5.\'
■ W S i
Staatsbemoeiing
^ ,; ■ . • \'■■-.\'■ ; ■ - - \' .\' -rr , \' Zi-quot; \'X- \' J. U
a7 -»t
F
m /o3.
7-
• I
JiK\'l REKKKLljK ^ \\ \' v
\'V V
vlt;L 7
_A
Veefokkerij;
/TS: /
.DÜQR\'
v gt;lt;
j \\
-\'s
vfTv
,* _.. ./ -lt;/\' \'• - -lt;JsX\'
- iv^ /1
;-.■ 1 \'c^P; ^ ■ voA-quot;- ^
Mr. II. Th. s^JACOB,
■ a /■ r Lr,. - - - ;V\'-gt; gt;\' —^•\' ■quot;vx.
/,\'. . \\ . / , \\ A- V \\X gt; y
lx
)i :-Y-:
• V^\'; fL\'ï
X:/ \\ jjr\'\'\'
V,
Ï--\\C^
- } : v- K, \' % Xr
*Sr~**,U }
gt;N .\'•;■ lt;
\' T \' /lt;
- -/X-\'
j}~~. 04 ■
k Mr
i gt;
/ -
a-
. «s. \' I \' •• I ■-
. AJ/IERS KOORT,
YALKHOFF amp;• \\\'AN DEN DRIES.
\' ;\' . quot;■ •— *v \' 1^47.quot; ;. • • ..• )_v- gt; ____■
STAATSBEMOEIING TREKKELIJK VEEVOKKERIJ.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
■ !►
2428 000 4
K 9 /lt;ér3
STAATSBEMOEIING
BETREKKELIJK
VEEFOKKERIJ,
DOOR
Mr. H. Th. s\'JACOB.
AMERSFOORT,
VALKHOFF amp; VAN DEN DRIES.
1S97.
Het is mij een genoegen te voldoen aan het verzoek van de II.H. uitgevers dezer brochure om het -merkje, dat oorspronkelijk als academisch proefschrift werd geschreven, in dezen nieuwen vorm het licht te doen zien.
De belangen van den landbouw worden tegenwoordig meer dan ooit te voren in alle kringen besproken. De vraag hoe de veefokkerij, de meest winstgevende tak van het boerenbedrijf, zoo productief mogelijk kan gemaakt worden, moet daarbij eene eerste plaats innemen. De weinige litteratuur die ten onzent over dit onderwerp gevonden wordt, doet mij hopen, dat het hier verhandelde voor velen nog nieuw zal zijn.
s JACOB.
Lensden, Januari iSyj.
INLEIDING.
De aanhangers der oeconomische richting, die de bekende woorden „laisser faire, laisser passerquot; in haar vaandel schreef, hebben gedurende langen tijd, met verwijzing naar haar zinspreuk, de aanvallen der protectionisten bestreden en afgewezen. En al is ook hier te lande het vrijhandelstelsel nog niet bezweken onder die aanvallen, toch is het streven naar een gewijzigden toestand van ernstiger aard geworden dan in vroegeren tijd. De beraadslagingen in 1895 over de verworpene motie Dobbelman (1) in de Tweede Kamer der St. Generaal gevoerd, strekken voorzeker niet tot aanbeveling van eene herziening
O O
van het tarief van inkomende rechten in beschermenden zin, toch volgde daaruit dat meer dan in vroeger tijd de overtuiging zich vestigt dat door wettelijke maatregelen moet gewaakt worden tegen den ondergang onzer landbouwers tengevolge van overvleugeling door den vreemdeling of dat de Staat, waar deze zich hiertoe nog niet geroepen voelt, toch leidend waarschuwend, voorlichtend en steunend moet optreden om den ingezetene in staat te stellen met zijne produkten te wedijveren met het buitenland. De moeilijke tijd, welken landbouw en veeteelt thans te doorworstelen hebben, maakt dat op dit gebied de vraag naar staatsinmenging steeds luider klinkt
O OO
en dat de landbouwers verlangend uitzien naar het
o
I) Zie lianddingen 2de Kamer, zittingen van 14, 15, 19, 20 en2i Maart 1895.
oogenblik, waarop de regeering hare volle aandacht zal kunnen schenken aan de groote belangen, die hier op het spel staan.
Terwijl de meeste Staten van Europa een Ministerie van Landbouw hebben, waar alle aangelegenheden betrekkelijk landbouw en veeteelt onderzocht en nagegaan worden, kennen wij zelfs geene bizondere afdeeling van landbouwzaken aan een der departementen van algemeen bestuur.
Geen wonder dus dat hier te lande de wetgeving-op het gebied van land-oeconomie zich bepaalt tot enkele wetten, in hoofdzaak andere onderwerpen behandelende, doch waarbij de landbouw ook betrokken is (i) en enkele speciale wetten, terwijl de financieele steun door den staat verleend op dit gebied nog niet groot is.
Wel bestaat er vooruitgang sedert de staatscommissie, ingesteld bij K. B. van iS September 1886, zeer den nadruk heeft gelegd op de zwakke zijden en door aanstonds die onderwerpen in studie te nemen, welke haar van bizonder urgenten aard toeschenen, de regeering door hare adviezen daarmee in kennis kon stellen. Deze heeft sedert dien het initiatief genomen tot sommige maatregelen in het belang van den boerenstand.
Zoo kennen wij eene wet houdende wettelijke bepalingen tot voorkoming van bedrog in den boter-handel (wet van 23 Juni 1889 St. 82) terwijl in 18S9 drie nieuwe landbouwproefstations gesticht werden. In 1897 zal er te Maastricht een nieuw geopend
1) I. Wet van 10 Mei 1886 St. 104 houdende bepalingen tot bevordering van verdeeling der marktgronden.
2. Wet van 15 April 1891 St. 88 tot wijzing der wetten op de personeele belasting ten gerieve van landbouwers paardenfokkers.
3. Wet van 27 Sept. 1892 op de mutatierechten.
/
worden. In 1891 werd een post op de staatsbe-grooting uitgetrokken voor de aanstelling van rijks-landbouwleeraars; ook stelde de regeering toen gelden beschikbaar tot subsidieering van landbouw-vakscholen.
Ook voor de paardenfokkerij werd conform het advies der landbouwcommissie een post van 40.000 gld. op de staatsbegrooting van 1891 gebracht.
Hiervan kwamen 30.000 gld. op het budget van Binnenlandsche Zaken, 10.000 gld. op dat van Oorlog. Een reglement, vastgesteld door de ministers van Waterstaat enz. (sedert 1892 Binnenlandsche Zaken) en Oorlog van April 1891, regelt de wijze waarop de gelden besteed zullen worden. Dit reglement bepaalt dat zij worden verdeeld over de provinciën naar verhouding van het gemiddelde der in de laatste jaren geboren veulens.
Gedeputeerde Staten benoemen of wijzen aan, na de besturen der in hunne provincie gevestigde land-bouwvereenigingen gehoord te hebben, eene commissie belast een reglement te maken, keurings-commissiën te benoemen en de gelden uit te betalen. De minister van Oorlog voegt daar een militair lid aan toe.
Onder de punten, wier behandeling door de staatscommissie urgent was verklaard behoorde ook de vraag of staatsbemoeiing met groot en klein vee wenschelijk is. De staatscommissie beantwoordde deze vraag in ontkennenden zin. Hoewel de opinie van hen, die bevoegd zijn aangaande deze vraag hunne meening te uiten sedert dien zeer veranderd is en bijkans alle vakmannen haar thans bevestigend zouden beantwoorden, zoo heeft toch de regeering zich tot nu toe aan dit advies gehouden en harerzijds nooit
voorstellen ingediend ter regeling dezer aangelegenheid. Tot 1895 had de regeering zelfs blijkbaar geen studie gemaakt van dit onderwerp. De minister van Houten immers, verklaarde bij het debat over de begrooting voor 1896, toen de Heeren Ferf, Reelaerts van Blokland, Haffmans, de Kanter en Lely bij amendement een post van 10.000 gld. op de begrooting voor dit doel wilden brengen, nog niet te weten hoe deze gelden nuttig besteed moesten worden.
De som van 30.000 gld. door denzelfden minister op de begrooting van 1897 gebracht doet ons de verwachting koesteren dat er sedert 1895 verandering is gekomen en dat wij in het vervolg zullen kunnen zien, dat de regeering de zorg van den veestapel binnen den kring harer bemoeiing trekt.
Het is thans mijn voornemen na te gaan, welken weg de regeering naar mijne meening daarbij moet inslaan. Om deze vraag te beantw oorden heb ik de twee volgende punten in het bizonder nagegaan :
I. Hebben gewestelijke en plaatselijke besturen in ons land reeds zoodanig in het belang der veefokkerij gewerkt, dat eene centrale regeling aan de maatregelen door deze onderdeden van den Staat genomen, vastgeknoopt kan worden ?
II. Kan men uit de bepalingen van andere staten van Europa, die Nederland zijn voorgegaan in het van staatswege nemen van maatregelen in het belang van den veestapel, gevolgtrekkingen maken die voor ons land van nut kunnen wezen ?
Het is daarom dat ik behalve eene korte beschrijving van hetgeen hier te lande in de laatste jaren van overheidswege in het belang van den veestapel werd gedaan, ook een overzicht heb gegeven van de historische ontwikkeling en den tegenwoordigen
toestand van de doortastende maatregelen in Zwitserland door de Bondsregeering genomen.
De voorname plaats, die de veeteelt in Zwitserland, evenals bij ons, onder de bronnen van welvaart inneemt en de gelijkheid in oeconomische toestanden, aangezien daar evenals hier te lande meer kleine boeren en pachters gevonden worden dan groote grondeigenaars, maken dat de studie der Zwitsersche aangelegenheden voor ons van groot belang is.
De uitgebreidheid der staatsbemoeiingen ten aanzien der veefokkerij in de Zuid-Duitsche Staten en hare volledige organisatie aldaar, maken dat ook
O O 7
hieruit menig goed voorbeeld kan genomen worden. Eene beschrijving daarvan te geven scheen mij daarom zoo belangrijk omdat in Baden, Wurtenbcrg en Beijeren verplichte stierenkeuringen (i) als grondslag der staatsbemoeiingen zijn ingevoerd. Over de uitkomsten kan men de meest gunstige berichten vernemen. Vooral Baden, dat nog niet lang geleden slechts een zeer middelmatigen veestapel bezat kan tegenwoordig met zijn vee tegen de beste bergrassen concurreeren.
De goede naam, dien de Deensche landbouw en veeteelt zich verworven heeft, zal bij velen de vraag doen rijzen of bij het regelen der staatsbemoeiingen ten aanzien der veefokkerij niet in de eerste plaats het oog moet gericht worden op Denemarken. Het verschil echter in oeconomische toestanden ten plat-telande tusschen Denemarken en Nederland, doet dat minder gewenscht voorkomen. De staatshulp in Denemarken toch is gebaseerd op een zeer uitge-
l) Bij verplichte stierenkeuringen worden natuurlijk alleen die stieren aan keurdwang onderworpen, welke ter beschikking van het publiek worden gesteld. Een eigenaar die een stier voor eigen gebruik aanwendt is vrij dezen al ol\' niet te laten keuren.
lO
breid particulier initiatief, dat wij hier niet kennen, waarop dus niet voortgebouwd kan worden. Het lezen der Deensche wet van April 1887, herzien in 1893, waarvan eene Hollandsche vertaling als bijlage bij dit werkje gevoegd is, toont dit nader aan.
HOOFDSTUK I.
STAATSHKMt)EIIN(; 1!ETREKKHL[J K VKKKC)KKKRIj l\\ ZWITSERLAND, (i) (2)
Om zich een duidelijk beeld te vormen van de staatsbemoeiingen betrekkelijk veefokkerij in Zwitserland, is het wenschelijk na te gaan welke politieke lichamen in dat land in aanmerking komen om zich te belasten met de zorg van landbouw en veeteelt.
De Zwitsersche Confederatie is een Bondsstaat.
De 25 kantons, waaruit de Republiek bestaat, hebben dientengevolge eene groote mate van zelfstandigheid. Deze autonomie legt hun natuurlijk naast groote vrijheid ook vele plichten op. Tegenover het recht der kantons om belastingen te heften, de Bond heft er slechts weinige, staat hunne grondwettelijke plicht voor de materieele welvaart der inwoners zorg te dragen. Maatregelen van voorziening in het belang der veeteelt te nemen, is dus in de eerste plaats hunne taak.
Tot 1S81 heeft de Bond er zich dan ook nagenoeg geheel van onthouden dezen last op zijne schouders te nemen. Het eenige wat de Bond deed was het uitloven van prijzen voor de 3—5 jaarlijksche tentoonstellingen, en het geven van subsidies voor de deelname door Zwitsers aan vee-tentoonstellingen
O
in den vreemde.
1) Zie F. Muller: Die staatlichen maszregeln zur Förderung der Rindviezucht Landw. Jahrbuch der Schweiz 1892.
2) Die staatlichen maszregeln zur Förderung der Rindviezucht in der Schweiz von Prof. Dr. A. Kramer. Dr. Thielen\'s Landw. Jahrbücher 1892.
12
Toen de Bond na 1883 getracht heeft de veefokkerij door wetten en besluiten, gepaard met geldelijken steun, meer voordeel te doen afwerpen, heeft hij ook nooit in andere richting dan de kantons gewerkt, doch zich steeds naast deze geplaatst en er voornamelijk naar gestreefd deze tot uitgebreider en doeltreffender maatregelen aan te sporen.
Het middel daartoe bestond in het verleenen van materieelen steun aan die kantonale instellingen, welke het doel van den Bond beoogden.
Daar de kantonale bemoeiingen ten aanzien der veefokkerij bij dit onderwerp dus een hoofdrol spelen, moet in de eerste plaats nagegaan worden hoe deze zich van hunne taak hebben gekweten.
Niet alle kantons deden dit op dezelfde wijze, hoewel hunne maatregelen niet verre uiteenloopen.
Van de zuivere bergrassen, die men in Zwitserland vindt, vormen het gevlekte vee en het bruine vee de twee hoofdtypen. Deze bezitten goede eigenschappen als melkdieren en zijn tevens gemakkelijk vet te mesten. Om die reden is slechts zelden verbetering van het ras gezocht in het kruisen met vreemde rassen maar heeft men zich hoofdzakelijk op rasfokkerij toegelegd.
1 let zwaartepunt van de hulp der kantons heeft altijd gelegen in het steunen van hen die uitstekende, raszuivere dieren fokken. Aan hunne ondersteuning verbonden zij de voorwaarde dat de bekroonde dieren voor eenigen tijd de binnenlandsche fokkerij ten goede zouden komen. Bepalingen omtrent vee- tentoonstellingen werden in sommige kantons hieraan vastgeknoopt.
In de Alpen-kantons waar men zich in\'t bizonder op veefokkerij toelegt, de hellingen der bergen
13
1
vormen goede weiden, die dikwijls aan de gemeente s4 toebehooren en waar de gemeentenaren dan vrij
hunne dieren mogen laten grazen, daar kan men altijd over een voldoend aantal stieren beschikken. Deze kantons bepaalden er zich dan ook toe tentoonstellingen te houden, doch knoopten aan het , verkrijgen der prijzen geen voorwaarden of voor
schriften vast.
Daar echter waar reeds van oudsher verbodsbepalingen gevonden worden om de bekroonde dieren vóór den afloop van een bepaalden termijn uit het kanton uit te voeren en waar slechts door ambtelijke keurmeesters goedgekeurde stieren ter dekking mogen gebruikt worden, in die kantons is het keuren en bekronen van stieren tot de staats-Y bemoeiing gaan behooren en zij behoefden wettelijke , .
verordeningen ter regelingen uitvoering hunner voor- V schriften. Het klein grondbezit, dat in Zwitserland de overhand heeft, maakt ook dat slechts weinigen een grooten veestapel hebben en dus in de gelegenheid zijn een eigen stier te houden. De overheid moet er dan voor waken dat een voldoend aantal fokstieren aanwezig is. De wettelijke voorschriften dienen hier dus niet alleen tot rasverbetering doch ook tot instandhouding van den veestapel.
Zoo vindt men b.v. in het kanton Bern eene wet van 22 van Hooimaand 1872. Eene nieuwe wet door den grooten Raad van dit kanton aangenomen om de kantonale wet in verband te brengen met ié de bondswet van 1893 werd op den istcn Maart 1896
door volksstemming afgestemd wegens omstandigheden, die er volstrekt niet mee in verband stonden. De wet van 22 Mei 1883 van het kanton St. Gallen is een der volledigste en beste op dit gebied.
4
U
Bij het nagaan der wettelijke bepalingen van de verschillende kantons zal men overal drie hoofdbeginselen terugvinden. Deze zijn :
a. het beperken, door den Staat, van de vrijheid der burgers, ten aanzien van het beschikbaar stellen van springstieren.
b. het houden van keuringen met premiën.
c. het houden van tentoonstellingen.
Het doel dezer vee-tentoonstellingen is het geven van aanschouwingsonderricht, terwijl de prijzen strekken om het aantal inzenders groot te maken. Het is van groot nut om den boer nu en dan uit den kleinen kring zijner omgeving te trekken om hem te laten zien wat anderen door rationeele fokkerij hebben voortgebracht.
Niet slechts het vooruitzicht een prijs te kunnen behalen doch reeds het zien van schoone exemplaren moedigt aan om te trachten dergelijke te verkrijgen, temeer als men leert inzien dat de waarde dezer dieren die der middelmatige verre overtreft.
Met het houden van keuringen met premiën wil men eene tegemoetkoming geven aan den houder van een zeer goeden stier voor de gemaakte kosten en door aan de uitbetaling dezer premiën tevens de voorwaarde te verbinden dat het dier binnen zekeren termijn niet buiten het kanton verkocht mag worden en dat het daar binnen ter dekking moet staan, maakt men tevens dat de goede eigenschappen van het dier de veefokkerij ten goede komt. Het uitgegeven geld strekt aldus ten algemeenen nutte. Het doel is ook door de premiën de kleine landbouwers in staat te stellen een stier te houden en zoodoende over het geheele land een voldoend aantal te verspreiden, zonder dat de overheid zich
i5
zelf met het houden van stieren behoefd te belasten.
Door het houden van tentoonstellingen en keuringen met premiën oefent de overheid, die de keurmeesters benoemt, tevens grooten invloed op soort, ras en gehalte der fokdieren, wat ook een gewichtig resultaat kan geven, vooral in streken waar de bevolking weinig ontwikkeld is.
De kantonale wetten dragen alle zonder uitzondering aan de gemeentebesturen de directe zorg op voor het hebben en houden van een voldoend aantal deugdelijke fokdieren. Indien particulieren niet in de behoefte voorzien, doen deze besturen dit zelf of wel brengen zij de veehouders tot eene vereeniging samen, die dan die zorg op zich neemt.
In die wetten wordt tevens bepaald ophoeveelkoeien een stier moet gehouden worden. (Het aantal wisselt tusschen 80 en 100), terwijl de stieren als raszuiver en van goede afstamming moeten goedgekeurd zijn. Verplichte stierenkeuring is dus ook in Zwitserland niet onbekend. Elke gemeente moet jaarlijks een verslag indienen omtrent den toestand binnen haar gebied. De keuringen geschieden door vanwege het kantonaal bestuur benoemde deskundigen, die tevens bij de tentoonstellingen de jury vormen en dus bijzonder op de hoogte der vorderingen en fouten in de fokkerij binnen hun district kunnen zijn. Deze keuringen hebben jaarlijks plaats.
Voor de tusschentijds in dienst gestelde dieren worden nakeuringen gehouden. De keuringen hebben over betrekkelijk kleine kringen plaats terwijl de tentoonstellingen meest kantonaal zijn.
Door het volgens een vast systeem zichtbaar aanwijzen van de goede fokstieren kan de overheid voortdurend den toestand en de ontwikkeling van
O
i6
het fokmateriaal nagaan en verhinderen dat niet goedgekeurde ter dekking worden gebezigd.
O O O O O
Tegenover den last, die op de gemeenten of genootschappen rust om zelf stieren te houden, staat het voordeel dat het premiestelsel ook aan dezen biedt. Zij kunnen immers met hunne stieren ook mededingen naar prijzen op de keuring en krijgen daardoor een deel van hunne kosten vergoed. In som-mige kantons geeft het kanton subsidies aan de gemeente voor het houden van goed mannelijk fokmateriaal.
Behalve door deze wettelijke en directe maatregelen oefenen de kantonale regeeringen nog langs
«_gt; O O O O
zijdelingsche wegen invloed uit op de veefokkerij door prijzen uit te loven voor hem die \'t best zijn vee onderhoudt (stalinrichting, voeder en verpleging) en door het houden van •voordrachten en winter-cursussen door deskundigen.
Gaat men na hoeveel door de kantons voor de veefokkerij wordt uitgegeven dan blijkt, dat terwijl in 1833 reeds aan premiën voor stieren de aanzienlijke som van ongeveer 1 50,000 francs werd gegeven in 1895 de kantonale uitgaven voor de rundveefokkerij gestegen zijn tot 345,757 francs, waarvan 232,625 fr. voor stierenkeuringen, 84,58 1 voor het bekronen van koeien en vaarzen en 28,550 ten behoeve van fokfamiliën. (1) (2)
*
* *
Wat de geschiedenis der bemoeiingen van den
1) Onder de fokfamilie wordt verstaan de veestapel van een eigenaar of eene vereeniging waarbij de moederdieren verwant zijn, zoodat blijkt van rationeele fokkerij.
