwavelzuur, ook na eenige minuten, ongekleurd of bijna onge kleurd blijven evenals het zwavelzuur, wat op vervalsching met vaste vetten of verontreiniging met onzuiverheden, afkomstig van het ozokeriet, zou kunnen wijzen.

4°. Zij smelt bij ongeveer 75°—80°. Behalve dat een lager smeltpunt op eigenlijke paraffine kan wijzen, zou ook vervalsching met planten was of talk, enz. het smeltpunt verlagen.

5°. Sterke spiritus of water, met gesmolten Paraffine geschud, moet neutraal reageer en. Afwezigheid van zwavelzuur en verontreinigende zure organische verbindingen van het ozokeriet.

P E P S I N U M.

P E P S I N E.

Een fijn, grijsachtig-wit poeder, uit het slijmvlies van varkens-, schapen-of kalvermagen bereid en gewoonlijk met suiker of zetmeel vermengd.

Met water geeft Pepsine een troebele vloeistof, die echter door toevoeging van eenige droppels chloorwaterstofzuur helderder wordt.

Pepsine, waarvan 100 mG., opgelost in 150 Grm. water en 2.5 Grm. chloorwaterstofzuur, bij 40°, onder sterk en herhaald schudden, 10 Grm. eiwit van een zacht gekookt ei, gewreven door een zeef B 10, in ten hoogste 6 uur niet oplost, mag niet gebruikt worden.

Samenstelling. Een ei witachtig ferment\') van onbekende samenstelling. Het is nl. tot nu toe niet gelukt, pepsine in volkomen zuiveren staat te bereiden, daar ze steeds in geringe hoeveelheden met andere stoffen, vooral slijm, is verontreinigd.

\') De fermenten worden verdeeld in twee groepen: georganiseerde en ninl-gconjani-seerdc. Dij de eerste geschiedt de ferment-werking door levende wezens (bacteriën, enz.), bij de laatste door eiwitachtige, meestal zeer gecomiiliceerd samengestelde, doch go-makkelijk ontloedbare, in water oplosbare, in spiritus onoplosbare stollen, enzymen (t\'iunlsine, diastase, myrosine, pepsine).

-ocr page 295-

669

Voor pharmaceutisch gebruik komt ze gewoonlijk niet als zoodanig, doch met dextrine, zetmeel, meestal met melksuiker gemengd voor.

Bereiding. Pepsine wordt bereid uit het slijmvlies van varkens-, schapen- of kalvermagen, uit de klieren waarvan het ferment wordt afgescheiden. De algemeene methoden langs welke zij wordt verkregen, zijn de volgende.

i0. De slijmhuid der maag wordt verwijderd, de maagwand afgekrabd, het afschraapsel op glazen platen uitgestreken en bij zoo laag mogelijke temperatuur zoo spoedig mogelijk gedroogd.

20. De slijmhuid der maag wordt met phosphorzuurhoudend water uitgetrokken en in het flltraat een neerslag te weeg gebracht door kalkwater, dat de pepsine mechanisch medeneemt en doet precipiteeren, Hieruit wordt de pepsine verder afgezonderd, door het neerslag in chloorwaterstofzuur op te lossen, de pepsine weder door toevoeging van cholesterine en aether met spiritus te precipiteeren, en het mengsel van pepsine en cholesterine met aether uit te trekken, waardoor cholesterine oplost en de pepsine onopgelost achterblijft.

30. De slijmhuid der maag wordt met glycerine of chloorwater-stofzuurhoudend water uitgetrokken en hieruit de pepsine neergeslagen door toevoeging eener stof, waarin pepsine onoplosbaar is, bijv. alcohol of natriumchloride.

De afgescheiden pepsine kan voorts nog door dialyse gezuiverd worden.

Door wijziging en combinatie dezer methoden wordt pepsine, ook bij ons, fabriekmatig op verschillende wijzen bereid, welke echter zooveel mogelijk worden geheim gehouden. Langs den volgenden weg bijv. kan zij verkregen worden.

De maag der pas gedoode dieren wordt door afspoelen met water van de overblijfselen der maaginhoud gezuiverd en de slijmhuid met een stomp mes geheel afgeschraapt. De nogmaals afgespoelde slijmhuid wordt daarna in kleine stukjes gesneden en met een viervoudig mengsel van 95 dln. water en 5 dln. alcohol onder herhaald omschudden uitgetrokken. Na eenige uren wordt de vloeistof afgegoten, het achterblijvende uitgeperst en de helder gefiltreerde vloeistof in dunne lagen op glazen platen of porseleinen borden bij zachte warmte, niet boven 40°, gedroogd. De aldus verkregen amorphe, lichtbruine, gemakkelijk vervloeibare

-ocr page 296-

670

stof wordt in weinig water opgelost en hieruit door verzadiging met keukenzout de pepsine geprecipiteerd. Met verzamelde preci-pitaat wordt wederom in water opgelost, de oplossing gefiltreerd en ter verwijdering van liet keukenzout aan dialyse onderworpen. De in den dialysator achterblijvende pepsine-oplossing wordt verder weder bij 40° ingedroogd en de pepsine ten slotte door vermenging met melksuiker op de verlangde sterkte gebracht.

Eigenschappen. De Pepsine der Ph. is een fijn, grijsachtig-wit poeder met zwakken, ietwat naar brood zweemenden reuk en eerst zoetachtigen, daarna een weinig bitterachtigen smaak. 1 Dl. Pepsine geeft met 100 dln. water een sterk schuimende, niet of zeer weinig zure, bijna heldere of zwak troebele oplossing, die door toevoeging van eenige droppels chloorwaterstofzuur helderder, doch door alcohol en door natriumchloride troebel wordt door afgescheiden pepsine, niet echter door koking.

Onderzoek.

1n. Een fijn, grijsachtig-wit poeder, uit het slijmvlies van var-hens-, schapen- of halvennagen bereid en gewoonlijk met suiker of zetmeel vermengd.

Met water geeft Pepsine een troebele vloeistof, die echter door toevoeging van eenige droppels c/doorn.\'ate rstof zuur helderder wordt. In den zuiversten vorm, waarin men tot dusverre pepsine verkregen heeft, is zij eene lichtgele, min of meer hygroscopische, amorphe stof. In den handel komen dergelijke soorten als Pepsinum ahsobitum voor van Amerikaanschen oorsprong, welke als „gekristalliseerdquot; worden beschreven wegens den vorm, waarin de pepsine als plaatjes voorkomt. Alle andere soorten bevatten de pepsine vermengd met overigens indifferente stoffen, gewoonlijk zetmeel of melksuiker. Alhoewel onze Ph. geen onderscheid tusschen beide schijnt te willen maken, mag uit haren eisch, dat de door haar verlangde soort met water eene troebele vloeistof geeft, die echter door eenige droppels chloorwaterstofzuur helderder moet worden, afgeleid worden, dat geen zetmeel aanwezig mag zijn, doch wel melksuiker, daar pepsine, met het eerste vermengd, daaraan niet zou beantwoorden.

Overigens lette men op kleur, vochtigheid, reuk en smaak. De kleur moet grijsachtig-, bijna zuiver wit zijn. Goede soorten rieken bij het openen der llesch niet of zwak, niet onaangenaam.

-ocr page 297-

671

hoogstens cenigszins broodachtig, en zijn weinig of niet hygros-copisch; geringere soorten daarentegen zijn min of meer gekleurd, worden spoedig vochtig en rieken lijmachtig, onaangenaam dierlijk. Ook mag zij niet ziltig smaken, de oplossing in water (1 = 100) slechts weinig troebel zijn en neutraal of nauwelijks zuur reageeren, geen onoplosbaar neêrslag en sterk zure reactie vertoonen en door 3 a 4 droppels chloorwaterstofzuur bij doorvallend licht helder schijnen. Ook mag zij met zilvernitraat slechts eene onbeduidende troebeling geven, niet sterk troebel worden, wat op een groot gehalte aan natriumchloridezou kunnen wijzen.

20. Pepsine, waarvan 100 mG., opgelost in 150 Gnn. water en 2.5 Gnn. chloorzvaterstofznur, bij 40°, onder sterk en herhaald schudden, 10 Gnn eiwit van een zacht gekookt ei, gewreven door een zeef B 10, in ten hoogste 6 uur niet oplost, mag niet gebruikt worden. Pepsine bezit de eigenschap, om onder zekere voorwaarden gccoaguleerd eiwit oplosbaar te maken en in pepton om te zetten \'). Pepsine alleen bezit echter deze eigenschap niet; voor deze omzetting is noodig de tegenwoordigheid van een vrij zuur, het best chloorwaterstofzuur, en een zekere warmtegraad, het best 35°—40° Een te sterk zuurgehalte en te hooge temperatuur werken stremmend op de werkzaamheid der pepsine; zelfs de mindere of meerdere coagulatie en fijne verdeeling van het eiwit hebben invloed daarop alsmede op den duur, voor de oplossing van het eiwit benoodigd.

De waarde nu der pepsine van den handel, met het oog op hare vermenging met andere stoffen, wordt bepaald naar dit eiwit-oplossend vermogen, zoodat, het bovenstaande in aanmerking genomen, bij de bepaling, zooals die ook in onze l\'h. is opgenomen, vooral gezorgd moet worden, dat het voorschrift juist wordt opgevolgd, zooals is voorgeschreven en hiervan in geen enkel opzicht worde afgeweken. Eene zeer kleine rest, bestaande uit eenige geelachtig-witte schilfertjes, blijven steeds onopgelost.

Pepsine, welke in staat is, haar honderdvoudig gewicht aan gecoaguleerd eiwit op te lossen, noemt men ioo-procentische

\') Icn einde na te gaan, of liet eiwit geheel in pepton is omgezet, wordt droppels-gewijs salpeterzuur toegevoegd, waardoor slechts eene zwakke troebeling, geen neêrslag mag ontstaan. Een neerslag zou op onvolkomen omzetting, op hcmialhuniose (pro-pi\'pton) wijzen.

-ocr page 298-

6/2

Pepsine, welke dus door de Ph. wordt verlangd. Voorts wordt de waarde van Pepsine op deze wijze naar haar oplossend vermogen van eiwit in procenten uitgedrukt.

Daar bij minder goede bewaring de werkzaamheid der Pepsine schijnt te verminderen, worde zij in kalkstopflesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

P E R M A N G A N A S K A L I C U S.

KALIUMPERMANGANAAT.

Naaldvormige, zeer donker violette, glanzende kristallen, die in 15 deelen water oplosbaar zijn en waarvan 1 deel aan 50.000 deelen gedestilleerd water een roode kleur mededeelt, die door opgeloste desoxydee-rende stoffen verdwijnt.

Een mengsel van 1 cM8. sterken spiritus en 12 cM3. water, met 250 m(j. Kaliumpermanganaat gekookt, geeft, na gefiltreerd te zijn, een kleurlooze vloeistof, die, met salpeterzuur zuur gemaakt, door baryumnitraat en door zilvernitraat niet terstond troebel mag worden.

De oplossing van 100 mG. Kaliumpermanganaat in 50 cM8. water moet, na toevoeging van 10 cM3. kaliumjodide-oplossing (1 = 10) en 10 cM8. chloorwaterstofzuur, niet minder dan 30.9 cM3. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring vereischen, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 97.5 pet. zuiver Kaliumpermanganaat.

Samenstelling. K Mn O4

Het mangaan verbindt zich in zes verhoudingen met zuurstof tot oxyden, waarvan de twee hoogste verbindingen zuur-anhydriden

Mn O Mn503 Mn3(J4 Mnü2 MnO3 Mn207

mangaan mangaan rnanguan mangaan mangaanzuur overmangaanzuur oxydulo oxyde oxydule-oxydü (su)peroxyde anhydride anhydride

vormen, waaruit door vervanging van één tweewaardig zuurstofatoom door twee éénwaardige hydroxyl-, 011, groepen de corres-pondeerende zuren ontstaan.

Mn O2 (OH)4 = IPMnO4

inaiigaanzuni\'

Mn2 O0 (OH)1 = H2 Mn2 O8 = 2 H Mn O4

overmangaanzuur

-ocr page 299-

^73

Kaliumpermanganaat is het kaliumzout van het overmangaanzuur; het atoom waterstof daarin is vervangen door het éénwaardige metaal kalium \').

Bereiding. Wordt een of ander mangaanoxyde met alkali bij ruime toetreding van lucht of, beter, onder toevoeging van eenig oxydeerend zout als kaliumchloraat of -nitraat gegloeid, dan vormt zich onder opname van zuurstof een manganaat, een mangaanzu ur-zout.

3 Mn O1 -f- 6 KOH K Cl O3 = 3 K2 Mn K Cl 3 1120

mangaan kalinm kuliuiri kalium kalium water

peroxyde hydroxyde chloraat manganaat chloride

100 din. Kaliloog van 1.34 soort. gew. (33.3 pet.) wordt in een ijzeren pot bijna tot op een derde uitgedampt, hieraan toegevoegd een los en voorzichtig onder elkander gebracht mengsel van 30 dln. vooraf tot fijn poeder gebrachte bruinsteen en 28 dln. eveneens fijngewreven kaliumchloraat en dit mengsel onder gestadig omroeren tot droog uitgedampt. De massa wordt daarna in eene hessische kroes verhit tot zwakke roodgloeihitte en wel zóó lang, totdat eene uitgenomen proef zoo goed als geheel in water oplost met donkergroene kleur, en zóódanig, dat de massa brijachtig blijft, doch niet geheel gesmolten is, daar in het laatste geval het manganaat weder wordt ontleed. De heete massa wordt daarna op een ijzeren plaat uitgegoten en ten slotte tot poeder gebracht.

Het kalium manganaat is slechts bestendig bij aanwezigheid van overmaat alkali. Wordt het zout in water opgelost, dan zal, omdat het koolzuur der lucht allengs de nog aanwezige overmaat base verzadigt, door . ontleding van het zout onder vorming van per-manganaat de groene oplossing langzamerhand purperrood worden. Sneller heeft dit plaats als men kooldioxyde doorvoert of eenig

3 K2 Mn O4 4- 2 H2 ü = 2 K Mn Oquot; Mn O2 4 KMO

kalium water kalium mangaan kalium

manganaat permanganaat dioxydo hydroxyde

ander zuur, bijv. salpeterzuur, toevoegt. Ook behandeling met chloor of broom, zelfs verdunning en verwarming met water brengt hetzelfde te weeg.

1

worden als het kaliumzout van 11* Mn2 ()a, dus als Ka Mn1 O».

2

) Gewoonlijk wordt liet Zout als K Mn 0* beschreven; meer eigenlijk moet het beschouwd

-ocr page 300-

674

3K1Mn02 2CO2 4- H\'O = 2KMn04 aK^CO\' MnO\'.H^

kalium knol water kalium kalium inangaan

mangauaat ilioxyde permanganaat carbouaat peroxydehydraal

De poedervormige, kaliummanganaat bevattende massa wordt derhalve met 20 dln. kokend water overgoten, goed doorgeroerd, na bezinking de vloeistof afgegoten en het achterblijvende opnieuw met warm water aangemengd en na bezinking wederom helder afgegoten. Het aldus verkregen, zoo noodig door glaswol gefil treerde vocht wordt daarna in het waterbad verwarmd en zóólang kooldioxyde daarin geleid, totdat het eene zuiver roodviolette kleur heeft aangenomen. Na volkomen bezinking van het mangaan-peroxydehydraat wordt het bovenstaande vocht afgegoten en, beschut tegen het invallen van stof, zoo spoedig mogelijk uitgedampt, totdat zich aan de oppervlakte een kristalhuidje vormt. Na bekoeling verzamelt men de afgescheiden kristallen, laat ze uitdruipen en droogt ze ten slotte op eene poreuse plaat, een steen bijv. of dakpan, terwijl uit de moederloog door verdere uitdamping meerdere kristallen kunnen worden verkregen.

Eigenschappen. Rhombisch-prismatische, reuklooze, zeer donker violette kristallen met bijna zwarte oppervlakte, min of meer staalblauw glanzend, gemakkelijk oplosbaar in koud (20.5) en in warm (3) water, bijna onoplosbaar in spiritus.

De oplossing in water is donker violetrood gekleurd; bij verdunning wordt de kleur meer en meer rood; zelfs bij eene verdunning van 1 dl. van het Zout op 50.000 dln. water is de kleur nog eenigszins rood. Door opgeloste desoxydeerende stoffen als zwaveligzuur, zuringzuur, ferro-zouten, organische stoffen, enz. verdwijnt de kleur, vooral bij verwarming, onder oxydatie der stoffen \') en afscheiding van mangaanperoxydehydraat; bij aanwezigheid van een zuur, bijv. zwavelzuur, wordt de vloeistof daarentegen volkomen helder en kleurloos.

2 K Mn O4 -f 3H-Ü = 2 (Mn O2, HïO) -f 2 KOH 3O

kalium water mangaan . kalium zuurstof

permanganaat peroxydehydraat liydroxyde

1

KMnO4 3 iI24 = 2 MnSO4 K2SO* 3 H30 -f 5 O

kalium zwavelzuur tnangano kalium water zuurstof

2

Ook op zich zelf, in drogen toestand, werkt Kaliumpermanganaat

3

\') Zie noot \') blz. (i7(i.

-ocr page 301-

675

zeer hevig op gemakkelijk oxydeerbare stoffen, bijv. organische lichamen, jodium, zwavel, phosphorus, enz. in.

Onderzoek.

i0, Naaldvormige, zeer donker violette, glanzende kristallen, die in 15 deelen water oplosbaar zijn en waarvan ; deel aan 50.000 deelen gedestilleerd water een roode kleur mededeelt, die door opgeloste desoxydeerende stoffen verdwijnt. Bij bewaring wordt eene oplossing van Kaliumpermanganaat, vooral in verdunden staat, langzamerhand ontleed, kleurloos onder afscheiding van mangaanperoxydehydraat, vooral onder den invloed van licht en organische stoffen, zooals luchtstof. Het Zout, dat in vochtigen toestand natuurlijk dezelfde ontleding kan ondergaan , moet derhalve volkomen droog zijn, niet dof, bruinkleurig, bij oplossing eene volmaakt heldere oplossing geven en tegen den invloed van licht en lucht bewaard worden.

2°. Een mengsel van 1 cM^. sterken spiritus en 12 ell*. water, met 250 mG. Kaliumpermanganaat gekookt, geeft, na gefiltreerd te zijn, een kleurlooze vloeistof, die, met salpeterzuur zuur gemaakt, door baryumnitraat en door zilvernitraat niet terstond troebel mag worden. Afwezigheid van sulfaat en chloride \'). Sporen worden toegestaan. Door koking der oplossing van het Zout met alcohol, wordt deze tot azijnzuur geoxydeerd onder afscheiding van mangaanperoxydehydraat, dat afgefiltreerd wordt.

3C2H5.OH-f 4KMn04 = 3C1H301.K -f- 4(Mn02.Hi0) -f KOU

uleoliol kaliurn kalium mangaan kalium

pormanganaat acetaat poroxydehydraat liydroxyde

30. De oplossing van 100 mG. Kaliumpermanganaat in 50 cvJ/3. water moet, na toevoeging van 10 cM*. kaliumjodide-oplossing (1 = 10) en 10 eM*. chloorwaterstofzimr, niet minder dan 30.9 eM3. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring vereischen, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 97.5 pet. zuiver Kaliumpermanganaat. Uit onderstaande formule blijkt, dat een molec. kaliumpermanganaat uit de zuur-gemaakte kaliumjodide-oplossing vijf

5 KI IC Mn O4 -f 8 H Cl = 5 I -f Mn Cl= -f 6 K Cl 4 H,20

kalium kalium chloor joilium mangaan kalium water

jodide permanganaat waterstofzuur chloruur chloride

\') Door vermenging met zwavelzuur en voorzichtige, laagsgewijze toevoeging van ferrosulfaat kan door vorming eener bi uinkleurige ring nitraat aangetoond worden.

-ocr page 302-

676

molec, jodium vrij maakt; dat derhalve 158 Grm. kaliumperman-ganaat (KMnO4 = 158) correspondeeren met 635 Grm. jodium (I = 127). 127 Grm. Jodium correspondeeren met 248 Grm. thio-sulfaat »); 635 Grm. jodium dus met 1240 Grm.thiosulfaat, welke dus ook weder correspondeeren met 158 Grm. kaliumpermanganaat.

Volumetrisch Thiosulfaat bevat 24.8 Grm. thiosulfaat per 1000 cM-1.; 30.9 cM1. bevatten derhalve 0,7663 Grm. thiosulfaat, hetwelk correspondeert met X 0.7663 = 0.0976 Grm. kaliumpermanganaat. Het gebruik van 30.9 cM3. volumetrisch thiosulfaat wijst dus op eene verontreiniging van 100—97.6 — 2.4 mG. per 100 mG., d. i. van 2.5 pet., hoofdzakelijk bestaande uit tijdens de bereiding gevormd chloride, nitraat, enz. 2).

\') Zie bij «Jodium», blz. 408.

\') In plaats van mot kalimnjodiile on volumetrisch thiosulfaat kan de bepaling ook geschieden:

a. met ferrosulfaal ot\' ainnioniutii-fenoaulfuut.

2 KMnO\' -f l()(l\'\'cS()gt;, 7 11 »0) «ll\'SO» =r.| l\'e\'l (SO*)3 \'iMnSOquot; -f K\'SOquot; X ll»0

kKliuui fcrroBulfant zwavcUuur ferriMulfnal idhiikaiiü kalinm water

pcrmanganaal quot;quot;\'f1quot;quot;

b. met oxaalzuur.

KMnOquot; 5 (CHI^Oquot;, 2 ll\'O) lilI\'SOquot; = \'2 MiiSOquot; K\'SO4 1000quot; IK KM)

kalium oxaalzuur zwavelzuur mauitaiiü kalium ,1ktl,gt;11 water

permftu^auaat Bulfaat ,llo^\'i\'!

Men bezige daartoe eeno oplossing van 27.8 Grm. ferrosulfaat = o(J.2 unimonium-ferrosnlfaat = 0.3 Grm. oxaalzuur in 1000 rM:l. water en voege bij 10 cM:l. hiervan, onder toevoeging van 10 cM3. verdund zwavelzuur en verdunning met water, uit een buret zóóveel ponnanganaat-oplossing, totdat de kleur even blijvend rood is.

lilti dln. Kaliumpermanganaat (K Mn Oquot; = 158) correspondeeren met 2780 dln. ferrosulfaat (Fe SO4, 7 ir\'Q = 278); 07.5 rriGnn. kaliumpermanganaat dus met

1

Ki

310 dln. Kaliumpermanganaat (K Mn 0\' = 158) correspondeeren met 3020 dln. aminonium-ferrosulfaat [(Nil-)» S0» I-eSO\' HH\'O =. 392]; 07.5 mGrm. kaliumpermanganaat dus met \'^■,l =: 1.2095 Grm. ainmonium fen osulfaat = 30.8 cM:l.

31G dln. Kaliumpermanganaat (K Mn O\' = 158) correspondeeren met 030 dln, oxaalzuur (CMl\'O1, \'2 112O = 126); 97.5 mGrtn. kaliumpermanganaat dus mol

( 30 X __ |lt;)4 4 uiGrin. oxaalzuur = 30.8 cM,!.

3IC)

2

X _ ^57 7 ntiGrm. ferrosulfaat = .\'i0 8 cM:i.

-ocr page 303-

677

P E T A L A R H O E A D O S.

KLAPROZEN.

De bloembladen van Papaver R h o e a s L.

Dwars-ovaal of omgekeerd-eirond, ongeveer 5 centimeter breed, aan den voet dikwijls met een purper-zwartachtige vlek voorzien. In verschen staat scharlakenrood, zwak verdoovend van reuk, in gedroogden vuil purperkleurig, bijna reukloos, dun, bijna doorschijnend, zeer ineengeschrompeld. Smaak een weinig slijmerig, min of meer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

iö. 40 pet. eener roode kleurstof, waarvan bestanddeelen uitmaken twee zuren, het rItoeadinezuur, eene donkerroode, glanzende, amorphe, zure stof, oplosbaar in water en spiritus, niet in aether, waarvan de roode, waterige oplossing door alkalische stoffen paars wordt gekleurd, en het klaprozenzicur, eene vervloei-bare stof, oplosbaar in water en verdunden, niet in absoluten spiritus, die in waterige oplossing door lood- en koperacetaat, zilvernitraat of ferrichloride wordt geprecipiteerd.

2°. waarschijnlijk een weinig rhoeadine \').

Voorts 20 pet. gom en eiwit, 12 pet. eer ine en vet en 28 pet. suiker, cellulose, enz.

Afkomst. De bloembladen van Papaver R hoe as L., een eenjarig kruid uit de familie der Papaveraceae, dat door geheel Europa en daar buiten wordt gevonden, liefst op kleigronden, waar granen, vooral tarwe, worden gekweekt, zoodat zij op onze akkers als een schadelijk onkruid wordt beschouwd.

In Juni of Juli, als de plant bloeit en de twee kelkbladen zijn afgevallen, worden de vier gemakkelijk afvallende bloembladen meest van in \'t wild groeiende, doch ook van gekweekte planten verzameld, in dunne lagen op papier uitgespreid en onder omschudden eerst op een droogzolder en daarna in eene niet te warme droogstoof zoo spoedig mogelijk gedroogd (17 == 2), waardoor zij sterk ineenschrompelen en de schoone kleur verloren gaat. Ter bevrijding van stuifmeelkorrels, insecten-eitjes, enz. worden zij daarna gezift, om ten slotte sterk opeengedrukt in zakken gepakt te worden.

Zie bij ((Opium», blz. 63!.

44

-ocr page 304-

678

Daar zij spoedig vocht aantrekken, moeten zij terstond na droging in blikken bussen bewaard en liefst elk jaar ververscht worden.

Eigenschappen. Bloembladen, aan de plant vier in getal, waarvan de twee binnenste iets kleiner dan de twee buitenste, dwars-ellipsvormig of omgekeerd-eirond, ongeveer 5 CM. breed en breeder, echter steeds breeder dan lang, zeer dun, glanzend, op het gevoel eenigszins vettig, scharlakenrood, zelden effen, meestal alle, d. i. bf alleen de twee buitenste bf alle vier, met een donkerpaarse vlek aan den voet, aan den bovenrand afgerond, meestal breed-gekarteld, met onaangenamen, zwak narkotischen reuk; gedroogd vuilpaarsrood, dof, ineengeschrompeld en reukloos. Smaak slijmig , iets bitter.

Onderzoek.

1 o. De bloembladen van Papaver Rhoeas L. kunnen verwisseld worden met die van:

a. P a e o n ia-soorten. Bladen iets langer dan breed. Kleur

donkerder.

b. Papaver d u b i u m L. Bladen kleineri hoogstens 4 cM, breed, langer dan breed, lichter rood.

e. Papaver Argemone L. Bladen veel kleiner, hoogstens 2 cM. breed, langer dan breed, lichter rood, aan den voet zwart gevlekt \').

P E T A L A R O S A E.

ROZEBLADEN.

Ue bloembladen van Rosa g a 11 i c a L., uit halfvolle bloemen vóór haar volkomen ontplooiing verzameld.

Bijkans cirkelrond of breed-omgekeerd-eirond, donker-purperachtig-rood, met een geelachtigen nagel. Reuk aangenaam; smaak een wehrg samentrekkend en bitterachtig.

1) Alhoewel de bloembladen der twee laatste planten in werking van die van P. li h 0 e a s L. niet schijnen te verschillen, mogen zij volgens de beschrijving der Ph. niet daarvoor in de plaats of daarmede vermengd gegeven worden.

-ocr page 305-

679

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 0.05 pet. vluchtige olie \').

2°. quereitrine, C^H^O20 3 H20, een glucoside, gele, glinsterende, reuklooze, bittere naalden of blaadjes, smeltende bij 1680, zeer moeilijk oplosbaar in koud, beter in warm water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, bijna onoplosbaar in aether.

Voorts 20 pet. suiker, eene zure kleurstof, sporen gallus-zuur, vet, gom, eiwitstoffen en zouten.

Afkomst. De bloembladen van Rosa gal li ca L., een lagen, sterk vertakten heester uit de familie der Rosaceae, in wilden staat inheemsch langs wegen en bosschen in Zuid- en Midden-Europa, ook in allerlei verscheidenheden als sierplant en mede voor pharmaceutisch gebruik op bepaalde plaatsen in Frankrijk, Duitschland, Engeland en ook bij ons gekweekt.

De inzameling geschiedt uitsluitend van gekweekte exemplaren, bij welke het aantal der bladen, dat bij de in \'t wild groeiende plant vijf bedraagt, tot een groot aantal is vermeerderd. Zij geschiedt meestal in Juni des morgens vroeg bij zonnig weer van bloemknoppen, die op het punt staan zich te ontplooien. Men breekt de knoppen van de stelen af en pelt er op gemakkelijke wijze de bladen uit los, die bij ons in hun geheel, in andere landen door afknippen van den gelen nagel ontdaan, na door zifting van meeldraden, enz. bevrijd te zijn, zoo spoedig mogelijk buiten het licht in goed trekkende ruimten of bij zachte warmte in een stoof of oven worden gedroogd (8= i), waardoor zij sterk inkrimpen en hunne randen zich bovenwaarts omkrullen, doch weinig van den aangenamen geur verliezen. Ten einde geur en kleur te behouden en de bladen overigens voor bederf te bewaren, worden zij in flesschen of blikken bussen tegen den invloed van licht en lucht bewaard.

Onderzoek.

1 0. Dc bloembladen van Rosa g a 11 i c a L., vroeger „ Flores Rosarum rubrantm quot; geheeten, mogen niet verwisseld of vermengd worden met die van Rosa centi folia L., vroeger in onderscheid met de voorgaande „Flores Rosarum pallidarnm quot; genoemd. De bloemen der laatste zijn gevulder en de bloembladen welriekende r, bleeker van kleur, dunner, teerder en rjonder gekleurden nagel. Daar zij in verschen staat vooral in Zuid-Frankrijk \') gebruikt

\') Zie hij «Olcum Rosarum «, ljl«, 010.

-ocr page 306-

68o

worden tot bereiding van rozewater of anders worden ingezouten, komen zij in ons land, althans gedroogd, niet voor.

Te oude, weinig riekende of verbleekte Rozebladen mogen niet worden gebruikt.

PHENOLUM.

PHENOL.

ACIDUM PHENYLICUM.

PHENYLZUUR.

ACIDUM CARBOLICUM.

CARBOL ZUUR.

Kleurlooze, niet samenhangende, eigenaardig riekende kristallen, die, op een waterbad verwarmd, bij 390—42° smelten en allengs geheel vervluchtigen.

Phenol lost gemakkelijk op in sterken spiritus, in aether, in chloroform en in natronloog, en behoeft niet meer dan 15 deelen water om volkomen op te lossen. Deze laatste oplossing kleurt blauw lakmoespapier niet of slechts zwak rood en geeft met broomwater in overmaat een wit neêrslag; voegt men bij de oplossing eenige droppels ferrichloride, dan ontstaat een zeer donkere kleur, die violet wordt als men de vloeistof met watei verdunt.

Samenstelling. CeH5.OH

Worden in de benzolkern der aromatische koolwaterstoffen van de algemeene formule Cquot;!quot;!1quot;\'6 één of meer atomen waterstof vervangen door hydroxyl-, OH, groepen, dan ontstaan alcoholen, in \'t algemeen phenolen genoemd \').

Wordt in benzol, CCH0, de eerste koolwaterstof van bedoelde reeks, één atoom waterstof door hydroxyl vervangen, dan ontstaat het phenol, door de Ph. bedoeld.

C6HG COHs.H C6HB.(OH)

benzol benzol phenol

Bereiding. Phenol wordt fabriekmatig bereid ;

1°. langs synthetischen weg door inwerking van zwavelzuur onder zeer zachte verwarming op door kristallisatie bij ongeveer o\'

\') Zie vooiis blz. \'18, , 505 en 715.

-ocr page 307-

681

gezuiverd benzol, waardoor benzolsulfozuur ontstaat, dat, na zuivering van overmaat zwavelzuur, met kaliumhydroxyde in het kalium-

C»H8 H2S04 = CeHs.HS03 IPO

benzol zwavelzuur benzolsulfozuur water

zout omgezeten in overmaat daarmede gesmolten, kaliumphenylaat C6H5.KS03 4- 2KHO = CH\'.OK K2S03 H^O

benzol- kalium- kalium- kalium- water

sulfozure kali hydroxyde phenylaat sulfiet

levert, waaruit door chloorwaterstofzuur phenol wordt afgescheiden, dat door destillatie kan worden gezuiverd.

C6Hs.OK HC1 = CGH5.OH K Cl

kalium- chloor- phenol kalium

phenylaat waterstofzunr chloride

2°. uit steenkolenteer. Bij gefractioneerde destillatie van dit teer wordt bij ongeveer 1800—210° de z.g. „kreosootoliequot; verkregen, die omstreeks 30—40 pet. phenol bevat, terwijl zoowel bij lagere, 1400—1800, als bij hoogere temperatuur, 210°—220°, destillaten worden verkregen, die minder, 10 — 25 Pct:-, phenol bevatten en als „ruw carbolzuurquot; in den handel komen. Door één- of meer-malige rectificatie kan het gehalte der kreosootolie aan phenol tot 60 pet. vermeerderd worden, dat alsdan nog met verschillende stoffen als kresolen, xylenolen, naphtaline, aniline en homologen, teerachtige producten, brandige harsen, enz. verontreinigd is.

Hieruit wordt phenol verkregen door behandeling met sterke natronloog; onder verhitting door middel van stoom, waardoor een oplosbaar phenylaat wordt gevormd, dat zich, na verdunning met water, waardoor vooral naphtaline wordt afgescheiden, nog verontreinigd en gekleurd als eene waterige laag afscheidt. Ter verdere verwijdering van harsachtige stoffen verwarmt men de met een weinig kalkmelk vermengde phenylaat-oplossing gedurende eenige uren, laat verder in vlakke schotels onder gedurig omroeren eenige dagen aan de lucht staan, coleert de afgescheiden harsen af en voegt daarna zooveel chloorwaterstof- of zwavelzuur toe als noodig is, om de homologen van phenol, zooals kresolen xylenol, benevens nog aanhangende bruine, harsachtige stoffen, enz. zich te doen afscheiden, welke hoeveelheid door eene voorproef wordt bepaald. Het daarbij in oplossing gebleven phenylaat wordt na verwijdering dezer stoffen door eene toereikende hoeveelheid

-ocr page 308-

682

zoutzuur ontleed, de zich afscheidende olieachtige laag verzameld, aanwezige zwavelverbindingen door koking met eene alkalische oplossing van loodoxyde als zwavellood verwijderd, het phenol vervolgens met calciumchloride of eene verzadigde keukenzout-oplossing, waarin het onoplosbaar is, afgewasschen en daarna, ter verwijdering van nog aanhangende kleurstof zoo noodig met kaliumbichromaat en zwavelzuur gerectificeerd, waarbij het eerste, waterhoudende destillaat wordt afgezonderd, terwijl het verdere gedeelte, dat nog niet geheel watervrij is, op eene koele plaats aan kristallisatie wordt onderworpen. Het daarbij vloeibaar gebleven gedeelte laat men afdroppelen, perst de kristallen uit .leidt daarna een stroom droge lucht over het bijna tot kookhitte verwarmd, vloeibaar phenol, ten einde het water geheel te verwijderen en onderwerpt het eindelijk aan rectificatie, waarbij hetgeen bij 182°— 183° overgaat als zuiver phenol wordt opgevangen. Gewoonlijk tot eene kristallijne massa bekoelende, kan het ten slotte door om-kristallisatie uit kokenden petroleumaether in losse, niet samenhangende kristallen verkregen worden.

Eigenschappen, Eene neutrale, gewoonlijk zwak zure, kleur-looze, eigenaardig riekende, zeer brandend en scherp smakende, brandbare, geheel vluchtige, stralig-kristallijne massa of dunne, lange, spitse, naaldvormige, losse, niet samenhangende kristallen , smeltende bij 39°—420 tot eene sterk lichtbrekende vloeistof, kokende bij 182°—183° gt;), gemakkelijk oplosbaar in water (14), spiritus (0.15), aether (0.2), chloroform , glycerine, zwavelkoolstof (4) en alkaliën, weinig in kouden, beter in warmen petroleumaether. Phenol werkt eiwit-stremmend 2).

5 cM3. Phenol-oplossing (1 =50) wordt door e\'en droppel ferrichloride blauw-violet gekleurd, welke kleur door een droppel verdund chloorwaterstofzuur verdwijnt en door 2 cM3. glycerine in groen overgaat 3).

5 cM3. Phenol-oplossing (1 = 50) geeft met 5 droppels broom-water eene witte, kaasachtig-vlokkige afscheiding van tribroom-phenol, oplosbaar in kaliloog.

5 cMs. Phenol-oplossing (1 = 50), met twee droppels Millon\'s reagens verwarmd, wordt rood gekleurd.

\') Flückiger gooft op; smeltpunt 44°, kookpunt ISOquot;.

») Dit is slcelits waar voor hot Phenol zelf, niet voor 7.ijno oplossing in water.

\') Zie noot blz. 509.

\'•) Eene oplossing van 1 dl. kwik in 1 dl. salpeterzuur cn verdunning met\'2 dln. water.

-ocr page 309-

683

«

5 cM3. Phenol-oplossing (1 == 50), met 2 droppels mercuro-nitraat en een spoor kaliumnitriet gekookt, wordt donkerrood gekleurd (Plugge).

1 cM3. Phenol-oplossing (1 = 50), gegoten op 2 cM3. zwavelzuur, waaraan is toegevoegd één droppel rood-rookend salpeterzuur, wordt op de grensvlakte rozerood en bij omschudden geheel donkerrood gekleurd 1).

5 cM3. Phenol-oplossing (1 = 50), met 5 droppels kaiiloog op \'t waterbad tot droog uitgedampt, wordt na bekoeling bij overgieting met een weinig chloroform purperrood gekleurd.

5 cM3. Phenol-oplossing (1 = 50), waaraan toegevoegd 5 droppels ammonia en daarna 2 droppels broomwater, wordt blauw gekleurd, welke kleur door zuren in rood overgaat 2).

Wordt bij 3 cM3. chloorwaterstofzuur 0.5 Grm. kaliumchloraat gebracht, de vloeistof, nadat de eerste hevige inwerking is afgeloopen y en de zich boven in het buisje bevindende chloor-dampen door blazen zijn verwijderd, met een gelijk volumen water verdund, \' daarop voorzichtig gebracht 1 cM3. ammonia en hierbij 1 a 2 cM3. phenol-oplossing (1 = 50) gedroppeld, dan ontstaat eene roode, roodbruine tot donkerbruine kleur.

Een spaander vurenhout (sparrchout), met eene phenol-oplossing en daarna met verdund chloorwaterstofzuur bevochtigd, neemt bij blootstelling aan het licht eene groenachtig blauwe kleur aan {conifer ine- reactie).

Onderzoek.

1°. Kleurlooze kristallen. In volkomen zuiveren toestand is Phenol kleurloos en verandert niet onder den invloed van lucht en licht. Veelal echter trekt het uit de lucht vocht aan en verkrijgt dan tegelijkertijd eene min of meer roodachtige kleur, quot;waarvan de oorzaak nog niet voldoende verklaard is geworden. Volgens sommigen moet het verschijnsel toegeschreven worden aan hetammoniak-of wel aan het salpeterigzuur-gehalte der lucht; volgens anderen aan den invloed van metalen of metaaloxyden of ook wel aan de inwerking van zuurstof als ozoon, waardoor de kleur het gevolg zou zijn van oxydatieproducten van geringe verontreinigingen als pyridine- en chinoline-basen.

\') In plaats van rood-rookend salpeterzuur kan bijv. ook Aelhylnilnet met Spiritus gebruikt worden.

\') In plaats van broomwater kan ook I cM3. natriurnhypoelilorict gebezigd worden.

Ou

I

-ocr page 310-

684

è

Ten einde deze kleuring te ontgaan, is voorgeschreven, het Phenol tegen den invloed van het licht, en is \'t raadzaam het in goed gesloten flesschen te bewaren. Synthetisch Phenol kleurt zich gewoonlijk niet.

2°.. niet samenhangende kristallen, die, op een luaierbad verwarmd, bij 390—420 smelten. Er komen verschillende soorten Phenol in den handel voor, zoowel in den vorm van kristallijne massa\'s als in dien van losse kristallen. De Ph. eischt de laatste soort, onverschillig of zij langs synthetischen weg of uit steenkolen-teer verkregen is. Meer waarde is te hechten aan de bepaling van het smeltpunt \'), dat bij de goede soorten tusschen de aangegeven grenzen varieert. Lager smeltpunt is echter niet geoorloofd, daar dit zou wijzen op een min of meer onzuiver product. Kre-sol en bijv., evenals kleine hoeveelheden water, verlagen reeds het smeltpunt. Daar watervrij Phenol bij minstens 420 smelt, worden sporen water toegelaten.

3 0. cn allengs geheel vervluchtigen. Afwezigheid van n i e t-v 1 u c h-tige, vaste stoffen, bijv. natrium-, calcium-verbindingen, enz,

40. eigenaardig riekende. Synthetisch Phenol riekt zwakker.

5°. Phenol lost gemakkelijk op in sterken spiritus, in aether, in chloroform en in natronloog, en behoeft niet meer dan 15 deelen water om volkomen op te lossen. Mindere oplosbaarheid in water kan wijzen op verontreiniging met k r e s o 1, dat meer water tot oplossing vereischt. Onoplosbaarheid in water kan wijzen op t e e r-oliön, die eene witte troebeling veroorzaken, of op koolwaterstoffen, bijv. benzol, dat zich in droppels zou afscheiden. Ook in de andere stoffen moet Phenol helder oplosbaar zijn; eene troebele oplossing in chloroform of zwavelkoolstof zou op een gehalte aan water kunnen duiden, terwijl niet geheeleoplosbaarheid in natronloog op naphtaline zou kunnen wijzen.

6°. Deze laatste oplossing kleurt blauw lakmoespapier niet of slechts zwak rood. Gewoonlijk reageert Phenol-oplossing zwak zuur, wat is toegestaan. Sterkere zure reactie kan b.v. wijzen op zwavelzuur en alkalische reactie op natronloog.

7°. voegt men bij de oplossing e enige droppels ferrichloride, dan ontstaat een zeer donkere kleur, die violet wordt als men de vloeistof

») Over bepaling smellpunt zie blz. 555. Ter voorkoming van fouten door aantrekking van water, waardoor het smeltpunt reeds spoedig 1°—2° wordt verlaagd, moet hot Phenol vooraf onder den exsiccator boven zwavelzuur volkomen uitgedroogd worden.

Ook de bepaling van het kookpunt is aan te raden; kresolen nl. verhoogen het.

-ocr page 311-

68s

met water verdunt. In onderscheid met kreosoot, dat volgens de voorgaande Ph. in plaats van Vloeibaar Phenol mocht gegeven worden \'),

PHENOLUM LIQUEFACTUM.

VLOEIBAAR PHENOL.

N. Phenol honderd dealen..................j

Wafer twintig dealen................ . , / , f

Meng ze. \' /\'

Een heldere, kleurlooze of bijna kleurlooze vloeistof van 1.065—1.07.-soortelijk gewicht, die, tot 40 afgekoeld, vloeibaar blijft en in 12.3 dealen water volkomen oplosbaar is. Deze oplossing voldoe aan dezelfde eischen als de oplossing van Phenol in 15 deelen water.

Bereiding. Wijl het telkens afwegen van grootere of kleinere hoeveelheden Phenol zoowel wegens aantrekking van vocht als door den aanhangenden reuk en de bijtende inwerking op vele stoffen voor de dagelijksehe praktijk bezwaren oplevert, wordt voor het gereedmaken van waterige Phenol-oplossingen gewoonlijk eene geconcentreerde waterige oplossing in voorraad gehouden, welke men bij de receptuur eenvoudig tot de aangegeven sterkte heeft te verdunnen.

Wordt aan gesmolten Phenol ongeveer 9.5 pet. water toegevoegd,

dan vormt zich waarschijnlijk een helder vloeibaar hydraat, C0H5.OH -|- { H20, dat bij verdere toevoeging telkens van 9.5 pet. water in een nieuw hydraat overgaat, totdat 38.2 pet. is toegevoegd en zich het hydraat CH \'.OH -f- 2 II20 heeft gevormd, dat geen water meer kan binden en met weinig water dus een troebel mengsel geeft. Het Vloeibaar Phenol der Ph. komt derhalve in samenstelling het meest overeen met het hydraat C6H5.OH H20. Voor de bereiding van het Vloeibaar Phenol wordt het Phenol gewoonlijk in de oorspronkelijke flesch in het waterbad langzaam tot 50° a 60° verwarmd, de verlangde hoeveelheid gesmolten Phenol in eene stopflesch afgewogen, hierbij de voorgeschreven hoeveelheid water gevoegd en de vloeistoffen door flink schudden vermengd. Wordt het Phenol in vasten vorm in het water opgelost, dan geschiede de oplossing

\') Over de reactie van Kreosoot met ferrieliloridc zie b\'z. 476.

-ocr page 312-

686

eveneens door flink schudden, doch dient er vooral op gelet te worden, dat al het Phenol is vervloeid en geene kleine kristallctjes onopgelost op den bodem terugblijven.

Onderzoek.

1°. Een kleur loose of bijna kleur looze vloeistof. Evenals Phenol moet Vloeibaar Phenol tegen den invloed van het licht in goed gesloten stopflesschen bewaard worden. Dikwijls echter neemt de vloeistof bij staan eene min of meer roodbruine kleur aan. Geringe kleuring is toegestaan, eene sterkere niet1). Verkieslijk is\'t, het te bezigen water vooraf uit te koken en voor het invallen van stof

moet gewaakt worden.

2°. van 1.065 —1.075 soortelijk gewicht, die, tot 40 afgekoeld, vloeibaar blijft en in 12.3 doelen water volkomen oplosbaar is. Slaat op het juiste gehalte der vloeistof aan Phenol. Bij grooter gehalte is het soort. gew. hooger, kristalliseert het Phenol boven 40 uit en lost de vloeistof in meer dan de opgegeven hoeveelheid

water helder op, en omgekeerd 5).

30. Deze oplossing voldoe aan dezelfde etschen als de oplossing van Phenol in 15 deelen water. Zie bij „Phenolquot; sub 30—7°-

~ \') Laai men rood geworden Vloeibaar Phenol eenigen lijd rustig slaan, dan scheidt zich .Ie kleurslof grootendeels af, zoodat na filtratie eene bijna kleurlooze vloeistof wordt verkregen. gt;) Bepaling van het phenol-gehalte in vloeistoffen, bijv. in ruw caiholzuur, kan

seschioden i

K a benaderend door 10 cM». vloeistof met 10 cM». pelroleutnaelher en 80 cM-1. zwakke natronloog Hink te schudden, de alkalische plienol-oplossing, na afscheiding van de in natronloog onoplosbare koolwaterstoffen, harsen, enz., die niet meer dan l c\\R mogen bedraden, met chloorwaterslof/.uur in overmaat te behandelen, daarna 40 Gnn. nalnum-chloride toe te voegen en eenigen tijd te schudden. Na volledige afscheiding moet de hoeveelheid als eene geelbruine olie afgescheiden phenolen ongeveer 9 clR bedragen, welke in 30 dln. water moeten oplossen tot eene vloeistof, die door ferrichloride blijven violet wordt gekleurd. Hoe grooter dc hoeveelheid voorhanden kresolen, enz. bedraagt, lioc spoediger de violette kleur weder verdwijnt.

b. maatanalylisch door het phenol mot eene zekere hoeveelheid broom, verkregen uit bromide, bromaal en zwavelzuur, als tribroomphenol néér te slaan, de overmaat broom door eene evenredige hoeveelheid jodium te vervangen en deze mot thiosulfaat te bepalen (zie blz. 382 en 183). rn vi3 10 Grin, der phenol-bevattende vloeistof wordt opgelost in 500 cM3. water en ..0 cM . dezer oplossing tot 1000 cXR met water verdund. Van deze phenol-oplossing (1 — I0( ) worden 40 cM3. in een slopflesch gebracht, daaraan toegevoegd 50 cM3. eeneroplossing van 0 Grm. droog kaliumbromide in 1000 cM3. water en 50 cM3. eener oplossing van I 1G7 Grm. zuiver, droog kaliumbroniaat in 1000 cM3. water, waarna cMquot;. zwavelzuur wordt toegevoegd en men na omschudden de vloeistof een kwaitier gesloten laat slaan. Daarna voegt men 10 cM3. kaliumjodide (1 = 10) toe en tilreert na eenige minuten het afgescheiden jodium met thiosulfaat.

-ocr page 313-

68;

PHOSPHAS CALCIC US.

C A L C I U M P H O S P H A A T.

N. Chloorwaierstof zuur vijftig deelen....... 50

Verdun ze met een gelijk volumen water en voeg er allengs bij

Calciumoxyde tien deelen..............

vooraf gebluscht.

De vloeistof, die alkalisch moet wezen, worde gefiltreerd, met azijnzuur zuur gemaakt, tot kokens verhit en allengs, onder aanhoudend roeren, vermengd met

Nairiumphosphaat een en zestig deelen.......61

vooraf opgelost in

Water driehonderd deelen...........300

Verzamel het neêrslag en wasch het zoo lang uit, totdat het afloopende water, met salpeterzuur zuur gemaakt, door zilvernitraat niet meer dan een opalescentie geeft. Pers uit en droog.

Een fijn, licht, kristallijn, wit poeder, dat in chloorwaterstofzuur en in salpeterzuur, zonder op te bruisen, oplosbaar is en dat, met zilvernitraat bevochtigd, een geel mengsel geeft, hetwelk blauw lakmoespapier rood kleurt.

20 deelen water, met 1 deel Calciumphosphaat geschud en gefiltreerd, geve, na toevoeging van een weinig salpeterzuur, geen troebeling met baryumnitraat en niet meer dan een opalescentie met zilvernitraat.

Calciumphosphaat worde niet donker van kleur als men het met zwa-velammonium bevochtigt.

Door 1 Grm, Calciumphosphaat met 10 cM3. verdund chloorwaterstofzuur en een stukje zink samen te brengen onder de voorwaarden, bij chloorwaterstofzuur vermeld, mag de plek, met het zilvernitraat (1 = 2) bevochtigd, binnen 15 minuten niet gekleurd worden.

Samenstelling. CaHPO 4 -f- 2 H20

Phosphaten kunnen worden afgeleid van phosphorzuur, H3P04, door hierin de waterstof geheel of gedeeltelijk door metaal te vervangen.

Ca3(F04)s Ca2(HP04)2 = 2 Ca HPO4 Ca(Hn\'04)ï

calciumphosphaat calciuiri(«io)io)/iy(/),ophosphaat calcium(di)/i)/cirophosphaat

lt;Wcalciumphosphaat dicalciurnphosphaat nionocalciutnphosphaat

Het Calciumphosphaat der Ph. is niet het ^/-/calciumphosphaat, doch het (-//calciumphosphaat of calcium(;«ö;/ö)^/wphosphaat, d. i.

-ocr page 314-

688

phosphorzuur, waarin twee atomen waterstof vervangen zijn door het tvveewaardige metaal calcium \').

Het Zout bevat twee molec. kristalwater.

Bereiding. Het preparaat wordt volgens het voorschrift der Ph. bereid door eene zwak zure oplossing van calciumchloride te pre-cipiteeren met eene oplossing van natriumphosphaat (^\'natrium-phosphaat of natrium(wo«ö)/i^r^phosphaat).

Ca Cl1 Na2HP04 = Ca HPO4 2 Na Cl

calciumchloride nalriumhydrophosphaat calciumhydrophosphaat natriumchloride

Ket benoodigde calciumchloride wordt verkregen door neutralisatie in eene kolf of porseleinen schaal van chloorwaterstofzuur met calciumhydroxyde, ten slotte desnoods onder zachte verwarming.

2 HC1 Ca(OH)s = CaCl2 2 H20

chloorwaterstofzuur calciumhydroxyde calciumchloride water

Hierbij wordt tevens eenig calciumhydroxyde opgelost , waardoor de vloeistof alkalisch reageert, wat trouwens noodzakelijk is, ten einde mogelijk aanwezige ijzer-, mangaan- en magnesiumverbindingen te doen precipiteeren. Is het ijzer als ferro-zout aanwezig, dan kan eenig chloorkalk of chloonvater toegevoegd of een weinig chloor doorgevoerd worden, waardoor het tot ferri-zout wordt geoxydeerd en als hydroxyde neêrgeslagen. Overmaat chloor moet daarna door verwarming verwijderd worden.

De helder gefiltreerde vloeistof wordt vervolgens met azijnzuur zwak zuur gemaakt en, na tot koken verhit te zijn, onder omroeren met de eveneens helder gefiltreerde natriumphosphaat-oplossing neêrgeslagen. De vloeistof moet zuur zijn, wijl in eene alkalische of neutrale oplossing geheel of gedeeltelijk tricalcium-phosphaat zou worden gevormd.

3 CaCl2 -f 2 Na\'HPO4 Ca(OH)2 = Ca2(P04)s -f 4 NaCl

calcium natrium calcium calcium natrium

chloride hydrophosphaat hydroxyde phosphaat chloride

CaCl2quot; 2H20

calcium water

chloride

3 CaCl2 2 Na2HP04 = Ca-^PO4)2 4NaCl 2 HC1

calcium natrium calcium natrium chloor

chloride hydrophosphaat phosphaat chloride waterstofzuur

1

iWcalciumphosphaat. Wegens de gemakkelijker oplosbaarheid in verdunde zuren vooral

2

is het tegenwoordige preparaat te verkiezen.

-ocr page 315-

689

Ca3(P04)2 4- 2HC1 = 2 CaHPO4 CaCP

calcium chloor calcium calcium

pliosphaat waterstofzuur hydrophosphaat chloride

Ten slotte wordt het neêrslag op een linnen doek verzameld, met water volkomen uitgevvasschen, totdat het chloride geheel of zoo goed als geheel verdwenen is en de vloeistof dus, met salpeterzuur zwak zuur gemaakt, door zilvernitraat niet of bijna niet meer troebel wordt, en eindelijk zacht gedroogd \').

Eigenschappen. Een fijn, licht, kristallijn, wit, reuk- en smaakloos poeder, zuur van reactie, dat in water bijna en in spiritus geheel onoplosbaar, in azijnzuur, chloorwaterstofzuur, phosphorzuur en salpeterzuur gemakkelijk oplosbaar is.

De salpeterzure, met water verdunde oplossing (1 = 20) geeft, na voorzichtige neutralisatie met ammonia, met zilvernitraat een geel neêrslag van zilverphosphaat, dat weder gemakkelijk oplost bij verdere toevoeging van salpeterzuur of ammonia.

De azijnzure, met water verdunde oplossing (1 = 20) geeft met ammoniumoxalaat een wit neêrslag van calciumoxalaat, gemakkelijk oplosbaar in chloonvaterstof- en salpeterzuur.

Het poeder, met zilvernitraat bevochtigd, geeft een geel mengsel, hetwelk blauw lakmoespapier rood kleurt; wordt het poeder echter vooraf gegloeid, dan ontstaat de gele kleur met zilvernitraat niet 2).

CaHPO4 3 Ag NO3 = Ag\'PO4 -f Ca (NO3)2 HNO3

calcium zilver zilver calcium salpeterzuur

hydrophosphaat. nitraat pliosphaat nitraat

Onderzoek.

1°. Ecu kristallijn poeder. In onderscheid met tri ca. 1 c i u m-phosphaat, dat amorph is.

2°. dat in chloorwaterstofzuur en in salpeterzuur, zonder op te bruisen, oplosbaar is. In water is Calciumphosphaat weinig of niet oplosbaar; in onderscheid met mwöc al c i u m p h o s p h a a t (cal-c i u mdiliydrop h os p h a a t), dat in veel water oplosbaar is.

Opbruising met zuur wijst op carbonaat, bijv. als calcium-carbonaat of gebrand beendermeel; gedeeltelijke onoplosbaarheid bijv. op baryumsulfaat, enz.

30. en dat, met zilvernitraat bevochtigd, een geel mengsel geeft, hetwelk blauw lakmoespapier rood. kleurt. Identiteitsreactie; tevens in onderscheid met trie alciumphosphaat, dat met zilvernitraat

\') Zie over eene andere bereidingswijze noot \') hl/.. 691. — \') Zie sub 3°.

-ocr page 316-

690

neutraal, geel zilverphosphaat geeft, waarbij geen salpeterzuur vrij komt en de reactie van het mengsel dus niet zuur wordt. Daar Calciumphosphaat bij gloeiing in pyrophosphaat overgaat, dat met zilvernitraat wit zilverpyrophosphaat geeft, is het onderscheid ook

2 Ca HPO4 = CaaPi07 HjO

calcium calcium water

hydi-opliosphaat pyi\'opliospliaat

hierin gelegen, dat dit na gloeiing met zilvernitraat niet meer geel wordt, terwijl ^\'calciumphosphaat door gloeiing niet verandert en dus daarna met zilvernitraat geel blijft worden \').

40. 20 deelen water, met 1 deel Calciumphosphaat geschud en gefiltreerd, geve, na toevoeging van een weinig salpeterzuur, geen troebeling met baryuvi nitraat. Afwezigheid van oplosbaar s u 1 fa at.

50. en niet meer dan een opalescentie met zilvernitraat. Afwezigheid van chloride; sporen worden toegestaan.

6°. Calciumphosphaat ivorde niet donker van kleur als men het met zwavelammoniuvi bevochtigt. Afwezigheid van metaalverbindingen als ijzer, enz.

70. Door 1 Grm. Calciumphosphaat met 10 cM%. verdund chloor-xvaterstofznur en een stukje zink santen te brengen onder de voorwaarden, bij chloorwaterstojzuur vermeld, mag de plek, met het zilvernitraat (1=2) bevochtigd, binnen 15 minuten niet gekleurd worden. Afwezigheid van arsenik !!).

PHOSPHAS NA T R I C U S.

NATRIUM PHOSPHAAT.

Kleurlooze, doorschijnende, verweerende kristallen, die door warmte water verliezen en smelten en die een niet lichtende vlam blijvend geel kleuren. Zij zijn in ongeveer 8 deelen water oplosbaar, onoplosbaar in sterken spiritus.

De oplossing in water (1 = 20) is alkalisch en geeft met zilvernitraat een geel neêrslag, dat in salpeterzuur en in ammonia oplosbaar is.

De oplossing van Natriumphosphaat in water (1 = 20) worde, na met salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, niet terstond troebel door zilvernitraat

\') Ouk door liet waterverlies (25—20 pet.) bij gloeiing kan de idenlitoit van het Zout worden vastgesteld.

») Zie blz. 28.

-ocr page 317-

691

noch door baryumnitraat, en niet troebel noch gekleurd door ammonia in overmaat, zelfs niet na toevoeging van zwavelammonium.

Wordt 2 Grm. Natriumphosphaat met 10 cM3. verdund zwavelzuur onderzocht op de wijze als bij chloorwaterstofzuur is opgegeven, dan mag de plek, met het zilvernitraat bevochtigd, zelfs na 15 minuten niet gekleurd worden.

Samenstelling, Na^\'HPO4 12 I-PO

^\'natriumphosphaat of natriumfw/^cj/yv/r^phosphaat, d. i. phos-phorzuur, H3P04, waarin twee atomen waterstof vervangen zijn door het éénwaardige metaal natrium \'j.

Het Zout bevat twaalf molec. kristalwater.

Bereiding. Dinatriumphosphaat of natrium(mgt;;w)hydrophosphaat ontstaat bij neutralisatie van phosphorzuur door natriumcarbonaat.

H3P04 -f NaJC03 = Na2HP04 CO2 -f II2 O

pliospliorzuur natriumcarbonnal nalriuinliydi\'ophospliaal kooldioxydo wa\'or

100 din. Phosphorzuur, met evenzooveel water verdund, wordt in eene ruime porseleinen schaal op het waterbad zacht verwarmd en onder omroeren hieraan zóóveel natriumcarbonaat, ongeveer 73 din., toegevoegd, totdat alle opbruising opgehouden en de vloeistof eene zwak alkalische reactie aangenomen heeft, waarna ze wordt gefiltreerd en beneden 330 ter kristallisatie zóóver uitgedampt, dat een droppel, op een koude, glazen plaat gebracht, kristalliseert. De kristallen, ook na herhaalde uitdamping verkregen, laat men in een trechter afdruipen en droogt ze tusschen vloeipapier.

Fabriekmatig wordt het Zout gewonnen uit beenderasch. Deze wordt daartoe met zwavelzuur behandeld, waardoor zich, onder afscheiding van calciumsulfaat, oplosbaar monocalciumphosphaat vormt, waaraan zóóveel natriumcarbonaat wordt toegevoegd, dat de vloeistof zwak alkalisch reageert 2).

Ca3(P04)2 2 IPSO4 = Cal-I4(P04)2 2 Ca SO4

tricalcium zwavelzuur monocalciuin calcium

phosphaat phosphaat sulfaat

Ca H4(P04)2 2 Na2C03 = 2Na2HPO\'\' Ca CO3 CO2-f-IDO

monocalcium natrium diiiatrium calcium kool water

phosphaat carbonaat phosphaat carbonaat dioxydo

\') Zie verder bij «Phospbas calcicus», blz. (gt;87.

1) Wordt in plaats van natriumcarbonaat met calciumcarbonaat onder verwarming geneutraliseerd, dan ontslaat Calciumphosphaat, dal ook langs dezen weg woidt bereid.

-ocr page 318-

692

Eigenschappen. Kleurlooze, doorschijnende, aan de lucht spoedig vervveerende, zwak alkalische kristallen, gemakkelijk oplosbaar in koud (5.8) en in warm (0.4) water, onoplosbaar in spiritus.

Het Zout kleurt een niet lichtende vlam sterk en blijvend geel, geeft met zilvernitraat een geel neérslag van zilverphosphaat, dat oplosbaar is in salpeterzuur en in ammonia, en, met ammonia oververzadigd, met magnesiamixtuur een wit, kristallijn neerslag van ammonium-magnesiumphosphaat, dat in ammonia niet, in azijnzuur daarentegen gemakkelijk oplost.

Onderzoek.

1°. doorschijnende, vevweevende kristallen, die door warmte water verliezen en smelten. Boven 33° uitgedampt, ontstaat niet het Zout met 10 molec,, doch met 7 molec. kristalwater, evenals de kristallen bij verweering aan de lucht 5 molec. water verliezen en in het zout met 7 molec. water overgaan. Dit zout is verder luchtbestendig. Daarbij trekt echter het Zout kooldioxyde uit de lucht aan, waarom het in goed gesloten, zooveel mogelijk gevulde of niet te groote flesschen moet bewaard worden.

Bij verwarming smelt het Zout bij 40° in zijn kristalwater, dat het langzamerhand geheel verliest. Bij verdere gloeiing gaat het in natriumpy rophosphaat, Na4P507, over, dat in waterhoudenden toestand bij verwarming niet in zijn kristalwater smelt en aan de lucht niet verweert.

2°. en die een niet lichtende vlam blijvend geel kleuren. Bij verontreiniging met kalium- zout zou de vlam, vooral door kobalt-glas gezien, in den aanvang violetrood gekleurd zijn.

30. De oplossing in water (1 = 20) is alkalisch. De oplossing reageert zwak alkalisch, in onderscheid met die van ;//ö;wn atri u m-phosphaat (n a t r i u m c//h y d ro p h o s p h a a t), NaH2P04, welke zuur reageert. Trin a t r i u m p h o s p h a a t, Na^PO4, reageert sterk alkalisch.

40. en geeft met zilvernitraat een geel neerslag. In onderscheid met natriumpyrophosphaat. De oplossing wordt daarbij zuur van reactie, in onderscheid met /r/natriumphosphaat, dat dezelfde reactie geeft, doch waarbij geen salpeterzuur vrij komt. Na gloeiing moet het Zout met zilvernitraat een wit neêrslag geven van zilverpyrophosphaat \').

gt;) Zio biz. G89 sub 3°. Bij verwarming m.ig gcene bruinkleuring van het noéribig ontstaan, wat op phosphorigzuur zou wijzen (zie blz. 37).

-ocr page 319-

693

50. De oplossing van Natrmviphosphaat in zuaicr (i — 20) worde, na met salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, niet terstond troebel door zilvernitraat noch door baryumnitraat. Afwezigheid van chloride en sulfaat. Sporen worden toegestaan \').

6°. en niet troebel noch gekleurd door ammonia in overmaat. Afwezigheid van aluminium- en ijzer-verbindingen.

7°. zelfs niet na toevoeging van zwavelammonium. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper, tin, zink en ijzer.

8°. Wordt 2 Grm. Natriumphosphaat met io cM7,. verdund zwavelzuur onderzocht op de wijze als bij chloorwaterstof zuur is opgegeven, dan mag de plek, met het zilvernitraat bevochtigd, zelfs na 15 minuten niet gekleurd worden. Reactie op arsenik. Zie verder bij „ Acidum hydrochloricumquot;.

lil

1

\'■ r 1 i!

I

:\'S i

li

PHOSPHORUS.

Glanzende, min of meer doorschijnende, lichtgele staafjes, wier oppervlakte dikwijls met een dun wit laagje bedekt is.

Phosphorus licht in het duister en verspreidt in de lucht een naar knoflook riekenden nevel; hij is gemakkelijk brandbaar en smelt onder water bij 44°

In water is hij in het geheel niet oplosbaar, iets meer in sterken spiritus, nog meer in aether, in vette en in vluchtige oliën, maar het meest in zwavelkoolstof.

Phosphorus worde bewaard onder water, in een gesloten (lesch, die in een metalen bus geplaatst is.

Samenstelling. P

Het niet-metaal (metalloïde) phosphorus.

Bereiding. Phosphorus wordt gewonnen uit beenderen, die, na van vet en lijmstof bevrijd te zijn , door vuur worden verkoold en tot asch gebracht. Deze beenderasch wordt met zwavelzuur en water behandeld, zoodat zich, onder afscheiding van calciumsulfaat, oplosbare zure phosphorzure kalk, monocalciumphosphaat of calciumdihydrophos-phaat, vormt, waarvan de oplossing, na filtratie van het calciumsulfaat.

\') Hierbij mag geene opbruising plaats hebben, wat op carbonaat zou wijzen. Zuurmaking is noodig, omdat liet pbospliaat met baryumchloride eveneens een neér-slag geeft, dat echter in zoutzuur en salpeterzuur oplosbaar is.

45

m

■ :

II

lil

i-i -

i \' I

li

If j

Ü-A

\'n..

-ocr page 320-

694

Ca3(P04)2 2 I^SO4 = CaH4(P04)2 2CaS04

tricalcium zwavelzuur monocalcium calcium

phosphaat phosphaat sulfaat

tot stroopdikte wordt uitgedampt; verder, met kool gemengd, tot droog wordt gebracht en zacht gegloeid, waardoor de zure phos-phorzure kalk in metaphosphaat ■) overgaat. Door verder gloeien

Ca II4(PO4)2 = Ca (PO3)2 2 H»0

inonocalciuin calcium water

phosphaat metaphosphaat

bij hoogere temperatuur in aarden retorten wordt hieruit phosphorus 3 Ca(P03)2 to C = 4 P Ca3(P04)2 ioCO

calcium kool phosphorus tricalcium kooloxyde

metaphosphaat phosphaat

verkregen, welks dampen in water worden opgevangen en daardoor verdicht. Gewoonlijk wordt nog bij de smeltende massa zand gevoegd, ten einde al het phosphorzuur der beenderen in phosphorus om te zetten,

2 Ca(P03)2 2 Si O2 ioC = 4 P 2 Ca Si O3 ioCO

calcium silicium kool phos- calcium kooloxyde

metaphosphaat dioxyde phorus silicaat

Ter zuivering wordt de phosphorus nogmaals gedestilleerd of langs mechanischen weg gezuiverd door omsmelting, filtratie door zeemleder of onder drukking door poreuze platen, met een laag koolpoeder bedekt. Ten slotte wordt de phosphorus door smelten en gieten in glazen buizen tot stangen gebracht.

Eigenschappen. Amorphe, wasachtig glanzende, min of meer doorschijnende, bijna kieurlooze tot lichtgele, gewoonlijk v\'.nger-dikke, met een sterk wit licht bij 6o0 gemakkelijk brandbare staafjes, bij gewone temperatuur op de doorsnede wasachtig van consistentie, bij lagere en hoogere temperatuur broos en dikwijls met een dun, wit laagje van amorphen phosphorus aan de oppervlakte bedekt.

Phosphorus is onoplosbaar in water, iets meer in spiritus (ongeveer 300), nog meer in aether (ongeveer 100), in vette (ongeveer 50) en vluchtige (ongeveer 25) oliën, chloroform, benzol, het meest in zwavelkoolstof (ongeveer 0.05).

\') Zie blz. 3i.

-ocr page 321-

695

Phosphorus smelt onder water bij 44.30 en kookt bij 290° doch vervluchtigt reeds langzaam vooral aan vochtige lucht onder vorming van eigenaardig, onaangenaam, naar knoflook riekende, witte nevels, welke in het duister lichten, welk lichten echter door verschillende stoffen als alcohol, aether, chloroform, phenol, terpentijnolie, enz. wordt verhinderd.

Phosphorus-dampen kleuren een met zilvernitraat gedrenkt fil-treerpapier zwart door gevormd phosphorzilver, evenais het water, waarin phosphorus wordt bewaard, door vorming van phosphorig-zuur, bij verwarming met zilvernitraat eene bruinzwarte afscheiding van metallisch zilver geeft.

Phosphorus, onder afsluiting van zuurstof in eene met stikstof of kooldioxyde gevulde ruimte tot 250° verhit, gaat daardoor in amorphen, reukloozen, rooden, niet vergiftigen, in alcohol, aether en oliën, zelfs in zwavelkoolstof onoplosbaren phosphorus over, die eerst bij hooge temperatuur (200°) licht en ontbrandt (260°); terwijl hij, tot koken verhit en in water snel afgekoeld, eene zwarte, taaie massa vormt.

Wegens zijne gemakkelijke ontvlambaarheid worde Phosphorus onder water in een goed gesloten vvijdmonds-stopflesch en deze wegens het gevaar bij breken en tegen den invloed van het licht nog weder in een metalen bus bewaard.

Onderzoek.

1°. Glanzende, min of meer doorschijnende, lichtgele staafjes, wier oppervlakte dikwijls met een dun wit laagje bedekt is. Een gehalte aan zwavel maakt Phosphorus donkerder van kleur en brokkelig \'). Pij bewaring aan het licht wordt hij door overgang in de roode modificatie min of meer rood gekleurd.

2°. In water is hij in het geheel niet oplosbaar, iets meer in sterken spiritus, nog meer in aether, in vette en in vluchtige alien, maar het meest in zwavelkoolstof. Een residu bij oplossing in zwavelkoolstof kan wijzen op verontreiniging met stoffen als kool, calciumphosphaat, -carbonaat, enz.

\') Zwavel, a i\'se nik, ijzer, enz. kunnen aangetooiul worden, door I dl. Plios-phorus onder verwarming op liet waterbad in 20 dln. salpeterzuur op te lossen, de overmaat salpeterzuur te verdampen en in deze vloeistof genoemde verontreinigingen op te sporen volgens do methoden bij «Phospborzuur», blz. 30 en 37, aangegeven.

-ocr page 322-

696

PILULAE BLAUDII.

BLAUD\'S PILLEN.

N. Uitgedroogd Ferrosulfaat, tot poeder gebracht, acht Grm. 8

Glycerine-Tragacant vier Grm...........4

Kaliumcarbonaai, tot poeder gebracht, zes en een half Grm. 6.5 Magnesiumoxyde één Grm............1

Vermeng het ijzerzout met de glycerine-tragacant, voeg er de andere stoffen bij, maak er, onder toevoeging van een weinig glycerine, 100 Pillen van en hul ze in stuifpoeder of wikkel ze in bladzilver.

Elke Pil bevatte de bestanddeelen voor 50 mG. Ferrocarbonaat.

Bereiding. Pillen zijn artsenijen in den vorm van kogeltjes, gewoonlijk van 50—300 m.Grm. gewicht, welke één of meer werkzame geneesmiddelen, gewoonlijk onaangenaam van smaak of reuk , bevatten,

Tot hare. vervaardiging worden de geneesmiddelen, na zoo noodig vooraf fijngewreven te zijn, met een of meer indifferente stoffen (bindmiddelen, constituentia) van poedervormigen (bolus , succus en radix liquiritiae in pulvere, radix althaeae in pulvere, pulvis gummi arabici, pulvis gummosus, sapo medicatus, magnesia alba enusta, tragacantha in pulvere, enz,), half-vloeibaren (dikke extracten, glycerine-tragacant, enz.) en vloeibaren aard (aqua destillata, aqua glycerinata, sirupus simplex, enz.) in een mortier nauwkeurig vermengd, langdurig gekneed en aldus tot eene plastische massa van behoorlijke consistentie {pillcnmassd) gebracht. Deze wordt, zoo noodig na verdeeling in stukken, elk voor 25 — 30 pillen, op het vlak eener pillenmachine (pillenplank) met behulp van een plankje tot eene gelijkmatig dikke pillenstang uitgerold, welke tusschen messen wordt afgesneden en in bolletjes verdeeld. Deze bolletjes worden daarna op eene schijfvormige plaat {pillenronder) door heen en weer bewegen onder min of meer sterken druk volkomen rond gemaakt en na, tegen het aan elkander kleven, met het een of ander onschuldig poeder (lycopodium, talcum venetum, radix liquiritiae in pulvere, cortex cinnamomi in pulvere, enz.) of met een laagje bladzilver of, tot volkomen afsluiting, met tolubalsem, collodium, gelatine of keratine bedekt te zijn, in een doosje, bij vluchtige en hygroscopische stoffen in een wijdmondsfleschje afgeleverd.

De vereischten eener deugdelijke pillenmassa zijn: uiteen phar-maceutisch oogpunt, dat zij homogeen op de breuk en van niet

-ocr page 323-

697

te weeke of te harde consistentie zij, zoodat even groote en volkomen ronde en gladde pillen kunnen worden verkregen, die hunnen vorm behouden, en, uit een medisch oogpunt, dat de pillen, in de maag of het darmkanaal gebracht, binnen niet te langen tijd uiteenvallen, zoodat de geneesmiddelen behoorlijk hunne werking kunnen doen alvorens die lichaamsdeelen te verlaten. Voor het bereiken van beide voorwaarden dient vooral op de keuze der bindmiddelen te worden gelet.

Het hoofdbestanddeel der Blaud\'sche Pillen is ferrocarbonaat, verkregen uit ferrosulfaat en kaliumcarbonaat. Als bindmiddelen

(2FeSO4 -|- 3 H20)1)-f-2K2C03 =2FeCO:! -f 2 KiSO4 -fsH^O

ferrosulfaat kaliumcarbonaat ferrocarbonaat kaliumsulfaat watei

dienen glycerine-tragacant en magnesiumoxyde. 358 Dln. ferrosulfaat (2 FeSO1 3 HiO = 358) hebben 276 dln, kaliumcarbonaat (K^CO3 = 138) ter ontleding noodig en leveren 232 dln. ferrocarbonaat (Fe CO3 = 116); 8 dln. ferrosulfaat behoeven dus 6.2 dln. kaliumcarbonaat ter ontleding en leveren 5.2 dln. ferrocarbonaat. Daar de Ph. 5 pet. verontreiniging in kaliumcarbonaat toestaat2), zullen de 6.2 dln. daarmede vermeerderd moeten worden, wat overeenkomt met de opgegeven 6.5 dln. Ook aan den eisch, dat elke pil de bestanddeelen voor 50 m.Grm. Ferrocarbonaat moet bevatten, kan voldaan worden; volgens bovenstaande berekening kan dit zelfs 52 mGrm. bedragen 3).

Wat de bindmiddelen betreft, alhoewel glycerine-tragacant o. a. een uitstekend bindmiddel is voor pillen, die veel zouten bevatten, wordt de oplosbaarheid der pillen er echter niet door bevorderd. Men denke er bij het gebruik van deze stof aan, dat zij eerst afzonderlijk in den mortier uiteengewreven wordt (Schroder)4). Het magnesiumoxyde is hier zeer goed op zijne plaats, wat betreft het goed droog maken en houden der pillen, doch behoort overigens

\') Zie over ileze formule bij «Sulfas ferrosus exsiccatus».

\') Zie bij « Carbonas kalicus», blz. 147.

3) Niet al bet ijzer wordt echter in carbonaat omgezet, daar ook het magnesiumoxyde op het ferrosulfaat inwerkt en ferrobydroxyde doet ontstaan. Wil men dit zooveel mogelijk voorkomen, dan voege men het magnesiumoxyde bet allerlaatst toe of vervange bet door magnesiumcarbonaat.

quot;) liij het maken van grootore massa\'s gelukt de bewerking ook zeer goed, wanneer, in plaats van glycerine-tragacant, eenvoudig de samenstellende deelen daarvan worden grnomen.

-ocr page 324-

698

evenmin tot de middelen, welke het oplossen der pillen gemakkelijk maken \').

De bereiding der Pillen geschiedt, door 4 Grm. glycerine-tragacant uiteen te wrijven en daaronder te kneden 8 Grm. zeer fijn gewreven uitgedroogd ferrosulfaat. Bij dit mengsel voegt men 6.5 Grm. uiterst fijn gewreven kaliumcarbonaat en 1 Grm. mag-nesiumoxyde en nog zooveel glycerine als noodig is om eene goede massa te verkrijgen, liet fijngewreven kaliumcarbonaat is echter zeer hygroscopisch en zal dus bij liggen vocht aantrekken en de massa te week doen worden, waarom de volgende wijziging der bereiding is aan te bevelen, ook om zooveel mogelijk de directe inwerking der zouten op elkander te voorkomen. Men mengt daarom de uiteengewreven glycerine-tragacant met het kaliumcarbonaat, voegt dan het magnesiumoxyde toe en ten slotte het ferrosulfaat (Sch r oder) 1).

PILULAH J O DE TI F E R R O S I.

FERROJODID E P I L L E N.

P I L U L A E P L A N C A R D I.

B L A N C A R D \'S PILL E N.

N. fjzerpoeder twintig Grm............20

Water twaalf Grm..............12

Jood een en veertig Grm............41

Poeder vcm Melksuiker vier en twintig Grm.....24

Poeder van Drop..............40

Poeder van Zoethoutwortel, van elk veertig Grm. ... 40

Vermeng het ijzerpoeder met het water, voeg er het jood in gedeelten

\') Een zeer goed voorsclirift, waarbij liet gebruik van tragacant en magnesiumoxyde wordt vermeden, is liet volgende, waarbij ecbler reeds tijdens de bewerking het ferro-carbonaat ontstaat. 6 Grm. fijngewreven kaliumcarbonaat wordt met 2 Grm. glycerine vermengd, hieraan \'12 Grm. fijngewreven ferrosulfaat toegevoegd, alles Hink onder elkander gewreven tot eene vochtige massa, die men mot (! Grm. |ioeder van arabische gom en, zoo noodig, nog een paar droppels glycerine verder afwerkt tot quot;100 pillen, welke eveneens elk ongeveer öO mGrm. ferrocarbonaat bevatten.

-ocr page 325-

699

bij en, zoodra de bruine kleur verdwenen is, de overige bestanddeelen. Maak er 1000 Pillen van; rol deze in ijzerpoeder; schud ze, zoodra zij vast genoeg geworden zijn, met een aetherische oplossing van tolubalsem en droog ze.

Elke Pil bevatte 50 mGrm. Ferrojodide.

Bereiding. Het hoofdbestanddeel van Blancard\'s Pillen is ferrojodide, verkregen uit ijzerpoeder en jodium met behulp van water. Als bindmiddelen dienen poeder van Drop en poeder van Zoethout-

Fe 2 I = Fe I2

ijzer joflium ferrojodide

wortel, terwijl de melksuiker, het rollen der Pillen in ijzerpoeder en het omwikkelen met tolubalsem dienen, om ontleding van het ferrojodide aan de lucht te voorkomen. 254 Dln. Jodium (1= 127) verbinden zich met 56 dln. IJzerpoeder (Fe = 56) tot 310 dln. Ferrojodide; 41 dln, Jodium derhalve met 9 dln. Ijzer tot 50 dln. Ferrojodide. Kan dus aan den eisch van het voorschrift, dat elke Pil 50 mG. Ferrojodide moet bevatten, voldaan worden, de hoeveelheid voorgeschreven IJzerpoeder is veel te groot, echter noodzakelijk, ten einde bij de bewerking aan de lucht mogelijk vrij komend jodium geheel en spoedig in ferrozout te doen overgaan. Wat de bindmiddelen betreft, deze zijn zeer juist gekozen, daar een mengsel van gelijke dln. poeder van succus en radix liquiritiae {pulvis pro pilulis s. massis) onder de best vormende en oplossende mag gerekend worden.

De bereiding der Pillen geschiedt, door het jodium, tegen vervluchtiging tusschen twee horlogeglazen afgewogen en bewaard, in zeer kleine gedeelten bij het met water afgewreven ijzer in een mortier te brengen. Hierdoor ontstaat eene oplossing van ferrojodide, waarin nog vrij jodium tot eene bruine vloeistof oplost, terwijl bij verder omroeren ook dit jodium zich met ijzer tot ferrojodide verbindt. Zoodra de bruine kleur dus verdwenen is en voor eene groene heeft plaats gemaakt, kan telkens eene nieuwe, geringe hoeveelheid jodium worden toegevoegd, die echter vooral niet te groot mag worden genomen, wijl bij de chemische verbinding van het jodium met het ijzer warmte vrij komt, die, wanneer zij plotseling te groot zou zijn, tot vervluchtiging van jodium , het ontstaan van violette dampen, aanleiding zou geven. Aan de aldus verkregen ferrojodide-oplossing voegt men terstond daarna de bindmiddelen toe en brengt haar verder daarmede tot massa en tot pillen, rolt

-ocr page 326-

7oo

deze in eene behoorlijke hoeveelheid ijzerpoeder \'), waarvan men de overmaat door ziften kan verwijderen, en bedekt ze, wanneer ze door staan aan de lucht hard genoeg geworden zijn, met tolubalsem. Een kenmerk der deugdelijkheid van de Pillen, wat betreft de massa, is hierin gelegen, dat zij onder het drogen hunnen vorm behouden en niet bersten. Voor de omwikkeling met tolubalsem brengt men de Pillen in eene ruime uitdampschaal of een diep bord, voegt voor elke 100 stuks 2 Grm. tolubalsem-oplossing droppelsgewijze toe en rolt ze daarin zóó lang, totdat zij niet meer aan elkander kleven, laat vervolgens een half uur drogen en herhaalt de bewerking drie of vier maal ï).

PILULAE LAX ANTES.

LAXEERPILLEN.

N. AloCexiract twee Grm..............2

Medicinale Zeep...............6

Poeder van Rhabarberwortel, van elk zes Grm.....6

Maak er 100 Pillen van en hul ze in stuifpoeder of wikkel ze in bladzilver.

Bereiding. Het bindmiddel tot vorming van massa na fijn wrijven van het Extract en vermenging met de overige ingrediënten is bij het voorschrift niet opgegeven. Het best bezigt men daartoe een mengsel van 1 dl. glycerine en 2 dln, water {aquaglycerinata), daar dit de Pillen ook bij langdurige bewaring niet te hard doet worden.

\') Ten einde de Pillen meer glanzend te krijgen, is het aanbevelingswaardig ze uit te rollen in een mengsel van Talcum venetum en Uzerpoeder (Schroder).

\') De aetherische tolubalsem-oplossing wordt bereid, door 3 dln. tolubalsem en i dl. mastik met 2 dln. alcohol en 10 dln. aether te digereeren (O pwy rda) of door 5 dln. (Grm.\'.\') tolubalsem en 10 droppels lijnolie te macereeren met 95 dln. aether met spiritus, te filtreeren en aan te vullen tot 100 dln. (Schroder).

-ocr page 327-

7oi

PILULAE SULFATIS CHIN INI.

KININEPILLEN.

N. Kininesulfaat vijf Grm.............5

Glycerine-Tragacant zooveel als noodig is.

Maak er 100 Pillen van en hul ze in stuifpoeder of wikkel ze in bladzilver.

Elke Pil bevatte 50 mG. Kininesulfaat.

Bereiding. De benoodigde hoeveelheid glycenlle-tragacan,: bedraagt 1.75 Grm.; mocht de massa dan nog brokkelig zijn, dan is toevoeging van een enkelen droppel glycerine voldoende om eene goede pillenmassa te verkrijgen (Schroder).

FIX LIQUIDA.

H O U T T E E R.

Een vloeistof, door droge destillatie bereid uit liet Plout van eenige soorten van Abie tineae.

Dikvloeibaar, donkerbruin, in dunne lagen doorschijnend, dikwerf eenigszins korrelig; eigenaardig brandig van reuk en bitter-scherp, brandend van smaak.

In water moet zij zinken en daaraan, zoo zij er mede geschud wordt een bleekgele kleur en een duidelijk zure reactie geven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: benzol, toluol, xylol, s t y r o 1, n a p h t a 1 i n e , r e t e e n 1), p ar a f f i n e, phenol, kresol, pyrocatechine, p y r o g a11 o 1, kreosoot, methylalcohol en a z ij n z u u r.

Bereiding. Behalve achterblijvende kool en vluchtige, gas-en dampvormige producten wordt bij de droge destillatie van hout eene vloeistof verkregen, die zich bij afkoelen en staan in twee lagen scheidt, nl. eene bovendrijvende, bruinzwarte, waterige, IwiU-azijn, welke als voornaamste bestanddeelen methylalcohol en azijnzuur bevat, en eene onderstaande, bruine, dikvloeibare, het teer.

1

C18!!!quot;, glinsterende blaadjes, bij 98°—90° smeltende, moeilijk oplosbaar in spiritus, gemakkelijk in actber en benzol.

-ocr page 328-

702

Teer wordt vooral in Noorwegen , Zweden en Rusland gewonnen uit afval van hout van Abietineae, vooral van Pin us s lives t ris en Larix sibirica, door langs de helling van heuvelen kuilen te graven in den vorm van een omgekeerden kegel, waaronder een met een rooster bedekte, gegoten ijzeren pan, deze kuilen geheel en stijf te vullen met afval van hout, ze met een aardlaag, waarin eene opening voor luchttrekking, te bedekken en daarna het hout van boven aan te steken. De afdruipende vloeistof verzamelt zich in de pan en wordt door eene daaraan verbonden buis, die van eene buiten den hcuvelwand uitstekende kraan is voorzien, in vaten afgetapt. Meer algemeen bezigt men echter gemetselde, cilindervormige, hooge, van boven spits toeloopende ovens, aldaar en onder bij den bodem van openingen, waardoor het hout wordt ingebracht, en van trekgaten voorzien, terwijl zich in den bodem een kanaal bevindt voor het afvloeien van het teer en de geheele oven omgeven is door een dikken, met aarde of een anderen, slechten warmtegeleider bekleeden mantel. Nadat de oven met hout gevuld is, worden de openingen dichtgemaakt, het hout aangestoken en de trekking door het openen en sluiten der trekgaten geregeld. Allereerst vloeit teerwater met houtazijn af, daarna het lichte en ten slotte zware, bruinzwarte teer.

Eigenschappen. Eene dikvloeibare, bij verwarming dunnere, zure, kleverige, donkerbruine, na verloop van tijd eenigszins korrelige en dikkere, in dunne lagen doorschijnende en meestal van mikroscopisch kleine kristallen (pyrocatechine) voorziene vloeistof, zwaarder dan water, eigenaardig brandig, eenigszins terpen-tijnachtig van reuk en bitter-scherp, brandend van smaak, gedeeltelijk oplosbaar in spiritus en aether.

Met warm water geschud, levert zij eene geelachtige tot bruingele, zwak zure vloeistof, die sterk naar Teer riekt en smaakt \'), en, met water (i = 3) verdund, door ferrichloride voorbijgaand groen en door overmaat kalkwater blijvend bruinrood wordt gekleurd.

Onderzoek.

1°. Een vloeistof, door droge destillatie bereid uit het Hout van eenige soorten van Abietineae. In plaats van Houtteer mogen niet gebruikt worden steenkolen-, bruinkolen-, turf-.

\') Zie blz. \'JO.

-ocr page 329-

703

berken- en be uk en teer, ook niet de z.g. Cade olie 1), verkregen uit het hout van Juniperus oxycedrus L.

20. donkerbruin. S t e e n k o 1 e n t e e r is zwart, bruinkool-en turfteer koffiebruin, beuken teer zwartbruin. Ca de olie bruingeel of eveneens donkerbruin.

3°. eigenaardig brandig van reuk. De reuk heeft duidelijk iets terpentijnachtigs. Steenkolen-, bruinkolen- en turfteer rieken onaangenaam scherp. Beukenteer riekt naar kreoioot2).

4°. In iv a ter moet zij zinken. In onderscheid met steenkolen-, bruinkolen-, turfteer en C a d e o 1 i e, die lichter dan water zijn.

5°. en daaraan, zoo zij er mede gesehud wordt, een bleekgele kleur en een duidelijk zure reactie geven. In onderscheid met steenkolen-, b r u i n k o 1 e n- en t u r ft e er, die alkalisch reageeren. Voorts mogen stoffen als pik, traan, talk, smeer, zand of andere vreemde stoffen niet in Teer voorkomen.

P I X SOLI D A.

P 1 K.

Het overgeblevene, na lang voortgezette destillatie of uitdamping van Houtteer.

Een harsachtige, zwarte, min of meer doffe massa, die in de koude bros wordt, op de breuk glanzig is en door de warmte der hand kneedbaar wordt. Zij riekt eenigermate naar Houtteer en is nagenoeg smaakloos.

Samenstelling. Een mengsel van brandige harsen uit Teer.

Bereiding. Wordt Houtteer met water aan destillatie onderworpen , dan gaat als olieachtig-vloeibaar destillaat de „Teer- of Pik-oliequot; over en blijft ten slotte Pik achter. Ook bij langdurige verhitting en uitdamping van Teer in opene ketels verkrijgt men Pik als een vloeibaar residu, dat bij bekoeling vast wordt. Op beide wijzen wordt Pik in Zweden, Rusland en Amerika bereid, waarvan het Zweedsche of Stokholmer als het beste geldt, dat in vaten wordt aangevoerd,

\') Oleum Juniperi empyreumaticum s. cadinum.

\') Hout toer laat zicli bovendien met vetstoflen als reuzel samensmelten en vermengen, beukenteer niet.

-ocr page 330-

704

Eigenschappen. Harsachtige, donkerbruine tot zwarte, min of meer doffe, op de breuk vlak- en grootschelpige en glanzige stukken, die in de koude broos zijn, doch reeds bij 370, zoo ook bij kneden in de warme hand, week, klevend en taai worden en in kokend water smelten. Zij rieken eigenaardig brandig naar Teer, zijn nagenoeg smaakloos, verbranden met eene sterk lichtende en roetgevende vlam en zijn oplosbaar in spiritus, alsmede in alkaliën en alkali-carbonaten, waarmede zich bij verwarming een zeer onaangename reuk verspreidt \').

P O T I O RI V E R I.

RIVER\'S DRANK.

N. Citroenzuur vier en negen tienden Grm.......4.9

Natriumcarbonaat tien Grm...........10

Gcn\'oon IVater honderd zestig Grm........160

Eenvoudige Siroop vijf en twintig Grm.......25

Los het zuur en de stroop in het water op, voeg er het zout in kleine hoeveelheden bij en sluit de llesch, zoodra dit laatste is opgelost.

Samenstelling. Eene suiker-houdende oplossing van natri-umcitraat in water, bij gewone temperatuur verzadigd met kooldioxyde.

Bereiding. De River\'s drank behoort in de receptuur tot de oplossingen isolntiones) en wel meer eigenlijk tot de saturaties [saturationes). Onder deze verstaat men waterige oplossingen van zouten, op \'t oogenblik zelf bereid door neutralisatie van een car-bonaat met een zuur, op zoodanige wijze dat het daarbij zich ontwikkelende kooldioxyde zooveel mogelijk in het water in oplossing blijft. Als carbonaten dienen gewoonlijk kalium- of natrium-carbonaat of -hydrocarbonaat of magnesiumcarbonaat; als zuren azijnzuur, citroenzuur of wijnsteenzuur, enkele malen ook eene zuurhoudende vloeistof als kunstmatig of natuurlijk citroensap, digitalis- of scilla-azijn.

De bereiding kan op tweeërlei wijze plaats hebben. Volgens

\') Hou tteerpik is motie oplosbaar in benzol, in onderscheid met steenkool teerpik.

-ocr page 331-

705

de eene worden het zuur en het carbonaat elk in een gedeelte van het water opgelost en deze vloeistoffen in de flesch voorzichtig langs den wand bij elkander gevoegd en gemengd, terwijl het overtollige kooldioxyde ontsnapt. Daar echter de vorming van kool-dioxyde hierbij niet geleidelijk, te plotseling in groote overmaat plaats heeft en daardoor schade wordt gedaan aan het oplossen daarvan in water, is de methode der Ph. te verkiezen, waarbij het zout bij kleine gedeelten bij het zuur, in al het water opgelost, wordt gevoegd, waardoor een langzame stroom van kooldioxyde door het water van af den bodem ontstaat en eene betere verzadiging van het water daarmede mag worden verwacht.

Volgens het voorschrift der Ph. wordt in eene dikwandige en ruime flesch de stroop afgewogen, hierbij gevoegd en daarmede gemengd het citroenzuur, in al het water opgelost, vervolgens bij kleine gedeelten de tot grof poeder gebrachte kristallen van het natriumcarbonaat toegevoegd en van tijd tot tijd de met een goed

3 Na^CO3 2CgH807 = 2 Na^CIPO7) 3 CO5-1-3^0

natriumcarbonaat citroenzuur nalriumcilraat kooldioxyile water

passende kurk gesloten flesch voorzichtig omgekeerd, ten einde het op den bodem gevormde citraat in de vloeistof te verdeelen en daardoor de langzaam verminderende kooldioxyde-ontwikkeling weder sterker te doen worden. Wanneer al het zout is opgelost, wordt de flesch met de kurk, waarover een champagne-knoop, gesloten.

858 Dln. Natriumcarbonaat (Na2C03 ioH20 = 286) cor-respondeeren met 420 dln. citroenzuur (CGHll07 = 210); 10 dln. natriumcarbonaat worden dus geneutraliseerd door 4.9 dln. citroenzuur, zoodat volgens het voorschrift der Ph. eene juiste neutralisatie van het carbonaat met het zuur plaats vindt 1).

\') Zijn bij een River\'s drank addities voorgeschreven, dan moeten deze, zoo daardoor geene scheikundige werking ontstaat, vooraf bij de citroenzuur-oplossing gevoegd worden, uitgezonderd vluchtige en schuimverwekkemle stoffen, welke, met een weinig van het water verdund, het laatst worden toegevoegd.

-ocr page 332-

yo6

P U L P A T A M A R I N D O R U M C R U D A.

R U W TAMARINDENMOES.

F R U C T U S T A M A R I N D 1.

T A M A R I N D E N.

Het moes uit de peulen van T a m a r i n d u s i n d i c a L.

Een taaie, bruinzwarte massa, vermengd met platte, bijna vierkante zaden, met een middellijn van ongeveer i centimeter, die aan den omtrek glanzig en in het midden der vlakke zijden min of\'meer dof zijn; verder met vaatbundels en stukjes van de buitenste en van de binnenste laag van het vruchtbekleedsel. Smaak zeer zuur.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; gemiddeld ruim 5 pet. wijnsteen (kaliumhydrotartraat), ruim 6.5 pet. wij nsteenzuur en ruim 2 pet. citroen- en appelzuur

Voorts ongeveer 20 pet. suiker, eenig zetmeel, pectine en gemiddeld 27 pet. water.

Afkomst. Tamarinde is afkomstig van Tamarindusindica L., een steeds groenen, fraaien, krachtigen, hoogen boom , behoorende tot de groep der Leguminosae en de familie der Caesal-pinaeeae, die in tropisch Azië, Afrika en Australië in \'t wild voorkomt cn wordt gekweekt.

De vrucht van dezen boom is een peul, grijs-of geelachtig-bruin van kleur, dof, 1.5 — 2 dM. lang en 2—3 eM. breed, recht of meestal eenigszins gekromd, aan den top kort-, doch scherpgespitst , zijdelings afgeplat en van afstand tot afstand zadelvormig ingesnoerd, bijkans zonder buik- en rugnaad en dan ook niet openspringend. De vruchthuid bestaat uit drie lagen, waarvan de buitenste kurkachtig hard en zeer licht breekbaar is. De middelste bestaat uit een dicht netwerk van taaie vaatbundels, welke ontspringen uit de twee sterke en twee dunnere vaatbundels, die langs den buiknaad, en uit den eenigen, zeer sterken vaatbundel, die langs den rugnaad loopt; dit netwerk is verder opgevuld met een bruin of zwartachtig, zuur moes. De binnenste is eene taaie, perkamentachtig-dikke laag, die binnen in de vrucht een 3 —12 tal

\') Tevens bevat zij dikwijls geringe hoevcellieden miere-, azijn- en boterzuur, welke er echter waarschijnlijk door gisting in zijn ontstaan.

-ocr page 333-

707

kamertjes vormt, waarin de even talrijke, kiemwitlooze zaden. Deze zijn aan den buiknaad bevestigd, glanzend, donker-kastanjc-bruin van kleur, 6—16 mM. lang, iets minder breed en 3—8 mM. dik, afgeplat, weinig regelmatig, nu eens ovaal, dan b\'jna cirkelrond of afgerond-vierhoekig van vorm en in het midden der platte zijden met eene ietwat doffere, rondachtige, iets ingezonken plek.

De vruchten, welke trosvormig groeien, worden in rijpen staat vooral van gekweekte boomen gezameld. In Oost-Indic, zoowel in Nederlandsch-, op Java, als in Britsch-Indic, worden zij eerst van de broze, buitenste laag alsmede van de sterkere vaatbundels en in meerdere of mindere mate van zaden ontdaan en daarna het overblijvende, soms onder toevoeging van zeewater, tot eene dik-brijige, taaie, bruinzwarte massa dooreengekneed, geperst en in vaten of kisten over Kalkutta in den handel gebracht. In Engelsch en Fransch West-Indië daarentegen, waar de plant kortere en breedere, doch kleinere vruchten levert met een lichtbruin, wrangzuur moes en kleinere, vaak ook minder zaden, worden de van hare buitenste laag bevrijde vruchten in lagen op elkander gestapeld, waartusschen suiker wordt gestrooid, en, in vaten verpakt, met kokend water of kokende stroop overgoten.

Onderzoek.

1°. Een taaie, bruinztvarte massa, vermengd met platte, bijna vierkante naden, met een tniddellijn van ongeveer 1 centimeter; verder met vaatbundels en stukjes van de buitenste en van de binnenste laag van het vruchtbekleedsel. Smaak zeer zuur. Men onderscheidt:

a. Oost-Indische (zwarte) T. De beschrijving der Ph. komt met deze overeen. Zij gelden als de beste en bestaan uit het vruchtmoes, doortrokken met vezels, fragmenten der lagen van het vruchtbekleedsel en meer of minder zaden. De massa is donkerbruin-zivartachtig, vetglanzend, kleverig, taai, vastklonterig samenhangend, met een zachten, zuurachtig en wijnreuk en een sterk en aangenaam zuren smaak. Hare deugdelijkheid blijkt uit hare taaiheid , de donkere kleur en den aangenaam zuren smaak. Het moes moet ongeveer 75 pet. bedragen; de zaden moeten vast, niet gezwollen zijn. Bruine en bruinroode, wrang of zoetachtig smakende, weekbrijige of al te droge, duf riekende, te veel zaden en andere vaste vruchtfragmenten bevattende, alsmede gegist of

-ocr page 334-

708

door schimmelvorming aangetaste T. moeten verworpen worden\').

b. W es t-1 nd isc h e (bruine of roode) T. Zij bestaan uit dezelfde deelen , doch bevatten minder vezels, kleinere en vaak ook minder zaden. Do massa is licht-bndnroodachtig, minder taai, weeker, slijmiger, minder samen hangend, met een wrang-zuren, tevens iets vettigen en niet zelden door gisting spiritueuzen smaak en reuk.

c. Egyptische of Levantsche T., afkomstig uit Arabic en den boven-Nijl. Zij bestaan uit de gekneusde en gegiste vruchten, tot massa gekneed en verdeeld in platte, ronde, brtdnzzvarte koeken, i—3 dM. breed en 2—3 cM. dik, die in de zon gedroogd en daardoor hard worden. Behalve overige vrucht-fragmenten bevatten zij vele gebroken zaden, vruchtstelen en buitenop vele verontreinigingen als zand, haren, enz. Vroeger werden zij over Alexandrie naar Europa verzonden, om na van gebroken zaden ontdaan en met wijnsteen en water gekneed te zijn, als Oost-Indische T. in den handel te worden gebracht. Tegenwoordig komt zij bij ons niet meer voor.

P U L V E R E S.

POEDERS.

Stoffen, waarvan men Poeders bereiden wil, moeten eerst gesneden of op andere wijze grof verdeeld, en bij 50°, of, indien zij vluchtige bestanddeelen bevatten, bij ten hoogste 30° gedroogd en daarna gestampt of fijngewreven worden.

\') Voorts kan T.-moes op ilougdclijklioid onderzocht worden door bepaling van:

a. het zaad-gehalte. 200 Grm. T. hrengt men in eene gewogen porseleinen schaal, bevrijdt ze van do zaden en bepaalt het gewichtsverlies.

b. het ex trac t-gehalte. 100 Grm. T., van zaden ontdaan, werkt men mot 400Gnn. water in een schaal onder verwarming op het waterbad behoorlijk door, laat afzetten en giet do oplossing van het bezinksel in ten liter\'s kolf. Men herhaalt dit en vult de kolf ten slotte tot aan de streep. 20 cM3. van de gefiltreerde oplossing = \'2 Grm. T. dampt men in een gewogen schaaltje uit en droogt lot constant gewicht.

c. het z 11 u r-gehalte. 20 cM3. van bovenstaande gefiltreerde oplossing verdunt men tot 100 cM3. en titreert met {.-volumetrisch alkali en phenolphtaleïne als indicator.

d. het suiker-gehalte. 20 cM3. van bovenstaande gefiltreerde oplossing neutraliseert men met natronloog en verdunt tot 100 cM3. 25 cM3. van het verdunde vocht bezigt men ter bepaling der invert-suiker met Fehling\'s proefvocht (zie bij «Saccharum») (D i e t e r i c h).

-ocr page 335-

709

Het dus verkregen Poeder worde bij dezelfde temperatuur nog een korten tijd gedroogd en, na bekoeld te zijn, in goed sluitende, haar inhoud — zoo noodig — tegen het licht beschuttende flesschen overgebracht.

De fijnheid der Poeders worde geregeld naar de zeven:

A. voor grove Poeders:

Zeven van perkament met ronde openingen van 1.5, 3 en 5 m.Tiimeter in middellijn. Ue Poeders, hiermede verzameld, worden onderscheiden als: A 1.5, A 3, A 5.

B. voor f ij n e Poeders;

Zeven van zijden builgaas met vierkante openingen, en getale van to, 20, 30 of 40 op den lengte-centimeter.

De Poeders, hiermede verzameld, worden onderscheiden als: B 10, B 20, B 30, B 40.

Zoo de fijnheid der onder B behoorende Poeders niet is opgegeven, wordt zij geacht bedoeld te zijn als volgt:

Door zeef B 20 worden verzameld de Poeders van Anijsvruchten, Cinabloemen, Cubeben, Venkelvruchten.

Door zeef B 30 worden verzameld de Poeders van Althaeawortel, Arabische Gom, Catechu, Drop, Gemberwortel, Gentiaanwortel, Hele-niumwortel, Kalmuswortel, Kaneel, Kinabast, Lactucarium, Medicinale Zeep, Melksuiker, Moederkoorn, Myrrhe, Opium, Oranjeschil, Spaansche Vliegen, Strychnoszaad, Suiker, Valeriaan wortel, Varenwortel, Zoethoutwortel, Zouten, Zuren.

Door zeef B 40 worden verzameld de Poeders van Digitalisbladen, Ipecacuanhawortel, Jalapawortel, Rhabarberwortel, Saleb, Sennabladen, Tragacant.

Bereiding. De grondstoffen, waarvan men poeder wil maken, worden, zoo noodig, naar haren aard vooraf door snijden, hakken, knippen, stooten of op andere wijze verkleind, daarna bij zachte warmte, hoogstens 50°, of, indien zij vluchtige bestanddeelen bevatten, hoogstens 30° of, beter, met behulp van ongebluschte kalk, onder herhaald omroeren of schudden gedroogd, vervolgens fijn gestampt of fijn gewreven en ten slotte gezift. De fijnheid van het verkregen poeder is afhankelijk van de wijdte der openingen van de te gebruiken zeven, Volgens voorschrift der Ph. moeten de ronde openingen der voor grovere poeders bestemde, van perkament vervaardigde zeven i-S , 3 of 5 millimeter in middellijn bedragen, terwijl bij de zeven voor fijnere poeders, die van zijden builgaas moeten vervaardigd zijn, geene wijdte, doch in plaats daarvan het aantal mr-kaute openingen per lengte-centimeter is opgegeven, dat naar de

46

-ocr page 336-

7io

wijdte daarvan io, 20, 30 of40 moet bedragen Het op de een of andere wijze verkregen poeder wordt ten slotte nogmaals gedurende korten tijd bij dezelfde temperatuur gedroogd en na bekoeling in goed sluitende flesschen, zoo noodig tegen het licht beschut, bewaard.

P U L V I S A Ë R C) P H O R U S.

BRUISPOEDE R.

N. Poeder van Natriunihydrocarbonaat dertig deelen ... 30

Poeder va7i Wijnsteenzuur zeven en twintig deelen . . 27

Poeder van Suiker drie en veertig deelen......43

Droog ze afzonderlijk en voorzichtig, en meng ze.

Bereiding. Bruispoeder bestaat, behalve uit de smaakgevende suiker, uit een carbonaat en een zuur, die, met water in aanraking gebracht, met elkander een oplosbaar tartraat geven onder ontwikkeling van kooldioxyde.

\') Omtrent liet gebruik dezer zeven valt nog hot volgende op te merken:

1quot;. Bezwaarlijk kunnen de door zeven A verkregen sloffen onder de poeders worden gerangschikt. Overigens wordt in de Ph. liet gebruik der beide eerste A-zeven nergens, de laatste slechts bij de bereiding van een paar extracten en tincturen voorgeschreven. Bij alle overige bereidingen wordt alleen gebruik gemaakt van de uitdrukkingen: rjvof ponder, gesneden, gekneusd, gestampt, fijn gesneden, fijn gestampt, in dunne stuitjes gesneden, zeer fijn gesneden, gesneden en gestampt, fijn gesneden en gestampt, dich daarbij nergens hel nummer der zeef vermeld, zoodat 0. i. hel bij « Pulveres » voor oogen gestelde doel, nl. van gelijkheid bij de bereiding der meeste galenische preparaten, ook van decocta en infnsa, daardoor niet wordt bereikt. Gunstig steekt hierbij af de Ph. Germ. Kd. 111, waar de bij ons gebruikelijke zeven A met vierkante openingen dienen voor grof, middelfijn en fijn gesneden species, de zeven K \\oov grove, middel-fijne en fijne poeders en het gebruik daarvan bij alle bereidingen , waar dit noodig is, wordt opgegeven.

2°. Daar bij de zeven B niet de wijdte, doch het aantal openingen per lengte-centimeter is opgegeven, ware het ook wenschelijk geweest, de dikte der draden van het builgaas op te geven, daar ook hiervan de grootte dor openingen afhankelijk is. Sterk werkende stollen als Moederkoorn, Opium, Spaansche Vliegen en Strychnoszaad behooren 0. i. onder B 40 thuis. Overigens is ook voor deze zeven geldig, wat boven voor zeven A is gezegd. Bij verschillende stoffen toch, nl. Ammoniacum (13 30), Asa foetida (B 30), Carbo Ligni (B 40), Semen Myristicae (B 20) in Elect. Catechu, Oxyd.plumbic, semivitr. (B 30) in Empl. Oxydi plumbici, Kxtr. Rhei (B 30), E. Aloës (B 30) enUesina Jalapae (B 30) in Extr. Rhei compos., Galbanum (B 30), Lactucarium (B 30) en Sulfur depuratmn (B 30), is eveneens de fijnheid van hot poeder niet opgegeven.

-ocr page 337-

7ii

2 Na HCO:i CHSQ» = OIPNa^O8 2 CO^ 2H20

natrium wijnsteenzuur natrium kool water

liydrocarbonaat farlraat dioxyde

168 Dln Natriumhydrocarbonaat (Na HCO3 = 84) worden geneutraliseerd door 150 dln. wijnsteenzuur (C4H6O0 = 150); 30 dln. natriumhydrocarbonaat dus door 26,8 dln. wijnsteenzuur, zoodat volgens het voorschrift het zuur en het carbonaat elkander zoo goed als geheel neutraliseeren. Voor den frisschen smaak was misschien eene kleine overmaat van wijnsteenzuur wen-schelijk geweest.

Bij bewaring moet natuurlijk elke aanraking met vocht vermeden worden en deze dus in goed sluitende flesschen op eene droge plaats geschieden. Evenzoo moeten de ingrediënten in volkomen drogen staat onder elkander gemengd en dus vooraf afzonderlijk gedroogd worden, daar anders langzamerhand tartraat wordt gevormd, onder ontwijking van kooldioxyde, zoodat het mengsel klonterig wordt en met water slechts eene geringe opbruising geeft. De droging, vooral van het natriumhydrocarbonaat, geschiede echter voorzichtig, bij ongeveer 30° en niet langer dan noodig is, daar het hydrocarbonaat bij hoogere temperatuur en langdurige verwarming kooldioxyde verliest en gedeeltelijk in carbonaat \') overgaat, dat minder kooldioxyde bevat. Ook komt bij langzamen overgang aan de lucht van het hydrocarbonaat in carbonaat water vrij, waardoor dus het preparaat zou kunnen bederven. Evenmin mogen de poeders (B 30) te fijn zijn, daar ook dit tot spoediger kooldioxydeverlies aanleiding geeft. De poeders eindelijk worden in een lauvvwarmen mortier onder elkander gemengd

\') Zie blz. 112.

1) Ken overeenkomstig preparaat is liet Pulvis aörophorus anglicus {Engelsch B r u i s p 0 e d e r), bestaande uit \'2 dln. natriumhydrocarbonaat en 1.5 dln. wijnsteenzuur. De inwerking op elkander wordt bier voorkomen, door de ingrediënten afzonderlijk, het zout in gekleurd, gewoonlijk blauw, het zuur in wit papier af te leveren. Bij gebruik wordt het zout in suikerwater opgelost en daarbij het zuur gevoegd.

-ocr page 338-

712

PULVIS ANTACIDUS.

ZUURPOEDER. PULVIS TER REST RIS.

N. Calciumcarbonaai vijf en zestig dealen .

Magnesiumcarbonaai vijf en dertig deelen Meng ze.

PULVIS AROMATICUS.

AROMATISCH POEDER.

N. Cardamomzaad,

Gemberwortel,

Kaneel, van elk gelijke deelen.

Maak er poeder (B 30) van.

Bereiding. Volgens dit voorschrift moeten de ingrediënten gezamenlijk tot poeder gebracht worden, evenals in de Ph. Ed. I, terwijl de Ed. II voorschreef, elk der bestanddeelen op zich zelf tot poeder te brengen en ze daarna te vermengen. De oorzaak van den terugkeer tot het oudere voorschrift is waarschijnlijk hierin gelegen, dat het vette olie bevattende Cardamomzaad met de andere ingrediënten beter fijn te stampen is en de vette en vluchtige oliën zich tevens daardoor beter in liet mengsel verdeden.

PULVIS GUMMOSUS.

SAMENGESTELD GOMPOEDER.

N, Poeder van Arabische Gom,

Poeder van Tragacani,

Poeder van Suiker, van elk gelijke deelen.

Meng ze.

65 35

Bereiding. De poeders worden elk afzonderlijk zacht, de Arabische Gom vooral bij niet te hooge temperatuur, hoogstens 30°, gedroogd \') en onder elkander gemengd.

gt;) Zie bU. 385.

-ocr page 339-

7i3

PULVIS LIQUIRITIAE COMPOSITUS. LAXEERPOEDER.

N. Poeder van Sennebladen............16

Poeder van Zoethouiworiel, van elk zestien dealen ... 16

Poeder van Venkelvruchten...........8

Gezuiverde Zwavel, van elk acht deelen......8

Poeder van Suiker twee en vijftig deelen......52

Onderzoek.

1°. Het poeder is geelgroen. De kleur van het Poeder hangt min of meer af van de qualiteit en de fijnheid alsmede van de droogte der bestanddeelen. Ook de zwavel moet derhalve vooraf goed gedroogd en gezift (15 30), en het steeds een weinig hygros-copische Poeder in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard worden.

PULVIS OP II COMPOSITUS.

SAMENGESTELD OPIUMPOEDER.

N. Poeder van Opium..............10

Poeder van fpecactianlunvoriclbasi, van elk 10 deelen. . 10 Poeder van Kaliumsulfaat tachtig deelen......80

Meng ze.

Het Morphinegehalte van dit Poeder worde op de volgende wijze bepaald:

Ueplaceer 15 Grra. van het Poeder zoo lang met kleine hoeveelheden sterken spiritus, totdat 75 cM3. is afgeloopen. Laat den spiritus op een waterbad verdampen en voeg bij het achtergeblevene 500 mG, kalkhydraat en zoo veel water, dat het gezamelijk gewicht 15.5 Grm. bedrage.

Laat het mengsel, onder herhaald schudden, ten minste 12 uur mace-reeren en filtreer. Schud 10 Grm. van het filtraat met 5 cM8. aether en 3 droppels benzol, en los er, zacht schuddend, 125 mG. ammoniumchloride in op. Schud het mengsel nogmaals herhaaldelijk; neem na 24 uur de aetheiiaag weg; herhaal de uitschudding met 5 cM3. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze met water zoo lang af totdat dit kleurloos afioo])t; droog ze bij 100° en weeg ze.

Het gewicht bedrage 90—100 mG., hetgeen overeenkomt met een gehalte van 0.9—1 pet. Morphine in het Poeder. Deze Morphine moet aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de Morphine, uit Opium bereid, gesteld zijn.

-ocr page 340-

714

Onderzoek.

1°. hetgeen overeenkomt met een gehalte van o.g—i pet. Morphine in het Poeder. De bepaling van liet morphine-gehalte in het Poeder geschiedt volgens dezelfde methode als bij „Extractum Opiiquot; en bij „Opiumquot; is aangegeven 1). Ten einde echter daarbij geen last te hebben van de groote hoeveelheid kaliumsulfaat van het Poeder, ook vooral met het oog op de behandeling met kalk-hydraat, wordt het Poeder vooraf gedeplaceerd met sterken spiritus, waardoor het Opium voldoende wordt uitgetrokken en waarin kaliumsulfaat onoplosbaar is. Daar verder voor de bepaling 15 Grm. van het Poeder wordt gebezigd, gelijkstaande met 1.5 Grm. Opium, zijn de getallen der bij genoemde artikelen opgegeven methode tot op de helft verminderd, behalve bij de tweede uitschudding met aether, welke ook hier met 5 cM3. plaats heeft, terwijl de afwassching der kristallen met spiritus van 40 pet. hier wordt nagelaten, die dan ook met het oog op mogelijk morphine-verlies zelfs niet wenschelijk is. Terwijl eindelijk het morphine-gehalte van Opium juist 10 pet. moet bedragen, wat overeenkomt met 1 pet. in dit Poeder, eischt de Ph. hier een gehalte van o.g—1 pet. en staat zij dus een verlies van 0.1 pet. bij de bewerking toe.

2°. Deze Morphine moet aan dezelfde else hen van zuiverheid voldoen als voor de Morphine, uit Opitnn bereid, gesteld zijn. Zie aldaar 1).

P Y R O G A L L O L U M.

PYROGALLO L.

A CI D U M P Y R O G A L L I C U M.

Kleurlooze of bijna kleurlooze, reuklooze, zeer lichte, bittere kristallen , die bij ongeveer 1250 smelten, volkomen vluchtig en in sterken spiritus, in aether en in ongeveer 2 deelen water oplosbaar zijn.

De oplossing in water (1 = 10) wordt door kalkwater eerst fraai violet, daarna troebel en donkerbruinrood, door ferrichloride bloedrood en door zilvernitraat terstond zwart.

\') /ie blz. 200—301 en 040—6i3. In overeenstemming rnet de opgave eener morphine-bepaling bij dit Poeder, dat wol steeds zolf zal worden bereid, waarom 7.ij 0. i. wel had kunnen wordtn gemist, bad eene dojgelijlie opgave bij «Electuarium Catechu» niet mogen ontbreken.

-ocr page 341-

715

Samenstelling. OH3 ; (OH)3

PyrcgallQl is een phenol. Zij kan beschouwd worden als benzol, C0H0, waarin drie atomen waterstof door drie hydroxy!-, OH, groepen zijn vervangen. Daar zij in onderscheid met benzol drie atomen zuurstof bevat, zou men haar, analoog aan resorcine (rtYoxybenzol), trioxybenzol kunnen noemen \').

Naar het verschil in ligging der drie hydroxyl-groepen onderling in de benzolkern bestaan van het trioxybenzol drie isomeren, nl. pyrogallol, oxyhydrochinon en phloroghicine.

1:2:3 1:2:4 i:3:S

p y r o g a 11 o1 oxyhydrochinon phloroglucine

Pyrogallol is dus CBH3 : (OH)3 (1:2:3)

Bereiding. Pyrogallol ontstaat bij verhitting van galluszuur 3), hetzij op zich zelf of met behulp van water, onder verlies van kooldioxyde.

CGH2(OH)3. COOH = CH^OH)3 CO2

galluszuur pyrogallol kooldioxyde

Galluszuur wordt, na bij too0 van water bevrijd te zijn, in eene getubuleerde retort in een oliebad bij 200°—210° verhit en daarna onder inleiding van een stroom kooldioxyde gesublimeerd; of het wordt met de dubbele of drievoudige hoeveelheid water in een papiniaanschen pot gedurende een half uur bij 200°—210° verhit, de eenigszins gekleurde oplossing van pyrogallol met dierlijke kool ontkleurd, daarna gefiltreerd en uitgedampt en de kristallijne massa door sublimatie gezuiverd.

Eigenschappen. Neutrale, kleur- en reuklooze, bittere, glinsterende, zeer lichte, vergiftige blaadjes of naalden, die bij 1150 smelten, bij 210° koken en, voorzichtig verder verhit, vervluchtigen. Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in water (1.8), welke aanvankelijk neutrale en kleurlooze oplossing aan de lucht langzamerhand onder geel- tot bruinkleuring zuur van reactie wordt. Zij zijn verder gemakkelijk oplosbaar in spiritus (2) en aether (2.2), weinig oplosbaar in chloroform en benzol.

Zie do noot op blz. 474 en 475 en voorts blz. 305 en 50G. ») Zie do toelichtende figuren op blz. 500.

3) Zie blz. 365 en voorts bij « Tanninum )gt;.

-ocr page 342-

7i6

2 cM3. Oplossing in water (i = 50) geeft met één droppel loodacetaat een wit neérslag, oplosbaar in overmaat azijnzuur.

5 cM3. Oplossing geeft met zuiver ferrosulfaat eene witte troe-beling, met zelfs sporen ferri-houdend ferrosulfaat aanvankelijk eene geringe blauwe, bij verdere toevoeging eene donkerblauwe tot blauwzwarte vloeistof.

5 cM3. Oplossing wordt door twee droppels ferrichloride bloedrood gekleurd, welke kleur door natriumacetaat in blauw overgaat. Met één droppel zilvernitraat (1 = 20) wordt zij terstond zwart door afscheiding van zilver.

1 cM3. Oplossing wordt door 10 cM3. kalkwater eerst fraai lilakleurig, daarna troebel, donkerbruinrood en ten slotte zwart gekleurd.

2 cM3. Oplossing wordt door 1 cM3. ammonia fraai geel, spoedig in bruin overgaand, gekleurd.

5 cM3. Oplossing, waaraan toegevoegd 0.5 Grm. natrium-chloride, wordt door 5 —10 droppels joodoplossing purperrood gekleurd.

In weinig broomwater gebracht, gaat Pyrogallol in gele, glinsterende naaldjes van tribroompyrogallol over, die in water moeilijk oplossen.

100 mG. Pyrogallol, in 5 cM3. zwavelzuur opgelost, waarop gestrooid een spoor natriumnitraat, geeft daarmede in de vloeistof donkerbruine strepen.

100 mG. Pyrogallol, in 5 cM3. zwavelzuur opgelost, wordt door een spoor natriumnitriet terstond donkerbruin gekleurd.

100 mG. Pyrogallol, in 2 cM3. water opgelost, waaraan toegevoegd 5 droppels kopersulfaat en 2 droppels natriumacetaat, geeft daarmede een bruin tot zwart neérslag \').

Onderzoek.

1°. Kleurlooze of bijna kleurlooze kristallen. Deze eisch der Ph. slaat op het gebruik van een goed gezuiverd preparaat, vrij van kleurende onzuiverheden. Eene gele of bruinachtige kleur kan afkomstig zijn van empyreumatische stoffen, o. a. van melangall usz uu r, C6H402, eene bruine, amorphe stof, die bij de bereiding, door aanwending van te hooge tempe-ratuur, bij 220° uit Pyrogallol ontstaat.

\') Zie over verschil en overeenkomst in reaction met Resorcino op bh. 508.

-ocr page 343-

7i7

Overigens laat zuiver en droog Pyrogallol, dat behalve in kristallen ook als kristalpoeder voorkomt, zich, vooral buiten toetreding van licht, langen tijd kleurloos bewaren. Bij toetreding van vocht en zuurstof, vooral in ammoniak-houdende lucht echter kleurt het zich spoedig eenigszins geel tot bruin, waarom het in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht moet worden bewaard.

2°. bittere kristallen. In onderscheid met phloroglucine, dat zoet smaakt.

3°. die bij ongeveer 1250 smelten. Het smeltpunt van zuiver Pyrogallol ligt bij 1150 \'). Een gehalte aan galluszuur (200°) zou het smeltpunt verhoogen. Overigens in onderscheid met phloroglucine, dat bij ongeveer 220°, en o x y h y d r o c h i n o n, dat bij 140.50 smelt.

40. volkomen vluchtig. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffe n.

5°. en in sterken spiritus, in aether en in ongeveer 2 deelen water oplosbaar zijn. Een gehalte aan galluszuur zou de oplosbaarheid in water, spiritus en aether verminderen. Tevens in onderscheid met res ore ine, dat gemakkelijker oplosbaar is.

6°. De oplossing in water (1 = 10) zvordt door kalkivater eerst fraai violet, daarna troebel en donkerbruinrood, door ferri-chloride bloedrood en door zilvernitraat terstond zivart. Identiteits-reactiën; tevens in onderscheid met resorcine, alsmede met phloroglucine, waarvan de oplossing in water door ferri-chloride donker-violetrood, en met oxyhydrochinon, dat daardoor bruinachtig-groen wordt gekleurd.

\') Het smeltpunt wordt opgegeven van llo0—131°.

-ocr page 344-

718

PYROPHOSPHAS FERRIC US CUM CITRATE A M M O NI C O.

F E R R I P Y R O P H O S P H A A T MET AM M O-NIUMCITRAAT.

N. Natriumpyrophosphaat vier en vijftig deelen.....54

Los deze op in

Waler achthonderd deelen...........800

(iiet de oplossing, al roerend, in

Ferrichloride-oplossing zestig deelen........60

vooraf met haar tienvoudig volumen water verdund. Wasch het gevormde neêrslag uit en los het bij een zachte warmte op in

Citroenzuur twintig deelen...........20

opgelost in zijn dubbel gewicht water, nadat deze oplossing met ammonia zwak alkalisch gemaakt is. Damp het heldere vocht op een waterbad uit, totdat zijn overgebleven

honderd twintig deelen............120

Laat deze, in eene dunne laag, bij ten hoogste 50° opdrogen.

(ieelgroene, doorschijnende plaatjes, die door hitte verkolen en met 10 deelen water een zure oplossing geven, die door ammonia donkerder, doch niet neörgeslagen, verder door kaliumferricyanide blauw wordt en dan, na toevoeging van eenig verdund chloonvaterstofzuur, een blauw neêrslag geeft. Natronloog brengt er een roodbruin neêrslag in teweeg en doet den reuk van ammoniak bemerkbaar worden. Het gefiltreerde vocht geeft, na met verdund salpeterzuur geneutraliseerd te zijn, met zilvernitraat een wit neêrslag, dat in salpeterzuur bijna volkomen oplosbaar moet wezen.

Een oplossing van 200 mG. Ferripyrophosphaat met Ammoniumcitraat in 80 cM3. water en 40 cM3. chloonvaterstofzuur moet, na tot 50° verwarmd en met 10 cM3. kaliumjodide-oplossing (1 = io) vermengd te zijn, 5.0—5.3 cM3. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring vereischen, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 14—14.8 pet. Ijzer.

Samenstelling. ([Fe2 j^P\'O7)3 -f-gl-PO) -f- (NH4)\'(C8H507)

Een mengsel van f e rr i p y r o p h o s p h a a t en ammonia m-c i 11- a a t.

Ferripyrophosphaat is het ferri-zout van het pyro-phosphorzuur, H4P207 \'); de twaalf atomen waterstof in drie molec. van dit zuur zijn vervangen door twee molec. der zes waardige ferri-, [Fe2], groep 2). Het Zout bevat 9 molec. water.

■) Zio bl?. 34. quot;) Zie blz. 315.

-ocr page 345-

719

Ammoniumcitraat is het ammoniumzout van citroenzuur; drie atomen waterstof van dit driebasische zuur zijn vervangen door drie molec. der eénwaardige ammonium-, NH4, groep \').

Bereiding. Volgens het voorschrift der Ph. vervalt de bereiding van het preparaat in drie deelen, nl. i0. de bereiding van ferri-pyrophosphaat, 2°. van ammoniumcitraat en 30. het oplossen van het eerste in het laatste en het gezamenlijk brengen tot den vasten vorm.

Het ferripyrophosphaat wordt bereid door, al roerende, eene oplossing van natriumpyrophosphaat te voegen bij eene verdunde ferrichloride- oplossing.

3 (Na4P207 10 H20) 2 (Fe2Cl6 12 H20) =

natriiimpyrophosphaat ferrichlorido

446 541

([Fe2]2(P207)3 9 H20) 12 Na Cl 54 H20

ferripyrophosphaat natriumchloride water

908

3 X 446 — 1338 Dln, Natriumpyrophosphaat correspondeeren met 2 X S41 = 1082 dln. ferrichloride; 54 dln. pyrophosphaat dus met 43.67 ferrichloride, overeenkomende met 43.67 X 3 = 58.23 dln. ferrichloride-oplossing. Eene zeer geringe overmaat ferrichloride is dus aanwezig. Overigens is eene juiste verhouding van beide zouten bij de bereiding noodzakelijk, daar ferripyrophosphaat vooral in eene oplossing van natriumpyrophosphaat oplosbaar is. Het gevormde, amorphe, witte neêrslag wordt op een filter verzameld en zóó lang met koud water, waarin het onoplosbaar is, uitgewasschen, totdat in het filtraat met zilvernitraat geene troe-beling meer ontstaat.

Plet ammoniumcitraat wordt bereid door neutralisatie eener oplossing van citroenzuur met ammonia,

(C«PI807 H20) 3 NH3 = (NH4)3(C6H507) -f H20

citroenzuur ammoniak ammoniumcitraat water

2IO 51 243

210 Dln. Citroenzuur worden geneutraliseerd door 5 1 dln. ammoniak, d. i. ongeveer 510 dln. ammonia; 20 dln. citroenzuur dus door ongeveer 48.6 dln. ammonia. De Ph. laat ammonia bijvoegen tot zwak alkalische reactie, eene geringe overmaat dus, welke

\') Zio blz. 23 en 03.

-ocr page 346-

720

steeds aanwezig moet zijn, ten einde het ammoniumcitraat, dat bij verwarming neiging bezit zich te dissocieeren en als oplosmiddel voor het ferripyrophosphaat moet dienen, als zoodanig te behouden. Bovendien verhoogt ammonia de oplosbaarheid van het ijzerzout, wijl het ook daarin oplosbaar is, en schaadt overmaat niet, daar deze bij de volgende bewerking, uitdamping en droging aan de lucht, weder verdwijnt.

In de zwak ammoniakale citroenzuur-oplossing wordt het nog vochtige, niet gedroogde ferripyrophosphaat gebracht, waarna men het mengsel bij eene zachte warmte laat trekken, totdat, desnoods weder onder toevoeging van een weinig ammonia, de vloeistof helder is geworden, waarna zij, zoo noodig, wordt gefiltreerd en op een waterbad zacht uitgedampt, totdat 120 dln. zijn overgebleven in den vorm eener heldere vloeistof van stroopachtige consistentie. Deze vloeistof, waaraan, zoo zij niet volkomen helder is en voor alle zekerheid, nog weder eene geringe hoeveelheid ammonia wordt toegevoegd, wordt ten slotte in dunne lagen op glazen platen of porseleinen schotels uitgestreken en bij zeer zachte warmte, hoogstens 50°, gedroogd, waarna de verkregen schubben of plaatjes, die gemakkelijk loslaten, worden verzameld.

1338 Dln. Natriumpyrophosphaat leveren 908 dln. ferripyrophosphaat; 54 dln. natriumzout dus 36.6 dln, ferri-zout. 210 Dln. Citroenzuur correspondeeren met 243 dln. ammoniumcitraat; 20 dln. zuur dus met 23.1 dln. citraat. Het preparaat der Ph. is dus te beschouwen als een mengsel van ongeveer 1.6 dln. ferripyrophosphaat en 1 dl. ammoniumcitraat.

Eigenschappen. Geelgroene, doorschijnende schubben of plaatjes zonder reuk en met nauw merkbaren, samentrekkende!!, eenigszins zuurachtigen smaak, welke door hitte verkolen en met zwak zure reactie gemakkelijk in water (2), niet in spiritus oplosbaar zijn.

De oplossing in water (1 = 20) wordt door ammonia bruin gekleurd, doch niet geprecipiteerd. Natronloog echter doet een roodbruin neerslag van ferrihydroxyde ontstaan, waarbij, vooral bij verwarming, tevens de reuk naar ammoniak merkbaar wordt. Door kaliumferrocyanide wordt de oplossing blauw; na toevoeging van verdund chloorwaterstofzuur ontstaat daarmede een blauw neerslag en wordt zij door kaliumsulfocyanide rood gekleurd.

Van den neêrslag met natronloog afgefiltreerd en met salpeterzuur geneutraliseerd, geeft de vloeistof met zilvernitraat een wit neêrslag

-ocr page 347-

T

I

72 I

van zilverpyrophosphaat en -citraat, oplosbaar in ammonia en salpeterzuur; met magnesiumsulfaat, zoo noodig na koking, een wit neerslag van magnesiumpyrophosphaat en, na met overmaat van kalkwater vermengd en van het ontstane precipitaat afgefiltreerd te zijn, bij verwarming een neêrslag van calciumcitraat, dat bij bekoeling wederom oplost.

Onderzoek.

1°. Geelgroene plaatjes. In onderscheid met ferricitraat, dat in granaatroode, en met ferri-ammoniumcitraat, dat in bruinrood-gele plaatjes voorkomt.

2°. doorschijnende plaatjes. Bij langere bewaring aan lucht en licht worden de plaatjes, onder verlies van ammoniak en gedeeltelijke reductie tot ferro-zout ten koste van het citroenzuur, min of meer ondoorschijnend, wankleurig en gedeeltelijk onoplosbaar in water. Het preparaat moet derhalve in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard worden.

30. die een zure oplossing geven. In onderscheid met ferri-ammoniumcitraat, dat neutraal reageert.

40. die door ammonia donkerder, doch niet neergeslagen wordt. Een roodbruin neêrslag met ammonia zou wijzen op aanwezigheid van andere, anorganische ferri-zouten.

5°. verder door kalimnferricyanide blauio wordt en dan, na toevoeging van eenig verdiend chloonvater stof zuur, een blamv neerslag geeft. De bedoeling der l\'h. zal, in plaats van kaliumfem-cyanide, kalium ferricyanide zijn, daar blauwkleuring en neêrslag met het eerste zouden wijzen op aanwezigheid van ferro-zout.

6°. Natronloog doet den renk van ammoniak benterkbaar worden. In onderscheid met ferricitraat.

7°. Het gefiltreerde vocht geefty na met verdund salpeterzuur geneutraliseerd te zijn, niet zilvernitraat een wit neerslag. In onderscheid met phosphaat, dat daarmede een geel neêrslag geeft.

8°. dat in salpeterzuur bijna volkomen oplosbaar moet zijn. Afwezigheid van chloride, dat met zilvernitraat eveneens een in ammonia oplosbaar, wit neêrslag van zilverchloride geeft, dat echter onoplosbaar is in salpeterzuur. Sporen worden toegestaan.

90. Een oplossing van 200 mG. Ferripyrophosphaat met Ammo-ninmeitraat in 80 eM3. water en 40 cM%. chloorwaterstof zuur moet, na tot 50° verwarmd en met 10 ril/3, kalinvijodide-oplossing (1 = 10) vennengd te zijn, 5.0—5.3 eM*. volumetrisch thiosulfaat

i

1 h.fj

Hl

1

Uil f

mm tel

\'Hi f f

Pil

fili I É

II

li\'

m • t\'i,

m

wil

1 )|

m

II

«I

; -\'ü

- \'V,

-ocr page 348-

/22

ter ontkleuring vereisehen, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 14—14.8 pet. Ijzer. Volumetrisch Thiosulfaat bevat per 1000 cM3. 24.8 Grm. thiosulfaat; in 5.0—5.3 cM3. is dus vervat 0.124—0.13144 Grm. 496 Grm. Thiosulfaat correspondeeren met 254 Grm. jodium en deze weór met 112 Grm. Ijzer; o. 124—0.13144

112

Grm. thiosulfaat correspondeert dus met (0.124—o. r 3 r44) X ^5quot;

= 0,028—0.02968 Grm. Ijzer, vervat in 200 mG. van het Zout, d i. dus 14 14.84 pet. 1).

908 dln. Ferripyrophosphaat bevatten 4 Fe = 4X56 = 224 dln. Ijzer; 36.6 dln. ferrizout, waaruit 36.6 -f- 23.1 = 59.7 dln. van

het preparaat bestaan, bevatten derhalve ongeveer 9 dln. Ijzer.

9

Met preparaat kan dus ongeveer X 100 = IS Pctlt; IJzer

bevatten. Daar echter het watergehalte door de wijze van drogen een weinig varieert, is het Ijzer-gehalte niet constant en kan dit derhalve een weinig minder bedragen.

P Y R O P H O S P H AS N A T R I C U S.

N A T RI U M PYROPHOSPHAA T.

Kleurlooze, doorschijnende, glanzende, niet verweerende kristallen, die in 14 deelen water oplosbaar zijn en een niet lichtgevende vlam blijvend geel kleuren.

De oplossing in water (1 = 20) is alkalisch en wordt door toevoeging van zilvernitraat neutraal, terwijl een wit neêrslag ontstaat, dat in salpeterzuur geheel of bijna geheel moet oplossen.

De oplossing in water (1 = 20) mag, na met chloonvaterstofzuur zuur gemaakt te zijn, door baryumchloride slechts weinig troebel en door zwavelwaterstof, ook na met ammonia oververzadigd te zijn, niet troebel of gekleurd worden.

Door 2 Grm. Natriumpyrophosphaat met 10 cM3. verdund zwavelzuur en een stukje zink samen te brengen onder de voorwaarden, bij chloor-waterstofzuur vermeld, mag de plek, met het zilvernitraat (1 == 2) bevochtigd, zelfs na 15 minuten niet gekleurd worden.

\') Zie verder over deze Uzer-bepaling bij cCliloretum f\'erricum et Cliloretum ammo-nicum », blz. 183.

-ocr page 349-

723

Samenstelling. Na^O1 ioIPO

Het natriumzout van het pyro-phosphorzuur, II41)J07 \'); de vier atomen waterstof zijn hierin vervangen door vier atomen van het éénwaardige metaal natrium.

Het Zout bevat tien molec. kristalwater.

Bereiding. Natriumpyrophosphaat ontstaat bij verhitting tot 250° van rfmatriumphosphaat of natrium(;«^«ö)hydrophosphaat, het natriumphosphaat der Ph.

2 Na2HP04 = Na^P\'O7 HJ0

dinatrium natrium water

pliosphaat pyrophospliaat

Natriumphosphaat wordt op het waterbad uitgedroogd, waardoor het zijn kristalwater verliest, en daarna in een hessischen kroes zóólang tot zwak roodgloeien verhit, totdat eene uitgenomen proef door ziivernitraat niet meer geel, doch zuiver wit wordt geprecipiteerd. Na bekoeling wordt het Zout in warm water opgelost, gefiltreerd en door herhaalde uitdamping tot kristallisatie gebracht.

Eigenschappen. Kleurlooze, doorschijnende, glinsterende, niet-verweerende, zwak alkalische, plaatvormige of bladerige kristallen, die bij zachte verwarming, zonder te smelten, hun kristalwater verliezen, bij verdere verwarming smelten en bij bekoeling eene vaste, doorschijnende, bladerig-kristallijne massa geven. Zij zijn gemakkelijk oplosbaar in koud (9.2) en warm (1) water, onoplosbaar in spiritus.

Het Zout kleurt een niet lichtende vlam blijvend en sterk geel.— De oplossing in water geeft met zilvernitraat een wit, in ammonia en salpeterzuur oplosbaar neérslag van zilverpyrophosphaat, doch wordt, met ammonia oververzadigd, door magnesiamixtuur niet neergeslagen 2).

Onderzoek.

1°. doorschijnende, glanzende, niet verzveerende kristallen. In tegenstelling van het ^\'natriumphosphaat {wairmmmonohydrophos-phaat), het natriumphosphaat der Ph.

1

u 11 r (zie bl/.. 34), dat met ziivernitraat eveneens een wit en met magnesiamixtuur geen neérslag geeft, onderscheidt zich van do beide andere phosphorzuren daardoor, dat het in vrijen toestand eiwit coa^uleert, wat de beide andere zuren niet doen.

-ocr page 350-

/24

2°. en een niet lichtgevende vlam blijvend geel kleuren. Bij verontreiniging met ka 1 iu ni zout zou de vlam, vooral door kobalt-glas gezien, in den aanvang violetrood gekleurd zijn.

3°. De oplossing in water (i = 20) is alkalisch en wordt door toevoeging van zilver nitraat neutraal. In onderscheid met het natriumphosphaat der Ph., dat eveneens alkalisch reageert, doch waarvan de oplossing met zilvernitraat zuur wordt door afscheiding van vrij salpeterzuur.

40. terwijl een wit neerslag ontstaat. In onderscheid met p hesp haat, dat daarmede een geel neerslag geeft.

50. dat in salpeterzuur geheel of bijna geheel moet oplossen. Afwezigheid van chloride \'). Sporen worden toegestaan.

6°. De oplossing in water (1 = 20) mag, na met chloorwater-stofziiur zuur gemaakt te zijn, door baryuniehloridc slechts weinig troebel worden. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan

70. en door zwavehva ter stof, ook na niet ammonia oververzadigd te zijn, niet troebel of gekleurd worden. Afwezigheid van zware metalen.

8°. Door 2 Grin. Natriumpyrophosphaat met 10 c 11 *. verdund zwavelzuur en een stukje zink samen te brengen onder de voorwaarden, bij chloorwa ter stof zuur vermeld, mag de plek, met het zilver nitraat (1 = 2) bevochtigd, zelfs na 15 minuten niet gekleurd worden. Reactie op ars en ik. Zie verder bij „Acidum hydro-chloricum.quot;

\') Zie blz. 721 sub 8°).

gt;) Hierbij mag gceno opbruising plaats hebben, wat op c a r b 0 n a a t zou wijzen. Zuurmaking is noodig, wijl pyrophospliaat mot baryumchloride eveneens een neerslag geeft, dat echter 111 zoutzuur oplosbaar is.

-ocr page 351-

725

1 .ff

RADIX A L T H A E A E.

A L T H A E A W O R T E L.

De eenjarige wortel of de bij wortels van Althaea o f f i c i n a li s L., na opgegraven te zijn terstond van takjes, wortel vezeltjes en de beide buitenste lagen van den bast ontdaan.

Penvormig of rolrond, i decimeter of meer lang, tot 2 centimeter dik, somtijds overlangs gehalveerd, vleezig; van huiten witachtig, zeer fijn kortvezelig, met eenigszins bruine litteekentjes voorzien, van binnen .vit; de breuk van de binnenste bastlaag langvezelig van de kern oneffen-korrelig. Reuk zwak; smaak flauw, slijmerig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: 35 pet. slijm; 37 pet. zetmeel; 11 pet. pectine; 10 pet. suiker; 0.8—2 pet. aspa-ragine1); 1 pet. vet; 8 pet. eiwit; zouten (kalium-, ealcium-en magnesium malaat, -oxalaat, -sulfaat en vooral -phosphaat), leverende 4.8 pet. aseh.

Afkomst. De wortel wordt, evenals de vroeger besproken bladen ï), verzameld van Althaea officinalis L., een tot de familie der Malvaceae behoorend, overblijvend kruid, dat door geheel Europa en ook bij ons in \'t wild, vooral op ziltige gronden voorkomt. In het eerste levensjaar ontwikkelt zich aan de plant een penvormige, vooral naar beneden vertakte wortel, waarvan het wortelhoofd zich in de volgende jaren vervormt tot een korten, dikken, rolronden wortelstok, die verscheidene vleezige bijwortels draagt.

Bij ons te lande wordt in November van het eerste levensjaar de nog vleezige, grijsgeelaehtige penwortel van voor pharmaceutisch gebruik gekweekte exemplaren verzameld, terstond afgewasschen, de dunnere vertakkingen afgesneden en, nadat de hoofdwortel

\') A s para g 1 n e, het amide van aspafarjinczuur o( aniidobarnsleenzuuranücl,

CMI^NH») : cqqii\' ll\'O, een zeer gewoon plantenbestanddeel, behalve in Allhaea-

en Zoelhoutwortel ook in asperges, aardappelen, jong onlkiemende graankorrels, vooral in planten van erwten en boonen vóór den bloeitijd voorkomende, vormt groote, kleuren smaaklooze (links-A.) of zoete (reohts-A.) kristallen, moeilijk oplosbaar inwater(47), onoplosbaar in spiritus, met zuren on basen zouten vormende en, met zuren of alkaliën gekookt, ammoniak en asparaginezuur, bij gisting melk- en boterzuur leverende. \') Zie blz, 330.

i lt;sgt;

lil? ill

li te

1

kquot; Hm va

1 II

1 1

I

1

47

-ocr page 352-

726

somtijds in twee helften is gekliefd, afgeschraapt, gedeeltelijk geschild en ten slotte spoedig gedroogd (4 = 1). Somtijds wordt de wortel ook uit Duitschland en België bij ons ingevoerd.

Onderzoek.

1°. De eenjarige wortel of de bijwortels van Althaea officinalis L. De bij ons gezamelde wortel wordt gewoonlijk niet vervalscht. Onder den Duitschen komen soms voor de wortels van:

a. A. narbon ensis Cav. De wortel is dikker en houtig er en vertoont op doorsnede afwisselend gele en witte kringen.

b. A. rosea L. De wortel is dikker, houtiger, geelachtig, grof-vezelig, taaier.

2°. De eenjarige wortel of de bijwortels. Penvormig of rolrond, 1 decimeter of meer lang, tot 2 centimeter dik, somtijds overlangs gehalveerd. De hoofdwortel is penvormig; de dikkere bijwortels zijn rolrond. Beide, R Alth. major en minor, mogen gemengd gebruikt worden; niet echter de dunnere worteltakjes, noch de dikkere, oudere wortels, die aan hun breedste uiteinde voorzien zijn van wortelhoofden, waaraan dicht opeengedrongen, rondloo-pende rimpels en litteekens van afgesneden worteltakjes, noch de vleezige bijwortels der verhouten wortelstokken of deze zelve.

De Duitse he A-wortel wordt van tweejarige planten verzameld en is daardoor minstens 2 dM. lang, minstens 1.5 cM. dik, minder slijmig, vezeliger en aan het dikkere uiteinde knoestig.

De Belgische A. geldt als armer aan slijm, daarentegen rijker aan zetmeel

30. vleezig; van buiten witachtig, zeer fijn kor tv e ze lig % met e enigs zins bruine litteekentjes voorzien, van binnen wit; de breuk van de binnenste bastlaag langvezelig, van de kern oneffen korrelig. De kleur van den gedroogden wortel is grijsbruin, door het afschrapen der buitenste lagen echter wit, door losgeraakt zetmeel eenigszins melig bestoven en door losgeraakte bastcellen zeer fijn kortvezelig, dikwijls met hier en daar minder goed afgeschraapte, nog vuilgrijze of lichtbruine plekjes of litteekens van bij wortels en wortelvezels. Gele of bruine wortels moeten verworpen wol den, hoe witter de oppervlakte, des te beter geldt de wortel \'). Voorts moeten zij goed droog, doch nog week, vleezig, buigbaar, niet hard of houtig, doch vezelig en niet voos bij het doorbreken zijn.

40. Reuk zwak; smaak flauw, slijmerig. A.-wortel moet goed

1) Somtijds is bedriegelijk de witte kleur door kalk of kalkmelk verhoogd geworden.

-ocr page 353-

727

gedroogd in gesloten flesschen of blikken bussen tegen vocht worden bewaard, ten einde bederf en in verband daarmede ontleding der bestanddeelen, vooral der asparagine tegen te gaan, waardoor een onaangename, ammoniakale of min of meer naar boterzuur zweemende reuk zou ontstaan. Het aftreksel van den wortel moet zoo goed als reukloos, flauw en slijmig van smaak en hoogstens geelachtig, niet geel gekleurd zijn.

RADIX CALUMBA.

CALUM BA WORTEL.

De bijwortels van lateorrhiza Calumba Miers, in dwarse schijven gesneden.

Bijkans cirkelronde, 3 tot 8 centimeter breede, ongeveer i centimeter dikke, geelachtige, vaste, broze schijven. Bast uitwendig rimpelig, grijsbruin, inwendig geelbruin; kern bleek citroengeel, aan beide zijden gewoonlijk oneffen ingedrukt, door een donkerder gekleurden cambiura-ring van den bast gescheiden. Aan beide zijden der schijven onderscheidt men 3 of 4 gordels, die vooral in sterkte van kleur van elkander verschillen en alle door bruine, gestippelde stralen doorloopen worden. Smaak zeer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1° 0.5—0.8 pet. c o 1 u m b i ne (co 1 u m bo b i t ter), C1\'H1\'O7, neutrale, kleurlooze, doorschijnende, reuklooze, bittere, naald- of zuilvormige kristallen, bijna onoplosbaar in water, moeilijk oplosbaar in kouden, gemakkelijk in warmen spiritus en aether, met donkerroode kleur oplosbaar in zwavelzuur.

