-ocr page 1-

743

Uc crtciiiqfe

VélTi {^enttd

en hare bovennahiurhjke hennis betrekkelijk de Zielen in hei Vagevuur naar het Duitsch

een Pater Redemptorist

door

J. V/.

Vtekt84 ^

ROERMOND.

M. WATERREUS. ................. 1888.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

I\'cA. /(■ V ^De S€eiticfe

G\'ailmrmeL van *§enua

en hare bovennaiuurlijhe hennis betrekkelijk

de /hielen in hei Oacfevuur nam\' het Duitsch

een Pater Redemptorist f ^ quot;o

■^o i

door

O) \'-L rz

J. W. ï: h

lt;D gt;

® D CD

-c .9 F

w ^quot; £ zs

a.\' - S

ROERMOND. ^ QO

M. WATERREUS. - „ o

-ocr page 4-

EIGENDOM.

-ocr page 5-

Wat leert onze Moeder de Heilige Kerk betrekkelijk het Vagevuur?

\'ï^ïnze Moeder, de Roorasch Katholieke kerk, leert;

1. dat er een vagevuur is, een zuiveringsplaats waar de zielen der afgestorvenen, die wel in Gods liefde zijn gestorven, maar nog niet geheel voldaan hadden voor hunne zonden, voor korter of langer tijd, naarmate zij minder of meer schuld hebben, moeten vertoeven om te boeten voor de overgebleven zondenvlekken, daar de zielen slechts geheel gereinigd toegelaten kunnen worden tot de aanschouwing van God;

2. dat het loffelijk en heilzaam is, als de ge-loovigen op aarde door hunne gebeden en de verdiensten hunner goede werken de lijdende zielen in het vagevuur uit christelijke liefde te hulp komen; ook als zij de door de H. Kerk

-ocr page 6-

verleende aflaten op de overledene geloovigen toepassen.

De Kerk leert betrekkelijk het vagevuur alleen het bovenstaande, maar zij laat toe, dat godgeleerden die punten bespreken en toelichten en gevolgtrekkingen maken in overeenstemming met de leer der Kerk en de uitspraken der Kerkvaders.

De leer van de Katholieke Kerk betreffende het vagevuur is een van de meest troostvolle waarheden van ons geloof. Het is haast onbegrijpelijk, dat de zoogenaamde hervormers ook tegen het bestaan van het vagevuur zijn opgekomen, en hunnen aanhangers daarmede een middel ter bewaring van de gemoedsrust ontnomen hebben; maar verwoedheid tegen de Kerk verblindde hunne oogen, gelijk ze hun hart verstokte.

God is de Heiligheid zelve, en niets wat onrein is, wat bezoedeld is met eenige vlek, hoe gering ook, kan Hem naderen. Toch streeft de Christen er naar het Hemelrijk binnen te gaan, als de dood hem het leven beneemt; toch hoopt de Christen op eene eeuwige vereeniging met den Heiligen God. Maar

-ocr page 7-

waarom durft hij hopen, kennende zijne zwakheid, zijne onvolmaaktheid? Omdat hij gelooft, dat er een vagevuur is, waar geboet wordt voor de kleine zonden, en de onreinheid door het vuur gezuiverd wordt. Dit leert hem de Heilige Schrift, dit leert hem de Overlevering.

Zeer schoon wordt door een godvruchtig geleerde gezegd: In het geloof aan een middenplaats ligt veel troostends. Wij zijn allen zondaars, en zouden daarom moeten wanhopen aan onze zaligheid als kleine onvolmaaktheden ons voor altijd den Hemel sloten en ons naar de hel deden verwijzen. Moedeloos zouden wij het hoofd laten hangen, daar we ons niet in staat achten zoo heilig en rein en schuldeloos te leven, dat wij bij ons sterven waardig gekeurd zouden worden rechtstreeks naar den Hemel te gaan. Niemand onzer zal zich vermeten het zoo ver op den weg van volmaking gebracht te hebben, niemand onzer durft de hoop koesteren geheel rein en heilig en den Hemel waardig, het leven te zullen verlaten. Nu wij aan een vagevuur gelooven, bevlijtigen wij ons zoo heilig mogelijk te leven, daardoor ontkomen wij de

-ocr page 8-

hel, en onze ziel landt met hare kleine vlekken aan in de zuiveringsplaats, vanwaar zij na de reiniging zal opgaan naar het verblijf der Zaligen om eeuwig gelukkig te zijn in de aanschouwing Gods.

De leer van het vagevuur doet ons met veel vertrouwen den zondaar van goeden wil troost en moed inspreken.

Trouwens als hij zich oprecht bekeert, dan zal de goede, barmhartige God hem toch niet van zich verstoeten en hem aan de duivelen overleveren; hem terstond tot het gezelschap der hemelgeesten toe te laten, gedoogt Gods rechtvaardigheid niet: wat mogen wij dan verwachten ? wat kan ons troostwoord zijn? Dat de goede Hemelvader den berouw-hebbenden zondaar het kwaad vergeven, hem in genade aannemen en in de gelegenheid stellen zal voldoening te geven voor de bedreven zonden.

Na zijn dood in het vagevuur te mogen belanden, wat zoete troost voor den zondaar! ja daar zal hij lijden, pijnlijk lijden, misschien lang moeten lijden, maar eenmaal

-ocr page 9-

— 7 —

zeker zal hij gezuiverd van daar opgaan naar het Rijk der Zaligheid, eeuwig gelukkig zijn met de Zaligen in den Hemel en zich in eeuwigheid mogen verheugen in de aanschouwing en in het bezit van God. —

gen ,ar! lisaal

-ocr page 10-

VAN DE

fïeilige Ccitliai(ii\\a vaï\\ (leriiia.

BEMERKING. Wie voor de eerste maal a\'e hier ach-volgende hoofdstukken, over het vagevuur lezen, raden wij ten ernstigste aan vooraf kennis te nemen van het leven der roemrijke Heilige Vrouw, wier wandel op aarde wij hier kortelijk schetsen : daardoor zullen de wenken en lessen, in dit boekje over het vagevuur voorkomende,gunstiger op ons verstand en ons hart werken.

Wie reeds met haar leven bekend mocht zijn, zal ook deze schets met veel vrucht lezen, daar alzoo het beeld der Heilige vernieuwd voor den geest treedt, wat veel zal bijdragen om met stichting het boekje te lezen en daarvan het meeste nut en voordeel van te trekken.

1.

Maiatharina van Genua, gesproten uit de \'fef familie Fiesko, en daardoor verwant aan Paus Innocentius IV, leefde als kind onschuldig en braaf. Op twaalfjarigen leeftijd gaf zij reeds haar wensch te kennen als religieuse

-ocr page 11-

— 9 —

naar een klooster te willen gaan, naar het voorbeeld van hare zuster, die zich als kloosterlinge uiterst gelukkig gevoelde. Hoewel Catharina dringend verzocht aangenomen te worden, werd aan haar verlangen niet voldaan, ze moest geduld oefenen en minstens drie of vier jaar wachten om aangenomen te kunnen worden. In den loop van dien tijd stierf haar vader: oneenigheden van hare familie met het machtige huis der Adorno\'s werden bijgelegd en tengevolge van de verzoening zou Catharina met Juliaan, een telg van de familie der Adorno\'s, in het huwelijk treden. Zoo hadden het haar moeder en broeder beschikt, en Catharina bleef niets over dan zich te onderwerpen aan die bepaling, waardoor de verzoening tusschen de twee families bekrachtigd zou worden. Juliaan was evenwel een lichtzinnig jonkheer, een liefhebber van vermaken en partijen, weelderig en verkwistend, hij wijdde zijne aandacht nooit aan ernstige zaken en bekreunde zich weinig of niet om het heil zijner ziel. Het huwelijksplan ging desniettemin door. Tien jaren van haar leven is Catharina een weinig geluk-

-ocr page 12-

kige gemalin geweest; vijf daarvan waren jaren van droefheid en leed, de vijf andere heeft zij besteed, ten einde haar verdriet te stillen, om verstrooiing en afleiding te zoeken.

Toen kreeg zij een afkeer van de wereld, het leven was haar een last, zij trad in zich zelve, wilde zich weder tot God wenden, en besloot door een rouwmoedige biecht tot verbetering des levens te komen. Zij gaat den biechtstoel in, en ziet zich omgeven door een helderen lichtstraal, die haar hart ontvlammen doet van liefde; een vuur gaat van den straal uit, dat haar geheel en al doordringt en verslond, spraak en gevoel doet verliezen. Die lichtstraal vertoonde haar de zondenvlekken harer ziel, zij zag ze duidelijk, kreeg medelijden met zich zelve,gruwde er van en die besmette ziel was haar een walg; maar die straal deed haar daarna ook de liefde zien, de liefde tot God, die zij altijd in zich behouden had, en daarbij de oneindige liefde en goedheid van God. Haar was geschied als den Apostel der heidenen, wien op den weg naar Damascus een hemelsch licht verscheen; zij zelve vergeleek zich bij Maria Magdalena en

-ocr page 13-

wilde zich in het vervolg voor altijd aan den Heer hechten. Haar mond kon alleen deze woorden uitspreken; »0 liefde, hoe kan het toch wezen, dat Gij mij met zulke liefde hebt geroepen en mij een oogenblik hebt laten zien, wat geen tong vermag uit te spreken.quot; De mededeeling der genade had plaats gegrepen en nu begon in de van ganscherhart aan Gods wil overgegevene die wondervolle werking, welke zij zelve in hare Samenspraken ons met verstand, gloed en levendigheid heeft beschreven en welke haar biechtvader en iemand van hare nabestaanden in de drie boeken van hare levensbeschrijving, als uit haren mond gehoord, te boek gesteld hebben.

Getroffen door dien lichtstraal, nog meer aangedaan door eene verschijning, die haar geworden is, kon de Heilige in het besef van hare onwaardigheid zich zelve nauwelijks meer verdragen; veertien maanden kwijnde zij weg in rouw en spijt. Eindelijk zijn hare fouten geboet en tot zelfs de herinnering daaraan is is uit hare gedachten verdwenen. Een tweede straal, nog lichter, nog vuriger, nog meer doordringend schiet in haar hart, toont haar

-ocr page 14-

— 12 —

nog duidelijker de diepte daarvan, maar ook de oneindigheid van Gods barmhartigheid, en nu begint zij, om den zondigen mensch in zich te bedwingen, de strengste boetdoening; zij eet vleesch noch vruchten meer, legt zich neer op scherpe doornen, bidt iederen dag zes uren achtereen, neemt bij voorkeur datgene wat haar tegenstaat en walgt en betoomt binnen vier jaar al hare neigingen zoodanig, dat geen bekoring haar meer kwelt. Zij gevoelt spoedig hoe hare liefde tot den Zaligmaker in geheel haar wezen heerschappij voert, hoe de Godraensch haar in alle verrichtingen leiQt,haar de moeielijkste en zwaarste zegepralen gemakkelijk doet behalen, terwijl Hij ziel, hart en wil bestuurt.

