. . :■..... I. lillik*
fi
——-
f
-: :
J
■ 0Mt
■ -
: m
I
1 I 1
\' M
4
Szj- /ca\'3
ONDERRICHTING
over de
IN NEDERLAND.
Met hisBchoppeUjke goedkeuring.
ROTTERDAM.
RICH. UEISBERMAN, fjrma h. t. HENDRIKSEN. 1896.
GOEDKEURING.
Gaarne hechten wij onze goedkeuring aan deze onderrichting. Bij het onderwijs der jeugd bevelen wij onze geestelijWieid deze onderrichting aan.
f GERARD US GUL,
aartsbisschop van Utrecht.
UTRECHT, 23 Juli ISftO.
-I- CASPARUS JOHANNES RINKEL,
bisschop van Haarlem.
HAARLEM, 25 Juli 1890.
t NICOLAÜS BARTHOLOMEUS PETRUS SPIT,
bisschop van Deventer.
ROTTERDAM, 27 Juli 18%.
ONDERRICHTING
OVER DE
GESCHlEOifilS DER KATHOLIEKE KERK IN NEDERLAND
EERSTE TIJDVAK. 696—1580.
EERSTE LES.
Invoering van het christendom in ons vaderland.
Reeds bijna zeven eeuwen had het christelijk geloof zijne zegeningen in een groot deel der wereld verspreid, toen onze voorouders nog zoo goed als onbekend waren met het evangelie. Menigeen had door aanraking met het romein-sche volk ongetwijfeld ervan gehoord, maar de vrijheidlievende Batavieren en Friezen schuwden dien godsdienst, door de Romeinen als een middel
4
gebezigd om aan de noordelijke volkeren Imn juk op te leggen. De kennismaking daarenboven met die kringen van het romeinsehe volk, waarmede onze voorouders als soldaten in aanraking kwamen, strekte evenmin om hen met eerbied voor den godsdienst te bezielen. De pogingen, door verschillende personen aangewend om onze voorouders voor het geloof te winnen, waren dan ook zoo goed als mislukt. Eerst aan Wille-brordus, die met elf medehelpers uit Engeland omstreeks het einde van de zevende eeuw naarquot; deze landen was overgestoken, gelukte het iets van blijvenden aard te stichten; daarom staat hij als de apostel dezer landen bekend. Deze Willebrordus (in 695 te Rome zijnde) werd door paus Sergius gewijd tot aartsbisschop van Utrecht. Na een vijftigjarigen arbeid stierf Willebrordus in 739, de jeugdige en veelbelovende kerk aanbevelende aan den heiligen Bonifacius, den ijverigen apostel vanDuitschland, die den 5 Juli 755 bij Dokkum in Friesland door de heidenen overvallen en gedood werd met een groot getal volgelingen.
5
1 Vr. Ami tvien is voornamelijk de vestiging van den clmstelijken godsdienst in ons vaderland te danken?
2 Vr. Zouden ome voorouders niet de minste kennis van dezen godsdienst vóór dien tijd gehad hebben?
3 Vr. Waarom zouden zij\'zoo weinig geneigd geweest zijn dezen godsdienst te omhelzen?
4 Vr. Wanneer, door tvien en waar is Wil-lebrordus tot aartsbisschop gewijd?
5 Vr. Hoe lang is hij hier werkzaam geweest en wanneer is hij gestorven?
6 Vr. Wat deed hij nog voor zijn dood ten bewijze van zijne zorg voor de kerk van Utrecht ?
7 Vr. Wie was Bonifacius?
8 Vr. Wanneer, waar en hoe is deze bisschop overleden ?
6
TWEEDE LES.
Toestand gedurende de middeleeuwen.
