Ier gelegenheid der
BEDEVAART NAAR BRIELLE.
-..op?..--
M I.
pelgrimslied
ter eere der H.H. Martelaars van Gorkuin.
Wijze: Maria\'s heeld te midden.
Wij gaan te beevaart henen
Naar Brielle\'s martelaarssteê,
Daar dankbaar ons vereenen
In lofgezang en beê;
Bidt Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimsscharen, Gij ónze, gij ónze Heil\'genl bidt voor ons.
2. Wij gaan ter grafsteê knielen Waar gij uw leven boodt:
O bidt voor onze zielen
En nu en in den dood;
Bidt Neêrlands Martelaren,
Voor Neêrlands pelgrimsscharen,
iJ onzei gij ónze Heil\'gen! bidt voor ons.
Per.
Vak 167
419
2
3. Daar richlen wij onze schreden,
Met ingekeerd gemoed,
Langs \'t pad door U betreden, Verheerlijkt door uw bloed;
Bidt Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimsscharen, Gij ónze, gij ónze Heü\'gen! bidt voor ons.
4. Daar zal de bron ons drenken
Der heil\'ge waterkom,
Waarbij ge uw bloed mocht schenken
Voor \'themelsch heiligdom;
Bidt Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimscharen, Getrouwe, getrouwe Strijders! bidt voor ons.
5. Daar geuren nog de bloemen
Ons toe van uwe deugd ;
Daar zullen wij U roemen
Als onze kroon en vreugd 1 Bidt Neêrlands Martelaren!
Voor Neêrlands pelgrimsscharen, Geliefde, geliefde Heil\'gen! bidt voor ons.
6. En gij, als in ons midden ,
O Gorkurns Heldenschaar!
Gij zult daar met ons bidden
Bij \'t U gewijd altaar;
Daar gloriepalm en kroonen Voor ons aan Jezus toonen,
Geliefde, geliefde Heil\'gen! bidt voor ons.
3
7. Daar gaan wij \'tweer belijden ,
\'t Geheim door U geloofd;
Aan Jezus\' Bruid ons wijden En aan haar heilig Hoofd;
Daar , Jezus Moeder roemen,
En met U zalig noemen,
Gekroonde, gekroonde Helden! bidt voor ons.
8. Maar keert niet pelgrimsscharen,
Of eerst smeekt gij op \'tgraf Van Neêrlands Martelaren,
Het heil van Neêrland af;
Dat Jezus zaam ons hoede,
Aan d\'eigen disch weer voede, Gij onze, gij ónze Heil\'gen! bidt voor ons.
m 2.
EERBOETE-LIED*
Wijze: Wees gegroet op kindertoon.
1. Jezus! Offer van \'t Altaar,
l), door \'t ongeloof bestreden, U, door Gorkums Heldenschaar Tot hun jongsten snik beleden: Jezus, U zij lof bereid ,
Nu en tot in eeuwigheid.
4
2. U, in \'tHeilig Sacrament
Ons ten gastvriend, spijs en leven, U door \'t ongeloof miskend ,
Door uw Mart\'laars hoog verheven: Jezus! U zij lof bereid ,
Nu en tot in eeuwigheid.
3. \'s Vaders en Maria\'s Zoon!
Ach! wat al ondankb\'ren steken Zoon en Moeder naar de kroon;
Wij dan met uw Mart\'laars spreken ■ U en Haar zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
4. Hemelkoning! ook gehoond
In de U dierb\'re vriendenkringen, Die Gij met uw glorie kroont,
Hoor ons met uw Mart\'laars zingen: U en hun zijn lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
5. U, gesmaad in \'t Heilig Hoofd Der vereende Christenscharen, U, in hem door \'t bloed geloofd. Onzer trouwe Martelaren:
U en hem zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
G. Jezus! in uw Kerk bespot,
Met haar macht, haar leer en leven, U, haar Bruidegom en God!
5
Door uw Mart\'laars luid verheven : ü en haar zij lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
7. U , voor wien zich alle linie
Over \'t gansch heelal moet buigen , Dat het U dan hulde biê Met uw heil\'ge Bloedgetuigen: U zij aller lof bereid,
Nu en tot in eeuwigheid.
M 3.
SMEEKLIED
lot onze H.H. Martelaars, als onze geliefde üeschemiers.
