-ocr page 1-

Ü Vak 73

c»«-

DRIE SCHREDEN VOORWAARTS

OP DEN WEG

DER

wmM m wmmamp;.amp;MTm

LIEFDE TOT GOD,

DOOR DEN EeRWAAKDKN PATER .lOHIMM I PEKGMAYR

-van de Sociëteit van Jezun.

M E T EEN B IJ VOEGSEL:

Twee samenspraken met Jezus Christus in het H. Sacrament en in de H. Communie.

■ f

X\'?quot; I; f \' ,/quot;

li

TWEEDE DRUK.

TILBURG,

Snelpersdruk van N. Lüijten. 1 8 8 8.

■ V

.(S

i 1

11 ^ - ifiKt

-ocr page 2-
-ocr page 3-

DRIE SCHREDEN VOORWAARTS

OP DEN WEG DER

WARE El (OLMAAKTE LIEFDE TOT EOi,

-ocr page 4-
-ocr page 5-

DRIE SCHEEDEN VOORWAARTS

OP DEN WEG

der

WmM SM VOMAAKTE

LIEFDE TOT GOD,

door den Eerwaarden Pater JOSEIPH PEliCiMAYR,

van de Sociëteit van Jezus.

MET EEN BIJVOEGSEL:

Twee samenspraken met Jezus Christus in het H. Sacrament en in de H. Communie.

TILBURG, Snelpersdruk van N. Lui.tten. 1 8 8 8.

-ocr page 6-

r.f.kste schrede

met meer recht ei^ op eene gansch bijzondere wijze gezegd worden omtrent de bovennatuurlijke liefde van den monsch jegens God. Een hart, dat zich niet oprecht verheugt bij het zien van iets , wat tot verheerlijking van God , tot zijn welbehagen strekt; een hart dat zonder droefheid de beleedigingen kan zien , die God worden aangedaan ; een hart, dat niet den grootsten afschuw heeft van de minste zonde en die niet meer vlucht dan den dood, zulk een hart bezit geen ware liefde. Dusdanig luidde de schoone grondregel van Nicolaas Lancisius , een heilig en verlicht man , in wiens levensbeschrijving wij den volgenden trek vinden opgeteekend.

Die groote dienaar Gods was eens in gesprek met een aanzienlijk heer uit Boheme, op wien destijds het gansche bestuur van dat rijk berustte. In het volle van het gesprek staat hij eensklaps op, omhelst den graaf, drukt hem aan zijn hart, en zegt: „Doorluchtige Graaf, indien ik beschikken kon over de harten van alle menschen en over het uwe in \'t bijzonder, zoude ik ze allen in gloeiende vuurovens veranderen.quot; De Graaf vroeg hem , waarop iemand van zijn staat zijne liefde tot God moest gronden. „Gij moetquot;, ant-woofdde Nicolaas, „die vestigen op het vluchten der dagelijksche zondequot;. Wat hij aan anderen leerde, beoefende hij zelf. „Lieverquot;, zeide hij , „ware het mij in stukken gehakt of in het vuur der hel gedompeld te worden , dan willens en wetens God te beleedigen door eene enkele dagelijksche zonde.quot; Om dezelfde reden ook was hij

6

-ocr page 7-

EERSTE SCHREDE

gewoon , wanneer hem gezegd werd , dat iemand op eene geheel bijzondere wijze naar de beoefening der deugd streefde , strenge boetvaardigheid pleegde , te vragen , of die persoon ook de dage-lijksche zonde vermeed. Werd daarop bevestigend geantwoord, dan riép hij uit : „O! dat is een waar dienaar Gods!quot; Maar was het antwoord ontkennend , dan sprak hij : „Ach ! van een dusdanig leven wil ik niets weten ; zulk eene liefde kan mij niet behagen.quot;

Ziedaar dus de eerste schrede , die gij te doen hebt, mijne ziel , indien gij de ware en volmaakte liefde tot God wilt bekomen, namelijk: de minste zonde vluchten , meer zelfs dan den dood. Om «en zoo heilig, zoo noodzakelijk voornemen diep in het hart te drukken , zullen wij de geheele stof in drie hoofdstukken verdoelen. In het eerste hoofdstuk zullen wij eenige bemerkingen voorstellen , die ons de boosheid der dagelijksche zonde zullen doen kennen, en in ons eenen heilzamen afschuw tegen dergelijke fouten zullen opwekken. In het tweede hoofdstuk zullen wij eenige nuttige wenken geven tot vermijding der dagelijksche zonde. In het derde zullen wij aantoonen, hoe men op eene godvruchtige wijze aan Jezus Christus in de H. Communie dien heiligen afschuw van de dagelijksche zonde en eene volmaakte zuiverheid des harten kan vragen.

7

-ocr page 8-

eerste schrede

EERSTE HOOFDSTUK.

Korte bemerkingen omtrent de boosheid der dagelijhsche sonde.

De dagelijksche zonde als iets gerings te beschouwen is een uitwerksel onzer verblindheid, mijne ziel, want indien wij dat heldere licht bezaten , waardoor men hai-e boosheid ontdekt en den afschuw kenden , welken God er van heeft, dan zouden wij haar meer vreezen, dan bedreigd te worden met alle folteringen te gelijk. Maar dat licht kan ons door God alleen geschonken worden, daarom moeten wij het onophoudelijk met tranen en zuchten van Hem afsmeeken. Dewijl echter ook van onzen kant pogingen en voorbereiding vereischt worden , stel ik u hier , mijne ziel, in drie bemerkingen drie grondregels voor, die u tot maatstaf kunnen dienen om de grootte der dagelijksche zonde te bepalen. Weet nochtans, dat gij nimmer hier beneden de zwaarte der dagelijksche zonde volkomen zult kunnen begrijpen; dat gij slechts in de eeuwigheid hare boosheid zult inzien.

Eerste bemerking. — Eerste regel waarnaar men de hoosheid der dagelijksche zonde kan afmeten: De oneindige majesteit en grootheid van God.

De zwaarte eener beleediging hangt af van de waardigheid eigen aan dengene , die beleedigd wordt; hoe hooger die waardigheid, des te grocter is de beleediging. Een slag in het aangezicht aan een koning toegebracht overtreft zooverre de beleediging, door eenen dergelijken slag toege-

8

-ocr page 9-

eerste schrede

bracht aan eenen eenvoudigen dorpeling, als de waardigheid van den vorst verheven is boven don staat van den landman. Dat is de bijna eenige en onfeilbare maatstaf, waardoor de grootte eener beleediging kan bepaald worden. Nu God is de oneindige grootheid, de oneindige majesteit; Hij is onmeetbaar, onbegrijpeljjk; hoe groot moet dus niet de boosheid zijn der dagelijksche zonde? Zij is zoo groot , mijne ziel , dat even als niemand , buiten God, begrijpen kan, hoe groot en verheven de Goddelijke majesteit is, zoo ook niemand, buiten God , begrijpen kan, hoe groot de boosheid is der dagelijksche zonde. De leeraars van het geestelijk leven leiden uit dien grondregel twee verbazingwekkende waarheden af.

Eerste waarheid. — De boosheid der dagelijksche zonde is zoo groot, dat het nooit geoorloofd is die te bedrijven, zelfs al zoude men daardoor alle bedenkelijk kwaad kunnen afweren. Indien alle engelen en alle menschen , indien hemel en aarde in het vorige niet moesten terugzinken , en gij die vernietiging kondet beletten door eene enkele dagelijksche zonde , dan nog zoudet gij die niet mogen bedrijven. Het betreurenswaardige verlies van die ontelbare menigte edele schepselen is veel geringer, dan eene enkele, ook maar lichte beleediging , Gode aangedaan.

De reden hiervan is duidelijk, want even als het een grooter kwaad zou zijn een vorst in het aangezicht te slaan, dan een kaakslag aan iemand uit het volk te geven , even zoo is er een grooter kwaad gelegen in God door de minste overtreding

9

-ocr page 10-

eerste schrede

te beleedigen, dan de grootste beleediging toe te brengen aan alle schepselen in den hemel en op de aarde. Alle engelen en alle menschen zijn in vergelijking met God minder dan een mugje.

Besluit hieruit hoe groot de boosheid is van eene dagelijksche zonde met opzet bedreven.

Tweede waarheid. — De boosheid der dagelijksche zonde is zoo groot, dat men ze nimmer mag bedrijven, zelfs al kan men daardoor het grootst mogelijke goed verkrijgen. Dus, indien gij op dit oogenblik , door het bedrijven van eene dagelijksche zonde, alle zondaars op aarde met de goddeljjke liefde kondet vervullen , alle verdoemden der hel in Serafijnen kondet veranderen ; ge zoudt die dagelijksche zonde niet mogen bedrijven.

De reden ligt voor de hand: Pjven als hei; nooit geoorloofd is, den koning eenen kaakslag te geven , al konde men daardoor ook al de schatten van geheel een land verdienen , met te meer reden is het nooit geoorloofd God de minste beleediging aan te doen , al zoude men daardoor alle zondaars en alle verdoemden eeuwig gelukkig kunnen maken.

O, mijne ziel, hoeveel redenen voor ons om ons te vernederen! Gjj erkent de boosheid die in de dagelijksche zonde gelegen is. Gij weet, dat gij er meer dan duizend bedreven hebt. Gij bevindt u in de tegenwoordigheid van God , die met een gestrengen blik al uwe kwaadwillige dagelijksche zonden heeft gadegeslagen en ze nog op dit oogenblik gadeslaat.

10

-ocr page 11-

eekste schrede

Hoeveel reden hebt gij niet om te weenen, wanneer gij eens voor goed de menigte uwer dagelijksche zonden en de afzichtelijkheid van uw hart beschouwen wilt.

Doet gij dit ?..... Spreken uwe zoo goed

ingeziene, zoo opzettelijk begane overtredingen somtijds tot uw hart ?

Gevoeleks. Jfa die twee waarheden overwogen te hebben , zult gij u inwendig voor God vernederen en in u opwekken :

1. Een gevoel van volkomen heschuminy.

O mijn God ! als de boosheid eener zonde zoo groot is , wat moet ik, dio er duizenden bedreven heb , dan van mij zelve denken ?____

Ik weet het, ik ben niet waardig mijne oogen tot u op te heften , en mij voor uw aanbiddelijk aanschijn te vertoonen.

Er is veel in mij , wat u ten zeerste mishaagt en uwe rechtmatige gramschap tegen mij moet opwekken. Mijn hart is eene vergiftigde bron, waaruit maar al te dikwijls ondank, ongehoorzaamheid en beleedigingen tegen uwe goddelijke majesteit opwellen.

2. h\'enc oprechte hekentenis en eene nare verachting van ii zeiven. — Ja , mijn God, mijn hart is bezoedeld met tallooze vlekken, het is een verfoeilijk hart, dat U onverdragelijk zou zijn, indien Gij niet oneindig barmhartig waart. Het is een bedorven en ondankbaar hart, dat Gij niet met zooveel geduld zoudt kunnen aanschouwen, indien Gij niet oneindig lankmoedig waart. Het is een ongehoorzaam hart, aan hetwelk Gij geene

11

-ocr page 12-

EEKSTE SCHREDE

enkele genade meer zoudt kunnen verleenen , als Gij niet de oneindige goedheid waart; waarin Gij niet meer zoudt kunnen verblijven , indien Gij niet een grenzeloos geduld bezat. 0! ellendige die ik ben, alle straften schuldig, wat heb ik gedaan? Hoezeer heb ik mijnen Opperheer, den Koning van hemel en aarde beleedigd !

Vervolgens I. — Betreur uit den grond van uw hart al uive zonden , verfoei ze.

Maar, o mijn God , bij het zien van mijnen treurigen toestand , blijft mij niets over , dan U mjjn oprecht berouw aan te bieden en datgene rouwmoedig te betreuren wat ik mij niet meer herinneren kan. Gij weet alles , en alle zonden die ik sedert het eerste gebruik mijner rede tot op dezen dag bedreven heb , zijn U bekend. Al die zonden betreur ik, ik haat en verfoei ze meer dan alle kwaad dat mij in dit en in het andere leven zou kunnen overkomen, omdat ik, door ze te bedrijven , U , o opperste Majesteit, beleedigd heb.

O, hoe gelukkig zoude ik zijn, ware ik gestorven , voor ik de eerste zonde begaan had! O, hoe gelukkig zou ik op dit oogenblik zijn, indien ik door het oft\'er van mijn leven, al mijne zonden koude uitwisschen !

II. Vraag nederig aan God, dat Hij u uit barmhartigheid vergiffenis schenke.

Maar die begeerte is ongenoegzaam ; ik kom dan tot U, o mijn God, en neem mijne toevlucht tot den schat uwer oneindige barmhartigheid. In mij zeiven heb ik niets , wat U kan bewegen tot

12

-ocr page 13-

eekste schrede

medelijden jegens mij. Indien Gij mij wilt vergeven , moet Gij de beweegredenen daartoe in U zeiven zoeken ; in ü alleen hoop ik , en op U stel ik al mijn vertrouwen. Uwe barmhartigheid is onbegrensd , mateloos , onpeilbaar. Ik smeek U dus, mij door die barmhartigheid al mijne zonden te vergeven. Wisch ze uit en maak mijn hart zoo zuiver en zoo heilig , als het was , eer ik U beleedigde.

Tweede bemerking. — Over den tweeden regel waarop men zich gronden moet, om de hoosheid der dagelijksche zonde te kennen, namelijk: De oneindige heiligheid van God.

Zoo groot als de heiligheid van God is , even groot is ook zijn afschuw van de minste zonde. Die twee hoedanigheden zijn onafscheidelijk van God, en zijn Hem in denzelfden graad eigen. Het is derhalve onmogelijk, dat Hij niet een uitersten afschuw zoude hebben van de zonde. Om die reden ontvangt Hij geene ziel in den hemel, die niet vlekkeloos en van alle zonde gezuiverd is. De H. Johannes zegt in de Apoca-lypsis: „Niets dat bevlekt is kan het rijk der hemelen binnengaan.quot;

O , met wat dikke duisternis moet ons verstand beneveld zijn , als wij , ondanks zulk een licht, de boosheid der dagelijksche zonde niet erkennen. ■ Gevoelens. — Na die waarheid overwogen te hebben, zult ge u uit geheel uw hart tot God wenden en u opwekken tot:

1. Eene ootmoedige bekentenis van uwe hoosheid en van uwe ondankbaarheid; O mijn God, ik belijd

13

-ocr page 14-

EERSTE SCHREDE

en geloof, dat de boosheid der dagelijksche zonde te groot is, om door mijn zwak verstand begrepen te worden , dat de afschuw , die gij er van hebt, zoo groot is als uwe heiligheid , dat is , oneindig groot, en er zou geen enkel menseh te vinden moeten zijn, die niet bereid ware, liever duizend levens te verliezen, dan eene enkele zonde te bedrijven.

Maar hier erken ik de overmaat mijner boosheid, Ik heb duizend en nogmaals duizend dagelijksche zonden bedreven, en dat enkel uit onwil en traagheid , uit eigenliefde en zinnelijkheid. Wat kan ik inbrengen om mijne boosheid te verschoonen ?

2. Een diep leedwezen over uwe zonden. Niets, o mijn God, kan mij verontschuldigen. Eene onbegrijpelijke boosheid sleepte mij mee en geen ander redmiddel blijft mij over dan uwe oneindige goedheid en barmhartigheid. Daarop stel ik al mijne hoop , en ik vraag U uit den grond mijns harten vergeving; ik verfoei uit al de krachten mijner ziel alle zonden, die ik tegen U bedreven heb.

Ik heb geheel mijn hart doorgrond en verfoei alles wat ü ooit in mij mishaagd heeft. Om mijn zoo koud, zoo zwak leedwezen aan te vullen, bied ik ü die droefheid aan welke Jezus Christus in den Olijfhof en op het kruishout geleden heeft voor mijne zonden en voor die van geheel de wereld.... Van berouw doordrongen zult ge nogmaals uw hart tot God opheffen en eene akte verwekken :

1. Van vurige liefde tot God. Hetzelfde licht, o mijn God , dat mij nu de boosheid en de be-

14

-ocr page 15-

eerste schrede

dorvenheid van mijn hart doet erkennen, toont mij ook den afgrond van uwe goedheid en van uwe oneindige beminnelijkheid. Want , hoe zoudt Gij zoolang een zoo zondig schepsel hebben kunnen verdragen, indien uwe liefde en uwe goedheid niet oneindig grooter ware dan mijne boosheid ! Om die oneindige goedheid bemin en omhels ik U met de grootste vurigheid ; ik verzaak aan al de neigingen van mijn hart , die zich tegen uwen wil op de schepselen gericht hebben. Ik geef U geheel mijn hart en smeek U daarin het vuur uwer liefde te ontsteken en het alleen te bezitten.

2. Maak uit liefde, een ernstig besluit van liever te sterven, dan eene enkele dayelijksche sonde ie bedrijven. Ziehier het eerste offer, dat ik , uit liefde tot U , in tegenwoordigheid van al uwe uitverkorenen, U aanbied. Van dit uur af, o mijn God en mijn al, o , oneindig wezen , heb ik besloten, liever duizendmaal te sterven, dan U nog door eene enkele dagelijksche zonde te beleedigen. Gjj , o mjjn Jezus , die alleen de macht hebt om mijne zwakheid te vereterken, mijne neigingen te onderdrukken en mijn hart te bewaren , ontferm U mijner, en sterk mij in dat heilig besluit.

Derde bemerking. — Over den derden regel waarop men zich moet gronden , om de boosheid der dagelijksche zonde te kennen, namelijk; De oneindige rechtvaardigheid van God.

Niets is billijker, mijne ziel, dan de rechtvaardigheid van God! Zij is vereenigd met de oneindige wijsheid , en door die vereeniging erkent

15

-ocr page 16-

EERSTE SCHREDE

zij ten volle hoe groot eene straf uw misdrijf verdient. Zjj gaat gepaard met de oneindige goedheid , en daarom straft zij nooit, zonder er toe genoodzaakt te zijn. Prent die twee hoedanigheden van de goddelijke rechtvaardigheid diep in uw geheugen , geef acht op eene korte geschiedenis ter opheldering.

De vorst van een groot en machtig rijk koos tot zijne bruid eene jeugdige prinses, en maakte alle toebereidselen om haar met den grootsten luister in zijn paleis te ontvangen. Met het vurigst verlangen wordt die dag verbeid en bij het eerste morgenkrieken , zijn reeds de straten opgepropt met menschen. Maar nauwelijks is de verloofde in de stad aangekomen , of de gerechtsdienaars maken zich van haar meester , brengen haar op een openbaar plein , waar zij op bevel van haar bruidegom levend verbrand wordt. Wat, denkt gij, mijne ziel, zouden de getuigen van zulk schouwspel gezegd hebben ? Of wel dat de Koning een wreedaard is , of dat de bruid eene afgrijselijke misdaad bedreven moet hebben. Zoodanige gevolgtrekking zoude natuurlijk door iedereen gemaakt worden.

Wat ik daar vertelde, mijne ziel, is slechts eene gelijkenis ; maar wat ik u ga zeggen is een geloofspunt. Jezus Christus, de hoogste wetgever van hemel en aarde , bemint eene rechtvaardige ziel; hij kiest haar tot zjjne bruid, en morgeu wil hij haar den hemel binnen leiden om haar deel te geven in de onuitsprekelijke vreugde der innigste vereeniging met Hem. De dag breekt

16

-ocr page 17-

KEIiSTE SCMRKDK

aan; de engelen zijn in verwachting , de ziel verlaat het lichaam eu doet haar intrede in de eeuwigheid ! . .. .

Doch, welk droevig schouwspel ! Bij hare intrede in de eeuwige woonstede, wordt de ziel aangehouden, in eene duistere gevangenis geworpen. en gedompeld in een afgrond van vuur. En dat op bevel van haren üruidegom. Wat moet men daarvan zeggen of denken Men moet zeggen : Of de Bruidegom is een wreedaard, of de bruid heeft een ontzettende misdaad begaan.

Ach ! mijne ziel , Jezus Christus is geen wreedaard. Hij is een God, oneindig goed, grenzeloos barmhartig ! Wat volgt dan daaruit Dat de bruid eene vreeselijke overtreding moet hebben begaan. Maar welke ? Greene andere dan de dagelijksche zonde ; en enkel om die dagelijksche zonde , wordt zij door dien zoo teederen Bruidegom met zoo veel strengheid behandeld. O waarheid , in staat om voor de oogen van geheel de wereld de gevolgen der dagelijksche zonde duidelijk te maken.

Gevoelens. Doordrongen van veiie heilzame vrees, zult (jij voor God nederknielén en met yroote vurigheid in 11 opwekken :

1. Eene akte van berouiv over de verblindheid en onbeschaamdheid, waarin gij tot dusverre hebt geleefd.

O mijn God en mijn Opperheer, met welke dikke duisternis moet mijn geest niet omgeven zijn geweest , en hoever heeft deze mijnen wil verblind! Mijn verstand was ook verblind; het aanzag de dagelijksche zonden slechts als fouten

17

2

-ocr page 18-

EURSTE SCHREDE

van weinig beteekeuis. Zoo verblind als mijn verstand was , zoo ongevoelig was mijn wil. Zonder vrees beging ik de dagelijksche zonde , en ik merkte ze op , zonder er door getroffen te worden. Ik biechtte ze zonder er eenig berouw over te gevoelen, ik leefde er in voort zonder onrust. Maar, o mijn God! U zij duizendmaal dank , ik erken tbans , welk groot en afzichtelijk kwaad de dagelijksche zonde is. Zij is eene beleediging aan uwe opperste Majesteit toegebracht; zij is een gruwel voor de blikken uwer oneindige heiligheid, en, na de doodzonde, de grootste misdaad welke uwe gerechtigheid in de menschen te straffen vindt, indien wij ze gedurende liet leven niet betreuren en genoegzaam uitboeten.

2. Verfoei op nieuw al de zonden, welke gij bedreven hebt.

Ik erken bij het licht van uw oordeel , o mijn Grod, dat de dagelijksche zonde onvergelijkelijk alle kwaad van dit en van het andere leven te boven gaat, ik haat en verfoei ze ook meer dan alle kwaad van het tegenwoordige en van het volgend leven. Doch ik haat en beween die met dien heiligen ernst, met die bittere droefheid, welke Jezus in den Olijf hof gevoelde. Ik erken ten volle dat geene andere droefheid, geen andere haat genoegzaam zoude zjjn om mijne zonden uit te wisschen. Ik offer U dan op de allerheiligste smart, die het Hart van Jezus in den Olijf hof vervulde , de tranen , die Hij gestort heeft, het bloed dat mijne zonden uit zijne aderen deden vloeien.

18

-ocr page 19-

eerste schrede

Wek ü op : 1. Tut eene diepe ootmoedigheid en een yroot mistrouwen van u zeiven.

Maar, mijn God, zoo oprecht ik tliaus al m|jne dagelijksche zonden verfoei en liet vaste besluit maak, ze te vermijden, zoo weinig zal ik aan dat goede voornemen getrouw blijven, indien uwe almacht mij niet versterkt, en uwe goedheid mij niet beschermt.

Niets is zwakker dan mijn hart; niets onstandvastiger dan mijne ziel. Gij alleen kunt mij in mijne goede voornemens versterken. Zonder U , en zonder den bijstand uwer genade ben ik zwak als een riet , dat door den wind heen en weer bewogen wordt.

11. Tot eene innige begeerte en een vurig gehed om Ue genade te verkrijgen van u voortaan voor alle dagelijksche zonden te wachten.

Tot U dan, o mijn God, neem ik mijne toevlucht, en ik bid U uit don grond mijns harten , medelijden met mij te hebben en mij te bevrijden van een kwaad , vreeselijker dan de hel zelve. Zend rnij eene straal van uw licht, opdat ik de boosheid der dagelijksche zonde goed kenne, en leere die boven alles te vreezen. Geef mij deel in uwen heiligen haat, en doe mij grondig begrijpen , welke boosheid de dagelijksche zonde bevat. Sta mij elk oogenblik krachtdadig bij met uwe genade, opdat ik van dit uur af, mij van alle dagelijksche zonde onthoude. O Maria, Moeder van barmhartigheid, voeg uwe gebeden bij de mijne , en verkrijg mij van uwen Zoon , Jezus Christus , wat ik van Hem vraag.

1!)

-ocr page 20-

KERSTE Sf\'TIRKDK

TWEEDE HOOFDSTUK.

Korte onderrichtingen, nuttig en noodxahelijl, om de dagélijksehe zonde te kennen.

Oxdeuiuchting l. — Occr dt\' kennis van de daf/elijksche zonden, en hare onderscheidene soorten.

Hot is niets zeldzaams, mijne ziel , dat zeli\'s geestelijke personen geene genoegzame kennis hebben van de dagelijksehe zonden. Ja, het is zelfs zeker , dat er een groot getal aangetroffen wordt , dat in dit opzicht zeer onwetend is. Om dat kwaad te verhelpen , zullen wij hier de voornaamste soorten van dagelijksehe zonden aanwijzen , en om duidelijk te zijn , zullen wij ze verdeelen naar de tien geboden. (Die zonden kunnen ook , naar omstandigheden doodzonden zijn.)

Tegen het eerste gebod: Vrijwillig onachtzaam zjjn in het bestrijden van de twijfelingen tegen het geloof.... Met te veel nieuwsgierigheid trachten de goddelijke geheimen te doorgronden.... Vrijwillig verzuimen zich te beteren van gebrek aan vertrouwen op God, — gedachten te verwijderen van morren tegen God, — treurige en vreesachtige gedachten te verwerpen .... Uit gramschap en ongeduld woorden van wanhoop uiten , zonder nochtans daarin toe te stemmen.... In zijn hart een ongeregelde gehechtheid onderhouden voor eenig schepsel, welk ook.... Den tijd verliezen met nuttelooze , ijdele gesprekken.... Den naaste verachten of den spot met hem drijven

20

-ocr page 21-

EERSTE SniKEDE

om zijne godsvrucht.... Door raad of op eenige andere wijze den iiaante terughouden van hot verrichten van een goed werk.

Men kan hiertoe ook rekenen alle zonden uit hoogmoed: ongeregelde begeerten naar lof, eer en achting, en die zoeken te bekomen door woorden of

daden____ IJdel behagen in zich zei ven nemen----

Van zich of de zijnen met ophef spreken.... Zich heter wanen dan anderen en hen verachten .... Een goed werk uit huichelarij verrichten .... Slechts met ongeduld de minachting verdragen ; zich daarover buitenmate bedroeven of ontstellen. Uit menschelijk opzicht iets doen . wat op strafte van dagelijksche zonde verboden is, of iets achterlaten , wat op dagelijksche zonde geboden is.

Tegen het tweede yebod: Den naam van God zonder eenigen eerbied uitspreken .... De woorden der H. Schrift tot scherts misbruiken.... Zonder noodzakelijkheid de waarheid met eed bevestigen .... Op welke wijze ook , gebrek toonen aan eerbied voor heilige zaken ....

Tegen het derde yebod: Op Zon- en Feestdagen vrijwillig toegeven aan verstrooidheden, of spreken onder de H. Mis .... Toestemmen in verstrooidheden of vrijwillige onachtzaamheid in het ontvangen der H. Sacramenten .... Zijne gebeden niet overhaasting, met lauwheid, met een verstrooid hart verrichten.... Een klein gedeelte van een verplicht gebed verzuimen.... Door het nemen van eene geringe hoeveelheid voedsel , een voorgeschreven vasten breken.

Hierbij kunnen gevoegd worden alle zonden uit

-ocr page 22-

KEKSTE SCHREDE

traagheid en vadsigheid , als : don tijd in ledigheid doorbrengen .... Vrijwillig tegenzin hebben tegen de plichten van zijnen staat en die uit enkel traagheid verzuimen .... Zich traag, slaperig en vadsig toonen in de godvruchtige oefeningen, zonder ernstigen weerstand te bieden.

Tegen het vierde gebod; Merk op , dat alles wat ik zal zeggen van de oversten, ook van toepassing is op ouders. Toegeven aan eenige spijtigheid , aan afkeer tegen zijne oversten .... Hun een gering leed toewensohen of zich daarover verheugen.... Vermetel genoeg zijn om hen inwendig te verachten , en hen in kleine zaken lichtvaardig te beoordeelen.... Met voordacht hun niet gehoorzamen .... Tegen hen morren of in hunne afwezigheid zich over hen beklagen .... Met genoegen liet gemor en de klachten van anderen aanhooren en daarmede instemmen.... Aan anderen het vertrouwen op hen ontnemen , of trachten te ontnemen .... Hen door woorden of gebaren boleedigen .... Hen bedroeven , hun in billijke zaken gehoorzaamheid weigeren, met harde woorden tegenspreken , hunne vermaningen met ongeduld aanhooren .... Hunne bevelen met spijt en tegenzin volbrengen.

Tegen het vijfde yehod: Uit spijt en verdriet, zich zeiven, doch niet ernstig gemeend, den dood toewensohen .... Zich zeiven een gering nadeel aan de gezondheid toebrengen b. v. door gramschap , door te veel te eten of te drinken.... Toegeven aan eenen lichten afkeer of haat tegen den naaste.... Den wil hebben om hem eene

22

-ocr page 23-

EERSTE SCHUEUE

beleediging oF eenig ander klein onheil aan te doen.... Zicli verheugen in een gering leed, dat den naaste is overkomen .... Zich bedroeven over zijn geluk, hem een klein leed toewenschen, hem door woorden eene lichte beleediging aandoen .... Hem in gramschap beleedigende woorden toespreken .... Hem verachtelijke namen geven . . . . Hem smaadwoorden toespreken.... Hem eenig gering nadeel toebrengen , waarin dan ook . . . . Hem uit misnoegen een klein liefdewerk weigeren.... Oneenigheid stoken of\'onderhouden.... Den naaste beletten goed , hem helpen kwaad te doen .... Aanleiding tot zonde geven door slecht voorbeeld .... Hen niet aanhooren, die vergiffenis vragen ; geen vergiffenis vragen aan die door ons beleedigd zijn, noch de eerste willen zijn om hen vriendelijk aan te spreken.

Tegen het zesde en het negende c/ebod: In zijn hart eene ongeregelde, zinnelijke genegenheid dulden.... Onachtzaam zijn in het verwijderen der bekoringen tegen de heilige deugd .... Aanleiding geven tot die bekoringen door nieuwsgierigheid , door zijne oogen niet te bewaken .. .. Hiertoe kunnen ook gerekend worden alle zonden tegen de matigheid, als : Meer uit gretigheid dan uit noodzakelijkheid voedsel gebruiken .... Zelfs het noodige uit zinnelijkheid gebruiken .... Eene ongeregelde begeerte voeden naar uitgezochte spijzen .... Morren over een minder goed voedsel.

Tegen het zevende en tiende gebod; Wijl de meeste religieuzen niet in de gelegenheid zijn aan deze geboden te kort te blijven, zullen wij

23

-ocr page 24-

EERSTE SIHREDE

hier alleen de zonden opgeven, die tegen de gelofte van armoede begaan kunnen worden.

Iets van geringe waarde aannemen zonder verlof der oversten.... Dit uitgeven. ... Het voor zich of\' voor anderen gebruiken , al waren het ook maar lêvensbehoeften van het huis .... Zoodanig gehecht zijn aan eenig voorwerp . dat men niet bereid zoude zijn , het af te staan , wamuer de oversten er anders over wilden beschikken.

Tegen het achtste, ijeboii. Zonder reden kwaad vermoeden hebben , — in eene niet gewichtige zaak een ongunstig of verkeerd oordeel vollen. — Het goede verkeerd uitleggen .... Zjjn vermoeden aan anderen mededeelen .... Wat ons ten nadeele van een ander onder geheimhouding gezegd is , verder vertellen .... Den naaste bedriegen ....

Hem valschelijk vleien, kwaad van hem spreken____

Kwaad spreken met vermaak aanhooren .... Er mede instemmen .... Geheime fouten openbaar maken .... De zaak vergrooten of overdrijven.... Aan iemand terug vertellen , wat ons van hem gezegd is. . . . Iemand valsch beschuldigen .... Aan de ondergeschikten terug vertellen , wat de oversten van hem gezegd hebben, en omgekeerd .... Daardoor de liefde en het vertrouwen verzwakken , iets , dat reeds tot de zwaardere dagelijksche zonde behoort....

Wat denkt gij wel, mijne ziel, bij den aanblik van die ontelbare menigte dagelijksche zonden, die wij zoo lichtelijk kunnen bedrijven? Misschien zegt gij bij u zelve : Waarlijk , welke kracht zal in staat zijn om onze zwakheid te ondersteunen in die

24

-ocr page 25-

HEKSTE SCHKEDE

duizenden gelegenheden van dageljjksche zonden , waaraan wij aanhoudend zijn blootgesteld ? Of\' welke pogingen zullen toereikend zijn , om zoovele misdaden te vermijden , waarvan wij voortdurend de kiem in ons binnenste dragen ? Dat meent gij , mijne ziel , maar ontrust u niet. Ik verzoek u slechts de middelen te willen gebruiken , die ik u in de vierde onderrichting zal voorstellen, al het overige kunt gij aan God overlaten ; Hij vordert van u slechts datgene wat gjj in staat zijt te doen : wat gij niet vermoogt, daarin zal Hij voorzien door do hulp zijner genade. Met dien bijstand hebben vele duizenden vóór u zich onthouden van volkomen vrijwillige dagelijksche zonden; mot dien bijstand doen duizenden zulks nog tegenwoordig , en met dien bijstand zult ook gjj zulks kunnen doen.

O.xdekkichtixg IJ. — Over tie tnnxtamlighedeH die de dagelijksche zonden vermeerderen of\' verminderen.

Het is niet slechts nuttig , maar zelfs noodzakelijk , mijne ziel , dat wij goed weten , welke de omstandigheden zijn die de dagelijksche zondeij in het oog van God vergrooten en verzwaren.

De eerste omstandigheid is , ze begaan met overleg , met voile kennis en vrijen wil.

Aldus zondigen diegenen, welke aanstonds zeer wel inzien , dat iets zonde is , maar toch die daad verrichten. De H. Teresia leert ons hoezeer die omstandigheid de beleediging vergroot, welke God wordt aangedaan. Wie zoo met voordacht zondigt , zegt zij , schijnt tot God te zeggen : „Ik weet inderdaad , Heer , dat ik U mishaag, wan-

25

-ocr page 26-

26 liEKSTE SCHREDE

neer ik dit doe; toch zal ik het doen. Ik weet, dat gij het ziet, en dat het tegen uwen wil strijdt , maar toch wil ik mijne begeerte voldoen en liever mijnen wil volbrengen dan den uwen. En zulk eene handelwijze zou men eene kleine fout durven noemen ?quot;

De tweede omstandigheid, die de dagelijksclw zonde verzwaart, is ze niet slechts met voordacht bedrijven , maar zelfs ze bedrijven met overleg , er over nadenken en hesluiten ze te bedrijven, quot;Wij hooren, dat iemand kwaad van ons gesproken heeft, wij worden toornig en nemen ons voor . kwaad met kwaad te vergelden. Wij kiezen de woorden , waarvan wij ons zullen bedienen , wij wachten met ongeduld naar de gelegenheid , en eindelijk volvoeren wij wat wij bij ons zeiven besloten hadden. Eene zonde op die wijze bedreven , bevat inderdaad eene groote boosheid ; ja, het is niet eene zonde alleen , het is een aaneenschakeling van verschillende zonden.

De derde omstandigheid , die de dagelijksche zoude zwaarder doet worden , is ze begaan met veel vuur en hevigheid. Die omstandigheid is duidelijk, en laat zich licht onderscheiden. Eene hevige gramschap , waardoor het gelaat ontsteld wordt , en die zich in beleedigende woorden lucht geeft, is zeer zeker eene grootere fout dan toe te geven aan eene lichte beweging van ongeduld. Hardnekkig en met veel stijfhoofdigheid aan zijne oversten weerstaan , is ongetwijfeld eene grootere zonde dan het begaan van eene kleine ongehoorzaamheid.

-ocr page 27-

EERSTE SCHREDE

Dusdanig was de zonde van zekeren kluizenaar, van wien ons het volgende verhaald wordt. Om zich te onttrekken aan elke gelegenheid tot gramschap , had hij aan allen omgang met anderen vaarwel gezegd en zich eene geheel afgezonderde plaats tot verblijf gekozen. Dewijl hij echter zijne tot ongeduld geneigde ziel mede naar de woestijn nam , gebeurde het eens dat hij in eenen hevigen aanval van gramschap. uit toorn en spijt, het houten schoteltje. dat geheel zijn huisraad uitmaakte , tegen eenen steen verbrijzelde.

De vierde omstandigheid, die de dagelijkschc eondi-verzwaart, is er eenigen tijd in voort te gaan.

Deze omstandigheid is, even als de voorgaande, van zelf reeds duidelijk. Het is dan eene grootere zonde, aan verstrooidheden in het gebod een geheel uur lang toe te geven, dan slechts gedurende twee of drie minuten in verstrooiende gedachten te verwijlen. Eenen geheelen dag of misschien eene gansche week vrijwillig volharden in gramschap en in oenen misdadigen afkeer tegen den naaste. is voorzeker eene grootere zonde tegen de liefde , dan eene oploopendheid die na eenige minuten verdwijnt.

De vijfde omstandigheid, welke de dagelijksche zonden grooter maakt, is de ergernis die men ■er door geeft. Dit zou plaats hebben, als men bijvoorbeeld aan betrokken personen oververtelde wat elders tegen hen gezegd of gedaan is, en dat , terwijl men de betreurenswaardige gevolgen voorziet, welke eene dusdanige onbescheidenheid kan hebben , of wanneer men kwaad sprak van

-ocr page 28-

kkksïk schkkdk

de oversten op zoodanige wijze, dat men hun daardoor het vertrouwen en den eerbied der ondergeschikten benam. Even zoo, indien men iemand zou prijzen , die aan zijne godsdienstplichten te kort blijft, die hardnekkig aan het gezag zijner oversten wederstaat, of eenige andere zonde, welke dan ook , bedrijft; eindelijk als men met minachting over de godvruchtige gebruiken , de Regelen en Constitution van zjjnc Orde zou spreken ; indien men er over zou spreken om te morren of er mede te spotten.

De zesde omstandigheid, die de dayelijksche zonde erger maakt , is zich die tot gewoonte maken en er vrijwillig in volharden ; vooral eene zoodanige gewoonte rechtvaardigen en willen verdedigen.

Ondebrichting 111. Over de graden van de zuiverheid des harte)).

Wijl het mogelijk is , mijne ziel , tot de volmaakte liefde en vereeniging met Groil te komen zonder een grooten afschrik van de zonde en zonder eene volmaakte zuiverheid van het hart, zullen wij thans onderzoeken , waarin die zuiverheid des harten bestaat , en welke hare verschillende graden zijn. Al aanstonds zal ik u zeggen, dat de eerste graad , als eene soort van voorbereiding, do verheffing der ziel tot de zuivere liefde en de vereeniging met God moet voorafgaan , terwijl de drie laatste graden, gewoonlijk van die bijzondere genade een gevolg zijn.

Eerste graad van de zuiverheid des harten : Zich zuiver en vrij bewaren van alle geneigdheid tot zonde. Er zijn twee soorten van kwade

-ocr page 29-

EERSTE SCHREDE

geneigdheden : de eerste bestaat in eene ongere-regelde liefde voor een persoon of voor eene zaak, welke die ook zijn moge ; de tweede is eene af-gekeerdheid of wrevel tegen een\' persoon, indien wij die twee neigingen vrijwillig laten wortelen in ons hart, indien wij er ons niet van willen losmaken. indien wij niet ernstig trachten die te bestrijden en te vernietigen, maken ze ons onbekwaam tot de vereeniging met God en beletten, voor geheel ons leven , eiken geestelijken voortgang. Dat dan uwe eerste zorg zij , mijne ziel , het hart altijd vrij te houden van alle ongeregelde gehechtheid of afkeer, er nooit aan deze eeno plaats te verleenen. Wees verzekerd , dat ge een grooten sta]) voorwaarts gedaan hebt, wanneer ge tot die vrijheid zult zijn gekomen.

Tweede graad van de zuiverheid des harten : Zoolang mogelijk vrjj blijven van dagelijksche zonden.

Menscheljjkerwijze gesproken, en volgens de uitspraak van het Concilie van Trente, is het, onze groote broosheid en de menigvuldige gelegenheden in aanmerking genomen , werkelijk onmogelijk langen tijd zonder dagelijksche zonde te leven. Nochtans is zulks mogelijk en zelfs gemakkelijk , indien God ons versterkt door zijne genade , welke hij nooit weigert aan iemand , die ze Hem vraagt en ze zich waardig maakt door eene aanhoudende versterving. Zoo zijn er zielen, zoo ijverig, zoo getrouw en waakzaam dat zij een geheel jaar doorbrengen zonder God door eene enkele dagelijksche zonde te bedroeven. „Ik

-ocr page 30-

HEKSTE SCHREDE

kan naar waarheid verklaren , zegt onze geestelijke Vader Lancisius , dat ik vele zielen heb gekend, zoo in ons Gezelschap als in eenige vrouwenkloosters, die, gedurende een geheel jaar, geene enkele vrijwillige dagelijksche zonde hebben bedreven. Tot die zielen behoorde onze Pater Martinus Probonius , in wien ik geen enkele dagelijksche zonde gevonden heb gedurende het geheele jaar, ofschoon hij zjjn geweten met de grootste nauwkeurigheid onderzocht, en mij zijn inwendigen toestand zoo vrijmoedig openbaarde , alsof hij zijn geheele gedrag voor God zelveu had willen blootleggen.quot;\'

Derde (/raad van de zuiverheid des harten: Eene ware droefheid gevoelen, wanneer men, uit zwakheid, in de minste zonde is gevallen , die aanstonds betreuren.

Zich zoo gedragen , is een der beste kenteeke-nen welke men kan hebben omtrent den inwendigen toestand der ziel ; want dit is een onfeilbaar teeken , dat zij reeds geheel vervuld is van de goddelijke liefde. Om die reden zegt de H. Isidorus, dat dit eene hoedanigheid is der waarlijk volmaakte ziel; de volmaakte zielen gevoelen een zoo bitter leedwezen over de kleinste zonde , die zij bedreven hebben , als de andere over het begaan eener misdaad.

Vierde (/raad van de zuicerheid des harten: Slechts zelden in die zonden vallen , welke enkel uit menschelijke zwakheid, uit overijling. en zonder voorbedachtheid begaan worden.

Om tot dien verheven trap te komen , worde:.!

:i(gt;

-ocr page 31-

EERSTE SCHREDE

vereisoht, inwendige kalmte, eene volstrekte heerschappij over alle kwade neigingen, eene innige ver-eeniging met God , eene onafgebroken ingekeerdheid van den geest in de tegenwoordigheid van God.

Zulke zielen zijn bijna de eenige aan wie God, uit eene geheel bijzondere welwillendheid, de genade schenkt, van zich gewoonlijk te kunnen onthouden van die zonden, in welke anderen bijna op eiken stond vallen. Wij vinden daarvan een trett\'end voorbeeld in het leven van de H. Maria van Oignies , van wie de beroemde bisschop en kardinaal Jacobus van Vitry schrijft; „Ik neem God tot getuige , dat ik nooit , in geheel baai-leven eene zware zonde in haar heb opgemerkt. Wanneer zij meende eene kleine zonde bedreven te hebben , beleed zij die met zooveel leedwezen en eene zoo groote schaamte . dat zij gewoonlijk als gedwongen werd kreten te uiten evenals iemand, die wreede smarten lijdt. Overigens legde zij zich zoodanig toe op het vermijden der minste fouten, dat zij soms in veertien dagen aan geene enkele nut-telooze gedachte had toegegeven; en gelijk het eigen is aan zielen die God liefhebben, den schijn der zonde te vreezen , zoo gebeurde het soms dat zij zich weenende kwam beschuldigen van zulke beuzelingen , dat ik mij nauwelijks van lachen kon onthouden.quot;

Vijfde graad van de zuiverheid des harten ; Zorgen , dat het aantal fouten , waarin mon uit zwakheid en overijling valt, steeds kleiner wordt.

Evenals die zielen dagelijks toenemen in heiligheid , zoo nemen zij ook toe in kinderlijke vrees,

-ocr page 32-

EERSTE SI\'111! KI IK

waakzaamheid eu bezorgdheid om God niet in het minste te mishagen ; en God , die zulk eene gesteltenis zeer gaarne ziet, versterkt haar dermate door zijne genade , dat zij een gansch he-melsch leven leiden , en meer en meer de zuiverheid der gelukzalige geesten nabij komen. „Nadat haar geest versterkt was , schrijtt de kardinaal van Yitry , van de 11. Maria van Oignies sprekende , legde /.ij er zioh op toe , om hare ziel in zoodanige vrees, hare oogen zoo zedig en haar hart zoo zuiver te houden, dat zij , steeds de woorden gedachtig der\' H. Schrift: „Wie het kleine niet telt, zal allengs vervallenquot;, zich nooit, of ten minste uiterst zelden schuldig maakte aan een enkel onpassend woord , aan eene berispelijke houding , blik of scherts. Wanneer zij ook maar de geringste fout had bedreven , beschuldigde zij zich daarvan met het grootste leedwezen en legde zich zelve boetoefeningen opquot;.

Zesde graad van de zuiverheid des harten : Zich geheel vrijhouden van zekere soorten van •dagelijksche zonden.

Deze graad is een gevolg van den voorgaanden ; want, dewijl God gewoonlijk deze zielen tot de innigste vereeniging met Hem brengt, en haar met de gaven van den H. Geest vervult, vinden zij niet alleen geene moeielijkheid, maar zelfs vreugde en vertroosting in de beoefening van sommige deugden; vandaar dat zij de minste zonden , met die deugden in strijd , gemakkelijk vermijden. Zoodanig was , onder andere de ziel van den kluizenaar, van wien wij den volgenden

-ocr page 33-

eeüste sckrede

trek lezen, in het leven van de vaders der woestijn. Een andere kluizenaar bezocht hem. Mijn broeder, zeide hij, vertel mij toch welke vorderingen gij in al den tijd van uw eenzaam leven gemaakt hebt, en welke vrucht gij getrokken hebt uit uwe geestelijke oefeningen! „Ga heen, antwoordde hem de oude kluizenaar, en kom na tien dagen weder ; dan zal ik het u zeggen.quot; Na verloop van tien dagen ging de kluizenaar terug, maar hij vond den goeden grijsaard dood in zijne cel. Nochtans was hij de belofte niet vergeten , want naast den overledene vond hij eene kruik waarop geschreven stond: „Vergeef mij, vader, gedurende al den tijd dien ik hier geleefd heb , was nooit mijn hart op aarde gedurende de uren des gebeds.quot;\'

O , hoe ver zijn wij nog van die zuiverheid des harten verwijderd !

Onderrichting IV. Over de middelen om de zuiverheid des harten te bekomen.

Om eene zoo groote zuiverheid vah hart te verkrijgen, worden twee zaken vereischt: de eene van den kant des menschen, de andere van den kant van God.

De mensch moet van zijnen kant met vurigheid, ijver en volharding de middelen aanwenden, die geschikt zijn, om hem van de dagelijksche zonde te vrijwaren. Van den kant van God wordt vereischt: eene buitengewone bescherming en barmhartigheid om onze zwakheid te steunen en ons krachtdadig bij te staan in een zoo groot aantal gelegenheden en bekoringen. quot;Wij zullen slechts over het eerste punt spreken , want, als

33

8

-ocr page 34-

EERSTE SCHREDE

wij van onze zijde doe\'n, wat wij kunnen en moeten doen, dan zal nooit de hulp van God ons\'ontbreken.

Eerste middel om cene volmaakte zuiverheid van hart te hekomen : Zoo diep mogelijk in zijn hart prenten het besluit van liever te sterven dan de minste dagelijksche zonde te bedrijven ; dit voornemen eiken dag vernieuwen en daartoe dikwijls met eene diepe nederigheid Gods krachtdadigste genaden afsmeeken.

Tot dit middel behooren de volgende punten :

1. In onze overwegingen moeten wij nadenken over de zwaarte en de boosheid der dagelijksche zonde, totdat wij er eene levendige droefheid over gevoelen , en met oprechtheid kunnen zeggen, dat wij liever den dood zouden ondergaan , dan eene enkele dagelijksche zonde te bedrijven.

2. Wij moeten dit goede voornemen ten minste driemaal daags vernieuwen , maar met een zoo vast besluit, met zoo veel aandacht, dat wij God kunnen verzekeren , liever nog op dezen dag te willen sterven , dan Hem door de minste fout te bedroeven.

3. Telkens als wij dit voornemen vernieuwen moeten wij terzelfder tijd aan God onze zwakheid klagen, en met eencn diepen ootmoed zijne genade en zijnen bijstand afsmeeken. Die oefening is geenszins moeilijk en vereischt niet veel tijd; eene verzuchting is daartoe genoeg, bij voorbeeld : O , mijn God. ik geloof en erken, dat Gij het opperste goed zijt, dat Gij nooit genoeg geacht , nooit genoeg bemind kunt worden ; ik geloof dit en erken , dat de zonde het grootste kwaad

34

-ocr page 35-

EERSTE SCHREDE

is en dat zij nooit genoeg gehaat en verfoeid kan worden. Ik bemin U en bemin U bovenal, in zooverre mij zulks mogelijk is , en uit liefde tot U haat en verfoei ik bovenal alle, ook de minste zonden. Ik heb besloten en vernieuw op dit oogenblik het besluit van liever nog heden te sterven, dan eene enkele dagelijksche zonde te bedrijven ; maar ik weet , o mijn God , dat, uithoofde van mijne groote zwakheid, mijne boosheid en de onstandvastigheid van mijn hart, niets mij van zondigen kan weerhouden , tenzij de kracht van uwen alvermogenden arm; ik smeek U, door het kostbaar bloed van Jezus Christus , mij te willen behoeden voor alle ook de geringste dage-lijkschamp; zonde. Zie , mijne ziel, deze of eene andere dergelijke verzuchting is voldoende voor deze oefening.

Het komt er nu op aan een tijd vast te stellen voor die oefening, ten einde ze nooit te verzuimen. Wees wel overtuigd , dat het hier eene zaak van het grootste gewicht geldt. Want, zooals het Concilie van Trente zegt, indien de goddelijke genade , die wij door aanhoudende gebeden moeten afsmeeken , ons niet te hulp komt , zouden wij tevergeefs werken om de zwakheden onzer brooze natuur te overwinnen; want niet door de kracht van onzén vrijen wil, maar alleen door de kracht der genade, die God ons verleent, kunnen wij weerstand bieden. Maar even overtuigd als wjj zijn, dat wij ter zaligheid niets kunnen zonder de hulp der goddelijke genade , even zoo goed weten wij, dat God ons die niet weigeren

35

-ocr page 36-

T

36 EERSTE SCHREDE

zal. wanneer men ze met ootmoed en volharding vraagt. Al wat wij met vertrouwen en ootmoed van God verzoeken, zegt de H. Cyprianus ter onzer bemoediging, zullen wij van zijne vaderlijke goedheid verkrijgen.

Tweede middel om de volmaakte zuiverheid des harten te bekomen : Leven in eene aanhoudende ^

waakzaamheid en oogenblikkelijk, ijverig en krachtdadig al de ongeregelde begeerten des harten onderdrukken, van waar die ook mochten komen,

Geef ivel acht, mijne ziel, op hetgeen ik zeg :

1. Van waar zij ook mochten komen, want eenige komen van de bedorven natuur en van de begeerlijkheid in ons. Andere kunnen teweeg gebracht worden door eene oorzaak buiten ons , die onze kwade neigingen opwekt. Andere nog komen van den boozen geest, die door zijne inblazingen ons tot het kwaad aanspoort.

2. Oogenblikkelijk : Langzaam te werk gaan ,

talmen met het verwerpen van bekoringen en ongeregelde bewegingen, is zich overgeven zonder weerstand en zonder strijd. Eene slang heeft niet veel tijd noodig om u te bijten en haar gif aan uw lichaam mede te deelen. Een oogenblik is daartoe genoeg. Evenzoo is het met de bekoringen gelegen.

3. Ijverig en krachtdadig. Wanneer men de bekoring niet ernstig wederstaat, neemt zij toe en krijgt de overhand, zoodat men ze in het geheel niet, of althans niet dan zeer moeilijk meer kan overwinnen. Luisteren wij naar den H. Joannes Chrysostomus : „Wanneer gij door eene

-ocr page 37-

EEKSTE SCHREDE

lichte bekoring wordt aangevallen, zegt hij, houd er U niet mede bezig, denkende dat het eene zaak is van weinig beteekenis ; maar herinner u , dat de gevolgen dier kleine bekoring een zeer groot kwaad teweeg kunnen brengen. Hoe zeer verschrikt men niet, als in een huis een weinig stroo in brand geraakt en hoe haast men zich niet om het te blusschen ! Dit komt, omdat men weet, welk groot onheil men te duchten heeft; wanneer de vlammen niet oogenblikkehjk worden uitgedoofd. Eene zondige of ongeregelde beweging is veel gevaarlijker voor de ziel , dan een dusdanige brand voor een huis. Het is dus noodzakelijk, die onmiddellijk te onderdrukken, indien wij er niet door overwonnen willen worden. Wanneer een schip lek wordt, wacht men niet tot het begint te zinken , maar men stopt onverwijld de opening, waardoor het water binnendringt. Zoo ook moeten wij doen ; wij moeten de verkeerde bewegingen aanstonds en met grooten ijver onderdrukken.quot;

Wat die groote leeraar bemerkt, werd eens door den duivel zelf aan den H. Pacomius bekend ; eens dat hij aan hem verscheen onder de gedaante van eene vrouw, vroeg de heilige hem , waarom tot dusverre zijne pogingen bij Gods dienaren zoo weinig slaagden ? „Ik heb het u reeds gezegdquot;, antwoordde de duivel, „en ik herhaal het: sedert God mensch geworden is , zijn wij machteloos, zoodat degenen die op Hem hopen , ons kunnen verjagen, alsof wij vogelen waren. Nochtans beijveren wij ons onophoudelijk om kwade ge-

37

-ocr page 38-

EERSTE SCHREDE

dachten op te wekken in de harten der menschen. Zijn zij lauw of koud , en geven zij half gehoor aan onze inblazingen, dan gaan wij binnen in hunne harten, bestrijden hen met de uiterste woede en eindelijk doen wij hen bezwijken. Maar weerstaan zij van den beginne, dan worden wij uit hunne harten verdreven , als eene rookwolk, die in den dampkring verdwijnt.quot; Beijver u dus, zoo sluit ik deze onderrichting met de woorden van den H. Apollo , abt, beijver u om alle bekoringen, alle verkeerde bewegingen in den aanvang krachtdadig te verwerpen , want , indien men den kop der slang verplet, moet het lichaam insgelijks sterven.

Derde middel om de volmaakte zuiverheid des harten te hekomen : Aanstonds na het begaan denzonde eene akte van berouw verwekken en ze betreuren.

Ongelukkig wordt dit zoo nuttige en voordeelige middel al te weinig gebruikt. De meeste zielen verliezen den moed en worden angstvallig; zij zijn bovenmate bedroefd , laten hunne goede voornemens varen en meenen, in eene soort van wanhoop verkeerende , dat zij nooit het gewenschte doel zullen bereiken. Niets kan nadeeliger zijn dan deze handelwijze. Indien wij een goed gebruik wisten te maken van onze zwakheden, dan zouden onze zonden zelve ons tot de heiligheid brengen en ons tot ladder dienen om naar den hemel op te klimmen.

Wat moet gij dan doen ?

1. Na den val geen oogenblik werkeloos bli} ven ;

38

-ocr page 39-

EEKSTE SCHUBDE

maar zoo spoedig mogelijk u tot God te wenden, in zijne heilige tegenwoordigheid openhartig en ootmoedig uwe zonde bekennen en ze uit geheel uw hart betreuren. Daarna moet ge alle verdriet van u verwijderen , vast gelooven, dat God u vergeven heeft en in uwe goede voornemens volharden met een nieuw vertrouwen op Gods barmhartigheid.

2. U er op toeleggen om den misslag te herstellen. Dit kan op verschillende wijzen geschieden. Gij kunt , bij voorbeeld , tien zeer vurige akten verwekken van de deugd, tegenovergesteld aan de bedreven zonde. Gjj kunt eene uitwendige oefening doen van de deugd, tegenovergesteld aan de bedreven zonde. Gij kunt u eene boetoefening, eene versterving of eene vernedering opleggen ; bij voorbeeld: nederig vergiffenis vragen als men den naaste beleedigd heeft, of iets anders dat de H. Geest u zal ingeven. Dit is een zeer gewichtige grondregel, welken de H. Dorotheus dringend aan zijne leerlingen aanbeval: „Indien wij uit zwakheid vallen, zeide hij hun, bejjveren wij ons dan om aanstonds op te staan; want bij het zien van ons berouw en onze ootmoedigheid, zal God ons de hand reiken en ons zjjne barmhartigheid doen gevoelen.quot; Ja, God eischt zoo uitdrukkelijk dat onverwijld berouw en dien terugkeer des harten , dat Hij die dikwijls door ongewone middelen uitlokt, wanneer de mensch ze verzuimt. Een voorbeeld daarvan wordt ons door Cassianus aangehaald in het leven van den abt Mozes: Deze groote man vergat zieh eens en bejegende

39

-ocr page 40-

EERSTE SCHREDE

den heiligen abt Macarius met onvriendelijkheid. Nauwelijks was de zonde bedreven , of de duivel maakte zich van den abt Mozes meester, mishandelde hem zoo wreedaardig , dat hij zich genoodzaakt zag zijnen mond met vuiligheid te vullen. De oorzaak van die straf was , dat God in die begunstigde ziel geene zonde kon dulden , zelfs r

niet voor een oogenblik, en dat Hij daarom werkte om haar door die harde bestraffing oogenblikkelijk te zuiveren.

Vierde middel om eene volmaakte zuiverheid den harten te bekomen: Het Sacrament van boetvaardigheid. Ik ben niet voornemens omtrent eene stof, zoo uitvoerig als het Sacrament van boetvaardigheid , in bijzonderheden te treden. Ik zal er slechts datgene van behandelen wat tot mijn onderwerp dienstig is. Indien gij dan, mijne ziel.

ernstig verlangt de volmaakte zuiverheid des harten te bekomen, moet gij noodzakelijk de drie volgende punten in acht nemen ;

1. Bij het einde van elke maand moet gij zorgvuldig uw geweten onderzoeken , u al uwe ♦ zonden herinneren, ze betreuren door de vurigste

akten van liefde en berouw en er u met de vol-komenste oprechtheid van beschuldigen.

2. Eene bepaalde dagelijksche zonde uitkiezen, het vaste besluit maken, om die gedurende de volgende maand geheel uit te roeien, wat het ook kosten moge , en daartoe aan God zijne hulp en overvloedige genade vragen.

3. In uwe gewone biechten vooral op die zonde letten, en trachten die van ganseher harte te

40

-ocr page 41-

EERSTE SCHREDE

betreuren. Dit middel is buitengewoon krachtig om de ziel van lieverlede tot eene volmaakte zuiverheid te brengen. Yoeg tot dat einde bij uw goed voornemen , de volgende woorden : O , mijn God , ik maak het voornemen om alle vrijwillige dagelijksche zonden te vermijden, maar

bijzonder..... bij voorbeeld de gramschap , de

nieuwsgierige blikken, het gebrek aan liefde in den omgang met den naaste.

.....*-----

DERDE HOOFDSTUK.

Korte wijse om die volmaakte zuiverheid aan Jezus in de If. Communie te vragen.

liet Allerheiligste Sacrament des Altaars, mijne ziel , is eene bron van alle genaden. Gij kunt niets bedenken , of gij vindt het daar , mits het u niet ontbreke noch aan vertrouwen , noch aan ijver en godsvrucht. Nader heden daartoe, en vraag aan Jezus , daar tegenwoordig, de schatten zijner barmhartigheid en eene volmaakte zuiverheid van hart. Hij zal u des te liever die genade verleenen, omdat Hij met vurigheid de zuiverheid uws harten begeert. Om dit vertrouwen nog te versterken , kunt gij uw hart bezig houden met eene van de volgende waarheden , die ik u ter overweging voorstel.

41

-ocr page 42-

eerste schrede

§ «.

Waarheden ter overweging vóór de H. Communie.

Eerste waarheid. In het heilig Sacrament zuivert Jezus ons van de zonden , die wij eiken dag bedrijven.

Gij weet, mijne ziel, welk groot kwaad de dage-lijksche zonde is. Met welke vurigheid, mijne ziel, moet gij dan Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament niet loven en zegenen , en met welk brandend verlangen moet gij niet naderen tot Hem , die u van dat kwaad wil bevrijden. Want zie en bewonder de liefde van Jezus Christus. Dat kostbare bloed hetwelk voldoende zou zijn om al de misdaden der wereld uit te boeten, schenkt Hij vandaag aan u alleen, en dat enkel. opdat de schuld van alle dagelijksche zonden, die in uw hart schuilen, als met eene pennestreek zouden worden doorgehaald. Geloof het vastelijk; Jezus Christus begeert onze zielen te wasschen in zijn heilig bloed, even volkomen als hij de ziel van den berouwhebbenden moordenaar gereinigd heeft, indien wij met een rouwmoedig hart verzuchten tot Hem , tegenwoordig in zijn heilig Sacrament. Het heilig Concilie van Trente zegt: De goddelijke Verlosser heeft gewild, dat wij ons van dit heilig Sacrament zouden bedienen als van een geneesmiddel om gezuiverd te worden van de zonden die wij eiken dag bedrijven. Welk eene groote en bewonderenswaardige genade ! Overweeg met zorg de volgende punten, ten einde die genade naar waarde te schatten.

42

-ocr page 43-

eerste schrede

Eerste pust. Jezus strekt die genade uit tot alle dagelijksche zonden , geen enkele uitgezonderd, Als Jezus bij u zijn intrek neemt, dan heeft met u plaats, wat met de schoonmoeder van Petrus gebeurde, toen Jezus haar huis binnentrad. Hij raakte enkel die arme zieke aan en dat was genoeg. Op hetzelfde oogenblik verdween alle ziektestof; de koorts verminderde en zij gevoelde zich volkomen genezen.