2®. ongeveer 2.5 pet. berberine, (C20H17NO4)i -fquot; 9^*0, een zwak alkaloïde, kristalliseerende in neutrale, donkergele, glinsterende, reuklooze, bittere naalden, bij ongeveer 140° smeltende tot eene bruine, harsachtige massa, onoplosbaar in koud, gemakkelijk oplosbaar in warm water, mede oplosbaar in kouden spiritus, gemakkelijker in warmen, niet in aether, zwavelkoolstof en petroleumaether, weinig in benzol. De oplossingen bezitten eene gele tot geelbruine kleur. Met zuren vormt het kristallijne, gewoonlijk goudgeel gekleurde, bittere, in water gemakkelijk oplosbare zouten.

-ocr page 354-

728

Salpeterzuur lost het op met vuil-olijfgroene kleur, welke spoedig in donkerrood overgaat. De waterige oplossing (i = 300) wordt door chloor- en broomwater bloedrood gekleurd. Met joodoplossing in overmaat scheiden zich uit eene alcoholische berberine-zout-oplossing groen glinsterende, roodbruin doorschijnende naalden of blaadjes van joodberberinehydrojodide af.

Bij inwerking van zink en zwavelzuur onder zachte verwarming wordt de geel gekleurde, waterige oplossing door vorming van hydroberberine langzamerhand ontkleurd; door haar daarna in salpeterzuur te droppelen en te schudden, wordt zij weder rood of geelrood gekleurd.

30. columbozuur, CïlH:i2O0 i j-H20, een amorph, zuur reageerend, stroogeel, bitter poeder, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus, onoplosbaar in aether.

Voorts: ongeveer 30 pet. zet meel, gom, pectine en zouten, waaronder calciumoxalaat en kaliumnitraat, leverende ongeveer 6 pet. asch.

Afkomst. De wortel is afkomstig van Iateorrhiza Cal u mba Miers (Cocculus pal mat us DC = Menispermum palmatum Lam.), eene overblijvende slingerplant uit de familie der Menispermaceae, inheemsch in de bosschen van Z.-O.-Afrika ter hoogte van de kust van Mozambique tusschen lbo en de Zambesi, ook gekweekt op de eilanden Mauritius en de Sechellen van den Indischen Oceaan en op de Malabarkust.

Het onderaardsche gedeelte van deze plant bestaat uit een kort, onregelmatig, vleezig wortelhoofd, waaruit onderscheidene 2—2.5 0f meer dM. lange, gebogen, min of meer gelede, bijna raapvormig verdikte, vleezige wortels ontspruiten, slechts weinig en kort vertakt.

In Maart, het droge jaargetijde, worden deze door de inboorlingen uitgegraven, aan touwen opgehangen, in schijven gesneden en in de schaduw gedroogd. Bij dit drogen heeft verschil in vochtverlies tusschen de onderscheidene weefsellagen plaats, in dien zin dat het binnenste, vleeziger gedeelte meer vocht verliest en daardoor sterker inkrimpt dan de buitenste lagen, waardoor de schijven binnenwaarts verdiept, soms in het centrum weder ietwat gewelfd, oneffen, ruw van oppervlakte zijn en een opgeworpen rand vertoonen. Men acht voorts de schijven geschikt, om in den handel te worden gebracht, zoodra zij na droging met eene korte breuk door-

-ocr page 355-

729

geknapt kunnen worden, terwijl weeke of zwart gekleurde schijven worden verworpen.

Zij worden verder van uit Zanzibar, Mozambique, deSechellen, enz. in matten balen rechtstreeks of over Bombay en andere Indische havens naar Europa verzonden.

Onderzoek.

1°. De bijwortels van lateorrhiza Calumba Miers. Als vervalschingen gelden de schijven van:

a. den wortel van Frasera carolinensis Walter (Radix Fraserae s. Calumba spuria vel americana). Schijven vaalgeel of oranjekleurig, zeer licht, duf riekend. Bast en kern niet door een donkeren ring van elkander gescheiden; houtkern ongestraald. Smaak minder bitter, tevens eenigszins zoetachtig. Bevat geen zetmeel en geeft dus met jodium geene blauwe verkleuring, doch bevat looizuur en wordt door ferri-zout blauwgroen gekleurd.

b. den stengel van C o c c i n i u m fenestratum C o 1 e b r. (C a 1 u m b a - h o u t). Schijven hcutig, veel vaster, harder en gladder, in het midden niet ingedrukt. Bevat veel minder zetmeel.

c. den wortel van Bryonia alba L. en B. dioicaj. (Radix Bryoniae). Eigenlijk wit of lichtbruin, wordt deze door infusie van Curcuma-, Calumba- of Gentiaanwortel geel gekleurd. Schijven in het midden niet ingedrukt. Bastgedeelte zeer gering. Aantal concentrische kringen , gordels , talrijk, met zeer vele stralen doorkruist. Zetmeel 3-5 maal kleiner.

2°. in dunne schijven gesneden. In den groothandel komen onder de schijven, behalve enkele grootere, overlangs gehalveerde stukken, ook kleinere, gave, cilindrische en langere, spilvormige stukken voor.

30. Bijkans cirkelronde, 3 tot 8 centimeter breede, ongeveer 1 centimeter dikke schijven. De opgegeven breedte sluit het gebruik uit van cirkelronde schijven van geringeren omvang, welke ook wel onder de handelswaar voorkomen.

40. vaste, broze schijven. Aangevreten , wormstekige, doorboorde of holle, alsmede houtige of bruin geworden schijven mogen niet gebruikt worden. Zij moeten, goed gedroogd, van stof bevrijd en liefst gesneden , in goed gesloten blikken bussen bewaard worden.

-ocr page 356-

730

RADIX ET HERBA TARAXACI REGENTES.

VERSCHE TARAXACUMWORTEL EN -KRUID.

De versche onder en boven den grond groeiende dealen van T a r a-xacum officinale Wigg., in het begin der lente vóór het bloeien verzameld.

Bij verwonding melksap ontlastend. — Wortel penvormig, 2 of meer decimeter lang, tot 2 centimeter dik, niet of weinig vertakt, vleezig, uitwendig lichter of donkerder bruin, met een breeden, melkwitten, buitenwaarts sponzigen, binnenwaarts concentrisch fgegordelden bast en een citroengele, poreuze, merglooze kern; bitter, zoetachtig, slijmerig van smaak, liladen rozetvormend, 2 of meer decimeter lang, langwerpig of langwerpig-omgekeerd-eirond, gesteeld, spits, ongelijk- en spits-schaafswijs-ingesneden , met driehoekige, spitse, getande lobben. Smaak eerst zoet, later bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. melksap, in het begin der lente ruim voorhanden, langzamerhand in hoeveelheid afnemende, in den herfst nagenoeg ontbrekende, zeer bitter, in verschen staat zuiver wit, neutraal, aan de lucht zich roodachtig-bruin kleurende en spoedig zuur wordende, ten slotte stollende tot eene bruinachtige, korrelige massa (leontodonium). Het bevat a. eene amorphe bitterstof, tara-xacine, en b. eene kristallijne, niet bittere, waschachtige stof, taraxacerine, C8H1GO.

2°. inuline, in het begin der lente zeer weinig (1.7 pet), in den herfst in den wortel ruim (20—24 pet.) voorhanden , CeH1 0O5 -|-x H,0, een koolhydraat in den vorm van een wit, zetmeelachtig poeder, bestaande uit structuurlooze korrels, of eene dofwitte, hoornachtige massa, reuk- en smaakloos, weinig oplosbaar in koud, gemakkelijk in warm water, bijna onoplosbaar in spiritus, onoplosbaar in aether. De oplossing in kokend water vormt bij bekoeling geen stijfsel, wordt door jodium geel gekleurd en reduceert Fehling\'s proefvocht niet.

30. Ie vul ine, in tegenstelling van inuline in het begin der lente ruim voorhanden (18.7 pet,), (C6H10Or\')11, een amorph, poedervormig, bygroscopisch koolhydraat, van inuline onderscheiden door gemakkelijke oplosbaarheid in water.

Voorts druivesuiker, eveneens in het begin der lente meer

-ocr page 357-

73i

(ly pet.) voorhanden dan in den herfst; \'s winters in den wortel zetmeel (?); in de bladen in os iet; eiwit- enpectinestoffen; sporen looizuur; zouten, waaronder veel kalium- en calcium-verbindingen , leverende de wortel in het begin der lente 5—7 pet., in den herfst 5.5 pet. asch.

Afkomst. Taraxacum o f fi ci n ale Wigge rs (Leo n to d o n Taraxacum L., Taraxacum Dens Leonis Desf.), behoo-rende tot de familie der Compositae, is eene door geheel Europa, N.- en M.-Azië alsmede in N.-Amerika gevonden kruidachtige, overblijvende plant, die ook bij ons op laag gelegen gronden langs wegen, op bouw- en weiland veelvuldig in \'t wild als onkruid voorkomt en voor pharmaceutisch gebruik wordt gekweekt.

Kunnen naar gelang der groeiplaatsen de boven den grond spruitende deelen dezer plant zich eenigszins gewijzigd voordoen, vooral de bestanddeelen en de hoeveelheden daarvan staan onder den invloed van den aard des bodems niet alleen, doch wisselen ook met den tijd des jaars. Zoo is de bittere smaak der plant bij wortels uit schrale gronden krachtiger dan bij die uit vette bodems en het sterkst en zuiverst vóór en na het bloeien. De wortel zoowel als de bladen en de bloemstengel laten dan ook in het voorjaar bij de minste beleediging een wit melksap vloeien en bevatten, vooral in den bloeitijd, meer druivesuiker, daarentegen weinig inuline, terwijl in den herfst de wortel het rijkst is aan bittere bestanddeelen en aan inuline, en het melksap alsdan nagenoeg geheel verdwenen is. Daar nu voor het uit de plant te bereiden extract hoofdzakelijk waarde wordt gehecht aan het melksap en de voornamelijk werkzame stof, de taraxacine, in het voorjaar het rijkst daarin aanwezig is, moet de plant vroeg in het voorjaar verzameld worden, in Maart, d. i. vóór den bloei, die bij ons in April tot laat in den herfst duurt. De Ph. schrijft dit dan ook voor en laat voorts daarom de beschrijving der niet te bezigen bloemstengels en bloemen achterwege.

De inzameling geschiedt bij ons voornamelijk van in \'t wild groeiende planten door uitgraving, waarbij moet worden zorg gedragen, dat de bestanddeelen, wortel en stengel, nog onderling samenhangend verzameld worden, wijl beleediging of scheuring daarvan verlies aan melksap zou teweeg brengen. Na ten slotte van aanhangende onzuiverheden door afwassching te zijn ontdaan, wordt de plant terstond ter extract-bereiding gebruikt.

-ocr page 358-

732

Onderzoek.

i0. De onder en boven den grond groeiende deelen van Taraxacum officinale Wigg. Als verwisseling wordt genoemd C i c h o r i u m I n t y b u s L. Wortel bast niet concentrisch gegorde ld, evenals de kern, gestraald Bladen met langwerpige lobben, scherp-r uw harig.

2°. Bij verwonding melksap ontlastend. Is de inzameling latei-geschied dan is voorgeschreven, dan zal, en wel in \'t bijzonder uit den wortel, bij verwonding niet terstond melksap uitvloeien. Oudere wortels zijn dikwerf inwendig voos.

RADIX G E L S E M11.

G E L S E MIU M W O R T E L.

De in den grond verborgen deelen van Gelsemiu m nitidum Mich.

Wortels en wortelstokken, in verschillende verhoudingen dooreen-gemengd, bijkans rolrond, meer of minder bochtig, tot 2 decimeter lang, tot 1.5 centimeter dik, lichtbruin of aardkleurig, doorgaans in kleine stukken gesneden. De kern, die er het grootste deel van uitmaakt, bestaat uit afwisselende stralen; witte en dichtere, en zeer lichtgele, bijzonder poreuze, naar buiten afgeronde. Zij is door een bruinen bast omhuld en omgeeft zelve in de stukken van den wortelstok een wit merg. Reukloos; smaak bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

i0. ongeveer 0.5 pet. gelsemine, C2lH28N2ü4, een poeder-vormig kristallijn, kleurloos, zeer bitter en vergiftig alkaloïde, bij 450 smeltende, moeilijk oplosbaar in water, beter in spiritus, gemakkelijk in aether en in chloroform. Zwavelzuur lost het op met groenachtig-gele kleur, die door kaliumbichromaat in rood, violet en ten slotte blauwachtig-groen overgaat \'). De zwavelzure oplossing wordt door ceriumdihydroxyde kersrood J), door suiker roodblauw gekleurd. Kaliumferricyanide met ferrichloride geeft een blauw precipitaat 3).

2°. gelseminine, CJ2H26N203, een kristalliseerbaar, kleurloos alkaloïde, dat bij 120° onder gedeeltelijke ontleding smelt.

\') Zie blz, 545. ») Zie blz. 044. ) Zie blz. 437.

-ocr page 359-

733

3°. gelsemiumzuur, identisch(?) metcesculine, C1 sH10O9 Ij-IHPO, kleur- en reuklooze, bittere, glinsterende, in oplossing zuur reageerende en in alkalische oplossing sterk fluoresceerende kristallen, bij i6o0 smeltende, moeilijk oplosbaar in koud water en kouden spiritus, gemakkelijk in warm water en warmen spiritus, weinig in aether. De oplossing in weinig salpeterzuur wordt door ammonia donker bloedrood, de zwavelzure oplossing door natriumhypochloriet allengs violet, de waterige oplossing door chloonvater rose gekleurd.

Voorts eene kamferachtige stof, hars, vet, enz.

Afkomst. Gelsemiumwortel is afkomstig van Gelsemium nitidum Mich. (G. sempervirens A it.), eene tot de familie der Apocynaceae behoorende, op vochtige plaatsen in de zuidelijke Staten van Noord-Amerika groeiende struik. De onder den grond groeiende deelen, bestaande uit wortels en wortelstokken, worden na inzameling, droging en, na doorgaans dwars of overlangs doorgesneden, soms zelfs in kleine stukjes verdeeld te zijn, van daar uit verzonden.

De wortels en wortelstokken komen in verschillende verhoudingen dooreengemengd voor, doorgaans in stukken gesneden, tot 2 dM lang en dik, bijna rolrond , hier en daar met lange, dunne, stijve wortelvezels of fragmenten daarvan bezet, taai, houtig, eenigszins bitter van smaak en reukloos. De wortelstukken, meestal dunner en langer, dikwerf meer of minder bochtig, bezitten een zeer dunnen, dof-bruinachtigen bast, eene dichte, geelachtige, klein-poreuze kern, waar doorheen tamelijk uiteenstaande, witte merg-stralen loopen, en geen merg, terwijl de wortelstokken, in meestal dikkere en kortere stukken scheef afgesneden, dikwerf overlangs doorgesneden, van buiten bruin of paarschbruin, dof of eenigszins glanzend, gewoonlijk dicht overlangs gerimpeld, hier en daar ook kort dwarsgespleten zijn en denzelfden bouw vertoonen als de wortels, doch nog een smal, oorspronkelijk wit, door droging bruinachtig merg bezitten.

-ocr page 360-

734

RADIX GENTIANAE.

GENTIAANWORTEL.

De wortels van Gentian a lutea L.

Gedroogd, z.ooals zij in den handel voorkomen, zijn zij niet of schraal vertakt, bovenwaarts somtijds in dikte toegenomen, of ten getale van

2 of 3 met den stengelvoet vereenigd. Zij zijn 4 of meer decimeter lang,

3 of meer centimeter dik, vaak overlangs gehalveerd, soms in kleinere dwarse stukken verdeeld, van buiten geelachtig of eenigszins rosbruin, overlangs grof en onregelmatig gerimpeld, bovenwaarts met opeengedrongen ringen bezet; verder; taai, buigzaam, eenigszins sponzig op de breuk; volkomen droog echter broos en ruw op de breuk; van binnen bruinachtig-rossig of geelroodachtig. De dunne bast is door een donkerder ring van de dikke kern gescheiden. Zetmeel gewoonlijk niet aanwezig. Reuk van de doorgebroken of doorgesneden wortels zoet, als die van gedroogde vijgen; smaak eerst zoetachtig, weldra zeer bitter.

De wortels van Gentianapannonica S c o p., G. punctata L. en G. purpurea L. mogen ook gebruikt worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

10. ongeveer o. 1 pet. gentiopikrine (gentiaanbitter), OWO1eene neutrale, kleurlooze, kristailijne bitterstof, gemakkelijk oplosbaar in water en in verdunden spiritus, niet in aether, die bij zachte verwarming met zwavelzuur fraai karmijnrood wordt gekleurd. Bij koking met verdunde zuren splitst zij zich in amorphe, geelbruine, in water moeilijk oplosbare gentiogenine en suiker,

2°. ongeveer 0.1 pet. gentisine (gentian ine, gentiaan-zuur, gentisinezuur), C,4H10Os, neutrale, lichtgele, reuken smaaklooze, zijdeachtige, lange naalden, weinig oplosbaar in koud en warm water, beter in spiritus, weinig ook in aether, in alkaliën met goudgele kleur oplosbaar.

Voorts veel pectine, 12—15 pet. suiker, 6 pet. vette olie, gom, hars, slijm, 8—9 pet. asch, enz.

Afkomst. Gentiaan wortel is afkomstig van G e nt ia n a luteal-, eene bij ons niet inheemsche, fraaie, overblijvende, kruidachtige plant uit de familie der Gentianaceae, welke op open grasvelden der bergen in Midden en Zuid-Europa groeit.

De wortel behoort tot de z.g. halfwortels. Telken jare schieten uit het dichtst bij de oppervlakte van den grond gelegen gedeelte nieuwe stengels op, zoodat de eigenlijke wortel saamgesmolten is

-ocr page 361-

735

met een onderaardsch gedeelte van den stengel, den stengelvoet, wat ook bij den gedroogden wortel hieruit blijkt, dat deze somtijds, bij de jongere, bovenwaarts in dikte is toegenomen of, bij de oudere wortels, aan het boveneinde één of meer houtige, z.g. wortelhoofden vertoont, vaak knievormig met het overige van de wortels, soms ten getale van twee of drie, verbonden , waarop dicht op elkander gezeten, rondgaande litteekens van afgesneden takjes.

Gewoonlijk wordt de wortel in den herfst van het tweede levensjaar, spoedig na het afvallen der bladen, uitgegraven, vervolgens droog gereinigd en daarna bij gewone temperatuur of sneller in eene stoof gedroogd. De in niet volkomen drogen staat taan, buigzame wortel, die gaarne en spoedig vocht uit de lucht opneemt, wordt, ten einde het drogen te bevorderen, in dwarse stukken of dikwijls overlangs doorgesneden en vertoont door de sterke droging aan de oppervlakte eene grove en onregelmatig overlangsche rimpeling. Hij komt voornamelijk uit Zwitserland, Zuid-Frankrijk of Noord-Italic, uit Havre of Marseille verscheept, in balen in den handel.

Wegens de neiging tot aantrekking van vocht moet Gentiaanwortel in goed gesloten blikken bussen of glazen vaatwerk daartegen bewaard worden

Onderzoek.

1°. De wortels van Gent ia na lutea L. — De wortels van Gent ia na pannonica Scop., G. punctata L. en G. purpurea L. mogen ook gebruikt worden, wijl zij, wat hunne werkzaamheid betreft, in geen enkel beteekenend opzicht van die van G. lutea L, verschillen. Overigens kunnen zij door de volgende kenmerken worden onderscheiden:

a. die van G. pannonica Scop, Korter, 3— 4 dM. lang, en dunner, hoogstens 8—10 mM. dik, van buiten donkerder bruin, overlangs fijner en dichter gerimpeld, alleen het bovenste gedeelte van het wortelhoofd geringd, van binnen geel- of roodachtig-wit.

b. die van G. punctata L. Zeer lange, dikwerf boogvormig gekromde, stomp-vier kante wortelhoofden, die dichten fijn geringd en met bruine, droge schubben bezet zijn. Wortel korter en smaller, van buiten grijsbruin, van binnen lichtgeel oïlieht-roodachtigbruin.

c. die van G. purpurea L. Zeer sterk vertakt wortelhoofd met 8—10 stengelvoeten, dicht met bladschubben bezet. Wortel korter en smaller, van binnen donkerbruin.

-ocr page 362-

736

Daarentegen mogen niet gebruikt worden:

d, de wortelhoofden of bijwortels van G. asclepiadea L.

Een wortelstok, horizontaal of scheef, meestal rolrond en vertakt, gewoonlijk op ééne zijde bultig door in ééne rij geplaatste stengelvoeten, waaraan dikwijls zeer lange en dunne, hoogstens 6 niM. dikke, onvertakte, rolronde, regelmatig overlangs gesleufde, van buiten rood- of geelbruine, zeer houtige bijwortels.

e. die van G. cruciata L , ook bij ons in \'t wild groeiend. Korte, vertakte, veel steviger en taaier, min of meer houtige stukken, van buiten overlangs gerimpeld, liehtbruinrood, van binnen vuilgeel.

Bovendien moeten te houtige, aangevreten of inwendig holle wortelstukken verworpen worden.

2°. van buiten geelachtig of eenigszins rosbruin\\ van binnen bruinachtig-rossig of geelroodachtig. Worden de wortels bij gewone temperatuur gedroogd, dan hebben zij eene roode, snel gedroogd eene gele kleur. Beide leveren eene voldoende hoeveelheid helder oplosbaar extract. Wortels echter, die, .alvorens te drogen, op hoopen zijn gelegd om door gisting eene schoone roode kleur te verkrijgen, mogen niet gebruikt worden, daar zij veel minder, spoedig troebel wordend extract leveren.

RADIX HELE NIL

HELENIUMWORTEL.

De wortel van Inula H e 1 e n i u m L.

Penvormig, hard, bros, bijna i decimeter lang, ongeveer 3 centimeter dik, van groote en kleine takken ontdaan, meest overlangs gehalveerd, met den dicht geringden stengel voet samenhangend. Bast rimpelig, grijs of bruinachtig. De overlangsche doorsnijdingsvlakte des wortels, waarvan het midden overlangs uitpuilt, aschgrauw of bruinachtig, glanzig gestipt. Reuk eigenaardig aromatisch; smaak bitterachtig.

De wortel zij jeugdig, niet houtig.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. alantzuur-anhydride, C\'WO5, kleurlooze, zwak aromatisch riekende, bijna smaaklooze, geheel vluchtige naalden, bij 66° smeltende, weinig oplosbaar in water, zeer gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether.

-ocr page 363-

737

2°. helenine, CnH80, in geringe hoeveelheid het alantzuur-anhydride vergezellende, neutrale, kleur- en reuklooze, bitter-achtige naalden, bij 110° smeltende, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in warmen spiritus en aether.

3°. alantkamfer \'), waarschijnlijk C10H1,!O, in zeer geringe hoeveelheid en moeilijk van helenine te scheiden, eenigszins riekende en smakende naar pepermunt, bij 64° smeltende, evenals helenine moeilijk oplosbaar in water, gemakkelijk in spiritus en aether.

40. alantol, Cl0H,6O, eene vluchtige, aromatisch naar pepermuntolie riekende, bij 200° kokende vloeistof.

5°. i nul ine, in het voorjaar tot 19, in het najaar tot 44 pet.\').

6°. synarthrose (levuline) 2) en 70. inuloïde, zeer gemakkelijk oplosbaar in water, beide dextrine-achtige, waarschijnlijk de inuline vergezellende stoffen.

Voorts bitterstof, eene scherpe weekhars, slijm, eiwitstoffen, suiker, was en kalium- en calciumzouten.

Afkomst. Heleniumwortel is afkomstig van Inula H e 1 e n i u m L., een overblijvend kruid uit de familie der Compositae, dat door geheel Midden- en Zuid-Europa in \'t wild groeit, enkele malen elders, ook bij ons, verwilderd is aangetroffen, doch voor pharmaceutisch gebruik in sommige streken van Zwitserland en Engeland, bij ons in enkele plaatsen van Noord-Holland op zanderige gronden wordt geteeld.

De wortel behoort tot de z.g. halfwortels, zoodat de eigenlijke wortel met het in den grond overblijvende stengelgedeelte, den stengelvoet, waaruit jaarlijks nieuwe stengels ontspruiten, is saam-gegroeid , hetgeen merkbaar is aan de litteekens aan het bovenste, breedere gedeelte met fijne ringen, grootendeels afkomstig van aldaar vroeger bevestigde stengelvoeten. De in verschen staat vleezige, lichtbruine of lichtgele, inwendig witachtige, sterk, min of meer kamferachtig riekende, aromatisch, eenigszins scherp en bitter smakende wortel wordt bij ons gewoonlijk van twee- tot uiterlijk driejarige planten in het voor- of najaar uitgegraven en afgewasschen, daarna oppervlakkig afgeschraapt, van de toppen, vertakkingen, bijwortels, enz. door afsnijding ontdaan, vervolgens gewoonlijk overlangs in twee, soms in drie of vier stukken ver-

\') Volgens sommigen (zie o. a. Fischer, Neuere Arzneiraittel, 1893) zijn helenine en alantkamfer iJentisch.

\') Zie blz. 730.

-ocr page 364-

738

deeld en ten slotte in de zon of in eene stoof zacht gedroogd (4 = i), waardoor hij hard en bros, gerimpeld en vaak min of meer krom, uitwendig grijs of bruinachtig, inwendig vuilwit of aschgrauw wordt, door het ongelijkmatig uitdrogen en inkrimpen vaak van een verheven, afgeronden kam langs het midden der binnenzijde voorzien, terwijl de reuk zeer verandert en alsdan eenigszins zweemt naar dien van Iris-wortel of het hout van Engelsche potlooden (Juniperus virginiana L).

Wijl Heleniumwortel hygroscopisch is en bij vochtaantrekking weder taai en vleezig wordt, moet hij in goed gesloten vaatwerk op eene droge plaats bewaard worden.

Onderzoek.

1°. De wortel van Inula Helenium L. Buitenlandsche soorten daargelaten, die niet zelden in den vorm van dwarse schijven voorkomen, is de voornaamste en door de Ph. bedoelde soort de z.g Noord wijk er. Vroeger werd, meer dan thans, voor extract-bereiding gebezigd de Lange dijker soort wegens haar geringer gehalte aan inuline. Zij onderscheidt zich van de eerste door haar onooglijker, spichtiger, smaller en uitwendig vaak iets donkerder voorkomen.

Overigens komen de geheele wortels als Radix Helenii major, de afgesneden worteluiteinden als Radix Helenii minor en een mengsel van beide als ^ongesorteerdquot; in den handel voor.

20. De wortel zij jeugdig, niet houtig. Bij doorsnijding moet de wortel hoogstens hoornachtig, niet houtig zijn. De Ph. verlangt dus het gebruik van tiueejarige, zooals gewoonlijk te Noordwijk verzameld worden, hoogstens driejarige wortels. Van oudere wortels wordt de kern te hard en te houtig.

RADIX IPECACUANHAE.

IPECACUANHAWORTEL.

De bijwortels van Psychotria Ipecacuanha Mull.

Meestal onvertakt, dikwerf heen en wéér gebogen, tot 15 centimeter lang, tot s millimeter dik. Bast breed, hard, door ongelijke, gezwollen, niet geheel gesloten, gewoonlijk dicht bijeengeplaatste ringen gekenmerkt,

-ocr page 365-

739

die door diepe sleuven gescheiden zijn, van buiten donkerder of lichter grijsachtig-bruin, binnenwaarts witgrijs of bruinachtig, ongestraald; voor een deel is hij gemakkelijk los te maken van de taaie, eenigszins geel-witachtige, houtige kern. De reuk van den bast is, vooral wanneer hij gestampt wordt, duf; zijn smaak is onaangenaam bitter; de kern is reuken smaakloos.

De vloeistof, verkregen door i Grm. bastpoeder met 50 Grm. water te infundeeren en te filtreeren, worde door kaliummercuridjodide sterk troebel.

Ten gebruike worde de bast van de kern bevrijd.

Samenstelling. Hoofdbcstanddeelen:

1°. emetine, ongeveer 1 pot. in de schors, niet of hoogstens spoorsgewijs in de kern, een zeer zwak alkalisch, wit, fijn poeder-vormig, wrang-bitter alkaloïde van nog niet zeker bekende samenstelling, smeltende bij 68°, moeilijk oplosbaar in water, benzol en petroleumaether, gemakkelijk in spiritus, aether, chloroform en zwavelkoolstof Met de meeste alkaloïd-reagentiën als joodoplossing, kaliummercuridjodide, mercurichloride, pikrinezuur en tannine, geeft het een sterk neerslag. 1 cM3. Oplossing van 100 mG. emetine in azijnzuur, tot 10 cM3. verdund en vermengd met 1 cM3. chloorwaterstofzuur, wordt na toevoeging van 10 mG, kalium-chloraat rood gekleurd. Wordt 20 mG. ammoniummolybdaenaat met 5 droppels zwavelzuur saamgewreven en hierop een spoor emetine gestrooid, dan ontstaat eene bruine, in vuilgroen, vooral na toevoeging van één droppel chloorwaterstofzuur spoedig in blauw overgaande kleur \').

2°. ongeveer 0.3 pet. eener vluchtige base, C5HlSNOJ, in de schors aan looizuur gebonden, eene gele, in water fluores-ceerende, bij 120 kristalliseerende vloeistof.

3°. ipecacuanhazu ur, Cl4H807) een amorph, hygrosco-pisch, roodachtig bruin glucoside, nauw verwant aan koffie- en kinalooizuur, sterk bitter van smaak, gemakkelijk oplosbaar in water en spiritus, moeilijk in aether.

\') Volgens Paul on Cow n ley bevat l.-wortel minstens drie alkaloidon, nl.:

a. emetine, waarschijnlijk C1411s 1N01, niet kristailiseerbaar, smeltende bij (i80, zeer weinig oplosbaar in petroleumaether, gemakkelijk in spiritus, aether en chloroform, onoplosbaar in oplossing van bijtende alkaliën.

h. cephaëline, waarschijnlijk Cquot;li2quot;NO1, kristailiseerbaar, smeltende bij 10\'2o, veel meer oplosbaar in petroleumaether, gemakkelijk in spiritus en chloroform, minder in aether, zeer gemakkelijk in oplossing van bijtende alkaliën.

c. geringe hoeveelheden van een derde alkaloïde, kristalliseerende in licht-citroengele, doorschijnende prisma\'s, smeltende bij 138°, zeer weinig oplosbaar in aether, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, chloroform en alkali-oplossing.

-ocr page 366-

74°

4°. ery th rocephaleïne, eene kristalliseerbare, in aether oplosbare kleurstof, die zich met alkaliën purperrood kleurt.

Voorts in de schors ongeveer 30 pet., in de kern ongeveer 7 pet. zetmeel \'), choline, waarschijnlijk identisch met de vluchtige base, ongeveer 5 pet. suiker, gom, hars, vet, tamelijk veel pectine, ongeveer 3 pet. a s c h, enz.

Afkomst. De wortel is afkomstig van Psychotria Ipecacuanha Müll. (Cephaëlis Ipecacuanha Willd.), een overblijvend, 2—4 dM. hoog, halfheesterachtig gewas uit de familie der Rubiaceae, dat in \'t wild groeit in de vochtige en lommerrijke, maagdelijke bosschen van Zuid-Amerika en inzonderheid in de provincie Matto Grosso van Brazilië wordt gezameld, om gewoonlijk over Rio de Janeiro in balen of seroenen naar Europa en wel naar Londen te worden verscheept. Ook is de moederplant naar Britschlndië overgebracht geworden, ten einde door hare kweeking daar den wortel te verzamelen ; intusschen niet met het meest gewenschte gevolg.

Onder aan den rechtopstijgenden, onvertakten stengel dar plant bevindt zich een dicht onder den grond kruipende, dunne, houtige, ronde, knoopige doch overigens effen, ongeringde, donker- of roodbruine wortelstok, waaraan de gewoonlijk onvertakte, met slechts zeer weinig wortelvezels bezette, dikwijls wormvormig gekromde, 5 — 15 cM. lange en gewoonlijk 2—3 mM., hoogstens 5 mM. dikke, aan hun vrij uiteinde smallere bijwortels, in niet groot aantal loodrecht naar beneden groeiende. Ten einde deze te verzamelen, worden de stengels der in bosjes bijeenstaande planten in de eene hand saamgepakt en met de andere de geheele planten uit den grond gestoken en de daarna nog in den bodem achterblijvende, afgescheurde stukjes wortelstok zorgvuldig weder met aarde gedekt, ten einde den groei van nieuwe planten mogelijk te maken. Na van de overige deelen der plant gescheiden te zijn, worden de bijwortels van aarde bevrijd, zoo spoedig mogelijk door zonne hitte edroogd , vervolgens in stukken gebroken , door zifting verder van aarde en zand bevrijd en ten slotte in balen verpakt.

Onderzoek.

i0. De bijwortels van Psychotria Ipecacuanha Müll.

1 Het zetmeel is gewoonlijk samengesteld, bij \'2 of 3 tot in veellallige klompjes samenhangend, waarvan elk bolrond-hoekig korrellje op zich zelf hoogstens eene doorsnede heeft van 0.Ü1 mM.

-ocr page 367-

74i

Deze, de ware, echte I.-wortel, de Rad. Ipecac, brasiliensis s. annulata s. vera mag niet met onechte of valsche I.-wortels verwisseld worden. Zoodanige zijn o. a. de volgende:

(i. Rad. Ipec. granaten sis (Carthagena- of Nieuzv-Granada-l.), Deze wordt langs de oevers van de Magdalena-rivier waarschijnlijk van dezelfde plantensoort of hoogstens van eene verscheidenheid daarvan verzameld en komt nu en dan, in kisten of vaten verpakt, te Londen en te Havre aan de markt. Zij komt in de meeste eigenschappen met de echte overeen, is echter langer en dikker, 6—8 mM. dik, is minder diep knobbelig en. zeer gelijkmatig genngd, van buiten brnin ach tig-gr ijs en bevat iets minder emetine.

b. Rad. Ipec. striata (somtijds ook als Carthagena-l. in den handel komende). Zij wordt in l\'eru en N.-Granada gewonnen van Psychotria emetica Mutis. Soms vertakt, cylindrisch recht of eenigszins heen-en-weer gebogen, tot 10 cM. lang, tot 8 mM. dik. Bast breed, wasachtig hard, fijn of grover overlangs gerimpeld, met uiteenstaande, bijna ringvormige, fijne, dzvarse spleten of wel, in plaats daarvan, met lichtere of diepere insnoeringen, zelden en slechts op enkele plekken met onregelmatige bulten, van buiten grijs- of roodbruinaehtig, binnenwaarts vleeschkleurig tot donkerpaars, met witte stipjes. Smaak zoet door veel suiker, bijna geen zetmeel, veel minder (0.3 pet.) emetine.

c. Rad. Ipec. nigra van onbekende afkomst (misschien van eene R i c h a r d s o n i a-soort), zeldzamer recht, cylindrisch of spil-vormig, meestal heen-en-weer gebogen, veel dunner, 2—4 cM. lang, hoogstens 5 mM. dik. Bast dun, in breedte ongeveer gelijk aan de helft der kern, zeer hard en broos, dicht overlangs gerimpeld, met ring- en half-ringvormige, lichtere en diepere insnoeringen, dikwijls met afwisselend smallere en knol- of peervormig verdikte plekken, zoodat zulke stukken zich min of meer rosekransvorrnig voordoen, van buiten donkerbruin, soms zwartachtig, binnenwaarts donkerbruin tot zwart; gemakkelijk los te maken van de gestraalde , grof poreuze kern. Smaak weinig bitter, eenigszins walgelijk. Zetmeel samengesteld, ongeveer viermaal grooter. Zij bevat minder (0.6 pet.) emetine.

d. Rad. Ipec undulata. Zij wordt in Brazilië gewonnen van Richardson ia scab ra L., is langer, 15 cM. of langer, en dikker, 5 mM. dik. Bast de helft van den wortel breed, hard en broos, niet geringd, doch met diepe, overlangsche sleuven, afwisselend op verschillende zijden gelegen, waardoor de wortel een knoopig of

48

-ocr page 368-

742

gegolfd aanzien heeft, van buiten donkeygrijs of grijsbruin, binnenwaarts witachtig, melig; kern geelachtig, sterk, buigzaam. Reuk aardachtig; smaak jlainv , iets zoet. Zetmeel tweemaal gr ooter. Zij bevat geen of zeer weinig (0.03 pet.) emetine.

e. Rad. Ipec. alba, farinosa s. amylacea. Zij wordt in Brazilië en Mexico gewonnen van Richardson ia scabra St. Mil. of R. emetica Mart. Bast hard doch wrijfbaar, gekenmerkt door ringen, die langer dan breed zijn, van buiten grijs, binnenwaarts witachtig en melig; kern bleekgeel. Smaak niet bitter, ten laatste scherp. Zetmeel enkelvoudig, eirond. Zij bevat hoogstens 0.5 pet. emetine.

ƒ. Rad. Ipec. flava s. al ba-lig no sa (als Ceara-\\. in den handel komende). Zij wordt in Brazilië, Guyana en Venezuela gewonnen van lonidium Ipecacuanha Vent. uit de familie derViolariae, is rolrond, dikwerf wormvormig gekromd, dunner, tot 2 mM. dik. Bast zeer dun of dikker, houtig, meestal zonder dwarse spleten en dwarse rimpels, doch met dichte, overlangsche rimpels, zelden met ringvormige insnoeringen, van buiten bruingeel, binnenwaarts licht roodachtig of wit; kern dikwijls excentrisch, los en lichtgeel. Geen zetmeel, doch vormlooze inuline.

g. Rad. Ipec. cyanophloea (Berg). Oorsprong onbekend. Bast breed, melig, van buiten lichtbruin, binnenwaarts blauw of donkerpaars.

h. Rad. Ipec. rhodophloea (Vogl). Oorsprong onbekend. Bast broos en vrij melig, meestal telkens op afstanden van 24 mM. fijn dwarsgeringd, van buiten roodbruin, binnenwaarts rood-achtig-wit; kern lichtroodachtig, fijn-wit gestraald. Smaak zeer bitter. Veel zetmeel, enkelvoudig, langwerpig.

i. Rad. Ipec. ceylonica (R. Batiatoris), waarschijnlijk van Spermacoce hispida L., op Ceylon en aan den Senegal in plaats van den echten I.-wortel in gebruik, ter grootte eener ravepen, rolrond, rimpelig, grijs.

j. Rad. Ipec. spuria (z.g. gekweekte O.I.-I.), waarschijnlijk afkomstig van C r y t o c o r y n e spiralis uit de familie der A r a c e a e, is gewoonlijk dikker. Bast met ringen, wijder uiteenslaand bij de jongere, dichter aaneenliggend bij oudere wortels, benevens littee-kens van fijne wortelvezels, van buiten bruinachtig-geel, binnenwaarts wit, melig, met harshoudende cellen 1). De bast is moeilijk los

gt;) Deze worden door ecne oplossing van vanilline in chloorwaterstofzuur rood gekleurd.

-ocr page 369-

743

te maken van de gele kern. Reuk afwezig; smaak eerst grondig, daarna scherp en brandend. Zetmeel zeer veel, enkelvoudig, zonder kern of lagen, tamelijk onregelmatig van vorm en minstens tweemaal zoo groot. Zij bevat slechts sporen van emetine, ;/^r suiker.

Somtijds komen onder de handelswaar nog wortelstokstukken voor. Deze moeten als werkeloos daaruit verwijderd worden.

2°. tot 15 centimeter lang, tot 5 millimeter dik. Gewoonlijk komen alleen de kleinere stukken , waarin de bijwortels gebroken zijn, ten gebruike van onze apotheken in den handel. Zij mogen echter niet te gruizig zijn.

30. Bast breed, hard. Men koope liefst dikschorsigen I.-wortel in. Overigens mag de bast niet vochtig of te sterk bestoven zijn.

4°. door ongelijke, gezwollen, niet geheel gesloten, gewoonlijk dicht bijeengeplaatste ringen gekenmerkt, die door diepe sleuven gescheiden zijn. Gewoonlijk telt men zes ringen op elke cM.; soms staan deze zeer dicht bijeen, soms 1—2 mM. van elkander af; nu eens zijn zij door diepe insnoeringen, dan wéér meer oppervlakkig gescheiden. Nu en dan ook komt langs hetzelfde stuk naast een geringd gedeelte eene meer effen of dunnere plek voor.

5°. van btiiten donkerder of lichter grif sac htig-b ruin. Vroeger onderscheidde men naar de kleur bruinen of zwarten, grijzen, grijsbruinen en grijsrooden I. Deze indeeling is echter vervallen, daar de kleur geheel afhangt van den aard van den bodem , den tijd van inzameling, de wijze van droging en reiniging, enz. Intusschen geeft men in \'t algemeen aan den donker gekleurden wortel de voorkeur.

6°. voor een deel is hij gemakkelijk los te maken van de taaie, eenigszins geehvitachtige, houtige kern. Somtijds ligt bij de handelswaar, doordien het ringvormig gedeelte afgesprongen is, de kern der stukken bij gedeelten of geheel bloot. Bij inkoop moeten de wortels nog geheel of voldoende met schors bekleed zijn.

70. De vloeistof, verkregen door 1 Grm. bastpoeder met 50 Grm. water te infundeeren en te jiltreeren, worde door kaliummercurid-jodide sterk troebel. Reactie op de echtheid van den wortel, d. w. z. op de aanwezigheid van eene voldoende hoeveelheid emetine daarin 1).

») In plaats van het zetmeelhoiuiend, waterig aftreksel kan voor ileze reactie en die, op blz. 73!) voor emetine opgegeven, beter gebruik gemaakt worden van liet filtraat, verkregen na schudding van 0.4 Grm. poeder met 16 cM\'. chloorwaterstofzuur en 4 cM3. water.

-ocr page 370-

744

8°. Ten gebruike worde de bast van de kern bevrijd, daar de laatste onwerkzaam is. Bij het stampen van den goed gedroogden wortel moet wegens de irriteerende werking van het verstuivende poeder op de slijmvliezen voorzichtigheid worden betracht.

Daar de werkzaamheid van het poeder door inwerking van lucht en licht verzwakt, moet het in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard worden •).

RADIX JALAPAE.

J A L A r P E W O R T E L.

De bij wortels van E x o g o n i u m J a 1 a p a B a i 11.

Bijna bolvormig, peervormig of langwerpig, doorgaans 3 tot 4 centimeter dik, gaaf, ingesneden of in stukken verdeeld, hard, in water zinkend. Oppervlakte rimpelig-bultig, donker aschkleurig-bruin, vooral tussehen de rimpels zwartachtig. Het inwendige weefsel meel of hoornachtig, aschkleurig, met duidelijk te onderscheiden donkerder, glanzig-gestipte, concentrische gordels. Reuk eigenaardig; smaak eerst flauw,

daarna scherp. , 1 •• u •

Het poeder van Jalappewortel, behandeld op de wijze als bij Kesma

jalapae is voorgeschreven, moet ten minste 10 pet. Hars opleveren.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 6—15 Pct. hars 2).

Voorts tot 18 pet. zetmeel, tot 19 pet. suiker, gom, kleurstof, ongeveer 4 pet. aseh.

aan emetine kan bepaald worden, door 10 Grm. goed gedroogd poeder in een trechtertje, met een propje watten gesloten, met ongeveer 20 cM=. aether uu te wasschen, ten einde het van vet te bevrijden, het poeder vervolgens .n een droog fleschje van 150 cM\'. te brengen, daarna met 40 Grm. chloroform en 60 Grm. aether te overgieten en ten slotte gedurende eenige minuten goed te schudden Daarna wordt -10 Grm. ammonia toegevoegd, het mengsel gedurende een uur sterk omgeschud en dan nog 5 Grm. ammonia toegevoegd, waarbij het poeder tot een klomp samenpakt on de chloroform-aether volkomen helder wor.it. 50 Grm. der oplossing worden in een gewogen kolfje gebracht, de aether en alkohol afgedestilleerd, de rest nog tweemaal telkens met 10 cM\'. aether behandeld, de aether verdampt en na kortstondig drogen op het waterbad gewogen. Ten slotte wordt het alkaloïde getriteerd, door de rest onder verwarmen in TV n.-chloorwaterstofzuur op te lossen en met TU n.-alkah met haema-toxyline als indicator terug te titreeren. Het gehalte van het poeder bedrage ongeveer

2.5 pet.

Zie verder bij « Resina Jalapae », blz. 767.

-ocr page 371-

745

Afkomst. Jalappewortel is afkomstig van Exogonium Jalapa Baill. (Ipomoea Purga Hayne), een overblijvend, zich om andere voorwerpen heen slingerend kruid uit de familie der Convolvulaceae, dat voornamelijk groeit in lommerrijke bosschen op de oostelijke helling der Andes van Mexico. Men heeft beproefd, de moederplant ook elders te kweeker;, ook in Europa, echter niet met het gewenschte resultaat. Beter zijn dienaangaande geslaagd de proefnemingen der Engelschen, die de plant overbrachten naar het Neilgherry-gebergte in Vóór-Indie.

De plant bezit onder den grond een overblijvenden, knolvor-migen hoofdwortel, een halfwortel, waaruit, behalve telken jare nieuwe stengels uit den mede knolvormig verdikten stengelvoet, ook onderaardsche uitloopers ontspruiten, waaraan, nevens knoppen voor nieuwe stengels, mede knolvormig verdikte wortels, bijwortels dus, ontstaan, die op hunne beurt eveneens weder uitloopers met knolachtige verdikkingen vormen. Deze bijwortels nu worden gedurende het gansche jaar, bij voorkeur echter in het voorjaar uitgegraven en van aanhangende aarde gereinigd. De kleinere wortels worden gaaf gelaten of een weinig ingesneden, de grootere van boven kruisspletig in of doorgesneden, ook wel gehalveerd of in dwarse schijven gesneden. Daarna worden zij eenige dagen in de zon of, zooals gewoonlijk, in netten boven vuur uitgedroogd, voorts naar Jalapa en van daar naar Vera-Cruz vervoerd, om verder in balen in den handel te worden gebracht.

Onderzoek.

i0. De bijwortels van Exogonium Jalapa Baill. Als valsche Jalappewortels, die van tijd tot tijd in den handel worden gebracht, zijn voornamelijk te vermelden:

a. Jalappestelen (Stipites Jalapae, Rad. Jalapp. levis s. fusi-formis s. fibrosa, Rad. orizabensis; lichte, penvar uiige, vezelige, st enge lige, houtige J., Orizabaivortel), afkomstig van Ipomoea orizabensis Led,, eene C o n v o 1 v u 1 a ce e uit de streek van Orizaba in Mexico. De handelswaar bestaat voor een klein gedeelte uit ongeschonden of ingesneden wortels, spilvonnig, kleiner, gewoonlijk minder zwaar met dieper overlangs gerimpelde oppervlakte, grijsbruin of iets lichter van kleur, voor het grootste gedeelte uit onregelmatige, langwerpig-r echt hoekige of blokvormige, grijsbruine stukken, i dM. lang en 4 of meer cM. dik, of uit dwarse, rondachtige schijven, uit den grooten, raapvormigen hoofd-

-ocr page 372-

746

wortel gesneden. Het inwendige weefsel is liooi\'iicichtig luist. Schors breeder; kern gestraald met vezelige breuk. Reuk en smaak veel zwakker. De hars, jalapine, is geheel in aether oplosbaar.

/gt;. T a m p i c o-J a 1 a p p e (vingervormige /.) van I po moe a simulans Hanb., eveneens eene Mexicaansche plant uit de bergachtige omstreken van San I^uis de la Paz, van waaruit de wortel naar Tampico wordt vervoerd. De wortel is meer eirond-spilvormig, rolrond of vingervormig, kleiner, niet zivaar. Oppervlakte zeer sterk en zeer onregelmatig overlangs gerimpeld, kurk-achtig en zonder kleine, dwarse streepjes, donkerbruin, grijs of grijsbruin, binnenwaarts meel- of hoornachtig, witachtig, gewoonlijk zonder donkere concentrische kringen. Reuk en smaak gelijk de echte J, De hars is geheel in aether oplosbaar.

e. een verder onbekende monocotyle wortelstok uit Mexico, min of meer raapvormig, zelden gaaf en alsdan met de overblijfselen een er blad kuif voorzien, gewoonlijk dwars, zelden overlangs gesneden stukken van verschillende grootte, altijd van buiten diep overlangs ingesneden, zwaar, doch week en taai, uitwendig zwartbruin, inwendig wit en vleezig. Geen hars of zetmeel.

Niet zelden ook komen onder den echten J.-wortel stukken voor, rolrond of spilvormig, minder zwaar, lichter gekleurd, houtig, met zeer weinig harscellen, waarschijnlijk stukken der uitloopers van de J.-plant.

Voorts heeft men den J.-wortel vermengd gevonden met Rad. Chinae (van Smilax China L.) en Rad. 15 r y o n i a e (van Bryonia alba L. en dioica facq.).

2°. Bijna bolvormig, peervormig of langwerpig, doorgaans 3 tot 4 centimeter dik. Vroeger kwamen veel krachtiger wortels ter grootte van een vuist en grooter en van raapvormige gedaante in den handel voor. In zulke omvangrijke vormen wordt hij nu niet meer aangevoerd. Tegenwoordig komt hij, wat de gedaante betreft, voor als een mengsel van rondachtige en langwerpige vormen, de rondachtige ter grootte van een hazelnoot tot die van een kippenei, de langwerpige gewoonlijk spilvormig, gemiddeld 8 cM. lang, langs het midden sterk, bijna eivormig verdikt en aan de beide uiteinden versmald uitloopend. Grootere stukken bevatten meestal minder hars, wat ook met de meer gladde, peervormige en diep overlangs gerimpelde, ineengeschrompelde stukken, welke min of meer op gedroogde peren gelijken, het geval is.

30. gnnf, ingesneden of in stukken verdeeld. Kvenmin ziet men

-ocr page 373-

747

hein tegenwoordig veelvuldig in doorgesneden staat, slechts nu en dan in overlangsche stukken of in dwarse schijven. De wortel behoort gaaf, onaangestoken , inwendig vast en zonder holten te zijn.

4°. hard, in water zinkend. 13e waarde der wortels is gelegen in het bedrag van hun harsgehalte. Zij moeten daarom hard zijn en in water alsmede in eene keukenzout-oplossing van 1.14 —1.15 zinken \'). Wortels, waaraan door spiritus hars onttrokken is, zijn lichter.

5 0. Oppervlakte rimpelig-bultig, aschkleurig-bruin, vooral tusschen de rimpels zwartachtig. Op nagenoeg alle echte wortels vindt men een aantal kleine, dwarse streepjes of spleetjes van veel lichtere tot bijna witte kleur, die dikwijls naast elkander in kringen rondom den wortel staan. Bij aankoop verkieze men bij voorkeur de uitwendig ruwe, kurkige stukken. Jalappewortels, waaraan door spiritus reeds hars onttrokken is, zijn uitwendig niet met eene zwarte, doffe harsmassa in de rimpels voorzien, maar geheel met eene dunne, glanzige harslaag bekleed.

6°. niet duidelijk te onderscheiden donkerder, glanzig-gestipte, concentrische gordels. Hoe grooter in getal en omvang de donkerbruine harsstippen of kringen , des te hooger is de wortel te schatten. Met spiritus van hars bevrijde stukken zijn inwendig gelijkmatig grijsbruin, zonder duidelijke harsstippen of kringen.

70. Reuk eigenaardig; smaak eerst Jlanw, daarna scherp. Door de droging boven vuur verkrijgen zij een rookerigen of roetachtigen geur, die ook beschreven wordt als zweemend naar koffie, gedroogde pruimen of peren. De smaak is eerst flauw zoetachtig, dan walgelijk en scherp.

80. Plet poeder van Jalappewortel, behandeld op de wijze als bij Restna Jalapae is voorgeschreven, moet ten minste 10 pet. Hars opleveren. Zie bij „Resina Jalapaequot; 1).

1

De wortel wordt daartoe vooraf eerst grof gestampt en dan sterk gedroogd, waarna hij verder tot fijn poeder wordt gebracht, waarbij tevens de reuk beter is waar te nemen en het wegens het prikkelend stuifsel raadzaam is, oogen, neus en mond te bedekken. Daar het moeilijk valt, wortels in den handel te vinden, die zooveel hars bevatten, ware het toelaten van een geringer gehalte wenschelijk geweest.

-ocr page 374-

748

RADIX LIQUIRITIAE.

ZOETHOUTWORTEL.

De in den grond verborgen uitloopers en de wortels van G1 y c y r r h i z a glabra L.

Rolronde, gewoonlijk onvertakte, 5 tot 10 decimeter lange en 5 tot 25 millimeter dikke stukken. Zij zijn vast, taai, zwaar, van buiten overlangs gerimpeld, rood- of grijsachtig-bruin, na lang gelegen te hebben grijs-geelachtig, grofvezelig op de breuk, van binnen donkergeel, op de dwarse doorsnede dicht, gestraald, en, wat de uitloopers betreft, met een eenigs-zins donker, vuilgrijs, dikwijls hoekig merg voorzien. Zij zijn reukloos en smaken zuiver zoet.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ruim 3 pet. glycyrrhizine (glycyrrhizinezuur), C44H6:,N018, behalve aan kalk voornamelijk gebonden aan ammoniak als zure glycyrrhizine zure ammonia, C4 ^ H6 2 (N H4 )NO18, lichtgele, glinsterende, sterk zoete bhiadjes of een amorph, geel poeder, weinig oplosbaar in koud, gemakkelijk in warm water, alsmede in alkaliën, vooral in ammonia, minder in spiritus, onoplosbaar in aether.

Voorts 2—4 pet. asparagine, ongeveer 30 pet. suiker, zetmeel en vet, ongeveer 10 pet. cellulose, ongeveer 3 pet. eiwitstoffen, hars, ongeveer 1.5 pet, gele kleurstof, sporen van looi- en appelzuur, ongeveer 3 pet. aseh, enz.

Afkomst. Zoethout is afkomstig van Glyeyrrhiza g 1 a b r a L., een overblijvend kruidachtig gewas, behoorende tot de familie der Papilionaeeae, dat in Zuid-Europa in \'t wild als onkruid op weilanden en grasvelden voorkomt en op groote schaal in Spanje en Italië, in mindere mate ook in Zuid-Frankrijk, Engeland, Moravië en Hongarije wordt gekweekt.

Onder den grond bevindt zich aan deze plant een verdikte, veelhoofdige stengelvoet, ineengesmolten met den ruim een meter langen, den grond diep indringenden hoofdwortel, waaruit weder ongeveer even lange, verder onvertakt blijvende bijwortels ontspringen. Bovendien ontspruiten uit het onderaardsche stengelgedeelte dicht onder den grond talrijke uitloopers, die zich horizontaal verspreiden, zeer lang kunnen worden en knoppen dragen, waaruit zich in het volgende jaar takken vormen.

-ocr page 375-

749

In het derde tot vijfde levensjaar der plant, wanneer de wortels en uitloopers voldoende lengte en dikte hebben gekregen, wordt de grond, waarop zij geteeld werd, omgegraven en de daarbij bloot komende onderaardsche deelen eenvoudig afgebroken en uit-getrokken, terwijl het daarbij in den grond achterblijvende voldoende is om door het vormen van nieuwe vertakkingen nieuwen voorraad te leveren. Het ingezamelde wordt van aanhangende aarde gereinigd, in de zon of op zolders gedroogd, de stukken van ongeveer gelijke lengte tot bundels vereenigd en in balen of pakken van ongeveer 80, of in matten van 60—150 K.Grm. verzonden.

Onderzoek.

10. De uitloopers en de wortels van Glycyrrhiza glabra L. Behalve van deze plant wordt ook van eene andere G1 y c y rrh i z a-soort (G. echinata L.) of van eene verscheidenheid (G. glabra var. glandulifera) daarvan, welke in zuidelijk Rusland, Oostenrijk en Griekenland in \'t wild groeit. Zoethout verzameld. Dit z.g. Russisch Zoethout onderscheidt zich van het bij ons gebruikelijke Spaansche, doordien het steeds van kurklaag en schors ontdaan, dus in geschilden staat in den handel wordt gebracht. Tevens is het losser van weefsel, lichter, van buiten ruw en vezelig, van binnen bleeker van kleur,

2°, De uitloopers en de wortels. De beste soorten Z. bestaan alleen uit de uitloopers. Deze zijn van de wortels te onderscheiden, doordien zij regelmatig gerangschikte knoppen en een gewoonlijk drie- tot vijfhoekig, bruinachtig merg bezitten, wat de wortels geheel missen.

30. Rolronde, gewoonlijk onvertakte, 5 tot 10 decimeter lange en 5 tot 2millimeter dikke stukken. Zij zijn vast, taai, zivaar, van buiten overlangs gerimpeld, rood- of grijsachtig-britin, na lang gelegen te hebben grijs-geelachtig, grofvezelig op de breuk, van binnen donkergeel. Van het bij ons verhandelde Spaansche Z. heeft dat uit Tortosa, het z g. Bayonsche, hetwelk door de Ph. bedoeld wordt, meer waarde dan dat uit Alikante, dat meer ongelijk van vorm, soms zelfs knoestig, dikker en van binnen houtig er en minder zuiver geel is.

40. Zij zijn reukloos en smaken zuiver zoet. Z., dat vuil, wankleurig of zwart, wormstekig of beschimmeld of van binnen niet geel, vermolmd of stokkerig is, duf riekt en weinig zoet of bitter smaakt, moet verworpen worden.

-ocr page 376-

75°

RADIX RATANHIAE.

RAT AN HI A WORTEL.

De worteltakken van K r a m e r i a t r i a n d r a Ruiz e t Pa v.

Verscheidene decimeter lang, tot 1.5 centimeter dik, rolrond, meteen bast, die zesmaal dunner is dan de veel bleekere kern, een min of meer golvende oppervlakte heelt, uitwendig bruinrood is en door wrijven glanzig wordt. Inwendig is hij roodbruin en op de breuk vezelig. De bast smaakt uiterst wrang, doch de kern is bijna smaakloos.

Men schafte zich geen anderen Ratanhiawortel aan, dan die in gaven staat uit Peru of Bolivie werd aangevoerd.

Indien liet grove poeder van Ratanhiawortel 3 uur lang met water, in de verhouding van 1 : 250, gemacereerd wordt, moet het roodbruine filtraat door ferrichloride groen gekleurd worden en spoedig daarna een bruin neêrslag afscheiden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°, ongeveer 20 pet. rata 11 hialooizuur, in den bast ongeveer vijfmaal meer dan in het hout, een rood, amorph poeder, oplosbaar in koud en in warm, gemakkelijk in ammonia-houdend water en in spiritus. De waterige oplossing wordt door ferrichloride donkergroen, door lijmoplossing vleeschrood geprecipiteerd.

2°. ratanh iarood , nevens suiker een splitsingsproduct van het ratanhialooizuur, een roodbruin, amorph poeder, onoplosbaar in water, spiritus en aether, oplosbaar in alkali, dat bij smelting met alkaliën phloroglucine en pyyocatechuzuur levert.

30. ratanhine, C10Hi:,NO3, waarschijnlijk te beschouwen als methyltyrosine. C\'H1 quot;(CH^NO3, witte, fijne, zachte, dooreen-gewarde kristalnaalden, oplosbaar in 125 dln warm, veel minder in koud water, moeilijk in spiritus, onoplosbaar in aether.

Voorts zetmeel, suiker, gom, was, ca 1 c i u m oxalaat, enz.

Afkomst. Ratanhiawortel is afkomstig van K r a m e r i a t r i a n d r a R. F., een kleinen , lagen , sterk en breed vertakten heester uit de familie der Caesalpinaceae, die op de Cordilleras van Peru en Bolivie hoog boven de oppervlakte der zee aan onvruchtbare, zandige en droge hellingen gevonden wordt.

Deze plant heeft een vertikalen, sterk ontwikkelden, rondachtigen , dikwerf zeer knoestigen, 4 -6 cM. langen en 2—5 cM. dikken hoofdwortel, soms den omvang van een vuist bereikende, waaruit

-ocr page 377-

75i

een vrij groot aantal vaak in horizontale richting daarmede verbonden , gewoonlijk enkelvoudige, heen-en-weer gebogen takken van verschillende lengte en veel mindere dikte ontspringen. Verzameld en gedroogd, wordt hij uit Kallao, Payta en Islay in seroenen van 60—100 K.Grm. naar Europa verscheept.

Onderzoek.

10. De zuorteltakken van K r a m e r i a t r i a n d r a Ruiz e t P a v De wortel wordt gewoonlijk in gaven vorm, dus bestaande uit hoofdwortel en worteltakken, aangevoerd. Bestaat de handelswaar voornamelijk uit jeugdige wortelstammen met dunne en korte worteltakken , dan wordt deze korte of knol-^L. genoemd; hebben daarentegen de worteltakken de overhand, dan spreekt men van lange R.

Daar de bast ongeveer vijfmaal meer looizuur bevat dan het hout, hangt de waarde van den wortel vooral van den eersten af. Wijl nu de wortelbast zeer dun is, hoogstens 4 mM. bedraagt, die der worteltakken ongeveer van de kern, zijn de laatste in evenredigheid veel rijker aan looizuur en wordt alleen het gebruik daarvan door de Ph. toegestaan. Bovendien is meermalen de gemakkelijk loslatende, lichtere bast van den wortelstam van de kern losgeraakt en stelt men ook daarom meer prijs op goed uitgegroeide worteltakken, welke gewoonlijk nog overal gelijkmatig met de donkerder schors bekleed zijn.

De hoofdwortel is te herkennen aan zijn knoestigen of knolachtig en vorm; verder is hij houtig, vaak om zijne as gedraaid, donkerrood- tot zwartbruin, dikwijls van schors ontbloot en daardoor ruiu-geschuhd.

2°. Men sc ha ffc zich geen anderen Ratanhiaivortel aan, dan die tn gaven staat uit Pent of Bolivia werd aangevoerd. De officinale soort is dus de Peru-, Payta- of roode R, Van tijd tot tijd komen mede ter markt de volgende soorten:

a. S a v a n i 11 a- (K o 1 u m b i s c h e , G r a n a d a-, N i e u w-G r a n a d a- of paarse) R. van K r a m e r i a I x i n a var. grana-tensis Triana, een heester uit N.-Granada. Korter, 1—1.5 decimeter lang, onregelmatig rolrond, met een bast, die twee-, drie- of viermaal dunner is dan de geelbruinachtige kern en een min of meer overlangs gesleufde en hier en daar dwars en dan meestal diep tot op het hout gespleten oppervlakte, uitwendig dof-paarsbruin. Inwendig is hij chocoladebruin en op de breuk oneffen-korrelig, iets vezelig.

-ocr page 378-

752

Bast met het hout vrij vast samenhangend. Het waterig filtraat wordt door ferrichloride blauwzwart gekleurd. Het spiritueuze aftreksel geeft met alcoholische loodacetaat-oplossing een violet-grijs neêrslag en kleurloos filtraat.

b. Braziliaanse he (Para-, Antillen- of bruine) R. van Krameria argentea Mart. Korter, 0.8—2 decimeter lang, rolrond , met een bast, die soms gelijk aan of twee-, drie- of viermaal dunner is dan de lichtgeelroode kern en een op korte afstanden vrij diep smal- en vaak getand-gespleten en veel minder en zwakker overlangs gesleufde oppervlakte, uitwendig dof-donkergr ijs tot zwartbruin, op beschadigde plaatsen helder bruinrood. Inwendig is hij harsachtig-glanzend en op de breuk langvezelig. Bast met het hout vrij vast samenhangend. Het waterig filtraat wordt door ferrichloride blauwzwart gekleurd. Het spiritueuze aftreksel wordt evenals van de voorgaande soort, doch minder violet neergeslagen.

c. Texas-R. van Krameria secundi flora DC. uit Mexico, Texas en Arkansas. Dikker, tot 3 centimeter dik, oneffen, met een bast, die even breed of breeder is dan de lichtgekleurde kern, in het onderste gedeelte gesleufd en in het bovenste met vlakke, breede, onregelmatige velden, door opgeworpen randen begrensd, uitwendig zwartbruin. Inwendig is hij wit-roodachtig en op de breuk korrelig-oiteffen, melig.

d. Guayaquil-R., waarschijnlijk van Krameria spartioïdes. De bast is betrekkelijk dun, een weinig gestreept en door kleine heuveltjes gestippeld, uitwendig roodbruin met zwartachtige strepen, vezelig. Bevat meer looizuur. Het spiritueuze aftreksel geeft met loodacetaat een grijs-violet neêrslag.

30. Indien het grove poeder van Ratanhiawortel 3 uur lang met water, in de verhouding van 1 : 250 gemacereerd wordt, moet het roodbruine filtraat door ferrichloride groen gekleurd worden en spoedig daarna een bruin neêrslag afscheiden. Identiteitsreactie; tevens in onderscheid met andere, bovengenoemde R.-soorten. Het spiritueuze aftreksel geeft met alcoholische lood-acetaat-oplossing een roodbruin neêrslag met roodbruin filtraat.

-ocr page 379-

i

753

RADIX RH E I.

RHABARBERWORTEL.

De wortel van Rheum palmatumL. var. tan gu t icum Reg. (?); de wortel en de stengel voet van Rheum officinale B a 111. (?).

Kegelvormige, rolronde of afgeplatte, ontschorste stukken. Zij zijn dikwijls 5 tot io centimeter lang en 4 tot 7 centimeter dik, hard, zwaar, soms geheel of gedeeltelijk doorboord, van buiten vuil geelachtig, n;eestal met poeder van Rhabarberwortel bestrooid, oneffen en korrelig op de breuk, van binnen wit en oranje- of bruinachtig-rood-gemarmerd, nabij den omtrek met kringswijs gestraalde figuren voorzien, wier doorsnede ten hoogste 1 centimeter bedraagt. Rhabarberwortel levert een bijna goudgeel poeder. Bij het kauwen knarst hij tusschen de tanden. Reuk eigenaardig aromatisch; smaak bitterachtig, eenigszins samentrekkend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 0.75 pet. c h ry s o p h a a n (?), C1 quot;H1808, een bitter, geel, amorph of oranjekleurig, kristallijn poeder, in wateren in spiritus oplosbaar, in aether onoplosbaar, in alkali oplosbaar met prachtig donkerroode kleur.

20. chrysophaanzuur, ClsH,0O4, in geringe hoeveelheid als zoodanig in den wortel voorkomende, soms geheel ontbrekende, onder oxydatie en suiker-vorming door splitsing uit chrysophaan ontstaan, reuk- en bijna smaaklooze, goudgele, naaldvormigekristallen, bij 162° smeltende, moeilijk oplosbaar in koud, beter in warm water, weinig in spiritus, gemakkelijker in aether en benzol, met fraai roode kleur oplosbaar in zwavelzuur, met donker purper-roode kleur in alkaliën.

30. ongeveer 0.25 pet. emodine, Cl5H10O5, oranjeroode, naaldvormige of prismatische kristallen, bij 250° smeltende, overigens zich verhoudende als chrysophaanzuur, echter vrij gemakkelijk oplosbaar in spiritus, moeilijk daarentegen in benzol, met roode kleur in alkali oplosbaar.

40. rheumlooizuu r, C,(!H28014, een hygroscopisch, wrang smakend, geelbruin poeder, gemakkelijk oplosbaar in water en in spiritus, onoplosbaar in aether, dat met ferrichloride een zwartgroen neerslag geeft.

50. rheumzuur, C10HieOn, in geringe hoeveelheid in den wortel aanwezig en door splitsing onder suiker-vorming uit het looizuur ontstaan, een rood, amorph poeder, bijna onoplosbaar

ii

h Hl

i;i i is

iii!

lil Éi

lp 5 ï

ii .-I: quot;K

m, i\'

:

i!

II-li

I quot; si \'

w

II»

fel

-ocr page 380-

754

in koud, beter in warm water en in spiritus, onoplosbaar in aether.

6°, 2 — 5 pet. cathartinezuur \').

70. erythroretine, eene gele, poedervormige hars, weinig oplosbaar in water en in aether, gemakkelijk in spiritus en in alkali met fraai purperroode kleur.

8°. phaeoretine, eene donkerbruine hars, onoplosbaar in water en in aether, gemakkelijk in spiritus en in alkali met donker roodbruine kleur.

90. aporetine, eene glanzend zwartbruine hars, moeilijk oplosbaar in spiritus, niet in aether, oplosbaar in alkali met donkerbruine kleur ^).

Voorts ongeveer 16 pet. zetmeel, 12—15 pet. suiker, slijm, waarschijnlijk een spoor vluchtige olie, ongeveer 7 pet. calcium o x a 1 a at, gemiddeld 12.5 pet. of meer asch.

Afkomst. De afkomst van Rhabarberwortel, wat betreft de soort of soorten van het geslacht Rheum, forsche, overblijvende kruiden uit de familie der Polygonaceae, welke dezen wortel opleveren, is tot nu toe niet volledig bekend. Mededeelingen, door reizigers gedaan, en proeven, in Europa genomen met op de een of andere wijze verstrekte zaden en wortels, hebben er toe geleid, om als vermoedelijke moederplanten aan te wijzen;

1°. Rh. palm at u m wr. ta n gutic um Regel, welke in\'t wild groeit in noordwestelijk China, en wel voornamelijk op de Alpen om het meer Kokonor in de streek Tangut der provincie Kansuh, en 20. Rh. officinale Baill., die op de hooge bergweiden van zuid-oostelijk Tibet voorkomt en aldaar ook schijnt gekweekt te worden.

Van de eerste worden de hoofdwortel en voornaamste wortel-takken , van de tweede ook de gedeeltelijk zich boven den grond verheffende stengelvoet verzameld. Deze inzameling bestaat in hoofdzaak hierin, dat in het begin van den herfst tot in het voorjaar de wortels van oudere, acht- tot tienjarige planten door de Tangoeten, hier en daar ook door Chineezen, worden uitgegraven, na reiniging en afsnijding der bijwortels meer of minder nauwkeurig geschild en al of niet doorgesneden, om vervolgens boven vuur of in de zon of boven heet gemaakte steenen en ten slotte, aan

i) Zie bij «Folia Sennae», blz. 3i4.

») Zoowel het bestaan van chrysophaan als dat der genoemde harsen vereischt nog nader onderzoek.

-ocr page 381-

755

i

snoeren geregen, op eene luchtige, beschaduwde plaats, gewoonlijk onder het dak van het huis, uit te drogen.

Vroeger werd de wortel aldus vooral over land naar de op de Russisch-Siberisch-Chineesche grenzen liggende stapelplaats Kiachta gebracht, om vervolgens na sorteering naar Moskou en Petersburg en vandaar uit verder te worden verzonden {Russische, Turkse he, Siberische, Moskovitische, Kroou-R. h.). Tegenwoordig wordt de gedroogde waar door de Chineezen opgekocht, eerst naar Hankow of Sining en verder vooral naar Peking, Tientsing en Sjanghai, minder naar Kanton gebracht, om, met fijn Rhabarberpoeder bestoven, in houten, met blik gevoerde kisten per scheepsgelegenheid naar Europa te worden verzonden (Chineesche, Kanton-, Oost-Indische Rh.), waar gewoonlijk de meestal half geschilde wortels of wortelstukken door wegsnijden of vijlen verder geheel geschild en gefatsoeneerd worden.

Ook in Europa heeft men sedert vele jaren proeven genomen, om verschillende uit Azië afkomstige Rh.-soorten te kweeken, met het doel om aldus van de een of andere dezer planten een wortel te winnen, welke de uit China aangevoerde zou kunnen vervangen. De daartoe in Frankrijk, Oostenrijk en vooral in Engeland genomen proeven hebben, alhoewel van daar gekweekte wortels in den handel komen (Europeesche Rh.), tot heden nog niet tot het ge-wenschte resultaat geleid.

Onderzoek.

i0. De wortel van R heum pa 1 mat u m L var. tangu ti-cum Reg (?); de wortel en de stengelvoet van Rheum officinale Baill. (?). De l\'h. eischt het gebruik van den Aziatischen, Chineeschen, Kanton- of Oost-Indischen Rh. en laat het gebruik van den Europeeschen Rh. wegens de mindere werkzaamheid niet toe. Deze toch is, uitgezonderd die van in Engeland gekweekte Rh. officinale Baill., afkomstig van andere Rh.-soorten, als Rh. Rhaponticum, undulatmn, compactum hybridum Murr., australe Don, enz.

2°. Zij zijn van buiten vidlgeelachtig, van binnemvit en oranje-of bruinachtig-rood-gemarmerd, nabij den omtrek niet kringswijs gestraalde figuren voorzien, wier doorsnede ten hoogste i centimeter bedraagt. Rhabarberwortel levert een bijna goudgeel poeder. Bij het kauwen knarst hij tusschen de tanden. Reuk eigenaardig aromatisch; smaak bitter ac htig, e enigs zins samentrekkend. Daarenboven onder-

li

11

lill :

Jl

i|.! I

-r

i!:\'|i

il

I1 j

iH\'i

pfsff jHiM

m.

;•.! Vin;

r I lil

11 r\'!

-ocr page 382-

756

scheidt zich deEuropeescheRh. van den Chineeschen, doordien zij is van buiten geelbruin of grijsroodachtig \'), van binnen wit, geel of roodachtig-wit, niet gemarmerd, met afwisselend roede en witte stralen, welke of geheel tot in het midden door loop en (Oostenrijkse he Rh.) of slechts aan den omtrek en dan zeer duidelijk te zien zijn, en naar het midden in een rood en wit gestippeld zveef sel overgaan, zonder dat ergens stervormige figuren zijn waar te nemen {Engelsehe Rh.). De kleur van het poeder is meer rood- of bruinachtig. Bij het kauwen knarsen zij minder of nagenoeg niet tus-schen de tanden. Reuk zwakker; smaak minder bitter of wel bijzonder bitter, slijmiger en meer samentrekkend.

3°. van binten vuil geelachtig, hard, zwaar, oneffen en korrelig op de breuk, van binnen wit en oranje- oƒ bruinachtig-rood-gemar-merd. Reuk eigenaardig aromatisch. Rhabarberwortel zij behoorlijk vast en zwaar, echter niet steenachtig hard of houtig, noch te licht, sponzig of voos, geheel gaaf, van buiten en van binnen frisch van kleur, niet beschimmeld, zwart, zwartgevlekt of groenachtig, noch murw en wormstekig. De reuk zij krachtig, niet duf.

4°. Rhabarberwortel levert een bijna goudgeel poeder. Men schaffe zich den wortel in stukken, nimmer in den vorm van poeder aan. O. a. kan dit vervalscht zijn met curcuma, zetmeel, gelen bolus, gele oker, gom, enz,, welke vervalschingen, behalve aan den kleur, langs chemischen of mikroscopischen weg zijn te constateeren.

Daar de kleur door invloed van lucht en licht verandering ondergaat, worde Rh.-wortel en het poeder daarvan in goed gesloten vaatwerk tegen den invloed van het licht bewaard.

RADIX S A R S A P A RI L L A E.

SARSAPARILLEWORTEL.

De bijwortels van verschillende soorten van Smilax L.

Rolrond, zeer lang, tot 6 millimeter dik, overlangs gestreept of gesleufd, uitwendig nu eens bruinachtig, grijsbruin of rookkleurig, dan eens geel-

\') Bovendien vertoont zich op de buitenvlakte der geschilde stukken van den Aziatisch en Rh.-wortel een netwerk met ruitvormige mazen, bij den Ku rope esc hen slechts enkel regelmatig of min of meer onregelmatig overlangs loopende strepen.

Ook zou het aschgehalte van den eersten veel hooger (20—pet.) zijn dan van den laatsten (8—10 pet.), een gevolg hoofdzakelijk van het verschil in gehalte aan calciumoxalaat.

-ocr page 383-

757

rood of bruinrood, min of meer van aanhangende kleideeltjesgezuiverd, met of zonder wortel vezels. Schors vast, wit, melig of hoornachtig, door een zeer smallen, bruinen kring gescheiden van de grofporeuze, geelachtige kern, die zelve weder een wit, melig merg omsluit. Smaak melig, eenigszins slijmerig, daarna scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

i0. ongeveer 0.2 pet. s m i 1 a c i n e (p ar a 11 i n e, pa rig line, parillinezuur, salseparine, sarsaparille-saponine) \'), C40H7quot;O18-|-x HiO, een glucoside, kleurlooze, plaatvormige of prismatische kristallen, bij 210° smeltende, bijna onoplosbaar in koud, beter in warm water (20), oplosbaar in kouden, beter in warmen spiritus, onoplosbaar in aether. Door zwavelzuur wordt het met gele, langzaam in kersrood overgaande kleur opgelost; door zeer verdund zwavelzuur bij zachte verwarming met groene, daarna roode en ten slotte bruine kleur. Bij koking met verdund zwavelzuur splitst het zich in parigenine en suiker.

Voorts 3—45 pet. zetmeel, 2—8 pet, slijm, eene bittere, scherpe hars, sporen vluchtige olie, calciumoxalaat, 3 — 12 pet. asch, enz

Afkomst. De wortels worden verzameld van verschillende soorten van Smilax L., heesterachtige klimplanten uit de familie der Liliaceae, onderfamilie Smilaceae, inheemsch in de noordelijke helft van Zuid-Amerika, Midden-Amerika en op den zuid- en oostkust van Mexico. Vooral doordien deze planten slechts groeien tusschen het dichte kreupelhout van weinig toegankelijke bosschen op een zeer moerassigen en daardoor voor den mensch zeer ongezonden bodem, ook wijl het daarom zeer bezwaarlijk is, bloemen en vruchten tot onderlinge vergelijking machtig te worden, is van de verschillende Smi 1 ax soorten , welke den wortel leveren, nog weinig bekend. Alleen wordt als vrij zeker aangenomen, dat Smilax medica Schl et Cham., groeiende aan den oostkust van Mexico ten noorden van Vera-Cruz, en Smilax officinalis H. B. K. (= ? S. ornata Lem.), groeiende in Columbic en Midden-Amerika en gekweekt wordende op Jamaica, resp. de Vera-Cruz-S. en de JamaicaS. leveren.

De moederplant bezit een korten, dikken, knoopigen, knoes-tigen, horizontalen wortelstok, waaraan vele dunne, vaak tot bijna 3 meter lange, met vezels bezette bijwortels, die zich als stangen

\') Volgens Soliul/, heelt smilacine tot (orniulo en komen daarnaast

voor sarsasaponine, O MI3 quot;Ü10, en p a r i 11 i n e, O quot;liquot;101quot;.

49

-ocr page 384-

758

of koorden in horizontale richting op eene geringe diepte onder de oppervlakte van den bodem verspreiden. Ter inzameling worden de wortels met bijwortels met een houweel uit den grond gescheurd of wel eerst de bij wortels met een puntigen stok in hun geheelen loop blootgelegd, om ze daarna van den wortelstok af te snijden en te verzamelen. Somtijds worden de wortels vervolgens gedroogd en daarna door kloppen min of meer van aanhangende aarde bevrijd, of ze worden eerst afgewasschen en daarna in de zon of boven een zacht vuur of in met rook doortrokken ruimten gedroogd , het laatste om ze tegen schimmel en aanvreting te beschermen of de kleur donkerder te maken. De mede opgegraven wortelstok alsmede de wortelvezels worden veelal weggesneden.

De verpakking der lange wortels geschiedt in bundels van I — 5 a 10 KG. van verschillenden vorm , niet zelden op eene bepaalde wijze voor eene zekere handelssoort, alhoewel déne zelfde soort soms op meer dan ééne wijze is verpakt: 10. worden de bij wortels omgebogen, met de uiteinden naar het midden gericht, en tot lange bundels ver-eenigd, welke in \'t midden met een zeer sterken wortel saam-gesnoerd worden; 2°. worden zij omgebogen tot bossen van ongeveer 1 meter lengte en 3—5 dM. dikte, zeer vast met een lianen-stengel omwonden en dan aan beide uiteinden afgesneden (poppen); 30. worden de wortelstok of eenige wortelstokken met de daaraan verbonden bijwortels slechts los, vooral van boven, met eenige sterkere wortels bijeengebonden; 4°. worden de bijwortels loodrecht bovenwaarts over den wortelstok omgeslagen, zoodat zij dezen bedekken, en 50. worden de bijwortels naar twee zijden horizontaal gebogen en omgeslagen, zoodat de wortelstok in \'t midden ligt. De bundels worden ten slotte tezamen in runderhuiden genaaid en in balen of seroenen van 25— 150 KG. naar verschillende havens, aan welke de handelsnaam vaak ontleend is, en verder naar Europa, naar Londen en Hamburg verzonden. Voor den kleinhandel worden de bijwortels meestal grof, dwars en overlangs doorgesneden.

Onderzoek.

1°. De bijwortels. Bij aanwezigheid van den wortelstok moet deze dus vóór het gebruik verwijderd worden.

20. van verschillende soorten van Smilax L. De Ph. laat het gebruik van alle aan de gestelde eischen beantwoordende soorten toe, wijl er geene voldoende gronden bestaan, om de eene boven de andere te verkiezen. Men onderscheidt de volgende soorten :

-ocr page 385-

759

a. Honduras-S., verzameld aan den oostkust van Midden-Amerika en uitgevoerd voornamelijk uit de haven van Belize aan de golf van Honduras. De verpakking geschiedt aldaar op de wijzen 3°, 4° of 5°, terwijl deze in Europa niet zelden wordt veranderd in die van kleinere bundels als 2°. Wortelstokken gewoonlijk afwezig. Bijwortels rolrond, 3—6 dM. lang, 2—5 niM. dik, overlangs gestreept of slechts zwak gesleufd, uitwendig gcelachtig-grijs tot donkerbruin, door afwassching goed gezuiverd, met niet of zeer weinig wortel vezels. Schors wit, melig of roodachtig, zelden hoornachtig, veel breeder of minstens even breed als do houtring, die i |—2 maal smaller is dan het merg. Zeer veel zetmeel.

b. Guatem a 1 a-S., uit Midden-Amerika. Verpakking als de Honduras-S. Wortelstokken afwezig. Bijwortels gemiddeld 6 mM. dik, overlangs diep gesleufd, uitwendig geelbruin tot roodgeel. Schors broos, licht afbrokkelend, zvit, twee- tot viermaal breeder dan de geelachtige houtring, meestal ook breeder dan het witte merg. Veel zetmeel.

c. Jamaïca-S., verzameld op de Cordilleras van Chiriqui in het zuidoostelijkst gedeelte van Costa Rica en uitgevoerd uit Boca del Toro, voorheen over Jamaica, naar Engeland. Ue verpakking geschiedt op de wijze iu. Wortelstok afvezig. Bijwortels 2—4 mM. dik, overlangs gesleufd, diep gevoord, sterk saamgevallen, uitwendig grijs-bruinrood tot oranjekleurig, met vele dunne, vertakte wortelvezels bezet. Schors zvit en melig of roodachtig-bruin en hoornachtig, even breed of breeder dan de houtring, die 2—4 maal smaller is dan het witte merg. Weinig zetmeel.

d. Caracas (La Guyara)-S., uit Venezuela over de haven van La Guyara. Wortelstok aanwezig. Bijwortels rolrond, 36 mM. dik, gestreept of zeer smal gesleufd, uitwendig gee la c ■ /1 tig- bruin of roodachtig-grijs, met zeer jijne, gemakkelijk te verwijderen aarde bestoven. Schors wit of lichtroodachtig, melig, twee- tot driemaal breeder dan de oranjegele houtring, die 2—5 maal smaller is dan het witte, hoogstens geelachtige merg. Veel zetmeel.

e. Manzanilla-S., verzameld aan den westkust van Mexico en uitgevoerd uit de haven van Manzanilla. Verpakking als 40. Bijwortels vaak scherp kantig, 6g mM. dik, vlak en breed gesleufd, uitwendig roodachtig of bruingeel, zuiver gewasschen en dus zonder aanhangende klei of aarde. Schors zeer broos, gemakkelijk loslatend, wit, melig of hoornachtig, tweemaal breeder dan de geelachtige houtring, die 2—4 maal smaller is dan het witte merg.

i

1 i

t

:\'h

n

-ocr page 386-

760

ƒ, Vera-Cruz (Mexico)- S., gezameld in Mexico aan de oostelijke helling der Andes en uitgevoerd over Vera-Cruz. Verpakking als 40., door zand, steentjes of andere vreevide lichamen van binnen verontreinigd. Wortelstok aanwezig, van of meer verscholen. Bijwortels 2—6 viM. dik, diep en breedgesleufd, uitwendig geel, grijs of rood- tot donkerbruin, met aanhangende aarde of klei bedekt, onooglijk, soms zelfs beschimmeld, met meer of minder vezels bezet. Schors broos, gemakkelijk afbrokkelend en daardoor soms ontbrekend, soms wit en melig, gewoonlijk roodachtig of bruin en hoornachtig, smaller of -weinig breeder dan de gele hout-ring, die even breed of tweemaal breeder is dan het witte of geelachtige merg.

g. Tampico-S., als voren, over Tampico uitgevoerd. Verpakking als 40. Bijwortels 4—6 niM. dik, niet sterk gesleufd, uitwendig geelbndnachtig of rood tot menierood, zuivergewasschen of dun met klei bedekt. Schors breed, geel- of roodachtig, melig, zelden hoornachtig, houtring smal, merg klein.

h. Para- (Braziliaansche of Lissa bo ns c he) S., gezameld in Zuid-Amerika in het stroomgebied der Amazone-rivier en uitgevoerd over Para, Maranhas en Bahia naar Londen , vroeger ook naar Lissabon. Verpakking in „poppenquot; als 20. Wortelstok gewoonlijk afwezig. Tweeërlei wortels bij elkander, nl. i0. wortels 5—g mM. dik, gestreept of zwak gesleufd, uitwendig geel- of roodachtig bruin of donkergrijs, vaak vuil door aanhangende klei; schors ivit, geel of roodachtig, vol, melig, twee- tot viermaal breeder dan de roodachtig-gele houtring, die 4—5 maal smaller is dan het witte merg, en 20. wortels 1.5 — 4 mM- dik, fijn en diep gesleufd, uitwendig grijs- tot zwartbruin, rookkleurig; schors zelden wit, bruinroodachtig, niet melig, ongeveer even breed als de gele houtring, die 3 — 5 maal smaller is dan het witte merg. De melige wortels hebben altijd verreweg de overhand.

i. Guayaquil-S., verzameld in het dal Alausi van Ecuador en over Guayaquil uitgevoerd. Verpakking niet in bundels, doch in groote balen. Wortelstok met rolronde stengelstomp aanwezig. Bij wortels lang, gesleufd, uitwendig donker van kleur, tamelijk vezelig. Schors geelachtig, naar boven met weinig, naar beneden niet meer zetmeel \').

\') Behalve naar de uitvoerplaatsen kan de verdeeling der S.-wortels ook geschieden naar de dikte van de schors en het zetrneel-gehalte daarin: 1°. in volle, vette of melige {Honduras-, Guatemala-, Para-S.) en 2°. magere, niet-melige

-ocr page 387-

761

De wortelsoorten , welke in de laatste jaren in Europa ontvangen worden, zijn de Honduras- en Vera-Cruz-S.; in Engeland wordt enkel Jamaïca-S. gebezigd.

RADIX S E N E G A E.

SENEGAWORTEL.

De wortel van P o 1 y g a 1 a Senega L.

Min of meer rolrond, aan den voet door achtergebleven stengelstukken als met wratten of knoesten bezet, naar den top allengs versmald, tot 2 decimeter lang, tot 8 millimeter dik, niet of schraal vertakt, evenals de heen- en weêrgebogen takken eenigszins gedraaid, boogswijs gekromd, langs de binnenzijde der kromming met een scherpe schorskiel voorzien, langs de andere zijde met eenigszins ringvormige zwellingen, waartusschen dwarse sleuven, van buiten geelachtig of grijsachtig-bruin. Bast broos, binnenwaarts geelachtig, niet dikker dan i millimeter; kern lichtgeel of witachtig, buiten het midden van den wortel gelegen, op de zijde, aan de kiel tegenovergesteld, dikwijls uitgesneden of vlak; merg niet aanwezig. Zetmeel zeer scherp.

Bi

Hii»

niet waar te nemen. Reuk eenigszins ransig; smaak

I

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

iu. ongeveer 2.5 — 3.5 pet, senegine, CSiH5:!017, een neutraal glucoside, vooral in de schors voorkomende, een amorph , wit, reukloos poeder niet eerst zoetachtigen, later scherpen smaak,

(Jamaica-, Caracas-, Manzanilla-, Vera-Cruz-, Tampico-, Guayaquil-S.). Ook geschiedt de verdeeling naar het verschil in bouw der cellen van de kernscheede;

1°, de cellen der kernscheede zijn bij voorkeur vierkant of 7. e e r weinig tangentiaal verbreed.

a. de wanden der cellen zijn naar alle zijden gelijkmatig en niet sterk verdikt {Honduras-, Guatemala- en Jamaica-S.).

b. de wanden der cellen zijn z ij d e 1 i n g s e n v 0 0 r al binnenwaarts sterker verdikt dan buitenwaarts (Caracas-, Mamanilla-S.).

\'2°. de cellen der kernscheede zijn in radiale richting verlengd.

a. de wanden der cellen niet sterk verdikt, zijdelings en binnenwaarts iets sterker dan buitenwaarts (Para-S.).

b. de wanden der cellen sterk verdikt, zijdelings en vooral binnenwaarts veel sterker dan buitenwaarts (Vera-Cruz-, Tampico-, Guayaquil-S.).

-ocr page 388-

762

oplosbaar in water, waarmede het sterk schuimt, weinig oplosbaar in kouden, vrij gemakkelijk in warmen spiritus, onoplosbaar in aether, in zwavelzuur langzamerhand met rooden kleur oplosbaar.

20. polygalazuur, nauw verwant aan het quillajazuur, C19H30O10, evenals senegine een saponine-achtig lichaam, een zwak zuur glucoside met ongeveer gelijke eigenschappen als genoemde lichamen.

30. ongeveer 0.3 pet. vluchtige olie, waarin ongeveer 0.15 pet. methylaether van salicylzuur benevens dien van valeriaanzuur.

4°. ongeveer 4.5—6.5 pet. vette olie, voor een groot gedeelte bestaande uit vrije vetzuren, waarvan een der vluchtige virginia-suur is genoemd.

Voorts 0.9 pet. hars, ongeveer 5.5—7 pet. suiker, gom, pectine, looizuur, asch, enz.

Afkomst. De wortel is afkomstig van Polygala SenegaL., een overblijvend kruid uit de familie der Polygalaceae, dat op open, zonnige plaatsen in rotsachtige bergstreken in Noord-Amerika tusschen het noorden van Texas, de kusten van den Atlantischen Oceaan en van de groote meren tot noordwaarts van den Saskatchewan-rivier groeit.

De veeljarige wortel, die tot de halfwortels behoort, smalle wortelvezels draagt en 011 vertakt is of 2 of 3 bijna even sterke takken draagt, die evenwijdig of bijna horizontaal in verschillende richtingen uiteenloopen, wordt voornamelijk in Minnesota enjowa verzameld, daarna gedroogd, waardoor waarschijnlijk de draaiing en kromming en het uitspringen van de schorskiel ontstaan, en voorts in groote balen uit New-York naar Londen en Hamburg vervoerd.

Onderzoek.

1°. üe wortel. Soms worden in de handelswaar ook losse, zeer smalle takjes gevonden , grove wortelvezels, welke lichter, bijna stroogeel van kleur zijn. Deze mogen volgens de Ph. niet worden gebruikt.

2°. Dc wortel van Polygala Senega L. Naast den bij ons gebruikelijker!, zuidelijken S.-wortel, welke vooral in de zuidwestelijke en westelijke Staten verzameld wordt, komt in den handel voor een noordelijke of z.g. witte S.-wortel, afkomstig van eene variëteit van P. S e n eg a L. en verzameld in de noordwestelijke

-ocr page 389-

763

landen, inzonderheid in Wisconsin en Minnesota. Deze is grooter, bezit ge ene schorskie!, heeft een sterk ontwikkelde houtkern en bezit minder reuk en smaak.

De wortel van P, B o y k i n i i N u 11., welke plant van Georgië tot Florida en westwaarts naar de binnenwaarts gelegen Staten verspreid is en waarvan men vroeger meende, dat de noordelijke S.wortel afkomstig was, heeft een langer en, dunneren, geheel gladden wortel zonder schorskiel, lichtgeelachtig van kleur.

De eigenlijke witte S,-wortel, afkomstig van Polygala alba Nutt. uit Kansas, heeft een normalen bouw, schorskiel, een dunneren bast, een witte, harde houtkern met duidelijke jaarringen en mergstralen, terwijl het aether-aftreksel sterk blauw fluoresceert en de scherpe smaak bij \'t beivaren verdwijnt.

Als de voornaamste vervalschingen of verontreinigingen worden voorts genoemd;

a. de wortel van Panax quinquefolius Willd. (Radix Ginseng am erica na), eene Araliacee uit de dichte wouden van het noorden en het midden der Vereenigde Staten. Wortel spil- of raapvormig, 3—5 cM. lang, 0.5-1 cM. dik, onvertakt of benedenwaarts in twee even sterke takken verdeeld, u itwend ig ge el-of grijsbruin, op doorsnede geelachtig-zvit, gestraald. Schors licht van kleur, met gele harskanalen, even dik als de kern; merg aanwezig. Zetmeel veel aanwezig. Smaak zoetachtig, tevens bit ter-achtig, zeer weinig of niet aromatisch.

b. de wortel van Cypripedium pubescens Willd. en par vi flor um Sw., noord-amerikaansche Orchideën. Wortels viet fragmenten van stengelvoeten en bladeren en met talrijke, lichtbruine, golfvormig gebogen bijwortels bezet, tot ongeveer g cM. lang, eenige mM. dik, geringd, de eerste horizontaal, naar beneden zwak gekromd, de tweede rechthoekig heen-en-weér gebogen, uitwendig donkerbruin. Zetmeel aanwezig. Smaak weinig scherp, iets bitter en slijmerig.

c. de wortelstok van Vincetoxicum albu m Asch. (Ascle-piasVincetoxicum L., Vincetoxicum officinaleMönch.). Rolrond, 2.5 — 5 cM. lang, eenige mM. dik, heen-en-weér gebogen, uitwendig donkergeel, lichter van kleur, met bundels lange, 1 mM. dikke, licht bruinachtige, onvertakte bijwortels. Schors bruinachtig, wit gestipt; kern citroengeel. Zetmeel aanwezig. Reuk eigenaardig, onaangenaam; smaak scherp en zoetachtig-bitter.

d. de bijwortels van Ruscus aculeatus L. Geheel rolrond,

-ocr page 390-

764

met over langsc he strepen van het eene tot het andere uiteinde, uitwendig lichter. Schors en kern wit, ter natiivernood in kleur van elkander verschillende.

RADIX VALERIANAE.

VALERIA AN WORT EL.

üe bij wortels met den stengel voet van Valeriana officinalis L,

De stengelvoet, doorgaans met de overblijfselen van bladschceden bezet, stonip-omgekeerd-kegelvormig, tot 2 centimeter dik, tot 4 centimeter lang, somwijlen nog met enkele uitloopers voorzien; de talrijke bijwortels meest 1 decimeter lang, tot 2 millimeter dik, grijsbruin of bruingee\', min of meer saamgevallen. Reuk eigenaardig, sterk; smaak aromatisch, een weinig scherp, en daarbij min of meer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°, 0.5 — 2 pet., gemiddeld ongeveer 1 pet. vluchtige olie, voornamelijk in de bijwortels aanwezig en het meest voorhanden in den verschen, in den herfst gezamelden wortel \').

20. 0.5 — 1.4 pet., gemiddeld ongeveer 0.8 pet. valeriaanzuur, CMP.COOH, het minst in den verschen wortel aanwezig en vooral na droging van den wortel, nevens geringe hoeveelheden miereen azijnzuur, door oxydatie uit de olie ontstaan \'), een helder, kleurloos, olieachtig, zuur vocht van valeriaanachtigen reuk en 0938 soort. gevv., bij 1750 kokende, oplosbaar in water, spiritus en aether.

Voorts zetmeel, suiker, hars, looizuur, enz.

Afkomst. De wortel is afkomstig van Valeriana officinalis L., eene overblijvende, kruidachtige plant uit de familie der Va 1 er ia-naceae, die in Midden- en Noord-Europa, ook in Noord-Azië tot Japan , zoowel op moerassige gronden , langs slooten en wateren als op droge, zandige plaatsen, op bergen in \'t wild voorkomt. Ook bij ons wordt zij zeer algemeen in \'t wild gevonden en tevens, evenals in Noord-Amerika, Engeland, Thüringen, enz., voor pharmaceutisch gebruik gekweekt.

\') Zie voorts bij « Oleum Valerianae», biz. G22 en G\'23.

-ocr page 391-

765

De oorspronkelijke wortel sterft spoedig af; de stengelvuet echter groeit in den grond langzaam voort, terwijl hij daarbij aan het ondereinde gelijkmatig afsterft, zoodat zich langzamerhand een onduidelijk geringde, stomp-omgekeerd-kegelvormige stengelvoet vormt van ongeveer 4 cM. lengte en 2 cM. dikte, die met talrijke bijwortels is bezet, enkele malen ook met uit den stengelvoet ontsproten, horizontale uitloopers, waardoor de plant zich vermenigvuldigt.

De wortel wordt voor krachtiger en werkzamer gehouden, wanneer hij afkomstig is van droge, steenachtige, zonrijke dan van lage, vochtige gronden, wijl de eerste meer olie oplevert en minder water bevat. Ook wel wordt aan den in \'t wild verzamelden wortel de voorkeur geschonken boven den gekweekten, somtijds ook omgekeerd. De inzameling geschiedt bf in het voorjaar, wijl de olie alsdan het sterkst riekt, het meest valeriaanzuur bevat, of men geeft er, zooals in vele landen, de voorkeur aan, om hem in den herfst te verzamelen, wijl hij dan rijker is aan vluchtige olie, die dan echter minder riekt. Bij ons wordt hij uit kweeke-rijen verkregen of in Utrecht en Gelderland in \'t wild verzameld van minstens driejarige planten, wijl bij jongere exemplaren de stengelvoet en bijwortels niet lang en dik genoeg zijn en dus te weinig olie houden.

Na uitgraving wordt de wortel, die in verschen staat wit- tot licht-geelachtig is en slechts zwak riekt, terstond afgewasschen en op eene schaduwrijke plaats aan de lucht of in eene stoof gedroogd (9 = 2), waardoor de kleur grijs-, bij langere bewaring donkerder tot zwart-bruin en de geur veel sterker wordt.

De wortel moet in goed gesloten vaatwerk onder afwering van licht bewaard worden.

Onderzoek.

1°. De bijzvortels viet den stengelvoet van Valeriana officinalis L. Vervalschingen of verwisselingen zijn:

a. de wortelstok van Valeriana P h u L. De wortelstok bovenwaarts dicht, benedenwaarts wijder geringd, tot 1.5 centimeter dik, 10—25 centimeter lang} zonder uitloopers; de bij wortels slechts langs eene, namelijk de onderzijde, langer en 2—4 millimeter dik. Reuk zvjak.

b. de wortelstok van Valeriana dioica L. De wortelstok langgeleed, 1 — 2 millimeter dik en 10—20 centimeter lang; de

i||

i

i

■ ii:

I

! li I

1

J

li\'lllif 1

i

li ii»

IE

■ w

if\'Uf 1.

II i Pil

I

»ii

k;;|

-ocr page 392-

7\'66

bijwortels zeer dun en bleek, slechts ter plaatse der tusschenknoopen. Reuk zzvak of afzvezig.

c. de wortelstok van Valeriana celtica L. De wortelstok dicht met fragmenten van bladscheeden in den vorm van vliezige schubbe7i bezet, dun; de bijwortels in ééne rij aan de onderzijde. Reuk afzvijkend.

d. de wortelstok van Patrinia scabiosaefolia Link. (Japan sch e V., Kesso). De wortelstok niet dik, zeer kort; zeer dicht bezet met bijwortels, ongeveer 12 centimeter lang en 2 — 3 millimeter dik. Reuk overeenkomend.

e. de wortelstok van Ge urn urban um L. (R. Caryophyl-latae). De wortelstok met fragmenten van stengels en bladstelen en rondom met ringvormig geplaatste, vliezige schubben bezet, rolrond, gerimpeld, bultig, van boven dikker, zwartbruin, hard, 1 centimeter dik, 5 centimeter lang; bijwortels lang, smal, bruinachtig, broos. Reuk en smaak min of meer kruidnagelachtig.

f. de wortelstok van Betonica offici n alis L. De wortelstok geringd, vierzijdig, 8 millimeter dik, lichtbruin; de talrijke bijwortels aan ééne zijde, benedenwaarts gericht, 12 centimeter lang, 1 millimeter dik.

g. de wortelstok van Succisa praten sis Mönch. De wortelstok zeer hard, donkerbruin, 1.2 centimeter dik, 2.5—4 centimeter lang\', de bij wortels niet zeer ruim, rondom geplaatst, 1 millimeter dik, lichtbruin.

h. de wortelstok van Eu pator ium cannabinum L. De wortelstok houtig, bruingrijs met uitloopers, de bijwortels lang, 0.5 millimeter dik, grijsbruin, rondom geplaatst.

i. de wortelstok van Arnica m on tan a L. (R. Arnicae). De wortelstok naar boven met de overblijf selen van stengel en bladen bezet, rolrond, duidelijk geleed, horizontaal of eenigszins scheef, aan het ondereinde als afgebeten, min of meer boogvormig gekromd, 2—5 millimeter dik, 3—10 millimeter lang, oneffen of bultig, hard, donker-roodbruin; de bij wortels 1 millimeter dik, slechts aan ééne zijde. Reuk en smaak afzvijkend.

j. de wortelstok van Vincetoxicum album Aschers \').

k. de wortelstok van Veratrum album, nigru m envirideL. (R. Hellebori). De eerste wortelstok aan zijn breedste uiteinde met talrijke kransen van bleekgele, vliezige of vleezige schubben

\') Zie bij «Radix Senegae», blz. 703.

-ocr page 393-

767

of rondloopende kringen of plooien, omgekeerd-kegelvormig of rolrond, 4—6 centimeter lang, 1.5—3 centimeter dik, onvertakt of tweearmig, vleezig, zwartbruin; de bij wortels ongeveer 1 centimeter lang, 2—5 millimeter dik, aschkleurig, gekronkeld, op verschillende plaatsen, lager dan de schubben, ontspringende en naar beneden gericht, het grootste gedeelte van den wortelstok bedekkende. Reuk afwezig; smaak bitter lang nablijvend-brandend. De tweede is veel kleiner. De derde is in de lengte gevierendeeld, soms bovendien dwars doorgesneden.

I. de wortelstok van Sium longifolium L. De wortelstok veel lichter, met enkele bijwortels, zeer gerimpeld en niet hoornachtig. Reuk afwezig.

m. de wortels van Ranuncu 1 us-soorten. Reuk afwezig. 20. De stengelvoet tot 2 centimeter dik, tot 4 centimeter lang; de talrijke bijwortels meest 1 decimeter lang, tot 2 millimeter dik. Blijkens zijne afmetingen wordt de ten onzent ingezamelde wortel dikwijls aan jeugdiger dan driejarige gewassen ontleend. Ook de bij wortels zijn vaak veel korter, ook wel aan hun vrij uiteinde afgesneden. De in de Ph. opgegeven maten duiden aan, dat de ten onzent ter inzameling bestemde moederplanten niet jonger mogen zijn dan die, welke men hiervoor ook elders het geschiktst acht. De elders ingezamelde wortel komt dikwerf overlangs gehalveerd in den handel.

RE SI NA JALAPAE. JALAPPEHARS.

N. Jalappeworlel, tot poeder (B 10) gebracht.

Deplaceer dit zoo lang met sterken spiritus, totdat de hars uitgetrokken is Neem het grootst gedeelte van den spiritus weg; laat het overige op een waterbad verdampen totdat de hars bijna droog geworden is; wasch het achtergeblevene met warm water zoo lang af, totdat dit niet meer gekleurd wordt en verwarm liet, onder aanhoudend roeren, totdat er, na bekoeling, een broze hars is overgebleven.

jalappehars zij geelbruin, glanzig op de breuk, bros en gemakkelijk tot poeder te wrijven.

Jalappehars is geheel oplosbaar in sterken spiritus en evenzoo in warme natronloog. In deze laatste oplossing mag, als zij bekoeld is, chloorwater-

-ocr page 394-

768

stofzuur in overmaat wel een geringe troebeling, maar geen precipitaat doen ontstaan.

Water of glycerine, met de Hars verwarmd, mag niet gekleurd worden. Door uitschudden met spiritusvrije chloroform, worde niet meer dan 6 pot. van de Hars opgelost.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

i0. ongeveer 94 pet. eonvolvuline (r h o d e o r e t i n e), (33 1 pjb oqi o) een ZWak zuur, kleur-, reuk- en smaakloos glucoside, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aethylacetaat en azijnzuur, weinig oplosbaar in amylalcohol en zwavelkoolstof, onoplosbaar in aether, (spiritusvrije) chloroform, benzol en petroleumaether, bij 150° tot eene geelachtige vloeistof smeltende.

20. ongeveer 6 pet. jalapine (orizabine), C34H5(l016, een kleurloos of bijna kleurloos, zuur glucoside, dat bij 150° smelt, bijna onoplosbaar is in water, geheel oplosbaar in spiritus, oplosbaar in aether en chloroform.

Bereiding. De uittrekking der hars geschiedt door depla-ceeren van den tot fijn poeder gebrachten wortel \') met kouden spiritus, waarna deze wordt afgedestilleerd, het laatst in een schaal op het waterbad verdampt, en de achtergebleven hars daarna zóólang onder kneden en roeren met warm water van kleurstof bevrijd, totdat dit zoo goed als kleurloos afloopt Ten slotte wordt de hars op het waterbad onder roeren van water-deelen ontdaan.

Vroeger werd de wortel vooraf aan eene weeking in koud water onderworpen , waardoor het grootste gedeelte der gom- en suikerachtige deelen benevens kleurstof werd uitgetrokken. Daarna kon hij ook beter tot schijven gesneden worden en geschiedde de uittrekking met warmen spiritus. Door deplaceeren echter wordt de hars gemakkelijk en volkomen door kouden spiritus, waartoe bovendien minder wordt vereischt, uitgetrokken, terwijl ook bij voorafgaande weeking in koud water de geheele verwijdering van kleurende stoffen later toch nog weder door behandeling met warm water moet geschieden.

Eigenschappen. Eene zwak zure, van buiten geelbruine, van

») Zie blz. \'265 en 747.

-ocr page 395-

769

binnen donkerbruine, broze, gemakkelijk tot poeder te wrijven hars , zwak, eigenaardig van reuk en onaangenaam, scherp, prikkelend van smaak, op de breuk glanzend, bijna ondoorschijnend, aan de breukkanten echter doorschijnend, bij 150quot; smeltende, geheel oplosbaar in spiritus (2), azijn- en salpeterzuur, bij verwarming ook in amylalcohol en oplossingen van bijtende alkaliën, langzamer in ammonia, weinig (4.5—6 pet.) oplosbaar in aether, benzol, (spiritusvrije) chloroform en zwavelkoolstof, bijna onoplosbaar in water en in vette en vluchtige oliën.

Onderzoek.

iu. Jalappehars is geheel oplosbaar in spiritus Door natrium-hypochloriet mag de oplossing niet violet troebel worden, wat op guajakhars zou wijzen \').

2°. en evenzoo in warme natronloog. Geelkleuring hierbij kan wijzen op aloëhars s).

3°. In deze laatste oplossing mag, als zij bekoeld is, chloor-ivater stof zuur m overmaat zuel eene geringe troebeling, maar geen precipitaat doen ontstaan. Afwezigheid van vreemde harsen als colophonium, guajakhars, agaricushars, jalappeste-1 e n h a rs, enz. 1).

4U. Water of glycerine, met de Hars verwarmd, mag niet gekleurd worden. Afwezigheid van kleurstof, achtergebleven bij onvoldoende uitwassching niet warm water.

5°. Door idtsclmdding met spiritusvrije chloroform 2), worde met meer dan 6 pet. van de Hars opgelost. Afwezigheid van vreemde harsen als aloëhars, guajakhars, myrrhehars, tolubal-semhars, agaricushars, jalappestelenhars, scam-moniahars, schellak, pik, enz.

1

Is do hars vooraf met aether uitgetrokken, dan mag door zuur in \'t geheel geene troebeling ontslaan.

2

\'\') Te bereiden door de chloroform der Ph. een paar malen sterk met water Ie

-ocr page 396-

77°

RESIN A PODOPHYLLI.

PODOPHYLLUMHARS.

PODOPHYLLINUM.

PODOPHYLLINE.

N. PodophyHumworiel, tot poeder (B 10) gebracht.

Deplaceer dit zoo lang met sterken spiritus, totdat er niets meer uit oplost. Neem ongeveer twee derden van den spiritus weg en giet het overgebleven heldere vocht, onder voortdurend roeren, langzamerhand in een viervoudige hoeveelheid water. Verzamel de afgescheiden hars, wasch haar met water af en droog haar voorzichtig.

Podophyllumhars is een licht, geelachtig-grijs of eenigszins bruinachtig poeder, dat eigenaardig riekt en zeer bitter smaakt. Bij ico0 wordt het donkerder van kleur, zonder te smelten. In water is het bijna onoplosbaar, geheel oplosbaar in sterken spiritus en in verwarmde ammonia. Aether moet ten minste 50 pet. van de Hars oplossen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

i0. podophyllotoxine, een wit, amorph poeder met zure reactie, dat bij 1150—120° smelt, oplosbaar is in warm water, spiritus, aether en chloroform, onoplosbaar in petroleumaether. Door inwerking van alkaliën wordt het gesplitst in pikropodophyl-line en harsachtig pikropodophyllinezuur.

2°. pikropodophylline, fijne, zijdeglanzende naalden, bij 1950—200° smeltende, zeer bitter van smaak, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether en chloroform, onoplosbaar in water en petroleumaether.

3#. podophyllinezuur, eene onwerkzame, amorphe, harsachtige, bruine massa, oplosbaar in spiritus en chloroform, onoplosbaar in water, aether en petroleumaether.

40. podophylloquercetine, eene kleurstof, kristallisee-rende in korte, gele, glinsterende naalden, bij 2470—250° smeltende , gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether en alkaliën, zeer moeilijk in chloroform, onoplosbaar in water. De oplossing wordt door ferrichloride donkergroen gekleurd en door loodacetaat oranjegeel neêrgeslagen.

Voorts bevat de Hars sporen van aanhangend, groen vet en sporen kleurstof.

-ocr page 397-

771

1

i

Bereiding. Deze geschiedt, evenals bij Jalappehars, door depla-ceeren met behulp van sterken spiritus, totdat de hars geheel is uitgetrokken , waarna de spiritus bij zoo laag mogelijke temperatuur in het waterbad gedeeltelijk wordt afgedestilleerd en het achterblijvende, heldere, stroopachtige vocht ter afscheiding der hars onder roeren in water wordt uitgegoten. De hars wordt vervolgens op een filter of doek verzameld, met water afgewasschen en ten slotte voorzichtig gedroogd \').

Eigenschappen. Een amorph, licht, geelachtig-grijs, groengeelachtig of groenachtig-geelbruin poeder, dat bij 1000, zonder te smelten, donkerder van kleur wordt, eigenaardig riekt en zeer bitter smaakt, bijna onoplosbaar is in water, oplosbaar in spiritus, alkaliën en alkalicarbonaat, gedeeltelijk oplosbaar in aether, chloroform en zwavelkoolstof, onoplosbaar in benzol en terpentijnolie. Uit de spiritueuze oplossing wordt het door water, uit de gele oplossing in alkaliën door zuren als grijsbruine vlokken neêrgeslagen.

Met water geschud, wordt het neutrale, bijna kleurlooze, bittere filtraat door ferrichloride bruin, door basisch loodacetaat geel gekleurd, langzamerhand onder afscheiding van roodgele vlokken. Door salpeterzuur wordt het rood gekleurd , welke kleur bij verdunning met water blijvend is.

Onderzoek

i0. In water is het bijna onoplosbaar, geheel oplosbaar in sterken spiritus en m verwarmde ammonia. Afwezigheid van in water oplosbare, in spiritus en ammonia onoplosbare stoffen, bijv. aluin. Aan water mag het niets kleurends afstaan.

Pi ;;

•\' ü\' ■

f

\' s,

li fj

1 jij

\'I-I

li® i 15 ;■ gt;K!

li

I

10!

ij

im

ii (

\'ikii

li^i

lil: ■ Klii 1^1

I t

■*1

2°. Aether moet ten minste 50 pet. van de Hars oplossen. Aanwezigheid van eene voldoende hoeveelheid der werkzame bestand-deelen podophyllotoxine en pikropodophylline.

\') Al naarmate men voor het nedrslaan der Hars veel of weinig water bezigt, valt de kleur van liet preparaat eenigszins anders uit. Ook wel bedient men zich van chloor-waterstofzuurhoudend water of van aluin-oplossing, om een preparaat van goede kleur te verkrijgen Bij de bereiding moet men zich dus aan het voorschrift der Pb. houden. Ook heeft de temperatuur der droging invloed op de kleur. Om het preparaat een aan-genamen vorm te geven, lost men de droge Hars in eene dubbele hoeveelheid spiritus op, strijkt de oplossing op glazen platen uit en droogt eerst bij gewone temperatuur, later op eene lauwwarme plaats. Hoe zachter de droogwarmte, des te lichter van kleur wordt het preparaat verkregen.

#■

-ocr page 398-

772

RHIZOMA CALAMI.

KALMUSWORTEL.

De wortelstok van Acorus Calamus L., in het laatst van den herfst verzameld, van alle aanhangsels bevrijd, doch niet van den bast ontdaan.

Gewoonlijk onvertakt, bijna rolrond, eenigszins afgeplat, geknikt, i tot 2 decimeter lang, i tot 2 centimeter dik, grijsbruinachtig of roodgeelachtig, geringd; voornamelijk op de bovenzijde geteekend met driehoekige, onderling in stand afwisselende litteekens van weggesneden bladscheeden, op de onderzijde met cirkelronde, vrij regelmatig geplaatste litteekentjes van afgesneden bijwortels; taai, eenigszins houtig en op de breuk bijna vlak of min of meer korrelig, geenszins vezelig; van binnen witachtig of licht vleeschkleurig, met een bast, die twee- tot viermaal smaller is dan de kern. Reuk eigenaardig, aromatisch; smaak aromatisch, bitter, eenigszins scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

i0.i.3—2.8 pet, vluchtige olie van 0,959 soort, gew., geel tot bruingeel van kleur, eenigszins dikvloeibaar, aangenaam aromatisch van reuk, brandend aromatisch van smaak, neutraal van reactie en in iedere verhouding in spiritus oplosbaar.

20. 0.2 pet acorine, een neutraal, half vloeibaar en lichtgeel, bij oxydatie aan de lucht amorph, harsachtig en bruinachtig, sterk bitter glucoside, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus en aether.

Voorts calamine, kristallijn, waarschijnlijk monomethylamine, choline, zetmeel, een weinig looizuur en slijm.

Afkomst. De wortelstok is afkomstig van AcorusCalamusL, eene overblijvende moerasplant uit de familie der Araceae, oorspronkelijk een Aziatisch kruid, dat thans ook in \'t wild in het grootste gedeelte van Europa, ook bij ons, langs meren, vaarten, slooten, poelen, enz. voorkomt.

Deze plant heeft een horizontalen, langen, zich dikwerf ver-takkenden wortelstok, welke in het vóór- of najaar, volgens de Ph alleen in den naherfst, wordt ingezameld, liefst van planten, welke in van tijd tot tijd uitdrogende moerasgronden groeien, daar de wortelstok van deze als aromatischer geldt dan die, verzameld van planten, welke voortdurend in het water stonden.

-ocr page 399-

773

P

Na wegsnijding van bijwortels, blad- en knopfragmenten en verdere reiniging wordt de wortelstok eerst in de zon, later bij matige kunstwarmte gedroogd (9 = 2) en na droging in een schudmolen gebracht, ook wel in balen of zakken geschud, ten einde nog aanhangende bijwortels te verwijderen. Terwijl tegenwoordig de wortelstok alleen van in \'t wild groeiende exemplaren wordt verzameld , werd de plant vroeger ook bij ons om den wortel gekweekt.

Daar gedroogde Kalmuswortel vocht aantrekt, worde hij in goed gesloten blikken bussen, tevens tegen de invloed van het licht bewaard.

Onderzoek.

1°. De wortelstok van Acorus Calamus L. mag niet verwisseld of vermengd worden met dien van:

a. Iris Pseudacorus L. (Rh, Acori vulgaris s. palustris). Vrij plat, bruinrood of bijna zwartbruin, van binnen eveneens bruinrood, rondom met bijwortels bezet. Reuk afwezig; smaak samentrekkend. Bevat geen zetmeel, doch veel looizuur.

b. Cal la palustris L., Menyanthes trifoliata L., e. d. Rolrond, dunner, met langere stengelleden. Reuk afwezig.

20. doch met van den bast ontdaan. De wortelstok komt zoowel ongeschild als geschild in den handel voor. Daar de bast rijker aan vluchtige olie is dan het binnenste gedeelte, mag volgens de Ph. slechts de ongeschilde wortelstok gebruikt worden.

30. Gewoonlijk onver takt. Enkele malen vindt men de smallere vertakkingen nog aan den wortelstok, meestal in boogvormig divergeerende richting daarmede verbonden.

40. bijna rolrond. Elders vindt men den wortelstok soms overlangs doorgesneden.

5°. grijsbruinachtig of roodgeelachtig. Oude en minder goed gedroogde, zwartachtige stukken moeten verworpen worden.

f

11

1

i

11

6°. Reuk eigenaardig, aromatisch. De reuk is eerst bij het doorbreken of snijden waarneembaar. Reuklooze, zoomede wormstekige stukken moeten verworpen worden. Overigens is verwisseling met andere wortels door den kenmerkenden reuk reeds terstond herkenbaar.

SO

-ocr page 400-

77°

RESINA PODOPHYLLI.

PODOPHYLLUMHARS.

PODOPHYLLINUM, PODOPHYLLINE.

N. Podophyllumworiel, tot poeder (B 10) gebracht.

Deplaceer dit zoo lang met sterken spiritus, totdat er niets meer uit oplost. Neem ongeveer twee derden van den spiritus weg en giet het overgebleven heldere vocht, onder voortdurend roeren, langzamerhand in een viervoudige hoeveelheid water. Verzamel de afgescheiden hars, wasch haar met water af en droog haar voorzichtig.

Podophyllumhars is een licht, geelachtig-grijs of eenigszins bruinachtig poeder, dat eigenaardig riekt en zeer bitter smaakt. Bij ico0 wordt het donkerder van kleur, zonder te smelten. In water is het bijna onoplosbaar, geheel oplosbaar in sterken spiritus en in verwarmde ammonia. Aether moet ten minste 50 pet. van de Hars oplossen.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

1°. podophyllotoxine, een wit, amorph poeder met zure reactie, dat bij 1150—120° smelt, oplosbaar is in warm water, spiritus, aether en chloroform, onoplosbaar in petroleumaether. Door inwerking van alkaliën wordt het gesplitst in pikropodophyl-line en harsachtig pikropodophyllinezwir.

20. pikropodophylline, fijne, zijdeglanzende naalden, bij 1950—200° smeltende, zeer bitter van smaak, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether en chloroform, onoplosbaar in water en petroleumaether.

3#. podophyllinezuur, eene onwerkzame, amorphe, harsachtige, bruine massa, oplosbaar in spiritus en chloroform, onoplosbaar in water, aether en petroleumaether.

40. p o d o p hy 11 o q u e r ce t i n e , eene kleurstof, kristallisee-rende in korte, gele, glinsterende naalden, bij 2470—250° smeltende, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether en alkaliën, zeer moeilijk in chloroform, onoplosbaar in water. De oplossing wordt door ferrichloride donkergroen gekleurd en door loodacetaat oranjegeel neérgeslagen.

Voorts bevat de Hars sporen van aanhangend, groen vet en sporen kleurstof.

-ocr page 401-

771

; L

Bereiding. Deze geschiedt, evenals bij Jalappehars, door depla-ceeren met behulp van sterken spiritus, totdat de hars geheel is uitgetrokken , waarna de spiritus bij zoo laag mogelijke temperatuur in het waterbad gedeeltelijk wordt afgedestilleerd en het achterblijvende, heldere, stroopachtige vocht ter afscheiding der hars onder roeren in water wordt uitgegoten. De hars wordt vervolgens op een filter of doek verzameld, met water afgewasschen en ten slotte voorzichtig gedroogd \').

Eigenschappen. Een amorph, licht, geelachtig-grijs, groengeelachtig of groenachtig-geelbruin poeder, dat bij 100°, zonder te smelten, donkerder van kleur wordt, eigenaardig riekt en zeer bitter smaakt, bijna onoplosbaar is in water, oplosbaar in spiritus , alkaliën en alkalicarbonaat, gedeeltelijk oplosbaar in aether, chloroform en zwavelkoolstof, onoplosbaar in benzol en terpentijnolie. Uit de spiritueuze oplossing wordt het door water, uit de gele oplossing in alkaliën door zuren als grijsbruine vlokken neêrgeslagen.

Met water geschud, wordt het neutrale, bijna kleurlooze, bittere filtraat door ferrichloride bruin, door basisch loodacetaat geel gekleurd, langzamerhand onder afscheiding van roodgele vlokken. Door salpeterzuur wordt het rood gekleurd , welke kleur bij verdunning met water blijvend is.

Onderzoek

1°. In zvater is het bijna onoplosbaar, geheel oplosbaar in sterken spiritus en tn verwarmde ammonia. Afwezigheid van in water oplosbare, in spiritus en ammonia onoplosbare stoffen, bijv. aluin. Aan water mag het niets kleurends afstaan.

20. Aether moet ten minste 50 pet. van de Hars oplossen. Aanwezigheid van eene voldoende hoeveelheid der werkzame bestand-deelen podophyllotoxine en pikropodophylline.

lil

Jl!

!:\'i i\'lk f

li

|l

lill

I

■ ■ ijajfl 1! j|]i

Hli

li

!:#1

P

\\M

ül j i.\'.; .•

i

■■ ■-1:

m

Vu\'

i É 11

») Al naarmate men voor het neêrslaan der Hars veel of weinig water bezigt, valt de kleur van het preparaat eenigszins anders uit. Ook wel bedient men zich van chloor-waterstofzuurhondend water of van aluin-oplossing, om een preparaat van goede kleur te verkrijgen Bij de bereiding moet men zich dus aan het voorschrift der Pb. houden. Ook heeft de temperatuur der droging invloed op de kleur. Om hot preparaat een aan-genamen vorm te geven, lost men de droge Hars in eene dubbele hoeveelheid spiritus op, strijkt de oplossing op glazen platen uit en droogt eerst bij gewone temperatuur, later op eene lauwwarme plaats. Hoe zachter de droogwarmte, des te lichter van kleur wordt het preparaat verkregen.

ffiRi

lil

li KM

ill

If! lil

3 i

■I

-ocr page 402-

7/2

RHIZOMA CALAMI.

KALMUSWORTEL.

De wortelstok van A cor us Calamus L., in het laatst van den herfst verzameld, van alle aanhangsels bevrijd, doch niet van den bast ontdaan.

Gewoonlijk onvertakt, bijna rolrond, eenigszins afgeplat, geknikt, i tot 2 decimeter lang, i tot 2 centimeter dik, grijsbruinachtig of roodgeelachtig, geringd; voornamelijk op de bovenzijde geteekend met driehoekige, onderling in stand afwisselende litteekens van weggesneden bladscheeden, op de onderzijde met cirkelronde, vrij regelmatig geplaatste litteekentjes van afgesneden bijwortels; taai, eenigszins houtig en op de breuk bijna vlak of min of meer korrelig, geenszins vezelig; van binnen witachtig of licht vleeschkleurig, met een bast, die twee- tot viermaal smaller is dan de kern. Reuk eigenaardig, aromatisch; smaak aromatisch, bitter, eenigszins scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

[0.i.3—2.8 pet. vluchtige olie van 0.959 soort, gevv., geel tot bruingeel van kleur, eenigszins dikvloeibaar, aangenaam aromatisch van reuk, brandend aromatisch van smaak, neutraal van reactie en in iedere verhouding in spiritus oplosbaar.

2°. 0.2 pet acorine, een neutraal, half vloeibaar en lichtgeel, bij oxydatie aan de lucht amorph, harsachtig en bruinachtig, sterk bitter glucoside, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus en aether.

Voorts ca 1 am ine, kristallijn, waarschijnlijk monomethylarnine, choline, zetmeel, een weinig looizuur en slijm.

Afkomst. De wortelstok is afkomstig van AcorusCalamusL, eene overblijvende moerasplant uit de familie der Araceae, oorspronkelijk een Aziatisch kruid, dat thans ook in quot;t wild in het grootste gedeelte van Europa, ook bij ons, langs meren, vaarten, slooten, poelen, enz, voorkomt.

Deze plant heeft een horizontalen, langen, zich dikwerf ver-takkenden wortelstok, welke in het vóór- of najaar, volgens de Ph alleen in den naherfst, wordt ingezameld, liefst van planten, welke in van tijd tot tijd uitdrogende moerasgronden groeien, daar de wortelstok van deze als aromatischer geldt dan die, verzameld van planten, welke voortdurend in het water stonden.

-ocr page 403-

773

Na wegsnijding van bijwortels, blad- en knopfragmenten en verdere reiniging wordt de wortelstok eerst in de zon, later bij matige kunstwarmte gedroogd (9 = 2) en na droging in een schudmolen gebracht, ook wel in balen of zakken geschud, ten einde nog aanhangende bijwortels te verwijderen. Terwijl tegenwoordig de wortelstok alleen van in \'t wild groeiende exemplaren wordt verzameld , werd de plant vroeger ook bij ons om den wortel gekweekt.

Daar gedroogde Kalmuswortel vocht aantrekt, worde hij in goed gesloten blikken bussen, tevens tegen de invloed van het licht bewaard.

Onderzoek.

1 0. De zvortelstok van A c o r u s Calamus L. mag niet verwisseld of vermengd worden met dien van:

a. Iris Pseudacorus L. (Rh, Acori vulgaris s. palustris). Vrij plat, bruinrood of bijna zwartbruin, van binnen eveneens bruinrood, rondom met bijivortels bezet. Reuk afivezig; smaak samentrekkend. Bevat geen zetmeel, doch veel looizuur.

b. Ca 11a palustris L., Menyanthes trifoliata L., e. d. Rolrond, dunner, met langere stengelleden. Reuk afwezig.

2°. doch niet van den bast ontdaan. De wortelstok komt zoowel ongeschild als geschild in den handel voor. Daar de bast rijker aan vluchtige olie is dan het binnenste gedeelte, mag volgens de 1\'h. slechts de ongeschilde wortelstok gebruikt worden.

30. Gewoonlijk onver takt. Enkele malen vindt men de smallere vertakkingen nog aan den wortelstok, meestal in boogvormig divergeerende richting daarmede verbonden.

40. bijna rolrond. Elders vindt men den wortelstok soms overlangs doorgesneden.

5°. grijsbrninaehlig of roodgeelachtig. Oude en minder goed gedroogde, zwartachtige stukken moeten verworpen worden.

6°. Reuk eigenaardig, aromatisch. De reuk is eerst bij het doorbreken of snijden waarneembaar. Reuklooze, zoomede wormstekige stukken moeten verworpen worden. Overigens is verwisseling met andere wortels door den kenmerkenden reuk reeds terstond herkenbaar.

-ocr page 404-

774

RH1ZOMA FI LI CIS.

VARENWORTEL.

De wortelspruiten van Aspidium Filix raas Sw., tegen het einde van den herfst verzameld.

Een krans van spiraalswijs opgerolde en daarbeneden nog eenige vlee-zige voetstukken der stelen van afgevallen bladen, overal in strooschub-ben gehuld, grootendeels van de worteltjes gezuiverd, op het voorste uiteinde des wortelstoks gezeten.

Bijna bolvormig, uitwendig kastanjebruin. De voeten der bladstelen hoekig, gekromd, eenige centimeter lang, ongeveer i centimeter dik, op de dwarse doorsnede met ongeveer 8 scherp omschreven vaatbundels te midden van een groenachtig weefsel. Reuk flauw; smaak zoetachtig, eenigszins wrang, scherp.

De wortelspruiten behooren op de breuk groenachtig te zijn.

Ten gebruike neme men de strooschubben en wortelvezels weg.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. filixzuur (filicine), C14H1805 = CH3 : (q^ ^ ,

diisolmtyryl-phloroglucine, een wit, bijna reuk- en smaakloos, kristallijn poeder, bij 1790 a 1800 smeltende, onoplosbaar in water, weinig oplosbaar in verdunden, beter in warmen absoluten spiritus en in aether.

2°. ongeveer 10 pet. filixlooizuur, een hygroscopisch gluco-side, dat door ferrichloride olijfgroen wordt gekleurd en door verdunde zuren gesplitst wordt in filixrood, C2CHl,i012, en suiker.

30. 5—6 pet. filixoline, eene donker grasgroene, dikvloeibare, vette olie met eerst zachten, later scherpen smaak, bestaande uit de glyceriden van filosmylzuur en filixolinezuur.

40. aspidol, C20H34O, een cholesterineachtig lichaam, smeltende bij 136.50, kristalliseerende in paarlmoerglanzende blaadjes.

Voorts in den verschen wortel sporen vluchtige olie en vluchtige zuren, 4 pet. hars, 10 pet. zetmeel, 11 pet. suiker, eiwitstof, pectine, gom en zouten, waarvan 2—3 pet. asch.

Afkomst. Varenwortel is afkomstig van Aspidium Filix mas Sw., behoorende tot de groep der Polypodiaceae van de familie der Filices uit de afdeeling der Cryptogamen,

-ocr page 405-

775

een door geheel Europa, mede in Nederland veel voorkomend Varen, dat vooral op beschaduwde, zanderige, vochtige plekken in boschachtige streken wordt gevonden, ook op sommige plaatsen voor pharmaceutisch gebruik wordt gekweekt.

De horizontale wortelstok dezer plant, die 2—3 dM. lang en o.5-—2.5 cM. dik is, draagt aan het jongste, eenigszins opstijgende gedeelte een jeugdigen eindknop met een roset van jeugdige, plat-spiraalvormig ingekrulde, geheel met strooschubben bedekte vanen en voorts op het nog levende gedeelte knoppen 111 verschillende ontwikkelingstijdperken, waaruit zich boven den grond een roset van meer of minder uitgegroeide vanen verheft. Hieromheen en lager over een groot gedeelte der oppervlakte is hij bovendien bezet met talrijke, eenigszins gezwollen, saprijke, achtergebleven voeten der stelen van reeds afgestorven vanen benevens een aantal daaruit ontspringende, vertakte, zwartachtige bijwortels en eene menigte opeengedrongen, rossige, geslipte, vliezige strooschubben , waardoor hij zich dan ook veel dikker, 5—8 cM. dik voordoet. De inzameling geschiedt gewoonlijk in het najaar tijdens het afsterven der vanen, zooals door de Ph. wordt voorgeschreven, wijl alsdan de in aether oplosbare stoffen het rijkst in den wortelstok voorkomen; soms echter geschiedt dit ook in den winter of in het vroege voorjaar. Voor pharmaceutisch gebruik bezige men alleen het nog krachtig groeiende, voorste gedeelte met den eindknop en snijdt daarvan na de rooiing alles af, wat er nog van bij- en haarworteltjes, levende en verflenste vanen en van verdroogde, afgestorven, zwart geworden deelen aan bevestigd is, waarna men alsdan stukken overhoudt van verschillende lengte en dikte, onregelmatig, min of meer rond of vaak ook eivormig, knobbelig en geschubd, van buiten bruinzwart en van binnen groen en vleezig. Het aan den eindknop gezeten gedeelte van den wortelstok is gewoonlijk in dier mate beperkt in omvang, dat het geheel in grootte ongeveer afwisselt tusschen die eener okkernoot en van een kippenei.

Wijl de wortelstok voor werkzamer wordt gehouden, naarmate hij verscher is, wordt hij voor extract-bereiding na de inzameling spoedig van alle verdroogde en niet saprijke aanhangselen, zooals bijwortels en vezels, strooschubben en houtige of sponsige steel-voeten ontdaan, vervolgens de zwarte schors er afgeschild, de overblijvende groene massa in stukken gesneden, deze op eene donkere plaats bij zeer zachte warmte gedroogd en terstond daarna

-ocr page 406-

7/6

tot poeder (B. 10) gestampt. Overigens laat zich het poeder, tegen den invloed van het licht beschut, ook eenigen tijd goed bewaren; zoodra het echter zijne groene kleur verloren en eene kaneelbruine aangenomen heeft, moet het door versch vervangen worden , dat ook van den door kunstwarmte zacht en langzaam gedroogden, ge-heelen wortel kan bereid worden , die bij voorzichtige bewaring op eene donkere plaats nog zeer lang vleezig kan blijven en de inwendig lichtgroene kleur kan behouden, waaruit men alsdan het poeder alleen bereidt, wanneer dit voor de receptuur vereischt wordt.

Onderzoek.

i 0. De ivorteIspruiten van A s p i d i u m F i 1 i x m a s S w. De wortelstok mag niet verwisseld of vervalscht worden met dien van;

a. Aspidium Filix femina Sw. De voeten der bladstelen op de dwarse doorsnede bijna driehoekig, met twee — links en rechts één — vaatbundels, die zich in het smallere, hoogere gedeelte tot écne hoefijzervormige vereenigen.

h. Aspidium spinulosum Schk. De voeten der bladstelen op de dwarse doorsnede half-eirkelvormig met vijf vaatbundels.

c. Aspidium montanum Vog 1. De voeten der bladstelen op de dwarse doorsnede met tivee vaatbundels.

d. Aspidium aculeatum Döll. De voeten der bladstelen op de dwarse doorsnede met gewoonlijk zes vaatbundels, waarvan twee, aan de binnenzijde gelegen, grooter zijn dan de andere.

2°. De wortelspndten behoor en op de brenk groenachtig te zijn. Alleen zoolang de wortelstok en de bladvoeten nog duidelijk groen en vleezig zijn, mogen zij gebruikt worden. Zijn zij daarentegen geelachtig bruin of bruinrood of sponzig, dan zijn zij te oud en. moeten daarom verworpen worden. Liefst worde ieder jaar de voorraad vernieuwd,

RHIZOMA GR AM IN IS. GRASWORTEL.

De in den grond verborgen uitloopers van Triticum repens L., in het voorjaar, voordat de halmen uitgesproten zijn, opgegraven, gedroogd en van bladschubben en worteltjes ontdaan.

Zeer lang, vertakt (als handelsartikel in stukjes van 0.5 tot 3 centimeter

-ocr page 407-

777

gesneden), i tot 3 millimeter dik, in verschen staat rolrond, door het drogen scherphoekig en overlangs gerimpeld, met wijd uiteenslaande knoopen, onbehaard, min of meer glanzend, taai, buigzaam, van buiten licht strookleurig, binnenwaarts wit, pijpig. Reukloos; zoetachtig van smaak.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

i0- 7—^ Pct- triticine, ClsH:!ï011, eene amorphe, gomachtige, reuk- en smaaklooze stof, die in oplossing bij verwarming in vruchtesuiker wordt omgezet.

20. ongeveer 3 pet. vruchtesuiker (levulose), CH^Oquot;, waarschijnlijk door ferment-werking uit triticine ontstaan 1)

Voorts eene stikstof houdende, slijmachtige stof en appel-zure zouten, met ongeveer 4.5 pet. asch.

Afkomst. Graswortel is afkomstig van T r i t i c u m r e p e n s L. (Ag ropy rum rep ens P. B.), eene vooral in zand- en lichte kleigrond groeiende plant, behoorende tot de Gramineae, zeer algemeen in geheel Europa, ook bij ons langs wegen, akkers en dijken, als onkruid voorkomend.

Deze plant bezit een dunnen wortelstok, welke niet zeer diep onder den grond uitloopers maakt, die, rolrond en met gemiddeld op 3 cM. afstand van elkander staande knoopen, waaraan rudimentaire bladschubben en bundeltjes van fijne bijwortels, zeer snel en ver onder den grond voortkruipen.

In het voorjaar, voordat de halmen uitgesproten zijn, worden deze uitloopers van meerdere decimeters lengte uit de akkers geëgd, tot bosjes bijeengebonden en aan de lucht gedroogd (5 = 2), waardoor de rolronde vorm in eene meer kantige en overlangs gerimpelde overgaat. Nadat aanhangende bladschubben en bij worteltjes verwijderd zijn, worden zij vóór de verzending, welke bij ons voornamelijk van uit Gelderland geschiedt, vrij algemeen in dwarse stukjes ter lengte van 0.5 — 3 cM. doorgehakt.

Onderzoek.

i0. De uitloopers van Triticum repens L. mogen o. a. niet verwisseld worden met die van:

a. Lolium perenne L. Uitloopers veel korter en dunner met veel smaller holte.

\') Ook zijn ma 11 niet en inosiet gevonden, waarschijnlijk in bepaalde levenspei\'io den door ferment-werking uit triticine of vruchtesuiker ontstaan.

-ocr page 408-

778

b. Cynodon Dactylon Rich. Wortelstok langer en veel dikker. Bevat zetmeel.

RHIZOMA HYDRASTIS,

HYDRASTISWORTEL.

De wortelstok met de bij wortels van Hydrastis canadensis L.

De wortelstok is ongeveer 4 centimeter lang, doorgaans 5 millimeter dik, hellend, kort getakt, min of meer geringd en overlangs gerimpeld, geelachtig-grijs, broos. Verder is hij glanzig als was en licht groenachtig-geel op de breuk en heeft hij een vrij dikke schors, die meest 10 smalle houtbundels, breede mergstralen en een breed merg omsluit. De hijwortels zijn dun, broos, en hebben een dikke gele schors en een vierhoekige, houtige kern. Reuk zwak, smaak bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen;

1°. O.25—I.9 pet. hydrastine, C21H21NOe, korte, glinsterende, kleurlooze, bittere, prismatische kristallen, bij 1320 smeltende, bijna onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus (120), aether (84), chloroform (1.75), benzol (157) en zwavelkoolstof. De waterige oplossing fluoresceert zwak blauw, na toevoeging van salpeterzuur duidelijker en meer groenachtig. Zij wordt door broom-water, kaliummercuridjodide, joodoplossing, pikrinezuur en tannine geprecipiteerd, niet door mercurichloride, kaliumbichromaat en kaliumferrocyanide, wel echter in den vorm van zouten.

Op zwavelzuur gebracht, ontstaat aanvankelijk eene gele, spoedig in violet-rood overgaande kleur. Een spoor hydrastine, gebracht in chroomzuur-houdend zwavelzuur *), veroorzaakt daarin eene roode kleur. Een spoor hydrastine, gebracht op 20 mG. ammoniummolybdenaat, opgelost in 5 droppels zwavelzuur, geeft daarmede eene donkergroene vloeistof. Op bismuthnitraat gebracht , met zwavelzuur tot eene brij aangemengd, kleurt hydrastine dit geel, bruingeel, roodgeel, ten slotte donkerbruin.

20, 0.34—3.4 pet., gemiddeld ongeveer 2 pet berberine 1).

Voorts phy tosterine, Cï6H43(OH) 2), zetmeel, eenebittere hars en ongeveer 4.5 pet. aseh 3).

1

\') Zie bij » Hadix Calumba», blz. 727.

2

) Zie blz. 583.

3

») Voorts wordt, behalve van een spoor vluchtige olie, nog melding gemaakt

-ocr page 409-

779

Afkomst. De wortel wordt gewonnen van Hydrastis canadensis L., eene overblijvende plant uit de familie der Ranun-culaceae. Zij komt voor in Noord-Amerika, het menigvuldigst in Ohio, Indiana, Kentucky en West-Virginië en wordt tegenwoordig hoofdzakelijk in de beide laatste landstreken in de wouden aan de Big Sandy Rivier verzameld.

Na opgegraven te zijn, wordt de gewoonlijk onvertakte, eenigs-zins heen-en-weer gebogen wortelstok van de kleine, lage stengels bevrijd, waardoor hij op de bovenvlakte de litteekens of soms nog fragmenten daarvan draagt, vervolgens met de talrijke, slechts ongeveer i mM. dikke, doch soms tot i dM. lange, onvertakte, er omheen gewarde bijwortels gereinigd en gedroogd, waardoor de oorspronkelijke saprijkheid, die hieruit blijkt, dat de versche wortel bij het doorbreken een geel, in de lucht spoedig oranjekleurig vocht laat vloeien, verloren gaat.

Onderzoek. ,

iu. De wortelstok met de bijivortels van Hydrastis canadensis L. {Golden Seal). Als verwisselingen of vervalschingen worden genoemd de wortels van Serpentaria, Cypripedium, Senega, Collinsonia, Jefferson ia en Trillium, terwijl de wortelstok van S t y 1 o p h o r u m d i p h y 11 u m N u 11 a 1, eene Papaveracee, als „Extra large Golden Sealquot; in den handel komt \'). Behalve door morphologische verschillen onderscheiden zich alle door het gemis aan berberine, welk alkaloïde op de volgende eenvoudige wijzen in den wortel kan worden aangetoond 2).

i dl. Hy drast i s-wortel geeft met icq dln. water een geel, tamelijk bitter aftreksel; worden 2 cM3. daarvan vermengd met i cM3. zwavelzuur en hierop droppelsgewijze chloorwater gebracht, dan kleurt zich de laag donkerrood. — i dl. H y d r a s t i s-wortel,

van een derde alkaloïde (canadine, xa n th opn cc i n e),, O0IIllN0\'\', wille, zijde-aclilig glanzende naalden, Ijij IS\'i.quot;)0 smeltende, moeilijk oplosbaar in water, gemakke-lijk in kouden, zeer gemakkelijk in warmen spiritus, aether, chloroform en benzol. Zwavelzuur lost het op met gele, later iets roodachtige, rookend salpeterzuur met gele, zwavelzuur met salpeterzuur of molybdenaat met olijfgroene, spoedig bruinroods kleur. Reactiën met kaliumferricyanido en ferrichloride en met kaliumjodaat als morphine (zie blz. 437).

\') Vervalsching van het Wortelpoeder met curcuma kan aangetoond worden, door een weinig op (iltreerpapier met aether of chloroform te bevochtigen; de op het papier achterblijvende vlek wordt alsdan door alkali rood gekleurd.

\') Zie ook bij « Kxtractum Hydrastis liquidum», blz. 2(.)4.

-ocr page 410-

780

met hoogstens io din. water getrokken en dit aftreksel vermengd met i dl. salpeterzuur, geeft daarmede na eenigen tijd afscheiding van kleine, gele kristallen.

R H I Z O M A PODOPHYLLI.

P O D O P H Y L L U M WO R T E L.

De wortelstok niet de bijwortels van Podophyllum peltatum L.

Meer of minder afgeplat-rolronde, tot 6 centimeter lange, tot i centimeter dikke, gladde of overlangs en eenigermate ook overdwars gerimpelde stukken van een bruine of aardvale kleur. Ingedrukte litteekens van afgevallen stengels worden niet zelden op de gezwollen plaatsen van den wortelstok aangetroffen, die bovendien aan de onderzijde met de litteekens van worteltjes bezet zijn. De dwarse doorsnede doet een witte, hoornachtige, harde oppervlakte zien, welke door eene geel- of bruinachtige kern in een bast- en een merggedeelte gescheiden is. Reuk, vooral van stukjes, die met warm water bevochtigd zijn, verdoovend; smaak bitterachtig en scherp.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 2 pet. hars \').

Voorts s a p o n i n e, z e t m e el, een weinig looizuur, een spoor vluchtige olie en zouten, waaronder calcimnoxalaat, kaliunizouXew, enz.

Afkomst. De wortel is afkomstig van P o d o p h y 11 u m p e 1-tatum L., behoorende tot de familie der Berberidaceae, eene overblijvende, kruidachtige plant, die vooral in schaduwrijke bosschen met moerasachtigen bodem groeit in het oostelijk gedeelte van Noord-Amerika, van de Hudsonsbaai tot aan de golf van Mexico.

Zij heeft een horizontaal kruipenden, somtijds zeer langen wortelstok , die op eenigen afstand van elkander gezwollen plaatsen, knoopige geledingen, vertoont, waaruit naar boven stengels ontspruiten , terwijl aan de ondervlakte uit eiken knoop of zeer dicht daarbij ongeveer tien bijwortels ontstaan, die 4—10 cM. lang en

\') Zie verder bij « Uesina Podophylli», hh. 770.

-ocr page 411-

78i

o.S -i-S niM. dik zijn. Na het afvallen der bladen van de plant, in Augustus, wordt de wortelstok opgegraven, gereinigd en gedroogd en daarbij in dwarse, vaak heen-en-weer gebogen stukken van verschillende lengte en dikte verdeeld, waarop van boven nog de verdiepte litteekens van vroeger daaruit ontsproten stengels zichtbaar zijn, terwijl de bijwortels door hunne broosheid na droging lichtelijk afbreken, zoodat deze bij de handelswaar de wortelstokken gewoonlijk los en min of meer gebroken vergezellen, terwijl op den wortelstok slechts kleine stukjes daarvan of alleen de litteekens zichtbaar zijn.

R H I Z O M A Z I N G I B E R I S.

G E M B E R W O R T E L.

De zijspruiten van den wortelstok van Zingiber officinale Rose.

Twee of meer op elkander volgende, doch van elkander door insnoeringen gescheiden en daardoor als gelede stukken, te zamen 2 tot 10 centimeter lang, elk afzonderlijk ongeveer 2 centimeter breed en 1 centimeter dik. Zij zijn van boven naar onder afgeplat, in het midden der platte zijden eenigszins gewelfd, naar de randen afloopend, vrij vast, zwaar, niet of alleen op het gewelfde gedeelte van de schors ontdaan. De niet geschilde plekken van buiten aschgrauw of geel-bruinachtig, grof gerimpeld, van afstand tot afstand geringd; de geschilde grijs of witachtig, een weinig overlangs gerimpeld. Bast omstreeks zevenmaal smaller dan de kern; gene op de dwarse breuk een weinig kortvezelig; deze met geelroode stipjes bezet. Reuk aromatisch; smaak aromatisch, brandend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

1°. 1.8—2.6 pet. vluchtige olie van 0.883 soort. gew., dunvloeibaar, stroogeel van kleur, aangenaam, zwak aromatisch, kamferachtig van reuk en aromatisch, brandend en bitter van smaak, oplosbaar in meer dan 10 dln. sterken spiritus, bestaande uit koolwaterstoffen, C1!!H24, en cymol benevens oxydatieproduc-ten daarvan in den vorm van geringe hoeveelheden aldehyden en samengestelde aethers \').

20. gingerol, (C5H80)quot;, eene zeer licht veranderlijke, half-

») Voorts is do aanwezigheid van campheen en pliellandreen daarin geconstateerd.

-ocr page 412-

782

vloeibare, roodachtige, reuklooze, scherp aromatisch smakende bitterstof, oplosbaar in spiritus, benzol, zwavelkoolstof en alkaliën.

