-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2911 203 8

-ocr page 5-

m

Ïlt;lt;-. •; ; . ■ • , \' • • • ; . f Maatschappij ter bevordering der

Veeartsenijkunde

iPv

N E D E K L A N D.

RAPPORT der Commissie in zake Varkensziekte.

B-™ ......W9- ^

mtc.\' ■ ^: -• ;

m, v ^. -•••■ Ly

H:-\\. ■ f\'- iV \'■ \' i

\\v ï-.:.\'i

%-r

xsf./ ^ v-\'.

C , , X. __\' - V. , , X. __\' - V.

2670

-

./ ^ SP

Min.\'

-ocr page 6-
-ocr page 7-

RAPPORT der Commissie in zake het onderzoek naar de werking der wettelyke bepalingen by varkensziekte — benoemd naar aanleiding van een besluit, genomen in de 29^0 Algemeene Vergadering der Maatschappü ter bevordering der Yeeartsenykunde in Nederland.

De Commissie bovengemeld heeft de eer het volgende verslag uit te brengen.

Aanvankelijk was liet ons doel — of liever het doel van 4 leden der Commissie — een onderzoek in te stellen naar de besmettelijkheid der varkensziekte (Rothlauf), naar de werking der wettelijke bepalingen gedurende de twee eerste jaren en naar de resultaten der enting. Ook de Voorzitter van het Hoofdbestuur gaf den wenk in dien zin onze taak te vervullen. Om over het nut der enting en over de besmettelijkheid der ziekte een juiste uitspraak te kunnen doen, stelde de Commissie zich voor — op plaatsen, waar van bodeminfectie geen sprake kon zijn — onder de meest mogelijke voorzorgen ent- en controleproeven te nemen.

Het onderzoek naar de besmettelijkheid der ziekte werd in een 2ie Commissievergadering bestreden door den Heer Reimers (die in de lste vergadering afwezig was). Hij toch beweerde, dat een zoodanig onderzoek niet aan de orde was en dat hij geen mandaat in dien zin had aanvaard. De juistheid van deze bewering moest worden erkend en het onderzoek naar de besmettelijkheid was hiermede van de baan. Wel werd echter goedgevonden in het beredeneerd rapport der Commissie de gronden aan te geven, waarop het aannemen van de besmettelijkheid berust.

Daarna werd besloten :

i

-ocr page 8-

2

1°. Ten bate der voorgestelde proefnemingen ons te wenden tot Z. E. den Minister van Binnenl. Zaken, met verzoek ons een zoo ruim mogelijke subsidie toe te staan en, voor bet geval van verlies der geënte varkens — aan varkensziekte — toepassing te verkrijgen van bet K. B. van 12 Mei 1889 (Stbl. n0. 62) art. 1. b., waarbij vergoeding kan .worden verstrekt voor aan de ziekte gestorven dieren.

2°. Subsidie te vragen voor betzelfde doel aan de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland.

3°. Financieelen steun te verzoeken aan de voornaamste landbouw-maatscbappijen voor te nemen entproeveu.

4°. Ten bate van het onderzoek naar de werking der wettelijke bepalingen en der enting een circulaire te richten aan de veeartsen en aan de voornaamste landbouw-maatscbappijen in Nederland. \'

Met moed togen wij aan het werk. Twee Commissieleden (de Heeren van Ojjen en Billeoth) werden aangewezen om een bezoek af te leggen bij den Heer Ruijsch, Adviseur voor medische en veterinaire politie, eu — daar steun vindende — het adres aan Z. Exc. den Minister van Binnenl. Zaken te overhandigen en bij Z. Exc. verdere stappen te wagen tot het verkrijgeu van ondersteuning voor de zoo ge-wenschte proefentingen. Aanvankelijk meende de Commissie in deze te zullen slagen, tot een schrijven van bovenbedoelden Minister — na ingewonnen advies van den Directeur der Rijks-Veeartsenijschool te Utrecht — onze plannen in duigen deed vallen. Het scheen dat het nemen van entproeven in Oost- eu West-Dongeradeel den steun aan onze Commissie overbodig maakte. Onze proefnemingen moesten dus achterwege blijven wegens gebrek aan financieelen steun der Regeering, want, niettegenstaande de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland een som van f 250 voor ons doel beschikbaar stelde en eenige landbouw-maatscbappijen ons ook financieel wilden bijstaan, bleek toch dat de daardoor verkregen

-ocr page 9-

3

gelden bij lange niet toereikend waren om de vry aanzienlijke kosten voor voeding en verpleging der varkens te bestrijden.

Wel werd een lid der Commissie omstreeks dien tijd persoonlijk uitgenoodigd te Blankenham (Overijsel) 70 a 80 varkens te enten en stelde bij zich voor deze opdracht voor de Commissie ten nutte te maken J doch de minder gunstige ligging van Blankenham voor alle Commissieleden eischte te veel financieele opoffering en gaf te weinig waarborg voor voldoend toezicht om met succes van dit aanbod gebruik te kunnen maken.

Er bleef ons dus niets over dan kalm de antwoorden af te wachten van HH. veeartsen en landbouw-maatschappijen op de circulaires (zie bijlagen I en II) aan hen gericht en daarna onze conclusie vast te stellen.

Kalm konden wij zijn, want de rapporten kwamen traag iu, zoodat in Juli 1890 nogmaals een circulaire werd verzonden om de veeartsen tot eenigen spoed aan te zetten. Toch mocht het ons niet gelukken de noodige opgaven te verkrijgen en ons rapport vast te stellen vóór de vergadering in Augustus 1890. Tn de Commissievergadering, gemelde maand gehouden, met het doel de rapporten na te zien, te bespreken, het oordeel der Commissie daaraan te verbinden en zoo de grondstoffen voor ons verslag vast te stellen, waren slechts drie leden aanwezig. In een (den vorigen dag te Arasterdam gehouden) bijeenkomst van President en Secretaris was, met behulp van den Heer Billroth, bereids een resumé getrokken uit de antwoorden der veeartsen en landbouw-maatschappijen. Dit maakte op bedoelde vergadering het werk gemakkelijk.

Het bleek dat er waren ingekomen G4 antwoorden van veeartsen en 11 van landbouw-maatschappijen. Alvorens tot een vraagsgewijze behandeling van de antwoorden over te gaan, wenscht de Commissie eenige gronden aan te geven, waarop h. i. de besmettelijkheid van varkensziekte (speciaal Rotblauf) moet aangenomen worden.

-ocr page 10-

Tal van oorzaken zooals: toestand van den bodem, weersgesteldheid, slecht voedsel en drinkwater, slechte inrichting van stallen, enz. worden door velen als oorzaken der ziekte aangegeven, zonder dat het gelukt is de ziekte door één van genoemde factoren of door combinaties van deze op te wekken. Evenmin als het gelukt is, door onthouding van drinkwater of geslachtgemeenschap, bij een hond dolheid te voorschijn te roepen, kan de varkensziekte veroorzaakt worden door het staan op leem of kleiachtigen bodem (mits hierop vroeger geene aan varkensziekte lijdende varkens vertoefden) , door hooge of lage temperatuur, mist, zoele regens, slechte stallen, voedsel of drinkwater, mits hierin niet de smetstofkiemen aanwezig zijn.

Slechts door één factor is het met volle zekerheid gelukt de ziekte te voorschijn te roepen en deze factor is het micro-organisme.

Proeven, reeds in 1882 door Pastede, en Thulliee genomen, bewezen dat enting van in kalfsbouillon geteelde microben (afkomstig van en steeds te vinden b ij aan Rothlauf gestorven dieren) bij gezonde varkens de typische Rothlauf deed ontstaan. Ent men muizen of konijnen met het sap uit het weefsel van een aan Rothlauf gestorven varken, dan sterven deze dieren aan een ziekte, die in verschijnselen en pathologisch-anatomische veranderingen zóó juist met Rothlauf overeenstemt, dat er geen twijfel kan bestaan ten opzichte van den aard der ziekte.

Neemt men, in plaats van varken s-specie, het sap uit muizen- of konijnenweefsel (mits deze dieren aan bedoelde ziekte zijn bezweken), of cultures van dat sap, en ent men daarmee weer andere konijnen en muizen, dan treden dezelfde ziekte- en sectie verschijnselen op. Ook varkens, hiermee geënt, worden aangetast, doch sterven zelden. Zelfs cultures van de achtste generatie deden nog varkensziekte ontstaan (Klein). Dit is voorwaar een sterk bewijs voor een bepaalde en daarbij zeer constante smetstof.

Baillet — die de varkensziekte-bacterie alleen in het bloed

-ocr page 11-

5

meende te ontdekken en zelfs in het bloed van schijnbaar gezonde dieren, welke op een besmette markt waren geweest — nam verschillende besmettingsproeven, n.1. door enting met cultuurvloeistof, door enting met bloed en door voedering met afval der zieke dieren. In alle drie gevallen ontstond varkensziekte (echter bij varkens zonder doodelijken afloop) en waren de oorspronkelijke bacteriën steeds weer in het bloed der geënte dieren te vinden.

Herbet verkreeg door enting met het onverzwakte virus doodelijke varkensziekte.

Eggeling (wiens symptomen-beschrijving met die van andere waarnemers ten zeerste verschilt) noemt schadelijke invloeden als oorzaken, doch spreekt daarbij in de eerste plaats van iets wat zich aan de planten hecht (dus weer virus). Salmon noemt een virus, evenals Cornevin, Hess, Guillebeau, Schütz en Kitt. De twee laatste onderzoekers spreken van een zeer verspreid contagium. Ook door Poels te Rotterdam is het bestaan aangetoond van bepaalde, bij deze ziekte steeds aanwezige, bacillen, die constante cultures geven en bij enting op andere dieren dezelfde ziekteverschijnselen veroorzaken. Een reeks van geleerden heeft dus uitgemaakt, dat bij de ziekte in quaestie steeds microorganismen optreden en dat deze specifieke ziekteverschijnselen bij andere dieren van dezelfde soort kunnen veroorzaken.

Alleen hieruit kunnen wij reeds met beslistheid de gevolgtrekking maken, dat wij te doen hebben met een besmettelijke ziekte, slechts ontstaande door een bepaalde smetstof.

Nog worden wij in die overtuiging versterkt door de entproeven der laatste jaren. Immers aan de verstokten, die bleven gelooven aan de niet besmettelijkheid der ziekte, is het niet gelukt door bet opheffen van de door hen genoemde oorzaken de ziekte te doen verdwijnen, indien dit niet gepaard ging met vernietiging of onschadelijk maken van de smetstof. Met Johne, Dieudonne, e. a. in het buitenland, zien wij, Nederlandsche veeartsen, de varkens-

-ocr page 12-

G

ziekte hevig optreden in streken waar aan de varkens de zindelijkste, weelderigste hokken en de meest deugdelijke voeding verschaft worden (Friesland en Noordholland), terwijl in andere streken — waar het er met de oeconomie vrij wat slechter uitziet (zooals in sommige streken van Overijsel, Drente, Gelderland en Noordbrabant) — de ziekte weinig of in het geheel niet wordt waargenomen. Zou dit eenendeels pleiten voor het optreden op bepaalden bodem, dan vervalt direct deze gevolgtrekking wanneer wij bij ons te lande de ziekte op allerlei soort van gronden zien optreden.

Hoe geheel anders is die uitslag en de conclusie voor de deskundigen, welke vasthouden aan een specifieke smetstof. Immers, zooals het geschiedt bij sommige besmettelijke ziekten van mensch en dier, als pokken, longziekte, miltvuur, kan ook uit de smetstof der varkensziekte een entstof worden bereid, die, in een gezond varken gebracht, bij dat dier soms niets, soms een meestal zeer lichte en onschadelijke ziekte (de zoogenaamde entziekte) veroorzaakt en dat dier korteren of lan geren tijd onvatbaar maakt voor een moedwillige of toevallige besmetting.

Door deze enting, en alleen daardoor, kan men met eenige zekerheid de kwaadaardigheid der varkensziekte voorkomen, wat niet het geval is bij het wegnemen der oorzaken door de bestrijders der besmettelijkheid genoemd.

Al weer een sterk bewijs voor de besmettelijkheid der ziekte. Immers een gewone ziekte, veroorzaakt door invloeden van klimaat en voeding, b. v. een gewone maag-darm-catarrh, laat zich niet door enting voorkomen, om de eenvoudige reden, dat men niet iets bepaalds, iets bijzonders kan aanwijzen, waardoor alleen en altijd die ongesteldheid ontstaat. Alléén bij ziekten, ontstaan door een bepaalde smetstof, is dit mogelijk, en — omdat nu ook die mogelijkheid bestaat bij varkensziekte — volgt ook daaruit het ontstaan en verspreiden der ziekte door een smetstof.

De conclusie, uit de entproeven getrokken, wordt nog versterkt door de besmettings- en controle proeven,

-ocr page 13-

7

waarbij meu zag dat niet geënte dieren (varkens), met de geënte proefdieren in eenzelfde hok vertoevende, ziek werden en aan varkensziekte bezweken en verder, dat de niet geënte dieren — bi] een moedwillige besmetting van geënte en niet geënte varkens — bij lange na niet in immuniteit met de geënte konden wedijveren.

Door veel personen zijn deze eut- en controleproeven op verschillende wijze en met verschillend succes genomen.

Wij noemen Pasteur, Thullier, Fissciier, Bah,let, Lydtin, Cagny, Kitt, Herbet, Diehdowé, Cornevin, Hess, Güillebeau, Sckütz, Degive en van de nederlandsche veeartsen: Bergsma, Boer, Jansma, H. v. Staa, Sytsema, Zwart, K. F. Laméris, K. J. Werkman, Kroes, de Boer, Koster, Billroth, Tacoma, Hubenet, Luurs en Janné. Dat hier en daar de entproeven minder goed gelukten, mag voor een groot deel aan bijomstandigheden geweten worden, daar toch van d i e proeven — op groote schaal genomen en met in achtneming van de meest mogelyke voorzorgen — de uitkomsten zeer gunstig waren.

Als bewijs dat Rothlauf een besmettelijke ziekte is, veroorzaakt door een bepaalde smetstof, zij aangevoerd dat zij meegaat in de rij van vele infectieziekten, waarbij door enting immuniteit kan worden verkregen. Als verdere bewijsgronden kunnen dienen: dat de ziekte, voornamelijk aan dezelfde plaatsen en stallen gebonden, optreedt en het geheels jaar voorkomt, doch het meest in het warme jaargetijde en zoowel op leem-, als op zand- of kleibodem wordt geconstateerd en dat men door het in praktijk brengen van hygiënische middelen veel uitbreiding kan voorkomen.

