-ocr page 1-

vooral met het oog op de wenschelijkheid van het oprichten van een ABATTOIR.

VOORDRACHT,

GEHOUDEN

in de Algemeene Vergadering der Vereeniging tot Verbetering der Volksgezondheid te Utrecht !

op 15 April 1890

3D. F. ^T-J^IST ES-V33LID,

Leeraar aan \'s Rijks Veeartsenijschool.

V

I

! K3

1 i

121

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

■quot;\'V

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2911 062 8

-ocr page 5-

é?, /4/S-

3279

mi! m ™ ie

vooral met het oog op de weuschelijkheid van het oprichten van een ABATTOIR.

VOORDRACHT

GEHOUDEN

in de Algemeene Vergadering der Vereeuiging tot Verbetering der Volksgezondheid te Utrecht

op 15 April 1890

ID- F. ES ATquot; ZEIL ID,

Leeraar aan \'s Rijks Veeartsenijschool.

f -

UTRECHT,

J. YAHquot; BOEKHOVEN. 1890.

: \' i

X

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Sit. M.

Hol onderworp, waarovor ik heden avond wil spreken, is niol nieuw voor onze Vereoniging.

Do titel ((keuring van vloescli» moge anders klinken dan die van «openbare slacli thuizen», waaronder dit onderwerp vooral in do jaren 1807, \'69 on \'77 in onze Voreeniging word besproken, maar de zaak blijft dezelfde en hot zou in don legen woo rdigen tijd verkeerd zijn om — vooral voor onze grootere stodon — beide onderworpen te scheiden.

Het blijft een dringenden eisch dor openbare hygiëne dat in alle stedon algemoono slachlhuizen ol\' abattoirs worden opgericht , met verplichting der slagters om ajflaar to slachten. Alleen dan hooit men zekerheid dat do keuring behoorlijk kan geschieden en behoeft men niet voortdurend bevreesd te zijn om met hot vloesch ziektekiemen in zich op te nemen, wier verdere ontwikkeling do schromolijkste gevolgen kan hebben.

Het is mijn voornomen de keuring na te gaan speciaal mot hot oog op de voordeelen die eon abattoir kan aanbieden en ik hoop U de overtuiging te verschaffen dat hel moer dan tijd is, om gevolg te geven aan hol besluit van onzen gemeenteraad tol do oprichting van een abattoir, oen boshut waarvan wij op 24 Juli a. s. do -jarige gedenkdag kunnen vieren.

Hel onderworp ((keuring van vloesch» is te uitgebreid om

-ocr page 8-

het hier in zijn geheel te behandelen, waarom ik dan ook in hoofdzaak een drietal punten met U wil nagaan n.1.:

1°. de noodzakelijkheid der keuring;

2°. de toepassing der keuring;

3°. de verbeteringen die in de keuring kunnen aangebracht worden.

Het antwoord op de vraag of keuring noodzakelijk is, luidt tegenwoordig wel overal bevestigend. Dat kan trouwens moeielijk anders, daar liet vleesch reeds van oude tijden al\'zulk eene belangrijke rol in de voeding van den mensch heeft gespeeld en men — vooral in de laatste 40 jaren — zoowel hier te lande als elders op dit punt reeds heel wat leergeld heeft betaald.

Reeds bij de oude volken als Egyptenaren, Israëlieten, Grieken, Romeinen en Carthagers, ja zelfs bij de eerste Christenen, vinden ■ wij in de spijswetten belangrijke voorschriften omtrent het gebruik van vleesch, die waarschijnlijk hun ontstaan te danken hadden aan enkele ziekten na het gebruik van vleesch voorgekomen, of aan ongesteldheden die de priesters zich bij de behandeling der offerdieren op den hals haalden. Het stond toen algemeen vast dat vleesch, afkomstig van zieke of gestorven dieren, niet mocht worden gebruikt en telkens werd er op gewezen dat vleesch alleen goed gekookt of gebraden tot voedsel voor den mensch mocht dienen. Ook in later lijd deden de geestelijken op dit punt nog hun invloed gelden, want in de 8ste eeuw verbood Paus üonifacius nog het gebruik van paardenvleesch en wees hij op de noodzakelijkheid om varkensvleesch en vooral spek vóór het gebruik goed te koken of te rooken.

In de middeneeuwen was de controle op vleesch in enkele streken reeds zeer scherp, want in de \'IS46 eeuw werden de slagers tot schadevergoeding veroordeeld en boete werd ben

-ocr page 9-

5

opgelegd zoo ziekten uitbraken, ton gevolge van liet gebruik van vleesch door hen geleverd.

In Frankrijk werd in \'1350 bepaald dat hel vleesch des zomers 1 \'/2 dag, des \'s winters slechts 2 dagen mocht bewaard worden en er werden meer en meer voorschriften gegeven loen in 1530 in Dnitschland de vleesch- en broodzetting werd ingevoerd, die zich van daaruit over liet grootste gedeelte van Europa verbreidde en die hier en daar enkele jaren geleden nog bestond. De fransche slagers werden in 1551 bij lijf-straffe gedwongen iederen dag versch, zuiver, onbedorven vleesch voorradig Ie hebben en in 1599 werd, bij het heerschen van runderpest of miltvuur, in Venetië op doodstraf verboden vleesch van aan de zieklp gestorven of daaraan lijdende dieren te gebruiken. Onder Lodewijk XIV wei\'den ambtenaren aangesteld om op de markten de varkens op finnen of gortigheid te onderzoeken; daar deze ziekte onder de long het gemakkelijkst Ie zien is, was de hoogdravende lilel voor die ambtenaren, «conseillers du roi, juré langeyeurs de pores», niet kwaad gekozen. Ook in ons land vinden wij tijdens liet heerschen der runderpest enkele maatregelen aangegeven, die mogelijk meer tegen de verbreiding der ziekle waren gericht; zoo verboden de Stalen van Holland en West-Friesland, bij plakkaat van 10 Maart \'1732, het gebruik van vleesch afkomstig van zieke dieren en de Slaten-Generaal beslisten den 0den November 1744 dat in de generaliteitslanden alle aan de ziekte quot;cstorven dieren in hun ueheel moesten begraven worden.

C1 O O

De ontwikkeling der Veeartsenijkunde had op de meeningen omtrent de gevaren — verbonden aan het gebruik van vleesch afkomstig van zieke dieren — een zeer ongunstigen invloed. Het bleek n.l., vooral in grootere steden, meermalen, dat dergelijk vleesch zonder nadeel kon gebruikt worden en langzamerhand won de meening, dat vleesch afkomstig van zieke

-ocr page 10-

6

dieren volkomen onschadelijk was, meer en meer veld, wanl — zoo beweerde men — schadelijke bestanddeelen er in worden door de toebereiding en vooral door de inwerking der spijs-verleringsvochlen vernietigd. Toch werden eersl in 1785 dooi\' de prnissische regeering alle beperkende bepalingen omtrent hel, gebruik van vleesch — alkomslig van dieren aan parel-ziekle ol\' tuberculose lijdende — opgeheven.