Haar werd in een visioen gezegd, dat zij de veertigdaagsche vasten met Hem zou houden — en terstond hield voor al dien tijd het vermogen om te eten bij haar op. Zij doet zich aanvankelijk geweld aan om te eten,omdat zij bedrieglijkheid vreest; later gebiedt haar biechtvader haar spijs te gebruiken; om niet zonderling te schijnen, gebruikt zij, in gezelschap zijnde van andere menschen, eenige spijs, maar de maag

*

-ocr page 15-

....................................-.....13.....-.....................................

nam het niet aan, wierp alles weer uit en het gevolg was, dat zij bedenkelijk ziek werd. Het eenige wat haar inbleef was water met azijn, vermengd met fijn zout, een drank die het vuur van binnen terstond verteert, als viel het op een heeten steen, die er evenwel zoet door verkoeld wordt.

Zoo bracht zij drie en twintig dubbele vastentijden door, namelijk van Sint Martinusdag tot den Advent en van Zondag quinquagesima tot Paschen. Was de vastentijd voorbij dan at zij weder zonder bezwaar en het inwendig brandende vuur deed haar dan een onverzadelijken honger gevoelen, zoodat het scheen dat ze wel ijzer kon verdragen. Hoe veel eiscbend haar maag evenwel mocht zijn, zij at slechts op den bepaalden tijd en sloeg geen der gewone vastendagen over.

Haar laving en verkwikking was het herhaaldelijk genot van het H. Sacrament: drie malen genas zij door dit geneesmiddel der kranken van ernstige ziekte, en werd het haar onthouden of verboden, dan was de dag voor haar een dag van smarten, zij was moede, zwak, treurig, bedroefd, tot het verbod opge-

-ocr page 16-

— Ï4 —

heven werd, als wanneer een uitschietende liefdestraal haar als opnieuw deed leven.

Altijd vuriger schichten schoten in hare ziel uit en vermeerderden daarin den brandenden liefdegloed. Zoo doordringend zijn die vuurstralen, dat geene onvolmaakheid, hoe diep verborgen overigens ook, voor haar bestaan mag; zoo werkzaam zijn deze vlammen, die zij ontsteken, dat ze met die gebreken tegelijk ook alle neiging verteren. Bij iederen straal meent zij, dat de gloed niet hooger kon stijgen en dat alle neiging bij haar had opgehouden; iedere volgende vindt evenwel altijd nieuw voedsel om nog heviger vlammen te ontsteken. En terwijl zoo haar hart tot een brandenden oven gemaakt en daarin een reinigingsvuur ontstoken wordt, ontwikkelt hare ziel zich tot een paradijs en vloeit over van lofbewijzen, vertroostingen en genadegaven. Als een edelmoedige kampvecht-ster weert zij evenwel die liefdebetuigingen af. Wat anderen op hun weg als het hoogste toeschijnt, wat hun voldoende schijnt en dat zij in zich zoeken te bevestigen, dat ontzegt zij zich zelve met heldenmoed; geestelijk genot

-ocr page 17-

schijnt haar nog gevaarlijker dan lichamelijk, wijl het den mensch onder den schijn van het goed nog vaster kluistert: zij wil slechts een zuivere, geheel onbaatzuchtige liefde, die niets menschelijksch in zich heeft, niets van zich laat gevoelen of bemerken. Deed zich een gewaarwording daarvan bij haar op, dan trachtte zij met kracht er zich aan te onttrekken, bewoog zich snel, mengde zich onder de menschen en stelde allerlei middelen in het werk om den aanstroomenden vloed te keeren. Hoe meer zij evenwel zich daartoe bevlijtigde, des te sterker werd de drang der ruischende baren, en hun kracht werd zoo groot, dat haar lichaam na langen strijd, als al hare krachten gebroken waren, eindelijk afgetobd was en zij zich nu, na zich ergens in een verborgen hoek neergeworpen te hebben, overstroomd zag; zij lag dan daar tot het geweld ophield, in den geest als gedompeld in een zee van hoogere liefde; de driften die tot God trekken werkten dan vrij, sterk en grootelijks in haar; de stralen van de reinste liefde verlichtten dan haar wezen geheel en al en God hield haar met

-ocr page 18-

•— 16 —

gouden strikken vast, waarmede Hij haar hart gebonden hield. Zes uren lang duurde soms die toestand, waarbij zij als gevoelloos daar lag, maar wanneer ze tot eenige belangrijke bezigheid geroepen werd, terstond opstond, antwoord gaf op behoorlijke wijze, deed wat verlangd werd, zonder het geringste achter te laten, zonder klacht, zonder bezwaar. Een roodgekleurd aangezicht als schijnsel van het licht, dat in haar brandde, was het eenige dat andere menschen betrekkelijk den overgang van den toestand aan haar ontwaarden.

2.

Om den terugkeer dezer aandoeningen te voorkomen, hield zij zich jaren lang met liefdewerken bezig: zij zocht de armen en zieken van de geheele stad op, verpleegde en verzorgde hen, reinigde hen van alle smetten, nam hun vuil en van ongedierte wemelend linnengoed naar huis mede om het te was-schen, en bracht het schoon terug. Hoe vreeslijk de krankheid ook mocht zijn, hoe walgelijk de kwalen mochten wezen, hoe ruw boosheid, snoodheid en vertwijfeling haar ook

è

-ocr page 19-

— 17 —

van het leger derkranken toesnauwden, niets was in staat haar liefde - ijver te verkoelen.

Als maagd bezocht zij het groote ziekenhuis van de stad, nu moest zij het als Overste gaan besturen, en zij volvoerde haar taak met den grootsten ijver. Overal was zij, waar hare tegenwoordigheid gevorderd werd, liet zelfs het geringste niet onopgemerkt, en toonde in alles dat liefde haar tot richtsnoer diende. Men achtte het wondervol, dat zij, die zoo geheel in God was verslonden, niets van het noodige vergat. Toen zij ook de administratie der gelden op zich had genomen, bleek het bij het nazien der rekeningen, dat alles tot op een cent na uitkwam.

Maar wat zij ook doen mocht, de liefde waste altijd sterker in haar aan, terwijl het menschelijke meer en meer in haar vernietigd werd; want de zuivere liefde neemt bezit van het gebied, dat de eigenliefde verlaat, en hoemeer deze zuivere liefde meester wordt zooveel te meer doodt zij ook het menschelijke. En zoo was deze brandende ziel verslonden in de liefde tot God, waarvan het vuur steeds toenemende was; en terwijl zij

-ocr page 20-

— i8 —

zonder ophouden alle plichten met den groot-sten ijver vervulde opdat het verterende vuur gedoofd zou worden, waste het nog altijd aan. En wanneer de gloed haar met alle hevigheid aandeed, dan greep zij in de doornen om afleiding te krijgen; vuur dat men van buiten met haar in aanraking bracht, werkte nauwelijks zoo gevoelig op haar als het inwendige. Haar hart klopte hevig, slechts de slaap kon haar eenige leniging geven, tot de kwelling voorbij was en zij nu door eene bovennatuurlijke liefde verslonden werd.

3.

Al verder en verder werkte in haar de geest, die over haar was gekomen, zonder dat zij wist wat haar gebeurde: hij duldde in haar niet de kleinste gebreken. Hoe verborgen zij ook zijn mochten, hij bracht altijd nieuwe aan het licht, en hij verteerde dan door het vuur wat hij had gevonden. En nadat hij haar de wereld, het vleesch, de aard-sche goederen, hare geneigdheden en al het geschapene reeds lang had doen verzaken, wilde hij ten laatste haar ook zich zelve doen afleggen

-ocr page 21-

— 19 —

en, gelijk eerst de ziel van het lichaam, nu haar hoogeren geest van de nederige ziel op wonderbare, schier onuitsprekelijke wijze scheiden. Hij stortte haar te dien einde een nieuwe liefde in het harte, zoo verheven, zoo doordringend, dat zij de ziel, die in niets ter wereld meer welgevallen vond, met al hare vermogens gebonden hield, zoodat zij geheel uit haar natuurlijk wezen kwam. God, die daar geest is, trok dan haren geest aan zich, en haar geest voor God geschapen rustte als hij in God zijn doel bereikt. De ziel nu, die niet zonder den geest kan zijn, volgde, wijl zij niet anders kon, en werd zoo lang in God bezig gehouden als zij zich aan den geest vasthechtte. Het lichaam van zijne gemeenschap met de ziel gescheiden, bleef daar alleen zonder zijn natuurlijk wezen verdwaald en verdoofd, en vermocht nauwelijks langer te leven. Lang duurde deze nieuwe strijd: het scheen haar zwevend in de lucht te hangen en alsof het hoogere geestelijke in haar zich aan den hemel trachtte te hechten en de ziel naar zich te trekken, terwijl het lagere deel zich aan de aarde zocht te hechten maar

-ocr page 22-

20

niet tot zijn doel kon komen, tot eindelijk het hoogere na veel strijd zegevierde, het weerstrevende naar zich had getrokken en er in slaagde het tot rust te brengen.

De ziel klaagt dat zij alle vreugde verloren heeft, en als het verstand, de wil en het geheugen naakt en dor schijnt; de geest beschuldigt haar, dat zij de genadegaven, die haar zijn geworden, niet rein en eenvoudig van God heeft getrokken, maar ze zich slechts heeft toegeeigend, en dreigt zich geheel aan haar te onttrekken. God bevordert, zonder dat zij zelve het weet, het werk al meer en meer, zendt aan de klagende troost, die haar goed doet, troost bij afwisseling ook het lichaam, dat onder zijn martelaarschap meer en meer lijdt, terwijl de geest immer blijder wordt en immer sterker om te dragen wat de meester hem oplegt.

Eindelijk is na tien jaren het werk, dat zoolang in God verborgen aangewassen is, tot zijn doel gebracht; de gereinigde en helderziende ziel is nu een zuivere geest; het lichaam, van zijne booze gewoonten en neigingen bevrijd, is zalig geworden en heeft de

-ocr page 23-

bekwaamheid verkregen zich ongehinderd met den geest te vereenigen wanneer de omstandigheid het eischt. Het hart in liefde brandende kan geen natuurlijke liefde meer toelaten, de bovennatuurlijke liefde heeft het in bezit genomen en alle werken worden door haar gedaan. Zij worden verricht in de eerste plaats voor de liefde in alles, wat God ter liefde geschiedt, maar te gelijk met de meening dat het strekke tot ons eigen heil of tot welzijn van den naaste; zij worden verricht in de tweede plaats in de liefde door alle werken, die zonder dit inzicht gedaan worden en daarom in God blijven, wijl zij zonder deelneming des werkenden geschieden over wien de liefde meester is geworden, zoodat hij in haar als in een oeverlooze zee is verloren en zij nu zelve alle zijne werken verricht, die onwillekeurig gedaan worden.

