/amp;lt;¥ - p-sy
/ •;
Pvt.\'tv
VERKLARING
ARTIKELEN
ALGEMEEN REGLEMENT
Vereeniging1 yan den H. Vincentius
van Paulo.
i-iturgischfs Var©® quot;iqinf
Aartsbisdom UTRECHT V^lgnummsr Bibiiothtftfc ^ ^
quot;Vijfde druk.
Vgravenhage, SECRETARIE VAN DEN HOOFDRAAD Westeinde, no. 99.
1889.
Gedrukt by Gebr. J. en 11. van Langenhuysen, te \'s Ilag^.
INLEIDING.
De geest eener Vereeniging ligt vooral in haar Reglement, en, wanneer zij zich uitbreidt en voortleeft, dan wordt het noodzakelijk hare gebruiken door vaste regelen te bevestigen, en de naleving daarvan niet enkel meer te doen berusten op de noodzakelijkerwijze telkens verschillende uitlegging der individuen.
Het is deze gedachte, die voor meer dan achttien jaren, de eerste leden der Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, het Reglement heeft doen schrijven, dat nog tegenwoordig die Vereeniging beheerscht, beh oudens
4
de geringe wijzigingen, die de tijd daarin noodzakelijk aangebracht heeft.
Maar, zal een Reglement blijven bestaan, dan is het niet minder van belang de juiste beteekenis als de algemeene strekking ervan te kennen; want, zoo al de letter nooit den geest raag dooden, zij blijft niettemin een noodzakelijk element voor de oorspronkelijke en fondamentele kennis van dien geest.
Dan, sedert lang klaagt men in de Ver-eeniging van den H, Vincentius van Paulo, dat het Reglement zelf niet wordt gekend, dat zijne artikelen, ofschoon onder de oogen van allen gebracht, onbekend blijven , en dat men bij gevolg zeer dikwijls, zonder het te willen, van de oude overleveringen afwijkt. Daar dit nu een wezenlijk kwaad is, heelt men gemeend dit gemakkelijk te kunnen verhelpen met eenige verklaringen van de
O
verschillende artikelen van het Reglement in het licht te geven. Door van elk artikel de zinsnede der circulaires, die daarop betrekking hebben, de door de overlevering geheiligde gebruiken en de door de kracht der omstandigheden noodzakelijk geworden toe-voegselen bijeen te brengen, heeft men gehoopt deze op zich zeiven drooge lezing der artikelen meer belangrijk en bijgevolg meer algemeen te maken, voor de Confercnciën en voor de Leden zei ven.
Zietdaar de eenige beweegreden die liet volgende werkje heeft doen schrijven. Bij het stellen daarvan heeft men gemeend zich te moeten onthouden van alle kleingeestige en spitsvondige tekstuitlegging, maar den geest der Vereeniging te doen uitkomen, die ongetwijfeld nog sterker is uitgedrukt in de Alge-nxeene Beschouwingen, die het Reglement
6
voorafgaan, maar die ook uit elk van zijne artikelen duidelijk uitkomt. Deze lezing zal waarschijnlijk hoe langer hoe meer overtuigen, dat die geest geheel is: eenvoudigheid, hartelijkheid, zelfverloochening, en bij deze gesteldheid zal zij zeker nuttig wezen. Om haar meer vruchtbaar te doen zijn, dragen wij ze op aan de onbevlekte patrones van onze Vereeniging, de gelukzalige Maagd Maria, waarvan de Kerk heden een der voornaamste feesten viert.
21 November 1853.
feestdag van Maria Presentatie.
VERKLARING
der
ARTXKELEN
van heï
ALGEMEEN REGLEMENT
der
VERHEVIGING VAM I)E\\ H. VIMCENTIUS VA\\ PAULO.
Art. 1. De Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo neemt alle christelijke jongelieden, in welke landstreek zij zich bevinden aan, die zich willen vereenigen in gebeden ten behoeve van en deelnemen aan dezellde liefdewerken.
Dil artikel dat tot onderwerp heeft het doel en den geest der Vereeniging bloot Ie leggen , bevat verschillende hoogst belangrijke pvmten.
Voureerst, het herinnert dat de Vereeniging van den 11, Vincentius van Paulo is opgericht
8
geworden door en voor jongelieden; om hen te behoeden voor de gevaren van allerlei aard , die hen bij het begin van hunne loopbaan omringen , werden de Conterenciën georganiseerd ; en wanneer ook al later mannen van meer gevorderden leeftijd zich bij hen kwamen voegen en hun de schatten hunner ondervinding kwamen aanbieden, zoo moet men nochtans het eerste doel der Vereeniging zich wel herinneren en trachten zooveel mogelijk jonge lieden daarheen te lokken, vooral zulke, die ver van hunne familie verwijderd, behoefte hebben aan een\' godsdienstigen kring om in het goede staande te blijven (Rondgaande brief van den Isten November 1851).
Vervolgens blijkt uit dit artikel, dat de Con-ferenciën enkel zijn bestemd voor mannen, dat de dames er geen deel aan kunnen nemen, uoch als werkende noch als honoraire leden. Hieruit volgt natuurlijk, dat er geene gemeen schap kan beslaan tussehen de Vereeniging en de liefdewerken van dames, al zijn die ook gegrond op een lleglement overeenkomstig dat der mannen. De Conferenciën kunnen met haar
betrekkingen van liefdadigheid onderhouden , de armen bezoeken, die door haar worden aanbevolen, en op hare beurt andere aanbevelen; maar zij moeten elk afzonderlijk haar bestuur, hare middelen, hare bijeenkomsten hebben. Wat verder zal men zien , dat de dames weldoensters der Vereeniging kunnen zijn en onder dien titel aan talrijke aflaten kunnen deelachtig worden.
liet artikel vermeldt verder, dat de leden moeten zijn christenen, en art. 18 bevestigt zulks, er bijvoegende dat «elk lid moet zorgen «van in den boezem der Vereeniging geene «leden in te brengen, dan personen, die de quot;anderen kunnen stichten , of door hen gesticht «woiden, en die zich beijveren, om hunne «medeleden en de armen als broeders te be-«minnen.» De Algemeene Raad , uitlegger van het Reglement, heeft altijd verstaan, dat, om aan deze voorwaarden te voldoen, de leden niet enkel in naam, maar met der daad christenen moeten zijn, die alle door de Kerk voorgeschreven verplichtingen, en bepaaldelijk den paaschplicht, nauwgezet vervullen. Men kan
10
met betrekking tot dit onderwerp bijiiii alle Uondgaande Firieven en meer bijzonder die van den 14 Juli 1841 en den 31 Mei 1846 raadplegen. Bovendien geeft het gezond verstand hier een klaarblijkelijke reden. Immers, tot het doel der Vereeniging behoort mede de armen beter en christelijker te maken, en hoe zal men dat doel bereiken als men zelf niet christelijk is, en hoe zal men plichten kunnen aanbevelen, die men zelf niet onderhoudt?
Nog moet worden opgemerkt, dat het eerste doel, dat de Vereeniging aan hare leden voorstelt , bestaat in hunne eigene stichting. Als zij bijeenkomen, als zij de armen bezoeken , dan geschiedt dit vooral om aan zijne eigene verbetering te werken, terwijl men zich in gebeden vereenigt. Het doel der Conferenciön is dus geenszins de philantropie, de zeker prijselijke maar ook zuiver mensclielijke ondersteuning van de armen in hunne ellende; het is de ij ver voor het heil der zielen, en in de eerste plaats voor die der leden. Dit is een punt dat men nooii moet vergeten, want daaruit ontstaan (alrijke gevolgen vooral met betrekking tot de
11
door Conferenciën ondernomen liefdewerken , die alle tot de heiliging van hare leden moeten strekken.
Dan, zoo al de liefdewerken niet zijn het eerste doel der Vereeniging, zij zijn het voornaamste middel, waarvan men zich bedient , om dat doel te bereiken. Er zijn vereenigingen , zoo als de godvruchtige congregatiën, die de heiliging harer leden trachten te bevorderen door lange en menigvuldige gebeden ; er zijn andere, die daaraan werken door oefeningen van liefdadigheid en boetvaardigheid vereenigd met het gebed, zooals in den derden regel van meerdere orden. De Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, neemt zulk eene hooge vlucht niet, zij maakt geen aanspraak op de eer eener Congregatie, eene samenleving , een derde regel te zijn; zij is enkel eene god vruclitige vereeniging van christenen , die in de wereld leven, en hunne zuiverheid onder de bescherming der liefdadigheid willen stellen, liet ware haar van karakter en instelling doen veranderen, iets meer voor haar te willen eischen.
12
Meermalen is tot den Algerneenen Raad de vraag gericht, of het oorbaar was als leden personen toe te laten, die zelf niet boven het te-hoefliqe zijn. Hij heeft altijd ontkennend geantwoord (zie den Rondgaanden Brief van den 14 Juli 1841). Zonder twijfel is het niet noodzakelijk, door de fortuin begunstigd te zijn om in de Vereeniging te worden toegelaten: veel moet te dezen opzichte worden gelet op de omgeving, in welker midden de Conferencie hare liefdewerken verricht. De verhouding bijv. kan niet volstrekt dezelfde zijne in eene arme landgemeente als in eene groote stad; maar het is altijd van belang, dat het lid in staat zij de armen te ondersteunen , in welke geringe mate het dan ook zijn moge, en nooit noodig hebbe zelf ondersteund te worden ledereen zal het ongerief begrijpen, dat uit een tegenovergesteld gebruik zou voortvloeien.
De laatste woorden van het onderwerpe\'ijk artikel, in ivelke landslreek zij zich bevinden, voegt er een nieuwen zeer wezenlijken grondtrek aan toe; het is hare algemeenheid. Innig vereenigd met de Kerk , wenscht zij haar te
13
dienen, altijd eti overal, zonder onderscheid van ras of land, zonder verschil van taal of wetgeving. Indien iets in staat is do menschen door den sterksten en tevens zaclitsten band te vereenigen , dan is hel zeker de christelijke liefde, die eenwige wellust der engelen en der menschen, zooals de 11. Vincentius van Paulo zeide.
Art. 2. Geen liefdewerk moet geacht worden vreemd te zijn aan de Vei eeniging. ofschoon zij meer bepaaldelijk ten doel heelt, het bezoek van arme huisgezinnen. — De leden der Vereenlging benuttigen alzoo de gelegenheden om vertroostingen te bieden aan de zieken en gevangenen, om onderwijs te bezorgen aan arme, verlatene of gevangene kinderen en godsdienstige hulp te verschaften aan hen, wien het daaraan in het doodsuur ontbreekt.
In dit artikel vindt men eene toepassing van het hierboven gestelde beginsel, te weten; dat de Vereeniging tot eerste doel heeft de heiliging harer leden. Wanneer ook al met der daad het bezoek der arme huisgezinnen haar voornaamste fondamentele liefdewerk is, dan is zulks daarom dat dit liefdewerk het nuttigste tot de
14
stichting barer leden is, en tevens het gemakkelijkst kan beoefend worden. Het is zeker zeer verdienstelijk kinderen te patroneren, het wettigen van huwelijken te vergemakkelijken, maar inde beoefening dezer liefdewerken is niet hetzelfde praktische uitwerksel voor de leden als in het bezoek van den arme op zijnen zolder, in zijnen kelder of in zijne hut. Het bezoek der armen is als de deur, door welke men moet zijn binnen gegaan om tot de andere liefdewerken te geraken; zoo niet, men zal in de uitoefening daarvan op onoverkomelijke klipper, stooten, al zou bet enkel op de onervarenheid zijn, en men krijgt er tegenzin in, óf omdat men niet slaagt, óf omdat zij te veel tijd ver-eischen. Het bezoek der armen daarentegen wekt den ijver op, het boeit, omdat het altijd een onmiddellijk uitwerksel heeft, namelijk de stoffelijke ondersteuning ; het is gemakkelijk te beoefenen en vraagt slechts weinig tijd. Op grond van dit alles, moest het wel worden het liefdewerk bij voorkeur van een Vereeniging, samengesteld uit mannen, die in de wereld leven en talrijke bezigheden hebben, daarom ook wordt bet
15
in du Rondgaande Brieven onoplioudelijk aanbevolen.
Nog is het goed op te merken dat, alhoewel geen liefdewerk moet geacht worden vreemd aan de Vereeniging te zijn , men nochtans deze zinsnede altijd heeft verstaan met het voorbehoud: dal hel liefdewerk mei hel hljz-oudere karakter der Vereeniging moesl slrooken. Ook heeft men altijd als hoofdregel beschouwd zich niet in te laten met liefdewerken de vrouwen betreffende, vooral niet als die jong zijn en alleen wonen.
De Vereeniging laat de zorg daarvoor, alsook het beschermerschap over de meisjesscholen, aan de Vereenigingen van dames of aan den onver-moeiden ijver van de heeren pastoors over. Bovendien moet men bij het ondernemen van nieuwe liefdewerken, nooit de regels der voorzichtigheid uit het oog verliezen. Het is goed , zeer goed, dat elke Conferencie zich beijvere een nieuw liefdewerk te voegen bij die, welke zij reeds beoefent; maar zij moet daarbij zonder overijling te werk gaan. Geen flauwhartigheid, zonder twijfel, maar ook niets met lichtzinnigheid ondernemen, zoo moet de regel zijn.
16
Art 3. Wannem\'in eene stad meerdere jongelieden deel maken van de Vereeniging, komen zij bijeen , om zich wederzijds tot de beoelening van het goede op te wekken,— Deze bijeenkomst neemt den naam aan van Conjerende, zijnde die, waaronder de Vereeniging is ontstaan.
De Rondgaande Brief van den Isten December 1842 ; aan den oorsprong herinnerende van den aan onze bijeenkomsten gegeven naam van Con-/erenciën, zijnde die , welke in Parijs gebruikt wordt om de letterkundige bijeenkomsten van jonge lieden aan te duiden, dringt ten sterkste er op aan, dat men in de Vereeniging zich uitsluitend bezig houile met het beoefenen der liefdadigheid, in plaats van verhandelingen over de liefde te houden. Het zal nuttig zijn hier die plaats aan te halen, die een der wezenlijkste punten van onze organisatie doel uitkomen.
«Wij hebben niet in last om ons te onder-«wijzen door verhandelingen maar ons onderling «te stichten door voorbeelden. Wij bidden u, «laat de geest van discussie, laten de gewoonten «van het spreekgestoelte niet bij ons plaats
17
«vinden. Wij willen dien geest op zich zalven «niet laken, de discussie is goed en noodzake-«lijk, wanneer die ter bekwamer zake en «plaatse wordt aangewend ; maar onze Vereeni-«ging is eene Vereeniging van handelen ; zij «moet veel doen en weinig praten; laten wij «aan onze beambten, aan onze Raden de «moeielijke taak van te bepraten, wat daarvoor «vatbaar is, overlaten, maar dat het geheel «der Conferencie de opbeurende zorg voor het «doen van goede werken behoude.f
Elke Conferencie die verlangt opgenomen te worden in de Vereeniging, moet hare inlijving verzoeken aan den Algenaeenen Raad, onder bijvoeging van de lijst barer leden, van een verslag van hare eerste werkzaamheden , van de dagteekening harer stichting , en onder verzekering, dat zij gezind is zich te gedragen naar de regels en gebruiken der Vereeniging. Dit verzoek wordt rechtstreeks ingezonden indien de Conferencie in eene plaats is, waar geen Bijzondere, Centrale of Hoofdraad bestaat; in het tegenovergesleld geval , wordt het dooiden bevoegden Raad overgemaakt, die daarop
18
een gunstig of ongunstig advies uitbrengt.
De Algeraeene Raad, daartoe termen vindende, beslist de inlijvingen. Door de bloote daad dezer inlijving heeft de Conferencie deel in de aflaten, door den H. Stoel verleend, waarvan zij, zonder het vervullen dezer noodzakelijke formaliteit, zou verstoken zijn.
Niels is voor het overige nuttiger dan deze organisatie. Als er in de inlijving geene eenheid bestond, dan zou de Vereeniging weldra zijn samengesteld uit eene bijeenvoeging van verschillende genootschappen , niets gemeen hebbende dan den naam , maar zonder eenheid van geest, zoodat het geoefendste oog niet zou vermogen daarin zusters te herkennen. Het advies der verschillende plaatselijke Raden , als tot het uitbrengen daarvan termen bestaan, is mede een nuttige voorzorg, omdat het den Algemeenen Raad een waarborg geeft voor de goede, geregelde organisatie der nieuwe Conferenciën , die men slechts op de plaats zelve voldoende kan kennen.
Art. 4. In eene stad, waar njeerdero Conté-
19
renciën zijn opgericht, ondfirscheiden zij zich door den naam der parochie , waartoe de leden be-hooren.
Zij zijn verbonden door eenen Bijzonderen Baad, die den naam aanneemt der stad waar hij is opgericht.
Het beginsel in art. 4 uitgedrukt, van de benaming der Conferenciëu naar de parochie, is een gevolg van het wezenlijk katholiek karakter der Vereeniging. De onderworpene dochter der Kerk zijnde, hecht zij zich zooveel mogelijk aan hare niet te vernietigen hierarchie.
Akt. 5 Al de Gonferenciën der Vereeniging zijn verbonden door eenen Algenieenen Raad.
Het is hier de plaats om kortelijk de organisatie der Vereeniging bloot te leggen.
Vooreerst heeft men als grondslag de Gonferenciën , die zich met practische liefdewerken bezig houden.
Boven de Conferencien, als er meer in dezelfde stad zijn, een\' Bijzonderen Raad, waarvan jnen wat verder de samenstelling zal zien,
20
Bovenden Bijzouderen Raad, alsmede boven de afzonderlijke Conferenciën , óf een Centralen óf een Hoofdraad, omvattende binnen zijne omschrijving, de Conferenciën van verscheidene diocesen of van een geheel land.
Eindelijk een\' Algemeenen Raad als middelpunt der geheele Vereeniging, en haar dienende tot band, tot middel van eenheid, en zijnen tijd en den ijver zijner leden geheel aan de algeineene belangen toewijdende.
Aldus georganiseerd, staat elke Conferencie niet op zich zelve noch maakt een afzonderlijk geheel uit. Zij heeft zicb noch hare reglementen noch hare overleveringen te vormen, zonder met anderen te raadplegen; integendeel, zij maakt deel uit van eene groote Vereeniging, onder welker leden eenheid van hart, van geest, van gebruiken bestaat; zij steunt op de ondervinding van andere Conferenciën, op de voorlichting van hare verschillende Raden, en, terwijl zij voor de beoefening van hare liefdewerken do grootste vrijheid van handelen behoudt, onderwerpt zij zich aan een algemeen en door allen aangenomen bestuur,
\'21
Is het nog noodig hier bij te voegen, dat het gezag der verschillende Raden, van den Bijzonderen tot den Algemeenen Raad af, slechts wezenlijk is, omdat het vrijwillig is aangenomen , en dat de overtuiging en het goede voorbeeld de zekerste, om niet te zeggen de eenigste middelen zijn tol handhaving van dat gezag? Intusschen heeft de Kerk deze banden wel gelieven te bevestigen en nauwer toe te halen door het verleenen van zeer kostbare aflaten aan de Oonferenciën en Raden, die door den Algemeenen Raad zouden zijn ingesteld. Deze aflaten maken het onderwerp uit der twee Breven van den 10 Januari en 12 Augustus 1845.
HOOFDSTUK I.
van de conferencien.
Art. 6. De Oonferenciën vergaderen op de door haar daartoe vastgestelde dagen en uren.
De meest volledige vrijheid behoort in dit opzicht aan de Oonferenciën te worden gelaten, want in niets vindt men meer verscheidenheid,
22
dan in de verschillende plaatselijke omstandigheden, en het is van het grootste belang, dat de dag gekozen worde, die voor de groote meerderheid het meest geschikt is; geschiedt dit niet, de zittingen loopen gevaar van weinig bezocht te worden, en de verflauwing van den ijver en de liefde zal het gevolg er van zijn.
Het is hier vooral de plaats om over een ander punt te spreken , waaraan de Algemeene Raad veel gewicht hecht, namelijk het geregeld houden der wekelijksche bijeenkomsten. Daar het Reglement niet bepaaldelijk deze wekelijksche bijeenkomsten voorschrijft, zoo heeft mer-enkele malen daaruit willen besluiten , dat het voldoende was om de veertien dagen of wel om de maand te vergaderen. Met uitzondering der landelijke Conferenciën , alwaar uit hoofde van den verren afstand, de slechte wegen en verschillende plaatselijke omstandigheden, de bijeenkomst om de acht dagen dikwijls al te moeielijk zon zijn, heeft de Algemeene Raad niet opgehouden de Conferenciën te vermanen om wekelijks te vergaderen , zooals zulks van den beginne af in de Vereeniging
23
het gebruik is geweest, en welk gebruik ook bijna overal onderhouden wordt. Het doel der bijeenkomsten is vooral, zooals reeds vroeger is gezegd, om onder de leden christelijke betrekkingen aan te knoopen, en hen door het wederzijdsche goede voorbeeld in de godsvrucht te vestigen. Dan , ééne zitting om de veertien dagen, en meer nog om de maand, is tot het verkrijgen van zulk een resultaat niet voldoende, vooral dan niet, als daar nog moeten afgetrokken worden de meer of min talrijke afwezigheden door ziekten, bezigheden of reizen veroorzaakt.
Het gevolg daarvan zal zijn, dat men op het einde van het jaar zich nauwelijks gezien heeft, men zich te nauwernood kent, en er aldus jaren kunnen verloopen eer zich onder de leden die christelijke gehechtheid vormt, die de Ver-eeniging zoekt te bewerken. Ook zijn de Confe-renciën, die de bijeenkomsten slechts met lange tusschenruimten houden, doorgaans koud en kwijnend. In de andere daarentegen is men zijne medebroeders en het gemeene liefdewerk meer genegen, omdat men meermalen bijeenkomt; men neemt met meer ijver aan de liefdewerken
u
deel, omdat die ijver meei\' in de gewoonten overgaat en men daarin meer behagen vindt; bovendien worden de belangen der armen beter behartigd , als men alle acht dagen bijeenkomt om zich daarmede bezig te houden , en de kas der Conferentie wordt beter gestijfd , omdat de inzameling menigvuldiger wordt herhaald, en dus ook noodzakelijkerwijze meer moet opleveren. De sterkste redenen pleiten alzoo voor de wekelijksche bijeenkomst, en het is te wenschen, dat zij , althans voor de steden, de regel zonder uitzondering worde. Maar zelfs als eene afwijking van dien regel noodzakelijk mocht zijn, zooals in eenige plattelands-gemeenten, dan nog moet worden opgemerkt, dat het bezoek der armen wekelijks moet plaats hebben. Zonder het huisbezoek ten minste eenmaal per week te herhalen, zou het bijna onmogelijk zijn dj behoeften der armen na te gaan en op hunne zedelijke verbetering een\' gunstigen invloed uit te oefenen.
Art. 7. Zij bevlijtigen zich onderling in briefwisseling te zijn, ten einde elkander te stichten, en zich wederzijds, des gevorderd, hetzij leden
23-\'
der Vereeniging zelve, hetzij andere jongelieden , of wel onvermogende gezinnen, die van verblijfplaats veranderen, aan te bevelen.