30. hars, bestaande uit eene neutrale, C16H:i403, en twee zure harsen, van welke de eene, C46H!!4Ol0, zwart, hard en broos, en de andere, C43P15808, roodbruin en week is

Voorts 13 — 20 pet. zetmeel, gom, suiker, een kleurloos, kristallijn en een rood, week vet, 3.5—4.8 pet. asch, enz.

Afkomst. De wortel is afkomstig van Zingiber officinale Roscoe uit de familie der Zingiberaceae, een overblijvend, kruidachtig gewas van Aziatischen oorsprong, dat nergens meer in \'t wild wordt aangetroffen, doch, naar de meeste keerkringsgewesten overgebracht, thans in tropisch Azië, op de westkust van Afrika (Sierra Leone), in Zuid-Amerika, West-Indië en Australië (Queensland) gekweekt wordt gevonden.

Deze plant bezit een horizontalen, kruipenden, vleezigen wortelstok, die uit eene aaneenschakeling van bijna kogelronde, knolvormige leden bestaat en, behalve van draadvormige bijwortels, aan beide zijden, rechts en links, voorzien is van eenigszins platte takken, die als verdikte onderaa;quot;dsche voeten van afgestorven stengels en bloemstengen achtergebleven zijn, door bladlitteekens geringd, hoogstens 10 cM. lang, 1—2 cM. breed en ongeveer 1 cM. dik. Het zijn deze takken, zijspruiten van den wortelstok, niet de wortelstokken zelve dus, welke in Januari of Februari, als zij nog week en vleezig zijn, worden uitgegraven, van bijwortels ontdaan, afgewasschen en dan in de zon of kunstmatig gedroogd (bedekte, ongeschilde G.). Ook wel wordt vóór het drogen de buitenste kurklaag geheel of gedeeltelijk afgeschraapt of weggeschild (onbedekte, geschilde G.). Soms worden zij na afwassching in kokend water gebroeid, om het uitloopen van knoppen te voorkomen (zwarte G.) of, na geschild te zijn, ten einde ze eene witte oppervlakte te geven, in kalkwater gelegd, met behulp van chloorkalk of zwaveligzuur gebleekt of wel met gips of krijt ingewreven (witte G.)

De voornaamste stapelplaatsen zijn Tellicherry, Cochin, Shernaad in Oost-Indië, Jamaïka in West-Indië en Sierra Leone in West-Afrika, van waaruit de wortel in balen of vaten of wel in kleine kistjes wordt verzonden.

Onderzoek.

1 0. De zijspruiten van den ivortelstok van Zingiber officinale Roscoe. De voornaamste soorten van G. zijn:

-ocr page 413-

783

0

\'il lP

Barbados-G.

lil

I 1

rlri

li

II J, 11

:; 11 \'1 \'MlR

■ halll,

b. ü o s t -1 n di s c h e G.,

Bengaalsche G.

i\'

20. Cochin-G.

30. Ceylon-G.

\'\' i :

4°. Malabar-G. 50. Chineesche G.

I iii

c.

: K

\'ül

mm

li éi

a. West-Indische G., waartoe behooren :

1°. Jama\'ica-G. Doorgaans geheel geschild, van buiten lichtbruinachtig (enkele malen wit gemaakt), inwendig liehtgeetachtig, melig. Zij geldt als de beste.

Ongeschild, inwendig donker en hoornachtig.

waartoe behooren:

Doorgaans gedeeltelijk, 111. langs de vlakke zijden geschild of ook wel ongeschild, van buiten grijsbruinachtig, inwendig lichtbruin of lichtgeel en melig of loodgrijs en hoornachtig. (2 pet. Olie).

Doorgaans gelijkend op de geschilde Bengaalsche. Na Jamaïca-G. de beste. (1 9 pet. Olie).

Rondachtig, klein, geschild, inwendig geelachtig, melig, naar den omtrek eenigs-zins harsglanzend.

Plat, klein, rt/£gt;ƒ geschild , inwendig witgeel, in \'t midden melig.

Groot, zeer hard, gelijkend op ongeschilde Bengaalsche, doch inwendig minder vezelig, loodgrijs, glanzend. (1.9 pet. Olie). Afrikaansche G., waartoe behooren:

1°. Sierra Leone- en 2°. Egyptische G. Doorgaans ongeschild, inwendig donker en harsachtig. (2.6 pet. Olie).

d. J a p a n s c h e G. Ongeschild of gedeeltelijk geschild, als in platte stukken doorgesneden, vuilgrijs of grijstuit van kleur. Zetmeel anders van vorm. (1.8 pet. Olie).

20. Twee of meer op elkander volgende, doch van elkander door insnoeringen gescheiden en daardoor als gelede stukken. De vertakking der stukken is één- of tweerijig, ook wel handvormig (gember-klainuen, -vingers of -teenen). Soms zijn de takken van zeer kleine, stompe uitwassen voorzien en bevindt zich aan den top een groevig litteeken van den vroeger daar aanwezigen stengel of bloemsteng.

30. niet of alleen op het gezvelfde gedeelte van de schors ontdaan. De niet geschilde plekken van buiten aschgrauw of geel-bruinachtig; de geschilde grijs of witachtig. Van de verschillende handelssoorten

Sill

-ocr page 414-

784

voldoen de Bengaalse he en de Cochin-G. het meest aan de eischen, door de Fh. gesteld, daar deze niet of slechts gedeeltelijk geschild zijn. Daar de bast vooral rijk is aan vluchtige olie, is een te diep geschilde wortel niet aan te bevelen. In geen geval mag de gebroeide, in- en uitwendig donkerder, door het ineen-loopen van het zetmeel hoornachtige, z.g. „zwartequot; G. gebruikt worden, evenmin als de kunstmatig wit gemaakte, z. g. „wittequot; G.

4°. Zij zijn vrij vast, zwaar. Bast op de dwarse breuk een weinig kortvezelig. Volkomen droge staat, gemis van taaiheid, niet te groote vezeligheid op de breuk, afwezigheid van wormsteek en vooral een krachtige en tevens aangename reuk en smaak gelden als kenmerken van deugdelijkheid.

ROB JUNIPER I.

ROB VAN JENEVERVRUCHTEN.

N. Jenevervruchien (gekneusd) drie deelen.......3

Overgiet ze met

Kokend gewoon Water twaalf deelen........12

Laat ze daarmede eenige uren staan en pers uit. Coleer het bezonken vocht en los er in op

Suiker één deel...............1

Damp het op een waterbad uit tot de dikte van honig.

Bereiding. Worden saprijke vruchten met kokend water uitgetrokken en het na uitpersing en bezinking verkregen vocht onder toevoeging van suiker tot een zekeren graad van dikte, ongeveer extractdikte, uitgedampt, dan verkrijgt men een gelei (rob). Hare bereiding heeft dus min of meer overeenkomst met die der stropen , welke echter in consistentie daarvan verschillen.

Omtrent de bereiding van deze gelei valt op te merken, dat, waar de Ph. bij „ Fructus Juniperiquot; 1) spreekt van verse he en van vruchten in drogen staat, hier waarschijnlijk de versche bedoeld zullen zijn. De bewerking geschiede voorts in een porseleinen of tinnen ketel of schaal; wegens het gehalte aan vrije zuren der vruchten ver-mijde men het gebruik van koperen of ijzeren toestellen.

Eigenschappen. Een zwartbruine gelei ter dikte van honig of dun extract, eigenaardig van reuk en met zoeten , later bitterachtigen jeneversmaak. Met water geeft zij eene troebele, bruine oplossing.

\') Zio blz. 35\'J.

-ocr page 415-

785

ROB S A M B U C I.

VLIERGELEI.

N. Versche Vliervruchten.

Kook ze, onder gestadig roeren, een kwartier met een weinig gewoon Water en pers uit. Voeg bij elke

vier deelen.................4

van het bezonken en gecoleerde sap

Suiker één deel...............1

Laat de vloeistof, onder afwisselend roeren en afschuimen, zoo lang sterk koken, totdat een proefje onder het bekoelen gelei worde.

Bereiding. Dc uittrekking der vruchten geschiedt bij deze gelei door opkoking met weinig water. Vooral is bij de bereiding zorg te dragen tegen aanbranden, waartoe ook de toevoeging van het water dient en gestadig geroerd moet worden. De zuivering van het sap geschiedt, behalve door bezinken en coleeren, door volledig afschuimen, waartoe een sterk vuur wordt onderhouden. Men dampt voorts uit, totdat een proefje onder het bekoelen tot gelei stolt. Gewoonlijk bemerkt men, dat de goede consistentie bereikt is, aan de hoeveelheid, grootte en vorm der uit de golvende vloeistof opstijgende bellen benevens aan het optreden van een eigenaardigen reuk. Ten einde eene fraaie, ooglijke gelei te ver-krijgen, werke men liefst met niet te geringe hoeveelheden. Bij de bereiding vermijde men wegens het gehalte aan vrije zuren het gebruik van koperen of ijzeren toestellen.

Eigenschappen. Eene donker roodbruine, echte gelei, zoetzuurachtig van smaak. Met water geeft zij eene vrij heldere oplossing, die door zuren rooder, door alkaliën donkergroen wordt gekleurd.

S A C C H A R U M.

S U I K E R.

De Suiker, bereid uit het stengelsap van S a c c h a r u m officina-r u m L. of uit het wortelsap van H e t a vulgaris M o q. var. R a p a Dum., in geraffineerden staat.

-ocr page 416-

786

Suiker komt voor als kristallijne stukken of als kristallijn poeder en is zeer wit, droog en zeer zoet

Door het oplossen van Suiker in zijn eigen gewicht aan water, worde een heldere, neutrale, kleur- en reuklooze vloeistof verkregen, waaruit in den toestand van rust zich niets mag afscheiden, ook niet na toevoeging van een gelijk volumen sterken spiritus.

Samenstelling. C12Hii011

Suiker (saccharose) behoort tot de koolhydraten \'). Behalve dat zij chemisch het karakter draagt van een acht-atomigen alcohol door het bezit van acht hydroxyl-, OH, groepen, kan zij ook als eene anhydride-vorm van glucose (waarschijnlijk een aldehyde van den zes-atomigen alcohol CGH8(OH)6) beschouwd worden, daar zij onder inwerking van zuren en fermenten onder opname van water gemakkelijk wordt omgezet in invertsuiker, een mengsel van dextrose en levulose, twee tot de glucosen behoorendc stoffen.

HaO = CH\'^O6 CsH1206

saccharose water dextrose levulose

Bereiding. De suiker der Ph., onze gewone suiker, wordt gewonnen:

1°. als rietsuiker uit Saccharum officinarum L., behoo-rende tot de familie der Gramineae, een grassoort, vermoedelijk oorspronkelijk inheemsch in zuidoostelijk Azië, langzamerhand voor hare verbouwing wegens haar suiker-gehalte naar vele andere tropische gewesten overgebracht. Terwijl in Europa de plant tegenwoordig nog slechts betrekkelijk weinig in het zuiden van Spanje, in Andalusic, en op Sicilië gekweekt wordt, is het voor ons van belang, dat zij op zeer ruime schaal in West-Indic en Zuid-Amerika, ook in onze overzeesche bezittingen, op Java, wordt verbouwd. De plant heeft 1.5—4 M. hooge, 2—5.5 cM. dikke, rolronde, veelknoopige, harde stengels, halmen, waarvan het binnenste bestaat uit een los celweefsel, het merg, dat bij rijpheid ongeveer 18 pet. suiker opgelost bevat.

Wanneer de halmen rijp zijn, worden zij nabij den grond afgesneden , in bossen gebonden en naar fabrieken gebracht, om verwerkt te worden. Allereerst wordt het riet tusschen met stoom verwarmde, ijzeren cylinders geperst. Het uitgeperste, troebele, bruine of groenachtige, zoete sap gaat bij de hooge temperatuur

\') Zie verder bij «Atnylum Solani», biz. C7.

-ocr page 417-

787

T

wil

lil

der tropische gewesten spoedig in gisting over, waarom het zoo spoedig mogelijk in klaarpannen onder toevoeging van kalkmelk wordt gebracht, waardoor vrij zuur wordt gebonden, terwijl door zachte verwarming de eiwitstoffen zich grootendeels in onop-losbaren toestand als schuim afscheiden, dat zorgvuldig wordt afgeschept. Vervolgens wordt het sap in een reeks van vacuum-pannen uitgedampt, geconcentreerd, totdat zich in de laatste eene dikvloeibare massa heeft gevormd, waarin zich suikerkristallen beginnen af te scheiden. De massa wordt in vaten overgebracht, waarvan de bodem doorboord en slechts luchtig gesloten is, zoodat het nog vloeibare, een stroopachtig vocht, de melasse, afdruipt en de suiker achterblijft, welke ruwe suiker, cassonade of moscovade, verder naar de raffinaderijen wordt verzonden.

20, als beetivortelsuiker uit Beta vulgaris Moq. var. Ra pa Dum., een één- of tweejarig, kruidachtig gewas uit de familie der Chenopodiaceae (Salsolaceae), in \'t wild voorkomende langs het strand der Middellandsche Zee en een gedeelte van den Atlantischen Oceaan, overigens in Europa, ook bij ons op groote schaal gekweekt. De wortel van de in \'t wild groeiende plant is penvormig, dun en hard, in gekweekten toestand echter vleezig, dik en min of meer saprijk. De plant wordt bij ons in April of Mei gezaaid en de boven den grond uitstekende wortel in September of October geoogst, als wanneer hij gedeeltelijk terstond verwerkt, gedeeltelijk in met aarde gedekte kuilen wordt opgelegd, om later achtereenvolgens te worden verbruikt.

Nadat de wortelen, die 9 — 18, gemiddeld 14 pet. suiker bevatten, door afwassching zijn gereinigd en de kop, die het minste suiker bevat, er van is verwijderd, worden zij tot moes geraspt en het sap daaruit geperst door middel van hydraulische persen of tusschen eene reeks van horizontale en vertikale cylinders, tegenwoordig meer uitsluitend door diffusie, door de wortels, in dunne schijven gesneden, in groote cylinders te brengen, waarin zij door water, door ingebrachten stoom verwarmd, worden uitgeloogd. De zuivering van het sap heeft plaats door behandeling met kalk, waardoor het grootste gedeelte der onzuiverheden in onop-losbaren vorm wordt afgescheiden en verwijderd. In de heldere vloeistof wordt daarna kooldioxyde geleid, waardoor de gevormde oplosbare verbinding van de suiker met de kalk onder afscheiding van koolzure kalk weder wordt ontleed. Meestal wordt deze bewerking herhaald, het sap daarna door dierlijke kool ont

Jl

||

1 il

1 m

I

if j

i

If!

i iii

•1

i ill

i

pp

illW

-ocr page 418-

788

kleurd, in vacuumtoestellen verdikt, nogmaals door kool ontkleurd en ten slotte tot beginnende kristallisatie uitgedampt. De dus verkregen suiker bezit den vorm van kleine, kristallijne korrels, vermengd met melasse, waarvan men haar in de meeste fabrieken door centrifugaaltoestellen ontdoet. Daarna brengt men haar in verwarmde lokalen, waardoor zij hare overige vochtigheid verliest. De melasse wordt nog verder uitgedampt om op dezelfde wijze suiker daaruit te verkrijgen. De overige daarin achterblijvende suiker wordt ten slotte door omzetting in de onoplosbare baryt- of strontiumverbinding en ontleding daarvan of door osmose verkregen (gemiddelde opbrengst 12 pet.).

Zoowel de rietsuiker als de beetwortelsuiker zijn in dezen toestand te onzuiver, om als zoodanig gebruikt te worden, waarom zij in Europa in bijzondere fabrieken, raffinaderijen, verder worden verwerkt, geraffineerd. De suiker wordt daartoe in door stoom zacht verwarmde pannen opgelost en vervolgens poeder van beenzwart en ossenbloed toegevoegd. Daarna verwarmt men, totdat de vloeistof begint te koken , waarbij zich aan de oppervlakte een dik schuim vormt, dat een groot gedeelte der onzuiverheden bevat. Na volkomen afzetting tapt men de vloeistof door eene kraan in den bodem af en filtreert haar door een reeks van zakken, waarin het schuim en de kool terugblijven, en ontkleurt de stroop vervolgens door filters van dierlijke kool. De gefiltreerde stroop wordt verder in vacuumpannen tot kristallisatie uitgedampt en overgebracht in vormen, om daar te kristalliseeren. Deze vormen zijn kegelvormig, aan de punt min of meer afgerond en bezitten aan den top eene kleine opening, die met eene stop gesloten wordt. Nadat deze met de massa gevuld zijn, laat men de suiker in sterk verwarmde vertrekken daarin kristalliseeren en het vloeibaar blijvende uit den naar beneden gerichten top der vormen druipen. Nog eenigszins geel gekleurd, worden de laatste sporen kleurstof verwijderd door het dekken, het brengen nl, eener inde koude verzadigde, kleurlooze suikeroplossing op de suikerbrooden in de vormen. Deze doordringt de massa en drijft de gekleurde stroop voor zich uit, die door de onderste opening wegvloeit. Nadat de brooden vervolgens uit de vormen verwijderd zijn, worden zij nog gedurende eenige dagen in warme kamers gedroogd en ten slotte in papier verpakt.

Eigenschappen. Doorschijnende, harde, kleur- en reuklooze, zeer

-ocr page 419-

789

zoete, droge, niet-hygroscopische, neutrale kristallen of een wit, kristallijn poeder, zeer gemakkelijk oplosbaar in water (0.54 bij O0, 0.52 bij 150, 0.21 bij 50°, in iedere verhouding bij 1000), vrij goed in spiritus (verdunden 4.7, sterken 106), bijna onoplosbaar in absoluten spiritus en aether, chloroform , petroleumaether en zwavelkoolstof. Suiker smelt bij 1600 en vormt bij bekoeling eene amorphe, doorschijnende, glasachtige massa, die langzamerhand weder kristallijn en ondoorschijnend wordt; bij 210° gaat zij onder ontwikkeling van prikkelende dampen in een donkerbruine, bittere massa {caramel) over.

Bij gisting levert Suiker spiritus, glycerine, barnsteenzuur en kooldioxyde.

Door zwavelzuur wordt Suiker reeds in de koude verkoold \'). Met salpeterzuur wordt suikerzuur, bij verhoogde temperatuur achtereenvolgens wijnsteenzuur en zuringzuur gevormd. Met kali-en natronloog, kalk en baryt, zoomede met metaaloxyden en -hydroxyden als lood- en ferri-hydroxyde vormt zij saccharaten, die door kooldioxyde weder worden ontleed.

Door kaliloog wordt eene suikerhoudende vloeistof in de koude niet ^), bij verwarming bruin gekleurd.

Suiker reduceert koper- en bismuthzouten in alkalische oplossing niet, wel echter na langdurig koken, beter onder inwerking van een weinig verdund zuur

Met mangaansuperoxyde en verdund zwavelzuur gedestilleerd, ontstaat furfurol, C\'H^O5, in het destillaat kenbaar aan den aangenamen reuk en de roodkleuring bij toevoeging van eenige droppels kleurlooze aniline-oplossing en chloorwaterstofzuur.

Onderzoek.

ia. De Suiker, bereid uit de stengels van Saccharum offi-cinarum L. of uit het wortelsap van Beta vulgaris Moq. var. Ra pa Dum. De 1\'h. staat dus zoowel het gebruik van rietsuiker als van b ee t w o rt e 1 s u i k e r toe. In hare eigenschappen betoonen zich trouwens beide suikersoorten in zuiveren staat identisch. Andere suikersoorten, zooals esehdoorn- of ahorn-, palmsuiker, enz. komen bij ons niet in den handel voor.

\') In onderscheid met melk- en d r u i v e s u i k e r.

*) In ondersclieid met glucose.

3) F e h I i n g\'s en N y la ncl e r\'s proefvocht (zie Supplement Nederl. Pharmac.). In onderscheid met rn e 1 k- en d r u i v e s 11 i k e r.

SI

-ocr page 420-

79°

2°. in geraffineerden staat. Suiker komt voor als kristallijné stukken of als kristallijn poeder en is zeer wit, droog. Bedoeld wordt verder door de Ph. het gebruik van de z.g. fijne raffinade, waarop de genoemde eigenschappen passen. Daarentegen mogen bijv. niet gebruikt worden de geivone witte of melissuiker, die minder wit, gewoonlijk ietwat geelachtig is, noch de minder zuivere, meer gekleurde, soms hygroscopische lovipen-, farien- en bastaard-suiker. Uit de woorden ,,kristallijne stukkenquot; volgt, dat mede bedoeld wordt het gebruik der z.g. kandijsuiker, waarvan echter alleen de kleurlooze, witte kristallen mogen worden gebezigd.

3°. en zeer zoet. Slaat op vervalsching met druivesuiker of melksuiker, welke veel minder zoet zijn \').

4°, Door het oplossen van Suiker in zijn eigen gewicht aan water, worde een heldere, neutrale, kleur- en reuklooze vloeistof verkregen. In geconcentreerden staat is de oplossing stroopachtig; in onderscheid met die van melksuiker. Druivesuiker is iets minder oplosbaar, melksuiker veel minder. Onvolkomen oplosbaarheid zou op verontreiniging met moeilijk of niet in water oplosbare stoffen wijzen, bijv. meel, deeltjes kool, enz. Mindere kleur- en reukloosheid zouden kunnen wijzen op mindere zuiverheid, bijv. op een gehalte aan melasse; ook op toevoeging van kleurbe-dekkende middelen als berlijnsch blauw, blauwsel, indigokarmijn of ultramarijn, welk laatste met zuur den reuk naar zwavelwaterstof zou doen ontstaan.

5°. waaruit in den toestand van rust zich niets mag af scheiden. Ultramar ij n, b e r 1 ij n s c h blauw, blauwsel en indigo-karmijn zetten zich na eenigen tijd daarbij af.

6°. ook niet na toevoeging van een gelijk vobcmcn sterken spiritus. Slaat op vervalsching met dextrine, op slijm en meer dan sporen van zouten. Ook druivesuiker is veel minder in spiritus oplosbaar quot;*).

») Voegt men bij eene kokende, een weinig ammoniak bevallende saccharose-oplossi ig dropfielsgewijze zilvernilraat-oplossing (1 = 100), clan mag geene bruinkleuring ingevolge zilverafscheiding plaats vinden. Afwezigheid van druivesuiker en m e 1 k s u i k o r. Zie ook blz. 789.

») Overigens mag de oplossing in water (I =\'20) met zilvernitraat, baryumchloride en ammoniumoxalaat niet meer dan eene geringe troebeling geven. Afwezigheid van meer dan sporen chloriden, sulfaten en a a r d a I k a I i-verbindingen.

-ocr page 421-

79i

SAC CH A RUM LACTIS.

MELKSUIKE R.

De suiker, bereid uit de Wei van koemelk.

Melksuiker komt voor als cilinders, die naar boven kegelvormig toe-loopen, of als dikke korsten, of als platen, samengesteld uit witachtige, doorschijnende, vierzijdig-prismatische, vaste, harde, reuklooze, eenigs-zins zoete en tusschen de tanden knarsende kristallen.

2 deelen Melksuiker moeten met 3 deelen kokend water een heldere, neutrale oplossing geven. Als 1 Grm. poeder van Melksuiker metiocM3. verdunden spiritus een half uur gemacereerd en de vloeistof dikwerf geschud en daarna gefiltreerd wordt, moet zij, na verdampt te zijn, niet meer dan 35 mG. vaste stof achterlaten.

Samenstelling. C12!-!22^)11

Melksuiker (lactose) behoort tot de koolhydraten. Behalve dat zij, evenals rietsuiker, als een anhydride-vorm eener polyglucose kan beschouwd worden \'), draagt zij eenerzijds door de vorming van samengestelde aethers een alcohol-aard; anderzijds bezit zij overwegend de eigenschappen van een aldehyde.

Zij kristalliseert met één molec. kristalwater.

Bereiding. Melksuiker is een bestanddeel der melk van zoogdieren. Nadat deze door afrooming van boter en door leb van kaasstof is bevrijd, blijft de z.g. wei over. Voornamelijk in de Alpenlanden wordt uit deze geelachtig-groene, troebele vloeistof de melksuiker verkregen door haar tot stroopdikte uit te dampen, waardoor bij bekoeling de suiker gedeeltelijk als een grof, zanderig poeder, schotten- of suiker zand, uitkristalliseert, terwijl de nog opgelost blijvende door vernieuwde concentratie wordt verkregen. De suiker wordt vervolgens geraffineerd, door haar in kokend water op te lossen, door afschuiming en bijvoeging van een weinig aluin te klaren en door kool te ontkleuren, waarna men haar uit de geconcentreerde oplossing in koperen ketels langzaam laat kristalliseeren, hetzij langs de wanden in den vorm van dunnere platen of dikkere korsten, of in de vloeistof zelve als ronde of cylindrische, trosvormige massa\'s, die zich afgezet hebben langs in de oplossing opgehangen houten pennen.

\') Zie bij « Sacchanim » , biz. 78G.

-ocr page 422-

792

Eigenschappen. Dunnere of dikkere platen of korsten of naar boven kegelvormig toeloopende cylinders, bestaande uit vierhoekig-zuilvormige, doorschijnende, harde, witachtige, reuklooze, zwak zoete, droge, tusschen de tanden knarsende, neutrale kristallen, oplosbaar in koud (7) en warm (1.2) water 1)) weinig oplosbaar in spiritus, onoplosbaar in absoluten spiritus, aether, chloroform, enz. Bij 130° verliest Melksuiker langzamerhand haar kristalwater; bij 150°—1600 wordt zij langzamerhand geel tot bruin {lactocaramel); boven 200° smelt zij en wordt zij verder ontleed.

Melksuiker wordt door zuivere gist niet veranderd. Bij overige gisting, welke zij echter eerst bij hoogere temperatuur (30°) ondergaat, wordt nevens spiritus, enz. ook melkzuur gevormd.

Door zwavelzuur wordt Melksuiker bij gewone temperatuur aanvankelijk niet, later langzaam, bij verwarming echter spoediger verkoold 2). Met salpeterzuur worden slijmzuur en suikerzuur, later wijnsteenzuur, druivezuur en zuringzuur gevormd. Met kali- en natronloog, kalk en baryt, alsmede met metaaloxyden vereenigt zich Melksuiker evenals rietsuiker.

Door kaliloog wordt eene oplossing van Melksuiker in de koude niet, bij verwarming bruin gekleurd 3). Zij reduceert koper- en bismuthzouten in alkalische oplossing benevens ammoniakale zilveroplossing onder vorming van een zilverspiegel 4).

Onderzoek.

10. Melksuiker komt voor als cilinders, die naar hoven kegelvormig toeloop en, of als dikke korsten, of als platen. De Ph. verlangt dus de aanschaffing van Melksuiker in haren natuurlijken vorm, niet als poeder. Die in kegelvorm is 4 dM. lang en 4 -5 cM. dik, die in korsten is verschillend in grootte en 1.5—2 cM. dik.

20. witachtige, reuklooze, eenigszins zoete kristallen. Zij moeten een geheel wit poeder leveren. Bij afgesloten bewaring verkrijgt het poeder vaak na eenigen tijd een zwakken, eigenaardigen reuk. De smaak is zwak zoetachtig. Gele, ransig riekende of zuur smakende Melksuiker mag niet gebruikt worden. Een te zoete smaak kan wijzen op rietsuiker of glucose.

\') De oplosbaarheid bij 100° kan varieeren van \'2.5—1 door de neiging van Melksuiker tot vorming van oververzadigde oplossingen.

\') In onderscheid met rietsuiker.

:l) In onderscheid met glucose.

quot;) In onderscheid met rietsuiker. Zie noot ■\'), blz. 789 en noot \'), blz. 7\'JO.

-ocr page 423-

793

3°. 2 deden Melksuiker moeten met 3 deelen kokend water een heldere oplossing geven. Deze oplossing moet dimvloeibaar zijn. Eene stroopachtige consistentie zou op rietsuiker, onvolkomen helderheid op uit de melk afkomstige onzuiverheden wijzen, welke tevens mindere of meerdere geelkleuring en reuk kunnen veroorzaken.

40. neutrale oplossing. Afwezigheid van aluin of zure, uit de melk afkomstige onzuiverheden.

5°. Als 1 Grm. poeder van Melksuiker met 10 cM3.verdunden spiritus een half uur gernaeereerd en de vloeistof dikzverf geschud en daarna gefiltreerd wordt, moet zij, na verdampt te zijn, niet meer dan 35 niG. vaste stof achterlaten. Eene grootere verdampingj-rest zou op aanwezigheid van glucose, vooral van rietsuiker kunnen wijzen 1).

: M

M

1

i m

iPH

m

Ül

if

li\'

11:-

SAL CAROLINUM FACTICIUM. KARLSBADERZOU T.

N. Kaliumsulfaat twee deelen...........2

Natriumchloride achttien deelen.........iS

Natriumhydrocarbonaat zes en dertig deelen.....36

Uitgedroogd Natriumsulfaat vier en veertig deelen . . 44

Meng de tot poeder gewreven zouten dooreen en droog het mengsel bij een zeer zachte warmte.

Bereiding. Het kunstmatige Karlsbaderzout der Ph. dient wegens

\') Eene troebeling in liet lillraat bij toevoeging van absoluten alcohol zou op d e x-trine wijzen. Afwezigheid van rietsuiker kan min of meer zeker door de volgende reactiën worden aangetoond;

1°. Met zeer weinig water geschud, mag de afgeschonken vloeistof niet stroopachtig, noch zeer zoet zijn.

2°. Op zwavelzuur gestrooid, mag fijn poeder van Melksuiker binnen 1 a \'i uur niet min of meer bruinzwart gekleurd worden.

Squot;. 50—•100 mG. Melksuiker, met 2 droppels vloeibaar phenol vermengd en hieraan toegevoegd 1—2 droppels zwavelzuur, mag niet rood gekleurd worden (Gulden-s t e e d e n E g e 1 i n g).

4°. 1 Grm. Melksuiker, in lO cM3. water opgelost, mag, na met 100 mG.resorcine en 1 cM\'. chloorwaterstofzuur vijf minuten gekookt te zijn, niet rood gekleurd worden (Conrad y).

5°. Melksuiker, met evenzooveel zuringzuur op een waterbad verwarmd, mag niet groenbruin tol zwart worden (L 0 r i n).

1;

5 i. t

1

tl

t

n

i; i

ai#

iili

I

t\'f ;

In

\\n

fvll

-ocr page 424-

794

de mindere kosten ter vervanging van het natuurlijke Zout. Oorspronkelijk werd dit laatste door uitdamping van het bronwater en kristallisatie van de geklaarde loog verkregen als een aanvankelijk kristallijn, doch spoedig verweerend Zout, dat nevens geringe hoeveelheden natriumcarbonaat en -chloride hoofdzakelijk uit natrium-sulfaat bestond en in samenstelling geheel verschilde met dat van het natuurlijke water. Men heeft deze bereiding daarom verbeterd, door het gekookte en gefiltreerde bronwater tot droog te verdampen en de achterblijvende zoutmassa met kooldioxyde te verzadigen, ten einde de aanwezige carbonaten in bicarbonaten om te zetten, waardoor een droog, wit, korrelig-kristallijn, in water helder oplosbaar poeder wordt verkregen, dat zooveel mogelijk in samenstelling met het natuurlijke, in het water opgeloste Zout overeenkomt. Het kunstmatige Zout der Ph. is hiervan eene nabootsing en bevat, uitgenomen eenig lithiumzout en sporen fluornatrium en natriumboraat, dezelfde bestanddeelen. Zes Grm. van dit Zout geyen, in één liter water opgelost, een helder water, aan het Karlsbader in samenstelling ongeveer gelijk.

Ter bereiding worden het tot poeder (B 30) gebrachte kaliumsulfaat, natriumchloride en uitgedroogd natriumsulfaat bij zachte warmte goed gedroogd en na bekoeling onder het natriumhydro-carbonaat gemengd, waarna het witte, geheel droge, doch hygros-copische Zout terstond in flesschen wordt gebracht, waarin het goed gesloten moet worden bewaard.

SALICYLAS N A T R I C U S.

N ATRIUMS ALICYLAAT.

Kleurlooze of bijna kleurlooze kristalschubben, die, na verbrand te zijn, een wit overschot achterlaten, dat met verdund chloonvaterstofzuur opbruist en een niet lichtende vlam blijvend geel kleurt.

Natriumsalicylaat geeft met minder dan 1 deel water en met 6 deelen sterken spiritus heldere, neutrale of slechts zwak zure oplossingen.

De oplossing in water (1 = 10) scheidt, als zij met verdund chloor-waterstofzuur vermengd wordt, kristallen af, die in aether oplossen; met haar honderdvoudig volumen water verdund, wordt zij door ferrichloride nog violet gekleurd.

Natriumsalicylaat losse zonder op te bruisen en zonder gekleurd te worden op in zwavelzuur.

-ocr page 425-

795

Wordt 200 mG. Natriumsalicylaat in een mengsel van 10 cM3. sterken sjjiritus en 5 cM8. water opgelost, clan mag de vloeistof, na met salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, door baryumnitraat en door zilvernitraat nauwelijks opalesceeren.

Samenstelling. Crgt;H4.OH.COO Na

Het salicylzuur vormt twee reeksen van zouten. Wordt alleen de waterstof der carboxyl-, COOH, groep door metaal vervangen, dan ontstaat een primair, neutraal zout; is daarentegen ook de waterstof der hydroxyl-, OH, groep door metaal vervangen, dan vormt zich een secundair, basisch zout.

li 1? ■ • 1

li

•\'1

\'liji

1

I . ;gt;

li in

Cquot;H4.OH.COO Na

primair, neutraal natriumsalicylaat

CeH4.0 Na. COONa

secundair, basisch (cü)natriumsalicylaat

. .kit\' filiBI


Het Zout der Ph. is het primaire, neutrale natriumsalicylaat.

Bereiding. Geschiedt de verzadiging van het salicylzuur door eene zwakke base, bijv. een alkali- of aardalkali-carbonaat, dan ontstaat het primair, neutraal salicylaat. Heeft zij echter plaats door eene sterkere base, bijv. een alkali ofaardalkali in overmaat, dan ontstaat het secundaire, basische salicylaat. Het natriumsalicylaat der Ph. kan dus verkregen worden door neutralisatie van salicylzuur met natriuinhydrocarbonaat.

CeH4.OH.COOH NaHCO3 = CGH4.OH.COONa -f- CO2 -j- H20

salicylzuur natrium natriumsalicylaat kool water

liydrocarbonaat dioxyde

10 Dln. Natriuinhydrocarbonaat worden in een ruime, porseleinen schaal met 16.5 dln. salicylzuur vermengd en hieraan onder omroeren allengs 10 dln. water toegevoegd. Zoodra de kooldioxyde-ontwikkeling heeft opgehouden, wordt de oplossing, die zwak zuur moet reageeren, terstond op het waterbad bij eene temperatuur van hoogstens 60° zoo spoedig mogelijk tot droog uitgedampt en het achterblijvende zout uit 100 dln. warmen alcohol omgekristalliseerd, waarbij uit de achterblijvende moederloog, na ontkleuring door kool en hernieuwde uitdamping, het nog opgeloste Zout kan worden verkregen.

Eigenschappen. Kleine, kleur- en reuklooze, zoete, zijdeglan-zende, neutrale of zwak zure kristalschubben, gemakkelijk oplosbaar in water (0.9) en in spiritus (6), weinig in aether, die bij verhitting onder phenol-ontwikkeling worden ontleed, en, verder verhit, na verbranding een wit overschot van natriumcarbonaat

Ti

Lil

1

1, jWjffl

ra li

li;

m ii-i?

1

m

Si.

1

n

,

ü

-ocr page 426-

796

2CcH4.OH.COO Na = CeH4.0Na. COO Na C8H5.OH CO1

natriumsalicylaat dinatiiumsalicylaat phenol kool

dioxyde

achterlaten, dat met zuren opbruist en een niet lichtende vlam blijvend geel kleurt.

De oplossing in water (i = 1000) wordt door ferrichloride blauwviolet gekleurd. Door zwavelzuur verdwijnt deze kleur en scheiden zich kristallen van salicylzuur af, die in aether gemakkelijk oplossen

Onderzoek.

i#. Kleurlooze of bijna kleurlooze kristalschubben. De ingre-diiinten voor de bereiding, zoowel het salicylzuur als het natrium-hydrocarbonaat, moeten volkomen zuiver, het laatste vooral niet ijzer-houdend zijn. Evenmin mogen metalen voorwerpen bij de bereiding gebezigd worden. Overigens moet bij de neutralisatie het salicylzuur steeds in geringe overmaat aanwezig zijn; bij overmaat alkali, dikwerf ook bij volkomen neutraliteit, kleurt het Zout zich onder opname van zuurstof uit de lucht door tot dusverre niet nader gedefinieerde verontreinigingen bruin. Daar licht en lucht, vooral ammoniakhoudende, deze kleuring begunstigen, moet het Zout tegen den invloed van het licht in goed gesloten flesschen bewaard worden 2). Eene zeer geringe kleuring is toegestaan.

2°. kristalschubben. Het niet uit warmen alcohol omgekristal-liseerde, poedervormige, waterhoudende Zout mag niet gebruikt worden 3). Overigens kan het Zout bij aanwezigheid van eenigszins beduidende hoeveelheden (5 pet.) kresotin zuren niet tot kristallisatie gebracht worden.

3°. Natriumsalicylaat geeft met minder dan \\ deel water en met 6 de eten sterken spiritus heldere, neutrale of slechts zwak zuse oplossingen. Mindere of niet geheele oplosbaarheid en sterk zure reactie kunnen wijzen op eene te groote hoeveelheid vrij salicylzuur, alkalische reactie op n at r i u m ca r bo n a at. Het secundaire, basische zout is minder oplosbaar. Slechts zwak zure reactie is toegestaan. De waterige oplossing moet kleurloos zijn en mag bij staan slechts zwak roodachtig worden.

40. De oplossing in water (1 = to) scheidt, als zij met verdund

1

\') Zie verdere reaction bij «Acidutn salicylicum », blz. 41.

2

\') Hel Zout mag ook niet p h e n 0 1 achtig rieken.

3

) Het Zout kristalliseert ook met 0 molec. kristalwater (U 0 m ij n).

-ocr page 427-

797

chloonvaterstofzuur vermengd wordt, kristallen af, die in aether oplossen; met haar honderdvoudig volumen ivater verdund, wordt zij door ferrichloride nog violet gekleurd. Identiteits-, tevens zui-verheidsreactiën \').

50. Natriumsalicylaat losse zonder op te bruisen op in zwavelzuur. Afwezigheid van carbonaat, hydrocarbonaat, mierezuur-en o x a a 1 z u u r-zout,

6°. en zonder gekleurd te worden. Afwezigheid van tot dusverre niet nader gedefinieerde verontreinigingen van het salicylzuur.

7°. Wordt 200 inG. Natriumsalicylaat in een mengsel van 10 eM*. sterken spiritus en 5 cil/3. water opgelost, dan mag de vloeistof, na met salpeterzuur zuur gemaakt te zijn, door baryum n it raat en door zilvernitraat nauwelijks opalesceeren. Afwezigheid van sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan. Toevoeging van spiritus dient, om het door het zuur afgescheiden salicylzuur in oplossing te houden.

SALICYLAS NATRICUS CUM COFFEINO.

NATRIUMSALICYLAAT MET COFFEÏNE.

Een wit, amorph poeder, dat, voorzichtig verhit, een wit kristallijn sublimaat oplevert.

Het witte overschot, dat na verbranding achterblijft, bruist met verdund chloorwaterstofzuur op en kleurt een niet lichtende vlam blijvend geel.

Het poeder geeft met 2 deelen water en met 23 deelen sterken spiritus neutrale oplossingen.

Chloroform moet uit 200 mG. van het poeder omstreeks 100 mG. coffeïne opnemen.

De oplossing in water (1=20) geeft, met salpeterzuur zuur gemaakt, een kristallijn neêrslag en een vloeistof, waarin baryumnitraat en zilvernitraat niet meer dan een geringe troebeling of een opalescentie teweeg mogen brengen.

Sterke spiritus geeft met het kristallijne neêrslag een oplossing, die, na met veel water verdund te zijn, door ferrichloride violet wordt.

Samenstelling. (C8HN^02 HJ0), i|(C6H4.OH.COO Na)

Het preparaat der Ph. is een mengsel, hoogstens eene zeer

\') Zie bij « Acidum salicylicum », blz. 41.

-ocr page 428-

798

losse, moleculaire verbinding van coffeïne met natriumsalicylaat. Daar het omstreeks 50 pet. coffeïne moet bevatten, zal het ongeveer aan bovengenoemde samenstelling beantwoorden.

Bereiding. De bereiding berust op de eigenschap van coffeïne, om, waar deze in enkel water moeilijk oplosbaar is, gemakkelijk oplosbaar te zijn in eene waterige oplossing van sommige zouten als kalium- of natriumbromide, natriumsalicylaat, -benzoaat, -citraat, enz.

i|CeH4.OH.C0ONa4-C8Hquot;gt;N4O:!.H2O = 240 212

(CH1 0N4Oï HjO), i| (CeH4.OH.COO Na) 452

I Dl. Natriumsalicylaat wordt in 3 dln. water opgelost en hieraan 1 dl. coffeïne toegevoegd , dat, zoo noodig onder zachte verwarming, daarin wordt opgelost. De oplossing wordt gefiltreerd en daarna in een aarden schaal onder roeren met een porseleinen spatel tot droog uitgedampt. De korrelige massa wordt vervolgens tot poeder gewreven en ten slotte, nogmaals gedroogd, in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

Eigenschappen. Een amorph, neutraal, wit, reukloos, bitter poeder, gemakkelijk oplosbaar in water (2), moeilijker in spiritus (23).

In een reageerbuisje of tusschen twee horlogeglazen voorzichtig verhit, levert het een wit, kristallijn sublimaat van coffeïne, evenals deze, na uitschudding van het poeder met chloroform, bij verdamping daarvan achterblijft \').

De oplossing in water (1 = 10) geeft, met salpeterzuur zuur gemaakt, een kristallijn neêrslag van salicylzuur, dat in spiritus en aether oplost J).

Het witte overschot van natriumcarbonaat, dat na verbranding overblijft, bruist met verdund chloorwaterstofzuur op en kleurt een niet lichtende vlam blijvend geel.

Onderzoek.

i#. Chloroform moet uit 200 mG. van het poeder omstreeks

*) Zie eigenschappen van coflfeïne bij «Coffeïne)), blz. 209.

\') Zie eigenschappen van salicylzuur bij ((Acidum salicylicum», blz. 41. Ook coffeïne scheidt zich af, die zich echter met eene voldoende hoeveelheid zuur tot een in water oplosbaar zout verbindt.

-ocr page 429-

799

loo inG. coffëine opnemen. De 1\'h. eischt dus een preparaat met ongeveer 50 pot. coffeine \'),

20. De oplossing in water (1 = 20) geeft, met salpeterzuur zuur gemaakt, een kristallijn neerslag en een vloeistof, waarin baryuin-nitraat en zilvernitraat niet meer dan een geringe troebeling of een opalescentie teweeg mogen brengen. Afwezigheid van sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan.

30. Sterke spiritus geeft met het kristallijne neérslag een oplossing, die, na met veel water verdund te zijn, door ferrichloride violet wordt. In onderscheid met benzoaat, dat daarmede een lichtbruin neérslag zou geven.

Hf

li

i

\'

-\'ip

■lliffll

IJl

11

■ \'

i

Ml

n

§ 1

SALICYLAS PHYSOSTIGMINI.

PHYSOSTIGMINESALICYLAAT.

SALICYLAS ES E R I N I.

Kleurlooze of lichtgele, geheel verbrandbare kristallen, die met 150 deelen water en met 12 deelen sterken spiritus bijna ongekleurde, heldere en neutrale oplossingen leveren, die na eenigen tijd rood worden.

De oplossing in water wordt door ferrichloride violet gekleurd en door joodoplossing neêrgeslagen.

Zwavelzuur geeft met Physostigminesalicylaat een kleurloos vocht, dat later geel wordt. Lost men een weinig van het zout in verwarmde ammonia op, dan ontstaat er een geelroode vloeistof, die, op een waterbad verdampt, een blauw of blauwgroen overschot achterlaat. Uit overschot geeft met verdunden spiritus een blauwe oplossing, die door azijnzuur rood en Huoresceerend wordt.

Samenstelling. C1quot; 1121N3 O2 .C7 H«O3

De verbinding van één molec. van het alkaloïde physostigmine met één molec. salicylzuur ^).

•) Men trekt voor deze bepaling in een kolfje \'200 mG. van liet poeder met 5 cM\'. chloroform uit onder zachte verwarming op het waterbad en herhaald omschudden en herhaalt deze bewerking bijv. vijf malen. De nog warme chloroform wordt telkens afgefillreerd in een gewogen kolfje en vrijwillig verdampt, terwijl ten slolte sporen water door zachte verwarming op het waterbad gedurende ongeveer tien minuten worden verdreven, waarna wordt gewogen.

\'■) Zie blz. 417.

i A

1

\'J

■ i

1

is-

li lli iÉ? ■ij hï,,,

\'tei fe

Mi

!.\'• i f

n

JLL

-ocr page 430-

8oo

Bereiding. Physostigmine wordt het best gewonnen uit versch bereid Calabarextract 1). Daartoe vermengt men dit met eene oplossing van natriumhydrocarbonaat 2) in overmaat, waardoor het alkaloïde in vrijheid wordt gesteld, en schudt dit herhaaldelijk met aether uit. De aetherische oplossingen worden daarna met zeer verdund zwavelzuur geschud, waarin het alkaloïde als zout oplost, de zure, waterige oplossing terstond van den aether, waarin hars, vet, enz. opgelost blijven, gescheiden en verder van vet-achtige stoffen door filtratie gezuiverd. De aldus verkregen , heldere oplossing wordt wederom met natriumhydrocarbonaat in overmaat behandeld en het alkaloïde met aether uitgeschud, waarna men den aether laat verdampen. Deze bewerking, behandeling met hydrocarbonaat, daarna met zwak zuur en telkens uitschudden met aether, wordt zóólang herhaald, totdat het alkaloïde volkomen helder en kleurloos in verdund azijnzuur oplost.

Voor de bereiding van het Zout worden 2 dln. physostigmine en i dl. salicylzuur in 30 dln. warm water of in warmen absoluten alcohol opgelost, waaruit het bij bekoeling kristalliseert s). De kristallen worden verzameld en bij zeer zachte warmte buiten toetreding van licht gedroogd.

Eigenschappen. Kleurlooze of lichtgele, naaldvormige, glinsterende, neutrale of zeer zwak zure kristallen, oplosbaar inwater (150) en in spiritus (12), die bij ongeveer 1790 smelten en bij verdere verhitting geheel verbranden.

Door vele alkaloïd-reagentia, o. a. kaliummercuridjodide, broom-water, joodoplossing en goudchloride wordt de oplossing van het Zout neergeslagen, niet of moeilijk door mercuri-of platinachloride, tannine en pikrinezuur.

Zwavelzuur lost het Zout aanvankelijk kleurloos, daarna geel en ten slotte olijfgroen, na toevoeging van broomwater met rcod-bruine kleur, op.

10 mG. van het Zout, met 2 cM3. ammonia op het waterbad verwarmd, geeft eene geelroode vloeistof, die, verdampt, een blauw

■) Zie blz. 301.

\') Behandelinj,\' met sterke alkaliën of alkalicarbonaat mag niet geschieden, wijl deze gemakkelijk ontleding der physostigmine veroorzaken.

\') Üf de aellier-uitschiulsels worden gefiltreerd in eene aellierische oplossing van salicylzuur, waardoor het salicylaat zich dadelijk in zeer kleine, kleurlooze kristallen afscheidt, die met aether afgewasscheu en bij gewone temperatuur, snel en tegen licht en lucht beschut worden gedroogd.

-ocr page 431-

8oi

of blauwgroen overschot {physostigmine-blauzv) achterlaat. Dit overschot geeft met verdunden spiritus eene blauwe oplossing, die door azijnzuur rood en fluoresceerend wordt, en lost in één droppel zwavelzuur met groene kleur op, die bij toevoeging van spiritus in rood overgaat, terwijl bij langzame verdamping van c\'en spiritus de vloeistof blauw en daarna langzamerhand weder groen wordt 1).

2—3 Droppels chloorwater !!) lossen i mG. van het Zout tot eene roode vloeistof op, welke, aan de lucht verdampt, een rood overschot achterlaat, dat in spiritus oplost ,).

Onderzoek.

1°. Kleurlooze of lichtgele kristallen, die met 150 deelen water en met 12 deelen sterken spiritus bijna ongekleurde oplossingen leveren, die na eenigen tijd rood ivorden. Het sulfaat, dat zeer hygroscopisch is, komt voor als een steeds eenigszins gekleurd, kristallijn poeder. Alhoewel het salicylaat het meest bestendige zout van dit alkaloïde 4) en in geheel zuiveren staat wit is, wordt het Zout door de zeer gemakkelijke ontleedbaarheid van physostigmine onder den invloed van lucht en licht, vooral in oplossing of bij verwarming, min of meer geel tot rood gekleurd {rubreserine-vor-ming). De bereiding geschiede dus zooveel mogelijk buiten den invloed van het licht, evenals de bewaring, die tevens in goed gesloten flcschjes tegen vocht moet geschieden.

2°. geheelverbrandbare kristallen. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

30. neutrale oplossingen. Afwezigheid van s a 1 i c y 1 z u u r, zwavelzuur en natrium hydrocarb o n a a t. Overigens reageert eene geconcentreerde, spiritueuze oplossing gewoonlijk zeer zwak zuur.

40. heldere oplossingen. Zwavelzuur geeft met Physostigmine-salicylaat een kleurloos vocht, dat later geel wordt. Kenmerken van zuiverheid van het Zout.

\') Een spoor oserine, opgelost in 1 a 2 droppels i-ookend salpeterzuur, geeft een donkergele oplossing, die bij verwarming op \'t waterbad in oranje overgaat en onder roeren tot droog eene groene rest (chloreserine) achterlaat, oplosbaar in water en spiritus. Laat men op liet waterbad bij de groene rest een droppel salpeterzuur vloeien, dan gaan de deelen, die niet met het zuur in aanraking zijn, in blauw over, terwijl eene violet-roode oplossing wordt verkregen, die na eenigen tijd in geelachtig-groen overgaat (f e r r r e i r a da S i I v a).

\') Hij toevoeging van chloorwater in overmaat wordt de vloeistof kleurloos.

■\') Zie over reaction op Salicylzuur op blz. 41.

quot;) Behalve het sulfaat worde ook het hydrobromaat en -chloraat gebruikt.

-ocr page 432-

8o2

SANTONINUM.

SANTONINE.

Glanzende, kleurlooze kristallen, die in het licht geel worden, bij 1700 smelten en geheel verbrandbaar zijn.

Zij zijn in aether moeilijk, in water bijna niet oplosbaar, doch geven met 4 deelen chloroform en met 3 deelen kokenden sterken spiritus neutrale oplossingen. I )e oplossing in sterken spiritus wordt door natronloog rood.

Salpeterzuur kleurt Santonine niet; zwavelzuur eerst na eenigen tijd.

Samenstelling. C15 H18 O3

Santonine is het anhydride van het éénbasische santoninezuur, C1 SH2 0O4 = C1 SH1803,H10.

Bereiding. Santonine vormt met alkaliën of aardalkaliën in water en in spiritus oplosbare zouten, santonaten, waaruit zich bij toevoeging van een zuur santoninezuur afscheidt, dat vooral bij aanwezigheid van zuren spoedig water verliest en in het anhydride santonine overgaat. De bereiding van santonine, welke uit Wormkruid hier en daar, fabriekmatig tegenwoordig vooral in het land, waar het kruid \'t eerst wordt\' aangevoerd, in Orenburg en Tschimkent plaats vindt, berust op de vorming van oplosbaar calciumsantonaat en ontleding daarvan door een zuur, azijnzuur of chloonvaterstofzuur.

2C,sH\'803 Ca (OH)2 = Ca (C15H1904)2

santonine calciuinliydroxyile calciumsantonaat

Ca(ClsHl904)2 -f 2HCI = 2 C\'5 H18 O3 Ca Cl2 -f- 2H20

calciumsantonaat chloor santonine calcium water

waterstofzuur chloride

1°. 20 dln. Wormkruid, tot grof poeder gebracht en door destillatie van vluchtige olie bevrijd, wordt met 7 dln. kalk, vooraf gebluscht, vermengd en in cylindervormige extractie-apparaten met 40 dln. sterken spiritus en 40 dln. water uitgeloogd of daarmede uitgekookt, welke bewerking in \'t laatste geval drie malen wordt herhaald. De vochten, telkens na coleeren en uitpersing van het Kruid verzameld, worden door destillatie van spiritus bevrijd en tot 50 dln, uitgedampt. Na bekoeling en filtratie wordt hieraan langzaam zóóveel azijnzuur of chloorwaterstofzuur toegevoegd, dat zich aan de oppervlakte gewoonlijk donker gekleurde hars afzet, die men afschept, waarna bij meerdere toevoeging van zuur zich na eenige dagen staan de santonine als eene kristallijne stof afscheidt.

-ocr page 433-

803

\' ■

2°. io din. Wormkruid wordt met 2 dln. gebluschte kalk innig vermengd en met 130 dln. water in een destilleerketel, ter verkrijging tevens van de vluchtige olie, gekookt en het achterblijvende nogmaals met 60 dln. water en 1 dl. gebluschte kalk uitgetrokken. De gecoleerde en bezonken vochten worden tot 15 dln. uitgedampt er; bij de nog warme vloeistof chloorwaterstofzuur tot zwak zure reactie gevoegd. Bij bekoeling scheidt zich aan de oppervlakte eene harsachtige massa af, die men verwijdert, en op den bodem onzuivere santonine.

De aldus verkregen, verontreinigde, gekleurde santonine wordt verzameld, uitgeperst en verder gereinigd. Daartoe worden de kristallen met eenig warm water onder wrijven afgewasschen, vervolgens in 10 dln. sterken spiritus opgelost en ten slotte met eenig poeder van dierlijke kool warm getrokken, waarna wordt gefiltreerd en uitgedampt, totdat zich bij bekoeling de meeste santonine afscheidt.

Ook wel worden vooraf de nog verontreinigde kristallen ter verwijdering van hars en vet eerst een paar malen met een derde van het volumen ammonia en daarna met water vermengd en afgewasschen, welke behandeling met ammonia echter snel moet plaats hebben.

Ten slotte moet de droging der verzamelde kristallen bij zachte warmte en onder afwering van licht geschieden.

Eigenschappen. Kleine, glanzende, kleur-en reuklooze, bittere, neutrale kristallen, die bij 170° smelten , weinig oplosbaar zijn in koud (5000), beter in warm (250) water, goed oplosbaar in kouden (44), gemakkelijk in warmen (3) spiritus, moeilijk in kouden (125) en warmen (75) aether, gemakkelijk in chloroform (4), benevens in vette en vluchtige oliën, zuren, alkaliën en aardalkaliën, weinig in petroleumaether.

100 mG. Santonine, opgelost in 10 cM3. sterken spiritus, waaraan toegevoegd 100 mG. kalium- of natriumhydroxyde, geeft eene karmijnrood gekleurde vloeistof, welke bij verwarming donkerder wordt, om na bekoeling zwakker te worden cn langzamerhand in eene geelachtige over te gaan.

1 mG. Santonine, vermengd met een vooraf bekoeld mengsel van 1 cM3. zwavelzuur, | cM3. water en een spoor ferrichloride, geeft, in het waterbad zacht verwarmd, terstond eene fraai violet gekleurde vloeistof 1).

\') Een spoor Santonine, vermengd met 20—30 mGrm. cyuankalium in poedervorm en daarmede gesmolten, neemt een roode klem\' aan, die snel in bruingeel overgaat. Met water of, beter, verdunde kaliloog geeft de massa eene bruine oplossing, die sterk groen lluoresceert CS c h e r m e r).

li

Mil ill 411

iiil

ill ;ipi

lij

ifii tl,\': ;■

tl\' r

.. \'

If ij

it \'

h Mfi. !\': flill i

|k:ll .■ ï-!!

I

-ocr page 434-

804

Onderzoek.

1°. kleur loose kristallen, die in het licht geel worden. Deze geelkleuring, toe te schrijven aan ontleding der santonine en vorming van photo- en isophotosantonzuur, heeft zoowel bij droge als vochtige kristallen plaats alsmede in oplossing. Santonine moet dus tegen den invloed van het licht beschut worden.

2°. en geheel verbrandbaar zijn. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen, bijv. calciumverbindingen.

3°. Zij geven met 4 declen chloroform neutrale oplossingen. Afwezigheid van zuren als azijnzuur of chloorwaterstofzuur, of alkalische stoffen als kalk. Mindere oplosbaarheid in chloroform kan op santonaat wijzen, alsmede op vervalsching met andere stoffen als gom, suiker, salie ine, enz.

4°. Salpeterzuur kleurt Santonine niet; zzvavelzunr eerst na eenigen tijd. Afwezigheid van vreemde organische stoffen als brucine, salicine, suiker, enz.

SAP O AROMATIC US.

AROMATISCHE ZEEP. BALS A M U M O P O D E L D O C H. OPODELDOC H.

N. Afedicinale Zeep veertien deelen.........14

Verdunden Spiritus tachtig deelen........80

Kamfer twee deelen..........................2

Rosmarijnolie één deel............1

Ammonia drie deelen.............3

Los de zeep en de kamfer in den spiritus op; filtreer en voeg bij het filtraat de olie en de ammonia.

Een lichtgele vloeistof.

Bereiding. De zeep wordt in eene ruime, gesloten flesch, zoo noodig onder zachte verwarming tot ongeveer 50° in het waterbad, onder herhaald, zacht omschudden in den spiritus opgelost. Na volledige of bijna volledige oplossing wordt aan de vloeistof de kamfer, in zeer kleine stukjes gebroken, toegevoegd, die onder omschudden tamelijk spoedig daarin oplossen. Daarna wordt vlug gefiltreerd en ten slotte de vluchtige olie en de ammonia toegevoegd en onder schudden opgelost.

-ocr page 435-

805

11

ili

S A P O K A LI N U S.

K A LI Z E E P.

N. Oplossing van Ka Hu m hydroxy de (15 pet.) honderd deelen 100 Olijfolie vijf en zestig deelen..........65

Verwarm het mengsel zoo lang op een waterbad, totdat de oiiegeheel verzeept is. Los de zeep op in

Water honderd deelen............100

en damp deze oplossing, onder voortdurend roeren, zoo lang uit totdat overgebleven zijn

honderd deelen...............100

Een geelachtig \\vitte, bijna reuklooze, weeke Zeep, die, in haar tienvoudig gewicht water opgelost, met mercurichloride een wit praecipitaat afscheide.

Samenstelling.

Kaiizeep bestaat in hoofdzaak uit de kaliumzouten der o 1 ij f o 1 i ez u r e n 1) benevens glycerine, water en eene geringe overmaat vrij alkali.

Bereiding. Deze berust op verzeeping en bestaat in het zóólang verwarmen van een mengsel van olijfolie, kaliumbydroxyde en water 3) in eene ruime, porseleinen schaal op een flink heet, ruim waterbad onder gestadig, langzaam roeren, totdat de olie geheel in zeep is overgegaan, de aanvankelijk waterachtige en emulsieachtig troebele vloeistof in eene vastere, niet meer korrelige, meer heldere, zeepachtige massa is veranderd, een weinig daarvan geheel helder in water oplost zonder afscheiding van oliedroppeltjes en mercurichloride in de oplossing geene gele tot bruine kleuring meer teweegbrengt.

i» f!i ■ i-■:!!

\' Jf

\' isÖ 1?

I\' I

M\'V

1 :

li

li\'iiil

\'!!

:

liè

lil m

fi\'i i 1

»1 if! tifi 4l]i\' ■iPiirfn i: 1\' vi

1 ■

ilil!

\') Zie bij «Olea», blz. 553, 011 bij «Oleum Qjjvarum, IjU. 002.

1) Zie verder over verzeeping bij « Kmplastrum O.xydi pluinbici», blz, 258, en bij « Glycerinum », blz. 3(39.

Ook wol wordt onder de verzeeping oenige spiritus (8 dln.) toegevoegd, waardoor zij wordt bespoedigd, ol\' men bezigt voor de verzeeping spiritus in plaats van walor, waarin vooral\' de pijpjes KOU worden opgelost, en verwarmt in een ruime kolt\' op bel waterbad tol ongeveer 60° onder gebruik van een terugvloeikoeler. Wanneer het kookpunt van den spiritus bijna bereikt is, wordt de kolt\'uit bet waterbad genomen en door zwenken spoedig eene heldere oplossing verkregen. Een gedeelte van den spiritus kan door afdestilleeren teruggewonnen worden (Kruysse).

\'1

iff

, mK

ifl

ill

52

-ocr page 436-

8o6

C3H5(C1 «H3 \'O2)3 3KHO = 3K(C18H3302) C3HB(OH)3

oleïne kalium kaliumoleaat glycerine

hydroxyde

C3H5(C,0H31Oi)3 3KHO = 3 K(C1 H3102) C3H!;(OH)3

palmitine kalium kaliumpalmitaat glycerine

hydroxyde

Ten einde wellicht nog aanwezige sporen olie volledig te ver-zeepen, tevens en vooral om eene gelijkmatig lijmachtige zeep te verkrijgen , wordt daarna op nieuw water toegevoegd en de massa op het waterbad onder voortdurend roeren tot het oorspronkelijke gewicht uitgedampt. Gedurende het uitdampen moet, ten einde eene volkomen gelijkmatige zeep te verkrijgen, afkoeling der massa vermeden worden.

Eigenschappen. Eene geelachtig witte, halfdoorschijnende, weeke, bijna reuklooze zeep, helder of bijna helder oplosbaar in water tot eene sterk schuimende vloeistof, alsmede in spiritus.

Onderzoek.

1°. Een gedachtig witte, bijna reuklooze Zeep. Bij gebruik van andere oliën worden de kleur en reuk der Zeep veranderd. Zoo is de gewone kalizeep, met mengsels van raap-, lijn-, hennep-olie, traan, enz. bereid, groenachtig, die der Ph. Germ., met lijnolie bereid, bruinachtig geel van kleur, terwijl eene onaangename reuk op het gebruik van k w a 1 ij k riekende oliën, bijv. traan-olie, kan wijzen.

20. die, in haar tienvoudig gewicht water opgelost. Is de oplossing in water niet of niet bijna helder, dan kan dit wijzen op aanwezigheid van vrije olie door onvolkomen verzeeping of op \'t gebruik van gewoon water, waardoor onoplosbare vetzure kalk- en magnesiumzouten zouden ontstaan 1).

3U. met mercurichloride een wit praecipitaat af se heide. Afwezigheid van meer dan sporen vrij alkali, dat met mercurichloride een geel tot roodbruin neerslag zou geven, terwijl de vetzuren zich daarmede verbinden tot ongekleurde kwikverbindingen 2).

\') Tevens op stollen als meel, k r ij I, kaolien, enz. Ook do oplossing in spiritus moet helder of bijna helder zijn. Troebeling kan wijzen op k a I i u in c a r h 0 n a a t. Eene troebeling in de helder spiritueuze oplossing na toevoeging van verdund zuur kan wijzen op hars, vervalsching met waterglas, enz.

quot;) Ook door aanstipping met mercurichloride op de vcrscho snijvlakte dor Zeep mag geen geel- lot hruinroodkleuring ontstaan.

-ocr page 437-

So/

SAPO ME Dl CAT US.

MEDICINALE ZEEP.

N. Oplossing van Na iriu m hydroxy de (20 pet.).....100

Olijfolie, van elk honderd doelen........100

Verwarm het mengsel zoo lang op een waterbad, totdat de olie geheel verzeept is. Los het op in

Water drie honderd deelen...........300

Voeg hierbij een oplossing van

Na(riumchloride dertig deelen..........30

in

Water negentig deelen............90

Kook het mengsel, herhaaldelijk roerend, zoolang, totdat de zeep geheel is afgescheiden; pers deze, als zij volkomen bekoeld is, sterk uit; druk de massa uiteen; wrijf er een weinig water onder; pers weder sterk uit; droog ze bij een zachte warmte en maak er poeder van.

Dit zij wit, zwak alkalisch, rieke niet ransig en losse in water zoowel als in sterken spiritus op.

De oplossing van t deel Zeep in 10 deelen water geve met mercuri-chloride een zuiver wit precipitaat.

Samenstelling.

Medicinale Zeep is een natronzeep en bestaat uit de natriuni-zouten der ol ij foliezu ren.

Bereiding. Deze berust evenals bij „Kalizeepquot; \') op verzeeping. Allereerst wordt daartoe het mengsel van natriumhydroxyde-oplossing en olijfolie in eene ruime, porseleinen schaal op een flink heet waterbad onder gestadig, langzaam roeren zóólang verwarmd, totdat de olie geheel verzeept is, het aanvankelijk waterachtige en emulsieachtig troebele mengsel in eene vaste, zeepachtige massa is overgegaan. Men neemt alsdan een weinig daarvan en beproeft of dit in water helder en zonder afscheiding van oliedroppeltjes oplost 2).

Zoodra dit het geval is, wordt de massa onder omroeren in de voorgeschreven hoeveelheid liefst warm water, bij gedeelten toe

\') Zie voorts, ook de analoge formules, bij «Sapo kalinus», blz. 805.

\') Ook hier kan de verzecping, ten einde liaar te bevorderen, met spiritus plaats hebben. Zie blz. 805 noot \').

-ocr page 438-

8o8

te voegen, opgelost tot eene doorschijnende vloeistof, waarna de keukenzout-oplossing wordt toegevoegd. De zeep, die hierin onoplosbaar is, wordt daardoor „uitgezoutenquot;, scheidt zich onder koken en roeren aan de oppervlakte af. Na bekoeling verzamelt men haar en perst haar ter bevrijding van de moederloog in een linnen doek uit. Daarna wordt ze met een weinig water afgewreven, om haar zooveel mogelijk van glycerine, natronloog en natriumchloride te bevrijden, en wederom uitgeperst, waarna ze bij zachte warmte wordt gedroogd en, door haar fijn te wrijven , tot poeder gebracht.

Eigenschappen. Een wit, reukloos of bijna reukloos, zwak alkalisch poeder, helder of bijna helder oplosbaar in koud (50) en warm (10) water en in kouden (20) en warmen (12) spiritus tot eene sterk schuimende vloeistof.

Onderzoek.

1 Dit zij wit. Slaat op het gebruik van deugdelijke grondstoffen zoowel als op eene zorgvuldige bereiding.

2°. zwak alkalisch. De oplossing der Zeep in water reageert zwak alkalisch, dewijl daarbij van twee molec. één molec. natrium-oleaat, zoo ook palmitaat, zich ontleedt in vrij alkali e« zuur, welk vrij zuur door een tweede molec. oleaat of palmitaat gebonden wordt. Eene sterkere alkalische reactie slaat op aanwezigheid van vrij natrium hydroxy de door minder zorgvuldige bereiding.

30. rieke niet ransig. Een ransige reuk slaat op aanwezigheid van vrij olie- en vetzuur, bijv. door minder deugdelijke droging en bewaring, welke in goed gesloten flesschen buiten het directe zonlicht moet plaats hebben 1).

40. en losse in water zoowel als in sterken spiritus op. Onvolkomen heldere oplossing in water kan slaan op aanwezigheid van vrije olie door onvolkomen verzeeping, waardoor de Zeep ook minder poedervormig, meer klonterig zou zijn of op \'t gebruik van gewoon water, waardoor onoplosbare vetzure kalk- en magnesiumzouten zouden gevormd worden 1). Onvolkomen oplos-

1

Zie ook bij « Sapo kalinus», blz. SOC sub. 1°.

M Vrije olie kan ook door de vetvlek op papier of door uittrekking met chloroform, aether of zwavelkoolstof worden aangetoond. Overigens mag de waterige oplossing, na behandeling met zuur en filtratie, niet gekleurd zijn, bij verdamping geen glycerine achterlaten of bij verdere verhitting een reuk van acroleïne verspreiden en met zwavelkoolstof of, na neutralisatie, met zwavelammonium geon kleuring of neerslag geven van vreemde metalen.

-ocr page 439-

Bog

baarheid in spiritus kan slaan op natriumcarbonaat, natri-umchloride, enz.

5°. De oplossing van i deel Zeep in 10 deelen water geve met mercurichloride een zuiver wit precipitaai. Afwezigheid van meer dan sporen vrij alkali, die met mercurichloride een geel tot roodbruin neêrslag zouden geven, terwijl de vetzuren zich daarmede verbinden tot ongekleurde kwikverbindingen 1 i.

S E C A L E C O R N U T U M.

MOEDERKOORN.

Het sclerotium van den epiphytischen Fungus, genaamd C 1 a v i c e p s purpurea T u 1., op de akkers uit de aren van S e c a 1 e cerealo 1.. kort vóór de volkomen rijpheid der graan vruchten verzameld en bij een zachte warmte gedroogd.

Bijna rolrond, tevens eenigszins drie- of vierhoekig, 2 tot 5 centimeter lang, tot 6 millimeter dik, doorgaans gekromd, uitwendig bruin-paarsch of zwartachtig, somwijlen met spleten, inwendig wit of vleeschkleurig, vast-vleezig, broos; in drogen staat eenigszins hoornachtig en vlak op de breuk. Reuk zwak, eigenaardig; smaak zwak, zoetachtig, daarna eenigszins scherp.

Men beware Moederkoorn, goed gedroogd, in een zeer goed gesloten flesch.

Het poeder van Moederkoorn zij slechts in geringe hoeveelheid in voorraad en worde dikwerf door versch bereid vervangen.

Samenstelling. Moofdbestanddeelen;

a. werkzame bestanddeelen volgens Dragendorff (en 1\'od-w i s s o t z k y):

iu. 1.5—4.5 pet., in deugdelijk M. 4—4.5 pet. sclerotine-zuur, deels vrij, deels als kalium-, natrium- en calciumzouten, amorph, zwak zuur, kleur-, reuk- en smaakloos, hygroscopisch, gemakkelijk oplosbaar in water, moeilijk in spiritus.

2°. 0.2—0.3 pet. ergotine (= ecboline), amorph, bruin, zwak bitter, waarschijnlijk aan een vluchtig zuur, ergotzuur, gebonden, gemakkelijk oplosbaar in water en spiritus, onoplosbaar in aether en chloroform. Voorts:

\') Vrij alkali gaal langzamerhand in carbonaat over en Joel de zeep uitslaan (eflloresceemi). Zie ook bij «Sapo kalinus», blz. 80(i noot \'2.

-ocr page 440-

8io

3°. 0.05—0.12 pet. ergo tin ine (Tan ret), C3\'\'\'H4 quot;N^O6 ?, kleurloos, naaldvormig kristallijn, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether en chloroform, welke oplossingen fluoresceeren en zich aan de lucht spoedig groen, daarna rood kleuren. Met verdund zwavelzuur (1=7) kleurt zij zich rood, daarna violet en eindelijk blauw.

40. pikrosclerotine, zeer vergiftig, bitter-scherp van smaak, in water moeilijk oplosbaar.

b. werkzame bestanddeelen volgens Kobert: 1° sphacelinezuur, een geel-, harsachtig poeder, onoplosbaar in water, oplosbaar in spiritus, moeilijk in aether en chloroform.

2°. 0.15—0.29 pet. c o r n u t i n e. een geel-of roodachtig poeder, onopilosbaar in water en (watervrijen) aether, gemakkelijk oplosbaar in verdunde zuren, spiritus en chloroform •). Voorts:

30. 2—4 pet. ergotinezuur (bestanddeel van D ragen-dorff\'s sclerotinezuur) werkt ruggemerg-verlammend en adem-

■) Het alkaloïde-getmlle (0.095- 0.225 pet.) kan bepaald worden, door 25 Grtn.droog poeder floor percoleeren mot petroleumaelher van volte olie Ie bevrijden en het daarna zaclit, gedroogde poeder met \'100 cM\'. aether gedurende een hall uur van tijd tot tijd Ie schudden. Daarna worden 80 cM3. van den aether = 20 Grin, poeder eersl met 25 cM3. cliloorwaterstol\'zuur pet.), daarna met 15 cM3. en noj! tweemaal met 10 cM3. uitgeschud, de zure vloeistoffen zoo noodlg onder toevoeging van een weinig bolus helder gefiltreerd en ten slolle met eon gelijk volumen aether en overmaat ammonia uitgeschud. Nog tweemaal wordt met wal minder aether het uitschudden lier-haald, waarna de bijeengegoien aelherische vloeistoffen worden gefiltreerd en in een getarreerd kolfje afgede^tilleerd. Op de lest wordt nng tweemaal een weinig aether gegoten, deze in \'t waterbad verdampt en ten slotte tot constant gewicht gedroogd.

Het achtergebleven alkaloïde (cornutine) is in amorplien staat wit of zwak grijs en gemakkelijk . kristallijn nis witte naalden of prisma\'s moeilijk in aether oplosbaar, gemakkelijk oplosbaar ook in spiritus en chloroform, onoplosbaar in water en petroleumaelher, neutraal, zwak bitier van smaak. De oplossing lluoresceert vooral na zuur maken ster.i violelblauw. De zouten, afgescheiden door oplossing van het alkaloïde in chloroform en aether en loevoeging van zuur, zijn zuur, wil en in water gemakkelijk oplosbaar. Doorkalium-kwikjodide wordt het in zeer verdunde, zwak zure oplossing nog neergeslagen. Met zwavelzuur ontslaat eene lichtgele oplossing, die na eenige uren fraai violet wordt. Wordt bij de zwavelzure oplossing een droppel ferrichloride gevoegd, dan wordt de vloeistol krachtig oranjerood, wat allengs in donkerrood overgaat, terwijl de rand der vloeistof blauw-blanwgroen wordt. In ijsazijn opgelost, ontslaat na loevoeging van een spoor ferrichloride en daarna voorzichtig op zwavelzuur gegoten, een prachtig blauwe ring (Keiler).

Daar de zwavelzuur-reactie zoowel voor ergotinine (zie aldaar) als voor pikrosclerotine en cornuline wordt aangegeven, zijn genoemde alkaloïden in zuiveren staat waarschijnlijk idenlisch mei het door Keiler gevonden, eenig alkaloïde.

-ocr page 441-

quot;

•it

8i i

haling-belemmerend, eeneamorphe, geelbruine, reuk- en smaaklooze, zwak zure, hygroscopische, glucoside-achtige stof, gemakkelijk oplosbaar in water, onoplosbaar in spiritus en aether.

Verder komen in M. voor;

i0. 2 — 3 pet. scleromucine, eene amorphe, slijmachtige stof, oplosbaar in water, precipiteerbaar door verdunden spiritus, volgens Denzei eene verbinding van sclerotinezuur met ijzer, kalk en phosphorus,

2°. kleurstoffen, nl, ezne. rooAe, sclererythrine, voorkomende in de buitenste laag, eene bruine, sclerojodine, en eene gele, scU \'roxan thine.

3°. 30—35 pet. vette olie, bestaande uit oleïne en palmiune, niet uitdrogend, gemakkelijk verzeepbaar.

Voorts ongeveer 18 pet. eiwitstoffen; 2 pet. bruine, weeke hars; suiker; o. 1 pet. my co se, eene suikeraehtige stof, waarschijnlijk identisch met trehalose, soms vervangen door mannite; geringe hoeveelheden slijm; was; 0.036 pet, cholesterine (e r g o s t e r i n e); choline; ver nine; fungi ne (zwamcellulose); geringe hoeveelheden mierezuur, azijnzuur, boter zuur en melkzuur, waarschijnlijk ontledingsproducten van mycose; eenige verdere ontledingsproducten als leucine, methylamine, trim ethyla mine en ammo niumzou ten; phosphaten; 2—4 pet. asch.

Afkomst. Het Moederkoorn ontwikkelt zich in den bloesem van vele Gramineën en sommige Cyperaeeën, doch vooral in de bloempjes der Rogge, Secale eer ca le L., waarin het ten slotte de plaats van den stamper inneemt. Het moet beschouwd worden als de tweede, rustende ontwikkelingsvorm, het sclerotünn, van de Claviceps purpurea Tul., een Fungus uit de orde der Aseomyeeten en de klasse der Pyrenomyeeten (Kernzwammen).

De eerste ontwikkelingstoestand van dezen fungus, Sphaeelia segetum Lev. genoemd, een spermogonuun, bestaat uit een drade-rig organisme, een mycelium, dat aanvankelijk den stamper als enkele draden overtrekt, dezen later als eene samenhangende, weeke, dunne laag bekleedt, om daarna in het vruchtbeginsel door te dringen en dit ten slotte geheel te vernietigen. Langs de oppervlakte van dit mycelium vormt zich een laag, het hynienmm, waaruit talrijke, dicht op elkAar gedrongen, korte, ronde takjes, basidia of sterigmata, spruiten, van wier toppen zich vele kleine.

II

m ■ ai

1 r\'

1

li

I

■lil

I

m

\'.II.

I i

i

W\'

I

IÉ :S i ■£

\\i

■■

-ocr page 442-

8l2

eivormige voortplantingscellen, conidicn, afsnoeren. Deze geraken gemakkelijk in een zich tijdens dit tijdperk tusschen de bloemkafjes bevindend, kleverig, suikerhoudend slijm, van waaruit zij door daarop azende insecten naar andere nog gezonde bloemen worden overgebracht.

De tweede ontwikkelingstoestand, het Sc Ier otium Clavus, een stroma sterile, ons Moederkoorn, vormt zich van uit den voet van dit mycelium, aanvankelijk als een klein, langwerpig lichaam, bestaande uit door tusschenschotten gelede draden, die langzamerhand met vele takken door het mycelium heengroeien en ten slotte door opzwelling, wederzijdsche drukking en ineensmelting een schijnbaar parenchymateus weefsel, een sc Ier otium, vormen , dat zich bij verlenging scheidt in eene donkerpaars gekleurde schors en een witte kern.

De derde ontwikkelingstoestand, de Cordyceps purpurea Fr., een stroma fertile, komt tot stand, wanneer zich uit dit sclerotium, op een vochtigen bodem gebracht, door de alsdan dra open-berstende oppervlakte eerst kleine, ronde, witte kopjes, stromata, vormen, die langzamerhand aanvankelijk geelachtig, daarna vleesch-kleurig, ten slotte vuil purperrood worden en op min of meer roode steeltjes zijn bevestigd. Deze kopjes zijn met een aantal bruinachtige, stompe wratjes bezet, de uitmondingen van naar binnen gelegen fleschvormige zakjes, perithecia, uit wier wand zich vele knotsvormige sporeblazen, asei, vormen, welke ieder acht lange, draadvormige sporen bevatten, die bij ontsnapping op de Roggebloem evenals de vroeger genoemde conidiën weder aanleiding geven tot de vorming van een mycelium.

Het Moederkoorn, dat vooral in regenachtige jaren gedijt, wordt in Europa uitsluitend van de op velden gekweekte Rogge verzameld, liefst ongeveer een week vóór volkomen rijpheid der Rogge-vruchten, en met de vingers stuk voor stuk uit de aren afgebroken of, zooals gewoonlijk, met de rogge op den dorschvloer uitgeslagen en verzameld. Het wordt daarna in de schaduw of bij eene zachte warmte, niet hooger dan 50°, gedroogd, totdat het hard en gemakkelijk breekbaar is, en in zeer goed sluitende, liefst in kalk-stopflesschen, tegen den invloed van het licht bewaard.

Alhoewel het M. ook in ons land op roggeakkers voorkomt, wordt het bij ons gebruikelijke vooral uit Duitschland betrokken, waar zoowel het inlandsche als het spaansche en vooral veel russisch M. in gebruik is.

-ocr page 443-

813

Onderzoek.

1°. Het sclerotium van Claviceps purpurea Tul., op de akkers uit de aren van Secale cereale L. verzameld. Alleen het in de bloempjes der Rogge gegroeide M. is dus het officinale.

2°. kort vóór de volkomen rijpheid der graanvrtickten, wijl het alsdan krachtiger in werking wordt geacht dan het op den dorsch-vloer uitgeslagene, dat wel het meest in den handel voorkomt. Volgens de Ph. moet het dus uit de aren worden afgebroken.

3°. Men beware Moederkoorn, goed gedroogd, in een zeer goed gesloten Jlesch. Het poeder van Moederkoorn zij slechts in geringe hoeveelheid in voorraad en worde dikwerf door ver se h bereid vervangen. Niet goed of te lang bewaard, wordt M. ransig, leelijk van reuk, ontwikkelt het min of meer eene lucht naar bedorven visch, vooral in den poedervorm, en wordt de asch-grauwe kleur van het poeder donkerder. Ook behoede men het voor bezoek van andere schimmels en aanvreting van mijten en andere insecten. Zoo mogelijk worde M. niet langer dan één jaar bewaard en het poeder telkens ververscht of, beter, telkens versch gestampt. Eene voorafgaande, langzame droging door verwarming tot hoogstens 6o0 werkt zeer gunstig op de houdbaarheid.

SEMEN COL CHIC I.

COLCHICUMZAAD.

De volkomen rijpe zaden van Colchicum a u t u m n a 1 e L.

Bijna bolvormig, doorgaans 2 millimeter dik, met een bleeker, eenigs-zins uitpuilend navelpropje, zeer hard, met een bruine, zeer fijn gegroefde zaadhuid en een bleekgrijze kern. Smaak zeer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 0.2—0.4 pet. colchicine, C2 JH45NO6, een zwak alkalisch, amorph, geelachtig-wit of geel, zeer bitter poeder, smeltende bij HS0» gemakkelijk oplosbaar in koud, minder in warm water, gemakkelijk ook in spiritus en chloroform, weinig in aether en benzol, bijna onoplosbaar in petroleumaether. De min of meer gele oplossingen worden door anorganische zuren sterk geel gekleurd.

Zwavelzuur lost het op eerst met groene, weldra donker-gele kleur. Laat men een droppel sterk salpeterzuur langzaam vloeien

-ocr page 444-

814

bij een spoor colchicine, dan wordt dit fraai violetblauw gekleurd. Raakt men de zwavelzure oplossing met een spoor salpeterzuur aan, dan ontstaan van uit die plaats in de vloeistof violette strepen. Ferrichloride kleurt het bij verwarming bruingroen tot bruinzwart, welke kleur bij uitschudding met chloroform daarin overgaat 1).

Voorts 5 — 8 pet. suiker, 6.6—8.4 pet. vette olie, sporen galluszuur, gom, hars, eiwit en ruim 2.5 pet. asch

Afkomst. De zaden zijn afkomstig van Colchicum autum-nale L., eene vergiftige, knoldragende plant uit de familie der Liliaceae, afdeeling Melanthieae, voorkomende op vochtige grasvelden in Midden- en Zuid-Europa, enkele malen op sommige plaatsen ook in Nederland in \'t wild gevonden, doch overigens als sierplant of voor pharmaceutisch gebruik bij ons gekweekt.

In den herfst van het eerste levensjaar van den tweejarigen knol ontluiken de bloemen, terwijl in den zomer. Juli, van het tweede jaar de driehokkige, veelzadige zaaddoozen en de reuk-looze zaden rijp zijn. Door uitzweeting van eene suiker- of slijmachtige stof zijn zij alsdan kleverig, zoodat zij bij zachte drukking reeds aaneenkleven en onder het drogen soms te zamen klonteren. De droging geschiedt bij ons door zachte kunstwarmte, elders door de zaden op doeken in de schaduw op zolders uit te spreiden. Het meeste, bij ons gebruikelijke C.-zaad wordt tegenwoordig van uit Duitschland van in \'t wild groeiende planten betrokken. Het moet in goed gesloten flesschen of bussen tegen den invloed van het licht en niet te lang bewaard, liefst elk jaar ververscht worden.

Onderzoek.

1°. De volkomen rijpe zaden met een bruine zaad huid. De zaden

\') Mei 0.25 Gun. oxaalzuur en 1 cMa. zwavelzuur gewreven en in een buisje een uur lang in een oliebad bij l\'20o verliil, is ile oplossing van colcliicine donkerbruin met roeden tint. in water opgelost , wordt ileze donkerbruine oplossing door zwak alkali rood; door zwak zuur scheiden zich lielitgele vlokken al\', die in clilorolorin oplossen. Worden deze, na veidamping der chlornlbrm, met salpeterzuur overgoten, dan ontstaat eene IVambozenroode, met een weinig salpeter bestrooid en met zwavelzuur overgoten, eene violetroode kleur (1! a r i 11 o t).

Volgens sommigen koml behalve colchicine ook colchiceïne in de zaden voor, 01112 3X00-1-^II quot;O , tevens splitsingspioduct van colchicine, smeltende bij I7\'20, kleur-looze, glinsterende, weinig hittere blaadjes of naalden, weinig oplosbaar in koud, gemakkelijk in warm water, spiritus en chlorofoim, moeilijk in aether en benzol, met geli: kleur in anorganische zuren oplosbaar, zich tegenover zwavelzuur, salpeterzuur en ferrichloride ongeveer gelijk verhoudende als colchicine.

-ocr page 445-

Sis

zijn bij rijping aanvankelijk bleek, witachtig, na droging donkerbruin, terwijl onrijpe zaden in gedroogden toestand geelachtig zijn. Alleen de eerste mogen gebruikt worden.

S E M H N L I N I.

L IJ N Z A A D.

De zaden van L i n u m u s i t a t i s s i m u m L.

1 .angwerpig-eivormig, ongeveer 5 millimeter lang, 2 breed en 1 dik, afgeplat, aan weerszijden eenigszins gewelfd, kastanjebruin, glanzend, in water geweekt glibberig. De dunne, stevige zaadhuid sluit een witte kern in, die reukloos is en zacht, olieachtig, niet ransig smaakt.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. bijna 6 pet. slijm, C12II20O10.

2°. 20—30 pet. vette olie \').

Voorts 25 pet. eiwitstoffen, gemiddeld 3.7 pet. minerale stoffen en ongeveer 9 pet. water.

Afkomst. Lijnzaad is afkomstig van Li num usitatissimum L., een eenjarig kruid uit de familie der Linaceae, oorspronkelijk inheemsch in Middel-Azië, sinds de vroegste tijden echter over een groot deel der aarde verspreid en om de vezels, het vlas, en het zaad in verschillende landen gekweekt. Ook in Nederland wordt het gevonden en verbouwd, het laatste vooral in Zuid-Holland en Zeeland, terwijl het zaad ook uit andere landen, met name uit de Oostzee-provinciën, bij ons wordt ingevoerd.

Men onderscheidt van de plant twee verscheidenheden, nl. vulgar e, welker vruchten niet openspringen en dus gedorscht moeten worden (dorsch-lijn), en /3, crepitans, welker vruchten wel openspringen {spring-lijn). Alleen de eerste wordt bij ons gevonden en gekweekt. Overigens wordt de plant vóór het rijpen der vrucht geoogst, wanneer zij om de vezels wordt gekweekt, doch bij volkomen rijpheid der vruchten, wanneer het om \'t zaad te doen is. In den herfst wordt het zaad ingezameld , door de uitgetrokken vlasstengels te „repelenquot;, d. i. door een kam , een plank met opstaande,

*) Zie bij « Oleum Lini», blz. 592.

-ocr page 446-

8i6

ijzeren tanden, heen te trekken, waarbij de bolronde, tienzadige zaaddoozen afvallen, welke daarna met vlegels of met een vlas-knopbreker of op andere wijzen worden gedorscht en op wanmolens gezuiverd.

Onderzoek.

1°. De zaden van Linum us it at iss i m u m L. De handelswaar is nooit geheel zuiver en kan als onzuiverheden andere vruchten en zaden als anderszins bevatten. Het Zaad moet derhalve daarvan en door zifting gezuiverd worden.

2°. ongeveer 5 millimeter lang, 2 breed en 1 dik. De Ph. eischt volkomen rijp en flink groot Zaad (zaaizaad), zooals dit in den regel meer in warme dan in koude landen wordt gewonnen. Het gewicht daarvan bedraagt 0.3—0.5, gemiddeld 0.4 milligram. Onrijp Zaad (slagzaad) is kleiner en lichter,

30. kastanjebruin. Onrijp Zaad is meestal groenachtig.

40. in water geweekt glibberig. Als bewijs van voldoende rijpheid moet het in water zinken.

50. die reukloos is en zacht, olieachtig, niet ransig smaakt. Van oud Zaad is de smaak en reuk van het poeder onaangenaam , ransig. Wenschelijk is het daarom, het Zaad niet te lang te bewaren en de voorraad bijv. ieder jaar te vernieuwen.

SEMEN M Y R I S T I C A E.

NUX MO SC H ATA.

MUSKAATNOOT.

De zaadkernen van Myristica fragrans H o u 11.

Ovaal of eivormig, ongeveer 2.5 centimeter lang, bijna 2 centimeter breed, grijsbruin, gewoonlijk witbestoven, op de breuk gemarmerd. Reuk en smaak aromatisch.

Muskaatnoot, door insecten aangetast, mag niet gebruikt worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 25 pet. vette olie \') en 2°. 8—10 pet. vluchtige olie \').

\') Zie hierover bij « Oleum Myristicae », bh, C00.

-ocr page 447-

817

Voorts zetmeel, ongeveer 1.5 pet. suiker, ongeveer 13 pet. water en 4—5 pet. aseh.

Afkomst. Muskaatnoot, „Nootquot;, wordt gewonnen van My ris-tica fragrans Houttuyn, een altijd groenen, hoogen boom uit de familie der My risticaceae van de Banda- en verdere eilanden des O.- en W. I.-Archipels, die aldaar zoowel in wilden als in gekweekten staat voorkomt.

Een goede boom draagt jaarlijks tot een paar duizend vruchten. De rijpe vrucht is bijna kogelrond, iets langer dan breed, geel van kleur en zachtharig. Het vleezig-lederachtig vruchtbekleedsel springt bij rijpheid onregelmatig met twee kleppen open en laat alsdan één zaad zien, omsloten door een zaadmantel (arillus), gedroogd onze foelie. Het zaad bezit een uitwendige zaadhuid, later een donkerbruinen, glanzenden, harden, brozen dop, en een inwendige, waarvan de binnenste cellagen met de zaadkern de „muskaatnootquot; vormen. Deze is ovaal of eirond, 2—2.5 cM. lang en 1.3—i.ScM. breed, met eene meer gewelfde en eene eenigszins vlakkere zijde, grijsbruin, netvormig geaderd, van binnen gemarmerd, d. w. z. met een licht grijsrood veld, waarin van buiten naar binnen donkerbruine plooien der inwendige zaadhuid loopen, die onder het afgeven van min of meer talrijke, heen-en-weer gebogen en stomp eindigende armen het midden der kern bereiken.

Het inzamelen heeft in verschillende maanden, in April en Augustus, doch vooral in November plaats. Nadat de vruchten met behulp van een stok met haak voorzichtig zijn losgemaakt, worden eerst de twee kleppen afgescheurd en vervolgens de foelie voorzichtig afgepeld. Daar de buitenste zaadhuid zoo hard is, dat hij niet verbroken kan worden zonder het inwendige te beschadigen , worden de noten eerst in de zon cn daarna gedurende een paar maanden onder omkeeren op rekken boven een smeulend vuur gelegd , totdat de daardoor losgeraakte kern in den bolster begint te rammelen. Alsdan worden de bolsters met houten hamers of kleine bamboe\'s stukgeslagen, de „nootquot; er uit genomen en gesorteerd in goede of vette , middelmatige of magere en gebrokene, welke laatste voor de bereiding van Muskaatboter \') worden gebezigd. Daarna worden zij volgens oud gebruik met droge, gezifte kalk ingewreven of onder roeren even gedompeld in eene brij van

\') Zie lgt;lz. (100.

-ocr page 448-

8i8

kalk en zeewater, ten einde het kiemvermogen te dooden, wat beter geschiedt door ze eenigen tijd in de zon te laten liggen, ook om den aromatischen geur beter te bewaren en ze voor aantasting van insecten te behoeden. Na weder gedroogd te zijn, worden zij in vaten of vaatjes, kisten en zakken verpakt en over Batavia en Singapore naar Amsterdam, Londen en Amerika verzonden.

Zij worden in goed gesloten glazen of blikken vaatwerk bewaard.

Onderzoek.

iu. Dc zaadkernen van Myristica f rag rans Houtt. Ovaal of eivormig, ongeveer 2.5 centimeter lang, bijna 2 centimeter breed, grijsbruin, gewoonlijk ivit bestoven. De beschrijving is van toepassing op Noten van de grootste soort en wel op de z.g. wijfjes-, tamme, echte, ronde, gekweekte of koninginnenoot, in onderscheid met de langwerpige mannetjes-, valse he, lange, wilde, rauwe of koningsnoot, lang ongeveer 4 en breed 2—2.5 centimeter, afkomstig van M. ftitua Houtt. Deze is, evenals de somtijds zelfs reuklooze zaadkernen van andere M.-soorten, veel minder aromatisch.

Overigens worde op de zwaarte der Noten gelet. Hoe zwaarder (5.5—6 Grm.) zij zijn, des te beter, terwijl lichte te verwerpen zijn. De beste zinken in eene oplossing van 1 dl. keukenzout in 8 dln. water.

De beste zijn de Pinang-noten (al of niet gekalkt), vervolgens de Batavia- of Hollandsche (gewoonlijk gekalkt), de Singa poer sche (ongekalkt) als de kleinste de minste. De Z.-A me r i-kaansche zijn licht bleek, zwak van reuk, de West-1 nd isch e bruin, roestkleurig, kantig, middelmatig aromatisch van reuk.

2°. Muskaatnoot, door insecten aangetast, mag niet gebruikt worden. Somtijds worden de gaatjes, door insecten teweeggebracht, bedriegelijk kunstmatig dichtgemaakt. Ook beschimmelde, donker gekleurde, inwendig holle, licht breekbare en zwak riekende Noten zijn te verwerpen, terwijl ook kunstmatig gefabriceerde Muskaatnoot, uit klei met muskaatnootpoeder vervaardigd, in den handel is voorgekomen, welke bij weeking in water uit elkander valt. Men onderzoeke een monster, door het door te snijden, waarbij zich eene vaste, gave en vettige snijvlakte moet vertoonen en, door er eene heet gemaakte naald doorheen te steken, eene geelachtige olie moet uitzweten.

-ocr page 449-

8i9

SEMEN PHYSOSTIGMATIS.

SEMEN CALABAR. CALABARZAAD.

Oe zaden van Physostigma venen osum Balf.

Min of meer niervormig, een weinig afgeplat, bruinrood of donkerbruin, ongeveer 3 centimeter lang, 2 breed en 1 dik. Zaadhuid hard, bros, een weinig glanzend , korrelig-gerimpeld , langs den geheelen langeren boogvormigen rand met een gootvormigen, dof-zwartbruinen, langs het midden scherp gekielden navel voorzien, die besloten ligt binnen een uitpuilenden, roodbruinen, zeer langwerpig-ellipsvormigen ring. Zaadlobben groot, wit, hard, vleezig, in geheel drogen staat melig. Reukloos, in smaak eenigszins met erwten of boonen overeenkomend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 0.1 pet. physostigmine (eserine), C,l(Hï,N302, sterk alkalisch, onduidelijk kristallijn cn bij 40° week wordend of kristallijn en bij 105° smeltende, kleur-en smaakloos, weinig oplosbaar in water, gemakkelijk in spiritus, aether, benzol, chloroform, zwavelkoolstof, verdunde zuren en alkaliën tot aanvankelijk kleur-looze, langzamerhand zich fraai rood {rttbreserine) kleurende oplossingen , welke door zwavelwaterstof, zwaveligzuur en natriumthio-sulfaat worden ontkleurd \').

20. calabarine, amorph, waarschijnlijk nauw verwant en veel overeenkomst vertoonende met physostigmine, doch daarvan onderscheiden door onoplosbaarheid in aether, onoplosbaarheid van het kwikjodide-dubbelzout in spiritus en physiologische werking.

30. eseridine, C\'quot;H2\'N\'O3, kleurlooze kristallen, bij 1320 smeltende, bijna onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus, aether, benzol en petroleumacther, zeer gemakkelijk in chloroform. De oplossingen kleuren zich niet aan de lucht, ook niet bij verwarming. Overigens vertoont het alkaloïde veel overeenkomst met physostigmine, waarin het door verwarming met verdunde zuren overgaat; het is echter minder vergiftig en zwakker in werking.

Voorts ongeveer 48 pet. zetmeel, 23 pet. eiwitstoffen, 0.5 pet. vette olie, gom en 3—9 pet. asch.

\') Zio voorts bij «Salicylas Physostigmini», IjIz. 800.

-ocr page 450-

820

Afkomst. Calabarzaad is afkomstig van Physostigma venenosum Balfour, eene overblijvende, zeer hooge en slanke, zich windende half heester uit de familie der Papilionaceae, welke gevonden wordt aan de westkust van Afrika in het koninkrijk Dahomeh nabij de Old-Calabarrivier. De plant draagt houtige, tweekleppig openspringende peulvruchten, waarin 2 of 3 zaden, welke in den regentijd, van Juli tot October, worden ingezameld en na droging vooral over Engeland in den handel komen.

SEMEN SABADILLAE.

SABADILLEZAAD.

De zaden van Schoenocaulon officinale Asa Gray.

Langwerpig-lancetvormig, 4 tot 6 millimeter lang, 1.5 tot 2 millimeter breed, meer of minder afgeplat, hoekig, naar boven snavelvormig versmald, glanzig, eenigszins rimpelig, bruinzwart, inwendig wit. Reukloos; zeer brandend van smaak.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. ongeveer 1 pet. veratrine 1), gebonden aan;

(OCH3)2

20. veratrumzuur {dimethylprotocatechuzuur), C6H3. (jqqh \'

kleurlooze naalden, bij 179.5° smeltende, in koud water moeilijk oplosbaar.

30. cevadinezuur (sabadi llezu ur), waarschijnlijk identii,ch met methylcrotonziiur, C5H802, naaldvormig kristallijn, bij 20° smeltende, naar boterzuur riekende.

Voorts zetmeel, 24 pet. vette olie, I2pct. vet, looizuur, ruim 7 pet. water en ruim 2 pet. asch.

M Zie voorts bij « Veratrimim ».

Volgens Weigelin zouden nog in het Zaad voorkomen:

V. sabadilline, CalH35NO\'?, waarschijnlijk identisch met cevadill ine, kleurloos, naald- of tafelvormig kristallijn, bij 200° smeltende, oplosbaar in water (150), gemakkelijk in spiritus, zeer moeilijk in aether, zich tegenover reageutiën verhoudende als veratrine, behalve tegenover zwavelzuur en suiker, waardoor eene roode of rood-violette kleur ontstaat.

2°. sabatrine, CMI\'-\'NO0?, eene min of meer gekleurde, harsachtige massa, oplosbaar in water (40), spiritus, aether, chloroform, benzol, atnylalcohol en petrolcum-aether. Het gedraagt zich overigens als sabadilline.

-ocr page 451-

82 1

Afkomst. Het Zaad is afkomstig van Schoenocaulon officinale Asa Gray (Sabadilla officinarum Brandt, V e r a t r u m officinale Schlechtendal), een kruidachtig knolgewas uit de familie der Liliaceae, afdeeling Melanthieae, dat in Mexico op grasvelden vooral aan de oostelijke helling der Andes tot laag aan het zeestrand, ook in Guatemala en Venezuela gevonden wordt

De vrucht is een zaaddoos, bestaande uit drie bleekbruine, papierdunne, droogvliezige kokervruchten, welke slechts aan het onderste gedeelte van den buiknaad samenhangen, van boven vnj cn opengesprongen zijn en elk hoogstens 6, door mislukking gewoonlijk 1—3 vergiftige zaden bevatten, die door hunne opeengedrongen ligging in vruchten ten gevolge van onderlinge drukking een zeer onregelmatig kantigen vorm hebben.

In vroeger jaren kwam het Zaad, gedroogd en in de zaadhuisjes besloten, uit Mexico in den handel, doch tegenwoordig daarvan ontdaan uit Caracas naar Hamburg en Bordeaux.

Het wordt in goed gesloten vaatwerk bewaard, terwijl bij het stampen voorzichtigheid moet worden betracht, daar het verstuivend poeder uiterst prikkelend op de slijmvliezen en hevig nies-wekkend werkt.

SEMEN SI NA PIS.

MOSTERDZA A D.

De zaden van B r a s s i c a nigra Koe h.

Bijna bolrond, ongeveer 1 millimeter dik, bruinrood ot zwartbruin , eenigszins glanzend, zeer fijn netvormig geteekend en kleingroevig, van binnen groengeel. \'I\'ot poeder gebracht en met water gewreven, rieken zij naar mosterdolie; bij het kauwen smaken zij eerst zacht olieachtig, later zeer scherp brandend.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

il). 0.5—0.6 pet. s i n i g r i n e (k a 1 i u m m y r o n a a t), C10H18KNS201 0 , een neutraal, kristallijn, reukloos, bitter glu-coside, gemakkelijk oplosbaar in water, zeer moeilijk oplosbaar in spiritus, onoplosbaar in aether cn chloroform, dat bij ontleding

53

-ocr page 452-

822

door een tevens in het Zaad voorkomend ferment, myrosine, vluchtige mosterdolie levert \').

2°. ongeveer 30 pet. vette olie, bijna reukloos, geelachtig, dikvloeibaar, niet-drogend, van 0.917—0,920 soort, gevv., bij—170 vast wordend, oplosbaar in 1000 dln. spiritus en 4 din. aether.

Voorts 18 pet. eiwitstof, 19 pet. slijm en 4—6 pet.asch 4).

Afkomst. Het Zaad is afkomstig van Brassica nigraKoch, een éénjarig kruid uit de familie der C r 11 ciferae, dat door bijna geheel Europa, ook bij ons langs dijken en wegen, in \'t wild wordt aangetroffen, doch bovendien in vele landen, ook in Nederland en vooral in de provincie Noord-Holland, op groote schaal om de zaden wordt gekweekt. De planten worden daartoe, nog voordat de zaden geheel rijp zijn en uit de alsdan openspringende hauwen vallen, afgesneden, tot schoven gebonden en, na eenige weken op \'t veld gestaan te hebben, de zaden er af gedorscht.

Onderzoek

i0. De zaden van Brassica nigra Koch (Bruin of Zwart Mosterdzaad), in onderscheid met wit of geel Mosterdzaad, bij ons voornamelijk in Groningen van Sinapis alba L, gewonnen, 1.5—2.5 millimeter dik, licht roodachtig, eierdooier- of nog lichter geel tot geelachtig-wit, glad, van binnen geelachtig. Tot poeder gebracht en gewreven, zijn zij reukloos en leveren eene wel scherpe, doch niet-vluchtige olie 3).

Voorts mag het Zaad niet vermengd worden met dat van :

a. Brassica Ra pa L. (Raapzaad), 1.5 millimeter dik, donkerbruin, bijna zwart, gladder. Geen scherpe mosterdsmaak.

h. Brassica Nap us L. (Koolzaad), 2 millimeter dik, bruinrood of blauwachtig-mvart, gladder. Geen scherpe mosterdsmaak.

c. Sinapis arvensis L. (K rod de-. Herik-, Kiek zaad),

\') Zie voorts bij «Oleiim Sinapis», lilz. 016.

\') Waarschijnlijk bevat liet Zaad ook geringe hoeveelheden van vooral in het witte Mosterdzaad voorkomende sulfocyaanwate r stof z ure s i n a p i n e, C,0Hquot;3NOt. GNSH, fijne, glinsterende, kleur- en reuklooze, bittere, prismatische kristallen, bij 130° smeltende, gemakkelijk oplosbaar in water en spiritus, onoplosbaar in aether.

Zij bevatten een kristallijn glncoside, sinalbine, dat met myrosine niet-vluchtige, n spiritus en aether gemakkelijk oplosbare sinalbina-niosterdolie, acrinylsulfocyanaat, G\'1I70.Nquot;CS, levert.

-ocr page 453-

823

nagenoeg even groot, zwartbruin tot zwart, glad. Geen scherpe mosterdsmaak.

2°. Tot poeder gebracht en niet water gewreven, rieken zij naar mosterdolie; bij het kanwen smaken zij eerst zacht olieachtig, latei-zeer scherp brandend. Wordt het poeder te lang of onvoldoende bewaard, dan wordt het zuur en verliest het door langzame ontleding der sinigrine veel van zijne scherpe werking. Evenals het Zaad worde het derhalve in goed gesloten glazen of blikken vaatwerk tegen vocht bewaard. Ook door droging bij te hooge temperatuur, boven 40°, verliest het zijne prikkelende werking.

SEMEN STRYCHNI.

S T R Y CHNOSZAA D.

NUX VOMICA.

1 )e zaden van S t r y c h n o s N u x vomica L.

Schijfvormig, ongeveer 2.5 centimeter breed, meestal tot 3 millimeter dik, vaak eenigszins gebogen, met zachte, zijdeachtige, grijsgele, dicht tegen de oppervlakte liggende haren bekleed. Zaadhuid met de hoornachtige, bijna witte kern ten nauwste samenhangend. Smaak zeer bitter.

Het poeder, waarvan het Strychnosextract bereid wordt, moet zoo weinig mogelijk zaadharen bevatten.

In voorraad echter boude men een ander poeder (B 30), uit Zaail verkregen, waarvan de zaadhuid geheel is weggenomen en dat 2.5 pet. alkaloïden moet bevatten.

Dit gehalte wordt bepaald door 5 Grm. van het poeder met verdunden spiritus zoo lang te deplaceeren, totdat geen alkaloïden meer worden opgelost. Uit het verkregen vocht worde de spiritus verwijderd en in het achtergebleven extract de alkaloïden bepaald op de wijze, als bij Strychnosextract is voorgeschreven.

De gevonden alkaloïden moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als onder Strychnosextract vermeld staan. Een poeder, dat minder alkaloïden bevat, mag niet gebruikt worden. Is het gehalte hooger, dan worde dit, door het vermengen van het poeder met Melksuiker, tot de gewenschte verhouding gebracht.

-ocr page 454-

Samenstelling. Hoofdbcstanddeelen :

i0. gemiddeld 0.70.9 pet. stryelinine,CïlHï2N202, kristallijn, alkaliseh, kleur- en reukloos, sterk bitter, bij 2250 smeltende, zeer moeilijk oplosbaar in koud (6660), iets beter in warm (2500) water, beter in kouden (160) en warmen (12) spiritus, gemakkelijk in chloroform (6), moeilijk in aether (1250), beter in benzol (170), amylalcohol (185), zwavelkoolstof (485), glycerine (300) en petroleum-aether 1).

20. gemiddeld 0.6—0.8 pet. brucine, C2 3H2 lt;iN204 -j-4 H20, kristallijn, alkalisch, kleur- en reukloos, sterk bitter, watervrij smeltende bij 178°, oplosbaar in koud (1600) en warm (150) water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus (2) en chloroform (7), moeilijk in aether.

5 mG. Brucine, met behulp van 5 droppels salpeterzuur in

I cM3. water opgelost, geeft eene bloedroode oplossing 2). Deze oplossing, verwarmd tot geelkleuring, met 9 cM3. water verdund en 5 mG. natriumthiosulfaat, stannochloride of kleurloos zwavelammonium toegevoegd, kleurt zich aanvankelijk bruin doch spoedig amathistrood tot violet. Vooraf met calciumcarbonaat geneutraliseerd, wordt de gele oplossing door natriumthiosulfaat niet veranderd, wel echter na toevoeging van zuur. 1 Droppel Millon\'s reagens 3), op den wand van een verwarmd porseleinen schaaltje uitgestreken en hiermede vermengd 2 mG. brucine en 5 droppels water, neemt bij droging langzamerhand, vooral op \'t laatste oogenblik, eene vuil-violette of roodgele kleur aan.

Voorts appelzuur. 1 ooizu u r(igasu u r zu u r), ongeveer

II pet. eiwitstoffen, ruim 3—4 pet. vet, ongeveer 6 pet. suiker, veel slijm, enz.

Afkomst. De Zaden zijn afkomstig van Strychnos Nux vomica L., een boom uit de familie der Logan iaceae, die in \'t wild voorkomt in Vóór-lndie in de landen aan de kust van Coromandel, daarenboven op Ceylon, in Birmah, Siam, Cochin-China, Oost-Java en Noord-Australië. In de kogelronde,

\') Zie verdere reacliun bij «Nilras Slrychninio, blz. 545.

\') Dezelfde kleur ontslaat, door I mG. brucine te brengen in eene oplossing van I mG. kaliuinbicliromaat in I cM3. ijsazijn en daarna droppelsgewijs zwavelzuur toe te voegen.

\') Zie blz. 082.

-ocr page 455-

82 5

oranjekleurige, op een kleinen oranjeappel gelijkende besvrucht zijn de zaden, gewoonlijk 3—8 in getal, onregelmatig verspreid in het geleiachtige, witte, bittere vruchtmoes gelegen. Na droging worden zij in groote hoeveelheid uit Bombay, Cochin-China, Madras, Calcutta en Cambodja naar Europa en we! het eerst naar Londen uitgevoerd.

Onderzoek.

1°. De zaden van Strychnos Nux vomica L.. ongeveer 2.5 centimeter breed, meestal tot 3 millimeter dik, met zachte, zijdeachtige, grijsgele, dicht tegen de oppervlakte liggende haren bekleed. Men onderscheidt vier soorten der Zaden: Bombay {fijn en ordinair), Cochin-China en Madras. Die, welke uit Bombay naar Londen komen, worden voor rijker aan alkaloïden (3.3—4 pet.) gehouden dan die, welke uit Cochin-China (3 — 3.5 pet.) en Madras (2.6—3.3 pet.) ter markt komen. Naar gelang van het gehalte aan alkaloïden is ook bij de verschillende soorten de mate van beharing sterker. Die uit Bombay zijn het grootst, bezitten een duidelijk scherperen rand en levendiger glans; die uit Cochin-China zijn minder behaard en die uit Madras zijn het kleinst en onbeduidend behaard

2°. Zaadhnid met de hoornachtige, bijna witte kern ten nauwste samenhangend. — Het poeder, waarvan het Strychnosextract bereid wordt, moet zoo zveinig mogelijk zaadharen bevatten. — In voorraad echter houde men een ander poeder {B 30), uit Zaad verkregen, waarvan de zaadhuid geheel is weggenomen. Daar de alkaloïden in het kiemwit zetelen en niet in de zaadhuid, moet deze verwijderd worden. In drogen staat echter is de zaadhuid zóó steenhard en het kiemwit zoozeer hoornhard, dat het Zaad alsdan hoogst moeilijk te snijden of tot poeder te brengen is. Vóór liet pulvcriseeren wordt het daarom in een droogstoof zacht verwarmd en vervolgens in een stukje gaas aan den damp van kokend water blootgesteld, waarna de haren en de zaadhuid er zich van laten afschrapen, Men verbrijzele ze vervolgens door ze in een mortier te stampen, het gestampte zacht te doen drogen en het dan opnieuw te stampen. Bij het fijnstampen vermijde men het stuifsel in te ademen.

Zaden, welker kiemwit niet licht, maar bruin of humuskleurig is, moeten verworpen worden. Eene vuilgrijze of bruinachtige kleur van het poeder wijst op eene slechte bereidingswijze of op vreemde bijmengselen.

-ocr page 456-

826

De Zaden en liet poeder daarvan worden in goed gesloten glazen vaatwerk bewaard.

3°. en dat 2.5 pet. alkaloïden moet bevatten. — Dit gehalte wordt bepaald door 5 Gnn. van het poeder niet verdunden spiritus zoo lang te deplaeeeren, totdat geen alkaloïden meer worden opgelost. Uit het verkregen voeht worde de spiritus venvijderd en in het achtergebleven extraet de alkaloïden bepaald op de wijze, als bij Stryehnosextract is voorgeschreven. — De gevonden alkaloïden moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als onder Stryehnosextract vermeld staan. Zie hierover bij „Extractum Strychniquot;.

SI RU PI.

S T ROPE N.

In de zooveel mogelijk heldere vochten, welke ter bereiding der Stropen dienen zullen, worde de suiker bij een zachte warmte opgelost, en de oplossing, zoo niet anders is voorgeschreven, even opgekookt. De verkregen Stroop worde, zoo noodig, door toevoeging van kokend water tot het gewicht gebracht, in het voorschrift uitgedrukt; dan afgeschuimd, gecoleerd en, na bekoeld te zijn, in droge flesschen overgebracht.

Bereiding. Stropen zijn geneeskrachtige suikersappen, d. z. plantensappen of, gelijk gewoonlijk, waterachtige aftreksels van plantendeelen, tot meerdere of mindere dikvloeibaarheid met suiker verzadigd.

Hare bereiding berust op de ervaring, dat, terwijl plantensappen of aftreksels van plantendeelen op zich zelf spoedig bederven, zij beter bewaard kunnen worden, wanneer zij in voldoende mate met suiker verzadigd zijn. Echter, terwijl eene geconcentreerde suikeroplossing gedurende langen tijd onveranderd kan worden bewaard, is dit minder het geval met eene verdunde oplossing, zoodat bij de Stropen de verhouding tusschen de hoeveelheid vloeistof en suiker, behalve dat de laatste niet zoo groot mag zijn dat zij bij bewaring uitkristalliseert, zóó gekozen moet worden,

-ocr page 457-

827

dat de Stropen voldoende zeker tegen bederf zijn gevrijwaard \').

De sappen worden gewoonlijk door maceratie, trekking of koking der plantendeelen met water, een enkele maal, zooals bij Fram-bozenstroop, door uitpersing na kneuzing verkregen. Ten einde een heldere Stroop te verkrijgen, moet de vloeistof na bezinking zoo mogelijk nog gefiltreerd en spoedig daarna verwerkt worden.

De bereiding geschiedt, door, nadat de broodsuiker in stukken of de suiker in poedervorm in een ruime, porseleinen , tinnen of vertind koperen schaal is gebracht, deze met het vocliL te overgieten en, nadat zij daarmede doortrokken is, door zachte verwarming op het waterbad op te lossen, waarna verder tot koken wordt verwarmd. Het laatste moet op het open vuur geschieden, daar bij verwarming enkel op het waterbad de Stropen niet helder worden verkregen en minder goed tegen bederf zijn te bewaren. Noodzakelijk is het daarvoor, de vloeistof even te laten opkoken, echter niet te lang, ten einde de suiker zooveel mogelijk onveranderd te behouden en niet, vooral bij aanwezigheid van zure bestand-deelen, geheel of gedeeltelijk in invertsuiker te doen overgaan 2). Bij het begin der koking stijgt de Stroop gewoonlijk op; alsdan wordt de schaal, die dus voor niet meer dan ongeveer de helft gevuld mag zijn, van \'t vuur genomen. Nadat de vloeistof gezakt is, wordt de pan weder opgezet en zonder omroeren verhit, totdat de Stroop rustig opborrelt. In dien tijd kan men de zich in den vorm van schuim afscheidende onreinheden met behulp van een schuimspaan of lepel grootendeels wegnemen :!), waarna de pan van \'t vuur wordt genomen, gewogen en, nadat het ontbrekende aan gewicht in den vorm van kokend water zonder omroeren is toegevoegd, de Stroop met behulp van een drogen , wollen doek, op raam of tenakel gespannen, zonder uitwringen doorgezegen en, behoorlijk gedekt, ter bekoeling weggezet.

Na volkomen bekoeling en omroeren wordt de Stroop in goed

\') Uit dit oogpunt waren o. i. de Stropen der vroegere l\'h. boven die der tegenwoordige te verkiezen. Terwijl toch de verhouding der suiker tot de hoeveelheid vloeistof bij de eersten in den regel ongeveer was als 2:1, is deze thans ongeveer als l|: I, zoodat de tegenwoordige Siropen aanmerkelijk dunner en daardoor minder houdbaar zijn dan de vroegere. Toevoeging van eenigen spiritus, zooals de Pb. Gorm. hij vele Stropen voorschrijft, verhoogt de houdbaarheid.

J) Zie bij «Saccharum», blz. 78ü.

3) In plaats van afschuimen kim men ook voorzichtig op do Stroop een stuk liltreer-papier, geknipt in den vorm van het vat, brengen en daarna de Siroop uitschenken. Al het bovendrijvende vuil hecht zich hierbij aan het flltreerpapier.

-ocr page 458-

828

gereinigde, volkomen droge flesschen overgebracht. Nog warm afgetapt of in vochtige flesschen gebracht, vormt zich door den zich condenseerenden damp en door het aanhangende water aan de oppervlakte der Stroop een laagje verdunde vloeistof, van waaruit de Stroop verder lichtelijk bederft. Voorts worden de geheel gevulde en goed gesloten flesschen op eene koele en droge plaats bewaard.

SI R U P U S A L T H A E A E.

A L T HAEASTROO 1\'.

N. Althaeawor/el, fijn gesneden, tien dealen......10

Gewoon Water zestig deelen..........60

Suiker zestig deelen.............60

voor 100 deelen.

Macercer den goed afgewasschen wortel 12 uur met het water en bereid van het gecoleeide vocht en de suiker onverwijld Stroop.

Deze Stroop zij helder, lichtgeelachtig, eenigszins lijvig.

Bereiding. Ten einde aanhangende onzuiverheden weg tc nemen en daardoor een helderder aftreksel tc verkrijgen, wordt de gesneden wortel vooraf, door de stukjes bijv. op een zeef onder water tusschen de handen te wrijven, afgewasschen. Het aftreksel wordt verder bereid door eenvoudige maceratie onder omroeren, waardoor genoeg slijm in het water wordt opgelost. Een door warmte verkregen aftreksel, zooals vroeger werd voorgeschreven, levert een minder heldere, donkerder gekleurde, te slijmige en draderige en zeer aan bederf en gisting onderhevige Stroop. Het coleeren van het vocht geschiede zonder uitpersen en de bereiding-der Stroop terstond daarna, wijl ook het slijmhoudende vocht zich niet lang zonder bederf laat bewaren. Zij vertoont bij het begin der koking veel neiging tot opschuimen.

S I R U P U S AURA x\\T T I O R U M.

O R A N J E S C H I L S T R O O 1\'.

N. Oranjeschil, gesneden, vijf en twintig deelen .... 25

Gewoon Water vijf en zestig deelen........65

Suiker zestig deelen..............60

voor 100 deelen.

-ocr page 459-

829

Infundeer de oranjeschil met het water; pers uit en bereid van de heldere colatuur en de suiker Stroop.

Deze zij helder en lichtbruin.

Bereiding. De oranjeschil moet, zooals bij dit artikel is voorgeschreven, vooraf van de veel water opzuigende, witte, sponsachtige laag ontdaan worden, wijl deze, afgezien van hare onwerkzaamheid, de Stroop troebel zou maken en gemakkelijker doen bederven. De colatuur worde na bekoeling gefiltreerd. De kleur der Stroop zij lichtbruin; eene donkerder kleur zou op te hooge temperatuur bij de trekking kunnen wijzen.

Vroeger werd aan de Stroop onder omroeren eenige oranjeschil-olie toegevoegd, om die, welke tijdens de bereiding door de aangewende warmte was verloren gegaan, te vervangen en den geur der Stroop alzoo te verhoogen. Daar de olie echter moeilijk goed onder de Stroop te vermengen is, althans in mixturen deze troebel maakt en zich in waterachtige vloeistoffen weder in vlokjes afscheidt en daardoor een onooglijk aanzien verwekt, is deze toevoeging thans nagelaten, daarentegen de hoeveelheid te bezigen oranjeschil belangrijk verhoogd.

S I R U P U S C I N N A M O M I.

K A N E E L S T R O O 1\'.

N. Kaneel, tot poeder (B 10) gebracht, tien deelen . . . 10

Kaneelwater veertig deelen...........40

Suiker zestig deelen.............60

voor 100 deelen.

Macereer de kaneel 24 uur met het water.

Filtreer en wasch het achtergeblevene met kleine hoeveelheden kaneelwater zoo lang uit, totdat het fikraat 40 deelen bedrage. Los hierin de suiker op, door zachte verwarming op een waterbad.

De Stroop zij helder, roodbruin, en rieke aangenaam naar kaneel.

-ocr page 460-

830

Bereiding. Volgens het vroegere voorschrift bestond de Stroop uit een mengsel van Eenvoudige Stroop en Kaneeltinctuur. De uittrekking van de kaneel geschiedt hier door eenvoudige mace-ratie, niet door warme trekking, doch met kaneelwater, evenals het afwasschen 1). Tevens is dit de eenige stroop, waarbij geene opkoking der colatuur is voorgeschreven, doch slechts zachte verwarming op het waterbad. Zoowel het een als het ander heeft ten iloel, de Stroop zooveel mogelijk aromatisch te doen zijn en vervluchtiging der olie te voorkomen.

SIRUPUS Dl ACOD II.

DIACODIONSTROOP.

N. Al/hacasiroop,

Papaverstroop, van elk gelijke deelen.

Meng ze.

SIRUPUS F R A N Cx U L A E.

RHAMNUSSTROO P.

N. Rhamnusbast, fijn gesneden en gestampt, tien deelen. . 10

Gewoon IVaier................60

Suiker, van elk zestig deelen..........60

voor 100 deelen.

Infundeer den bast met het water, coleer, doe er de suiker bij en bereid er Stroop van.

De Stroop zij donkerbruin.

Bereiding. In plaats van een afkooksel, zooals vroeger, in welken vorm de bast gewoonlijk wordt gebruikt, is thans een aftreksel voorgeschreven, waardoor de kleur der Stroop iets lichter is geworden. Het infuus worde zoo noodig gefdtreerd.

\') Ü. i ware hel beter te tleplaeeeren met eene bepaalde hoeveelhekl Kaneelwater en daarna met gewoon water tot 40 deolen.

-ocr page 461-

831

SIR UP US JODETI F ERR O SI.

FERROJODIDESTROOP.

N. IJzcrpocder twee deelen.............

Water acht deelen .............8

Jood vier en een tiende deel.............

Eenvoudige Siroop, uitgedampt, tachtig deelen. ... 80 voor 100 deelen.

Meng het ijzerpoeder met het water en voeg er, al roerend, het jood in kleine hoeveelheden bij.

Filtreer de lichtgroene oplossing in een tlesch, waarin de stroop , dooide uitdamping van 90 deelen eenvoudige stroop verkregen, bevat is, en wel zóó, dat de buis van den trechter dieper reike dan de oppervlakte van de stroop.

Wasch het op het filter achtergeblevene met kleine hoeveelheden water zoo lang uit, totdat het geheel in de tlesch roo deelen bedrage. Meng dooreen en doe de Stroop in fleschjes, die, geheel gevuld, nauwkeurig gesloten en aan het licht blootgesteld bewaard moeten worden.

De Stroop zij lichtgroen of eenigszins lichtgeel. Zij bevatte nagenoeg 5 pet. Ferrojodide, hetgeen op de volgende wijze bepaald wordt:

5 Grm. van de Stroop vereische 4 8—5 cM3. eener oplossing van mer-curichloride (2.185 == I00)) voordat een rood precipitaat ontstaat, dat bij het omroeren niet weder verdwijnt.

Bereiding. Ferrojodidestroop is eene 5-procentische oplossing van ferrojodide, Fe Is, in Eenvoudige Stroop. Zij bevat dus hetzelfde geneesmiddel in dezelfde hoeveelheid als Ferrojodide- of Blancard\'s Pillen, doch in den vloeibaren vorm \').

In afwijking en verbetering van het vroegere voorschrift moet niet meer het ijzer bij het jodium gevoegd worden, wat door de plotseling vrij komende warmte tot vervluchtiging van jodium aanleiding gaf, doch omgekeerd evenals bij de Pillen. Ook wordt de ferrojodide-oplossing niet door zachte verwarming in de suiker opgelost, wat door de temperatuursverhooging licht tot oxydatie aan de lucht aanleiding gaf, doch elke verwarming vermeden, door de Eenvoudige Stroop vooraf door uitdamping te concentreeren en daarna door bijvoeging der ferrodide-oplossing weder op hare

\') Zie verdere Ijijzondeilieden over Bereiding, enz. ook bij « Pilulae Jodeli ferrosi», blz. 699.

-ocr page 462-

832

normale consistentie te brengen, waarbij tevens elke aanraking met de lucht wordt vermeden, door de zwaardere oplossing onder de Stroop en niet op de suiker te brengen.

Onderzoek.

1°. De Stroop zij lichtgroen of eenigszins lichtgeel, als bewijs, dat geen of slechts sporen vrij jodium daarin aanwezig zijn. Bij aanwezigheid van meer dan sporen door onnauwkeurige bereiding of slechte bewaring zou de Stroop min of meer bruin zijn \').

2°. Zij bevatte nagenoeg 5 pet. Ferrojodide. In overeenstemming met de Ferrojodide-pillen is het vroegere gehalte van 20 pet. tot 5 pet. teruggebracht, waardoor op de voorgeschreven wijze de Stroop ook beter lang en onveranderd kan worden bewaard. Om zijn reduceerend vermogen worden de ongekleurde, niet te groote fleschjes van ongeveer 50 cM3. inhoud geheel gevuld en, liefst door een glazen plaatje of stop volkomen van de lucht afgesloten, in het volle daglicht bewaard. Desnoods kan in elk flescbje een stukje blank ijzerdraad geplaatst worden, wat mogelijk vrij geworden jodium bindt s).

30. hetgeen op de volgende wijze bepaald zvordt: 5 Grin, van de Stroop vereische 4.8—5 cM%. eener oplossing van mercnriehloride (2.185 = I00). voordat een rood precipitaat ontstaat, dat bij het omroeren niet weder verdwijnt. Deze bepaling berust hierop, dat bij de inwerking van mercurichloride op ferrojodide mercurijodide wordt gevormd , dat met nog aanwezig onontleed ferrojodide eene oplosbare dubbelverbinding vormt. Zoodra al het aanwezige ferrojodide daartoe verbruikt is, zal nieuwe toevoeging van mercurichloride rood mercurijodide doen afscheiden.

2 Fe P Hg Cl2 = Fe l2. Hg l2 Fe Cl2 ferrojodidü mercuricliloride forro-rnercurijodiJe ferrocliloride

620 271

Fe I2, Hg I2 -f Hg Cl2 = 2 Hg l2 -f Fe Cl2

feiTO-mercurijodide mercuricliloride mercurijodide f.\'rrocldoride

620 dln. Ferrojodide correspondeeren dus met 271 din. mercurichloride; 0.25 Grm. Fel2, vervat in 5 cM3. Stroop, correspondeert dus met 0.1093 mercurichloride, vervat in 5 cM3. der mercurichloride-oplossing (2.185 — ioo). Bij het gebruik van

\') Dit vrije jodium kan niet of zeer moeilijk door uitschudding bijv. met chloroform, beter door eene donkergroene verkleuring met amylum-oplossing worden aangetoond.

De Stroop blijft ook onveranderd, wanneer er 0.1 pet. citroenzuur in wordt opgelost. Ook is bewaring in een buret met glazen kraan en afsluiting van de lucht door een laagje amandelolie aanbevolen geworden (Swart en van Ledden IIulsebosch).

-ocr page 463-

«33

4.8 cM3. der mercurichloride-oplossing correspondeeren deze met

0.02185 X 4-8 X 620 ^ T, T

-----= 0.34 (jrm. re I2, wat overeenkomt met

271

0.24

- X 100 — 4\'8 pet. \').

S I R U P U S IPECACUANHA E.

I P E C A C U A N H A S T R O O P.

N. Ipecacua7ihatinciuur vijf deelen......... 5

Eenvoudige Stroop vijf en negentig deelen ..... 95 Meng ze.

S I R U P U S LI Q U I R I T I A E.

Z O E T HOU T S T R O O P.

N. Zoeihontivortel, tot poeder (B 10) gebracht, twintig deelen 20

Gewoon IVater honderd deelen.........100

Ammonia vijf deelen............. 5

Suiker zestig deelen............. 60

voor 100 deelen.

Macereer het poeder 24 uur met het water en de ammonia in een gesloten vat; pers uit; damp de colatuur op een waterbad tot op de helft uit; filtreer en bereid van het vocht en de suiker Stroop.

Deze Stroop zij helder, bruin en reageere neutraal.

Bereiding. De uittrekking heeft plaats door maceratie onder

\') Behalve volgens deze eenvoudige, rechtstreeksclie bepaling van het gehalte aan feiTOjodide kan dit ook geschieden door bepaling;

a. van liet ijzer-gehalte door uitdamping en verbranding (zie blz. 588).

h. van het]o d i 11 m-gebalte, hetzij door titratie met decimaal-volumetrisch zilvernitraat na zuurmaking met salpeterzuur en kaliumchromaat als indicator (zie blz. 117), of door vrijmaking van het jodium, bijv. door chloor, en titratie daarvan met volumetrisch tbiosul-faat (zie blz. 408).

-ocr page 464-

^34

omroeren en onder toevoeging van een weinig ammonia. Aanwending van warmte is hier te ontraden, wijl de in warm water oplosbare zure glycyrrhizinczure ammonia bij bekoeling zich voor een groot gedeelte weder afscheidt en een door verhitting verkregen aftreksel een min of meer bitteren smaak bezit. De uittrekking van het in koud water onoplosbare zure zont wordt bevorderd door toevoeging van ammonia, waardoor het zure in het gemakkelijk oplosbare, neutrale zout wordt omgezet. De overmaat ammonia vervluchtigt bij uitdamping, waarbij tevens eiwitachtige stoffen , enz. zich afscheiden , die na bezinking door filtratie , welke echter zeer moeilijk gaat, moeten worden verwijderd. De uitdamping geschiede op het waterbad; hooger temperatuur zou het neutrale glycyrrhizinezure zout weder ontleden. Scheiden zich mogelijkerwijze gedurende het uitdampen vlokken van het weder ontstane zure zout af, dan kunnen deze door toevoeging van een paar droppels ammonia in oplossing gebracht worden. Toevoeging van gezuiverden honig, vroeger gebruikelijk, is nagelaten, waarschijnlijk wijl deze de Stroop minder houdbaar maakt.

Onderzoek.

i0. Deze Stroop zij helder en reageert neutraal. Slaat bij deze Stroop in \'t bijzonder op eene zorgvuldige bereiding en afwezigheid van overmaat ammonia.

SIRUPUS O PI AT US. OPIUMSTROOP.

N. Opiumtinctui/r vijf dealen...........5

Eenvoudige Siroop vijf en negentig deelen.....95

Meng ze.

100 deelen bevatten de werkzame bestanddeelen van 0.5 deelen Opiumpoeder.

Bereiding. In plaats van met op\'mmzvijn, zooals vroeger,

-ocr page 465-

»35

geschiedt thans de bereiding met opwxmtinctnur. Daar 100 deelen Opiumtinctuur de oplosbare bestanddeelen van 10 deelen Poeder van Opium bevatten \'), zullen dus 5 deelen daarvan die van 0.5 deel opiumpoeder houden, welke vervat zijn in 100 deelen Stroop.

SI R U P U S P A P A V E R I S.

P A P A V E R S T R O O P.

N. Papavervruchten, gestampt, tien deelen.......10

Gewoon Water................60

Suiker, van elk zestig deelen..........60

voor 100 deelen.

Infundeer de vruchten 2 uur met het water en bereid van het door persen verkregen, gefiltreerde vocht en de suiker, Stroop.

Deze zij helder en lichtbruin.

Bereiding. De vruchten moeten, zooals bij dit artikel is voorgeschreven , van de zaden worden ontdaan, wijl deze werkeloos zijn en door hun gehalte aan vette olie de Stroop onbruikbaar zouden maken. Het 2-maal 24 uren trekken is tot 2 uur teruggebracht , waardoor de werkzame bestanddeelen genoegzaam worden uitgetrokken en de houdbaarheid der Stroop, die overigens gemakkelijk in gisting overgaat, wordt verhoogd.

SIRUPUS RH EI.

R H A B A R B E R S T R O O P.

N. Rhabarberwortel, in dunne stukjes gesneden, vijf deelen 5

Natriumcarbonaat één deel......................1

Gewoon Water vijftig deelen...........50

Suiker zestig deelen..............60

voor 100 deelen.

\') Zie bij «Tinclura Opii».

-ocr page 466-

836

Macereer den wortel 24 uur met het water, waarin het zout is opgelost Roer nu en clan om en bereid van het door persen verkregen, gefiltreerde vocht en de suiker, Stroop.

Ueze is roodbruin.

Bereiding. In plaats van fijngesneden moet de Rhabarber-wortel thans in schijfvormige stukjes gesneden worden, waardoor een minder slijmig aftreksel wordt verkregen. Het uittrekken geschiedt evenals vroeger door maceratie, doch thans onder toevoeging van natriumcarbonaat, waardoor de in water moeilijk oplosbare zuren van den wortel, vooral het chrysophaanzuur, als zouten gemakkelijker in oplossing worden gebracht. Het aftreksel moet na volkomen bezinking gefiltreerd worden. De Stroop heeft bij het opkoken veel neiging tot opschuimen.

S I R U P U S RHOEADOS.

K L A P R O Z E N S T R O ü P.

N. Klaprozen (versch) twintig deelen.........20

Gewoon Water vijf en dertig deelen........35

Suiker zestig deelen..............60

voor 100 deelen.

Infundeer de klaprozen met het water, pers uit en los de suiker op in de heldere colatuur.

Deze Stroop zij donkerrood.

Bereiding. De versche, ongesneden en ongekneusde bloembladen worden gedurende 12 uur met het water warm getrokken. De doorzijging geschiede slechts onder zacht persen, wijl anders te veel slijmige deelen worden medegevoerd.

S I R U P U S R U BI I D A E I.

FRAMBOZENS T R O O P.

N. Frambozen, versch en zonder kelken, zooveel gij wilt.

Kneus ze en zet ze in een gedekt vat op een plaats, waar de tempe-

-ocr page 467-

837

ratuur ongeveer 250 bedraagt en wel zoo lang, totdat een weinig van het heldere vocht, met de helft van zijn volumen sterken spiritus vermengd, niet meer troebel wordt.

Pers uit, verwarm het sap tot 80°, laat het eenigen tijd op een koele plaats staan en filtreer.

Van dit

Sap veertig deelen..................

Suiker zestig deelen................60

worde de Stroop bereid.

Deze Stroop zij geurig, helderrood.

Bereiding. De Stroop wordt bereid van Frambozen, Fructus Rubi idaei, de versche, rijpe vruchten van Ru bus idaeus, de Framboos, een heester uit de familie der Rosaceae, in \'t wild voorkomende in Noord- en Midden-Europa, ook in Nederland , en om hare welsmakende vruchten veelvuldig gekweekt.

De roode, rondachtig eivormige, fluweelachtig-kortviltige, aangenaam riekende en zuurachtig-zoet smakende vrucht bestaat uit eene verzameling van kleine, samenhangende, saprijke, zeer vleezige steenvruchtjes, die door een kegelvormigen, witten, sponzigen vruchtbodem gedragen en door den kelk gesteund worden. Bij volkomen rijpheid, van Juli tot September, vallen zij van den vruchtdrager af of worden, nog hiermede en met den kelk voorzien, in den handel gebracht.

Ter bereiding der Stroop worden de vruchten, die ongeveer 90 pet. sap leveren en, naast 3—4 pet. suiker en sporen vluchtige olie, als werkzame bestanddeelen vooral appel- en citroenzuur bevatten, na van kelk en vruchtdrager ontdaan te zijn, ter reiniging snel met koud water afgespoeld en daarna gekneusd. Verder zet men ze in een los toegedekten, aarden pot op eene warme plaats, waar de temperatuur voortdurend ongeveer 250 bedraagt. Hierdoor treedt gisting in onder gasontwikkeling en worden de mede in de vrucht aanwezige pectinestoffen ontleed. Dit is noodig, wijl de ondervinding geleerd heeft, dat de Stroop het helderst, duurzaamst en het fraaist van kleur verkregen wordt, wanneer deze stoffen verwijderd zijn; niet geheel vernietigd, maken zij de Stroop bij bewaring troebel, geleiachtig en doen haar licht bederven. Van tijd tot tijd wordt de massa met een houten lepel langzaam omgeroerd. Na eenige dagen, wanneer de gisting is geëindigd, wordt een weinig van het helder gefiltreerde vocht met spiritus op pectine onderzocht; bij afwezigheid daarvan mag geen troebeling meer

54

-ocr page 468-

838

daarmede ontstaan. Alsdan wordt de massa geperst en het uitgeperste sap tot 800 verwarmd, waardoor de gistcellen worden vernietigd en voorhanden eiwitachtige stoffen coaguleeren, die men bij staan op eene koele plaats laat bezinken, om daarna afgefiltreerd te worden \'). Ten slotte wordt van het aldus verkregen, heldere sap op de gewone wijze met suiker stroop bereid 2).

S I R U P U S S E N N A E.

S E N N E S T R O O P.

N. Semicbladen, fijn gesneden, tien deelen........10

Gewoon Water........... .....60

Suiker, van elk zestig deelen............60

voor 100 deelen.

Infundeer de bladen met het water; pers zacht uit; coleer en los de suiker in het heldere vocht op.

Deze Stroop zij helder, donkerbruin.

Bereiding. De uitgetrokken sennebladen mogen slechts zeer zacht uitgeperst worden, om zooveel mogelijk slijmdeelen verwijderd te houden.

SIRUPUS SIMPLEX.

EENVOUDIGE STROOP.

N. Suiker zestig deelen...............60

Water veertig deelen...............40

voor 100 deelen.

\') liet fillreeren kan door toevoeging van talk bevorderd worden.

\') Onderzoek van Stroop, nit den handel betrokken, op toevoeging van aniline-kleurstof kan geschieden door uitschudding mot ainylalcohol, die daarbij niet gekleurd mag worden.

Overigens kan e c li t e Krambozonstroop van ver valse h te onderscheiden worden door de volgende reaction:

2 cM3. Siroop, vermengd met 4 cM3. verdund elioorwaterstofzuur (1=5), wordt, wanneer daarin een stukje zink wordt geplaatst, na enkele uren op eene flauwe roode tint na ontkleurd (vervalschte geheel). Daarna krachtig met lucht geschud, wordt de vloeistof lichtpaars (vervalschte blijft kleurloos), en door enkele droppels verdund salpeterzuur terstond fraai rood (vervalschte blijlt kleurloos).

2 cM3. Stroop, tot 10 cM3. met water verdund en met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt, wordt door een stukje natriumsulfiet ontkleurd (vervalschte van kleur ue/1-zwakl), welke ontkleuring door verdund salpeterzuur verdwijnt (vervalschte blijft ontkleurd) (VV e f e r s 13 e 11 i n k).

-ocr page 469-

»39

Maak er stroop van en filtreer die nog warm.

De Stroop zij kleurloos en zeer helder.

Bereiding. In plaats van het vroeger gebruikelijke gewone water is thans gedestilleerd water voorgeschreven, wat uit dit oogpunt verkieslijker is, dat daardoor de Stroop helderder wordt verkregen \'). Zij moet voorts geheel kleurloos zijn en bij staan mag zich o. a. geen blauw bezinksel vormen 1/j. Overigens moet de suiker met het water thans na oplossing nog even opgekookt worden in plaats van, zooals vroeger, eenvoudig opgelost, waardoor de Stroop wel houdbaarder, doch de zoete smaak door meerdere omzetting der suiker verminderd wordt

SOLUTIO A CE T ATI S AMMONICL

OPLOSSING VAN AMMONIUMACETAA T.

S P I R I T U S M 1 N D E R E R I.

N. Ammonia tien deelen..............10

Voeg er bij

Azijnzuur twaalf deelen.............12

Kook de vloeistof eenige oogenblikken en voeg er, als zij bekoeld is, zoo veel ammonia bij, dat zij niet meer dan zwak zuur zij. Verdun haar, zoo noodig, met water.

Een heldere, kleurlooze, zwak zure vloeistof van 1.032—1 034 soortelijk gewicht, die niet brandig riekt of smaakt en, op een waterbad verwarmd, geheel vervluchtigt.

Met natronloog vermengd, geeft zij den reuk van ammoniak, met zwavelzuur dien van azijnzuur.

De vloeistof worde niet troebel door zwavelwaterstof of door baryum-nitraat, noch na toevoeging van een weinig salpeterzuur, door zilvernitraat.

Oplossing van Ammoniumacetaat bevat ongeveer 15 pet Ammoniumacetaat.

1

) Zooals bij « Saccharum » is voorgescbreven; zie blz. 790.

*) Als zoetsmakend corrigens zouden wij derhalve preforceren het gebruik van enkel suiker of van eone bij gewone of zeer weinig verboogde temperatuur bereide oplossing van suiker in water.

-ocr page 470-

840

Samenstelling. CH3. COO(NH4)aq. solut.

Eene ongeveer 15-procentische, waterige oplossing van animo-n i u m a c e t a a t.

Ammoniumacetaat is het ammoniumzout van azijnzuur. De waterstof der carboxyl-, COOH, groep van dit zuur is vervangen door de éénwaardige ammonium-, NH4, groep 1).

Bereiding. Door neutralisatie van ammonia met azijnzuur. NH3 CH3. COOH = CH3. COO(NH4)

ammoniak azijnzuur ammoniumacetaat

17 60 77

17 dln. Ammoniak, vervat in 170 dln. ammonia, worden geneutraliseerd door 60 dln. azijnzuur, vervat in 200 dln. azijnzuur der Ph. 10 dln. Ammonia zullen dus geneutraliseerd worden door 11.8 dln. van bedoeld azijnzuur. Eene geringe overmaat azijnzuur is dus aanwezig. Daar bij de neutralisatie, waartoe het azijnzuur bij kleine gedeelten bij de ammonia wordt gevoegd, warmte wordt ontwikkeld en ook tijdens het koken der vloeistof, wat \'t best in een kolf geschiedt en dient om organische kiemen, die de Oplossing bij bewaring zouden doen bederven, te dooden, behalve eenig azijnzuur vooral ammonia vervluchtigt, wordt na bekoeling nog zooveel ammonia toegevoegd, dat de vloeistof neutraal of hoogstens zeer zwak zuur reageert 1), en ten slotte zooveel water, totdat het opgegeven soort. gevv. is bereikt.

De vloeistof worde in zooveel mogelijk gevulde, goed gesloten flesschen op eene koele plaats bewaard.

Eigenschappen. Eene heldere, kleurlooze, zwak zure vloeistof van 1.032—1.034 soortelijk gewicht met eigenaardigen reuk en smaak, die bij verwarming geheel vervluchtigt. ]5ij zachte verwarming met natronloog ontwikkelt zich de reuk van ammoniak, met zwavelzuur die van azijnzuur 3).

Onderzoek.

1°. Een zwak zure vloeistof. Sterker zure reactie zou op eene te groote overmaat v rij az ij nzu u r, alkalische reactie op

\' ) Zie blz, 11 en G3.

\') De reactie met lakmoespapier moet onmiddelijk worden waargenomen, daar bij liet opdrogen dor vloeistof op het papier ten gevolge van amtnoniak-veilies zeer spoedig zure reactie intreedt.

3) Zie verdere eigenschappen blz. Ci en blz. 13.

-ocr page 471-

841

1

vrijen ammoniak wijzen. Alhoewel de vloeistof, pas bereid, neutraal of hoogstens zeer zwak zuur moet reageeren, wordt zwak zure reactie toegestaan, wijl bij bewaring steeds een gering verlies aan ammoniak plaats vindt.

20. van 1.032—1.034 soortelijk gewicht. Slaat op het gehalte aan ammoniumacetaat, dat volgens het opgegeven soort, gew. 15—16 pet. moet bedragen.

3°. dia niet by an dig riekt of smaakt. Afwezigheid van e m-pyreurratische stoffen.

40. en, op een waterbad verivannd, geheel vervluchtigt. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen.

5 0. De vloeistof worde niet troebel door zwavelwaterstof of door barynmnitraat, noch, na toevoeging van een weinig salpeterzuur, door zilvernitraat. Afwezigheid van zware metalen, sulfaat en chloride 1).

6°. Oplossing van Ammonmmacetaat bevat ongeveer 15 pet. Ammoninmacctaat. Daar 17 dln. ammoniak, d. i. 170 dln. ammonia, 77 dln ammoniumacetaat leveren, zullen 10 dln.ammonia i o 7 7

—-= 4.53 dln. acetaat leveren, vervat in 22 dln. der Oplossing, d. i. derhalve 20.6 pet. Behalve echter dat tijdens de bewerking azijnzuur vervluchtigt en er dus verlies aan acetaat ontstaat, moet de verkregen , mogelijk sterkere oplossing van het ammo-niumzout met zóóveel water verdund worden, totdat het verlangde soort. gew. en daarmede het voorgeschreven procentisch gehalte bereikt is

SOLUTIO ACETATIS PLUMBICI BASICI.

OPLOSSING VAN BASISCH LOODACETAAT.

ACETUM LITHARGYRI.

N. Loodaceiaai dertig deelen............. 30

Loodglid, tot zeer fijn poeder gebracht, tien deelen. ... 10 Water honderd deelen..............100

») Zie verdere reucliën bij «Acidum aceticum», l)lz. 13, en bij «Ammonia liquida », blz. 04.

\') liet gehalte kan bepaald worden door destillatie der Oplossing in \'t waterbad met overmaat kali- of natronloog, opvanging van het vrij geworden ammoniakgas in water en titratie met volumetrisch zuur (zie blz. 13). De Oplossing moet daarbij ongeveer 3.3 pet. ammoniak leveren.

I i

•.! I

ii

II 1

\'\' ;i

liwtquot;

li

s

li 5 -quot;,\'\'|

p

ii

-ocr page 472-

842

Vermeng het zout met het loodglid, voeg er 5 deelen water bij en verwarm het mengsel, dat herhaaldelijk geroerd moet worden, op een waterbad zoo lang, totdat de kleur van het niet opgeloste loodglid wit of roodachtig-wit geworden is. Voeg er dan 95 deelen water bij, schud om, laat het mengsel in een gesloten vat bezinken en filtreer.

Een helder of slechts weinig troebel, kleurloos vocht van r.235—1,240 soortelijk gewicht, dat rood lakmoespapier blauw kleurt, met zwavelwaterstof een zwart neêrslag en met ferrichloride een rood vocht en een wit neêrslag geeft.

10 cM\'. Oplossing van basisch Loodacetaat, door verdund zwavelzuur van lood bevrijd, mag door ammonia in overmaat niet blauw worden.

De Oplossing van basisch Loodacetaat bevat ongeveer 18 pet. Lood.

Samenstelling. 2 [(CH:,.COO)2Pb].Pb(OH)2 aq. solut.

Het normale, neutrale loodacetaat verbindt zich met loodoxyde, loodglid, tot basische zouten \'j, waarvan de samenstelling verschilt naar de onderlinge verhouding der hoeveelheden loodacetaat en loodoxyde. Gewoonlijk onderscheidt men de vier volgende basische loodacetaten:

2[(CH3. COO)2 Pb]. Pb O.PPO half-basisch, loodacetaat (CH3. COO)2 Pb. Pb O.H\'O éénmaal-basisch loodacetaat (CH3. COO)2 Pb. 2 Pb O tiveeinaal-ha.s\\sc\\\\ loodacetaat

(CH3. COO)2 Pb. s Pb 0.H20 vijfinaal-hL\\s\\sc\\\\ loodacetaat

Het in water opgeloste Zout der Ph. is in hoofdzaak eerstgenoemd, //«//quot;-basisch loodacetaat, waarschijnlijk eene verbinding van gelijke moleculen van het normale, neutrale en het éémnaal-ha.sisc\\\\e zout.