2) De hier genoemde cijfers zijn ontleend aan het rapport présenté a 1\'Assemblee Fédérale par le Conseil Fédéral Suisse sur sa gestion.
i7
Bond ten aanzien der veefokkerij betreft, deze kan in twee perioden verdeeld worden, de eerste loopt van 1881 tot 1S93 de tweede vangt met 1893 aan.
In de eerste periode treft men eene geleidelijke ontwikkeling aan. De financieele steun, in den aanvang bescheiden, stijgt jaarlijks, terwijl nog gezocht moet worden naar de wijze waarop van het toegestane crediet het meest productief gebruik gemaakt zal worden. Verschillende besluiten regelen deze materie.
In de tweede periode heeft de onzekerheid plaats gemaakt voor zekerheid. De door verschillende besluiten langzamerhand ingestelde maatregelen worden, door ze in eene wet te herhalen, bestendigd, terwijl voor vermindering van den financieelen steun door den Bond te verleenen, gewaakt wordt, door een hoog minimum in de wet op te nemen.
Bij de behandeling van de begrooting gingen in de jaren 1881 —1883 inde nationale vergadering (1) steeds meer stemmen op, die er bij den Bondsraad (2) op aandrongen de veefokkerij krachtiger te steunen. Op initiatief der volksvertegenwoordiging werden er credieten voor dit doel opengesteld die van 20.000 tot 60.000 franken stegen. De beweegreden tot dezen maatregel moet gezocht worden in den kwijnenden toestand waarin de veeteelt in Zwitserland verkeerde. Algemeen was men van oordeel dat krachtige maatregelen genomen moesten worden om hierin verbetering te brengen en dat het op den weg der Confederatie lag zulks te doen, nu de hulp door de
1) De Zwitsersche volksvertegenwoordiging bestaat uit twee kamers te weten de nationale vergadering en de stendenvergadering.
2) De Bondsraad gevormd door de hoofden der ministerieele departementen heeft het uitvoerend gezag. Een der leden telkens voor een jaar gekozen tot voorzitter is tevens president der Confederatie.
i8
kantons verleend niet voldoende en niet altijd doeltreffend bleek.
De Bondsraad werd door dezen drang verrast, zoodat hij niet terstond gereed was de noodige besluiten te nemen om van het crediet een nuttig gebruik temaken. Behalve de moeilijkheden, die iedere regeering bij de beantwoording dezer vraag zal hebben, moest de Zwitsersche Bondsraad nog letten op wat door de kantons op dit gebied was gedaan en er voor waken dat de Bondsmaatregelen niet in strijd waren met de kantonale, doch deze juist aanmoedigden ook van hunne zijde met meer ijver mede te werken.
Eene commissie uit vakmannen bestaande werd benoemd met de opdracht den Bondsraad in dezen van advies te dienen. In haar rapport stelde deze commissie voor een deel van het crediet aan te wenden in het belang der hooge bergrassen, doch om het grootste deel te bestemmen ter versterking der kantonale premiën. De Bondsraad keurde deze voorstellen goed en dienovereenkomstig werd aan het werk getogen. Het denkbeeld evenwel om de teelt der hooge bergrassen in het bizonder te bevorderen werd het volgende jaar reeds opgegeven. Het versterken der kantonale premiën met federale eischte reeds dadelijk voorschriften van overheidswege, om het nuttig gebruik te waarborgen.
De Bondsraad maakte de volgende bepalingen.
I. De kantonale bijdragen ter bekroning van fokstieren moeten ten minste even hoog zijn als de federale.
II. De federale bijdragen mogen niet leiden tot vermindering der kantonale.
III. De bekroonde stieren mogen binnen de 10 maanden na de keuring niet naar het buitenland uitgevoerd worden.
19
IV. De bondssubsidie zal over de kantons verdeeld worden naar crelan^ van het aantal swedye-keurde fokstieren bij de laatste veetelling in elk kanton aanwezig.
Terwijl in 1882 van het uitgetrokken crediet nog geen gebruik gemaakt werd, daar de Bondsraad toen, zooals boven gezegd is, nog niet besloten had in welke richting hij zou werken en niet onvoorbereid wilde handelen, werden in 1883 de eerste federale bijdragen voor de bekroning m fokstieren uitgekeerd.
Ongeveer 80% der toegekende premiën konden 10 maanden na de keuring uitbetaald worden, de andere 20% werden achter gehouden daar de eigenaars of kantons zich niet aan de gestelde voorwaarden hadden willen onderwerp .n.
Voor den Zwitserschen landbouw in \'t algemeen is het jaar 1884 een gewichtig jaar geweest. Van den 27ste11 Juni van dat jaar immers, dagteekent het bondsbesluit betreffende maatregelen tot verbetering
O O
der landbouw aangelegenheden door de Confederatie. Dit besluit vormt de basis, waarop zich sedert dien de staatszorg voor de verschillende takken van het landbouw bedrijf systematisch heeft uitgebreid.
Dit besluit dankt zijn ontstaan aan een rekwest door het lid der Nationale Vergadering von Planta aan de beide kamers van volksvertegenwoordiging
O O O
ingediend, naar aanleiding van den achteruitgang van den boerenstand. Eene enquête over landbouwaan-gelegenheden werd toen ingesteld; daarbij werden vragen gesteld aan de kantonale besturen, landbouw-vereenigingen en groote eigenaren en pachters. Tevens werd een onderzoek ingesteld naar de wijze waarop in andere landen landbouw en veeteelt beschermd en geholpen worden.
20
Art. 5 van genoemd besluit beoogt verbetering van het rundveeras. Het luidt aldus:
„Jaarlijks wordt op de bondsbegrooting een post ,,van tenminste 100.000 francs uitgetrokken ter uit-„breiding en verbetering van het rundveeras. Deze „gelden zullen hoofdzakelijk aangewend worden om „het houden van een voldoend aantal springstieren „in de kantons te bevorderen; bij uitzondering kun-„nen ze ook aangewend worden om de deelname van „Zwitsersche landbouwers aan vreemde veetentoon-„stellingen te steunen. De Bondsraad zal de voor-„waarden vaststellen waaronder subsidies uitgekeerd „zullen worden.quot;
Dit artikel dat de staatshulp waarborgt bij het streven naar verbetering van het rundveeras, laat in de uitvoering groote vrijheid aan den Bondsraad.
Aanvankelijk is deze voortgegaan met het sedert 1882 in gebruik gekomen systeem om de kantonale premiën voor fokstieren met federale premiën te versterken. Dit geschiedde overeenkomstig het wettelijk voorschrift, dat de bondssubsidiën hoofdzakelijk aangewend wilde zien om het geregeld houden van springstieren in de kantons te bevorderen. De Heer Muller, chef van de afdeeling Landbouw bij het departement van Landbouw, Handel en Nijverheid schrijft omtrent deze wijze van steun door den staat te verleenen in zijne brochure (1) het volgende:
„Wanneer de staat besloten heeft te trachten de „rundveefokkerij te verbeteren dan is het zijn eerste „plicht door wettelijke maatregelen en financieelen „steun, het houden van stieren te begunstigen. De „invloed toch van den stier op de veeteelt is door
1) F. Muller. Üic staatlichcn maszrcgcln zur Ford rung der Rindviezucht Landw. Jahrbuch der Schweiz 1892,
21
„de, ook bij het rundvee bestaande polygamie, van ,,veel grooter belang dan die van het moederdier, „daar de stier jaarlijks zeer vele nakomelingen kan „hebben op wie hij zijne goede eigenschappen kan „voortplanten. Hij oefent daardoor veel grooteren „invloed uit op de verbetering van een ras dan „eene koe, die jaarlijks slechts eenmaal kalft. De „stier is de halve kudde. Ook zijn de kosten om „een mooien stier op te brengen aanzienlijk hooger „dan die om eene koe op te fokken. Behalve als „dekstier heeft hij slechts waarde als trekdier. Zijn „vleesch is niet gewild.
„Hoewel het aantal mannelijke kalveren groot is, „gelukt het slechts zelden uitstekende exemplaren „te vinden. Er moet voor gewaakt worden dat deze „niet door vreemdelingen, die hooge prijzen besteden, „uitgevoerd worden.
„Deze omstandigheden, benevens het klein grond-„bezit waardoor slechts weinigen een stier voor „eigen gebruik bezigen, kunnen maken, dat hethouden „van stieren als een groote last wordt beschouwd.
De Bondsraad, die deze beschouwing ook toegedaan was, zooals uit zijn besluit blijkt, ging strenger voorwaarden verbinden aan de toekenning der federale premien, nu de geldsommen voor dit doel beschikbaar gesteld, niet onbelangrijk vermeerderd waren. Deze voorwaarden luidden ;
a. Het gezamentlijk bedrag van de kantonale premie en de bondspremie moet minstens 60 francs bedragen. In 1892 is dit veranderd in 100 francs. Dit stond hiermee in verband dat tot 1892 de bonds-subsidie in elk kanton gerekend werd naar een maatstaf van 8 francs per stier in het kanton aanwezig, volgens de veetelling van 1886, terwijl deze
in genoemd jaar tot 10 francs verhoogd werd.
b. Bij de keuring zal direct aan den eigenaar der bekroonde dieren een bon gegeven worden, welke io maanden later, na overlegging der bewijzen dat het dier gedurende dien tijd in het kanton, waar het bekroond is, ter dekking heeft gestaan, betaalbaar zal zijn.
Hoewel het niet bepaald als eene voorwaarde is gesteld heeft de Bond toch duidelijk als zijn wensch te kennen gegeven, dat de keuringen in het najaar plaats zouden hebben, daar het najaar en de winter de belangrijkste dektijd is, en dat alle kantons verplichte stierenkeuring invoerden en op rasfokkerij zouden letten.
Sedert 1885 staat ook jaarlijks op de bondsbe-grooting een post ter bekroning van fokfamiliën (1) Het geld werd zoodanig over de kantons verdeeld, dat voor elke 1000 stuk fokvee dat ieder kanton bij de laatste veetelling had, een zeker bedrag, aanvankelijk 20 francs, werd uitgetrokken. In het begin hadden deze keuringen plaats het eene jaar in het gebied van het bruine vee en het andere jaar in de kantons, waar men het gevlekte vee aantreft. Sedert 1890 echter jaarlijks over heel Zwitserland. De uitvoering van dezen maatregel gaf aanvankelijk vele moeilijkheden.
Een eerste vereischte toch om de zuiverheid der afstamming en de verwantschap tusschen de moeder-dieren te bewijzen is bet houden van een stamboek.
De Zwitsersche boer was hierop niet voorbereid en miste veelal ook de noodige kennis. Eerst langzamerhand ontwikkelde deze zich bij hem. Thans echter is men over de resultaten bijzonder tevreden
1) Zie bladz. 15.
23
en wordt in deze keuringen een der krachtigste middelen gevonden ter verbetering van het rundveeras.
Aan de uitbetaling der bondsbijpremiën werden de volgende voorwaarden vastgeknoopt:
a. De kantonale regeeringen moeten minstens 4 weken vóór de keuring het programma ter goedkeuring overleggen aan het departement van Landbouw.
b. Bij de beoordeeling moet van het puntenstelsel gebruik gemaakt worden.
c. Van de bekroonde familiën moet een stamboek gehouden worden.
d. De kantonale regeeringen moeten vóór het einde van het jaar verslag uitbrengen over de keuringen en het gebruik der bondsbijpremiën.
e. De uitbetaling der bijpremie geschiedt eerst het volgende jaar, wanneer de eigenaar op de keuring, die dan plaats heeft weer met eene bekro-ningswaardige familie komt, die aan de eerste verwant is, hetgeen blijken moet uit een richtig gehouden stamboek.
Als overgangsmaatregel werd besloten, dat voor de eerste maal afstammingsbewijzen niet strikt noo-dig waren.
Het aantal dieren, waaruit eene fokfamilie bestaan moet is niet voorgeschreven. De bekroningen geschieden naar het hoogst gemiddeld aantal punten per dier in eene fokfamilie behaald. De premiën worden echter hooger naarmate de familie uit meerdere individuën bestaat.
Een bizonder goed reglement op de keuring van fokfamiliën gaf het kanton St. Gallen dat, behalve de door den Bond gestelde voorwaarden, nog de volgende bepalingen maakt:
24
a. De premie voor eene fokfamilie moet ten minste bedragen 60 francs.
b. Het kantonaal departement geeft ten allen tijde inlichtintren over het houden van stamboeken; stam-
O \'
boekformulieren zijn daar kosteloos verkrijgbaar.
c. De uitkomsten der keuringen worden den eigenaars medegedeeld in beredeneerde afschriften.
d. Aan de keuringen van fokfamiliën worden verbonden openbare voordrachten voor belanghebbenden over de uitkomsten der keuring en over het nut en het doel der stamboeken en van het gemeenschappelijk uitoefenen van het bedrijf. Deze twee laatste punten zijn al bizonder nuttig. Aan de eene zijde dwingen zij de keurmeesters tot groote nauwlettendheid en aan de andere zijde leeren zij aan de eigenaren de inzichten der keurmeesters kennen. Deze weten nu waar zij op moeten letten en in welke richting zij moeten werken. Het krijgen van prijzen wordt hoe langer hoe minder eene loterij, wat anders toch altijd eenigszins het geval is, wanneer telkens eene andere commissie de keuringen houdt, wier inzicht en maatstaf men niet leert kennen. Ook is het een vvaarbrtegen partijdigheid.
e. De door het kantonaal departement afgegeven stamboeken moeten elk jaar daar ter controle ingezonden worden.
f. Het kantonaal bestuur is voornemens uit de private stamboeken een kantonaal stamboek in te richten waarin alle dieren, bekroond op de keuring der fokfamiliën, kosteloos worden opgenomen en waarvooreen bizonder reglement zal gemaakt worden.
Een derde groote maatregel waarmee de Bond sedert 1890 heeft getracht te gemoet te komen aan de moeilijkheden waarmee de veefokkerij te kampen
25
had, was het aanmoedigen tot het oprichten van ver-eenigingen wier leden gemeenschappelijk veefokken, d. w. z. zij koopen op gemeenschappelijke kosten een of twee stieren en verbinden zich hunne koeien alleen door deze te laten dekken en de beste kalveren aan te houden, (i)
Soms heeft het bestuur ook het recht de vrouwelijke fokdieren te keuren terwijl slechts eigenaren van goedgekeurde koeien tot de vereeniging worden toegelaten.
in een schrijven van 16 Juli i8S8 herinnert het Bondsbestuur aan de kantonale besturen dat het zijn doel is met de gelden op de begrooting uitgetrokken ten behoeve der veefokkerij, om uitstekende raszuivere en gezonde fokdieren te verkrijgen, die hunne goede eigenschappen op hunne nakome-
i) Ook in Denemarken zijn dergelijke vereenigingen tot bevordering der veefokkerij bekend en hare oprichting wordt daar ook van regeeringswege zeer bevorderd.
Aan een jaarrapport van een der staatsconsulenten, speciaal belast met het toezicht op de veefokkerij, zijn de volgende bizonderheden omtrent deze vereenigingen ontleend.
Zij leggen zich elk toe op eene bizondere soort rundvee, liet meest hebben zij gedaan in het belang van het roode Deensche melkvee-ras, dat op de eilanden onder de kleine landbouwers verreweg het ruimst gevonden wordt. Het groote nut dier vereenigingen is dat zij van al het aan de leden toebehoorende vee als het ware een groot geheel vormen, doordien ten aanzien van de voortplanting voor allen dezelfde stieren gebruikt worden. Door deze gemeenschappelijke inrichting der voortplanting wordt, behalve liet voordeel dat ten behoeve van allen slechts zeer goede fokdieren ter beschikking worden gesteld, ook nog dit bereikt dat, wanneer door gelukkig toeval een veefokker in het bezit is van een grooter aantal goede fokstieren dan hijzelf zal kunnen gebruiken, deze ten dienste der anderen worden gesteld op d-, bij de toetreding tot de vereeniging, vastgestelde voorwaarden.
Het aankoopen van stieren en koeien geschiedt steeds met bijstand der daartoe aangewezen deskundigen. Deze staan ook in verbinding met een landbouw-consulent die ook in verbinding staat lot andere veefokkerij-vereenigingen en op dezelfde wijze als tusschen de leden onderling tusschen de verschillende veefokkerij-vereenigingen de meest oeconomische verdeeling der fokdieren bewerkt. Zoo bij voorbeeld wanneer eene vereeniging in een bepaald jaar een grooten overvloed heeft van stierkalveren is het vaak de consulent, die eene andere vereeniging weet aan te wijzen waar men daaraan gebrek heeft. De hier bedoelde consulenten zijn niét de staats-consulenten met het algemeen toezicht belast maar locale consulenten, welke van staatswege worden gesubsidieerd.
Men kan de vereenigingen splitsen in twee soorten.
ie. die, waarbij de leden voor hun gekleurde koeien het gemeenschappelijk gebruik en bezit van een of meer stieren hebben.
26
lingen overbrengen. Een der grootste moeilijkheden waarmee Zwitserland te kampen heeft om dit doel te bereiken is het klein grondbezit. De eigenaar van een grooten veestapel, zal veel makkelijker volgens een bepaald systeem kunnen fokken dan een kleine boer, die veelal kapitaal mist om uitstekende moederdieren te koopen en zelf ook geen stier kan houden, zoodat hij daarmee van anderen afhankelijk is. Om aan deze bezwaren te gemoet te komen en den kleinen grondbezitter of pachter in staat te stellen met zijn vee tegen den groote te eoncurreeren, wenschte het Bondsbestuur de oprichting van veefokkerijvereenigingen te bevorderen.
In het begunstigen van den kleinen boer door premiën zooals dikwijls is gewild, ziet het Bondsbestuur terecht een nadeel. Het doel, goede exemplaren te verkrijgen, wordt hierdoor tegengewerkt.
15ij deze vereenigingen moet elk lid afzonderlijk boek houden over zijn vee-fokke rs-bed rij f.
2e. die, waarbij de leden hunne gekeurde koeien kunnen laten dekken door stieren aan de vereeniging toebehoorende en waar het bestuur een stamboek houdt. De leden zijn verplicht boek te houden over het aan de koeien gegeven voeder en de verkregen melk. De resultaten moeten aan het bestuur opgezonden worden om tot leiddraad te dienen bij de latere keuze van fokstieren.
De stamboeken dezer tweede soort vereenigingen zullen grootere waarde hebben dan die der eerste soort, daar het houden van stamboeken voor boeren eigenaardige moeilijkheden oplevert. Men is thans bezig eene gelijke boekhouding voor alle vereenigingen in te voeren door het, van overheidswege, geven van formulieren. Op het eiland Seeland bestaat een bond van alle vereenigingen, die ruim 2000 leden en Sooo koeien telt.
Aan de vereenigingen tot bevordering van de veefokkerij worden van wege het Amt (te vergelijken met ons provinciaal bestuur) subsidies verleend. Belangrijker zijn echter de staatssubsidiën. Deze hebben veel bijgedragen tot het ontstaan der vereenigingen en zijn soms onontbeerlijk om ze in stand te houden. Volgens de wet van i April 1887 worden jaarlijks 50.000 kronen beschikbaar gesteld in het belang der pogingen tot verbetering der veefokkerij, welke som echter slechts ten deele de vereenigingen ten goede kwam. De wet van 14 April 1893, houdende wijziging van § 9 der voornoemde wet heeft het bedrag tot 125000 kronen verhoogd, waarvan 60.000 voor subsidies voor veefokkerij-ver-eenigingen. Het subsidie wordt berekend per stier, tot 1893 bedroeg het 70 kronen, thans 120 soms 140 kronen. Bij diezelfde wet is onderzoek door een veearts voorgeschreven van elke koe, die bij een stier der vereeniging wordt gebracht. (Zie bijlage 1.)
27
De groote eigenaar toch, wordt in zijn ijver gestuit wanneer hij ziet dat, hoe goede dieren hij voortbrengt, deze toch niet bekroond worden, daar het geld moet besteed worden om den kleinen boer aan te moedigen. Deze laatste echter, die nu met middelmatige exemplaren te gemakkelijk prijzen krijgt, wordt niet aangemoedigd nog meer zijn best te doen, zijn dieren immers worden reeds bekroond. Bij den grooten zal dus achteruitgang, bij den kleinen geen vooruitgang te bespeuren zijn.
Ook zal \'t voor eene vereeniging makkelijker zijn dan voor particulieren om stamboeken te houden, wat toch het eerste vereischte is van elke rationeele fokkerij.
Deze maatregelen van het Bondsbestuur staan in nauw verband met die om fokfamiliën te bekronen. Hierboven werd reeds medegedeeld, dat bij de bekroning dezer het gemiddeld aantal punten per dier in eene familie besliste voor een prijs, doch dat het gezamentlijk bedrag der punten de hoegrootheid van den prijs aangaf, men ziet hieruit dat groote familiën wenschelijk worden geacht. Om deze nu te verkrijgen in een land waar het klein grondbezit verreweg het meest voorkomt, is \'t duidelijk dat men den weg der vereeniging moet zoeken. Door staatsbijdragen wil de Bond nu het oprichten van zoodanige vereeniging aanmoedigen.
