449
VOOR
1 8 Ö 6
Oaderrichtiagen, Gebeden en Gezangen.
DOOR
\'DKJV !f. li. flilKSXiCtt, V ij f (1 e 1gt; r u k.
KKIiKELLIK GOEDlïliKEiJlii).
Tli \'s Gbavenhage BIJ A. N. COVERS.
t)\'f Mg HET JÜBILÉ-BOEKJE
Al
VOOR 18 8 ,
BEVATTENDE
Onderrichtingen, Gebeden en Gezangen,
Kicjv if. it. f jti i\':s ru:ü.
Vijfde Druk.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2945 135 2
te \'s Gravenhage bij A. N. GO VERS.
i C\\ ;
\\ (l
I
IMPRIMATUR.
Voorschoten, M. Bermen,
die 21. Febr. 1886. I\'ibr. Censor.
BBLIOTHESK DER RiJKSU# dr^SlTEIT
UTRECHT
I
COLL. THOMAASSE J
HOOFDSTUK I.
o \\ it ilt;; it it i lt;11 ( i \\ «„ I-; \\.
In het eerste hoofdstuk van dit jubilé-boekje wenschte ik, geachte lezer, het antwoord u te geven op deze drie vragen:
1°. Wat is een aflaat?
2°. Wat is een j ubile-a flaat ?
3°. Wat wordt er van ons gevorderd om den jubilé-aflaat van 1886 te verdienen?
1. Wat is een aflaat?
Door een aflaat verstaan wij: kwijtschelding van tijdelijke straf, die wij voor onze zonden, moesten lijden.
Wanneer wij zondigen , dan verdienen wij draf van den rechtvaardigen God. Die straf is eene eeuwige of slechts eene tijdelijke-, de eeuwige straf wordt geleden in de onbluschbare vlammen der hel; de tijdelijke straf wordt ondergaan in dit leven hier op aarde, of na dit leven in het Vagevuur. Hebben wij nu tegen God gezondigd en daardoor Zijne straffen verdiend , dan zal het dikwijls gebeuren, dat wij vergiffenis van zonden-
4
schuld verkrijgen, terwijl er toch nog tijdelijke straffen te boeten overblijvenwant hoewel met de zondenscZ/rtW de eeuwige of helsche s/ra/\'wordt kwijtgescholden, blijven er echter doorgaans nog tijdelijke straffen over, die wij hier of hiernamaals moeten boeten.
Reeds in de Heilige Schrift \\an het Onde-Verbond vinden wij van zulke, na de vergiffenis der zondenschuld nog overblijvende tijdelijke straffen, een duidelijk sprekend voorbeeld. Toen Koning David zwaar tegen God had gezondigd en de profeet Nathan tot hem gezonden werd, toen beleed die diepgevallen Koning vol berouw zijne schuld aan Gods afgezant en de Barmhartige God nam den rouwmoedigen vorst weder in ontferming op: Nathan verklaarde aan Koning David, dat God hem zijne zonde had vergeven. Maar ook na die vergiffenis van zijne zondeschuld, zou Koning David toch nog door God worden gestraft; „de zoon, die u geboren is, zal stervenquot; sprak de Profeet. En nauwelijks had Nathan het paleis verlaten, of de hand des Heeren sloeg het kind van Bethsabee met eene gevaarlijke ziekte. Toen zonderde David zich af op eene eenzame plaats; h\'j vastte en omgorde zich met een boetekleed en wierp zich plat ter aarde neder, om God te smeeken, dat het leven van het kind nog mocht worden gespaard; maar zijn kind stierf op den zevenden dag. Dat voorbeeld, godvruchtige lezer, leert ons duidelijk, dat met de zondeschuld niet
5
altijd elke straf wordt uitgewisoht; David had vergiffenis van zijne zondeschuld verworven, maar toch werd hij nog daarna door den rechtvaardigen God voor zijne zonde gestraft; het kan ook met ons gemakkelijk gebeuren , dat wij door het waardig ontvangen van het Sacrament der Biecht vergiftenis van zondenschuld en daarmede kwijtschelding van de eeuwige, van de helscJie straffen hebben ontvangen , doch dat wij toch nog voor onze zonden Gods straffende hand, hier op aarde, of na onzen dood in het Vagevuur zullen gevoelen.
üie overgeblevene tijdelijke straffen worden ons kwijtgescholden door de verdiende aflaten. Christus heeft de macht, om die kwijtscheldinar van overgebleven tijdelijke straffen te verleenen , aan Zijne Kerk geschonken ; — dit is de in het Concilie van Trente uitgesproken geloofsleer der Kerk en die geloofsleer wordt bewezen uit het woord Gods, uit de Heilige Schriftuur van het Nieuwe Verbond.
Tot Petrus zeide Christus: (Math. XVI, 19). „Ik zal U de sleutelen geven van het Eijk der
„hemelen.....alles , wat Gij op de aarde zult
„ontbinden . zal ook in den hemel ontbonden «zijn.quot; — En tot al de Apostelen te zimen sprak onze Dierbare Verlosser: (Math. XVIII, 18)
„Voorwaar ik zeg Ü........ „al wat Gij ont-
„bonden zult hebben op de aarde , dal zal ook „ontbonden zijn in den hemel.quot;
T
A
6
Welnu, de na de zondenvergiffenis nog overgeblevene tijdelijke straf is een band die ons een tijd lang belet, binnen te gaan in het Rijk der hemelen ; de Kerk heeft den wil, om door het verleenen van aflaten , dien band te ontbinden ; volgens de onfeilbare belofte van Christus alzoo zal dan ook door den verdienden aflaat die band der overgeblevene tijdelijke straffen ontbonden zijn in den hemel.
liet gebruik der aflaten is, dus gelijk het Concilie van Trente leerde, voor het Christen volk ten hoogste voordeélig.
Om aan dat voordeel der aflaten deelachtig te worden moeten wij zorgen voor de vervulling van twee voorwaarden.
Op de eerste plaats moeten wij zorgen, dat wij zijn in staat van genade. Terwijl wij in staat van doodzonde zijn, kunnen wij voor ons zeiven geene aflaten, geen kwijtschelding van tijdelijke straffen verdienen, omdat wij in staat van doodzonde aan de eeuwige straffen schuldig zijn ; wij moeten eerst zorgen , dat de eeuwige straffen , die ons voor de doodzonde wachten, met de zondeschuld worden uit-gewischt , eerst daarna kunnen wij trachten, om ook kwijtschelding van tijdelijke straffen te ver krijgen. Ook voor de overledenen kunnen wij in staat van doodzonde overeenkomstig het gevoelen van vele godgeleerden , geene aflaten verdienen , want het toevoegen der aflaten aan de geloovige zielen geschiedt bij wijze van voorbede ; sr wordt aan God gevraagd, dat de door ons verdiende
7
aflaten , door Hem zullen worden toegepast op de zielen in het Vagevuur : eerst moeten wij dus zelve die aflaten verdienen , vóór deze door ons kunnen worden leeggeschonken aan anderen, want niemand kan iets wegschenken aan anderen , waarover hij niet heeft te beschikken.
Is nu door ons aan die eerste voorwaarde voldaan, zijn wij in staat van heilig makende genade d. i. vrij van doodzonde, dan moeten wij als tweede voorwaarde voor het verdienen van aflaten, datgene doen, wat de Paus of andere overheden der Kerk, die aflaten kunnen geven , daartoe vereischen. Wordt dus voor het verdienen van een aflaat, een gehed, eene versterving of eenig ander goed werk gevorderd , dan moeten wij , om aan dien aflaat deelachtig te worden , dat gebed hidden , die versterving ons getroosten, of dat andere voor geschrevene goede werk volbrengen. Tot die uundere goede werkenquot; behoort ook somtijds ; het geven van eene aalmoes. Door zulk eene aalmoes koopen wij dan g?en vergiffenis van zonden , om de eenvoudige reden , dat de aflaat geen vergiffenis van zonde is, maar de verkregene vergiffenis van zonden vóór het verdienen van den aflaat reeds wordt gevorderd. Door zulk eene aalmoes verrichten wij een werk van naastenliefde, dus een goed werk , waarvoor de H. Kerk ons, evenals voor dat gebed , of voor die versterving , beloont met een aflaat, eene kwijtschelding van nog overgebleven lijdelijke straf.
Met zulk eene kwijtschelding van tijdelijke straf, wordt, volgens de bemerking van den H. Thomas „niet de minste inbreuk gemaakt op de Godde-„lijke Gerechtigheid, daar er niets van de straf «wordt afgedaan, maar de boetvaardigheid van „den een aan den- ander te -stade-komt,\'/.De .Kerk geeft nr.iuelijk bij het verleenen van-aflaten aan ons. uit de onuitputtelijke schatten der voldoening van Christus „ van Zijne H. Moeder Maria en van zooveel andere Heiligen, waarvan deuit-deelh\'g Haar als schatbewaarster is toevertrouwd, aan de Goddelijke Eechtvaardigheid voldoening voor ons.
Bij die uitdeeling der Haar toevertrouwde geestelijke schatten, verleent de H. Kerk somtijds gedeeltelijke, somtijds voUomene of algeheele kwijtschelding van overgeblevene tijdelijke straffen. Gedeeltelijke kwijtschelding, gedeeltelijke aflaat is b. v. een aflaat van 7 jaren en 7 quadragenen of 7 maal 40 dagen, d. w. z zooveel kwijtschelding van tijdelijke straffen, als wij zouden kunnen afdoen door eene boetedoening van 7 jaren en 7 maal 40 dagen volgens de oude kerkelijke regels. Vólkomens kwijtschelding of volle aflaat beteekent: kwijtschelding van alle tijdelijke straffen, als had men algeheele voldoening daarvoor gebracht Onder die volle aflaten is bijzonder merkwaardig de volle aflaat van het jubilé, waarover wij nu tot IJ gaan spreken,
2. Wat is een jnbilé-aflaat!
Poor een „juhilé-aflaatquot; verstaan wij: een volle aflaat, waaraan bijzondere plecMiyheden en voorrechten zijn verbonden.