Wat Jezus in het lichaam dier zieke uitwerkte, doet hij ook voor uwe ziel. Hij komt in uw hart en dat is genoeg. Op hetzelfde oogenblik zijn alle dagelijksche zonden uitgewischt en gij zijt rein en vlekkeloos , vrij van zonde. De oorzaak van die algeheele kwijtschelding der zonden wordt door de godgeleerden afgeleid uit het doel der instelling van dit heilig Sacrament. Het hoofddoel, waarmede Jezus Christus tot u komt, is zijn verlangen om zich met u door de innigste vriendschap te vereenigen. Maar iedere dagelijksche zonde is een hinderpaal tegen die vereeniging: daarom scheldt hij ze u alle, zonder eenige uitzondering, kwijt , indien ten minste uw hart zoo gesteld is , dat het geene gehechtheid heeft aan eene zonde welke ook.

Tweede pünt. Jezus bewijst u die gunst enkel door de kracht van dit heilig geheim en zonder eenige andere medewerking van uwe zijde , dan dat gij in uw hart geene vrijwillige gehechtheid aan de zonde behoudt. Zooals Jezus uit louter barmhartigheid en zonder eenige verdienste van uwen kant, u zijn lichaam tot spijs , zijn bloed

48

-ocr page 44-

eerste schrede

tot drank geeft; evenzoo geeft Hij u, zonder eenige verdienste van uwen kant, uit louter barmhartigheid en enkel door de kracht van dit heilig Sacrament, kwijtschelding van uwe dagelijksche zonden. Dit geheim is als een voor allen bestemd bad, waarvan men slechts gebruik behoeft te maken om genezen te worden. De Hemelsche Vader zeide eens aan de H. Catharina van Senen : „Daar in het H. Sacrament, kunt gij zien dat het bloed van Jezus Christus als een bad is , waarin gij uw eigen zonden en die van anderen kunt was-schen.quot; Nader dan tot Jezus, mijne ziel, Hij wacht u met een vurig verlangen en zijne handen 7 die u van zonden moeten reinigen , zijn reeds uitgestrekt om u te zuiveren. Hij verlangt ten uwen gunste hetzelfde wonder te verrichten , dat Hij eertijds ten gunste van Maria Magdalena uitwerkte. Ach ! hoe ellendig was de staat van die zondares , toen zjj tot Jezus kwam en hoe gelukkig was zij toen zij terugkeerde ! Zij naderde Hem , afschuwelijk als een duivel door hare zonden ,, en verliet Hem schoon als een engel des hemels. Nader gij dan ook , mijne ziel, en vraag aan Jezus dezelfde of eene andere soortgelijke genade ; maar nader met hetzelfde vertrouwen als zij en met hetzelfde leedwezen over uwe zonden.

Tweede waarheid. Jezus, in het H. Sacrament, hehoedt ons ook voor zonden in de toekomst.

De barmhartigheid, die Jezus ons in het Allerheiligste Sacrament bewijst, zoude onvolmaakt zijn , mijne ziel, indien zij zich beperkte tot het uitwisschen der zonden in \'t verledene begaan.

44

-ocr page 45-

EERSTE SCHREDE

Zij moet evenzeer zich uitstrekken tot de zonden, die wij in de toekomst zouden kunnen bedrijven, om die te beletten. Zie, dat is juist de bedoeling van Jezus Christus. Hij komt tot u in het Allerheiligste Sacrament, niet alleen om uwe ziel volkomen te zuiveren , maar ook om in haar die volmaakte zuiverheid te bewaren. Tot dat einde geeft Hij u in de H. Communie drie bijzondere genaden, door middel waarvan gij u gemakkelijk van alle zonden kunt onthouden.

De eerste dier genaden is het afnemen en verzwakken van alle begeerlijkheid. De grootste ellende , door de erfzonde in ons teweeggebracht, is de begeerlijkheid; uit haar ontspruiten zoo vele ongeregelde neigingen , zoovele kwade begeerten , zoovele bewegingen des harten, die ons tot kwaad aandrijven. Voor die kwaal schenkt Jezus ons een geneesmiddel in zijn H. Sacrament. Het verzwakt de begeerlijkheid , die in ons is, vermindert hare kracht, het onderdrukt de verkeerde neigingen, en in plaats daarvan wekt het in het hart goede en heilige gdachten, bewegingen ten goede. „In zulk geval gaat het met ons als met de herten , zegt de heilige abt Pastor; wanneer die dieren elders gegeten hebben en hun bloed, door het vergif verhit is, loopen zij en zoeken eene bron; gelukt hun dit, dan zijn zij geholpen, want het frissche water verkoelt hen, maakt het vergif krachteloos. Zooals het water op het vergif werkt bij de herten , zoo verzwakt het bloed van Jezus Christus in ons de kracht der begeerlijkheid.quot;

De tweede genade is de vermindering van de

45

-ocr page 46-

KERSTE SCHREDE

macht der hooze geesten. Het is niet alleen de begeerlijkheid van het vleesch, die ons dikwijls tot zonde brengt, maar ook de woede der duivelen , die ons onophoudelijk bestrijden, en die er op uit zijn om ons door tallooze bekoringen en aanlokselen in het verderf te storten. Het groote middel, waardoor wij hunne aanvallen kunnen afweren , is Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament; want hij verdrijft ze verre van ons en beneemt hun de macht om ons te bekoren. Alzoo zegt de H. Cbrysostomus ons tot onzen troost: „Dat Bloed verjaagt van ons de booze geesten ; want als zij het in ons ontwaren, nemen zij vol schrik de vlucht.quot;

En waarlijk, hoe zoude Jezus Christus de goede herder kunnen zijn, onder wiens beeld Hij zich gaarne aan ons voorstelt in het H. Evangelie, wanneer Hij den wolf toeliet zijne schapen in zijn bijzijn te verscheuren ?

De derde genade is, de voortdurende hulp zijner harmhartigheid. Na de begeerlijkheid van het vleesch en de bekoringen van den duivel , zijn nog onze eigene zwakheid en onstandvastigheid eene oorzaak van zeer vele zonden. Er is geene bekoring, hoe gering ook , of zij kan ons doen vallen, geene gelegenheid , hoe min gevaarlijk ook , of zij is in staat onze goede voornemens te verijdelen. Maar Jezus in het Heilig Sacrament, kan ook die kwaal genezen. Want op de eerste plaats schenkt Hij in de H. Communie aan de ziel eene geheel bijzondere sterkte tegen de bekoringen , zoodat deze niets op haar vermogen.

4C

-ocr page 47-

EERSTE SCHREDE

„De vlammende pijlen der bekoringen , zegt de heilige martelaar Ignatius , op een dusdanig hart afgeschoten , worden teruggekaatst als vielen zij op een stalen schild.quot; Op de tweede plaats, geeft Hij aan de ziel, door de kracht van de H. Communie , in de langdurige gelegenheden en bekoringen bijzondere ingevingen, licht en heilige bewegingen , waardoor zij gemakkelijk alles te boven komt, en in hare heilige voornemens volhardt. Ga dan , mijne ziel, ik herhaal het, ga tot Jezus , Hij zal u van uwe vroegere bedreven zonden zuiveren en u voortaan behoeden voor de zonden. Leg de menigte uwer bedreven zonden voor hem bloot, toon Hem de menigvuldige zonden , die gij nog bedrijven zult, indien Hij u daarvoor niet behoedt. Wijs Hem op de hevigheid uwer kwade driften, op de woede uwer vijanden , op de zwakheid en onstandvastigheid van uw hart. Zeg Hem , dat gij niet van Hem weggaat zonder verhoord te zijn , zonder zijnen zegen te hebben ontvangen. Doe dit, en gij zult zien, dat men in Jezus enkel liefde , goedertierenheid

en barmhartigheid vindt.

§ «.

Heilige verzuchtingen vóór de H. Coiumunie.

De H. Gertrudis dacht eens , voor de heilige Communie , na over hare zonden en onvolmaaktheden, en betreurde die met eene innige droefheid. Jezus gaf haar de verzekering, dat Hij haar reeds gezuiverd had van al hare zonden. Vervolgens

47

-ocr page 48-

EERSTE SCHKEDE

vroeg Hij haar , of zij met die zuivering tevreden was. Heer , antwoordde de heilige , ik ben er zeker mede tevreden, maar toch ontbreekt mij nog iets. Wel hebt Gij mjj van al mijne zonden gezuiverd , doch ik bedrijf er zoo spoedig weder nieuwe. Welnu dan, zeide de liefderijke Verlosser , ik zal mij heden op zoodanige wijze aan u geven , dat gij daardoor gezuiverd wordt van al uwe vroeger bedreven zonden, en van toekomstige.

Pas die woorden op u zelve toe , mijne ziel, en doe er uw voordeel mee. Stel u Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars voor, die zijne blikken vol barmhartigheid op u vestigt, en tot u de woorden richt, weleer tot de H. Ger-trudis gesproken : „Ik zal mij heden wederom aan u geven , op zulke wijze dat al uwe zonden worden uitgewischt in het verleden en voor de toekomst! Met die gedachte vervuld zult ge u volgender wijze en met geheel uw hart tot Jezus wenden.

Yóór de H. Communie.

Beschouw Jezus, mijne ziel , en wek u op:

1. Tot eene ootmoedige en oprechte bekentenis van al uwe zonden.

O mijn Jezus , mijn Heer , mijn God, mijn Verlosser , ik werp mij aan uwe allerheiligste voeten neder , en vertoon terzelfder tijd voor uwe oogen al mijne zonden. Ik beken , want hoe zou ik het voor U , die harten en nieren doorziet , kunnen loochenen, dat mijne zonden ontelbaar zijn en hare boosheid grenzeloos is. Ik heb er bedreven

48

-ocr page 49-

EERSTE SCHREDE

in mijne kindsheid , in mijnen jeugdigen leeftijd : en hoe gering is zelfs tegenwoordig nog mijn berouw ? Het zijn zonden die geene verschooning toelaten, zonden van eene overgroote boosheid . want ik heb ze met opzet bedreven ; zonden van afschuwelijke ondankbaarheid, want ik heb ze bedreven , terwijl Gij mij met gunsten overlaaddet; zonden van zulk eene onbeschaamdheid, dat ik ze beging in spijt van alle inwendige vermaningen. O mijn Jezus , waaraan is mijn hart gelijk ? Hoe verfoeilijk is het niet voor uwe allerzuiverste blikken !

2. Wek u op tot een diep en volmaakt leedwezen. Maar ondanks dit alles , geef ik mij niet aan wanhoop over! Gij zijt de oneindige barmhartigheid en gij verheugt ü in de bekeering van den zondaar. Ik kom dan tot IJ, en zeg met een ganseh kinderlijk vertrouwen : Oquot; mijn Jezus , ik betreur en verfoei al mijne zonden ; ik verfoei ze duizend en duizendmaal. Ik haat al die zonden ; ik heb er een afschuw van ; en mijn hart heeft er zich van afgekeerd als van het grootste kwaad dat ik eeuwig wil verfoeien, en dit alleen omdat ik er U door beleedigd heb, U mijn hoogste goed, dat ik altijd bovenal wil beminnen. Ik belijd dit alles , o mijn Jezus , voor geheel het hemelsch Hof en voor U die den grond mijns harten kent, die getuige zijt van mijne droefheid.

Wek thans in u op: I. Een oprecht besluit om God nooit meer door de minste zonde te heJee-digen. Maar, mijn Jezus, waartoe zou het mij dienen, mijne zonden betreurd te hebben , indien

4

-ocr page 50-

EEUSTE SCHREDE

ik over eenige uren opnieuw zondigde ? Ik hoop dat dit niet zal gebeuren ; want wie zou mij tot zondigen noodzaken , indien ik zelf het niet wil ? of wie zal mij doen vallen , als uwe almacht mij ondersteunt ? Op U stel ik mijn vertrouwen , o mijn Jezus , en in dat vertrouwen, maak ik het voornemen van liever te sterven, dan u nog door de minste zonde te beleedigen. Ja, mijn Jezus , dat wil ik, dat neem ik mij van ganscher harte voor: liever sterven , dan U nog ooit te beleedigen.

2. Een vurig verlangen om de heleedigingen te herstellen, die gij door uwe zonden God hebt aangedaan.

Ja , mijn besluit is genomen ... Maar , mijn Jezus, wat zal ik doen om mijne bedrevene zonden uit te wisschen en om de beleedigingen te herstellen die ik U daardoor heb aangedaan ? Het eenige verlangen van mijn hart is , o mijn Jezus, al de zonden te kunnen vernietigen , die ik tot op dezen stond bedreven heb. Het eenige verlangen van myn hart is , o mijn Jezus , U zoo veel eer , zoo veel vreugde en voldoening te geven, als ik U misnoegen en leed veroorzaakt heb door mijne zonden.

Eindelijk zult ge in u opwekken: 1. Eene zeer vurige akte van goede meening en opdracht van u zeiven , bij voorbeeld ; O, mijn Jezus, wijl mijne krachten ongenoegzaam zijn , wensch ik U op te dragen het offer der oneindige rijkdommen van uw vleeseh en bloed in het Allerheiligste Sacrament des Altaars. Ik draag TJ dan op , o

50

-ocr page 51-

EERSTE SCHREDE

mijn Jezus, uw lichaam en uwe ziel, uw vleesch en uw bloed, uw leven en dood , uwe deugden en verdiensten , uwe godheid en menschheid , en al de oneindige rijkdommen van uw aanbiddelijk Hart. Ik offer Ü dat alles op met het vurig verlangen van U daardoor mjjne liefde te betuigen , U eene oneindige eer , vreugde en voldoening te verschaffen. Ik offer het U op met het vurigste verlangen, om alle zouden van mijn vroeger leven uit te wisschen , en U daarvoor een oneindige vergoeding te geven. Ik offer het U op om zoo overvloedige genaden van U te bekomen , dat ik U voortaan nooit meer door de minste zonde beleedige. Ik bied het U aan, opdat Gij mij de hoogste gunst schenket, waarnaar ik verzucht, namelijk , eene volmaakte liefde , waardoor mijn hart ontgloeit, en ik steeds met U mijn hoogste goed vereenigd zij. Ziedaar, mijn Jezus, met welk inzicht ik tot U kom. Heb medelijden met mij , en draag voor mij al die gevoelens aan den eeuwigen Vader op.

2. Een vurig verlangen om Jezus te ontvangen.

Ik weet zeer wel, dat mijn hart vol vlekken is en geenszins een aangenaam verblijf kan zijn voor eenen God van eene oneindige waardigheid , zuiverheid en heiligheid. Maar wat kan ik doen en tot wien zal ik mij wenden ? Gij alleen, o mijn Jezus , Gjj de Almachtige, Gij kunt mij reinigen van mijne bedrevene zonden , mij behoeden voor zonden in de toekomst. Gij alleen zijt die oneindige goedheid , die gaarne aan den zondaar vergiffenis schenkt, en hem vol

51

-ocr page 52-

EERSTE SCHREDE

vreugde omhelst. Gij alleen zijtdie oneindige barm-havtigheid, die de rouwmoedige ziel te gemoet komt bijna zonder genoodigd te zijn , en die met vreugde in haar verblijft. Tot ü dus wend ik mij met het grootste verlangen en met de levendigste vreugde. Kom dan, o mijn Jezus, kom en verander eene ellendige zondares in eene vurige minnares van uwe oneindige en eeuwige schoonheid.

Ka de Heilige Coiumnnie.

Nadat gij Jezus uwen Zaligmaker ontvangen hebt, zult gij al uwe gedachten verzamelen en akten verwekken :

1. Van eerehoete en dankzegging : O Jezus, mijn eenig en hoogste goed , met het innigst gevoel mijner ellende werp ik mij voor U neder, en aanbid U met den diepsten ootmoed. Ik weet wel, dat mijn hart geen verblijf is uwer oneindige heiligheid waardig, en dat niets U heeft kunnen bewegen om tot mij te komen, tenzij de overmaat uwer liefde en barmhartigheid. Ik erken de grootheid dier weldaad, en gevoel hoeveel dankbaarheid ik U verschuldigd ben. Ik loof en prijs U dan ook duizend en duizendmaal, o mijn Jezus, en ik zeg ü duizendmaal dank. Het doet mij leed , dat de krachten mijns harten zoo ontoereikend zijn, en ik niet in staat ben U zoo veel lof en eer te geven als uwe liefde verdient, en de dankbaarheid van mjjn hart eischt.

52

-ocr page 53-

EERSTE SCHREDE

2. Van een kinderlijk vertrouwen. Ja, mijn Jezus , terecht noem ik mij gelukkig en herhaal ik de woorden : Heden is de zegen over dit huis gekomen. Ik heb U in mjjn hart, en met U bezit ik alles , wat ik kan verlangen. Gij zjjt de onbegrensde almacht, die alleen , in een oogenblik , mij van mijne ellende kunt bevrijden. Gij zijt de oneindige goedheid, die zich gemakkelijk tot ntodeljjden laat bewegen. In U dan , o mijn. Jezus, mijn eenige toevlucht en mijn steun , stol ik al mijn vertrouwen , en ik geloof vastelijk dat Gjj mij vandaag uwen heiligen zegen scb enken en mij niet verlaten zult alvorens mij alle genaden verleend te hebben , die ik U vraag.

Vervolgens zult gij: 1. Met den diepst en ootmoed aan Jezus Christus wee behoeften voorstellen.

O mijn Jezus , Gij kent, wel is waar, mijne behoeften beter dan ik ze U zeggen kan. Ik ben een arm ellendig schepsel, dat nog tot op dezen stond zucht onder het juk der zonden. Mijne begeerlijkheid is teugelloos en drijft mij eiken dag , elk uur tot zondigen aan. Mijne kwade neigingen zijn hevig en sleepen mij , ondanks mij zelve mede. Mijne zwakheid is groot en doet mij bij de minste bekoring bezwijken ; zoo val ik onophoudelijk , en ondanks mijne goede voornemens , beleedig ik U telkens opnieuw. Voor dat alles vind ik geen redmiddel in mij zelve. Ik zal in het vervolg leven , zooals ik tot dusverre geleefd heb, en de zonden, die ik tot heden heb bedreven , zal ik voortdurend bedrijven. Gij alleen , o mijn Jezus , kunt mij te hulp komen. Zonder

53

-ocr page 54-

KERSTE SCHREDE

ü ben ik enkel zwakheid , en bezwijk ik bij de minste bekoring. Vandaar, dat ik door mijn eigene kracht tot niets in staat ben dan om te zondigen en mjj in het verderf\' te storten.

2. Jezus bidden door zijne oneindige liefde en goedheid U te willen verhooren.

Helaas, sla dan uwe blikken vol mededoogen op mij , o Jezus , en ontferm U mijner. Geef mij uwe heilige vrees , opdat ik niets vreeze , niets zoo zeer vluchte, niets zoo zeer hate en verfoeie als de zonde , de beleediging van uwe goddelijke Majesteit. Doof in mij het vuur der begeerlijkheid uit, opdat ik niets aardsch meer vrage , en niets verlange dan LT, mijn waa\' en onveranderlijk goed. Neem bezit van geheel mijn hart en maak, dat al mijne begeerten voor U zijn. Geef aan mijnen geest kracht en moed , opdat ik in de bekoringen niet wankele , maar standvastig blijve in mijne goede voornemens. Ik weet , o mijn Jezus , hoe groot de genade is, die ik van U vraag hoezeer ik die onwaardig ben , nochtans vraag ik ze U met een volkomen vertrouwen. Mijn vertrouwen is dat, hetwelk de zusters van Lazarus U eertijds betuigden : „Zie , mijn Jezus, zij die Gij bemint is ziekquot;, de ziel, die Gij bemint, is zwak , wjjfelend , onstandvastig ....

Eindelijk wek in u op : 1. Eene vurige liefde tot Jezus : Ja , mijn Jezus , Gij bemint mij; dit bewijst mij het oneindig geduld waarmede Gij mij tot nu toe hebt verdragen ; de onbegrensde mildheid waarmede Gij mij heden uw vleesch en uw bloed tot voedsel hebt geschonken. Maar hoe zal

54

-ocr page 55-

EERSTE SCHREDE

ik U die liefde vergelden ? Ik weet het, liefde eiseht wederliefde. Welnu, mijn Jezus, ik bemin U, en bemin U uit al de krachten mijner ziel. Ik verheug mij , omdat CKj in U zeiven en door U zeiven de hoogste gelukzaligheid bezit, die noch vermeerderd noch verminderd kan worden. Ik verheug mij over al de eerbewijzingen over al den lof en over al de liefde , die Gij ontvangen hebt en de gansche eeuwigheid door ontvangen zult van uwe uitverkorenen in den hemel, in het vagevuur en op de aarde. Ten bewijze van die liefde , maak ik nu in uwe heilige tegenwoordigheid dit voornemen: Liever wil ik sterven dan nog ooit in mijn hart de minste beleediging van uwe oneindige goedheid te dulden.

2. Eene geheele opdracht en eene volkomene overgave van U zeiven in zijne allerheiligsle handen.

Maar hoe ? Moet ik mij tevreden stellen met eene liefde , die mij geen ander besluit ingeeft, dan dat van U niet meer door vrijwillige dage-lijksche zonden te vergrammen ? Ach ! welk eene armzalige liefde ! Ach! hoe laag en lafhartig zou ik zijn , indien ik mij tot geene zuiverder en hooger bewijzen van liefde wist te verheffen! Zoude ik mij mogen beroemen God te beminnen, als ik mij bepaalde bij Hem niet te beleedigen ? Neen, mijn Jezus , neen; ik wensch U te beminnen uit al de krachten mijner^ziel, met al de liefde waarvoor mijn hart vatbaar is ! Met dien wensch draag ik U alles op, geef ik U alles over, wat ik bezit, alles wat ik ben , alles wat ik kan. Ik

55

-ocr page 56-

EERSTE SCHREDE

56

draag U op mijn lichaam en mijne ziel , mijne gezondheid, mijn leven; mijne eer en mijnen goeden naam; alles zonder eenige uitzondering. Handel met mij , o Jezus , volgens uw welbehagen. Yan nu af neem ik al uwe beschikkingen aan , ik loof en zegen ze. Dat alles geschiede volgens uwen heiligen wil, nu en gedurende de gansche eeuwigheid. Amen.

-ocr page 57-

5T

TWEEÜE SCI1MEDE op den weg der ware en volmaakte liefde tot God : Met eene standvastige getrouwheid aan al de

inspraken van God beantwoorden.

---------- - ---

INLEIDING.

Wij zijn genaderd tot een zeer gewichtig punt, mijne ziel, het gewinhtigste misschien van geheel het geestelijk leven. Want niets doet de goddelijke liefde sneller en sterker in het hart van den mensch ontgloeien , dan de getrouwheid aan de goddelijke inspraken en verlichtingen; en niets vertraagt zoo zeer den voortgang in die liefde, dan de ongetrouwheid in het volgen van die heilige inspraken. Ziehier twee waarheden, die wel in staat zijn om onze harten met vertroosting en tevens met vrees te vervullen.

Hooren we daaromtrent de woorden van eene der meest verlichte zielen, Armela Nicolas : „Laten wijquot;, zegt die aardsche serafijn, „laten wij getrouw zijn aan God; want die getrouwheid vereenigt ons met God , terwijl de ongetrouwheid ons van Hem verwijdert.quot; Als iemand haar vroeg, hoe men God moest dienen, antwoordde zij gewoonlijk : Er is geen andere weg dan die der getrouwheid. Dikwijls herhaalde zij in een zelfde gesprek tot honderdmaal de woorden: Laten wij getrouw zijn aan God ; o ja , laten wij getrouw zijn ! Wanneer hare vriendinnen haar dan vroegen , of zij niets anders te zeggen had , antwoordde zij, ver-

-ocr page 58-

TWEEDE SCHREDE

wondert u daarover niet; zelfs al moest ik duizend jaren leven, zou ik u niets anders kunnen zeggen ; want de volmaaktheid bestaat in de getrouwheid.

Niet doen, wat God vraagt, zeide die heilige ziel, is het bewijs van eene armzalige liefde; want ware de liefde groot en oprecht, zij zoude geen rust hebben , vóór datgene volbracht was , wat de welbeminde vraagt. En ik geloof, voegde zij er bij, dat dit de reden is, waarom zoo weinige personen tot de volmaaktheid komen. Zij weten zeer goed , wat God van haar wil, maar wijl zij de zelfverloochening vreezen, stellen zij steeds uit tot later en zeggen : morgen , morgen zullen wij het doen. Nu hoe langer zjj in hare gewoonten volharden, des te minder wordt hare kracht om er aan te weerstaan, en God, die ziet, hoe weinig getrouw zij zijn , verwijdert zich eindelijk van haar en laat haar aan haar zeiven over.

Door deze enkele bemerkingen ziet gij reeds , mijne ziel, welk belangrijk onderwerp wij gaan behandelen. Wij zullen het weder verdeelen in ■drie hoofdpunten. In het eerst zullen wij eenige beschouwingen voorstellen om ons het groote belang der zaak te doen inzien en ons op te wekken om aan de goddelijke inspraken steeds getrouw te beantwoorden. In het tweede zullen wij eenige onderrichtingen geven en verklaren waarin eigenlijk die getrouwheid aan de genade gelegen is. In het derde eindelijk zullen wij aantoonen hoe men op eene godvruchtige wijze aan Jezus Christus in de H. Communie die getrouwheid aan de goddelijke inspraken kan vragen.

58

-ocr page 59-

tweede schrede

EERSTE HOOFDSTUK.

Korte bemerkingen, waardoor wij kunnen inzien van hoeveel belang die getrouwheid is,

en die ons zullen helpen om. die gmlde-lijke inspraken in oefening te brengen.

Bemerking I. De goddelijke ingevingen verst ooien is eene ondankbaarheid.

Ik geef u hier drie gedachten ter overweging.

1. Welke groote en onbegrijpelijke genade eene inspraak is met betrekking tot haren oorsprong.

2. Welke verhevene en onbegrijpelijke genade eene inspraak is , uit haren aard en in haar wezen.

3. Welk eene verhevene en onbegrijpelijke genade eene inspraak is , met betrekking tot hare uitwerkselen.

Misschien zullen die waarheden ons de oogen openen.

Eerste waarheid. — De inspraken zijn onbegrijpelijk groote genaden met betrekking tot haren oorsprong.

Het is eene meening ons door de natuur zelve ingegeven, dat een geschenk hoofdzakelijk zijne waaide ontleent aan de waardigheid van den persoon , die . het geeft. Hoe verhevener rang de gever bekleedt, des te hooger schat men het geschenk. Een appel uit de hand eens konings ontvangen, wordt als eene kostbare gift beschouwd. De inspraak is een geschenk uit Gods hand ontvangen. Hij zelf neemt die uit den schat van het bloed van Jezus Christus, en legt die in ons hart. Hoezeer moeten wij dan de genade op prijs stellen\'r1

59

-ocr page 60-

tweede schrede

Nu nog bewondert en verheft de Kerk de gunst eertijds door God aan twee der oudste kluizenaars Paulus en Antonius bewezen ; en welke was die gunst ?

Het was een brood hun door God uit den hemel gezonden om hen te voeden.

O mijne ziel , is iedere inspraak , die ons van het kwaad verwijdert , of ons tot het goede aanspoort , niet eene oneindig grootere gunst, dan een stuk brood ? En gewordt ons die niet uit de hand des Allerhoogsten ? Hoe hoog moeten wij ze dus achten en op prijs stellen ?

Tweede waarheid. De inspraken zijn yroote genaden uit haren aard en in haar wezen.

De H. Kerk leert ons, dat eene enkele genade een veel grooter goed is dan alle goederen der natuur. Stel u hier voor van den eenen kant alle schatten, alle rijkdommen , alle kronen en alle scepters, alle landen en koninkrijken dei-aarde , — en van den anderen kant eene enkele genade aan eene ziel geschonken ; welke van die twee zaken zou de voorkeur verdienen ? Het geloof zegt ons : dat een enkele lichtstraal, eene enkele inspraak, eene enkele beweging van den wil een oiivergelijkeljjk grooter goed is , dan het heelal met al wat het bevat. De reden daarvan is klaarblijkelijk ; want evenals een enkele graad van de glorie des hemels de ziel , en dat voor eeuwig, oneindig gelukkiger maakt dan het bezie van de gansche wereld haar zou kunnen maken , evenzoo is eene enkele inspraak , waardoor die graad van glorie verkregen wordt, een schat

60

-ocr page 61-

tweede schrede

verre te verkiezen boven het bezit van het gan-sche heelal. Op het oogenblik waarop God u eene inspraak zendt, bewijst Hij u eene grootere gunst, geeft Hij u een geschenk van hoogere waarde , dan als Hij u de geheele wereld met al hare goederen schonk om die voor eeuwig te bezitten.

Derde waarheid. De inspraken zijn oneindifl groote genaden, wanneer men ze beschouwt in hare uittcerkselen.

De inspraken van God zouden reeds kostbaar genoeg zijn , indien zij maar een enkelen graad van. de glorie des hemels ten gevolge hadden. Maar daar bljjft het niet bij. De inspraken zijn een vruchtbaar zaad, waarvan het Evangelie zegt, dat een enkel korreltje dertig-, zestig- , ja honderdvoudige vruchten geeft.

Wat Jezus gezegd heeft van de zaadkorrels, wilde Hij verstaan hebben van de inspraken. Eéne enkele daarvan, goed gebruikt, heeft voor de ziel dertig , zestig , honderd andere ten gevolge , en verrijkt haar dus op eene wonderdadige wijze. Wat nog meer zegt, dikwijls is eene enkele inspraak het begin en de oorzaak van de heiliging eener ziel. Wat is geringer, zegt Jezus zelf, dan het mosterdzaadje ? Evenwel in goede aarde gezaaid , wordt het een schoone boom. Wat is er geringer in onze oogen , dan eene inspraak , die slechts een oogenblik duurt ? En nochtans, wanneer men er gehoor aan geeft, schiet zij wortel in het hart, en legt daar de kiem eener verhevene heiligheid.

Wat was het begin van de bekeering en heilig-

(il

-ocr page 62-

62 TWEEDE SCHREDE

wording van den heiligen Petrus ? Eene enkele inspraak, een liefdevolle blik van Jezus Christus. Op dat oogenblik begon hij over zijne ongetrouwheid boetvaardigheid te doen , die hij levenslang voortzette.

Ik twijfel geenszins , mijne ziel, of gij hebt nu begrepen , wat eene groote genade eene inspraak is , en welk een bewijs van liefde en welwillendheid God ons geeft, wanneer Hij die in ons hart zendt. Daaruit kunt gij besluiten hoe ondankbaar wij handelen , niet slechts wanneer wij zulk eene genade niet met een dankbaar hart aannemen, maar ook, wanneer wij ze beschouwen als iets van weinig belang en ze verwaarloozen.

Wat zou de wereld gezegd hebben en hoe groot zou ieders verwondering geweest zijn , indien de twee kluizenaars, Paulus en Antonius, het brood, dat God hun zond , niet hadden willen aannemen of gebruiken ? Zou er iemand gevonden worden, uitzinnig genoeg om zulk eene ondankbaarheid niet te veroordeelen ? Helaas ! mijne ziel, zien wij in die veronderstelling geen afbeeldsel van ons gedrag jegens God ? Denk hierover na.

Gevoelens. Na die waarheden overwogen te hebben , zult ge in u opwekken :

1. Eene levendige droefheid over uwe ondank-baarheid en over het slechte gébruik dat gij van Gods gunsten gemaakt hebt.

Ja, het is waar, mijn God ; de rede , het geweten , het geloof zeggen het m ij : uwe inspraken zijn een onschatbaar goed. Zij zijn het werk uwer almacht, die alleen ze kan geven; het werk

-ocr page 63-

TWEEDE SCHREDE

uwer barmhartigheid die ze mij verleent, zonder mijne verdiensten. En het zijn zoo groote ge-genaden! Hoevele heb ik er niet ontvangen ! Maar,, helaas! hoevele heb ik er niet veronachtzaamd en verstoeten ! Ja , mijn Jezus , ik ben die ontrouwe rentmeester , welken Gjj ons in het Evangelie geschetst hebt. Ik heb uwe goederen , uwe genaden verkwist. Ik erken mijne ontrouw en mijne ondankbaarheid , o mijn God , en betreur die van ganscher harte.

2. Ootmoedig vergiffenis vragen.

Er is nochtans iets , dat mij vertroost , en dat is uwe lankmoedigheid, uwe grenzelooze barmhartigheid , tot welke ik steeds mijne toevlucht kan nemen. Ik heb verdiend, mijn God, voortaan van al uwe zorgen , van al uwe genaden , van al uwe inspraken beroofd te worden. Ik heb verdiend aan mijne bedorvene natuur , aan mijne ongeregelde neigingen , aan mijne verblindheid en boosheid overgelaten te worden. Helaas ! ik beken het, eene ziel, die zoo dikwijls weerstand heeft geboden aan uwe wijze leiding, verdient niet langer met uwe inspraken begunstigd te worden; dit beken ik voor hemel en aarde. Niettemin hoop ik op U, o opperste goedheid ; uit den grond mijns harten smeek ikU om vergeving, en met den diepsten ootmoed verzucht ik tot U : o mijn Jezus , ontferm U mijner, en behandel mij niet volgens mijne groote ongetrouwheid, maar volgens uwe groote barmhartigheid, en de verdiensten van uw kostbaar bloed.

Voeg bij die gevoelens :

-ocr page 64-

TWEEDE SCHREDE

1. Eeti ernstig besluit om voortaan met nauwgezetheid de inspraken der genade te volgen.

Ik hoop, mijn Jezus, dat gij mijne vroegere ongetrouwheden zult vergeven, de onmetelijke liefde , die U aandreef om voor mij op het kruis te sterven , zal U ook bewegen om met een blik van mededoogen en barmhartigheid neer te zien op het berouw mijns harten. Ja , dat hoop ik , o mijn Jezus. Maar wee mjj , indien ik mij weder zou schuldig maken aan mijne vroegere onge-trouwheden. Voor het verledene zou ik ter verschooning kunnen inbrengen mijne geringe kennis van de waarde uwer inspraken. Maar voor het toekomende zou ik mij niet meer kunnen verontschuldigen ; want. nu ken ik de waarde uwer genaden. Ja, zoo is het , ik heb geene reden ter verontschuldiging meer. Ik wend mij dan op nieuw tot U, o mijn Jezus , en in uwe tegenwoordigheid maak ik het vaste voornemen , van al uwe heilige inspraken te beschouwen als groote genaden , als uitwerkselen uwer vaderlijke liefde , en ik beloof , er naar mijn best vermogen altijd aan te zullen beantwoorden.,

2. Vraag daartoe ootmoedig de genade.

O , welk een schoon en heilig besluit ! Hoe welgevallig zoude ik U zijn, welk een schat van genaden zoude ik verzamelen , indien ik er steeds aan getrouw bleef! Maar ziehier wat ik vrees. Ik ken mijne zwakheid en mijne onstandvastigheid , die mij bij de minste gelegenheid doen bezwijken. Tot U dan, o mijn Jezus , tot U in wiens handen al mijne kracht berust, neem ik

64

-ocr page 65-

tweede schrede

mijne toevlucht en roept van ganschor harte: o mijn Jezus heb medelijden met mij! Gij die mij de genade hebt geschonken van dit heilig voornemen te maken , schenk mij ook die van het standvastig en volmaakt ten uitvoer te brengen. Honderd en nogmaals honderdmalen herhaal ik : O Jezus heb medelijden met mij !

Bemerking II. De, inspraken van God wrstooten is van dm kant der menschen eene onbegrijpelijke dwaasheid.

Tot dusverre hebt gij gezien , mijne ziel, hoe ondankbaar de mensch handelt ten opzichte van God , wanneer hij eene inspraak verstoot. Beschouw nu hoe dwaas hij handelt ten opzichte van zich zeiven. Om dit te begrijpen behoeft gij slechts na te gaan , wat eene inspraak is. De volgende waarheden zullen u dit duidelijk maken.

Eerste waarheid,. — De inspraken zijn onmisbaar noodzakelijke middelen tot onze heiliging.

Deze waarheid wordt ons door den Heer zeiven geleerd in de woorden : „Zonder mij , kunt gij niets doen.quot; Geef wel acht op die woorden, mijne ziel; Jezus Christus zegt niet: Zonder mij kunt gij geene wonderen uitwerken, geene groote ondernemingen tot stand brengen, geen volmaakte deugd bekomen. ÏTeen , Jezus zegt eenvoudig: „Zonder mij kunt gij niets doenquot;, niets, volstrekt niets ter zaligheid.

Gij kunt geen werk verrichten, geen woord spreken , geene genegenheid opwekken , die u dienstig kan zijn voor het eeuwige leven. Tot dat alles hebt gij eene bovennatuurlijke genade , eene

5

-ocr page 66-

tweede schrede

inspraak noodig; zonder dat middel kan niets dat verdienstelijk is voor het eeuwige leven, verricht worden. Evenmin als een lijk zich oprichten, spreken of gaan kan , tenzij het door een wonder tot het leven terugkeert, evenmin kan de ziel iets bovennatuurlijks verrichten, tenzij de Heilige Geest licht aan haar verstand, beweging aan haren wil schenke.

Tweede waarheid. De. inspraken zijn middelen, die van God afhangen.

Het is met de inspraken en met de genaden nagenoeg als met den regen. Het is drukkend heet, de vruchten der aarde kwijnen; geheele landen verkeeren in angst en droefheid, omdat de hongersnood hen bedreigt ; een vruchtbare regen kan redding aanbrengen.

Maar wie kan dien overzenden ? God alleen T God zendt den regen, wanneer het Hem behaagt; Hij zendt dien waar en zoo veel Hij wil. Dat alles is in zijne macht; want Hij voert eene onbeperkte heerschappij over hemel en aarde en ieder regendroppeltje behoort Hem toe. Zendt Hij ons eenen vruchtbaren regen, dan moeten wij zijne barmhartigheid zegenen ; geeft Hij ons dien niet, dan hebben wij niet het minste recht om ons te beklagen ; want Hij kan ons dien met volle recht weigeren om onze zonden.

Wat wij hier gezegd hebben van den regen , is even waar van de genade der inspraken. Het vuur der driften ontgloeit in ons , de aarde van ons hart wordt dor en hard als steen ; alle godsvrucht , alle ijver, alle heilige begeerten ver-

06

-ocr page 67-

tweede schrede

dwijnen ; er is geen redmiddel voor die kwaal te vinden dan in den vruchtbaren regen der goddelijke genaden. Maar wie kan ons arm hart daarmede verkwikken ? God alleen. God zendt dien genadenregen wanneer Hij wil, en Hij zendt dien aan wie Hij wil, en Hij zendt daarvan zooveel Hij wil. Dat alles is in zijne macht; want evenals over de natuurlijke goederen heeft Hij ook eene onbeperkte macht over de bovennatuurlijke gaven. De Zaligmaker zeide: „üe geest blaast waar hij wil.quot;

O , mijne ziel , hoe waar is het ! God alleen kan u zijne genaden geven, en die gave hangt enkel af van zijnen allerheiligsten wil; het is eene louter vrijwillige gift, waarop gij niet het minste recht hebt: Mochtet gij daar dikwijls over nadenken !

Derde waarheid. De inspraken zijn zeur nut-tuje, maar tegelijk zeer gevaarlijke middelen.

Dat de inspraken zeer nuttige en zeer kostbare middelen zijn , zal ik niet meer behoeven aan te toonen. Uit hetgeen wij reeds overwogen hebben hebt gij dit kunnen afleiden, mijne ziel. Maar hoe kunnen die middelen in eenen hoogen graad gevaarljjk zijn \'i Dat zullen wij nu tot onderwerp onzer overweging nemen. Do ziel , aan welke God vele inspraken en inwendige, opwekkingen toezendt, is tot eene meer dan gewone volmaaktheid geroepen. Want of die ziel is getrouw in het beantwoorden aan die genaden, of zij is zulks niet.

In het eerste geval zal God haar steeds meerdere genaden geven , haar verheffen tot een hoogen trap van deugd en haar niet loslaten, al-

67

-ocr page 68-

TWEEDE SCHREDE

voreijs haar opgevoerd te hebben tot de volmaakte zuiverheid des harten en tot zijne heilige liefde ; want deze twee zaken zijn het eenige doel dier goddelijke leiding.

In het vierde hoofdstuk van het boek dei-Spreuken wordt gezegd: „De weg der rechtvaardigen is schitterend als een lichtglans , en dat licht neemt steeds toe , evenals de zon toeneemt tot zij haar middagpunt heeft bereikt.quot;

Als integendeel die ziel ontrouw is, dan zal God misschien nog een tijdlang voortgaan met haar te bezoeken door zijne ingevingen ; maar eindelijk zal Hij , door hare ondankbaarheid vertoornd, ophouden met haar zijne gunsten mede te deelen. Hij zal zwijgen en bijgevolg de ziel haren weg laten voortzetten in de duisternis en in de wanorde harer ongeregelde neigingen. En dan ondervindt zij datgene, waarmede Jezus eertijds de Joden bedreigde, nadat zij langen tijd zijne vermaningen veracht hadden : „Gjj hebt tot op dezen stond al mijne vermaningen veracht en al mijne genaden verworpen. Hoort nu wat u te wachten staat: Uw huis zal onbewoond gelaten worden , uw hart zal gelijk worden aan eene onbebouwde aarde, die noch bezaaid , noch door den dauw des hemels besproeid wordt.quot;

Helaas ! mijne ziel , welk eene vreeselijke bedreiging ! De goddelijke inspraken zijn een onontbeerlijk middel, een middel dat alleen van God afhangt, en tevens een zoo gevaarlijk middel. Daaruit kunt gij nu oordeelen over de beklagenswaardige dwaasheid van hem , die de inspraken

68

-ocr page 69-

tweede schrede

verstoot. Hoe dwaas is niet een zieke, die de geneesmiddelen weigert, terwijl hij weet, dat hij zonder deze de gezondheid niet kan terug bekomen! Hoe dwaas zou een bedelaar handelen, indien hij een aanzienlijk vermogen , hem door den koning aangeboden , niet zou willen aannemen , alhoewel hij wist, dat hij zonder dat vermogen, geheel zijn leven zou moeten bedelen! Helaas, mijne ziel, uwe dwaasheid is des te grooter, naarmate de eeuwige goederen hooger waarde hebben dan de tijdelijke.

Gevoelens. Na die waarheden wel overwogen te hebben , zult ge u opwekken tot:

1. Eene ootmoedige bekentenis can uwe dwaasheid.

Ach, mijn God , hoe groot is niet mijne dwaasheid ! Uwe inspraken zijn een onontbeerlijk middel , zonder hetwelk ik geen enkel verdienstelijk werk kan verrichten. Zij zijn een uitwerksel van uwe barmhartigheid, die ze mij kan geven ot\' weigeren volgens uw welbehagen. Zij zijn zeer gevaarlijk, omdat gij tot straf mijner ondankbaarheid mij er elk uur, elk oogenblik van kunt berooven. Dit geloof ik , dit heb ik altijd geloofd. En wat heb ik gedaan ? Wee mij , dwaze ! Die zoo noodzakelijke , zoo kostbare genaden, die genaden, waarvan de veronachtzaming zoo gevaarlijk is, heb ik bij\'duizenden geweigerd, verwaarloosd, en dat om aan de menschen te behagen, om eene kleine moeielijkheid te ontgaan , om mijne zinnelijkheid te voldoen, om mijn eigen wil te volgen.

2. Wek u op tot een levendig berouw, omdat gij van zoove e genaden een zoo slecht gebruik hebt gemaakt en er zoovele hebt laten verloren gaan.

-ocr page 70-

TWEEDE SCHUEDE

En wat nog erger is: na ecne inspraak ver-stooten en met haar een zoo groot, zoo onschatbaar goed verloren te hebben , ben ik daarover zoo weinig bekommerd, gevoel ik daarover zoo weinig droefheid en berouw , alsof ik iets onbeduidends verwaarloosd had. Maar nu, o mijn God, U zij daarvoor eeuwig dank , nu erken ik mjjne dwaasheid en betreur ze van ganscher harte. Helaas! wié zal mij die zoo kostbare genaden terugschenken, opdat ik ze voortaan gebruike tot verheerlijking van uwen heiligen Naam , volgens het welbehagen van uw Hart en tot heiliging mijner arme ziel ! Vervolgens kunt gij :

1. God tnven nederig en dank hetuigen voor al de g,inslen die. Hij 11 verleend heeft, al zijn die ook door mee schuld zonder vracht gebleven.

Het is waar , mijn God , dat ik duizenden genaden verloren liet gaan. De schuld daarvan moet aan mij, en aan mij alleen, geweten worden aan mijne ongetrouwheid , aan mijne traagheid. Die genaden zjjn evenwel onschatbare weldaden , die uwe oneindige goedheid mij verleend had, en waarvoor ik U eeuwigen dank verschuldigd ben. Ja, dit beken ik voor hemel en aarde. Ik loof en zegen U , algoede Jezus , en dank U voor al de inspraken in het algemeen, waarmede Gij mij gedurende mijn gansche leven begunstigd hebt, en voor elk barer in het bijzonder. Allen waren zjj het uitwerksel uwer oneindige barmhartigheid en de onschatbare prijs van uw kostbaar Bloed. Het doet mij innig leed, dat ik U beroofd heb van de eer en de voldoening, die ik U verschaft

70

-ocr page 71-

TWEEDE SCHREDE

zoude hebben door eene getrouwe beantwoording-aan die genaden.

2. Maak het ernstige voornemen van voortaan niet meer eerbied en getrouwheid de genaden te ontvangen , die Hij u nog zal willen schenken.

Maar , o mijn God , dat juist moet mij thans aansporen , om met meer eerbied naar uwe stem te luisteren , en ze met meer getrouwheid te Tolgen. Ja , o mijn God en mijn Al , dat wil ik doen. In den afgrond mijner nietigheid werp ik mij voor ü neder , en draag mij zonder eenig voorbehoud aan uw welbehagen op. U niets te weigeren van alles wat Gij mij zult vragen , is het vaste voornemen van mijn hart. Ik zal ai uwe inspraken als groote en kostbare gunsten beschouwen , en er met onverbreekbare getrouwheid aan beantwoorden. Ik vraag U slechts eene zaak , o Goddelijke Geest , namelijk : medelijden met mij te hebben , niet meer aan mijne vroegere ontrouw en halstarrigheid te denken , en er mij niet voor te straffen door uw stilzwijgen. Blijf\' mijn Leeraar ; bestuur en geleid mijn hart op de wegen der eeuwige wijsheid. Zonder uw licht is het verstand enkel duisternis , onwetendheid , bedrog en dwaling. Zonder uwe opwekking is de wil dor, lauw en traag. Tot U wend ik mij al zuchtend. O Heilige Geest, neem uit mijn hart alle traagheid en ongevoeligheid weg! Bezoek mij door uwe hemelsche ingevingen en vervul mij met uwe liefde. Dan zal mijn hart van liefde en berouw smelten en de aangename geur zijner deugden zal opstjjgen tot U.

71

-ocr page 72-

TWEEDE SCHREDE

TWEEDE HOOFDSTUK.

Onderrichtingen over de inspraken en over de getrouwheid waarmede wij er aan moeten beantwoord en.

On\'DErriciiting I. JFat men door eene ware en heilige inspraak verstaat, en op hoevele vijzen ze ons kan worden medegedeeld.

De eerste vraag zal dus zijn : Wat is eene ware inspraak ? Jk antwoord met den zeer verlichten leeraar , Jacobus Alvarez : „De ware en goddelijke inspraak is eene inwendige beweging der ziel, welke van God uitgaat en ons aanspoort tot heiligheid of tot eenig werk , dat met onze heiliging in verband staatquot;. Laten wij die weinige woorden verklaren. Die leeraar zegt :

I. De icare en goddelijke inspraak is eene beweging der ziel, dat wil zeggen , eene inwendige uitnoodiging , waardoor de ziel aangespoord , ge-troffen en opgewekt wordt, of om iets te doen wat nuttig is ter heiliging of om iets te vermijden wat daaraan nadeelig is of een hinderpaal op den weg der heiliging zou kunnen stellen. Zij gevoelt zich. om zoo te zeggen, aangedreven om het goede te doen en het kwade te laten.

II. De inspraak is eene beweging, die ons tot heiligheid aanspoort of tot eenig werk, dat daarmede in verhand staat.

Eene inspraak , die van God komt, kan geen ander doel hebben dan het bevorderen der volmaaktheid en der heiligheid van de ziel , er.

-ocr page 73-

TWEEDE SCHREDE

daarom kan zij ons ook niets ingeven , dan wat ons in die heiligheid kan doen vooruitgaan.

Hier doet zich echter eene nieuwe vraag voorr te weten : Wat is eene beweging der ziel, waarin bestaat die ? Ik antwoord met alle schrijvers over het geestelijke leven : De inwendige beweging der ziel bestaat in eenen dubbelen invloed welken God op haar uitoefent; den eerste op het verstand , den tweede op den wil. Voor het verstand bestaat die invloed in een bovennatuurlijk licht dat aan de ziel het afschuwelijke der zonde doet zien , welke zij behoort te vermijden, of het schoone der deugd, die zij moet beoefenen. Voor den wil bestaat die invloed in eene bovennatuurlijke aansporing, die in de ziel eenen heiligen afschrik teweegbrengt van de zonde welke moet vermeden, of eene heilige liefde en geneigdheid voor de deugd die beoefend dient te worden. Die dubbele invloed is een noodzakelijk ver-eisehte voor ieder bovennatuurlijk en verdienstelijk werk. Om dit zeer duidelijk te maken, zullen wij nog eene vraag stellen en die beantwoorden.

Waarom is die dubbele invloed noodzakelijk? Hij is noodzakelijk , omdat met betrekking tot de dingen die bovennatuurlijk zijn en onze eeuwige zaligheid aangaan , onze rede blind en onze wil werkeloos is. De rede heeft daarom behoefte aan een bovennatuurlijk licht , dat haar de waarheid ontdekt, en de wil aan eene bovennatuurlijke beweging , die hem in werking brengt en tot het goede aandrijft. De rede is voor de ziel , wat de

Ti

-ocr page 74-

TWEEDE SCHREDE

oogcn zijn voor het lichaam. Evenals de oogen , hoe goed zij overigens ook zijn mogen, niets kunnen zien , geen voorwerpen kunnen onderscheiden , zoolang de zon zich niet aan het uitspansel vertoont, of er eenig ander licht aangebracht wordt, zoo ook kan de rede, hoe goed zij op zich zelve zijn moge , niet die -wezenlijke en duidelijke kennis hebben , welke tot een verdienstelijk werk vereischt wordt, indien God voor haar geen bovennatuurlijk licht ontsteekt. De beweging van den wil is nog noodzakelijker. „Ons hart is op zich zelf, zegt de H. Augustinus, koud en hard als ijs voor het bovennatuurlijke Nu , evenals hot ijs zijne natuurlijke koude en hardheid behoudt, zoolang het niet aan de stralen der zon is blootgesteld en door hare warmte smelt , zoo ook blijft het hart ongevoelig , totdat de zon der goddelijke genade het beschijnt, week maakt, tot het goede aandrijft en tot de uitvoering daarvan in staat stelt.quot; De H. Augustinus beschrijft die dubbele noodzakelijkheid bijzonder goed , als hij zegt: „Dat de ziel kent wat verborgen is, en behagen schept in het goede dat haar te voren mishaagde, dat is een uitwerksel van Gods genade, die den harden en kouden wil van den mensch te hulp komt.quot;

Op welke wijze, worden de heilige ingevingen aan de ziel medegedeeld ?

De geest Gods is eenvoudig en verscheiden, zegt de zoo verlichte Kichardus a Sancto Yictore ; «envoudig in zich zeiven , in zijn wezen , en verscheiden in zijne werkingen en de ingevingen,

74

-ocr page 75-

tweede schrede.

waardoor Hij de zielen tot de volmaaktheid brengt. Hoe verscheiden ook die ingevingen zijn, ze worden toch allen tot twee soorten teruggebracht.

De eerste zijn die , waardoor de Heilige Geest ons verwijdert van het kwaad. De tweede zijn die , waardoor de Heilige Geest ons aandrijft tot het goede. Om duidelijker te zijn, zullen wij eenige vragen stellen.

Al aanstonds wil ik u opmerken, dat wij slechts zullen spreken over datgene wat gewoonlijk plaats heeft. Want alle wegen , langs welke de Heilige Geest in de zielen komt, te willen kennen en aantoonen , zou even zoo vermetel en onmogelijk zijn , als het vermetel en onmogelijk zou zijn den afgrond te willen pellen der oneindige wijsheid. Wij gaan onmiddellijk tot de behandeling der zaak over en stellen de eerste vraag.

Eerste vraag. — Op welke wijze geeft de H. Geest de inspraken, waardoor Hij ons van het kwaad verwijdert ? De eerste wijze waarop de H. Geest tot eene ziel spreekt, en haar van het kwaad verwijdert: is haar eene heilige vrees in te boezemen. Door een bovennatuurlijk licht geeft Hij aan de ziel te kennen , tot hoeverre eene zekere verkeerde neiging, eene zekere zonde, «ene zekere fout de ziel kunnen brengen, van hoevele genaden zij zich daardoor berooft, aan welk groot gevaar zij zich blootstelt van niet alleen de volmaaktheid maar zelfs de eeuwige zaligheid te verliezen. ïe gelijk met dat licht deelt hij haar eene heilige vrees mede, waardoor zij eenen afschi\'1 1 ide,

-ocr page 76-

TWEEDE SCHREDE

7igt;

voor die verkeerde neiging, en het besluit maakt die te vluchten , zich er voor te wachten. Door zulk een ingeving bracht de H. Geest den H. Andreas Avellinus op den weg der volmaaktheid. Die groote dienaar Gods , die in de rechtsgeleerdheid uitmuntte , was op jeugdigen leeftijd advocaat. In die betrekking gebeurde het hem eens, zich bij het verdedigen der zaak van eenen zijner cliënten, een leugen te zeggen. God gebruikte die omstandigheid om Andreas tot de heiligheid te voeren ; want korten tjjd daarna opende Andreas de H. Schrift en las daarin de woorden : „De mond, die leugentaal spreekt doodt de ziel.quot; (1) God toonde hem toen zoo duidelijk de begane zonde, en het gevaar waaraan hij in zijne betrekking was blootgesteld, dat hij er door verschrikt werd, zijne betrekking nederlegde , en zich geheel aan den dienst van God wijdde.

De tweede wijze , waarop de Heilige Geest tot de ziel spreekt, en haar van het kwaad terug houdt , bestaat in haar eene gevoelige droefheid over haar zonden in te boezemen. Dat is een zeer gewoon middel, waarvan de H. Geest zich bedient om de ziel eenen afkeer tegen de zonde te doen opvatten. Hij verlicht haar verstand zoodat zij duidelijk inziet, hoe boos en afschuwelijk de zonde en hare ondankbaarheid is ; Hij vertee-dert haren wil, opdat zij de zonde beweene, ver-foeie, en voortaan als het grootste kwaad vluchte. Op die wijze bracht Jezus den H. Petrus tot

1

Wijsheid 1: 11.

-ocr page 77-

TWEEDE SCHREDE

boetvaardigheid. Hij aanschouwde dien apostel met goedheid, met eenen blik van genade en barmhartigheid , die tot in het diepste zijns harten doordrong. Petrus zag in, welke verschrikkelijke beleediging hij zjjnen goddelijken Meester had aangedaan , en van het diepste leedgevoel doordrongen , beweende hij zijne zonde bitterlijk.

De derde wijze waarop de H. Geest tot de ziel spreekt, om haar van het kwaad terug te houden , bestaat in inwendige verwijtingen en ho-straffingen. Dikwijls doet de H. Geest inwendig in de ziel, wat Jezus Christus uitwendig door woorden ten opzichte zijner apostelen deed. Nadat die liefdevolle Verlosser eenigen tijd op den Olijfberg gebeden, en zich als slachtoffer voor de zaligheid der menschen aan zijnen hemelschen Vader had aangeboden , kwam hij bij zijne leerlingen terug. Hij vond hen slapende , en , om hen over hunne onachtzaamheid te bestraften, richtte Hij tot hen dit zachte verwijt: „Wel hoe! kondet gij niet een enkel uur met mij waken ?quot;

Nu eens verwijt Hij aan de ziel hare onachtzaamheid en traagheid in de geestelijke oefeningen, dan weder haren hoogmoed en hare ijdelheid. Ku eens haar ongeduld en hare gramschap, dan weder hare verstrooidheid en zucht tot spreken; nu eens deze , dan weder gene zonde. Al die inwendige verwijtingen zijn genaden en inspraken van den H. Geest.

De vierde wijze , waarop de Heilige Geest tot de ziel spreekt, bestaat in de onttrekking van de gevoelige godsvrucht, van den inwendige.n vrede en

-ocr page 78-

tweede schrede

can de vertroostingen des harten. Een vader die een gehoorzaam en rechtgeaard kind heeft, zal zulk een kind, wanneer het eenen misslag begaat, niet aanstonds met de roede kastijden. Hij bepaalt er zich bij, hem een streng gelaat te toonen, niet tot hem te spreken en weigert of\' ontneemt hem iets wat het kind gaarne heeft. Dit gedrag doet het kind beseffen , dat het zijnen vader beleedigd heeft; het erkent schuld, vraagt vergeving en tracht zijnen misslag te herstellen. God handelt bijna even zoo met de zielen , die getrouw en ijverig zijn , maar uit zwakheid of door eene andere oorzaak zich aan eene zonde of ongetrouwheid schuldig maken. Hij straft haar slechts door haar, nu eens de gevoelige godsvrucht, dan weder den vrede des harten of zijne liefdevolle vertroostingen te onttrekken. Daardoor erkennen zij, dat zij God mishaagd hebben; zij betreuren hare ongetrouwheid en hernieuwen het vaste voornemen , van die fout niet meer te bedrijven.

Tweede vraag. Op welke wijze deelt de Heilige Geest ons de genaden en inspraken mede, waardoor Hij ons tot het goede opwekt ?

Ik antwoord ;

De eerste wijze waarop de Heilige Geest tot de ziel spreekt, om haar tot het goede op te wekken , bestaat in een inwendig licht, waardoor Hij haar op eene (jeheel bijzondere wijze eene der eeuwige waarheden doet inzien , en haar daardoor tot de beoefening der deugd aanmoedigt. Ons geschiedt ten opzichte der eeuwige waarheden, wat misschien eenen armen bedelaar zou overkomen ,

78

-ocr page 79-

TWEEDE SCHREDE

die in eenen stikdonkeren nacht eene landstreek moest doortrekken. Op zijnen weg ligt eene goed gevulde geldbeurs , indien hij ze zag, zoude hij voor zijn volgend leven tegen armoede beveiligd zijn. Maar uithoofde der duisternis ziet hij den schat niet, on gaat dien voorbij zonder hem op te rapen. Zoo gaat het ook met ons. Wij lezen of overwegen eene eeuwige waarheid , een der geheimen uit het leven van onzen Heer Jezus Christus, een grondregel uit zjjnen aanbid-delijken mond, waarin eene bewonderenswaardige onderrichting, een krachtdadig middel ligt opgesloten , om in de deugd te vorderen , de heiligheid te bekomen. Maar bij gebrek aan het bovennatuurlijk licht, dat alleen in staat is, ons dien verborgen schat te doen ontdekken, zien wij hem niet, wij gaan hem voorbij , zonder er voordeel mede te doen. Als God echter medelijden met ons heeft, als Hij ons eene inspraak zendt , is plotseling alles veranderd. Do rede ziet en erkenc duidelijk en met vreugde de waarheid , en de schoonheid der deugd in dat geheim of in die grondregels verborgen , en de ziel begint de deugd te beminnen en te begeeren.

Wij zien daarvan een voorbeeld in den grooten apostel der Indien , Franciscus Xaverius. Deze , een groot geleerde , doch met ijdelheid vervuld , kende maar al te wel die woorden van Jezus Christus : „Wat baat het den mensch de gansche wereld te winnen , indien hij zijne ziel verliest.quot; Xaverius kende die woorden zeer goed; nochtans had hij geen ander verlangen , geen ander doel

79

-ocr page 80-

TWEEDE SCHREDE

dan het bekomen van den lof en de onderscheiding der menschen. Vanwaar die onverschilligheid ? Zij kwam daaruit voort, mijne ziel, dat Xaverius , wel is waar , die woorden gelezen en gehoord had , maar zonder hoogere ingeving. Toen hij later, onder de leiding van den H. Ignatius , de geestelijke oefeningen deed , en die woorden overwoog, werd zijn verstand door een hemelsch licht bestraald , en erkende hij de ijdel-heid van al het aardsche. Hij versmaadde nu, wat hij te voren zoo bemind had , en begon krachtdadig te arbeiden aan het verbeteren zijner neigingen en denkbeelden , en aan het streden naaide heiligheid , die wij in hem bewonderen.

De tweede wijze , waarop de Heilige Geest in de ziel werkt om haar tot het goede te brengen, is eene inuendige verlichting , waardoor Hij haar de dwaalwegen en struikelblokken aanwijst, en haar op den veiliqen wey der volmaaktheid doet wandelen. Kan men zich iets voorstellen, meer vermetel dan het plan van eenen blinde , die alleen en zonder geleider naar zijn vaderland zou willen terugkeeren langs eenen weg, die over bergen en rotsen loopt? Maar, ik zeg u, mijne ziel, dat het nog vrij wat gevaarlijker is, den weg der volmaaktheid, te willen bewandelen, zonder het licht van den Heiligen Geest. De inspraken zijn hemelsche toortsen, die door haar licht aan de ziel de hinderpalen op den weg der deugd aantooncn , zoodat zij opgewekt wordt om die te vermijden. Het zijn glansrijke sterren , bij welker stralen de ziel duidelijk inziet, waarin het degelijk goede, het

80

-ocr page 81-

TWEEDE SCHREDE

meest volmaakte gelegen is, en opgewekt wordt om dit te beoefenen. Van daar die grondregels der Heiligen, dat eene enkele versmading, ter liefde Gods verduurd , veel kostbaarder is , dan alle roem dezer wereld; dat de verlatenheid en inwendige moeilijkheden met geduld verdragen, veel hooger geschat moeten worden , dan al de genoegens van het beschouwend gebed; dat er geene ware heiligheid bestaat, dan in het navolgen der nederigheid , der liefde en der zachtmoedigheid van Jezus Christus ; dat de minste daad , uit gehoorzaamheid verricht , beter is dan de schitterendste werken , die men uit eigen wil zou kunnen verrichten. Deze en andere dergelijke grondregelen leert ons de Heilige Geest door zijne ingevingen ; Hij prent die in de ziel , en wekt haar op om die in oefening te brengen.\' Om het hier gezegde te bevestigen, zullen wij eenige regelen uit het leven der gelukzalige Armella aanhalen. Sinds God haar krachtdadig tot zich getrokken en in haar het vuur zijner goddelijke liefde ontstoken had, was het eerste wat\' Hij haar op het hart drukte, nooit in iets haar eigen wil te doen, of haar eigen oordeel te volgen , vooral niet in datgene wat haar levenswijze betrof; en zij bleef altijd innig overtuigd , dat zij niets te vreezen had , zoolang zij haren eigen wil niet volgde , maar dat alles voor haar verloren was , zoodra zij die weder zoude involgen.

