-ocr page 1-
-ocr page 2-

T

TIE EERE DEK

/allerzaligste JV^aagd

EN

yvloeder j^odsyvlarla,

DOOR

v A. I. A. HENS,

• E, K. Pr.

kerkelijk goedgekeurd.

TWEEDE DRUK.

Drukkerij der Thomas a Kempis-Vereeniqina ^ ZWOLLE -1885.

V k164

:ht ■ bhoiheak ^7

-ocr page 3-
-ocr page 4-

Pt H . /A

éamp;8

VOOR DE MEIMAAND.

20

GEZANGEN

TER EERE DER

irialstelgenloeÉGodsIn

VAN

^L. 3. (Ken s,

B. K. Pr.

TWEEDE DEUK.

-ocr page 5-

IMPRIMATTIIl.

OTTO ANT. SPITZEN,

Libr, Cens.

Zwollae, 1 April 1881.

-ocr page 6-

INHOUD.

5Vgt;. Blz.

1. Meilied...............4

2. Bij een versierd Beeld der Onbevlekt Ont

vangen Maagd...........6

3. Jubellied ter eere der Onbevlekt Ontvangen

Maagd..............S

4. De groet des Engels..........10

5. Loflied op Maria\'s Naam........12

6. De beteekenis van Maria\'s Naam.....14

7. Maria\'s Verhevene Waardigheid.....16

8. Maria\'s Liefde............18

9. Maria\'s Glorie in den Hemel......20

10. Maria onze Hulp in den strijd......22

11. Onze plichten jegens Maria.......24

12. Ter eere van O. L. Vrouw der Zeven Smarten. 26

13. Ter eere der Moeder van Smarten . . . .28

14. Bij een Beeld van Onze Lieve Vrouw van

het H. Hart............30

15. Begroeting van ü. L. V. van het H. Hart. . 32

16. O. L. V.van het H. Hart Toonbeeld der Ver

eering van \'tGod\'lijk Hart.......34

17. De Macht van O. L. V. van het H. Hart. . 36

18. Loflied op den Rozenkrans.......38

19. Loflied op het Scapulier........40

20. Smeekzang tot Maria om een zaligen dood. 42

-ocr page 7-

I.

Meilied*

—J—.—f—gt;-

HEMt H

tf—t—=

1. Zingt nu, Ma - ri - a\'s kind\'-ren, De

2. \'t Is nu een maand van ze - gen: Ma-

3. Laat steeds een lof - lied klin - ken, Een

4. Tooit nu met groen en bloe-men. Met

5. Laat zacht het was - licht flikk\'-ren In

l.schoon-ste maand van\'tjaar,Demaandvan groen en ri - a staat be - reid. De han -den vol ge-3. lof - zang die be-haagt Aan Haar, de vlek-ke-bloe- men rijk van kleur,HetBeeldderdeug-den 5. lie - fe - lij - ken glans. Ver-siert er meê Haar

--Jirrpr

-i_.—i—£

SF T H

—* d * —

l. bloe-men, De mei-maand is weer daar: Brengt na - de Naar al - len uit - ge -spreid: Snelt loo - ze En rei - ne Moe-der-maagd;Slechts rij - ke, Met bloe-men rijk aan geur; Doohj i.Beelt\'-nis Als met een star-ren-krans; Biedt 3

-ocr page 8-

• ^

~1. nu in blij - de zan - gen Der

^2. al - len vol ver -trou - wen, In

j; 3. dan kan Haar be - ha - gen Het

4. biedt Haar ook uw har - te, Een

5. ook een vlam-mend har - te. Een

ES

1. Moe - der van den Heer, Der

2. de - ze maand zoo schoon. Tot

3. lof - lied dat Haar prijst, Als

4. hart dat schitt\'-rend prijk\'. Met

5. hart dat vu - rig mint; Wat

m

1. Moe - der van ons al - Ion, Ma-

2. Haar, die wij be -groe - ten Als

3. het uit rei - ne har - ten Tot

4. de al - ler-schoon-ste bloe - men, Een

5. an - ders eischt een\' moe - der Dan

i I

=3=3e=i=31n;

1. ri - a, lof en eer.

2. den ge - na - den-troon.

3. Haar ten He - mei rijst.

4. hart aan deug- den rijk.

5. lief- de van haar kind!

I

-ocr page 9-

6

II.

Bi] een versierd Beeld der Onbevlekt Ontvangen Mas.gdt

PEjf;

1. Wat sprei-den die licli-ten Een lier-lij-ken

2. Ter ee - re derVrou-we Met star-ren ge-

3. Op God kaatst die luis - ter, Het glo-rie-licht

4. Br klinkt o -verdeaar-de Een ju - be-lend

5.//Ge-groet Gij, o vlek\'-loos Ont-van - ge - ne

6. Tot God stijgt die juich-toon, Van lof en van

7. Wat stij-gen ge - be - den Zoo in - nig van

8. Ook klimt er een smee-kend Ge-bed, on-ver-

9. Die dank en dat smee-ken Dringt door tot Gods

5—gr

].glans, Wat vor-mendiebloe-menEenschitt\'-ren-den 9.kroond,En on-der wier voe-ten De maan zic;i ver-

3. weer, Datschit-te-rend fon kelt Ma- li - a ter

4. lied; Hetstijgt door de wol-ken In \'tstar-ren ge-

5.Maagd,Die ee - nig vol-ko -men Aan God hebt be-

6. dank. Om Je - zus, om Hem is Die Le - lie zoo

7.gloed, Tot U On-be-vlek- te, Uit dank-baar ge-S.poosd, Om guns-ten en ga-ven, Om red-ding of 9. troon. Ma- ri - a dankt me- de En smeekt tot Haar