2 |(CH3.COO)2Pb].PbO.H20 = (CH3.COO)2Pb

W/quot;-basisch loodacetaat loodacetaat

(CH3.C00)2Pb.Pb0.H20

t\'éwmaaMjasisch loodacetaat

Bereiding. Eene oplossing van dit basische loodzout ontstaat bij inwerking van loodglid op eene min of meer geconcentreerde 2 [(CH3.COO)2Pb 3 H20] -f- PbO = 2 [(CH3.C00)2Pb].Pb(0H)2

loodacetaat loodoxyde /i«//\'-basisch loodacetaat

378.5 222.S 889.5

5 H20

water

oplossing van loodacetaat. Zoo vormt het zich, wanneer men lood-

\') Zie blz, 150.

-ocr page 473-

§43

oxyde en water gedurende langen tijd onder omschudden bij gewone temperatuur laat staan. Beter ontstaat het bij verhoogde temperatuur door trekking en daarop volgende koking van lood-glid met azijn, of door loodacetaat en loodglid met warm water te overgieten en onder omschudden op eene warme plaats te laten trekken, ook door eene oplossing van loodacetaat onder verwarming met loodglid te behandelen, totdat niets meer daarvan oplost, het beste door een mengsel van loodacetaat en loodglid met elkander te smelten en daarna in water op te lossen. Op de laatste methode berust de bereiding der Ph., waarbij de opgegeven hoeveelheden loodacetaat en vooraf tot zeer fijn poeder gebracht en gezift loodglid samengewreven en onder toevoeging van weinig water in een los gesloten kolf of toegedekte porceleinen schaal onder roeren op een waterbad, spoediger op open vuur, worden saamgesmolten, totdat de eerst gele kleur wit of roodachtig-wit geworden is. Daarna wordt het Zout in liefst warm water opgelost en de oplossing, na eenigen tijd onder zooveel mogelijke afsluiting der lucht bezonken te zijn, snel en gedekt gefiltreerd.

Eigenschappen. Eene heldere of bijna heldere, kleurlooze, zoet en samentrekkend smakende, alkalische vloeistof van 1.235 — 1.240 soort. gew., die met gewoon water een wit troebele, met gedestilleerd water of spiritus eene heldere vloeistof, met zwavelwaterstof een zwart neerslag van zwavellood en met ferrichloride een rood vocht van gevormd ferriacetaat en een wit ncêrslag van lood-chloride geeft \').

Onderzoek.

1°. Een helder of slechts weinig troebel vocht. Tijdens de bewaring vormt zich aan de lucht loodcarbonaat, dat de vloeistof troebel maakt. Geringe hoeveelheden worden toegestaan. De bewaring geschiede daarom in goed gesloten , zooveel mogelijk gevulde flesschen.

20. van 1.235—^1.240 soortelijk gewicht. Slaat op het gehalte aan basisch zout.

3°. dat rood lakmoespapier blauw kleurt. In onderscheid met eene oplossing van normaal loodacetaat, die zwak zuur reageert.

40. 10 cM%. Oplossing van basisch Loodacetaat, door verdund

*) Zie verdere reacliën bij «Acelas pluinbicus», blz. 0, en bij «Oxydum pliimbicum semivilreum», biz. G59.

-ocr page 474-

844

zwavelzuur van lood bevrijd, mag door aimuonia in over maatniet blauw worden. Afwezigheid van koper 1).

5°. De Oplossing van basisch Loodacetaat bevat ongeveer 18 pet. Lood. Voor de omzetting van 30 dln. normaal loodacetaat in het basi-3O ^ 222.5

sche zout zijn-0-—- = 8.8 dln. loodglid ongeveer benoodigd,

2 X 37ö 5

(eene geringe overmaat loodoxyde is dus voorhanden), die te zamen ^9-5 ^ - 3? = -jc,2 dln. ongeveer van bedoeld basisch zout zouden

2 X 378.5 quot; ë

kunnen vormen, welke (Pb = 206.5) ^ ^ ^ 35 2 __ ^ dln.

v 889.5

lood bevatten. Daar zich echter ook hooger basische, onoplosbare

zouten vormen, die zich met de overmaat loodglid als een wit of

roodachtig-wit neerslag afzetten, heeft verlies aan lood plaats.

Overigens moet tot het opgegeven soort. gew. met water worden

verdund ï).

\') Evenmin mag derhalve het filtraat met kaliumferrocyanide een roodbruin neerslag of roodachtige verkleuring geven.

») De bepaling van het lood-gehalte kan geschieden als loodsulfaat, door de Oplossing met verdund zwavelzuur in geringe overmaat onder toevoeging van een gelijk volumen alcohol te precipileeren, het neerslag zich te laten afzetten, op een gedroogd en gewogen filter te verzamelen, met gelijke deelen alcohol en water af te wasschen en tot constant gewicht te drogen, of, na verassching van het filler, het achtergeblevene in een gewogen porseleinen kroesje onder toevoeging van een paar droppels verdund zwavelzuur op \'t waterbad tot droog te verdampen en ten slotte zwak te gloeien. Het gehalte als loodsulfaat bedrage ongeveer 26.4 pet.

Ook als londchromaat kan de bepaling geschieden, door de met azijnzuur zuur gemaakte Oplossing met kaliumbichrornaat te precipiteeren, het neêrslag bij zachte warmte zich te laten afzetten, op een gewogen filter te verzamelen en, na afwasscbing met water, bij 100° te drogen en te wegen. Hot gehalte als loodchromaat bedrage ongeveer 28 pet.

Maatanalytisch kan het loodgehalte bepaald worden, door bij de met azijnzuur zuur gemaakte Oplossing uit een buret zóóveel kaliumbichromaat-oplossing (14.761 Grm. = 1000 cM3.) te laten vloeien, totdat het precipitaat zich snel begint af te zetten. Alsdan beproeft men, telkens na toevoeging van een paar droppels chromaat uit de buret na omroeren, op overmaat chromaat, door op een porseleinen dekseltje een droppel der eenigszins bezonken vloeistof te brengen bij een droppel zilvernitraat, waardoor bij overmaat terstond een duidelijk roode kleur ontstaat. Iedere cM3. chromaat-oplossing komt overeen met 0.0207 Grm. lood.

-ocr page 475-

845

SOLUTIO AMMONIAE SPIRITUOSA

A NIS ATA.

SPIRITUEUSE OPLOSSING VAN AMMONIA EN AN IJS OLIE.

LIQUOR AMMONIAE ANISATUS.

N. Sterken Spiritus zes en zeventig dealen........76

Ammonia twintig deelen..............20

Anijsolie vier deelen...............4

Meng ze.

Een aanvankelijk kleurlooze, weldra lichtgele vloeistof, met een soortelijk gewicht van 0.868—0.872.

Samenstelling.

Eene oplossing van ammonia en anijsolie in spiritus.

Bereiding. Men lost eerst de gesmolten anijsolie, vervolgens de ammonia in den spiritus op, waarna alles door schudden goed wordt gemengd. De oorspronkelijk kleurlooze vloeistof wordt door de werking van den ammoniak op de anijsolie weldra lichtgeelachtig en, bij langere bewaring, vooral bij blootstelling aan het zonlicht, zelfs een weinig donkerder \'). Zij worde daarom in goed gesloten flesschen buiten het zonlicht en op eene koele plaats bewaard , echter niet te koel, wijl zich alsdan oliedeeltjes in den vorm van kleine kristalletjes afscheiden, die echter bij zeer zachte warmte weder kunnen worden opgelost.

Eigenschappen. Eene heldere, aanvankelijk kleurlooze, weldra lichtgele, alkalische vloeistof, met een soort. gevv. van 0.868— 0.872, die sterk naar anijsolie, nog sterker naar ammoniak riekt en smaakt en, in water gegoten, eene witte troebeling veroorzaakt.

Onderzoek.

i0. met een soortelijk gervicht van 0.868—0,872. Kenmerk van nauwkeurige bereiding uit deugdelijke grondstoffen 2).

\') Hierbij dient opgemerkt te worden, dat de spiritus zuiver moet zijn en dus niet reeds door ammonia alleen gekleurd mag worden (zie bij «Spiritus fortior»).

\') Overigens mag de Oplossing eerst na toevoeging van meer dan 1/10 van het volumen water door afscheiding der olie troebel worden en kan de boeveelheid ammoniak door titratie mot volumetrisch zuur worden bepaald.

-ocr page 476-

84Ö

SOLUTIO ARSENIITIS KALICI COMPOSITA.

SAMENGESTELDE OPLOSSING VAN KALIUM ARS EN II ET.

LIQUOR FOWLERI.

N. Arsenigznur, tot poeder gebracht.......... i

Kaliumcarbonaat................ i

IVa/er, van elk één deel................i

Vermeng ze en verwarm totdat het arsenigzuur is opgelost. Voeg bij het bekoelde vocht

LavendeIspiriins vier deelen............ 4

Wa/er, zooveel als noodig is om honderd deelen .... 100 oplossing te verkrijgen.

Een bijna heldere, alkalische, naar lavendelolie riekende vloeistof, die, na met chloonvaterstofzuur zuur gemaakt te zijn, met zwavelwaterstof een geel neérslag geeft.

5 Grm. van de Samengestelde Oplossing van Kaliumarseniiet, vermengd met 500 mG. natriumhydrocarbonaat, 20 cM3. water en een weinig stijfseloplossing, vereische 9.8 tot 10 cM3. volumetrisch jood ter blauwkleuring, hetgeen overeenkomt mot een gehalte van 1 pet. Arsenigzuur.

Samenstelling. KAsO2 K^CO3 aq. solut.

Behalve dat het arseentrioxyde, As:!03, als anhydride zicli in den vorm van zouten met 3 molec. water vereenigt tot het eigenlijke ofwY/w-arsenigzuur, II3As03 \'), vormt het bovendien eveneens als zouten met 1 molec. water het ;;/^cz-arsenigzuur, HAsO2. As203 -f 3 H20 = H0As208 = 2 II3As03

arseentrioxyje water ort/to-arsenigzuur

As203 -f H20 = H2As204 = 2 HAsO2

arseenlrioxyde water meio-aisenigzuur

Het preparaat der Ph. is eene waterige oplossing van kalium-metaarseniiet benevens kaliumcarbonaat 2), gearomatiseerd door lavendelspirit us. De waterstof van het ;«rte-arsenigzuur is in het Zout vervangen door het éénwaardige metaal kalium.

Bereiding. Het Zout ontstaat door inwerking van kalium-

\') Zio bij «Aoidum arsenicosum», blz. 15.

2) Slcclits een zeer gering deel van het arsenigzuur wordt in arsenigzuur zout omgezet (,L 0 11 n e s).

-ocr page 477-

847

carbonaat op arseentrioxyde met behulp van water. Geschiedt deze inwerking onder verwarming in verdunden toestand, dan vormt het Zout zich zeer langzaam. In geconcentreerden staat As\'O3 K2C03 = 2 KAsO2 CO2

arseenlrioxyJe kaliumcarbonaat kaliummetaarseniiet kooldioxyde 198 138

echter en vooral bij de temperatuur der kokende kaliiuiiCarbonaat-op-lossing, die boven loc^ligt, verandert het kristallijne arseniktrioxyde spoediger in den amorphen vorm, waarin het veel oplosbaarder is \') en dus ook gemakkelijker in het kaliumzout overgaat. De Ph. laat daarom het arsenigzuur en het kaliumcarbonaat in een getareerd kolfje met weinig water koken, om als het Zout zooveel mogelijk tot stand gekomen en alles opgelost is en bekoeld, het overige water toe te voegen. De toevoeging van lavendelspiritus dient, wat de olie betreft, om aan de vloeistof smaak en geur te geven , ten einde haar als sterk werkend geneesmiddel van water te kunnen onderscheiden , en de spiritus, om het ontstaan van schimmels bij bewaring tegen te gaan, die het arsenik-gehalte door vorming van arsenikwaterstof zouden doen verminderen 2). Daar 198 dln. arsenigzuur corres-pondeeren met 138 dln. kaliumcarbonaat, blijkt uit de bereidingswijze der Ph., waarbij gelijke deelen van beide worden gebezigd, dat in elk geval overmaat carbonaat aanwezig is en de vloeistof dus alkalisch zal reageeren.

Eigenschappen. Eene bijna heldere, kleurlooze, naar lavendel riekende, alkalische vloeistof 3).

Onderzoek.

1°. Een bijna heldere vloeistof. De vloeistof is oorsponkelijk flauvv-witachtig, doch wordt bij staan helderder.

20. die, na met chloonvaterslofzmer zuur gemaakt te zijn, met zwavelwaterstof een geel neerslag geeft. Ontstaat reeds met het zuur een geel neêrslag, dan wijst dit op een gehalte aan zwavela rsenik.

3°. 5 Grm. van de Samengestelde Oplossing van Kalium-ar senile t, vermengd niet 500 mG. natriumhydrocarbonaat, 20 cM3. water en een iveinig stijfseloplossing, vereische 98 tot 10 cM\'1\'. volumetrisck jood ter blarnvkleuring, hetgeen overeenkomt met een

\') Zie bij «Acidum arsenicosum», blz. 15.

\') Als betere conservatieiniddelen worden genoemd glycerine (J dl.), borax (0.4 Grm.) en natriumcarbonaat in plaats van kaliumcarbonaat.

\') Zie verder bij «Acidum arsenicosum», blz. 15.

-ocr page 478-

848

gehalte van i pet. Arsenigsnur. 198 Grm. Arsenigzuur wordt geoxydeerd door 508 Grm. jood; 0.05 Grm., vervat in 5 Grm. der Oplossing, dus door 0.128 Grm. jood. Volumetrisch Jood bevat daarvan 12.7 Grm. per 1000 cM3.; 0.128 Grm. is derhalve vervat in ongeveer 10 cM3. Een verbruik van 9.8 cM3. volumetrisch jood wijst dus op een geringer gehalte aan arsenigzuur, hetzij door overgang in arseniaat tijdens de bewaring, verlies bij de bewerking of verontreiniging van het arsenigzuur \').

SOLUTIO CAMPHOR A E SPIRITUOSA.

SPIRITUEUSE KAMFEROFLOSSING.

SPIRITUS V I N I CAMPHORATUS.

KAMFERSPIRITUS.

N. Kamfer tien dealen...............10

Verdunden Spiritus negentig deelen..........90

Los de kamfer in den spiritus op en filtreer als het noodig is.

Samenstelling.

Eene oplossing van kamfer in spiritus.

Bereiding. Daar kamfer vrij gemakkelijk in den spiritus oplost, geschiede de oplossing bij gewone temperatuur door haar in stukjes in den afgewogen spiritus in een flesch te brengen en deze nu en dan te schudden. Wil men de oplossing bespoedigen, dan kan men sterken spiritus bezigen en dezen, na oplossing der kamfer, met water verdunnen.

SOLUTIO CHLORETI FERRIC I.

F ERRICHLORIDEOP LOSSING.

L I Q U O R S T Y P T I C U S.

N. Ferrichloride drie deelen..............3

Water één deel................. 1

Los het zout in het water op.

\') Zie bij «Acidum arsenicosum », blz. 17.

-ocr page 479-

849

Een heldere, donker saffraangele vloeistof van 1.441 —1.488 soortelijk gewicht

Het vocht, verkregen door 1 Grm. Ferrichlorideoplossing, met 50 cM\'. water verdund, met ammonia in overmaat te vermengen en te fil-treeren, zij kleurloos, worde niet troebel of gekleurd door zwavelwaterstof en late, nadat het verdampt en het overschot gegloeid is, niets achter. Kén deel van hetzelfde vocht, met een gelijk volumen zwavelzuur voorzichtig vermengd, verkleure ferrosulfaat (1 =3), hetwelk daarop gegoten wordt, niet.

Met haar tienvoudig volumen water verdund, worde Ferrichlorideoplossing door kaliumferricyanide niet blauw, en door baryumchloride niet troebel.

Het gas, dat zich ontwikkelt, als zink overgoten wordt met een mengsel van 3 cM1. Ferrichlorideoplossing, 3 cM3. chloorwaterstofzuur en 3 cM3. water, mag zilvernitraat (1 = 2) binnen 15 minuten niet kleuren.

1.3 Grm. Ferrichlorideoplossing, met 100 cM3. water verdund, mag onder het koken niet troebel worden.

Ferrichlorideoplossing bevatte 14.5—15.5 pet. Ijzer.

Het gehalte aan Ijzer worde bepaald door 1 Grm. der oplossing met 30 cM3. water en 10 cM3. chloorwaterstofzuur te vermengen, bij de tot 50° verwarmde vloeistof 10 cM\'. kaliumjodideoplossing (1 = 10) te voegen en haar met volumetrisch thiosulfaat te ontkleuren, waarvoor 25.9—27.6 cM\'. vereischt worde.

Samenstelling.

Eene oplossing van ferrichloride in water.

Onderzoek.

1°. Een heldere vloeistof. Afwezigheid van ferridoxyde door dissociatie bij slechte bereiding en bewaring uit liet Ferrichloride ontstaan. Dc helderheid der vloeistof blijkt, wanneer eenige droppels op glas worden uitgestreken, waarbij de laag volkomen doorschijnend moet zijn \').

2°. donker saffraangele vloeistof. Een eenigszins belangrijk gehalte aan oxychloride verraadt zich door een donkerder tot donkerbruine kleur.

30. van 1.441 —1.488 soortelijk gewicht. Staat in verband met het gehalte aan ferrichloride. 3 Dln. waterhoudend Ferrichloride

1

vrij chloorwaterstofzuur.

-ocr page 480-

850

•22 C y Z

(Fe^Cl0 i2H20— 541) vertegenwoordigen quot; 1 ^ c^n-

watervrij ferrichloride (Fe2ClG — 325), d. i. dus op 4 dln. Oplossing 45 pet. Het hoogst opgegeven soort. gew. correspondeert daarmede. Wijl echter de zeer hygroscopische kristallen meestal vochtigheid aanhangt, heeft de Oplossing gewoonlijk een lager soort. gew. Het laagst opgegevene correspondeert met 42 pet. watervrij ferrichloride.

40. Het vocht, verkregen door \\ Grtn. Ferrichlorideoplossing, niet 50 cM*. water verdund, met ammonia m overmaat te vermengen en te filtreer en, zij kleurloos. Afwezigheid van koper 1).

50. ivorde niet troebel of gekleurd door zwavekvaterstof. Afwezigheid van zware metalen als koper of zink.

6°. en late, nadat het verdampt en het overschot gegloeid is, niets achter. Afwezigheid van niet-vluchtige alkali- of a a r d-al ka 1 i-verbindingen.

70. Een deel van hetzelfde vocht, met een gelijk volumen zzvav el-zuur voorzichtig vermengd, verkleure ferrosulfaat (1 = 3). hetzvelk daarop gegoten wordt, niet. Afwezigheid van vrij salpeterzuur of nitraat 2).

8°. Met haar tienvoudig volumen water verdund, worde Ferrichlorideop lossing door kaliumferr icy anide niet blamv. Afwezigheid van ferro-zout. Aan den invloed van het licht blootgesteld, ondergaat ferrichloride in oplossing reductie. Zij worde dus tegen den invloed van het licht beschut,

90. en door baryumchloride niet troebel. Afwezigheid van sulfaat. io0. Het gas, dat zich ontwikkelt, als zink overgoten wordt met een mengsel van 3 cM*. Ferrichlorideoplossing, 3 cM\'^. chloor-waterstof zuur en 3 cM3. water, mag zilver nitraat (1 = 2) binnen 15 minuten niet kleuren. Afwezigheid van arsenik.

11°. 1.3 Grm. Ferrichlorideoplossing, met 100 cM7,. water verdund, mag onder het koken niet troebel worden. Afwezigheid van meer dan sporen ferrioxychloride 3),

120. Ferrichlorideoplossing bevatte 14.5—15,5 pel. Ijzer. De

\') Zie noot \') blz. 84i.

2) In plaats van chloor kan ook salpeterzuur gebezigd worden voor de oxydatie van het ferrichloride (zie hlz. 180).

3) Zie verder bij « Chloretum ferricum», blz. dSI.

-ocr page 481-

851

Oplossing bevat 42—45 pet. ferrichloride \'), correspondeerende met een ijzergehalte (Fe = 56) van ongeveer 14.5—15.5 pet.

130. Het gehalte aan Ijzer worde bepaald dn or 1 Gnn. der oplossing met 30 cM*. water en 10 elf*, chloorwaterstof zuur te vermengen, bij de tot 50° verwarmde vloeistof 10 cM*. kaliuni-jodideoplossing {\\ — \\o) te voegen en haar met volumetrisch thiosul-faat te ontkleuren, waarvoor 25.9—27.6 cM*. vereiseht worde. 112 Grm. Ijzer correspondeert met 254 Grm. jodium en deze weer met 496 Grm. thiosulfaat; 0.145—0.155 Grm. Ijzer, in 1 Grm.

der Oplossing bevat, correspondeert dus met X (o. 145—0.155) =

0.642—0.686 Grm. thiosulfaat, vervat in 25.9—27.6 cM3. Volumetrisch Thiosulfaat 2).

SOLUTIO CHLORII.

C H LOOR OPLOSSIN G.

AQUA CH LOR AT A.

CHLOORWATER.

Verzadig Water met gewasschen Chloorgas en vul daarmede terstond kleine stopflesschen.

Een heldere, zwak geelgroene vloeistof, die sterk naar chloor riekt, lakmoespapier terstond ontkleurt en, na verbrand te zijn, niets achterlaat.

10 cM\'. Chlooroplossing, met 10 cMs. water en 20 cM3. chloorwater-stofzuur vermengd, moet, na toevoeging van 5 cM3. kaliumjodide-oplos-sing (1 = 10) niet minder dan 11 cM3. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring vereischen, hetgeen overeenkomt met een gehalte aan Chloor van ten minste 0.39 pet.

Samenstelling. Cl aq. solut.

Het niet-metaal (metalloïde) chloor, opgelost in water.

Bereiding. De bereiding van chloor berust op oxydatie van

\') Zie sub Bquot;.

1) Zie verder over deze bepaling bij «Chlorelum ferricum et Chloi-etnm ammonicum », blz. 183.

-ocr page 482-

852

chloonvaterstofzuur, waardoor water wordt gevormd, terwijl chloor gas in vrijheid wordt gesteld. Van de op dit beginsel gegronde

2HCI O = HJ0 2 Cl

chloorwalerstofzuui- zuurstof water chloor

bereidingswijzen bestaat de voornaamste, voor de bereiding van chloorwater tevens de meest gebruikelijke, in behandeling van bruinsteen, inangaandi-(per)oxyde, met zoutzuur In eene opene ruimte of in een zuurkast wordt een kolf bijna tot aan den hals gevuld

MnO1 4HCI = MnCl2 2 H20 2 Cl

mangaan- chloor- mangaan- water chloor

peroxyde waterstofzuur chloruur

met stukjes bruinsteen en daarna gesloten met een kurk, waarin een veiligheidsbuis en eene tweede, even onder de kurk eindigend, welke leidt naar eene een weinig water inhoudende Woulff\'sche flesch en van daar naar een voor het licht afgesloten glazen stopflesch, voor drie vierden met water gevuld, waarin de buis tot bijna op den bodem eindigt. De bruinsteen wordt vervolgens door middel der veiligheidsbuis met ruw zoutzuur overgoten tot een weinig onder

1

Ook kaliumchloraat kan als zoodanig dienen en is zeer gebruikelijk, waar chloor, in groote hoeveelheid in eens ontwikkeld en dus op krachtige wijze, bijv. op organische stoffen bij toxicologische onderzoekingen, moet inwerken. De stolfen worden KC102 6 HC1 = KCl 31Igt;0 OCl kalium- chloor- kaliurn- water chloor

chloraat waterstofzuur chloride daartoe in een kolf of schaal met zoutzuur gemengd en, onder verwarming, kaliumchloraat bij kleine hoeveelheden toegevoegd.

2

Daarentegen kan voor eene langzame ontwikkeling van kleinere hoeveelheden chloor gebruik gemaakt worden van chloorkalk in geperste stukken of daartoe meteen vierde van haar gewicht aan gips tot dobbelsteenvormige stukjes gebracht, die in een Kipp\'s apparaat met Ca(ClO)1 41101 = CaCI» 2II\'0 4 Cl calcium- chloor- calcium- water chloor

hypochloriet waterstofzuur chloride zoutzuur, met een gelijk volumen water verdund, worden behandeld. Deze methode kan bijv. uitstekend dienen bij het bereiden van chloorwater ex tempore.

-ocr page 483-

§53

hare oppervlakte, waardoor zich chloor ontwikkelt, dat, na af-wassching in de Woulff sche flesch, in het koel gehouden water wordt opgenomen. Zoodra zich overmaat chloorgas, kenbaar aan de groengele kleur, boven het water verzamelt, wordt de flesch tegen eene andere verwisseld, terstond gesloten en herhaaldelijk geschud , totdat het gas is opgelost, waarna opnieuw chloor wordt ingeleid, tot het water daarmede verzadigd is en derhalve na herhaald schudden het groengele gas niet meer in de vloeistof oplost \'). Bij vermindering van gastoevoer wordt de ontwikkeling daarvan door zachte verwarming in het zandbad ondersteund. Het chloor-water wordt ten slotte in kleine, glazen, goed sluitende, geheel gevulde stopflesschen van donker glas overgebracht en de^\'.e na nauwkeurige sluiting op eene zeer koele plaats bewaard 2).

In plaats van zoutzuur kan ook een mengsel van keukenzout en zwavelzuur genomen worden. 18 din, Natriumchloride, in den vorm van grof keukenzout, wordt vermengd met 15 dln. poeder van bruinsteen en uit dit mengsel op boven beschreven wijze Mn O2 2 NaCl 2 IPSO1 = MnSO4 Na2S04

mangaHii- natrium- zwavelzuur mangaan- natrium-

peroxyde chloride sulfaat sulfaat

2H20 2C1

water chloor

onder zachte verwarming met 45 dln. ruw zwavelzuur, vooraf met 21 dln. water verdund, chloorwater bereid. Deze bereidingswijze is intusschen niet voordeeliger dan de eerste.

Eigenschappen. Eene heldere, waterachtige, zwak geelgroene, geheel vluchtige, neutrale, gewoonlijk echter min of meer zure vloeistof , die sterk naar chloor en zeer prikkelend riekt, organische stoffen bleekt en dus lakmoespapier ontkleurt, en, voorzichtig en verdund bij kaliumjodidcstijfsel gevoegd, eene blauwe kleur geeft van vrij jodium, dat de stijfsel kleurt, welke kleur bij verdere toevoeging weder verdwijnt.

Onderzoek.

1°. Ecu zwak geelgroene vloeistof, die sterk naar chloor riekt,

\') En dus bij sluiting der llesch met den duim na schudding geene inzuiging van den duim meer plaats heeft.

,s) Echter niet te koel, daar zich bij 00 uit de Oplossing kristallen van chloorhydraat (\'2 01 10 ll\'O) afzetten.

55

-ocr page 484-

854

lakmoespapier terstond ontkleurt. Chloorwater verliest, vooral aan het licht blootgesteld, allengs kleur en reuk en wordt in eene oplossing van chloorwaterstofzuur veranderd, terwijl zuurstof ontwijkt. Zwakke reuk en kleur en gering ontkleuringsvermogen benevens 2C\\ -f I-PO = 2HC1 O

chloor water chloor- zuurstof

waterstofzuur

sterk zure reactie wijzen dus op eene te geringe hoeveelheid chloor \').

20. .?«, na verdampt te zijn, niets achterlaat. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen.

30. 10 cM ^. Chloor oplossing, met 10 cil/3. water en 20 cü/3. chloorwaterstofzuur vermengd, moet, na toevoeging van 5 cM*. kaliwnjodide-oplossing (1 = 10) niet minder dan 11 cM*. volninc-trisch thiosnlfaat ter ontkleuring vereischen, hetgeen overeenkomt met een gehalte aan Chloor van ten minste 0.39 pet. 35.5 Grm. Chloor (Cl = 35.5) correspondeert met 127 Grm. jodium (I = 127), Cl KI = KC1 I

ctiloor kaliumjodide kalinmchloricle jodiuin

terwijl dit weder correspondeert met 248 Grm. thiosulfaat; 0.039 Grm. chloor, vervat in 10 cM3. Chlooroplossing, correspondeert dus met 0.272 Grm. thiosulfaat, vervat in 11 cM3.Volame-trisch Thiosulfaat 2). Een geringer gehalte aan chloor is niet toegestaan , een grooter daarentegen wel.

\') Vorming van geringe hoeveelheden chloorwaterstofzuur kunnen niet vermeden weiden. Daar lakmoespapier door chloor ontkleurd wordt, moet dit, om daarmede op zuur te kunnen reageeren, vooraf verwijderd worden door schudding met overmaat kwik, waardoor met het chloor onoplosbaar mercurochloride wordt gevormd, terwijl het chloor-waterstofzuur geen werking op kwik uitoefent. Ook door slechte afwassching kan verontreiniging met chloorwaterstofzuur plaats vinden.

Zie verder over deze bepaling bij «Jodium», blz. -4118.

De bepaling kan ook geschieden door oxydatie van arsenigzuur tot arsenikzuur en terugtitratie van overmaat arsenigzuur door jodium. Aan 25 cM3. Chloorwater, met 1—2 Grm. natriumhydrocarbonaat en een weinig water vermengd, wordt toegevoegd As\'O3 4 Cl 2 ll20 = As205 4HC1 arsenigzuur chloor water arsenikzuur chloorwaterstofzuur

overmaat eener oplossing van arsenigzuur (4.95 Grm. As^O3 -f- 25 Grm. NallCO3 = 1000 cM3.) en de overmaat arsenigzuur met volumetrisch jood teruggetitreerd (zie blz. 16). Het aantal cM3. arsenigzuur-oplossing, verminderd met die der jood-oplossing voor het terugtitreeren gebruikt en vermenigvuldigd met 0.00355 X ^ gt; geeft het pro-centisch chloorgehalte aan.

-ocr page 485-

855

S O L U T I O F E R R I A L B U M I N A T A.

IJ ZE R HOUDENDE EIWIT OP LOSSING.

S O L U T I O A L B U M I N A T I S F E R R I CI D I A L Y S A T A.

N. Heldere Oplossing van Kippeneiwit, die 10 pet. droog eiwit bevat, duizend deelen................1000

Voeg die bij

Ferrichlorideoplossing twintig deelen......... 2c

vooraf met hun viervoudig gewicht water verdund. Schud hel mengsel van tijd tot tijd om en laat het, als het helder geworden is, dialyseeren in zijn dubbel gewicht water. Verversch dit water tweemaal, telkens na 24 uur, en breng het dialysaat daarna tot zoodanig gewicht, dat liet, na toevoeging van 10 pet. kaneelspiritus, blijke ten minste 5.5 pet. vaste stof te bevatten. Deze vaste stof late, na gegloeid te zijn, zoo veel asch achter, als overeenkomt met 0.25 pet. ferridoxyde in de Ijzerhoudende Eiwitoplossing.

Ijzerhoudende Eiwitoplossing zij een heldere, roodbruine vloeistof, die slechts zwak zuur reageert.

Als 2 cM:i. dezer Oplossing gemengd en verwarmd wordt met 4 cMl!. water en 1 cM3. salpeterzuur, dan mag, in 2 cM:1. van het Altraat, door 1 droppel zilvernitraat niet meer dan een opalescence ontstaan.

De bepaling van het IJzergehalte geschiede op de volgende wijze:

10 Grm. der Oplossing worde door uitdamping gedroogd en het overschot gegloeid; de dus verkregen asch opgelost in 25 cM:l. chloorwater-stöfzuur, daarna verwarmd met 50 mG. kaliumchloraat, totdat al het chloor is uitgedreven; vervolgens met 50 cM11, water vermengd en dit mengsel tot 50° verwarmd. Hieraan voege men toe 5 cM!l. kaliumjodide-oplossing (1 — 10) en ontkleure deze vloeistof met volumetrisch thiosulfaat, waarvoor niet minder dan 3.1 cM3. vereischt worde.

Samenstelling.

Volgens de Ph. eene ijzerhoudende eiwit-oplossing, waaraan als smaakcorrigens kaneelspiritus is toegevoegd 1).

\') Onder eiwitstoffen (albumin aten, p r 01 e ï n e s 10 f f e n) verstaat men eene reeks van in het planten- en dierenrijk voorkomende sloffen, welke in chemisch opzicht in hoofdzaak overeenkomen met het in \'t wit der vogeleieren opgeloste hoofdbestanddeel. Doordien deze stoffen gewoonlijk vergezeld zijn van moeilijk te verwijderen hijmengselen of daarmede misschien chemisch samenhangen, overigens bij

-ocr page 486-

856

Bereiding. Volgens het voorschrift der Ph. wordt bij eene verdunde ferrichloride-oplossing eene heldere, eveneens verdunde oplossing van kippeneiwit 2) gevoegd. Hierdoor ontstaat ferrial-buminaat (de Groot) onder afscheiding van vrij chloonvaterstof-

bewerking zeer gemakkelijk verandering in samenstelling en eigenschappen ondergaan, is van hare ware samenstelling nog weinig bekend. Zij bevatten allen koolslof, waterstof, zuurstof, stikstof en een weinig zwavel. Terwijl als hare empirische samenstelling het meest nabijkomende geldt de formule C\'H11\'N1 quot;SOquot; (L i e b e r k it h n), bevatten zij gewoonlijk ook kalium, natrium, calcium, magnesium, chloruur, sulfaat en phosphaat, hetzij als bijmengselon, hetzij in inniger verhouding, zoodat bijv. onoplosbaar phosphaat door de albumlne In oplossing wordt gehouden.

De Ph. spreekt geen oordeel uil over de verhouding van het ijzer lol hol albumen in de Oplossing. Hel is bekend, dal albumen met verdunde, waterige alkaliën verbindingen aangaat 011 do oplossingen van zware metalen eiwit-oplossingen neerslaan, in beide gevallen een soort verbindingen, albuminaten, doen ontstaan, die men het besl mei zouten zm kunnen vergelijken. Volgens deze meening (de Groot) •zou In hel albumen oen zuur moeion worden aangenomen, een albuminezuur, waarmede de basen zich verbinden , en bel preparaat der Ph. dus ferrialbuminaal bevatten en allereerst «Solutio albuminatis ferrici » moeten genoemd worden. Alhoewel deze verbinding zeer zeker tot de inconstante en gemakkelijk ontleedbare moet gerekend worden, zooals uil de veranderlijke samenstelling bij voortgezette dialyse reeds blijkt, pleit voor haar bestaan, dal bet preparaat noch dn reactiên der gewone ijzerverbindingen, noch die van eiwit (zie bij «Eigenschappen») vertoont, zoodal belde verbonden schijnen te zijn tot eene eigenaardige verbinding, welke alsdan eene plaats zou Innemen tusschen de gewone en de natuurlijke, in planten en dieren voorkomende ij/.erverbindingen.

\') Boven hel gewone Ferrichloride is te verkiezen Gesublimeerd Ferrlchlorlde (zie Suppl. Nederl. Ph. Ed lil), wijl hiermede spoediger en gemakkelijker kan worden ge-dialyseerd (d e G roo t),

\') De Ph. schrijft bepaaldelijk het gebruik van kippeneiwil voor; gevoegelijk kan uo^eieiwit gebezigil worden. Voorts beslist zij niet of moet worden uitgegaan van vevsch of van gedrooyd eiwit. Ook uit een chemisch oogpunt bestaat zeer zeker verschil daartusschen, wijl hot laatste ten gevolge van omzetting bij het drogen belangrijke hoeveelheden albmnose kan bevatten en een in versch eiwit lot 10 a 12 pel. voorhanden, In water oplosbaar inucoïde, al naarmate de verwarming hooger en langer Is geweest, moer of minder In een In water onoplosbaren toestand overgaat. Overigens is uil een pracllsch oogpunt aan gedroogd eiwit de voorkeur te geven, wijl de oplossing van versch eiwit niet dan bij groote verdunning en veel moeilijker is te fillreeren, zoodal de oplossing daarna langen tijd Ier uitdamping vereischl, terwijl, wanneer de oplossing eenvoudig gecoleerd, niet gefiltreerd wordt, daarmede geene volkomen helderealbuminaat-oplossing is te verkrijgen.

Wordt hel gedroogd eiwit zelf bereid, dan kan dit geschieden, door het eiwit, na van den dooier volkomen gescheiden en geknipt te zijn, door een fijne, zijden zoef te laten loopen , ten einde het van vliezen te bevrijden, en verder in vlakke, porseleinen schaaltjes op hel waterbad bij 40°, beter in vacuo of met behulp van luchtverdunning door een waterstraalluchtpomp, uil te dampen. I dl. Droog eiwit komt overeen met ongeveer 8 dlu. versch eiwit. Wordt het gedroogde eiwit uit den handel betrokken, dan dient een onderzoek op identiteit en zuiverheid vooraf te gaan (zie daarover Suppl. Nederl. Ph. Ed. Ill, blz. 21).

-ocr page 487-

857

zuur \'), dat zich voor een gedeelte met de in eiwit aanwezige kalium-en natriumverbindingen tot kalium- en natriumchloride verbindt. Onder den invloed van het vrije zoutzuur en de chloriden scheidt zich het albuminaat aanvankelijk af, doch lost onder herhaald schudden langzamerhand in de overmaat ferrichloride op s). Daarna wordt de vloeistof aan dialyse 3) onderworpen, waardoor ferrichloride en vrij zoutzuur benevens chloriden, enz. worden verwijderd en het ijzeralbuminaat opgelost terugblijft. De aanvankelijk adstrin-geerende en zilte vloeistof wordt daardoor nagenoeg smaakloos. Is de dialyse afgeloopen, dan wordt door voorzichtige uitdamping op het waterbad in eene zekere hoeveelheid de vaste stof bepaald en de vloeistof, met inachtneming van den later toe te voegen kaneelspiritus, diensvolgens zóóver verdund, totdat i:ij de voorgeschreven hoeveelheid vaste stof bevat.

Eigenschappen. Eene heldere, roodbruine, zwak zure vloeistof, die bij schudden sterk schuimt, naar kancel riekt en smaakt en een zeer zwakken ijzersmaak bezit.

De oplossing van het droge eiwit geschieilt, door liot met ongeveer driemaal zooveel water te schudden, een halveu dag te laten slaan en daarna door papier te filtreeren. Het gehalte aan droog eiwit wordt bepaald door uitdamping eener zekere hoeveelheid in platte schaaltjes bij hoogstens 4C0 in de geopende droogstoof tot volkomen droog.

\') Eiwit kan zich ook met halogeenzuren tot een zeker maximum verbinden(Clum). Niet onwaarschijnlijk is het derhalve, dat naast ferrialbuminaat zich zeer zeker zuur reageerend ferrichlooralbuininaat vormt, waardoor ook de zure reactie van het preparaat kan worden verklaard.

*) Albuminaten der zware metalen zijn dikwijls in overmaat der metaalzout-oplossing oplosbaar (zie o. a. Gunning, Scheikunde II, blz, l\'iti).

2) Dialyse is eene scheidingsmethode in \'t algemeen van colloïde en kristalloïde lichamen en berust op het groote verschil in doordringbaarheid van de eerste en do laatste ten opzichte van membranen als perkamentpapier, ongeglazuurd porselein, gips, enz. Wordt bijv. in een glazen vat, de exarysalor, een bakje, de diahjsator, geplaatst, waarvan de wanden uit perkamentpapier bestaan, en in het laatste de te dialyseeren massa gebracht, terwijl in het vat water wordt geschonken tot op dezelfde hoogte als de vloeistof in het bakje, dan gaan de kristalloïde stollen allengs in hot water over, terwijl de colloïden opgelost in het bakje achterblijven.

Daar op velerlei wijzen kan gedialyseerd worden, was eeno nadere omschrijving dezer bewerking in do Ph. zeer gevvenscht, vooral omdat gebleken is, dat bij de verschillende methoden en korter of langer duur der dialyse preparaten van verschillende samenstelling, d. i. ijzergehalte, worden verkregen. Enkel wordt aangegeven, dat het water in den exarysator tweemaal, telkens na 24 uur, moet ververscht worden; bedoeld zal wel zijn, dat na de tweede maal nogmaals \'24 uur moet gedialyseerd worden. Voorts dialy-seere men met een open dialysator, als boven beschreven, en bezige men daarvoor matig dik perkamentpapier (do G r o o t).

-ocr page 488-

858

Bij verwarming of toevoeging van spiritus, overmaat alkali of geringe hoeveelheden zuur blijft zij helder.

Bij toevoeging van natriumchloride, veel zuur of overmaat natronloog en daarna eene ruime hoeveelheid absoluten alcohol wordt ferrialbuminaat neergeslagen, dat bij verwarming onder afscheiding van eiwit wordt ontleed.

Salpeterzuur ontleedt de oplossing terstond onder afscheiding van eiwit.

Zilvernitraat, platinachloride, mercurichloride en kopersulfaat geven vlokkige neerslagen.

De Oplossing, met ammonia alkalisch gemaakt, geeft bij electrolyse op de negatieve electrode geen ijzer doch waterstof.

Tannine geeft eene donkere verkleuring.

De verdunde, ammoniakale Oplossing geeft met kaliumferro-cyanide en chloorwaterstofzuur tot zure reactie een wit neêrslag, dat langzamerhand blauw wordt, des te sneller naarmate de overmaat en de sterkte van het zuur grooter is. Met kaliumferricyanide geeft zij een blijvend wit neêrslag.

De tamelijk verdunde Oplossing wordt door natriumsalicylaat rood gekleurd, welke kleur door chloorwaterstofzuur in violet overgaat.

Onderzoek.

1°. en breng het dialysaat daarna tot zoodanig gewicht, dat het, na toevoeging van 10 pet. kaneelspiritics, blijke ten minste 5.5 pet. vaste stof te bevatten. Deze vaste stof late, na gegloeid te-zijn, zooveel aseh aeliter, als overeenkomt met 0.25 pet. ferrioxyde in de Ijzerhoudende Eiwitoplossing.

De bepaling van het IJzergehalte ge se hie de op de volgende wijze:

10 Grin, der Oplossing worde door uitdamping gedroogd en het over se hot gegloeid; de dus verkregen aseh opgelost in 2 5 eM*. ehloor-waterstofzuur, daarna verwarmd met 50 mG. kaliumehloraat, totdat al het chloor is uitgedreven; vervolgens met 50 eM*. water vermengd en dit mengsel tot 50° verwarmd. Hieraan voege men toe 5 cAP. kaliumjodide-oplossing {\\ = 1 o) en ontkleure deze vloeistof met volumetrisch thiosulfaat, waarvoor niet minder dan 3.1 eA\'D. vereischt worde. 0.025 Grm. Ferridoxyde (Fe203 = 160), vervat in 10 Grm.

112 „ der Oplossing, correspondeert met X 0025=0.0175 Grm.

-ocr page 489-

»59

Ijzer, wat correspondeert met X 0-0I7S =0.0775 Grm. thio-

sulfaat, vervat in ongeveer 3.1 cM3. Volumetrisch Thiosulfaat !).

20. Ijzerhoudende E h vit op lossing zij een heldere, roodbruine vloeistof, wat wijst op het gebruik van droog eiwit bij de bereiding. Uit versch eiwit toch is geene Oplossing te verkrijgen, die niet in geringe mate opalesceert en donker van kleur is.

30. die slechts zivak ztcnr reageert. De zwak zure reactie is afkomstig van het preparaat zelf. Eene absoluut neutrale Oplossing is onbestaanbaar 2). Sterker zure reactie zou wijzen op v r ij chloor-waterstofzuur of ferrichloride. In verband daarmede mag de Oplossing niet zuur, ziltig of adstringeerend naar ijzersmaken.

4°. Als 2 cM*. dezer Oplossing gemengd en verivannd wordt met 4 cMz. water en 1 cM3. salpeterzuur, dan mag, in 2 cM3, van het Jlltraat, door 1 droppel zilvernitraat niet meer dan een opaleseentie ontstaan. Afwezigheid van ch 1 o o r wa te rsto fz u u r of chloriden. Sporen worden toegestaan.

\') Zio vertier over de/.o bepaling bl/.. 181! en noot 3) blz. 320.

De bepalinp; van het aschgelialle, tevens ijzerbepaling, kan eenvoudiger geschieden, door een bepaald gedeelte van het verdampingsresidu in oen gewogen platinakroes met eene oplossing van ammoniumnitraat te bevochtigen, voorzichtig te verwarmen tot de inhoud droog is en daarna sterker, waarbij woldra, vooral indien de bevochtiging met nitraat nog een paar malen wordt herhaald, de organische slof verbrand is. Men zet de verhitting voort tot constant gewicht.

Overigons houden volgens onderzoekingen (de Groot) de twee voorwaarden, nl. dat de Oplossing 5.5 pet. vaste stof moot achterlaten en tevens 0 25 pet. ferridoxyde moet bevatten, geen verband mot elkander, zoodat het aschgehalte hooger of het l\'e\'O3-gehalte lager moet worden gesteld.

Het eiwitgehalte is hot verschil in gewicht tusschen het verdampingsresidu beneden 40° en het gloeiresidu, d. i. dus het gloeiverlies.

Ter bepaling van het alcoholgehalte worden 100 cM:l. Oplossing met natriumchloride geprecipiteerd, het precipitaat door filtratie verwijderd en van het kleurlooze filtraat benevens afwaschwater 100 cM3. afgedestilleerd. liij destillatie zonder voorafgaande precipilatie heeft men te veel last van schuimen. De geringe hoeveelheid vluchtige olie verwaarloo-zende, wordt uit het soort. gew. van hot destillaat het alcohol-gehalte berekend.

\') Zie noot \') blz. 857. Dat de zure reactie niot afkomstig is van vrij zuur, kan hieruit blijken , dat blauw lakmoespapier er rood door wordt gekleurd, doch congopapicr niot.

1.1 ze r chloride kan, in onderscheid mot hel ijzeralbuminaat, aangewezen worden door electrolyse (afzetting aan de negatieve pool van ijzer), tannine (zwartkleuring of neerslag), zwavelammonium (zwart neèrslag) en kaliumferrocyanide (terstond blauw neórslag).

Vrij eiwit kan, in onderscheid met het albnmiuaat, aangewezen wordon door verwarming of toevoeging van spiritus (wit neèrslag) of van aether (troebeling) en door verwarming der Oplossing met verdund alkali lot de vloeistof juist weder helder is (wit neèrslag).

-ocr page 490-

S6o

SOLUTIO HYDRATIS CALCICI.

CAL CIUMH YD ROXY DEO P LOSSING.

AQUA C A L C I S.

K A L K \\V A T E R.

N. CaIciumoxyde één deel............i

Overgiet dit, nadat liet gebluscht is, met 20 deelen gewoon water; schud om en laat liet mengsel in een gesloten flesch bezinken. Giet het vocht af en schud het achtergeblevene opnieuw met 300 deelen gewoon water.

Bewaar het mengsel in een gesloten flesch.

Vóór de alle vering moet het geschud en gefiltreerd worden.

Calciumhydroxydeoplossing is een heldere, kleurlooze, sterk alkalische vloeistof, die troebel wordt door haar te koken en door haar aan de lucht bloot te stellen.

100 cM3. Calciumhydroxydeoplossing, met 4 cM3. volumetrisch zuur vermengd, mag lakmoespapier niet rood kleuren.

Samenstelling. Ca (HO)2 aq. solut.

Eene bij gewone temperatuur verzadigde oplossing van calcium hydroxy de in water.

Bereiding. Daartoe wordt de kalk, het calciumoxyde, vooraf gebluscht, in hydroxyde omgezet, door de stukken (t dl.) in een aarden schaal met koud (4 din.) of kokend (1 dl.) water eerst te besprenkelen en daarna bij kleine hoeveelheden allengs met de rest te overgieten \').

Het poedervormige calciumhydroxyde wordt vervolgens onder omroeren met de opgegeven 20 dln. gewoon water aangemengd en de vloeistof in een gesloten flesch na omschudden eenige uren te bezinken gezet. Naast een weinig calciumhydroxyde lossen op deze wijze vooral de gemakkelijk oplosbare, verontreinigende stoffen als alkaliën, alkalicarbonaat, chloriden, enz. op, welke door de vloeistof af te gieten worden verwijderd.

Aldus gereinigd, wordt de achtergeblevene brij opnieuw en nu met 300 dln. gewoon water in een flesch overgoten, deze gesloten,

\') Zie verder bij « Oxydum calcicum», lilz. 640.

-ocr page 491-

861

alles goed omgeschud, weggezet en het schudden van tijd tot tijd herhaald, zoodat langzamerhand eene verzadigde oplossing in water wordt verkregen. Bij gewone temperatuur toch lossen 800 dln. water 1 dl. CaO of ongeveer 1.3 dln. Ca(HO)2 op, zoodat deze in ruime overmaat aanwezig is, een groot gedeelte derhalve onopgelost terugblijft en de bovenstaande vloeistof na eenig staan daarmede verzadigd kan worden geacht.

Het mengsel wordt aldus bewaard en bij aflevering het water na schudding der vloeistof afgefiltreerd. Het bewaren van het water boven de overmaat kalk heeft deze goede eigenschap, dat, waar mogelijk in aanraking met de lucht aan de oppervlakte of bij schudding onoplosbaar calciumcarbonaat ontstaat, wat verlies aan opgelost calciumhydroxyde zou ten gevolge hebben, op deze wijze dit verlies door nieuwe oplossing van calciumhydroxyde weder langzamerhand kan worden aangevuld.

Eigenschappen, Eene heldere, kleur- en reuklooze, scherp en aardachtig smakende, sterk alkalische vloeistof, die bij koking troebel wordt door afscheiding van in warm water minder oplosbaar, kristallijn calciumhydroxyde en eveneens door een alkalicar-bonaat of bij blootstelling aan de lucht door vorming van in water onoplosbaar calciumcarbonaat. De Oplossing geeft met ammonium-oxalaat een wit neêrslag van calciumoxalaat, dat gemakkelijk oplosbaar is in chloorwaterstof- en salpeterzuur, onoplosbaar daarentegen in azijnzuur.

Onderzoek.

10. Calciumhydroxydeoplossing is eene heldere, sterk alkalische vloeistof. Zwakke verkleuring van rood lakmoespapier wijst op een te gering gehalte aan calciumhydroxyde, terwijl troebelheid of afzetting van onoplosbare deelen op c a 1 c i u m c a r-bonaat, aan de lucht ontstaan, kan wijzen \').

20. die troebel wordt door haar te koken. Afscheiding van kleine kristalletjes wijst op eene bij gewone temperatuur verzadigde of bijna verzadigde oplossing.

30. 100 cM*. Caleiumhydroxydeoplossing, met 4 cM^. vohimetrisch znur vermengd, mag lakmoespapier niet rood kleuren. Benaderende

gt;) Als voorloopige proef op een voldoend gelmlfe aan opgelost calciumhydroxyde moet het Water met mercnrichlorlde terstond een Hinli, geel neêrslag geven.

-ocr page 492-

862

bepaling van een voldoend gehalte aan opgelost calciumhydroxyde. 4 cM3. Volumetrisch Zuur neutraliseeren 4 cM3. volumetrisch cal-ciumhydroxyde-oplossing, bevattende 37 Grm. calciumhydroxyde per 1000 cM3. [^Ca(HO)4 —37]. 100 cM3. Oplossing moet dus bevatten minstens 4 X 0.037 = 0.148 Grm. calciumhydroxyde, ter-

1.3

wijl dit volgens bovengenoemd oplosbaarheidsgetal — =0.163 Grm.

O

ongeveer kan bedragen.

S O L U TI O J O D 11 SPIRITUOSA.

SPIRITUEUSE JOODOPLOSSING.

TI N C T U R A J O D II.

,1 O O D T 1 N C T U U R.

N. Jood acht deelen..............8

Sterken Spiritus twee en negentig deelen......92

Los het jood in den sterken spiritus op.

Een donkerbruine vloeistof, die sterk naar jood riekt en, na verdampt te zijn, niets achterlaat.

2 Grm. Spiritueuse Joodoplossing, met 500 mG.kaliumjodide en 25 cM\'. water vermengd, vereische 12 —13.5 cAI3. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring.

Een mengsel van 4 droppels Spiritueuse Joodoplossing, 15 cM3. water en 5 cM3. ammonia raag binnen een uur niet troebel worden of naar saffraan rieken;

Samenstelling.

Eene oplossing van jodium in spiritus.

Bereiding. Men brengt het jodium in eene met glazen stop volkomen sluitende flesch , waarin de spiritus, en schudt bij gewone temperatuur van tijd tot tijd om, totdat na rustig staan geene partikeltjes jodium meer op den bodem zijn waar te nemen en het jodium dus geheel is opgelost \').

Bij het bewaren, vooral onder invloed van het licht, werkt het jodium min of meer op den spiritus in en doet dientengevolge ge-

\') Reler geschiedt do oplossing door deplaceeren, waarbij het jodium op een propje glaswol in een glazen buis rnet kraan wordt gebracht (zie overigens blz. 205).

-ocr page 493-

863

ringe hoeveelheden van verschillende ontledings- en substitutieproducten als joodwaterstofzuur, jodoform, acetaldehyde en aethyljodide ontstaan \'). Behalve tegen den invloed van het licht geschiede dus de bewaring gedurende niet te langen tijd.

Eigenschappen. Eene donkerrood-bruine, sterk naar jodium riekende, vluchtige vloeistof, waaruit zich met water jodium afscheidt als een bruin, poedervormig-kristallijn neêrslag.

i Droppel Joodtinctuur, met 10 cM3. water verdund , ontwikkelt na toevoeging van kali- of natronloog tot kleurloosiieid onder zachte verwarming den reuk van jodoform.

Onderzoek.

1°. Een vloeistof, die, na verdampt te zijn, niets achterlaat. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

2°. 2 Grut. Spirituense Joodoplossing, met 500 mG. kalimnjodide

en 25 eM1. zualer vermengd, vereische 12—12.5 cM*. volume-

triseh thiostdfaat ter ontkleuring. 2 Grm. der Oplossing bevatten

8^2 \'\'j.S

= 0.16 Grm. jodium, waarmede correspondeert ~ \' V

100 * 1 127

0.16 = 0.31 Grm. thiosulfaat, vervat in 12.5 cM3. volumetrisch thiosulfaat.

12 cM3. Volumetrisch Thiosulfaat bevatten 0.2976 Grm. thiosulfaat, hetwelk correspondeert met 0.15 Grm. jodium 2). Ongeacht verdamping en na aftrek der 1.5 pet. verontreiniging, die Jodium mag bevatten, staat de Ph. dus eene verontreiniging van ongeveer 0.4 pet. met bovengenoemde omzettings- en ontledingsproducten toe.

3 0. Een mengsel van 4 droppels Spirituense Joodoplossing, 15 cM%. zuater en 5 cM*. ammonia mag binnen een uur niet troebel worden of naar saffraan rieken. Bij toevoeging van ammonia ontstaan substitutieproducten als aethyljodide, C5H5I, en aethylamine, C2H5.NH2, benevens joodstikstof, NI3, zoodat de Oplossing daarmede na lang staan kleurloos wordt. Overigens slaat de proef op het gebruik van gemethyleerden spiritus bij de bereiding 3).

1

Zie bij «Nitris aethylicus cum Spiritu », blz. 552.

-ocr page 494-

864

S O L U TI O NITROGLYCERIN!.

NITROGLYCERINEOPLOSSING.

N. Salpeterzuur (1.46 tot 1.48 soort, gew.) twee en een halven cM\'. 2.5

Voeg er langzaam bij

Zwavelzuur twee en een halven cM3.........2.5

en, nadat het mengsel bekoeld is, droppelswijs

Glycerine één Grm............... 1

Schud dooreen en zorg dat de temperatuur niet boven 30quot; rijze. Giet het mengsel daarna uit in 30 cM3. water, laat het bezinken, giet de bovenstaande vloeistof weg, wasch de gevormde Nitroglycerine zoo lang af, totdat al het aanhangend zuur verwijderd is, breng haar op een afgewogen horlogeglas, droog haar met filtreerpapier en los haar op in haar 99-voudig gewicht sterken spiritus.

Een heldere, kleurlooze, neutrale vloeistof, waaruit, als men ze met water verdund heeft, de Nitroglycerine als een olieachtige vloeistof zich afzet. Een droppel hiervan, door filtreerpapier opgezogen, ontploft door een hamerslag.

Samenstelling. C3H5 : (NO3)3 spiritu solut.

Als alcohol vormt glycerine met enkele anorganische zuren samengestelde aethers \'j. Worden in drie moleculen salpeterzuur de drie atomen waterstof vervangen door het driewaardige alcoholradicaal van glycerine, dan ontstaat nitroglycerine

3 HNO3 = H3(N03)3 C3Hïï!(OH)3 C3HS : (NO3)3

salpeterzuur glycerine nitroglycerine

Het preparaat der Ph. is eene i-procentische oplossing dezer stof in alcohol.

Bereiding. Volgens de Ph. door een afgekoeld mengsel van zwavelzuur en rookend salpeterzuur droppelsgewijze onder gestadig roeren en onder afkoeling met glycerine te vermengen en dit na eenigen tijd rustig staan onder omroeren in koud water uit te

C3H5 i (OH)3 3 HNO3 = C3H5 i (NO3)3 3H20

glycerine salpeterzuur nitroglycerine water

gieten, waardoor zich nitroglycerine als een zware olie op den \') Zie voorts blz. 4 en blz. 309.

\') Daar nitrolichamen carboniden zijn, waarin de waterstof vervangen is door NO\', is de naam «nitroglycerine» onjuist en moest bedoeld lichaam als samengesteldeaetber den naam dragen van glycerinenitraat,

-ocr page 495-

86 s

bodem afscheidt, die na afgieten der bovenstaande vloeistof en herhaalde afwassching met koud water ter bevrijding van zuur en na droging door filtreerpapier in alcohol wordt opgelost \').

Ter vermijding van eenig gevaar bij de bereiding heeft men vooral zorg te dragen voor behoorlijke afkoeling en is het noodig, dat de glycerine in kleine hoeveelheden, liefst droppelsgewijze, in het zuurmengsel wordt gebracht. Overigens wijst het ontstaan daarbij van sterk roode dampen op eenig gevaar, gewoonlijk op gebrek aan voldoende afkoeling. Tevens worde het ter vermijding daarvan in kleine fleschjes tegen den invloed van het licht op eene koele plaats voorzichtig bewaard.

Eigenschappen. Eene heldere, kleurlooze, naar alcohol riekende, neutrale vloeistof, waaruit bij verdunning met water a) de nitroglycerine zich afscheidt als eene reuk- en kleurlooze of bijna kleurlooze, olieachtige vloeistof, bij verlaagde temperatuur naald-vormig-kristallijn, aromatisch zoet van smaak, bijna onoplosbaar in water (800) en glycerine, oplosbaar in spiritus (10), aether, chloroform, benzol, ijsazijn en vette oliën. Een droppel nitroglycerine, door filtreerpapier opgezogen, ontploft door een hamerslag. Door spiritueuse kalioplossing wordt het in glycerine en kaliumnitraat omgezet 3).

Onderzoek.

1°. Ecu heldere, kleurlooze, neutrale vloeistof. Kenmerken van zorgvuldige bereiding en in \'t bijzonder van afwezigheid van vrij zwavelzuur en salpeterzuur.

\') Volgens een ander voorschrift worden 100 dln. glycerine opgelost in 3 dln. zwavel-zuur, deze oplossing onder afkoeling en roeren langzaam in kleine hoeveelheden gebracht in een bekoeld mengsel van 280 dln. rookend salpeterzuur en 300 dln. zwavelzuur en dit mengsel na een kwartier uitgegoten in een zesvoudig volumen koud water. De afgescheiden, olieachtige nitroglycerine wordt met water afgewasschon en onder luchtver-dunning gedroogd.

Fabriekmatig geschiedt de bereiding ook, door 20 dln. natriumnitraat op te lossen in 60 dln. zwavelzuur en deze oplossing na afkoeling bij kleine gedeelten onder omroeren te brengen in 7 dln. glycerine, of door bij een mengsel van I dl. rookend salpeterzuur en 4 dln. zwavelzuur in een ronddraaiende, met lood bekleede trommel in een zeer dunnen straal glycerine te brengen en de gevormde nitroglycerine terstond in een met water gevuld reservoir te laten afvloeien.

Ten einde het gebruik minder gevaarlijk te maken, worden 73 dln. nitroglycerine, met 37 dln. infusoriênaarde vermengd, als dynamiet in den handel gebracht, en wordt zij voor pharmaceutisch doel slechts in alcohol of vette olie opgelost gebruikt.

2) In deze vloeistof kan de aanwezigheid van spiritus worden aangetoond (zie blz. 58).

Zie verdere reactiën bij «Glycerinum» blz. 371, en bij «Nitras kalicus» blz. 539.

-ocr page 496-

866

S O L U T I O PYROPHOSPHATIS N A TRICO-FERRICI.

OPLOSSING VAN NATRIUM F ERRIP Y R 0-P H 0 S P H A A T.

S O L U TI O L E R A S.

IJZEROPLOSSING VAN L E R A S.

N. Ferrichlorideoplossing acht deelen........ 8

Voeg er bij

Water vijfhonderd deelen...........5°°

Vermeng deze vloeistof met

Nalriumpyrophosphaat zeventien deelen......17

vooraf opgelost in

Waier vijfhonderd deelen...........500

Laat het mengsel staan totdat het helder geworden is.

Een lichtgele, heldere, alkalische vloeistof, die, met een gelijk volumen azijnzuur verwarmd, een wit, geleiachtig neêrslag geeft, dat metzwavel-ammonium zwart wordt,

25 Grm. Oplossing van Natriumferripyrophosphaat, met 15 cM3. chloor-waterstofzuur tot 50° verwarmd en met 5 cMs. kaliumjodideoplossing (1 = 10) vermengd, vereischt 5.1—5.3 cM3. volumetrisch thiosultaat ter ontkleuring, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 0.114—o.119 pet. Ijzer.

Samenstelling. Na1 ^Fe^d^O7)6 i2NaCl aq. solut. , Eene oplossing van natriumferripyrophosphaat benevens natriumchloride in water.

Natriumferripyrophosphaat is een dubbelzout van het pyro-phosphorzuur \'), dat daarvan kan worden afgeleid, door in 6 molec. de waterstof voor de helft door het éénwaardige metaal natrium en voor de andere helft door de zeswaardige atoomgroep [Fe2I te vervangen.

6 H1P2O7 = H2 4(P207)G Na12[Fe2]2 (P»07)c

pyro-phosphorzuui\' natriumferripyrophospliaat

Als gevolg van de bereiding bevat de Oplossing eenig natriumchloride.

») Zie blz. 34.

-ocr page 497-

86;

Bereiding. Deze geschiedt door de verdunde ferrichloride-oplossïng te brengen in de oplossing van natriumpyrophos-phaat. Aanvankelijk ontstaat amorph, -vit, onoplosbaar ferripyro-

2 Fe1Clquot; 3 (Na2Pï07 ioH20) = [Fe\']4 (l^O7)3

ferrichloride n.itriumpyrophosphaat fen-ipyrophosphaat

12 NaCl -fquot; 30 H20

natriumchloride water

phosphaat, dat in de overmaat van het pyrophosphaat tot een dubbelzout oplost, echter niet terstond geheel, doch eerst lang-

2 Fe2CL0 ólNa^P^O7 ioH20) = Na\'2 [Fe2]4 (P207)e

femchloride natriumpyropliosphaat nalriumferripyrophosphaat

2 X 325 6 X 446

12 NaCl 60 H:!0

natriumchloride water

zamerhand, zoodat er eenigen tijd verloopt, alvorens de vloeistof geheel helder is geworden. Verwarming of gebruik van warm water, ten einde de oplossing te bespoedigen, is te ontraden, daar hierdoor gemakkelijk phosphaat wordt gevormd, dat in overmaat van pyrophosphaat onoplosbaar is.

De voorgeschreven 8 dln. Ferrichlorideoplossing bevatten 6 dln. 32 ï

ferrichloride of 6 X == 3.6 dln. watervrij ferrichloride, die

1 • , , 1 , , 6 X 446 X 3-6

voor de vorming van het dubbelzout —^— — - - = 1 ? dln.

2 X 325

ongeveer natriumpyropliosphaat noodig hebben. Er is dus in het voorschrift eene overmaat van ongeveer 2 dln. pyrophosphaat, welke noodig is, wijl de vloeistof bij geringer overmaat eerst na eenige dagen helder wordt.

Eigenschappen, Eene heldere, lichtgele, alkalische vloeistof, die door toevoeging van spiritus wit troebel wordt door afscheiding van natriumferripyrophosphaat en, met een gelijk volumen azijnzuur verwarmd, een wit, geleiachtig neerslag geeft van ferriphos-phaat, dat met zwavelammonium zwart wordt \').

1

geeft de op bU. 72^ vermelde reaction en wordt na zuurmaking door kaliumferrocyanide

2

do reaction op natriumchloride geofl.

3

blauw neergeslagen en door kaliutnsulfocyanide rood gekleurd, terwijl het eerste filtraat

4

) Het eerstgenoemde neérslag, met spiritus afgewasschen en in water opgelost,

-ocr page 498-

866

SOLUTIO PYROPHOSPHATIS NAT RICO-FERRIC I.

OPLOSSING VAN NATRIUM F ERRI P Y R O-PHOSPHAA T.

SOLUTIO LERAS.

IJ ZERO P LOSSING VAN LERAS.

N. Ferrichlorideoplossing acht deelen........ 8

Voeg er bij

Water vijfhonderd deelen...........500

Vermeng deze vloeistof met

Na Ir mmpyrophosphaa t zeventien deelen...... 17

vooraf opgelost in

Water vijfhonderd deelen...........500

Laat het mengsel staan totdat het helder geworden is.

Een lichtgele, heldere, alkalische vloeistof, die, meteen gelijk volumen azijnzuur verwarmd, een wit, geleiachtig neêrslag geeft, dat met zwavel-ammonium zwart wordt.

25 Grm. Oplossing van Natriumferripyrophosphaat, met 15 cM3. chloor-waterstofzuur tot 50° verwarmd en met 5 cMs. kaliumjodideoplossing (1 = 10) vermengd, vereischt S-1—5-3 cMs. volumetrisch thiosulfaat ter ontkleuring, hetgeen overeenkomt met een gehalte van 0.114—o.119 pet. Ijzer.

Samenstelling. Na\'2[Fe2]2(P207)(i isNaCl aq. solut. .

t.ene oplossing van natri u m fer ri p yrophosphaat benevens natrium chloride in water.

Natriumferripyrophosphaat is een dubbelzout van het pyro-phosphorzuur \'), dat daarvan kan worden afgeleid, door in 6 molec. de waterstof voor de helft door het éénwaardige metaal natrium en voor de andere helft door de zeswaardige atoomgroep [Fe2 I te vervangen.

6 H4P207 = H24(P207)c Na12[Fe2]2 (PJ07)G

pyro-phosphorzuui\' nalriumferripyrophospliaat

Als gevolg van de bereiding bevat de Oplossing eenig natrium-chloride.

») Zie blz. 34.

-ocr page 499-

86;

Bereiding. Deze geschiedt door de verdande ferrichloride-oplossing te brengen in de oplossing van natriumpyrophos-phaat. Aanvankelijk ontstaat amorph, wit, onoplosbaar ferripyro-

2 Fe5Cl6 3 (Na4P207 ioH20)= [Fe1]2 (Ps07)3

ferrichloride natriumpyrophosphaat fei\'ripyrophospliaat

12 NaCl 30 H2 O

natriumchloride water

phosphaat, dat in de overmaat van het pyrophosphaat tot een dubbelzout oplost, echter niet terstond geheel, doch eerst lang-

2 Fe2Cl6 6 {Na4P207 ioH20) = Na\'2 [Fe2]1 (P\'O7)0

ferrichloride natriumpyrophosphaat natriumferripyrophosphaat

2 X 325 6 X 446

12 NaCl -j- 60 H20

natriumchloride water

zamerhand, zoodat er eenigen tijd verloopt, alvorens de vloeistof geheel helder is geworden. Verwarming of gebruik van warm water, ten einde de oplossing te bespoedigen, is te ontraden, daar hierdoor gemakkelijk phosphaat wordt gevormd, dat in overmaat van pyrophosphaat onoplosbaar is.

De voorgeschreven 8 dln. Ferrichlorideoplossing bevatten 6 dln. 32 s

ferrichloride of 6 X =3.6 dln. watervrii ferrichloride, die

^ 541 0

, • , 1 , , . 6 X 446 X 3-6 ,,

voor de vorming van het dubbelzout ———r—— = 1 c dln.

2 X 325

ongeveer natriumpyrophosphaat noodig hebben. Er is dus in het voorschrift eene overmaat van ongeveer 2 dln. pyrophosphaat, welke noodig is, wijl de vloeistof bij geringer overmaat eerst na eenige dagen helder wordt.

Eigenschappen. Eene heldere, lichtgele, alkalische vloeistof, die door toevoeging van spiritus wit troebel wordt door afscheiding van natriumferripyrophosphaat en, met een gelijk volumen azijnzuur verwarmd, een wit, geleiachtig neerslag geeft van ferriphos-phaat, dat met zwavelammonium zwart wordt \').

\') Het eerstgenoemde neèrslag, met spiritus afgewasschen en in water opgelost, geeft de op blz. 7\'23 vermelde reaction en wordt na zuunnaking door kaliumferrocyanide blauw neèrgeslagen en door Ualiumsulfocyanide rood gekleurd , terwijl het eerste filtraat de reaction op natriumchloride geeft.

-ocr page 500-

868

Onderzoek.

1°. Een heldere vloeistof. Bij lang staan scheidt zich gewoonlijk langzamerhand een wit bezinksel van f e r r i p y r o p h o s p h a a t af 1).

2°. alkalische. Aanwezigheid van overmaat natriumpyro-phosphaat.

3°. 25 Grm. Oplossing van Natrium ferripyrophosphaat, met 15 cJ\\\'P. chloonvaterstofzuur tot 50° verwarmd en met 5 cM*. kalinmjodideoplossing (1 — 10) vermengd, vereischt 5,1—5,3 cM*. volumetrisch thiosulfaat ter ontklenring, hetgeen overeenkomt met een gehalte van o. 114—o. 119 pet. Ijzer.

Ferrichlorideoplossing bevat 14.5—15.5 pet. Ijzer 1); 8 dln. daarvan bevatten dus 1.16—1.24 dln. Ijzer, welke in 1025 Grm. der Oplossing bevat zijn, d. i. dus 0.113-—o. 121 pet.

[12 Grm. Ijzer correspondeert met 254 Grm. jodium en dit weer met 496 Grm. thiosulfaat; 0.0285—0.02975 Grm. Ijzer, volgens de Ph. 2) in 25 Grm. der Oplossing vervat, correspondeert dus

met —— X (0.0285 — 0,02975) = 0.1262—0.1318 Grm. thiosulfaat.

Volumetrisch Thiosulfaat bevat 24.8 Grm. thiosulfaat per 1000 cM3.; 0.1262—0.1318 Grm. is dus vervat in ongeveer 5.1 — 5.3 cM3. 3).

SPECIES A M ARA E.

R I T T E R E KRUIDE N. K O O R T S K R UI D E N.

N. Oranjeschil.................10

Kalmustvortcl, van elk tien deelen........10

Driebladbladen...............20

Alsem toppen, van elk twintig deelen.......20

Gezegen de- Dis le Ikru id, van de stengels ontdaan , veertig

deelen . ................4°

Snijd ze fijn en meng ze.

1

9 Vooral ontstaat dit neêrslag, wanneer do Ferrichlorideoplossing vrij zuur bevat.

2

) 0.02825—0.03025 Grm. Ijzer, volgons het Uzer-gehalte onzer berekening, correspondeert met 0.1251—0.1339 Grm. thiosulfaat, vervat in 5.0—5.4 Volumetrisch Thiosulfaat.

3

9 Zie verder over deze bepaling op blz. ■183.

-ocr page 501-

869

Bereiding. Onder „Kruidenquot; verstaat men mengsels van planten-stoffen, waarvan gewoonlijk, als thee getrokken, dranken worden gemaakt. Ook wel worden zij als pappen of tot berooking aangewend en aan het mengsel zouten toegevoegd. Ingrediënten als kruiden, bladen, wortels, enz. worden vooraf zooveel mogelijk in deeltjes van gelijke grootte en omvang middelfijn (A 5) gesneden, zaden gekneusd, andere stoffen naar haren aard geraspt of grof gestampt, om, na van het fijnste poeder door zifting bevrijd te zijn, zoo goed en gelijkmatig mogelijk op papier ondereen gemengd te worden, Zij worden in glazen stopflesschen of blikken bussen bewaard.

SPECIES L A X A N T E S.

L A X E E R K R UI D E N.

S A 1 N T - c; E R M A 1 N - T H E E.

N. Anijsvruchten..................

Ve7i kelvr uch ten.................

KaUumhydrotcu traaf, van elk tien deelen......10

Sen neb laden, fijn gesneden, veertig deelen......40

Vlierbloemen dertig deelen...........30

Besprenkel de vruchten met sterken spiritus, kneus ze, meng er het zout onder en laat het mengsel drogen. Voeg de vlierbloemen en de sennebladen er bij en meng alles dooreen.

Bereiding. Komt, zooals hier, naast vruchten een zout als bestanddeel in de Kruiden voor, dan besprenkelt men de gekneusde vruchten eerst met spiritus, mengt ze daarna met het zout en laat ze drogen. Het zout, dat anders zou uitzakken, wordt op deze wijze daarin verhinderd, doordien het aan de vruchten blijft gehecht \').

In vroegere voorschriften werden, zooals bij de echte „Thé de St.-Germainquot; gebruikelijk was, de sennebladen vooraf gedurende

\') De Ph. Germ Ed. Ill laat ile bladen oersl met oene oplossing van kallumtartraat, daarna met eene van wijnstecnzuui\' drenken, waardoor kaliumhydrolartraat wordt gevormd, dal vervolgens door droging aan de bladen blijft gehecht.

56

-ocr page 502-

S/o

twee dagen met 4 tlln. spiritus gemacereerd, daarna uitgeperst en vervolgens gedroogd, ten einde ze van het buikpijn verwekkend bestanddeel te bevrijden.

SPECIES PECTORALES

B 0 R S T K R U I D E N.

N. Klaprozen tien dealen........... .10

AIthaeabladen veertig deelen..........4°

Allhaeaworiel dertig deelen...........3°

Zoethoutwortel twintig deelen..........20

Snijd ze fijn en meng ze.

SPIRITUS AROMATICUS. A R O M A T I S C H E S P I R I T U S. SPIRITUS C A R MIN A TIV U S. EAU DES CA R M E S.

N. Marjolein kruid...............25

Kaneel ..................2 5

Muskaatnoot................2 5

Kruidnagelen, van elk, tot grolquot; poeder gebracht,

vijf en twintig deelen............25

Koriander, tot grof poeder gebracht, vijftig deelen . . 50

Sterken Spiritus zevenhonderd vijftig deelen.....750

Gewoon JVater achthonderd deelen........800

Laat 24 uur macereeren en destilleer zoo lang, totdat het geheele destillaat een soortelijk gewicht hebbe van 0.890—0.895.

Bereiding. Het preparaat is eene verdund spiritueuse oplossing van de vluchtige oliën der gebezigde, specerijachtige stoffen. Oorspronkelijk behoorde ook Melissekruid daartoe; wegens het geringe gehalte aan vluchtige olie is dit echter in volgende voorschriften weggelaten.

-ocr page 503-

871

De bereiding geschiedt door destillatie op de wijze als bij de „Aromatische Waterenquot; 1) is aangegeven. Alleen moeten hier de ingrediënten bepaaldelijk 24 uur vooraf met de voorgeschreven hoeveelheden spiritus en water bij gewone temperatuur worden geweekt en getrokken en geschiede de destillatie wegens de aanwezigheid van den spiritus voorzichtig en bij lagere temperatuur, bij een zeer zacht vuur. Men destilleert zóólang, totdat het behoorlijk afgekoelde en omgeschudde destillaat het verlangde soort. gew. heeft.

De bewaring geschiede evenals bij de hieronder te vermelden spiritussoorten in niet geheel gevulde, goed gesloten flesschen op eene koele plaats.

Eigenschappen. Eene heldere, kleurlooze, aangenaam specerijachtig riekende en smakende, spiritueuse vloeistof van 0.890—0.895 soort. gew., die door afscheiding van vluchtige oliën met water wit troebel wordt.

SPIRITUS CINNAMOMI. KANEELS PIRITUS.

N. Kaneel, tot grof poeder gebracht, tweehonderd en vijftig

deelen.................250

Sterken Spiritus zeshonderd deelen........600

Geuwoti Water achthonderd deelen........800

Laat 24 uur macereeren en destilleer zoo lang, totdat het geheele destillaat een soortelijk gewicht hebbe van 0.920—0.925.

Bereiding. Zij geschiede als bij „Spiritus aromaticusquot; is aangegeven. Het preparaat is eene oplossing van kaneelolie in spiritus tot eene heldere, kleurlooze, naar kaneel riekende en smakende vloeistof van 0.920—0.925 soort. gew.

\') Zie blz. 75.

-ocr page 504-

872

SPIRITUS Cl TRI.

CITROENSPIRITUS.

N. Citroenolie één deel............. 1

Sterken Spiritus vijf en tachtig dealen......85

Water veertien deelen............ \'4

Meng ze.

Het soortelijk gewicht zij 0.870—0.875

Bereiding. In plaats van door destillatie van fijngesneden, versche citroenschillen met verdunden spiritus, zooals vroegei gebruikelijk was, geschiedt thans de bereiding eenvoudig door oplossing der olie in den spiritus en verdunning met water. Het preparaat is dus eene oplossing van citroenolie in verdunden spiritus tot eene heldere, kleurlooze, naar citroen riekende en smakende vloeistof van 0.870—0.875 soort. gew.

SPIRITUS COCHLEARIAE.

L E P E L BLADSPIRIT US.

GEEST VAN LEPELBLAD.

N. Versch Cochleariakruid, fijn gesneden, vierhonderd deelen 400 Verschen Mierikwortel, fijn gesneden, honderd deelen . 100

Sterken Spiritus vierhonderd deelen........4°°

Gewoon Water vijfhonderd deelen........5°°

Laat 24 uur macereeren en destilleer zoo lang, totdat het gehee e destillaat een soortelijk gewicht hebbe van 0.920—0.925.

Bereiding. Zij geschiede als bij „Spiritus aromaticusquot; is aangegeven. Het preparaat is eene oplossing van de uit het Kruid zoowel als uit den Wortel bij destillatie gevormde vluchtige olie gt;)

•) Zie bij « Herba Cnchleariae recens», blz. 3lJ7.

De Radix A r m 0 r a c i a e recens, Versche M i e r i k w o r t e I, niet in de Ph. beschreven, is afkomstig van C 0 c h 1 e a r i a A. r m o r a c i a L. (A r m o ra c i a rusticana FI. Wett.), een overblijvend kruid uil de familie der C r u c i for a e, oorspronkelijk langs de zeekusten van Noord-Europa, langzamerhand verwilderd groeiende

-ocr page 505-

«73

ii

tot eeae heldere, kleurlooze, eigenaardig riekende en brandend scherp smakende vloeistof van 0.920—0.925 soort. gew. \').

a f

\' :

SPIRITUS D I L U T U S.

VERDUNDE SPIRITUS.

Een vloeistof, bestaande uit Sterken Spiritus en Water, mei een soortelijk gewicht van 0.887—0.892. Zij voldoe overigens aan dezelfde eischen van zuiverheid als sterkequot; spiritus,

100 volumina Verdunden Spiritus bevatten 71—69 volumina alcohol (C2HliO)

mi

SPIRITUS F O R TI O R.

STERKE S r I R I T U S.

A L C O H O L.

Een helder, kleurloos, neutraal, gemakkelijk ontvlambaar vocht, dat een soortelijk gewicht heeft van 0.831—0.837 en met een blauwe vlam verbrandt, geheel vluchtig is en met water in elke verhouding een helder mengsel levert.

Wordt 50 cMs. Sterken Spiritus met i cM3. natronloog vermengd en tot ongeveer 5 cM3. uitgedampt, dan mag het overschot, als het met

door Noord- e» Midden-Europa, ook in ons land, waar hot vooral om den wortel wordt gekweekt.

De versclie Wortel is rolrond of penvormig, vleezig vast, onrjevcer \'2 decimeter lang, aan zijn breedste gedeelte ongeveer 5 centimeter dik, vaak veelhoofdig, over eene uitgestrektheid van \'2—\'2.5 centimeter van rondloopende ringen voorzien, uitwendig bruingeel, inwendig wit. Reuk radijsachtig; smaak scherp prikkelend.

In den handel onderscheidt men zomer- en winter-M; aan den laatsten, die in December wordt gerooid, geeft men de voorkeur. Ten gebruike wordt hij van aarde, uitloopers en wortelvezels ontdaan.

Behalve eene bittere hars, zetmeel, gom, suiker en zouten bevat de Wortel, evenals het Cochleariakruid en het zwarte Mosterdzaad, eene slof, die met een tevens daarin voorkomend ferment bij destillatie eene vluchtige olie (0 05 pet.) oplevert, veel overeenkomst vertoonende of idontisch met de vluchtige mosterdolie (zie blz. 010 en 821).

gt;) Dooi\' het zwavelgehalte der vluchtige olie moeten 5 cMquot;. I.epelbladspiritus, vermengd met 1 cM3, loodacetaat en 5 cMa. water benevens zooveel kaliloog, dat het ontstane neerslag weder is opgelost, bij verwarming donker worden gekleurd en een zwart neerslag van zwavellood geven.

\') Zie over dit artikel bij «Spiritus fortior», blz. 874.

t\':!

\' F

I

-ocr page 506-

874

verdund zwavelzuur oververzadigd en verwarmd wordt, geen reuk verspreiden.

Sterke Spiritus mag, als hij een half uur met zilvernitraat en ammonia tot 600 verwarmd wordt, niet troebel of gekleurd worden.

Door zwavelwaterstof, door ammonia of door zilvernitraat mag Sterke Spiritus niet troebel of gekleurd worden; evenmin mag er, nadat Sterke Spiritus voorzichtig op zwavelzuur gebracht is, ter hoogte van het schei-dingsvlak een gekleurde laag ontstaan.

Als 2 cM3. Sterken Spiritus vermengd wordt met 10 droppels mercuri-chloride en 4 cM8. barytwater, dan moet een geel neêrslag ontstaan, dat niet verdwijnt door de vloeistof te schudden. Wordt dit mengsel gefiltreerd, dan mag het filtraat, na toevoeging van zwavelammonium, zelfs indien het verwarmd wordt, niet gekleurd of troebel worden.

100 volumina Sterken Spiritus bevatten 91—89 volumina alcohol

(C2H«0).

Samenstelling. C^Hs.OH -)- aq.

Onder Alcohol wordt verstaan aethylalcohol, min of

C6H1 ïO0

glucose

meer met water verdund \').

Bereiding. De vorming van alcohol is een gevolg der gisting van glucose, eene suikersoort, in welke alle andere niet direct voor gisting vatbare suikersoorten met meer of minder gemak kunnen worden omgezet. Zij geschiedt onder den invloed der Gist (Saccharomyces Cerevisiae Meyen), een Spruit-zwam (Blastomyceet), bestaande uit mikroscopisch kleine, ronde of ovale, enkelvoudige of tot ketens vereenigde cellen, welke zich daarbij gewoonlijk door knopvorming en daaropvolgende afsnoering vermenigvuldigen. Het gunstigst verloopt de gisting in eene niet te geconcentreerde oplossing (hoogstens 10 pet.) bij eene temperatuur van 200—250 en aanwezigheid van eiwitstoffen, phos-phaten en stikstofhoudende zouten. Eene oplossing van glucose wordt daarbij zoodanig veranderd, dat zij voor het grootste gedeelte (ongeveer 94 pet.) in alcohol en kooldioxyde wordt omgezet,

2 ClHs.OH 2 CO2

alcoholkooldioxyde

terwijl een gering gedeelte (ongeveer 6 pet.), behalve tot voeding der gist, dient tot vorming van andere producten als glycerine, barnsteenzuur, aldehyden en hoogere, homologe alcoholen als

\') Zie verder bij «Acidiim aceticum », 1)1?.. I I.

-ocr page 507-

875

propyl- en amylalcohol, tezamen onder den naam van foeselolic bekend.

Bevatten de grondstoffen, zooals granen en aardappelen, geen suiker doch zetmeel, dan behoeven deze eene voorafgaande behandeling, waardoor het zetmeel in suiker wordt omgezet, Gewoonlijk bezigt men hiervoor een waterig aftreksel van gekiemde gerst, z.g. mout, waarin eene stof, een ferment voorkomt, diastase genaamd \'), welke de bedoelde verandering bewerkt. Het zetmeel wordt bij dit fermentatieproces, waarbij eene temperatuur van 600—70° wordt gevorderd, veranderd in maltose en dextrine, van

3 CCH10O5 -f H20 = C,2H120quot; CBH10Os

zetmeel water maltose dextrine

welke de eerste suikersoort verder door gist in alcohol wordt omgezet, terwijl tevens daarbij de gevormde gomsoort dextrine,

C\' 2H22011 H20 = 4C2n5,OH 4 CO2

maltose water alcohol kooltiioxyde

welke op zich zelve daarvoor niet vatbaar is, na voorafgaande verandering in de suikersoort dextrose, bedoelde verandering ondergaat.

C6 H1 0 O5 H20 = C6 H12 O 6

dextrine water dextrose

Werd vroeger de Spiritus der Ph. uit wijn gedestilleerd, thans is deze fabriekmatig het gezuiverde product der destillatie van gegiste zetmeelhoudende stoffen als granen, inzonderheid van den aardappel.

De aardappelen worden daartoe na afwassching door stoom gaar gekookt en vervolgens tusschen ronddraaiende walsen fijngemaakt , waarna zij nog warm in kuipen worden gebracht, om onder toevoeging van fijngemalen mout, z. g. moutmeel, met de noodige hoeveelheid water te worden aangeroerd. De ervaring nu heeft geleerd, dat bij eene genoegzame hoeveelheid diastase deze niet alleen dil zetmeel, doch buitendien nog eene ruime hoeveelheid ander meel in suiker kan omzetten, waarvan men in de spiritusfabrieken, de branderijen, partij trekt, door nog zooveel gewoonlijk roggemeel toe te voegen als men berekent, dat door de hoeveelheid moutmecl kan worden omgezet. Na toevoeging

\') Zie noot blz. 008.

-ocr page 508-

876

van warm water, zoodat de vloeistof eene temperatuur van 650—70° bezit, heeft de suikervorming plaats, terwijl terstond daarna door toevoeging van gist de vloeistof aan het gisten wordt gebracht. Bij eindiging daarvan bezinkt de gist en kan de alcoholische vloeistof worden afgetapt.

Uit deze wordt de spiritus afgescheiden door destillatie, waarbij echter slechts een slappe, met foeselolie en andere vluchtige stoffen verontreinigde spiritus wordt verkregen. De zuivering daarvan geschiedt allereerst door doelmatige behandeling met versch gegloeide houtskool, waardoor de onaangename reuk en smaak grootendeels worden ontnomen, en ten slotte door destillatie in vrij ingewikkeld samengestelde toestellen, die ten doel hebben, de dampen van den alcohol, de verontreinigende stollen en het water zoo volledig mogeliik van elkander te scheiden door het verschil in temperatuur, waarbij zij zich condenseeren. Beneden 78°, het kookpunt van alcohol, gaat deze over, verontreinigd met de meest vluchtige producten als aldehyde, acetal, enz. {voorloop)\', bij 780—8oc condenseert zich alcohol met water; bij hoogere temperatuur zijn de overgehaalde stoffen vooral water en foeselolie met weinig alcohol {naloop). Door rectificatie met behulp van z.g. dephleg-matoren, waarin de waterdampen worden afgekoeld en despiritus-dampen afzonderlijk verder worden gevoerd, wordt de slappe spiritus voorts tot sterkeren gebracht, waarbij echter geen sterkere dan van 92—94 pet. kan worden verkregen \'). Door verdunning met de benoodigde hoeveelheid water wordt de spiritus ten slotte op het vereischte soort. gevv. en gehalte gebracht.

Eigenschappen. Eene heldere, neutrale, kleurlooze, eigenaardig aangenaam riekende en brandend smakende, geheel vluchtige vloeistof met een soort. gew. van 0.831—0.837 en een kookpunt van ongeveer 80°, die gemakkelijk ontvlamt, met een weinig lichtende, blauwachtige vlam verbrandt en zich in elke verhouding met water, aether , chloroform , glycerine , enz. vermengt.

\') Absolute Alcohol wordt verkregen door den storksten spiritus (3 dln.) met overmaat ougeljluschte kalk in kleine stukjes (l dl.) gedurende eenigo uren in het waterbad bij 00°—70° te verwarmen , zóó dat do ontwijkende alcoholdampen door middel van een af koeler zich condenseeren en telkens weder terugvloeien. Daarna destilleert men bij lOO0 af, waarbij het eerst overgehaalde als nog eenigszins waterhoudend afzonderlijk wordt opgevangen. De daarna destilleerende vloeistof is bijna reukloos en hygros-copisch, bezit een soort. gew. van 0.79377 bij 15° en kookt bij 78.4°.

-ocr page 509-

877

lo Droppels Alcohol, met 10 cM3, water verdund en vermengd met eenige droppels natronloog en joodoplossing tot lichtgeelkleuring, geeft bij zachte verwarming den reuk en afscheiding van jodoform.

10 Droppels Alcohol, met 10 cM3. water verdund en vermengd met eenige droppels zwavelzuur en natriumacetaat, geeft bij ver-wanning den reuk van aethylacetaat.

io Droppels Alcohol, vermengd met evenzoovcel kaliumbichro-maat en verdund zwavelzuur, geeft bij verwarming eene door chromidsulfaat groen gekleurde vloeistof en den reuk van aldehyde.

io Droppels Alcohol, met 5 cM3. water verdund en gebracht op een weinig salpeterzuur, vermengd met eenige droppels zwavelzuur, geeft aan den rand van afscheiding na eenigen tijd een prachtig blauwgroenen ring van stikstoftrioxyde, uit het salptter-zuur ontstaan door reductie met den alcohol.

Onderzoek

1°. Een helder, kleurloos, neutraal vocht. Ook in dikke lagen moet de vloeistof helder en kleurloos zijn. Zij mag noch zuur noch alkalisch reageeren.

2°. gemakkelijk ontvlambaar. Alcohol worde daarom voorzichtig en op eene koele plaats in goedsluitende flesschen bewaard.

30. dat een soortelijk gewicht heejt van 0.831—0.837. 100 volumina Ster ken.Spiritus bevatten 91 — 89 volumina alcohol (C2IIG O). De sterkte van waterhoudenden alcohol wordt afgeleid uit het soort. gew. met behulp van den areometer. Hij vermenging van alcohol met water heeft echter behalve warmte-ontwikkeling ook contractie plaats (bij gelijke volumina ongeveer 3 pet.), zoodat de helft der soort. gew. van de samenstellende deelen niet het soort. gew. der verkregen vloeistof voorstelt en het soort. gew. daarvan dus ook geen onmiddellijke maatstaf voor het alcoholgehalte is. Daarom zijn van verschillende mengsels, uit bepaalde hoeveelheden alcohol en water bestaande, bij verschillende temperaturen de soort. gew. bepaald en de soort. gew. der tusschen-liggende mengsels door interpolatie berekend 1).

\') \'iic Tabel VIII dor Ph. De invloed door liooger of lager temperatuur dan 15° kan worden hersteld, door na vaststelling van het soort. gew. van de voor eiken graad boven 15° daarvoor opgegeven volumen-pet. 0.4 volumen-pet. af te trekken, voor olken grand beneden 15° daarentegen 0.4 pcf. bij te tellen.

Om de hoeveelheid water te berekenen, benoodigd om spiritus van een sterker

-ocr page 510-

878

40- geheel vluchtig is. Afwezigheid van in spiritus oplosbare, niet-vluchtige stoffen. Bij verdamping op een horlogeglas mag geen weegbaar overschot achterblijven. Ook mag zich daarbij geen vreemde reuk openbaren, wat op foes e lol ie of beetwortel s p i r i t u s, of een brandige reuk, wat op methylalcohol (houtgeest) zou kunnen wijzen 1).

50. en met zuater in elke verhouding een helder mengsel levert. Afwezigheid van groote hoeveelheden foeselolie en a c e t a 1 2).

6°. Wordt 50 eM*. Sterken Spiritus met 1 cM*. natronloog vermengd en tot ongeveer 5 cM*. uitgedampt, dan mag het overschot , als het met verdund zwavelzuur oververzadigd en verviarmd wordt, geen reuk verspreiden. Afwezigheid van esters.

70. Sterke Spiritus mag, als hij een half uur niet zilvernitraat en ammonia tot 60° verwarmd wordt, niet troebel of gekleurd worden. Afwezigheid van aldehyde •\'\') en mierezuur.

geliallc in een slapper over te brengen, kan gebruik gemaakt worden van de formule x - waarin a is liet volumen van den te verdunnen spiritus, ii het procentisch

gehalte daarvan, h het procentisch gehalte van don verlangden spiritus en x het verkregen volumen daarvan. Wordt het laatste vermenigvuldigd met het soort. gew. van den verlangden spiritus, dan verkrijgt men het gewicht daarvan. Trekt men hiervan af het op ilo7.eirde wijze berekende gewicht van den sterkeren spiritus, dan verkrijgt men de ter verdunning benoodigde hoeveelheid water.

\') De reuk kan beter worden waargenomen door, wat na verdamping van den spiritus achterblijft, in aether of chloroform op te nemen ofdoor vermenging met eenige glycerine, waarin de foeselolie bij verdamping achterblijft, en deze aan de lucht te laten verdampen.

Methylalcohol kan beter aangetoond worden door toevoeging van 1 cM3. kalium-perrnanganaat bij 10 cM3. Alcohol; de roode vloeistof mag zich eerst na \'20 minuten ontkleuren.

V) De beste verhouding voor het aantoonen op deze wijze van foeselolie is 1 dl. Spiritus te vermengen met 3 dln. water. Voor de arscheiding van ace tal in olieachtige droppels wordt met 10 dln. water verdund. Na veivameling wordt dit, met gelijke hoeveelheid zwavelzuur overgoten, bruin en met kaliloog (1=3; ontwikkelt zich de reuk van acroleïne.

A in y I a I c o h 0 I (foeselolie) verspreidt, op dezelfde wijze behandeld , een aan-genamen geur en kan voorts worden aangetoond, door verdunden spiritus (1=6) met chloroform uit te schudden en bij de afgescheiden chloroform 2 droppels chloorwater-stofzuur en 8 droppels klourlooze aniline te voegen, waardoor bij aanwezigheid daarvan eeno roode verkleuring ontstaat. Ook ace tal gaat in de chloroform over en kan na verdamping daarvan als hoven aangetoond worden (B 0 r n t r a g 0 r).

Ook met kaliloog moet do vloeistof helder en kleurloos blijven, wat wijst op afwezigheid van aldehyde en a c e t 0 n.

3) Ook bij afwezigheid van aldehyde of mierezuur kan met zilvernitra.it en ammonia troebeling of kleuring en met zwavelzuur een gekleurde laag ontstaan, waarschijnlijk afkomstig van tannine of andere uil het vat opgenomen verontreinigingen.

-ocr page 511-

879

8°. Door zzvavelwaterstof. Afwezigheid van zware metalen.

9°. door ammonia. Afwezigheid van looizuur, afkomstig van de ter bewaring dienende houten vaten.

lo0. of door zilvernitraat mag Sterke Spiritn: niet troebel of gekleurd ivorden. Afwezigheid van chloride.

ii0. evenmin mag er, nadat Sterke Spiritus voorzichtig op zwavelzuur gebracht is, ter hoogte van het scheidingsvlak een gekleurde laag ontstaan. Afwezigheid van gemeth)rleerden en beet-w o r t el(m e 1 asse)s p i r i t u s.

12°. Als 2 cM^. Sterken Spiritus vermengd wordt met io droppels m er curie hlo ride en 4 cM*. barytwater, dan moet een geel néér slag ontstaan, dat niet verdzvijnt door de vloeistof te schudden. Wordt dit mengsel gefiltreerd, dan mag het filtraat, na toevoeging van zwavelammonium, zelfs indien het verwarmd wordt, niet gekleurd of troebel worden. Afwezigheid van gemethyleerden spiritus \').

1

99

SPIRITUS LAVANDULAE.

L A VE N D E L S P I R IT U S.

N. Lavendelolie één deel.........

Verdunden Spiritus negen en negentig deelen

Meng ze.

Het soortelijk gewicht zij 0.885—0.S90.

Bereiding. In plaats van door destillatie van gedroogde lavendelbloemen met verdunden spiritus, zooals vroeger gebruikelijk was, geschiedt thans de bereiding eenvoudig door oplossing dei-olie in verdunden spiritus tot eene heldere, kleurlooze, aangenaam

A litehy de en ace tal kunnen zeer gevoelig aangetoond worden door liet onlstaan eener rose vioietle kleur met door zwavelig/.uur ontkleurde fuchsine-oplossing (fuclisine-oplossing in water 1 grm. = 1000 cM», natriuinbisulfiet-oiilossing van 1.27 soort. gew. \'20 cM3. en cldoorwaterstofznur 10 cM3. met elkander to vermengen en in goed gesloten llesschen te bewaren). Hij 8 cM3. Spiritus voegt men 5 droppels der oplossing.

1) Gemat hy leerde spiritus (g e ni e t h y 1 e e r d gedestilleerd) is alcohol van minstens 85 pet., die met } van het volumen absoluten alcohol, dat hij bevat, aan houtgeest, het beneden 100° destilleerende gedeelle van liet teerwatcr, dat ontstaat bij de droge destillatie van hout, is vermengd. Zie voorts bij «Aether», blz. 57.

-ocr page 512-

88o

naar lavendel riekende vloeistof van 0.885 0.890 soort. gevv. Deze wijze van bereiding is boven die door destillatie te verkiezen, wijl de laatste zelden een aangenaam riekend product levert.

SPIRITUS S A P O N A T U S.

Z E E P S P 1 R I T U S.

N. Kahzeep..................20

Sterken Spiritus...............20

Lavende/spiritus, van elk twintig deden......20

Water veertig deelen.............4°

Vermeng de vloeistoffen, los de zeep er in op en filtieei na 24 uur.

Een nelder, lichtgeel vocht, dat, met zijn dubbel gewicht water verdund, met mercurichloride een wit praecipitaat geve.

Bereiding\'. Het preparaat is eene oplossing van kalizeep in verdunden spiritus, gearomatiseerd door lavendelolie. De 1 h. schrijft het gebruik van kalizeep voor, wijl natronzeep, de medicinale zeep der Ph., bij voortduring aanleiding geeft tot afscheiding op den bodem, wat met kalizeep veel minder het geval is. Ten overvloede worde de vloeistof na 24 uur rustig staan gefiltreerd.

Eigenschappen. Eene heldere, lichtgele, aangenaam riekende, alkalische vloeistof van ongeveer 0.960 soort. gevv., die, met water verdund. bij schudding sterk schuimt en met mercurichloride een wit ncêrslag geeft.

Onderzoek.

1°. met mercurichloride een ivit praecipitaat af schelde. Afwezigheid van meer dan sporen alkali \').

l) Zie bij « SMpo kalimis», blz. 800.

-ocr page 513-

881

STIGMATA CROC I.

CROCUS.

S A F F R A A N.

De stempels van Crocus sativus L. drie aan drie op den stijltop gezeten.

De afzonderlijke stempels zijn buis-trechtervormig, afgeplat, eenigszins gebogen, 2 tot 4 centimeter lang; benedenwaarts versmald, bijna draadvormig, bleeker; bovenwaarts aan de binnenzijde gespleten, verwijd en aldaar 3 tot 4 millimeter breed, donker bruinrood, min ot\'meer glanzend, aan den bovenrand kartelig-kleingetand. Reuk aromatisch, sterk; smaak eenigszins bitter, aromatisch, een weinig scherp.

Bij ioo0 gedroogd, mag Saffraan niet meer dan 12 pet. van haar gewicht verliezen. Verbrand, mag zij niet meer dan 8 pet. asch achterlaten.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

iu. ongeveer 62 pet. polychroïet (crocine), C4\'\'H7U028, eene geelbruine kleurstof, glycoside, oplosbaar in water en in verdunden spiritus, weinig oplosbaar in sterken spiritus, onoplosbaar in aether, zich in zwavelzuur met blauwe, later bruine, in salpeterzuur met blauwe, later gele kleur oplossende, bij splitsingamorph, rood crocctine, C 111\'\'11011, leverende.

20. pikrocrocine (sa f f r aa n bi 11 e r), C36H08O17, een kleurloos, bitter, kristallijn glucoside, gemakkelijk oplosbaar in water en in spiritus, weinig in aether, bij ontleding sajfraanolie leverende.

30. ruim 1 pet. vluchtige olie, C10H16, waarschijnlijk dezelfde als bovengenoemde.

Voorts 0.5 pet. suiker, 7.5 pet. gomstoffen, ruim 9.5 pet. cellulose, ongeveer 12 pet. water en 5—7.5 pet. aseh.

Afkomst. Saffraan is afkomstig van Crocus sativus L., een knolgewas uit de familie der Iridaceae, in wilden staat niet bekend, doch in Azië, Amerika en Europa, vooral in Frankrijk, Spanje en Oostenrijk om de stempels gekweekt. Van de in Juli in den grond geplaatste knollen worden in September en October \'s morgens vroeg de ontloken bloemen verzameld en de stempels, gewoonlijk nog met een gedeelte van den stijl, met de vingers of met behulp van een schaar daaruit genomen en spoedig en voor-

-ocr page 514-

882

zichtig, op haren zeven uitgespreid, boven een zacht kolenvuur, mindere soorten door zonnewarmte gedroogd. Wijl licht en lucht schade doen aan kleur en geur, wordt de Saffraan terstond na bekoeling als eene los dooreengewarde, draderige massa in goed gesloten, linnen of lederen zakken of met hout bekleede, blikken kisten verpakt.

Daar Saffraan spoedig vocht uit de lucht aantrekt, worde zij in goed gesloten vaatwerk, tegen het licht beschut, bewaard.

Onderzoek.

1°. De stempels van Crocus sativus L. Vermenging of ver-valsching heeft vooral plaats met:

a. meeldraden van C r o c u s-soorten, evenals de volgende te herkennen aan den vorm na weeking in water of in water (3 dl.) en ammonia (l dl.) door de donkergele kleur en door de aanwezigheid van veel stuifmeelkorrels.

b. stijluiteinden, lichtgeel of met fernambuk of campèche rood gekleurd, draadvormig, gewoonlijk vermengd met een weinig goede Saffraan of ook wel met nog ander afval (feminel), derhalve ook kenbaar aan het gering aantal stempels,

c. stempels van andere C r o c u s-soorten, kunstmatig gekleurd, veel geler, reukloos, anders van vorm.

d. bloempjes van Carthamus tinctorius (Saffloer), bastaard- of tuilde S., met éénbladige, vijftandige, buisvormige bloemkroon, vijf met de helmknoppen samenhangende meeldraden en een met twee stempels voorzienen stijl, die, op papier gestreken , slechts eene lichtgele streep geven.

e. bloempjes van C o m p o s i t a e, o a. S c o 1 y m u s h i s p a n i c u s. Arnica montana. Calendula officinalis (Goudsbloem), reukloos, vooral van de laatste de gele, meestal oranjeroode straal-bloempjes met lange, lintvormige, viernervige, drietandige bloemkroon.

f. vezels van gedroogd of gerookt vleesch, soms bovendien kunstmatig gekleurd, met dwarsgestreept spierweefsel en op vuur met een reuk van dierlijke producten verbrandend \').

\') Bij scliudding met aellier, chloroform of petroleuinaelher mogen deze niet ol\' /.eer weinig gekleurd worden, wat op kunstmatige kleurstoffen zou wijzen.Overigens moet 10 mGrrn. Saffraan 1.5 liter water sterk geel kleuren. De intensiteit der kleur kan bepaald worden door 100 mGrm. S. met lk2 Grui. aether te schudden, daarna dezen af te schenken en verder door zachte verwarming geheel te verwijderen. De S. wordt vervolgens eerst met 12 Grm. spiritus en daarna mot 12 Grm. water verwarmd, even

-ocr page 515-

883

2°. drie aan drie op den stijltop gezeten. In den handel komen voornamelijk voor:

a. Fransche S. met lange, breede, dikke stempels benevens het bovenste, gele stijluiteinde, dus roodbruin niet geel vermengd. Reuk fijn en sterk.

b. Spaansche S. (S. van Al i kan te en Valencia) met langere, dunnere stempels, eveneens met het bovenste, gele stijluiteinde. Reuk minder fijn en sterk, waardoor zij verre bij de Fransche achterstaat. Zij wordt echter veelvuldig naar Frankrijk uitgevoerd en als zoodanig verkocht.

c. Oostenrijksche S., bestaande uit stempels zonder stijluiteinden, dus éénkleurig, donker-roodbruin. Reuk fijn, zeer sterk.

Daar de Ph. den stijltop toelaat, mogen zoowel de Fransche als de Spaansche soort gebruikt worden, te meer daar de Oosten-rijksche, alhoewel de beste, wegens hare duurte niet bij ons wordt gezien. De meest gebruikelijke is bij ons de Fransche, waarvan die, van stijltoppen en stijlfragmenten ontdaan, als „uitgezochte of uitgelezen S.quot; in den handel komt

3°. donker bruinrood. S. wordt bij lang liggen en slechte bewaring bruinachtig, door het licht bleeker. Ook opzettelijk met spiritus uitgetrokken en daarna weder gedroogde S. is bleek van kleur,

4°. Reuk aromatisch, sterk; smaak eenigszins bitter, aromatisch, een weinig scherp. De reuk mag niet zwak, ransig of branderig, de smaak moet intensief zijn.

ï

li

it

iiii

IIk

: L iü i\'l

l] i i: 1

\'ü

I

\'\'Jk

li

5°, Bij ioo0 gedroogd, mag Saffraan niet meer dan 12 pet. van haar gewicht verliezen. Saffraan is zeer hygroscopisch en verliest bij droging ongeveer 12 pet. vocht, dat zij bij staan langzamerhand weder aantrekt. Een grooter verlies aan vocht wijst op vervalsching met stoffen als water, wijn, stroop, honig, vruchtensap, glycerine, enz. of wateraantrek-kende stoffen als suiker, dextrine, gom, enz, In verband daarmede mogen de stempels niet aaneenkleven of, tusschen vloeipapier gelegd, dit niet vochtig maken of vetvlekken geven. Daarentegen moet S. eenigszins vettig op \'t gevoel en dus ook niet te droog zijn.

opgekookt en do vloeistof na een uur afgosclionken, welke bewerking Jriemaal wordt herhaald. Do gezamenlijke vloeistof, lot 100 Grm, gebracht, moet in kleur overeen-stemmen met eene oplossing van 1.5 pet. knliumbichromaat.

i\' 0

-ocr page 516-

884

6°. Verbrand, mag zij niet meer dan 8 pet. asch achterlaten. In verband met het normale asch-gehalte, dat hoogstens 7—7.5 pet. bedraagt, is deze eiseh der Ph. niet hoog gesteld. Een grooter asch-gehalte kan wijzen op vervalsehing met stoffen als krijt, gips, zvvaarspaat, calcium nitraat,natrium chloride, amaril, enz. Bij weeking in water mag zich dus ook geen bezinksel vormen of eenigerlei ander vreemd bijmengsel zichtbaar worden.

STYRAX LIQUIDUM.

STORAX.

De balsem, bereid uit den bast van Liquidambar orient ale Mill. Dikvloeibaar, kleverig, bruinachtig-grijs, ondoorzichtig, aangenaam aromatisch van reuk en aromatisch, eenigszins scherp van smaak.

Storax is zwaarder dan water en, met uitzondering van wellicht daarin voorkomenden plantaardigen afval, zand en dergelijke, oplosbaar in aether, in sterken spiritus en in benzol

Op een waterbad verwarmd, mag Storax geen reuk van terpentijn verspreiden.

Ten gebruike worde hij, na op een waterbad bij ten hoogste 750 verwarmd te zijn, door coleeren gezuiverd.

Samenstelling. Hoofdbestanddcelen:

i0. ongeveer 50 pet. storesine, C30HB5(OH)3, in twee modificatiCn: amorphe, harsachtige ^-st. cn witvlokkige /3-st., een alcohol, deels als zoodanig, deels als natrium-alcoholaat en deels als kaneelzure ester daarin voorkomende.

20. kaneelzure esters, nl.:

a. kaneelzure phenyl-propylester, C9H70\'i.C!,H11, eene reuklooze, lijvige vloeistof.

b. kaneelzure kaneelester (styracine), C9H7Ü2.C!,H8, fijne, naald-vormige kristallen in bundels, bij 440 smeltende, onoplosbaar in water, moeilijk in spiritus.

c. kaneelzure aethylester, C9H7Oj.C2H5, eene olieachtige vloeistof, kokende bij 270°.

d. kaneelzure benzylester (cinnantelne), CnH70:\'.C7H7, glanzende, aromatisch riekende, prismatische kristallen, bij 390 smeltende.

-ocr page 517-

885

3°. aethy 1 vanil 1 ine (?), C8II7(CïH5)03, kleurlooze, aangenaam riekende naalden, bij 65° smeltende.

40. 1—2 pet, sty rol (cinnamol, cinnameen, phenyl-ae th y leen), CH11 = C0H5.CH:CIP , eene kleurlooze, aangenaam riekende vloeistof, onoplosbaar in water, gemakkelijk oplosbaar in spiritus en aether, kokende bij 144°—145°, bij bewaring of verhitting bij 200° overgaande in polymeer, amorph, vast mctastyrol (C8Hquot;)n en bij oxydatie in benzoczuur.

50. kaneelzuur, C8H!! CH: CH,COOH, kleur- en bijna reukloos, kristallijn, smeltende bij 1330, kokende bij 300°, moeilijk oplosbaar in koud, gemakkelijk in warm water en in spiritus, bij oxydatie overgaande in benzaldehyde en benzoëzuur, zich bij behandeling met water bij 200° splitsende in styrol en kooldioxyde.

6°. benzoëzuur in geringe hoeveelheden.

I

1

f

70. 0.4 pet. vluchtige olie voorkomende, aangenaam riekende,

lil lil

Voorts hars, caoutchouc, 10-on oplosbare stof.

20 water en 10—18 pet.

Cl0HIGO, als ester daarin

Afkomst. Storax is de balsem,

Liquidambar orienta 1 e Miller,

boom, behoorende tot de familie bosschen vormende vooral in het Klein-Azië.

De inzameling geschiedt in Juni en Juli door nomadische Toer-komannen, Yoeroeks geheeten, die na verwijdering van de korst der stammen, met een schraper, een daartoe ingericht mes, den bast afschrapen, welke zij in kuilen verzamelen. Gewoonlijk wordt, wanneer eene genoegzame hoeveelheid voorhanden is, de bast met zeewater in koperen ketels opgekookt en de zich daarbij afscheidende, bovendrijvende balsem verzameld, waarna de gekookte stukken bast nog weder in paarde-haren zakken worden uitgeperst, om den daarbij verkregen balsem met den eerstverkregenen te vermengen. Ook wordt medegedeeld, dat op sommige plaatsen de afgeschraapte bast eenvoudig in zakken wordt uitgeperst, om hem, thans met warm water doortrokken, nogmaals deze bewerking te doen ondergaan, terwijl mede wordt bericht, dat balsem gewonnen wordt door uitvloeiing uit in den stam gemaakte insnijdingen. De op een of andere wijze verkregen balsem wordt van uit Klein-Azië in vaten of in geitelederen zakken in den handel

57

bereid uit den bast van een fraaien, plataanachtigen der Hamamelidaceae, zuidwestelijke gedeelte van

11 jli

I

■11 1

I §

i

ip

i ifi

ip: 11

fit!

-ocr page 518-

886

gebracht en over Smyrna, Kos, Syra, Rhodes, enz. naar Triest, van waar wij den balsem betrekken, en naar Marseille verscheept.

Eigenschappen. Een dikvloeibare, ook bij opdroging kleverige, bruinachtig-grijze, ondoorschijnend troebele, aangenaam, eenigs-zins naar benzoë riekende balsem, aromatisch, brandend, eenigs-zins scherp van smaak, van i.i 12—1.115 soort. gew. en, met uitzondering van verontreinigingen en het daarin vervatte water, oplosbaar in spiritus, aether, benzol, chloroform, enz. Bij lang staan scheidt hij zich in eene bovenste, homogene, heldere, donkerbruine en ecne onderste , troebele , grijsbruine laag.

Hij verwarming wordt de balsem ten gevolge van waterverlies langzamerhand helder en zetten zich de meeste der vaste verontreinigingen tevens af, waarom de Ph. hem daarvan vóór het gebruik laat zuiveren door zachte verwarming op het waterbad tot hoogstens 750 en daaropvolgend coleeren, wat insgelijks kan geschieden door hem na verwijdering van water door verwarming in dezelfde hoeveelheid sterken spiritus op te lossen, bekoeld te f 1-treeren en vervolgens tot het oorspronkelijke gewicht uit te dampc.i.

Onderzoek.

10. Op een waterbad verwarmd, mag Storax geen renk van terpentijn verspreiden. Slaat op vervalsching met terpentijn \').

-ocr page 519-

88;

S U C C I N U M.

BARNSTEEN.

Een fossiele hars, uitgescheiden door Pinites succinifer Göpp.

Stukjes van verschillenden vorm, die geel of geelrood, al of niet doorschijnend, broos en op de schelpvormige breuk glanzend zijn. Op een gloeiend voorwerp gelegd, verspreidt Barnsteen een eigenaardigen geur.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

i0. een mengsel van harsen, waarvan de eerste oplosbaar is in spiritus, bij 105quot; smelt; de tweede onoplosbaar is in spiritus, doch oplosbaar in aether, bij 1450 smelt; de derde onoplosbaar is in spiritus en aether, doch oplosbaar in spiritueuse kaliloog, bij 175quot; smelt, cn de vierde (barnsteen-bituvien of succininé) onoplosbaar is in water, spiritus, aether en alkaliën.

20. 3.2—8.2 pet. bernsteenzu u r; 30. een weinig vluchtige olie (?); 40. geen of ongeveer 0.2 pot. asch.

Afkomst. Barnsteen is de hars van voorwereldlijke Conifee-ren, voornamelijk van Pinites succinifer Göpp. Men veronderstelt, dat het als eene dunne, kleverige hars uit de tot uitgestrekte wouden vereenigde stammen is gevloeid, in zijn loop fragmenten van plantaardigen en dierlijken aard, vooral insecten opnemende en daarbij langzamerhand verhardende, terwijl de boomen, waaruit het vloeide, in den loop der duizende jaren in bruinkool of veen veranderden en vergingen. Door tellurische bewegingen werd het menigmaal van de plaatsen, waar het oorspronkelijk gevormd werd, naar elders vervoerd. Thans wordt het nog over een uitgebreid gedeelte van het noordelijk halfrond gevonden en komt het \'t meeste voor aan de westkust van Denemarken en Sleeswijk-Holstein cn de noordkust van Pruisen, waar de Erische Nehrung en de westkust van het Samland, tusschen Pillau en Brüsterort, van oudsher de voornaamste verzamelplaats is geweest.

De inzameling heeft op verschillende wijzen plaats. Of men maakt het los uit de bij storm aan land geworpen schelpen, stukken bruinkool, enz. en opgevischte klompen zeewier, bf men steekt het bij windstilte los en vischt het daarna met netten op, bf het wordt door duikers opgehaald, of men baggert het met netten

-ocr page 520-

888

op (zee-B), terwijl het ook uit bruinkoolbeddingen wordt opgegraven (land-B). Het wordt het eerst te Koningsbergen, Dantzig en Stolpe aan de markt gebracht.

Terwijl de grootste en beste soorten vooral tot sieraden als anderszins verwerkt worden , wordt voor pharmaceutische doeleinden gewoonlijk gebruik gemaakt van kleinere stukjes en den afval, bij eerstbedoelde bewerkingen verkregen.

Eigenschappen. Stukjes van verschillende grootte en vorm, reuk- en smaakloos of eenigszins zuurachtig van smaak, hard doch tamelijk broos, al of niet doorschijnend, aan de oppervlakte dikwijls verweerd, somtijds gewolkt, gevlamd , gestreept of melkachtig-troebel, verschillend van kleur, op de breuk glas- of schelpaclitig, glanzig. Soort gew. 1.050 —1.095. Bij wrijving wordt het electrisch onder ontwikkeling van een aromatischen geur. Het smelt bij 2S70. Aangestoken, verbrandt het met eene lichtende, witte vlam en een naar wierook of kamfer zweemenden geur. Barnsteen is in water onoplosbaar. Spiritus lost er gemiddeld 20—25, aether 18—23, chloroform 80, terpentijnolie 25 pet. en benzine slechts sporen uit op.

Onderzoek.

10. Een fossiele hars, uitgescheiden door P i n i t e s succinifer G ö p p. Als vervalschingen van B. worden genoemd :

a. co pal bevat geen barnsteenzuur \'), ontwikkelt geen geur bij wrijving en verbranding, doch den geur van perubalsem bij koking met kaliloog, smelt bij 100° en is oplosbaar in kajocpoetolie.

b. c o 1 o p h o n i u m bevat geen barnsteenzuur, is minder hard en geheel oplosbaar in spiritus.

c. nagemaakt barnsteen verliest, in spiritus of aether gelegd, zijn glans.

d. gedeniet is minder taai en heeft veel lager smeltpunt.

e. r e s i n a (g u m m i) Look, eene Japanschc hars, riekt balsemachtig , smaakt bitter-aromatisch.

\') Aanwezigheid van barnsteenzuur wordt aangeloond door digereoren van li-tot fijn poeder gebracht, met natronloog, neutrallseeren met cbloorwaterstofznur, uit-dampen der gefillreenle vloeistof tot droog en uittrekken met alcohol. Met ferrichloride ontstaat in deze oplossing een volumineus, kaneelbruin neêrslag, oplosbaar in minerale zuren.

-ocr page 521-

889

2°. Stukjes, geel of geelrood. B. komt voor wit, geel, groen, blauwachtig, violet, rood of bruin met verschillende tusschenschakee-ringen. De kleur wordt door de lucht gewoonlijk eenigszins donkerder. Bedoeld wordt door de Ph. de goedkoopcre soort (S. flavum, citrinum s. nibruin) en niet de duurdere {S. album).

S U C C U S L IQ U I R 1 T I A E.

D R O P.

Het ruw P2xtract, uit verschen Zoethoutwortel door koking met water en uitdamping bereid.

Gestempelde, rolronde stangen. Zij zijn van buiten glad, zwart, dof of eenigszins glanzend; versch of verwarmd eenigszins buigzaam; in drogen toestand hard, breekbaar, grootschelpig, zwart en sterk glanzend op de in een scherpen rand gevatte breuk, die levens verspreide luchtbelletjes doet zien. Reuk eigenaardig, zwak; smaak zoet.

Drop, met koud water uitgetrokken, mag niet meer dan 25 pet. onoplosbare stoffen achterlaten.

Indien Drop in oplossingen wordt voorgeschreven, moet in de plaats daarvan steeds Zo e t h o u t e x t r a c t gegeven worden.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: de in water oplosbare be-standdeelen van Zoethoutwortel, vooral g 1 y c y r r h i z i n e, suiker en zetmeel benevens o 111 ze11ingsprod ucten daarvan.

Bereiding. Drop is geen eigenlijk sap, doch een ruw, vast extract, verkregen uit verschen Zoethoutwortel door uitkoking met water en uitdamping van het afkooksel. Het wordt met meerder of minder zorg in verschillende vormen, pijpen of stangen, koeken of brooden en klompen of brokken, op groote schaal fabriekmatig bereid in Zuid-Frankrijk, Spanje, Sicilië, Calabrië, Oostenrijk, Zuid-Rusland, Griekenland en Klein-Aziö. Het bij ons gebruikelijke, tevens het beste, is van Italiaanschen oorsprong.

Voor de bereiding maakt men aldaar gebruik van versche, goede wortels of, voor mindere soorten, van voor den verkoop ongeschikte, knoestige of schrale wortels of brokstukken daarvan. Zij worden na zorgvuldige reiniging tot pap gemalen en deze boven

-ocr page 522-

890

open vuur in ketels met water uitgekookt. Na afkoeling in de ketels wordt het afkooksel in filterzakken met handpersen uitgeperst en het verkregen vocht in onderaardsche bakken afgetapt. Na bezinking wordt de vloeistof opgepompt en aldus, na door een fijne zeef geloopen te zijn, in kleine, breede, ondiepe, koperen pannen gebracht en, eveneens op open vuur, tot de verlangde dikte daarin verdampt. Het dus verkregen dropdeeg wordt aanvankelijk onder verwarming, daarna tot bekoeling met spatels doorwerkt, om vervolgens in stukken van bepaald gewicht te worden verdeeld, waaruit op houten, geoliede tafels pijpen of stangen worden gerold, die in metalen of marmeren vormen op lengte en dikte worden geperst en ten slotte aan een der uiteinden met een fabrieksmerk voorzien. Na op planken aan de lucht lang gedroogd te zijn, worden zij eerst met water, daarna met dropwater gewasschen en weder snel gedroogd, waardoor zij glans bekomen, en eindelijk voor verzending tusschen gedroogde laurierbladen verpakt, om het aaneenkleven te voorkomen. Bij ons betrekt men ze in kisten van p. m. 80 K.Grm. uit Italië via Napels.

Onderzoek.

i0. Gestempeldet rolronde stangen. Spanje, Griekenland en Klcin-Azië leveren Drop in klompen of brokken, wat dus niet gebruikt mag worden, evenmin als ongestempelde stangen, zijnde van mindere qualiteit.

20. Zij zijn van buiten glad, zzvart, dof of eenigszins glanzend; verseh of verwarmd eenigszins buigzaam; in drogen toestand hard, breekbaar, grootse he Ipig, zzvart en sterk glanzend op de in een scherpen rand gevatte breuk, die tevens verspreide luehtbelletjes doet zien. Reuk eigenaardig, zwak; smaak zoet. Naar de landen en plaatsen, waar Drop bereid of uitgevoerd wordt, alsmede naar de firma\'s onderscheidt men in den handel vele soorten en merken. De beste soort daaronder is de door de Ph. bedoelde Calabri-sche, waarvan nog weder verschillende merken bestaan; minder geschat is het Siciliaansche, Spaanse he, Levantsche en Franse he, terwijl het Russische en Duitse he Drop tot de geringste soorten worden gerekend. Verdere kenmerken der door de Ph. voorgeschreven goede soort zijn, dat de pijpen gewoonlijk 14— I7\'Sgt; hoogstens 20 cM. lang en 1.5—2.5, uiterlijk 3 eM. dik zijn, bij doorsnijden eene doffe, gelijkmatige snijvlakte vertoonen, in dunne splinters bruin doorschijnend zijn, een zwakken reuk en aangenaam

-ocr page 523-

891

zoeten smaak bezitten zonder onaangenamen , scherpen, branderigen of bitteren bijsmaak.

30. Drop, Diet koud water uitgetrokken, mag niet meer dan 25 pet. onoplosbare stoffen achterlaten. Slaat op onvoldoende klaring van het afkooksel bij de bereiding en op vervalsching ;net minerale stoffen, zetmeel, enz. \').

SULFAS AETHYLIC US ACI DUS CUM

SPIRIT U.

ZUUR AETHYLSULFA AT MET SPIRITUS.

ELIXIR ACIDUM HALLERI.

N. Sterken Spiritus...............1

Zwavelzuur, van elk één deel..........r

Vermeng ze voorzichtig.

Een kleurloos of bijna kleurloos, zeer zuur, eigenaardig riekend vocht van 1.190 — 1.205 soortelijk gewicht.

Het zij geheel vluchtig.

\') Met zetmeel uil don wortel is door do koking geheel van vorm gewijzigd. Opzettelijke toevoeging van zetmeel kan dus door don vorm daarvan herkend worden.

Behalve liet gehalte aan onoplosbare stoffen zijn voor de beoordeeling van Drop van waarde ;

a. het watergchalte, dat als verlies door droging bij lOO0 8—17 pot. kan bedragen.

b. het ychalte aan oplosbare slojfen, dat CO—74 pot. bedraagt. Een grooter gehalte zou kunnen wijzen op toevoeging van stollen als gom, lijm, d ex t rin e, g 1 u cose, enz.

c. het (/lycyrrkizinc-gehalte, dat ongeveer 10 pet. moet bedragen. Voor deze bepaling wordt 5 Gnn. Drop, tot grof poeder gebracht, onder omroeren opgelost in 50 cMa. water, daarna 50 r.M\'. sterken spiritus toegevoegd, de vloeistof na bezinking gefiltreerd en het achterblijvende met verdunden spiritus nagewassclieii. Nadat do alcohol door uitdamping van het filtraat verwijderd is, voegt, men bij de bekoelde vloeistof verdund zwavelzuur, verzamelt de afgescheiden glycyrrhizine op een lilter en wascht met water uit. Door opdroppelen van ammonia lost men haar op, verzamelt de glyeyrrhizinezure ammonia in een gewogen glazen of porseleinen schaaltje, dampt op het waterbad uit, droogt en weegt.

d. liet aschyehalte. dat 6—8, uiterlijk 10 pet. bedraagt. De asch mag geen koper, afkomstig van de bij de bereiding gebezigde koperen pannen, bevatten.

-ocr page 524-

892

Samenstelling.

Het preparaat bevat a e t h,y Iz wa v e Iz 11 u r, C:!HB.HS04 , vrij zwavelzuur en spiritus.

Bereiding. Aethylzvvavelzuur ontstaat bij vermenging van alcohol C2H5.OH H^SO4 = C2H5.HS04 H^O

aethylalcohol zwavelzuur aetliylzwavelzuur water

met zwavelzuur. Bij deze vermenging heeft warmteontwikkeling plaats, welke de vorming van het aetherzuur bevordert, terwijl afkoeling haar tegengaat. Het gehalte aan aetliylzwavelzuur zal dus min of meer afhangen van den bij de bereiding verkregen warmtegraad, terwijl ook de bewaring daarop invloed uitoefent, wijl tijdens deze nog langzame verbinding van den alcohol met het zwavelzuur kan plaats grijpen. Daar echter altijd slechts eene gedeeltelijke verbinding plaats heeft, zal een gedeelte van het zwavelzuur zoowel als van den spiritus, welke laatste trouwens in het voorschrift ongeveer voor de helft in overmaat aanwezig is, in vrijen toestand naast het aetherzuur blijven bestaan \').

De bereiding geschiede door bij den spiritus in eene kolf of flesch , door koud water omgeven, zoodat de temperatuur bij de vermenging niet hooger dan 50°—60° kan stijgen en er dus geen spiritus vervluchtigt, onder aanhoudend zacht omzwenken of schudden droppelsgewijze het zwavelzuur te voegen. Na volkomen bekoeling worde de vloeistof in eene goed gesloten flesch en op eene koele plaats bewaard.

Onderzoek.

i0. Een kleurloos of bijna kleurloos vocht. Het preparaat mag niet gekleurd zijn door het gebruik van minder deugdelijken spiritus. Ook vermijde men het invallen van stof bij bereiding en bewaring, wat door de aanwezigheid van vrij zwavelzuur aanleiding tot kleuring kan geven.

20. zeer zuur, eigenaardig riekend. De vloeistof is tevens ietwat lijvig van consistentie.

l) De aanwezigheid van vrij zwavelzuur kan aangetoond worden door bai yumchloride, waardoor een neêrslag moet ontstaan, terwijl aethyl/.wavelzuur daarmede een oplosbaar baryumzout geeft.

-ocr page 525-

893

3n. van 1.190—1.205 soortelijk gezvicht. Sta;it in verband met het gehalte aan aethylzwavelzuur, dat met het soort, gevv. toeneemt.

40. Het zij geheel vluchtig. Afwezigheid van niet-vluchtige, vaste stoffen.

SULFAS A T R O P I N I.

A T R O P I N E SUL F A A T.

Fijne, glanzende kristallen of een wit, korrelig poeder.

Atropinesulfaat smelt door hitte, wordt onder ontwikkeling van geurige dampen ontleed en verbrandt zonder iets achter te laten. Het geeft met sterken spiritus en met 0.4 deelen water neutrale oplossingen.

De oplossing in water (1 = 50) geeft met baryumchloride een wit neêr-slag en met ammonia een troebeling, die door toevoeging van meer ammonia of van water verdwijnt. Door mereurichloride wordt zij niet neêrgeslagen.

Ongeveer 1 mG. Atropinesulfaat laat, na met rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat door spiritueuse kalioplossing violet en daarna rood wordt,

Ongeveer 1 mG, Atropinesulfaat, verhit totdat zich nevels vertoonen, daarna met 1,5 cM3. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM3. water vermengd, geeft een eigenaardigen bloemengeur.

Samenstelling. (C17H2\'NO3)2 : IPSO4

De verbinding van twee moleculen van het éenzurig alkaloïde atropine l) met één molecule van het tweebasische zwavelzuur.

Bereiding. Atropine wordt gewonnen uit versch Belladonna-kruid of uit den wortel en de zaden daarvan.

1°. uit het kruid. Het versche kruid wordt fijngehakt, meteen weinig water gestampt en uitgeperst, het uitgeperste vocht tot 8o0 verwarmd, ten einde eiwitstoffen te doen stremmen, en na bekoeling gefiltreerd. Bij het filtraat wordt 0.4 pet. kaliumhydroxyde

\') Zie voorts Ijl/.. 117 en bij « Hydrobromns Homatropini», blz. 421.

-ocr page 526-

«94

gevoegd en de daardoor vrij geworden atropine niet 3 pet. chloroform uitgeschud. Na afscheiding en verzameling van de groen gekleurde chloroform wordt deze uitschudding met eene geringere hoeveelheid chloroform herhaald en deze na bezinking bij de eerste gevoegd. Met water geschud, wordt de chloroform bij lage temperatuur afgedestilleerd cn het achterblijvende met zwavelzuurhoudend water behandeld, waardoor atropine als zout oplost. Na filtratie wordt de atropine weder door kaliumcarbonaat afgescheiden, verzameld en door omkristalliseeren uit absoluten alcohol gezuiverd.

2°. uit den wortel Hij voorkeur versch gedroogde , tot fijn poeder gebrachte wortel wordt met 6 dln. alcohol gedeplaceerd, bij het vocht 0.015 dln. gebluschte kalk gevoegd en het vocht, na herhaald schudden gedurende 24 uur, gefiltreerd. Het filtraat wordt met verdund zwavelzuur zwak zuur gemaakt, de vloeistof gefiltreerd, de spiritus hieruit afgedestilleerd tot 0.4 dln. en deze ter bevrijding van vet en harsachtige stoffen met aether, petroleumaether of chloroform uitgeschud. De gereinigde alkaloïd-oplossing wordt met kaliumcarbonaat zeer zwak alkalisch gemaakt, tot eene geringe, vuile troebeling van nog aanwezige harsachtige stoffen ontstaat, die na eenigen tijd worden afgefiltreerd. Daarna wordt kaliumcarbonaat in overmaat toegevoegd , de afgescheiden atropine verzameld of door uitschudden in chloroform opgelost en door vrijwillige verdamping daarvan afgescheiden en uit absoluten alcohol omgekristalliseerd.

3°. uit de zaden. Deze kan geschieden als voor de bereiding uit den wortel is aangegeven of met wijziging als uit het kruid, door de tot poeder gebrachte zaden door digereeren en deplaceeren met spiritus uit te trekken, den spiritus bij 40°—50° af te destilleeren, het achterblijvende met zwavelzuurhoudend water te behandelen, de vloeistof te filtreeren, het filtraat met benzol uit te schudden, daarna alkalisch te maken, het alkaloïde met chloroform uit te schudden en voorts te behandelen als sub 1°. is aangegeven.

De dus verkregen, nog min of meer gekleurde atropine wordt gereinigd, door ze op te lossen in alcohol, bij de gefiltreerde oplossing water te voegen tot eene geringe, blijvende troebeling ontstaat en deze verdund spiritueuse vloeistof, na toevoegingeener kleine hoeveelheid alcohol, tot de vloeistof weder helder is, in vlakke schalen bij gewone temperatuur vrijwillig te laten verdampen , welke bewerking zoo noodig wordt herhaald.

Ten einde goed gevormde kristallen te verkrijgen, wordt de

-ocr page 527-

§95

: ■

ü

atropine in de 7—Svoudige hoeveelheid warmen, zoo sterk moge-lijken spiritus opgelost en deze oplossing op eene droge en lauwwarme plaats aan vrijwillige verdamping overgelaten. Uit den z.g. absoluten alcohol van den handel kristalliseert zij niet, doch levert daaruit een kristallijn, schijnbaar amorph poeder.

Voor de bereiding van het sulfaat wordt 1 dl. verdund zwavelzuur met 2 dln. alcohol gemengd en deze lauwwarme vloeistof nauwkeurig met atropine (1 dl.) geneutraliseerd. Op de bekoelde oplossing van het sulfaat wordt een viervoudig volumen watervrijen aether gebracht; bij langzame vermenging der vloeistoffen scheidt zich het sulfaat kristallijn af, dat verzameld, met een weinig water-vrijen aether gewasschen en bij zoo laag mogelijke temperatuur gedroogd wordt.

Met Zout worde wegens de lichte veranderlijkheid in aard en samenstelling in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

Eigenschappen. Fijne, reuklooze, glanzende, naaldvormige kristallen of een wit, kristallijn poeder, gewoonlijk tot dofwitte hoopjes vereenigd, neutraal oplosbaar in water (0.4) en in spiritus (2.6), bijna onoplosbaar in aether, chloroform, benzol en zwavelkoolstof.

Atropinesulfaat smelt bij 183° en vervluchtigt ten slotte onder ontleding en ontwikkeling van eigenaardig riekende, witte dampen.

Met de meeste algemeene alkaloïd reagentiën geeft de waterige oplossing een neêrslag, met platinachloride en pikrinezuur slechts in meer geconcentreerde oplossing, niet met mercurichloride.

Met ammonia geeft zij eene troebeling, die door toevoeging van meer ammonia of water verdwijnt.

Ongeveer 1 mG. Atropinesulfaat, met 1 mG. natriumnitraat en 1 droppel zwavelzuur in een dunne laag uitgestreken, hierop gestrooid 5 mG. kaliumhydroxyde in grof poeder en bevochtigd met een droppel alcohol, geeft een lilakleur.

Ongeveer 1 mG. Atropinesulfaat, verhit totdat zich nevels ver-toonen, daarna met 1.5 cM3. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM3. water vermengd, geeft een eigenaardigen bloemengeur, lien korreltje kaliumpermanganaat, na de verwarming met zwavelzuur en bijvoeging van water toegevoegd , doet gewoonlijk meer den reuk van bittere amandelolie ontstaan.

ün

•tili

1

I

\'n i

B

I

l«1 ^

II

t

Kw li i

m

tl

! B hi

j

-ocr page 528-

896

Ongeveer i mG. Atropinesulfaat laat, na met één droppel rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat na bekoeling door één droppel spiritueuse kalioplossing violet en daarna rood wordt.

De oplossing in water (1 == 50) geeft met baryumchloride een wit neörslag van baryumsulfaat.

Onderzoek.

i0. Fijne, glanzende kristallen of een wit, korrelig poeder. Zoowel de meer duidelijk gevormde kristallen als het witte, kristal-lijne, schijnbaar amorphe poeder mogen gebruikt worden, niet een geheel amorph preparaat, dat behalve atropine- ook de sulfaten van hyoscyamine en andere alkaloïden benevens bij de bereiding ontstane ontledingsproducten daarvan bevat.

2°. Atropinesulfaat smelt door hitte. Het Zout smelt bij 183°, in onderscheid met hy oscy a mi n es u I faat, dat bij 2000—203°, bell ado nine- en tropin esulfaat, die een lager smeltpunt hebben.

30. en verbrandt zonder iets achter te laten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

4°. Het geeft neutrale oplossingen. Afwezigheid van vrij zuur of a I k a I i.

5°. De oplossing in water (1 = 50) geeft met ammonia een troebeling, die door toevoeging van meer ammonia of van water verdwijnt. Onderscheid met belladonine 1), die met ammonia een blijvend neerslag, en h o m at r op i n e, die door ammonia niet troebel wordt 1).

6°. Door mercurichloride wordt zij niet neergeslagen. Onder-scheid met hom atropine ^).

7°. Ongeveer 1 mG. Atropinesulfaat laat, na met rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn , een overschot achter, dat door spiritueuse kalioplossing violet en daarna rood wordt. Onderscheid met homatropine 2).

\') Zie hlz. 34\'2

l) Zie blz 434.

-ocr page 529-

T

897

SULFAS C H I N I N I.

K I N I N E S U L F A A T.

Glanzende, kleurlooze, naaldvormige, bittere, geheel verbrandbare kristallen, die in ongeveer 750 deelen koud en in 30 deelen kokend water oplosbaar zijn.

Water, met Kininesulfaat geschud en gefiltreerd, wordt door baryum-chloride neêrgeslagen en geeft met een gelijk volumen chloorwater, na toevoeging van ammonia in overmaat, een groen mengsel.

Water, met een weinig verdund zwavelzuur vermengd, lost Kininesulfaat gemakkelijk en met een blauwe fluorescentie op.

Kininesulfaat zij geheel oplosbaar in sterken spiritus en worde noch door zwavelzuur, noch door salpeterzuur gekleurd.

Indien 2 Grra. Kininesulfaat, dat een half uur aan een warmte van 40° tot 50° blootgesteld en daardoor verweerd is, met 20 cMs. water een half uur, onder herhaald schudden, bij 60° tot 65° verwarmd; het mengsel afgekoeld en nog 2 uur, onder herhaald schudden, op 15quot; gehouden en daarna gefiltreerd wordt — moet 5 cM3. van het filtraat, met 5 cM3, ammonia van 15° vermengd, een helder vocht opleveren.

Kininesulfaat verlieze, als het bij 100° gedroogd wordt, niet meer dan 15 pet. in gewicht.

Kininesulfaat bevat 73 tot 74 pet. Kinine.

Samenstelling. (C20H2\'iNPOTtH^SCV\' 7I-PO

üe verbinding van twee moleculen van het tvveezurig alkaloïde kinine met één molecule van het tweebasische zwavelzuur \').

Het Zout der Ph. bevat ongeveer zeven moleculen kristalwater.

Bereiding. De bereiding uit den Kinabast geschiedt slechts fabriekmatig. Ue tot poeder gebrachte bast wordt daartoe met kalk innig gemengd, ten einde de aan zuren gebonden alkaloïden in vrijheid te stellen. In daartoe bestemde apparaten wordt vervolgens de alkalisch gemaakte bast onder omroeren met verwarmde mineraalolie van hoog kookpunt, bijv, paraffineolie of zeer zware petroleum, ook wel foeselolie behandeld, waarin de alkaloïden, vooral kinine wel, kleurstoffen, looizuur, enz. daarentegen niet worden opgenomen. Ook wel bereikt men hetzelfde doel door deplaceeren met de verwarmde mineraalolie of, zooals vroeger vooral, met warmen spiritus. Door uitschudding met verdund

1) Zie blz. 21!).

ifi ï

1

üü

li

1 gt; ü

t ■f!:

11 8 is!)

,1

lil. li

li ;i(

I fi1.

Hl

-ocr page 530-

898

zwavelzuur worden de alkaloïden aan de olie onttrokken of, na het afdestilleeren van den spiritus, de achterblijvende harsachtige massa met het verdunde zuur behandeld. De in beide gevallen verkregen zure sulfaat-oplossing wordt onder verwarming met natriumcarbonaat geneutraliseerd, waardoor bij bekoeling hoofdzakelijk kinine als onzuiver sulfaat wordt afgescheiden, terwijl de nog in de loog achterblijvende kinine door precipitatie als tar-traat kan worden verkregen. Het onzuivere kinine-bevattende mengsel nu wordt verder tot zuivere of voldoend zuivere kinine verwerkt volgens methoden, welke als fabrieksgeheimen worden betracht. Ten slotte wordt deze kinine als sulfaat onder ontkleuring met dierlijke kool uit water omgekristalliseerd \').

Eigenschappen. Naaldvormige, zijdeachtig glanzende, witte, bittere, reuklooze, geheel verbrandbare kristallen, moeilijk oplosbaar in koud (800), beter in warm (25) water, niet gemakkelijk in kouden (100), gemakkelijk in warmen (5) spiritus, bijna onoplosbaar in aether en chloroform, gemakkelijk in een mengsel van

1 vol. alcohol en 2 vol chloroform. De waterige oplossing reageert neutraal.

to mGrm. Kininesulfaat, met 10 cM3. water en een paar droppels verdund zwavelzuur vermengd, lost gemakkelijk en met blauwe fluorescentie op.

10 mGrm. Kininesulfaat, in 10 cM3. water opgelost en met een paar droppels ammonia vermengd, geeft een wit neerslag van kinine-hydraat, dat in spiritus, aether en chloroform oplosbaar is.

10 mGrm. Kininesulfaat, in 10 cM3. water opgelost, geeft met

2 cM3. chloorwater, na toevoeging van 2 cM3. ammonia, een groen mengsel (i/ial/co/ciiiï-rea.ctié) 2), welke kleur door verdund zwavelzuur en kaliumferrocyanide in rood overgaat.

1 mGrm. Kininesulfaat, in 20 cM3. water opgelost, geeft met

quot;) Zuiver Kininesulfaat kan bereid worden uit Kininebisulfaat, door I dl. op telossen in 40 dln. heet water en bij dezo oplossing voorzichtig zooveel natronloog te voegen, dat zeer gevoelig blauw lakmoespapier slechts Hauw rood wordt. Bij langzame bekoeling scheidt zich hel sulfaat in schoone, doorschijnende naalden af, die worden verzameld en bij zachte warmte gedroogd.

Kininebisulfaat verkrijgt men door 10 dln. Kininesulfaat in 15 dln. water en 7 dln. verdund zwavelzuur bij 00° in hot waterbad op te lossen. Bij bekoeling en laten staan kristalliseert zuiver bisulfaat uit. Men verzamelt de kristallen, laat ze volkomen uitdruipen en droogt zo bij zachte warmte.

\') Over andere Kinine-rcaclien zie bij «Cortex Chinao», blz. \'219 en \'220,

-ocr page 531-

899

2 droppels broomvvater, na toevoeging van i cM3. ammonia, een groen mengsel, welke kleur eveneens door verdund zwavelzuur en kaliumferrocyanide in rood overgaat.

io mGnn. Kininesulfaat, in 10 cM3. water opgelost, geeft met baryumchloride een wit neerslag.

Onderzoek.

t0. naaldvorniigc kristallen. Z.g. licht Kininesulfaat is minder te vertrouwen, daar het gewoonlijk het meeste cinchonidines u 1 f aat bevat.

2°. geheel verbrandhare kristallen. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

3°. die in ongeveer 750 deelen kond en in 30 deelcn kokend •water oplosbaar .zijn. In onderscheid met hydrobromaat (40 en 1) en hydrochloraat (24 en 1).

4°. Water, met Kininesulfaat geschud en gefiltreerd, wordt door baryumchloride neergeslagen. In onderscheid met hydrobromaat en hydrochloraat.

5°. Kininesulfaat zij geheel oplosbaar in sterken spiritus. Afwezigheid van in spiritus onoplosbare stoffen als vele anorganische zouten, bijv. calciumcarbonaat, -p h o s p h a a t, -s u 1 fa a t, enz.; zoo ook van stoffen als zetmeel, enz.

6°. en ïuorde noch door zwavelzuur, noch door salpeterzuur gekleurd. Afwezigheid van stoffen als suiker, sa li cine, enz., die door zwavelzuur bruin, en van organische stoffen, die door salpeterzuur bruin, en bijv. van morphine, dat door salpeterzuur rood zou worden gekleurd \').

7°. Indien 2 Gnn. Kininesulfaat, dat een half uur aan een warmte van 40° tot 50° blootgesteld en daardoor verweerd is, met 20 cM*. water een half uur, onder herhaald schudden, bij 60° tot 65° verwarmd; het mengsel afgekoeld en nog 2 unr, onder herhaald schudden, op 1$° gehouden en daarna gefiltreerd wordt — moet 5 cM*. van het filtraat, met 5 cM*. ammonia van 150 vermengd , een helder vocht opleveren. Proef op het gehalte aan ver-ontreinigende neven-alkaloïden. De Ph. staat een gehalte van ongeveer 5 pet, daarvan toe — o, r 2, c ^\'—c ^

\') Kininesulfaat blijft bij behandeling met deze znieii niet kleurloos, docli wordt lichtgeel gekleurd.

\'\') Deze proef, do eenigszins gewijzigde, verbeterde proef van K e r n e r, berust op do veel grootero oplosbaarheid van de sulfaten der neven-alkaloïden (cincbonine, cinchonidine, kinidine en hydrokinine) in water van ongeveer (iO0 dan van het kininesulfaat zelve. Naarmate de verontreiniging daarmede zal derhalve in de verzadigde oplossing bij schudding met

1 Z\'-t C /.(T v-t-w ^

-ocr page 532-

goo

8°. Kinine sulfaat ver Hese, als het bij ico0 gedroogd wordt, niet meer dan 15 pet. in gewicht. Slaat op een te hoog water-gehalte. In geheel onverweerden toestand bevat Kininesulfaat 8 molec. kristalwater, d i. ongeveer 16.2 pet. Bij verweering verliest het Zout langzamerhand kristalwater tot 2 molec. daarvan overblijven, welk gehalte verder constant is. De Ph. verlangt derhalve een Zout met ongeveer 7 molec. kristalwater. Tevens in onderscheid met het b i s u 1 f a a t, dat ongeveer 23 molec. kristalwater bevat.

g0. Kininesulfaat bevat 73 tot 74 pet. Kinine. Uit dezen eisch blijkt verder, dat het Zout ook niet minder dan ongeveer 7 molec.

zulk water van Kininesulfaat ook minder of meer sulfaat worden opgelost, dat, na precipi-tatie dor alkaloïden door ammonia ook voor de wederoplossing daarvan eene geringere of meerdere lioeveellioid ammonia zal behoeven. Opmerkingen omtrent deze proef zijn, dat de resultaten daarmede verschillen, naarmate de neven-alkaloïden mechanisch onder het Kininesulfaat zijn gemengd of wel daarmede zijn gekristalliseerd, en dat de | roef zóó gevoelig is, dat alle voorzorgen daarbij in acht moeten worden genomen, daar zelfs het voor de filtratie gebezigde hulpmiddel, papier, glaswol, enz. door het terughouden van alkaloïde invloed op het resultaat kan uitoefenen. De l\'h. Germ, schrijft daa\'om bepaald het gebruik voor van een uit best filtreerpapier vervaardigd filter van 7 i\'M. doorsnede, terwijl zeer zeker aan glaswol de voorkeur zou moeten worden gegeven.

