Onze Geleiders
gt;0 t\' ©\'t1 ir@Ba HANDBOEKJE ter waardige viering van de
VLAAND jSEPTEMBER,
door een R. K. Priester.
KEHKELT.IK GOEDGEKEUKD.
Schiedam, VAN PINXTEEEN amp; Co. 188 8.
\'ér.
/aki 64 oh
^,..,.Qtheëk_
Jin: /64 8±o
INLEIDING.
God heeft in Zijne goedheid de \'wereld yeschapen, met al wat er in en op is. Hij heeft in Zijne liefde ook den Hemel bevolkt met zuivere geesten, die door geen stof gebonden, Hem zouden dienen en lofprijzen gedurende gansch de eeuwigheid. Die onstoffelijke, onlichamelijke wezens heeft Hij een tweevoudig doel ter bereiking aangewezen. Op de eerste plaats moeten xij Zijn Grootheid, Macht, Majesteit, Goedheid, Liefde, Barmhartigheid en Rechtvaardigheid onophoudelijk bezingen en op de tweede plaats, als Zijne gezanten. Zijn last volbrengen en den men-schen kenbaar maken en als Zijne dienaren bescherming uitoefenen over Zrijne Kinderen hier op aarde. Enkelen van hen zijn als » bijzondere beschermers aan de mensehen gegeven; zij zijn als de wachters op den
Goleidors. 1.
toren, om in oogenblikken van gevaar ie waarschuwen tegen de listen en lagen des aanvallers. — Zij xijn als de gewapende krijgers, die de. zivakken en vermoeiden moeten omringen en veilig heen voeren naar de plaats der bestemming en der rust. Anderen zijn als bepaalde verdedigers aan den mensch gegeven, opdat zij als Engelbewaarder den hun toevertrouwde zouden bewaren tegen de zonde, bewaren voor den Hemel, opdat zij het aan hunne zorg toevertrouwde pand tegen den boozen vijand beschermen, dims gebeden aan God opdragen, diens ziel in het uiterste beschermen zouden. — Geen wonder dan, dat de 11. Kerk de Engelen gaarne vereert en door ons ziet vereeren; dat zij ons vermaant dikwerf de hulp van onzen Engelbewaarder in te roepen vooral hij moeielijk-heden, beproeving en boven alles ten tijde der bekoring. O, mocht gij aan dien wensch der Kerk gevolg geven en in deze maand dagelijks de bescherming afsinee-Icen van Gods HH. Engelen, opdat zij u op al uwe wegen bewaren en veilig overvoeren naar het Hemelsch Jerusalem.
EERSTE DAG.
Overweegt mijne ziel, dal er Engelen zijn. De H. Schrift leert het ons op menige bladzijde, alwaar Zij ons het bestaan dei-Engelen duidelijk mededeelt. De Engelen zijn zuivere geesten, zij zijn onstoffelijke zelfstandigheden, zij hebben dus geen eigenschappen, die den lichamen toebehooren, zooals uitgestrektheid, deelbaarheid, kleuren. De psalmist zegt van de Engelen: God die Zijne Engelen maakt tot winden en Zijne dienaren tot een vuurvlam. Zij zijn ontelbaar velen, gelijk wij bij Daniël lezen: duizenden van duizenden dienden hem en tienduizend maal honderdduizend stonden hem ter zijde of bij den H. Joës, in het boek der openbaring: En hun getal was duizend van duizenden. Daar zijn ook graden van rang bij hen, de eene is hooger dan de ander. Zoo zijn de Aartsengelen verheven boven de gewone Engelen. God heeft ze allen geschapen en uit vrijen wil ze uit het niet te voorschijn geroepen. Hij stelde ze in zulk een toestand, dat zij belooning of straf konden verdienen. Eeni-gen maakten een slecht gebruik van hunne
_ 4 —
vrijheid en gaven toe aan de zonden. En hunne misdaad werd aanstonds gestraft met de eeuwige straf. God wierp hen uit de hoogte des Hemels in den afgrond dei-Hel; deze zijn de duivels of (Je booze geesten. Anderen volhardden in het goede; Zij bleven getrouw aan hunnen Schepper, aanbaden Zijne Goddelijke Majesteit en verheerlijkten Zijne eeuwige raadsbesluiten; Hun werd het geluk des Hemels, het vereenigd zijn met God voor alle eeuwigiieid geschonken. Zij zijn de goede Engelen, die onophoudelijk den wil des Hoeren volbrengen en het driewerf Heilig Hem onafgebroken toezingen. O, mijne ziel, verlevendig uw geloof aan de leer der Kerk omtrent het bestaan der Engelen. Do H. Schrift leert het u en de quot;Vaderen getuigen het luide, dat er tallooze geesten door God zijn geschapen, geesten, die geen lichaam hebben en die in den Hemel eeuwig zalig zijn, terwijl eenige hunner om hunne hoovaardigheid in de vlammen van het eeuwig vuur gestraft worden. Erken Gods Almacht, goedheid en liefde. Hij kan die geesten scheppen, uit het niet voortbrengen, Hij wil ze roepen tot het genot der eeuwige
zaligheid; uit vrijen wil en vrije liefde laat Hij ze deelen in Zijne oneindige glorie. Wat zijt Gij groot, o God, hoe wonderbaar in Uwe werken!
TWEEDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat Engelen zijn zuivere geesten, door God geschapen en tot het geluk des Hemels bestemd. Helaas! eenigen verzetten zich tegen den Allerhoogste en moeten hunne hoovaardigheid in alle eeuwigheid boeten door de pijnen van het helsche vuur. De anderen hebben de proef goed doorgestaan en volhard in hunne onderwerping en trouw aan hunnen Schepper en genieten voor immer de zalige geneugten des hemels. Overweeg verder, mijne ziel, dat die geesten verhevener aard bezitten dan de menschen. Deze immers nemen slechts den tweeden rang in de klassen der redelijke wezens in; deze hebben betrekkingen met de geestelijke en met, de stoft\'elijke wereld; deze worden door het lichaam nog gebonden aan de stof. Maar
de Engelen zijn zuivere geesten; onlichamelijke, onstolTolijke wezens. Zij bezitten een hoogere natmir, clan elk ander schepsel, dan de mensch zelfs, van wien de psalmist getuigt: Gij hebt hem een weinig beneden de Engelen gesteld. Door de eigenschappen hunner hoogere natuur zijn zij licht, lijn, bezitten zij groote snelheid, om zich te verplaatsen, kunnen zij gemakkelijk iets doordringen, beschikken zij over een uitgebreide, schoon beperkte kennis van het Goddelijk Wezen. Wij lezen van hen in de H. Schrift, dat zij God loven, aanbidden, dat zij voor Zijn troon staan, Gods aanschijn zien; bij den H. Lucas, dat Zij zich verheugen over éenen zondaar, die zich bekeert; in den eersten brief van den H. Petrus, dat Zij begeerig zijn n te zien in den H. Geest. Ja, in zijn tweeden brief getuigt dezelfde Apostel nadrukkelijk voor hun voortreffelijker natuur, als Hij zegt, dat Zij grooter zijn aan sterkte en macht dan de mensclien. De H. Augustinus verklaart dan ook, dat de natuur der Engelen al het overige geschapene in waardigheid te boven gaat. Overweeg, mijne ziel, de redenen, die gij hebt, om de Engelen bijzondere vereering
te bewijzen. God schonk ze gvootore voorrechten, gaf Ze een diepere kennis van Zijn H. Wezen; Zij omringen Zijn troon en genieten de aanschouwing van Zijne Goddelijke Majesteit. O, gij moet bijzonder van daag Hun lot\' bezingen, Hen hulde bewijzen, Hen om hunne bescherming en voorbede vragen, opilat gij eenmaal met Hen wordt toegelaten tot de vreugde van de Hemelsche Bruiloftszalen.
DERDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, do verhevene natuur der Engelen, waardoor Zij al het andere geschapene overtreffen, maar overweeg tevens den eerbied, die gij Hun verschuldigd zijt. De goddelijke en opperste eer komt alleen toe aan God;-Hem alleen mogen we aanbidden, goddelijke hulde bewijzen. Maar eer betuigen van een geringen orde mogen we aan de schepselen, ja, moeten wij aan sommige van hen. Zoo moeten wij onze ouders en overheden eeren; zoo moeten wij don Keizer geven, wat de»
Keizers is. De Engelen nu in den Hemel kunnen wij vereeren, mogen we onze hulde aanbieden en we behoeven niet te vreezen, dat wij daardoor Gods ongenade over ons aftrekken, of dat wij daarmede te kort doen aan de eer, die Gode verschuldigd ia. Immers alles, wat wij in de Engelen prijzen, hun waardigheid, hun ijver voor de glorie des Allerhoogsten, hun volmaakte kennis van het Goddelijke Wezen, hun Turige liefde voor hun Schepper hebben zij van God ontvangen, dien wij als de Bron van al hunne gaven erkennen. Doet gij te kort aan den Koning, als gij Zijn gezant eert? Is het niet juist een erkenning van des Konings grootheid, die gij in Zijn dienaar en door uwen eerbied huldigt? Geef aan de menschen wat hun verschuldigd is; de eer, aan wien^ere toekomt, zegt de Apostel, en de H. Bernardus roept uit; Eer elkeen overeenkomstig zijne waardigheid! Zij zijn verheven boven ons, zij bezitten bovennatuurlijke gaven, overeenkomstig hunne hoogere natuur; zij zijn onveranderlijk getrouw aan hunnen Heer. Abraham wierp zich dan ook op den grond, toen hij de Engelen in zijne tent ontving.
— O —
Daniël bewees dezelfde eerbetuiging aan den Engel, dien hij op den oever van de Tiger zag. God zelf beval aan de Israëlieten, om Hem te vreezen en te eerbiedigen, dien Hij hun zond, om hen naar het beloofde land heen te leiden. Wil dan, mijne ziel, niet beangst zijn, dat gij een Gode ongevallig werk verricht, als gij de hulp der Engelen inroept; als gij hen door bewijzen van eerbied goedgunstig jegens u wilt stemmen. O, gij kimt den Schepper loven en verheerlijken in de werken Zijner handen, gij kunt alle glorie tot Hem doen keeren, van wien alle gunsten over de Engelen zijn uitgegaan. Zij zijn en blijven schepselen, dienaren des Allerhoogsten, maar God verlangt en beveelt, dat gij Zijn Engelen vreezen en eerbiedigen zult. HH. Engelen bidt voor mij.
VIERDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de betrekking, die er bestaat tusschen de Engelen en ons. Zij zijn geesten, zuivere geesten, onstoffe-
Geleiders. 2.
— 10 —
lijke, onlichamelijke wezens. Wij hebben, wat onze ziel betreft, een groote overeenkomst met Hen. Immers onze ziel is insgelijks geestelijk, onstoffelijk, onsterfelijk; door de mededeeling der Goddelijke genade zijn wij hunne medeerfgeuamen geworden van het Hemelsch Koninkrijk. Eenmaal zullen we, naar de hope die in ons is, hunne gelukzaligheid mogen deelen. Als wij uitverkoren zijn en tot het aantal der Hemelingen behooren, zullen Zij vermeerdering van glorie ontvangen, omdat wij bestemd zijn om hunne verliezen te herstellen en de plaatsen aan te vullen, die door de afgevallen Engelen zijn ledig gelaten. Wij zijn reeds met Hen vereenigd door den band der genade en door de gemeenschap der Heiligen. Zijn Zij kinderen van God wij zijn het insgelijks. Zij tellen mede in de gemeenschap der Heiligen, aan welke wij gelooven krachtens de belijdenis van ons geloof, omdat de gemeenschap met Hen op verscheidene gronden steunt en wij met Hen door de heiligste banden vereenigd zijn. Krachtens dien vereenigingsband moeten wij Hen eerbiedigen, op hunne voorspraak ons vertrouwen stellen en hunne
— 11 —
tusschenkomst inroepen. God zelf deelt ons in de H. Schrift mede, dat Hij door hunne bemiddeling den menschen hulp verleende. Zij zijn bezorgd voor ons heil; Zij verheugen zich, als wij boetvaardigheid doen; Zij zijn bedroefd, als wij éen van de kleinen ergeren. O. laten wij dan ons zeiven dikwerf herinneren aan de betrekking, in welke wij staan tot de Engelen des Hemels; hunne grootheid, hunne verhevene bestemming, hunne gelukzaligheid menigmaal overdenken, om ons zeiven op te wekken tot inspanning aller krachten, ten einde er geen eeuwige scheiding tus-schen Hen en ons eenmaal ontsta. Bedenk, dat uwe ziel van oneindige waarde is, en bestemd, om na dit sterfelijk leven, in alle eeuwigheid voort te bestaan; dat gij ook tot het kindschap Gods geroepen zijt. dat uwe plaats in den Hemel reeds is aangewezen, opdat gij uwe lofliederen met de jubelzangen der Engelen in alle eeuwigheid vereenigen zult. Eoep dan met vertrouwen hunne bescherming af, vraag God, dat Hij Zijnen Engelen aangaande u bevele, opdat gij niet struikelt, uw voet niet stoot aan den steen der zonde en eens met Zijne
Engelen Hem loven moogt.
—lt;HC3eHgt;—
VIJFDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat de Engelen de gezanten Gods zijn. De Allerhoogste heeft hunne hulp niet noodig. Door Zijne Almacht kan Hij alles wat Hij wil en op het zelfde oogenblik, dat Hij het wil. God sprak; Er zij licht, en het licht was er. Nochtans gebruikt Hij den dienst Zijner Engelen, die juist daarom dien naam dragen, welke afgezant, gezondene beteekent. In hunne oprechte en vurige liefde tot den Allerhoogste is het hun grootste geluk, Zijn H. Wil te mogen doen. Zij aanschouwen Zijn Goddelijk aangezicht en lezen in Zijn Goddelijk quot;Wezen Zijn verlangen, Zijne begeerten. Zijn wil; en op het zelfde oogenblik, dat Zij kennis dragen van Zijn Wet, vervullen Zij haar met de uiterste zorg, met de stipste nauwkeurigheid. Zij volbrengen den Hun opgedragen last en verschijnen aan Abraham, aan Jacob, aan Mozes en de andere Profeten. Toen Agar wanhopig was,
— 13 —
omdat zij haar dorstend kind geen lafenis kon aanbrengen door een teuge waters, zond God Zijn Engel tot haar, om haar te troosten en hulp te verleenen. Bij de wetgeving op Sinaï liet Hij de geboden door de bediening der Engelen afkondigen. Werd niet Loth met de zijnen door een Engel uit Sodoma geleid? Beveiligde God niet door Zijn Engel de jongelingen in den brandenden oven tegen de vlammen? Daniël, was het niet Gods Engel, die u redde uit den leeuwenkuil? Petrus, riep niet Gods Engel u uit den slaap? Bracht Hij u niet veilig door de wachten heen, tot de ijzeren poort, die naar de stad leidde en u van zelve openging? Heeft niet een Engel de Apostelen verlost, die door den Joodschen hoogepriester en zijne aanhang in de gevangenis waren geworpen? God spreekt en Zijn Engel kondigt de blijde boodschap aan ïlaria. Jesus\' leven wordt bedreigd door het moordend staal van Herodes, en Gods Engel waarschuwt den H. Joseph. O, mijne ziel, overweeg de vreugde, waarmede de Engelen Gods H. Wil vernemen, om aanstonds Zijne bevelen ten uitvoer te brengen. Zij achten zich gelukkig door het
— 14 —
vertromven, dat de Koning der Koningen in Hen stelt en beschomven zich als Zijne gehoorzame dienaren. Geen morren, geen tegenspreken komt te pas, als de Heer Zijn dienstknecht, do Koning zijn onderdaan beveelt. Hoe gedraagt gij u, beschouwt gij u ook als de nederige dienstknecht des Heeren?
-£3—6e«ES-ZESUL DAG.
Overweeg, mijne ziel, de onwankelbare trouw, waarmede de Engelen hunnen Heer dienen. Hunne onschuld is nooit, door de geringste vlek zelfs niet, bezoedeld geworden; de zuiverheid hunner genegenheden is altijd dezelfde gebleven; de kracht hunner liefde tot God, de vurigheid van hun ijver voor Zijne glorie heeft nooit eenige vermindering ondergaan. O, hoezeer moet ons hart bij de gedachte hieraan met vreugde vervuld worden. Wij stellen immers belang in de verheerlijking van God, wij zijn toch niet onverschillig aangaande de eer van onzen Schepper; wij gevoelen immers
— 15 —
liefde voor Hem in ons hart en zijn verblijd, wanneer anderen Hem met ons dienen, verheerlijken, aanbidden! En wat schoone lofprijzing ontvangt God niet van die zalige geesten. Ach, zelfs dan, wanneer wij vol ijver bidden, wanneer wij met inspanning aller krachten Gods wil zoeken te volbrengen, kleven er aan ons doen en laten nog zoovele onvolkomenheden. Beklaagden zelfs niet de Heiligen zich, dat Zij zooveel in hun omgang met God, in hun verkeer met den Bruidegom hunner ziel, te kampen hadden met verstrooidheden, met lauwheid en dorheid! Maar de Engelen in den Hemel brengen Gode eerbe wij zingen, zoo volmaakt als waartoe het schepsel in staat is; niets verstrooit Hen, trekt hunne aandacht van God af; alles is op Hem gericht, alles is om en door Hem, in Wien Zij leven en oneindig gelukkig zijn. Onophoudelijk klinkt dan ook hun lied: Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heerscharen, geheel de aarde is vol van Zijne Glorie. Dag en nacht herhalen zij: Heilig, heilig, heilig, de Heere God, de Almachtige, die was, die is, en die komen zal. Vol eerbied en met diepen ootmoed erkennen Zij, dat God alleen de eere
— 1G —
toekomt en roepen luide, dat Hem, die op den troon zit, het Lam, den lof toekomt en de eer en de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid. O, mijne ziel, wat geluk voor de Engelen,altijd door alle eeuwen heen, den Allerhoogste bewijzen te mogen geven van hunne oprechte liefde en trouw. O, wek in u zeiven droefheid, leedwezen des harten op, over de vele ongetrouwheden, waaraan gij u in uw leven tot heden hebt schuldig gemaakt en volbreng voortaan met allen ijver de geboden des Heeren.
ZEVENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat gij de Engelen niet slechts om hunne hooge waardigheid moogt vereeren, maar Hen ook om hunne bescherming smeeken kunt. Gij kunt uwe toevlucht nemen tot hunne voorspraak en Gods tusschenkomst verkrijgen door hunne bemiddeling. We hebben slechts éenen middelaar Jesus Christus. Hij alleen kan uit eigen macht, om Zijne eerwaardigheid ons bijstand verleenen. Doch de Heiligen,
— .17 —
zoo ook de zalige geesten^ zijn alleen voorsprekers, die ons niet kunnen geven, waarover Zij zelve geene beschikking hebben, maar die met ons en voor ons tot God kunnen bidden. Het is dus van groot belang voor ons, hunne voorspraak te verwerven. Zij zijn zoo dicht bij den troon van den Allerhoogste; Zij hebben God nooit door eenige zonde beleedigd; Zij zijn Zijne getrouwe dienaren, zonen Gods. Hun zal niet gemakkelijk worden geweigerd, wat Zij voor ons afstneeken en wat ons om onze onwaardigheid anders niet zou verleend worden. .Tacob vroeg dan ook aan den Engel, met wien hij gedurende den nacht had geworsteld om diens zegen: Ik zal u niet loslaten, voordat gij gezegend hebben zult. En op zijn sterfbed bad hij aan den Engel, die hem geleid en beschermd had, om dezelfde gunst voor zijne kleinzonen Ephraïm en Manasses. Hunne tusschen-komst is daarom niet te veremaden. Daniël vernam in zijn droomgezicht, dat de Bewaarengel van Perzië veel belang stelde in dat land en dat de H. Michaël, aans wiens hoede de Joden waren toevertrouwd, de hinderpalen uit den weg ruimde, die hunne terugkeer
Geleiders. 3.
— 18 —
uit de ballingschap tegenhielden. Gabriël zegde aan Daniël, dat Hij krachtige pogingen, had aangewend in Persië voor dat doel gedurende een en twintig dagen en dat Michaël ter zijner hulpe kwam en dat toen alle moeielijkheden overwonnen werden. Sedert het eerste jaar van Darius den iMeder, heb ik. voegde hij er bij, niet opgehouden mij in te spannen, om hem te versterken en te bevestigen in de bevrijding van het volk Gods. En sprekend over de wreede vervolging, die Antiochus voerde tegen de Joden, zegt Daniël; Toen verhief zich Michaël, die groote Vorst, die de beschermer is van de kinderen van Uw volk. O, mijne ziel, ga met vertrouwen tot die zalige geesten, die bezorgd zijn voor uwe zaligheid en zich beijveren, om u door hunne voorspraak te hulp te komen. Bid den H. Michaël, dat Hij ook u leide uit het land der slavernij, der zonde, en uw beschermer blijve tot het uur van uwen dool.