De Bondsraad maakte de navolgende bepalingen, waaraan vereenigingen, die naar deze subsidiën dingen zich moeten onderwerpen :
a. De in het Zwitsersch handelsregister ingeschreven vereenigingen, die een bondssubsidie verlangen, moeten zich daartoe aanmelden door bemiddeling van het kantonaal bestuur bij het departement van
28
Landbouw enz. Bij de aanvrage moeten de statuten der vereeniging, de ledenlijst en het stamboek overgelegd worden.
I). De gesubsidieerde vereenigingen moeten in haar kanton met hare in het stamboek ingeschreven dieren welke ouder zijn dan één jaar, jaarlijks mededingen naar de premiën voor fokfamiliën.
De hoegrootheid der bondsbijdragen voor de oprichtingskosten wordt berekend naar het aantal en de kwaliteit der bij deze keuringen bekroonde dieren.
c. Vereenigingen welke ontbonden worden vóór het vijfde jaar na de ontvangst van de bondsbijdrage, of wier veestapel gedurende dit tijdsverloop niet bekroond wordt op de keuringen, moeten de bijdrage teruggeven. De leden zijn hiervoor hoofdelijk verantwoordelijk.
Behalve den directen steun, dien de Bond door deze drie genoemde middelen verschaft, geeft hij ook nog indirecten steun door bijdragen voor veetentoonstellingen en daarbij uit te loven prijzen.
Het voorgaande nagaande ziet men dat de Zwit-sersche Bond steunende op art. 5 van het bonds-besluit van 1884 zijne zorg voor de runderteelt steeds meer heeft uitgebreid en ook financieel ver boven het daargestelde minimum van lOO.OOO francs is gegaan. Terwijl in 1884 op het bondsbudget voor de veefokkerij een som van 100.000 fr. was uitgetrokken, zien wij in 1892 :
voor premiën voor stieren 183.910 fr.
voor premiën voor fokfamiliën 74.031,78 ,, als subsidie aan vereenigingen 16.800 ,,
te samen dus
fr. 274.741.78aangewezen.
29
De bondswet van 22 Dec. 1893 over de verbetering van den landbouw door de Confederatie, heeft in haar artt. 5 en 6 waarborgen gegeven, dat op den ingeslagen weg zou voortgegaan worden, ja zelfs eisehte, dat de staatszorg voor de veefokkerij aanzienlijk uitgebreid werd.
Deze wet heeft haar ontstaan te danken aan eene motie van 8 juni 1891 ingediend door den heer Curti c. s. bij de Nationale Vergadering. Deze strekte om den Bondsraad uit te noodigen een onderzoek in te stellen of hoofdstuk C (verbetering van den bodem) van het bondsbesluit van 18S4 geene wijziging behoefde.
Door de nationale vergadering werd deze motie in overweging genomen doch op voorstel van eenige leden zeer uitgebreid. Zij luidde toen: De Bondsraad wordt uitgenoodigd te onderzoeken of het Bondsbesluit van 1884 geene wijziging behoeft om meerdere en betere vruchten voor den landbouw af te werpen. De Bondsraad hierop aan het werk getogen, diende 28 Nov. 1892 een wetsvoorstel met memorie van toelichting bij de W etgevende Vergadering in. In dit voorstel nu waren geene veranderingen in hoofdstuk B (over verbetering der veeteelt) aangebracht, tenminste wat betreft het rundvee.
Dit wetsvoorstel werd in het voorjaar 1893 door eene commissie uit de Nationale Vergadering in behandeling genomen, die eene groote uitbreiding gaf aan het regeeringsvoorstel ten aanzien der veefokkerij. In de eerste plaats werd het minimum van de post, jaarlijks op de begrooting te brengen, gebracht op 500.000 francs. Tijdens de beraadslagingen is dit teruggebracht tot 400.000 francs, daar anders de overgang te plotseling zou zijn. Het
3°
noemen van een som in de wet duidt immers toch slechts een minimum aan, en levert geen gevaar op dat hierdoor mogelijke uitbreiding uitgesloten wordt. Door een hoog bedrag te noemen, bedoelde men slechts te doen uitkomen het voornemen der Wetgevende Macht om hare blijvende aandacht te schenken aan de belangen der veefokkerij en den fokkers de overtuiging te geven dat de Bondssubsidiën niet zullen verminderen.
Het voorstel der commissie werd behoudens kleine wijzigingen zoowel in de Nationale als de Stendenvergadering aangenomen en wij vinden de voorgestelde bepalingen dan ook terug in art. 5 en 6 van de wet van 22 December 1896.
Art. 5 schrijft voor, dat jaarlijks minstens eene som van 400.000 francs op de bondsbegrooting zal gebracht worden om de rundveefokkerij te ontwikkelen en te verbeteren. Deze som zal op de volgende wijze aangewend worden:
a. Ter ondersteuning der kantons in hun streven om aan het land goede fokstieren te verschaffen.
b. Ter vermeerdering van het aantal en ter verbetering der soort van de vrouwelijke fokdieren.
c. Om bij te dragen aan het oprichtingskapitaal benoodigd voor vereenigingen en syndicaten, die zich veefokkerij ten doel stellen en om premiën uit te loven voor groepen van fokdieren, wier afstamming vaststaat blijkens goed gehouden stamboeken.
d. Ter ondersteuning van de deelname door Zwitsers aan vreemde rundveetentoonstellingen.
In het artikel worden de volgende hoofdregels gevoegd, die in acht genomen moeten worden ter verkrijging der bondsubsidiën.
1. Het op de bondsbegrooting uitgetrokken kre-
3i
diet zal over de kantons verdeeld worden naarmate van het aantal vaarzen en koeien in elk kanton aanwezig tijdens de laatste veetelling.
2. De bondssubsidie bedoeld sub. n. en moet evenveel bedragen als de subsidiën door de kantons uitgeloofd.
Het gezamentlijk bedrag van elke premie uitgeloofd door den Bond en het kanton mag niet minder , dan ioo francs bedragen.
3. De uitkeering der gelden bestemd om bij te dragen in de oprichtingskosten van syndicaten en der premiën voor fokfamiliën, zal plaats hebben onafhankelijk van het geld daarvoor door de kantons uitgetrokken.
4. De bondspremiën voor stieren zullen eerst 9 maanden na de toekenning uitbetaald worden en tegen bewijs dat het dier tusschentijds in het binnenland ter dekking heeft gestaan.
Op aanvrage der kantonale overheid zal ook aan de betaling der bondspremie de voorwaarde kunnen worden verbonden, dat het bekroonde dier binnen het kanton gedurende een langeren termijn ter dekking heeft gestaan.
Voor de Alpen-kantons, die door bizondere omstandigheden hunne stierenkeuringen in het voorjaar houden zal de dektijd der bekroonde stieren in het vorige seizoen meegerekend kunnen worden onder de vereischte 9 maanden, mits voor het begin van den dektijd die stieren door de gewone kantonale keurmeesters als geschikt voor de voortteeling zijn goedgekeurd.
De Bondsraad zal nader de voorwaarden vaststellen waaraan de Confederatie de uitbetaling der subsidiën zal onderwerpen.
32
5- De Bondsraad zal, zoo hij de ondersteuning verleent vermeld sub. lettert, daaraan op aanvrage der belanghebbende kantons de voorwaarde kunnen vast knoopen dat de tentoongestelde fokdieren na de tentoonstelling naar Zwitserland worden teruggebracht.
Art. 6. Om de 5 jaar zal in geheel Zwitserland eene veetelling plaats hebben.
De Bondsraad bepaalt den datum waarop deze plaats zal hebben en stelt het formulier der vragen vast.
De algemeene kosten komen ten laste van den Bond, elk kanton draagt echter de kosten, die de telling binnen zijn gebied veroorzaakt.
Deze wet houdt dus geene nieuwe denkbeelden op het gebied van de staatshulp voor de veefokkerij in. De bedoeling der wettelijke bepalingen is dat men in de wet opgenomen wilde zien de wijze waarop het toegestane crediet zou aangewend worden. In de wet moest dus samengevat worden wat in de laatste jaren bij verschillende besluiten was tot stand gekomen, zonder dat het nemen van notr meerdere maatregelen werd uitgesloten.
«r» cgt; O
Het versterken der kantonale middelen door bondssub-sidiën om aan het land goede fokstieren te bezorgen, schrijft thans art. 5. leUer a voor.
Het bekronen van fokfamiliën en het bijdragen in de oprichtingskosten van syndicaten art. 5. lL\'tler c-
Art. 5. letter b is nieuw. Het schrijft voor, prijzen uit te loven om het aantal en de qualiteit der vrouwelijke fokdieren te vermeerderen en te verbeteren. Dit werd tot nu toe niet door den Bond gedaan. Hoewel het toekennen van premiën aan vrouwelijke fokdieren, voor de veefokkerij in zijn
33
geheel mindere resultaten zal opleveren (i) dan de stierenkeuringen, zoo heeft het aanwijzen van goede exemplaren toch zijn nut om tot grondslag te dienen voor het vormen van fokfamiliën. De Bond is tot dezen maatregel overgegaan op verlangen van verschillende kantons, waar de koeienkeuringen reeds lang bestonden.
Bij bondsbesluit van 10 Juli 1894 is een reglement uitgevaardigd ter uitvoering van de wet van 1893.
Art. 15 van dit reglement bepaalt dat ter uitvoering van art. 5 sub- a- der wet, door den Bond aan de kantons subsidiën zullen worden toegekend ter bekroning van stieren. Het bedrag zal gelijk zijn aan dat der premiën door deze voor hetzelfde doel uitgereikt.
Art. 16 noemt de voorwaarden, welke gesteld worden op het uitbetalen dezer premiën.
n. De kantonale zoowel als de bondspremiën moeten toegekend worden in de maanden September ot October op publieke keuringen, welke een zoo uitgestrekt mogelijk keuringsgebied omvatten. De kantons in het Alpengebied, die door buitengewone omstandigheden hunne stierenkeuringen in het voorjaar houden zullen vóór den dektijd de stieren, voor de voortteeling geschikt, doorde gewone keurmeesters moeten doen aanwijzen en zullen binnen 4 weken na dit onderzoek de lijst der goedgekeurde stieren naar het departement van Landbouw zenden. Op de voorjaarskeuring kunnen slechts de goedgekeurde dieren naar eene premie dingen.
/gt;. Een bekroonde stier may yeene koe, tot het
00 \'
andere hoofdras behoorende, dekken.
Ij Zie dc aangehaalde woorden van den heer Müjler,
3
34
c. Bij de bekroningen zal zooveel mogelijk op de afstamming der stieren moeten gelet worden ; stieren beneden de 15 maanden kunnen niet de hoogste premiën krijgen, tenzij hunne afstamming van bekroonde ouders uit authentieke bescheiden blijke.
d. De bondsbijpremie en de kantonale premie moeten even hoog zijn voor elk bekroond dier en te zamen minstens 100 francs bedragen.
c. Het departement van Landbouw zal formulieren van dekcertificaten uitgeven voor de stieren, die de hoogste premiën ontvangen, hiervoor is noodig, dat de uitslag van de beoordeeling volgens het punten-stelsel gelijkluidend zij aan die door meeting verkregen. Deze formulieren van dekcertificaten zullen kosteloos afgegeven worden, mits de kantonale overheid er voor wake, dat zij richtig gehouden worden en mits de talons der afgegeven bewijzen telkens vóór de uitbetaling der premie gezonden zijn aan de kanselarij van het departement van Landbouw.
De uitbetaling der bondspremie heeft plaats nadat het kanton waar de keuring is gehouden offici-eele bewijzen heeft verschaft dat van den dag dei-toekenning van de premie af, en in de kantons waar de keuringen in het voorjaar worden gehouden, van den dag af, dat de stieren als geschikt voor de fokkerij zijn erkend^ de stieren ten minste 9 maanden binnenslands ter dekking hebben gestaan en hunne eigenaars zich aan de gestelde voorwaarden hebben gehouden.
f. De kantonale overheid, die bondssubsidie aanvraagt moet minstens vier weken vóór de keuring aan het departement van Landbouw doen weten :
35
iste De plaats en den dag der keuringen.
2de Het bedrag der kantonale premiën, die naar alle waarschijnlijkheid toegekend zullen worden.
g. Binnen vier weken na de keuring moet de kantonale overheid bericht sturen ;
iste Van het aantal aangebrachte stieren.
2de Eene lijst zenden der bekroonde stieren met bijvoeging van het ras en den leeftijd en van het bedrag der diverse kantonale en bondspremiën.
Ter uitvoering van art. 5W\' ^ werden de volgende bepalingen gemaakt.
„Aan de kantons zal voor bijpremiën voor vrouwelijke fokdieren een crediet toegekend w orden gelijk aan het bedrag der premie, die zij zelf voor dit doel verleenen.
De uitbetaling dezer premiën is aan de volgende voorwaarden onderworpen:
n. Slechts vaarzen die minstens twee en hoogstens zes tanden gewisseld hebben en koeien voor de voortteeling geschikt, kunnen bekroond worden.
/gt;. De premie, door het kanton en de bijpremie, door den Bond uitgeloofd, moeten even hoog zijn en te samen niet meer dan 100 francs bedragen.
c. De bekroonde dieren zullen een merk ontvangen en voor elk zal aan den eigenaar een formulier gegeven worden van dek- en geboorte-certificaten.
d. De uitbetaling van de bondsbijpremie zal eerst plaats hebben nadat het bewijs geleverd is door deze dek- en geboorte-certificaten dat het bekroonde dier een kalt geworpen heeft, afkomstig van een stier van hetzelfde ras, die bekroond of goedgekeurd is volgens dit reglement.
c. De kantonale overheden die een bondssubsidie vragen om het bedrag der kantonale premiën te
36
verhoogen moeten minstens 4 weken vóór de keuring aan het Departement van Landbouw doen weten :
1. De plaats waar en de dagen wanneer de keuringen zullen plaats hebben.
2. Het totale bedrag der kantonale premiën, die volgens alle waarschijnlijkheid bij die keuringen zullen verleend worden.
Yoor het einde van het jaar moeten de kantonale overheden aan het Departement van Landbouw eene lijst overleggen van al de bekroonde dieren met aanwijzing van ras en leeftijd en van het totale bedrag der verschillende kantonale premiën en bondsbijpremiën.
Omtrent het uitkeeren van premiën voor fokfa-miliën en het aanmoedigen tot het oprichten van syndicaten werd nog de volgende bepaling gemaakt :
Het deel van het crediet, dat aan de kantons is verleend tot verbetering van de veefokkerij en dat niet is gebruikt voor premiën voor stieren of koeien kan aangewend worden voor premiën ten behoeve van fokfamiliën die aan eene fokvereeniging toebehooren, en zoo deze syndicaten niet in voldoend aantal aanwezig zijn, wat ter beoordeeling staat aan het kantonaal bestuur, ten behoeve van fokfamiliën aan particulieren toebehoorende.
Bij de keuringen moeten de volgende voorschriften in acht genomen worden :
1. Om tot de keuring te worden toegelaten moeten de fokfamiliën ten minste uit drie dieren bestaan, die tot hetzelfde Zwitsersche veeras behoo-ren. Om die familiën grooter te doen worden en om er versch bloed in te krijgen kan een zeker aantal der dieren, die de familie uitmaken, ge-
37
kocht zijn. De kantons zullen het aantal bepalen.
2. Voor de beoordeeling wordt het puntenstelsel aangewend volgens de vaststaande tafels voor elk der twee hoofdrassen en die goedgekeurd zijn door het departement van Landbouw.
Voor een prijs komen slechts die groepen in aanmerking waarvan elk dier een door de jury vast te stellen minimum aantal punten behaald heeft.
3. Bij de berekening der premiën wordt slechts op de punten gelet, die het minimum overschrijden.
Het geheele bedrag der premiën dat ter beschikking staat van elk kanton wordt verdeeld door de som der punten, die het minimum overtreffen ; het quotient geeft de waarde van elke punt aan.
Hieruit blijkt dat voor elke groep het bedrag van de premie evenredig is aan het aantal punten, boven het vastgestelde minimum.
4. Van elke bekroonde familie zal een stamboek gehouden worden volgens een formulier, goedgekeurd door het departement van Landbouw en dat de afstamming aanwijst en de resultaten der beoordeelingen op de keuring en zooveel mogelijk de goede eigenschappen van elk dier ten aanzien van vleesch-vorming en melkopbrengst. Vóór elke keuring zal dit stamboek moeten overgelegd worden.
5. De premiën worden eerst het volgend jaar uitbetaald onder beding, dat dan weder eene familie van denzelfden eigenaar bekroond wordt.
De vrouwelijke dieren mogen slechts door bekroonde dieren gedekt worden.
6. De kantons moeten :
a. minstens 4 weken vóór de keuring aan het departement van Landbouw doen weten den dagen de plaats, waar de keuringen zullen plaats vinden.
38
b. het programma der keuring ter goedkeuring overleggen.
c. Voor het einde van het jaar een verslag uitbrengen over de resultaten der keuring en de namen en woonplaatsen der eigenaren opgeven.
7. De kantons kunnen aan de uitbetaling der premiën nog nadere voorwaarden vastknoopen.
Binnen de grenzen van het krediet door de wetgevende macht toegestaan, kunnen de vereenigingen, die zich ten doel stellen vee te fokken, subsidiën van 100—300 fr. erlangen als tegemoetkoming voor de oprichtingskosten.
Dergelijke vereenigingen, die in het Zwitsersch handelsregister zijn ingeschreven, en die naar deze subsidiën dingen, moeten zich door tusschenkomst van het kantonaal bestuur aanmelden bij het departement van Landbouw. Bij de aanvrage moeten zij voegen de statuten, de ledenlijst en het stamboek der vereeniging.
De gesubsidieerde vereenigingen moeten jaarlijks hunne dieren, in het stamboek ingeschreven, aan de keuring onderwerpen. Het bedrag van de bondssub-sidie is afhankelijk van het aantal en de qualiteit der dieren, op de keuringen bekroond.
Vereenigingen welke binnen de 5 jaar na het ontvangen der subsidie worden ontbonden of wier kudde gedurende dezen termijn geen prijzen vermogen te behalen moeten het bedrag der subsidie aan de Confédératie -teruggeven. De leden zijn er hoofdelijk voor aansprakelijk.
De slotsom, die uit het bovenstaand kan worden afgeleid, luidt als volgt: zooals boven reeds gezegd is, ziet men in deze wetten en besluiten een gesta-digen vooruitgang op den eens ingeslagen weg. Het
39
is geen zoeken in den blinde, doch een juist afgebakende lijn, die de Zwitsersche regeering heeft gevolgd. Zij heeft zich nauwkeurig rekenschap gegeven hoe de gelden het best besteed zouden worden, en nu zij meent een goed middel gevonden te hebben, tracht zij dit middel gestadig te verbeteren, doch verandert niet telkens van systeem om een onbereikbaar ideaal na te jagen.
Hetgeen, naar mijne opvatting, bij deze wet bizonder valt te waardeeren is dat de Confédératie door moreelen dwang een in hoofdtrekken uniforme reye-ling heeft weten te verkrijgen voor geheel Zwitserland. De kantons zijn gebleven de organen, belast met de maatregelen in het belang der veefokkerij en hebben ook algeheele vrijheid hierin behouden, doch willen zij de bondsondersteuning genieten, zoo moeten zij zich schikken naar de besluiten van den Bondsraad. In de uitvoering en in de onderdeden laat deze hen nochtans geheel vrij.
De Zwitsersche toestanden schijnen mij toe een leerrijk voorbeeld te kunnen geven aan die staten, welke aan hunne onderdeden de regeling en het bestuur van hun eigen huishouden overlaten.
HOOFDSTUK II.
DE STAATSBEMOEIINGEN TEN AANZIEN DER VEEFOKKERIJ IN BADEN, BEIJEREN EN WURTEMBERG. (i)
De bondsregeering in Zwitserland heeft, zooals uit het voorgaande hoofdstuk blijkt, er naar gestreefd de kantonale besturen in hare bemoeiingen ten aanzien der veefokkerij zoo vrij mogelijk te laten, de regeeringen der Zuid-Duitsche Staten integendeel, hebben gemeend dat in deze eene goede regeling en krachtige uitvoering, uitgaande van het centraal gezag, bevordelijk was.
De grondslag waarop in Baden, Beijeren en Wur-temberg de staatsbemoeiing berust, zijn wetten op het houden enkeuren van fokstieren, welke onderling eene groote overeenkomst vertoonen. (2) De eerste afdee-line dezer wetten handelt over het houden van
cgt;
stieren en berust op de geschiedkundige ontwikkeling van de oeconomische toestanden der landbou-wende bevolking in deze landen. In vroegere eeuwen
lt;_gt; O
behoorde het hebben en houden van mannelijke fokdieren tot de feodale rechten, zoodat de wijze, waarop dit geschiedde geheel afhing van den Heer der plaats. Dit recht, wij zouden beter last kunnen zeggen, is langzamerhand op de gemeenten overgegaan en berust daar thans nog in meerdere of min-
1) Badensche wet van 1837 laatstelijk herzien 26 Maart 1890. Beijersche wet van 5 April 1888.
Wurtembergsche wet van 16 Juni 1882.
2) Die Kinderzucht Deutschlands van Dr. Hamamoto aus Tokio. Verlag von Paul Parey, Berlin 1894.
dere mate. Tn de wijze, waarop door de drie bovengenoemde staten de gemeenten belast worden met het houden van stieren, is het grootste punt van verschil gelegen tusschen de hier genoemde wetten.
