-ocr page 1-

VAN EMDEN\'s RECHTSPRAAK

OP

DE VEEZIEKTEN-WET

EN

DB HONDSDOLHEID-WET

SAAMOÏ1VAT KN AANGEVULD DOOK

Mr. N. CRAMER

A-dVocuat eji Procureur te \'s-Gravenbage

Piergen. C.1589

VGRAVEls HAGK

G E BR. B EL I N F A Nrr E = 1898 =

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2911 929 8

-ocr page 5-

Ijil ■ rgt; JIQÏ j .

/

3279

VAN EMDEN\'s RECHTSPRAAK

OP

DE VEEZIEKTEN-WET

EX

DE HONDSDOLHEID-WET

SAAMGKVAT KX A A XGKV U 1.1) DOOK

Mr. N. CRAMER

Advocaat en Pr om rem- tt; \'s-GraV\'-nbai^\'

s.

quot;s-G l; A V K N H A G E

G EBR. BE LI XEANTE = 1S98 =

-ocr page 6-

Gedrukt bij F. ,1. BELINFANTE, voorh.: A. D. SCHINKEL.

-ocr page 7-

INHOUD.

Biz.

1. De Veezieklen-wet....................1

2. Wel van 8 Aug. 1878 (Stbl. 115), beteugeling longziekte .... 26

3. Kon. besl. van 8 Dec. 1870 (Stbl. nquot;. 194), verbod van in- en doorvoer . 27

4. Kon. besl. van 10 Juli 1896 (Stbl. nquot;. 104), maatregelen besmettelijke

veeziekten......................2S

5. De Hondsdolheid-wet...................30

-ocr page 8-
-ocr page 9-

1. DE VEEZIEKTEN-WET.

Wet van 20 Juli 1870 {Sthl. no. 131), tot regeling van het Veeartsenij kundig Staatstoezigt en de Veeartsenij kundige Politie, aangevuld en gewyzigd bij wetten van 2 Juni 1875 {Stbl. no. 94), 8 Aug. 1878 {Sthl. no. 115), 1 Aug. 1880 {Sthl. no. 123), 15 April 1886 {Sthl. no. 64) en 15 April 1896 {Sthl. no. 68).

Artikel 1.

üe prov. besturen mogen geen eigen voorschriften geven voor het veeartsenij-kundig toezicht en de veeartsenijkundige politie voor hunne provincie, omdat het belang van den veestapel en van genoemde politie uit den aard der zaak niet kan beschouwd worden als een provinciaal belang. Bovendien heelt deze wet de zaak voor eene aangelegenheid van Rijksbelang verklaard, en het bestuur eener provincie kan dus voorzeker niet bevoegd zijn, om tot aanvulling van het daarin bepaalde veeartsenij kundig staatstoezicht nog een provinciaal veeartsenij kundig toezicht daar te stellen en te regelen. Deze meening wordt bevestigd door do geschiedenis van de vaststelling dezer wet. Weekbl. n0. 1184. Zie echter aant. 0 op art. 13.

Art. 2.

4. Keuring van levend vee, d. i. het onderzoek naar den gezondheidstoestand van vee, bepaaldelijk met betrekking tot het bestaan eener besmettelijke ziekte, mag niet anders worden toevertrouwd dan aan hen, die door de wet als deskundigen zijn erkend. Dit zijn veeartsen die, na hier te lande geëxamineerd te zijn, een diploma als veearts hebben verkregen.

Wegens de schaarschheid van veeartsen nabij de grenzen kan het

Lijiox: Rechtspraak, IJe Druk. Deel I afl. 5».

(Mr. N. Cramer: De Veeziekten-wet.) 1

-ocr page 10-

VEEZIEKTEN-WET. ART. \') —8.

onderzoek des noods ook worden opgedragen aan de zoogenaamde empirici, die volgens art. 16 der wet van 8 Juli 1874 (Stbl. n0. 98), na een examen hoofdzakelijk in de herkenning van besmettelijke veeziekten te hebben afgelegd, een bewijs van toelating tot de veeartsenij-kundige practijk hebben ontvangen. Deze moeten wel onderscheiden worden van de empirici, die zoodanig bewijs hebben ontvangen krachtens art. 15 der aangehaalde wet, alleen omdat zij gedurende de laatste 10 jaren vóór de invoering der wet een patent als veearts hebben bezeten. Deze en andere zoogenaamde deskundige keurmeesters behoo-ren te worden uitgesloten.

Miss. M. v. 13. Z. 26 April 1883, Gem.stem u0. 1650.

Deze missive wijkt in zooverre af van eene vroegere, van 8 Sept. 1871 (Gem.stem n0. 1199, Weekbl. n0. 1318), dat bij laatstgenoemde zoowel de empirici in art. 16 als die in art. 15 der aangehaalde wet bedoeld, van de in de wet van 1870 vermelde werkzaamheden uitgesloten geaoht werden, als niet zijnde geëxamineerde veeartsen in den zin dezer wet.

Beperkter was ook de circ. van 17 Juli 1876, vermeld in aant. 7 op art. 14.

8. Het proces-verbaal van een plaatsvervangend districts-veearts mist de wettelijke kracht van eenig bewijsmiddel, wanneer van eene volstrekte verhindering van den districts-veearts om het proces-verbaal op te maken, niet is gebleken.

Arr. R. Zutphen 2.ri Febr. 1898, \\V. v. h. H. nquot;. 7080,

3. De burgemeester is niet belast met het toezicht, in art. 1 omschreven, en kan dus daarvoor geen kosten aan het Rijk in rekening brengen. Gem.stem no. 1915.

4. Zie aant. 4 op art. 21.

Art. 5.

De schriftelijke last, bedoeld bij dit artikel, is onnoodig, wanneer de bewoner van het huis den veearts toestaat zijne woning binnen te treden.

Ktg. Groenlo, 18 Dec. 1896, Pal. v. Just. 1897, no. 3; bevestigd door Arr.

R. Zutphen 11 Febr. 1897, Pal. v. Just., no. 55. Zie hetzelfde vonnis in aant.

1 op art. 13.

2

-ocr page 11-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 13,

Art. 8.

Dit artikel wil een verslag, door den distriots-veearts zeiven en naar aanleiding van zijne ei\'jen opmerkingen, waarnemingen en aantoekeningen opgemaakt, en niet een verslag, gegrond op door burgemeesters verstrekte opgaven. quot;Weekbl. nquot;. 1196.

Art. 13.

4. De zin en strekking van dit en het volgend art. kunnen geene andere zijn dan om, ingeval de verschijnselen eener besmettelijke ziekte bij het vee zich in die mate openbaren, dat zij door den eigenaar, houder of hoeder, als hij de gewone aandacht schenkt aan zijn vee, hebben kunnen worden waargenomen, aan dezen de verplichting op te leggen dat vee aan te geven en af te zonderen, in voege daarbij is voorgeschreven, zonder dat echter behoeft te blijken, dat hij die verschijnselen werkelijk ook heeft opgemerkt of waargenomen.

Deze opvatting wordt niet gewraakt door de geschiedenis der wet, welke juist doet zien, dat aan bedenkingen tegen den inhoud der bedoelde bepalingen, daaraan ontleend, dat zoodoende de veehouder ook zou getroffen worden, als hij de verschijnselen eener besmettelijke ziekte niet had gekend, of (met betrekking tot art. 39 der wet) waar van opzettelijk verzuim niet was gebleken, geen gevolg is gegeven, en dat de aanneming dier bepalingen desniettegenstaande heeft plaats gehad.

Bij het zich openbaren der verschijnselen eener besmettelijke ziekte is dus het bloote, ook onwillekeurige verzuim van den eigenaar, houder of hoeder, om aan de in dat geval voorgeschreven verplichtingen te voldoen, door den wetgever voor de toepasselijkheid der artt. 13 en 14 voldoende gerekend.

H. R. 1 Aug. 1871, W. v. h. R. n». 3362; quot;Weekbl. n». 1203. In gelijken zin was beslist bij arr. Prov. Hof Utrecht v. 23 Mei 1871, en bij vonnis Reohtb. Utrecht v. 23 Maart te voren, en luidt ook eene beschouwing in Themis 1871, p. 217 sqq., van Mr. F. A. R. A. van Ittersum. Zie ook vonnis Ktg. Zevenaar v. 23 Juni 1871, in Gem.atem no. 1038. Zoo ook Ktg. G roenlo 18 Dec. 1896 (reeds vermeld op art. 5) en Ktg. Groningen 1 April 1897, W. v. h. R. n». 6993,

Daarentegen werd bij vonnis Arr. R. Groningen v. 23 Febr. 1882, Rechtsg. Bijbl. 1882, C., p. 88 beslist, dat voor de toepassing van dit art. wordt gevorderd dat de beklaagde heeft geweien of moeten weten, dat zich bij het vee ziekteverschijnselen voordeden. Zie ook de volgende aantquot;.

3

-ocr page 12-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 13.

8. Blijkens de beraadslagingen bij de vaststelling dezer bepaling is aan te nemen, dat opzet niet is een vereischte voor strafbaarheid en dat elk bloot verzuim overtreding er van daarstelt. Er kan echter van geen verzuim sprake zijn, waar de niet-aangifte niet is nagelaten omdat men de noodige aandacht niet op zijn vee heeft gehad, noch omdat men onbekend was met de eigenaardige verschijnselen eener besmettelijke ziekte, maar omdat zich verschijnselen hebben geopenbaard van eene besmettelijke ziekte, die na slachting bij het leven blijkt aanwezig te zijn geweest.

Ktg. Rotterdiun 11 Juni 18T8, W. v. li. R. n0. 4293 ; Weekbl. n0. 15;i3.

3. Tot overtreding van dit art. wordt niet gevorderd dat de verschijnselen die zich hebben voorgedaan, uitsluitend bij eene besmettelijke ziekte voorkomen, noch dat bewezen zij dat verschijnselen die zich hebben voorgedaan, werkelijk van eene besmettelijke ziekte zijn geweest. Het is voldoende dat de verschijnselen gelijk zijn aan die, welke bij eene besmettelijke ziekte voorkomen.

Ktg. Leiden 6 Febr. 1888, W. v. h. R. nquot;. 5531 ; Weekbl. n». 2030.

De omstandigheid, dat schapen verkocht, schoon nog niet geleverd zijn, heeft niet ten gevolge, dat de verkooper niet meer als houder kan worden aangemerkt, daar hij tot aan de levering voor de schapen heeft te zorgen, en evenmin de omstandigheid, dat de schapen, door gebrek aan zorg bij den verkooper onbeheerd rondloopende, in den schutstal zijn geplaatst, daar dit slechts als een politie-maatregel is te beschouwen, die geen verandering kan brengen in de betrekking waarin die verkooper tot bedoelde schapen staat ten aanzien zijner verplichtingen op grond van de wet van 20 Juli 1870 (Sibl. nquot;. 131.)

Ktg. Beetsterzwaag 21 Maart 1896, Pal. v. Just. 1S9G, nquot;. 43.

5. Eene vrijspraak, daarop berustende, dat voor het strafbaar zijn der ten laste gelegde overtreding zou vereischt worden, dat de houder van het paard geweten hebbe dat zich bij het dier verschijnselen van besmettelijke ziekte vertoonden, moet als een bedekt ontslag van rechtsvervolging worden beschouwd, waartegen de voorziening in cassatie ontvankelijk is.

H. R. 15 Jan. 1877, W. v. h. R. no. 4073.

6. Eene verordening\' tot voorkoming van liet gebruik van melk, afkomstig van aan tongblaar lijdende melkbeesten, is niet te beschouwen als eene ongeoorloofde

4

-ocr page 13-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 14.

uitbreiding van dit art,, omdat deze wet meer bepaaldelijk de strekking heeft, om voor de gezondheid van het vee en het belang van den veestapel te zorgen, terwijl do onderwerpelijke verordening alleen de gezondheid van den mensch bedoelt. Weekbl. n0. 1215.