Oorzaken dus, door anderen aangegeven als pleitende voor de niet besmettelijkheid, kunnen juist de besmettelijkheid bevestigen. Immers dat Rothlauf in bepaalde streken en in sommige hokken zoo moeielijk is uit te roeien, vindt zijn grond in een heirleger smetstoffen, daar in den bodem aanwezig, en in de moeielijkheid dien bodem (door de physische gesteldheid) er van te bevrijden. Het feit dat Rothlauf zich in het warme of

-ocr page 14-

8

vochtigwarme jaargetijde het snelst verspreid, wordt verklaard door de meest gewone natuurwet, dat de groeikracht juist onder die invloeden het grootst is en dus de schadelijke ziektekiemen (het virus der Rothlauf) zich ook het snelst ontwikkelen. Op allerlei bodem komt de ziekte voor en overal woedt zij voort, hier minder daar meer; overal waar de smetstof wordt heengebracht, maakt zij slachtoffers en alleen de meerdere poreusheid, hoogte of laagte van den bodem, kan van invloed zijn op het korter of langer verblijf van de smetstoffen daarin.

Gepaste hygiënische maatregelen met betrekking tot voeding, verpleging, huisvesting en ook doelmatige teelt, dragen bij tot het beperken der ziekte. Weer een feit dat wij bij het heerschen van allerlei besmettelijke ziekten waarnemen. In een door teelt en voeding verzwakt lichaam wordt den minsten weerstand geboden voor schadelijk inwerkende stoffen; op vuile plaatsen, in vuile voederbakken en stallen vindt men de geliefkoosde verblijfplaatsen voor ziektekiemen. Ditzelfde geldt ook voor bedorven en slecht voer. Al deze zaken dus kunnen wel degelyk als bewijsgronden voor onze stelling dienen en zijn ook te beschouwen als oorzaken der varkensziekte — doch steeds als gelegenheidgevende oorzaken, in tegenstelling van de directe oorzaak: de bacil. Sommigen willen het zoo verbreid voorkomen der varkensziekte aanvoeren tegen de besmettelijkheid; doch zeer gemakkelijk kan dat grillig optreden veroorzaakt worden door den zoo levendigen varkenshandel, verkoop en vervoer van zieke varkens, voeding met afval, enz.

Waarnemingen van Grimm en Kon ra hebben geleerd dat de ziekte in stallen, waar zij nooit geweest was, gebracht is door aangekochte varkens. Ook de waarnemingen van Rickert en Lydtin bewijzen het verspreiden der ziekte door handel in varkensvleesch.

Een waarneming op het gebied van overbrenging der smetstof constateerde een lid onzer Commissie nog gedurende dit voorjaar. Hij werd n.1. geroepen bij twee gestorven var-

-ocr page 15-

9

kens in het gehucht Wapserveen (gemeente Havelte), in een streek en op een hoeve waar tot dusver geen ziekte voorkwam. Desgevraagd kreeg hij ten antwoord dat de varkens naar den beer te Wittelte (gemeente Diever) waren geweest, in welke streek nog al wat varkensziekte heerscht en verzwegen wordt. Uit een ingesteld onderzoek bleek toen echter niet, dat langs den weg, door de geleide varkens genomen, hoeven waren, waar op dat tijdstip varkensziekte heerschte. Toch kan hier immers gemakkelijk een besmetting door den bodem, door een of andere poel, goot, moddersloot of zoo iets hebben plaats gevonden. Nog op meerdere plaatsen zijn dezelfde feiten geconstateerd, n.1. dat men tot een zeker moment geheel van de ziekte verschoond bleef, doch dat na de een of andere gebeurtenis, meest op varkenshandel betrekking hebbende, de ziekte is opgetreden.

Zoo, geoorloofd steunende op de vele ervaringen en waarnemingen van bevoegde beoordeelaars, vermeerderd met het geen wij zelve als bewijsgronden kunnen bijbrengen, meenen wij voldoende de quaestie der besmettelijkheid te hebben bewezen en verwachten wij van de zijde der besliste tegenstanders of der twijfelaars het aangeven van doorslaande bewijzen tegen het virulent zijn — of het zich scharen aan onze zijde.

Ook ware het te wenschen dat door de verschillende varkenshouders die besmettelijkheid werd aangenomen of geëerbiedigd, want er wordt door hen soms veel te lichtvaardig een oordeel geveld ten opzichte van het twijfelen aan besmettelijkheid, en vage waarnemingen van enkele niet betrouwbare personen zgn soms in staat om de zorgvuldigste wetenschappelijke proefnemingen tot niets te reduceeren.

Niet zoo beslist als over de al of niet besmettelijkheid , durft de Commissie een oordeel uitspreken aangaande den aard van het virus.

Schromelijk zijn de verwarringen ontstaan in de benamingen der meest heerschende varkensziekten. Men heeft niet vroegtijdig genoeg miltvuur, Eothlauf (vlekziekte), Schweineseuche (borstziekte), Schweinepest (diphtheritische

-ocr page 16-

10

dai-moiitsteking) van elkander gescheiden en door het gebruiken van vele namen de zaken verward, Zóó moet men verklaren het feit, dat onderzoekers als Hahms, Klein, Schütz, Lofpler en Eggeling, ook wat de symptomen der verschillende varkensziekten betreft, soms lijnrecht met elkaar in tegenspraak zijn. Eenmaal een verwarring in de namen en verschijnselen ontstaan zijnde, moest dit gevolgd worden door uiteenloopende beschrijvingen van het microscopisch en bacteriologisch onderzoek. Zoo vond Klein de bacillus minimum, Bollinger en Pasteur cilin-derbacteriën en micrococcen. Klein beschuldigt Pasteur van gewerkt te hebben met onzuivere cultures — waarin de bacteriën der kippencholera talrijk aanwezig waren — terwijl Salmon beweert dat de gevonden bacillen van Klein septicaemiebacillen waren. Baillet vond bacteriën, doch alleen in het bloed, in teffenstellins: van

\' \'o o

anderen, die in de meeste weefselsappen en sereuse uitstortingen het virus konden aantoonen. Coenevin constateerde dat de werkzaamheid van het virus vernietigd werd door verhitting en uitdrooging. Dit pleit ten zeerste voor een vast contagium en tevens sluit het de besmetting langs de luchtwegen uit. (Ongelukkig nam Coenevin zijn proeven met duiven, die volgens Klein voor besmetting onvatbaar zijn.) Het virus zou op zijn minst een vochtige omgeving noodig hebben en kan dan langs huid en darmkanaal besmetten. Het gemakkelijkst echter langs dezen laatsten weg, in verband met de eigenaardige gewoonte der varkens om overal in te snuffelen.

De uitwerpselen zijn zeer rijk aan microben — ergo ook de mest; uit de mest dringen de kiemen in den bodem, blijven daar bewaard en kunnen verplaatst worden door insecten, muizen, ratten, mollen en dergelijke. Ook in pekel water en in het zoogenaamde spoelwater blijven de microben leven en op die wijze kunnen zij door greppen, slooten en stroomen verspreid worden.

Een en ander is van zeer groot belang, wanneer er

-ocr page 17-

11

sprake is van ontsmetting, mestvervoer en slachten.

Volgens Lofixer en Schütz vinden wij bij Rothlauf fijne bacillen en bij Scbweineseucbe ovale bacterien. Schütz beweert dat de fijne Rotblanfbacil identiscb is met de bacil der muizensepticaemie en dat de ovale Schweine-seuchebacterie overeenkomt of gelijkstaat met het virus der konijnensepticaemie. Schweineseuchebesmetting zou dan hoofdzakelijk langs de luchtwegen plaats vinden, in tegenstelling met de Rothlaufverbreiding, die hoofdzakelijk langs het darmkanaal geschiedt.

In overeenstemming hiermede zijn de proeven van Kitt, waaruit bleek dat de beschuttende enting werkeloos bleek bij Schweineseucbe en dat konijnen, met de Rothlaufbacil geënt, dezelfde verschijnselen vertooneu als die met de muizensepticaemiebacil geënt. Het virus zou volgens Kitt in het konijnenlichaam niet verzwakken, doch het optreden van Rothlauf — in lichten graad — alleen zijn oorzaak vinden in het feit, dat, door enting uit het konijnenlichaam, in een zelfde hoeveelheid entstof veel minder bacillen worden aangetroffen, dan wanneer men deze hoeveelheid direct van het aan Rothlauf lijdende of bezweken varken had genomen. Uit de verdere entproeven van Kitt blijkt tevens dat grootere dieren immun waren ten opzichte van het Rothlaufvirns. Slechts bij witte muizen, duiven, witte ratten en konijnen kon met succes de ziekte worden overgebracht (Coekevin). Kitt entte een koe, twee schapen, zeven eenden en vier ganzen zonder gevolg. Ook hij zag slechts werking van het virus bij witte muizen. Veldmuizen bleken totaal immun.

Hoeveel er nu ook door deze onderzoekingen en uitkomsten te zeggen valt voor het identisch zijn van Rothlauf met muizensepticaemie — toch zijn er nog zaken die verder moeten bewezen worden, alvorens wij met Schütz en Kitt kunnen meegaan. Immers, volgens de onderzoekingen vau Koch, Gafi\'ky, Huppe, e. a. bevinden zich de septicaemie-bacillen in velerlei stoffen, zooals in afgestorven weefsel,

-ocr page 18-

12

bedorven voedsel, darminhoud, urine, water, enz. Zou dit ook een bacil zijn die vrijwel identiscli is met die van mni-zensepticaemie en zoo ja — zou dan de bacil van gemelde ziekte zoo onwerkzaam zijn bij grootere dieren? Wij weten toch dat door minimale hoeveelheden septische stoffen, dus septicaemiebacillen, in het bloed van de grootste dieren en ook van den menscli te doen opnemen, in zeer veel gevallen de dood het gevolg is — welnu, zou dit ook plaats hebben met het virus van muizensepticaemie ? Zoo ja, dan kan ze niet identisch zijn met Rothlauf, omdat Rothlauf-virus volgens de zooeven genoemde onderzoekingen onwerkzaam blijkt bij grootere dieren en bij den mensch. Van de bacterie der kippen-cholera is bet bewezen dat zij niet onschuldig is voor grootere huisdieren en zelfs bij koeien en paarden een doodelyke enteritis veroorzaakt (Löfpler). Dan moet het onderzoek zich richten naar de eigenaardige uitkomsten van Kitt, omtrent de immuniteit der veldmuizen voor het Rothlaufvirus, Zou ook dit geen verschilpunt opleveren ?

Men onderzoeke verder of varkens, geënt met afval van aan muizensepticaemie bezweken muizen — of met cultuurvloeistof daarvan — ook verschijnselen van Rothlauf krijgen en of muizen, geënt met entstof van Rothlauf, ook immun zullen ziju voor het virus van muizensepticaemie.

Van het grootste belang moet een dergelijke reeks van onderzoekingen worden geacht, omdat hiermede beslist het vraagstuk van het nut der enting en wettelijke bepalingen is op te lossen.

In hoeverre een en ander met elkander in verband staat, zal bij het behandelen der verschillende vraagpunten nader blijken.

-ocr page 19-

13

BEHANDELING DER VRAAGPUNTEN.

Vraagpunt 1. Zijn er wettelijke bepalingen noodig ter bestrijding der varkensziekte?

Van de 64 ingekomen antwoorden van veeartsen op deze vraag, luidden er 40 beslist voor het bestaan der wettelijke bepalingen, 9 tegen, 45 onbeslist (Bijlage III).

De voorstanders der wettelijke bepalingen geven daarvoor aan: nuttig als proefneming, van belang met het oog op het vervoer; uitvoerhandel; waarborg voor goedgekeurd spek; om de vleeschkeuring te bevorderen; omdat de varkenshouders zei ven niet de minste maatregelen nemen; om de uitbreiding der ziekte tegen te gaan, enz.

De tegenstanders motiveeren hun standpunt als volgt: de ziekte is niet alleen contagieus, doch ook miasmatisch en uitroeiing wordt dus niet verkregen; de ziekte is enkel miasmatisch, toe te schrijven aan atmosferische of locaal schadelijke invloeden en kan (eens ontstaan zijnde) besmettelijk worden; wettelijke bepalingen zullen weinig effect hebben, omdat de ziekte slechts tijdelijk heerscht; omdat de uitvoering te wenschen overlaat; omdat zij niet afdoende zijn.

De onbeslisten achten het uitspreken van een oordeel (nu reeds) voorbarig. Zij willen eerst de ziekteoorzaak opgespoord zien en achten maatregelen nuttig, mits in overeenstemming met de eischen der wetenschap en oeconomie.

De antwoorden door de verschillende landbouwmaatschap-pijen ingezonden luiden ten opzichte van het wenschelijk zyn der wettelijke bepalingen meest alle bevestigend.

De Commissie — overigens ten zeerste de vele zakelijke antwoorden waardeerende — meent toch te moeten opmerken, dat verschillende deskundigen zich bij het beantwoorden van vraag I te veel hebbeu bezig gehouden met het fait accompli—dat er reeds wettelijke bepalingen bestaan en ze deze in mindere of meerdere mate afkeuren. Ant-

-ocr page 20-

14

woorden als: „omdat de uitvoering te wensclien overlaatquot; of „omdat de bepalingen niet afdoende zijn\'\', slaan geenszins op onze stellige vraag, te minder daar wij in vraag II de gelegenheid geven alle op en aanmerkingen aan te voeren.

Wanneer wij moeten motiveeren waarom er wettelijke bepalingen (welke dan ook) noodig zijn, dan geven wij daarvoor in de late plaats aan: de besmettelijkheid.

Moge men daartegen aanvoeren, dat toch ook bij zoovele andere ziekten (ook bij huisdieren) de besmettelijkheid voldoende bewezen is, zonder dat nog wettelijke bepalingen daaromtrent bestaan, dan merken wij op, dat voorzeker ook daar gepaste maatregelen (desnoods wettelijk voorgeschreven) evengoed nut zouden hebben. Sluit het niet bestaan van wettelijke bepalingen bij andere besmettelijke ziekten in zich, dat zij daarbij schadelijk zouden werken? Voorzeker niet altijd, doch eensdeels de eisch: het niet te veel uitoefenen van pressie en aan banden leggen, anderdeels: inoeielijke uitvoerbaarheid en bezwaarlijk treffen van gepaste bepalingen, in verband met den aard en de verbreiding van sommige besmettelijke ziekten, zullen het vaststellen van die bepalingen tegengaan.