De gewoonte menigvuldige en wederzijdsche betrekkingen van Conferencie tot Conferencie te onderhouden is eene van die, welke het meest tot de ontwikkeling der Vereeniging hebben bijgedragen, en die men het meest moet trachten te handhaven. De briefwisseling zal misschien met de uitbreiding der Vereeniging minder innig zijn, dan ten tijde toen zij gehouden werd tusschen zeven of acht Conferenciën, samengesteld uit personen, die zich allen kenden, maar zij moet daarom niet minder hartelijk zijn, noch in onverschilligheid overgaan, omdat, zoo als reeds gezegd is, in de Vereeniging van den 11. Vincentius van Paulo eene volmaakte vriendschap moet bestaan , en hij, die er intreedt, lid wordt van eene groote nauwver-bonden familie. Voor het overige was het slechts om deze gemeenzame medededeelingen Ie vergemakkelijken , dat de Vereeniging zich heeft gesplitst in onder-afdeelingen, zooals men hier-
2
26
boven reeds gezien heeft. De Conferenciën, die door de Centrale en Hoofdraden als het ware tot zekere groepen zijn te samengevoegd, moeten bedenken dat zulks niet is geschied om zich hoe langer hoe meer van het algemeene en eenige middelpunt, den Algemeenen Raad, te scheiden ; dit zij verre, maar om de wederzijdsche banden nauwer toe te halen; want tusschen 2000 over de geheele aarde verspreide Conferenciën is het onderhouden van die innige betrekkingen met de daad onmogelijk , en moet zich tot het mededeelen van enkele verslagen en berichten bepalen, maar tusschen 20 of 30 naburige Conferenciën moeten die mededeelingen even menigvuldig zijn, als zij gemakkelijk kunnen gedaan worden.
Het doel der briefwisseling is vooral van zich te stichten, van zich wederzijds het goede te doen kennen, waarvan men getuige is geweest; de met goed gevolg nieuw ingevoerde gebruiken ot liefdewerken blijven daardoor niet op zich zeiven staan, maar worden bekend en voortgeplant; zij worden algemeen en daardoor menigvuldiger. Dit is mede een hoofdpunt in de
a?
Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, want het doet aan het goede geen nadeel of het door dezen of genen beoefend wordt, maar wel, dat het niet genoegzaam bekend is om beoefend te worden door allen, die het willen. De mede-deelingen geschieden nu eens door leden, die eene andere Conferencie bezoeken, dan weer door gedrukte verslagen, of wel door de Rondgaande brieven, het Algemeen Verslag en het maandelijksch Bulletin der Vereeniging. Het spreekt van zelve, dat al deze mededeelingen eenvoudig en bescheiden moeten zijn, en nooit voor de leden of de Vereeniging het middel mogen worden om ijdelen roem te trekken uit het weinige goed , dat verricht is. De H. Vincentius van Paulo wilde dat zijne zendelingen eenvoudig de waarheid, en niet, zoo als hij zeide, zich zei ven zouden prediken; met veel meer recht zou hij met afkeer hebben gezien dat de laatst aangekomene en minst ijverige zijner leerlingen zich zouden beroemen over eenige zeer onvolmaakte liefdewerken.
Het onderhouden der betrekkingen van Con-ferencie tot Conferencie heeft daarenboven nog
\'28
ten doel de aanbeveling van jongelieden, die hunne familie verlaten en zich in eene stad gaan vestigen, waar de Vereeniging bestaat. Hoevele jongelieden verlaten het ouderlijke huis met de beste voornemens om zuiver, kuisch, godsdienstig te blijven! hoevelen hebben het aan hunne moeders, hebben het aan zich zeiven beloofd! Dan, nauwelijks zijn zij in hunne nieuwe verblijfplaats gevestigd, of zijleggen alle godvruchtige gewoonten af en vallen in eene schandelijke ongebondenheid. De schuld daarvan ligt zonder twijfel in hunne hartstochten, maar zij ligt ook vooral in hunne verwijdering van alle godsdienstig gezelschap, van alie christelijken raad; door een goed voorbeeld gesteund, zouden zij staande zijn gebleven ; aan zich zeiven overgelaten zijn zij ellendiglijk gevallen. Aan deze nog christelijke jongelieden in goede en godsdienstige betrekkingen een sterken steun te geven, hen in den boezem der Con-ferencie zuivere betrekkingen te doen aanknoo-pen, hun de, helaas! maar al te noodige aanmoediging te verschaffen, welke dienst wordt daardoor niet aan den godsdienst, aan hunne ouders,
29
aan hen zeiven bewezen! De Conferenciën worden dringend verzocht hieraan wel te willen denken, en nooit te vergeten om hare leden, die van verblijfplaats veranderen, aan de andere Conferenciën aan te bevelen, ten einde de jongelieden, die van dergelijke aanbevelingen voorzien, zich aanmelden, met de grootst mogelijke voorkomendheid ontvangen, en met dat wakend oog en die liefderijke voorzorgen omgeven worden, waarvan elk vader zijn\' zoon zoo gaarne omringd zou zien.
Het is ook eene loffelijke gewoonte zich de armen, die van woonplaats veranderen, weder-keerig aan te bevelen; het begonnen goed wordt op die wijze waarschijnlijk in eene andere Con-ferencie voltooid; alleen moet wel worden acht gegeven, dat de verplaatsing niet lichtzinnig en zonder gewichtig doel geschiede, zooals zulks maar al te dikwijls plaats heeft.
Insgelijks moet niet verzuimd worden de op hun handwerk reizende ambachtslieden aan te bevelen, ten einde deze zoo veel mogelijk in goede huizen en bij brave en christelijke meesters te doen plaatsen. De jonge soldaten, die in
30
dienst worden geroepen, moeten mede een voorwerp der zorgen van de Gónlerenciën zijn, ten einde voor hen christelijke scholen op te richten, waarin men hen leert lezen, schrijven,
maar bovenal God te beminnen.
ü 1. inrichting der conferenc1en.
Abt. 8. Elke Conferencie wordt beheerd door eenen President, een\' of meer Vice-Presidenten , | een\' Secretaris, een\' Penningmeester, die het Bureau der Conferencie uitmaken.
Elke Conferencie heeft ook, naar gelang der behoeften van den dienst, een\' Bibliothecaris, een Magazijnmeester, of welke andere betrekking meer. i ■
Dit artikel noemt de verschillende beambten der Oonferenciën op, en brengt hen tot twee categoriën : zulke die het Bureau uitmaken en aan wie meer bijzonder het beheer der Conferencie is opgedragen, en zulke die zekere bijkomende ambten waarnemen.
Het Bureau der Coni\'erencie is in de praktijk van zeer groot belang, vooj-al in de Conferen-
31
ciën, die niet door een\' Bijzonderen Raad zijn verbonden; het beeft de voornaamste vraagstukken, die met den geregelden gang der Conferenciën in verband staan, te bestudeeren, de antwoorden voor te bereiden die haar zullen worden voorgesteld, ten einde hare beslissing toe te lichten en de discussiën te bekorten. Ofschoon het reglement het niet bepaaldelijk voorschrijft, is het evenwel wenschelijk, dat het Bureau genoegzame zittingen boude om eene wezenlijke krachtdadigheid te ontwikkelen; nogthans is het noodzakelijk te doen opmerken, dat, naar den geest van het reglement, het Bureau de beslissingen, die aan de Gonferencie zijn onderworpen, slechts heeft voor te bereiden en de voorstellen te bestudeeren, maar dat het aan de Conferenciën zelve toekomt daarover te beslissen, voornamelijk in die plaatsen, waar geen Bijzondere Raad bestaat. Anders te handelen zou dikwijls het werkdadige leven der Gonferencie vernietigen en aan hare bijeenkomsten alle belangrijkheid ontrooven.
Art. 9. De President wordt door de Conté-
32
renciën verkozen. De andere leden, die betrekkingen bekleeden , worden door den President benoemd, met overleg van het bureau In die steden echter, waar, zooals later gezegd zal worden, een Raad van bestuur bestaat, worden de Presidenten en Vice Presidenten der bijzondere Conferenciën, even als de overige leden die dezen Raad uilmaken, benoemd door den President van dien Raad.
Twee gevallen kunnen zich bij de benoeming van den President eener Conferencie voordoen: er kan óf maar eene Conferencie in de slad bestaan, óf er kunnen er meer zijn, die door een\' Bijzonderen Raad zijn verbonden.
In het eerste geval verkiest de Conferencie zelve haren President en kan zulks ook niet anders geschieden. Hierbij moet worden opgemerkt, dat deze verkiezing niet voor een zeker begrensd tijdvak, maar voor eenen onbepaalden duur geschiedt. Deze omstandigheid is dikwijls het voorwerp van scherpe oordeelvellingea van de zijde der Conferenciën geweest, zij vreesden dat zich daardoor aan het hoofd der Conferenciën somtijds beambten zouden blijven op-
33
dringen, wier inzichten of ijver niet aan de behoeften zouden beantwoorden ; dat de gang der Conferenciën daardoor belemmerd, en de belangen der armen daarbij benadeeld zouden worden. Deze vrees is zeker niet geheel ongegrond , maar de Algemeene Raad is altijd van oordeel geweest, dat zij niet kan opwegen tegen debezwaren uit eene periodiekeverkiezing voortspruitende. Vooreerst toch is het zeldzaam dat eene jaarlijksche verkiezing, tenzij zeeenebloote formaliteit zij , niet de oorzaak worde van eene zekere beweging, en in tijden van politieke of andere verdeeldheden, die men te doorworstelen kan hebben, kan zulk eene beweging den in-wendigen vrede der Conferencie grootelijks schaden; bovendien kunnen zich ten gevolge der verkiezingen, in den boezem der weleer meest eensgezindevergaderingpartijen en samenspanningen vormen ; daarbij kunnen voorliefde en afgekeerdheid worden opgewekt, en niets is nadeeliger voor een liefdewerk. Is overigens de geest van behoud en van bestendiging niet voor elk liefdewerk noodzakelijk, en indien een President weet, dat hij slechts voor een jaar be-
34
noemd is, zal hij dan ook even gemakkelijk liefdewerken van duur kunnen ondernemen, zoo als hel oprichten vau 11. fainlliën, het palro-neeren van leerjongens enz. ? Misschien zal zijn opvolger de Conforencie in eene andere richting besturen, en dit alleen is voor hem eene reden om niets te ondernemen. En eindelijk, als in een christelijk liefdewerk, waarin de ambten geen eere- maar lastposten zijn, oneva, non munera, de President wezenlijk eene belemmering voor den voortgang van het liefdewerk mocht zijc, heeft men dan geen duizend middelen bij de hand om hem liefderijk te waarschuwen? De ondervinding van twintig jaren heeft dikwijls geleerd, dat men aldus zonder een achtenswaardig medebroeder te kwetsen, hem er toe kan brengen om uit eigen beweging af te treden, om eene door hem sedert lang gewenschte rust te nemen. Om al deze redenen heeft de Algemeene [laad altijd het stelsel der jaaiTyksche verkiezingen bestreden, en, dank hebbe de toegenegenheid waarmede de Gonferenciën zijne raadgevingen ontvangen, dit stelsel begint hoe langer hoe meer te verdwijnen.
35
De andere beambten van het Bureau worden in deze Conferenciën door den President met overleg van het Bureau benoemd. Dit scheen het middel om meer eenheid in het bestuur le bewaren, en de verkiezingen niet al te zeer le vermenigvuldigen.
In het tweede geval, als meer Conferenciën door een\' Bijzonderon Raad zijn verbonden, geschiedt de benoeming der Presidenten en Vice-presidenten der Conferenciën door den President van dien Raad. Art. 31 zegt, dat deze benoemingen door den President geschieden, na het gevoelen van dien Raad te hebben ingewonnen. Deze bepaling heeft ten doel, om onder de verschillende Conferenciën , de banden van broederschap nauwer toe te halen, en om door eene benoeming van hetzelfde gezag uitgaande, de eenheid van geest te handhaven. Immers het kan gebeuren , dat zich in dezelfde stad, in de verschillende Conferenciën , uiteen-loopende richtingen openbaren; dat de eene b.v. begint över te hellen naar den gang eener broederschap, de andere naar de gebruiken van een Bureau van bedeeling; dat deze te gestreng
36
zij in het toelaten van nieuwe leden , gene weer te toegeeflijk; de benoeming van de Presidenten der Conferenciën door den President van den Bijzonderen Raad tempert langzamerhand en zonder schokken al deze onregelmatigheden en weet door verstandig overlegde keuzen tus-schen den President en zijn\' Raad, al deze verschillende richtingen tot eenen algemeenen geest, den geest der Vereeniging samen te smelten; bovendien is het veel gemakkelijker de bijzondere geschiktheid van dezen of genen kandidaat te bespreken in een\' Raad, waar men geheel vertrouwelijk kan praten en min talrijk is, dan in eene Conferencie, waar men zich meer op publiek terrein bevindt, en waar elke opwerping tegen eene voorgestelde keuze den schijn van eene personaliteit kan aannemen.
Welke voor het overige de wijze ook zij, die bij het benoemen van een President gevolgd wordt, men kan niet genoeg op het belangrijke dezer keuze drukken. Ofschoon de President in eene Conferencie slechts eene soort van oudste broeder is, de primus inter pares, zoo heeft
S7
r nogthans de ondervinding geleerd, dat wal de
1- President is, dal is de Conferende. Opdat nu
n een President in staat zij zijne zending naar
d behooren te vervullen, is het niet zoozeer noodig
n er op te letten of hij een alom aanzienlijk persoon
s- is, of hij rijk en edelmoedig is, dan wel of hij
;e de vereischte persoonlijke hoedanigheden bezitte.
n Daartoe behoort in de eerste plaats, dat hij
:e vrijen lijd hebbe, om zich met de zaken der
jr Conferencie bezig te houden , want een honorair
in presidentschap is altijd onvruchtbaar; daarbij
ir moet hij ijver bezitten, die dikwijls tijd weet
in te vinden, vlugheid van geest en een rijp oordeel\',
sn hij moet verder het rechle begrip der liefde-ir a werken hebben, ten einde de moeielijkhedeu,
ie die zich in de beoefening der liefdadigheid
n- voordoen, te boven te komen, in plaats van zich daardoor te laten afschrikken; den geest van
ie verzoening om geschillen te voorkomen of te
;d doen bedaren, en eindelijk die godsvrucht en
ie dat levendig geloof , welke zich weten mede te
in dcelen en de krachten te vermeerderen , opdat
ite zij den zegen Gods op zich doen afdalen,
ift Behoudens eenige buitengewone en bijna
38
altijd tijdelijke afwijkingen, is het indeVer-eeniging altijd een standvastig gebruik geweest om het presidentschap der Conferenciën op te dragen aan leeken. Met dit gebruik heeft de Vereeniging zich gevormd en de goedkeuring van den H. Stoel verworven. Maar alhoewel tot het presidentschap geen geestelijken benoemd worden, zoo volgt daaruit geenszins dat diegene,! van hen, die ons de eer zouden willen aandoen van in onze rangen te komen plaats nemen, niet alleen als leden van eer, maar ook als werkende leden, door ons niet met de grootste dankbaarheid zouden ontvangen worden. Dit is een punt dat de Rondgaande Brief van den 31 Mei 1846 op de meest uitvoerige wijze behandelt.
Art. 10. De President bestuurt de Gonferencie, ontvangt de voorstellen en brengt die in overweging, doet de oproepingen ter bijeerkomst, indien het noodig is, en waakt voor de uitvoering der reglementen en beslissingen der Vereeniging.
In geval van afwezigheid, doel hij zich door eenen Vice-President vervangen.
39
Art. 11. De Secretaris maakt een beknopt )gt;roces-verbaal der zitting.
Hij houdt een register, bevattende denamen, betrekkingen en woonplaa tsen der leden, de dag-teekening hunner aanneming en de namen dergenen die hen hebben voorgedragen.
[lij houdt nauwkeurig aanteeken ng van de bezochte huisgezinnen. Hij wint inlichtingen in nopens die, welke voorgedragen worden, ten einde de Conferencie, zooveel mogelijk, slechts zoodanige gezinnen bezoeke, die hare belang-slelling en ondersteuning waardig zijn.
Hij teekent de veranderingen op, welke in de gezinnen of in de leden, die deze bezoeken, zijn voorgevallen.
De President van eene Conferencie is eeniger-mate de ziel daarvan, maar hij moet daarom niet door overmaat van ijver, de werkzaamheid der Conferencie door zijne eigene werkzaamheid verlammen. Het is goed dat hij toezie en een wakend oog houde op al v\\at er belangrijks geschiedt, en daaraan deel neme ten minste door zijn raad: maar hij behoort zich niet te overladen en allen last op zich te nemen , want hij zou daardoor eenigermate de waarneming zijner functie onmogelijk maken voor een\'opvolger,
40
die meer met bezigheden is bezet, en den ij ver der andere leden geheel vernietigen, door dien altijd aan te vullen.
Als de President afwezig is, vooral als die afwezigheid eenigen tijd aanhoudt, moetde Vice-president geacht worden dezelfde macht te bezitten en hem volledig te vervangen. Een Con-ferencie kan niet stilstaan bij gebrek aan een lid, en dit zou nochtans gebeuren, als men in de afwezigheid van een President niets moeht ondernemen. Het is dus niet alleen een recht maar eene zedelijke verplichting van den Vice-president, om den verhinderden of afwezigen President volledig le vervangen, opdat de laatste bij zijne terugkomst niet bevinde, dal alles ten gevolge van zijne afwezigheid heeft gekwijnd.
Deze opmerking betreft niet enkel de Confe-renciën, zij is ook, en met veel meer reden, toepasselijk op de Bijzondere, Centrale en Hoofdraden en bovenal op den Algemeenen Raad. In een liefdewerk moet men altijd op het werk zelf en geenszins op de personen het oog gevestigd hebben.
41
De functiën van den Secretaris, hoewel minder belangrijk dan die van den President, verdienen nochtans eenebijzondere vermelding; want, zoo de President het geheel van het bestuur heeft, de Secretaris heeft het beheer van de bijzonderheden. Van zijne nauwkeurigheid of zijn verzuim hangen bijgevolg eene menigte goede dingen of kleine wanordelijkheden af.
Wanneer dus de Secretaris niet tegenwoordig is, of te laat komt, wordt het proces-verbaal niet, of ten minste niet op den tijd gelezen, dien het reglement voorschrijft, en die inderdaad de meest getchikte is. Als hij geene nauwkeurige aanteekening houdt van de aanneming der leden , • en der arme huisgezinnen, van de namen der bezoekers, dan ontstaat daaruit eene schromelijke wanorde; nu eens zullen eenige huisgezinnen gedurende langen tijd vergeten en aan hun lot overgelaten worden, en dan weer zullen andere eene dubbele ondersteuning erlangen, en deze onnauwkeurigheden zijn aan den goeden gang der zittingen zeer schadelijk.
Niets zou meer in strijd zijn met de gebruiken vau eene geheel vrije en ongedwongene Ver-
42
eeniging, dan die belemmerende beuzelachtige gewoonten, die den gang navolgen van eene administratie en van hetgeen men meer gewoonlijk met den naam van bureaucratie bestempelt; de Algemeene Raad kan de Confe-renciën niet genoeg waarschuwen, tegen al hetgeen er naar gelijkt, en haar niet genoeg aanbevelen van alles eenvoudiglijk zonder lijvige registers, zonder noodeloos geschrijf af te doen; want anders zou de geest onzer geliefde Confe-renciën daardoor grootelijks komen te lijden Maar de eenvoudigheid in de gebruiken sluit daarom de orde niet uit; integendeel, juist omdat men de zaken kortelijk behandelt, moet men deze wèl rangschikken.
Het is in dezen geest dat de Secretaris zijne functiën moet begrijpen. Het voegt derhalve dat het register der armen altijd bijgehouden zij; dat tegenover den naam , de woonplaats van elk huisgezin en de gewone ondersteuning die men er aan verleent zij aangeteekent, dat in eene kolom van aanmerking, aanteekening gehouden worde van de meldenswaardige feiten, die dat gezin betreffen, van de voor-
43
naamste aanmerkingen die door zijne bezoekers zijn gemaakt en van den buitengewonen onderstand dien liet genoten heeft. Het bijhouden van zulk een register vereischt nauwelijks een kwartieruurs werkzaamheid per week ; en toch kan het zeer nuttig zijn voor het geregeld bestuur der Conferencie, en vooral voor de nieuwe bezoekers, die er voortreffelijke onderrichten voor hunne armen in aantreffen.
Art. 12 De penningmeester houdt de kas; hij teekent de inkomsten en uitgaven, zitting voor zitting, op.
Dit artikel is van meer nut dan men bij den eersten oogopslag zou denken, en de Conferenciën worden dringend verzocht om het letterlijk te volgen, van den eenen kant omdat, wanneer men telkens den staat dei-kas onder het oog der leden brengt, deze daardoor genoopt worden hunne aanvragen naar de voorhanden middelen te regelen , en van den anderen kant omdat het een behoedmiddel is tegen vergissingen. De Con-
u
ferenciën zullen dus zeer verstandig handelen als zij de termijnen voor het weke-lijksch verslag doen van den staat der kas door den Penningmeester, niet verlengen, zoo als men zulks om meerdere vereenvoudiging wel eens gedaan heeft. Maar wat van meer belang is, is van nooit ten achteren te zijn met de betaling der leveranciers. Behalve dat de prijs der levensmiddelen en vooral die van het brood zeer dikwijls afwisselt, en de afrekening, als die wordt uitgesteld, tot geschillen kan aanleiding geven, is het gevaarlijk voor de Gonferenciën van hare rekeningen te laten oploopen, en dit kan op elk gegeven tijdstip eene oorzaak van groote ongelegenheid worden, liet best is alles contant te betalen ; dit is het zekerste en het minst omslachtig.
Het plaatsen van gelden, als eene Confe-rencie eenige sommen ontvangen heeft, die dageiijksche behoeften te boven gaan, verdient mede onze aandacht. Er is hier geenszins sprake van eene voortdurende plaatsing van gelden, die ii:en kapitaliseert om er slechts de interesten
45
van te genieten; dit zou geheel in strijd zijn met den geest en de overleveringen der Ver-eeniging: wij bedoelen die tijdelijke plaatsingen die men voor eenige maanden tot aan den winter doet na afloop van eene goede loterij of eene vruchtbare liefdadigheidspreek, en zulks met het dubbele doel, om aan de armen eenige ondersteuning meer te verschaffen , en het behoud van het kapitaal te verzekeren. Men kan hier niets bepaaldelijk zeggen, maar het schijnt voorzichtig voor de Conferenciën ^an liever bij den Staat dan bij particulieren hare gelden te plaatsen, en liever in vaste waarden zooals schatkist-biljetten, dan in veranderlijke waarden, zooals effecten. De te winnen interest moet haar van minder belang zijn dan de volledige zekerheid van het kapitaal, en in tijd van crisis, behoort het geld der armen het minst mogelijk aan ongelegenheden te zijn blootgesteld en moet men ten allen tijde spoedig en gemakkelijk daarover kunnen beschikken. Voor het overige behoort de plaatsing der beschikbare fondsen aan de Conferencie, en kan de Penningmeester zulks niet doen, zonder een besluit van haar
40
op straffe van daarvoor zedelijk verantwoordelijk te zijn.
Eenige Conferenciën hebben de gewoonte aangenomen om op het verzoek van hare Penningmeesters, elk jaar eene commissie te benoemen tot onderzoek der rekeningen. Dit gebruik schijnt zeer verstandig en de Penningmeesters behooren daaraan vast te houden, omdat het hunne verantwoordelijkheid vrijwaart. Bovendien is het in onze eeuw niet minder van belang te bewijzen dat men in de orde is, dan het ook werkelijk le zijn.
Art. 13. De bibliothecaris verzamelt leerzame boeken, geschikt voor de personen, die door de Conferencie worden ondersteund en teekent aan, welke dezer gegeven of geleend worden.
Art. 14. De Magazijnmeester verzamelt de kleedingstukken ten gebruike der armen en hcudt daarvan insgelijks aanteekening.