Art. 14.

1. Al moeten de woorden „verwijderenquot; en „afzonderenquot; in dit art., met het oog op de verklaring der Regeering, geacht worden hetzelfde te beteekenen als in de artt. 459—461 C. P. wordt bedoeld, en al mochten die artikelen, tijdens ze als wet golden, alléén hebben kunnen medebrengen de verplichting om het zieke of verdachte vee te verwijderen uit de weide of van den stal naar eene andere weide of naar een anderen stal, dan is dit daarvan het gevolg geweest, dat, toen die bepalingen als wet golden, niet gelijktijdig bestond een voorschrift als dat van art. 29 der thans geldende wet.

Intusschen, nu tevens is bepaald dat, bij bestaande afsluiting van eene weide in het geval en op de wijze als bij de wet is omschreven, het vervoer daaruit is verboden, kan het algemeen gebod van verwijdering van het zieke vee van het overige en afzondering daarom niet, waar die afsluiting plaats heeft, worden ter zijde gesteld; maar daarentegen bestaat het gebod van verwijdering en afzondering, hoezeer het dan alleen door afzondering in de weide zelve kan worden uitgevoerd, ook voor bedoeld niet bij de wet uitgezonderd geval, en moet het daarbij zijne toepassing vinden.

H. R, 26 Mei 1873, W. v. h. R. n0.3601 ; Gem.stem nquot;. 1155; Weekbl. nquot;. 1256.

lt;5. De wetgever heeft aan den eigenaar of houder van vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoont, alleen dan afzondering tot plicht gesteld, wanneer dat vee zich onder niet-verdacht vee bevindt.

Prov. Hof N.-Holl. 18 Dec. 1875, Reohtsg. Bijbl, 1876, Afd. C, p. 88.

3. Vervoer van vee, van besmettelijke ziekte verdacht, kan nooit opleveren het wanbedrijf, omschreven bij dit art., omdat daarbij kennelijk alleen wordt bedoeld afzondering van het overige vee van den eigenaar, houder of hoeder zeiven.

Arr.-R. Groningen 6 Juli 1876, Reohtsg. Bijbl. 1877, Afd. C, p. 46; Ned.

Pasicrisie, Alph. gcd. 1ste verv., p. 486. Zie hetz. vonnis op art. 17.

5

-ocr page 14-

VEEZIEKTEN-WET. ABT. 14.

41. Om wegens overtreding van dit art. eene veroordeeling te kunnen uitspreken, dient vóór alles vast te staan, dat de houder van een paard wist, dat zich bij dat dier verschijnselen van eene besmettelijke ziekte vertoonden.

Hiertegen obsteert niet dat dit feit, wat de straf betreft, tot de politie-overtredingen behoort, daar de leer, dat bij politic-overtredingen het materieele feit voldoende is, daargelaten of zij somtijds opgaat, in elk geval talrijke uitzonderingen toelaat, terwijl in casu, zoo zij opging, iedereen die geen deskundige is, maar vee houdt, dagelijks aan eene strafactie zou zijn blootgesteld.

De bepaling van dit art. ziet blijkbaar op het geval dat een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoont, zich nog bevindt op den stal, in het land of bij de kudde van den eigenaar, houder of hoeder en dus alvorens er eenig vervoer heeft plaats gehad, hetgeen niet alleen uit de woorden, maar ook uit de plaatsing van gemeld art. volgt.

Arr.-R, Groningen 25 Oct. 1876, W. v. h. K. n0. 4058; quot;Weekbl. n». 1442; Rechtsg. Bijbl. 1877, Afd. C. p. 43. Voor zooveel het eerste punt betreft in tegenovergestelden zin, doch ten aanzien van het tweede punt in gelijken zin beslist bij vonnis Arr.-R. Hoorn van 7 Febr. 1877, W. v. h. R. nquot;. 4148; Gem.-stem n0. 1373; Weekbl. n0. 1484.

Blijkens zijn in aant. 1 op art. 13 medegedeeld arrest van 1 Aug. 1871 achtte de H. R. die wetenschap bij den eigenaar niet noodig. Zoo besliste ook het Ktg. Geldermalsem bij vonnis van 31 Duo. 1894 (W. v. h. E. nquot;. 6646), waarbij tevens werd verstaan, dat de bekendheid van den veehouder met het besmettelijke der veeziekte op zichzelf nog niet blijkt uit zijne kennisgeving aan den burgemeester, dat zijne koe ziek is en uit zijn verzoek om hem deswege den districts-veearts te zenden, zonder opgave van verschijnselen waaruit het bestaan eener besmettelijke veeziekte moet worden afgeleid.

5. Waar niet overeenkomstig dit artikel is te laste gelegd, dat het niet verwijderd of afgezonderd houden van verdacht vee geschiedde door iemand als eigenaar, houder of hoeder van het vee, zelfs niet middellijk door de vermelding van schuld bij den beklaagde, is geen strafbaar feit te laste gelegd.

Arr.-R. Arnhem 9 Febr. 1897, quot;NV. v. h. R. n0. 7017. Zie hetzelfde vonnis op art. 35.

lt;». Een plaatsvervangend district-veearts mag alleen optreden bij volstrekte verhindering van den districts-veearts, en bij afwezigheid

6

-ocr page 15-

VEEZIEKTEN-WET. A KT. 14.

van beiden, in spoedeischende gevallen, een ander geëxamineerd veearts.

Er bestaat echter geen wettelijk bezwaar tegen, dat burgemeesters van gemeenten, die niet spoedig genoeg van uit de standplaats van den districts-veearts te bereiken zijn, en geen snelwerkend communicatiemiddel, als de telegraaf e. d., te hunner beschikking hebben, reeds daaruit in bijzonder spoedeischende gevallen besluiten tot de volstrekte verhindering van den districts-veearts om tijdig ter plaatse aanwezig te zijn, en alsdan een plaatsvervanger, of, kan ook deze niet spoedig genoeg ter plaatse aanwezig zijn, een ander geëxamineerd veearts ontbieden. Dit laatste moet echter uit den aard der zaak uitzondering blijven.

Circ. M. v. ]i. Z. 1889, Gem.stem n0. 1975; AVeekbl. nquot;. 2092.

Vroeger stond do Regeering oeno engere opvatting- van dit artikel voor. Mij miss. M. v. B. Z. van 14 Dec. 1870 toch (Gem.stem n0. 1005, Weekbl. nquot;. 1124» word verklaard dat de burgemeester een geëxamineerden veearts, buiten het veeartsenijkundig staatstoezicht staande, niet kon raadplegen, dan na de zekerheid bekomen te hebben, dat zoowel de districts-veearts als zijne plaatsvervangers verhinderd zijn over te komen.

Deze aanschrijving werd door den Min. bij miss. van 21 Dec. d. a. v. nader toegelicht in dien zin, dat de raad van andere geëxamineerde veeartsen alleen dan mocht worden ingeroepen, wanneer de door de Regeering\' aangewezen ambtenaren afwezig zijn van hunne standplaats of om andere redenen verhinderd zijn dadelijk aan de oproeping van den burgemeester gevolg te geven, en wanneer bovendien bet geval spoed eischt. Wanneer voor behoorlijke afzondering, welke de wet voorschrijft, zorg wordt gedragen, kan de komst van den districts-veearts of zijn plaatsvervanger, bij de snelheid der middelen van gemeenschap, in verreweg de meeste gevallen gerust worden afgewacht.

In Gem.stem no. 1007 wordt tegen die beide missives aangevoerd, dat de bepaling-, volgens welke in zekere gevallen een geëxamineerd veearts kan geraadpleegd worden, bij amendement in de wet gebracht en door de Regeering bestreden is, en dat zij bij gevolg- alleen mag worden uitgelegd in overeenstemming met het doel dat de voorsteller van het amendement er mede had. Dat doel nu: voorziening in spoedige hulp, zou geheel worden miskend, als de burgemeester, alvorens zulk een veearts te mogen raadplegen, zekerheid moest hebben van de afwezigheid of van de volstrekte verhindering van den districts-veearts en zjjn plaatsvervanger. In redelijken zin opgevat moet men aannemen dat de burgemeester, zoo hij het geval spoedeischend acht. niet op hot bericht van den dooi\' hem ontboden, doch afwezigen ambtenaar, dat hij niet kan komen, behoeft te wachten om een gewonen veearts te kunnen raadplegen.

S. Onder de woorden „geëxamineerde veeartsquot;, voorkomende in dit art. en in de artt. 16, 17, 19, 21 en 25 dezer wet en in art. 2 der wet

7

-ocr page 16-

VEEZIEKTEN-WET. ABT. 15.

van 5 Juni 1875 (Stbl. n0. 110), zijn, naar den geest der wet, alleen te verstaan zij, die een volledig examen als veearts hebben afgelegd en ten bewijze daarvan in het bezit zijn van het diploma, bedoeld in art. 14 der wet van 8 Juli 1874 (Slbl. nquot;. 98) of in art. 13 der wet van 8 Juli 1874 (Sthl. n0. 99), alsmede zij die op grond van art. 2 der wet van 8 Juli 1874 (Stbl. nquot;. 98) tot uitoefening der veeartsenijkunst hier te lande zijn toegelaten. Als veeartsen moeten niet beschouwd worden zij, aan wie krachtens art. 16 der laatst aangehaalde wet, gewijzigd bij die van 4 April 1875 (Stbl. n0. 37), na aflegging van lichter examen een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkunde, maar geen diploma als veearts is uitgereikt.

Circ. M. v. B. Z. 17 Juli 187ü, Gem.stem n0. 1296; Weekbl. nquot;. 1416. Zio voor zooveel het laatste punt betreft, in anderen zin de missive van 26 April 1883, vermeld in aant. 1 op art. 2.

Art. 15.

1. De algemeene wet van 26 Aug. 1822 moet, ook na het in werking treden van de wet op het veeartsenijkundig Staatstoezicht, geacht worden in allen deele van kracht gebleven te zijn, bepaaldelijk ook ten aanzien van de daarin voorkomende bepalingen op den invoer van rundvee.

Gerechtshof Leeuwarden 6 Oct. 1876, quot;NV. v. h. R. n0. 4038.

8. De Minister van Binn. Zaken is, ingevolge art. 1 Kon. besl. van 3 Oct. 1873 (Stbl. nquot;. 135) (1) en krachtens bovengenoemd art., bevoegd eene gemeente te verklaren voor gemeente waarin longziekte heerscht. Dit is geen delegatie van macht door den Koning op zijn Minister, omdat de bevoegdheid tot verbod van vervoer van vee bij het bestaan van veeziekte-besmetting, bij dit art. aan den Koning toegekend, bij art. 1 van het besl. van 3 Oct. 1873 niet aan den Minister van Binn. Zaken wordt overgedragen, maar integendeel geheel overeenkomstig de gemelde wet, de Koning, blijkens de stellige bewoordingen van gemeld art. 1, het vervoer van vee verbiedt naar en uit de gemeenten, waar zich besmettelijke veeziekte voordoet en die door den Minister van Binn. Zaken zullen worden aangewezen.

Die aanwijzing is niets anders dan het constateeren van een feit,

(1) Zie thans artt. 25, 40, 67 en 88 Kon. besl. v. 10 Juli 1896 {Stbl. nquot;. 104).

8

-ocr page 17-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 15.

dat besmettelijke veeziekte in de eene of andere gemeente zich heeft voorgedaan, welke aanwijzing het verbod des Konings in zijn geheel laat en welk verbod derhalve geenszins door den Minister geschiedt.