Het woord jubilé, dat naar het grondwoord geschal beteekent, dat woord herinnert aan het groote feestjaar, hetwelk door de Joden op Gods bevel om de vijftig jaren moest worden gevierd. (Lev. XXV.) Dan ontving de slaaf zijne vrijheid weder; verkochte erfgoederen kwamen aan de vorige bezitters terug; het veld bleef onbebouwd en wat er van zelf groeide, viel den arme ten deel; het was een jaar van vrijlating en kwijtschelding, van buitengewone gunsten en zegeningen, van algemeener godsvereering en feestelijke verblijding. Zulk een jaar werd met bazuingeschal aangekondigd.
Het jubeljaar in de Katholieke Kerk heeft er in zooverre overeenkomst mede, dat ook dit een tijdkring is van bijzondere voorrechten en genaden van hooger godsdienstig leven. Dan ontsluit het zichtbaar Hnofd de Kerk de geestelijke schatten, van welke hem door den Heer en Stichter der Kerk de uitdeeling is toevertrouwd. Dan vooral ziet men geestelijke schulden gedelgd, zielen uit de slavenketenen van den Satan verlost en in het bezit der verloren hemelsche goederen hersteld ; een volle aflaat wordt onder de gestelde voorwaarden verleend en het is boven-
10
dien een tijd van bijzondere godsdienstige op- rui
wekking en geestelijke vreugde, niet voor één het
volk alleen, maar voor de gansche Katholieke jare
wereld. Die bijzondere feesttijd wordt met bijzon- Six
dere plechtigheden geopend, voortgezeten gesloten. is
Al die dagen is de gansche Kerk in eenparig en toe vurig gebed, zich voor God vernederend in vaste gt; hoi en boete. De geloovigen storten eene buitengewone I
aalmoes in den schoot der armen; zij snellen op omi
bijzondere tijden ter kerk, waar ook Gods woord klii
hen nog meer dan anders opwekt, zoodat zij gro
smeekende harten en handen tot den Vader van een
alle barmhartigheid, opheffen, om in alle oot- ope
moedigheid en rouwmoedigheid llcm te verzoenen Aid
en te verbidden en met zuivere harten hun gebed uit
voor liet doeleinde van het jubilé aan te bieden. en
Dan ziet en hoort, ja voelt men het, wat buiten- Ker gewore genadewerking er door de gansche Kerk ,! jaar
rondgaat: wonderbare bekeeringen hebben plaats de
en de biechtvaders zijn van uitgebreider vol- te ]
machten voorzien om de bezwaarde gewetens te Dat
verlichten en zelfs eenige gedane beloften te ver- „Aa
anderen of zelfs geheel op te heffen. „vo
Men kan het jubilé in een gewoon en een „Sti buitengewoon onderscheiden. ,,
Het gewone jubilé wordt sedert Paus Sixtus IV „gai
alle 25 jaren gevierd. Vroeger had Bonifacius VIII „jaa
na het groote jubeljaar van 1300 bepaald, dat ,;scl
voortaan alle 100 jaren zulk een jubilé zou worden „bes
gevierd ; doch Clemens bracht die zoo lange tijd- „hei
11
j- ruimte in 1343 op 50 jaren; Urbanus VI stelde in het jubilé, ter gedachtenis van Christus\' levenslee jaren, op alle 33 jaren; terwijl Paulus II en n- Sixtus IV het op alle 25 jaren vaststelden. Zóó n. is het voor het eerst in 1475 en verder tot heden en toe, het laatst nog onder Pius IX in 1875 ge-te f houden
ne Het buitengewone jubilé wordt in bijzondere
sp omstandigheden uitgeschreven; na de troonsbe-
rd klimming van een nieuwen Paus; bij eenigen
zij grooten nood hetzij van de gaiische Kerk of van
an eenig bepaald rijk of volk; of tot afwending van
t- openbare rampen en om andere groote doeleinden,
en Aldus schreef Leo XIII een buitengewoon jubilé
ed uit bij zijne verheffing tot den Pauselijken zetel
n. en daarna op nieuw in 1881 om den nood der
n- Kerk. Waarom het buitengewoon jubilé voor dit rk • jaar 1886 werd uitgeschreven zal U blijken uit
its de woorden van het Pauselijk schrijven, gegeven
gt;1- te Eome bij St. Pieter, den 22n December 1885.
te Dat schrijven „aan de Patriarchen, Primaten,
r- „Aartsbisschoppen, Bisschoppen en andere Kerk-„vorsten, die in gemeenschap zijn met den H.
en „Stoel,quot; vangt aan als volgt:
4 Reeds ecu en andermaal hebben wij voor de
-V „gansche christenwereld een buitengewoon Jubel-
II „jaar uitgeschreven, onder aanbieding der hemel-
!at ,,sche genadeschatten, welker uitdeeling ter Onzer
en „beschikking is; het behaagt ons, dit ook voor
d- „het volgend jaar uit te schrijven. Het nut hier-
12
„van kan u, Eerwaardige Broeders, die. tijden en „zeden kent, ongetwijfeld niet ontgaan: maar „toch is er een geheel bijzondere reden, waarom „het nemen van dit Ons besluit, thans meer „wellicht dan ooit, wenschelijk moet geacht wor-„den. Immers uit de onderwijzing in Onze vorige „Encycliek gegeven, van welk belang het namelijk t „is voor den Staat, om zich aan de waarheid en „den vorm van het Christendom nauw aan te „sluiten , kan men gemakkelijk beseffen, hoezeer „het overeenkomt met het doel, door ons bij die „onderwijzing beoogd, dnt Wij uit al Ons ver-„mogen trachten, de menschen tot de oefening „der Christelijke deugden op te wekken of terug „te brengen Want de Staat heeft dien vorm, „welken de zeden des volks er aan geven; en „gelijk de deugdelijkheid van een schip of van „een gebouw afhangt van de deugdelijkheid aller „onderdeelen en van bun onderling verband, „evenzoo nagenoeg kan de maatschappij geen „geregelden en onverstoorden loop hebben, wan-„neer de burgers den rechten levensweg niet „bewandelen. TDe staatsregeling zelve, en alle „handelingen van het openbaar staatsleven hebben „hunne wording zoowel als hunne afschaffing aan „het toedoen der menschen te danken: de men-„schen nn hebben de gewoonte, hunne meeningen „en zeden daarin uit te drukken en af te spiegelen. „Opdat derhalve de door Ons gegevene voor-„schriften ingaan in het hart der bijzondere per-
13
„sonen, en — waar het eigenlijk op aankomt — «regel worden voor hun dagelijksch leven, moet «men trachten, hen te doen bes\'uiten, om Chris-,/telijk te denken en Christelijk te handelen, even /,goed in het openbaar en maatschappelijk, als „in het huiselijk leven.
,,En zooveel te ijveriger moet hiernaar ge-„streefd worden, naarmate grooter gevaren zich „overal dreigend verheffen. Want van de voor-//vaderlijke deugden is niet weinig verloren ge-//gaan ; de ongeregelde driften, uit haren aard „reeds zoo machtig, zijn door te groote vrijheid ,/in kracht toegenomen; de ongerijmdheid van „allerlei meeningen, door niets of niet genoeg //beteugeld, breidt zich met iederen dag verder „uit; zelfs onder hen, die goede gevoelens hebben, „durven velen, door valsche schaamte weerhouden, //hunne gevoelens niet vrijmoedig belijden, veel „minder nog in overeenstemming daarmede te „handelen; de verderfelijkste voorbeelden krijgen „overal grooter invloed op de zeden der volken; „en de vroeger door Ons aangewezene kwade „genootschappen, in misdadige kunstgrepen vol-„leerd, trachten het volk te misleiden en de „menschen, zooveel nj maar kunnen, van God, „van hunne heiligste plichten en van het Chris-ytelijk geloof af te trekken eu te vervreemden.
„Bij den druk derhalve van zooveel kwaad, „dat door zijn langen duur steeds voortwoekert, „mogen Wij niels verzuimen, wat eenige hoop
14
,/Op verlichting brengt. Daarom, en met die /,hoop, gaan Wij een heilig Jubilé uitschrijven, //allen, wien hunne zaligheid ter harte gaat, ver-z/mauende en aansporende, om een weinig in zich //Zelven te keeren en hunne in het anrdsche ver-//Zonkene gedachten tot hooger zaken op te. heffen. „Heilzaam zal dat werken niet alleen voor de bijzon-//dere personen, maar ook voor het algemeen be-//lang: daar het openbaar leven en de algemeene „zeden in eer en deugd zóóveel zullen winnen, als //iedereen in zelfvolmaking zal zijn vooruitgegaan.quot;
Om dat doel te bereiken verlangt Z. H. dat de geloovigen door vrome en voor iedereen bevattelijke toespraken onderricht en vooral tot boetvaardigheid en verderving opgewekt zullen worden. En „daar de eenige hoop op redding //uit den grooten nood, waarin menschen en //Volken verkeeren, op de bescherming en hoede /,van onzen Vader in den hemel gevestigd is,\'; gaat Z. H. voort, «zoo wenschen Wij bovendien //een aanhoudenden en vertrouw vollen ijver voor «het gebed te zien herleven, [n elk voor het ,/christendom gewichtig oogenblik, en zoo dikwijls «de Kerk door gevaren van buiten, of door //inwendige beroeringen gedrukt ging, toonden „onze voorouders, door de oogen smeekend hemel-/;waarts te heffen, ons op schitterende wijze, hoe „en van waar wij licht voor den geest, kracht „voor de deugd en ware hulp in den nood «moesten trachten te verkrijgen. Want diep was
16
;/hun hart doordrongen van de voorschriften des //Heeren: nvraagt, en u zal gegeven worden ; altijd nmoet men bidden en niet ophouden quot; Even zoo ,/luidt het woord der Apostelen: „bidt zonder nophouden; ik smeek derhalve, vooral dat allen u smeeking en, gebeden, verzoeken, dankzeggingen udoen voor alle rn enne hen.quot; quot;
Terwijl de H. Vader aldus niet slechts tot versterving, maar ook tot gebed opwekt, beveelt Hij opnieuw het gebed aan van den allerheilig sten rozekrans. Ongetwijfeld zullen aller wegen, naar het verlangen des Pausen, opwekkingen tot versterving en gebed in dit jubilé-jaar worden gehouden, daarom, godvruchtige lezer, gaan wij in dit ons //Onderrichtquot; omniddelijk over tot de derde vraag, die wij zouden beantwoorden-
( 3. Wat wordt er van ons gevorderd oin den jnbilé-aflaat van 188G te verdienen.
