-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 834 5

-ocr page 5-

^ {■£. /fsy

H. BONING, Djokjakarta.

ian9.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOOKWOOKD.

Twee verschillende manieren kunnen worden gevolgd, bij de dressuur van Eijpaarden.

De meest in gebruik zijnde, maar tevens de minst ratio-neele, is de dressuur op „gewoontequot; eigenlijk op „teekensquot;.

Daarbij wordt voornamelijk van het buitengewoon goed geheugen van het paard partij getrokken.

Bij de tweede manier wordt het paard beschouwd als eene machine, welke slechts behoorlijk moet worden afgewerkt, om er den gang van te kunnen regelen.

Een zuivere afscheiding tusschen beide manieren is evenwel niet te maken, alleen kan er sprake zijn van overheer-sching van een van beide; want, volgt men de eerste manier, dan loopt onbewust, soms, of liever meestal, de andere er gedeeltelijk onder door, en wordt de tweede manier toegepast, dan maakt raen tevens gebruik van het goed geheugen van het paard.

Haar, dat het dresseeren op gewoonte alleen, uit den aard der zaak, gebrekkig moet zijn, is gemakkelijk aan te toonen.

Hoe consequent en gelijkmatig men ook zij, in het aanbrengen der teekens, en in de wijze van rijden, zoodat men mag aannemen dat het paard zich niet kan vergissen in de bedoelingen des ruiters, toch kan men zich het geval denken, dat het dier, afgeleid door schrik of andere omstandigheden, op een gegeven oogenblik de aanwijzingen van den ruiter niet opmerkt, en hem in den steek laat, om zijn eigen wil te volgen, terwijl het duidelijk is, dat, wanneer zulk een

-ocr page 8-

_ 4 —

paard door eon ander ruiter bereden wordt, die de teekens en manualen van den africhter niet geheel kent, of eenigzins anders toepast, het dier in de war moet raken, en dan ook gewoonlijk als niet— of slecht gedresseerd wordt aangemerkt.

Hoe dikwijls hoort men dan niet spreken van „doorgaanquot; „onJiajidelbaarheidquot; „koppigheidquot;\' en wat al niet meer, terwijl diezelfde paarden, volgens de tweede manier afgericht, geen van die gebreken kunnen hebben.

Dan is de ruiter bij het paard, wat de machinedrijver is bij de machine, die het volkomen in zijn macht heeft om ze hard of langzaam te laten loopen, ze te laten stilstaan of in beweging te zetten.

Het is deze methode, welke reeds gevolgd werd door Bau-cher, die omstreeks het midden dezer eeuw daarmede een groot succes had, bij de africhting zijner paarden in het Cirque Olijmpique te Parijs.

Vreemd is het zeker, dat sedert, zoo betrekkelijk weinig ruiters zijne methode Lebben gevolgd, en deze min of meer in liet vergeetboek is geraakt.

Dit is o. i. alleen verklaarbaar door aanvankelijk minder gunstige resultaten, door dat zijne voorschriften waarscliijn-lijk verkeerd werden opgevolgd, of onhandig in praktijk gebracht. Leest men zijn werken, en beeft men eenig begrip van den bouw en de zamenstelling van het paard, dan zal men onmiddelijk toegeven, dat zijn methode de ware moet zijn. Om deze echter goed in praktijk te kunnen brengen, daarvoor is nieuwe studie en praktische oefening noodig, omdat zij in zoo vele opzichten voor de gewone dresseer methode afwijkt, en slechts weinigen schijnen daartoe den moed gehad te hebben.

Aan den Belgischen Kapitein van het 2e regiment Lanciers

-ocr page 9-

den Heer van den Hove-de Heusch komt de eer toe, Baü-cher\'s stellingen op nieuw onder de aandacht van liet rijdend publiek te hebben gebracht. Hij heeft in een zeer uitgewerkte studie, de dressuur volgens Baccher, aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, en daaraan verbonden een nieuwe methode, waarbij de dressuur voor een goed gedeelte plaats heeft, zonder dat het paard den last van den ruiter te dragen heeft (aan de hand) en waarbij de beenhulpen worden vervangen door de kanvats.

Even als de mensch, zoekt het paard, stilstaande of in gang, instinktmatig zijn evenwicht, en zoolang dit evenwicht niet op buitengewone wijze verstoord wordt, wordt daarbij geen moeilijkheid ondervonden

Een acrobaat echter, die zijn evenwicht, tijdens hij zijne toeren verricht, ieder oogenblik, en in zeer buitengewone mate, verbroken ziet, kan dit niet vlug en zeker herstellen, dan door langdurige oefening, hetgeen „gijmnastiekquot; genoemd wordt.

Een paard, in vrijheid gedresseerd, en allerlei buitengewone houdingen en gangen aannemende, is niet anders dan een acrobaat, die, door gijmnastische oefeningen daartoe in staat gesteld, in alle omstandigheden zijn evenwicht weet te be-Avaren. Het, naar de methode van Baucher, gedresseerde rijpaard nu, is een acrobaat, zonder eigen teil, aan wien, naar goedvinden en door hulp van den ruiter, de verschillende evenwichts toestanden worden gegeven, zonder dat het zich daartegen verzetten kan.

Het spreekt echter van zelf dat de ruiter, om daarbij tot goede resultaten te komen, zich rekenschap moet weten te geven van zijne handelingen van de uitwerking tier door hem aan te brengen hulpen, en dit laatste komt toch zoo zelden voor!

-ocr page 10-

Werkelijk goede ruiters, in den gewonen zin van het woord, weten veelal niet wat zij eigenlijk doen, en geven zich geen voldoende rekenschap van de aangebrachte hulpen.

Hoe wil dan zulk een ruiter kunnen beoordeel en, of het aan hem, dan wel aan zijn paard ligt, wanneer dit niet doet, of niet goed uitvoert, wat hij verlangt.

Zoo iemand zal spoedig geneigd zijn de schuld aan het paard te geven, en met sporen en karwats te keer gaan, zoo als men maar al te dikwijls bij liet africhten van paarden zien kan.

Dit kan een bewijs leveren van \'s mans behendigheid om in den zadel te blijven, maar van dressuur geeft hij blijken geen begrip te hebben.

Een goed africhter volgens Baucher\'s methode, is per se rechtvaardig tegenover zijn paard. Het behoeft geen betoog, welk voordeel hem die eigenschap geeft. Voor hem bestaan dan ook geen ontembare paarden, het „hard in den mondquot; kent hij niet; al dergelijke gebreken worden stelselmatig geneutraliseerd, door den toestand van evenwicht.

De theorie waarop het sijsteem van Baucher is gebaseerd, is de theorie van den hefboom.

Het paard wordt voorgesteld, als te bestaan uit een stelsel van hefboomen, de spieren zijn de krachten die er op werken, de beenen zijn de stewipunten, en het is de ruiter, die door zijne hulpen de krachten in werking brengt, en de lengte der hefbooms armen, in verband daarmede, wijzigt, om het geheel in evenwicht te brengen.

Die theorie nader te ontwikkelen, zou ons te vervoeren; degenen die daarvan een nadere studie willen maken, verwijzen wij o. a. naar het boekje getiteld:

„(iruiulsatzc «Ier HeilUunslquot;

Bexiin 1879.

Ernst Siegfried Mittier und Solui.

-ocr page 11-

De naam van den schrijver wordt er niet in genoemd.

Eén eenvoudig geval willen wij echter kort aanhalen, uni eenig begrip van de hefboom theorie te geven.

Men kan zich het paard voorstellen als bestaande uit twee gebogen hefboomen.

De eerste hefbooms arm van den eersten hefboom, is de hals (met het hoofd), de tweede arm, de rug. Het steunpunt van dezen hefboom zijn de voorheenen.

De eerste hefbooms arm van den tweeden hefboom, zijn de lendenen, de tweede arm, het kruis (met de staart).

Het steunpunt van dezen tweeden hefboom zijn de achter-beenen.

De twee hefboomen staan in verbinding, daar, waar de rug in de lendenen overgaat, en het geheel vormt een lichaam, waarvan het zwaarte punt tusschen de vóór — en achter-beenen valt.

Dit lichaam bestaat echter niet uit één stuk, maar uit verschillende deelen ■— wervelen — wier verbinding een meerdere of mindere mate van bewegelijkheid toelaat, welke dooiden ruiter kan worden geregeld, om de hefbooms armen langer of korter te maken.