Bij een besmettelijke ziekte van zoo\'n grooten omvang, met zulk een hevigheid optredende, zijn wettelijke bepalingen gebiedend vereischt, zoowel met het oog op onze varkensteelt als op den binnen- en buitenlandschen handel. Te meer is het gebiedend, wijl (zooals ook het gewaardeerde antwoord uit Huizum luidt) de varkenshouders zei ven weinig of geen maatregelen tot verbeterde inrichting van stallen, betere voeding en verpleging, ontsmetting, enz. nemen.

De eigenaardigheid van het varken, dat het zich zoo gemakkelijk laat mesten en allerlei afval en bedorven voedsel vrijwel in vet en spek omzet, is oorzaak van het aantreffen der varkens niet alleen bij de eigenlijke landbouwers , doch ook veel bij arbeiders uit den boerenstand, zoowel als bij ambachtslieden in kleine en grootere dorpen en steden.

-ocr page 21-

15

Wat wordt er door varkenshouders en mesters gedaan bij het uitbreken der ziekte ? Van de eigenlijke boeren zullen velen zich — zoo de ziekte op hun stallen uitbreekt en zij daartoe kans zien — van alle of een gedeelte hunner varkens door verkoop ontdoen. Sommigen slachten ze en wel op een haastige, slordige manier, meestal zonder de ingewanden te bewaren, die dan weggeworpen worden en door honden of katten in den omtrek kunnen worden verspreid. De gestorven dieren komen bij enkelen nog in consumtie, maar worden dikwijls begraven; hoevelen daarvan door anderen worden opgegraven en toch in consumtie gebracht, is echter niet te zeggen.

Dat de hygiënische verhoudingen, waaronder deze dieren tot mindere of meerdere mate van welgedaanheid worden gebracht, zeer verschillend en dikwijls zeer treurig zijn, behoeft geen betoog en wordt ook voldoende gestaafd door de uitvoerige mededeelingen der veeartsen.

In de lste plaats dus moeten maatregelen worden genomen in het belang van onzen veestapel. Ook al vroeg het buitenland geen certificaat ten opzichte van varkensziekte, dan zou dit toch nooit een motief mogen zijn, om de maatregelen achterwege te laten. Wij zorgen het eerst voor ons zelf.

Ten 2de is het plicht in het belang van den uitvoerhandel. Het buitenland vraagt van ons wel degelijk varkens uit streken, waar geen besmettelijke veeziekten heerschen en spek van onze eigen varkens.

Er is beweerd dat maatregelen tegen varkensziekte het ontduiken van de bepalingen op de andere veeziekten in de hand zal werken. Zelfs al ware dit zoo, dan nog moesten de maatregelen bij varkensziekte niet uitblijven, wanneer de eischen der wetenschap en oeconomie (zooals de Heer van Due.m zegt) zulks vorderen. Wanneer er sprake is van maatregelen ter wering van varkensziekte, dan bepalen wij ons tot die ziekte alleen en dalen wij niet af tot utiliteitsbeginselen ten opzichte van andere besmettelijke

-ocr page 22-

46

ziekten, welke voorziening behoeven. Wij kunnen dus niet anders doen, dan ook deze aanhaling tegen wettelijke bepalingen te beschouwen als een poging tot een bewijs uit het ongerijmde.

Maatregelen zijn dus gewenseht. Op eigen initiatief der varkenshouders worden zij niet genomen — wat meer is — er worden praktijken beoefend, welke het verspreiden der ziekte op onrustbarende wijze in de hand werken. Het is dus noodzakelijk dat de Regeering er zich mede bemoeit en de maatregelen voorschrijft aan lieden, die geen doorzicht hebben of willen gebruiken om hun eigen voordeel te behartigen en niet eerlijk genoeg zijn om hunne medemenschen te behoeden voor de gevolgen van een ramp, welke hun getroffen heeft. Welke die maatregelen moeten zijn, is bij de beantwoording der lste vraag niet aan de orde.

Wij willen dit behandelen in het antwoord op de volgende vragen.

Vraagpunt II. Moeten er in het tegenwoordige Kon. besluit veranderingen gemaakt worden?

Op enkele uitzonderingen na verklaren zich alle veeartsen en landbouwmaatschappijen vóór het aanbrengen van veranderingen in bet tegenwoordige Kon. besluit (Bijlage IVquot;). De enkele voorstanders van het onveranderd blijven bestaan der daarvoor vigeerende bepalingen voeren daarvoor aan:

dat eerst deze maatregelen flink moeten worden toegepast, alvorens het succes der werking kan worden uitgesproken. De veranderingen welke, volgens de ingekomen antwoorden, moeten gemaakt worden, zijn de volgende:

Tegen Art. 62 (K. B. v. 27 Maart 1888, Stbl. 67) wordt aangevoerd, dat de scheiding zoo moeielijk is tot stand te brengen, wijl het slecht is uit maken wat verdachte, zieke of gezonde varkens zijn; dat men gelegenheid geeft tot de ontwikkeling van een heirleger ziektekiemen, welke zich in den bodem deponeeren; dat met de on-

-ocr page 23-

17

voldoende bepalingen omtrent afsluiting der besmette hoeven, de verspreiding niet voldoende wordt verhinderd, gedurende den tijd van verdachtzijn of tot na afloop van het laatste ziektegeval.

Art. 63. Hiertegen worden tal van bezwaren geopperd.

Ten lstl! zou het Staatstoezicht te lang laten wachten, eer er een beslissing [kan vallen, omtrent het al of niet optreden van een geëxamineerd veearts.

Ten 2dc wil men het onderzoek en ook de keuring enkel opgedragen zien aan geëxamineerde veeartsen en dan op kosten van het Kijk. Dit onderzoek moest dan direct door de zorg van den burgemeester kunnen worden ingesteld.

Ten 3dc wordt gewenscht: verbranding van huid, bloed, afval en ingewanden van alle gekeurde, verdachte varkens, daar moeielijk is uit te maken of ook daarin niet alreeds het virus zich bevindt.

Ten 4de werkt het vrij in consumtie brengen van het vleesch der zieke dieren — na keuring — de verspreiding der ziekte in de hand, daar volgens Coiinevin ook het spiersap virulent is.

Ten 5de is het bepaalde in art. 63 in strijd met art. 67 ?

Ten opzichte van art. 64 wordt door velen opgemerkt, dat dit artikel ruime toepassing moest vinden, Wij komen daarop terug bij vraagpunt III.

Art. 65. De meeste deskundigen zijn het er over eens, dat de verbranding en opvolgende desinfectie met niet te veel zorg kan worden uitgevoerd; anderen achten een deugdelijke ontsmetting der hokken ondoenlijk; nog anderen willen alleen begraving, omdat verbranding te veel tijd vordert en niet goed geschiedt. Velen willen de verbranding en de ontsmetting doen geschieden ouder toezicht van een geëxamineerd veearts en achten het toezicht der politie niet voldoende. Bij de desinfectie der hokken moet vooral op goede bodera-desinfectie worden gelet en zooveel mogelijk worden afgebroken en uitgespit, daarna nieuwe hokken met diepen zandbodem, waarover een ondoordringbaren vloer;

2

-ocr page 24-

18

herhaalde gedeeltelijke of geheele vernieuwing van den bodem en toezicht op de Lokken (ook als er geen ziekte heerschende is).

Art. 66. Door velen wordt de termijn van 10 dagen te kort geacht. Overigens worden er ten opzichte van dit artikel geen aanmerkingen gemaakt.

Art. 67. Is volgens enkelen in strijd met artikel 63; overigens eischt men van vele zijden een strenge toepassing van dit artikel, vooral ook met het oog op den mest.

De aanmerkingen op art. 68 worden bij de enting behandeld.

Algemeene aanmerkingen zijn: lste De inrichting van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht, waardoor niet ieder veearts gerechtigd is adviseerend — handelend — op te treden, \'t geen met tijdverlies gepaard gaat en tot impopulair worden der voorschriften aanleiding moet geven.

2(le. Klachten over burgemeesters, welke de aangiften onder zich houden en overigens den spot drijven met de voorschriften, gevolgelijk deze zoo slordig mogelijk doen uitvoeren, wat zeker niet zonder invloed is op hun gemeenteveldwachters, die op hun beurt weer bij de varkenshouders de uitvoering der voorschriften bespottelijk maken.

3de. De burgemeesters moesten eenvoudiger instructies hebben en direct van een geëxamineerd veearts gebruik kunnen maken. Ook ten opzichte van het terugkrijgen der voorgeschoten gemeente-gelden moest men het die heeren niet zoo lastig maken.

4de, De maatregelen moesten meer uniform worden uitgevoerd.

Squot;16. Er is gebrek aan het noodige toezicht.

Tot zoover een uittreksel uit de verschillende antwoorden op deze vraag.

Zooals wij reeds in onze inleiding opmerkten, moet de aard der smetstof en de wijze van verbreiding der ziekte, den weg aangeven, welke bepalingen moeten worden toegepast.

-ocr page 25-

19

Is de smetstof cosmopolitiscb, dan zal het niet gelukken langs den weg van verbranding, ontsmetting en bodemdesin-fectie de ziekte te doen uitroeien. Vooral niet wanneer Kothlauf ontstaat evenals zure melk of oedeem en de smetstof zoowel contagieus als miasmatiscb is. Volgens de aanhalingen dei-inleiding mogen wij ons ten opzichte van Rothlauf vrijwel bepalen tot het contaglum. Of echter dit contaginm enkel in het varkenslichaam zich ontwikkelt en er niet een gelijke smetstof bij de overal in den bodem verspreide muizen wordt gevonden, is een onbeslist vraagstuk. Wel is het zeker, dat op velerlei wijzen het contagium verspreid kan worden en wij geen absolute zekerheid kunnen geven, dat, door stipte toepassing der maatregelen, er eenmaal een tijd zal aanbreken, dat de voorraad varkensziektevirus is uitgeput. Toch is het contagium niet zoo cosmopolitiscb als van ziekten, die door allerlei soort smetstoffen kunnen ontstaan en kunnen wij ons (zg het dat Kin en Schütz juiste beschouwingen leveren) bepalen tot varkens en muizen; onverminderd de dieren en insecten welke de smetstof van de eene plaats naar de andere brengen, zooals dit plaats heeft bij de verspreiding van alle contagieuse of miasmatisch-contagieuse ziekten, waarbij toch wel degelijk maatregelen gewenscht bleken te zijn. Het is nu de quaestie of, voor het geval dat Kothlauf en muizensepticaemie een en dezelfde ziekte is, toch nog de maatregelen van afzondering, verbranding, ontsmetting, enz. nut kunnen opleveren?

De Commissie meent deze vraag toestemmend te moeten beantwoorden. Mocht het resultaat van verdere proefnemingen zijn, dat varkensziekte is: een specifieke infectieziekte, dan spreekt de Commissie met nog meerdere beslistheid het goede der hoofdbeginselen van de tegenwoordige wettelijke bepalingen uit. In geen geval echter mag het hoofdbeginsel bij wijze van proef verworpen worden. Wij hebben ons verbaasd over oordeelvellingen na een zoo kort tijdsverloop, bij z o o slechte toepassing dei-maatregelen.

-ocr page 26-

\'20

Wij merkten reeds op dat de hoofdbeginselen, in dit Ko-ninkl. besluit opgenomen, zijnde ; verbranding en ontsmetting, goed waren. Daartegen is aangevoerd, dat het niet goed geschiedde en daarom als nutteloos moest worden gebrandmerkt. Wij vragen echter in gemoede of dit de schuld is der wettelijke bepalingen ?

Anderen hebben beweerd dat goede verbranding en ontsmetting niet wel mogelijk was, en onuitvoerbaar bleek. Ook hiertegen protesteeren wij ten sterkste. De wet stelt geen limieten. Het Veeartsenijkundig Staatstoezicht mag de voorschriften van verbranding en ontsmetting zoo correct mogelijk uitvoeren. Er wordt niet bepaald hoeveel turf, hout, teer, petroleum en carbolzuur voor vernietiging en ontsmetting gebruikt; moet worden. De aanmerkingen dus, die vallen op onvoldoende verbranding en ontsmetting, komen als aanmerkingen op de voorschriften niet in overweging. Is een hok of een gedeelte daarvan niet voor ontsmetting vatbaar, waarom dan niet ruime toepassing gemaakt van de voorschriften gegeven bij Koninkl. besluit van 9 Juni 1885, Stbl. 125, § 1 a?

De Commissie moet erkennen dat het aangevoerde tegen art. 62, betreffende de afzondering, vele moeielijkheden met zich voert; dit is echter zeer goed erkend in hetzelfde artikel (3e clausule), waarbij aan den deskundige de handen zoo vrij mogelijk worden gelaten. Men handele dus zoo goed men kan en het moet erkend worden, dat wij in deze vrij wat correcter maatregelen kunnen nemen, dan bij het heerschen van besmettelijke ziekten ónder het geslacht homo sapiens.

Wat de termijn van 10 dagen voor verdachtverklaring betreft, kan niet worden ontkend, dat de practijk een langer tijdsverloop noodig acht.

Het bepaalde bij art. 63 kan ook niet geheel genade vinden in de oogen van uwe Commissie. Zij wil het in consumtie brengen van zieke of verdachte dieren — volgens advies van den districtsveearts of van den veearts die hem ver-

-ocr page 27-

21

vangt — slechts toestaan onder bepaalde voorwaarden : b.v. vervoer van niet minder dan een vierde gedeelte van een varken, of slechts van de zijden spek, na voorafgegane inzouting en opvolgende berooking. Het voorzien van een merkteeken, b.v. een kruisbranding over een geheele spek-zijde, is niet af te keuren en hierin is o. i. niets onbillijks. Immers dergelijk spek (vleesch?) behoeft niet voor gezond en tegen volle waarde verhandeld te worden. Op eenigerlei wijze mag het publiek wel bekend gemaakt worden welk vleesch of spek het in de kuip krijgt.