Deze reinste liefde giet zich nu over uit de bron van het klaarste regenwater, uit God, in den helderzienden geest; aan de overgieting moet een stortvloed uit de ziel tot God gericht beantwoorden, en de ziel wordt geen rust gewaar tot die stortvloed, yan geene

-ocr page 24-

22

eigenliefde meer bevlekt, in gelijke reinheid wederkeert, als hij uit de Godsbron uitgestroomd is.

4.

De dappere strijdster, die niet wilde, dat nog meerder strijd voor haar over zou blijven, was na de krachtigste inspanning haar doel nabij gekomen. God had alle zorg verder op zich genomen want haar leven was in Hem verborgen en Hij deed al zijne werken door de liefde. Al hare zielskrachten werden door Hem in werking gesteld, en wanneer zij het een of ander te verrichten had, was het op den noodigen tijd gedaan; het geheugen verhinderde dan niet wat het verstand had laten doorgaan; bestuurd door God, zag, wist en handelde zij in hetzelfde oogenblik, maar zij had tijd, plaats, wil, noch vrijheid eene andere richting te nemen, dan waarheen God haar wendde, en zij kon niets zien, waarnemen, beminnen en begeeren den wat Hij haar ieder oogenblik voorhield. Zoo wandelde de Heilige rond, altijd in zich verloren, als ware haar ziel en lichaam ontno-

-ocr page 25-

— 23 —

men: zij at, dronk, begreep, had herinnering en wil, maar alles zonder medewerking der natuur; want God bestuurde haar verstand, wil en geheugen naar zijn welbehagen. Het lichaam gehoorzaamde gewillig de ziel, de ziel den geest, de geest God; allen gingen in vrede samen, en zoo was zij een engel op aarde; hare oogen, rein en helder, blonken als twee sterren, haar mond sprak met engelentong en haar geheele wezen straalde met Goddelijken glans.

5.

Maar het werk was toch nog niet geheel ten einde gebracht: de hardste proef werd haar in haar laatste levensjaar in een visioen aangekondigd. Schrik beving haar toen, maar zij bekwam daarvan al ras, en was volkomen bereid om ook die proef te doorstaan. En nu begon in de eerste dagen van het jaar 1510, toen zij 63 jaren oud was, een wonderbare krankheid, die haar acht maanden op het deerlijkst deed lijden en met haren dood eindigde.

Het werk begon daarmede, dat nieuwe blik-

-ocr page 26-

— 24 —

sem stralen spoedig elkander opvolgende bij haar li

insloegen; het was nu een wegterend vuur, h

dat haar leven bedreigde; inwendig verslond le

haar een hel brandende vlam, terwijl soms o

haar lichaam van koude verstijfd was; haar quot;w

hart scheen ineen gekrompen, zoodat zij o nauwelijks kon ademen, zij beefde over haar i vi

geheele lijf als een riet. Nog vuriger stralen b

volgen en wonden het sidderende hart nog s

dieper, zoodat de lijderes gezicht en spraak v verloor, stuiptrekkend ineen kromp en als in I g

een brandenden oven door de vlammen omringd cl was, die haar den dood nabij brachten. Egt;e

angst vermeerderde nog, de vuurvlammen wer- d

den nog heviger, zij at, dronk, sliep haast z

niet meer, de pijnen folterden haar schier e

zonder ophouden; als haar een oogenblik van k

rust gelaten werd, dan verrukte zij het hart c

van die haar omgaven door kreten, die van I

de innigste liefde tot God getuigden; en allen r

stonden verbaasd, dat hare ziel bij die vrees- 1

lijke marteling zulke rust en zoo groote t

opgewektheid bewaarde. 1

Nog vermeerderden de smarten: zij werd t

lijdend van het hoofd tot de voeten, haar ï

-ocr page 27-

lichaam werd overdekt met knokkels zoo hoog dat men er de vingers tusschen kon leggen. Dat gaf haar zooveel pijn, dat zij het onwillekeurig uitschreeuwde, en de aanwezigen werden er zoodanig door getroffen dat zij God om erbarming smeekten ;Catharina behield evenwel een lachend gezicht en zei dat men niet zoo bedroefd moest zijn, want ondanks de hevigste smarten van het lichaam gevoelde zij zulk een vrede in hare ziel, zulk een vreugde in haren geest, dat zij geen woorden kon vinden om dit uit te drukken.

De geneesheeren van Genua kwamen bij de kranke, zagen en betastten haar, onder-zochten alle kenteekenen van hare krankheid en verklaarden ze bovennatuurlijk, zoodat de kunst daartegen onvermogend was. Slechts één, de lijfarts van den koning van Engeland, Boerio, beweerde dat de krankheid door geneeskundige handeling zou kunnen herstellen. De Heilige onderwierp zich, om niet den schijn te geven dat zij anders dacht, aan zijne behandeling, die 20 dagen duurde. Toen kwam hij tot de meening der andere doktoren, daar hij alle middelen te vergeefs had aangewend.

-ocr page 28-

De geest liet zich door dat alles niet in zijne werken storen, en vier maanden vóór haar dood bemerkte men, dat zij telkens de marteling onderging van den Heilige, wiens feest op dien dag gevierd werd. Van tijd tot tijd voelde zij vertroosting en zag dan he-melsche verschijningen; alles lachte dan in haar en zij verhaalde welke gedaanten zij had gezien, gedaanten zoo eenvoudig, zoo rein en blinkend, dat het aanschouwen haar hart met de grootste vreugde vervulde.

Dan volgden weder dagen van brand en marteling, haar geheele wezen scheen dan in volle vlam te staan: lippen en mond waren als een rookende oven, al haar vleesch was brandend heet, zoodat men haar niet kon aanraken zelfs niet aan het hoofdhaar, ja, dat men haar bedlaken niet bewegen kon zonder hare smarten te vermeerderen; zij schreeuwde het dan uit alsof ze doorstoken werd; zij kreeg een kleur als saffraan, de polsslag was onregelmatig, zij leed hevigen dorst en kon geen druppel water binnen krijgen; wat binnen gegoten werd, ook van de geneesmiddelen, kwam er dadelijk weer uit, en die brakingen gingen

-ocr page 29-

— 27 —

vergezeld van vreeselijke pijnen. De H. Hostie zwelgde zij zonder moeite door, en zoodra zij die in den mond kreeg, voelde zij ze ook in haar hart, en de geest zei haar, dat dit de eenige spijze was, die zij in het vervolg zou willen gebruiken.

In de eerste dagen van September strekte zij beide armen naar omhoog uit gelijk de gekruisigde Heiland, en het was of ze aan het kruis- hing, zóó waren hare armen uitgerekt. In handen en voeten leed zij hevige smarten, en ofschoon de teekenen der heilige wonden er niet in zichtbaar waren, gevoelde zij toch de pijn der doornageling. Zóó hevig was de brand van hare handen, dat, als men ze in versch koud water hield, het water er heet van werd en de voet zelfs van de kom waarin het water was warm werd.

Toen nog vermeerderde de brand in haaien de vlammen vereenigden zich om haar hart, waardoor ze zulke foltering gevoelde dat zij meende dat de geheele wereld in vuur en vlam stond.

Nogmaals kwamen tot zelfs tien genees-

-ocr page 30-

kundigen om haar gade te slaan en haar krankheid te bestudeeren, maar ook nu was het oordeel, dat alles hun begrip te boven ging, dat Gods hand hierin werkte en zij bevalen zich in het gebed van de Heilige aan.

Nu was zij dan ook het eind van haar lijden nabij; haar verstand was onbeneveld, haar pols regelmatig, haar aangezicht zoo schoon alsof ze volkomen gezond was; toen stroomde het donker gebrande bloed haar uit den mond, en was nog zoo gloeiend heet, dat het zilveren bekken waarin het werd opgevangen er brandvlekken van kreeg, die er altijd in zijn gebleven. Dat braken herhaalde zich nog meermalen tot zoolang er geen vocht meer in haar lichaain scheen te zijn. De polsslag liet zich niet meer voelen, de geest bleef vrij.

Op den morgen vóór haar sterfdag communiceerde zij nog eens volgens gewoonte en zij sprak dien geheelen dag voortdurend. Toen ging zij achteruit, men waakte des avonds en des nachts en wachtte haar verscheiden.

Om twee uur des nachts vraagde men of zij het H. Sacrament zou willen ontvangen. Is het dan al zoo laat in den morgen ? vraag-

-ocr page 31-

— 29 —

de zij. Neen, was het antwoord. Toen richtte zij de hand op, wees met een vinger vol be-teekenis naar den Hemel en blies den laatsten adem uit.

De H. Catharina stierf den 14 September 1510 en werd in de gasthuiskerk te Genua begraven. Daar rust nog haar lichaam als een kostbare reliquie in bijna ongeschonden staat.

Vele wonderen zijn aan hare grafstede gebeurd. Vele menschen zijn door den Hemel gunstig verhoord, die hare voorspraak hebben ingeroepen. Al terstond na haar dood is men begonnen haar als een Heilige te vereeren. De Kerkelijke heiligverklaring is eerst gevolgd in het jaar 1737.

Wij hebben hiermede de Heilige Catharina van Genua doen kennen, die, volgens Gods beschikking, ons het lijden van het vagevuur heeft geschetst gelijk zij het op wonderbare wijze tijdens haar leven aan zich ondervonden schijnt te hebben.

Zij heeft het alles op schrift doen stellen

-ocr page 32-

door zekeren Bernazza. Bij het lezen van het geschriftje bemerkt men al ras, dat het niet een voortbrengsel is van godgeleerde studie, maar dat het is opgesteld onder den invloed van een hoogere verlichting, waarvan zij geheel doordrongen was; van daar steeds de meest passende bewoordingen en de meest verstaanbare uitdrukkingen, die onder ieders bereik vallen. Toch moet men zich niet verwonderen als het een of ander bij een eerste lezing niet helder is; in dit geval moet men herlezen om de beteekenis te vatten.

Bijna allen die over het vagevuur geschreven hebben, spreken over de smarten aldaar in overeenstemming met de denkbeelden, die wij, menschen, op aarde van pijn en smart hebben. Zij doen dit met het doel, ons medelijden op te wekken en ons heilzame voornemens te doen opvatten om de lijdende zielen met te meer liefde en bereidvaardiger te hulp te komen.

Twee zaken gaan volgens de leer van onze Moeder de H. Kerk betreffende het vagevuur samen, te weten de liefde van God en de pijn.

-ocr page 33-

— 3i —

Ofschoon ook Catharina die pijnen onuitsprekelijk smartelijk noemt, zoo wijdt zij toch met blijkbare voorliefde uit over de wondervolle werking, die de volkomene liefde tot God in de zielen van het vagevuur voortbrengt, zoodat daarbij aan klagen en jammeren schier niet te denken is. Maar geen wonder. De volledige overeenstemming van haren wil met de Goddelijke beschikking moet leniging zijn van de pijn. Wij behoeven dan ook niet te twijfelen, dat er in het vagevuur, ondanks gevoelige smartverduring, een hemelsche vreugde heerscht. Hoe kan het trouwens anders zijn in een plaats, waar God bemind wordt ?

