Hollandsch-Friesch Vee
IN
SCHAGEN,
J. WINKEL.
1887.
Prijs f ü.:{0.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
3088 824 6
WENKEN OVER DE TERZOEGING
VAN
HollaiiftsGli-FriescheeiiAierila,
BEKROOND ANTWOORD (Ie Prijs), op eene Prijsvraag van de „Hoistein-Friesian Association of Americaquot;,
DOOR
Tjisse M. Koldijk.
(Uit het Engelsch vertaald.)
„Breeding of Holsteiu-Frieaian cattle1), tlie Selection of Sires, and their care during the season of service, to the end that they Transmit to their Offspring Health, strength, and Superior Milking and other desirable qualities. Also suggestions on the care and feeding of calve.s.quot;\'
Oorsprong van het Holsteinsch-Friesche vee.
Het Holsteinsch-Friesche vee, zooals het nu genoemd wordt, is afkomstig uit de laaglanden van Holland, waarin tegenwoordig de provinciën Friesland en Noord-Holland gelegen zijn. Plet stamt hoogst waarschijnlijk af van den //Oerosquot;, het wilde vee, dat eertijds in quot;Noord-Europa werd aangetroffen. De Friezen, een Germaansche stam, die zich voor omstreeks 2000 jaar in Holland vestigde, bezaten groote kudden van dit vee, dat des zomers graasde in de vruchtbare weiden; des winters, als deze weiden o\'ider water liepen, trokken zich de eigenaars
1
De Ameiikanen houden hardnekkig vol, ons vee Holsteinscli-Friescli te noemen, hoewel üij erkennen dal de naam minder juist is en het beter ware van Hollandsch-Friesch vee te spreken. Het Holsteinsch-Friesch vee heeft nu eenmaal een zeer goeden naam in Amerika en daardoor is ieder eigenaar huiverig een anderen minder bekenden naam voor zijne waar te kiezen.
(De vertaler.)
4
met hun vee terug naar de hooger gelegen woud-landen. Toen het land meer bevolkt werd, namen andere stammen bezit van deze hoogere landen, het lagere land over latende aan de Friezen met hun vee. Nu dwong de nood de Friezen een werk te verrichten, dat zelfs door de tegenwoordige geslachten wordt bewonderd en toont, wat gedaan kan worden door volharding en eendracht. Met hunne gebrekkige werktuigen slaagden zij er in, heuvels op te werpen van somtijds een mijl in omtrek en hoog genoeg om beveiligd te zijn tegen het water.
Op deze hoogten (terpen) bouwden zij hunne dorpen en verzorgden zij hun vee gedurende den winter. Daar weinig anders kon worden verkregen, waren de Friezen genoodzaakt des zomers hooi te verzamelen voor hun vee om het des winters daarmee te voeden en zoo vinden wij in het begin der Christelijke jaartelling in de laaglanden van Holland vee, onder dak gebracht en gevoed. Deze buitengewone zorg gedurende den winter en de uitstekende weiden gedurende den zomer, hadden eene gunstige uitwerking op het vee en het muntte weldra boven dat van de omliggende landen uit in grootte en lichaamsbouw.
Toen Noord-Europa uit den toestand van bar-baarschheid te voorschijn trad, werd Holland beroemd om zijn vee en zijn zuivel, want hoewel de bescha-
5
ving aan Holland dijken en windmolens gaf, en het water zoo binnen zijne perken gehouden werd, bleef het land een laag land, te laag en te nat om van groote waarde te zijn voor den landbouw.