De quaestie van het in consumtie brengen van zieke of verdachte dieren — na keuring door «een ander deskundige», door den burgemeester te kiezen — heeft heel wat wisseling van gedachten uitgelokt en niet geheel ten onrechte! Het bedoelde toch deugt in het geheel niet in een wet om uitbreiding van besmettelijke varkensziekte tegen te saan. Immers de smetstof der ziekte localiseert zich niet uitsluitend in bloed en ingewanden, doch ook is zij verspreid door het vleesch en de huid. Wordt er dus vervoer en in consumtie brengen (direct na slachting) toegestaan van vleesch der zieke- en vleesch en ingewanden der verdachte dieren, dan is het zeker, dat onder bescherming van de wet smetstof verspreid wordt.

Vragen wij: waarom spreekt de onderzoekende veearts of de keurende «andere deskundig e» het veto uit in sommige gevallen? Is het omdat dan de ter onderzoek of keuring aangeboden stukken te veel met smetstof bezoedeld zijn, of geschiedt het uit een hygiënisch oogpunt, als schadelijk voor de volksgezondheid? Op grond van de lste uitspraak zou ook het met minder smetstof doortrokken var-kensvleesch niet vervoerd mogen worden, want zijn de omstandigheden gunstig, dan kan hierdoor evengoed verbreiding der ziekte ontstaan. Op grond van de 2\'le uitspraak (en deze zal wel steeds overwegend zijn voor den anderen deskundige, omdat hij niet heeft uit te maken of er varkensziekte in \'t spel is), kan het artikel vervallen uit de

-ocr page 28-

22

bepalingen omtrent besmettelijke ziekten en hoort het t\'lmis bij de zeer gewenschte Staatszorg omtrent vleeschkeur.

Door enkele leden werd de aanwijzing van «een ander deskundige» in bet K. besluit afgekeurd, als leidende tot officieele huldiging der kwakzalverij.

De opmerking wordt verder gemaakt, dat het raadzaam zoude zijn niet alleen bloed en ingewanden der geslachte zieke dieren, doch ook bloeden ingewanden van geslachte verdachte dieren aan de gestelde bepalingen te onderwerpen. Waar sprake is van art. 3 ten opzichte van verbranding, begraving en ontsmetting, zou het zeer gewenscht zijn deze geheel op rijkskosten te doen geschieden en dan liefst onder toezicht van deskundigen. Dit toch zal de eenige weg zijn om het goed te doen geschieden en waar zoo overtuigend is bewezen, dat flinke vernietiging en ontsmetting (zooveel mogelijk bodemontsmetting) in deze wet het meeste effect zullen sorteeren, mag ook wel aan deze hoofdzaken de volle attentie worden geweid. Onvoldoende is het dus dit door de zorg en gedeeltelijk op kosten van den eigenaar te doen geschieden.

Bij het bespreken van art. 63 verdient tevens overweging of de wijze van slachten niet eenigszins gereglementeerd moet worden. Laat men het bloed der geslachte dieren gedeeltelijk met het spoelwater in den grond dringen, dan schept men daarmede een bron van verdere besmetting, vooral indien door stroomend water of op andere wijze de smetstof zich op verderen afstand verspreiden kan. Indien niet alle bloed en water hierbij kan worden opgevangen en onschadelijk gemaakt, dan zorge men ten minste de slachting daar te doen plaats vinden, waar genoemde gevaren gering zijn, waar alles gemakkelijk kan worden schoongemaakt, niets in den bodem dringt en waar binnen zekeren tijd geen varkens zullen komen.

Tot zooverre aanmerking op art. 68.

Art. 64 bespreken wij bij het volgende vraagpunt betreffende algemeene onteigening.

-ocr page 29-

23

Bij Art. 65 verdient overweging om bij het uitbreken van varkensziekte op een hoeve, zooveel mogelijk direct, uit alle hokken de mest te verwijderen, de bodem uit te graven en te ontsmetten, evenals het hok. Waar men over weinig ruimte kan beschikken en dus geen noodhokken kan maken op harden bodem, zal dit zeker (evenals de quaestie van afzondering) veel bezwaren opleveren. Waar het echter geschieden k a n, verdient het de voorkeur boven een ontsmetting na afloop van het laatste ziektegeval. Het spreekt echter van zelf dat deze eind-ontsmetting toch, zoo noodig, moet blijven bestaan. Van het standpunt der bodem-infectie uitgaande, is het wel wat roekeloos om de varkens z 6 ólang op een infecteerende massa te doen vertoeven. Zeer waarschijnlijk zou er bij verstandige toepassing der beschreven maitregel veel gecoupeerd worden.

Bij Art. 66 herhalen wij het reeds aangemerkte omtrent den termijn van 10 dagen. Deze is herhaalde malen te kort bevonden.

Art. 67 komt zelden in toepassing.

Art. 68 wordt bij de enting behandeld.

Nog tal van aanmerkingen zijn gemaakt, doch deze hebben niet alléén betrekking op de bepalingen omtrent varkensziekte, o. a. de legio klachten over art. 4 v. h. K. besluit van 27 Maart 1888 (Stbl. 67); omtrent het te laat optreden van het Veeartsenij kundig Staatstoezicht, een gevolg van gebrek aan beschikbaar personeel.

Andere aanmerkingen werden er gemaakt omtrent het verzwijgen der ziekte en het smokkelen in het algemeen, waarin echter op afdoende wijze ware te voorzien, door het aanstellen van veeopzichters.

Tot terugkrijgen der voorgeschoten gelden door den burgemeester is vereenvoudiging dier vrij omslachtige administratie gewenscht.

Dikwijls wordt van den veearts een verklaring gevorderd, dat de ontsmetting naar behooren heeft plaats gehad, zonder dat hij is aangewezen om bij die ontsmetting tegen-

-ocr page 30-

2-t

woordig te zijn. Deze aanmerkingen hebben ecbter niets te maken met de bepalingen omtrent varkensziekte.

Ten slotte is de Commissie overtuigd dat, niettegenstaande de bepalingen bier en daar veranderingen en wijzigingen behoeven, ook veel zaken — welke door verscbillende veeartsen als klachten zijn aangegeven — blijken te berusten op bijzaken, verkeerde lezing, uitlegging en uitvoering der bepalingen.

Als 3o Vraagpunt stelden wij; «Acht men alge-ra eene onteigening bij liet heersc hen dei-ziekte wenschelijk?»

In\' de 64 ontvangen antwoorden van veeartsen, vinden wij 20 maal een pleit voor algemeene onteigening en 13 veeartsen wenschen een gedeeltelijke vergoeding. Van de landbouwmaatschappijen zijn de antwoorden ook vrij wel om de helft verdeeld (Bijlage V).

De voorstanders van algemeene onteigening motiveeren hun standpunt aldus: «algemeene onteigening en vergoeding zal leiden tot nauwkeurige aangifte, omdat alleen in dit geval medewerking van de zijde der varkenshouders te verwachten is» ; «het is in bet belang der varkenshouders en niet meer dan billijk, omdat ook voor hen de gestorven varkens waarde hebben en zij hun overige varkens nu niet ter markt mogen brengen, \'t geen schadelijk is.»

De tegenstanders beweren : «dat de financieele bezwaren te groot zijn; de maatregel nutteloos zou zijn; vroegtijdige noodslachting voldoende kan geacht worden; de ziekte te uitgebreid voorkomt en eerst tot kleineren kring moet beperkt worden. De spoedige dood is ook een bezwaar om juiste maatregelen van onteigening en vergoeding te treffen.

De 13 wandelaars op den gulden middelweg willen vergoeding geven voor vernieuwing van hokken en in dien zin zeer vrijgevig zijn; anderen willen de zieke dieren vergoeden; een enkele wil bij het aanwezig zijn van weinig varkens niet tot onteigening overgaan, doch wel wanneer

-ocr page 31-

25

er veel varkens zijn en dan niet alleen zieke en gezonde varkens van de besmette hoeve, doch ook uit den omtrek. Weer anderen willen wel de varkens uit de b e-smette hokken onteigenen, maar niet die uit n a b ij-gelegen hokken. Sommigen pleiten voor een vergoeding van de gestorven dieren, omdat het Rijk hierover beschikt en ze toch waarde hebben. Dan wil men in sommige bijzondere gevallen onteigenen, of ook bij wijze van proef. Vervolgens bij het heerschen der ziekte in omschreven buurten en dau de onteigening aan den districtsveearts overlaten, zonder ministerieele machtiging. Om toch iets te doen wil men het bepaalde omtrent huidvergoeding in ruime toepassing brengen.

Er heerscht dus nog al verschil van meening omtrent de beoordeeling van dit vraagpunt. De meerderheid der Commissie van onderzoek moet zich kanten tegen algemeene onteigening. Zij meent dit vrij te kunnen doen, zonder een onredelijke daad ten opzichte der varkenshouders te plegen.

Er wordt beweerd dat zij schade lijden door de bepalingen. Wij kunnen dien schadepost niet uitvinden. Immers de gestorven varkens hadden vóór het in werking treden der bepalingen ook geen of slechts luttel waarde.

Hoogstzelden werden ze voor eigen consmntie gebruikt, doch veelal weggegeven of begraven, om later dikwijls door menschelijke omnivoren te worden opgegraven en gegeten. Mogen er dan ter wille van laatstgen oemde feiten geen bepalingen van verbranding of onbruikbaarmaking in toepassing gebracht worden? Er wordt beweerd, dat dooide verbranding menig 1000 kilo\'s vet aan den handel worden onttrokken! Waar is, voor de werking der bepalingen, * dat stelsel van uitbrading der gestorven varkens in toepassing geweest ? De Commissie kan daaromtrent niets opdiepen en beschouwt het uitsmeltingssysteem als iets van lateren datum, om in ieder geval vergoeding te krijgen. Bovendien is het — ook met het in toepassing brengen der verbranding — volstrekt niet onmogelijk of verboden, het

-ocr page 32-

20

vet te verzamelen, dat uit de brandende massa druppelt. Voorzeker tocli zal dit vet geen virulente eigenschappen meer bezitten. Het vet kan men dus terugkrijgen. Bovendien wordt de huid vergoed en proponeeren wij ook in deze een r u i m e vergoeding.

O O

Vergoeding van zieke en verdachte dieren is evenmin noodzakelijk. Immers hierover heeft de eigenaar nog de vrije beschikking. Vóór de in werkingtreding der bepalingen werden bij het uitbreken der ziekte de verdachte en zieke dieren soms van de hand gedaan tegen verminderden prijs, soms geslacht, om ook dan niet de volle waarde op te brengen en soms deed men niets, doch liet de ziekte uitwoeden! Thans heeft men ook vrijheid de varkens te slachten, zoo spoedig men verkiest, of dit niet te doen. Slacht men tijdig genoeg, dan zullen de dieren wel meest altijd worden goedgekeurd en het weinige verlies dat men lijdt, door een enkele afkeuring, zal o. i. rijkelijk opwegen tegen het voordeel, dat men in het andere geval bereids goedgekeurde varkens in den handel brengt, welke door den slager met meer graagte worden gekocht, omdat hij geen gevaar loopt dat het vleesch nu in zijn winkel nog zal worden afgekeurd — iets waarvan hij, voor het in werking treden der bepalingen, niet altijd zeker was.

Wanneer wordt aangemerkt dat vroeger de verdachte dieren ter markt werden gebracht, dan verwerpt de meerderheid der Commissie dit argument, omdat dit ter markt brengen was bedrog plegen — en hiertegen mogen wel maatregelen genomen worden, zonder dit bedrog op eenigerlei wijze te vergoeden.

Wij zijn van oordeel dat, zooals thans art. 63 luidt, er door de varkenshouders geen schade geleden wordt en onder de vigeerende bepalingen door hen niet met eenigen grond meerdere vergoeding kan worden geëischt.

Een groot aantal veeartsen wil algemeene onteigening ter wille van de aangifte en de medewerking der varkenshouders. Ook hiermede stemmen wij niet in.

-ocr page 33-

27

Waar door vrijwillige aangifte geen persoonlijk nadeel wordt berokkend, integendeel het algemeen voordeel in de hand wordt gewerkt, wenschen wij tot bevordering dier aangifte geen premiestelsel.

Wel wenscht de Commissie in overweging te geven om (bij wijze van proef), bij het eerste uitbreken der ziekte op een bepaalde plaats, algemeene onteigening met opvolgende grondige ontsmetting van alle hokken in toepassing te brengen en dit b.v. 2 a 3 maal te herhalen. Neemt dan echter de ziekte toch grootere afmetingen aan, dan stake men de algemeene onteigening.

Wij bevelen dus aan; meerdere toepassing van art. 64 en willen den districtsveearts ontheven zien in deze de bevelen van Z. Exc. den Minister van Binnenlandsehe Zaken te moeten afwachten.

Nog wenschen wij er op te wijzen, dat het zeker zijn nut kan hebben, indien er strafbepalingen worden vastgesteld, voor het geval dat de eigenaar, houder of hoeder een aan varkensziekte lijdend of verdacht varken verkoopt en alsdan laat vervoeren.

Als 4e vraagpunt stelden wij :

«W at is uw oordeel omtrent de inenting als voorbehoedmiddel en de wettel ij ke bepalingen daaromtrent?»

Alweer zeer uiteenloopend zijn de antwoorden daarop ingekomen, en moeielijk is het daarvan een résumé te geven (Bijlage VI).

De meeste veeartsen hebben van de enting goede verwachtingen; eenigen maken melding van verrichte entingen en klagen daarbij over regeeringsmaatregelen en over ongelijke virulentie van de entstof, welke buitendien lastig te verkrijgen is. Velen achten entproeven gewenscht en sommigen maken daarbij eenige opmerkingen ten opzichte van het in acht nemen van gunstig jaargetijde, geschikten leeftijd, toezicht, voeding, enz.

Een lOtal wil bij goede resultaten de enting verplichtend

-ocr page 34-

30

Mochten echter eeuige groote proefnemingen naar wensch slagen, dan zou dit middel tot uitroeiing der ziekte (vooral in bepaalde streken waar de ziekte veel en jaarlijks heerscht) aanbeveling verdienen. In afwachting daarvan zouden wij de bevordering der particuliere enting, van Staatswege, een zeer loffelijke daad vinden. Middelen daartoe zijn: het gratis verstrekken der entstof; het vergoeden der aan entziekte gestorven varkens en het gemakkelijk maken der bepalingen omtrent enting. Kan de Staat zulks doen? Wat de twee eerste zaken betreft, voorzeker wel. Wat het verzachten der wettelijke bepalingen betreft, meent de meerderheid der Commissie geen recht te hebben verandering in het Kou. besluit voor te staan, ook met het oog op de algemeene strekking der wet ten opzichte van zieke- en verdachte dieren.