Na den dood van Bonifacius tot 15(31 heeft de kerk van Utrecht\' slechts bisschoppen aan haar hoofd gehad, die aan den aartsbisschop van Keulen als hun metropolitaan ondergeschikt waren. In den eersten tijd komen onder deze bisschoppen uitmuntende en heilige mannen voor, die vooral voor de opleiding der geestelijken veel zorg droegen. In later tijden waren er vele bisschoppen, die zich meer bekommerden om de wereldlijke rechten, aan hunne hooge waardigheid verbonden, dan om de geestelijke belangen des volks. Niettemin werkten verschillende oorzaken mede om in ons vaderland de kennis van en den eerbied voor den godsdienst te onderhouden. Voor een deel hangt dit samen met den landaard des volks, zich kenmerkende door ernst en gemoedelijkheid, anderdeels met de ontwikkeling der steden, die door handel en zeevaart tot een buitengewonen
7
trap van bloei en welvaart zich verhieven en wier rijke burgerij, door hare betrekkingen met andere landen, in kennis en wetenschap op elk gebied zich hoogelijk ontwikkelde. Verschillende kloosters, o. a. de beroemde abdij van Egmond, en scholen in de steden, o. a. de tot ver in het buitenland bekende utrechtsche school, waren kweekplaatsen van christelijke kennis. Onder het volk waren gedurende bijkans twee eeuwen de broeders des gemeenen levens werkzaam om door prediking des Woords en godsdienstig getint schoolonderwijs godsdienstkennis te verspreiden. Onder deze broeders, die in de voornaamste steden zich op het onderwijs toelegden, mogen Geert Groote (f 20 Aug. 1384) als de stichter van deze broederschap, en Thomas a Kempis (f 1471) als schrijver van het wereldberoemde boekje, genaamd: Navolging van Christus, met eere vermeld worden. Tot de uit deze scholen voortgekomen mannen behoort Erasmus, (geb. 1467, f 1536) een dei-laatste leerlingen, die, begaafd met groote talenten, door zijne veelvuldige reizen en kennis-
8
making met de geleerdste mannen van Europa veelzijdig ontwikkeld, zich een onsterfelijken naam verworven heeft door zijne geschriften.
1 Vr. Zijn na den dood van Bonifacius nog aartsbisschoppen aan het hoofd der utrechtsche kerk geweest?
2 Vr. Wien erkenden de bisschoppen van Utrecht als hun metropolitaan?
3 Vr. Van hoedanigen levenswandel waren de bisschoppen van Utrecht?
4 Vr. Gingen kennis van en liefde voorden godsdienst bij het volk geheel te niet ?
5 Vr. JVie hébben hiertoe veel bijgedragen?
6 Vr. Wie was Geert Groote?
7 Vr. Waardoor is Thomas a Kempis beroemd ?
8 Vr. Wc was Erasmus?
9
DERDE LES.
Vervolg.
In de eerste tijden werd de bisschop van Utrecht gekozen door de geestelijkheid, maar naarmate het bisdom Utrecht als leengoed van den duitschen keizer aanzienlijker werd, oefenden de vorsten meer invloed op de keuze uit. Om aan de bloedige twisten, waartoe zoodanige keus onder de vorsten dezer provinciën aanleiding gaf, een einde te maken, verklaarde Koenraad III, keizer van het roomsche rijk, bij acte van 18 Oct. 1145, door paus Eugenius III bekrachtigd, dat voortaan de verkiezing van een bisschop moest geschieden door het kapittel der kathedrale kerk van den heiligen Martin us.
Langzamerhand wisten de kapittelheeren der vier overige collegiale kerken van Utrecht hunne inmenging in de verkiezing door te zetten, zoodat al deze kapittelheeren, met die van St. Maarten te zamen het kapittel van Utrecht
io
vormende, den nieuwen bisseliop kozen. Sedert de twaalfde eeuw begonnen ook de pausen zich te mengen in de aanstelling van een bisschop. Dit gaf somtijds tot groote verdeeldheid aanleiding.
In 1528 deed bisschop Hendrik van Beieren afstand van zijne wereldlijke rechten als bisschop van Utrecht aan keizer Karei V. In 1559 werd door paus Paulus IV het bisdom van Utrecht gescheiden van het aartsbisdom Keulen en tot zelfstandig aartsbisdom verheven met vijf onder-hoorige bisdommen, nl. de bisdommen Haarlem, Middelburg, Deventer, Leeuwarden en Groningen. Als eerste aartsbisschop van het nieuwe aartsbisdom werd, op voorstel van Pilippus II, koning van Spanje, den 13 Nov. 1561 door het kapittel van Utrecht verkozen Frederik Schenck van Toutenburch, die den 25 Augustus 1580 overleed.