1°. De aflaat van het Jubilé kan verdiend worden tut aan den laakten dag van het jaar 1886.
2°. Het kerkbezoek moet zesmaal geschieden. Waar raeer dan drie kerken zijn, moet men drie kerken, aan te wijzen door de Bisschoppen of hunne daartoe gevolmachtigden, tweemaal bezoeken ; waar slechts hcee kerken zijn, moet men deze twee kerken ieder driemaal bezoeken; waar slechts ééne kerk is, moet men deze eene kerk zesmaal bezoeken. Bij zulk kerkbezoek verlangt Z. H. dat wij //eenigen tijd aandachtig tot God
16
z,zullen bidden voor het heil en de verheffing ,/der Katholieke Kerk en van dezen Apostolisehen Stoel, voor de uitroeiing der ketterijen en de „bekeering alier dwaler.den, voor de eendracht „der Christen Vorsten en den vrede en de eenheid „van geheel het geloovige volk.quot;
3°. Men zal op twee dagen moeten vadm en zich onthouden , even als op Goeden Vrijdag (indien er voor zulke onthouding als op Goeden Vrijdag niet gedispenseerd is , gelijk zulks door Z. D. H. den Bisschop van Haarlem voor zijn bisdom is gedaan.)
4°. Eene aalmoes moet gegeven worden voor eenig goed werk, dat de voortpl inting en den bloei van liet Katholiek geloof ten doel heeft. De H. Vader heeft bepaaldelijk twee goede werken aangepreznn namelijk de Ujzondere scholen voor lager onderwijs en de seminariën.
5°. Men moet eenmaal na eene rouwmoedige biecht de H Communie ontvangen. Hieraan voldoet men niet door de H Paasch-Communie.
Voor kloosterlingen, gevangenen en zieken kunnen door den Biechtvader de bovengenoemde voorwaarden van kerkbezoek en vasten in andere werken van godsvrucht worden veranderd.
Voor kinderen die nog niet tot de le II. Communie zijn toegelaten, kan door den Biechtvader, wat aangaat de voorwaarde van het Communiceren , worden gedispenseerd.
HOOFDSTUK II.
O E B E D E IV.
1. Opdracht bij het Morgeugehed.
Geloofd zij Jesus Ohkistüs. Amen.
Mijn God en mijn Zaligmaker Jesus Christus, ik vsreenig mij op dit oogenblik met alle godvruchtige oefeningen , met alle verstervingen , en goede werken , welke in deze genadedagen hier en over de gansche wereld geschieden ; ik bied het Uw beminnelijk en aanbiddelijk Hart aan ; tot eerherstel voor allen U aangedanen smaad, inzonderheid door ongeloof en godslastering; ik bied het uw goddelijk Hart aan tot eene U welgevallige voorbede voor Uwe Bruid, onze Moeder de II. Kerk; voor onzen H. Vader den Pans; voor de bekeering van alle ongeloovigen , dwalenden en zondaren , inzonderheid van . . . . ; voor mij zeiven , om de genade van eene ware boetvaardigheid en gelukzalige volharding. Ik vraag het uw goddelijk Hart, door de voorspraak van uwe Onbevlekt Ontvangen Moeder en van
18
den H. Josef, van de Apostelen Petrus en Paulus, van den H. Willebrordus, apostel en Palroon van ons Vaderland , van alle onze Geloofsverkondigers , onze Martelaren van Gorkuin en al Uwe Heiligen. Amen.
Eén tientje ter eere van Maria, Koningin van den allerheiligsten Rozekrans.
2. Oefening bij het Avondgebed.
Geloofd zij Jesus Christus. Amen.
Goedertierene God, barmhartige Zaligmaker, (leer Jesus Christus , ik draag bij het einde van dezen dag aan Uw van liefde brandend Hart alles op, wat heden ter Uwer aanbidding en verheerlijking over de gansche aarde is geschied; neem het als een welbehagelijk smeekgebed aan : voor uwe Bruid, onze Moeder de li. Kerk; voor onzen H. Vader ; voor de bekeering van alle ongeloovigen, dwalenden en zondaren, inzonderheid van .. . ; voor mij zeiven om de genade van eene ware boetvaardigheid en gelukzalige volharding. Ik vraag het uw goddelijk Hart , door de voorspraak van uwe Onbevlekt Ontvangen Moeder, van de Apostelen Petrus en Paulus, van den H. Willihrordus , apostel en Patroon van ons Vaderland , onze Martelaren van Gorkum, en al Uwe Heiligen. Amen.
Bén tientje ter eere der H. Maagd, Koningin van den allerheiligsten Rozekrans.
19
III. His^ebeden.
Opdracht bij het begin der H. Mis.
God, hemelsche Vader, die mij naar Uw beeld hebt geschapen; God, de Zoon, die om mij te l, verlossen, de menschelijke natuur aangenomen, uw kostbaar bloed vergoten en den bitteren kruisdood gestorven zijl; God de H. Geest, die mij in het H. Doopsel geheiligd, en tot het ware geloof geleid hebt; o Gij, allerheiligste Drieëenheid, geef mij de genade, dat ik dit H. Misoffer godvruchtig\' bijwone, en het met den priester, in vereeniging met alle offeranden over de gansche aarde, aan uwe goddelijke majesteit opdrage:
1. tot eer en glorie van Uwen H. Naam, om te belijden, dat Gij de eenige God en Opperheer
, over ons menschen en alle schepselen zijt, wien \' alléén dit offer toekomt;
2. tot dankbare gedachtenis, gekruiste Jesus, van uw bitter lijden en sterven;
3. tot eerherstel voor allen smaad, hetzij door ongeloof, door dwaling, door heiligschennis of andere zonden ü, goede .lesus, aangedaan, inzonderheid hier, .... en in ons Vaderland;
4. tot dankzegging voor alle genaden en weldaden, vooral aan mij, onwaardige, bewezen;
5. lot voldoening voor al mijne zonden, overtredingen en ondankbaarheden ; tot bekeering van alle ongeloovigen, dwalenden, inzonderheid van . . ;
20
6. tot verwerving Uwer goddelijke hulp voor Uwe dierbare Rruid, onze Moeder de H. Kerk; voor onzen 11. Vader; voor onzen beminden Bis-seliop; voor onze herders, zielzorgers en al onze geestelijke en tijdelijke overheden; voor alle ge-loovigen en bijzonder voor hen die vervolging lijden om uwen H. Naam;
7. tot heiliging, of tot herstel van het Christelijk huisgezin; tot bevestiging der dierbare jeugd in geloof, onschuld en deugd; voor de behoefte onzer geliefde ouders, bloedverwanten, vrienden en weldoeners, bepaaldelijk voor . • . ; voor mij zeiven, om de genade van eene ware boetvaardigheid, gelukkige volharding en een zalig sterfuur;
8. voor allen en inzonderheid voor de zondaars die op dit oogenblik in doodstrijd zijn, en o God 1 aanstonds voor Uw oordeel gaan verschijnen ;
9. voor alle overledenen , bijzonder voor . . .; ook voor hen die de eerste pijnen van het vagevuur verduren, en die het meest verlaten zijn.
Neem, barmhartige God, dit offer goedgunstig aan; laat doze opdracht U welbehagelijk zijn, en verhoor mijn gebed, door onzen lieer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen Amen.
Acten van eerherstel.
Gezegend zij God.
Gezegend zij zijn Heilige Naam,
É
21
3or Gezegend zij Jesus Christus, waarachtig God
. en waarachtig mensch.
jjs. Gezegend zij de Naam van Jesus. nze Gezegend zij Jesus in het Allerheiligte Sakra-
o-e. ment des Altaars.
[no. Gezegend zij de onvergelijkelijke Moeder van
l God, de allerheiligste Maagd Maria. .js. Gezegend zij hare heilige en Onbevlekte Ont-
:g(l vangenis.
Gezegend zij de naam van Maria, Maagd en
len Moeder.
[jjj: Gezegend zij God in zijne Engelen en Heiligen.
ar. Amen.
ur;
ars Acte van eereboete.