Wordt b. v. het paard opgericht, dat is: de eerste hefbooms arm van den eersten hefboom ingekort, zoo moet de tweede hefbooms arm (de rug) en de daarmede verbonden eerste hefboomsarm van den tweeden hefboom (de lendenen) dalen, waardoor het paard in den rug zou doorzakken, knikken.

Dit dalen van die hefboomsarmen, kan echter voorkomen worden, door er een steunpunt onder te brengen, dan wel het steunpunt van den 2e hefboom naar voren te verplaatsen, en dit laatste geschiedt ook feitelijk, wanneer het paard de achterhand „onderquot; brengt, die daardoor de drukking welke

-ocr page 12-

op de middelste twee hefboomsameu werkte, overneemt, eu al/oo liet eveuwiclit herstelt.

Hieruit laat zicli ook gereedelijk verklaren, wat er ge-Leurt als men een paard tot staan brengt.

In de rijschool leert men: „ieenen aanleggen, en dadelijk daarop de teugels aanhouden]\' maar liet „loaaromquot; wordt met gemeld. Welnu, door de hefboom theorie is dit eeuvoudig te verklaren.

Door het aanleggen der beeneu, wordt een voortdrijvende kracht opgewekt, en daar iedere beweging van het paard hoofdzakelijk van de achlerhand uitgaat, brengt het deze „onderquot; om zich te kunnen a/stoolen.

Wanneer nu op dit zelfde oogenblik de eerste hetbooms-arin van den eersten hefboom (hals en hoofd) ingekort wordt tot zulk een lengte, dat het zwaarte punt van het geheele lichaam juist boven het nieuwe steunpunt (de ondergebraclite achterhand) valt, dan is het paard verplicht dat steunpunt te behuuden om het evenwicht niet te verliezen, en in plaats van zich ai te stooten, blijft het pal op de plaats.

Werd de eerste hefbooms-arm te veel ingekort, zoodat het zwaarte punt achter het steunpunt viel, dan zou het paard onvermijdelijk achter overgetiokken worden.

De grootste kunst van den ruiter is dus, om de juiste verhoudingen der door hem aan te brengen „hulpen te kennen, en deze goed in overeenstemming met elkaar, toe te passen.

Duidelijk zal het nu wel wezen, dat om aan die verschillende eischen van den ruiter te kunnen voldoen, de spieren van het paard moeten ontwikkeld worden, de gewrichten enz. lenig gemaakt, in één woord, dat het paard door „gijm-nastiekquot; daartoe in staat moet worden gesteld.

Zij, die willen beproeven, om, volgens de voorschriften in

-ocr page 13-

ons werkje aangegeven, een paard te dresseeren, moeten zicli niet vleijen, daarmede dadelijk goede resultaten te zullen hebben.

„F our sa voir quel que chose il faut Vavoir maar wan

neer zij zicli slechts, van alles wat zij doen, rekenschap trachten te geven, zullen zij ook de begane fouten opmerken, en er spoedig den slag van beet krijgen, en daardoor zeker het genot verhoogen dat de rijkunst hun geeft.

Vooral bij Indische paarden moet, bij de dressuur, bizonder op liet verkrijgen van den evenwichtstoestand gelet worden; de Europeeschc paarden bezitten dien reeds eeniger-mate uit zich zelve. De oorzaak daarvan ligt in de omstandigheid dat de Indische paarden in de weide, de Europeesche, meestal op stal (aan de ruif) worden opgevoed, waardoor de eerste hun gewicht op de voorhand, de laatste meer op de achterhand hebben.

Hieruit laat zich ook verklaren waarom \'de Europeesche paarden veelal neiging hebben den neus in den wind te steken, en in Europa het gebruik van den martingale zoo algemeen is, ofschoon dit laatste toch door tal van ruiters wordt afgekeurd.

De paarden in Europa zijn overigens meer aan den mensch gewend, laten zich gemakkelijker bestijgen dan de prauw-paarden in Indië, en daarom maakt dit onderscheid in opvoeding en aard, het noodzakelijk, ook verschil te maken in de aanvankelijke dressuur van Indische en Europeesche paarden. Om die reden hebben wij ook behandeld de wijze waarop Paul Plinzner de aanvankelijke dressuur van paarden aangeeft, en die o. i. bizonder doelmatig is, om de Indische paarden zoo ver te brengen, dat zij geschikt zijn, om aan

-ocr page 14-

— 10 —

de dressuur volgens v. d. Hove de Heuscii te worden onderworpen.

Voor lieu, die zich een of meer der oorspronkelijke werken, waaruit voornamelijk onze studie geput is, willen aanschaffen, volgen hieronder de titels daarvan:

1. Methode d\'Equitation, basée sur de nouveaux principes par F. Baucher.

Paris 1843.

2. Plerd und Reuter, von Theodor Heinze Leipzig uud Berlin, bei Otto Spamer. 1883.

3. Grundsatze der Reitkunst, Berlin 1870, bei Erkst Siegfried Mittler amp; Sohn.

4. Die systematische Dressur des Kampagne-und Gebrauchs-Pferdes, vox C. F. Seidler.

Kerlin 1882, bei Ernst Siegfried Mittler amp; Sohn.

5. System der Pferde gymnastiek, von Paul Plinzner Potsdam 1888, bei Edüard During.

6. Dressage de Chevaux de remonte, par le Capi-

taine van den Hove — de Heusch.

Louvuin 1?8~. Imprimene Veuve Victor Massar.

-ocr page 15-

HET AFRICHTEN VAPi EEN RIJPAARD

IN

30 LESSEN.

Sedert Baucher, een 50tal jaren geleden, zijn nieuwe theorie over paardendressuur verkondigde, -welke uit den aard der zaak, als de meeste „nieuwigheden\'\' talrijke bestrijders had, is men in Europa toch langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat deze, al was zij ook hier en daar voor verbetering vatbaar, in hoofdzaak de „warequot; is.

De resultaten, waarop de voorstanders van Baucher, door toepassing zijner methode, konden wijzen, moesten de hard-nekkigsten wel overtuigen, en een feit is het dan ook, dat een zeer groot aantal zijner hevigste bestrijders, later zijn vurigste aanhangers werden.

Het spreekt van zelf dat, in verband daarmede, na dien tijd, een menigte brochures en boeken over de rijkunst, het licht zagen, vooral in Frankrijk, Dnitschland en België, en hoewel hier en daar van de door Baucher verkondigde stellingen afwijkende, en soms niet eens zijn naam noemende, vindt men toch in alle de grondgedachte terug, welke Baucher tot zijne theorie leidde.

Die grondgedachte is, dat het paard bij elke beweging die het doet, in evenwicht moet gebracht of gehouden worden.

Een der beste werken op dat gebied, en waarin de schrijver Baucher hoog wordt vereert, is dat, in 1887 uitgegeven door den Belgischen Kapitein der Lanciers, van den Hove-de

-ocr page 16-

— 12 —

Hedsch, die veel studie van paarden dressuur heeft gemaakt, en zijne methode, die men de verbeterde methode van Baucher, zou kunnen noemen, sedert eenige jaren bij de remonte in België, met het meeste succes toepast.

Hij is er toe gekomen, om door een geregelde en stelselmatige gijmnastiek, welke hij de paarden doet ondergaan, een geheele afdeeling remonte-paarden, in 30 dagen voor den troep af te richten.

Laten wij er echter dadelijk bijvoegen, dat hij met zijne africhting niet begint, voordat de paarden voldoende gewend zijn, om gezadeld en getoomd onder den man te gaan. Het bedoelde boek is zeer uitvoerig bewerkt, en speciaal voor de Cavalerie, zoodat daarin altijd van geheele afdeelingen of escadrons gesproken wordt, en de oefeningen en commando\'s daarop zijn ingericht.

Het spreekt echter van zelf, dat zijne methode ook op een enkel paard is toe te passen.

Het doel dat wij ons nu hebben voorgesteld, is, om de liefhebbers van de rijkunst in Indië in de gelegenheid te stellen, hun rijpaarden goed en ving te dresseoren, voor gewoon gebruik, door uit het werk van de Heüsch datgene te putten en zoo beknopt mogelijk weer te geven, wat toepasselijk is op de africhting van een enkel paard, en daaraan toe te voegen, enkele opmerkingen op eigen ervaring gegrond.

Vooral in Indië kan dit zijn nut hebben, omdat men hier in den regel, veel minder dan in Europa, gelegenheid heeft, om reeds gedresseerde paarden te koopen, dan wel ze door een bekwaam vakman te doen africhten.