De derde wijze, waarop de Heilige Geest tot de ziel spreekt, om haar tot het goede te brengen, bestaat in inwendige vermaningen en aanmoediging en ^

81

6

-ocr page 82-

82 TWEEDE SCHREDE

waardoor Hij haar opwekt tot de beoefening nu ik

van deze , dan van gene deugd. De H. Geest is na\'

gewoon voor eene getrouwe ziel te doen , wat de nu

aartsengel Raphael deed voor den jongen Tobias, nit

toen hij dezen vergezelde op zijne reis naar Medië. u

Deze groote vorst van het hemelsche hof nam de

dien onschuldigen jongeling onder zijne beseher- be

ming en was voor hem een zorgvolle vader. Nu sj

eens sprak hij hem moed in bij gevaren, dan blt;

weder gaf hij hem de noodige onderrichtingen om H

zijne zaken tot een goed en Uode welgevallig o

einde te brengen. Hij leerde hem, den duivel C

niet te vreezen , maar hem dapper te bestrijden e

met de wapenen van het gebed en het vertrouwers z op God; hij spoorde hem aan tot dankbaarheid . c

jegens God; tot liefde en eerbied jegens zijnen € vader, den vromen Tobias. Kortheidshalve zullen

wij alleen de vermaning aanhalen , die hij hem i gaf vóór den terugkeer naar het ouderlijke huis :

Zoodra gij uw huis binnentreedt, zeide hem de aartsengel, kniel dan ter aarde neder en aanbid den Heer, uwen God ; dank Hem uit geheel uw hart, voor al de weldaden, die Hij u op reis verleend heeft. Nadat ge aldus uwen plicht jegens God vervuld hebt, moet ge ook uwen plicht vervullen jegens uwen vader ; „Ga tot hem, betuig hem uwen eerbied en omhels hem.quot; Wat de engel door zijne wijze raadgevingen voor Tobias deed , doet de Heilige Geest voor eene getrouwe ziel door zijne ingevingen.

Hij moedigt haar aan tot den strijd. Vrees de bekoring niet, zegt Hij haar , strijd met moed ,

-ocr page 83-

TWEEDE SCHREDE.

ik zal u helpen! Veracht die bewegingen dor natuur, strijd! Het is eene gelegenheid om eene nieuwe kroon te verdienen. Trees die opoffering niet, zij is niet zoo moeilijk als uwe eigenliefde u wil doen gelooven. Sla geen acht op het oordeel der menschen ; als gij mijne genade maar bezit, hebt gij niets te vreezen. Somtijds ook spoort Hij de ziel aan en wekt haar op tot de beoefening eener degelijke deugd. Ziedaar , zegt Hij, eene gelegenheid om de ootmoedigheid te

oefenen..... Jezus Christus verlangt het......

Overwin u..... Vraag vergiffenis..... Ziedaar

eene gelegenheid om de liefde te oefenen; laat ze niet voorbij gaan! Ziedaar eene gelegenheid om uwe eigene zienswijze te verloochenen; zwijg en geef u gewonnen ! En zoo meer.

De vierde wijze, waarop de H. Geest door zijne inspraken de ziel tot het goede tracht te brengen, is , haar inwendig aan te vuren en op te wekken. Die inspraken zijn geheel bijzondere gunsten van den H. Geest ; want het licht, waarmede het verstand bestraald wordt, stelt de daad waartoe de inspraak ons uitnoodigt, voor, niet slechts als nuttig en Gode welgevallig, maar ook als gemakkelijk en aangenaam. Van den anderen kant is de beweging van den wil niet alleen sterk en krachtdadig, maar tevens zacht en gepaard met zulk eene vurige liefde, dat de ziel, als door een zacht geweld medegevoerd , de moeielijkste oefeningen blijmoedig onderneemt, en uit die bron vloeiden de heldendaden voort, welke wij in de groote dienaren Gods bewonderen.

83

-ocr page 84-

TWEEDE SCHREDE

Zoodanig was de inspraak , welke de H. Geest aan zijne uitgelezens bruid, de H. Teresia van Jezus, gaf. Dit door God gezegend kind las eens de groote daden der martelaren en de gruwzame folteringen, die zij geleden hebben, en voelde zich levendig getroffen. De H. Geest ontstak in haar hart eene zoo hevige liefde, dat zij naar niets meer verzuchtte dan naar de folteringen en den marteldood. Door overvloedige genaden werd zij zoo sterk aangetrokken, dat zij heimelijk het ouderlijke huis ontvluchtte en zich naar de Mooren in Afrika begaf, in de hoop van daar de gelegenheid te zullen vinden haar bloed ter liefde van Jezus te vergieten.

Van eene dergelijke inspraak wordt ook gewag gemaakt in het leven van de H. Rosa van Lima.

Engelsche ketters waren met eene talrijke vloot Lima genaderd en men vreesde dat zij de stad bestormen en de kerken ontheiligen zouden. Vlammend van ijver voor de eer van God snelt die heilige maagd naar de kerk, vliegt naar het altaar, plaatst zich voor het tabernakel, waarin het Heilig Sacrament rust en roept uit: „Hier zal ik mijnen Jezus verdedigen ; Hij zal niet beleedigd worden of eerst zal een dolk mijn hart hebben doorboord.quot;

De vijfde wijze, waarop de H. Geest in de ziel werkt, om haar tot het goede aan te sporen, bestaat daarin, dat Hij vol goedheid aan haar hart aanklopt. Dan speekt de H. Geest niet, om ons zoo uit te drukken , als God en Opperheer, maar als een minnende bruidegom, die zijne bruid liefkoost ; Hij dreigt dan niet als een recht-

84

-ocr page 85-

TWEEDE SCHREDE

vaardige rechter, met eeuwige pijnen, spreekt zelfs niet als milde belooner , over de goederen der eeuwigheid , maar Hij bemint en eischt wederliefde. Hoor wat de H. Schrift ons daaromtrent in eene gelijkenis voorhoudt.

Een bruidegom, ingenomen door eene hevige liefde en teedere genegenheid voor zijne bruid, gaat haar , ofschoon de nacht reeds is ingevallen, bezoeken. Maar , wijl hij de deur gesloten vindt, klopt hij en vraagt in de minzaamste bewoordingen om binnengelaten te worden. Open toch , mijne zuster, mijne vriendin, mijne duif, mijne onbevlekte ! want mijn hoofd en mijne lokken zijn geheel bevochtigd met den naehtelijken dauw! Hoe teeder zijn die woorden ! Hoe nederig is die bede ! En toch schetst de H. Geest ons hier niet een mensch , maar zich zelven , en Hij zelf verklaart ons hier de bewonderenswaardige teeder-heid , waarvan Hij zich bij deze soort van inspraken bedient, om de ziel op eene zachte en aanlokkelijke wijze tot zich te trekken. Hoogst gelukkig is de ziel , bij welke God op deze wijze aanklopt ; want daar waar dit plaats heeft, is het hart terzelfder tijd met vrede en kalmte vervuld. Het verstand is overstroomd met een hemelsch licht en erkent duidelijk de tegenwoordigheid, de stem en de begeerten van den hemelschen Bruidegom. De wil is doordrongen van eene teedere liefde en verlangt niets anders dan de verlangens van den quot;Welbeminde te bevredigen.

De zesde wijze , waarop de H. Geest zich aan de ziel mededeelt, is eene heilige lastigheid.

85

-ocr page 86-

tweede schkede

In zijne oneindige barmhartigheid en lankmoe- liev

digheid , laat de H. Geest zich dikwijls niet af- dar

schrikken door den weerstand en de halstarrigheid in

eener ziel. Hjj keert terug, herhaalt, ofschoon Hij De

met neen werd afgewezen, zijn verzoek, tot tien, sch

twintig en meermalen. Hij blijft kloppen en stelt hai

aan de ziel nu de eene, dan weder eene andere dal

waarheid voor; nu eens doet Hij zich liefdevol, en

dan vertoornd voor , om haar op alle mogelijke is

wijzen over te halen om aan zijne eischen te m(

voldoen. G(

Uit het weinige hier gezegde, kunt gij besluiten, he

mijne ziel, op hoeveel verschillende wijzen de H. zij

Geest in het hart binnentreedt en het door zijne la inspraken geleidt. Wees getrouw, gehoorzaam • at

gaarne aan zijne ingevingen , en gij zult, wat ik in

u gezegd heb en nog veel meer bij ondervinding 01

leeren kennen; bezit gij de goedkeuring uwer g

oversten , dan hebt gij noch misleiding noch zelf- k

bedrog te vreezen. a

Onderrichting 11. Regelen waaraan men kan t\'

onderscheiden of eene inspraak al of niet van God t

86

komt. 1

Zoo nuttig en noodzakelijk als het voor de volmaaktheid is de echte inspraken getrouw aan te nemen en op te volgen , zoo nadeelig is het valsche inspraken voor waar te houden en zich daarnaar te gedragen. Want evenals de H. Geest in al zijne inspaken geen ander doel heeft dan de heiliging der ziel, en Hij haar onfeilbaar tot heiligheid brengt , mits zij getrouw is, evenzoo heeft de booze geest bij al zijne ingevinger. of

-ocr page 87-

TWEEDE SCHREDE

87

liever bij zijne voorwendsels geen ander doel , dan het verderf der ziel, en hij zal haar onfeilbaar in het verderf storten, indien zij hem gehoor geeft. De zoo verlichte Lodewijk Dupont leert, dat het schadelijk en zeer gevaarlijk is , de deur van zijn hart te sluiten, wanneer God aanklopt, meenende dat het niet God is die aanklopt, maar de duivel, en dat het eveneens schadelijk en zeer gevaarlijk is zijn hart te openen voor den boozen geest, in de meening dat het niet de duivel is die aanklopt, maar God. Het is even gevaarlijk, volgens den Apostel , het licht van den goeden geest uit te dooven en zijne inspraken te veronachtzamen, als zich in te laten met den boozen geest en het oor te leenen aan zijne helsche inblazingen. Wat staat ons dan in zulk eene gevaarlijke en toch zoo gewichtige omstandigheid te doen ? Mijne ziel, gij moet u goed doordringen van eenige regels, waardoor wij kunnen onderscheiden , of de inspraken , die ons aandrijven tot het goede , of die strekken om ons te verwijderen van het kwaad , van den goeden of van den boozen geest komen. De zekerste kenteekenen zjjn de volgende. De geest Gods is een geest van heiligheid en bij gevolg is zijn inzicht in de leiding der zielen geen ander , dan haar door zijne inspraken te heiligen, haar op het nauwst en het innigst met zich, als met haar einde, te vereenigen. Nu , om dit zoo verheven doel te bereiken worden twee zaken volstrekt vereischt, namelijk: eene volmaakte zuiverheid des harten met een grooten afschuw van alle kwaad, — en eene volkomen navolging van de deug-

-ocr page 88-

tweede schrede

den, welke Jezus Christus door zijn voorbeeld geheiligd heeft; daarom dan ook heeft de gansche leiding van den H. Geest betrekking op die twee zaken en al zijne inspraken beoogen een van die twee einden. Uit die onbetwijfelbare waarheden vloeien twee grondregelen voort , ter onderscheiding van alle inspi-aken ; wij zullen die uitleggen.

Eerste Regel. De geest Gods is een geest van heiligheid; gijn doel is de volkomen zuivering van het hart.

Om die reden zijn alle inspraken , die de ziel aansporen om het kwade te vluchten en de zonden te betreuren, inspraken van den goeden Geest, dit is het gevoelen van de godgeleerden. Wij zullen er slechts eenen aanhalen , den H. Bernardus. Hij stelt in zijn 67ste redevoering de vraag; Hoe komt de H. Geest in de ziel? en antwoordt : Ik heb de tegenwoordigheid van den H. Geest erkend uit een zeker gevoel des harten, dat mij aandreef, om het kwaad te vluchten en mijne verkeerde neigingen te onderdrukken. Ik erkende de kracht van zijn vermogen uit de bestraffingen mijner geheime en verborgen zwakheden. Ik bewonder de diepe wijsheid, waarmede Hij mij tot verbetering mijner zeden bracht. In de wijze, waarop ik mij inwendig vernieuwd en verbeterd zag, heb ik zijne góedheid en zachtmoedigheid erkend , Ik heb zijne bekoorlijke schoonheid beschouwd en gesidderd voor zijne verhevene heerlijkheid en majesteit. Vandaar dat alle inspraken, die de ziel aansporen : 1. Om hare zonden te betreuren en te verfoeien ; 2. om

88

-ocr page 89-

twkkde schrede

Izich in het vervolg te wachten voor elke onvolmaaktheid , hoe gering ook, en voor elke overtreding van den regel; 3. cm hare verkeerde neigingen te onderdrukken ; dat al die inspraken , zeg ik , van God komen , en bij gevolg echte en heilige inspraken zijn.zich in het vervolg te wachten voor elke onvolmaaktheid , hoe gering ook, en voor elke overtreding van den regel; 3. cm hare verkeerde neigingen te onderdrukken ; dat al die inspraken , zeg ik , van God komen , en bij gevolg echte en heilige inspraken zijn.

Tweede Regel. De geest Gods is een geest van heiligheid en zijn doel is deugden aan te kweeken en te volmaken.

Om die reden zijn alle inspraken , welke de ziel tot navolging van Jezus Christus of tot beoefening van degelijke deugd aanzetten, inspraken van den H. Geest. Ook dit is het gevoelen der godgeleerden ; hooren wij nogmaals den H. Ber-nardus. In zijn 23ste redevoering zegt hij het volgende : Telkens als gij in uw hart eene heilzame gedachte ontwaart, die u aandrijft tot versterving van het lichaam , tot ootmoed des harten, tot het bewaren der zuiverheid, tot naastenliefde en tot andere deugden , dan werkt de H. Geest in u; Hij spreekt tot u of wel persoonlijk of door zijne engelen.

Daaruit volgt dus , dat gij nog als heilige en echte inspraken van God moet beschouwen die , welke u aansporen 1. tot versterving, zoo in- als uitwendige ; 2. tot beoefening der ootmoedigheid; 3. tot gehoorzaamheid , tot verloochening van uw eigen wil en oordeel; 4. tot zachtmoedigheid ent ingetogenheid ; 5. tot liefde , medelijden en barmhartigheid jegens den naaste, tot onderlinge verdraagzaamheid ; 6. tot onderwerping aan Godswil ; 7. vooral tot liefde voor Jezus en Maria.

89

-ocr page 90-

tweede schrede

Dekde Kegel. De geest van God is een geest van gehoorzaamheid; Hij beweegt de zielen , om openhartig hunne inwendige gesteltenis voor hunne Oversten open te leggen en hunne raadgevingen te volgen, zich aan hunnen tv tl te onderwerpen.

Indien gij bij gevolg u aangedreven gevoelt om eene inwendige beweging of ingeving voor uwe Oversten te verbergen , of daaraan te hechten of er geloof aan te slaan tegen hunnen raad, of om tegen hunnen wil te handelen : wees dan overtuigd , mijne ziel , dat de ingeving het werk van den duivel is. Waar de geest van Jezus is, daar wordt ook de geest van gehoorzaamheid en onderwerping gevonden; daar waar deze laatste niet gevonden wordt, daar ook werkt de geest ran Jezus niet. Dit was hoofdzakelijk de regel , naar welken de oude kluizenaars van Egypte gewoon waren de geesten te onderscheiden. Wij vinden daarvan een heerlijk voorbeeld in het leven van den H. Simeon Stylites. Toen de monniken van Egypte het bewonderenswaardige leven hadden hooren verhalen van dien heilige , die zijne nachten en dagen doorbracht, staande op eene hooge zuil , en boetplegingen volbracht, die tot dan too ongehoord waren, begonnen zij elkander af te vragen of die man wellicht niet door den duivel misleid werd. Om hunnen twijfel op te heften , zonden zij eenige zeer ervaren Vaders tot hem met het bevel; 1. om hem met harde woorden die zonderlinge levenswijze te verwijten en hem daarover als over eene ijdelheid te bestraften ; 2. hem uit naam van alle kluizenaars van Egypte te

90

-ocr page 91-

tweede schrede

bevelen, die levenswijze te laten varen en oogen-blikkelijk van de zuil af te komen. Dit bevel werd uitgevoerd, en nu openbaarde zich de geest, die Simeon bezielde. quot;Want, nadat hij de gezondenen had aangehoord, bedankte hij hen voor hunne welwillende vermaningen en maakte zich aanstonds gereed , om aan hunne bevelen te gehoorzamen en naar beneden te komen. Bij het zien van zijne zoo bereidvaardige gehoorzaamheid, zeiden de Vaders: „Blijf op uwe zuil, heilige Vader, en zet uw boetvaardig leven voort; de geest die u geleidt is Gods geest want gij zijt gehoorzaam.quot;\'

Vierde Regel. De geest Gods is een geest van ootmoed-, Hij leert aan de zielen zich zeiven steeds meer en meer te verachten : ^Geloof mijquot;, zegt de vermaarde Gerson, „geloof mij, alle inspraken, alle inwendige bewegingen komen van God of van zijn goeden Engel, indien zij voorafgegaan , vergezeld en gevolgd worden door de ootmoedigheid.quot;

De H. Bernardus trekt uit die grondstelling het gevolg, dat de inspraken niet echt, maar enkel bedriegerijen van den duivel zjjn ;

1. Wanneer wij verlangen, ons te onderscheiden door buitengewone genaden en deugden; indien men bijvoorbeeld zoude wenschen naar verschijningen , geestvervoeringen , openbaringen en andere uitgelezene gunsten; indien wij ons niet tevreden zouden stellen met de gewone oefening der deugden , welke onze Regel ons toelaat of oplegt; indien wij deze verachten en onrustig haken naar andere , welke naar onze persoonlijke •opvatting meer verheven zijn.

91

-ocr page 92-

tweede schrede

2. Eene ingeving, gevolgd van ijdel welbehagen , van grootachting van zich zelve , zoodat men de deugd niet toeschrijft aan de barmhartigheid van God , maar aan zijn ijver , zijne oplettendheid , zijne eigene verdiensten.

3. Eene ingeving , gepaard met een gevoel van minachting , of geringschatting van den even-mensch.

4. Eene ingeving , die ons doet verlangen, dat anderen onze deugden, de inwendige gunsten, die wij ontvangen, zouden kennen en bewonderen. In een woord , alle bewegingen des harten , die in zich bevatten of tengevolge hebben eenig gevoel van ijdelheid , in haar begin , haren voortgang of haar einde , zijn geene ingevingen van den goeden geest , maar van hem , die gewoon is zich voor te doen als een engel des lichts.

Vijfde Regel. De geest Gods is een geest van vrede.

92

Wanneer deze geest in eene ziel komt, brengt hij kalmte en tevredenheid met zich; „Ik zal hooren , wat de Heer in mij zal spreken ; want Hij zal woorden van vrede spreken tot zijn volk en zijne heiligen.quot; (1) De goddelijke Verlosser handelt nog met ons , zooals met zijne apostelen, na zijne glorierijke Verrijzenis. Immers zoodra Hij het Cenaculum was binnen getreden, wenschte Hij hun aanstonds de kalmte en den vrede des harten. „Vrede zij U!quot; (2) En onder den indruk dier woorden werden hunne harten getroffen en met

(1) Ps. 84. (2) Joan. 20.

-ocr page 93-

TWEEDE SCHREDE

eenen hemelschen vrede vervuld. Evenzoo verruimt de H. Geest, wanneer Hij zijn verblijf in ons vestigt, onze harten , verbant daaruit alle vrees , alle onrust en vervult ze met eenen zoeten vrede. Daaruit volgt:

1. Dat de herinnering aan de bedreven zonden en de ontsteltenis daardoor te weeg gebracht, geenszins van God komen, indien zij de ziel angstvallig, beschroomd en mistrouwend maken. Het leedwezen, dat van God komt vervult de ziel, wel is waar met droefheid , maar met eene zalvende droefheid, die haar met dankbaarheid, liefde en vertrouwen jegens God bezielt.

2. Dat, wanneer de droefheid, die men ontwaart na het begaan eener zonde , ongetrouwheid of zwakheid , slechts een gevolg van hoogmoed en eene inblazing van den duivel is , zij het hart ontstelt, het bevreesd maakt , er de deugd als iets onmogelijks voorstelt. De innerlijke bestraffing, die van God komt , maakt de ziel nederig, maar niet ongerust; zij spoort haar aan tot rouwmoedigheid , gepaard met een groot vertrouwen op God; zij brengt ons onze ongetrouwheid onder het oog, maar wapent ons tevens met nieuwen moed en zielskracht om ons op zelfverbetering toe te leggen. Men vindt echter zielen , die met ontsteltenis en gejaagdheid verlangen ten spoedigste van al hunne verborgen gebreken bevrijd te zijn.

3. Dat alles , wat de rede verduistert, den wil bezwaart, en een beletsel is voor het gebed en den liefdevollen omgang met God,

93

-ocr page 94-

tweede schrede

beschouwd moet worden als eene ongeregelde begeerte, eene fout en eene verborgene zonde ; men mag dit alles beschouwen als louter bedriegerijen van den duivel.

4. Dat alle ongeregelde begeerte om van het gevaar der bekoringen, van den opstand der kwade neigingen bevrijd te zijn en spoedig het zoete genot der deugd te bekomen , slechts uitwerksels van de eigenliefde en ingevingen van den duivel zijn, telkens als zij ons ontstellen , ons doen twijfelen aan de mogelijkheid om de volmaaktheid te bereiken , en als zij ons de liefdevolle en volkomen onderwerping aan den wil van God doen verliezen. Om kort te gaan, waar God woont, daar woont ook kalmte , vrede , vertrouwen , steeds nieuwe ijver en ootmoed des harten, welke ons de deugd gemakkelijk maken; maai\' waar die gesteltenis niet gevonden wordt, daar woont ook God niet.

Zesde Regel. De geest Gods is een geest vare gematigdheid.

En daarom blijft Hij gewoonlijk met zijne inspraken op den gewonen weg der deugd. Dit leert ons Lodewijk Dupont , als hij zegt: „De geest God is beseheiden en gematigd; Hij is gewoon de zielen slechts aan te sporen tot die gewone oefeningen van deugd , welke niet boven ons bereik gaan.quot; Volgens dezen grondregel worden door de leeraars van het geestelijk leven de volgende inspraken voor verwerpelijk gehouden : 1. De begeerten, de aansporing om lange gebeden of oefeningen van godsvrucht te verrichten in

94

-ocr page 95-

tweede schrede

strijd met de plichten door den regel of door de gehoorzaamheid opgelegd. 2. De begeerte, de zucht om allerlei oefeningen van godsvrucht, van boetvaardigheid of andere dergelijke zaken te verrichten , welke niet voorgeschreven zijn , wanneer deze gedaan worden in strijd met de gehoorzaamheid of buiten voorkennis en goedkeuring der oversten. 3. De begeerte om zulke oefeningen van deugd te verrichten, welke onze krachten te boven gaan , zooals buitengewone onthouding van het noodzakelijke voedsel; groote en strenge boetoefeningen . die het lichaam verzwakken ; veel en lang nachtwaken ; eene onttrekking van slaap meer dan do natuur kan verdragen en zoo meer.

Beantwoording van eenige twijfelingen , die tegen deze regelen ingebracht souden kunnen worden.

Ofschoon deze regelen door de heiligste en meest verlichte mannen gevolgd zijn, bij het beoordeelen van inspraken , zijn zij nochtans aan veelvuldige uitzonderingen onderhevig. Daarom is het noodzakelijk , dat wij de twjjfelingen onderzoeken, die er tegen kunnen opkomen, en dat wij die wederleggen.

Eerste twijfel. Er wordt in den vierden regel gezegd, dat de inspraken, die aanleiding geven tot ijdelheid, geene inspraken van God zijn. Wat dan gedaan ? De ijdelheid mengt zich met duizend goede werken. Moet men dan alle inspraken , welke tot die goede werken aansporen, als

95-

-ocr page 96-

tweede schrede

inblazingen van den duivel beschouwen en bijgevolg die goede werken achterlaten ? Alvorens te antwoorden, moet ik opmerken , dat de bekoring tot ijdelheid gewoonlijk op twee wjjzen plaats heeft. Somtijds komt de ingeving van God; maar daarna komt de vijand en strooit onkruid onder de tarwe. Somtjjds komen èn de ingeving en de beweging van ijdelheid beide van den duivel, die ons slechts tot het goede aanspoort, om ons vervolgens in ijdel welbehagen te doen vallen. Maar zoo zeker als het is , dat de ijdelheid van den duivel komt, zoo twijfelachtig is het soms van wie de ingeving komt. Die onzekerheid kan u evenwel volstrekt niet schaden , mits gij u wel doordringt van de volgende grondwaarheden.

Gevoelt gij u aangedreven om iets te doen, wat gij duidelijk als goed en heilig erkent, doe het dan , zonder lang te onderzoeken vanwaar de aandrift komt; maar wil de ijdelheid binnen sluipen , wijs haar dan af, verfoei ze en zeg: „O mijn God , aan U alleen zij lof en eer; voor U doe ik dit werk. Ik verzaak voor altoos aan alle ijdelheidquot;.

Zoo deed ook de H. Bernardus ; eens werd hij gedurende een sermoon, dat hij voor het volk hield , aangevallen door eene bekoring van ijdel zelfbehagen; hij verdreef die met deze weinige woorden : „Ik heb voor u niet begonnen en zal ook om uwentwille niet eindigenquot;, daarna zette hij zijn sermoon rustig voort.

Tweede twijfel. In den vijfden regel is gezegd, dat eene inwendige beweging, die zich met eenige

96

-ocr page 97-

tweede schrede

onstuimigheid van het hart meester maakt, en daarin vrees en ontsteltenis teweeg brengt, geene inspraak van God kan zijn. Nu wordt toch van vele Heiligen verhaald, dat God hen tot bekeering bracht door eene levendige voorstelling van de straffon der hel of van de gestrengheid van het oordeel. Ja , wij weten zelfs , dat de H. Maagd verschrok toen de Engel Gabriël haar verscheen.

Hoe moet die regel dan verstaan worden ?

Antwoord. De goede ingevingen beginnen somtijds onder den indruk van vrees ; deze verandert echter aanstonds daarna in zoeten vrede , vreugde en vertrouwen. Anders zoude het geene inspraak van God , maar eene inblazing van den duivel zijn. Hoor wat Jacobus Alvarez hierover zegt: Als de vrees opgevolgd wordt door vreugde en vertroosting , dan komt de zaak van God; want het vertrouwen en de kalmte des harten zijn een duidelijk kenteeken van de tegenwoordigheid der goddelijke Majesteit. Indien daarentegen de onrust en de vrees steeds voortduren , zonder in vreugde over te gaan , dan is het de vijand alleen , die in u werkt en uwe ziel ontrust.

Derde twijfel. Men zegt in den zesden regel, dat de geest Gods zich houdt binnen de gewone palen in de beoefening de deugd. Maar hoe strookt dit met de levensgeschiedenis der Heiligen, waarin wij lezen , dat zij geheele nachten doorbrachten in het gebed, dat zij schrikwekkende boetoefeningen pleegden en nog vele andere dingen verrichtten, die de menschelijke krachten verre te boven gaan ? Deze regel zegt geenszins , dat

97

7

-ocr page 98-

tweede schrede

de geest Gods nooit tot buitengewone deugd-oefening aanzet, maar enkel dat Hij over het algemeen genomen , niet gewoon is, dit te doen. Voor buitengewone dingen is ook een buitengewone roeping noodig, en daarom mag men zulke zaken niet ondernemen zonder dat die roeping onderzocht en goed bevonden is. Ook werd deze weg steeds gevolgd bij alles wat wij in de levens der Heiligen lezen. Niemand hunner volgde zijne eigene zienswijze ; zij raadpleegden anderen, volgden de leiding hunner oversten of van andere inwendige en ervaren mannen.

Vierde twijfel. Wil God altijd dat wij doen wat Hij ons ingeeft ? Noen. Dikwijls gebeurt het, dat God door zijne inspraken slechts vraagt, dat de ziel zich geheel aan Hem opdrage , dat zij tot alles bereid zij en zijne inspraken volge in zooverre Hij zulks verlangt, al zoude het werk ook niet tot stand komen. Dit ook zegt ons de zoo verlichte Jacobus Alvarez: De goddelijke Geest, zegt hij , geeft somtijds den mensch iets in , niet opdat hij het werkelijk ten uitvoer zoude brengen , maar eeniglijk , opdat de mensch zijnen wil onderwerpe en ten minste door zijne begeerte volvoere wat Hij van hem vraagt.

Hier doet zich eene nieuwe vraag voor: Hoe kunnen wij weten , dat God van ons de uitvoering verlangt van datgene wat Hij ons ingeeft? Als God u de gelegenheid geeft om het werk, dat Hij u ingaf te volvoeren en terzelfder tijd uwe oversten zoo stemt, dat zij uwe ingeving goedkeuren , dan lijdt het geen twijfel of God vraagt

98

-ocr page 99-

tweede schrede

werkelijk van u de volvoering der zaak. Maar indien een van die twee punten ontbreekt, is zulks een teeken dat God zich tevreden stelt met uwen goeden wil en met uwe heilige verlangens. Wij zien dit duidelijk in de levens der Heiligen.

God gaf den H. Franciscus Xaverius de vurigste begeerte in om zijn bloed te storten ter verheerlijking van zijnen naam , maar nooit gaf Hij hem gelegenheid om den marteldood te ondergaan: dit was een teeken dat God slechts die brandende begeerte en dat edelmoedige inwendige offer van hem verlangde.

God zond in het hart van Philippus Fenin-gen eene zoo hevige begeerte om naar de Indiën te gaan en daar zijn leven te wijden aan de bekeering der afgodendienaars, dat hij tot aan zijn 60ste levensjaar niet ophield die gunst te vragen. Doch terzelfder tijd stemde Hij de oversten zoodanig , dat deze nooit in dit verzoek toestemden, wat bjjgevolg een duidelijk bewijs was dat God wel de heilige begeerte , maar niet de uitvoering er van eisehte.

Vijfde en laatste twijfel. Wat moet men doen, wanneer men niet kan onderscheiden of eene inspraak van of niet van God komt ?

Ik zal die vraag beantwoorden op dezelfde wijze als de Zaligmaker eens dien twijfel oploste ten gunste van Lodewijk Dupont.

Die heilige man ontrustte zich eens om te weten of zekere woorden, die hij inwendig hoorde en de beweging , welke hij in zich ontwaarde , al of niet van den goeden Geest kwamen. Om dien

99

-ocr page 100-

tweede schrede

twijfel weg te nemen , zeide hem de Goddelijke Zaligmaker; „Als gij honger had en iemand bood u een boomtak aan, beladen met de keurigste vruchten , wat zoudt gij dan doen ?quot; — Ik zou ze opeten, antwoordde Lodewijk, en den ledigen tak wegwerpen. — Doe eveneens met de inwendige inspraken, zeide Jezus Christus, eet de vruchten , dat is , doe wat gy als goed en heilig erkent , en denk er vervolgens niet lang over na, van waar de inspraak en de beweging ten goede komen.

Onderrichting III. Er blijft u nu niets meer over, mijne ziel, dan vol ijver de handen aan het werk te slaan , en u voor te nemen , altcos , getrouw en standvastig naar de inspraken van God uw leven in te richten. Nu, die getrouwheid bestaat hoofdzakelijk in de vier oefeningen, die ik u ga voorstellen, als zoovele regels, van welke gij nimmer moet afwijken.

Eerste regel. Zich volkomen overgeven aan den fjoddelijken Geest als aan den eenigen leeraar der heiligheid, en zonder ophouden hidden om- en verzuchten naar zijne leiding en zijne, inspraken.

Onze zaligheid en onze voortgang hangen af van de leiding en van de inspraken van den H. Geest. „Wantquot;, zoo zegt nog Jacobus Alvarez, „even als goede en gezonde levensgeesten hes leven en de gezondheid in den mensch onderhouden, hem vlug, krachtvol en tot harden arbeid geschikt maken , cvenzoo maken de inspraken , indien zij dikwijls op het hart werken, de ziel sterk en edelmoedig in de volmaaktste beoefening der deugd

100

-ocr page 101-

TWEEDE SCHREDE

en brengen haar in korten tijd tot de volmaaktheid. Indien dit zoo is , behoort gij alles te bedenken , alles te doen , om onder die leiding te komen, om dien aanhoudenden invloed der inspraken van den H. Geest te verkrijgen. Tot dat einde raad ik u twee oefeningen aan.

1. Bepaal eiken dag zekere uren, om u aan den H. Geest op te dragen; geef u zonder uitzondering , zonder voorbehoud aan zijne leiding over , en bid Hem uw meester te willen zijn , u in alles door zijne inspraken te geleiden en te besturen. Die opdracht zal , wanneer gjj ze dikwijls en vurig herhaalt, u een onmetelijk voordeel verschaffen ; want de H. Geest, die niets anders verlangt, dan ons met zijne liefde en zijne genaden te vervullen , zal het hart, dat vurig naar Hem verzucht, niet lang ledig en onvruchtbaar laten.

2. Verhef door den dag dikwijls uw hart tot den H. Geest en herhaal met vurigheid dit gebed van den Koninklijken Profeet: „Kom , Heer , en toon uwe almacht. Ach ! kom , Heer, en vertoef niet.quot; (1) Of zeg met de bruid der Gezangen: „Ach! mijn welbeminde , kom in mijnen tuin r in mijn hartiquot; (2)

Tweede regel. De inspraken van den H. Geest met veel eerbied en ootmoed ontvangen.

101

ït de

leilig

over

ten

meer

het

ge-

|

God

tieid

die

;lke

lun

riar

en

en.

af

en

3Z,

en

i

kt

i) n

d

Zoodra gij bespeurt, mijne ziel, dat de H. Geest in u begint te werken , dat Hij uw verstand verlicht , uwen wil beweegt, moet gij twee dingen in acht nemen.

(1) Ps. 70.

(2\'1 Gez. 5.

-ocr page 102-

TWEEDE SCHREDE

1. Gij moet naar de stem van den H. Geest met grooten eerbied luisteren.

Toen een Engel aan den profeet Daniël verscheen en tot hem begon te spreken , wierp de profeet zich met het aangezicht ter aarde, en in die eerbiedige houding aanhoorde hij de stem van den Engel. Als een dusdanige eerbied vereischt wordt, wanneer een Engel tot ons spreekt, met welken eerbied behooren wij dan te luisteren , wanneer de H. Geest zelf het woord tot ons richt? Indien dit u overkomt, verwijder dan uit uwen geest elke andere gedachte, hoe heilig die ook zijn moge. Stel u levendig de tegenwoordigheid van den H. Geest voor, en luister met een rustig gemoed , naar hetgeen Hij u zegt.

2. Wij moeten de stem van den H. Geest met den diepsten ootmoed aanhooren. Gij moet vas-telijk gelooven , dat de inspraken een louter uitwerksel zijn van Gods barmhartigheid , en dat gij nimmer uit u zeiven in staat zult zijn om ze te verdienen. Gij zoudt geene grootere ondankbaarheid jegens God kunnen begaan, geen grooter nadeel aan uwe ziel kunnen toebrengen, dan door die hemelsche bezoeken aan u zeiven toe te schrij • ven , er een ijdel zelfbehagen over op te vatten , om u zeiven daarom boven anderen te verheffen. Een ootmoedig hart, dat de genade weet te bewaren , zegt met den H. Petrus ; „Verwijder u van mij , Heer , want ik ben een zondaarquot;. Men behoeft niet te vreezen , dat de H. Geest daarom zal heengaan. Hoe ootmoediger het hart is , des

102

-ocr page 103-

tweeigt;e schrede

te langer zal Hij er in vertoeven en des te meer genaden zal Hij er in uitstorten.

Derde regel. De inspraken met de grootste qetrouwheid volgen en ze zonder uitstel in oefening brengen.

Deze regel behoeft geene verklaring; wij hebben reeds gehoord, hoe nuttig het is zich volgens de inspraken te gedragen , hoe nadeelig ze te veronachtzamen. Ik voeg hierbij slechts twee opmerkingen, geschikt om de zaak in een nog helderder licht te stellen.

1. Een enkele inspraak, goed benuttigd, verwerft ons menigmaal tallooze genaden. De levens der Heiligen zijn vol van feiten , die ons dit aan-toonen. Ik haal er slechts één aan, dat aan onzen Pater Julius Maxinellus overkomon is. Eens dat hij op reis zijnde , het heilig Misoffer opdroeg . zag hij in het tabernakel een glas staan vol van de walgelijkste onreinheden , die een priester , na de Nuttiging onpasselijk geworden, met de heilige Hostie had uitgebraakt.

Terstond gevoelde Maxinellus eene ingeving om zich te overwinnen en het lichaam van Christus met die onreinheden te nuttigen. Hij gehoorzaamt, brengt het glas aan zijne lippen en ledigt het tot den laatsten druppel. En ziehier welke belooning hij ontving! Van dezen stond werd zijn hart van zulk eene brandende liefde tot Jezus Christus ontgloeid, dat hij gedurende het Misoffer als door een feilen brand verteerd werd, en nauwelijks den overvloed der goddelijke vertroostingen kon verdragen.

10B

-ocr page 104-

tweede schrede

2. Eene enkele inspraak, die verwaarloosd wordt, berooft ons menigmaal van tallooze genaden en noodzaakt God , zich van ons te verwijderen. De bruid der Gezangen is ons daarvan een voorbeeld. De hemelsehe Bruidegom komt tot haar, klopt en vraagt om binnen gelaten te worden. Zij weigert aanvankelijk, doch eindelijk gaat zij naar de deur en opent die. Maar zie, hoezeer dio traagheid aan den goddelijken Bruidegom mishaagde !

Ik heb de deur geopend voor mijnen Welbeminde , doch hij was reeds heen gegaan. Ik heb hem gezocht, maar hem niet gevonden. Ik heb hem geroepen , maar hij heeft mij geen antwoord gegeven (1). Dit is nog niet alles; die lafhartige en ontrouwe bruid heeft langen tijd moeten loopen, langdurige en pijnigende vermoeienissen moeten doorstaan , eer de Welbeminde voldaan was en zich liet vinden. Welnu , indien het talmen aan eene ziel, die overigens toch bereid was, om aan de goddelijke inspraak te beantwoorden , zulk een nadeel berokkende , welk groot verlies zal men dan lijden, wanneer men die inspraak geheel verwaarloost ?

Vierde regel. Een innig leedwezen opwekken over het venvaarloozen dier inspraken, waaraan men zich schuldig kent.

Indien gij naar de volmaakte liefde wilt streven, mijne ziel , moet gij niet alleen berouw hebben over de bedreven zonden, maar ook over de verwaarloosde inspraken.

(1) Gez. 6.

104

-ocr page 105-

TWEEDE SCHREDE

In zulk geval moeten wij doen als een reiziger die eene welgevulde geldbeurs heeft verloren. Wat denkt, wat doet zoo iemand ? Gij bemerkt in hem twee dingen.

1. Hij toont eene groote droefheid en verwijt zich zeiven, dat hij door onachtzaamheid eene zoo aanzienlijke som gelds heeft verloren;

2. Hij keert aanstonds terug en zoekt naarstig, om het verlorene terug te vinden. Doe evenzoo-wanneer gij eene ingeving veronachtzaamd hebt.

Betreur van ganscher harte voor God die ondankbaarheid en vraag Hem vergiffenis. Tracht vervolgens dat verlies te herstellen door bij de eerste gelegenheid , welke zich daartoe aanbiedt r eene overwinning op u zeiven te behalen.

--4*--

DERDE HOOFDSTUK.

Godvruchtige wijze om aan Jezus Christus

in de H. Communie de genade te vragen van steeds de goddelijke inspraken te mogen gevoelen en er altijd getrouw aan te beantwoorden.

Wat wij vroeger gezegd hebben, mijne ziel r is eene waarheid, welke men niet in twijfel kan trekken; al onze hoop om op den weg der deugd en der volmaaktheid vorderingen te maken , berust op de goddelijke inspraken. Zijn de inspraken veelvuldig , levendig en doordringend, dan loopt, dan vliegt zelfs de ziel vooruit op den weg der volmaaktheid, en bereikt in korten tijd haar doel

10»

osd

den

wen.

or-

ar y

aar

*£-

e!

el-

Ik

fk

it-

ie

jd

e-

ie

n

h

e

k

ti

i

|

-ocr page 106-

TWEEDE SCHREDE

terwijl, wanneer de inspraken zeldzaam en minder levendig zijn, de ziel zich voortsleept als de slak en slechts zelden tot haar doel komt. Wat moet men dan doen, om dien gednrigen invloed der goddelijke inspraken te ontwaren ? Waar moeten wij die gunst zoeken ? Nergens zult gij die spoediger en zekerder vinden , dan bij Jezus Christus in het H. Sacrament des Altaars. Daar ontvangt het verstand alle licht, de wil alle heilige bewegingen , het hart alle neigingen ten goede , alle kracht en allen moed om het werk der volmaaktheid te ondernemen en tot een goed einde te brengen. „Onmogelijkquot;, zegt de H. Dionysius, „is het de volmaaktheid te bekomen , tenzij door het Sacrament van Jezus Christus\' Yleesch en Bloed.quot; Daar moet gij dus den invloed der goddelijke inspraken zoeken ; daar ook zult gij dien vinden. Om met groot vertrouwen tot die goddelijke genadebron te naderen, kunt gij eene der volgende waarheden overwegen :

1. De wonderbare genaden, die Jezus Christus in het heilig Sacrament aan de goed bereide ziel verleent.

2. De vertroostende omstandigheden welke die gift vergezellen.

§ 1.

Kostbare genaden door Jezus in liet H. Sacrament verleend.

De eerste genade, die Jezus Christus in het H. Sacrament verleent, is de verlichting van het verstand. Niets is meer wenschenswaardig dan

106

-ocr page 107-

tweede schrede

hot bovennatuurlijk licht, dat Jezus in de heilige Communie schenkt. Het leidt tot een deugdzaam leven, en is het krachtdadigste middel om de heiligheid te bekomen. Schijnt dit licht helder en schitterend , dan kan het niet anders of do ziel veracht al het aardsche , en wendt zich uit al hare krachten tot God. Welnu , Jezus is gewoon ons dit licht te schenken in de H. Communie. Hop verblind waren de twee leerlingen die zich naar Emmaüs begaven. Zij wandelden in het gezelschap van Jezus , en herkenden Hem niet; wat meer is , zij begonnen te twijfelen of Jezus wel waarlijk de Messias was. Het licht waardoor zjj dit geheim ontdekken moesten , had nog niet voor hen geschenen. Doch nauwelijks hebben zij de H. Communie uit Jezus hand ontvangen , of zij werden door dit licht bestraald ; hunne oogen gingen open, zij zagen en herkenden hunnen Verlosser. De H. Augustinus zegt: „Zij hebben zijn aanbiddelijk lichaam genuttigd ; toeu zijn hunne oogen geopend en zij hebben Jezus gezien en herkend.quot;

De tweede genade , die Jezus door dit H. Sacrament ons geeft, is de verfeederinr/ en de be-weging van den wil. De verlichting van het verstand is inderdaad eene groote genade, maar op zich zelve is daarin nog geene volmaaktheid gelegen. Daarmede moet noodzakelijk eene krachtdadige beweging van den wil gepaard gaan , die hem doet beminnen en volvoeren , wat door het verstand als beminnenswaardig en goed is voorgesteld. Al de neigingen en al de genegenheden van het hart moeten veranderd en op God

107

-ocr page 108-

TWEEDE SCHREDE

gericht worden. Dat hart moet met dezelfde liefde, dezelfde begeerten , denzelfden ijver bezield worden, als dat van Jezus. Dat alles doet Jezus door het H. Sacrament. „Wie zou geloovenquot;, zegt de H. Thomas van Aquine , in eene gelijkenis , „wie zou kunnen gelooven , dat aan eenen wilden stam, aan een boom in het woud opgewassen, schoone en smakelijke appelen kunnen groeien ?

En nochtans zien wij dit dagelijks. Immers, wanneer men een takje van eenen goeden vruchtboom neemt en dat op den wilden stam ent, dan brengt deze de schoonste en heerlijkste vruchten voort. Iets dergelijks heeft plaats in het hart van den mensch. Dit ook is een wilden stam , waarvan men niets verwachten kan dan smakelooze vruchten, ijdele en aardsche neigingen. Wanneer echter Jezus zich met dat hart vereenigt in de Heilige Communie , dan heeft er eene volkomen verandering plaats , dan worden de genegenheden van het hart geheel gelijkvormig met die van Jezus\' Hart.

De derde genade , welke Jezus in het H. Sacrament verleent, is de ijver en de brandende begeerte des harten.

Jezus is een gloeiende vuuroven. Even onmogelijk als het is bij het vuur te vertoeven zonder verwarmd te worden, even zoo onmogelijk is het Jezus in zijn hart te ontvangen zonder van \'liefde te branden. Alleen de zonde kan dit uitwerksel beletten. Ja, een uitwerksel eigen aan dit Sacrament is, dat niet alleen de ziel, maar zelfs het lichaam dit liefdevuur gevoelt en er door ontgloeid

108

-ocr page 109-

tweede schrede

wordt. In de levens der Heiligen worden ons dergelijke gunsten in menigte verhaald. Hoe schoon is de getuigenis, welke de H. Ludovieus Bertrandus van zich zeiven geeft! Dikwijls, zegt hij , was mijn hart gansch lauw ; doch zoodra ik Jezus in het H. Sacrament ontvangen had, ontwaarde ik zulk eenen gloed in mijn binnenste ? dat mijn lichaam en mijne ziel mij als een brandende vuuroven voorkwamen.

Helaas, mijne ziel, hoe komt het dat wij geene zoodanige genade van Jezus ontvangen ? Is Hij niet die oneindige almacht, die onze ijskoude harten kan doen ontgloeien en smelten ? Is Hij niet meer die matelooze liefde , die zoo zeer verlangt door ons bemind te worden ? Is Hij niet meer die grenzelooze goedheid, die zijne grootste vreugde vindt in te verblijven in onze harten ?

Jezus is aan geene verandering onderhevig. Hij is en blijft altijd de onmetelijke almacht, liefde en goedheid. Alles wat Hij tot dusverre in de harten der Heiligen uitwerkte, verlangt Hij ook uit te werken in onze harten. Heb dan een gansch kinderlijk vertrouwen, verzucht vurig tot Jezus en bid Hem met den diepsten ootmoed. Misschien is het heden de dag, door Hem uitgekozen, om uwe verlangens te vervullen en uw hart te doen ontvlammen. § «.

Troostende omstandigheden, onder welke Jezus in het H. Sacrament zijne genaden uitdeelt.

Eerste omstandigheid. Jezus schenkt zijne cje-naden overvloedig en zonder maat.

109

-ocr page 110-

tweede schrede

Wat eertjjds , in de dagen van Elias voorviel met de arme weduwe, die den profeet in hare woning ontving, gebeurt dagelijks in het allerheiligste Sacrament. Een weinig olie en meel was al het voedsel dat die vrouw in huis had voor haar en voor haren zoon. Om in haren nood te voorzien, beval haar Elias: Tracht een aantal ledige vaten te leenen, en giet daarin van het weinigje olie dat gij nog over hebt. Zij deed het, en o wonder! Die weinige olie werd door Gods almacht aanzienlijk vermeerderd. De weduwe neemt het eene vat na het andere , en de olie blijft vloeien tot dat alle vaten gevuld zijn. Haar kleine voorraad meel wordt eveneens vermenigvuldigd.

Die arme weduwe zijt gij, mijne ziel. De ledige vaten zijn uw verstand, uwen wil, uw hart. Elias verbeeldt Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament. Breng die ledige vaten met een volkomen betrouwen , met diepen ootmoed en met een vurig verlangen bij Jezus , en Hij zal er de olie zijner genade in uitstorten tot dat ze alle gevuld zijn: het verstand met heilige gedachten, de wil met heilige begeerten, het hart met heilige genegenheden.

Tweede omstandigheid. Jezus deelt enkel uit goedheid en onheyrensde liefde zijne genaden mede.

Deze waarheid wordt door de H. Magdalena van Pazzi in eene bevallige gelijkenis verklaard. „Jezusquot;, zoo zegt zij, „is in het H. Sacrament als een vruchtbare appelboom. Wanneer een gunstige zomerwarmte zijne vruchten gerijpt heeft, krom-

no

-ocr page 111-

tweede schrede

I men zich de takken en hangen naar de aarde, 3 wilden zij hun verlangen te kennen geven om I van hunnen last ontdaan te worden. Men behoeft hem niet te schudden , maar hem slechts te na-! deren en te plukken. Wat het gewicht der ! vruchten in den boom uitwerkt, dat brengen de goedheid en de oneindige liefde te weeg bij Jezus.

Hij is beladen met zijne genaden , en gaat er, als het ware , onder gebukt; Hij buigt zich neder tot den mensch , opdat deze ze zoude kunnen rapen en plukken en er van mede nemen, zoo veel hij verlangt.quot;

Derde omstakdigheid. Jezus deelt gaarne en met blijdschap zijne genaden uit. Men weet, hoe een reiziger gesteld is, die, nadat hij zich een halven dag lang met moeite heeft voortgesleept door de brandende zonnehitte , eindelijk op zijne bestemming aankomt; uitgeput van vermoeienis , haakt hij met ongeduld naar eenig voedsel. Hij bekomt het, en gretig wordt het gebruikt. Pas die vergelijking toe op Jezus Christus. Evenals die reiziger eene groote begeerte gevoelt naar spijs en drank en het voedsel gretig neemt, zoo legt de engelachtige leeraar dit verlangen uit, evenzoo gevoelt Jezus eene overgroote begeerte om zijne genaden in de zielen uit te storten; en vindt Hij geene hinderpalen , dan stort Hij ze werkelijk met vreugde , met blijdschap uit.

Zijn dat geen troostrijke waarheden? Jezus deelt ons in het H. Sacrament zijne genaden overvloedig mede. Hij deelt ze ons mede uit enkel goedheid, uit onbegrensde liefde, Hij geeft ze

111

-ocr page 112-

TWEEDE SCHKEDE

met blijdschap; wat ontbreekt er dan nog om vervuld met hemelsche gunsten , de nauwste ver-eeniging met Jezus aan te gaan en slechts één hart, ééne ziel met Hem te worden ? Van Jezus tant is er niets meer noodig; maar hoe zijn wij gesteld ? Van ons wordt vereischt eene volmaakte zuiverheid des harten , een kinderlijk vertrouwen on een diepe ootmoed. Trachten wij die gesteltenissen te bekomen en weldra zullen de begeerten

van Jezus en onze wenschen vervuld zijn.

§ ».•

Heilige gevoelens , die wij in ons moeten opwekken bij de H. Coininnnie.

De groote dienares van God , de H. Magdalena de Pazzi , zag Jezus eens onder de gedaante van eene zeer glansrijke zon. De stralen , welke die zon naar alle kanten uitschoot, waren verrukkend schoon , maar verspreidden eene zoodanige hitte , dat zij alles wat onder haar bereik kwam in vlam zette. Ook de H. Magdalena de Pazzi werd door die stralen niet alleen getroffen , maar de Zoon Oods trok haar tot zich en vereenigde haar nauw met zich door de geheel hemelsche kracht zijner liefde. Pas datgene, wat met die Heilige gebeurde , op u zeiven toe. Stel u Jezus voor als eene schitterende zon die hare stralen over de gansche wereld uitschiet en allen doet gloeien, die hun hart voor Hem openen. Hij verlicht hen met zijne glansrijke stralen , dat wil zeggen, met zijn licht voor den geest, niet zijne heilige bewegingen voor den wil, met zjjne liefdevlammen

112

-ocr page 113-

TWEEDE SCHREDE

voor het hart. Wend n onder die voorstelling tot Jezus Christus.

Vóór de H. Communie.

Wek in u op. 1. Eene ootmoedige bekentenis, van wv onvermogen om iets te doen zonder de goddeHjke inspraken, en van mee boosheid waardoor ge ii dergelijke gunsten onwaardig heht gemaakt.

113

O mijn Jezus , mijne eenigo hulp en de eenige hoop mijner ziel, ik kom op nieuw tot U met den diepsten ootmoed , waartoe ik in staat ben. Ik beken , dat mijne onmacht niet te verhelpen is , tenzij door uwe oneindige almacht en barmhartigheid. Mijne rede is blind, en, zonder uw licht, is het haar even onmogelijk iets te onderscheiden , als het voor het oog onmogelijk is te zien, wanneer het beroofd is van liet natuurlijke licht. Mijn wil is weerspannig, en zonder de hulp uwer genade kan hij geene enkele genegenheid ten goede in zich opwekken. Mijn hart is koud , indien het niet door U verwarmd wordt en het zal steeds koud blijven als ijs , indien Gij

__

geen medelijden met mij hebt , en mij niet geleidt en bestuurt door krachtige inspraken. Ik beken , dat ik hoogst onwaardig ben , die te ontvangen. Het misbruik, dat ik gemaakt heb van vele duizenden genaden die ik verwaarloosde , de ondankbaarheid in dat misbruik gelegen , de ongehoorzaamheid en halsstarrigheid waaraan ik mij

-ocr page 114-

TWEEDE SCHREDE

heb schuldig gemaakt, maken wij uwe genaden en inspraken geheel onwaardig.

2. Een smartelijk Imlwezm over het verlies vatt zoovele (jnnstm en inspraken.

Helaas ! mijn Jezus, ik weet , dat Gij ten allen tijde een rouwmoedig en vernederd hart met goedheid beschouwd hebt; ik hoop , dat gij medelijden met mij zult hebben. Ik betreur en verfoei van ganscher harte niet alleen de boosheid , die mij zoovele zonden deed bedrijven , maar ook mijne ondankbaarheid, mijne ongehoorzaamheid en mijne wederspannigheid , die mij zoovele genaden en inspraken deden misbruiken.

Helaas! o mijn Jezus, let toch op de droefheid mijns harten, wend uwe oogen af van mijne vroegere ongerechtigheid en vergeef mij , om de verdiensten van uw kostbaar bloed , de zonden r die ik tegen U bedreven heb. Wek daarna in u op :

1. Eene vurige liefde tot Jezus.

Mijn leven moet voortaan enkel liefde zijn , en thans begin ik U te beminnen. Ach ! mijn Jezus, ik erken bij het licht des geloofs , dat Gij altijd het voorwerp mijner liefde hadt moeten wezen; want Gij alleen zijt het hoogste goed, zoowel door uwe oneindige Majesteit, als door de gren-zenlooze barmhartigheid , die Gij mij betoont. In het vervolg zal ik doen , wat ik tot dusverre niet gedaan heb. Ik bemin LT, o mijn Jezus , ik bemin U alleen, ik bemin ü met al de kracht

114

-ocr page 115-

TWEEDE SCHREDE

mijner ziel. Ach! mijn Jezus , ontsteek in mijn hart het goddelijk liefdevuur; doe het ontvlammen , onderhoud het; en dat het elk oogenblik in gloed toename , mijn lichaam zoowel als mijne ziel er door verteerd worden. Dat mijne getrouwheid in het volgen uwer inspraken van mijne liefde getuige. Geene enkele die niet spoedig zonder uitstel in oefening gebracht zal worden, en dat alleen uit liefde tot U , om uw H. Hart te verblijden.

2. Eene zeer volmaakte mecning en opdracht.

O getrouwheid, zalige getrouwheid , hoe welgevallig zijt gij aan God, hoe nuttig voor mij zeiven ! Maar hoe zal ik met een zoo koud hart, met eenen zoo onstandvastigen wil die getrouwheid verwerven ? Ik weet, wat mij te doen staat. Gij komt heden tot mij, mijn Jezus; Gij wilt mij de verdiensten van uw heilig Lijden, al uw Bloed, al uwe deugden schenken. Ik neem dat alles , en bied het U met een gansch kinderlijk vertrouwen aan , als een voortdurend offer van aanbidding , van lof, van dankzegging voor al uwe weldaden, voor al de inspraken flie Gij mij gedurende mijn leven verleend hebt. Ik bied het U aan tot voldoening voor en herstelling van al mijne ondankbaarheden, ongetrouwheden en van mijne wederspannigheid. Ik bied het U aan, om van U te verkrijgen , dat Gij medelijden met mij hebben, en U belasten zoudet met het bestuur mijner ziel; dat Gij haar zoudet geleiden door uwe krachtige inspraken. Eindelijk draag ik het

115

-ocr page 116-

TWEEDE SCHREDE

U op, om vau U te verkrijgen eene onwankelbare getrouwheid, zoodat ik geheel ingenomen en aangevuurd door uwe liefde met de meest mogelijke volmaaktheid uwe heilige inspraken volgen moge. Wend u eindelijk tot de H. Maagd en Moeder Gods en vraag haar:

1. Dat zij uw hart versiere met hare deugden en het bereide tot een verblijf voor haren Godde-lijken Zoon.

Ik sta op het punt, o allerheiligste Maagd, om uwen Goddelijken Zoon te ontvangen. Maar gij weet het, mijn hart, dat met zoovele ongeregelde neigingen behebt, met zoovele onvolmaaktheden besmeurd is , kan geen verblijf zijner waardig genoemd worden; daarom bid ik IJ, versier het met uwe volmaaktste deugden , opdat Jezus er zonder afschrik zijn intrek kunne nemen.

2. Dat zij u helpe om de genade te hekomen , ivellie gij afsmeekt.

Ik heb aan uwen Jezus beloofd, met onwankelbare getrouwheid aan zjjne inspraken te beantwoorden ; maar ik weet, hoezeer ik die kostbare genade onwaardig ben; ik bid u mijne voorspreekster te willen zijn , en door den schat uwer verdiensten en uwe groote barmhartigheid voov mij die gunst te bekomen.

gt;\'a de H. Commuuie.

Besehouw Jezus, die door een louter uitwerksel

116

-ocr page 117-

TWEEDE SCHREDE

zijner goedheid en barmhartigheid in uw hart rust en verwek:

1. Een akte van diepen ootmoed.

0 mijn Jezus, waarlijk, uwe goedheid is oneindig en uwe barmhartigheid gaat alle grenzen te buiten. Gij zijt uit den hemel nedergedaald om mij te bezoeken en gij rust thans in mijn hart. O wondervolle gunst ! Immers wie ben ik , en wie zijt Gij ? Gij zijt de verhevenste Majesteit , voor wien zelfs de Serafijnen beven. Gij zijt de hoogste heiligheid ; niets wat besmet is, mag voor uwe oogen verschijnen. En ik ? Ik ben een ellendige aardworm , mijn hart is een afgrond van ondankbaarheid; het is vol van onreinheden en zonden. Ik werp mij nederig aan uwe voeten en belijd al mijne ellenden, ik betuig voor hemel en aarde , dat ik de gunst, die Gij mij bewezen hebt, geheel onwaardig ben.

2. Betuig neder\'xj meen dank aan God en aanbid Hem.

O mijn Jezus, wat ben ik U toch verschuldigd! Aanbidding , lof en dank zij U aangeboden voor al uwe weldaden; mijne voornaamste bezigheid moest zijn, U te loven en te danken, lladdet Gij eenen Engel gezonden , om mij in uwen naam te bezoeken, dan zou dit reeds meer dan genoeg zijn, om U gedurende de gansche eeuwigheid te loven en te danken. Wat ben ik U dan nu verschuldigd, nu Gij zelf uit den hemel nedergedaald zijt en uwen intrek genomen hebt in mijn hart!

117

-ocr page 118-

TWEEDE SCHREDE

Ik aanbid U , allerliefste Jezus ; douh ik weet maar al te wel, dat alles wat ik vermag , niet in vergelijking kan komen, met datgene wat ik aan uwe goedheid en barmhartigheid verschuldigd ben, daarom vereenig ik al de aanbiddingen , lofprijzingen en dankzeggingen , die U ooit door uwe uitverkorenen zijn aangeboden , en draag U die op. Verwek daarna:

Eene vuriye akte van liefde en van ah/eheele onderwerping aan de leiding en de beschikkingen der goddelijke voorzienigheid.

O mijn Jezus , als gij mij in geheel mijn leven geen andere genaden geschonken hadt , dan die welke ik op dit oogenblik geniet , dan nog zoude ik reeds oneindig verplicht zijn, U uit geheel mijn hart te beminnen. Hoe onbesefbaar groot is dan nu die verplichting, om U uit geheel mijn hart te beminnen , nu ik bij de genade van dezen dag er nog duizenden en duizenden andere moet tellen. Ja , mijn hart bemint ü, en verlangt vurig U onverdeeld te beminnen. Ja, mijn Jezus, ik verlang U onverdeeld en uit al mijne krachten lief te hebben ; ik verzaak op nieuw aan alle liefde, aan alle genegenheid voor de schepselen, om geene andere liefde, geene andere genegenheid te hebben, dan voor U alleen. Wat zoek ik in den hemel , wat begeer ik op de aarde anders dan U, U alleen o Jezus ! Ach ! koude ik U beminnen , gelijk de Heiligen, de Engelen, de Serafijnen in den hemel U liefhebben! Wat zal ik doen om U door daden mijne liefde te toonen ? Ik wil, o mijn lt;Tezus ,

118

-ocr page 119-

TWEEDE SCHREDE

doen, wat Gij zelf gedaan hebt. Gij hebt mij heden uw lichaam en uwe ziel, uwe menschheid en uwe godheid geschonken , mij alles gegeven , wat Gij zijt en wat Gij hebt, en dat ondanks mijne onwaardigheid ! Ik zal even zoo handelen. Ik geef U mijn lichaam en mijne ziel, al wat ik ben en al wat ik bezit, ik laat alles ter uwer beschikking , zonder acht te geven op mijn eigen belang, enkel uit liefde tot U, o mijn Jezus; doe met mij wat Gij wilt; beveel mij al wat I behaagt, en vraag mij wat Gjj verlangt. Ik wil niets zoeken, dan de vervulling van uw welbehagen. Vraag eindelijk aan Jezus met een gansch kinderlijk vertrouwen :

1. Zijne voortdurende vaderlijke leiding.

Gij ziet, mijn Jezus, mijne vurige begeerte, mijn vasten wil om U oprecht te beminnen , en op de volmaaktste wijze uw goddelijk welbehagen te volbrengen, en dat op eiken stond en voor de geheele eeuwigheid. Haar om dit doel te kunnen bereiken, heb ik behoefte aan niets minder dan aan uwe almacht. Daarop alleen stel ik mijn vertrouwen, en in dat vaste vertrouwen , durf ik ü mijne bede voorstellen. Ik smeek U dan , o mijn Jezus , wees voortaan ijiijn meester en neem mij als uw leerling aan. Ontsteek in mijn hart dat ware licht, hetwelk mij uwe geheimen , uwe wegen, uwen wil duidelijk zal doen kennen. Ontsteek in mij die hemelsche vlam, welke al mijne verkeerde neigingen moet verteren. Bestuur mij in al mijne handelingen door

119

-ocr page 120-

TWEEDE SCHUBDE

uwe heilige inspraken , door de bewegingen uwer genade.