_CS-

-ocr page 10-

7

üH

:È=zÈi:

i.krans; Wat wordt er een pracht en Een luis- ter ont-S.toont; Wier hiel er den kop plet Van\'thel-scheser-

3. eer. Ter ee - re der Rei - ne, Der vlek\'-loo - ze

4. bied ; Het dringt tot de ko -ren Der he - me - len

5.haagd, Ge-groet Gij, o Le-lie Vandoor-nen om-

6.blank; Ons lied mo-ge klin-ken Ma-ri- a ter T.moed, Tot dank voor den ze -gen, De guns- ten zoo S.troost, Om tra - nen van boe- te Tot Haar, die al-9. Zoon; En als dan de God-menschDe Vlek\'-loo-ze

-t-

plooid, Ter ee - re der Vrou -

pent. Dat mach - te -loos kronk\'-

Maagd, Die, Je - zus ze dan -

door, De za - li - gen zin -

ringdquot;, Is \'t lied waar-meê de aar -

eer Ons lof - lied ver - heer -

groot. Het troos-ten in lij -

leen Als Le - lie te mid -

ziet, Ver-smaadt Hij ons dank

-t — Met Om Haar Ons Uw Haar Het Van Ons

- we ■lend ■kend, gen de lijkt den, den

1.

zon -

licht

ge -

tooid!

3.

d\'aard-

bol

zich

wendt.

3.

glo -

ne -

kroon draagt.

4.

lied

meê

in

koor.

5.

groot -

heid

be -

- zingt.

6.

Zoon,

On

- zen

Heer.

7.

red -

den

uit

nood.

8.

door -

nen

ver-

-scheen.

9.

smeek -

-ge -

- bed

niet.

A

é

-ocr page 11-

III.

Jubellied ter eere der Onbevlekt OntYangen Maagd*

iTz

1. O Le - lie on - der door-nen, ü

2. Be-straald door \'tlicht dos Gees- tes Sprak

3. O Moe- der! wat een vreng-de, Wat

4. Wie meldt ons al - le gun -sten Wie

5. Wij blij - ven U be - zin - gen In

t=z=*z

t=*—t-

1.prijst ons ju-bel-lied, Dat ons in blij - de

2. Pi - us\'tblij-de woord, Dat on-der jui-ehend S.glans en heer-lijk-heid Werd toen door al Uw

4. al - le ze - ge -ning, Die de aard\' door de

5. ju - be-lend ak-koord. Wil on -ze voor-spraak

f

1.stem - ming Aan \'t kin-der-hart ont-schiet; Wij

2. jub\' - len Weer-klonk van oord tot oord: Ma-

3. kind\'- ren Voor U ten toon ge-spreid? Wie

4. Onbe-vlekte Van dien tijd af ent-ving? Tot

5. blij - venj Gij wordt al - tijd ver-hoordjNiets

-ocr page 12-

9

EEEt:

1. lo - ven U, o Moe-der, U On - be -vlek- to

2. ri - a werd, o Glo-rie, Ont-van-gen zon - der

3. telt de lof-ge-zan-gen Wie al het eer-be-

4. dank voor al diegnns-ten Her-ha - len w}j het

5. zal ons Je-zns weig\'-ren Als Gij het voor ons

t-

1. Maagd; Die toen Gij werdt ont-van-gen Aan

2. smet. Ma- ri - a heeft het hel-sche Ser-

3. toon. De rns - te - loo - ze be - den Die

4. blij: Ma - ri - a werd ont-van-gen Van

5. vraagt. Neen Je-zus kan niets weig\'-ren Aan

-yTquot;1quot;!---i--

--i_i—

-sc: \'—H

--cd--

1. God reeds hebt be - haagd.

2. pent den kop ver - plet.

3. op - gaan tot üw troon?

4. al - le smet - ten vrij.

5. de On- be - vlek - te Maagd.

-ocr page 13-

10

IV.

Dg Crost des Engels»

-------i---ISk---1--j--=*--IW:--f—

-«-

--H-q---f-g-9-m------1——

c \'-j i-tquot; ^ - •»—j-y

1. Wees ge - groet Gij vol ge - na - de,

2. »»» » » » * » O. » » D » » » 1- »

4. » » S »»»S »

5. De voor - spel - ling is be -waar-heid

6. \'tWees ge -groet dat uit den ha - mei

~v———-

---- ■

p f f

r

v ly w 1 quot;

r 1 -

1. Zoo sprak eens Gods af - ge - zant;

2. Bidt het kind op moe -ders schoot,

3. Klinkt reeds in den mor - gen - stond,

4. Klinkt dan zacht dan luid van toon,

5. »Zie van nu af zul - len mij

6. Op deze aarde is neer - ge - daald,

-y- ———i ^ ——

—i--a—fw-

#=£3=^3—3=

----J—j—

1. En die groet klinkt nu reeds eeu - wen

2. Bidt de moe - der, bidt de va - der,

3. Klinkt des mid - dags en des a - vonds

4. Bij het glij - den der ko - ra - len

5. De ge - slach - ten za - lig prij - zenquot;, p. Wordt ter eer van Je-zus Moe-der

-ocr page 14-

11

1. O - ver zee en o - ver land.

2. Bidt elk Chris-ten tot den dood.

3. On - der klok - ge -kle - pel rond.

4. Van den ro -zen-krans zoo schoon.

5.\'tWees ge - groet her- ha - len zij.

