-ocr page 1-

;jsrGh

TER

BEOEFENING

VAN DE

KRIJGSWETENSCHAP.

1885—80.

Verslag der bijeenkomst op 9 December 1885. Ilde VERSLAG.

-i

■c\'\'.

W. G. VAN DER WAL.

Paardenfokkeeij en . EemonteMs©! •. V\' ■

gt;; V1\' -

\'s Gkavenhage, C. VAN DOORN EN ZOON.

HOF-BOEKHANDELAUEN, 1886.

B

1559

.ie ook dc 4e bladzijde van den omslag.

-ocr page 2-

-

\' \' ■ ■ • , \'

■ . . . . . ^ ; :-

- \\:::l quot;■ » .

h ■

m ■ ■ v: • :: \' , isamp;s •

y \'

r ■ - : -

m- -. ■

.

■ ; gt; ■ , ■ . • ; - •

ms*:\', \' 7 .V:-■■

■ ■ ■■ ; •

p

; quot; , • ,s

-

ï:

•v

v

. , ,v.-. , ■

. ■

_

__

-ocr page 3-
-ocr page 4-

••quot;\'C. : gt;1

;

f\'

\'

f/:!\',gt;1

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 828 7

___

-ocr page 5-

VEREENIGING

ÏER BEOEFENING VAN DE KRIJGSWETENSCHAP.

1S85—1886.

Vergadering van Woensdag, 9 Decemher 1885, des avonds ten half acid ure.

Voorzitter: de heer van Rouvf.eoy.

De Voorzitter deelt mede dat, in afwijking van hetgeen vroeger is bekend gemaakt, in eene den 23sten dezer te houden vergadering, door den heer Eland, luitenant-kolonel der genie, eene voordracht zal worden gehouden over de ontworpen haven van Scheveningen en de landsdefensie.

Aan de orde is de ballotage van kandidaten.

De Voorzitter verzoekt de heeren van Kuijk en Vosmaer als stemopnemers te willen fungeeren.

De uitslag der stemming is, dat met algemeene stemmen tot nieuwe leden worden toegelaten de heeren: E. W. Baron van der Capellen, 2e Luitenant der Cavalerie; J. W. P. van Hoogstraten , le Luitenant der Artillerie; O. Mees, le Luitenant der Infanterie; Gr. J. Neiszen, le Luitenant der Artillerie; B. T. C. F. Schmidt, le Luitenant der Infanterie N. I. leger; E. A. Umland, le Luitenant der Infanterie; H. M. A. Vigelius, le Luitenant der Infanterie; W. C. Wolterbeek, le Luitenant der Artillerie, allen te \'s-Gravenhage; — R. H. O. Schlingemann, 2e Luitenant der Cavalerie, te Deventer; — A. J. Dekker, le Luit.-Adjudant der Artillerie; J. Dirks, 2e Luitenant dei-Artillerie; £. quot;VV. van Emden, 2e Luitenant der Genie; S. C.

1885/86. 5

-ocr page 6-

54

Gooszen, 2e Luitenant der Artillerie; A.M. Kollewijn, 2e Luitenant der Artillerie; P. E. Piohal, 2e Luitenant der Artillerie; C. L. Gr. Sohrassert Bert, 2e Luitenant der Artillerie, allen te Gorinchem; — J. van der Meer, Kapitein der Infanterie; J. C. Kros, le Luitenant der Infanterie; A. Tromp, 2e Luitenant der Infanterie, allen te Gouda;—■ Jhr. M. W. Boreel, le Luitenant der Cavalerie, te Haarlem; — E. G. Staal, 2e Luitenant der Infanterie, te Harderwijk; — F. de Man, 2e Luitenant der Artillerie; W. F. Miolée, 2e Luitenant der Artillerie; H. M. F. G. Peltzer, 2e Luitenant der Artillerie; J. L. Eanneft, 2e Luitenant der Artillerie; D. A. van der Voort Maarschalk, 2e Luitenant der Artillerie, allen te Naarden; — J. N. Seyffardt, te jSlieuwer-Amstel; — A. J. Bicker Caarten, 2e Lnitenant der dd. Schutterij; Mr. A. C. van Blommestein, 2e Luitenant der dd. Schutterij; G. Bijdendijk, Kapitein der dd. Schutterij; P. Fangman, 2e Luitenant der dd. Schutterij ; P. Giesbergen, 2e Luitenant der dd. Schutterij ; A. C. van der Hoop, 2e Luitenant der dd. Schutterij; E. J. de Jong, 2e Luitenant der dd. Schutterij; A. Eobertson, 2e Luitenant der dd. Schutterij; J. Wolff, 2e Luitenant der dd. Sehuttery, allen te Eotterdam; — F. de Fremery, 2e Luitenant der Artillerie; A. H. Eink, le Luitenant der Infanterie; H. N. de Wilde, 2e Luitenant der In-fanterie-Schutterij, allen te Utrecht; — A. H. J. Duym, le Luitenant der Cavalerie; W. Witsen Elias, 2e Luitenant der Cavalerie, beiden te Venlo; en C. Schroder, 2e Luitenant der Infanterie N. I. leger, te Voorburg.

Hierna wordt overgegaan tot de verkiezing van een Voorzitter, uit het voltallig bestuur, ingevolge artikel 18 van het Eeglement.