— 10 —
ACHTSTE DAG.
Wij mogen de hulp der Engelen verzoeken en rekenen op hunne veelvermogende tussohenkomst. Overweeg, mijne ziel, wat ons omtrent deze waarheid de HH. Vaders leeren. Zoo lezen wij bij Origenes, dat die gelukzalige geesten ons bijstaan bij onze oefeningen van godsdienst en dat Zij hunne smeekingen met de onze vereenigen. De Engel van den Christen, zegt die Kerkvader, offert diens gebeden aan God door den eenigen hoogepriester op, bovendien bidt Hij zelf ook voor die aan zijne zorgen is toevertrouwd. Hij voegt er nog bij, dat de Engelen door onze gebeden tot den troon van God op te dragen, ons genaden en zegegeningen mededeelen; maar Hij doet opmerken, dat de eer, die men Hun brengt een gansch andere, een geringere, eene ondergeschikte is aan de hoogste eere, die alleen God toekomt. Hij richt zich tot den Engel van iemand, die op het punt stond van gedoopt te worden, en bezweert hem den nieuwen geloovige te onderrichten. De Martelaar Nimesius en zijne gezellen zeggen tot den H. Cyprianus in den brief,
dien Zij Hem schreven; Laten wij elkander bijstaan door onze gebeden, laat ons bidden, opdat God, Jesus Christus en de Engelen ons in al onze handelingen goedgunstig mogen zijn. Volgens den 1{. Gregorins van Nazianze helpen de Engelen ons in de beoefening van het goed. Die II. Leeraar bidt de goede Engelen, dat Zij zijne ziel in het uur van sterven ontvangen. Do H. Ephrem sprekende van den Hemel zegt, dat de Engelen en de Heiligen, die daar heerschen, tot God voor ons bidden. 0, mijne ziel, wat troost voor u, en tevens versterking voor uw geloof. Gij hoort uit den mond der Kerkvaders, wat de opvatting was in hunne dagen, wat de overtuiging was van de Christenen dier tijden. Gij verneemt uit den mond van den H. Gregorius, dat Hij zijne ziel in het stervensuur aan de zorgen van die Heilige en zalige Geesten aanbeveelt, vast vertrouwend, dat hunne hulp Hem dan vooral zal te stade komen, wanneer alles afhangt van de volharding in den goeden strijd. 0, wek dan bij u zeiven insgelijks die heilige overtuiging op, dat vast vertrouwen op hunne machtige voorbede. Beveel uwe zaligheid dikwerf
aan hunne zorg aan; vraag Hun, dat Zij vele rijke zegeningen van den Barmhartigen God voor u mogen verkrijgen ter belooning ook voor uw vertrouwen op hunne machtige bescherming.
NEGENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de zorg, die de HH. Engelen voor u dragen, waarom Zij niet ophouden ons telkens hunne hulp te verleenen. Zij bidden voor u, opdat Gods rijkste zegeningen over u afdalen; Zij bidden voor u, opdat gij volharden moogt in de bestrijding der zonde, in de beoefening dor deugd; Zij bidden voor u, opdat gij tot het einde toe volhardt en eens met Hen deelen moogt in de Hemelsche heerlijkheid. Zij vragen voor u om barmhartigheid, om vergiffenis uwer zonden; en verzuchten met den Engel, van wien we lezen bij Zacharias: Heer der Heerscharen, hoelang nog zult Gij uitstellen met barmhartigheid te betoonen aan Jerusalem en aan de andere steden van Juda, tegen welke Uw toorn
is losgebarsten? En de Heer zal antwoorden; dat Jerusalem zijne barmhartigheden zal ondervinden en dat zijn huizen weer zullen worden opgebouwd. Ja, mijne ziel, om uwe boosheden en misdrijven is de toorn, des AUerhoogsten over u losgebroken; maar de Engelen des Hemels beklagen uw rampzaligen toestand en smeeken voor u om vergiffenis. Ach, roep hunne hulp in, zij vermogen zooveel bij hunnen Meester! Zij wijzen op den langen duur der verwoesting, waarvan gij ten prooi zijt. En uwe gebeden, die voor God geene waarde hebben, worden ondersteund door hunne vurige verzuchtingen ; Hoelang, Heer, zult gij die ziel aan de verwoesting der zonde overlaten? Ach, ontferm ü harer en doe haar barmhartigheid om der wille van ons, om der wille van Uwe oneindige Goedheid. En God verhoort de smeekbeden dier zalige geesten. Als een Engel uit duizenden gekozen voor Hem bidt, zegt Eli, sprekende van Job, dat is, als een Engel des Hemels voor Hem bidt en Job den geest van boetvaardigheid verkrijgt, dan zal Job bevrijding erlangen van de rampen, die hij ondervindt. Toen gij met tranen badt, zegt de Aartsengel Jiaphaêl
— 23 —
tot Tobias, heb ik uwe smeekingen den Heer opgedragen. En de H. Joës zag een En--el, die aan God de gebeden van alle Heiligen opdroeg. Bedenk dan, mijne ziel, dat gij in de HH. Engelen machtige voorsprekers bezit, dat Zij u de genaden kunnen verkrijgen, die gij behoeft, bekeering van uwe zonden, den oprechten geest van boetvaar-diging, bevestiging in de ware liefde tot Ood, volharding in de deugd, en u bijstaan, opdat gij eens het loon des Hemels ontvangen moogt.
TIENDE DA Cr.
Overweeg, mijne ziel, de belangstelling, die de H. Engelen in u toonen, door hunne gebeden aan God voor uw welzijn op te dragen en tevens uwe smoekiagen neer te leggen voor den troon van het Lam. 0, Zij beklagen den toestand, waarin gij nog verkeert. Zij hebben zulk een groote deernis met de ellenden, waaronder gij nog gebukt gaat; uw lot moet nog beslist worden voor de eeuwigheid, terwijl Zij eindeloos zalig
zijn en de geneugten van liet Paradijs in volle mate genieten. Gij, gedoopt in den naam van Jesus. moet volgens de op n genomene verplichting strijd voeren tegen don duivel, de werold en het vleesch. Gij hebt op plechtige wijze verzaakt aan den hellevorst, aan zijne ijdelheden en pomperij ën. Gij hebt manmoedig op u genomen, om te volharden In de beoefening der deugd tot het einde toe, en door niets u te laten overhalen tot het bedrijven van het kwaad. Maar ach, wat al tegenspoed hebt gij niet te verdragen, te overwinnen in dit leven. Gij moet alle beproeving, alle kwelling naar het lichaam met onderwerping aannemen uit de hand van God, die slaat; maar zult gij u schikken naar den Wil des Heeren? Gij moet alle bekoring naar de ziel doorstaan en niet wankelen noch ter linker- noch ter rechterzijde. God is getrouw en Hij zal niet toelaten, dat gij bekoort wordt boven uwe krachten. In den strijd, alleen wordt gij beproefd en kunt gij bewijs geven van uw vertrouwen en uwe liefde; maar zult gij de reinheid uwer ziel stellen bij de eer en het aanzien der mensohen, boven het goud der verleiding, boven het
— 25 —
schitteren van de wereldsche pracht? Ach^ de kenze is niet moeielijk voor hem, die ware, oprechte liefde tot God bezit; want hij herinnert zich, dat alles ijdelheid is en ijdelheid der ijdelheden, behalve God te dienen. Hij denkt aan de vermaning: Wat baat het den mensch, indien hij al de geheele wereld wint, wanneer hij schade lijdt aan zijne ziel. Maar gij, hebt gij die liefde tot God? Zien de Engelen des Hemels met blijdschap op U neer, omdat gij, als Zij, volhardt in het goede! O, hun medelijden is geen onvruchtbaar medelijden; Zij bidden voor u; Zij beklagen uw lot. Maar doet gij genoeg om Gods genade te bezitten, te behouden? Vraagt gij de voorbede der HH. Engelen wel, om niet te bezwijken in de bekoring?
—•
ELFDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat de Engelen des Hemels u behulpzaam zijn, door uwe gebeden niet alleen, maar al inve goede weiken, uwe aalmoezen, offeranden, ver-
Geleiders. 4.
— 26 —
stervingen aan God op te dragen. Wij lezen bij Tobias, dat Raphael, die den jongen Tobias had geleid naar het huis van Barguel en weer teruggevoerd in de armen zijner bejaarde ouders, sprak, als men Hem de helft van alles, wat zij nu bezaten, wilde aanbieden: Looft don God des Hemels, want Hij heeft u barmhartigheid bewezen. Het gebed met vasten en aalmoezen geven is beter dan schatten van goud op te leggen. Want de aalmoes bevrijdt van den dood, reinigt van zonden en doet barmhartigheid in het eeuwige leven vinden. Toen gij met tranen uwe gebeden storttet, de dooden begroeft, de lijken des daags in uw huis verborgt en des nachts in het graf legdet, toen bracht ik uw gebed voor den Heei\'. En omdat God welgevallen in u had, was het noodzakelijk, dat gij door lijden beproefd werdt. Maar nu heeft God mij gezonden, om u te genezen en Sara van den buozen geest te verlossen. quot;Want ik ben de Engel Raphael, een van de zeven, die voor den Heer staan! Al wat Tobias verrichtte in zijn ijver voor de eer van God, in zijn oprechte liefde voor den naaste was den Aartsengel Raphael bekend. Hij wist,
— 27 —
dat liij van zijn rijkdom vooral gebruik had gemaakt tot verkwikking der gevangenen; dat hij, van zijn aardsche goederen, toen hij niet veel meer bezat, meedeelde door de hongerigen te voeden en de naakten te kleeden; dat hij de lijken zijner stamge-nooten een eervolle begrafenis gaf. Maai\' niet alleen droeg hij kennis van al die liefdewerken, neen Hij was het ook, die ze den Allerhoogste aanbood: Toen gij dat alles deedt, bracht ik uw gebed voor den Heer. O, mijne ziel, wat reden voor u, om ijverig te zijn in de beoefening van de deugd, in het verrichten van goede werken. Bedenk het wèl; als gij uwen lijdenden broeder eenige verkwikking aanbrengt, met hem bidt, hem tot geduld vermaant; als gij uwen even-mensch eenigen dienst bewijst, hem helpt in zijn nood, hem troost in zijne bezoeking; als gij van uwen overvloed den naakte kleedt, den hongerige spijzigt, als gij in uwe armoede uw brood nog deelt met hem, die armer is dan gij, dan dragen de Engelen uw goede werken op als een Gode aangenaam offer!