6. In den He - mei ook her-haald.

m i-

L J J J y-i\' -

W—

f • • •-i-)

1—5. La-ten wij on - tel - b\'re ma - len 6. Een-maal in de He - mel-krin-gen

3

5. \'t He-melsch Wees ge-groet her-ha-len;

6. Ho - pen wij in koor te zin-gen,

1—5. Zin - gen wij vol lief - de - gloed: 6. Met een Se - ra - fij - nen -gloed:

-ö---1—^5—* » *

l

—*—#-Q---

v; 0 .L ^

-1 1

-5, O Ma-ri-a wees ge-groet! 6. O Ma - ri - a wees ge - groet!

-ocr page 15-

12

V.

Loflied op Maria\'s Haartu

|l

1. Uw Zoe-ten Naam, Ma - ri - a, heb ik

2. Uw Naam zoo zacht, Is stree-lend maat ge-

3. Uw Naam vol kracht. Hij sterkt ons bij het

4. Uw Naam zoo teêr,Schenkt tra-nen van ba-

5. Uw Zoe - te Naam, Staat diep mij in het

i

1.vroeg ge - we - ten; Uw Zoe - ten Naam Riep

2. luid indeoo-ren; Uw Naam zoo zacht Ver-

3. ban-ge strij- den; Uw Naam vol kracht Be-é.rouw aan deoo- gen; Uw Naam zoo teêr Brengt 5.hart ge-schre-ven; Uw Zoe-ten Naam Bind

i

1. ik reeds aan, de hand-jes zaam. Als kind op

2.Bmoort ter-stond de bitt\'- re klacht; Wat wee ons S.dwingt ter-stond des Sa -tans macht; Zal van zjjn

4. zon -daars tot Uw Je - zus weer; Ja hoe ver-

5. ik met-Dien van Je - zus zaam; Zal in mijn

EE

-ocr page 16-

18

4-p-Q-l

-S=V-4

\'—i é | é

1.moe-der schoot ge - ze - ten, En \'kzal in

2.hart ook moog door - bo - ren, Wij zijn ge-

3. lis - ten ons be - vrij - den; Helpt ons de é.stokt zij we - zen mo - gen. Zij wor - den 5.1aat-sten snik nog zwe - ven. En een - wig

1.\'tdoods-nur niet ver - ge - ten: Uw Zoe-ten Naam.

2.troost, als wij slechts hoo-ren: UwNaamzoozacht.

3. zon -den steeds ver-mij-den;UwNaamvolkracht.

4. door Uw Naam be-wo-gen;üwNaam zoo teêr.

5. zing ik na dit le -ven: Uw Zoe-ten Naam.

-ocr page 17-

14

VI.

De feeteelienrs van Maria\'s Kaam.

1. Op - per Eo - uin - gin, He - mel-

2. Aan den He - mei - trans Schit - tert

3. Zee vol bit - ter - heid, Hoe hebt

4. Naam door God be - reid, Naam vol

j|ï-:E!5r=EiEEtE

1. sche Vors-tin Lnidt Uw Naam, o Ma-

2. Gij vol glans, Ster der Zee, o Ma-

3. Gij ge-schreid. On - der \'t Kruis, o Ma-

4. heer - lijk- held, Zoe - te Naam, c Ma-

-ocr page 18-

15

j*-S--—0 pquot; [quot; -

1. En in \'s He-mels dre - ven, O - ver

2. Bij de ziels - ge - va-ren, Voer ons

3. O met kin - der - har - ten Min-nen

4. In de He - mei - krin-gen, U - wen

-J-4

1. ons, o Ma - ri - a.

2. vei - lig Ma - ri - a.

3. wij U, Ma - ri - a.

4. Naam, o Ma - ri - a.

i

-ocr page 19-

16

VII.

Maria\'s yerheYene waardigheid*

i

1. 0 Ma - ri - a, Wg ver - ee - ren

2. God zag reeds met wel - be - ha - gen

3. Al - tijd heb - ben de ge - slach - ton

4. On - be - vlekt Ont-van-gen, bleeft Gij

5. In het hoogst des He-mels straalt Gij

%

U, om U - we waar - dig - heid,

2. Voor de schep-ping op Uw beeld,

3. Hun - ne hoop op U ge - eteld,

4. Ook van al - le zon - de vrij,

5. Aan de zjj - de van Gods Zoon,

U, de Moe - der On - zes Hee -ren,

2. Gij hebt voor \'t be - gin der da - gen

3. Van Wie Zij het Heil ver-wacht-ten,

4. Vol ge - na-deen deng-den streeft Gij

5. En met kroon en schep-ter praalt Gij —-3- .1——m—•

i

ü zij eer en lof be - reid:

2. Reeds voor Zij - nen Geest ge -speeld;

3. Den Mes - si - as hun voor-speld :

4. Al - le schep-sel ver voor - bij; 5.1.0p Uw Ko - nin -gin - ne - troon,

-ocr page 20-

17

—C—

1. God heeft U zeer hoog ver - he - ven,

2. Toen het mensch-dom had ge -zon-digd,

3. Bij de vol -beid van de tij - den,

4. Doch -ter van Gods wel - ge - val - len,

5. En met al - le He - me - lin - gen,

; :

1. Hier op aar - de bij nw le - ven,

2. Werdt Gij reeds ter-stond ver-kon-digd, S.Kwaamt Gij,Maagd,deez\'aard\' ver-blij - den

4. God de Zoon koos bo - ven al - len

5. Wil-len wij Uw lof be-zin-gen

1. En voor een - wig staat Uw troon,

2. Dnid- de God reeds op de Vrouw

3. Als de da - ge - raad zoo schoon

4. U tot Zij - ne Moe-der nit,

5. En wjj wij - den U dit lied,

1. Naast den troon van Zij - nen Zoon.

2. Die de slang ver- plet - ten zon.

3. Van de Zon: des Va - ders Zoon.

4. En Gods Geest nam D tot Braid.

5. Moe-der, o ver-smaad het niet.

-ocr page 21-

I

VIII.