2. Eene volmaakte getrouwheid aan de goddelijke ingevingen.

Eindelijk, o mijn Jezus , smeek ik U, uit mijn hart te verwijderen alle ongetrouwheid aan uwe inspraken; maak, dat ik ze alle met vreugde aanneme en ze in beoefening brenge. Dit smeek ik van ü , o mijn Jezus , door U zeiven , en om uwe oneindige barmhartigheid. Amen.

120

-ocr page 121-

UI

IMCHOK SCHKEDE

op den weg der ware en volmaakte, liefde tot God: Zich geheel zonder voorbehoud aan God geven, en zijnen wil gelijkvormig maken aan den wil van God.

INLEIDING.

Eindelijk zijn wij dan ons doel genaderd, mijne ziel! Zich geheel, zonder voorbehoud aan God geven , zijn wil gelijkvormig maken aan Gods wil, dat is het verhevenste uitwerksel der liefde ; het merg der heiligheid, en de hoogste graad van heiligheid, welke de ziel , geholpen door Godsgenade , in dit leven bereiken kan. Men spreke niet van buitengewone verlichtingen , van inwendige vertroostingen, niet van andere buitengewone gunsten. Al die uitwerkselen der goddelijke goedheid, hoe groot en achtenswaardig op zich zeiven, moeten slechts beschouwd worden als iets van geringe waarde, in vergelijking met die algeheele onderwerping aan God. Altijd doen wat God wil;, altijd lijden wat God wil; te allen tijde en in alles God loven en prijzen, en uit liefde tot God in die gesteltenis tot het einde toe volharden ; dat is de hoogste trap, de verhevenste graad van lieiue en heiligheid. Zoek niets verheveriers , gij zoudt het niet vinden. En die zoo verheven toestand is tevens de gelukkigste. Hij maakt een

-ocr page 122-

DERDE SCHREDE

«inde aan alle ijdele bekommeringen, aan alle onrustige begeerten, aan alle ongeregelde droefheid , en alle gewoel van verkeerde neigingen. Het hart zoekt of begeert niets dan het welbehagen van God, en niemand kan het de volmaakte kalmte ontnemen, die het bezit. Buiten God kan dat hart nergens rusten ; nie\'.s buiten God kan het den vrede geven, of dien ontnemen. Al zijne genegenheid is op God gericht; de ziel geniet eenen zoo bewonderenswaardigen vrede, als ware zij vreemd aan den omgang met de menschen; als bewoonde zij eene woestijn of een van alle mensehelijke woningen afgezonderd schuiloord. Alle genaden vinden ingang in het hart en maken dit tot een aardschen hemel. God is daar op zijnen troon gezeten; Hij bestuurt en regelt daar alles en deelt zich met al den overvloed zijner genaden en zijner barmhartigheid aan de ziel mede.

O mijne ziel, wat zouden wij niet moeten doen om zulk eene zielsgesteltenis te bekomen, die het geluk des hemels zoo nabij komt, wat zeg ik ? zonder welke de hemel zelf geen hemel zoude blijven!

Welke arbeid zou te zwaar, welke versterving te moeilijk , welk lijden ondraaglijk kunnen zijn , wanneer zij ons tot zulk een geluk voeren ? 1 k hoop, mijne ziel, dat gjj een zeer edelmoedig besluit zult nemen , en begeef mij aan het werk.

Deze geheele verhandeling verdeel ik in drie hoofdstukken. In het eerste vinden wij eenige beschouwingen , die in staat zijn om ons tot die volkomen overgeving aan God op te wekken.

122

-ocr page 123-

derde schrede lquot;23

In het tweede zal men eenige onderrichtingen rinden, tot verklaring van de beoefening dier overgave. Het derde zal ons eene godvruchtige wijze aantoonen, om een zoo gelukkigen staat aan Jezus Christus in de II. Communie te vragen.

EERSTE HOOFDSTUK.

Korte bemerkingen welke ons kunnen voeren tot die volkomen overgave aan God.

ll at men niet kent acht men niet, en wat men niet acht kan men noch beminnen , noch zoeken.

Indien gij dus, mijne ziel , den weg eener volkomen overgave aan God wenseht in te slaan en dien tot het einde toe te bewandelen , moet gij aanvangen met er de waarde van te leeren kennen. Kent gij die , dan lijdt het geen twijfel, of gij zult dien weg van volkomen overgave aan God boven eiken anderen weg in het geestelijk leven schatten , gij zult dien vurig beminnen , gij zult hem met den grootsten ijver zoeken. Met dat inzicht stel ik u de volgende waarheden ter overweging voor.

Eerste Bemerking. Over de billijkheid van die overgave aan God.

1. Het is redelijk, dat ik mij aan God overgeef, want Hij is mijn Opperheer ; ik ben zijn onderdaan.

Eerste Waarheid. God is de Hoogste Heer.

Dat gelooft gij , mijne ziel, maar weet gij ook hoe groot , hoe algemeen en hoe onbeperkt die

-ocr page 124-

DERDE SCHREDE

heerschappij is \'i Die heerschappij is algemeen, zij strekt zich uit over alle schepselen. De grootste vorst van het hemelhof is zoowel een onderdaan van God als de armste bedelaar op aarde, en de machtigste monarch op zijn troon is even zooveel aan Hem ondergeschikt als het wormpje , dat in het stof kruipt. De profeet zegt: „Gij zijt verheven boven allo vorsten , en in uwe handen berust alle grootheid , alle oppergezagquot;.

Die heerschappij is onbeperkt , en strekt zich uit over al wat bestaat. Hij kan bevelen , wat Hij wil, Hij kan eischen wat Hem behaagt: geen werk, geen woord, geen gedachte is aan uwe beschikking overgelaten. Alles moet geschieden volgens zijnen wil. rTen blijke van die heerschappijquot;, zegt de H. Augustinus , „verbood God aan onze eerste ouders te eten van de vrucht van zekeren boom.quot; Om dit feit te verklaren , laat de godvruchtige en beroemde leeraar Adam tot God spreken en zich in de volgende woorden beklagen ; „Als de boom goed is , waarom mag ik hem dan niet aanraken ? En als hij niet goed is , wat doet hij dan in het aardsch paradijs Hij laat God die opwerping volgenderwijze beantwoorden : „Om zijne uitmuntende hoedanigheden staat de boom in het paradijs; maar ik verbied u hem aan te raken. Waarom ? Omdat ik de meester ben, en gij slechts de dienaar zijt.quot; (1)

124

Nu, die heerschappij van God bestaat niet alleen daarin , dat Hij kan bevelen en verbieden.

(I) In Ps. 10.

-ocr page 125-

DERDE SCHREDE

wat Hij wil , maar ook daarin , dat Hij met alle schepselen doen kan wat Hij wil , hun kan opleggen wat Hij wil; want alle schepselen behooren Hem toe, Hij heeft op allen het volste recht. Hij kan over hen beschikken , zooals het Hem goeddunkt, zonder dat iemand het recht heeft Hem te vragen , waarom Hij zoo handelt : „Hij doet alles volgens zijnen wil, zoowel met de machten des Hemels als met de bewoners der aarde , en er is niemand die Hem kan weerstaan of Hem vragen: Waarom doet Gij dat? (1) Gij zijt het eigendom van God, en Hij heeft meer macht over u , dan de tuinman over den boom , die in zijnen tuin groeit. Evenals de hovenier den boom kan laten staan of hem naar elders verplanten , hem vellen en aan stukken kappen of hem verbranden al naar het hem goeddunkt, zonder dat hij daarvan aan iemand rekenschap verschuldigd is , evenzoo kan God met ons handelen . en met nog meer recht.

Uit die algemeen en onbeperkte heerschappij van God besluit de H. Anselmus , dat aan God alleen het recht toekomt om te bevelen volgens zijn eigen wil, onafhankelijk van iemands goedvinden.

Indien gij dus, mijne ziel, u verstout ie\'s anders te willen , dan wat God wil, durft gij de hand uitstrekken naar de kroon van uwen Heer en God .... Want , even als in elk rijk de koning alleen het recht heeft om de kroon te

(1) Daniël 4.

125

-ocr page 126-

derde schrede

dragen, zoo heeft ook God alleen en niemand anders in den hemel of op de aarde het recht om te willen, dat zijn wil volbracht worde. Evenals hij die naar de kroon staat, den koning be-leedigt, evenzoo beleedigt gij God , wanneer gij n tegen zijnen wil verzet, wat telkens plaats heeft; als gij uwen eigen wil tracht in te volgen.

Gevoelens. 1. God nederiy als ut ven opper-lieer aanbidden.

O mijn God , gij zijt de eenige opperheer van hemel en aarde , van engelen en menschen , van alle zichtbare en onzichtbare wezens. Aan U alleen komt het toe te bevelen , wat Gij wilt. Wij zijn slechts dienaren en dienaressen, die uwen heiligen wil met den diepsten ootmoed aanbidden on met de volmaaktste gehoorzaamheid volbrengen moeten. Dit geloof ik , o mijn opperste goed ; ik aanbid U uit de diepte mijner ellende. Ik erken U als mijnen eenigen Opperheer. Ik belijd voor hemel en aarde , dat ik een schepsel ben , over hetwelk Gjj naar welgevallen kunt beschikken in den tijd en gedurende do eeuwigheid.

2. Berouw over uive vroeyere ongehoorzaamheid.

Eerst nu, o mijn God, besef ik do grootte mijnor ongehoorzaamheid en al het misdadige van mijn gedrag. Telkens wanneer ik uwe geboden overtrad, uwen wil verachtte om den mijnen te volbrengen, wanneer ik eene inspraak verstiet om mijne verkeerde neigingen in te volgen , wanneer ik mij bij tegenspoed aan ongeduld overgaf, heb ik mij tegen uwe heerschappij verzet, en met de

126

-ocr page 127-

derde schrede

weerspannige geesten gezegd: Neen, ik gehoorzaam niet aan den Heer, wie Hij ook zijn moge ! Dat heb ik mij vermeten, ik, ellendige aardworm, tegen U den Opperheer van hemel en aarde. Ik erken, o Opperwezen , dat ik door die boosheid duizendmaal de hel verdiende. Maar ik betreur en verfoei ze van ganscher harte.

3. Voikometi onderwerping. Van dezen stond af, o mijn Heer en mijn God , zal uw heilige wil de eenige regel van al mijne daden zijn. Ik draag mij zonder voorbehoud aan U op , ik doe afstand van mijnen eigen wil en van mijne vrijheid. Ik wil mij als slacht- en brandoffer aan uwen heiligen wil opdragen. Ik onderwerp mij iran uwe heilige geboden en neem ernstig voor , liever te sterven, dan eene enkele dagelijksche zonde te bedrijven. Ik onderwerp mij aan alle egelen en voorschriften van het huis , en wil daarvan onder geenerlei voorwendsel afwijken. Ik onderwerp mij aan al uwe heilige inspraken en wil daaraan met eene volkomen getrouwheid beantwoorden. Ik onderwerp mij aan al uwe beschikkingen over mij ; ik wil alles van uwe hand aannemen en allen tegenspoed mot de volmaaktste onderwerping ondergaan. Neem , o mijn God, deze voornemens aan en geef mij de noodige kracht om ze te volbrengen.

2. Het is rechtvaardig, dat ik mij volkomen aan God overgave , omdat Hij mijn Schepper is , en ik zijn schepsel ben.

quot;Waarheden. De heerschappij van God zal ons nog duidelijker blijken, wanneer wij bemerken,

127

-ocr page 128-

DERDE SCHREDE

dat Hij ons van niets heeft geschapen. Grij zijt het werk van God , mijne ziel, zijne almachtige hand heeft u uit het niet getrokken. Nu, zelfs •de mensch heeft het volle beheer over datgene , wat hij met eigen hand gemaakt heeft; hij kan er mede doen wat Hij wil. En zou God dan niet het recht hebben , om met ons te doen wat Hem goeddunkt ? Terwijl Jeremias eens een pottenbakker gadesloeg, toen deze aan zijn werk was , eprak God zelf tot hem en zeide : „Zou het mij niet geoorloofd zijn , o huis van Israël , met u te doen, wat aan dien pottenbakker geoorloofd is ? Zie, gelijk het leem in de handen van den pottenbakker , «00 zijt gij in mijne handen.quot; (1) Geef wel acht op die vergelijking, mijne ziel, zij is eene volkomen verklaring van Gods volstrekte heerschappij over u.

Hoe ver gaat dan de macht van den pottenbakker over het leem ?

1. De pottenbakker is volstrekt meester over het leem , voor hij zijn werk begint; hij kan er groote of kleine , schoone of middelmatige vaten van kneden , hij kan er dezen of genen vorm aan geven.

128

2. Hij is evenzeer meester over het leem, nadat hij er een vat van gevormd heeft. Hij kan zich van dat vat bedienen , of hot ongebruikt in een hoek laten staan ; hij kan hot verkoopen of wegschenken; hij mag liet wegwerpen als hij wil; hij kan het verbrijzelen , indien hem zulks be-

(1) Jer. IS.

-ocr page 129-

DERDE SCHREDE

haagt. In een woord , hij kan er mee doen , al wat hij wil , zooals hij het wil , en wanneer hij het wil.

Ziedaar , mijne ziel, welke macht God over u heeft, en die macht strekt zich aog veel verder uit. Maar gaan wij voort. God is niet alleen uw Schepper, mijne ziel, Hij is ook uw laatste einde; Hij heeft u geschapen , niet voor u zei ven maar voor zich. En om die reden kan Hij u gebieden en bevelen al wat tot zijne glorie en zijn welbehagen strekt. Dat recht en die heerschappij spruiten als een natuurlijk gevolg voort uit het wezen van dat laatste einde , van dat doel uwer schepping.

■ Ziehier een voorbeeld. Wij oefenen eene volstrekte macht uit over de redelooze dieren, wij beschikken er naar welgevallen over. Wij be-rooven de vogelen van hunne vrijheid en sluiten ze op in eene kooi , opdat zij ons door hunne gezangen zouden vervroolijken ; wij spannen paarden en ossen voor den ploeg en wij vermoeien ze , om ons het dagelijksch brood te verschaffen. Wij dooden eene menigte die.ren , om er ons mede te voeden. En waarom hebben wij die macht en die heerschappij ? Omdat zij voor ons gebruik geschapen zijn.

Wij menschen zijn evenmin voor ons zeiven geschapen , als de redelooze dieren. Indien wij dan over hen eene onbeperkte macht uitoefenen , indien het ons geoorloofd is, er naar ons welgevallen over te beschikken , omdat zij voor ons voordeel geschapen zijn, welke oneindig grootere macht

129

9

-ocr page 130-

derde schrede

moet God dan niet over ons hebben , die enkel geschapen zijn voor Hem en te zijner verheerlijking ! Houd ii verzekerd , mijne ziel , dat noch gij , noch ik , noch engelen, noch menschen , ooit in staat zullen zijn de geheele uitgestrektheid dier heerschappij te begrijpen. God zou u kunnen bevelen, u vrijwillig over te leveren in de handen der dwingelanden, om voor de verheerlijking van zijnen Naam uw bloed te vergieten ; Hij zoude u kunnen bevelen, u nog heden in de vlammen van eenen brandstapel te werpen en u daar te laten verteren te zijner eer gelijk do waskaars op het altaar. In dit alles en in al wat Hij u zou kunnen opleggen, zoudt ge verplicht zijn , Hem te gehoorzamen en niet het minste recht hebben om u te beklagen.

Gevoelens. 1. Nederige erkenning van Gods opperheerschappij over alle schepselen.

O , mijn Heer en mijn God , Gij zijt de koning der koningen , de vorst der vorsten. In uwe handen berust de macht en de heerschappij over allo schepselen, en over mij in het bijzonder. Gij zijt mijn Opperheer , ik ben uw onderdaan. Gij zijt mijn Schepper , ik ben uw schepsel. Gij zijt mij niets , ik ben U alles verschuldigd. Ik ben verplicht U te gehoorzamen , U te dienen als een slaaf, als een lastdier, en veel meer nog dan zij. Ik ben verplicht U te gehoorzamen, U te dienen ook zonder eenige belooning, zonder hoop op eenig voordeel voor mij zeiven. Maar Gij , mijn Heer en mijn God, Gij zijt mij niets verschuldigd; en Gij kunt over mij naar uw welgevallen be-

130

-ocr page 131-

DERDE SCHREDE

schikken , Gij kunt mij vernietigen , Gij kunt mij verstooten , Gij kunt mij in het vuur werpen , en dat alles zonder de minste onrechtvaardigheid; want Gjj zijt mijn Heer en mijn Schepper en de heerschappij , die Gij over mij uitoefent, is onbeperkt en kent geene uitzonderingen.

2. Aanbidding en lofprijzing van Gods heerschappij.

Wat zou ik nu moeten doen , o mijn God , om uwe opperheerschappij over hemel en aarde genoegzaam te erkennen en te loven? „Uw gebied , Heer, is een gebied voor alle tijden, en uwe heerschappij duurt voort van geslacht tot geslacht.quot; (1) Niemand kan met U vergeleken worden ; engelen en menschen moeten in het stof neergebogen U aanbidden, en sidderen bij den aanblik uwer Majesteit. O, dat weldra de voorzegging van uwen profeet vervuld worde; „Alle volkeren, die Gij geschapen hebt, zullen komen en U aanbidden, Heer; zij zullen uwe grootheid erkennen en uwen Naam zegenen !quot; (2) O ja , dat die voorzegging-weldra vervuld worde, en alle bewoners der aarde U vereeren als hunnen eenigen Opperheer.

3. Geheele onderwerping en opdracht aan God.

Dit verlang ik , o mijn God , en ik verlang het

van ganscher harte. Dat alle menschen op deze aarde U erkennen als hunnen Opperheer, U aanbidden en uwen heiligen wil in alles volbrengen.

131

Maar hoe kan dit verlangen U aangenaam zijn , als ik zelf niet doe , wat ik verlang, dat door

(1) Ps, 144. (2) Ps. 85.

-ocr page 132-

derde schrede

anderen gedaan worde ? Ja , ik wil het doen ; met dat inzicht draag ik mij zonder uitzondering en zonder voorbehoud aan U op. Gij hebt mij geschapen, Heer, niet voor mij zeiven maar voor U. Neem mij dan aan als een vrijwillig slachtoffer uwer liefde; bezig mij naar uw welgevallen ter uwTer verheerlijking; beschik over mij naar uw goedvinden en vraag mij al wat Gij wilt, zooals het uwe onbeperkte heerschappij over mij betaamt. Ik vraag U slechts de genade om uwen heiligen wil in alles nederig te aanbidden en getrouw te volbrengen.

Tweede Bemerking. Over de grootheid en de volmaaktheid van die alyeheele overgave aan God.

Eerste Waarheid. Het is onmogelijk aan God eene volmaaktere hulde te bewijzen , Hem meer welgevallig te zijn dan door zijnen allerheiligsten wil te volbrengen , zich daaraan volkomen te onderwerpen.

Verneem, mijne ziel, eene waarheid, die u ongeloofelijk zal schijnen. Indien gij heden , van den morgen tot den avond , nauwkeurig de dagorde onderhoudt, en al uwe werken met ijver en met eene volmaakte meening verricht, bewijst gij aan God de grootste eerbetuiging en zijt gij Hem zoo welgevallig als iemand met mogelijkheid zijn kan. Al zouden wij ook den ganschen dag voor God nedergeknield, in gebed en verzuchtingen doorbrengen; al zouden wij ook een onafgebroken streng vasten onderhouden, en tevens ons lichaam door de vreeselijkste boetplegingen kastijden; dat alles zou niets beteekenen in vergelijking

132

-ocr page 133-

derde schrede

met het volbrengen van Gods wil. Waarom \'i Ziehier mijn antwoord : Wat God wil is de eenige zaak, welke tot zijne meerdere verheerlijking strekt. De reden hiervan is duidelijk ; hoor slechts :

God is de oneindige heiligheid en wijsheid. Als oneindige wijsheid , weet Hij , wat in de eerbe-wijzingen , die men Hem aanbiedt, op elk oogen-blik het meest zijne verheerlijking bevordert, en, als oneindige heiligheid , kan Hjj den mensch niets bevelen, niets van hem eischen, dan juist datgene wat Hij weet, dat op eiken stond Hem het meest verheerlijkt. Daarom bewijst gij , door te doen wat God wil, Hem de meeste eer en verschaft gij Hem het volkomenste genoegen.

Daaruit volgt, dat Jezus Christus de eer zijns heraelschpn Vaders meer bevorderd heeft, door zijnen nederigen arbeid in de werkplaats te Nazareth, dan indien Hij gedurende al dien tijd het heelal door zijne wonderen verbaasd had. Daaruit volgt nog, dat de engel Raphael , toen hij den jongen Tobias op reis vergezelde, God meer verheerlijkte , dan hij gedaan zoude hebben , indien hij gedurende dien tijd al de koningen der wereld hadde bekeerd. We mogen hieruit nog besluiten, dat Abraham God meer behaagde , door het uitgetogen zwaard terug te trekken en zijnen eenigen zoon te sparen, dan indien hij hem geslachtofferd had ; want in al die voorvallen was het eerste de wil van God en niet het tweede.

Tweede Waarheid. Het is onmogelijk aan God eene grootere liefde te toonen , dan men Hem bewijst door het volbrengen van zijnen heiligen

133

-ocr page 134-

DERDE SCHREDE

134

Wil, en door zich daaraan volkomen te onderwerpen. De vereeniging van uwen wil met dien van God is zoodanig vereenzelvigd met de ware liefde , mijne ziel , dat de eene zonder de andere onbestaanbaar is. Ja, die vereeniging is zelfs het wezen en de maat der ware liefde. Is die vereeniging zwak , de liefde zal het ook zijn ; is zij daarentegen zeer nauw , volmaakt , zonder uitzondering, zonder onderbreking, dan ook zal de liefde het hoogste punt van volmaaktheid bereikt hebben. „De getrouwe beminnaarsquot;, zegt de H. Geest, „zullen zich gaarne aan den wil en het welbehagen van God onderwerpenquot; (1). Maar, mijne ziel , opdat gjj die zoo noodzakelijke waarheid goed zoudet begrjjpen , dient gij ernstig na te denken over de verklaring , die ik u ga geven. Ik zeg :

1. Alleen in de vereeniging van uwen wil met dien van God bestaat de ware liefde , en buiten die vereeniging bestaat er geene ware liefde. Geef acht op mijne redeneering. De ware liefde kan niet bestaan in iets , wat niet te allen tjjde met Gods genade onder mijn bereik, ter mijner beschikking is ; want, dewijl ik verplicht ben God te allen tjjde te beminnen, moet die liefde ook te allen tijde in mijn vermogen zijn. Nu , er is niets wat mij te allen tijde mogelijk is, dan mijnen wil te vereenigen met dien van God. Verheven kennis, godvruchtige genegenheden , geestelijke vertroostingen , teedere en vu-

(1) Wijsh. 3.

-ocr page 135-

DERDE SCHREDE

135

rige gevoelens , liefdevol en gemeenzaam onderhoud met God; dat alles is niet te mijner beschikking. Er is niets wat altijd onder mijn bereik is , dan de vereeniging van mijnen wil met dien van God; bijgevolg kan de liefde in niets anders bestaan dan in die vereeniging. Ik zeg : 2. Evenals in die vereeniging van onzen wil met dien van God alleen de ware liefde bestaat , zoo is zij ook de verhevenste graad der liefde. Veronderstel iemand, wiens hart werkelijk die gesteltenis bezit. Hij geeft zich zonder voorbehoud aan God over , hij doet ieder oogenblik datgene wat hij als het verlangen van God erkent. Hij neemt elke inwendige beweging, alle inspraken .waar en beantwoordt daaraan getrouw. Hij ontvangt allen tegenspoed . als komende van Gods hand ; hij is bereid tot handelen , tot Ijjden , tot leven en sterven , tot alles wat God wil, zonder eenige uitzondering , op de wijze waarop God het wil, en zulks voor den tijd en voor de eeuwigheid. Zeg mij , welke grootere liefde kan iemand aan God toonen , of wat vuriger liefde kan God van hem verlangen? Waarlijk, ik weet niet, hoe God iets meer verhevens zou kunnen eischen, of hoe de mensch iets meer verhevens zou kunnen doen. Zijn dat geene troostende waarheden, mijne ziel ? Gij kunt God op de meest volmaakte wijze eeren en verheerlijken ; gij kunt als gij wilt hem met de volmaaktste liefde beminnen; het eene en het andere kunt gij doen op eiken stond, ieder oogenblik, in elke bediening, in alle in- en uitwendige wisselingen, in een gansch gewoon

-ocr page 136-

derde schrede

leven. Is er dan wel een verhevener en volmaakter weg , dan die van eene volkomen overgave aan God ?

Gevoelens. 1. Eene vurige liefdebetuiging aan God.

O God, Gij zijt alleen dat oneindig wezen, dat alle goed in zich bevat, en buiten wien niets goeds te vinden is Gij alleen zijt dat oneindig wezen; waardig boven alles bemind te worden , terwijl toch niemand U naar waarde kan beminnen. Met dat levendig geloof bezield verhef ik mijn hart boven al het geschapene ; ik geef het geheel met al de liefde , die het bevat, aan U en ik omhels U , zooveel het mij mogelijk is, met de volmaaktste liefde. Helaas! waarom kan ik U niet zoo beminnen als ik zoude wenschen ! Doch ik ben getroost; want ik weet, dat Gij den oprechten wil voor de daad aanneemt , en dar Gij met welgevallen de begeerte aanziet, wanneer de daad zelve onmogelijk is. Sla dan eenen blik op mijn hart , mijn God ; in dat hart wensch ik te vereenigen alle akten van liefde, welke alle uitverkorenen, engelen en menschen, in den hemel en op aarde ooit verwekt hebben , welke zij nu verwekken, en verwekken zullen gedurende de geheele eeuwigheid. Ja , mijn God, al die akten wensch ik in mijn hart te vereenigen en ieder oogenblik aan U op te dragen.

2. Een vurig verlangen om God door alle schepselen bemind en verheerlijkt te zien. Maar helaas S mijn God , zoo groot en beminnelijk als Gij zijt, zoozeer als de menschen reden hebben om U te eeren en te beminnen , zoozeer ook vergeten zij

136

-ocr page 137-

DERDE SCHREDE

hunne verplichting. Hoevelen zijn er onder het groot aantal raenschen , welke thans de aarde bewonen , die U oprecht beminnen ? Wie zijn zij,, die van ganscher harte uwe verheerlijking zoeken ? Wie is er, die niets anders verlangt dan uw welbehagen ? O, hoe groot is het getal dergenen die voortleven in een aanhoudend vergeten uwer weldaden , die zich niet bekommeren om uwe eer en verheerljjking ; ja , die U zelfs eiken dag, ieder uur , elk oogenblik beleedigen ! O, hoezeer zoude ik wenschen alle ketters tot de waarheid, alle zondaars tot boetvaardigheid te kunnen brengen , en de harten van alle menschen door het vuur uwer liefde te doen gloeien !

3. Eene geheele en volmaakte ovenjave aan God. Wat mij zeiven betreft, o mijn eenig en opperste Goed , ik heb vast besloten , U ieder oogenblik mijns levens zoo volmaakt mogelijk te eeren en U teederlijk te beminnen. Met dat inzicht , geef ik mij aan U over, geheel onderworpen aan uw welbehagen , vast besloten alles te doen, wat Gij van mij zult vragen en goedwillig alles te lijden wat Gij mij zult overzenden. Ik verlang geen ander geluk, dan de volmaakte vervulling van uwen heiligen wil in en door mij. Ik verlang geene andere gunst dan die van uwe eer en de verheerlijking van uwen Naam elk oogenblik te zien toenemen. Dat zal voortaan het eenige doel mijns levens zijn ; o mijn God vernietig mijnen eigen wil , dien wil zoo vol boosheid , en geleid mij op al mijne wegen ; maak dat ik nooit iets anders wille , dan \\yat Gij wilt.

13T

-ocr page 138-

derde schrede

Derde Waarheid. Het is onmogeljjk meer verdiensten , en eene grootere heerlijkheid in den hemel te bekomen, dan door den goddelijken wil te volbrengen en zich daaraan te onderwerpen. Twee zaken toonen ons die waarheid zeer duidelijk aan.

De eerste is de veelvuldigheid, de tweede de grootte der verdiensten, welke men op dezen weg vergadert.

Ik begin met de eerste. Indien gij tracht, mijne ziel, nooit eenig werk te ondernemen , zonder daarin den wil van God te zien , en wanneer gij allen tegenspoed die u overkomt, als van Hem gezonden aanneemt , don gaat er geen dag , geen uur, zelfs geen oogenblik voorbij , zonder dat gij nieuwe verdiensten voor den hemel inzamelt. Indien gij nu in eene zoo heilige oefening tien , twintig en meer jaren volhardt , wie zou dan de hoeveelheid der verdiensten , welke gij gedurende al die jaren zoudet inzamelen, ik zeg niet, kunnen opsommen , maar zelfs oppervlakkig kunnen berekenen ! Nu, even als er in het geestelijke leven geen weg is , die de verdiensten op eene zoo bewonderenswaardige wijze vermenigvuldigt als deze, evenzoo is er ook geen, welke die verdiensten zoo groot en zoo onschatbaar maakt in het oog van God, dan die eener volkomene overgave aan Hem. Immers , omdat de wil van God de heiligheid zelve is, moeten noodzakelijk alle werken , waarvan hij de oorsprong is , heilig zijn, en zelfs dermate heilig, dat geen ander werk daarmede in vergelijking kan komen. Ja , mijne ziel, het is zoo , en dusdanig is de getuigenis van alle leeraars in het geestelijk leven ; in overeen-

138

-ocr page 139-

derde schrede

stemming met Gods wil, zijn alle handelingen . zelfs de meest gewone , kostbaar en verdienstvol in de oogen van God; maar buiten den godde-lijken wil, zijn alle handelingen , zelfs die, welke de grootste schijnen , afschuwelijk voor Gods oogen. Een kwartier uurs in de keuken arbeiden, omdat God het wil, is onvergelijkelijk kostbaarder voor God, den eenen ganschen nacht geknield in het gebed doorbrengen , zonder dat God het wil.

Aan tafel matig eten en drinken, omdat God het wil, is een werk van veel meer waarde voor God, dan den ganschen dag vasten of zich de schouders door geeselslagen verscheuren, zonder dat God het wil.

Vierde Waarheid. Het is onmogelijk spoediger tot eene liefdevolle gemeenzaamheid niet God op te klimmen , dan door het volbrengen van Gods wil en door zich geheel aan dien wil over te geven.

Wanneer gij verlangt, mijne ziel, in korten tjjd tot dien liefdevollen omgang en die bewonderenswaardige vereeniging met God te komen , welke Hij aan zijne getrouwe dienaren beloofd heeft, behoeft gij slechts dien weg eener volmaakte overgave iu te slaan en daarop te blijven voortgaan ; want indien gij u zonder voorbehoud aan God overgeeft, zal God zich ook zonder voorbehoud aan u geven volgens deze woorden : „Met de maat, waarmede gij gemeten zult hebben, zal u teruggemeten worden, en daar zal nog worden bijgedaan.quot; (1)

(1) Maic. 4 , 24.

139

-ocr page 140-

derde schrede

Het is alof God tot u zegt: zooals gij u jegens Mij gedraagt, zoo zal Ik Mij tc uwen opzichte gedragen. Zijt gij gulhartig jegens Mij, dan zal Ik milddadig voor u zijn; indien gij niets wederhoudt van u zeiven , dan zal Ik ook niets terughouden noch van Mij zeiven , noch van mijne genaden; indien gij Mij niets weigert en alles doet wat Ik van u vraag, dan zal ook Ik u niets weigeren , en u alles geven wat gij zult vragen. Vandaar die troostende woorden, welke de goddelijke Verlosser eens aan zijne getrouwe bruid , de II. Bri-gitta liet hooren, nadat Hij haar tot die algeheele overgave had opgewekt: „Wanneer gij dit gedaan zult hebben , (het zijn zijne eigene woorden) zal uw hart zich in mijn hart bevinden , het zal geheel ontvonkt zijn en gloeien door mijne liefde en gij zult rusten in de armen mijner Godheid.quot;\' Komaan , mijne ziel , begeef u op dien heilvollen weg, en ga daarop voort, zonder ooit achterwaarts te zien. Ofschoon hij somtijds met enkel doornen begroeid schijnt, is toch het geluk waarheen hij , zelfs in dit leven, voert, die moeielijkheden en zelfs grootere waard.

Gevoelens. 1. Eem vurige liefde tot God.

O mijn God , ik geloof en beleid , dat Gij een oneindig volmaakt Wezen zijt, in vergelijking met wien alle macht slechts zwakheid , alle rijkdom slechts armoede, alle gezondheid slechts krankheid , alle zijn een enkel niet is. Gij zijt het oneindig volmaakt Wezen, hetwelk alle goed, dat in de schepselen te vinden is , oneindig overtreft ; uit wien als uit de eenige bron , alle goed

140

-ocr page 141-

DERDE SCHREDE

voortvloeit. Mijn Grod, op dit oogenblik erken ik uwe Majesteit, en ik acht U oneindig hooger dan hemel en aarde , engelen en menschen ; ik bemin en omhels U met al de vurigheid mijner liefde , met al de kracht mijns harten. Maar overtuigd , dat deze liefde niets is , in vergelijking niet die , welke ik U , oneindig volmaakt Wezen, verschuldigd ben , offer ik U al de liefde op , welke U toegedragen is , nog heden toegedragen wordt, en U eeuwig toegedragen zal worden door alle uitverkorenen in den hemel en op aarde, en welke de H. Maagd Maria en de heilige Menschheid van Jezus Christus U toegedragen hebben.

2. Eene volhomene overgave aan God.

Door die liefde bezield, o mijn God, eenig verlangen mjjns harten , schenk ik U thans mijn wil, mijne vrijheid, mijn hart, al wat ik ben en al wat ik heb. Ik weet , het is waar, dat ik U niets kan geven , want al wat hemel en aarde bevatten , is het uwe, en niemand vermag U iets te geven, omdat niemand ook maar het minste bezit, dat U niet steeds toebehoort. Niettemin zoude ik , indien mijn wil, mijne vrjjheid en mijn hart U niet reeds toebehoorden, ze U willen schenken. In die gesteltenis geef ik ze U nu, en ik aanvaard , ik loof en prijs van dit oogenblik af uwe beschikkingen te mijnen opzichte , zooals die van alle eeuwigheid zijn vastgesteld.

3. Een ootmoedig gebed om die algeheele overgeving.

Maar, o mijn God , hoelang zal ik in die volmaakte overgeving volharden ? Helaas ! niet lang.

141

-ocr page 142-

derde schrede

indien Gij mij niet met uwen alvemogenden arm ondersteunt! Geen rietje is zoo zwak als mijn hart, geen wind zoo veranderlijk als mijn wil. Tot U dus , in wiens handen alleen het mensche-lijk hart sterk wordt, wend ik mijne blikken en roep uit: Ontferm U mijner, o mijn God, volgens uwe oneindige goedheid en barmhartigheid ; vereenig mijnen wil met den uwen , hervorm hem geheel en al , opdat voortaan uw heilige wil de eenige regel van mijn leven zij.

Derde Bemerking. Welke zekerheid ons die overgeving hezoryt.

Ik weet niet, of men iets meer vertroostende kan zeggen, dan datgene , wat ik u nu ter overweging ga voorstellen. Het hoofddenkbeeld er van is, dat gij, door u op die volkomen overgeving toe te leggen , u een dubbel geluk verzekert : 1. Gij erlangt de verzekering van uwe eeuwige zaligheid ; 2. gij erlangt de verzekering van tot eenen hoogen trap van heiligheid op te klimmen. Wat wenscht gij meer ? Hoor , op welke waarheden , die verzekering berust. Zonder eene geheel bijzondere openbaring kan men evenwel niet met volle zekerheid weten of men in Gods genade is, en of men zalig zal worden; want de apostel zegt: Werk aan uwe zaligheid al bevende.

Eerste Waarheid. De eerste waarheid, waarop die verzekering rust is: God is de oneindige wijsheid, en het is onmogelijk , dat Hij zich vergist is de leiding der zielen , die zich geheel aan Hem overgeven. Daal een oogenblik af, mijne ziel, in dien afgrond van Gods oneindige wijsheid, en

142

-ocr page 143-

derde schrede

beschouw daar dat wondervolle licht , waarin Hij alles wat u aangaat ziet; Hij ziet den graad van glorie in den hemel, tot welken Hij u van alle eeuwigheid geroepen heeft; Hij ziet alle middelen, alle genaden, alle gelegenheden , die u daartoe moeten brengen. Hij ziet, welke levenswijze, welke bedieningen , welke tegenspoed , welke inspraken , daartoe het geschiktste zijn; en dat alles ziet Hij met eenen onfeilbaren blik en op zoodanige wijze, dat Hij onmogelijk zich vergissen, of zijn doel missen kan, mits gij uwen eigen wil atlegt en U door den zijnen laat besturen. Hij leidt ü stap voor stap zooals eene moeder haar kindje aan de hand geleidt, en ieder oogenblik beveelt Hij datgene wat het meest geschikt is , om u tot het voorgestelde doel te brengen.

Tweede Waarheid. God is de oneindige almacht , en niets kan de ziel , die zich aan Hem heeft geschonken, aan zijne leiding onttrekken. Twee zaken doen ons van den weg der volmaaktheid afwijken : I. Het geweld der driften waartegen wij niet bestand zijn. 2. De kwellingen en de tegenspoed van dit ellendig leven, welke wij niet in staat zijn te verduren. Dat alles vermag echter niets tegen eene ziel; die zich geheel aan God overgeeft en onder zijne leiding leeft. God beschermt haar door zijne almacht. Nu, wat vermogen wereld en hel met al wat zij bevatten tegen God ? Zooveel als een mugje tegen eenen adelaar.

God bezit middelen in het oneindige om de zielen te beschermen en te ondersteunen; indien

U3

-ocr page 144-

derde schrede

Hij wil kan Hij u zoodanig versterken, dat gij ongedeerd blijft te midden van het vuur der kwade gedachten en der bekoringen , dat gij lacht met alle aanlokselen en met alle vervolging der schepselen. Hij kan, indien Hij wil, de kwade neigingen doen ophouden , de booze geesten doen zwijgen en u de tegenstrijdigheden licht doen vallen Alles moet aan die onbeperkte macht gehoorzamen. Eene van die twee dingen zal stellig plaats hebben, indien gij u geheel aan Hem overgeeft en u volgens zijne aanbiddelijke inzichten laat geleiden en besturen. Ziet gij, mijne ziel, hoe zeker die weg eener algeheele overgave is ? Gij wordt daarop geleid door de oneindige wijsheid, die niet kan falen , door de oneindige almacht, die door niets kan belemmerd worden in de volvoering harer plannen. Hoe verkeerd handelt gij dan niet met u te onttrekken aan de leiding van eenen wil, zoo oneindig verlicht en machtig, om u te laten geleiden door eenen wil zoo verblind en zoo zwak als de uwe.

Gevoelens. 1. Berouic over vroeger en u-eerstand.

O mijn God , hoe verkeerd heb ik gehandeld , met mij te onttrekken aan de leiding van uwen allerheiligsten wil , om de ingevingen van mijn eigen wil te volgen! Uw wil is de oneindige wjjsheid. Uwe schikkingen zijn zeker, en indien ik mij daaraan onderwerp , zal ik onfeilbaar het zoo gewenschte doel bereiken, waartoe Gij mi; voor de eeuwigheid hebt geroepen. Mijn wil is enkel verblinding. Mijne berekeningen zijn aan •duizend dwalingen onderhevig en indien ik ze

144

-ocr page 145-

DHRBE SCHREDE

volg, zullen ze mij onfeilbaar ten verderve voeren. Uw wil is de onbeperkte almacht; Gij kunt mijne zwakheid versterken, en, indien ik U gehoorzaam, zullen al mijne vijanden beschaamd worden. Mijn wil daarentegen is louter zwakheid; ik kan mjj uit geen enkel gevaar redden , en volg ik hem , dan moet ik noodzakelijk ten spot mijner vijanden worden. O, hoe verkeerd, hoe blind en gevaarvol was mijne handelwijze ! Ik weigerde eenen leidsman , die oneindig wijs en machtig is, om er mij eenen te kiezen die blind en zwak is.

2. Ei\'ite vurir/e liefde tot God. Maar ook dan zelfs als mijne zwakheid en mijne blindheid minder groot waren , als ik om heilig te worden, mij niet zoo volkomen behoefde te onderwerpen, zoude ik U toch dit offer willen brengen , aangedreven door de liefde , waarmede ik U op dit oogenblik uit geheel mijn hart omhels, o mijn God ! Immers indien ik U dit alles en al wat ik U zou kunnen geven, schenk, dan is dit nog niets in vergelijking met de oneindige liefde , die ik U om uwe ein-delooze volmaaktheden schuldig ben. Dit alles is niets in vergelijking met die tallooze weldaden, waarmede Gij mij overladen hebt; niets in vergelijking met datgene wat Gij voor mij op het kruis hebt geleden. O mijn God, oneindig barmhartige God , ik beleid ten aanhoore van hemel en aarde , dat, wanneer ik duizend levens bezat, en U die alle uit liefde ten offer konde brengen , dit alles niets zoude zijn in vergelijking met datgene wat Gij verdient, en wat ik U verschuldigd ben.

145

10

-ocr page 146-

DERDE SCHREDE

3. Volmaakte overgeving. Uit zuivere liefde dus en met het vurige verlangen van U te behagen , U mijn God , mijn hoogste goed , wil ik voortaan mijn verstand en mijn wil mistrouwen en mij geheel in alles onderwerpen aan uw welbehagen. Met al de vurigheid, waartoe ik in staat ben , kom ik tot U en roep met uwen getrouwen dienaar, den H. Ignatius van Loyola, uit: Neem aan , o Heer, geheel mijne vrijheid, mijn geheugen , mijn verstand en mijnen wil. Gij hebt mij alles gegeven, wat ik ben en al wat ik bezit; aan U geef ik alles weder en laat alles tor beschikking van uwen wil. Geef mij slechts uwe liefde en uwe genade , en ik ben rijk genoeg ; ik vraag niets meer.quot;

Derde Waakheid. — De derde waarheid, waarop deze zekerheid steunt, is de volgende: God is de oneindige goedheid. Hij bemint teederhjk eene ziel , die zich geheel aan hem overgeeft. God bemint u, mijne ziel, en met eene oneindig\' groote liefde. Men zegt , dat er geene grootere bestaat, dan die van eene moeder voor haar kind , en , alleen van menschelijke liefde gesproken , is dit zoo ; maar is er sprake van de goddelijke liefde, dan verandert de zaak. De liefde , welke God ons toedraagt, is veel grooter, tee-derder en vuriger dan de liefde van eene moeder voor haar kind, hoe sterk en vurig deze ook zijn moge. God geeft van zich zeiven deze getuigenis : „Zoude het mogelijk zijn, dat eene moeder haar kind vergat en er geen medelijden mede had ? En al gebeurde dit ook , ik zal u

146

-ocr page 147-

derde schrede

nooit vergetenquot;. (I) Nu, indien God u zoo teeder en zoo vurig bemint, hoe zoude het dan mogelijk zijn, dat ook maar eene enkele zijner beschikkingen , gedurende geheel uw leven , niet tot uw welzijn zoude strekken? Geloof mij, mijne ziel , alle moeders zouden eerder hare kinderen ter dood brengen , hemel en aarde zouden eer vergaan , dan dat God eene enkele gebeurtenis zoude toelaten , die niet zoude strekken tot bevordering der zaligheid van eene ziel, die zich geheel aan Hem overgeeft.

Vierde quot;Waarheid. — God is oneindig getrouwen kan nooit eeue ziel . die zich geheel aan Hem overgeeft, langs andere wegen geleiden , dan langs die, welke voor haar het beste en het voordeeligste zijn. Op het oogenblik zelf, mijne ziel , waarop gij u geheel en zonder voorbehoud aan God overgeeft, wordt er eene overeenkomst gesloten tusschen God en u. Gij belooft aan God alle zorg voor u zeiven te laten varen en Hem alleen van oogenblik tot oogenblik en voor altijd met u te laten begaan. Van zijnen kant belooft God , als vader voor u te zullen zorgen en u van oogenblik tot oogenblik te zullen geleiden op zulk eene wijze, dat gij onfeilbaar de bestemming bereikt, waartoe Hij u van alle eeuwigheid geroepen heeft. Zoude God dit plan , door Hem gevormd, kunnen laten varen, indien gij zulks niet wilt en in uwe goede voornemens volhardt ?

(1) Isaias 32.

147

-ocr page 148-

DERDE SCHREDE

Wij zouden het als eene misdaad beschouwen , eenen blinde op het toppunt eener steile rots te voeren, ora hem daarna van die hoogte naar beneden te storten. En wij zouden kunnen ge-looven , dat God, die de waarheid en de getrouwheid zelve is, tot zulk een verraad in staat zoude zijn? Vreest niet, mjjne kinderen, zegt de Heer; als eene moeder draag ik zorg voor u. (1) Even als eene moeder alle mogelijke zorg aanwendt, opdat het kind . dat zij in haren schoot draagt, geen leed wedervare, zoo ook zorg ik voor u. ofschoon gij u zeiven vergeet, en alle zorg over u aan mij alleen overlaat,quot;

Gevoklkns. 1. Eene algeheele opdracht van zich zeiven.

148

O mijn God , hoe ik U ook beschouw , ik zie en ik erken , dat ik eindeloos verplicht ben , mij zoo volmaakt mogelijk aan uwen heiligen Wil te onderwerpen en dun te aanbidden. Beschouw ik ü in mij zeiven, dan erken ik U als mijnen eenigen God en Opperheer, die om zich zeiven oneindig waardig is, dat ik alles volgens zijn welbehagen lijd , niet alleen als een slaaf , maar zelfs als een lastdier. Beschouw ik U als mijn eenigen leidsman , die mij niet kan of wil bedriegen , en op wiens leiding al mijne hoop , al mijn geluk voor de toekomst berust , dan kniel ik, van dankbaarheid doordrongen, aan uwe voeten neder , o mijn God , en draag mij geheel zonder uitzondering of voorbehoud, en voor alle eeu-

(1) Isaias 46.

-ocr page 149-

DERDE SCHREDE

wigheid op aan uwen heiligen Wil , aan uw welbehagen.

2. Lof en zegening ocer Gods beschikkingen te onzen opzichte. Dat wil ik, o mijn God , daartoe heb ik van ganscher harte besloten. Al wat Gij in het verledene toor mij beschikt hebt, was goed en heilig; ik looi\' en zegen die beschikkingen. Al wat Gij in mijn leven nog over mij zult beschikken is goed en heilig; ik loof en prijs het. Op dit oogenblik neem ik al uwe beschikkingen aan , als waren zij reeds tegenwoordig ; ik onderwerp er mij aan, zoo volmaakt mogelijk. Ik smeek U, o mijn God, dat ik in uwe handen moge zijn als het leem, waarvan Gij den eersten mensch vormdet; evenals Gij met dat leem gehandeld hebt, enkel volgens uw welbehagen, handel zoo ook met mij volgens uwen aanbiddelijken wil.

3. Nederige bede om die volmaakte ondei\'werping en die overgeving aan God. Mijn eenig verlangen, o mijn God, is, datgene in beoefening te brengen, wat ik U beloofd heb. Dat zal echter niet geschieden , of kunnen geschieden , indien Gij niet den schat uwer genade ontsluit. Tot dien gena-denschat neem ik thans mijne toevlucht en smeek U, mij eenen wil te geven, die niets verlangt, niets vraagt , niets bemint ot zoekt buiten uw goddelijk welbehagen, ik smeek U om die genade door het bewonderenswaardige otter, waardoor Jezus Christus zijn leven geëindigd heeft.

149

-ocr page 150-

dkrde schrede

TWEEDE HOOFDSTUK

Korte onderrichtinr/ over de volkomene en

blijvende vereenig\'mrj van den mensche-lijken wil met den wil van God.

Ei- bestaan drie wegen langs welke God die zielen geleidt, welke Hij wil verheffen tot den staat eener volkomene en blijvende vereeniging van haren wil met den zijnen : 1. De weg der uitwendige leiding; 2. de weg der inwendige leiding; 3. de weg der goddelijke en verborgene leiding. Wij zullen die beurtelings in drie aeli-tereenvolgende onderrichtingen bespreken , maar wijl er eiken dag iets plaats heeft met betrekking tot den eenen of den anderen dezer drie wegen , moet gij daarop wel acht geven , mijne ziel.

Onderkichtikg. I. — De eerste weg langs welken God eene ziel geleidt tot de volkomene en duurzame vereeniging van haren wil met den zijnen , is de weg dor uitwendige leiding. Ik noem dien zoo , omdat op dezen weg God zijnen wil te kennen geeft door uitwendige teekenen; bij voorbeeld , door een bevel , door de stem der oversten, enz. Wil men dezen weg inslaan en daarop voortgang doen , dan moet men met alle mogelijke getrouwheid en standvastigheid de volgende regelen in acht nemen.

§ 1.

Eerste Regel. — Nooit eenig werk ondernemen zonder overtuigd te zijn dat God het wil,

150

-ocr page 151-

derde schkede

dat Hij het van ons vraagt, en dat Hij het op dit oogenblik van ons vraagt. Het is niet moeilijk , mijne ziel, van uur tot uur den goddelijken wil te kennen, mits het hart rechtzinnig is en niets verlangt of zoekt , dan dien allerheiligsten wil te kennen en te volbrengen.

Maar om eene zaak van zoo hoog aanbelang, waarvan alles afhangt, beter te verklaren, zullen wij de kenteekenen opgeven , waaraan wij bij elke gelegenheid gemakkelijk kunnen weten , wat God van ons wil.

Het eerste kenteeken vinden wij in de goddelijke geboden. Dit behoeft geene verklaring. Wij moeten doen wat God beveelt, en laten wat Hij verbiedt, en dat met eene zoodanige getrouwheid en standvastigheid, dat wij bereid zouden zijn liever te sterven , dan ook maar in het minste die geboden te overtreden.

Het tweede kenteeken zijn de plichten van den staat; wat even duidelijk is. Want zoowel als het de wil van God was , dat wij ons in de eene of andere religieuze instelling begaven, is het ook ontwijfelbaar de wil van God, dat wij met de uiterste nauwgezetheid de verplichtingen nakomen der instellingen waarvan wij leden zijn geworden. Tot de verplichtingen behooren niet alleen de heilige geloften, maar ook alle regelen en constitutiën , alle gebruiken, die daar zijn voorgeschreven.

Om die reden dan ook zijn alle mannelijke en vrouwelijke religieuzen, die in hunnen staat heilig zijn geworden , uiterst bezorgd geweest, om tot

151

-ocr page 152-

DERDE SCHREDE

aan hunnen laatsten ademtocht, al die verplichtingen te onderhouden. Ja, de engelachtige leeraar, de heilige Thomas van Aquine, zeide, dat hjj geen hoogachting zoude hebben voor een religieus , al deed hjj ook mirakelen, als hij ook maar een onkelen regel, bjj voorbeeld het voorschrift der stilzwijgendheid , niet goed onderhield.

Het derde kenmerk is de stem der Oversten. Dat kenteeken is zeker en onder alle opzichten onfeilbaar. Jezus Christus zelf verzekert ons dit, wanneer hij zegt: „Wie u hoort, hoort Mij ; wie u versmaadt, versmaadt Mij.quot; Door die woorden belooft de Zaligmaker aan de religieuzen twee zaken : 1. Dat zij even zoo zeker kunnen zijn zijnen wil te doen , wanneer zij doen wat de oversten bevelen, als zij het zouden zijn , wanneer zij het bevel van Jezus Christus zeiven ontvingen.

2. Dat Hij de gehoorzaamheid aan de oversten bewezen , zal aannemen , schatten en beloonen , alsof zij Hem in eigen persoon bewezen ware. „Wie u hoort, hoort Mij ; wie u versmaadt, versmaadt Mij.quot; En daarom raad ik u aan, mijne ziel, en smeek ik u , openhartig te zijn en in alles te gehoorzamen ; daardoor zult gij te allen tijde doen , wat God wil .... Eene der grootste dwalingen, waarin een religieus vallen kan , is zjjn hart te sluiten voor zijne oversten en zich door zijn eigen oordeel te laten geleiden. Immers, wijl er geen andere weg bestaat om aan de bedriegerijen der eigenliefde en aan de boosheid des duivels te ontkomen , dan de weg eener ne-

152

-ocr page 153-

derde schrede

derige gehoorzaamheid , moet zulk een religieus noodzakelijk dwalen , en van den veiligen en ge-baanden weg afwijken om in allerlei ellenden te vervallen. De heilige Franciseus van Sales zeide terecht, dat geene zijner geestelijke dochters ooit den vrede des harten zou bekomen , zoo zij dat hart niet geheel openlegden voor hare oversten T en hun niet blindelings gehoorzaamden.

Tweede Regel. Maar hoe duidelijk en zeker die kenteekenen ook zijn, ze zijn toch niet voldoende om ons in alle omstandigheden den wil van God te doen kennen. Somtijds biedt zich de gelegenheid aan , om twee zaken te doen die beide even goed in zich zelve , en geen van beide bevolen zijn. Men twijfelt, welke van die twee aan God aangenaam is , en dus van Hem verlangd e;i gevraagd wordt. Somtijds ook gevoelen wij ons aangedreven en zijn in de gelegenheid om een goed werk te doen ; maar het is onzeker, of God het onder deze omstandigheden wil. In zulke en andere dergelijke gevallen , gebeurt het soms T dat men geen raad kan vragen aan de oversten t of omdat men daartoe geen gelegenheid heeft, of om andere redenen. Door welke middelen kan men in zulk geval zich van eene juiste keus vergewissen ? Men moet zijne toevlucht nemen tot de volgende onderscheidingen.

1. Als zich twee zaken aanbieden, waarvan slechts de eene tot welzijn van den evennaaste strekt , dan moet men altijd die eene kiezen. Want daar de liefde de voornaamste der deugden is, hjdt het geen twijfel of de beoefening dier

153

-ocr page 154-

derde schrede

deugd is aangenaam aan Gorl en verdient de voorkeur boven elke andere oefening.

2. Bieden zich twee zaken aan , beide even nutteloos voor den naaste, dan moeten wij de voorkeur geven aan die, welke ons de meeste vernedering en versterving oplevert. „Wie mij volgen wilquot;, zegt de Zaligmaker, „verloochene zich zeiven en drage zijn kruis\'\'. En hoe kan men volmaakter en meer letterlijk die leer van Jezus Christus in oefening brengen , dan door bij elke gelegenheid en in alles , wat aan onze keuze overgelaten is, datgene te kiezen, waarin wij de meeste vernederingen en verstervingen vinden \'i

3. Is men ondanks deze aanwijzingen nog in twijfel, dan kan men doen, wat men wil, mits men liet doe met de meerling van aan God alleen te behagen en zijnen heiligen wil te volbrengen. Dit leert ons de II. Franciscus van Sales: „Indien gij niet weet, welke van twee zaken gij moet kiezen , kwel u dan niet lang , maar zeg tot God met een oprecht hart: „„Heer, indien ik uwen aan-biddeljjken wil kende , zou ik dien volbrengen doe vervolgens wat gij wilt , en wees overtuigd , dat datgene wat gij doet, Hem aangenaam is.quot;

Derde Regel. Altijd doen wat men als Gods wil erkent, en niets anders dan wat Hij op dezen stond van ons verlangt; want waartoe zou het dienen, dat wij den wil van God trachten te kennen, als wij ons niet terzelfder tijd er op toeleggen om dien te volbrengen ? Zouden wij niet dat verwijt van het Evangelie op ons laden: „De dienaar, die den wil van zijnen heer ge-

154

-ocr page 155-

DERDE SCHREDE

weten heeft en niet gedaan heeft naar zijnen wil, zal vele slagen ontvangen. (1) Zeker is het, dat gij nimmer voortgang zult maken op dien weg der uitwendige leiding, nooit het doel zult hereiken , waarnaar gij streeft, wanneer gij niet tracht u volmaakt en standvastig aan dezen regel te houden. En opdat deze oefening, die zeer zeker de bedorven natuur en den eigen wil sterk onderdrukt, u niet te zwaar vallen, raad ik u , dikwijls in uwe overwegingen bemerkingen te maken over de volgende beweegredenen, die u tot volharding zullen aansporen.

De eerste beweegreden is de aard en het wezen der liefde. Wanneer de liefde vurig is , wenscht zij niets zoo zeer, als aan den beminden persoon te behagen; zij beijvert zich om te weten, wat hem aangenaam is , en wanneer zij dat ontdekt heeft, doet zij het met des te grootere vreugde als de liefde vuriger is. Zoo zeggen wij, wanneer wij te kennen willen geven, dat eene moeder veel liefde hééft voor haar kind , dat zij niet in staat is het iets te weigeren, dat zij alles doet, wat haar kind gaarne heeft. Wat ik zeg van de natuurlijke liefde der menschen jegens elkander , zeg ik ook van de bovennatuurlijke liefde der menschen jegens God. Indien uwe liefde volmaakt en vurig is , mijne ziel, zult gij een levendig verlangen hebben om aan God te behagen ; gij zult u beijveren om te weten , wat Hem aangenaam is , en zoodra gij dit weet, zult

(I) Luc. XII : 4quot;.

-ocr page 156-

DERDE SCHREDE

gij het met vreugde doen. Als uwe liefde deze hoedanigheden mist, dan is het geene ware of althans geene groote en volmaakte liefde.

De tweede beweegreden is de onbegrensde liefde van God voor ons. Hoe ver strekt zich de onbegrijpelijke liefde van onzen God toch uit , en wat doet Hij wel uit liefde tot ons ? Overweeg slechts het eene of andere zijner wonderen, en gij zult eenig denkbeeld hebben van de grootheid zijner goedheid. Nooit in geheel uw leven heeft God u iets anders laten overkomen dan datgene hetwelk volgens de raadsbesluiten zijner oneindige wijsheid voor u het nuttigste en het voordeeligste was. God is elk oogenblik bereid om ons zoo groote genade te geven als wij in staat zijn te ontvangen. Want, daar Hij ons meer bemint , dan wij ons zeiven beminnen , heeft Hij ook een grooter verlangen , om ons zijne genaden mede te deelen , dan wij , om die te ontvangen. God geeft ons eiken dag de noodige genaden , om altijd te doen, wat Hem het aangenaamste , en voor ons het voordeeligste is. Welk eene ondankbaarheid , mijne ziel , iets te weigeren aan God , die ons bemint, of niet te doen , wat wij weten dat Hem welgevallig is !

De derde beweegreden is de oneindige liefde van Jezus Christus voor ons. Het eenige doel, waarom Jezus Christus mensch werd en zoo lang op aarde verbleef, was de verheerlijking zijns Hemelschen Vaders en de zaligheid der zielen. Welke moeite heeft Hij zich wel gegeven ter bereiking van dit doel! Was Hij misschien karig

156

-ocr page 157-

DERDE SCHREDE

in datgene wat voor dit doel noodig was ? Geenszins ; een enkele druppel van zijn bloed ware voldoende geweest; voor Hem was het niet genoeg; Hij stortte al zijn bloed tot den laatsten druppel; een enkel bewijs van gehoorzaamheid en onderwerping was Hem niet genoeg ; Hij werd gehoorzaam tot den dood, en tot den dood aan het kruis. En waarom? Om aan zijnen Vader een slachtoffer aan te bieden zoo verheven mogeljjk , en om aan de menschen te toonen, hoe onmetelijk zijne liefde is. Wat zullen wij doen , mijne ziel , om aan zulk eene liefde te beantwoorden ? Zoude het veel zijn, Hem ons leven aan te bieden en ons te beijveren om op eiken stond datgene te doen , wat wij weten dat Hem liet meest welgevallig is ?

De vierde beweegreden is het voorbeeld dei-Heiligen. Het verlangen om den wil van God te kennen en te volbrengen, de bezorgdheid om altijd te doen, wat zij wisten Hem het meest welgevallig te zijn, ziedaar de grondslag waarop de Heiligen het gebouw hunner volmaaktheid optrokken. Ik zal daarvan slechts enkele voorbeelden aanhalen. „Nooitquot; zegt Magdalena de Pazzis, „zoude ik iets , wat het ook zjj , hebben durven doen, wat ik niet meende overeenkomstig te zijn met Gods wil , en indien ik bij het verrichten eener daad bemerkte, dat die niet met don Goddeljjken wil strookte , zoude ik die op hetzelfde oogenblik ongedaan laten, al wist ik ook dat dit mij het leven zoude kosten. Ja, indien ik aan den eenen kant het paradijs en aan den anderen de hel zag.

107

-ocr page 158-

derde schrede

en ik wist, dat God mij in die vlammen wilde zien branden , dan zou ik er mij oogenblikkelijk in storten.quot; (1) „0 mijn Godquot;, riep de heilige man, Philippus Feningen , dikwijls uit, „geef mij de genade van altijd te doen , wat Gij wilt, met de meening waarmede Gij wilt, dat ik liet doe , en op de wijze, waarop Gij het verlangt. Liever zoude ik in de hel zijn met uwen wil, dan in den hemel zonder uwen wil.quot;

Vierde Regel. Alles met de volmaaktste meening doen. Na erkend te hebben, mijne ziel, wat God wil, moeten wij ons opnieuw tot Hem wenden , en Hem elke onzer handelingen met do volmaaktste meening opdragen. Mnar om volmaakt te zijn. moet onze meening de volgende hoedanigheden bezitten.