Wij kunnen ons niet verbeelden hoe dit samen kan gaan. Maar ons menschelijk begrip is beperkt, en bovennatuurlijke gaven worden slechts aan enkele geschonken.

(Hooren wij nu onze Heilige.)

-ocr page 34-

f)e fi. datl|ai(ii|a yh,r\\ G^ei\\uk over het Vagevuur.

Hoe deze Heilige door de vergelijking met het Goddelijk vuur, welks brand zij in zich gevoelde, tot de kennis geraakte van welken aard het vagevuur; is en op welke wijze de zielen daar tegelijk vreugde kunnen smaken en smart lijden.

êcz-ztc lt;Koof3ïtuft:

Toestand van de zielen in het vagevuur. Hoe verre zij verwijderd zijn van alle eigenliefde.

|p\\-eze Heilige ziel (woorden van die Ca-tharina tot schrijver diende) vond zich gedurende haar aardsche leven in het reini-gingsvuur van de brandendste liefde tot God overgevoerd, een vuur dat haar inwendig verteerde en van alles zuiverde wat nog zui-

-ocr page 35-

vering noodig had, opdat zij bij haren overgang uit dit leven, terstond voor Gods Aanschijn, het allerzoetste voorwerp van hare liefde, zou treden. Door het liefdevuur, dat in haar binnenste brandde, verkreeg zij de kennis, hoe het met de zielen der christen-geloovigen in het zuiveringsvuur gesteld is, waar zij, gelijk het geloof ons leert, van alle roest en vlekken der zonden, die hen bij het sterven nog besmeurt, gereinigd moeten worden. Zij zegt ons dienaangaande.

(Hier volgen de woorden van de H. Catharina zelve.)

De zielen in het vagevuur kunnen, gelijk mij dunkt, geen anderen wil hebben dan dien op deze plaats te zijn, omdat het hun bekend is, dat ze zich daar bevinden volgens Gods beschikking, die het zóó heeft gewild in gevolge zijner gerechtigheid. Ook kunnen die zielen niet meer in zich zelven keeren en tot zich zelven zeggen: sik heb deze of die zonden gedaan, daarom verdien ik hier te zijn.quot; Zoo ook kunnen zij niet zeggen; »Ik wenschte wel die zonden niet gedaan te hebben, dan zou ik terstond naar den Hemel zijn gegaan;quot;

-ocr page 36-

— 34 —

noch ook: sDie gaat eerder van hier dan ik:quot; noch ook: Ik zal eerder verlost worden dan die.quot; Zij kunnen zich niets meer herinneren noch van zich zeiven, noch van anderen, zoo min iets goeds als iets kwaads, waardoor het lijden en de pijn die /ij reeds te verduren hebben nog vermeerderd zou worden. Veeleer ontwaren zij zulk een groote tevredenheid, met hetgeen God, die alles in hen volbrengt wat en gelijk het Hem behaagt, over hen beschikt heeft, dat hun geene gedachte, die hunne pijn zou kunnen vermeerderen, voor den geest komt.

Die goede zielen richten hunnen blik alleen op de werkingen van Gods goedheid en op de groote barmhartigheid, die zij met de men-schen heeft, ten einde hen langs dezen weg tot zich te voeren; en met deze gedachte zijn zij zoo ingenomen, dat ze niet denken aan hun persoonlijk lijden en verblijden. Als ze dat konden, dan zouden ze niet in da zuivere liefde zijn.

Het komt ook niet in hen op, te denken dat zij wegens hunne zonden in deze plaats van smarten zijn, en zij kunnen zich zulke

-ocr page 37-

gedachte niet voor den geest stellen: het zou voorzeker onvolkomenheid aanduiden, die in deze plaats niet bestaan kan, wijlde mogelijkheid, zonden te doen, daar niet meer aanwezig is.

De reden, waarom zij in het vagevuur zijn, zagen zij slechts éénmaal, te weten bij den overgang uit hst leven — en sinds niet meer; want ook dat zou een teeken zijn van eigenliefde — en die hebben zij afgelegd.

Daar zij alzoo in de liefde bevestigd zijn en niet meer door eenige bezondiging daaruit geraken kunnen, zoo vermogen zij niets te willen of te wenschen, dan wat de zuivere liefde wil. Zij bevinden zich in den gloed van het vagevuur geheel volgens de beschikking Gods, die louter liefde is; op geenerlei wijze kunnen zijn zich daarvan verwijderen, want zij zijn evenzeer beroofd van de mogelijkheid om te zondigen als van de mogelijkheid verdiensten te verwerven.

-ocr page 38-

oViueeSe Jfoopjtiifi,.

Hoedanigheid van de vreugde in de zielen van het vagevuur. Vergelijking, die onze Heilige te baat neemt, om te doen begrijpen hoe de zielen God altijd meer zien. Moeielijkheid om dezen toestand te bespreken.

ilSk geloof niet, dat er eene vreugde bestaat die vergeleken kan worden met de vreugde van de zielen in het vagevuur, uitgezonderd de vreugde van de Heiligen in den Hemel. En die vreugde neemt iederen dag toe door de Goddelijke inwerking op die zielen, welke in die mate altijd vermeerdert als het daartegen overstaande beletsel minder bestaat.

Dat beletsel is de smet die van de zonde gebleven was, en het vuur zuivert daar meer en meer van, zoodat de zielen altijd meer voor de Goddelijke inwerking open staan.

Een voorwerp, dat achter een ander voorwerp verborgen is, kan niet beschenen worden door de zon; de zon heeft geen schuld daaraan: neem het beletsel weg en het voorwerp zal beschenen worden.

-ocr page 39-

Op gelijke wijze is zondesmet voor de zielen een beletsel, dat door het vuur in de zuiveringsplaats weggenomen wordt, En naarmate die zondensmet al minder en minder wordt, naar die mate komt de ziel meer in dien toestand, dat ze beschenen kan worden voor het ware zonnelicht, dat is God.

Zoo neemt ook de tevredenheid en de vreugde toe naargelang de zondensmet afneemt en de ziel beschenen wordt door het Goddelijk licht. Zoo heeft de toeneming aan de eene zijde en de afneming aan de andere zijde plaats tot de zuiveringstijd geheel voorbij is. Ondertusschen neemt de pijn niet af, maar de tijd van lijden vermindert.

En wat den wil der zielen betreft, zoo zullen zij nooit zeggen, dat die pijnen hun smartelijk zijn: dit zou in strijd zijn met hunne tevredenheid betreffende Gods beschikking, waarmede hun wil geheel en al in volkomene liefde vereenigd is.

Anderszins hebben zij zulk een vreeslijke pijn te verduren, dat geen taal der wereld bij machte is er een beschrijving van te geven, geen menschelijk verstand in staat is er

-ocr page 40-

— 3« —

zich eeu begrip van te vormen., wanneer God niet door eene bijzondere genade daarvan eenig denkbeeld geeft. Die genade heeft Hij mij geschonken, maar ik ben niet in staat daarvan een afdoende beschrijving te geven. Wat ik toen heb gezien, is mij altijd voor den geest gebleven. Ik wil er van mededee-len, wat ik vermag: maar zij alleen zullen het begrijpen, die de Heer waardig keurt er kennis van te bekomen.

De grootste pijn van het vagevuur bestaat in de berooving van Gods Aanschijn. Waardoor de brandsmart in het vagevuur zich van die in de hel onderscheidt.

■Sfjhte oorzaak van alle pijnen in de andere

v Jv Ij

\'ïfa» wereld is de zonde, zoo de overgeërfde als die wij persoonlijk bedreven hebben. God heeft de menschelijke ziel rein geschapen, onschuldig en vrij van alle zondenvlek, met een

-ocr page 41-

streven daarin naar de gelukzaligheid, i) Van dat streven, van dat verlangen naar God wordt de ziel afgetrokken door de erfzonde, welke zij bij de vereeniging met het lichaam vindt. Wanneer dan daarna nog de persoonlijke zonden er bij komt, wordt de ziel nog meer van die naar God strevende neiging afgetrokken, en hoe verder zij door te zondigen daarvan verwijdert, destemeer neemt de boosheid in haar toe, terwijl God nu ook altijd minder aan de ziel mededeelt.

Alle mogelijke goeds en alle goede eigenschappen bestaan slechts door mededeeling van wege God.

Aan alle niet redelijke wezens deelt God zijn goed mede gelijk Hij het wil en gelijk Hij het van den beginne af besloten heeft te doen, zonder daarin ooit te ontbreken. Aan de redelijke wezens evenwel geeft Hij meer of minder, naarmate Hij hen van de

i) Het diepzinnige gezegde van den H. Augustinus heeft betrekking op het leven aan gene zijde en op het leven aan deze zijde van het graf: »Gij hebt ons voor U geschapen, o Heer, en ons hart is in onrust, zoolang het niet rusten kan in U,quot; (hier in de genade, daar in de heerlijkheid.)

-ocr page 42-

smetten der zonden meer of minder rein vindt; wanneer daarom eene ziel hare oorspronkelijke reinheid en schoonheid weder meer nabij is gekomen, zoo werkt in haar ook weder meer de haar ingeschapen drift, het zaligend streven naar God en voortdurend in grootere maat, ten laatste met zulk een kracht en ijver van liefde tot Hem, die haar tot hare bestemming wil voeren, dat het aan de ziel niet mogelijk voorkomt nog beletsel te kunnen voelen in de bereiking van dit doel. Hoe meer de ziel dit erkent, hoe vreeslijker haar hare pijn voortkomt.

De zielen in het vagevuur voelen, wijl zij vrij van de schuld der zonde zijn, tusscheu God en zich geen ander beletsel meer dan de zuiveringspijn, als het verlangen naar God zijn volledige bevrediging nog niet kon bereiken.

En daar zij met zekerheid weten, hoeveel het geringste beletsel der zaligheid hier te beduiden heeft, en dat hun natuurlijk streven naar God hun slechts ter wille der gerechtigheid op deze wijze volstrekt onthouden wordt, zoo ontstaat daaruit een vuur, dat zoo

-ocr page 43-

— 41 —

hevig brandt als het vuur van de hel. Hier bestaat evenwel niet de schuld, die den wil der verdoemden in de hel voor altijd boosaardig heeft gemaakt, zoodat God dezen zijn goed niet meer kan mededeelen en zij in hunne vertwijfeling hun boezen wil tegen Gods wil blijven stellen.

tyiezdc Itoofdytuh.

Toestand der zielen in de hel. Onderscheid tusschen hen en de zielen in het vagevuur. Wat de Heilige ons leert betrekkelijk degenen, die hun zielenheil verwaarloozen.