De uitslag der stemming is, dat, met 29 van de 30 uitgebrachte stemmen, tot Voorzitter wordt benoemd, de generaal C. M. H. Pel.

De Voorzitter: Generaal Pel! ik geloof de tolk te zijn van de geheele Vereeniging, als ik haar zelve gelukwensch, een man als u tot haren Voorzitter te mogen hebben. Onze Vereeniging verkeert in een bloeienden toestand, zoowel financieel als intellectueel. U, generaal Pel, is in de militaire en letter-

-ocr page 7-

55

kundige wereld op de uitstekendste wijze bekend, hetwelk ons ten waarborg strekt, om in U weder een Voorzitter te begroeten, in wiens handen de zaak onzer Vereeniging zeker uitmuntend is toevertrouwd.

Ik verzoek thans den heer Pel den voorzittersstoel wel te willen innemen.

De Heer Pel. Het zij mij vergund mijn dank uit te spreken, aan U allen mijne Heeren, voor het blijk van in mij gesteld vertrouwen, door mij in de vergadering van den 5en November jl. aan te wijzen voor het vervullen van eene vacature in het Bestuur dezer Vereeniging; en dien dank ook verder uit te strekken voor Uwe thans op mij uitgebrachte vereerende keuze, om in dat Bestuur als Voorzitter te fungeeren.

En toch, ik mag het niet ontveinzen, in weerwil van het door Uwe keuze mij geschonken vertrouwen, is het niet zonder schroom dat ik mij de eer geef mij die keuze te laten welgevallen.

Maar al te zeer toch — waarom zou ik het verzwijgen — is het mij bewust dat ik in kennis op het gebied van wetenschap in het algemeen ver achtersta bij de achtenswaardige mannen, die tot heden, als Voorzitter, met zooveel oordeel en tact uwe vergaderingen hebben geleid.

» Nochtans, in de rede, door den laatsten dier Voorzitters, in de vergadering van den 30sten April dezes jaars, als afscheidswoord aan ons gericht, werd hulde en dank gebracht aan U allen, mijne Heeren, voor de medewerking den Voorzitter in de uitoefening zijner functiën steeds verleend; aan het Bestuur voor de wijze waarop diens leden hem in de vervulling van zijne verplichtingen altijd hebben gesteund; en inzonderheid aan den Secretaris voor de bereidvaardigheid, waarmede deze den Voorzitter steeds in al\' diens verrichtingen en bemoeiingen heeft terzijde gestaan.

Welnu, ik durf my eenigszins vleien dat ook mij die welwillende medewerking zal ten deel komen en ik daarmede tegemoetkoming en verlichting zal aantreffen bij het vervullen van de taak als Voorzitter mij opgelegd. Alleen het vertrouwen hierop kan den schroom, waarmede ik de taak op mij neem,

-ocr page 8-

50

zooal niet geheel wegnemen, dan toch aanmerkelijk verzwakken.

Van mijne zijde, ik vertrouw het behoeft geene verzekering, zal steeds het streven zijn met U meê te werken om den bloei, waarin de „Vereeniging ter beoefening van Krijgswetenschapquot; zich reeds zoovele jaren mag verheugen, te bestendigen.

En na dit woord, mijne Heeren, beveel ik mij aan in Uwe vriendelyke welwillendheid en geef ik my de eer het Voor-zittcrschaj) te aanvaarden.

(Toejuichingen).

De Voorzitter. Ik geef thans het woord aan den heer Van der Wal, tot liet houden zijner voordracht over „paardenfokkerij en remonteering.\'quot;

De heer W. Gr. Van dkr Wal, paardenarts 2lt;1|! klasse, houdt de volgende voordracht:

De Heer Van der Wal.

Mijne Heeren!

\'t Was niet dan met den meesten schroom, dat ik de ver-eerende opdracht aanvaardde van ons bestuur, om deez\' avond bovengenoemd onderwerp te bespreken.

Hier toch waar zooveel mannen van erkende bekwaamheid, zoowel als sprekers en als schrijvers, met en voor U, onderwerpen hebben behandeld, zoo dierbaar voor het vaderland, kom ik tot U met het eenvoudig onderwerp het paard.

Verdient dat paard Uwe aandacht? Zeer zeker Mijne Heeren, daar waar de vuurwapenen met vrucht den vijand bestrijden, daar waar door de dapperheid van officieren en manschappen, de overwinning verzekerd wordt, daar zeer zeker komt ook een gedeelte daarvan toe aan het paard.

Heeft men voordeden behaald, en is men niet in staat ze te bestendigen of den vijand te achterhalen, door dat het paard niet goed geoefend en goed gevoed is, dan is de strijd gelijk dien van een blinden man tegen een ziende. Sta my toe dat ik begin een idee te geven van het paard naar de typen, die men onderscheidt :

-ocr page 9-

57

le. Type: Etendue de contraction, gebouwd op snelheid.

2e. Type: Intensité de contraction, gebouwd op kraobt.

Het eerste type geschikt voor cavaleriepaard , \'t tweede voor artilleriepaard.

Bij \'t le Type heeft men :

Hoofd lang, licht en fijn, voorhoofd plat, oogkuilen breed, oog vrij.