, o
!n, Barmhartige Jesus, tot eenig eerherstel voor al don smaad, door mij en anderen ü zoo dikwerf lur 1 aangedaan, spreek ik hier, in uw heilige tegenwoordigheid, met een opgewekt en levendig geloof tj(r tot U: Gij zijt de Christus, Gij de Zoon en van den levenden God! Ach, versterk mij, gt;us opdat ik mij toch nooit schame, U ook voor de ei.t mensehen te belijden. Want Gij zijt mijn Opper-jje heer, Gij mijn oorsprong en mijn laatste einde: ik aanbid U als den Heer van leven en dood; ik wensch U te aanbidden met al de aanbidding, welke Uwe gezegende Moeder Maria, alle Heiligen en hemelsche Geesten U ooit toebrachten , nog toebrengen, in alle eeuwigheid toebrengen zullen.
22
Dat heel de aarde Ü aanbid de en verheffe ; dat zij een lofzang\' zinge aan uwen Naam , o Heer ! Aan U zij eer en glorie van alle schepselen nu en altijd Amen.
Verheerlijking der Allerheiligste Drie-ëenheid.
Glorie zij God den Vader, die mij door Zijne almacht naar Zijn eigen beeld heeft, geschapen.
Glorie zij God den Zoon , die mij door Zijne eeuwige wijsheid uit dood en hel heeft verlost en de poorten des hemels ontsloten.
Glorie zij God den H. Geest, die mij in Zijne goddelijke liefde door het Doopsel heeft geheiligd, en nog onophoudelijk mijne heiliging werkt door al die genaden welke Zijne oneindige goedheid mij eiken dag verleent.
Glorie zij aan de drie aanbiddelijke Personen der Allerheiligste Drieëenheid.
Gelijk het was in den beginne, en nu, en altijd , en in de eeuwen der eeuwen. Amen
Heilige Drievuldigheid, één God, wij aanbidden Ü , wij verheerlijken ü ; wij danken U allerootmoedigst , wijl het ü heeft behaagd, ons dit glorierijke en verheven geheim te openbaren Wij smeeken U , dat wij door eene standvast;ge belijdenis van dit geloof eens mogen aanschouwen en verheerlijken in den hemel wat wij hier ge-looven op aarde: één God in drie Personen , den Vader. den Zoon\' en den H. Geest. Amen.
23
Gebeden
j die volgens voorschrift van Zijne Heiligheid Paus Leo XIII 14 Sept. 1886 na elke gelezene Mis moeten gebeden worden en waaraan 300 dagen aflaat verbonden zijn.
Driemaal het Wees gegroet Maria , enz.
\'J Üaarna eenmaal:
„Wees gegroet, o Koningin, Moeder van barmhartigheid ,
//Ons leven, onze zoetheid en onze hoop , wees gegroet;
//Tot U roepen wij , ballingen , kinderen van Eva;
«Tot U smeeken wij , zuchtend en weenend in dit dal van tranen.
//Daarom dan , onze Voorspreekster , ach , sla op ons Uwe zoo barmhartige oogen,
(„En toon ons , na deze ballingschap , Jesus , de gezegende vrucht Uws lichaams ;„En toon ons , na deze ballingschap , Jesus , de gezegende vrucht Uws lichaams ;
i/O goedertierene, o meêdoogende , o zoete maagd Maria.
„Bid voor ons , H. Moeder Gods.
//Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
O God, onze toevlucht en onze kracht, zie genadig neder op het volk , dat tot U smeekt , en verhoor barmhartig en goedgunstig — door de voorspraak der glorierijke en onbevlekte Maagd
en Moeder Gods Maria, van den H. Joseph, Haren Bruidegom, Uwe HH. Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen — de gebeden die wij storten voor de bekeering der zondaren, voor de vrijheid en de verheffing onzer Moeder de H. Kerk. Door Christus onzen Heer. Amen.
H. Aartsengel Michaël verdedig ons in den strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen des duivels. God gebiede hem, smeeken ■wij ootmoedig; en Gij, Vorst der hemelsche legermacht, drijf Satan en de andere booze geesten , die tot verderf der zielen over de wereld ronc\'gaan , door de Goddelijke kracht in de Hel terug. Amen.
4. Gebeden bij het kerkbezoek
Aanbidding van het H. Sacrament.
Geloofd, aanbeden en gedankt zij ten allen tijde het Allerh. Sacrament des Altaars, Amen.
Ik geloof, Lieve Jesus , dat Gij hier onder ons in het Geheim van Liefde zelf tegenwoordig zijt; ik aanbid U uit den afgrond van mijn niet en bedank U voor al Uwe weldaden, maar in het bijzonder voor die weldaad, dat Gij dit H. Sacrament hebt ingesteld; dat Gij mij de genade van het geloof aan Uwe tegenwoordigheid in dit H. Geheim hebt geschonken, en dat Gij mij geroepen hebt om U hier thans te komen aanbidden, Vermeerder, Dierbare Verlosser, mijn geloof en wek in mijn hart op eene dankbare wederliefde. Amen.
Gebed voor onzen Heiligen Vader den Paus.
VVij sraeeken u, o God! Herder en bestierder aller geloovigen, zie genadiglijk neder op uwen dienaar Leo XIII, dien Gij als Opperherder Uwer Kerk hebt willen aanstellen; verleen hem, dat hij met woord en voorbeeld de hem onder-hoorige geloovigen moge stichten, opdat hij eens, met de hem toevertrouwde kudde, tot het eeuwig leven moge ingaan. Door Christus onzen Heer. Amen.
Tot uiïiioeiing der ketterijen.
O Jesus! waarachtig licht, dat eiken mensch verlicht, die in deze wereld komt, verdrijf, bid ik U, door de onschatbare kracht van Uw lijden en dood, al de duisternis der dwaling en geloofs-j verdeeldheid, en geef, dat. alle schepselen Uwe waarheid omhelzen en in den liefdevollen schoot Uwer eenig ware Kerk terugkeeren. Goede Herder, die uw leven hebt ten beste gegeven voor uwe schapen, bescherm Uwe kudde en hoed en verzorg ons als de uitverkorene lammeren uwer weide ; beveilig ons tegen de macht en de hinderlagen van hen, die als valsche Profeten zich in schaaps-kleederen aan ons voordoen, maar die inwendig grijpende wolven zijn. Geef, dat allen slechts een eenigen en denzelfden Herder, Jesus Christus namelijk en Zijn Plaatsbekleeder op aarde, den
en Moeder Gods Maria, van den H. Joseph, Haren Bruidegom, Uwe HH. Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen — de gebeden die wij storten voor de bekeering der zondaren, voor de vrijheid en de verheffing onzer Moeder de H. Kerk. Door Christus onzen Heer. Amen.
H. Aartsengel Michaël verdedig ons in den | strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen des duivels. God gebiede hem, smeeken wij ootmoedig; en Gij, Vorst der hemelsche legermacht. drijf Satan en de andere booze geesten , die tot verderf der zielen over de wereld rondgaan , door de Goddelijke kracht in de Hel terug. Amen.
4. Gebec\'en bfl het kerkbezoek
Aanbidding van het H. Sackament.
Geloofd, aanbeden en gedankt zij ten allen tijde het Allerh. Sacrament des Altaars, Amen.
Ik geloof. Lieve Jesus , dat Gij hier onder ons j in het Geheim van Liefde zelf tegenwoordig zijt; ik aanbid U uit den afgrond van mijn niet en bedank U voor al Uwe weldaden, maar in het bijzonder voor die weldaad, dat Gij dit H. Sacrament hebt ingesteld; dat Gij mij de genade van het geloof aan Uwe tegenwoordigheid in dit H, Geheim hebt geschonken, en dat Gij mij geroepen hebt om U hier thans te komen aanbidden. Vermeerder, Dierbare Verlosser, mijn geloof en wek in mijn hart op eene dankbare wederliefde. Amen.
25
Gebed voor onzen Heiligen Vader den Paüs.
Wij smeeken u, o God! Herder en bestierder aller geloovigen, zie genadiglijk neder op uwen dienaar Leo XIII, dien Gij als Opperherder Uwer Kerk hebt willen aanstellen; verleen hem, dat hij met woord en voorbeeld de hem onder-hoorige geloovigen moge stichten, opdat hij eens, met de hem toevertrouwde kudde, tot het eeuwig leven moge ingaan. Door Christus onzen Heer. Amen.
Tot uitroeiing der ketterijen.
O Jesus ! waarachtig licht, dat eiken mensch verlicht, die in deze wereld koml, verdrijf, bid ik U, door de onschatbare kracht van Uw lijden en dood, al de duisternis der dwaling en geloofsverdeeldheid, en geef, dat alle schepselen Uwe waarheid omhelzen en in den liefdevollen schoot U wer eenig ware Kerk terugkeeren. Goede Herder, die uw leven hebt ten beste gegeven voor uwe schapen, bescherm Uwe kudde en hoed en verzorg ons als de uitverkorene lammeren uwer weide; beveilig ons tegen de macht en de hinderlagen van hen, die als valsche Profeten zich in schaaps-kleederen aan ons voordoen, maar die inwendig grijpende wolven zijn. Geef, dat allen slechts een eenigen en denzelfden Herder, Jesus Christus namelijk en Zijn I\'laatsliekleeder op aarde, den
36
Paus, erkennen en dat allen slechts eene eenige kudde uitmaken. Blijf met ons, Heer, gedachtig aan de belofte, die gij zelf ons gedaan hebt; „Ziet, ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der eeuwen quot; Toon, dat Uwe Kerk gegrondvest is op de steenrots en dat de poorten der hel niets tegen haar vermogen Amen.
Onze Vader — Wees gegroet.
Om de eendracht te verwerven der Christen Vorsten.