Onder het bestuur van dezen aartsbisschop brak de geest van verzet uit tegen de spaan-sche overheersching en wat men noemde: de pauselijke superstitiën. Dit gaf aanleiding tot de vestiging van de Republiek der Vereenigde
11
Nederlanden en van den Hervormden Godsdienst. Een groot gedeelte van de inwoners sloot zich bij de Hervorming aan en nam de goederen der katholieke kerken in beslag. Toch bleef een overgroot aantal den katholieken godsdienst getrouw, zoodat de getalsterkte tusschen katholieken en hervormden op het platteland soms gelijk stond. Zooveel de tijdsomstandigheden dit gedoogden, werden deze geloovigen door priesters bestuurd. De kerkelijke hiërarchie is dan ook niet onderbroken, en de kerk van Nederland zelve nooit geheel vernietigd.
Als nationale kerk bezit zij derhalve onvervreemdbare rechten, waardoor zij gemachtigd is al zoodanige maatregelen te némen, die haar voortbestaan bestendigen.
1 Vr. Hoe werden in de eerste tijden de bisschoppen van Utrecht gekozen ?
2 Vr. Welke wijzigingen onderging deze verkiezing in den loop der tijden ?
3 Vr. Wie is na de nieuwe regeling de eerste aartsbisschop van Utrecht geweest ?
12
4 Vr. JFat gebeurde onder zijn bestuur?
5 Vr. Is toen de katholieke kerk van Nederland geheel vernietigd?
6 Vr. Heeft zij bij het verlies van haar tijdelijke goederen ook tevens hare rechten verloren ?
TWEEDE TIJDVAK. 1580-1700.
VIERDE LES.
Toestand na de Hervorming.
Na den dood van den aartsbisschop Schenck trad Johannes van Bruheze, deken van het metropolitaansch kapittel, op als vicaris-generaal. Daar deze echter genoodzaakt werd buitenslands te verblijven, droeg hij in 1583 de plichten van zijn ambt over aan Sasbold Vosmeer. Vosmeer, die door sommigen niet erkend werd of tegenkanting ondervond, werd in 1590 door
13
den Nuntius, krachtens pauselijk gezag, in de waardigheid van vicaris-generaal bevestigd, met bevel, dat allen hem gehoorzamen zouden gelijk zij jegens den aartsbisschop verplicht waren. In deze waardigheid werd Vosmeer in 1603 bekrachtigd door eene breve van Clemens VIII. Volgens de kerkelijke rechtsregelen bleef dus het wettig gezag voortbestaan in Sasbold Vosmeer, die in 1602, op voorstel van den aartshertog Albertus, als landheer dezer provinciën, en op bevel van den paus, gewijd werd tot aartsbisschop, op den titel van de kerk van Efeze, maar in werkelijkheid om de kerk van Utrecht te besturen.
In de laatste levensjaren van Vosmeer (f 1614) was het de wensch der geestelijkheid hem een medehelper ter zijde te stellen.
Van haar kant werd o. a. aangewezen Pilip-pus Rovenius, die door Vosmeer werd goedgekeurd en door den aartshertog Albertus, als ook door Paulus V als vicaris-generaal bevestigd werd. Om redenen van staatkunde bleef de wijding van Rovenius uitgesteld tot 1620.
14
Een van de belangrijkste daden van Rove* nius was de oprichting van het Vicariaat in het jaar 1633.
Ziende, 1°. dat de kapittels van Utrecht door den invloed der landsregeering meer en meer met wereldlijke cn protestantsch gezinde personen werden aangevuld, en dat in 1622 zelfs de toelating van katholieken in de ledigvallende plaatsen geheel en al verboden werd, zoodat deze kapittels geheel zouden te niet gaan; ziende ook, 2°. dat door sommige personen pogingen werden aangewend om het zelfstandig bestaan der kerk van Utrecht te vernietigen en haar geheel afhankelijk te maken van het Hof van Rome, heeft Rovenius a. uit enkele kapittel-heeren, die nog in het bezit hunner waardigheid erkend werden en toegang hadden tot de vergaderingen der kapittels; h. alsmede uit kapittelheeren, die door Sasbold of Rovenius zeiven, krachtens bevoegdheid hun door den paus hiertoe verleend, tot kanunnik benoemd waren, ofschoon niet als zoodanig door den Staat erkend; c. en uit eenige voorname gees-
15
telijken een college ingesteld onder den naam van Vicariaat, waarvan het bestaan door Ro-venius ter kennisse van de kerk van Utrecht gebracht is met bevel om dit lichaam te erkennen en te gehoorzamen, als vormende met den bisschop het wettig gezag voor het aartsbisdom Utrecht. Dit Vicariaat is door alle latere apostolische vicarissen bevestigd in het bezit van rechten als metropolitaansch kapittel, en is door aanvulling van plaatsen tot heden blijven voortbestaan.