Prov. Hof. Z.-Holl. 11 Mei 1874, vernietigende een vonnis Arr.-R. Leiden v. 31 Maart te voren, W. v. h. R. n0. 3740; Gem.stem no. 1189: quot;Weekbl. nu. 1315. Bij dit vonnis werd \'s Ministers bevoegdheid betwist, voornamelijk op grond, wat de woorden van art. 15 betreft, dat dit art. den Koning ipsis verbis bevoegd verklaart vervoer van vee te verbieden, en verbieden niet bc-teekent beslissen, dat het noodzakelijk is dat er worde verboden door een ander, en wat den zin van liet art. aangaat, dat het zeker niet in \'s wetgevers bedoeling heeft gelegen, den Koning eene onmogelijke beslissing op te dragen, daar liet veelal ondoenlijk is te beslissen of de zorg voor het behoud van den veestapel stremming in het vervoer van rundvee noodzakelijk maakt, tenzij men op speciale gemeenten het oog vestige.

In den zin van het arr. Prov. Hof Z.-Holl. besliste de Rechtb. te \'s-Hage bij vonnis v. 18 Juni 1874, W. v. h. R. n». 3739; Gem.stem nquot;. 1187; Weekbl. nquot;. 1313 (in de beide laatste bladen 25 Juni), terwijl de leer der Leidsehe Rechtbank verdedigd wordt in Gem.stem nquot;. 1193.

3. De bij dit artikel aan den Koning voorbehouden macht om, bij het bestaan buitenslands van besmettelijke veeziekte, invoer van vee te verbieden en verbods- en andere bepalingen vast te stellen omtrent aangifte, verkoop, behandeling en visitatie, brengt mede de bevoegdheid om beambten aan te wijzen aan wie het toezicht op de naleving van die bepalingen zal zijn opgedragen.

H. R. 27 Juni 1891, W. v. h. R. nquot;. 6215; quot;Weekbl. no. 2263.

41. Wanneer een buitenlander aan een ingezetene van het Koninkrijk ongesmolten vet verkoopt en hem dat levert, dan is die buitenlander en niet de kooper noch de vervoerende spoorwegmaatschappij als de invoerder te beschouwen.

Ktg. lleerenveen 7 Sept. 1894, W. v. h. R. nquot;. 6570.

5. Uit de laatste zinsnede van dit art. volgt niet dat de provinciale en de quot;e-meentelijke wetgever, zoo zij slechts zorgen dat hunne verordeningen niet in strijd zijn met \'s Konings voorschriften, overigens geheel vrij zouden zijn. quot;Wanneer b.v. in eene gemeente veepest heersclit, kan de Raad cener naburige gemeente deu in-en doorvoer van vee uit eerstbedoelde gemeente verbieden of beperken, voor zoover dit niet in strijd komt met het Kon. besluit van 8 Deo. 1870 {StbL nquot;. 194).

Maar wanneer zoodanige verordening verbood vervoer uit de besmette gemeente van vee, door veepest aangetast, of daarvan verdacht, wanneer zij bepaalde in welke gevallen vee voor verdacht wordt gehouden, of welke ziekten vun het vee

9

-ocr page 18-

VEEZIEKTEN-WET. AUT. 16.

voor besmettelijk te houden zijn, dan zou ze punten regelen, die reeds in urtt. 21, 22 en 34 jquot;. het Kon. besl. van 4 Deo. 1870 (Stbl. nquot;. 190) (1) zijn geregeld, en dergelijke verordening zou treden in hetgeen van algemeen Rijksbelang is verklaard, zonder dat de wet hierbij eene exceptie, als in art. 15, bevat, cn alzoo in strjjd zjjn met art. 150 gem.wet.

Wanneer op dezelfde wijze bij het bestaan in eene gemeente van kwaadaardig mond- en klauwzeer, dat krachtens art. 34 der wet van 1870 voor besmettelijke veeziekte wordt gehouden, de in- en doorvoor van vee uit de gemeente door een naburig gem.bestuur wordt verboden of beperkt, dan heeft dit bij den tegenwoor-digen rechtstoestand geen bezwaar. Maar ziekten onder het vee voor besmettelijk te verklaren, zooals tongblaar en klauwzeer in het algemeen en dus ook het goedaardige, terwijl do wet alleen het kwaadaardig mond- en klauwzeer voor besmettelijk verklaart, en van dergelijke uitbreiding der wet uitgaande, het vervoer van vee te verbieden dat aan zoodanige ziekte lijdt, dit gaat de bevoegdheid van den Raad te buiten. Gem.stem n0. 10\'JH.

In gelijken zin, voor zooveel de tongblaar en het klauwzeer betreft, bij eene miss. van Gedep. Staten van Gelderland, Gem.stem ibid. Zie verder de aant. op art. 44.

6. Omtrent het voor de consumtie afkeuren van pas geslacht of gestorven vee bestaat, behoudens het geval dat dit mocht worden voorzien bij een maatregel van inwendig bestuur uit krachte van dit art., geen algemeene regeling. Voorschriften van dien aard moeten dus bij plaatselijke verordening zijn gegeven. Gem.stem n0. 1523.

7. Zie over dit art., de opstellen in Weekbl. nquot;«. 1231 en 1233.

Verg. ook de aant» op het Kon. besl. v. 10 Juli 1896 {Slbl. nu. 104) infra.

Art. 16.

1. Gevallen van twijfelachtigen aard zijn die, waarin bij den districtsveearts twijfel bestaat omtrent den aard der ziekte of omtrent de aan te wenden maatregelen.

Miss. M. v. B. Z. 14 Deo. 1870, Gom.stcm nquot;. 1005; Weekbl. nquot;. 1124.

3. Uit dit art. is evenmin als uit andere bepalingen dezer wet af te leiden dat het bestaan van veeziekte slechts op bijzondere wijze en niet door de gewone bewijsmiddelen van het Wetboek van Strafvordering kan worden bewezen.

10

H. R. 17 Febr. 1873, W. v. h. R. no. 3572. Zie hetz. arr. op de artt. 21 en 22.

(1) Zie thans het Kon. besl. van 10 Juli 1896 (Slbl. nquot;. 104).

-ocr page 19-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 17—21. 11

Art. 17.

1. Bevelen, door den districts-veearts gegeven, hebben alleen het gevolg, dat het vee verdacht gehouden wordt door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast.

Bij het vertoonen of bij aangifte van eene besmettelijke veeziekte, is de burgemeester alléén de bevoegde autoriteit om nadere bevelen te geven. Tengevolge van zoodanige bevelen alleen wordt het vee gerekend, in den zin der wet, door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast.

Arr.-R. Groningen ü Juli 1876, Kechtsg. Bijbl. 1877, Afd. C, p. 46; Ned. J\'asicrisic, Alph. ged. Iste vorv., p. 486. Zio hctz. vunnis op art. 14.

\'i. Het arbeidsloon voor het wegnemen van het bij dit artikel bedoelde kenteeken kan aan het Bijk in rekening worden gebracht.

Miss. M. v. li. /. 30 Mei 1894, Gem.stem n0. 2230. Zie dezelfde missive op art. 19.

Art. 19.

Voor het doen voorzien van runderen van een merkteeken worden geene kosten door den Staat in uitgaaf geleden.

Miss. Min. v. 13. Z. 30 Mei 1894, Gem.stem nquot;. 2230. Zie dezelfde missive op art. 17. In tegengestelden zin was geadviseerd in Gem.stem n0. 1299.

Art. 21.

1. Vermits bij dit art. het vervoer van door besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee, zonder nadere bepaling wat door dat vervoer te verstaan zij, en dus in algemeenen zin, verboden is, volgt hieruit, dat daaronder in dien zin moet worden begrepen iedere verplaatsing of overbrenging van dat vee van de plaats waar het, als door de ziekte aangetast of daarvan verdacht, zich bevond, naareenige andere plaats.

H. K. 17 Febr. 1873, W. v. h. 11. nquot;. 3572. Zie hetz. arr. op de artt. 16 en 22.

-ocr page 20-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 21.

lt;8. Uit de algemeone bepaling, dat „vervoer van door longziekte aangetast vee verboden isquot;, in verband met de door den wetgever, blijkens de bepalingen van de artt. 13 en 14 aangenomen veronderstelling, dat zich bij door besmettelijke ziekte aangetast vee ook uitwendig waarneembare verschijnselen voordoen, en de, blijkens laatst-gemelde artikelen, dienvolgens aan den eigenaar, houder en hoeder van vee opgelegde verplichting om op den gezondheidstoestand van zijn vee nauwkeurig te letten, — volgt, dat het feit van het vervoer van zoodanig vee de schuld van den vervoerder of van hem die daartoe last geeft met zich brengt, vermits deze geacht moet worden die verschijnselen te hebben kunnen opmerken, en alzoo ook met den lijdenden toestand van het vee bekend te hebben kunnen zijn.

Arr.-E. Brielle 19 Maart 1874, W. v. h. R. n0. 3716; Weekbl. nquot;. 1302.

Van hetzelfde standpunt ging ook uit het Gerechtshof \'s-Hage bij arrest van 25 Jan. 1876 (Rechtsg. Bijbl. 1876 Afd. C, p. 55; Ned. Pasiorisie Alpii. ged., 1ste verv. p. 485) beslissende, dat bij vervoer van vee dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is, het voor de strafbaarheid voldoende is, dat erop het tijdstip van dat vervoer eenige uiterlijke verschijnselen van die ziekte konden worden waargenomen, en niet noodig dat het bewijs worde geleverd van de subjectieve wetenschap des vervoerders, dat die verschijnselen hot bc-staaii der bedoelde ziekte aanduiden.

Ook het Ktg. Rotterdam kwam bij vonnis van 22 Jan. 1895 — bevestigd bij vonnis Arr.-Rechtb. aldaar van 21 Maart 1895 — (Pal. v. Just. 1895, n». 76) tot dezelfde conclusie op grond dat in geval van overtreding onderzoek naar schuld van den beklaagde overbodig is.

Anders Ktg. Oud-Beijerland 20 Maart 1895, P. v. J. 1895, n0. 80; en Ktg. Snoek 13 Juli 1887, W. v. h. R. nquot;. 5482. Bij laatstgemeld vonnis — dat intusschen door de Rechtb. te Leeuwarden op 24 Sept. d.a.v. (zie W. v. h. R. t. a. p.) vernietigd werd — werd verstaan, dat het de bedoeling van den wetgever niet geweest kan zijn, de materieele daad van vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, te strad\'en, ofschoon dit art. het letterlijk verbiedt, en art. 35, le lid daartegen straf bedreigt. Dit steunt op het beginsel, dat bij overtreding alléén strafbaar is hij, die iets doet of nalaat in strijd met de wet, die hij had kunnen kennen en naleven, terwijl naleving van dit art. bij de meest goede trouw en bij inachtneming van de meest mogelijke voorzichtigheid en voorzorg dikwijls onmogelijk is. De Kantonrechter achtte daarom de strafbepaling van art. 35, al. 1 eerst dan toepasselijk, wanneer het vervoer opzettelijk geschiedt met de wetenschap of bekendheid des daders met die ziekte of de verdenking daarvan. Is dit opzet, die wetenschap of bekendheid bij dagvaarding niet ten laste gelegd, dan mag de straf niet worden toegepast.