O God, uit Wien alle heilige begeerten, alle goede voornemens en alle werken van rechtvaardigheid hunneu oorsprong nemen, verleen aan uwe dienaren dien vrede, welken de wereld niet geven kan, opdat wij in volle onderwerping aan Uwe geboden en bevrijd van alle vree/.e voor onze vijanden, onder uwe bescherming vreedzame dagen mogen beleven. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met u leeft en heerscht, een mei den H. Geest, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Gebed van den H. Franciscüs Xaverids
voou alle ongeloovigek.
Eeuwige God, Schepper van al wat bestaat, gedenk dat de zielen der ongeloovigen door U geschapen en ook naar Uw beeld en gelijkenis geschapen zijn. Zie, Heer, U ten smaad, wordt de hel met die zielen gevuld. Gedenk datJesus,
27
uw Zoon, voor het heil dier onp;elukkigen den bittersten dood gestorven is. Gedoog, bid ik U, niet langer, dat Uw Zoon door de ongeloovigen geminacht worde, maar, verzoend door de gebeden der heiligen en der Kerk, de Bruid van Uw allerheiligsten Zoon, wees Uwer barmhartigheid indachtig en, hunne afgoderij en hun ongeloof vergetend, bewerk, dat ook zij eenmaal erkennen, dien Gij gezonden hebt, onzen Heer Jesus (jhristus, die is onze zaligheid, ons leven en onze verrijzenis, door Wien wij verlost en bevrijd zijn en aan Wien zij heerlijkheid door de eindelooze eeuwen der eeuwen, Amen.
300 dagen afl. Pius IX, 24 Mei 1847.
5. Gebed op de dagen dat men vast.
Almachtige en barmhartige Heer, die liever wilt, dat alle boetvaardige ziel welke U hare schuld belijdt, zich verbetere dan dat zij verloren ga; zie op ons. Uwe dienaren, neder, en wend, om de offerande van versterving, onthouding en vasten, welke wij U tot boete voor onze schulden aanbieden, de gramschap Uwer verontwaardiging van ons af, en vergeef ons al onze zonden.
Wij. bidden CJ, Heer, geef ons, dat wij, door , ^ het heilrijke vasten geleerd, ons van alle ondeugden onthouden, en Uwe erbarming verwerven.
Stort, bidden wij U, ?Ieer, Uwe genade goed-1 gunstig in onze harten uit, opdat wij, liever
33
in den tijd ons vleesch tuchtigen, dan dat wij naar de eeuwige straffen verwezen worden. Verhoor ons, barmhanige Vader. Door Jesns Christus, uwen Zoon. Amen
C. Opdracht der aalmoes.
Goddelijke Zaligmaker die ons hebt geleerd „geef en U zal gegeven wordenquot; zie goedgunstig neder op de liefdegave, die wij naar het verlangen
van Uwen Stedenhouder op aarde offeren; neem 1
dat offer aan tot dankbaarheid voor het offer i
van U zeiven voor ons; neem het aan tot welzijn 1
der jeugd, die aan zoovele gevaren is blootgesteld j
en verleen ons, dat wij meer en meer onthecht (
aan de goederen dezer aarde, matig, rechtvaardig I
en godvruchtig in deze wereld leven en de eeuwige i goederen des hemels deelachtig worden. Door
Christus onzen Heer. Amen. ,|
7. Vóór de Biecht.
Dierbare Verlosser, om deelachtig te worden aan den Jubilé-aflaat, mij door Uw Stedehouder aangeboden, is het een eerste vereische, dat ik mij van alle zonde zuivere. Het Sacrament daartoe door U ingesteld, wensch ik dan ook met bijzondere | voorbereiding te ontvangen; help mij, dat voor- i nemen volbrengen : verlicht mijn verstand opdat *gt; ik mijne zonden kenne; tref mijn hart opdat ik | ze oprecht verfoeie; open mijnen mond om ze |
29
naar waarheid te belijden en schenk mij de kracht om ze nimmermeer te bedrijven. Amen.
1 tientje ter eere van O. L. V. Koningin van den allerh. Rozekrans.
8. Sa de Biecht.
Heb dank, o barmhartige God, voor de onuitsprekelijke blijken Uwer liefde: Gij hebt mij niet in mijne zonden laten sterven, maar in Uwe onbegrijpelijke Lankmoedigheid hebt Gij mij verdragen; — in Uwe nooit volprezene Goedheid hebt Gij mij uitgenoodigd, mij met ü weder te verzoenen; — vol van Barmhartigheid hebt Oij mij, toen ik gehoor gaf aan Uwe nitnoodiging, terstond weder als Uw kind aangenomen. Neen, o mijn God, nimmermeer zal ik U door eene vrijwillige zonde beleedigen; ik zal over mij zeiven en over de mij omringende gevaren waken ; ik zal de middelen gebruiken, die de Biechtvader ter mijner verbetering mij heeft aangeraden. Ach, Barmhartige God, geef toch dat ik dit mijn oprecht gemeend voornemen volbrenge. Amen.
(1 Tientje ter eere van O. L. V., Koningin van den Allerh. Rozekrans.)
{)• Tóór de H. Commnnie.
Tk geloof, o mijn God, dat Gij één zijt in wezen en drievuldig in personen; ik geloof dat
I
30
de tweede persoon der II. Drievuldigheid voor ons is menseh geworden en dat Gij de looner zijt van het goed en de straffer van het kwaad; ik geloof alles, wat Gij ons hebt geopenbaard en door Uwe H. Kerk te gelooven voorstelt; — ik geloof daarom in de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus Christus in het aanbiddelijk Sacrament, dat ik ga ontvangen.
Ik hoop en vertrouw op U, o mijn God, om door de verdiensten van Jesus Christus den hemel te zullen bekomen en alle middelen te zullen verkrijgen, die daartoe noodig zijn.
Ik bemin U, liefdevolle God, uit geheel mijn hart, omdat Gij boven alles beminnelijk zijt; ik bemin mijne naasten, gelijk mij zeiven, omdat Gij mij zulks bevolen hebt.
Ach Heer, terwijl ik zeg, dat ik U bemin, moet ik denken op zoovele afwijkingen en zonden in mijn vroeger leven, daarom roep ik l) toe met Uw Apostel: Heer ga van mij weg, want ik ben maar etn zondig menseh; — met den hoofdman zeg ik tot U; Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak Maar, ach Heer, Gij kent mij. Gij weet wie ik ben en toch noodigt gij mij uit: Komt allen tot mij, die belast zijt en beladen en ik zal U verkwikken. Gij dwingt mij zelfs, om tot U te komen, want Gij roept mij toe: „indien gij het vleesch van ,/den Zoon des menschen niet eet en Zijn bloed z/niet drinkt, zult gij het leven niet in U hebben.quot;
|
I ft
31
Daarom dan Heer, omdat Gij mij uitnoodigt, daarom kom ik tot U en roep ik U toe met onbeperkt vertrouwen: spreek maar één woord en mijne ziel zal gezond worden. Kom spoedig Meer, ik verlang\' naar U, gelijk een dorstend hert verlangt naar de frisselie waterbronnen! Kom Heer, kom spoedig, ik kan niet leven zonder IJ.
10. Na de H. Coiiunmiie.
Duizendmaal dank, lieve Jesus, voor die onuitsprekelijke weldaad. Gij bij mij! en ik bij ü! Hoe gelukkig gevoel ik mij in Uwe goddelijke tegenwoordigheid! Maar eer ik verder tot IJ \' spreek, ach Heer, wiscb eerst alles in mij uit, l wat in mij nog aan U mishaagt en vul alles aan, wat mij nog ontbreekt in Uw heilig oog.
En nu smeek ik IJ voor allen die mij dierbaar j zijn; zegen Heer, onzen H. Vader den Paus, onzen Bisschop en allen, die Gij aan het hoofd Uwer Kerk hebt gesteld; zegen mijne ouders, bloedverwanten en vrienden; zegen hen allen en ceef toch, dat zij U kennen, dienen en beminnen en allen eenmaal zalig mogen worden. Bekeer de zondaren, verlicht de ongeloovigen, bescherm de jeugd, die aan zoovele gevaren, vooral in onze dagen is blootgesteld. God van goedheid en van medelijden, ontferm U toch over de geloovige zielen in het vagevuur; vooral over diegenen, die hier op de wereld met mij verbonden waren
32
en ook over hen, die hier geheel vergelen zijn en die dus aan hulp de meeste behoefte hebben: Heer, geef de geloovige zielen de eeuwige rust en het eeuwig licht verlichte hen, dat zij rusten in vrede.
Zegen ook mij, dien Gij thans bezoekt in de H. Communie; zegen mij naar lichaam en ziel; bewaar mij toch voor zonden en, — ja thans durf ik het ü te vragen, — ach, wanneer eenmaal het uur van sterven voor mij is gekomen, bewaar mij dan toch voor een haastigen en on-voorzienen dood; laat mij eerst bediend worden met de HH. Sacramenten; kroon dan Heer. op dien laatsten dag van mijn leven Cwe tallooze weldaden, kom Gij zelf dan tot mij in de H. Communie, als reisspijze naar de eeuwigheid, opdat in mij vervuld worde liet woord van Uwe belofte : die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, .la dan hoop ik Ü voor eeuwig in den Hemel te bezitten, dienzelfden God, dien ik nu bezit in de H. Communie, maar dan niet meer, zooals nu, verborgen onder die nederige gedaante, maar dan openlijk in Uw glorie, zooals gij de vreugde der engelen en het loon zijt der zaligen Dat hoop ik; dat smeek ik ü; zóó zij het! Amen.
33
11. Geheimen om te gedenken bij het bidden Tan den Rozekran8.
Blijde geheimen :
1°. de boodschap des engels;
3°. bezoek van Maria aan Elisabeth; 3°. geboorte van Christus;
4°. opdracht van Christus in den tempel; 5°. terugvinding van het kind Jesus in Jeru zalem.