Het nut van eene bibliotheek voor de armen dat reeds van het onstaan der Vereeniging af is erkend geworden, is tegenwoordig nog grooter
4r
dan wel vroeger. Het ambt van Bibliothecaris is dus zeer gewichtig en de Conferencie behoort uit al haar vermogen den medebroeder, die zich daaraan toewijdt, te ondersteunen. Het uitdeelen der Kleine F oor lezingen , waarbij het zoo nuttig is de geregelde opvolging in acht te nemen, schijnt geheel eigenaardig aan den Bibliothecaris te moeten worden toevertrouwd.
Het magazijn moet voor eene Conferencie het voorwerp van geheel bijzondere zorgen zijn, want de armen hebben even dikwijls behoefte aan kleederen als aan bons voor brood of vleesch en, om daarin te voorzien, moet men dikwijls nog meer moeite dan geld besteden. Vooreerst dan moet men de Conferencie dikwijls aan den behoeftigen staat van het altijd ledige, althans slecht voorziene magazijn herinneren; vervolgens wanneer iets wordt aangeboden, moet men zoo spoedig mogelijk van dat aanbod gebruik maken en de gelegenheid niet laten voorbij gaan. Als de kleederen zijn bijeenverzameld, is er de meeste tijd om ze te doen herstellen, en het is dan dat de medewerking van christelijke dames zeer wel te stade komt voor een menigte bij-
4S
zonderheden; waarvan de mannen geen kennis hebben. Endelijk is er somwijlen, zooals in eenige steden , in alle huizen , met toestemming van de eigenaars wel te verstaan, eene groote inzameling te doen ; de oude zaken , die op den zolder als voor het gebruik niet meer geschikt, zijn \' weggeborgen, bijeen le brengen, van het gebroken meubelstuk, het gescheurde behangsel , die weldra weer hunne plaats zullen vinden, af, tot op het voor de zieken zoo nuttige oude linnen. Het magazijn kan dikwijls met zeer weinig kosten goed gevuld zijn, en doet alsdan groote diensten. Aan de zieken verschaft het oud linnen en dekking; den armen, dien het aan bedden ontbreekt, verschaft het die, om de beide seksen afgezonderd te doen slapen. Welk eene weldaad is niet het verschaffen van een warme deken, een schoon laken, een kleed, een rok voor een\' arme! De gezondheid , het leven, en somtijds ook zijne betrekking hangen er van af; want hoevele armen blijven niet ongeplaatst alleen bij gebrek aan fatsoenlijke kleeding!
49
§ 2. ORDE DER ZITTINGEN.
Art. 15. Bij de opening van elke zitting doet do President het gebed: Kom H. Geest, gevolgd van het gehed en van eene aanroeping van den H. Vincentius van Paulo en van den H. Joseph.
Men houdt vervolgens eene godsdienstige voorlezing uit een door den president gekozen boek.
Ieder is geroepen deze voorlezing op zijn beurt te doen.
Het gebed en de voorlezing moeten met den meesten ernst en met aandacht geschieden, daar het doel der Vereeniging niet minder strekt om de godsvrucht der leden te onderhouden, dan om de armen te ondersteunen.
Het gebed maakt een wezenlijk gedeelte der zittingen uit en moet nooit worden nagelaten , omdat het aan een der onderscheidende karaktertrekken der Vereeniging herinnert. De Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo is een katholiek liefdewerk, en, om den goddelijken zegen over hare werken te doen afdalen, moet zij die trachten Ie heiligen. Het gebed moet bovendien knielende gedaan worden, zonder menschelijk opzicht; want hij die zijne knieën
3
50
niet in het publiek voor God zou willen buigen, zou zeer kwalijk de nederigheid begrijpen, die tot den dienst der armen vereischt wordt.
De godvruchtige lezing moet met aandacht geschieden en noch te kort, noch te lang zijn ; niet Ie lang, uit vrees van de zitting al te zeer te verlengen: niet te kort, omdat zij de godsvrucht der leden moet voeden. De keuze van het boek, waaruit de voorlezing geschiedt, behoort aan den President; maar het spreekt van zelf, dat dit boek slechts christelijke en liefdadige onderwerpen mag behandelen. In eene oude Gonferencie is het tot eene gewoonte geworden dat, wanneer een lid in zijne persoonlijke lectuur eenige opmerkenswaardige plaatsen aantreft, die geschikt zijn om zijne medebroeders te stichten, hij daarvan mededeelingdoet aan den President en met toestemming van dezen laatste daarvan voorlezing doet. Dit gebruik is zeer goed en verdient navolging te vinden.
De werken, die door de Conferenciën het meest voor de godvruchtige lezing gebruikt worden, zijn: de H. Evangeliën, de Navolqing van Christus, de Inleiding lol een godvruchlig
51
leven (1). Ook is het zeer nuttig ten minste eenmaal in het jaar, het Reglement in zijn geheel met deze tegenwoordige verklaring daarvan , alsmede de Rondgaande Brieven, te herlezen.
Art. 16. De Secretaris leest het proces verbaal der laatste zitting voor. Ieder lid heeft vrijheid om op dat stuk zijne aanmerkingen te maken.
liet proces-verbaal moet alles bevatten wat op de zitting belangrijks voorvalt, vooral zulke feiten, die een antecedent daarstellen; maar de redactie moet zoo eenvoudig en kort mogelijk wezen; zij zal daardoor slechts te meer naar den smaak van allen zijn.
Art. 17. Daartoe termen zijnde, kondigt de President de aanneming der kandidaten af, die
(1) Aan de Conferenciën en Eaden kan niet genoeg worden aanbevolen, ook het Boll. Bulletin te doen voorlezen, ten einde bekend te blij pen met hetgeen in de Vereeniglng voorvalt. Dit wordt wel wat verzuimd.
Hrd.
5-2
in de vorige zitting zijn voorgedragen en noodigt de voorstellers uit, om hen van hunne toelating te doen kennis dragen.
Art. IS. Indien er nieuwe kandidaten worden voorgedragen, maakt de President hunne namen kenbaar. De leden, welke op die voorstellingen eenige bedenkingen te maken hebben , dienen die schriltelijk of mondeling in bij den President, ir het tijdsverloop van de eene zitting tot de andere. Bestaan er geene bedenkingen, dan gaat men in laatstgemelde zitting over tot de aanneming der voorgedragene leden.
Elk lid moet zorgen van in den boezem der Vereeniging geene leden in te brengen , dan personen , die de anderen kunnen stichten , of door haar gesticht worden en die zich beijveren ,om hunne medeleden en de armen als broeders te beminnen.
Die beide artikelen, welke men te samen moet vatten, wijzen hoofdzakelijk den vorm aan, bij het aannemen van kandidaten in acht te nemen. Ziehier de punten, die er duidelijk uit volgen:
1°. De voordracht van kandidaten moet eerst en vooral aan den President in het bijzonder
53
geschieden , want art. 18 zegt, dat de President de namen der nieuwe leden bekend maakt. De Rondgaande Brief van 14 Juli 1847 heldert die bepaling volgenderwijze op: «Overigens wen-«schen wij, dat zij, die den kandidaat zullen it voorstellen, alvorens daartoe over te gaan, «nimmer nalaten van zich daarover met den «President te verstaan, die meer bepaaldelijk «belast is met het bestuur en het handhaven «der eer van de Conferencie;»terwijl de Rondgaande Brief van 1 November 1852, bij de behandeling van dit onderwerp, er bijvoegt: «Men zal lichtelijk beseffen hoe wijs die voornschriften zijn; trouwens indien zij, die de «voordracht doen, in plaats van zich daarover «•in het bijzonder met den president te onder-«houden, beginnen met openlijk, zooals men «maar al te dikwijls ziet, den kandidaat op «de Conferencie voor te stellen, wordt het veel «moeielijker eene niet wenschelijke toelating «te verhinderen. Indien daarentegen de voor-«dracht steeds met overleg van den President «plaats heeft, laat zich verwachten, dat zij alleen «geschiedt, omdat zij behoort te geschieden.»
2°. Ieder lid is bevoegd bedenkingen temaken op den kandidaat, maar die bedenkingen moeten niet op de zitting worden gemaakt. In het openbaar verkrijgt elke discussie over een\' eigennaam , elke weifeling, elk vraagstuk, den schijn eener personaliteit. Indien men de gewoonte aanneemt van de bedenkingen op die wijze te maken, dan zal, tenzij er «eer gewichtige bezwaren tegen den kandidaat te maken zijn, ieder zich wegmaken; ieder zwijgt en zucht in stilte; vandaar aannemingen, die niet aller bijval hebben verworven, welke men niet zou willen goedkeuren, maar welke men niet hard op durft weigeren : vandaar in de Gonferenciën veschillen, oneenigheden eu somtijds vertrek van andere leden.
Maar wat nu te doen, als er ernstige bedenkingen bij den President worden ingebracht\'/ In dat geval is het plicht voor den President , er zich openhartig en welgemeend over te verklaren tegen het lid, hetwelk de voordracht heeft gedaan en hem te nopen het voorstel terug te nemen, indien de tegenstand ernstig en gegrond is,
55
in Het kan echter ook gebeuren, dat er ver-
![1 schil van denkwijze tusschen den President en
»- den voorsteller bestaat. In dat geval zal de
i- eerste wel doen zijn bureau te raadplegen, of
in dat van den Bijzonderen Raad der stad , indien
te er een zoodanige bestaat, en zich sterken door
te zijn advies; men mag alsdan verwachten, dat
3- deze bemiddeling zal worden aangenomen en
11 dat men zich gemakkelijk zal kunnen ver-
n staan, doch zoo het verschil niettemin mocht
sr blijven bestaan, zou het alleen kunnen worden
u beslist door eene stemming der Conferencie,
d een geval, dat overigens zeer zeldzaam is en
n zeldzaam moet blijven (1).
k Heeft zich geene bedenking voorgedaan, in dat geval, dat het meest algemeen is, heeft
i- de President volgens art. 17 geene stemming
? uit te lokken en alleen te verklaren, dat de
, voorgestelde kandidaat tot geene bedenking heeft
it (1) ln de Nederlandsche Confereuciën is het ge-
y bruikelijk dat daar, waar ecu Bijzondere Raad aan
wezig is, de President van dezen geraadpleegd wordt, alvorens de President eener Conferencie een kandidaat voordraagt. Hrd.
56
aanleiding gegeven en zijne toelating af te kon- «n digen. Eene hoofdelijke stemming zou groote «ji bezwaren hebben en eene geheime stemming «\\ een plechtige daad zijn, die weinigovereenkomt «t met de eenvoudige gewoonten eener Conferencie «s 3°. Behalve de hier opgenoemde algemeene «c voorwaarden bij het voorstellen van kandidaten, spreekt art. 18 nog van eene bijzondere ht waarop misschien te weinig gelet wordt; het a: zegt: dat hel lid de Fereeniging moei kunnen m slichlen en door haar gesticht worden. Deze tt aanbeveling is van zeer veel belang, omdat, sl als personen naar de Conferencie worden d gelokt, die geene genegenheid daarvoor be- p zitten, die er slechts heengaan, omdat men n hen als het ware daartoe noodzaakt, dit g slechts kan strekken om den ijver te verkoelen. r «De eerste hoedanigheid alzoo,» zegt zeer ( verstandig de Rondgaande Brief van den I No- i vember 1847, «welke een kandidaat behoort ; 1 «aan te bieden, wanneer hij zich voordoet om 1 «in eene Conferencie opgenomen te worden, «is hooge prijs te stellen op den voorspoed i «der Vereeniging , voorzeker niet uit hoogmoed.
57
«maar uit een diep gevoel van erkentelijkheid «jegens God, die in onze dagen dit tot dus-«verre onbekende of ongebezigde middel heeft «te voorschijn geroepen, om de armen te onder-«steunen en tevens diegenen beter temaken, «die hen bezoeken.»
4°. Aanvankelijk bestond in de Vereeniging het gebruik, dat de President tot elk nieuw aangekomen lid eene toespraak richtte, om hem met den geest onzer Conferenciën meer bekend te maken: dit gebruik heeft ongelukkig geen stand gehouden, en was wegens de menigvuldige toelatingen ook moeielijk algemeen in praktijk te brengen ; maar, waar men niet genoeg op aandringen kan is, dat de nieuw aangekomene goed ontvangen worde; dat men hem niet als een onbekende in den boezem der Conferencie late plaats nemen; dat men liem zelfs met eenige leden in betrekking stelle, om hem op de hoogte van onze liefdewerken te brengen; daarvan alleen hangt dikwijls zijne volharding af. Overigens overhandigt de President aan hel nieuwe lid een Handboek der Vereeniging en vermaant hem om zich door
58
eene vlijtige lezing van zijnen inhoud te doordringen. Hoeveel beter en spoediger zou inderdaad bij alle leden den geest onzer Conferenciën zich gevormd hebben, als zij zorg droegen het Reglement, de Rondgaande Brieven , de geschiedenis der Vereeniging te lezen. In plaats van naar onze gebruiken en regels te raden en zich daarvan een onvolledig denkbeeld te maken, zouden zij deze spoedig en volledig leeren kennen door eene lectuur, die nooit langvvijlig of vervelend zijn kan.
Eenige Conferenciën hebben gemeend, dat het nuttig kon zijn aan hunne leden diploma\'s ter hand te stellen, om te getuigen dat zij tot de Vereeniging hebben behoord.
Dit gebruik levert in eene talrijke en uitgebreide Vereeniging, zoo als die van den H. Vin-centius van Paulo, vele bezwaren op. Immers, heeft men, behalve het gevaar van het maken van valsche diploma\'s niet nog het veel grootere gevaar te duchten, dat lieden , die hunne Ccn-ferencie hebben verlaten , deze getuigschriften gedurende geheel hun leven zullen bewaren en deze al te lichtvaardig afgegeven stukken lot
59
geheel persoonlijke doeleinden telkens zullen voor den dag halen ? En welk voordeel zouden toch deze getuigschriften wel kunnen aanbrengen ? Men zou dit bezwaarlijk kunnen opgeven, want wanneer een lid op reis of naar eene andere Conferencie gaat, is het voor hem verkieslijker zich van eenen brief van zijnen President te voorzien; dit is eenvoudiger en tevens veiliger.
5°. Het is goed te herinneren dat elk lid, die in de Vereeniging treedt, overeenkomstig de Breve van den 10 Januari 1845, eenen vollen aflaat kan verdienen op den dag van zijne toelating. Het ware te wenschen dat nooit een lid deze kostbare gunst verwaarloosde , die voor hem zeker een onderpand van vele andere genaden worden zou.
Art. 19. üe Penningmeester geelt liet bedrag op der kas en der, bij de laatste zitting gebou-dene inzameling, opdat ieder zijne aanvragen om ondersteuning kunne regelen naar de hulpmiddelen der Conferencie.
Het behoort tot den geest van het Reglement,
\'
no
zoo als men in art. 19 ziet, van te zorgen hei
om met het voldoen der gemaakte schulden vat
niet ten achteren te zijn, maar daarentegen Vo
ook van geen gelden opeen te hoopen of te tn kapitaliseeren. Die geest is als het ware de vertaling van deze woorden der H. Schrift; «In-
«dien gij veel hebt, geeft veel; hebt gij weinig,
«geeft weinig, maar geeft het weinige dat gij ^
«hebt met een goed hart. )gt; De liefdewerken der pr\'
Conferencie , die geheel vrijwillig ondernomen ^ vn
worden , leven slechts bij den dag, alhoewel ^a; niets meer christelijk is dan zich op de Voorzienigheid te verlaten en op hare onuitputtelijke goedheid te rekenen , als men een liefdewerk
voor God onderneemt. Een\'spaarpot te maken , de
altijd een beschikbaar kapitaal vóór zich te vr
hebben , dat men nooit aanspreekt, zich vooraf dl
eene begrooting te maken , zooals in een Bureau m
van bcdeeling geschiedt, dit alles zijn zaken 01
wezenlijk in strijd met den geest onzer Ver- dl
eeniging. Wanneer zij middelen heeft en eene n(
wezenlijke behoefte of ellende aantreft, dan ni
geeft zij ruim en met een goed hart; als zij lij
niet heeft, doet zij een beroep op de liefdadig- h
61
heid van hare leden en hunne vrienden, of van het publiek, en tot op heden heeft de Voorzienigheid niet toegelaten dat haar vertrouwen beschaamd werd.
Art. 20. § 1. Men deelt vervolgens de bons voor de ondersteunining in natura uit , waarvan het bedrag verschilt naar de behoeften der armen
§ 2. Elk lid wordt op zijn beurt door den President opgeroepen en zegt luide hoeveel hij vraagt en voor hoeveel gezinnen Wanneer hij daartoe uitgenoodigd wordt, geelt hij inlichtingen nopens deze gezinnen.
In eenige Conferenciën laat men aan elk lid de wel niet volstrekte, maar toch zeer ruime vrijheid van voor zijne armen de bons te vragen die hij verlangt Dit gebruik schijnt hervormd te moeten worden ; want de natuurlijke neiging om meer medelijden te hebben met die ellende die men onmiddellijk onder het oog heeft, het genoegen van aan zijne armen meerdere ondersteuning dan vroeger te kunnen verschaffen , éindelijk eene zekere schroomvalligheid tegenover herhaalde lastige aanzoeken, dit alles doet den
62
leden lichtelijk hunne aanvragen overdrijven, en, als een noodzakelijk gevolg daarvan, gaat de juiste verdeeling der hulpmiddelen daardoor geheel verloren; en dit kan niet anders; want als elk lid voor zich zei ven de goedkeuring van zijne armen zoekt te bejagen, dan is het onmogelijk dat hij niet met meer of minder ijver , volgens zijn karakter, zijne aanvragen doet, en dat in de bedeeling der huisgezinnen geene betreurenswaardige onevenredigheid komt te bestaan. Het is derhalve een zeer voorzichtige maatregel de armen in klassen te rangschikken en dit toe te vertrouwen aan eene Commissie, samengesteld uit altijd dezelfde leden. Deze leden bezoeken al de huisgezinnen , die aangenomen wenschen te worden, en stellen aan de Con-ferencie voor hen in zekere klassen naar de meerdere of mindere behoefte te rangschikken ; vervolgens wordt de algemeene lijst der arm an eens of meermalen in het jaar na een telkens herhaald bezoek der Commissie herzien. De gewone bezoekers worden daarbij altijd gehoord , om de belangen van hunne armen te verdedigen en in geval van verschil, beslist de Conferencie.
63
Hier doet zich nu eene andere vraag op, die, hoewel schijnbaar van ondergeschikt belang, evenwel de opmerkzaamheid verdient. Is het goed, dat de op de vergadering afwezige leden in het tijdsverloop van de eene zitting tot de andere, hunne bons bij den Penningmeester gaan halen?
De Algemeene Raad heeft hierop altijd ontkennend geantwoord. Hij gelooft dat het wezenlijk belang der armen , zoowel als dat der Con-ferencie zich daartegen verzetten. Het belang der armen, omdat de leden, als zij niet volstrekt noodzakelijk naar de Conferencie behoeven te gaan om hunne bons in ontvangst te nemen, eerder in het vlijtig bijwonen der zittingen zullen verflauwen, en de wekelijksche collecte zou daardoor zeer komen te lijden, al werd zelfs, zoo als men enkele malen heeft voorgesteld, eene offerbus bij den Penningmeester geplaatst. Het belang der Conferencie, omdat door het bijwonen der zittingen herhaaldelijk te verzuimen , de leden op den duur zeker den geest der Vereeniging en den smaak daarvoor zouden verliezen.
64
De wijze van uitdeeling der bons, zoo als die in art. 20 is aangegeven , is door den drang der omstandigheden , in de Conferenciën met een eenigszins talrijk personeel gewijzigd moeten worden, omdat die anders den geheelen tijd der zitting zou hebben ingenomen. Verscheidene Penningmeesters hebben het gebruik ingevoerd de bons voor elk lid vooraf tot een pakje gereed te maken, dat hun onmiddellijk wordt ter hand gesteld, en op die wijze heeft de uitdeeling zonder eenig tijdverlies plaats(i).
Maar wat van meer belang is en volstrekt niet moet nagelaten worden is de gewoonte van aan de leden inlichtingen te vragen over de gezinnen, die zij bez,teken. Het is inderdaad niet genoeg dat het goede bij de armen bevorderd wordt; men moet dit ook in de Con-ferencie tot onderlinge stichting mededeelen ;
(1) Men lette echter wel op, dat dit alleen talrijke Conferenciën geldt en dat nit dit gebruik niet in het algemeen racet wordeu afgeleid, dat men elke week dezelfde «anvrage moet doen en verkrijgen. Daarmede zou aan den zin en den geest van art. 20 werden te kort gedaan. Hrd.
65
men moet zich daarover onderhouden uit vrees dat de nieuw aangekomen leden die bevordering zullen verzuimen, omdat zij er niet van hooren spreken, en dat zelfs de oudere leden ze langzamerhand uit het oog zullen verliezen. Bovendien moet elk lid dadelijk van den dood van een zijner armen kennis geven; men bidt alsdan gezamelijk op het einde der zitting een: Be pro fund is, voor de rust zijner ziel, en het H. Misoffer wordt later voor hem opgedragen; als de ter aarde bestelling nog niet geschied is, dan worden eenige leden benoemd om het lijk naar zijne laatste rustplaats te vergezellen en den lijkstoet te volgen.
§ 3. De onderstand moet stiptelijk bij de armen gebracht worden, in het tijdsverloop van de eene zitting tot de andere. Het tijdstip, het getal en de wijze van die bezoeken worden aan Je voorzichtigheid van ieder lid overgelaten , zoowe! als de middelen om in de gezinnen Heide voor den godsdienst en beoefening van hunne plichten in te voeren.
Niets is natuurlijker dan de aanbeveling in
66
deze paragraaf vervat. De huisgezinnen, die men ondersteunt zijne alle arm en verkeeren dikwijls in wezenlijken kommer. Om een pleizier-partijtje, om eene min dringende zaak, het weke-lijksche bezoek, dat men den armen brengt, uit te stellen zou een diep betreurenswaardig verzuim zijn, want de armen zouden daardoor dikwijls komen te lijden. jWij wachtten u, -«zeggen zij somtijds tot de bezoekers, «het brood begon ons te ontbreken.» Indien men hen das niet was gaan bezoeken, zou het brood ontbroken hebben! Deze gedachte alleen doet ijzen! Men klaagt somtijds in de wereld, op eene pleizierpartij dat het eten te laat wordt opgebracht, of misschien wel door een ongelukkig toeval, dat zich niet weer zal herhalen, wordt uitgesteld! Maar wat moet liet dan niet voor eene moeder zijn, die vijf, zes kinderen heeft en dexe zonder eten naar bed moet zenden, zonder te weten of zij morgen brood zal hebben? Dat men zich dan de wreede angsten van zulk eene moeder recht levendig vootstelle, en nooit zal men door zijne schuld, het bezoek .Ier armen uitstellen.
(57
Het is intusschen niet noodig dat het bezoek der armen met wiskundige nauwgezetheid geschiede, en in hel algemeen zou het zelfs niet
Igoed zijn de armen te gewennen om juist op een bepaald uur, hunne ondersteuning te ontvangen. Men zou hen daardoor, om zoo te spreken, tot renteniers maken, maar die van honger zouden sterven als hun mandaat of tractement niet op den vervaldag werd uitbetaald, zonder nochtans eene enkele poging aan te wenden om zich zeiven te helpen.goed zijn de armen te gewennen om juist op een bepaald uur, hunne ondersteuning te ontvangen. Men zou hen daardoor, om zoo te spreken, tot renteniers maken, maar die van honger zouden sterven als hun mandaat of tractement niet op den vervaldag werd uitbetaald, zonder nochtans eene enkele poging aan te wenden om zich zeiven te helpen.
