RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
m
2425 576 6
OP
J A V A
è
%
IS
CREUSESO L.
9\\
dooi:
Samarang, G. C.. T. VAN DOHP amp; Co. 1895.
amp;)
_
PAARDRIJDEN OP JAVA.
»Ieder die op Java komt kan paardrijden,quot; zegt een oud Indisch spreekwoord, en bijna zoude men geneigd zijn te gelooven dat dit spreekwoord waarheid zegt, als men ziet hoevelen hier een rijpaard houden waar zij soms bijna niet op durven. Indien rijden alléén de kunst is, zich in den kortst mogelijken tijd te begeven van A naar B, met een paard als vervoermiddel, of zich voor vermaak door een paard te laten dragen, daarbij alléén zorg dragende voor eigen veiligheid, dan is het spreekwoord waar, want van de velen die hier om een dezer twee redenen in het zadel zitten, zijn er maar weinigen die eenig onderricht genoten hebben in het rijden, en veel minder nog in de behandeling van het paard.
Onze natie is geene sportlievende natie, en al moge in de laatste 20 jaren de lust tot stelselmatige lichaamsoefening toegenomen zijn, het paardrijden wordt (hier iets minder dan in Holland) beschouwd als iets wat alléén door menschen mag gedaan worden, die een weelderig leven kunnen en mogen leiden, en het wordt van lieden in ondergeschikte betrekkingen soms met leede oogen aangezien, als zij op een eenigszins goed gaand paard, met goed gepoetst tuig, zich op den weg vertoonen. Men gelooft, dat die lieden daardoor hun werk verzuimen, niet oplettend genoeg doen of boven hun inkomen leven, en ziet
o
hen liever met een gelapt harnachement. verroesten stang en trens langs \'s Heeren wegen klepperen, wijl dat den indruk te weegbrengt, dat het paard alléén een vervoermiddel, het te paard zitten een middel, geen doel is, en men ziet over het hoofd dat even goed als men zich in gezelschap of aan tafel eene hou-dinquot; kan en moet ei quot;en maken, men zich kan oefenen, en naar o-eo-even regelGn in het berijden en besturen quot;van een rijpaaid
O lt;D *5
langzamerhand zich kan bekwamen, zoodanig dat die bonding,
©
die wijze van besturing, dat onderhoud, een tweede natuur kan worden, zoodat men zich sierlijk, althans behoorlijk, te paard vertoonende, toch even goed het doel kan in het oog houden waarvoor men te paard stijgt. Die dat doel uit het oog verliest moet lievev geen pacivd houden. Als men gezien heeften ondei-vonden hoe sterk dat veroordeel ook werkt, daar waar het wel allerminst te verwachten is, in eene categorie van menschen, die door den aard van hun beroep, van hunne levenswijze, gedwongen zijn paarden te houden, dan maakt men allicht vergelijkingen tusschen de gewoonten der Engelschen en de onzen. Er is nog een Hollandsch spreekwoord dat zegt »al wat gij doet, doet dat goed!quot; Waarom dat dan niet bij het paardrijden? Men ga h v. eens naar Singapore. Niemand zal ontkennen dat daar hard gewerkt wordt, en toch ziet men eiken morgen en eiken avond een menigte ruiters op den weg, die allen wedijveren om zich zoo »sportmanlikequot; als mogelijk te paard voor te doen. Een Engelschman die aan sport doet, doet dat stelselmatig en zoo goed mogelijk, en slechts enkelen vervallen in overdrijving. Daar waar eene Engelsche kolonie bestaat op aarde, wordt met verloop van tijd een paardenras verbeterd of gevormd, omdat ieder die om welke reden ook in het zadel komt, zich beijvert te rijden, ^zij het dan ook met eene goede dosis anglomanie) en de kans beloopt uitgelachen te worden als hij zich slordig en onhandig te paard gedraagt, terwijl hier
3
bij ons op Java, men kans beloopt niet »au serieuxquot; genomen te worden als men een klein beetje de paardensport huldigt. Zal het een Controleur, een ambtenaar bij het B. B., een kofiie-of suiker-employé, schaden, als zij de uren die zij in het zadel doorbrengen en die onmogelijk aüen aan inspectie kunnen gewijd zijn. besteden om zich een goeden zit en behoorlijke teugelvoering eigen te maken, in plaats van langs den weg te klepperen en te jakkeren otquot; te sukkelen als een tourist die op een ezel den Drachenfels bestijgt? Zal het iemand wie dan ook benadeelen in tijd, werk, gezondheid en beurs, als hij van den tijd. dien hij anders in den namiddag slapend doorbrengt, iets afneemt om zicli met zijn rijdier bezig te houden? Er is tijd voor een partijtje whist, voor een bittertje, voor de huishoudster, voor alles .... behalve voor het paard. Tijd om over het paard te lezen bestaat niet, als onderwerp van discours is het verboden, meestal, het paard wordt veelal overgelaten aan de zorg van een dessaman, alias koetsier ... en de gevolgen van dien afkeer van den rijsport doen zich bemerken in het feit dat onze beste paardenrassen bijna geheel uitsterven, en wij een goed paard gaandeweg moeielijker vinden en duurder moeten betalen . . . dus precies het omgekeerde van de Engelsche Koloniën. Zeker, iemand die geen beroepsruiter is, behoeft geen Baucher, geen Plinzner te worden, maar hadden wij iets meer van de liefde voor den rijsport van den Engelschman in ons bloed en in ons karakter, dan zouden ook wij. iedereen, dikwijls onwillekeurig, er toe bijdragen het ras van paarden te verbeteren, omdat iedereen beter het belang daarvan zoude begrijpen, en er naar streven een (joed paard te hebben, terwijl men nu zequot;t. »lk kom er . . en dat is quot;enoequot;.\'*
Er is anders stof genoeg om ruiters te vormen in de Euro-pee.sciie bevolking op Java. Op een\' leeftijd dal in Holland een
4
jongen nog door de meid naar school wordt gebracht, gaat hier een knaap te paard er henen. Laat men dien knaap begaan, dan zal bij in zijn vrijen tijd, liever dan te gaan slapen in de middaguren, gaan spelen in den stal, zijn paard naar de weide, naar de rivier brengen, in een woord met zijn paardje leven. Is nu zoo\'n knaap toevallig onder leiding van iemand, die rijden kan. en prent men dien knaap de allereerste gronden der rijkunst in, dan wordt de knaap een goed ruiter; maar meestal aan zichzelven overgelaten met een Javaantje als makker en metgezel, krijgt hij van bet stalpersoneel spelenderwijze les in bet paardrijden, en de paardenbehandeling der Javanen. Hij kan, omstandigheden medewerkende een »borsemanquot; worden, die voor geen cowboy onderdoet, maar hij zal van den Javaan die zorgeloosheid overnemen. die oorzaak is, dat het paard ruw en wreed behandeld wordt, en het aantal dergenen vermeerderen die zeggen : Ik kom er ... en dat is genoeg.
Eene andere categorie van ruiters is die, welke in Holland b. v. 25 lessen in de manége genomen heeft, en die in vollen ernst gelooft dat zij rijden kan. De ruiters uit die categorie, werpen vaak na hunnen eersten proefrit, het beetje methode overboord, wijl zij gevoelen dat half weten geen weten is, en door het voorbeeld van anderen aangestoken, komen zij tot dezelfde conclusie als de natuurruiter voornoemd. De resultaten zijn natuurlijk dezelfde. Jakkeren, in galop tegen elke berghelling op, draven op de Ja-vaansche manier, vast overtuigd zijn dat de stang of erger nog de doerietrens een werktuig is tot breideling, tot remming van het paard, en het dier zoodanigen vrees inboezemt dat het zijne kwade eigenschappen onderdrukt . . dat ziet men bijna eiken dag, minder op de hoofdplaatsen dan wel in bet binnenland.