Wurtemberg verplicht zijne gemeenten een voldoend aantal stieren te houden voor den veestapel in de gemeente, tenzij door particulieren voldoende in de behoefte wordt voorzien, terwijl ook meerdere gemeenten of deelen van gemeenten zich vereenigen kunnen, zoo plaatselijke omstandigheden dit wen-schelijk maken. De gemeenten kunnen zich op twee manieren van hare taak kwijten, iste door zelf voor eigen rekening stieren te koopen en te houden, 2lt;U; door het sluiten van een contract met een stie-renboer, die dan de verplichtingen der gemeente op zich neemt. Zulk een contract moet minstens voor zes jaren gesloten worden ; slechts bij uitzondering kan het voor korteren tijd. In dit geval heeft het Oberamt, op voordracht der keurcommissie, het recht het contract ongeldig te verklaren. Als tegemoetkoming in de kosten, veroorzaakt door het houden van stieren, kan de gemeente dekgelden heffen. Het bedrag moet door het Oberamt goedgekeurd worden.
Terwijl in Wurtemberg de gemeenten eerst subsidiair verplicht zijn stieren te houden, wanneer niet door particulieren in de behoefte wordt voorzien, legt de Badensche wet aan de gemeenten de verplichting op in elk geval stieren te houden. Deze moeten het eigendom der gemeente blijven, zoolang zij voor de fokkerij gebruikt worden. Slechts in zeer enkele gevallen kan dispensatie dezer verplichting gegeven worden.
De Beijersche wet kiest een middelweg tusschen
42
lt;le strenge voorschriften in Baden en de milde in Wurtemberg. De gemeenten worden wel verplicht in elk geval voor een voldoend aantal stieren te zorgen, doch behoeven deze niet zelt te houden, zoo zij de veehouders tot een stierenassociatie kunnen vereenigen. Het gemeentebestuur moet dan toezicht houden over deze vereenigingen en er voor waken dat deze voldoende in de behoefte voorzien.
In de drie landen mogen slechts die dieren ter dekking staan, welke voorzien zijn van een bewijs van goedkeuring. Dit bewijs wordt afgegeven door eene keuringscommissie, die voor drie jaar wordt benoemd door den minister van Binnenlandsche zaken voor elk district, waarin het land verdeeld is.
Deze commissie is bevoegd, zoo een stier tusschen-tijds mocht blijken ongeschikt te zijn geworden, het bewijs in te trekken. In Beijeren en Wurtemberg kan de eigenaar, die meent dat zijn stier ten onrechte is afgekeurd in beroep gaan bij eene hoogere commissie, die voor het geheele land eveneens voor drie jaren benoemd wordt. In Baden kent men deze tweede instantie niet. Over het nut van zulk een hooger beroep wordt verschillend geoordeeld. Voorstanders vinden het billijk omdat daardoor de eigenaar van den stier niet geheel afhankelijk is van de subjectieve meening eener keuringscommissie die ook niet onfeilbaar is. De tegenstanders daarentegen zeggen dat daardoor inbreuk gemaakt wordt op de autoriteit der keuringscommissie, die hierdoor zeer in aanzien zal verminderen, terwijl de hoogere commissie geene meerdere waarborgen van kennis en onpartijdigheid aanbiedt dan de eerste.
Naar mijne meening is dit laatste zeer juist op eene tentoonstelling of een wedstrijd voor premiën.
43
waar een fout slechts gemis aan voordeel oplevert, doch in dit geval, waar de wet door keurdwang in te voeren diep ingrijpt in het eigendomsrecht van den privaat persoon, kunnen geene voorzorgen ge-noeg genomen worden om dezen last zoo billijk mogelijk te doen drukken.
Ook is het nuttig eene centrale commissie te hebben om eenheid in de beoordeeling te krijgen. Deze moet de plaats innemen, die een hof van cassatie bij de rechtspraak heeft.
Naast deze wetten, waardoor slechte mannelijke fokdieren van de voortteeling uitgesloten worden hebben de Zuid-Duitsche staten door het van staatswege invoeren van wedstrijden voor premiën krachtig aan de verbetering van het rundveeras meegewerkt. Terwijl vroeger reeds tentoonstellingen en wedstrijden door bizondere vereenigingen werden uitgeschreven en dikwijls door den staat gesubsidieerd, misten deze hun doel daar zij door ondoelmatige inrichting weinig of geene verbetering in de veefokkerij brachten en meer en meer in volksfeesten ontaardden.
Om de wedstrijden meer aan hun doel te doen beantwoorden hebben de verschillende regeeringen der Zuid-Duitsche Staten niet alleen ruimschoots middelen uit de schatkist toegekend, maar tevens doelmatige bepalingen vastgesteld, waardoor de premiekeuringen van staatswege gehouden, thans een zeer krachtig middel zijn geworden tot verbetering-der runderteelt. De wedstrijden, die in verband gebracht zijn met de wetten op het houden en keuren van stieren, hebben de beste resultaten opgeleverd.
De Badensche verordening, die deze premiekeuringen regelt, kwam tot stand in 1884 en werd vastgesteld nadat het advies der Badensche land-
44
bouwvereeniging ingewonnen was. Het doel der wedstrijden voor premiën is volgens deze verordening de qualiteit der mannelijke en der vrouwelijke fok-dieren te verbeteren. Boven alles moet op de raszuiverheid der dieren gelet worden. Zij moeten be-hooren tot het meest voorkomende slag in een district. Naast raszuiver bloed moet bij het toekennen van een prijs gelet worden op den lichaamsbouw en de ontwikkeling der dieren en op de teekenen, die deze als goede melkdieren en als geschikt voor het vetweiden doen kennen. Vereischten, die in dit opzicht gesteld worden van de te bekronen dieren, zijn officieel bepaald. Stieren van ii/2—jaar komen het eerst in aanmerking voor een prijs, oudere dieren worden meestal uitgesloten. De prijzen voor een stier bedragen 75, 100 en 150 mark. Wanneer gemeentestieren met particuliere concurreeren en zij dezelfde aanspraken hebben, dan genieten de gemeentestieren de voorkeur. De eigenaar van een bekroond dier moet zich schriftelijk verbinden den stier tot zijn jaar ten bate der fokkerij aan te wenden, tenzij de stier daartoe niet meer geschikt wordt bevonden volgens eene verklaring, door den districtsveearts afgelegd.
Voor vrouwelijke fokdieren, die een of tweemaal gekalfd hebben en nog geen vijf jaren oud zijn, worden premiën gegeven van 50, 100 en 150 mark, waarbij diegene, die pas weder melk geven of in het laatste stadium der zwangerschap zijn, de voorkeur genieten. De eigenaar der bekroonde koe moet zich verbinden met deze nog twee jaar te fokken en ze op aanvrage van het bestuur der landbouw-vereeniging of van den districtsveearts te vertoonen.
Wanneer het bekroonde dier binnen den vastge-
45
stelden termijn verkocht of geslacht wordt is de eigenaar verplicht de premie terug te geven tenzij het dier aan een anderen binnenlandschen fokker verkocht wordt, die de verplichtingen van zijn voorganger overneemt. Als regel zal elk dier slechts eens bekroond kunnen worden, wel kan de premie verhoogd worden. Ook zal de keuringscommissie er op moeten letten, dat dezelfde eigenaar op eenen wedstrijd niet te veel prijzen krijgt.
Wanneer ééne gemeente of één eigenaar meerdere zeer schoone exemplaren ter keuring brengt, dan krijgt één zijner dieren den hoogsten prijs, de andere een getuigschrift, dat zij bekronings-waardig zijn. Op dezen regel kan eene uitzondering gemaakt worden, wanneer de dieren, door andere gemeenten of particulieren aangevoerd, van veel geringere kwaliteit zijn.
Dieren, die uitsluitend voor de melk worden gehouden en waarvan men de kalveren nuchter verkoopt, en runderen, die gehouden worden om vetgemest aan den slager te worden verkocht, zijn van de mededinging uitgesloten evenals ook de dieren van den veehandelaar.
De keuringscommissiën bestaan uit twee vakman-men met den districts-veearts. Van eiken wedstrijd moet een proces verbaal worden opgemaakt, het geslacht en de uiterlijke kenteekenen der dieren en den naam en de woonplaats des eigenaars bevattende. De twee hoofdbeginselen in dit reglement vervat zijn dus beperking van het gebruiksrecht van den eigenaar van een bekroond dier en uitsluiting van den veehandelaar. Het doel van het reglement is om aan den fokker die de moeite en de risico heeft gehad van het opbrengen der jonge dieren,
46
eene subsidie te geven, doch niet om hem die mooie dieren bezit, daarvoor eene belooning te geven, zoo het dezen slechts te doen is om ze te verkoopen, zonder dat zij eerst de fokkerij in het binnenland ten goede zijn gekomen. De staatssubsidiën moeten niet dienen om de handelswaarde van het bekroonde dier te vergrooten, maar om de productieve waarde zijner nakomelingen te vermeerderen.
In Wurtemberg zijn de rundveekeuringen van staatswege gehouden, in 1885 ingevoerd. In 1891 zijn de bepalingen hernieuwd, toen ook de districts premiekeuringen zijn ingevoerd. Tot deze wedstrijden worden slechts toegelaten runderen die tot een der landrassen behooren en waarvan in het district vele exemplaren gevonden worden. Bij ministerieel besluit worden, na het hooren van delandbouwvereeniging in het district, de rassen en slagen bepaald, die in elk district kunnen mededingen. De leden der jury worden door den minister van Landbouw benoemd, met een ambtenaar van het ministerie tot voorzitter. De leden worden benoemd uit eene voordracht van drie personen voor elke plaats opgemaakt door het »Gaü-verhandquot;. Bij de beoordeeling wordt in de eerste plaats op de fokwaarde der dieren gelet, doch ook wordt er rekening gehouden met de wijze, waarop de dieren verpleegd worden. Slechts voor die stieren worden prijzen gegeven, waarvan men verwachten kan dat ze goede resultaten zullen geven voor de fokkerij in het district, waarbinnen de keuring wordt gehouden. De prijzen bedragen in den regel 80—140 mark voor stieren en 60—120 mark voor koeien in vier termijnen uit te betalen. Door het ministerie van Landbouw wordt jaarlijks het bedrag vastgesteld, dat voor prijzen in ieder district bestemd
47
is ; hierbij wordt rekening gehouden met het aantal stieren in het district. Bij de bekroonde dieren wordt op de horens de hoegrootheid van den prijs gebrand. De voorwaarde waaraan de eigenaar van een prijswinner zich moet onderwerpen en de regels omtrent de uitsluiting van sommige categoriën zijn eensluidend met die der Badensche verordening, alleen met dit onderscheid dat hij, die in strijd daarmee handelt in Wurtemberg niet alleen den prijs moet teruggeven, maar tevens cene boete betalen gelijk aan den prijs.
Behalve deze districtswedstrijden voor premiën heeft men in Wurtemberg nog telken jare eene nationale vee-tentoonstelling waar dieren uit alle deelen des lands kunnen ingezonden worden cn waar goede prijzen worden uitgeloofd. Ook hier gelden dezelfde beginselen omtrent keuring en uitsluiting. Navolgens-waard is het systeem hier aangenomen om slechts dieren van hetzelfde ras en van hetzelfde slag met elkander tc laten concurreeren. Terwijl alle rassen en slagen in Wurtemburg voorkomende daar natuurlijk worden toegelaten, worden deze in zoovele afdeelingen gesplitst als er slagen vertegenwoordigd worden. Hierdoor wordt vermeden, wat men bij ons nog bij vele landbouwtentoonstellingen ziet, dat de jurv een uitspraak moet doen tusschen dieren, die dikwijls elk in hunne soort goede kwaliteiten kunnen bezitten, doch die moeilijk te vergelijken zijn. De keuze hierbij wordt dan eene kwestie van smaak.
Bij deze tentoonstellingen vindt men ook eene afdeeling voor toktamiliën. Deze worden hier in twee soorten onderscheiden :
i. Familiën die aan een particulier toebehooren en die bestaan uit één stier en minstens 5 en
48
hoogstens 7 vrouwelijke dieren, waaronder tenminste 3 koeien, die in den stal van den inzender geboren en aan elkander verwant zijn.
2. Familiën toebehoorende aan eene vereeniging en die uit twee stieren bestaan, waarvan de één ingevoerd mag zijn, en minstens 10 hoogstens 14 vrouwelijke dieren, waaronder minstens 6 koeien. Deze dieren moeten bij een der leden van de vereeniging geboren en in het stamboek der associatie opgenomen zijn.
In Beijercn wordt aan de landbouwtentoonstelling, die telken jare in een der Regeeringsbezirke (provinciën) gehouden wordt van staatswege een wedstrijd met premiën verbonden. Voor een prijs komen slechts die dieren in aanmerking die in den Kreis gefokt zijn en die tot een der landrassen behooren. Te Munchen heeft er jaarlijks een groote wedstrijd met premiën plaats, waar dieren uit het geheele land met elkander concurreeren kunnen. Deze wordt gehouden bij gelegenheid van het centrale landbouw-feest. Ook hebben er op vaste tijden Bezirkspremie-keuringen plaats voor kleineren kring en met bescheiden prijzen.
Op de Kreiswedstrijdcn en te Munchen bedragen de prijzen voor stieren, koeien en kalveren van 50 tot 1 50 Mark.
Het derde middel, waardoor de rundveefokkerij zich in de Zuid-Duitsche Staten in de laatste jaren zoo krachtig heeft ontwikkeld, is geweest de coöperatie. Vereenigingen n.1. zijn opgericht, welke zich het gemeenschappelijk fokken ten doel stellen^ en daarvan stamregisters houden. Deze vereenigingen hebben haar ontstaan te danken aan particulier initiatief. Geldgebrek was echter dik-
49
wijls de oorzaak dat deze vereenigingen weder ontbonden werden ; om deze nuttige samenwerking te
\' O o
doen stand houden hebben in Beyeren sedert 1875 de Kreis- en Bezirkbesturen aan deze vereenigingen subsidiën gegeven, voornamelijk ter bestrijding der oprichtingskosten. In Wurtemberg en Baden is sedert 1880 dit voorbeeld gevolgd. In Beyeren zijn in de verschillende Regeerings-bezirken van overheidswege schema\'s gemaakt van statuten voor deze vereenigingen, om hare oprichting gemakkelijk te maken. Over de resultaten die door deze cooperation zijn verkregen, is men bizonder tevreden. Zij komen dan ook tegemoet aan de twee groote bezwaren waarmee de veefokkerij te kampen heeft in streken, waar geen groote eigenaren van uitgestrekte veestapels te vinden zijn, n. 1, de afhankelijkheid van anderen in de keuze der stieren en vaak te geringe
O O
ontwikkeling om rationeele fokkerij te kunnen drijven. Het bestuur, dat de leiding dan in handen heeft zal immers meestal uit de meest ontwikkelden bestaan. Het bestuur, dat ook belast is met het houden dei-stamregisters, zal de leden bovendien kunnen voorlichten en helpen. Daar de vereeniging zich ten doel stelt slechts vee van een bizonder slag te fokken, zijn de stieren der vereeniging ook altijd geschikt voor den veestapel der leden.
Uit de korte schets hier gegeven van de staatsbemoeiingen ten aanzien der veefokkerij in de Zuid-Duitsche staten blijkt, dat de zorg voor den veestapel bij de regeeringen dezer landen een punt van ernstige overwegingen is geweest.
O 00 O
Daar de uitkomsten de verwachtingen volstrekt niet hebben teleurgesteld, blijkt dat de middelen hier aangewend doeltreffend mogen heeten.
HOOFDSTUK III.
DE BEMOEIINGEN DER NEDERLANDSCHE OVERHEID IN ZAKE DE VEEFOKKERIJ (i)
Terwijl de paardenfokkerij in vroegere eeuwen reeds meermalen de aandacht trok van de staten der verschillende provinciën, die door reglementen (2) rasverbetering zochten te bewerken, zoo bleef het steeds aan het particulier initiatief overgelaten, de veefokkerij te doen bloeien en haar zoo winstgevend mogelijk te maken.
De maatschappelijke omstandigheden op het platte land hebben daartoe medegewerkt. Was in de ons omringende landen en ook in \'t Oosten van ons
O
land tot de Fransche revolutie de hoorigheid met daaraan verbonden afhankelijkheid van den landbouwenden stand blijven bestaan, in het grooter deel van ons land had zich een krachtige boerenstand ontwikkeld, waardoor landbouw en veelteelt tot een, voor dien tijd, hoogen trap van bloei waren gekomen en de Hollandsche zuivelbereiding de bewondering van den vreemdeling opwekte. De behoefte naar verbetering van den veestapel door bemoeiingen der overheid deed zich daardoor niet gevoelen.
Tot deze eeuw vindt men ook slechts ééne keur op het houden van springstieren in 1787 voor den Deemster gegeven.
1) F. B. Löhnis, Landbouw en Regeering, Wolters Groningen 1895.
2) Zie Dissertatie Mr. Hartog. De paardenfokkerij als tak van Staatszorg, Utrecht 1893.
5i
De school der Physiocraten. die op het einde der vorige en het begin dezer eeuw vele aanhangers telde en het oog der regeeringen op de beteekenis van den landbouw vestigde, zoowel als de verbeterde omstandigheden van den boerenstand maakten dat bij onze naburen gedurende deze eeuw de veeteelt met vaste schreden vooruitging. Bij ons bleef men op zijn ouden roem voortleven en deed de overheid weinig of niets om te maken dat het Neder-landsch vee de eerste plaats op de wereldmarkt bleef behouden.
Meer dan ooit evenwel doet zich in de latere jaren dezer eeuw de behoefte aan vooruitgang kennen, nu de concurrentie dagelijks grooter wordt sedert alle deelen van de wereld te^en creringe kosten hare producten naar de voordeeligste markt vervoeren kunnen.
Hoewel de goede exemplaren van ons vee thans nog zeer gezocht zijn en goed betaald worden, vinden zij in andere landen concurrenten waar zij moeilijk tegen wedijveren kunnen. De beste fok-dieren zijn jarenlang uit Nederland uitgevoerd tot rasverbetering in den vreemde, terwijl er niet voor gewaakt is dat er voldoende uitmuntende exemplaren overbleven voor de binnenlandsche fokkerij. Wel heeft de regeering van koning Lodewijk de hoop opgewekt dat de veeteelt een tak van staatszorg zou worden.
De heer J. Kops n.1. in 1805 door den Raadpensionaris Schimmelpenninck tot „Commissaris tot de zaken van den landbouw der Bataafsche Republiekquot; aangesteld en door den Koning in deze be-trekkiny gehandhaafd, heeft het advies ingewonnen
52
der provinciale commissiën (i) van den landbouw over de vraag of het haar wenschelijk voorkwam in haar departement een reglement op de keur van stieren in te voeren gelijk in den Beemster bestond.
De meeste adviezen luidden zeer gunstig hierom trent. Kops heeft toen hiervan een rapport gemaakt en gezonden aan dien minister van Binnenlandsche Zaken.
De wet op de keur van stieren in het Koninkrijk Holland van 12 Dec. 1809 was hiervan het gevolg. (2)
Deze wet schreef aan de Departementen voor reglementen te maken omtrent het keuren van spring-stieren volgens de algemeene regels door deze wet
00 O
te stellen. De dikwijls van elkander verschillende plaatselijke behoeften deden in dien tijd van strenge centralisatie toch het nut inzien om de uitvoering van zulk een wet aan de plaatselijke autoriteiten over te laten, zonder deze vrij te laten de hoofdbeginselen naar eigen inzicht te regelen.
Tengevolge der politieke gebeurtenissen, die den val van het Koninkrijk Holland en onze inlijving bij het Fransche Keizerrijk medebrachten, is deze wet nooit kunnen toegepast worden.
Tot heden is deze onuitgevoerde wet de eenige,
1) Deze Commissiën zijn ingesteld bij het staatsbesluit van 9 September 1S05 en waren een gevolg van de behoefte aan staatszorg voor den landbouw, welke zich aan het begin dezer eeuw deed gevoelen, doordat onze zeehandel door den oorlog met Engeland en de onzekere politieke gebeurtenissen was tc gronde gegaan en men toen wel genoopt was meer zorg te wijden aan de rijkdommen op eigen bodem.
Haar taak was volgens art. 7. harer instructie het onderzoeken en opsporen van den tegenwoordigen staat van den landbouw en van alles wat tot volkomen kennis en statistiek van den landbouw van haar departement behoort. In een rapport aan den Secretaris van Staat voornoemd, zouden zij hiervan doen blijken.
Voorts waren zij een adviseerend lichaam voor de regeering, en konden ook zelf aan de regeering voorstellen indienen tot verbetering van landbouwaange-legenheden,
2) Zie bijlage 11.
53
ernstige proeve geweest van \'s lands regeering om de veefokkerij zoo produktief mogelijk te maken.
De Grondwetten van 1814 en 1815 droegen aan de Prov. Staten de zorg op van datgene wat tot de inwendige politie en oeconomie behoort. De zorg voor landbouwaangelegenheden was hieronder begrepen.
Hoewel sedert 184S de Grondwet de taak der Prov. Staten geheel anders omschrijft (art. 134) zoo worden er nu nog velen gevonden die de zorg voor landbouw en veeteelt gewestelijke belangen noemen, waarmee de staat zich zoo min mogelijk moet inlaten.
De vrees om inbreuk te maken op de Prov. autonomie is dikwijls zoo groot dat elke centrale regeling van aangelegenheden, die ook op den weg der onderdeden van den Staat liggen, ter wille van het beginsel reeds verwerpelijk gevonden wordt.