§ 4. De aanvragen van hen. die eenige gedragsegels of raadgevingen in moeielijke gevallen ver-joeken, worden met aandacht en welwillendheid langehoord, en de President, of elk ander lid be-intwoordt die aanzoeken, zoo als zijne onderbinding en liefde hem zullen ingeven.
Ueze paragraaf herinnert den bezoeker nogmaals het doel der Vereeniging met betrekking ot de armen, hetwelk namelijk is van hen eter en christelijker te maken. Men kan inder-aad niet genoeg er op aandringen, dat dit oei goed in het oog gehouden wordt, zonder
GÓ
hetwelk de Vereeuiging van den H. Vincen-tius van Paulo een philantropisch en zuiver menschelijk liefdewerk zou worden, dat, men-schelijker wijze gesproken, zeeronvruchtbaaren onvoldoende zou zijn. l)e bezoekers hebben derhalve alle mogelijke middelen in het werk te stellen om de armen over hunne plichten te onderrichten en hun die te doen begrijpen. Nu eens zal men in een goed woord, tot het kind gericht, of in een geschonken boek, eenen almanak, een exemplaar der Kleine Voorzieningen, een godvruchtig plaatje of een kruisbeeld de stof tot het onderhoud zoeken; dan weer in eene stichtende voorlezing, die men voor den zieke houdt, en die men hem tracht uit te leggen. De wijze kan eindelijk, watde bijzonderheden betreft, tot in het oneindige veranderlijk zijn, maar in het wezen der zaak zal men slechts slagen door eene groote toewijding, eene groote toegenegenheid en vooral door het gebed. Laat ons dus voor de bekeering der armen bidden; laat ons vrome zielen voor hen doen bidden ; laten wij zeiven tot die intentie eenige verstervingen doen, en wij kunnen ons van
69
den goeden uitslag verzekerd houden zóó begrepen en zóó deden het de heiligen, en daarin bestond een der geheimen van de bekeeringen, die zij uitwerkten.
Het spreekt van zeiven dat een lid, wanneer hij de Conferencie over een moeielijk geval heeft te raadplegen, op zijne hoede moet zijn en zich dient af te vragen of er geene bezwaren aan verbonden zijn om zulks in het openbaar te doen; ware dit het geval, dan zou hij den President in het bijzonder moeten raadplegen.
Art. 21. Indien er ondersteuning in geld, kleederen of in boeken gevraagd wordt, moeten de redenen voor die aanvrage ontwikkeld worden, waarna de Conferencie beslist.
Indien het niet mogelijk is eene geldelijke toe-age te vermijden, door in de plaats daarvan eene mdersteuning in natura te verstrekken, moet iet lid, aan wien het geld is ter hand gesteld, iet gebruik er van. van zeer nabij gadeslaan.
Dit artikel spreekt ingewikkeld van een zoo igemeen gevestigd gebruik, dat het nauwelijks luttig kan schijnen het hier neer te schrijven,
70
namelijk; dat het uitdeelen der ondernemin!; in nature regel en in geld uitzondering is. De redenen voor dit gebruik zijn zoo klaarblijkelijk, dat het overbodig kan geacht worden daarop terug te komen.
Eenige Conferenciën hebben de opmerking gemaakt, dat eenige van hare leden er meer bepaaldelijk toe overhelden, om de buitengewone hulpmiddelen, waarvan arl. 21 spreekt, aan te vragen. Het gevolg daarvan is, datonwillekeurig hunne armen meer begunstigd worden dan de andere. Om dit geringe misbruik te verhelpen, heeft men de gewoonte aangenomen, de buitengewoon toegestane hulpmiddelen in het Register der huisgezinnen in te schrijven, en wel op naam van die armen, voor wie ze zijn toegestaan ; op die wijze behoeft de Conferencie niet telkens opnieuw voor denzelfden arme buitengewone uitgaven te doen, zonder omtrent de redenen daarvoor te zijn ingelicht.
Ai\\t. \'22. Na de toekenning der verschillende ondersteuningen, houdt men zich bezig msthet vergeven van plaatsen, met de, ten behoeve der
71
armen, te doene stappen, en met de huisgezinnen door de nieuw aangekomene leden te bezoeken, of door diegenen, welke er nog andere verlangen te gaan zien.
Geen nieuw huisgezin wordt aangenomen , zonder eene voorloopige opgave van deszelfs behoeften , door den Secretaris te doen, of door zoodanig ander lid , als door den President met het inwinnen van inlichtingen is belast geweest. Vóór de stemming der Conferencie, kan elk lid op hef voorstel de bemerkingen maken, welke hem nuttig toeschijnen.
Het aannemen van huisgezinnen is een punt, dat de meeste oplettendheid, zoowel van den President als van de Conferencie, vereischt. Het is inderdaad, voor den voorspoed en de eer der Conferencie, van belang, dat elk misbruik van die zijde kunne vermeden worden, dat jonge vrouwen, vooral als die alleen ivonen, niet bezocht, en dat alle voorzorgen genomen worden, om tot zelfs den schijn van ergenis te vermijden. Dit beginsel is reeds bij het ontstaan der Vereeniging vastgesteld; in de Voorloopige Beschouwingen van het Reglement wordt daar-
n
aan herinnerd, en ook hierboven is reeds daarvan gesproken; maar hoe menigvuldiger de Confe-renciën worden, hoe noodzakelijker het is met klem aan dit beginsel vast te houden, want aan armen ontbreekt het nergens; en, wanneer er zooveel keuze tusschen zooveel bestaande ellende is, dan moet men zich slechts aan die toewijden, wier ondersteuning of verlichting aan geene bezwaren onderhevig is, en niet in kwaad kan ontaarden.
Insgelijks moet men, vooral in groote steden, op zijne hoede zijn, van geene armen aan te nemen, dan die in ter goede naam staande huizen leven. Deze maatregel mag hard schijnen, maar is het hier het geval niet, om het spreekwoord toe te passen: gt;( Wel geordende liefdadigheid begint met zich zei ven» ?
Nog moet men voorzicfitigheid gebruiken bij de armen, die aan groote gebreken onderhevig zijn, zoo als dronkenschappen, ongebondenheden, onwettig samenleven enz. Deze armen behoeven ongetwijfeld niet geheel te worden uitgesloten, tenzij ze mochten behooren tot de categorie van diegenen, waarvan hierboven ge-
73
sproken is; maar men moet hen slechts bezoeken met het voornemen om hen te verbeteren en slechts zoo lang, als men nog hoop heeft daarin te zullen slagen. Indien men hen in het tegenovergesteld geval, na alle middelen tot verbetering te hebben beproefd, bleef ondersteunen, dan zou dit eene ergernis zijn voor de brave armen en hun aanleiding geven om , hoewel ten onrechte, te gelooven , dat de Ver-ceniging hoegenaamd geeti prijs stelt op goede zeden en een goed gedrag. Men behoort dus hier het juiste midden te houden tusschen te groote gestrengheid en te veel toegeeflijkheid, en dit in het oog houdende, zal men zeker slagen.
Eindelijk moet men er nog op letten van niet een te groot aantal armen met betrekking tot dat der medebroeders aan te nemen. Immers, ? als de leden zich met te veel huisgezinnen belasten, zouden zij weldra er toe gebracht worden om hen slechts in het voorbijgaan te bezoeken | en hun eenvoudigweg eenige aalmoezen uit te deelen, terwijl de geestelijke aalmoes, die slechts bij lange en geheel vriendschappelijke bezoeken
74
kan gegeven worden, geheel zou worden verzuimd. Dit is derhalve een zeer gewichtig punt, en de Conferenciën behooren zich tot regel te stellen van niet raeerhuisgezinnen aan te nemen, dan zij in staat zijn op eene christelijke wijze en in den geest van onzen H. Patroon, te bezoeken.
Maar het is niet genoeg de armen aan te nemen, zij moeten ook weder onder de leden tot het gewone bezoek verdeeld worden. Dit nu behoort tot de bijzondere taak van den President, want menig lid zal misschien in bijna alle huisgezinnen op zijne plaats zijn, zelfs ie(s goeds kunnen uitwerken en toch bij zekere armen niet slagen; immers hij kan voor de bijzondere karakters der armen óf te beschroomd óf te gestreng zijn, óf te langzaam óf met te veel drift te werk gaan. Aan eenige armen behoort men eenen bezoeker te geven die door eene zekere deftigheid in uiterlijk en houding eerbied weet in te boezemen; bij anderen integendeel, zal men slechts slagen door met volharding en lankmoedigheid hun vertrouwen te winnen. De President heeft alzoo hier de
.
75
T
! karakters te bestuderen én van de bezoekers én | van de armen; en hij kan daaraan niet te | veel gewicht hechten; wat de bezoekers betreft, dit zal hein gemakkelijk zijn, omdat hij alle weken met hen in aanraking komt: maar wat de armen aangaat dit is moeielijker, omdat Imn aantal altijd vrij aanzienlijk is. Om daarin wel te slagen, bestaan er twee middelen, waar-lusschen de President heeft te kiezen; hij kan èf op gezette lijden, ten minste eenmaal in het jaar, alle huisgezinnen gaan bezoeken, of wel bij de nieuw aangenomene huisgezinnen gedurende eenige weken, de eerste bezoeken zelf afleggen. Eenige Presidenten hebben den tijd weten te vinden , om deze beide wijzen te gelijk in praktijk te brengen, iets waarmede men hen niet genoeg kan geluk wenschen.
Art. 23. De leden, die tijdelijk of voor altijd de zetelplaats der Conferencie verlaten, geven daarvan kennis aan den President, die alsdan aan anderen de werkzaamheden, waarmede zij belast waren, opdraagt.
Het in dit artikel aanbevolcne is, ofschoon
76
het alleen bijzonderheden betreft, toch van wezenlijk belang. Immers, als een lid verzuimde van zijn vertrek kennis te geven, dan zouden zijne armen en de liefdewerken, waarmede hij zich bezig hield, geheel aan zich zeiven worden overgelaten; indien hij vergat den President persoonlijk daarvan kennis te geven , of indien hij zelf aan een ander lid de zorg voor zijne armen of voor de andere liefdewerken opdroeg, dan zou de door den President te doene ver-dceling der huisgezinnen, waarvan zoo even gesproken is, daardoor kunnen lijden, of de liefdewerken zouden misschien niet worden toevertrouwd aan het lid , dat daarvoor de meeste geschiktheid bezit. In beide gevallen zou de goede orde der Conferencie daardoor gestoord worden, vooral als dit feit zich meermalen zou herhalen.
Wij willen hier nog bijvoegen, dat het zeer goed is, dat de leden bij hun vertrek eene gedetailleerde nota van hunne armen overleggen , die hunne opvolgers in het huisbezoek in staat stelt van beter en eerder de behoeften en de ellende van deze armen te kennen. Eeaise mede-
O
77
broeders hebben ook bij die gelegenheid, de loU\'clijke gewoonte aangenomen van aan hunne j Conferencie eene meer aanzienlijke aalmoes te verstrekken, om de wekelijksche collecten, waarin zij gedurende hunne afwezigheid niet kunnen bijdragen, te vervangen en de Conferencie in het ondersteunen van hare armen te helpen. Dit gebruik kan niet genoeg worden aanbevolen.
Art. 24. De Conferencie houdt zich vervolgens bezig met al de punten, die tot hare instandhouding, hare uitbreiding of de goede verdeeling van hare hulpmiddelen betrekking hebben.
Aan dit gedeelte der zitting moet vooral veel oplettendheid geschonken worden, omdat de Conferenciën lichtelijk zouden ontaarden . en tot eentoonigheid vervallen, indien zij zich uitsluitend met de stoffelijke belangen bezig hielden , en niet een weinig tijd aan hel bespreken van vraagstukken van algemeen belang zouden toewijden. Twee klippen zijn hierbij te vermijden: de eerste is, van onder voorwendsel vau zich met hoogere belangen bezig te hou-
76
het alleen bijzonderheden betreft, toch van .!
wezenlijk belang. Immers, als een lid verzuimde |
van zijn vertrek kennis te geven, dan zouden Qonfe
zijne armen en de liefdewerken, waarmede hij ■
zich bezig hield, geheel aan zich zeiven wor-
D 8 waar
den overgelaten; indien hij vergat den President j,Hnn persoonlijk daarvan kennis te geven , of indien i,(,ncl hij zelf aan een ander lid de zorg voor zijne armen of voor de andere liefdewerken opdroeg, dan zou de door den President te doene verdeeling der huisgezinnen, waarvan zoo even At gesproken is, daardoor kunnen lijden, of de bezig
liefdewerken zouden misschien niet worden toe- \'10U\'
van
vertrouwd aan het lid , dat daarvoor de meeste
geschiktheid bezit. In beide gevallen zou de ^
goede orde der Conferencie daardoor gestoord 0pje
worden, vooral als dit feit zich meermalen zou | Qon
herhalen. j een1
quot;Wij willen hier nog bijvoegen , dat het zeer |; s|uj
goed is, dat de leden bij hun verlrek eer.e ge- ! (jen
detailleerde nota van hunne armen overleggen , i var
die hunne opvolgers in het huisbezoek in staat t0(;
stelt van beter en eerder de behoeften en de ffi;j ellende van deze armen te kennen. Eenise mede-
Ö \\tM
_ •_
77
broeders hebben ook bij die gelegenheid, de lollelijke gewoonte aangenomen van aan hunne Conferencie eene meer aanzienlijke aalmoes te verstrekken, om de wekelijksche collecten, ; waarin zij gedurende hunne afwezigheid niet kunnen bijdragen, te vervangen en de Confe-f rencie in het ondersteunen van hare armen te helpen. Dit gebruik kan niet genoeg worden aanbevolen.
Art. 24. De Conferencie houdt zich vervolgens bezig niet al de punten, die tot hare instandhouding, hare uitbreiding ofde goede verdeeiing van hare hulpmiddelen betrekking hebben.
Aan dit gedeelte der zitting moet vooral veel oplettendheid geschonken worden, omdat de Conferenciën lichtelijk zouden ontaarden , en tot eentoonigheid vervallen, indien zij zich uitsluitend met de stoft\'elijke belangen bezig hielden , en niet een weinig tijd aan hel bespreken van vraagstukken van algemeen belang zouden toewijden. Twee klippen zijn hierbij te vermijden; de eerste is, van onder voorwendsel van zich met hoogere belangen bezig te hou-
78
den, zich tc laten wegslepen tof het houden! van lange discussiën , van verhandelingen over de liefdadigheid, van theoretische beschouwingen, al hetwelk ten eenemale in strijd zou zijn met de eenvoudigheid onzer bijeenkomsten; de tweede is van zich uitsluitend te bepalen tot hetgeen den engen kring der Conferencie betreft. üe Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo is één, men kan daaraan niet te dikwijls denken, en opdat deze eenheid bewaard blijve, daartoe is het zeer dienstig dat de Con-ferenciën zich dikwijls onderhouden over hetgeen er stichtends in de eene of andere is voorgevallen; dat zij zich beijveren ora hel na te volgen en in toepassing te brengen, ten j einde niet in te sluimeren en tot volslagen werkeloosheid te vervallen. Ook doet men zeer wel dit gedeelte der zitting, als zijnde men dan altijd talrijker, te kiezen om aan de Conferencie verslag te doen, hetzij van hetgeen in deu Bijzonderen Raad, als er een zoodanige bestaat, belangrijks is voorgevallen , hetzij van de algemeene feiten in het maandelijksch Bul-lelin der Vereeniging opgenomen, hetzij eindelijk
79
van belangrijke verslagen van andere Confe-reiiciou. Met is insgelijks de meest geschikte tijd om voorlezing te doen van de Rondgaande. Prieven van den Algemeenen Raad, welker grondige kennis den leden zoo dikwijls ontbreekt en hun toch zoo nuttig is. Somtijds laat men al deze documenten in de archieven der Conferencie, dat wil zeggen in het stof rusten, hetgeen een zeer groot misbruik is.
louden ui over j unvin- -
3U zij 11
en; de en tot I ie be-ititius iet fe raard Con-r het-re is I hel , ten \' igeii zeer men jon-;een ilge van h,l-lijk
Insgelijks zal het zeer goed zijn op dit tijdstip nu en dan eenig belangrijk verslag over een bijzonder liefdewerk der Conferencie voor te lezen, ten einde de belangstelling daarin te verhoogen, en den ijver levendig te houden, die, huiaas ! in elk menschelijk liefdewerk zoo gereedelijk begint te kwijnen.
Art. \'25. § 1. Bij het einde der zittingen vóór liet gebed, doet de Penningmeester de inzameling, waartoe elk lid door een aan zijne middelen ge-evenredigdn, maar altijd geheime gift bijdraagt. Zij, die geencn tijd aan den dienst der armen kunnen loewijdon, trachten dit door eene ruimer geldelijke opoffering te vergoeden.
cSO
Die inzameling moet niet voor den vorm, maar altijd met den meesten ernst geschieden en ieder lid heeft voor God en zijn geweten te onderzoeken of het offer, dat hij aan de armen brengt, aan zijne middelen geëvenredigd is. De aalmoes is, inderdaad, voor den christen niet enkel een evangelische raad, zij is ook een gestrenge plicht; en, hoewel men zich op andere wijzen dan door de collecte op de Conferencie daarvan kan kwijten, men zelfs een gedeelte ter eigener vrije beschikking moet houden om tot andere liefdewerken, en bijzonderlijk voor die van zijne eigene parochie, te besteden, zoo behoort nochtans elk lid der Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo zich edelmoedig en met mildheid in den boezem der Conferencie van dezen plicht te kwijten. Immers, hoe zal hij gevoegelijk aan anderen kunnen vragen, als hij zelf niet begonnen is. met eerst te geven? Hoe, vooral, zal hij God kunnen bidden om zijne werken te zegenen, als hij dien zegen niet door eene wezenlijke en voldoende milddadigheid verdiend heeft?
De collecte moet alzoo met ernst geschieden ,
81
maar zij moet ook geheim zijn, en niets zou meer met den geest der Vereeniging strijden dan om hare leden door liet lokaas der publiciteit tot het doen van meer aanzienlijke giften aan te prikkelen. Het was op die wijze dat eene jonge Conferencie, door een loffelijk doel gedreven, het cijfer harer inzamelingen meende te kunnen doen verhoogen, door de collecte te houden met open schaal, die aan iedereen zou toelaten de giften te zien, en zij vroeg daarover aan den Algemeenen Raad diens advies. Deze was eenparig in het afkeuren van dit gebruik. Nog andere Conferenciën heljben getracht de wekelijksche collecle te doen vervangen door een aan de leden opgelegde schatting, die of vooraf bij wijze van tarief was vastgesteld, of wel aan den vrijen wil der leden was overgelaten. De Algemeene Raad heeft zich altijd tegen eene dergelijke strekking verzet. Behalve toch, dat het te vreezen stond, dat een laag tarief voor den voorspoed der kas nadeelig zou kunnen zijn, en eene eenigszins hooge schatting eene menigte goede, niet zeer bemiddelde maar daarentegen ij verigechristenen
zou kunnen verwijderen, was daarenboven het schenden van het geheim der collecte /.eer te duchten. In de Conferenciën behoort geen onderscheid van rang of fortuin te beslaan; dit is eene der voorwaarden voor haar welslagen; y daarbij moeten de minst gegoeden niet behoeven te bloozen wegens de geringheid van hunne aalmoezen, en de rijken moeten wegens de meerderheid van hunne giften niet tot hoogmoed kunnen geprikkeld worden. Indien ergens de christelijke gelijkheid moet bewaard blijven, dan is het zeker in de liefdadigheid. Dan. in de dorpsconferenciën is het toegelaten geworden dat giften in natura door de leden konden worden aangeboden, om de bijdragen in de collecte te vervangen. Deze afwijking, die voor het overigede collecte als regel niet verhindert,werd hier door de omstandigheden zelve geboden.
§ 2. De opbrengst der inzameling is bestemd ter voorziening in de behoeften der bezochte huisgezinnen ; maar de leden moeten geen der andere middelen verzuimen, die zich tot stijving van de kas der Vereeniging mochten aanbieden.
In de eerste tijden der Vereeniging waren de
83
wekelijksche collecten bijna de eenige hulpbron van onze Conferenciën; tegenwoordig nog zijn zij eene van onze zekerste inkomsten enklimmcn gemiddeld tot een vierde der totale ontvang-J sten. Dit stand houden van persoonlijke en door de leden zeiven aangebrachte hulpmiddelen is een zeer gelukkig verschijnsel; maar, zooals liet Reglement zegt, de leden moeten geen der undere middelen verzuimen, die zich tot stijving van de kas der Vereeniging mochten aanbieden. Deze middelen zijn naar de plaatselijke gesteldheden en gebruiken verschillend; hier is het eene liefdepreek, daar zijn het loterijen, elders weer winkels of verkoopingen, bijna overal uitgelokte inschrijvingen, buitengewone giften; maar waarin daarentegen geen versctiil moet heerschen, dat is in de beginselen, die bij het verzamelen van deze hulpmiddelen moeten worden vooropgezet.
Vooreerst en boven alles moet men met grooten ijver bezield zijn om de kas te stijven. Dikwijls heeft men om dit doel te bereiken, talrijke stappen te doen, weigeringen af te wachten, somtijds zelfs onaangenaamheden te
verduren. Een lid der Vereeniging van den H. V(
Vincentius van Paulo moet zich daardoor niet w
laten afschrikken, mits, wel te verstaan, hij de 111
grenzen der welvoegelijkheid niet overschreden 81
hehbe. Wanneer men de ellende van zoovele \'l ^
huisgezinnen van nabij heeft gezien, wanneer 11
het hart nog bewogen is van medelijden met 1T
hunne armoede, met hunne naaktheid, en vooral \' a
met hunne geestelijke ellende, dan moet men zich ! 1lt;
door geene weigering laten terug houden: men ï h
moet alsdan niet vreezen lastig tez\'ijn:hetgenoe- ti
gen van dezen kommer eenigszins te verlichten, d
verdient wel met eenige moeite gekocht te t
worden. t
Maar, al is de ijver noodig, om niet door r
zijne schuld eene gelegenheid tot vermeerdering c
van het goed der armen te laten voorbijgaan, zoo \'
moet nochtans deze ijver niet tot eene al te men- 1
schelijke gehechtheid aan de stoffelijke hn\'pmid- i
delen gedreven worden. In een christelijk liefde- 1
werk is het geld altijd slechts eene ondergjschik- (
te zaak: wat vooral vereischt wordt en boven alles I
gaat, dat is eene groote toewijding aan en be- ( geertc naar het heil der zielen. Daaruit volgt nu:
vooreerst, dat, als de kas niet altijd naar wensch gevuld wordt, men zich daarover niet moet bedroeven en vooral niet laten ontmoedigen , maar dat men integendeel alsdan meer dan ooit moet volharden; en ten tweede, dat men om geld te bekomen , nooit zijne toevlucht moet nemen tot middelen, die niet geheel en al christelijk zijn. Niets is met der daad uood-lottiger dan te trachten een loffelijk doel te bereiken door berispelijke middelen of een christelijk liefdewerk te willen doen op eene wijze die met het christendom in strijd is. Bijgevolg , tot stijving der kas niet alleen geen bals, geene tooneelvoorstellingen , dit spreekt van zeiven , maar zelfs geene van die loterijen, waarbij men de begeerliikheitl door het lokaas van gewin zoekt te prikkelen, of waarbij men om geld te bekomen tot de speculatie zijne toevlucht neemt, -noch andere middelen, die met, de eenvoudigheid of ootmoedigheid niet zouden zijn overeen te brengen. Alles moet zedig, christelijk zijn , ten einde niet te zeer de oogen der wereld tot ons te trekken, en den zegen van God niet van ons te doen verwijderen.