— 28 —
TWAALFDE BAG.
Overweeg, mijne ziel, dat God de zorg voor u aan een bijzonderen Engel heeft toevertrouwd, dien gij daarom als uwen Bewaarengel oi\' Engelbewaarder moet eeren. Het geloof leert u, dat God een bij zonderen Engel als bewaarder aan elk Zijner dienaren, dat is aan eiken rechtvaardige geeft. En met gezaghebbende leeraars kunnen we aannemen, dat elk mensch, otk de zondaars en de ongeloovigen, zijn Bewaarengel heeft. God heeft, zegt de psalmist, aan zijne Engelen aangaande u bevolen, dat Zij op alle wegen u zouden bewaren. En elders, roept hij uit: De Engel des Heeren zal hen omringen, die Hem vreezen eu Hij zal hen verlossen (uit al hunne kwalen.) Jacob bad zijnen goeden Engel zijne kleinkinderen te zegenen. Dat de Engel, zoo sprak hij, die mij bevrijd heeft uit alle kwalen, deze kinderen zegene. En Judith verklaar:, dat Gods Engel haar tegen alle kwaad heeft bewaard, toen zij de stad verliet, daar buiten verbleef, en toen zij weer terugkeerde. Jesus zelf vermaant ons, dat wij geen dei-kleinen zullen ergeren, want ik zeg u, dat
— 29 —
hunne Engelen in den Hemel altoos aanschouwen het aanschijn mijns Vaders, die in den Hemel is. Schoone woorden insgelijks van den H. Hilarius: Wacht er u wel voor don naaste te schaden in zijn geestelijk goed, want, zegt hij, het is zeer gevaarlijk hem te verachten, wiens smeekingen en gebeden door de bediening der Engelen worden neergelegd aan den voet van den troon des Eeuwigen en Onzichtbaren Gods. De eerste geloovigen waren dan ook zoo overtuigd er van, dat ieder mensch zijn Bewaarengel had, dat zij, toen Petrus uit de gevangenis bevrijd, zich aan de leerlingen vertoonde, meenden, dat het zijn Engel en niet Hij zelfs was. O, mijne ziel, verlevendig dan uw geloof aan liet bestaan van uwen Bewaarengel, en houd Hem in eere alle dagen uws levens. Hij is u nabij. Hij hoort, Hij ziet u. Hij fluistert u liet goede in. Hij vermaant u tegen het kwaad; beveel u zeiven eiken ochtend aan Zijne machtige bescherming en herhaal iederen morgen met eerbied en vertrouwen: Engel Gods, die mijn bewaarder zijt, aan wien ik door Gods goedheid ben toevertrouwd, wil mij bewaren, verlichten, geleiden en besturen. Amen.
DERTIENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat God in Zijne barmhartige liefde u aan een Zijner I1H. Engelen heeft toeveitromvd, die over n waakt als een liefderijke moeder, van het begin van uw bestaan af en over u waken blijft tot aan de ure des doods. Gij hebt dus een der zalige geesten altijd bij u ; als gij wakende zijt, als gij slaapt, als gij eet of drinkt, werkt of ontspanning neemt, alleen zijt of in gezelschap, altijd is uw Engelbewaarder u nabij. Wanneer gij u overgeeft aan vrolijkheid, Hij is bij u; wanneer gij treurt en gebukt gaat onder zware zorg. Hij is bij u; Hij verlaat u nooit, maar kent uw doen en laten, ziet uw goed en kwaad, volgt uwen strijd. Helpt gij den naaste. Hij is met u; geeft gij toe aan de zonden, Hij ziet het; beleedigt gij God, Zijnen en uwen Heer, Hij gruwt over uwe ondankbare snoodheid. Leeft gij voort in ongerechtigheid, blijft gij voortgaan op den verkeerden weg. Hij zucht over uwe onverschilligheid, over uwe zorgeloosheid voor de zaligmaking uwer ziel en bidt Gods barmhartigheid over u af, opdat gij naoogt gespaard blijven en niet
— 31 —
verloren gaan. Overal, waar gij u bevindt, is hij bij n, in huis, op straat, op velden en wegen, bij vreemden in verre landen, waar gij ook zijn mocht, gij zijt nooit alleen, nooit zonder Hem. O, mijne ziel, wat troost voor u, maar tevens wat reden tot beschaming. Gij hebt Hem nabij u, dien gij uwen nood kunt klagen, en als een goede vriend uwe belangen behartigen zal bij den goeden God; gij hebt slechts te verzuchten, te spreken, en een machtige vriend, uw Engelbewaarder luistert naar uwe klachten, om ze over te brengen niet alleen, maar tevens te ondersteunen door Zijne voorspraak. Vertrouw dan op Zijne hulp en laat Hij niet zich moeten bedroeven over uwe onverschilligheid jegens Hem, over het weinige vertrouwen, dat gij in Hem stelt. Maar ach, wat reden tot beschaming. Hij, uw Engelbewaarder was u nabij, toen gij zondigdet, telkens moest hij zien, dat gij de geboden des Heeren overtradt, dat gij u onttrokt aan de wetten der Kerk, dat gij den naaste kwaad berokkendet, vijandig gezind waart tegen hen, die u kwaad hadden aangedaan, dat gij mordet tegen de beschikking der H. Voorzienigheid enz. Ach! denk eraan:
gij zijt niet alleen; wil toch uv Engelbewaarder niet meer bedroeven.
VEERTIENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat uw Bewaarengel n altijd nabij is, en dat gij door de gedachte aan Zijne tegenwoordigheid u zeiven kunt sterken, vooral tegen de zonde van onzuiverheid. Waar gij ook zijt, hoe verborgen de plaats ook wezen moge, eerbiedig uwen Engelbewaarder. Zondt gij in Zijne tegenwoordigheid durven doen, wat gij niet durven zoudt in mijne tegenwoordigheid, vraagt de II. Bernardus. Bedenk, zegt diezelfde Kerkvader, met wat eerbied en zedigheid gij u gedragen moet in het bijzijn der Engelen, opdat gij hunne reine blikken niet kwetst, en u Hun gezelschap niet onwaardig maakt. En de H. Bazilius houdt aan op hetzelfde onderwerp, om de maagden te bewegen,, dat zij op alle plaatsen de regels zullen onderhonden van de hoogst mogelijke zedigheid. Dat eene maagd, zoo spreekt Hij, zichzelve vreeze en eerbie-
dige, als zij alleen is, evenzeer als haar Engelbewaarder, die altijd bij haar is; want hare Engelen zien altijd het aanschijn van mijnen Vader. Wanneer een man den blik des Engels, aan wiens zorg zijne ziel is toevertrouwd, niet moet minachten, des te minder mag dat eene maagd doen, wier geleider hij is, en wier trouw hij aan haren Bruidegom waarborgt. Zij moet vooral haren Bruidegom eerbiedigen, die altijd bij haar is met den Vader en den H. Geest, zonder te spreken van die tallooze Engelen en zalige Geesten; want ofschoon deze Hemelsche Geesten onzichtbaar zijn voor onze oogen, ontsnappen wij toch niet aan hunne blikken. Wanneer eene maagd de oogen van anderen vreest, dan moet zij des te meer nog den aanblik vreezen van die zuivere Geesten, die zoo ver boven de menschen verheven zijn. Bedenk dan, mijne ziel, dat gij nooit alleen zijt, waar gij u ook zoudt willen verbergen. Overal volgt u uw Engelbewaarder en is hij getuige van uwen handel en wandel. Mocht toch die gedachte u immer bijblijven. Dan hebt gij niets te vreezen van den bekoorder. Hoe toch zult gij dan onzedig durven zijn in woord of daad; hoe de
Geleiders. 6,
heilige deugd durven kwetsen door uwe kleeding of blikken; hoe, als gij alleenzijt luisteren naar de stem der verleiding en u berooven van uw schoonste sieraad; hoe, als gij in gezelschappen zijt de heilige deugd van zuiverheid bij u of bij anderen durven aanranden. O Engelbewaarder, laat ik mij bij dag en nacht, altijd voor U rein en zuiver gedragen.
VIJFTIENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat gij een bijzonder vertrouwen stellen moet in de bescherming van uwen H. Engelbewaarder. Daartoe juist is Hij door Grod u gegeven, om u te geleiden en te bewaken op al uwe wegen, en gij behoeft niet te vreezen, dat Hij u iets aan zijn plicht te kort zal doen. Zijne liefde voor u is groot, omdat Hij in u zijnen God bemint, die u heeft geschapen, door het dierbaar Bloed van Jesus verlost en geroepen tot de Hemelsche heerlijkheid. Hij erkent in u het kind van God, den lieveling Zijns Goddelijken Meesters; Hij
— 35 —
waardeert in u de gaven, die gij naar lichaam en ziel hebt ontvangen en de grootheid en goedheid des Allerhoogsten doen uitschitteren. Hij bemint u dus oprecht en is daarom met de meest teedere zorg voor uw geluk vervuld. Eén verlangen overtreft alle andere: dat Hij u behouden mag binnen voeren in de zalige woontenten van het Hemelsch Sion; éen verlangen, gaat alle andere te boven: dat gij Zijnen God getrouw met Hem deelen moogt in de eeuwige belooning. Ach, vrees dan niet, als gij soms acht geeft op eigene zwakheid, en door een droevige ondervinding uwe boosheid hebt leeren kennen. Geef den moed niet op, om den berg der zaligheid te beklimmen, al zijn uwe pogingen dikwerf mislukt. Schrik niet terug, om den engen weg te blijven bewandelen, al hebben de doornen u gewond. Maar stel een groot vertrouwen in de bescherming van uwen Engelbewaarder. Hoe zwak wij ook zijn, hoe ellendig onze toestand ook zij, hoe groot de gevaren, die ons omringen, wij moeten, zegt de H. Bernardus, niets vreezen onder de bescherming van zulke bewaarders, als de Engelen zijn. Telkens wanneer eenige
kwelling of hevige bekoring u overvalt, moet gij de hulp inroepen van Hem, die u bewaart, die u geleidt, die u in al uwe moeielijkheden bijstaat. Maar om zijne bescherming te verdienen moet gij voor alles de zonde vermijden. Gelijk de rook, zegt de H. Bazilius, de bijen verdrijft, zoo doet de kwade geur der zonde den Engelbewaarder van onze zijde vluchten. Wees dan, mijne ziel, vol goeden moed. Gij hebt een vriend, een machtigen beschermer in uwen Engelbewaarder.
ZESTIENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat uw Engelbewaarder u altijd nabij is en al uwe woorden en daden hoort en ziet. Hij is er dus getuige van, wanneer gij u schuldig maakt aan de overtreding der Goddelijke en Kerkelijke geboden en wordt dan van een beschermer uw aanklager. quot;Wat schande voor u, mijne ziel, dat gij, ondanks de vermaningen ten goede, zoo dikwerf hebt ingestemd in het kwaad. Wat droefenis voor
uwen Engelbewaarder, dat gij zoo menig-malen niet hebt willen luisteren naar zijne krachtige inspraken en den verleider uwer ziel geloof hebt geschonken. Ach, Hij bemint God zoo vurige zoo innig, zoo met al zijne krachten. Hij kent Gods goedheid en barmhartigheid jegens Uem, jegens al Zijne schepselen. En nu moet Hij zien, dat gij, niettige aardworm, u verzetten durft tegen den Almogende, dat gij, die niets uit u zeiven vermoogt en al wat gij kunt en bezit/ alleen hebt en kunt door den wil en dé toelating Zijns Meesters, de geschonken gaven misbruikt en aanwendt tegen de eer van God. O schande over u, mijne ziel, driewerf schande om uwe gruwelen, om uwe hemeltergende zonden. Gij hebt gehoorzaamheid geweigerd aan de Wet des Heer en, gehoorzaamheid geweigerd, aan Hen die u in Gods plaats besturen. Waarom, zoo hebt gij gezegd, waarom zal ik doen wat God gebiedt, waarom zal ik laten., wat Hij verbiedt. Ik wil mij niet krommen als een slaaf, ik wil vrij zijn, handelen, zooals mij goeddunkt, ik erken niemand boven mij; geen Kerk, geen Paus, geen Bisschop, geen God zelfs! Schrikt gij niet,
— 38 —
mijne ziel, bij dat laatste woord? Hoe, gij zoudt geen God erkennen boven u, die n Zijn Wet, Zijn Wil kan opleggen? G zeker, gij belijdt het eiken dag. Ik geloof in God, don Vader enz. Maar waarom dan Zijn geboden niet onderhouden? Waarom dan niet Zijn H. Wil altijd en in alles volbracht. Waarom dan niet gehoorzaamd aan Zijne H. Kerk, en hare voorschriften stipt nageleefd? O, uw H. Engelbewaarder heeft u zoo dikwerf ten goede vermaand; maar gij hebt niet willen luisteren, Hij zelf moest u aanklagen, om uw godslasteren, om uwe onzedige woorden en daden, om uwe overtreding van de vasten, om uw gebrek aan ijver voor den heiligen godsdienst. O, keer terug van den verkeerden weg, opdat gij niet in uwe zonden sterft en Hij uw aanklager is in het oordeel.
ZEVENTIENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat de Engelbewaarders belang stellen in de zielen, aan hunne zorg toevertrouwd, en dus alle kwaad.
— 39 —
wat tegen de hun vertrouwden geschiedt, als aan hen zeiven aangedaan, beschouwen. Wacht er u dus voor, om iemand van de naasten tot de zonde te brengen. Hoed u dus voor het geven van ergernis. De ergernisgever is hij, die een ander met opzet tot de zonde verleidt, of den naaste vrijwillig aanleiding of gelegenheid tot zondigen geeft. Wee den ergernisgever, het ware hem beter, dat hij met een molensteen om den hals geworpen werd in do diepte der zee. O, mijne ziel, zie toe, dat gij niet éen van deze kleinen, (of van uwe naasten) ergert, want ik zeg u, dat hunne Engelen in den Hemel altoos zien het aanschijn mijns Vaders. Wanneer gij dan ergernis geeft aan uwen evenmensch, bedenk het wel, dan hebt gij de grootste straffen te vreezen, die over u zullen worden afgeroepen door de Bewaarengelen, die tot Gods voornaamste dienaren behooren en alzoo gemakkelijk Gods straffende hand kunnen doen komen over u. Ach, vraag u zelve af, mijne ziel, of gij niet in het afgeloopen leven, anderen tot ergernis zijt geweest. Moet gij u zelve verwijten, dat gij ooit iemand tot de zonde met opzet hebt verleid? Hebt gij, we-
tens en willens, een van uwe broeders of zusters, van uw speelgenooten, schoolkamaraden door woord of daad, tot de zonde overgehaald? Hebt gij wetens en willens, in de tegenwoordigheid vau anderen, van bloedverwanten, van kinderen, gezondigd, zoodat zij door uw slecht voorbeeld tot de zonde gebracht zijn, het kwaad hebben geleerd? Hebt gij anderen ooit gelegenheid verschaft om te kunnen zondigen, slechte boeken hun bezorgd, en zoo het vergif der zonde hunner zielen toegediend? 0, vraag in allen ernst u af, of gij ook ooit een ander geërgerd hebt, of gij ook ooit een anders Bewaarengel door de ergernis tegen u vertoornd hebt. En moet gij helaas bekennen, dat gij anderen tot een gelegenheid of aanleiding geweest zijt van schade naar de ziel, beijver u dan veel voor hunne zaligheid te bidden, hunnen Bewaarengel aan te roepen, opdat Hij voor u vergiffenis verkrijge enu niet aanklage; Hem te smeeken, dat Hij de hem toevertrouwde ziel door zijn bijzondere gebeden helpe, om uit de ongerechtigheden op te staan.
-KV-tS—•Br-
~ 41 —
ACHTTIENDE DAG.
Om-weeg, mijne ziel, de vreugde dei-Engelen over éenon zondaar, die zioli bekeert. Zij dragen dus kennis var. iemand\'s bekeering; Zij verblijden dus zich daarover. O, mijne ziel, wat reden voor U, om de vreugde der Engelen te bewonderen en na te gaan. Het is liun aangenaam, wanneer een rampzalige, diep gevallene zondaar zich bekeert, een anderen weg inslaat, het booze pad verlaat en met den verforen zoon van liet Evangelie spreekt: Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan, en ik zal tot Hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen U, ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden: maak mij als éen uwer huurlingen. Zij zien, dan, dat die mensch zijne ondankbaarheid verfoeit, zijne trouweloosheid erkent, Gods barmhartigheid smeekende inroept. En ja, Zij verheugen zich daarover, omdat den Allerhoogste eerherstel wordt gegeten. Het is hun innigst verlangen, dat alle menschen den wil van hunnen Heer volbrengen, gelijk Zij het doen in den Hemel; dat Gods naam door elk schepsel worde
Geleiders. 6.
— 42 —
geheiligd — maar de zondaar overtrad Gods bevelen, onteerde den naam van den Almachtige —- doch nu is hij Bekeerd, ziet hij zijne gruwelijke boosheid in, geeft hij de hoogste eer en aanbidding weer aan God; vreugde, reine en oprechte vreugde vervult Hen over dat eerherstel. Maar tevens zijn Zij verblijd, omdat daardoor voldaan wordt aan Gods begeerte, die niet den dood des zondaars wil, maar dat hij zich bekeere en leve, en wiens verlangen het is, dat alle menschen zalig worden. O, mijne ziel, wat zouden ze niet willen doen, om Gods verlangen naar de zaligheid der menschen bevredigd te zien. Doch de mensch maakt zoo dikwijls misbruik van de hem verleende vrijheid. Hij kiest zoo menigmaal het kwaad boven het goed, het kortstondig genot, boven de eeuwigdurende belooning. quot;Wanneer dan de zondaar oprecht zich bekeert, en zijn dwaling inziet, o, dan overwint wSer Gods genade, dan schittert Gods barmhartigheid weer boven alles uit en de Engelen juichen en genieten vreugde, omdat die zondaar zich bekeerd en met God verzoend heeft. Leer van de Engelen belang stellen in de eer van God; leer van hen
- 43 ~
bekng stellen in de zaliglieid der zielen. Verhaak aan de zonde en geef vreugde aan de Engelen door u oprecht met God te verzoenen!
NEGENTIENDE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de bijzondere bescherming, die gij van de Engelen, en vooral van uwen Engelbewaarder te verwachten hebt in uw stervensuur. Het is de taak van uwen Bewaarengel, uwe ziel tegen de aanvallen des duivels te verdedigen; Hij moet tegen alle verleiding tot de zonde, zijne inspraken tot beoefening van de deugd overstellen; Hij moet u waarschuwen, opdat gij niet struikelt, uwen voet niet stoot aan een steen, u met zijne bescherming bijstaan altoos, maar bovenal in het uiterste, in het uur des doods. Dan is het de vreeselijke ure, waarvan eene geheele eeuwigheid afhangt; dan valt de beslissing en wordt uw eeuwig geluk of ongeluk onherroepelijk bepaald. De Satan spant al zijne krachten in, om u tot het eeuwig verderf te voeren.
— 44 —
De Satan ontziet geen enkel middel, om u in de zonde, in zijne macht te behouden of te brengen. Hij tracht u met wanhoop te vervullen om de menigvuldige zonden, die gij tijdens uw leven hebt gedaan, of vleit u met schoone woorden, opdat gij vermetel vertrouwen zoudt. O, als gij maar gerust en zorgeloos blijft en die ver-zwegene zonden niet biecht, als gij maar gerust blijft en het gestolen goed niet terug geeft; of als gij maar niet bidt en, aan Gods barmhartigheid wanhopende, de eeuwigheid binnen gaat, dan is zijne sluwheid gelukt, zijn misdadig plan voltooid, dan heeft hij, de moordenaar van den beginne af, u voor altoos den doodsteek toegebracht ea kan hij zich verheugen over uw rampzalig uiteinde. Maar, mijne ziel, uwe Engelbewaarder staat don vooral met zijne hulp en bescherming u ter zijde. Dan vooral tracht Hij door zijne inspraken u te bewegen tot een oprechte biecht, tot herstel van het bedreven kwaad, tot vertrouwen op Gods goedheid en genade; dan vooral strijdt Hij voor u tegen den duivel en wekt u op tot vurig gebed, tot vertrouwvol aanroepen van den Zoeten Naam van Jesns; tot een kin-
derlijk vertrouwen op dr H. Moeder Gods. O, bid uwen Bewaarengel, dat Hij in die laatste ure u bijsta, u dan vooral sterke in den goeden strijd tegen den Satan, opdat Hij uwe ziel ontvange en haar gereinigd van alle smet der zonde, moge opvoeren tot den troon van het Lam, van welke gij de eeuwige belooning hoojjt to ontvangen.
TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat God den dienst der Engelen wel niet noodig heeft, maar toch dikwerf gebruikte. Zoo vinden wij de Engelen menigmalen als boden gebruikt, om den quot;Wil van God aan de menschen mee te deelen; vooral zien wij hen werkzaam om de betrekking tussehen God en do menschen aan te knoopen, vaster aan te halen. Soms ook om het strafgericht van den Allerhoogste, tegen den mensch uitgesproken, te volvoeren. Zoo lezen we, dat God, toen Adam en Eva uit het Paradijs waren verdreven, voor hetzelve Cherubijnen plaatste met vlammende zwaarden, om den ingang
te bewaken. Zoo zond Goci^ toen Hij de Egyptenaren wilde straffen om hunne boosheden, den verderfengel, die alle eerstge-boornen onder hen, zoowel van menschen als van dieren deed sterven, terwijl de lunzen der Israëlieten, die bestreken waren met het bloed van hel geslachte lam, gespaard bleven. Insgelijks zond God Zijnen Engel, om de Assyriërs te bestraffen en het volk der Joden uit hunne handen te redden. Hebben dan, sprak Lennacherib, de goden der volken, die ik overwonnen heb, hun land uit mijne hand kunnen redden? En zou dan Jehova Jerusalem uit mijne macht kunnen verlossen? En de profeet Isaias kondigde den Koning der Israëlieten, Ezechias aan, dat God zijn gebed om uitkomst verhoord had. Lennacherib zal deze stad niet binnengaan; hij zal geen pijl daarin
schieten; langs den weg, dien hij gekomen is, zal hij terugkeeren, spreekt de Heer. En in den nacht voer de Engel der verdelging door do legerplaats en versloeg in weinige uren duizenden en duizenden soldaten der Assyriërs; den volgenden morgen was het veld rondom Jerusalem met 185,000 lijken bedekt. Overweeg, mijne ziel, de
— 47 —
strenge Rechtvaardigheid van God, die wel lankmoedig is en geduldig, maar de belee-diging Zijner Oneindige Majesteit niet ongestraft mag laten. Is de tijd van ontferming voorbij, dan begint de ure der wrake; dan giet Hij de stroomen der verdelging over hen uit, die misbruik hebben gemaakt van Zijne Groedheid; dan roept Hij den verderfengel, om de uitgesproken straffen te volvoeren. O, vrees voor de geduchte straf van God; bid, dat Hij geen Engel met vlammend zwaard plaatse voor don ingang van het Paradijs, om u te beletten binnen te gaan; bid, dat Hij uwe ziel niet overlevere aan den Engel der verdelging.
-ia—K—£gt;-EEN EN TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat God door den dienst Zijner Engelen Zijnen wil dikwerf kenbaar maakte aan de menschen, ja zelfs door hunne bemiddeling aanwijzingen gaf omtrent den komst des Messias op aarde. God had reeds in het Paradijs een Verlosser beloofd; Ik zal vijandschap stellen tusschen
— 48 —
ii en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad en zij zal u den kop verpletteren. God gaf aan Zijne geliefde Oud vaders, aan Zijne bevoorrechte Profeten dikwerf mededeelin-gen, die betrekking hadden op het leven en de werken, op de smarten en den dood van den Langverwachte der volken. Zoo gi.t Hij ook, maar door bemiddeling van den Aartsengel Gabriel nadere aanwijzing omtrent den tijd van Christus\' komst op deze wereld. Terwijl ik nog in mijn gebed sprak, zoo lezen wij bij Daniël, kwam Gabriël, dien ik van den beginne in dit gezicht gezien had, snel aangevlogen: en hij raakte mij aan ten tijde van de avond-offerande; hij onderrichtte mij en sprak mij met deze woorden aan; Daniël, nu ben ik gekomen, om ü te onderwijzen en u kennis te geven. De tijd is over uw volk en over uwe heilige stad verkort tot op zeventig weken — en na de G2 weken, zal de Christus gedood worden: en het volk dat Hem verloochenen zal, zal Zijn volk niet meer zijn. — Hij (de Christus) zal in eene week zijn verbond met velen bevestigen. O, mijne ziel, groote vreugde, ongetwijfeld voor den godvreezenden Daniël, dat de komst des Messias hem werd bekend
— 49 -
gemaakt, en dat hij zich bij voorbaat reeds kon verblijden over den gelukkigen dag, waarop liet licht der -waarheid, de Zon der gerechtigheid boven Jerusalem, boven do aarde zou opgaan: maar overweeg tevens de eer voor den Engel, om die gewichtige tijding aan de verwachtende aarde aan te kondigen; overweeg, met wat ijver Hij zich van zijn lastgeving kwijt, hoe Hij stipt den Wil des Almogeuden volbrengt en Gods glorie in alles zoekt te bevorderen. O, verheug u over Gods barmhartigheid, die modelijden had met de zondige wereld. Haak naar Jesus\' komst in uw hart, en vraag de voorspraak van den Aartsengel Gabriël, opdat Christus Zijn verbond ook met u moge bevestigen.
TWEE EN TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat God den dienst der Engelen menigmalen gebruikte, om den menschen Zijn H. Wil kenbaar te maken. Vooral werden de Engelen tot de aarde gezonden, om belangrijke mededeelingen te
Geleiders. 7.
— 50 —
doen in betrekking tot het werk der Verlossing. Zoo lezen we, dat God den Aartsengel Gabriël zond tot eene Maagd in Nazareth, en de naam der Maagd was Maria. De Engel kwam tot Haar binnen en zeide; Wees Gegroet, Gij vol van genade, de Heer is met u, Gij zijt de gezegendste der vrouwen. Maria ontstelde op zijne rede en peinsde wat voor eene begroeting deze mocht zijn. En de Engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden bij God. Overweeg hier, mijne ziel, de groote eer, die den Engel te beurt viel, om de eerste te zijn, die den Verlosser dei-wereld mocht aankondigen. Ach, reeds vierduizend jaren lag de vloek Gods over de aarde. De Engelen des Hemels waren ontsteld geworden over de ongehoorzaamheid en den opstand der menschen. Zij hadden Gods rechtvaardigheid geprezen, om de ontvangene beleodiging gestreng te wreken, maar tevens Zijne Barmhartigheid geloofd, die den mensch wilde sparen en eenmaal verlossen. Nu was de tijd aangebroken en de raadsbesluiten des Heeren vastgesteld, de tijd, dat de Langverwachte der volken, op aarde verschijnen zou. om den vrede te
— 51 —
herstellen tussoheu God en de menschen, die door de zonde verbroken was. Nu leefde de Maagd, die van alle eeuwigheid was uitverkoren, om de Moeder van den Messias te zijn, de Maagd, door den Profeet Isaïas voorspeld, de Maagd, die vol was van genade en nooit onder de macht des Satans geweest was; nu leefde Zij, die den kop van het helsche serpent zou verpletten, en tusschen wier zaad en het zaad des duivels vijandschap door God zei ven gesteld was. De Aartsengel Gabriël viel de groote eer te beurt, om tot die heilige Maagd te worden gezonden; Hij mocht Haar naderen, vereeren. Haar de gunst Gods mededeelen, dat haar Kind de Zoon des Allerhoogsten genoemd zou worden. O, Gabriël, wat vreugde vooru, dat de Messias weldra zal geboren worden, en de wereld verlost worden uit de slavernij der zonde; wat vreugde, dat Gij waart uitverkoren, om der wereld aan te zeggen, dat de vloek Gods zou worden weggenomen en de Zon der gerechtigheid over haar opgaan, O, om het aandeel, dat gij in het werk der verlossing genomen hebt, vraag ik u, bid voor mijne zaligmaking.
DRIE EN TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de blijdschap der Engelen, toen zij vernemen mochten, dat de Messias geboren was. Zij hadden allen zooveel belangstelling getoond in de verlossing der wereld, gesidderd toen God in Zijn rechtvaardigen toorn de aarde vervloekte, en het eerste menschenpaar verdreef uit het Paradijs, maar gejuicht bij het hooreh\' der belofte, dat God eenmaal een Verlosser op de wereld zenden zou. Gabriel\'s lastgeving was hun waarschijnlijk niet onbekend gebleven, en verlangend zagen Zij uit naar de blijde tijding, dat de Zaligmaker geboren was. Daar weerklinkt Gods stem door de gewelven des Hemels. Zij buigen allen diep neder, terwijl Zij hun aangezicht met hunne vleugelen bedekken. Sidderend van eerbiedige vrees luisteren Zij naar hetgeen hun wordt aangekondigd. De Christus is geboren; Gods Zoon heeft de menschelrke natuur aangenomen; Hij ligt, als een hulpbehoevend Kind, op een weinig hooi en stroo. Eeth-lehem is geenszins de minste onder de steden van Juda; uit haar gaat de Verst uit, die het volk Israël besturen moet. Gaat
dan, om den Verlosser der wereld te bewaken, gaat dan, om Hem te aanbidden en met uwe lofzangen to verheerlijken, gaat dan, om Zijne gebooite aan te kondigen aan de wereld, opdat Hij ook door de menschen erkend en aangebeden worde. En daar waren helders in dat zelfde oord, de nachtwacht houdende over hunne kudde. En zie, een Engel des Heeren stond bij hen, en Gods lichtglans omstraalde hen, en zij vreesden met groote vreezo. En de Engel zeide tot hen: Vreest niet; want zie, ik verkondig u eene groote blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal; heden is u een Zaligmaker geboren, welke is Christus do Heer, in Davids stad. En dit zij u het teeken: Gij zult een Kindje vinden in doeken gewonden en liggende in eene kribbe. En plotseling was daar bij den Engel, eene menigte van het liemelsche heir. God lovende en zeggende: Eere in de hoogste Hemelen aan God, en op aarde vrede aan de menschen van goeden wille. O, mijne ziel, met wat teederheid hebben Zij den lieven Jt-sus aanschouwd, met wat vurigheid Hem aanbeden, mot wat blijdschap den armen herders verkondigd. 0, vraag hen.