Do voornaamste, andere methoden tot onderzoek van Kininesulfaat zijn:

a. de optische proef van Oude mans, beslaande in do bepaling van de moleculaire draaiing van het tartraat, verkregen door 2 Grm. Kininesulfaat, opgelost in 80 Grm. kokend water, te precipiteeren met eene heete oplossing van 2 Grm. natriumtartraat, verzameling van het neêrslag na 12 uur op een filter, afwassching en droging. Zij is het nauwkeurigst, echter onnauwkeurig bij aanwezigheid van hydrokinine.

b. de chromnat-proef van de Vr ij. 2 Grm. Kininesulfaat wordt opgelost in 80 cM3. kokend water, hierbij gevoegd eene oplossing van 0.55 Grm. kaliumchromaat en het afgescheiden, in water onoplosbare Kininechromaat na volkomen bekoeling op een filter verzameld. Na afwassching met weinig water tot 80 cM3. wordt bij de heldere moederloog eenige droppels natronloog gevoegd, zoodat de vloeistof met phenolphlaleïne duidelijk alkalisch reageert, fiij afwezigheid van of minder dan 0.5 pet. neven-alkaloïden zal de vloeistof, ook bij 00°, helder blijven. Indien de hoeveelheid niet meer dan 2 pet. bedraagt, zal bij 00° een begin van troebeling ontslaan, terwijl, naarmate de troebehvording bij lager temperatuur begint, het gehalte daarvan grooter is. Opmerkingen omtrent deze proef zijn, dat zij niet zoo gevoelig is als de heide voorgaande, dat zij het gevoeligst is voor cinchonine, minder voor kinidine en hst minst voor cinchonidine, doch tevens geldt bij aanwezigheid van hydrokinine.

c. de oxalaat-propf van S chafer. 2 Grm. Kininesulfaat wordt opgelost in 70 cM3. kokend water, hierbij gevoegd eene oplossing van 0.G Grm. kaliumoxalaat in 10 iMquot;. water, do vloeistof tot 82.0 Grm. gebracht, onder omschudden gedurende een half uur in een waterbad op 20° gehouden, daarna de vloeistof van het onoplosbare kinineoxalaat door glaswol gefiltreerd en bij 10 cM3. van het filtraat één droppel natronloog gevoegd, waardoor ook binnen eenige minuten geene troebeling mag ontstaan. Opmerkingen omtrent deze proef zijn, dat Kininesulfaat, hetwelk hieraan voldoet, hoogstens 2 pet. nevenalkaloïden bevat, doch dat zij de aanwezigheid van hydrokinine niet aantoont.

-ocr page 533-

901

kristalwater mag bevatten. 872 dln. Kininesulfaat [(Cl0H24N:!O2)1: H2S04 -|-7H20 = 872] toch bevatten 648 dln. kinine, d. i. ongeveer 74 pot. \'). Het Zout worde daarom tegen verweering in goed gesloten flesschen en tegen den invloed van het licht bewaard.

SULFAS CINCHONINI.

CINCHONINESULFAAT.

Harde, glanzende, witte, bittere kristallen, die door hitte smelten en volkomen verbrandbaar zijn.

Cinchoninesulfaat is oplosbaar in 12 deelen sterken spiritus, onoplosbaar in aether, moeilijk in koud water, doch vrij goed in chloroform.

De verzadigde oplossing in water wordt door baryumchloride neérge-slagen en geeft met ammonia een neérslag, dat noch in een overmaat van ammonia, noch in aether merkbaar oplosbaar is. Zij mag met verdund zwavelzuur nauwelijks tluoresceeren en met chloorvvater en ammonia geen groene kleur opleveren,

Cinchoninesulfaat verlieze, als het bij tooquot; gedroogd wordt, niet meer dan 5 pet. in gewicht.

Samenstelling, (C19H2 2N;!0)2: IPSO4 2 H20

De verbinding van twee moleculen van het tweezurig alkaloïde cinchonine met één molecule van het tweebasische zwavelzuur.

Het Zout bevat twee moleculen kristalwater.

Bereiding. Cinchonine wordt gewonnen als nevenproduct bij de bereiding van kinine en wel blijft zij als sulfaat opgelost terug in de moederloog na afscheiding van het kininesulfaat 2). Hieruit wordt zij

gt;) De bepaling kan geschieden door het bij de chromaatproef do Vrij uit 5 Gi\'in, Sulfaat afgescheiden en met de minst mogelijke hoeveelheid water afgewasschen kinine-chromaat in kokend water op te lossen, de oplossing boet te filtreeren, de uit de volkomen bekoelde oplossing na eenige uren rustig staan afgescheiden kristallen op oen filter te verzamelen , af te wasschen , boven zwavelzuur te drogen en te wegen. Voor correctie wordt de hoeveelheid met 0.0378X2 Gnn. vermeerderd, terwijl bet kinine-gehalte

maal de gevonden hoeveelheid bedraagt. Ook kan het heete fillraat onmiddelijk

öOz.O

onder aanhoudend omroeren opgevangen worden in eene tot ongeveer 70° verwarmde natronloog, waardoor de zuivere kinine, vrij van cinchonidine en hoogstens sporen hydro kinine bevattend, zich poedervormig afscheidt (de Vr ij).

J) Zie bij «Sulfas Cbinini», 1)1«. 898.

58

-ocr page 534-

902

verkregen door de haar vergezellende cinchonidine en kinidine te verwijderen, de eerste als tartraat door precipitatie met kalium-natriumtartraat, de laatste als jodide door haar in het filtraat met kaliumjodide neêr te slaan. Uit het in de vloeistof achtergebleven cinchoninesulfaat wordt vervolgens het alkaloïde door natronloog afgescheiden en, na verzameling en afwassching met water, in zoo weinig mogelijk warmen alcohol opgelost, waaruit het zich bij bekoeling in kristallen afscheidt. Is het gehalte aan kinidine gering, dan wordt de precipitatie daarvan als jodide achterwege gelaten, wijl zij in dit geval, als zijnde gemakkelijker in spiritus oplosbaar, bij de afscheiding van de cinchonine in de oplossing terugblijft. De afgescheiden kristallen van cinchonine worden verder met spiritus afgewasschen en met warm, verdund zwavelzuur geneutraliseerd, waarna het Zout door herhaalde omkristallisatie uit warm water wordt gereinigd.

Eigenschappen. Harde, glanzende, doorschijnende, witte, reuklooze, bittere kristallen, die door hitte smelten, bij ioo0 hun kristalwater verliezen en ten slotte geheel verbranden. Zij zijn moeilijk oplosbaar in koud (64), beter in warm (14) water 1), gemakkelijk in kouden (7) en warmen (2) spiritus, vrij goed in chloroform (vvatervrij 60), bijna onoplosbaar in aether.

De oplossing in water (1 = 100) geeft met ammonia een neérslag, dat niet merkbaar oplost in overmaat daarvan, noch in aether. Zij fluoresceert niet met verdund zwavelzuur en geeft met chloor-water en ammonia geen thalleokine-reactie.

De oplossing in water (1 = 100) wordt door baryumchloride neêrgeslagen.

Onderzoek.

1 a. kristallen, die volkomen verbrandbaar zijn. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

20. Cinchoninesulfaat is oplosbaar in 12 deelen sterken spiritus, onoplosbaar in aether, moeilijk in water, doch vrij goed in chloroform. In onderscheid met kinine- en c i n c h o n i d i 11 e-zouten, die, vooral ten opzichte van chloroform , veel minder oplosbaar zijn.

30. De verzadigde oplossing wordt door baryumchloride neergeslagen. In onderscheid met hydrochloraat.

40. en geeft met ammonia een neerslag, dat noch in een ovcr-

•) Cinchoninesulfaat vormt gemakkelijk oververzadigde waterige oplossingen.

-ocr page 535-

903

maat van ammonia, noch in aether merkbaar oplosbaar is. In onderscheid met kinine-zouten.

5°. Zij mag met verdund zwavelzuur nauwelijks jluorescecren en viet chloorwater en ammonia geen groene kleur opleveren. Afwezigheid van kinine- en kinidine-zouten.

6°. Cinehoninesulfaat ver lie ze, als het bij ioo0 gedroogd wordt, niet meer dan 5 pet. in gewicht. Slaat op een te hoog water-gehalte. 722 dln. Cinehoninesulfaat [(C19H22N20)2 : H2S04 -\\-2 H10 = 722] leveren 686 dln. watervrij zout. Het gewichtsverlies bedraagt dus 5 pet. Ook in onderscheid met het bisulfaat (C1 quot;H2 2N20.H2S04-|-4 H20), dat ongeveer 15 pet. kristalwater bevat.

SULFAS CUPRICUS.

KOPERSULFAA T.

Doorschijnende, blauwe kristallen, die in 3.5 deelen water oplosbaar, doch in sterken spiritus onoplosbaar zijn.

De oplossing in water geeft met ammonia in overmaat een heldere, donkerblauwe vloeistof, en met baryumchloride een wit neórslag.

De oplossing in water van 100 mG. Kopersulfaat, door zwavelwater-stofgas van koper bevrijd, mag, na verdampt te zijn en nadat het overgeblevene sterk verhit is geworden, niets weegbaars achterlaten.

Samenstelling. CuSO\' 5 H2Ü

Het koperzout van het tweebasische zwavelzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door een atoom van het tweewaardige metaal koper \').

Het Zout bevat vijf moleculen kristalwater.

Bereiding. Zuiver kopersulfaat kan verkregen worden :

iu. uit het ruvve, gewoonlijk ijzerhoudende zout van den handel. Tot poeder vervallen of gebracht, wordt dit met ecnig salpeterzuur

\') Koper vormt twee reeksen van verbindingen. De eerste, moer bekende en gelnui-kelyke cupricum (Cu)-verbindingen bevatten één alootn tweewaardig koper, de laatste, cuprosum [Cu\'J-verbindingen, bevatten twee te zamen tweewaardige atomen koper.

-ocr page 536-

904

bevochtigd en onder omroeren in eene porseleinen schaal op liet waterbad langzaam verwarmd, totdat de reuk naar salpeterzuur weder geheel verdwenen is. Aanwezig ferro-zout wordt hierdoor tot ferri-zout geoxydeerd. In 4 dln. water opgelost, slaat men in een klein gedeelte dezer vloeistof door middel van natronloog tot zwak alkalische reactie het koper als koperhydroxyde neêr en mengt dit neerslag , zorgvuldig afgewasschen , met de overige, achtergehouden vloeistof. Gedurende eenigen tijd op eene lauwwarme plaats gezet, scheidt zich aldus al liet aanwezige ferri-zout als hydroxyde af en komt het koperhydroxyde daarentegen als kopersulfaat in oplos-

CuSO4 2 NaHO ==

kopersulfaut natriumhydroxyde

lFei](S04)3 3 Cu(HO)2 =

ferrisulfaat koperhydroxyde

Cu(HO)2 Na2S04

koperhydroxyde natriumsulfaat

[FeJ](HO)6 3 CuSO4

ferrihydroxyde kopersulfaat


sing. De hoeveelheid koperhydroxyde moet daartoe natuurlijk in geringe overmaat aanwezig zijn. Van het neerslag afgefiltreerd, wordt de heldere vloeistof onder toevoeging van zwavelzuur tot flink zure reactie ter kristallisatie uitgedampt.

20. uit koper en zwavelzuur. 3 Dln. koper in den vorm van snippers of spanen wordt in een kolf overgoten met 10 dln. zwavelzuur, met 3 dln. water verdund, en onder verwarming op het zandbad daarin opgelost. Ten einde de oplossing te bespoedigen,

Cu -f 2IDSO4 = CuSO4 SO2 2 HaO

koper zwavelzuur kopersulfaat zwaveldioxyde water

wordt gewoonlijk eenig salpeterzuur toegevoegd; 3 dln. koper wordt daartoe op dezelfde wijze behandeld met een mengsel van 5 dln. zwavelzuur en 8 dln. salpeterzuur, verdund met 25 dln. water. De verkregen oplossing wordt ter verwijdering van het salpeterzuur op het waterbad tot droog verdampt, het achtergeblevene

3 Cu sH^SO4 2HNO3 = 3 CuSO1 2NO 4 H20

koper zwavelzuur salpeterzuur kopersulfaat stikstof- water

dioxyde

in 1.5 deel warm water opgelost en de oplossing na filtratie tot kristallisatie gebracht. Door herhaalde, gedeeltelijke uitdamping kunnen telkens opnieuw kristallen worden verkregen — aanwezige verontreinigingen blijven in het laatst overblijvende vocht achter—, welke men in een trechter verzamelt, laat afdruipen en ten slotte tusschen filtrcerpapier droogt.

-ocr page 537-

.1,

90s

Eigenschappen. Doorschijnende, lazuurblauwe kristallen, gemakkelijk oplosbaar in koud (2.5) en warm (0.5) water en onoplosbaar in spiritus, die in de lucht aan de oppervlakte vervveeren en bij verhitting door verlies van kristalwater een amorph, wit zout leveren.

De oplossing in water (1 = 50), die zuur reageert, wordt door zwavelwaterstof bruinzwart, door ammonia in geringe hoeveelheid groenachtig blauw, welk neerslag in overmaat ammonia oplost tot eene heldere, prachtig lazuurblauwe vloeistof 1), en door kaliumferrocyanide roodbruin geprecipiteerd.

De oplossing in water (1 — 50) geeft met baryumchloride een wit neerslag, onoplosbaar in chloorwaterstofzuur.

Onderzoek.

1°. Doorschijnende. De kristallen moeten goed gevormd en mogen niet min of meer verweerd en ondoorschijnend zijn.

20. blauwe kristallen. Bij een beduidend gehalte aan ferri-sulfaat is de kleur min of meer blauwgroen.

30. die in 3.5 deden water oplosbaar, doch in sterken spiritus onoplosbaar zijn. Afwezigheid van minder en in spiritus oplosbare zouten.

40. De oplossing in water geeft met ammonia in overmaat een heldere, donkerblauwe vloeistof. Bij staan mag zich hieruit niets afscheiden; afwezigheid van fe r r i s u 1 fa a t.

50. De oplossing in zo at er van 100 in G. Kopersiclfaat, door zwavelwaterstof gas van koper bevrijd, mag, na verdampt te zijn en nadat het overgeblevene sterk verhit is geworden, niets iveeg-baars achterlaten. Afwezigheid van vreemde zouten als zink-, ijzer-, nikkel-, magnesium- en calciumsulfaat.

ï

li

I I ■

li 1

1

Bi r

li\'pi m

iii®

•M

WK i;\' mnii

1 i

isquot;:

SULFAS D U B O I S I N 1.

DUBOISINESULFAAT.

Een geelachtig poeder, dat door hitte smelt, onder ontwikkeling van onaangenaam riekende dampen ontleed wordt en verbrandt zonder iets

\') Zie blz. 374 en 1549.

i

JL »\' ■ \'

r

m

-ocr page 538-

goö

achter te laten. Het geeft met sterken spiritus en met minder dan i deel water oplossingen, die zwak zuur zijn.

De oplossing in water (i = 50) geeft met baryumchloride een wit neêrslag; door ammonia of door mercurichloride wordt zij niet neergeslagen.

Ongeveer 1 mG. Duboisinesulfaat laat, na met rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat door spiritueuse kalioplossing eerst violet en daarna rood wordt.

Ongeveer 1 mG. Duboisinesulfaat, verhit totdat zich nevels vertoonen, daarna met 1.5 cM3. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM3. water vermengd, doe een reuk ontstaan, niet ongelijk aan dien van valeriaanzuur.

Samenstelling. (C^H^NO3)2: H^SO4

De verbinding van twee moleculen van het tweezurige alkaloïde duboisine met één molecule van het tweebasische zwavelzuur.

Bereiding. Duboisine, identisch met hyoscyamine of met hyoscine, komt voor in de bladen van D u b o i s i a myoporoide s, een hoogen, boomachtigen struik uit de familie der Solanaceae, inheemsch in Australië, waaruit het op analoge wijze kan worden verkregen als atropine uit het Belladonnakruid.

Ten einde het uit \'t in den handel voorkomende extract af te scheiden, wordt dit in de viervoudige hoeveelheid water opgelost, daarbij natriumhydrocarbonaat gevoegd tot duidelijk alkalische reactie en vervolgens eenige malen met aether uitgeschud. Bij verdamping daarvan blijft het alkaloïde achter, dat voorts met zeer verdund zwavelzuur wordt geneutraliseerd. In spiritus opgelost en gefiltreerd, blijft het sulfaat bij vrijwillige verdamping daarvan achter (Petit).

Ook kan het uit het extract worden verkregen, door dit met de dubbele hoeveelheid water af te wrijven en daarbij zoolang alcohol te voegen als nog een neêrslag ontstaat. Na filtratie en afwassching van het neêrslag op het filter wordt de spiritus van het filtraat afgedestilleerd, tot een dunne stroop overblijft, die, met eene gelijke hoeveelheid water verdund, alkalisch wordt gemaakt met ammonia en daarna goed geschud met chloroform. Na afscheiding en verdamping daarvan wordt de massa zooveel mogelijk in verdund zwavelzuur opgelost, de vloeistof gefiltreerd en hierbij ammonia gevoegd, tot zich niets meer afscheidt. Daarna wordt het mengsel herhaalde malen en wel zóólang met aether

-ocr page 539-

907

geschud, waarin het alkaloïde wordt opgenomen, totdat deze bij verdamping niets meer achterlaat. Van de vereenigde aetherische uitschudsels laat men den aether verdampen, lost het achtergebleven alkaloïde in absoluten alcohol op, neutraliseert dit met zeer verdund , evenzoo in absoluten alcohol opgelost zwavelzuur en laat onder een exsiccator verdampen (Gerrard).

Het Zout worde in goed gesloten fleschjes tegen den invloed van het licht bewaard.

Eigenschappen. Een amorph, geelachtig poeder, met zwak zure reactie gemakkelijk oplosbaar in water en in spiritus.

Duboisinesulfaat smelt bij verwarming, wordt vervolgens onder ontwikkeling van onaangenaam riekende dampen ontleed en verbrandt ten slotte geheel.

Door kaliummercuridjodide wordt de waterige oplossing (i = 50) overvloedig geelachtig wit, door joodoplossing bruinrood, door pikrinezuur geel, door goudchloride overvloedig geel, door tannine wit, door mercurichloride niet en door ammonia of natronloog wit neergeslagen, welke laatste precipitaten in overmaat water oplosbaar zijn.

Ongeveer 1 mG. Duboisinesulfaat, verhit totdat zich nevels ver-toonen, daarna met 1.5 cM3. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM3. water vermengd, geeft een reuk, niet ongelijk aan dien van valeriaanzuur.

Ongeveer 1 mG. Duboisinesulfaat laat, na met één droppel rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat na bekoeling door één droppel spiritueuse kalioplossing eerst violet en daarna rood wordt.

De oplossing in water (1 = 50) geeft met baryumchloride een wit neérslag van baryumsulfaat.

Onderzoek.

1°. Een gedachtig poeder. In onderscheid met atropinesul-faat, dat kristallijn of als wit poeder voorkomt.

20. en verbrandt zonder iets achter te laten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen.

30. Het geejt oplossingen, die zzuak zuur zijn. In onderscheid met atropinesulfaat en homatropinehydrobromaat, die neutraal reageeren.

-ocr page 540-

908

4°. door mercurichloride wordt zij niet neergeslagen. In onderscheid met hornatropine 1).

5°. Ongeveer i inG. Dnboisinesulfaat laat, na met rood-rookend salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot achter, dat door spiritueuse kalioplossing eerst violet en daarna rood wordt. In onderscheid met hornatropine 2).

6°. Ongeveer i viG. Duboisinesulfaat, verhit totdat zich nevels vertoonen, daarna met i. 5 cM*. zwavelzuur verwarmd totdat dit gekleurd wordt, en eindelijk met 2 cM*. water vermengd, doet een reuk ontstaan, niet ongelijk aan dien van valeriaanzuur. In onderscheid met atropine en hornatropine. 2)

SULFAS FERROSUS.

FERROSUL F A A T.

Een groenachtig-lichtblauvv, kristallijn poeder, dat in 2 deelen water, doch niet in sterken spiritus oplosbaar is.

De oplossing in water geeft niet kaliumferricyanide een donkerblauw en met baryumchloride een wit neêrslag. Zij worde, na met cbloonvater-stofzuur zuur gemaakt te zijn, door zwavelwaterstof niet of nauwelijks troebel of gekleurd.

Als 2 Grm. Ferrosulfaat met 3 Grm. verdund salpeterzuur verwarmd wordt en het vocht, na met 10 cM3. water en met ammonia in overmaat vermengd te zijn, gefiltreerd wordt, verkrijgt men een kleurlooze vloeistof, die, na verdampt te zijn en nadat het overgeblevene sterker verhit is geworden, geen weegbaar overschot achterlate.

250 mG. Ferrosulfaat, in 75 cM3. water en 10 cM3. verdund zwavelzuur opgelost, vereischt, om blijvend rood gekleurd te worden, :;8 tot 28.5 cM3. volumetrisch permanganaat.

Samenstelling. FeSO4 -fquot; 7 H20

Het ferro zout van zwavelzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door het tvveewaardige atoom Fe ),

Het Zout bevat zeven moleculen kristalwater.

1

) Zie blz. 424.

2

) Zie blz. 42i en hlz. 895.

3

^ Zie blz. 315.

-ocr page 541-

909

I

Bereiding. Deze geschiedt door oplossen van ijzer in verdund zwavelzuur onder waterstof-ontwikkeling.

Fe -f hPSO»

ijzer zwavelzuur

FeSO* -f 2 H

feirosulfaat wateistof

si

2 Dln. blank geschuurd en in stukjes gesneden ijzerdraad van goede qualiteit wordt bij gedeelten gebracht in eene ruime kolf, waarin een nog warm mengsel van 3 dln. zwavelzuur en 12 dln. water. Aan \'t eind der oplossing, wanneer de gas-ontwikkeling begint op te houden, wordt de werking door verwarming in \'t waterbad ondersteund en, zoodra geen ijzer meer wordt opgelost, de eenigermate afgekoelde vloeistof van achtergebleven koo! en overmaat ijzer, die aanwezig moet zijn ten einde de vorming vüii ferri-zout te voorkomen, afgefiltrcerd, welke filtratie spoedig moet geschieden ten einde zooveel mogelijk oxydatie aan de lucht te voorkomen. Het filtraat laat men droppelen in 10 dln. door omroeren in beweging gehouden alcohol, waardoor het hierin onoplosbare ferrosulfaat zich afscheidt als een fijn, kristallijn poeder, dat, op een filter of linnen doek verzameld, met spiritus wordt afge-wasschen, ten einde het van aanhangend zuur te bevrijden, om na uitpersing tusschen vloeipapier ter bevrijding van alcohol onder omroeren aan de lucht snel te worden gedroogd.

Eigenschappen. Een kristallijn, groenachtig-lichtblauw, reukloos poeder, dat gemakkelijk oplosbaar is in koud (1.43) en in warm (0.3) water, onoplosbaar daarentegen in spiritus en aether.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met ammonia een bijna wit, later vuilgroen en tot slotte roodbruin ; met kaliumferrocyanide een blauwachtig wit, spoedig blauw wordend; met kaliumferricyanide daarentegen terstond een donkerblauw neêrslag van Turnbull\'s blauw en met baryumchloride een wit neerslag van baryumsulfaat.

Onderzoek.

1°. Een groenachtig-lichtblauw poeder. Bij aanwezigheid van beduidende hoeveelheden ferri-zout is het poeder min of meer bruingeel gekleurd, dat daarin ontstaan kan zijn door oxydatie aan de lucht, waarom het poeder in volkomen drogen staat in goed sluitende fiesschen moet worden bewaard.

2°. dat in 2 deden water oplosbaar is. De groenachtig-blauwe, heldere oplossing wordt bij aanwezigheid van fe r r i-zout min of

I

!

m

i

11

mil ill

■ jii

Ipiv

ii hïï\':

tót!\'

-ocr page 542-

9io

meer bruingeel en zet bij grootere hoeveelheden daarvan een geel neerslag van basisch ferroferrioxysulfaat af. De oplossing mag slechts zeer zwak, niet sterk zuur reageeren, wat op vrij zwavelzuur en op basisch ferrizout zou duiden.

3°. doch niet in sterken spiritus. Bij aanwezigheid van ferrizout wordt dit door spiritus opgelost.

4°. Zij worde, na met chloorwaterstof zuur zuur gemaakt te zijn, door zwavelwaterstof niet of namvelijks troebel of gekleurd. Afwezigheid van metalen als arsenicum, antimoon, lood, koper, enz.; tevens van ferri-zout, waardoor een melkachtig witte troebeling van zwavel zou ontstaan. Sporen hiervan worden toegestaan.

5°. Als 2 Gr ui. Ferrosulfaat met 3 Gnn. verdund salpeterzuur verwarmd wordt en het vocht, na niet 10 cM*. water en met ammonia in overmaat vermengd te zijn, gefiltreerd wordt, verkrijgt Dien een kleurlooze vloeistof, die, na verdampt te zijn en nadat het overgeblevene sterker verhit is geworden, geen weegbaar overschot achter late. Kleurloosheid wijst op afwezigheid van koper, nikkel en kobalt; een residu bovendien op zink, magnesium, aardalkaliën en vaste alkaliën.

6°. 250 uiG. Ferrosulfaat, in 75 cM\'-s. water en 10 cM*. verdund zwavelzuur opgelost, vereischt, oni blijvend rood gekleurd te worden, 28 tot 28.5 cM*. voluuietrisch permanganaat. 2780 dln. Ferrosulfaat correspondeeren met 316 dln. kaliumpermanganaat\'); 250 mG. ferrosulfaat komt dus overeen met 28.4 mG. permanganaat, vervat in 28.4 cM3. volumetrisch vocht, welk verbruik wijst op zuiver Ferrosulfaat, terwijl het verbruik van 28 cM3. op 1.4 pet. verontreiniging wijst.

SULFAS FERROSUS EXSICCATUS.

U I T G F D R O O G D FERROSULFAAT.

Een wit of grijsaehtig-wit poeder, verkregen door Ferrosulfaat langzaam uit te drogen, totdat ongeveer 65 pet. zijn overgebleven.

Het zij geheel of bijna geheel oplosbaar in water en voldoe overigens aan de eischen van zuiverheid, die voor Ferrosulfaat vastgesteld zijn.

\') Zie noot ») blz. 070.

-ocr page 543-

9ii

250 mG. Uitgedroogd Ferrosulfaat, in 75 cM3. water en 10 cM8. verdund zwavelzuur opgelost, vereischt ten minste 41.5 cM3. volumetrisch permanganaat ter roodkleuring, zoodat 100 deelen van l.et Uitgedroogd Ferrosulfaat overeenkomt met 146 deelen Ferrosulfaat.

Samenstelling. 2FeSO\'\' -f 3 H20

Ferrosulfaat, van water bevrijd tot het nog bijna anderhalf molec. daarvan bevat.

Bereiding. Ferrosulfaat wordt in eene dunne laag tusschen filtreer-papier op eene warme plaats uitgespreid. De temperatuur bedrage daarbij 350—40°; hooger temperatuur mag niet aangewend worden , ten einde smelten te voorkomen, waardoor het achterblijvende hard en korrelig zou worden. Het aldus verweerde zout wordt vervolgens in een porseleinen schaal op het waterbad onder omroeren verwarmd, tot het waterverlies ongeveer 35 pet. bedraagt en het zout in eene witte of grijsachtig-witte massa is overgegaan, die bekoeld tot fijn poeder wordt gewreven en tegen aantrekking van vocht en oxydatie in droge en goed gesloten flesschen wordt bewaard.

Onderzoek.

1°. Het zij geheel of bijna geheel oplosbaar in water en voldoe overigens aan de eischen van zniverheid, die voor Ferrosulfaat vastgesteld zijn. Zie aldaar. Sporen basisch ferri-zout worden toegestaan.

20. 250 viG. Uitgedroogd Ferrosulfaat, in 75 cAF*. water en 10 cM*. verdund zwavelzuur opgelost, vereischt ten minste 41.5 cM*. volumetrisch permanganaat ter roodkleuring, zoodat 100 deelen van het Uitgedroogd Ferrosulfaat overeenkomt met 146 deelen Ferrosulfaat. 41.5 cM3. Volumetrisch permanganaat, bevattende 41.5

mvm

m MfKf

lij

ii ■

w

2780 X 4I-S _

iió

m

life\'

mG. kaliumpermanganaat, correspondeert met

365 mG. Ferrosulfaat, overeenkomende met 250 mG. Uitgedroogd Zout, zoodat 100 dln. van het laatste overeenkomen met 146dln. van het eerste 2).

\') Zie noot blz. 070.

\') Overigens moeten ongeveer 05 dln. Uitgedroogd Zout overeenkomen met 100 dln. Ferrosulfaat, zoodat 100 dln. van het eerste coirespondeeren met ongeveer 154 dln. van hel laatste.

Pil

I;

I

lil

»1

fit

UI

i

-ocr page 544-

912

SULFAS KALICO-ALUMINICUS.

K A LI U M A L U M I N I U M S U L F A A T.

A L U M E N,

ALUIN.

Doorschijnende, kleurlooze kristallen, die in n deelen koud of in 0.3 deelen kokend water, doch niet in sterken spiritus oplosbaar zijn en sterk samentrekkend smaken.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met baryumchloride een neérslag, met natronloog een neérslag, dat door overmaat van dit reagens weder oplost, zonder den reuk van ammoniak te ontwikkelen.

De oplossing in water (1 = 20) worde door zwavelwaterstof niet veranderd; door kaliumferrocyanide noch troebel, noch terstond blauw.

Samenstelling. K2|A12](S01)2 -f 24 H3O

Aluin is een dubbelzout van zwavelzuur, dat daarvan kan worden afgeleid, door in 4 molec. daarvan twee atomen waterstof 1;e vervangen door twee atomen van het éénwaardige metaal kalium en de zes overige atomen waterstof door de aan |Fes| analoge, zeswaardige aluminium-groep [Al4].

1

H2S04 = H5(SOquot;)\'* K2[A11](S04)4

2

zwavelzuur kaliumaluminiumsulfaat

3

Het Zout kristalliseert met vier en twintig moleculen kristalwater.

4

Bereidingquot;. Behalve dat aluin in sommige vulkanische gesteenten als zoodanig voorkomt, waaruit zij door behandeling met water kan worden gewonnen, zoodat zij na bezinking der onzuiverheden bij verdamping der oplossing daaruit kristalliseert, wordt zij verder verkregen:

5

1°. uit aluinsteen (aluniet), een mineraal, waarschijnlijk door de inwerking van zwaveldioxyde en waterdamp op trachytische gesteenten, die rijk aan veldspaath zijn, ontstaan, dat beschouwd kan worden als eene verbinding van aluin met aluminiumhydroxyde, [Al^HO)8. Wordt dit mineraal tot donkerroodgloeihitte gebracht, dan gaat het onder waterverlies over in een mengsel van water-vrije aluin en aluminiumoxyde, waarvan het eerste door water kan worden uitgetrokken, terwijl het laatste onopgelost terugblijft.

-ocr page 545-

913

2°. uit leigesteente, een leiachtig, sterk met bruinkool en zwavel-ijzer doortrokken gesteente, dat uit aluminiumsilicaat bestaat. Bij roosting of somtijds bij eenvoudige blootstelling aan de lucht onder begieting met eenig water, waardoor zich alsdan genoegzaam warmte ontwikkelt, ontstaat onder opname van zuurstof uit het zwavelijzer ijzersulfaat, dat zich met het aluminiumsilicaat omzet tot aluminiumsulfaat. Bij uitlooging met water gaat dit zout in oplossing over en wordt uit deze door toevoeging vroeger van kaliumsulfaat, thans, sints de ontdekking der mijnen te Stassfurt, hoofdzakelijk van kaliumchloride \'), dat zich met ijzersulfaat omzet in kaliumsulfaat en ijzerchloride, aluin als een fijn kristalmeel, aluin-meel , of als groote kristallen, die ter zuivering herhaaldelijk om-gekristalliseerd worden, neergeslagen. Bevat het zout nog sporen ijzer, dan worden deze door kaliumferrocyanide of door herkristallisatie daaruit verwijderd.

3°. uit klei [leaoHen, pijpaarde). Volgens nieuwere methoden worden sommige kleisoorten, ontstaan uit aluminium-dubbel-silicaten, met kokend zwavelzuur ontleed, waarbij zij insgelijks aluminiumsulfaat leveren. Van het kiezelzuur afgetapt, wordt de zure oplossing met potasch of kaliumchloride bedeeld, waarbij zich onder voortdurend omroeren aluin als meel afscheidt.

4°. uit kryolith. Dit [Al2 |Na6Fl12 wordt daartoe met gebluschte kalk behandeld, waardoor het fluoor tot fluoorcalcium en de beide metalen in hydroxyden worden omgezet, die, met elkander verbonden , door kooldioxyde worden gesplitst onder vorming van natriumcarbonaat en aluminiumhydroxyde. Het laatste wordt in zoutzuur opgelost en daarbij gevoegd (KJSO i -|- MgSO4 -f-

6 H20) en kieseriet (MgSO4-j-H2 O) 2 J, waardoor zich aluin

Al2Cle K2S04 3 MgSO1 = K2[A12](S04)4 3 MgCl2

aluminium- kalium- magnesium- kaliumaluminium- magnesium-

chloride sulfaat sulfaat sulfaat chloride

vormt, die door kristallisatie van het gemakkelijk oplosbare magnesiumchloride wordt gescheiden.

Eigenschappen. Doorschijnende, harde, kleur- en reuklooze, zoetachtig en sterk samentrekkend smakende, zuur reageerende kristallen, oplosbaar in koud (7,5) en warm (0.3) water, onoplosbaar in spiritus en aether.

\') Zie bij «Carbonas kalicus», hlz. liS.

\') Zie bi/.. 017.

-ocr page 546-

914

De oplossing in water (1=20) geeft met kali- of natronloog een wit, volumineus neerslag van hydroxyde, dat in overmaat daarvan oplost, doch uit deze oplossing door ammoniumchloride weder wordt neêrgeslagen, en met natriumphosphaat eveneens een wit, volumineus neerslag, gemakkelijk oplosbaar in kali-of natronloog, niet echter in ammonia, eveneens gemakkelijk oplosbaar in chloorvvaterstof- en salpeterzuur, niet in azijnzuur.

De oplossing in water (1 = 10) geeft met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neerslag van kaliumhydrotartraat.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met baryumchloride een wit neerslag van baryumsulfaat.

Onderzoek.

1°. Doorschijnende kristallen. Bij bewaring aan de lucht wordt de oppervlakte der kristallen ten gevolge van een gering water-verlies of door opname van ammoniak uit de lucht, waardoor aluminiumoxyde zou worden gevormd, dof en met een wit laagje bedekt. Het Zout worde derhalve in goed gesloten flesschen bewaard.

20. kleur loose kristallen. Bij een gehalte aan ijzeroxyde, zooals bij de sub i0. gewonnen z.g. kubische of Roomse he aluin, zijn de kristallen min of meer rozerood gekleurd.

30. kristallen. De Ph. verlangt de min of meer groote kristallen, niet het kristalmeel.

40. De oplossing in water (1 = 20) geeft met natronloog een neerslag, dat door overmaat van dit reagens weder oplost. Afwezigheid van m agn esiu m-verbindingen,

5°. zonder den reuk van ammoniak te ontwikkelen. In onderscheid van ammoniak-aluin \').

6°. De oplossing in water (1 = 20) worde door zwavelwaterstof niet veranderd. Afwezigheid van metalen als lood of koper, alsmede van ferri-zout.

7°. door kaliumferroeyanide noch troebel. Afwezigheid van zink.

8°. noch terstond blamv. Afwezigheid van ferri-zout. Sporen worden toegestaan 2).

\') In aluin kunnen de metalen, zoowel het kalium, bijv. door ammoniak, als tiet aluminium, bijv. door chroom, vervangen worden; op deze wijze ontstaan de z.g. aluinen (aiumoniak-, chroom-aluin, enz.)

1) Ken roodachtige kleur zou op koper wijzen.

-ocr page 547-

915

SULFAS KALICO-ALUMINICUS E X SI C C A T U S.

UITGEDROOGD KALIUM ALUMINIUMSULFAAT.

ALUMEN USTUM.

GEBRAND E A L UI N.

Het zij een wit, licht poeder, verkregen door Kaliumaluniiniumsulfaat langzaam en bij een niet hoogere temperatuur dan 1800 uit te drogen, zóó lang totdat ongeveer 60 pet. is overgebleven. Het mag, aan hitte blootgesteld, niet smelten en niet meer dan 10 pet. water verliezen.

In 20 deelen water van 50° losse het, hoewel langzaam, volkomen op tot een vloeistof, die, ook in bekoelden staat, helder blijft en verder aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoet als de oplossing van Kaliumalumi-niumsulfaat (1=20).

Samenstelling. Kï[AIï](S04)4

Kaliumaluminiumsulfaat, aluin, van kristalwater bevrijd.

Bereiding. Aluin smelt bij verwarming in haar kristalwater en verandert bij voortgezette verhitting onder verdamping van het water en onder sterke opschuiming in eene poreuse, witte, zich eerst langzaam oplossende stof, z.g. gebrande aluin. De tot grof poeder gebrachte aluin wordt daartoe in eene ruime aarden, on-verglaasde schaal op een zacht vuur in een zandbad gesmolten en verder langzaam sterker verhit, totdat het water zooveel mogelijk is uitgedreven en alles in eene witte, sponsachtige massa veranderd is. De schaal moet onverglaasd zijn, ten einde verontreiniging met losgelaten glazuur te voorkomen, terwijl de temperatuur bij verhitting niet hooger dan 1800 mag stijgen, wijl aluin bij sterker gloeiing ontleed wordt onder achterlating van onoplosbaar aluminiumoxyde. Het poeder, bedragende ongeveer 60 pet. van de gebezigde aluin, wordt ten slotte in een warmen mortier fijngewreven en tegen aantrekking van vocht terstond in goed sluitende, liefst kalkstop-flesschen bewaard.

Eigenschappen. Een amorph, licht, reukloos, wit poeder, dat in lauwwarm (50°) water (20) zeer langzaam oplost met overigens dezelfde eigenschappen als Aluin \').

-ocr page 548-

gi6

Onderzoek.

1°. ceti wit poeder. Eene min of meer roodachtige kleur wijst op een ijzer-gehalte.

2°. licht poeder. In onderscheid met poeder van gewone, waterhoudende aluin.

3°. zóólang totdat ongeveer 6o pet. is overgebleven. Daar aluin 45,5 pet. kristalwater bevat, eischt de Ph. geen volkomen kristal-watervrij preparaat, wat bij de aangegeven hoogste temperatuur van verhitting ook niet mogelijk is.

40. Het mag, aan hitte blootgesteld, niet smelten. In onderscheid met de gewone, waterhoudende aluin.

5°. en niet meer dan 10 pet. water verliezen. Daar de Ph. een preparaat toelaat met nog ongeveer 5.5 pet. kristalwater, staat zij tevens een watergehalte van ongeveer 4.5 pet. door vochtaantrek-king uit de lucht toe. Een grooter watergehalte slaat op eene minder deugdelijke bereiding.

6°. In 20 deelen water van 50° losse het langzaam op. Bij een te groot watergehalte lost het Zout spoediger op. Ook in onderscheid met gewone aluin.

70. volkomen op, tot een vloeistof, die, ook in bekoelden staat, helder blijft. Afwezigheid van a 1 u m i n i u m o x y d e, wat ook afkomstig kan zijn van ammoniak-aluin, en van oplosbaar silicaat (g 1 azuu r).

8°. en verder aan dezelfde eisehen van zinverheid voldoet als dc oplossing van Kalinmaluminhimsnlfaat (1 = 20). Zie aldaar \').

SULFAS KALICUS.

K A L I U M S U L F A A T.

Harde, kleurlooze kristallen of kristalkorsten, of poeder daarvan, die een niet lichtende vlam blijvend violet kleuren.

Kaliumsulfaat lost op in 10 deelen koud, gemakkelijker in kokend water, maar is onoplosbaar in sterken spiritus.

De oplossing in water (i = 20) is neutraal en geeft met baryumchloride een wit, met wijnsteenzuur in overmaat een wit kristallijn neêrslag, doch worde niet troebel of gekleurd door zwavelwaterstof, door zwavelammo-niuin, door natriumcarbonaat of door zilvernitraat.

\') Zie blz, 914.

-ocr page 549-

91/

Samenstelling. K2S04

Het normale kaliumzout van zwavelzuur. De twee atomen waterstof van dit tweebasische zuur zijn vervangen door twee atomen van het éénwaardige metaal kalium.

Bereiding. Het Zout kan bereid worden door neutralisatie van kaliumcarbonaat of -hydrocarbonaat met zwavelzuur. In den

K1COï -f H2S04 = K2S04 CO2 HjO

kaliumcarbonaat zwavelzuur kaliumsulfaat kooldioxydc water

handel wordt het gewoonlijk verkregen als nevenproduct bij andere chemische bereidingen, zooals bij die van kaliumcarbonaat uit het kaliumchloride van carnalliet volgens de methode van Le-Blanc \'), alsmede bij de zuivering van dit zout terwijl bij de bereiding van salpeterzuur uit kaliumnitraat kaliumhydrosulfaat wordt gewonnen 3)) waaruit door neutralisatie met kaliumcarbonaat sulfaat kan worden verkregen. Het op een of andere wijze verkregen Zout wordt door omkristalliseeren uit de warme oplossing gezuiverd en daarbij onder afzondering van de moederloog in losse kristallen of in kristalkorsten of onder omroeren der oplossing als kristalmeel verkregen.

Eigenschappen. Neutrale, harde, kleur- en reuklooze, weinig bittere, luchtbestendige kristallen, kristalkorsten of kristalmeel, oplosbaar in koud (9.7), gemakkelijker in warm (3.9) water, onoplosbaar in spiritus en aether. — Het Zout kleurt een niet lichtende vlam blijvend violet en geeft in oplossing (1 = 20) met wijnsteenzuur in overmaat een kristallijn, wit neérslag van kaliumhydro-tartraat en met baryumchloride een wit neerslag van baryumsulfaat.

Onderzoek.

1°. die ecu niet lichtcude vlam blijvend violet kleuren. Afwezigheid van n atrium zout, dat de vlam voorbijgaand geel zou kleuren.

2°. De oplossing in water (1 =20) is neutraal. Afwezigheid van kaliumcarbonaat, dat de oplossing alkalisch, en van k a 1 i u m-hydrosulfaat, dat haar zuur zou doen reageeren.

30. doch iv or de niet troebel of gekleurd door zwavelwaterstof,

\') Zie blz. 143 en 154.

quot;) Zie blz. 144.

\') Zie blz. 31.

59

-ocr page 550-

9i8

door zzvavelanimoniwn, door natriumcarbonaat of door zilvernitraat. Afwezigheid van zware metalen als loocl of koper alsmede van ferri- en arsen ik-verbindingen, van zink of ijzer, van calcium- en magnesium-zouten en van chloride.

SULFAS MAGNESICUS.

MAGNESIUMSULFAAT.

ENGELSCH ZOUT.

Fijne, glanzende, kleurlooze kristallen van een bitter-zouten smaak, die door hitte water verliezen.

Zij lossen op in i deel koud of in 0.15 deelen kokend water, doch zijn onoplosbaar in sterken spiritus.

De oplossing in water (1=20) is neutraal en geeft met baryumchloride een wit en, na toevoeging van een voldoende hoeveelheid ammoniumchloride en ammonia, met natriumphosphaat een wit kristallijn neörslag. Met zilvernitraat geve zij slechts een flauwe troebeling.

De oplossing in water (1 = 20), met een gelijk volumen ammoniumchloride en een half volumen ammonia vermengd, blijve helder en ongekleurd, ook na toevoeging van zwavelammonium of van ammonium-carbonaat.

3 cM3. barytwater, met 1 Grm. Magnesiumsulfaat gekookt, doe geen reuk van ammonia ontstaan. De door filtratie van het mengsel verkregen vloeistof kleure, na met koolzuurgas in overmaat behandeld en nogmaals gekookt te zijn, curcumapapier niet of nauwelijks bruin.

Samenstelling. MgSO4 -f- 7 H20

Met normale magnesiumzout van zwavelzuur. De twee atomen waterstof van dit tweebasische zuur zijn vervangen door één atoom van het tweewaardige metaal magnesium.

Het Zout kristalliseert met zeven moleculen kristalwater

Bereiding. Magnesiumsulfaat maakt het hoofdbestanddeel uit der z.g. bitterwateren en komt als zoodanig in verschillende bronnen voor, waaruit het vroeger verkregen werd door uitdamping van het water, zoodat het Zout zich bij bekoeling afscheidt waarna het door omkristallisatie werd gezuiverd.

Als nevenproduct wordt het gewonnen in mineraalwater-fabrieken, waar het kooldioxyde ontwikkeld wordt uit magncsiet, magnesium-carbonaat, en zwavelzuur. De daarbij verkregen, door overmaat

-ocr page 551-

gig

MgCO3 H2S04 = MgSO4 CO2 -f H20

zwavelzuur

kool-dioxvde

water

mngnesium-carbonnat

inagnesium-sulfaat

zure oplossing van het Zout in water wordt verder met magnesiet geneutraliseerd, van ijzer, lood en koper bevrijd door baryum-sulfide, waarbij onoplosbare sulfiden en baryumsulfaat worden afgescheiden, en de gefiltreerde, zwak zure oplossing verder tot kristallisatie gebracht.

Groote hoeveelheden van het Zout worden voorts gewonnen uit het Stassfurther mineraal kiese riet, MgSO1 -|- H2 O, dat, na door zwak gloeien beter in water oplosbaar te zijn gemaakt, daarmede wordt gekookt, waarbij het zout nog zes molec. kristalwater opneemt en na uitdamping uit de oplossing kristalliseert. Ter zuivering herhaaldelijk omgekristailiseerd, wordt het Zout daarbij door gestoorde kristallisatie in kleine kristallen verkregen.

Eigenschappen. Kleine, fijne, glanzende, kleur- en reuklooze, bitter-zoute, naaldvormig prismatische, neutrale kristallen, die aan de lucht eenigszins vervveeren en door hitte in hun kristalwater smelten, gemakkelijk oplosbaar zijn in koud (1.45) en warm (0.66) water, onoplosbaar in spiritus en aether.

De oplossing in water (1=20) geeft met alkaliën, aardalkaliën en de carbonaten daarvan een precipitaat, oplosbaar in ammonium-chloride, met natriumphosphaat een wit, poedervormig en, na toevoeging van eene voldoende hoeveelheid ammoniumchloride en ammonia, daarmede een wit, kristallijn neêrslag. — De oplossing in water geeft met baryumchloride een wit neerslag van baryumsulfaat.

Onderzoek.

1°. Fijne kristallen. Het Zout kristalliseert bij rustig staan in grootere, rechthoekige, vierzijdige zuilen. De Ph. eischt het Zout in kleine kristallen, door gestoorde kristallisatie verkregen. Ook in onderscheid met natriumsulfaat, dat in grootere kristallen voorkomt.

20. glanzende kristallen. Daar het Zout aan de lucht eenigszins verweert en daarbij één molec. kristalwater verliest, moet het in goed gesloten flesschen worden bewaard.

30. kleur looze kristallen. Een ijzerhoudend preparaat is min of meer gekleurd.

4°. die door hitte water verliezen. Het aantrekken van water en

!

m

Ml

r

if

I 1

,:!Ci

MB

.;N|h ;:

■ !: • m

3111 I

V

d

-ocr page 552-

920

vochtig worden der kristallen bij gewone temperatuur daarentegen kan wijzen op aanhangend vrij zwavelzuur en op een gehalte aan m a g n e s i u m c h 1 o r i d e.

5 0. Zij lossen op in i deel kond of in o. 15 deelen kokend ivater. In onderscheid met natrium sulfaat, dat minder oplosbaar is.

6°. De oplossing in water (1 =20) is neutraal. Afwezigheid van vrij zwavelzuur of, door verwisseling der kristallen bijv. met oxaalzuur en zinksulfaat, in \'t algemeen afwezigheid van andere zuur reageerende verbindingen.

70. Met zilvernitraat geve zij slechts een \'Jlauwe troebeling. Afwezigheid van chloride. Sporen worden toegestaan.

8°. De oplossing in water (1 = 20), met een gelijk volumen ammoniumchloride en een half volumen ammonia vermengd, blijve helder en ongekleurd. Afwezigheid van ijzer-, lood- en koperzouten.

90. ook na toevoeging van zwavelammonium. Afwezigheid van vreemde metalen in \'t algemeen.

io0. of van ammoniumcarbonaat. Afwezigheid van aard alkaliën.

ii0. 3 cM*. barytwater, met 1 Grm. Magnesiumsulfaat gekookt, doe geen reuk van ammonia ontstaan. Afwezigheid van a m m o-niumzout 1).

120. De door filtratie van het mengsel verkregen vloeistof kleur e, na met koolzuurgas in overmaat behandeld en nogmaals gekookt te zijn, curcumapapier niet of nauzvelijks bruin. Afwezigheid van kalium- en n at ri u m sulfaat i). Sporen worden toegestaan.

gt;) Bij ilcze reactie wordt het Magnesiumsulfaat door het barytwater als hydroxyde geprecipiteerd , terwijl, aanwezig ammoniumzout als ammonia ontwijkt. De voorgeschreven hoeveelheid barytwater is daartoe schijnbaar veel le gering, daar 1 Grm. Magnesiumsulfaat 1.28 Grtn. baryumhydroxyde ter precipitatie behoeft. In plaats van 3 cM3. zouden dus 30 cMs. genomen moeten worden. Dat hier echter zoo weinig barytwater reeds voldoende is voor het vrij maken van Nil3, is het gevolg van de werking van het geprecipiteerde magnesiumhydroxyde, dat alkalisch reageert (Mej. G 0 v e r s).

\') Bij deze reactie wordt nog aanwezig magnesiumzout door het kooldioxyde onder verwarming als carbonaat neergeslagen, terwijl mede het alkalihydroxyde in carbonaat wordt omgezet, dat echter opgelost blijft en zich door de alkalische reactie moet te kennen geven, nadat overmaat kooldioxyde door uitkoking is verwijderd. Het onderzoek op de zouten van vaste alkaliën geeft echter op deze wijze geene zekere uitkomsten, daar ook zuiver Magnesiumsulfaat, aldus behandeld, curcumapapier Hauw bruin kleurt en \'t derhalve moeilijk is om uil \'t verschil in lint te bepalen, of al dan niet zouten der vaste alkaliën aanwezig zijn (Mej. G 0 v e r s).

{U~ i Utu c c/c1 itnr-h. /LU S, v — C^cCc-

-ocr page 553-

g2i

SULFAS N A T RI C U S.

NATRIUMSULFAAT.

SAL M I R A B I L E GLAUBER I.

GLAUBER\'S ZOUT, WONDER ZOUT.

Doorschijnende, kleurlooze, verweerende kristallen, die door hitte water verliezen, een niet lichtende vlam blijvend geel kleuren en in 3 deelen koud of in 0.6 deelen kokend water oplossen, doch in sterken spiritus onoplosbaar zijn.

De oplossing in water (1 = 20) is neutraal en geeft met baryumchloride een wit neêrslag, met zilvernitraat echter slechts een opalescentie. Door zwavelwaterstof, door zwavelammonium of door natriumcarbonaat word\'; zij niet troebel of gekleurd.

Samenstelling. Na2SO4 10 H2O

Het normale natriumzout van het tweebasische zwavelzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door twee atomen van het eenwaardige metaal natrium.

Het Zout kristalliseert met tien moleculen kristalwater.

Bereiding. Behalve dat Natriumsulfaat uit zeewater en sommige bronwateren wordt afgescheiden, wordt het verkregen uit natrium-chloride en zwavelzuur bij de sodafabrikatie volgens de methode van Le-Blanc \'). Overigens wordt het te Stassfurth bereid door omzetting van geconcentreerde oplossingen van magnesiumsulfaat, uit kieseriet 2) bereid, met natriumchloride in de koude. Ook wordt

MgSO4 2 NaCl = Na^SO4 MgCl2

magnesium- natrium- natrium- magnesium-

sulfaat chloride sulfaat clilorkle

bij sommige bereidingen, zooals bij die van chloorwaterstof- en salpeterzuur, natriumhydrosulfaat als bijproduct gewonnen 3), waaruit door neutralisatie met natriumcarbonaat sulfaat wordt verkregen.

2 NaHSO4 Na^O3 = 2 Na^SO4 CO2 H20

natrium- natrium- natrium- kool- water

hydrosulfaat carbonaat sulfaat dioxyile

\') Zie blz. quot;154. gt;) Zie blz, 919. 1) Zie blz. 2() en 31,

-ocr page 554-

922

Het op een of andere wijze verkregen, minder zuivere Zout wordt, vooral van chloride, gezuiverd door herhaald omkristalli-seeren of beter op de wijze als bij Natriumcarbonaat \') is opgegeven.

Eigenschappen. Neutrale, doorschijnende, kleur-en reuklooze, bitter-zout smakende kristallen, die aan de lucht verweeren , daarbij langzamerhand ondoorschijnend worden en ten slotte tot poeder vervallen, door warmte smelten en gemakkelijk oplosbaar zijn in koud (2.8) en warm (0.4) water a), doch onoplosbaar in spiritus.— Zij kleuren een niet lichtende vlam blijvend en sterk geel. — De waterige oplossing (1 = 20) geeft met baryumchloride een wit neerslag, onoplosbaar in zuren.

Onderzoek.

1°. Doorschijnende, verzvcerende kristallen. Het Zout worde daarom in goed gesloten flesschen op eene koele plaats bewaard.

2°. kleur loose kristallen. Kleuring zou op een ij ze r-of kopergehalte of organische verontreinigingen kunnen wijzen.

30. een niet lichtende vlam blijvend geel kleuren. Bij verontreiniging met ka li u inzout zou de vlam, vooral door kobaltglas gezien, in den aanvang violetrood gekleurd zijn.

40. De oplossing in water is neutraal. Afwezigheid van n a t r i u m-carbonaat, dat alkalisch, en van natriumhydrosulfaat en vrij zwavelzuur, die zuur reageeren.

5°. met zilvernitraat echter slechts een opalescentie. Afwezigheid van chloride. Sporen worden toegestaan.

6°. Door zwavekvaterstof, door sivavelammonium of door natriumcarbonaat worde zij niet troebel of gekleurd. Afwezigheid van zware metalen als lood, koper, ijzer en zink, alsmede van calcium-en magnesium-verbindingen 3).

\') Zie Ijlz. 155.

*) De oplosbaarheid van Natriumsulfaat stijgt lot 33°; bij liooger temperatuur neemt de oplosbaarheid door overgang van bet kristaiwaterhoudende zout in het kristalwater-vrije weder af. Overigens vormt het Zout met water gemakkelijk oververzadigde oplossingen.

3) Over onderzoek op arsenik zie bij «Carbonas natricus», biz. 15G.

-ocr page 555-

92 3

SULFAS NA TRIG US EXSICCATUS.

UITGEDROOGD NATRIUMSULFAAT.

Een fijn, wit poeder, verkregen door Natriumsulfaat langzaam uit te drogen.

De oplossing in water voldoe aan dezelfde eischen van zuiverheid als die van Natriumsulfaat (1 = 20).

Van 1 Grm. Uitgedroogd Natriumsulfaat mag door hitte niet meer dan 50 mG. verloren gaan.

Samenstelling. Na2SO4 -}- HjO

Natriumsulfaat, zooveel mogelijk van kristalwater bevrijd, zcodat het nog ongeveer één molec. water bevat.

Bereiding. Natriumsulfaat smelt bij verwarming tot 30° in het kristalwater; bij voortgezette verhitting verliest het dit in den aanvang gemakkelijk, later vooral door samenpakking echter moeilijker. Beter doch langzamer, gaat het ook bij lagere temperatuur verloren, wanneer het o. a. aan droge lucht is blootgesteld. Ten einde het Zout uit te drogen, wordt het daarom gewoonlijk, na tot grof poeder gewreven te zijn, gedurende eenige dagen op papier eerst bij ongeveer 200 uitgespreid, totdat het geheel verweerd is, om de temperatuur daarna tot 40° a 50° te verhoogen, totdat hoogstens 50 pet. van het Zout is overgebleven. Vervolgens wordt het verkregen poeder eerst fijngewreven en daarna gezift (B 30), om ten slotte als een fijn, wit poeder in goed gesloten, liefst kalk-stopflesschen op eene droge plaats te worden bewaard.

Onderzoek.

10. De oplossing in water voldoe aan dezelfde eischen van zuiverheid als die van Natriumsulfaat (1 —26) \').

2°. Van 1 Grm. Uitgedroogd Natriumstdfaat mag door hitte niet meer dan 50 mG. verloren gaan. Op bovengenoemde wijze wordt het Zout niet geheel watervrij verkregen , terwijl het bovendien in uitgedroogden toestand lichtelijk een weinig vocht uit de lucht opneemt. De Ph. staat daarom een watergehalte van hoogstens 5 pet. toe.

») Zie bij «Sulfas natricus», blz. 9-2\'2.

-ocr page 556-

924

SULFAS ZINCICUS.

ZINK SULFAAT.

Kleurlooze kristallen met een scherpen metaalsmaak, die door hitte water verliezen. Zij zijn oplosbaar in 0.6 deelen water, doch onoplosbaar in sterken spiritus.

De oplossing in water (1 = 20) geeft met baryumchloride een wit en met zwavelammonium een wit, in chloorwaterstofzuur oplosbaar neêrslag. Door zilvernitraat worde zij niet veranderd en, na met eenig chloorwaterstofzuur vermengd te zijn, door zwavelwaterstof niet troebel of gekleurd.

3 cM3. barytwater, met 1 Grra. Zinksulfaat gekookt, doe geen reuk van ammoniak ontstaan en geve, na gefiltreerd, met koolzuurgas in overmaat behandeld en nogmaals gekookt te zijn, een vloeistof, die curcuma-papier niet of nauwelijks bruin kleurt.

1 Grm. Zinksulfaat geve met 10 cM8. water en 5 cM:i. ammonia een heldere en kleurlooze vloeistof, die met natriumphosphaat geen neêrslag geven mag.

Samenstelling. ZnSO4 7 H\'O

Het zinkzout van het tvveebasische zwavelzuur. De twee atomen waterstof van dit zuur zijn vervangen door één atoom van het tweewaardige metaal zink.

Het Zout kristalliseert met zeven moleculen kristalwater.

Bereiding. Zinksulfaat voor pharmaceutisch gebruik wordt verkregen door oplossen van zink in zwavelzuur.

Zn HiS04 = ZnSO4 -f zH

zink zwavelzuur zinksulfaat waterstof

In 8 dln. gewoon, ruw zwavelzuur, op de gebruikelijke wijze \') in eene kolf met 32 dln. gewoon water verdund , brengt men 6 dln. tot reepjes gebracht bladzink en verwarmt dc vloeistof zacht, zoodra de scheikundige werking ophoudt, totdat bij overmaat zink geen waterstof meer ontwijkt. Terwijl daarbij mogelijk aanwezig lood als sulfaat wordt neergeslagen, overigens met andere metalen als koper, cadmium, tin en antimoon door de overmaat zink onopgelost blijft, het antimoon verder tegelijk met arsenic, koolstof en zwavel grootendeels als waterstof-verbinding ontwijkt, wordt behalve het zink hoofdzakelijk ijzer als sulfaat opgelost. Ten einde het zinksulfaat hiervan te bevrijden, wordt na filtratie in de vloei-

\') Zie blz. 40.

-ocr page 557-

925

stof zóó lang chloorgas geleid, totdat zij er sterk naar riekt, waardoor het ijzer in den ferri-staat wordt overgebracht \'). Daarna wordt bij een gedeelte (-j^) van het vocht natriumcarbonaat-oplos-sing in overmaat gevoegd en vervolgens het daardoor gevormde neêrslag van basisch zinkcarbonaat, nadat het volkomen uitgewas-schen is, nog vochtig gemengd onder de overige, achtergebleven zinksulfaat-oplossing. Men laat de vloeistof hiermede cenige uren warm trekken, waardoor het ferri-zout in onoplosbaar hydroxyde wordt omgezet, terwijl eene evenredige hoeveelheid zink weder in oplossing komt, en wel digereert men zóólang, totdat een weinig afgefiltreerd vocht met tannine niet meer gekleurd wordt of na zuurmaking met kaliumfcrrocyanide geene blauwkleuring meer geeft. Men filtreert daarna en voegt bij het filtraat eenige droppels zwavelzuur, ten einde het kristalschieten te bevorderen. Daarna dampt men bij herhaling uit, tot een kristalhuidje zich aan de oppervlakte begint te vormen, voegt ter oplossing daarvan zoo weinig mogelijk water toe en laat vervolgens onder bekoeling de kristallen, ten einde kleine kristallen te verkrijgen onder eenig omroeren, zich afscheiden die men in een trechter verzamelt, zoo noodig door herkristallisatie, vooral van chloride, zuivert, eindelijk met een weinig water afwascht en ten slotte tusschen filtreerpapier droogt.

Het Zout worde in goed gesloten flesschen op eene koele plaats bewaard.

Eigenschappen. Zuilvormig groote, of naaldvormig kleine, doorschijnende, kleur- en reuklooze, scherp metaalachtig smakende kristallen, die in droge lucht langzaam vervveeren, door warmte water verliezen, gemakkelijk oplosbaar zijn in koud (0.6) en in warm (o.15) water, doch onoplosbaar in spiritus. — De oplossing in water (1 =20) reageert zuur; geeft met zwavelammonium een wit neerslag, oplosbaar in chloorwaterstof-, salpeter-en verdund zwavelzuur, onoplosbaar in azijnzuur; met alkali een wit, geleiachtig\'neérslag, gemakkelijk oplosbaar in overmaat; met natriumcarbonaat een wit neêrslag, onoplosbaar in overmaat; met kaliumferrocyanide een wit, slijmachtig, in chloorwaterstofzuur onoplosbaar; met kalium-ferricyanide een bruinachtig oranjegeel neerslag, in chloorwaterstofzuur oplosbaar. — De oplossing in water (1 = 20) geeft met

■) Zie blz. 180.

») Bij krislalscliioting in de warme vloeistof scheiileii zich kristallen mot geringer watergehalle af.

-ocr page 558-

926

baryumchloride een wit neerslag van baryumsulfaat, onoplosbaar in zuren.

Onderzoek.

1°. Kleurlooze kristallen. In onderscheid met het ruwe, met ijzer sterk verontreinigde zout van den handel in brooden.

20. Diet een scherpen ine taal smaak. In onderscheid met het isomorphe magnesiumsulfaat \').

3°. De oplossing in water (1 =20) geeft met zivavelanunoniuni een zult neerslag. In onderscheid met magnesiumsulfaat. Een gekleurd precipitaat zou op verontreiniging met ijzer kunnen wijzen. Zie ook sub 50.

4°. Door zilvernitraat zoor de zij niet veranderd. Afwezigheid van chloride.

5°. en, na met eenig ehloorzvaterstof zuur vermengd te zijn, door zzvavelzvaterstof niet troebel of gekleurd. Afwezigheid van lood, k op e r en c a d m i u m alsmede van a r s e 11 i k- en fe r r i-verbindingen.

6°. 3 eAD. barytzvater, met 1 Grm. Zinksulfaat gekookt, doe geen reuk van ammoniak ontstaan. In ouderscheid met en afwezigheid van ammoniumsulfaat 4).

7°. en geve, na gefiltreerd, met koolzuurgas in overmaat behandeld en nogmaals gekookt te zijn, een vloeistof, die eureumapapier niet of nauzuelijks bruin kleurt. Afwezigheid van a 1 k a 1 i-s u 1 fa a t 2).

8°. 1 Grm. Zinksulfaat geve niet 10 eM3. zvater en 5 cM*. ammonia een heldere en kleurlooze vloeistof. Afwezigheid van lood, mangaan, aluinaarde en ijzer, alsmede van koper, nikkel, kobalt en magnesium.

90. die met natriumphosphaat geen neerslag geven mag. Afwezigheid van magnesium-zout 3).

\') Overigens reageert Zinksulfaat zuur, terwijl Magnesiumsullaat neutraal reageert.

2) In onderscheid met Magnesiumsulfaat (zie blz. 920) is hier de voorgeschreven hoeveelheid barytwater te gering en moet deze tienmaal grooter worden genomen. Het gevormde zinkhydroxyde reageert nl. niet alkalisch en kan dus geen ammoniak, noch kalium- of natriumhydroxyde vrij maken (Mej. Go vers).

3) Vrij zwavelzuur, in \'t algemeen vrij mineraal zuur, kan in deze oplossing aangetoond worden door eene oplossing van methyl-violet, mclhylanilineviolet (10 niG. = 100 cM3.), dat daardoor blauw, bij groote hoeveelheden groen wordt gekleurd. Zeer geringe hoeveelheden kunnen nog duidelijk aangetoond worden, door het fijngewreven Zinksulfaat te schudden met de viervoudige hoeveelheid sterken spiritus en het filtraat, onder toevoeging van een weinig water, tot een paar cM3. uit te dampen (W efers Be t tin k).

-ocr page 559-

927

S U L F I D U M S T I B I C U M.

STIBIUMSULFIDE.

S U L F U R A U R A T U M A N T I M O N 11.

Een zeer fijn, oranje, reukloos poeder, dat in 200 deelen verwarmde ammonia, bijna geheel en in zwavelammonium geheel oplosbaar is.

Met een lo-voudige hoeveelheid water geschud, geve het een neutrale vloeistof, die niet terstond troebel wordt door baryumchloride of zilvernitraat. Met een oplossing van wijnsteenzuur (1 = 20) geschud, levere het een vloeistof, in wier fikraat, met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt, zwavelwaterstof geen of slechts een gering geelrood neérslag teweegbrengt.

100 mG. Stibiumsulfide geve, na met 1 cM3. salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot, dat met 4 cM3. chloorwaterstofzuur een vloeistof oplevert, die, gefiltreerd en met een gelijk volumen stannochloride verwarmd , niet troebel of gekleurd wordt.

Samenstelling. S^S5

Van het element stibium (antimonium) bestaan, evenals van arsenicum, twee zuurstofverbindingen: stibium(antimoon)/r/oxyde, Sb203, en stibium(antimoon)/^«/oxyde, SMO5, en de daarmede overeenkomstige zvvavelverbindingen: stibium(antimoon)^/suifide, SbïS:! en stibium(antimoon)/gt;^«/«sulfide, Sb2S\':. Het door de Ph. bedoelde preparaat is het laatstgenoemde \').

Bereiding. Deze berust op de vorming van natriumsulfostibiaat en daarop volgende ontleding van dit zout, het z.g. Scblippe\'s zout, door een zuur, waarbij stibiumpentasulfide wordt afgescheiden.

Het sulfozout, Na3SbS4 -j-Ql-PO, wordt bereid door eene verdunde natronloog te koken met een mengsel van stibiumtrisulfide en zwavel, waarbij tevens in hoofdzaak natriummetastibiaat wordt

4 Sb^S3 ■ 8 S 18 NaHO = 5 Na3SbS4 3 NaSbO3 9 H»0

slibium- zwavel natrium- natrium- natrium- water

trisulfide hydroxyde suifostibiaat metastibiaat

gevormd, dat onopgelost terugblijft. De te bezigen natronloog kan tegelijkertijd gevormd worden door koking eener natriumcarbonaat-oplossing met calciumhydroxyde.

Na2CO3 -f Ca(HO)2 = 2 NaHO CaCO3

natrium- calcium- natrium- calciuin-

carbonaat bydroxyde hydroxyde carbonaat

\') Volgens Dragendorff is Sulfid. stibieum niet Sb\'S6 doch Sb\'S3, gemengd met zwavel.

-ocr page 560-
-ocr page 561-
-ocr page 562-

baryi in zu

Or

iü. ij ze i

2 ®. isomc

3°.

een z( gek le wij zei

4°. van c

5°. zwav k op ê

6°. geen heid

7°. de ld niet c

8°. amnu m a n k o b;

9°. heid

\') 0

») In veelhei\' gevorm kalium-

3) v

aangek 100 cü geringe Zinksul onder ti

-ocr page 563-

926

927

umchloride een wit neerslag- van baryumsulfaat, onoplosbaar jrcn.

nderzoek.

. Kleurlooze kristallen. In onderscheid met het ruwe, met r sterk verontreinigde zout van den handel in brooden. . met een scherpen metaalsmaak. In onderscheid met het orphe magnesiumsulfaat \').

. De oplossing in water (i = 20) geeft met zivavelainmoniiun vit neerslag. In onderscheid met magnesiumsulfaat. Hen urd precipitaat zou op verontreiniging met ijzer kunnen n. Zie ook sub 50.

Door zilvermtraat ivorde zij niet veranderd. Afwezigheid : h 1 o r i d e.

en, na met eenig chloorwaterstofznur vermengd te zijn, door ekuaterstof met troebel of gekleurd. Afwezigheid van lood, r en cad m i u m alsmede van a r se 11 i k- en fe r r i-verbindingen, 3 eAP. bary timter, met 1 Grm. Zink sulfaat gekookt, doe reuk van ammoniak ontstaan. In onderscheid met en afwezig-van ammoniumsulfaat 4).

en geve, na gefiltreerd, met koolzuurgas in overmaat behan-rn nogmaals gekookt te zijn, een vloeistof, die eurcumapapier f nauwelijks brum kleurt. Afwezigheid van alkali-sulfaat 2).

i Grm. Zmksulfaat geve niet 10 cM3. water en 5 cM*. ma een heldere en kleurlooze vloeistof. Afwezigheid van lood, jaan, aluinaarde en ijzer, alsmede van koper, nikkel. It en magnesium.

die met natriuinphosphaat geen neerslag geven mag. Afwezigen magnesium-zout 3).

eiigens reageert Zinksulfaat zuur, terwijl Magnesiumsulfaat neutraal reageert, onderscheid met Magnesiumsulfaat (zie blz. 920) is hier de voorgeschreven hoe-barytwater to gering en moet deze tienmaal grooter worden genomen. Het e zmkhydroxyde reageert nl. niet alkalisch en kan dus geen ammoniak, noch of natriumhydroxyde vrij maken (Mej. Gevers).

ij zwavelzuur, in \'t algemeen vrij mineraal zuur, kan in deze oplossing nd worden door eene oplossing van methyl-violet, mcthylanilineuiolet {\\0 rnG, = \'.), dat daardoor blauw, bij groote hoeveelheden groen wordt gekleurd. Zeer hoeveelheden kunnen nog duidelijk aangetoond worden, door het fijngewreven at te schudden met do viervoudige hoeveelheid sterken spiritus en het filtraat, ivoegmg van een weinig water, lot een paar cM = . uit tedampen(Wefers Be 11 ink)!

SUL F I D U M S T I B I C U M.

s T I B I U M S U L F ID E.

SULFUR AURATUMAN \'1\' I M O N 11.

Een zeer fijn, oranje, reukloos poeder, dat in 200 deelen verwatmde ammonia bijna geheel en in zwavelammonium geheel oplosbaar is.

Met een io-voudige hoeveelheid water geschud, geve het een neutrale vloeistof, die niet terstond troebel wordt door baryumchloride of zilvernitraat. Met een oplossing van wijnsteenzuur (1 = 20) geschud, levere het een vloeistof, in wier filtraat, met chloorwaterstofznur zuur gemaakt, zwavelwaterstof geen of slechts een gering geelrood neörslag teweegbrengt.

100 rnG. Stibiumsulfide geve, na met 1 cM3. salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot, dat met 4 cM\'. chloorwaterstofzuur een vloeistof oplevert, die, gefiltreerd en met een gelijk volumen stannochloride verwarmd , niet troebel of gekleurd wordt.

Samenstelling. S^S5

Van het element stibium (antimonium) bestaan, evenals van arsenicum, twee zuurstofverbindingen: stibiumfantimoonj^rzoxyde, Sb203, en stibium(antimoon)/(?w/oxyde, Sbï05, en de daarmede overeenkomstige zwavelverbindingen : stibium(antimoon)/;\'2sulfide, Sb:2S3 en stibium(antimoon)/gt;^«tósulfide, SbïSs. Het door de Ph. bedoelde preparaat is het laatstgenoemde 1).

Bereiding. Deze berust op de vorming van natriumsulfostibiaat en daarop volgende ontleding van dit zout, het z.g. Schlippes zout, door een zuur, waarbij stibiumpentasulfide wordt afgescheiden.

Het sulfozout, Na3SbSi gH20, wordt bereid door eene verdunde natronloog te koken met een mengsel van stibiumtrisulfide en zwavel, waarbij tevens in hoofdzaak natriummetastibiaat wotdt

4 Sb2S3 -f 8S -f 18 Nal IO = 5 Na3SbS4 3 NaSbü3 9 IHO

stibium- zwavel natrium- natrium- natrium- water

trisulfide hydroxyde sulfostibiaat m(3taslibiaat

gevormd, dat onopgelost terugblijft. Ue te bezigen natronloog kan tegelijkertijd gevormd worden door koking eener natriumcarbonaat-oplossing met calciumhydroxyde.

Na2C03 -f Ca(HO)ï = 2 NaHO -j- CaCO3

natrium- calcium- natrium- calcium-

carbonaat hydroxyde hydroxyde carbonaat


1

) Volgens Dragen dor ff is Sulfid. stibicum niet Sb1S6 doch Sb2S3, gemengd met zwavel.

-ocr page 564-

928

Bij eene kokende oplossing van 75 dln. gewoon, ruw natrium-carbonaat in 300 dln, gewoon water wordt in een ijzeren pot onder omroeren gevoegd 26 dln. calciumoxyde, vooraf met 100 dln. water gebluscht en tot eene brij aangemengd, en, na dit mengsel gedurende een half uur gekookt te hebben , daaraan toegevoegd een vooraf goed onder elkander gebracht mengsel van 9 dln. zwavel en 36 dln. zwavelstibium \'). Dit geheel wordt onder voortdurend roeren met een houten spatel en aanvulling van het verdampte water zóólang gekookt, totdat de grauwe kleur geheel verdwenen is, waarna men onder toedekking van den pot, ten einde ontleding van het gevormde zout door het kooldioxyde der lucht te voorkomen, het vocht laat bezinken, om vervolgens het bovenstaande vocht in eene flesch van het bezinksel af te hevelen. Het bezonkene wordt daarna opnieuw gekookt met 150 dln. gewoon water en na bezinking het heldere vocht wederom op dezelfde wijze als het vorige verzameld, waarna de gezamenlijke vochten, door volledige bezinking volkomen helder geworden, ter kristallisatie bij herhaling worden uitgedampt. De kristallen worden in een trechter verzameld en met zeer verdunde natronloog afgewasschen, eensdeels om gemelde ontleding door hei: kooldioxyde der lucht, dat door de loog wordt gebonden, te voorkomen, anderdeels om mogelijk uit arsenikhoudend zwavelstibium op dezelfde wijze gevormd en aanhangend natriumsulfoarseniaat, dat overigens, als zijnde gemakkelijker oplosbaar, in de moederloog achterblijft, door afwas-sching en oplossing in de natronloog te verwijderen.

Uit dit natriumsulfostibiaat wordt het stibiumpentasulfide door behandeling met een zuur afgescheiden. 25 Dln. der goed afgedropen kristallen worden daartoe in 100 dln. water opgelost, de oplossing

2 Na1SbS2 3 IPSO4 = Sb3S4 3 Na2S04 3 HJS

natrium- zwavelzuur stibium- natriumsulfaat zwavel-

sulfostibiaat pentasulfide waterstof

zoo noodig spoedig gefiltreerd, met 300 dln. water verdund en

1

houdende mineraal wordt daartoe eerst door stampen en wrijven en daarna door slibben

2

met water tot oen zeer fijn poeder gebracht, dat nog vochtig met de dubbele hoeveelheid ammonia wordt behandeld en daarmede gedurende eenige dagen geschud. Aanwezig arseeutrisulfide lost in de ammonia op en wordt daardoor aan het poeder onttrokken, dat verder, van de ammoniakale oplossing door (illralie bevrijd en met water uitge-

3

Spiesglans, doch het daaruit verkregen, zuivere stibiumtrisuKide. Het onzuivere, arsenik-

4

wasschen, wordt gedroogd.

-ocr page 565-

daarna uitgegoten in een afgekoeld mengsel van 8 dln. zwavelzuur en 150 dln. water. De oplossing van het zout moet bij het zuur gevoegd worden en niet omgekeerd, wijl dit laatste, om een constant en geen preparaat te verkrijgen met afwisselend zwavelgehalte, steeds in overmaat aanwezig moet zijn. Wegens de ontwikkeling van zwavelwaterstofgas geschiede overigens deze bewerking op eene open plaats of onder een goed trekkenden schoorsteen. Nadat het oranjekleurige precipitaat volkomen bezonken is, wordt het bovenstaande vocht afgeschonken, het neerslag eerst door decantheeren, vervolgens, na op een linnen doek verzameld te zijn, met water zóólang uitgewasschen, tot het afvloeiende vocht met baryum-chloride na zuurmaking met chloorwaterstofzuur niet of nauwelijks meer troebel wordt. Daarna perst men voorzichtig uit en droogt het neerslag bij zachte warmte, 40°—50°, op eene donkere plaats, ten einde ontleding tegen te gaan, waarna het wordt fijngewreven en nogmaals zacht gedroogd.

Eigenschappen. Een zeer fijn, donker oranjerood, reuk- en smaakloos poeder, onoplosbaar in water, spiritus en aether, oplosbaar in zwavelammonium, bij verwarming tevens oplosbaar in ammonia en kaliloog, ook in chloorwaterstofzuur onder ontwikkeling van zwavelwaterstof en afscheiding van zwavel. In een nauw buisje verhit, sublimeert zwavel onder achterlating van zwart zwavelstibium.

Onderzoek.

1°. Een oranje poeder. Slaat op zorgvuldige bereiding en bewaring. De droging en bewaring nl. van het poeder moet geschieden onder afsluiting van licht, daar, vooral in vochtigen staat, verkleuring kan plaats hebben door oxydatie, waarbij naast zwavelzuur en thiozwavelzuur tevens stibiumtrisulfide en oxysulfide, bij een vochtig preparaat bovendien zwavelwaterstof kunnen ontstaan. De kleur van het preparaat wordt daardoor lichter, waarom men het buiten het licht en liefst in een kalkstopflesch moet bewaren.

20. reukloos. Een reuk naar zwavelwaterstof zou op onvoldoende afwassching of bewaring wijzen.

30. dat in 200 deelen verwarinde ammonia bijna geheel oplosbaar is. Afscheiding van een bruin poeder zou op stibiumtrisulfide wijzen. Sporen worden toegestaan. Ook vervalsching met ijzer-oxyde zou hierbij ontdekt worden.

40. en in zwavelammonium geheel oplosbaar is. Afwezigheid van

-ocr page 566-

930

vreemde verontreinigingen of vervalscliingcn als fijngemalen steen, zand, enz.

5°. Met een I o-vondige hoeveelheid water geschud, geve het een neutrale vloeistof. Afwezigheid van vrij zwa ve 1 z u u r of thio-z w a v e 1 z u u r.

6°. die niet terstond troebel ivordi door baryumchloride of zilvernitraat. Afwezigheid van zwavelzuur en sulfaat, van alkalisulfide en chloride, het laatste afkomstig van het gebruik van gewoon water voor de afwassching. Sporen worden toegestaan.

7°. Met een oplossing van wijnsteenzuur (i = 20) geschud, lev ere het een vloeistof, in wier Jiltraat, met chloonvaterstof zuur zuur gemaakt, zwavelwaterstof geen of slechts een gering geelrood nee\'r-slag teweegbrengt. Afwezigheid van stibiumtrioxyde of oxy-sulfide ten gevolge van slechte bewaring, die als tartraat zouden oplossen en door zwavelwaterstof worden geprecipiteerd. Sporen worden toegestaan.

8°. 100 mG. Stibiumsulfide geve, na met 1 cM*. salpeterzuur verdampt te zijn, een overschot, dat met 4 cM3. chloorwaterstof zuur een vloeistof oplevert, die, gefiltreerd en met een gelijk volumen stannochloride verwarmd, niet troebel of gekleurd wordt. Afwezigheid van arsenik (proef van Bettendorf), dat zich in vrijen staat zou afzetten.

SULFOPHENYLAS Z I N CIC U S.

ZINKSULFOP H E N Y L A A T.

Doorschijnende, kleur- en reuklooze kristallen, die in 2 dealen water en in 2 deelen sterken spiritus oplosbaar zijn.

De oplossing in water (1 = 10) wordt door ferrichloride violet gekleurd en geeft met zwavelanimonium een wit, in chloorwaterstofzuur oplosbaar neêrslag. 10 cM:i. van het Altraat mag, na door zwavelanimonium van zink bevrijd en verdampt te zijn, en nadat het overgeblevene gegloeid is, geen weegbaar overschot achterlaten.

De oplossing worde noch door verdund zwavelzuur, noch, nadat ammonia in overmaat daaraan is toegevoegd, door ammoniumoxalaat veranderd. Baryumchloride mag er niet meer dan een flauwe troebeling in te weeg brengen.

100 deelen Zinksulfophenylaat laten, na verbrand te zijn, 14.6 deelen Zinkoxyde achter.

-ocr page 567-

93i

Samenstelling. Zn 8 H10

Phenol lost in zwavelzuur gemakkelijk en onder geringe warmteontwikkeling op tot een phenolsulfozuur. Heeft c\'e oplossing bij gewone temperatuur plaats, clan ontstaat het ör/\'Z/f-phenolsulfozuur,

C0H5.OH H2S04 = C6H4:2go3 H20

phenol zwavel/.nur phenolsulfozuur water

bij verwarming op So0 daarentegen het /«rrt-phenolsulfozuur \'). Het preparaat der Ph. is het zinkzout van het/«rrt-phenolsulfozuur. In twee moleculen van dit zuur is de waterstof der HSO\'-groep vervangen door het tweewaardige metaal zink.

Het Zout kristalliseert met acht moleculen kristalwater.

Bereiding. 10 din. Phenol wordt in een kolf opgelost in 10.5 dln. zwavelzuur en deze oplossing op het waterbad gedurende eenige uren zóólang bij 90°—950 verwarmd, totdat een proefje geheel helder in water oplost, waarna zij in 200 dln. warm water wordt uitgegoten en terstond daarna met calciumcarbonaat in overmaat behandeld en geneutraliseerd. Ue oplossing van het

2 CeH4 ; pjgQ3 CaCO3 = (c«H4:gQ3 Vca CO2 H20

phenolsulfozuur calcium- calciumsulfophenylaat kool- water

carbonaat dioxyde

calciumsulfophenylaat wordt nog warm van de overmaat carbonaat en van mede uit overmaat zwavelzuur gevormd sulfaat afge-filtreerd, het neerslag met warm water uitgewasschen en aan de gezamenlijke filtraten 15.3 dln. zinksulfaat, in eenig water opgelost , toegevoegd, waardoor zinksulfophenylaat wordt gevormd onder afscheiding van calciumsulfaat. Onder toevoeging eener kleine

(C6H4 :HS03)1Ca ZnS04 = (C6H4 )\'Zn CaS04

calcium- zink- zink- calcium

sulfophenylaat sulfaat sulfophenjlaat sulfaat

hoeveelheid verdund zwavelzuur wordt de vloeistof na bezinking en filtratie tot droog uitgedampt en het achtergebleven Zout door

,) liet verschil tusschen hot orlho- en het para-zuur is gelegen in de ligging der IIS03-groep ten opzichte van het hydroxyl. Bij het o)\'(/io-zuur is de ligging der IlSO3-groep 1 :2, bij het para-zuur daarentegen I .\'4 (zie en vergelijk de figuren biz. 50G).

-ocr page 568-

932

omkristallisatie uit warmen alkohol, zoo nooclig onder toevoeging van dierlijke kool, gezuiverd. De na verdamping en bekoeling afgescheiden kristallen worden verzameld en bij gewone temperatuur gedroogd.

Eigenschappen. Doorschijnende, kleur- en reuklooze, licht verweerende kristallen, met zure reactie gemakkelijk oplosbaar in water (2) en in spiritus (2). — De oplossing in water (1 = 10) geeft met zwavelammonium een wit neerslag, oplosbaar in chloor-waterstofzuur \'). — De oplossing in water (1 — 10) wordt door ferrichloride violet gekleurd.

Onderzoek.

i0. kleurlooze kristallen. Bij bewaring aan lucht en licht worden de kristallen langzamerhand roodachtig gekleurd. Door omkristallisatie onder toevoeging eener kleine hoeveelheid zwavelzuur of door behandeling met dierlijke kool kunnen zij weder ontkleurd worden. Het Zout worde derhalve, ook tegen verweering, in goed gesloten flesschen tegen den invloed van het licht bewaard.

20. reuklooze kristallen. Afwezigheid van vrij phenol.

30. die in 2 deelen zvater en in 2 deelen sterken spiritus oplosbaar zijn. In onderscheid met het zout van phen oIs u 1 fo-zuur, dat gemakkelijker oplosbaar is. Niet geheele oplosbaarheid in spiritus zou kunnen wijzen op zinksulfaat alsmede op calciumsulfaat.

40. 10 cM%. van het jiltraat mag, na door ziuavclanunonium van zink bevrijd en verdampt te zijn, en nadat het overgeblevene gegloeid is, geen weegbaar overschot achterlaten. Afwezigheid van calcium-, baryum- en mag n esi u mzouten l)) alsmede van kalium- en natriumverbindingen.

50. De oplossing worde noch door verdund zwavelzuur veranderd. Afwezigheid van baryumzout.

6°. noch, nadat ammonia in overmaat daaraan is toegevoegd, door ammoniumoxalaat veranderd. Afwezigheid van calciumzout.

70. Baryumchloride mag er niet meer dan een Jlamvc troebeling in te weeg brengen. Afwezigheid van zwavelzuur.

\') Zie verdere zinkreactiën bij «Sulfas zincicus», blz. 925.

quot;) In plaats van calciumcarbonaat wordt voor do neutralisalie van het sulfozuur ook baryumsulfaat gebezigd.

-ocr page 569-

933

8°. loo deelen Zinksulfophenylaat laten, na verbrand tc zijn, 14.6 declen Zinkoxyde achter. 555 din. Zinksulfophenylaat^CH1: Zn

8 H4

O == S 55Jcorrespondeeren met 81 din. zinkoxyde (ZnO = 81); 100 din. van het Zout dus met 14.6 dln. ZnO1).

SULFUR D E P U R A T U M.

GEZUIVERDE ZWAVEL.

FLOR ES SULFURIS LOTI.

GEWASSCHEN ZWAVELBLOEMEN.

N. Gesublimeerde Zwavel honderd deelen.......100

Ammonia tien deelen.............10

Water honderd deelen............100

De zwavel wordt met water en de ammonia vermengd en na 24 uur uitgewasschen, gedroogd en gezift.

Een fijn, citroengeel poeder, dat verbrandt zonder bijna iets achter te laten en in verwarmde natronloog oplosbaar is.

Water, met Gezuiverde Zwavel geschud, mag niet zuur zijn, en, na verdampt te zijn, niets achterlaten.

10 cM3. ammonia, met 1 Grm. Gezuiverde Zwavel gedigereerd en gefiltreerd, geve, na met chloorwaterstofzuur oververzadigd te zijn, geen troebeling, ook niet na toevoeging van zwavelwaterstof.

Samenstelling. S

Het niet-metaal (metalloïde) zwavel.

Bereiding. Zwavel komt deels in den vorm van zwavelmetalen en zwavelzure zouten in de natuur voor; deels wordt zij in gedegen, vrijen staat in vulkanische streken, vooral op Sicilië, gevonden. In enkele streken, in Zweden nl., wordt zij door destillatie of onder

\') üetor geschiedt deze bepaling door liet met zwavelammonium afgescheiden zwavel-zink na afwassching en droging in een kroesje te verhitten, na bekoelingeenige droppels salpeterzuur toe te voegen, na verdamping op het waterbad daarvan weder te gloeien, vervolgens een weinig ammoniumcarbonaat toe te voegen en alsdan te glooien tot constant gewicht.

60

-ocr page 570-

934

gedeeltelijke verbranding in schachtovens uit pyriet, FeS», gewonnen ; voor \'t grootste gedeelte echter wordt zij in ruwen staat

3 PeS2 = Fe3S4 of (2 FeS.FeS4) -j- 2S

ijzerdisulfide ijzermonodisulflde zwavel

in de Romagna en op Sicilië fabriekmatig verkregen door uitsmelting van zwavelhoudende, vulkanische gesteenten.

De ruwe zwavel, gewoonlijk nog afwisselende hoeveelheden aardachtige stoffen bevattende, wordt vooral te Marseille gezuiverd dooramp;destillatie in ijzeren retorten, na vooraf door de geleidende warmte gesmolten te zijn in daarboven gelegen en door een buis daarmede verbonden reservoirs. De hals dezer retorten mondt uit in eene gesloten, groote, steenen ruimte, tegen de wanden waarvan zich de zwavelbloem afzet, terwijl zij bij verhoogde temperatuur smelt en door aftapping aan den bodem in houten vormen

als pijpen kan worden verkregen.

Deze z.g. gesublimeerde zwavel bevat steeds aanhangend zwavelzuur of zwaveligzuur, terwijl de zwavel, uit pyrieten verkregen, bijna zonder uitzondering arsenik bevat in den vorm van zwavelarsenik. Door doelmatige behandeling met ammonia lost dit laatste daarin op tot

As2S3 -f 6 NFD.HO = (NtD)3AsS3 -f (NH4)3AsOs 3^0

arseen- ammonia ammonium- ammonium- water

trisulfide sulfarseniet arseniet

sulfarseniet en arseniet, terwijl genoemde zuren tot oplosbaar ammoniumsulfaat en -sulfiet worden gebonden. Door daarop-

PPSO4 4- 2 NH4.HO = (NH4)iS04 4- 2 H20

zwavelzuur ammonia ammoniumsulfaat water

volgende behandeling en uitwassching met water worden deze verontreinigingen verder verwijderd.

Daar zwavel moeilijk water opneemt, wrijft men haar bij het volgen van het opgegeven voorschrift vooraf met een weinig warm water goed af, vermengt haar vervolgens langzamerhand met het overige water en brengt haar ten slotte in een toegedekten pot, flesch of kolf, waarna de ammonia wordt toegevoegd. Na herhaald omroeren of schudden gedurende 24 uur wordt door een doek gefiltreerd, de achtergebleven zwavel met water nagewasschen, totdat rood lakmoespapier niet meer blauw wordt gekleurd, vervolgens bij hoogstens 40° volkomen gedroogd en ten slotte gezift.

-ocr page 571-

935

Eigenschappen. Een neutraal, fijn, droog, citroengeel, reuken smaakloos poeder, onoplosbaar in water, weinig oplosbaar in spiritus (1000), iets beter in aether (500), gemakkelijk oplosbaar in benzol, chloroform, terpentijnolie en vooral in zv/avelkoolstof (3) alsmede in warme kali- en natronloog. Bij 114.50 smelt Zwavel tot eene dunne, lichtgele vloeistof; bij 160° wordt deze donkerder en taaivloeibaar; bij 200°—250° zeer taaivloeibaar, bijna vast; bij 330° wordt zij weder dunvloeibaar; bij 444.50 gaat zij in een bruinen damp over. Aangestoken, verbrandt zij met een weinig lichtende, blauwe vlam onder verspreiding van den reuk van zwaveldioxyde.

Onderzoek.

1°. Een fijn, citroengeel poeder. De Zwavel moet dus behoorlijk gezift (B 30), droog en door vocht niet klonterig zijn. De kleur van het poeder is lichter dan van de gewone, ongezuiverde, gesublimeerde zwavel en donkerder geel dan van geprecipiteerde zwavel.

2°. dat verbrandt zonder bijna iets achter te laten. Afwezigheid van n iet-v 1 uchtige, anorganische stoffen. Sporen worden toegestaan. In onderscheid met gewone, ongezuiverde, gesublimeerde zwavel, die tot 1 pet. aardachtige stoffen kan bevatten. Overigens wordt door het wasschen van de Z. het gehalte hieraan niet belangrijk verminderd.

3°. en m verwarmde natronloog oplosbaar is. Afwezigheid van v e r val sc h i n gen als calciumsulfaat, zand, enz. Eene roode afscheiding zou op seleen kunnen wijzen.

4°. Water, met Gezuiverde Zwavel geschud, mag niet zuur zijn. Afwezigheid van zwavelzuur en zwaveligzuur. Daar deze zuren zich, bij aanwezigheid van vochtigheid, allengs door de zuurstof der lucht vooral onder den invloed van het licht in Zwavel vormen, moet het poeder volkomen droog zijn en in goed sluitende flesschen op eene droge plaats tegen den invloed van het licht bewaard worden \').

5°. en, na verdampt te zijn, niets achterlaten. Afwezigheid van in water oplosbare stoffen, bijv. am mo n i u m zo u t en.

6°. 10 cAP. ammonia, met 1 Grni. Gezuiverde Zwavel gedtge-

\') Ook door te hooge temperatuur bij droging kan onder oxydatie zwavelig-en zwavelzuur ontstaan.

-ocr page 572-

93Ö

reerd en gefiltreerd, geve, na met chloonvater stof zuur oververzadigd te zijn, geen troebeling. Afwezigheid van zwavel ar senik gt;)• 7°. ook niet na toevoeging van zwavelwaterstof. Afwezigheid van arsenigzuur.

SULFUR PRAECIPITATUM. geprecipiteerde zwavel.

L A C S U L F U R I S.

Een zeer fijn, geelwit, amorph poeder, dat verbrandt zonder iets achter te laten en in verwarmde natronloog oplosbaar is.

Geprecipiteerde Zwavel zij geheel oplosbaar in zwavelkoolstof.

Water, dat met Geprecipiteerde Zwavel geschud en gefiltreerd is, mag niet zuur zijn, met zilvernitraat niet troebel worden en, na verdampt te

zijn , niets achterlaten.

io cM3. ammonia, met i Grm. Geprecipiteerde Zwavel gedigereerd en gefiltreerd, geve, na met chloorwaterstofzuur oververzadigd te zijn, geen troebeling, ook niet na toevoeging van zwavelwaterstof.

Samenstelling. S

Het niet-metaal (metalloïde) zwavel.

Bereiding. Deze zeer fijn verdeelde zwavel wordt langs natten weg bereid door ontleding van een persulfuur (polysulfide), gewoonlijk calciumpentasulfide, met een zuur, in dit geval chloorwaterstofzuur.

Daartoe wordt 12 din. gewoon calciumoxyde, na vooraf gebluscht

te zijn met 8 dln. kokend, gewoon water in een ijzeren pot onder gestadig roeren gedurende een uur gekookt met 24 dln. gewone, gesublimeerde zwavel onder toevoeging van 300 dln. gewoon water, dat bij verdamping van tijd tot tijd wordt aangevuld. Het mengsel van kalk en zwavel zet zich daardoor om in

3 Ca^O)2 12 S = 2G1S5 CaS203 3Hquot;0

calcium- zwavel calcium- calcium- water

hydroxyde peiitasullide thiosulfaat

gt;) Zie noot bij «Sulfur praecipitalum», blz. 939. ») Zie blz. 046 en 8(30.

-ocr page 573-

937

calciumpentasulfide en calciumthiosulfaat, welk laatste door langdurig koken gedeeltelijk ontleed wordt in calciumsultiet en zwavel,

CaSï03 = CaSO3 S

calcium- calcium- zwave\'

ttiiosulfaat sulfiet

terwijl dit eerste weder kan geoxydeerd worden tot sulfaat.

Het waterig vocht, dat derhalve hoofdzakelijk calciumpcntasulfide en calciumthiosulfaat opgelost houdt, hevelt men na bezinking in den tocgedekten pot zoo spoedig mogelijk van overmaat kalk, enz. af in een goed te sluiten flesch en kookt het achterblijvende nogmaals gedurende een half uur met 200 dln. water, laat weder bezinken en voegt ten slotte het afgehevelde vocht bij het eerste. Nadat verder de roodbruine vloeistof door \'rust geheel heider geworden is en door afgieten, het laatste vocht door filtratie, van het bezonkene is gescheiden, voegt men onder flink roeren langzaam toe 22 dln. chloorwaterstofzuur, verdund met 44 dln. gewoon water, waardoor zich onder ontwikkeling van zwavelwaterstof zwavel afscheidt. Het zuur dient hiertoe bij de zwavelkalk-

2 CaS5 -f 4HCI = 2 CaCl2 2 H2S 8S

calcium- chloor- calcium- zwavel- zwavel

pontasulfiile waterstofzuur chloride waterstof

oplossing gevoegd te worden en niet omgekeerd, wijl zich in het laatste geval waterstofpersulfiden, H^S5 of H2S3, zouden vormen, die, olieachtig van consistentie, zeer moeilijk uit de zwavel te verwijderen zijn en deze met een reuk naar zwavelwaterstof bededen. Voorts mag slechts zóóveel chloorwaterstofzuur worden toegevoegd, dat de vloeistof niet geheel kleurloos wordt, nog lichtgeel gekleurd blijft, m. a. w. dat hare reactie nog zwak alkalisch, niet zuur is, wat i.e. met de opgegeven hoeveelheid zuur het geval is. Bij toevoeging van overmaat zuur toch wordt niet alleen zwavel uit het persulfuur afgescheiden, doch ook uit het thiosulfaat, terwijl het daarbij gevormde zwaveldioxyde met de tevens ontwik-

CaS^O3 2HCI = CaCl2 -f SO1 -f S -f H20

calcium- chloor- calcium- zwavel- zwavel water

thiosulfaat waterstofzuur chloride dioxyde

kelde zwavelwaterstof door wederzijdsche omzetting eveneens zwavel

2H*S SO2 = 2 IPO -f 3S

zwavel- zwavel- water zwavel

waterstof dioxyde

-ocr page 574-

938

levert. Deze zwavel echter bezit niet de fijne verdeeling van de eerstbedoelde, is daarentegen meer week, taai en compact, waarom alleen die, uit het persulfuur afgescheiden, verlangd wordt. Daarenboven heeft eene blijvende alkalische reactie der vloeistof dit voordeel, dat mogelijk aanwezig zwavelarsenik, als calciumsulfar-seniaat, Ca3(AsS4)2, in oplossing, daarbij opgelost blijft, wijl dit slechts in zure oplossing wordt ontleed.

Na bezinking der afgescheiden Zwavel giet men het bovenstaande vocht af, vervangt dit onder omroeren door eene nieuwe hoeveelheid gewoon water, laat wederom bezinken, giet weder af en herhaalt deze bewerking nog een paar malen. Tot zooverre uitge-wasschen, wordt de Zwavel op een linnen doek gebracht, vervolgens met zeer verdund chloorwaterstofzuur (i = 4) ter bevrijding van kalk-zout en mogelijk aanwezige ijzerverbinding behandeld, daarna met water afgewasschen, tot het filtraat met zilvernitraat geen reactie meer geeft, eindelijk zoo spoedig mogelijk door zachte uitpersing van water bevrijd en ten slotte bij zachte warmte, niet boven 30° gedroogd.

Eigenschappen. Een neutraal, zeer fijn, droog, geelwit, amorph, reuk- en smaakloos poeder met overigens dezelfde eigenschappen als „Gezuiverde, Gesublimeerde Zwavel \').

Onderzoek.

1 o. Een zeer fijn poeder. Afwezigheid van zwavel,afkomstig van thiosulfaat, die compact is. Ten einde een zeer fijn poeder te verkrijgen, is het wenschelijk de Zwavel bij zoo laag mogelijke temperatuur, niet boven 30° te drogen.

20. geelwit. De kleur staat in verband met den zeer fijn verdeelden toestand van het poeder. In onderscheid met citroengele, gezuiverde, gesublimeerde zwavel. Ijzer-bevattende Z. is wankleurig.

30. dat verbrandt zonder iets achter te laten. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen als ca 1 ciu m-

zouten, zand, enz.

4^. en in verzvctrvtde natronloog oplosbaar is. Afwezigheid \\an vervalschingen als calciumsulfaat, zand, enz, of verontreinigingen, bijv. ijzerzout.

50. Gepraeeipiteerde Zwavel zij geheel oplosbaar in zwavelkools tof.

\') Zie bij «Sulpliur dopuratum», blz. 935.

-ocr page 575-

939

In onderscheid met en afwezigheid van zwavel, afkomstig van thiosulfaat, die in zwavelkoolstof onoplosbaar is. Ook kalk zouten, z w a v e 1 m e t a 1 e n, enz. zouden hierbij achterblijven.

6°. Water, dat met Geprecipiteerde Zwavel geschud en gefiltreerd is, mag niet zuur zijn. Afwezigheid van zwavelzuur en zwaveligzuur, ontstaan door te hooge temperatuur bij de droging of door ondoelmatige bewaring, die in goed gesloten flesschen op eene droge plaats tegen den invloed van het licht moet geschieden. Tevens afwezigheid van ch 1 oo r wa ter s tofzu u r bij onvoldoende uitwassching.

7 0. met zilvernitraat niet troebel worden. Afwezigheid van c h 1 o o r-waterstofzuur of chloride, sulfide en thiosulfaat.

8°. en, na verdampt te zijn, niets achterlaten. Afwezigheid van in water min of meer oplosbare stoffen, bijv. oplosbare k a 1 inzouten.

9°. io cM*. ammonia, met \\ Gnn. Geprecipiteerde Zwavel gedigereerd en gefiltreerd, geve, na met chloorwater stof zuur oververzadigd te zijn, geen troebeling. Afwezjgheid van zwavel-arsenik \').

io0. ook niet na toevoeging van zwavelwaterstof. Afwezigheid van arsenigzuur.

ü

■M 1 \'ijl

Ijjafr

SUMMITATES A B S I N T H 11.

ALSEM T O P 1\' E N.

De bloeiende takken van Artemisia A b s i n t h i u m L., ingezameld kort vóórdat de bloemkorfjes geopend zijn.

Bloeiwijze tros-pluimvormig; bloemkorfjes tot 3 millimeter breed, bijna bolrond, knikkend; bloempjes klein, geelachtig, op een vlokkig behaarden bloembodem. Reuk aromatisch; smaak zeer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen :

1°. 0.4—0.5 pet. vluchtige olie van ongeveer 0.970 soort.

• c

\') In plaats van ammonia is liet belei\' ammoniumcarbonaat te bezigen, ten eimie de vorming van zwavelatnmoniutn tegen te gaan, waardoor zich bij toevoeging van zuur zwavel zal afscheiden (S c h m i d t).

ml

Bfu;

-ocr page 576-

938

levert. Deze zwavel echter bezit niet de fijne verdeeling van de eerstbedoelde, is daarentegen meer week, taai en compact, waarom alleen die, uit het persulfuur afgescheiden , verlangd wordt. Daarenboven heeft eene blijvende alkalische reactie dei vloeistof dit voordeel, dat mogelijk aanwezig zwavelarsenik, als calciumsulfar-seniaat, Ca3(AsS4)2, in oplossing, daarbij opgelost blijft, wijl dit slechts in zure oplossing wordt ontleed.

Na bezinking der afgescheiden Zwavel giet men het bovenstaande vocht af, vervangt dit onder omroeren door eene nieuwe hoeveelheid gewoon water, laat wederom bezinken, giet weder af en herhaalt deze bewerking nog een paar malen. Tot zooverre uitge-wasschen, wordt de Zwavel op een linnen doek gebracht, vervolgens met zeer verdund chloorwaterstofzuur (i = 4) ter bevrijding van kalk-zout en mogelijk aanwezige ijzerverbinding behandeld, daarna met water afgewasschen, tot het filtraat met zilvernitraat geen reactie meer geeft, eindelijk zoo spoedig mogelijk door zachte uitpersing van water bevrijd en ten slotte bij zachte warmte, niet boven 30°, gedroogd.

Eigenschappen. Een neutraal, zeer fijn, droog, geelwit, amorph, reuk- en smaakloos poeder met overigens dezelfde eigenschappen als „Gezuiverde, Gesublimeerde Zwavel l).

Onderzoek,

10. Een zeer fijn poeder. Afwezigheid van zwavel, afkomstig van thiosulfaat, die compact is. Ten einde een zeer fijn poeder te verkrijgen, is het wenschelijk de Zwavel bij zoo laag mogelijke temperatuur, niet boven 30° te drogen.

20. geelwit. De kleur staat in verband met den zeer fijn verdeelden toestand van het poeder. In onderscheid met citroengele, gezuiverde, gesublimeerde zwavel. Ijzer-bevattende Z. is wankleurig.

30. dat verbrandt zonder iets achter te laten. Afwezigheid van n iet-vluchtige, anorganische stoffen als calciu mi-zou ten, zand, enz.

40. en in verzvarinde natronloog oplosbaar is. Afwezigheid van vervalschingen als calciumsulfaat, zand, enz, of verontreinigingen, bijv. ijzerzout.

5 0. Gepraeeipiteerde Zivavel zij geheel oplosbaar in zwavelkoolstof.

\') Zie bij «Sulpliui\' depuratum», blz. 935.

-ocr page 577-

939

In onderscheid met en afwezigheid van zwavel, afkomstig van thiosulfaat, die in zwavelkoolstof onoplosbaar is. Ook ka Ik zouten, z vva ve 1 met a ie n, enz. zouden hierbij achterblijven.

6°, Water, dat met Geprecipiteerde Zwavel geschud en gefiltreerd is, mag niet zuur zijn. Afwezigheid van zwavelzuur en zwaveligzuur, ontstaan door te hooge temperatuur bij de droging of door ondoelmatige bewaring, die in goed gesloten flesschen op eene droge plaats tegen den invloed v;;n het licht moet geschieden. Tevens afwezigheid van c hloor water stofzuur bij onvoldoende uitwassching.

70. niet zilvernitraat niet troebel worden. Afwezigheid van chloor-waterstofzuur of chloride, sulfide en thiosulfaat.

8°. en, na verdampt te zijn, niets achterlaten. Afwezigheid van in water min of meer oplosbare stoffen, bijv. oplosbare k a 1 k-zouten.

9°. io cM*. ammonia, met i Grm. Geprecipiteerde Zwavel gedigereerd en gefiltreerd, geve, na met chloorwater stof zuur oververzadigd te zijn, geen troebeling. Afwezigheid van zwavel-arsenik \').

io0. ook niet na toevoeging van zwavelwaterstof. Afwezigheid van arsenigzuur.

I i

■1

[i

SUMMIT ATES A B SIN TUIL

ALSEMTOPPE N.

Ue bloeiende takken van Arte m i s i a A b s i n t h i u m L., ingezameld kort vóórdat de bloemkorfjes geopend zijn.

Bloeiwijze tros-pluimvormig; bloemkorfjes tot 3 millimeter breed, bijna bolrond, knikkend; bloempjes klein, geelachtig, oj) een vlokkig behaarden bloembodem. Reuk aromatisch; smaak zeer bitter.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

1°. 0.4—0,5 pet. vluchtige olie van ongeveer 0.970 soort.

ii i

11 I

m \'.\'if

: i .\'feil !tÉ

\') In plaats van ammonia is het beter ammonlumcarbonaat te bezigen, ten einde de vorming van zwavelammonium tegen te gaan, waaidoor zich bij toevoeging van zuur zwavel zal afscheiden (S c b m i d t).

1 i, ■

1»;

ff ii

-ocr page 578-

94°

gew., neutraal, dunvloeibaar, later lijviger, donkergroen of bruingroen tot bruin, zeer aromatisch van reuk en smaak, in gelijke dln. en verder in elke verhouding oplosbaar in alcohol. Zij bevat terpenen, kokende bij 150°—1600 en bij 170°—180°; absinthol, C10H16O, cene olie, kokende bij 1950, en eene blauwe olie, polymeer met absinthol, veel overeenkomst vertoonende met Kamilleolie, kokende bij 300°, die door salpeterzuur onder ontleding en dampvorming eerst groen, later blauw en door zwavelzuur eerst blauw, daarna violet wordt gekleurd.

2°. absynthiine, C40H58O8 H20 of C^H^O4 -fH20, eene neutrale, amorphe of onduidelijk kristallij ne, zwak geelachtige, bijna kleurlooze, aromatisch riekende bitterstof, smeltende bij 120°—125°, bijna onoplosbaar in koud, weinig oplosbaar in warm water, gemakkelijk in spiritus en aether. Zwavelzuur lost haar op met bruinachtige, spoedig groenachtig-blauwe kleur, die bij toevoeging van water donkerblauw wordt.

Voorts hars, a p p e 1 z u u r, b a r n s t e e n z u u r (a 1 s e m z u u r) ?, looizuur en 7 pet. asch, waarin ongeveer 3 pet. kaliumnitraat.

Afkomst. Arthemisia Absinthium L. is een overblijvend kruid uit de familie der Compos it ae, over het grootste gedeelte van Europa verspreid, ook in ons land in \'t wild gevonden en bovendien gekweekt. In wilden staat grijs-zijdeachtig behaard, is dit weinig het geval bij de gekweekte plant, welke daarenboven ook minder aromatisch is en minder werkzaam zou zijn, terwijl juist die, welke op zonnige, steenachtige plaatsen in \'t wild groeit, voor het werkzaamst wordt gehouden. Door enkele Ph. wordt dan ook de inzameling van in \'t wild groeiende exemplaren geeischt, hetgeen onze Ph. in \'t midden laat.

De bloeiende takken, welke aan den top van den opgerichten, pluimvormig-vertakten stengel voorkomen, worden verzameld kort vóórdat de bloemkorfjes zich openen, dus vóór Juni, en daarna zacht gedroogd (5 == 1), door welke laatste bewerking de geur sterk vermindert. Vroeger werden de hoogste, driespletige en gave, van onder met een dun, witachtig vilt bedekte bladen mede verzameld, die men na droging meestal in gebroken of gekneusden vorm onder de takken vond. Daar deze echter thans in het artikel niet meer worden beschreven, mag men hieruit afleiden, dat zij niet meer bij de toppen worden geduld, evenmin als somtijds onder de waar aangetroffen, dikkere, houtige stukken der takken.

-ocr page 579-

94i

Onderzoek.

1°. bloempjes op een vlokkig behaarden bloembodem. In onderscheid met andere onzer inlandsche of gekweekte Arte mi slasoorten.

SUPPOSITORIA.

Z E T P I L L E N.

Indien geen andere samenstelling voorgeschreven is, neme men

Cacaoboter negentig deelen...........90

Eenvoudige Zalp tien deelen...........10

Deze verhouding kan, naar gelang van de temperatuur en van het voorgeschreven geneesmiddel, eenigszins gewijzigd worden. De fijn gesneden Cacaoboter worde met de zalf, waarin het geneesmiddel nauwkeurig verdeeld is, vermengd en de massa tot den kegelvorm gebracht.

Het gewicht van elke Zetpil moet, zoo niet anders verlangd wordt, voor volwassenen 4, voor kinderen 2 Grm. bedragen.

Bereiding. Suppositoria, Zetpillen, zijn artsenijvormen tot uitwendig gebruik, gewoonlijk kegel-, somtijds eivormig of rond. In den kegelvorm zijn zij aan het breedste gedeelte vlak met een diameter van 1.0 —1.5 cM., 2.0—4.5 cM. lang en aan het smalste einde een weinig afgestompt. Haar gewicht bedraagt 2—5, volgens de Ph., zoo niet anders verlangd wordt, voor volwassenen 4, voor kinderen 2 Grm. Zij bestaan bf enkel uit eene grondstof, die dan tevens als geneesmiddel dienst doet, bijv. zeep, bf uit eene grondstof als voermiddel, bijv. zeep, cacaoboter, was, glycerine-gelatine \'), enz., in \'t algemeen bij lichaamstemperatuur vervloeiende

\') De glycerine-gelatine bestaat uit een mengsel van gelatine, glycerine en water, waarvan de onderlinge verhouding vooral bepaald wordt door den aard en de hoeveelheid der werkende stolTen. In \'t algemeen bezigt men een mengsel van 10 dln. gelatine, 20 dln. glycerine en 40 dln. water, uitgedampt tot 50 dln. Voor hygroscopiscbe stoffen gebruikt men 10 dln. gelatine en 15 dln. glycerine, met 40 dln. water uit te dampen lot 25 dln.; voor tannine dezelfde massa met 30 pet. glycerine, waarin de tannine vooraf is opgelost; voor vaginaalkogels IG dln. gelatine en 30 dln. glycerine, met 40 dln. water uit te dampen tot 60 dln.; voor in water onoplosbare stoffen, zooals jodoform, 30 dln. gelatine en 15 dln. glycerine, met 120 dln. water uit te dampen tot 104 dln. Men laat de gelatine, in kleine stukjes gesneden, een uur met het water weeken, lost haar

-ocr page 580-

942

stoffen, waaronder één of meer eigenlijk werkende geneesmiddelen, zooals tannine, morphine-, cocainezout, enz. zijn gemengd

Bestaat de Zetpil uit een enkele stof, bijv, zeep of cacaoboter, dan wordt deze, geraspt of gesneden, in een mortier met een weinig aether met spiritus fijngewreven en met behulp van een weinig eener weekere stof, zooals reuzel, lanoline, vaseline of eenvoudige zalf tot eene behoorlijke massa gebracht. Volgens de Ph. neemt men daartoe, indien geene andere samenstelling is voorgeschreven en naar gelang van de temperatuur, op 90 dln. cacaoboter 10 dln. eenvoudige zalf2). Men weegt vervolgens de hoeveelheid voor elke pil af en rolt deze met behulp van een plankje, door een onge-lijkmatigen druk op de massa uit te oefenen, tot den kegelvorm ter verlangde grootte, strijkt de grondvlakte met een warme spatel glad en fatsoeneert verder den top. Gewoonlijk echter en beter maakt men gebruik van z.g. suppositoriavormen, voor één of meer zetpillen vervaardigd. Nadat de daarin voorkomende holten met een weinig glycerine zijn bestreken, ten einde het aankleven te voorkomen, wordt de afgewogen hoeveelheid van de massa in de uitholling gebracht en met behulp van een daarbij behoorend stampertje vast aangedrukt. Nadat daarna de twee gelijke metalen helften, waaruit de vorm bestaat, van elkander zijn losgemaakt, wordt de pil uit de holte geschoven en zoo noodig het grondvlak benevens aan de zijden mogelijk voorkomende, uitstekende randen met een warme spatel gladgestreken. Gewoonlijk worden zij verder met een weinig talcum bestrooid en in waspapier of bladtin gewikkeld.

Bestaat de Zetpil uit een voermiddel met één of meer werkende geneesmiddelen, dan worden deze, na vooraf naar den aard der

verder op \'t waterbad daarin op, voegt vervolgens de glycerine bij en dampt tot de verlangde dikte uit. Do geneesmiddelen worden, zoo mogelijk vooraf in een weinig water opgelost, overigens tot fijn poeder gebracht, onder de massa geroerd, waarna deze in vormen wordt gegoten (v. I t a 11 i e).

■) In den handel komen holle supposiloria van verschillenden vorm voor, uit gelatine of cacaoboter vervaardigd, waarin de geneesmiddelen, al of niet met cacaoboter gemengd, door eene opening kunnen worden gebracht, welke verder met een dekseltje van dezelfde stof wordt gesloten. Terwijl alle vloeibare en poedervormige stollen op deze wijze als zetpil kunnen worden afgeleverd, hebben deze suppositoria het nadeel, dat de geneesmiddelen niet gelijkmatig over de massa zijn verdeeld, maar door een laag cacaoboter of gelatine zijn bedekt, die vóór de werking moet wegsmelten. Die, uit gelatine vervaardigd, moeten bovendien vóór \'t gebruik eenige oogenblikken in warm water gelegd worden (S c h r ö d e r).

5) In den winter bijv. heeft deze bijvoeging van unguentnm simplex al heel weinig zin.

-ocr page 581-

943

stot, hetzij op zichzelf of met zoo weinig mogelijk water, olie, enz. fijngewreven te zijn, onder de reuzel, lanoline, vaseline of, volgens de Ph., onder de eenvoudige zalf nauwkeurig gemengd en verder met de grondstof tot massa gebracht. Ook wel wordt de grondstof vooraf gesmolten, daarna in den mortier geroerd totdat zij weder half bekoeld is, vervolgens de addities er onder gebracht en de massa ten slotte in de vormen gegoten. Afgezien echter van mogelijk nadeelige gevolgen door de verwarming der werkende stoffen, is de gelijkmatige verdeeling daarvan door mogelijke uitzakking bij het uitgieten nimmer zoo nauwkeurig als bij eerstgenoemde methode \'),

T A X N A S C H IN IN I.

KININETANNAA T.

Een geelwit, eenigszins bitter, smeltbaar en nagenoeg geheel verbrandbaar poeder, dat in koud water weinig, doch in warm water en in warmen sterken spiritus wèl oplosbaar is.

Water, dat met Kininetannaat geschud is, wordt met ferrichloride blauwgroen.

Wordt i Grm. Kininetannaat met 8 cM1. water en 2.5 cM3. natronloog op een waterbad verwarmd en, na bekoeld te zijn, met 20 cM3. chloroform geschud, dan moet io cM3. van deze chloroform, na verdampt en bij 100° gedroogd te zijn, een doorschijnend en bijna kleurloos overschot achterlaten, tot een bedrag van ten minste 100 mG.

Een weinig van dit overschot, in chloorwater opgelost, geve een vloeistof, die door overmaat van ammonia smaragdgroen gekleurd wordt.

Kininetannaat bevat ongeveer 20 pet. Kinine.

Samenstelling.

Kininetannaat is eene moleculaire verbinding van het alkaloïde kinine met looizuur. Overigens is de samenstelling eene wisselende,

1

voegen en lo verdampen tot 100 dln., waarna de nog vloeibare massa in vormen wordt gegoten. Daar zij zeer hygroscopisch zijn, worden zij, na vooraf gelijk gesneden te zijn, in was- of paraffinepapier gewikkeld {v. 11 a 11 i e).

-ocr page 582-

944

wat betreft het gehalte aan kinine en tannine, en liangt deze geheel af van de bereidingswijze. Een preparaat, bestaande uit I molec. kinine en 3 molec. tannine, C20H:i4N2OJ.3 C\'4H10O9, bevat 25 pet. kinine. Het Kininetannaat der Ph., dat ongeveer 20 pet. kinine moet bevatten, zal dus deze samenstelling ongeveer nabij komen 1)

Bereiding. Voorschriften, welke een tannaat met ongeveer 20 pet. kinine leveren, zijn:

i0. 9 dln. Kininesulfaat wordt in 300 dln. koud water onder toevoeging van eenig azijnzuur opgelost, deze oplossing onder omroeren in eene oplossing van 20 dln. looizuur in 200 dln. water gegoten en hieraan droppelsgewijze zooveel ammonia toegevoegd. dat de reactie nog zwak zuur is. Het neerslag wordt na bezinking verzameld, eenige malen met kleine hoeveelheden koud water uitgewasschen. tusschen vloeipapier geperst en op eene donkere plaats bij 30°—40°, vervolgens na fijnwrijving nogmaals bij die temperatuur zeer omzichtig gedroogd. Het preparaat bevat ongeveer 25 pet. kinine.

2°. 4 dln. Kininesulfaat wordt onder toevoeging van 3 dln. verdund zwavelzuur in 80 dln. water opgelost en hieraan onder omroeren toegevoegd eene heldere oplossing van 12 dln looizuur in 240 dln. water. Het afgescheiden neerslag wordt op een filter verzameld, zorgvuldig met water afgewasschen en bij hoogstens 30° als boven gedroogd. Het preparaat bevat ongeveer 23 pet. kinine.

30. 4 Grm. Kinine wordt in een mortier innig gemengd met 16 Grm. tannine a) en dit mengsel, na bijvoeging van 8 cM3. alcohol

1

Oplossingen van kinine en hare zouten worden door tannine geprecipiteerd. Het ontstane neerslag, oen tannaat, bezit eeliter niet steeds gelijke samenstelling; deze hangt geheel af van de bereidingswijze, in hoofdzaak van de onderlinge verhouding der gebezigde hoeveelheden kinine en tannine. Bij gelijke moleculen kinine en looizuur bijv. blijft steeds eene kleine hoeveelheid kinine in oplossing, wordt dus niet alle kinine als tannaat neêrgeslagen. Vermeerdert men de hoeveelheid tannine, dan wordt het precipitaat wel rijker daaraan, doch niet in verhouding tot de vermeerderde tannine. De samenstelling van het tannaat is derhalve eene wisselende en, ten einde een preparaat van bepaalde samenstelling, i. c. een zeker kininegehalte, te verkrijgen, moot dus een bepaald voorschrift nauwkeurig worden opgevolgd. De Ph. is in gebreke gebleven :«n voorschrift voor dit preparaat te geven.

\') De kinine moet voldoen aan de chromaatproef (zie bij «Sulfas Chinini», blz. 900), mag geen sporen zwavelzuur bevatten, na afwrijven met water niet reageeren op phe-nolphtaleïne en moet, evenals de tannine, vooraf door verwarming op het waterbad van water worden bevrijd (d e V r ij).

-ocr page 583-

945

van ongeveer 95 pet., stevig dooreengekneed, waardoor men plotseling eene pillenmassa verkrijgt. Deze massa wordt tot dunne cilinders gerold, welke men gedurende eenige dagen bij 150—20° aan de lucht blootstelt, waarna men ze tot dunne plaatjes vormt, die men laat liggen totdat ze broos zijn en tot een grof poeder kunnen gewreven worden. Nadat dit nog aan de lucht is blootgesteld , ten einde volkomen droog te worden, wordt het tot fijn poeder gewreven (de Vrij). Het preparaat bevat juist 20 pet. kinine \').

Eigenschappen. Een geelwit of lichtgeel, bijna smaakloos of eenigszins bitter, al of niet smeltbaar, geheel of nagenoeg geheel verbrandbaar poeder, in koud water weinig (800), in warm water beter (30) oplosbaar, alsmede in kouden, gemakkelijk in warmen spiritus, weinig in aether, beter in warme glycerine.

Water, dat met Kininetannaat geschud is, wordt met ferrichloride blauwgroen. Met water gekookt, ontstaat daarin met ferrichloride een neerslag van ferritannaat.

1 Grm. Kininetannaat, met 8 cM3. water en 2.5 cM3. natronloog op een waterbad verwarmd en, na bekoeling, met 20 cM3. chloroform geschud, moet bij verdamping van 10 cM3. daarvan een overschot achterlaten dat, in chloorwater opgelost, een vloeistof geeft, die door overmaat van ammonia smaragdgroen wordt gekleurd {thalleoki7ie-rea.ci\\e).

Onderzoek.

1°. Een geelwit poeder. Bij droging mag geene hoogere temperatuur dan 30° aangewend worden, wijl daardoor het preparaat wankleurig, donkerder gekleurd zou worden. Het worde in goed gesloten ilesschen tegen vocht bewaard.

20. eenigszins bitter. De smaak kan verschillen van bijna smaakloos tot eenigszins samentrekkend bitter. Kininetannaat is minder bitter, naar mate het rijker aan looizuur is en omgekeerd. Bij overmaat looizuur daarentegen wordt het sterk samentrekkend van smaak.

\') Van de drie opgegeven voorschriften is het laatste zeer zeker het beste. De twee eerste tannaten bevatten steeds geringe hoeveelheden zwavelzuur, zijn daarom niet geheel oplosbaar in verdund chloorwaterstofzuur en bevatten geen constant gehalte aan kinine. Het laatste daarentegen is gemakkelijk te bereiden, kan geen zwavelzuur bevatten, is geheel oplosbaar in verdund chloorwaterstofzuur en bevat een constant kininegehalte van 20 pet., terwijl de bereidingswijze, wat de hoeveelheden kinine en tannine betreft, gemakkelijk kan gewijzigd worden, wanneer een hooger gehalte aan kinine, bijv. 30—32 pet., zooals de Ph. Germ, voorschrijft, wordt verlangd.

-ocr page 584-

946

3°. smeltbaar. De smeltbaarheid op het waterbad van het poeder hangt af van het watergehalte, dat tot 15 pet. kan bedragen, zonder dat zulks aan het uiterlijk is waar te nemen \').

40. en nagenoeg geheel verbrandhaar poeder. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen. Sporen worden toegestaan.

50. Wordt 1 Grin. Kininetannaat met 8 cM*. zvater en 2.5 eM*. natronloog op een waterbad verwarmd en, na bekoeld te zijn, met 20 eAP. chloroform geschud, dan moet 10 cMz. van deze chloroform, na verdampt en bij ioo0 gedroogd te zijn, een doorschijnend en bijna kleurloos overschot achterlaten, tot een bedrag van ten minste 100 niG. Bepaling van het gehalte aan kinine, dat diensvolgens minstens 20 pet. moet bedragen J).

6°. Een weinig van dit overschot, in chloorwater opgelost, geve een vloeistof, die door overmaat van ammonia smaragdgroen gekleurd wordt. Reactie op aanwezigheid van kinine 3).

70. Kininetannaat bevat ongeveer 20 pet. kinine. Zie sub 50-

\') Het ware daiiroin wenschelijk geweest ook hiervoor oen grens te stellen en in verband daarmede het gehalte aan kinine evenredig te verhoogen. Ook uit dit oogpuit is het preparaat do Vrij te verkiezen, wijl dit geen water bevat, liet is daarom ook niet smeltbaar en beantwoordt in zooverre niet aan de eischen der Ph.

J) Bedoeld zal wel zijn ongeveer 100 mG., wijl anders ook een preparaat met een hooger gehalte dan 20 pet. mag gebezigd worden, wat in strijd is met de bepaling, dat het Kininetannaat ongeveer 20 pet. kinine bevat.

liij de opgegeven methode is de voorgeschreven verwarming op bet waterbad voor de ontleding overbodig en voor de uitschudding nadeelig, daar do afgescheiden kinine daardoor hard wordt en moeilijker in chloroform oplost. Overigens moet de behandeling met chloroform geschieden door zacht schudden, wijl dit het spoedig helder worden der chloroform-laag bevordert. In plaats van met chloroform kan de uitschudding ook met aetlier uit 2 Grm. van het preparaat gescbieden, welke echter alsdan dient herhaald te worden, liet Kininetannaat worde vooraf wegens bet wisselend watergebalte op het waterbad daarvan bevrijd (de Vrij).

*) Om zich te overtuigen, dat bet residu geheel uit kinine bestaat, wordt dit nabij kookhitte in 20 cM3. zeer verdund zwavelzuur opgelost, zoodat eene heldere, gevoelig rood lakmoespapier blauw kleurende vloeistof verkregen wordt. Bij deze warme oplossing worden gevoegd 3 cM3. eener 5 pet.-oplossing van kaliumebromaat. Na bekoeling tot 15° wordt zij door glasvvol gefiltreerd en bij bot geheel heldere filtraat 3 5 droppels natronloog gevoegd. Na verwarming der vloeistof in bet waterbad moet de vloeistof volmaakt helder blijven, ook na bekoeling en bij Staan na 24 uur (de Vrij).

-ocr page 585-

947

TANNIN U M.

TANNINE.

A C I D U M T A N N I C U M,

LOOIZUUR.

Lichte, glanzende schubjes of een geelachtig-vvit poeder, dat sterk samentrekkend smaakt.

Tannine smelt door hitte en laat, na verbrand te zijn, slechts sporen van asch achter. De oplossingen in i deel water en in 0.6 deeien sterken spiritus zijn weinig gekleurde, zuur reageerende vloeistoffen, die, met haar vijfvoudig volumen water verdund, helder blijven. Tannine is oplosbaar in 6 deelen glycerine en onoplosbaar in chloroform.

De oplossing in water (1=30) geeft met ferrichloride een blauwzwart, met braakwijnsteen een wit neêrslag en mag door ammonia niet anders dan geelbruin gekleurd worden.

De oplossing in sterken spiritus (1 = 3) mag, met een gelijk volumen aether vermengd, niet terstond troebel worden.

Samenstelling. C14Hl0O0

Looizuur is het anhydride van di-gailuszuur1).

(-6TJ2KOH)3 |(OH)3

^ 11 ICOOH ^ 1 (CO

— H20 = :

rcj-pKOH)3 1 O

^ 11 ICOOH C6H» (OH)1

i COOH

di-galluszuur looizuur

Bereiding. Het looizuur voor geneeskundig gebruik wordt verkregen uit de galnoten. De bereiding daaruit berust op de oplos-

\') In benzoüzuur kunnen één of meer atomen waterstof tier benzolkern door hydroxyl worden vervangen (zie blz. 38), waardoor opvolgend ontstaan salicyhuur, prolocatechu-zuur en galliisiuur.

C0Ha.COOII CeUHOH).COOH C»HHOH)\'.COOH C«I1»(0H)».C00H bcnzoëzuur inonoxybenzoëzuur dioxybenzoezuur trioxybenzoëzuur

salicylzuur protocatecliuzuur galluszuur

Gewoonlijk bevat Tannine nog geringe, afwisselende hoeveelheden van een glucoside, eene verbinding van digalluszuur met druivesuiker, den vorm waarin waarschijnlijk het looizuur in de galnoten voorkomt.

-ocr page 586-

948

baarheid van tannine in water en in spiritus en op hare zeer geringe oplosbaarheid in aether, terwijl daarentegen de haar vergezellende bestanddeclen als galluszuur, ellagzuur, hars, vet, kleurstof, enz. gemakkelijk in aether oplossen. De uittrekking geschiedt derhalve door een mengsel van 4 din. aether en 1 dl. alcohol, dat vervolgens met water wordt uitgeschud.

Zij geschiede verder in een glazen of aarden deplaceertoestel of scheitrechter, waarin de tot poeder gestooten galnoten worden gebracht op deze wijze, dat in het onderste gedeelte op een propje of laagje watten eerst grovere deelen ter grootte eener kleine erwt, vervolgens de minder groote stukken en ten slotte grof poeder laagsgewijze worden gebracht, waarna men ze met bovengenoemd mengsel van spiritus en aether overgiet, zóó dat ook na volkomen doortrekking van het poeder daarmede nog een laagje vocht boven het poeder blijft staan, terwijl het vat ook van boven wordt gesloten. Na twee of drie dagen laat men het vocht volledig afvloeien en vervangt het door nieuwe vloeistof, wat zoo noodig herhaald kan worden. De vereenigde vochten schudt men daarna in een flesch met een derde van het volumen water krachtig en herhaaldelijk, laat de aetherlaag zich vervolgens rustig van de waterige tannine-oplossing scheiden en hevelt de laatste af of laat haar bij gebruik van een scheitrechter afvloeien. Ter volledige zuivering wordt de tannine-oplossing nog weder met eenigen aether nageschud. De aether, in de galnoten achtergebleven, kan door deplaceeren met water daaruit verwijderd worden ; terwijl uit de gezamenlijke aetherische oplossingen de verbruikte aether grootendecls door destillatie kan worden teruggewonnen. De waterige looizuur-oplossing verdampt men verder onder omroeren in het waterbad, filtreert haar wanneer al de aether en spiritus vervluchtigd zijn, dampt haalverder uit tot extractdikte, waarna de massa in vlokken wordt uitgetrokken, die bij matige warmte in porseleinen schalen of borden worden gedroogd en vervolgens tot poeder gebracht, dat men ten slotte nogmaals zacht droogt. Wil men het looizuur in schijnbaar kristallijne schubjes verkrijgen, dan strijkt men de stroopdikke vloeistof op glazen of blikken platen uit, droogt deze bij ongeveer 50° zoo snel mogelijk en schraapt het achterblijvende in den verlangden vorm af \').

\') Fabriekmatig wordt ook zeer zuiver looizuur in naaldvorm verkregen. Daartoe wordt de vloeistof, bij zoo laag mogelijke temperatuur tot zóóver uitgedampt, dat do massa zich laat breken zonder te kleven, in een ketel met dubbelen wand door stoom

-ocr page 587-

949

Eigenschappen. Glanzende schubjes of glasachtige, goud-glinsterende naaldfragmenten of een dof of weinig glanzend, amorph, geelachtig-wit, licht poeder, reukloos of zwak, eigenaardig riekend en sterk samentrekkend smakend, dat bij verhitting donkerder wordt, daarna smelt en ten slotte na ontleding geheel verbrandt. Looizuur is gemakkelijk oplosbaar in water (10) \') en in spiritus (0.6) tot bruinachtig gele, zuur reageerendc vloeistoffen, tevens oplosbaar in glycerine (6), weinig oplosbaar daarentegen in aether (44), bijna onoplosbaar in benzol, chloroform, petro-leumaether en zwavelkoolstof.

Uit de waterige oplossing (1 = 5) wordt Tannine door minerale zuren, bijv. zwavelzuur, en door vele zouten, bijv. natrium-chloride, afgescheiden; het door zuren ontstane neerslag lost in overmaat wederom op.

Stoffen als eiwit, zetmeel en lijm slaat zij uit hare oplossingen neêr. Met alkaloïden of zouten daarvan geeft de waterige oplossing (1 = 20) een neêrslag 2) evenals met de zouten van zware metalen. De oplossing in water (1 == 30) geeft o. a. met ferrichloride een blauwzwart neerslag, bij groote verdunning eene blauwzwarte vloeistof, die door zwavelzuur wordt ontkleurd ; met braakwijnsteen geeft zij een wit neêrslag.

Tannine-oplossing, met alkalicarbonaat geneutraliseerd, kleurt zich aan de lucht spoedig groen, met kalkwater blauw en met baryt-water blauwgroen, en geeft met ammoniakale ammoniumchloride-oplossing een wit neêrslag, dat spoedig in roodbruin overgaat 3).

Onderzoek.

1°. een geelachtig-wit poeder. Een donkere, zwartachtige kleur kan op een ijzer-gehalte wijzen, Hoe droger overigens het poeder

I

. S ili

rf

verhit. De bodem van don kotol is van kleine gaatjes voorzien, waardoor heldoor de warmte weck geworden looizuur loopt, zich tot dunne draden uitspinnende, die op een snel ronddraaienden, metalen cylinder vallen, waardoor het preparaat in lange. fijne draden wordt verkregen, die bij breken glasachtige,goudglinstereiide,naaldvormige fragmenten vormen, welke niet hygroscopisch zijn, niet samenkleven en gemakkelijk en helder oplossen.

Overigens vermijde men bij de bereiding van Tannine bepaaldelijk het gebruik van ijzeren voorwerpen.

\') De oplosbaarheid van Tannine in water is niet altijd dezelfde. De schijnbaar kristallijue, lichtste soorten zijn veel gemakkelijker (I—6) en helderder oplosbaar de zwaardere, poedervormige.

\') Uitgezonderd pilocarpine Het neêrslag lost dikwijls in overmaat weder op.

3) In onderscheid met gal lus zuur, dat rood gekleurd wordt.

6l

I .

\' ■

-ocr page 588-

95°

is, des te lichter is de kleur, terwijl bij geringe vergrooting doorschijnende deeltjes op onvoldoende droging wijzen. Daar Looizuur zich bij blootstelling aan het licht langzamerhand geel of donkerder kleurt, beware men het buiten den invloed daarvan.

2°. dat sterk samentrekkend smaakt. Hierbij mag geen reuk naar aether of eenige andere reuk, wijzende bijv. op het gebruik van onzuiveren aether, waargenomen worden.

3°. Tannine laat, na verbrand te zijn, slechts sporen van asch achter. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische stoffen. Slaat tevens op eene behoorlijke bereiding, daar uittrekking zonder gebruik van aether een hooger (0.5 pet.) aschgehalte geeft. Sporen worden toegestaan.

40. De oplossingen in water en in spiritus. Onvolkomen oplosbaarheid in spiritus wijst op bijgemengde zouten of stoffen als melksuiker, dextrine, enz.

50. zijn weinig gekleurde vloeistoffen. Donkerkleuring zou op een gehalte aan ijzer kunnen wijzen.

6°. die, met haar vijfvoudig volumen ivater verdund, helder blijven. Een gehalte aan galluszuur, vet of harsachtige stoffen zou deze troebel maken.

70. De oplossing in water (1 = 30) geeft met ferrichloride een blauwzwart neerslag. In onderscheid met ferrichloride groen kleurende looizuren.

8°. De oplossing in water (1 = 10) mag door ammonia niet anders dan geelbruin gekleurd worden. In onderscheid met pyrogallol, dat in oplossing met ammonia eerst geel, spoedig bruin, en met galluszuur, dat geelrood wordt gekleurd. Voorts wijst de reactie op afwezigheid van een ijzer-gehalte. De donkere kleur bij oplossing in water van ijzerhoudende Tannine kan nl. door toevoeging bijv. van oxaalzuur of citroenzuur gemaskeerd worden. Door ammonia geneutraliseerd, ontstaat alsdan eene blauwzwarte, donker violetbruine of bruine kleuring of troebeling.

90. De oplossing in sterken spiritus (1=3) mag, met een gelijk volumen aether vermengd, niet terstond troebel worden. Troebeling of neerslag wijst op rietsuiker.

-ocr page 589-

9Si

TARTARUS BORAXATUS.

BORAXWIJNSTEEN.

N. Borax twee deelen.............. 2

Ka Iiu m hydrota rtraat vijf deelen......... 5

Water vijftien deelen........... .15

Los de fijngewreven zouten bij. een zachte warmte in het water op en damp de heldere vloeistof zoo lang uit, totdat het overgeblevene, in bekoelden staat, bros is geworden. Wrijf het fijn, stel het eenige uren aan een temperatuur van i;o0 bloot, en doe het nog warm in een goed sluitende flesch.

Een wit, hygroscopisch, zuur reageerend poeder, dat in 1 deel water oplosbaar is. Het verspreidt, als men het verhit, een eigenaardigen reuk, zwelt sterk op en laat een kool achter, die, met water geschud, een alkalisch vocht oplevert, hetwelk, na met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt te zijn, op curcumapapier bij het opdrogen een bruinroode vlek achterlaat.

De oplossing van Boraxwijnsteen in water (r = io) scheidt, bij toevoeging van wijnsteenzuur in overmaat, na eenigen tijd een wit, kristallijn neêrslag af.

De oplossing van Boraxwijnsteen in water (1 = 10) worde niet troebel of gekleurd door zwavelammonium en geve, na met salpeterzuur zuur gemaakt en verwarmd te zijn, noch met baryumnitraat, noch met zilvernitraat terstond een troebeling.

Samenstelling.

Terwijl volgens sommigen de Boraxwijnsteen niet te beschouwen is als eene scheikundige verbinding, uit natriumtetraboraat en kaliumhydrotartraat ontstaan, schijnt volgens anderen het preparaat een mengsel te zijn van k a 1 i u m n a t r i u m m o n o bo r y It ar t r aa t en kaliumhydromonoboryltartraat. Beide zouten kunnen

KNaC4 H3 (BO)015 KHC4 H3 (BO)O6

kHliumnatriummonoboryltarti\'aat kaliumhydromonoboryltartraat

afgeleid worden van het wijnsteenzuur, waarin onder afscheiding van water één molec. boorzuur in den vorm der éénwaardige atoomgroep BO is getreden. Het eerste zou dan hiervan het

CM-PO0 -f H3BO3 = C4HB(BO)Oe 2 H20

wijnsteenzuur boorzuur boorwijnsteenzuur water

kaliumnatrium-, het tweede het zure kaliumzout zijn.

-ocr page 590-

952

Bereiding. De borax en wijnsteen worden, beide fijngewreven, op \'t waterbad in een porseleinen schaal bij zachte warmte en onder omroeren met een glazen of porseleinen spatel te zamen in het water opgelost en de zoo noodig gefiltreerde oplossing uitgedampt, totdat volgens de Ph. de achtergebleven massa bij

Na2B407 4 KHC4!quot;!4©6 = 2 KNaC4H3(B0)06

borax kaliumhydrotartraat kaliumnatriummonoboryltailraat

2KHC4H3(BO)Oü -f sH^O

kaliumliydrornonoboryltarti\'aat water

bekoeling bros wordt, waarna men haar tot poeder wrijft en nog eenige uren bij 50° droogt. Daar het poeder zeer hygros-copisch is en dus volkomen droog moet zijn, doet men beter, de vloeistof zóó lang onder omroeren op \'t waterbad uit te dampen, totdat de achtergebleven, taaie massa zich laat uittrekken tot dunne, losse vlokken of blaadjes, die men in dezelfde toegedekte schaal verder gedurende eenige dagen bij 400—50° laat uitdrogen, totdat zij bij doorbreken niet glasachtig meer, volkomen dof zijn, waarna men ze in een warmen mortier tot poeder wrijft. Ook kan men de dik geworden vloeistof op glazen platen uitstrijken en aldus drogen, waardoor het preparaat in schubben wordt verkregen. Het poeder of de schubben worden wegens de hygroscopiciteit nog warm terstond in volkomen droge, goed te sluiten, liefst kalkstopflesschen , overgebracht.

Eigenschappen. Een amorph, wit, zeer hygroscopisch, reukloos, zuur reageerend en smakend poeder, dat, met zwavelzuur bevochtigd, de vlam groen kleurt en in water (1) aanvankelijk troebel, later helder, in spiritus zeer weinig oplost.

De oplossing in water (1 = 10) scheidt bij toevoeging van veel zwavelzuur boorzuur, en bij toevoeging van wijnsteenzuur in overmaat na eenigen tijd een wit, kristallijn neerslag van kaliumhydrotartraat af 1).

Het poeder smelt bij verhitting, zwelt daarna sterk op en verkoolt ten slotte onder verspreiding van den eigenaardigen reuk naar caramel. Deze kool, met water geschud, levert een vocht, dat, na met chloorwaterstofzuur zuur gemaakt te zijn, op curcumapapier bij het opdrogen een bruinroode vlek achterlaat.

\') Zie verdere reacliën bij «Tartras kalicus acidus ,» biz. 9G0.

-ocr page 591-

953

Onderzoek.

1°. Een wit poeder. Niet geheel droog is het poeder meer geelwit.

2°. hygroscopisch. In onderscheid met enkel kaliumhydro-monoboryltartraat, dat niet hygroscopisch is. Het poeder moet goed droog zijn, of in den vorm van schubben moeten deze bij doorbreken dof, niet glasachtig zijn, daar een in den aanvang reeds niet volkomen droog preparaat spoediger neiging tot vochtig worden heeft.

3°. dat in i deel water oplosbaar is. Afwezigheid van borax en wijnsteenzuur, welke beide op zich zelve veel minder oplosbaar zijn.

4°. De oplossing van Boraxwijnsteen in water (i = io) worde niet troebel of gekleurd door zwavelanimoniuin. Afwezigheid van zware metalen.

5°. en geve, na met salpeterzuur zuur gemaakt en verwarmd te zijn, noch met baryumnitraat, noch. met zilvernitraat terstond een troebeling. Afwezigheid van sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan \').

T A R T R A S KALICO-NATRICUS.

KALIUMNATRIUMT ARTRAAT. SAL SEIGNETTI.

al 1\'

i

Doorschijnende, kleurlooze kristallen, die door hitte smelten en bij verbranding, onder het verspreiden van een eigenaardigen reuk, een kool achterlaten, die, met water geschud, een alkalisch vocht oplevert.

Het Zont is oplosbaar in 1.7 deelen water.

De oplossing in water (1 = 10) is neutraal of zwak alkalisch en geeft met azijnzuur een wit, kristallijn neórslag. Zij mag niet troebel of gekleurd worden door zwavelammonium, en, na met salpeterzuur zuur gemaakt en verwarmd te zijn, noch met baryumnitraat, noch met zilvernitraat % terstond troebel worden.

\') De oplossing moet verdund en zuur zijn, wijl anders een neórslag van baryum-en zilvertartraat zou ontstaan. Verwarming is noodig om afgescheiden kaliumhydrotartraat opgelost te houden.

lat;

lïsl j

i |»i|

[■fK a

rljnl

:

-ocr page 592-

9\'A

Samenstelling. COOK.CHOH.CHOH.COONa 4H20

Een normaal dubbclzout van het tvveebasische wijnsteenzuur. De twee atomen waterstof der in het zuur voorkomende carboxyl-, COOH, groepen zijn voor de eene helft vervangen door het éen-waardige metaal kalium, voor de andere helft door het eveneens éénwaardige metaal natrium.

Het Zout kristalliseert met vier moleculen water.

Bereiding. De vorming van het Zout geschiedt uit kalium-hydrotartraat en natriumcarbonaat in warme oplossing.

2 KHC4H4Oe Na*C03 = 2 KNaC4H40G CO2 H*0

knliumliylrolarlraat nalrintn- kaliumnalriumtarlraat kool- water

carbonaat dioxydo

9 dln. Kaliumhydrotartraat en 7 dln. natriumcarbonaat worden met 42 dln. water in een porseleinen schaal eerst zacht, daarna sterker tot koken verwarmd, waardoor het bij de vorming van het Zout ontwikkelde kooldioxyde wordt uitgedreven. Indien het vocht alsdan nog niet alkalisch mocht reageeren, wordt zóóveel natriumcarbonaat toegevoegd, dat eene zwak alkalische reactie is verkregen. Na bezinking, zoo noodig, wordt do vloeistof gefiltreerd en vervolgens uitgedampt, totdat zich bij bekoeling kristallen daaruit afscheiden, terwijl uit het achtergebleven vocht door herhaalde uitdamping opnieuw kristallen kunnen worden verkregen. In een trechter verzameld, worden deze met een weinig water afgewasschen, ten slotte tusschen filtreerpapier gedroogd en in goed gesloten flesschen bewaard.

Eigenschappen. Groote, harde, doorschijnende, luchtbestendige, in droge lucht echter aan de oppervlakte verweerende, kleur- en reuklooze kristallen, gemakkelijk oplosbaar in koud (1.4) en warm (0.33) water, onoplosbaar in spiritus.

Zij smelten door hitte onder verlies van kristalwater en laten bij verbranding, onder het verspreiden van den eigenaardige\'! reuk naar caramel, een kool achter, die, met water geschud, door achtergebleven kalium- en natriumcarbonaat een alkalisch vocht oplevert, dat de vlam geel, door kobaltglas gezien deze violet-rood kleurt.

De oplossing in water (1 = 10) geeft met zuren, bijv. wijnsteenzuur, zwavelzuur of azijnzuur, een wit, kristallijn neerslag van kaliumhydrotartraat.

-ocr page 593-

955

Onderzoek.

1°. kristallen. De gewone vorm dezer is die van rhombische zuilen. Een van den gewonen vorm afwijkend voorkomen der kristallen kan wijzen op aanwezigheid van het dubbelzout van dr uivezu ur !).

2°. Het Zont is oplosbaar in 1.7 deelen water. In onderscheid met neutraal kaliumtartraat, dat meer, en met neutraal na-triumtartraat, dat minder oplosbaar is s).

30. De oplossing in water (1 = 10) is neutraal of zivak alkalisch. Het Zout reageert neutraal, doch kristalliseert het best uit eene alkalische vloeistof. Sporen natriumcarbonaat worden daarom toegestaan. Eene zure reactie zou op kaliumhydrotartraat wijzen.

4°. Zij mag niet troebel of gekleurd worden door zwavel-ammonium. Afwezigheid vooral van zware metalen.

5°. en, na met salpetersuur zuur gemaakt en verwarmd te zijn, noch met barymnnitraat, noch met zilvernitraat terstond troebel worden. Afwezigheid van sulfaat en chloride. Sporen worden toegestaan r).

T A R T R A S K A L I C O - S T I B I C U S.

KALIUMSTIBIUMTARTRAAT.

T A R T A R U S E M E T I C U S.

Een wit, kristallijn, zwaar poeder, dat door hitte verkoolt en in 17 deelen koud water, doch niet in sterken spiritus oplosbaar is.

De verzadigde oplossing in water is zuur en geve, na met haar vijfvoudig volumen water, een weinig wijnsteenzuur en een paar droppels salpeterzuur vermengd te zijn, met zwavelwaterstof een oranje neêrslag, doch worde niet terstond troebel door barymnnitraat of door zilvernitraat.