Het moet erkend worden dat het voor den Europeaan in de binnenlanden bijna ondoenlijk is zich als ruiter te bekwamen
5
of verder te ontwikkelen, wijl alles hem tegenwerkt Hij moet zich met zijn paard bewegen op smalle wegen, leidende door meestal zeer geaccidenteerd terrein, waar het heel moeielijk is het paard in de houding te doen gaan. waar gaten en poelen door plompe karbouwen gemaakt tot een\' omweg noodzaken, verder door lage kampongpoorten, waar hij zich tot op de manen van het paard moet bukken om er doorhenen te komen en waar hij per sé een ongeluk krijgt als zijn paard daar schrikt. Gaat zijn weg een enkele maal langs sawah\'s of tagal. dan zijn het losloopende karbouwen of kleine vlugge sappies, vaak onbeheerd, of bewaakt door een kind dat wegloopt als het den blanke ziet, die hem tot de grootste omzichtigheid noodzaken; en soms wordt hem den weg versperd door onbeheerd losloopende merries.
Moet hij over een passfir rijden, dan kan hij de ondervinding opdoen van eene eigenaardigheid der Javanen hij bet uitwijken voor een ruiter. Hij moet eerst eenige malen roepen eer bij plaats krijgt, en precies op het laatste moment ziet hij een man of vrouw van wien hij dacht dat hij of zij ter linkerzijde b. v. zoude uitwijken, bijna onder de neusgaten van het paard door, zich met eene vlugge sluipende beweging naar de rechterzijde begeven. Dat bet paard hierdoor tot eenen zijsprong uitgenoo-digd of genoodzaakt kan worden komt bij den Javaan niet op. Gewoon doorrijden is bet beste wat de ruiter kan doen, want de Javaan is gewoonlijk zóó behendig dat er zelden een ongeluk op die manier gebeurt.
Op groote wegen zijn het vaak grobaks, (ossenkarren) die eene ware plaag zijn. Komt de ruiter een trein dier onvormelijke voertuigen tegen, dan komt op zijn waarschuwend geroep een karrevoerder uit de kap van het voertuig te voorschijn. Met een eigenaardig geroep tegen de trekdieren plaatst hij zich voor de kar met het gezicht naar de bespanning en met kleine
G
tikjes of harde klappen van een schel klinkend zweepje, helpt hij de bespanning uitwijken door het voorste gedeelte van den disselboom naar links te drukken. (Misschien is liet niet ondienstig hier te melden dat men op Java steeds links moet uitwijken in onderscheiding der in Europa bestaande usances.) Lukt het niet gaauw genoeg uittewijken dan houdt de voerman kortweg halt, en laat het aan den ruiter over om op eene of andere manier voorbij te komen. Komt men een grobak achterop rijden, dan kan de ruiter zich schor schreeuwen, eer de, onder den kap verscholen en suffende voerman, uit zijne dommeling is opgewekt. Is dat na de uoodige volharding eindelijk verkregen, dan springt de voerman op het laatste moment, juist als men er dicht bij is, plotseling van zijne kar, . . . meestal juist precies voor het paard, hetgeen alweder eene aanleiding is tot schrikken.
In het algemeen kan men aannemen dat eet» Javaan juist op het meest daartoe geschikte moment die beweging of handeling uitvoert waardoor het paard schrikken kan. Zoekt hij b. v. om voor een paard uittewijken een schuilplaats achter een boom, dan treedt hij weder te voorschijn als men hem zooverre voorbij is. dat bet paard hem nog even kan zien te voorschijn komen.
Het makste paard kan vi. or zoo\'u plotseling verschijnen schrikken. even goed als voor het roekeloos zweepgeklap van Javaansche koetsiers die een vierspan besturen, en de slag van hun zweep rechts en links door de lucht doen snijden, zóó dat het phleg-matiekste paard er zich door geschokt voelt.
Komt men een Javaansch sgentleman-riderquot; tegen dan zal deze afstijgen (dat is de adat) en wijl de adat hem voorschrijft zich aftewenden van hem dien bij hormat bewijst, tuimelt hij van zijn rosinant, sleurt het dier aan den teugel terzijde van den weg, met het lichaam loodrecht op diens as. en den staart daarhenen gewend. Vlug voorbijrijden is de boodschap voor den
7
miter als hij er prijs op stelt geene kans te beloopen om een\' gevoeligen trap te krijgen van het Javaansche knolletje, Jat ge-gewoonlijk nog eene merrie is.
Men kan tegen alle deze bezwaren aanvoeren, dal men in Europa b.v. dingen aantreft, die evenzeer paard en ruiter van de wijs kunnen brengen. Zeker, gillende straatjeugd, tramway-bellen. tapijt-kloppende dienstmaagden, steenen werpende schooljongens, blaffend uitschietende dameshondjes, zijn ook ongerief, en kunnen op drukke wegen paarden doen schrikken tot onheil van berijder en schuldeloozen voetganger, maar in Europa zijn de wegen meestal vlak. breeder dan op Java. er is een pad voor rijpaarden. Gaat er een paard van door dan is de kans om een onheil te krijgen in Indië grooter dan in Europa. Voor een geoefend ruiter is al het genoemde ongerief geen bezwaar, maar hier rijden er zoovelen die niet wreten. laat staan dan, kunnen uitvoeren, wat noodig is om een recalcitrant of temperament bezittend paard onder appel te houden, en voor hem die geen geoefend ruiter is kunnen al deze bezwaren zoo groot worden, dat bij het opgeeft een ruiter te worden, omdat hij toch te veel te doen heeft om zich op den langen weg tusschen schoft en croup te handhaven, om aan goeden zit en ordentlijke teugelvoering te kunnen denken.
Was er nu meer animo voor het rijden, dan zou men vooreerst meer goed afgerichte paarden kunnen vinden tegen raison-nable prijzen. Men zou elkaar wederkeerig kunnen voorlichten en helpen en de civiele ambtenaren zouden, als zij meer en beter reden, wel zorgen dal de bestaande wegen beter onderhouden (in het binnenland) en de bepalingen tegen losloopend vee en dergelijken nageleefd werden. Al was het dan maar alléén voor hun pleizier zou de bevolking wel zorgen dat alles in orde was. Als nu een ambtenaar B. B. op tournee gaat komt hij niets tegen als een gladakhond die soms kalm blijft liggen en
8
het paan! over zich henen laat stappen, en de Kandjeng-toewan kan zich maar niet begrijpen dat er wel eens over den weg geklaagd wordt. Hij kwam er tocli over. Jawel, nadat de bevolking eerst de boel had opgeruimd vóór den tocht. Laat hem dien weg eens zien als die préparatieven niet gemaakt zijn. Booze tongen beweren dat het dan heel anders is, en dat daarom een ambtenaar B. B. eigenlijk ook een examen in het rijden had moeten alleggen .... Neen ! hij zou van het schokken in het zadel geen leverziekte krijgen. Integendeel die krijgt hij van het rijden op den kantoorkruk. Het rijden is gezond voor elk normaal gebouwd mensch en een beetje transpireren kan geen kwaad. Klaagt men over gebrek aan amusement in Indië, dan zijn er lieden die beweren dat men rijden kan van zijne jeugd totdat men grijs is, dat het rijden altijd prettig, animeerend blijft, en dat een rit op een goeden Sandelwood des morgens, een panacé is tegen kwalen, tegen hypochondrie, tegen neiging tot misbruik van volkskanker, en.....men het aan de wegen kan zien of
het hoofd van het gewestelijk bestuur een rijpaard bezit. Om er dan ook nog het prestige van den Europeaan bij te halen zeggen diezelfde booze tongen dat een goed ruiter met den zilveren band om de pet meer indruk op den Javaan maakt, dan iemand die evenzóó versierd met een benepen gezicht het paard van den Begent of Wedonó bestijgt en na een poosje gesukkel langs den weg zoo gaauw mogelijk weder in een wagen klimt.