— 54 —
dat gij, als Zij, Gods goedheid prijzen, Zijne liefde waaideeren moogt en Jesus\' komst op aarde u telkens herinneren, en aan anderen meededen, opdat Hij voor u een ver
losser moge wezen.
VIER EK TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de bediening dei-Engelen ten opzichte van den mensch geworden Zoon Gods. Jesus geboren in den grot van Bethlehem moest al spoedig voor Zijne haters en vervolgers vluchten. Toen Herodes hoorde uit den mond der Wijzen van het Oosten, dat er een nieuwe Koning der Joden geboren was, veinsde hij van plan te zijn, om deze ook zijne hulde te gaan bewijzen. Doch toen de Koningen van hun bezoek aan de kribbe wilden teruggaan naar hun land, werden zij door God gewaarschuwd, om niet naar Herodes weer te keeren, en zoo gingen zij langs een anderen weg naar hun land terug. Herodes had immers booze voornemens; het was geenszins zijne bedoeling geweest, om den
nieuwen Koning der Joden te gaan vereeren; wat hij hoopte was, dat hij het Kind in zijne macht kon krijgen, om het van het leven te berooven. Doch God waakte over zijn Zoon, en verhinderde Herodes zijn moorddadig plan ten uitvoer te brengen. Een Engel des Heeren verscheen aan den Voedstervader, aan Joseph, in den droom en zeide: Sta op en neem het Kind en Zijne Moeder met u, en vlucht naar Egypte en blijf aldaar totdat ik het u zeggen zal; want Herodes gaat het Kind zoeken, om Het te dooden. En later, nadat Herodes overleden was, zoo verscheen een Engel des Heeren in den droom aan Joseph in Egypte en zeide; Sta op en neem het Kind en Zijne Moeder met u, en trek naar het land van Israel, want zij zijn gestorven, die het Eind zochten te dooden. O, mijne ziel, overweeg, den ijver waarmede de Engel Gods List volbrengt aan den H. Joseph; overweeg, dat Hij siddert bij de gedachte aan het gevaar, waarin de Messias verkeert, dat Hij juicht over het geluk, dat hem geschonken is, om door nauwkeurige inlichtingen den Voedstervader te waarschuwen en zoo den Verlosser onttrokken te zien, aan de Hem dreigenden
dood. Overweeg de vreugde des Engels, toen lüj Joseph verzekeren kon, dat Herodes gestorven was. O, mijne ziel, is Jesus niet üw Verlosser? Hebt gij wel ooit gesidderd bij de gedachte, dat de wreede Herodes het Kind zocht te dooden? Wel ooit u verblijd dat Jesus kon terugkeeren uit hat afgodisch Bgypteland? Vreest gij de Herodessen wel, opdat zij Jesus niet dooden in uw hart, vreest gij wel voor de zonde? En zoo gij in vroeger jaren misdaan hebt. tracht gij clan uwen Verlosser weer terug te voeren in uw hart?
—O-»- - —O— -—O— —O—
VIJF EK TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, do hulp, die de Engel den lijdenden Verlosser aanbracht, toen Jesus in den hof van Olijven op de aarde nederlag, gebukt onder den zwaren last der zonden. De Grodmensch had alle zonden der wereld op zich genomen; Hij, die geene zonde gedaan heeft, heeft zich-zelven zonde gemaakt, zich in onze plaats gesteld, om in Zijn lichaam, in Zijn vleesch,
— 57 —
onze ongerechtigheden uit te boeten. Hij heeft zich opgeofferd, omdat Hij zelf liet wilde, en door Zijne striemen zijn wij genezen. Daar was geen redding, geen verlossing voor den mensch, als niet God zelf door een Goddelijlc lijden de oneindige be-leediging uitwischte, die de zonde der Goddelijke Majesteit had aangedaan! Daar ligt Jesus in den hof van Olijven, waarheen Hij gegaan is met Zijne leerlingen, om te bidden. Door gebed gaat de Verlosser zich voorbereiden voor het vreeselijke lijden, dat Hem te wachten staat. Maar, daar gevoelt Hij den toorn Gods in alle zwaarte op Hem drukken; daar ziet Hij de afzichtelijkheid der zonde, de ondankbaarheid der menschen, daar aanschouwt Hij in den geest en gevoelt Hij vooruit de menschonteerende beleedi-gingen en pijnigingen, die Hij zal te verduren hebben, en, nedergeknield zijnde, bad Hij, zeggende: Vader, indien Gij wilt, neem dezen kelk van mij weg, nochtans niet mijn wil, maar de üwe geschiede. En Hem verscheen een Engel van den Hemel, die Hem versterkte; een Engel in menschelijke gedaante, die tot Hem sprak van Gods Wil en raadsbesluit en van de vrucht Zijns
Geleiders. 8.
— 58 —
lijdens. En in doodsangst geraakt zijnde, bad Hij te meer. En Zijn zweet werd als druppels bloed, dat ter aarde afdruipt. O, mijne ziel, wat droevig schouwspel levert Jesns, Gods Eengeboren Zoon, in dat smartvol oogenblik op! Hij, de Onschuldige, zoo diep vernederd, zoo zwaar gestraft, zoo vreeselijk met den vloek des Eeuwigen Vaders beladen! Wat vreugde voor den Engel, dat Hij Jesus eenige vertroosting mag aanbieden, Hem spreken over den heiligen en aanbiddelijken Wil Gods, Hem wijzen op de vruchten, die Zijn lijden voor de rampzalige wereld zal opleveren! Wat vreugde dat Hij den Zoon Gods mag versterken en Hem bijstaan te midden Zijner hevige smarten. O, bid dien versterkenden Engel, dat Hij door zijne voorspraak voor u de genade verkrijge, dat gij Jesus\' pijnen niet verzwaart door nieuwe zonden, maar deel hebben moogt aan de verdiensten van Jesus\' lijden.
ZES EN TWINTIGSTE DAG. Overweeg, mijne ziel, de vreugde der
— 59 —
Engelen bij Christus\' verrijzenis. O, hoe waren zij vervuld met afgrijzen over de snoodheid der menschen, voor wier zaligheid Christus leed en stierf. Zij hadden gezien den Man der smarte, en Zijne klagende stem gehoord. Gij allen, die langs den weg zijt, ziet of er eene smart is gelijk aan de mijne. Zij hadden gezien, dat Jesus gebukt ging onder den last des kruizes en Zijn laatste woord opgevangen; In uwe handen beveel ik mijnen geest. Zij waren getuigen geweest van den gruwel der Godsmoord, van den feilen haat, waarmede het uitverkoren volk den Gezondene des Vaders aan de kruisiging had overgeleverd. Jesus, de Eigen Zoon van God was gestorven door beulshanden. O, vreeselijke aanblik voor Zijne HH. Engelen, maar het uur der verheerlijking zal weldra slaan. Het graf, waarin het Ontzielde Lichaam des Verlossers gelegd werd, zou Zijne prooi niet mogen behouden, maar verheerlijkt en met de ziel weer vereenigd, moeten teruggeven. De wonden, in Christus lichaam geslagen, zullen zich sluiten, terwijl de litteekenen in handen en voeten en in Zijn geheiligde zijde schitterende bewijzen zullen vormen van Zijn
waarachtig lijden, doeli tevens van Zijne waarachtige opstanding uit de dooden. Zeer vroeg op den eersten dag der week kwamen Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien. Eu zij zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van den ingang der grafstede, en zie er ontstond eene groote aardbeving, want een Engel des Hoeren daalde xüt den li emel en toegetreden zijnde, wentelde hij den steen af en ging daarop zitten. En zijn gelaat, was als een bliksem en zijn kleed wit als sneeuw. En de Engel sprak tot de vrouwen: Vreest niet, want ik weet, dat gij Jesus, den Gekruisigde zoekt. Hij is hier niet, Hij is verrezen; ziedaar de plaats, waar zij Hem gelegd hebben. O, mijne ziel, wat Wijde tijding voor die vrouwen, wat eer voor dien Engel, de blijde boodschap van Christus\' verrijzenis te mogen geven; wat vreugde voor hein en alle Engelen des hemels, dat alle lijden voor den Heer voleind was en dat het versmade Lichaam, thans verheerlijkt, uit de dooden was opgestaan. O, mijne ziel, tracht met Jesus te lijden, om u ook in Zijne glorie te verblijden, om zelf eens de hemelsche heerlijkheid met lichaam en
— UI -
ziel te mogen genieten.
—
ZEVEN EN TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de blijdschap der Engelen bij den vol heerlij ken intocht des Heeren in den hemel. Jesus had geleden, veel geleden, maar Hij moest dat alles lijden, en aldus Zijne heerlijkheid binnen gaan. Zijne menschheid, Zijn ziel en lichaam moesten volgens Gods raadsbesluiten de he-melsche belooning verdienen. Tot den bodem had de Heer den kelk des lijdens gedronken. Hij was met versmaadheden verzadigd geworden. Dat Lichaam werd reeds bij Zijne verrijzenis verheerlijkt, toen het met de ziel wêer vereenigd, levend uit het graf te voorschijn trad; toen het, met de ziel wêer vereenigd, door de Apostelen werd vereerd en aanbeden, door de H. Maria met Moederlijke teederheid, doch schuchteren eerbied werd omhelsd. Maar het loon des hemels wachtte het en veertig dagen, na Zijne verrijzenis, klom Gods Zoon, uit Zijne Eigene macht en zonder iemands hulp, met ziel
en lichaam ten Hemel, om daar Zijne menschelijke natuur te doen deelen, in de glorie, die Hij van alle eeuwigheid had bij den quot;Vader. Met Zijne Apostelen ging de Verrezen Verlosser buiten de stad Jerusalem; daar gaf Hij hun Zijne laatste bevelen en vermaningen, en toen Bij met Hen alles besproken had, -werd Hij opgeheven, terwijl Zij het aanzagen, en eene wolk nam Hem weg uit hunne oogen. O, Engelen Gods, wie is in staat de bewondering te beschrijven, die u vervulde, toen Gij den Zaligmaker der wereld, met lichaam en ziel den Eemel zaagt binnenkomen. Wat juichtoonen klonken Hem van alle kanten tegen; wat ontzag en eerbied maakten zich van u meester; hoe opgetogen en blijde beweest gij uwe hulde en aanbidding aan het Lam, dat voor ons is geslacht; hoe verrukt en vol van vreugden hebt gij uw Heilig, heilig, heilig gezongen: gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren. O, mijne ziel, stemt gij in met het blijde koor der Engelen, of zwijgt gij stil, uit onverschilligheid, of uit wanhoop. Gaat Jesus\' verheerlijking uniet aan. gevoelt gij u niet vei heugd over Zijnen zegeprr1 enden intocht in den hfimel, of
~ 63
vervult het u met ■wanhoop, omdat gij tot heden niets gedaan hebt, otn eenmaal het loon der gelukzaligheid te ontvangen. O, voeg uw lofzang bij dien der Engelen en Jesus zal ook u barmhartig zijn.