Dit lichaam beeft dus te waken voor de verdediging van de rechten, welke iedere nationale kerk krachtens goddelijke en kerkelijke wetten bezit.
1 Vr. Op welke wijze werd na den dood van den aartsbisschop Schenck in het bestuur der kerk voorzien?
2 Vr. Wie was de opvolger van Sasbold Vosmeer?
3 Vr. Welh\' belangrijke daad heeft Bovenin s i er richt?
16
4 Vr. Wai is het vicariaat?
5 Vr. Welke zijn zijne plichten?
VIJFDE LES.
Vervolg,
Aan Rovenius werd tijdens zijn leven, met goedkeuring der geestelijkheid, als coadjutor ter zijde gesteld. Jacobus de la Torre (f 16 Sept. 1661).
Toen deze aartsbisschop te Rome vertoefde in 1656, werd hem zonder voorkennis der geestelijkheid door den paus eigenmachtig tot coadjutor opgedrongen Zacharias de Metz (t 13 Juli 1661).
De wensch der geestelijkheid was reeds in 1656, dat Johannes van Neercassel aan de zijde van de la Torre mocht staan. Bij vernieuwing van dezen wensch na den dood van de Metz besliste de paus, toen een maand later ook de la Torre overleden was, dat Balduinus Cats
17
tot aartsbisschop zou gewijd worden met Neer-cassel als coadjutor met recht van opvolging. Gelijktijdig werden beide mannen gewijd. Toen Oats den 18 Mei 1663 overleed, volgde Neer-cassel hem op.
Onder het bestuur van dezen bisschop bloeide de katholieke kerk en mocht zij zich verheugen in grooter vrijheid dan ooit te voren. Zeer betreurd overleed Neercassel 6 Juni 1686.
Reeds tijdens zijn leven had Neercassel te Rome onderhandeld over een opvolger. Deze onderhandelingen bleven slepende en dit nog meer na den dood des bisschops. Eindelijk werd Petrus Codde 6 Februari 1689 tot aartsbisschop van Sebaste gewijd.
Deze werd in 1700 naar Rome ontboden en daar zijnde beschuldigd van Jansenisme. Terwijl Codde verzocht, dat zijne zaak volgens rechten zou behandeld worden, werd in 1702 een pauselijk bevelschrift naar Nederland gezonden, waarin verklaard werd, dat Petrus Codde om rechtvaardige en gewichtige redenen vervallen was van zijne waardigheid, en Theodorus de Cock
2
18
als pauselijk vicaris in zijne plaats was benoemd.
Dit feit is oorzaak van de verdeeldheid onder de katholieken in Nederland. Een deel schaarde zich rondom den onwettig veroordeelden aartsbisschop ; een ander deel voegde zich naar den pauselijken wil.
Ter onderscheiding van dit laatste deel noemt zich het eerste: de oud-katholieke kerk.
Terwijl het laatste zich onderwerpt aan de willekeur van den paus, strijdt de oud-katholieke kerk volgens plicht voor wat recht is en verzet zich tegen de dwalingen, die een machtige partij in de katholieke kerk in verloop van tijd den geloovigen opdringt.
1 Vr. Wie was de opvolger van Rovenius ?
2 Vr. Wat geschiedde onder het bestuur van de la Torre?
3 Vr. Wie volgde na diens dood?
4 Vr. Welke vruchten bracht het bestuur van Neercassel ?
5 Vr. Wie was zijn opvolger?
6 Vr. Waf geschiedde wet dezen?
19
7 Vr. IVdl heeft dit feit teweeggebracht?
8 Vr. Waarvoor strijdt de oud-katholieke kerk ?
ZESDE LES.
Jezuïtisme.