Wij hebben ons bepaald tot de africhting voor gewoon ge-Iruilc, en achterwege gelaten, de africhting in de hooge rijschool, omdat onze arbeid is bestemd voor het algemeen, en de enkele ruiters in Indië, die zich, of hunne paarden, in de

-ocr page 17-

— 13 —

liooge rijschool willen oefenen, beter doen, zich daarvoor uitgebreider werken aan te schaffen, dan ons bestek zou ge-doogen.

Ofschoon, bij stipte opvolging van de methode van de Heusch ieder goedgebouwd paard, in 30 dagen voor gewoon gebruik kan worden afgericht, zal het in den regel toch beter wezen, daarvoor langeren tijd te besteden. Ook de Hküsch erkent- dit zelf in zijn werk, en daarom hebben wij liet beter geacht, niet te spreken, van een africhting in 30 dagen, maar in 30 lessen, om, naar gelang van omstandigheden, iedere les één of meer dagen te doen duren.

De opvolgende lessen geven dus alleen aan, een oordeelkundige opvolging der gijmnastische oefeningen welke men liet paard moet doen verrichten, om tot een spoedige, en voor het paard niet te inspannende africhting te geraken, en met een volgende oefening (les) moet niet begonnen worden, voor dat de voorafgaande, door het paard goed begrepen en uitgevoerd wordt.

Men moet hierbij denken aan een kind, dat men piano wil leeren spelen.

Wordt het te spoedig geoefend in het voordragen van salonstukken. Sonates enz. het zal altijd een brekebeen blijven in de techniek, terwijl, wanneer stelselmatig een reeks „Etudesquot; worden beoefend, die regelmatig in moeilijkheid op. klimmen, alsdan de lenigheid der vingerspieren geleidelijk, en zonder te veel inspanning, wordt verkregen, welke tot een goede techniek moet leiden.

Het behoeft wel geen betoog dat, wanneer in een les, een nieuwe oefening, b. v. de galop, wordt voorgeschreven, men

-ocr page 18-

_ 14 —

het paard, gedurende den geheelen duur der les, niet moet laten galoppeeren.

Altijd moet het voorafgegane worden gerepeteerd, en de nieuwe oefening, slechts in het tweede gedeelte der les worden te pas gebracht.

De afwisseling, die gedurende iedere les moet worden in praktijk gebracht, en den meer of minderen nadruk, dien op elk der oefeningen moet worden gelegd, moeten aan het gezond verstand van den ruiter, in verband met de vorderingen die het paard maakt, worden overgelaten.

Iedere les wordt gerekend l1/» uur per dag te duren, beter is het echter daarvoor, zoo mogelijk, 2 uur. maar dan \'s morgens vroeg één, en \'s namiddags nog één uur te nemen.

Omdat, zooals bovengezegd, de methode van de Heüscu eerst goed kan worden toegepast, wanneer het paard reeds gewend is, om gezadeld en getoomd, onder den man te gaan, en dit, vooral in Indië, — men denke aan de prauw-paarden — veelal niet het geval is, hebben wij gemeend, daaraan te moeten laten voorafgaan, een bespreking, van de beste wijze, om de jonge paarden daarop voor te bereiden, en is ons de behandeling, zooals de Ritmeester der Pruissische Cavallerie, Pliszner, die voorschrijft, de eenvoudigste en meest rationeele voorgekomen.

Plinznee begint met te vragen:

„Wat is dressuurquot;?

en het antwoord luidt:

„Dressuur is de stelselmatige gymnastiek, waaraan het

-ocr page 19-

— 15 —

„paard onderworpen wordt, om liet voor gebruik als rij-„paard, gescliikt te maken.quot;

„En wanneer is het voor gebruik als zoodanig geschiktquot;?

Antwoord: „Wanneer het zich op den duur en ongedwon-„gen, in een zoodanige houding kan bewegen, welke eens-„deels de meest mogelijke heerschappij van den ruiter over „het paard waarborgt, en anderdeels, het presteeren van de „meest mogelijke diensten, onder het gewicht van den rui-„ter, mogelijk maakt.quot;

Deze houding kan niet in het algemeen worden vastgesteld, doch door een stelselmatige oefening der spieren (gymnastiek) neemt het paard van zelf houdingen aan, die, in verband met zijn bouw en zijne krachten, voor hem het meest geschikt zijn, om — met goede medewerking van den ruiter — onder alle omstandigheden, in evenwicht te blijven.

Een paard dat zulke houdii gen aanneemt, zal, behoorlijk aan den tengel gaande, altijd regelmatige, krachtige, verheven gangen hebben.

Voor het eerste, (de heerschappij van den ruiter) is liet „aan den teugel gaanquot; eene volstrekte noodzakelijkheid, en wat men daaronder verstaat, kan in het kort worden weergegeven als volgt:

Een paard gaat aan den teugel, wanneer hoofd en hals zoodanig gesteld zijn, dat de kracht van iedere tengelwerking, onmiddelijk, door den hals, naar de achterhand wordt overgebracht, zonder dat daarbij loeerstand wordt ondervonden, en zonder dat de aangebrachte kracht hare uitwerking mist, of vernietigd wordt, door te veel „hijbrenge?iquot; (het achter den teugel kruipen.)

-ocr page 20-

— 16 —

Als een paard, eenmaal aan den teugel gaat, moeten de tengels niet strakker gespannen worden, dan noodig is, om een voortdurende gemeenschap te onderliouden tusschen de handen van den ruiter, en den mond van het paard.

Voor het tweede, (het prcsteeren van diensten onder het gewicht van den ruiter) is het noodig dat de rug van het paard eenigzins gewelfd zij, waardoor een stevige en toch veerkrachtige verbinding ontstaat tusschen voor — en achterhand, welke uit den aard der zaak een vereischte is, voor gelijkmatige krachtige en toch elastische bewegingen, onder den ruiter. Paarden, die in hunne gangen door welving van den rug, zulk een verbinding, als van zelf, daarstellen, noemen de Duitschers: „Rückenganger.quot;

Deze welving moet wel onderscheiden worden, van de krampachtige hooge ruggen, welke sommige paarden onder het rijden vertoonen, wanneer het gewicht van den ruiter hen bezwaart.

Zulke paarden, en ook die, welke met sterk doorgebogen rug gaan, noemt men „Schenkelgangerquot; omdat bij hen, de achterbeenen, kort, en als met schokken, dan wel slap en zonder veerkracht, vooruit gezet worden.

Het gaan aan den teugel, met elastische rugwelving, en een goed geregelde werking van de achterhand, zijn de onontbeerlijke eigenschappen waaraan een goed gedresseerd paard kenbaar is.

Om het paard op het verkrijgen van die eigenschappen, voor te bereiden, dient de bearbeiding aan de longe.

-ocr page 21-

— 37 —

In het begin heeft het paard daarbij niets anders te doen, dan in een min of meer, door de loiigeteugels, die aan den trens bevestigd worden, bijgebrachte stelling, te draven of te galoppeereii, en als het rustig geworden is, te stappen.

Dit geschiedt in de recluhoekige rijbaan op den grooten cirkel. Beter is het daarvoor een cirkelvormige rijbaan te maken, waarbij de hoefslag, langs den aarden wal of houten (of bamboe) schutting, beter is afgebakend, en waardoor in het begin het „uitwijkenquot; van de achterhand belet wordt, en het paard meer gedwongen wordt zich naar den cirkel te buigen.

Bij deze oefening begint het paard al spoedig te trachten, zich, door bijbrengen van het hoofd, van den druk op de lagen te ontlasten. Daar de longeteugels niet toegeven, kan dit ook alleen door „bijbrengenquot; geschieden en op deze wijze leert het paard, van het begin af aan, zich in bijgebrachte stelling bewegen.

De binnenteugel moet altijd iets korter zijn dan de buiten teugel, opdat het paard, dat door de gespannen longelijn gedwongen wordt, zich naar den cirkel te buigen waarop het gaat, een gelijken druk op beide lagen voele.

Laat men het paard van hand veranderen, dan moeten dus de lengten der beide longeteugels verwisseld worden.

Het gebruik van opzetteugels moet bij deze bearbeiding nagelaten worden. Loopt het paard al te laag met het hoofd, dan moeten de longeteugels hooger aangegespt worden; in zeer buitengewone gevallen kan men de longeteugels over den schoft kruissen.

Bij het longeeren, moet een vrijen, doch eenigzins leven-digen draf, de voornaamste gang zijn. Wil het paard uit eigen beweging galoppeeren, men belette dit niet, maar men dwingt het er niet toe.