Droevige geheimen:
1°. doodsangst in den hof Gethsemani; 2». geeseling van Christus; 3°. doornenkrooning;
4°. Christus neemt het kruis op Zijne schou deren ;
5quot;. Christus sterft op Calvarië.
Glorievolle geheimen :
1°. verrijzenis van Christus;
2°. hemelvaart des Heeren;
3°. zending des H. Geestes;
4°. ten hemelopneming van Maria;
5°. krooning van Maria.
HOOFDSTUK III.
«EZAlVGEaL
[Bij de opgaven lt;lcr zangwijzen, duiden de letters N. M. de Nieuwe MeJodiën, M, de Melodiën aan, in het R. K, Jongenshuis te Tilburg gedrukt, en alom voor geringen prijs te verkrijgen ; — B. wijst op de Gezangen. door J. Bekrendonk te Amsterdam uitgegeven.]
1. Smeekzangr tot den H. Geest.
VENI CREATOR SPIRITUS.
Wijzen : Creator afnte siderum, en andere kerkzangen ; — O Deus, ego mno Te; — O Moeder Gods, o \'einste Maagd ! — M. 27, 69, en vele melodiën.
Kom, Schepper, kom, o Heiige Geest!
Hezoek de harten die Ge U riept,
En met Uw hemelsche gena.
Vervul de zielen die Gij schiept.
35
quot;Dien men als Trooster, als de Gaaf Van God den Allerhoogste roemt; En Levensbron, en Liefde, Vuur, En geestelijke Zalving noemt;
Gij, die met zevenvoude gaaf, Des Vaders rechtervinger blijkt,
Eu als zijn trouw beloftewoord Den mond met milde spraak verrijkt;
Ontsteek de zinnen door uw licht, Stort in de harten liefde neer;
En naar de krankten van ons vleesch , Versterk ons altijd meer en meer.
Verdrijf den vijand ver van ons,
Voer ons den vrede spoedig aan; Dat wij aldus door IJ geleid,
Al wat ons schaden kan, ontgaan.
Geef, dat een elk den Vader kenn\', En God den Zoon met ons belijd\', Dat wij in U, als Beider Geest, Gelooven nu en t\' allen tijd.
Aan God den Vader lof en eer, Aan Zijn uit \'t graf verrezen Zoon Zij lof en eer den Trooster ook Door aller eeuwen eeuw geboon.
36
2. Danklied na de H. Mis.
quot;Wijzen, als Lied 1.
Zoo is dan \'t offer van het Kruis Hier weer gebracht in \'s Heeren huis, Het Lam, dat op Calvarie stierf.
Ons \'t leven door zijn dood verwierf.
\'t Was Jesus, onze Middelaar,
Die Olfer zelf en Offeraar,
Zieh onder schijn van wijn en brood. Voor ons den eeuw\'gen Vader bood.
Hij bracht aan \'s levens Opperheer In onzen naam oneindige eer.
Den dank aan aller gaven Bron,
Zooals geen schepsel brengen kon.
Hij vroeg aan God, door ons vergramd, Op ons te recht in toorn ontvlamd, Vergeving door zijn offerbloed.
En heeft ons, zondaars, weer behoed.
Hij bad met heel de Christenschaar, Thans neergeknield voor \'t smeekaltaar. Bij Zijn verzoenden Vader meê. En vroeg verhooring onzer beê.
37
O Godlijk Lam, voor ons geslacht! ü dan zij onze dank gebracht; Wij smeeken door Uw dierbaar Bloed, Dat Ge ons voor alle kwaad behoedt.
3. Aan Jesns eer!
NA 1)13 H. COMMUNIE.
Wijze: Dat Je sus lev*! B., en M. 16,
1.
Aan Jesus eer!
Zoo stijge ons dankbaar smeeken. Aan Jesus eer! door aarde en hemelheer! O zoete naam, dien ik nimmer kan spreken, Of \'k voel te feller in liefde me ontsteken. Aan Jesus eer! (bis.)
Aan Jesus eer!
Is \'t lied der Christen scharen,
Aan Jesus eer! Hem onzen God en Heer, Die al wie trouw om Hem henen vergaren. Trouw in den strijd voor zijn naam zal bewaren. Aan Jesus eer! (J/is.)
38
3.
Aan Jesus eer Mag ook de zondaar zuchten.
En tot zijn Heer ga Hij rouwmoedig weer; Geen boet\'ling, neen! heeft zijn wrake te duchten, Hij heeft alleen in zijne armen te vluchten, Aan .Testis eer! (bis.)
4.
Aan Jesus eer!
Is \'t lied van \'t zielsvertrouwen,
Aan Jesus eer! zoo roepen we immer weêr; Hoe langer toch wij Zijn wonden bescliouwen, Hoe méér ons ook onze zonden berouwen, Aan Jesus eer! (6is.)
5.
Aan Jesus eer!
Is \'t lied der hemelzalen.
En \'t Eng\'lenkoor valt diep aanbiddend neêr; Dat moet heel de aard\' met haar tongen er. talen, Dat al wat is door alle eeuwen herhalen, Aan Jesus eer! (bis.)
6.
Aan Jesus eer!
Nog eens het aangeheven!
Aan Jesus eer! en immer, immer meer!
39
Aan Hem alléén zij van nü af ons leven ! Aan Hem ^eheél ons ten offer gegeven Aan Jesus eer! (bis.)
7.
Aan Jesus eer!
Zoo blijve ons danklied stroomen, Aan Jesus eer! voor eeuwig onzen lieer! Hij zelf, Hij zélf is nu in ons gekomen, Hij zélf heeft ons tot de zijnen genomen. Aan Jesus eer! (bis.)
4. Maria onbevlekt ontvangen.
. Wijze : M. 50 en vete bekende rrelodteën.
Lieve Moeder van den Heer!
Laat ons om Uw zetel dringen,
Laat Uw kind\'ren U ter eer -ll. \'tZielverrukkend feestlied zingen,
\'t Moet weerklinken luid en blij: 1 Moeder onbevlekt zijt gij 1 ƒ \'s-
\'t Heeft reeds \'t wijde wereldrond En herscheppend overklonken
\'t Woord door Pius\' mond verkond; En uw kind\'ren vreugdedronken
Jub\'len op Uw feestgetij; 1
Moeder, onbevlekt zijt gij! i ^\'s,
Neen dat loflied zwijgt niet meer: Tot aan \'s werelds verste palen Zullen met het hemelsch heer
40
Al Uw kind\'ren \'t luid herhalen
\'t Woord van \'t zalig jubeltij: 1 j. Moeder, onbevlekt zijt gij ! 1 \'
En wij voegen dank en beê Aan de blijde feestgezangen:
Wie, wie dankt niet met ons mee Voor al \'t heil door U ontvangen
In het zalig jubeltij , 1 ^
Moeder, onbevlekt ztjt gij! |
Zonnezuiv\'re Moedermaagd!
Om de glorie ü gegeven,
Hoor ook wat ons hart U vraagt: üat wij na een schuldloos leven
Eeuwig jub\'leh aan Uw zij\': 1 ^
Moeder, Onbevlekt zijt gij! |
5. Aan den H. Josef.
Wijzk : M. 64, als het Oostenrijksch volkslied andere melodiën.
1.
Eenigen. Heü\'ge Josef! trouwe hoeder
Van Uw god\'lijk Voedsterkind, Die Uw\' Jesus heel Uw leven Onuitspreeklijk hebt bemind: ( Heil\'ge Josef! vraag dat wij \' l Hem beminnen zoo als gij.
41
2.
Eeniyen. Heil\'ge Josef! die Uw\' Jesus In üw stulpje met U hadt,
Vaak van d\' arbeid tot Hem opziend, Stil en innig Hem aanbadt:
Allen | Heil\'ge Josef! vraag dat wij 1 Jesus dienen zoo als gij.
| Een if/en. Heil\'ge Josef! door Gods Zone Tn Uw ned\'rig werk verlicht, Daar Maria \'t oog vol liefde
Op haar Kind en Bruigom richt:
Vraag, dat in hun aanschijn wij Ons verblijden zoo als Gij.
4.
É
Eenigen. Heil\'ge Josef! die in de nrrnen
Van Uw Bruid en Pleegkind stierft. En voor Uw getrouwe liefde
\'t Loon der eeuwigheid verwierft; Allpw 1 Heil\'ge Josef! vraag dat wij \'1 Zalig sterven zoo als Gij.
42
6. Aan de HH. Apostelen Petrus en Paulus.
DECORA LUX.
Wijze: o. a.: 0 Hoeder Gods, o reinste Maagd! doch het 5e vers op de herhaling van den 4en mnziek-regel, — of: Maria! wees gebenedijd.
Het heerlijk licht der eeuwigheid Heeft zijn welzalig vuur verbreid En mild den gulden dag bespreid ,
Dis beide A postel vorsten kroont,
Der schuld den open heilweg toont.
Gij, groote Leeraar dezer aard\' !
En Gij, die \'s hemels poort bewaart Die, Vaders, \'t nieuwe Rome sticht, En Rechters, voor Uw aangezicht De volken van Uw zetels richt.
Waar de een door \'t zwaard zijn leven geeft, En de ander door den kruisdood sneeft, Verwinnen beiden door den dood,
Die hun de gloriepalraen bood ,
En \'s levens Vorstenrnad ontsloot.
O zalig Rome, als gij zijt!
Door zulk een kostb\'ren vloed gewijd :
Twee Vorsten sierden door hun bloed U met zóó schoon een purpergloed,
Dat ge alle schoon hier zwichten doet,
43
Zij glorie U , Drievuldigheid !