Voegt men bij een oplossing van 1 Grm. van het Zout in 4 cM3. chloonvaterstofzuur een gelijk volumen stannochloride, dan mag zij bij verwarming noch gekleurd noch troebel worden.

■) Zie blz. 48.

») Bij verwarming mot kaliloog mag geen reuk naar ammoniak worden waargenomen, wat op aanwezigheid van kalium- of n atriumammonium tart raat zou wijzen. \') Zie noot *) blz. 953.

-ocr page 594-

956

Samenstelling. KHC4H3(SbO)Oli \'/2 H20 Kaliumstibiumtartraat, kalium hydrostibyltartraat, is het zure kaliumzout van wijnsteenzuur, waarin ée\'n atoom waterstof vervangen is door de éemvaardige atoomgroep SbO, de verbinding van het driewaardige metaal stibium of antimonium met één atoom tweewaardige zuurstof \').

C4HB06 KHOH^O8 KHC4H3(Sb0)0\'1

wijnsteenzuur kaliumhydrotartraat kaliumhydrostibyltarlraal

De kristallen bevatten op twee molec. dezer verbinding één molec. water.

Bereiding. Deze bestaat in het behandelen eener warme oplossing van kaliumhydrotartraat met overmaat stibiumoxyde, tot hiervan niet meer wordt opgelost.

2 KHC4H4O0 -f Sl^O3 = 2 KHC4H3(SbO)O0 H!lO

kaliumhydrotartraat stibiumtrioxyde kaliumhydrostibyltartraat water

Het benoodigde stibiumoxyde wordt bereid door oplossen van zwavelstibium, stibiumtrisulfide, in chloorwaterstofzuur en ontleding van het gevormde stibiumtrichloride eerst door water,

Sb»S3 6 HC1 = 2 SbCl3 3 HaS

stibiumtrisulfide chloorwaterstofzuur stibiumtrichloride zwavelwaterstof

waardoor stibiumoxychloride wordt gevormd, dat door behandeling 2 SbCl3 -f 2H20 = 2 SbOCl 4HCI

stibiumtrichloride water stibiumoxychloride chloorwaterstofzuur

met natriumcarbonaat in stibiumoxyde wordt omgezet.

2 SbOCl Na1C03 = Sb203 -f 2 NaCl CO2

stibium- natriumcarbonaat stibiumoxyde natrium- kool-

oxychloride chloride dioxyde

I dl. Zwavelstibium, tot fijn poeder gebracht, wordt in eene ruime kolf, in de open lucht of onder een goed trekkenden schoorsteen geplaatst, overgoten met 4 dln, gewoon chloorwaterstofzuur en de vloeistof daarna in het zandbad langzaam tot koken en voorts zóó lang verwarmd, totdat alle zwavehvaterstofgas-ontwikkeling is opgehouden. Na bezinking en bekoeling wordt de oplossing door asbest of glaswol gefiltreerd en, tevens ter verwijdering van overmaat chloorwaterstofzuur en mogelijk voorhanden vluchtig arseentri-

1

) De verbinding is analoog aan het op blz. 951 genoemde kaliumhydroboryltartraat.

-ocr page 595-

957

chloride, in een porseleinen schaal zóó lang uitgedampt, tot eenige droppels der vloeistof in water eene duidelijk witte troebeling veroorzaken.

Deze oplossing van stibiumtrichloride wordt onder gestadig roeren uitgegoten in 20 dln. gewoon water, waardoor, terwijl nog mogelijk voorhanden arsenik in oplossing blijft, een overvloedig wit neerslag van stibiumoxychloride ontstaat, dat na bezinking op een linnen doek wordt verzameld en met water volkomen wordt uit-gevvasschen, zoodat het doorloopend vocht niet of nauwelijks meer zuur reageert. In een porseleinen schaal met water tot eene dunne brij aangemengd en verwarmd, wordt aan het neêrslag zóóveel eener oplossing van natriumcarbonaat (1 = 5) toegevoegd, dat het vocht blijvend alkalisch reageert. Het thans gevormde neêrslag van stibiumoxyde wordt evenals te voren op een linnen doek verzameld, daarna volkomen uitgewasschen tot het doorloopend vocht met zilvernitraat niet meer reageert en ten slotte bij zachte warmte op het waterbad gedroogd.

4 Dln. van dit stibiumoxyde, dat volkomen vrij van arsenik moet zijn, laat men onder verwarming op het zandbad en afwisselend roeren trekken met eene oplossing van 5 dln. kalium-hydrotartraat in 40 dln. water en wel zóó lang, totdat geen stibiumoxyde meer wordt opgelost. Men filtreert daarna nog warm, dampt de oplossing van kaliumstibiumtartraat uit tot ongeveer 25 dln. en laat bekoelen. Tijdens de bekoeling moet afwisselend geroerd worden, wijl zich daardoor het preparaat als kristalpoeder van gelijkmatige samenstelling afscheidt, terwijl zich in het tegenovergestelde geval bij herhaalde kristallisatie kristallen met minder stibyl- en grooter wijnsteengehalte vormen \'), Men verzamelt het gevormde kristalpoeder in een trechter, dampt de moederloog tot een vierde van haar gewicht uit en laat op dezelfde wijze bij bekoeling wederom kristalpoeder daaruit afscheiden. Ten slotte wascht men het poeder met een weinig water af en droogt het bij zachte warmte tusschen filtreerpapier.

Eigenschappen. Een zwaar, wit, reukloos, zoetachtig smakend, kristallijn poeder, met zwak zure reactie oplosbaar in koud (14.5), gemakkelijker in warm (2) water, onoplosbaar in spiritus,

\') Het preparaat kan ook als fijn kristalmool verkregen worden cloor toevoeging van spiritus aan de geconcentreerd waterige oplossing.

-ocr page 596-

958

Door hitte verkoolt het onder verspreiding van een eigenaardigen reuk naar caramel, welke kool, met water geschud, door achtergebleven kaliumcarbonaat een alkalisch vocht oplevert, dat, inde vlam verdampt, deze, vooral door kobaltglas gezien, violetrood kleurt.

De waterige oplossing (i = 30) geeft met wijnsteenzuur geen precipitaat; met kaliloog of kalkwater daarentegen een wit neerslag van stibiumtrioxyde, oplosbaar in overmaat alkali en gemakkelijk oplosbaar in azijnzuur, en met kalkwater in overmaat een wit neórslag van calciumtartraat, oplosbaar in ammoniumchloride.

De waterige oplossing (1 = 20) geeft, na zuurmaking met chloor-waterstofzuur, met zwavelwaterstof een oranjerood neerslag van stibiumtrisulfidc, oplosbaar in kaliloog.

Onderzoek.

1°. Ecu kristallijn poeder. De Ph. verlangt het door gestoorde kristallisatie, in samenstelling gelijkmatige kristalpoeder en niet de vroeger (Ed. I) gebruikelijke, door herhaalde, ongestoorde kristallisatie verkregen, fijngewreven kristallen, bestaande uit een mengsel van tartraten van minder gelijkmatige samenstelling.

Overigens verliest het poeder aan de lucht en zelfs in flesschen langzamerhand kristalwater, waardoor glans en kristalvorm verdwijnen. Het worde daarom in niet te groote, goed sluitende flesschen op eene koele plaats bewaard.

2°. dat in 17 deelen kond water oplosbaar is. Afwezigheid van moeilijker oplosbaar kaliumhydrotartraat.

30. Dc verzadigde oplossing in water, na met haar vijfvoudig volumen water, een weinig ivjnsteenznnr en een paar droppels salpeterzuur vermengd te zijn, worde met terstond troebel door baryumnitraat of door zilvernitraat. Afwezigheid van sulfaat of chloride. Sporen worden toegestaan.

40. Voegt men bij een oplossing van 1 Grm. van het Zout in 4 cM*. chloorwaterstof zuur een gelijk volumen stannochloride, dan mag zij bij verwarming noch gekleurd noch troebel worden. Afwezigheid van ar sen ik \').

») Zie bij « Sulpliidum stibicum», blz. 930.

-ocr page 597-

959

TARTRAS KA LIC US ACID US KALIUMHYDROT ARTRAAT.

CR EM OR TARTARI DEPURATUS.

Een wit, kristallijn, zuur reageerend poeder, dat, als het verhit wordt, een eigenaardigen reuk verspreidt en bij verbranding een kool achterlaat, die aan water een alkalische reactie mededeelt en een niet lichtende vlam blijvend violet kleurt.

Kaliumhydrotartraat is moeilijk oplosbaar in koud, gemakkelijker in kokend water.

Met ammonia geve het een oplossing, die door zwavelammonium niet gekleurd en door ammoniumoxalaat niet terstond troebel mag worden.

Wordt ie cM3. water met 5 Grm. Kaliumhydrotartraat geschud en gefiltreerd, dan moet het filtraat, na toevoeging van eenig salpeterzuur en baryumnitraat, helder blijven. Zilvernitraat mag in het met salpeterzuur zuur gemaakte filtraat niet meer dan een opalescentie te weeg brengen.

Samenstelling. KHC4H4O0

Het zure kaliumzout van wijnsteenzuur. Het atoom waterstof van één der twee carboxyl-, COOH, groepen van dit tweebasische zuur is vervangen door één atoom van het éénwaardige metaal kalium.

COOH.CHOH.CHOH.COOH COOH.CHOH.CHOH.COOK

wijnsteenzuur kaliumhydrotartiaat

Bereiding. Onzuiver kaliumhydrotartraat, de ruwe wijnsteen, zet zich bij de gisting van het druivensap, vooral bij de nagisting, die gepaard gaat met de vorming van alcohol, waarin het zout onoplosbaar is, als harde, kristallijne korsten aan de wanden der gistkuipen af, vermengd vooral met calciumtartraat en verontreinigd met kleurstof, gistdeelen, zand, enz.

Naar de afscheiding uit witten of uit rooden wijn vuilwit of -rood gekleurd, wordt het ruwe zout in Zuid-Europa, vooral in Zuid-Frankrijk, gezuiverd door omkristallisatie uit kokend water na voorafgaande klaring met behulp van eiwit en ontkleuring door dierlijke kool.

Deze z.g. half geraffineerde wijnsteen in den vorm van harde, witte, tot korsten vereenigde kristallen, die nog steeds eenig cal-

-ocr page 598-

960

«

ciumtartraat benevens gewoonlijk kleine hoeveelheden ijzer, koper of lood, afkomstig van de gebezigde toestellen, bevatten, wordt verder gezuiverd door behandeling met chloorwaterstofzuur-houdend water. 10 dln. Wijnsteen, tot zeer fijn poeder gebracht, wordt daartoe onder verwarming eenigen tijd gedigereerd met 10 dln, water en 1 dl. chloorwaterstofzuur, het na bekoeling onder roeren afgescheiden, kristallijne poeder verzameld en met kleine hoeveelheden koud water zóó lang uitgewasschen, totdat het filtraat met zilvernitraat geen chloor-reactie meer geeft.

Zuiver, volkomen kalkvrij kaliumhydrotartraat kan bereid worden door neutralisatie van zuiver wijnsteenzuur met kaliumcarbonaat, waardoor neutraal kaliumtartraat ontstaat , dat door toevoeging van

C4 H6 O6 K2C03 = K\'C\'H\'O6 CO2 H20

wijnsteenzuur kaliumcarbonaat kaliumtartraat kooldioxyile water

eene nieuwe hoeveelheid wijnsteenzuur in het zure zout wordt K2C4 Hquot;06 CHHDquot; = 2KHC4H406

kaliumtartraat wijnsteenzuur kaliumhydrotartraat

omgezet. 150 dln. Zuiver wijnsteenzuur, in 500 dln. water opgelost, wordt daartoe onder verwarming geneutraliseerd met ongeveer 138 dln. kaliumcarbonaat en aan deze vloeistof onder omroeren toegevoegd eene oplossing van 150 dln. wijnsteenzuur in 300 dln. water. Het na bekoeling, ook na herhaalde uitdamping van het achterblijvende vocht, onder omroeren afgescheiden kristalpoeder wordt op een filter verzameld en na afdruiping gedroogd.

Eigenschappen. Harde, doorschijnende, niet-venveerende, kleuren reuklooze, zuurachtig smakende kristallen of een wit, kristallijn, tusschen de tanden knarsend poeder, met zure reactie moeilijk-oplosbaar in koud (192), beter in warm (14.5) water, bijna onoplosbaar in spiritus, onoplosbaar in aether.

Bij verhitting van het poeder verspreidt het een eigenaardigen reuk naar caramel en bij verbranding laat het een kool achter, die door achtergebleven kaliumcarbonaat aan water een alkalische reactie meedeelt en een niet lichtende vlam, vooral door kobalt-glas gezien , blijvend violet kleurt.

De oplossing in water (1 = 200) geeft met kalium- of natrium-carbonaat eene opbruising van kooldioxyde.

Onderzoek.

1°. Een wit, kristallijn poeder. Ue Ph. bedoelt het gebruik van

-ocr page 599-

961

het meest gezuiverde en door gestoorde kristallisatie verkregen kristalpoeder, niet van tot poeder gebrachte, meestal minder zuivere, groote kristallen.

2°. zuur reageer end. In onderscheid met neutraal kalium-t a r t r a a t.

3°. eu een niet lichtende vlam blijvend violet kleurt. In onderscheid met en afwezigheid van het overeenkomstige natriumzout, dat de vlam geel zou kleuren.

4°. Kaliumhydrotartraat is moeilijk oplosbaar in koud, gemakkelijker in kokend ivater. In onderscheid met het overeenkomstige natriumzout, dat in koud (9) en warm (1,8) water veel gemakkelijker oplosbaar is, evenals, ook door de neutrale reactie daarvan te onderscheiden, neutraal kalium- en n a t r i u m t a r t r a a t en kalium natriumtartraat. Ook het overeenkomstige ammo-niumzout is eenigszins gemakkelijker oplosbaar (46) en verder te herkennen door de ontwikkeling van ammoniak bij verwarming met natronloog.

5U. Met ammonia geve het een oplossing. Niet geheele oplosbaarheid in ammonia (1 = 5) kan wijzen op verontreiniging met meer dan 1 pet. calciumtartraat. Ook lood blijft hierbij als hydroxyde terug.

6°. die door zivavelammonium niet gekleurd. Afwezigheid van vreemde metalen als koper, zink en ijzer.

70. en door ammoniumoxalaat niet terstond troebel mag worden. Afwezigheid van calciuinzouten. Sporen worden toegestaan.

8°, Wordt 10 eM3. water niet 5 Grm. Kalium hydrotartraat geschud en gefiltreerd, dan moet het filtraat, na toevoeging van eenig salpeterzuur en baryumnitraat, helder blijven. Afwezigheid van sulfaat l).

90. Zilvernitraat mag in het met salpeterzuur zuur gemaakte filtraat niet meer dan een opalescentie te weeg brengen. Afwezigheid van chloorwaterstofzuur en chloride. Sporen worden toegestaan.

\') Zie noot «Tartarus Ijoraxatus», blz. 953. Terwijl bij deze proef bet moeilijk oplosbare tartraat zoo goed als geheel onopgelost terugblyft, gaat gemakkelijk oplosbaar sulfaat en chloride of chloorwaterstofzuur geheel in oplossing over.

-ocr page 600-

962

TELA.

GAAS.

Een weefsel uit Boomwol, onder den naam van „Muil of Hydrophil-gaasquot; in den handel bekend.

Het is kleur- en reukloos, neemt snel water op en zinkt daarin.

100 Grm. komt ongeveer met 3 M2. in maat overeen.

Bereiding. Het door de Ph. verlangde verbandgaas, onderden naam van „Muilquot; of „Hydrophilgaasquot; bekend, onderscheidt zich van vele andere soorten door de geringe dikte en door het tamelijk wijd uit elkander liggen der draden. Het wordt machinaal geweven uit boomwol en wel zóó, dat de kettingdraden, twee aan twee, dusdanig door de inslagdraden worden heengeweven, dat zij om elkander heen gestrengeld worden, waardoor de inslagdraden belet worden, te dicht tot elkander te naderen (Coster).

Onderzoek.

1°. Het is kleur- en reukloos, neemt snel water op en zinkt daarin. Zie bij „Wattenquot; \').

2°. 100 Grm. komt ongeveer met 3 M\'1. in maat overeen. Slaat op de verlangde dikte en wijdte der mazen van het Gaas.

TELA CU M CHLORETO H Y D R A R-

G Y R IC O.

SUBLIMAATGAAS.

N. Gaas drie honderd negen en zeventig deelen . . • ■ 379 Besprenkel het met een oplossing van

Mercurichloride één deel........... 1

Vloeibare Paraffine twintig deelen........20

in

Aether tweehonderd deelen..........200

Druk het zacht samen in een flesch en laat het daarin staan totdat het gelijkmatig doortrokken is.

1

«Gossypium depuratum», blz. 373.

-ocr page 601-

963

Het gewicht van dit aldus toebereide Gaas moet, na het vervluchtigen van den aether, bedragen

vierhonderd dealen.............400

100 dealen moeten 0.25 deelen Mercurichloride bevatten.

Bereiding en Onderzoek. Als bij „Sublimaatvvattenquot; \') en ,JodofonTigaasquot; is opgegeven.

TELA CUM JODOFORMO. JODOFORMGAAS.

N, Gaas negentig deelen............90

Besprenkel het met een oplossing van

Jodoform................. 5

Vloeibare Paraffine, van elk vijf deelen...... 5

in

Aeiher vijftig deelen.............50

en behandel het verder op dezelfde wijze als voor Sublimaatgaas is voorgeschreven.

Na het vervluchtigen van den aether, bedrage het gewicht van het Gaas

honderd deelen...............100

too deelen moeten 5 deelen Jodoform bevatten.

Bereiding. In plaats van aether kan als oplosmiddel gebezigd worden een mengsel van aether (J) en benzol (|). Wanneer de vloeistof volkomen door het gaas is opgenomen, wordt, ten einde verlies aan jodoform te vermijden, het gaas opgevouwen, nog vóórdat dit volkomen droog is; de aether en benzol vervluchtigen langzamerhand door de verpakking, bladtin en perkamentpapier, heen. Niettegenstaande deze voorzorgen is een verlies van 10—15 pet. onvermijdelijk, waarom in die verhouding meer jodoform moet genomen worden. Zie voorts bij „Sublimaatwattenquot; \').

\') «Gossypium cum Clilorelo hydrargyrico», blz. 377. \') «Tela cum Joiloformo », blz. 963.

-ocr page 602-

964

Onderzoek.

1°, 100 deelen moeten 5 deelen Jodofonn bevatten. Zie bij „Jo-doformwatten quot; \').

TELA CUM P H E N O L O.

CARBOLGAAS.

T E L A A N T I S E P T 1 C A.

N. Geel Was..................................9

Hars..................9

Olijfolie, van elk negen deelen.........9

Vaste Paraffine, zeven deelen..........7

Smelt ze bij een zachte warmte in een porseleinen schaal ondereen en voeg er bij

Phenol twee deelen..........................2

Dompel in dit mengsel

Gaas vier en zestig deelen...........64

\') Als vervalschingen van Jodoformgaas Ier gedeeltelijke vervanging van jodolbnn zijn voorgekomen pikrinezuur en auramine, wat door kleuring van daarmede geschud water kan worden aangetoond, liet eerste ook door den uiterst bitteren smaak en liet krachtig geel kleuren van een wit wollen draad. Ook is d e r m a t 0 I (b i s-m u t li g a 11 a a t) daartoe aangewend, welk gaas met kaliloog rood en met zwavel-ammonium zwart wordt gekleurd.

Behalve volgons de opgegeven wijzen kan het jodoformgehalte ook bepaald worden door \'2—2.5 Grrn. Gaas in een sterk fleschje van ongeveer 70 cM3. te overgieten met eene versche, bekoelde natriumaethylaat-oplossing, verkregen door inwerking van 0.5 Grtn. natrium op 25—30 Grm. absoluten alcohol, en dit, na volkomen sluiting met een glazen plaatje, waaronder een plaatje caoutchouc, door eene schroefinrichting aangedrukt, een halt uur op het waterbad te verhitten. Do bekoelde vloeistof wordt vervolgens met het afwasch-water van het Gaas, tot een klein volumen uitgedampt, met salpeterigzuurvrij salpeterzuur zuur gemaakt, 30 cM3. decimaal volumetrisch zilver en water toegevoegd tol 200 cM3. Na krachtig schudden en korten tijd staan wordt gefiltreerd. 100 cM3. van het Altraat worden onder toevoeging van 2 cM3. eener verzadigde oplossing van chloorvrije ijzeraluin met \'/10 volum. rhodaanammonium-oplossing getitreerd. Het daarvan gebruikte aantal cM3., met 2 vermenigvuldigd, wordt van het aantal cM3. toegevoogdo zilveroplossing afgetrokken en het verschil met 0.01309 vermenigvuldigd.

Het gehalte aan jodoform moet berekend worden naar liet gehalte aan droog gaas. li—4 Grm. .lodoformgaas wordt daartoe in een Ludwig\'sch filtreerbuisje in een extractieapparaat gedurende één uur met alcohol uilgetrokken en daarna in een droogstoof bij 100° tot constant gewicht gedroogd (S c h a c h e r 1).

-ocr page 603-

965

Verwarm de schaal op een waterbad, terwijl het gaas onder de vloeistof wordt gehouden, totdat het daarmede gelijkelijk doortrokken is. Span het gaas clan uit en breng het, terstond nadat het bekoeld is, in tlesschen over.

100 deelen moeten 2 deelen Phenol bevatten.

Bereiding. In plaats van met eene aetherische oplossing van phenol in vloeibare paraffine, zooals bij de overeenkomstige Watten, wordt het Gaas hier gedrenkt met eene oplossing van phenol in olie, waaraan is toegevoegd een gesmolten, warm mengsel van was, vaste paraffine en hars, welke, vooral de laatste, dienen om het phenol op het gaas te doen blijven hechten. Door de aangewende warmte bij de drenking van het gaas zoomede door het drogen aan de lucht moet noodzakelijk eenig phenol vervluchtigen.

Onderzoek.

1°. 100 deelen moeten 2 deelen Phenol bevatten. Zie over Phenol-bepaling bij „Carbolwattenquot; *).

T E R E B IN T H I N A.

T E R P E N T IJ N.

Het harshoudend sap, gevloeid uit den verwonden stam van Larix d e c i d u a Mill.

Dikvloeibaar, zeer kleverig, doorschijnend, geelachtig, eigenaardig doch niet onaangenaam van reuk en bitter van smaak.

Deze balsem , Venetiaansche T e r p e n t ij n genoemd, is oplosbaar in sterken spiritus.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen:

10. 15—25 pet. vluchtige olie2) en 20. 75—85 pet, hars 3). Voorts eene bittere stof benevens sporen mi ere- en barnsteen z u u r.

Afkomst. Terpentijn, i. c. Venetiaansche T., is een balsem, afkomstig van Larix decidua Miller (Pinus Larix L.), behoorende tot de Abietineae van de familie der Coniferae,

\') «Gossypium cum Phenolo», blz. ;i8-2.

\') Zie blz. G\'20.

Zie blz. 213.

62

-ocr page 604-

966

een slanken, tot 30 meter hoogen boom, die in de bergwouden van Zuid-Europa groeit, inzonderheid in Frankrijk, Zwitserland, Opper-Italië en Tyrol voorkomt en als sierboom in parken, ook ten onzent, veelvuldig wordt gekweekt.

In de schors en vooral in de kern van den stam in z.g. harskanalen gevormd door omzetting van weefsels, heeft hare inzameling, vooral in Zuid-Tyrol, plaats, door in het voorjaar even boven den grond eene opening in den stam te boren, die tot op het midden doordringt, deze daarna met een houten stop te sluiten en den zich onderin verzamelden balsem in den herfst van ieder jaar uit te scheppen. Elders wordt de stam op verschillende plaatsen en hoogten doorboord en de uitvloeiende balsem langs goten in vaten, somtijds na door een zeef geloopen te zijn, opgevangen, door welke wijze van werken meer balsem wordt verkregen, echter ten schade van het hout van den boom.

Vroeger te Venetië ter markt gebracht, van waar de naam, komt hij thans uit Zuid-Tyrol het eerst naar Triest in platte, ovale vaatjes van 40—50 K.G. inhoud.

Eigenschappen, Een dikvloeibare, /.eer taaie en kleverige, bijna doorschijnende, zeer langzaam opdrogende, geelachtige balsem, eigenaardig, niet onaangenaam van reuk en aromatisch bitter en scherp van smaak, die bij zachte verwarming een heldere, broze hars achterlaat en met zwak zure reactie geheel oplosbaar is in spiritus, alsmede in aether, benzol, methyl- en amylalcohol, aceton, chloroform, ijsazijn, terpentijnolie, enz.

Onderzoek.

i0. Het harshoudend sap , gevloeid uit den verwonden stam van L a r i x d e c i d u a Mill. Dikvloeibaar, zeer kleverig, doorschijnend, geelachtig, eigenaardig doch niet onaangenaam van reuk en bitter van smaak. In onderscheid met:

a. gewone T., Europeesche en Ainerikaansche, de eerste afkomstig van P. syl vest ris L., P. Laricio Poir., P. Pinaster Sol., enz,, de laatste van P. aus tralis Mich., P. Taeda L,, enz. Deze is aanvankelijk half vloeibaar, korrelig troebel, geelachtig-wit tot geelbruin en niet aangenaam, doordringender van reuk. Met magnesia wordt zij veel gemakkelijker hard en bij staan scheidt zij zich in twee lagen, waarvan de bovenste helder, de onderste echter korrelig en troebel is en vjetstcenvorniigc kristallen van abiëtinezuur vertoont.

-ocr page 605-

967

b. Straatsburger T., afkomstig van Abies alba Mill., welke minder taai, lichtgeel van kleur is, aangenaam naaf citroen riekt en niet scherp bitter smaakt.

c. Canadabalsem, afkomstig van Abies balsam ea Marsh., Fraseri Pursh. en canadensis Mich., welke minder taai, lichtgeel en aangenaam van reuk is.

2°. Deze balsem is oplosbaar in sterken spiritus. Afwezigheid van onzuiverheden, in spiritus onoplosbaar, en harsen als mast ik, in spiritus onoplosbaar doch oplosbaar in aether \').

THYMOLUM.

T H Y M O L.

A C I D U M T H V M I C U M.

Kleurlooze, doorzichtige, eigenaardig riekende kristallen, die zwaarder zijn dan water, maar, hiermede tot ongeveer 50° verhit, een op het water drijvende vloeistof vormen. Op een waterbad verhit, moet Thymol geheel vervluchtigen.

Thymol is in ongeveer 1 deel sterken spiritus, in chloroform en in aether gemakkelijk oplosbaar, doch zeer moeilijk in water. Het is ook oplosbaar in verdunde alkaliën, in vette en in vluchtige oliën.

Als bij 5 mG. Thymol 5 droppels zwavelzuur en 1 droppel salpeterzuur gevoegd wordt, ontstaat een rood mengsel, waarin blauwgroene droppels zweven.

Water, met Thymol geschud, moet neutraal zijn en mag door ferri-chloride niet gekleurd worden.

Samenstelling. C101114 O

Thymol is methylpropylphenol, d. i. phenol, waarin een atoom waterstof door een methyl-, een ander atoom door een propyl-groep is vervangen 2).

C(iH5.OII

phenol

\') Een kunstproduct, beslaande uit eene oplossing van hars in harsoliën, kan herkend worden aan de volkomen doorschijnendheid en aan het verschil in zuur- en verzeepingsgetal (zie blz. 100, 55ü en 556), die bij echte T. resp. ongeveer 65—70 en 105—120 bedragen, terwijl bij kunstmatige T. het eerste hooger, het tweede lager is.

Zie blz. 11 , 680 en 506.

Sm

\'fS1!

•lil \'!% i

: üf

w ■

IflH I

i \'

;iii

m

\'iHli

lil

CH3 C3 H7 . OH

thymol

C6H

-ocr page 606-

968

Bereiding. Thymol maakt, in den regel nevens cymol, C1 quot;H14, en thymeen, C10!-!10, een bestanddeel uit van de vluchtige oliën, verkregen uit Thymus vulgaris, Serpyllum en capitatus en Satureja Thymbra, de zaden van Ptychotis Ajowan en Monarda punctata en de vruchten van Schinus molle. Het wordt vooral uit Ajowan-olie verkregen, door, na het afdestil-leeren der beneden 200° overgaande deelen, het aan thymol rijke overschot met een gelijk volumen warme natronloog van 30 pet. eenige uren te schudden, de vloeistof daarna met de dubbele hoeveelheid warm water te verdunnen, waarin het thymol als thymolnatrium opgelost blijft, terwijl mede overgegane koolwaterstoffen , enz. zich afscheiden en de vloeistof troebel maken. Nadat deze zich hebben afgezet en verwijderd zijn, wordt de heldere oplossing met overmaat chloorwaterstofzuur behandeld, waardoor het thymol zich als eene olieachtige vloeistof afscheidt, die verzameld, gerectificeerd en onder afkoeling tot kristallen wordt gebracht, welke, zoo noodig door dierlijke kool ontkleurd, uit azijnzuur, verdunden spiritus of aether worden omgekristalliseerd

Eigenschappen. Groote, neutrale, doorschijnende, kleurlooze, eigenaardig, aangenaam riekende en aromatisch, eenigszins brandend smakende, bij verwarming geheel vluchtige kristallen, die, zwaarder dan water, bij 44° smelten tot eene olieachtige vloeistof, lichter dan water, en bij 230° koken. Zij zijn moeilijk oplosbaar inwater (1100), gemakkelijk oplosbaar in spiritus (0.8), aether, benzol, chloroform, petroleumaether en zwavelkoolstof, alsmede in azijnzuur, verdunde alkaliën en in vette en vluchtige oliën,

10 mG. Thymol, vermengd met 10 mG. natriumhydroxyde en 20 droppels chloroform, geeft eene roodviolette vloeistof.

0.1 mG. Thymol, opgelost in 1 cM3, water, waaraan toegevoegd kaliloog en joodoplossing tot de vloeistof licht geelbruin gekleurd is, wordt bij zachte verwarming fraai rood gekleurd (v. It al lie), 10 mG. Thymol wordt door 10 droppels zwavelzuur onder toevoeging van een spoor rietsuiker langzamerhand roodviolet gekleurd.

10 mG. Thymol, opgelost in 1 cM3. azijnzuur, wordt ooor 1 cM3. zwavelzuur bij verwarming roodviolet gekleurd.

10 mG. Thymol, opgelost in 1 cM3. azijnzuur, wordt door 6 droppels zwavelzuur en 1 droppel salpeterzuur blauwgroen gekleurd. io mG. Thymol, waaraan toegevoegd 10 droppels zwavelzuur

-ocr page 607-

969

en 2 droppels salpeterzuur, geeft een rood mengsel, waarin blauwgroene droppels zweven.

100 mG. Thymol geeft met 1 cM3. zwavelzuur eene lichtgele vloeistof, die bij verwarming rozerood wordt. Deze oplossing van thymol-sulfozuur wordt, na verdunning met 5 cM3. water en verwijdering van overmaat zwavelzuur door loodcarbonaat, met ferrichloride violet gekleurd.

Onderzoek.

i0. Kleur loose kristallen. Kenmerk van zuiverheid. Kristalmassa\'s zijn minder te prefereeren. De kristallen mogen bovendien door een gehalte aan thy me en niet vochtig zijn.

2°. die, tot ongeveer 50° verhit, een vloeistof vormen. Verontreinigingen als koolwaterstoffen en vervalschingen als phenol verlagen het smeltpunt.

3°. Op een waterbad verhit, moet Thymol geheel vervluchtigen. Afwezigheid van niet of minder vluchtige, anorganische of organische stoffen, bijv. paraffine, walschot, suiker, enz. Daar Thymol ook reeds bij gewone temperatuur vervluchtigt, worde het in goed gesloten, niet te groote flesschen bewaard.

4°. Thymol is in ongeveer 1 deel sterken spiritus, in chloroform en in aether gemakkelijk oplosbaar. Het is ook oplosbaar in verdunde alkaliën, in vette en in vluchtige oliën. Afwezigheid van in genoemde middelen minder of onoplosbare stoffen.

5°. Als bij 5 mG. Thymol 5 droppels zivavelsuur gevoegd wordt. Hierbij mag geen bruinkleuring plaats hebben, wat wijzen kan op vervalsching met vreemde, organische stoffen.

6°. Water, met Thymol geschud, moet neutraal zijn. Afwezigheid van alkaliën of zuren. Zure reactie kan op slecht af-wasschen duiden.

70. en mag door ferrichloride niet gekleurd worden. Thymol kleurt zich met ferrichloride slechts in den vorm van sulfozuur. Afwezigheid van phenol \').

\') Broomwatei\' mag slechts eeno melkachtige troebeling, geen kristallijn neerslag geven, wal eveneens op aanwezigheid van phenol zou duiden.

-ocr page 608-

97°

T I N C T U R A E.

T I N C T UREN.

De stoffen, waaruit de Tincturen bereid worden, moeten, zoo noodig, vooraf gesneden of tot een grof of fijn poeder gestampt worden, zóó als bij elke Tinctuur is voorgeschreven. Zij worden daarna in goed gesloten llesschen, met den spiritus, buiten het zonlicht, 8 dagen onder herhaald schudden gemacereerd. Na de maceratie worde het spiritueuse vocht ge-coleerd en het achtergeblevene, zoo noodig, uitgeperst.

De aldus bereide Tincturen worden, nadat zij bezonken zijn , gefiltreerd, waarbij men zorg draagt dat geen spiritus verdampe.

De Tincturen moeten helder zijn en rieken en smaken naar de stoffen, waaruit zij bereid zijn.

Men beware ze in goed gesloten flesschen op een koele plaats, niet door de zon beschenen.

Samenstelling. Tincturen in \'t algemeen zijn spiritueuse aftreksels van plantaardige of dier 1 ijke, genceskrach-tige stoffen, waarvan zij voornamelijk de werkzame bestand-deelen bevatten •).

Bereiding. De bereiding der Tincturen geschiedt door eenvouc.\'ige maceratie der grondstoffen met spiritus in goed gesloten flesschen bij gewone temperatuur J). De, zoo noodig, vooraf tot fijn of grof poeder gebrachte, min of meer fijn gesneden of gestampte stoffen, zóó als dat bij elke Tinctuur nader is voorgeschreven, worden daartoe in eene ruime flesch gebracht, vervolgens de voorgeschreven hoeveelheid spiritus daarbij afgewogen en het mengsel

quot;) Uitzonderingen hierop zijn o. a. Tinct. Acetat. ferric, aetli., Tinct. Ferri cydoniata, Tinct. nervina liestuchefYi en Tinct. Hhei aquosa.

\\aar hare samenstelling worden de Tincturen verdeeld in:

a. Tincturae aclhereae, wanneer de trekking plaats heeft met aether of met een mengsel van spiritus en aether.

b. Tincturae acidae, wanneer aan den spiritus een zuur wordt toegevoegd.

c. Tincturae alcalinac, wanneer zij eene alkalische stof bevat.

d. Tincturae compositac, wanneer zij zijn een mengsel van tincturen of bij gebruik van meerdere grondstoffen voor ééne tinctuur (Schroder).

\'} In plaats van door maceratie zou de bereiding van vele Tincturen ook doorperco-latie kunnen geschieden. Alhoewel wij aan de voorgeschreven methode om bare eenvoudigheid en doelmatigheid de voorkeur blijven geven, zouden volgens sommigen bij percolatie de werkzame bestanddeelen heter en spoediger worden uitgetrokken. Daarentegen eischt de laatste ontegenzeggelijk meer zorg en zouden de dus bereide ï. meer bezinksel geven.

-ocr page 609-

971

in de daarna met glazen stop goed gesloten flesch onder herhaald omschudden gedurende acht dagen bij 150—25° getrokken.

De uittrekking geschiede bij gewone temperatuur. Hoogere temperatuur, bijv. digerceren bij 350—45°, zooals voor de bereiding van sommige Tincturen in vroegere voorschriften werd aangegeven, zou nadeelig op de bestanddeelen der stoffen kunnen werken en tot vervluchtiging van spiritus aanleiding geven, terwijl bestanddeelen , bij hoogere temperatuur oplosbaar, bij de voorgeschreven bewaring door verlaging van temperatuur weder onoplosloaar zouden kunnen worden en daardoor uitzakken.

De verhouding der hoeveelheid stof tot die van den spiritus is verschillend. Bij de heroïca is zij 1 : 10, bij de overige 1:5, terwijl de sterkte van den te bezigen spiritus afhangt van de bestanddeelen der grondstof. Lossen deze niet voldoende in verdunden spiritus op, zooals bijv. bij T. Asae foetidae, Benzoes, enz., dan wordt sterke gebezigd, terwijl bij enkele, zooals T. Moschi en Opii, reeds een zeer verdunde spiritus ter uittrekking voldoende is.

Herhaald omschudden alsmede eene min of meer fijne verdeeling der stof is noodig om alle deeltjes zooveel mogelijk met den spiritus in aanraking te doen komen en daardoor de oplosbare bestanddeelen beter te doen uitttrekken.

De duur der trekking is thans voor alle Tincturen bepaald op acht dagen, terwijl bij vroegere voorschriften rekening werd gehouden met de minder of meerder gemakkelijke uittrekbaarheid der stoffen, volgens welke zij zeven, veertien of meerdere dagen bedroeg.

Na de maceratie wordt het spiritueuse vocht zoo spoedig mogelijk gecoleerd en het achtergeblevene gewoonlijk nog uitgeperst. Deze uitpersing geschiedt bij kleinere hoeveelheden met de hand door uitwringen met behulp van een coleerdoek, bij grootere hoeveelheden door middel van een tincturenpers, waarbij vooral de z.g. differentiaal-hef boompersen aanbeveling verdienen.

Nadat de Tinctuur daarna door rustig staan op eene koele, zoo min mogelijk door het licht beschenen plaats gedurende minstens 24 uur, beter gedurende eenige, bijv. 4 a 5 dagen geheel bezonken is, wordt zij zoo spoedig mogelijk gefiltreerd, waarbij vervluch-tiging van spiritus moet worden voorkomen. Totale bezinking is noodzakelijk, wijl anders na de filtratie gewoonlijk spoedig weder een bezinksel ontstaat, zoodat deze moet worden herhaald, wat

-ocr page 610-

972

tot vervluchtiging van spiritus aanleiding kan geven. De trechter worde ter voorkoming daarvan gedurende de filtratie met een glazen plaat gedekt. Overigens spreekt het van zelf, dat het verlies aan vocht, dat bij de bereiding in de stof is achtergebleven, niet weder door spiritus mag worden aangevuld. De sterkte der Tinctuur zou daardoor immers o. a. afhankelijk zijn van het min of meer sterk uitpersen der stof, wijl hiervan ook de hoeveelheid toe te voegen spiritus afhangt.

De aldus bereide Tincturen worden in niet te volle, goed gesloten flesschen op eene koele plaats bewaard, niet door de zon beschenen, ten einde vervluchtiging van spiritus en verandering der bestand-deelen te voorkomen. Gewoonlijk neemt in \'t tegenovergestelde geval de Tinctuur langzamerhand eene lichtere kleur aan en ontstaat een bezinksel ten gevolge der oxydatie van het looizuur of van harsachtige stoffen, terwijl mede vluchtige stoffen, bijv. vluchtige oliën, daardoor verandering ondergaan.

Eigenschappen. Heldere, dunvloeibare, min of meer gekleurde, spiritueuse vochten, in de meeste gevallen riekende en smakende naar de stoffen, waaruit zij bereid zijn. Enkele malen ook rieken en smaken zij zuur of naar aether \').

Onderzoek.

1°. De Tincturen moeten helder zijn. Dikwijls, niettegenstaande deugdelijke bereiding, zet zich bij bewaring der Tincturen een bezinksel op den bodem der flesch af. In \'t algemeen is de daardoor veroorzaakte afname van werkzame bestanddeelen niet noemenswaard. Bij vele Tincturen moet de filtratie, vooral bij langdurige bewaring, vóór de afgifte herhaald worden. Ook door koude worden sommige Tincturen min of meer troebel, die somtijds bij kamertemperatuur echter weder helder worden. Men beware daarom de Tincturen niet beneden io0, beter bij 150—20°.

20. en rieken en smaken naar de stoffen, zvaarnit zij bereidsiju. Reuk en smaak worden door den neveninvloed van den alcohol dikwijls beter na verdunning waargenomen; de eerste het best bij langzame verdamping bijv. op de hand of op een horlogeglas. Wat betreft de kleur, deze kan bij verschil in grondstof, wijzeen

\') Zio verdere identileits-reactiön bij de verschillende Tincturen en op alcohol bij «Spiritus fortior», blz. 877.

-ocr page 611-

973

temperatuur van trekking en in duur en wijze van bewaring op onderscheidene tijden wel een weinig verschil opleveren

■) Voorts kan bij de beoordeeling tier Tincturen, behalve op liet gehalte aan werkzame stoffen, zooals ilit bij enkele is voorgeschreven, gelet worden op soortelijk gewicht, droogrest, aschgehalte, alcoholgehalte, verhouding tegenover water en voor sommige ook het zuurgehalte.

De in de Pli. vermelde soort. gew. kunnen ook buiten de opgegeven grenzen oen weinig varieeren, daar zij o. a. ook afhankelijk zullen zijn van den toestand der grondslofl\'en, nl. of deze versch of minder versch, zacht of hard gedroogd zijn, enz., in \'t algemeen of zij dientengevolge meerdere of mindere stoffen aan den spiritus afgeven. Als criteria van deugdelijkheid hebben zij\' daarom minder beteekenls. Ook Ier constateering van vervalsching kan er weinig waarde aan toegekend worden zonder gelijklijdige bepaling van het alcoholgehalte. Een te laag soort. gew. bijv. ten gevolge van een gering gehalte aan uitgetrokken stollen kan immers geneutraliseerd worden door het gebruik van een slapperen spiritus.

De droogrest wordt bepaald door 40 Grm. Tinctuur op het waterbad en daarna ii: een droogstoof bij 100° uit te drogen, het aschgehalte door gloeiing daarvan, beide tot constant gewicht. Deze factoren echter vertoonen zulke schommelingen, dat zij voor de beoordeeling eene zeer beperkte waarde hebben.

liet alcoholgehalte kan bepaald worden door 100 cM3. Tinctuur, met water tot 200 cM3. verdund, onder toevoeging van een weinig calciumcarbonaat of magnesium-oxyde, ten einde vrije zuren te binden, te destilleeren. In 150 cM3. destillaat, mei water tot 200 cM3. aangevuld, wordt het soort. gew. bepaald. Hot dienovereenkomstig alcohol-gehalte, mot twee vermenigvuldigd, geeft de sterkte van don alcohol aan. Men neme er echter rekening mede, dal door verlies de sterkte van den alcohol in de Tincturen afneemt, wat tot 5% kan bedragen.

Bij aanwezigheid eener groote hoeveelheid vluchtige stoffen als oliën, enz. wordt aan 50 cM3. Tinctuur, na verdunning met 200 cM3. water , 200 cM3. verzadigde calciumchoride-en, na goed omschudden, eenige cM3. natriumhydrophosphaat-oplossing toegevoegd, daarna gefiltreerd en het neerslag tot 500 cM3. afgewasschen. In 200 cM3. daarvan wordt door destillatie tot 100 cM3. het alcohol-gehalle bepaald en dit met vijf vermenigvuldigd.

De verhouding tegenover water is in vele gevallen een zoor goed middel ter controleering der Tincturen. De meesle n.1., deugdelijk bereid, vertoonen bij toevoeging eener bepaalde hoeveelheid water eene opaliseering, troebeling of neerslag van bepaalde sterkte of worden melkachtig wit. Door toevoeging eener grootere, bepaalde hoeveelheid water worden sommige weder helder. Door verschil in spiritusgehalte, dat weder invloed heeft op de hoeveelheid opgeloste stof, worden deze verhoudingen natuurlijk veranderd. Sterkere spiritus lost bijv. meer hars en olie en minder van in water oplosbare stoffen op, slappere spiritus daarentegen omgekeerd. Voor dit onderzoek brengt men eene nauwkeurig gewogen of gemeten hoeveelheid, bijv. 5 Grm. of 5 cM3. Tinctuur in een droog, glazen maalje, laat droppelsgewijs water toevloeien en teekent aan bij welke hoeveelheid water, na omschudden, troebeling plaats heeft en, zoo mogelijk, bij welke hoeveelheid de vloeistof weder helder wordt. De toevoeging van het water geschiede langzaam, droppelsgewijs; meerdere toevoeging in eens geeft onnauwkeurige resultaten.

Het zuurgehalte wordt door titratie bepaald en gewoonlijk uitgedrukt als zuur-getal door aan te geven de hoeveelheid milligrammen KIR), verbruikt om het zuur uit 10 Grm. Tinctuur na verdunning tot 100 cM3, te verzadigen.

-ocr page 612-

974

TINCTURA ACETATIS F E R RI C I AETHEREA.

A ET HER IS C H E T I N C T UUR VAN F E R R I A C E T A A T.

N. Oplossing van Fcrrichloride zes en twintig dealen . . 26 verdund met

WaUr honderd deelen............100

Voeg ze, sterk roerend, bij

Ammonia veertig deelen...........4°

vooraf verdund met

Water achthonderd deelen...........800

zorg dragend dat het vocht, ook na de preclpitatle, duidelijk alkalisch reageere. Verzamel het neérslag, na herhaald decanteeren, op een linnen doek; wasch het met water volledig uit en pers het daarna zoo sterk mogelijk.

Doe den koek, in stukjes verdeeld, in een flesch en voeg er bij

Azijnzuur twee en dertig deelen.........32

Schud het mengsel van tijd tot tijd om, totdat het ferrihydioxyde is opgelost. Filtreer en wasch het filtrum met zoo veel water uit, totdat de geheele vloeistof bedrage

honderd deelen...............100

Voeg hierbij zoo langzaam, dat het vocht hierbij niet warm worde,

een mengsel van

S/erken Spiritus twaalf deelen.........12

Aethylacetaat acht deelen...........

Een heldere, donker roodachtigbruine vloeistof, die naar aethylacetaat riekt, zuurachtig samentrekkend smaakt en een soortelijk gewicht heeft van 1.048—1.052.

Aetherische Tinctuur van Ferriacetaat bevatte ten minste 3.7 pet. Ijzer, \'i\'er bepaling van het IJzergehalte, worde 5 Grm. Tinctuur vermengd met 20 cM3. chloorwaterstofzuur en 25 cM3. water. Aan de dus verkregen, tot 50° verwarmde, vloeistof worde 10 cM3. kaliumjodideoplossing (1 = 10) toegevoegd en zij daarna met volumetrisch thiosulfaat ontkleurd. Hiertoe worde niet minder dan 33,2 cM3. thiosulfaat vereischt.

Samenstelling.

Eene waterige oplossing van basisch ferriacetaat \'),

gt;) Van ferrihydroxyle en azijnzuur kunnen verschillende lerriacetaten afjjeleid worden, welker samenstelling verschilt naar de ter oplossing van het hydroxide gebezigde

-ocr page 613-

975

Fe2(OH)2(CH3.COO)4, met geringe overmaat azijnzuur \') en vermengd met spiritus 2) en aeth/lacetaat 3).

Bereiding. Ferriacetaat wordt verkregen door oplossing van versch geprecipiteerd ferrihydroxyde in azijnzuur. Azijnzuur toch lost ferrihydroxyde in gedroogden toestand niet op, waarom

Fe2(OH)6 6 CIP.COOH = Fe2(CH3.COO)B 6 I-PO

ferrihydroxyde azijnzuur normaal (neutraal) water

214 00 ferriacetaat

het versch wordt neergeslagen uit eene oplossing van ferrichloride met ammonia. Zoowel de ferrichloride-oplossing als de ammonia worden in een bekerglas of porseleinen schaal met water verdund

(Fe*ClG i2H*0) 6 NH3 -f 6H20 = Fe2(OH)6

ferrichloride ammoniak water ferrihydroxyde

541 17 214

6 NH4C1 I2H20

ammoniumchloride water

bij elkander gevoegd, wijl in meer geconcentreerden staat door bij de omzetting ontwikkelde warmte een minder waterhoudend en daardoor in zuur moeilijker oplosbaar ferrihydroxyde zou geprecipiteerd worden, dat later tot spoedige ontleding van het preparaat aanleiding zou geven. Ook moet de ferrizout-oplossing onder voortdurend omroeren bij de ammonia gevoegd worden en niet omgekeerd , opdat steeds ammonia in overmaat aanwezig zij, de vloeistof dus voortdurend alkalisch reageere, waardoor de vorming van oxychloriden wordt voorkomen, die een ondeugdelijk preparaat zouden leveren. 26 dln. Oplossing van Ferrichloride bevatten 7 (3 N/ i n

— X = I9\'5 dln. Ferrichloride, welke—- X I9-5 — 3 7dln. 4 541

ammoniak = 37 dln. ammonia ter ontleding vereischen, zoodat in het voorschrift der Ph. een overmaat van ongeveer 3 dln.

hoeveelheid azijnzuur. In hoofdzaak onderscheidt men neutraal, % -basisch en l-basisch

ferriacetaat. Terwijl het neutrale zout beschouwd kan worden als ferrihydroxyde, waarin

al de hydroxyl-, 011, groepen door azijnzuur zijn vervangen, ontstaan de basische acetaten door gedeeltelijke vervanging daarvan.

FeJ(OH)e Fe,(CH3.COO)B Fe^OIOHCIKCOO)» Iquot;equot;(011)quot;(Cll3.C00)1

ferri- normaal (neutraal) | basisch J-basisch

hydroxyde ferriacetaat ferriacetaat ferriacetaat \') Zie biz. II.

\') Zie blz. 874,

\') Zie blz. 4.

-ocr page 614-

9/6

ammonia voorhanden is. Na de precipitatie, die dus bij lage temperatuur moet geschieden, laat men het ferrihydroxyde, zooveel mogelijk onder afsluiting van licht, bezinken en zuivert het eerst door herhaald decanteeren, daarna door afwasschen met water op een vochtig filter of linnen doek van het mede gevormd ammoniumchloride, wijl ook de aanwezigheid hiervan invloed heeft op de houdbaarheid van het preparaat. Men wascht dus zóó lang uit, totdat het afloopende water geen reactie met zilvernitraat meer geeft, waarna het ferrihydroxyde door uitpersing van aanhangend water wordt bevrijd. Het uitpersen geschiede eerst zacht, daarna sterker, eindelijk zoo sterk mogelijk, doch tevens gelijkmatig, opdat al het water uit het neerslag verwijderd worde, wijl een overmatig waterhoudend hydroxyde aanleiding zou geven tot verdunning van het azijnzuur en het daarin dus moeilijker zou oplossen. Ten slotte wordt het ferrihydroxyde, in stukjes verdeeld, in eene ruime flesch gebracht en op eene koele plaats met het azijnzuur geschud, totdat het daarin opgelost is. 541 dln. Ferri-chloride leveren 214 dln. ferrihydroxyde; 19.5 dln. chloride dus ongeveer 7.7 dln. hydroxyde. 214 dln. Ferrihydroxyde behoeven 6 X 60 = 360 dln. azijnzuur, om normaal ferriacetaat te leveren; 7.7 dln. hydroxyde hebben daartoe dus weinig minder dan 13 dln. azijnzuur noodig, vervat in ongeveer 43 dln. azijnzuur der Ph. Daar slechts 32 dln. zijn voorgeschreven, zou dus, afgezien van verlies bij de bewerking, steeds eenig hydroxyde onopgelost moeten blijven, indien nl. het preparaat eene oplossing van normaal ferriacetaat was. Daar echter, zooals ook het voorschrift meldt, al het ferrihydroxyde oplost, zal het preparaat veel meer eene oplossing van het basische acetaat Fe2(OH)1(CH3.COO)4 zijn met geringe overmaat azijnzuur, welke dient om de vorming van onoplosbaar basisch zout tegen te gaan. Ter vorming hiervan toch behoeven 214 dln. Fe\'(OH)8 4 CH3.COOH = Fe^OH^CPP.COO)4 4IPO

ferrihydroxyde azijnzuur »■ basisch water

214 GO ferriacetaat

ferrihydroxyde slechts 4 X 60 = 240 dln. azijnzuur; 7.7 dln.

hydroxyde hebben dus daartoe ongeveer 8.6 dln. azijnzuur noodig,

vervat in ongeveer 29 dln. azijnzuur der Ph.

Ten slotte wordt aan de gefiltreerde en met water tot 100 dln. gebrachte vloeistof toegevoegd een mengsel van spiritus en aethyl-acetaat, waardoor de sterk samentrekkende smaak van het preparaat zeer wordt verminderd. De spiritus en het aeth)-lacetaat worden

-ocr page 615-

977

vooraf gemengd en het koude mengsel bij kleine gedeelten voorzichtig in de oplossing gebracht, zóó dat de vloeistof niet warm wordt, waardoor zich onoplosbaar basisch zout zou kunnen afscheiden. Daar toevoeging van spiritus alleen steeds eenige warmte veroorzaakt, moet vooraf het aethylacetaat daaronder gemengd worden.

Ten slotte worde de vloeistof, ten einde ontleding te voorkomen, in goed gesloten fleschjes op eene koele, doch niet te koude en op eene duistere plaats bewaard. Wegens de gemakkelijke ontleed-baarheid van het preparaat is het voorts aangewezen, het op betrekkelijk kleine schaal te bereiden , zoodat het niet te lang in voorraad zij.

Eigenschappen. Eene heldere, in dunne lagen doorschijnende, donker roodachtigbruine, zwak zure vloeistof van 1.048—1052 soort. gew., die naar aethylacetaat riekt en zuurachtig, een weinig samentrekkend smaakt. Zij is helder vermengbaar met water en spiritus, doch wordt bij verwarming daarmede troebel door afscheiding van basisch zout.

De roodachtigbruine vloeistof wordt, na verdunning met water (1 — S). door chloorwaterstof-, zwavel- en salpeterzuur geel gekleurd. Met alkali of alkalicarbonaat geeft zij een bruin, met kaliumferro-cyanide een blauw neerslag. Met kaliumsulfocyanide geeft zij eene donkerbloedroode verkleuring, echter eerst na zuurmaking met overmaat chloorwaterstofzuur.

Onderzoek.

10. Een heldere vloeistof. De bereiding van het preparaat vereischt veel zorg en eene zeer nauwkeurige opvolging van het voorschrift, wijl anders somtijds reeds spoedig ontleding volgt, het preparaat z.g. omslaat, gelatineert door afscheiding van onoplosbaar basisch zout. Ook bij blootstelling aan de lucht door vervluchtiging van azijnzuur, tevens door reductie aan \'t licht \') of bij verhooging van temperatuur en bewaring derhalve op eene minder koele plaats, echter ook door te groote koude kan ontleding en afscheiding van basisch zout plaats hebben. Tevens geschiedt dit bij aanwezigheid van sommige anorganische zouten, waarom de uit-

\') De met water verdunde Tinctuur (1 =5) mag derhalve, na toevoeging van eenige droppels chloorwaterstof/.uur, niet blauw gekleurd worden door kaliumferricyanide, wat op ferro-acetaat zou wijzen.

-ocr page 616-

9/8

wassching van het ammoniumchloride- bevattende ferrihydroxyde nauwkeurig moet geschieden

Bij verwarming tot koken moet de met water verdunde vloeistof (1 = 5) troebel worden en een neerslag ontstaan; het tegenovergestelde zou wijzen op een te groot gehalte aan vrij azijnzuur.

2°. donker roodachtigbniine vloeistof. Na prccipitatie van het ijzer als hydroxyde door ammonia mag, na toevoeging van overmaat salpeterzuur, de vloeistof geen neerslag geven met zilvernitraat, wat op ferrichloride of ammoniumchloride kan wijzen.

30. die zuurachtig samentrekkend smaakt. Deze smaak mag niet veroorzaakt worden door vrij chloorwaterstofzuur. De verdunde vloeistof (1 = 5) mag daarom na toevoeging van kalium-jodide en stijfseloplossing geene blauwkleuring vertoonen.

40. en een soortelijk gewicht heeft van 1.048—1.052. Slaat op het gehalte aan basisch zout 2). Hoe meer geconcentreerd de vloeistof is, des te eerder vertoont zij neiging, om ontleed te worden.

50. Aetherische Tinctuur van Ferriacetaat bevatte ten mmstc 3.7 pet. Ifzer. De Ph. laat voor 120 dln. Tinctuur gebruiken 26 dln. Ferrichloride-oplossing met een gehalte van 14.5 —15-5 P^- Ijzer, zoodat het Ijzer-gehalte der Tinctuur, afgezien van elk verlies, slechts kan bedragen 3.14—3.36 pet. Aan dezen eisch der Ph. kan derhalve niet worden voldaan 3).

6°. Ter bepaling van het Ifzergehalte, worde 5 Grm. Tinctuur vermengd met 20 cJll3. chloorwaterstofzuur en 25 cM*. water. Aan de dus verkregen, tot 50° verwarmde, vloeistof worde \\ocj\\P. kaliumfodideoplossing (1 = 10) toegevoegd en zij daarna met volume tr isc h thiosulfaat ontkleurd. Hiertoe worde niet minder dau 33.2 cM3. thiosulfaat vereischt. 112 Grm. Ijzer correspondeert met 254 Grm. jodium en deze weer met 496 Grm. thiosulfaat. Bij een gehalte van 3.7 pet. Ijzer zal dus 0.185 Grm. Ijzer, in 5 Grm.

\') Wij zouden daarom de voorkeur geven aan oeno oplossing van het normale, neutrale ferriacetaat, welke veel beter houdbaar is en geen sediment afzet. In het voorschrift zou alsdan deze verandering gebracht moeten worden, dat in plaats van 3\'2 dln. azijnzuur ter oplossing van het ferrihydroxyde 43 dln. worden genomen.

gt;) In verband daarmede mag de heldere vloeistof, na vermenging met 10 vol. alcohol en 7 vol. aether, door meer aether niet troebel worden, wat zou wijzen op aanwezigheid van een meer dan J-basisch zout.

^ De oorzaak hiervan ligt waarschijnlijk in oen fout van bet voorschrift, zoodat de I\'h. bedoelt 20 dln. Ferrichloride-oplossing te gebruiken voor 100 dln. Tinctuur in plaats van voor -120 dln. (Op regel 21 v. b. zou dus 100 veranderd moeten worden in 80). Hot Uzergehalte kan dan bedragen 3.77—i.03 pet.

-ocr page 617-

979

Tinctuur vervat, correspondeeren met X 0.185 = 0.819 Grm.

thio,sulfaat, vervat in ongeveer 33 cM3. Volumctrisch Vocht. Bij een gehalte van 3.14—3.36 pet. Ijzer zou voor 5 Grm. Tinctuur

~~ X (O. ï 57—0,168) = 0.695—0.744 Grm. thiosulfaat noodig

zijn, vervat in 28—30 cM3. Volumetriscb Vocht \').

TINCTURA ACID A AROMA TI CA.

Z URE A R 0 M A T I S C H E TING T UUR.

Te bereiden uit

Kaneel, tot poeder (B 10) gebracht........5

Gemberwortel^ tot poeder (15 10) gebracht, van elk vijf

deelen.................5

en een mengsel van

Zwavelzuur tien deelen............10

en

Verdunden Spiritus negentig deelen........90

Een brainachtig-roode Tinctuur, aromatisch en zuur van smaak, van 0.941—0.946 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: vluchtige oliën en harsen, opgelost in spiritus, benevens vrij zwavelzuur.

Bereiding. Het vermengen van het zwavelzuur met den spiritus moet voorzichtig geschieden, door het zuur bij zeer kleine hoeveelheden onder voortdurend omschudden of roeren bij den spiritus te voegen, die zich in een door koud water omgeven llesch bevindt. Bij deze vermenging toch ontstaat steeds eene geringe hoeveelheid aethylhydrosulfaat, C2Hr\'.HS04, welke toeneemt, naarmate dc bij de vermenging ontwikkelde warmte grooter is, die tevens aanleiding kan geven tot vervluchtiging van spiritus.

De Tinctuur worde in \'t donker bewaard, wijl zich, vooral aan \'t licht, daarin langzamerhand een rood bezinksel vormt, bestaande uit geoxydeerde harsdeelen 2).

\') Zie verder over deze Uzer-bepaling bij «Chloretum ferricum et Chloretum am-monicum » , blz. 183.

J) Soortelijk gewicht 0.941 (Pb.)—0.(J56 (Schmidt). Droogrest 15.3 pet. (Schmidt).

-ocr page 618-

97»

vvassching van het ammoniumchloride- bevattende ferrihydroxyde nauwkeurig moet geschieden \').

Bij verwarming tot koken moet de met water verdunde vloeistof (1 = 5) troebel worden en een neerslag ontstaan; het tegenovergestelde zou wij zen op een te groot gehalte aan vrij azijnzuur.

20. donker roodachtigbruine vloeistof. Na precipitatie van het ijzer als hydroxyde door ammonia mag, na toevoeging van overmaat salpeterzuur, de vloeistof geen neerslag geven met zilvernitraat, wat op ferrichloride of ammoniumchloride kan wijzen.

30. die zuurachtig samentrekkend smaakt. Deze smaak mag niet veroorzaakt worden door vrij chloorwaterstofzuur. De verdunde vloeistof (1 = 5) mag daarom na toevoeging van kalium-jodide en stijfseloplossing geene blauwkleuring vertoonen.

40. en een soortelijk gewicht heeft van 1.048—1.052. Slaat op het gehalte aan basisch zout s). Hoe meer geconcentreerd de vloeistof is, des te eerder vertoont zij neiging, om ontleed te worden.

50. Aetherische Tinctuur van Ferriacetaat bevatte ten minste 3.7 pet. Ijzer. De Ph. laat voor 120 dln. Tinctuur gebruiken 26 dln. Ferrichloride-oplossing met een gehalte van 14.5 — IS\'5 Pc^ IJzergt; zoodat het Ijzer-gehalte der Tinctuur, afgezien van elk verlies, slechts kan bedragen 3.14—3\'3Ö pet. Aan dezen eisch der Ph. kan derhalve niet worden voldaan 1).

6°. Ter bepaling van het Ijzer gehalte, worde 5 Grm. Tinctuur vermengd met 20 cM*. chloonvater stof zuur en 25 cM*. water. Aan de dus verkregen, tot 50° verwarmde, vloeistof worde \\o cl\\P. ka Hu mjo dideop lossing (1 = 10) toegevoegd en zij daarna met volu-nietrisch thiosnlfaat ontkleurd. Hiertoe worde niet minder dan 33.2 cM*. thiosnlfaat vereischt. 112 Grm. Ijzer correspondeert met 254 Grm. jodium en deze weer mot 496 Grm. thiosulfaat. Bij een gehalte van 3.7 pet. Ijzer zal dus 0.185 Grm. Ijzer, in 5 Grm.

1

) De oorzaak hiervan ligt waarschijnlijk in een fout van het voorschrift, zoodat de 1\'h. bedoelt 20 dln. Ferrichloride-oplossing te gebruiken voor 100 dln. Tinctuur in plaats van voor l\'iO dln. (Op regel 21 v. b. zou dus 100 veranderd moeten worden in 80). Het Uzergehalte kan dan bedragen 3.77—i.03 pet.

-ocr page 619-

979

Tinctuur vervat, correspondeeren met X 0.185 = 0.S19 Gnn.

thiosulfaat, vervat in ongeveer 33 cM3. Volumetrisch Vocht. Bij een gehalte van 3.14—3.36 pet. Ijzer zou voor 5 Gnn. Tinctuur

X (O^SZ—0.168) = 0.695—0.744 Gnn. thiosulfaat noodig

zijn, vervat in 28—30 cM3, Volumetrisch Vocht \').

TIN C T U R A A CID A AROMATIC A.

Z URE A R O M A T I S C H E T I N C T U U R.

Te bereiden uit

Kaneel, tot poeder (B 10) gebracht........5

Gemberwortel, tot poeder (B 10) gebracht, van elk vijf

deelen................. 5

en een mengsel van

Zwavelzuur tien deelen............10

en

Verdunden Spiritus negentig deelen ........90

Een bruinachtig-roode Tinctuur, aromatisch en zuur van smaak, van 0.941—0.946 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: vluchtige oliën en harsen, opgelost in spiritus, benevens vrij zwavelzuur.

Bereiding. Het vermengen van het zwavelzuur met den spiritus moet voorzichtig geschieden, door het zuur bij zeer kleine hoeveelheden onder voortdurend omschudden of roeren bij den spiritus te voegen, die zich in een door koud water omgeven flesch bevindt. Bij deze vermenging toch ontstaat steeds eene geringe hoeveelheid aethylhydrosulfaat, C^HMdSO4, welke toeneemt, naarmate de bij de vermenging ontwikkelde warmte grooter is, die tevens aanleiding kan geven tot vervluchtiging van spiritus.

De Tinctuur worde in \'t donker bewaard, wijl zich, vooral aan \'t licht, daarin langzamerhand een rood bezinksel vormt, bestaande uit geoxydeerde harsdeelen 2).

\') Zie verder over deze Ijzer-bepaling bij «Chloretum ferricum et Chlorelum am-monicum», blz. 183.

\') Soortelijk gewicht 0.941 (Ph.)—0.(J50 (Schmidt). Droogrest IS.3 pet. (Sc hm id t).

-ocr page 620-

980

TINCTURA ALOËS.

A L O Ë TINCTUUR.

Te bereiden uit

A/of, tot grof poeder gebracht, één deel......1

Verdunden Spiritus vijf deelen.........5

Een donkerbruine, eenigszins groenachtige, zeer bittere Tinctuur van 0.942—0.948 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: aloïne en aloëhars, opgelost in s p i r i t u s.

Bereiding. De voorgeschreven maceratie der aloë met den spiritus gedurende 8 dagen is onnoodig; 24 uren zijn daartoe voldoende. Zuivere aloë is in verdunden spiritus geheel oplosbaar; eenige wellicht achterblijvende vlokken, houtsplinters, enz. worden door filtratie verwijderd \').

TINCTURA ALOËS COMPOSITA.

SAMENGESTELDE A L O i:: T I N C T U U R.

N. Aloetinciuur................................t

Saffraan tinctuur..............................1

Myrrhetinctuur, van elk één deel................1

Meng ze.

Een geelachtig-roode, bittere Tinctuur van 0.897—0.903 soortelijk gewicht 2).

TINCTURA ARNICAE. ARNICATINCTUUR.

Te bereiden uit

Arnicabloemen één deel............1

Verdunden Spiritus tien deelen.........10

Een bruinachtig-gele, bitterachtige Tinctuur van 0.892—0.898 soortelijk gewicht.

\') Soort. gew. 0.942(Ph.)—0.955 (Sc hm id t). Droogrest 15.G0(Polak)—10.79 (Co c ï)pct.

Wordt de T. met aether uitgeschud en de aether vervolgens met ammonia vermengd, dan treedt rood-violette verkleuring in (v. Itallie).

»)Soort. gew. 0.897(Ph.)—0.911 (Polak). Droogrest 8.05(Polak)—8.80 (Schmidt)pet.

-ocr page 621-

981

r

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; vluchtige olie en a r n i c i n e, opgelost in spiritus.

Bereiding. De bloemen worden vooraf fijngesneden en na de trekking wegens haar vocht opzuigend vermogen sterk uitgeperst \').

I

\'■iS.

li

nli lil

I

1

|||

!

TINCTURA ASAE FOETID A E.

DUIVELSDREK TINCTUU R.

Te bereiden uit

Duivelsdrek, tot grof poeder gebracht, één deel ... 1 Sterken Spiritus vijf deelen...........5

Een bruinachtig-gele, eigenaardig riekende Tinctuur van 0.850—0.858 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen : hars envluchtigeolie, opgelost in spiritus.

Bereiding. Alhoewel de Ph. bij „ Asa foetidaquot; voorschrijft, dat zij ten gebruike tot poeder gebracht en door zifting van vreemde lichamen gezuiverd moet worden, maakt zij bij de bereiding der T. daarop eene uitzondering. Zij wordt hiervoor eenvoudig tot grof poeder gebracht, wat trouwens voldoende is, daar de uittrekking door spiritus tevens tot hare zuivering leidt 2).

T I N C T U R A A U R A N T I O R U M. ORANJESCHI L T I N C T U U R.

Te bereiden uit

Oranjeschil, zeer fijn gesneden , één deel...... i

Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een bruinachtig-gele Tinctuur van o.gio—0.915 soortelijk gewicht.

11

\') Soort. gow. 0.891(Schmid t)—0.911 (D io t e rich). Droogrest 1.05—\'2.2i pet. (D ie tcrich.) Aschgehalte 0.10—0.\'2I3 pet. (D i010ric li). Zuurgetal 7.28—19.(50 (Dieterich).

De T. wordt door 4. vol. water troebel, door 1 vol. geelachtig wit, bijna melkachtig, door veel water weder heldor en geeft met 5 vol. water, in eens toegevoegd, een heldere vloeistof (II i r s c h).

\') Soort. gew. 0.850(rh.)—0.8597 (v. L. H.) Droogrest 7.90(S chin id t)—8.38 (v. L. 11.) pet. De T. wordt door water zeer wit en troebel.

i

dl

63

-ocr page 622-

9^2

Samenstelling. Hoofdbestanddcelen: vluchtige olie en aurantiine, opgelost in spiritus.

Bereiding. Zooals bij „Oranjeschilquot; is voorgeschreven, moet deze vóór \'t gebruik van de binnenste witte laag ontdaan worden. Geschiedt dit niet, dan is de verkregen T. donkerder van kleur, bitterder en soortelijk zwaarder \').

T I N C T U R A BENZO H S.

BENZOËTINCTUU R.

Te bereiden uit

Benzon, tot grof poeder gebracht, één deel.....i

Sterken Spiritus vijf deelen...........5

Een bruinachtig-roode Tinctuur van 0.873—0.882 soortelijk gewicht, die, met water verdund, een melkwit vocht geeft, hetwelk zuur reageert en waaruit langzamerhand hars bezinkt.

Samenstelling. Hoofdbestanddcelen: hars en benzoëzuur, meestal ook eenig kan eel zuur, opgelost in spiritus

TINCTURA CANTHARIDUM.

SPAANSCHE-VLIEGENTINCTUUR.

Te bereiden uit

Séaansche Vliegen, tot poeder (B 10) gebracht, één deel 1 Sterken Spiritus tien deden...........10

Een groenachtig-gele Tinctuur van 0.832—0.839 soortelijk gewicht.

gt;) Soort. gow. 0.910(Ph.)—0.928 (Diclerich). Droogrest 4.12(0 0 c x)—8.\'26(D ie-tericli) pet. Ascligelialle 0.07—0.23 pet. (D i e t e r i c li). Zuurgetal \'21.84—30 80(lJ iele rich). De Verdunde Spiritus onzer Ph. bevat 09—71, die der Ph. Germ. 68—69 vol. alcohol.

De T. riekt en smaakt naar Oranjeschil, wordt door 5 vol. water troel iel, door I vol. ondoorschijnend en veroorzaakt, hij water gevoegd, eerst bij wijngeelkleuring troebelmg daarin (11 irsch).

») Soort. gew. 0.8614(v. d. P1 a a t s)—0.882(Ph.). Droogrest 12.15(P 01 a k)—16.48 (Cocx) pet. Zij riekt naar benzoë en wordt dooi- J vol. water blijvend troebel.

-ocr page 623-

9^3

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: cantharidine, vluchtige olie benevens een weinig vet, opgelost in spiritus \').

T I N C T U R A C A S T O R EI.

CASTOR EU M TINCTUUR.

Te bereiden uit

Casioreum, tot grof poeder gebracht, één deel .... i

Sterken Spiritus tien deelen......•.....10

Een bruinachtig-roode Tinctuur van 0.846 — 0.856 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; vluchtige olie benevens ■een weinig vet, opgelost in spiritus J).

T I N C T U R A CATECHU.

CACHOUTINCTUUR.

Te bereiden uit

Cachott, tot grof poeder gebracht, één deel.....t

Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een donkerbruine Tinctuur, die zeer samentrekkend smaakt, zuur reageert en een soortelijk gewicht heeft van 0.932—0.938.

Soort. gew. 0.828(1) i e te r ic lO—O.S^l\'01 a k). Droogrest 1.10(1\'0 1 a k)—2.85 (Dieterich) pet. Aschgehalte 0.03—0.12 pet. (D i 0 10 rich). Zuurgotal 12C0—26.32 (D i e t e r i c h).

Zij is brandend van smaak, riekt naar Spaansche Vliegen en veroorzaakt op de huid onder roodwording een brandend gevoel. Zij wordt door 8 pet. water troebel, door 25 pet. geheel ondoorschijnend, door 1 vol. melkachtig troebel. 10 eM3. Water wordt door éón droppel T. duidelijk, door twee droppels sterk opaliseorend (Hirsch).

Wordt de verdampingsrest met petroleumaether zooveel mogelijk van vet bevrijd en vervolgens zwavelzuur en kalimnbichromaat toegevoegd, dan ontstaat na eenigen tijd eene helder groene verkleuring (v. 11 a 11 i e).

Zij worde tegen den invloed van het licht bewaard.

■) Soort. gew. 0.838 (Schmidt)—0.8599 (Polak). Droogrest 5.45(P o 1 a k)—6.17 (v. L. 11.) pet. Zij riekt eigenaardig.

In water gedroppeld, wordt dit bruinwit, melkachtig troebel, blijvend ook na toevoeging van ammonia (in onderscheid met de ï. van Siberisch C., die, in water gedroppeld, dit geelachtig kleurt, maar niet doet opaliseeren, terwijl ammonia de vloeistof weder helder maakt).

-ocr page 624-

984

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: catechine (catcchu-zuur), opgelost in spiritus \').

TINCTURA CHINAE.

KINATINCTUUR.

Te bereiden uit

Poeder van Kinabast één deel.......... 1

Verdunden Spiritus vijf deelen.......... 5

Een bruinachtig-roode, zeer bittere Tinctuur van 0.912—0.918 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; kina-alkaloïden als kinine, kinidine, cinchonidine, enz., gebonden aan ook vrij daarin voorkomend kinazuur en kinalooizuur, opgelost in spiritus 5).

TINCTURA CHINAE C O M P O SI T A.

SAMENGESTELDE K I N A T I N C T U U R.

T I N C T U R A C O M 1\' O S I ï A W II V T I I.

N. Kinatinctuur................1

Oranjeschiltinctuur ..............1

Gentiaantinctuur...............1

Meng ze.

Een bruinachtig-roode, specerijachtig-bittere Tinctuur van 0.910 - 0.918 soortelijk gewicht 3).

\') Soort. gew. 0.918—0.1)40 (D i e t er i c h). Droogrest 7»31—11.52 pel. (D i e t e r i c h). Ascligelialte 0.07—O.tü pet. (D i e t e ri c h).

Zij is reukloos 011 in dunne lagen doorschijnend, vermengt zich in allo verhoudingen helder met water, kleurt zich bij verdunning daarmede (! = 25) fraai donker framboze-rood (llirsch), wordt door ferrichloride vuilgroen en door verwarming met een weinig kaliumchromaat donkerkersrood gekleurd.

») Soort. gew. 0.91 l(P 0 1 a k)—0.92G(S c li m i d t). Droogrest 4.85(C o c x)—6.65 (Schmidt) pet. Aschgehalte 0.11—0.15 pet. (1) ie te ri eh).

Met \\ vol. water wordt zij troebel, door I vol. ondoorschijnend, door zeer veel water weder helder, gemakkelijker na toevoeging van natriumcarbonaat (llirsch).

2 Grm. Tinctuur wordt vermengd met 1 Grm. Oplossing van basisch Loodacetaat, gefiltreerd en uitgedampt. De rest wordt opgenomen in water, waaraan toegevoegd enkele droppels verdund zwavelzuur, en daarna nogmaals gefiltreerd. Het filtraat geeft met sterk chloorwater en ammonia de thalleokine-reaetie (v. 11 a 11 i e).

Zij bevat een varieerend gehalte van ongeveer 0.5 pet. alkaloïden. Een bepaald gehalte met methode van onderzoek had iu de I\'h. moeten worden opgegeven.

Soort. gew. 0.90()l(Cocx)—0.918(Ph.). Droogrest \'i.29(Gocx)—ü.70(v. L. H.) pet.

-ocr page 625-

98S

TI N C T U R A CINNAMOMI. KANEELTINCTUUR.

Te bereiden uit

Kaneel, tot poeder (B 10) gebracht, één deel..... i

Verdienden Spiritus vijf deelen.......... 5

Een bruinachtig-roode Tinctuur van 0.895—0.900 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: vluchtige olie en kaneelzuur, benevens eenig looizuur en hars, opgelost in spiritus \').

; I.

TIN C T U R A C O L C H IC I. COLCHICUMTINCTUUR.

Te bereiden uit

Colchicumzaad, gestampt, één deel........ 1

Verdunden Spiritus tien deelen..........10

Een lichtgele, bittere Tinctuur van 0.890—0.898 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; colchicine, benevens eenige vette olie, opgelost in spiritus.

«L

aii

Bereiding. Het zeer harde, taaie, hoornachtige zaad moet volgens de Ph. vóór de maceratie fijngestampt worden, wat het best geschiedt, door het vooraf in een poedermolen te malen en daarna door stampen verder tot een zoo fijn mogelijk poeder te kneuzen. Daar het alkaloïde alleen in de zaadhuid schijnt voor te komen, is de meening voorgestaan, ook ten einde demogelijkheid van uittrekking der in de kern voorkomende vette olie te voorkomen, om het zaad niet fijn te maken. Wijl echter op de laatste wijze de T. minder colchicine bevat dan volgens de eerste, heeft de Ph. het fijnmaken der zaden voorgeschreven. Het tot poeder brengen geschiede telkens terstond vóór de bereiding; poeder, dat eenigen tijd gelegen heeft, mag wegens de gemakkelijke ontleed-baarheid van colchicine niet gebruikt worden.

4 1

ï

\') Soort. gew. 0.895(Ph.)—0.914(S c li m i d t). Droograst 2.10(Polak)—2.93 (v L, II.) pcf. Zij bezit een aangenamen, zoet- en specerijaehtigen, weinig samentiekkenden kaneelsmaak.

-ocr page 626-

986

Om verandering door het licht tegen te gaan, is het raadzaam de T. tegen den invloed daarvan te bewaren \').

TINCTURA CROCI.

SAFFRAANTINCTUUR.

Te bereiden uit

Saffraan, zeer fijn gesneden, één deel....... 1

Ver dimden Spiritus tien deelen..........10

Een hoog-geelroode Tinctuur van 0.900—0.908 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; p o I y c h r o ï e t (c r o c i n e), pikrocrocine (saffraanbitter) en vluchtige olie, opgelost in spiritus 2).

TINCTURA DIGITALIS.

DIGIT ALISTINCTUUR.

Te bereiden uit

Digitalisbladen, zeer fijn gesneden, één deel..... 1

Ver dimden Spiritus tien deelen..........10

Een bruinachtig-groene, bittere Tinctuur van 0.893—0.903 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: digit al ine, digitoxine en digi to nine, opgelost in spiritus.

Bereiding. Het fijn snijden van de gedroogde, min of meer broze bladen is moeilijk goed uit te voeren, waarom het wel de bedoeling

1) Soort. gew. 0.8888(C 0 c x)—0.940(8c11 m i d t). Droogrest 0.5G7(v. li. H.)—\'2.00(Die te-i\'ich) pet. Ascligelialte 0.01—0.1\'2 pet. (D ie ter ie h). Zuurgetal \'2.80—10.92 (D ie t eric li).

Zij bezit geen bijzonderen reuk, wordt door \'e vol. water reeds sterk troebel, door een weinig meer ondoorsehijnend, door \'2 vol. water bijna melkachtig troebel en door veel water niet weer helder, gemakkelijk echter na toevoeging van een weinig natriurtt-carbonaat. Met 10 vol. water, in ééns toegevoegd, geeft /.ij eene sterk opaliseerende vloeistof (H i r s c h).

3 Grm. T. wordt verdampt, de rest opgenomen in water, door een nat filter gegoten-en met chloroform uitgeschud. Na verdamping blijft een gele rest, die, motsalpeterzuui overgoten, violet en daarop spoedig bruin wordt; na daarop volgende toevoeging van kaliloog verschijnt eene oranjeverkleuring (v. Itallie).

a) Soort. gew. 0.900(l1h.)—0.918(P 0 I a k). Droogrest 4.\'lü(P 0 I a k)—4.55(C 0 c x, Schmidt) pet. Bewaring buiten den invloed van het licht is wegens de veranderlijkheid der T. wel gewenseht.

-ocr page 627-

987

zal zijn ook het daarbij verkregen grove poeder te bezigen. De brijachtige massa moet na de maceratie sterk uitgeperst worden. Bewaring der T. buiten den invloed van het licht is wegens de ontleedbaarheid der bestanddeelen voorgeschreven 1).

TI N C T U R A EUCALYPTI. EUCALYPTUSTINCTUUK.

Te bereiden uit

Eucalyptusbladen, zeer fijn gesneden , één deel .... i

Sier ken Spiritus vijf deelen...........5

Een bruinachtig-groene Tinctuur van 0.847—0.853 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: vluchtigeolie benevens een weinig looizuur en har s.

Bereiding. De bladen moeten zeer fijn gesneden worden, wat beter is dan tot poeder brengen, daar dit laatste aanleiding geeft tot verlies van vluchtige olio der overigens moeilijk tot poeder te brengen, leerachtige bladen 2).

T I N C T U R A F E R RI C Y D O N IA T A.

IJ ZE R HOUDENDE KW E EËNTINCTUU R.

N. Sap van Versche Kweeün duizend deelen.....1000

IJzerpoeder twintig deelen........... 20

Laat ze 14 dagen, onder dikwerf herhaald roeren, digereeren; coleer en damp uit, totdat overgebleven zijn

vijfhonderd deelen.............500

Voeg daarbij

Kaneelspiritus dertig deelen.......... 30

Een zwartbruin vocht, dat zwak ijzerachtig smaakt.

\') Soort. gow. 0.8(J3(Ph.)—0.912(Sc h m i J t). Droogrest \'2.52(J(v. L. II.)—5.05 (Polak) pet.

5 Grm. T. wordt verdampt, de rest opgenomen in \'2 cM3. water en vervolgens de kleurstof met een weinig Oplossing van basisch I.oodacetaat geprecipiteerd. Na filtratie wordt met chloroform uitgeschud, deze daarop verdampt en het residu op een horlogeglas met zwavelzuur overgoten. Voegt men bij deze oplossing weinig broomwater, dan treedt violetklouring in (v. Itallie).

2) Soort. gew. O.8i6(l\'o 1 a k)—0.9068(v. 1 -. II.). Droogrest 3.10(P 01 a k)—4.27(v. L. II.) pel.

Zij riekt sterk aromatisch naar de bladen.

-ocr page 628-

988

De Tinctuur bevatte ten minste 1.2 pet. Ijzer, hetgeen op de volgende wijze bepaald wordt:

5 Grm. dezer Tinctuur wordt door uitdamping gedroogd, het overschot gegloeid en de dus verkregen asch opgelost in 15 cM;l. chloorwaterstot-zuur en verder behandeld zooals bij Solutio Ferri albuminata is voorgeschreven.

Ter ontkleuring worde niet minder dan 10.7 cM11. volumetrisch thio-sulfaat vereischt.

Samenstelling. Eene waterige oplossing van ferromalaat, Fe(C4H40\'!), en ferrimalaat, Fe2(C4H405)3, benevens eenig ferritan naat, gearomatiseerd met kaneelspiritus.

Bereiding. Deze geschiedt in October uit liefst nog eenigszins onrijpe kweeën, wijl deze het meeste zuur bevatten. Twintig zulke middelmatig of eenigszins groote vruchten leveren ongeveer duizend deelen sap. Ten einde dit daaruit te verkrijgen, worden de kweeën allereerst door splijten met een mes van de klokhuizen en het zaad bevrijd, vervolgens door stampen in een steenen mortier of vijzel, beter met behulp van eene machine tot moes gebracht , om daarna in een tincturen- of vruchtenpers uitgeperst te worden. Het verkregen sap laat men, vermengd met de overeenkomstige hoeveelheid ijzerpoeder, in een ruim, glazen, steenen of houten vat onder dikwerf herhaald roeren gedurende veertien dagen op het waterbad of andere lauwwarme plaats bij 40°—450 trekken, waardoor zich onder ontwikkeling van waterstof en daardoor veroorzaakt opschuimen der vloeistof ferromalaat vormt. Het diri-

Fe C\'\' H0 O ■r\' = Fe(C4H40B) -f 2H

ijzer appelzuur ferromalaat waterstof

geeren, nl. verhooging van temperatuur heeft hier mede ten doel, om gisting en bederf van het sap te voorkomen, waardoor vorming van andere zuren als azijnzuur, melkzuur, barnsteen-zuur en boterzuur zou kunnen plaats vinden. Men coleert daarna van afgescheiden moes, pectinestoffen , overmaat ijzer, enz. af en dampt in eene ruime aarden of porseleinen schaal of pot op het waterbad bij zachte warmte tot vijfhonderd deelen uit. Door den invloed der lucht vooral onder verwarming wordt hierbij het ijzer min of meer van den ferro- in den ferristaat overgebracht. Na volkomen bekoeling wordt vervolgens het ijzergehalte bepaald. Wordt dit te hoog bevonden, dan verdunt men de vloeistof met de berekende hoeveelheid water; is het daarentegen te laag, dan dampt men

-ocr page 629-

989

de vloeistof uit tot die hoeveelheid, dat de verlangde sterkte is bereikt. Ten slotte wordt op elke 500 dln. oplossing 30 dln. kaneelspiritus toegevoegd en de heldere vloeistof na eenige dagen, het laatste vocht na filtratie, in flesschen geschonken, die goed gesloten op eene koele plaats worden bewaard.

Eigenschappen. Een helder, zwak zuur, zwartbruin, naar kaneel riekend vocht, dat zwak ijzerachtig smaakt. — Door alkaliën scheidt zich in het vocht (1 = 10) geen ferrihydroxyde af\'). — Met kaliumferro- zoowel als met kaliumferricyanide geeft het (1 = 10) een blauw neerslag J), met kaliumsulfocyanide na zuurrnaking eene bloedroode verkleuring. — Met loodacetaat geeft het (1=5) een wit neerslag, dat, afgefiltreerd, moeilijk oplosbaar is in ammonia 3)

Onderzoek.

1°. De Tinctuur bevatte ten minste 1.2 pet. Ijzer. Het ijzer-gehalte en dientengevolge de kleur hangt eenigszins af van de rijphe.\'d en het daarmede samenhangend gehalte aan zuur der kweeperen. Kweeperen zijn boven appelen, in andere Fh. voorgeschreven, te verkiezen wegens het grootere zuurgehalte, dat bij kweeën ongeveer dubbel zoo groot is (3.5 pet.) als bij zure appelen (1.5 pet.), zoodat hiermede nimmer een T. met 1.2 pet. Ijzer kan worden verkregen. Bij lang staan scheidt zich meestal een klein gedeelte van het ijzer, vooral het tannaat, als bezinksel op den bodem af.

2°. 5 Grm. dezer Tinctuur wordt door uitdamping gedroogd. het overschot gegloeid en de dus verkregen asch opgelost in 15 cMz. chloonvaterstof zuur en verder behandeld zooals bij Solutio Ferri albuminata is voorgeschreven.

Ter ontkleuring worde niet minder dan 10.7 cM%. volumetrisch thiosulfaat vereischt. 5 Grm. Tinctuur moet bevatten 0.06 Grm. Ijzer,

wat correspondeert met X O.06 == 0.266 Grm. thiosulfaat, ver-

112

vat in ongeveer 107 cM3. volumetrisch thiosulfaat 4).

\') Aanwezigheid van wijnsteenzuur, citroenzuur of appolzunr.

\') Aanwezigheid van ferro- en ferrizout.

3) Aanwezigheid van appelzuur, in onderscheid tnel wijnsteenzuur en citroenzuur, waarvan liet loodzout gemakkelijk in ammonia oplost.

Als bij Solutio Ferri albuminata worde ook hier bij het overschot oen weinig oplossing van ammoniumnitraat of chloorvrij salpeterzuur gevoegd. Overigens ware het o. i. wenschelijk geweest, in plaats van oen minimum- een constant ijzergehalte, bijv. van I pet., voor te schrijven.

-ocr page 630-

99°

T I N C T U R A G A L L A R U M.

GALNOTENTINCTUUR.

Te bereiden uit

Galnoten, tot poeder (B 10) gebracht, één deel . ... i Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een geelbruine Tinctuur, die zeer samentrekkend smaakt, zuur reageert en een soortelijk gewicht heeft van 0.943—0.950.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: looizuur en eenig gallus z u u r, opgelost in spiritus 1).

TINCTURA GEL SEMI I.

GELSEMIUMTINCTUUR.

Te bereiden uit

Gelsemiumwortel, tot poeder (B 10) gebracht, één deel . i Verdunden Spiritus tien deelen........ • 10

Een bruinachtig-gele, zeer bittere Tinctuur van 0.889—0.895 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; gel se mine en gelse-miumzuur, opgelost in spiritus 2).

TINCTURA G E N TI A N A E.

GENTIAANTINCTUUR.

Te bereiden uit

Gentiaanwortel, tot poeder (B 10) gebracht, één deel. . 1 Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een bruinachtig-geelroode, zeer bittere Tinctuur van 0.910 0.920 soortelijk gewicht.

1

Grm. Tinctuur wordt verdampt, de rest opgelost in 1 cM3. water, waaraan 1 droppel verdund zwavelzuur is toegevoegd, en daarna gefiltreerd. Men maakt aet liltraat

2

met ammonia alkalisch en schudt uit met chloroform. Na verdamping van de ehloro-

3

form blijft gelsemine terug, dat met zwavelzuur en kaliumbichromaat eene rood-violette verkleuring geeft. De uitgeschudde vloeistof, met water verdund, tluoresceert blauw door aesculine (v. I t a 11 i e).

-ocr page 631-

991

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: gentiopikrine (gen-tiaanbitter) en gentisine, opgelost in spiritus \').

TIN C T U R A IPECACUANHA E. IPECACUANHATINCTUU R.

Te bereiden uit

Ipecacuanhaworlelbast, tot poeder (B 10) gebracht, één deel i Verdunden Spiritus tien deelen..........10

Een roodachtig-bruingele, zwak bittere Tinctuur van 0.889—0.896 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen ; emetine (c e p h a ë 1 i n e en een derde alkaloïde) met ipecacuanhazuur, opgelost in spiritus 1).

TI N C T U R A L O B E LIA E.

LOBELIATINCTUU R.

Te bereiden uit

Lobeliakruid, zeer fijn gesneden, één deel...... 1

Verdunden Spiritus tien deelen. . :.......10

Een bruinachtig-groene Tinctuur van 0.888—0.896 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen : 1 o b e 1 i n e met lobelia-z u u r, opgelost in spiritus 2).

1

\') Sooi t. gew. 0.910(Pli.)—0.938 (D ie torich). Droogrest 2.95(Polak)—8.3G(Diete-r i ch) pet. Ascligelialte O.Oi—0.09 pet. (Dietericli). Zuurgetal 1\'2.32—10.80 (Dieter i ch).

Zij i\'iekt naar gentiaanvvortel en vermengt zich helder met water in iedere verhouding.

») Soort. gew. 0.889(Ph.)—0.910(S ch mid t). Droogrest 1.46(v. L. il.)—1.90(Sch m id 1).

2

) Soort. gew. 0.888(lgt;h.)—0.905(1) io te rich). Droogrest 0.793(v. L. H.)—1.9l(Diete-rich) pet. Aschgehalte 0.06—0.20 pet. (Diet er i eh). Zuurgetal 7.00—11.20(1) icteric li).

De T. wordt door i vol. water zwak, door vol. sterk opaliseerend, door 1 vol. bijna ondoorschijnend, door meer water weder helder, vooral na toevoeging van natrium-carbonaat (II i r s c h).

De bruinaelitig-groene kleur is veel zwakker dan bij T. Digitalis. Reuk gering, na verdunning met water onaangenaam zeepachtig. Smaak walgelijk scherp. Zij worde buiten den invloed van het licht bewaard.

-ocr page 632-

992

T I N C T U R A M O S C H 1.

MUSKUSTINCTUUR.

Te bereiden uit

Muskus twee deelen..............2

Ver dimden Spiritus..............50

IVaier, van elk vijftig deelen..........50

Een bruine, sterk naar Muskus riekende Tinctuur.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelcn: het re uk verspreide n d e beginsel en verdere in spiritus houdend water oplosbare bestanddeelen van Muskus.

Bereiding. De Muskus wordt met het water afgewreven en daarna de spiritus toegevoegd \').

TINCTURA MYRRHAE.

M V R R H E T I N C T U U R.

Te bereiden uit

Myrrhe, tot poeder (B 10) gebracht, één deel .... 1 Sterken Spiritus vijf deelen........... 5

Een roodachtig-gele Tinctuur, die, met water verdund, melkwit wordt en een soortelijk gewicht heeft van 0.845—0.851.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: hars en vluchtige olie (myrrhol), opgelost in spiritus 2).

\') Soorl. gew. I.0i3(Sc h m id I)—1.060(v. L. II.). Droogrest 0.ol5(v. L. If.)—0.580 (Schmidt)pet. Zij vermengt zich met water in iedere verhouding helder.

\') Soort. gew. 0.8i30(Cocx)—0.856 (D i 0 t e r i c h). Droogrest 4.11—7.19 pet. (D i e-terich). Ascligehalte 0.00—0.03 pet. (Dieterieh). Zuurgetal 8.40—10.80 (Die teric h).

Zij riekt naar myrrhe en smaakt bitter, specerijachtig brandend. Uit M. alba s. electa bereid, is de T. bruinachtig geelrood en geeft met I vol. water eene zuiver melkwitte vloeistof; uit de gewone handelswaar bereid, is zij donkerder, meer roodbruin en geeft met water eene meer bruinachtige melk.

Beter is \'t voor de bereiding poeder li 20 aan te wenden, daar, naarmate het poeder grover is, de hars minder volledig wordt uitgetrokken, wijl de onoplosbare gom debars omhult en voor uittrekking beschut.

-ocr page 633-

993

TINCTURA NERVINA BESTUCHEFFI.

ZENUWTINCTUUR VAN BESTUCHEFF.

Ijzerchlorideoplossing tien deelen...........

S/erken Spiritus zestig deelen..........60

Aether dertig deelen.............30

Meng ze en stel de vloeistof, in goed gesloten flesscher., zoo lang aan het zonlicht bloot, totdat zij kleurloos geworden is.

Zet de flesschen op een donkere plaats en open ze van tijd tot tijd, totdat de Tinctuur een goudgele kleur heeft aangenomen.

Een helder goudgele vloeistof, die naar aether riekt, scherp ijzerachtig smaakt en een soortelijk gewicht heeft van 0.842—0.846.

Zenuwtinctuur van Bestucheff moet 1.45—1.55 pet. Ijzer bevatten.

Ter bepaling van het IJzergehalte, worde 5 Grm. Tinctuur tot de helft verdampt en het overgeblevene met 10 cM:l, chloorwaterstofzuur en 50 reG. kaliumchloraat zoolang verwarmd, totdat al het chloor is uitgedreven. Na toevoeging van 30 cM8. water, worde de tot 50° verwarmde vloeistof met 5 cM\'\'1. kaliumjodideoplossing (1=10) vermengd en met volumetrisch thiosulfaat ontkleurd, waarvoor 130 —13.8 cM3. vereischt worde.

Samenstelling. Eene spiritueus-aetherische oplossing van ferrochloride en fer r i ox y ch 1 o r i de benevens vrij chloorwaterstofzuur, acetal dehyde, CH3.COH, en een weinig aethylchloride, CïH\'i.Ci.

Bereiding. De vorming dezer Tinctuur berust op de volgende chemische processen. Wordt de met spiritus en aether vermengde ferrichloride-oplossing aan het zonlicht blootgesteld, dan heeft daardoor reductie plaats van ferri- tot ferro-zout onder vrijwor-

Fe2Cl0 H20 = 2 FeCl2 2 HC1 O

feiriclilorido water ferrochloride chloor- zuur-

waterslofzuur stof

ding van chloorwaterstofzuur en zuurstof. Dit blootstellen aan het licht moet geschieden in goed gesloten flesschen om te voorkomen dat het gevormde ferrochloride door de zuurstof der lucht weder tot ferrichloride wordt geoxydeerd. De zuurstof der lucht, die zich boven de vloeistof in de flesch bevindt, oefent natuurlijk dezelfde werking uit, zoodat de omzetting in ferro-zout eerst volkomenten einde is, wanneer die zuurstof geheel is verbruikt om reeds gevormd ferrochloride weder in ferrichloride te veranderen. Onder

-ocr page 634-

994

afgifte derzelfde zuurstof wordt dit dan weder door het licht tot ferro-zout gereduceerd. De flesschen, waarin het vocht, moeten derhalve, ten einde de gehcele omzetting in ferrochloride te bespoedigen, niet grooter genomen worden dan noodzakelijk is. Gedurende het proces wordt de ferri-houdende vloeistof allengs van rood geel, daarna groen en eindelijk kleurloos, ten teeken dat al het ferri- in ferro-zout is omgezet \'), terwijl de daarbij vrij gekomen zuurstof een gedeelte van den

CH3.CHJOH O = CH3.COH -f H*0

aethylalcohol zuurstof acetalileliyde -water

alcohol tot aldehyde oxydeert en zich uit alcohol en chloonvater-stofzuur tevens een weinig aethylchloride vormt ^). Worden nu

C2H5.OH HC1 = CJHSC1 IPO

aethylalcohol chloor- aethylchloride water

walerstofzuur

de flesschen, waarin dit kleurloos mengsel, van tijd tot tijd geopend en laat men dus de lucht weer toetreden, dan wordt het ferrozout onmiddelijk tot een zeker maximum geoxydeerd tot een ferri-oxychloride, dat met hooggele kleur in het mengsel van spiritus en aether opgelost blijft. Deze oxydatie moet op eene donkere plaats geschieden, wijl in het licht immers weder reductie en ontkleuring zou plaats hebben, alhoewel het telkens openen der flesschen natuurlijk ook weder oxydatie en kleuring tengevolge zou hebben. Bij bewaring aan \'t licht is derhalve de vorming van ferro- uit het ferri-zout niet geheel buitengesloten en daardoor kan dus ook het uiterlijk der T. een weinig verschillen , wat echter door de aanraking met de zuurstof der lucht nooit belangrijk kan zijn (Prinsen G eer-li gs). Langdurige bewaring in \'t duister daarentegen geeft langzamerhand aanleiding tot ontleding van het ijzerzout onder troebelwording en afzetting van een bruin precipitaat.

\') Sotnlijils wordt de vloeistof niet geheel ontkleurd en behoudt zij eene groere tint, wat het gevolg kan zijn van het gebruik van onzuiver, door oxydatie met salpfterzuui verkregen ferrichloride, waarin nog stikstof/.unrstofverbindingen zijn achtergebleven, die, allengs tot stikstofoxyde gereduceerd, met eene donkere, in sterke verdunning olijfgroene kleur in hnt ferrozout oplossen.

Ook kan zich gedurende de ontkleuring in de vloeistof een gering bezinksel vormen . eerst rood, daarna groen, eindelijk wit. Dit bestaat waarschijnlijk uit vreemde zouten, suUaten of silicaten, afkomstig uit een gering gehalte aan zwavelzuur of kiezel-zuur van het gebezigde chloorwaterstofzuur of ijzerzout, die onoplosbaar zijn in het spiritueui--aetherisch vocht en zich eerst als gekleurd ferri-, later als kleurloos ferrozout in de vloeistof afzetten (Prinsen G e e r 1 i g s).

\') Noch chloral, chloroform of azijnzuur ontstaan hierbij (Prinsen Geerligs).

-ocr page 635-

995

Eigenschappen. Eene heldere, zure, goudgeel gekleurde vloeistof, die sterk naar aether riekt, scherp ijzerachtig smaakt en een soortelijk gewicht heeft van 0842—0.846. Met water verdund (1 = 20), wordt zij door kaliuniferricyanide donker blauw, door kaliumfcrrocyanide lichter blauw en door kaliumsulfocyanide bloedrood. — Met zilvernitraat geeft zij een wit neerslag, dat, afgefiltreerd, oplosbaar is in ammonia.

Onderzoek.

1°. Een vloeistof, die een soortelijk gewicht heeft van 0.842 0.846. Slaat op eene deugdelijke bereiding en een juist ijzergehalte.

20. ZemnvtincUinr van Bestucheff moet 1.45—1.55 pet. Ijzer bevatten.

Ter bepaling van het IJzergehalte, worde 5 Gnn. Tinctuur tot de helft verdampt en het overgeblevene met 10 cM*. chloorwater-stofzuur en 50 niG. kaliumchloraat zoolang verwarmd, totdat ai het chloor is uitgedreven. Na toevoeging van 30 cM*. zvater, worde de tot 50° verwarmde vloeistof met 5 cM*. kaliumjodideoplossing (1 — 10) vermengd en met volnmetrisch thiosnlfaat ontkleurd, waarvoor 13.0—13.8 eM. vereischt worde. 112 Grm. Ijzer correspondeert met 496 Grm. thiosnlfaat. 5 Grm. Tinctuur van 1.45 — 1.55 pet. Ijzer bevat 0.07250—0.07750 Grm. Ijzer, dat dus correspondeert met X (0.07250—0.07750) =0.3210—0.3432 Grm.

thiosnlfaat. Volnmetrisch Thiosnlfaat bevat 24.8 Grm. thiosnlfaat op 1000 cM3.; 0.3212—0.3432 Grm. is dus vervat in ongeveer 13.0 — 13.8 cM3. 1).

T I N C T U R A O F 11.

OPIUMTINCT U U R.

Te bereiden uit

Poeder van Opium tien deelen......... ro

Verdunden Spiritus vijftig deelen.........50

Water vijf en veertig deelen..........45

Een roodachtig-bruine, bittere Tinctuur van 0.975—0.977 soortelijk gewicht.

\') Zie verder over dezo bepaling bij «Ferrum reducUim», b!z. 320.

-ocr page 636-

996

loo deelen van de Tinctuur bevatten de oplosbare bestanddeelen van io deelen Poeder van Opium.

Het Morphinegehalte dezer Tinctuur moet op de volgende wijze bepaald worden ;

Damp 15 Grm. der Tinctuur op een waterbad uit tot 5 Grm. en meng deze met 500 mG. kalkhydraat en 10 Grm. water, zoodat het gezamenlijk gewicht 15.5 Grm. bedrage.

Behandel dit mengsel op dezelfde wijze als bij het Samengesteld Opiumpoeder is voorgeschreven.

De afgescheiden kristallen wegen 90—-ioo mG., hetgeen overeenkomt met een gehalte van 0.9 — 1 pet. Morphine in de Tinctuur. Zij moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de Morphine uit Opium zijn voorgeschreven.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: de in waterigen spiritus oplosbare bestanddeelen van Opium, zooals: morphine (0.9—-1 pet.), codeïne, thebaïne, enz. \').

Onderzoek,

1°. 100 deelen van de Tinctuur bevatten dc oplosbare bestanddeelen van 10 deelen poeder van Opium. Voor de bereiding der T. worden 10 dln. Opium, bevattende juist 10 pet. morphine, genomen op 95 dln. vocht. Daar Opium ongeveer 66 pet. oplosbare stof aan het vocht afstaat, zal, in aanmerking genomen eenig verlies gedurende de bereiding, de gestelde eisch slechts ongeveer juist kunnen zijn, wat overigens ook uit het verlangde, niet constante morphine-gehalte (0.9—1 pet.) blijkt.

20. Het Morphinegehalte dezer Tinctuur moet op de volgende wijze bepaald zvorden:

Damp 15 Gnu. der Tinctuur op een waterbad uit tot 5 Grm. en meng deze met 500 in G. kalkhydraat en 10 Grm. water, zoodat het gezamenlijk gewicht 15.5 Grm. bedrage.

Behandel dit mengsel op dezelfde ivijzc als bij het Samengesteld Opiumpoeder is voorgeschreven.

De afgescheiden kristallen wegen 90—100 mG., hetgeen overeenkomt met een gehalte van 0.9—1 pet. Morphine in de Tinctuur 2).

\') Soort. gew. 0.973(C 0 c x, Polak)—0.(J78(S 1; h in i il t). Droogrest 4.00—5.81 pel. (Dieterich). Aschgehalte 0.10—0.21 pet. (D i 01 e r i c h). Zuurgetal 72.8—75.3(Die-I e r i c li).

De ï. rielit naar Opium en wordt in de koude troebel, doch bij kamertemperatuur weder helder. Met \\ vol. water geeft zij eene geringe, met 1 vol. eene sterke troebeling, die door verdere toevoeging van water gemakkelijk weder verdwijnt (llirsch).

quot;) Zie over deze bepaling bij «Pulvis Opii compositus», blz. 713 en 714.

-ocr page 637-

997

3°. Zij moeten aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als voor de Morphine nil Opium zijn voorgeschreven 1).

T I N C T U R A Q U A S SI A E.

K W A S S I E T I N C T U U R.

Te bereiden uit

Kwassiehont, gesneden en gestampt, één deel .... i

Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een licht bruinachtig-gele, zeer bittere Tinctuur van o 887—0 895 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel: q u assii 11 e 2).

T I N C T U R A RA T A N H I A E.

RATANHIATINCTUU R.

Te bereiden uit

Ratanhiawortet, tot poeder (A 5) gebracht, één deel. . 1

Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een donker bruinroode Tinctuur, die samentrekkend smaakt en een soortelijk gewicht heeft van 0.906—0.914.

Samenstelling. Hoofdbestanddeel; ra t a n h ial o o iz u u r 3).

T I N C T U R A R H E I A Q U O S A.

W A T E R I G E R H A H A R B E T I N C T U U R.

I N F U S U M R li E 1 A (,) U O S U .M.

N. Khabar her extract................

Natriumcarbonaat, van elk vijf deelen.......5

64

1

\') Zio aldaar, blz. 643.

2

gt;) Soort. gew. 0.887(Ph.)—0.902(Sc li m i il t). Droogrest ().3(P01 a k)—0.9(8 c h m i d t) pet. Zij lluorosceert een weinig.

3

) Soort. gew. 0.906(Ph.)—0.923(D i e t er i cli). Droogrest 4.75(S c li m i d t)—7.14 (Die te rich) pet. Aschgehalte 0.04—0.07 pet. (Die te rich).

Zij is reukloos en wordt met verdunden spiritus (1=15) fraai donker frambozerood. Zij wordt door | vol. water licht troebel, door een weinig meer geheel ondoorschijnend, bij opvallend licht donker steenrood, ook door zeer voel water niet weer volkomen helder, gemakkelijker onder donkerkleuring na toovooging van natriumcarbonaat (II i rsch).

-ocr page 638-

998

Water, zestig deelen . . Kaneelwater dertig deelen

Los het extract en het zout in het water op, filtreer na 2 dagen en meng het filtraat met het kaneelwater.

Een heldere, roodbruine vloeistof.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen ; n a t r i u m-verbindingen der bestanddeelen van Rhabarbenvortel als chrysophaanzuur, emodine, rheumlooizuur, rheumzuur, cat hart ine zuur en der harszuren erythroretine, phaeoretine (?) en apore-tine^), gearomatiseerd door kaneelwater.

Bereiding, Het voorschrift dezer T. heeft in den loop der tijden herhaaldelijk verandering ondergaan. De bewerking heeft ten doel eene heldere, waterige oplossing te verkrijgen van de min of meer werkzame bestanddeelen van den Rhabarbenvortel. Op zich zelve minder gemakkelijk of moeilijk in water oplosbaar, is dit beter het geval in den vorm van een alkalizout. Vroeger voegde men daarom bij de maceratie van den wortel kaliumcarbonaat toe. Een daarmede bereid preparaat hield zich echter bij het bewaren niet lang goed door spoedige schimmelvorming en liet daarbij langzamerhand ontstaan van een belangrijk bezinksel der kalium-verbindingen van eenige der bestanddeelen. Ten einde dit te verhelpen , werd later spiritus toegevoegd en in plaats van kaliumcarbonaat natriumcarbonaat gebezigd; in sommige voorschriften werd ook nog borax als conserveermiddel toegevoegd. Voorts werden als voorzorgen voor het verkrijgen van een helder infuus, dat ook geruimen tijd goed blijft, aanbevolen het gebruik van gedestilleerd water, het niet te fijn snijden van den wortel, het niet te sterk uitpersen der massa en behoorlijk laten bezinken der vloeistof vóór de filtratie \').

60 30

Eindelijk heeft de tegenwoordige 1\'h. nog weder deze belangrijke wijziging en verbetering in het voorschrift gebracht, dat in p\'.aats van den wortel het daaruit bereid spiritueus extract wordt gebezigd. Daardoor is de T. minder slijmig en wordt hare helderheid en duurzaamheid natuurlijk zeer verhoogd, alhoewel de thans

\') Ken voorschrift, zooals onze Ph. I£d. 1 gaf, waarbij eerst na de trekking kaliumcarbonaat werd toegevoegd, beeft natuurlijk geen zin, daar bet eigenlijke doel, bet beter oplosbaar maken der bestanddeelen van den wortel in water, op deze wijze niet wordt bereikt.

-ocr page 639-

999

achterwege gelaten toevoeging van spiritus voor eene goede bewaring wenschelijk blijft. Op den duur toch heeft bij de gewone wijze van bewaring nog verandering der T. door micro-organismen plaats, wat evenwel voorkomen kan worden door sterilisatie, waarbij de T. maanden lang onveranderd en helder blijft. De toevoeging van het kaneelwater dient zoowel als corrigens voor den smaak der T. als voor de werking van den wortel \').

TINCTURA SECALIS CORNUTL

MOEDERKOOR N T I N C T U U R.

Te bereiden uit

Moederkoorn, tot poeder (B 10) gebracht, één deel. . . i

Verdunden Spiritus vijf deelen..........5

Een licht wijnroode Tinctuur van 0.892—0.898 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: ergotine (Dragendorff) en ergot in ine (Tan ret) of sphaceli nezu u r (Kobert) en cornutine (Kobert) 2).

T I N C T U R A S T R Y C H N I.

S T R YCHNOSTINC T U U R.

T r N C ï U R A N U t\' I S V O M I C A li.

N. Strychnosexiraci één deel........ ... 1

Los het op in

Verdunden Spiritus negen en negentig deelen .... 99 en filtreer.

Een geelachtige, zeer bittere Tinctuur van 0.888—0.893 soortelijk gewicht.

100 Grm. van deze Tinctuur moet, na verdampt te zijn, 1 Grm, droog

•) Soort. gew. 10352(v. L. 1U—1.0300 (Schmidt). Droogrest 5.96(v. L. H.)—7,20 (v. d. Plaat s) pet.

Zij is in dunne lagen doorschijnend, riekt en smaakt naar rhabarber, is met water in Iedere verhouding helder mengbaar en reageert niet alkalisch.

«) Soort. gew. 0.892(Ph.)—0.903(8 chin ld t). Droogrest 1.70(Polak)—3.90(Schmidt) pet.

Zij worde tegen den invloed van het licht bewaard.

-ocr page 640-

IOOO

Extract achterlaten en dit, onderzocht zooals bij Strychnosextract is voorgeschreven, 150 mG. alkaloïden opleveren.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelcn; s t r y c h n i n e en b r u c i n e.

Bereiding. Deze geschiedt niet meer als vroeger uit het Strychnos-zaad doch uit het extract, wat eene verbetering is te achten, wijl door het wisselende gehalte aan alkaloïden der zaden dit ook het geval was bij de Tinctuur, terwijl het, bereid uit het extract met een bepaald alkaloïd-gehalte, thans constant is. De Tinctuur moet tegen den invloed van het licht bewaard worden.

Onderzoek.

1°. 100 Grin, van deze Tinctuur moet, na verdampt te zijn, 1 Gnn. droog Extract achterlaten en dit, onder zocht zooals hij Strychnosextract is voorgeschreven, 150 mG. alkaloïden opleveren. De Ph. verlangt dus een sterkte van 0.15 pet. Het preparaat is thans derhalve veel zwakker dan het vroeger gebruikelijke. Het gemiddelde alkaloïd-gehalte der zaden, gelijk de tegenwoordige Ph., op 2.5 pet. stellende, bevatte de vroegere T. dus op 6 dln. 0,025 dln. alkaloïden, d. i. dus ongeveer 0.4 pet. \').

TINCTURA SU CC INI.

B A R N S T E li N T 1 N C T U U R.

Te bereiden uit

Barnsteen, tot poeder (B 30) gebracht, één deel ... 1 Sterken Spiritus vijf deelen...........5

Een lichtgele Tinctuur van 0.833—0.841 soortelijk gewicht.

1) Soort. gew. 0.888(lgt;h.)—Ü.90I(S c h m i d t). Het soort. gow. varioiert een weinig ten gevolge van eene mogelijke vermenging van het extract met melksuiker, d.e ook in den spiritus oplost. Droogrest 0.60(Polak)—I.00(v. d. Plaats) pet.

5 Grm. T., met verdund zwavelzuur uitgedampt, geeft violetkleuring (loganine). De rest, opgelost in water, door een vochtig filter gefiltreerd, alkalisch gemaakt en met chloroform uitgeschud, geeft na verdamping daarvan eene rest, die met salpeterzuur rood (brucine) en mot kaliumbiehromaat en zwavelzuur violet (strychnine) wordt (v. I t a I 1 i e).

Zij worde tegen den invloed van het licht bewaard.

-ocr page 641-

I OOI

Samenstelling.Hoofdbestanddeelen: hars cn barnsteenzuu r.

Bereiding. Ter oplossing van de hars uit barnsteen is sterke spiritus en langdurige trekking noodig, vooral indien men deze bij de gewone temperatuur doet plaats hebben. De Ph. laat gebruik maken van geel of geelrood barnsteen, wat eene lichtgele tinctuur geeft, terwijl de sterkte der kleur afhangt van den aard van het barnsteen. Bruin barnsteen trekt met spiritus het meeste af, geeft bij verdamping der T., die fraai barnsteengeel gekleurd is, het grootste residu, terwijl wit barnsteen daarentegen een bijna kleurloos vocht en een gering verdampingsresidu geeft. Men gebruike in geen geval het barnsteenpoeder van den handel, wijl dit dikwijls vervalscht wordt, bijv. met colophonium, en ook veel vuil kan bevatten 1).

TINCTURA VALERIANAE. VALERIAANTINCTUUR.

Te bereiden uit

Valeriaanwortel, tot poeder (A 5) gebracht, één deel. . 1

Verdunden Spiritus vijf deelen.......... 5

Een roodachtig-bruine Tinctuur van 0.902—0.908 soortelijk gewicht.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen; vluchtige olie en vale riaanzuur met eenig hars en looizuur \').

Bereiding. Het voorgeschreven poeder A 5 is te grof; dit zal wel A 1.5 moeten zijn 1).

\') Soort. gew. 0.833(Ph.)—0.845(1\'0 I a k). Droogrest 0.00(1\'0 I a k)—1.42 (v. L. II.) pet.

Zij reageert zuur.

\'\') Soort. gew. 0.9008(v. L. II.)—0.918(D i e t e r i c h). Droogrost 2.26(v. L. II.)—5.83 (Dioterich) pet. Aschgelialte 0.07—0.25 pet. (Dieterieh). Zuurgetal 8.40—18.48 (D i e t e r i c h).

Zij wordt met | vol. water zwak opaliseerend, met J vol. ondoorsehijnend troebel, welke troebeling door veel water, gemakkelijk na toevoeging van natriumcarbonaat, weder verdwijnt (11 i r s e h).

De kleur is niet constant, doeh varieert van roodaobtig-bruin tot groenaehtig-bruin en versehilt in sterkte naar den handelswaar. Zij riekt en smaakt sterk naar valeriaan cn reageert zuur.

-ocr page 642-

1002

TRAGACANTHA.

TRAGACANT.

Het slijm van Astragalus adscendens Eoiss. etHausskn. en van andere soorten van hetzelfde geslacht, uit verwonde stammetjes gevloeid en in de lucht hard geworden.

Platen en lint- of sikkelvormige strooken. Zij zijn wit, ten hoogste 3 millimeter dik en niet smaller dan 0,5 centimeter, doorschijnend, golfs-wijs gestreept, licht, taai. Met water overgoten, zwellen zij sterk op. Tragacant is reukloos en smaakt flauw.

Samenstelling.

i0. ongeveer 60 pet. slijm (passerine, traganthine), onoplosbaar, doch sterk opzwellende in water.

2°. 8—10 pet. gom (kalium-, calcium- en magnesiumzouten van arabinezuur), oplosbaar in water.

Voorts 3 pet. cellulose, 2—3 pet. zetmeel, sporen van stikstofhoudende stof, ongeveer 3 pet. asch en 14—15 pet, water.

Afkomst. Tragacant is afkomstig van verschillende Ast ra-ga lus-soorten als A. adscendens B o i s s. et H a u s k n., br achy calyx Fischer, guvwilfer Lab., microcephalus Willd., pycnocladus Boiss. et Haussk., stromatodes Bunge, kurdiens Boiss., Cyllenens Boiss. et Hel dr. e. a. van mindere beteekenis, alle ongeveer een meter hooge, sterk vertakte heesters met houtige, ineengeschrompelde stammetjes uit de familie der Papilionaceae, voorkomende in de bergachtige streken van Armenië, Klein-Azië, Syrië, Kurdistan en Perzië. Zij komt daarin niet als zoodanig voor, doch ontstaat als eene slijmerige vloeistof ten gevolge van een verder onbekend omzettingsproces van het merg en de mergstralen en vloeit bij vochtig weder door de ontstane drukking van zelf door spleten en scheuren van den stam , ook wel en dan in grootere hoeveelheid door opzettelijk gemaakte insnijdingen naar buiten, waar zij in verschillende vormen, afwisselend naar de grootte, gedaante, enz. der scheuren of verwondingen en door klimatische invloeden, aan de lucht opdroogt en verhardt. Het in Klein-Azië verzamelde wordt, na opgekocht en gewoonlijk gesorteerd te zijn, van uit Smyrna, soms ook uit Constantinopel en de golf van Perzië, die, welke in Armenië, Syrië en Kurdistan alsmede in Perzië

-ocr page 643-

ioo3

wordt gewonnen, van uit Bagdad naar de Kuropeesche markten verzonden. Enkele malen komen er ook minder zuivere, nog ongesorteerde partijen (T. in sortis) aan de markt, die alsdan in Europa in verschillende nummers worden gesorteerd, waarvan T. electa de beste is. Ook in zuid-westelijk Europa, in Griekenland en Turkije worden Astragalus-soorten gevonden; deze leveren echter geen T. voor den handel.

Eigenschappen. Platte, gewoonlijk een weinig gebogen, plaat-of schelpvormige stukken (Smyrna-, blad-T., T. in foliis), ten hoogste 3 mM. dik, gewoonlijk 2.5—7 cM. lang en 6—25 mM. breed, of wel smalle, platte, lint- of sikkelvormige strooken of eenigszins gekromde, verbogen, schroef- of wormvormig gedraaide stukken (Morea-, wormvonnige T., T. verniicnlaris), de laatste ook wel in elkander gevlochten ^vermicelli- T.). T. is voorts licht, wit, dof of ietwat glanzend, doorschijnend, hoornachtig taai, golfs-wijs gestreept, glad en effen op de breuk, reukloos en smaakloos of zeer flauw van smaak. T. is moeilijk tot poeder te brengen en zwelt met water (1 =50) sterk op tot een neutraal, doorzichtig, troebel, kleurloos, glibberig, taai, sterk bindend slijm, dat door natronloog geel gekleurd wordt \'). Met water verdund (1 = 5) geeft dit slijm eene troebele vloeistof, die door neutraal en basisch loodacetaat geprecipiteerd en waarvan het filtraat door joodoplossing niet, het op \'t filter achtergeblevene blauw tot blauwzwart gekleurd wordt.

Onderzoek.

i0. Het slijm van Astragalus adscendens Boiss. et Haussk. en van andere soorten van hetzelfde geslacht. T. wordt in Smyrna wel eens vervalscht met Mosul-, Cu ram an ia- en andere gom soorten en, vooral in poedervonn, met amandel*, p rui me-, kerse- en arabis che gom. Behalve door afwijkingen in physische kenmerken zijn deze vervalschingen mikros-copisch te herkennen, doordien T. bestaat uit dikwijls nog duidelijk te onderkennen, nu en dan zelfs nog samenhangende cellen, in

\') Ten einde ï. tot poeder te brengen, wordt zij vooraf bij zachte warmte gedroogd, waardoor zij hard wordt; echter niet boven 50°, daar zij bij hooger temperatuui\' eenigszins geelachtig wordt. Zie voorts over ïragacantslijm, blz. 515.

Vervalsching niet arabische gom kan herkend worden door I dl. T. met 50dln. water en 2 dhi. guajaktinctuur te mengen en gedurende een paar uren te laten staan, waardoor de vloeistof niet blauw gekleurd mag worden.

-ocr page 644-

ioo4

water sterk opzwellende, met groepsgewijs samenhangende, meeren-deels bolronde zetmeelkorrels, welke in dergelijke cellen besloten waren.

2°. Platen en lint- of sikkelvormige strooken. De Ph. bedoelt het gebruik van z.g. Klein-Aziatische, Turksche ofSmyrna-T. als zijnde de beste, alhoewel die uit Kurdistan en Perzië uit groote, fraaie, doorschijnende stukken bestaat, welke het in voorkomen zelfs van de beste Smyrna-T. winnen. Ook onregelmatig bultige en knolvormige klonten, vermengd met platte, gedraaide stukken komen voor, behoorende tot eene zeer onreine soort. Voorts moeten hoekige, kantige stukjes met donkere tint verworpen worden.

3°. Zij zijn wit. De witte kleur is somtijds verhoogd geworden door bepoedering met loodwit. Geel of roodbruin gekleurde T. mag niet gebruikt worden.

4°. en niet smaller dan 0.5 centimeter. De Ph. eischt flinke, plaat-, lint- of sikkelvormige stukken. Geringe, dunnere soorten zijn vaak met aarde, zand, schorsfragmenten, enz. verontreinigd.

5°. Tragacant smaakt flauw. Inferieure of donker gekleurde T.-soorten smaken eenigszins bitter- of zuurachtig.

T RI S U L F U R E T U M K A LI C U M.

II E P A R SU L F U R I S.

Z W A V E L L E V E R.

N. Gezuiverde Zwavel vier deelen..........4

Kaliumcarbonaat zeven deelen..........7

Meng en smelt ze, houd het mengsel in een bedekten kroes, bij een zachte warmte, zóó lang gesmolten, totdat het niet meer opbruist, en giet het uit.

Zwavellever riekt naar zwavelwaterstof en is verseh bruinachtig, maar wordt na eenigen tijd aan de oppervlakte olijfkleurig. Met 2 deelen water geeft zij een heldere vloeistof, die, met azijnzuur oververzadigd, zwavel-waterstofgas ontwikkelt en veel zwavel afscheidt. In de van die zwavel door filtreeren afgescheiden vloeistof doet wijnsteenzuur een wit kristallijn neörslag ontstaan.

Zwavellever, voor uitwendig gebruik bestemd, mag met gewone potasch en gesublimeerde zwavel bereid worden; dan echter neme men 1 deel zwavel en 2 deelen potasch.

-ocr page 645-

ioo5

Samenstelling. 3 KJS3 K2SO4

Zwavellever is een mengsel van kaliu m t r isu 1 fide en ka 1 iu m-sulfaat 1).

Kaliumtrisulfide, KJS3, is een persulfuur (polysulfide), de verbinding van twee atomen van het éénwaardige metaal kalium met drie atomen van het tweewaardige metalloïde zwavel 2).

Bereiding. Behalve langs den natten weg door koking van zwavel met de oplossing eener base 3), ontstaan de polysulfiden ook iangs den drogen weg door smelting der base cf het overeenkomstige carbonaat met zwavel. Ook hier wordt nevens het zwavel-metaal eene zwavelzuurstofverbinding als bijproduct gevormd; de aard van beide hangt samen met de onderlinge verhouding dei-gebezigde hoeveelheden base en zwavel en van de aangewende temperatuur 4).

a.

8 S

3 K2C03

= 2K2S3

K2 S2 O3

3 CO2

zwavel

kalium-

kalium-

kalium-

kool-

carbonaat

(Wsulfide

thiosulfaat

dioxyde

h.

IO S

4 K2C03

= 3 K2S3

4-

K5 SO 4

4 CO2

zwavel

kalium-

kalium-

kalium

kool-

carbonaat

(risulfide

sulfaat

dioxyde

c.

[ 3 S

O

C

w

= 3 K2S4

K2S04

4 CO2

zwavel

kalium-

kalium-

kalium

kool-

carbonaat

i/uadrisulfide

sulfaat

dioxyde

d.

i6S

6 u

CS

= 3 K2SS

K2S04

4 CO2

zwavel

kalium-

kalium-

kalium

kool-

carbonaat

peHfasulfide

sulfaat

dioxyde

De sub b beschreven verhouding is voor de bereiding de meest geschikte, wijl bij die sub a voor het nuttelooze thiosulfaat tweemaal zooveel zwavel wordt verbruikt als voor het bij b, c en d

\') Zie blz. 910.

\') De sulfuren, zwavel metaal verbindingen, zijn analoog aan de oxyilen (zie blz. 0451, zoodat het regel is, dat elk metaal zoovele sulfuren vormt als het oxyden geeft. Van de metalen kalium, natrium, calcium, baryum en ook van ammonium (zie blz. 03) bestaat slechts één oxyde, de verbinding van twee atomen van het éénwaardige metaal kalium, natrium en van ammonium ot één atoom van bet tweewaardige metaal calcium en baryum met één atoom tweewaardige zuurstof. Diensvolgens zou door vervanging der zuurstof door zwavel ook slechts één sulfuur bestaan. Deze motalen maken echter eene uitzondering op dien regel, daar het normale sulfuur in staat is nog meerdere atomen zwavel te binden; men kont er dus hoogore sulfuren (pcrsulfurcn, polysulfiden) van dan zij oxyden bezitten.

3) Zie bij «Sulfur praecipitatum», blz. 030.

\'■) De samenstelling van het preparaat is daarom nooit zoo zuiver als bovengemeld; ook de tusschenvormen van oxydatie zullen daarbij niet geheel ontbreken.

-ocr page 646-

ioo6

gevormde sulfaat, terwijl sub b bij de minste hoeveelheid zwavel uit het verkregen ^sulfide bij aanwending evenveel zwavelwaterstof wordt verkregen als uit het quadrisvAMz en het pentasvAMe sub c en d.

KJS3

2 HCl =

2 KCl

IDS

2 s

kalium-

cliloor-

kalium-

zwavel

zwavel

irisulfule

watei\'slofzunr

chloride

waterstof

2 HCl =

2 KCl

IDS

4 S

kalium-

chloor-

kalinm-

zwavel

zwavel

peiWnsulfiiIe

waterstofzuur

cliloriile

waterstof

V^olgens b behoeven 320 dln. zwavel (S = 32) 552 dln. kalium-carbonaat (K2C03 = 138); 4 dln, zwavel dus 6.9 dln. kalium-carbonaat. De Ph. schrijft 7 dln. daarvan voor. In aanmerking genomen, dat de Ph. een gehalte van 5 pet. aan verontreiniging door vocht, enz. van Kaliumcarbonaat \') toestaat, is dus de voorgeschreven hoeveelheid zeker niet te ruim genomen. Daar het preparaat een mengsel is en geene enkele bepaalde chemische verbinding, mag echter van het voorschrift niet worden afgeweken. Ook mag, in plaats van kaliumcarbonaat, geen natriumcarbonaat genomen worden, wijl de vorming van het polysulfide hiermede moeilijker en eerst bij hoogere temperatuur plaats heeft en het verkregen preparaat aan de lucht spoediger vochtig en daardoor ontleed wordt.

Bij Zwavellever voor inwendig gebruik laat de Ph. uitgaan van zuivere ingrediënten; voor uitwendig gebruik daarentegen kan volstaan worden met het gebruik van de gewone, ruwe potasch en ongezuiverde gesublimeerde zwavel. De te bezigen hoeveelheid potasch wordt dan echter iets grooter genomen, van 7 op 8 dln. gebracht, zoodat dit preparaat eenig vrij kaliumcarbonaat en wellicht ook arsenikverbindingen, afkomstig van de zwavel, bevat.

Voor de bereiding wordt het kaliumcarbonaat vooraf fijngew reven en daarna nauwkeurig onder de zwavel gemengd, het mengsel vervolgens in een ruimen, porseleinen of hessischen kroes gebracht, welke met een glazen plaat wordt gedekt, ten einde bij de aan te wenden warmte vervluchtiging der zwavel te voorkomen. De massa zwelt bij matige verwarming op onder ontwijking van kooldioxyde; zoodra echter de massa dunvloeibaar is en rustig vloeit, is de verbinding gereed en giet men de massa ter bekoeling uit in een steenen mortier of op een marmeren plaat. Zoodra zij

\') Zin bl/,. 117.

-ocr page 647-

ioo/

geheel koud geworden is, brengt men ze tot kleine stukjes of tot een grof poeder, dat men terstond in eene volkomen droge, goed sluitende flesch doet en op eene droge, koele plaats bewaart.

Eigenschappen. Zwavellever is amorph, ir; verschen toestand bruinachtig, na eenigen tijd aan de oppervlakte olijfkleurig en riekt naar zwavelwaterstof. Zij is oplosbaar in water (2) en, met uitzondering van het daarin voorkomend kaliumsulfaat, mede oplosbaar in spiritus.

De oplossing in water (1=2) is helder, geel van kleur en geeft met overmaat azijnzuur ontwikkeling van zwavelwatorstofgas en afscheiding van zwavel.

De van deze zwavel door filtratie afgescheiden vloeistof geeft met wijnsteenzuur een wit, kristallijn en met baryumchloride een wit, amorph neerslag.

Onderzoek.

i0. Zwavellever riekt naar zzvavehvaterstof en is ver se h bruinachtig, maar wordt na eenigen tijd aan de oppervlakte olijf kleurig. Het preparaat trekt aan de lucht gemakkelijk water aan, mag dus niet vochtig zijn en moet, als boven aangegeven, bewaard worden. Behalve water neemt het ook uit de lucht kooldioxyde op onder ontwikkeling van zwavelwaterstof, vooral bij verhooging van temperatuur, alsmede zuurstof, beide onder zwavel-afscheiding. Door deze laatste wordt liet preparaat lichter, bleeker van kleur.

KïS3 CO2 H»0 = K^CXP -f- H2S -f 2 S

kalium- kool- water kalium- zwavel- zwavel

tn\'sulflde iJioxyde carbonaat waterstof

K2S3 -f 30= K2S\'i03 -f S

kalium- zuurstof kalium- zwavel

trisulfide thiosiilfaat

Geheel verbleekte stukken, die weinig of niet meer rieken en dus werkeloos zijn, mogen derhalve niet gebruikt worden.

2°. Met 2 deelen ivater geeft zij een heldere vloeistof. Afwezigheid van vrije zwavel. Zwavellever voor uitwendig gebruik lost niet volkomen helder in water op.

30. die, met azijnzuur oververzadigd, zzvavehvaterstof ontwikkelt en veel zwavel afscheidt. Zie sub t0, Eene ruime ontwikkeling van zwavelwaterstof en afscheiding van veel zwavel is een bewijs voor tic deugdelijkheid van het preparaat. Ontwikkeling van kool-

-ocr page 648-

ioo8

dioxyde daarbij zou wijzen op aanwezigheid van k a 1 i u m c a r-b o n a a t.

4°. In de van die zwavel door filtreer en afgescheiden vloeistof doet wijnsteenzuur een wit kristallijn neerslag ontstaan. In onderscheid met de n a t r i u m-verbmdingen door het gebruik van natrium-carbonaat bij de bereiding.

TROCHISCI BICARBONATIS NATRICI.

KOEKJES VAN D U BB ELK O O LZ U RE SODA,

N. Poeder van Na iriu m hydro ca r banaat........10

Poeder van Arabische Gom, van elk tien Grm. ... 10

Poeder van Suiker tachtig Grm..........So

Water, zooveel als noodig is.

Meng ze en maak er 100 koekjes van.

Elk Koekje bevat 100 mG. Natriumhydrocarbonaat.

Bereiding. Trochisci of Koekjes zijn droge, zoete dispenseer-vormen voor gewoonlijk op zich zelve minder aangenaam smakende geneesmiddelen, welke gemakkelijk in den mond oplossen. Zij hebben den vorm van flikjes of, kleiner, van (hollandsche) pepermunt, kleinere of grootere \'), ronde vormpjes, die aan de onderzijde plat, aan de bovenzijde min of meer bol zijn. Zijn zij ook van boven plat en bezitten zij dus den schijfvorm, zooals dc (engelsche) pepermunt, dan worden zij gewoonlijk „pastilliquot; of „pastillesquot; genoemd. Zij bestaan uit het eigenlijke geneesmiddel en een suikerhoudend bindmiddel. Als zoodanig dienen cacaopoeder, poeder van arabische gom en van tragacant, een enkele maal ook drop-poeder, terwijl zij met water of een aromatisch water, een enkele maal, waar inwerking der bestanddeelen moet worden voorkomen, met spiritus worden aangemaakt. Hun gewicht bedraagt van 250 mG. tot 5 Grm.; gewoonlijk echter worden zij zóó bereid, dat zij één gram wegen.

Is, zooals bij deze koekjes, nevens het geneesmiddel gom- of tragacantpoeder als bindmiddel voorgeschreven, dan wordt het medicament eerst nauwkeurig onder de suiker, beide fijngewreven, daarna onder het bindmiddel gemengd en het geheel vervolgens met water tot eene behoorlijk samenhangende massa gekneed, die

\') Deze Koekjes kunnen ook zeer goed worden gecomprimeerd.

-ocr page 649-

loog

natuurlijk niet te week, doch ook vooral niet te hard mag zijn, wijl in het laatste geval de koekjes later licht oneffenheden en spleetjes of barstjes vertoonen.

De vorm, welke men gewoonlijk aan deze koekjes geeft, is die van pastilles met behulp van een z.g. pastillesteker. Men rolt daartoe de massa op eene pillenmachine met wijde kanalen uit, verdeelt ze daartusschen op de gewone wijze of door afsnijden met een mes en brengt elk deeltje met behulp vai; den steker in den verlangden vorm, of men rolt de massa op een plat vlak, een glazen of marmeren plaat, met een rol uit tot eene gelijkmatig dikke, vierkante plaat van bepaalde dikte en steekt daaruit met het van binnen met een weinig talcum bepoederde instrument de pastilles, die daarbij meestal tegelijk van een zeker figuur of met den naam van het geneesmiddel, in den stempel gesneden, worden voorzien. Ten slotte droogt men de koekjes bij ongeveer 30° of, indien ze in voorraad worden gehouden, eenige dagen boven ongebluschte kalk.

Wat de bereiding der Koekjes van dubbelkoolzure Soda betreft, valt hier enkel op te merken, dat de hoeveelheid van het benoo-digde water voor 100 koekjes 7 Grm. bedraagt en dat zij bij zeer zachte warmte, liefst bij kamertemperatuur, moeten gedroogd worden.

T R O C H I S C I CA T E C M U.

CACHOUKO E K J E S.

N. Poeder van Cachou..............10

Poeder van Arabische Gom, van elk tien Grm. ... 10

Poeder van Suiker tachtig Grm..........80

Rozenwa/er, zoo veel als noodig is.

Meng ze en maak er 100 koekjes van.

Elk Koekje bevat 100 mG. Cachou.

Bereiding. Als ,, Trochisci Bicarbonatis natriciquot;.

-ocr page 650-

IOIO

TROC HISCI CHLOR ATIS K ALIC I.

KALIUMCHLO RAAT KOEKJES.

PASTILLES VAN DE T H A N.

N. Poeder van Ka Hu mchloraai...........10

Poeder van Arabische Gom, van elk tien Grm. . . . 10

Poeder van Suiker tachtig Grm. . . •......80

Water, zoo veel als noodig is.

Meng ze en maak er 100 koekjes van.

Elk Koekje bevat 100 mG. Kaliumchloraat.

Bereiding. Als ,, Trochisci Bicarbonatis natriciquot;. Hierbij zij echter opgemerkt, dat het kaliumchloraat, om gevaar voor ontploffing te voorkomen, niet te sterk met de suiker mag gewreven worden, In plaats van poeder van arabische gom, die de massa niet plastisch genoeg maakt, tenzij men te veel water gebruikt, waardoor de koekjes te kleverig worden om den pastillesteker te verlaten, gebruikt men beter het vroeger (Ed. II) voorgeschreven poeder van tragacant (0.6 Grm.) onder vermeerdering der suiker. In plaats van het vroeger gebruikelijke oranjebloesemwater worden zij thans met water aangemaakt. Men droge de koekjes bij kamertemperatuur, wijl zij bij hoogere warmte licht doorschijnend worden.

TROCHISCI CH LORE TI AM MO NI Cl.

CHL OORAMMONIUM KOEKJES.

/ O U TE I) K O P.

Poeder van Ammoniumchloride..........10

Poeder van Suiker..............10

Poeder van Zoethouiwortel, van elk tien Grm.....10

Poeder van Drop zeventig Grm..........70

Water, zoo veel als noodig is.

Meng ze en maak er 400 koekjes van.

Elk Koekje bevat 25 mG. Ammoniumchloride.

Bereiding. Droppoeder wordt hier als bindmiddel gebezigd. De

-ocr page 651-

IOJ I

hoeveelheid benoocligd water bedraagt 16 Grm. voor 400 koekjes. Elk koekje weegt hier bij uitzondering 250 mGrm. Overigens geschiedt de bereiding als die van „Trochisci Bicarbonatis natriciquot;.

TROCHISCI F E R R A TI.

STAALKOEKJES.

N. Ferripyrophosphaal met Ammoniumcitraat, tot poeder gewreven, tien Grm..............10

Cacao vijftig Grm...............50

Suiker veertig Grm..............40

Smelt de cacao met de helft van de suiker bij een zachte warmte, meng daaronder het ijzerzout, met de andere helft der suiker afgewreven, en maak van de nog weeke massa 100 koekjes.

Elk Koekje bevat 100 mG. van het Ijzerzout.

Bereiding. Wordt, zooals hier, naast het geneesmiddel cacao als bindmiddel voorgeschreven, dan smelt men deze met de helft van de opgegeven hoeveelheid zeer fijn suikerpoeder bij zachte warmte, mengt het geneesmiddel nauwkeurig onder de andere helft der suiker en roert dit onder de gesmolten cacaomassa 1). Zoodra de massa tot ongeveer 40°, half bekoeld is, wordt zij op een zacht verwarmde, blikken plaat als eene pillenmassa uitgerold, verder op een pillenplank met wijde kanalen of door afsnijden met een mes verdeeld en deze stukjes op een met een weinig olijfolie bestreken, blikken plaat gebracht, die men daarna zeer zacht verwarmt. Door eenige malen met de plaat zacht tegen de tafel te kloppen, zakken zij een weinig in, breiden zich uit en nemen langzamerhand den vorm van flikjes aan. Na bekoeling maakt men ze door zacht kloppen of met behulp van een zeer dun en scherp mes van de plaat los. Met spreekt van zelf, dat men ze ook op de vroeger beschreven manier in den pastille-vorm kan brengen. Ten slotte kan men ze, ten einde ze glanzend te houden, met een zeer dun laagje pillenvernis bestrijken.

Do Ie bezigen cacao moet niet van vet borookl zijn, ongeveer 50 pet. daarvan bevatten, lilijkt liet bij de bewerking, dat de cacao te weinig vet bevat, zoodat de massa niet genoog samenkleeft, dan kan men een weinig cacaoboter toevoegen.

-ocr page 652-

IOI 2

TROCHISCI 1PECACUANHAE.

IPECACUANHA KOEKJES.

N. Poeder van Tpecacuanhaworielbaft......... i

Poeder van Tragacant, van elk één Grm......i

Poeder van Suiker acht en zestig Grm.......68

Water, zoo veel als noodig is.

Meng ze en maak er ioo koekjes van.

Elk Koekje bevat io mG. Poeder van Ipecacuanhawortelbast.

Bereiding. Elk koekje weegt hier bij uitzondering 700 mGrm. Tragacant wordt als bindmiddel gebezigd. Overigens geschiedt de bereiding als die van „Trochisci Bicarbonatis natriciquot;.

TROCHISCI SANTONIN!

SANTONINEKOEKJES.

W O R M KOEKJE S.

N. Santonine, tot zeer fijn poeder gebracht, vijf Grm. . . 5

Cacao vijf en vijftig Grm............55

Suiker veertig Grm..............40

Smelt de cacao met de helft van de suiker bij een zachte warmte, meng daaronder de santonine, met de overige suiker nauwkeurig afgewreven , en maak van de nog weeke massa 100 koekjes.

Elk Koekje bevat 50 mG. Santonine.

Bereiding. Als „Trochisci ferratiquot; \').

\'). Het golialle aan santonine kan bepaald worden door de tot poeder gewreven koekjes te behandelen met petroleumaether, waardoor bet vet wordt opgenomen, en de rost met cbloroform uit te trekken, waarin de santonine oplost. Nog aanhangende sporen kunnen verwijderd worden door behandeling met warmen, slappen spiritus van ongeveer 0.97 soort, gew, (25 pet.), (iltratie door een vochtig filter en droging.

-ocr page 653-

loi 3

T U B E R A S A L E B.

SAL E B.

De knollen van Orchis militaris L. en van andere soorten uit de groep der Ophrydeae, terstond na den bloei verzameld, gereinigd, in kokend water gedompeld en in de lucht gedroogd.

Bijna bolrond, eivormig of langwerpig, i tot 3 centimeter lang, 1 tot 2 centimeter dik, zeer hard, aan den top gelitteekend, meest eenigszins ruw van oppervlakte en bruinachtig-grijs of geelachtig; inwendig hoornachtig. Zij rieken niet en smaken flauw.

Samenstelling. Hoofdbestanddeclen :

i0. 40—50 pet. slijm, dat in oplossing niet door loodacetaat, wel door basisch loodacetaat en door spiritus wordt geprecipiteerd en bij oxydatie met salpeterzuur geen slijmzuur, doch suikerzuur levert.

Voorts 15—30 pet. zetmeel, 5-—6 pet. eiwit, 1—2 pet. suiker en 2 pet. asch.

Afkomst. De knol is afkomstig van verschillende Orchissoorten als O. militaris L., mascula L., Morio L,, us tula t a L., coriophora L., fuse a Jacquin e. a., onvertakte planten met lintvormige, stengelomvattende bladen en aar- of trosvormige bloemen uit de groep der Op hry d eae van de familie \'der O r c h i cl a c e a c. Zij groeien in Midden- en Zuid-Europa, Turkije, tien Kaukasus en Klein-Azië en worden ook in Nederland gevonden, doch leveren bij ons geen saleb voor den handel op.

De bloeiende plant bezit onder den grond, behalve eenige dunne, vleezige bijwortels, twee naast elkander gelegen knollen, waarvan de eene, de grootste, welke den bloeienden stengel draagt, slap, eenigszins verschrompeld en donker van kleur is, terwijl de andere, die zijn oorsprong neemt in den oksel van het laagste schedeblad van den bloeienden stengel, dit doorboort en verder naar den grond en daarin groeit, kleiner is, vaster, half geleiachtig, half vleezig, effener, lichter van kleur en van boven voorzien van een knopje, waaruit zich bij groei een nieuwe stengel zou ontwikkelen.

Deze jongere knollen nu worden gedurende of terstond na den bloei verzameld, van vuil en aanhangselen ontdaan, daarna afge-wasschen en vervolgens, los of aan draden geregen, eenigen tijd in kokend water gebroeid, waardoor de kiem tot nieuw leven gedood en daardoor verbruik van het reservevoedsel wordt tegengegaan,

65

-ocr page 654-

ioi4

en wat tevens oorzaak is, dat, behalve het verdwijnen van den onaan-genamen reuk en bitteren smaak, zij in- en uitwendig geheel veranderen. Door deze bewerking toch zetten de celwanden zich sterk uit, zwelt het slijm op en veranderen de zetmeelkorrels in eene stijfselachtige, klonterige massa, terwijl de knollen na afwrijven en drogen, wat door zonnehitte of kunstmatig bij 50°—60° geschiedt, zich voordoen als bijna bolronde , eironde of langwerpige, vrij zware, zeer harde, van binnen hoornachtige lichamen, op de breuk eenigszins glanzend, gewoonlijk effen , soms iets korrelig en witgestipt, van buiten grijsgeel of bruinachtig-grijs, meest eenigszins ruw en gerimpeld, van boven met een litteeken, overblijfsel van het knopje, van 1—3 cM. lengte en 1—2 cM. dikte, die niet meer rieken en flauw smaken 1).

Zij worden, soms langs draden geregen, in zware kisten van uit Zuid-Europa, Turkije, Griekenland, vooral uit Klein-Azieover Smyrna uitgevoerd. Voor pharmaceutisch gebruik hier te lande worden ze echter uit Midden-Europa, Frankrijk en Duitschland betrokken.

Onderzoek.

1°. De knollen van Orchis militaris L. en van andere soorten uit de groep der Ophrydeae. De knollen mogen niet vermengd of verwisseld worden met die van;

a. C o 1 c h i c u m a u t u m n a 1 e L. Deze zijn eirond-hartvormig, aan de ééne zijde bol, aan de andere vlak, ongeveer zoo groot als een okkernoot, minder hard, aan de bolle zijde met fijne, over-langsehe sleuven en daarmede afzvisselende, breede rimpels, aan de vlakke zijde met ééne breede gleuf en geelachtig of lichtbruin; inwendig melig, wit of vuilwit met paukvorrnige zetmeelkorrels. Zij smaken eenigszins bitter en geven met warm water geen dik slijm.

b. Arum macula turn L. Deze zijn eirond, ter grootte eener iLazelnoot, minder hard, met litteekens van afgesneden stengel en bijwortels, krijtwit; inwendig droog, melig, wit met grijze stippen en kleine, ronde zetmeelkorrels. Zij smaken flauiv en melig en geven met warm water geen dik slijm.

\') Zie verdere eigenschappen bij o Mucilago Saleb», blz. 514. Ten einde Saleb tot poeder te brengen, worden de knollen van aanhangend stof en vuil door zifting ontdaan, daarna gedurende een uur onder herhaald omroeren in koud water afgewasschen en vervolgens bij 30°—40° gedurende twaalf uren gedroogd.

-ocr page 655-

lois

2°. Bijna bolrond, eirond of langwerpig. Het gebruik van platte, verdeelde, gespleten of vingervormig-ingesneden knollen, z.g. handjes-saleb, afkomstig van O. latifolia en maculataL., die ook in Nederland voorkomen, moet ontraden worden. Zij zijn minder ooglijk, donkergrijs en bevatten minder slijm.

3°. i tot 3 centimeter lang, i tot 2 centimeter dik, meest e enigs zins nnv van oppervlakte en bruinachtig-grijs of geelachtig. De uit Klein-Azië over Smyrna aangevoerde, z.g. Oosterse he, Levantsche of Persische S, is in den regel grooter, rmver en meer gerimpeld en donkerder, licht-bruinachtig van kleur.