158

Ten eerste moet de meening zuiver en belangloos zijn. ]n het werk, dat men verricht moet men noch eer, noch vermaak , noch voordeel beoogen, hetzij voor den tijd of voor de eeuwigheid^ noch iets anders , wat het ook zij in den hemel of op de aarde. Onze eenige en uitsluitende meening moet zijn, God te eeren , Hem te behagen , zijnen heiligen wil te volbrengen. In een woord, uwe meening moet dezelfde hoedanigheden hebben, als die van de gelukzalige Armella. „Mijne eenige en voortdurende meeningquot;, zeide zij, over den in-wendigen staat harer ziel sprekende, „is, in al mijne werken aan God te behagen , en wel op mijne hoede te zijn, om Hem niet te beleedigen. Ik dacht

(1) In vita , Cap. 13.

-ocr page 159-

DEKDE SCHUEDB

bij mijne werken nooit aan iets anders. En dat deed ik niet uit eigenbelang of om aan de straf te ontkomen, die op eene andere wijze van handelen kondc volgen. Neen , al die inzichten waren zoo vreemd aan mijne ziel, dat ik daaraan niet in het minste dacht. De liefde alleen eischto alles, en al mijn geluk bestond in haar te bevredigen ; al het overige had voor mij geen de minste waarde.quot;

De tweede hoedanigheid , welke de goede meening moet hebben , is zonder onderbreking voort te duren. Het is niet gemakkeljjk, mijne ziel , langen tijd achtereen in de goede meening te volharden. Onze natuur is tot het kwade geneigd f cn de eigenliefde dringt zich overal in. Nu eens zal eigenbelang of ijdelheid , dan weder weerzin of traagheid , of iets anders de goede meening in den grond bederven of haar althans gedeeltelijk hare zuiverheid benemen. Wilt gij volkomen zeker zijn , dat uw werk geheel verdienstelijk is voor God, dan moet gij menigmaal tot Hem opzien, en uwe meening met weinige woorden, maar niet eene groote vurigheid vernieuwen.

De derde hoedanigheid van de goede meening is, dat zij algemeen zijn en zich zonder onderscheid uitstrekken moet tot al onze werken. Wanneer men nadenkt over hetgeen in de vorige paragrafen gezegd is , dan levert deze hoedanigheid geene moeilijkheden op : want als men den eigenwil zoodanig meester is , dat men altijd wil, wat God wil, dan valt het gemakkelijk , zulks ook zuiver om God te willen. Slechts op twee soorten van handelingen moet men bijzonder acht

15!gt;

-ocr page 160-

derde schrede

geven : op die , welke wij gaarne doen , die ons van natuur bevallen, en op die, welke zich nu «n dan als bij toeval voordoen. Wat deze laatste betreft, men zorge , het maken eener goede mee-Tiing daarbij niet te verzuimen , en bij de eerste , ze te doen voortduren in al hare volmaaktheid , tot aan het einde van het werk. Die grondregel was zoo diep gedrukt in het hart der H. Mag-daiena de Pazzis , dat zij gewoon was te zeggen: „Als ik wist, dat ik door een enkel woord , gesproken uit eene andere beweegreden dan uit liefde tot God , een serafijn kon worden , zou ik dat woord niet willen uitspreken , al ware daarin ook geene zonde gelegen.quot;

Vijfde Regel. Alles op de volmaaktste wijze doen. Het is niet genoeg, mijne ziel, altijd alles te doen , wat aan God het aangenaamste is , het is ook nog niet genoeg, dit alles te doen met de volmaaktste meening; het moet ook nog gedaan worden op de volmaaktste wijze.

Maar waarin bestaat die volmaaktste wijze ?

In het vervullen der volgende voorwaarden.

1. Het werk verrichten met alle mogelijke oplettendheid , ijver en vurigheid.

„Wij moeten ons toeleggenquot;, zegt de H. Thomas van Aquine, „al onze werken te verrichten met al den ijver, waartoe wij met de hulp van onzen Heer Jezus in staat zijn, volgens de meening van de strijdende en zegepralende Kerk en in den Naam van onzen Schepper; in een woord zóó , alsof van dat eene werk geheel onze zaligheid, alle eer en verheerlijking van God afhingen.

160

-ocr page 161-

DERDR SCHREDE

?. Het werk verrichten volgens het bevel (lei-oversten , het voorschrift der Regelen , der Con-stitutiën en der Gebruiken. Onmogelijk is het, een werk volmaakter te verrichten, dan door het te doen op de wjjze waarop God het wil. Nu , do wijze ons voorgeschreven door de oversten , de Regelen, Constitution en Gebruiken der Instelling, is juist die , welke door God gewild is, bijgevolg kan men het niet volmaakter doen, dan door het te doen op de gemelde wijze.

3. Het werk doen met eene zekere inwendige bljjdschap. „Een dienaar Gods zegt Laurentius Justinianus, „moet blijmoedig arbeiden, om welgevallig te zijn aan God en om gelijkvormig to ■worden met de Engelen die hunnen Schepper met eene onuitsprekelijke vreugde dienen.quot; En, waarlijk de liefdediensten, welke men ons bewijst , behagen ons weinig, wanneer ze bewezen worden met een ontevreden gelaat.

4. Het werk doen in God en voor God. Men handelt zeer verkeerd, wanneer men zich dermate door de uitwendige werken laat innemen , dat men daarbij de tegenwoordigheid van God en de vereeniging met Hem uit het oog verliest. Wij moeten streven naar die vrijheid van geest, waardoor wij onze wérken met ijver verrichten en tegelijkertijd ons inwendig met God onderhouden. „Terwijl ik werk ,quot; zegt de gelukzalige Armella , „spreek ik met God , ik bemin Hem , ik verheug mij in zijne tegenwoordigheid als in die van eenen vertrouwden vriend. En als mijn werk van dien aard is, dat het al mijne gedachten

11

161

-ocr page 162-

DERDE SCHREDE

Lezig houdt, dan nog blijft miin Hart op Hem geriöht , en zoodra het werk voleind is , haast ik mij tot Hem terug te keeren.quot;

Onderrichting 11. Weg der inwendige leiding. De tweede weg, langs welken God de ziel geleidt rot eene aanhoudende en algeheele overeenkomst van haren wil met den goddelijken wil, is de weg der inwendige leiding. Ik noem deze inwendig , omdat God aan de ziel zijnen heiligen wil doet kennen, niet door uitwendige teekenen, door de mensohen , maar door inwendige inspraken en door zich zeiven. De gehoorzaamheid aan die inspraken, en de getrouwheid om ze in beoefening te brengen zijn volstrekt noodzakelijk, mijne ziel, indien gij tot dien staat eener volkomen en duurzame vereeniging van uwen wil met dien van God wenscht te komen. Geef slechts acht op de eene of de andere der twee volgende bewc egredenen.

162

1. De getrouwheid om de goede inspraken te volgen en in beoefening te brengen , verwerft ons eene menigte andere genaden , terwijl het verzuimen van eene enkele inspraak ons van ontelbare genaden berooft. Wij vinden daarvan een bewijs in het heilig Evangelie. (1) „Zeker mensch van\' hooge geboortequot;\', zegt de Zaligmaker, „riep, alvorens zich op reis te begeven , zijne tien dienstknechten tot zich, gaf hun tien ponden, en zeide tot hen: Drijf er handel mede, terwijl ik ga. Eenigen tijd daarna keerde de heer terug, en liet zijne dienstknechten aan welke hij het geld

(1) Luc. 19.

-ocr page 163-

DERDE SCHREDE

gegeven had , roepen, om te weten, hoeveel ieder had gewonnen.

De eerste kwam en zeide hem: Heer, uw pond heeft tien pond aangewonnen. De heer zegde hem : zeer wel, goede dienstknecht, omdat gij over weinig zijt getrouw geweest , zult gij machthebber zijn over tien steden. De tweede kwam op zijne beurt en zegde ; Heer , uw pond heeft vijf pond winst gedaan. En de heer antwoordde hem : En gij wees over vijf steden. Eindelijk kwam de derde en zeide : Heer, ziedaar uw pond, dat ik in een zweetdoek bewaarde, want ik vreesde u , omdat gij een hardvochtig mensch zijt..... Toen zeide de heer: iiooze dienstknecht , ik oordeel u uit uw eigen woorden. Gij wist dat ik een hard mensch ben.... waarom hebt gij dan mijn geld niet aan do wisselbank gegeven, opdat ik het, teruggekomen zijnde, met rente had kunnen invorderen ? Vervolgens zeide hij tot de andere dienaren ; Ontneemt hem zijn pond er. geeft het aan hem , die de tien ponden heeft. De dienaren antwoordden hem: Heer, hij heeft al tien ponden. En ik zeg u, antwoordde hun de heer: aan ieder, die heeft (1), zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben; maar die niet heeft, (2) dien zal ontnomen worden ook hetgeen hij heeft.quot; Onthoud die gelijkenis goed , mijne ziel, de dienaar, die zijn pond goed besteed had , heeft er nog tien andere bij gekregen, en

(1) (1. i. voordeel doet met hetgeen hij heeft.

(2) d. i. geen voordeel doet.

-ocr page 164-

DERDE SCHREDE

164

hij die het oü^ebruikt had gelaten, werd zelfs van dat eene pond berooid. Zoo zal ook met u gehandeld worden. Als gij uw talent, de genade, de inspraak, goed benuttigt, dan zal God weldra twintig , honderd, duizend andere in uw hart storten. Maar doet gij er geen voordeel mede, dan zal het weinige dat gij hebt u nog ontnomen worden. De genade eener inspraak is geljjk aan de bron van eene rivier. Aanvankelijk is deze slechts een beekje, waarover een kind kan heen springen. Maar wanneer dat beekje eenige provinciën doorloopen heeft, is het een stroom geworden , die groote vaartuigen draagt. De ingeving is slechts eene enkele genade ; maar het goede gebruik van die eene genade maakt dat zij gevolgd wordt door vele andere , tot eindelijk het hart er mede vervuld is. De H. Geest zegt van den heiligen man Job ; „Gij zult zoodanig toenemen , dat uwe eerste bezittingen slechts gering zullen zijn in vergelijking met de laatste, die onberekenbaar wezen zullenquot; Wij hebben daarvan een schoon voorbeeld in het leven van onzen Pater Ignatius Kuiz. Die groote dienaar Gods was begiftigd met eene buitengewone genade om heidenen tot bekeering te brengen ; hij had er ongeveer honderd duizend gedoopt; hij bezat de gave des gebeds in een zoo verheven graad , dat hij onophoudelijk met God vereenigd was; hij had eene zoo innige vereeniging met Jezus , met Maria en andere heiligen, dat hij zich bijna dagelijks in verschijningen zeer gemeenzaam met hen onderhield. En waardoor verwierf hij

-ocr page 165-

DERDE SCHREDE

dien overvloed van genaden ? Door de getrouwheid aan eene enkele inspraak. Eens had hij in toorn en zonder de absolutie af te wachten den biechtstoel verlaten , omdat de biechtvader hem streng berispt had; nadat hij bet besluit genomen had om nooit meer te biechten te gaan , hoorde hij in zijn binnenste eene stem die hem toeriep : „Ignatius, keer terug.quot; Hij gehoorzaamde , en verwierf door die daad van getrouwheid zoovele andere genaden.

2. De nauwgezetheid, waarmede men de goede inspraken in oefening brengt, leidt onfeilbaar tot heiligheid. Een der grootste en wonderbaarste geheimen der goddelijke Voorzienigheid is, dat dikwijls eene enkele inspraak , waaraan men gehoor geeft , gevolgd wordt door eene ontelbare menigte andere gunsten ; en dat daarentegen , eene enkele inspraak, die men verwaarloost, leidt tot het verlies van eene ontelbare menigte andere genaden , ja , tot het geheele verlies van de heiligheid. De profeet Daniël zag eens een steentje, dat van eene hooge rots naai\' beneden viel, daar groeide het aan tot het weldra een berg werd , die de gansche aarde vervulde en zijne kruin tot in de wolken verhief. Zoo schijnt eene ingeving in uw hart neergelegd u misschien slechts een steentje , uwer aandacht onwaardig. Maar, wie weet ? Wellicht zal volgens de eeuwige raadsbesluiten der goddelijke Voorzienigheid juist dat steentje langzamerhand aangroeien en een hooge berg worden, de berg der verhevenste heiligheid. Doorloop de levens der heiligen , gij zult er die

105

-ocr page 166-

DERDE SCHRF.DF.

groote waarheid duidelijk in zien uitsehijnen. Welke was do oorsprong van de bewonderenswaardige heiligheid , waartoe de Serafijnsche Vader , de Heilige Franciscus van Assisië , is opgeklommen ? Eene enkele inspraak. Hij had eens aan eenen bedelaar eene aalmoes geweigerd en gevoelde daarover eene hevige gewetensknaging. Hij betreurde toen zijnen misslag, ging den bedelaar opzoeken en schonk hem eene edelmoedige gift. Dit was het uitgangspunt der uitstekende heiligheid van dien bewonderenswaardigen man. Welke was de oorsprong der heiligheid, die het heelal verbaasd heeft in den H Antonius, abt? Nogmaals eene enkele inspraak. Immers , toen hij eens in de kerk hot Evangelie hoorde zingen, waarin Jezus ons aanspoort om alles te verlaten, gevoelde hij zich daartoe sterk aangedreven. Hij gaf gehoor . ging naar de woestijn en werd een wonder van heiligheid. O mijne ziel , welk een groote berg is dat steentje geworden! Welk eene heiligheid bracht eene enkele ingeving voort!

Onderrichting 111. Over den xreg der (joclclelijke en vevhorgene leidimj.

De derde weg, langs welken God de ziel tot eene volmaakte heiligheid en tot eene voortdurende vereeniging van haren wil met dien van God voert, is de goddelijke en verborgene leiding. Deze wordt leiding genoemd, omdat God langs dezen weg aan de ziel zijnen wil openbaart, welken zij met ootmoed aanbidden en waaraan zjj zich met eerbied onderwerpen moot. Men noemt dien weg goddelijke en verborgene leiding,

166

-ocr page 167-

DERDE SCHREDE

omdat God, wel is waar , zijnen wil te kennen geeft, maar dien tevens zoodanig in de geheime raadsbesluiten zijner oneindige wijsheid verbergt , dat Hij ons enkel eene blinde en nederige onder werping overlaat. Die weg voert ons gewoonlijk door kwelling, droefheid en tegenspoed ; maar het is juist daarom, dat hij de meest geschikte is , om ons tot do innigste vereeniging niet God te brengen Want door gestadig in ons den eigen wil te onderdrukken , brengt hij ons van lieverlede tot dien staat, waarin wij , gestorven niet alleen aan do schepselen, maar ook aan ons zelven , nergens vreugde of rust vinden , dan in den wil en het welbehagen van God. En ziedaar eigenlijk het doel van ons leven , de vrucht van al onzen arbeid, do ware en volmaakte heiligheid, de heerschappij welke Jezus Christus in onze harten wenscht te verkrijgen. Wel hem wien dit geluk ten deele valt!

Güond waak heden , welke uien op dezen ivei/ steeds voor den geest moet houden.

Onmogelijk is het, mijne ziel , op dezen weg zonder angstvalligheid of onstandvastigheid voort te gaan, indien gij u niet zeer diep doordringt van de volgende waarheden, en die niet onophoudelijk beschouwt, als zoovele regelen, volgens welke gij bij elke gelegenheid dient te handelen. Onze wil heeft twee gebreken: hij is blind en kan dus niets beminnen , dan wat de rede hem als goed en beminnenswaardig voorstelt ; hij is zwak , vreesachtig en onstandvastig, en , wanneer de rede hem niet fe hulp komt, door hem grond-

107

-ocr page 168-

derde schrede

grooto waarheid duidelijk in zien uitschijnen. Welke was do oorsprong van de bewonderenswaardige heiligheid , waartoe de Serafijhsche Vader , de Heilige Franeiscus van Assisië , is opgeklommen ? Eene enkele inspraak. Hij had eens aan eeneu bedelaar eene aalmoes geweigerd en gevoelde daarover eene hevige gewetensknaging. Hij betreurde toen zijnen misslag, ging den bedelaar opzoeken en schonk hem eene edelmoedige gift. Dit was het uitgangspunt der uitstekende heiligheid van dien bewonderenswaardigen man. Welke was de oorsprong der heiligheid , die het heelal verbaasd heeft in den H. Antonius, abt? Nogmaals eene enkele inspraak. Immers , toen hij eens in de kerk het Evangelie hoorde zingen , waarin Jezus ons aanspoort om alles te verlaten, gevoelde hij zich daartoe sterk aangedreven. Hij gaf gehoor , ging naar de woestijn en werd een wonder van heiligheid. O mijne ziel , welk een groote berg is dat steentje geworden! Welk eene heiligheid bracht eene enkele ingeving voort I

Onderrichting lil. Over den weg der goddelijke en verborgene leiding.

De derde weg, langs welken God de ziel tot eene volmaakte heiligheid en tot eene voortdurende vereeniging van haren wil met dien van God voert, is de goddelijke en verborgene leiding. Deze wordt leiding genoemd, omdat God langs dezen weg aan de ziel zijnen wil openbaart, welken zij met ootmoed aanbidden en waaraan zij zich met eerbied onderwerpen moet. Men noemt dien weg goddelijke en verborgene leiding,

166

-ocr page 169-

derde schrede

omdat God , wel is waar , zijnen wil te kennen geeft, maar dien tevens zoodanig in de geheime raadsbesluiten zijner oneindige wijsheid verbergt . dat Hij ons enkel eene blinde en n ederige onder ■ werping overlaat Die weg voert ons gewoonlijk door kwelling, droefheid en tegenspoed; maar het is juist daarom , dat hij de meest geschikte is , om ons tot de innigste vereeniging met God te brengen Want door gestadig in ons don eigen wil te onderdrukken , brengt hij ons van lieverlede tot dien staat, waarin wij , gestorven niet alleen aan de schepselen, maar ook aan ons zeiven , nergens vreugde of rust vinden , dan in den wil en het welbehagen van God. En ziedaar \'eigenlijk liet doel van ons leven , de vrucht van al onzen arbeid, do ware en volmaakte heiligheid , de heerschappij welke Jezus Christus in onze harten wenscht te verkrijgen. Wel hem wien dit geluk ten deele valt!

Grondwaarheden , welke men op dezen iveij steeds voor den ffeest moet houden.

Onmogelijk is het, mijne ziel , op dezen weg zonder angstvalligheid of onstandvastigheid voort te gaan , indien gij u niet zeer diep doordringt van de volgende waarheden, en die niet onop-houdeljk beschouwt, als zoovele regelen, volgens welke gij bij elke gelegenheid dient te handelen. Onze wil heeft twee gebreken : hij is blind en kan dus niets beminnen , dan wat de rede hem als goed en beminnenswaardig voorstelt ; hij is zwak, vreesachtig en onstandvastig, en, wanneer de rede hem niet te hulp komt, door hem grond-

107

-ocr page 170-

derde schrede

waarheden voor te houden, dan bezwijkt hij en quot;wijkt hij af\' van zijn doel.

Ik stel u dus de navolgende grondwaarheden voor; overweeg die dikwijls en tracht bjj elke gelegenheid u die te herinneren, teneinde u op te wekken en zoo de zwakheid en onstandvastigheid van uwen wil te gemoet te komen.

Eerste Waarheid. Alle gebeurtenissen, groote en kleine , goede en kwade , aangename en onaangename , in een woord ; alles wat voorvalt in het gansche heelal, zijn óf\' bevolen óf toegelaten door den oneindig goeden God. Twee soorten van voorvallen hebben op de wereld plaats; de eene geschieden zonder eenig boos opzet, zonder eenige zonden van den kant der men-schen, bij voorbeeld lichamelijke ziekte of pijn. De andere zijn het gevolg van boosaardigheid en zonde , bij voorbeeld ; beleedigingen , leugen en laster. Wat de eerste betreft, de H. Geest leert ons uitdrukkelijk, dat het louter bevelen van God zijn. De wijze man zegt: „Het goede en het kwade , het leven en de dood , armoede en rijkdom , komt van God.quot; (1) Alles komt van God ; Hij beveelt alles, alles geschiedt volgens zijnen heiligen wil en zijn welbehagen. Hij bewijst die waarheid door een voorbeeld, dat van den tegenspoed eertijds door de stad Samaria ondervonden. Hij zegt; zou er nu door een zoo groot aantal inwoners een enkele smart, eene ellende, eene droefheid of armoede , eene bespotting of verach-

(1) Eccli XI: 14.

168

-ocr page 171-

DERDE SCHREDE

ting, een verdriet of een ramp geleden zijn die niet van God kwam? Neen, geene enkele is er onder al die beproevingen , of zij komt van Hem.

Niets geschiedt in het gansche heelal zonder Gods toelating. Zonder zijnen uitdrukkelijken wil verliest geene musch een veertje, wordt geen visch in het net gevangen , geen wild door het schot des jagers getroffen ; zonder dien wil , treft geen mensch eenig ongeval. Alles wat ons overkomt , zonder eenige uitzondering , is door God overgezonden en geschiedt door eene beschikking van zijnen allerheiligsten wil.

Wat de gebeurtenissen betreft en den tegenspoed , die een gevolg zijn van de zonde en van de boosheid der menschen, deze worden door God toegelaten. Maar hier doet zich een gewichtige twijfel op: God is de heiligheid zelve, hoe kunnen dan de rampen , die een gevolg van de boosheid der menschen zijn , beschouwd worden als beschikkingen van Gods heiligen Wil ? Ik zal mij niet ophouden bij de duistere uitleggingen hieromtrent door de godgeleerden gegeven. Luister , mijne ziel, en vergeet nooit, wat ik u ga zeggen. De zonde welke onze evenmensch bedrijft en het kruis dat daaruit voor u volgt, zijn twee geheel onderscheidene zaken. De daad door uwen evennaaste uit boosheid bedreven is eene zonde, maar het kruis , dat daaruit voor u volgt, is volstrekt geene zonde. Beschouwen wij dit in Jezus Christus zeiven : toen Pilatus Jezus Christus ter dood veroordeelde , beging hij eene zonde. Maar de dood , welke Jezus Christus moest onderdaan

O y

169

-ocr page 172-

DERDE SC\'HlïEDE

was niet alleen geene zonde, maar was het grootste en verhevenste otter, waardoor de gansche wereld verlost werd.

Passen wij dien grondregel op ons zei ven toe. Als iemand u belastert, zondigt hij; want hij misdoet tegen de liefde en tegen de rechtvaardigheid. Maar het gevoel van verootmoediging , waarmede gij dien smaad verdraagt, is niet alleen geene zonde, maar eene der verhevenste oefeningen van deugd welke gij doen kunt. Indien gij deze waarheid inziet, mijne ziel, kunt gjj verder gaan : God is de oneindige heiligheid en kan dus nooit de bewerker der zonde zijn; maar Hij kan dc zonde toelaten , omdat Hij wil , dat de mensch vrij blijve. Zie nu eens, telkens wanneer er eene zonde begaan wordt , die u eenig leed veroorzaakt , zijn daarin twee zaken op te merken ; vooreerst eene toelating van God, want de zonde bevelen of willen kan Hij niet. Overkomt u daardoor een kruis, dan geschiedt dit door eene voorbedachte schikking van God; want Hij wil , dat gij tot verheerlijking van zijnen naam en tot heil uwer ziel dit kruis zult dragen. Laten wij dit door voorbeelden ophelderen. Iemand geeft u in toorn eenen slag in het aangezicht. Die beleediging u aangedaan , is eene zonde , die door God slechts wordt toegelaten; maar de pijn en het ongenoegen, welke gij gevoelt, is eene bepaalde schikking van God ; want Hij wil , dat Gij die ter zijner liefde met zachtmoedigheid verdraagt. Luister naar de woorden van Gods Zoon: „Indien iemand u op ■de rechterwang slaat, bied hem ook de linker

ITO

-ocr page 173-

derde schrede

aanquot;. (1) Het kan gebeuren, dat men u onrechtvaardig vervolgt, dat men u in ellende dompelt. Die onrechtvaardige vervolging is zonde, en God laat die toe. Maar de ramp , die er voor u uit volgt, is door God gewild : want Hij eischt niet alleen, dat gij uw lot geduldig draagt, maar bovendien, dat gij bidt voor hen die er de bewerkers van zijn. Zijn gebod luidt: „Bemint\'uwe vjjanden, doet wel aan die u haten, en bidt voor hen , die u vervolgen en lasterenquot;.

Tweede Waarheid. Alle gebeurtenissen , die over de gansche wereld plants hebben, groote en geringe, goede en kwade, aangename en droevige, zijn schikkingen of toelatingen van eenen oneindig liefderijken God. God is oneindig goed en liefderijk : ja, Hij is de goedheid en de liefde zelve; bijgevolg is het onmogelijk, mijne ziel, dat Hij u iets . wat het ook zijn moge , beveelt , dat niet strekken zou tot uwen geestelijken voortgang; zelfs , dat niet in de tegenwoordige omstandigheden , het allerbeste voor u zou zijn , mits gij u niet tegen zijne leiding verzet en n met eene blinde gehoorzaamheid laat besturen en geleiden. Wilt gij nu weten , waartoe die goddelijke beschikkingen dienen , dan zal ik u zeggen dat zij een tweevoudig doel hebben :

171

1. De ziel te zuiveren , haar van alle ongeregelde neigingen te ontdoen en haar in staat te stellen , om met al hare genegenheden te streven naar God alleen, haar eenig doel en hoogste goed.

(1) Matth. 5.

-ocr page 174-

DERDE SCHREDE

Een beeldhouwer , die een prachtig standbeeld wil beitelen, hamert en kapt onophoudelijk en meedoogenloos den steen, dien hij tot dat doel heeft uitgekozen. Eerst gebruikt hij de bijl om den steen van de grofste deelen te ontdoen ; vervolgens neemt hij den beitel en begint eenigen vorm aan het beeld te geven ; eindelijk bedient hij zich van steeds kleinere en fijnere werktuigen, beitelt en arbeidt, tot het beeld de vereischte gedaante en al de schoonheid heeft verkregen, die het volgens de regelen der kunst hebben moet. Zoo handelt God ook ten opzichte der door Hem uitverkorene ziel. Aanvankelijk geleidt Hij haar langs den strengen weg der boetvaardigheid om haar van de zonden te onthechten; vervolgens zuivert Hij haar van alle verkeerde neigingen en van de gehechtheid aan de schepselen. Eindelijk reinigt Plij haar als het goud in den smeltkroes , door de berooving van alle vertroostingen en voldoeningen , door allerlei kwellingen en smarten r tot Hij haar die zuiverheid , die schoonheid heeft doen bekomen, welke niets meer in haar overlaat , dat aan zijn oneindig heilig oog mishaagt. Zie, mijne ziel, hoe schoon, verheven en overeenkomstig met uw welzijn de inzichten van God zijn in al zijne beschikkingen.

2. De ziel te bereiden tot de volmaaktste liefde en tot de innigste vereeniging met Hem. God is niet alleen de oneindige goedheid , Hij is ook de grenzelooze milddadigheid , en Hij heeft eene on-verzadelijke begeerte om ons tot volmaaktheid te brengen en in ons zoo vele stralen zijner God-

172

-ocr page 175-

DERDE SCHREDE

173

heid in te drukken als wij in staat zijn te ontvangen. Van den kant van God heeft die begeerte geene grenzen; Hjj verlangt van ons de volmaaktste liefde, de innigste vereeniging den gemeenzaamsten omgang; en niet alleen gevoelt Hij d ie begeerte , maar Hij werkt ten allen tijde om ze te verwezenlijken. Dit is het dool van alle moeielijkheden , die Hij ons overzendt , van alles wat Hij te onzen opzichte beschikt. Indien wij geenen hardnekkigen weerstand bieden aan die heilige inzichten , en als wij ons bij elke gelegenheid nederig onderwerpen aan zijnen heiligen Wil, dan zal Hij ons dagelijks nader brengen tot dien staat; Hjj zal dat werk onvermoeid voortzetten tot Hij zijn doel heeft bereikt. Zie , mijne ziel , op die wijze moet gij allen tegenspoed beschouwen. Gij moet dien aanzien als beschikkingen van eenen almachtigen God, zonder wiens wil niemand op geheel de wereld u het minste kwaad zou kunnen berokkenen ; als d^ bevelen van eenen oneindig liefdevollen God , die in alles enkel uw geluk beoogt. Geef u over aan eenen zoo goeden God, werp u in zijne armen, laat Hem met u doen wat Hem goed dunkt. Kooit zult gij beter voor u zeiven zorgen dan wanneer gij u aan God alleen overgeeft.

-ocr page 176-

de1ïde schrede

Over tie wijze «aaroi» men den tegenspoed moet

verdragen eti over dft heilige verznelilingen, waartoe men in die inoeielijke oogenblik-ken zijne toevlucht behoort te nemen.

Als gij de kwellingen op oene volmaakte wijze wilt verdragen , mijne ziel , en als gij in tegenspoed uwen wil met dien van God vereenigd wenseht te lioudcn , moot gij twee zaken in acht nemen :

1. Moet gij zekere waarheden diep in uw hart prenten, om u die tijdens den tegenspoed te herinneren , en alzoo uwe ziel te versterken en te bemoedigen in haar besluit om zich geheel aan God over te geven.

2. Moet gij eenen voorraad van heilige verzuchtingen opdoen, om u tijdens den tegenspoed daarvan dikwijls en met vurigheid te bedienen, ten einde alzoo werkelijk die overgave aan God in beoefening te brengen. Ik zal u eenige van die waarheden en van die verzuchtingen opgeven.

Eerste Waarheid. God is de eindelooze barmhartigheid en Hij zendt mij oneindig minder te lijden over, dan ik verdiend heb. Ik heb gezondigd en de hel verdiend. O , wat is de hel een afgrijselijk verblijf! liet is eene gevangenis van vuur, waar de smarten eeuwig zijn en waaruit geene verlossing mogelijk is. Welnu, ik heb verdiend in die plaats van folteringen nederge-stort te worden. Wat ben ik dan eene ondank-

174

-ocr page 177-

dbkdb schrede

bare ziel , wanneer ik zoo weinig wil lijden uit liefde tot God, die mij uit barmhartigheid van het eeuwig vuur bevrijd heeft.

Gevoelens. O mijn God , ik heb gezondigd en de hel verdiend ; alleen aan uwe overvloedige barmhartigheid heb ik het te danken , dat ik op dit ongenbiik niet brand in die afgrijselijke vlammen. O , van ganseher harte wil ik mijn tegenwoordig kruis dragen om u mijne dankbaarheid te bewijzen. Doe dus met mij , o mijn God, al wat Gij wilt, zend mij zoo vele kwellingen als Gij goedvindt. Alle lijden van deze wereld is oneindig minder dan hetgeen ik door mijne zonden verdiend heb.

Tweede Waarheid. God is het hoogste en eenige goed ; Hij zou van mij kunnen eischen, dat ik te zijner liefde zoo veel lijd , als Hij uit liefde tot mij geleden heeft. Maar wat heeft God uit liefde tot ons geleden ? O afgrond ! o buitensporige goedheid! Hij leed de wreedste smarten in zijn lichaam , de grofste versmadingen in zijne eer, de hevigste droefheid en de uiterste verlatenheid in zijne ziel , en dat alles tot in den dood , ja , tot in den dood aan het kruis. Hat alles kan God met het volste recht van mij eischen, en zelfs indien ik al die smarten uit liefde tot Hem verduurde , dan nog zoude er niet de minste gelijkheid zijn tusschen zijn lijden en het mijne. Een enkele druppel van het bloed, dat Jezus uit liefde tot mij gestort heeft, is oneindig kostbaarder dan duizend levens , indien ik die konde geven.

175

-ocr page 178-

derde schrede

Gevoelens. O Jezus, mijn Heer en mijn God, wat hebt gij niet verduurd uit liefde tot mij ! Gij leed de wreedste smarten, de onrechtvaardigste verguizingen, de uiterste verlatenheid, den pohandelijksten dood ! Dat alles hebt Gij voor mij geleden! En ik , wat heb ik geleden uit liefde iot U? Helaas! niets, mijn Jezus! Welnu, ik wil dan het kruis opnemen , dat Gij mij aanbiedt, en met vreugde wil ik het te uwer liefde dragen.

Derde quot;Waarheid. God is het eenige en hoogste goed , wiens minste eer en welbehagen hooger geschat moeten worden dan de zaligheid der engelen en menschen te zamen. Bijgevolg, wanneer het tot meerder verheerlijking van zijnen Naarn zoude strekken dat hemel en aarde , engelen en menschen, dat alle schepselen in een oogwenk vernietigd werden , dan zouden allen zich zonder morren aan die vernietiging moeten onderwerpen.

Met hoeveel meer recht moet ik dan Gods heiligen Wil aanbidden , als Hij mij , tot zijne verheerlijking , een kruisje overzendt.

Gevoelens. O mijn God en mijn Al ! Gij zijt het eenige en hoogste goed, de eenige oorsprong van alle goed. Al wat ik ooit tot uwe eer en uit liefde tot U zoude kunnen lijden , is oneindig minder dan wat Gij verdient. Ik zal dus alles doen , wat ik vermag. Zie , mijn Jezus , ik geef mij geheel aan U over, en als een slachtoffer aan uwe goddelijke liefde opgedragen, wil ik alles-doen en lijden wat Gij wilt.

Viebde Waarheid. Alle tegenspoed, welken God mij overzendt, is een louter uitwerksel zijner

176

-ocr page 179-

DERDE SCHREDE

liefde en oneindige goedheid. Ja , mijn God , ik geloof dit en wil gaarne alles lijden , wat ik volgens uwen heiligen wil lijden moet. Ik ben bereid aanstonds alles te doen , wat Gij beveelt. Ik wil het goede en het kwade , het zoete en het bittere, het aangename en het droevige als een onderpand van liefde uit uwe hand aannemen en in dat alles U loven en zegenen. Geef mij slechts de genade van U op de volmaaktste wijze te kunnen beminnen. Deze en andere dergelijke waarheden moet gjj u tijdens de kwellingen herinneren , mijne ziel, gij moet vurige verzuchtingen tot God opzenden en de moeielijkheden met de meest volkomene onderwerping aan zijnen heiligen wil verduren , tot gij dien gelukkigen staat bereikt hebt, waartoe eene godvruchtige maagd gekomen was , van wie Blosius het volgende verhaalt:

Die heilige ziel werd door zoo hevige inwendige smarten gefolterd, dat het haar voorkwam als verduurde zij de pijnen der hel. Te midden dier beproevingen wendde zij zich tot God en sprak : „Mijn allerliefste Jezus , gedenk toch , dat ik uw arm schepsel ben , en dat Gij mijn God en Schepper zijt. Zie, ik onderwerp mij aan uw aller-rechtvaardigst oordeel , en ik geef mij over aan uwen allerheiligsten wil ; ik ben bereid de pijnen der hel te verduren, zoo lang Gij zult willen. Doe met mij al wat U behaagt, nu en gedurende de gansche eeuwigheid.quot; Nauwelijks had zij die woorden gesproken , of God overlaadde haar met zijne hemelsche vertroostingen.

177

-ocr page 180-

DERDE SCHREDE

DERDE HOOFDSTUK.

Godvruchtige wijze om aan Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament, die volmaakte en voortdurende vereeniging van onzen wil met den zijnen te vragen.

De volmaakte en voortdurende vereeniging van onzen Wil met dien van God , is de grootste ge-genade , welke God ons kan bewijzen, mijne ziel, want zij bevat alles wat ons heilig en gelukkig kan maken. Het is dus onze zaak te trachten die zoo groote gunst van Jezus te verwerven. Om dat doel te bereiken , moeten wij ons onophoudelijk oefenen in die volmaakte overgave op de wijze , zooals gezegd is , en die onophoudelijk vragen, vooral wanneer wij Jezus in het allerheiligste Sacrament ontvangen. Want gij moet weten , mjjne ziel , dat, volgens het gevoelen van alle leeraars van het geestelijk leven, de volmaakte vereeniging va Ti onzen wil met dien van God niet alleen de voornaamste vrucht is van dit goddelijk Sacrament, maar ook het voorname doel, waartoe Jezus het heeft ingesteld. Ik zal u spreken over de milddadigheid van dien goddelijken Zaligmaker in het allerheiligste Sacrament , zoowel om u op te wekken tot een levendig verlangen om naar die vereeniging te streven, als om u een vast vertrouwen ir. te boezemen van die te verkrijgen.

178

-ocr page 181-

DERDE SCHREDE

§ t.

Jezus g^eft ons in het allerheiligste Sacrament al wat Hij heeft.

Hef uwe oogen op , mijne ziel, aanschouw het allerheiligste Sacrament, beschouw het niet met de oogen des lichaams , maar volgens de onfeilbare waarheden des geloofs, en bedenk welke onmetelijke schatten, welke rijkdommen in dat heilig Sacrament verborgen zijn.

1. In het allerheiligste Sacyament is verborgen het Bloed van Jezus Christus. Daar bevindt zich dat bloed , hetwelk Hij vergoten heeft bij zijnen doodstrijd in den Olijfhof, onder de wreede slagen der geeseling , uit de wonden , gemaakt door de scherpe doornen der kroning, bij het doornagelen zijner handen en voeten in de kruisiging. Daar bevindt zich dat bloed, hetwelk vóór den dood des Verlossers uit geheel zijn lichaam , en na zijnen dood uit zijn doorboord hart vloeiden. In één woord, daar bevindt zich al het bloed, dat Jezus voor u vergoten heeft. O welk een oneindige schat! Een enkele druppel van dat bloed zoude voldoende zijn om tallooze zonden uit te wisschen , om genaden zonder tal over ons te doen afdalen , om alle verkeerde neigingen uit onze harten te rukken en om van ieder onzer in één oogenblik , een serafijn van liefde te maken.

2. In dit allerheiligste Sacrament is verborgen het zoo liefdevolle Hart van Jezus. Daar vindt gij dat liefdevolle Hart, hetwelk in den Olijfhof zich aanbood om te sterven uit liefde tot u ; dat weldoende Hart, dat uit liefde tot ons zijn leven

179

-ocr page 182-

DERDE SCHREDE

gaf\' op het kruishout; dat milddadige Hart , dat zelfs na den dood zich nog liet doorboren , om , uit liefde tot u, de laatste droppelen van zijn bloed te storten; dat edelmoedige en oprechte Hart, hetwelk niets zoo vurig verlangt, als u te beminnen en altijd door u bemind te worden.

3. In het allerheiligste Sacrament is verborgen het heilig Lichaam van Jezus Christus. Daar bevinden zich die medelijdende oogen, welke zoo vele tranen voor u gestort hebben; die beminnelijke mond, welke uit liefde tot u zoovele verzuchtingen ten Hemel heeft gezonden; die heilige voeten, die zoovele bergen en dalen doorkruist hebben, om u, verloren schaap, te zoeken; die eerbiedwaardige armen, uitgestrekt op het kruis , die koninklijke schouders , en al die voor «u verscheurde ledematen.

4. Li het allerheiligste Sacrament is verborgen de Ziel van Jezus Christus. Gij vindt daar die barmhartige ziel, die, ter wille van eenige tranen, aan do zondares Magdalena deel gaf in zijne liefde; die edelmoedige ziel, welke om eene enkele goede begeerte van den tollenaar Zacheus eenen grooten heilige maakte; die weldoende ziel, welke den berouwvollen moordenaar opnam in het Paradijs; die grootmoedige ziel , welke aan het kruis den Hemel om genade smeekte voor snoode vervolgers.

5. In het allerheiligste Sacrament is verborgen de godheid van Jezus Christus. Daar is verbergen die oneindige macht , welke hemel en aarde van niets gemaakt heeft; die oneindige schoonheid, wier aanschouwing alleen gedurende de gaheele eeuwigheid de zaligheid der uitverkorenen zal

180

-ocr page 183-

DERDE SCHREDE

uitmaken; die grenzelooze goedheid , welke om ééne enkele verzuchting de grootste zondaren in genade aanneemt; die oneindige milddadigheid , welke geene andere vreugde kent, dan die van ons zijne genaden overvloedig mede te deelen. O mijne ziel, welke wondervolle waarheden leert ons het geloof! Dat alles is verborgen in het allerheiligste Sacrament en dat alles wordt ons door Jezus geschonken. Wat blijft Jezus nog te geven over , wanneer w\'ij dit verheven Sacrament ontvangen ? Niets meer, zegt de H. Augusti-nus; God is, dit zegt hij woordelijk , God is de onbeperkte macht en nochtans kan Hij u niets meer geven ; Hij is de oneindige wijsheid , en toch kan Hij niets grooters uitdenken ; God is de onuitputteljjke overvloed , en toch heeft Hij u niets meer te geven.quot; Wee ons , mijne ziel, wee ons , ondankbaren , indien wij van onzen kant,

niet alles aan Jezus schenken !

§ «.

Jezus geeft in liet allerheiligste Sacrament ons alles op de minzaamste wijze.

Mijne ziel, indien gij eens voor goed , de onuitsprekelijke gevoelens der zoo teedere liefde kondet beselfen , waarmede Jezus zich aan ons geeft in het allerheiligste Sacrament, zoudet gij daarin wonderen ontdekken , zoo buitengewoon , dat zij niet alleen de aarde, maar zelfs den hemel verbaasd doen staan. Eenige daarvan stel ik u ter overweging voor.

1. De genade, welke Jezus ons in het heilig

181

-ocr page 184-

DERDE SCHREDE

Sacrament geeft, overtreft alle wonderen , al de teederste liefdebewijzen, met welke hij gedurende zijn sterfelijk leven de menschen heeft begunstigd. Het is waar , de teedere liefde , welke Jezus aan eenige personen , met wie Hij op aarde omging , bewezen heeft, waren zoovele wonderen eener oneindige goedheid. Hij trad in het huis van Zacheus, en at aan zijne tafel. Hij stond aan Magdalena toe zijne voeten te kussen en onderhield zich minzaam met haar. Hij liet Joannes op zjjnen boezem rusten en overlaadde hem niet hemelsehe liefkozingen. Wat teedere liefdeblijken schonk Hij overigens tijdens zijne kindsheid aan zijne heilige Moeder en aan zijnen Voedstervader. Hun was het geoorloofd het goddelijke kind te omhelzen, te kussen , het aan hun hart te drukken en alles te doen wat de liefde aan een moederhart ingeeft. Ziedaar zoovele wonderen van liefde! Maar wat zijn zij vergeleken met de teederheid waarmede Jezus tegenwoordig blijft in het heilig Sacrament ? Hij laat zich daar niet slechts omhelzen, maar Hij komt in ons, Hjj neemt zijnen intrek in ons hart en vereenigt zich met ons op eene wijze, zoo onverklaarbaar , dat niemand dan God alleen die kan uitdenken.

2. De gunst, die Jezus ons bewijst in het allerheiligste Sacrament, overtreft alle genaden , en al de blijken van teedere liefde, welke Hij ooit aan eenigen Heilige op aarde bewezen heeft. Nooit is er iemand gevonden, nooit zal er iemand gevonden worden, door wien een enkel liefde-bewijs werd uitgedacht, dat in vergelijking kan komen met de gunst welke ons in dit Sacrament

182

-ocr page 185-

derde schrede

wordt geschonken; neen, zelfs niet door Jezus zeiven die zoovele teedere liefdebewijzen uitvond.

Toch heeft Hij aan den H. Stanislaus Kostka een bewijs van liefde gegeven, dat de verhe-venste vorsten van het hemelhof hem hadden kunnen benijden. Toen die jeugdige heilige eens ziek was verscheen hem de H. Maagd, en gaf hem haar goddelijk kind in de armen. Hij nam het, drukte het aan zijn hart en liefkoosde het zoo lang , dat hij bijna van liefde bezweek. Yer-onderstellen wij dat de H. Maagd u diezelfde gunst bewees , en u het kind Jezus in de armen gaf. O welk eene gunst zoude het niet zijn het kind Jezus, al was het ook maar eenmaal, te mogen aanschouwen, omhelzen en liefkozen! Eene gunst, die men ten koste van zijn bloed en zijn leven zou moeten koopen I

En wat ware toch die gunst, vergeleken met de liefde , welke Jezus ons betoont in het allerheiligste Sacrament ? Zoodra gij dit heilig Sacrament ontvangen hebt, is Jezus in u , en gij zijt in Jezus. Jezus leeft in u , en gij leeft in Hem.

Maar, mijne ziel, als Jezus ons zoo vurig bemint , dat Hij zich aan ons geeft, en wel op eene zoo onuitsprekelijke wijze , hoe groot moet dan niet ons vertrouwen zijn! Ga dan tot Hem en vraag Hem de genade, over welke wij gesproken hebben , namelijk : de volmaaktste vereeniging van uwen wil met den zijnen, en geloof vastelijk, dat Hij u die niet zal, zelfs niet kan weigeren.

Gevoelens. Beschouw, mijne ziel, Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament. Hij verblijft daar met zijn lichaam en zijne ziel, met zijne

183

-ocr page 186-

DERDE SCHREDE

Godheid en zijne mensehheid, met geheel zijne heerlijkheid en grootheid, vol verlangen om u met zijne gunsten te overladen en zich met u te vereenigen; stel u voor, dat Hij u toespreekt met de woorden : „Mijn zoon , mijne dochter, geef Mij uw hart.quot; Wek daarna met al de vurigheid waartoe gij in staat zijt, de volgende gevoelens in u op.

Vóór de H. Cciiimnnie.

1. Verwek eene akte van levendig geloof omtrent alles wat dit Sacrament bevat.

O Jezus , mijn Pleer en mijn God , welke verbazende wonderen en welke onmetelijke schatten verbergt Ge in dit goddelijk Sacrament. Daar bevindt zich uw goddelijk bloed uit liefde tot mij aan het kruis vergoten. Daar bevindt zich uw zoo beminnend hart, dat zich uit liefde tot mij heeft geslachtofferd. Daar bevindt zich uw allerheiligst lichaam , dat Gij uit liefde tot mij aan alle foke-ringen hebt prijs gegeven. Daar bevindt zich ciie gezegende ziel , die uit liefde tot mij zooveel smart en droefheid heeft verduurd. Daar is verborgen uwe allerheiligste Godheid , die alle volmaaktheden in zich bevat. Dat alles is verborgen in het allerheiligste Sacrament, en wordt door mij ontvangen in de H. Communie. Ik geloof dit, o Jezus, omdat Gij , de eeuwige en onfeilbare waarheid , het gezegd hebt.

2. Loof en prijs Jezus uit geheel uw hart, omdat Hij ons dit liefdegeheim geschonken heeft.

Voor die eindelooze goedheid en liefde loof en prijs ik U , o Jezus, met dien ijver en die vurig-

184

-ocr page 187-

DERDE SCHREDE

heid , waarmede Gij uwen Hemel sehen Vader geloofd en geprezen hebt.

Verzaak vervolgens aan allen eigen wil , en draag U als een brandoffer op aan den allerheiligsten wil van Jezus Christus.

Maar ik wil mij niet enkel bij woorden bepalen, mijn Jezus; Gij geeft mij in het allerheiligste Sacrament al wat Gij hebt; ik ook, ik wil U alles geven wat ik bezit; en wijl hij ü alles geeft, die U zijn hart en zijnen wil schenkt, geef ik ze U van dit oogenblik af. Ik erken geen anderen wil meer dan den uwen ; o , wat kan ik beter doen ? Volgens uwen wil leven is de uitstekendste heiligheid ; uwen wil volbrengen , is de verheven-ste waardigheid; zich aan uwen wil hechten is het eeuwige leven en met uwen wil vereenigd zijn, is de hoogste zaligheid. Neem dan mijnen wil, o beminnelijke Jezus , en bind hem zoo vast aan den uwen , dat beide slechts één wil uitmaken.

Neem ook van nu af goedwillig alles aan wat \' de goddelijke wil voor u zal beschikken. Begeerig naar die volmaakte overgave, o mijn Jezus, aanbid ik van nu af alles wat uw goddelijke wil van alle eeuwigheid voor mij bestemd heeft, uwe bevelen , o Jezus, zijn altijd oneindig rechtvaardig, wijs en heilig. Ik verlang mij daaraan zoo volkomen te onderwerpen , als het slijk U onderworpen was, waarvan Gij den eersten mensch gemaakt hebt. Doe wat Gij wilt met mij en met al wat mij aangaat. Handel naar uw welbehagen met mijne eer, met mijn lichaam, met mijne ziel, met mijne gezondheid, met mijn leven. Ik doe afstand van alle zorg voor mij zeiven,

IBS\'

-ocr page 188-

DERDE SCHREDE

en laat alles ter beschikking van uwen allerheiligsten wil.

Wek u eindelijk op tot eene diepe nederigheid, en leg aan God uwe zwakheid en onstandvastigheid bloot.

Maar hiertoe, o mijn God, heb ik behoefte aan eene geheel bijzondere genade. Ik ken mijne zwakheid , waardoor ik buiten staat ben om het kruis en den tegenspoed langen tijd te verdragen. Ik ken mijne onstandvastigheid, die mij belet een tijd lang getrouw te blijven aan mijne goede voornemens. Ik ken de kracht mijner kwade neigingen , die mij zoo spoedig van het goede aftrekken. Waar kan ik in dezen toestand hulp vinden, tenzij in uwe goedheid en barmhartigheid ? Sla dan uwe vaderlijke blikken op mij , o beminnelijkste Jezus! Wees mijne sterkte in de zwakheid en mijne overwinning in de bekoringen.

Draag Hem nog de heilige Communie op , en smeek Hem u de genade te geven van tot het einde in die overgave te volharden. Ik weet wel is • waar , dat ik eene zoo groote gunst niet verdien, o mjjn Jezus; niettemin hoop ik stellig , die te verkrijgen, omdat Gij U gewaardigt heden in mijn hart te komen. Gij geeft mij heden zonder eenig voorbehoud, al wat Gij zijt en al wat Gij bezit: ik neem dit aan als een eigendom, waarmede Gij mij begiftigt; ik bied het U aan, en smeek U nederig mij de genade eener volmaakte en standvastige ver-eeniging van mijnen wil met den uwen te schenken. Met deze begeerte en in die hoop nader ik tot de H. Tafel. Kom, o mijn Jezus, en treed binnen in mijn arm hart. Kom , o mijn Jezus , kom !

186

-ocr page 189-

DERDE SCHREDE

Na de H. Communie.

Beschouw Jezus, in u tegenwoordig, en wek u op : 1. Tot een diepen ootmoed en eene onbeperkte dankbaarheid. O mijn Jezus , eenig en hoogste goed. Welken lof en dank ben ik u niet verschuldigd, omdat Gij u gewaardigd hebt tot mij te komen ! J mmers , wie ben ik ? En hoedanig is mijn hart? Ik ben een zondaar, en mijn hart is een afgrond van ellenden, een afgrond van kwade neigingen, van ongeregelde driften, van ongetrouwheden aan uwe goddelijke inspraken, van ondankbaarheid voor uwe tallooze weldaden. En in dat hart, o Jezus , hebt Gij uwen intrek willen nemen. Ik erken die uitstekende goedheid en barmhartigheid , o beminnelijke Jezus, ik loof en prijs ü daarvoor uit al de kracht mijner ziel.

2. Een volmaakt berouw over uwe zonden.

Daar ik thans uwe tegenwoordigheid in mij mag genieten , zal ik doen , wat de heilige Mag-dalena deed , die zich aan uwe voeten ncderwierp en hare zonden beweende. Ik hoop , dat Gjj mij eene dergelijke gunst zult bewijzen, dat Gij mijne zonden uitwisschen, en van mijn hart een verblijf zult maken, uwer oneindige Majesteit waardig. Zie, mijn Jezus, al mijne zonden, al mijne kwade neigingen , mijne ongetrouwheden , mijne ondankbaarheden , al wat Gij in mijn hart ontwaart, haat en verfoei ik voor altijd.

Helaas! mijn Jezus, ontferm U mijner, vergeef mij , volgens de grootheid uwer barmhartigheid , al mijne zonden en geef dat mijn hart rein en vlekkeloos in uwe oogen zij.

lïM

-ocr page 190-

DERDE SCHREDE

Verwek vervolgens :

1. Eene vurige akte van liefde tot Jezus. Dat het mij nu geoorloofd zij , mijn Jezus , mijn hart geheel en al te verbergen in het uwe en mij op de innigste wijze met U te vereenigen. Gij zijt het eenige en opperste goed , dat alle schepselen verplicht zijn eenig en eeuwig te beminnen. Ik bemin U dan, oneindig Wezen, zooveel als mijn hart in staat is U te beminnen. Ik bemin U boven engelen en menschen , meer dan mijn lichaam en mijne ziel, meer dan alle tijdelijk en eeuwig geluk. Ik verheug mij over die majesteit en dat grenzeloos geluk , welke gij van alle eeuwigheid bezit. Ik verlang uit geheel mijn hart, dat alle menschen U kennen en beminnen , zooveel als alle engelen en heiligen te zamen.

2. Geef u geheel en zonder uitzondering aan zijnen heiligen wil over. In die liefde , o Jezus, mijn opperheer en mijn God , geef ik mij geheel en volkomen aan U, als een brandoffer van uwen wil , en roep van ganscher harte uit: Dat uw wil geschiede, o Jezus, mijn Heer en mijn God; dat uw wil volbracht worde , met betrekking tot mijn lichaam. Wilt Gij , dat ik gezond zij , ik wil het ook; wilt Gij , dat ik mijn leven door-brenge in ziekte en lijden , ik wil het ook. Dat uw wil geschiede in mijne ziel , o Jezus. Wilt Gij , dat ik licht en vertroosting geniete , ik wil het ook. Wilt Gij dat ik in droefheid en verlatenheid zij ; ik wil hetzelfde. Dat uw7 wil gezegend zij ! Dat uw wil geschiede , o Jezus , ten opzichte van mijn leven. Wilt Gjj dat men mij tot nederige bezigheden gebruike , ik wil zulks ook.

-ocr page 191-

DERDE SCHREDE

Wilt Gij , dat men mij eene eervolle bediening geve , dan wil ik het insgelijks. Uw wil zij geprezen ! Dat hij geschiede , o Jezus , ten opzichte van alle menschen , met wie ik te doen heb. Wilt Gij, dat ik een hart aantrefte, dat mij eene oprechte liefde toedraagt, bij hetwelk ik troost en hulp vind ; ik wil het ook. Wilt Gij dat ik van iedereen verlaten zij , dan wil ik zulks insgelijks. Uw wil zij geloofd, hij geschiede in leven en dood. Wilt Gij , dat ik langer leve, ik wil het ook; wilt Gij , dat ik onder kruisen bezwijke , ik wil het eveneens. Uw wil geschiede , o Jezus , voor tijd en eeuwigheid , en zulks eeniglijk, omdat het uw wil is , die waardig is, door engelen en menschen aanbeden , bemind en volbracht te worden.

Wek eindelijk in uw hart op :

1. Eene vurige begeerte naar die volmaakte en aanhoudende vereeniging van uwen wil met dien van God.

Hoe gelukkig zoude ik zijn , o mijn Jezus, indien ik tot het einde konde volharden in die overgave van mijnen wil aan den uwen , zonder die ooit een oogenblik te onderbreken. Ik weet wat groot goed die overgave is. Daarin bestaat het ware leven en zonder haar is het leven veeleer een dood. Daarin alleen bestaat de ware en volmaakte heiligheid, liet ware en onveranderlijke geluk, dat alleen vraagt God van ons; dat alleen behaagt Hem. Al het overige is niets in vergelijking met die overgave van don wil, en daarin is alles besloten.

O mijn Jezus , ik wil een goed gebruik maken van dien korten tijd , gedurende welken ik U in

189

-ocr page 192-

DERDE SCHREDE

mijn hart bezit, ik wil U met den diepsten ootmoed , maar tevens met het kinderlijkste vertrouwen om die genade smeeken.

2. Eene vurige en ootmoedige bede om die gunst te verwerven.

O mijn Jezus, mijn eenig en hoogste goed , mijne eenige hoop! Ontsteek in mij , ik smeek het u , het vuur uwer liefde , vereenig mijn hart met uw hart, mijnen wil met uwen wil, en geef, dat ik niets meer vrage dan wat Gij vraagt, niets meer beminne, dan wat Gij bemint. Gij zijt , o mijn Jezus , de almacht, voor wie het gemakkelijk is, in een oogwenk eenen armen bedelaar rijk te maken. Gij zijt de oneindige goedheid, die alleen U met de ellenden der mensehelijke natuur bekleed hebt, om mij te verheffen tot de vereeniging met uwe Godheid. Heb dan medelijden met mij, o Jezus, mijne welbeminde Zaligmaker, en vereenig mij met U , opdat onze harten voortaan slechts één geheel uitmaken. Helaas! wees niet vertoornd tegen mij , als ik ü* eene gunst vraag , waarvan ik den aard en de voordeelen niet kan kennen, omdat ik ze nooit heb ondervonden. Maar ik verlang die te ondervinden en daarom vraag ik U die gunst. Ik wensch met U slechts één hart, één wil, ééne ziel, één zelfde geest te zijn. Ik weet niet, wat het is, maar Gij , Gij weet het, omdat Gij alles weet, en Gij kunt mij die genade geven , omdat Gij alles geven kunt.

O Jezus! o mijne liefde! ontferm U mijner, en versmaad het gebed niet van eene ziel, die r.aar U verzucht. Amen.

190

-ocr page 193-

191

B IJ V O E G S E L

Twee samenspraken met Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament en in de Heilige Communie.

EERSTE SAMENSPRAAK.

Eerste hoedanigheid der ware en volmaakte liefde tot God.

Zij zegt nooit , het is genoeg, maar verlangt altijd vuriger te beminnen.

De ware en volmaakte liefde, zegt de zoo lieftallige leeraar, de H. Bernardus, gelooft nooit haar einddoel bereikt te hebben Zij zegt nooit: Nu heb ik genoog bemind. Neen, zij hongert en dorst naar meer liefde , en, moest zij eeuwig leven, zij zou eeuwig verlangen de vlam der goddelijke liefde in zich te vermeerderen. De heilige begeerten maken de eerste hoedanigheid uit der ware liefde. Zij zijn een zeker kenteeken, dat men reeds eene groote liefde bezit, eene stellige waarborg dat men eene nog grootere liefde zal bekomen, en de gewone voorboden, die Jezus zendt in een hart, dat Hij met het zijne wil vereenigen. Mijne ziel, het doel dat gij u moet voorstellen bij uwe samenspraken met Jezus in het heilig Sacrament , is , het vuur der heilige begeerten in u te ontsteken, dien goeden Jezus uit al uw vermogen te smeeken, die begeerten te willen vervullen en u alzoo tot de volmaaktste liefde en de innigste vereeniging op te voeren.

-ocr page 194-

EERSTE SAMENSPRAAK

De volgende oefeningen kunnen tot dat einde dienen.

Oefeningen op den vooravond van de H. Communie.

Jezus in het heilig Sacrament ontvangen is voorzeker eene gunst, die men door een geheel jaar van voorbereiding zou moeten verdienen, vooral indien men door de Heilige Communie wenscht te komen tot eene volmaakte liefde en eene innige vereeniging met Jezus. Besteed daartoe ten minste eenen enkelen dag en bedien u met den meest mogelijken ijver van de volgende oefeningen.

EE HS TE OEI E\\ ING. Diktvijls , gedurende den dat) verzuchtingen van liefde tot Jezus opzenden.

Het is niet te zeggen, hoe aangenaam die verzuchtingen aan den Heer zijn. Zij doen Hem met eene levendige vreugde tot ons. komen, eu maken dat Hij zijne heilige liefde overvloedig in onze zielen uitstort. Wij zien daarvan een duidelijk bewijs in den persoon van den H. Pascalis Baylon. Telkens wanneer die vrome herder zijne schapen in het veld hoedde , zond hij dikwijls, terwijl hij zich naar de naastbij zijnde kerk keerde, de vurigste verzuchtingen naar zijnen welbeminde. Deze zoo geringe oefening van godsvrucht trof dermate liet hart van den goddelijken Zaligmaker , dat Hij die door wondervolle genaden beloonde. Eens onder andere , terwijl Pascalis,

192

-ocr page 195-

EERSTE SAMENSPRAAK

naar de kerk gekeerd , tot Jezus verzuchtte, zond de goddelijke Verlosser hem eenen engel, die het heilig Sacrament in eene remonstrans droeg en van een hemelschen glans omgeven , die in de lucht zwevende hield voor de oogen van den Heilige en zijn hart van een hevig liefdevuur deed branden. Volg heden dien heilige na, mijne ziel, en verzucht naar Jezus , maar dikwijls, met kracht en vurigheid : O Jezus , eenig verlangen mijns harten, wanneer zal de zoo gewenschte stond aanbreken , waarop ik geheel aan Ü en Gij geheel aan mij zult toebehooren ! Morgen , o mijn Jezus, morgen zult Gij mij de grootheid uwer liefde , uwer goedheid en uwer almacht toonen ; gij zult geheel mijn hart van liefde tot U doen gloeien. O Jezus , eenig doel van al mijne wen-.schen , gelijk het dorstige hert naar de frissche waterbron, zoo verlangt mijne ziel naar U ! Kom dan , o mijn Jezus , en ruk uit mijn hart al wat U daarin mishaagt. Ik vraag niets , noch in den hemel, noch op de aarde, behalve U en uwe liefde.

TWEEDE OEFENING.

Zich ter liefde van Jezus eenUje oefeningen van boetvaardigheid of versterving opleggen.

De heilige verzuchtingen, gepaard met boete en versterving, hebben eene wonderbare kracht. Zij dringen door de wolken , stijgen op tot voor ■den troon des goddelijken Verlossers en verkrijgen

13

19»

-ocr page 196-

eerste samenspraak

van zijne barmhartigheid al wat zij vragen. Geet dan , mijne ziel , door dit raiddel kracht aan uwe heilige begeerten en aan uwe godvruchtige genegenheden, en verschijn niet voor Jezus, zonder Hem door eenige versterving of boetoefening een Hem welgevallig otter te hebben aangeboden.

Oefening voor den (lnir der H. Coinmnnie.