86
Aut. 26. De zitting wordt besloten met het gebed tot den II. Vincenlius van Paula , cn de gr;beden: foor de weldoeners en het: Onder uwe bescherming.
In eenige Conferenciën heeft zich het gebruik gevestigd om op het einde der zittingen te bidden het gebed len qebruike der leden van de Fereeniijing: Wij danken U, Heer enz., dat in het Handboek gevonden wordt. Men kan er niet aan twijfelen, dat dit eene bron van genade voor do Conferenciën is, en het is te wenschen dat de leden, hetzij afzonderlijk hetzij op de zittingen, gezamenlijk een ijverig en veelvuldig gebruik van dit gebed zullen maken (1).
(1) In de Nederlandsche vertaling van het Handboek zevende en volgende drukken wordt het bedoelde gebed gevonden achter de hierboven in art. 26 vermelde gebeden. Door Z. D. H. Mgr. J. Zwijsen, Bisschop van Gerra, Vice-Superior der Hollandsche Zending a. i., is op den 7 Mei 1848 aan de Leden der Vereeniging van den H. Vin-centins van Paulo in de Hollandsche Zending een aflaat
87
HOOFDSTUK 11,
OVEU DE BIJZONDERE RADEN.
Wanner meerdere Conferenciën in dezelfde stud zijn gevestigd, moeten zij, zooals art. 4 aantoont, door eenon lüjzonderen Raad zijn verbonden. Met is hier de plaats om de beweegredenen na te gaan, die er toe geleid hebben om dezen Raad in het leven te roepen, en den geest die hem moet beheerschen ; later zal op de bijzonderheden van zijne organisatie worden terug gekomen.
Het toenemen van het personeel der Confe-
van veertig dagen verleend, zoo dikwijls zij het bovenbedoelde gebed: IVij danken U, of de Litanie van den II. Vincentius, of hét gebed: Mijn God, daaropvolgende, godvruchtig zullen verrichten. Door de Conferencie van den H. Lebuinus te Deventer zijn in het jaar 1854 met goedkeuring van den Hoofdraad van Nederland van gemelde gebeden, afzonderlijke exemplaren verkrijgbaar gesteld. Ook Mgr. Wilmer, Bisschop van Haarlem heeft gelijken aflaat verleend. Vertaler.
rcnciën is zeker zeer goed, en elk lid moet diiartoe ijverig werkzaam zijn: maar daarbij is eone zekere grens in aclit te nemen, buiten welke de goede organisatie aan grootere bezwaren onderhevig is; dit wordt het geval als het aantal leden al te aanzienlijk wordt, üe zittingen verliezen alsdan van hare hartelijkheid, om voor meer ernst en eene zekere stijfheid plaats te maken; van den gewonen rustigen gang wordt afgeweken , ora niet te zeggen dat de verwarring en wanorde weldra heerschendezullen zijn. Eene Conferencie is alsdan niet meer eene plaats van bijeenkomst voor christelijke vrienden, bet is eene vergadering van mannen die ernstige dis-cussiën voeren; wat meer Is, de ijver verflauwt sterker naarmate het aantal grooter wordt, omdat men zich op elkander verlaat, en de persoonlijke belangstelling vermindert. Er is alzoo een groot gevaar voor eene Conferencie in een al te groot aantal leden gelegen; de geest ven eenvoudigheid, van broederschap, van hartelijkheid kan daarbij schipbreuk lijden. Ook heeft men het reeds vroeg als eene noodzakelijkheid beschouwd voor de Conferenciën, die in dit geval
89
verkeerden , van zich in meerdere Conferenciën te splitsen, en de ondervinding heeft deze meening gerechtvaardigd ; maar die splitsing moest op geene scheuring noch zelfs op eene algeheele afzondering uitloopen, waarbij de dealen der oorspronkelijke Conferencie volledig gescheiden werden. Daarin nu heeft men voorzien door de oprichting van Bijzondere Raden, die , zonder aan de zelfstandigheid der Conferenciën te koi t te doen, hare gemeenschappelijke krachten vereenigen. De ondervinding heeft bovendien het nut van het aangewende middel bewezen.
Ten gevolge dezer combinatie heeft zich inderdaad het aantal leden in de aanzienlijke steden op eene onverwachte wijze kunnen uitbreiden. Terwijl te Parijs bijvoorbeeld, eene Conferencie van 150 leden een bijna onoverkomelijke moeielijkheul zou gehad hebben om zich staande te houden, hebben er zich thans 50 Conferenciën met omstreeks 2000 leden gevormd, welke laatste zich tot deelneming voelen opgewekt door de meerdere nabijheid, de parochiale gehechtheid en de meerdere vereenvoudiging in de aldus vermeerderde bijeenkom-
90
sten. In de minder aanzienlijke steden zou eene Conferencie nooit liet cijfer van Ü0 tot 80 leden hebben kunnen overschrijden; in drie Confe-renciën verdeeld, is dat cijfer tegenwoordig meer dan verdubbeld , en het aantal bezochte armen, de bijeengebrachte hulpmiddelen en het goede dat men heeft kunnen uitwerken , is insgelijks verdubbeld. Dit is eene uitkomst, die wel de aandacht van een groot aantal Conferenciën verdient, maar ook die alleen verkregen kan worden onder de dubbele voorwaarde, die in de volgende artikelen nader zal worden ontwikkeld te weten : eenheid van bestuur voor de belangrijke zaken , en eene groote vrijheid van handelen voor elke Conferencie in de bijzonderheden van hare liefdewerken.
De splitsing van ééne in meerdere Conferenciën is het meest voorkomende geval, dat tot het oprichten van een\' Bijzonderen Raad aanleiding geeft; het gebeurt evenwel somtijds in eenigszins groote steden of in hare onder-hoorige dorpen en wijken , dat zich eene tweede geheel op zich zelf slaande en uit geheel nieuwe bestanddeelen samengestelde Conferencie orga-
91
niseert. Daaruit vloeit echler niet minder de noodzakelijkheid voort om deze Confercnciën door een gemeensciiappelijken Raad te verbinden , maar hierbij moet worden opgemerkt, dat, alvorens tot de inlijving der tweede Confe-rencie over te gaan, de Algeineene Raad altijd het advies vraagt der eerste Conferencie, ten einde zich wel te overtuigen, dat men in overeenstemming handelt, en dat de oprichting van het nieuwe centrum van eenheid de christelijke liefdadigheid en geenszins eenen betreu-renswaardigen naijver tot oorzaak heelt.
Eindelijk moet nog worden opgemerkt, dat deze instelling, de Bijzondere Raad namelijk, die in den beginne slechts voor de Conferenciën van dezelfde stad en hare onderhoorige dorpen en wijken bestond, in den laatsten lijd ook tot de plattelands-Conferenciën is uitgestrekt. De grenslijn voor de Bijzondere Raden wordt alsdan door den Algemeenen Raad bij de oprichting getrokken , want zij vloeit nu niet meer uit den aard der zaak zelve voort, maar verandert naaide betrekkingen, den afstand, de behoeften der aldus gegroepeerde Conferenciën. De wijziging
92
is zeer gelukkig, omdat zij een waarborg is tegen het geisoleerd blijven der hier en daar verstrooide plattelands Conferenciën , die wegens hare zwakheid meer dan alle andere behoefte hebben aan wederzijdsche ondersteuning.
Ai\\t. 27. De bijzoiiflere Raad eener stad is samengesteld uit een\'President, een\' Vice-President, een\' Secretaris, een Penningmeester en al de Presidenten en Vice-Presidenten der Conferenciën van de stad, en de Presidenten en Vice-Presidenten der bijzondere liefdewerken, die alle Conferenciën aangaan.
De samenstelling det Bijzondere Raden is, zooals men aanstonds zien zal , geheel vervat in de tweeledige hierboven reeds aangegeven gedachte van eenheid van bestuur en vrijheid der Conferenciën voor hunne bijzondere liefdewerken. Dientengevolge staat aan het hoofd een bureau, welks leden tot geenc Conferencie kunnen behooren, en dat dus noodzakelijk moet strekken om alle Conferenciën tot op dezelfde hoogte aan te moedigen ; jer zijde van dit bureau staan de Presidenten en Vice-Presidenten van elkeConfe-
93
rencle, benevens de Presidenten en Vice-Presi-denten der bijzondere liefdewerken. Alle belangen worden er dus voorgestaan, opdat ook de genomen beslissingen des te gewilliger door allen zouden worden aangenomen; alle liefdewerken zijn er vertegenwoordigd, opdat het niet vertegenwoordigd zijn van een enkel, deszelfs rechten niet onwillekeurig verkorte.
Wat nu betreft de bijzondere liefdewerken, zooals het Reglement die noemt, maar die meer eigenaardig algemecne liefdewerken moesten genoemd worden, dat zijn dezulke, die voor hunne ontwikkeling en hun welslagen behoefte hebben aan de gemeenschappelijke samenwerking van alle Conferenciën. Het zijn alleen deze liefdewerken, die in de Bijzondere Raden zijn vertegenwoordigd, en niet de liefdewerken van deze of gene Conferencie, die tot hunnen natuurlijken voogd den President der Conferencie hebben.
Het is goed hier in het voorbijgaan aan te merken, dat, al wordt in dit even als in meer andere artikelen van een Vice-President gesproken, zulks evenwel niet belet, dat er meer
94
benoemd kunnen worden, alsdaaraan wezenlijke behoefte beslaat; evenzoo is het gelegen met de Vice-Secretarissen en Vice Penningmeesters. In-lusschen zou het met den geest der Vereeniging zeer strijden, om het aantal beambten onnoodig te vermeerderen, enkel om de eigenliefde en de ijdelheid te streelen.
Art. 28. De Bijzondere Raad houdt zich bezig met de gewichtige liefdewerken en maatregelen , waarbij al de Conferenciën der stad belang hebben.
Dit artikel omschrijft nauwkeurig en duidelijk de werkzaamheden en de bevoegdheid van de bijzondere Raden. Wanneer er dus gehandeld wordt over een liefdewerk van geheel ondergeschikt belang, over de inwendige inrichting of de wijze der door eene Conferencie te verleenen ondersteuning, dan heeft de Bijzondere Raad zich daarmede niet bezig te houden. Wordt daarentegen gehandeld over een vraagstuk het Reglement betreffende, en waarbij de geheele Vereeniging belang kan hebben, of geldt, het een te nemen maatregel, welks gevolgen zich
95
niet enkel tot de Conferenciën der stad zullen bepalen, maar zich tot alle andere kunnen uitstrekken, dan nog heeft de Bijzondere Raad geene eigenlijk gezegde beslissing te nemen; hij beeft alsdan slechts een advies uit te brengen, en wat de definitieve beslissing betreft, deze aan het. oordeel van den Hoofd- en Algemeenen Eaad over te laten en zich daaraan te gedragen. Maar als er sprake is van een\' belangrijken maatregel, die alle Conferenciën der stad, maar ook enkal deze betreft, alsdan is het de tijd van werken voor den Bijzonderen Raad, en heeft hij het recht om bepaalde beslissingen te nemen. Zonder nu in de bijzonderheden van die maatregelen te willen treden, zoo kan toch met zekerheid gezegd worden, dat zij dikwijls voorkomen. Zoo komt het den Bijzonderen Baad toe de grenzen vast te stellen voor de nieuwe Conferenciën die zich vormen. Als eenige belangrijke liefdewerken worden voorgesteld dan is het al weer aan hem om over hunne al of niet uitvoerbaarheid, wijze enz. te beslissen Als eene Conferencie van het Reglement begint af te wijken, dan is het zijne taak haar daaraan to herinneren en haar
9(5
door zijne raadgevingen weer op den rechten weg te brengen.
Art. 29. Hij bepaalt de aanwending der fondsen van de gemeenschappelijke kas.
Deze kas wordt gestijfd door de buitengewone van elders ontvangen giften, door de inzamelingen op de algemeene vergaderingen van de stad gedaan en de ofiers, welke de Presidenten, namens hunne Gonferencie op elke zitting aanbrengen.
Zij strekt ter voorziening in de kosten der liefdewerken voor de geheele stad en tot ondersteuning der onvermogendste Conferenciën.
Het beheer der algemeene kas is eene der fnnctiën van den Bijzonderen Raad. Zij strekt, zooals het artikel zegt, ter voorziening in de kosten der liefdewerken voor de geheele stad en tot ondersteuning der onvermogendste Conferenciën. Deze bestemming toont al het nut daarvan aan en doet zien hoewel gekozen zij is. Immers, de ellende is niet altijd onder de verschillende wijken der stad gelijkelijk verdeeld, en daarom is het zeer goed dat dc meer overvloedige hulpbronnen der gunstiger gevestigde
97
Conferenciën in de behoeften der anderen te hulp komen. Dit is eene der meest christelijke toepassingen van de ware liefdadigheid die de leden der Vereeniging moet bezielen en een der stelligste bewijzen, dat zij slechts één hart en ééne ziel uitmaken, liet is hier de plaats om er bij te voégen, dat de fondsen van den Bijzouderen Raad, even als die der Conferenciën altijd moeten worden besteed tot de liefdewerken der Vereeniging. uEr is ons gevraagd», zegt de Rondgaande Brief van den 1 sten December 1842, «of het geoorloofd was, een gedeelte «der fondsen , als gift of door middel van col-«lecten aan de Conferenciën verstrekt, tot eene «andere liefdadige bestemming, dan de bijzonder «idoor de Conferencie ondernomen werken te «besteden. Het is ons voorgekomen, dat zulks «niet behoorde te geschieden; omdat vooreerst «daardoor de meening der gevers miskend zou «worden, en ten andere omdat zoodanige vrijheid «aan de liefdadige werken, welke wij onder-«nomen hebben , merkelijk zou kunnen schaden; «wanneer men alles wil doen, eindigt men met «niets te doen, en eene Vereeniging van lief-
98
i\'dadighcid, welke zich niet weet te beperken, «is spoedig uitgeput. Omdat men eenige liefdeswerken ondernomen heeft, is men geenszins «gehouden zich met alle in te laten. Houd het «ten goede, Mijnheer en waarde Medebroeder, «zoo ik hier de werking van uwen ijver schijn te «beperken; maar men moetwijszijnmetmate, en «het is om uwe pogingen des te krachtiger en «duurzamer te maken, dat ik het waag u de «raadgevingen eener voorzichtigheid, die zelfs «angstig zou kunnen schijnen, mede te deelen.»
De stijving der kas van den Bijzonderen Raad leverde eene dubbele zwarigheid op: daarin moesten niet te veelgelden vloeien, en zij moest tevens toereikend zijn. Indien men te veel hulpbronnen der Conferenciën in de algemeene kas had doen samenvloeien, dan zou men zeker haren ijver om fondsen bijeen te brengen hebben verminderd; het is misschien eene zwakheid van zelf, of door zijne Conferencie, het geld, dat men heeft verschaft, te willen besteden, en van meer ijver in het werk te stellen om hulpmiddelen aan te brengen naarmate men aan hare uit-deeling meer deel heeft; maar deze zwakheid
99
is te natuurlijk in den mensch om die in rekening te brengen. Indien men integendeel in de stijving der algemeens kas al te karig ware geweest, dan zou zij zeker buiten staat zijn gebleven haar doel te bereiken. Het schijnt dat het Reglement gelukkiglijk tusschen deze beide klippen het midden houdt.
Elke Gonferencie isalzoo uitsluitend meesteres over de fondsen, die zij verkrijgt door: de wekelijksche collecten op de zittingen; inschrijvingen;
buitengewone aan haar verstrekte giften; en door plaatselijke hulpmiddelen , die zij zich binnen den kring van hare omschrijving weet te verschaffen, en die volgens de gebruiken verschillen.
De Bijzondere Raad daarentegen beschikt over: de giften, die in de stad aan de Vereeniging en niet bepaaldelijk aan deze of gene Gonferencie zijn gedaan;
de ontvangsten, verkregen door loterijen of door algemeene, niet in eene enkele parochie, maar door de geheele stad gehoudene collecten; de bijdragen der honoraire leden (zie ar t. 55);
100
de opbrengst der collecten gehouden op de algemeene vergaderingen der stad; en
de offers, welke door elke Conferencie worden aangebracht.
Voor het overige moet worden opgemerkt, dat deze af bakening noodzakelijk eenigszins veranderlijk en rekkelijk zijn moet, en dat er met betrekking tot dit onderwerp in den geest der Vereeniging zekere concessiën naar de eischen van den tijd moeten plaats hebben tusschen de kas van den Bijzonderen Raad en die der Con-ferenciën. Daarenboven zijn tegenwoordig de offers van elke Conferencie in het algemeen tot op een juist bepaald aandeel van al hare ontvangsten gebracht. Het is inderdaad nutteloos, om op elke zitting der Conferencie, dit onderwerp op nieuw in stemming te brengen. In Parijs hebben de Conferenciën dit aandeel op een tiende van al hare inkomsten gesteld, en dit bedrag is, het aantal Conferenciën in aanmerking genomen, voldoende; in andere steden heeft men ook eene andere verhouding moeten aannemen.
101
Art. 30. De President, de Vice-President,de Secretaris en de Penningmeester vormen eenen gewonen Raad, die de loopende zaken bestuurt.
Even als in de Conferenciën is dit Bureau van zeer groot belang; niet alleen heeft het de discussiën voor te bereiden eti daardoor te bekorten , maar ook heeft het eene menigte van kleine zaken af te doen, waarover de President wel blijde is het Bureau te hebben kunnen raadplegen , maar die verder geene buitengewone bijeenroeping van den Raad noodzakelijk maken. Op die wijze wordt niets met overhaasting gedaan , en de kleine zaken die de meest talrijke zijn, blijven ook niet onbepaald uitgesteld. Dit is een zeer belangrijk punt; want als het in een liefdewerk van belang is wel Ie doeu, dan behoort zulks ook met spoed te geschieden.
Art. 31. De President wordt benoemd dooiden Raad, na overleg met de Conferenciën. De eerste maal wordt hij door de Vereenigde Conferenciën benoemd.
De President benoemt de Presidenten en Vice-Presidenten der Conferenciën en der bijzondere
102
liefdewerken: zoowel als den Vice-President, den Secretaris en den Penningmeester van den Bijzonderen Raad, na voor al die benoemingen het gevoelen van den Raad te hebben ingewonnen.
Dit artikel omschrijft duidelijk de gevallen waarin, en de wijze waarop de verschillende beambten en leden van den Raad benoemd worden. Alleen nog heeft men zich de vraag gesteld: of de Raad den President kon benoemen na hel gevoelen van de ConferencUn le hebben ingewonnen, maar in weerwil van dal gevoelen en of de President de beambten, die hij gehouden is aan te wijzen, kon benoemen , na hel gevoelen van zijn Raad le hebben ingewonnen, maar in weerwil van dal gevoelen, üe Algemeene Raad over dit punt onderhouden, is van gevoelen geweest, dat in beginsel de Bijzondere Raad even als de President tot de benoemingen, die door hen behooren te geschieden, kon overgaan; maar dat men in eene Vereeni-ging van liefdadigheid zich minder moest houden aan eene koude tekst-uitlegging, dan aan den aard der zaken. Immers, het is feitelijk zeker,
103
tlat een Bijzondere Raad aan de Conferenciën der stad geen President zou kunnen opdringen in weerwil van haar le kennen gegeven gevoelen, un dat een President aan zijn\'Raad geen leden zou kunnen opdringen, waar de meerderheid van dien Raad zich bepaaldelijk legen zou hebben verklaard. De christelijke liefde moet hier het vraagstuk afsnijden even als zij moet voorkomen dat het worde opgeworpen; want, zal het mogelijk zijn het goede te bevorderen, dan moet er eene innige overeenstemming van allen bestaan; zoodat op den dag zei ven, dat men niet meer door onderling vertrouwen, maar uit kracht van zijn recht en zijne prerogatieven zou willen handelen, in de Vereeni-ging een groot gevaar voor haar zeiven zou zijn binnengedrongen.
Art. 32. De President van den Bijzonderen liaad heeft het beleid van deszelfs wei\'kzaara-heden, ontvangt de voorstellen en bi-engt die in overweging en roept den Raad bijeen, indien /.niks noodig is. Hij zit voor in de algemeene vergaderingen van de stad.
104
Het Reglement bepaalt niet nauwkeurig de tijden van bijeenkomst voor de Bijzondere Raden, en kon zulks ook niet, omdat dikwijls voor de eene stad dienstig is en gelegen komt, wat voor eene andere weer niet raadzaam is en zelfs onuitvoerbaar zou zijn. Zoo heeft men in Parijs de noodzakelijkheid gevoeld, dat de Bijzondere Raad alle acht dagen vergaderde, en men heeft zich bij die talrijke zittingen wel bevonden. In andere steden daarentegen, is de bijeenkomst om de veertien dagen of zelfs om de maand geheel voldoende. Men heeft dus in dit opzicht op de bijzondere behoefte van elke stad te letten; intusschen zou het te wenschen zijn, dat de zittingen geregeld met tusschenruimten van nooit langer dan eene maand gehouden werden, omdat een Raad, zal hij wezenlijk en niet slechts in naam bestaan, ook werkzaam moet zijn.
Art. 33. De Secretaris maakt proces-verbaai van de zittingen van den Raad. Hij houdt hel Register bevattende de namen , voornamen , be-betrekkingen, woonplaatsen der leden van al de Conferenciën der stad, de dagteekening van hunne
105
aanneming en de namen dergenen, die hen hebben voorgedragen. Hij houdt insgelijks aanteekening van de landstreken, waarin het verblijf dergenen, die niet in de stad wonen, gevestigd is.
üe punten van bijzonderheden die art. 33 opnoemt, moeten nauwkeurig worden in acht genomen, want de ondervinding heeft doen zien, dat geen var\\ zijne voorschriften overbodig is. De Secretarissen der Bijzondere Raden behooren dus daaraan zorgvuldig de hand te houden, evenals de Secretarissen der Conferen-ciën altijd de lijsten der leden en die der armen behooren te hebben bijgehouden.
Art. 34. De Penningmeester houdt de gemeenschappelijke kas der stad.
Het spreekt van zeiven dat het de Bijzondere Raad is aan wien hij zijne rekeningen overlegt. Het is goed, dat, evenals in de Conferenciën deze rekeningen alle jaren onderzocht worden.
Art. 35. De Presidenten en Vice Presidenten vertegenwoordigen hunne Conferenciën bij den
106
Bijzonderen Raad. De Presidenten der bijzondere liefdewerken komen er de belangen dier wei-ken voorstaan. De eene zoowel als de andere brengen verslagen uit, wanneer zij daartoe door den President van den Raad worden uitgenoodigd.
Bij dit artikel is het alleen de laatste zinsnede, waarbij men een oogenblik heeft stil te staan om het nut te doen uitkomen van het dikwijls verslag doen aan den Raad van den staat der Conferenciën en der liefdewerken. Deze verslagen, ofschoon zij altijd eenvoudig moeten zijn, houden echter de belangstelling levendig; zij voorkomen, dat de zittingen droog en een-toonig worden; zij geven aan den Raad de gelegenheid om in het leven der Conferenciën en der liefdewerken van de stad door te dringen, raad te geven, ingeslopen misbruiken tegen te gaan, nuttige gebruiken voort te planten, en aldus enkel door de kracht van het voorbeeld, eenheid van hart en geest tusschen de verschillende Conferenciën te vormen.