Maria\'s lisfdc.

E.-Fis.

i

1. Wat lief - de hebt Gij ons be - we - zen,

2. «Zie hier de Dienst maagd mij-nes Hee - ren,

3. Gij droegt Uw Zoon ten tem-pel he - nen,

4. Gij leedt met moe - der - lij - ke lief - de

5. Gij leedt dat Je - zus van U scheid-de,

6. Gij hebt toen Je - zus hing te ster- ven,

7. En in den He - mei hoog ver - he - ven

3--S

1. Hoe in - nig hebt Gij ons be-mind; Uw Moe-der

2. O, mij ge-schie-de raar Uw woordquot;; Dat ee-ne

3. Uw ee -nig Kind zoo teêr be - mind. Om zóó Uw

4.Voor ons een ma - te - loc ■ ze smart, Een ze -ven

5. Dat Hij U voor een poos ver - liet, En on - ze

6. O Moe-der, on-der\'t kruis ge-staan. Wij naoch-ten

7. Op U -wen Glo-rifi- rij -ken troon, Blijft Gijj o

-ocr page 22-

19

-0-Tf

•-*

lief- de zij ge - pre - zen, Aan-hoor het woord reeds kan ons lee - ren. Van welk een Of - fer te ver - eê - nen Met \'tof-fer , vou - dig zwaard door-klief- de, Ma - ri - a , red -ding voor - be -reid - de; Om ons droegt

6. IT van Je -zus er - ven; Gij naamt ons

7. Moe - der, al - tijd le - ven. Blijft Ge on - ze

1. lof - lied van Uw kind: Ik prijs de lief-de

2. liefde Uw Har - te gloort; Gij wil - det eens, o

3. van Uw God\'-lijk Kind; GijboodtHem God den

4. steeds Uw Moe-der-hart; Gij o -ver-woogtin

5. Gij dat zwaar ver-driet; Ver-droegt Gij dat Uw

6. tot Uw kind\'-ren aan; Gij of - fer-det Uw

7. voor-spraak bij Uw Zoon; Zóó wor-den wij door

1. van Uw Hart Dat on-der\'tkruis ons baarde in smart.

2.Moe-der mijn! De Moe-der des Ge-kruis-ten zijn.

3. Va-der aan. Dat Hij voor ons ten dood zou gaan.

4. die-pen rouw Al wat Uw Je-zus lij - den zou.

5. Lie- ve -ling Voor \'theil der men-schen ster-ven ging.

6. God\'-lijk Kind;Zóó,Moe-der, hebt Gij ons be-mind.

7. U be-mind,\'kWil U be-rnin-nen, als uw kind.

-ocr page 23-

20

IX.

Maria\'s Glorie in dsn HemeL

* M

1tF7

1. Als de Ko - nin - gin des He - mels,

2. O wat lais - ter - rij - ke stra - len,

3. Al - le Hei - li - gen en Eng\' - len

4. Wij ook men - gen on - ze zan - gen

=if--

1. Met de star - ren tot een krans,

2. Welk een God\' - lijk Glo - rie - licht,

3. Zin - gen jui -ehend Haar ter eer,

4. In het ju -b\'lend He -mei - koor.

i

1. Met de maan aan Ha - re voe-ten,

2. Schit-t\'ren op Ma - ri - a ne - der,

3. Al - le glo - rie haar be -we - zen

4. On - ze zwak - ke ju - bel - to - nen

*--J—b

1. En ge - kleed in zon - ne glans,

2. Uit het God\'- lijk aan - ge - zicht 3.Straalt op \'tGod\'-lijk We - zen weer: 4. Drin-gen tot Ma- ri - a door;

-ocr page 24-

21

$

1. In het hoogst des He -mels, ze - telt

2. Van den Zoon die Haar als Moe - der,

3. Zij be - zin - gen \'sVa-ders Doch-ter,

4. Hoe ver - he - ven Zij daar ze -telt,

i

1. Aan de zij - de van haar Zoon,

2. Van den Va-der die Zijn Kind,

3. En de Moe - der van den Zoon,

4. Hoe-veel Glo - rie God Haar biedt.

.i

1. Je - zns Vlek - ke - loo - ze Moe - der

2. Van den Heil\'-gen Geest den Brui-gom

3. En de Bruid des Heil\'-gen Gees-tes,

4. Eeu-wig blijft Zij On - ze Moe-der,

i

EE

1. Op Haar Ko - nin - gin -ne-troon.

2. Die Haar als Zijn\' Bruid \'be-mint.

3. Glo - rie van de He -mei-woon.

4. Zij ver-geet Haar kind\'-ren niet.

t,

é

-ocr page 25-

22

X.

Maria onze hulp in den strijd

Naar het Duitsch

1.0 Xo - nin - gin vol heer - lijk-heid, Ma-n

2. O Maagd en al - Ier maag-denKroon,Ma-ri

3. O lief, o hei-lig Moe-der-hart, Ma-r;-

4. O Mor-gen- ster na dnis-t\'ren nacht,Ma-ri

5. .0 le - lie-rei -ne He - mei-pooi t,Ma-ri

1^=

0--1-1--L-

É * *

1. a I Tot hulp der Chris-te -nen be -reid, Ma-ri

2. a ! Uw God en Schep-per werd Uw Zoon,Ma-r

3. a ! Gij leedt voor ons zoo bit-t\'re smart,Ma-r

4. a ! Ver-licht cns met Uwhel-d\'repracht,Ma-r.