Hals lang, plat, bovenvlakte soms wat korter dan de ondervlakte ; wordt de eerste te kort, zoo draagt het paard den neus in den wind.

Schoft hoog, niet vleezig en geleidelijk in den rug overgaande, de schoftschouderspier, die de schouders aan de schoft verbindt, langer zynde, geeft meer snelheid, omdat ze toelaat dat de schouder meer naar voren wordt bewogen.

Uur/ recht.

Lendenen recht en wat lang; de lendenspieren dun, maar goed verbonden met het kruis.

Knds lang, horizontaal, de billen voorzien van droge spieren in een punt eindigende.

Heupen vooruitspringend, laag, doch waardoor de spieren, die zich bij het heiligbeen vasthechten, nog lang zijn.

Staart recht met het kruis en fijn.

Bijen gespierd, breed en lang.

Schenkel lang en plat, pezen dun maar vry.

Sprongyewrichten plat, de beenuitsteeksels geprononceerd, punten der spronggewichten naderen de vertikaal, waardoor ze wat recht worden en hun meer lengte geven.

Pijpen soms lang en plat, been zelf klein en de pezen droog, hard en vrij, waardoor breedte by de kogels ontstaat.

Kogel soms klein , maar breed, als de pezen van het gewricht verwijderd liggen.

Koot klein en lang, niet ondersteund, dan ontbreekt hier kracht, liij is dan langgekoot, maar zijn de spieren stérk genoeg, dan heeft het paard snelheid.

Schouder lang en schuin, droog en plat, daardoor veel beweging toelatende.

Opperarm lang en gespierd, plat, zijne richting van de punt

-ocr page 10-

58

van den schouder tot den elleboog moet zooveel mogelijk tot de vertikaal komen om het vooruitwerpen van het been zooveel mogelyk in de hand te werken.

Onderarm en elleboog. Onderarm lang, de spieren hoewel dun zijn pezig.

Knie plat, niet van de vertikaal afwijkende is wat nauw.

Kogels en Kooten als bij de achterbeenen, lang en klein.

Borst diep van boven naar beneden, van voren naar achteren en niet breed van voren.

Buik lang van boven naar beneden, van voren naar achteren, ribben plat.

2e Type : Intensité de contraction.

Eoofd breed en zwaar. Wangen en kaken zwaar en gespierd, aanzetting van hoofd en hals breed, de ruimte voor de oorspeekselklier minder vrij.

Hals kort, spieren zwaar, bovenste halsvlakte meer lang dan de onderste.

Zijn achterste gedeelte is breed, soms slechts één makende met de schouders.

Schoft kan hoog zijn, maar moet altijd breed zijn. De schoft-schouderspier, die den schouder aan de schoft verbindt, is sterk en kort, laat weinig snelheid toe, maar gemakkelijk te herhalen.

Rug horizontaal, sterk gespierd, kort.

Lendenen kort, breed en sterk gespierd.

Kruis breed, horizontaal, kort, billen sterk en afgerond.

Reupen geprononceerd, sterk gespierd.

Staart basis kort en sterk.

Billen sterk, zeer gespierd, rond en kort.

Schenkel kort en afgerond, pezen sterk en kort.

Spronggeicrichten breed, vooral in de pezen, de punt van het spronggewricht sterk en geeft het meeste, breedte aan de geleidingen.

Pijpen kort en rond, \'t been is dik en de pezen sterk.

Kogel rond en zwaar, pezen niet zoo vry als bij het paard met étendue de contraction.

Koot sterk en kort, aan voorbeen zoowel als aan achterbeen.

-ocr page 11-

59

Schouder schuin, maar minder lang en meer gespierd, laat ook minder beweging toe.

Opperarm kort en gespierd, de richting van de punt van den schouder naar den elleboog is minder vertikaal, waardoor de spiersamentrekking minder uitgestrekt is, maar intenser.

Onderarm en elleboog zijn kort, maar zeer gespierd , hunne pezen zijn breed en rond. Elleboog minder vrij van het lichaam, spieren korter en zwaarder.

Knie breed, van den eenen naar den anderen kant.

Pijpen kort en rond, pezen niet vrij , kor/els zwaar, kooien kort en sterk.

Borst breed en sterk gespierd, daarom niet meer capaciteit hebbende dan de andere.

Buik kort, laatste ribben kort en afgerond, wat grooter volume geeft.

Behalve deze verschillen in de twee typen, is er ook verschil in den afstand der beenen, zoo aannemende voor den normalen afstand, het getal 16, dan is bij \'t type Etendue de contraction de afstand van voor- tot achterbeen 14, en van voorbeen tot voorbeen 2; terwijl bij het tweede type de afstand is van voor- tot achterbeen 12, maar van het eene voor- tot het andere — 4, zoodat men dan ook twee verschillende parallelo-grammen krijgt.

Derhalve, waar de afstand bij dat type tusschen voor- en achterbeenen het grootste is, en kleiner tusschen het eene en andere voorbeen, is de snelheid het grootst en de weerstand het kleinst; terwijl \'t type waar die afstand kleiner is tusschen voor- en achterbeen en grooter tusschen het eene en \'t andere voorbeen, minder geschikt is voor snelheid, maar meer om een grooten weerstand te overwinnen.