Na den vorigen dag op de aangeduide wijze te hebben doorgebracht , zult gij de eerste uren van den dag, waarop gij gaat comrauniceeren , gebruiken om de liefde te overwegen , welke Jezus Christus u in het allerheiligste Sacrament toedraagt. Ik zal u dan drie punten voorstellen r welke u die liefde duidelijk aantoonen. De vrucht, die gij u moet voorstellen hieruit te zullen trekken is , dat, wijl Jezus Christus nooit voldaan is over zijne liefde tot ons en dat Hij onophoudelijk verlangt ons nieuwe gunsten mede te deelen , zoo ook wij nooit voldaan moeten zjjn over onze liefde tot Jezus , maar moeten trachten Hem altijd vuriger te beminnen.

Eerste Puxt. Jezus in het heilig Sacrament verhor-(/en, verlangt ons steeds meer genaden mede te deelen.

Mijne ziel, hoe menigvuldig de genaden ook zijn, welke Jezus u in het allerheiligste Sacrament heeft geschonken , schijnt het Hem dat Hij u te weinig schonk. Twijfelt gij daaraan ? Geef dan acht en denk wel na over deze waarheden Stel u onzen Heer voor als eenen koning vol majesteit , rijk , goed en barmhartig. Die koning laat

194

-ocr page 197-

eerste samesspkaak

op een openbaar plein een groot magazijn oprichten , met goud en zilver gevuld , begeeft zich in persoon daarheen en laat door een heraut aankondigen , dat alle armen daar moeten komen, dat hij bereid is aan iedereen te geven wat hjj wenscht. Zou men niet moeten zeggen , dat die koning aangedreven wordt door een vurig verlangen , niet slechts om alle armen in hunnen nood bij te staan , maar zelfs om hen in overvloed en naar de mate hunner vatbaarheid om die te ontvangen, met zijne goederen te bedoelen. Zoude nu een arme , die dezen koning niet vertrouwde, of\' die hem slechts enkele stuivers kwam vragen, zijne goedheid en mildheid niet beleedigen? O mijne ziel , dit is niet enkel eene gelijkenis, maar eene werkelijkheid , dit is iets , wat inderdaad plaats heeft in het allerheiligste Sacrament. Jezus is daar tegenwoordig ; Hij brengt er al zijne schatten, al zijne rijkdommen met zich. Hij noodigt iedereen uit , en Hij belooft aan allen naar de mate hunner begeerten overvloedig te geven. Komt tot mij , zegt Hij , gij allen die belast en met moeielijkheden en arbeid beladen zijt, gij allen , die mij verlangt en verzadigt u met de vruchten die ik aanbied. Konde de goddelijke Verlosser ons duidelijker bewijs geven van z;ijne matelooze begeerte om ons met zijne genaden te verrijken ? Konden wij Hem eene grootere beleediging aandoen, dan met Hem weinig of geen vertrouwen te toonen , door Hem slechts weinig te vragen ?

Tweede Pukt. Het doel waarmede Jezus op

195

-ocr page 198-

eerste samenspraak

het kruis gestorven is , was om bovennatuurlijke gunsten zonder maat en zonder uitzondering voor u te verdienen; het doel waarmede Jezus tot u komt in het allerheiligste Sacrament is, u werkelijk deel te geven in de genaden , welke Hij aan het kruis verdiend heeft, u die zonder maat en zonder uitzondering mede te deelen.

Telken male als Hij tot u komt, richt Hij voor u eenen Calvarieberg op , en op dien Calvarieberg eene fontein gevuld met zijn kostbaar bloed en met den onuitputbaren overvloed zijner genaden en verdiensten. Put uit die fontein zooveel gij wilt ; houd daarmede niet op, voor gij uwen dorst gelescht hebt. Dat is het eenig verlangen , de eenige vreugde, het eenig genoegen van Jezus Christus. Hij zegt in het boek der Gezangen: „Drink, mijne welbeminde , drink tot gij ten volle verzadigd zijtquot;, (1) vervuld met de grootste genaden , vervuld met de uitgelezenste deugden , vervuld met de vurigste liefde, waardoor gij al het aardsche vergeet en onze harten op het innigst vereenigd zijn.

Derde Punt. Jezus begeert in het allerheiligste Sacrament zich steeds inniger met ons te vereenigen.

196

Tot dusverre, mijne ziel, overwoogt gij het groote verlangen , dat Jezus in het allerheiligste Sacrament heeft, om zijne genaden in het algemeen en zonder uitzondering in uw hart te storten. Beschouw thans hoezeer Hij in \'t bijzonder verlangt, u zijne volmaakte liefde en de vereeniging

(1) Hoofdst. 5.

-ocr page 199-

EERSTE SAMENSPRAAK

met Hem mede te deelen, wat, zonder tegenspraak , het verhevenste goed is dat gij op aarde vinden kunt. Die volmaakte vereeniging met Hem is de uitgelezenste genade , de vervulling der heiligste begeerten , het doel van alle goddelijke barmhartigheden en een kort begrip van alle bovennatuurlijke goederen waarvoor een mensch vatbaar is. Zie dus , mijne ziel, hoever de liefde van Jezus gaat en tot welk geluk Hjj u wil verheffen. Schijnt u dit overdreven , denk dan na over de volgende waarheden en verheug er u over.

a. De volmaakte liefde en de vereeniging met God zijn eigenlijk gesproken de voornaamste gunsten, welke Jezus ons schenkt in het allerheiligste Sacrament des Altaars. Elk Sacrament heeft een bepaald uitwerksel. De godgeleerden zeggen ; ex opere operato, vi instüutionis divinae; krachtens goddelijke verordening , omdat Jezus Christus die genade daaraan verbonden heeft, en dit wel onfeilbaar , zoodat, indien de mensch er geen beletsel aan stelt, die genade ontwijfelbaar geschonken wordt. Het uitwerksel van het H. Doopsel, bijvoorbeeld, is alle zonden en alle straffen der zonden uit te wisschen en te vernietigen. En dat uitwerksel is onfeilbaar, zoodat, indien de mensch, die dit Sacrament ontvangt , en het niet onwaardig is, op het oogenblik zelf, dat hij in dat heilige water wordt gewasschen , zoo zuiver wordt in Gods oogen als een engel des hemels. Gelijk het Doopsel de kracht heeft om de zonden uit te wisschen , zegt Paus Eugenius IV , evenzoo heeft

197

-ocr page 200-

EERSTE SAMENSPRAAK

198

het allerheiligste Sacrament de kracht om het hart van de volmaaktste liefde te doen gloeien en het nauw met Jezus te verbinden. Het eigenaardige uitwerksel van dit Sacrament is de ver-eeniging van den mensch met Jezus Christus.

h. De volmaakte liefde en de vereeniging met God zijn , eigenlijk gesproken, de voornaamste uitwerkselen T welke Jezus beloofd heeft, ons in het allerheiligste Sacrament te zullen geven. Het vuur brandt steeds voort, tot het alles, wat onder zijn bereik komt , verteerd en in vuur veranderd heeft. Dit doet ook de liefde van Jezus in het allerheiligste Sacrament. Zij brandt steeds voort tot zij al wat aardseh in den mensch is verteerd , hem innig met zich vereenigd en zelfs in zich hervormd heeft. Dit is de uitdrukkelijke belofte , welke Hij ons gedaan heeft door de woorden: Ik leef door mijnen Vader, en Hij die mij eet, zal door mij leven; (l) dat wil zeggen: Zooals mijn Vader en Ik vereenigd leven , zoo zullen gij en Ik ook vereenigd leven. Maar hoe leven de Vader en de Zoon vereenigd \'i Zij leven zoo , dat zij waarlijk twee zjjn als personen, doch slechts één in wezen en wil. Zoo zal het ook zijn met Jezus en u. Gij zult elkander wederkeerig beminnen , en ofschoon gij twee zijt, zal de liefde toch maken dat gij één zijt in hart , in geest , in wil, en slechts één doel hebt in alle genegenheden en gevoelens. O, welk een gelukkige gesteltenis ! Slechts één hart, één geest ,

(1) Joan. VI.

-ocr page 201-

eer8tk samenspraak

•één wil , ééne liefde met Jezus te hebben! Maar hoe kunnen twee zoo verschillende zaken als het Hart van Jezus en dat van den zondaar zoo nauw vereenigd worden? Dit is het wonder door Jezus in het allerheiligste Sacrament uitgewerkt. Hij zuivert het hart van den zondaar , Hij verandert het in een heilig hart, Hij maakt het gelijkvormig aan zijn Hart , waarmede Hij het vereenigt. Hij hervormt het zoodanig in zijn eigen Hart, dat men zeggen mag, dat beiden slechts één hart hebben en slechts door één zelfde hart leven. Dit heeft Hij geopenbaard aan den H. Augustinus. „Ik ben de spijs der grooten. Groei en gij zult Mij eten. Gij zult Mij niet veranderen in u, gelijk het lichamelijk voedsel, maar ik zal u veranderen in Mij \'. (1)

Denk niet, mijne ziel, dat deze gunst slechts aan een klein getal personen verleend wordt. Gij zoudt daardoor de onmetelijke liefde van Jezus beleedigen. Hjj is bereid die genade te verleenen aan allen , die zich met een edelmoedig hart daartoe voorbereiden.

Yierde Pust. Jezus verlanyt op de innigste en vurigste wijze zich niet ons te vereenigen.

199

Het is waarlijk een groot wonder, dat de Goddelijke Zaligmaker zich met ons heeft willen vereenigen en ons zoo overvloedig m§t zijne genaden heeft willen verrijken. Maar het is nog een grooter wonder , dat Hij dit zoo hartelijk en vurig verlangt. En hoe groot is dan dit verlangen ? De

(1) Boek VII. Bel. c. 10.

-ocr page 202-

EERSTE SAMENSPRAAK

liefde van eene moeder voor haar kind, en de begeerte, die zij heeft, om het wel te doen, worden als de vurigste gevoelens hier op aarde beschouwd. Als men dus van iemand zegt , dat hij zijnen vriend bemint, gelijk eene moeder haar kind, wil men daardoor zeggen, dat hij geene grootere liefde zou kunnen hebben.

Stel u nu eene moeder voor , die slechts een eenig kind heeft, haar eenige troost, hare geheele vreugde , geheel haar geluk, geheel hare hoop hier beneden. Een engel verschijnt aan die moeder , zegent haar en zegt : Weet , dat door mijne zegening God aan de melk uwer borsten de kracht geschonken heeft, om aan uwen zoon een honderdjarig leven in het volle genot van gezondheid en vrij van alle krankheid te verschatten. O hemel! met wat verlangen en wat vreugde zoude d.e moeder haar kind beschouwen , wanneer het met gretigheid die gezegende melk en met die melk het leven indronk ! Jezus is als eene moeder. Hij komt tot u in het allerheiligste Sacrament met een levendig verlangen. Hij ziet met vreugde dat gij uit zijn Hart zijn dierbaar bloed en daarmede al zijne schatten , al de rijkdommen zijner genaden en barmhartigheden put. Maar het is niet genoeg tot Jezus te gaan en te denken; Jezus bemint, mij , zooals mijne moeder mij beminde ! Jezus is evenzoo bereid , evenzoo verlangend om mij alles te geven als mijne moeder het zou zijn, indien zij de schatten des hemels in handen had. Door zoo te denken zou men zijne liefde beleedigen. Jezus bemint u duizend en

200

-ocr page 203-

eerste samenspraak

duizendmaal meer. Hij verlangt duizendmaal vuriger al uwe begeerten te vervullen , dan alle moeders der wereld dit doen ten opzichte harer kinderen.

O vertroostende waarheid! Hoe ver strekken zich dus de liefde en het verlangen van Jezus Christus uit ? Luister, ik zal het u in drie woorden verklaren ; maar door die drie woorden zal ik zooveel zeggen, dat alle verdere verklaring overbodig zoude zijn. De begeerte van Jezus Christus om u in het allerheiligste Sacrament met zijne genaden te vervullen , en u op het nauwst met zich te vereenigen, is.even groot als zijne begeerte om de eer van zijnen hemelschen Vader te doen toenemen. Immers de eer van zijnen Vader bestaat slechts in de heiligheid onzer zielen en in hare vereeniging met God; Hij verlangt het eene even zoo zeer als het andere. Nu, hoezeer begeert Jezus de uitbreiding der eer van zijnen Vader? Hij begeert die zoo zeer, zegt de H. Bonaventura , dat Hij, indien dit noodig ware geweest, met vreugde gehecht zoude zijn gebleven aan het kruis tot het einde der eeuwen. En het is met diezelfde vurigheid, mijne ziel, dat Jezus begeert, u te verrijken , u in Hem te veranderen, telkens als Hij tot u komt in het allerheiligste Sacrament.

Bemerkingen en Gevoelens.

Weet gij nu eindelijk , mijne ziel, hoe gij moet beminnen? Als gij Jezus bemint, gelijk Hij u bemint, dan bemint gij zooals het behoort. De liefde van Jezus gevoelt zich nooit verzadigd , is

201

-ocr page 204-

202 EERSTE SAMENSPRAAK

nooit voldaan ; alle genaden welke Hij u tot dus verre verleende , schijnen Hem te gering ? Hij wenscht er u geheel mede te vervullen. Alle liefde, die Hij u tot op dit oogenblik bewezen heeft, schijnt Hem onvoldoende. Hij verlangt een nauwe vriendschap niet u te sluiten en u met zich te vereenigen; en zijne begeerten zijn zoo brandend, dat men mag zeggen, dat zijn hart enkel vuur en vlam bevat. Indien gij dezelfde begeerten gevoelt om Jezus altijd meer en meer te beminnen , Hem altijd meer te behagen , altijd meer te zijner liefde te doen en te lijden , dan moogt gij u terecht verheugen; dan heett de ware liefde bezit genomen van uw hart en zal dit van lieverlede verteeren. Verhef thans uw hart en wek in n de volgende gevoelens op ;

I. Bewonder de liefde van Jezus. Hoe waar is het, mijn Jezus, dat uwe liefde maat noch grenzen heeft. De gunsten, die Grij mij tot heden bewezen hebt, zijn ontelbaar, en toch zijn zij als niets in vergelijking met die , welke Gij ;anij nog wilt bewijzen. Mij geheel te vervullen met den overvloed uwer barmhartigheid, dit is al uwe vreugde, al uw verlangen, al wat uw Hart wenscht. Heb ik dan geeno reden om met den profeet uit te roepen ; „Ik heb uwe werken beschouwd en ik ben er zoo diep door getroffen, dat ik geene ■woorden vind om mijne bewondering uit te drukkenquot;. Gij bemint mij, o Jezus, mij, die evenzoo mm tot uw geluk kan bijdragen als het wormpje dat voor mijne voeten kruipt; Gij bemint mij , mij , die uwe zoo talrijke , zoo groote genaden slechts

-ocr page 205-

KERSTE SAMENSPRAAK 208

met ondank beloonde , mij , die ondanks den zoo feilen gloe d uwer liefde nog tot op dezen stond zoo geheel koud en ongevoelig blijf. En Oij bemint mij , alsof Gij zonder mij geene vreugde of genoegen kondet smaken. 0 liefde van mijnen Jezus! Hoe vurig en hoe hartelijk bemint Gij mij !

II. Lof en dankzegfiing. Helaas! het wordt tijd, dat ik eindelijk erken, hoe uitermate groot uw liefde is , en dat ik er U naar behooren voor bedank. Maar wat moet, wat kau ik doen, om U genoegzaam mijnen dank te betuigen!\' Indien ik een hart bezat, waarin al de liefde der Serafijnen was besloten; indien ik al mijn bloed tot den laatsten druppel stortte; als ik al de folteringen der martelaren onderging , wat zou dat alles beteekenen in vergelijking met de onmetelijke liefde die Gij mij tot heden in het allerheiligste Sacrament hebt bewezen , en die Gij mij daarin voor de toekomst nog bewijzen wilt ? Aan uwe voeten leg ik daarom al den lof, al de zegeningen en dankzeggingen neder, die tot op dezen stond aan uwe goedheid , uwe liefde en uwe oneindige barmhartigheid opgedragen zijn door alle engelen en zaligen in den hemel, door alle uitverkorenen op de aarde. Ik draag U die thans op voor mij. Ik herhaal , zoo veel het in mijn vermogen is, al die akten voor uw aanbiddelijk aanschijn , en wensch die ieder oogenblik in diezelfde gesteltenis te herhalen.

III. Berouw. Ik weet echter, dat al die lof-en dankbetuigingen U weinig kunnen behagen , omdat Gij , vóór alles , mijn hart verlangt. Zie-

-ocr page 206-

EERSTE SAMENSPRAAK

hier dan dat hart, o mijn Jezus , neem het geheel en al en bezit het volgens uw welbehagen. Gij kent al de oogenblikken van mijn leven waarin ik U niet beminde, al de bewegingen van dat hart, die niet voor U waren , al de werken mijner handen, al de verrichtingen van mijnen geest, wier laatste doel uwe eer en glorie niet was. Ik betreur die van ganscher harte , alleen omdat ik daarbij uwe liefde uit het oog heb verloren. Door uwe genade verlicht, erken ik thans wat ik had moeten doen, en wat mij in het vervolg te doen staat. Jezus te beminnen had mijne eenige levenstaak moeten zijn. O Jezus , bemm-neljjke Jezus, mijn eenig en hoogste goed , ik bemin en omhels U met al den ijver en de vurigheid , waartoe ik in staat ben. Ik wend mij tot U en stel in uwe handen al de krachten mijner ziel, al de neigingen en aandoeningen mijns harten. Mijn geheele leven moet voortaan slechts besteed worden, o mijn Jezus, om U te beminnen en om altijd meer en meer te arbeiden en te lijden uit liefde tot U.

IV. Ootmoed en bede. De volmaakte liefde eischt dus, dat voortaan mijn geheele leven enkel besteed worde om U te beminnen, en altijd meer uit liefde tot U te arbeiden en te lijden. Hoe prijsbaar dit verlangen ook zij , ik mag mij niet vleien het in mij verwezenlijkt te zien. Een stroo-vuur brandt fel, maar na verloop van eenige minuten dooft het uit, en nauwelijks blijven er eenige vonken van over. Dat is wel het afbeeldsel mijner liefde , o mijn Jezus ! Ik roep tot U

204

-ocr page 207-

EERSTE SAMENSPRAAK

in het gebed en mjj dunkt, dat de liefde mijn hart tot asch zal verteeren ; doch een oogenblik daarna gevoel ik mij weder ijskoud. Gedurende het gebed geef ik U geheel mijn hart, en offer mij tot alles op aan uw goddelijk welbehagen, en een oogenblik later weiger ik U de kleinste versterving die Gij mij vraagt.

Ik roep tot U in het gebed en smaak daarin een bijzonder genoegen, en onmiddellijk daarna ben ik zoo zwak , dat ik aan U in den persoon van mijnen evenmensch den geringsten dienst niet wil bewijzen. Ik ben vol ijver gedurende het gebed en verbeeld mij reeds bereid te zijn, mjjn bloed voor U te vergieten, en spoedig daarna ben ik zoo koud , dat een enkel onvriendelijk woord mij ter neder slaat. O treurige waarheid ! O Jezus, wie zal mij kunnen helpen! Gij alleen zijt die eindelooze almaoht, die mijne zwakheid te hulp kan komen.... Gij alleen, onbegrensde goedheid , wilt mij helpen. Kom dan , mijn Jezus, en bestuur mij geheel en al; neem bezit van mijn verstand , opdat ik onophoudelijk in uwe heilige tegenwoordigheid wandele. Neem bezit van mijnen wil, opdat hij in alles overeenkome met den uwen. Bezit mijn hart en druk daarin eene levendige, teedere en brandende liefde tot U , o mijn Jezus.

Heilige gevoelens vóór de Communie.

Vóór de H. Communie.

Ik heb het reeds gezegd: het eenige geluk, dat een menseh op deze aarde kan genieten , is

205

-ocr page 208-

EERSTE SAMENSPRAAK

het ontvangen van Jezus in het allerheiligste Sacrament. Daarom moet men al zijne krachten inspannen, om eene zaak van zooveel gewicht naar behooren te verrichten. De ijver kan niet te groot, zelfs niet groot genoeg zijn , om een geheim te vieren , dat door de Serafijnen zeiven niet genoeg bewonderd en gewaardeerd kan worden. Ga dan heden tot Jezus , die weidra in uw hart zal komen , met een levendig verlangen , om de meest volmaakte lietde te bekomen en die werkelijk in oefening te brengen. Stel u te dien einde Jezus voor, wiens Hart van liefde voor u brandt, die u afwacht met een groot verlangen om u met zijne genaden te vervullen en die , door dit verlangen gedreven , u toeroept, u en meer andere zielen : „Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke quot; (1)

Verwek, terwijl gij u dit levendig voorstelt : 1. Eene akte van levendig geloof in de tegen-woordigheid van Jezus Christus en van eene heilige vreugde over de oneindu/e goedheid , waarmede Hij zich gewaardigt tot u ie konten.

O Jezus, liefde en vreugde van mijn hart, welk een verbazend wonder leert mij het geloof 1 In eene kleine hostie, daar voor mijne oogen, zijn verborgen uwe godheid en uwe menschheid. Daar bevindt zich dat schuldelooze lichaam , om mijne zonden zoo wreed verscheurd, die duizendwerf gezegende ziel, welke voor mijne zaligheid zoovele duizenden verzuchtingen ten hemel zond;

(1) H. Joannes.

-ocr page 209-

EERSTE SAMENSPRAAK

dat vaderlijke hart hetwelk mij bemind heeft tot den dood aan het kruis. Daar vind ik die almacht , welke hemel en aarde van niets heeft gemaakt ; die oneindige schoonheid , waarvan het aanschouwen alleen genoeg is , om alle uitverkorenen eeuwig gelukkig te doen zijn ; die onuitsprekelijke goedheid , die slechts tot mij komt om mij met genaden te vervullen. Ja, het is zoo , o Jezus, ik geloof het, en ik geloof het alleen , omdat Gij, de eeuwige waarheid , het geopenbaard hebt. O, welk eene vreugde , welk eene zaligheid voor mij ! Jezus komt tot mij , maar niet zooals tot Magdalena, opdat ik mij aan zijne voeten werpe en die met mjjne tranen besproeie , niet zooals tot den grijzen Simeon, opdat ik Hem omhelze en aan mijn hart drukke , maar zooals tot Maria zijne allerheiligste moeder. Na hem ontvangen te hebben , zal ik mogen zeggen : Diezelfde Verlosser , die eertijds in den maagdelijken schoot van Maria verbleef, woont nu in mijn hart. O Jezus , hoever heeft de liefde tot mij U gebracht ?

II. Eene tra re ootmoedigheid en eene werkelijke verachting van u zeiven , en diensvolgens een waar berouw over al uwe zonden , ondankbaarheden en verkeerde neigingen.

Hoe is het toch mogelijk, o mijn Jezus , dat Gij voor mij van den hemel zijt afgedaald , en dat Gij wonscht in mijn hart te verblijven ! O , hoe onwaardig is die woning voor eenen oneindig zuiveren God ! De zonden , in mijn hart verborgen , zijn ontelbaar; eiken dag, eik uur, elk

207

-ocr page 210-

EERSTE SAMENSPRAAK

«ogenblik maak ik mij aan ondankbaarheid schuldig. En zult Gij , o mijn Jezus , in dat verblijf met vreugde uwen intrek nemen? Ja, aldus is die woning gesteld, en toch komt Gij er met vreugde binnen. O liefde! ik kan niets anders doen, dan met den honderdman van het Evangelie uitroepen; „Heer ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt.quot; Een hart, door zoovele zonden bezoedeld, een hart, dat aan uwe genaden slechts met ondank heeft beantwoord ; een hart, vervuld met lage neigingen , is geenszins eene woning voor U.

Omdat Gij het echter wilt, kom ik en nader ik met vreugde. Ik ontwaar in mijn hart slechts eene enkele zaak, die U kan behagen : het berouw over mijne zonden. Zie, o mijn Jezus, thans betreur ik al mijne zonden en ik verfoei ze , omdat ik ü . het hoogste goed, beleedigd heb. Ik neem U zeiven tot getuige, dat ik bereid ben om mijn bloed en mijn leven op te offeren , ten einde U vergoeding te geven.

III. Eene volmaakte meening.

Draag met allen mogelijken ijver de heilige Communie aan Jezus op, bijzonder om de volmaakte liefde tot en de vereeniging met Hem te bekomen. Omdat ik geloof, o mijn Jezus, aan uwe oneindige barmhartigheid, en omdat Gij een rouwmoedig hart niet versmaadt , vertoon ik mij voor U en bied U , door U zeiven, de heilige Communie aan, met de volmaaktste meening, welke de mensch hebben kan. Ik verlang U de hulde van eene oneindige aanbidding, eerbied

208

-ocr page 211-

EERSTE SAMENSPRAAK

en onderdanigheid te bewijzen als aan den hoog-sten God en Heer; eindelooze liefde , lof en dank voor al uwe weldaden , als aan den oorsprong van alle goed; eene oneindige voldoening voor al mijne zonden , als aan de verhevenste Majesteit, die ik beleedigd heb ; eene onbegrensde liefde en toewijding van geheel mijn hart, als aan het eenige en hoogste goed. Met deze meening, ■o mijn Jezus , kom ik tot U ; ik draag U nog deze Communie op om U ootmoedig te sraeeken , medelijden met mij te hebben, zooals een goede vader mededoogen heeft met zijn kind, mijn hart te zuiveren van alle kwade neigingen , het te doen branden door het vuur uwer liefde en het nauw met U te vereenigen. Ik weet, o eeuwige Vader, wat groote gunst ik vraag; ik weet, hoezeer ik die onwaardig ben. Maar wat ik niet verdien , verdient toch het kostbare bloed van Jezus Christus. Beschouw dan heden dat bloed en vervul de begeerten die Gij mij ingeeft.

IV. Een levendig en vurig verlungen.

Nader tot de heilige tafel, terwijl gij tot Jezus verzucht : Zie , mijn Jezus , het gelukkig oogen-blik nadert ! Ik kom tot ü en Gij , Gij komt tot mij ! Gij zult heden tot mij komen en mijii hart zal uwe woning worden. Kom dan, o mijn Jezus, ik verlang naar U , ik verzucht vu\'rig naar U. Kom in mijn bart; naar U alleen verlang ik! Gij alleen kunt mij gelukkig maken. 0 Jezus, mijn eenig heil, mijn eenige toevlucht, mijne eenige vreugde, en het eenig voorwerp mijner begeerten, kom bezit nemen van mijn hart,

20!gt;

14

-ocr page 212-

EERSTE SAMENSPRAAK

verban daaruit alles wat U mishaagt; doe het branden door het vuur uwer liefde en maak , dat ik in het vervolg in U verblijve, en wij alzoo slechts ééne ziel, één hart, één wil en één geest zijn mogen.

Na de H. Communie.

Sla, na de heilige Communie ontvangen te hebben , een blik in uw hart; beschouw Jezus , die daar woont en verwek met alle mogelijke vurigheid.

I. Eene oefening van liefde tot God en van «erlangen om eiken dag meer met Hem vereenigd te worden.

Nu is dan eindelijk vervuld , o Jezus, mijn Heer en mijn God , wat ik zoo vurig verlangd heb; Gij zijt tot mij gekomen, Gij verbljjft in mij , in het midden van mijn hart.

O liefde , die altijd brandt, en toch altijd verlangt nog feller te branden ! O goedheid , die mij reeds met zoovele weldaden hebt overladen , en toch steeds verlangt er mij nog meer te schenken ! O barmhartigheid , die mij met U vereenigd liebtr en toch wilt, dat die vereeniging nauwer worde ! Wat moet, wat kan ik U voor al die liefde wedergeven ? Mijn Jezus, ik weet, dat uwe liefde slechts door wederliefde vergolden kan worden. Ik bemin U dan en bemin U met al de kracht mijner ziel ; ik verzaak aan alle liefde voor de schepselen , en ik vraag U eene liefde , die al de vermogens mijner ziel zoo innig mogelijk met U vereenigt, zoodat mijn geheel leven niets meer

210

-ocr page 213-

EERSTK SAMENSPRAAK

is dan een onafgebroken onderhoud met U ; eene liefde, die zoodanig al de genegenheden van mijn hart beheerscht, en ze met zoo veel kracht tot zich trekt, dat ik in niets, noch in den hemel noch op de aarde , vreugde meer kan vinden dan in U alleen ; eene liefde , die mij zoodanig in U verandert, dat ik zeggen mag: ik leef, maar ik niet meer ; Jezus leeft in mij. Ziedaar , o mijn Jezus , de begeerten van mijn hart.

II. Eene oefening van diepen ootmoed, waardoor gij voor God erkent , eene zoo groote gunst volstrekt onwaardig te zijn.

Maar hoe durf ik mij verstouten, U eene gunst te vragen, zoo verheven als die der volmaakte liefde tot U? Ja, mijn Jezus, ik werp mij voor U ter aarde , en in alle oprechtheid erken ik mij die gunst volstrekt onwaardig. Hetzij ik mijne verledene, hetzij ik mijne tegenwoordige levenswijze beschouw , ik verdien slechts de hel. Beschouw ik mijne afgelegde levensdagen , dan gevoel ik mij met afschrik vervuld! Ik zie daarin niets dan eene menigte bedreven zonden, eene menigte misbruikte genaden,. Onderzoek ik mjjne tegenwoordige gesteltenis, dan vind ik niets beters. Ik zie zonden , waarin ik dagelijks val; kwade neigingen, waardoor ik my ieder oogenblik laat medesleepen; genaden, die ik telkens verwaarloos of verstoot, en bij dit alles eene gevoelloosheid, die U ten zeerste moet mishagen. Wat blijft mij over, dan ten aanhoore van hemel en aarde te bekennen, dat ik niet waardig ben , ook maar eene enkele maal met

211

-ocr page 214-

KEItSTE SAMENSPRAAK

een gunstig oog door U aanschouwd te worden. Ik ben niet waardig , ééne enkele genade van U te ontvangen. Ik heb enkel verdiend van uwe gunsten beroofd, en voor eeuwig uit de tegenwoordigheid uwer Majesteit verbannen te worden. Met hoeveel meer reden dan uw apostel moet ik uitroepen : „Verwijder U van mij, Heer, want ik ben een zondig mensch.quot;

III. Een kinderlijk vertrouwen op de oneindige barmhartigheid van God, en de milddadigheid van Jezus, hopende, dat Hij n onfeilbaar de genade der volmaakte liefde, die gij Hem vraagt, zal geven.

Ondanks alles wat ik U beleden heb, mijn Jezus , is mijn hart met vertrouwen op U vervuld. Hoe minder ik verdien , des te meer hoop ik; want mijne hoop steunt niet op mijne verdiensten, maar alleen op uwe barmhartigheid!... Het is mij niet mogelijk zooveel liefde voor U te hebben , als Gjj verdient, want uwe goedheid is oneindig. Ik kan ook onmogelijk zooveel op U betrouwen als Gij verdient, want uwe barmhartigheid is grenzeloos. En indien dit te allen tijde waar is , hoeveel te meer is het waar , in dit duizendwerf gelukkig uur, waarop ik U in mijn hart bezit. O welk eene zoete vertroosting! Wat vaste grondslag van hoop ! Ik bezit Jezus en met Jezus die almacht, welke in een oogen-blik mijn hart veranderen kan en het kar doen branden, als dat van een Serafijn; die grenzelooze milddadigheid , welke slechts verlangt zich te vereenigen met de ziel die naar haar verzucht; die oneindige liefde, welke geene andere vreugde

212

-ocr page 215-

EERSTE SAMENSPRAAK

kent dan zich met de menschen te onderhouden. Wat mag ik gedurende dit gezegend uur niet hopen ! Ja, mijn Jezus , ik hoop en geloof vas; telijk, dat Gij mij alles zult geven , wat ik U vraag.

IV. Stel met de diepste nederigheid aan Jezus kiv verlanyen voor , bid Hem met de meeste vurigheid en maak het ernstig besluit van niet le znlien ophouden met bidden en weenen tot Gij verhoord zijt.

Met dat vertrouwen bezield smeek ik thans uit den grond mijns harten : Vereenig mij met U , o mijn Jezus , door de banden eener zoo onverbreekbare vereeniging , dat elke genegenheid van mijn hart, alle arbeid mijner handen , alle werking van mijnen geest enkel uit en voor U zij. Wees Gij alleen het leven mijner ziel , de geest van mijnen geest, en de eenige beweging van mijn hart. Vereenig mij met U , o mijn Jezus , en verander mij ten volle in ü , vernietig in mij al het aardsche, maak dat ik niets beminne , dan wat Gij bemint, en niets hate , dan wat Gij haat; dat ik slechts vrage , wat Gij vraagt; mij slechts verheuge over datgene , wat U verblijdt; en dat ik eindelijk niets anders doe, dan wat in overeenstemming is met uwen heiligen wil en met uw welbehagen Vereenig mij met U , o mijn Jezus, en neem mij onder het getal uwer getrouwe en volmaakte dienaren aan. Niets kan mij meer verzadigen , dan uwé liefde , en mijn hart zal geen genoegen meer smaken , zoolang het die niet heeft bekomen. Mijn Jezus , ontferm U dan over mij. Ik heb vast besloten niet moede te worden , tot

213

-ocr page 216-

EERSTE SAMENSPRAAK

U te verzuchten en te weenen, tot dat Gij eindelijk de begeerten van mijn hart vervuld , en U zeiven daarin geplaatst zult hebben.

Vruchten van de Heilif/e Communie.

Hoe fel een vuur ook brandt het dooft eindelijk uit, wanneer men er niet van tijd tot tijd hout of andere brandstott\'en bijvoegt, om het te onderhouden. Hetzelfde moet gezegd worden van de begeerte om God te beminnen. Hoe vurig die ook zijn moge , zy zal eindelijk uitdooven, indien zij niet gevoed en onderhouden wordt door veelvuldige verzuchtingen. Indien gij , mijne ziel , verlangt . een zoo kostbaar goed in u te behouden en te vermeerderen, is het volstrekt nood-zakeljjk, dat gij u op het inwendige gebed toelegt, niet alleen bij de Heilige Communie , maar ook te allen tijde , door zonder ophouden heilige verzuchtingen tot God op te zenden , en in uwe cel of elders , in de eenzaamheid , en te midden dei-wereld ; zoowel gedurende uwe rust als onder uwen arbeid , in een woord, overal en altijd. Hierin bestaat de vrucht der Heilige Communie. Men kan niet ontkennen , dat de oefening dezer aanhoudende verzuchtingen inspanning vereischt: eene groote mate van ingetogenheid , een feilen strijd tegen het inwendig gewoel van zoovele verstrooiingen en kwade neigingen, en eene edelmoedige versterving. Maar dat alles moet als niets beschouwd worden, vergeleken bij het groote geluk daardoor aan de ziel bezorgd, met haar

214

-ocr page 217-

EERSTE SAMENSPRAAK

215

volkomen te onthechten aan alle schepselen. De ziel doet het Hart van Jezus geweld aan , noodzaakt Hem hare begeerten in te willigen van in haar het vuur zijner liefde te ontsteken , en haar tot de vereeniging met Hem te verheffen. Dit is het gevoelen der meest ervaren leeraren in het geestelijk leven , onder anderen van den beroemden leeraar Ludovicus Blosius, die meent, dat die onophoudelijke verzuchtingen het beste middel en de kortste weg zijn, om tot de vereeniging met God te komen. Ziehier zijne woorden ; „Dat gedurig verzuchten , die herhaalde schietgebeden en die vurige begeerten naar God, gepaard met eene werkelijke versterving en zelfverloochening , is tegelijk de zekerste, de gemakkelijkste en de kortste weg , om tot de volmaaktheid, tot de kennis van God en tot de innigste vereeniging met Hem te komen.quot; (1) Een ander schrijver spreekt op gelijke wijze over die oefening: ik bedoel Joannes van Jezus en Maria, om zijne groote heiligheid bij alle beoefenaars van het geestelijk leven bekend. Hij zegt , dat door die heilige verzuchtingen de ziel wordt opgevoerd tot de verhevenste kennis en tot het genieten van God; dat, indien zij in die engelachtige en lofwaardige oefening volhardt, zij groote vorderingen zal maken; omdat deze een zoo groot vermogen heeft om ons aan te moedigen en van liefde tot God te doen branden , dat zij alleen, naar behooren verricht en van de noodige deug-

(1) Hoofdstuk V.

-ocr page 218-

EERSTE SAMENSPRAAK

den vergezeld , in staat is ons hart tot de vol- noo inaaktheid en tot een volkomen zuiverheid te dig doen komen. (1) De derde, die met denzelfden oef lof over die oefening spreekt, is Jacobus Alvarez, ziji dat groote licht van het Gezelschap van Jezus. dai Luister naar zijne woorden : „De oefening van die die heilige verzuchtingen verheft de ziel tot he- tol melsche zaken ; zij verlicht haar, hecht haar aan en God alleen , zuivert haar, ontvlamt haar, en lie doet haar, om zoo te spreken , geheel in God dc opgaanquot;. Die oefening wint het hart van God, er zooals Hij zelf zegt in het boek der Gezangen: te „Gij hebt mijn hart gewond , mijne zuster , mijne te bruid , gij hebt mijn hart gewond door een uwer G oogen, door een uwer hoofdharen.quot; Gij hebt g twee oogen, mijne ziel, het oog der kennis en . \' h het oog der genegenheid. Met het eerste aan- u schouwt gij den Bruidegom, met het laatste wondt o gij Hem ; met het eerste neemt gij zijne schoonheid waar, en met het laatste doorboort gij f Hem het hart, als met een liefdeschicht; met lt;

het eerste beschouwt gij Hem en met het tweede wint gij Hem.quot;

Dit zijn de woorden van dien leeraar in het geestelijke leven, en zijn gevoelen moet des te meer gewaardeerd worden, omdat hij , in zich zeiven ondervond , wat hij schreef, en door dit middel gekomen is tot eene zoo wonderbare ver-oeniging met God , dat, ondanks de menigvuldigheid der zaken, waarmede hij belast was, hij

(1) Hoofdstuk IX.

216

-ocr page 219-

EERSTE SAMENSPRAAK

nooit (en dat gedurende 25 jaren) de tegenwoordigheid van God uit het oog verloor, of de oefening onderbrak der daadwerkelijke liefde , die zijn hart als een serafijn deed branden. Gij ziet daardoor, mijne ziel, hoe verheven en uitmuntend die oefening der aanhoudende verzuchtingen is, tot welk geluk die heilige begeerten u brengen r en hoe bij uitstek geschikt zij zijn , om u de liefde tot God en de vereeniging met Hem te doen bekomen. Ga dus voort, wek u zelve op en tracht altijd meer die heilige begeerten in u te versterken. Maar beijver u ook, om daarbij te voegen een geheel kinderlijk vertrouwen op-God en eene stellige hoop , dat u geschieden zal gelijk gij verlangt. Die hoop zal kracht en vurigheid aan uwe verzuchtingen schenken. Hoe grooter uw vertrouwen is , des te spoediger , zekerder en overvloediger zult gij bekomen , wat gij zoekt.

Maar wijl de beoefening van dit vertrouwen groote moeilijkheden oplevert , vooral in tijd van dorheid, wil ik , bij het in de overweging reeds gezegde , u nog vier beweegredenen voorstellen , in staat om dit betrouwen in uw hart op te wekken, levendig te houden en te doen toenemen.

De eerste beweegreden , waarop dat kinderlijk vertrouwen en die vaste hoop steunen, is, de getrouwheid in het luisteren naar de stem en de uitnoodigingen van God. Het is eene ontegenzeggelijke waarheid, mijne ziel: de volmaakte liefde en de vereeniging met God zijn de verhe-venste gunst, die God u kan schenken. Zij overtreft al uwe verdiensten , en kan u slechts door

21T

-ocr page 220-

EERST F. SAMENSPRAAK

Oods hand en uit loutere barmhartigheid geschonken worden. Het is eene gunst, slechts door een klein aantal personen vóór u verkregen , en die na u ook door slechts weinigen verkregen zal worden. Niettemin zeg ik u : Hoop , stel uw vertrouwen op God en gij zult verhoord worden.

Ik heb twee redenen om aldus te spreken. De eerste vind ik in uw eigen hart , ik bedoel in uwe roeping, welke niets anders is dan eene uit-noodiging tot het beoefenen der volmaakte liefde. De tweede zie ik in den spoed waarmede God die roeping ondersteunt. Men zegt, dat de volmaakte liefde eene geheel bijzondere roeping vereischt , welke God niet aan allen zonder onderscheid verleent, maar slechts aan enkele bevoorrechte zielen. Omdat die vraag mij weinig gewichtig voorkomt, laat ik aan anderen de zorg, die op te lossen; ik voor mij houd mij aan de woorden van Jezus, door ons aangehaald, in de levenschets van de H. Mechtildis , woorden, zoo troostvol voor ons. Ik spreek tot u , o ziel , tot u , die vol zijt van heilige begeerten , en die sedert lang naar God verzucht. Bekommer u hieromtrent niet. Gij zijt geroepen tot den staat der volmaakte liefde , Jezus noodigt u daartoe uit. Die zaak is aan geen twijfel onderhevig.

Hoe zoo dan ? Waarin is die roeping gelegen? De H. Bernardus verklaart ons dit , als hij zegt: „Het vuur der heilige begeerten moet uitschitteren in elke ziel, welke God roept tot zijne liefde en iot de vereeniging met Hem , en tot welke Hjj zelf wil komen.quot; Dat wil zeggen, Hij zendt aan-

213

-ocr page 221-

EERSTE SAMENSPRAAK HlSl

vankelijk heilige verlichtingen , waardoor het geluk der heilige liefde gekend wordt; heilige aandoeningen , die het hart met vurige begeerten vervullen , heilige bewegingen ; die het hart doen verzuchten naar den Welbeminde. Ziedaar, waarin die roeping, die uitnoodiging van Jezus bestaat. Zoodanig is de gesteltenis eener ziel, die door Hem is uitgekozen.

Welke gedachten doet die waarheid in u ontstaan , mjjne ziel ? Erkent gij niet duidelijk in u die roeping ? Wat beteekent anders die achting voor den staat der zuivere liefde , welke God u heeft ingeboezemd ?.... Wat beteekenen die begeerten , waarmede Hij uw hart vervuld heeft, die inwendige uitnoodigingen die u zoovele verzuchtingen doen slaken En die tallooze vermaningen , om nu eens het eene dan het andere uit liefde tot God te doen ? En dat betreuren der minste fouten ?.... Is het niet, alsof Jezus inwendig tot u sprak: „Zie, ik sta aan de deur van uw hart en klop aan; indien gij naar mijne stem luistert en Mij open doet, zal ik binnen komen en maaltijd met u houden en gij met Mijquot;. Welke zoete troost zal dat niet voor u zijn! Kunt gij krachtiger beweegreden vinden tot een kinderlijk betrouwen? Jezus roept u tot zijne liefde. Dat is nog niet alles; wij ontdekken daarin een nieuwen beweeggrond van vertrouwen , name-Ijjk dat God die roeping wil bevestigen. Niets is blijkbaarder. De roeping tot de volmaakte Uefde en tot de vereeniging met God bestaat, zooals wij gezien hebben, in die inwendige be-

-ocr page 222-

EERSTE SAMENSPRAAK

wegingen , uitnoodigingen en begeerten om tot Hem te gaan. Maar van wie komen al die inwendige gunsten? Erken, mijne ziel, èn uwe armoede èn Gods barmhartigheid. Het hart is uit zich zelf evenmin in staat om eene heilige genegenheid voort te brengen , als een eik vijgen voortbrengen kan. Alle goede gevoelens , bewegingen , genegenheden, begeerten , die gij tot dusverre ontwaard hebt, zijn enkel genaden , die van boven in uw hart zijn afgedaald. Jezus deed al die goede gevoelens in u ontstaan , Hij deed die genegenheden in u branden , Hij wekte die begeerten in u op.

Telkens, wanneer iets dergelijks in u opkwam 7 heeft Jezus, om zoo te spreken , zijne hand op uw hart gelegd, om daarin eene neiging ten goede op te wekken. O Hemel, welke eene waarheid ! En kunt gij dan , mijne ziel, na dat al]eamp; nog twijfelen aan de welwillendheid van God te uwen opzichte? Verre zij het van u, zoo iets te denken. Door aldus te denken , zoudt gij van den besten der Vaders eenen dwingeland maken , en God beschouwen als bekrompener, gieriger en meedoogenloozer dan gewoonlijk de menschen zijn. Welke rijke zou hardvochtig genoeg zijn, om aan eenen hongerigen arme een stuk brood te toonen , en er hem vervolgens vergeefs om te laten vragen ? Zoo zou men immers met den arme spotten ; hem te gelijk de kwelling van den honger en der vruchtelooze begeerten doen onderstaan. En Jezus zou tot zoo iets in staat zijn ? O mijn God, mijn allerbeminnelijkste Verlosser,

220

-ocr page 223-

KERSTE SAMENSPRAAK

Vader vol barmhartigheid, ik denk geheel anders over (j en over de gesteltenissen van uw aanbiddelijk Hart. Alvorens ons het verlangen in te boezemen naar uwe heilige liefde, hebt Gij reeds den vasten wil, dit te voldoen, en gij wekt in ons die begeerte slechts op, opdat wij ons waardig zouden maken, datgene te ontvangen, wat Gij ons wilt geven.

De tweede beweegreden, waarop het kinderlijk vertrouwen en die vaste hoop gegrond zijn, is de oneindige milddadigheid van God. Daarvan een nauwkeurig denkbeeld te geven zou even onmogelijk zijn , als de onmetelijke wereldzee te doen uitdrogen. Ik kan U daarvan niets anders dan oene beperkte voorstelling geven; genoegzaam evenwel om uwe ziel met hoop en vertrouwen te vervullen. Hoe denkt gij nu over de edelmoedigheid en de barmhartigheid van Jezus ? Om er alleen het noodigste van te zeggen , kan men verzekeren dat zij grooter zijn dan ooit een Heilige er jegens zijnen evenmensch getoond heeft, Lijdt dat eenigen twijfel ? Voorzeker neen. Twijfelen of Jezus milddadiger is dan ooit een Heilige geweest is , zoude eene godslastering zijn. Onthoud die waarheid wel , tot dat ik u eene korte geschiedenis heb verhaald.

Er leefde te Constantinopel een vermaarde tollenaar, Petrus genaamd. Die man, een schraapzuchtige gierigaard , werd plotseling veranderd in een der edelmoedigste menschenvrienden. Zijn hart ademde niets meer dan liefde en medelijden; van dien tijd af was geheel zijn leven aan den

221

-ocr page 224-

EERSTE SAMENSPRAAK

dienst van den evennaaste gewijd. Reeds had hij al zijne bezittingen onder de armen verdeeld , en nog was zijne liefde niet voldaan. Hjj bedroefde zich zeer over het gebrek der armen , maar meer nog over zijn onvermogen om hen bij te staan. Wat deed hij nu ? O , hoe vindingrijk zijn de liefde en de barmhartigheid! Hij roept zijnen knecht en zegt tot hem : „ Broeder, wij gaan naar Jeruzalem ; daar zult gij mij als slaaf verkoopen , en het geld , dat gij voor mijn persoon ontvangt, zult gij aan de armen uitdeelen.quot; .Na vele tegenbedenkingen gehoorzaamt de knecht, verkoopt zijnen meester voor dertig gulden, en geeft die som aan de armen. Nu is de liefde voldaan , de armen hebben de aalmoes en Petrus is slaaf.

Denk nu zelve na, mijne ziel : Zoude die zoo liefderijke en edelmoedige heilige toen hij goud en zilver-in overvloed had, wel eenen arme weggezonden hebben ? ... of zoude hij aan een zijner broeders de goddelijke liefde en andere bovennatuurlijke gunsten geweigerd hebben, indien hij over deze te beschikken had gehad , zooals eertijds over het goud en zilver? Keeren wij nu terug tot Jezus. Zeker is het , dat de liefde van dien heilige voor de armen slechts ijs en sneeuw was, in vergelijking met de heilige liefde van Jezus voor de ziel. Even zeker ib het, dat de goedheid van dien heilige en de begeerten welke hij had om wel te doen, slechts eene flauwe vonk waren, vergeleken bij de brandende begeerten van Jezus om de ziel met zich te vereenigen. Gewis

■22\'i

-ocr page 225-

EERSTE SAMENSPRAAK

zou men, als diezelfde heilige nog leefde, zich met een volkomen vertrouwen tot hem begeven en nooit zoude men te vreezen hebben afgewezen te zullen worden. Hoe komt het dan , dat wij niet met hetzelfde vertrouwen tot Jezus gaan ? Hoe kunnen wij nog eene schaduw van mistrouwen in ons hart behouden ?

De derde beweegreden , waarop dat kinderlijk vertrouwen en die vaste hoop gegrond zijn , is de spoed , waarmede God onze gebeden verhoort. Deze waarheid bevat twee punten :

1. De belofte door Jezus gedaan van onze gebeden te zullen verhooren. Die belofte, in hare eigenaardigheden beschouwd, kan slechts gedaan zijn door eenen oneindig machtigen en oneindig goeden God. Zij is algemeen , dat is , zij strekt zich uit tot alle menschen op aarde , zonder uitzondering, mits zjj zich slechts voorbereiden om te ontvangen , wat zij vragen. Maar Jezus zegt nog bij den H. Lucas : „En ik zeg u: vraagt en gij zult verkrijgen; zoekt en gij zult vinden; klopt en men zal u open doen; want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt, en hem , die klopt, zal men open doenquot;. (1) Welnu , evenals de belofte van Jezus tot alle menschen gericht wordt, zoo strekt zij zich ook uit tot alle genaden, zonder uitzondering, zelfs tot de ver-hevenste en kostbaarste van alle, namelijk : de volmaakte liefde, hot genot van Gods heilige tegenwoordigheid en de vereeniging met Hem.

(1) Hoofdstuk XI.

223

-ocr page 226-

EERSTE SAMEXSPKAAK

Ziehier nogmaals dezelfde belofte van Jezus bij ■den H. Marcus : „Al wat gij in het gebed zult vragen , geloof, dat gij het verkrijgen zult , en gij zult het bekomen.quot; (I)

2. De getrouwheid van Jezus aan zijne beloften.

De getrouwheid is eene eigenschap van God , welke van het goddelijk wezen onafscheidbaar is. quot;Wat Hij gezegd heeft, zal Hij vervullen ; dat is 7,00 zeker als het\' bestaan van God. Want even als Hij geen God zoude kunnen zijn, wanneer Hij tot de minste onrechtvaardigheid in staat was , zoo zoude Hij ook geen God kunnen zijn , indien Hij zich konde schuldig maken aan eene enkele ongetrouwheid in het vervullen zijner belofte.

De vierde beweegreden , waarop dat kinderlijk betrouwen steunt, is, dat God van ons bemind wil worden. Ware het mij gegeven u te zeggen, hoezeer God verlangt door ons bemind te worden, dan zou dit genoeg zijn om uw hart te doen ontgloeien; maar geen Engel zelfs kan u dit uitleggen. Ik zal u dan eenvoudig de woorden aanhalen, waarmede God zelf het in de II. Schrift verklaart.

1. De liefde in het eenige wat Hij van it vraagt.

„Mijn zoon , goef mij uw hart.quot; (2) Ik vraag u geene rijkdommen. Ik ben de Opperheer van hemel en aarde , Ik vraag u noch eer noch grootheid; Ik alleen ben het hoogste goed. Gij bezit slechts eene enkele zaak , maar die Ik boven alles schat

(]) Hoofdstuk 15. (2) Spreuken 23.

224

-ocr page 227-

EEIiSTE SAMENSPRAAK

en vurig begeer; en wat is dat ? Dat is uw hart, dat is uwe liefde.

2. De liefde is het eenige wat Hij op aarde gezocht heeft. „Ik heb het vuur op aarde komen brengen , en wat verlang Ik anders , dan dat het brande.quot; (1) Het is als of Hij zeide : Ik ben als een klein kind op aarde verschenen ; Ik heb alle ellenden van dien leeftijd op Mij genomen. Ik heb in armoede geleefd en in het zweet mijns aanschijns mijn brood verdiend. Ik heb den dood gekozen en dien ondergaan onder de wreedste folteringen. En door dat alles heb Ik niets ge zocht dan het hart, de liefde van den mensch.

3- De liefde is het eenige wat Jezus welgevallig is. „Mijn vermaakquot;, zegt Hij, „is, met de kinderen der menschen te zijn en door hen bemind te worden.quot;

22a

Ga dan tot Jezus , mijne ziel, zoo moet ik u met den schrijver over het geestelijk leven, Caspar Druzbick , toeroepen : „Ga tot Jezus en verlaat Hem niet, voor Hij al uwe begeerten vervuld heeft.quot; Gij hebt niets anders noodig dan begeerten en vurige verzuchtingen. Daarvoor kunt gij alles koopen, daardoor alles verkrijgen. Jezus vraagt van ons niets anders ; onze begeerten alleen verzadigen Hem en zijn Hem welgevallig. Uwe liefde zal steeds geëvenredigd zijn aan uwe begeerten , en naar de mate uwer begeerten, zult gij verkrijgen. Vrees niet: de eenige vreugde van Jezus is, dat wij Hem beminnen; zijne eenige

(1) Lucas 12.

15

-ocr page 228-

eerste samenspraak

begeerte, dat wij naar Hem verlangen ; zijn eenige dorst, dat wij naar Hem verzuchten. Geloof mij, gij kunt niets doen, wat Jezus meer behaagt, dan Hem met veel vertrouwen en met een vurig verlangen de verhevenste en kostbaarste gunsten te vragen.

Oefening van heilige heqeerten en liefdevolle verzuchtingen.

Men kan zich op twee wijzen oefenen in het opwekken van heilige begeerten. De eerste bestaat in een liefdevol gebed , waardoor men zich in Gods tegenwoordigheid stelt , naar Hem verzucht en eenigeu tijd in die uitstorting des harten voortgaat; de tweede bestaat in korte maar vurige verzuchtingen, die men op alle plaatsen , te allen tijde , bij elke bezigheid , als zoovele liefdeschichten tot het hart van Jezus kan opzenden. Wij zullen eenige oefeningen van elke soort opgeven.

Oefening. Ik ontleen deze oefening aan Ludo-vicus Blosius , dien zoo verlichten man, van wien ik vroeger gesproken heb. Hij leert die in het riende hoofdstuk van zijne geestelijke onderrichtingen , waar hij zegt, dat zij door de oude Vaders voor zeer nuttig en zeer krachtdadig gehouden werd. Ik zal zijne woorden niet letterlijk aanhalen ; maar wat den geest er van betreft,, daaraan zal ik niets veranderen. Stel u dan Jezus voor op den Calvarieberg , voor u aan het kruis hangende, en overweeg de smarten die Hij voor u

•226

-ocr page 229-

EERSTE SAMENSPRAAK

geleden heeft, terwijl Hij ter vergelding van u niets ontving dan beleedigingen. Beschouw de kracht zijner liefde tot u en uwe onverschilligheid voor Hem en erken, hoe billijk het nochtans zijn zoude, dat gij u geheel aan zijne liefde overgaaft. Begin nu uwe verzuchtingen en verwek :

1. Eene oefening van volmaakt berouw over al de zonden van uw leven, en vraag ootmoedig aan Jezus om vergeving en barmhartigheid. O Jezus , mijn God en mijn Opperheer, mijn Verlosser en mijn Vader vol barmhartigheid, wat zal ik zeggen of wat moet ik doen ? Ik werp mij voor U neder in den afgrond mijner onwaardigheid. Ik heb gezondigd tegen U , die mij uit het niet hebt getrokken , die uit liefde tot mij uw bloed en uw leven gaaft, tegen U, die mij met weldaden hebt overladen. Welke hatelijke ondankbaarheid! Welke helsche boosaardigheid! En daaraan heb ik mij schuldig gemaakt, ik die niets ben, dan een weinig stof! Ik erken mijne misdaad , ik verfoei die , en verzaak die uit den grond mijns harten. Ach , konde ik ze afwasschen in mijn bloed. Met welke vreugde zou ik het op dit eigen oogenblik vergieten ! Maar het kwaad is bedreven, er blijft mij niets meer over, dan mijne afdwalingen te betreuren. Gij ziet , o mijn Jezus , hoe mijn hart thans gestemd is; ik heb het vaste besluit genomen , liever te sterven , dan eene enkele doodzonde te bedrijven. Voor het verledene vind ik geene toevlucht dan tot uwe oneindige barmhartigheid. In uwe heilige wonden leg ik dan ook neder al mijne boosheden , al mijne onachtzaam-

227

-ocr page 230-

EERSTE SAMENSPRAAK

heden en al de ongeregeldheden mijner ziel. Ik werp ze in het onmetelijke vuur uwer goddelijke liefde , ik verberg ze in den afgrond uwer barmhartigheden. Ach , heb medelijden met mij , mijn Jezus! Wasch mij in uw kostbaar bloed, zuiver mij en maak mij heilig voor uwe oogen. Dit vraag ik u door de verdiensten van uwe heilige Moeder, de Maagd Maria, en door die van al uwe uitverkorenen.

2, Eene, oprechte dankbetuiging aan Jezus voor alles wat Hij voor u tjedaan en geleden heeft , en tevens eene oefening van diepen ootmoed en ware verachting van u zeiven. Ik loof en zegen U , o Jezus, en dank U voor uwe barmhartigheid en voor alle weldaden, die Gjj mij verleend hebt. Waartoe heeft de liefde U toch gebracht, en wat hebt Gij voor mij al gedaan en geleden! Uwe liefde tot mij heeft U van den hemel doen afdalen en geboren worden in eenen stal , rusten in eene kribbe , U alle ongemakken doen verdragen , waaraan een pas geboren kind is blootgesteld. Zij heeft U gedurende dertig jaren een ellendig, voor de wereld verborgen leven doen leiden, een leven vol kwellingen, vermoeienissen, ontberingen, lijden en armoede. Zij heeft U genoodzaakt te lijden, wat nooit eenig ander mcnseh geleden heeft. Men heeft U gevangen genomen en geboeid als een moordenaar ; men heeft U geslagen , in het aangezicht gespuwd, men heeft TJ als een dwaas bespot. Men heeft U met geesel-riemen verscheurd , met doornen gekroond: Gij zijt valsch beschuldigd en ter dood veroordeeld

228

-ocr page 231-

EERSTE SAMENSPRAAK

geworden ; men heeft uwe handen en voeten met plompe nagelen doorboord en U aan het kruis gehecht. Eindelijk zijt Gij onder de folteringen bezweken, en na uwen dood heeft men nog uw hart met eene lans doorstoken. Dat alles, o mijn Jezus, hebt Gij uit liefde tot mij verduurd. O liefde, o wonder van liefde ! O overmaat van liefde! O Jezus , mijne zaligheid , mijne hoop , mijne liefde, vervul mijn hart met een smartvol medelijden , doe daarin een vonkje branden van dien mateloozen vuurgloed der liefde , die in uw hart brandt. Maar, helaas ! mijn Jezus, hoe weinig heb ik aan uwe liefde beantwoord I Hoe meer Gij uit liefde tot mij hebt geleden, met des te meer boosheid heb ik gezondigd. O ongelukkige , die ik ben ! Hoe durf ik nog mijne oogen tot U verheffen ! Zie , ik kniel voor uw aanbiddelijk aanschijn neder, en stel mij niet alleen beneden alle uitverkorenen des hemels, niet alleen beneden alle menschen op aarde , maar ook beneden alle verdoemden in de hel. Er is in die plaats van verschrikking geene kwelling, geene straf, geene foltering, welke mijne ondankbaarheid en bedorvenheid niet verdiend hebben.

Dat alles erken ik, mijn Jezus, maar, o ellende mijner ziel! ofschoon ik duidelijk inzie, wat mijne zonden verdienen, kan ik toch niets verdragen. Eene kleine beleediging, eene geringe beschaming , eene schaduw van minachting is mij ondragelijk. Ik zoude willen hebben , wat mijn Zaligoiaker zelf nooit heeft gehad ; Hij heeft in zijn sterfelijk leven niets ondervonden dan hard-

229

-ocr page 232-

EERSTE SAMENSPRAAK

held en bitterheid , en ik zoude een zacht en aangenaam leven willen leiden. O overmaat van verblindheid !

Dat het nimmer meer zoo zij, mijn Jezus. Ik draag mij aan U op , om alle vernederingen zonder eenige uitzondering te lijden , welke Gij goed zult vinden, mij over te zenden. Maar heb medelijden met mij en geef mij uwe genade.

3. Ken vurifj en ootmoedig gebed tot Jezus, opdat Hij ons geve , ivat wij noodig hebben , ow tot die vereeniging te komen. Diezelfde bede richten tot de H. Maagd en al de zaligen des hemels.

Ondanks dat alles , o mijn Jezus , kom ik nog met een gansch kinderlijk vertrouwen tot U ; en ofschoon ik niets verdiend heb dan de straften der hel, vraag ik U evenwel, steunende op uwe oneindige barmhartigheid, wat het verhevenste is in den hemel. Geef mij , o Vader van alle barmhartigheid, eene zuiverheid, die den minsten schijn der zonde meer vreest dan den dood; eene nederigheid , die de verachting met vreugde verduurt ; oene gehoorzaamheid, ontdaan van allo eigen wil en oordeel ; eene zachtmoedigheid , die alle beleedigingen in stilte verdraagt; eene liefde die zich tot alle menschen uitstrekt. Vernietig in mij alles , wat mijne vereeniging met U zou kunnen verhinderen. Verleen mij alles, wat die begunstigen kan. Keer uwe barmhartige oogen tot mij , en geef mij dat hemelsche licht, hetwelk mij uwe beminnelijke tegenwoordigheid in mijn binnenste doe onderscheiden ; geef mij dat hemelsch vuur, hetwelk mijn hart standvastig doe branden

230

-ocr page 233-

EERSTE SAMENSPRAAK

van liefde tot U. Trek mij tot U , vereenig mij met U, verander mij geheel in U , opdat ik voortaan alleen in en door U leve. 0 Maria , moeder der sehoone liefde , bid voor mij en verkrijg voor mij , dat ik uv,ren goddelijken Zoon volmaakt en vurig beminne , tot de nauwste ver-eeniging met Hem kome , en volgens den geest van zijn goddelijk Hart leven moge. O zalige hemelbewoners, gij die onophoudelijk het aanschijn des Heeren beschouwt, die eeuwig- en overvloedig de hemelsche zoetheden van Jezus\' Hart geniet, bidt voor mij en verkrijgt voor mij de genade van het hoogste goed hier op aarde te beminnen , zooals gij Hem bemint in den hemel.

Richt vervolgens hetzelfde ijehed tot de aller-heiligste Drievuldigheid en geef ten slotte uic hart lucht in vurige verzuchtingen.