Om het onderscheid tusschen roomsch-katholiek en oud-katholiek duidelijker te doen uitkomen, moeten wij over eenige zaken uitvoeriger spreken en wel over: Jezuïtisme en Jansenisme.
De jezuïeten zijn een geestelijke orde, door een spaansch edelman, Ignatius van Loyola, in 1540 opgericht. Door het lezen van ridderromans, terwijl hij gewond ziek lag, rijpte bij hem het denkbeeld om eene orde van geestelijke ridders te stichten, die voor de eer van de heilige maagd Maria tegen hare vijanden zouden strijden. Te Rome met eenige vrienden saamgekomen werden zij door Paulus III als orde goedgekeurd. Deze paus werd hier-
20
toe bewogen door de volgende redenen. In zijne dagen gingen vele stemmen op, die aandrongen op hervorming van de kerk in hoofd en leden. Hoe noodzakelijk eene zoodanige hervorming was, blijkt uit den grooten afval dier dagen. Paulus III nu meende in deze nieuwe orde, die bovendien door de gelofte van gehoorzaamheid aan den paus zich te zijner beschikking stelde, een middel te hebben om èn den afval van de katholieke kerk tot het protestantisme tegen te houden, èn de gebreken in de katholieke kerk te verbeteren.
De orde der jezuïeten is echter niet tot zegen voor de katholieke kerk geweest. Het oordeel der theologische faculteit van de Universiteit van Parijs uit het jaar 1554, dat deze orde meer tot omverwerping dan tot opbouw dei-kerk was, is te allen tijde bevestigd.
Om den geest dezer orde goed te begrijpen moet men niet zoozeer acht geven op uitingen van enkele personen als wel op de leidende gedachte, die het geheel der daden van deze orde bestuurt. Hoogmoed is haar onderscheidende karakter-
21
trek. Deze geest spreekt uit al haar doen en laten. Zij, ingenomen als zij is met zichzelve, beschouwt zich als eenige draagster van hetgeen Jezus Christus is, die de gansche wereld hoeren moet. Alle volksvrijheid wordt door haar gedood en het lichaam van Christus d. i. zijne kerk moet ah een lijk zich voegen naaide orde, in wie de geest en het gezag van Jezus Christus zijn.
a. Zij is begonnen met de vrijheid van den menschelijken wil tegenover het knechtschap en hot verkocht zijn aan de zonde (de leer der protestanten) te veel op den voorgrond te stellen, zoodat zij 1° onder de beschuldiging ligt van Pelagianisme, dat de behoefte aan de genade Gods betwist, waardoor de godsdienst tot in den grond wordt aangetast.
h. Het gevolg van eene leer, dat de mensch zich bekeeren kan, wanneer hij slechts wil, is, dat zedelijke afdwalingen minder worden geschroomd. Deze orde ligt dan 2° onder de beschuldiging van een ruime zedenleer te huldigen en door de waarschijnlijkheidsleer en
22
filosofische zonde (probabilitas en peccatitm phi-losophicum) snoode daden te verontschuldigen.
c. Deze afdwalingen van de strenge zedenleer der evangeliën hebben tot gevolg, dat de sacramenten grootelijks ontheiligd worden. Wie slechts gebiecht heeft bijv. is bevrijd van zonden en terstond gerechtigd tot het ontvangen der sacramenten.
d. Omdat het menschelijk geweten toch nog te veel natuurlijk besef heeft van de grootheid der zonde en de heiligheid der sacramenten, wordt het knagend geweten gestild door allerlei uitwendige godsdienstige verrichtingen; broederschappen, medailles, opneming in geestelijke orden, enz. De leekenstand staat over het algemeen op een laag peil van godsdienstige ontwikkeling en wordt bezig gehouden door uitwendige plechtigheden van allerlei soort.
e. Ten einde dezen stand van zaken te be-heerschen, is de opleiding der geestelijken een africhting, waarbij elke uiting van eene van de orde afwijkende meening onderdrukt wordt. De stipte toepassing van dit stelsel heeft de gan-
23
sche geestelijkheid van eiken rang gemaakt tot een werktuig, dat zelf willoos zich geheel laat leiden door den paus van Eome.
f. In het hoofd van den paus denkt God; in zijne handen berust alle macht in hemel en op aarde. Aan dien plaatsbekleeder van Jezus moeten allen blindelings gehoorzamen. Zijne uitspraak is onfeilbaar.
g. Uit de volheid zijner macht deelt hij naar welbehagen uit aan alle rangen der hiërarchie ; en omdat hij de plaatsbekleeder van God is, moeten alle wereldsche machten zijn geestelijk koningschap eerbiedigen, eigenlijk gehoorzamen.