Tot omstreeks het midden dezer eeuw was het dan ook voor de slagers in vele opzichten een gulden lijdperk, maar de publieke opinie werd onzachl wakker geschud. Reeds meermalen liad men enkele ziektegevallen aan het gebruik van vleesch toegeschreven en in 1839 verkreeg men voor deze meening een eclalanl bewijs; te Andelfingen in Zwitserland n.l. werden bij een groot zangersfeest 44-4 personen ziek na liet uebrnikcn van vleesch en 10 daarvan stierven aan de eevoken.

Meer nog werd de aandachl O]) liet vleesch gevestigd loen Küchenmeister in 1852 hel verband aantoonde lusschen de linnen van hel varken (cyslicoivus cellulosae) en den gewapenden lintworm (taenia solium) van den mensch en vooral loen in 1800 de onderzoekingen van Zenker te Dresden leerden, dat de Irichina spiralis (een wormjije in het spiervleesch van den mensch, dal reeds van 1835 bekend was) alkomslig was van het varken. In Saksen en Xoord-L)nitschland eischte de Irichinose heel wal offers; wij behoeven hiervoor slechts le wijzen op de endemie le Iledersleben in 1805, waar van de 2000 inwoners 337 werden aangetast en 101 aan de ziekle bezweken. Nagenoeg le gelijkerlijd n.l. in 1805/66 wees Villemin op liet verhand dal er kan bestaan lusschen de tuberculose, parelziekte ol\' inwendige pokken onzer huisdieren, speciaal van hel rund, en de bekende tering bij den mensch en de bepalingen omtrent de keuring van vleesch werden op vele plaatsen zeer verscherpt loen den 24\'sten Maart 1882

-ocr page 11-

Robert Koch dc luberkel-bacil aantoonde en bewees dat de ziekle van menscb en dier identisch was.

Deze enkele voorbeelden — gedeeltelijk uit de geschiedenis geput — zullen wel voldoende zijn om U !e overtuigen dal keuring van vleescli in liet algemeen noodzakelijk is.

Ter beantwoording der vraag op welke wijze de keuring wordt toegepast, zullen wij ons alleen tol ons eigen land bepalen. In het algemeen kunnen wij zeggen dal dc keuring hier te lande op geen hoogen Irap slaat, ja, dal wij zelfs liij dc naburige landen zeer ton achteren zijn.

In verschillende gemeenten — niet alleen len platte lande maar ook in steden -— bestaat geen keuring; hoogstens wordt hier en daar op last van den Burgemeester het lijk door een deskundige geschouwd, om Ie beoordeelen of het vleesch in consumtie kan worden gebracht. In andere gemeenten bestaat ccne keuring, die echter veel Ic wcnschen overlaat; zij wordt veelal uitgeoefend door personen die niet als deskundigen mogen beschouwd worden, personen die zeer bruikbaar kunnen zijn daar waar hel alléén vleesch van gezonde dieren geldt, maar die geen oordeel kunnen vellen of vleesch van zieke dieren aan de consumtie moei worden onttrokken, daar het schadelijk kan werken als voedsel voor den mensch.

Zal dc keuring eenigen waarborg geven, dan moet zij door of onder toezicht van een gediplomeerd veearts geschieden, die hel dier levend en geslacht keurt en bij de laalsle keuring alle ingewanden van hel dier nauwkeurig inspecteert. Is dit nu altijd mogelijk?

Een ontkennend antwoord moet op deze vraag worden gegeven en ten einde Li dit Ie bewijzen willen wij de verhouding in de stad onzer inwoning nagaan.

Utrechl had — wat ons land betreft — op hel gebied van vleeschkeuring, ten minste in deze eeuw, steeds een

-ocr page 12-

8

goeden naam en ik geloof niet Ie veel te zeggen wanneer ik beweer dat enkele jaren geleden nog in geen der grootere steden van ons land de keuring beter geregeld was dan Iiier.

Ook nu nog kunnen wij de keuring hier ter stede — voorzooverre die zonder een openbaar slachthuis mogelijk is — zeer goed noemen, zoodat enkele plaatsen, o. a. nog in hel afgeloopen jaar Dordrecht en Leeuwarden, de keuring geheel op Utrechtsche leest hebben geschoeid, terwijl \'s Gravenhage waarschijnlijk spoedig dit voorbeeld zal volgen.

Runderen, kalveren en paarden worden op hel kantoor van keuring aan de Cathrijnepoort levend gekeurd; van daar het hinderlijk vervoer van slachtvee in onze gemeente. De kleinere dieren, speciaal varkens, worden — om het vervoer dooide stad te vermijden en het lastige geschreeuw in de omgeving van het kantoor van keuring te doen ophouden — alleen geslacht gekeurd. De slager geeft aan het kantoor den tijd aan waarop het dier geslacht zal worden.

Hel personeel met de keuring belast bestaat uit één \'ist0 keurmeester (die veearts moet zijn) en drie keurmeesters. De lsle keurmeester, die in alle twijfelachtige gevallen moei beslissen en die bovendien met de mikroskopische onderzoekingen en met de administratie belast is, visiteert op onbepaalde tijden de slachtplaatsen, hallen, vleesch- en spek-winkels, terwijl hij bovendien minstens viermaal per jaar de veestallen en de bewaarplaatsen van levend vee inspecteert en het toezicht op de vee- en paardenmarkten houdt; in geval van nood verricht hij ook de gewone keuringen.

Minstens één der keurmeesters moet steeds op het kantoor aanwezig zijn (des zomers van 8—1 en van 3—0, des winters van 9—1 en 3—5 uur) lot keuring van levend vee en van het ingevoerde vleesch, en een tweede moet zijn hoofdwerk maken van het tegengaan van den frauduleusen invoer van

-ocr page 13-

9

vleesch. Overdag is er dus hoogstens één keurmeester be-schikbaar (des avonds zijn er in den regel twee) om in de verschillende slachtplaatsen, 114- in aanlal en door de geheele stad verspreid, de zoogenaamde doode keuring te verrichten. Volgens de cijfers van 1888 moeten er gemiddeld per dag gekeurd worden 21 runderen, 13 kalveren en 36 varkens en bovendien nog enkele nuclitere kalveren, schapen, geilen en paarden. Voegt men daarbij een aantal van 378 winkels, waarvan vele in de buitenwijken, waar vleesch, spek of toebereide vleeschwaren worden verkocht en die ook, al is hot niet alle dagen, moeten gecontroleerd worden, dan is het te begrijpen dat — zelfs met vermeerdering van het personeel — het onmogelijk is dat de keurmeesters bij alle slagers op het meest gewenschtc tijdstip voor do keuring, d. i. bij de opening der dieren of onmiddelijk daarna, tegenwoordig zijn. De slagers kunnen niet lot des avonds wachten, want liet uitnemen der ingewanden moet spoedig geschieden, zoodat dus bij den komst van den keurmeester do dieren reeds aan den haak hangen en de ingewanden er los bij liggen.