Zoowel aan \'t eene als andere type heeft het leger behoefte, en daar bij het aankoopen van vier- en vijfjarige paarden, dikwijls voorkomen gebrek aan kracht, volharding en beengebreken, zoo verdienen de pogingen, om jonge paarden van driejarigen leeftijd te koopenen ze in afzonderlijke depots optevoeden, groote waardeering, daar in dezelve de jonge paarden aan één krachtig, zelfde régime gewend raken en zoodoende beter in

-ocr page 12-

60

staat zijn, gauw in dressuur geuomen te worden en te volbrengen wat men er van eisclit.

De wijze, waarop men die jonge paarden krijgt, is zeer verschillend; in sommige landen als Duitscliland, worden ze voor een gedeelte geleverd door de stoeterij, voor een ander gedeelte gekookt door de remonte-commissiën op de markten in het land zelf.

Andere landen remonteeren zich uit het buitenland zooals Nederland, Zwitserland, België, Engeland gedeeltelijk , en waar men tegenwoordig ook in die landen zich tracht te voorzien met eigen middelen, verdienen die pogingen groote ondersteuning. 1°. Omdat het geld in \'t land blijft; 2°. dat de paardenfokkerij vooruitgaat; 3°. dat men in oorlogstijd niet afhankelijk is van den vreemde; 4°. omdat de kennis van het paard bij de bewoners vermeerdert.

Frederik Wilhelm III is de grondlegger van deze denkbeelden, de generaal Boyen ondersteunde deze, zoodat wij dan ook in 1816 vermeld vinden: „de oprichting van depóts, die eigendom van het rijk waren.quot;

In Duitschland heeft men tegenwoordig veel zulke depóts, verschillend ingericht naar hunne grootte.

Aan het hoofd staat een burgerambtenaar met titel van administrateur, die tegelijkertijd verstand van landbouw en paarden heeft.

Aan dezen zijn toegevoegd 1°. verschillende inspecteurs belast met de exploitatie, 2°. een boekhouder die tegelijkertijd secretaris is.

Deze allen zijn oudgedienden in aanmerking komende voor een burgerbetrekking, die aangesteld worden op proef, en daarna benoemd voor het leven.

Voor de verzorging en behandeling een paardenarts uit het leger; naar de grootte van het depót twee of meer.

De paardenartsen hebben onder hen, voedingmeesters, deze weder knechts, wier tractement stijgt met hunnen diensttijd.

Allen hebben vrije geneeskundige behandeling, behalve de administrateur; dan vrije woning en in gebruik een stuk grond. Sommige dépots hebben twee of drie landhoeven in exploitatie,

-ocr page 13-

61

verbouwen haver, graan etc., weiden beesten vet, die verkocht worden, etc. etc.

Het ration voor de paarden is 3 kilo haver, 5 kilo hooi en 6 kilo stroo.

De stallen zijn zoo eenvoudig mogelijk ingericht; ze grenzen aan elkaar, hebben een breedte van 12—14 Meter op 18—20 lengte, en bevatten ieder 15 a, 20 paarden.

De paarden blijven zooveel mogelijk buiten, in een omrasterd gedeelte, dat met de stallen communiceert.

De dieren zijn geheel onbeslagen, de voeten worden om de maand nagezien, de paillasse bedekt den geheelen grond, en hoopt zich op, doordat iederen morgen een stroolaag er bij gedaan wordt.

De luchtverversching heeft plaats door openingen tusschen de muren en \'t dak of door gemaakte gaten in de muren.

De deuren geven toegang tot de open plaats. De zolder bergt de fourage. De paarden eten de haver uit ruwe bakken, hooi en stroo zijn uitgeschud in kleine hoopen op de paillasse. Ziekenstallen afzonderlek.

In \'t midden van iederen stal is een paal waaraan een bord, waarop vermeld wordt: de naam, het signalement en de nom-mers der paarden alsmede het regement.

Sommige dezer dépots hebben een 200-, 250-, 300-tal paarden, uit de beste dezer kiest de remonte-commissie een zeker aantal, waaruit de officieren kunnen kiezen hun eigen aan te schaffen paarden of hun chargenpaard, dat ze krijgen.

Remontedepóts zijn noodzakelijk voor een land, dat in tijd van vrede en oorlog materiaal wil hebben waar het op rekenen kan, zelfs Engeland, het paardenland bij uitnemendheid, denkt er heden ook sterk aan, daar gebleken is dat bij de laatste oorlogen, de remonte-commissie niet dan na lang reizen een behoorlijk aantal paarden kon vinden, geschikt voor de diensten.

Nederland heeft in de laatste jaren den maatregel genomen om de artillerie van inlandsche paarden te voorzien , en hoewel de resultaten nog niet zijn, zooals men zou wenschen, lijdt het geen twijfel, of na eenigen tijd als ook de paardenfokkerij hier verbeterd is, zal men slagen.

-ocr page 14-

62

PAAEDENFOKKERIJ.

Zoo menigmaal -wordt door iedereen een paardenfokkerij opgezet, alsof geen wetenschappelijke kennis daarvoor vereischt wordt, en velen hebben dan ook al dit duur moeten boeten, door hunne fokkerij op te heffen, omdat ze geen resultaten gaf.