«PJat het gezegde blijkt, dat de verkeerde wil, die tegenover den wil van God gesteld wordt, de schuld der zonden uitmaakt. Zoolang nu de booze wil duurt, zoolang duurt ook de schuld. En daar de zielen in de hel met zulken boozen wil de wereld verlaten hebben, zoo is hunne schuld hun toen niet vergeven en kan hun ook in de toekomst niet meer vergeven worden, daar zij volgens hunnen wil nooit meer anders kun-

-ocr page 44-

leven waren. V JiC\'\' scheiden uit dit

*\\°rrg,:an ,\':tt aquot;dsd»

goede, hetzij ten kw J ^ hetZ\'j ten

■»quot; d««»8 VM Wquot; OVfrCraS,emminS toestand waarin zij hp m} VolSens den

* H. sci.rift .™rr\'\' ir- ?fjk d°«

vquot;Klquot; (te weten in de .f f3quot; sWaar ::k u welke wilsneigino- hetziiT C? d00ds\' en met goede) .daar zafik u oordeetl»^ ^

keer ten goede nietquot; n^eT ^ ^

gaat voort in de rirliri,. .maar de wi]

oogenblik van den dood^ ^ ^ had 0p het

sterrcr^ den wil hadden te z^^d\'2^11\' ^ luin gen zij hmme schuld / /ondjgen, zoo dra-

Z,J ^rdienen, maar wat zii e , J gr00t dan neemt nooit een einde. J hebben5

pijn van^^zoXte\'ve\'rïu\'rel;613^

IJ fteurenrier.; S f-:

-ocr page 45-

— 43 —

den en bedroefd den goeden God beleed igd te hebben, zoo werd de schuld daarvan bij hunnen dood opgeheven. Daarom is er ook een eind aan hunne pijn, en de tijd van lijden neemt voortdurend af.

Helaas, helaas, dat de menschen zoo weinig er aan denken, dat er een eeuwige helstraf bestaat voor degenen, die in groote zonden sterven.

Het lijden der verdoemden is ondertusschen niet oneindig in zijne grootte, daar Gods liefdevolle goedheid nog een straal van barmhartigheid zelfs tot in de hel laat doordringen. De mensch, die in doodzonde sterft, verdiende eigenlijk een grenslooze maat van jammer bij de oneindigheid van de straf. De barmhartigheid van God heeft evenwel slechts een oneindigen straftijd vastgesteld, de hevigheid van het lijden daarentegen tot een zekere maat bepaald: want Hij had hun, met alle recht, nog smartelijker pijn kunnen opleggen, dan die zij nu te verduren hebben.

O hoe gevaarlijk is de uit boosheid (met overleg) gepleegde zonde, daar de mensch zoo moeilijk tot een oprecht berouw daarover

-ocr page 46-

— 44 —

komt. En als hij ze niet van harte betreurt, dan blijft de schuld altijd bestaan, ja altijd, zoolang de mensch bij den wil blijft van de bedrevene of nog te bedrijven zonde.

tyi\'yjde Ttoo^dziwk.

Van den vrede en de vreugde, die in het vagevuur gevonden wordt.

De zielen in het vagevuur hebben eenen wil, die met den wil van God in alles geheel gelijkvormig is. Daarom laat God in zijne goedheid hun ook zijne liefde tot hen gewaarworden, zoodat zij betreffende den wil tevreden en gerust zijn; en wijl zij verder van alle zonden vrij blijven, doet Hij hun een wezenlijk geluk smaken.

Die zielen zijn zoo schoon en vrij van schuld, als zij waren toen God hen schiep. Daar zij rouwmoedig en schuld bekennende al hunne bedrevene zonden, en met den vasten wil geene zonden ooit meer te bedrijven, dit leven verlaten hebben, heeft God hun terstond

-ocr page 47-

.... — 45 —

de geheele schuld vergeven, en hun bleef slechts de smet der zonden aankleven, waarvan zij allengs gezuiverd worden door hun lijden in het vuur.

Terwijl zij van alle schuld bevrijd zijn en in wille met God geheel overeenstemmen, kunnen zij ook God duidelijk kennen, naar de mate waarin Hij zich door hen wil laten kennen. Zij zien ook altijd duidelijker in, hoeveel de genieting van God waard is en dat de zielen slechts met dit doel geschapen zijn. Daarenboven vinden zij in zich eene zoo groote gelijkvormigheid met God en zulk een verlangen naar de vereeniging met Hem, krachtens dat natuurlijke verlangen van de menschelijke ziel naar God, dat geschikte figuren, beelden, noch voorstellingen kunnen bijgebracht worden,om die zaak zoo helder te doen inzien, als mijne ziel ze in werkelijkheid waarneemt en door den inwendigen zin begrijpt. Toch wil ik eene vergelijking geven, die zich nu juist aan mijn geest voordoet.

-ocr page 48-

— 46

Zade Koojdiiub.

Vergelijking met welke liefdekracht de zielen van het vagevuur naar de genieting van God verlangen.

^jTP^anneer er in de geheele wereld maar één enkel brood was tot stilling van den honger van alle schepselen en zij allen verzadigd konden worden door maar alleen dat brood te zien; en wanneer de mensch, die in gezonden staat behoefte heeft om te eten, ook zonder te eten, noch ziek worden noch sterven kon, dan zou die honger bij hem altijd moeten toenemen, daar de behoefte om te eten, altijd onbevredigd, hem toch nooit zou verlaten. En wanneer hij daarenboven wist, dat de aanschouwing alleen van het bewuste brood niet in staat zou zijn hem te verzadigen en zonder dit zijn honger te stillen, dan zou hij daardoor in grcoten kommer verkeeren.

Hoe meer nu evenwel deze mensch dit brood zonder het te kunnen zien nabij komt, destemeer zou zijn natuurlijk verlangen daar-

-ocr page 49-

— 47 —

naar gaande gemaakt en met alle kracht gericht worden op het brood, waardoor hij alleen tot bevrediging zou komen.

En wanneer eindelijk deze mensch, bij zijn honger, ook nog de treurige tijding ontving, dat hij dat brood nimmer te zien zou krijgen, dan zou hij op dien oogenblik de geheele hellepijn in zich dragen, gelijk de zielen der verdoemden; want deze missen werkelijk alle hoop ooit het Brood des levens. God onzen Heiland, te zullen zien.

De zielen van het vagevuur zijn echter in het bezit van de hoop dat Brood te zien en zich daaraan eeuwig te verzadigen. Daarom lijden zij slechts zoolang honger en lijden zij slechts zoolang pijn als zij nog wachten moeten, eer zij zich mogen verzadigen met dit geheimnisvolle Brood, hetwelk is Jezus Christus, onze God en Heer, onze hoogste Liefde.

-ocr page 50-

- 48 -

JCocfdïtllft.

Wondervolle wijsheid van God, gelijk zij blijkt uit de inrichting van het vagevuur en van de hel.

■sajPVewijl de zuivere en geheel reine zielen geen plaats om uit te rusten vinden buiten God, daar zij voor Hem zijn geschapen, zoo bestaat er voor de zondige zielen ook geen andere plaats dan de hel, daar Gods gerechtigheid hun deze als eeuwig verblijf heeft bestemd.

Van den oogenblik af, dat de met doodzonde bezoedelde ziel van het lichaam scheidt gaat zij naar die voor haar bestemde plaats, daarheen geleid door de zonde. En wanneer die ziel op dat oogenblik die beschikking der Goddelijke gerechtigheid niet ondervindt, dan zou zij in een grootere kwelling dan de hel geeft terugblijven, wijl zij zich overal anders buiten die beschikking bevond, die nog eenig aandeel heeft aan de barmhartigheid, in zooverre God nog geringere pijnen over de verworpene zielen doet komen dan zij verdienen.

Ajcvcnc\'e

-ocr page 51-

— 49 —

Daar de ongelukkige zielen dus geen passender plaats, noch een plaats van minder kwelling vinden dan God voor hen heeft bestemd, zoo gaan zij daar binnen als de hun van rechtswege toekomende verblijfplaats.

Op gelijke wijze nu kunnen wij spreken van het vagevuur; wanneer de van het lichaam gescheiden ziel waarlijk in staat van genade is, maar nog niet de oorspronkelijke reinheid bezit, waarmede zij is geschapen, en het reeds meermaals vermelde beletsel van hare geheele vereeniging met God ziet, te gelijker tijd ook erkent, dat het niet anders dan door het vuur verwijderd kan worden, dan gaat zij al spoedig naar het vagevuur heen.

Ja, wanneer de ziel die Goddelijke beschikking ter wegruiming van dat beletsel in zich niet vond, dan zou oogenblikkelijk in haar een pijn ontstaan erger dan het vagevuur, daar zij terstond moest inzien, hoe zij door dat bestaande beletsel teruggehouden wordt het haar aangewezen einddoel, namelijk God, nader bij te kunnen komen. Daaraan is haar ondertusschen zooveel gelegen, dat in verge-

-ocr page 52-

— 5° —

lijking daarmede (namelijk met zulk eene onbepaaldheid dat de ziel bij scheiding van het lichaam niet zou weten waarheen zich te begeven) zelfs het vagevuur niet hoog door haar geschat wordt; en ofschoon het, wat de voelbare pijn betreft, een zekere overeenkomst met de hel heeft, zoo is het toch bijna niets in vergelijking met de pijn van eene ziel, die zich niet met God vereenigen kan.

flchMe lïoojdïtufi.

Noodzakelijkheid van het vagevuur en hoe verschrikkelijk het is.

moet ik nog meer zeggen: ik zie, dat, wat God betreft, de Hemel geen gesloten deur heeft, en wie binnen wil gaan, gaat er in. God is trouwens enkel barmhartigheid, Hij houdt voortdurend de open armen naar ons uitgestrekt om ons in zijne heerlijkheid op te nemen. Maar, ik weet het, zijn Goddelijk wezen is zoo zuiver (boven alles wat men zich verbeelden kan) dat de ziel, die ook maar het minste stipje van onvolkomenheid

-ocr page 53-

— Slaan zich heeft, veel liever zich in duizend hellen zou storten, dan met zulke vlek in de tegenwoordigheid van God te blijven. Als zij daarom erkent, dat ter uitwissching van zulke vlekken het vagevuur bestaat, zoo begeeft zij zich ras daarheen en ziet het voor eene groote barmhartigheid aan, zich op deze wijze te kunnen ontdoen van hetgeen haar belet tot de zaligheid te komen.

Wat het vagevuur zoo al in zich heeft, kan geen tong uitspreken, geen verstand begrijpen; ik zeg slechcs dat het, wat zijne pijn betreft, mij als een hel voorkomt; en toch zie ik de ziel, die een der geringste vlekken van onreinheid aan zich heeft, het vagevuur, gelijk reeds gezegd is, als eene ontferming van God aannemen. Zij acht het zekerheidshalve niet, in vergelijking met de vlek, die hare liefde van de genieting Gods terug houdt. Ja, het schijnt mij, dat de zielen in het vagevuur daardoor meer te lijden hebben, dat zij iets in zich bemerken hetwelk God mishaagt, iets onreins, waarmede zij zich eens vrijwillig besmet hebben, dan van elke andere pijn, die zij in deze zuiveringsplaats gevoelen. Dat

-ocr page 54-

— 52

komt daarvan, dat zij, in de genade bevestigd, duidelijk de wezenlijkheid en onreinheid zien van de vlek, die de oorzaak is, dat God hen niet nader tot zich laat komen.

quot;DZsCycndc \'Jtoojdïtvik.