-ocr page 22-

In Let begin zmI liet paard moeite hebben aan de longeteugels te stappen, doch door vermoeidheid zal het van zelf daartoe overgaan, en spoedig ook in bijgebrachte stelling leeren stappen.

De longe moet altijd zacht gespannen gehouden worden, maar daarmede moeten nooit „rukkenquot; gegeven worden, om van gang te veranderen.

De overgangen van draf in stap, en omgekeerd, leert het paard al heel spoedig op cominando uitvoeren, wanneer degene die de chambriere houdt, de noodige tact bezit, om zich door het paard te doen begrijpen.

Als men opmerkt dat het paard, uit vermoeidheid, van draf in stap wil overgaan, dan laat men, nog vóór dat de overgang heeft plaats gehad, tegelijk met een daling van de zweep, een lang gerekt commando hooren, en herhaalt dit, altijd op denzelfden toon, tot het paard werkelijk stapt.

Men laat het dan slechts een korten tijd stappen, en geeft onder het opheffen van den zweep, een kort en krachtig commando om te draven.

Door het opheffen van de zweep, gaat het paard weer in draf, en na eenige herhalingen, voert het de overgangen on-middelijk op het commando uit, zonder dat het noodig is aan de longe te rukken, of andere middelen te baat te nemen. Kent het paard eenmaal de commando\'s, dan is het goed, herhaaldelijk de gangen af te wisselen, vóór dat het vermoeid is. Hoofdzaak is, dat iedere gang „regelmatigquot; zij, waarvoor groote oplettendheid en bewegelijkheid van den-gene die de zweep houdt, noodig is.

Het beste is, dat één persoon de zweep, en een ander de longe houdt.

Men begrijpt dat op deze wijze het paard zich zelf bear-

-ocr page 23-

— 19 —

heidt, en langzamerhand van zelf houdingen aanneemt, die het meest in overeenstemming zijn met zijn bouw en zijne krachten, om in de verschillende gangen in evenwicht te blijven, zonder zich daarvoor te veel in te spannen.

In den regel zijn 10 of 14 dagen daarvoor voldoende; de bearbeiding moet hoogstens één uur per dag duren; beter nog is het, vooral in het begin, quot;s morgens en \'s middags telkens daarvoor een half uur te nemen.

ITet paard wordt van het begin af aan, gezadeld, zonder beugels, en de longe cingel over het zadel heen geslagen.

Na eenige dagen bearbeiding, is bet echter goed om de beugels — eerst hoog, later lager — aan het zadel te hangen, om het paard daaraan te gewennen.

Eindelijk wordt een licht persoon, doch goed ruiter, in den zadel gezet, die een tweede teugel in handen neemt, terwijl het paard nog aan de longeteugels bijgezet blijft, en ook aan de longe gehouden wordt. Na eenige oefening, en als het paard rustig loopt, in stap en draf, wordt het longe \'.mg afgenomen, doch het paard wordt nog aan de lijn gehouden door deze aan den trensring te bevestigen. Langzamerhand moet het paard nu gewend worden, alleen naar de hulpen van den ruiter te luisteren, tot dat de longe en de chambriere kunnen gemist worden.

-ocr page 24-

Methode van den Hove- de lleuscli.

De kapitein de Heüsch hecht veel waarde aan oefening van het paard, aan de hand, waarbij de hulpen der beenen, vervangen worden door een lange karwats; en naar ons inzien terecht.

Een paard zal zich, om een voorbeeld te noemen, veel gemakkelijker oefenen in het achteruitgaan, zonder, dan met belasting op den rug, en heeft het zich deze beweging, zonder belasting, goed eigen gemaakt, dan zal men weinig moeite hebben, om het die, ook onder den man, te doen uitvoeren.

Als iemand moet leeren zwemmen, laat men hem toch ook niet dadelijk, gelaarsd en gespoord, of met een ransel op den rug, te water gaan!

Het moet echter erkend worden, dat bij de oefeningen aan de hand, zeer veel tact van de zijde des ruiters vereischt wordt, en niet dan na veel inspanning, overleg en geduld, geraakt msn er toe, daarbij van de karwats en de teugels een goed gebruik te maken.

Wij raden echter iederen ruiter aan, zich daar bizonder op toe te leggen; de ondervinding zal het spoedig leeren, welke groote voordeelen daarmede verkregen worden, zoowel voor den ruiter zeiven, die zich onwillekeurig rekenschap moet geven van de aan te brengen hulpen, als voor het paard, dat zich met minder inspanning, en dus vlugger, naar den wil van den ruiter zal leeren voegen.

-ocr page 25-

— 21 —

EERSTE LES.

Ie gedeelte, [de ruitsr opgezeten)

Het paard is gezadeld en opgetoomd, metstang en trens.

In iedere hand wordt een stang- en trensteugel gehouden, door de pink, of wel pink en ringvinger, gescheiden; beide teugels zijn even strak gespannen. Alleen gedurende de laatste dagen der dressuur, als liet paard gewend is aan de uitwerking van de directe aanhouding der teugels, van de indirecte aanhouding en van de gezamenlijke en tegengestelde werking van teugels en beenen, kunnen de tengels op de gewone wijze in de hand genomen worden.

Stappen en draven langs den hoetslag en, als het paard aan den hoefslag en de barrière gewend is, herhaaldelijk: halt maken, om het paard rustig te doeu worden, en het te gewennen goed stil te staan onder den man, hetgeen het eerste beginsel is van de heerschappij van den ruiter over het paard. Dit stilstaan, moet echter niet geforceerd worden; zoolang het paard de werking der hulpen nog niet kent, is dit vergeefsche moeite, en maakt de verwarring slechts grooter. Door dikwijls de poging te herhalen, komt het paard van zelf tot kalmte.

2e jjedeeUe [de ruiter te voet,)

Kleine nek- en halsbuigingen, om het paard aan de werking van het gebit te wennen; ook beginnen met afbuigen (bijbrengen.) doch alles in geringe mate, en zich met weinig tevreden stellen.

Voor deze buigingen, wordt het paard loodrecht op den hoefslag geplaatst, met de achterhand tegen de barrière, om het achteruitgaan te voorkomen.

Nadat de ruiter het paard welwillend in de oogen heeft gezien en toegesproken, plaatst hij zich naast den linker schouder, stevig op de beenen om eiken weerstand van het paard te kunnen bestrijden. Voor de nekbuiginy, rechts, neemt

-ocr page 26-

hij de rechterstangteugel, dicht hij de schaar van den stang, in de rechterhand, en evenzoo de linkerstangteugel in de linkerhand. Door de rechterhand naar zich toe, en de linkerhand van zich af te brengen, wordt de stang min of meer gedraaid in den mond van het paard, en daar de rechter kaak daardoor meer gedrukt wordt dan de linker, zal het paard zich daaraan trachten te onttrekken door afbuiging naar rechts van het hoofd. De afbuiging is selchts volkomen, wanneer het hoofd van het paard loodrecht gesteld is, en het gebit wordt afgekouwd.

Voor de nekhuiging links plaatst de ruiter zich naast den rechterschouder. Door deze nekhuigingen worden de spieren welke hoofd en hals vereenigen, lenig gemaakt, en wordt het paard gewend om op de minste drukking op een dei-lagen, toe te geven.

Yoor de halsbuiging, rechts, neemt de ruiter over den hals van het paard heen, de rechter teugels in de hand, welke laatste aangehouden worden, tot dat het paard den hals naar rechts buigt. De linker teugels worden los in de linkerhand gehouden, om dadelijk te kunnen nageven, als het paard den hals buigt. Ook bij deze buiging moet het hoofd loodrecht blijven en het gebit afgekouwd worden.

De linker tengel moet evenwel met kleine aanhouJingen weerstand bieden, zoodra het paard zich aan de werking der rechter teugel wil onttrekken, door met de achterhand uit te wijken.

Voor de halsbuiging links wordt hetzelfde aan de andere zijde van het paard gedaan. Zoodra de hoofdstelling goed is, en het paard afkouwt, late men hoofd en hals in de natuurlijke houding teruggaan, om kort daarna de oefening te herhalen.

Voor het bijbrengen, neemt men beide teugels in de rech-

-ocr page 27-

— 23 —

terliand op de scholt, en houdt die aan, terwijl met de linkerhand, het hoofd van het paard, zoo noodig, wordt opgericht.

Aangezien de barrière het achteruitgaan belet, zal het paard spoedig liet hoofd afbuigen, en alweer zijn onderwerping toonen door het gebit af te kouwen.

Met het bijbrengen moet niet verder gegaan worden, dan tot de loodrechte stelling.