5. a ! Ont-sluit voor ons het He-mel-oord, Ma-r

Vs-TF

J J 15.

r-1

VU O.\'

# J

1. a ! Zie ik ben Uw on - der - daan,

2. a! Bid Uw Kind op U -wen arm,

3. a ! Laat die ma - te - loo- ze pijn

4. a! Als wij zin -ken in den vloed,

5. a! Geef barm-har-tig ons ge-hoor.

-ocr page 26-

2S

-A-tf-

1 Ster-ke Maagd, voer Gij ons aan; O help ons

2. Dat het on - zer zich er -barm; » » »

3. Niet voor ons ver- lo -ren zijn; » » »

Ja

=? ^

-ri-•ri-ri--ri~ -ri-

qiSj

s?ci — —

-ri •

-r

-r

-ri-

-rl-

4. Ster der Zee geef nieu-wen moed; » » » f Laat ons tot Uw Je - zns door. gt; » »

l-^z

iEsEE

1. itrij-den Op al - le tij-den, In al-len nood, Tot

2. » » quot;O » » » X» » » » » » » »»»»»»»»» »

3 l

-i- i - : i ,

1.T3

--

----

y~i=r-

—»-)—«—

:ZS=rfl

. aan den dood, Ma - ri - a I

I, » » » ^ » »

-ocr page 27-

24

XI.

Onze plichten jegens Maria*

1. Moe - der U ver - eer - en wij,

2. Aar-de en He-mei - ko - nin - gin,

3. Moe - der die ons teêr be - mint,

4. Moe - der wij be - lo - ven nn,

5. Op TJ rich-ten wij den blik

jpEsgEgiiEgiEE^1

1. U zoo hoog door God ver - he - ven,

2. Al - les kunt Gij ons ver - wer - ven,

3. Om uw ma - te - loo - ze lief - de,

4. U te die - nen heel ons le - ven,

5. Om Uw deug-den na te f.tre - ven,

3b—-j

—l—i--t—

—j—J-j--

-é--

--

■ -^j

1. O, wat zijn Uw\' kin - d\'ren big

2. U - we voor-spraak roe - pen we in,

3. Om het off\' - ren van Uw Kind,

4. Steeds te doen al wat aan U,

5. Om tot on - zen laat - sten snik

-ocr page 28-

25

|F-=^;ÉÉsis^dEij==g;

1. Om de glo - rie TJ ge - ge -ven;

2. En bij le - ven, en bij ster - ven,

3. Om het zwaard dat U door-klief - de

4. Je -zus Moe - der vreugd kan ge -ven;

5. Als Uw kind\'- ren steeds te le - ven;

1. ü, o Moe - der van Gods Zoon,

2. Bij ge-vaar, in al - len nood,

3. Toen Ge ons baar - det in veel smart,

4. O Gij zegt ons, doet slechts al

5. Om voor eeu - wig, bij Uw Zoon,

3=i- ^

lt;-7

1. IiO - ven wij op kin - der - toon.

2. Vlnch - ten wij aan ü - wen schoot,

3. U be -mint ons kin- der - hart.

4. Wat mijn Je - zus zeg-gen zal.

5. Ook te dee - len in üw loon.

-ocr page 29-

26

XII.

Ter eerc van O» L. Yrouwderj Zeven Smarten» 1

---1--1-1---H—

—\' • *

t=i 3 -3

--0--

1. O Ma - ri - a, ze - ven zwaar - den

2. Si - me - on, in geest- ver - voe - ring,

3. Achl Gij wist hoe\'tnaoor-dend zwaard reeds

4. Zelf hebt Gij het ons ver - kon - digd

5. Met het schand\' lijk kruis be - la - den 6.Schrei-en - de o - ver-stelpt van droef - heid

7. Je -zus werd, van\'tkruis ge- uo - men,

8. Gij aan-schouw-det hoe t)w Je - zus

9. Moe-der \'k deel in U - we smar - ten,

^—i

1. Dron-gen door Uw Har - te heen;

S. Kon - dig - de U zoo vroeg reeds aan,

3. Naar het Hart van \'tKind- je zocht;

4. Met wat smart Gij zocht naar \'t Kind,

5. Af - ge - mat, ge - heel be - bloed,

6. Hebt Gij on - der \'t kruis ge - staan,

7. Neer-ge - legd op U - wen schoot,

8. Neer-ge - legd werd in het graf;

9. Ach! wat leedt Gij maat\'-looa veell

-ocr page 30-

27

Duld dat ik in die -3. Dat een zwaard van fel -

3. Gij moest vluch- ten naar

4. Dat Gij na drie droe-

5. Ging Uw Je - zus naar

6. En Gij ^aagt Uw Je -

7. Ach Gij peil - det al

8. En het zwa - re graf-

9. Vraag aan Je - zus dat

■heid

- te

- te gen

-berg • ven,

- den

- te ra aal

pe droef-Ie smar-E - gyp-ve da -den kruis-zus ster-de won -ge -steen -ik een -


s=

- ten

- der

- g®. den Uw door zoo Uw ver -

met

- hart ban -tem -Zoon \'t Har-

wreed Zoon

- blij -

smar Moe lan in

Gij

speer Kind, van Uw

1. Om Uw

2. Door Uw

3. Wat een

4. Eind\'-lijk

5. Zóó hebt

6. En de

7. Van Uw

8. Scheid-de

9. Ook in

ü ween; zou gaan; ge tocht! pel vindt; ont-moet; - te gaan; ge - dood; U af; den deel;

=3—3--1=quot;;

——

1—8. Moe - der - har - te. Ach wat smar-te, 9. Na Uw lij-den Was ver-blij -den.