Het prouveert zeker voor de deugden van het Indische paard dat men bij alles nog zoo betrekkelijk weinig van ongelukken hoort en overkomt het iemand al eens afgeworpen te worden, dan is althans op eene hoofdplaats gaauw genoeg welwillende hulp bij de hand. In de eerste Europeesche woning de beste zal men iemand die zandruiter werd. helpen zich te reinigen en iets aanbieden voor den schrik. In het binnenland verre van
9
Europeesche woningen kan het daarmede lastig gesteld wezen. Hoewel van aard hoffelijk en hulpvaardig, vreest de Javaan voor alles »soesahquot;, en geheurt het ook wel dat een afgeworpen blanda wel eens zijne teleurstelling en ergernis op den Javaan koelt. Hoort hij, de Javaan, zich aangeroepen in zijne eigen taal, met de intonatie die hij gewoon is te hooren, als men hem ontbiedt, dan overwint hij gaauw zijne schroomvalligheid en verschijnt ter plaatse des onheils als een gewillig en tevens handig helper. Maakt de blanda zich nu vooral niet boos, dan is met. een beetje geduld het paard gauw opgevangen, den eigenaar wordt water aangeboden om zich te kunnen reinigen en is er wat kapot aan het harnachement, dan is de ruiter in de gelegenheid hel talent van den Javaan te bewonderen, om met wat talie-bamboe, een stukje touw etc. eene „manoeuvre de forcequot; uittevoeren. Maar om dat van een dessaman gedaan te krijgen is het noodig dat men Javaansch praat, en de kennis van die moeielijke taal is lang zoo algemeen niet als men zoude geneigd zijn te gelooven.
Voor iemand die een weinig liefde voor zijn paard bezit, is het ook nog eene dagelijksche ergernis, dat er bijna geene Javanen zijn die goede oppassers van paarden zijn. Quoiqu\'on en dise. de Javaan houdt niet van een paard. Hij heeft slechts hart voor één dier: de karbouw, want die helpt hem bij den landbouw. Zonder karbouw, geene sawah-bewerking, geen prettigen rijstoogst tijd. geen slamatans, geene trouwpartijen als die voorbij is. Het paard is hem alléén een middel van vervoer en wijl de Javaan geen flauw begrip heeft van de waarde van den tijd, en spoed alléén uit gemakzucht zoekt, kan hij zoo noodig. het ook zonder paard stellen. Als geboren landbouwer schat hij de diensten die de karbouw hem bewijst veel hooger dan die van het paard. Het eerste dier vereischt bijna geene zorgen en eet alléén gras
10
dat het zelf kan gaan zoeken, en beweegt zich langzaam en statig als het niet in toorn is, dus heeft de hoeder geene moeite Het paard echter moet gepoetst en verzorgd worden, kan ver en hard wegloopen, is speelsch, maakt sprongen en bewegingen die den bewaker dwingen tot eene versnelde beweging, die hem — den bewaker — grenzeloos Dzuwiderquot; is, en dat dier, eet — onver-geeflijkste van alle zonden — ook nog menschelijk voedsel, rijst! Daarom zal bijna geen enkel Javaan van een paard houden, het dier liejhehhen. Voor den Europeaan is het bijna onmogelijk zich voortestellen hoe eigenlijk de Javaan over een paard denkt. Kon men het zooverre brengen dat de Javaan het paard beschouwde met de oogen waarmede hij de karbouw beziet dan was de Javaansche groom een ideaal. Nu is hij dat niet, wijl hem de allereerste eigenschap ontbreekt, die een raensch bezitten moet ilie dag aan dag met het paard moet leven . . . de liefde voor het dier aan zijne zorgen toevertrouwd.
Op de groote hoofdplaatsen, en in garnizoensteden bestaat er wel is waar eene klasse van „paardenjongensquot;. Zij zijn langzamerhand daartoe, veelal onder een officier als meester, gevormd. Hunne kinderen, het ligt voor de hand, leeren spelende een paard hantéren. Als zij grooter worden, dan worden zij ook toekan koeda, en onder voortdurend toezicht arbeidende, doen zij hun werk goed, uit hun buitengewoon (alent tot naaperij, maar alléén uit den sleur. Zij hebben niets anders geleerd, en hoewel zij vaak ouder elkander bluffen op de goede eigenschappen der paarden aan hunne zorgen overgeleverd, meer dan precies noodig is. bemoeien zij zich niet met het paard.