Dit neemt echter niet weg, dat ook de Commissie doordrongen is van het lastige en het de enting belemmerende der bepalingen.

Vooral maakt het verbod van vervoer der geënte dieren, het verrichten van entingen op groote schaal bezwarend, daar men nu genoodzaakt is telkens met de entstof van hoeve tot hoeve te trekken — terwijl bij toegestaan vervoer (desnoods onder toepassing van strenge voorzorgsmaatregelen en onder toezicht van deskundigen) de te enten dieren bij elkaar gebracht konden worden, ten einde achtereenvolgens de kunstbewerking te ondergaan. Daar het echter bewezen is, dat de geënte dieren in staat zijn niet geënte varkens te besmetten, moeten er bepalingen blijven bestaan.

Met een enkel woord wenscht de Commissie te wyzen op proefnemingen welke genomen zijn met inspuitingen van carbolsolutie — en het éénmaal enten direct van konijnen op varkens. Mochten onderzoekingen op groote schaal deze waarnemingen als precautie bevestigen, dan zou dit veel gewonnen zijn; in het eerste geval toch konden de belemmerende bepalingen by enting vervallen, in het tweede waren wij in de gelegenheid, zoo noodig, zelf ent-

-ocr page 35-

31

stof te verscliaffeu. Deze en dergelijke onderzoekingen moeten wij ten sterkste aanbevelen.

Ten opzichte van de vragen V en VI meende de Commissie niet beter te kunnen doen dan provinciaalsgewijze aan te geven liet aantal ingekomen antwoorden, met vermelding van de plaatsen waar goed, waar slecht en waar i n \'t geheel niet wordt aangegeven; verder hoe de verhouding is tusschen 1888 en 1889 en welke oorzaken voor een en ander worden opgegeven. Een beschouwing of oordeel kon door ons hieraan niet worden vastgeknoopt, wijl het slechts is een mededeeling van opgegeven feiten. (Bijlage VII.)

En hiermede dan meent de Commissie zich van hare taak gekweten te hebben en wenscht zij haar rapport te eindigen — echter niet — dan na er nogmaals op gewezen te hebben, dat de bepalingen ten opzichte van varkensziekte uitgevaardigd zijn met een goed doel en in het belang van onzen veestapel; dat zij daarom een kalme, niet overhaastige of heftige beoordeeling waard zijn ; dat men niet uit allerlei zaken (welke met de bepalingen niets te maken hebben) aanmerkingen moet distilleeren en niet alles moet verwerpen, zonder er wat beters voor in de plaats te geven.

J. H. van Omen, Voorzitter.

J. M. Billroth.

H. C. Reijiehs.

H. J. C. van Lent.

H. A. Kroes, Secret.-Fenninym.

-ocr page 36-

BXJliACiE; 1.

Geachte Collega!

In de 29stu Algemeene Vergadering der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, werden door den Heer H. C. Reimers te Wageningen de bepalingen omtrent varkensziekte besproken.

Naar aanleiding daarvan ontstond er een langdurige discussie, zonder dat de vergadering een bepaalde uitspraak deed.

Wenschelijk werd geacht: sliet onderzoek naar de werking der bedoelde bepalingen aan een commissie op te dragen, die de meeningen van bevoegde beoordeelaars moest trachten te verzamelen, ten einde daarna in een volgende Algemeene Vergadering een uitvoerig rapport uit te brengen.quot;

Aldus besloten — werden de h.h. J. H. van Oijen, H. C. Rebiers, H. J. C. van Lent, J. M. Billroth en H. A. Kroes, veeartsen, resp. te Haarlem^ Wageningen, JVame/, Hoorn en Dieverbnig, uitgenoodigd zich met dat onderzoek te willen belasten.

In een vergadering der aldus geconstitueerde commissie werd besloten zich per circulaire tot de veeartsen in Nederland te wenden, met beleefd doch dringend verzoek de volgende vraagpunten met de meest mogelijke nauwgezetheid te beantwoorden:

i0. Zijn er wettelijke bemalingen no a dig ter bestrijding der varkensziekte ?

20. Zoo ja — moeten er in het tegenwoordige Kon. besluit veranderingen gemaakt worden r

3quot;. Acht men algemeene onteigening, bij het heerschen der ziekte, wenschelijk j3

4°. IVaï is uw oordeel omtrent de inenting als voorbehoed-tniddel en de wettelijke bepalingen daaromtrent ?

5°. Worden de gevallen van varkensziekte in uwe omgeving aangegeven r

6°. Geschiedde zulks in 1889 even goed als in 1S88 r

Het zal ons zeer aangenaam zijn eenigszins spoedig uw gewaardeerd antwoord te mogen ontvangen aan het adres van den secretaris der commissie.

Mocht de commissie slagen in hare pogingen en de noodige gelden kunnen verzamelen, dan stelt zij zich tevens voor, door het nemen van een entproef op groote schaal, meer licht te verspreiden over de enting als voorbehoedmiddel.

Met het oog op het groote belang daaraan verbonden, meenen wij ten sterkste bij u te moeten aandringen ons uwen steun niet te onthouden.

Hoogachtend,

De Commissie:

J. H. VAN OIJEN, voorzitter.

H. C. REIMERS.

H. J. C. VAN LENT.

J. M. BILLROTH.

H. A. KROES, secretaris-penningmeester.

Dieverbrug, April 1890.

-ocr page 37-

BIJfcilOE II.

Aun

de Vereeniging ter bevordering van Landbouw en Veeteelt

tc

M. H.

Door het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland werd een commissie van 5 leden benoemd, ten einde een onderzoek in te stellen naar de werking der bepalingen omtrent varkensziekte.

Deze commissie zal trachten, door het rondzenden .van circulaires aan bevoegde beoordeelaars, de noodige gegevens te verzamelen ten einde te kunnen beslissen of er bepalingen noodig zijn — en zoo ja — of dan de thans vigeerende moeten gewijzigd worden ?

Ook over het nut der enting als voorbehoedmiddel is verschil van meening en daar ook in de bepalingen de enting genoemd wordt, meent de commissie niet buiten haar programma te treden door tevens een entproef te verrichten, op zoo groot mogelijke schaal, en daaruit een meer afdoende conclusie te trekken.

De noodzakelijkheid en het nut der omschreven werkzaam-heden, zal door Uwe Vereeniging niet ontkend worden. Immers in ons land, waar in de laatste jaren de varkensteelt een zoo verbazenden omvang heeft genomen, doch tevens de varkensziekte daarmee gelijken tred heeft gehouden, mag niet langer ge-gedraald worden met het instellen van een onderzoek naar de middelen, welke in staat zijn, langs wettelijken of wetenscbappelijken weg, de ziekte te doen verminderen — zoo mogelijk uit te roeien.

In verband met het istc gedeelte onzer taak: onderzoek naar de resultaten der wettelijke bepalingen, verzoeken wij u beleefd een antwoord te geven op de volgende vragen:

10. Zijn er wettelijke bepalingen noodig ter bestrijding der varkensziekte ?

20. Zoo ja — moeten er in het tegenwoordige Kon. besluit veranderingen gemaakt worden r

3

-ocr page 38-

34

3quot;. Acht men algemeene onteigening, bij het heerschen der ziekte, wenschelijk ?

4». Wat is uw oordeel omtrent de inenting als voorbehoedmiddel en de wettelijke bepalingen daaromtrent?

50. Worden de gevallen van varkensziekte in uwe omgeving aangegeven ?

6°. Geschiedde zulks in 1889 even goed als in 1888 ?

Om het 2(iu gedeelte onzer taak te volvoeren, nl. een entproef op groote schaal te nemen, verwachten wij geldelijken steun van belanghebbende en belangstellende maatschappijen.

In de iste plaats zijn het o. i. de landbouw-maatschappijen in Nederland, welke van de noodige belangstelling in dit onderzoek blijk moeten geven door subsidies voor dat doel af te staan.

Zeer aangenaam zou het ons daarom zijn indien ook Uwe Maatschappij mocht kunnen besluiten, door toezending van een geldelijke bijdrage aan onzen secretaris-penningmeester, de uitvoering van deze proeven te steunen en ons deze geldelijke bijdrage, zoo doenlijk, spoedig te doen toekomen, opdat de ent-proef afgeloopen zij vóór het uitgebreid optreden der ziekte.

Hoogachtend,

Dc Commissie:

w. g. J. H. VAN OIJEN, Voorzitter. H. C. REIMERS.

H. J. C. VAN LENT.

J. M. BILLROTH.

H. A. KROES, Secretaris-penningmeester.

-ocr page 39-

BIJL/Icas 111.

VRAAG I. Zyn er weltelyke bepalingen noodig ter bestryding der varkensziekte.

NOORDHOLLAND.

Over het algemeen acht men maatregelen gewenscht.

Overbodig te beoor-deelen. Ze zijn er reeds. De noodzakelijkheid staat in verband met den aard der smetstof, m. a. w. het ontstaan der ziekte. In dien zin is nog geen eenheid van meening omtrent besmettelijkheid en eigenlijke oorzaken, \'k Verwacht van de Commissie een duidelijk geformuleerde conclusie omtrent de noodzakelijkheid der wettelijke bepalingen. Voorstander van besmettingsleer en het nemen van maatregelen. Facultatief karakter der smetstof. \'t Is een contagieus-miasmatische ziekte. Overbrenging der smetstof van zieken op gezonden zal wel uitzondering zijn — zeker geen regel.

Neen; daar de ziekte niet contagieus is. Ik kan mij niet voorstellen dat een besmettelijke ziekte niet anders heerscht dan in drie warme zomermaanden, terwijl men er in de overige maanden niets van hoort.

Als proef.

D. van der Sluys

Amsterdam

W. H. Lampe

Purmerend

F. M. de Leur

Weesp

-ocr page 40-

36

o

SS

Naam.

Antwoord.

Woonplaats.

4j. W. Koelotts Texel Zeer noodzakelijk,

5 J. Rempt Alkmaar Ja, om het in consum-

tie brengen van slecht spek tegen te gaan.

Haarlem Zeer gewenscht, omdat

de ziekte besmettelijk is. Hoorn Ja, omdat het een be

smettelijke ziekte is.

ZUIDHOUAND.

De meesten achten bepalingen noodzakelijk.

1 D. van Hulst Nieuwveen

2 W. F. Altevogt Klaaswaal

3 Th. G. van Rijssel Dordrecht

4 G. J. C. v. d. Starp Gorinchem

\'s Gravenhage

Dirksland

Meerkerk

H. van Aken F. A. Deijermans P. A. Goedhart

Overbodig, als er niet gehandeld wordt, zooals bij veepest en longziekte, door met macht van geld krachtdadig aan te pakken.

Ja.

Ja.

Ja.

OVERIJSEL,

Maatregelen gewenscht.

J. H, van Oijen J. M. Billroth

Ongetwijfeld.

Niet beantwoord.

i|R. Kattenwinkel 21 F. S. J. Veeze

Algemeen M. Lucieer

Goes Oostburg Middelburg Scherpenisse

Eikerzee

E. L. v. Mervennée M. Luteijn Mazure C. Mazure J. Z. Risch

A. H. Geluk

iWijhe | Enschedé

ZEELAND.

maatregelen IJzendijke

Ja, bij wijze van proef.

Zeer noodig.

noodzakelijk.

Niet besmettelijk. De algemeene oorzaak kan echter wettelijke bestrijding noodig maken.

Ja.

Ja.

Ja-

Ja, omdat de mindere man \'t meest lijdende is.

Zeer noodig


NOORDBRABANT.

Vrij algemeen maatregelen gewenscht.

VV. J. Paimans Oss Neen, omdat het doel

er niet mee wordt bereikt, daar de ziekte niet alleen contagieus, doch ook miaa» matisch is.

-ocr page 41-

37

Woonplaats.

Antwoord.

Naam.

A. J. Vlamings J. Kohier P. A. F. H. Boots P. F. Michels

H. A. den Engelse A. Bierman

P. den Ouden \'s Hertogenb. Almkerk Tilburg Heusden

Dinteloord Helmond

Zevenbergen

LIMBURG.

Wettel ij ke bepalingen noodig.

Ja.

Ja.

Ja.

Ja, als ze beter worden nageleefd.

Niet gewenscht.

Wettelijke bepalingen — doch vooral de uitvoering er van — zéér wenschelijk.

Ja.


H. J. Lemmens J. H. Nuss

Schimmert Heerlen

Venraaij

T. A. L. Beel

Geen antwoord.

Zeer zeker, om te voorkomen dat er zieke varkens worden geslacht.

Ja, omdat de ziekte daarmee in hare uitbreiding belemmerd wordt en de vleeschkeuring meer in gebruik komt.


UTRECHT.

Maatregelen nog niet gewenscht.

J. J. F. Hartmann

H. van der Linden G. Goosen

Loenen

Mijdrecht Houten

Te korte duur om een oordeel te vellen.

Eerst oorzaak opsporen.

Geen wettelijke bepalingen noodig in den zin van het Kon. besluit van 26 Maart \'88.


GELDERLAND.

Over het algemeen dweept men hier niet met bepalingen.

Weinig nut, omdat men te lang op de uitvoering moet wachten.

Alleen noodig voor de consumtie, bestaande in keuring der geslachte en begraving der gestorven dieren.

W. J. G. Meerstadt

Gorssel

G. J. Eggink

T welloo

-ocr page 42-

Antwoord.

F. Mos

T, G. J. Wight

E. Overbosch

J. T. van Lohuizen W. de Beijl F. W. van Duim

M. G. de Bruin

J. M. v. Nieuwen-

huijzen D. Schurink H. C. Reimers H. J. C. van Lent

10

11 12 13

Elburg

Harderwijk

Zutfen

Winterswijk

Barneveld

Arnhem

Zalt-Bommel

Gendringen Hummelo Wageningen Wamel

Neen, wijl de ziekte in dezelfde streken tegen denzelfden tijd optreedt. Ook ondervond ik dat de ziekte méérmalen uitbrak in hokken welke een vorig jaar ontsmet waren — ook in hokken waar nimmer nog ziekte voorkwam. Soms blijft het tot één h o k- of tot e e n è, t w e e varkens in een zelfden hok bepaald. Hierop steunende hecht ik weinig geloof aan ontsmetting.