107
HOOFDSTUK 111.
VAN DEN ALGEMEENEN RAAD.
Art. 36. De Algemeene Raad is samengesteld uit een President, een Vice-President, een Secretaris, een Penningmeester en verscheidene Raadsleden.
Art 37 De Algemeene Raad is de vereenigings-band . van alle Conferenciën; hij handhaaft de eenheid der Vereeniging en waakt voor alles wat haren vourspoed kan bevorderen.
Hij neemt ten dien einde alle beschikkingen, welke hem nuttig toeschijnen.
L)e Algemeene Raad is het middelpunt der geheele Vereeniging. Door hem worden de Conferenciën ingelijfd, de verschillende Raden opgericht, en derzelveï circurascriptie vastgesteld; hij ontbindt, als daartoe in zeer ernstige gevallen termen zijn, de Conferenciën en Raden, en neemt algemeene beslissingen, waarbij de geheele Vereeniging belang heeft; hij is de uitlegger van het algemeen Reglement en wijzigt het als de behoefte daaraan zich heeft doen gevoelen ; hij bestuurt alle Conferenciën door zijne
1C8
briefwisseling, zijne Rondgaande Brieven en het Bulletin. Zijn bestaan klimt op tot den oorsprong der Vereeniging, althans het dagteekent van het oogenblik af, dat er meer Conferenciën ontstonden, en zijn werkkring heeft zich langzamerhand ontwikkeld, naarmate de algemeene belangen van het liefdewerk zich hebben uitgebreid en meer gewicht begonnen te krijgen. De Rondgaande Brief van December 1837 geeft een overzicht van zijne geschiedenis, en het Reglement heeft een geheel hoofdstuk aan zijne samenstelling toegewijd.
(Zie met betrekking tot de opnoeming der beambten, de opmerking bij art. 27 gemaakt.)
Art. 38. Hij bepaalt de aanwending der fondsen van de algemeene kas.
Deze kas wordt gestij fd door de buitengewone giften aan de Vereeniging gedaan, door de inzamelingen op de Algemeene Vergaderingen geschied en door de offers, welke elke Conferencie of iedere Raad, ter gedeeltelijke bestrijding der algemeene uitgaven van de Vereeniging, overmaakt.
- In weerwil der meest strikte spaarzaamheid
109
is het onmogelijk, dat de Vereenigingnieteenige algemeene kosten zou te maken hebben: elke Conferencie, elke Haad gevoelt de noodzakelijkheid daarvan; de Algemeene Raad, die de ge-heele Vereeniging vertegenwoordigt en met al hare over de geheele wereld verspreide takken briefwisseling moet houden, moest die noodzakelijkheid dan ook in nog veel grooter mate gevoelen, en kon zich aan de verplichting daartoe niet onttrekken. Van daar de instelling van eene algemeene kas ; maar het ligt in het wezen van ons liefdewerk om die kosten tot het strikt noodzakelijke te beperken; om alles met eenvoudigheid en bijgevolg met spaarzaamheid af te doen, en op eene gepaste wijze gierig te zijn op het geld der armen in alles wat niet rechtstreeks tot hunne ondersteuning strekt. Van den dag af, dat men van deze gebruiken zou afwijken, zou men aan den geest der Vereeniging diepe slagen toebrengen en zou men wellicht zijn welslagen in gevaar brengen.
Artikel 38 rangschikt onder de hulpbronnen voor de algemeene kas de jaarlijksche oflers van
no
elke Conferencie of van eiken Raad. Het is inderdaad billijk, dat de Conferenciën van Parijs niet alleen de kosten te dragen hebben, die de ge-heele Vereeniging betreffen, maar dat e/Ae Conferencie , ten wier behoeve voor een gedeelte die kosten gemaakt worden , ook voor een gedeelte die kosten drage en de middelen verschaffe om die te dekken. Eenige Conferenciën hebben uit eigen beweging besloten het bedrag van hare jaarlijksche gift op een honderdste gedeelte of 10/o van hare ontvangsten vast te stellen; maar hoe dankbaar de Algemeene Raad voor dit genomen besluit ook zij, niets wordt ten deze door het Reglement bepaald opgelegd, noch zelfs door den Algemeenen Raad gevraagd; deze giften zijn geheel facultatief en schijnen zelfs meer waarde te verkrijgen, naarmate zij meer geheel en al vrijwillig zijn.
Voor het overige dient de kas van den Algemeenen Raad niet enkel om de kosten van correspondentiën en beheer te bestrijden; zij dient ook vooral om arme Conferenciën, voor welke een tijdelijke ondersteuning zoo bij uitstek nuttig is, te hulp te komen. Elk jaar worden
Ill
door den Algemeenen Raad eenige, helaas! ontoereikende sommen toegestaan, hetzij aan Cont\'erenciën, die in arme streken of plaatsen worden opgericht en voor welke eene kleine geldelijke toelage eene wezenlijke aanmoediging is, hetzij aan zulke , die wel reeds langer bestaan hebben, maar in grooten nood verkeeren. Vele Conferenciën zijn daardoor ondersteund, opgebeurd, behoed wellicht voor het verval op welks punt zij gebracht waren. Op zich zelf staande, zouden zij bezweken zij n; zich ondersteund gevoelende grepen zij weer moed en wisten dien weer mede te deelen aan de armen, die zij bezochten, en aan de rijken, die haar hulp konden verleenen.
Maar er zijn gevallen van zoodanigen aard dat de kas van den Algemeenen Raad, die over-rigens altijd slechts zeer schraal is gestijfd, niet bij machte is om daarin te voorzien en herstel aan te brengen. Aldus was het gesteld na de overstroomingen van de Rhone en de Loire en gedurende den hongersnood van Ierland en Duitsch-Lotharingen, toen de ellende zulk een\' omvang nam, dat de vereenigde pogingen van alle Conferenciën noodig waren om slechts eenig
112
herstel aan de kwaal aan te brengen. In dergelijke omstandigheden geeft de Algemeene Raad dadelijk zijne geringe aalmoes; vervolgens doet hij een beroep op de Conferenciën, hetzij een algemeen, indien de ellende buitengewoon groot is, hetzij enkel op die van een zeker land als de ellende zich tot een zeker gebied bepaalt. Men heeft reden om God voor de aldus verkregen uitkomsten te danken , want zulk een beroep werd altijd op de meest liefderijke en meest broederlijke wijze beantwoord.
Intusschen moet zulk een algemeen beroep op de Conferenciën tot zeer zeldzame gevallen beperkt blijven, want men kan tot zulk een buitengewoon hulpmiddel slechts in zooverre met vrucht zijne toevlucht nemen, als daarvan met de uiterste omzichtigheid wordt gebruikt gemaakt. Bovendien moet het alleen geschieden door den Algemeenen Raad, omdat anders de goede orde daarbij zou verloren gaan, en die beroepen, als zij naar het oordeel en het goedvinden van een ieder konde geschieden, zoo menigvuldig zouden worden, dat zij noodzakelijk wanorde zouden veroorzaken.
113
Een gevolg daarvan nu, waaraan het wellicht niet overbodig zal zijn hier te herinneren, is* dat geene Conferenciën ooit op eigen gezag en afzonderlijk loterijbriefjes, inschnjvingslijsten, aanvragen om geld tot de Conferenciën in het algemeen moet richten. Indien zij in het gebied van eenen Bijzonderen , Centralen of Hoofdraad is gelegen, kan zij zulks doen met toestemming van dien Raad; raaar buiten dat gebied kan zij geene ondersteuning vragen dan door tusschenkomst van den Algemecneti Raad; dit is tevens het middel om belangrijke inschrijvingen te doen slagen, en te verhinderen, dat andere minder belangrijke, al te lichtzinnig ondernomen worden.
Art 39. De leden van den Algemeenen Raad worden door den President benoemd , met overleg van dien Raad.
Ingevolge een oud gebruik, dat door een besluit van den Algemeenen Raad op den 24sten November 1851 is bevestigd , komt het den Algemeenen Raad toe te beslissen, of er termen zijn tot het benoemen van nieuwe leden.
114
Is die beslissing bevestigend, dan benoemt de President de nieuwe raadsleden na het gevoelen van den Raad te hebben ingewonnen. (Zie met betrekking tot dit onderwerp de toelichting bij art. 31 gegeven.) Dezelfde beginselen zijn ook hier van toepassing.
Wat nu het cijfer van het aantal raadsleden betreft, dienaangaande is niets vastgesteld, omdat de behoeften naar de omstandigheden veranderlijk zijn, en het met de uitbreiding der Ver-eeniging zijn nut kan hebben meer medearbeiders te benoemen; intusschen ligt het in den geest van het Reglement niet meer raadsleden te benoemen dan wezenlijk noodig zijn. Trouwens het is altijd gebleken , dat die functiën werk-gevende en niet enkel eereposten moesten zijn, en dat het bij een te groot aantal leden, minder gemakkelijk is de noodige eenheid van zienswijze en bestuur te handhaven. Werkelijk bestaat het aantal leden van den Algemeenen Raad sedert verscheidene jaren uit 20 tot 25.
De leden van den Algemeenen Raad worden in den regel gekozen uil de Presidenten of leden van Gonferenciën, die aan de Vereeniging de
115
meeste diensten hebben bewezen en die het meest tijd en voorlichting aan de algemeene belangen kunnen toewijden; maar de Algemeene Raad heeft zich daarom nooit tot een verbod gesteld om personen, die wegens hunne godsvrucht en liefde tot goede werken in aanzien zijn en ons liefdewerk wel met hunne medewerking zouden willen vereeren, in zijn midden op te nemen. Alleen moet dit geval, zoo als men lichtelijk zal begrijpen, eene zeer zeldzame uitzondering blijven, die door de omstandigheden en de hoedanigheden van het toekomstige raadslid wordt gewettigd.
Art. 40. Wanneer er een Algemeene President der Vereeniging moet worden benoemd, wordt de Algemeene Raad door den Vice-President bijeengeroepen. Deze zitting, welke slechts eene voorbereidende is, strekt om zich te verstaan nopens den persoon, welke met die betrekking zou kunnen worden belast. De vorige President, nog in leven zijnde, wordt verzocht den pel soon aan te wijzen, wiens keuze hij nuttig acht
Wanneer men zich nopens een of meer namen beeft verstaan, wordt de zitting verdaagd tot over
116
tweo maanden. In dien tusschentijd wordt van deze eerste zitting kennis gegeven aan de Presidenten der Bijzondere Raden, die hunne collega\'s raadplegen, en aan die der Conferenciën,diehunne Bureaux raadplegen, of zelfs de Conferenciën, welke zij besturen. De eenen zoowel alsdeanderen maken hun advies over aan den Algemeenen Raad; naar die adviezen, voltrekt deze de keuze, waarvan een nauwkeurig proces-verbaal wordt opgemaakt.
Hangende de keuze, storten al de leden der Vereeniging, hetzij in het bijzonder, hetzij in de zittingen, een bijzonder gebed tot God, namelijk het: Kom H. Geest, opdat zijn geest hen verlichte in de keuze, welk zij zich voorstellen te doen.
Dit artikel toont voldoende de wijze aan, waarop de Algemeene President wordt benoemd, zoodat het niet noodig is op de bijzonderheden daarvan terug te komen. Alleen nog is het van belang aan de Conferenciën de noodzakelijkheid van het gebed te herinneren terwijl de keuze hangende is; want deze verkiezing is altijd eene gewichtige gebeurtenis in de Vereeniging. Men kan alzoo niet te zeer God om de genade
117
smeeken dat er eene voor het liefdewerk heilzame keuze gedaan worde, en dat de aangewezen kandidaat de gewichtige en werkzame betrekking,waartoe hij staat beroepen te worden, waardig zij.
Art. 41. De Algemeene President doet de buitengewone bijeenroepingen; hij zit voor in de Algemeene Vergaderingen, zoowel als in den Algemeenen Raad.
Art. 42. De Algemeene Secretaris houdt aan-teekening vande namen, voornamen, betrekkingen, woonplaatsen en den dag der aannemingen van de leden, even als van de samenstelling der Bureaux van de Raden of Conferenciën en van de plaatsen, dagen en uren der bijeenkomsten.
Hij maakt het proces-verbaal der zittingen van den Algemeenen Raad en der Algemeene Vergaderingen.
Hij stelt het jaarlijksch versiag van den staat der liefdewerken van de Vereeniging.
Hij is belast met het onderhouden der algemeene briefwisseling met de bijzondere Presidenten of Secretarissen der verschillende Raden of Conferenciën.
118
Hij heeft de archieven der Vereeniging onder zijne bewaring.
Het spreekt van zei ven, dat de leden waarvan de Algemeene Secretaris register houdt, geene andere zijn dan die der Cunferenciën van Parijs; een algemeen register van alle leden der Vereeniging te houden zou inderdaad niet mogelijk zijn, en er is dan ook nog nooit aan gedacht.
Het is goed hier te herinneren, dat de briefwisseling moet gehouden worden geheel in overleg met den Algemeenen President of de Algemeene Vice-Presidenten, die met deze taak zijn belast; bovendien is het gebruik aangenomen, dat alle brieven, die in naam van den Algemeenen Raad worden geschreven, van twee leden onderteekend worden, opdat niets bij vergissing daarin zou sluipen, wat met den geest en de gebruiken der Vereeniging zou kunnen strijden.
Art. 43. De Algemeene Penningmeester houdt de kas. Hij brengt de ontvangsten en uitgaven in orde en legt zijne rekeningen af aan den Algemeenen Raad.
119
Art. 44. Een lid van den Algemeenen Raad wordt door den Algemeenen President belast met het voorzitterschap van den Raad van Parijs, indien hij zelf daarin niet kan voorzitten; onderscheidene leden worden door hem, op voorstel van den Algemeenen Secretaris , aangewezen, om de betrekkingen van Vice-Secretarissen te vervullen (1).
(1) Voor de Nederlandsche Couferenciën is met overleg van den Algemeenen Raad, op den 15 Juni 1847 vastgesteld het volgende Bijvoegsel tot art. 44.
Al de Conferenciën van Nederland zijn verbonden door eenen Raad, die den naam draagt van Raad van Nederland.
Die Raad vertegenwoordigt den Algemeenen Raad en ia belast met de leiding van de reeds bestaande of op te richten Raden en Conferenciën in Nederland. Hij handhaaft daarin de eenheid en den geest der Vereeniging; is het middenpunt der briefwisseling en verstrekt de noodige ophelderingen bij verschillen over het recht verstand van het Reglement en de praktische bijzonderheden van het beheer. Tot nadere beschikking is hij belast met de fnnctiën van Bijzonderen Uaad van \'s-Gravenhage.
De Raad gedrjagt zich zooveel mogelijk, overeenkomstig de beschikkingen van het 11de en lilde Hoofdstuk van het Reglement.
120
In art. 44 wordt een zeer nuttig beginsel vastgesteld, dat toepasselijk is op alle voorkomende gevallen dat zich twee Raden in dezelfde stad bevinden, zooals: een Algemeene en een Bijzondere Raad, een Hoofdraad en een Bijzondere Raad, een Centrale en een Bijzondere Raad enz., en welk beginsel hierin bestaat, dat het altijd een lid is van den hoogsten Raad in rang, hetzij de President, hetzij een door den President daartoe aangewezen lid, die het voorzitterschap van den minderen Raad bekleedt. Zonder twijfel zijn in eene liefdadige vergadering die kleine twisten en discussiën over den voorrang weinig te duchten, maar zij zouden ook zooveel kwaad veroorzaken, als zij werkelijk ontstonden, dat men ze zooveel mogelijk moet trachten te vermijden; het vereenigd zijn van het voorzitterschap der beide Raden in denzelfden persoon is derhalve een der meest afdoende middelen om de discussiën en de lichtgeraaktheden te voorkomen.
m
HOOFDSTUK IV.
VAN DE ALGEMEENE VERGADERINGEN.
Er is reeds met enkele woorden melding gemaakt van de Algemeene Vergaderingen en het nut, dat zij aanbieden ; het is hier nu de plaats om meer opzettelijk het doel en de bijzonderheden daarvan te behandelen.
De Algemeene Vergaderingen zijn de ver-eeniging van al de Conferenciën der stad, indien er meer in dezelfde stad bestaan, of wel de vereeniging van de werkende en honoraire leden van de eenige Conferencie in de stad. Dit punt verdient inderdaad duidelijker te worden opgehelderd, want dikwijls hebben afgezonderde Conferenciën gemeend, dat zij ^eene Algemeene Vergadering konden houden , tenzij zij zich vereenigden met de Conferenciën van naburige plaatsen, en dat \'het haar voor baar zelve alleen onmogelijk was. Deze gedachte is zeer in strijd met de gebruiken ier Vereeniging, door welke als Algemeene Ver-jadering wordt beschouwd elke meer plechtige jijeenkomst, waarin men, in tegenwoordigheid
6
laa
van de werkende en honoraire leden en dei-weldoeners der Conferencie, verslag geeft van het goede dat men heeft mogen verrichten , en van hetgeen men zich voorstelt te doen. Het zou ook zeer noodlottig zijn als het er aldus mede gelegen was; want met de Algemeene Vergadering na te laten zou men wellicht ook de Mis op de feestdagen verzuimen en ophouden bijeen te komen, om zich in het gebed te vereenigen en opnieuw in de godsvrucht te verwarmen: of zoo men ook al die godvruchtige vereeni-ging in de Mis of in het gebed niet naliet, zoo zou men toch ten minste de volle aflaten der vier feesten van de Vereeniging verwaarloozen, die slechts kunnen verdiend worden onder de dubbele voorwaarde van te communiceren en de Algemeene Vergadering te hebben bijgewoond. (Breve van den 10 Januari 1845. Zie verder den Rondgaanden Brief van den 1 November 1849.)
Intusschen is het tegenwoordig buiten twijfel, dat het houden der vier Algemeene Vergaderingen in kleine steden met moeilijkheden gepaard gaat, en dat het niet gemakkelijk is om vier malen per jaar leden der geestelijkheid en per-
123
sonen, aan wie de dagelijksche werkzaamheden der Conferencie vreemd zijn, de vergaderingen te doen bijwonen, om hen over weinig belangrijke resultaten te onderhouden. De Algemeene Raad heeft daarom sedert verscheidene jaren niet opgehouden de dicht bij elkander gelegen Conferenciën aan te bevelen in onderling overleg te treden tot het houden van gemeenschappelijke algemeene vergaderingen, nu eens in deze, dan weer in gene stad, het is gedeeltelijk ook om die reden, dat hij aandringt op de oprichting van Centrale Raden, als kunnende men dan altijd met meer gemak aan dit gedeelte van het Reglement uitvoering geven.
De Algemeene Vergaderingen zijn inderdaad zeer nuttig om den ijver weer op nieuw op te wekken ; zij boezemen aan de honoraire leden en weldoeners belang in voor het liefdewerk, waaraan zij hunne medewerking schenken; zij geven het middel aan de hand om tot hen te spreken over de armen en grootere ondersteuning voor deze van hen te verwerven, zij zijn bovendien eene gelegenheid voor de werkende leden om eenen lemghlik te werpen op het
124
geheel van hunne liefdewerken, en te zien welke verbeteringen daarin nog kunnen gebracht worden. In alle opzichten zijn zij derhalve nuttig, en in steden waar meer Conferenciën hestaan, zijn zij noodzakelijk, om de wederzijdsche betrekkingen levendig te houden; alleen moet wel worden opgelet, dat zij niet ontaarden in praal-vergaderingen, waarin het op lange redevoeringen en veel welsprekendheid wordt toegelegd , maar dat zij blijven, wat zij altijd moeten zijn, namelijk: een gemeenzame bijeenkomst, een weinig talrijker als naar gewoonte, maar altijd nederig, christelijk en geheel eenvoudig.
Meermalen heeft men aan den Algemeenen Raad de vraag gericht, of ook dames moesten worden uitgenoodigd tot het bijwonen der Alge-meene Vergaderingen. Ondanks plaatselijke redenen , die somtijds een zeker gewicht hebben, heeft de Raad hierop altijd ontkennend geantwoord , omdat hetgeen in enkele steden zonder bezwaar zou kunnen geschieden, in andere steden met zeer groote bezwaren zou verbonden zijn, en omdat, als het antecedent eenmaal gesteld is, het moeielijk wordt de voort-
125
durende uitbreiding daarvan te verhinderen, zoodat het eindelijk tot regel wordt.
Art. 45 De Algemeene Vergaderingen worden jaarlijksch gehouden op den 8 December , feestdag der onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd ; den eersten Zondag van de Vaste, den Zondag van den (ioeden Herder, jaardag der overbrenging van de overblijfselen van den H. Vincentius van Paulo en den 19 Juli, feestdag van dien heiligen Patroon.
De President kan bovendien buitengewone Algemeene Vergaderingen bijeenroepen.
De Algemeene Vergaderingen moeten met naauwgezetheid op het door het Reglement bepaalde tijdstip gehouden worden, en bet zou zeer te betreuren zijn, als de afzonderlijke Con-ferenciën meenden, daarin eene wijziging te kunnen brengen. Is het inderdaad niet iets treffends te deuken, dat op hetzelfde tijdstip , al de léden der Vereeniging bijeenkomen om over God, over hunne armen en hunne eigene heiliging te spreken? Zijn er geene geestelijke gunsten verbonden aan dit gelijktijdig bidden en handelen? Intusschen moet hierbij worden
126
opgemerkt, dat de aangegeven dagen niet volslrekl vereischt worden door de Breve van den 10 Januari 1845, die in het houden der Algemeene Vergaderingen eene tijdruimte van eeuige dagen toelaat tot het verwerven van den aflaat; en de Algemeene Fergadmng, die op deze tijdstippen gehouden wordt, hebben bijgewoond. Het zou inderdaad dikwijls zeer moeielijk zijn de vergadering op eenen vast bepaalden dag te houden.
Art. 46. De Algemeene Vergaderingen beginnen evenals de Conferenciën, met het gebed en de godsdienstige voorlezing.
Het in acht nemen van deze bepaling is van zeer veel nut, en nooit moet, onder eenig voorwendsel, daarvan worden afgeweken, uit vrees dat anders de Algemeene Vergadering den stempel eener christelijke vergadering zou komen te verliezen. Oin deze reden is de Algemeene Raad ook altijd van gevoelen geweest, dat, als het somwijlen zijn nut kon hebben eenige aan de Vereeniging vreemde personen tot het bijwonen der Algemeene Vergadering uit te
137
noodigeu, hetzij om bestaande vooroordeelen te verdrijven, hetzij om hunne ondersteuning te verwerven, men evenwel nooit om hunnentwille het gebed en de godvruchtige voorlezing moet verzuimen. Indien deze personen het ongeluk hebben zoo weinig christelijk te zijn, dat zij daarin aanstoot vinden, dan is het beter hen niet uit te noodigen. Het is inderdaad van weinig belang of onze vergaderingen schitterend zijn; maar het is altijd van zeer veel belang dat zij haar godsdienstig karakter behouden.
Art 47. Na het proces-verbaal van de vorige zitting te hebben voorgelezen , roept de Secretaris luide de leden af, sedert de laatste Algemeene Vergadering, in de verschillende Conferenciën aangenomen , en wier namen hem ten dien einde dooide verschillende Presidenten zijn medegedeeld. Deze leden staan van hunne plaatsen op, waarna de Secretaris hen aan de Vereeniging en den President voorstelt , die bun eene korte toespraak doel.
Het voorstellen der leden is in de praktijk
128
in eenigszins talrijke vergaderingen bijna onmogelijk geworden; wanorde en verwarring zou daarvan het gevolg worden. Maar als de vergadering niet zeer talrijk is, dan is het goed dit gebruik te onderhouden, dat zeer wel van den geest van broederschap getuigt en boven • dien zeer oud is.