Gestadig aan ging het zwartbonte vee vooruit, tot het hooge punt van uitnemendheid werd bereikt, waarop het nu staat; men moet echter erkennen, dat het succes meer is toe te schrijven aan eeuwen van zorg en voor zijne ontwikkeling buitengewoon gunstige omstandigheden, dan aan wetenschappelijke fokking. De meeste Ilollandsche veefokkers hebben zelfs heden ten dage slechts zeer weinig kennis van de meest eenvoudige regelen der kunst om vee te fokken. Sedert eeuwen echter hielden zij het beste vee voor zich zelve, eenvoudig omdat zij wisten, dat dit de beste winsten afwierp en zij hielden de beste bullen voor hunne beste koeien, omdat zij wisten, dat deze in den regel de boste bullen voortbrachten en met deze beperkte denkbeelden van veeteelt, slaagden zij er in, koeien voort te brengen, van de beste, die tot heden bekend zijn. Niets bewijst duidelijker de waarde eener stelselmatige veeteelt. De Amerikanen nu hebben in den regel meer kennis van de kunst om vee te fokken dan hunne Hollandsche voorgangers en daar zij stamboeken hebben om hen ten gids te strekken, zullen zij er ongetwijfeld in slagen een soort vee voort te
6
brengen even ver boven het tegenwoordige Holland sch-Friesche vee, als dit staat boven het in-heemsche vee (,/Scrubquot;) der Vereenigde Staten, üm dit doel te bereiken is echter noodig, gezette studie en onvermoeide arbeid voor geslachten in de toekomst.
Het uitzoeken der kudde.
,/Een goed begin is het halve werkquot;. Deze waarheid geldt bij het fokken van vee zoo goed als bij iedere andere zaak. Men moet beginnen met een duidelijke voorstelling te hebben van het dier, dat men wenscht te verkrijgen en dus een bepaald voorwerp op het oog hebben; dit voorwerp moet steeds voor den geest geroepen worden bij het kiezen van den grondslag der kudde. Door zoo te doen en nooit dieren aan te koopen, hoe uitmuntend ook, die niet van het begeerde type zijn, wordt het fokken zeer vereenvoudigd en men is zekerder van een goed succes. Het is veel gemakkelijker een stier te vinden om aan het hoofd der kudde te staan als alle koeien van hetzelfde type zijn; bovendien is het een feit, dat hoe nader de grondslag van uwen veestapel komt bij het ideaal, waarnaar gij streeft, hoe minder gebreken er zullen zijn te overwinnen.
7
Daar zijn evenwel nog andere zaken, die in belangrijkheid opwegen tegen uniformiteit en nimmer uit het oog moeten worden verloren bij het kiezen eener kudde; voor alles dan moet men slechts zulke dieren behouden, die zelve gezond en sterk zijn en afstammen van gezonde en sterke ouders. Het kan buitengewoon lastig zijn, zich van het laatste te verzekeren, maar het is de moeite waard, er zooveel van te weten als mogelijk is. Van ongezond vee kan slechts weinig voordeel verwacht worden, zelfs als het tegen geringen prijs kan worden verkregen.
Daar het Hollandsch-Friesche vee een zuivel vee is, is het een eerste vereischte, de hoeveelheid en de qualileit der melk eener koe té weten.
Als de waarde van het individu als zuivelkoe bewezen is, moet men zich vergewissen wie en wat hare ouders waren en zoo het mogelijk is, wie en wat hare naaste bloedverwanten zijn. Als het dier jong is en nog niet in staat geweest is eenige aanwijzingen van zich zelve te geven, is dit van te meer belang, want al ziet men aanduidingen voor melk en boter bij eene jonge vaars, men kan er niet zoo goed op vertrouwen als bij tot rijpheid gekomen koeien, daar verdere ontwikkeling belangrijke veranderingen kan veroorzaken.
Evenwel moeten deze boter- en melkteekens niet
8
worden verwaarloosd, zelfs als het dier zelve getoond heeft eene zeer goede zuivelkoe te zijn. De koe, met de beste melk- en boterteekens, namelijk, hoekigen vorm, fijn haar, een fijne huid met gelen weerschijn, enz., is te verkiezen boven de koe, die slechts weinig van deze kenteekenen bezit. Hoe zeer de laatste zelve als zuivelkoe met de eerste gelijk moge staan, zal er bij de eerste meer kans bestaan, dat hare nakomelingen goede zuivelkoeien zijn, dan bij de laatste.
De volmaakte zuivelkoe en de volmaakte vleesch-koe kan niet door hetzelfde dier worden vertegenwoordigd, daar de hoogste ontwikkeling tot het voortbrengen van melk en boter de hoogste ontwikkeling tot het voortbrengen van veel vleesch in den weg staat.
Sommige van de beste fokkers van Hollandsch-Friesch vee houden evenwel vol, dat eene groote geschiktheid om melk en boter voort te brengen niet noodzakelijk alle mogelijkheid tot het voortbrengen van goed vleesch uitsluit; sommige van hunne koeien zijn levende bewijzen voor de waarheid van dezen regel.