I

- w m

1—8. Wat een pijn Moest de U -we zijn! 9. U be-reid In eeu -wig-heid!

-ocr page 31-

28

XIII.

Ter eere der Moeder Yan Smarte,

Naar het Duitsch

2

1. O Hart, o al - Ier droe-vigsi Hart! Hoe

2. Zij zag Haar Je - zns bleek en dood, Be-

3. O tra-nen-vloed, o tra-nen-zee! Wat

4. Als zelfs de zon geen licht meer geeft. Do

5. Wij bid-den ü, o Vlek\'-loos hart, Bij

1. groot, hoe groot was U - we smart. Wat

2. dekt met won -den bloe-dig rood, Aan

3. tra - nen van het bit-terst wee Ont- *

4. steen-rots splijt en de aar-de beeft. En

5. al Uw l^ed, bij al Uw smart, Door

1. hebt Gij veel ge - le - den! O

2. \'t kruis on - schul-dig han - gen; Van

3. stroom- den aan dat Har - te! Die

4. kla -gend schijnt te stee - nen; Wie

5. Je - zus dood en lij - den, Ver-

-ocr page 32-

29

it—

1.zwaard van smart, Ma - ri - a\'s Hart, Hebt

2. welk een smart Moest toen het Hart, Der

3. tra - nen-vloed En Je - zus bloed. Zij

4. zou dan niet Om \'t groot ver- driet Van

5. krijg dat wij Van zon - den vrij, Voor-

1

1. gij zoo diep door - sne - den.

2. Moe - der, zijn be - van - gen !

3.stroom-den saam in smar - te.

4. Je - zus Moe - der wee - nen ?

5. taan de zon - den mij - den.

E3:

-ocr page 33-

30

XIV.

Bij een Beeld Yan Onze Lieve Yrouw van het H Hart»

1. Waar - om wijst Gij ons Dw Kind-je,

2. Wilt Gij dat wij al - len ken - nen

3. Wilt Gij on - ze lief - do wek-ken

4. Vraag voor ons dan de ge - na - de

1. Bran - den - de van lief - de -vlam-meu,

2. En be - sef - fen, met wat lief - de

3. Dat ver -teerd van lief- de - vlam -men

4. Vraag dat steeds het Hart van Je - zus

1. Met de door-nen-kroon ge-kroond,

2. \'t God\'lijk Hart ons steeds be- mint ?

3. Voor ons stierfin bitt\'- re smart? .

4. Door ons zij ge - kend, ge - eerd;

-ocr page 34-

31

ifcfc ; i-1-

—H-H--,--1--

rt~~ é—^—quot;H—d

----•---ë--0---

1. Met het krais er bo - ven prij-kend,

2. Wilt Gij dat wij \'t Hart ver- ee - ren

3. Wilt Gij dat wij Je - zus die - nen,

4. Dat wij steeds Zijn Hart be-min-nen,

1. En de bree - de wond ter zij;

2. Dat met goa-den Inis- ter straalt,

3. Doen al wat Zijn Hart be- geert,

4. Al - les doen wat Hij ge - biedt,

1. Waar - om toont Gij zóó Uw Kind- je,

2. In den stra- len-krans der glo - rie,

3. Zijn ver - he - ven voor-beeld vol- gen,

4. Steeds Zijn voor-beeld mo - gen vol- gen.

--1--—-I--1-(-—1--i---1 -f- —

1. O Ma - ri - a zeg het mij.

2. Op den lij-dens-weg be-haald?

3. Dat ons al - le deng-den leert ï

4. Wei - ger ons die be - de niet.

-ocr page 35-

32

XV.

Begroeting van

0. L» Y r o u w

van het H

Hart»

y_. ....

Yfoe-\\-gt;-----

--j-----1-

^

-«L # ^^ -j

1. Lie - ve Vrouw van

\'t Hei - lig Hart,

2. gt; gt; » »

» » »

3. » » » »

gt; » »

4. » » » »

» » »

5. » » » »

» » »

mm

1. Rei - ne Maagd Die be - haagt

2. Gij zoo schoon, Met Uw Zoon,

3. Gij zoo goed. Wou-der zoet, ■4. Gij zoo zacht, Zoo vol macht, 5. In den nood, Tot den dood,

|W=^PrP=prilill

1. Aan het Har - te van Uw Kind,

2. Die Zijn Hart aan-schou-wen laat,

3. Lie - ve Moe - der van den Heer!

4. O be - veel ons aan Uw Kind,

5. Eoep ik U - we voor-spraak in.

-ocr page 36-

33

1. Dat ü kin - der - lijk be -mint,

2. Dat in laai - e vlam-men staat,

3. O wat ziet Gij zacht en teêr,

4. Aan Zijn Hart dat zóó be - mint,

5. Vraag dat ik met ziel en zin,

i

1. Wr,,ar-in Gij Uw vreug - de vindt;

2. En ons lief heeft zon - der maat; 8. Met Uw Je - zus op ons neer;

4. Maar te wei - nig lief - de wint;

5. ü en Je - zus Hart be - min;

1. Wees ge - groet Moe - der zoet,

2. » » j» » » »

3. » » » gt; » »

4. » » » » » »

5. » » » » » »

i

1. Wees met Je - zus Hart ge - groet!

2. » » 3gt; » » » gt;

3. gt;»»»»» »

4. » »»»»» »

5. »

-ocr page 37-

34

XVI.