En zonder einde toebereid ;
Eer, macht en jubei U alleen,
Die \'t Al regeert , van wezen één,
Door al der eeuwen eeuwen heen.
7. Smeeklied aan den H. Willibrordns, Apostel en Patroon der Nederlanden.
Wijzen, als Lied I.
O Willibrord , die van omhoog Ons gaslaat met beschermend oog,
Hoor \'t nageslacht der vad\'ren aan, Met wie Gij zelf hebt omgegaan.
Zie Neerland aan, Uw roem en kroon. Gij onze Apostel en Patroon !
Hier hebt Gij, moedig Godsgezant,
Hier Jesus heilbanier geplant.
Hier half een eeuw zijn naam verbreid , Zijn Bruid een\' zetel toebereid ;
Hier door Uw ijver en gebed Mijn vad\'ren uit den dood gered.
Ach! elfmaal ging een eeuwkring rond. Sinds Gij hier Satans rijk verwont, En nu! ach meer dan \'t half geslacht Het zonk terug in \'s vijands macht.
44
Geliefde Vnder en Patroon !
Zie Neerland aan, Uw roem en kroon : Bid, Willibrord! bid bij den Heer,
Dat al wie doolt eens wederkeer.
Ach voer hen met Uw trouw gezin , Ach voer ook hén uw glorie in :
O Gij die \'t Kruis hier hebt geplant, Bid voor Uw dierbaar Nederland !
8. Jubellied aan de HH. XIX Martelaren van Gorknm.
Wijzen , als Lied I. en B. 60.
Tot U, o Gorkuras Heldental!
Weerklinke luid mijn lofgeschal;
Tot ü, door wie mijn ziel ontgloeit, Van dankb\'ren jubel overvloeit.
Gedenk ik , hoe Ge op onzen grond Uwe onverwelkb\'re kroonen wont,
Dan juich ik bij Uw heldenmoed :
Ook ik ben van Uw Neêrlandseh bloed !
Ik juich, als Ge in den dood niet buigt, Maar trouw voor \'t Hoofd der Kerk getuigt, En nu, door \'s Pausen hand gekroond, Als Heil\'gen in Gods glorie troont.
45
Ik juich, als Gij zoo onversaagd Maria Moeder prijst en Maagd,
En onze en \'s hemels Koningin :
Verrukt stemt heel mijn ziel het in !
Maar sterft Gij voor \'t Geheimenis ,
Waar Jesus zelf ons voedsel is : Dan, naamloos is mijn ziel verblijd,
Dat ik het ook met ü belijd.
Dat ik met U één God, één Heer, Eén Geest, één lichaam, doop en leer In de ééne Moederkerk beken.
En onverdiend haar kind ook ben.
Drie eeuwen vloden sedert heen,
En ons en Uw geloof is één :
O voer\' het, bij één hoop, één min ,
Ook ons Uw Kerk der glorie in !
9. Loflied tot onzen Heiligen Engelbewaarder.
Wijzk : Creator alme siderum of O Moeder Gods*
Luid klinke een loflied U ter eer , Verheven dienaar van den Heer,
U , die mij steeds hebt bijgestaan ,
Op heel mijn aardsche levensbaan.
46
Als Satan , vol van grimmigheid ,
Mijn ziel tot zonden ooit verleidt, Dan jaagt Gij op mijn eersten zucht, Den helschen vijand op de vlucht.
Eoep ik tot God in angst of smart, Of prijs ik Hem met dankbaar hart, Dan wordt mijn bede voor zijn troon Door U , mijn engel, aangeboón.
Zoo doet Gij tot mijn laatsten snik , Om in dat vrees\'lijk oogenblik,
Waarop ik dikwijls angstig staar, Mij bij te staan in \'t laatst gevaar.
Heb dank , o God , die onverdiend, Uit liefde alleen mij zulk een vriend Geschonken hebt, om aan Zijn hand, Te naad\'ren \'s hemels vaderland.
Daar in dien hemel, naamloos schoon , In Uw gezelschap bij Gods troon , Daar zal ik , engel die mij leidt, U danken in alle eeuwigheid.
47
10. Smcekzang tier jeugd tot den H. Stanislaiis.
wijze : Creator Alme eü o Moeder Gods.
Wij zingen jub\'lend U ter eer, O Stanislaüs , die veel meer Als jongeling God hebt bemind ,
Dan al wat de aard bemin\'lijk vindt,
Geen rijkdom , eer , beroemde naam Met mensch\'Iijk opzicht al te zaam , Vermochten ooit dien liefdegloed Te dooven in uw rein gemoed.
Het heerlijk schoon der eng\'lendeugd Schonk U een voorsmaak van de vreugd, Die God ons allen heeft bereid ,
In \'t rijk der eemv\'ge zaligheid.
Hem die daar in Zijn glorie troont,
Doch onder ons verborgen woont,
Hebt Gij met Godsvrucht, naam\'loos groot Aanbeden onder schijn van brood.
Maria hebt gij teêr bemind,
Zij was uw Moeder, — Gij haar kind. Geleid door hare moederhand ,
Kwaamt Gij in \'t hemelsch vaderland.
O Heiige Gods , wij smeeken U ,
Ach in Uw glorie , denk daar nu Aan ons, en vraagt den lieven Heer, Dat wij Hem minnen meer en meer.
48
11. Lofzang tot den H. Aloysins.
wijze : 0 zalig Heilig Bethlehem!
1.
Daalt Eng\'len, daalt van \'t hemelsch hof. Met zoet gezang en zegevanen :
Een andere Engel vraagt uw lof, Een Engel uit ons dal van tranen ;
Als Noë\'s duif, vloog hij \'t gevaar Der ongestuime wereld over;
Komt, zingt zijn lof met ons te gaar , En kroont zijn hoofd met gouden loover.
2
Zijn strijd was kort, maar groot Zijn moed. Die roemrijk Hem deed zegepralen;
Hij trad de kroon hier met den voet, Om met de hemelkroon te stralen.
Vergeefs zocht met haar weidsche pracht De wereld Hem tot zich te trekken :
Als slijk heeft Hij haar goed geacht, Het kon geen wijl Zijne aandacht wekken.
3.
O Aloysius! gij waart Maria\'s kind van zegeningen ,
Een zuivere Engel reeds op aard\'. Het toonbeeld aller jongelingen.
49
Aan God gaaft Ge U tfin offerand\' , in leefdet ver van alle zonden ;
fJe lelietak bleef in Uw hand Gausch ongerept en ongeschonden.
4.
Beminde Schutspatroon der jeugd !
O toonljeeld van een hemelsch leven! Beveilig onze zwakke deugd ,
En leer ons naar den hemel streven ;
Vraag , engelreine jongeling !
Zoo wij , helaas ! Uwe onschuld derven Dat wij de vreugd van d\'Eng\'lenkring Door ware boete nog verwerven.
12. Smeekzaugr aan alle heilijjen.
PI.ACARE, CHRISTE , SERVULIS.
wijze : O J e s u s 1 vleeschgewordeu Woord-of ook, als Lied 1.
Sla , Christus ! weer verzoend ons ga,
Nu , bij Uw zetel van gena ,
Zij voor ons spreekt, de teed\'re Maagd , En vrijspraak van *den Vader vraagt, (t e r.)
Gij , in Uw negenvoude sfeer,
Bescherm ons, zalig Eng\'lenheer !
Weer wat ons schaadde, nóg ons schaadt, Weer al het ons *nog dreigend kwaad. (ter).
50
Apostel- en Profetental !
Verbidt den Eechter van \'t heelal,
Dat Hij, wie waarlijk schuld beween\', Erbarming en *gena verleen\', (ter)
Gij, Mart\'laars in Uw purpergloor! Gij , meêbekroond Belijd\'renkoor !
Eeikt aan ons , ballingen , de band ,
Roept ons tot U *m \'t vaderland, (t e r.)
Gij , Maagdenkoor, zoo rein en blij ! En wie de diepe woestenij Ten hemel zond : vraagt bij Gods troon , Een plaats voor ons *in \'s hemels woon.
Het trouweloos geslacht ontwijk\'
Uit alle grens van Christus\' rijk,
Dat ons, één Schaapstal als weleer. Één Herder weer *vereend regeer . (ter.)
Zij God den Vader lof geboön , En \'s Vaders Ééngeboren Zoon ;
Zij lof den Trooster ook bereid.
Van nu af tot *in eeuwigheid, (ter.)
51
13. De Vjjftien Geheimen van den Bozekrans.
1.
De vijf Blijde Geheimen.
Wijze: M. 56; en: Wij groeten u, o euiv\'re Maagd!
Eenigen. Gods vaderoog sloeg de aarde ga , Een Engel daalt met spoed: „Weesquot;, sprak hij, „o gij vol gena, «Maria! wees gegroetquot;.
/lil™. i Maria \' Koninginne !
I O gij vol moederminne !
En zoo j gta ons bij in allen nood , vervolgens. I In den dood Maria ! (5m.)
1.
Naauw heeft ze uit Gods gezant gehoord,
Wat \'s Heeren wil behaagt:
Of zij stemt in , - en \'t eeuwig Woord Nam \'t Vleesch aan uit de Maagd. Allen. Maria Koninginne ! enz.
2.
En zij, die \'s werelds Schepper droeg ,
Is tot haar nicht gegaan ,
Om dienend waar de nood het vroeg, Aan hare zij te staan.
Allen. Maria Koninginne ! enz.
■
52
3.
Zij trekt naar Davids kleine stad,
Daar baart zij \'t god\'lijk Kind!
Dat mét haar \'t hemelsch heir aanbad, En zij in doeken windt.
Allen. Maria Koninginne ! enz.