12

-ocr page 21-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 21 13

De laatstgemeldo zienswijze werd ook gehuldigd in een vonnis Arr.-R. Groningen 19 Oct. 1876 (Rechtsg. Bijbl. 1877, Afd. C, p. 45; ÏTed. Pasiorisie, Alph. ged., lste verv., p. 485). Mindei- ver gaat een vonnis Arr.-R. Tiel van 4 Febr. 1897 (Pal, v. Just. 1897, nquot;. 35) waarbij de strafrechtelijke aansprakelijkheid werd aangenomen, wanneer de onbekendheid van den beklaagde met het feit, dat zijn vee aan eene besmettelijke ziekte lijdt, aan eenig verzuim zijnerzijds te wijten is.

Zie verder aant. 1 op art. 13 en aant. 4 op art. 14.

3. Wie schapen lijdende aan rotkreupel vervoert, maakt zich schuldig aan de overtreding van dit artikel.

Arr.-R. Haarlem 27 April 1893, \\V. v. h. R. n». 6394.

4. Degene aan wien ten laste gelegd is, dat hij hem toebehoorende runderen, van mond- en klauwzeer verdacht, heeft vervoerd door deze van uit eene afgesloten weide naar eene andere daaraan grenzende weide over te brengen, moet worden vrijgesproken, wanneer beide weiden door hem als ééne weide werden gebruikt, hij die weiden scheidde en ze daarna weder tot een geheel maakte, tengevolge waarvan het vee uit het eene gedeelte in het andere liep.

Ktg. Delft 20 Oct. 1894, AV. v. h. R. nquot;. 6614.

5. Bij missive van 5 Oct. 1872 werden de burgemeesters door den Min. v Binn. Zaken uitgenoodigd, het vervoer van verdachte runderen van de weide naar den stal, volgens de 2^ zinsnede van dit art., alleen toe te laten onder voorwaarde dat hun eene verklaring van een geëxamineerden veearts overgelegd worde, dat de geheele koppel van den eigenaar van het verdachte vee, zoo het verdachte als het niet verdachte, is ingeënt.

ïegen deze aanschrijving wordt in Gem.stem nquot;. 1098 o. a. ingebracht, dat de burgemeester wel ten aanzien der voorzorgsmaatregelen, door den districts-veearts of diens plaatsvervanger aangewezen, aan het advies van dien ambtenaar gehouden is, maar dat volstrekt niet in het art. staat te lezen dat do Minister den burgemeester zou kunnen verplichten, van deze of gene voorwaarde het geven van vergunning tot vervoer afhankelijk te maken. quot;Wanneer de aanvrager vóór het vervoer zijne beesten niet wil laten inenten, geeft het art. aan den burgemeester volkomen vrijheid hem dat vervoer zonder inenting toe te staan, zoo namelijk de veearts deze inenting niet onder de door hem aan te wjjzen voorzorgsmaatregelen opneemt. De wetgever heeft niet noodig geacht de vergunning te laten geven door den Minister, en evenmin de voorwaarden door dien staatsdienaar te laten voorschrijven.

-ocr page 22-

veeziekten-wet. art. 22

De Minister had intusschen, zonder in strijd met de wet te komen, zijn doel kunnen bereiken, indien hij, in plaats van eene aanschrijving aan de burgemeesters te doen richten, aan de genoemde Rijks-ambtenaren eene instructie had gegeven om in de door hen aan te wijzen voorzorgsmaatregelen ook de inenting op te nemen. Daartoe geeft de wet aan den Minister de bevoegdheid. Immers kan dit geacht worden te vallen onder het veeartsenij kundig staatstoezicht dat volgens art. 2 der wet aan districts-veeartsen is opgedragen onder den Min. van Binn. Zaken.

In Weekbl. no. 1220 vindt men een betoog van gelijke strekking, dat bovendien herinnert dat de aanbevolen maatregel met het vervoer, waarop art. 21 doelt, niets te maken heeft.

Art. 22.

4. De omstandigheid dat runderen door een vermoedelijk dollen hond zijn gebeten, levert genoegzamen grond op om aan te nemen dat zij door smetstof kunnen zijn bezoedeld. Die gevolgtrekking is gegrond op de eerste zinsnede van dit art., volgens hetwelk het vee voor verdacht wordt gehouden, onder anderen, wanneer het door smetstof kan zijn bezoedeld, terwijl de laatste zinsnede niet in den meest absoluten zin de mogelijkheid van bezoedeling door smetstof ook door geheel onbekende of ongedachte oorzaken bedoelt, maar volgens het gewone spraakgebruik moet worden opgevat in dien zin, dat er de eene of andere omstandigheid bekend is, die mogelijkheid van bezoedeling door smetstof aanwijst.

H. R. 19 Pebr. 1872, W. v. h. R. nquot;. 3437 ; Gem.stem n0. 1072; Weekbl. no. 1204.

14

«. Als in \'s rechters uitspraak is beslist, dat het vervoerde vee op den 12 Dec. 1871, den dag der afmaking van een aan longziekte lijdend rund, zich met dat rund in dezelfde verblijfplaats, zijnde de stal van den beklaagde, heeft bevonden, volgt hieruit, met het oog op artt. 22 en 34 dezer wet en art. 5 van het Kon. besluit van 4 Dec. 1870 (Stbl. n0. 190) (1) zonder meer, vanzelf, dat dit op den 2 Maart 1872, en

(1) Zie thans art. 16 l\\. B. v. 10 Juli 1896 (Stbl. no. 104).

-ocr page 23-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 23—24. 15

dus nog geen drie maanden later vervoerde vee voor verdacht was te houden.

H. R. 17 Febr. IHTii, W. v. h. R. nquot;. 3572. Zio Ufitz. arr. op de artt. 16 en 21.

I

Art. 23.

Vermits volgens dit art. de bepalingen der onteigeningswet niet langer geldig zijn voor onteigeningen van besmet of verdacht vee, zou publicatie in de dagbladen tot noodelooze uitgaven leiden en kan de mededeeling aan Gedep. Staten of aan den Comm. des Kon. van afschriften der besluiten tot onteigening, als overbodig worden beschouwd. Eene opgave aan laatstgenoemden ambtenaar is voldoende.

Circ. C. d. K. Z.-Holl. 19 Jan. 1871, Weekbl. no. 1128. /ie dez. circ. op art.

3 Kon. besl. v. 10 Juli 1896 {Stbl. n0. 104).

Art. 24.

1. Het vleesch en de overige deelen van de wegens longziekte ter afmaking onteigende dieren behoeven niet verbrand of begraven te worden. Dit heeft alleen plaats met de borst- en bviiksingewanden, tenzij de districts-veearts ook de vernietiging van andere deelen mocht noodig achten. Hetgeen van de onteigende dieren niet verbrand of begraven wordt, zooals vleesch en huid, kan dus als Kijkseigendom worden verkocht. Deze verkoop kan op gelijke wijze geschieden als vroeger heeft plaats gehad met vleesch enz., afkomstig van vee, onteigend wegens den besmettelijken veetyphus. De tijdens het heerschen van den veetyphus omtrent dit punt gegeven voorschriften kunnen dus ook in het algemeen verder worden opgevolgd.

Uit het Kon. besl. v. 10 Sept. 1866, n0. 66, volgt dat de voor rekening van het Rijk wegens veeziekte of andere ziekten onteigende voorwerpen en goederen, met inachtneming van het meeste voordeel voor \'s Rijks kas, op elke wijze eu volgens plaatselijk gebruik kunnen worden te gelde gemaakt. Voorloopige aangiften voor te houden verkoopingen van den onderwerpelijken aard zijn, blijkens art. 9 der wet van 22 Pluvióse, jaar VIT, in geen geval noodig; de kosten daarvoor gemaakt

-ocr page 24-

veeziekten-wet. art. 25-27.

zouden door de Algemeene Rekenkamer niet in vereffening worden aangenomen.

Miss. M. v. B. Z. 29 Deo. 1870, Gein.stem no. 1008 ; quot;Weekbl. n0. 1126.

2. Bij Kon. bcsl. v. 11 Juli 1871 (Slbl. nquot;. 75) zijn de burgemeesters of die ben als zoodanig vervangen, bevoegd verklaard tot het houden van openbare verkoo-pingen van roerende goederen, voor rekening van liet Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend, of voor Rijks rekening aangeschaft om tot ontsmetting, waarschuwing of afzondering in die ziekten te dienen, doch voor Rijksdienst niet meer noodig.

3. De kosten van den deskundige, door den Burgemeester volgens dit art. benoemd om ziek of verdacht vee te waardeeren, komen ten laste van het Rijk. Gem stem n0. 1138.

Art. 25.

1. Eene verordening die in het belang der openbare gezondheid bepaalt dat alle gestorven of afgemaakte paarden, runderen of verdere huisdieren door de zorg van den eigenaar op de door den burgemeester te bepalen wijze moeten worden begraven, maar geen uitzondering behelst voor het aan besmettelijke ziekte gestorven of daarvan verdacht vee, is in strijd met deze wet en de tot uitvoering daarvan gegeven Koninklijke besluiten.

Deo. Gedep. Staten Zeeland 1878, Gem.stem n0. 1469.

Art. 27.

1. Verzuim van aangifte of afzondering doet aanspraak op schadevergoeding verloren gaan niet enkel voor het vee, waaromtrent overtreding gepleegd is, maar ook ten opzichte van het vee dat, als tot denzelfden koppel behoorende, in verdachten toestand is geraakt.

Miss. M. v. B. Z. 1876, Weekbl. n0. 1500.

Ook de Alg. Rekenkamer was in haar verslag over 1876 van oordeel, dat dit art., in geval van overtreding de aanspraak op vergoeding van don eigenaar vervallen verklarende, medebrengt dat zoodanige overtreding ook in al de gevolgen, die daaruit voortvloeien, aanspraak op vergoeding doet verloren gaan.

Intussohen gaat — aldus werd bij dec. M. v. B. Z. van 1878 (Gem.stem nquot;. 1519) — de aanspraak op schadevergoeding slechts dan verloren, wanneer een

16

-ocr page 25-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 27.

voorafgaand misdrijf omtrent ander vee uit denzelfden koppel de latere onteigening in mindere of meerdere mate heeft noodig gemaakt. De enkele omstandigheid eener voorafgaande veroordeeling tot straf is in dit opzicht niet voldoende.

Er moet alzoo vergoeding worden gegeven, wanneer te voren alleen de aangifte is verzuimd, maar niet blijkt van verwaarloozing der afzondering.

Zie in tegenovergestelde!! zin n0. 1233.

2. Overal waar deze wet spreekt van voorloopige inbewaringgeving van de waarde of opbrengst van het onteigende of in beslag genomene, wordt als bewaiirder aangewezen de gemeente-ontvanger (artt. 24, 26, 27, 36 en 37) en zij draagt ook de verantwoording van de gesequestreerde gelden aan dien ambtenaar op.

Daaruit volgt, dat die gelden gedurende den geheelen tijd der sequestratie onder dien ambtenaar moeten blijven berusten.

Miss. M. v. B. Z. 17 Oct. 1877, Gem.steiu nquot;. 1361.

3. De eigenaar van het vee is niet strafbaar voor het verzuim van aangifte door den houder of hoeder, maar verliest daardoor toch zijne aanspraak op vergoeding\'. Gem.stem nu. 1255.

4. Wanneer de Koning gratie verleent van de straf wegens verzuimde aangifte, bij art. 13 voorgeschreven, dan kan hij niet tevens de aanspraak op de in dit art. bedoelde vergoeding teruggeven, omdat het vervallen daarvan in de wet zelve bepaald en geen bij rechteijijk vonnis opgelegde straf is, van welke laatste alleen de Koning, volgens art. 66 (thans 68), al. 1 Grondw., gratie kan geven. Gem.stem n0. 1033.