Wie waarborgt nu dat de vertoonde ingewanden werkelijk die van het dier in qnaeslie zijn?

Darmen, lever en longen van een rund kunnen b.v. door parelziekte zijn aangedaan, terwijl de vliezen die borst- en buikholle bekleeden daarvan zijn vrijgebleven. Wanneer nu de zieke organen, hetzij alle, heizij enkele, zijn verwisseld, kan de keurmeester hol proces over het hoofd zien of wel de ziekte voor lokaal houden en het vleesch onder zekere beperkingen voor de consumlie goodkouron; ware hij bij de opening tegenwoordig geweest ol\' ware verwisseling dor ingewanden verhinderd, hij zou — daar hel ziekte-proces algemeen was — hebben afgekeurd.

Eene bepaling te maken waarbij de slagers verplicht worden

-ocr page 14-

10

al de ingewanden in of aan het dier Ie laten loldal de keuring lieel\'l plaals gehad, zou terecht veel tegenstand ontmoeten, daar er technische bezwaren aan verbonden zijn, maar bovendien zou het bedrijf, vooral dal der varkensslagers, ook in den zomer zeer veel daaronder lijden.

Letten wij op de keuring van het ingevoerde vleesch. Artikel ^ onzer verordening bepaalt dat alle ingevoerde vleesch naar hel kantoor van keuring moet worden gebracht. Vleesch voor slagers ol\' vleeschverkoopers bestemd, mag van runderen hij geen kleinere stukken dan van 25 Kg. en van ander vee bij geen kleinere dan halve deelen van hel geslachte beest worden ingevoerd. Van dit artikel hcci\'l men officieus vrij-gesteld al hel toebereide vleesch, als worst, ham, amerikaansch spek, enz,, omdat er aan het kantoor van keuring geen voldoende ruimte is.

Aan het vleesch, in kleine stukken ingevoerd, zooals dat voor particulieren plaals heeft, valt weinig Ie zien en over de onschadelijkheid er van is niet altijd een oordeel Ie vellen, liet kan afkomstig zijn van parelzieke runderen, van dieren die om een of andere reden in nood zijn geslacht, van dieren die soms lang ziek zijn geweest of die zelfs voor den mensch hoogst schadelijke geneesmiddelen hebben gebruik!. De huilen-slagers — die volstrekt niel onder controle staan — kunnen alleen om die reden al het vleesch goedkooper leveren, maar zoo de kooper steeds wist welk vleesch hij ontvangt, zou hij zeker op dat prijsverschil niet zien.

In de paaschweek nog had ik gelegenheid mij te overtuigen van de waarheid der woorden van den lsten keurmeester L. J. van Rhijn, te vinden in zijn jaarverslag over 1887, n.1.: «het ingevoerde vleesch, voor particulieren bestemd, was voor het kleinste deel van goede qualiteit; het grootste gedeelte kan gerangschikt worden onder vleesch 2e soorl. Dit

-ocr page 15-

II

moge nu dooi\' scherper keuring\' eenigszins verminderd zijn, loch is het le verwonderen dal zooveel ontwikkelde personen nog steeds blijven voorlgaan om hun lichamelijk belang voor een zoo kleine winst in gevaar te brengen.

Aan de groole stukken van 25 Kg. ol\' hooger, meer nog aan vierendeelen oi\' aan halve dieren, is reeds meer te zien, maar nog lang niet voldoende. Zoo geen ingewanden aanwezig zijn en zoo de vliezen, die de groole lichaamsholten bekleeden, zijn weggenomen, is de keuring hoogst moeielijk en in veel gevallen zeer onzeker. De keurmeester moet eeu oordeel vellen, daar waar de meeste gegevens, waarop dat oordeel gebaseerd moet zijn, ontbreken. Men weet van het dier niets en enkele malen is het dan ook meer aan het toeval le danken dat dergelijk vleesch wordt afgekeurd. Een paar voorbeelden daaromtrent mogen hier een plaats vinden.

In December 1.1. werden vier vierendeelen rundvleesch ingevoerd uit de Meern; het hart was daarbij nog aanwezig; de lste keurmeester vermoedt bij hel openen van hel hart dat bet dier aan eene inlectieziekte heelt geleden en het mikroskopisch onderzoek leert licm dal hij met miltvuur le doen heeft. Hetzelfde geval herhaalde zich een week geleden met vleesch, ingevoerd uil Amerongen, waarbij eene verklaring was van vier boeren dal het dier aan kalfziekle had geleden; toch bleek bij onderzoek ook hier miltvuur beslaan te hebben. Ware in beide gevallen hel hart niet aanwezig geweest, dan zou het vleesch waarschijnlijk als 2de soort zijn goedgekeurd en in den handel gebracht. Eenige weken geleden werd vleesch uil Ingen gevoerd naar \'s llertogenbosch; daar werd miltvuur geconstateerd en het vleesch vernietigd, maar een hond en eene kat, die van het bloed hadden quot;elikt, waren te Inuen reeds gestorven. Een paar jaren geleden stierf buiten Zall-Bommel eene koe, na slechts enkele uren ziek le zijn geweest.

-ocr page 16-

12

Dc veearts, den volgenden morgen in de buurt komende, vindt het dier netjes afgeslacht aan den haak hangen; hij constateert uit do nog aanwezige ingewanden miltvuur en adviseert natuurlijk lot vernietiging van het vleesch.

Hot uezichl van don eigenaar stond alles behalve aangenaam,

o ~ r? 7

daar hij meende het vleesch voor zich en zijne omgeving te gebruiken, maar loon de veearts na enkele dagen terug kwam, werd hij mei gejuich ontvangen, want de slager en de dochter des huizes, die hem bij het slachten behulpzaam was geweest, waren na eene kortslondige maar hevige ziekte weer hersteld, terwijl een hond en een paar katten, die van den al\'val hadden gesnoept, waren gestorven.

Hoe nadeelig alleen het omgaan met het vleesch van aan miltvuur gestorven ol\' afgemaakte dieren is voor vilders, slagers, maar ook voor personen die hel moeten toebereiden, kan men in ieder genees- of veeartsenijkundig jaarverslag vinden, waar telkens gevallen vooral uit Noordbrabant en Limburg worden aangehaald; dat ook het gebruiken van zulk vleesch de schromelijkste gevolgen kan hebben, bleek o. a. nog in 1880 te Zwolle, waar verschillende personen ziek werden na het gebruik van vleesch, afkomstig van een aan miltvuur geleden hebbend dier.

In November 1.1. werden hier vier voet rundvleesch uit Amersfoort ingevoerd: dc vliezen waren weggenomen, maar niet nauwkeurig genoeg, want bij scherp onderzoek werden nog enkele z. g. n. parels of pokken aangetroffen. Waren ingewanden aanwezig geweest, dan had men over do uitbreiding der ziekte kunnen oordeelen, en mogelijk ware hel als 2de soort goedgekeurd, nu moest het, en terecht, ook bij herkeuring worden afgekeurd.