Wederkeerige blik van God en de zielen in het vagevuur. De Heilige bekent geene uitdrukking te kunnen vinden om

over dit onderwerp te spreken. ^

(T^j^l tot hiertoe gezegde schijnt mij \'•Seal naast hetgeen ik daarvan in mijnen i geest als waar en zeker erkend heb (zoo ver ik het in dit leven vermocht) zoo verschillend, dat mij alles en alles, gezichten en beelden, menschelijke woorden en gevoelens,

ja al onze begrippen van gerechtigheid en waarheid, in vergelijking met de werkelijkheid nog als bedriegelijkheid en nietszeggende praatjes voorkomen; ik blijf overigens geheel verlegen, daar ik geen sterkere uitdrukking, die meer met de waarheid overeenkomt, kan vinden.

-ocr page 55-

— Silk zie zulk een groote innigheid van de betrekkingen tusschen God en de ziel, dat, wanneer Hij haar tot die reinheid terug ziet keeren, waarin zijne Goddelijke Majesteit haar schiep, Hij haar een zekeren adem van heetgloeiende liefde toezendt, die voldoende zou zijn om haar te vernietigen ofschoon zij onsterflijk is. Daardoor wordt de ziel dermate in haren God hervormd, dat aan haar bijna j niets anders meer te voorschijn komt dan God.

Deze God van liefde gaat nu op die wijze voort de ziel tot zich te trekken en te ontvlammen en niet meer los te laten tot Hij haar in dien vorm van wezen gebracht heeft, dien zij oorspronkelijk had, dat wil zeggen tot zij die zuiverheid heeft bekomen, waarin zij geschapen werd.

Wanneer de ziel met haar geestelijk oog zich op die wijze door zulk een krachtig liefdevuur door God ontstoken en aangetrokken ziet, dan moet zij van de vurigste wederliefde tot haar Lieven Heer en God, waardoor zij haar geest overstroomd gevoelt, geheel smelten en zich oplossen. Zij bemerkt alsdan in het Goddelijk licht, hoe de Heer nooit op-

-ocr page 56-

— 54 --

houdt haar minzaam tot zich trekken en haar tot het hoogste doel te voeren, en zulks met steeds grooter zorg en met altijd onafgebro-kene aantrekking, en alles alleen uit zuiver onbaatzuchtige liefde tot haar; zij bemerkt evenwel ook, dat zij, wegens het beletsel der zonde, den weg dien God aanwijst, niet naar haren wensch kan volgen, dat wil zeggen, aan dien blik der vereeniging, dien God haar toewerpt, om haar nauwer tot zich te trekken, niet kan beantwoorden.

De ziel bemerkt verder hoezeer het haar schaadt van de zaligende aanschouwing Gods nog terug gehouden te worden; daarbij komt het natuurlijk verlangen der ziel, dat elk beletsel terstond uit den weg geruimd wenscht om van dien blik der vereeniging geheel aangegrepen en tot God getrokken te worden... Ik zeg het geestelijk zien van dit alles is liet wat in de zielen de pijn te weegt brengt, die zij in het vagevuur te lijden hebben. Niet juist hunne pijn (hoe hevig die ook zij) deert hen, maar veel meer dat zij zich nog niet zoo geheel vereend vinden met den wil van God, dien zij zoo duidelijk van een grens-

-ocr page 57-

looze zuivere liefde tot zich zien branden.

Deze liefde van God en die blik van God trekt de ziel zoo sterk en voortdurend aan, alsof God niets anders te doen had. Daarom zou de ziel, dit alles beschouwende, indien zij een ander nog pijnlijker vagevuur kende waardoor zij zich spoediger van haar smet zuiveren kon, zich daarin terstond nedenverpen, daartoe aangespoord door die gelijkvormige liefde tusschen God en haar.

Sïende 3foo^3jtull.

God bedient zich van het vagevuur om de ziel volkomen te reinigen. Deze verkrijgt daardoor eene zoo groote zuiverheid, dat zij, na volbrachte reiniging nog langer daarin verblijvende, niets meer te lijden zou hebben.

Ajamp;T^erder zie ik zekere stralen en vurige Xwschichten van de Goddelijke liefde uitgaan en de ziel treffen, schichten zoo doordringend en sterk, dat het schijnt als moesten zij niet alleen het lichaam maar ook de ziel zelve vernietigen, zoo het mogelijk ware.

-ocr page 58-

Een tweevoudige werking brengen die stralen te weeg: zij zuiveren en zij vernietigen.

Zie het goud: hoe vaker gij het smelt, hoe beter het wordt, en gij kunt het zoo lang. smelten, dat gij alle vreemde bestanddeelen daarvan verwijderd hebt: zoo werkt het vuur voor de ziel. Hoe langer zij in dien oven verwijlt, hoeveel reiner zij wordt, zooveel te meer wordt zij in zich zelve (dat is al het onzuivere in haar) als vernietigd, en ten laatste blijft van haar alleen wat in God geheel en al gereinigd is.

Als het goud eenmaal door zuivering niets anders meer is dan zuiver goud, verliest het van zijn zuiverheid niets meer, hoe dikwerf en hoe sterk het vuur er ook op werkt, want slechts van de onreine bestanddeelen kan men het ontdoen, maar niet van zijn eigen gehalte.

Evenzoo is het gesteld met het Goddelijk vuur ten opzichte van de ziel. God houdt haar zoo lang in het vuur tot Hij alle onzuiverheid daaruit heeft verdreven en zij tot volkomene zuiverheid gebracht is, dat wil zeggen tot dien graad van volmaaktheid, die

-ocr page 59-

Hij voor haar en voor elke ziel in het bijzonder van eeuwigheid bepaald heeft.

Is de ziel nu tot die wondervolle hoogte van zuiverheid gekomen, dan blijft zij geheel in God en om zoo te spreken zonder eigen bestaan in zich zelve; zij is in God hervormd en heeft terstond aandeel aan de zaligheid van God. En wanneer God de op deze wijze gereinigde ziel tot zich heeft genomen, dan blijft die ziel onvatbaar om te lijd°n, daar niets meer ter zuivering in haar is overgebleven; zoodat, mocht zij na zulke zuivering ook nog langer aan het vuur bloot staan, dit haar geen pijn meer zou doen lijden; ja het zou haar een Goddelijk liefdevuur zijn en een eeuwig leven zonder leed.

ëtjdc Jtoojdstuft:

Verlangen van de zielen in het vagevuur om van de smetten der zonden geheel gezuiverd te worden. Wijsheid van God, die aan deze zielen aanvankelijk de gebreken verbergt, die zij nog aan zich hebben.

iïïp^e ziel heeft toen zij geschapen werd al •\'MJi die eigenschappen en voorrechten ont-

-ocr page 60-

- 58 -

vangen, waarvoor zij vatbaar was om daardoor tot de volmaaktheid te komen als zij slechts overeenkomstig de beschikking Gods geleefd en zich met geen zondensmetten bevlekt had. Maar door de bevlekking met de erfzonde verliest zij hare voorrechten en genadegaven en wordt den dood ten prooi. Zonder de barmhartige tusschenkomst van God kan zij zich niet tot een nieuw leven van genade verheffen. Zelfs nadat zij door God tot het leven terug geroepen is door het Heilig Doopsel, blijft haar nog de neiging ten kwade bij, en daardoor wordt de ziel, als zij ze niet wederstaat, tot persoonlijke zonden aangespoord en verleid, wat haar opnieuw doet sterven.

God wekt nu de ziel nogmaals ten leven op, door een ander genademiddel, te weten door de boete; zij blijft evenwel daarna nog bevlekt, buiten de gestelde orde, jegens zich zelve verkeerde liefde koesterend, zoodat tot haren terugkeer naar den eersten staat gelijk God haar schiep, alle boven vermelde werkingen noodzakelijk zijn en zij zonder deze nimmer daartoe zou kunnen geraken.

-ocr page 61-

— 59 —

Als de ziel zich nu op den weg bevindt om tot haren eersten staat terug te keeren, dan zal de ijver van het verlangen om zich in God te hervormen zoo buitenmate geweldig zijn, dat hierin haar vagevuur bestaat: zij kan het vuur van hare reiniging niet als vagevuur, dat wil zeggen als een lijden aanzien, maar die zoo hevig brandende en altijd tegengehouden begeerte naar God maakt haar eigenlijk vagevuur uit.

Deze laatste liefdewerking van Gods zijde (in het vagevuur) wordt volbracht zonder eenige medewerking van den kant van den mensch. De ziel vindt zich bij het begin van hare reiniging met zoovele geheime onvolmaaktheden behebt, dat zij wanhopig zou worden, als zij ze zien kon; maar het verblijf in dit oord neemt ze allengs weg, en eerst dan, wanneer zij door het vagevuur weggenomen zijn, toont God ze aan de ziel als in een beeld, opdat zij de Goddelijke werking erkenne, die het in haar brandende liefdevuur ontstak, dat alle en iedere onvolmaaktheid die het nog vond verteerde.

-ocr page 62-

— 6o —

Swaa-C-pe Koojdztub.

Hoe in het vagevuur het lijden met de vreugde vergezeld gaat.

isKTF^at voor God nog gebrekkig is, ziet de c

Sm-Wr mensch veelal reeds als volmaakt aan, s

want bij alles wat hij opzichtens dingen, die i

schijnbaar volmaakt zijn, doet, als hij iets a

daarvan aanziet, voelt, begrijpt, wil of in zijn s

geheugen draagt, zonder het God toe te schrij- \' 1

ven, bevlekt of besmeurt hij zich deswege. c

Dan, wanneer de daden volgens Gods meening i:

volmaakt zullen zijn, dan moeten zij nood- 1:

wendig in ons, zonder ons, volbracht worden; h met andere woorden, wij moeten ons volstrekt

niet voor den dader of hoofdbewerker van t

eenig goeds aanzien, en het Gode weibeha- 1

gelijk werk moet in God gedaan zijn, om zoo te zeggen zonder den mensch.

Tot zulke werken behooren vooral degenen, welke God (in het vagevuur) bij de laatste inwerking der zuivere en volmaakte liefde doc-r zich alleen zonder onze verdiensten voortbrengt, waarvan de werkingen zich zoo diep en brandend

-ocr page 63-

— 6i —

in de ziel vertoonen, dat het haar omgevende lichaam schijnbaar er door verteerd wordt, even alsof het midden in een groot vuur stond en nergens rust in kon vinden dan in den dood.