Ook is er geene reden, waarom dit niet mogelijk zou zijn. Zuivelvee heeft vele punten met vleesch vee gemeen. De beste vleeschkoe, zoowel als de beste melkkoe, moet gezond en sterk zijn en
9
een groot vermogen bezitten om de spijzen te verteren en te assimileeren (in vleesch en vet, enz. omzetten); in beide zijn fijne beenderen en eene fijne huid gewenscht, maar bij de zuivelkoe zullen de achterste deelen altijd het grootst zijn, tengevolge van de grootere spijsverterings- en melkber-gende organen. Dit verhindert haar de meest voor-deelige koe voor den slachter te zijn, maar bewijst niet, dat zij niet in eene voordeelige vleeschkoe kan worden veranderd, als \'t noodig is; want, hoewel zij niet gevuld is in borst en schouders, zal zij met hare breede en vlakke heupen, breeden rug, goed ontwikkelde lendenen en diepe zijden, geschikt zijn een goed beest te worden voor den slachter.
Dit in aanmerking nemende is het den man, die het plan heeft eene kudde van Hollandsch-Friesch vee te vormen, wel aan te bevelen, om ook op de geschiktheid tot vleeschvorming bij het vee acht te slaan, daar toch vetmesten het eenige is, waartoe men vervalt als de koe ongeschikt wordt voor de melkerij of onvruchtbaar is en, zoolang hij de sekse niet kan controleeren, mag hij niet vergeten, dat er ieder jaar stierkalveren worden aangehouden, waarvan het later blijkt, dat men wijzer doet ze tot ossen te maken.
Daar zwart-bont de eenigste verkieselijke kleur is, kan er maar weinig keuze van kleur zijn en
10
het is te hopen, dat de Hollandsch-Friesche fokkers de kleur niet zullen bederven door hun heil te zoeken in donker, licht, gespikkeld of gevlekt vee.
Zeker is verdienste onafhankelijk van kleur, maar het is niet af te keuren, dat de veefokker tracht zijn vee een aanzien te geven, zoo aantrekkelijk mogelijk voor zijne eigene oogen en die van zijn patroons, en als hij eene voorliefde heeft voor zekere vlekken, is hij volkomen in zijn recht met in die richting te fokken, als hij slechts zorg draagl, nimmer denkbeeldige boven werkelijke verdienste te stellen.
Het behandelen der kudde.
Gelijk hierboven is gezegd, is het Hollandsch-Friesche vee meer het produkt van bodem en klimaat, gevoegd bij eene zorgvuldige behandeling, dan van wetenschappelijk fokken. Nu is het wel onmogelijk Hollands bodem en Hollands klimaat naar Amerika over te brengen, maar bij nauwlettende studie kan het menschelijk vernuft deze moeielijkheden overwinnen en kan het vee in even gunstige omstandigheden geplaatst worden als in zijn geboorteland.
Hollands prachtige weiden waren het voornamelijk, die het het zwartbonte vee deden ontwikkelen tot
11
wat het is.
Maar, ofschoon 5Troenvoe(ier) haver, wortelen, enz. bij ons in ruime mate de plaats innemen van gras, behoeft Hollandsch-Friesch vee echter hier, waar klimaat en bodem minder gunstig zijn voor uitstekende weiden, niet te mislukken. Ja, zelfs daar, waar de weiden uitmuntend zijn, is het goed eenige van de bovengenoemde planten te kweeken om tot voedsel te strekken als het gras ontbreekt.
De Hollandsch-Friesche koe is eenvoudig eene verbeterde machine om voedsel in melken boter te veranderen en het is het streven van den boer, de grootst mogelijke hoeveelheid voedsel te doen omzetten in melk en boter, met zoo weinig verlies als mogelijk is.
Zoodra de koe dus minder melk begint te geven, moet zij beter gevoed worden, opdat de hoeveelheid melk weder toeneme. Is de hoeveelheid grof voeder groot genoeg, dan moet hare portie graan worden vermeerderd. Graan of ander geconcentreerd voedsel moet gedurende den geheelen melktijd worden gegeven, want in den regel kan de koe meer verteren, dan zij bergen kan aan grof voeder en daar zij, zoolang zij gemolken wordt, altijd gevoed moet worden tot haar grootste capaciteit, moet een deel van het voedsel in meer geconcentreerden vorm gegeven worden.