Is het paard van nature reeds geneigd tot bijbrengen, dan zij men met deze oefening voorzichtig, want een stelling waarbij de neus binnen de loodlijn valt, is de noodlottigste om hst paard te besturen, het kruipt dan achter den teugel. De loodrechte stelling van het hoofd moet slechts door de teugelwerking verkregen worden; zonder teugelwerking dient de neus aizoo een weinig vóór de loodlijn te vallen.

TWEEDE LES Isle gedeelte.

Herhaling van de 1ste les, 1ste en 2de gedeelte, daarna opstijgen, en ettelijke malen rechts (links)

wenden, door directe werking van den teugel, d. i. door uitwijking van de handen. In het begin, de trensteugel iets korter nemen dan de stangteugel, en bij iedere wending altijd de goede hulpen met de beenen aanbrengen, d. i. binnenbeen op, en buitenbeen achter den cingel.

Na eenige honderde wendingen in stap, en als het paard dit gewillig doet, en de handen hoe langer hoe minder behoeven uit te wijken, kan in draf worden overgegaan.

-ocr page 28-

— 24 —

Side {ïedeellc \\de ruiter te voet.]

Het paard op de karwats laten vooruitgaan, door zachte regelmatige tikken tegen de borst.

In het begin gaat ieder paard voor de karwats acAiemt; men late het begaan, en volge het, slechts zacht aan de teugels trekkende en steeds met de karwats door tikkende. Van vermoeidheid door het ongewone achteruit loopen, zal het spoedig stilstaan, en zelfs eenige passen, tegen de karwats in, voorwaarts gaan. Heeft dit plaats, dan moet on-middelijk de werking van teugels en karwats ophouden, en het paard gestreeld, en vriendelijk worden toegesproken. In den regel heeft het paard spoedig begrepen, en gaat quot;het dan op de eerste tikken met de karwats tegen de borst, rooruit.

Dit is het eerste, maar ook het noodzakelijke begin, van de africhting aan de hand, omdat men daarvoor bij de verdere oefeningen, het paard geheel in de macht heeft.

Staat men vóór of naast het paard, dan kan men het, door teugelwerking, wel achterwaarts doen gaan, maar om het tegen zijn wil aan den teugel rooz-uit te trekken, daarvoor zou ons, in de meeste gevallen, de kracht ontbreken.

5tle jjedeelle.

Het paard, aan de hand, achterwaarts doen gaan

De ruiter plaatst zich recht voor het paard, en neemt in iedere hand de beide teugels, dicht bij de scharen van den slang.

Het paard moet niet met beide handen te gelijk achter uit geduwd worden, maar zig-zag-gewijze, dan met de linker- dan met de rechterhand. Met de karwats noodigt men het paard uit, voorwaarts te gaan, maar op het oogen-blik dat dit het buitenachterbeen vooruit zet, duwt uien het met de correspondeerende teugel achteruit, waardoor de

-ocr page 29-

— 25 —

voet in plaats van vooruit, naar achteren wordt geplaatst. Door nn dadelijk daarop de andere teugel terug te duwen, wordt de eerste stap achterwaarts gedaan.

In liet begin zal liet paard niet zuiver recht achteruitgaan, doch telkens met de achterhand uitwijken; men zij daarmede echter voorloopig tevreden.

DERDE LES.

1ste gedeelte \\de ruiter opgezeten.]

Stappen en draven langs den hoefslag, en dikwijls van hand veranderen; herhaaldelijk halt maken, en, stilstaande, telkens het hoofd naar binnen afbuigen.

Voor deze afbuiging, wat niet anders is dan de nek buiging in de le les beschreven, wordt de buitenteugel wat hooger dan de binnenteugel, tegen den hals gelegd, om de de hals in den rechten stand te houden, en met de binnenteugel wordt de afbuiging verkregen. Het hoofd van het paard moet daarbij loodrecht geplaatst zijn.

Side gedee\'te.

Korte draf, welke niet trippelend, maar levendig moet wezen.

Het paard moet de voorbeenen flink oplichten, hetwelk verkregen wordt, door dat de ruiter afwisselend de rechter-of linker been-hulpen aanbrengt, op het oogenblik dat het paard het linker- of rechter voorbeen oplicht, en tegelijk de teugels aanhoudt. De goede afwisseling der beenhulpen krijgt men van zelf, als men de beenen als het ware achteloos langs het paard laat slingeren, terwijl dit in stap is.

-ocr page 30-

— 26 —

Overgang van korten drai in gewonen drat, en omgekeerd, welke beide gangen herhaaldelijk moeten worden afgewisseld.

VIERDE LES.

1ste gedeelte \\de ruiter te voet.\\

Het paard recht achteruit laten gaan, op den hoefslag.

Op de voorhand doen wenden, door middel van de karwats, zoowel naar rechts, als naar links, waarbij de hoofdstelling- zoodanig moet wezen, dat het paard, de achterhand als het ware ziet aankomen.

Wanneer het paard reeds eenigzins regelmatig achteruitgaat, is het goed om daarbij nu en dan met de karwats op het kruis te tikken, waardoor de aehterhanJ nog beter „onderquot; gebracht wordt. Deze oefening moet dikwijls, ook in de latere lessen, herhaald worden; zij maakt de sprongge-wrichten lenig, en de spieren sterk, een vereischte, om zonder te groote inspanning van het paard, het gewicht dei-voorhand op de a hterhand te kunnen overbrengen.

Bij de wendingen op de voorhand plaatst de ruiter zich recht voor het paard, neemt in de eene hand de teugels, houdt daarmede de voorhand op de plaats, en geeft de goede hoofdstelling, terwijl de andere hand met de karwats, de wending doet volbrengen. Het is goed om eerst op het kruis, en daarna op den buik van het paard te tikken, om door het eerste de achterhand een weinig „onderquot; te brengen.

In het begin stelle men zich met enkele zijdelingsche passen van de achterhand tevreden, later moet deze, zoowel naar rechts als naar links, een geheele cirkel beschrijven.

-ocr page 31-

— 27 —

2de {jedeclte \\de ruiter allijd te voet.}

Het paard in travers, en in renvers doen gaan, langs den hoefslag, door middel van teugel en karwats, waarbij de ruiter zich op de hoogte van de schouders van het paard plaatst, niet de eene hand, bij den schott van het paard, de teugels houdt, en met de andere hand, de hulpen met de karwats aanbrengt.

NB. V \'oor hen die nog niet geheel vertrouwd zijn met de beteekenis der woorden: „i\'m traversquot; en „tw renvers,quot; diene het volgende:

Vroeger bediende men zich van 4 verschillende soorten van zijgangen, en wel, Sclioiiderhinnmwaarts, Schonderbuiten-waarts, In travers en In reuvers.

De eerste twee zijn, als geheel overbodig, reeds lang afgeschaft. De travers stelling is die, waarbij het paard met de voorhand op den gewonen hoefslag gaat, en met de ach-terhand op een tweede, daaraan evenwijdigen hoefslag, ook wel de binnenhoefslag genoemd; de renversstelling is het tegenovergestelde daarvan, waarbij dus de achterhand op den gewonen, en de voorhand op den binnenhoefslag gaat.

In het werk van de Hcusch worden de woorden „traversquot; en „renversquot; niet gebruikt, daarvoor is in de plaats gesteld „tête au murquot; en „croupe au mur;quot; wij hebben echter gemeend de oude benamingen te moeten behouden.

De binnenhoefslag moet zoodanig genomen worden dat het paard door zijn schuinen stand, een hoek van 22:i/a

graad maakt met den gewonen hoefslag.

Deelt men dus in gedachte, (dan wel in werkelijkheid, door het trekken van lijnen in de rijbaan) een der hoeken (90°) van de rijbaan midden door, en één der aldus verkre-

-ocr page 32-

gen hoeken (45°) nog eens midden door, dan geeft deze laatste deellijn, den maximum sclauinen stand aan, voor de travers of reuvers stelling.

Het hoofd moet altijd afgebogen (gesteld) zijn. naar de richting der beAveging, en bij de traversstelling moet het geheele paard eenigzins om het binnenbeen, bij de renvers-stelling, om het buitenbeen van den ruiter gebogen wezen, wat verkregen wordt, door diagonaal werking van teugel-en beenhulpen, d. 1. gelijktijdige werking van linkerteugel en rechterbeen, of rechterteugel en linkerbeen.

VIJFDE LES.

isle gedeelte [de ruiter opgezeten.)