S. Uit dit art. volgt dat de wetgever bij bevinding van verzuim, van den uitslag van het daarover te houden strafgeding, en daarvan alléén, het behoud van de aanspraak op schadeloosstelling afhankelijk stelt. Wanneer alzoo het geding in dit opzicht in het voordeel van den beklaagde is uitgewezen, staat het hierdoor vast, dat deze recht heeft vergoeding te vragen van het naar aanleiding van het verzuim afgemaakte en onteigende vee, en .derhalve zijne daartoe strekkende vordering moet worden toegewezen, zonder dat de Hooge Raad, bij wien die vordering tegen den Staat wordt ingebracht, in een nader onderzoek mag treden van de juistheid der gronden, waarop de door den strafrechter gegeven vrijspraak berust.

17

H. R. 4 Jfei 1877, W. v. h. R. n0. 4111; Gem.stem n0. 1341; Weekbl. n0. 1465.

Léon: Hechlspraak, 3e Druk. Deel I art. 9. (Mr. n. Cramer: De Veeziekten-wet.)

2

-ocr page 26-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 28—29.

Art. 28.

I. Uit de ter goede rekening ontvangen gelden in zake besmettelijke veeziekten behooren geen andere kosten te worden bestreden dan die in dit art. genoemd zijn.

Miss. M. v. B. Z. 1 Oct. 1874, Gem.stem nquot;. 1202; Weekbl. n0. 1322. In gelijken zin eene oiro. v. 12 April 1893, Gem.stem n». 2169.

2. De gein.raad van Aarlanderveen had besloten geen gelden meer aan het Rijk voor te schieten ter zake van onteigening en afmaking van aan besmettelijke ziekte lijdend vee; dit besluit was door den Burgemeester, als strijdig met de wet, aan den Koning ter vernietiging voorgedragen. Van wege den Minister van Binn. Zaken werd aan den Raad te kennen gegeven, dat dit besluit in lijnrechten strijd is met dit art. Pe Raad heeft het daarop ingetrokken. Gem.stem nquot;s. 1048 en 1060; quot;Weekbl. n0. 1180.

3. Zie over het in rekening brengen van sohrijfloonen door burgemeesters ter zake van onteigening van vee, Weekbl. n0. 1259 en Gem.stem nlt;\'. 2178.

Art. 29.

i. Het oordeel over de noodzakelijkheid van de afsluitingen, dns ook over het al dan niet besmet zijn van hoeven of weiden, is overgelaten aan den districts veearts en alzoo onttrokken aan het rechterlijk onderzoek.

H. R. 24 Juni 1895, W. v. h. R. nquot;. 6701 ; Gem.stem no. 2298; Weekbl. n0. 2418. Zie hetzelfde arrest in de volgende aant.

lt;8. De burgemeester heeft voor het nemen van den hier bedoelden maatregel tot afsluiting alleen te oordeelen of degeen die in zijn advies de verklaring over de noodzakelijkheid geeft, is de bij de wet daarvoor aangewezen deskundige. De gronden echter waarom de burgemeester den opgetreden deskundige aanmerkt als den door de wet aangewezene, behoeven in het besluit tot afsluiting niet te worden vermeld.

H. R. 24 Juni 1895, quot;W. v. h. R. nquot;. 6701 ; Gem.stem nquot;. 2298; Weekbl. nquot;. 2418. Zie hetzelfde arrest in de vorige aant.

3. De als hulpofficier van justitie beëedigde militairen staan met den burgem. op ééne lijn, voor zooveel betreft het opsporen van strafbare feiten : ten aanzien

18

-ocr page 27-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 31.

van de uitvoering dezer wet echter staan zij onder den burgem., vermits de afsluiting der hoeven enz. aan dezen ambtenaar is opgedragen, en de militaire macht gehouden is hem daarbij hulp te verleenen. De wijze waarop de afsluiting zal plaats hebben, staat dus ter beoordeeling van den burgemeester. Gem.stem n». 2147.

4. Bij de verdeeling der inkwartiering ingeval van besmettelijke veeziekte, mogen niet de inwoners van een gedeelte der gemeente, b.v. degene die het dichtst bij de besmette hoeve wonen, met uitsluiting van die der andere gedeelten, met inkwartiering belast worden. Bjj de daartoe strekkende vordering van den burgemeester moet ook in dit geval de volgorde van de lijst, bedoeld bij art. 17 der inkwartie-ringswet, gevolgd worden. Gem.stem nquot;. 2150.

5. Zie 1quot;. over de toepassing van art. 14 in geval van afsluiting eener besmette hoeve, het arr. H. R. v. 26 Mei 1873, vermeld op genoemd ari. ; — 2°. over het verband tusschen dit art. en art. 35, het vonnis Ktg. Schiedam van 1 Febr. 1893, vermeld op art. 35; — en 3quot;. over het recht verstand van dit art., quot;Weekbl. nos. 1143 en 1145.

Art. 31.

l. Het lstc lid van art. 3 van het Kon. besluit van 27 Maart 1888 {Sthl. n0. 67), (1) betreffende de kennisgeving aan den burgemeester van het sterven van aan besmettelijke ziekte lijdend vee, staat in rechtstreeksch verband tot het 2d0 lid, volgens hetwelk zoo spoedig mogelijk na de in het lste lid bedoelde kennisgeving, binnen een door den burgemeester te bepalen termijn, het gestorven vee door de zorg van den eigenaar moet worden verbrand, begraven of op andere wijze onschadelijk gemaakt. Tot de wijze van begraven, verbranden of op andere wijze onschadelijk maken behoort het daartoe niet overgaan buiten voorkennis van den burgemeester; derhalve maakt de in het eerste lid bedoelde kennisgeving deel uit van de voorschriften door den Koning krachtens de artt. 31 en 34 dezer wet ten aanzien van het daarin vermelde onderwerp gegeven.

19

II. R. 19 Dec. 1892, W. v. h. R. n0. 6288; Weekbl. n0. 2290; vernietigend, in het belang der wet, een vonnis van den Kantonrechter te Meppel van 18 Juni 1892, waarbij niet-voldoening aan art. 3 al. 1 van genoemd Kon. besluit niet strafbaar werd geoordeeld, op grond dat dit voorschrift, nu liet

(1) Thans K. B. v. 10 Juli 1896 {Sthl. n0. 104,».

-ocr page 28-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 33—35.

geen maatregel is, genoemd in de wet tot regeling van het veeartsenij kundig Staatstoezicht, dus niet vastgesteld is krachtens art. 34 dier wet, niet behoort tot die, wier overtreding bij deze wet, welke regelt de veeartsenij kundige politie in haren geheelen omvang, met straf is bedreigd.

2. Aan het bepaalde bij de eerste zinsnede van dit art. is gevolg gegeven laatstelijk bij het Kon. besl. v. 9 Juni 1885 (Stbl. nquot;. 125).

3. De bewoordingen van al. 4 van dit art. brengen mede, dat door het Rijk geen vergoeding wordt verleend voor de door den onteigende geleden schade in zijne weide wegens het daar begraven van eigen vee.

Dec. M. v. B. Z. in 1874, W. v. h. K. uquot;. 1335, waar deze zienswijze wordt bestreden.

4. Zie het vonnis Arr.-R. itotterdam v. 16 Oct. 1879, vermeld op art. 17 Kon. besl. v. 10 Juli 1896 {Stbl. nu. 104).

Art. 33.

Uit de bevoegdheid des burgemeesters om de weiden enz. der eigenaren te betreden, vergezeld van het door hem noodig gekeurde personeel, volgt vanzelf de bevoegdheid om dit met het uoodige personeel te doen.

Hof\'s-Hage 20 Juni 1895, l\'al. v. Just. 1895, nquot;. 56.

Art. 34.

1. Dit art. heelt uitvoering erlangd laatstelijk bij Kon. besl. v. 10 Juli 1896 (Sthl. nü. 104). Zie de aantquot;. daarop.

2. Zie lo. het arrest H. K. v. 19 Dec. 1892, vermeld in de aant. op art. 31; — 2°. over de bevoegdheid der gemeentebesturen ten deze, aant. 5 op art. 15.

Art. 35.

i.. In dit art. is in de meest algemeene woorden verboden: het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, zonder dat daarbij eenige beperking gemaakt

20

-ocr page 29-

VËEZIEKTEN-WET. ART. 35.

wordt tot begraven vee, dat aan besmettelijke veeziekte gestorven of als daarvan verdacht afgemaakt is. Zulk eene beperking kan ook niet geacht worden stilzwijgend uit de algemeene bedoeling der wet voort te vloeien en in het verbod zelf te zijn begrepen, omdat het zeer aannemelijk is, dat de wetgever, teneinde alle mogelijke besmetting tengevolge van het opgraven van begraven vee krachtig te voorkomen, het verbod van alle opgraving in den meest algemeenen zin heeft willen geven, ook ingeval het, veeltijds moeilijk te leveren, bewijs ontbrak dat de opgegraven overblijfselen afkomstig waren van aan veeziekte gestorven of als daarvan verdacht afgemaakt vee.

Het verbod van opgraven van beenderen en andere dierlijke overblijfselen werd ook zonder eenige dergelijke beperking gesteld en toegepast bij het Kon. besluit van den 16 Juli 1839 (Stbl. nquot;. 30), en dit verbod moet geacht worden in denzelfden algemeenen zin te zijn overgegaan in de wet van den 19 April 1867 (Stbl. nquot;. 30), welke wet, blijkens de memorie van toelichting, ook ten doel had om eenige der in de oude wetten en besluiten verspreide bepalingen op te nemen, uit welke laatste wetten het verbod in dit opzicht onveranderd overging in de wet van 20 Juli 1870.

H. R. 25 Nov. 1872, W. v. h. U. iiu. 3541. De meer beperkte opvatting werd voorgestaan in Gem.stem n0. 1224.

3. Hoewel het opgraven van begraven beenderen in het algemeen verboden is, kan met dat verbod onmogelijk bedoeld zijn, dat iemand, die op rechtmatige wijze eene bewerking van den grond verricht en daarbij beenderen aantreft en opruimt, zich aan „opgraven van beenderenquot;\' schuldig maakt. Indien die handeling strafbaar ware, zou daaruit volgen dat zij strafbaar bleef, al had de dader na het verrichten van zijn arbeid de beenderen wederom in den grond gestopt, hetgeen echter eene ongerijmdheid zou zijn; de wetgever kan met het verbod kennelijk alleen zulke handelingen bedoeld hebben, die het opzettelijk opgraven van beenderen op het oog hebben.

Arr. R. \'s-Bosch 2 April 1872, W. v. h. K. nquot;. 3464.

3. Volgens dit art. is slechts strafbaar het bij het bestaan van eene bepaalde besmettelijke veeziekte vervoeren van vee uit eene binnen een afgesloten kring gelegen besmette hoeve.

Ktg. Schiedam 1 Febr. 1894, l\'al. v. Just. 1894, u0. 42.

21

-ocr page 30-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 35.

Dit art. is niet van toepassing op eene proefneming met inenting tegen miltvuur, wanneer die met de noodige voorzorg door de overheid wordt genomen, teneinde de ziekte tegen te gaan. De straf moet geacht worden alleen te gelden, wanneer iemand met boos opzet vee in verdachten toestand brengt, waarvan bij zulk eene proefneming geen sprake kan zijn.

Advies M. v. B. Z. 1882, Gem.stem n0. 1648.

Bij vonnis Air. R. Rotterdam van 16 Nov. 1897 (Pal. v. Just. 1897, no. 97) werd daarentegen beslist, dat art. 35 niet uitsluitend bedoelt zoodanig boos opzet te straffen, maar in bet algemeen een ieder strafbaar te stellen, die, om welke reden of met welke bedoeling ook, zijn vee opzettelijk in omstandigheden brengt, waarin bet naar de wet als verdacht vee moet beschouwd worden.