O allerverhevenste, allerbeminnelijkste en aller-barmhartigste Drievuldigheid, God de Vader, God de Zoon en God do H. Geest, ontferm U mijner en verhoor het gebed eener bedroefde ziel , die met vertrouwen tot U verzucht. 0 hemelsche Vader, door die oneindige almacht waardoor Gij hemel en aarde en al wat zij bevatten , van niets gemaakt hebt, smeek ik U mijne ziel in U , o eeuwig en opperst goed, te vestigen , haar met heilige en hemelsche gedachten te vervullen. O God de Zoon, ontferm U mijner, wil volgens die oneindige wijsheid, waardoor Gij in een oogenblik alle duisternissen verdrijft en de ziel tot de beschouwing der hemelsche geheimen verheft, mijn verstand verlichten en schenk mij eene volkomen kennis van

231

-ocr page 234-

EERSTE SAMENSPRAAK

uwe oneindige grootheid en van mijne insgelijks oneindige geringheid. 0 God H. Geest, Gij die de liefde des Vaders en des Zoons zijt, trek door die oneindige goedheid , welke U doet verlangen U aan ons mede te deelen, mijnen wil tot U, en doe hem branden door het vuur uwer liefde. Helaas! hoezeer zoude ik wenschen U te kunnen beminnen en loven, zooals de gelukzaligen in den hemel! Ach! neem ten minste mijn hart, loof en bemin door dat arm hart ü zeiven zooveel als Gij het verdient. O mijn Heer en mijn God, onpeilbare afgrond van troost , vreugde en zoetheid ; fontein waaruit enkel hemelsche geneuchten opwellen ; o oceaan , o onuitputbare bron die in U zeiven alle goederen bevat, wat zou ik buiten U kunnen verlangen ? Gij zjjt mijn eenig , mijn hoogste goed , U alleen begeer en zoek ik ; naar U alleen verzucht ik. Ach, mijn God, beschouw mijne armoede , mijne onwetendheid , mijne verblinding , mijne lauwheid ; ontsteek in mijn hart de vlam uwer vurigste liefde ; versmaad de verzuchtingen niet van mijn arm hart; dompel mij in den afgrond uwer Godheid ; herschep mij volkomen in U , en maak dat ik met U slechts één hart , ééne ziel hebbe.

Dit is eene oefening , door Ludovicus Jilosius dringend aanbevolen aan alle zielen die naar de volmaaktheid en de vereeniging met God streven ; hij voegt er den raad bij , daaraan eiken dag een vastgesteld uur te besteden. Ontbreekt u echter die tijd (het is de raad van dien geestelijken schrijver), verdeel dan dit uur, en wek die

•232

-ocr page 235-

eekste samenspraak

begeerten op verschillende oogenblikken van den dag in u op , of trek uit de opgegeven gevoelens korte en veelvuldige gebeden, welke gij in den loop van den dag aan God zult opdragen. Kies zoo de voor uwen staat, leeftijd en behoefte meest passende wijze.

II. Oefenixg. Wjj kunnen ons hier bedienen van de schoone oefening van godsvrucht , aangeprezen door Isabella , eene Napolitaansche maagd, vermaard door haren heiligen levenswandel. Die ziel had de gewoonte van zonder ophouden tot God te verzuchten, en Hem te smeeken haar geheel tot zich te trekken . en in haar het vuur zijner liefde te doen branden. God kon voor die zoo heilige begeerten niet lang ongevoelig zijn. Isabella bereidde zich eens tot het ontvangen der heilige Communie ; nauwelijks had zij gecommuniceerd , of zij wendde zich tot Jezus , bood Hem haar hart aan en bad Hem het met zijne liefde te vervullen. Plotseling ontwaart zij een diepe wonde in haar hart en te gelijker tijd eene zoo felle liefdevlam, dat zij den gloed er van bijna niet kon verdragen. Van tjjd tot tijd verwijdde zich die wonde, en deed Isabella van een aanhoudend liefdevuur voor Jezus branden.

Stel u Jezus Christus voor , mijne ziel, die u liefdevol aanziet, en u die zoo minzame woorden toespreekt: Mijne dochter, geef mij uw hart. Beschouw in het kort de volgende waarheden :

1. Niemand vraagt mijn hart zoo vurig als Jezus. 2. Niemand verdient zoo zeker mijn

233

-ocr page 236-

EEÜSTE SAMENSPRAAK

hart als Jezus. 3. Niemand kan mijn hart zoo volkomen verzadigen als Jezus. Verzucht daarna opnieuw en wek u op tot heilige begeerten.

I. Noodig Jezus uit om in uw hart te komen en hied het Hem zonder voorbehoud aan.

O Jezus , mijn Heer en mijn God , gjj zijt het eenig geluk van hemel en aarde , van engelen en mensehen. U beminnen is U bezitten, en in U de volheid van alle goed; U niet beminnen is U verliezen en met U alle goed. Met uwe liefde zou ik , zelfs in de hel , het paradijs vinden ; en zouder uwe liefde zou mij het paradijs zelf eene hel zijn. In ü is alles voor mij enkel vreugde en vertroosting ; buiten U vind ik niets dan smart en kwelling. Wat kan ik dan anders doen , dan mij geheel en al in CJ verliezen en alle liefde die in mij is , tot uwen dienst besteden. Ja, mijn Jezus , dat is het verlangen mijns harten. Ik vraag niets dan de genade , van ü te kunnen beminnen uit geheel mijn hart, uit geheel mjjne ziel, uit al mijne krachten. Ik verlang niets , tenzij dat Gij in mij volkomen verteert en vernietigt alle liefde, alle geneigdheid , alle vreugde en vermaak , waarvan Gij niet het eenige voorwerp zijt. Ik vraag niets anders dan ontvlamd te worden door dat hemelsch vuur, hetwelk Gij op aarde zijt komen brengen. Kom dan, mijn Jezus , en toon mij de onbegrijpelijke uitgestrektheid uwer barmhartigheid en milddadigheid. Ik geef U zonder eenig voorbehoud mijn hart. Kom in dat hart, neem er bezit van en vestig er uwe heerschappij. Ik ken geen ander geluk dan U in

*234

-ocr page 237-

EEKSTE SAMENSPRAAK \'jao

mijn hart te bezitten , o Jezus , en U niet eene onwankelbare liefde te beminnen. O eenige en volmaakte zaligheid ! Indien hemel en aarde mij geheel toebehoorden , zoude ik ze willen geven , om dat geluk te koopen. Kom dan , mijn Jezus , kom bezit nemen van mijn hart, doordring het van liefde tot U.

LI. Doe met de volmaaktste nederigheid eene oprechte bekentenis van wee onwaardigheid en verleek eene oefening van leedwezen over al de zonde)!, en afdwalingen van uw hart. Maar wat doe ik ? Ik ken mijn hart ; het aan Jezus aanbieden, is Hem een verblijf aanbieden veel onreiner dan den stal van Bethlehem. Het is zoo , mijn Jezus , ik beken het. Mijn hart is geenszins eene passende woning voor uwe heiligheid. Wat zal het dan thans zijn , nu er in dat hart niets te vinden is dan vlekken, tallooze zonden en eene menigte van slechte neigingen? Wee mij! Zoude Jezus, die de zonde haat , in een hart als het mijne kunnen wonen ? Maar neen , ik vergis mij niet. Evenals gij oneindig heilig zjjt, evenzoo zijt Gij ook grenzeloos barmhartig. Gij hebt gezegd, dat Gij een rouwmoedig en vernederd hart niet zult verwerpen. Die woorden ondersteunen mijn vertrouwen. Zie , mijn Jezus , aan uwe voeten leg ik al de zonden van mjjn leven. Ik zie het, haar aantal is schrikwekkend , ik erken hare boosheid. Hoeveel beter ware het voor mij geweest in het niet terug te zinkeu, dan eene enkele zonde te bedrijven! Ik verfoei van ganscher harte de y.onden, waaraan ik mij schuldig gemaakt heb;

-ocr page 238-

EERSTE SAMENSPRAAK

maar, mijn Jezus, voorkom mij met uwe genaden en help mij ; zonder ü kan ik niets. Ik verfoei en verzaak al mijne zonden in het algemeen , en elke in het bijzonder, omdat Gij die haat en verfoeit. Tot U, o Jezus, neem ik mijne toevlucht. Ik heb behoefte aan geheel uwe barmhartigheid , hoe groot die ook zjjn moge. Zij alleen kan mijn hart zuiveren, dat afschuwelijk is in uwe oogen. Besproei het dan met uw kostbaar bloed en maak het deelachtig aan uwe oneindige verdiensten ; vervul het met uwe genade en versier het met deugden, opdat het een verblijf worde uwer oneindige heiligheid waardig.

III. Vernieuw in u de vurige begeerte naar de volmaakte liefde en dquot;. vereeniging met Jezus, en smeek Hem met den grootsten ijver, dat Hij uwe heg eer ten gelieve te vervullen.

O Jezus, eenige vreugde en verlangen van mijn hart, wanneer zal het volzalig uur aanbreken , waarop ik geheel aan mij zeiven en aan alle schepselen zal gestorven zijn ? dat uur, waarin al mijne kwade neigingen vernietigd zullen wezen en ik niets meer zal beminnen dan uw welbehagen ? dat uur, waarin mijn hart gesloten voor de schepselen en slechts voor U alleen geopend zal wezen? dat uur, waarin het hart een hemel wordt, waar Gij U laat aanschouwen , beminnen, ontvangen en genieten door de ziel ? O gezegend uur , wanneer zult gij aanbreken ? Dit is het doel van mijn streven, het voorwerp mijner gebeden en verzuchtingen. Mijn hart zal droevig zijn, tot Gij, mijn Jezus, U over mij ontfermen en mijne

236

-ocr page 239-

kekste samenspraak

begeerte vervullen zult. O Jezus, afgrond van barmhartigheden, die nooit kan worden gedempt; bron van hemelsehe goederen , die nooit ophoudt te vloeien; vertrooster van alle bedroefde harten, die naar U verzuchten, werp op mij eenen vaderlijken blik, en beschouw de kwelling, die ik lijd. Ik vraag noch goederen, noch rijkdommen , noch eer , noch onderscheiding , noch zingenot, noch wat ook in den hemel of op aarde. Ik vraag slechts de genade van U te beminnen , U te dienen, U voor altijd en zonder voorbehoud toe te behooren. Dat is de eenige begeerte mijns harten. Geef dan, mijn Jezus , dat mijn lichaam en mijne ziel branden van liefde tot U , in U en door U.

III. Oefening. Stel u Jezus voor als eenc glanrijke zon, die hare stralen uitschiet over het heelal, en hier en daar een hart door het vuur zijner liefde doet ontvlammen. Overweeg: 1. Dat het om een hart met liefde te vervullen , genoeg is, dat Jezus er een enkele straal in afzende. 2. Dat Jezus daartoe ten volle genegen is, mits gij u tot het ontvangen dier gunst voorbereidt en ze Hem met vurigheid vraagt, volgens deze uitdrukkelijke woorden: Ik ben gekomen om het vuur op aarde te brengen en wat verlang Ik anders, dan dat het brande ? Verzucht vervolgens tot Jezus en verwek :

1. Eene oefening van volmaakte liefde en een vurig verlangen om Jezus altijd meer en meer te beminnen , ten einde tot de volkomene vereeniginy met Hem op te klimmen.

O Jezus, Gij zijt het eenige en hoogste goed.

23T

-ocr page 240-

EERSTE SAMEXSPKAAK

238

dat alle volmaaktheden in den verhevensten graad bevat, een goed, dat alle geschapen zaken oneindig overtreft; een goed, waaruit, als uit eenen oeverloozen oceaan, alles voortvloeit, wat er goeds in den hemel en op de aarde aanwezig is. Ik bemin U dan en omhels U uit den grond mijns harten en uit al de krachten mijner ziel. Ik verheug mij in uwe oneindige gelukzaligheid , die noch vermeerderd kan worden door de heiligheid der schepselen, noch verminderd kan worden door hunne boosheid. Ik verheug mij in die oneindige liefde, waarmede Gij U zeiven steeds bemind hebt, nu nog bemint, en waarmede gij U gedurende de gansche eeuwigheid zult beminnen. Ik verzamel thans in mijn hart alle liefde, die U ooit door al de zaligen des hemels werd toegedragen , en stort die uit in uw heilig Hart. O , hoe gelukkig zoude ik zjjn, indien ik nu , ten koste van mijn leven , U zoodanig konde beminnen ! Maar wat ware dit nog in vergelijking met de liefde, welke Gij verdient ? Zoolang al de genegenheden van mijn hart niet voor U zijn, zoolang mijne ziel niet met al hare krachten aan U alleen zich hecht, zoolang ik niet door al mijne werken uitsluitend het welbehagen van mijn God zoek, zoolang ik niet allen tegenspoed met vreugde aanneem , zoolang ik niet van liefde brand , en niet innig met U vereenigd ben , zoolang bemin ik U niet , zooals ik U beminnen moet. O ongelukkige , die ik ben! Waarom kan ik niet beminnen, zooals ik het zou willen doen ? Serafijnen, hemelsche geesten , uitverkorenen des

-ocr page 241-

EERSTE SAMENSPRAAK

Heeren, die niets doet, dan beminnen, bidt voor mij , opdat ik kunne beminnen gelijk gij.

2. Maak een ernstig voornemen om u zoo yoecl mogelijk tot die liefde voor te bereiden. Draag u zonder voorbehoud , zonder uitzondering aan onzen Heer Jezus Christus op, en bid Hem uw hart te icUien bereiden door zoodanig middel als Hij zal goedvinden. Doch hoe , o Jezus, zal mij eene zoo groote gunst geworden ? Daartoe is een hart noodig, dat onophoudelijk zich zelf verloochent, een hart, dat nederig zijn verstand , zijne meening , zijnen eigen wil aan iedereen onderwerpt; een hart, dat in zijne liefde alle menschen omvat, dat zoowel aan zijne vijanden als aan zijne vrienden weldoet; een hart, dat in allen tegenspoed uw welbehagen aanbidt en dat nacht en dag naar u verzucht. Ziedaar hoedanig een hart dient te zijn, om tot een waardig verblijf aan Jezus te verstrekken. Is het mijne zoo gesteld ? Neen, neen , o mijn Jezus , mijn hart is niet waardig, dat gij er uw verblijf in vestigen zoudt. Maar wat tot dusverre ontbroken heeft, moet in de toekomst geschieden. Zie , o mijn Jezus , voor uw heilig aanschijn maak ik nu het vaste voornemen , van ondanks alle moeilijkheden, de genoemde deugden met ijver te beoefenen, en U aldus eene welgevallige woning te bereiden in mijn hart. Maar dewijl ik zeer goed weet, dat ik door mijne eigene pogingen nooit zal komen tot die zuiverheid, welke gevorderd wordt tot de vereeniging met U , bid ik U zeer ootmoedig , dat Gij zelf de hand aan het werk willet slaan en mijn hart daartoe in

2o!gt;

-ocr page 242-

EEhSTE SAMENSPRAAK

staat stellen. Ik geef U mijn lichaam over tot allen arbeid ; ik lever het U over om alle ongemakken, zwakheden en smarten te verdragen. Ik geef U mijne eer, en wil alle verachting, versmading , beleedigingen en verdrukkingen ondergaan. Ik geef u mijnen wil tot het aanvaarden van alle bedieningen, van alle werken uit gehoorzaamheid, van al uwe beschikkingen. Ik geef U mijne ziel over om alle duisternis, alle verlatenheid , alle bekoringen , alle ontberingen te lijden. Doe met mij , wat Gij wilt, ik vraag U slechts ééne genade : Stel mij in staat om [J volmaakt te beminnen, U te beminnen eenig en alleen om U zeiven.

3. Hernieuw de begeerte om Jezus te beminnen en u met Hem te vereenigen, smeek Hem nederig om die genade.

Aanhoor mij toch, o Jezus; zie, het eenige verlangen mijns harten is : U zoodanig te beminnen , dat ik van mij zeiven en al het geschapene onthecht zij , dat mijn hart geheel brande van liefde, dat ik onophoudelijk met U vereenigd, volkomen in U herschapen zij. Mijn Jezus, wees niet vertoornd over mijne stoutmoedigheid, als ik U eene genade vraag, die mijn verstand niet kan bevatten; Gij let minder op de woorden , door den mond uitgesproken , dan op de bewegingen van het hart. Gij weet , wat ik U vraag ; want slechts door uwe genade verlang ik eene lietde te bekomen, die mij afschuw inboezemt voor alles wat de wereld bemint en acht, eene liefde, die het hart zoodanig inneemt, dat uw welbehagen

240

-ocr page 243-

eerste samenspraak

het eenig voorwerp zij van mijne zorgen, van mijne pogingen, van mijne vreugde, van mijn geluk , van mijn leven , in een woord, eene liefde die mij zoodanig met U vereenigt , die mij zoodanig met ü vervult, dat ik , gedurende geheel mijn leven , uwe heilige tegenwoordigheid geniete, eene liefde, die mij zoodanig- in U verandere, dat ik kan zeggen : Ik leef, maar niet meer ik , Jezus leeft in mij. O allergrootste genade ! O allerhoogste zaligheid! geene genegenheid meer hebben dan voor het Hart van Jezus; geene liefde meer , dan volgens het welbehagen van God ; aan zich zeiven sterven om niet meer dan door Jezus te leven ; zich zeiven verlaten om over te gaan in Jezus en één van geest met Hem te worden. Ziedaar wat geheel mijn wezen zoekt en vraagt. Tot U dan, o mijn Jezus , verhef ik mijne ziel ; ik vraag U die genaden , door de afgrijselijke folteringen , die Gij in uw allerheiligst lichaam hebt geleden , door de beleedigingen en godslasteringen, die uwe Goddelijke Majesteit te verduren heeft gehad , door de matelooze droefheid, die uwe ziel heeft geleden., door dien smaadvollen dood, welken Gij hebt uitgekozen. Gij hebt dat alles geleden , om mij uwe liefde te bewijzen. O mijn Jezus , verhoor mij , bid ik U, ik vraag U slechts, wat; Gij zelf verlangt en vraagt.

IV. Oefening. Op deze wijze, mijne ziel, kunt gij u in die heilige begeerten oefenen, wanneer gij den tijd hebt, om u wat langer met God te onderhouden, bijvoorbeeld, na de H. Communie,

10

241

-ocr page 244-

eerste samenspraak

gedurende de H. Mis , tijdens de overweging en l)ij meer andere gelegenheden. Hoe heilig die oefeningen overigens zijn mogen , zij zullen alleen niet voldoende zijn , om u tot de volmaakte liefde en de vereeniging met God te brengen ; gij moet daarbij nog de volgende raadgevingen in acht nemen : Maak u gewoon Gods tegenwoordigheid steeds te gedenken en met Hem vereenigd te blijven. \'Draag zorg om den geheelen dag door , op alle plaatsen , bij al uwe bezigheden te allen tijde de oogen van den geest op God gevestigd te houden, en tracht u met Hem te vereenigen door korte verzuchtingen. Wij zullen hier de eene of andere wijze, waarop dit kan geschieden, aangeven.

Eerste Wijze. Tot God verzuchten door vurige begeerten.

O miin God , eenig verlangen, eenige vreugde mijns harten, wanneer zal het gelukkige uur aanbreken , dat ik geheel dood zal zijn voor mij zeiven en voor al het geschapene , om niet meer dan in U alleen te leven ? O mijn God, eenig verlangen , eenige vreugde mijns harten, wanneer zal de zoo lang gewenschte dag daar zijn, waarop Gij medelijden met mij hebben en mij door de banden eener volmaakte liefde met U vereenigen zult ?

Tweede Wijze. Aan God die liefde \'/net veel vurigheid en grooten ijver vragen.

Mijn God , mijn eenig en hoogste goed , vernietig in mij , wat U mishaagt; trek mijn hart met al zijne genegenheden \'tot U, en doe het geheel branden door het vuur uwer goddelijke

242

-ocr page 245-

eekste samenspraak

liefde. — O mijn God, mijn eenig en hoogste goed , ontsteek in mij het vuur uwer goddelijke liefde , vereenig mij met U , verander mij volkomen in U.

Derde Wijze. Zich zonder voorhehoud aan God, opdragen, om de (jenade zijner liefde te verkrijgen.

O mijn God , eenig verlangen mijns harten ! ik vraag noch eer, noch liefde van den kant der menschen, noch gezondheid, noch een lang leven, noch iets anders, hoe ook genaamd in den hemel of op aarde. Geef mij uwe liefde , en ik zal volkomen tevreden zijn. O mijn God , eenig goed mijns harten, ik geef mij zonder voorbehoud aan U over , en ik aanbid nederig al uwe beschikkingen. Ik vraag niets anders dan te branden van liefde tot U.

Vierde Wijze. Aan Jezus Christus zijne liefde vragen.

O Jezus , door uw zoo beminnend Hart, dat met eene lans zoo wreed doorboord werd , smeek ik U, ook mijn hart te wonden met de pijlen uwer liefde. O Jezus , door uw kostbaar bloed , uit liefde voor mij vergoten, smeek ik U , mijn hart te zuiveren , en daarvan eene woning te maken, die aan uwe oneindige schoonheid kan behagen. Verzucht alzoo nacht en dag, mijne ziel, en geloof stellig, dat het uur zal slaan, waarin gij die genade zult verwerven.

243

-ocr page 246-

244

TWEEDE SAMENSPRAAK.

Tweede hoedmiU/heid der volmaakte liefde tot God.

Jezus beminnen , en zoowel in duisternis en verlatenheid , als in licht en vertroosting , een Hem welgevalliy leven lijden.

Deze hoedanigheid uitdrukken, is reeds duidelijk aantoonen , waarin de aard en het wezen bestaat der wederzijdsche liefde tusschen God en de ziel; eene liefde , die niets anders is , dan eeae nauwe vereeniging van wil, van geest en van hart. Daaruit volgt noodzakelijk, dat de ziel gretig moet zijn, om te doen wat God wil , te lijden wat God beveelt, in een woord, om zich met liefde naar zijne aanbiddelijke inzichten te schikken. Waar deze zielsgesteldheid niet aanwezig is , daar is geene ware liefde tot Jezus. Luister naar de grondstelling van een der meest ervaren leeraars in het geestelijk leven, den heiligen Joannes van het Kruis : „Een geestelijk menschquot;, zegt hij in zijne oefeningen van godsvrucht, „moet zich nooit ophouden bij den geest, den smaak en het gevoelige in de godsvrucht. Hij moet ook nooit ontvluchten , wat daarin moeilijks en pijnlijks gevonden wordt.quot; Op zulke wijze wordt de zinnelijkheid onderdrukt en overwonnen; en anders zult gij nooit de eigenliefde ten onder brengen, nooit de liefde tot God bekomen. Zie, mijne ziel, dat is het eigenaardig kenmerk der volmaakte

-ocr page 247-

tweede samenspraak

liefde: uit liefde tot Jezus doen, wat Hij wil, lijden wat Hij beveelt en altijd meer verlangen naar lijden, dan naar genot. En dat juist is eene oefening van het hoogste gewicht, welke gjj morgen zult te onderhouden hebben.

Oefening voor den dag die de heilige Coiinuuiiie voorafgaat.

Het zal God welgevallig zijn , mijne ziel , dat gij reeds heden aanvangt met het liefdeoffer te bereiden, dat gij u voorstelt Hem morgen, bjj zijne komst in uw hart, aan te bieden. Dit bestaat in de volgende oefeningen :

I Oefening. Aan de voeten van Jezus neerleggen alle begeerten naar hemelsche vertroostingen , het hart vestigen in eene volmaakte onverschilligheid voor vertroosting of droefheid en daarin geen andere begeerte dulden, dan die van geheel en al in het bezit en onder de leiding van Jezus te zijn. Niemand is zoo jaloersch als Jezus op de zielen , die Hij uitgekozen en voorbeschikt heeft om Hem te beminnen en met Hem ver-eenigd te zijn. Hij wil het hart , dat zich aan Hem gegeven heeft, alleen bezitten ; Hij haat alle genegenheden, waarvan Hij het voorwerp niet is ; Hij duldt ook .geene bijoogmerken in de giften , die men Hem opdraagt; Hij wil, dat de ziel , welke Hem zoekt, in Hem alleen al hare vreugde, haren troost en hare tevredenheid vindt. Ziedaar mijne ziel, waaraan gij u moet houden ; gij moet u verheffen boven alle schepselen en uwe begeerten en neigingen naar God alleen

245

-ocr page 248-

TWEEDE SAMENSPRAAK

richten, zooals die vurige bruid van Jezus , Mar-gareta Alacoque, gedaan heeft. Niet tevreden met van alle vertroostingen afstand te doen, verbond zich die edelmoedige ziel daartoe zelfs door geloften. Hooren wjj haar spreken: „Ik zal mij geheel aan het Heilig Hart van Jezus overgeven; Hij bezoeke mij naar zijn welbehagen door vertroostingen of door droefheid ; ik wil mij daaromtrent , voor mij zelve , niet bekommeren of ontrusten en geef mij volkomen aan zijne beschikkingen over; ik zal mij beschouwen als een brandoffer, altijd gereed om aan zijnen aanlud-delijken wil geslachtofferd te worden.quot;

Ik vorder niet van u , mijne ziel, dat gij naar het voorbeeld van die bewonderenswaardige dienares van God , u door gelofte verbinden zoudet. Neen , wat ik van u verlang is , dat gij u heden onthechtet van alle onmatige begeerte naar de hemclsche vertroostingen, dat gij uw hart vestiget in eene volkomene onverschilligheid, en dat gij het vaste voornemen maket, van Jezus te beminnen zoowel in duisternis en verlatenheid , als in licht en vertroostingen.

Door de volgende oefeningen kunt gij dikwijls door den dag , die opdracht en onthechting van w zelcen vernieuwen.

O Jezus, o mijn God en mijn al! ik geef U mijn hart met al zijne neigingen. Ik begeer noch licht noch duisternis, noch vertroosting noch troosteloosheid, noch rust noch bekoringen. Ik vraag niets anders , dan dat uw heilige Wil op de volmaaktste wijze volbracht worde. O

246

-ocr page 249-

tweede samexspkaak

Jezus ; mijn God en mijn al, geef mij de genade van mij te verheften boven alle schepselen en U met een zuiver en belangeloos hart te beminnen. Beschik voor al het overige volgens uw welbehagen over mij. Ik heb vast besloten U in alles te loven en te prijzen.

II. Oefening. Het hart van alle schepselen onthechten en geen genoegen , geene vreugde vinden dan in God alleen.

Indien de goddelijke Verlosser eene bovenmatige voorliefde voor zijne gaven en zoetheden afkeurt , dan kan men daaruit opmaken, hoezeer diegene Hem moet mishagen , die in aardsche zaken zijne vreugde zoekt en vindt. Er is geene meer afdoende voorbereiding om het bezit der volmaakte liefde tot Jezus en de vereeniging met Hem te erlangen , dan dat wij ons voor altijd alle genoegen ontzeggen , dat ons van den kant der schepselen zou kunnen geworden.

Aldus werd het vroeger vermelde heldhaftige besluit genomen door die heilige ziel, Margareta Alacoque. Hoor hoe zij daarover spreekt in het verhaal van hare bewonderenswaardige gelofte. „Ik wil in dit leven geen andere voldoening zoeken, dan die van geene enkele aardsche vreugde te genieten; en mocht de Voorzienigheid er mij overzenden, dan zal ik die aannemen, doch inwendig verzaken aan alle vermaak of genot. Ik wil mij niet ophouden bij de bemerking of iets mij al of niet bevalt; ik wil liever al mijne gedachten tot mijnen lieven Jezus wenden, en in alles niets anders zoeken dan wat Hem behaagtquot;. Ziedaar, mijne ziel,

247

-ocr page 250-

tweede samenspraak

een zuiver en getrouw hart, eene ware en volmaakte liefde. Zoo moet gij heden leven, als gij tegen morgen een aangename woning voor den Welbeminde wilt bereiden ; zoo moet gij leven t als gij Jezus altijd bij u wilt houden. Die oefening bestaat in het onderhouden van twee punten.

Eerste Punt. In niets, hoe onschuldig het ook zij , vermaak scheppen.

Tweede Punt. Indien wij echter iets wat aangenaam is , niet kunnen vermijden , dan inwendig ons het genot van dat vermaak ontzeggen en aan God die zaak met de volmaaktste meening opdragen , de gedachten van het vermaak afwenden. Geloof mij , mijne ziel , dit zijn twee oefeningen van het hoogste gewicht.

Oefeningen voor den dag zelven , waarop meii coiiimuniceert.

Nadat gij u den dag te voren op de aangeduide wijze hebt voorbereid om den goddelijken Zaligmaker te ontvangen , kunt gij thans de onmetelijke liefde van Jezus tot u overwegen om uw hart van de vurigste liefde te doen branden.

Eerste Püxt. De liefde, waarmede Jezus u bemint, en waarmede Hij u tot heden bemind heeft, is eene liefde zonder vertroosting en zonder genoegen. Indien gij u zelven niet wilt misleiden en vrijwillig de oogen wilt afwenden van uw gehouden gedrag, dan moet gij bekennen, dat Jezus in u noch troost, noch genoegen heeft gevonden ; dan moet gij erkennen , dat gij Hem enkel droefheid en verdriet hebt veroorzaakt. Denk daarover wel na!

248

-ocr page 251-

TWEEDE SAMENSPRAAK

24!gt;

J

Wat kan een beminnend hart zwaarder vallen r dan ter vergelding van al zijne weldaden en tee-derheid niets te ondervinden dan onverschilligheid ? Jezus bemint u met eene allerteederste liefde; zou inderdaad eene flauwe liefde in staat zijn , om Hem , dien oneindig grooten God , zoo dikwijls van den hemel te doen afdalen , om tot u te komen en u te spijzen met zijn heilig vleesch, u te drenken met zijn kostbaar bloed ? Konde die Hem doen ingaan in uw hart ? en dat aües om u deel te geven aan zijne goederen en rijkdommen en zich nauw niet u te vereenigen. Bestaat er eene liefde groot genoeg om de zoo wondervolle liefde van Jezus te vergelden ? Geene andere begeerte had ingang bij u moeten vinden, dan die van Jezus steeds vuriger te beminnen; gij hadt geen oogenblik moeten doorbrengen zonder Jezus te beminnen; gij hadt allen tegenspoed moeten omhelzen, eenig en alleen om uwe liefde aan Jezus te toonen; en na dat alles verricht te hebbenr zoudt gij nog niets hebben gedaan om aan de liefde van Jezus te beantwoorden. Maar wat is er gebeurd, en hoedanig is uwe liefde geweest ? Hoe koel, hoe ongevoelig is uw hart! Hoe onstandvastig zijn uwe voornemens ! Hoe spijtig en ongeduldig zijt gij in uw lijden! Konde zooveel lauwheid en ondankbaarheid het Hart van Jezus vertroosten ? En indien dat Hart nog voor lijden vatbaar ware, hoe groot zoude dan zijne smart wel zijn geweest? Jezus beklaagt zich niet alleen over uwe koelheid , maar ook over uwe oneerbiedigheid. Weet gij wel, mijne ziel , wat het zeggen wil , Jezufr

-ocr page 252-

TWEEDE SAMENSPRAAK

te ontvangen in een hart, waarin zich , al ware het ook maar ééne dageljjksche zonde, ééne enkele verkeerde neiging, bevindt ? O, indien gij het wist, hoezeer zoudt gij niet verschrikken over de oneerbiedigheid, die gij jegens Jezus hebt begaan ? Denk een oogenblik na en beschouw hoe afschuwelijk in de oogen des geloofs eene enkele dageljjksche zonde , een enkele kwade neiging is, en gij zult uwe snoodheid erkennen. Of liever, verneem het uit nen mond van eene der meest verlichte zielen , die ooit op aarde geleefd hebben, de H. Catharina van Genua. Zij ontving eens de genade van in een wonderbaar licht te beschouwen , eerst de oneindige schoonheid van God en vervolgens de afschuwelijke leelijkheid van de minste zonde. Zij riep uit; „Ik erken thans dat ik gestorven zoude zijn, zoowel bij den aanblik der zonde als bij het aanschouwen van God , indien Hij niet genadig op mij neergezien en mij ondersteund had. De aanblik van beiden overtreft alles wat de mensch zich kan voorstellen, en niemand kan die verdragen zonder te stervenquot;. (I)

Diezelfde heilige had ook het voorrecht in den geest de leelijkheid te zien van den vorst der i duisternissen , en die van de dageljjksche zonde; zij was zoodanig door schrik bevangen, dat zij uitriep : „Heer , ik weiger niet op mijn sterfbed alle duivelen te zien met alle lijden en folteringen, ja, met alles wat zij vreeselijk hebben, uitge-

(1) In vita. Cap. 29.

1250

-ocr page 253-

TWEEDE SAMEXSPRAAK

251

nomen de zonde ; want dat alles is niets, in vergelijking met den aanblik der minste zondequot;. Zoo groot is , in de oogen eener door God verlichte ziel, de leelijkheid der minste dagelijksche zonde; wat moet zij dan niet zijn in de oogen van God ? Zoo verfoeilijk als de zonde is, zoo afschuwelijk is ook het hart, dat er mede is bezoedeld. Oordeel nu zelve welken afkeer Jezus moet gevoelen, wanneer Hij in een zoodanig hart binnen gaat, en welke oneerbiedigheid het zijn zoude Hem in eene zoo onreine woning te doen binnen gaan. Wie zoude niet verontwaardigd zijn over de oneerbiedigheid van Magdalena, indien zij , toen Jezus haar kwam bezoeken, Hem in plaats van eene behoorlijk ingerichte zaal, eenen onreinen stal tot rustplaats had aangewezen ? En toch zoude Jezus daarvan minder afschuw hebben gehad, dan van eene ziel, met dagelijksche zonden bevlekt. Maar wat die heilige niet deed of kon doen, mijne ziel, dat doet gij ! Hoe dikwijls inderdaad hebt gij Jezus ontvangen zonder te verzaken aan dat spijtige gevoel, aan dien afkeer tegen uwen evenmensch; zonder u te ontmaken van die ongeregelde liefde , van die gehechtheid aan eenig schepsel , zonder de lichtzinnigheid te betreuren , waarmede gij de fouten en zwakheden van anderen gelaakt hebt, zonder eenen vasten wil van uwe traagheid en andere onvolmaaktheden te verbeteren, die u sedert lang tot gewoonte zijn geworden ! Toch naderdet gij steeds tot de heilige Tafel en Jezus moest uwen wil doen , in uw hart binnengaan en daar verblijven, ofschoon zulks

-ocr page 254-

TWEEDE SAMENSPRAAK

Hem veel moeielijker viel , dan hot u zou vallen,, verplicht te zijn in eenzelfde vortrok te wonen met eenen ongelukkige door eene vreeselijke me-laatschheid aangetast. O overmaat van onbeschaamdheid ! Maar dat is nog niet genoeg. ondankbare ziel, voor uwe koelheid en oneerbiedigheid. Niet alleen hebt gij Jezus ontvangen terwijl uw hart met vroegere overtredingen was bezoedeld; maar op het oogenblik dat Jezus in uw hart verbleef, begingt gij nieuwe zonden. Men kan niet begrijpen , hoe iemand , die gelooft dat Jezus waarlijk in zijn hart tegenwoordig is , de boosheid zoover kan drijven ? Toonen wij het aan door een voorbeeld :

Jacobus Alvarez , wiens lof wij reeds vermeld hebben in onze eerste samenspraak, droeg eens met veel godsvrucht de H. Mis op. Na de opheffing ziet hij eensklaps Jezus voor zich staan in de H. Hostie onder de gedaante van een zeer aanvallig kind , dat zich om zijnen hals werpt, hem eenen kus op de wangen drukt, hem zooveel liefde en ijver inboezemt en hem met zulk eenen overvloed van vertroostingen vervult , dat, zooals hij later bekende , zijn hart er niet tegen bestand zou zijn geweest, indien de omhelzing van Jezus langer had geduurd. Veronderstel nu echter, dat hij, op het oogenblik dat Jezus uit de heilige Hostie te voorschijn trad en de armen uitstrekte om hem te omhelzen , zijne blikken met onverschilligheid afgewend en noch vreugde noch liefde getoond had ; veronderstel , dat toen Jezus daar voor hem stond , hij met zijne gedachten ,

252

-ocr page 255-

TWEEDE SAMENSPRAAK

met zijn hart elders had verwijld , en hij geheel spijtig gewacht had, tot Jezus onder de heilige gedaanten verdwenen was, zoude dit geene onbeleefdheid geweest zijn, die menschelijkerwijze gesproken onmogelijk schijnt ? Ik weet wel, mijne ziel , dat Jezus U nog nooit onder eene zichtbare gedaante heeft geliefkoosd; maar volgt daaruit , dat Hij voor u minder gedaan heeft dan voor zijnen dienaar ? Heeft Jezus u niet eene even groote gunst bewezen met in uw hart te komen, dan als Plij zich zichtbaar aan u vertoond had ?

Het geloof leert ons, dat Jezus in de heilige Communie waarlijk tegenwoordig is , al toont Hij zich niet aan onze blikken. Hoor, wat Hij eens zeide tot Balthazar Alvarez, een zeer heilig man. Deze overwoog eens het groote geluk der Drie Koningen , die met eigen oogen het kind Jezus aanschouwden, Hem aan hun hart drukten en omhelsden. In die gedachten verdiept, hoorde hij de stem van Jezus, die hem zeide: Zij hebben mij slechts aanbeden, maar gij hebt mij ontvangen; als wilde Hij zeggen: Houd op met de gunst te bewonderen , welke de Drie Wijzen van Mij ontvingen , want ik heb Mij enkel in hunne handen gesteld, opdat zij Mij zouden kunnen omhelzen , terwijl gij , door eene veel kostbaarder weldaad , Mij in uw hart hebt bezeten en Ik Mij met u vereenigd heb.

Mag ik tot u niet in alle waarheid zeggen, mijne ziel, wat Jezus tot Alvarez gezegd heeft? Houd op met de gunst te benijden, die Jezus

253

-ocr page 256-

TWEEDE SAMENSPRAAK

254

aan zijnen trouwen dienaar heeft bewezen ; want te zijnen opzichte heeft Jezus zich bepaald bij uitwendige bewijzen van teederheid , maar bij u heeft Hij werkelijk zijnen intrek genomen en heeft zijn hart met het uwe vereenigd. Maar het is juist de onmetelijkheid dier liefde, welke de groote boosheid klaar doet uitkomen, die gij begingt met God schaamteloos te beleedigen, op hot oogenblik zelf waarin Hij zoo groote wonderen in u werkte. En hoe menigmaal is zulks niet gebeurd? Helaas ! die vrijwillige verstrooidheden na de heilige Communie , die verkeerde neigingen , waaraan gij gehoor gaaft, die lauw- en traagheid , waarin gij uwe oogenblikken verkwistet, wat waren zij anders , dan zoovele beleedigingen , Jezus aangedaan. Was dat niet de blikken van Jezus afv/enden en uit verveling verlangen naar het heengaan van Jezus uit uw hart? Waar is nu de vertroosting, het genoegen, dat Jezus in u gezocht heeft, mijne ziel ? Hjj komt tot\' u in uw eigen hart om er zijne vreugde, zijn genoegen te vinden, gelijk een bruidegom, die geen geluk meer vindt dan bij zijne bruid ; die haar oprecht en uit geheel zijn hart bemint, zooals Hij zelf door den mond van zijnen profeet zegt : Gelijk een bruidegom zich verheugt in de tegenwoordigheid zijner bruid, zoo zal God zich in u verheugen. (1) Maar wat heeft Hij gevonden ? Helaas ! niets dan ondank, oneerbiedigheid, beleedigingen en boosheid I Is dat dan de dankbaarheid, die gij tot dusverre

(1) Isaias 62.

-ocr page 257-

tweede samenspraak 255-

aan Jezus hebt getoond , de liefde , waarmede gij de liefde van Jezus vergolden hebt ?

Tweede Punt. Ondanks uwe onwaardigheid, was de liefde, waarmede Jezus u in dit Sacrament bemind heeft, grenzeloos. Beminnen zonder eenige wederliefde te ontvangen is eene zuivere liefde; beminnen en niets terug ontvangen dan versmading is eene nog zuiverder liefde. Maar, ondanks dit alles, voortgaan met beminnen , beleedigingen met weldaden en teederheid vergelden , niet verkoelen in de liefde, maar steeds vuriger beminnen, dat is beminnen met eene liefde, welke den hoogstel! graad van volmaaktheid bereikt heeft.

Gij hebt overwogen , mijne ziel, hoe schuldig gij u ten opzichte van Jezus gemaakt hebt; zie nu, met welke uitstekende liefde Jezus u desniettegenstaande heeft bemind. 1. Is het niet reeds een wonder, dat Jezus zoo dikwijls tot u is gekomen in het allerheiligste Sacrament ? Inderdaad , dit teit alleen bewijst genoegzaam, dat zijn hart altijd van liefde tot u gebrand heeft. Waarom ? Indien Jezus gedurende tien jaren dagelijks eenen engel tot u gezonden had , om u namens Hem te bezoeken en u zijne genaden aan te bieden, zou dan een dusdanig blijk van liefde niet genoeg zijn geweest om de geheele wereld verbaasd te doen staan ? Dat is niet gebeurd , want dat was te weinig voor uwen Jezus. Hij komt zelf u bezoeken en Hij komt elke week twee, drie, of nog meer malen; waarlijk, eene genade veel kostbaarder dan dat Hij u duizend serafijnen had gezonden. Zeker, indien men u de keus gaf tus-

-ocr page 258-

TWEEDE SAMENSPRAAK

schen tien jaren lang , eiken dag een uur bezoek te ontvangen van de hemelsche geesten, of gedurende die tien jaren slechts eenmaal Jezus te zien en zijne heilige wonden te vereeren , dan zoudet gij dit laatste voorrecht moeten kiezen. Maar Jezus is u niet alleen komen bezoeken, Hij is bovendien u komen spijzen. Nieuw bewijs eener onbegrijpelijke liefde! Als een groot monarch dezer aarde het beste deel van zijn middagmaal door een zijner hofjonkers op een gouden schotel aan eenen zijner ministers liet brengen, en dat twee, driemaal in de week, dan zou dit een daad zijn , waardoor het geheele rijk kon weten , dat die minister de bijzondere gunst des konings bezat. Wat moet ik nu denken, mijne ziel, wanneer ik mijne blikken sla op Jezus en op mij zeiven ? Jezus heeft u zijn voedsel niet gezonden , Hij zelf heeft het gebracht , maar een voedsel zooals nooit noch engel noch aartsengel noch serafijn geproefd heeft, zijn eigen lichaam , zijn kostbaar bloed. Wat kan Jezus nog meer doen , om u zijne liefde te toonen ? Had Hij u slechts een stuk brood gezonden, zooals een engel aan Elias bracht in de woestijn, of eenig ander stoffelijk voedsel zooals aan Daniël in den leeuwenkuil , dan ware zulks reeds een stellig bewijs geweest van de teedere liefde, die Hij u toedraagt. Wat moet gij dan nu denken, uu Hij u zijn eigen vleesch en zijn eigen bloed schenkt?

2. Verbeften wij onze gedachte nog hooger en beschouwen wij de uitwerkselen, die dit goddelijk voedsel in u heeft voortgebracht. God laat, wan-

256

-ocr page 259-

TWEEDE SAMENSPRAAK 25quot;

neer Hjj ons komt bezoeken , zijne giften niet in den Hemel, zegt de beroemde Balthazar Alvarez ; noch ook zijne blikken vol barmhartigheid , noch zijne teederheid, noch zijne zalving , noch zijne kracht, noch zijne rijkdommen. Hij komt niet met ledige handen, maar met de handen vol genaden en hemelsche goederen. Zoo menigmaal als Jezus u gevoed heeft met zijn vleesch en bloed, zoo menigmaal heeft Hij u eene nieuwe genade ter zaligheid medegedeeld. O matelooze liefde! O onberekenbare schat! Een kind , dat terstond na het doopsel sterft, bezit slechts écnen graad van heiligmakende genade, en die enkele graad is genoeg om het gedurende de gansche eeuwigheid eindeloos gelukkig te maken. Waarheid vol vertroosting en vreugde. Sedert eenige jaren heeft Jezus u zoo dikwijls gespijzigd, verkwikt met zijn goddelijk vleesch en zijn bloed, en telkens heeft Hij u eenen nieuwen graad van heiligmakende genade medegedeeld. En wanneer gaf Jezus u dat bewijs van mildheid ? Verzamel nu , mijne ziel, al uwe vermogens , en bewonder de verbazende liefde van Jezus. Dikwijls hebt gij de heilige communie in staat van dagelijksche zonde ontvangen. Is dat niet zoo ? Helaas ! uw geweten bevestigt dit; gij kunt het dus niet ontkennen. Jezus heeft dus zijne genaden in uwe ziel gestort, toen gjj Hem werkelijk hadt beleedigd; op het oogenblik, dat gij niets dan straf en foltering verdiendet, op het oogenblik, waarop Hij u in de vlammen des vagevuurs had kunnen werpen; op het oogenblik, waarin gij zoo kond en zoo on-

17

-ocr page 260-

TWEEDE SAMENSPRAAK

258

dankbaar jegens Hem waart; op dat eigen oogen-l)lik vervulde Hij uw hart met zijne genade.

3. Hoe bewonderenswaardig de milddadigheid van Jezus u ook moet toeschijnen, toch is er nog iets meer verbazends. Het hoofddoel, waarmede Jezus zoo dikwijls tot u kwam en u met zijn vleeseh en bloed spjjsde , was , u nauw met Hem te vereenigen , tusschen uw hart en het zijne eene vertrouwelijkheid te vestigen, zoo innig als er slechts tusschen bruidegom en bruid kan bestaan. Hoezeer verlangde Hij u die genade mede te deelen ? „Geen verlangen is grooter\'\', zegt de H. Joannes Chrysostomus , „dan dat eener moeder , om haar kind ter wereld te brengen en het met eigen oogen te zienquot; ; nu, hoe groot het verlangen eener moeder ook zijn moge , het verlange;i van Jezus, om /Ach met u te vereenigen en de schatten zijner barmhartigheid over u uit te storten, is nog grooter. Zoo groot was de liefde van Jezus en zjjn verlangen om zich met u te vereenigen , toen Hij het Sacrament der Eucharistie instelde ; zoo groot is dat verlangen nog heden. Kan men een grooter wonder van liefde uitdenken? Jacob beminde Rachel en diende, om haar ten huwelijk te bekomen , Laban zeven jaren lang, onder duizend beproevingen ; de vurigheid zijner liefde overwon al die moeilijkheden , en de zeven jaren schenen hem slechts eenige dagen. (1) Gij begrijpt reeds, mijne ziel, waar ik heen wil. Sedert tien jaren en meer zocht Jezus u , om

(1) Gen. Hoofdstuk 2y.

-ocr page 261-

TWEEDE SAMENSPRAAK 259

met u eene volmaakte en eeuwige verbintenis aan te gaan , en dit verlangen bezielt Hem thans nog. Maar waar was uwe liefde? Kunt gij, zonder van schaamte te blozen, die vraag beantwoorden ? Met welke koelheid hebt gij Jezus ontvangen? Welke beleedigingen hebt gij Hem aangedaan , zelfs in zijne tegenwoordigheid ? Hoe menigmaal hebt gij Hem niet geweigerd , wat Hij u vroeg ! Hoe menigmaal hebt gij integendeel gedaan wat gij wist, dat Hem mishaagde ! Hoe menigmaal hebt gij uw hart niet aan Hem onttrokken, om het aan de schepselen te schenken ! En ondanks dat alles heeft Jezus u altijd bemind, bemint Hij u nog, Hij zoekt u en verlangt vurig met u ver-eenigd te worden. Is dat geene liefde, wrelke door de hemelsche geesten zelven nooit genoeg bewonderd kan worden ?

Bemerkingen en gevoelens.

Ziedaar, mijne ziel, met welke liefde Jezus u bemind heeft, eene liefde zonder vertroosting, zonder vreugde, en die toch zonder maat, zonder grenzen, zonder verandering, zonder onderbreking, zonder verkoeling tot heden voortduurt. Ziedaar hoedanig de liefde van Jezus was , en hoedanig is nu uwe liefde tot Jezus ? Gij bemint Jezus en gij wenscht Hem volmaakt te beminnen , wel is waar niet zonder vertroosting, zonder vreugde, zonder genoegen; niet in duisternissen en bekoringen, maar in het zoete genot eener aangename rust, eener teedere godsvrucht, in de innigste

-ocr page 262-

TWEEDE SAMEXSPKAAK

vereeniging met Hem. Helaas! hoe groot is uwe dwaling en hoezeer wijkt gij af van den weg der ware liefde , die eene zuivere , getrouwe en edelmoedige liefde is. Zonder deze hoedanigheden is geene ware liefde bestaanbaar.

I. De ware liefde is eene zuivere liefde.

De christen die met eene ware liefde bezield is, verlangt niets anders, dan Jezus te beminnen en zijnen heiligen wil te volbrengen. Die wil is de eenige regel zijner begeerten en gevoelens; hij kent geen ander genoegen dan zich daarnaar te schikken; want hij zoude er een gewetensbezwaar van maken , ook maar het minste deel van zijn hart aan zijnen welbeminde te onttrekken.

II. De ware liefde is eene getrouwe liefde.

Hij die waarlijk bemint, vervolgt rustig zijnen weg door verlatenheden en bekoringen heen. Het welbehagen van Jezus is het eenige waarom hij zich bekommert, en wijl hij dit vindt, zoowel in lijden als in vreugde, is hij even tevreden in het eene als in het andere, en kent geene andere zorg, dan van uur tot uur , door zijne daden en door zijn lijden het welbehagen van Jezus te volbrengen.

III. De ware liefde is eene edelmoedige liefde.

Hij die de ware liefde bezit, weet dat hij onmogelijk een grooter genoegen aan Jezus kan verschaifen dan door te lijden; daarom verheft hij zich boven geheel zijne natuur en strekt de armen uit naar het lijden , naar de bitterheden , zonder in het minste acht te slaan op de tegenkantingen der eigenliefde en der zinnelijkheid.

260

-ocr page 263-

tweede samenspraak

Gevoelens. Eerste beyeerte naar lijden.

ïfu, o mijn Jezus, weet ik waaruit mijne droefheid in duisternissen , en mijn verlangen naar licht en vertroostingen voortkomt. Het zijn geene uitwerkselen uwer genade, maar wel de vergiftigde vruchten van mijne eigenliefde en van mijne zinnelijkheid. Beminnen zonder vertroosting, zonder vreugde , zonder genoegen , beminnen in duisternissen en eene algeheele neerslachtigheid der natuur , dat is waarlijk beminnen , dat is beminnen zooals Gij zelf, o Jezus, bemint! O schoone , o heilige liefde ! hoe weinig heb ik U bemind , hoe weinig U gekend ! hoe weinig U geacht! Dit komt, omdat ik door mijne eigenliefde verblind was. Op het oogenblik zelf, waarin ik gelegenheid had , om de liefde in hare geheele volmaaktheid te beoefenen, meende ik, dat de liefde voor mij iets onmogelijks was! Welk eene verblindheid! De teedere gevoelens brengen de liefde geen voordeel aan, en troosteloosheid kan haar niet schaden, Jezus zoeken en zich naar zijn welbehagen schikken , ziedaar , waarin de liefde tot Jezus bestaat-Tweede begeerte naar lijden.

Oneindige dank zij U thans gebracht, o mijn Jezus, U die mij van mijne dwaling genezen hebt. Voortaan , o Jezus , zal ik geene andere bekommering meer hebben dan die van ü te zoeken , en getrouw te volvoeren wat Gij van mij vraagt. Al het overige wil ik beschouwen als zaken, die mij vreemd zijn, en die ik met eene blinde onderwerping van uwe hand moet aannemen. Wilt Gij mij dan licht, vertroosting en nog andere gena-

261

-ocr page 264-

TWEEDE SAMENSPRAAK

den schenken , ik za.1 U daarvoor loven en zegenen ; maar ik zal daarin vreugde noch vertroos-ving vinden, dan omdat het U behaagt mij te vertroosten. Maar zendt Gij mij verlatenheid of bekoringen over , dan zal ik door die duistere en dreigende wolken heen, met een levendig geloof daarin den schat van uwen heiligen wil beschouwen en mijn hart er toe brengen om noch rust, noch vreugde, noch genoegen te vinden dan in mij naar dien heiligen wil te schikken. Dit is mijn voornemen, o goede Jezus, ik wil daaraan getrouw zijn.

Derde begeerte naar lijden.

Maar zal ik in dat vaste voornemen kunnen volharden ? O mijn God, mijn eenige boop, mijn toevlucht en mijne vreugde! O God, die mijne sterkte zijt! Uwe hulp zal mij al de dagen mijns levens ondersteunen; maar zonder U ben ik tot de minste krachtinspanning niet in staat. Zoo sterk de mensch is , wanneer Gij met hem zijt, zoo zwak is hjj , wanneer Gjj hem aan zich zeiven overlaat. Helaas ! o mijn Jezus, heb dan medelijden met mij ; ban uit mijn hart alle gehechtheid aan de schepselen , hoe heilig en volmaakt zij ook zijn mogen. Geef mij een hart, waarin geene plaats meer is voor vreugde , voor vermaak , of begeerten , noch voor de begeerlijkheid , noch voor de liefde tot rust, tenzij voor die , welke voortkomt uit uwen allerheiligsten en beminnelijken wil. Op dit oogenblik verzaak ik aan alle andere begeerten van mijn hart. Ik wil of vraag niets in den hemel en op aarde dan U , o Jezus , te beminnen en te behagen.

262

-ocr page 265-

TWEEDE SAMENSPRAAK

Heilif/e verzuchtingen bij het ontvangen fier heilige Communie,

Vóór de heilige Coniiiiniiie.

Stel u , wanneer het oogenblik om de heilige Communie te ontvangen daar is , levendig Jezus Christus in het heilig Sacrament voor. Verlies u geheel in Hem en verwek met alle mogelijke vurigheid :

1. EeNB OEFEN ING VAX DIEPEN OOTMOED. Belijd dal gij onwaardi\') zijl om Jezus te ontvangen en hid Hem terzelfder tijd , dat Hij zelf uw hart zuivere en zich daarin een Hem hehagelijke woning hereide.

O mijn Jezus , zoo groot als uwe barmhartigheid is, wanneer Gij tot mij komt, om in mij uw verblijf te vestigen , zoo zeer ben ik eene zoodanige gunst onwaardig. Ik ken mijn eigen hart niet en toch mishaagt het mij om de zonden en kwade neigingen , waarmede het bezoedeld is. Wat is dan dat hart in uwe oogen , die het geheel doorgronden en er duidelijk al de afschuwelijkheid van inzien ? Helaas ! tot dusverre hebt Gij daarin noch vreugde , noch vertroosting gevonden. Al wat het bevat heeft uwe allerheiligste oogen moeten kwetsen. Zal het dan nooit anders worden , en zult Gij dan nooit in mij eene U be-hagelijke woning vinden ? Maar wat zeg ik \'i De zuiverste tranen der boetvaardigheid zijn het water, dat mijn hart moet reinigen. Aanhoor, o Jezus, de-verzuchtingen mijner ziel; ik betreur mijne misslagen en ik verfoei ze , alleen omdat zij uwe

263

-ocr page 266-

tweede samenspraak

oneindige grootheid en goedheid beleedigd hebben. Ik verzaak en verfoei ze zoodanig , dat ik op dit oogenblik zelf bereid zoude zijn mijn bloed te vergieten om ze uit te wisschen. O Jezus , gren-zelooze goedheid , besproei mij met uw kostbaar bloed , zuiver mijn hart van al zijne vlekken en maak het tot een verbljjf dat aangenaam is aan uwe oneindige Majesteit.

2. Eene oefening van de volmaaktste meening.

Draag aan Jezus door de heilige Communie zijn eigen vleesch en kostbaar bloed op , om hem lof, eer en onderwerping te bewijzen, die zijne Majesteit waardig zijn en vervolyens om de beoefening eener waarlijk heldhaftige liefde te bekomen.

In het vaste vertrouwen , o Jezus , dat Gij mij van al mijne kwade neigingen hebt gezuiverd , bied ik U thans aan uw eigen vleesch en kostbaar bloed , uw lichaam en uwe ziel, die ik ga ontvangen. O , hoe zoude ik wenschen U zoo zeer te kunnen eeren en beminnen als alle gelukzalige geesten en alle uitverkorenen ! O , hoe zoude ik wenschen alleen al de liefde te kunnen gevoelen die alle redelijke schepselen bezitten! Met welke vreugde zoude ik die gevoelens voor U uitstorten ! Ziedaar , wat ik verlang U te schenken , en wat ik U ook werkelijk schenk, omdat ik U ontvang. Gij geeft mij uw hart. Dat hart, hetwelk Gij mij schenkt, geef ik TJ weder, en door het U weder te geven , geef ik het aan geheel de allerheiligste Drievuldigheid, als een offer , waardoor Haar alle eer en alle liefde gegeven wordt, welke ooit in dit allerheiligste Hart waren opge-

264

-ocr page 267-

TWEEDE SAMENSPRAAK

sloten. Datzelfde Hart bied ik U aan, met al uw kostbaar bloed , o mijn Jezus ; ik smeek U met al de vurigheid , waartoe mijn hart in staat is, geef mij heden eene waarlijk edelmoedige liefde, eene liefde, die niets zoekt, naar niets vraagt dan naar U en uwen heiligen wil ; eene liefde. getrouw in verlatenheid en onwankelbaar in de vertroostingen ; eene liefde, tevreden in alle wisselvalligheden, in alle dorheden ; eene liefde eindelijk , die op U alleen steunt. Helaas ! geef geen acht op de onwaardigheid mijns harten; gedenk mijne zonden en mijne boosheid niet, verhoor mijne bedrukte ziel, die al haar betrouwen op uwe oneindige goedheid stelt.

3. Een vurig verlangen om Jezus te ontvangen en die genade van zijne edelmoedige goedheid en oneindige barmhartigheid verwachten.

Kom , o mijn Jezus , mijn eenige liefde , mijn eenig verlangen, mijne vreugde en mijn troost T mijne eenige toevlucht, mijn geluk en mijn al ! Kom , o mijn Jezus , Gij zijt een brandend vuur T verslind in mij al wat aan uwe blikken mishaagt, en ontsteek in mijn hart eenen brand die nimmer uitgedoofd worde, Grij zijt een onuitbluschbaar vuur; plaats dat vuur in mijn hart, maak dat het in den tegenspoed ontbrande en dat de vlam mijner liefde onophoudelijk toeneme. Kom, o mijn Jezus; want ik weet, dat, wanneer Gij in mijn hart nederdaalt, al de schatten uwer genade daar met U komen. Maar ik vraag niets , dan U alleen , uwe liefde, o Jezus! O liefde van Jezus, hoogste goed! Gij overtreft oneindig al wat hemel en

26»

-ocr page 268-

TWEEDE SAMENSPRAAK

aarde goeds bevatten; Gij zijt mijn Zaligmaker en al het heil mijner onsterfelijke ziel, het eenige goed, dat mij gelukkig kan maken en zonder hetwelk ik arm en ellendig ben. 0 Jezus, dat eenige goed vraag ik niet alleen voor mij zeiven, maar ook voor U ; niet alleen voor mijn geluk , maar ook voor de eer en glorie van uwen heiligen Naam en om voldoening te geven aan uw Hart. Kom dan, o mijn Jezus, en ontsteek dat goddelijk vuur in mij hart.

Na «Ie heilige Communie.

Ka aldus met de vurigste verzuchtingen Jezus -ontvangen te hebben, zult gij u zoo levendig mogeljjk zijne tegenwoordigheid in uwe ziel voorstellen ; verzamel al de vermogens uwer ziel en verwek :

1. Eotc, oefeniny van lof , van dank en van volmaakte liefde.

O dierbare Jezus ! Gij zijt dus tegenwoordig in mijn hart; Gij , wiens oneindige schoonheid alle uitvei-korenen in verrukking brengt; Gij , wiens almacht de harten kan veranderen en in «en oogenblik van den onwaardigsten zondaar eenen heilige kunt maken; Gij wiens eindelooze goedheid behagen schept in uwe gunsten en weldaden overvloedig uit te storten. Helaas! ware het mij gegeven U te beminnen en te leven, zooals uwe oneindige barmhartigheid het verdient! Maar dat is onmogelijk. Indien zelfs alle engelen te zamen U duizend jaren lang loofden, zouden

266

-ocr page 269-

TWEEDE SAMENSPRAAK

zij U voor zulk eene weldaad niet naar waarde kunnen danken. quot;Wat vermag dan een ellendige aardworm , een arme zondaar, die niet waardig is de oogen tot U op te heffen. Neem , smeek ik U, als dankoffer aan allen lof, alle zegeningen, alle liefde en al de verhevenste oefeningen, welke de volzalige Maagd, uwe Moeder, U aanbood, toen zij U in haren maagdelijken schoot droeg. Ik vermag niets , dan mij geheel in U te verliezen ; U mijn gansche wezen te schenken en U te beminnen uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel , uit geheel mijn verstand en uit al mijne krachten. Grij zijt een oneindig goed, dat nooit genoeg bemind kan worden. U het minste deel van mijn hart te onttrekken is eene beleediging, die nooit genoeg betreurd kan worden. Helaas! waarom komen die heilige gedachten zoo laat in mij op , en waarom ben ik niet begonnen U te beminnen , zoodra mijn hart tot beminnen in staat was ?

2. Eene volmaakte opoffering en eene algeheele overgave van n zeiven aa» alle verordeningen van God, met een vast voornemen om alle imcendige heschikkingen zonder onderscheid van zijne hand aan ie nemen en Hem te beminnen zoowel in duisternis als in licht en vertroosting.

Maar wat zal ik in het vervolg doen ? Zal ik nog een oogenblik uitstellen , U volmaakt te beminnen \'i Neen , neem , o mijn Jezus , neem aan al wat ik heb , al wat ik ben. Ik geef U mijn lichaam en mijne ziel, mijn geheugen en mijn verstand , mijnen wil en mjjne eer, mijne gezond-

207

-ocr page 270-

TWEEDE SAMENSPRAAK

heid en mijn leven, al wat ik ben en al wat ik bezit. Ik heb alles van uwe hand ontvangen, en geef U weder, wat ik van U ontving. Ik vraag of verlang niets, dan dat gij elk oogenblik in mij volbrengt wat U behaagt en dat Gij alles volvoert, wat Gij van alle eeuwigheid voor mij bestemd hebt; maar geef mij kracht en moed, om mij met ootmoed en liefde daaraan te onderwerpen.