Herhaaldelijk „voltequot; rijden in stap en in draf

waarbij het paard gebogen moet zijn volgens den cirkel waarop het gaat, en er dus goed op gelet moet worden dat de achterhand niet uitwijkt.

2de gedeelte [de ruiter te voel.\\

Wendingen op de voorhand, zooals in de 4de les is

beschreven, doch nu deze wendingen met meer juistheid doen uitvoeren, m. a. w. meer volkomen maken.

Het paard, als in Let tweede gedeelte van de 4de les, in travers, en in ren vers doen gaan, do.-h uu op den grooten cirkel.

ZESDE LES.

\\De ruiter opyezelen,\\

Afbuigingen van het hoofd, rechts en links, zonder oponthoud in den rechten stand, dus van de

linksche afbuiging, zonder interruptie, overgaan tot de recht-sche afbuiging, en omgekeerd.

-ocr page 33-

— 29 —

Overgaan van de afgebogen stelling naar de rechte stelling zonder uitstrekking van hoofd of hals,

dus „bijgebracht.

De beenhulpen worden naar omstandigheden sterk ot\' niet sterk aangebracht, zonder de beeneu evenwel ooit geheel van de flanken te verwijderen; dit laatste mag alleen in den „ruststandquot; geschieden.

In stolling marcheeren, d. i. het paard, in gang zijnde een rechtsche (linksche) hoofdstelling geven, door diagonaal werking van de tengels en de beenen.

ZEVENDE LES.

[De ruiter opyezelen j

Rechts en links op de voorhand doen wendea,

als voorbereiding op de bearbeiding op t\\vee hoefslagen.

In de 4de les is het paard hierin reeds „aan de handquot; geoefend, nu moet het de wendingen „onder den manquot; uitvoeren.

AVil men van links naar rechts wenden, dan wordt het rechterbeen op —, het linkerbeen achter den cingel gebracht, en de teugels aangehouden.

De linkerteugel moet sterker werken dan de rechter, naar gelang van den weerstand dien het paard biedt.

Zoodra de achterhand wijkt, moet die meerdere werking van den linkertengel ophouden, om het paard de rechtsche hoofdstelling te kunnengeven.

Daar deze wendingen zeer nuttig zijn, maar tevens moeilijk voor het paard, moet men, vooral in het begin daarbij niet te veel eischend wezen, om te voorkomen dat het paard er tegenzin in krijge, en zich alzoo hoe langer boe meer togen de uitvoering zou verzetten.

-ocr page 34-

ACHTSTE LES

De rirter opgezeten, het paard re? ht achteruit laten gaan, zoo noodig afgewisseld door het achteruit laten gaan, ann d* hand, doch zich vooral hoeden voor het achteruit „ijlenquot; dat is, wanneer het paard, met sterk ge-kromden hals, en achter den teugel, uit eigen beweging achteruit loopt.

De beweging moet geschieden stap voor stap, en alleen door toedoen van den ruiter.

Door het aanleggen der beenen, wordt de achterhand ondergebracht, en door de onmiddelijk daarop volgende tengelwerking, die krachtiger moet wezen naar mate de weerstand grooter is, zoekt het paard, om niet achterover te vallen, een nieuw steunpunt, door achterwaarts te treden. Als men met het achteruitgaan wil ophouden, geeft men alleen met de teugels toe, en houdt de beenen aan, totdat het gewicht wèer gelijkelijk over de voor- en achterhand is verdeeld, en het paard stilstaat.

Bij grooten weerstand van het paard om achteruit te gaan, moet men het niet forceeren — want dit leidt alleen tot een slechte uitvoering — doch, de ruiter opgezeten, het paard door een tweede persoon „aan de handquot; achterwaarts doen gaan.

NEGEN DB LES.

Herhaaldelijk rechts (links) wenden en volten rijden en daarbij dikwijls van stap in draf over gaan, en oingekeerd.

Deze veranderingen van gang moeten op verschillende tijdstippen en plaatsen aanvangen, b. v. even na de wending, vóór de wending, in het midden der rijbaan enz.

-ocr page 35-

— 31 —

TIENDE LES.

Voorbereiding voor de zijgangen; de ruiter opgezeten.

Herhaaldelijk op twee hoelslagen (travers- en ren-versstelling) halt maken, en stelling geven (afbuigen in de richting waarin men ging) en dan weder rechtuit voorwaarts gaan, dus nog niet in de zijgangen marcheeren.

Vóór liet lialt maken op twee hoefslagen, wordt de stap ingekort (gewoonlijk: „halve ophoudingquot; genoemd,) en het paard door diagonaal werking van tengels en beenen, in de travers- of ren versstelling gebracht, en daarna dadelijk halt gemaakt.

Na de afbuiging wordt het paard weer recht gesteld, alvorens weder voorwaarts te gaan.

ELFDE LES.

In travers vooruitgaan, dikwijls afgewisseld, door „recht uit.quot;

Bij de zijgangen moet vooral op een goede stelling gelet worden, d. i. dat het hoofd van het paard moet ziju afgebogen naar de richting waarin het gaat, en het lichaam van het paard eenigzins gebogen, met de holle zijde, eveneens in de richting der beweging.

Is men rechts in de rijbaan, en wil men in travers vooruitgaan, dan wordt eerst de stap ingekort, en daarna het paard geleidelijk door diagonaal werking van tengels en beenen in de traversstelling gebracht. Jlet den rechter tengel noodigt men het paard uit, om voorwaarts te gaan, de linker teugel houdt het paard in bijgebrachte stelling.

Het linker been drukt de achterhand op den binnenhoefslag.

-ocr page 36-

— 32

terwijl liet rechter been (op den cingel) ten doel lieeft, le liet paard te steunen, 2e te voorkomen, dat de acliterhand te veel naar binnen gaat, en aan de voorhand zou kunnen vooraf gaan, 3e om door sterker drukking, het paard weer rechtuit te doen gaan. Het is een verkeerd begrip van sommige ruiters, om het been, waarom het paard zich buigt, van de ziide van het paard te verwijderen, om daardoor het „vooruitgaanquot; in den zijgang te bevorderen. Men bevordert daardoor alleen een onregelmatige uitvoering, en een onoogelijken en onvasten zit van den ruiter.

T W A ALFDE LES.

Herhaling van de bearbeiding in de vorige les, doch de zij gangen langer volhouden, en deze meer volkomen doen maken.

Steeds moet gezorgd worden, dat de voorhand, vooraf gaat, hetgeen altijd bet geval zal wezen, wanneer de hoek niet grooter wordt genomen dan in de toelichting op de 4e les, is aangegeven. Een groot gebrek bij vele ruiters, is dat als zij, de ombuiging van de achterband willende ver-grooten ook alleen op de achterband werken, zonder te gelijker tijd de snelheid van de voorhand te verminderen, waardoor het paard wel sneller voouüt gaat, maar de achterhand zich niet meer ombuigt.

DERTIENDE LES.

In renvers vooruitgaan.

Hieromtrent gelden dezelfde opmerkingen als voor „traversquot; in de 11e en 12e lessen. Vooral bij het door gaan der boeken, waar, in de renvers stelling, de achterhand, een grootere

-ocr page 37-

cirkel moet besclirijven dan de voorhand, moet gelet worden op vermindering in snelheid van de voorhand.

VEERTIENDE LES.

In travers op den groeten cirkel.

Hierbij dikwijls halt maken, zonder uit de traversstelling te geraken, en zonder dus ook de hoofdstelling te verliezen.

VIJFTIENDE LES.

In renvers op den groeten cirkel, en daarbij ook dikwijls halt maken.

Verder in travers en in renvers, volten rijden,

eveneens met halt maken zonder uit de stelling te raken. Door de bearbeiding in travers en renvers op den cirkel, wordt het paard geoefend, om in de rechthoekige rijbaan, in de zijgangen, de hoeken goed door te gaan.

Als algemeene regel geldt, dat het „haltquot; houden op twee hoefslagen altijd moet geschieden, door verhoogde werking van het been waarom het paard is gebogen, en nooit door teugel werking. Het halthouden moet niet plotseling doch geleidelijk plaats hebben.

Om weer voorwaarts te gaan wordt het tegenovergestelde been meer aangedrukt.

Om in de zijgangen volten te rijden, is het zeer nuttig vooraf die volten (cirkels van 5 a ti passen middellijn) in de rijbaan op de een of andere wijze aan te geven (tra^eeren.)

-ocr page 38-

— 34 —

ZESTIENDE LES.

[De ruiter te voet.)