Dit stelsel is \'t wat men in de katholieke kerk aanduidt onder de benaming van Jezuïtisme.
1 Vr. Wat is de jezu\'ieten-orde?
2 Vr. Is deze orde aan de katholieke kerk ten zegen geweest?
3 Vr. Welk is haar hoofdkenmerk?
4 Vr. Wat is haar stelsel blijkens de geschiedenis?
24
ZEVENDE LES.
Jansenisme.
Van den aanvang af dat de orde dei-jezuïeten optrad, zijn er mannen opgestaan, die zich krachtig verzetten tegen den geest en het streven der orde. Melchior Canus, hoogleeraar in de godgeleerdheid te Salamanca, durfde zoowel in zijne gesprekken als in zijne lessen op de nieuwe orde toepassen de voorspelling van den apostel Paulus in zijn tweeden brief aan Timotheüs, derde hoofdstuk. Verschillende universiteiten geraakten met haar in strijd. Bajus, professor te Leuven, was reeds tijdens de kerkvergadering van Trente met godgeleerden der orde in strijd over genade en vrijen wil.
Molina beproefde (1588) in een boek aan te toonen, hoe het naar zijn gevoelen mogelijk is, de genade en den vrijen wil in overeenstemming te brengen. Zijne verklaring hiervan is door de orde te allen tijde als haar gevoelen verde-
25
digd. Naar den vader van dit stelsel wordt deze leer genoemd; het Molinisme.
Tegen dit Molinisme verklaarde zich krachtig de orde der dominicanen. Dit gaf aanleiding tot langdurige beraadslagingen te Eome van 1598 tot 1606. De jezuïeten wisten tijd te winnen en hun gevoelen te doen voorkomen als eene Ideologische meening, die aangehangen mocht worden, omdat het gevoelen der katholieke kerk in deze zaak volgens de orde twijfelachtig, althans niet bepaald uitgesproken was. Door aanwending van allerlei onduidelijke uitdrukkingen verzachtten de jezuïeten dc stuitende scherpte van hun stelsel, en de orde der dominicanen poogde van haar kant eveneens de katholieke leer zoo af te ronden, dat zij eenigszins paste in het raam van het Molinisme. Zoo was er vrede tusschen beide orden ten koste van de waarheid.
Bovendien had de orde der jezuïeten nog een groot voordeel aan haar kant. In plaats van strijd te moeten voeren met een vast aanééngesloten, met één geest bezielde partij,
26
die ze behendig bad weten te verbreken, bad zij van nu aan slechts strijd te voeren tegen op zichzelf staande personen, die de leer der katholieke kerk omtrent genade en vrijen wil tegen het Molinisme verdedigden.
Een zoodanig persoon was Cornelius Janse-nius, hoogleeraar te Leuven, gestorven als bisschop van Yperen in 1638. De naam van dezen man heeft den jezuïeten aanleiding gegeven om al wie in de katholieke kerk, waar ter wereld ook, zich aankant tegen hetgeen uitgaat van of behoort aan de orde, te doodverven met den naam Jansenist. Als natuurlijk gevolg van bun boogmoedigen waan, dat zij, jezuïeten, de kerk uitmaken, is alwie tegen hen is buiten de kei-k, een ketter, een scheurmaker.
1 Vr. Zijn er geen mannen en vereenigingen geweest, die zich tegen de orde verzetten ?
2 Vr. JFaf deed Molina?
3 Vr. Welke orde verzette zich tegen dit Molinisme?
4 Vr. Wat deden ten laatste heide orden?
27
5 Vr. Welk voordeel hadden de jezmetennog?
6 Vr. Wie was Jansenius?
7 Vr. Vanwaar komt de naam jansenist?
8 Vr. Wat wil de orde hiermee te kennen geven ?
ACHTSTE LES.
Formulier van Alexander VIL.