0 L Yrouw van het IL Hart Toonbeeld der Yereering van het God\'lp Hart»

C=D)

1. U Zoe - te Lie - ve Vrou - we, U

2. Hoe dik -wijls hebt Ge in vreug- de Ge-

3. Hoe me - nig ma - len laagt Gij Met

4. Hoe-wel de Zoon de Moe - der Voor

5. Bij\'t ster-ven van üw Je - zus Hebt

6. Toen Je - zus was ver - re - zen Vcl

7. ü Zoe - te Lie-ve Vrou- we, U

4-

33=1

1. die de Moe-der zijt Van Je - zus Hei-lig

2. rust aan \'t God\'-lijk Hart, Hoe vaak daar troost ge-

3. diep ont - zag be -zield. Met teed\'- re moe-der-

4.\'smen-schen heil ver-liet. Hun Bei - der Har-ten

5. Geon-der\'t kruis ge-staan. Gij zaagt o Droe- ve

6. glo -rie uit den dood,Zaagt Gij\'tnog o -pen

7. die de Moe-der zijt Van Je - zus Hei-lig

mm

ü zij dit lied ge - wijd; Gij In droef-heid en in smart; Hóe , lief-de. Voor\'tGod\'-lijk Hart ge-knield; En . ble-ven Ver- ee-nigd,scheid-den niet, Bij , Moe -der. De speer door \'t Har- te gaan; Gij , Har - te. Dat Gij aan \'t Har- te sloot, En , Har - te, ü zij dit lied ge-wijd; Geef

Har - te, von -den

-ocr page 38-

35

. -0-,

1. hebt het eerst van al - len Dat

2. dik - wijls [J - we liel - de Aan

3. o - ver - woogt de deug - den, De

4. Je - zus lij - den hebt Gij, Mn-

5. naamt zijn ziel - loos Li - chaarn Op

6. eeu - wig hoog ver - heer-lijkt Op

7. dat ik op Uw voor-beeld Het

i

1. Hart ver-eerd, be - mind. Gij min - det, tee - dre

2. Je - zus Hart ver-klaard. Aan\'t Hart on-ein-dig

3. lief - de van dat Hart, En deel - det in Zijn

4. ri - a, in Uw Hart, Met Je -zus\'Hart ver-

5. U -wen schoot,vol smart. Gij hebt\'tge- o -pend

6. U -wen glo -rie-troon, Ver-eert, aan-bidt, be-

7. Hart van Je - zus eer\' En eeu-wig Hetaan-

:=t

ESE

1. Moe-der. Het Har - te van Uw Kind.

2. min-nend. On - ein - dig min-nens waard?

3. blijd-schap, En deel - det in Zijn smart.

4. bon - den. Ge - deeld in al Zijn smart.

5. Har - te Ge - drukt aan \'t Moe-der- hart.

6. mint Gij Het Hart van U -wen Zoon.

7. bid - de, Be - min - ne meer en meer.

i

-ocr page 39-

36

XVII.

De Macht van Onze L. Yrouw van het H» Hart»

(E^Fis)

mmm

1. Lie- ve Vrouw van \'t Hei-lig Har-te,

2. Veel ver- mag een\' goe - de moe-der

3. In üw Glo - rie, o Ma - ri - a,

4. Ook om ons te hel - pen zijt Gij

i

1. Hoor den lof - zang ü ge - wijd,

2. Op het goe- de hart van \'tkiud;

3. Blijft Gij Moe-der van Gods Zoon,

4. Als een\' Moe-der steeds be - reid;

i

im

»-

U die op het Hart van Je - zas Waar ooit vond men zulk een Moe-der. Die, ook met Zijn raensch-heid ze -telt Je - zus is ons al - Ier Broe-der,

-«•t

Veel, ja al - ver - mo - gend zjjt;

2. En door znlk een Zoon be - miad ?

3. Op den God - do - lij - ken Troon;

4. Blgffc het in Zijn heer- lijk - heid j

-ocr page 40-

37

1. U, o Eei - ne, vlek - ke - loo - ze,

2. Ter vor-val -liug U -wer wen -schen

3. Je - zus blijft U daar er - ken - nen

4. Moe-der! niets zult Gij ons weig\' - ren

1. Ne - de - ri - ge Moe - der - maagd,

2. Was op aarde Uw Zoon be - reid;

3. Eeu-wig blijft Hij daar Uw Kind,

4. Nu Gij ze - telt op Uw troon;

-3

—i—

m-—J—d—•--,!-

—-4-

—j-4—

l. 2.

3.

4.

Die om Uw\' ver Zou Zijn Hart aan Eeu-wig wordt Gij Al - les kunt Gij

^ ë

- he -

ü als ons

ven iets de ver-

deng weig\' Moe -knj-

■ih

den - ren der, gen

1. Aan Zijn God\'-lijk Hart be -haagt.

2. Nu Gij troont in heer - lijk - heid ?

3. Door Zijn God\'-lijk Hart be - mind.

4. Van het Har- te van Uw Zoon.

-ocr page 41-

38

XVIII.