Neen, omdat de ziekte ontstaat als de mazelen en wel nooit door een wet zal geweerd worden.

Men zal niet slagen de ziekte er mee uit te roeien. Wettelijke bepalingen zijn goed voor besmettelijke ziekten uit den vreemde. Niet alle maatregelen afkeuren, doch zooveel mogelijk verzachten.

Geen oordeel uitspreken.

Geen antwoord.

Ja, indien de bepalingen overeenkomen met de eischen van wetenschap en oeconomie.

Ja, in \'t belang van den uitvoerhandel als van de veehouders.

Ja-

Ja.

Niet noodig.

Besmettelijkheid aangenomen — wettelijke bepalingen noodig.


DRENTE.

Over het algemeen bepalingen gewenscht.

Varkensziekte is een ziekte die uit atmosferische

I Assen

i|H. Mos

-ocr page 43-

39

Antwoord.

o

Woonplaats.

H. Reimers

Dalen

Zuidlaren Peize

Dieverbrug

J. M. A. van Nes J. Tietema H. A. Kroes

of locaal schadelijke invloeden ontstaat en dikwijls — eens ontstaan zijnde — besmettelijk wordt. Wettelijke bepalingen zullen dus weinig effect hebben.

Ja, als de dieren gestorven zijn moeten zij door de zorg van gemeentelijke politie begraven of verbrand worden.

Ja-

Geen antwoord.

Ja, omdat het een besmettelijke ziekte is.


FRIESLAND.

Algemeen maatregelen gewenscht.

J. Vollema J. Plet

M. A. Hibma Jr. F. Boerhave J. Attema J. H. de Boer R. Boer Hzn.

H. Veenstra

Winsum Heerenveen

Franeker Oosterwolde Koudum Wolvega St. Anna Parochie Huizum

Ja.

Ja, voornamelijk met het oog op het vervoer.

Ja-

Geen antwoord.

Ja.

Ja.

Ja.

Ja, want de boeren zullen uit eigen beweging geen maatregelen nemen.


GRONINGEN.

Bijomstandigheden doen er enkelentegen zijn, overigens acht men ze gewenscht.

K. J. F. Laméris M. Smit

A. W. Heydema H. H. Huizinga J. Doornbos

Warffum

Veendam

Groningen ! Appingedam Schildwolde.

Neen, het is onmogelijk ze uit te voeren.

Neen, ze zullen nooit afdoende zijn.

Ja.

Ja.

Ja.


I

-ocr page 44-

BWIjAOE IV.

VRAAG II. Moeten er in het tegemvoordige Kon. besluit veranderingen gemaakt worden.

o

ïs

Naam.

Antwoord.

Woonplaats.

NOORDHOLLAND.

Nog al voor verandering en betere uitvoering.

W. H. Lampe F. M. de Leur

D. van der Sluijs

J. W. Roeloffs

J, M. Billroth

Amsterdam

Purmerend

Weesp

Texel

Hoorn

Minder noodzakelijk dan een meer uniforme strenge toepassing der bestaande bepalingen.

Moet opgeheven worden.

Tegenwoordige bepalingen onuitvoerbaar.

Vergoeding geven,omdat het vleesch van gestorven dieren vroeger wel werd gegeten.

Bij eenige uitbreiding te weinig deskundig personeel; tijdelijke opdraging van diensten aan gediplomeerde veeartsen. Con-sumtiekeuring op Rijkskosten door gediplomeerde veeartsen.


ZUIDHOLLAND.

Over het algemeen verandering gewenscht.

D. van Hulst

G, J, C. van der Starp

H. van Aken

F. A. Deijermans

P. A. Goedhart

Nieuwveen

Gorinchem \'s Gravenhage

Dirksland

Meerkerk

De bepalingen zoo veranderen, dat de eigenaar zelf de keuring moet betalen en zijn varken onteigend wordt zonder daarvoor vergoeding te ontvangen.

Ja.

Eenige administratieve veranderingen gewenscht.

Wenscht regelmatige toepassing. De bezwaren zijn groot bij de eigenaardige inrichting der hokken (aan elkander vast). Afmaking doelloos. Oude hokken verbranden.

Neen.


-ocr page 45-

41

Antwoord.

ZEELAND.

Men wenscht hier betere toepassing en controle.

M. Lucieer

IJzendijke

E. L. vanMervennée

Goes

C. Mazure

Middelburg Scherpenisse

J. Z. Risch

A. H. Geluk

Eikerzee

Strafbepalingen voor burgemeesters, die aangiften onder zich houden.

Ontsmetting kan bijna niet goed worden toegepast. Verbetering der hokken dringend noodzakelijk.

Neen. Eerst juiste toepassing, dan uitspraak.

Ja, omdat afzondering en ontsmetting ondoenlijk blijkt wegens aangrenzing der verschillende hokken (zoogenaamde varkensdorpen). Het toezicht op de desinfectie, aan gemeentelijke politie overgelaten, is verkeerd. Omdat het spek van uit nood geslachte varkens niet duurzaam is, in rotting overgaat en schadelijk voor de gezondheid zal zijn. Wil verandering hebben omdat het toezicht niet voldoende is en er in den tijd van het heerschen der ziekte keuring van alle geslachte varkens dient plaats te hebben.

Niet noodig, mits de uitvoering goed plaats vindt. Bepalingen moeten beter uitgevoerd en gecontroleerd worden — doch door wien ?

Flinke desinfectie.

M. Luteijn Mazure

Oostburg

NOORDBRABANT.

Algemeen verandering ge wenscht.

Onderzoek en keuring uitsluitend aan geëxamineerde veeartsen opdragen, indien de districts-vee-arts verhinderd is. Art. 3 van K. B. van 12 Mei 1890 moet gewijzigd worden, zoo dat alle uitspraak van

A. J. Vlamings

\'s Hertogen

bosch

-ocr page 46-

42

Antwoord.

o

Woonplaats.

2 J. Kohier

3 P. A. F. H. Boots

Alrakerk

Tilburg

Heusden

Dinteloord Helmond

Zevenbergen

4 P. F. Michels

K. A. den Engelse A. Bierman

P. den Ouden niet deskundigen vervalt. Voor desinfectie der hokken bijzonder zorgdragen. Cadavers en ingewanden zoo volledig mogelijk verbranden. Ingewanden, enz. van zieke en verdachte dieren eveneens verbranden.

Ja-

Ja.

Zeer lage onteigenings-waarde toekennen. Kosten van vernietiging en ontsmetting toekennen.

Ja.

Zoo afsluiten,dat er geen vliegen uit of in kunnen. Zullen de burgemeesters helpen, dan dient alles veel vlugger te gaan. Gewone veeartsen moeten bij deze ziekte - als uitzondering -dienst kunnen doen.

Ja, ontsmetting en verbranding geen voldoende waarborgen.


UM BURG.

Verandering gewen scht.

Onvoorwaardelijk.

Ja, wegens \'t lastige en afschrikwekkende der tegenwoordige maatregelen voor het publiek. Met het oog op keuring in het warme jaargetijde. Dit kan verbeterd worden door eiken veearts in zijn kring de wettelijke bepalingen te doen betrachten.

Heerlen Venraay

J. H. Nuss T. A. L. Beel

UTRECHT.

gewenscht.

Betere uitvoering der bepalingen, vooral op het gebied van vernietiging dei-smetstof.

Betere uitvoering

Loenen

J. J. F. Hartmann

-ocr page 47-

43

O £

Naam.

Woonplaats.

Antwoord.

2

G. Goosen

Houten

Betere desinfectie —

geen vuurwerk vertoon!

Spoediger optreden van

het Staatstoezicht.

GELDERLAND.

Men wil bijna algemeen verandering en uitbreiding van personeel.

W. J. G. Meerstadt

G. J. Eggink

F. Mos

T. G. J. Wight E. Overbosch

J. T. van Lohuizen F. W. van Duim

Gorssel

Twelloo

Elburg

Harderwijk Zutfen

Winterswijk Arnhem

In het begin der ziekte slachten en verplichte keuring. Cadavers direct begraven.

Omdat de uitvoering zoo ellendig is — aan gediplomeerde veeartsen de bevoegdheid geven de cadavers te laten vernietigen.

Vergoeding, dan krijgt men aangifte. Ieder vee-arts met keuring en onderzoek belasten.

Kan vervallen.

Verzachten. Niet verbranden, omdat de uitvoering veel te wenschen overlaat wat tijd betreft. Wel straf op verzuimde aangifte.

Ja.

Aangifte bij den burgemeester. Gediplomeerde veeartsen uitnoodigen ter onderkenning — eventueel slachting van zieken en gezonden. Keuring door gediplomeerde veeartsen. Vergoeding voor gezonden 7» der waarde-voor zieken de helft. Verbrandino; van ingewanden, enz. der zieken en dooden, van strooisel en halfvergaan houtwerk — uitgraven van den bodem is aan te bevelen — diepe desinfectie. Uit een prophy-lactisch oogpunt ondoor-dringbaren vloer en diepen


-ocr page 48-

44

Woonplaats.

Naam.

Antwoord,

M. G. de Bruin

11 12

J. M. van Nieuwen huijzen

D. Schurink

H. C. Reimers H. J. C. van Lent

Zalt-Bommel

Gendringen

Hummelo

Wageningen Wamel

zandbodem, die een paar maal \'s jaars geheel- en dikwijls gedeeltelijk wordt vernieuwd. Gemeentelijke inspectie der hokken.

Niet wenschelijk, mits er gezorgd worde voor intensieve cadaververnie-tiging en grondige bodem-desinfectie. Veel hangt af van de uitvoering.

Ieder geëxamineerd veearts in de plaats treden van den districts-veearts ter besparing van kosten en voor spoediger uitvoering.

Snellere uitvoering. Optreden van geëxamineerde veeartsen.

Ja-

Uitbreiding van personeel. Ieder geëxamineerde veearts plaatsvervanger.


OVERIJSEL

Wijziging van art. 63, omdat het de uitbreiding in de hand werkt.

Enschedé

F. S. J. Veeze

W e n s c h t

H. Reimers J. M. A. van Nes H. A. Kroes

DRENTE.

algemeen verandering.

Dalen Ja.

Zuidlaren Ja.

Dieverbrug Ja.

FRIESLAND.


Wil wijzigingen, klaagt vooral over late uitvoering. J. Vollema Winsum Stipt uitvoeren der be

staande bepalingen.

J. Plet Heerenveen Herziening der redactie.

De wet is onduidelijk. Franeker Ja.

Oosterwolde Koudum

M. A. Hibtna Jr. F. Boerhave J. Attema

Meer schadeloosstelling.

Handhaving der bepalingen zonder tijdverlies en omhaal. Burgemeesters moeten hun plicht doen

-ocr page 49-

45

Antwoord.

en moeten door stellige voorschriften op de hoogte gebracht worden van hetgeen moet worden gedaan! J. H. de Boer VVolvega Ja, 20 dagen in plaats

van 10 als termijn van verdachtverklaring. Keuring door geëxamineerde veeartsen op Rijks kosten. Onderzoek door geëxamineerde veeartsen.

R. Boer Hzn. St. Anna Paro- Nog niet te beslissen.

chie Toezicht te langzaam. Ont

smetting niet voldoende gecontroleerd, door dat een veldwachter alles uitvoert en bespotting uitlokt. Ieder veearts plaatsvervangend districts-veearts. H. Veenstra Huizum Bezwaren meer denk

beeldig dan werkelijk. Alle geëxamineerde veeartsen direct optreden in geval van varkensziekte.

GRONINGEN.

Algemeen wenscht men veranderingen.

A. W. Heydema

H. H. Huizinga J. Doornbos

Groningen

Appingedam Schildwolde

Ja. Bij aangifte moest de burgemeester verplicht zijn het dier binnen 24 uur door een geëxamineerd veearts te doen onderzoeken.

Ja-

Ja. Bij deze wet staat ontduiking voor de deur.


-ocr page 50-

BlJliAttK V.

TRAAG III. Adit men algemeene onteigening by het lieersclien der ziekte wensclielyk?

Woonplaats.

Antwoord.

Naam.

NOORDHOLLAND.

Algemeen is men niet voor uitgebreide en absolute onteigening, toch wenscht men voor hetmeeren-deel gestorven varkens te vergoeden.

D. v. der Sluijs

5

W. H. Larape F. M. de Leur

J. W. Roeloffs

J. Rempt

Amsterdam

Purmerend

Weesp

T. M. Billroth Hoorn

Texel

Alkmaar

Binnen zekere grenzen ja. Ter bevordering der goede handhaving is in de i3to plaats noodig een vergoeding, vooral ook voor opruiming en vernieuwing van hokken.

Zonder resultaat.

Onteigening van gestorven, zieke en besmette varkens tegen geheele of gedeeltelijke vergoeding.

Niet wenschelijk in alle gevallen. Onteigening als er veel varkens zijn en niet onteigenen als er maar zeer weinig varkens zijn. Bij onteigening direct alle varkens, ziek of gezond en zoowel van het erf als uit den omtrek.

Voor gestorven varkens waarde vergoeden, naar waarde voor den smeltkroes.Verdachte en aangetaste niet. Het algemeen onteigenen zal het voortbestaan der ziekte in de hand werken.

Moeielijk uitvoerbaar.Het zou een premie zijn op goede aangifte en daarvoor kunnen politiemaatregelen genomen worden.


-ocr page 51-

47

ZUIDHOLLAND,

2 beslist D. van Hulst

G. J. C. v. d.

H. van Aken F. A. Deijermans P. A, Goedhart

Starp

beslist tegen.

Kortste en zekerste weg om de ziekte uitte roeien. Gorinchem Onteigening aangewezen,

\'s Gravenhage Geen onteigening. Dirksland Neen,

Meerkerk Neen.

ZE ELAN B.

voor, 3 Nieuwveen


Stemmen zeer verdeeld.

M. Lucieer

E. L. van Mervennée

C. Mazure J. Z. Risch

A. H. Geluk

M. Luteijn Mazure

IJzendijke Goes

Middelburg Scherpenisse

Eikerzee

Oostburg

Niet gewenscht.

Geen algemeene onteigening. Plaatselijk wel, d. w. z. op iederen stal, niet op naastbij gelegen gezonde stallen.

Neen.