Herhaalde alwisseliiig van de zijgangen in travers en renvers, door middel van de teugels en de karwats (zie 4:6 les, 2e gedeelte) en daarbij nu en dan in korten draf overgaan, docli in liet begin slechts enkele passen.

Bij de zijgangen in draf moet deze regelmatig en afgemeten wezen, en mag niet- ontaarden in trippelen of ijlen. Zoodra, bij de zijgangen in draf, liet paard in de war raakt, d. i. de beweging niet juist uitvoert, moet men weer in stap overgaan, om kort daarop op nieuw te beginnen.

ZEVENTIENDE LES. (De ruiter opgezeten.)

Zijgangen in korten draf.

Het paard mag niet eerst in de travers- of renversstelling geplaatst worden, en in die houding in draf worden gezet.

Eerst rechtuit draven, en als de korte draf zeer regelmatig is, brengt men het paard, door diagonaal werking der hulpen, bedaard en zonder schokken in de verlangde stelling, en vergenoegt zich in het begin, met weinig.

Galop. Het galoppeeren heeft plaats op den grooten cirkel, uit den korten draf. Het best is, om in korten draf op den grooten cirkel een kleine volte te lijden, en op het oogenblik dat de hoefslag weer bereikt wordt, de hulpen voor den galop aan te brengen.

Ka 10 of 12 sprongen, weêr in stap overgaan, en nu en dan van hand veranderen.

-ocr page 39-

— 35 —

Langdurig galoppeeren heef geen nut bij de dressuur; beter is het, dikwijls op te lioudeu, en weer doen aanspringen.

Over de hulpen die men moet aanbrengen, om het paard in den rechtschen of linkschen galop te doen aanspringen, bestaat verschil van gevoelen, en bij de verschillende schrijvers vindt men daaromtrent dan ook de grootste tegenstrijdigheden. De eenvoudigste, de meest rationeele en in de praktijk zeker de meest doeltreffende manier, is echter dat men dezelfde hulpen aanbrengt, als of men het paard in de rechtsche of linksche traversstelling wilde plaatsen, doch daarbij de beenhulpen krachtiger doet werken.

Een zeer verkeerde gewoonte is het om bij het aanspringen het ligchaam voorover te buigen, om te zien of bet paard goed aanspringt, want daardoor wordt de schouder van het paard, die verlicht moet worden, juist beiwaard. eu het paard daardoor belemmerd in het goed aanspringen.

ACHTTIENDE LES.

Herhaaldelijk, op den grooten cirkel, uit den kor ten draf, in galop doen aanspringen, en nu en dan van hand verandeien

Eerst na ettelijke herhalingen en als het paard rustig is, kan, in galop, den gewonen hoefslag gevolgd worden, waarbij, vooral in het\' begin, de hoeken sterk afgerond moeten worden.

NEGENTIENDE LES.

Op den grooten cirkel, van den stap in den galop overgaan

Om dit het paard te leeren, laat men eerst van den korten draf in galop overgaan, en dan weer in stap. Nauwe-

-ocr page 40-

lijks echter is het paard in stap gekomen, of men brengt weer de hulpen voor den galop aan.

Het paard, door den voorafgeganen galop, nog eenigzins geëxciteerd, springt dan gewoonlijk dadelijk aan.

TWINTIGSTE LES en EEK EIST TWINTIGSTE LES.

Herhaling van al het tot nu toe geleerde, en de verschillende bewegingen en gangen zoo volkomen mogelijk doen uitroeren.

In het werk van de Heusch zijn deze twee lessen gewijd aan cavallerie bewegingen mei 24 paarden. Voor ons doel zonden zij dus kunnen vervallen, doch wij hebben het beter geacht ze te besteden voor een repetitie van al de voorafgegane oefeningen, hetwelk niet anders dan paard en ruiter ten goede kan komen.

TWEE EN TWINTIGSTE LES.

Van het achterwaarts gaan, overgaan in korten draf, daarna in galop.

Deze beweging moet niet plotseling, en met een schok geschieden, maar toch zoodanig,-dat de korte draf als het ware reeds begint, terwijl het paard nog achteruit treedt. Daarvoor worden de beenen sterker aangedrukt, en de teugels een weinig toegegeven.

Na enkele passen in korten draf, overgaan in galop.

DRIE EN TWINTIGSTE LES.

In travers en in ren vers, op de plaats zelve, van hand veranderen

Stel, men is rechts in de rijbaan en in travers. Om dan van hand te veranderen, eerst de linkerteugel aanhalen, zon-

-ocr page 41-

der werking der beenen; daardoor wordt de voorhand ge-arretteerd, waarop, door de beenhulpen, dadelijk de achter-hand omgewend, eu het paard een linksche stelling gegeven wordt. Men gaat weer in travers voorwaarts, doch nu, links in de rijbaan.

De teugelwerking en de onnüddelijk daarop volgende been-hulpen, moeten plaats hebben, op het oogenblik dat het paard het linker vóórbeen heeft opgelicht, om het over het rechterbeen heen te zetten.

Tot dit laatste komt het echter niet, tengevolge der werking van den linkerteugel; de linkervoet wordt weêr neergezet, zoodat de overgang bij de verandering van hand, geleidelijk is, en het paard, als het ware, blijft doorstappen.

VIER EN TWINTIGSTE LES.

Van „stilstaande \' aanspringen in den galop.

Eerst eenige malen van stilstaande, overgaan in korten draf, en na enkele passen, doen aanspringen in galop. Het aantal passen in korten draf wordt hoe langer hoe kleiner genomen, en na ettelijke herhalingen, en als het paard rustig is, onmiddelijk van „stilstaanquot; in galop overgaan.

Verder rustig langs den hoefslag galoppeeren, en bij het van stilstaande laten aanspringen, dikwijls veranderen van hand.

VIJF EN TWINTIGSTE LES.

Korte galop.

Als liet paard rustig galoppeert, worden beide beenen te gelijk aangelegd.

-ocr page 42-

— 38 —

Daardoor brengt liet paard de acliterhand meer ouder liet lichaam, om een grootereu sprong te kunnen nemen, maar op hetzelfde oogenblik, wordt de voorhand door de tengels opgeheven, en in plaats van een grootereu sprong, wordt de sprong verkleind, ingekort.

Bij iedereu verderen galopsprong, wordt de beweging herhaald.

Deze beweging met handen en beenen moet zeer regelmatig plaats hebben, eenigzins gelijkende op iemand die, met korte en lichte riemslagen, zit te roeien.

ZES EN TWINTIGSTE LES.

Volten in galcp.

Deze worden op den grooten cirkel gemaakt, en niet op deu gewonen hoefslag.

Zijn er meerdere ruiters in de rijbaan, dan is het goed, een gedeelte daarvan op een kleineren cirkel te plaatsen, concentrisch aan den grooten cirkel, waardoor de grootte der volte, beter voor het paard is afgebakend.

ZEVEN EN TWINTIGSTE LES.

Korte galop en parade.

Om het paard te leeren paradeeren, wordt eerst van deu gewonen galop in den korten galop overgegaan. Door krachtiger werking van beenen en handen worden de sprongeu al korter eu korter gemaakt tot dat het paard eindelijk stil blijft staan.

Het aantal korte sprongen wordt steeds verminderd, totdat uit den gewonen galop plotseling wordt stilgestaan, geparadeerd.

-ocr page 43-

— 39 —

ACHT EN TWINTIGSTE, NEGEN EN TWINTIGSTE en DERTIGSTE LES.

De laatste drie dagen (lessen) worden in liet werk van de Heusch gewijd, aan de peleton- en escadron school.

Wij zullen ze besteden voor herhalingen van het geleerde door middel van allerlei manege bewegingen, in stap, draf en galop en liet tweede gedeelte van iedere les wordt gebruikt om het paard „buitenquot; te rijden, ten einde het aan straatrumoer, wagens, karren enz. te gewennen.

De meeste paarden, die bij de dressuur in de afgesloten rijbaan, gewend zijn aan rust en kalmte, zonder afleiding, zijn daarna bij het „buitenquot; rijden onrustig en zelfs schrikachtig. Door de dressuur, is het echter volkomen onder de heerschappij van den ruiter gekomen, zoodat van „doorgaanquot; geen sprake meer kan zijn. De ruiter heeft zich dus alleen nog te beijveren, het paard onder alle omstandigheden kalm te houden.