Loflied op den Rozenkrans»

(Q—F)

■-]rz=zÉz

1. U Ro - zen - krans be - min ik Reeds

2. O Ro - zen - krans, ik eer ü, Ver-

3. O Ro - zen - krans hoe lief-lijk, Hoe

4. O Krans met Uw ge - hei -men Der

5. Eens, als ik lig te ster-ven. Zal

6. Ma -ri - a éë - ne be - de, O

1. van mijn vroeg- ste jeugd, Ik zal U nooit ver-

2. he-ven he-melsch pand. Dat we aan Ma- ri - a

3.won-der-schoon zijt Gij, Hoe gen -rig zijn Uw

4. lief-de van mijn God, U wil ik vaak be-

5. ik met klam- me hand, U metüwKruis-je om-

6. wei-ger mij die niet: Gij gaaft me een krans op

-* • :

1. la - ten, In droef-heid of in vreugd;

2. dan - ken. Aan Ha - re Moe-der-hand;

3. ro - zen. Wat deug-den mei-den zij;

4.schou-wen, Ver - zon -ken in ge - not;

5. vat - ten, O heer - lijk He-m el-pand ; fj, aar - de. Die nim - mer mij ver - liet;

-ocr page 42-

39

i *

t

1. Tot het oo-gen-blik Van mijn

2. Moe - der van den Heer, ü zij

3. O, hoe won-der-zoet Klinkt Uw

4. Leer mij On - zen Heer Min - nen

5. Ook zult Gij mijn lijk. Dier - baar

6. Schenk mij nog een krans, Schitt\'- rend

£==^1

1. laat-sten snik. Bij dag, bij nacht blijft

2. dank en eer, Voor\'tgroo-te lief - de-

3. wees ge-groet; Hoe dik wijls ook ge-

4. meer en meer. En prent diep in mijn

5. lief • de - blijk, Dat mij mijn Moe-der

6. en vol glans; Schenk mij dat lief - de-

1. Gij, O Ro - zen - krans mij bij.

2. blijk, Aan he - mei - gun - sten rijk. S.hoord Steeds klinkt het zoet dat woord.

4. hart Uw glo-rie, vreug-de en smart.

5. gaf. Nog vol ■ gen in het graf.

6. blijk Eens in het He - mei - rijk.

t

-ocr page 43-

40

XIX.

Loflisd op het ScapuliSi.

(G—A)

--m-0 - w---( •_

O Kleed dat mij Ma - ri - a gaf. \'k Wil Gij Kleed gij zegt mij te al - ler-tijd, Dat Gij Kleed be-schut ons in \'t ge-vaar, Wij O heil-zaam Kleed waar-aan zoo - veel 6ê-Gij Kleed her- in - nert mij hot kleed Van O Kleed ik leg U nim-mer af Bij

-ö ^

1. al mijn lo - vens - da - gen. Na

2. ik met ziel en zin - nen Ook

3. heb - ben niets te dach - ten, Wordt

4. na - den zijn ver - bon - den, Door

5. \'t een- wig Brui - loft vie - ren, Dat

6. Ie - ven noch bij ster - ven, Gij

-ï*

1. mij - nen dood nog in het graf, ü

2. aan Ma - ri - a ben ge - wijd, Ma-

3. on - ze vij - and U ge - waar. Dan TJ ook boe - ten wij een deel Der

5. als do Ko -ning bin -nen-treedt, Me als . zult mjj vol-gen in het graf, O,

rt:—f-

1. 2.

3.

4.

5.

6.

Ie

-ocr page 44-

41

i=

2. ri • a moe

3. moet hij ^ ij 4^ straf -fen on rgt;» brni -lofkB-ga.\' (f. mQogt Ge inii -lings vluch- ten ; Ma-

rr zon - den ; Be-

rrioat sie - ren ; Mayor - wer - ven ; Dat

al - tijd lij - ven dra - gen; Bij t be - min - nen ; Dat


—\'— — quot; ———i— — } I ■! ~ I

-e ■ 3----« • 1 *-•--*-

1. dag bij nacht steeds zijt Go mij, O

2. ik ge - kleed ben als een kind, Van

3. ri - a\'s kind\' - ren deert hij niet, Als

4. scherm ons in het ster-vens-unr, Ver-

5. ri - a, o ver-krijg voor mij, Dat

6. ik als trouw Ma - ri - a - kind. Ge-

-4-1-

-4.--«-—*---•

1. Sca - pn - lier, ten feest - klee - dij.

2. Haar, die mij als Moe - der mint.

3. hij Ma - ri - a\'s klee - ding ziet.

4. kort voor ons het Va - ge - vuur.

5. ik daar - me -de om-han - gen zij.

6. na - de in Je - zus 00 - gen vind.

-ocr page 45-

42

XX,

Smeekzang tot Maria om è2n zaügsn dood,

1. Aan den eind-paal van ons le -ven,

q »an jet sterf- bed van Uw Je -zus

d. Moe-der zoudt Gij ons dit weig\'-ren

4. Als de vij - and on - zer zie - len

ö. A s ons vrees en angst be-sprin-gen

6. Als wij met ge- bro -ken oo-gen,

/. Ach, als wy den geest gaan ge -ven.

-»--»-

i-l^e.t,?ad\'-ren van den doolt;l,

Abtondt Gij Hem vol smart ter zi]

3. Moe -der die ons teêr be - mint:

4. .Nog een laat- ste po-ging waagt, o. Aan de poort der eeu-wig- heid. 6. Op het sterf-bed uit - ge - strekt, /. in t be - slis -send oo - gen - blik.

____SE

o\' /Jni \'le.\' uuri \'ie\' al - be - slis-send\', own W1J al ~len zi-in Uw kind\'-ren, d. Welkeen moe-der zou niet zor - gen 4. En met al zijn kracht en lis - ten

6. Als wij sidd\'-ren voor de vier-schaar, b. He-der hg -gen met de doods-kleur,

7. Dat ons voert in \'t an-d\'r« le - ven,

^3