Kan men de jongen nu overtuigen dat het paard nog veel meer dan de karbouw, gevoelig is voor goede, liefderijke behandeling, dat het begrijpt, clan was de Javaan onbetaalbaar als groom. In het binnenland weten vele Europeanen die een paard houden, ter nauwernood hoeveel oen paard per dag eten
11
moet, hoe een roskam gehanteerd wordt, en wijl nog steeds «God alleen weet waaromquot; het bijgeloof gehandhaafd blijft dat persé ieder dessaman verstand heeft van paarden, zoo is de eerste de beste Knojio of Wongso de aangewezen man. wien men een dikwijls kostbaar dier toevertrouwt, en acht men Kromo of Wongso volkomen geschikt dat dier in leven en gezondheid te houden. De eenige eigenschap die men voor een dier jongens vordert is: dat zij niet al te bang voor het paard zijn en men vergeet dikwijls opteletten of Kromo geen gahah verkoopt en Wongso het paard afwrijft en de hoeven schoon maakt als het paard tehuis komt. Aan die twee laatste dingen hebben Kromo en Wongso eenen infernalen hekel. «Mijn hemel, waarom? en duizend malen waarom? moet dat gebeuren bij paarden van de blanda\'s? Als wij Wongso en Kromo tehuiskomen en wij zijn nat van het zweet, roepen wij dan ook iemand om onzen rug te wrijven met een lap of een stroowisch. worden ons dan de voeten gewas-schen? en doen wij al die gekheid bij onze paarden? Het is toch veel gemakkelijker het paard maar te laten staan onder het zadel tot dat het. droog is. en dan het tuig maar ergens neder te leggen in den zonneschijn tot dat het paardenzweet goed ingedroogd is. Wat komt het er op aan dat die hoeven vuil zijn? »Wongso zeg! valt het jou wel ééns in je leven in. je voeten zoo onetjes schoon te maken als ik die van het paard van onzen Heer »moet doen? Die modder valt er immers van zelf af en morgen «worden die hoeven toch weêr vuil.? Wat, gabah geven? Ren je smal? Die lusten wij zelf. Geef het beest een bos gras, nu nog
«gauw een emmer water.....och laat mij met vrede met je
«het paard is nog warm.....als het beest leven moet dan
«blijft het leven en gaat het dood.....betaal jij het of ik als
«mijnheer een nieuw paard koopt?quot;
In het algemeen meet de Javaan de graad van zorg, aan het paard te besteden, af naar de zorgen die hij zijn eigen lichaam
12
geeft. B. v. hij zal staart en manen kammen doch slechts zooveel als noodig is om het oog te bedriegen. Hij zal het paard »kramasquot; als het wat al te erg vuil is aan de haarwortels, en denkt eens zich zeer afgesloofd te hebben als hij de manen met klapperolie insmeert. In den regel is de toekan-koeda zeer bedaard en kalm en die eigenschap is goud waard bij paarden die moeielijk te hantéren zijn op stal, en bij Javaansche staljongens die niets begrijpen of afweten van de zachte behandeling die een paard behoeft. Zelden zal hij een beet of trap oploopen. Daartoe is de Javaan veel te voorzichtig, maar hij denkt er zelfs niet aan het paard door liefde en zachtheid er toe te brengen elke manipulatie te verdragen. Spreken tegen het paard doet hij niet, of alleen uit naaperij van den Europeaan, en bij het aangrijpen denkt hij alléén aan zelfbehoud, en niet aan het gemak van bet paard. Tegenover diens ondeugden stelt hij zijne koelheid, niet met zachtheid te verwarren; zoolang tot dat hij eens in een onbewaakt oogenblik een trap of beet van het paard krijgt. Dan komt zijn waren aard boven en zal hij door buitengewoon ruwe en wreede bejegening zich wreken op bet paard, doch voor alles zorg dragen als hij het paard prikt of slaat (gluiperig als hij is, doet hij dat in het geniep) dat hij ergens staat waar zijn eigen body veilig is. Sluipend nadert hij het dier juist als eene kat en eer het paard het vermoedt heeft hij het vast. zóó behendig dat het dier geen tijd heeft eene ondeugendheid te begaan. Is bet paard onrustig bij het poetsen, dan grijpt de jongen een eind touw. legt dit listig en vlug in den mond van het paard, knoopt het onder de kin vast en bevestigt de uiteinden aan de wanden van den stal. Dan is hij het dier meester. Er aan denken dat het poetsen dan voor het paard eene marteling wordt, waartegen het zich ten laatste verzet als het iemand ziet naderen begrijpt de jongen niet. Hij denkt dat het paard begrijpen zal dat, als het stilstaat, als het gereinigd
13
wordt, het touw dan niet meer gebruikt wordt. Maar trachten zulks het paard te beduiden doet hij niet. Hij rekent aan den eenen kant te veel en aan den anderen kant te weinig op het intellect van het paard. Mest oprapen en verwijderen is voor den jongen naar zijne schatting iets volkomen nutteloos en evenzoo het uitkrabben van de hoeven, als het paard in de mest getrapt heeft. Waartoe ook? Zoolang het paard nog loo-pen kan acht hij het dier gezond genoeg, en als vuile hoeven aanleiding zijn tot rotstraal etc., dat moet dan maar zoo wezen.
Roskammen doet hij zeer handig, alleen soms een beetje te lang, wijl hij bij allen eentoonigen arbeid in een soort van doezel vervalt en daardoor met den roskam ook daar het paard bewerkt, waar dit niet behoeft of niet mag. Hij is gewoonlijk te indolent om tijdig roskam met borstel te verwisselen, al heeft hij niets te doen als zich te bukken, en moet hij een lastig paard het haar aan pijpen of kooten verwijderen dan moet de baas hem surveilleren, want de jongen grijpt als hij maar eenigszins kan terstond naar het bovengenoemd touwtje en de baas kan misschien een poos later het paard met ingescheurde mondhoeken vinden staan. Ook branden vele Europeanen de vetlokken met een cigaar weg!
Woont men verre in de binnenlanden dan is het zeer moeie-lijk zijne paarden geregeld te doen beslaan, wijl daartoe geene gelegenheid bestaat. Men geloove echter niet dat elke paarden-jongen slag heeft het onbeslagen paard de hoeven te besnijden. Nog geen 2% der staljongens kan dat yoed. De jongen hanteert wel is waar het Javaansche mes, de pangoot, of de beitel zeer handig, maar men lette op dat hij niet te veel aan den straal komt of de verzens te veel afneemt. Ook zal hij uit gemakzucht dikwijls liever het vuil aan de hoeven wegsnijden of krabben, dan ze te reinigen. Die in de mogelijkheid daartoe is, doet wijs steeds zelf zijn paard naar de stad te brengen tot het
beslaan. Hij is dan in de gelegenheid op te merken dat een Ja-vaansche of Chineesche hoefsmid een paardenhoef beschouwt als een blok gevoelloos hout. waaraan men naar gelieven snijden en naar willekeur spijkers kan inslaan.
Kan de eigenaar het paard niet zelf brengen dan ondervindt hij bij dat wegbrengen naar de stad, door een bediende, eigenaardige bezwaren. De Javaan leidt niet graag een levendig paard aan de hand. Hij moet dan over het geheele traject alle oplettendheid aan het paard wijden en kan zich niet voortbewegen in die genoegelijke herkauwend-rundvee-achtige stemming waarin hij gaarne vervalt. Bovendien is het eene werkelijke verontschuldiging dat de jongen barrevoets gaat en het voeren van een levendig paard langs kloof en ravijn, door rivier en kampong kan een moeielijk werk worden; als het paard hem medesleept over dorens en scherpe steenen.
Vaak kan men daarom op groote wegen het volgende schouwspel zien. Ken paard loopt tusschen 2 Javanen in. ter rechter en linkerzijde aan de geleiders verbonden met een eind touw aan het een of ander gebit bevestigd. Is het paard levendig dan nemen de geleiders het touw zóó lang dat het paard hun niet treffen kan bij welke beweeinquot; het dier ook maakt, en het kan hen niets schelen of het paard daardoor soms hevige rukken in den mond krijgt. Dat is des paarden eigen schuld. Kan de jongen heelemaal niet anders dan grijpt hij naar zijn toovermiddel het hamboetouwtje, dat als een halsband aangelegd, met het einde lusvormig in deu mond om de onderkaak gelegd wordt, terwijl het overschietend gedeelte ter rechterzijde van het paard wordt vastgehouden. Hoe kwaadaardig scherp zulk een touw moet werken kan men zich voorstellen als men bedenkt, dat het bij elke snelle beweging van het paard, de lus over de tong wordt aangetrokken en gewoonlijk niet meer na geeft. Maar dat is juist wat de Javaan begeert, hij kent geen ander middel om het paard te beheerschen, dan werken op
15
het mondstuk, en dat met elk willekeurig gebit, wat dan ook, pourvu dat het scherp werkt.
Vele Europeanen gelooven onbeperkt alles wat de Javaan hen zegt of aanbeveelt in zake geneesmiddelen of behandeling van een ziek paard. Daargelaten of die middelen goed kunnen zijn, (Is er ooit door een deskundige hiernaar onderzoek gedaan?) is het gewaagd ze toetepassen, tenzij men de overtuiging hebbe dat ze althans geen kwaad kunnen. Geen flauw begrip van artsenij-mengkunde hebbende, berust de toegekende werking dier medicijnen vaak op bijgeloof. B. v. Er bestaat eene larve die zij graag een paard voeren; maar de kop mag bet paard niet eten. want dan wordt het ngilahquot;. Men onthoude zich liever van de toepassing zulker middelen en vertrouwe ook niet al te vast op de efficaciteit van de werking der Javaansche massage of piedjit, want,
u\'s\'il n\'emporte pas le mal,
ndu moins il emporte le malade.quot;
De oude kerel uit de dessa die zich voor paardenmasseur uitgeeft heeft zijne reputatie aan een paar gelukkige kuren te danken.....bij toeval!