Wanneer men wil fokken hebbe men:

1°. Een doel.

2°. Bij de paring houde men zich aan het inlandsch ras, is het bedorven, aan oordeelkundige kruising; geen rassen kruisen die te veel in type verschillen, waarvan bodem, weide, lucht etc. te veel verschillen.

3°. By paring zij men bekend met de afkomst en de eigenschappen der ouders.

4°. Voor de paring kieze men gezonde , krachtige dieren op bijna of geheel volwassen leeftijd.

5°. Lette men er op dat de dieren eigenschappen bezitten, die men wenscht, dat hunne nakomelingen zullen overnemen, in verband met den daartoe vereischten lichaamsvorm.

6°. De jonge dieren gewennen aan voeding, opvoeding, oefening, verzorging, overeenkomstig de middelen en de invloeden.

Dit laatste vooral; de toekomst van een goed paard zit hem in \'t eerste jaar; haver gevoederd in het eerste jaar, rendeert zeker voor het volgend leven.

Onoordeelkundige kruising heeft reeds vele rassen bedorven; daar waar men zoo klakkeloos het bloedpaard ingevoerd heeft, zonder dat het ras nog geschikt was voor die kruising, heeft men nooit goede resultaten gehad. Een der grootste Duitsche paardenfokkers zegt: Volbloed is Gift, dat homoeopatisch gebruikt wonderen doet, allopatisch benadeelt. Voorbeelden daarvan: Oldenburg en Mecklenburg.

Stoeterijen en landsfokkerijen trachten steeds zooveel mogelijk materiaal te fokken, dat weinig uitschot levert.

Om goed te fokken kieze men 1°. goede fokdieren van een zelfde type of dat niet te veel van elkaar verschilt, en verplege ze goed. 2U. Voede men de veulens goed op; fouten, die men hierin begaat, zijn noch door voeding, noch door verpleging goed te maken.

-ocr page 15-

63

Voedt men goed fokmateriaal sleclit op, of slecht fokmate-riaal goed, beide geeft niets; zoo is het niet vreemd te hooren, dat men van de bruine fokt omdat men de zwarte niet mag lijden; dat men met den zwarte fokt omdat men den vos niet uit \'t tuig wil nemen, of dat een merrie te goed is voor den vilder, te slecht om te werken, maar dat men er nog wel een veulen van kan trekken; is dat idee van fokken ? immers neen; en daarom is het dan ook niet te verwonderen dat men op markten een mengelmoes van ongerechtigheden vindt.

Om derhalve zooveel mogelijk voor dwalingen behoed te zijn, doe men het volgende:

1°. Men wete wat men wil fokken. 2°. Neem fokmateriaal dat constante eigenschappen bezit, in overerving vaststaat, door verschillende geslachten bewezen, ditmaal wat betreft grootte, breedte, beenderen en kracht. 3°. Uit deze de beste.

Tot het verkrijgen van veulens behoeft men een hengst en eene merrie; helaas bestaat in Nederland de vergunning dat iedereen een hengst mag houden, zoodat alles dekt; ik wenschte dat de Staat bepaalde, dat iedere hengst, die ingevoerd werd, door een commissie uit de streek werd beoordeeld.

Zij, die uitgaan naar een streek om hengsten te koopen, laden op zich de zwaarste taak, die bestaat, om reden dat als de gekochte hengst niet goed is, het geheele paardenras bedorven wordt; schafte men zoo\'n hengst dan maar dadelijk af, dan was het nog wat, maar dat doet men niet. Het koopen van een hengst is zeer moeilijk, daar men licht ingenomen wordt door zyn geschreeuw, vuur, steigeren, springen etc., en zoo gebreken over \'t hoofd ziet.

Bij het koopen van een hengst heeft men te letten: 1°. Op de verhouding in maat, de lijn, die getrokken wordt van het bovenste punt der schoft tot onder aan de borst moet gelijk zijn aan de lijn, die getrokken wordt van het ondereinde der borst tot aan den grond; de lijn, die getrokken wordt van de boeg tot achter aan de billen, gelijk aan de geheele hoogte van het paard; de lyn getrokken van tusschen de ooren tot einde schoft, grooter dan de lijn van daar tot aan den staart. 2°. Op erfelijke gebreken, als kolder, maanblindheid, piepende

-ocr page 16-

(34

damp, dampigheid, hoef kreupelheid, spatten , overhoeven, slechte hoeven en gangen.

3°. Op de Meur. Geen hengsten met witte aohterbeenen of sokken, daar het wit zich zoo sterk overplant, en men daardoor enkele kleuren, als bruin, zwart, miskleurig maakt.

4°. Op de grootte. De hengst niet te groot; afhankelijk van de grootte der meniën van de streek; voorbeelden bestaan er b.v. van den hengst Carmignac, die een maat had van 1,67, dat alle veulens een krommen neus hadden.

Verder moeten hengsten werken buiten den dektijd, niet blijven staan den ganschen dag, waardoor ze wel slechte gewoonten, als kribbenbijten, kribbenzetten etc. leeren, in de knieën gaan staan etc. etc.

Op tentoonstellingen geen hengsten bekronen, die het niet verdienen ; prijzen geven omdat men eenmaal een prijs heeft om te geven, deugt niet; daardoor worden de landbouwers op een dwaalspoor gebracht daar ze naar een hengst gaan , die eigenlijk niet goed is.