U N G U E N T A.

ZALVEN.

Ter bereiding van de Zalven moeten het Was, de Hars en de andere smeltbare stoffen op een waterbad gesmolten en zoo nauwkeurig met de overige bestanddeelen vermengd worden, dat zij een homogene mass.i vormen.

Ranzige Zalven mogen niet gebruikt worden.

Bereiding. Zalven zijn artsenij vormen tot uitwendig gebruik, behoorende tot de rubriek der smeersels en pleisters, doch daarvan te onderscheiden, doordien de eerste dun- of dikvloeibaar en de laatste vast en meestal hard zijn, terwijl de zalven in den regel eene daartusschen liggende, min of meer weeke consistentie bezitten, zoodat zij bij de gewone temperatuur niet vervloeien en toch gemakkelijk op de huid kunnen worden uitgesmeerd. Ten einde ze deze consistentie te geven, worden ter innige verdeeling der eigenlijk werkende geneesmiddelen verschillende stoffen, constituentia of vehicnla, of mengsels daarvan gebruikt, gewoonlijk vetten of vetachtige stoffen, zooals oliën, reuzel, lanoline, cacaoboter, spermaceti, was, enkele malen ook boter (ongezouten) en ossemerg, of glycerine, paraffinen, vaseline, zeep, enz, \'), Vaste stoffen zijn daartoe als zoodanig natuurlijk ongeschikt, doch worden daarom met vloeibare als oliën, glycerine of vloeibare paraffine tot zalf-

\') Als zoodanig worden gewoonlijk olie en was, reuzel, lanoline of vaseline en mengsels hiervan gebruikt. De 1\'h. Genn. laat daartoe ung: parafflni (een mengsel van 1 dl. vaste en i dln. vloeibare paraffine) bezigen, terwijl dooi\' Mielhe wordt aanbevolen een « unguentum ïnollc)), beslaande uit \'2\'2 dln, vaste, 08 dln, vloeibare paraffine en 10 dln, lanoline, en een «unguentum durum», bestaande uit 40 dln, vaste, 50 dln, vloeibare paraffine en 10 dln, lanoline.

-ocr page 656-

ioi6

consistentie vermengd door ze samen te smelten, zoo noodig door dicht gaas of wollen doek te coleeren en in een warmen mortier tot bekoeling te roeren tot eene gelijkmatige massa. De keuze dezer constituentia hangt af van de eigenschappen der geneesmiddelen, welke daaronder verdeeld moeten worden.

De bereiding der zalven geschiedt bij kleinere hoeveelheden in mortieren, bij grootere ook wel in daartoe bestemde zalfmachines of -molens, terwijl de daarbij vereischte bewerkingen zich richten naar den aard der geneesmiddelen en der vehicula beide. Veeltijds bestaat de bewerking hierin, dat het geneesmiddel, bij vaste stoffen, na zeer fijn gewreven te zijn, eerst onder eene kleine hoeveelheid, daarna onder meer en ten slotte onder het geheele vehiculum nauwkeurig wordt verdeeld. Ten einde de fijne verdeeling zooveel mogelijk te bevorderen, kan het constituens, bijv. reuzel of lanoline, vooraf door het gebruik van een warmen mortier een weinig week gemaakt worden of wordt een kleine hoeveelheid daarvan gesmolten , het geneesmiddel in een warmen mortier daaronder fijn verdeeld, tot bekoeling geroerd en daarna langzamerhand de rest toegevoegd. Ook wordt voorgeslagen, het geneesmiddel naar den aard van het constituens vooraf met een weinig water, glycerine of olie af te wrijven, welke middelen echter o. i. zoo mogelijk geheel moeten worden vermeden. Enkele malen echter is, ten einde eene homogene massa te verkrijgen, een dergelijk middel als water, spiritus of aether, noodzakelijk, bijv. bij waterige extracten, die met water tot stroop-dikte worden gebracht of zoo mogelijk in weinig kokend water worden opgelost, of, zooals bij in water onoplosbare extracten, die met spiritus worden week gemaakt alvorens onder het vet te worden verdeeld. Vaste stoffen als was, hars , spermaceti en andere smeltbare stoffen worden naar volgorde van haar smeltpunt, die met het hoogste het eerst, op een waterbad gesmolten en alsdan onder voortdurend roeren met stoffen als olie of reuzel in een warmen mortier vermengd. De vermenging geschiede overigens nauwkeurig, zoodat de zalf eene homogene massa vormt zonder klontjes of andere door kleur als anderszins van elkander te onderscheiden deelen 1).

\') Daar aangenomen mag worden, dat de werking eener /.alf grooter is naarmale liet geneesmiddel fijner onder liet vehiculum is verdeeld, kan de deugdelijkheid in dit opzicht beoordeeld worden naar den graad van fijnheid. Voldoende is deze, wanneer een proefje ter grootte van oen speldeknop, tusschen twee vingernagels gewreven, j-een korreltjes meer doet gevoelen. Hij kan ook gemeten worden en uitgedrukt in tnikro-miliimeters, door oen even .groot proefje met een droppel vloeibare paraffine op een objectglaasje te brengen, de deeltjes met een dekglaasje uit elkander te wrijven en de korreltjes der

-ocr page 657-

ioi7

Onderzoek.

1°. Ranzige Zalven mogen niet gebruikt ivorden. Het gehalte aan vrij vetzuur van dergelijke zalven , dat veeltijds reeds door den reuk is te herkennen, werkt prikkelend op de huid en kan ook oorzaak zijn van inwerking op de toegevoegde geneesmiddelen. Men bezige dus de voorgeschreven oliën, vetten, enz. steeds zoo versch mogelijk, vrij van vocht en vvaterdeelen en wende geene hoogere temperatuur aan dan noodzakelijk is. Voorts bereide men de zalven in niet tegroote hoeveelheden, zoodat zij niet langer dan 4—6 weken in voorraad behoeven te worden gehouden. Zalven, welke spoedig verandering of ontleding kunnen ondergaan, bereide men daarom zooveel mogelijk telkens versch.

Men beware de zalven tegen inwerking van licht, lucht, warmte en vocht in volkomen droge, goed geglazuurd steenen vaatwerk, van goed sluitende deksels voorzien, op eene koele plaats, vooral wanneer zij vluchtige stoffen bevatten. In het laatste geval worden zij beter in gesloten flesschen buiten den invloed van het licht bewaard.

UNGUENTUM AC ET ATI S PLUMBI C I

B A SICI.

BASISCH-LOODACETAATZALF.

UNGUENTUM N U T R I T U M.

Te bereiden uit

Oplossing van basisch Loodacciaat,

Eenvoudige Zalf, van beide gelijke deelen.

Een gele Zalf, vóór de aflevering telkens versch te bereiden.

Bereiding. Zalfconstituentia nemen in den regel slechts eene betrekkelijk geringe hoeveelheid eener waterige vloeistof op, welke afhankelijk is van den aard van het constituens zoowel als van de vloeistof. Terwijl bijv. lanoline meer dan haar eigen gewicht aan water (120 pet.) kan opnemen, vermengt zich vaseline (witte) zeer moeilijk daarmede (4 pet.), terwijl het vermogen daartoe van

geneesmiddelon te meten bij eene vergrooting van 590 (Zeiss), eene tubuslengtn van lüO mM. en een oculair-mikrometer van 5 inM.: 100 deelen. Eén deelstreep van den 100-deeligen mlkmnielei\' komt overeen met0.00135111M. = t.35mikro-mM.(Dietericli). Langs dezen weg blijkt 0. a., dat zalven, met de zalftnacliine of den molen, fijner zijn dan die, met de hand bereid.

-ocr page 658-

ioi6

consistentie vermengd door ze samen te smelten, zoo noodig door dicht gaas of wollen doek te coleeren en in een warmen mortier tot bekoeling te roeren tot eene gelijkmatige massa. De keuze dezer constituentia hangt af van de eigenschappen der geneesmiddelen, welke daaronder verdeeld moeten worden.

De bereiding der zalven geschiedt bij kleinere hoeveelheden in mortieren, bij grootere ook wel in daartoe bestemde zalfmachines of -molens, terwijl de daarbij vereischte bewerkingen zich richten naar den aard der geneesmiddelen en der vehicula beide. Veeltijds bestaat de bewerking hierin, dat het geneesmiddel, bij vaste stoffen, na zeer fijn gewreven te zijn, eerst onder cene kleine hoeveelheid, daarna onder meer en ten slotte onder het geheele vehiculum nauwkeurig wordt verdeeld. Ten einde de fijne verdeeling zooveel mogelijk te bevorderen, kan het constituens, bijv. reuzel of lanoline, vooraf door het gebruik van een warmen mortier een weinig week gemaakt worden of wordt een kleine hoeveelheid daarvan gesmolten , het geneesmiddel in een warmen mortier daaronder fijn verdeeld, tot bekoeling geroerd en daarna langzamerhand de rest toegevoegd. Ook wordt voorgeslagen, het geneesmiddel naar den aard van het constituens vooraf met een weinig water, glycerine of olie af te wrijven, welke middelen echter o. i. zoo mogelijk geheel moeten worden vermeden. Enkele malen echter is, ten einde eene homogene massa te verkrijgen, een dergelijk middel als water, spiritus of aether, noodzakelijk, bijv. bij waterige extracten, die met water tot stroop-dikte worden gebracht of zoo mogelijk in weinig kokend water worden opgelost, of, zooals bij in water onoplosbare extracten, die met spiritus worden week gemaakt alvorens onder het vet te worden verdeeld. Vaste stoffen als was, hars, spermaceti en andere smeltbare stoffen worden naar volgorde van haar smeltpunt, die met het hoogste het eerst, op een waterbad gesmolten en alsdan onder voortdurend roeren met stoffen als olie of reuzel in een warmen mortier vermengd. De vermenging geschiede overigens nauwkeurig, zoodat de zalf eene homogene massa vormt zonder klontjes of andere door kleur als anderszins van elkander te onderscheiden deelen 1 .

\') Daar aangenomen mag worden, dat de werking eener zalf grooler is naarmale liet geneesmiddel fijner onder liet vehiculum is verdeeld, liim de deugdelijkheid in dit opzicht beoordeeld worden naar den graad van fijnheid. Voldoende is deze, wanneer een proefje ter grootte van oen speldeknop, tusschen twee vingernagels gewreven, geen korreltjes meer doet gevoelen. Hij kan ook gemeten worden en uitgedrukt in mikro-millinietnrs, door een even .groot proefje mot een droppel vloeibare; paraffine op een objectglaasje te brengen, de deeltjes met oen dekglaasje uit elkander te wrijven en de korrelljes der

-ocr page 659-

IOIJ

Onderzoek.

1°. Ranzige Zalven mogen niet gebruikt worden. Met gehalte aan vrij vetzuur van dergelijke zalven , dat veeltijds reeds door den reuk-is te herkennen, werkt prikkelend op de huid en kan ook oorzaak zijn van inwerking op de toegevoegde geneesmiddelen. Men bezige dus de voorgeschreven oliën, vetten, enz. steeds zoo versch mogelijk, vrij van vocht en waterdeelen en wende geene hoogere temperatuur aan dan noodzakelijk is. Voorts bereide men de zalven in niet tegroote hoeveelheden, zoodat zij niet langer dan 4—6 weken in voorraad behoeven te worden gehouden. Zalven, welke spoedig verandering of ontleding kunnen ondergaan, bereide men daarom zooveel mogelijk telkens versch.

Men beware de zalven tegen inwerking van licht, lucht, warmte en vocht in volkomen droge, goed geglazuurd steenen vaatwerk, van goed sluitende deksels voorzien, op eene koele plaats, vooral wanneer zij vluchtige stoffen bevatten. In het laatste geval worden zij beter in gesloten flesschen buiten den invloed van het licht bewaard.

UNGUENTUM ACETATIS P L U M BI C I

B A SICI.

BASISCH-LOODACETAATZALF.

UNGUENTUM N U T R IT U M.

Te bereiden uit

Oplossing van basisch Loodacciaat,

Eenvoudige Zalf, van beide gelijke deelen.

Een gele Zalf, vóór de aflevering telkens versch te bereiden.

Bereiding. Zalfconstituentia nemen in den regel slechts eene betrekkelijk geringe hoeveelheid eener waterige vloeistof op, welke afhankelijk is van den aard van het constituens zoowel als van de vloeistof. Terwijl bijv. lanoline meer dan haar eigen gewicht aan water (120 pet.) kan opnemen, vermengt zich vaseline (witte) zeer moeilijk daarmede (4 pet.), terwijl het vermogen daartoe van

geneesmiddelen te meten bij eene vergrooting van 590 (Zeiss), eene tnbuslengte van 100 tnM. en een oculair-mikrometer van 5 niM.: 100 deelen. Eén deelstreep van den ■100-deeligen mikrometer komt overeen met0,00135inM. = 1.35mikro-mM.(Dietericli). Langs dezen weg blijkt o. a., dat zalven, met de zaïrrnachine of den molen, fijner zijn dan die, met de hand bereid.

-ocr page 660-

ioi8

reuzel (30 pet.) en eenvoudige zalf (35 pet.) daar tussehenin liggen\'). Gemakkelijker dan van water geschiedt de opname, wanneer de vloeistof, zooals hier, basische eigenschappen bezit, wijl alsdan een begin van zeepvorming plaats heeft, die verder tot emulgeering der waterige en vetachtige stoffen leidt.

Werd voor deze zalf in een vroeger voorschrift (Ed. II) enkel olijfolie als constituens gebruikt, waardoor bij voorzichtige, droppels-gewijze toevoeging der vloeistof eene fraai witte, doch weeke zalf wordt verkregen, waaruit zich bij het bewaren vrij spoedig weder de bestanddeelen afscheiden , in plaats daarvan is als zoodanig thans eenvoudige zalf voorgeschreven, terwijl de hoeveelheid oplossing van basisch loodacetaat is verminderd, zoodat bij droppelsgewijze vermenging van de laatste onder de eerste eene meer houdbare, echter gele zalf wordt verkregen. Het blijft intusschen aan te raden , de zalf niet in voorraad te houden, doch vóór de aflevering telkens versch te bereiden.

U NGUENTUM A C I D I BORIC I.

B O O R Z A L F.

\'l\'e bereiden uit

Boor zuur, tot poeder (B 40) gebracht, tien dealen. . . 10 Reuzel negentig deelen.............90

Een witte Zalf.

Bereiding. Het boorzuur wordt daartoe tot zeer fijn poeder (B 40) gebracht en dit in een warmen mortier met een gedeelte van den gesmolten reuzel (^- — 1 dl.) geroerd, totdat na bekoeling een volkomen homogeen mengsel is verkregen, waarna de rest van den ongesmolten reuzel bij gedeelten wordt toegevoegd.

UNGUENTUM CARBONATIS PLUMBICI.

LOODCARBONAATZALF.

\'l\'e bereiden uit

loodcarbonaat twintig deelen..........20

Reuzel tachtig deelen.............80

Een zeer witte Zalf.

\') Do (lUnguentum inolle» van Mielhe neemt gemakkelijk 100 pcf. water op.

-ocr page 661-

loiQ

Bereiding. Het zeer fijn gewreven loodcarbonaat (B 30) wordt in een wannen mortier met een gedeelte van den gesmolten reuzel (|—1 dl.) geroerd, totdat na bekoeling een volkomen homogeen mengsel is verkregen, zoodat oen weinigje, dun uitgestreken of tusschen de vingers gewreven, geen korreltjes van loodcarbonaat meer doet onderscheiden, waarna de rest van den ongesmolten reuzel bij gedeelten wordt toegevoegd.

UNGUENTUM CARBONATIS PLUMBICI CAMPHORATUM.

L O O D C A R B O N A A T Z A L F M E T K A M F E R.

K A M F E R Z A L F.

Te bereiden uit

Zalf van Loodcarbonaat vijf en negentig deelen.... 95 Kamfer, met een weinig Olijfolie afgewreven, vijf deelen 5

Een zeer witte Zalf.

Bereiding. Deze zalf kan bereid worden door de kamfer met een weinig olijfolie af te wrijven en daarna onder de lood-carbonaatzalf bij gedeelten te vermengen; ook door de kamfer in een gesloten fleschje door schudden in een weinig gesmolten reuzel op te lossen, dezen niet de helft van den reuzel bij gedeelten te vermengen, het loodcarbonaat op boven aangegeven wijze onder de andere helft te brengen en daarna beide te vermengen, of dooide kamfer in een weinig aether op te lossen, deze oplossing met de loodcarbonaatzalf bij gedeelten te vermengen en daarbij te roeren tot de aetherreuk geheel verdwenen is. De Ph. verlangt de eerstgenoemde methode.

De zalf worde tegen vervluchtiging van de kamfer liefst telkens versch bereid of niet te lang in goed gesloten vaatwerk bewaard.

-ocr page 662-

I020

UNGUENTUM CHLORETI HYDRAR-GYRICO-AMMONICI. MERCURIDAMMONIUMCHLORIDEZALF. UNGUENTUM MER CUR II PRAECIPITATI A L B I. W I T - P R E C I P I T A A T Z A L F.

Te bereiden uit

Mercuridammoninmchloride tien deelen.......10

Reuzel negentig deelen............. 90

Een witte Zalf.

Bereiding. Als bij „Loodcarbonaatzalfquot; is aangegeven.

UNGUENTUM DIACHYLON HEBRAE. DIACHYLONZALF.

N. Loodoxydep leisier...............50

Olijfolie, van elk vijftig deelen.........50

Smelt ze samen en roer het mengsel totdat het bekoeld is.

Een bijna witte, reuklooze Zalf.

Bereiding. De pleister wordt niet de olie op het waterbad gesmolten en het mengsel daarna in een warmen mortier voortdurend geroerd totdat het geheel bekoeld is, om na eenigen tijd staan nogmaals flink doorgeroerd te worden.

Als bewijs van eene goede vermenging moet de zalf bijna wit zijn. Zij is vrij hard van consistentie, kan niet lang bewaard worden , vooral als de pleister niet geheel watervrij is, en wordt bij het bewaren gewoonlijk min of meer korrelig. Dit kan verholpen worden door onder de zalf 5 pet. water of glycerine te mengen, wat echter niet is geoorloofd. Zij worde derhalve zooveel mogelijk telkens versch bereid.

UNGUENTUM E L E M I.

E L E M I Z A L F.

N. Elemi dertig deelen..............30

Reuzel veertig deelen.............40

Geel Was tien deelen.............10

Terpentijn twintig deelen............20

-ocr page 663-

102 I

Smalt ze ondereen, coleer en roer liet mengsel, totdat het bekoeld is.

Een geelachtige Zalf.

Bereiding. Deze geschiedt bij zachte warmte op het waterbad, door den reuzel en het was bij elkander te smelten, daarna het elemi toe te voegen en het laatst de terpentijn er onder te roeren. Het mengsel wordt gecoleerd door een gaasje, dat vooraf warm gemaakt is, om het stollen der zalf daarop te voorkomen, w aarna geroerd wordt totdat de massa volkomen bekoeld is, ten einde eene gelijkmatige zalf te verkrijgen. Zij worde in goed gesloten vaatwerk bewaard.

U N G U E N T U M H Y D R A R G Y R L

K WI K Z A L F.

U N G U E N T U M N E A P O L I T A N U M.

N. Kwik vijf en twintig deelen...........25

Reuzel vijf en zeventig deelen..........75

Wrijf een vijfde gedeelte van den reuzel zoo lang met een klein gedeelte van het kwik, totdat geen metaalbolletjes meer zichtbaar zijn; roer er daarna, op dezelfde wijze, al het kwik bij gedeelten onder en, zoodra de kwikbolletjes geheel verdwenen zijn, ook den overigen reuzel.

Een blauwachtig-grijze Zalf, waarin geen kwikbolletjes zichtbaar mogen zijn.

Bereiding. Deze heeft ten doel het kwik zeer fijn onder het vehiculum, den reuzel, te verdeelen, het kwik z.g, te dooden. Alhoewel het metaal de eigenschap bezit om, in kleine droppels verdeeld, gemakkelijk weder ineen te vloeien, wordt dit bij Kwikzalf verhinderd, doordien elk metaaldeeltje met een laagje vet is overtrokken. De verdeeling moet zóó fijn zijn, dat in een weinig van de zalf, op papier uitgestreken, geen kwikbolletjes meer kunnen worden waargenomen. Eene dergelijke fijne verdeeling van het kwik onder den reuzel te verkrijgen is vooral in den aanvang niet gemakkelijk. Ten einde de bewerking, die in een ruimen, steenen mortier met zwaren stamper door aanhoudend roeren onder druk moet geschieden, te vergemakkelijken en te bespoedigen, bezigde men vroeger (Ed. II) een weinig oude kwikzalf, waaronder het kwik werd gebracht, om vervolgens met den reuzel vermengd te worden, Waarschijnlijk is in oude kwikzalf het vet eenigszins ransig

-ocr page 664-

1022

geworden, waardoor het kwik beter schijnt opgenomen te worden dan door vetzuurvrijen reuzel. Dat echter een dergelijk middel niet gewenscht is, behoeft geen betoog. Men heeft bevonden, dat de verdeeling van het kwik ook vrij spoedig geschiedt, wanneer men begint, met het kwik, bij kleine hoeveelheden tegelijk, bijv. een paar gram, onder een gedeelte, 15 grm., van den reuzel te mengen, vervolgens weder twee gram, totdat al het kwik er onder geroerd is, om daarna de rest van den reuzel bij gedeelten toe te voegen, gelijk de Ph. voorschrijft. Sneller gaat de bewerking, wanneer men een weinig, bijv. 5 gram reuzel in een tot 250 zacht verwarmden mortier brengt en daaronder droppelsgewijze zooveel kwik roert als al wrijvende gedood wordt. De zalf wordt alsdan uit den mortier genomen en de bewerking met eene nieuwe hoeveelheid herhaald, totdat op deze wijze al het kwik is gedood, waarna het geheel met de rest van den reuzel wordt vermengd. Nog gemakkelijker wordt het kwik gedood, wanneer in plaats van reuzel lanoline (3 dln.) wordt gebruikt, wat echter hier niet geoorloofd is. Opmerking verdient nog, dat de reuzel volstrekt geen water mag bevatten, wijl zelfs sporen daarvan de adhaesie van het vet aan het metaal en daardoor de fijne verdeeling verhinderen \').

Onderzoek.

10. Ecu blamvacJitig-grijze Zalf, waarin geen kzvikbollctjes zichtbaar mogen zijn. Op papier uitgestreken, mogen geen kwik-bolletjes worden waargenomen 2). De kleur moet blauwachtig-grijs zijn als bewijs eener voldoende hoeveelheid kwik 3).

\') Eene snel tot liet (]ool voerende methode om kwik onder reuzel te mengen bestaat nog hierin, dal men al liet kwik in den mortier doet en rnet een minimum vet stevig omroert, liet laatste moet daartoe zoo koud, dus zoo hard mogelijk zijn als de tempe-tuur toelaat (S c li m i d t).

J) Of dit onderzoek met het ongewapende oog of bijv. met de loupe moet geschieden, laat de Ph. in hel midden. Wij meenen het laatste.

•■\') liet kwikgehalte kan bepaald worden, door 1 Grm. Zalf iu een klein, dioog, gewogen bekerglas te overgieten met een mengsel van 00 Grm. aelher, 5 Grm. spiritus en 0—8 droppels chloorwaterstofzuur. Men verwarmt zacht tot het vet is opgelost, bedekt liet bekerglas mol een horlogeglas en laat bezinken. Men giet de vloeistof voorzichtig van het kwik af, wascht met hetzelfde mengsel en vervolgens met aether na, droogt het bekerglas bij 30°—40° en weegt (Dieterich). Het kwik, op een filter verzameld, moet zich bij zacht wrijven tot grootere droppels vereenigen, wat niet zoo gemakkelijk plaats heeft, als de zalf bijv. met koolpoeder of roet vervalscht is, als wanneer het kwik ook niet geheel in salpeterzuur oplost.

-ocr page 665-

I023

U N G U E N T U M J O D E T I K A LI C I.

K A L I U M J O D ID E Z A L F.

N. KaUumjodide tien deelen............10

Water acht deelen.................8

Eenvoudige Zalf twee en tachtig deelen.......82

Meng het kaliumjodide, in het water opgelost, onder de zalf.

Een gele Zalf, vóór de aflevering telkens versch te bereiden.

Bereiding. Bij de bereiding der zalven worden in water oplosbare stoffen, zooals kaliumjodide, gewoonlijk in zoo weinig mogelijk water opgelost of daarmede fijngewreven en op deze \\ ijze onder het vet fijn verdeeld. De aanwezigheid van water echter doet de zalf spoediger rans worden, terwijl bij vorming van vrij jood-waterstofzuur en oxydatic daarvan door de zuurstof der lucht jodium vrij wordt, dat de zalf bruin kleurt. Het is daarom, dat in plaats van den vroeger (Ed. I.) gebruikelijken reuzel, waarmede eene aanvankelijk witte, doch langzamerhand zich bruin kleurende zalf werd verkregen, de gele eenvoudige zalf is voorgeschreven, zoodat men bij geringe jodium-afscheiding deze moeilijker gewaar wordt, en dat de zalf niet in voorraad mag worden gehouden , doch telkens versch moet worden bereid. Somtijds wordt aan de zalf eene stof als natriumthiosulfaat toegevoegd, waardoor het vrij komende jodium terstond wordt gebonden, wat echter ten onzent niet is geoorloofd.

UNGUENT U M L E N I E N S.

COLDCREA M.

N. Geel IVas vijf deelen..........................5

Walschot tien deelen....... .....10

Olijfolie zestig deelen.............60

Smelt ze ondereen en meng er, als de vloeistof nagenoeg bekoeld is, vlijtig roerend, onder

Water vijf en twintig deelen..........25

Rozenolie één druppel voor elke ico Grm......1

Een geelachtig-witte, weeke Zalf.

-ocr page 666-

1024

Bereiding. Meer dan vroeger zijn tegenwoordig de waterhoudende zalven in gebruik wegens hare verkoelende werking door de voortdurende verdamping van het water op de huid. De wijze, waarop het water onder de overige gesmolten zalfmassa wordt gebracht, is verschillend. Zij geschiedt veelal door bij de warme zalfmassa in een ruimen, warmen mortier het heete water te voegen en daarna voortdurend tot bekoeling te roeren. Bij deze zalf geschiedt het zeer goed, door het water koud, eerst droppelsgewijs, daarna bij grootere hoeveelheden onder aanhoudend roeren bij de nagenoeg bekoelde massa te voegen. Het gebruik van geel in plaats van vroeger gebruikelijk wit was is eene verbetering, wijl de zalf daardoor houdbaarder, niet zoo spoedig rans wordt. De wel te verkiezen fraai witte kleur is hierdoor in geelachtig-wit veranderd.

UNGUENT UM M E Z E R E 1.

U N G U E N T U M DE G A R O U.

GAROEZAL F.

N. Garocbast, fijn gesneden en onder besprenkeling niet

spiritus gestampt, honderd deelen.......100

Sier ken Spiritus vierhonderd deelen........400

Laat ze drie dagen digereeren. Pers uit en laat het achtergeblevene opnieuw digereeren met

Sterken Spiritus driehonderd deelen........300

Pers weder uit, vermeng de verkregen vochten, filtreer ze en bereid er door uitdamping een dik extract van.

Vermeng van dit

Extract tien deelen............. 10

met

Eenvoudige Zalf negentig deelen......... 90

Een geelachtig-bruine Zalf.

Bereiding. Deze zalf is ccn mengsel van spiritueus Garoe-extract met eenvoudige Zalf.

Ter bereiding van het extract, dat als werkzame bestanddeelen eene harsachtige stof en daphninc bevat \'), wordt Garoe-bast, na fijn gesneden en gestampt te zijn, met spiritus uitgetrokken.

\') Zie bij «Cortex Mezerei», biz. 238.

-ocr page 667-

1025

Hot fijnstampen van den bast geschiedt onder besprenkeling met spiritus, ten einde het verstuiven van het poeder, hinderlijk wegens de prikkelende werking der harsachtige stof, tegen te gaan, tevens om deze beter los te maken. Overigens geschiedt de bereiding van het extract hier niet, zooals gewoonlijk bij spiritueuse extracten , door deplaceeren \'), doch door digereeren, dus bij 350—45° wijl daphnine moeilijk in kouden, daarentegen gemakkelijk in warmen spiritus oplosbaar is. Voorts geschiede de bereiding, uitdamping, enz. als bij „Extractenquot; is aangegeven \').

De zalf wordt bereid door het in water onoplosbare extract met spiritus tot eene weeke massa te brengen en deze eerst onder een weinig, daarna onder de rest der eenvoudige Zalf tot eene homogene massa te verdeelen. Gemakkelijker daartoe was het vroeger gebruikelijke, dunne extract.

U N G U E N T U M O X Y Dl C U P RI C I.

KOPEROXYDEZAL F.

Te bereiden uit

Kopcroxyde tien deelen.............10

Reuzel negentig deelen.............90

Een zwarte Zalf.

Bereiding. Als bij ,, Loodcarbonaatzalfquot; is aangegeven.

UNGUENTUM OXYDI HYDRARGYRICI.

MERCURIDOXYDEZAL F.

K W I IC O X V D !■; Z A L F.

UNCUKNTUM MKKCURII P R A E CI P I T AT I RUB KI. R O O 1) - P R E C I P I T A A T ZALF.

U N (i U E N T U M OP II T H A L M I C U M R U B R U M. Te bereiden uit

Mercuridoxyde vijf deelen............5

Reuzel vijf en negentig dealen..........95

Een geelachtig-roode Zalf, dikwijls versch te bereiden.

\') Zie bij «Extracla», IjIz. 265.

-ocr page 668-

1026

Bereiding. Als bij „Loodcarbonaatzalfquot; is aangegeven, echter met dit onderscheid, dat het kwikoxyde, ten einde gevaar voor scheikundige verandering te voorkomen, niet vooraf onder gesmolten reuzel fijn verdeeld wordt, doch dat in dit geval de reuzel door zachte verwarming hoogstens week mag worden gemaakt of liefst koud en wel zoo versch mogelijk wordt gebruikt. Ook mag hier vooral van geen olie of glycerine ter fijne verdeeling van het oxyde gebruik gemaakt worden. Overigens houde men de zalf niet lang in voorraad en bereide haar liefst telkens versch, wijl door verbinding van het oxyde met de vetzuren van ranzig geworden reuzel de zalf hare therapeutische waarde verliest. Hare roode kleur gaat daarmede langzamerhand verloren, terwijl zij paarse vlekken vertoont en eindelijk geheel paars wordt. Beter achten wij daarom hier het gebruik van vaseline.

U N G U E N T U M O X Y D I HYDRA R-GYRIC1 FLAVI. GEEL-MERCU RIDOXYDEZAL F.

G E E L - K W I K O X V D E ZA L F.

Te bereiden uit

Geel Mercuridoxyde vijf deelen..........5

Witte Vaseline vijf en negentig deelen.......95

Een gele Zalf, vóór de aflevering telkens versch te bereiden.

Bereiding. Als bij „Kwikoxydezalfquot; is aangegeven. In plaats van reuzel wordt hier beter gebruik gemaakt van witte vaseline, waaronder zich het oxyde gemakkelijk laat verdeelen.

U N G U E N T U M O X Y D I Z I N CI C I.

ZINKOXYDEZAL F.

Te bereiden uit

Zinkoxyde tien deelen.............10

Reuzel negentig deelen.............90

Ken zeer witte Zalf.

-ocr page 669-

I027

Bereiding. Als bij ,,Loodcarbonaatzalfquot; is aangegeven. De zalf wordt bij bewaring eenigszins taai, waarom zij niet te lang in voorraad moet worden gehouden.

UNGUENTUM P I C I S. r i k z A l F.

UNGUENTUM B A S I L I C U M.

N. Olijfolie zestig deelen.............60

Geel Was tien deelen.......:.....io

Smelt ze ondereen en meng ze bij

Hars...................15

Pik, van elk vijftien deelen...........15

vooraf samengesmolten. Coleer het mengsel en roer totdat het bekoeld is.

Een bruine Zalf.

Bereiding. Hars cn pik worden op een zacht vuur samengesmolten onder voortdurend omroeren en daarna gevoegd bij het op een waterbad gesmolten mengsel van olijfolie en was, waarna de goed gemengde massa ter reiniging door een warmen doek wordt gezegen , om vervolgens, ten einde het uitzakken van het pik te voorkomen, voortdurend tot bekoeling geroerd te worden. Op deze wijze, afzonderlijke smelting der mengsels, gelukt de bereiding zeer goed, terwijl zij bezwaar oplevert, wanneer dadelijk alles tezamen wordt gesmolten.

U N G U E N T U M S 1 M P L E X.

EENVOUDIGE ZAL F.

OLIE EN WAS.

N, Geel Was dertig deelen............30

Olijfolie zeventig deelen............70

Smelt ze ondereen en roer totdat het mengsel bekoeld is.

Een gele Zalf.

Bereiding, Het was en de olie worden in aardewerk op het

-ocr page 670-

1028

waterbad samengesmolten, daarna door een vooraf verwarmd, dicht gaas gecoleerd en in een warmen mortier voortdurend tot bekoeling geroerd. Wegens de neiging tot ransig worden is het vroeger gebruikelijke (Ed. I) witte was door het gele vervangen. \')

UNGUENTUM SULFURATU M C O M-

P O S I T U M.

SAMENGESTELDE ZWAVELZALF.

UNGUENTUM VIENNENSE.

UXGUENTUM AD S C A B I E M.

Te bereiden uit

Kaliunuarbonaat tien dealen...........10

Gesublimeerde Zwavel.............15

Teer, van elk vijftien deelen..........15

Kalizeep..................30

Reuzel, van elk dertig deelen..........30

Een grijsbruine Zalf.

Bereiding. Het kaliumcarbonaat, tot poeder (B40) gewreven, wordt verdeeld onder de kalizeep en daarna het teer toegevoegd. Voorts wordt de gesublimeerde zwavel, door ziften (B 40) van grove deeltjes gezuiverd, onder den reuzel verdeeld en dit mengsel ten slotte onder het eerste gebracht.

UNGUENTU M T A R T R A TI S K A LI C 0-

S T I B I C L

KALIUM-STIBIUMT ARTRAATZALF.

U X G U E N T U M A U T E N R IE T1111.

Te bereiden uit

Kaliuni-slibiumtartraai, tot zeer fijn poeder gewreven,

twintig deelen...............20

Reuzel tachtig deelen.............80

Een witte Zalf.

\') De smelting geschiede op liet waterbad, niet op het vrije vuur, wijl door te hooge temperatuur de zalf spoedig na hare bereiding licht- en wankleurig wordt. Ook het gebruik van metalen, bijv. koperen voorwerpen moet daarbij vermeden worden.

-ocr page 671-

I029

Bereiding, Het kalium-stibiumtartraat wordt, na zoo fijn mogelijk tot poeder gewreven te zijn, eerst onder een weinig gesmolten reuzel, na bekoeling onder meer en vervolgens onder de rest van den reuzel nauwkeurig verdeeld. Hulpmiddelen als water, glycerine of olie mogen hier vooral niet gebruikt worden, wijl alsdan het zout en de zalf dus hare prikkelende werking op de huid min of meer zou verliezen.

UNGUENT UM TEREBINTHIN ACEUM.

TERPENTIJN ZAL F.

li A L S A M U M L O C A T E L L I.

S P IJ K E R 1! A L S E M.

N. Olijfolie vijf en dertig deelen..........35

Geel Was vier en twintig deelen.........24

Terpentijn vijf en dertig deelen . ........35

Smelt ze ondereen en roer er onder

Sanielhonl, gezift (hjo), drie deelen.......-5

Digereer, coleer en voeg er aan toe

Perubalsem drie deelen............3

Een bruinachtig-roode zalf.

Bereiding. Het was wordt met de olie op het waterbad gesmolten en daarna de terpentijn toegevoegd. Met dit mengsel wordt tot fijn poeder gezift (B 30) sandelhout gedigereerd, waarvan de roode kleurstof in de vloeistof oplost. Deze wordt vervolgens door gaas gecoleerd, geroerd totdat het mengsel bijna bekoeld is, alsdan de perubalsem toegevoegd en ten slotte tot volkomen bekoeling geroerd. Vroeger (Ed. II) werd het sandelhout enkel met de olijfolie getrokken, waardoor zelden eene fraai roode zalf werd verkregen.

V ALERIANAS Z I N C I C U S.

Z I N K V A L E R I A N A A T.

Glanzende, kleurlooze plaatjes, die naar valeriaanzuur rieken, inwater en in sterken spiritus moeilijk oplosbaar zijn en met ammonia een heldere en kleurlooze vloeistof leveren, die met zwavelammonium een wit neerslag geeft.

66

-ocr page 672-

I03O

Zinkvalerianaat lost in zwavelzuur zonder kleuring op.

De vloeistof, verkregen door Zinkvalerianaat met 4 deelen water te schudden en te filtreeren, mag met baryumchloride niet meer dan een opalescentie geven.

Als van Zinkvalerianaat, in een exsiccator gedroogd, 500 mG. met salpeterzuur op een waterbad ontleed, gedroogd en daarna gegloeid wordt, moet er 150—152 mG. Zinkoxyde overblijven.

De oplossing in water en die in sterken spiritus worden bij verwarming troebel.

Samenstelling. (C!!HB02)sZn

Het normale zinkzout van valeriaanzuur \'). De twee atomen waterstof der carboxyl-, COOII, groepen van twee moleculen valeriaanzuur zijn vervangen door het tweewaardige metaal zink.

Het Zout der Ph. bevat geen kristalwater.

Bereiding, i0. Uit zinkoxyde en valeriaanzuur ï). Bij 8 dln. zinkoxyde, met een weinig alcohol tot eene gelijkmatige brij aangemengd, wordt gevoegd 24 dln. valeriaanzuur, waarna men dit mengsel eenigen tijd onder gedurig omroeren bij zachte warmte laat trekken. Dc daardoor verkregen, kristaliijne massa van zinkvalerianaat wordt in water opgelost en de oplossing, na filtratie,

gt;) Van ile vijfde koohvalerstof der OH\'quot; ^ 1-reeks, amane of pentane, C5H kan volgens do op blz. H beschrevon wijze een zuur worden afgeleid, liet valeriaanzuur. Naar het verschil in structuur, de onderlinge ligging der koolstofatomen, zijn drie kool-waterstolïen van de algemeene formule OHquot; mogelijk, waarvan vier werkelijk bekende valeriaanzuren kunnen worden afgeleid.

CU\'

cii\'

CH\'pIP

COOH CH3

GH2

\' CH

Cll\'

CIP

CHJ

CHgt;

Clh

CH\'.C.CH1

COOH

COOH

CH3

COOH

normaal iso- methyl-aethyl- trimelhyl-

valeriaanzuur valeriaanzuur azijnzuur azijnzuur

liet oflieineele valeriaanzuur is geen normaal valeriaanzuur, docli een mengsel van iso-valeriaanznur en melhyl-aelhyl-azijmuur. Het valeriaanzuur, uit den valeriai.nworlel bereid, bevat minder van het eerste en meer van het laatste dan dat, uit amylalcohol verkregen, terwijl het eerstbedoelde zuur, niet volkomen gezuiverd , tevens kleine hoeveelheden miere-, azijn- en capronzuur (zie blz. 622), het laatste daarentegen gewoonlijk cenig boterzuur bevat.

gt;) Hel Valeriaanzuur wordt bereid:

a. uit valeriaanwortel, lü dln. Fijngesneden Valeriaanworlel wordt in een ruimen destilleerketel gedurende eenige uren met 50 dln. water onder toevoeging van een weinig pet.) phosphorzuur gedigereerd, waarna|20 dln. van het vocht worden afgedestilleerd en, ter betere verwijdering van mede overgegane vluchtige olie, in eene Florentijnsche llesch opgevangen. Het in den ketel achterblijvende wordt opnieuw met \'20 dln. water overgoten en daarvan weder \'20 dln. afgedestilleerd en op dezelfde wijze opgevangen.

-ocr page 673-

1031

bij 6o0 voorzichtig uitgedampt \'). De zich aan de oppervlakte afscheidende kristallen worden verzameld er;, na afdruipen in een trechter, op eene lauwwarme plaats tusschen filtreerpapier gedroogd.

2°. Ten einde de oplossing te bespoedigen, kan in plaats van zinkoxyde het nog vochtige, basische zinkcarbonaat gebezigd worden, verkregen door precipitatie eener oplossing van zinksulfaat met natriumcarbonaat-oplossing 2). Bij 2 dln. valeriaarzuur, met 180 din. water verdund , wordt bij gedeelten het goed uivgewasschen, nog vochtige basische zinkcarbonaat, uit 3 dln. zinksulfaat verkregen, gevoegd en dit mengsel eenigen tijd onder omschudden warm getrokken. Na filtratie wordt het vocht op een waterbad bij niet hooger dan 6o0 uitgedampt, de zich daarbij aan de oppervlakte

Hot van vluchtige olie bevrijde destillaat wordt vervolgens met natriumcarboinat (ongeveer 1—1.5 pet.) nauwkeurig geneutraliseerd en de opnieuw zich daarbij afscheidende olie weder verzameld. De aldus verkregen oplossing van natriumvalerianaat wordl eerst op het vrije vuur, daarna op een zandbad tot droog uitgedampt en 6 dln. hiervan in eene rnirne, getubnlecrde retort met 5 dln. zwavelzuur, met evenzooveel water verdund na eenige uren staan in het zandbad onder afkoeling van den ontvanger tot bijna droog gedestilleerd. Nadat het destillaat zich in twee lagen gescheiden heelt, wordt de bovenste, uit valeriaanzuur bestaande, verzameld, dat verder door schudden met en rectificatie over calciumchloride van water wordt bevrijd, waarbij het bij 174°—176° overgaande als zuiver valeriaanzuur wordt opgevangen.

b. uit atuylalcohol door oxydatie met behulp van kaliumbichromaat en zwavelzuur.

lOCr\'O\' 5111 SOquot; = Crquot;(S0quot;)3 -h 2 KHSO» -1- 411»0 3 0 kalium- zwavelzuur chromid- kalium- water zuurstof

bichromaat sulfaat bisullaat

OH«.C1Igt;HOH O = Cir.COII IDO amylalcohol zuurstof amylaldehyde water CMP.COH O = OIKCOOM amylaldehyde zuurstof valeriaanzuur In een ruime retort met terugvloeikoeler wordt 3 dln. fijngewreven kaliumbichromaat met 4 dln. water overgoten, hieraan toegevoegd een bekoeld mengsel van 1 dl. amylalcohol en 4 dln. zwavelzuur en dit mengsel na do eerste inwerking zóó lang tot kook-temperatuur verwarmd, totdat aan het einde der terugvloeibuis geen scherp prikkelende reuk naar amylaldehyde meer wordt waargenomen, waarna het gevormde valeriaanzuur wordt afgedestilleerd. liet destillaat wordt met natriumcarbonaat geneutraliseerd, rnede gevormde en zich afscheidende valeriaanzure amylaether verwijderd, de oplossing tot droog verdampt en ten slotte als boven met zwavelzuur gedestilleerd.

\') Vooral moet gezorgd worden, dat bij de verdamping de opgegeven temperatuur niet wordt overschreden, wijl bij hooger temperatuur valeriaanzuur ontwijkt en zich basisch zout vormt.

Ook moeten de voorschriften geheel opgevolgd worden, wijl bij verandering daarin, bijv. vrijwillige verdamping of kristallisatie uit spiritus, een waterhoudend preparaat wordt verkregen.

gt;) Zie bij « Oxydum zincicum», biz. C61 en 0G2.

-ocr page 674-

I032

afscheidende kristallen verzameld en, na afdruipen in een trechter, op eene lauwwarme plaats tusschen filtreerpapier gedroogd.

3°. Door wederzijdsche ontleding van een valeriaanzuur zout en een zinkzout. 12 dln. Valeriaanzuur wordt nauwkeurig met

2(C5H!)0:!)(NH4) (C2H305)JZn ==

ainmoniumvalerianaat zinkacelaat zinkvalorianaat

2(C2H-,!0;\')(NH4)

ammoniumacetaat

ammonia geneutraliseerd en hieraan onder omroeren toegevoegd eene oplossing van 11 dln. zinkacetaat of 14.3 dln. zinksulfaat, in de driedubbele hoeveelheid water opgelost. Na eenige uren staan wordt de afgescheiden kristalbrij op een filter verzameld, na afdruipen met water volkomen afgewasschen en, na door persing van water te zijn bevrijd, op eene lauwwarme plaats tusschen filtreerpapier gedroogd.

Eigenschappen. Glanzende, zeer witte en lichte plaatjes of schubben , vettig op \'t gevoel, die naar valeriaanzuur rieken , moeilijk oplosbaar zijn in water (100), gemakkelijk in spiritus, weinig in aether, gemakkelijk ook in ammonia. — De zuur reageerende oplossing in water en die in sterken spiritus worden bij verwarming troebel door ontleding en afscheiding van basisch zout. — De waterige oplossing (1 =200) geeft met zwavelammonium een wit neerslag, oplosbaar in chloorwaterstof-, salpeter- en verdund zwavelzuur, onoplosbaar in azijnzuur; met alkali een wit, geleiachtig neerslag, gemakkelijk in overmaat oplosbaar; met natriumcarbonaat een wit neerslag, onoplosbaar in overmaat; met kaliumferrocyanide een wit, sl ij machtig, inchloorw aterstofzuur onoplosbaar ;metkaliumfcrricyanide een bruinachtig oranjegeel neerslag, in chloorwaterstofzuur oplosbaar.

Onderzoek.

1°. Glanzende plaatjes. Het zinkzout van i so valer i aa nz u u r vormt glanzende, op \'t gevoel vettige, groote, witte blaadjes; dat van m et hy 1 - a e t h y 1 az ij nzu u r witte, zijdeglanzende naalden.

2U. die naar valeriaanztmr rieken. Hij bewaring aan de lucht vervluchtigt valeriaanzuur en ontstaat basisch zout. Het Zout worde daarom in goed gesloten flesschen bewaard.

30. die met ammonia een heldere en kleurlooze vloeistof leveren. Afwezigheid van daarin onoplosbare vreemde metaalzouten; ook van aanhangend amylaldehyde en amylvalerianaat, die de oplossing troebel zouden maken.

-ocr page 675-

1033

4°. die Diet zwavelammoiiinm een wit neerslag geeft. Afwezigheid van zware metalen, die een gekleurd neerslag geven, bijv. ijzer of cadmium.

5°. Zinkvalerianaat lost in zivavelzuur zonder kleuring op. Afwezigheid van organische zuren, die zich met zwavelzuur kleuren, bijv. wijnsteenzuur. Bij aanwending van warmte wordt ook het valeriaanzuur met zwavelzuur zwart gekleurd.

6°. De vloeistof, verkregen door Zin kvalerianaat met 4 deelen water te schudden en te filtreeren, mag met barytunchloride niet meer dan een opaleseentie geven. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

7°. Als van Zinkvalerianaat, in een exsiccator gedroogd, 500 viG. met salpeterzuur op een waterbad ontleed, gedroogd en daarna gegloeid wordt, moet er 150—152 mG. Zinkoxyde overblijven. De Ph. cischt derhalve het wat er vrije zout \'). Bovendien kan hierbij geconstateerd worden verontreiniging met het zinkzout van azijnzuur 2) of van boterzuur 3), alsmede met basisch zout, welke de hoeveelheid achterblijvend zinkoxyde zouden verhoogen, terwijl een waterhoudend zout dit zou verlagen.

8°. De oplossing in water en in sterken spiritus worden hij verwarming troebel. Volkomen oplossing wijst op afwezigheid van basisch zout, bij de bereiding of langere bewaring aan de lucht ontstaan.

VASELINUM ALBUM.

W I T T E V A S E L I N E.

VASELINUM.

Vaseline in meer gezuiverden staat, bijna kleurloos en half doorschijnend.

Zij moet voor het overige aan dezelfde eischen voldoen als Gele A\'aseline.

\') De ontleding van liet Zout moet met behulp van salpeterzuur geschieilon, wijl anders bij de verkoling reductie van het oxyde en daardoor gedeeltelijke vervluchtiging van het metaal zou plaats grijpen. De bepaling, dat gedroogd moet worden tot constant gewicht, was niet overbodig geweest.

a) De vloeistof, verkregen door het Zout met 4 doelen water te schudden en te filtreeren, mag na toevoeging van zóóveel verdunde ferrichloride-oplossing, dat hierdoor geen rood, harsachtig neerslag van ferrivalerianaat meer ontstaat, na filtratie niet min of meer rood gekleurd zijn, wat op acetaat zou wijzen.

De oplossing van het Zout (1 = 100) mag met eene geconcentreerde oplossing van cupridacetaat geen blauwe kleur of troebeling geven, wat op boterzuur zou wijzen.

-ocr page 676-

I032

afscheidende kristallen verzameld en, na afdruipen in een trechter, op eene lauwwarme plaats tusschen filtreerpapier gedroogd.

3°. Door wcderzijdsche ontleding van een valeriaanzuur zout en een zinkzout. 12 dln. Valeriaanzuur wordt nauwkeurig met

2(C5Hi,0»)(NI-0) 4- (CJH305)2Zn == (C5H90»)2Zn aiumoniiimvalerianaat zinkacetaat zinkvalerianaat

2 (CsH302) (NH4)

ammoniumacetaat

ammonia geneutraliseerd en hieraan onder omroeren toegevoegd eene oplossing van 11 dln. zinkacetaat of 14.3 dln. zinksulfaat, in de driedubbele hoeveelheid water opgelost. Na eenige uren staan wordt de afgescheiden kristalbrij op een filter verzameld, na afdruipen met water volkomen afgevvasschen en, na door persing van water te zijn bevrijd, op eene lauwwarme plaats tusschen filtreerpapier gedroogd.

Eigenschappen. Glanzende, zeer witte en lichte plaatjes of schubben , vettig op \'t gevoel, die naar valeriaanzuur rieken , moeilijk oplosbaar zijn in water (100), gemakkelijk in spiritus, weinig in aether, gemakkelijk ook in ammonia. — De zuur reageerende oplossing in water en die in sterken spiritus worden bij verwarming troebel door ontleding en afscheiding van basisch zout. — De waterige oplossing (1 =200) geeft met zwavelammonium een wit neerslag, oplosbaar in chloorwaterstof-, salpeter- en verdund zwavelzuur, onoplosbaar in azijnzuur; met alkali een wit, geleiachtig neerslag, gemakkelijk in overmaat oplosbaar; met natriumcarbonaat een wit neerslag, onoplosbaar in overmaat; met kaliumferrocyanide een wit, slijmachtig,inchloor\\vaterstofzuuronoplosbaar;metkaliumferricyanide een bruinachtig oranjegeel neerslag, in chloorwaterstofzuur oplosbaar.

Onderzoek.

10. Glanzende plaatjes. Het zinkzout van isovaleriaanzuur vormt glanzende, op \'t gevoel vettige, groote, witte blaadjes; dat van m e t h y 1 - a e t h y 1 a z ij n z u u r witte, zijdeglanzende naalden.

2°. die naar valeriaanzuur rieken. Bij bewaring aan ck; lucht vervluchtigt valeriaanzuur en ontstaat basisch zout. Het Zout worde daarom in goed gesloten flesschen bewaard.

3°. die niet ammonia een heldere en kleurlooze vloeistof leveren. Afwezigheid van daarin onoplosbare vreemde metaalzouten; ook van aanhangend a m y 1 a 1 d e h y d e en a m y 1 v a I e r i a n a a t, die de oplossing troebel zouden maken.

-ocr page 677-

1033

4°. die met zwavelammonium een wit neerslag geeft. Afwezigheid van zware metalen, die een gekleurd neerslag geven, bijv. ijzer of cadmium.

5°. Zinkvalerianaat lost in zwavelzuur zonder kleuring op. Afwezigheid van organische zuren, die zich met zwavelzuur kleuren, bijv. wijnsteenzuur. Bij aanwending van warmte wordt ook het valeriaanzuur met zwavelzuur zwart gekleurd.

6 o. De vloeistof, verkregen door Zin kvalerianaat met 4 deelen water te schudden en te filtreer en, mag niet baryumehloride niet meer dan een opaleseentie geven. Afwezigheid van sulfaat. Sporen worden toegestaan.

7°. Als van Zinkvalerianaat, in een exsiccator gedroogd, 500 niG. met salpeterzuur op een waterbad ontleed, gedroogd en daarna gegloeid wordt, moet er 150—152 inG. Zinkoxyde overblijven. De Ph. cischt derhalve het water vrije zout \'). Bovendien kan hierbij geconstateerd worden verontreiniging met het zinkzout van azijnzuur ^ of van boter zuur *), alsmede met basisch zojt, welke de hoeveelheid achterblijvend zinkoxyde zouden verhoogen, terwijl een waterhoudend zout dit zou verlagen.

8°. De oplossing in water en in sterken spiritus worden bij verwarming troebel. Volkomen oplossing wijst op afwezigheid van basisch zout, bij de bereiding of langere bewaring aan de lucht ontstaan.

VASELINUM ALBUM.

W I T T E V A S E L IN E.

VASELINUM.

Vaseline in meer gezuiverden staat, bijna kleurloos en halfdoorschijnend.

Zij moet voor het overige aan dezelfde eischen voldoen als Gele Vaseline.

\') De ontleding van liet Zout moet met behulp van salpeterzuur geschieden, wijl anders bij de verkoling reductie van hot oxyde on daardoor gedeellolijke vervluchtiging van het metaal zou plaats grijpen. De bepaling, dal gedroogd moet worden tot constant gewicht, was niet overbodig geweest.

s) De vloeistof, verkregen door het Zout met i deelen water te schudden en te 01-treeren, mag na toevoeging van zóóveel verdunde ferrichloride-oplossing, dat hierdoor geen rood, harsachtig neerslag van ferrivalerianaat meer ontstaat, na (iltratie niet min of meer rood gekleurd zijn, wat op acetaat zou wijzen.

De oplossing van het Zout (t = 100) mag met eene geconcentreerde oplossing van cupridacelaat geen blauwe kleur of troebcling geven, wat op boter zuur zou wijzen.

-ocr page 678-

io34

Samenstelling. Als die van „Vaselinum flavumquot; \').

Bereiding. Deze geschiedt door behandeling der gele Vaseline met zwavelzuur en afwassching van het zuur met natronloog en water.

Om geheel witte en reuklooze Vaseline te verkrijgen, wordt zij nog herhaaldelijk over dierlijke kool gefiltreerd, daarna bij 250° met overhitten stoom gedestilleerd en ten slotte nogmaals gefiltreerd.

Onderzoek.

1°. bijna kleurloos. In onderscheid met de minder zuivere gele V a s e 1 i n c.

2°. half doorschijnend. Kenmerk van voldoende zuivering.

30. Zij moet voor het overige aan dezelfde eisehen voldoen als Gele Vaseline. Zie aldaar 2).

quot;) Zio Ij)/,. 1035.

J) Zie bij « Vaselinum llavum », blz. 1(WG.

In do Ph. Genn. is opgenomen oen mengsel van 1 dl. vasle en 4dln. vloeibare paraffine, z.g. kunstmatige vaseline (Unguentum Paraffini), eene witle, doorschijnende zalf, die bij 35°—45° smelt en in physische en cbemische eigenschappen in \'t algemeen met natuurlijke Vaseline overeenkomt. Pit mengsel is echter niet zoo homogeen als de laatste, zoodat de samenstellende doelen zich door destillalie laten scheiden en zich in gesmolten staat bij bekoeling niet weder, zooals de natuurlijke Vaseline, tot eene homogene massa vormen, doch krislallijne afscheidingen van vaste paraffine doen zien. Bovendien is deze kunstmatige vaseline bij smelting dunvloeibaarder dan de natuurlijke, zoo dun als water, en heeft de overgang van den brijachtigen tot den gesmolten toestand bij de natuurlijke Vaseline langzamerhand, bij de kunstmatige meer plotseling plaats.

Overigens zijn de in den handel voorkomende duitsche en oostenrijksche, witte Vaseline-soorten veelal niet anders dan mengsels van vloeibare en vaste paraffinen. Terwijl de echte witte Vaseline woeker is en vrij gemakkelijk in petroleumaether oplost (1 =20—25), is dit niet het geval bij de kunstmatige (1 = 4- 240). Ook mikroscopisch kan men ze van elkander onderscheiden, doordien de echte witte Vaseline bij vrijwillige verdamping uit eene oververzadigde oplossing in petroleumaether op een objectglaasje /i/ne kristalnaalden doet zien mot kleine, slervorniuje kristalgroepen, terwijl de kunstmatige in hetzelfde geval fora chore en talrijker kristalnaalden vertoont met wratvormiije kristalgroepen (v. Ledden Hulsebosc h).

Vervalsching van wille Vaseline met glycerine-zalf is voorgekomen. De Vaseline is daardoor vaster en scheidt zich bij smcltincj in twee layeu, waarvan de onderste de zalf en de bovenste Vaseline is.

Verontreiniging met tb i 0 s 111 f a a t is geconstateerd bij bleeking dor Vaseline met chloor 011 wegneming van het laatste door thiosulfaat. Ter ontdekking daarvan wordt 300 Grm. Vaseline met quot;100 c.M3. water op \'t waterbad gesmolten en geroerd. In\'t afge-liltreerde water ontstaat alsdan met joodoplossing en baryumchloride een neerslag van sulfaat. Met ferrichloride wordt de vloeistof licht violet, bij verwarming onder reductie kleurloos en na daaropvolgende toevoeging van kaliurnterricyanide blauw.

-ocr page 679-

J 035

VASELINUM F L A V U M.

GELE VASELINE.

Een bij de bewerking van ruw Petroleum verkregen, niet verzeepbare stof, in gezuiverden staat.

Zij is week, geel, in dunne lagen doorschijnend, reukloos en boven 44° vloeibaar.

Met sterken spiritus of met water verwarmd en geschud, mag zij aan deze vloeistoffen geen zure of alkalische reactie mededeelen.

Samenstelling. Vaseline is een mengsel van vloeibare en vaste koolwaterstoffen uit de Cquot;H1quot; 2- of Cquot;H2n-reeks \').

Bereiding. Vaseline wordt verkregen uit de ruwe aardolie of petroleum, het vloeibare, bruinachtige mengsel van koolwaterstoffen, waarschijnlijk een ontledingsproduct van plantaardige en vooral van dierlijke organismen, op langzame wijze onder verhooging van temperatuur, sterken druk en afsluiting der lucht in den schoot der aarde ontstaan, dat in alle werelddeelen, ook in Europa, vooral in Zuid-Rusland, en in overwegende hoeveelheid in Amerika vooral voorkomt.

Aan gefractioneerde destillatie onderworpen, «orden uit dit mengsel verschillende producten verkregen, waarvan het kookpunt tusschen bepaalde grenzen is gelegen, als petroleumaether (40°—70°), benzine (800—1100), ligroïne (110°—130°), poetsolie (1300- 150), petroleum (150°—250°) en smeerolie (250°—300°), terwijl datgene, wat boven 300° kookt, de paraffinen en vaseline uitmaakt 2).

De laatste, half-vloeibare, bruinzwart gekleurde rest dezer petroleum-destillatie is de ruwe vaseline, die gezuiverd wordt, door ze in ijzeren ketels zóó lang aan de lucht te verhitten tot zij volkomen reukloos geworden is, waarna zij bij ongeveer 50° door middel van dierlijke kool wordt ontkleurd s).

Eigenschappen. Eene neutrale, min of meer weeke, homogene, structuurlooze, in dunne lagen doorschijnende, gele, reuk- en

1

■) In Duitscbland en in Oostenrijk wordt ook Vaseline gewonnen, in eerslgenoemil land uit bergteer,, in het laatste uit ozokeriet (zie blz. 007). Menmengt aldaar deze stoffen innig met zwavelzuur, behandelt de van het zuur afgegoten olieachtige vloeistof met eene oplossing van kaliumbichromaat en filtreert daarna door dierlijke kool.

-ocr page 680-

1036

smaaklooze stof van 0.863—0.867 soort. gew. die bij 440—470 smelt, onoplosbaar inwater, weinig oplosbaar in kouden en warmen spiritus, bij zachte verwarming gemakkelijk en helder oplosbaar in aether, benzol, chloroform , petroleumaether, zwavelkoolstof, enz.

Onderzoek.

i0. Een niet verseepbarc stof. Slaat op onderscheid en vcr-valsching met vetten en vette oliën, welke bij verzeeping een vetzuur zout geven onder afscheiding van glycerine 1).

20. Zij is weck. In den handel onderscheidt men: a. ameri-k a a n s c li e (Chesebrotigh-), b. d u i t s c h e ( Virginia-, Hellfrisch-) en c. o o s te n r ij k s c h e Vaseline, De amerikaansche is van deze soorten de meest weeke; de andere zijn meer zalfachtig week of stijver 2).

3°. geel. De kleur zij barnsteen-geel of helder geel met oranje tint, niet geelachtig wit.

4°. in dunne lagen doorsehijnend. Vervalsching met vloeibare paraffine en olie zou haar meer, vetten en vaste paraffine 3) minder doorschijnend maken. De Amerikaansche V. is gew oonlijk de meest doorschijnende.

5°. reukloos. Zij mag niet naar petroleum of bij verwarming aromatisch rieken.

6°. en boven 440 vloeibaar. Amerikaansche V. smelt bij de laagste, d u i t s c h e en o o s t e n r ij k s c h e bij hooger temperatuur. Vaseline smelte bij 440—470 tot eene heldere vloeistof, die tot eene gelijkmatige, homogene massa zonder eenigen kristallijnen vorm stolt.

70. Met sterken spiritus of met water verzvarmd en gese/md, mag zij aan deze vloeistoffen geen zure of alkalisehe reactie mede-deelen. Vaseline reageert neutraal, doch, langen tijd bij 110° verhit, neemt zij eene zure reactie aan en verkrijgt ze een scherpen, zuren reuk. Overigens kan eene zure of alkalische reactie af komstig zijn van stoffen als zwavelzuur en natronloog, welke voor de zuive-

\') 5 Grm, Vaseline, met 5 Grm. natriumcarbonaat en 25 Grm, water gedurende een half uur onder omroeren op \'t waterbad verwarmd, moei na bekoeling eene heldere, waterige oplossing geven, die, met chloorwalerstof/.uur oververzadigd, helder blijft.

\') Oe consistentie van Vaseline moet niet te week of geleiachtig en van dien aard zijn, dat, wanneer men hij zachte warmte gesmolten Vaseline rustig laat bekoelen, zij bij \'Hi0—17° pene hardheid bezit, groot genoeg om een gewicht van 500 Grm, te dragen, zonder dat het oen indruk achterlaat. Men zet een kurk van 1—2 cM, hoogte en 3 cM, in doorsnede op de gladde oppervlakte van do gestolde massa en plaatst er voorzichtig het gewicht op.

\') Zie hij «Vaselinum album», blz. 1034.

-ocr page 681-

I037

ring der ruwe grondstof hebben gediend \'), Voorts zij Vaseline volkomen en helder oplosbaar in aether en vrij gemakkelijk in petroleumaether.

VERATRINU M.

V E R A T R I N E.

Een wit, samenhangend, gemakkelijk smeltbaar en geheel verbrandbaar poeder, dat hevig niezen veroorzaakt.

Het is oplosbaar in 2 deelen sterken spiritus, gemakkelijk oplosbaar in chloroform, minder gemakkelijk in aether.

Veratrine, met water gekookt, pakt zich samen, maar is er zeer weinig in oplosbaar.

Met zwavelzuur overgoten, vertoont het eerst een groene fluorescentie, doch wordt daarna rood en eindelijk violet.

Samenstelling. C3 2 H4 0NO9 (?)

Veratrine behoort tot de alkaloïden 2).

Bereiding. Tot poeder gebracht Sabadillezaad wordt herhaaldelijk met water uitgekookt onder toevoeging van 5 pet. zwa-

\') De waterige oplossing, verkregen door \'2 Grm. Vaseline, in 5 Grm. chloroform opgelost, met 10 cM3. water sterk te schudden, mag 1 droppel phenolphtaleïne niet van kleur doen veranderen en moet daarmede na toevoeging van 1 droppel ^-volurnetrisch alkali eene flinke roodkleuring geven.

Verdere kenmerken van deugdelijke Vaseline zijn :

o. 10 Grm. Vaseline, in een waterbad gesmolten, vermengd inet 50 droppels zwavelzuur van ongeveer 70 pet. (15 Grm. zwavelzuur en 5 Grm. water) en onder omroeren gedurende een kwartier in \'t waterbad verhit, mag niet merkbaar veranderen en bij staan geen bruin gekleurde zuurlaag en op de aanrakingsvlakte der vloeistollen geen gekleurden ring geven.

b. 10 Grm. Vaseline, in liet waterbad gesmolten en daarin met 5 droppels eener versch bereide kaliumpermanganaat-oplossing van 0.2 pet. een kwartier verhit, moet oene oplossing geven, die ook na een kwartier nog duidelijk rood gekleurd blijft.

c. 10 Grm. Vaseline, met 10 cM3. water in het waterbad onder omroeren een kwartier verhit, geeft na bekoeling eene volkomen neutrale vloeistof, die met baryumchloride geen reactie en bij verdamping slechts een onweegbare rest mag geven.

\') Zie blz. 200. Veratrine is een zeer innig mengsel van hoofdzakelijk twee isomere alkaloïden, waarvan liet hoofd-alkaloïde kristalliseerbaar, in water bijna onoplosbaar (cevadine, Cs,H\'\'0N09), smeltende bij 255°—250°, het andere niet kristalliseerbaar, in water beter oplosbaar (vera trid ine, C:quot;H!3N0quot;), smeltende bij 145°, zou zijn.

Volgens Allard zouden daarnaast in geringe hoeveelheden nog voorkomen: 10.ceva-dilline, C3l,ll\'3NOquot;, amorph; 2°. sabadine, C2,H\',NOli, kristalliseerbaar, en 3quot;. sabadilline, CH^NOquot;, eveneens kristalliseerbaar.

Zie ook bij « Semen Sabadillae», blz. 820.

-ocr page 682-

1038

velzuur. Hierdoor worden de alkaloïden als sulfaten opgelost, terwijl bovendien door de overmaat zwavelzuur de verkregen, anders slijmachtige aftreksels beter te behandelen zijn, die nog heet worden gecoleerd, na bekoeling helder afgegoten en gezamenlijk tot het gewicht van het zaad uitgedampt. Na bezinking en filtratie wordt de vloeistof tot koken verwarmd, de veratrine door ammonia in overmaat als eene bruine, harsachtige stof geprecipiteerd, waarbij de andere, in ammonia oplosbare alkaloïden als sabadilline en sabatrine opgelost blijven. De ruwe veratrine wordt met warm water zóó lang uitgewasschen, totdat dit ongekleurd afloopt, en na droging herhaaldelijk met aether uitgetrokken, zoolang nog iets daarin overgaat, waarbij mogelijk nog aanwezig sabadilline als onoplosbaar in aether achterblijft. De aether wordt vervolgens verdampt, de achterblijvende veratrine in verdund chloor-waterstofzuur opgelost en bij kookhitte ammonia in overmaat toegevoegd. Deze laatste bewerkingen, uittrekken met aether, oplossen in zuur en precipiteeren met ammonia, worden zóó lang herhaald, tot de veratrine als een wit poeder verkregen is, dat bij ongeveer 40° voorzichtig wordt gedroogd.

Het alkaloïde kan ook verkregen worden, door het tot poeder gebrachte zaad onder toevoeging van eenig calciumhydroxyde bij matige warmte herhaaldelijk met alcohol uit te trekken, na afdestil-leeren van den alcohol het achterblijvende in zuurhoudend water op te nemen en de dus verkregen vloeistof na volkomen bezinking door filtratie van vet, enz. te scheiden, waartoe ook eene daaropvolgende uitschudding met aether of petroleumaether kan bijdragen. Uit deze oplossing wordt het alkaloïde bij kookhitte door ammonia in overmaat afgescheiden en op boven beschreven wijze verder gezuiverd en gedroogd.

Daar Veratrine hevig prikkelend werkt op het slijmvlies van den neus en de oogen , moet bij de beschreven bewerkingen grootc: voorzichtigheid worden betracht en het poeder in een goed gesloten flesch bewaard worden.

Eigenschappen. Een alkalisch, amorph, wit, reukloos, brandend scherp, doch niet bitter, zeer vergiftig, samenhangend poeder, dat bij 150°—1550 smelt, verder na verkoling geheel verbrandt en bij verstuiven hevig niezen veroorzaakt. Het is zeer weinig oplosbaar in koud (1560) en in warm water, waarin het zich samenpakt, gemakkelijk oplosbaar in spiritus (3.4) en in chloroform (1.8),

-ocr page 683-

I039

minder gemakkelijk in aether (10), ook in amylalcohol, benzolen zwavelkoolstof, moeilijker in gljcerine, vette oltèn en petroleum-aether, onoplosbaar in alkaliën, gemakkelijk in zuren, waarmede het bitter smakende zouten vormt.

Met de meeste algemeene alkaloid reagention, zooals kalium-mercuridjodide, goudchloride, joodoplossing, tannine, enz. geeft de zwak zure oplossing een neerslag, niet echter met platinachloride.

io mG. Veratrine, met i Grm. zwavelzuur overgoten, pakt zich samen en neemt bij samenwrijven eene gele kleur aan, terwijl het zuur fraai groen fluoresceert, daarna langzamerhand oranje, vervolgens bloedrood en ten slotte fraai kersrood wordt.

io mG. Veratrine, met 60 mG. suiker 1) vermengd en vervolgens met eenige droppels zwavelzuur overgoten en saamgevvreven , kleurt zich geelachtig, daarna van den rand uit grasgroen en vervolgens prachtig blauw, welke laatste kleur terstond ontstaat na toevoeging van een droppel water.

10 mG. Veratrine, met 1 cM3. chloorwaterstofzuur verwarmd, geeft eene fraai kersrood gekleurde vloeistof.

10 mG. Veratrine, met 2 cM3. phosphorzuur op het waterbad verwarmd, geeft eene rood gekleurde vloeistof en bij verdamping ontwikkeling van een naar boterzuur zweemenden geur.

Onderzoek.

i0. Een wit poeder. Kenmerk van voldoende zuivering van het alkaloïde.

20. geheel ver brandbaar. Afwezigheid van niet-vluchtige, anorganische s toffen.

30. Het is oplosbaar in 2 deelen sterken spiritus. Deze oplossing mag niet troebel worden bij toevoeging van aether, watopsaba-dilline zou wijzen.

40. gemakkelijk oplosbaar in chloroform. Deze oplossing mag niet troebel zijn door aanhangend vocht als bewijs dat het poeder goed gedroogd is.

5°. Veratrine, met ivater gekookt, is er zeer weinig in oplosbaar. Duidelijke alkaloïd-reactie in het waterig vocht kan wijzen op aanwezigheid van vreemde alkaloïden 2).

\') In pluals van suiker wordt beter cl!3 eener 2 pet. waterige fiirfurol-oplossing gebezigd (W o 11 e r i 11 g).

\') Eene reactie niet platinachloride zon bijv. wijzen op vreemde alkaloïden als morphine, strychnine, enz.

-ocr page 684-

1040

VINA.

W IJ N E N.

Ter bereiding van de medicinale Wijnen moet zoete, roodbruine Malaga-wijn van 1.060—r.075 soortelijk gewicht gebruikt worden , die in 100 deelen 12 — 16 deelen Alcohol (C-H^O) en 16—20 deelen Extract bevat.

Voor de bereiding van Wijnen gelden dezelfde regelen als voor de bereiding van Tincturen, tenzij anders is voorgeschreven.

Samenstelling. De Wijnen der Ph. in \'t algemeen zijn wijnachtig spiritueuse aftreksels van plantaardige, geneeskrachtige stoffen, waarvan zij voornamelijk de werkzame bcstanddeelen bevatten 1).

Bereiding. Deze geschiedt, tenzij anders is voorgeschreven, op dezelfde wijze als bij de Tincturen, n.1, door eenvoudige maceratie der verkleinde grondstoffen met wijn in goed gesloten flesschen bij gewone temperatuur gedurende acht dagen. De wijn, welke de Pb, daartoe voorschrijft, is zoete, roodbruine Malagaw ijn 2), waaraan

1

) Uitzonderingen hierop zijn: ((Vinurn atnarum», hoofdzakelijk eene oplossing van extracten, «Vinum stibiatum» en « Vinum Tartratis kalici ferrati», oplossingen van tartraten in wijn.

2

\') Wijn is sap van druiven, de vruchten van verschillende variëteiten van Vit is vinifera 1-, behoorende tot de familie der A m p e li a c e a e, dat door gisting veranderd is. Deze verandering bestaat hierin, dat de in het door kneuzing of persing verkregen sap van rijpe of bijna rijpe druiven bevatte suiker in aethylalcohnl en kool-dioxyde wordt omgezet, waarbij in geringe hoeveelheden als bijproducten ook ontstaan homologe alcoholen, bijv. propylalcohol, benevens glycerine en barnsteenzuur (zie bij «Spiritus fortior», blz. lt;S74). Na de gisting wordt de wijn in vaten gedurende eenige maanden op eene koele plaats ter bevrijding van gistcellen, wijnsteen, onz. geklaard, waarbij nagisting plaats heeft en vorming van het z.g. bouquet, bestaande uit geringe hoeveelheden samengestelde aethers, z.g. oenanthylaethers. Genoemde stoffen dus Lenevens looizuur, wijnsteenzuur en tartraten, suiker en kleurstof, in water opgelost, maken gezamenlijk in hoofdzaak den natuurwijn uit. lien groot gedeelte der wijnen echter wordt nog verder aan verschillende methoden als galliseeren, scheeliseeren, alcoholiseeren, gipsen, enz. onderworpen, hetzij ter vermeerdering van het alcohol- of verrninde!,ing van het zuurgehalte of van beide; ook wel aan kunstmatige toevoeging van kleurstof en aroma, terwijl ten slotte ook kunstmatig wijn wordt gefabriceerd, derhalve zonder druivensap bereid door gisting van suiker of direct uit alcohol, waaraan dan de andere, in natuurwijn voorkomende stollen zoo goed mogelijk worden toegevoegd.

Men onderscheidt in \'t algemeen witte, roode en zoete wijnen. De laatste, waartoe ook de door de Pb. voorgeschreven Malagawijn behoort, onderscheiden zich vooral van de beide eerste door een hoog suiker- en alcohol-gehalte, welk laatste weder oorzaak is van een geringer gehalte aan tartraat, in alcohol onoplosbaar. IJe bereiding dezer wijnen

-ocr page 685-

1041

gewoonlijk io pet. verdunde spiritus wordt toegevoegd met liet doel de bestanddeelen der grondstof beter te doen uittrekken en

geschiedt niet iloor enkele gisting van het druivensap, dat daartoe vooraf wordt geconcentreerd, terwijl hetzij vóór of na de gisting neg suiker en alcohol worden toegevoegd. Zij behooren dus eigenlijk tot de kunstwijnen, te meer wijl het. verschillend karakter der Malagawijnen veroorzaakt wordt door opzettelijke toevoeging van op bijzondere wijzen uit most bereide vloeistofl\'en.

Als kenmerken van deugdelijkheid van Malagawijn noemt de Ph.;

lquot;. den smaak. Deze zij aangenaam frisch zoet, niet Hauw o!\' strooperig, evenmin bitterachtig, bitier of caramelachtig, ook niet duf, schimmelachtig.

2°. de kleur. Deze zij donker roodbruin, niet bleekrood of roodbruin of madera-bruin.

3°. het soortelijk gewicht, dat 1.060—1.075 bij l.1)0 moet bedragen. Het wordt het best met den picnometer bepaald. Het kan, ook bij wijnen , die bot vereischte gehalte alcohol en extract bevatten, een weinig lager zijn.

4°. het alkohol-ge halte, dat in volumeprocenten 12—10 deelen in 100 deelen moet bedragen, liet wordt bepaald, door in een kolfje, met een koelapparaa\'verbonden, 50 cM3. wijn, mot 50 cM3. water verdund en onder toevoeging van een weinig tannine, te destillecren, tot in een onder het koelapparaat geplaatst kolfje 50 cM3. zijn overgegaan, waarvan liet soort. gew. met den picnometer bepaald en het alcoholgehalte volgens daarvoor dienende tabellen wordt berekend.

5°. het e x t r a c t - g e h a I t o , dat in 100 deelen 10—\'20 deelen moet bedragen, liet wordt bepaald, door 10 cM3. wijn in een plalinaschaal op het waterbad tot stroopdikte Ie verdampen, bet residu gedurende drie uur bij 100° in een water-droogstoof te drogen, in een exsiccator Ie laten bekoelen en te wegen, welk gewicht met 10 wordt vermenigvuldigd.

Aan deze kenmerken kunnen behalve helderheid als min of moer belangrijk voor het gebruik, waartoe do Wijn dient, toegevoegd worden:

0°. bet asch gehalte, voor de bepaling waarvan het extract kan dienen, dat boven een kleine vlam voorzichtig verder wordt gedroogd en verkoold. De kool wordt herhaaldelijk mot warm water uilgeloogd, de loog afgeliltreerd, de kool met aschvrij filter verascht, daarbij de loog gevoegd, alles te zamen tot droog verdampt onder toevoeging van een weinig ammoniumcarbonaat, zacht gegloeid, na bekoeling in den exsiccator gewogen en het gewicht met 10 vermenigvuldigd. Het aschgebalte bedrage niet minder dan 0.2 pet.

De asch moot vrij sterk alkalisch reageeren; neutrale reaclie zou op sterk gegipste of cjezivavcldc wijnen duiden. Ook moet zij eene duidelijke reactie op p bosp ho r z u u r geven; bet gehalte hieraan moet ongeveer 0.02 pet. bedragen.

1\'. bet totaal zuurgehalte. Ter bepaling hiervan worden 10 cM3. wijn, met een gelijk volumen water verdund, met T\'ff normaal-natronloog getitreerd en de eindreactie door stippeling op gevoelig lakmoespapier waargenomen. Algemeen neemt men aan, de door titratie gevonden boeveelheid zuur te berekenen op wijnsteenzuur. Daar 1 cM3. TV normaal-natronloog overeenkomt met 0.0075 Grm. wijnsteenzuur, zal het aantal cM3. verbruikte natronloog, met 0.0075 X \'0 vermenigvuldigd, het procentiscb gehalte aan zuren uitdrukken. Het bedrage ongeveer 0.5 pet.

8°. het gehalte aan vluchtige zuren. Ter bepaling hiervan wordt 50 cM3. wijn met een weinig tannine in een kolfje op het zandbad gedestilleerd tot 40 cM3. zijn overgegaan, bij de rest na bekoeling 40 cM3. water gevoegd, weder 40 cM3. hiervan afgedestilleerd en dit herhaald, totdat 200 cM3. destillaat is vorkregen. Hierin bepaalt inen door titratie met TV normaal-natronloog het zuurgehalte als azijnzuur (OH\',Oi= CO).

-ocr page 686-

1042

den Wijn langer te kunnen bewaren. Overigens gelden voor dit

Het aantal cM3. verbruikte natronloog, met O.OOli X 2 vel,m01iinvuldiglt;i, ilrukt liet procen-tisch gehalte aan vluchtige zuren uit. Het bedrage ongeveer 0.2 pet.

Hot gehalte aan vaste zuren wordt gevonden door van het totaal zuurgehalte dat aan vluchtige zuren af te trekken.

VIquot;. het wijnsteen-gehalte. 50 cM3. Wijn wordt onder toevoeging van een weinig mot verdund chloorwaterstofzuur afgevvasschen zand op het waterbad tot stroopdikte uitgedampt en hieraan na bekoeling onder omroeren 70 cM3. absolute alcohol toegevoegd. Na l\'2 uur staan bij 0°—10° wordt gefiltreerd en het neerslag zóó lang met alcohol afgewasschen, tot het filtraat niet meer zuur reageert. Het filter met neerslag wordt daarna met kokend water uitgetrokken, het vocht gefiltreerd en dit herhaald, totdat het llltraat niet meer zuur reageert. Het aldus verkregen vocht wordt met normaal-natronloog getitreerd. Het verbruikte aantal oM3. natronloog, met 0.0188 X 2 verme,l\'gquot; vuldlgd, geeft het procentisch gehalte aan wijnsteen aan. Hot bedrage hoogstens ongeveer O.ti pet.

lOquot;. het wijnsteenzuur-gehalte wordt bepaald, door de helft van het sub !)quot;. verkregen alcoholische filtraat met normaal-kaliloog te neutraliseeren, de andere helft hieraan toe te voegen, het gezamenlijke vocht onder toevoeging van een weinig afgewasschen zand op het waterbad tot stroopdikte uit te dampen en verder te behandelen als sub is aangegeven. Het verbruikte aantal cM3. natronloog, met O.OISX\'^ vermenigvuldigd, geeft het procentisch gehalte aan vrij wijnsteenzuur aan. Het bedrage hoogstens l van het gehalte aan vaste zuren.

11°. het suiker-gehalte. Dit kan bepaald worden door 2 cM3. wijn mot watertot 100 cM3. te verdunnen en deze vloeistof met Kehling\'s proefvocht(zie Supplement Nederl. Hiarmac.) te titreeren. 10 cM3. 1\'roefvocht, met 40 cM3. water verdund, wordt in een ruim kollje tot koken verhit en hieraan uit een buret zooveel van den verdunden wijn toegevoegd, tot de blauwe kleur verdwenen is en één of twee droppels van het gel, Itreerde vocht, bij evenzooveel kaliumferrocyanide en azijnzuur gevoegd, geen roodachtige kleuring meer teweeg brengt. Daar 10 cM3. proefvocht wordt gereduceerd door 50 niG. glucose, bevat het aantal cM3. van den verdunden wijn, dat voor de reductie noodig was, ook 50 inG. glucose, waaruit hot suikergehalte van den wijn kan berekend worden.

Wordt toevoeging van rietsuiker vermoed, dan wordt deze door verwarming van lt;len verdunden wijn met eenige droppols chloorwaterstofzuur gedurende een half uur op het waterbad geïnverteerd en hot suikergehalte daarna nogmaals bepaald. Het eerstge-vondene, van het tweede gehalte afgetrokken, geeft het glucose-gehalle aan, uit riet-suiker gevormd. 360 dln. Druivesuiker komen overeen met 3i2 dln. rietsuiker.

Hot suikergehalte kan ook benaderend bepaald worden, door 2.5—3 pet. van het extract-gehalte af te trekken en de rest als suiker te beschouwen. Het bodrage ongeveer ■13—lü pet.

I\'20. het zwavelzuur-gehalte. Ter bepaling hiervan worden 50 cM3. wijn, met oen weinig verdund chloorwaterstofzuur vermengd, tot koken verwarmd en hierbij baryumchloride in overmaat gevoegd. Na het afzetten van het neerslag filtreert men, wascht met warm water uit, tot het filtraat geen reactie met zilvernitraat meer geeft, droogt, verascht, gloeit en weegt na bekoelen. Het zwavelzuur-gehalte wordt gewoonlijk op kaliumsulfaat berekend. 100 dln. Barynmsulfaat komen overeen met 74.71 kaliumsulfaat, zoodal de gevonden hoeveelheid barynmsulfaat, vermenigvuldigd met 0.7451 X2 hot procentisch kaliumsulfaat-gehalte aangeeft. Het gehalte mag niet hooger bedragen dan 0.2 pet.

-ocr page 687-

1043

artikel dezelfde regelen en meerendeels ook dezelfde opmerkingen als bij het artikel „Tincturenquot; zijn besproken \'),

1!!°. het zwaveligz uur-ge halte. Ten einde zwaveligzuuraan toloonen, wordt aan het destillaat, bij do alcohol-bepaling verkregen, een weinig joodzuur toegevoegd en met chloroform uitgeschud, welke bij aanwezigheid van zwaveligzuur violet wordt gekleurd. Ten einde het gehalte te bepalen, wordt vau 100 cM\'. wijn ouder gelijktijdige doorvoering van een stroom kooldioxyde de helft gedestilleerd eu dit vocht in 5 cM3. joodoplossing opgevangen, liet mede overgegane zwaveligzuur wordt hierdoor tot zwavelzuur geoxydeerd en voorts (zie sub 10°) als baryumsulfaat bepaald. 100 dln. Baryumsulfaat komen overeen met 27.468 dln. zwaveligzuur. Het gehalte mag niet hooger bedragen dan 0.002 pet.

14°. het glycerine-gehalte. 50 cM\'. Wijn wordt onder toevoeging van eenig zand en gebluschte kalk in een kolf onder omschudden op het waterbad verwarmd en na bekoeling 100 cMJ. absolute alcohol toegevoegd. Men laat het ontstane neerslag afzetten, llllreert de vloeistof en wascht het neerslag met alcohol na. liet gezamenlijke filtraat dampt men lot \')0 cM3. uit, voegt hieraan ongeveer 5 Grm. fijn zand toe en kalkmelk tot sterk alkalische reaclie en dampt tot bijna droog uit. Bij het achfjrgeblevene voegt men in kleine gedeelten onder goed omroeren 50 cM3. absolutenalcohol, verwarmt onder omroeren op het waterhad, filtreert, wascht het achtergeblevene onder omroeren met warmen alcohol na tot 150—200 cMJ. en dampt deze op het waterbad tot eene taaie stroop uit. Na bekoeling voegt men hierbij 10 cM3. absoluten alcohol, waarin .Ie taaie massa gewoonlijk geheel oplost en voegt daarna 15 cM\'. watervrijen aether toe. Men laat de melkachtige vloeistof in een gesloten kolfje zich afzetten en giet of filtreert zoo noodig de bovenstaande heldere vloeistof in een weegdescbje met glazen stop, laat op het waterbad tot siroopdikte uitdampen, droogt een uur in een water-droogstoof en weegt na bekoeling onder den exsiccator. Het bedrage ongeveer van het alcohol-gehalte.

Voorts kan nog gelet worden op de aanwezigheid van:

15°. saccharine. Onder toevoeging van eenig phosphorzuur wordt 100 cM3.Wijn drie malen met een mengsel van 25 din. aether en 25 dln. petroleumaether uitgeschud en de aanwezigheid van saccharine aan den zoeten smaak van het na verdamping van den aether achtergeblevene herkend.

16quot;. salicylzuur. 100 cM3. Wijn wordt herhaaldelijk met chloroform uitgeschud en de aanwezigheid van salicylzuur na verdamping van de chloroform aan de violet-roode verkleuring met eene zeer verdunde ferrichloride-oplossing herkend.

17°. boorzuur. Voor het onderzoek hierop kan de asch dienen. Deze wordt in chloorwaterstofzuur opgelost, de oplossing gefiltreerd, het filtraat tot droog verdampt, de rest met zeer verdund chloorwaterstofzuur zuur gemaakt en curcumapapier hierin gedompeld, wat bij aanwezigheid van boorzuur bij het opdrogen roodbruin wordt gekleurd.

ISquot;, vreemde kleurstoffen. 100 cM3. Wijn wordt na toevoeging van 5 cM3. ammonia met 30 cM3. amylalcohol uitgeschud. De amylalcohol mag daarbij niet gekleurd worden, wat op toevoeging van teerkleurstoffcn zou wijzen.

\') Zie «Tincturae», blz. \'.170.

liij de heoordeeling der Wijnen kan, evenals bij de Tincturen, behalve op hot gehalte aan werkzame stollen, wat hij enkele is voorgeschreven, ook gelet worden op soortelijk gewicht, droogrest en alcoholgehalle. Daar deze factoren echter bij den wijn zeiven reeds vrij wisselend kunnen zijn, hebben zij voor de heoordeeling der Wijnen al zeer weinig waarde. Overigens zie men daarover blz. 973.

-ocr page 688-

1044

V I N U M A M A R U M.

B I T ï E R W IJ N.

N. CascarilleCxiract............... i

Duizendguldenkruidextraci........... i

Gentiaanex tract...............i

Gezegende-DistcIkruidextract, van elk één deel .... i Los ze op in

Wijn negentig dealen.............go

Voeg er bij

Oranjeschiltinctuur zes deelen..........6

Laat bezinken en filtreer.

Len donkerbruine, bittere wijn.

Samenstelling. Hoofdbcstanddeelcn; de bitterstoffen casca-rilline, centaurine, gentiopikrine, cnicine en auran-t i i n e.

Bereiding. Bij het vroegere voorschrift (Ed. II) maakte ook myrrheëxtract een bestanddeel van dezen Wijn uit. Daar dit echter moeilijk met water aan te mengen is, daarmede cene melkachtig troebele vloeistof geeft en voor een groot gedeelte weder uit den wijn bezinkt, waarom de troebele en ongefiltreerde Bitterwiin vóór \'t gebruik telkens flink moest worden omgeschud, is dit extract bij het huidige voorschrift weggelaten en wordt thans bij bereiding de Wijn na bezinking gefiltreerd. Toch wordt ook nu de Wijn bij staan weder min of meer troebel en zet zich een bezinksel, ook van de in waterigen spiritus niet alle even gemakkelijk oplosbare bitterstoffen, op den bodem der flesch af, zoodat men de Wijn telkens vóór de aflevering moet filtreeren \').

VINUM CHINAE.

K I N A W IJ N.

N. Poeder van Kinabast twintig deelen.......20

Verdunden Spiritus honderd deelen.......100

Wijn driehonderd zestig deelen.........360

Suiker driehonderd deelen...........300

Water, zooveel als noodig is.

voor 1000 deelen.

\') Soort. gew. 1.077 (Sc h mi tU). Droogrest \'24.2 pet. (Schmidt).

-ocr page 689-

1045

Deplaceer het poeder met den spiritus en daarna met den wijn. Los in het afgeloopen vocht de suiker op en zet de deplaceering met het water voort, totdat het verlangde gewicht verkregen is. Meng de vochten nauwkeurig ondereen en filtreer na eenige dagen.

Een heldere, licht roodbruine Wijn, met een soortelijk gewicht van 1.125—1.135, die naar kinabast rieken en smaken moet en zwak zuur behoort te reageeren.

Als 1 cM8. van den Wijn, waaraan 2 droppels natronloog zijn toegevoegd, met 2 cM:l. aether geschud is, late de bovendrijvende aether, na afzonderlijk verdampt te zijn, een overschot achter, dat, opgelost in 1 droppel verdund chloorwaterstofzuur en 20 droppels water, met 1 droppel kaliumkwikjodide een wit en vlokkig neerslag geeft.

Samenstelling. Hoofdbcstanddeelen: kina-alkalo .den als kinine, kinidine, cinchonidine, enz., gebonden aan ook vrij daarin voorkomend kinazuur en kinalooizuur.

Bereiding. Het voorschrift der Ph. bedoelt zelfbereiding van den als specialité in den handel voorkomenden Quina (wijn) Laroche. Bij het vroegere voorschrift (Form: Rott.) werd kinabast (1), na daarvan niet water (20) een infusie te hebben bereid, eerst met spaanschen wijn (20), daarna met waterigen (6) spiritus (4) en vervolgens met water gedeplaceerd, om ten slotte in de verkregen, gezamenlijke vochten (50) na volkomen bezinking suiker (16) op te lossen en te filtreeren. Door toevoeging eener oplossing van ferripyrophosphaat met ammoniumcitraat (2) en citroenzuur (1) in water (3) werd uit dezen Wijn (200), zoo noodig na filtratie, een helder, ijzerhoudend preparaat, de Quina (wijn) Laroche ferrigu-neux, verkregen. Bij lange bewaring zet zich uit dezen Kinaw ijn een bezinksel van kinarood af, dat door filtratie gemakkelijk kan worden verwijderd, terwijl de vloeistof bij verlaging van temperatuur troebel wordt, welke troebeling echter door zachte verwarming in het waterbad weder verdwijnt.

Zoowel de bereidingswijze als tic verhouding der samenstellende deelen wijken bij het tegenwoordige voorschrift van het vroegere af, zoodat een preparaat wordt verkregen, dat stroperiger van aard is. Bovendien echter bezit de Wijn het nadeel, dat hij voor de bereiding van een ijzerhoudenden wijn ongeschikt is. Bij vermenging toch met de citroenzure oplossing van bovengenoemd ijzerzout ontstaat een troebel, wankleurig, onooglijk mengsel, dat door bezinking en filtratie niet beter te maken is. Alhoewel de

67

-ocr page 690-

1046

troebeling bij zachte verwarming verdwijnt, is ook langs dezen weg geene blijvende verbetering te verkrijgen.

Onderzoek.

1°. A/s ï cM\'\'. van den Wijn, waaraan 2 droppels natronloog zijn toegevoegd, met 2 cM* .aether geschud is, late de bovendrijvende aether, na afzonderlijk verdampt te zijn, een overschot achter, dat, opgelost in 1 droppel verdund chloorwaterstof zuur en 20 droppels water, met 1 droppel kaliumkwikjodide een wit en vlokkig neerslag geeft. Reactie op de aanwezigheid van eenevoldoen de hoeveelheid alkaloïden \').

VINUM COLCHIC I.

COLCHICUMWIJN.

Te bereiden uit

Colchicuinzaad, fijn gestampt........... 1

Verdunden Spiritus, van elk één deel.......1

Wijn negen deelen..............9

Een bruinachtige, zoet-bitter smakende Wijn.

») Bij de bereiding van den Wijn gaat nog niet de helft der alkaloïden uit den kinabast in oplossing over. Het eerste, spiiïtneuse percolaat bevat zeer veel alkaloïde; bij de latere vermenging met het alcoholarme percolaat slaat intusschen met de barsachtige bestanddeelen ook een groot gedeelte der werkzame stoffen neer, die na volkomen afzetting gedurende eenige dagen door filtratie worden verwijderd.

Ten einde een Wijn te verkrijgen van meer constante samenstelling, ten minste wat het alkaloïde-gehalte betreft, tevens om de omslachtige bereiding te ontgaan, is daarom voorgeslagen, gebruik te maken van het vloeibare Kinaextract, dat een bepaald alkaloïde-gehalte bezit, bijv. eene vermenging in de verhouding der Ph. van 2 din. vloeibaar kinaextract, 10 dln. verdunden spiritus, 35 dln. wijn, 50 dlu, eenvoudige stroop en 3 din. water (v. L e d d e n II u 1 s e b 0 s c li).

Ten einde de afwisselende samenstelling door het gebruik van wijn te ontgaan, is voorgeslagen ook dezen te doen vervallen en gebruik te maken van eene oplossing van suiker in slappen spiritus, zoodat men hot alcohol- en suikeÈ-gehalte nauwkeurig kan vaststellen. Volgens dit voorschrift neemt men 10 dln. poeder van kinabast (1310), chloorwaterstof/.uur q. s. (146 dln. I1CI voor 310 dln. alkaloïde), 14 dln. sterken spiritus, \'25 dln. suiker en water q. s. voor 100 dln. vloeistof. Men lost 5 dln. van de suiker op in het mengsel van den alcohol, twee derden van hot chloorwaterstofzuur en zooveel water als noodig is voor 40 dln., percoleert hiermede het poeder en zet, na het bijna alloopen van de eerste vloeistof, de percolatie voort met het mengsel van de rest van het chloorwaterstofzuur en water, zooveel als noodig is voor 20 dln., en daanu; met water. Men vangt de eerst doorgeloopen 75 dln. van het percolaat afzonderlijk op, lost er de rest van de suiker door schudden in op en voegt zooveel van het latere percolaat toe, dat het gezamenlijk gewicht 100 dln. bedraagt, laat eenige dagen bezinken en fdlreert, waardoor eene heldere, bruine vloeistof wordt verkregen, die bij bewaring helder blijft (Ro m ijn).

-ocr page 691-

io47

Samenstelling. I loofdbestancldeel: colchicine.

Bereiding. Hierbij gelden dezelfde opmerkingen als bij ,, Col-chicumtinctuurquot; zijn gemaakt. Evenzoo is het raadzaam de Wijn tegen den invloed van het licht te bewaren ■\').

V I N U M I P E C A C U A N H A E.

IPECACUANHAWIJN.

Te bereiden uit

Ipccacuanhawortelbast, tot poeder (B 10) gebracht ... i

Verdunden Spiritus, van elk één deel.......i

Wijn negen deelen..............9

Een bruinachtige, zoete, onaangenaam bitterachtig smakende Wijn.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: emetine (c e p h a ë 1 in e en een derde alkaloïde) niet i p ecacu a n hazu u r 2).

VI N U M O P 11 AROMATICU M.

AROMATISCHE O P I U M W IJ N.

LAUDANUM L I Q U 1 D U M SVDENHAM1.

N. Saffraan, fijn gesneden, vier deelen........4

Kaneel, tot poeder (B to) gebracht................1

Kruidnagelen, tot poeder (B 10) gebracht, van elk één deel 1 Laat ze 4 dagen macereeren met

Verdunden Spiritus tien deelen.........10

IVij71 negentig deelen.............90

en pers uit. Voeg bij

vijf en negentig deelen van de uitgeperste vloeistof . . 95

Poeder van Opium tien deelen.........10

Laat het mengsel, onder herhaald schudden, 7 dagen macereeren, coleer, pers uit en filtreer nadat de vloeistof bezonken is.

\') Zio blz. 985.

■) Sooi\'t. gew. 1.054 (Schmidt). Droogrest 20.9 pet. (Sclimidt).

Do Wijn worde legen den invloed van het licht bewaard.

-ocr page 692-

1048

Een donker oranjekleurige, bittere Wijn.

100 Grm. bevatten het oplosbare van nagenoeg 10 Grm. Opium.

Het Morphinegehalte van den Wijn bedrage 0.9—1 pet., hetgeen op de volgende wijze bepaald wordt;

Meng 15 Grm. van den Wijn met 1.5 Grm. natriumcarbonaat; damp het mengsel op een waterbad uit tot de dikte van extract; voeg er 15 cM11. water bij en filtreer. Wasch dat, wat op het filtrum achtergebleven is, met kleine hoeveelheden water zoo lang uit, totdat het afloopende vocht niet meer dan zwak alkalisch reageert, en meng het met 500 mG. kalkhydraat en zoo veel water, totdat het gewicht 15.5 Grm. bedraagt. Macereer dit mengsel, onder herhaald schudden, ten minste 12 uur en filtreer. Schud 10 Grm. van het filtraat met 5 cM^. aether en 5 droppels benzol en los er, onder zacht schudden, in op 125 mG. ammoniumchloride. Schud het mengsel nogmaals herhaaldelijk; neem na 24 uur de aetherlaag weg; herhaal de uitschudding met 5 cM:!. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze met water zoo lang af totdat dit kleurloos alloopt, droog ze bij 1000 en weeg ze.

Het gewicht bedrage 90—100 mG., hetgeen overeenkomt met een gehalte van 0.9—1 pet. Morphine in den Wijn. Deze Morphine moet aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als gesteld zijn voor de Morphine, uit Opium bereid.

Samenstelling. Hoofdbestanddeelen: opium-alkaloïden, opgelost in wijn en spiritus, gearomatiseerd door kaneel- en kruidnageiolie en hoofdzakelijk gekleurd door crocine.

Bereiding. Deze bestaat uit twee bewerkingen. Ten eerste 11.1. wordt een aromatisch, spiritueus-wijnachtig aftreksel gemaakt van saffraan, kaneel en nagelen, waarmede in de tweede plaats het opiumpoeder wordt getrokken. Het opiumaftreksel moet sterk uitgeperst worden.

Daar een der bestanddeeien, de Saffraan, volgens de Ph. tegen den invloed van het licht bewaard moet worden en de Wijn dan ook, aan \'t licht blootgesteld, lichter van kleur wordt, beware men dezen daarbuiten in goed gesloten flesschen \').

Onderzoek.

10. 100 Grm. bevatten het oplosbare van nagenoeg 10 Grm. Opium. Voor de bereiding van den Wijn worden 10 dln. Opium genomen op 95 dln. vocht. Daar Opium ongeveer 66 pet. oplosbare stof

\') Soort. gew. 1.079(8 c h m i il l). Droogrest 23.55 pct.(S c h rn i il l).

De Wijn riekt naar opium en salfraan en levert bij schudding oen geel schuim.

-ocr page 693-

io49

aan het vocht afstaat, zal de gestelde eisch, in aanmerking genomen eenig verlies gedurende de bereiding, ongeveer juist kunnen zijn

2°. Het Mo rphin cgeh al te van den Wijn bedrage 0.9—1 pet. Het voorschrift der Ph. levert een preparaat, dat niet aan dezen eisch kan voldoen. Behalve dat de stroperige malagawijn met het hooge extract- en onvoldoende alcoholgehalte geenszins alle morphine schijnt uit te trekken, scheidt zich bij het in voorraad houden van den Wijn na eenigea tijd een bezinksel af, dat schijnt te bestaan uit tannaten der alkaloïden, waarbij het looizuur dan afkomstig zou zijn van den wijn en vooral van het kaneel en de kruidnagelen. Wijl de Wijn van dit in elk geval alkaloïdhoudend bezinksel wordt afgeschonken of gefiltreerd, vermindert daardoor langzamerhand het gehalte aan werkzame bestanddeelen 1).

30. hetgeen op de volgende wijze bepaald wordt:

Meng 15 Grin, van den Wijn met 1.5 Grin, natrmincarbonaat; damp het mengsel op een waterbad uit tot de dikte van extract; voeg er 15 cAP. water bij en filtreer. Waseh dat, wat op het filter achtergebleven is, met kleine hoeveelheden water soo lang uit, totdat het afloopende vocht niet meer dan zwak alkalisch reageert. De morphine-bepaling geschiedt als bij de Tinctuur. Intusschen heeft door het gebruik maken van wijn in plaats van spiritus de toepassing dezer methode meerdere moeilijkheden, waarom de voorafgaande verdamping van den Wijn met natriumcarbonaat tot extract en de afwassching hiervan met water ten doel heeft, de voor de bepaling hinderlijke, oplosbare bestanddeelen vooraf te verwijderen 3).

4°. en meng het 4) met 500 inG. kalkhydraat en zoo veelivatcr, totdat het gewicht 15.5 Gr in. bedraagt. Macereer dit mengsel, onder herhaald schudden, ten minste 12 uur en filtreer. Schud 10 Gnn. van het filtraat met 5 cM*. aether en 5 droppels benzol en los er,

\') Belangrijk is hel verschil in sterkte, wat betreft liet gehalte aan alkaloïden, van den tegenwoordigen Wijn en den vroeger (Ed. 11) gebruikelijken, daar de laatste op 1 dl. opiumpoeder 6 dln., de tegenwoordige Ph. 9.5 dln. laat nemen. De vroegere was dus ongeveer anderhalf maal zoo sterk.

\') Heter ware het dus om als menstruum verdunden spiritus te bezigen en dezen, iu plaats van door trekking met de grondstoll\'en, te aromatiseeren met kaneel-en kruidnagel-spiritus.

\') Door liet natriumcarbonaat wordt do morphine in onzuiveren staat afgescheiden. Daar in het gunstigste geval volgens deze methode slechts ongeveer 85 pet. der morphine wordt teruggevonden, kan het verlies ook gedeeltelijk daaraan zijn toe te schrijven, dat de morphine wellicht door stoiïen wordt omhuld, die hare oplossing in het kalkwater tegengaan.

quot;) Hedoeld wordt het sub .\'iquot;. verkregen neerslag op het filter.

-ocr page 694-

1050

onder zacht schudden, in op 125 mG. amvionimnchloride. Schud het mengsel nogmaals herhaaldelijk; neem na 24 uur de aether laag lucg; herhaal de uitschudding met 5 cM%. aether; neem ook dezen weg en verzamel de afgescheiden kristallen. Wasch deze mei water zoo lang af totdat dit kleurloos afloopt, droog ze hij 100° emveeg ze.

Het gewicht bedrage 90—100 mG., hetgeen overeenkomt meteen gehalte van 0.9—1 pet. Morphine in den Wijn 1).

5U. Deze Morphine moet aan dezelfde eischen van zuiverheid voldoen als gesteld zijn voor de Morphine, uit Opium bereid 2).

V I N U M S T I BI A T U M.

SPIESGLANS VV IJ N.

V I N U M E M E T I C U M.

BRAAK W IJ N.

N. Ka linm - Stibiu in tart raai twee deelen....... 2

Los ze op in

Wijn vijfhonderd deelen...........500

Laat de oplossing eenige dagen staan en filtreer.

Een heldere, roodbruine Wijn.

Samenstelling. Ecne oplossing van kaliumstibiumtartraat in w ij n.

Bereiding. Deze oplossing kan geschieden door het zout met een gedeelte van den wijn zacht te verwarmen en daarna de rest daarvan toe te voegen of door herhaald schudden van het zout met den wijn, tot volkomen oplossing is gevolgd.

Het gehalte aan wijnsteenzuur van den wijn kan aanleiding geven, dat zich hieruit met het zout langzamerhand een bezinksel vormt van kaliumhydrotartraat, waarom de Ph. den Wijn eenige dagen laat staan en vervolgens filtreeren. Ook kan zich tijdens de bewaring nog een bezinksel vormen, dat vóór de aflevering moet worden afgefiltreerd. Men beware daarom den Wijn niet te lang 3).

\') Zie over de/O bepaling bij «Pulvis Opii composilus », blz. 714,

M Zie aldaar, blz. Ci3.

\') Soort. gew. L071(Schtnid 1). Droogrest 23 pct(Sclim idt).

-ocr page 695-

io5i

VINUM TARTRAXIS KALICI FERRATI.

WIJN VAN KALIUM T AR T R A A T MET IJZER.

VINUM F K R R A T U M.

STA A L W IJ N.

N. IJzerpoeder honderd deelen..........100

Ka Hum hydroiartraa t vierhonderd deelen......400

Meng ze met water tot een dunne brij en damp de/e op een waterbad, steeds roerend, uit, totdat zij bijna droog is. Doe er dan opnieuw water bij, damp weder uit en herhaal deze bewerkingen zoo lang, totdat het mengsel geheel zwart en bijna volkomen in water oplosbaar is geworden. Voeg er dan bij

Wa/er vierduizend deelen............I.000

en laat macereeren. Damp het gefiltreerde vocht op een waterbad uit en

wrijf liet achtergeblevene tot poeder. Los van dit

Poeder tien deelen.............10

op in

IVaier vijftig deelen.............50

Filtreer de oplossing, nadat zij eenige dagen gestaan heeft, en voeg er bij Wijn vijftig deelen............. 50

Een zwart-bruinachtige vloeistof, zoet en ijzerachtig van smaak, die ten minste 1 pet. ijzer bevatten moet, hetgeen op de volgende wijze bepaald wordt;

5 Grm. van den Wijn wordt door uitdamping gedroogd, het overschot gegloeid en de dus verkregen asch opgelost in 15 cM:1. chloorwaterstof-zuur, en verder behandeld zooals bij Solutio Ferri albuminata is voorgeschreven.

Ter ontkleuring van de vloeistof worde niet minder dan 9 cM:i. volu-metrisch thiosulfaat vereischt.

Samenstelling. Eene oplossing van kali u m fe rryl tart raa t in w ij n.

Kaliumferryltartraat kan afgeleid worden van kaliumhydrotartraat. Worden nl. in twee molec. van dit zout twee atomen waterstof vervangen door de tweewaardige atoomgroep ferryl, FeH)- \'), clan verkrijgt men kaliumferryltartraat.

2 KHC4H40G K,(Feï01) (C^FPO0)2

kaliumhydrotartraat kaliumferryltartraat

Bereiding. Het zout ontstaat, wanneer nog vochtig ferrihydroxyde

\') Zie noot \') bij «Ferrum pulveratum». IjIz. 315.

-ocr page 696-

1052

met kaliumhydrotartraat wordt gedigereerd ; ook door inwerking van fijn verdeeld metallisch ijzer op kaliumhydrotartraat bij aanwezig-

2 KHC4H4O0 -f- Fe4 (OH)0 = K2(Fe2Oï) (C4H406)2 4 H20

kaliumhydrotartraat ferrihydroxyde kaliumferryltartraat water

heid van water en de zuurstof der lucht.

2KHC4H4O0 2 Fe 3 H20 3 O =

kaliumhydrotartraat ijzer water zuurstof

K5(Fe202)(C/\'H40,i)2 4- 4 H20

kaliumferryltartraat water

\\rolgens de laatste, in de Ph. opgenomen methode worden 1 dl. ijzerpoeder en 4 dln. kaliumhydrotartraat met water tot eene dunne brij aangeroerd. Hierdoor vormt zich reeds in de koude, sneller bij verwarming op het waterbad onder ontw ikkeling van waterstof ferro-tartraat, dat zich met het mede gevormde kaliumtartraat verbindt tot een korrelig wit, moeilijk in water oplosbaar dubbelzout. Bij

2 KHC4H40,i -f Fe = Fe C4H40»,KiC4H40(i -f 2 H

kaliumhydrotartraat ijzer ferro-kaliumtartraat waterstof

aanraking met lucht treedt echter oxydatie in en vormt zich langzamerhand daaruit met het overige ijzer bruingroen, gemakkelijk oplosbaar kaliumferryltartraat. Intusschen wordt bij aanwending FeC4H4Oe,K2C4H4Oc -f Fe -f- 2 O = K2(Fe202) (C4H406)i

ferro-kaliumtartraat ijzer zuurstof kaliumferryltartraat

van te hooge temperatuur dit ferri-zout weder tot ferro-zout gereduceerd en ontstaat basisch zout. Het digereeren op het waterbad, wat het best in eene porseleinen schaal geschiedt, moet daarom onder veelvuldig herhaald omroeren ter toetreding der lucht, doch bij niet hooger temperatuur dan 40° geschieden, totdat alle waterstof-ontwikkeling is opgehouden, het mengsel zoo goed als zwart is geworden en bijna geheel met zwartgroene kleur in water oplost. Alsdan wordt het met eene ruime hoeveelheid koud water ter oplossing van het zout behandeld, de oplossing van overmaat ijzerpoeder, benevens mogelijk mede gevormd oxyduloxyde , ferro-tartraat en basisch tartraat afgefiltreerd en op het waterbad bij 30°—40° tot droog uitgedampt. Het achtergeblevene wordt tot poeder gewreven, in 5 dln. water opgelost en deze oplossing, na eenige dagen staan en filtratie, met evenzooveel wijn vermengd \').

\') Daar ook door inwerking van het licht reductie van het ferri-zout plaats heeft, worde zoowel bij de bereiding als bij de bewaring van den Wijn het licht zooveel mogelijk buitengesloten.

-ocr page 697-

io53

Eigenschappen. Eene heldere, neutrale, reuklooze, zwartbruinachtige, zoet en ijzerachtig smakende vloeistof, waarin door toevoeging van i dl. alcohol een neerslag van tartraat ontstaat. — Door alkaliën scheidt zich in het vocht (i — io)geen ferrihydroxyde af. — Met kaiiumferro- zoowel als met kaltumferricyanide geeft het geen blauw neerslag, wel echter na toevoeging van chloor-waterstofzuur, alsmede met kaliumsulfocyanide eene bloedroode verkleuring 1). — Door langdurige koking en indamping met natronloog van ijzer bevrijd, geeft het filtraat, met overmaat azijnzuur behandeld, een neerslag van kaliumhydrotartraat 2).

Onderzoek.

1°. Een vloeistof, die ten minste i pet. ijzer bevatten moet, hetgeen op de volgende zvijze bepaald wordt:

5 Grm. van den Wijn wordt door uitdamping gedroogd, het over se hot gegloeid en de dus verkregen aseh opgelost in 15 eM*. ehloorzuaterstof zuur, en verder behandeld zooals bij Solutio Ferri albnminata is voorgeschreven.

Ter ontkleuring van de vloeistof worde niet minder dan 9 cM?\'. vohnnetriseh thiosulfaat vereischt. 5 Grm. Wijn moet bevatten

0.05 Grm, Ijzer, wat correspondeert met X 0-05 = 0.2214 Grm.

thiosulfaat, vervat in ongeveer 9 cM3. volumetrisch thiosulfaat ^).

\') Zie ook «Tinclura Ferri cydoniala», blz. !I89.

\') Zie verder bij « Tarlras kalicus acidus«, bi/,. 900.

\') Soort, gew. 1.0G0(Schinid t). Droogrest li.8 pet. (Sc hm id I).

Als bij «Solutio Ferri albuminata » worde ook liior bij liet overschot een weinig oplossing van ainmoniumnitraat of chloorvrij salpeterzinir gevoegd.

liij het bewaren scheidt zich een bezinksel in den Wijn af, wat tot ijzerverlies aanleiding geeft, Behalve door vorming van onoplosbaar ferro-zout aan het licht, kan de afscheiding ook bestaan uit ferri-zout door de moeilijke oplosbaarheid daarvan in alcoholhoudend vocht. Alhoewel de Pb. in plaats van 10 dln. wijn, zooals vroeger (Fd. II). thans 5 dln. wijn en 5 dln. water laat gebruiken en het gehalte aan spiritus dns aanmerkelijk is verminderd, blijft het daarom toch raadzaam. niet te veel van den Wijn in voorraad te houden.

-ocr page 698-

Mo. l.

TABEL

der soortelijke gewichten van Azijnzuur met verschillend gehalte C2 H4 O2 bij verschillende temperaturen (Oudenians).

15quot;

2(1°

1.0725

1.0679

1.0729

1.0683

1.0733

1.0(386 \'

1.0737

1.0689

1.(gt;740

1.0691

1.0742

1.0693

1.0744

1.0695

1.(gt;74(3

1.0697

1.0747

1.0699

1.0748

1.07( gt;( gt;

1.0748

1.070O

1.(1748

1.0700

1.(gt;748

1.0699

1.0747

1.0698

1.(1746

1.069(3

1.0744

1.0694

1.0742

1.0691

1.(gt;739

1.0688

1.0736

1.0684

1.0781

1.0679

1.(gt;72(1

1.0674

\\.(gt;720

1.0668 ;

1,0713

1.066( gt;

1.07( gt;5

1.0652

1.0(39(1

1.0643

1,068(1

1.0632

1.(gt;674

1.0620

1.( gt;660

1.0606

1.0644

1.0589

1.0625

1.0570

1.06( gt;4

1.0549 |

1.(gt;58( gt;

1.(gt;525

1.(gt;553

1.0497

753

757 | 076!

765 7(58 0771 ! 0773 775

777

778 ! 77S 77S 77S 777 77(1

0775 773 770 767 763

758 752 745 737 72S 718 7» »6 6ii2

1

1

Soortelijk gewicht

5^

c :p

Soortelijk gewicht

N

C —-

1 ^ w

bij

quot;N C

C .

bij

|o

c £

lt;u ^

\'V ^

gu

\' y —

120

15°

20°

CJ C IH

12°

15°

20°

c A lt;u

CJ

O

tH

lt;gt;

0.9995

0.9992

0.9983

34

1.0477

1.0459

1.042(1

|

68

! 1

1.001 1

1.(gt;007

0.9997

35

1.0489

1.0470

1.0437

69

2

1.002(1

1.0022

1.0012

3(1

1.0500

1.0481

1.0448

7(gt;

3

1.0042

1.0037

1.0026

37

1.0511

1.0492

1.0458

71

4

1.0067

1.0052

1.0041

38

1.0522

1.05( gt;2

1.0468

72

5

1.0073

1.0067

1.0055

39

1.0533

1.0513

1.0478

73

6

1.(»(gt;89

1.0083

1.0069

40

1.(gt;543

1.0523

1.0488

74

7

1.0105

1.0098

1.0084

41

1.0553

1.0533

1.0498

75

8

1.0120

1.0113

1.0098

42

1.0564

1.0543

1.(gt;5( gt;7

76

il

1.0136

1.0127

1.0112

43

1.0574

1.0552

1.051(1

77

10

1.0151

1.0142

1.0126

44

1.0583

1.0562

1.0525

78

| |

1.0166

1.0157

1.0140

45

1.0593

1.0571

1.0534

79

12

1.0181

1.0171

1 0154

46

1.0602

1.0580

1.(gt;543

80

J 3

1.019(1

1.0185

1.01(18

47

1.0(312

1.0589

1.0551

81

14

1.0210

1.0200

1.0181

48

i .0(121

1.0598

1.0559

82

15

1,()225

1.0214

1.0195

49

1.0629

1.0607

1.05(17

83

KI

1.0240

1.0228

1.02( gt;8

50

1 0638

1.0615

1.(gt;575

84

17

1.0254

1.0242

1.0222

51

1.0(147

1 1.0(123

1.0583

85

18

1.(1268

1.0256

1.0235

52

1.0655

1.0(331

1.0590

86

19

1.(1283

1.0270

1.0248

53

1.0663

1.0638

1.0597

87

20

1.0297

1.0284

1.0261

54

1.0671

1.0(146

j,0(l( gt;4

88

21

1.0311

1.0298

1.0274

55

1.0(178

1.0653

1.0611

89

22

1.(1325

1.0311

1.0287

56

1.(1685

1.01360

1.0618

90

23

1.0338

1.0324

1,0299

57

1.0(192

1.0(16(1

1.0624

91

24

1.0352

1.0337

1.0312

58

1.0(198

\'i .0673

1.0630

92

25

1.(gt;365

1.0350

1.0324

59

1.(gt;7( gt;5

1.0(179

1.0(13(1

93

2(1

1.0378

1.0363

1.0336

(10

1.0711

1.(gt;685

1.0642

94

27

1.0391

1.0375

1.0348

(11

1.0717

1.0(191

1.0(148

95

28

1.0404

1.0388

1.0360

62

1.0723

1.0(197 1.0(353

96

29

1.0417

1.0400

1.0372

63

1.0729

1.(gt;7( gt;2

1.0658

97

30

1.0429

1.0412

1.0383

64

1.(1734

1.0707

1.06(33

98

31

1.0441

1.0424

1.0394

65

1.0739 1.0712

1.0667

99

32

1.0454

1.0436

1.0405

66

1.0744 il .0717

1.0671

100

\' 33

1.04(1(1

1.0447

1.0416

(17

1.0719

1.0721

1

1.0(175

Soortelijk gewicht bij

12°

-ocr page 699-

JUquot;. 3. TABEL

der soortelijke gewichten van oplossingen van Chloor-waterstofzuur in water bij 15° (Hager).

Procenten

H Cl

Soortelijk gewicht

Procenten H Cl

Soortelijk gewicht

Procenten II Cl

Soortelijk gewicht

Procenten li Cl

Soortelijk gewicht

43 (Ph.)

1.212(1

31.5

1.1564

21.5

1.1056

11.5

1.0561

42 (Pli.)

1.2080

31.25

1.1551

21.25

1.1044

11,25

1.0549

41

1.2013

31

1.1539

21

1.1031

11

1.0537

4Ü.75

1.2002

30.75

1.1526

2( ).75

1.1019

10,75

1.0524

40.5

1.1991

30.5

1.1513

20.5

1.1007

10,5

1.0512

40.25

1.1980

3(1.25

1.1501

20.25

1.0994

10,25

1.0500

40

1.1069

30

1.1488

20

1.0982

10

1.0488

39.75

1.1958

29.75

1.1475

19.76

1.0969

9,75

1.0475

39.5

1.1947

29.5

1.1462

19.5

1.0957

9.5

1.0463

39.25

1.1936

29.25

1.1450

19.25

1.0945

9.25

1.0451

39

1.1925

29

1.1437

19

1.0932

9

1.0439

38.75

1.1913

28.75

1.1424

18.75

1.0920

8.75

1.0427

38.5

1.1902

28.5

1.1412

18.5

1.0907

8.5

1.0414

38.25

1.1890

28.25

1.1399

18.25

1.0895

8.25

1.0402

38

1.1878

28

1.1386

18

1.0883

8

1.0390

37.75

1.1867

27.75

1.1373

1 7.75

1.0870

7.75

1.0378

37.5

1.1S55

27.5

1.1361

17.5

1 0858

7.5

1.0366

j 37.25

1.1844

27.25

1.1348

17.25

1.0845

7.25

1.0353

i37

1.1833

27

1.1335

17

1.0833

7

1.0341

315.75

1.1821

26.75

1.1323

16.75

1.0821

6.75

1.0329

130.5

1.1810

26.5

1.131(1

16.5

1.0807

6.5

1.0317

36.25

1.1798

26.25

1.1297

16.25

1.0795

6.25

1.0305

36

1.1787

26

1.1284

16

1.0783

(5

1.0292

35.75

1.1775

25.75

1.1272

15.75

1.0770

5.75

1.0280

: 35.5

1.1763

25.5

1.1260

15.5

1.()758

5.5

1.0268

35.25

1.1752

25.25

1.1248

15.25

1.0746

5.25

1.0256

35

1.1739

25

1.1236

15

1.0733

5

1.0244

34.75

1.1727

24.75

1,1223

14 75

1.0721

4.75

1.0231

34.5

1.1714

24.5

1,1210

14.5

1.0709

4.5

1.0219

34.25

1.1702

24.25

1,1197

14.25

1.0696

4.25

1.0207

34

1.1689

24

1.1184

14

1.0684

4

1.0195

33.75

1.1677

28.75

1,1171

13.75

1.0672

3.5

1.0170

33.5

1.1664

23.5

1,1158

13.5

1.0659

3

1.0146

33.25

1.1652

23.25

1.1145

13.25

1.(»647

2.5

1.0122

33

1.1639

23

1.1132

13

1.( )635

2

1.0097

32.75

1.1627

22.75

1.1119

12,75

1.0622

1.5

1.0073

32.5

1.1614

22.5

1.1107

12,5

1.( KilO

1

1.0048

32.25

1.1602

22.25

1,1094

12.25

1.0598

0.5

1.0024

32

1.1589

22

1,1081

12

1 0585

31.75

1.1577

21.75

1.1069

11,75

1.0573

Bij hooger of lager temperatuur vermindert of vermeerdert voor eiken graad C. het soort, gevv.

van 28—35 pet. rnet ongeveer (lOOO.\')

» 20 — 27 » )gt; » 0.0004 i) 13—19 .gt; » » 0.0003

-ocr page 700-

X0. 3.

T ABEL

der soortelijke gewichten van oplossingen van Salpeterzuur in water bij 15° (Kolb).

Procenten

j

Soortelijk

Procenten

Soortelijk

Procenten

Soortelijk

Procenten

Soortelijk

HN O3

gewicht

H NO3

gewicht

I I X O

gewicht

H N 0 1

gewicht

1

1.00(5

26

1.159

51

1.323

76

1.445

2

1.012

27

1.166

52

1.329

77

1.449

3

1.018

28

1.172

53

1.335

7S

1.452

4

1.024

29

1.179

54

1.341

79

1.456

|| 5

1.(129

80

1.185

55

1.346

8(1

1.460

1 6

1.035

31

1.192

56

1.350

81

1.463

7

1.04t •

32

1.198

57

1.358

82

1.467

S

1.045

33

1.201

58

1.363

83

1.470 i

9

1.051

34

1.210

59

1.369

84

1.474

! 10

1.057

35

1.218

60

1.374

85

1.478 i

il 11

1.0(34

36

1.225

61

1.380

86

1.481 i

,1 12

1.070

37

1.230

62

1.386

87

1.484 !

13

1.077

38

1 231)

63

1.390

88

1.488

14

1.083

39

1.244

64

1.395

89

1.491 |

15

1.089

40

1.251

65

1.400

90

1.495 :

1 16

1.095

41

1.257

66

1.405

91

1.499

i 17

1.100

42

1.264

67

1.410

92

1.503 !

I 18

1.106

43

1.270

68

1.414

93

1.506

19

1.112

44

1.276

69

1.419

94

1.509 i

20

1.120

45

1.284

7(1

1.422

95

1.512

21

1.120

46

1.29(1

71

1.427

96

1.516

22

1.132

47

1.298

72

1.430

97

1.520

23

1.138

48

1.304

73

1.435

98

1.523

, 24

1.145

49

1.312

74

1.439

99

1.526

25

1

1.151

50

1.317

75

1.442

100

1.530

Bij hooger of lager temperatuur vermindert of vermeerdert voor eiken graai\', C. liet soort. gew.

van

85—1)0 pet. met ongeveer 0.00213

))

79-84 » » »

0.00200

))

73—78 » » »

0.00186

))

07—7\'2 » » »

0.00171

))

G1—06 » » »

0.00155

»

50—60 » » »

0.00141

))

50—55 » » »

0.00128

))

44—49 » » »

0.00114

))

38—43 » » »

0.00100

))

32—37 » » »

0.00085

))

27—31 » » »

0.00071

»

21—26 » » Ö

0.00050

-ocr page 701-

N0. 4.

T A 15 E L

der soortelijke gewichten van Phosphorzuur met verschillend gehalte H3 P O4 en P1 O5 bij 15° (Schiff).

Pro

Pro-

Soorte

Pro-

Pro

vSoorte-

Pro-

Pro

Soorte

centen

centen

lijk

centen

centen

lijk

centen

centen

lijk

H\' PO»

P» O\'

gewicht

H3 PO

P» O*

gewicht

II3 PO4

()i

gewicht

1

0.72G

1.0054

21

15.246

1.1262

41

29.766

1.2731 \'

2

1.452

1.0109

22

15.972

1.1329

42

30.492

1.2812 :

3

2.178

1.0164

23

16.698

1.1397

43

31.218

1.2894

4

2.904

1.0220

24

17.424

1.1465

44

31.944

1.2976

5

3.630

1.0276

25

18.150

1.1584

45

32.670

1.3059

6

4.356

1.0333

26

18.876

1.1604

46

33.496

1.3143 !

7

5.082

1.0390

27

19.6( »2

1.1674

47

34.222

1.3227

8

5.808

1.0449

28

20.328

1.1745

48

34.948

1.3313

9

6.534

1.0508

29

21.054

1.1817

49

35.674

1.3399

10

7.260

1.0567

30

21.780

1.1889

50

36.400

1.3486

11

7.986

1.0627

31

22.506

1.1962

51

37.126

1.3573

12

8.712

1.0688

32

23.232

1.2036

52

37.852

1.3661

13

9.438

1.0749

33

23.958

1.21 1 1

53

38.578

1.3750

14

10.164

1.0811

34

24.684

1.2186

54

39.304

1.3840

15

10.890

1.0874

35

25.410

1.2262

55

40.030

1.3931

16

1 1.616

1.0937

36

26.136

1.2388

56

4( 1.756

i .4022

17

12.342

1.1001

37

26.S62

1.2415

57

41.482

1.4114

18

13.068

1.1065

38

27.588

1.2493

58

42.208

1.4207

19

13.794

1.1130

39

28.314

1.2572

59

42.934

1.4301

2(1

14.520

1.1196

40

29.040

1.2651

60

13.660

1.4395

Bij liooger of lager tomperatunr vermeerdert of vermindert voor eiken graad C. het soort. gew.

van 50— 60 pot. met ongeveer 0.000(18 » 36—41) » » « 0.00052 w 20—85 » » » 0,000i0 „ U—19 » i) » 0.00035

-ocr page 702-

]\\\'u. 5.

TABEL

der soortelijke gewichten van oplossingen van Zwavelzuur in water bij 15° (Kolb).

Procenten

Soortelijk

Procenten

Soortelijk

Procenten

Soortelijk

Procenten

Soortelijk

| Mgt; S O*

gewicht

H2 S O1*

gewicht

II* SO

gewicht

11quot; SO

gewicht

l

1.006

26

1.191

51

1.409

76

1.684

2

1.012

27

1.199

52

1.418

77

1.697

3

1.018

28

1.207

53

1.428

78

1.710

4

1.025

29

1.215

54

1.438

79

1.721

5

1.032

30

1.223

55

1.448

80

1.732

6

1.039

31

1.231

56

1.459

81

1.743

7

1.046

32

1.239

57

1.469

82

1.753

8

1.053

33

1.247

58

1.480

83

1.763

9

1.061

34

1.256

59

1.491

84

1.773

10

1.069

35

1.264

60

1.501

85

1.783

11

1.076

36

1.272

61

1.512

86

1.792

12

1.084

37

1.281

62

1.523

87

1.800

13

1.091

38

1.290

63

1.535

88

1.807

14

1.099

39

1.298

64

1.546

89

1.814

15

1.106

40

1.307

65

1.558

90

1.820

1G

1.114

41

1.316

60

1.569

91

1.825

17

1.122

42

1.324

67

1.580

92

1.829

18

1.12!)

43

1.333

68

1.592

93

1.834

19

1 137

44

1.342

69

1.604

94

1.8372

20

1.145

45

1.352

70

1.615

95

1.8390

21

1.153

46

1.361

71

1.626

96

1.8406

22

1.161

47

1.370

72

1.638

07

1.8410

23

1.168

48

1.379

73

1.650

98

1.8412

24

1.176

4!J

1.389

74

1.662

99

1.8403

25

1.184

50

1.399

75

1.674

100

1.8384

I3ij hooger of lager temperatuur vermindert of vermeerdert voor eiken graad C. liet soort. gew.

van 80—100 pel. met ongeveer 0.00140

75— 85 40— 74 30— 3!i 20— 29 10— 19

0.0012(1 0.00100 0.00075 0.00045 0.00027

-ocr page 703-

N0. 6.

TABEL

aanwijzende het procentisch gehalte aar; absoluten Aether in mengsels van aether en alcohol bij 15° (Hager).

Aether

Soortelijk

Aether

Soortelijk

(procenten)

gewicht

(procenten)

gewicht

100

0.7218

70

0.7530

99

0.7231

(19

0.7538

98

0.7238

68

0.7540

97

0.7247

67

0.7562

96

(gt;.7256

66

0.7574

95

0.7265

65

(1.7586

94

0.7274

64

0.7598

93

Ü.72S3

63

0.7610

92

0.7292

62

0.7623

91

0.7302

61

0.7636

90

0.7312

60

0.7649

89

0.7322

59

O.7660

88

0.7332

58

0.7673

87

0.7342

57

0.7686

86

0.7352

56

• 0.7700

85

0.7358

55

0.7713

84

0.7369

54

0.7727

83

0.7380

53

0.7731

82

0.7391

52

().7755

81

0.7402

51

0.7770

80

0.7413

50

0.7784

79

0.7424

49

0.7795

78

0.7435

48

0.781(1

77

0.7446

47

0.7823

76

0.7459

46

0.7837

75

0.7471

45

0.7850

74

0.7483

44

0,7863

73

0.7495

43

0.7877

72

0.7507

42

0.7890

71

_

0.7519

41

0.7900

Bij hooger temperatuur wnnlt het soortelijk gewiclit lager en omgekeerd eu wel voor eiken graad C. :

van 85—09 pet. aether ongeveer 0.0013

70—84 (50—60 50—59 40-49

0.0011 0.0009 0.0008 0.0007

-ocr page 704-

T A 1? E L

der soortelijke gewichten van Ammonia met verschillend N H3-gehalte bij 15° (Hager).

Procenten NH«

Soortelijk gewicht

0.917 0.916 0.915 0.914 0.914 0.913 0.912 0.911 0.911 0.910 0.909 0.909 0.908

0.908 (14quot;) 0.905 „ 0.90*3 „ 0.900 „ 0.897 „ 0.895 „ 0.893 „ 0.891 „ 0.888 „ 0.886 ., 0.8S4 „

(gt;.lt;139 »1.1)38 0.937 (».936 0.935 0.934 0.933 0.932 0.931 0.931 O.930 0.929 0.928 0.927 0.926 0.925 0.924 0.923 0.922 0.921 0.920 0.919 0.918 0.917

22

22.25

22^5

22.75

23

23.25

23.5

23.75

24

24.25

24 5 24.75

25

26 (Ph.)

*7 „ \'

28 ..

29 ;;

30 „

31

32

33

34

35 3()

Pro

Soor

Pro

Soor

Pro

centen

telijk

centen

telijk

centen

X H\'

gewicht

N H3

gewicht

N H3

1 (Ph.)

0.996

10

(».959

16

2

0.991

10.25

0.958

16.25

3

0.986

10.5

0.957

16.5

4

(».982

10.75

0.956

16.75

5

0.978

11

0.955

17

5.25

0.977

11.25

0.954

17.25

5.5

(».976

11.5

0.953

17.5

5.75

0.975

] 1.75

0.952

17.75

(5

0.974

12

0.951

18

6.25

0.973

12.25

0.951

18.25

Ö.5

(».972

12.5

0.950

18.5

6.75

(».971

12.75

0.949

18.75

7

(».970

13

0.948

19

7.25

(».969

13.25

0.947

19.25

7.5

0.968

13.5

0.946

19.5

7.75

(».967

13.75

0.945

19.75

8

0.966

14

0.944

20

8.25

(».966

14.25

0.944

20.25

8.5

0.965

14.5

0.943

20.5

8.75

0.964

14.75

(».942

20.75

9

(».963

15

0.942

21

9.25

0.962

15.25

0.941

21.25

9.5

(».961

15.5

0.940

21.5

9.75

0.960

15.75

0.939

21.75

...............

____________

- . ---

Soortelijk gewicht

Bij hooger of lager temperatuur vermindert of vermeerdert voor eiken graad G. het soort. gew.

van 1—10 pet, gemiddeld 0.000240 » 10—20 » » 0.000355 » 20—30 » » 0.000515 » 30—35 » » 0.000620

-ocr page 705-

No. S.

T A B E L

der soortelijke gewichten van mengsels van Glycerine en Water bij 12°—15° (Lenz).

O s

p. V

Soorte

v \'ér

s O

Soorte

D ju C \'J

Soorte

| g

Soorte

v c

.s o

Soorte- |!

T c

lijk

\'S c

f-J ^

y o

lijk

u

lijk

11

lijk

1-« r-

V flj P U

lijk

c 1

gewicht

O

TH gt;-«

sj Cu

gewicht

\' ?

O

gewicht

— O

O a,

gevicht

O

r k

gewicht j

100

1.269

80

1.215

60

1.158

40

1.104

20

1.049

99

1.266

79

1.212

59

1.155

39

1.101

19

1047

98

1.263

78

1 210

58

1.153

38

1.098

18

1.044 i

97

1.261

77

1.207

57

1.150

37

1.096

17

1.042

96

1.258

76

1.204

56

1.148

36

1.093

16

1.039 ;

95

1.255

75

1.201

55

1.146

35

1.090

15

1.037 |

1 94

1.253

74

1.199

54

1.143

34

1.088

14

1.034

93

1.2511

73

1.197

53

1.140

33

1.085

13

1.032

92

1.217

72

1.194

52

1.137

32

1.082

12

1.029 |

91

1.245

71

1.191

51

1.134

31

1.079

11

1.027

91»

1.242

70

1.188

50

1.132

30

1.077

10

1.024

I 89

1.239

69

1.185

49

1.129

29

1.074

9

1.022

SS

1.237

68

1.182

48

1.120

28

1.071

8

1.019

87

1.234

67

1.179

47

1.123

27

1.068

7

1.017

86

1.231

66

1.176

46

1.121

26

1.066

6

1.014

85

1.229

65

1.173

45

1.118

25

1.063

5

1.012

84

1,226

64

1.170

44

1.115

24

1.060

4

1.009

83

1.223

63

1.167

43

1.112

23

1.058

3

1.007

82

1.221

62

1.164

42

1.110

22

1.055

2

1.004

81.

1.218

01

1.161

41

1.107

21

1.052

1

1.002

08

-ocr page 706-

]V0. O.

SATURATIE-T ABEL (Dieterich).

Voor 1 Gram

Verdund Azijnzuur

Citroenzuur

Versch Citroensap (7.\'2 pet.)

K unst-matig Citroensap (10 pet.)

Wijn-steen zuur

Digitalis-en Scilla-Azijn (5.1 pet.)

Gram

(Iram

Gram

Gram

Gram

Gram

Ammoniumcarbonaat. .

16.9

1.19

16.54

11.9

1.254

20.0

Kaliumcarbonaat ....

14.4

1.0

14.108

10.O

1.08

17.0

Kaliumhyclrocarbonaat.

10.( gt;

0.7

9.73

7.0

0.752

11.76

Magnesiumcarbonaat . .

21.45

1.5

20.96

15.0

1.609

25.27

Natriumcarbonaat. . . .

6.9

(1.49

6.79

4.9

0.524

8.23

Natriumhydrocarbonaat

11.9

0.83

11.57

8.3

0.893

14.0

Voou -10 Gram

Ammonium car-bonaat

Kalium

carbon aat

Kalium hydro-

car-bonaat

Mag-nesium

car-bonaat

Natrium carbon aat

Na- | trium hytlro-

cav-bonaat

Gram

(Iram

(iram

Gram

Gram

Gram

Azijnzuur (verdund) . .

0.59

0.689

1.0

lt; ).4()()

1.43

0.84

Citroenzuur.......

8.4

9.85

14.28

6.63

20.44

i 2.0

Citroensap (versch). . .

0.604

0.7O8

1.(127

0.477

1.472

0.864

Citroensap (kunstmatig)

0.84

0.985

1.428

0.663

2.044

1.2

Wijnsteenzuur......

7.97

9.26

13.29

6.21

19.08

11.19

Digitalis- en Scilla-Azijn

0.501

().588

0.853

0.395

1.215

0.714

-ocr page 707-

M». 10.

T A B E L

der soortelijke gewichten van oplossingen van Suiker in water bij 17.5° C. (Strohmer).

i Procenten Suiker

Soortelijk gewicht

l\'rocenten Suiker

Soortelijk gewicht

Procenten Suiker

Soortelijk gewicht

Procenten Suiker

Soortelijk gewicht

i

1.0040

19

1.0788

35

1.1540

55

1.2609

i]

1.0120

20

1.0832

37

1.1641

60

1.2899

5

1.0200

21

1.0877

39

1.1743

65

1.3200

7

1.0281

23

1.0967

40

1.1794

70

1.3511

9

1.0363

25

1.1059

41

1.1846

75

1.3833

10

1.0401

27

1.1153

43

1.1951

11

1.0441)

29

1.1247

45

1.2057

13

1.0530

30

1.129(1

47

1.2165

15

1.0614

31

1.1343

49

1.2274

17

1.07( )0

33

1.1440

50

1.2329

-ocr page 708-

X0. II.

TABEL

der soortelijke gewichten van oplossingen van Ferrichloride (watervrij en gekristalliseerd) bij 17.5° C. (Hager).

Soortelijk i gewicht

Procenten Fe» Cl»

O S (--i

§ 4-

O «

O

CJ

Soortelijk gewicht

Procenten Fe2 Cl0

O

o Cl

53 -4-

o » ï* Ö 0)

Soortelijk gewicht

Procenten Fe» Cl0

o

HH

C ^

lt;V

53 4-

(j 1

o ®

VH ,—i

Ph O

,11

1.(170

60

100.0

1.415

40

66.6

1.180

20

33.3

1.659

59

98.2

1.403

39

64.9

1.170

19

31.6

1 1.648

58

96.4

1.390

38

63.2

1.160

18

, 29.9

1.636

57

94.8

1.376

37

61.5

1.150

17

28.3

1.624

56

93.2

1.364

36

59.9

1.140

16

26.6

1.612

55

91.5

1.352

35

58.2

1.131

15

24.9

1.600

54

89.8

1.340

34

56.6

1.123

14

23.3

1.587

53

88.2

1.328

33

54.9

1.113

13

21.6

1.573

52

86.4

1.316

32

53.2

1.104

12

19.9

1.560

51

; 84.8

1.304

31

51.6

1.095

11

. 18.3

1.547

50

83.2

1.292

30

49.9

1.087

10

16.6

1 533

49

81.5

1.280

29

48.2

1.078

9

14.9

1.520

48

79.9

1.268

28

46.6

1.069

8

13.3

1.507

47

78.2

1.256

27

44.9

1.060

7

11.6

1.494

46

76.5

1.245

26

43.2

1.051

6

9.9

1.481

45

74.9

1.234

25

41.6

1.042

5

8.3

1.469

44

73.2

1.223

24

39.9

1.033

4

6.6

1.454

43

71.6

1.212

23

38.3

1.()25

3

4.9

1.441

42

69.9

1.202

22

36.6

1.016

2

3.3

1.428

41

68.3

1

1.191

21

34.9

1.008

1

1.6

i

liet soortelijk gewicht wordt hnogor of lager tusschen 8°—24° C. bij af- of toename van eiken graad C. bij een gehalte aan Ferrichlorido (watervrij)

van 50—60 pet. gemiddeld 0.0008 ,, 45—49 » » 0.0007 „ 40—44 » ii 0.0006 „ 30—30 i) i) 0.0005 » 20—20 ii ii 0.0004 „ 10—10 ii ii 0.0003

-ocr page 709-

N0. 13.

T A B E L

der soortelijke gewichten van oplossingen van Natriumhydroxyde en Kaliumhydroxyde bij 15° C. (Gerlach en Schiff).

Pro-i oenten

Soortelijk gewicht oplossing

Natrium-

hy-tlroxyde

Soortelijk gewicht oplossing Kalium-

hy-droxyde

Pro-centen

Soortelijk gewicht oplossing Natrium-

hy-droxyde

Soortelijk gewicht oplossing Kiilium-

hy-droxyde

Procenten

Soortelijk gewicht oplossing

Natriumhydroxyde

Soortelijk gewicht oplossing Kalium-

hy-droxyde

1.012

1.009

25

1.279

1.230

49

1.529

1.527

2

1.023

1.017

20

1.290

1.241

50

1.540

1.539

3

1.035

1,025

27

1.300

1.252

51

1.550

1.552

4

1.046

1.033

28

1.310

1.264

52

1.560

1.565

5

1.059

1.041

29

1.321

1.278

53

1.570

1.578

6

1.070

1.049

30

1.332

1.288

54

1.580

1.590

7

1.081

1.058

31

1.343

1.3( )0

55

1.591

1.604

8

1.092

1.065

32

1.351

1.311

56

1.601

1.618

9

1.103

1.074

33

1.363

1.324

57

1.611

1.630

10

1.1 15

1.()83

34

1.374

1.336

58

1.622

1.641

11

1.126

1.092

35

1.384

1.349

59

1.633

1.655

12

1.101

36

1.395

1.361

60

1.643

1.607

13

1.148

1.111

37

1.405

1.374

61

1.654

1.682

14

1.159

1.119

38

1.415

1.387

62

1.664

1.695

15

1.170

1.128

39

1.426

1.400

63

1.674

1.7( )5

16

1.181

1.137

40

1.437

1.411

64

1.684

1.718

17

1.192

1.146

41

1.447

1.425

65

1.695

1.729

18

1.2U2

1 l. 155

42

1.456

1.438

66

1.705

1.740

19

1.213

1.166

43

1.408

1.450

67

1.715

1.751

20

1.225

1.177

44

1.478

1.462

68

1.726

1.768

21

1.23G

1.188

45

1.488

1 475

69

1.737

1.780

22

1.247

1.198

46

1.499

1.488

7n

1.748

1.790

23

1.258

1.209

47

1.508

1.499

24

1.269

1.220

48

1.519

1.511

-ocr page 710-

M0. 13.

T A B E I

aanwijzende de verhouding tusschen het soortelijk gewicht en het gehalte aan Alcohol (C5 Hquot; O) van Spiritus bij 15° C. (Dr. E. H. von Baumhauer).

i A.

s.

c.

A. | S.

G.

A,

s.

G.

A.

s.

G.

10(1

0.7941

25.9

74

0.8796

13.7

49

0,9356

6.90

24

0.9711

3.00

99

0.7989

25.2

73

0.8822

13.3

4S

0.9374 6.70

23

0.9721

2.90

98

(»,8035

24.5

72

0.8847

13.0

47

0.9392 6.50

•22

0.9731

2.75

1 97

0.8079

23.8

71

0.8872

12.7

46

0.9410 ().30

21

0.9741

2.65

96

0.8120 23.1

70

0.8897

12.4

45

0.9427 6.10

20

0.9751

2.55

! 95

0.8159

22.6

69

0.8921

12,1

44

0.9445

5.90

19

0.9761

2.45

1 94

0.8197

22.0

68

0.8945

11.8

43

0.9462

5.70

1.8

0.9771

2.35

; 93

0.8233

21.5

67

0.8969

11.5

42

0.9479

5.50

17

0.9781

2.25

92

0.8268

20.9

66

0.8998

11,2

41

0.9496

5.30

16

0.9792

2.15

91

0.8304 20.4

65

0.9017

10,9

40

0,9512

5.15

15

0.9802

2.00

90

0.8338

19.9

64

0.9040

10,(5

39

0,9527

4.95

14

0.9812

1.90

89

0.8373

19.4

63

0.9064 10.4

38

0.9542 4,80

13

0.9823

1.80

: 88

0.841 )6

18.9

62

0.9( IS 7

10.1

37

0,9557 4,65

12

(1.9834

1.70

87

0.8438

18.5

61

0.9109

9,8

36

0.9571 4,50

11

0.9846

1.60

1 SB

0.8469

18.1

60

0.9131

9.6

35

0.9585

4.35

10

0.9857

1.45

| 85

(I.S49S

17.7

59

0.9153

9.3

34

0.9599 4.20

9

0.9869

1.35

84

0.8526

17.3

58

0.9175

9.0

33

0.9611

4.( 15

8

0.9881

1.20

83

0.8554 16.9

57

0.9196

8.75

32

0.9623

3.95

7

0.9894

1.10

82

0.8581

10.5

56

0.9218

8,5(

31

0.9635

3.80

6

0.9906

0.95 i

81

0.8609

16.2

55

0.9239

8.25

30

0.9646

3.70

5

0.9920

0.80

■ S0

0.8636

15.8

54

0.9260

8.011

29

0.9657

3.55

4

0.9933

0.70

79

0.8663

15.4

53

0.9280

7.75

28

0.9668

3.45

3

0.9947

0.55

78

0.8690

15.1

52

0.93( )0

7.55

27

0.9679,

3.3U

2

0.9961

(1.40

77

0.8717

14.7

51

0.9320

7.3o

26

0.9690

3.20

1

0.9976

0.25

76

0.8743

14.4

50

0.9338

7,10

25

0,9700 3,10

II

0.9991

0.10

1 75

0.8770

14.0

1

A. boteekent liet alcoholgehalte, d. i. het aantal volumina alcohol (O 11quot; O) van 15», voorhanden in \'100 volumina spiritus van 15°.

S. beteekent het soortelijk gewicht van den spiritus bij 15° — dat van water van 4° als éénheid aangenomen.

G. beteekent het aantal graden inzinking, dat de glazen vochtweger, bedoeld bij Koninklijk besluit van 20 April 18C3 {Slaatsblad n0. 19), in den spiritus bij 15° aanwijst.

In deze kolom zijn alleen de graden en hunne onderdeelen opgegeven, die op de schaal van den vochtweger voorkomen. Waar de berekende cijfers hiermede niet overeenstemden, zijn de naastbijgelegen graden of onderdeelen daarvan opgegeven. Voor het geval, dat men een gevonden inzinking nauwkeuriger tot soortelijk gewichten alcoholgehalte wenscht te herleiden, volgt hier de daartoe strekkende berekening: Als de gevonden inzinking wordt opgeteld bij 100 en deze som in 100 wordt gedeeld, dan stelt het quotiënt het overeenkomstige soortelijk gewicht voor.

-ocr page 711-

Mquot;. 14.

T A E E L

ter herleiding van graden Beaumé tot de overeenkomstige soortelijke gewichten (Schober en Pescher).

Temp. 12.5 R. = 15.5 C.