Paardenkennis, veel minder nog de daarmede gepaard moetende gaan, kennis van de anatomie van het paard, is op Java al evenmin algemeen goed als in Europa Het moge waar zijn dat percentsgewijze meer menschen op Java iets afweten van een paard dan in Europa, iedereen die den Javaan observeert, en zich niet doet misleiden door schijn of praatjes komt tot de overtuiging dat de Javaan naar onze begrippen geen goed paardenkenner is, en dat wel uit onverschilligheid tegen het paard.
Zoo er onder de Javanen paardenkenners zijn dan toch alléén onder den hoogen adel te Solo of Djocja, maar het mag betwijfeld worden of de zuiver Javaansche begrippen omtrent een goed paard nog heden bestaan. Hunne boeken over paarden bestaan
16
nog. dat is waar. maar bij het meerendeel der Javaansche bevolking is hun inhoud niet meer bekend.
Ja. wel bij hoofden en groeten, maar vermoedelijk bij den kleinen man niet meer. Onze invloed doet zich op den Javaan in alles gevoelen, ook op hunne wijze van kleeden, hunne zeden etc, dus ontstaat er ook zeer zeker door de vermeneine onzer begrippen op hippologisch gebied met de hunne eene verwarring die beide ten nadeele geraakt.
In één ding blijft de Javaan zich zeiven gelijk, namelijk in het bijgeloof bij alles wat het paard aangaat, leder bezitter van een paard, iedere staljongen, qui se respecte, draagt een afgeslepen hengstentand (de sioeng) als een edelsteen in een ring aan den vinger, want dat geeft macht over het paard.
Beschouwt de Javaan het paard om het te bewonderen of te koo-pen. dan kijkt hij eerst naar de teekens, daarna naar de tanden, om den ouderdom vasttestellen, (en dat vrij secuur) ilaarna naar den gang van het paard en eindelijk naar de hoeven. Hij geeft meer voor een paard met goede teekens en onvolkomen beenen, dan voor een ros met het omgekeerde. Trouwens dat bijgeloof komt bij vele volken voor (zie: j)Les Chevaux du Saharaquot; van Daumas. ) Al die teekens te leeren kennen zou te tijdroovend zijn, maar daar tenminste de algemeen bekende teekens, de handelswaarde van een paard kunnen verhoogen of verlagen, zoo is het voor den Europeaan niet van belang ontbloot, ze te leeren in bet algemeen kennen, en ook in het oog te nemen. Wordt hem b. v. uit een aantal paarden een paard aangeboden, geteekend nonbeil op reis,quot; dan koope hij dat paard liever niet, want ter-wille van dat teeken is dat paard altijd minder goed behandeld geworden. Het kan dus (niet om dat teeken) maar om de ondergane behandeling werkelijk minder geschikt voor lange tochten zijn geworden, en den ruiter dus in den steek laten. De Europeaan zou zich echter van Javaansche hippologie, in het Javaansch, eene
17
studie moeten maken, om te kunnen begrijpen waarom sommige teekens «ongunstig,quot; andere ^gunstigquot; gerekend worden. In onderscheiding tot de Arabieren zijn «les robes claires et lavéesquot; bij de Javanen dikwijls gezocht. Zij houden van Isabellen en Valken, en ook sommige gevlekte paarden staan bij hen in aanzien; behalve aan het hof te Solo, waar men donkere paarden begeert, tenzij alweder de «teekensquot; de minder gewilde kleur goedmaken.
Verder wordt hooge waarde gehecht aan het opgericht dragen van hals en hoofd, heldere oogen en goeden aanzet van den staart. Lange staart en manen zijn geschat, maar de Javaan doet weinig om ze te onderhouden, waardoor men zoo vaak rotstaarten bij hunne paarden ziet.
De begrippen omtrent schoone gangen zijn bij den Javaan ook geheel verschillend van de onzen. Laat een hollandschen jongen eens in bet gesprek met hand, voet en stem begrip willen geven van een goed gaand paard, dan zal zoowel het gebaar als het geluid dat bij daartoe voortbrengt, de gedachte opwekken van ruime forsche allures. Doet een jonge Javaan het zelfde dan krijgt men de voorstelling van eene schuivende ratelende drafbeweging en een dansachtig wiegenden galop. Wat wij gaarne zien, eene ilinke actie, met goed ondergeschoven achterhand, beschouwt de Inlander als eene fout bijna. Al zal hij het rijpaard van den Europeaan bewonderen, trachten zijn paard zóó te doen gaan wil hij niet, tenzij hij doet uit naüperij. Een paard dat hoog opwerpt, ook al vangt het gemakkelijk, neemt hij nooit.
Het Javaansch begrip van rijden is: Zich tot eigen gemak, van het paard als lastdier bedienen om zijn lijf te doen dragen. Dat de Europeaan, daarbij eene bepaalde houding noodig acht, gaat zijn begrip te boven. Als hij zich dan toch inspannen moet, dan kan hij liever, nog beter zelfs, loopen. Gaat hij geheel naar zijn eigen hart te werk, dan kiest hij liefst een paard
18
dat een beetje vertoon maakt (circus-figuur-paard) met gemakkelijke en weinig verheven gangen, benevens buigzamen rug en hals. Dan bereikt hij zijn ideaal, zich door zijne landgenoo-ten te laten bewonderen, omdat hij zoo\'n duur paard hebben kan. en kan hij herkaauwend-karbon w-achtig suffend, door de beweging van zijn lastdier gewiegd, zich laten dragen waar hij wezen wil. Hoewel het onder Javanen geen ton is te bluffen, en wel hel allerminst op bekwaamheid als ruiter, en hoewel hij by-gelooft, dat het nadeelig voor zijn paard is, als hij het dier tegenover vreemden prijst, zoo zal hij toch, vertrouwelijk over zijn paard sprekende, ook den hoogen prijs als eene deugd van zijn ros roemen.
Onder de Javaansche grooten aan de hoven te Solo en te Djocja zijn er die waarlijk (Europeesch) schoone paarden bezitten maar dat gebeurt meer uit naaperij van Europeanen. De Javaan gevoelt, trouwens hij ziet het, dat onze begrippen van een goed paard de ware zijn, maar tusschen hem en ons, is en blijft de klove nog zóó groot, dat hij liever zich aan de traditie van zijn volk houdt. Zorgeloos (en dat is de groote zoowel als de kleine Javaan) zal hij weinig doen om het paard te onderhouden en wil hij geuren met het paard, zoekt hij de geur-makerij meer in de bijzaken dan in de hoofdzaken. Een knol met nieuw harnachement (liefst wat opzichtig) wordt meer bewondert dan een goed paard met minder mooi tuig. Maar ook voor dat harnachement zorgt de Javaan weinig. Zoolang het nieuw is verheugt hij er zich over, maar wordt het door volkomen verwaarloozing al heel gauw smerig, dan berust hij daarin met Mahomedaansche gelatenheid. Houdt men er niet de hand aan, dan zal de Javaansche staljongen hoegenaamd niets aan het harnachement doen, om het goed en toonbaar te houden. Stang en trens oppoetsen acht de Javaan absoluut overbodig .... het paard krijgt dat immers in den mond, dus ziet men het toch niet.