12
Veel is gezegd en geschreven over het voeden van vee en een groot aantal proeven zijn genomen, zoodat, hierdoor geleid, iedere veefokker gemakkelijk kan beslissen, welk voedsel voor zijn vee het voordee-ligste is. Dat eene melkkoe steeds zooveel voedsel moet hebben als zij in staat is te verteren, schijnt even duidelijk als dat eene machine de meeste rente afwerpt dan, wanneer zij het meest wordt gebruikt.
Als eene melkkoe niet zooveel voedsel krijgt, als zij kan omzetten in melk en boter, geeft zij niet alleen minder voordeel, als waartoe zij in staat is, maar ook haar melkgevend vermogen voor de toekomst neemt af. In \'t bijzonder is dit het geval bij jonge vaarzen en alles, wat mogelijk is, moet worden gedaan, om de afscheiding van melk en de ontwikkeling der melkbergende organen te bevorderen. Zooals reeds is gezegd, kan door de voeding veel worden gedaan om het melkgevend vermogen te verhoogen. Andere zaken, die grooten invloed hebben op het melkgevend vermogen, zijn, warme stallen en eene goede wijze van melken.
Sommigen hebben van het Hollandsch-Friesche ras gezegd, dat het niet gehard is, terwijl anderen er van hebben beweerd, dat het een van de ge-hardste rassen is, die bestaan.
Hoe dit moge zijn, hij die zeer gehard vee ver-
13
langt, zou beter doen met buffels of vee uit Texas te nemen en zich niet in te laten met eenig verbeterd ras, vooral niet met melkvee. Wie begeert, dat zijn vee den strijd om hel bestaan alleen zal strijden, kan geen beter krijgen, dan dat, hetwelk door de natuur daartoe geschikt is gemaakt. De natuur echter voorziet ons niet van koeien, die ons acht duizend liter melk in een jaar geven of acht kilo boter in een week, want zoo een ding onmogelijk is, dan is het dit, dat eene koe veel melk kan geven, als zij gehouden wordt op eene plaats, waar het kwik beneden nul daalt. Ik geloof, dat het, voor den fokker van welk soort van vee ook, voor-deeliger zal blijken te zijn, te zorgen voor warme stallen, dan de meerdere hoeveelheid voedsel te verschaffen, die zijn vee noodig zal hebben, als het niet behoorlijk is gehuisvest gedurende het koude weer.
Evenwel moet worden erkend, dat van alle soorten van vee het melkvee het meest behoefte heeft aan een warmen stal en wel om de volgende redenen :
1. Van de melkkoe wordt verwacht, dat zij eene groote hoeveelheid melk zal geven en om dit te kunnen doen moet zij voedsel verteren om zich zelve te onderhouden, voedsel om melk voort te brengen en voedsel om haar lichaam op de ge-
14
schikte temperatuur to houden. Wordt zij buiten gelaten in de koude, dan kan zij de hoeveelheid voedsel niet eten en verteren, die zij noodig heeft om deze drie verschillende functiën te vervullen en bij gevolg zal /dj minder melk geven.
2. Als eene koe den geheelen zomer door haar voedsel in melk heeft omgezet, zal zij schraal ia \'t vleesch zijn als de winter komt en dus in veel slechter omstandigheid verkeeren, dan een dier, dat goed in het vleesch zit.
3. De melkkoe zal, ten einde eene groote hoeveelheid melk te geven, een groote hoeveelheid water moeten drinken, die, tenzij gewarmd, eene aanmerkelijke daling van de temperatuur van het lichaam van het dier zal veroorzaken.
Het warmen van het water in den winter, ik ben er zeker van, zal na verloop van tijd algemeen worden, daar het voordeeliger is liet water warm te maken, voordat de koe het drinkt. Door de mindere hoeveelheid voedsel, die door het warmen van het drinken noodig zal zijn, wordt de moeite beloond en wij zullen er nog dit bij winnen, dat de koe al hare kracht kan aanwenden tot het doel van haar bestaan, d. i. tot het voortbrengen van melk.
bovendien, zal het gevaar om verschillende ziekten op te loopen, zeer worden verminderd.