In het algemeen geen hengsten paren, die dezelfde gebreken hebben als de merriën etc. etc.

Ook keuring van merriën is wensohelyk; alles in eens gaat ook niet, eerst maar gezorgd voor goede hengsten, deze toch dekken in één jaar 50, 60—100 merriën; slechte kunnen er daarom evenveel bederven.

Verder de beste merriën niet verkoopen en de veulens, die geboren worden, haver geven, goed verzorgen, maar geen honger laten lijden.

Nemen wij alzoo het eene en andere samen, zoo zien wij dat remonteering en paardenfokkerij in een land nauw met elkaar in verband staan, zij verdienen daarom alle aandacht en ondersteuning van den Staat; daar waar de fokkerij vooruitgaat, is de afzetting der producten gemakkelijker, kan de Staat zich remonteeren, etc. etc. Derhalve hoop ik, dat van de zijde der landbouwers de pogingen, die door het Ministerie van Oorlog in \'t werk gesteld worden om de fokkerij aan te moedigen, zullen gewaardeerd en gesteund worden, opdat de Nederlandsche paardenfokkerij een hoogte bereike, tot roem van het land, tot groot voordeel zijner bewoners.

-ocr page 17-

65

De Vookzitïek: De onderwerpen, door den heer Van der quot;Wal ter behandeling aangekondigd, bevatten ontegenzeggelijk voor het leger, zoowel op économisch als op krijgsgebied, vraagstukken van den meest gewichtigen aard. Toch bleven zij tot heden in deze vereeniging buiten beschouwing. Het denkbeeld om ze in onze vergadering in te leiden, verdient te worden toegejuicht, en daarom mogen we den heer Van der Wal, die in deze het initiatief heeft genomen, onzen dank niet onthouden.

Hoezeer van sprekers voordracht niet kan gezegd worden dat zij volkomen heeft beantwoord aan wat het opschrift „Paardenfokkerij en remonteeringquot; beloofde, meen ik den spreker toch, namens de Vergadering, te mogen dankzeggen voor de mede-deeling van de gezichtspunten, door hem als resultaat van zijne studie over die onderwerpen verkregen.

Ik durf vertrouwen dat in de Vergadering veel opgewektheid zal bestaan om het nut der verhandeling over de zeker nog niet uitgeputte onderwerpen, door discussie, het geven van, en het vragen om toelichtingen, voor ons allen te verhoogen.

Het zal mij aangenaam zijn, aan de he eren, die dit mochten verlangen, het woord te verkenen.

De heer van Reigersberg Versluijs;

Mijnheer de Voorzitter. Vergun mij naar aanleiding van de voordracht van den heer Van der Wal nog een paar opmerkingen omtrent Remonte-depots.

Ik had wel gewenscht — en velen wellicht met mij, dat de spreker, omtrent dit onderwerp, dat nu juist eene kwestie van den dag is, wat uitvoeriger mededeeiingen hadde verstrekt. Hij heeft evenwel deze zaak slechts ter loops aangeroerd, en toch komt het my gewenscht voor, vooral bij één punt — de weide-kwestie — nog een oogenblik stil te staan, en wel, omdat velen hier te lande in den waan verkeeren, dat bij een remontedepot weiden noodig zyn. Dit is volstrekt niet het geval.

Door toevallige omstandigheden was ik in de gelegenheid hieromtrent de wijze van handelen in het buitenland en het daar verkregen resultaat — evenals van meer andere bizonder-heden , de Remonte-depots betreffende — van nabij te leeren

-ocr page 18-

66

kennen en •wensch daarover het een en ander nog mede te deelen.

Sedert 1870, dus gedurende 15 jaren, wordt in Duitschland in geen enkel remonte-depot meer geweid, dan alleen bij ziekten; dus als geneesmiddel.

Wel moet daar volgens de voorschriften van Mei tot September gras gevoederd worden, doch ten gevolge van den hevigen tegenstand der vakmannen onttrekt een ieder zich hieraan ; zoo o. a. was ik dezen zomer in een remonte-depot, waar men eerst op het einde van Juni was begonnen met gras te voederen; om hiermede na eenige weken , onder voorwendsel van gebrek aan gras, weder te eindigen.

Daar is slechts vrije loop in en buiten den stal, met droog-voeder de leuze, en men bevindt er zich uitstekend bij. In Oostenrijk-Hongarije waar men 2- en 3-jarige remonten heeft, worden alleen de 2-jarige paarden geweid; de 3-jarige niet.

Zoo weiden o. a. in het remonte-depot te Fiber in Stiermarken de 2-jarige paarden in de groote Alpenvlakten.

Dit remonte-depot ligt gedeeltelijk open, gedeeltelijk besloten.

Opmerkenswaard is vooral dat men daar de jongste remonte — de 2-jarigen — in het open gedeelte plaatst en wel, omdat deze des winters voor den zomer gehard moeten worden.

Dit is daar noodig, omdat deze dieren, des zomers in de open Alpen-vlakten weidende, alsdan meermalen door hevige sneeuwstormen worden overvallen. Door deze methode van harden kwamen ziekten in de laatste jaren niet meer voor.