Art. 48. De Presidenten der Gonferenciën geven verslag van den staat der Gonferenciën.
Een beknopt uittreksel van het verslag, bevattende de veranderingen onder de leden en arme huisgezinnen voorgevallen, het beloop der ontvangsten , het bedrag der uitgaven en haren aard wordt aan den Secretaris overhandigd.
Dit artikel kan tegenwoordig niet letterlijk worden opgevolgd, dan in Algemeene Vergaderingen, waarin slechts weinige Gonferenciën vereenigd zijn; het zou immers met der daad niet mogelijk zijn, dat tien of twaalf Presidenten , somtijds zelfs veertig of vijftig, achtereenvolgens een verslag over de werkzaamheden van hunne Conferencie gingen uitbrengen; zij moeten alsdan hunne voornaamste aanteeke-
129
ningen overleggen aan den Secretaris, om daarvan door hem zeiven of door een ander lid een geheel te doen samenstellen.
Welke voor het overige de vorm van het verslag ook zij, een wezenlijk vereischte is, dat het slichtende feiten bevat, geschikt om den ijver op te wekken, en vooral dat het geene lofspraak op de Vereeniging zij. De loftuitingen , die een liefdewerk van buiten ontvangt, zijn voor hetzelve dikwijls zeer gevaarlijk , maar de lofredenen, die het zich zeiven bereidt, zijn een bewijs, dat de christelijke geest daaruit geweken is.
Art. 49. De Secretaris leest vervolgens de brieven door de verschillende Conf\'erenciën, die zich niet hebben kunnen doen vertegenwoordigen , toegezonden; alsmede uittreksels uit andere brieven, waarbij de Vereeniging belang kan hebben.
Art. 50 De President geett daarop kennis van de beslissingen door den Raad van Bestuur in het belang der Vereeniging genomen, en raadpleegt zoo noodig, de Vergadering zelve.
Het laatste gedeelte van het artikel is geheel
130
facultatief, zooals blijkt uit de woorden zoo noodig. liet zou inderdaad tegenwoordig zeer moeielijk zijn, vooral in groote steden, om de zoo talrijk geworden Algemeene Vergaderingen te raadplegen.
Art. 51. § 1. De President, of dat lid der Vereeniging, hetwelk hij daartoe uitnoodigt, richt eenige woorden van christelijke en liefderijke toespraak tot de Vergadering.
De hierbedoelde toespraak, die nu eens bij het begin, dan weer op het einde der zitting wordt gehouden, moet kort, eenvoudig en practisch zijn. Zij moet noch eene theoretische discussie, noch eene preek zijn, omdat het eerste met het doel der Vereeniging in strijd en de laatste in den mond van een\' leek misplaatst zou zijn. Maar, indien zij wrordt gehouden uit het gezichtspunt der bijzondere behoeften der Vereeniging, indien zij zorgvul dig de moeielijkheden aanwijst, die in een of ander liefdewerk zijn te vermijden, indien zij tot ijver en toewijding opwekt , dan kan zij wezenlijk bijdragen tot bevordering van het liefdadige leven der Conferenciën.
131
§ 2. De Vereeniging acht zich gelukkig wanneer personen, om stand, deugd of wetenschap aanbevelenswaardig, op uitnoodiging van den President, de Algemeene zitting bijwonen en haar, zoo als gezegd is, met eenige woorden van stichting willen besluiten.
De Algemeene Vergaderingen worden zooveel mogelijk gehouden onder voorzitterschap van een\' bisschop, pastoor, of van eenen om zijne godsvracht en deugden aanbevelenswaardigen priester. Het is eene eer en eene vreugde voor de volgelingen van den H. Vincentius van Paulo over hunne geringe werkzaamheden, tot hunne geestelijke vaders en hunne leidslieden in de christelijke liefdadigheid, te mogen spreken; en wanneer zij, ondanks hen zei ven, dit voorrecht moeten missen, dan gaat daardoor tevens het grootste gedeelte van het belangrijke en aanlokkelijke van hunne vergaderingen verloren.
liet is regel, en deze regel wordt al te zeer door zichzelven gebillijkt, om daarop nog te behoeven aan te dringen, dat de eereplaatsen der zitting van rechtswege toekomen aan de geestelijken, en dat deleek-president slechts met
132
betrekking tot het stoffelijke den gang der zitting bestuurt. Het komt toe aan de hoogeerwaarde heeren bisschoppen, of aan de priesters, die zij aanwijzen om hen te vervangen, om de eerste plaatsen in te nemen boven het leeken-bureau. Dit is eene zeer zwakke maar zeer wettige hulde, die christenen aan de plaatsbekleeders van God zijn verschuldigd, en welke nooit moet worden verzuimd. (Zie den Rondgaanden Brief van den 31 Mei 184G.)
Art. 52. Na de inzameling en het gebed gaat de Vergadering uiteen.
HOOFDSTUK V.
van de verschillende leden.
Art. 53. Behalve de werkende leden, heeft de Vereeniging ook corresponderende \'eden, honoraire leden en inschrijvers.
Reeds sedert verscheidene jare n zijn de door het Reglement aangeduide leden nog met eene andere kategorie vermeerderd, namelijk met die
133
der adspirant-leden. Deze leden worden gekozen uit jonge lieden beneden de achttien jaren; nu eens worden zij aan de gewone Conferenciën toegevoegd, aan wier werkzaamheden, zij onder de leiding van oudere leden, deel nemen , dan weer zijn zij talrijk genoeg om tot bijzondere Conferenciën georganiseerd te worden, hetzij in christelijke herhalingscholen, hetzij in christelijke collegiën en seminariën. Deze instelling, onder welken vorm zij ook besta, is zeer nuttig. Behalve dat zij aan de Conferenciën eene ge-wenschte hulp verleent en hare aanwerving onder de jeugd verzekert, vormt zij de jonge lieden naar den geest van christelijke liefde en ijver, en boezemt hun de geheel natuurlijke begeerte in, om werkende leden der Conferenciën te worden, zoodra zij tot de daartoe ver-eischte jaren zullen gekomen zijn. De Breve van den 10 Januari 1845 strekt de aflaten der Vereeniging ook tot de adspirant-leden uit, en de Algemeene Raad heeft eene bijzondere instructie vastgesteld en in het licht gegeven voor de Conferenciën der collegiën en instituten. (Zie den Rondgaanden Brief van Mei 1853).
.
134
Art, 54. § l Wanneer een lid der Vereeniging van verblijf verandert, en er in de stad, waar hij zich gaat vestigen, geene Conferencie van den H. Vincentius van Paulo bestaat, verlaat hij daarom de Vereeniging niet, maar neemt den naam aan van corresponderend lid; hij stelt zich in aanraking met de Conferencie of Conferenciën van de naastbij gelegene stad in zijn Bisdom en houdt briefwisseling met den Secretaris van den Raad of der Conferencie van die stad. Wanneer in zijn Bisdom geene Conferencie bestaat, houdt hij briefwisseling met den Algemeenen Secretaris.
De Rondgaande brief van den 1 November 1849 licht dit artikel volgender wijze toe:
«Het is tijd om dat artikel uit den staat van «doode bepaling, om zoo te spreken, tot «ernstige praktijk te brengen. Het grootste be-«zwaar echter bestaat daarin, om de betrek-■ikingen van de correspondeerende leden met de «Conferenciën te verbinden, om iets te doen «geven, een belang aan die leden, even als man de Conferenciën in te boezemen, om deeen-11 maal begonnen betrekkingen te onderhouden. «Dan, indien ieder afzonderlijk lid zich, zoo als
135
«hot Reglement het voorschrijft, aanmeldde aan «de Conferencie van zijn diocees (of, in de «landen waar deze organisatie bestaat, aan den «Hoofd- of Centraien Raad); indien het zich «daar deed aannemen als correspondeernnl lid , undien het getrouw zijne offers zond, en in «ruiling, de noodige middelen ontving om ««aam van de Conjerenrie de armen van de «plaats, waar het woont te hulp te komen; «indien het op gestelde tijden een verslag over-«zond, wegens de gezinnen en hun zedelijken «en materieëlen toestand, zoude er voor allen «een groot nut uit voortvloeien. Vooreerst voor «de correspondeerende leden, die door deze re-«geling den prikkel van samenwerking, die «hun ontbreekt, zouden terug vinden en daar-«docr uit die eenzelvigheid zouden geraken, «waarin zij zich tegenover de Vereeniging be-«vinden; voor de nabijzijnde Conferenciön, die «een kern zouden vormen van ij verige leden, «bereid om op het platte land hunne loten, «hunne aalrnoesbrieven, hunne inschrijvings-«biljetten te plaatsen, om hunne verslagen, «almanakken en goede boeken te verspreiden,
136
«en die, door op deze wijze den kring hunner «liefdadigheid uit. te breiden, zich meerdere «imiddelen en meer geld zouden verschaffen; «voor de gansche Vereeniging, die door meer «bekend te worden, zich des te gemakkelijker «zou verspreiden in een groot aantal kleine «steden, groote vlekken en zelfs dorpen, waar «zij nog niet is doorgedrongen, omdat zelfs «haar bestaan er nauwlijks bekend is; ein-«delijk voor de armen van het platte land; die «eenige nieuwe hulp zouden erlangen, en die «wat nog belangrijker is, nieuwe dienaren «zouden aanwinnen.
«Indien dit plan niet overal eene onmiddellij-«ke uitvoering mocht verkrijgen, is er een een-«voudiger, maar, zooals *t mij voorkomt, minder «volmaakte weg, om tot dit doel te geraken. «Gij hebt zeker opgemerkt Mijnheer en ge-«liefde Medebroeder, dat in de Breve van den »10 Januari 1845 eene treffende bepaling wordt «aangetroffen. Het is die, welke aan afzonder-«lijke leden vergunt de aflaten, die aan de «Conferenciën zijn toegekend, te verdienen, «door zooveel in hunne macht is. de gewone
137
«werken der Vereeniging te vervullen. Ieder jwordt dus aangezet ora zijne taak te vervullen, «de algemeene Vader der geloovigen, noodigt «er ons toe uit, vuurt zelf er ons toe aan, en «wijst ons den weg. Welnu, indien ieder afzon-«derlijk lid, gedurende de uitspanning der «vacantie, dezen heilzamen wenk volgde, hoe-«veel goeds zou daaruit niet voortvloeien voor «hem zeiven en voor de armen, die hem om-»ringen? Vermenigvuldigen wij slechts met twee «ondersteunde armen het getal van onze Mede-«broeders, die ieder jaar ons verlaten, om «zich op het platte land te vestigen, of die «er eenige maanden, eenige weken verblijven «en wij zullen verwonderd zijn, over den geluk-«kigen oogst, dien wij zullen inzamelen» ...
..
§ 2. Hij ontvangt jaarlijks een verslag van de liefdewerken der Vereeniging en blijft met haar verbonden; niet alleen in gebeden, maar ook in goede werken, door om zich henen liefdewerken te verrichten en door zich nuttig te maken aan de Vereeniging, zoo dikwijls de gelegenheid zich daartoe aanbiedt.
138
«Wil men eindelijk, Mijnheer en geliefde «Medebroeder, dat de afzonderlijke liefdewer-uken, maar die, indien mijn beroep werd ge-uhoord, niet zonder belang zouden zijn, zich «vermenigvuldigen en bestendigen ? Een voor-«zorg is daartoe noodig, te welen van tusschen «de Vereeniging en de correspondeerende leden «meerdere betrekkingen te onderhouden, zooals «art. 54 van het Reglement die aanduidt. Het «Bulletin der Vereeniging verstrekt bovendien «thans grootere gemakken voor die betrekkin-«gen, als bij het begin onzer Conlerenciën. «Ieder onzer naar zijne woonplaats volgende, «komt het op gezette en spoedig opvolgende «tijden ons de uitbreiding der Conferenciën op «geven, ons de te mijden klippen, de te volgen «voorbeelden aanduiden en het kan ook dienstig «zijn om de leden, die door afstand van ons ge-«scheiden zijn, aan onze liefdadige handelin-«gen te verbinden. De hoop van die leden er «de getrouwe lezers van te zien worden , is een «der redenen geweest, die ons dit arbeidzaam «werk heeft doen ondernemen.»
139
Art. 55. § 1. De honoraire leden wonen de Conferenciën niet bij.
§ 2. Zij zijn echter, evenals de gewone leden begrepen in al de bijeenroepirigen, die buiten de gewone zittingen der Conferenciën geschieden.
§ 3. Zij moeten jaarlijks eene buitengewone gift aan den Penningmeester van den Raad of der Conferencie van hunne stad doen toekomen.
De honoraire leden wonen in den regel de gewone zittingen niet bij; want men zou met recht kunnen vragen waarom zij, aan de weke-lijksche zittingen deel nemende, zich aan de liefdewerken hunner Medebroeders zouden onttrekken ; intusschen heeft het nooit in den geest der Vereeniging gelegen hun den toegang tot de gewone zittingen te ontzeggen, wanneer zij die wenschen bij te wonen, omdat er alsdan reden is om te hopen, dat zij smaak zullen vinden in onze liefdewerken en weldra zich zeiven gaarne daaraan zullen toewijden. Maar van den eenen kant moet worden opgemerkt, dat dit de algemeene regel niet zijn kan, en van den anderen kant dat, als zij tot de gewone zittingen zijn toegelaten, zij evenwel aan
140
de discussie geen deel nemen, althans geen stem uitbrengen. Door anders te handelen zou dikwijls de beslissing van voor de Conferencie zeer belangrijke vraagstukken worden overgelaten aan personen, die de Conferenciën niet genoeg in al hare bijzonderheden nagaan, om den geest daarvan even zoo goed te kennen als de werkende leden.
Maar, zoo het al geen regel is dat de honoraire leden de gewone zittingen der Conferenciën bijwonen , het is daarentegen regel, dat zij worden opgeroepen, zoowel tot het bijwonen der Algemeene Vergaderingen, als ook der missen en godvruchtige plechtigheden der Conferenciën , zooals preken, retraites enz.
In tegenstelling der werkende leden, die hunne offers aan hunne Conferencie in den vorm van geheime gift storten, zijn de honoraire leden uit den aard der zaak gehouden hunne offers in den vorm van een vast bepaalde som over te maken. Het Reglement zegt intus-schen niet dat die som voor allen dezelfde behoeft Ie zijn, en in de Breven van aflaat wordt ook geenszins in dien geest gesproken,
141
Het Reglement bepaalt, dat in de steden, waar een Bijzondere Raad bestaat, de offers der honoraire leden aan dien Raad moeten worden overgemaakt. Dit is een middel om dien Raad hulpbronnen te verschaffen en daardoor onder de Conferenciën eene soort van gelijkheid in de verdeeling der hulpmiddelen te vestigen, ondanks de ongelijkheid der ellende.
§ 4. De aanneming der honoraire leden heeft plaats op dezelfde wijze als die der gewone leden; zij geschiedt door den Bijzonderen Raad in de steden, waar meerdere Conferenciën bestaan.
Dit punt is van zeer groot belang en ongelukkig wordt niet genoeg daarop gelet: nu eens verwart men de honoraire leden met de inschrijvers en men vraagt van hen slechts eene meer of minder aanzienlijke aalmoes, zonder zich vooraf van hunnen godsdienstigen levenswandel te vergewissen, dan weder geeft men dien naam aan de werkende leden, die zich in langen tijd in de Conferenciën niet hebben doen zien, en die men evenwel niet durft schrappen
142
somtijds zelf heeft men dames als honoraire leden ingeschreven. Al deze gebruiken zijn in strijd met het Reglement en moeten geheel ter zijde worden gesteld, want de honoraire leden zijn wezenlijk volgens de termen van het Eegle-ment leden der Vereeniging; als zij werkende leden willen worden is het feitelijk, zoo niet rechtens, zeer moeielijk het hun te weigeren; immers zij wonen de feesten, de Missen, de Algemeene Vergaderingen der Conferenciën bij, en kunnen deelachtig worden aan zeer uitgebreide aflaten, uit welk een en ander volgt, dat zij, om toegelaten te worden, aan de voorwaarden moeten voldoen, die de Vereeniging voor hare werkende leden stelt; in het tegenovergesteld geval zou er een te groot verschil tusschen deze twee kategoriën van leden zijn en, zoo de eenen ehistelijk waren, en de anderen zich weinig om den godsdienst bekom merden, zou het dan niet te vreezen staan, dat op den duur de geest der Conferenciën zou komen te verflauwen ten gevolge van dit verschil zelf, en der misschien al te groote inschikkelijkheden, die de werkende leden tegen-
143
over de honoraire leden zouden willen in acht nemen ?
Behalve de honoraire leden is er nog eene andere kategorie van leden, waarvan het Reglement niet spreekt, maar die de Rondgaande Brief van den 31 Mei 1846 doet kennen onder den naam van leden van eer: het zijn de geestelijken, die de Gonferenciën wel willen vereeren met de plaatsing van hunne namen op de lijsten, en welke het eerbiediger heeft geschenen te bestempelen met den naam van leden van eer, dan met dien van honoraire leden.
Art. 56. Elke Conferencie kan bovendien bloote inschrijvers hebben.
De inschrijvers zijn geen leden der Vereeniging, maar hebben aanspraak op hare gebeden als weldoeners.
Dit artikel neemt alle tegenwerpingen weg, die nog tegen de bepalingen van het voorgaande artikel, aangaande de vereischte voorwaarden voor de honoraire leden, zouden kunnen gemaakt worden; immers het geeft het middel
144
aan de hand om voor de armen een nuttig gebruik te maken van de edelmoedigheid van allen, zoo mannen als vrouwen, die hunne aalmoezen wel aan de Conferenciën willen uitreiken, en die, hetzij omdat zij niet aan alle godsdienstige voorwaarden voldoen , hetzij ter oorzake harer sekse, volgens het Reglement niet als honoraire leden kunnen worden toegelaten. Daar de inschrijvers geen leden der Vereeni-ging zijn, zoo kunnen als zoodanig personen van alle godsdienstige gevoelens en gezindheden worden aangenomen, en deze vrijheid kan tot geen enkel bezwaar aanleiding geven.
Verscheidene Conferenciën weten voor de armen met zeer goed gevolg partij te trekken van den ijver der dames weldoensters, hetzij voor het houden van inzamelingen, hetzij voor de kleedingmagazijnen en het werk der armen, of eindelijk voor eenige liefdewerken, waarmede de Conferenciën zeiven zich niet rechtstreeks zouden kunnen beiasten. Dit voorbeeld verdient te worden nagevolgd.
145
HOOFDSTUK VI.
van de feesten der vereenig1ng.
Art. 57. § 1. De Vereeniging viert de feesten van de onbevlekte ontvangenis der H. Maagd en van den H. Vincentius van Paulo, haren Patroon.
§ 2. De Conferenciën wonen de Mis bij den 8 December en 19 Juli en ook op den jaardag van de overbrenging der overblijfselen van den H. Vincentius van Paulo.
Ingevolge de Breve van den 10 Januari 1845, moesten de feesten gevierd worden op den dag zeiven van de Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd, den 8 December, en op dien van het feest van den H. Vincentius van Paulo, den 19 Juli. Indien daartoe een andere dag werd bepaald konden de aflaten niet meer verdiend worden. Daar zich nu in de praktijk voor de Conferenciën en vooral die van het platte land, zeer dikwijls moeielijkheden opdeden in het voldoen aan deze voorwaarde, zoo was een ongelukkig gevolg daarvan dat een groot aantal Conferenciën verstoken bleef van de aflaten, die de algeraeene Vader der geloovigen ons met zulk
7
146
eene groote vrijgevigheid heeft verleend. Om aan dit bezwaar te gemoet te komen heeft de Algemeene Raad aan zijne Heiligheid verzocht de Breve van den 10 Januari 1845 te wijzigen. Ziehier de uitbreiding van deze kostbare gunsten, die hij door een derde Breve van den 18 Maart 1853 heeft verkregen:
1°. De volle aflaat toegestaan door de Breve van den 10 Januari 1845 voor den 8 December, kan verdiend worden in eene der Missen, die in het bijzonder voor de Vereenigiag worden opgedragen, hetzij op den dag zeiven van hel feest der Onbevlekte Ontvangenis, of op dien, waarop dit feest in het Bisdom wordt gevierd 2°. De volle aflaat toegestaan door de Breve van den 10 Januari 1845 voor het feest van den H. Vincentius van Paulo, kan verdienc worden, hetzij op den 19 Juli of op een\'der zeven volgende (lagen.
3°. In Parijs kan de aflaat voor het feest van den H. Vincentius van Paulo verdiend worden in de Mis der eerw. paters Lazaristen, zelfs al wordt die Mis niet in het bijzonder opgedragen voor de Vereeniying.
147
§ 3. De leden bidden op die feestdagen voor de uitbreiding van het Katholieke geloof, voor de vermeerdering der liefde onder de menschenen om Gods zegen over het liefdewerk, waaraan\' zij deel nemen.
§ 4. Indien eenig lid afwezig of belet is,ver-eenigt hij zich ten minste in den geest met zijne broeders en bidt voor hen, gelijk zij voor hem bidden.
Het vieren der feesten van de Vereeniging is eene der verplichtingen waarvan men zich het meest behoort Ie doordringen. Trouwens, hoe zullen de leden der Conferenciën voorspoed in hunne liefdewerken kunnen hopen, indien zij den zegen daarover niet van God gaan afsmeeken, en welk middel is wel krachtiger om dien zegen te. verwerven dan om hem gezamenlijk, en in hetzelfde gebed en hetzelfde geloof vereenigd, aan den voet derzelfde altaren af te smeeken? Hoe zal men ook anders om de eenheid der harten kunnen bidden , die uit deze godsdienstige plechtigheden voortvloeit en daarvan eene der kostbaarste uitwerkselen is. Zonder de feesten der Vereeniging te onderhouden, zullen de banden, die de Conferenciën onderling verbinden, weldra verslappen.
148
en de stoffelijke middelen, die reeds meermalen zijn aangewezen, zullen spoedig nutteloos worden bij gebrek aan het geestelijke en door de Kerk gezegende middel. Het is derhalve van het grootste belang dat elke Gonlerencie, en in elke Conferencie elk lid de vier feesten der Vereeniging zoo nauwgezet mogelijk onder-boude; want men vreest niet te veel te zeggen met te beweren, dat een lid, hoe ijverig en hoe christelijk hij overigens ook zij , den waren geest der Vereeniging niet bezit, wanneer hij vrijwillig verzuimt de feesten daarvan te onderhouden , en dat eene Conferencie, die op deze klip geraakt, in korten tijd verslappen en de geest van den H. Vincentius van Paulo daarin uitgedoofd zijn zal.
Art. 58. Den dag, volgende op deAIgemeene Vergadering van de Vaste, wonen al de leden gezamenlijk eene Mis van Requiem bij, die in hunne stad gevierd wordt voor de rust van de overledene leden van de Vereeniging.
De gedachtenisviering der overledenen is eene der vuur waarden van bestaan voor een liefde-
149
werk dat moet blijven voortduren, en zij is in het Christendom een zoo gestrenge plicht, dat daaraan niet te voldoen, in zeker opzicht is in verzuim blijven aangaande eene der voornaamste verplichtingen van het christelijk leven: ook in het Reglement wordt zij met nadruk aanbevolen en bovendien heeft zich het gebruik reeds gevestigd van op de zittingen der Conferenciën het de Profundis te bidden voor de leden van wieroverlijden men door middel van het Bulletin ol\' op andere wijze heeft kennis gekregen, en van eene Mis voor de rust hunner zielen te doen opdragen; eenige Conferenciën, niet tevreden met de jaargedachtenis van den eersten Maandag in de Vaste, voegen daar nog den Allerzielendag aan toe. De Breve van den 10 Januari 1845 verleent nog een bijzonderen aflaat voor het bijwonen der Missen voor de overledenen.