Het zou te ver voeren een historisch overzicht te geven van alles wat door de verschillende provinciën sedert 1815 in het belang der veefokkerij is gedaan.
Het is mijn voornemen derhalve, alleen na te gaan hoe de toestand thans (1896) staat, om te zien of met aansluiting aan het tegenwoordige, eene betere regeling voor de toekomst te verkrijgen is.
De Prov. Noord-Brabant en Limburg kennen een reglement op het houden van springstieren. (Besluit der Staten van Noord-Brabant van 10 Juli 1891 en Besluit der Staten van Limburg van 11 Nov. 1891).
Beide provinciën hebben het stelsel van verplichte stierenkeuring aangenomen en daaraan toegevoegd een wedstrijd met premiën. Voorts hebben beide haar grondgebied in districten verdeeld. In elk
O O
district hebben in enkele gemeenten de keuringen plaats. In elke keuringsplaats wordt eene premie
54
uitgeloofd, in Noord-Brabant van 105 gld., in Limburg wordt in elk district 250 gld. uitgeloofd en gelijkelijk verdeeld tusschen de afdeelingen van het district.
Bij de indeeling in districten en keuringsplaatsen is rekening gehouden met het aantal koeien en met de grondgesteldheid. In Noord-Brabant kent men behalve goedgekeurde stieren ook nog toegelaten stieren. De Staten hebben tot dezen maatregel moeten overgaan daar door de invoering der verplichte stierenkeuring in 1888 het aantal goedgekeurde stieren te gering werd, een bewijs hoe treurig het met den veestapel stond en hoe noodig reglementeering was.
Op de provinciale begrooting van Noord-Brabant van 1897 is eene som van 13000 gld. uitgetrokken als bijdrage ter bevordering van de belangen van den veestapel, in het algemeen, daarvan zijn 2940 gld. bestemd tot uitkeering van premiën voor goede fokstieren.
Op de begrooting van Limburg is eene som van 3875 gld. uitgetrokken als bijdrage ter bevordering der belangen van landbouw en veeteelt.
De Provinciale Staten van Gelderland hebben in de laatste jaren zeer er naar gestreefd van overheidswege de veefokkerij te steunen. Bij besluit van 8 Nov. 1894 benoemden zij eene commissie betrekkelijk stierenkeuring. Deze commissie, die haar taak op bizondere omvangrijke en degelijke wijze heeft opgevat bood in een rapport aan de Staten het resultaat harer overweging aan.
De commissie had niet tot volkomen eensgezindheid kunnen komen, zoodat door de minderheid zoowel als door de meerderheid een voorstel werd
55
gedaan. De minderheid wenschte een reglement op het houden en weiden van stieren met gedwongen keuring in te voeren, de meerderheid een subsidiestelsel te zien aannemen, d.w.z. den rundveestapel te verbeteren door, volgens een vast systeem, gelden uit de Provinciale kas voor dit doel beschikbaar te stellen.
Het voorstel der meerderheid werd bij besluit der Staten van 11 Juli 1895 aangenomen. De Staten bepaalden tevens dat de provincie Gelderland voor verbetering van den rundveestapel zou worden verdeeld in 12 districten, in voege als door de Staten-commissie in bijlage 111 van haar rapport is aangewezen. Wijziging van de indeeling der gemeenten in de districten kan door Ged. Staten geschieden. Bij die wijziging wordt zooveel mogelijk rekening gehouden met het aantal runderen en
lt;_gt; o
met den aard van het landbouw bedrijf.
Uit elk dier districten wordt door Ged. Staten een in zake de rundveefokkerij deskundige benoemd, welke deskundige met een insgelijks door Ged. Staten te benoemen voorzitter te samen uitmaken eene prov. commissie tot verbetering van het rundveeras in Gelderland. Aan die commissie wordt alles opgedragen wat in deze aangelegenheid tot de provinciale bemoeiing behoort. De commissie benoemt uit haar midden een secretaris-penningmeester voor wien uit de provinciale fondsen eene tegemoetkoming van 250 gld. \'s jaars wordt beschikbaar gesteld.
Deze commissie stelt een werkplan vast onder goedkeuring van Ged. Staten en geniet schadeloosstelling voor reis, verblijf- en administratiekosten.
Aan de Commissie wordt uit de provinciale fondsen een crediet toegestaan van twaalfduizend gulden
56
per jaar gedurende de jaren 1896, 1S97, 1S9S. Uit deze gelden zal zij enkel de door haar toe te kennen premiën voor mannelijke fokdieren mogen betalen tot een bedrag van jaarlijks hoogstens duizend gulden voor ieder district.
Aan de commissie wordt geheele vrijheid van handelen gegeven in de vervulling harer taak : «het bevorderen van de verbetering van het Rundvee in Gelderland.
In de provincie Groningen is op voorstel van Ged. St. door de Prov. Staten over 1895 een subsidie verleend van 500 Gld. aan de afdeeling Groningen van het Ned. Rundveestamboek onder voorwaarde dat de bekroonde stieren twee dektijden in de Provincie blijven en dat de bekroonde koeien de provincie niet mogen verlaten alvorens tweemaal gekalfd te hebben.
De Prov. Friesland geeft sedert 1896 eene subsidie van 1500 gld. aan het Friesche Rundveestamboek onder voorwaarde, dat de kosten van inschrijving tot 0.50 gld. zouden worden verlaagd. (1)
In Drente wordt eene provinciale subsidie van 1000 gld. gegeven aan de Drentsche Maatschappij van Landbouw. Dit bedrag is evenwel niet uitsluitend voor de veefokkerij bestemd.
In de prov. Overijsel is in 1889 door Prov. Staten besloten voor twee jaar eene som van 1500 gld. ter beschikking van Ged. St. te stellen voor betaling van premiën voor bekroond fokvee.
Ged. Staten hebben nu van die 1500 gld. 900 gld. beschikbaar gesteld voor de Geldersch-Overijselsche
1) In de najaarszitting ilt;S96 der Staten is besloten dat jaarlijks 4000 gld. op de provinciale begrooting zouden gebracht worden ter verbetering van den veestapel.
57
Maatschappij van Landbouw en 600 voor de Twent-sehc Landbouwmaatschappij, die de keuringen houden. Toen in 1891 andermaal de post op de begrooting moest gebracht worden hebben Prov. St. op voorstel van de Twentsche Landbouwmaatschappij besloten dat een deel ook bestemd zou worden ter subsi-diëering van houders van goedgekeurde stieren. De Twentsche Landbouwmaatschappij was op dien weg reeds voortgegaan en wenschte dit op uitgebreider schaal te kunnen doen.
Sedert dien komt jaarlijks deze post op de provinciale begrooting voor.
In de Prov. Zeeland wordt sedert 1895 jaarlijks eene subsidie van 1050 gld. gegeven aan de Zeeuw-schc afdeeling van het Ned. Rundveestamboek ten behoeve van prijzen voor stierenkeuringen en aan-houdingspremiën.
De Prov. Zuid-Holland heeft tot nu toe niets gedaan in het belang der veefokkerij. In de zomer-zitting der staten van 1S96 echter werd naar aanleiding van een advies van de afdeeling Zuid-Holland van het Ned.-Rundveestamboek op de provinciale begrooting voor 1897 een som van 8000 gld. gebracht ter bekroning van uitstekende stieren. Ged.-Staten dienden tevens een ontwerp besluit in, hetwelk door de Prov. Staten werd goedgekeurd.
O O
Aan Ged. Staten draagt dit reglement op eene commissie van uitvoering te benoemen en op voordracht eener jury.
De Provincie wordt verdeeld in 14 districten. Er wordt in elk district één premie a 150 gld. uitgeloofd en drie premiën a 100 gld. De bekroonde dieren moeten in het Ned.-Rundveestamboek opgenomen worden en tot 1 September volgende op den
58
dag der keuring in de provincie Zuid-Holland ter dekking staan tegen een dekgeld van hoogstens i gld.
De eigenaren worden van spronglijsten voorzien en krijgen na September de premie uitbetaald, mits die spronglijsten behoorlijk ingevuld aan den secretaris der commissie worden toegezonden.
In Noord-Holland is in de zomerzitting der Staten besloten, in strijd met het advies van Ged. Staten, aan de vereeniging tot Ontwikkeling van den landbouw in Hollands Noorderkwartier, aanvankelijk voor den tijd van drie jaar, te beginnen met 1896, uit de provinciale fondsen eene som van 2500 gld. \'sjaars te verleenen ter bevordering van den aanfok van vee in deze provincie, onder voorwaarde, dat het rijk ook jaarlijks eene subsidie verleene en onder verplichting :
n. Ieder jaar eene keuring van stieren te houden, waarbij stationeerings- en aanhoudingspremiën worden uitgeloofd en wel 10 premiën van /150 voor tweejarige of oudere stieren, 20 premiën van ƒ50 voor éénjarige stieren.
b. Dat de subsidiën en premiën worden toegekend aan de beste der mededingende, bekroningswaardige stieren.
c. Dat de premiën evenredig verdeeld worden over de verschillende deelen der provincie.
d. Dat het springgeld niet hooger mag gesteld worden dan /1.25 per koe.
c. Dat de, met eene premie bekroonde, stieren in een stamboek moeten ingeschreven worden.
f. Dat de keuringscommissie zal bestaan uit drie personen, telken jare op nieuw te benoemen en wel één door den Heer Commissaris der Koningin in Noord-Holland en twee door het bestuur der Vereeniging.
59
g. Dat de Yereeniging binnen 5 maanden na afloop van elk maatschappelijk jaar een verslag aan de Prov. Staten uitbrengt.
De vereeniging tot ontwikkeling van den landbouw in Holland\'s Noorderkwartier wendde zich daarop tot de regeering om een subsidie en mocht van den Minister van Waterstaat Handel en Nijverheid 500 gld. verkrijgen. Ged.-St. hebben hierop de provinciale subsidie uitgekeerd, na geaarzeld te hebben of de bedoeling van het besluit der Staten was geweest minstens een even hooge subsidie van het rijk te moeten erlangen, of dat deze voldoende was.
De Prov. Utrecht geeft sedert 1896 eene subsidie van 2000 gld. aan het Genootschap van Landbouw en Kruidkunde voor keuringen van mannelijke fok-dieren behalve hengsten. Het reglement der keuringen
lt; \' O lt;_5
moet door Ged.-St. worden goedgekeurd.
O O
* ❖
*
Yan gemeentewege wordt in ons land weinig voor de veefokkerij gedaan.
Het meest vindt dit plaats in de provincie Noord-Brabant waar 77 gemeenten op verschillende wijze werkzaam zijn in het belang der veefokkerij. In 16 gemeenten worden van gemeentewege spring-stieren gekocht, die in eenige plaatsen van wege het gemeentebestuur direct gestald en onderhouden worden, terwijl zij op andere plaatsen ter verzorging aan veehouders worden uitbesteed.
Bij verkoop moet de stierhouder meestal den inkoopsprijs aan de gemeente teruggegeven terwijl hij zelf de risico voor winst en verlies draagt. Het
6o
springgeld mag hij echter dan behouden. De gemeenten, die aldus handelen en voor goede verpleging zorgen, kunnen een grooten invloed op de richting der veefokkerij uitoefenen. Door de keuze der spring-stieren aan ervaren vakmannen over te laten zullen zij ook kunnen letten op de behoeften der streek en daar \'t best aan beantwoorden.
In andere gemeenten bepaalt het gemeentebestuur zich tot het betalen van subsidies aan houders van goedgekeurde stieren. Nog andere gemeenten geven premiën aan de beste.
In de gemeente Helvoirt ontvangen de stierhouders, wier stieren eene provinciale premie krijgen, een gelijk bedrag van de gemeente.
Bij elkaar geven de 77 gemeenten 4800 gld. uit in \'t belang der veefokkerij.
Verder loven in Gelderland, Limburg, Overijsel en Drente nog enkele gemeenten premiën voor stieren uit.
Locaal mogen die verschillende maatregelen een goeden invloed uitoefenen, zij zullen niet vermogen den veestapel in zijn geheel te verbeteren.
HOOFDSTUK IV.
MAATREGELEN DOOR DE NEDERLANDSCHE REOEERINO IN HET BELANG DER VEEFOKKERIJ TE NEMEN.
Hierboven is kortelijks uiteengezet welke de bemoeiingen deiquot; overheid ten aanzien der veefokkerij tot het jaar 1896 zijn geweest. Het blijkt dat in de laatste jaren de achteruitgang van den veestapel in klimmende mate de aandacht der verschillende gewestelijke besturen heeft gewekt, zoo zelfs dat thans door alle provinciën maatregelen worden genomen om dit euvel tegen te gaan.
Het doel waarnaar deze bestuursorganen streven is hetzelfde, de wijze waarop zij het trachten te bereiken is zeer verschillend en geeft geen blijk van eenheid van stelsel.
Noord-Holland, Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland (1) en Groningen meenen te kunnen volstaan met het geven van subsidiën aan particuliere vereenigingen die onder verschillende namen, de belangen van landbouw en veeteelt behartigen, het besteden van dit geld onder enkele voorwaarden aan deze vereenigingen overlatende.
Meer stelselmatig wordt gewerkt in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg en thans ook in Zuid-Holland, in welke provinciën het gewestelijk bestuur zelf de zaak in handen nam en zichzelf met de uitvoering zijner besluiten belastte.
1) Zie noot op bladz. 56.
02
Hoewel niemand ontkennen zal dat sommige streken van ons land zich beter voor de veeteelt eigenen dan andere, zoo moet toch tegenwoordig in alle deelen van het land de landbouwer, nu de lage graanprijzen de akkerbouw niet meer winstgevend maken, zijn winst zoeken in zijn stal.
Wanneer de overheid het zich eenmaal tot plicht rekent, dit onderdeel van het landbouwbedrijf voor achteruitgang te behoeden en zoo mogelijk productiever te maken, dan is \'t ook wenschelijk dat in alle deelen van het land gelijke voorschriften gelden en op dezelfde wijze voor de uitvoering worde gewaakt, terwijl de hnancieele steun door den Staat verleend, den geheelen Nederlandschen veestapel op gelijke wijze ten goede moet komen. Deze gelijkvormigheid is niet anders te verkrijgen dan door maatregelen uitgaande van het centrale gezag. De Regeering moet deze taak op zich nemen.
Naar mijne bescheiden meening zal zij dit niet beter kunnen doen dan door het indienen van een wetsvoorstel, dat zoowel de voorschriften bevat, die zij meent dat in \'t belang der veefokkerij moeten genomen worden, als de hoofdbeginselen volgens welke financieele steun door den Staat zal worden verstrekt. Immers alleen door verband tusschen een en ander te brenyen kan men rekenen yoede resul-
o o
taten te verkrijgen.
Want wilde de regeering zich beperken tot het uitvaardigen van een reglement waarbij zij alle voor de fokkerij bestemde dieren aan keuring onderwerpt en verbodsbepalingen geeft om de afgekeurde dieren verder voor dit doel te gebruiken, dan zou dit platonisch bewijs van belangstelling wellicht vele slechte exemplaren doen vervallen, dan zou niet ver-
63
mogen den veestapel te verbeteren, zonder eerst
aan de boeren groote schade te veroorzaken. De «_)
hoegrootheid van den veestapel zou er gedurende vele jaren onder lijden en de waarden der afgekeurde dieren zou sterk verminderen, zonder dat de waarde vermeerdering der goedgekeurde exemplaren een voldoend equivalent zou vormen. Aangezien men nu eene wet wil maken in \'t belang van den landbouwer en niet uit een sanitair of ander oogpunt van algemeen belang, zou deze wijze van helpen niet juist gekozen zijn.
Het zou ook een sterk ingrijpen van den staat in het particulier bedrijf zijn, dat niet voldoende gewettigd was.
Evenmin zou het van nut zijn voor den veestapel in \'t algemeen als de Staat, evenals nu door vele provinciën gedaan wordt, zich beperkte tot het geven van subsidiën aan de verschillende landbouw maatschappijen en bizondere vereenigingen, terwijl deze zich dan belasten om deels ook uit eigen middelen premiën uit te loven voor de beste dieren welke aan de jury voorgebracht worden.
Deze wijze van steunen is kostbaar zonder dat de resultaten die verkregen worden in verhouding staan tot de uitgaven.
Het afhankelijk stellen van de subsidie aan zekere voorwaarden, als goedkeuring van het reglement door de regeering, zou ten goede kunnen werken, doch eenheid van streven, arbeiden in dezelfde richting zal men nooit verkrijgen zoolang de overheid zich in haar bemoeiingen in het belang der veeteelt afhankelijk stelt van bizondere vereenigingen, die in hoofdzaak allen wel hetzelfde beoogen, n. 1. de belangen van landbouw en veeteelt te behartigen, doch
64
wier besturen wisselen en met de personen ook tevens de inzichten. Daarenboven is het bestuurslidmaatschap eene eerebetrekking, die onbezoldigd is, waardoor het moeilijk is overal mannen te vinden, die van de verschillende onderdeelen van het landbouwbedrijf voldoende studie hebben gemaakt en die tijd en lust hebben deze betrekking niet als bijzaak te beschouwen. Bovendien zullen bij deze vereenigingen de locale belangen inzonderheid op den voorgrond treden en minder rekening gehouden worden met het algemeen belang.
Zoolang de overheid zich onthield en aan het particulier initiatief overliet de noodige verbeteringen in den landbouw aan te brengen hebben de verschillende 1 andbouwmaatschappijen en stamboek-vereenigingen zeer nuttig gewerkt in het belang dei-veeteelt, doch zij zijn niet de geschikte lichamen om als vertegenwoordigers van rijks- of provinciaal bestuur op te treden.
Het is natuurlijk dat die provinciën, die tot heden slechts kleine sommen beschikbaar stelden, zich met deze vereenimnffen die troed ingericht en in
O O O O
afdeelingen verdeeld zijn, verstonden om daardoor de groote kosten van eigen commissiën te ontgaan. Waar echter zooals in Gelderland de veefokkerij werkelijk een tak van staatszorg is geworden, waar men met
O O J
ernst en klem getracht heeft zoo goed mogelijk werkzaam te zijn, daar zien wij ook dat de Provincie in overeenstemming trouwens met de Geldersch-Qverijselsche Landbouwmaatschappij een eigen commissie heeft aangesteld. Dat de kosten, door deze commissie gemaakt, niet gering zijn, toont ons aan dat op de Prov. begrooting Jf eene som van 3000 gld. was uitgetrokken, welke, naar ik van
65
goede bron vernam, niet voldoende schijnt te zijn.
De oeconomische belangen der ingezetenen voor te staan ligt voorzeker in de eerste plaats op den weg van provinciale en gemeentelijke besturen, aan wie de Grondwet de zorg voor provinciaal en gemeentehuishouden opdraagt, dus ook om de productieve kracht van elk deel van het huishoudelijk vermogen te vermeerderen.
Wat de veefokkerij betreft hebben, zooals boven is uiteengezet, alle provinciën en sommige gemeenten dit sedeii: korteren of langeren tijd ingezien. Naar het oordeel van velen is \'t wenschelijk op deze historische ontwikkeling voort te bouwen, door rijkssubsidiën ten bate der veefokkerij aan provinciën en gemeenten te geven, het aan hare besturen overlatende de noodige voorschriften te geven over de wijze waarop het geld besteed moet worden.
De zoo gewenschte uniformiteit zou op deze wijze echter ook niet verkregen worden.
Waar de Staat nu geldelijke offers wil brengen in \'t belang van de veefokkerij, daar zullen dus tevens door het centraal gezag wettelijke bepalingen moeten gemaakt worden om het stelsel aan te wijzen, waardoor men tot verbetering wil komen.
De stabiliteit van eene wet, doet aan deze de voorkeur geven boven regeling bij algemeenen maatregel van Bestuur en stabiliteit is hier hoogst noodig. Verbetering van het rundveeras is niet in één jaar te verkrijgen. Men moet volgens een vast plan gedurende eene lange reeks van jaren werken, voordat men de resultaten kan nagaan, en aangezien nu altijd de meeningen wel zullen verschillen hoe te werk gegaan moet worden, geeft eene wet de
66
meeste waarborgen tegen de verschillende inzichten van wisselende ministers.
Is eenerzijds ter verkrijging van eenheid regeling bij de wet noodig, anderzijds is het niet minder gewenscht dat de uitvoering worde overgelaten aan de Provinciale besturen. Bij de uitvoering toch zal wel degelijk op locale toestanden moeten gelet worden, waarvan deze besturen veel beter op de hoogte kunnen zijn dan de hooge Regeering. Zoo de uitvoering bij het Provinciaal bestuur berust, zal dit tevens voor de provinciën een stimulans zijn hare bemoeiingen in overeenstemming te brengen met die van het rijk, en hoe krachtiger door alle bestuursorganen samen gewerkt wordt des te beter resultaten kan men verwachten.
De hoofddenkbeelden, die, naar ik mij voorstel, zulk eene wet moet bevatten, zijn :
1. De regeling van verplichte stierenkeuringen.
2. De regeling der beginselen, waarop van staatswege financiëele steun zal gegeven worden, en wel:
a. ten behoeve van premiën voor mannelijke fok-dieren.
h. ten behoeve van premiën voor fokfamiliën.
c. ter subsidieering van stamboekvereenigingen.
d. ter subsidieering van goedgeorganiseerde landbouwtentoonstellingen.