5. Levend vee, evenals andere roerende voorwerpen, zou aan de verbeurdverklaring van het laatste lid van art. 35 zijn onderworpen, zoo de wetgever niet in de gevallen, dat er geen gevaar voor besmetting bestaat, wegens de bezwaren aan het onderhoud en de bewaring van levende dieren verbonden, vrijgeving had toegestaan ol verkoop bevolen op den voet, bij het eerste en tweede lid van art. 37 bepaald. Uit het onderling verband dier voorschriften volgt dat, wanneer het vee wordt vrijgegeven, de gestorte waarde, en in geval van verkoop, de opbrengst, in de plaats van de voorwerpen zelve treden, en bij veroordeeling, ten behoeve van \'s Rijks schatkist moeien worden verbeurdverklaard.

De juistheid dezer opvatting wordt bevestigd door de omstandigheid dat het ter vrije beschikking van den eigenaar of houder stellen van een in beslag genomen voorwerp, nit den aard der zaak onvereenig-baar is met eene latere verbeurdverklaring en de wet dan ook geen voorschriften van uitvoering van zoodanige toepassing der bedoelde straf inhoudt.

H. R. 11 Mei 1885, quot;W. v. h. R. nquot;, 5169.

lt;5. Naar het stelsel der wet mag de geheel algemeene uitdrukking in het 2de lid van dit art. „roerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehadquot;, niet worden beperkt tot zoodanige voorwerpen welke den veroordeelde toebehooren. Dit artikel behelst derhalve in dit opzicht eene afwijking van art. 33 Strafrecht, gelijk het reeds eene afwijking inhield van art. 11 C. P.

H. R. 24 Juni 1895, W. v. h. R. n». 6704; Gem.stem nquot;. 2303; Weekbl. no 2422.

22

-ocr page 31-

VBEZIEKTBN-WET. ART. 35. 23

S. Bij het tweede lid van dit artikel wordt wel, in geval van veroordeeling, aan den strafrechter do bevoegdheid gegeven en de verplichting opgelegd om de in beslag genomen voorwerpen verbeurd te verklaren, maar deze wet geeft aan dien rechter niet de bevoegdheid om, ingeval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, zich met die voorwerpen in te laten, tenzij het algemeen belang de vernietiging of het onschadelijk maken raadzaam maakt.

Wel zijn in de artt. 36 en 37 in het geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging bepalingen gemaakt ten opzichte van in beslag genomen voorwerpen, maar bij gemis van eene opdracht aan den strafrechter is het administratief gezag althans in de eerste plaats belast met de toepassing dezer bepalingen.

Arr. K. Arnhem 9 Febr. 1897, quot;W. v. li. K. n0. 7017. Zie hetzelfde vonnis op art. 14.

S. Ook al is het vee, waarmede de overtreding gepleegd is, niet bij het constateeren daarvan in beslag genomen, behoort de verbeurdverklaring daarvan uitgesproken te worden.

Ktg-. Dokkum 19 Aug. 1895, \\V. v. h. K. nquot;. 67SU. In tegengestelden zin beslist b[j vonnis Arr. R. Rotterdam van 16 Nov. 1897, Pal. v. Just. 1S97, n0. 97, ook vermeld in aant. 4 supra.

Verg. hierbij aant. 3 op art. 6 der hondsdolheid-wet.

9. Zie aant. 2 op art. 21.

Art. 36.

i. Onder „voorwerpenquot; in dit art. is ook begrepen levend vee, ten aanzien waarvan gevaar voor besmetting bestaat. Gem.stem nquot;s. 2250 en 2251. Het behoeft echter niet geheel en al vernietigd, maar kan na ontsmetting verkocht worden. Weekbl. no. 2373.

3. Bij schuldigverklaring aan overtreding van het verbod om vee te vervoeren dat door eene besmettelijke ziekte is aangetast of daarvan wordt verdacht, behoort de opbrengst van den verkoop der overblijfselen van dat bevorens ten behoeve van den Staat onteigend en voorts afgemaakt vee, aan den Staat. Die opbrengst mag dus niet verbeurdverklaard worden.

Daarentegen moet verbeurdverklaring plaats hebben van het aan den

-ocr page 32-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 37.

gemeente-ontvanger in bewaring gegeven bedrag, waarop dat vee was gewaardeerd.

H. li. 10 Juni 1895, W. v. h. R. nquot;. 6686 ; Gem.stem n0. 2301; Wuekbl. n0. 2412.

Zie ook het arrest van 11 Mei 1885, vermeld op art. 35.

3. De voorschriften tot uitvoering der bepaling van art. 14 der wet van 19 April 1867 (Stbl. nquot;. 30), gegeven bij miss. M. v. B. Z. van 1 Febr. 1868, blijven gelden voor de uitvoering van dit art., dat dezelfde bepaling inhoudt.

Miss. M. v. 15. Z. 23 Deo. 1870, quot;Weekbl. n0. 1125. Daarbij zijn nog\' andere voorschriften te dier zake gegeven.

Art. 37.

1. Dit artikel bevat geen voorschriften ten opzichte van al of niet teruggave van het gewaardeerd bedrag, waarvoor levend vee of voor bederf vatbaar goed is vrijgegeven.

Bij het stilzwijgen der wet op dit punt moeten de in het Ist\'\' en 3e lid bedoelde gewaardeerde bedragen ter zake van vrijgegeven dieren of goederen aan den eigenaar worden teruggegeven, wanneer wel eene veroordeeling maar geene verbeurdverklaring door den rechter is uitgesproken.

Advies Raad v. State 1892, in overeenstemming met de zienswijze van den M. v. B. Z.; Weekbl. nu. 2315. Daarentegen is bij het in aant. 5 op art. 35 vermeld arr. H. R. van 11 Mei 1885 beslist, dat in geval van veroordeeling steeds verbeurdverklaring moet geschieden van do liierbedoelde gedeponeerde waarde.

2. Bij Kon. besl. v. 11 Juli 1874 (Stbl. no. 109) zijn de burgemeesters, of zij die hen als zoodanig vervangen, bevoegd verklaard tot het houden van verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, in dit art. bedoeld.

3. De uitgaven voor accijns van in beslag genomen vleesch, dat krachtens al. 3 van dit art. in het openbaar is verkocht, behooren niet tot de gerechtskosten in strafzaken, en zijn dus niet als zoodanig te vereffenen. (1)

(1) Sedert de wet van 15 April 1896 (Stbl. nu. 70) zou bovendien van eene vereffening\' dier kosten geen sprake meer kunnen zijn.

24

-ocr page 33-

VEEZIEKTEN-WET. ART. 36—44. 25

De burgemeesters behooren in bedoelde gevallen in de koopvoor-waarden de bepaling op te nemen, dat te dier zake verschuldigde accijns door den kooper moet worden betaald.

Miss. Min. v. B. Z. 29 Mei 1879, Weekbl. n0. 1580.

Art. 38.

De burgemeester is niet verjDlicbt tot het doen van rekening van de opbrengst eener verkooping van vee, in strijd met verbodsbepalingen van buitenslands ingevoerd. Hij moet alleen de zuivere opbrengst ter hand stellen aan den gem.-ontvanger, bij wien zij moet blijven tot na den afloop der rechtsvordering.

Miss. M. v. B. Z. 1879, Gem.stem n0. 1077.

Art. 44.

Bij het in werking treden dezer wet zijn vervallen de bestaande provinciale en gemeente-verordeningen betreffende de daarbij geregelde onderwerpen, met uitzondering van die, welke betrekking hebben op de onderwerpen in art. 15 genoemd, voor zoover die verordeningen niet in strijd zijn met de daaromtrent bestaande wettelijke voorschriften.

Miss. M. v. B. Z. 1-i Deo. 1870, Gem.stem nquot;. 1008; Weekbl. no. 1124.

Hoezeer art. 44 de hier bedoelde verordeningen niet vervallen verklaart, volgt toch de juistheid van deze aanschrijving uit art. 142 prov. wet en art. 151 gein.wet, krachtens welke de bepalingen van prov. en plaats, verordeningen, in wier onderwerp door eene wet of een algemeenen maatregel van bestuur wordt voorzien, van rechtswege ophouden te gelden. Zie verder aant. 5 op art. 15.

Zie over de wet en de ter uitvoering genomen besluiten in het algemeen — de artikelen over „vee-politiequot; in Gem.stem nos. 1005—1008.

LéopT: Rechtspraak, 3e Druk, Deel I afl. 9. {Mr. N. Crameh: De Veeziekten-wet.)

2*

-ocr page 34-

wet 1878 (stel. n0. 115). art. 2.

TI. WET VAN 8 AUGUSTUS 1878 {Stbl. nquot;. 115), houdende vaststelling van bijzondere bepalingen tot beteugeling dei-

longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands. (Gewijzigd bij wet van 15 April 1886, Stbl. nquot;. 64.)

Art. 2.

Niet een ieder, die weigert of feitelijk verhindert den districts-veearts of zijn plaatsvervanger en de door den Minister van Binn. Zaken daartoe aangewezen opzichters in stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen tusschen zons op- en ondergang, in bepaalde gedeelten van het Rijk door den voormelden Minister aan te wijzen, is strafbaar naar deze wet, maar alleen de eigenaars en houders van dat vee. De hoeders zijn in die wet niet begrepen.

De vrouw die, op grond van afwezigheid van haren man (eigenaar van het vee) den toegang tot meergemelde veestallen weigert, is niet strafbaar, te meer niet, wanneer in de dagvaarding ontbreekt de omstandigheid dat zij die weigering heeft gedaan hetzij als mede-eigenares, hetzij als houdster van het vee. Al moge zij wellicht als hoedster van dat vee zijn aan te merken, brengt haar dit niet onder het bereik dezer wet.

Dit klemt te meer bij eene vergelijking van deze wet met andere, den veestapel in ons land betreffende wetten of besluiten, waar niet alleen van de eigenaars en houders van vee. maar ook van de hoeders daarvan gewag wordt gemaakt, zooals o. a. blijkt uit de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. n0. 131) en het Kon. besl. van 17 Ang. 1878 {Stbl. n0. 128).

Arr.-R. Rotterdam 21 Jan. 1879, W. v. li. R. nn. 4337.

26

-ocr page 35-

KON. BESL. 1870 (STBL. Nquot;. 194). ART. 3.

III. KONINKLIJK BESLUIT VAN 8 DECEMBER 1870

{Stbl nquot;. 194),

houdende verbod van in- en doorvoer van buitenslands van rundvee, schapen enz.

(Aangevuld bij dat van 30 April 1871, Stbl. nquot;. 37)

Ari. 3.

Zoowel de adressen, waarbij dispensatie wordt verzocht van de verbodsbepalingen van dit besluit, als de op die adressen genomen beschikkingen, zijn ingevolge art. 27 litt. A nquot;. 44 der zegelwet van zegelrecht vrijgesteld, omdat de bedoelde stukken worden opgemaakt tengevolge van verordeningen der Regeering tot afwending van besmettelijke veeziekten en tot wering barer uitbreiding en gevolgen. Al wat ten doel heeft het tegengaan van veeziekten, strekt tot bevordering der veeteelt, zoodat de meerbedoelde adressen en beschikkingen ontegenzeggelijk behooren tot de bij het aangehaald wetsnommer van zegelrecht vrijgestelde „akten en schrifturen, welke, tengevolge van verordeningen der Regeering worden opgemaakt en uitsluitend betrekkelijk zijn tot bevordering van de veeteelt.quot;

Miss. Min. v. Pin. 5 Maart 1873, Weekbl. nquot;. 1240.

27

-ocr page 36-

KON. BESL. 1896 (STBL. N0. 104). AET. 3—17.