49
Voor elke manipulatie die het paard moet ondergaan, of voor iedere reden waarom hij zich in de standplaats van het paard moet begeven, nadert de Javaan het paard steeds ter igt;rech-terzijdequot;. Het zadel legt hij op den schoft. Een staartriem acht hij onontbeerlijk, en het komt bij hem het allerminste er op aan wat voor gebit een paard in den mond krijgt, en hoe er dat ingelegd wordt, als dat gebit maar scherp werkt. Onze stang en onze trens, begrijpt hij nooit, tenzij hij er in ziet dat met die twee werktuigen bedoeld wordt; eene verscherpte werking door middel van de teugels. Het gebit is niet alleen een besturingsmiddel, maar een dwangmiddel en middel tot straf. Het beste voldoet hem de algemeen bekende doerietrens of kandali ra-nga. Het komt hem niet voor dat het chic is met twee handen te rijden, en een karwats behoort tot zijn attirail. Echt Javaansche zadels en zweepen ziet men zelden meer gebruiken. Overal komt men goedkoop, eenigszins opzichtig tuig tegen. De stijgbeugels worden aan vrij lange riemen met den gesp meestal naar beneden, aan het zadel bevestigd. Dat ziet men ook dikwijls door Europeanen doen om tegen te gaan dat de kleppen waaronder de stijgriemgesp ligt. opwippen tengevolge van de dikte van dien gesp. Bijna niemand valt liet in, dat door zacht houden dier kleppen het euvel vermeden kan worden.
Eene bepaalde méthode van africhting kent de Javaan niet. Er zijn natuurlijk wel Javanen die zich voor pikeur (penagar) uitgeven, maar hun werk bestaat hoofdzakelijk in het temmen van het paard, het er toe brengen den ruiter te dragen. Dat een paard leeren moet zich onder dien last te bewegen, kan de Javaan zich niet voorstellen. Het paard is tot lastdier geboren, dus kan het van zelf dragen en met den last behoorlijk gaan.
Al wat zoo\'n pikeur doet. is dan ook het paard zoo\'n beetje te gewennen aan het werken op den grooten weg, en het de
20
gangen te loeren, die een Javaan van bet paard vordert. Veel moeite geeft hij zich daartoe niet. Doorgaan en ongehoorzaamheid straft hij met onthouding van voeder. Door eerst eene hongerkuur toetepassen en daarna het zweep-regime, (wel te verstaan als hij er niet opzit) krijgt hij het paard gauw genoeg ten onder. Hij zal vaak wachten tot dat hij tehuis is met het paard, en het op stal eerst dan binden en afranselen, alsof het dier dan begrijpt waartoe de correctie dient. Bepaald makke ol vriendelijke paarden vindt men dan ook bij den Javaan bijna nooit. Hunne paarden die een beetje tempérament bezitten, bijten, slaan met voor-en achterbeenen, dulden op weg geen paard naast zich, en zijn op stal onverdragelijk. Zij luisteren ternauwernood zelfs naar de doerietrens, die hun berijder zich dan ook wel wacht één oogen-blik na te geven. Mak zijn alléén hunne paarden, als die na een poos een ellendig bestaan te hebben geleid, door honger en overmatig werk zóó gedwee geworden zijn, dat zij alles verdragen. »Kéblooqquot; noemt de Javaan dat. Hebben zulke paarden dan nog ondeugden, dan zijn het kleven, dringen naar denstal, neiging om eiken zijweg inteslaan en »statigkeit/\'Het kleven beschouwt de Javaan niet zoozeer als eene fout. Men rijde eens eene colonne Javanen in stap achterop. Zij rijden, even als zij loopen in colonne met éénen, achterelkander. Aan het hoofd der colonne zette men zijn paard iu draf, dan gebeurt het dat de geheele troep medegesleept wordt of dat men alle ruiters achterover aan de teugels ziet gaan hangen, om hunnerossen te remmen. Verder komt dat kleven den Javaan te pas als hij een ander volgt op een rit.
De ruiter aan het hootd moet dan nog een beetje pikeuren om zijn paard in beweging te houden, en de achterman kan de rustig-droomende-karbouwen-stemming aannemen, zonder zich verder met zijn paard intelaten als noodig is om er niet af te te vallen. Hoe dolgraag een Inlander op die wijze zich voortbe-
\'21
weegt kan men zelfs bespeuren als men op den gruoten weg een Javaan passeert, een meêlegger zooals de zeeman dat noemt.
Als hij denkt dat de blanda er niets van zeggen zal, of\'soms als hij het beleefd heeft gevraagd, glipt hij met zijn paard achter dat van den blanda, zet zich schrap en op zijn gemak en drijft heerlijk in het kielzog mede, tot dat hij weggezonden wordt, of zoo hij het gevraagd heeft, tot daar waar zijn weg hem elders voert en in dat geval zal hij met die uiterste Javaansche hoffelijkheid die den Javaan tot sieraad strekt, voor de eer bedanken.
Schrijver heeft herhaalde malen aan hoofden en Europeanen op Java gevraagd of er boeken in het Juvaansch bestaan over de rijkunst. Het antwoord is altijd ontkennend geweest. Wel bestaan er boeken over paardenkennis en behandeling van zieke paarden, maar er bestaan geene voorschriften omtrent zit en houding op, en besturing van het paard.
Als de Javaan eene méthode huldigt is het deze:
O
»Met alle denkbare middelen, en met inachtneming van ei^en «veiligheid datgene trachten van het paard te verkrijgen wat «men verlangt.quot;
En die méthode is de ondergang van hun paardenras, want daar hunne paarden veel te vroeg werken moeten, en daarbij aan dwang-dressuur en ruwe behandeling onderworpen worden zoo sterven er een groot aantal paarden, die anders nog lang zouden medeloopen.
Men hoort algemeen in Europa dat een Javaan een goed ruiter is. Men spreke eens officieren van bereden wapens in Indië en geloove dat dan nog. Jawel, lenig en buigzaam als de Javaan is. tuimelt hij niet gaauw van het paard, en door dat hij nimmer het paard ontziet doet bij soms wonderlijke dingen te paard, maar alleen bet feit dat hij de doerietrens als be-
00
sturingsmiddel gebruikt, en een karwats bij het rijden onmisbaar acht bewijst dat hij wreed en hard is voor het paard. Uit onkunde! Jawel, maar dat neemt tot het feit niets af. Dwang en altijd dwang is alles wat de Javaan bedenken kan om het paard te berijden en te behandelen.