15
De stal, hoewel goed verwarmd, moet niettemin van licht en lucht zijn voorzien, daar licht en lucht noodig zijn om te leven en onthouding er van ziekte cn ongesteldheid veroorzaken zal.
Het zal ook zeer voordeelig blijken, het vee zóó gebonden te hebben, dat het zich in de schuur werkelijk op zijn gemak gevoelt. In sommige stallen zijn de koeien gedwongen onnatuurlijke houdingen aan te nemen, hetgeen dikwijls ernstige gevolgen heeft. Het vee moet zich des zomers en des winters behoorlijk kunnen bewegen. Eene matige beweging is noodig om gezond te blijven en verhoogt het melkgeven door het bevorderen van den eetlust en de spijsvertering. Te veel beweging heeft eene tegengestelde uitwerking, daar het voedsel, noodig om de door de beweging verwoeste cellen te vervangen, getrokken moet worden uit het voedsel, dat de koe opnam en dus minder overlaat voor het vormen van melk. Als het uitvoerbaar is, zou het het best zijn, het vee in den stal te laten, gedurende zeer koude dagen.
Goed melken is van het grootste belang, daar het de melkgevende organen ontwikkelt.
De melk moet zoo snel mogelijk uit de koe getrokken worden, maar tegelijkertijd zoo, dat het dier het aangenaam vindt. Het melken moet op regelmatige tijden plaats hebben, tweemaal daags
16
en als de hoeveelheid melk groot is, vaker.
Een geregeld melkregister van iedere koe moet gedurende het geheele jaargetijde gehouden worden. Wordt daarbij zoo nu en dan een onderzoek naar het botergehalte ingesteld, dan zal daardoor de waarde van ieder register niet weinig worden verhoogd. Houdt ook rekening met het voedsel, den tijd van kalven en andere zaken, die invloed hebben op het voortbrengen van melk en boter. Proeven die het leven van de koe in gevaar brengen en haar nut voor de toekomst bederven, moeten worden vermeden.
Ook moet het dier vooral niet op te jongen leeftijd worden gebruikt voor het voorttelen.
Het dier blijft er klein door, zoodat de waarde van de koe voor de toekomst er zeer door vermindert.
Het is bijna overtollig te zeggen, dat het vee altijd vriendelijk moet worden behandeld en niet moet worden blootgesteld aan opgewondenheid.
De keuze der stieren.
,/De stier is de halve kuddequot; is eene uitdrukking, die men zeer dikwijls hoort onder veefokkers en het bewijst, dat zij wel begrijpen, dat de stieren, die gebruikt worden, voor een groot deel de waarde bepalen van de toekomstige kudde. Een stier, die
17
waard is om bij eene kudde van Hollandsch-Friesch vee te worden gebruikt, moet aan do volgende eischen voldoen:
1. Hij moet sterk en gezond zijn en afstammen van gezond vee.
2. Hij moet afstammen van ouders, die zelve dieren zijn van groote verdienste — de moeder eene goede melk-en botergeefster en de vader een goede springstier.
3. Zijne grootmoeder móet ook eene goede melk-geefster geweest zijn en hoe grooter het aantal is van zijn vooronders en verwanten, die zich hebben onderscheiden, hetzij als meikgeefsters, hetzij als springstieren, hoe grooter zijne waarde zal zijn.
4. Dc stier zelf moet een dier zijn van groote verdienste, toonende al de kenteekenen van de ge-wenschte soort, voorzien van de belangrijkste melk-teekenen cn een groot spijsverterend vermogen bezittende. Als hij fraai gebouwd is en eenen vorm bezit, die vergunt hem vlug en met weinig moeite vet te mesten, is hij van te grooter waarde. (Ik acht het niet noodig hier eene lijst van punten over te schrijven, waarmee ieder die Hollandsch-Friesch vee fokt of er over denkt het te doen, bekend moet zijn.) Natuurlijk moet iedere fokker voor zich zelf bcoordeelen, welke stier het beste past
18
voor zijne kudde. In het bijzonder moet de stier sterk zijn in die punten, waarin zijne kudde het zwakste is.