4
Zij bood Het God ten offer weer In Salems tempelstee:
,/Laat nuquot;, sprak Simeon, «o H^er! „Uw dienaar gaan in vreequot;.
Allen. Maria, Koninginne! enz.
5
Wat blijdschap voelde uw moederhart, Maria ! nu ge uw Kind ,
Zoo lang gezocht met zooveel smart,
In \'s Heeren tempel vindt.
Allen. Maria , Koninginne ! enz.
II.
De vijf Deoevige Geheimen.
Wijze; M. 57.
Wie is er, Moeder! die het meldt, Hoe u het harte brak.
Toen \'t zwaard, van Simeon voorspeld, U zevenwerf doorstak.
Allen. Maria, Koninginne! enz.
53
1.
Gij zaagt den Heer, Gethsemané! Bedroefd tot in den dood;
Hoe \'t bloed, dat de angst Hem storten deê. Op de aarde nedervloot.
Allen. Maria , Koninginne ! enz.
3.
Mijn Jesus ! ach , wat foltering !
\'k Zie diepe wond bij wond,
De striemen van de geeseling,
Die Gij voor ons doorstondt.
Allen. Maria , Koninginne / enz.
3.
Nu mengt de moedwil pijn en hoon Wreedaardig ondereen :
Euw vlecht de beul een doornen kroon Om \'s Heeren hoofd nog heen !
Allen. Maria, Koninginne! enz.
4.
Mijn Jesus sleept, bedekt met bloed,
Zijn kruis naar Golgotha;
Wie onzer draagt niet welgemoed Voortaan zijn kruis Hem na.
Allen, Maria , Koninginne ! enz.
54
5.
Hij sterft aan \'t smart\'lijk kruis gehecht, Zijn moeder ziet het aan !
Ach, toen is \'t zwaard, zoo lang voorzegd. Diep door haar ziel gegaan !
Allen. Maria , Koninginne I enz.
III.
De vijf Glorierijke Geheimen.
Wijze ; M. 58 en 59.
Juich, Moeder! juich, uw Zoon regeert In opperheerschappij ;
Uw droefheid is in vreugd verkeerd , Gij heerscht nu aan zijn zij.
Allen. Maria , Koninginne ! enz.
1.
De Heer, de Heer is opgestaan ,
En leeft nu voor altijd!
O dood ! gij jaagt geen vrees meer aan : Uw prikkel gingt ge kwijt.
Allen. Maria , Koninginne! enz.
3.
Daar klimt Hij door de sterrenbaan , Een Eng\'lenpaar daalt neer,
En kondigt d\' elf Apost\'len aan:
z/Zoo keert Hij eenmaal weerquot;.
Allen. Maria , Koninginne ! enz.
55
3.
Hij zendt hun d\' afgebeden Geest Die licht en krachten geeft;
De Apost\'len tuigen \'t onbevreesd , Dat Jesus weder leeft.
Allen. Maria , Koninginne ! enz.
4.
Toen gij , o Maagd ! van liefde stierft, Schonk Hij u \'t rijksgebied,
Dat ge in uw mart\'laarschap verwierft, En thans met Hem geniet.
Allen. Maria , Koning inne ! enz.
5.
Daar werdt gij door uw eigen Zoon Gekroond tot Koningin,
En schittert naast zijn glorietroon Voor uwe moedermin.
Allen Maria , Koninginne! enz.
14. Magnificat.
Lofzakg van Maria.
Magnificat anima mea Dominum.
Et exuitavit spiritus mens * in Deo salutari meo.
Quia respexit humilitatem ancillae suae: * ccce enim ex hoe beatam me dicent oranes gene-rationes.
56
Quia fecit mihi mngna qui potens est, * et sanctum nomen ejus.
Et misericordia ejus a progenia in progenies, * timentibus eum.
fecit potentiam in brachio suo; * dispersit superbos mente cordis sui.
Deposuitpotentes de sede, * et exaltavit humiles.
Esurientes implevit bonis, et divites dimisit inanes.
Suscepit Israël puerum suum, * recordatus raisericordiae suae.
Sicut locutus est ad patres nostros ,* Abraham et semini ejus in saecula,
Gloria Patri, etc.
15. Adoro Te.
Adoro Te devote, latens Deitas,
Quae sub his figuris vere latitas;
Tibi se cor meum totum subjicit,
Quia Te contemplans totum deficit,
(Koor.) Ave Jesu, Pastor fidelium,
Adauge fidem omnium in Te crcdentium.
In cruce latebat.quot; sola Deltas.
Sed hie latet simul et humanitas;
57
Ambo tarnen credens atque confitens,
Peto quod petivit latro poenitens.
{Koor.) Ave Jesu, Pastor fidelium,
Adauge fidem omnium in Te credentium.
Pie Pelicane, Jesu Doraine,
Me immundum munda tuo sanguine,
Cujus una stilla salvum facere Totum mundura quit ab orani scelere.
[Koor.) Ave Jesu, Pastor fidelium,
Adauge fidem omnium in Te credentium.
16. Lofzang Te Denm.
Te Deum laudamus: Te Dominum confitémur. Te aetérnum Patrem: omnis terra veneratur. Ti\'oi omnes Angeli: Tibi coeli, et universae potestates,
Tibi Cherubim et Seraphim; incessabili voce proclamant;
Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus Sabaoth
Pleni sunt coeli et terra: majestatis gloriae tuae. Te gloriosus Apostolorum chorus, Te Frophetarum laudabilis numerus, Te Martyrum candidatus laudat exércitus. Te per orbem terrarum, sancta confitétur Ecclesia,
Patrem immensae majestatis,
Venerandum tuum verum et unicum Filium,
58
Sanctum quoque Paraclitum Spiritum,
Tu rex gloriae, Christe.
Tu Patris sempitemus es Pilius
Tu ad liberandum suscepturua hominem: non horruisli Virginis ütemm.
Tu devicto mortis acüleo: aperuisli credentibus regna coelorum.
Tu ad dexteram Dei sedes; in gloria Patris.
Judex créderis esse venturus.
— Te ergo quaesumus, tuis famulis sübveni: quos pretioso sanguine redemisti.
Aeterna fac cum sanctis tuis: in gloria numerari.
Salvura fac populum tuum, üomine: et bene-dic hereditati tuae.
Et rege eos: et extolle illos usque in aetcrnum.
Per singulos dies, benedicimus Te.
Et laudamus nomen tuum in saeculutn: et in saeculum saeculi.
Dignare, Domine , die isto: sine peccato nos custodire
Miserere nostri, Domine: miserere nostri.
Fiat misericordia tua, Domine, super nos: quemadmodum speravimus in Te.
In Te, Domine, speravi: non confundar in aetérnum.
INHOUD.
HOOFDSTUK I.
ONDERRICHTINGEN.
Blz.
1. Wat is een aflaat ?.......3
2. Wat is een Jubilé-aflant......9
3. Wat wordt er van ons gevorderd tot het verdienen van den Jubilé aflaat in 1886? 15
HOOFDSTUK II.
GEBEDEN.
1. Opdracht bij het morgengebed .... 17
2. Oefening bij het avondgebed.....18
3. Misgebeden..........19
4. Gebeden bij het Kerkbezoek.....24
5. Gebed op de dagen waarop men vast . 27
6. Opdracht der aalmoes.......28
7. Vóór de Biecht.........28
8. Na de Biecht.........29
60
Biz.
9. Vóór de H. Communie......29
10. Na de H. Communie.......31
11. Geheimen te bedenken bij het bidden van den Rozekrans........33
HOOFDSTUK III. f,
GEZANGEN.
1. Smeeklied tot den H. Geest. — Veni Creator. 34 3. Danklied na de H. Mis......3fi
3. Aan Jesus eer 1 ........87
4. Jubellied aan Maria, Onbevlekt Ontvangen 39
5. Aan den H. Joseph.......40
6. Aan de H. H. Apostelen Petrus en Paulus. 42
7. Smeeklied aan den H Willibrordus, Apostel
en Patroon van Nederland.....43
8. Jubellied aan de H. H. XIX Martelaren van Gorkum..........44
9. Loflied tot onzen H. Engelbewaarder. . 45
10. Smeeklied der jeugd tot den H. Stanislaus. 47
11. Lofzang op den H, Aloysius .... 48
12. Smeekzang aan alle Heiligen .... 49
13. De vijftien geheimen van den Rozekrans. 51
14. Magnificat...........55
15. Adoro Te...........56
16. Te Deum...........57
■
Bi;; den Uitgever dezes is mede verkrijgbaar ;
De Maand van Maria, uaar het Italiaansch,
dooi* een 11. K. Pr. . . . f 0.40
quot;idem in linnen ............. » 0.65
Jesns ouzo liefde. Nieuw Coiumunieboekjs voor Godminnende zielen , door H. J. DE JoiNü,
Pastoor ie üt;lden. lu linnen baud . „ 0.75
Idem in chagrin goud op snee . . . « 1.50
Vraagt lt;•:: uij zult verkrijgen. Verzameling van gebeden in alle omstandigheden des levens, in linnen band. . . ........ 0.45
liet leven van de H. Maagd, volgens de beschouwingen van Anna Catharina van
Emmerich .... ...... . „ 1.75
De glorie van Maria, door Alp. M. dk Liguori gt;; 1.— De Bruid des ivonings, door W. van Nieuwen-
hof f S. .1.............;; 0.50
De ware Bruid van Jesns Christus, door H.
Ai-p. M. de Liguori. 2 deelen.....\'w 1.50
Maria Moeder van Jesns. Geschiedenis der Allerh. Maagd en Moeder Gods. door O. H.
F. Jamar..... ....... 3.-
Schnpniiers, Missie Kruisjes en Medailles.