IV. KONINKLIJK BESLUIT VAN 10 JULI 1896 {Stbl. n0. 104),

bepalende welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden

gehouden en welke der in de wet van 20 Juli 1870 {Stbl. nquot;. 131) genoemde maatregelen bij hetheerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeteii toegepast worden.

Art. 3.

4. Onteigening van vee aan eene besmettelijke ziekte gestorven, kan niet plaats hebben.

Circ. C. d. K. Z.-Holl. 19 Jan. 1871, Weekbl. nquot;. 1128. Zie dez. circ. op art. 23 der veeziekten-wet.

2. Zie over de vraag of het Ist0 lid van dit art. steunt op de wet, het arr. H. R. v. 19 Deo. 1892, vermeld op art. 31 der wet.

Art. 17.

Dit besluit (1), uitvoering gevende aan art. 31 der wet van 20 Juli 1870 {Slhl. n0. 131), beveelt wel dat de borst- en buiksingewanden van geslacht longziek vee moeten worden hegraven of verbrnnd, maar omtrent de plaats van begraven of verbranden zijn geen nadere voorschriften bij Kon. besluit gegeven; alleen de wet regelt in hetzelfde art. 31 de verplichting des burgemeesters om daarvoor een terrein aan te wijzen. Mitsdien kan het niet begraven of niet verbranden eerst dan strafbaar worden geacht, wanneer door de bevoegde macht overeenkomstig gezegd art. 31 eene plaats is verordend of aangewezen.

Arr.-R. Rotterdam 16 Oct. 1879, W. v. h. R. n0, 4431; Gem.stem nu. 1470.

(1) Hier was bedoeld het Kon. besl. v. 30 Oct. 1872 nquot;. 105), dat vroeger

in het onderworp voorzag.

28

-ocr page 37-

KON. BESL. 1896 (STBIj. Nn. 104). ART. 30—4U.

Art. 30.

Blijkens art. 7 van het Kon. besl. van 3 Oct. 1873 (Sthl. n0. 135) (1) is alleen in een bepaald aangewezen geval aan de opzichters opgedragen, op hun ambtseed proces-verbaal van de bevonden overtredingen op te maken. Dit geval betreft het ontdekken van ongewettigde verandering in de getalsterkte van het rundvee. In de andere artikelen van dit besluit zijn wel voorschriften gegeven, door opzichters in hunne ambtsbetrekking op te volgen, doch daaromtrent is van geen opmaken van proces-verbaal, maar enkel van het doen van kennisgeving of aangifte sprake. Bijgevolg kan het proces-verbaal van zoodanigen ambtenaar, constateerende eene hem gedane mondelinge bedreiging van manslag, niet als schriftelijk bescheid en dus niet als bewijs gelden.

H. K. 4 Jan. 1875, W. v. h. R. no. 3825; Gem.stem n0. 1230.

Art. 40.

De Min. van Binn. Zaken is bevoegd alleen den uitvoer van herkauwende dieren uit den aangewezen kring te verbieden en het vervoer binnen dien kring vrij te laten.

29

Ktg. Emmen 6 Jan. 1897, W. v. h. K. n0. 6059.

(1) Bedoeld besluit is ingetrokken bij art. 91 K. B. v. 27 Maart 1888 n0. 67); art. 7 is thans vervangen door liet art. boven deze aant. geplaatst.

-ocr page 38-

V. DE HONDSDOLHEID-WET.

Wet van 5 Juni 1875 {Stbl. n0 110) tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid. (Gewijzigd bij wetten van 15 April 1886, StM. nquot;. 64 en 15 April 1891, Stbl. nquot;. 80)

Artikel 1.

De kowten van uitvoering dezer wet zijn een gemeentelast.

Wanneer ter uitvoering eener wet, door het gemeentebestuur moet worden medegewerkt en dit niet dan met kosten gepaard kan gaan, behooren die kosten ten laste der gemeente te komen. Wanneer toch de wet aan de gemeentebesturen eene verplichting oplegt, kunnen deze zich daaraan niet onttrekken. Deden zij het al, de artt. 126 en 127 gem.wet geven het middel aan de hand om daarin te voorzien. Kan aan die verplichting niet dan door het maken van kosten worden voldaan en schrijft de wet niet voor dat die kosten ten laste van den Staat of van eene andere openbare kas zullen komen, dan moet de wet geacht worden die kosten aan de gemeente, wier besturen met de uitvoering zijn belast, te hebben opgelegd en behooren ze alzoo, krachtens art. 205 gem.wet op de gemeentebegrooting te worden uitgetrokken.

Deze regel is in casu vooral toepasselijk, omdat bij deze wet sommige kosten uitdrukkelijk ten laste van den Staat zijn gebracht waaruit volgt dat de wetgever de overige niet ten laste van den Staat en dus ten laste der gemeente heeft willen brengen. De beschouwing, alsof de burgemeester en de commissaris van politie hier als rijksambte-

-ocr page 39-

HONDSDOLHEID-WET. ART. 2—3.

naren optreden, is niet juist. Beide autoriteiten, al worden zij door den Koning benoemd en ontslagen, zijn geen rijksambtenaren.

Miss. M. v. B. Z. 11 Juli 1876, Gem.stem nquot;. 1332, waar deze leer door een inzender en door de Redactie wordt bestreden.

Art. 2.

Zie over de vraag, wie beliooren tot de geëxamineerde veeartsen, aant. 1 op art. 2 en aant. 7 op art. 14 der veeziekten-wet.

Art. 3.

1. Er moet vrijspraak volgen wanneer wel door bewijsmiddelen is bewezen dat een beklaagde den hond heeft losgemaakt van den ketting, waaraan deze door een agent van politie werd vastgehouden doch niet gebleken is, dat de overbrenging van dien hond geschiedde ter afmaking krachtens deze wet, dus ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 184 W. v. S.).

Arr. R. \'s-Gravenhage 17 Febr. 1887, W. v. h. R. n0. 5467.

2. Er behoeft geen ontwijfelbaar zeker geval van hondsdolheid te zijn geconstateerd om het bevel van dit art. te mogen uitvaardigen, ilen moet den aanhef der 2de alinea in verband lezen met de 1ste alinea, waar sprake is van twijfel, door een veearts uitgedrukt, of een hond of kat dol, of door een dol dier gebeten is. Ook bij zoodanigen twijfel moet, naar hetgeen bij de behandeling van dit art. in de Tweede Kamer is voorgevallen, het bij de 2de al. bedoeld bevel worden uitgevaardigd. Gom.stem n0. 1496.

Zie verder over 40 vraag of het bevel tot muilkorving der honden onverwijld moet worden gegeven zoodra een geval van hondsdolheid door den veearts is geconstateerd, dan wol of do burgemeester het geval vooraf nog nader mag doen onderzoeken, Weekbl. nquot;. 2110.

3. Zoowel naar het spraakgebruik als naar de geschiedenis der vaststelling van dit art. is onder „afgesloten erfquot; niet te verstaan oen erf dat aan drie zijden open en alleen van den openbaren weg afgescheiden is, maar een erf, dat door muren, heiningen, rasterwerk, heggen, grachten of slooten en dergelijke afsluitingen omgeven is, evenwel zonder dat die omgeving het hebben van een open toegang tot het erf op de daarop geplaatste woning uitsluit. Gom.stem no. 1256. Zie ook no. 1911 en aant. 5 op art. 7.

31

-ocr page 40-

HONDSDOLHEID-WET ART. 3.

-E. De letter van al. 3 van dit art. laat niet toe, dat de burgemeester, die van zijn ambtgenoot in eene aangrenzende gemeente kennis krijgt van het bevel bij de tweede al. van dit art. bedoeld, gelijk bevel slechts voor een gedeelte zijner gemeente uitvaardige. Het bevel van den burgemeester moet voor het grondgebied der gansche gemeente gelden.

Miss. M. v. B. Z. in 1875, Gem.stem n0. 1262.

Ook de Comm. des Kon. in Gelderland was, blijkens besluit van 2 Juli 1879 (Weekbl. n0. 1570) van oordeel, dat de wet de uitvaardiging van een bevelschrift, als hier bedoeld, slechts voor een gedeelte der gemeente, niet kent.

S. Voor de verbindbaarheid van een door den Comm. des Kon. ingevolge de laatste (1) al. van dit art. uitgevaardigd bevelschrift is het niet noodig dat dit in het Provinciaal blad zij openbaar gemaakt; het is voldoende dat het door den secretaris der gemeente, waarin het bevelschrift is overtreden, is afgekondigd en aangeplakt ten raadhuize ter plaatse waar zulks te doen gebruikelijk is.

Het bevelschrift behoeft niet in te houden eene omschrijving van het model van den muilkorf, zooals dit door den Min. v. Binn. Zaken is vastgesteld, en ook geen verwijzing naar dat model.

H. R. 15 Nov. 1886, W. v. h. R. n0. 5:i64; Gem.stem n». 1842; quot;Weekbl. nquot;. 19G2.

ft. Daar de wet ten aanzien van honden die gebruikt worden voor het jachtbedrijf geen uitzondering toelaat, moeten in die gemeenten of gedeelten van gemeenten, waarvoor het bevelschrift is uitgevaardigd, en gedurende den tijd waarvoor het geldt, ook de honden, terwijl zij op de jacht gebruikt worden, evenzeer van een muilkorf voorzien zijn.

Miss. C. d. K. in N.-Holl. 1889. Gem.stem no. 1993 ; Weekbl. no. 2113.

8. Het bevelschrift mag niet binnen 4 maanden ingetrokken worden. Gem.stem no. 2126.

32

9. Het artikel is met het oog op grensgemeenten gewijzigd bij de wet van 15 April 1891 (Stbl. n®. 80).

Arf. 4.

Zie over de beteekenis van het woord erf in dit art., aant. 6 op art. 7.

(1) Thans de voorlaatste.

-ocr page 41-

HONDSDOLHEID-WET. AUT. (i. 33

Art. 6.

I. Het is niet iioodig in eeue dagvaarding, houdende telastelegging van de overtreding, strafbaar gesteld bij al. 1 van dit art., het bestaan van het bevelschrift, bedoeld bij art. 3, te vermelden.

Hij, die met een hond zonder muilband eene gemeente waar hij niet woont binnenkomt, wordt verondersteld al de aldaar geldende strafbepalingen der wet en wettige verordeningen te hebben gekend, waaruit volgt dat hij door de kennisgeving van al de feitelijke be-standdeelen der overtreding, waarvoor hij vervolgd wordt, in de aan hem beteekende dagvaarding moet gerekend worden volkomen te weten, waarvoor hij gedagvaard wordt en zich te verdedigen heeft, zoodat de vermelding van het bevelschrift in de dagvaarding geen noodzakelijk vereischte is.

H. R. 28 Oct. 1889, W. v. h. R. n». 5792.

\'i. Daar de wet niet bepaalt, waar de in beslag genomen honden bewaard moeten worden, blijft de keuze der plaats, waar dit geschieden zal, aan den burgemeester overgelaten.

Omtrent het onderhoud der in beslag genomen honden gelden de artt. 28 en 29 der wet van 18 April 1874 (Slbl. nquot;. H6).

Waarmerking der honden, ten einde bij de behandeling der zaken op de terechtzittingen van hunne identiteit blijke, is niet noodzakelijk. Het aanwezen van een stuk van overtuiging is geen essentieel vereischte van een strafgeding.

Miss. M. v. B. Z. Ü Sopt. TöTö, Oeiu.stem nquot;. 1254. Zie ook aant. H intra.