I. VERPLICHTE STIERENKEURINGEN.
Over de noodzakelijkheid en de wenschelijkheid van het invoeren van verplichte stierenkeuring zijn diegenen, die bevoegd zijn daarover een oordeel te
6/
vellen, het zeer oneens. Ten duidelijkste blijkt dit uit het rapport van de, bij besluit der Staten van Gelderland, benoemde commissie betrekkelijk stierenkeuring. Door deze commissie toch, zijn de adviezen ingewonnen van vele deskundigen op dit gebied, wier antwoorden verre van eensluidend waren. Bij de publieke beraadslagingen gehouden over dit onderwerp in de zomerzitting der Staten in 1895, staafden ook zoowel voor- als tegenstanders hunne argumenten met de verklaringen van veeartsen en andere autoriteiten.
Alvorens over de wenschelijkheid en het nut van de invoering van verplichte stierenkeuringen te de-batteeren willen tegenstanders dikwijls nog strijden over de vraag in hoever de Overheid, hetzij de centrale, hetzij de provinciale of gemeentelijke de vrijheid der boeren in de volledige beschikking over hun eigendommen mag beperken, wanneer het geene voorschriften geldt in het belang der openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid genomen, maar wanneer men een bepaald bedrijf van materieelen aard wenscht te reglementeeren, waarmede de belanghebbenden lang niet allen mede ingenomen zijn.
Aan de bevoegdheid der overheid in deze zal waarschijnlijk door weinigen getwijfeld worden, doch meer aan de wenschelijkheid van staatsinmenging, afgescheiden nog van de vruchten, die men daarvan verwacht. Het beantwoorden dezer vraag is zeer moeilijk en ligt geheel op het gebied van den oeco-noom. Naar mijn bescheiden oordeel moet de Overheid in deze niet te angstvallig zijn, wanneer zij overtuigd is door haar ingrijpen te werken in het belang van hen, wier eigendomsrecht beperkt wordt. Zij moet zich niet laten afleiden door het misnoegen van
68
velen, die vaak door te geringe ontwikkeling zich geen voldoend begrip van de zaak kunnen maken of wier bizonder belang in strijd is met het algemeen belang. Deze kunnen niet anders dan door dwang
O O
er toe gebracht worden de welvaart van velen en daardoor het voordeel van den Staat te helpen bevorderen.
Met omzichtigheid zal de Overheid evenwel te werk moeten gaan om geene weerspannigheid uit te lokken, waardoor de voordeden, die beoogd worden, zouden verloren gaan. Ook moet er op gelet worden dat het toezicht, door den Staat uitgeoefend, op het bizonder bedrijf niet in een staatsvoogdij verandert, die niet anders dan verlammend zou werken op het particulier initiatief.
Van meer belang dan deze theoretische overdenkingen is de vraag of verplichte stierenkeuringen een noodzakelijke grondslag is van staatsbemoeiing betrekkelijk veefokkerij en of ze werkelijk geacht wordt in het belang te zijn van den veefokker.
Naar mijne meening moet deze vraag beslist bevestigend beantwoord worden. Zoolang geen dwang
O O O O
wordt uitgeoefend om de slechte stieren van de fokkerij uit te sluiten zullen deze deels uit onkunde, deels uit gemakzucht en zuinigheid altijd blijven gebruikt worden, al weten de fokkers dat er elders betere te vinden zijn. Onkunde speelt hier een groote rol. De kleine boeren toch, in wier belang het reglementeeren der stieren het meest wordt gevraagd, staan veelal nog op zeer lagen trap van ontwikkeling en willen niet inzien, dat waar bij het fokken onzer huisdieren, die uit hun natuurstaat weggerukt zijn, door den mensch datgene moet gedaan worden, waarvoor anders de natuur zelve zorg draagt, dit
69
eene groote mate van kennis vereischt die bij velen nog ontbreekt. Hierop attent gemaakt zullen zij zich beroepen op hunne ondervinding en met wantrouwen hem aanzien die met theoriën bij hen komt. De ondervinding is voorzeker de beste leermeesteres, doch deze moet niet beperkt zijn geweest tot een kleinen kring, waarbuiten zij, die er zich zoo gaarne op beroepen, veelal weinig hebben gezien.
Deze onkunde willen velen trachten te bestrijden door de gelegenheid gemakkelijk te maken om zich te ontwikkelen. Als zoodanig zijn winterscholen geopend, zijn rijkslandbouwleeraars aangesteld, die behalve vele andere werkzaamheden des winters in de dorpen lezingen houden, worden tentoonstellingen gehouden gepaard met wedstrijden voor premiën, waarbij de kans een prijs te behalen voor den fokker de prikkel moet zijn om hem aan te wakkeren meer zijn best te doen. Op hoe weinigen zal deze prikkel echter inwerken. Ik zou dit willen vergelijken met het geven van prijzen op de school. Onder de beste leerlingen zal een strijd ontstaan wie de prijs hebben zal en deze worden daardoor aangespoord nog meer hun best te doen. De overigen echter, die een laair
O \' O
nummer hebben en die weten toch geen kans te hebben zich een prijs te verwerven, op dezen heeft het geven van prijzen volstrekt geen invloed. Zoo gaat het ook met de premiekeuringen voor de boeren. Zij, die een goeden veestapel hebben en dit met verstand en beleid beheeren, zullen door de kans hunne dieren bekroond te zien misschien er toe gebracht worden zich nog betere exemplaren te verschaffen, zij echter wier veestapel verre beneden het middelmatige blijft, zullen veelal niet eens gaan kijken, zeggende : daar is voor mij toch niets te halen.
7°
Gemakzucht en zuinigheid zullen er ook velen toe brengen wanneer in de buurt een slechte stier staat, dezen toch te verkiezen boven een andere, die wellicht veel beter is, doch waarvoor hooger dek-geld moet betaald worden of die verder van hunne woonplaats gestald is.
Om te strijden tegen onkunde, waarmede koppigheid altijd gepaard gaat, tegen verkeerde zuinigheid, een gevolg van onkunde, en tegen gemakzucht zullen zedelijke middelen alléén altijd schipbreuk lijden. Het houden van tentoonstellingen met wedstrijden voor premiën, de lezingen der landbouwleeraars, het oprichten van winterscholen enz. zullen wel medewerken tot het verkrijgen van een beteren toestand van den Nederlandschen veestapel, zij zullen alleen zonder dwangmiddelen, dien niet mogen verbeteren. Eerst wanneer alle slechte fokdieren verwijderd zullen zijn, iets wat ook met keurdwang nog niet binnen zeer korten tijd is te verkrijgen, zullen de grondslagen zijn gelegd voor een beteren toestand. Zeer verkeerd is het in keurdwang een panacee te zien, die in weinige maanden de Nederlandsche rundveeteelt zal verbeteren. De beste stier vermag nog geen uitstekend nakroost te verwekken, zoolang moederdieren van lage kwaliteit er bij gebracht worden. Elk geslacht echter zal, zoo steeds goede stieren gebruikt worden, iets in waarde stijgen en zoo kan langzamerhand de veestapel worden verbeterd of tenminste tegen verderen achteruitgang behoed.
Eene groote moeilijkheid, die eene wet tot verplichte stierenkeuring zal opleveren is in de handhaving er van gelegen. Tegenstanders vatten dit bezwaar als een belangrijk wapen voor hunne argu-
7i
menten aan. De gemeente-politie ten plattelande is bij ons inderdaad te gering om alle overtredingen na te gaan. Door het aanstellen van meerdere onbezoldigde rijksveldwachters en het geven van goede pre-miën voor de ontdekking eener overtreding zal in deze leemte misschien kunnen worden tegemoet gekomen.
Meer dan de politie heeft echter de justitie de goede werking dezer wet in haar hand. Wanneer de overtreders, die ontdekt worden maar streng worden gestraft en niet eene geldboete van 0.50 gld. krijgen, zooals onlangs in Noord-Brabant is geschied, dan zal men het slechts zelden wagen om ter wille van eene geringe besparing de kans te loopen een hooge boete te moeten betalen. Enkele overtreders zwaar te straffen zal meer uitwerken dan velen licht.
Het verkrijgen van goede resultaten van eene eventueel in te voeren wet op het houden en keuren van stieren, hangt voor een groot deel af van de zaakkennis en de tact der keurmeesters. Een vereischte is het, dat zij volkomen op de hoogte zijn van den toestand van den veestapel op de plaatsen waar zij keuren moeten. Het verdient daarom aanbeveling dat dezelfde commissie geen te uitgestrekt district krijgt. Groote locale kennis is noodig om een goede maatstaf van beoordeeling te krijgen. In streken, waar de veefokkerij op vrij hoogen trap van bloei staat, kan men aan de goedkeuring strengere eischen stellen dan in zeer achterlijke streken. Zoo men daar te streng was zou geen voldoend aantal stieren voor de behoefte overgelaten worden. In zulke streken kan de verbetering van den veestapel dan ook slechts hoogst langzaam plaats hebben. De taak der keurmeesters moet ook bij deze gedwongen keuringen slechts beperkt zijn. Alleen
A
j
72
dieren die individueel bepaald slecht zijn mogen afgekeurd worden. Zij mogen hierbij geen rekening houden met de meerdere of mindere geschiktheid van een bepaald soort. Deze meer uitgebreide taak om hunne zaakkennis aan te wenden om de meest geschikte dieren aan te wijzen zal eerst bij deze commissie berusten zoo haartevens wordt opgedragen de uitvoering der wettelijke bepaling omtrent het van overheidswege geven van
II,gt;. PREMIËN AAN DE BESTE FOKDIEREN.
Heerscht er groot verschil van meening over de wenschelijkheid van het invoeren van verplichte stierenkeuringen, bijna eenstemmig wordt het geven van premiën aan de beste fokdieren als een uitstekend middel beschouwd om den veestapel te verbeteren.
De resultaten hier te lande reeds verkregen met stierenkeuringen versterken deze meening, hoewel zij door gebrek aan goede regeling dikwijls de verwachtingen hebben teleurgesteld. Wil een wedstrijd voor premiën doeltreffend voor de fokkerij zijn dan zijn de vereischten daartoe :
i. De keuring moet geregeld elk jaar op denzelfden tijd worden gehouden. De fokkers kunnen er dan op rekenen en zorgen dat hunne dieren zich in goede conditie bevinden. Het voorjaar is hier aan te bevelen daar dan tevens beter op de verpleging gelet kan worden, die des winters op stal van meer belang is dan des zomers, wanneer de dieren in het land loopen. Ook zal de beoordeeling juister kunnen zijn daar in het voorjaar alle dieren
73
van den stal komen; terwijl in het najaar sommige geweid zijn, andere niet.
2. De prijzen, die uitgeloofd worden moeten hoog genoeg wezen dat de eigenaar der bekroonde dieren er voordeel in ziet de voorwaarden, welke aan de uitbetaling verbonden worden, na te komen.
3. Het land moet in betrekkelijk kleine keurdis-tricten verdeeld worden en wel zoo, dat in elk district slechts vee van een bepaald ras of slag gevonden wordt.
4. Jaarlijks moet zooveel mogelijk in hetzelfde district door dezelfde personen gekeurd worden. De commissieleden mogen zelf geene belangen hebben in het district, opdat zij nooit van partijdigheid beschuldigd kunnen worden.
5. Aan de uitbetaling der premiën moeten nuttige voorwaarden gesteld worden, opdat de bekroonde dieren de fokkerij binnen het district ten goede komen.
6. Alleen werkelijk goede exemplaren mogen bekroond worden; is de veefokkerij in een streek zoo achterlijk dat geen enkel bepaald goed dier voorgebracht wordt, dan mag ten hoogste een zeer kleine aanmoedigingspremie aan het minst slechte gegeven worden. Handelt men uit medelijden anders dan wordt meer in het nadeel dan in het voordeel der fokkerij gewerkt.
Tot nu toe kennen wij hier te lande nog bijna alleen wedstrijden voor mannelijke fokdieren. Terecht is men daarmee aangevangen; de zoo belangrijke plaats toch, die de stier in de fokkerij inneemt, hij is immers jaarlijks van een zeer groot aantal kalveren de vader, maakt, dat waar men naar verbetering van den veestapel streeft, in de eerste plaats voor uitstekende mannelijke fokdieren moet gezorgd
74
worden. Door deze wedstrijden in verband te brengen met de verplichte stierenkeuringen zullen zij, naar ik meen, nog in waarde stijgen. Op de keuring krijgt dan de commissie het geheele mannelijke fokmateriaal uit het district tegelijk te zien en niet slechts enkele uitstekende dieren, die naar een prijs dingen.
Zij kan nu veel beter haar oordeel naar de behoeften regelen. Bij deze wedstrijden moet de commissie anders dan bij de verplichte keuring niet alleen letten op de individueele eigenschappen van de dieren, doch wel degelijk nagaan welke de beste resultaten beloven te geven voor de fokkerij in een bepaalde streek.
Ook is nu elke stierhouder verplicht bij den wedstrijd te komen en kan hij niet uit lauwheid thuis blijven. Zoo wordt de keuring tevens voor hem eene nuttige tentoonstelling, waar alle stieren uit zijne omgeving vertoond worden. Zijn blik en inzicht kan daardoor verruimd en zijne ambitie tevens opgewekt worden als hij door anderen prijzen ziet behalen. Hij ziet de bekroonde dieren, zoodat hij te weten kan komen welke vereischten de keuringscommissie aan bekroninyswaardige stieren stelt.
O O
Van groot nut zal het zijn zoo na de keuring door de commissie de uitkomsten van den wedstrijd in een beredeneerd verslag worden bekend gemaakt. Dit zal voor de keurmeesters een prikkel te meer zijn om hunne taak zeer nauwkeurig te volbrengen en tevens de fok kers bekend te maken met de inzichten der commissie.
Deze kan door hare verslagen een yrooten invloed
O O
ten goede uitoefenen, door daarin op de bestaande leemten te wijzen en tevens den weg aan te duiden om tot verbetering te komen. De taak der keur-
75
meesters wordt wel hierdoor zwaarder gemaakt; het is echter beter zeer goede leden voor deze commissie te hebben, welke dan ook naar behooren beloond moeten worden voor hun arbeid, dan minder goede, die het lidmaatschap eener keuringscommissie
als een eerepost willen aannemen.
* *
*
\\\\b. Van niet minder belang dan de stierenkeuringen, met daaraan verbonden wedstrijden voor premiën, is voor de verbetering der veefokkerij het houden van wedstrijden voor fokfamiliën.
Onder eene fokfamilie wordt verstaan, zooals reeds op bladz. 16 is gezegd, de veestal van éénen eigenaar of ééne vereeniging waarbij de moeder-dieren verwant zijn. Wie zijn veestapel op dergelijke wijze samenstelt, bewijst, zoo hij deze dieren wecTer door eenzelfden, liefst verwanten, stier Iaat dekken, dat hij in eene bepaalde soort wil blijven, en is zeker steeds vee van eenzelfde type te houden. Om echter aan zijn kudde als fokfamilie waarde te geven moet de eigenaar een stamboek houden. Eerst als hij dit doet, kan hij de afkomst en de raszuiverheid van zijn vee bewijzen.
Dat het aanbeveling verdient om op deze wijze rationeel te fokken laat zich licht begrijpen in een land, waar uitstekend inlandsch vee bestaat en waar het juist op rasfokkerij aankomt om het te behouden. Het strekt niet alleen den fokker tot voordeel, doch het is ook van belang voor den veestapel in het algemeen, daar zulke familiën het land voorzien kunnen van uitstekende raszuivere stieren, wier herkomst bekend is. Uit een oogpunt van hygiëne heb-
76
ben fokfamiliën ook waarde. Men kent immers de afkomst dezer dieren en zoo men steeds gezonde dieren in zijn stal heeft gehad, loopt men geen kans dat zich onder de afstammelingen sommige bevinden met overerfelijke ziekten. De melk uit zulk een stal zal dus veel meer te vertrouwen zijn dan die van den boer die steeds andere koeien koopt, wier afkomst hem onbekend is.
Het blijkt, naar ik meen, voldoende dat het aanbevelenswaardig is het houden van zulke fokfamiliën te bevorderen en dat, zoo van staatswege gelden voor dit doel worden beschikbaar gesteld, deze in het algemeen belang worden aangewend.
Voorzeker zullen hier te lande reeds vele goede fokkers gevonden worden die rationeele fokkerij sedert lang in praktijk brengen ; daarvan zullen slechts zeer weinigen, althans onder de boerenfok-kers, aangetroffen worden, die stamregisters houden. Dit ziet men reeds, wanneer men des zomers de weiden langs gaat ; men vindt dan zelfs in groote veedistricten als Zuid-Holland en de Betuwe overal een bonte mengelmoes van vee van allerlei slag en kleur. Het bewijst, hoe weinig nog met verstand getokt wordt, hoe weinig het groote belang daarvan wordt ingezien.
Het geven van premiën aan den eigenaar, die met zulk eene familie, in zijn stal gefokt en opgebracht, op de keuring komt en daarbij een richtig gehouden stamboek overlegt, zou wellicht de aandacht der fokkers kunnen vestigen op het groote voordeel in rationeele fokkerij gelegen.
Het richtig houden der stamboeken zal hier wel, evenals het in Zwitserland het geval is geweest, groote moeilijkheden opleveren, enzonder registers zijn
77
deze keuringen onmogelijk daar anders de afkomst niet bewezen kan worden. Om de invoering mogelijk te maken zouden van overheidswege kosteloos formulieren beschikbaar gesteld moeten worden, terwijl aan de burgemeesters of een door dezen aan te wijzen ambtenaar, zou moeten opgedragen worden den fokkers voor te lichten hoe zij daarmee moeten handelen.
Bij de beoordeeling is \'t billijk de grootte van de premie van het aantal dieren, waaruit eene familie bestaat, te doen afhangen, terwijl elk dier op zich zelf aan de gestelde vereischten moet voldoen om de familie voor een prijs in aanmerking te doen komen. Het voor eene familie gestelde minimum aantal runderen moet ook bepaald worden.
Om in streken, waar geen boeren worden gevonden, die een grooten veestapel hebben en voor wie het rationeel fokken derhalve moeilijk is, daar zij geen eigen stier kunnen houden en dus steeds van anderen afhankelijk zijn, deze toch in staat te stellen hun veestapel te verbeteren, ware het goed het vereenigingsleven bij onze landbouwers aan te wakkeren.
Wanneer eenige boeren, die te samen ongeveer ioo koeien en vaarzen hebben, tot hetzelfde ras behoorende en van hetzelfde tvpe, welke door eenige vakkundigen buiten hun midden als deugdelijk werden goedgekeurd, zich vereenigden tot eene associatie, dan kon deze een stier koopen, door wien de croedsekeurde koeien der leden gedekt konden
O «_gt; O
worden. Gemeenschappelijk konden de leden dezer vereenigintr eene fokfamilie hebben en dezelfde
o o
78
voordeelen genieten, die de groote eigenaar heeft. Uit de leden moet dan een bestuur gekozen worden, dat zich met de boekhouding belast. De leden van zulk eene vereeniging moeten zich verbinden eene jaarlijksche contributie te geven om de kosten van onderhoud van den stier te betalen, terwijl zij naarmate van het aantal koeien, die zij in de boeken der vereeniging hebben doen inschrijven, aan de oprichtingskosten moeten deelnemen. Voorts moeten zij zich verbinden om hun vee op gelijke wijze te voederen en te verplegen en de kalveren aan te houden, totdat een onderzoek naar de hoedanigheden dezer heeft plaats gehad. De goedgekeurde vrouwelijke dieren zouden dan voor de fokkerij aangehouden moeten worden, terwijl over de minder goede de eigenaar de vrije beschikking terug krijgt. Uit de jonge stieren moet jaarlijks eene keuze gedaan worden welke door de vereeniging zal gekocht en aangehouden worden. De kleine boer, die lid van zulk eene stierenassociatie wordt, weet nu zeker dat hij den besten stier voor zijne koeien heeft, en hangt nu niet meer af van een stierhouder uit zijne buurt, die zich bij de keuze zijner stieren moeilijk kan bekommeren met de vraag of deze geschikt zijn voor de verschillende veestapels dergenen, die bij hem hunne koeien laten dekken.
Om het in het leven roepen dezer vereenigingen te bevorderen zou de Staat hier, evenals elders geschiedt, kleine subsidiën in de oprichtingskosten kunnen geven en daaraan de voorwaarde verbinden dat de vereeniging telken jare met eene bekronings-waardige familie op de keuring komt.
Mede te werken tot het in het leven roepen dezer vereenigingen ligt op den weg der landbouw-
79
maatschappijen. De afdeelingsbesturen dezer vereeni-gingen zouden de boeren kunnen helpen bij het ontwerpen van een reglement en bij de vele moeilijkheden aan elk begin verbonden met de keuring enz. Indien de Staat genegen is subsidiën te geven konden zij ook als middelaars tusschen de Overheid en de nieuwe vereeniging optreden.
ïfc ^
❖
Reeds hierboven is erop gewezen dat de wet, regelende de staatsbemoeiingen ten aanzien der veefokkerij, de uitvoering van verschillende harer onderdeden aan de provinciale besturen behoort optedragen. Het zou daarom, naar ik meen, wen-schelijk zijn, zoo tot uitvoering der hier boven omschreven bemoeiingen de staatsgelden werden uitgekeerd aan de Ged. Staten, naar gelang van de grootte van den veestapel in iedere provincie.