De Mis op den eersten Maandag der vaste is overgebracht op den eersten Zondag. (Breve van 13 Sept. 1859.)
150
ALGEMEENE BEMERKING.
Art. 59. Geene rier bij dit Reglement gegevene voorschriften brengt eenige gewetensverplich ting mede, maar de Vereeniging vertrouwt er de vervulling van toe aan den ijver harer leden en aan hunne liefde voor God en hunnen evennaaste.
REGLEMENT
YOOR
DE HOOFDRADEN.
^Uittreksel uil het Dullelin van den 1 Mei 1850)
Reeds sedert verscheidene jaren had de uitbreiding, die de Voorzienigheid zoo zichtbaar aan de Vereeniging had geschonken, in de landen buiten Frankrijk gelegen, eene instelling noodzakelijk gemaakt, die men bij het vaststellen onzer eerste regels niet had voorzien ; het was die van Raden, welke belast zouden zijn met het bestuur der Gonferenciën van een geheel land en tot het eigenaardige
151
middelpunt voor de briefwisseling zouden strekken tusschen den Algemeenen Raad, als het middelpunt der geheele Vereeniging, en de Conferenciën, die daarvan door afstand , taal en gebruiken zouden geseheiden zijn.
Deze instelling, die om zoo te spreken als van zelve geboren is, heeft eene gelukkige uitbreiding gekregen en door hare ontwikkeling veel bijgedragen tot den voortgang van ons liefdewerk in vreemde landen, waar het anders moeielijk zou zijn doorgedrongen, of nog raoeie-lijker zich zou hebben staande gehouden. Beurtelings werden in Engeland, Ierland, België, Nederland, Rijn-Pruisen, Silezië, Mexico dergelijke Raden gevestigd, en tengevolge van hunne organisatie hebben de Conferenciën dier verschillende streken zich gemakkelijker naar éénen gemeenschappelijken geest gevormd , en zich spoediger vermenigvuldigd.
De ondervinding had alzoo tot de overtuiging gebracht dat de tijd gekomen was om in onze géschrevene regels een geheel van bepalingen te brengen, die op deze Raden van toepassing zouden zijn; bepalingen die , zonder de gebrui-
152
ken aan te tasten, die in eenige dealen der Vereeniging reeds door hunnen ouderdom geëerbiedigd en bovendien door den Algemeenen Raad goedgekeurd waren, zonder zelfs eene volstrekte en onveranderlijke wet: voor de toekomst te zijn, nochtans moesten dienen tot leiddraad en model voor de Raden , die achter-volgens zouden worden opgericht.
Met dit doel heeft de Algemeene Raad eene reeks van additioneele artikelen op het Reglement ontworpen; maar alvorens deze bepaaldelijk vast te stellen, heeft hij zich willen doen voorlichten door de adviezen der Raden van Europa, namelijk van die Raden, welke tijd en afstand hem toelieten te raadplegen. Die adviezen hebben hem dan ook niet ontbroken ; men heeft met zeer veel zorg daarop gelet en zeker zullen zij veel hebben bijgedragen tot de verbetering van een zoo belangrijk Reglement.
De bepalingen, die wij hier kortelijk zullen verklaren en waarvan wij hierachter den tekst laten volgen, bevatten den zakelijken inhoud der plaatselijke gebruiken en der hoofdstukken van het algemeen Reglement, die op de Bij-
153
zondere Raden en op den Algemeenen Raad zeiven betrekking hebben. Die Raden zijn inderdaad een tusschenbestuur tusschen de Bij -zondere Raden van eene plaats die voor de belangen der Conferenciën van eene stad moeten waken, en den Algemeenen Raad, die met het bestuur van alle Conferenciën is belast. Even a!s die Raden zelve moeten derhalve ook hunne bevoegdheden van gernengden aard zijn, en het is dit denkbeeld, dat bij het opstellen van hun Reglement heett voorgezeten,
Eene eerste vraag, die zich al dadelijk opdeed, betrof den aan deze Raden te geven naam. Zou men ze in het Reglement aanduiden met den naam van Provinciale Kaden zooals de twee Breven van den 10 Februari en den 12 Augustus 1845 het doen? Sterke redenen pleiten ten gunste van deze benaming, die onder ons reeds oud geworden en door de meeste Raden aangenomen was; maar de vrees, die men ons had kenbaar gemaakt, dat zij in verscheidene landen nationale lichtgeraaktheden meer zou opwekken , die voor de Vereeniging niet anders dan schadelijk kunnen zijn, heeft eene nieuwe
154
benaming en wel die van Hoo/draden (Conseils supérieurs) doen kiezen.
De omschrijving der grenzen voor de Hoofdraden, de bepaling der plaatsen waar zij zullen zijn gevestigd, zijn punten welker regeling Art. 1 van het Reglement aan den Algemeenen Raad overlaat, krachtens de overdracht van een gedeelte zijner bevoegdheden die hij ten hunnen behoeve doet. Het is de praktijk die hier zuiver in een geschreven regel wordt overgebracht.
Art. 3 behandelt eene belangrijke vraag, die van de samenstelling zelve van den Hoofdraad Na daarover wel te hebben nagedacht en de verschillende daarover uitgebrachte gevoelens goed te hebben overwogen, is het verkieslijk geschenen om alle Conferenciën, die de Hoofdraad in zijne circurascriptie moet omvatten, uit te noodigen om tot zijne samenstelling mede te werken, ten einde daardoor zelf hem een des te grooter gezag te verschaffen. Die medewerking kan naar plaatselijke omstandigheden geschieden, hetzij door gemachtigden, die uit elke Con-ferencie voor een gelijk aantal gekozen worden,
155
of wel door briefwisseling; eindelijk is het voor de deugdelijkheid der samenstelling van den Raad voldoende, dat alle Conferenciën zijn uitr genoodigd om daaraan deel te nemen; het is niet noodzakelijk dat zij het werkelijk gedaan hebben, als zij in verzuim gebleven zijn aan de oproeping te beantwoorden. Om de orde beter te handhaven, moet de verkiezing bestuurd worden door den Bijzonderen Raad, die in de stad, waar de Hoofdraad zijnen zetel zal hebben, gevestigd is, of zoo er zulk een Raad nog niet mocht bestaan, door de Conferencie van die stad.
Art. 4 geeft de wijze aan voor de benoeming van den President van den Hoofdraad, welke wijze geheel overeenkomt met die, welke voor de benoeming van den President van den Al-gemeenen Raad wordt gevolgd, en waarvan de ondervinding al de voordeelen heeft doen kennen. Alleen is de lijd van twee maanden, binnen welke de verkiezing moet plaats hebben , voor den Hoofdraad op eene maand gesteld : omdat diens circumscriptie minder uitgestrekt is.
156
Art. 8 voorziet in het geval dat in dezelfde stad een Hoofdraad en een Bijzondere Raad bestaat; voor dit geval wordt bepaald, dat het voorzittingschap van den Bijzonderen Raad van rechtswege aan den President van den Hoofdraad behoort, behoudens de bevoegdheid van den laatsten otn tot het bekleeden van het voorzitterschap eenen anderen te machtigen, als hij het noodig oordeelt. Dit punt is reeds, wat Parijs betreft, alwaar de Algemeene Raad en de Bijzondere Raad der stad gevestigd zijn, door het algemeene Reglement bepaald en bovendien door de ondervinding van twintig jaren bekrachtigd ; het is derhalve nuttig geschenen die bepaling uit te breiden voor het geval, dat de menigvuldigheid der bezigheden of eenig andere redenen zouden beletten, om even als in verscheidene steden, de functiën van den Bijzonderen Raad aan den Hoofdraad op te dragen.
Art. 10 bekrachtigt de voortdurende rechtsbevoegdheid van den Algemeenen Raad betrekkelijk het toelaten van Gonferenciën in onze Vereeniging. Het komt alleen aan den Alge-
157
meenen Raad toe de inlijvingen te beslissen na alvorens het advies der Hoofdraden te hebben ingewonnen.
Deze wijze, die den gemeenschappelijken geest en de noodzakelijke eenheid bewaart .doet de plaatselijke Raden in de ontwikkeling en uitbreiding van onze liefdadige familie deelen; zij voorkomt de verscheidenheid van inzicht bij de inlijvingen ; zij verstrekt onze kleine en geheel broederlijke hierarchic, middelerwijl zij vrijheid laat om de nieuwe Conferenciën, die in onze reien verlangen opgenomen te worden, niet toe te laten dan na bekomen kennis van de beweegredenen die tot dat verzoek hebben geleid.
Deze gelukkige betrekkingen van broederlijkheid en eenheid worden nog versterkt door Art. 12, dal, door de Presidenten van den Hoofdraad in den boezem van den Algemeenen Raad op te nemen, door hun daarin recht van zitting te verleenen, wanneer zij te Parijs zijn, door de uitnoodiging om hen schriftelijk te raadplegen als zij afwezig zijn, aan de geheele Vereeni-ging de medewerking van hunne raadgevingen.
158
hunne toewijding en hunne liefdadigheid verzekert. De eerste proeve, die daarvan reedsvooraf genomen is ten behoeve der samenstelling van het tegenwoordig Reglement, is daarvan in de oogen van den Algemeenen Raad een voldoend bewijs.
Eindigen wij met de twee volgende bemerkingen:
1. üe hier volgende artikelen maken voortaan deel uit van het algemeen Reglement, zij zijn daarbij ingeschreven; intusschen is het niet verkieslijk geacht, ze in het reglement zelf in te lasschen en de reeds oude orde der artikelen te verbreken ; daaraan de hand te slaan zou geweest zijn eene noodlottige verwarring invoeren en in zeker opzicht een monument bederven, dat in onze Vereeniging geëerbiedigd is, omdat het bijna zoo oud is als de Vereeniging zelve. Overigens zal het gezag dezer nieuwe bepalingen in de oogen der Conferen-ciën en van al onze Medebroeders er niet minder om zijn.
\'2. Het tegenwoordig Reglement is vooral bestemd voor de Raden die tegenwoordig in den
159
vreemde bestaan en in last hebben de Coufe-renciën te besturen, die tot verschillende natiën behooren. Maar het is daarom geen hinderpaal, en is zulks ook nooit geweest, voor de oprichting van Raden van eene minder grootecircums-criptie, die noodzakelijk geworden zijn en nog eiken dag noodzakelijker worden om de dicht bij elkander gelegen Conferenciën onderling nauwer te verbinden; integendeel het is voor deze Conferenciën een model en grondslag van organisatie.
Ziehier nu den tekst van dit Reglement, dat door den Algemeenen Raad in zijne zitting van 1 April 1850 is aangenomen.
Art. 1. Wanneer de Conferenciën, die een uitgebreider kring vormen dan die van een Bijzonderen Raad, verlangen vereenigd te worden door eenen Raad, kan te dien einde een Hoefdraad door den Algemeenen Raad worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen der Breve van onzen Heiligen Vader Pans Gregorius XVI, van den 10 Januari 1845. Deze Raad ontleent zijn naam van den kring, waarvoor hij is opgericht en die omschreven wordt door den Algemeenen Raad, die de plaats aanwijst, waar hij gevestigd wordt.
160
Hij vertegenwoordigt in dien kring den Alge-meenen Raad, het middenpunt der geheele Vereeni-ging, en is belast met de leiding van alle daarin opgerichte of op te richten Raden en Conterenciën; hij handhaaft er den geest en de eenheid der Ver-eeniging, en is het eigenaardig en gewoon middenpunt der briefwisseling van de Raden en Conferen-ciën met den Algemeenen Raad.
Art. 2. De Hoefdraad bestaat uil een President , een of meer Vice-Presidenten, een Secretaris, een Penningmeester, een of meer Vice-Secretarissen, een Vice-Penningmeester en uit meerdere raadsleden
Art. 3. Bij het voor de eerste maal benoemen van een President, worden alle Conferenciën van den kring geroepen om daartoe mede te werken; de keuze geschiedt onder de leiding van de Confe-rencie of van den Raad, opgericht in de stad, waar de Hoefdraad moet worden gevestigd.
Art. 4. Wanneer een nieuwe President moet worden benoemd, roept de Vice-President den Raad bijeen; deze zitting, welke slechts tot voorbereiding dient, strekt om zich te verstaan nopens den persoon, welke met die betrekking zou kunnen worden belast. Indien de vorige President nog in
161
leven is, wordt hij verzocht den persoon aan te wijzen, wiens verkiezing hij nuttig acht.
Wanneer men zich nopens een ot meer namen heeft verslaan , wordt de zitting verdaagd tot over eene maand. In dien tusschentijd wordt van deze eerste bijeenkomst kennis gegeven aan de Presidenten der Bijzondere Raden, die hunne medeleden raadplegen, en aan die der Conferenciën, die hunne bureaux of zelfs de Conferenciën, die zij besturen, raadplegen. De eenen zoowel als de anderen maken hunne adviezen kenbaar aan den Raad; naar die adviezen voltrekt deze de keuze, waarvan een nauwkeurig proces-verbaal wordt opgemaakt.
Gedurende den tijd der verkiezing, richten al de leden van den kring, hetzij in het bijzonder, hetzij op de zittingen, een bepaald gebed tot God, het Veni Creator, opdat zijn geest hen verlichte, in de te doene keuze.
Art. 5. De leden van den lloofdraad worden, even als de leden van het Bureau, benoemd door den President met overleg van den Raad.
Art. 6. De President zit voor in den Hoefdraad , even als in de Algemeene Vergaderingen der Conferenciën van de stad, waar die Raad gevestigd is. Hij roept de buitengewone vergaderingen bijeen, en doet zich bij afwezigheid ver-
162
vangen door een Vice-President, of zelfs des noods door een ander lid van den Raad.
Art. 7. De Secretaris houdt aanteekening van de namen, voornamen, betrekkingen, woonplaatsen en de dagteekeningen van aanneming der leden van de Conferenciën der stad, waar de Raad gevestigd is. Hij houdt gelijke aanteekening van de samenstelling der Bureaux van de Raden of Conferenciën van den kring, en van de dagen, plaatsen en uren hater bijeenkomsten.
Hij maakt de processen-verbaal der zittingen van den Raad en van de algemeene vergaderingen.
Hij stelt het jaarlijksch verslag van de liefdewerken der Conferenciën van den kring, en zendt het aan den Algemeenen Kaad.
Hij is, onder de leiding van den President, belast met de algemeene briefwisseling met de Presidenten of Secretarissen der Raden of Conferenciën en met den Algemeenen Raad.
Hij bewaart de Archieven der Vereeniging in den kring.
De Penningmeester houdt de kas, brengt de ontvangsten en uitgaven in orde en verantwoordt de rekeningen aan den Raad.
Art. 8. Ingeval de Hoefdraad niet belast is met de functiën van den Bijzonderen Raad voor
163
de Conferenciên der stad, alwaar hij gevestigd is, behoort het voorzitterschap van laatstgenoemden Raad van rechtswege aan den President van den Hoefdraad, die de Presidenten en Vice-Presi-denten der Conferenciên en der Liefdewerken, alsook het Bureau van den Bijzonderen Raad benoemt.
Bij verhindering doet hij zich in het voorzitterschap van den Bijzonderen Raad vervangen door een lid van den Hoofdraad, door hem tot dat einde gemachtigd.
Art. 9. De kas van den Raad wordt gestijfd dooi\' de buitengewone giften aan de Vereeniging gedaan, door de inzamelingen op de algemeene vergaderingen der stad, alwaar hij gevestigd is en door de offers welke iedere Gonferencie of elke Raad van den kring tot bijdrage in de algemeene kosten, jaarlijks toezendt.
Art. 10. Wanneer eene Gonferencie of een Bijzondere Raad zich vestigt in den kring,onderzoekt de Hoofdraad of er termen zijn, om de inlijving daarvan aan den Algemeenen Raad voor te stellen.
Die inlijving kan niet verleend worden dan na ingenomen advies van den Hoofdraad.
De Raad doet mede verslag aan den Algemeenen Raad, wanneer hij meent, dat eene Gonferencie of een Raad zon behooren ontbonden te worden. Hij
164
kan er des noods de zittingen van schorsen, en doet er verslag van aan den Algemeenen Raad.
Art. 11. De Hoefdraad regelt al de praktische bijzonderheden van beheer in den kring, hetzij door briefwisseling, hetzij door rondgaande brieven van den President, en waakt voor de uitvoering van het Reglement, behoudens raadpleging van den Algemeenen Raad over gewichtige vraagpunten en over die, waarbij de geheele Vereeniging belang heeft.
Art. 12. Wanneer de Presidenten der Hoofdraden te Parijs zijn, wonen zij de zittingen bij en nemen deel aan de beraadslagingen van den Algemeenen Raad, waarvan zij leden zijn zoolang zij die betrekking behouden.
De Algemeene Raad kan hun schriftelijk gevoelen inwinnen over de vraagpunten, waarbij de geheele Vereeniging belang heeft.
Gezien,
de President van den Hoofdraad A. J, L.
BLADWIJZER.
|
A. Aanbeveling van armen. 29. Aanbeveling van jonge lieden. 29. Aannemen van huisgezinnen. 71 73. Aanvragen om ondersteuning. 62. Administratie. 42. Aflaat. 18 2159 87 122145. Afwezige leden. 68 142. Afwijkingen. 95. Algemeene kas. Zie Kas. Algemeene Vergaderingen 100 108 117 121 125 130 140 148 162. Alles doen. 97. Ambachtslieden. 29. Archieven. 118. Armen. Klassen van — 62. Aspirant-leden. 133. B. Bals. 85. Beambten. 30 34 39 94 102 108. Bedenkingen. 54. Belegging van gelden. 45 60. Benoemingen. 35. Beroep op de Conferen-ciëu. 112. |
Bestemm. der fondsen. 97. Bestendigheid. 33 57. Betalingen. 44 60. Betrekkingen. Onderlinge-25 27 57 78 86 89 97 124 147 152 158. Bezoek der armen. 13 14 24 66,68 72 73 75. Bezoekers. 74. Bibliothecaris. 46. Bibliotheek. 46. Bidden. 49. Bisschop. 181. Bons. 61 64. Breven. Pausselijke— 126 133 136 146 149 154. Briefwisseling. 25 27 117 163 164. Broederschap. 11 35. Bulletin. 26 78 108 Bureau der Conf. 30 35 39 55. Bureau van de Raden. 92 101 161 162 163. C. Christenen. 9. Collecte. 77 79 83 99 113. Commissie v. onderzoek. 62. Conferenciën. 16 31 111 113 156. Correspondeerende leden. 132 139. |
|
D. Dagd. Vergadering. 22126. Dames. 8 15 47 124 142 144. Diploma of getuigschrift. 58. Discussie. 17 78 88. Deel der Vereenigiug. 8 10 11. Dronkenschap. 72. E. Eenheid 18 20 78 90 92. Eer der Conferencie. 53. Eereplaats. 131. Eigenschappen van een president. 37 39. Ergernis. 71 73. Ernst. 80. F. Feestdagen. 125 145 147. G. Gebed. 49 68 86 116 125 147. Geestelijken. 38. Geestelijkheid. 123 131. Geheim 81 82. Geld. Ondersteuning in — 69. Gelden. Plaatsing van — 44. Getal der armen 73. Getal der leden. 88. Getuigschriften. 58. |
i. 21. Gezag. Eigen -r- 113. Gift. Vaste — 140. Giften in natura. 82, Grenzen. 95. H. Handboek. 57. Heiliging der leden. 13 56 84 125 145. Honoraire leden. 99 121 123 139 141. Hoofdraac!. Zie Raad. I. Jaarlijksche offers. 110. Inlichting nopens de gezinnen. 62. Inlijving. 17 91 157 164. Inschrijvers. 141 143. Inschrijvingen. 113. Inzameling. Zie Collecte. Jonge lieden. 8 28 133. K. Kandidaten. 52 54 56 117 141. Kapitaal. 45 60. Kas 83 85 96 98 99 108 141 131. Kas der Conferencie. 24 43 59. Kleederen. 47. Kosten. Algeineene — 110 163. |
|
L. Lastposten. 34. Leden der Vereeniging. 7 12 25 52 63 76 84 88 113 119 127 131 141 144 158 162. Leden van eer. 38 143. Leeken. 38 131. Leveranciers. 44. Lezing. Godvrnchtige — 50 126. Liefdewerken. 15 93 94 106. M. Maatregel. Algemeene. 95. Magazijn. 47. Magazijnmeester. 46. Mildheid. 80. Mis. 122 Moed der leden. 84. N. Naburige Conf. 26 123. Nieuwe leden. 32 54 127. Nieuwe huisgezinnen. 71. O. Onderscheid. 82. OnderstenniDg in geld. 69 110. -----in natura. 69 Onderteekening. 118. Ontbinding. 107 164. Ontvangst van leden. 57. Open schaal. 81. |
Orde. 42 46 49. Organisatie. 19 90. Overdrijving. 62. Overledene leden. 148. Overlijden van armen. 65. P. Paaschplicht. 9. Parochie. 19 80 99. Partijen. 33. Penningmeester. 43 45 59 79 101 105 118 163. Philantropie. 10 68. Plaatsing. 70. Plattelands Conf. 92. Preken. 140. President der Conf. 32 35 36 39 52 69 75 92. President van den Raad. 35 40 101 103 106115 117 156 161. Presidenten der liefdewerken. 93. Procesverbaal. 41. Publiciteit. 81. R. Raad. Algemeene — 17 19 20 26 107 112114 154 165. Raad. Bijz. — 19 37 91 94 120 141 154 157. Raad. Cent. — 20 26 160. Raad. Hoofd —20 26 119. 120 151 157. Raad van Nederland. Zie Hoofdraad. Raadpleging. 69. |
V.
|
Registers. 43 70 104 118 162. Eeglement. 1 51 58 94107. Rekening. Jaar I. —46 1 63. Reuten, 45. Retraites. 140. Rondgaande brieven. 27 58 79 108 164 S. Schatting. Vaste — 81. Schorsing van Conf. 164, Secretaris. 41 101 104 117 129 161 163. Slapen. Afgezonderd — 48. Soldaten. 30, Spaarpot. 60. Splitsing. 25 89. Stemming der Conf. 55. Stichting. 10 16 23 56 78. Stijving der kas. 83 98. T. Tarief. 81. Tiende der kas. 100. Toelating van leden. 56. Toespraak. 57. Toestemming der Raden. 113. Tooneelvertooningen. 85. ü. Uitbreiding. 89. Uitdeeling der bons. 64, Uitlegging van het Reglement. 4 107. Uitstel van het bezoek. 66. |
Verbetering der armen. 73. Verdeeling der gezinnen. 74. Vereeniging. Geest der — 1 14 33 42 49 56 60 84 85 88 97 127 148.! Vereeniging van dames, 8 j 144. Vergaderen. 21. Verhandelingen. 16 124. Verkiezingen. 32 34 115 162. Verslag. 78 117 122 128 138 162. Vertrekkende leden. 76. Vicepresident. 35 40 92 93 10] 106 115 161. Vicesecretaris. 94. Voorbeeld. Goed — 28. Voorlezing. 50 126. Voorstelling van nienwe leden. 52. Voorzichtigheid. 15 72. Vrijheid. 90 92 99 158. Vrouwen. 71 144. W. Wekelijksche bijeenkomst. 22 104. Wekelijksch bezoek. 65. Weidoeners. 112. Welvoegelijkheid. 84. Wening dér armen. 72. Z. Zitting. 22 52 104 139. |