Ook bij de vleesch vergiftiging in i882 te lleesch in Noordbrabant , waar 200 personen werden aangetast, van welke er

-ocr page 17-

13

\\

3 stierven, zonden waarschijnlijk de ingewanden der kalveren, maar vooral de baarmoeder der koe, meer licht hebben kunnen verspreiden, liij hel ingevoerde vleescli dienen dus noodzakelijk (en minste een deel der ingewanden aanwezig Ie zijn

Aan de keuring van de toebereid ingevoerde vleeschsoorten zijn zeer veel bezwaren verbonden. Straks heb ik reeds gezegd dat in den geest onzer verordening al hot ingevoerde vleesch aan het kantoor van keuring moet komen. Dit kantoor bestond tot April 1883 uit een kamertje van enkele voeten in het vierkant, waarin ter nanwernood de keurmeesters gelijktijdig aanwezig konden zijn; in dat jaar kwam er eenige verbetering, doordien een hulplokaaltje werd bijgebouwd als laboratorium voor den \'] sten keurmeester en eene kleine ruimte voor het bewaren van vleesch. Kerst in 1887 werd het kantoor ingericht zooals dit nu het geval is, d. w. z. wat kantoor en laboratorium betreft zeer goed, maar de ruimte om vleesch te bewaren cl\' bij eenigen aanvoer behoorlijk te keuren is veel te klein. Er kan dan ook geen sprake van zijn dat bij

\') In de gemeenteraadzitting van 1 Mei 1.1. werd met 2i tegen 3 stemmen Artikel 7 der Strafverordening n0. 17 als volgt gewijzigd:

Het is verboden verseh vleesch, bestemd voor vleeselikomvers of vleeseliverkoopers, iu te voeren in kleinere st ukken dan halve dieren.

liet is verboden do vliezen daarvan af te nemen; de longen, de levei;; de milt, het hart en de nieren, alsmede de uiers moeten tot na do keuring aan de ingevoerde helft of aan een of aan de beide helften van het ingevoerde dier, of aan in hun geheel ingevoerde dieren bevestigd blijven.

Stukken verseh vleeseh, niet kleiner dan van vijf en twintig kilogram gewieht, kunnen ook zonder de daarbij belioorende ingewanden worden ingevoerd, mits het vleesch vergezeld zij van een bewijs van herkomst eu van keuring, af te geven door een gediplomeerd veearts of door een beëedigden keurmeester, \'twelk levens moet gewaarmerkt zijn. door den Isien keurmeester van vee en vleesch der gemeente.

Deze wijziging mag waarlijk wel eeue groote verbetering geacht worden.

-ocr page 18-

u

de tegenwoordige inrichting benevens liet versch ingevoerde vleesch al liet toebereid ingevoerde naar liet, kantoor wordt gebracht en aldaar behoorlijk onderzocht. 1 let gevolg daarvan is dat — met enkele loffelijke uitzonderingen — de meeste invoerders niet aangeven als zij eene nieuwe bezending hebben ontvangen. Daar alle winkels onmogelijk iederen dag kunnen worden geïnspecteerd, wordt er zeer veel toebereid vleesch, als worst, ham, enz. verkocht, dat volstrekt niet onder dc oogen van de keurmeesters is geweest.

Maar ook de keuring er van heeft eigenaardige moeielijk-heden. Men kan niet iedere worst opensnijden om te zien ol\'dc inhoud goed is. evenmin kan iedere ham ol\'iedere zijde Amerikaansch spek behoorlijk op trichinen worden onderzocht; men beoordeelt alleen van iedere partij enkele stukken. Toch ware vooral liet laatste onderzoek hoogst wenschelijk, want volgens Duitsclie en Amerikaansche onderzoekers zijn i—4 % der Amerikaansche varkens trichineus. Enkelen meenen wel dat het sterk pekelen en rooken, dat plaats moet hehben om liet vleesch, naar Europa uit te voeren, voor bederf te vrijwaren, de trichinen zoude dooden, maar men kan er niet zeker van zijn; immers voor ecnigc jaren leden te Bremen 20 personen aan trichinose ten gevolge van hef gebruiken van Amerikaansche ham.

Maar hel behoeven niet altijd dergelijke ziekten van het vleesch te zijn, die het schadelijk maken. Ook dc toebereiding kan oorzaak zijn, zoo kan b. v. te snel en heet rooken dei-worst aanleiding geven tot bederf, daar de buitenste laag nu snel opdroogt, maar hel binnenste gedeelte weck en papperig blijft en nu spoedig in omzetting kan overgaan; ook het gc-bruiken van drone darmen, die niet noed quot;eweekt of slecht

tj \' C KJ

gestopt zijn, kan bij drogen en rooken lot blaarvorming aanleiding geven, vanwaar bederf kan uilgaan.

-ocr page 19-

15

Dat worst meermalen oorzaak van ziekte en dood kan zijn, zoodal men bepaald van worstvergil\'tiging (botulisme) spreekt, blijkt wel uit de gevallen daarvan in 1877 te Middelburg, waar van 349 aangetasten 0 personen stierven, en in datzelfde jaar te Vianen.

Eene scherpe keuring van die vleesdmaren, meer nog van liet vleescb waaruit zij gemaakt worden en vooral ook een scherp toezicht op de bereiding er van, zoude ons voor dei-gelijke gevaren kunnen behoeden, maar die maatregelen zijn alleen mogelijk zoo er in hel geheele rijk eene verplichte vleesclikeuring bestond, waarop het uilziclit echter helaas niet groot is, niettegenstaande van verschillende zijden daarop zeer sterk is aangedrongen.

Het voorscbril\'t van den Minister van Oorlog dat. de voedsels in bussen voor hel leger aangeschal\'l alleen mogen aangemaakl worden onder toezicht der intendance, verdient dan ook ten zeerste navolging.

Dat deze maatregel doeltreffend kan zijn, blijkt wel uit ver valse hingen op grooten schaal, b. v. van reuzel met 20 a 30 0/0 zetmeel en 10—20 0/0 water; uit de vermenging van worstvleesch met meel, waardoor veel meer water wordt gebonden, zoodat versche vleeschworst met slechts 27% vleesch en 07 0/o water (met wat luchsine gekleurd) nog een normaal voorkomen heelt.

Ook liet materiaal voor de hooggeroemde geldersche worst mag niet altijd als van prima qualiteit beschouwd worden; het beste varkensvleesch is n.1. tamelijk wel ongescliikl voor de zuivere vleeschworsten, daar het te weinig bindt, waarom men inférieure rund- en kallsvleeschsoorten, vooral stieren-vleesch maar ook zeer veel nuchter kalfsvleesch en meel er bij voegt om nu niel alleen de massa meer bindend, maar ook meer sponsachtig Ie maken, zoodal veel water wordl opgenomen.