De taak van Ged. Staten zou dan zijn ; het verdoelen der provincie in districten, zoo dit wen-schelijk is, het benoemen der keuringscommissie voor de verplichte stierenkeuringen en voor de wedstrijden, het vaststellen en de uitbetaling van haar salaris, het bepalen van de grootte der premiën voor de verschillende categoriën en de uitbetaling daarvan, de verdeeling der gelden over de districten enz.
Aan de uitvoering door de provinciale besturen moet echter de voorwaarde worden gehecht, dat op de provinciale begrooting minstens een bedrag gelijk aan de rijkssubsidie wordt uitgetrokken, dat voor dezelfde doeleinden en op de zelfde wijze besteed zal worden.
Om eenheid in de organisatie te krijgen konden
80
de voorzitters der verschillende keurcommissiën te samen eene centrale commissie vormen onder voorzitterschap van een ambtenaar, door den minister van Binnenlandsche zaken benoemd. Aan deze centrale commissie, die een- of tweemaal \'sjaars vergadert, kon de berechting van geschillen over de keuringen
O O O
opgedragen worden. Tevens moet zij dienen om voeling met de regeering te houden en aan haar niet alleen een periodiek verslag uitbrengen maar bovendien uit eigen beweging adviezen geven, zoo dikwijls zij zulks noodig oordeelt.
II,-. HRT GEVKN VAN FINANTIËELEN STEUN AAN STAMBOEKVEREEN1G1NGEN.
Zooals boven reeds is vermeld, moet de fokker, die op rationeele wijze zijn bedrijf wenscht uit te oefenen, een stamregister houden, waaruit de afstamming van zijn vee blijken kan. Dit is de eenige manier om de raszuiverheid van zijne dieren te bewijzen. Het doel der stamboekvereenigingen is om in het groot hetzelfde te doen als elke fokker voor zich zelf in het klein vermag, terwijl de boeken eener officiëele vereeniging bovendien waarborgen van echtheid treven. Door een aantal uitstekende
O
dieren van beide geslachten inteschrijven en aan de afstammelingen van ingeschreven ouders bewijzen van afkomst te geven kan men een volbloed ras fokken. Wie nu een stamboekkalf koopt en terecht aan atavisme hecht, weet zeker een dier van uitstekende afkomst te hebben, dat dus zelf naar alle waarschijnlijkheid ook de drager van goede eigenschappen wezen zal. Dat de waarde van zulke volbloed-
81
dieren hooger is dan die van andere Iaat zich denken.
De eerste vereeniging, die zich hier te lande het houden van stamboeken ten doel stelde, is geweest de vereeniging »Het Ned. Rundveestamboek« in 1873 op initiatief der Holl. Maatschappij van Landbouw opgericht. Deze vereeniging heeft in elke provincie eene afdeeling gesticht met eigen bestuur.
In den aanvany mocht deze nuttige vereenigincr
O O 00
zich niet in grooten bloei verheugen. De fokkers hier te lande zagen het nut van volbloedfokkerij niet in, zooals zij thans voor een groot deel nog niet doen en zagen geen voordeel in het lidmaatschap der vereeniging, dat hun het recht gaf hunne dieren te doen keuren en bij goedkeuring ingeschreven te zien.
Verandering hierin hebben gebracht de Ameri-kaansche veekoopers, die zeer op stamregisters gesteld waren en voor stamboekdieren aanmerkelijk hooger prijzen gaven.
Terwijl de jonge vereeniging zich allengs in meerderen bloei mocht verheugen, kreeg zij een gevoe-ligen slag, doordat in 1879 in Friesland een eigen stamboekvereeniging voor het Friesche vee werd opgericht. In 1880 werd dit voorbeeld gevolgd in Groningen door het oprichten van het rundvee-stamboek voor het Westerkwartier, terwijl in 1883 het rundveestamboek in Twente en het rundveestamboek Noord-Holland tot stand kwamen.
Zoo deze stamboekvereenigingen maar gelijkluidende statuten hadden gehad en in hoofdzaken denzelfden weg waren ingeslagen, zoo had deze afscheiding aan het doel niet geschaad. Dit geschiedde
O O O
echter niet. Het Ned. Rundveestamboek besloot dieren van alle slagen en kleuren door elkander op te nemen, terwijl het Friesche stamboek afzonder-
82
lijke registers voor zwartbont, voor roodbont en voor gemengdkleurig Friesch vee opende. Beide veree-nigingen hebben, naar mij dunkt, eene minder juiste beslissing genomen. Het Friesche stamboek, waarin slechts vee van een slag wordt opgenomen, had zich moeten bepalen tot het inschrijven van zwartbonte dieren; zwartbont is immers verreweg de meest voorkomende kleur van het Friesche vee.
Door aldus te handelen wordt niet bedoeld, dat de deugd van een dier van zijne kleur afhangt, doch het is bevorderlijk om een vast type te vormen van volbloed vee en dit reeds aan zijne kleur herkenbaar te maken. De Engelschen, die het stamboekwezen en de rationeele fokkerij het eerst in praktijk brachten en thans nog hierin aan anderen tot voorbeeld strekken, hebben er zich steeds op toegelegd van elk ras of slag een zeer kenmerkend type en vaste kleur te verkrijgen.
Het Ned. Rundveestamboek had van de belangrijkste veesoorten hier te lande (de Groninger witkoppen, het Friesche en Noord-Hollandsche vee, het Zeeuwsche vee en het Geldersche vee) afzonderlijke boeken moeten houden en in elk dezer soorten eveneens een vast type vormen.
Een ander punt van verschil tusschen de twee vereenigingen is geweest de vraag of het stamboek weldra gesloten moest worden voor alle niet volbloed afstammelingen, of dat de gelegenheid moest opengelaten blijven om uitstekend vee in het stamboek te doen inschrijven. Het Ned. Rundveestamboek wilde niet tot het sluiten overgaan, terwijl de meerderheid der leden van het Friesche hiertoe wel genegen was. Om aan de bezwaren van hen, die dezen maatregel te onbillijk vonden tegenover jonge boeren.
83
tegemoet te komen, werd echter een hulpstamboek opgericht voor uitstekend Friesch vee van leden, terwijl de afstammelingen der in dit boek opgenomen dieren, in het gewone boek kunnen ingeschreven worden.
Naar mijne meening heeft een stamboek als af-stammingsregister alleen dan nut, wanneer het na eenige jaren gesloten wordt. Wanneer het gedurende een zekeren termijn, die niet te kort mag genomen worden, heeft opengestaan, kan men aannemen dat elke eigenaar van uitstekend vee voldoende op de hoogte kan zijn van het bestaan van stamboeken om, zoo hij hetnut ervan inziet, inde gelegenheid te zijn, liddervereenigingtewordenen zijn vee te doen inschrijven. Na het verstrijken van zulk een termijn moet men een voldoenden grondslag hebben van uitstekende dieren om verder daarmee te kunnen doorfokken. Zoo de inschrijving nu gesloten wordt zal elke eigenaar van volbloed dieren zooveel afstammelingen moeten behouden als hij noodig heeft om daarmee te kunnen doorfokken, wil hij zijn veestapel blijven voorzien van volbloed runderen. Zoo de inschrijving open blijft beschouwen velen een stamboek als een adresboek van goed vee en doen slechts hunne dieren inschrijven om ze zoo spoedig mogelijk tegen hoogen prijs te verkoopen.
Op deze wijze voldoet het stamboek volstrekt niet aan zijn doel. Hierbij komt, dat, zoo men een vast type wil vormen, men zeer hooge eischen aan de toelating moet stellen, zoodat zelfs binnen niet te langen tijd reeds kan aangenomen worden, dat die dieren, welke aan de vereischten voldoen, voor het meerendeel zijn ingeschreven. Mocht er na het sluiten blijken dat er nog vele uitstekende dieren overblijven, die uok stamouders kunnen worden van vee
84
van eene bepaalde soort dan kan men daarvoor een nieuw stamboek oprichten.
Terwijl ik hier getracht heb het nut der stam-boekvereenigingen aan te toonen, zal het geen verwondering opwekken, dat ik het geven van staats-subsidiën aan stamboekvereenigingen heb opgenomen onder de wijzen, waarop de Staat door finan-ciëelen steun te vèrleenen, in het belang der veefokkerij kan werken. Doch ook deze subsidiën moeten niet aan elke vereeniging, die er naar vraagt gegeven worden doch moeten afhankelijk gesteld worden vanhet nakomen van enkele voorwaarden. Ikzoumeenen dat de re^eering een model voor de statuten van
O ö
stamboekvereenigingen moest ontwerpen en dat alleen aan vereenigingen, die de hoofdtrekken daarvan willen overnemen, subsidie moet gegeven worden. Deze hoofddenkbeelden zouden aldus kunnen luiden: i. het lidmaatschap moet alleen toegankelijk gemaakt worden voor Nederlandsche eigenaren van vee, tevens ingezetenen; hierdoor wordt voorkomen dat vreem-
O \'
delingen vee doen inschrijven om dit uit te voeren en in het buitenland volbloed vee te fokken. 2. de stamboekvereenigingen moeten premiën uitloven voor de beste volbloedafstammelingen, welke worden aangegeven onder voorwaarde dat deze gedurende minstens drie jaren de Nederlandsche fokkerij ten goede zullen komen. Hiermee wordt de uitvoer der beste exemplaren tegengegaan, terwijl de eigenaars geen schade lijden door ze te behouden. 3. alleen de inschrijving van een bepaald type moet geoorloofd wezen. 4. de stamboeken moeten na een bepaalden tijd gesloten worden. 5. de wijze waarop beoordeeld wordt moet vaststaan, opdat overal met gelijke maat gemeten wordt. 6. een oihciëel
85
kenteeken moet aangenomen worden voor de stam-boekdieren, dat alleen door gesubsidiëerde veree-nigingen mag afgegeven worden.
Wanneer de subsidiën, door den staat gegeven hoog genoeg zijn, zullen de stamboekvereenigingen zich waarschijnlijk wel aan de gestelde voorwaarden onderwerpen.
Door op deze wijze te handelen zullen de verschillende stamboekvereenigingen in hoofdzaak denzelfden weg volgen, en dat dit in het belang dei-fokkerij is, behoeft geen betoog.
II,/. HET SUBSIDIEEREN VAN LANDBOUWTENTOONSTELLINGEN.
Speciale tentoonstellingen voor rundvee worden hier te lande slechts zelden gehouden en kunnen ook bijna niet bestaan, daar eene tentoonstelling, die geen te groote finantiëele nadeelen wil meebrengen, vele bezoekers vereischt. Het zien van vee alléén, biedt geene attractie genoeg om vele menschen te trekken, zelfs ni.et onder belanghebbenden. Het houden van speciale tentoonstellingen zou wel een groot voordeel opleveren, daar dan het strenge zakelijke karakter beter gehandhaafd kon worden, en zij minder kans hadden in volksvermakelijkheden te ontaarden.
De veetentoonstellingen, die wij hier kennen, vormen meestal eene onderafdeeliny van eene land-bouw-tentoonstelling. Deze worden hier te lande veel gehouden, jaarlijks hoort men van een kleinere of grootere, doch van eenige organisatie in het tentoonstellingswezen kan men nog slechts weinig vernemen.
86
De eerste stap, die tot eene betere regeling kan leiden, is gedaan door de Geldersch-Overijselsche Maatschappij van Landbouw. Deze n.1. is na de groote tentoonstelling, in Juli 1895 te Arnhem gehouden, overgegaan tot de organisatie van het tentoonstellingswezen binnen haar gebied.
Door de commissie tot regeling van het tentoonstellingswezen is in Februari 1896 een concept reglement voorde tentoonstellingen, te houden door de Geldersch-Overijselsche Maatschappij van landbouw, ingediend en door de algemeene vergadering aangenomen.
Dit reglement schrijft o.a. voor, dat om de vijf jaren eene groote tentoonstelling zal worden gehouden, waarvan de regeling aan eene vaste commissie is opgedragen. Ook de Hollandsche Maatschappij van Landbouw heeft besloten om de vijf jaren eene groote tentoonstelling te houden en noodzaakt de besturen der afdeelingstentoonstellingen de regels, door het hoofdbestuur gegeven, te volgen.
Tot nu toe worden tentoonstellingen meestal gehouden ter viering van het zooveel jarig bestaan van de een of andere vereeniging, of afdeeling van eene vereeniging, die haar dan volkomen naar eigen inzicht organiseert en als aantrekkelijkheid kermesse d\'été met bals daaraan toevoegt.
Het nut van landbouwtentoonstellingen wordt door een ieder erkend. Het behalen van een prijs is een prikkel om op verschillend gebied goede inzendingen te doen, terwijl het eene reclame is voor onze landbouwproducten tegenover den vreemdeling.
De twee hoofdvereischten om de landbouwtentoonstellingen werkelijk aan haar doel te doen beantwoorden zijn : istc dat er geen partieële ten-
87
toonstellingen meer zijn, doch jaarlijks ééne nationale die beurtelings in de verschillende deelen des lands wordt gehouden ; 2de dat deze jaarlijksche tentoonstelling volgens een vast plan telken jare op dezelfde wijze en liefst door dezelfde personen uitstekend georganiseerd wordt.
Alleen toch door het houden van eene jaarlijksche tentoonstelling in hetzelfde jaargetijde kan zulk eene tentoonstelling werkelijk een barometer zijn van den voor- of achteruitgang op landbouwgebied en kan men nagaan den toestand, waarin de landbouw in het algemeen verkeert. Door het houden van ééne nationale tentoonstelling worden de krachten niet versnipperd, zoodat op ééne plaats de inzendingen uit alle deelen des lands gezien en beoordeeld kunnen worden. Wel zullen telkens uit de omgeving de meeste inzenders gevonden worden, doch door telken jare volgens een vast rooster van plaats te wisselen, genieten ook alle deelen des lands op hare beurt hetzelfde voorrecht.
Dat elke tentoonstelling eene goede organisatie vereischt spreekt van zelf. Het komt er zeer op aan dat zij telken jare op dezelfde wijze ingericht worden volgens een vast plan en niet volgens het inzicht van een locaal bestuur. Alleen door groote gelijkvormigheid kan er eene goede vergelijking gemaakt worden en kunnen de inzenders zeker zijn dat hunne moeite beloond zal worden.
Wat de organisatie der afdeeling voor rundvee betreft, zou ik deze gesplitst willen zien in zoovele onderafdeelingen als er slagen vee bij ons gevonden worden, zoodat alleen dieren van eén slag met elkander concurreeren. Zoo eenzelfde soort vee deels op klei, deels op zandbodem wordt gehouden,
88
moeten deze weder in onderafdeelingen gescheiden worden. Door op deze wijze het vee te onderscheiden wordt de wedstrijd billijk en worden i^eene heterogene exemplaren met elkander vergeleken. In prospectussen moeten de hoofdtypen genoemd worden, welke men bij ons vindt en die voor eene bekroning in aanmerking komen ; de inzender kan dan zijn vee onder een dezer rangschikken. Voor elke onderafdeeling moeten er prijzen beschikbaar gesteld worden. Zeer wenschelijk is het ook, dat bij tentoonstellingen van levende dieren het bestuur zich in verbinding stelt met de spoorwegmaatschappijen om voor een goed en snel vervoer te zorgen. Om het aantal inzendingen te bevorderen zou het zeker ook zeer gewenscht zijn dat de ingezonden dieren van af het oogenblik van verzending tot dat van hun terugkeer verzekerd werden tegen ongelukken. Het risico, steeds verbonden aan de verzendingen van levende have, zou hierdoor sterk verminderen.
Wat is nu het middel om verbetering in het tentoonstellingswezen hier te lande te krijgen ?
Het ligt voorzeker niet op den weg van den Staat om door zijne ambtenaren tentoonstellingen te laten organiseeren. Direct kan dus hier geen staatstusschenkomst gevraagd worden. Indirect meen ik echter dat ook op dit gebied door de regeering veel gedaan kon worden.
In de eerste plaats zou zij de besturen van alle bestaande landbouwmaatschappijen moeten bijeenroepen en door haar invloed trachten te bewerken, dat deze zich vereenigden om geene locale tentoonstellingen meer te houden, doch om gemeenschappelijk jaarlijks eene nationale tentoonstelling te houden beurtelings in een der provinciale hoofdsteden.
89
Tedere vereeniging zou naarmate van haar ledental
O O
hierin kunnen bijdragen, terwijl de voorzitters een vast tentoonstellingscomité konden vormen. Aan haar zedelijken invloed kon de regeering kracht bijzetten door het beschikbaar stellen van eene flinke staatssubsidie, terwijl dan tevens door haar een organisatieplan kon gemaakt worden.
Indien verder elke subsidie of ondersteuning van overheidswege, ook door de provinciale en gemeentelijke besturen, werd geweigerd ten behoeve van partieële tentoonstelling, dan zouden wellicht de verschillende landbouwmaatschappijen tot samenwerken voor dit doel kunnen gebracht worden.
Reeds eenmaal is het gebleken, welk eene kracht er van de groote landbouwmaatschappijen uitgaat, zoo deze eene lijn willen trekken. De internationale landbouwtentoonstelling toch, in 1884 te Amsterdam gehouden, is de vrucht van een dergelijk samenwerken geweest, en is onzen landbouw zeer ten goede gekomen. Van toen af immers dateert het tijdstip, waarop eene nieuwe periode voor den landbouw hier te lande is aangebroken. Toen toch zijn de oogen geopend van hen, die niet wilden erkennen, dat Nederland schromelijk ten achtere was in vergelijking met het buitenland, van dien tijd af dag-teekenen vele maatregelen in het belang van den landbouw genomen en de steeds klimmende belangstelling daarin. Te betreuren is het dat de samenwerking ook na het sluiten der tentoonstelling niet is blijven bestaan. Wel zijn er pogingen daartoe in het werk gesteld om eene groote Nederlandsche maatschappij te vormen, waarvan de in de verschillende gewesten zelfstandig blijvende provinciale landbouwmaatschappijen de afdeelingen zouden vormen. Deze
9°
pogingen hebben echter tot geen resultaat geleid. Laten wij hopen dat de laatste jaren der negentiende eeuw mogen getuigen dat ook op dit gebied de oude spreuk „Eendracht maakt machtquot;, nog van kracht is.
NASCHRIFT.
In het voorgaande heb ik getracht de hoofddenkbeelden uiteen te zetten, die, naar mijne bescheiden meening, in eene wet tot verbetering van het rund-veeras moeten voorkomen. Om de totstandkoming van eene dergelijke wet mogelijk te maken zal eerst bij een der departementen van algemeen bestuur, het ministerie van Waterstaat Handel en Nijverheid zou daartoe het meest geeigend zijn, eene bizondere afdeeling moeten worden opgericht, belast eene blijvende studie te maken van de landbouwvraagstukken en waaraan de behartiging dezer, voor zoover het op den weg van den Staat ligt zich daarmee in te laten, wordt opgedragen. Dat eene afdeeling van Landbouw zeer in het belang zou zijn van het landbouwbedrijf in het algemeen, waar de veeteelt slechts een onderdeel, hoewel een zeer belangrijk onderdeel, van is, daar zullen allen mede instemmen, die van de pnemisse uitgaan, dat het op den weg van den Staat ligt, de materieële bronnen van welvaart zooveel mogelijk te verhoogen door regeling, voorlichting en leiding. Zonder een centraal bestuurslichaam, waarbij ambtenaren geplaatst worden, die naast administratieve kennis eene groote mate van practische kennis van het landbouwvak hebben, zal de staatszorg betrekkelijk landbouw en veeteelt nooit naar behooren kunnen behartigd worden.
Waar de landbouw tegenwoordig zulk een moeilijken tijd van crisis te doorworstelen heeft, daar
92
is het te hopen dat Nederland niet langer, met Turkije en Spanje, het eenige land van Europa genoemd zal worden, dat geen ministerie of bizondere afdeeling voor Landbouw kent. Niet dat wetten of maatregelen van anderen aard zullen vermogen de crisis te doen ophouden, maar wel kunnen deze den strijd verlichten en onzen landbouw, waar die ten achtere is, tot meerderen bloei brengen en maken dat Nederlandsche producten beter concurreeren kunnen tegen de buitenlandsche dan tegenwoordig vaak het geval is.
Het is te hopen, dat, nu het kiesrechtvraagstuk beslecht is en dit de gemoederen dus vooreerst niet meer warm kan maken, de oeconomische aangelegenheden meer en meer een voorwerp van aanhoudende zorg der regeering zullen worden. Waarheid bevat immers ook thans nog, op den modernen Staat overgebracht, de stelling der Phisiocraten : Pauvre paysan, pauvre royaume ; pauvre royaume, pauvre roi.
Bijlage I.
Wet ter be vordering van de teelt van sommige huisdieren in het feoninkrijk Denemarken, gegeven door Z. M. Koning Cristiaan IX den lsten April 1887. (1)
Art. i.
Ten behoeve van maatregelen, in het belang dei-teelt van huisdieren te nemen, wordt jaarlijks op de staatsbegrooting gebracht eene som van hoogstens 200,000 kronen, op de volgende wijze te besteden :
1. hoogstens 60.000 kronen zullen ter beschikking der landbouwvereenigingen gesteld worden om daarvan op de door deze tc houden tentoonstellingen, prijzen toe te kennen aan de beste fokdieren. Hiervan zullen 10.000 kronen strekken ten behoeve van prijzen voor veulenmerriën.
2. hoogstens 80.000 kronen zullen aangewend worden om op de districtskeuringen hengsten en stieren te bekronen.
3. hoogstens 10.000 kronen zullen dienen ter sub-sidiëering van gecombineerde hengsten- en stieren-tentoonstellingen.