De stier moet van eene goedaardige natuur zijn. Het valt hard, eene hooge som voor een fokbeest te betalen, als men het na korten tijd weer van de hand moet doen, wegens ondeugendheid. Bovendien hebben zijne kalveren veel kans zijne ondeugden te erven en hebben dus eene geringere waarde.
Ik zou de voorkeur geven aan een rijp dier, dat zelve bewezen heeft, een goede springstier tc zijn. Men heeft dan het voordeel de kalveren van den bul te zien en kan zich een denkbeeld vormen, hoe de stier bij zijne koeien past.
Jonge stieren moeten weinig gebruikt worden, en enkel bij koeien van mindere waarde, tot zij bewezen hebben, zelve goede springstieren te zijn.
Sommige van de eerste verbeteraars van Short-Hom vee, verhuurden hun jonge stieren aan huu buren, en die, welke bewezen hadden goede springstieren te zijn, gebruikten zij later bij hunne eigen kudde. Misschien zou deze wijze van doen gevolgd kunnen worden door sommige van de grootste fokkers van liollandsch-Friesch vee.
Als de stier zoo oud wordt, dat hij zijn kracht verliest, moet hij worden afgedankt.
19
Bij het fokken moet het paren van den stier met zijn naaste bloedverwanten niet in praktijk worden gebracht, want, ofschoon door het wel te doen groot succes is verkregen, is het een bewezen zaak, dat er verlies van sterkte en vruchtbaarheid door ontstaat en zonder deze is de verbetering niet van blijvende beteekenis en daar het doel van het fokken niet enkel moet zijn om dieren te verkrijgen, die zelve uitmunten door goede eigenschappen, maar zulke die op hunne beurt weer dieren voortbrengen van groote waarde, moet iedere weg, die niet tot dit doel leidt, worden vermeden.
Zorg voor den Stier.
Als een stier is aangekocht, moet hij zoo goed mogelijk verzorgd worden, teneinde de beste resultaten te verkrijgen en te maken, dat hij zijne goede hoedanigheden zoolang mogelijk behoudt. Zooals hierboven reeds is gezegd moet de stier, niet veel gebruikt worden, voor hij volkomen volwassen is, daar hij anders klein zou blijven en reeds vroegtijdig zijn kracht zou verliezen. Ook moet er gezorgd worden, dat een stier niet te vaak wordt gebruikt. De spring-stier moet niet al te zwaar in het vleesch zitten. Vet is geen teeken van gezondheid, zooals men
20
r
dikwijls denkt, maar een abnormale toestand Een vette stier, daar gelaten, dat hij, tengevolge zijner vetheid, ongeschikt is om zijn plicht te doen, zal vermoedelijk geene gezonde kalveren verwekken, daar hij zelf niet gezond is.
Als een stier eens zeer vet geweest is, zal hij nimmer geheel zijn vorige kracht terugkrijgen en wordt hij vet gehouden, dan is een vroegtijdig verval van krachten zeker.
De stier moet zich behoorlijk bewegen en die beweging, waarbij hij gedwongen is iedere spier en ieder lid te gebruiken, is de beste. In den regel wordt de stier het geheele jaar door binnenshuis gehouden, daar dit het meest geschikt is. Zijn stal moet aan dezelfde vereischten voldoen, die voor den koestal zijn aanbevolen. Vooral moet er zorg voor gedragen worden, dat deze droog en schoon wordt gehouden. Zijn oppasser moet zijne geaardheid bestudeeren en hem daarnaar behandelen. In den regel is eene zachte behandeling de beste, maar hij moet leeren gehoorzamen. I)it kan men het beste bereiken, door hem een ring door den neus te doen en een stok te gebruiken, als men hem geleidt. Alles wat hem bang maakt, kwelt, ot ver-verbittert, moet worden vermeden. Door hem gere. geld te roskammen en schoon te maken, zal men niet alleen zijne gezondheid bevorderen, maar hem
21
ook een schooner voorkomen geven.
Daar zeer veel stieren geroepen zijn, gedurende liet geheele jaar dienst te doen, is er geen reden, om nu of dan te verminderen, vooral met, omdat verzuim zelfs voor een korten tijd, liet dier bederft voor een veel langeren tijd, somtijds voor zijn leven.
Wenken voor de voeding en verzorging van Kalveren.