-ocr page 20-

46

Slechts in enkele kleine en in twee groote plaatsen van ons land lieelï men openbare slachthuizen; alleen daar is het mogelijk de keuring zoodanig in te richten dat z ij aan de strenge eischen, die men moe I stellen, kan voldoe n.

Maastricht richtte reeds in 1826, Yenloo in \'I8.quot;37 en \'s Hertogenbosch in 1852 een abattoir op. Zij konden echter lol 1875 niet volkomen aan hunne bestemming beantwoorden, daar de slagers niet konden verplicht worden van deze inrichtingen gebruik Ie maken. Eerst de wet van 2 Juni 1875, tot regeling van liet toezicht bij liet oprichten van inrichtingen welke gevaar, schade ol\' hinder kunnen veroorzaken, maakte het mogelijk bij plaatselijke verordening te bepalen dal er slechts één plaats in de gemeente zoude zijn waar vee geslacht mag worden.

In verschillende steden werden toen plannen gemaakt tot het oprichten van abattoirs, die echter slechts in twee tot uitvoering kwamen. In Rotterdam werd 20 Juli 1882 het besluit genomen dat van af 1 Mei \'1883 de vergunning tot oprichten, hebben ol\' gebruiken binnen de gemeente van slachterijen, penserijen, enz. alleen zou worden gegeven op het terrein van het openbare slachthuis, maar eerst met 1 Januari 1886 was het verboden ergens anders te slachten. De gemeenteraad van Amsterdam nam op 27 April \'1887 hel besluit dat met 1 Juli 1887 voor het oprichten, hebben ol\' gebruiken van slachterijen en vilderijen van vee werd aangewezen het terrein van het abattoir, terwijl \'1 November 1887 alle dergelijke inrichtingen op dal terrein moesten zijn overgebracht.

Beide laatstgenoemde abattoirs zijn flinke inrichtingen, waar men de keuring zoowel van het aldaar geslachte vee als van het ingevoerde vleesch geheel zoo kan inrichten en te Amsterdam

-ocr page 21-

17

ook ingericht hool\'l, ills men uil oen liygièniscli oogpunl kan eischen.

liet antwoord op de derde vraag «hoe kan de keuring in onze gemeente eene hetere toepassing vinden» moet nu luiden: «door hot oprichten van een abattoir)).

In het begin van 1878 werd door den Raad van deze ge-meenle in principe tot hel oprichton van een abattoir besloten. liet zij mij vergund ü in het kort de geschiedenis hiervan mede te deelen, die uitvoerig Ie vinden is in het verslag onzer Vereeniging over het jaar \'J877.

In 1859 wees Mr. W. 1!. lioisn in een arlikel, getiteld «Slachthuizen» \'), op het groote nul er van zoowel uit hel oogpunl van reinheid als van openbare orde, en hij loonde daarbij bet bezwaar aan dat er bestond met liet oog op de verplichte slachting aldaar. In de jaarverslagen der Commissie van toezicht op vee en vleeseh (opgericht in 1802) vindt men telkens, nu met meer dan met minder aandrang, gewezen op het groole nul van een aballoir. Vooral hel Verslag\' over 1864 is daarover meer uitvoerig en ik meen dal de daar gemaakte opmerkingen aanleiding gaven lol hel indienen van verschillende requesten aan den Gemeenteraad o. a. van de Ilandelssocieteit en van de Vereeniging voor Fabrieks- en 1 landwerksnijverheid, mei verzoek over te gaan tol de oprichting van een abattoir, waarop in de zilling van II OclobiT 1806 eene llaadscommissie werd benoemd om Ie adviseeren omtrent de wenschelijkheid der oprichting van een slachthuis. Ook in onze Vereeniging kwam de zaak spoedig Ier sprake en op de 2do Algemeene vergadering, (27 Februari 1867) werd door den \\oorzitter der 2de Sectie, den lieer A. 1\'os, een Rapport uitgebracht, waarin, vooral met hel oog op de volksvoeding,

Zie „Schal der gezondheidquot; S1\'\' Juargaug.

-ocr page 22-

18

de wenschelijkheid van de opricliling van een abattoir werd uitgesproken, daar dit het vleesciiverbruik bij de arbeidende klasse kon bevorderen, waarna 0 September 1809 door de Vereeniging een adres werd ingediend aan den Gemeenteraad met verzoek de zaak der opricliting te dezer slede van openbare slacbtlniizen met daaraan verbonden afslag andermaal in ernstige overweging te nemen en tol de opricliting te besluiten.

De zaak bleel\' echter slepende: de Raadscommissie meende, en tereebt, dat een slachthuis eerst dan goede vruebten kan opleveren wanneer bij de ingebruikstelling tevens de verplicbting kon worden opgelegd om in dat slacbtbuis alleen en niet elders in de gemeente vee Ie mogen slachten, wal bij de bestaande wetgeving onmogelijk was, zooals o. a. duidelijk bleek uit een arrest van den lloogen Raad, dato 15 Mei 1855, waarbij het Gemeentebestuur van \'s Hertogenbosch onbevoegd werd verklaard de bepalingen eener verordening toe te passen, behelzende het verbod om elders in de gemeente te mogen slachten, nadat het abattoir was opgericht.

Toch bleef belangstelling voor het onderwerp bestaan, want in Maart \'1874 werd door den Raad besloten adhaesie tever-leenen aan een adres van do Kamer van Koophandel, gericht aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, waarin het verzoek werd gedaan de bezwaren uit den weg te ruimen, die de oprichting van algemeene slachthuizen verhinderen.

In Juni \'1875 kwam do gewenschte wet tot stand en in het vooruitzicht daarop was reeds in April door den Heer J. van Koolbergen uit Amsterdam aan onzen Raad verzocht hem concessie te verleenen lol liet oprichten van een abattoir hier ter stede. Naar aanleiding dier concessie-aanvrage, die in handen werd gesteld der Raadscommissie, werd het oordeel gevraagd der Commissie van toeziclil op vee en vleesch, die 19 Februari 1877 een rapport indiende, dal zoo noodig

-ocr page 23-

19

nog\' op dil oogenblik als grondslag zoude kunnen dienen voor de oprichting van een abaltoir; dat rapport is te vinden in het lO116 jaarverslag onzer Vereeniging.

De rapporteur Wirtz beantwoordt daarin zeer uitvoerig een zeslal vragen door de Raadscommissie gesteld. Wij zullen die niet alle nagaan, maar alleen wijzen op de voornaamste conclusies, als:

1. Oprichting van een abattoir wordl noodzakelijk geachl om de volgende redenen:

a. verontreiniging van bodem, water en lucht tegen te gaan;

h. de keuring van het slachtvee en van het vloesch behoorlijk te doen geschieden, zoodat zij een voldoenden waarborg oplevert tegen de nadoelen die uit het gebruik van schadelijk vleesch ontslaan;

c. het drijven van slachtvee in de gemeente te voorkomen.