4. hoogstens 50.000 kronen kunnen gegeven worden ter ondersteuning van andere maatregelen in het belang der teelt van huisdieren.
Art. 2.
Het bedrag, genoemd in art. 1 ■fquot;/\' 1 wordt onder de verschillende landbouwvereenigingen, die in het
1
De Nederlandsche tekst dezer wet heb ik ontleend aan eene Engelsche vertaling door den Deenschen landbomvconsulent te Londen vervaardigd, en mij welwillend afgestaan door don Heer Maas, consul-generaal der Nederlanden te Londen.
94
belang der teelt van huisdieren werken, verdeeld naar evenredigheid van het bedrag, dat zij zelf voor dit doel besteden.
Vereenigingen, die nog geen jaar bestaan of niet minstens i 30 leden tellen, die te samen 300 kronen aan contributie opbrengen, kunnen geen staatssubsidie verkrijgen. De subsidie mag ook nooit hooger zijn dan de som door de vereeniging zelve voor gelijk doel besteed, of meer kronen bedragen dan het viervoud van het aantal leden die de vereeniging telt.
De staatssubsidie moet aangewend worden voor het bekronen van 2—3-jarige hengsten, veulenmer-riën, 1—3-jarige stieren, koeien, vaarzen, fokfamiliën, varkens, schapen, geiten, hoenderen en bijen.
Bij de beoordeeling moeten die dieren, welke eene goede afstamming kunnen bewijzen de voorkeur genieten boven anderen, zoo zij van gelijke qualiteit zijn. Dieren, die hetzelfde jaar op eene andere tentoonstelling van dezelfde klasse reeds een prijs hebben behaald, zijn van de mededinging uitgesloten. Zoowel op de tentoonstelling van eene enkele vereeniging, als op de tentoonstelling door verschillende vereenigingen te samen gehouden, wordt de jury door de vereenigingen zelve benoemd.
Vereenigingen, die naar eene staatssubsidie dingen, moeten voor 1 April een verslag indienen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, daarin moeten zij aantoonen, dat zij aan de gestelde vereischten tot het verkrijgen van staatssubsidie voldoen en tevens het bedrag vermelden, dat zij bestemmen om in hetzelfde jaar prijzen te geven.
De vereenigingen kunnen naar eigen goedvinden den tijd bepalen, wanneer de tentoonstelling zal
95
gehouden worden, na hierover in overleg te zijn getreden met een ambtenaar door den minister aan te wijzen. (Zie art. 7.)
De bekroonde dieren moeten in het land blijven en voor de fokkerij gebruikt worden.
De vereenigingen zijn vrij aan de uitkeering der prijzen nog meerdere voorwaarden te verbinden. Op iedere keuring moet een register gehouden worden, waarin de bekroonde dieren worden opge-teekend met eene beknopte beschrijving van hunne afstamming en eigenschappen. Dit moet opgemaakt worden volgens een model, door den Minister van
O gt;
Binnenlandsche Zaken vastgesteld.
Eene copie van dit register zal in November moeten opgezonden worden aan genoemden Minister met eene opgave van het bedrag der uitgekeerde premiën.
Art. 3.
Van het bedrag genoemd in art. 1 sub no. 2 mag hoogstens 50.000 kr. aangewend worden ten behoeve van premiën voor hengsten op districtskeuringen.
Alleen goed ontwikkelde hengsten boven de 5 jaar kunnen dingen naar een prijs, terwijl 4-jarige hengsten, die geschikt geoordeeld worden voor de
O / O O
fokkerij een aanhoudingspremie kunnen krijgen.
Een bedrag van hoogstens 30.000 kronen is bestemd voor prijzen voor stieren op districtskeuringen. Slechts goed ontwikkelde fokstieren boven de 3 jaar kunnen meedingen.
Deze prijzen worden gegeven op de jaarlijksche districtstentoonstellingen. In verband hiermee wordt het land verdeeld in 13 districten, als volgt :
96
1. Seeland met daarbij liggende eilanden?
2. lyen met naburige eilanden.
3. Falsta en Lollandmet daarbij liggende eilanden.
4. Bornholm.
5. Hjörning.
6. Aalborg.
7. Viborg.
8. Ihisted.
9. Ringkjöbing.
10. Ribe.
11. V eile.
12. Aachus.
13. Randees.
De Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd kleine wijzingen te brengen in de grenzen der districten.
In ieder district wordt jaarlijks één hengsten-keuring gehouden, terwijl de keureommissie voor de stierenl suringen kunnen toestaan dat, zoo hun dat wensehclijk voorkomt, de keuringen gehouden zullen worden in kleinere onderdistricten. Het aantal der keuringsplaatsen mag het aantal amten in een district niet te boven gaan, terwijl zooveel mogelijk de grenzen van het amt moeten gevolgd wordon, tenzij de geographische verdeeling der rassen andere verdeelingen wenschelijk maakt. Deze grensregeling is aan de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen, ook latere veranderingen behoeven zijne goedkeuring.
De rijksbijdragen voor prijzen voor hengsten en stieren worden verdeeld over de verschillende districten door den Minister. Deze raadpleegt hierbij de rapporten en voorstellen der districtskeurcom-missiën, en houdt rekening met de hoegrootheid
97
kudde in ieder district, voorzoover degelijke statistieken verkrijgbaar zijn van het aantal veulens en kalveren in ieder district geboren.
Art. 4.
De districtskeuringen worden geregeld door twee commissiën, ééne voor de hengstenkeuring en ééne voor de stierenkeuring. De voorzitters dezer commissiën worden benoemd door den Minister van Binnenlandsche Zaken, de leden worden voor drie jaar gekozen door de amtsbesturen uit eene voordracht door de landbouwvereenigingen opgemaakt.
Wanneer een district slechts één amt omvat dan benoemt het amtsbestuur voor de commissie voor hengstenkeuring twee leden en twee plaatsvervangende leden, doch wanneer er verschillende amten in het district zijn, benoemt elk amtsbestuur één lid en één plaatsvervanger.
Voor de commissie voor stierenkeuring benoemt elk amtsbestuur twee leden en twee plaatsvervangende leden. Bij staking van stemmen wordt er geloot.
Drie maanden voor elke verkiezing waarschuwt het amtsbestuur elke landbouwvereeniging in het amt, die minstens 150 leden telt, jaarlijks eenen wedstrijd voor premiën houdt en daarvoor minstens 300 kronen uit eigen middelen geeft, om schriftelijk leden en plaatsvervangende leden voor te dragen, en wel een gelijk aantal als door het amtsbestuur moet benoemd worden. Uit deze voordracht doet het amtsbestuur zijne keuze. Mocht er in een amt slechts ééne landbouwvereeniging zijn, dan draagt deze voor elke plaats een dubbeltal voor.
De commissiën zelve benoemen uit haar midden
98
een secretaris, die zijne betrekking blijft bekleeden tot na de eerstvolgende districtskeuring.
Art. 5.
De verschillende commissiën voor hengsten en stierenkeuring stellen ieder binnen haren kring vast het aantal en het bedrag der prijzen, de regels bij de keuring in acht te nemen, de plaats waar de keuring zal gehouden worden en het bedrag der noodzakelijke onkosten.
De commissiën moeten hare besluiten publiek maken, ook wat zij er aan mochten veranderen of toevoegen. De commissiën vormen zelf de jury op de keuring en dragen zorg voor de uitbetaling der prijzen.
De dieren, voorzien van een deugdelijk afstam-mingsregister, genieten de voorkeur. Ook moet bij de bekroning rekening gehouden worden met de eigenschappen der afstammelingen van de mededingende dieren.
Waar meerdere keuringen in een district worden gehouden daar kan de commissie zich verdeelen, met dien verstande echter dat bij elke keuring twee leden en de voorzitter als jury optreden.
Elke hengst die een\' eersten prijs verworven heeft, alsmede elke bekroonde stier moet een merk, door de commissie vastgesteld, dragen. De eigenaar van een bekroond dier, die den prijs aanneemt verbindt zich het dier minstens één jaar van af den dag van de toekenning van den prijs ter dekking te laten staan binnen het Koninkrijk; eveneens is de eigenaar van een hengst die een aanhoudingspremie krijgt verplicht het dier binnen één jaar niet te laten castreeren.
99
Indien hij, die een prijs krijgt zich niet stoort aan deze verplichtingen, moet hij den prijs restitu-eeren, tenzij de Minister van Binnenlandsche Zaken erkent dat er bizondere redenen waren om zich aan de verplichting te onttrekken.
Elk dier kan in hetzelfde jaar slechts op ééne plaats eenen prijs verwerven.
Art. 6.
De voorzitters der commissiën bepalen den datum der keuring. Zij presideeren alle vergaderingen der commissiën en houden met behulp der secretarissen een register, dat behalve andere merkwaardige feiten, moet bevatten eene nauwkeurige beschrijving van de bekroonde hengsten en stieren, met een register van hunne afkomst. De voorzitters nemen de staat-subsidiën in ontvangst en betalen ze uit. Zij moeten bovendien telken jare voor i December aan den Minister van Binnenlandsche Zaken een rapport indienen over de resultaten der keuringen, met een afschrift der notulen van de vergaderingen, benevens eene rekening en verantwoording van hun geldelijk beheer.
De secretarissen der commissiën, die alle voorbereidende maatregelen moeten nemen voor de eerstvolgende keuringen, zullen tenminste 4 weken te voren inde, in het district meest gelezen, nieuwsbladen en door behulp der landbouwvereeniging bekend maken de plaats, waar de keuring zal gehouden worden en tevens het aantal en het bedrag der toe te kennen prijzen.
too
Art. 7.
De voorzitters der commissiën voor hengsten- en stierenkeurino-en uit het ^eheele land vormen eene
O O
staatscommissie voor de belangen der veeteelt onder voorzitterschap van een ambtenaar door den minster te benoemen. Aan deze commissie worden deskundigen ter raadpleging toegevoegd.
Deze commissie heeft het toezicht over de paarden-en rundveekeuringen en tentoonstellingen, door particuliere vereenigingen gehouden.
Bij elke tentoonstelling en keuring van een dezer vereeniifingen moet een lid der staatscommissie
lt;y o
aanwezig zijn, die zitting en stem heeft in de jury.
Art. 8.
De som, genoemd in art. 1 s kan door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewend worden voor prijzen bij gecombineerde tentoonstellingen van hengsten en stieren, afkomstig uit alle deelen des lands of een groot deel daarvan.
Indien deze tentoonstellingen niet gehouden worden, of indien het geheele uitgetrokken bedrag niet gebruikt wordt, kan de minister een som van hoogstens 2000 kronen besteden voor hoender- en bijententoonstellingen gehouden door vereenigingen die minstens 600 leden tellen.
Ter verkrijging dezer subsidiën moet de vereeniging minstens een even hoog bedrag uit eigen middelen voor hetzelfde doel geven.
In geval het bedrag, genoemd in art. 1 sui.s niet of slechts ten deele gebruikt wordt, zal het onge-
IOI
bruikte deel voor bovengenoemde doeleinden kunnen worden overgeschreven op art i suh. 4.
Art. 9.
Het bedrag, genoemd in art. 1 su/gt;. 4 kan door den Minister worden gebruikt ter ondersteuning van maatregelen genomen door vereenigingen die op andere wijze dan door het toekennen van prijzen aan de beste fokdieren, de teelt van huisdieren trachten te veredelen.
De minister zal die ondersteuning niet eerder geven dan na overtuigd te zijn door de verklaringen van landbouwvereenigingen en deskundigen, dat het doel dier vereenigingen in aanmerking komt om door den Staat gesubsidieerd te worden, zooals hengsten- en stierenassociaties; vereenigingen die proeven willen nemen met de teelt en de voeding van dieren; vereenigingen die uitstekende fokdieren koopen en stationeeren ; vereenigingen die door uitstekende verzorging een prachtige kudde hebben; ter subsidieering van particuliere landbouwconsulenten door vereenigingen aangesteld; ter subsidieering van stamboek-vereenigingen, enz.
De staatssubsidie in deze gevallen zal nooit hooger zijn dan de helft van het bedrag door de vereeniging zelve voor dat doel uitgegeven.
Art. 10.
De wet van 2 Juli 1880, zoowel als alle vroegere wetten in het belang der teelt van huisdieren genomen worden ingetrokken.
Deze wet treedt in werking op 1 April 1887.
102
Wet ter herziening van art. 9 der wet van 1 April 1887, gegeven door Z. M Koning Christaan IX. den Isten April 1893.
Art. i.
De som, genoemd in art. i svb. / van de wet van i April 1887 ter bevordering van de teelt van huisdieren, zal verhoogd worden tot 125.000 kronen.
Art. 2.
Art. 9 van genoemde wet zal als volgt gelezen worden:
Het bedrag genoemd in art. 1 sub. 4 kan door den Minister van Binnenlandsche Zaken op de volgende wijze worden gebruikt.
a. Ter ondersteuning van vereenigingen die zich paardenfokkerij ten doel stellen een bedrag van hoogsten 40.000 Kr.
b. Ter ondersteuning van veefokkerijvereenigingen een bedrag van hoogstens 60.000 Kr.
c. Ter subsidieering van landbouwconsulenten door particuliere vereenigingen aangesteld eene som van hoogstens 10.000 Kr.
d. Ter subsidieering van vereenigingen, die de teelt van huisdieren op andere wijze bevorderen dan door het toekennen van prijzen een bedrag van hoogstens 15.000 Kr.
Het geld, dat niet gebruikt wordt van het crediet, toegestaan in art. 1 jgt;. der wet van 1S87 en letter c van dit artikel voor het daar beschreven doel kan in hetzelfde jaar aangewend worden volgens letter d van dit artikel.
i03
Alleen die vereenigingen komen in aanmerking voor eene subsidie wier wijze van werken goed wordt bevonden door minstens eene landbouwver-eeniging, die voldoet aan art. 2 wet van 1887 en in dezelfde streek werkzaam is, of door het centraal bestuur dervereenigdevereenigingenineene provincie.
De aanvrage moet ingezonden worden door be-
O O
middeling van genoemd centraal bestuur, of waar er yeen is door bemiddeling eener landbouwver-
O O
eeniging.
De vereenigingen tot bevordering der paarden-en veefokkerij genoemd onder a en Z», die staatssubsidie verlangen moeten hare statuten doen goedkeuren door den Minister van Binnenlandsche Zaken. In de statuten der paardenfokkerijvereenigingen zal eene bepaling moeten voorkomen, die de merriën der leden aan strenge keuring onderwerpt. De minister is bevoegd een lid der jury te benoemen. Eveneens zullen de koeien van leden van veefok-kerijvereenigingen een scherp onderzoek moeten ondergaan en de stieren zoowel als de koeien onder veeartsenijkundig toezicht geplaatst moeten worden. De staatssubsidie wordt gegeven ten behoeve van een uitstekend mannelijk fokdier dat het eigendom der vereeniging is en dat een prijs heett behaald op eene districtskeuring of eene keuring gehouden door eene vereeniging volgens art. 2 wet van 1887,
Het bedrag der staatssubsidie voor hengsten is evenredig aan de waarde van het dier, met dien verstande dat jaarlijks gegeven wordt een achtste deel van de halve waarde, doch nooit meer dan 500 kronen.
De eene helft der staatssubsidie voor stieren wordt gelijkelijk over alle stieren verdeeld, de andere
i04
helft wordt verdeeld naar hunne waarde volgens een staat opgemaakt door het bestuur der vereenigde landbouwvereenigingen. De jaarlijksche bijdrage per stier mag niet boven 140 kr. of beneden 120 kr. gaan. Wat betreft het gebruik der staatssubsidie staan fokkerijvereenigingen onder toezicht van den minister van Binnenlandsche Zaken.
Indien eene vereeniging ontbonden wordt voordat het jaar verloopen is, waarvoor de staatssubsidie was gegeven, is de minister verplicht de subsidie voor het geheel of een evenredig deel terug te eischen.
De leden van het bestuur van zulk eene vereeniging zijn voor de terugbetaling hoofdelijk aansprakelijk.
Voor landbouwconsulenten, aangesteld door fok-vereenigingen, wordt de staatssubsidie, toegekend volgens letter c, in dier voege uitgekeerd, dat hen twee derden wordt uitgekeerd van het salaris, dat zij van de vereeniging krijgen.
De vereeniging moet jaarlijks door haar consulent een verslag doen opmaken volgens een model dooiden minister gegeven, waaruit de door hem verrichte
O O gt;
werkzaamheden kunnen nagegaan worden. Tevens is de vereeniging verplicht hem deel te doen nemen aan vergaderingen van staats-enbizondere consulenten door den minister samengeroepen.
Van de staatssubsidie vermeld onder letter d, kan geene vereeniging een hooger bedrag krijgen dan de helft van de som door de vereeniging voor gelijk doel uitgegeven, deze grens kan in sommige gevallen overschreden worden ten behoeve van het uitgeven van boeken over de verpleging en de teelt van huisdieren.
Art. 3.
Deze wet treedt in werking 1 April 1893.
Bijlage II.
Beslnit van Z. M. den Koning\', in dato den 12lt;|«n van Wintermaand 1809, houdende eene wet op de keur van stieren in het Koningrijk Holland.
Lodew^k Napoleon, door de gratie Gods in de constitutie des Koningrijks, Koning van Holland, Connétable van Frankrijk.
Het Wetgevend Lichaam goedgekeurd hebbende de voor-dragt, door Ons daartoe gedaan,
Hebben wij besloten en besluiten;
I.
Wordt gearresteerd de navolgende,
Wet op de keur van stieren in het Koningrijk Holland.
Art. i.
In alle departementen van het Koningrijk zullen reglementen omtrent de springstieren, en het keuren derzelve worden gemaakt, gewijzigd naar de plaatselijke behoeften in elk Departement, mits niet strijdende met de bepalingen dezer Wet ;
bij deze Reglementen zullen straffen en boeten op de overtreding derzelve worden vastgesteld; welke echter de boete en straffe, hierna bij het 5di; artikel dezer Wet vermeld, niet zullen mogen of kunnen te boven gaan.
Art. 2.
Er zullen zoovele gekeurde stieren gehouden, en
io6
over de bij bovengemelde Reglementen te bepalen Arrondissementen in elk Departement verdeeld worden, als noodig zal geoordeeld worden voor de behoeften der veehouders in elk Departement.
Art. 3.
In ieder Arrondissement zal, zoo mogelijk, ten minste een gekeurde springstier, boven de twee jaren oud, moeten voorhanden zijn; staande het evenwel vrij aan de stierenhouders, om benevens deze nog andere gekeurde springstieren, beneden den ouderdom aan te houden.
Art. 4.
Voor stierhouders worden diegene gerekend, welke de koeien van andere voor zeker dekgeld, in elk Departement te bepalen, door hunnen gekeurden stier laten dekken.
Art. 5.
Een eigenaar van een ongekeurden stier zal geen
vee van andere door denzelve laten dekken, tenzij
geen stierhouder binnen den afstand van één uur
moyt gevonden worden, op verbeurte van den stier
-lil
en eene boete van honderd guldens.
Zullende deze boete worden berekend één derde voor den aanklager, één derde voor den Officier, die de calange doet, en één derde voor den stierhouder van het Arrondissement.
io7
Art. 6.
Geene stieren ouder dan één jaar zullen mogen losloopen, als wel met een bord om den hals, of wel gespannen aan de pooten, zoodanig, dat hun het dekken der koeien, niet alleen, maar even zoozeer het overspringen van slooten, en het beklimmen van wallen volkomen belet zij ; doch zal tot het laten losloopen van zoodanige stieren door de hiertoe bevoegde magt vrijheid kunnen verleend worden, wanneer in sommige Departementen de omstandigheden en behoeften op enkele plaatsen zulks onvermijdelijk mochten maken.
Art. 7.
In zoodanige plaatsen, waar reeds reglementen of keuren op de springstieren gevonden worden, zullen dezelve in werking kunnen blijven, mits zij niet aanloopen tegen de Wet.
Art. 8.
De respectieve Officieren van Justitie en Politie worden gelast, de hand te houden aan de strikte handhaving dezer Wet.
Art. g.
De Koning kan dispensatie verleenen van een of meer dezer artikels, ten aanzien van zoodanige Arrondissementen, waar zulks noodig mocht geoordeeld worden.
io8
II.
Het tegenwoordig besluit zal worden gepubliceerd en in het Bulletin der Wetten geïnsereerd.
III.
Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie en Politie zijn belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit.
Gegeven te Parijs, den I2den van Wintermaand van het jaar 1809, en van Onze Regeering het vierde.
(get.) Lodezvijk.
De minister van Justitie en Politie.
(get.) Alex van Hugenpoth tot Aerdt.
INHOUD.
Bladz.
Inleiding..................................................5
Hoofdstuk I. Staatsbemoeiing betrekkelijk veefokkerij in Zwitserland . . 11
Hoofdstuk II. Staatsbemoeiing betrekkelijk veefokkerij in Baden, Beieren
en Wurtemberg.................40
Hoofdstuk III. De bemoeiingen der Nederlandsche Overheid in zake
de veefokkerij.................5°
Hoofdstuk IV. Maatregelen door de Nederlandsche Regeering in het belang
der veefokkerij te nemen.............61
Naschrift.........................91
Bijlage 1. Wetten van het Koninkrijk Denemarken van 1 April 1887 en
1 April 1893...................93
Bijlage II. Wet van 12 van Wintermaand 1809 voor het Koninkrijk Holland 105