Ja, omdat de menschen schade lijden.

1a, maar het stuit op financieele bezwaren.

Ja, om de aangifte in de hand te werken. Afmaking doelloos. Wel vergoeding voor desinfectie en voor verbrandinar der hokken.


MOQROSBABANT.

Ook hier verheffen zich stemmen voor en tegen onteigeninsr.

A. J. Vlamings

J. Köhler

P. A. F. H. Boots

P. F. Michels

\'s Hertogenbosch

Almkerk

Tilburg

Heusden

Onteigening en afmaking van zieke dieren. Die voor consumtie geschikt zijn ten bate van het Rijk verkoopen. Wordt zulks noodig geacht,eveneens de verdachte dieren.

Ja.

Neen,

Niet wenschelijk. Wel bij het uitbreken in bepaald omschreven buurten. Over te laten aan den districtsveearts zonder ministerieele machtiging.


-ocr page 52-

48

d

Naam.

Woonplaats.

Antwoord.

S

A. Bierman

Helmond

Zal te kostbaar zijn. Ver

goeding voor gestorven

dieren.

6

P. den Ouden

Zevenbergen

Onteigening gewenscht.

Bezwaar — spoedige dood.

Algemeene ontei i J. H. Nuss

T. A. L. Bed

Wil geen i IJ. J. F. Hartmann 21G. Goosen

De me

F. Mos

T. G. J. Wight

E. Overbosch

J. T. van Lohuizen

F. W. van Duim

M. G. de Bruin

J. M. van Nieuwen-huijzen

wenschelijk geacht. Wenschelijk, doch onuitvoerbaar.

Ja, omdat het de aangifte in de hand werkt. Het tijdsverloop van io dagen voor invoeren van nieuwe varkens werkt belemmerend.

UTRECHT.

algemeene onteigening.

iLoenen i Neen.

| Houten | Niet wenschelijk.

GELDERLAND.

eningen verschillen.

Elburg Neen.

Harderwijk Gestorven dieren hebben

nog waarde en daarom zou de Staat ze moeten onteigenen en vergoeden. Het gesmolten vet kan door toevoeging voor de con-sumtie ongeschikt worden gemaakt. Onteigening van zieke en gezonde dieren is onzin.

Neen.

In sommige gevallen. Voor gezonde 3/(t der waarde. Zieke de helft.

Er is in voorzien in bijzondere gevallen. Algemeen niet gewenscht. Ruime toepassing voor huidvergoeding.

Niet wenschelijk. Ook zal het de aangifte niet in de hand werken. Flinke bekeuring is beter!

LIMBURG.

gening wordt Heerlen

Venraay

Zutfen

Winterswijk

Arnhem

Zalt-Bommel

Gendringen


-ocr page 53-

49

o SS

Antwoord.

Naam.

Woonplaats.

D. Schurink

9

IO

H. C. Reimers H. J. C. van Lent

Hummelo

Wageningen Wamel

Wenschelijk ter bevordering van betere aangifte en als billijkheid tegenover eigenaren die hun gestorven vee te gelde maken.

Gebiedend noodzakelijk.

Tegen algemeene onteigening. Men zou een soort premie toekennen voor spoedige aangifte.


OVERIJSEL

Wil geen algemeene onteigening.

R. Kattenwinkel F. S. J. Veeze

Wijhe Enschedé

DRENTE.

Neen. Art. 64 is vrijge

vig genoeg. Neen.


Tegen algemeene onteigening.

1 H. Mos H. Reimers

3 J. M. A. van Nes

4 H. A. Kroes

Assen Dalen

Zuidlaren DieverbrUquot;

Verdient weinig aanbeveling. Men zou onteigening niet voor den dood kunnen uitvoeren.

Neen — de tijd der ziekte is te kort, om nog opzettelijk te dooden. Door vroegtijdige noodslachting verliest men luttel waarde.

Dan alleen is de boer genegen mee te werken.

Bij wijze van proef, bij het eerste uitbreken der ziekte.


FRIESLAND.

Heeft zoowel besliste voor en tegenstanders, als middelaars.

J. Volletna

J. Plet

M. A. Hibma Jr. F. Boerhave J. H. de Boer

Winsum

Heerenveen

Franeker

Oosterwolde

Wolvega

Zeer wenschelijk om nauwkeurige aangifte te krijgen.

Ja, om de aangifte. Financieele bezwaren.

Ja.

Neen.

Neen.


-ocr page 54-

50

d is

Naam.

Woonplaats.

Antwoord.

6

R. Boer Hzn.

St. Anna Paro

Als proef is het offer te

chie

groot.

7

H. Veenstra

Huizum

\'t Is nutteloos. Eerst

beperken tot kleinen kring.

dan misschien overgaan

tot onteigening.

GRONINGEN.

Men wil vrij algemeen onteigening toepassen.

K. J. F. Laméris

M. Smit

H. H. Hnizinga J. Doornbos

Warffum

Veendam

Appingedam Schildwolde

Ja, volle waarde van het als gezond aangemerkte dier.

Zal goed zijn, mits (linke ontsmetting volgt.

Ja, bij wijze van proef.

Ja, als het ernst is de ziekte uit te roeien.


-ocr page 55-

BWIiACptK VI.

VRAAG IV. Wat is uw oordeel omtrent de inenting als voorbehoedmiddel en de wettelijke bepalingen daaromtrent ?

NOORDHOLLAND.

Over het algemeen entingen (proef) gewenscht.

VV. H. Lampe F. M. de Leur

J. W. Roeloffs J. Rempt

J. M. Billroth

D. van der Sluijs

Amsterdam

Purmerend Weesp

Texel Alkmaar

Hoorn

Kan goede vruchten afwerpen. Entproef op groote schaal zeer gewenscht. Levert dit goede resultaten, dan enting verplichtend stellen.

Ongunstig.

Inentingen kunnen resultaten geven, indien de entstof door het Rijk verstrekt wordt en de lastige bepalingen door andere worden vervangen.

Bij het optreden der ziekte alle varkens in den omtrek enten.

Zeer heilzaam. Geen proefneming gedaan. Entingen altijd op \'s Rijks kosten voor eigenaars die zulks wenschen.

Nog niet voldoende toegepast.


ZUIDHOLLAND.

Enting niet gewenscht.

i D. van Hulst

Nieuwveen

Dirksland Meerkerk

F. A. Deijermans P. A. Goedhart

Geen ondervinding — werkt zij goed, dan verplichtend stellen.

Onuitvoerbaar.

Geen inenting. Er zouden meer door de enting dan door de ziekte sterven. Ten minste in mijn omtrek.


-ocr page 56-

52

O

SS

Naam.

Antwoord.

Woonplaats.

ZEELAND.

Men huivert een définitief oordeel uit te spreken (proeven gewenscht).

M. Luteijn Mazure M. Lucieer E. L. v. Mervennée C. Mazure

J. Z. Risch

5

A. H. Geluk

Oostburg IJzendijke Goes

Middelburg Scherpenisse

Eikerzee

Proefenting.

Proefentingen gewenscht. Niet over oordeelen. Nog geen gevestigde overtuiging.

De enting levert te veel moeilijkheden op in de praktijk, wanneer zij op verschillende hoeven wordt uitgevoerd.

\'t Lijkt mij goed.


NOORDBRABANT.

Proefnemingen gewenscht.

VV. J. Paimans A. J. Vlamings

J. Kohier P. A. F. H. Boots P. F. Michels H. A. den Engelse

A. Bierman

P. den Ouden

Proefnemingen op groote schaal gewenscht.

Op groote schaal op \'s Rijks kosten. Gestorven dieren vergoeden door den Staat.

Niet goed.

Durven geen zelfstandig oordeel vellen.

Proefneming op groote schaal.

Bij algemeene eruptie verplichtend stellen. Het Rijk de gestorven dieren vergoeden. Eerst alles proef.

Inenting ondersteunen van Staatswege.

Oss

\'s Hertogenbosch

Almkerk Tilburg Heusden Dinteloord

Helmond

Zevenbergen

LIMBURG.


Er wordt niet veel van gezegd.

H. J. Lemmens

Schimmert

Heerlen Venraay

J. H. Nuss T. A. L. Beel

Bij gunstig advies van den districtsveearts moest kennisgeving aan den burgemeester voldoende zijn.

Denkelijk wel.

Onbeslist.


-ocr page 57-

53

Antwoord.

UTRECHT.

Als in Limburg.

J. J. F. Hartmann G. Goosen

Loenen Houten

Geen oordeel. Entproeven op groote schaal gewenscht.


GELDERLAND.

M e n v e r w a c h t veel van goede entingen.

1 W. J. G. Meerstadt

2 G. J. Eggink

F. Mos

T. G. J. Wight

E. Overbosch

F. W. van Duim

J. M. van Nieuwen-huijzen

D. Schurink

H. C. Reimers

Gorssel Twelloo

Elburg Harderwijk

Zutfen Arnhem

Gendringen

Hummelo Wageningen

Proefneming gewenscht.

Inenting onnoodig, omdat de ziekte niet telken jare heerscht.

Algemeene noodenting verplichtend irgevoerd.

Moet aan particulieren worden overgelaten, omdat varkensziekte nooit algemeen heerscht.

Inenting ondersteunen van Staatswege.

Als de maatregelen van ontsmetting en verbranding goed geschieden, is enting overbodig.

Enting niet volkomen te vertrouwen, wegens het sterven der geönte dieren en de niet volkomen immuniteit.

Gunstig, mits de proefnemingen gedaan worden in het voorjaar. Inenting onder controle der wet.

Gunstig,mits voorzichtig uitgevoerd. Staatsinenting. Lastige bepalingen doen vervallen. Toezicht op de geente varkens door een geëxamineerd veearts, die de enting verrichtte en kennisgeving aan den burgemeester. De eigenaar zal ook wel oppassen. Dieren, tengevolge der enting gestorven, doen vergoeden.


-ocr page 58-

54

Woonplaats.

Antwoord.

Naam.

Wamel Goede entingen heb

ben succes. Zoo de enting gunstig werkt, dan deze facultatief stellen. Schadevergoeding voor aan enting gestorven varkens.

OVERIJSEL.

10

Het Rijk moet proeven nemen of deze helpen bevorderen.

H. J. C. van Lent

Blijken de resultaten der proeven gunstig, dan moeten regeeringsmaatregelen de inenting helpen bevorderen.

Proeven op groote schaal, op kosten van het Rijk. Zijn de resultaten gunstig, dan verplichtend stellen.

R. Kattenwinkel

VVijhe

F. S. J. Veeze

Enschedé

DRENTE.

Oordeel verschillend.

H. Mos H. Reimers

J. M. A. van Nes H. A. Kroes

Assen Dalen

Zuidlaren Dieverbrug

Verwacht er niet veel van.

Zal nimmer opgang vinden om de kosten en de formaliteiten. Geen vac-cinedwang.

Resultaten pleiten er voor. Verplichte enting noodzakelijk.

Goede proefnemingen noodzakelijk. Kan het eenigszins, dan de wettelijke bepalingen verzachten.


FRIESLAND.

Men verwacht veel van enting.

Uit eigen ervaring weet ik niets. De verslagen zijn gunstig. Wettelijke bepalingen geen bezwaren.

J. Vollema

Winsum

-ocr page 59-

Woonplaats.

Antwoord.

J. Attema ƒ. H. de Boer

R. Boer Hzn. H. Veenstra

J. Plet

M. A. Hibma Jr. F. Boerhave

Heerenveen

St. Anna Parochie

Huizum

Franeker Oostenvolde

Koudum Wolvega

Inenting verdient de voorkeur boven wettelijke bepalingen. Gestorven dieren vergoeden.

Geen zeker oordeel.

Afdoend middel. Van Rijkswege in de hand werken. Gestorven varkens vergoeden. Desnoods inenting verplichtend stellen.

Entproefop groote schaal zeer gewenscht.

Ziet er veel van te ge-moet. \'t Moet geschieden op \'s Rijks kosten en de gestorven entdieren moeten worden vergoed.

Enting als voorbehoedmiddel goed. De bepalingen daaromtrent hebben weinig reden van bestaan.

De enting heeft toekomst. Tegen wettelijke bepalingen geen bedenkingen.


GRONINGEN.

Men heeft veel geënt met goed resultaat.

K. J. F. Laméris A. W. Heydema H. H. Huizinga J. Doornbos

Warftum Groningen Appingedam Schildwolde

Mijn resultaten zijn tot nog toe gunstig.

Verbod van vervoer opheffen.

Pas inentingen verricht, te weinig er aan gedaan.

Van 38 geënten stierf 1. 3 flinke reactie op de ie enting.

Van 14 geënten stierf 1. 8 hevige reactie.

Entstof niet te vertrouwen. Wettelijke bepalingen overdreven.


-ocr page 60-

HIJI\'.t(nK VII.

••

Vergelykende lyst betreffende de aangiften in 1888 en 1889,

bev

V. Worden

de gevallen van varkens-

ziel

VI. Geschiedde zulks in 1889 even goed

als

ó £

Naam.

Woonplaats.

Antwoord.

£

NOORD

H 0

Hier wordt over het algemeen goed aangegeven en

voc

I

D. van der Sluijs

Amsterdam

Aangifte aan het abbattoir

Plc

goed.

g

2

W, H. Lampe

Purmerend

Ja en neen.

3

F. M. de Leur

Weesp

Huis aan huis varkensziekte.

Niemand geeft aan. Zooveel mo

gelijk de gezonde dieren nog

verkocht in Amsterdam.

4

J. W. Roeloffs

Texel

Laat niet te wenschen over.

s

J. Rempt

Alkmaar

In vorige standplaats goed

aangegeven. Enkele gemeenten

verzwegen met opzet.

6

J. H. van Oijen

Haarlem

Goed aangegeven.

7

J. M. Billroth

Hoorn

S i

ZUID

H 0

Over het algemeen goede aangifte;

in

I

D. van Hulst

Nieuwveen

In de meeste gevallen aangifte.

2

W. F. Altevogt

Zuidland

Menig geval verzwegen (Zuid-

(Klaaswaal)

land).

3

Th. G. van Rijssel

Dordrecht)

Vrij goede aangifte (Klaas

(Klaaswaal)

waal).

4

G. J. C. van der Starp

Gorinchem

Enkele twijfelachtige gevallen

worden aangegeven.

5

H. van Aken

\'s Gravenhage

In 1889 goede aangifte, over

1888 niet bekend.