2. Bij de oprichting van een abattoir mag alleen daar geslacht worden.

3. Hel slachthuis moei bevatten een aanlal slachtkamers aan elkaar, ieder groot 40 □ M., in Iwee evenwijdige rijen gebouwd, op een onderlinge al\'stand van 8 M.; dit lusschen-vak — behoorlijk overdekt — kan als slachtgang voor klein vee worden gebruikt; verder een aizonderlijk slachlhuis voor varkens, penslokalen, mestbakken, woningen voor den directeur, opzichter, portier en kantoor van keuring. Ijskelders zijn onnoodig.

h. Veestallen — liel\'st op eenigen al\'stand van en evenwijdig aan de twee rijen slachl kamers — zijn dringend noodig, ook een slal met slachtlokaal voor dieren verdacht van ol\'lijdende aan besmellelijkc ziekten; een paardenslachlerij moei — algescheiden van het aballoir — onder loezicht der kenr-ini!i\'sl(!rs slaan afslag van viccsch is niel bepaald noodig, daar

-ocr page 24-

20

dc winkels moeten blijven bestaan onder toezicht der keurmeesters. Aan bet abattoir moet het ingevoerde vleesch, hetzij versch oi\' toebereid, worden gekeurd.

5. Acht slachtkamers zijn voldoende, liet abattoir moet buiten de kom der gemeente gelegen zijn , bij voorkeur aan stroomend water en aan de westzijde der gemeente.

De kosten van aanleg, onderhoud en exploitatie kunnen, bij een zeer matig tarief, grootendeels — zoo niet geheel — door de uitkomsten gedekt worden.

De Raadscommissie diende daarop 27 Maart 1877 haar rapport aan den Raad in, waarbij zij voorstelde:

1. Van wege de gemeente zal een openbaar slachthuis worden opgericht en beheerd, hetwelk, met inachtneming van het bepaalde in art. 4, alinea 2 der wet van 2 Juni 1875, als bepaalde plaats zal worden aangewezen voor het slachten, met verbod om dit elders in dc gemeente te mogen doen.

2. Afwijzend te beschikken op bet verzoek om concessie van don Heer J. van Koolbergen.

3. Rurgemeester en Wethouders uit te noodigen aan den Raad een terrein of terreinen te willen aanwijzen, waarop het slachthuis zoude kunnen worden opgericht en verder de noodige voordrachten in deze te willen doen.

Wij zullen het lot dier voorstellen niet nauwkeurig nagaan, maar er alleen op wijzen dat van verschillende zijden o.a. bij request onzer Vereeniging d.\'ito 20 October\'1877 op aannemen er van werd aangedrongen en dat de conclusies der Commissie in de raadszitting van 24 Januari 1878 werden aangenomen.

Men was toen algemeen overtuigd dal hel een zaak van dringend belang goldt; de Commissie van toezicht op vee en vleesch schreef dan ook aan het einde van baar verslag over 1877, «dat in de toekomst thans gelukkig een algemeen slachthuis kou verwacht worden.»

-ocr page 25-

21

Mcl recht in de toekomst.

Thans zijn er bijna 12 jaar voorbijgegaan en de zaak is in liet minst niet gevorderd.

Wat kan daarvan de reden zijn? Zeker niet dat de loe-slanden zoo zijn geworden, dal men geen abattoir noodig heeft, liet tegendeel is waar; de toestand is bij de uitbreiding der stad meer en meer ongunstig geworden. Ik uil Irachten dit Ie bewijzen en zal — om hel verschil duidelijker aan te toonen — het rapport Wirtz, vooral wal de cijfers betreft, tol grondslag nemen.

De oprichting van oen abattoir blijf! sleeds noodig om verontreiniging van bodem, water en luchl tegen te gaan. In het jaar 1875 waren in de gemeente 158 plaatsen waar vleescb werd verwerkt of verkocht, hieronder waren GD slachtplaatsen met winkels, waar sterke verontreiniging van bodem, water en lucht kon plaats hebben en 80 winkels, waarvan slechts in weinige versch vleescb, in de overige toebereid vleesch (z.g.n. geldersche waren) werd verkocht; bij de laatste was de verontreiniging der omgeving wel minder, maar zij bestond toch.

In 1884 werd na eene algemeene inspectie van alle slacht-[ilaatsen groote verbetering aangebracht, vooral wal de bevloering en de afwatering betreft, zoodal deze dan ook tamelijk goed mag genoemd worden, zoo lang ten minste de vloeren dicht blijven. De afvloeiing is of blijft niet overal zoo, dal bloed en afval niet over plaatsen kan stroomen die niet waterdicht bevloerd zijn, waardoor daar bodemvervuiling gemakkelijk kan plaats hebben, lüj winkels in geldersche waren is van eene waterdichte bevloering geen sprake, zoodat pekel en afval daar ongehinderd kunnen indringen.

Op I Januari van dit jaar waren er 114 slachtplaatsen en 378 winkels waar versch vleesch of geldersche waren werden

-ocr page 26-

22

verkocht, dus in het geheel 492 lokalen waarin bodemverontreiniging kan plaats hebben; de ergste hiervan n.1. de slachtplaatsen zouden door een abatloir worden opgeruimd en zeker zouden ook zeer veel kleine winkeliers den verkoop van geldersche waren niet meer als bijzaak drijven, indien de keuring dier waren aan een abatloir behoorlijk kon geschieden. Vooral in de nieuwe w ijken zijn heel wat slagerijen en vleesch-winkels gevestigd, zoodal ook daar de bodem al spoedig zal zijn als in de oude stad.

Al het gebruikte water en een gedeelte van den afval en van het bloed komt nog steeds door de riolen in de slads-grachlen, wal (och onmogelijk uil een sanitair oogpunl goed kan geacht worden.

Verder is bepaald dat bloed en afval van geslachle of afgemaakte dieren in behoorlijk mei deksels gesloten vaten moeien worden opgezameld en dat deze in den zomer niet langer dan 2-4 uur, in den winter 3 x 2/i- uur in woningen, winkels, hallen, slachterijen of bergplaalsen, noch in de daarbij behoorende open plaalsen bewaard mogen worden, maar ieder die in de buurt van een slager woont, weel hoe slecht deze stoffen op de omgevende lucht inwerken, zelfs bij strikte locpassing der verordening.