Ziet men die paarden des winters te Piber in het depot, dan gelijkt het haar veel op schapenwol en het verschijnsel doet zich voor, dat zij in het begin van Maart reeds geheel verharen, zoodat zij in het midden dier maand even glad in het haar zijn als onze paarden midden in den zomer.

Ik heb gemeend dat het niet ondienstig ware het bovenstaande mede te deelen, omdat ik overtuigd ben, dat deze belangrijke bizonderheden niet algemeen bekend zijn.

De heer Van der Wal. Wat de geachte spreker gezegd heeft, is volkomen waar. Ik heb het woord weiden gebruikt zonder er iets by te voegen. Maar als men veel in het hoofd heeft,

-ocr page 19-

67

gaat er wel eens iets voorbij. Mijn doel was ook geenszins dat de paarden van drie jaren moesten weiden. Als men een remontedepot begint, dan zeker zal men niet aanvangen met het weiden van de driejarige paarden.

quot;Wat de andere onderwerpen betreft, de inrichting van de remonte-depots, waar de paarden veel buiten zyn, kunstmatige drinkputten , 6—8 weken groen voeder bekomen, groen voer, dit alles was mij ook bekend, doch ik meende, niet in al te veel bijzonderheden te moeten komen.

De heer Hinze. Niettegenstaande het goede en vele wetenswaardige, dat wij zoo even gehoord hebben omtrent paardenfokkerij en remonteering, meen ik toch te moeten opmerken, dat het daaraan voorafgegane, n.1. de beschouwing van het paard, door spreker in vele opzichten onvolledig en soms ook onjuist is behandeld.

In de eerste plaats toch werd door den spreker een veel te groot gewicht gehecht aan bouw en vorm van het hoofd en zijne onderdeden. Hoewel van belang, is zulks toch niet van het grootste gewicht bij de keuring van een paard.

Daarentegen zyn vele der voornaamste eigenschappen, die men by een goed krijgspaard verlangt, slechts zeer ter loops besproken of wel daarop niet gewezen. Zoo om slechts enkele te noemen: korte rug, in \'t bizonder korte krachtige lendenen, lang kruis, welk laatste deel toch van zulk een grooteninvloed is op de beweging van de achterband.

Ook deel ik volstrekt niet de beschouwing van den spreker over het artilleriepaard, die, daarin, in tegenstelling van het cavaleriepaard, dat voor snelheid moet dienen, enkel een ^eA-paard ziet, om lasten te bewegen.

Het artillerie\\iamp;%xamp;. moet mijns inziens wel degelijk de eigenschappen hebben van een rijpaard, maar zwaarder gebouwd.

Zoo zijn b. v. een korte rug, korte lendenen, lang kruis evenzeer gewenschte eigenschappen voor een artillerie- als voor een cavaleriepaard. Ten opzichte van het kruis, kan men evenwel dit verschil nemen, dat de breedte daarvan bij het artilleriepaard in de eerste plaats in aanmerking komt en dan de

-ocr page 20-

G8

lengte. Bij het cavaleriepaard daarentegen het omgekeerde.

Verder heeft spreker als een maatstaf voor een goed gebouwd paard aangegeven, dat de hoogte gelijk moet zijn aan de lengte. Zonder daarbij verdere afmetingen aan te geven, is dit geheel onvoldoende.

Beide afmetingen kunnen goed bestaan, terwyl toch rug, lendenen en kruis met elkander niet de gewenschte afmetingen hebben. Zoo kunnen by twee paarden lengte en hoogte gelijk zyn, de een met korten rug en lendenen en lang kruis, de ander met langen rug en lendenen en kort kruis. Beiden zullen alsdan zeer in deugdzaamheid verschillen.

Bij de andere beschouwingen, hebben wij de hoofdzaak gemist, n.1. de groots vraag: welke de aangewezen weg is, en welk paardenras moet gebruikt worden om ons inlandsch paard te verbeteren. G-aarne zou ik spreker nog wel willen verzoeken deze vraag te beantwoorden.

De heer Van der Wal. Ik heb gemeend het besproken punt wel te hebben aangegeven, toen ik sprak van den afstand van het voor- en achterbeen van het cavaleriepaard. Als men afgaat van het getal 16, en 14 gelijkstellende aan den afstand tusschen voor- en achterbeen, en 2 als de afstand tusschen ieder voorbeen, en tusschen ieder achterbeen, terwijl bij \'t andere type de afstand is 12, maar de afstand tusschen het eene en \'t andere voorbeen grooter = 4, dan is de onderlinge afstand van het been grooter en dus ook de breedte in het kruis meer.

quot;Wat het andere punt betreft, zoo kan men voor elke provincie niet denzelfden hengst aanraden. Zoo is bijv. het üldenburger paard zeer goed. Maar niet ieder Oldenburger paard is overal te gebruiken. Men moet met de plaatselijke gesteldheid rekenen.

De heer Hinzb. Met de opgegeven afmeting kan ik mij vrij wel vereenigen, doch deze is, zoo als ik reeds gezegd heb, onvoldoende, aangezien daarbij de ontwikkeling van het kruis zoo verschillend kan zijn, zijnde dit juist van zulk een grooten invloed op de beweging van het paard.