ACHT EN TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de blijdschap, die de Engelen ondervonden, toen zij hunne Koningin in den Hemel zagen binnen komen. Maria was niet door ziekte, niet door ouderdom. maar door de vurigheid harer liefde gestorven; het lichaam kon niet langer de ziel in hare vlucht naar God tegenhouden; doch ook het lichaam zelf zou spoedig verrijzen en de verheerlijking deelachtig worden. De H. Maagd, door onsterfelijken luister omstraald, verheft zich boven de grafstede en het dal van Josaphat; heerlijker treedt de zon niet aan de Oosterkimme te voorschijn. Het graf zal niet langer inliet bezit blijven van dien kostbaren schat; Maria\'s lichaam zal verrijzen. Krachtens de voorrechten en hoedanigheden der ver-
heerlijkte lichamen, zal Zij door de rots der grafstede dringen, zal Zij, onzichtbaar voor sterfelijke oogen, ten Hemel opstijgen, om plaats te nemen op den luistervollen troon, dio haar van het begin der wereld bereid werd. O, wie zal de vreugde, de feestviering des Hemels op dat lang verbeide oogen blik beschrijven! Jesus, da Koning der heerlijkheid rijst vol vreugde op van Zijnen troon: Zijne Vorstelijke kroon schittert met ongemeenen luister. Hij geeft bevel, dat alle Hemelingen Zijne Moeder te gemoet zullen snellen. En het gansche heir des Hemels, de glanzende schare der Engelen, Machten en Heerschappijen verlaten de gouden Hemelzalen, om met den Zoon des Allerhoogsten de Moedermaagd te verwelkomen. Het Hemelsch Jerusalem daalt in verheerlijkt feestgewaad neder. Ontelbare drommen van Engelen zweven naar de aarde en ontvouwen hunne gelederen in onafzienbare rijên. En juichend en lof-zingend stijgen zij met Maria in hun midden ten Hemel; om door alle eeuwen heen, haar als de Koningin der Engelen te huldigen en te verheerlijken. O, mijne ziel, gij hebt toch liefde voor uwe H. Moeder;
-- or, —
gij zijt toch verblijd over de eer, die Haar bij hare ten Hemelopneming te beurt viel; gij zijt toch verheugd, dat ilaria gekroond is als Koningin des Hemels, als Koningin der Engelen, en gij wilt toch uwe lof- en vreugdezangen gaarne vereenigen met die van geheel het Hemelsch hof. O, moge het zoo wezen, moogt gij u zeiven geweld aandoen, ora Maria te eeren, te dienen gelijk de Engelen in den Hemel, opdat gij eenmaal met hen den troon uwer Moeder omringen moogt.
—gt;3^—^3Sgt;—
NEGEN EN TWINTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, de bescherming, die de Kerk door bemiddeling van den H. Aartsengel Michael geniet. Deze Aartsengel wordt door de Kerk zelve, als haren bijzonderen Verdediger vereerd. Zooals Hij den draak heeft verwonnen. Lucifer met zijnen aanhang uit den Hemel heeft verdreven naar den afgrond der hel, zoo zal Hij ook de aanslagen des duivels tegen de Bruid des Heeren, tegen de Katholieke Kerk
Geleiders. 9.
weten te verijdelen. Zijn naam „wie is als Godquot; duidt aan, dat de Allerhoogste bijzondere macht aan dezen Aartsengel verleend heeft; bij Daniël wordt Hij de beschermer geheeten van het uitverkoren volk. Wanneer Hij zijn schild houdt opgeheven boven de Kerk, kan geen vurige pijl van den Satan Haar treffen; wanneer Hij zijne speer met krachtige hand zwaait, blijft de duivel van verre, knarsetandend van spijt, dat Hij Jesus\' Bruid niet kan schaden. O, mijne ziel, wat troostvolle gedachte vooral tegenwoordig bij de vreeselijke aanvallen^ die de Kerk van Christus te verduren heeft. De Heer waakt over Haar, en heeft Zijn Aartsengel Michaël bevolen over Haar Zijne bescherming uit te oefenen. Wie is gelijk God. Wie zal dan iets tegen Haar vermogen. Wel is waar rukken telkens nieuwe vijanden tegen Petrus\' rots op, maar mijne ziel, geen vrees; zij zullen Haar niet overweldigen, Christus belofte is borg daarvoor. W el vindt men telkens nieuwe lasteringen uit, om het vlek-kelooze kleed der Kerk met vuige lastertaal te bezoedelen; maar mijne ziel, geen vrees: Wie is als God. De lasteraars vergaan en in nieuwen luister straalt telkens weer de
— 07 —
Kerk. Wel slaagt de duivel bij velen in zijn verderfelijk pogen, om door hoogmoedige gedachten op te wekken, om door neigingen tot zedeloosheid in te storten, den grondslag des geloofs te verzwakken; maar. mijne ziel, vrees niet, de Kerk van Jesus staat als de rots. Zij is onvergankelijk, Christus zelf zal met Haar zijn, tot het einde„der eeuwen. Michaël beschermt Haar en staat telkens gereed de machten der hel terug te werpen; Hij is ook bereid, als gij zijne voorspraak afroept met vertrouwen u te beschermen, opdat de Satan u niet meesleepe in zijn rampzaligen val.
DERTIGSTE DAG.
Overweeg, mijne ziel, dat eenmaal de ure slaat, waarin gij zuJt geroepen worden, om voor Gods oordeel te verschijnen, ten einde rekening af te leggen van uw geheele doen en laten. De Eechter is Jesus Christus; de aanklager is de duivel en het eigene geweten; de verdediger kan uw Engelbewaarder zijn. Ja, Hij kan misschien u ver-
— G8 -
dedigcn, als gij het geluk hebt in Gods liefde te sterven; Hij kan u vevdedigen, als gij het recht op den Hemel niet voor altijd verbeurd hebt. En met wat kracht zal Hij u verdedigen tegenover Zijnen Heer. Gij waart Zijn beschermeling, gij hebt zoo dikwerf naar Zijne vermaningen geluisterd; gij hebt zoo menigmaal, maar vooral in het uur des doods uw geloof verlevendigd, uwe hoop ontboezemd, uwe liefdesbetuigingen afgelegd. En dat alles zal Hij aanvoeren ten uwen gunste, opdat een genadig vonnis over u worde uitgesproken en gij des te spoediger, van alle vlek en smet gezuiverd, in de vreugde des Hemels met Hem deelen moogt. Maar zoo gij eens niet in Gods liefde scheiddet van deze wereld; zoo gij eens door zonden op zonden te stapelen het recht verloren hadt op vergiftenis en barmhartigheid en gij dus als vijand van God verscheent voor \'s Heeren rechterstoel. Dan is Jesus wel uw Rechter, dan is de aanklager wel de duivel en het eigen geweten; maar uw verdediger, wie zal dat dan zijn? Uw Engelbewaarder! Uien gij altijd en telkens op nieuw bedroefd hebt, door uwe lauwheid, traagheid, onverschil-
— 69 —
ligheid; dien gij telkens tegen u vertoornd hebt, door niet te willen luisteren naar Zijne inspraken^ en telkens toe te geven aan uwe booze neigin^.on, aan nwen haat en wraakzucht, aan uwe ongodsdienstigheid en zedeloosheid. üw Engelbewaarder, dien gij niet geeerd noch gevreesd hebt, bij dag of bij nacht, als gij alleen waart of in gezelschap! Neen, mijne ziel. Hij zal dan uw verdediger niet wezen, maar uw aanklager worden, nog veel meer te vreezen, omdat Hij vriend is van den rechtvaardigen Eechter, dien gij in Hem versmaad, bespot, veracht hebt. O, vrees voor het oordeel en bid uwen Engelbewaarder, dat Hij u niet verlate, smeek Hem, dat Hij in het bijzonder oordeel uw verdediger moge zijn en in het laatste oordeel u eene plaats aanwijzen aan den rechterkant.
SLOTWOORD.
Gij hebt dan, mijne xiel, uwen eerbied betoond aan Gods HIJ. Engelen en dooi-overweging hurnter waardigheid, machtigen invloed en»., gelijk gij hopen mocht, hunne bescherming u waardig gemaakt. O, volhard in den dienst van de HH. Engelen, vooral in den dienst van uwen II. Engelbewaarder. Herhaal eiken ochtend dat schoone schietgebed, waaraan nog 100 dagen aflaat verleend zijn: Engel Gods, die mijn bewaarder zijt, aan wien ik door Gods goedheid ben toevertrouwd, wil mij bewaren, verlichten, geleiden en besturen. Amen. Herinner u dikwijls aan Zijne nabijheid; vooral in moeielijk-heden roep dan Zijne hulp in; en laat de duivel u niet met rust, komt hij telkens terug, om u aan te vallen en door verlokking tot het kwade over te halen, vrees dan niet,
— 71 —
maar roep de bescherming in van uwen Engelbewaarder en gij xidt niet bezwijken, maar de overwinning behalen. Leer van de IIH. Engelen Godloven: Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heerscharen. Leer van Hen Gods Wil stipt en nauwkeurig volbrengen: Uw Wil geschiede op aarde, gelijk hij volbracht wordt in den Hemel; leer van Hen afkeer van het kivaad: de booxe Engelen werden uit den hoogen Hemel neergeworpen in den afgrond der hel; leer van Hen Gods liefde als het hoogste goed beschouwen en erkennen. O, mijne ziel, wat zaligen vrede zult gij dan smaken hier reeds op aarde; de Engelen zullen u omringen en u verheerlijken om uwe getrouwheid aan God, Zij zullen uwe voorsprekers wezen ten allen tijde doch vooral in het stervensuur; dan met alle kracht u verdedigen tegen den boozen vijand, opdat uwe ziel in de vriendschap met God scheide van de wereld, en zij waardig ivorde bevonden door alle eeuwen heen te deelen in de glorie des Hemels. Moge dat zoo wezen. Amen.
Imprimatur:
Voorschoten, die 16 Febr. 1888.
M. BEENSBN.
Libr. Censor.