Ook op een andere zaak dient hier gewezen te worden. Het vleesch, zooals het bij den slager aan den haak hangt, is een uilstekende voedingsbodem voor lal van bacteriën en wij kunnen ons dus gemakkelijk voorstellen hoe gevaarlijk vleesch in enkele gevallen kan worden. Dat het verblijven er van in vochtige of muffe ruimten daaraan bevorderlijk is, valt gemakkelijk le begrijpen. Hel op elkaar stapelen of dicht tegen elkaar hangen van vleesch oefent daarop ook menigmaal eene schadelijke werking uit, waarvan do oorzaak niet altijd kan worden aangegeven, maar die men waarschijn-

-ocr page 27-

23

lijk moei zoeken in de onlwikkeling van tal van sporen en kiemen van lagere organismen, die uit de omgeving op het vleescli zijn gekomen, waardoor daarin gil\'lige stoffen gevormd worden, die bij inlredende rolling meer op den achtergrond geraken. Vooral kallsvleesch scliijnt daarvoor uiterst gevoelig; ol\' dil in verband staat met het opblazen der kalveren, durl\' ik niet te beweren, maar er is veel wat voor die meening pleit. Het opblazen, d. i. het brengen van lucht in het bindweefsel, geeft aan het vleescli een beier aanzien, maakt hel afvillen gemakkelijker en doet hel vleescli spoediger opdrogen. Zelfs nuchter kalfsvleescb krijgt daardoor een behoorlijk aanzien.

Hetzij dat dil opblazen met den mond geschiedt of met een blaasbalg, in beide gevallen kunnen zieklekiemen uil het lichaam van den mensch of uil de omgevende lucht in het bindweefsel komen en zich daar verder ontwikkelen.

Dil alles geldl ook in liooge mate voor toebereide vleesch-soorlen — vooral zoo deze nog warm in kelders op elkaar worden gestapeld — en voor gehakt, in hoofdzaak in bel warme jaaigetijdc.

De vleeschvergifliging Ie Andelfingen — straks reeds genoemd — die Ie Kloten in Zwitserland in 1878 waar, eveneens bij een zangersfeest, van de 057 aangetaste personen een (\'» tal bezweken, kunnen mogelijk hierdoor veroorzaakt zijn, alsmede die in 1880 te Clarholz in Westphalen, waar van 08 bruiloftsgasten 60 werden aangetast en 1 stierf.

Letten wij dan ook slechts op enkele der hoofdvereischten voor een goede bewaarplaats van vleescli — zooals wij die in de koelkamers van een abattoir vinden — dan zal ieder die met slagerijen in onze stad bekend is, moeten toegeven dat het aantal, wat aan de eischen voldoet, zeer gering is.

Men moet n.l. hebben een koele ruimte, die Hink geventi-

-ocr page 28-

leerd wordt, zoodat het vlcescli — dal geheel vrij moet hangen — aan alle kanten door zuivere lurht omstroomd wordt en daardoor gelijkmatig eenigszins uitdroogt. Dal li(!t bestrooien met zout en peper, vooral op de kloolviaklen, hierbij nuttig kan zijn, laat zich-hoorcn. Verder moeten de wanden droog zijn, zoodat er geen schimmelvorming plnals heelt en dienl op groote reinheid, wat bodem, lalels, banken en gereedschappen betreft, gelei Ie worden.

Ook hel aanwezig zijn van oude rottende balken in slachtplaatsen heeft reeds enkele malen aanleiding gegeven tot hot z. g. n. lichten of phosphoresceeren van het vleesch, dat van hel eene stuk op het andere overgaat; zonder dal men tot nog toe weet dat dergelijk vleesch schadelijk is voor den mensch, is toch het gebruiken er van minder aangenaam.

Dal veestallen, mestvaalten ol verzamelplaatsen van vuil (zooals de tonnen straks reeds genoemd), dat secreeten, slinkende gooien of riolen, maar ook slaapkamers en ziekekamers, niet in de onmiddelijke nabijheid mogen zijn, spreek! na het voorafgegane wel van zelf.

Al dergelijke nadeelen zijn in een goed ingerich! abattoir vermeden, terwijl hol toezicht op de slagerswinkels — die er in den regel vrij wat netter uitzien dan de slachtplaatsen — zoo noodig nog kan verscherpt worden.

Ook de keuring kan in het abattoir veel beter geschieden, vooral ook daar het laboratorium in do onmiddelijke nabijheid is, zoodat ieder onderzoek sneller kan geschieden dan hier, waar het materiaal uit vorschillondo doelen der stad moet bijeengebracht worden, zoodal zich zelfs het geval zou kunnen voordoen dat het vleesch in kwestie reeds van de hand was gezet, vóór dat de uitslag van hol onderzoek bekend kon zijn.

Bovendien werken iti een abattoir do slagers steeds onder toezicht van het personeel; do keuring heeft plaats direct na

-ocr page 29-

25

dal flo ingewanden zijn uitgenomen en alles wordt gestempeld, waardoor van verwisselen der ingewanden en andere knoeierijen in den regel geen sprake kan zijn.

De gelieele inrichting der slaclil kamers in een abattoir is gemakkelijker, zoodat de dieren niet zoo veel te lijden hebben (sii het slachten veel geregelder en vlugger kan geschieden; de behandeling van het vleesch is veel zindelijker daar de hijschloeslellen in de slachl kamers en de transport toestellen naar de koelkamers het verdragen van het vleesch onnoodig maken; men is overtuigd dat steeds zuiver water wordt ge-hrnikl en verschillende besmettelijke ziekten worden spoediger ontdekt, zoodal men vlugger ingrijpende maatregelen legen verdere uitbreiding kan nemen. Als een belangrijk voordeel van een abattoir kan nog genoemd worden dat de slagers elkaar coulroleeren, wat ten gevolge heelt dat in verschillende plaatsen waar abattoirs zijn opgericht de qualiteit van het geslachte vee aanmerkelijk verbeterd.

Ook heeft de reiniging der ingewanden, b. v. der darmen, die voor worst worden gebruikt, beter plaats, wal van belang kan zijn, znoiils bleek uil eene waarneming in 1887 in Wm-lemburg, waar 10 personen varkensworst gebruikten die 12 dagen oud was; allen werden ernstig ziek en 2 er van stierven; men meende hier dal het bederl\' was uitgegaan van bacteriën in den darmwand aanwezig.

Velen meenen nu dat al die omstandigheden en nog andere, b.v. ilie, veroorzaakt [door het aanwezig zijn van parasieten in hel dier ol\' enkele nog niet nader bekende vormingen in de spieren, het vleesch als voedsel voor den mensch niet schadelijk maken, mils hel behoorlijk worde toebereid, omdal daarbij al die schadelijke stoffen zouden worden vernieligd of, zoo dil nog niet volkomen hel geval was, de digestie-vochlen voor verdere vernietiging er van zorg dragen.

-ocr page 30-

26

t-

Wel kan hol gebruiken van rauw of slecht gekookt of gebraden vlcescli nadeeliger zijn dan wanneer het go(,\'(l gaar is., maar tal van onderzoekingen in de laatste jaren, met het oog op tuberculose, ais oorzaak van tering bij den niensch, hebben geleerd dat, ook bij goede toebereiding, liet vleesch niet altijd onschadelijk is.