Wijze: Maria\'s beeld te midden.
i. Na werelds strijd en lijden,
In Jezus kracht volbracht.
Geniet gij zijn verblijden,
En deelt zijn gloriemacht;
O laat nu goede Heil\'gen! Uw voorspraak ons beveil\'gen Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
6
2. Wij nog bij \'s levens plagen,
Wij zijn in zielsgevaar;
Ach, hoort ons klagen, vragen,
Dat ons uw hulp bewaar\';
O laat dan, goede Heil\'gen! Uw voorspraak ons beveil\'gen, Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
3. Komt Satan ons bekoren,
Lokt vleesch of wereld aan:
Wilt onze ameekstern hooi en, Ach helpt! of wij vergaan.
O laat dan, goede Heil\'gen! Uw voorspraak ons beveil\'gen Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
4. God kroonde uw aller leven
Met glorierijken dood;
Mocht op uw beê Hij geven,
Dat ik zalig d\'oogen sloot.
Laat dan, o goede Heil\'gen! Uw voorspraak ons beveil\'gen. Geliefde Beschermers! bidt; o bidt voor ons.
5. O waar ge in d\' eeuw\'gen vrede
Nu Jezus\' aanschijn ziet:
Verwerft mij door uw bede.
Dat ik uw heil geniet!
O laat dan, goede Heil\'gen! Uw voorspraak ons beveil\'gen, Geliefde Beschermers! bidt, o bidt voor ons.
7
,M 4.
SMEEKZANG
tot onze (iorkiimsche Martelaars als Palroonliciligen. Wijze; Komt tot mij!
1. Heil\'gen Gods! (bis.)
Waar ge in \'s hemels Koren
\'t God\'lijk aanschijn ziet,
Wilt het smeeken hoeren Van ons pelgrimslied;
Heil\'gen Gods! (bis.) Gij Patronen, ons in \'t leven ,
En in \'t stervensuur gegeven Bidt voor ons! (bis.)
2. Dienaars Gods! (his.)
Aan uw Heer en Koning
Hebt ge uw dienst gewijd, Groot is uw belooning,
Groot als de aardsche strijd; Dienaars Gods!
Ach daar wij in véél ontbreken, Wilt voor ons bij Jezus spreken, Bidt voor ons!
3. Vrienden Gods! (bis.) (3 wat zoet vertrouwen
Wekt dit min\'lijk woord! God zal ons aanschouwen,
8
Die uw beê verhoort;
Vrienden Gods!
Wat gij vraagt zal Hij ons schenken Blijft ons dan bij Hem gedenken, Bidt voor ons!
■4. Heil\'gen Gods! (bis.)
Méér, neen, dan uw leven
In uw folterdood,
Méér kondt gij niet geven Dan uw liefde bood;
Mart\'laars Gods!
Naar uw liefde is uw vermogen,
Ziet ons aan met mededoogen,
Bidt voor ons!
5. Heil\'gen Gods!
Dienaars, Welbeminden,
Mart\'laars van den Heer! Om zijn gunst te vinden Zingen we U ter eer;
Heil\'gen Gods!
Tot Patronen ons in \'t leven En in \'t stervensuur gegeven,
Bidt voor ons!
9
JVg 5.
SMEEKLIED
tol onze Gorkumsclie Martelaars, als Bescliermlieiligcn voor een zaligen dood.
Wijze: Wien Neêrlands bloed.
1. Klink\' Neêrlands Kerk uw feestgeschal
Voor kind\'ren van uw grond;
Voor Gorkums heilig Broedertal Klink luid uw lofzang rond! Ten derdenmaal kwam \'t Eeuwgetij
Van hun roemruchten dood,
Toen voor \'t geloof die Heldenrij Zich God ten offer bood.
2. Verhef, mijn Kerk van Nederland!
De glorie ons geschied;
Want neen! volmaakter offerand
Dan \'t leven, is er niet.
En niet een vlugtig oogenblik
Schonk hun de zegekroon:
Eerst lange, bange stervensschrik Verwierf hun \'themelsch loon.
3. Maar daarom is hun marteldood
Zoo kostbaar in Gods oog,
Spreekt nog die liefdedaad, zoo groot. Voor ons bij Hem omhoog;
10
Voor ons, v/ant de onzen waren zij,
Van landaard, taal en bloed, En daarom, Neêrlands Heldenrij !