De zorg voor het kalf begint zoodra het geboren is, of liever voordat het geboren is, daar verondersteld wordt, dat de fokker alles zal doen wat in zijne macht is, om een gezond kalf voort te doen brengen. Hij zal dan zorgen voor een wel van stroo voorzienen, in afdeelingen gesclieidenen stal. Zoodra het kalf geboren is, is het eerste, waarop gelet moet worden, dat het goed gereinigd wordt; zorgt de koe zelve hier niet voor, dan moet het kalf schoon gemaakt worden, door het te wrijven met een bosje stroo of een vod. Men moet het kalf niet verhinderen, de moeder te zuigen, gedurende de eerste twee dagen, daar het dc eerste melk behoeft, om zijne ingewanden te zuiveren en het deze melk op de meest natuurlijke wijze moet verkrijgen. Het kalf behoeft geen hulp om dit te doen en, tenzij het zeer zwak is, moet men er zich niet mee be-
moeien. Nadat het gespeend is, moet het kalf uit de hand worden gevoed. Voor de eerste dag ot wat moet het zijne moeders melk hebben, onmiddellijk na het melken; later kan ook anders melk gct.omcn worden, maar er moet zorg gedragen worden, dat zij wordt verwarmd tot de natuurlijke . warmte. Het zal zeer nuttig blijken te zijn, te verhinderen; dat het kalf te snel drinkt; het voedsel zou anders niet in de maag komen, waarin het behoort en dit is eene der oorzaken van diarrhee. Na zes of acht weken kan men het kalf afgeroomde melk geven; de overgang moet echter langzaam geschieden, en de melk moet nog eenigen tijd worden gewarmd. Daar afgeroomde melk niet vet genoeg is, moet het ontbrekende worden aangevuld; geweekt of gekookt lijnmeel zal het best aan het doel beantwoorden.
Het kalf moet, in welken tijd van het jaar het ook geboren is, binnenshuis gehouden worden gedurende de eerste weken van zijn bestaan. Hei, is het beste, het los te laten loopen met andere kal. veren van denzelfden leeftijd in een afgeschoten deel van den stal. Vooral moet er voor gezorgd worden, dat de vloer droog is en goed voorzien van stroo. Ook moet in den kalverstal eene geregelde temperatuur heerschen en moet er op tocht worden gepast. Zoodra het kalf elen wil, — en dit
23
wil het eenige dagen na de geboorte — moet het een beetje lekker, vroeg gewonnen hooi hebben en als het trek in hooi krijgt, kan men het geven, zooveel het lust. Een weinis: graan kan ook wor-
O o
den gegeven, maar altijd met mate. Jong vee moet men nooit vet laten worden en vooral jong melkvee niet. Haver en zemelen zijn de meest geschikte stoffen om bij het hooi te geven, daar zij het vet worden niet bevorderen. Door zóó te voeden zullen de spijsTerterings-organen beter ontwikkelen, dan wanneer men geconcentreerd voedsel geeft.
De kalveren, die in de lente geboren worden, kunnen buiten gelaten worden, als ze twee maanden oud zijn, maar zij moeten eene goede weide hebben, en een schuilplaats voor stormachtig en heet weer. Wordt de weide te kaal, dan moet hooi en graan gegeven worden. Men moet zorgen, dat het kalf geregeld door kan groeien.
De kleinere en zwakkere kalveren moet men afzonderen van degroolere en sterkere, en als ze vijf of zes maanden oud zijn, moeten de stierkalveren gescheiden worden van de vaarzen.
Is er afgeroomde melk in overvloed, dan behoeft men de kalveren niet te spenen, vóór ze zes maanden oud zijn en zelfs als zij ouder zijn, kan afgeroomde melk met voordeel gegeven worden. Het spenen moet langzaam aan geschieden en te gelijk
24
moet de hoeveelheid graan worden vermeerderd, zoodat de groei der kalveren niet stil staat, tengevolge van het spenen.
Ofschoon jong vee beter de koude kan verdragen dan melkvee, moet het niet aan ruw weder worden bloot gesteld.
Gedurende den winter moeten de kalveren geregeld worden geroskamd, daar zij dit meer noodig hebben dan eenig ander vee. Ook moet men een scherp oog op de luizen houden en deze uitroeien, zoodra men ze ontdekt.
O ///