Sterk pekelen en rooken, \') maar ook koken en braden van groote stukken, maakt deze niet onschadelijk, daar de warmte niet voldoende indringt, lüj een groote ham is de inwendige temperatuur na 2 uur koken circa 35°, na 6 uur hoogstens 75°. lüj 70° verliest het vleesch zijn roode kleinen nu meent men dat het gaar is, maar trichinen worden volgens enkele onderzoekers reeds bij 50°, volgens andere eerst hij 80° gedood. Tallin meent zelfs dat de inwendige temperatuur bij groote stukken niet boven 58° gaat, en proeven me! spiersap van parelzieke runderen, dat verhit werd van 50—80° gaven nog positieve resultaten. Wij mogen dus op die toebereiding niet te veel rekenen, te minder daar er splijtzwammen zijn die eerst bij 100° hun kiemvermogen verliezen.

Een geheel van het overige terrein afgescheiden gedeelte tot paardenslachterij ingericht, heeft tegenwoordig meer waarde dan vroeger, daar paardenvleesch in grooter hoeveelheid als voedsel voor den mensch wordt gebruikt. In 1883 waren slechts 30 paarden als zoodanig aangegeven en paardenvleesch, voor dat doel officieel bestemd, werd niet ingevoerd; iu \'1888 echter werden 103 paarden daarvoor geslacht en werd 2148 Kg. versch paardenvleesch (vooral op Zaterdag en Dinsdag) ingevoerd, terwijl bovendien nog in het afgeloopen jaar 2279 Kg. gerookt paardenvleesch werd ingevoerd.

\') Ook de proeven door Prof 1\'ousïkii tc Amsterdam, dezer dageu iu de Academie medegedeeld, strekkeu hiervoor ten bewijze.

-ocr page 31-

27

Met de uitbreiding der gemeente is eene groote vermeerdering van het aantal slaclil plaatsen, vleeschwinkels en invoer van vleesch gepaard gegaan. Men rekende in 1876 op 8 slachl-kamers, daar de gozamenlijke slagers toen op één dag hoogstens slachtten 25 runderen, 22 kalveren, 5 schapen ol\'geiten en 30 varkens; het geheele abattoir was berekend op //■000 runderen, 3500 kalveren, 6000 varkens en 1000 schapen ol geiten per jaar. Nemen wij nu hel gemiddelde cijfer der drie laatste jaren, dan zijn in de gemeente per jaar geslacht: 5000 runderen, 3800 kalveren, 1000 nuchtere kalveren, 560 schapen of geilen en 10250 varkens; de cijfers voor 1889 alleen (wat een zeer ongunstig jaar was door de hooge vee-prijzen) zijn: 5540 runderen, 3534 kalveren, 2/(-3.\'5- nuchtere kalveren, 543 schapen of geiten en 10140 varkens. Door alle slagers werden in 1889 op één dag hoogstens geslacht: 37 runderen, 29 kalveren, 87 nuchtere kalveren, 7 schapen of geilen en 69 varkens, waarbij wij één enkele dag vóór Paschen — toen 51 runderen werden geslachl — builen rekening laten.

liet aantal slaclil kamers zou dus iels moeten worden uitgebreid, te meer daar hel zeer wenschelijk is dal men een slachtkamer vrij heeft, b. v. voor noodslachting of andere doeleinden en bovendien zou een aparl lokaal moeten ingerichl worden voor de keuring van het ingevoerde vleesch. De Heer IIoogeboom, directeur van hel aballoir Ie Amsterdam, zegt in zijn Rapporl naar aanleiding van een bezoek gebracht aan verschillende biiitenlandsche abattoirs:

«zonder slreng toezicht op hel ingevoerde vleesch is de op-«richling van een abattoir niet alleen grootendeels doelloos, «maar zelfs gevaarlijk, daar hel publiek, vertrouwende op bel «toezicht van stadswege, zorgeloos het ingevoerde vleesch ge-«bruikt. Zonder billijk keurloon kunnen de slagers niet con-«cureeren mei de aanvoerders van vleesch.»

-ocr page 32-

28

Aanleg on exploitatie-kosten zullen ikis meer vorderen dan in 1870, maar ook de inkomsten zijn grooter. Berekend naar liet matig tarief van f \'1.50 por rund, f O.tiO por kali\', /\' 0.40 per schaap of geil en f 0.75 por varken kwam men in 1870 op 13000 gulden inkomsten; met do middencijfers straks aangegeven komen wij nu al op ruim /\' 20.000. Hierbij moeten dan als baten nog gerekend worden de liuur-prijzen dor penserijen en smelterijen, do stalgelden, do opbrengst van afval, van most en de kourloonen van hot ingevoerde vleesch, die in 1882—1888 gemiddeld 382 guldon in 1889 slechts 370 guldon bedroegen. Ook van do ruim 73000 Kg. toebereid ingevoerd vleesch, waaronder 44000 Kg. Amerikaansch, zou bij keuring aan het abattoir toch zeker ook nog wol oen matig keurloon kunnen worden gelieven.

Evenmin als in 1870 behoett men ook nu te vreezen dut do onkosten niet door do ontvangsten gedekt zullen worden.

In Amsterdam, waai- liot abattoir uitstekend is ingericlit en waar men in do rietlanden bijzonder duur heoft moeten bouwen, rendeert hot abattoir roods bij zeer matige slaclit-loonon als f 1.60 por rund, / 0.85 por kalf of varken, /\'0.25 per nuchter kalf, schaap of geit on f I.— per paard on ook het JRotterdamscho abattoir, waai\' do kourloonen nagenoeg-dezelfde zijn, levert, naar men mij medegedeeld heeft, reeds winst op.

Wij zien dus dat allo eischen die er iu 1876 toe noopten oen abattoir voor onze gemeente noodzakelijk te achten, ook nu nog bestaan niet alleen, maar dat door do uitbreiding der gemeente en dor bevolking en door hot vermeerderd vloeschverbruik aan die eischen nog meerder kracht bijgezet wordt.

Maar bovenal mag niet vergoten worden dat door de hetere bekendheid met do schadelijke gevolgen, aan het gebruik van

-ocr page 33-

-20

ziek of bedorven vleesch verbonden, de vleeschkeuring een gioole vluclil lieeft genomen.

Wanneer wij zien dat in 1875 werden afgekeurd: 4 runderen, 1 kali\', I nucliter kalf, 1 varken, \'108 Kg. en \'I voel rund-vleesch met 20 Kg. worst en wij vergelijken die cijfers met die van het jaar 1888, toen afgekeurd werden: 4-3 runderen, 4 kalveren, 9 nuchtere kalveren, 6 schapen, I geil, \'10 varkens, I paard, 32 voeten rundvleesch, \'I voet kalfsvleesch, 4 voelen nuchter kalfsvleesch en bovendien nog 549 Kg. vleesch, dan springt het verschil sterk in het oog.

En hiermede M. II. is mijn laak afgeloopen en ik hoop U overtuigd le hebben dat, mocht men in I87(i een abattoir voor onze gemeente noodzakelijk achten, wij nu gerust kunnen zeggen dat het onder de meest dringende behoeften moet gebracht worden.

Utrecht, April 1890.

VAN ES VELD.

-ocr page 34-
-ocr page 35-
-ocr page 36-
-ocr page 37-
-ocr page 38-