Zeer waar is het, dat de Goddelijke liefde, die, gelijk ik zie, zoo mildelijk in de ziel stroomt, een vrede en vreugde verleent, die onuitsprekelijk is, maar die voldoening ontneemt aan de zielen van het vagevuur niet het minste van hun lijden: veeleer is het juist de liefde, die zich krachtig terug gehouden voelt, die hun het lijden veroorzaakt. En deze pijn is zooveel te grooter, hoe hooger de volmaaktheid der liefde is, waarvoor God hen vatbaar heeft gemaakt.

Zoo hebben dan de zielen in het vagevuur tegelijk de grootste vreugde en het grootste lijden, en het eene verdrijft het andere niet.

De zielen in het vagevuur zijn niet meer in staat verdiensten te verwerven. Hoe zij de liefdewerken beschouwen, die voor hen gedaan worden.

■jïl^Tönden de zielen in het vagevuur hunne WSl zuivering bewerken door een volmaakt

-ocr page 64-

-—-62

berouw, dan zouden zij hunne schuld in een oogenblik volledig afdragen, zulk een groote drang van berouw en droefenis zou zich van hen meester maken. Dit komt door het helle licht, waarin zij de zwaarte en het beduidende zien van het beletsel, dat hen verhindert zich met God, hun laatste doel en hunne eenige liefde, te vereenigen.

Dit staat vast: van de betaling, die zij aan God schuldig zijn, gelijk dit eenmaal door de Goddelijke gerechtigheid is bepaald, wordt aan die zielen niet het geringste kwijtgescholden. Van Gods kant blijft dat zoo. Wat die zielen betreft, zij hebben dienaangaande geen keus meer; zij vermogen slechts nog naar datgene te zien wat God wil, en iets anders willen zij niet, terwijl zij te dezen opzichte dezelfde geneigdheid onveranderd behouden.

En wanneer door degenen, die nog op deze wereld zijn, misschien eenig goed werk voor die in het vagevuur zijn, wordt verricht, waardoor hun lijden wordt verminderd, dan kunnen zij niet meer met zelfvoldoening hunne opmerkzaamheid daaraan schenken ten zij met zich volledig te schikken naar de gerechte

-ocr page 65-

63 —

weegschaal der Goddelijke beslissing, zoodat zij in alles God laten handelen, die zich betaald rekent, gelijk het zijne eindelooze goedheid behaagt. Konden zij zulke voor hen gestorte aalmoezen beschouwen gescheiden van den Goddelijken wil, dan zou dit een daad van eigenliefde wezen, die hun den troostvollen blik op het Goddelijk welbehagen onttrekken en hun een hellepijn berokkenen zou. Derhalve blijven deze zielen volstrekt in alles onderworpen, wat God ook over hen mag beschikken, hetzij aangenaams en bevredigends, hetzij pijn en beproeving, zonder ooit een terugblik op zich zeiven te kunnen slaan.

^Vccztiendc Jfoo-j^i/ulk

Van de onderwerping der zielen in het vagevuur aan Gods wil.

MgVeze zielen leven zoo innig vereend met quot;Ms Gods wil, dat zij in alles met zijne heilige beschikking volstrekt tevreden zijn.

En wanneer zulk eene ziel, die nog maar heel weinig te boeten heeft, in de klare aan-

-ocr page 66-

— 64 —

schouwing van God toegelaten mocht worden (wat niet zijn kan), dan zou zij dit voor een groot ongeluk, voor eene beleediging aanzien, en het leed daarover zou tien vagevuren te bovengaan. De reinste Liefde en Goedheid, de hoogste Gerechtigheid (God) zou haar dan niet in zijne tegenwoordigheid kunnen dulden; het zou voor God iets onpassends, en voor de ziel, die zien moet dat God nog niet geheel bevredigd is (ofschoon haar evenwel slechts de zuiveringspijn voor een oogenblik niet kwelde) zou het een onverdraaglijke kwelling zijn. Om zich van dit geringe overblijfsel van de roest der zonde te bevrijden, zou de ziel liever in duizend hellen gaan, dan, nog niet geheel van alle vlekken gezuiverd, in de Goddelijke tegenwoordigheid te willen verblijven.

^Vijjticndc Jfoojïbtn.-H.

Heilzame verwijtingen, die de Heilige den menschen in de wereld doet, welke zich niet bij tijds in acht nemen.

m^oen die gebenedijde ziel (woorden van Ujk Vernazza) al het tot hiertoe vermei-

-ocr page 67-

6s —

de in het Goddelijk licht erkend en beschouwd had, zeide zij:

Ik wenschte, dat mijne stem sterk genoeg ware om te schreien, zoo dat alle menschen op aarde het hoorden en van schrik ontstelden, en ik zou hun zeggen: O Gij, rampzaligen, hoe kunt gij u toch zoo door de wereld laten verblinden, dat gij u niet voor zulk een groo-te en gewichtige aangelegenheid, die u bij de stonde des doods wacht, zoo weinig of niet in acht neemt.

Gij allen waant u veilig door de hoop op Gods barmhartigheid, die gij oneindig groot noemt; maar ziet gij dan niet,dat juist de groote goedheid van God u tot een strenger oordeel zal zijn, daar gij zoo boosaardig tegen den wil van zulk een oneindig goeden God gehandeld hebt. Juist zijne goedheid moet u immers aansporen zijn wil geheel en al te vervullen in plaats van u met een valsche hoop te streelen om te geruster kwaad te doen. Zijne gerechtigheid kan zich niet storen aan uwe beweringen, zij moet haren loop hebben en geheel bevredigd worden.

Niemand stelle zich gerust met te zeggen:

-ocr page 68-

— 66 —

sik zal op mijn sterfbed biechten en dan den vollen aflaat verdienen, zoo zal ik in een oogenblik van al mijne zouden gezuiverd worden en voor de eeuwigheid gered zijn.quot; Bedenk toch dat biecht en berouw, gelijk zij voor een vollen aflaat vereischt worden, zeer moeilijk, ja zoo moeilijk zijn, dat, wanneer gij het wist, gij van vreeze bevangen zcudt worden en meer zekerheid zoudt hebben dien aflaat niet te gewinnen dan wel.

Zestiende Jloofdztun.

De Heilige toont nogmaals aan, hoe het lijden der zielen van het vagevuur op geenerlei wijze hunnen vrede stoort.

Opk zie, hoe de zielen bij het lijden in het vagevuur twee Goddelijke genadewerkingen in zich waarnemen. De eerste bestaat daarin, dat zij hunne pijnen gaarne lijden omdat zij begrijpen, dat God hun een groote barmhartigheid heeft betoond; want als zijne goedheid de gerechtigheid niet had verzacht (door de voldoening in aanmerking te nemen

-ocr page 69-

door het kostbaar bloed van Christus) dan zou een enkele zonde duizend eeuwige hellen verdienen. Daarom lijden zij die pijnen zoo van harte gaarne dat zij niet het geringste minder zouden willen lijden; en zij zien daarenboven duidelijk in, dat zij dat lijden met recht verdiend hebben en dat het eene heilzame beschikking Gods is dat zij lijden. Daarvan komt het, dat zij zich (wat den wil aangaat) even weinig over hun lijden bij God beklagen als wanneer zij reeds in de zaligheid van het eeuwig leven waren.

De tweede genadewerking is, de tevredenheid van deze zielen zich onder Gods beschikking te bevinden en kennis te dragen van alles wat Hij in zijne liefde en barmhartigheid voor hen doet.

God stort hun de kennis van die twee genademiddelen terstond in, en daar zij in staat van genade zijn, erkennen en begrijpen zij deze volgens hun wezen en iedere ziel volgens de haar eigene vatbaarheid. Dat verwekt in hen eene groote vreugde die niet afneemt, die zelfs altijd grooter wordt, hoe nader zij bij God komen. De zielen zien die genadewerking

-ocr page 70-

68 —

niet in zich noch door zich zeiven, maar in God, met wien zij zich veel meer bezighouden dan met hun lijden, dat hun niets is in vergelijking met de verkregen kennis van God. Want de geringste aanschouwing, die men van God mag genieten, overtreft elke en alle vreugde, die de mensch zich bedenken kan. Des niettemin blijven beide, vreugde en pijn, in de zielen bestaan en deze verliest door gene niet het minste van hare zwaarte.

Zeventiende Jloojdstu,fi.

De Heilige besluit deze mededeelingen, bemerkende dat zij alles, wat door haar van de zielen in het vagevuur gezegd is, ontleend heeft aan de gewaarwordingen, die zij in haar eigen ziel gevoeld heeft.

W

Seze soort van zuivering, die ik in de zielen van het vagevuur zie, voel ik in mijn eigen ziel, inzonderheid sinds twee jaren, en ik voel en, zie dat iederen dag duidelijker. Ik zie mijne ziel in dit lichaam wonen als in een vagevuur gelijkvormig aan het

-ocr page 71-

wezenlijke vagevuur, evenwel naar de mate die het lichaam kan verdragen zonder te sterven; ondertusschen worden de smarten immer heviger, zoodat aan het lichaam ten laatste niets overblijft dan te sterven.

Mijn geest zie ik los van alles, zelfs van geestelijke dingen, die hem op de eene of andere wijze voedsel zouden kunnen verschaffen, als opgewektheid, vergenoegen, vertroostingen. Het staat ook niet meer in het vermogen van mijn geest in iets smaak te vinden, zoo ten opzichte van het tijdelijke als van het geestelijke, door werkzaamheid van den wil of van het verstand of van het geheugen, zoodat ik niet kan zeggen: dit bevalt mij meer of minder dan dat.

Mijn binnenste bevindt zich door God in een soort van belegerings toestand; alle dingen, waaraan het geestelijk of lichamelijk leven vroeger zich verkwikte, zijn mij, het eene voor het andere na, ontnomen, en met het gemis daarvan erken ik eerst, dat zij mij allen tot een natuurlijke laving en versterking dienden. Nu evenwel, nu zij van den geest als, wat zij hem zijn, (beletselen) erkend worden, zijn zij

-ocr page 72-

hem een voorwerp van zoo groeten haat en afkeer geworden, dat zij allen voor hem wegvluchten en zich wel niet meer laten zien Dit komt daarvan dat de geest in zich de neiging heeft alles, wat hem hinderlijk is voor de voleinding, van zich te verwijderen, en inderdaad doet hij het met zulke beslissing en strengheid (tegen de arme natuur), dat hij bijna toestemmen zou zich in de hel geworpen te zien, wanneer hij daarmede zijn doel zou kunnen bereiken.

Daarom wordt hij niet moede alles te vernietigen, waaraan de innerlijke mensch zich zou kunnen vasthouden, en hij belegert dezen zoo nauw, dat niet de kleinste splinter van onvolmaaktheid de linie door zou kunnen komen, zonder door hem opgemerkt en verafschuwd te worden.