Vast besloten om niets buiten U te beminnen , o mijn Jezus , om niets te verlangen dan de gelijkvormigheid met uw welbehagen en de vervulling van uwen heiligen wil, blijf ik in vrede en laat U de zorg over voor alles wat mij aangaat. Indien Gij het wilt, o mijn Jezus, neem dan bezit van mijn hart en vervul het met hemelsche verlichtingen , met teedere gevoelens , met vreedzame kalmte en met andere uitgelezene genaden; maar indien Gij dit niet wilt , laat mij dan leven in duisternis en bekoringen. Uw wil is altijd wijs, altijd rechtvaardig, altijd heilig en ik wil slechts wat Gij wilt: dat uw heilige wil in mij geheel volbracht worde. Ik maak op dit oogenblik het vaste voornemen , van mij aan niets te hechten , wat niet in overeenstemming is met uwen heiligen wil, ik verlang U evenzeer te beminnen in de duisternis als in licht en vertroosting.

3. Een kinderlijk vertrouwen van die edelmoedige liefde tot Jezus te hekomen en een ootmoedige bede tot dat einde.

Ziehier het gelukkige oogenblik, waarop ik alles kan verkrijgen. Immers, welke gunst mag ik

268

-ocr page 271-

TWEEDE SAMESSPKAAK 263

niet met grond verwachten, of welke genade zoudt Oij mij in dezen stond kunnen weigeren? Wat Gij mij reeds geschonken hebt is van veel hoogere waarde, dan wat ik begeer. Zie , mijn Jezus, ik heb uw vleesch en bloed ontvangen ; in mijn hart rust uwe godheid en uwe menschheid. Ik bezit thans den schat van uw leven , en van uw lijden , van uwe deugden en verdiensten. Zou ik U grootere oneer kunnen aandoen, dan met U mistrouwen te toonen, door U slechts eene geringe gunst te vragen , nadat ik veel gewichtigere van U bekomen heb ? Verre van mij die hatelijke gedachte! Gij zijt een God, oneindig liefdevol en milddadig , en daarom houd ik mij verzekerd , te zullen bekomen , wat ik U vraag. Met dat vertrouwen bezield, smeek ik U uit den grond mijns harten , mij de genade te verleenen van U volmaakt te beminnen, en op deze aarde niets meer te achten , niets meer te zoeken, dan uwen heiligen wil. Verleen mij de genade dat ik U beminne in de duisternis zoowel als in het licht, dat ik trachte U te behagen zoowel in verlatenheid als in gevoelige godsvrucht. Eindelijk, o goede Jezus, geef mij de genade van LT te beminnen, alleen omdat Gij het opperste goed en om U zeiven alle liefde waardig zijt.

Vruchten van de heilige Communie.

De vrucht, welke gij uit de heilige Communie moet trekken, mijne ziel, is eene ware onverdeelde liefde , die niets zoekt dan God alleen en

-ocr page 272-

TWEEDE SAMENSPRAAK

die zich aan Hem hecht zoowel ten tijde van duisternis en dorheid , als te midden van licht en troost. Die hoedanigheid der liefde , zoo kostbaar en zoo moeilijk te verkrijgen , eischt een edelmoedig en ondernemend hart. Men moet niet slechts afstand doen van alle menschelijke vertroostingen , maar zelfs van die , welke van Gods vvege komen, en zijn genoegen zoeken in God alleen ; een besluit, waarin men niet zou kunnen volharden , zonder zich het grootste geweld aan te doen , zonder eene algemeene versterving der eigenliefde te beoefenen. Maar, wijl ik het er voor houd, mijne ziel, dat gij vast besloten hebt, alles te doen en alles te lijden, om God te vinden, wil ik eene uitgebreide onderrichting over die gesteltenis geven. Wij moeten dan drie zaken onderzoeken.

1. Wat de staat van verlatenheid is , en welke f/roote moeilijkheden hij hevat.

2. Hoe uitmuntend en nuttig , die staat van verlatenheid is.

3. Welke regelen de ware en zuivere liefde volgen moet in den staat van verlatenheid.

1. De staat van verlatenheid bestaat uit twee dingen. Het eerste is de onttrekking van alle licht, van alle vertroostingen en andere heilige bewegingen die het onderhoud met God zoo gemakkelijk en zoo aangenaam maken. Het tweede is de toestand van duisternis, van bekoringen en andere ellenden, waardoor de omgang met God bitter en moeilijk wordt. Deze enkele beschrijving toont reeds klaarblijkelijk, van hoe groote moeie-lijkheden de staat van verlatenheid vergezeld gaat.

•27Ü

-ocr page 273-

tweede samenspraak

Eerste Moeiei.ijkheid. De duisternis van den lt;jeest en de ongevoeligheid des harten.

Het verstand is zonder lioht en ternauwernood kan men gedurende eenige oogenblikken de geheimen des geloofs beschouwen. quot;Want alles is, om zoo te spreken , in oenen dichten nevel gehuld ; men ziet niets van de schoonheden , die in het geheim zijn opgesloten , en die, op andere tijden, den geest uren lang zouden bezig houden. Evenals hot verstand beroofd is van licht, evenzoo is ook de wil van zijnen kant ongevoelig. Hij is als een droge en dorre grond , die sedert maanden niet meer bevochtigd is geweest. Alle aandoeningen moeten hem als met geweld ontrukt worden en zijn even ongenoegzaam om het hart te verteederen, als twee of drie druppeltjes water om eenen door dorst gekwelden reiziger te verkwikken. De ziel bevindt zich alsdan in eene moeilijke gesteltenis. Het gebed is voor haar eene marteling en de omgang met God eertijds zoo genotvol, levert haar thans niets meer op dan eene onuitsprekelijke bitterheid.

Tweede Moeielijkheid. De verstrooidheden en de. onstandvastigheid van het hart.

Niets is ellendiger en onstandvastiger dan ons hart. Het is ongestadig als een vogeltje , dat nimmer lang in rust is , maar onophoudelijk van den eenen tak op den anderen wipt. Het is niet in staat zich langen tijd met de beschouwing van eenzelfde voorwerp bezig te houden. Het is gestadig op reis, en verheft het zich een oogenblik ten hemel om daar God te beschouwen , aanstonds

271

-ocr page 274-

tweede samenspraak

bevindt het zich weder op aarde en dwaalt rond onder de schepselen. Als bij die natuurlijke lichtzinnigheid de hel nog eenen aanval voegt, en de duivel het hart en het geheugen met duizend droombeelden, met duizend hersenschimmen en met de verderfelijkste gedachten vervult, dan stijgt noodzakelijk de ellende ten top. In dien staat is het hart het getrouwe beeld van een mierennest, waar zonder ophouden duizenden insecten in- en uitgaan en door elkander wemelen.

Hoe moeilijk door dat alles het gebed wordt, is aan niemand onbekend. Gewis, groote heiligen hebben deze ellende ondervonden en die bitter betreurd.

Derde Moeielijkheid. Lusteloosheid.

Dit kwaad ontstaat niet bij allen uit dezelfde oorzaak. Bij den eene spruit het voort uit onwetendheid , bij den andere uit eigenliefde; bij een groot aantal uit beide te zamen. Er zijn vele zielen, die voor zeker houden, dat een gebed\', zoo vol duisternis, zoo dor, zoo flauwr en zoo moeilijk, — want ten tijde van verlatenheid kan men geen ander verrichten , -- noch Gode beha-gelijk , noch voor hen zeiven nuttig kan zijn. Zij meenen van dag tot dag achteruit te gaan op den weg der volmaaktheid en beelden zich in , dat God zich van hen verwijdert, naarmate zij meer tot Hem trachten te naderen. Met die gedachte vervuld , vinden zij slechts verveling in het gebed en kost het hun, om zoo te spreken, hunnen tijd te besteden , aan eene oefening die hun zoo nutteloos toeschijnt. Andere zielen, meer

272

-ocr page 275-

T W EEllE S AM ENS PK AA K

nog in getal, zoeken, door hunne eigenliefde verblind , in alles slechts een gevoelig genoegen. Nauwelijks hebben zij aan alle vertroosting verzaakt en zich van ganscher harte aan God geschonken of zij eischen, dat Hij op hen doe nederdalen de hemelsche vertroostingen en die zoetheden zijner liefde , welke Hij alleen bewaart voor de reine zielen, die door langdurig lijden beproefd zijn. Indien zij alsdan zich in dien staat van verlatenheid bevinden en bijgevolg, in plaats van vertroostingen, niets dan bitterheid ondervinden , worden zij neerslachtig en treurig , en het gebed is voortaan lastig en moeilijk. De vijand verstaat wonderwel de kunst , om in zulk troebel water te visschen. Hij tracht die moede-looze zielen meer en meer in hunne dwaalbegrippen te stijven. Hij stelt hun de volmaaktheid voor, als een staat die ongenaakbaar is , en drijft hen zoo ver, dat zij het gebed of wel geheel verlaten , of het ten minste zorgeloos en zeer onachtzaam verrichten.

Vierde Moeielijkheid. De opstand der kwade neigingen.

Een hart, waarin de deugd niet volkomen heerscht, is noodzakelijk ontsteld, vooral wanneer het begint te bidden en zich met God wil onderhouden. Is het verslaafd aan het lezen van wereldsche boeken, dan zal het gelezene de inbeelding en het geheugen vervullen, den wil verlammen door hem te ontzenuwen. Is het hart ■onder den indruk eener hevige gramschap , dan zal deze alle, sedert jaren ontvangen beleedigingen,

18

273

-ocr page 276-

tweede samenspraak

met geweld aan den geest opdringen , en zij zal in den wil het nog smeulende vuur van ongeduld, liaat, verachting en andere misdadige neigingen doen herleven. Heeft zich overdrevene droefheid van het hart meester gemaakt, dan zal deze het kwellen met allerlei inbeeldingen ; zij zal de ziel onder de droefgeestigheid, als onder eenen zwaren last, gebukt doen gaan. Zich in dien toestand met God onderhouden in het gebed is nagenoeg onmogelijk. Die verkeerde gesteltenissen zijn als zoovele duistere en sombere wolken, welke de ziel zoodanig benevelen , dat het gezicht dei-eeuwige waarheden haar geheel benomen wordt; zij zijn als zoovele zware ketenen , die het hart aan de aarde geklonken houden , zoodat het zich niet meer hemelwaarts kan verheffen.

Vijfde Moeielukheid. Het ontwaken der he-koringen.

De geest des kwaads, die niets zoo zeer vreest als een vurig gebed en eenen liefdevollen omgang met God, kent geen grooter verlangen dan hiertegen een beletsel te stellen. Het gewone middel, dat hij daartoe bezigt, is eene menigte gevaarlijke bekoringen op te wekken. Vandaag is de onkuischheid zijn wapen; hij vervult de verbeelding met de onzedigste voorstellingen; hij kwelt het hart door de oneerbaarste begeerten; hij ontsteekt in de ziel het vuur eener helsche drift en dat met zulk eene hevigheid, dat de ziel, ondanks al hare pogingen , er zich niet van kan ontmaken en zich als gedwongen ziet in dergelijke vlammen te branden. Een andermaal valt hij de

274

-ocr page 277-

T \\V E K1) E SAMENSPRAAK

ziel aan met wanhoop : hij stovt eensklaps dikke duisternissen in het verstand; hij vertoont aan de ziel het gansche gewicht der zonden , die zij bedreven heeft; hij schildert haar de tegenwoordige bekoring als zoo hevig , dat het haar onmogelijk toeschijnt, den strijd langer te kunnen volhouden. Hij stelt haar de volmaaktheid voor als eene onbereikbare hoogte, en zoo groot is de macht dier begoocheling, dat de ziel ze voor onfeilbaar waar houdt, en van droefheid kwijnt bij die gedachte. Hij gaat op dezelfde wijze te werk, om de ziel te vervullen met ontevredenheid, gramschap en godslasteringen, om haar gedachten van opstand of twijfel tegen het geloof in te blazen. In zulke omstandigheden wordt het gebed eene marteling, en schijnt het hart van den mensch in een levende hel veranderd te zijn.

Zesde Moeielijkheid. De kwellingen of eoor/e-naamde scrupulen.

Men zoude geen lastiger plaag kunnen uitdenken , dan die , waarmede de Allerhoogste Egypte bezocht, toen Hij de muggen en sprinkhanen zond tot in de meest verborgen vertrekken, waar nooit te voren de rust verstoord werd. Dag en nacht gonsden en wemelden die insecten bij duizenden, staken de menschen overal , en niemand kon er zich van bevrijden. Slapen was onmogelijk geworden. Wat er toen omging in die weelderige verblijven, hernieuwt zich onder eenen anderen vorm in het hart van den angstvallige; gelijk aan die gonzende en stekende insekten folteren hem duizenden kwellingen en laten aan zijne ziel

275

-ocr page 278-

tweede samenspraak

geen tijd om rustig eene waarheid te overwegen , geen vrijheid om zich met God te vereenigen. Maar genoeg over deze moeielijkheid; die ze ondervonden heeft, kent haar van zelf genoeg, en voor wie ze niet kennen, is het verkieslijk er nooit kennis mede te maken.

2. Over de uitmuntendheid en het nut van dien staat van verlatenheid.

Naar het schijnt, is niets nadeeliger voor eene ziel, die naar volmaaktheid streeft, dan die staat van verlatenheid. Gewis wordt door het meeren-deel der christenen , die voor godvruchtig willen doorgaan en zich op het inwendig leven toeleggen, aldus geoordeeld. Van daar dat , wanneer God hen langs dien weg geleidt, zij zich bovenmate bedroeven, zich ongelukkig noemen, en alle hoop verliezen op het bereiken van hun doei. Dit oordeel is echter even weinig gegrond, als het algemeen is. De staat van verlatenheid is een zeer gelukkige , verhevene , noodzakelijke en uiterst nuttige staat. Ik zal u die waarheden duidelijk aantoonen , door te doen uitkomen , welke uitmuntende uitwerkselen die staat voortbrengt.

Eerste Uitwerksel. De staat van verlatenheid hrengt de ziel tot de volmaaktste zuiverheid des harten.

Om de zuiverheid des harten te volmaken , worden twee zaken vereischt: 1. Dat de bedreven zonden en de daardoor verdiende straf geheel worden uitgewischt; 2. dat de genegenheden zich verwijderen van al wat aardsch is ,

276

-ocr page 279-

TWEEDE SAMENSPRAAK\'

en alleen op God gericht zijn. De mensch kan , noch door zijn verstand , noch door zijne pogingen, het zoover brengen. De staat van verlatenheid alleen is geschikt om dit uitwerksel voort te brengen. De inwendige smarten brengen de zuivering des harten teweeg , zooals het vuur de eigenschap bezit van de metalen te zuiveren. Wat doet een goudsmid , die eenen klomp goud , nog met erts vermengd , zuiver wil maken ? Hij werpt hem in eenen gloeienden smeltoven, die weldra alle vreemde stoffen , wTelke met het metaal vermengd waren , verteerd en het goud volkomen gezuiverd heeft. Wat het stoffelijk vuur in het goud teweeg brengt, dat wordt in de ziel teweeg gebracht door de verlatenheid. Alle zonden worden in dien staat uitgewiseht, alle verdiende straffen worden kwijtgescholden , alle vlekken worden weggenomen en de ziel wordt opnieuw zuiver, schoon en aangenaam voor de oogen van God. Jezus Christus zelf bezigde deze vergelijking , toen Hij die uitmuntende boetelinge, de H. Margareta van Cortona , tot geduld in het inwendig lijden wilde aansporen : „Gij wiltquot;, — dit waren de woorden vol goedheid, welke Hjj tot haar richtte , — „gij wilt gevoed worden met melk, vertroostingen en zoetheden , en gij zult integendeel gevoed worden met gal , met moeilijkheden en droefheid. Ik heb besloten u voor een tijd te verlaten en met u te doen , wat men doet met het goud , dat in het vuur geworpen wordt , opdat uwe ziel gezuiverd worde.quot;

Wat het tweede punt betreft , namelijk de

277

-ocr page 280-

tweede samenspraak

geen tijd om rustig eene waarheid te overwegen , geen vrijheid om zich met God te vereenigen. Maar genoeg over deze raoeieljjkheid; die ze ondervonden heeft, kent haar van zelf genoeg, en voor wie ze niet kennen, is het verkieslijk er nooit kennis mede te maken.

2. Over de uitmuntendheid en het nut van dien staat van verlatenheid.

Naar het schijnt, is niets nadeeliger voor eene ziel, die naar volmaaktheid streeft, dan die staat van verlatenheid. Gewis wordt door het meeren-deel der christenen , die voor godvruchtig willen doorgaan en zich op het inwendig leven toeleggen, aldus geoordeeld. Van daar dat, wanneer God hen langs dien weg geleidt, zij zich bovenmate bedroeven, zich ongelukkig noemen, en alle hoop verliezen op het bereiken van hun doel. Dit oordeel is echter even weinig gegrond, als het algemeen is. De staat van verlatenheid is een zeer gelukkige , verhevene , noodzakelijke en uiterst nuttige staat. Ik zal u die waarheden duidelijk aantoonen , door te doen uitkomen , welke uitmuntende uitwerkselen die staat voortbrengt.

Eerste Uitwerksel. De staat van verlatenheid hrengt de ziel tot de volmaaktste zuiverheid des harten.

Om de zuiverheid des harten te volmaken , worden twee zaken vereischt: 1. Dat de bedreven zonden en de daardoor verdiende straf geheel worden uitgewischt; 2. dat de genegenheden zich verwjjderen van al wat aardsch is,

276

-ocr page 281-

TWEEDE SAMENSPRAAK

en alleen op God gericht zijn. De mensch kan , noch door zijn verstand , noch door zijne pogingen; het zoover brengen. De staat van verlatenheid alleen is geschikt om dit uitwerksel voort te brengen. De inwendige smarten brengen de zuivering des harten teweeg , zooals het vuur de eigenschap bezit van de metalen te zuiveren. Wat doet een goudsmid , die eenen klomp goud , nog met erts vermengd , zuiver wil maken ? Hij werpt hem in eenen gloeienden smeltoven, die weldra alle vreemde stoften, welke met het metaal vermengd waren , verteerd en het goud volkomen gezuiverd heeft. AVat het stott\'elijk vuur in het goud teweeg brengt, dat wordt in de ziel teweeg gebracht door do verlatenheid. Alle zonden worden in dien staat uitgewischt, alle verdiende straffen worden kwijtgescholden , alle vlekken worden weggenomen en de ziel wordt opnieuw zuiver, schoon en aangenaam voor de oogen van God. Jezus Christus zelf\' bezigde deze vergelijking , toen Hij die uitmuntende boetelinge, de H. Margareta van Cortona, tot geduld in het inwendig lijden wilde aansporen : „Gij wiltquot;, — dit waren de woorden vol goedheid, welke Hij tot haar richtte , — „gij wilt gevoed worden met melk, vertroostingen en zoetheden, en gij zult integendeel gevoed worden met gal , met moeilijkheden en droefheid. Ik heb besloten u voor een tijd te verlaten en met u te doen , wat men doet met het goud , dat in het vuur geworpen wordt, opdat uwe ziel gezuiverd worde.quot;

Wat het tweede punt betreft , namelijk de

277

-ocr page 282-

t\\ve k de samexspua a k\'

slachtoffering dei\' verkeerde neiging , daarmede is het evenzoo gelegen. Die inwendige smarten , waarin de ziel zich soms jaren lang als in eene grondelooze zee weggezonken gevoelt, laten haar niet toe genoegen te vinden in het aardsche. Alles verandert voor haar in doornen. In eene zoo lange en zoo volkomen ontbering van genot sterven eindelijk de verkeerde neigingen en de ziel streeft naar het welbehagen van God : want daarin alleen kan zij nog vreugde en rust vinden.

Tweede uitwerksel. De staat van verlatenheid hrengt de ziel tot de volmaaktste nederigheid.

Gedurende de overweging rustig bemerkingen maken over onze eigene nietigheid , zwakheid en boosheid , is op verre na niet hetzelfde als onze ellende gevoelen en ondervinden. Het eerste, de bemerking namelijk , zal nooit de ziel tot eene ware kennis en wezenlijke verachting van zich zelve brengen , terwijl de ondervinding , welke zjj opdoet in den staat van verlatenheid , de ziel in weinige jaren zuivert. Zulk een uitwerksel wordt verkregen door de kennis, welke de ziel gedurende dien storm erlangt. Deze bestaat op de eerste plaats in eene duidelijke aanschouwing van hare inwendige ellende. Zjj erkent, dat zij , in weerwil van hare pogingen, niet eene enkele kwade neiging kan overwinnen , en dat zij, zelfs door eiken dag strijd te voeren, het niet kan brengen tot de volmaakte beoefening van eene enkele deugd ; dat het haar niet mag gelukken in zich zelve een gevoel van liefde tot God op te wekken ; zij ziet hare verbeelding met helsche voor-

278

-ocr page 283-

ï W E E D E SAMENSPRAAK

27 !l

stellingen, het geheugen met boosaardige gedachten en den wil met slechte begeerten vervuld ; zij is overtuigd, dat er in haar hart niets te vinden is dan vlekken, verkeerde neigingen, aardsche verlangens ; dikwijls gevoelt zij , dat dit hart een ware hel wordt en beurtelings een brandoven van onzuiverheid , gramschap , van wanhoop en godslastering is; zij ziet hoe vruchteloos hare pogingen zijn , niet alleen om dien ellendigen toestand te doen ophouden , maar zelfs om hem ■dragelijker te maken. De ziel bespeurt dit alles duidelijk; het is voor haar tastbaar; zij gevoelt er een afschuw van en betreurt het bitter. Bij dit tafereel voelt zich nog eene duidelijke aanschouwing , eene juiste en nauwkeurige kennis van hare inwendige armoede ; terwijl wat er goeds in haar is, haar volstrekt verborgen blijft. Zij ■ontdekt in zich zelve geene enkele deugd; zij bespeurt niets dan moeielijkheden en kwellingen; in stede van liefde tot God gevoelt zij eenen walg van geestelijke zaken ; duisternissen omringen haar in plaats van licht; zij gevoelt zich geneigd tot onverschilligheid , traagheid en lusteloosheid ; eene gansche reeks van onstuimige gedachten maken haar gejaagd en vervangen in haar de liefde en de zachtmoedigheid ; zij ontwaart niets meer dan afkeer , gramschap en minachting voor den evenmensch ; de zuiverheid heeft plaats gemaakt voor een vuuroven van slechte begeerten. Ja , wat ongeloofelijk is , ofschoon de ziel in dien toestand alle deugden volmaakt beoefent, ziet zij er geene enkele van;

-ocr page 284-

TWEEDE SAMENSPRAAK

280

zij zoude er niet aan gelooven, zelfs dan niet als God, die haar bemint en bestuurt, haar er van verzekerde; want de aanblik van hare armoede en de boosheid, welke zij in zich gevoelt , zou haar beletten aan die verzekering geloof te slaan. Aldus in den afgrond neergestort leert de arme ziel zich zelve kennen en verachten. Dan eerst begrijpt zij , dat de liefde , dc zachtmoedigheid , het gebed , de ingetogenheid, het zwijgen der kwade neigingen , de kalmte en de vrede des harten , geen uitwerksels zijn van de pogingen der menschen , maar enkel genaden van God. Dan gevoelt en erkent zij , dat haar hart een poel is , waaruit niets kan opstijgen , dan de^ verderfelijke uitwasemingen van den hoogmoed , van de gramschap en van nog een twintigtal andere slechte neigingen, en wel zoodanig dat al zoude zij eeuwig op deze aarde leven, zij nooit iets beters van zich zelve zou verwachten. Te midden der dikste duisternissen bezit de ziel alzoo het helderste licht; zij wanhoopt volkomen aan hare krachten ; zij stelt al haar vertrouwen op de hulp van God ; zij haat en veracht zich zelve; zij geeft alle eer aan God , als aan den eenigen oorsprong van alle goed en daarin bestaat eigenlijk de ware en volmaakte ootmoedigheid. Langs dien weg der verlatenheid is de roemrijke dienares van God , Angela de Foligno gekomen tot de uitstekende ootmoedigheid, welke de wrereld heden nog bewondert. Maar zij bekwam die , zooals zij zelve zegt , door een lang en vree-selijk lijden. Eerst kwam het haar voor , dat alle

-ocr page 285-

tweede samenspraak

deugden uit haar hart verdwenen waren , zoodat zij daarin niet het minste goed meer bespeurde ; daarna gevoelde zij zich terneer gedrukt door zulk een verdriet en lusteloosheid dat zij met heide handen zich zelve gevoelige slagen toebracht. Van den anderen kant werd haar hart zoo hevig aangegrepen door het vuur der onzuivere bekoringen , dat zij , volgens hare eigene bekentenis, zich liever levend had laten roosteren,, dan te branden in die helsche vlammen. Op de derde plaats ontwaarde zij zoo dikwijls in haar hart den opstand der kwade neigingen , dat zij uitriep: „Ik kan niet gelooven dat God nog medelijden met mij kan hebben , wanneer ik zie , hoezeer mijn hart de woning is van satan , wiens slavin en dochter ik beu7\'. Na deze en meer andere bijzonderheden , liet de heilige deze merkwaardige woorden volgen: „In en door dat lijden heb ik den waren ootmoed verkregen.quot;

Derde Uitwerksel. De staat van verlatenheid brengt den mensch tot het volle bezit van alle deugden.

Een van de diepste geheimen der goddelijke wijsheid in de leiding der zielen is, dat deze dikwijls door God tot de heiligheid gebracht worden langs eenen weg , die volgens haar eigen oordeel op haar verderf\' moest uitloopen. Zoo brengt Hij eene ziel tot de nederigheid door den aanhoudenden storm der gedachten van ijdelheid; tot de zachtmoedigheid door een hevig vuur van gramschap ; tot naastenliefde door eenen moeitevollen wederstand der natuur; tot het gebed en

281

-ocr page 286-

TWEEDE SAMENSPRAAK

282

de vereeniging met God door de duisternis en de gevoelloosheid des harten; en die weg is zoo zeker en gemakkelijk , dat hij op korten tijd de ziel tot de volmaaktheid voert. Luister naar de reden hiervan. Het is eene stellige en door alle leeraars van het geestelijke leven erkende waarheid , dat de kortste weg naar de volmaaktheid bestaat in het benuttigen der gelegenheden , die door God aan de ziel worden aangeboden, om de heldhaftigste oefeningen van deugd te volbrengen. Want eene enkele van die oefeningen prent de deugd dieper in het hart en volmaakt ze meer, dan een groot aantal andere minder heldhaftige. Eene zware en te gelijk leugenachtige beschuldiging stilzwijgend verdragen, is eene heldhaftige oefening en volmaakt veel meer de deugd van ootmoed , dan eene menigte kleine vernederingen. Grove beleedigingen met kalmte verdragen en den beleediger weldoen, is eene edelmoediger oefening en bevestigt ons meer in de deugd van zachtmoedigheid, dan een honderdtal andere minder verdienstelijke oefeningen. Deze opmerking toont ons hoezeer de staat van ver-latenheid geschikt is , om de ziel in korten tijd tot de volmaaktheid te brengen. Hoevele gelegenheden verschaft hij ons om de verdienstelijkste oefeningen te verrichten ? En hoevele van die gelegenheden verschaffen de bekoringen ons ? Gewis , jaren lang gekweld te worden door den geest van onzuiverheid, zooals eene H. Catharina van Siënna; aanhoudend vervuld te zijn met gedachten van wanhoop , zooals eene

-ocr page 287-

tweede samenspraak

H. Rosa van Lima ; gefolterd te worden door den geest van godslastering tegen God zeiven, zooals de gelukzalige Armella , en toch niet in de zonde toestemmen, zijn dat niet zoovele heldhaftige deugd-oefeningen, waartoe men onmogelijk in staat, zoude zijn, zonder eene oprechte liefde tot God, zonder een belangrijke overwinning op zich zeiven ? De opstand der kwade neigingen bezorgt ons eveneens de gelegenheid tot een groot aantal dergelijke oefeningen. Gedurende geheel een jaar gramschap of afkeer in zijn hart gevoelen en toch de liefde en de zachtmoedigheid blijven beoefenen; een he-vigen tegenzin ontwaren tegen deze bediening, tegen die bezigheid en ze nochtans met nauwgezetheid volbrengen; gedompeld zijn in voortdurende duisternis , in mistroostigheid, in walging en toch getrouw blijven in de oefening van het gebed , zijn ook nog zoovele heldhaftige oefeningen , die men niet ten uitvoer zou kunnen brengen zonder volkomen aan zich zei ven te sterven. Maar juist die volkomen onthechting aan zich zeiven , doet alle deugden in de ziel ontstaan en volmaakt worden. „Neen , neenquot;, zeide Jezus Christus eens tot den H. Paulus , die vraagde om van den geest van onzuiverheid verlost te worden, „mijne genade is u genoeg; want de kracht wordt in de zwakheid volkomen.quot; (1)

Vierde uitwerksel. De staat van verlatenheid hreut/t de ziel tot de goddelijke liefde.

Drie zaken worden vereischt, opdat de liefde

(l) 2 Cor. XII : 9.

-ocr page 288-

TWEEDE SAMENSPRAAK

•284

tot God volmaakt worde in het hart van den mensch. 1. Het hart moet zoodanig zuiver zijn van allo eigenliefde, dat het niets meer zoekt dan het welbehagen van God. 2. Het hart moet zoo sterk en zoo edelmoedig worden , dat het bereid zij , niet alleen om alles te doen , maar ook om alles te Ijjden voor God. 3. Het hart moet zich volkomen overgeven aan God, opdat Hij daarin alles kunne uitwerken, wat Hij wil. Dat alles wordt slechts verkregen door den staat van verlatenheid. Het is er evenzoo mede gelegen als met de volkomen zuiverheid des harten , die eene wezenlijke eigenschap der liefde is. De eigenliefde is zoodanig in ons wezen geworteld , dat zij er door onze eigene krachten niet uit verdreven kan worden. De ziel zoekt van nature wat haar bevalt en, dewijl zij in dezen staat zich van alle aardsche vertroostingen beroofd ziet , hecht zij zich aan die, welke haar van den hemel geworden. Dit is de oorzaak van de droefheid , neerslachtigheid en gemelijkheid , die zich van haar meester maken, wanneer zij zich van die inwendige vertroostingen beroofd ziet. Om haar te zuiveren en van die ellenden te bevrijden, laat God dus toe, dat zij in dien staat van algemeene verlatenheid valt. Alsdan niets vindende, dat haar kan troosten , behalve God alleen , leert zij in Hem alleen hare rust en haar geluk vinden en zoo legt zij den grondslag van hare toekomstige heiligheid , welke zjj te danken zal hebben aan dien eenvoud des harten , welke geen ander doel meer kent, dan het welbehagen van God.

-ocr page 289-

TWEEDE SAMENSPRAAK

Het hart wordt niet alleen gezuiverd , maar ook gesterkt door de verlatenheid. Er bestaat geene liefde , ten minste geene volmaakte liefde zonder lijden. „Mijne dochterquot;, zeide God eens tot de H. Catharina van Siënna, „mijne dochter, onthoud, dat, wanneer de liefde tot God zich in eene ziel bevindt, zij altijd nauw vereenigd is met een volmaakt geduld , zoodat de eene zonder het andere niet kan bestaan. Het geduld en de edelmoedigheid , zonder welke de liefde niet kan bestaan , worden slechts door kruis en verlatenheid verworven.quot; „Ik geloof de ziel nietquot;, zegt de H. Magdalena van Pazzi, „die zegt de volmaaktheid bereikt te hebben , zonder iets anders te hebben ondervonden dan inwendige zoetheden; want ik weet dat het dergelijke zielen aan geduld ontbreekt , eene deugd , die slechts verkregen wordt door lijden , moeielijkheden , verlatenheid en an-d.ere inwendige kwellingen.quot;

Aldus door het lijden in het bezit gesteld van die twee hoedanigheden der volmaakte liefde, geduld en edelmoedigheid , geraakt de ziel tot de derde , de onthechting van zich zelve en de al-geheele afhankelijkheid van God. Deze zou men de fijnste bloem en het merg der liefde kunnen noemen. Tot dien trap gekomen , beschouwt de ziel alles met eene volmaakte onverschilligheid; niets dan God alleen schijnt haar hare aandacht waardig; licht en vertroosting, duisternis en droefheid , niets kan hare kalmte en opgeruimdheid verstoren ; zij rust in God zeiven, en die rust is onverstoorbaar. Geene neerslachtigheid kent zij

285

-ocr page 290-

•2S6 tweede samenspraak

te midden der dikste duisternissen , geene bovenmatige vreugde te midden der overvloedigste vertroostingen. Zij zoekt in alles niets dan Gods welbehagen , en daar zij dit in alles vindt, vindt zij ook overal kalmte en vrede. Tn een woord even als men week was in alle vormen kan kneden, evenzoo kan God ook in die ziel alles uitwerken, wat Hij begeert. Zij is altijd bereid om te doen wat Hij haar vraagt, om te lijden wat Hjj haar overzendt en om zich aan zijne aanbiddelijke inzichten te onderwerpen.

Ziedaar tot welke hoogte de ziel zich in die duisternis verheft; alhoewel men zich geneigd gevoelt te meenen dat zij daalt.

Vijfde Uitwerksel. Be staat van verlatenheid venverft voor de ziel de genaden des gebeds en der nauwste vereeniging met God.

Dit is de uitdrukkelijke belofte van den H. Geest; ziehier zijne eigene woorden: „Zij (de wijsheid) doet hem vrees, schrik en beproeving overkomen en zij kwelt hem met het lastige harer tuchtleer, tot dat zij zijne gevoelens onderzocht heeft en hem vertrouwt. Dan versterkt zij hem en geleidt hem op den rechten weg en verblijdt hem. Zij openbaart hem hare geheimen en verleent hem een schat van wetenschap en kennis der gerechtigheid.quot; (1) Of, zooals Lancisius niet andere woorden verklaart: „De goddelijke wijsheid is gewoon de ziel door vrees, moeielijkheden en andere in- en uitwendige beproevingen te geleiden,

(1) Eccli IV : 19—21.

-ocr page 291-

TWEEDE SAMENSPRAAK

28T

opdat deze leere in haar alleen haar vertrouwen te stellen, haar alleen te beminnen. Blijft zij getrouw in al dien tegenspoed, dan zal de H. Geest in haar komen, alle bekoringen en moeielijkhedeu wegnemen en haar hart vervullen met eene tee-dere godsvrucht; zelfs zal Hjj haar met zulk eene innige vertrouwelijkheid behandelen, dat Hij haar zijne goddelijke geheimen zal openbaren, opdat zij evenals anderen vorderen kunne op den weg der zaligheid. Dan is de tijd gekomen waarop de ziel kan zeggen , wat de koninklijke Profeet van zich zeiven zeide : „Naar de mate der droefheid en der kwellingen , die ik tot dusverre heb verduurd , verheugt zich thans mijne ziel in hemel-sche vertroostingen.quot; (1) Deze handelwijze is zoo eigen aan de goddelijke Voorzienigheid, dat de leeraars van het geestelijk leven beweren, dat het de eenige weg is, die de ziel tot de heiligheid brengt. Ten bewijze haal ik hier slechts eene enkele getuigenis aan; maar eene die in waarde met honderd andere gelijk staat. Zij is van den H. Gregorius den Groote, die zich aldus uitdrukt: „Ziehier de gewone leiding van God: in den beginne geeft Hij aan de ziel eene teedere godsvrucht en vertroostingen , om haar alzoo tot zich te trekken en om haar een groot verlangen in te boezemen naar de vereeniging en den vertrou-welijken omgang met Hem ; later zendt Hij haar vele in- en uitwendige beproevingen over, opdat zij alle deugden grondig en volmaakt leere be-

(1) Ps. 93.

-ocr page 292-

tweede samenspraak

oefenen. Eindelijk overlaadt Hjj haar met verlichtingen , vertroostingen en andere hemelsche gaven , die haar gelukkig maken.quot;

Zesde Uitwerksel. De staat van verlatenheid geeft aan de ziel het vooruitzicht op eenen hoogen graad van glorie in den hemel.

Die waarheid blijkt zoo duidelijk , dat zij geen bewijs noodig heeft. Iviettemin, mijne ziel, zal ik u twee redenen opgeven , die, naar ik geloof, u troosten en zeer bemoedigen zullen in uwe verlatenheid.

1. De. onmetelijke hoeveelheid van verdiensten, welke men in dezen staat bekomt.

Ik zal hier alleen maar spreken van de moeie-lijkheden, welke men in dien toestand bij het bidden ondervindt. Welk een schat van verdiensten doet zich hier aan onze oogen voor! De H. Joannes Climacus zegt: „Niets geeft den mensch zooveel gelegenheid om een groot aantal kronen voor den hemel te verdienen , dan de traagheid , waartegen wij te strijden hebben in het gebed. Want zie, zoo dikwijls gij eene gedachte verwijdert, tegen de slaperigheid strijdt, zoo dikwijls gij tot God terugkeert na eene verstrooidheid, verwerft gij eene nieuwe verdienste, eene nieuwe glorie, eene nieuwe kroon.quot; Laat mij u eene aangename geschiedenis verhalen, die men leest in de jaarboeken der Kapucijnen. Een lid dier orde, hield zich eens bezig met het overwegen van hemelsche zaken. Constantijn, zijn bestuurder, zag in korten tijd drie schitterende kronen op hem afdalen. ■Overtuigd , dat een dergelijk wonder niets anders

288

-ocr page 293-

TWEEDE SAMENSPRAAK 2ö»

kon zijn, dan het bewijs dat zijn leerling gedurende het gebed een groot offer aan God gebracht had , riep hij hem en vraagde hem , hoe hij gebeden had. ,Helaas! Vaderquot;, antwoordde de monnik, „wat heb ik een ellendig gebed verricht! Driemaal werd ik door den duivel met bekoringen aangevallen , en mijn gansche gebed is niets anders geweest, dan een strijd.quot; Constantijn begreep uit die woorden, dat de drie kronen , die hij op het hoofd van den monnik had zien nederdalen , niets anders geweest waren , dan het teeken der belooning, welke God hem in den hemel bereid had voor dien driewerf\' herhaalden strijd.

2. Dn grootheid en de verhevenheid der verdiensten , welke men in dien staat verwerft.

Even als het, zoo als wij gezegd hebben, eene zeer stellige waarheid is , dat eene enkele heldhaftige deugdoefening meer bijdraagt tot do volmaaktheid, dan een zeker getal oefeningen van middelmatig gehalte, even waar is liet dat eene zoodanige oefening meer genaden voor den hemel verdient dan duizend andere. Gewis , een uur geknield in het gebed doorgebracht te midden van duisternis , dorheid des harten en meer andere ellenden , maar toch met eene volkomene getrouwheid aan God, verdient onvergelijkelijk meer glorie , dan geheele dagen biddend doorgebracht in de zoetste vertroostingen. Eenen ganschen dag gekweld worden door inwendige woelingen, eenen hevigen opstand der kwade neigingen , levendige en verleidende bekoringen , en eenen gebeden zwerm van de buitensporigste gedachten

19

-ocr page 294-

•200 TWEEDE SAMENSPRAAK

en toch Gods tegenwoordigheid niet uit het oog verliezen, niet ophouden te verzuchten naar den Welbeminde , alhoewel Hij zich zoo weinig minzaam toont; dat is eene poging die eene veel uitstekender belooning verdient, dan geheele weken in ingetogenheid doorgebracht, maar te midden van kalmte , vrede en vreugde des harten. Ik staaf die leer met de liefdevolle belofte door den Goddelijken Verlosser gedaan aan zijne dienares Maria d\'Escobar. Die heilige werd,, na verscheidene dagen groote beproevingen en diep zieleleed te hebben onderstaan , in geestverrukking ten hemel opgevoerd. Zij ontwaarde in dien overvloed van alle goed zulke onuitsprekelijke geneugten , dat zij daarin , om zoo te spreken , als in eene bodemlooze zee bedolven was. Uit hare geestverrukking ontwaakt, hoorde zij God tot haar zeggen: „Antwoord mij, mijne dochter, wat verlangt gij in het toekomende voor uw deel ? De beproevingen en bitterheden, welke gij ondervonden hebt , of de vreugde en het genot, die gij op dit oogenblik ondervindt ? Opdat gij onbevreesd zoudet kiezen verklaar ik u, dat zoowel het eene als het andere overeenkomstig is met mijnen wil.quot; De heilige bedacht zich niet lang, maar gaf dit heldhaftige antwoord : „Heer, dit sterfelijk leven is noch de tijd , noch de plaats om rust te genieten. Ik geef duizendmaal de voorkeur aan het kruis dat Gij mij oplegdet, boven de genietingen welke Gij mij voorstelt.quot; Die keus, door de zuiverste liefde ingegeven, was aan God zoo aangenaam, dat Hij zeide:

-ocr page 295-

TWEEDE SAMENSPRAAK 291

Dat u geschiede, zooals gij gekozen hebt ; het is de beste en de aangenaamste keus in mijn oog. Maar Ik beloof u, dat Ik om die daad, waardoor gij bitterheid en lijden verkozen hebt boven vreugde en genoegen , u een graad van glorie geven zal , dien gij voor het oogenblik zelfs niet zoudt kunnen begrijpen.quot; (I)

3. Over de regelen, welke, de ware en volmaakte liefde gedurende den tijd van verlatenheid in acht hehoort te nemen.

Door al wat wij gezegd hebben , mijne ziel, zult gij reeds genoegzaam erkend hebben, hoe voordeelig de staat van verlatenheid is. Maar om aan die zoo wenschelijke vruchten deel te hebben, moet men, zoowel in troosteloosheid als in vertroostingen, God dienen met dezelfde getrouwheid in het gebed, denzelfden ijver voor de versterving, dezelfde oplettendheid om de liefde en andere deugden te beoefenen ; want even als de staat vau verlatenheid , met die getrouwheid verduurd , de ziel onfeilbaar brengt tot de volmaakte liefde , tot de vereeniging met God, en bijgevolg tot het ware geluk zelfs in dit leven , beloofd aan hen, die Hem van ganscher harte beminnen , evenzoo voert hij tot eene noodlottige en moeilijk te genezen traagheid, wanneer men uit gemeljjkheid. verslapt in het gebed , in de oefening van de versterving en andere deugden. Om u voor dat ongeluk te behoeden , geef ik u de zes volgende regelen ;

(1) In vita P. 2, C. II.

-ocr page 296-

TWEEDE SAMENSPRAAK

292

Eerste liEGEi,. Als zeker aannemen dat het gebed , hetwelk wij in dien staat verrichten , hoe weinig verlicht, hoe dor en walgend het ons voorkomt , een kostbaar en welgevallig offer in Gods oogen is. Ik houd dien regel voor volstrekt noodzakelijk, hetzij, omdat de booze geest niets zoozeer verlangt, als de ziel in angstvalligheid te storten en haar te overreden, dat haar gebed afschuwelijk is in Gods oogen , hetzij omdat de ziel , het gebed als nutteloos beschouwende, gemakkelijk het plan opvat, om het geheel te laten varen ; terwijl, indien zij dit werkelijk deed , alle hoop verloren zoude zijn. Immers, van waar zoude zij de genade bekomen, die haar toch zoo noodzakelijk is om te volharden in den strijd, welke zij u dien staat aanhoudend te voeren heeft! Dus , mijne ziel , schenk geen geloof aan die inblazing en doordring u , als van eenen vei-ligen grondregel, van de schoone onderrichting welke de gelukzalige Angela de Foligno , zoo ervaren in de wegen des Heeren, en door de lange en vreeselijke inwendige moeilijkheden, die zij haar geheele leven lang te verduren had , en door de groote verlichtingen die haar later verleend werden , aan eene van hare dochters gaf. „Mijne dochterquot;, zeide zij haar, „ik waarschuw u, doe uw gebed en uwe goede werken even goed , wanneer de godsvrucht u ontnomen is , als ten tijde der godvruchtige gevoelens; want God schept er inderdaad behagen in , dat wij bidden en goede werken doen ten tijde en met den ijver der gevoelige godsvrucht; maar mijne dochter,

-ocr page 297-

tweede samenspraak 293

.

in het gebed volharden, wanneer de godsvrucht en het gevoel der genade ons ontnomen zijn, ziedaar het otter, dat aan God het meest welgevallig is.quot;

Tweede Regel. Overtuigd zijn , dat de voortgang in de deugd niet bestaat in ze met gemak I te oefenen , ook niet in bevrijd te zijn van lastige

bekoringen of in dikwijls oefeningen van teedere godsvrucht of van verheffing des harten tot God te herhalen , maar eenig en alleen in getrouw en standvastig de deugd te oefenen bij alle gelegenheden , welke de goddelijke Voorzienigheid ons eiken dag verschaft. De onwetendheid in dit punt vervult vele zielen , die overigens van goeden wil zijn, met droefheid. Weet dus wel , mijne ziel, dat noch de rust der kwade driften , noch de afwezigheid van bekoringen , noch de teedere godsvrucht of de liefdevolle gevoelens voor God de deugd uitmaken; dat zij niets anders zijn dan toevallige gesteltenissen die, wel is waaide deugd gemakkelijk , beminnelijk en aangenaam doen zijn , maar die haar op geenerlei wijze grooter maken voor de oogen van God. Van den anderen kant ontnemen de opstand der natuur, het geweld der kwade neigingen, de lastigheid der bekoringen, de dorheid en droogheid des harten volstrekt niets aan de deugd; het zijn omstandigheden , die , wel is waar , de oefening der deugd hard en moeilijk doen vallen, maar die hare waarde in het oog van God geenszins verminderen. Waarin bestaat dus eigenlijk het wezen der deugd? In twee zaken: 1. Dat gij de daad

-ocr page 298-

twk.ede samexsl\'liaak

verricht, welke de deugd eischt. 2. Dat gij die daad verricht uit eene bovennatuurlijke beweegreden , namelijk met het inzicht om aan God te behagen. Waar die twee dingen aanwezig zijn, daar ook wordt wezenlijke deugd aangetroffen, om het even of die geoefend wordt in duisternis of in verlichting , met eene teedere godsvrucht of in dorheid en ongevoeligheid des harten, in eene zoete rust of in het geweld der bekoringen. Ik zeg nog meer. De deugd, die geoefend wordt in het gewoel of in den storm , is altijd duizendmaal hechter , dan die , welke geoefend wordt in de zielerust. De maagdelijke zuiverheid Jaren lang beproefd in den gloed van een vuur dooide hel ontstoken, zooals in de H. Catharina van Siënna , de gewoonte van den Heer te loven en te prijzen, gedurende eenen langen strijd tegen den geest van godslastering, zooals in den vromen dienaar Gods , Joseph Surin ; het vertrouwen op God , te midden van eenen strijd tegen den geest van treurigheid en wanhoop, zooals in den gelukzaligen Henricus 8uzo ; de liefde in den strijd tegen eene hevige neiging tot grammoedigheid, zooals in de H. Catharina van Bologna, zijn ongetwijfeld veel hechtere deugden , dan die, welke verkregen worden zonder strijd, zonder bekoring, zonder weerstand.

Derde Regel. Getrouw volharden in het kin-derlijkste vertrouwen, wat er ook in de ziel moge omgaan , en tot welken trap van ellende men afgedaald zij. Dit punt, mijne ziel, is veel gewichtiger , dan gij zoudt kunnen veronderstellen.

29

-ocr page 299-

TWEEDE SAMENSPRAAK

Want 1. dat onwankelbaar vertrouwen bevat een uitstekend gevoel van eerbied jegens God. Of, hoe zoude de ziel beter de almacht, de getrouwheid, de goedheid en de barmhartigheid van God kunnen vereeren , dan wanneer zij , van hare vijanden omringd , zich elk oogenblik op het punt ziende in den afgrond te storten, door haren God zeiven verlaten en zonder hulp of steun aan de woede harer vijanden overgeleverd te worden , niettemin op God vertrouwt en zonder angst , zonder vrees rustig in zijne armen blijft?

Waarlijk , een zoo edelmoedig betrouwen moet noodzakelijk aan God de grootste hulde, de meeste verheerlijking verschaften.

2. Dat betrouwen is een onfeilbaar middel om de volmaakte liefde tot God en de vereeniging met Hem, naar welke gij streeft, te bekomen. God is grenzeloos mild en Hij schept er behagen in zijne weldaden uit te storten, op voorwaarde nochtans, dat men ze Hem met een groot betrouwen vrage. Dat vertrouwen is de voorbereiding welke Hij eischt, wanneer Hij zijne barmhartigheid in een menschel ijk hart wil uitstorten, en tezelfdertijd is het de maat zijner gunsten. De heilige Apostel Jacobus zegt: „Indien iemand onder u wijsheid , dat wil zeggen , de gave des gebeds, de gave der goddelijke liefde behoeft, hij vrage ze aan God, die ze aan allen overvloedig geeft; maar hij vrage ze met een vast vertrouwenquot;. Luister , mijne ziel , en druk goed in uw hart den grondregel welken de vroegere woestijnbewoners aan hunne leerlingen gaven : „Lijdt,

295

-ocr page 300-

tweede samenspraak

zwijgt, betrouwt, en gij zult het eeuwig geluk bekomenquot;. Dat is met weinige woorden gezegd : Lijdt al wat gij moeilijks zult ondervinden en aanbidt daarin de goddelijke Voorzienigheid. Zwijgt en beklaagt u over niets. Betrouwt en gelooft, dat God alles tot uw grooter welzijn zal schikken, en dat gij alles verkrijgen zult wat gij begeert.

Vierde Regel. Vrijwillig afstand doen van alle hemelsche verlichtingen en vertroostingen , om niets te zoeken dan de geheel zuivere en onbaatzuchtige liefde tot God. Gij moet die leer goed begrijpen , mijne ziel. Ik vorder niet van u , ik raad u zelfs niet aan, dat gij God vragen zult om van alle hemelsche verlichtingen en vertroostingen beroofd te worden. Ik vraag u slechts de onthechting aan alle overdrevene liefde voor die zaken. Dit kan op twee wijzen plaats hebben.

1. Door dat gij u in eene volkomene onverschilligheid houdt, zoodat gij in den grond van uw hart en voor de oogen van God, werkelijk bereid zjjt , om even goed in de duisternis als in het licht, in de troosteloosheid als in de vertroosting, in de bekoring als in de kalmte, te leven. 2. Door met vastberadenheid aan te nemen , indien zulks tot meerdere verheerlijking van God kan strekken, liever in duisternis, dan in licht en vertroosting te leven, eenerzijds om uw lijden meer gelijkvormig te maken aan dat van Jezus, anderzijds om Hem eene meer zuivere en onbaatzuchtige liefde te toonen.

Vijfde Regel. Zich tot het gebed begeven als naar een slagveld; dat is te zeggen , met

296

-ocr page 301-

tweede samenspraak

een krachtdadig besluit en een groot verlangen om te strijden en te lijden uit liefde tot God. Het zwaarste en moeilijkste werk , dat de ziel in den staat van verlatenheid te verrichten heeft, is het gebed. Zeker is het, dat zij , om daarin getrouw te blijven , niet slechts eene geheel bijzondere hulp van God ; maar ook eene volkomene en edelmoedige verloochening van zich zelve behoeft. Ziehier den besten raad, dien ik u kan geven. Begeef u nooit tot de overweging, zonder het vaste voornemen te hebben gemaakt, niet zoo zeer om een uur te bidden uit liefde tot Jezus T als om een uur te lijden uit liefde tot Jezus. Vraag Hem dus dringend zijne genade. Als de tijd om te bidden daar is , zeg dan tot u zeiven, wat Jezus tot zijne leerlingen zeide, toen Hij zich naar den Olijfberg begaf: „Opdat de wereld erkenne dat ik mijnen Vader bemin en het bevel volbreng , dat Hij mij gegeven heeft, zeg ik u : staat op en laten wij naar den Olijfberg gaan om daar te bidden en meer nog om daar te lijden.quot;

Verzucht in stilte : O mijn God, o mijn hoogste goed! opdat Gij zien moget, dat ik U bemin T en dat ik van ganscher harte verlang uwen heiligen wil te volbrengen , ga ik uit liefde tot U een uur bidden , en meer nog uit liefde tot U een uur lijden. Ik vraag de genade om uit liefde tot U te lijden , en door mijn lijden U te beminnen. Ik verlang slechts eene enkele zaak : geef mij de kracht en den moed om het offer te voltrekken , dat ik U heb aangeboden.

Zesde Kegei,. Getrouw volharden in het onder-

297

-ocr page 302-

298 TWEEDE SAMENSPRAAK

houden dezer regelen, in te bidden en te verzuchten , te lijden en te zwijgen, tot God zich gewaardigt, onze gesteltenis te veranderen, en ons het zoete en kalme genot zijner heilige liefde terug te schenken.

Deze staat duurt niet eeuwig , mijne ziel, niet eens levenslang. De oneindige goedheid van God laat Hem niet toe , getrouwe harten te beproeven tot aan hunnen dood. Hij ziet van dag tot dag naar het oogenblik uit, waarop Hij zich aan de ziel zal kunnen mededeelen, en onttrekt haar slechts haar gelaat. om haar door eene algeheele zelfverloochening , meer waardig te maken om zijne aanschouwing in eenen hoogeren graad te genieten. Zoodra dit geschied is , zal God zelf hare tranen drogen, hare kwade driften tot bedaren brengen, en het getrouwe hart door de kostbaarste vlammen zijner liefde doen branden. Hoeveel heeft niet de arme landbouwer te verduren , eer hij zijn zaad gezaaid heeft ? Met veel moeite moet hij den grond bewerken , arbeiden in het veld, blootgesteld aan de gloeiende hitte , aan koude , aan wind en regen, en zooals de heilige Geest zegt, zijn zaad uitstrooiende niet alleen in het zweet zijns aanschijns , maar zelfs al wee-nende en met geduld uitziende naar de vruchten van zijnen arbeid. (1) Maar geheel anders is het gelegen, wanneer de oogsttijd nadert : dan neemt hij met vreugde den sikkel , hij maait zijn koren en brengt het vol blijdschap in zijne schu-

(1) Ps. 125.

-ocr page 303-

TWEEDE SAMENSPRAAK

ren , om in rust en vrede genot te hebben van zijnen oogst. Zoo gaat het ook met de ziel; al weenende en zuchtende moet zij zaaien ; zij moet arbeiden en bidden in duisternis en dorheid ; zij moet hare dagen doorbrengen in de stormen eener menigte bekoringen van allerlei aard, en zoo moet zij met geduld en lankmoedigheid de vruchten van haren arbeid verwachten. Doch welk eene wondervolle verandering , wanneer de oogst, dat is, de tijd der barmhartigheid nadert! Eensklaps begint zij de vruchten te genieten van liefde, licht, vertroostingen en andere hemelsche gunsten. Dan vergeet zij alle leed en rust van dat oogen-blik zacht in de armen van haren Welbeminde.

Luister naar eenen grooten dienaar Gods, Balthazar Alvarez , van het gezelschap van Jezus. „Gedurende zestien jarenquot;, zegt hij, „heb ik eenen moeitevolien arbeid volbracht, ik was gelijk een landbouwer, die onophoudelijk zijnen akker bewerkt, zonder vrucht te zien, zonder ooit te maaien. Ik was met duizend bekommeringen gekweld, verscheurd om .zoo te zeggen , door ijdele, beuzelachtige dingen, zooals bijvoorbeeld , dat het mij aan bekwaamheden, aan natuurlijke gaven ontbrak , waardoor ik de onderscheiding en liefde der menschen had kunnen bekomen. De misslagen die ik bedreef, maakten mij niet nederiger, maar ontmoedigden mij en sloegen mij terneer; ik hield mij overtuigd , dat ten gevolge daarvan , de beschikkingen van God ten opzichte mijner ziel verijdeld waren. De misslagen mijner ondergeschikten ontstelden en plaagden mij op gelijke wijze, en

299

-ocr page 304-

TWEEDE SAMENSPRAAK

300

mijn hart was zoo klein , zoo eng, dat het mij als de beste wijze om zulke lieden te verbeteren , voorkwam, ze zonder verpoozing te onderdrukken, tot zij zich verbeterd hadden. ïen slotte was ik altijd gemelijk , treurig , angstvallig , eerstens omdat ik het onmogelijk waande ooit de volmaaktheid te bereiken ; ten andere omdat ik de goddelijke goedheid beschouwde, als te mijnen opzichte zeer karig , en meende dat zij mij minder ruim bedeelde dan anderenquot;. Nadat die groote dienaar van God aldus de armoede zijns harten beschreven had, vervolgt hij; „Na verloop van zestien jaren in die ellende doorgebracht , gevoelde mijn hart zich eensklaps volkomen veranderd en tot God gekeerdquot;. Die verandering werd gevolgd door een stichtend en heilig leven.

Aan God alleen zij alle eer en glorie!

E I N D E.

-ocr page 305-

301

I IN H O u rgt;.

EERSTE SCHEEDE op den weg der ware en volmaakte liefde tot God; De minste sonde vreezen en die meer vluchten dan den dood. Bladz.

Inleiding............ 5

Hoofdstuk.

1. Korte bemerkingen omtrent de boos

heid der dagelijksche zonde ... 8

2. Korte onderrichtingen, nuttig en

noodzakelijk om de dagelijksche zonde te kennen.......20

3. Korte wijze om die volmaakte zuiver

heid aan Jezus in de H. Communie

te vragen.........41

§ 1. Waarheden ter overweging voor

de H. Communie......42

§ 2. Heilige verzuchtingen voor de

H. Communie....... 47

TWEEDE SCHREDE op den weg der ware en volmaakte liefde tot God: Met eene standvastige getrouwheid aan al de inspraken van God heantwoorden. Bladz.

Inleiding............57

Hoofdstuk.

1. Korte bemerkingen, waardoor wij kunnen inzien van hoeveel belang die getrouwheid is, en die ons zullen helpen om die goddelijke inspraken in oefening te brengen . 59

-ocr page 306-

inhoud.

Hoofdstuk. Bladz.

2. Onderrichtingen over de inspraken

en over de getrouwheid waarmede wij er aan moeten beantwoorden . 72 Op welke wijze worden de heilige

ingevingen aan de ziel medegedeeld? 74 Beantwoording van eenige twijfelingen, die tegen deze regelen zouden ingebracht kunnen worden ... 95

3. Godvruchtige wijze om aan Jezus

Christus in de H. Communie de genade te vragen van steeds de goddelijke inspraken te mogen gevoelen en er altijd getrouw aan te

beantwoorden........105

ij 1. Kostbare genaden door Jezus in

het H. Sacrament verleend . . . 106 § 2. Troostende omstandigheden, onder welke Jezus in het H. Sacrament zijne genaden uitdeelt . . . 109 g 3. Heilige gevoelens, die wij in ons moeten opwekken bij de H. Communie ..........112

DERDE SCHREDE

op den weg der ware en volmaakte liefde tot God; Zich geheel zonder voorbehoud aan God geven , en zijnen wil gelijkvormig maken aan den wil van God.

Bladz.

Inleiding............121

302

-ocr page 307-

inhoud.

Hoofdstuk. Bladz.

1. Korte bemerkingen welke ons kunnen

voeren tot die volkomen overgave aan God. Wat men niet kent acht men niet, en wat men niet acht kan men noch beminnen , noch zoeken..........] 23

2. Korte onderrichting over de volko

men en blijvende vereeniging van den menschelijken wil met den wil

van God..........150

g I. Grondwaarheden, welke men zich op dezen weg aanhoudend moet

herinneren.........150

§ II. Over de wijze waarop men den tegenspoed moet verdragen en over de heilige verzuchtingen , waartoe men in die moeielijke oogenblikken zijne toevlucht behoort te nemen. 174

3. Godvruchtige wijze om aan Jezus

Christus in het allerheiligste Sacrament , die volmaakte en voortdurende vereeniging van onzen wil met den zijnen te vragen .... 178 § I. Jezus geeft ons in het allerheiligste Sacrament al wat Hij heeft 17!gt; § II. Jezus geeft in het allerheiligste Sacrament ons alles op de minzaamste wijze........181

303

-ocr page 308-

ishoud.

B IJ V O E G S E L.

Twee samenspraken met Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament en in de H. Communie.

EERSTE SAMENSPRAAK.

Bladz.

Eerste hoedanigheid der ware en volmaakte liefde tot God.....191

lquot;1 Oefening. Dikwijls , gedurende den dag, verzuchtingen van liefde tot

Jezus opzenden.......192

2e Oefening. Zich ter liefde van Jezus eenige oefeningen van boetvaardigheid of versterving opleggen . . 193. Heilige gevoelens voor de H. Communie 205 Vruchten van de H. Communie. . . 214 Oefening van heilige begeerten en

liefdevolle verzuchtingen.... 226

TWEEDE SAMENSPRAAK. Tweede hoedanigheid der volmaakte

liefde tot God.......244

Oefening voor den dag, die de H. Communie voorafgaat........245

Oefeningen voor den dag zeiven waarop

men communiceert......248

Heilige verzuchtingen bij het ontvangen

der H. Communie.......263

Vruchten van de H. Communie. . . 269

304

-ocr page 309-
-ocr page 310-

Ter Boekdrukkerij van N. LUIJTEN, Tilburg is verschenen en alom verkrijgbaar :

DE DERDE SECULIERE ORD

van dex

H. miCISCUS VAÏÏ ASSISIË,

volgens de nieuwste bepalingen van Z, II, Paus Leo Xlj

Uit het ItaUaansch vertaald naar de Officiëele -uitga tan de Propaganda te It ome. KERKELIJK GOEDSEKEURD. VIS BD E DRUK.

Prijs 25 cents , franco per post 30 cents. In Linnen Band 15 cents liooger.

L O F L. I E O E H E N

ter eere van de HH. Franciscus van Assisië, Ludovicus en Elisabeth ,

te zingen in dc Vergaderingen der Derde Orde. 32 pagina\'s. Prijs 5 cents. Franco per post 6 cent

Gedachtenis der Kleeding en Professie

in de Derde Orde van den H. Franciscus van Assisi Grootte dor plaat: 32 bij 47 centimeters. Papiergrootte: 36 bij 56 centimeters.

Prijs 12 % Cents. SS3quot; 100 ƒ 10

Lessen van het poDDELUK

aan eene ziel die naar volmaaktheid streeft.

32 bladzijden.

Prijs 10 cents. Franco per post 11 cents.