1

Voor vloeistoffen zwaarder dan water.

p

lt;u

Soortelijk

lt;U

Soortelijk

Soortelijk

3 -c

Soortelijk

O

Soortelijk ;

Ü

gewicht

V-lt;

O

gewicht

u

O

gewicht

C

gewicht

e

O

gewicht |

0 1 •2

3

4

5 (i

7

8 9

10

12

14

15

l.OOOO 1.0069 1.0139 1 0211 1.0283 i .0356 1.0131 1.0506 1 0583

1.1174() 1.»I82i i

1.0983 1.1067 1.1152

16

17

18

19

20 21 22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

1.1239 1.1326 1.1415 1.1506 1.1598 1.1691 1.1786 1.1883 1.1981 1.2080 1.2182 1.2285 1.2390 1.2497 1.2605 1.2716

32

33

34

35

36

37

38

39

40

41

42

43

44

45

46

47

1.2828

1.2943

1.3059

1.3177

1.3298

1.3421

1.3546

1.3674

1.3804

1.3937

1.4072

1.4210

1 4350

1.4493

1.4640

1.4789

48

49

50

51

52

53

54

55

56

57

58

59 00 61 02

1.4941 1.5097 1.5255 1.5417 1.5583 1.5752 1.5925 1.6101 1.6282 1.6467 1.6656 1.6849 1.7047 1.7250 1.7457

63

64

65

66

67

68

69

70

71

72

73

74

75

76

77

1.7669 1.7888 1.8111 1.8340 1.8574 1.8815 1.9032 1.9316 1.9577 1.9844 2.0119 2.0402 2.0693 2.0992 2.1301

2. Voor vloeistoffen lie/iter dan water.

li

10

i 12

13

14

15

16

17

18

19

20

1.0000

0.9931

0.9864

0.9797

0.9731

0.9666

0.9603

0.9539

0.9477

0.9416

0.9355

21 22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

0.9295 0.9236 0.9177 0.9120 0.9063 0.9007 0.8951 0.8896 0.8842 0.8788 0.8735

32

33

34

35

36

37

38

39

40

41

42

(1,8683 0.8631 0.8580 0.8530 0.8480 0.8431 0.8382 0.8334 0.8287 0.8239 0.8193

43

44

45

46

47

48

49

50

51

52

0.8147 0.8102 0.8057 0.8013 0.7969 0.7925 0.7882 0.7839 i gt;.7 (97 0.7756

53

54

55

56

57

58

59

60 61 62

0.7714 0.7674 0.7633 0.7593 0.7554 lt; ).7515 0.7476 0.7438 0.7399 0.7362

-ocr page 712-

T A B E L

N0. 15.

aanwijzende de soortelijke gewichten en daarmede correspondeerende procenten Alcohol in maat en gewicht bij 15.5° C. (Hehner).

Soor

Ge-wichts-

Volume

Soor

Ge-wlchts-

Volume

Soor

Ge-wichts-

Volume

Soor

Ge-

wichts-

Volume

telijk

ge

pro-centen

procenten

telijk

ge

pro-cen ten

procenten

telijk

ge

pro-centen

procenten

telijk

ge

pro-centen

pro 1 centen [

wicht

c2h60

c\'2hco

wicht

c2h(lo

c2h(lo

wicht

c2hl!0

c21k\'0

wicht

ClieO

cwo

1.000

o.oü

0.00

|

0.99! 1

0.53

0.66

0.949

35.00

41.84

0.899

58.60 !

66.25

0.859

79.72

85.26 |

8

l.Oli

1 34

8

35.50

42.40

8

58.95

66.69

8

80.13

85.59

7

1.69

2 12

7

36 00

42.95

7

59.39

67.11

7

80.54

85.94

6

2.28

2 86

6

36.56

43.56

6

59.83

67.53

\'5

80.96

86.58

5

2.83

3.55

5

37.11

44.18

5

60.26

67.93

5 !

81.36

80.61

4

3.41

4.27

4

37 67

44.79

4

60.67

68.33

4 81.76

86.93

3

4.00

5.00

3

38.22

45.11

3

61.08

68.72

3

82.15

87.24

2

4.62

5.78

2

38.78

46 02

2

61.50

69.11

2

82.54

87.55

l

5.25

6.55

ï

39.30

46.50

ï

61.92

69.50

1

82.92

87.85

0

5.87

7.32

0

39 80

47.13

0

62.36

69.02

0

83.31

88.16

0.989

6.57

8.18

0.939

40.30

47.67

0.889

62.82

70.35

0.839

83.69

88.46

i 8

7.27

9.04

8

40.80

48.21

8

63.26

70.77

8

84.08

88.76

i 7

7.1)3

9.86

7

41.30

48.75

7

63.70

71.17

7

84.48

89.08

6

8.64

10.73

6

41.80

49.29

6

64.13

71.58

6

84.88

89 39

5

9.36

11.61

5

42.29

49.81

5

64.57

71.98

5

85.27

89.70

4

■10.08

12.49

4

42.76

50.31

4

65.00

72.38

4

85.65

89.99

3

10.85

13.43

3

43.24

50.82

3

65.42

72.77

3

86.04

90.29

2

11.62

14.37

2

43.71

51.32

2

65.83

73.15

2

86.42

90.58

•1

12.38

15.30

1

44.18

51.82

1

66.26

73 54

1

86.81

90.88

0

13.15

16.24

0

44.64

52.29

0

66.70 73.93

0

87.19

91.17

0.979

13.92

17.17

0.929

45 09

52.77

0.879

67.13

74.33

0.829

87.58

91.46

8

-14.82

18.25

8

45.55

53.24

8

67.54

74.70

8

87.96

91.75

7

15.67

19.28

7

46.00

53.72

7

67.96

75.08

7

88.36

92.05

6

16.46

20.24

6

46.46

54.19

6

68.38

75.45

6

88.76

92.36

5

17.25

21.19

5

46.91

54.66

5

68.79

75.83

5

89.16

92.66

4

18.08

22.18

4

47 36

55.13

4

69.21

76.20

4

89.54

92.94

3

18.85

23.10

3

47.82

55.60

3

69.63

76.57

3

89.92

93.23

2

19.67

24 08

2

48.27

56 07

2

70.04

76.94

2

90.29

93.49

1

20.50

25.07

1

48.73

56.54

1

70.44

77.29

-1

90.64

93.75

0

21.31

26.04

n

49.16

56.08

0

70.84

77.64

0

91.00

94.00

i 0.909

22.08

26.95

0.919

49.64

57.45

0.869

71.25

78.00

0.819

91.36

94.26

8

22.85

27.86

8

50.09

57.92

8

71.67

78.30

8

91.71

94.51

7

23.62

28 77

7

50.52

58.36

7

72.09

78.73

7

92.07

94.76

6

24.38

29.67

6

50.96

58.80

6

72.52

79.12

ti

92.44

95.03

5

25 14

30.57

5

51.38

59.22

5

72.96

79.50

5

92.81

95.29

4

25.86

31.40

4

51.79

59.63

4

73 38

79.86

4

93.18

95.55

3

26.53

32.19

3

52.23

60 07

3

73.79

80.2-2

3

93.55

95.82

2

27.21

32.98

2

52.68

60 52

2

| 74.23

80.60

2

93.92

96.08

1

27.93

33.81

1

53.13

60.97

1

i 74.68

81.00

T

94.28

96.32

1 0

28.56

34.54

0

53.57

61.40

0

75.14

81.40

0

94.62

96 55

0.959

29.20

35.28

0.909

54.00

61.84

0.859

; 75.59

81.80

0.809

94.97

96.78

8

29.87

36.04

8

54.48

62.31

8

76.04

82.19

8

95.32

97.02

7

30.44

36.70

7

54.95

62.79

7

70.46

82.54

7

95.68

97.27

f.

31.00

37.34

6

55.41

63.24

6

70.88

82.90

6

96.03

97.51

5

31.62

38 04

5

55.86

63.69

5

77.29

! 83.25

5

96.37

1)7.73

4

32.25

38.75

4

50.32

64.14

4

77.71

83.60

4

96.70

97.94

i 3

32.87

39.47

3

56 77

64.58

3

78.12

83.94

3

97.03

98.16

2

33.47

40.14

2

57.21

65.01

2

78.52

84.27

2

97.37

98.37

i

34.05

40.79

1

57.63

65 41

1

78.92

84.60

1

97.70

98.69

0

34.52

41.32

\'

|

0

58.05

65.81

0

79.32

84.93

0

0.799 8 7 6 5 4

98.03 98.34 98.66 98.97 99.29 99.61 9994

98.80 98.98 99.16 99.35 99.55 99.75 99.96

-ocr page 713-

K0. 1G. TABEL

aanwijzende het gehalte in maat- en gevvichtsdeelen aan Alcohol {CïHliO) in honderd deelen Spiritus van bepaald soortelijk gewicht bij 15° C. (Stampfer).

Soortelijk gewicht

100 deelen in maat bevatten

100 deelen in

gewicht

Soortelijk

100 deelen in maat bevatten

100 deelen\' in

gewicht

bevatten deelen O 11° O

deelen O II«()

deelen water

: bevatten deelen C»H«0

gewicht i

deelen O H o o

deelen water

1.0000

0

100

o.ro

0.9328

51

52.73

43.47

0.9985

1

99.05

0.80

0.9808

52

51.74

44.41

0.9970

2

98.11

1.60

0.9288

53

50.74

45.37

0.9950

3

97.17

2.40

0.9267

54

4v).74

46.33

0.9942

4

96.24

3.20

0.9247

55

48 74

47.2!)

0.9928

5

95.30

4.00

0.9226

56

47.73

48.26

0.9915

6

94.38

4.81

0.9205

57

46.73

49 24

0.9902

7

93.45

5.62

0.9183

58

45.72

50.21

0.9890

8

92.54

6.43

0.9161

59

44.70

51.20

0.9878

9

91.62

7.24

0.913!)

60

43.68

52.20

0.9867

10

90.72

8.06

0.9117

61

42.67

53.19

0.9855

11

89.80

887

0.90! »5

62

41.65

54.20

0.98\'»4

12

88.90

9.69

0.9072

63

40.63

55.21

0.9833

13

xs.(Ki

10.51

0.9049

64

39.60

56.23

0.9822

14

87.09

11.33

0.9026

65

38.5H

57.25

0.9812

15

86.19

1215

0.9002

66

37.54

58.2!)

0.9801

16

85.2!)

12 98

0.8978

67

36.51

59.33

0.9791

17

84.39

13.80

0.8954

68

35 47

60.38

0.9781

18

83.50

14.63

0.8930

6!)

34 44

6143

0.9771

19

82.60

15.46

0.8!\'05

70

33.39

02.50 1

0.9761

20

81.71

16.29

0.8880

71

32.35

63.58

0.9751

21

80.81

17.12

0.8855

72

31.30

64.64

0.9741

22

79.92

17.96

0.8830

73

30.26

65.72

0.9731

23

79.09

18.79

0 8804

74

29.20

66.82

0.9721

24

78.13

19.63

0.8778

75

28.15

07.93

0.9711

25

77.23

20.47

0.8752

76

27.09

69.04 |

0.9700

26

76.33

21.31

0.8725

77

26.03

70.16

0.9690

27

75 43

22.16

0.86P8

78

24 96

71.30

0.9679

28

74.53

23.00

0.8671

79

23.90

72.43

0.9668

29

78.62

23.85

0 86\'14

80

2283

73.50

0.9657

30

72.72

24.70

0.8616

81

21.76

74.75

0.9645

31

71.80

25.56

0.8588

82

20.68

75.91

0.9633

32

70.89

26.41

0 855!)

83

19.61

77 0!)

0.9620

33

69.96

27.27

0.8530

84

18.52

78/.!)

0.9607

34

69.04

2814

0.8500

85

17.42

79.51

0.9595

35

6812

29 01

0.8470

86

16.32

80.72

0.9582

36

67.20

29.88

0.8\'140

87

15 23

81 96

0.9568

37

66.20

30.75

0.84(1!)

88

14.12

83.22

0.9553

38

65.32

31.63

0.8377

89

13.01

84.47

0.9538

39

64.37

32.52

0.8344

90

11.88

85.74

0.9522

40

63.42

33.40

0 8311

91

10.76

87.04

0.9506

41

62.46

34.30

0.8277

92

9.62

f-8.37

0.9-\'i90

42

61 50

35 18

0.8242

93

*.48

89.72

0.9473

43

60.58

36.09

0.8206

94

7.32

91.08

0.9456

44

59.54

37.00

0.8169

95

6.16

92.45

0.943!)

45

58.61

37.90

0.8130

96

4.97

93.89

0.9421

46

57 0\'t

38.82

0.8089

97

377

95.35 i

0.9403

47

56.66

39.74

0 8046

98

2.54

96.83

0.9385

48

55.68

40 66

0.8000

99

1.28

98.38

0.9366

49

54.70

41.59

07951

100

0.00

100.00

0.9348

50

53.72

42.53

L

Deze label geelt slechts aan de soortelijke gewichten van Spiritus met 1—100 volumen-procenten of daarmede correspondeerende gewichtsprocenten alcohol. Do soortelijke gewichten der daartusschenin gelegen TV volumen-procenten en daarmede overeenkomstige gewichtsprocenten kunnen gevonden worden, wanneer liet verschil der soortelijke gewichten van twee op elkander volgende procent-getallen door 10 wordt gedeeld en dit quotiënt voor elk T\'ff volumen-procent of het daarmede overeenkomstige gewichtsprocent van het hoogst aangegeven soorlelijk gewicht aftrekt.

Het procentisch gehalte aan alcohol is hepaald hij 15° C. Voor eiken graad daarboven moet 0.4 volumen-procent afgetrokken, voor eiken graad daarbeneden 0,4 volumen-procent bijgeteld worden, om het gehalte met het daarbij aangegeven soortelijk gewicht in overeenstemming te brengen (zie blz. 877).

-ocr page 714-

M0. IT.

TABEL

ten gebruike bij de bepaling van liet alcohol-gehalte in Wijn, aanwijzende de soortelijke gewichten en daarmede correspon-deerende procenten alcohol (C2H(10) in maat en gewicht bij 15.5° C. (Hehner).

Soor

Pro

Pro

Soor

Pro

Pro

Soor

Pro

Pro

Soor

Pro

Pro-

telij U gewicht

centen («c-

centen Cvo-

telijk

centen (96-

centen (vo

telijk

centen

(ge-

centen (vo

telijk

centen (ge-

cen ten (vo

wichts)

lumen)

Kequot;

wlchts)

lumen]

ü6quot;

wlchts)

lumen)

ge

wlchts)

lumen)

C-\'IP\'O

wicht

C-II\':0

C-\'l l«0

wicht

C-IP\'O

C-\'H«0

wicht

C-TFO

C-IPH)

0.9999

0.05

0.07

0.9949

2.89

3.02

0.8999

5.94

7.40

0.9849

9.43

11,70

8

0.11

0.13

8

2.94

3 09

8

000

7.48

8

9.50

11,79

7

0.1 G

0.20

7

3.00

3.76

7

6.07

7.57

7

9.57

11 87

(i

0.21

0.26

6

3.00

3 83

0

6,14

7.60

6

9.64

1196

5

0.20

0.33

5

3.12

3 90

5

6,21

7.74

5

9.71

12.05

4

0.32

0.40

4

318

3.98

4

6.28

7.83

4

9.79

12.13

li

0.37

0.46

3

3.24

4.05

3

6.36

7.92

3

9.86

12.22

\'2

0.42

0.53

2

3.29

4.12

2

6.43

8.01

2

9 93

12.31

1

0.47

o.co

I

3.35

4.20

1

6.50

8.10

1

10.00

12.40

0

0.53

0.06

0

3.41

4.27

0

0.57

8.18

0

10.08

12.49

0.9989

0.58

0.73

0.9939

3,47

4.34

0.9889

0.04

8.27

0.9889

10.15

12.58

8

0.63

0.79

8

3.53

4.42

8

0.71

8.36

8

10.23

12.68

7

0.68

0.80

7

3.59

4.49

7

0.78

8.45

7

10.31

12.77

0

0.74

0.93

0

3.05

4.50

0

0.80

8.54

0

10 38

12.87

5

0.79

0.99

5

3.71

4.03

5

0.93

8.03

5

10.46

12.96

4

0.84

1.00

4

3.76

4.71

4

7.00

8.72

4

10.54

13.05

3

0.89

1.13

3

3.82

4.78

3

7.07

8,80

3

10.02

13.15

2

0.95

1.19

2

3.88

4.85

2

7.13

8 88

2

10.09

13.24

ï

1.00

120

1

3.94

4.93

1

7.20

8.90

1

10.77

13.34

0

1,06

1.34

0

4.00

5,00

0

7.27

9,04

0

10.85

13.43

0.9979

1.12

1.42

0.9929

4.06

5.08

0.9879

7.33

9,13

0.9829

10.92

13.52

8

1.19

1.49

8

4.12

5.10

8

7.40

9.21

8

11.00

13.62

7

1.25

157

7

4.19

5.24

7

7.47

9.29

7

11.08

13.71

6

1.31

1.65

6

4.25

5.32

0

7.53

9.37

6

11.15

13.81

5

1.37

1.73

5

4.31

5.39

5

7.00

9.45

5

11.23

13.90

4

1.44

1.81

4

4.37

5.47

4

7.07

9.54

4

11.31

13.99

3

1.50

188

3

4.44

5.55

3

7.73

9.02

3

11.38

14.09

2

1.50

1.96

2

4,50

5.63

2

7.80

9.70

2

11.40

14.18

t

1.62

2.04

i

4.56

5.71

1

7.87

9.78

1

11.54

14.27

0

169

2.12

0

4.62

5.78

0

7,93

9.80

0

11.02

14.37

0.9969

1.75

2/20

0.9919

4.09

5.86

0.9809

8.00

9.95

0.9819

11.69

14.46

8

1.81

2.27

8

4.75

5.94

8

8.07

10.03

8

11.77

14.56

7

1.87

2 35

7

4.81

6.02

7

8.14

10.12

7

11.85

14.65

6

1.94

2.43

6

4.87

0.10

6

8.21

10.21

6

1192

14.74

5

2.00

2.51

5

4.94

0.17

5

8.29

10.30

5

12.00

14.84

4

2.00

2 58

4

5 00

0.24

4

8.36

10.38

4

12.08

14.93

3

2.11

2.02

3

5.06

0.32

3

8.43

10.47

3

12.15

15.02 |

\'2

2.17

2.72

2

5.12

640

2

8.50

10.56

2

12,23

15.12

2.22

2J9

1

5.19

0.48

1

8.57

10.65

ï

12,31

15 21

0

2.28

2.80

0

5.25

0.55

0

864

10.73

0

12.38

15.30

0.9959

2.33

2.93

0.9909

5.31

6.03

0.9859

8.71

10.82

0.9809

12.40

15.40

8

2.39

3.00

8

5.37

0.71

8

8,79

10.91

8

12.54

15.49

7

2,44

3,07

7

5.44

0 78

7

8,86

11.00

7

12.62

15.58

6

2.50

3.14

6

5.50

6.86

0

8.93

1108

6

12.69

15.68

1 5

2.50

3.21

5

5.56

0.94

5

9.00

11.17

5

12.77

15.77

4

2 01

3.28

4

5.62

7.01

4

9.07

1120

4

12.85

15.86

3

2.67

3.83

3

5,69

7.09

3

9.14

11.35

3

12.92

15,96

2

2.72

3.42

2

5.75

7.17

2

9.21

11.44

2

13,00

10.05

1

2.78

3.49

1

5.81

7.25

1

9 29

11.52

1

13,08

16,15

0

li

2.83

3.55

0

5.87

7.32

0

9.30

11.61

0

13,15

10.24

1

-ocr page 715-

,1*0. IT.

T A E L enz. (vervolg).

! Soor-1 telijk

wicht

Tro-ccnten tge-

wiohts)

C-M\':0

Procenten

Cvo-lumen;

C\'2Hli()

Soortelijk gewicht

Procenten

(0e-wiohts)

C-IP\'O

Procenten (volumen)

C-HuO

Soor-telijk gewicht

Procenten

(ge-wiohts)

C-I P\'O

Procenten

(vo-lumtn)

C-IP\'O

Soortelijk gewicht

Procenten

(0e-wlchts)

C-\'H\'iQ

Procenten

(volumen)

C-MH)

U.1)790

13.23

16.33

0.9759

10.54

20.33

0.0710

19.75

24.18

00679

22.02

27.05

8

13.31

10.43

8

10.02

20.43

8

19.83

24.28

8

23.00

28.04

7

13.38

10.52

7

16.69

20.52

7

19.92

24.38

7

23.08

28.13

0

13.40

10.61

0

10.77

20.01

6

20.00

24.48

0

23.15

28.22

5

13.54

16.70

5

10.85

20.71

5

20.08

24.58

ö

23.23

28.31

4

13.62

16.80

4

10.92

20.80

4

20.17

24.68

4

23.31

28.41

3

13.69

16.89

3

17.00

20.89

3

20.25

24.78

3

23.38

28.50

2

13.77

16.98

2

17.08

20.99

2

20.33

24.88

2

23 46

28.59

-1

13 85

17.08

1

17.17

21.09

1

20.42

24.08

1

23.54

28.08

0

13.92

17.17

0

17.25

21.10

0

20.50

25.07

0

23.62

28.77

0.11780

14.00

17.26

0.9749

17.33

21.20

0.0700

20.58

25.17

0.0009

23.00

28.80

; 8

14.09

17.37

8

17.42

21.30

8

20.67

25.27

8

23.77

28.95

7

14.18

17.48

7

17.50

21.49

7

20.75

25.37

7

23.85

20.04

G

14.27

17.59

6

17.58

21.50

6

20.83

25.47

0

23.02

20.13

5

14.36

17.70

5

17.07

21.00

5

20.92

25.57

5

24.00

20.22

4

14.45

17.81

4

17.75

21.70

4

21.00

25.67

4

24.08

20.31

14.55

17.92

3

17.83

21.80

3

21.08

25.76

3

24.15

20.40

2

14 61-

18.03

2

17.92

21.00

2

21.15

25.86

2

2123

29.49

1

14.73

18.14

1

18.00

22.00

1

21.23

25.05

1

24.31

20.58

0

14.82

18.25

0

18.08

22.18

0

21.31

26.04

0

24.38

29.07

0.0770

14.91

18.36

0.0730

18.15

22.27

0.0600

21.38

26.13

0.9659

24.46

20.70

8

15.00

18.48

8

18.23

22.36

8

21.46

26.22

8

24.54

20.80

7

15.08

18.58

7

18.31

22.46

7

21.54

20.31

7

24.62

29.95

0

15.17

18.08

0

18.38

22.55

6

21.02

26.40

0

24.09

30.04

5

15.25

18.78

5

18 46

22.04

5

21.69

26.49

5

24.77

30.13

4

15.33

18.88

4

18.54

22.73

4

21.77

26.58

4

24.85

30.22

3

15.42

18.98

3

18.02

22.82

3

21.85

26.67

3

24.92

30.31

2

15.50

10.08

o

18.09

22.92

2

21.02

20.77

2

25.00

30.40

1

15.58

10.18

ï

18.77

23.01

1

22 00

20.80

0

15.67

10.28

0

18.85

23.10

0

22.08

26.95

0.0760

15.75

10.39

0.0729

18.02

23.10

0.9689

22.15

27.04

8

15 83

10.40

8

10.00

23.28

8

22.23

27.13

7

15.92

19.59

7

10.08

23.38

7

22.31

27.22

6

16 00

10.68

0

10.17

23.48

0

22 38

27.31

5

16 08

19.78

5

10.25

23.58

5

22.46

27.40

4

16.15

19.87

4

10.33

23.68

4

22,5 i

27.40

3

16.23

10 96

3

10.42

23.78

3

22.02

27.59

2

16.31

20.06

2

10 50

23.88

2

22.60

27.08

1

10 38

20.15

1

19.58

23 08

1

22.77

27.77

0

16.46

20 24

0

19.67

24.08

0

22.85

27.86

-ocr page 716-
-ocr page 717-

N0. 18.

ilH!l!l!liililliiiiiil!iiSlii

s

3

c

£ O

O *TD C

O

E o

iiHiüüiililililliiiliiiiiilil

liillsSiEiiiSliiiiiiiiiiiiiiii

IIIHsgiiiiSBSliiiiiiiiliiili iiiiiiiiiiiiii^

113f5|| y | § l] \'l S !| £; | S115111111.1S11|

is

V-i

Oh 2

I a 5 ^ s

gt; O

O

-o

w

K

lt;

H c ïï

g gt;

c quot;5

CJ

4-»

u ■g

bil (U

t:

•lr-l

;3:

ii

CJ

■ .sóim

s|§-| •ïltSs-l: 3.?.iii?il|s3i3ö=|^5SS|-a

ri-tr

- ^ £ .p -ij o. es quot; ~ c lt; Q «5

lt;lt;

lt; c ca u - ^ :

-ocr page 718-

M0. 10.

TABEL

der voornaamste Elementen met hunne scheikundige teekens en atoomgewichten.

A toom

Atoom

N AMEN

Teekens

gewichten (bena-derd)

N A M E N

Tee-kens

gewichten (benaderd)

Aluminium.......

Al

•27

Hydrogenium (Waterstof). .

11

1

Antimonium (Stibium) . . .

Sb

120

Jodium (Jood)......

1

127

Argentum (Ziluer) ....

Ag

108

Kalium (Potassium) ....

K

39

Arsenicum (Arsenik) . . .

As

75

Lithium........

Li

7

Aurum {Goud).....

1ÜG.6

Magnesium.......

Mg

24

Baryum........

Ba

137

Manganesium (Manyaan). .

Mn

55

Bismuthum (Uismulh) . . .

Bi

208

Molybdaenium (Molybdaen) .

Mo

95.9

Borium........

B

11

23

Bromium (Broom) ....

Br

80

58.6

Cailmium........

Cd

112

Nitrogenium (Stikstof) . . .

N

14

Calcium........

Ca

40

Oxygenium (Zuurstof). . .

0

Carbonitim (Koolstof\') . . .

C

12

Phosphorus (Phosphor), . .

P

31

Cerium........

Ce

140

Platinum........

Pt

194.5

Cliloriutn (Chloor).....

Cl

35.5

Plumbum (Lood).....

Pb

200.5

Chroraium (Chroom) . . .

Cr

52.5

Selenium (Seleen) ....

79

Cobaltum (Kobalt) ....

Co

58.7

28

Guprum (Koper).....

Cu

03.2

Stannum (ÏVh)......

118

Ferrum (l.lzer).....

Fe

50

Strontium.......

Sc

87.3

Kluoriuin (Fluoor) ....

F

UI

Sulfur (Zwavel).....

32

Hydrargyrum (Kwik) . . .

Hg

200

Zincum (Zink)......

Zn

05

-ocr page 719-

Aanvullingen en erbeteringen.

ACETANILIDUM.

Bereiding, blz. 2, reyel 6. Lees: zuivere aniline (kookpunt 184°— . 185°).

Eigenschappen, blz. 2, regel 2. Lees; die bij 1 i30—i 140(zuiver bij 1140) smelten, bij 2950 koken.

A C E T U M DIGITALIS.

Samenstelling, blz. 9, regel 3. Lees; digi tali ne, digi-t 0 x i n e, d i g i t o n i n e, enz.

Bereiding, blz. 10, regel 7. Lees; De opeengehoopte bladen worden van tijd tot tijd omgeroerd.

Onderzoek, blz. 10, regel 3. Lees; Soort. gevv. 1.0105 (v. Led-de n Hulsebosch) -—- 1.012 (Sch midt). Droogrest 3.88 (v. L. II.) — 4.90 (Schmidt) pet. Zuurgehalte 5.04 pet. (v, L. H.).

A C E T U M SCI L L A E.

Onderzoek, blz. ii, regel 3. I.ees; Soort. gew. 1.0213—1.0263 (v. L. 11.). Droogrest 7.11 (v. L. H.) — 9.10 (Schmidt) pet. Zuurgehalte 4.92 pet. (v. L. H.).

-ocr page 720-

2

A C I D U M BENZOICUM.

Onderzoek, blz. 20, 30., regel 10. Lees; Een preparaat, bij te lage temperatuur gesublimeerd, is bijna kleurloos, doch bezit door een te gering gehalte aan vluchtige stoffen minder reuk; b ij te h o o g e temperatuur gesublimeerd, is het min of meer bruin gekleurd en riekt brandig.

Blz. 21, 100., regel 3. Lees: dat door aanhangende stikstofverbindingen.

A C I D U M B O R I C U M.

Eigenschappen, blz. 22, regel 7. Lees: roodbruin, bij aanstipping met ammonia blauwzwart.

Onderzoek, blz. 23, i0. Lees noot \'):

Ook mag liet fillraat, verkregen door Boorzuur met water te schudden en te fil-treeren, met ferrosulfaat en zwavelzuur (zie blz. 3\'2) geen reactie op salpeterzuur geven, evenmin met kaliumferrocyanide en chloorwaterstofzuur terstond op ijzer.

A CI D U M PHOSPHORICUM.

Eigenschappen, blz. 36, regel 7. Lees: Met overmaat ammoni-ummolybdaenaat in salpeterzure oplossing bij verwarming geeft zij een geel, poedervormig neerslag van ammoniumphosphormolyb-dacnaat, onoplosbaar in verdunde zuren, gemakkelijk oplosbaar in ammonia.

A C I D U M S A L I C Y L I C U M.

Onderzoek, blz. 42, 8°. Lees noot \'):

lüj oplossing van liet Zuur in (alcoliolvrije) chloroform blijft oxy-isophtalzuur achter als zijnde daarin onoplosbaar.

A C I D U M SULFURICUM.

Eigenschappen, blz. 44, regel 4. Lees: met baryumchlorideeen zwaar, wit neerslag van baryumsulfaat, onoplosbaar in verdunde zuren en alkaliën, en met loodacetaat een zwaar, wit neerslag van loodsulfaat, moeilijk oplosbaar in verdund salpeterzuur, oplosbaar in warm chloorwaterstofzuur en in natronloog.

Onderzoek, blz. 45, 5°., regel 2. Lees: ammonium —.

-ocr page 721-

3

A C I D U M ï A R T A R I C U M.

Eigenschappen, blz. 50, regel 7. Lees: onoplosbaar in spiritus en azijnzuur.

Blz. 50, regel 9. Lees: in ammoniumchloride en natronloog oplosbaar is.

Blz. 51, regel 2. Lees: en onoplosbaar in ammoniumchloride.

ADEPS SUILLUS.

Bereiding, blz. 52, regel 6. Lees: en snijdt hei: in zeer kleine dobbelsteenen of hakt het fijn.

Eigenschappen, blz. 53, regel 2. Lees: vet van ongeveer 0.931—0.932 soort. gew.

Onderzoek, blz. 53, 40. Lees noot 3):

De hoeveelheid vr ij vetzuur mag slechts zóó groot zijn, dat tü Grm. lieuzel, opgelost in tO cM3. chloroform, waaraan toegevoegd 10 cM3. alcohol en 1 uroppel phenolphtaleïne, na toevoeging van 0.2 cJI3. voinmetrisch alkali en omschudden rood gekleurd moet zijn (P h, G e r m.).

A E T H E R.

Eigenschappen, blz. 56, regel 1. Lees: Een heldere, kleurlooze, neutrale, zeer beweeglijke.

Onderzoek, blz. 57, noot \'), regel 8. Lees:

Een met vinylalcoho! verontreinigde Aether kan daarvan gezuiverd worden, door dezen achtereenvolgens eerst met eenig natriumsuUiet en zwavelzuur te behandelen, waardoor aanwezig waterstofsuperoxyde wordt ontleed; daarna eenigen tijd met kalkmelk te schudden, ten einde vrij zuur te binden; na staan en afscheiding van den aether door behandeling met calciumchloride van water te bevrijden en ten slotte te rectificeeren onder toevoeging van een weinig (0.001 dl.) phenylhydrazine, waarmede vinylalcohol zich tot oenc niet-vluchtige slof verbindt.

AMMONIACUM.

Samenstelling, blz. 66, regel 2. Lees: 70 pet. hars, oplosbaar in zwavelkoolstof, bestaande uit eene lichtbruine, zure en cene zwavelhoudende, neutrale hars; ongeveer 20 pet. gom; benevens een weinig, 0.4 pet., eener kleurlooze, sterk riekende, vluchtige olie. Zij bevat ongeveer 7 pCt. water.

69

-ocr page 722-

4

A N T I P Y R IN U M.

Eigenschappen, blz, 73, regel 2. Lees: die bij 1130 smelten.

AQUA COMMUNIS.

Onderzoek, blz. 81, 20., noot \'), regel 6. Lees;

Sporen Nil3 in regenwater en zelfs meer dan sporen in water uit diepere aardlagen, bijv. bij water uit Nortonpompen, zullen aan de zuiverheid bij overigens deugdelijke eigensebappen voor gewoon gebruik wel niet schaden.

AQUA D E S T I L L A T A.

Bereiding, blz. 83, regel 6 v. o. Lees: In zulke gevallen is het natuurlijk ook noodig de voor aflevering bestemde stopfles-schen eenigen tijd bij ioo0 te verhitten.

A O U A L AUROCER ASI.

Bereiding, blz. 87, regel 4 v. o. Lees; men zou dus 92 Grm. vocht van 0.135 pet. met 35 Grm. vocht van 0.03 pet. en ongeveer 8 (juist7.7) Grm. water moeten verdunnen, om eeu vloeistof van o. 1 pet. te verkrijgen.

A R G E N T U M F O L I A T U M.

Onderzoek, blz. 93, regel 2. Lees: bladtin (stanniol).

ASA FOETID A.

Samenstelling, blz. 93, regel 2. Lees: Zij is amorph.

Blz. 93, regel 3. Lees: Zij bevat een weinig reuk- en smaakloos ferula zuur.

B A L S A M U M C O P A I V A E.

Samenstelling, blz. 95, regel 8. Lees: neutraal, sterkriekend, van 0.880—0.910 soort. gew.

-ocr page 723-

s

Eigenschappen, blz. 96, regel 11. Lees; geheel oplosbaar in 1.5 dln. sterken spiritus, welke oplossing door meer alcohol troebel wordt, verder mede oplosbaar in.

BULBUS SCILLAE.

Onderzoek , blz. 126, 2°. Lees; Scillabol houdt ook bij zorgvuldige bewaring gewoonlijk 6—^10 pet, vocht en moet daarom vóór\'t gebruik.

C A P S U L A E GELATINOSAE.

Bereiding, blz. 136, regel 5 v. o. Lees: bijna aan den ronden vorm.

Blz. 136, regel 1 v. o. Lees: aan een glazen staafje of penseel of met behulp van eene verwarmde breinaald door smelting der nog aanhangende, buisvormige massa gesloten.

CARRAGEE N.

Samenstelling, blz. 159, regel 1. Lees: ongeveer 80 pet. plan-tenslijm, pararabine, CliH10Or\', dat in oplossing door lood-acetaat en door spiritus wordt geprecipiteerd en bij oxydatie met salpeterzuur weinig oxaalzuur, daarentegen veel slijmzuur levert.

E X T R A C T U M COLOCYNTHIDI S,

Onderzoek, blz. 285. Lees noot J);

Waardo-bepaling, 5 Grm. Fijngewreven Extract wordt met 50 Grin, water gedurende \'24 uur geschud, de vloeistof daarna gefiltreenj cn het onopgelost geblevene een paar malen met water afgewassclien, het gezamenlijke Altraat met loodacetaat geprecipiteerd , het nitraat daarvan door natriumsulfaat van lood bevrijd, van het neerslag afgellltreerd en de vloeistof daarna met tannine geprecipiteerd, liet precipitaat wordt op een filter afgewasschon, met eene overeenkomstige hoeveelheid kalkhydraat gemengd, gedroogd, fijngewreven en met ahsoluten alcohol gepercoleerd. Na verdamping daarvan blijft de c o I o c y n t li i n e achter.

Het eerste, niet in water oplosbare gedeelte van het Extract wordt in alcohol opgelost , de oplossing met overmaat calciumcarbonnat op het waterbad tot droog verdampt on het verkregen residu, fijngewreven, in een Soxleth\'s apparaat met aether uilgetrnkken. Na verdamping daarvan blijft colocynthidine als eene amorphe, gele massa achter (IC r e m o I).

-ocr page 724-

6

E XT R ACTUM C O N I I.

Samenstelling, blz. 286, regel 3. Lees: Aschgehalte ongeveer 23—28 pet., waarvan ongeveer 12 — 55 pet. K2C03,

EXTRACTUM F I L I C I S.

Onderzoek, blz. 28S, noot \'), regel 5. Lees:

Waarde-bepaling. 5 Grm. Kxtract wordt met i)0 Grm. aether en 50 cM3. barytwater, met evenzooveel water verdund, in oen gesloten llesch gedurende5minuten voortdurend geschud en de vloeistof daarna in een seheitrechter gegoten. Na 15 minuten, als de vloeistof zich in twee lagen heelt gescheiden, worden 86Grm.(= 4Grm.Extract) van de onderste, waterige laag met 25—30 droppels chloorwaterstofzuur zuur gemaakt en achtereenvolgens mot 25, 15 en tweemaal met 10 cM3. aether uitgeschud. Na filtratie worden de aetherische vochten in een gewogen kolfje tot droog verdampt. Do rost wordt onder zachte verwarming in 1 cM3. amyl- en \\ cM3. methylalcohol opgelost, daarna onder voortdurend omschudden droppelsgewijze zóólang methylalcohol toegevoegd tot do vloeistof niet meer heldor wordt on alsdan nog zóóveel daarvan toegevoegd tot het mengsel in \'t geheel 30 cM3. methylalcohol bevat, liet filixzuur scheidt zich alsdan vlokkig af. Mon laat 12 uur op oene koele plaats staan en brengt het zuur daarna zooveel mogelijk op een gewogen lllter. Kolfje en filtor worden tweemaal met 5 cM3. methylalcohol nagowasscbon, vervolgens eerst bij 40°, daarna bij 80° gedroogd en ten slotte gewogen (Caesar en Loretz).

EXTRACTU M R H E I.

Onderzoek, blz. 306, noot 2), regel 4. Lees:

Waarde-bopaling. 5 Grm. Extract wordt in water opgelost en daaraan ammonia toegevoegd, tot oene blijvende alkalische reactie is verkregen. Daarna wordt gefiltreerd, het filter afgewasschen en hot gezamenlijke filtraat zuur gemaakt. Na bezinking wordt gellltreerd, het filter afgowasschon, gedroogd en vervolgens, na met hot precipitaat zooveel mogelijk tot poeder gewreven te zijn, mot benzol behandeld. Ue oplossing wordt gefiltreerd en uitgedampt, waarbij c h r y s o p h a a n z u u r achterblijft (K r e m e 1).

EXTRACTUM SEC A LIS CORNUTI.

Onderzoek, blz. 309, noot 3), regel 4. Lees:

Over alkaloïde-bepaling in het Extract zie bij «Secale cornutum».

FOLIA D I G 1 T A L I S. Samenstelling, blz, 335, 2°. vervalt.

-ocr page 725-

7

Onderzoek, biz. 337. Lees noot \'):

Waarde-bepaling. \'28 Gnn. Poeder van Digitalisbladen wordt met \'280 Grtn.verdunden spiritus gedurende minstens 3 uren onder gedurig omschudden gernacereerd, de vloeistof door een filter van ongeveer 18 cM. middellijn gefiltreerd en \'207 Urm. van liet liltraat, overeonkomende met \'20 Grm. der bladen, op liet waterbad onder gedurig omroeren tot ongeveer \'25 Grm. uitgedampt, deze rest met water in een bekerglas gespoeld en op een gewicht van 222 Gram gebracht. Bij deze troebele vloeistof voegt men 25 Grm. loodazijn; het hierdoor ontstane, zeer volumineuse precipilaa\' weegt, uitgewasschen en gedroogd, ongeveer 7 Grm., zoodat 12 Grm. van de vloeistof overeenkomen met 1 Grm. Fol. Digitalis. Men filtreert nu 132 Grm. af en voegt eene oplossing van 5 Grm. natrium-sulfaat in 7 Grm. water toe, om overmaat lood af te scheiden Na eenige uren wordt 130 Grm. der vloeistof, overeenkomende met 10 Grm. der bladen, helder afgeschonken. Deze brengt men in een scheitrechter en voegt 2 cMa. ammonia van 10 pet. toe, waardoor de kleur iets donkerder wordt, doch de vloeistof volkomen helder moot blijven, het lood dus tol op een minimum verwijderd moet zijn, daar anders [bij het uitschudden eene emulsie gevormd wordt. Men schudt nu i—5 maal telkens met amp;0 cM3. chloroform uit en filtreert de vereenigde, een weinig troebele uitschudsels door een dubbel filter van 8—9 cM. middellijn, hetwelk met chloroform is bevochtigd. De chloroform wordt nu uit een getarreerd kolfje op het waterbad afgedestilleerd of verdampt, waarbij de d i g i t o x i n e als eene gele vernis terugblijft. Om deze te zuiveren, lost men zo np in 3 Grm. chloroform en voegt daaraan tne 7 Grm. aether en 50 Grm. petroleumaether, waardoor1 de digitoxine zich in witte vlokken afscheidt. Men verzamelt het neêrslag op een klein plooifilter en spoelt kolfje en filter met een weinig petroleumaether na, waarbij het trechtertje met een horlogeglas wordt bedekt. Men plaatst nu het trechtertje weder op het kolfje, aan welks wanden een weinig digitoxine is achtergebleven en brengt den nog vochtigen inhoud van het filter in oplossing, door dozen mot warmen, absoluten alcohol te overgieten. Do alcoholische oplossing wordt verdampt, do rest met ongeveer 5 cM3. aether overgoten, die men eveneens op het waterbad laat verdampen en waarbij de vernis gedeeltelijk in een kristallijnen vorm overgaat. Na goed gedroogd te zijn, wordt het kolfje gewogen (K e 11 e r).

G A L L A E.

Samenstelling, blz. 365, regel 3. Lees: 20. 3 pet. gallus-zu u r, C7H0O5 IPO, door verwarming met verdunde zuren of alkaliën, alsmede door oxydatie aan de lucht uit tannine ontstaande, zwak zure, kleur- en reuklooze, zijdeglanzende naalden, samentrekkend, zuurachtig van smaak, moeilijk oplosbaar in koud (i30), gemakkelijk in warm (3) water, spiritus (5) en aether (40). De oplossing in water geeft met ferrichlori.de een blauwzwart neerslag. Stoffen als eiwit, zetmeel en lijm slaat zij echter uit hare oplossingen niet nêer; evenmin geeft de waterige oplossing niet alkaloïden of zouten daarvan een neerslag.

3°. 2 pet. el la gz uur, CllHs0i)-}-HJ0, door oxydatie aan de lucht uit looizuur en galluszuur ontstaande, een lichtgeel, reuk-

-ocr page 726-

8

en smaakloos, fijn kristallijn poeder, zeer moeilijk oplosbaar in water en in alcohol, dat in oplossing door ferrichloride donkerblauw wordt gekleurd. De geel gekleurde oplossing in water wordt door alkaliën, die in salpeterigzuurhoudend salpeterzuur aan de lucht bloedrood gekleurd.

G L Y C E R IN U M.

Eigenschappen, blz. 371, regel 5. Lees noot \'):

Ook door wateronltrekkende middelen als pliosphorzuuranhydride, zuur kaliumsulfaat (kaliumbisulfaal), enz. ontslaat acroleïne, die, behalve door den reuk, als aldehyde zelfs in zeer geringe hoeveelheden kan worden aangetoond door de reactie met ontkleurde fuchsine-oplossing (zie hlz. 879).

Blz. 371, regel 8. Lees: Glycerine is in iedere verhouding oplosbaar in water en in sterken spiritus.

Blz. 371, regel 10. Lees: 2 Droppels Glycerine, met 2 droppels phenol en 2 droppels zwavelzuur bij ongeveer 120° in een rageerbuis voorzichtig verhit, totdat zich vaste deelen daarin vormen, en vervolgens in een weinig water opgelost, wordt door eenige droppels

ammonia fraai karmijnrood gekleurd.

gt;#

OLEUM J ECO RIS AS EL LI CUM B E N Z O A T E F E R R I C O.

Bereiding, blz. 585, regel 4. Lees; oplossing belet of vertraagd wordt; echter niet te lang, wijl daardoor het zout verandering ondergaat en alsdan slechts gedeeltelijk bij de verlangde temperatuur in de Traan oplost, wat toch gewoonlijk niet geheel kan worden vermeden.

Onderzoek, blz. 585, i0., regel 6. Lees: Bij te langdurige verwarming of aanwending eencr hoogere temperatuur dan 30°—320 wordt de Traan donkerder van kleur.

P Y R O G A L L O L U M.

Eigenschappen, blz. 715, regel 2. Lees: die (watervrij) bij 1320 smelten.

Onderzoek, blz. 717, 30., regel 1. Lees: die bij ongeveer 1250 smelten. Een gehalte aan galluszuur, enz.

Blz. 717, noot \') vervalt.

-ocr page 727-

9

S E C A L E C O R N U T U M.

Samenstelling, blz. 811. Lees noot \'):

Volgens J a c o b y kotnen in Moederkoon! de volge.ide bestanddeelen voor: 1°. chrysotoxine, CïlH11O0, een werkzaam poeder, onoplosbaar in water,gemakkelijk oplosbaar in spiritus, chloroform, benzol, tetracldoorkoolstof, zeer gemakkelijk ook in aetlier, niet echter in petroleumaether en in verdunde zuren, gedeeltelijk in alkalicarbonaat en ammonia. Door alkaliën wordt het in oplossing langzamerhand ontleed onder afscheiding van rood, onwerkzaam ergochrysinezuur.

2°. secaI ine-toxine, G,3H,7N»02, een werkzaam, amoiph alkaloïde, gemakkelijk iplosbaai\' in spiritus, aethylacetaat, benzol en chloroform, minder gemakkelijk in aether en tetrachloorkoolstof. In oplossing wordt het door alkaloïd-reagentiën geprecipiteerd en bij verwarming met zoutzuur-houdenden alcohol wordt de vloeistof violet gekleurd.

B0. secaline, een onwerkzaam, kristallijn alkaloïde, oplosbaar in

spiritus en aether, onoplosbaar in petroleumaether.

4°. ergochrysi ne, eene onwerkzame, stikstofvrije, lichtgele slof, oplosbaar in azijnzuur en aether, onoplosbaar in petroleumaether.

5°, s p ha ce I o to x i ne, eene groenachtige, stikstofvrije hars, oplosbaar in spiritus, die in zeer geringe hoeveelheid de kenmerkende verkleuring van de hanekam geeft.

SUL F O r H E N Y L A S Z I N C I C U S.

Onderzoek, blz. 932, noot 2), regel 2. Lees: baryumcarbonaat gebezigd.

-ocr page 728-

SLOTWOORD,

Aan het einde van dezen arbeid gevoel ik mij verplicht don Lezers oen woord van verontschuldiging aan te bieden voor de langzame en daardoor late verschijning van hot werk. Drukke ambtsbezigheden benevens de meerdere uitgebreidheid, welke het werk onder de behandeling ondergaan moest, zijn hoofdzakelijk de oorzaak daarvan. Tevens breng ik bij dezen mijn hartelijken dank aan H.H. recensenten van het ,, Nedorlandsch Tijdschrift voor Pharmaciequot; en van het „Pharmaceutisch Weekbladquot; voor hunne voortdurende, gunstige beoordeelingen van mijn arbeid, alsmede aan collega\'s en aanstaande collega\'s voor de talrijke vleiende bewijzen van sympathie, mij van tijd tot tijd geworden, en eindelijk mijne diep gevoelde erkentelijkheid aan onzen hooggeachten Hoogleeraar W e f e r s B e 11 i n k voor de aanmoediging en den steun, mij ten allen tijde zoo ruimschoots betoond. Moge het werk eenig nut stichten onder hen, voor wie ik het schreef, mijn arbeid beoordeeld worden als eene poging om een weinig bij te dragen tot de eer en zoo mogelijk tot don bloei van onze vaderlandsche Pharmacie, en een spoorslag zijn om bij eene mogelijk nieuwe uitgave onzer Nederlandsche Pharmacopee weder een eigen leiddraad bij het gebruik daarvan te doen verschijnen.

Don Lezer zij heil!

Breda, i Juni 1898. VERLAAN.

-ocr page 729-

REGISTER.

A.

Aardappelzetmeel (57 Aard was tUj?

Abies-soorten {stuifmeel v.) 49S Abiëtlnezuur (-anhydride) Abrikozepitolic -reactie (i()5 Absinthol 940 Absynthiine 94ll Acacia Catechu. Suma 163

„ Senegal i5S4 Acetaetbylacetaat 72 Acetal {in Spiritus) S7H, 879 Acetaldehyde 12, 195, 994 Acetanilidiim(c) 1 Acetas actbylicus 4 „ kalicus (!

„ plumbicns 8 Aceton 196

„ -reactie 57, 552, 878 Acetum 14

„ Digitalis 9 „ I vitliargyri 841 „ Scillae !lt;•

Achillea Ptannica {bloemkorfjes

v.) 324 Acidum aceticum 11

„ „ dilutnm 14

antliemicum 323

Acidum arseiiicosum 14 „ benzüicum 17 „ boricum 21 „ cainplioricnin 127 „ carbolicum ()8(gt; „ chrysophanicnm 201 „ citricum 23 „ bydrochloricum 21» „ „ dilutuin 29

„ nitricum 30 „ „ dilutnm 33

„ phenylicum 68(1 „ phosphoricum 34 „ pyrogallicum 714 „ salicylicum. 38 „ sulfuricum 42 „ „ dilutuin 46

„ taunicnm 947 „ tartaricum 47 „ thymieum 9(57 Aconietznur 390 Aeon ine 389 Aconitine 38!)

„ (iso-) 389 „ (picro-) 389 „ (pseudo-) 390 „ -soorten 390 Aconitumextract 269

„ kruid (Versch) 389


-ocr page 730-

REGISTER.

11

Aconitum Napellus 390

,, -verwisselingen 3! II Acoi\'ine 772 Acorns Calamus 772 Acroloïne 371 Acrinylsulf\'ocyanaat 822 Atleps suillus 51 Aesculine 733 Aethane 11 Aethene 52 Aether 54 Aether aceticus 4 „ cum Spiritu 58 „ met Spiritus 58 Aetherproefbuisje (gt;

Aethers {ware, gemengde) 54

„ [samengestelde) 54 Aethor^wïo\' 54 Aethusa Cynapium 400 Aethylacetaat 4 Aethylchloriden {vorming) 9i)4

„ [voorkomen, reactie)

1%, 414, 994, 199 Aetlivleenchloridc [voorkomen, reactie) 19G, 414, 199 Aethylideenchloride [voorkomen,

reactie) 196, 414, 199 Aetliylnitriet 547

,, -bepaling 551

„ met Spiritus 546

-reactie 549 Aothylsulf\'aat met Spiritus (Zuur) 891

Aethylzwavelzuur 892

„ ■ reactie 892

Afkooksel 245 Aftreksel 447 Agropyrum repens 777 Ajowan-olie 968 Alantkamfer 737 Alantol 737

Alantzuur-anhydride 736 Albuminaten 855 Alcoliol 873

„ (absolute) 876 Alcoholen 11, 18

„ {primaire, secundaire, iso-) 196

Alcohol -reactie 877 Aldehyden 11, 18, 196 Aldehyde -reactie 415, 878, 879 Alkaloïden 206

Alkaloïd-bepaling {in narcotische

extracten) 270 Alkaloïd-bepaling ( in Secale cornu-

tum) 810 Alkaloïd^ottfe» 417 Allylalcohol 618 „ aminsulfaat 617 „ cyanide 615 „ -groep lt;gt;15 „ jodide 617 „ kaliumsulfaat 618 „ sulfide 94

„ (t9o)sulfo(/!/ilt;o)cyatiaat 615 Alnus glutinosa, incana [bast v.)

233 Aloë 59 „ (plant) -soorten 60 „ (sap) -soorten 61 „ extract 272 „ hars 60 „ -reactie 6()

•„ tinctuur i)8U „ „ (Samengestelde) 980 Aloïne 59 Alsemolie 939 „ toppen 939 „ zuur 94(1 Althaeabladen 330

„ officinalis 331, 725 „ narbonensis, rosea (wortel v.) 726 „ stroop 828 „ wortel 725 „ „ -soorten 726 Aluin 912 „ (en) 914 „ (Gebrande) 915 „ {kuhische, lioomscJie) 914 „ -reactie 914 „ steen 9.12 Alumen 912

„ ustum 915 Aluminium 912

„ silicaat 114


-ocr page 731-

REGISTER,

HI

Alumiet (J12 Amalinezuur 210 Amandelolie 560 Amandelzuur 422 Amane 11, 1030 Amido-azijnzuur 19, 20 „ -benzol 72 -groep 1

Aminen (primaire,, secundaire, tertiaire) 2()()

Ammonia 62 Ammoniaenm 65

„ -soorten 66, 67

Ammoniak-aluin 914 gas 63^ „ gom 65, 66 „ hars -reactie 66, 67 „ proces v. Solva// 154 „ -reactie 64 „ water 63 Ammonia liquida 62 Amnioniasmcersel 494 Ammoniumacetaat 840 „ bromide 115 „ carbaminaat 139 „ carbonaat 138, 139 „ chloride 174 „ citraat 719 „ form iaat 88 „ -groep 63 „ liydrocarbonaat 139 „ liydroxyde 63 „ sulfaat 934 „ valerianaat 1032 Amygdalino 85

Amylalcohol,-aldehyde 875, 1031

„ -reactie 878 Amyloïd-reactóe 374 Amylum Soiani 67 Amyrine 252 Anclira araroba 201 Anethol 563, 578 Anhydriden 15 Aniliden 1 Aniline 72

„ -reactie 2 Anthemis arvensis [bloemkorfjcs v.) 324. 325

Anthemis cotulii (bloemlcorfjes v.)

324, 325 „ nobilis !523 „ tinctoria (bloemen v.)

322

Anthriscus sylvestris 400 Antidotum Arsenici 70 Antifebrinum 1

Antimonium;iv\'-, -/WHfóxyde, -tri,

-jjentosulfide 927 Antipyrinum (e) 71 Antirrhinezuur 335 Anijsolie 350, 563

„ stoppelolie (\'« Anijsolie) 564 Anijsvrucliten 350 Anijszaad -soorten 351 Apis mellifica 165, 499 Apomorphine 425

„ hydroeliloraat 425

„ -reactie 426

Aporetine 754 Appelzuur 357, 362. 706

„ -reactie 989 Aqua Amygdalarum amararum 89 „ Aurantiornm 78 „ Galeis 860 „ cldorata 851 „ Cinnamomi 78 „ Citri 79 „ communis 79 „ Corticum Aurantiornm 78 „ destillata 82 „ Foeniculi 84 ,, glycerinata 700 „ (xoulardi 91 „ Laurocerasi 84 „ laxativa viennensis 451 „ Menthae piperitae 89 „ phagedaenica 90 „ Picis 90 „ Plumbi 91 „ Hosarum 92 Aqnae aromaticae 75. 558

„ „ concentratae 75

Arabinezuur 384

„ (met-) 385 Arabische (lom 384 Arachinezuur 5()6


-ocr page 732-

REGISTER.

IV

Arachisolie-rectdte 1)05 Araroba-poeder 20l Arbutine 34!)

„ (metliyl-) 34( l Arctostapbylos alpina (Maden v.)

350

„ Uva Ursi 349

Argelblaclen 345 Argentum foliatmn 92 Argilla 114 Avicine 223 Aril lus 594

Armoracia rusticana lt;S72 Arnicabloomen 321 Arnica montana 322

,, „ (ivortelstoJc v.) 7(jG

„ olic 321 „ tinctimr 98(1 Arnicine 322 Aromatische licliamen 18 „ Pleister 255

Aromatisch Poeder 712 Aromatische Spiritus 870

„ Wateren 75, 558 Arrowroot -soorten 69 Arseentrioxydo. -pentoxyde 15 Arsenig-, arsenik (arseen) zuur 15 Arsonigzunr -hcpalbuj 847

„ (uieia-, ortho-) 846 „ ■ react ie 16

Arscnikglas 15

„ -reactie 28, 534 ,, {wit) 1,6 Arthemisia Absinthium i)40

„ (quot;ina 326 Asa ibetida 93

„ ,, -soorten 94 Asci 812 Astdline 579 Asparagine 725 Aspidium Filix mas 774

„ aculeatum, T\'ilix fe-mina, montanum, spimdosum {ivortelspruiteu v.) 776 Aspidol 774 Asthmapapier 170 A stragal u H-soorten K)(12 Atropa Belladonna 332

Atropine 331

„ -reactie 424, 895 „ sulfaat 893 Aulastoma gulo 409 Aurantiamarinc(zuur) 234 Aurantiine 234 Azijnhonig 664 Azijnzure Aniline 2. 3 Azijnzuur 11

„ {inethyl-aethyl-) 1030 „ -reactie 13 „ {trimetlnjJ)- 1030 „ (Verdund) 14 Axungia 51

II.

Balsamea ]\\Iyrrha 516 Balsamodendron Jlyrrba 517 Balsamum (\'opaivae 95 ,, Opodeldoch 804 peruvianum 98 tolutanum 101 „ Vitao Hoffmanni 102 Barnsteen SS7

„ -bitumen 887 „ -harsen 887 „ -soorten 889 „ tinctuur 1000 „ zuur 48 „ „ -reactie 888

Barosma-soor^e» 333 Basen 150 Basidia 811

Hasisch-Loodacetaatzalt\' lui7 Hassorine 1(102

Bdellium (afril-aansch, indisch) 519 Beetwortolspiritus {in Spiritus)

878, 879 Boetwortelsuiker 787 Bellacloninc 332

„ {in Atropine) 896

Belladonnabladcn 331 „ extract 273 „ kruid (Verscb) 392 Benzaldehyd-cyaanhydrinc 85 Benzine 1035 Bcnzoas forricus 102


-ocr page 733-

REGISTER.

V

Benzoas natricus 104 Benzoë 1ÜG

„ harsen 10(1 „ -reactie 1 lt; gt;7 „ -soorten Jo7 „ tinctuur 982 „ zuur 17, 1Ult;) „ {rnetoxy-, orthoxy, par-

oxij-) 39, 41 „ -reactie lil

„ -soorten lil, 20, 21

Benzoine 88, 80 Benzol 18

Benzolsulfozimr 507, (gt;81 Benzoylecgoniuo 432 Benzylalcohol 1S Benz(yl)aldeliycle 1.8, 85 Benzyltrichloricle 10 Betonica officinalis {wortelstolc v.) 766

Beukenteer 703 Bhang 393 liii)oras natricus 108 Bicarbonas „ 1 Bindmiddelen 696 Bismuth 531

„ carbonaat 534 „ hyclroxyde 532 „ nitraat (basisch), normaal 531, 532 „ -reactie 533 Bissa Bol 518, 519 1 gt; 1 tt ere-Ai nan delwater 89 Hittere Kruiden 8(38 Bitterwijn 1(144 Bladzilver 92 Blancard\'s i\'illen 698 Blaud\'s „ 696 Bloedzuigers 406

„ -soorten 4n7—410

Boekweitzetmeel 69 Bolus allia. (Witte) 114 Boomolie 603

„ wol (Gezuiverde) 373 Boonenmeel 69 Boorzalf 1lt;iI8 „ zunr 21

„ -reactie 22, 11 (I

Boorziuir (tetra-) 109 Borax 108 Boraxwijnsteen 951 Borium, -trioxyde 22 Borneokamfer 126 Borneol 126, 128

„ (bornyl) -aether 622 „ natvium 126 Boronatrocalciet 109 Borstkniiden 87(1 Boswellia-soorifl» 624 Boterzuur 480, 483

„ -reactii U )33 Braakwiju 105O Brayera anthelminthica 327 Brassica nigra 822

Napus, liapa {zaad v.)

822

Brometum ainmonicum 115 „ kalicum 118 „ natricum 122 Broom (bromium) 129 „ kamfer 129 „ loog (gt;7 „ -reactie 130 „ stikstof\' 116 „ waterstofzuur 115, 459 „ „ -reactie 116,

540

„ ijzer 120 Brueine 824 Brniukolenteer 703 Briusmagnesia 2ii2 „ poeder 710 „ „ (engelsch) 711 BryoVdire 252

Bryonia alba, dioica {wortel v.) 729 Buccobladcn 333

„ olie 333 Bulbus Scillae 124 Butane 11 Butene 52

1 gt;uty 1 isosnlt\'ucyanaat 3\',)7 Butyrmn Cacao 566 Buxus sempervirens {bast v.) 2158 „ „ {Jiladen v.)

35( i Bij 499


-ocr page 734-

REGISTER.

VI

c.

Cacaoboter 366 Cacliou 162

„ conserf 25()

„ koekjes 1009 „ tinctuur 983 Cadeolie 7013 (\'adineen 614 Caesium 148 Cajeputeen 568 Cajeputol 568 Calabarextract 301

„ [alkaloid- bepaling

in) 13» )3 Calabarine 819 Calabarzaad 81 it Calamine 772 Calcium 141

„ carbonaat 140 „ chloride 141 „ hydroxyde 647, 860 j, hydroxydeoplossing 8(50 „ oxyde (145 „ pentasulfide 930 „ phosphaat {mono-, di-, tri-) 687

„ ,, {monohtidro-,

dihydro-) (587 „ -reactie 142 Calendulaofficinalis(Woe»imv.)322 Caliatour 402 Caliche 541 Calomel 189 Calumbaextract 274 hout 729 „ wortel 727 Campheenw/zoej) 557 (Jamphenen 557 Camphol 127

„ zuur 127 Camphora 120

monobromata 129 Canadabalsem 967 Canadine 779 Cannabeen 392

„ -waterstof 392 Cannabinc, 393

Cannabinc (tetano-) 393 Cannabiniue 393 Cannabinon 276 Cannabis sativa 393 Cantharides 131 Cantharidinum (e) 132

„ -bepaling 132

„ -reactie 134

„ zuur 133

Capsulae amjlaceae 135

„ cum Balsamo Copaivae 137

,, gelaiinosac 134 „ operculatae 135 (\'apsulen met Copaivabalsem 137 Caragna (Caranna) 252 Carbaminezuur 139 Carbo Ligni 137 Carbolgaas 964 „ zuur lt;)8tgt;

„ (ruw) 681 Carbonas ammonicus 138 „ calcicus 140 „ kalicus 143 „ lithicus 147 „ magnesicus 150 ,, natricus 153 „ plumbicus 157 Carbonaten 111

„ -reactie 113, 156 (\'arboxyl-f//\'öej) 4 (Jarllylamiu-reactie 2 Cardamom 352

„ olie 353 „ -soorten 353. 354 Carnalliet 143 Carrageen 159

Cascara sagrada {hast v.) 233 Cascarillebast 216

„ extract 277 Cascarilline 216 Cassave-Hjeei 69 sago 70 Cassia acutifolia {hladen v.) 345 „ angustifolia {bladen v.) 344, 345

„ obovata {bladen v.) 345,346 Cassia pubescons {bladen v.) 346


-ocr page 735-

REGISTER.

VII

(Cassia lignea s. vera 230 f\'assiaolie 573 CaHsdnadc 787 Gastorcum 160

„ -hars (resinoide) 161 „ -kamfer 161 „ -olie 161 „ tinctuur !)H3 Castor Fiber 161, 162 Gastorme 161 Gatagamba 164 Gatechine 162 Gatecliu 1(52 (\'atecliulooizuur 163 (Jatecbu-.soor^eu 163, 164 (/atecluizuur 162 Gatliartiuezuur 344, 754 Gathartogeninezuur 344

,, manniet 344 Ceder (roode en witte) (///aden en

takjes v.) 405, 406 Cellulose 67. 37!i

,, -reactie 374 Centaurine 3! 15 Cephaëline 730 Gepbaëlis Ipecacuaulia 740 Cera flava 1()4 Cerambyx moschatus 132 Ceresine 166, 667

{in Was) 167 Geriet 643 (Jerium 643

., oxalaat 643 Geroleïne 165 Gerotinezuur 165 Cerussa 157 Cervus Klapbus 215 (Jetaceum 16S Getine 16!~!

Getouia aurata 132 (letraai\'zuur 488 Getraria islaudica 488 Getrariuo 488 (Jetylalcohol 165

palmitaat 168 Cevadilline 820, 1037 Gevacliue 1037 Gevadiuezuur 820

Cbaerophylluin hulbosum, temnlum 400

Charta antasthmatica 170 „ tpispastica 17tl „ siuapizata 171 Chenopodium hybridum {bladen v.) 347

Chili-salpeter 541 China cuprea. 222 Chinon 34!»

Chlimtaintaat-wjw/»)// 284 Chloor 26, 172, 173, 851

„ ainmoniumkoekjes 1010 „ -bepaling 854 „ -bereiding 851—853 „ hydraat 853 „ koolmonoxyde(vormnq, reactie) 414, 199 „ koolstot\' {vorming, reactie)

196, 414. 199\' „ oplossing 851 „ -reactie 853 „ water 851 „ waterstofzuur 26 ,. „ -reactie 27,

540

„ „ (Verdund) 29

Cbloorzuur 172

„ -reactie 173 Chloral 413, 414, 415

„ alcoholaat 414. 415, 416 „ liydraat 413 „ „ -reactie 415

„ (meta-) 196 Chloras kalicus 172 Chloreserine 801 Ghloretuni ammonicuiu 174

„ aurieo-natrieuin 179

!) I) )) _

cliloret urn natricum 176

„ ferrieum 180 „ „ et chloretum

ammonicum 182 ,, hydrargyricum 186 „ „ etami-

didum bydrargvricum 186


-ocr page 736-

REGISTER,

via

Cliloretum liydrargyro-ammoni-cum 184 „ liyclrargyrosutn 189 „ „ suhlimatum

189

„ „ via liumida

paratum 191

„ „ vapore pa-

tmn 191 „ natricuin 192 Cliloroform(iim) 194

„ {alcohol-, chloral-, ace-

ton-) 195, 196 ,, Pictet 197 -reactie 198 Clioeroes (Charas) 393 Cholesterine 583 (Iholine \'272 Chondrus crispiis 159 (\'broom-Aluin 914 Chvvsantliemum inodorum {blocm-„ korfjes v.) 325

„ Lcucanthemum

(bloemkorfjes v.) 325

„ Pai\'theniiim

(hloemkorfjes v.) 324

(quot;lu\'y.satropazuur 332 (\'hry.sarol)inum(e) 200

-reactie 201 (quot;hrysomela fastuosa 132 (\'hrysopbaan 753

„ zuur 201, 753

Chrysoretiuo 344 Cichoriacoae {bloemen v.) 322 Cichorium Intybus 732 Cicuta vii\'osa 400 Cinaliloomeu 325 Cincbamidine 222 Cincholinc 223 (\'incbonaiiiine 222 Ciiicbona-soor/e» 226 CinclionidiiK! 220 (\'Incboniiu\' 220

sulfaat 901 Ciucbotino 222

Cinool 568, 613 Cinnaber 411 Cinnamecn 885 Cinnamoïne 98, 884 Cinnamol 885

Cinnamomum Camphora 127

„ Cassia, aromaticura

230

„ zoylanicum 229

„ „ var. Cas

sia 230

Cinnaniylaldchj\'dc 572 Cinnamylcocaïne {iso-, alio-) 432

„ -reactie 434

Cirsium oleracoum 395 Citral 574

Citras magnosicus cfFervescens 202 Citroen 574 Citroenolie 574

„ kamfer 575 Citroen,spiritus 872 „ water 79 „ zuur 23

„ „ -reactie 25, 50, 989 Citronellal 574 Citropteen 575 Citrus Limonnm 574 „ vulgaris 234 (\'laviceps purpurea 811 Cnicine 394 Cnicus benedictus 394 Coeabladen 432 Cocaïne 431

„ liydrocliloraat 431 „ -reactie 433 „ [rechtsclraaiend) 432 Cocamine 432

Coccinium feuestratum {stengelv.) 729

(\'occulus palraatus 728 Cochlearia anglica, danica 398 „ Armoracia 872 ,, officinalis 397 Cochleariakmid (versch) 397 (\'odamino 029 Codeïnuin(e) 205, 361, 628 „ -reactie 2o7


-ocr page 737-

REGISTER.

IX

Codeïne {waterhoudende, watervrije) 208

C\'off(iVnmn(e) 208

„ -bepaling (in zouten)

79!)

-reactie 210 Colchicoïne 814 Colcliicine Si;}

(/olohicuni antumnalo 814 „ tinctuur 985

wijn lU4(j ,, zaad SIH Coldcreain 1(1213 Collodiuin 21 1

„ wol 211

elasticum 213 „ (Veerkrachtig) 213 Colocyntlieïne 355 (\'olücyntliiiu! 355 Colocynthitinc 355 (yolophoniuin 213, 102, 9(55 (\'ohunhine 727 (\'ülurnhohittor 727 „ zuur 72S Colutea arbore.soens, crucnta {hidden u.) 340 (.\'oiifiiinainiiic 222 (\'oncusconidine 223 Ooncusconine 223 Condurangiue 23(1 (-ondurangobast 23( l

„ -soorten 231

(\'onidiën 812 (Joniferinc -reactie (gt;83 (quot;oniine 399

„ (methyl-) 399 (Juniuinkruid (Verseh) 398 (\'onium maculatum 399 (\'(inkairainidinc 223 (\'onkairaniiue 223 Conserven 250 Constituentia 091), 1015 Convolvuline 70S C(in(h)ydrine 399 Conyzii s(|narroza (hladen v.) 330 (\'opaifera-.svwtof 90 (Jopaivalialsem 95

„ -reactie 100

(quot;opaivahalsein-i\'üor/\'jü 90 ,, hars 95 dl ie 95

„ (in Fepermuntolié) 599

,, zuren 95 Copal 888

Cordyceps imrpiirea S12 Coriaiulnnn sativum 357 (\'oriaria iin-rtifolia (hladen v.) 340 Coronilla Emerus ( „ „) 340 Comu (quot;ervi praeparatum 214

„ ,, raspatmn 215 Cornntine HlO

-Ijcpalimj 81o (\'ortcx Aarantiorum 233 ,, Cascarillae 210 „ (Jhinae 217 „ (quot;innamomi 228 „ Comlarango 230 ,, Copalclii 217 „ Frangnlae 232 „ Fructus Aurantii 233 „ ( Jranati 235 „ Mezerei 238 „ Simarubae 239 (\'orylus Avellana (stuifmeel v.) 498 Cremor Tartar! depuratns 959 Creta prae])arata 142 Crocetinc 881 Crocine 881

„ (pikro-) 881 Crocus SS1

Mart is 241 „ sativus SS1 Crotonol(zuiir) 57(i Crotonolie 570 f\'roton Tigliuia 570 Cruciteeren-oliën -reactie 005 Cryptopine (530 Cuhel)ae(en) 24,3 Cubeba ofïicinariim 244

„ -soorten 245 (\'ubeOeen 244 Cubebenhars 244 ,, kamfer 244 „ - verval schimjen 245 ,, zuur 244 Cubebine 234


70

-ocr page 738-

REGISTER.

X

Cumol 18 lt; \'upreïnc 222

(\'upressus sempevvirens {takjes en

hladen v.) 406 Cupr/CMWi, -os!MH-verl)in(lingeii 048 (\'uprisulfaat-ammoniak (gt;4 Cuprojoclido 465, 459 Curacao-scliillcMi 235 (\'uscamicline 2215 (Juscamine 223 (hisconidinc 223 (Jusconine 223 Cyaan 85

.. ammonium 88 „ kalium 319 „ waterstofznni- 85 „ „ -reactie 88,

198

„ zilver 86

„ „ -cyaannatrium 86 Cyclouia vulgaris 358 (\'ymol 18

(lynanclnnn Arghel (bladen v.) 345 Cynips (xallae tinctoriae 365 (Jypripedimn pubescens, parviflo-

rum {wortel v.) 7(33 Cystocarpiën 1(50

D.

Daphne Mezereum 239 Daplmine 2i58 Datura Stramonium 347 Daturine 347 Dococta 245 Decoctoi\'ium 247 Dococtnm album Sydenliami 249 „ Carrageen 248 „ Chinae 248

Condurango 248 „ Cornus Cervi compositum 249 „ Granati 248

Lini 249 „ Sarsaparillae 249 „ Scnegae 249 „ Tamarindi(orum) 249 „ Uvae Ursi 249

I U\'hydromorphine 628 Delphinium elatnm 391 .Deplaceeren 265 Dextrine 875, 388, 793 1 gt;extrose 786, 875 1 )iacodionstroop 83( I Diachylonzalf 1(120 1 »i-aetliylaetber 54 Dialyse, dialysator 857 Diastase 6()8, 875 I )icmchonimgt; 222 Diconchinine 222 Digalluszuur (anhydride) 947 1 Mgereeren 24()

Digitaline 335 1 )igitaliresino 335 Digitalis-Azijn 9

bladen 334 „ purpurea 335 „ -soorten 336 tinctuur 986 „ zuur 335 UigitoneVne 335 Digitouinc 335 Digitoresine 335 1 )igitoxinc 335 Dikinidine 222 Dilatatie Saleb 514 1 )imetliylphenylpyrazolon 72 Di methylpyrocatechin e 475

„ xanthine 209 Dinaplitol(/3-) 524 1 )ioxybarnsteenzuur 48 1 )ioxybenzol 475

„ (ortho-, ineta-, para-)

5011

1 Hpcnteen-^roeji) 557 Dippelsche Olie 71, 206 Diterpenen 557 Dolomiet 151

Dorema Arnmoniacum 6() I torouicum l\'ardaliancbos (liloc-

men v.) 322 Driebladbladen 34S „ extract 313 Drop 889 „ -soorten 85 M •

,, (Zoute) lülO


-ocr page 739-

REGISTER.

XI

Druivesuikei: (»7, 789—793

„ (luinstinatige) 601

Di\'iiivczuur 48, 5(), 51 Dryabalanops (\'ampliora 126 Dubbel Scheiwater 31 Dubbelkoolzure Soda 110 Duboisia myoporoidcs 9n() Daboisinc 906

„ •reactie 907 „ ,sulfaat 9( 15 Imivelsdvck 93

„ gom 94

„ bars 93

„ olie 9-1 „ • reactie

„ tinctuui\' 981

.1 )ui/eadguld(\'ukruid 395

„ extract 278

Dynamiet 865

!•;.

Eau des (\'aruies S7it Ee bol ine S09 Eegonine 431 Eenvoudige Stroop S38 Zalf lii27 Eiwit -hepaliny 857 -berekUiuj 856 „ -onderzoch 856 „ oplossing (1.1 zerhoudende) 855

„ -reactie 859 ,, stoffen S55 Elaïdine {-proef) 557 Electuaria 25\' •

Eleetuariimi Catechu 250 ,, lenitivum 251

„ Sennae compositum

251

Elemi 252

„ -harsen 252 „ -olie 252 ,, -reactie 252 „ -soorten 252 „ zalf 1.020 „ zuur 252 Elemine 252

Eleosacchara 25i gt;

Elettaria Cardamomum 353 ; Elixer acidnm Halleri 891 Ellagzmir 365 Emetine 739

„ ■bepaliiKj 744 Emocline 753 Emplastra 253 Emplastrum adhaesivnin 254 „ aromaticum 255 „ canthariclum 255 „ Diachylon cumClum-

iiii 256 „ Diapalmao 258 „ gnmmosnm 256 ,, Hydrargyri 257 „ mercnriale 257 ,, Oxydi plambici 258 ,, resinosuin 254 „ vesicatorium 255 Empleurum serrnlatum {bladen v.) 334

Empyrciiinatische stoffen {herkenning v.) 13, 65 Emnlsine 668

Emulsiones (Emnlsiën) 260 Engelsch Zout 918 Enz\\\'inen 668 Ergotae liquidae 308 Ergotine 809

„ zuur 810 Ergotinine H10 Ergotinum 307

,, Bonjean, 1 Viggers, Bom-t/elon 308 Ergotzuur 8o9 Ericoline 349 Krwtenmeel 69 Erythraea Centanrium 396 „ litoralis 396 „ pulchella 39(5 Erythrocentanrine 395 Erythrocephaleïne 74( gt; Erythroretine 754 Erythroxylon Coca 432 Eseridine 819 Eserine 81.9

„ -bereiding 800


-ocr page 740-

REGISTER.

XII

Eserine •reactie 8(J0, 80J, 819 Estergetal 1 ul Eucalyptceu i5.\'57 Kixcalj\'ptol 337, 1513 Eucalyptoleen 337 Eucalyptu,sigt;laden 337 „ (t! lol mins 337 olie 337 tirctuur !)87 Eug\'eenzuiir 570 Eugenia caryopliyllata 571 Eugenol r)7tgt;, 573 Eupatorium cannahinum (wortel-

stok v.) 766 Exarysator 857 Exogoninm .lalapa 745 Extracta(en)

„ -soorfoi 264—2i)S

Kxtrartuni Acouiti (spiritnosum) 2(39

Aloës 272 „ Relladonnae (spiritu-

osum) 273 „ Bistortae 305 „ Calabar 301 „ (\'aluinha 274 „ Cannabis 275 j, Cavdui benedicti 276 „ (\'ascarillae 277

(\'ateeliu 305 „ catbolienm 306 „ (üiinae 279 „ „ liqiiiduin 2S|

„ Colocyntiiidis 2S4 „ Eilicis 287 „ Erangnlae 2SS (lentianae 28!l „ (rraininis 2il(i „ Cranati 2iM „ haemostaticum 307 „ Helenii 2112 „ Hydrastis lir|nidum

294

„ Hydrastis liqnidnm {alcaloid-liepulinq in)

295

1 lyoscyami (spirituo-sinii) 295

Extractnm Liquiritiae 2911 Monesiae 305 Nucis vomicae 300 „ Opii 298

Physostigmatis 301 „ „ {alka-

loid-hepaling in) 303 „ Qnassiae 303 „ Ratanliiae 304 „ Rhei 3( 15 „ „ compositum 306

„ Sccalis cornuti 307 „ n „ conin-

tino-sphacelinicum

Robert ;508 n n » lt;iia-

lysatum Wcniich 30S n » » Hui-

dum 308 „ Yvon

308

„ Stryclmi 30!) „ Taraxaci 312 „ Tormentillae 305 „ Tritblii tibrini 313 „ Valerianae 313

F.

Feminel (-saffraan) 882 Eenchon 578 Fermenten 66S

Ferriacetaat {neutraal, basisch) 975

„ albuminaat 856 „ -ammoniumeitraat 721 „ benzoaat 102 „ -bepaling 851 „ chlooralbuminaat 857 „ chloride 180 „ „ oplossing 84S „ citraat 721

„ -eu Ammomumcldoride 182 „ lerro-ferrocyanide 88 ,, liydroxydc 241, 975 „ liydroxyl verbindingen 243 ,, kaliii mi eri\'ocyau i d e SH ,, malaat 988


-ocr page 741-

REGISTER.

XIII

L\'Y\'i\'rioxy chloride 181 ,, oxyde ij 17

.. pvropbosphaat 7l!S, 710, 8lt;)7 „ metAmmoni-

umciti\'aat 718 .. -reactie 181, 88, 198 Fvvvo-hepaliny 910, ()7t) „ bromide 119

carbonaat 241, \'242 „ cliloride 180, 993 ferribromide 120 „ hydroxy de 120 „ „ jodide 458 „ oxyde \'■317 jodide 58(1, 11119 ,, „ -hepediny 8i}2, 833 „ pillen 1198 stroop 831 „ lactaat 478 „ malaftt 988 ox\\-de 317 -reactie 909 .. sulfaat 908

„ „ (Uitgedroogd) 910 „ (sum)-verbindingen 315 „ tartraat 1052 Forrura pulveratum 314

reductum 31(1 Fernla-soorteit 94, 3(14 Fernlazuur 93 Ficaria ranuneuloïdes 398 Filieine 774 Filosinylzuur 774 Filixlooizmir 774 Filixoline 774

„ zuur 774 Filixrood 774 Filixzuur 774 F1 avan i I in Flores Arnicae 321 „ Benzoës 17 „ (quot;liaiuoinillae romanae 323 ,, vulgaris 324

Cinae 325 „ Koso (Kousso) 327 ,, Rosarnm nihrarum, indli-clanim 679 iSambuci 328

Flores Sulfuric loti 933 „ Tiliae 329 „ Zinei Gill Foelie quot;.94

„ one 594, (500 „ -soorten 594 Focnicului.i capillaceum 358 Foeselolie 5, 875

„ {kenmerken, reactie) 5, 878 (1 Folia Althaeae 330 „ Beliadoniiae 331 „ Piucco 333 r Digitalis 334 Diosmae 333 „ Fucalypti 337

Hyoscyaini 338 „ .luglaiulis 339 „ Lauroeerasi recentia 340

Menthae piperitae 341 „ Sennae 344 „ Stramonii 347 „ \'rHtblii fibrini 348 „ I\'vae I\'rsi 348 Foutenelpapier 170 Frambozen 837

„ stroop 83(3 „ {vervalschinqenv.)

S38

Frangulazuur 232 Frangnline 232

„ zuur 2,32 Frase ra earolineusis (too r tel v.) 729 Fructus Anisi 350 „ (\'ardaiuoiui 352 „ (\'olocy ntiiidis 355 „ (\'onii 352 „ Coriandri 356 „ Cydoniae recentes 357 „ Foeniculi 358 „ .Juniperi 359 „ Papaveris 361 „ Rnbi idaei 837 „ Sambnci recentes 3112 „ Tamariudi 7011 Furt\'urol 789


-ocr page 742-

REG1STKR.

XIV

O.

Gaas 902 , (Carbol-) 034 „ (Hydrophil-) 062 (Jocloform-) !)(13 „ (Sul)limaafe| 962 (Tiulus-soor/eH 580, 5S1 (Jalbamun 3615

„ Igt;\'üiu 3(53 „ liars i}03 „ dlie 303

•reactie 364 „ -soorten 304 (rallae 305

(ilalluszuur 365, 947, 715, 717, 949 (ralnoten 365

„ looiziuir 365, 947 „ -soorten 36(j „ tinctunv 990 Gamlner 164

• jaroe-extract 1024

„ bast 238 , zalf 1024 (xaultheria-olic 619

• i cdeniet SS8

(icel- K wikoxydezalt\' 1026 11 e e l-M e r c ui\' i d o xy d e z al f 1( 126 {T(?el Was 164 (4eest van Lepelblad 872 (xelatineuse (Japsulen 134 Gelei 784 (Tolseinine 732 (lelseminine 732

(Telsemium nitidnin(scinpervii,ens)

733

tiuctunv 990 „ wortel 732 „ znnr 733 (xemberhars 782 „ olie 7^1 „ -soorten 782, 783 „ wortel 781 Grontiaanltitter 734 „ extract 289 tinctuur 990 „ wortel 734 ,, zuur 734

(ientiana asclepiadea {ivortelhoofcl en hijwortels v.) 736 cruciata (loortelhoofd en hijwortels v.) 736 „ lutea 734 „ ])annonica (wortel v.) 785 „ punctata ( „ »)735 „ purpurea ( „ .,) 735 (lentianine 734 (Tentiopikrine 734 Gientisine 7.34 (leraniol 610 Geraniumolic 610

„ -reactie {in Rozenolie) 611, 612 (lerstezetmeel 08 (Teuni urbantun (ivorlelstoh v.) 7(»6 (Tezegende Distelkrnid .394

„ „ extract 270

(lezuiverde Boomwol 373 Gigartina acicularis IGo

„ mammillosa 159 (lingerol 781 (list 874

(xlandulae Lupnli 3(57 (xlauber\'s Zout 921 (llncose 67, 480, 789, 790,792, 793 (ilycerine 368

„ -gelatine 941 „ met Zetmeel 372 „ -Tragacant 372 (Tlyceriiniin 368

jj cuin Amylo 372

Tragacantha

372

(Tlyceryloüea«lt;,- puhnilaat,- stea-

ruat 52 (Tlycocoll 19, 2»)

(xlycolzuur 422 (ilycyrrliiza glabra 748

„ echinata {uitloopers

en ivortels v.) 749 (llycyrrliizine 74S

-hepaliny 891 zure ammonia 748 ,, zuur 748

(llyoxaal 4S (Inoscopine (532


-ocr page 743-

REGISTER.

XV

Goa-poeder 2nl Goenja (Ganjalt, Goeaza) 3!t3 (loerjoen (Gurjun) balsem 90, 97 Gom (Arabische) 384 „ pleister 256 „ slijm 514 „ -soorten 3S6, 387 Gommiphora ahi/ssinica, Sclüniperl 517

Gonolobus Condnrango 231 Gossypinm cnm (\'hloreto ferrieo

375

hydrar-gyrico 376 „ .. .Jodio i379

„ „ .Todoformo 380

„ „ 1\'henoio 381

„ depnratum 373 „ -soortcii 373 „ stypticum .!575 Goud 177 „ chloride 177 „ chloruur 179

glid t)59 „ purper (Cassms\') 179 „ -reactie 178 Goulardwater 91 Granaatbast 235

„ exti\'act 291 Graniila(en) 383 Graswortel 77(1

„ extract 29i)

„ -vcnvisseluifjeii 777 (iiiajacol 475 Guajakhars 7lt;\')9 Guarana 2(t9 Gummi arabicnm 384

SI.

Habaghadi 518

Haemopis nigra, saiiyuisorba 4i )9 Hageuia abyssinica 327 Hamerslag 411 Hars 213, 965 Haschisch 393 Haverzetmeel 69 Hazelaar (stuifmeel v.) 498

Heera Bol 517 Hehner\'sch getal 555 Helenine 737 Holeniumextract 292 „ wortel 7.\'}6 Helsehe h\'teen 529 Hemialbumose t)71 terpenen 557 Hennepextrfict 275

kruid (Indische-) 392 olie (vcrvalschiiifj met) 605 (vluchtige) 392 „ zuur B93 Hepar Sult\'uris !(gt;04 Herapathiet 220 Herba Aconiti recns 389

Helladonnae recens 392 Cannabis indicae 392 (quot;ardui benedicti 394 Centaurii 395 Cochleariae recens 397 „ f\'onii recens 398

Hyoscyami recens 401 „ Lobeliae 402

ilajoranae 403 ,, Menthae piperitae 596 Sabinae 404 Hcrtsbooru (Geprepareerd) 214 (Schaafsel van) 215 afkooksel (Samengesteld) 249 Hesperideen 565 Hesperidine 234

r (iso-) 234 Hesperinezuur 234 Hirudines 406 Hirudo fusca 410 Hippuurzuur 19, 20, 21 Hoffmann\'s Balsem 102 Hoffinamisdroppels 58 Homatropinebydrobi\'omaat 421 „ -reactie 423, 896,

908

Hoinocinchonidiue 222 Homokinine 221

,, pterocarpine 492 Hondspeterselie 400 i Honig 498


-ocr page 744-

HEG1STER.

XVI

Honig ((xezuiverclc) 502

„ -soorten 5(Hi, 5ol Hopbellen (-kegels) IM?

„ bitter iitl?

„ klieren 3117 „ olie 3()7 Hontazijn 701 Houtskool 137 Houtteer 7n]

pik 7(i3, 7(1-1 Hamulus Lupulus 3117 Hyrlrargyrum 411 Hydrargyricifju (os««j)-vei,l)infliu-

gen IS7 Hydras Ohlorali 413 Hydrastine 77lt;S Hydrastis canadensis 77(.l

„ extract (Vloeibaar) \'294 „ (al/ca-loïd-bepaliiuj in) 295 „ wortel 77S „ „ -vervalschingen

779

HyAvayAn-verlniicUni/eu 72 Hydrobenzaniidc ss Hydrobromas Cbinini 410

„ Homatropini 421

Hydrocarbonaten i 11

„ -reactie 112.

113

Hydrocliloras Apomoi\'pbiui 425 .. Cliinini 427

„ Cocaini 431

„ Morpbini 435

„ I\'ilocarpini 439

Hydrocbinon 475. 501), 509 Hydrocinchonidine 222 Hydrocincbotiine 222 Hydrocotarnine 032 Hydrojuglon (a,-. /3-) 339 Hydrokinidine. 222 Hydrokinine 221 Hydroxyden (145 Hydrophenylmethylpyrazolon 7.3 Hydropliylgaas 902 Hygrine 432 Hymenium 811 Hyoscine 332

Hyoscyamine 332

„ sulfaat S9()

Hyoscyamusbladeu 3.3S „ extract 295 „ kruid (Verscb) 401 „ uiger 338, 4Hl „ olic 450 Hypocboeris (bloemen v.) 322 Hypopbosphiet -reactie 443 Hypopbosphis calcicus 442 „ natrieus 444

I.

lateorrbiza (\'aluniba 728 Idris Yagbi (111)

lerscli Mos 159 1 gasuurzuur 824 indiscb-dras (olie) 011 • Indiscbe-Hennepkruid 392 Indophenol-retic^\'e 2 Infusa 447

Infusum Hyoscyami oleosum 450 ,, Rbei aquosum 997 „ Hennae compositun 451 Inula lu\'itaimica (bloemen v.) 322 „ conyza (bladen v.) 331 „ Heleniuni 737 „ „ (bladen v.) 337

I nul ine 73* gt;. 737 inuloïde 737 luvertsuiker 78(1 1 peeacuanhakoek jes 1012 „ stroop 833 tinctuur 991 wortel 738 ,, .. (onechte) 741,

742

„ zuur 739 „ wijn 1047 Ipomoea l\'urga 745 Iris Pseudacorus (ivortelstolc r.) 773 1 satropylcocaVnc 432 Iso-aconitine 389 isocyaanphenyl 2, 198 Isobesperidine 234 Isonitriel-reac^\'e 2 ]sosulfb(////o)cyaanallyl 015


-ocr page 745-

REGISTER.

XVII

J.

.)aboramli-blafleu

„ „ (valsche) 439

Jaborandine 4i59 .) aborine 439, 441 .lalapinc 7i)8 •J alappeliars 744, 7t)7

„ -hepaling 747. 768

„ stelen 745 „ wo I\'te I 744 „ .. {valsche) 745, 74() Javanine 223

.1 eneverstriiik (jjchhulerde takjes v.) 405

.1 enevervriichton 359

„ -olie (vluchtige)

360

.1 odaat-reacde 54( I •lodal 469

.lodetum liych\'avgyricnm 453 ,, hyrh\'argyI\'osinn 455 „ kalicum 457. 470 „ natricum 462, 470 Jodium 464

„ -bepaliny (in Watten) 380 „ •reactie 466, 8t)3 Jodoform(nm) 46S

„ -soorten 47.3

„ •bepalin;! (in Watten

en Gaas) 380, 381, 964

„ gaas 963

„ -reactie 472

.lood(additie)gctal (Hübl\'s) 556 „ cyaan -reactie 467 „ inetliyl 73

,. oplossing (Spiritueu.se) 862 (tri) bromide, -jodide ■reactie 467

„ tinctuur SI 12 „ waterstofzuur 453 „ „ -hereiding 459

„ „ •reactie 460,

540

„ ijzer-Levertraan 586 .Inglandine 339 Juglans regia 339

.1 uglaus regia (stuifmeel v.) 498 .luglon 339

Junipervis comumuis 360

„ phoenicea. vinjiniana (lietdaclerde taljes v.) 4lt; )5

„ iSabina 401 K.

Ivairamadine 223 Kairaiuine 223 Ivajoepoetolie 568

,, ((le/.uiverde) 569

Kalium 143

„ acetaat 6 „ aluminiumsulfaat 912 „ „ ^ (1\'itge-

„ droogd) 915 „ bromide 118 ,, cantharidinaat 133 „ carbonaat 143 „ chloraat 172 „ „ koekjes UilO

chloride 144,\' 147, 173 „ cyanide 319 „ ferryltartraat 1051 „ hydrocarbonaat 145 „ .. monoboryltartraat

951

„ ,. stilndtartraat 956

„ .. tartraat 959

„ hydrowde 645. 537 „ jodide 457. 470 „ \' .. zalf 1023 „ manganaat 673 „ mercuridjodide 453 „ metaarseniiet 846, 847 „ mj\'i\'onaat 616, H21 „ natrium monoboryltartraat 951, 952 „ ,. tartraat 953

„ nitraat 535 „ oleaat, palmitaat S(gt;5,806 „ perchloraat 173 „ manganaat 672 „ -reactie 7 ,, stibiumtartraat 955


-ocr page 746-

REGISTER.

XV11I

Kalimnstiliuniitarti\'aatzalt\' 1028 „ sulfaat 91B „ sulfiden 1( H gt;5 „ sulfocyanide 108 „ tartraat 49, 9ö0 „ trisnlfiilo 1005 Kalk (OngcbluHchte) (545 „ {schelp-, deen-) lt;)4() „ ovens (5415 „ {vette, mafiere) lt;,)47 „ water 860 Kalmusolic 772

„ wortel 772 I\\aiiif(ïr 126

„ bromiden 129 „ olie. 127

„ oplossing (Spiritueuse) S4S

„ - soorten 127 ,, spiritus 848 „ zalf 1019 „ zuur 127 Kamillen {cnlcele, dubbele) 323 „ ((gewone) 324 ,, (R ooi n sch e) 324 Kamilleolie 323. 324

„ - zuur 323 Kaneel 228

-soorten 229, 230 ,, olie 572 „ ,, -soorten 573 „ spiritus 871 ,, stroop 829 „ tinctuur 985 „ water 7S ,, zuur 885 „ ,, -reactie 21 Kaolieu (kaoliue) 913, 114 Karlsbaderzout 793 Katoenzaadolie -reactie 53, (505 Kelp 4lt;)4

Kervel {wilde, Icnoldrageude, dron-

Icenmalcende, dolle) 400 Kiezelzuui\' 114 KieTseriet 919

(Kina)alkaloï(le (amorpli) 221 Kina-alkaloïden ■hcpaUntj 227 „ bast 217

Kinabast ■soorten 225, 226 ., extract 279 „ ,, (Vloeibaar) 281 „ ,, „ {alkaloïrl-

hepaling in) 284 „ looizuur 218 „ mine 221 ,. rood 219 ,. tinctuur 984 ,, wijn 1044 ., zuur 2 IS Kinidine 220 Kinine 219, 898

,. -bepaling {in sou ten) 901 ,, bisulfaat 898 ,, liydrobromaat 41t) ,. hydrocliloraat 427 ,. -ondersoek {op neven-alkaloïden) HlMt, 90(1 .. pillen 701 ,. sulfaat 897 ,. tannaat 943 „ zouten {normale, zure) 2\\S), 220, 417 Kinovabitter 219 ,, looizuur 219 ,. rood 219 zuur 219 Kinovine 219 Klapperolie 370 Klaprozen 677

.. kleur stof (577

stroop 836 ,, zuur 677 Kleefpleister 254 Koekjes 1008

,. (Caehou) 1009

,. ((Tliloorammoiiiuin) lOK) ,. (Ipecacuanha) 1012 „ (Kaliuincliloraat) 10l(t .. (Santonine) 1012 „ (Staal) 1011. „ van dubbelkoolzure Soda 1008 Koesso 327 Koffie 209 j Kokosolie 370 I Kolanoot 209


-ocr page 747-

REGISTER.

XIX

Kolokwinten 355

„ extract iiS4

„ -soorten 355, 356 Kooldioxyde 111

„ -bereiding 141, 145, 203, 645 Koolhydraten 67

„ -reactie 484

Koolstof 137

Koolwaterstoffen 11, IS, 39 Koolzaad 822 Koolzuur 111 Koortskruiden 868 Koper 64H

„ carUonaat (basiscffi 648 r hydroxyde 904 r oxyde 648

„ zalf 1025 B -reactie 649, 904 „ sulfaat 903 „ -verbindingen 64S Korianderolio 357

„ vruchten 356 Kosine 327

Köttstörfer\'s getal 556 Krameria triandra 750 Kreosol 475

„ (method-) 475 Kreosootolie (steenkolen-) 477, 6S1

Kreosoot (Kreosotum) 474

„ -reactie 476 K re sol 475 Kresolen 4quot;

Kresotinzuren 40, 41 Krodde- (Herik-, Kiek-)zaad 822 Kruiden 869 Kruidnagelen 571 „ olie 57il .. -reactie 571

zuur 570 Kruisdoornllessen 245 Kruizemuntbladen 342 Kryolith 155 Kunsthonig 5\'ll

„ kamfer 12.S Kwassieextract 303 _ hout 489

Kwassietinctuur 997 Kwee-appelen, -peren 358 Kweeën (versche) 357

„ tinctuur (Ijzerhoudende) 987 Kwik 411

,, -bepaling (in Zalf) 1022

my Ae-reactie 188 „ oxydule-rertdi\'e 19lt;\' oxydozalf ligt;20

(Geel-) 1026 pleister 257 zalf 1021

I..

Lac Sul fur is 936 I jactas ferrosus 47^

Lactoearauiel 792 Lacton 596 Lactose 791 Lactucariuin 4S4

-soorten 486, 487 Lactuca-soor/e» 485, 4S6, 487 „ virosa 485 zuur 485 Lactueerine 485 Lactucine 485 liactucon 485 ivactucopikrine 485 Lanthopine 631)

Lapis haematitis 243 „ infernalis 529 Larix decidua 965 Landanine 629 Laudanosine 629 Laudanum liquidum Svdenliami 1(147

Laurierkershlaflen (Versche) 34(J olie 89 „ water 84 Laurierolie 58S Lauriue(kauifer) 589

„ zuur 165 ijaurocerasine 85. 34(1

„ stearine 589 Laurus nobilis 589 Lavendelkamfer 590


-ocr page 748-

REGISTER.

XX

Laveiulelolic 59(1

„ spiritus H71(

Lavenclula vera 590

•soorten 591 Laxoorkniiflen S69 „ pillen „ poeder 713

water (Weener) 451 Leigesteente 913 Leontodonium 730 Leontodon Taraxaeum 7;}1 Lepell)ladolie (vluchtige) 397

spiritus S7quot;2 Lepidolieth 148 Lethal KiS Leukatropazunr 332 Levertraan 579

.. -reactie 5H1 „ -soorten 580,581,582 Levuline 730 Levulose 499, 777, 786 Lielienine 487

„ (dextro-) 488 Lichen islandicns 487

,, ab aniaritie libe-

ratiis 488 Lichensteurineznur 488 Lignum (^nassiae 489

„ jania\'icense, su-rinamense 490 „ santalinum 491 Sassafras 492 Ingroïne 1035 I iimoneeu-r/roe/) 557 (links ) 596 {rechts-) 565, 574 Limoen 574 Lindebloesem 329

olie 330

Linimenta 494 Linimentum Ammoniae 494

volatile 494 Linoleenzunr 592

„ (i^o-) 59\'2 Linoleïne 592 Linolzuur 592 Linoxine 593 Linnm usitatissimum 815

Lipochromeu 579 Lipochroom -reactie 583 Lii]iiidaml)ar oriëntale 885 Li(]uor Ammoniae anisatus 845 „ anodvnus Hoffmanni 58 „ Fowleri 846 „ styptic us 848 Lischdodden (stuifmeel v.) 498 Lithargyrum 658 Lithionglimmer 148 Lithium 148

„ carbonaat 147 „ -reactie 148 Lobelia inflata 492 „ kruid 402 „ zuur 4( )2 ,, tinctuur 991 Lobeline 402 Loganine -reactie 31 1 Lood 8

„ acetaat 8

acetaten (basische) 842 -bepaling S44 „ carbonaat 157

„ (normaal, basisch) 157

„ „ •soorten 158

„ „ zalf 1018

„ ,, ,, met Kamfer

1019

„ glid 658 „ hydroxy de 157 „ oleaat, ■palmitaat,-stcaraat 258

„ oxydepleistor 258 „ -reactie 9 „ water 91 Looizuur 365, 947

„ -reactie 949 Lupulinum 367 Lycopodine 495 Lycopodium 495

„ clavatum 495

„ olie 495

„ (sporen v.) -soorten

497

Lijnolie 592

,, zuur 592


-ocr page 749-

HEGISTER.

XXI

Lijnzaad 815 I jytta syriaca I o2 „ vesicatoria 131

M.

Macei\'eeren 24i)

]\\Iafis 594

Maapstorium Bismuthi 531 Magnesia 150

allia 150 ((icbrande) lt;155 {lichte, .zware) 152,057 „ nsta 655 Magnesict !gt;18 Magnesium 151

cai\'bonaat 15U

,, {normaal. basisch) 150, 151 citraat 2U2 ,, liydrocarbonaat 152 „ hyclroxyde 151, 1(13 oxydc 655 ■ reactie 919 sulfaat 91S Maïszetmeel lt;59 Maltose 875 Mangaanoxyden lt;172

„ zuur (anhydride) lt;172 Manihot-Sago 7lt; •

Marjoleiukruid llt; lii

olie 403 Massicot 059 Mastik lt;i2lt;l

Matricaria (quot;hamoinilla 324 Mayer\'sche lt;)|)lüssiiig 27lt;l Sleconidiue lt;13lt;lt;

JMoconim1 lt;133 j\\Ieconoiosine 633 Meconzuur lt;133 31 el 49S

uil mm s. virgineurn 499 „ conmane, crudum s. vuigare 499

„ depuratuin 502 „ rosatum 503 ]\\lelal( uiinor 5lt;1S Melangalluszuui\' 71lt;1

Melasse 787, 301 IMelissyh\'lcohol 1lt;15 Melksuiker 789, 790, 791 .Melkzuur 479

„ ■■reactie 4S3 „ -soorten 479 Menie 6lt;1lt;i

Menispermum palmatuin 728 Mentliakainfer 51 )5 .Mentha piperita 341

„ -soorten (hladen v.) 342 1\\I ent heen 590 Menthol 595 Mentlion 50(1

Menyanthes trifoliata 348 Menyanthine )54S Menyanthol 348 Merrari-Ammoniuinchloride 184 Mercnrichloride 180

„ -bepaling {in Wat

ten en daas) 378 Mercuridannnouiunichloridezalf 102lt;»

„ jodide 453 „ oxyde 05lt; I „ (deel) 653

.. „ zalf\' 1025

» » )i ((Teel-) 1U2lt;)

Mercurinitraat 051 „ -reactie 188 „ sulfaat 187

sulfiden 188. 41 I

„ sulfochloriden 188

Mercaxri (o) -verhindingen 187 Mercurius daleis 189

praecipitatus alhus 184 ,, .. ruherlt;)50

„ suhlimatus oorrosivus

18lt;1

Mercurochloride 189 „ jodide 455 „ nitraat 051 -reactie 190 „ sulfaat 190 ^AvtiiaX-hjidroxgden. -oxgden 15lt; gt; Metaehloral 196 Metadioxyltenzol(uin) 505 ]\\letaphosphorzuur 34


-ocr page 750-

RECUSTEK.

XXII

I\\Ietiipliosplioi\'zuiu\' -rcactic 723 Metarabinezimr 385 jMulastyi\'ol 885 Jletlial 168 Methane 11

Methoden t. bepaling v. alkaloïden

in Kinabast 227 Metboden t. bepaling v. alkaloïden

in narcotische Extracten 270 Methylalcohol 54, S7S, 879 ,, arbutine 3d9 ,, benzoëznre Kcgonine 432 benzoylecgonine 432 coniine 399 crotonzunr 576 „ kreosol 475 „ morphine 206, tj2H

pheivylpyrazolon 72, 75 propylphenol 967 pyrocatecliine 475 .. t(4raliydropyridil-/3-oxy-

propioonzuur 431 „ tyrosine 750 Mierczmir 618

■reactie 472, 878 Mierikwortel (ycrsche) 872 million\'s Reagens 682 Mineraaloliën (in Olie en Vetten) 53 ]\\Iixtnra oleosa balsamica 102 Mixturen met balsems, gomharsen, harsen en vlnchtiye oliën 261, 262 cc-ra, cetacenm, oleum cacao 262 Moederkoorn 809

.. extract 307 „ tinctuur 999 Molak 303 Morphine 627

-bepalinrj {in Opium) 64( »—643 (dehydro-) 628 bydrochloraat 435 ,, (monomethyl-) 206, 628

(oxydi-) 628 „ (pseudo-) 628 (-rcactic) 436 Morrliuïne 579

Morrhnïnezuur 579 Moschus 510

„ moschiferus 510 Moscovade 787 Mos (lersch) 159

„ (IJslandseli) 487 Mosterdolie (kunstmatige) 617, 619

„ (Sinalbine-) 822

„ (vette) 822

„ „ -reactie 605

„ (vluchtige) 615

„ ,, -reactie

617

Mosterdpapier 171 „ zaad 821

„ „ [bruin of zwart) 822 „ „ (wit of geel) 822 Mout, -meel 875 Mncilago (lummi arabici 514 ,, Saleb 514 „ Tragacanthae 514 Muil 962

Murexide -proef 210 Muskaatboom 5i*4. 817 „ boter 60(1

„ „ olie (vluchtige) 600, 594

„ noot 816 „ „ -soorten 818 Muskus 510 „ dier 510

» -soorten 511, 512, 513 ,, tinctuur 992 Mycelium 811 Mvcose 811 Mylabris 132 Myricine 165

Myristica fragrans 594, 817 Myristicinc 594 Myristicol 565, 594 Myristinezuur 165 Myrosine 668, 397, 616 My r rh a 516 Myrrlie 516

„ bitterstof 516 „ gom 516 ,, bars 516


-ocr page 751-

REGISTER,

XXIII

Myrrheolio (vluclitigo) 516 „ -reactie 518 „ ■soorten 518 „ tinctuur 9iJ2 Myrrhol 516

Myrtus Pimenta {vruchten v.) 245

Nagelolie {lichte) 57n. 571 Naloop 87tj Napelline 389 Naphtaline(um) 519 „ -reactie 521 „ sult\'ozuur 5\'ii5 Naplvtenen (5(55 Naplitol(um) (iso- of/3) 522

„ „ -reactie 524

„ (x) 525 „ „ -reactie 524, 525

Narceïne (131 Narcotine (531 Natrium 154

„ benzoaat 104 „ brouiiclo 122 .. carbonaat 153 „ chloride 192 „ citraat 203. 704, 705 „ l\'erripyro])liosphaat 8()()

goudchloride 176, 177 „ hydrocarhonaat 110 „ {di) hydrophosphaat (192 „ (mono) hydrophosphaat 691

hydrosulfaat 26, 31 „ hydroxyde 193. 927 » hypophospbiet 444 „ jodide 462, 47\'i „ uietastibiaat 927 „ nitraat 540 phospliaat (590

{di) (591 „ „ {mono) 692

„ „ itri) 692

„ pyrophosphaat 722 „ -reactie 112 „ salicylaat 794

Natriuitisalicylaat met (quot;offeïne 797

„ sesquicarbonaat 112 „ sulfaat 154, 92 „ „ (Uitgedroogd)

923

„ sulfostibiaat 927 „ tartraat 711 Natronloog 193, 927 Nitras argenticus 525

„ „ ciun Nitrate ka-

lico 53o „ ,, tusus 529

„ „ „ initiqcdns

530

„ bismutliicus basicus 531 „ kaliens 535 „ iiatricus 54lt;) „ Strychnini 543 Nitris aethylicus cum Spiritu 546 Nitrocellulose (di-, tri-,pi nta-) 211.

212

„ glycerine 8(14 „ „ oplossing 8(14

-reactie 8(55 „ lichamen 8(14 Notebladen 339

„ boom {stuifmeel v.) 498 Ntix moschata 816 „ vomica 823

O.

Uenanthylaethers 57(1, 1040 Olea 553 „ aetherea 557 „ Europaea 6ii2 „ pinguia 553 Oleïne 52

()leum Amygdalarum 560 „ Anisi 563 „ Aurantiorum 505 „ Cacao 566 „ cadinum 703 „ Cajuputi 568 „ „ depuratum 569

„ C\'aryophyllorutn 570 „ Cassiae 573


-ocr page 752-

RBOISTRR.

XXIV

Oleum (\'innamomi 572 „ (quot;itri 57-4:

„ (\'rot011 is 576 „ Foeniculi 677 „ Hyoscyami 450 „ .lecoris Aselli 57!)

„ .. oum Ben-

zoatc forrioo 58i3 „ Jecoris Aselli ferraturn 5s;3

,, „ .. eiiin .Torleto

fei\'voso 58()

„ .lunipevi empyreiimati-cmii 70i{

Lauvi 58S „ Lavandulae 51)0 Lini 5i)2 IMaoidis 594 IMcntliae piporitae 5ii5 Myristicae 600 „ Nuois Moschatae acthere-urn 5lt;15 X ncistae 600 ()livai,um 602 Riciui 6lt;lij r Rosarum 610

Rosinarini 612 „ Sahinae 614 Siuapis 615 Spicae 591

Terebinthinae depuratum 620

,, Valerianae 622 Olibanum 624

„ liitterstot\' 624 g\'nm 624 hars 624 „ olie (vluchtige) (524

-reactie 626 „ -soorten i gt;26 Oliheen 621 ülieemulsiën 261 Olie en Was li(27 Oliën 553 „ {drogende, niet-drogende) 554

O\'eac-

tic op) 557 „ {uette) 553

Oliën {duchtige) 557 Oliesuikers 250 „ zuur 52 „ „ -reeks 52 Olijfboom 602 „ olie 602

„ „ {reactie op vreemde oliën in) 605 (hiderpbosphorigzuur 442

-reactie 443 Ongeblusehte ivalk 645 Onopordon Acanthium {bladen v.)

395 Opianyl 633 Opionine 633 Opium 627

„ {bepaling allcaloiden in) 3\' •• l, 640. 641, 642 extract 21)S „ -soorten 634—64n „ stroop 834 .. tinctuur 995 .. -vervatscldngen 640 „ wijn (Aromatische) 1047 Oplossing van Ammonia en Anijs-olie (Spivitueuse) 845

.. Ammoniumacetaat 839

.. „ basisch Loodaee-

taat 841 „ Natriumferripyro-])]iospiuiat 866 Opodeldoch 804 ()ranjeschil 233

.. olie 565

„ stroop 828

„ tinctuur 981 „ water 78 Ofchla-soorteu 1013 Origanum ]\\lajorana 404 Oi\'izabawortci 745 Orizabine 76S Ouwels 135 Overchloorzuui\' 172 () vorm an ga a nzu u i ■ (anhydride) 672 \'

„ -reactie 674


-ocr page 753-

REGISTER.

XXV

Oxaalzuur 48 t gt;xalas cerosus (143 üxybenzoëzuur (orth-, met-, pur-) 39

(mon-, (li-, tri-) 947

Üxyhenzol (cli-) 505 (fi\'i-) 715 Oxyclen 645

Oxyflimercuriammoniumcliloridc

185

„ „ „ jodide

(54

Oxydum calcicum (545 „ cupi\'icmn t)48

hydrargyricum (151) „ ,, flavum

653

„ magnesicnm 6B5

plnmbicum semivitreum lt;158

„ zincicum üGi Oxyhydrochinou 71.5, 717 „ isophtalzuur 42 „ linoleïne 593 „ (di)morphine (128

narcotine 631 „ toluyltropeïne 422 Oxymol Scillae (1(14 „ simplex 664 Ozokei\'iet 6(17 lt; )zoon 57

P.

l\'aeonia {bladen v.) 67S Palmarosa-olie (110, (111. (112 Palmitine 52

., /uur 52 Palmolie (-boter) 370 Pauax quiuquefolius {loortcl v.) 763 l\'apaverainine (131.

Papaverine (129 Papaverolie 3(11

., -reactie 005 Papaverosiue 361 l\'apaver Ai\'gcinoue, d ul)iuin {l/Uulen v.) (178

[ Papaver Rhoeas (177

„ somniferum 361, 634 ,. .stroop 835 „ vruchten 361 Paraffineolie {in Vetten) 53 „ (Vaste) 667 „ (i« Wïs) 167, 169

„ (Vloeibare) 665 Paraffinum liquidum 665 .. solidum 667 Paraguaythee ^09 Paralline 757 Pararabiue 159 Parigenine 757 Parigline 757 Parillinezuur 757 Pastilles (Pastilli) 100H

„ van Dethan 1010 Patrinia seabiosaefolia {wortelstok v.) 766

Pelargoninm-olie 610, 611. 612 Pelletierine 236

(iso-) 236 ,, (methyl-) 236

„ (pseudo-) 236 Pentenen 557

„ (di-) 557 Peper (zwarte) 245 Pepermuntbladen 341

.. kruid 596, 341 ,, olie 595 „ ., -reactie 598

., -soorten 596, 597, 598

» water 89 Pepsinutn(e) 668 Pepton 671

„ (pro-) 671 Pereoleeren 265 Perithecia 81.2 Permanganas kalicus 672 l\'ermanganaat-fe^fl/inr/ 675, 676 Perubalsem 98 Persulfuren 1005 j Pei\'zikpitolie -reactie 605 Petala Rhoeados 677

., Rosae 678 Petroleum (-aether) 1035


71

-ocr page 754-

REGISTER.

XXVI

Phacoretine 754 I\'hcllandreen-vJWjJ 557 Phenol 477, 478, 680 „ -bepaling 382, 68G „ aten 475 „ en 474, G8Ü „ -reactie 682

„ sulfozuur (ortho-, para-) 931 „ um 68()

„ „ liquot\'actum 685 „ (Vloeibaar) 685 Plienyl-aetliyleen 885

„ (di)inetliylpyrazolon 71 „ glycolzunr 422 „ hydrazine 72 „ pyrazolon 72 „ zuur 68U Phloroglucine 715, 717, 750 Phlorol 475

Phosgeengas l!(8, 199, 414 Phosphas calcicus 687 „ natricus 690 Phosphorigzuur 34

„ -reactie 37, 444

Ph()sphorinoa://c?e, -pentoxyde 34 Phosphorus 6!)i} Phosphorwaterstof 442, 44i5 Phosphorzuur 34

„ (ineta-, pi/ro-, ortho-)

34, 35

„ {ortho-) -reactie 36

,, \\lWO-) - r, 723

„ imcta-) - „ 723

„ itit heendernsch 36

« gt;■ » equot;

actie 37

Phtalzuur 19

Physeter macrocephalus 168 Physostigma venenosum 820 l\'hysostigniine 819

„ -bereiding 800

„ -blauw 8( gt;1

„ -reactie 800, 801,

819

„ salicylaat 799

Phytosterine 583, 778 Picraena excelsa 490 Pici\'o-aconitine 389

Pictet\'s vloeistof 197 Pik 703 „ (Houtteer-) 703 „ -olie 703 „ (Steenkoolteer-) 7ti4 Pikrinezuur 473, 964 Pikrocrocine 881 „ podophylline 77» • v „ zuur 770

„ sclerotine 810 PikzaK 1027

Pillemmssa, -planlc, -ronder (i96 Pilocarpidinc 439 Pilocarpinehydrochloraat 439

„ -reactie 44» • Pilocarpus-soortew 439 Pilulae Blancardi 698 „ Blaudi 696 „ dodeti ferrosi 698 „ laxantes 7lt; Hl

Sulfatis Chinini 7(gt;1 Piment 245

Pimpinella Anisum 350 Pineen-(/roe2J 557 Pinus-soorien 213, 702, 965

„ ,, {stuifmeel v.) 498 Piper nigrum {vruchten v.) 245 Piszuur 209 Pitoyamine 223 Pix liquida 701 „ solirla 703 Pleisters 253 Podophylline(uin) 77U

„ {pikro-) 770 ,, zuur 77\'•

{pikro-) 770 Podophylloquercetine 770

„ toxin e 77il Podophyllumhars 77lt;gt;, 780 „ peltatum 780 „ wortel 780 Poeder {Aromatisch) 712 „ {Bruis-) 70 gt; „ {Samengesteld Gom-) 712 „ (Laxeer-) 713 „ {Samengesteld Opium-) 713 {Zuur-) 712 1 Poeders 708


-ocr page 755-

REGISTER.

XXVII

Poetsolie 1035 Poli di Bahia 201 Pollenine 495 PolychroVet 881 I\'olygala Senega 7^2

„ zuur 7G\'2 Polysxilfidcn 1005 Porseleinaarde 114 Potio Rivori 704 Puunxa 109

Proefvoclit (FeJiling\'s, Nylander\'s) 780

Propane 11, 8611 Propene 52

Propioonzuur 1517, 4811 Propylalcohol 197. 3(j(J, 875, 1040 „ aldehyde 1SI7. 875 „ glycol 36!»

Proteïnestoffen 855 Protopine 630 Pnximenconserf 251 Prunus Amygdalus 561 „ Lauro-Cerasus 340 „ padus {hast v.) 233 „ „ , kisitanica, serotina, virginiaua {hinden v.] 341 Pseudoaconitinc 3i)0 „ morphine 628 Psychotria Ipecacuanha 740 Pterocarpine 4U2

„ {homo-) 4il2 I\'terocarpus santalimis 4(12 Pulpa Tamarindorum cruda 706 Pulvercs 7U8 Pulvis aërophorus 710

„ „ anglicus 711

„ antacidus 712 „ aromaticus 712 „ guminosus 712 „ Li([uii,itiae conipositus 713 „ Opii compositus 713

pro ]iiliilis s. massis 69!) „ terrostris 712 Punica (Tranatum 236 Pijnhars 626 Pijpaarde 913 Pyrazol 71, 72 Pyrazolin 71, 72

Pyrazol on 72 Pyridine {-haseii) 206 Pyriet 43, 934

Pyrocatechine 475, 506, 508, 509 ,, ,, -reactie 508, 509 „ catechuzuur 750 Pyrogallol(uin) 714 „ „ -reactie 508,509,

716

Pyrophosphas ferricus cumCitrate ammonico 718 „ natriens 722

Pyropliosphorzuur 34

„ -reactie 723

Pyroxyline 212 Pyrrol 71, 72

a

Quassia amara 489 Quassiine 210, 489 Quercetine 163 Quercitrine 679 Quercus infectoria 365 Quillajazmir 762 (inina (wijn) Laroclie 1045 „ „ „ ferriguneux 1045

K.

Raapolie -reactie (505

„ zaad 822 Radix Althaeae 725

„ Armoraciae recens 872 „ Arnicae 766 „ Batiatoris 742 „ Bryoniae 729 „ Calumba 727 „ „ spuria v. ameri-

cana 729 „ Caryophyllatae 76(5 „ et Herba Taraxaci recen-

tes 73»i „ Fraserae 729 „ Gelsemii 732 „ Gentianae 734 ,, Helenii 736


-ocr page 756-

REGISTER.

xxvin

Radix. Hollebori TIKI „ rpecacnanhae 738 „ „ {onechte) 741,

742

„ .lalapae 744 „ (valsche) 745,74(1

„ Licpiritiae 748 „ orizabensis 745 „ Ratanliiae 750 „ „ -soorten 751,

752

Rhei 753 .Sarsaparillae 756

„ -.loorteii 759.

7()0

Senep;ao 7lt;jl

-soorten 762. 763 ,, -vervalschinyen 763

„ Valerianae 7(34 .. -vervalsehingen

765, 7()6, 767 Rasura (\'«runs Cervi 215

Ligni santalini rubri 491 Ratanhiaextract 3lt; gt;4 „ looizuur 750

rood 75tl „ tinctuur 997

wortel 750 .. -soorten 751.752

Ratanhine 750 Reagens (Fehliny\'s) 789 „ (Nessler\'s) 64 .. (Nijlander\'s) 789 „ (Sivei.ser\'s) 374 Resina (gummi-) Look 888 .lalapae 767 Pini 626 „ Podophylli 770 Re.sorcine(iun) 475, 505

., -reactie 5( 18

Reteen 701 Reuzel 51

R hal)arl icrextract 31 )5

„ „ (.Samengesteld)

3lt; 16

,. sti\'oop 835 „ tinctuur (AVaterige) 997

Rhabarberwortel 753

„ -soorten 755,

756

Rhamnusbast 232

„ cathartica,ptirshiana {hast v.) 233 extract 228 „ Frangnla 232 „ stroop 83() Rheumlooizuur 753 „ officinale 754 „ palmatum 754 „ -soorten 754, 755 „ zuur 753 Rhizoma Acori 773 „ Calami 772 „ „ -verwisselmjen

776

„ Filicis 774 ,, -vcrwissclinaen

776

., Graminis 77()

„ „ -verwisselingen

776

„ Hydrastis 778 „ „ -vervalschin-

(jen 779 „ Podophylli 780 ,, Zingiberis 781 ., .. -soorten 782.

783

Rhodeoretine 76S Rhodinol 610 Rhoeadine 361. 631, 677

., zuur 677 Rhus Metopium {hoat v.) 491 Ricine 607 Ricinisolzuur 606 Ricinoleïne 606 Ricinolzuur 606 Ricinus communis 606 „ olie 606

,, „ {reactie op vreemde oliën

in) 609 „ „ zuur 606 Rietsuiker 786

„ -reactie 789, 792, 793 River\'s Drank 704


-ocr page 757-

REGISTER.

XXIX

Hob 784 „ lt;lunipcri 7S4 „ Sainbuci 785 „ van Jenevervruchten 7S4 Roesa-olie 610 Rog^\'e 811

„ zetmeel 68 liood-l\'recipitaa.tzalf 1025 llosa gallica 679

-soorten 610, 611, 67!l Rosmarinus officinalis (HJ} Hosmarijnolie 612 lv(iz(\'l)]aden (578 lionig 503 water 92 Rozenolie 610 Rubidium 148 Rubreserine 801, 819 Rubus idaeus S37 Rnscus acnleatns {bijwortels v.) 763 Rijstezetmeel (59

S.

Sabadilla offieinarum M21 Sabadillezaad 820 ,, zuur 821)

Habadilline 820, 1U37 Sabadine 1(*37 Sabatrine 820 Sabina officinalis 4(14 Saccharomyces (\'crevisiao 874 Saccliarose 786 Saccbanun 785

„ -reactie 789, 792, 793 „ lactis 791 ,, „ -reactie 789,

790, 792 „ offieinarum 786 „ Saturni 8 Saffraan 881

„ {bastaard- of wilde) 882

bitter 881 „ olie 881 „ -soorten 8815 „ tinctuur 986 „ -vervalscliingen 882 Safreen 493

Safroi 493 Sa^\'o -soorten 69. 70 Sainf-(Termain-Tliee 869 Sal Ami Fignieri 179

„ caro\'inuiu facticium 793 Saleli 1013 „ slijia 514 ,, -soorten 1015 „ -verwisselingen 1014 Salieine 210 Sal icy las Eserini 799 natricus 794

„ cum (\'offeino

797

„ Physostigmini 799 Salicylaten (primaire neutrale) 795 {secundaire. basische) 795

Salicylzuur 38

„ -reactie 41 Saliebladen 342

„ olie 343 Sal mirabile (ilaubori 921 Salpeterigzuur 547

„ -anhydride 30 „ in drinkwater 82

„ -reactie 45. 82, 146, 508, 549 Salpeterzuur 30

-reactie 32. 1411 „ (Verdund) 33 Sal Seignetti 953 Salseparine 757 Salvia officinalis 343

„ pratonsis {bladen v.) 343 ,, Sclarea ( „) .\'543

„ sylvestris ( „ ,,) 343 Sambucns Kbuhis (vruchten ?\'.)363 „ nigra 328, 362 „ „ var. viresccns

(vruchten v.) 363 Samengestelde Oplossing van Ka-

liumarseniiet 846 Samengesteld (Tompoeder 712

„ Opiumpoeder 713

Sandarak 626

Sanguisuga chloroyaster 409 „ decora 409


-ocr page 758-

REGISTER.

XXX

Sangnisuga uiterrnpta 40!) „ medicinalis 4igt;7 „ officinalis 407 „ troctina 409 Santa 1 4(l,2 Santa! i ue 401 Santel hout 401 rood 401 „ zuur 401 Santonine(um) 3\'20, 802

-hepuling {in Koeltjes) 10] 2

„ koekjes 1012 „ -reactie 80i5 zunr 802 Sapo aromaticus 804 „ kalinus 805 „ medicatus 807 Sarsaparille-saponine 757 wortel 750 „ -soorten 750, 760 Sarsasaponine 757 Sassafras 493

„ officinale 403 olie 403

-reactie 599

Sassafride 493 Sassoline 109

Saturationes (Saturaties) 704 Schaafsel van Hertshoorn 215 Schietkatoen 212 Schoenocanlon officinale 821 Sehöniet 913 Scilla-Azijn 10

„ honig 004

„ bol 124 Scillaine 125 Scillaolie 125 Scilline 125 Scillipikrine 125 toxin e 124 Sclererythrine 811 Sclerojodine Sll

„ mncine 81 1 Srierotinezuiir 8()9 Sclerotium 811, 812

„ (quot;lavus 812

Sclcroxanthine Si 1

Scorzonera {bloemen v.) 322 Secale cereale 811

„ cornutinn 809 Selenig (Seleen)zuur 45

„ -reactie 45.

534

Semen Calabar 810 „ Cinae 325 „ Colchici 813 „ Lini 815 „ Jlyristicae 81 (i „ Physostigmatis 819 „ Sabadillae 820 „ Santonici 325 „ Sin apis 821 „ Strychni 823 Senegaolie {vette, vluchtige) 702 wortel 701

„ -vervalschingen 703 Senegine 701 Sennacrol 344 Scnnapikrine 3-14 ,, -soorten 344, 345 „ •vervalschingen 340 Sennebladen 344 stroop 838 Senniet 344 Sennine 344 Sesamolie -reactie 605 Sesqnicarbonas ammonicus 138

,, terpenen 557 Sevenboomkruid 404 olie 614 „ -reactie 014

Siddhi 393 Silene Armeria 396 Silicium 114

„ dioxyde 114 Silybum marianum 395 Simaruba amara {hast v.) 240 „ bast 239 „ officinalis 240 Sinaasappelschil 235

,, olie 566

Sinalbine 822

„ -mosterdolie 822 Sinapine (snlfocyaanwaterstof-zure) 822


-ocr page 759-

REGISTER.

XXXI

Sinapis arvensis (zaad v.) S2quot;2 Sinigrine (ilii. 821 Sinistrine 125 Sii\'upi 8211

Sirupus Althaeae 828 „ Avii\'imtiorum S28 Cinnainomi 82!)

Diacodii 830 „ Frangulae 830 .Tocleti feri\'osi 831 Ipecacuanhae H)}3 Liquiritiae i~!33 „ opiatus 834 ,, Papaveris 835 Rlu\'i 835 Rhooaclos 83(1 „ Riil)i idaci 83() ,, Sennae 838 „ siin))l(gt;x 838 Sium longifoliuni {ivortnlstolc v.) 7117 Slaapbollen 3(11 Slljmzmu\' 4S (Smeerolie 1( )35 Smeersels 494 Smeltpunt -hepaliny 555 Smilacine 757 Smilax-soorfc» 757 Soebjee 3!)3

Stdanum nigrum {hlailen v.) 333, 347

„ tuberosum (17 Solenostemma Arghel {hladcu v.)

345

Solutio Acetatis ammonici 839 „ plumbici ba.sici

841

„ Albuminatis t\'errici dia-

lysata 855 „ Ammoniae spiritnosa ani-

sata 845 „ Arseniitis kalici composita 84(1 „ Campliorae spiritnosa 848 „ Chloreti t\'errici S48 „ Chlorii 851 „ Ferri all)umiiiata 855 „ Hvdratis calcici 8(10 „ Jodii spiritnosa 8(12

Solutio Leras 8(1(1

„ Nitroglycerin! 8G4 „ Pyrophospliatis natrico-1\'errici 8(l(i Saleb 514 Spaansche-Vliegen 131

„ „ pleister 255

„ tinctuur 982 Species amarae 8(18 „ laxantes 8(10 „ pectorales 870 Spermaceti 1(38

„ -olie i(38 Spermogonium 81 1 Sphacelia segetiun 811 Sphacelinezuur 810 Spiesglans 928

„ wijn 1050 Spirituense doodoplossing 8(32

„ Kamferoplossing 848 ()plossing van Ammo-nia en Anijsolie 845 Spiritus aroinatieus 870 „ (Aromatische) 870 „ carminativus 870

Cinnamomi 871 „ Citri 872 „ (Oitroen-) 872 Cochleariae 872 dilutus 873 „ fortior 873 „ (gemethyleerde) 879 „ „ (reactie op)

57, 552 „ (Kaneel-) 871 „ Lavandulae 870 „ (Lavandel-) 879 „ (Lepelblad-) 872 „ Mindereri 839 „ Nitri dulcis 54(1 „ saponatus 880 „ (Sterke) 873 „ (Verdunde) 873 „ Vini camphoratus 848 „ (Zeep-) 880 Sporehouders KIO Spijkerbalsem 1.029 Staalkoekjes 1011


-ocr page 760-

REGISTER.

XXXII

Staal-Levertraan 5SB

„ wijn 1051 Stearine 52,

zuur 52, KiG, 167, 369 „ „ -reactie 167 Stearopten 558 Steenkolenteer 502, 703

olie (zware) 520 „ pik 704 Steranijsolie 564 Sterigmata Hl I Stethal 168 Stiliinm 927

„ oxvde 956 „ oxyden 927 „ -reactie 1158 „ sulfide 927 „ sulfiden 927 Stigmata Croci 881 Stikstof 30, 44, 115 oxyden 30

zu ii r stof verb inclingen-re-actie 36, 44 Stipites Guaco 231

„ Jalapae 745 Stollingspunt -hepaling {v. Oliën) 555

Storax 884, 99, 1O0 Storesine 884 Stramoniumbladcn 347 Stromata 812 Stropen 826 Strychnine 824

-hepaling 311 nitraat 543 „ ,, -reactie 546

,, -reactie 545 Strychnosextract 309 „ Xux vomica 824 „ tinctuur 999 „ zaad 823 Stuifpoeder 495 Styracine 884 Styrax Benzoin 10(5 „ liquidum 884 Styrol 885

„ (meta-) 885 Subcarbonas Fcrri 241

Sublimaat 186

„ -bejialiiifj {in Watten en

Gaas) 378 „ gaas 962 „ watten 376 Succiniue 887 Succinum 887

„ -soorten 88i)

Succisa pratensis {ivortelstok r.) 7()6 Succus Liqniritiae 889 Suiker 67, 785

„ (beetwortel-) 787

(Melk-) 791 ,, „ -reactie 789, 790,

792

„ (riet-) 786 „ -reactie 789. 792,

793

„ -soorten 789, 790 Sulfas aetliylicus acidus cum Spi-ritu\' 891 „ Atropini 893 ,, Cliinini 897 „ Cinchonini 901 „ cupricus 903 ,. Duboisini 905 „ fer ros us 908 „ „ exsiccatus 910

„ kalico-alnminicus 912 „ „ „ exsicca

tus 915 „ kalicus 916 „ magnesicus 918 „ natricus 921 „ ,. exsiccatus 923

„ ziucicns 924 Sulfiden 1005

„ ipol-i/-) 1005 Sulfidum stibicuin 927 Sulfocyaan-readie 176

„ phenylas zincicus 930 Sulfur anratum Antimonii 927 „ depuratum i)33 „ praecipitatum i)3()

Sul f uren 1005

„ (per-) 1005 Summitates Absinth li 939 Suppositoria 941


-ocr page 761-

Sylvestreeiw/roep 557 Symphytum officinale (bladen v.) 336

iSynarthroso 737, 730 T.

Talk 37(1

r [in IKma\') 160. 167 Tamarinden 7n()

„ moes (Huw) 706 „ -.soorten 707, 708 Tamarindus indica 706 Tampico-Jalappo 7-llt; 1 Tannas Chinini ill3 Taunine(nm) 947 Taraxacerine 73(1 Taraxacine 73(1 Taraxacum Dons Leonis 731 extract 312 melksap 73Ü ,, officinale 731

wortel en -kruid (Ver-sclie) 730 Tartarus boraxatus 951 „ emeticus 955 Tartras kalico-natricus 953 „ „ -stibicus 955 „ kalicus acidus 959 Tarwezetmeel 68 Teer 701 „ olie 703 „ producten 65 „ „ -readie 65,140,478 „ water 90 Tegengift voor Arsenicum 7( • Tela 962 „ antiseptica 964 ,. cum (\'hloreto hydrargyrico 962

,. „ Jodoformo 963 „ „ Phenolo 964 Telluur-re«clt;ie 534, 535 Tephrosia Apolinea (bidden v.) 346 Terebintliina 965 Terpenen {di-, hemi-, sesgui-) 557 Terpentijn 965

„ {hmstmatige) 967

TEK. XXXIII

Terpentijn -reactie 100, 886

„ -soorten 965, 966, 967 „ zalf 1029 Terpentijnolie ((xezuiverde) (gt;20

„ -reactie (gt;22 Terpilenol 568 Terpineen-«/roep 557 Terpineol 568 Terpinolcen-.9»\'oe^ 557 Terra japonica 164 Tetanine 393 Tetano-( \'annabine 393 rl1etrab()orzuur lü!t

chloormethane 196, 414 Teucrium Scorodonia {bladen v.) 337

Thalleokine-rertC^\'e 22( i Thallochloor 488 Thebaïne 628 Thé de St.-dcrmain 869 Thee 209

„ (Paraguay-) 209 Theobroma Cacao 56(5 Theobromine 209 Thiosinamine (gt;17

„ -reactie 61!)

Thiosulfaat-reacfe 113 Thridax 487

Thuja occidentalis, oriental is {takjes en bladen v.) 406 Thus commune s. sylvestre 626 Thymeen SKjS Tliymol(iim) 1)()7

„ -reactie 968 Tiglinezuur 576 Tikmeel (gt;!(

Tilia platyphyllos (grandifolia) 330

,, ulmifolia (parvifolia) 330 Tinctura Acetatis ferrici aetherea 974

„ acida aromatica 979 .. Aloës 980 „ „ composita 980 „ Arnicae 98( i „ Asae foetidae 1181 „ Aurantiorum 981 „ Benzoës 982


-ocr page 762-

REGISTER.

XXXIV

Tinctura Cantharidum 982 „ Castorei 983 „ Catechu 983 „ Chinae 984 „ „ composita 984

Cinnamomi 985 „ Colchici 985 „ composita AVhytii 984 „ Croci 986 „ Digitalis 986 „ Eucalypti 987 „ Ferri cydoniata 987 „ (xallarum 990 „ (xelsemii 990 „ (rentianae 990 „ Jpecacuanhao 991 „ .lodii 862 „ Lobeliae 991

Moschi 992 „ Slyrrhae 992 „ nervina Bestucheffi 993 „ Xncis voinicao 999

Opii 995 „ Quassiac 997

Ilatanhiae 997 „ Rhei aijuosa 997 Secalis conrati 999 Stiycbni 999 „ Succini 1000 ,, Valerianae 1001 Tincturae(en) 970 Tinctuur (Aloë-) 980

(Samengestelde)

980

„ (Arnica-) 980 „ (Barnsteen-) 1000 „ (Benzoë-) 982 (Cachou-) 983 „ (Castoreum-) 983 (Colchicum-) 985 ,, (Digitalis-) 98(5

(Duivelsdrek-) 981 „ (Eucalyptus-) 987 „ (Galnoten-) 99lt; •

(Gelsemium-) 990 „ (Gentiaan-) 990 „ (Ipecacuanha-) 991 „ (Kaneel-) 985

Tinctuur (Kina-) 984

„ „ (Samengestelde)

984

„ (Kwassie-) 997 „ (Kweeën-) (Ijzerhoudende) 987 „ (Lobelia-) 991 „ (Moederkoorn-) 999 „ (Muskus-) 992 (Myrrbe-) 992 „ (Opium-) 995 „ (Oranjeschil-) 981 „ (Ratanhia-) 997 „ (Rliabarber-)(W aterige) 997

„ (Saffraan-) 986 „ (Spaansche-Vliegen-) 982

„ (Strycbnos-) 999 „ (Valeriaan-) 1001

(Zenuw-) van Bestucheff 993

„ (Zure Aromatische) 979 „ van Ferriacetaat(Aethe-risehe) 974 Tinkal 109 Titratie 13 Toleen 101 Tolubalsem 101 Toluit\'era Balsamum 101

„ Pereira 98 Toluol 18 Toxiresine 335 Tragacant(ha) 1002 .. slijm 515 „ -soorten 1003 „ -vervalschimjen 1O03 Tragantbine 1002 Tragopogon {1 doemen v.) 322 Trichlooracetaldehyde 195 „ acetun 197 ,, azijnzuur 414 „ methane 195 Trij oodacetal clehyde 469

„ methane 468 Trimethylxantbine 209 Trinatriumphosphaat 692 Trioxvbenzol 715


-ocr page 763-

REGISTER.

XXXV

Tripliyllien 148 Trisulfuretimi kalicnrn 1004 Triticine 777 Triticum ropcns 777 Tritopine 032 Troclieta viridis 410 Trochisoi 1008

„ Bicarbonatis natrici 1008

„ Catechu 100!l „ Chloratis kalici 1010 „ Chloreti ainmonici 1010 „ ferrati K)11 „ Ipecacnanliae 1012 „ Santonini 1012 Tropazmtr 421 Tropeïnen 422 Tropine 421 TruxillcocaVne 432 Truxilline («- en /3 ) 432

„ zuur 432 Tubera Salel) 1013 Turfteer 703

Typha latifolia, august! folia (stuifmeel v.) 498

Umbelliferon 6()

„ -reactie 94

Uncaria (rambir 164 Unguonta 1015

TJnguontum Acctatis plumbici basic! 1017 „ Acidi borici J018 „ ad Scabiem 1028 „ Auteurietbii 1028 „ basilicum 1027 „ (\'arbonatis plumbici

1018

Carbonatis plumbici camphoratum 101!) Chloreti hydrargy-rico-ammouici 1020 „ de (iavou 1024 ,, diachylon Hcbrao

1020\'

Unguentum durum, molle Mielhe 1015

„ Elcmi 1020 „ Grlycei\'ini 372

Hydrargyvi 1021 Jodeti kalici I(»23 leniens 1023 51 emt ri i praoci]) i tati albi 1020 „ Mercurii praeeipitati

rubri 1025 „ IMezei-ei K124 „ neapolitanum ligt;21

„ nutritum 1017 „ ophthalmicum ru-

brnm 1025 „ Oxydi cuprici 1025

„ „ hydrargvrici

K gt;25

„ Oxydi In\'drargyi\'ici

Havi 1026 „ Oxydi zincici 1026 „ Paraffiui 1IÜ54 „ Picis 1027 „ simplex 1027 „ sult\'uratum composi

tum 1028 „ Tartratis kalico-sti-

bici 1028 „ terebinthinacoum

1029

„ viennense lo-JS Urginea maritima 125 Urson 349 Uva-Ursibladen 34H

V.

Vaccinium Myrtillus (hladen v.) 349

„ uligiuosum ( „ „) 34!»

„ Vitisldaca ( .. „) 349

Vacuum-apparaat 266 Valeriaanextract 13 „ olie 764, 622 „ „ -reactie 623 „ tinctuur lOOl


-ocr page 764-

RKGISTER.

XXXVI

Yaleriaauwortel 764

„ „ -vervalsclnngen

7()5, TGB, 7()7 „ zuur 704, 1\' *30 Valeveeii

Valeriana officinalis 7lt;)4

„ celtica (tvortclstokv.) 7C)() „ dioica ( „ „) 765 „ _ Phn _ ( „ „)765 Valerianas zincicus 1029 Valcrol 622 Van!IIine 98, 106. 571 „ (aethyl-) 885 Va ree 464 Varen extract 287 wortel 774

„ -vervalschingen 77(5 Vaseline ((iele) 1035

„ (kunstmatige) 1034 ,, -soorten 1036 „ (Witte) 1033 Vaselinum 1033

.. album 1033 „ tlavum 1035 Veliicula 1015 Veld-Salie [bladen v.) 343 Venkelolie 577

„ stoppelolie 578 .. vruchten 358 .. water 84

zaad-soorfe» 359 Veratridine 1037 Veratrine(um) 1037

„ -reactie 1039 Veratruni officinale 821

„ -soorten (wortelstok v.)

766

zuur 820 Verbascnm-soortoi {bladen v.) 330 Vermil joen 411 Verzeeping 258, 369 Verzeepingsgetal 101, 556 Vetten 51, 369 Vetzuurlichamen 11 Vina 1040

Vinca minor {bladen v.) 350 Vincotoxicum album, officinale {icortelstok v.) 7(13

Vinum amaruin 1044 „ Chinae 1044 „ Colchici 104(1 „ emeticum 1050 „ ferratum 1051 „ Ipecacuanhae 1047 „ Opii aromaticum 1047 ,. stibiatum 1050

Tartratis kalici f\'errati

1051

Vinvlalcohol 57

„ -reactie 57

Viti* vin i te ra 1U40 Vlier (gewone) 328 „ bloemen 328 „ gelei 785

olie 328 „ vruchten (versche) 3112 Voorloop 87t)

VruchteDsuiker 499. 777. 78ii W.

Walschot 168 Was (deel) 164

,. -soorten 166 Water ((Iewoon) 79

„ (Gedestilleerd) 82 Waterscheerling 400 Waterstot\' -bereiding 146, 180, 317. 909, 924 „ (su)peroxtvde 57 Watten 373

„ (Bloedstelpende) 375 „ (Carbol-) 3H1 „ (.Iodoform-) 380 „ (Jood-) 379 „ (Sublimaat-) 37(1 Weener Laxeerwater 4r)l Wierook (124

,, {gewone, wildé) 626 Wintergroenolie 619 Witheriet 139 Wit-Precipitaat 184

„ „ zalf 1020

Wonderolie 605 ,, zout 921 [ Wormkoekjes lo]2


-ocr page 765-

Wormkruid 325 „ „ olie B2t) ,, „ -soorten 326 Wijnen 1040

Wijn (Aromatische Opium-) 1047 „ (Bittor-) 1044 „ (Braak-) 1050 „ (Colcliicum-) 104() „ (Ipecacuanha-) 1047 „ (Kina-) 1044 „ (Spiesglans-) 1050 „ (Staal-) 1051 „ van Kaliumtartraat met Ijzer 1051 Wijnolie 55. 50 Wijn-onderzoek 1( )41 Wijnsteen ()5U

zuur 47 „ „ (diili-) 40

„ „ (hoor-) (J51

,, (meso-) 40 „ „ (para-) 48

„ -reactie 50, 08!•

X.

Xanthaline 033 Xanthine 200 Xanthopuccine 770 Xylenol 475 Xylol 18

IJ.

l.Jslandsch ]\\los 4S7 l.lzer 315

„ ((iereduccerd) 310 .. {pyrophorisch) 31S „ -bepaling 320. 321. Old „ r\\\\\\ov\\^Q-J)epalin(i (jn I Vatten) 370

,. houdende Eiwitoplossing 855

,, oplossing van Leras 800 „ oxyde {natuurlijk) 243 ,. poeder 314 „ -reactie 181, 1^2, 009

TER. XXXVII

Dzersafiraan 241

„ -verbindingen 315

Z.

Zaademulsiën 260

„ mantel 504 Zalf (Basisch-lioodacetaat-) lol 7 „ (Boor-) 1018 „ (Diachylon-) 1020 ,. (Eenvoudige) 1027 „ (Elemi-) 1020 „ (Garoe-) 1024 „ (Kalium jodide-) 1023 „ (Kalium-stihiumtartraat-) 1028

„ (Kamfer-) 1010 ,, (Kopcroxyde-) 1025 „ (Kwik-) 1021 „ (Kwikoxyde-) 1025

„ ((Teel- ,. -) 1026

„ (Loodcarbonaat-) 1018 „ ( „ „ -) met Kamfer 1019

„ (Jlercuridammoniumclilo-

ride-) 1020 „ (Mercuridoxyde-) 1025 „ (Geel- „ -) 1026 „ (Pik-) 1027 „ (Rood-1 \'reeipitaat-) 1025 „ (Wit- „ -) 102(» „ (Terpentijn-) .1020 ,, (Zinkoxyde-) 1026 „ (Samengestelde Zwavel-) K »2S Zalven 1015 Zeep (Aromatische) 804 „ (Kali-) 805 .. (lood-) 258 „ (Medicinale) 807 .. spiritus 880 Zenuwtinctuur van BestuchefF9!)3 Zeiineel-soorten 68 Zetpillen 941 Zilver 92, 526 „ glid 659 „ nitraat 525 ., „ (Gesmolten) 520


-ocr page 766-

v, 1 ^

REG1STKR.

XXXV11I

Zilveroxyde 527 „ • reactie 528 Zingiber officinale 782 Zink lilil „ -bepaling 933

carbonaat (basisch) 661 „ oxydo (li) l

„ zalf 1026 „ -reactie 925 .. sulfaat !I24 „ sulfophenylaat (130 valerianaat 1029 wit 661 Zoethoutextract 29(1 „ -soorten 749 stroop 833 wortel 748 Zout (Engelsch) 918 (Glaiiber\'s) it21 (Scblippe\'s) !t27 „ (Wonder-) 921 Zouten 150

{basische) 150 „ {dubbel-) 866, 912, 954

{normale) 111 ,, {zure) 111 Zuur (vrij) ■reactie {in zure zouten) 926

Zmir Aethylsulfaat met Spiritus

891 Zuren 150

„ {anorganische) 21, 26, 30, 34, 42

Zuren {organische) 11, 17, 23,38, 47, 643

„ {éénbasische) 11, 17,26,30, 38

„ (twee „ ) 42, 47 „ {drie „ ) 21, 23, 34 „ {halogeen-, zuur stofvrije) 26,

115, 453 „ {zuurstof-) 21. 30, 34, 42, 111, 172, 442 Zuurgehalte 101, 555 „ poeder 712 „ stof (545

„ „ -bereiding 173, 674 Zwavel 933, 1005

„ (Geprecipiteerde) 936 „ (Gezuiverde) 933 „ l)loemen(Gewasscben)933 „ di-) trioxyde 43 Zwaveligzuur 43

„ -reactie 28, 45

Zwavelkoolstof -reactie 619 „ lever 1004 „ verbindingen -reactie 657 „ waterstof -bereiding, -reactie 667

„ zalf (Samengestelde) 1028 „ zuur 42 „ „ (Verdund) 46 „ „ -reactie 44


-ocr page 767-
-ocr page 768-
-ocr page 769-
-ocr page 770-

i m Pi _ • ■__

-ocr page 771-

■ ... V^v,. •■■:■■ ■ - ■ u , ..... :, ■ •-:- •■ -y-;

\'\' ■ ■•« 1 Sskk:/** ^V.gt;-,-v.Cv-:^V! „Kc, V-I^X -Vr-. v *i^K^rtevlt; lt; yr^, :lt; ■ ^- ny; gt; ïr.

^ ItMï^ o-- gt;/; A

- \'y •;»• k ■ . quot;n - v\'t •■,■ . \' \'• -s.quot;... , ■■ • K ï\'■■ N ,, r- .\'ƒ• \' lt; .:quot; gt;. .\'.\'• \' \'\'\' ^ ƒ v • V* . . quot;V v •••\' V ^

\' h I tateh A\'Xr r1.!-.-S VK - ^\'^x\' ■ iOf ■■:■ yv\'-V\'-; ?, ^$X •■: ,lt; ■•gt;«.gt;■;\'• t

• quot;O:. *^w ^ ^ C-y. ^ - \'; v3v lt;vS/ ^ ^ vj\'- : 0 ^ e\' % ■ v- i ? gt; •. v »lt;Wc

%0i C-.\'■»•gt;,:••; \'ÏITa O\'-\'-\' -l gt;; OVVv-\'-l

| ^—-yj\'\'* )fC . l-. \' . gt;.•quot;•• \'■••/v-■\'.■r i .VV i quot;vgt;y**\',*/„*• i ïsfs i quot;xKw- •_ x . v\'-\'v , v/Cx „* (. xV* jSr» x;)-. C-ygt; ÏXXsJ1

-ocr page 772-