Wat den uiterlijken mensch betreft, daar de geest hem volstrekt niet meer ontziet, zoo voelt ook hij zich dermate belegerd, dat. hij op aarde niets meer vindt om zich daardoor menschelijker wijze en volgens zijne neiging eenig genoegen te verschaffen. Er blijft hem geen andere versterking dan God, die dit al-

-ocr page 73-

les uit liefde en groote barmhartigheid bewerkt, om voldoening te geven aan zijne gerechtigheid.

Het inzien van dit alles geeft mij groote rust en vreugde, maar dat vermindert mijn lijden niet, noch den druk der belegering. Welke kwelling men de ziel ook zou kunnen aandoen, zij zou toch nooit buiten de beschikking van God willen gaan: zij verlaat hare gevangenis niet en tracht niet eer er uit te komen, tot God alles heeft volbracht, wat volgens zijne gerechtigheid noodig was. Mijn eenige vreugde is, dat God bevredigd worde, en er zou voor mij geen grootere spijt kun-zijn, dan mij buiten de beschikking van God te zien, zoo rechtmatig en zoo bovenal barmhartig vind ik ze.

Al het gezegde is mij zoo klaar, alsof ik het met mijne oogen zag en met mijne handen betastte, maar ik vind het juiste woord niet om uit te drukken wat ik zou willen zeggen; en wat ik daarover heb gezegd, staat geestelijker voor mij in mijn binnenste; ik zie het, en daarom heb ik het ook gezegd. —-De gevangenis, waarin ik mij bevind, is de

-ocr page 74-

— 72 —

wereld; de band, die mij bindt, is mijn lichaam; zij

en de door de genade verlichte ziel begrijpt, dc

wat het beteekent zoo gebonden of door een wlt;

grenspaal teruggehouden te worden van de er

bereiking van haar hoogste doel, de vereeni- D(

ging met God. En daar de ziel uiterst teeder lijl

gevoelt, zoo heeft zij om onuitsprekelijk groote mi

kwelling. mi

Intusschen ontvangt mijne ziel van God kv

nog eene bijzondere genade en waardigheid, m(

die haar Goddelijk, ja één met God maakt en

door deelneming aan zijne goedheid. En ge- zie

lijk het onmogelijk is, dat God door eenige ni(

pijn, welke ook, gekweld wordt, zoo nemen Hi de zielen, die Hem naderen, ook aan deze

eigenschap deel, en wel des temeer, hoe meer zie

zij Hem naderen. bn

Alzoo veroorzaakt het uitstel der vereeni- tei

ging met God, waarvan de ziel de oorzaak na

in zich draagt, haar een onverdraaglijke kwel- de

ling. Die kwelling en dat uitstel doen haar is

nog niet in het bezit komen van die eigen- tre

schappen, die hare natuur hebben moet, en im

die haar in het licht der genade getoond mc

worden. Zij kan ze zich niet aanbrengen ofschoon Gc _ \'

-ocr page 75-

_ 73 —

m; zij den aanleg daartoe in zich draagt: daar-

pt, door ontstaat in haar die groote kwelling,

;en welke zich slechts naar de mate van hare

de erkentelijkheid en hoogachting laat afmeten,

ni- Deze hoogachting neemt toe met de erkente-

ler lijkheid, en de erkentelijkheid neemt toe hoe

)te meer de laatste overblijfselen der zonden verminderen. Zoo moet ondertusschen ook hare

od kwelling wegens het uitstel der vereeniging

id, met God steeds onverdraaglijker worden,

ikt en daarom nog inzonderheid, omdat de

;e- ziel geheel in God verslonden blijft en door

ge niets belet wordt Hem te erkennen gelijk

en Hij is, zonder vreeze van zich te vergissen,

•ze Gelijk een martelaar voor het geloof, die

:er zich liever wreedaardiglijk om het leven laat brengen dan God te beleedigen, wel de smar-

tn- ten des doods verduurt, maar, door de ge-

r-k nade verlicht, uit ijver voor de eere van God,

el- deze hooger telt dan zijn leven ■— zoo ook

ar is het met de ziel. die Gods beschikking om-

:n- trent zich kent: zij acht alle uitwendige en

en inwendige kwellingen, hoe vreeslijk die ook

[id mogen zijn, voor niets in vergelijking met die

on Goddelijke beschikking; daar God die dit

*

-ocr page 76-

bewerkt, oneindig ver alles overtreft, wat een schepsel van Hem ondervinden of zich voorstellen kan.

Daarom ook wordt eene ziel, hoe weinig God haar ook van zich mededeelt, toch zoo hoog met zijne Majesteit ingenomen, dat al het andere in hare oogen niets is. In dezen toestand verliest de ziel alle eigenaardigheid en baatzucht; zij ziet en spreekt niets meer uit zich zelve; zij weet niets meer van verlies of pijn wat haar zelve betreft, maar dat alles, gelijk het reeds uitvoerig is gezegd, erkent zij in een oogenblik, bij het vertrek uit dit leven.

Ten slotte. Laten wij begrijpen en vasthouden dit eene, dat de eindeloos goede en hoog verhevene God, vóór Hij een ziel in zijne vereeniging opneemt, haar van alle men-schelijke smetten bevrijdt en haar eerst volkomen zuivert in de vlammen van het vagevuur.

-ocr page 77-

Heilzame gevolgtrekkingen uit het voorgaande.

Wat blijft ons nu te doen over, nadat wij van een Heilige zulke lessen over het vagevuur ontvangen hebben ? Wat anders, dan ons toe te leggen op de beoefening der naastenliefde ten heile der arme zielen in het vagevuur en voor ons zeiven zooveel mogelijk zelfs de kleinste zonden te vermijden, die zoo zelden door een oprecht berouw en boetdoe-ning vergeven worden maar meerendeels ons blijven aankleven tot den dood, als wanneer het vagevuur er ons pijnlijk van zuivert.

Wanneer wij al niet denken willen aan zware zonden, hoeveel blijft dan voor kleine fouten en gebreken nog te boeten na dit leven. Komen zij misschien onbeduidend voor, als wij ze allen kenden en telden, dan zou ons vreeze bevangen. sDe rechtvaardige,quot; zegt de H. Schrift, »vait zevenmaal daags,quot; hoeveel

-ocr page 78-

_ 76 —

van die kleine zonden zal dan de gewone hebl

mensch, de brave Christen zelfs, niet dagelijks scht

plegen? Denken wij maar eens aan eigenlief- ons

de, aan kwade gedachte, aan ongeduld, toorn eers

aan trage vervulling der plichten van onzen moe

staat, aan overmatig genot van spijs en drank zien

en andere zinnelijke genoegens, aan hetgeen daai

we gesproken hebben uit ijdelheid of ten na- van

deele van anderen, aan jaloerschheid wegens afbc

het geluk van den evenmensch, aan verzuim van

van goede werken, en aan zooveel andere za- voor

ken, die wij niet naar behooren vervillen of miss

beter konden doen. Laten we nu eens stellen, dure

dat wij dagelijks maar tienmalen zondigden, mee

dan zou dat reeds in één jaar 3650 zonden zijn zone

op onze rekening, en in tien jaar zouden zij L;

een getal van 36,500 zonden uitmaken. Maar dure als we nu met zooveel vlekken besmeurd de , doei

eeuwigheid ingingen, wat vreeslijk vagevuur wan:

zou ons dan wachten! Wij

Gelukkig, dat onze Moeder de H. Kerk ders,

ons in de gelegenheid gesteld heeft aan den dere

Hemel voldoening te geven voor zooveel fou- en v

ten, ons zelfs rein te wasschen; maar helaas zijn

bij onze zwakheid hervallen we weder — en nog

-ocr page 79-

hebben we het geluk bij ons sterven niet schuldig te zijn aan doodzonde, dan zullen ons toch nog genoeg vlekken aankleven, die eerst door het pijnigende vagevuur gezuiverd moeten worden, willen we ons toegelaten zien in het Rijk der Zaligen. Laten wij daaraan denken en ons zooveel mogelijk ook van alle kleine zonden onthouden. En die afboeting in het vagevuur zal niet zoo kort van duur zijn. Volgens Bellarminus zal zij voor sommigen tien, twintig, voor anderen misschien wel honderd, wel duizend jaren duren. Die bewering is gegrond op de meening der oudste Kerkvaders en op bijzondere openbaringen van Heiligen.

Laat dit ons ook aansporen veel en voortdurend te bidden en vele goede werken te doen voor de overledenen, ook dan zelfs wanneer ze al vele jaren dood mochten zijn. Wij denken misschien weinig meer aan ouders, broeders, zusters, aan echtgenooten, kinderen en andere bloedverwanten, aan vrienden en weldoeners die tien en meer jaren geleden zijn gestorven — en wellicht is hun straftijd nog niet eens voor de helft voorbij.........

-ocr page 80-

_ 78 -

Dat we hunner toch gedachtig blijven. Mochten zij reeds het Rijk des Hemels zijn binnen gegaan, laten wij dan ons gebed bestemmen ten gunste van de arme zielen, die geen voorbidders hebben, en het zal niet vruchteloos zijn: niet vruchteloos voor de lijdende zielen, die er grootelijks door gebaat en zooveel te eerder toegelaten worden tot de aanschouwing van God; niet vruchteloos voor ons zeiven, daar de verlosten onze voorsprekers worden bij God om ons, bij den overgang van dit leven naar de eeuwigheid, de Hemelpoort te openen of minstens onze intrede in het Rijk der Zaligen te bespoedigen.

-ocr page 81-

IMPRIMATUR.

RUREMUND7E, lo Oclobris 1888.

P. J. H. RUSSEL, Can. theol., Librorum Censor.

-ocr page 82-
-ocr page 83-
-ocr page 84-

Bij den viti/ever .1/. Waterreus zijn verschenen:

EERE ZIJ GOD.

Handboekje voor de .^eloovigen, die er hoogen Prijs op stellen veel vrucht te doen met hunne gebeden door Aflaten te verdienen voor zich \'.elven en voor de zielen in het vagevuur.

Geheel nieuwe uitgaaf kerkelijk goedgekeurd.

De prijs is, gebonden in linnen relief band, met titel op rug f 0.75 Gebonden in fijn kalfleder met vercruld op snee f 1.75

Mijne Eerste ïï. Communie.

Gebedenboekje voor de Idnderen bij cn na hunne ecrsle H. Commnme, jjetrokken uit de werken van den n. Alphonsus Maria de Liguori.

Prijs in linnen band f 0.50

Prijs in leeren band f 0.75

De Eenzame Duif,

Meditaties voor den Advent en den Kersttijd naee-aten werk van Uc» Ken»-. Pater K. Vogels redemp-tonst) pi ijs f o. 75 Branco per post f 0.85

jozefTeromee

de Apostolische Handwerksman,

Lid van de Aartsbroederschap der R. Familie, van de Vereenigmg van den H. Vincent.uis van Paulo Bestuurder van het Liefdewerk der Militairen enz! godvruchtig overleden te Brussel den ic Mei 1884 door den Lervvaarden Pater MARIN, Redemp torist.

i rijs 15 cent, franco per post 18 cent.