Bij het bestijgen kent hij geene bepaalde coté-montoir of non-montoir. Gewoonlijk het paard ter rechterzijde naderende, neemt hij zijn sarong te zamen, werpt het voorste gedeelte handig tusschen de beenen door, pakt de teugels, ergens in de rechterhand, zet de rechtervoet in den beugel, en de beweging van het lichaam met de linkerhand steunende is hij met eene zwaaiende beweging in het zadel. De voet wordt binnenwaarts in den beugel gebracht en deze tusschen twee toonen geklemd.quot;
Zijn zit te paard berust verder geheel op de kunst van balanceeren, maar de Javaan heeft neiging zoodra hij gevaar van vallen bespeurt zijne beenen als een hoepel om het paard te slaan. De teugel is niet alleen het middel ter besturing, maar ook het middel tot straf, en het steunpunt van den ruiter. De teugel (die bij de doerietrens aan de ringen bevestigd is. welke niet door het hoofdstel gedragen worden) gaat door de linkerhand. De linkerteugel tusschen pink en ringvinger, de rechter-teugel tusschen midden en wijsvinger. Het overschietende gedeelte bovenwaarts door de hand gaande wordt door den duim op den wijsvinger geklemd. Meestal echter dient de teugelhand alleen als een soort van katrol waarover de teugel loopt, en trekt de rechterhand ergens op goed geluk achter de linker aan den teugel geslagen, de teugel zoo vast aan als noodig wordt geacht. De kunst om den zit te bewaren berust bij den Javaan geheel op balanceren, en hij steekt gewoonlijk de beenen ver af, daarbij achterover in het zadel hangende. De hulpen met de hand, door de beenhulpen ondersteunen doet hij nooit. Dat wij bij het rijden onze beenen gebruiken geschiedt volgens hem omdat wij
23
sporen dragen en dat die beenhnlpen wenken en geene straffen zijn is hem niet te beduiden.
Integendeel, laat hem op een Europeesch-gedresseerd paard komen en hij door toevallige beweging met de beenen gevoelen dat het paard zich verzamelt, dan trekt hij terstond de teugels aan en rekent het zijn paard ols fout aan, dat het zoo takoet, (bang) is.
De Javaansche pikeur legt er zich ook niet op toe het paard bepaalde gangen te leeren. Hij vergenoegt zich bij een proefrit optemerken welke gangen het paard bijna uit zichzelven aanneemt en die te ontwikkelen. Het paard kent ze dadelijk dan is het pinter en zoo niet dan is het paard bódok. Daarin berust hij al naar bet uitvalt.
De voornaamste allures die de Javaan het paard doet aannemen zijn.
a. de stap: maar in sneller tempo dan wij die doen. Het paard gaat bijna in sukkeldraf, wordt bijna geheel aan zichzelven overgelaten, en mag zelf de plekken uit kiezen waar het loopen wil. (Het dier is meestal onbeslagen).
h. de draf: (djódjrok). Ook veel sneller dan wij hem doen. Het paard loopt bijna geheel op de voorhand. Een schudden aan den teugel of een tik met de karwats brengen het paard in den gang. Wijl hij het schokken door het draven vermoeiend vindt, en Engelsch draven zijne lachlust opwekt, acht hij eene verzamelde houding in draf eene fout. Liever laat hij zijn paard c. de telgang: (adean) gaan. Dit is echter niet Vamble maar eene drafbeweging die schrijver nooit in Europa een paard heeft zien gaan. of misschien alleen een harddraven Het paard verplaatst de beenen als in den draf. De ruiter wordt niet uit het zadel getild. Hij zet zich schrap, houdt kort de teugels aan. en stuift met zijn ros voorwaarts zoo hard hij kan. Het bovenlijf blijft rechtop, met eenigszins ingetrokken buik.
d. de drieslag: (ngawal), galop met de voorhand, draf met de achterhand is eene zeer gewilde allure bij lange tochten op vlakke wegen. Door het paard aantejagen en kort in te honden verkrijgt de ruiter deze allure, maar hij vordert geene onmiddellijke gehoorzaamheid aan zijne hulpen, als het dier maar zoo ongeveer doet wat verlangd wordt.
O ö
e. de galop: meestal rechts (ngóngklang). Een tik met de karwats, een ruk aan den teugel en een schop met een of met beide hielen ... en voort gaat het in eene korte schokkende beweging.
f. de ren (rennen heet «bandang)quot;. Hulpen: Op alle denkbare manieren het paard aanzetten tot den grootst mogelijken spoed. De handen worden omhoog getild tot aan horst of schouders van den rijder. De hielen slaan het paard waar zij het kunnen raken. Het lijf gaat als een bal op en neder en blijft door een wonder van balanceerkunst in het zadel. De armen gaan op en neer als vleermniswieken en het bovenlijf wordt iets vooruit gebracht.
Snelheid verminderen en halt houden. Net zóó lang en zoo hard aan de teugels rukken en trekken tot het paard gehoorzaamt.
Wendingen. Het paard wordt in de gewilde richting getrokken met den overeenkomstigen teugel, hoe, dal doet er weinig toe. In den regel echter drukt bij de wending rechts de uitgestrekte rechterhand, terzijde van den hals van het paard, met de binnenvlakte naar onderen, den teugel omlaag, en bij de wending links trekt de rechterhand als een haak den linkerteusfel naar bo-ven. Piegelen daartoe onderwijst zelfs do vader niet aan den zoon. Paardrijden is eene kwestie van gewoonte, denkt de Javaan, en zich die gewoonte door oefening eigen maken doet hij niet. Hij laat het over aan het toeval of hij veel of weinig rijden moet en denkt het gaandeweg te leeren.
Wil een Javaan eens geuren te paard, dan doet hij dit alleen
25
als hij zich op den rug van het dier volkomen veilig weet. maar op den toeschouwer den indruk maakt alsof hij een buitengewoon heftig paard regeert. Daartoe kiest hij een travers galop (rechts gewoonlijk). Het paard beweegt zich in galop op twee hoefslagen met een schouder binnenwaarts. De ruiter laat zijn eigen hoofd met eenigszins vooruitgestoken kin, los aan den hals hangen, de schouders worden in het tempo van den galop op en neder bewogen, de armen klepperen tegen de zijden, en de handen blijven in eene pompende beweging om het hoofd van het paard bij eiken sprong de grootst mogelijken boog te doen doorloopen.
Een Javaan zien Dngierikquot; is een begrip krijgen van zijne rijkunst en zijn oordeel over het paard. De beweging is te verkrijgen bij elk paard, zonder doerietrens, maar wijl hij de beenen niet gebruikt, trekt de Javaan het hoofd van het paard op en neder, haalt daarmede de voorhand van den grond en dwingt zóó het paard tot den galopsprong. Zorgeloos als hij is, kan het hem niet schelen of bet paard daarbij aan schouders en hals lijdt en of de lang volgehouden beweging het dier te gronde richt. ... en wijl de Javaan zóó denkt, is het een ondankbaar werk hem onze begrippen van rijden inteprenten en onzen zit te paard te onderwijzen.
Kleedt men hem op zijn Europeesch. dan gaat dadelijk zijne beste eigenschap als ruiter, de lenigheid, verloren en doet men dit niet dan liggen zijne bloote knieën tegen het zadel. Hoe moet de man nu aansluiting van de binnenvlakte van het dijbeen verkrijgen ?
Zijne spieren zijn anders ontwikkeld als de onze. Zijne toonen zijn tot grijpen geoefend, dus instinctmatig grijpt hij de beugels, en zoekt daarin steun, en wijl hij dus tamelijk los zit, steunt hij zich met de teugels. De losse zit maakt hem angstig bij een levendig paard, dus blijft hij trekken, en om zich dat gemakkelijk te maken, kiest hij dat marteltuig de doerietrens. Die
26
trens maakt het paard ongevoelig in den mond, dus ongehoorzaam, daarom naar de karwarts gegrepen, ... en het resultaat is de caricatuur van een ruiter op een microscopisch knolletje.
De meeste Europeanen hebben geene gelegenheid een of meer hunner Javanen tot ruiter te vormen en zijn daartoe, uit eigen onbekwaamheid, niet in staat. Daartoe behoort eene manége en een afgericht goed gaand paard. Op den langen weg ze africhten gaat niet gemakkelijk, omdat althans in het binnenland de wegen te smal zijn om met tweeën naast elkander te rijden, en omdat de Javaansche adat voorschrijft, dat de mindere achter zijn meerdere moet gaan.