Neem onze hulde en groet.
Maar vraag ook dierb\'re Broederschaar!
Dat, om uw martelpijn,
God ons van alle kwaad bewaar\'
En we eenmaal met U zijn!
Die in \'t geloof zijt voorgegaan,
Trouw tot den folterstrik,
Vraagt, dat ook wij onwrikbaar staan Tot d\'allerlaatsten snik.
En daar gij eerst na strijd op strijd
Uw zegepalmen wont,
En nieuwe Schutspatronen zijt
Voor \'s levens jongsten stond: O vraagt dan om uw Jubeluur,
O vraagt bij Jezus\' troon,
Voor ons een zalig stervensuur En \'t eeuwig glorieloon.
11
m 6.
AFSCHEIDSLIED DER PELGRIMS,
Wijze: Oostenrijksch Volkslied.
1. Heil, o heil ons, Broederleden!
Pelgrims in dit aardsche dal,
Samen brachten we onze beden Op het graf van \'t Heldental, En herdachten hoe zij streden, ) ^ In ons dankbaar lofgeschal. j
2. \'t Was ons, of uit hooger kringen
Op het plechtig zegefeest,
Daar een stem tot ons kwam dringen,
Zoet als van een hemelgeest:
«Weest ook Jezus\' volgelingen, I ^ «Zóó als wij het zijn geweest!»)
3. Met hun heldenmoed voor oogen,
Die de wereld overwint.
Die den kampstrijd heeft voltogen
En ten einde toe bemind,
Smeeken we in ons onvermogen: ) ^ «Sterk, o God! uw wank\'lend kind.» {
4. Maar gegrift ook is\'t daarbinnen:
God, die\'t hoort, ziet op ons af. Trouw ook willen wij beminnen.
Trouw tot in den dood en \'t graf Om den glorie kroon te winnen I ^ Dien Hij onzen Broeders gaf. ) 1 \'
12
5. Laat het, dankb\'re pelgrimskoren
Aan het eind der pelgrimsbaan,
Laat het aarde en hemel hooren,
Wat in ons is omgegaan:
\'tZij voor God en mensch gezworen,) , . Vast in ons geloof te staan! j is\'
6. Zóó dan spreekt gij: «Amen, Amen!»
«Met de hand op \'t hart geleid «In den heü\'gen Naam der namen
«Van Gods oppermajesteit,
«Vader, Zoon en Geest te zamen, ) ; • «Amen in der eeuwigheid.» j ns\'
13
M 7.
AFSCHEIDSGROET, i.
Eenig en:
Ter Martelaars-stede
bij \'t heilig gebeent\',
Heeft God op hun bede
zijn gunst weêr verleend.
Allen:
O Marflaars U
die trouw ons behoedt,
U rijze nu
deez\' dankbare groet.
2.
Eenigen:
Daar smeekten we weder
en zongen uw lof;
Gij zaagt op ons neder
van \'t hemelsche hof.
Allen:
Aan U, aan TJ
die sterk in den strijd,
O Marflaars nu
deez\' hulde gewijd.
14
3.
Eenigen :
Wij , vol van vertrouwen ,
wij keeren nu weêr: O, blijft ons aanschouwen
en bidt bij den Heer.
Allen:
Aan U, aan U
gij troosters in smart O Mart\'laars nu
ons minnende hart.
4.
Eenigen:
Gij bidt om Gods zegen
in al onzen nood Op al onze wegen;
in \'t uur van den dood.
Allen:
Aan ü aan U,
vol liefd\' en vol macht, Zij Mart\'laars! nu
ons afscheid gebracht.
5.
Eenigen:
Doch eerst nog een bede
voor d\' onzen gedaan Die reeds in Gods vrede
van hier zijn gegaan.
15
Allen:
Met U, met ü
behage onze beê ( . .
„Geef Heer! hun nu,
geef d\' eeuwigen vreê!quot;
8.
Eenigen:
Nog wenden wij d\' oogen
naar het minnelijk oord,
Waar God in meêdoogen
ons smeeken verhoort.
Allen:
his.
Aan ü, aan U,
die trouw ons behoedt O Mart\'laars! nu
deez\' dankbare groet.
IMPllIMATUR.
MAARSSEN. J. G. H. C. ESSINK. Augustus 1887. Lïbr. Cms.
Drukkerij S. Cregoriushuis.