3. De verbeurdverklaring is niet afhankelijk van voorafgaande inbeslagneming; zij moot in ieder geval worden uitgesproken. Deze zienswijze, in Gem.stem nquot;. 1258 ontwikkeld, wordt in n0. 1269 verdedigd tegen de leer van den Hoogen Raad ^zie arr. v. 4 Dec. 1867, in W. v. h. li. n0. 2970), dat verbeurdverklaring slechts uitgesproken of onschadelijkniaking of vernietiging alleen bevolen kan worden ten aanzien van voorwerpen, die, althans vóór de berechting der zaak, in beslag genomen zijn, vermits geen verbeurdverklaring, veelmin vernietiging door den rechter kan worden uitgesproken dan van voorwerpen, die gebleken zijn het onderwerp der overtreding te hebben uitgemaakt en die, cam quo, vernietigd of onschadelijk gemaakt kunnen worden.

Dit beginsel is ook ten aanzien van overtredingen ter zake van plaatselijke belastingen gehuldigd bij arr. H. R. v. 30 Jan. 1861, \\V. v. h. R. n0. 2248; Weekbl. nquot;. 614). Zie ook aant. 8 op art. 35 veeziekten-wet.

-ocr page 42-

HONDSDOLHEID-WKT. ART. 6.

4-. De verbeurdverklaarde honden moeten, zoodra tot de uitvoering van het gewijsde kan worden overgegaan, aan den ontvanger der registratie worden overgegeven, ten einde dadelijk te worden verkocht. De honden welke bij die verkooping geen koopers vinden, moeten worden afgemaakt.

Miss. Min. v. Just. 1 Febr. 1878, Gem.stem nquot;. 1412.

5. Met de woorden .,hoofd dei\' politiequot; in deze wet kan niet anders liedoeld zijn dan het hoofd der Rijkspolitie. Dit nu is, waar het, zooals hier, de handhaving eener wet van Rijkspolitie geldt, blijkens cire. van den Min. van Just. v. 28 Febr. 1852, no. 111 (uitgevaardigd in overeenstemming met de daarin vermelde missive van den Min. van Binn. Zaken) in gemeenten, diu een commissaris van politie hebben, deze; in gemeenten, die meer dan één c. v. p. hebben, hij die met hel centraal-bureau is belast, en alleen daar waar geen c. v. p. wordt gevonden, de burgemeester. Gem.stem n0. 1990. In gelijken zin luidt eene miss. M. v. B. Z. v. 8 Jan. 1890, ook vermeld in aant. 7 infra.

©. Met inachtneming van art. 29 der wet van 18 April 1874 (Slbl. nquot;. 66), hetwelk een algemeen werkend voorschrift behelst, mag een in beslag genomen hond op machtiging van den kantonrechter in afwachting van het eindvonnis, aan den verdachte worden verkocht.

Wanneer men het recht tot strafvordering door betaling van het maximum der boete wil laten vervallen en het hoofd der politie beslist dat de in beslag genomen hond kan worden teruggegeven, behoort de verdachte ingevolge art. 74 al. 2 van het Wetboek van Strafrecht, nevens het maximum der boete, ook nog de werkelijke waarde van den hond te voldoen.

Bij bekendheid van eigenaar, houder of hoeder is alleen dan afmaking geoorloofd, wanneer het maximum der boete wordt betaald (al. 6 oud, al. 5 nieuw) en het hoofd der politie beslist, dat de hond niet kan worden teruggegeven, maar moet worden afgemaakt, en ook zonder die betaling, zoo de hond niet in beslag kan genomen worden of die inbeslagneming blijkbaar gevaar ojrievert (al. 2). In andere gevallen is afmaking een vooruitloopen op \'s rechters beslissing (alinea\'s o en 4). Zelfs kan daardoor strijd ontstaan met het vonnis, indien dit namelijk niet strekt tot veroordeeling, in welk geval ook niet wordt verbeurdverklaard (al. 8). Wel zegt dat derde lid dat verbeurdver-

34

-ocr page 43-

hondsdolheid-wet. art. v.

klaring wordt uitgesproken bij het veroordeelend vonnis indien de hond nog in wezen is, zoodat verbeurdverklaring niet is voorgeschreven ten aanzien van reeds afgemaakte honden, doch het spreekt vanzelf, dat die verbeurdverklaring niet onmogelijk mag worden gemaakt door onwettige afmaking.

Circ, Min. v. Just. 22 Oct. 1889, quot;W. v. h. li. u0. 5776 ; Gem.stem. n0. 1988; Weekbl. n0. 2108.

9. Wat betreft cle vraag, of ongemnilkorfcle honden, waarvan de eigenaar onbekend is, onmiddellijk afgemaakt, dan wel eenigen tijd bewaard moeten worden, moet niet uit het oog verloren worden, dat de billijkheid medebrengt, dat den eigenaars van in beslag genomen honden de gelegenheid gegund wordt, zich bekend te maken. Een termijn van drie dagen is daarvoor voldoende.

Miss. M. v. 13. Z. 8 Jan. 1890, Gem.stem nquot;. 2002; quot;Weekbl. n0. 2122. Zie dez. miss. in aant. 4, alsmede eene beschouwing van Mr. LulOFS TImbgrove in W. v. h. R. nquot;. 5718.

8. In liet geval van het laatste lid van dit art. moeten, wanneer een opgevangen hond dol is of daarvan verdacht wordt, zijne overblijfselen verbrand of begraven woi\'den. De wet zegt dit wel niet met zoovele woorden, maar het is blijkbaar hare bedoeling. Er bestaat toch geenc reden, waarom die voorzorgsmaatregel in het eene geval wel, in het andere niet zou toegepast moeten worden, te minder omdat niemands belangen daarbij gekrenkt worden, Gem.stem nu. 1251.

Art. 7.

I. Het eerste lid van het oorspronkelijk art. is vervangen door art. 254 W. v. S.

De tweede alinea — thans het eenige lid — achtte de Regeering noodig, omdat de Hooge Raad bij arr. van 4 Mei 1874 (W. v. h. R. n0. 3727) had beslist, dat wie eens anders hond op zijn eigen erf opzettelijk doodt, strafbaar is volgens art. 479, n0. 1 Code Pénal.

Een amendement om deze bepaling te doen vervallen werd daarop verworpen en het art. in zijn geheel aangenomen (Bijblad Tweede Kamer 1875 —1876, p. 1394—1396).

Het art. geldt niet enkel bij het voorkomen van hondsdolheid, maar voortdurend. Gem.stem n11^. 1247, 1248, 175!) en 1760.

De bepaling eener plaatselijke politie-verordening, houdende verbod om dieren in het openbaar op eenige wijze te mishandelen, moet,

35

-ocr page 44-

HÜNDSDOLHKÏD-WET. ART. 7.

met het oog op art. 151 gem.wet, voor zooveel betreft de mishandeling van honden en katten, geacht worden door dit art. buiten werking te zijn gesteld.

H. R. 3 Febr. 1872, quot;W. v. h. II. nu. 4352; Woekbl. nquot;. 1557. Sedert het in werking treden van het Wetboek van Strafrecht moet hetzelfde aangenomen worden ook ten aanzien van andere dieren.

If. De bepaling in eene verordening omtrent de honden, waarbij de bevoegdheid om die dieren af te maken zonder de waarborgen, in dit art. vervat, wordt gegeven, is onwettig.

Dec. God. Staten Zeeland 1877, Grem.steui nquot;. 142ti. Hetzelfde college oordeelde ook — bij eene dec. van 1878 ^Gem.stem n0. 1569) — dat de bepaling in eene poli tie-verordening, dat honden, die des nachts zonder geleide op den openbaren weg worden aangetrollen, moeten worden afgemaakt, te ver gaat. Wel mag de Raad bepalingen vaststellen tegen het lichtvaardig afmaken van honden, in den geest van dit art. Zie echter de miss. 51. v. B. Z. van 1887, vermeld op art. 11.

-t. Dit artikel veroorlooft het dooden van honden op een vreemd erf aan de bewoners of bruikers, ook wanneer die honden niet als zwervende zouden kunnen worden aangemerkt; het is voldoende wanneer zij op het oogenblik van het dooden buiten het toezicht van hunne meesters zijn.

H. R. 27 Oct. 1890, W. v. h. R. nquot;. 5957, Gem.stem nquot;. 2054. Zie eene bestrijding van dit arr. door Mr. P. Polvliet in W. v. h. R. n0. 5986.

])e opvatting van het woord erf in dit art. in de ruime beteekenis van onroerend goed, terrein, en niet in de beperkte beteekenis van aan-hoorigheid eener woning, stemt niet overeen met den zin, door den wetgever aan datzelfde woord gehecht in art. 4, uit welke bepaling volgt, dat daar het woord gebezigd is in den beperkten, ook in de volkstaal gebruikelijken zin van aanhoorigheid eener woning, hetgeen wordt bevestigd door de geschiedenis der wet, waaruit blijkt dat het woord erf ook in art. 7 in deze beteekenis is gebruikt.

H. R. 25 Juni 1888, \\V. v. h. R. n0. 5590; Gem.stem n». 1928. In gelijken zin bij vonnis Arr.-R. Amsterdam v. 12 Oct. 1886; Pal. v. Just. 1887, Bijbl. nquot;. 4.

Dienovereenkomstig werd ook bij arr. H. R. v. 25 Oct. 1880 (W. v. h. R. nquot;. 4569) beslist, dat op dit art. gee\'n beroep kon gedaan worden doordengene.

-ocr page 45-

HONDSDOLHEID-WET. ART. 11.

die een vreemden hond gedood heeft in een bosch van zijn vader, toen dus die hond niet was op een vreemd erf.

Overigens is het, voor de toepasselijkheid van dit art., geen vereischte, dat het erf afgesloten zij, maar geldt dit ook wanneer het erf openstaat of zelfs geen hek aanwezig is, mits het maar zij de aanhoorigheid van eene woning. (H. K. 7 Juni 1892, W. v. h. R. nquot;. 6195; Gem.stem nquot;. 2129; Weekbl. nquot;. 2249.^ In gelijken zin Gem.stem nos. 1759 en 1760.

Een ander criterium schijnt ten grondslag te liggen aan een vonnis Arr.-R. Haarlem v. 27 Maart 1890 (IV. li. Cour. 28 Maart 1890), beslissende dat de jachtvelden, die niet behoorlijk zijn afgesloten, niet onder de bepalingen en dus ook niet onder de bescherming dezer wet vallen, zoodat het doodschieten daarop van eens andermans hond moet worden gequalificeerd als eene wederrechtelijke daad.

Art. 11.

1. Bij politieverordening mag worden bepaald dat de honden, die op zekere tijden in strijd met het verbod, zonder muilkorf op openbare wegen of straten worden aangetroffen, dadelijk door de politie zullen worden afgemaakt.

Na de invoering dezer wet heeft het arrest van den Hoogen Raad van 8 Dec. 1873 sleehts eene betrekkelijke waarde, daar dit art. uitdrukkelijk aan den gemeenteraad de bevoegdheid toekent om zulke bepalingen te maken als strekken tot aanvulling van deze wet naar plaatselijke omstandigheden.

Miss. M. v. B. Z. 1887, Gem.stem no. 1854; Weekbl. n,,. 1973. Bij het aangehaald arr. (W. v. h. R. 3672: Gem.stem n0. 1165; Weekbl. n0. 1286) was beslist dat bij politieverordening aan de eigenaars, bewaarders of andere houders van honden, welker dooding door Burg. eu Wotha. In het belang dei-openbare veiligheid noodig wordt geacht, de verplichting niet mag worden opgelegd om die dieren dadelijk te dooden of te doen dooden.

Zie ook aant. 3 op art. 7.

2. Zie over de strekking van dit art. — Gem.stem nquot;. 1238.

-ocr page 46-
-ocr page 47-
-ocr page 48-
-ocr page 49-