Een B. B. ambtenaar mag het b. v. niet eens vorderen dat een Wedono of zoo iemand naast hem rijdt, en de bediende denkt: »Nu moet ik mede om den baas straks optepassen en voor »het paard te zorgen. Allah, moet ik nu onderweg nog moede sworden door les te krijgen om te paard te zitten als mijnheer ? «En in de manége rijden? Allah, is dat werk voor een man, «voor een paard, altijd maar in de ronde net als de orang kom-»panie te Salatiga, die dat nog doen in een groot huis^ terwijl »er een officier net bij staat als een koetsier met eene zweep?\'\'
En toch moet het mogelijk zijn de Javaan gaande weg iets (beter) ruiter te maken. Tot militair ruiter . . . dat weet schrijver niet. — Maar wel tot een ruiter die eemV/scins onze begrippen deelt omtrent het paard en het rijden, wien men zijn rijpaard kan doen bestijgen zonder dat men angst heeft het dier te zien bederven.
Schrijver heeft jaren lang met een Inlandsch hoofd omgegaan en hem met diens eigen paard overtuigd, dat het dier leerde gevoelig zijn voor zachtheid en goede verpleging, en een staljongen gehad, die vriendelijk omging met het paard hem toevertouwd.
Het moet bekwameren ruiters mogelijk zijn ^als er maar
27
veel ruiters op Java waren) hunne begrippen te verspreiden, want in den Javaan zit de stof voor een )gt;horseinanquot; althans hij bezit daartoe eenige eigenschappen. Hij is sober, en bedaard en vaak ook volhardend. Beduidt hem dat het zijn belang is het paard te behandelen als den karbouw . . . met liefde en dan is reeds de grootste stap gedaan. Wij leeren den Javaan wel omgaan met onze machines, met onze maten, munten en gewichten. onze muziekinstrumenten, met allerlei dingen die bij moeielijker vat dan onze rijméthode, waarom dan niet die methode?
Voor alles is dan noodig dat er voor onze technische termen een equivalent in zijne taal gevonden worde, en er meer animo voor rijsport besta opdat de Europeaan den Javaan begrijpelijk kan maken wat van den laatsten wordt gevorderd.
Zoo als het nu is wordt het rijpaard duurder en duurder. De Australiër verdringt den vluggen Sandelwood. Dat kan anders zijn, en wordt het anders, dan kunnen wij eenmaal aan onze nakomelingen dit eiland vermaken met een goed paardenras als onderdeel der erfenis.
Kenners zeggen dat dank zij de zorgeloosheid van het Gouvernement en het ontzettend paardenverbruik het onmogelijk is het Javaansche paardenras te releveren. Schrijver wil dat aannemen, maar \'t moet dan toch mogelijk wezen een ras hier te importéren.
Maar! Dan eerst moet de beoefening der rijkunst meer algemeen worden.
Geachte lezers hadden misschien meer verwacht van het rijden der Europeanen op Java.
Wat daarvan te zeggen ? De meeste Europeanen hantéren het paard vrij wel zooals een Javaan dat doet.
In den aanvang is gezegd dat het niet mogelijk is dat ieder die een paard houdt, zoo volmaakt rijdt als een beroepsruiter. Neen. dat behoeft niet, maar wel kan ieder onzer desnoods
28
uit boeken leeren hoe hij te paard moet zitten, trachten dat goed en netjes te doen, en werd er over rijden gelezen dan zou men niet zoo algemeen liet bijgeloof verspreid vinden dat de stang een remwerktuig, een dwangmiddel is. Dan zon men lichter gebitten gebruiken, niet onmiddellijk van een jong paard vorderen iets te doen wat het niet geleerd heeft. Dan was men onafhankelijker van KROMOen Wongso en zon men op \'quot;sHeeren wegen niet zooveel zondagsrniters en paardenhelden tegenkomen. De Indische jongen moet geen les krijgen van een Javaan in het berijden van zijn paardje; maar hoe kan sinjo Jantje bij Papa of oom te rade gaan als Papa en oom het paardrijden als spelerij of noodzakelijk kwaad betrachten ?
Jantje vindt het mooi te rijden, maar niet zooals Papa. Jantje moet geuren en wijl Papa hem da/niet leeren kan, leert Jantje het van Kromo, als Jantje dnn 12 of 14 jaren is rijdt hij . . . . als een Javaan. Vergeefs dat oom Willem, die in Holland rijden geleerd heeft, Jantje wil beduiden dat «rijdenquot; is de moeie-lijkste kunst die er bestaat. Oom Willem gelooft dat, hij ondervindt het lederen dag, maar moet het opgeven Jantje wat te leeren. Bedaard rijden? »Kom,oom Willem is gek,quot; zegt Jantje hij zich zeiven, gauw en flink is beter. Draven? neen veel liever «teilen \' dat is lekker en gemakkelijk. . . voor den ruiter; en wat komt het er op aan dat met den eersten stang de beste de mond van het paard uit elkaar gerukt wordt ? Verzet het paard zich, gaat het uit pijn en angst er van door . . . dan maar eenige dagen geen gabah, want die maakt het paard vurig, en Jantje doet veel liever wat neef Kees zegt: Kijk die is brani, die gaat op elk paard, hij heeft zijne paarden zoo gehoorzaam gemaakt dat ze beven en onrustig worden als hij in den stal komt, ... en zijne paarden hebben zulke mooie steekensquot;! Jammer dat zijn bruin paard met senatrio penajoengan altijd kreupel is.
Jantje wordt langzamerhand »Janquot; en Jan moet telkens van
29
paard verwisselen terwijl oom Willem al jaren lang zijn ouden schimmel berijdt. Jan wordt een toewan besar, doet zaken met Droogstoppel en is erg intiem met Slijmering. Rijden doet hij zelf niet meer, maar als men hem hoort is hij een pikeur van belang geweest, en lacht hartelijk om oom Willem, dien hij bijna heeft zien huilen toen diens schimmel van ouderdom stief. Jan heelt geld genoeg om een nieuw paard te koopen als er een dood gaat, maar zijn kleinzoon staat het te wachten dat een San-delwood onder de maat eenen fabelachtigen prijs doet ... tegen dien tijd.
Waarom? omdat door het denkbeeld dat iedereen rijden kan die maar op een paard durft en de onoordeelkundige behandeling die onze paarden daardoor ondergaan het verbruik van paarden zóó groot maakt dat dit verbruik den aanvoer overtreft en het ras doel uitsterven . . zooals op Celebes is geschied.
Heeren der schepping die op Java paarden bestijgen, wees toch billijk! »Pour savoir une chose 11 faut avoir l\'appris.quot; Vraag beroepruiters als gij schrijver niet gelooft; en bedenk het: Een paard heeft gevoel, ruwe behandeling, zij het door onkunde, doet het dier leed, en behandelt gij het goed dan leeft het dier langer, en gij voelt het ook in uwe beurs als gij een paard lang gebruiken kunt. Dat kunt gij niet als gij Wongso of Kromo vertrouwt.
Lees dan over paarden, rijdt meer, onderricht elkander en neem wat dat betreft een voorbeeld aan Engeland. IluldiEf wat
O ö
meer sport en vooral de rijsport, en geloof het gerust ook op het gebied van rijden kan men met zelfonderricht, uit boeken
^4
I
*0