-ocr page 21-

69

De heer Van df.r Wal. Een kort kruis kan zeker toch een behoorlijke breedte medebrengen. Ik ben het overigens eens dat voor een artilleriepaard een breeder en korter kruis goed is.

De heer Van Kuyk. Op het convocatiebiljet wordt behalve van paardenfokkerij ook van remonteering melding gemaakt, \'t Is dus uit den aard der zaak duidelijk, dat ook ik verwacht had, het een en ander, over dit zoo belangrijke onderwerp te zullen vernemen. Tot mijn leedwezen heeft echter de spreker, zich juist over dit deel van zijn onderwerp het minst uitvoerig uitgelaten. Hetgeen wij toch over remonteering vernomen hebben, komt in hoofdzaak hierop neer, dat volgens het oordeel van dezen spreker, voor onze artillerie wèl, voor onze cavalerie daarentegen niet, de gelegenheid bestaat, om het vereischte aantal paarden in het eigen land te vinden.

Is sprekers oordeel juist en zijn die paarden voor de artillerie bestemd, van dat gehalte, dat zij ook in tijden van mobilisatie, plotseling opgevraagd, werkelijk diensten kunnen verrichten, dus niet van die soort, die volgens de door den spreker aangehaalde woorden van Russell spoedig langs den weg blyven liggen, dan stemmen deze woorden reeds bemoedigend.

Toch wenschte ik juist, in verband met het dezen avond door den spreker medegedeelde, nog gaarne een paar vragen tot hem te richten. In de eerste plaats dan of in Duitschland de remontedepots, zich alleen uit het eigen land remonteeren of dat men ook daar, de noodige paarden uit den vreemde moet hebben?

Ik doe deze vraag, omdat de spreker in zyne voordracht, een kort overzicht van de remonteering der Duitsche officieren gaf.

Afgezien van enkele kleine onnauwkeurigheden o. a. dat het in Duitschland, aan de officieren toegestaan zou zyn, rijkspaarden tegen betaling over te nemen, deelde spreker mede dat eene zekere categorie officieren, alle 5 jaren recht had, op het gratis ontvangen van een paard uit die depots. Uit deze mededeeling moet ik afleiden, dat het de bedoeling was , hierdoor aan te toonen, welke goede resultaten goed ingerichte depots kunnen opleveren. En aannemende dat dit juist is, kom ik

1885/86. 6

-ocr page 22-

70

van zelf tot de vraag: of men door een eventueel bij ons op te richten depot, diezelfde resultaten zou mogen verwaoliten, wanneer men zich daarby tot het aanschaffen van inlandsche paarden bepaalde of dat men dan toch tot den aankoop van buitenlandsche paarden zijn toevlucht zal moeten blijven nemen?

M. a. w. zal het dus mogelijk zijn, bijv. door eene samenwerking van de regeering en de paardenfokkers, ook in ons land paarden te bekomen, voor de cavalerie geschikt en zullen die paarden de noodige gegevens bezitten, om als oflicierspaard te worden aangekocht?

De heer Van der Wal. De vraag hoe men de remontedepots kan voorzien, hangt van verschillende omstandigheden af.

Oost-Pruisen kan zich voor een groot deel uit zijn eigen provinciën bedruipen; voor een ander deel moet men ze van andere plaatsen hebben. Beieren haalt zijn contingent uit Duitschland Engeland haalt zijn paarden voor een deel uit Frankrijk; van de 3000 paarden in 1872 benoodigd, kwamen 1500 uit Prankryk.

Wat ons betreft, wij kunnen onze artillerie remonteeren uit ons eigen land, mits men maar zorge dat de commissiën met den aankoop belast, 8 a. 10 dagen worden uitgezonden vóór de markten aanvangen.

Voor de cavalerie moeten wij onze toevlucht tot het buitenland nemen; tegenwoordig hebben wij lersche paarden en ik geloof, dat dit wel bevalt.

Met de paardenfokkerij gaan wij wel vooruit; ik geloof dat het wenschelijk zal wezen het Mecklenburger paard in te voeren en daarmede onze depots te voorzien.

De heer Van Kuijk.

Heb ik U dus goed begrepen, dan is het Uwe zienswyze, dat indien wij in tyden van mobilisatie paarden noodig hebben — en dit aantal is niet gering — wij die in het eigen land zeer goed voor de artillerie, doch niet voor de cavalerie kunnen verkrij -gen en dat daartoe althans vooreerst weinig kansen bestaan ; waaruit ik dan tevens moet afleiden, dat voor het groot aantal officiers-paarden by mobilisatie plotseling noodig, de stof niet aanwezig is.

-ocr page 23-

71

De heer Van dee Wal. Gelijk ik gezegd heb, kunnen wy voldoende paarden hebben voor de artillerie, maar daaruit volgt nog niet, dat wij al onze officieren daaruit zullen kunnen voorzien.

De Voorzitter. Wanneer thans niemand meer het woord verlangt, dan sluit ik onder dankbetuiging aan den spreker en aan de Heeren, die aan het debat hebben deel genomen, de vergadering.

Be Secretaris,

Gr. ÜST. H. Schultz van Haegen.

-ocr page 24-
-ocr page 25-
-ocr page 26-
-ocr page 27-

11