6

F. A. Deijermans

Dirksland

Voor zoover ik kan nagaan

goed.

7

it

P. A. Goedhart

Meerkerk

Zou bij uitbreken geschieden.

-ocr page 61-

bevattende de antwoorden op de vraagpunten V en VI, n, 1. ziekte in Uwe omgeving aangegeven?

als in 1888?

[ D

en )ir

Goede

Slechte

Geen

Verhouding der aangiften in

aangifte.

aangifte.

aangifte.

1888 en 1889.

HOLLAND.

voornamelijk in 1889 beter dan in 1888.

Plaatselijk goed.

Even goed.

In 1889 beter dan in 1888.

Even slecht.

In 1889 goed, in 1888 bijna geen ziekte.

In 1889 beter dan in 1888.

» gt; » 3 » *

» » » gt; » »

S9, ns-)e(l

HOLLAND.

in 1889 beter dan in 1 1

I D

te;

te. d-

s-

*n

er

m

n.

8 8 8.

In 1889 nog beter dan in 1888. j » even slecht als in 1888. In 1889 evengoed als in 1888.

Vergelijking ontbreekt.

In 1889 beter dan in 1888.


-ocr page 62-

Antwoord.

Naam.

Woonplaats.

a:

Z E E

Slechte aangifte. In 1889 weinig verbetering te bespeuren.

IJzendijke Hier wel, ddar niet, afhan

kelijk van H.H. Burgemeesters. Goes Niet altijd, \'t Hangt van bur

gemeesters en politie af. C. Mazure Middelburg Ja, maar meer verzwegen.

J. Z. Kisch Scherpenisse Ja.

A. H. Geluk Eikerzee Slecht. (Burgemeesters negee-

ren de aangiften).

NOORD

Vrij algemeen slechte aangifte; in 1889

Ik vermoed slecht.

Goed en slecht, afhangende van het oordeel der burgemeesters omtrent de doelmatigheid der bepalingen.

Aangifte is zeldzaamheid. Heelt men het eens gedaan — dan nooit meer.

Meeste gevallen niet aangegeven.

In veel gevallen niet. Misschien wel bij wetswijziging.

Vrij nauwkeurig in deze gemeente.

Veel gevallen aangegeven.

Vrij algemeen.

L I M

Schimmert

Heerlen

Venraay

T I

i 8

Goed en slecht.

Loenen Mijdrecht

J. J. F. Hartmann H. van der Linden

Houten

G. Goosen

B U

Geen aangifte in 18

Neen, ook wordt er geen veearts bij geroepen.

Hier bestaan geen wettelijke bepalingen! !

Geen aangifte.

u

Zeer waarschijnlijk in Ja.

Lastig te beantwoorden voor een plaatsvervangend districtsveearts.

Soms aangegeven.

LA

V ee

M. Lucieer

E. L. van Mervennée

BR

eve

W. J. Paimans A. J. Vlamings

Oss

\'sHertogenbosch

Almkerk

Tilburg

Heusden

Dinteloord

Helmond Zevenbergen

J. Kohier

P. A. F. H. Boots

P. F. Michels

H. A. de Engelse

A. Bierman P. den Ouden

H. J. Lemmens J. H. Nuss T. A. L. Beel

-ocr page 63-

59

Verhouding der aangiften in 1888 en 1889.

LAND.

Veel klachten over burgemeesters en politie.

In 1889 kwam de ziekte niet voor.

l — In 1889 beter dan in 1888.

! — In 1888 s s s 1889.

In 1888 even goed als in 1889.

In 1888 beter dan in 1889.

BRABANT.

even slecht als — of slechter dan in 1888.

In 1889 even slecht als in 1888.

In 1889 even slecht als in 188S.

In 18S9 even slecht als in 1888.

In 1889 slechter dan in 1888.

In 1889 slechter dan in 1888.

In 1889 even goed als in 1888. In 1889 gelijk als in 1S88. In 1889 gelijk als in 1888.

E E

ren. lan- I ers. ; )ur-

jee-

R D

S89

ide :es-eid

;ett lan

geien re-

BURG.

1888 noch in 1889,

M

i n

1

T R E C H T.

1889 slechter dan in 1888. 1

5e-ike

u

i n

)or :ts-

In 1889 gelijk als in 1S88.

In 1889 gelijk als in 1888. In 1889 gelijk als in 1888.

In 1889 even goed als in 1888.


In 1888 beter dan in 1889. Er waren meer aangiften. In 1889 slechter dan in 1888.

-ocr page 64-

60

Naam.

o £

GELDER

van go e d e a an g if t en, o o k

I

W. J. G. Meerstadt

Gorssel

2

G. J. Eggink

Tvvelloo

3

F. Mos

Elburg

4

T. G. J. Wight

Harderwijk

5

E. Overbosch

Zutfen

6

J. F. van Lohuizen

Winterswijk

7

W. de Beijl

Barneveld

8

F. W. van Duim

Arnhem

9

M. G. de Bruin

Zalt-Bommel

10

J.M.van Nieuwenhuijzen

Genderingen

11

D. Schurink

Hummelo

12

H. C. Reimers

Wageningen

13

H. J. C. van Lent

Wamel

Tegenover veel opgaven

Over het geheel is de stand van jakf

Geen ontduiking bekend.

Meldt niets omtrent aangifte.

Vrij geregeld.

Goed en slecht (naar de plaats).

Ja.

Goed en slecht (naar de plaats).

Meest geen aangifte.

Ja en neen.

Goed aangegeven.

Tamelijk goed in 1889.

Vrij goed aangegeven.

LA

ir e e 1

Van aangifte niets bekend.

IJ S

Slechte aangifte.

OVER

Te weinig om gevolg ;|trel

R. Kattenwinkel F. S. J. Veeze

Wij he Enschedé

In de 2 laatste jaren niet voorgekomen.

Niet algemeen aangegeven.


H. Mos H. Reimers

J. M. A. van Nes J. Tietema H. A. Kroes

Assen Dalen

Zuidlaren Peize

Dieverbrug

D R E N

Over het algemeen

Ik geloof van goed.

In 2 jaar bijna niet van aangifte gehoord.

Hoogst zelden.

Eenige gevallen aangegeven.

Ziekte heerschte in 1888 veel sterker dan in 1889; in geen der beide jaren werden veel gevallen verzwegen — ten minste niet in mijn omgeving.

T E.

slelt;


-ocr page 65-

61

Goede

Slechte

Geen

Verhouding der aangiften in

aangifte.

aangifte.

aangifte.

1888 en 1889.

LAND.

^eel waar weinig of niet wordt aangegeven.

;aken in 1889 gel ij k aan die in 1888.

In 1889 evengoed als in 1888.

In 1889 even goed als in 1888. In 1889 gelijk als in 1888. In 1889 best. 1 — In 1889 gelijk als in 1888.

i — Geen vergelijking gemaakt.

1 — Geen vergelijking.

1 — — In 1889 even goed als in 1888.

1 ? — — In 1889 goed.

1 — — In 1889 even goed als in 1888.

i? Vermoedt dat de aangifte van

E R

• o k

\' a n

fte. ts).

:s).

jaar tot jaar vermindert. In 1889 slechter dan in 1888.

: R IJS EL.

• Ig trekking te maken, iet

Onbekend.

TE.

slechte aangifte.

: n

e n n-

In 1889 even goed als in 1888.

In 1889 gelijk als in 1S8S. In 18S9 slechter dan in 1S88. Geen vergelijking gemaakt.


In 1889 gelijk als in 1888.

-ocr page 66-

(52

o

Naam.

Woonplaats.

Antwoord.

F R I E

A I

Og

Vrij algemeen slechte aangifte; in 18

Lang niet alle gevallen. Ja.

Winsum Heerenveen

J. Volleraa J. Plet

M. A. Hibma Jr. F. Boerhave J. Attema J. H. de Boer

R. Boer Hzn.

H. Veenstra

Franeker Oosterwolde Koudum Wolvega

St. Anna Parochie

Huizum

In veel gevallen niet. Aangifte gering. 2o0/0 ongeveer.

Weinig aangifte.

Vrij algemeen aangegeven in 1888.

Tamelijk.


G R 0 N I I i E

Algemeen slechte aangifte in 1888 en in 18

Warftum In den regel niet.

Veendam Niet alle gevallen worden

aangegeven.

Groningen Aangifte gering.

Appingedam Niet alle gevallen aangegeven.

Schildwolde Neen, geen enkel, tenminste

in 1889 niet.

K. J. F. Laméris M. Smit

A. W. Heydema H. H. Huizinga J. Doornbos

-ocr page 67-

03

Goede

Slechte

Geen

Verhouding der aangiften in

aangifte.

aangifte.

aangifte.

1888 en 1S89.

AND.

og slechter dan in i i

8 8

n in

In 1889 slechter dan in 1888.

Volgens de cijfers in 1889 minder aangifte, doch de ziekte heerschte ook minder.

In 1889 slechter dan in 1888.

In 1889 gelijk als in 18S8.

In 1889 slechter dan in 18S8.

In 1889 beter dan in 18S8, doch 1890 minder dan in 1889.

In 18S9 minder dan in 18S8, om de tegenw.v. burgemeesters.

Van 18S8 weet ik niet.


I I I i E N.

)p enkele plaatsen in 1889 eenige verbetering.

In 18S9 slechter dan in 1888. In 1889 gelijk als in 1S88.

Geen vergelijking.

In 1889 beter dan in 18S8. In 1S8S drie gevallen. In 1889 geen een.

8 8 ( rden

ven inste

-ocr page 68-

BlJliAfwE VIII.

BIJZONDERHEDEN.

Antwoord.

Woonplaats.

Naam.

Als de boeren aangeven, kunnen zij certificaat van gezondheid krijgen en dan is Duitschland voor hen gesloten.

Vraag: Is er wel eens een juiste analyse gemaakt tus-schen het bloed van een g e-z o n d varken en van een, aan de ziekte gestorven?

Ik stel mij voor, dat het ijzer langzaam uit het bloed wordt verwijderd door de neutraliseering van te veel zuren, die in het bloed worden opgenomen. Mist het bloed dien prikkel, dan sterft het dier aan verlamming. Kan nu zulk een toestand bij het leven ook bacterien te voorschijn roepen, waaraan de besmetting moet worden toegeschreven ?

Sterke ontwikkeling van cryptogamen in de spoeling gedurende den zomer en als gevolg: septicaemie en bloed-dyscrasie.

De ziekte komt hier in Juli en Augustus bij vochtig warm weer zeer veelvuldig voor. Rooft soms in enkele dagen genoegzaam alle varkens weg.

Komt slechts sporadisch voor. Veearts wordt er niet bijgeroepen. Direct slachten. Ze zeggen hier : het bekomt de Braüne. Vertoonen zich roode vlekken, dan wordt de

Dalen

H. Reimers

Purmerend

W. H. Lampe

Warffum

K. J. F. Laméris

J. H. Nuss

Heerlen

-ocr page 69-

05

Antwoord.

Woonplaats.

Naam.

veearts geraadpleegd. Behandeling met sterke zeep-loogwassching (warm),daarbij een antisepticum. Drinken van zure melk met een oplossing van sulph.magn. Krullen van dennenhout als strooisel. Zelden een varken bezweken.

Als voorbehoedmiddel: acid. arsenicosura in homoöpati-sche dosis.

Sedert de wet is de been-breekziekte hier opmerkelijk toegenomen.

De entingen konden niet geschieden, omdat de heer Poels geen entstof stuurde, ofschoon die reeds voor 6 weken besteld was.

Bloedvarkens maken is rationeel. Er wordt echter meê geknoeid.

Wil preventieve desinfectie met carbolzuur en heeft daarvan gunstige resultaten gezien. Creoline inwendig. Uitwendig koud houden.

Een burgemeester in Zeeland draagt de keuring op aan een gewoon slager en neemt van desinfectie geen notitie. Als voorbehoedmiddel (ook geneesmiddel) : acid. carbol, crystal, pur. 50/o.

Aangeven aan het commissariaat van politie, omdat het raadhuis te vaak gesloten is.

Harderwijk

T. G. J. Wight

K. F. Wiersum

Groningen

J. H. de Boer

Wolvega

Jb. Blaauw Azn.

De Rijp

T. A. L. Beel

Venraay

A. H. Geluk

Eikerzee

\'s Gravenhage

H. van Aken

M. Luteijn Mazure Oostbur,

De ziekte ontstaat na invoering van vreemde rassen en na snelmesting, dus — re

geling der teelt.

-ocr page 70-

Bijii/tee IK.

LANDBOUW-MAATSCHAPPIJEN.

Vraag.

N a a m.

Gevestigd.

Antwoord.

I

Vereeniging

Wieringerwaard

Zeer noodig.

I

M. v. Landbouw

Friesland

Maatregelen noo

dig. De tegenwoor

dige zijn verkeerd.

I

Afd. Zijpe

Zijpe

Ja.

I

Zeeuwsche Mpij.

Walcheren (afd.)

Ja.

I

Hol. Maatschappij

Hoorn (afd.)

Ja, krachtige.

1

M. v. Landbouw

V ollenhove

Ja.

II

Wieringerwaard

Gedeeltelijke of ge-

heele vergoeding.

II

Friesland

Ja, de landbou

wers moeten zelf de

verdachte of zieke

dieren afmaken. An

ders verloopt er te

veel tijd.

II

Zijpe

Ja.

II

Hoorn

Te weinig personeel.

HH

Wieringerwaard

Laat de beoordee

ling aan deskundigen

over.

III

Walcheren

Neen.

111

Hoorn

Ja.

III

Friesland

Te kostbaar; bij

afgekeurde varkens

wel vergoeding.

III

Zijpe

Noodig.

IV

Wieringerwaard

Enting wenschelijk.

IV

Hoorn

Nog geen opinie.

IV

Friesland

Ziet het nut niet

in van toestemming,

benoodigd voor het

nemen van proeven.

Oordeel over enting

gunstig.

IV

Zijpe

Niet bevoegd.

V en V]

Wieringerwaard

Geen genoegzame

aangifte.

V en V]

Hoorn

Laat hier en daar

te wenschen over.

V en VI

Walcheren

Laat te wenschen

| over.

V en V]

Friesland

De meeste gevallen

worden verzwegen.

a lt;/of.

-ocr page 71-
-ocr page 72-
-ocr page 73-
-ocr page 74-