Door de afiicliting in de rijbaan, heeft het paard niet alleen geleerd, zich aan den ruiter te onderwerpen, het heeft ook op hem leeren vertrouwen. Bij het „buitenquot; rijden is dit dadelijk merkbaar. Toont de ruiter zich angstig bij het naderen van het een of ander voorwerp, waarvoor hij vreest dat zijn paard schrikken zal, en waardoor hij zich onwillekeurig vaster in den zadel zet, de teugels korter neemt, of strakker spant, die angst wordt onmiddelijk door het paard overgenomen, en de ruiter zal min of meer moeite hebben, het in bedwang te houden.

Verraadt de ruiter echter niet de minste vrees, en neemt hij, om zoo te zeggen, geen notitie van de schrikachtigheid van zijn paard, dan zal deze spoedig overgaan.

Wil het paard echter uitwijken voor het een of ander

-ocr page 44-

— 40 —

voorwerp, dan moet dit met zachten dwang worden belet, en dit geschiedt door werking van den teugel, aan de zijde ■waarheen het paard uitwijken wil.

Wanneer b. v. rechts een kar passeert, waarvoor het paard dus links wil uitwijken dan wordt ook de linker teugel aangehouden, terwijl aan de achterhand, het uitwijken door de beenhulpen belet wordt.

Vele, in de rijbaan afgerichte paarden, zijn bij het „buitenquot; rijden in het begin vooral angstig wanneer achter hen een kar of wagen komt aanrijden, zoodat zij liet geratel hoo-ren, zonder het voorwerp te zien. Hen trachte niet zulke par.rden te divingen, om rustig te wezen, doch boezeme hen vertrouwen in, door hen in de gelegenheid te stellen, het voorwerp te zien, b. v. door dwars op den weg, stilstaande, de wagen te laten passeeren, en daar bij het paard goedwillig toesprekende. Al spoedig leert het paard inzien, dat het geratel voorbij gaat, zonder hem te deeren, en stoort er zich niet meer aan.

Ten slotte nog een enkel woord over de behandeling van paarden die zich moeilijk laten bestijgen.

Hierbij moeten twee gevallen worden onderscheiden. Ie het bestijgen van jonge paarden, die nog niet gewoon

zijn onder den man te gaan.

2e het bestijgen van reeds afgerichte paarden, die daarbij nu en dan den ruiter moeilijkheid in den weg leggen.

Het jonge paard, dikwijls pas uit de prauw, waar het dan veel geleden heeft, is in den regel, nog niet volwassen en weinig krachtig.

-ocr page 45-

— 41 —

Daarbij onbekend met zijne nieuwe omgeving, is het angstig, en laat zich veelal moeilijk bestijgen.

Toch worden zulke paarden veelal daartoe gedwongen door ze stevig te doen vastliouden (wat hen nog angstiger maakt) of door andere krachtige middelen, en de ruiter, als hij eenmaal den voet in den stijgbeugel heeft, zet zich met een zekere haast in den zadel, en komt gewoonlijk daarop zeer onzacht neder.

Behalve dat liet paard door angst gedreven wordt, voelt het pijn in de rugspieren, trekt die samen, kromt den rug, en — het behoeft niemand te verwonderen — zal zich een volgende keer weêr tegen het bestijgen verzetten. Blijft men met dezelfde ruwe behandeling doorgaan, dan is er veel kans dat zulk een paard op den duur moeilijk te bestijgen zal wezen.

Wanneer echter het jonge paard behandeld wordt volgens de in dit boekje aangegeven methode, dan zal zelden moeilijkheid met het bestijgen worden ondervonden.

Door het gaan aan de longe hebben de spieren zich reeds eeniger mate ontwikkeld, het paard is gewend geraakt aan zijn omgeving en daardoor rustig en vertrouwend.

Moet het paard nu ■worden bestegen, waarvoor men, — zooals vroeger reeds gezegd — een licht, doch goed ruiter moet nemen, dan laat men het midden in de rijbaan komen, streelt het, en spreekt het goedaardig toe.

De ruiter komt niet dwars op het paard aan loopen, maar beweegt zich langzaam, van het hoofd, dicht langs den hals, tot voor den stijgbeugel, daarbij de teugels door de linkerhand latende glijden.

Een helper blijft vóór het paard staan, en houdt het losjes vast, zich echter gereed houdende, om, zoo noodig, dadelijk te kunnen handelen.

-ocr page 46-

— 42 —

De ruiter kruist de teugels in de linkerhand, wikkelt een manenlok om den duim, en plaatst bedaard den voet in den stijgbeugel. Laat liet paard dit niet gewillig toe, wijkt het uit met de achterhand, of treedt het achteruit, dan trekt men den voet terug, en ruiter en helper beiden, volgen kalm de bewegingen, totdat het paard stilstaat.

Wie hierbij bedaard blijft en zijn geduld niet verliest, zal steeds overwinnen.

Telkens wanneer het paard stilstaat, zet men den voet weêv in den beugel, totdat het dit gewillig toestaat, en stil hlvjft staan.

Heeft dit bizonder veel inspanning gekost, dan moet men dien dag het daarbij laten, liet paard beloonen, en naar den stal laten brengen.

Laat liet paard gewillig toe dat men den voet in den stijgbeugel zet, en blijft het daarbij goed stilstaan, dan heft de ruiter zich langzaam op, en blijft een oogenblik rechtop in den beugel staan.

Wordt het paard ook hierbij onrustig, dan herhale men weder deze beweging tot het volkomen stil staat. Daarna brengt men het rechterbeen gestrekt, over het kruis heen, zonder dit te raken, en gaat zoo zacht mogelijk in den zadel zitten door op de rechterhand te steunen, daarbij meer rustende op de knieën, dan op de zitbeenderen.

Voelt de ruiter dat het paard den rug kromt, dan brengt hij het lichaam eenigzins voorover, om de lendenen minder te bezwaren.

Het paard wordt intusschen gestreeld, en de ruiter wacht kalm af, dat het den rug laat zakken. Dan stijgt hij bedaard af, beloont het paard, en laat het op stal brengen. Den volgenden dag, wordt een en ander herhaald en kromt het paard nog den rug, dan zet men het niet in beweging voor dat de rug gezakt is.

-ocr page 47-

— 43 —

Het is goed, bij het bestijgen, altijd door drukking op den rechter stijgbeugel, het zadel in evenwicht te doen houden, omdat door wringing van zadel en cingels het paard uit den aard der zaak, min of meer pijn moet ondervinden.

Wanneer een reeds afgericht paard den ruiter nu en dan moeilijkheid bij het bestijgen in den weg legt, dan is dit gewoonlijk, omdat het te weinig gebruikt wordt.

Door langdurige rust zijn de spieren stijf geworden, en het heeft dan ook behoefte, om, zoodra het uit den stal komt, deze door springen en dansen lenig te maken. Laat men het daartoe tijd noch gelegenheid, en zet de ruiter zich dadelijk met zijn volle zwaarte in den zadel, dan is dit voor het paard hinderlijk, en het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat het zich een volgende keer daaraan zal trachten te onttrekken. Een enkele onvoorzichtige bestijging, is soms voldoende om een paard voor langen tijd in dit opzicht te bederven.

Het middel om hierin te voorzien, is dus het lenig maken der spieren vóór tie opstijging.

Men laat het paard, nadat het gezadeld is, eenigen tijd rond stappen, en wil men het bestijgen, dan is het goed het eerst enkele passen achteruit te doen gaan, of aan de hand te doen traverseeren zoowel rechts als links. Daardoor ontspannen zich de spieren, en behoeft men niet te vreezen voor verzet.

Blijft het paard evenwel uitwijken, dan laat men het zoo lang achteruitgaan tot het van zelf stil staat, en men moet niet opstijgen en het rechterbeen niet over het zadel brengen voordat het geheel stilstaat.

-ocr page 48-

— 44 —

Wel is waar wordt hiervoor soms veel tijd gevorderd, doch de resultaten zijn steeds zoo bevredigend en bemoedigend, dat het geen verloren tijd mag genoemd worden.

-ocr page 49-
-ocr page 50-
-ocr page 51-

Rijksasiel „Veldzichtquot; te Avereest.

-ocr page 52-

^lt;4 V^tr^ -

M ^tCX^r

* \'-V. ^ :

gt;***. ^

\'■ Ï5\'V-*^ \' - ^,-■ -•• ■ ^

■?» gt; .^« \'-viv.».

\'c JL ^ -1 gt;gt; ^ ^ W ■ V:-p \' ■ ^

vf \'-fc ^

-/T ^/4 ^■- ~ö ^ - / lt;fk * •» *■* ^ii

Vl -y*** \'I \'f ; v-r\'^\' \'\'^\' gt;•• -J -idü