Cornelius Jansenius, in 1585 te Leerdam geboren, bezocht de Hoogeschool van Leuven. Ook hij hield zich met het groote geschilpunt dier dagen, genade en vrije wil, bezig en bestudeerde het in den grond, vooral na zijne kennismaking met du Verger de Hauranne, later abt van St. Cyran. ïe zamen zetten zij hunne studiën voort in de werken der kerkvaders, vooral in die van Augustinus. Jansenius, na zich als \'t ware zijn gansche leven met het onderzoek van dit geschilpunt te hebben bezig gehouden, legde de uitkomsten van zijne studie neder in een
28
groot werk, waaraan hij den titel Aiijustinus gaf en dat na zijn dood in het licht verscheen.
In dit boek wordt de leer, door de orde der jezuïeten voorgestaan, als pelagiaansch aangewezen. Hierbij kwam nog eene veete, welke de orde tegen den persoon van Jansenius had ; dit was een reden te meer om zijn boek te veroor-deelen. Cornet, een ex-jezuïet, ontdekte in het boek van Jansenius vijf stellingen en pater Annat durfde verzekeren, dat die vijf stellingen er woordelijk in stonden. Daar het echter moeielijk viel de plaats, waar zij stonden in het boek aan te geven, redde men zich met te zeggen, dat die vijf stellingen de leer van Jansenius in het kort wedergaven. Kortom, de orde wist in 1656 den paus Alexander VII te bewegen om een formulier uit te vaardigen, dat door alle bisschoppen, geestelijken, en zelfs door nonnen moest onderteekend worden. Het luidt aldus: „Ik onderwerp mij aan de constitutie van Innocentius X van 31 Mei 1653 en die van Alexander VH van 16 Oct. 1656 en verdoem oprecht de vijf
29
stellingen, getrokken uit het boek van Jansenius, getiteld Augustinus, en in den zin van den schrijver, zooals de heilige apostolische Stoel die gedoemd heeft. Dit zweer ik. Zoo helpe mij God en zijne heilige evangeliën.quot;
Dit formulier geeft aanleiding tot het stellen van zooveel vragen, waardoor het afleggen van een eed niet slechts het voorkomen heeft van lichtvaardigheid maar zelfs van leugen, dat eene menigte van geestelijken, meer bekend als de school van Port-lioyal, weigerde het te onderteekenen. Tot straf hiervoor werden allen als „Jansenisten\' gebrandmerkt.
1 Vr. Waarmede hield Jansenius zich vooral bezig ?
2 Vr. Welk werk is door hem geschreven ?
3 Vr. Wat wordt in dit werk te kennen ge
geven ?
4 Vr. Hoe gedroeg zich de orde hieiiegenover?
5 Vr. Waartoe bewogen zij den paus?
6 Vr. Hoe luidt dit formulier?
30
7 Vr. Hoe werd dit formulier ontvangen?
8 Vr. Wat geschiedde aan deze mannen?
NEGENDE LES.
School van Fort-Eoi/al.
Port-Eoyal was een nonnenklooster in de omstreken van Parijs, waarin door de abdis, genaamd de eerwaarde moeder Marie Angélique Arnanld, eene hervorming van het. kloosterleven overeenkomstig de regelen van haar orde werd tot stand gebracht. Bij dit klooster verzamelden zich eenige Heeren, geestelijken en leeken, zich bezighoudende met studie, gebed, en werken van godvruchtigheid. De roep van dit klooster en zijne bewoners ging door het gansche land, niet het minst door de uitgaven van verschillende werken, waarin de oefening van het christelijk leven naar de beginselen des evangelies op den voorgrond gesteld werd.
. Al deze personen nu, ofschoon niet bepaald door banden aan elkander vereenigd, doch die
31
ieder op zijne wijze opkwamen tegen de ruime zedenleer der jezuïeten en tegen hun streven, om alle macht te leggen in handen van den paus, noemt men de school van Port-Royal.
De orde der jezuïeten stond hiertegenover zeer vijandig. Zij heeft de samenwoning dier heeren van Port-Eoyal als staatsgevaarlijk bij den koning weten voor te stellen. Tengevolge hiervan werden deze heeren op koninklijk bevel uiteengejaagd, en hoofdzakelijk om hen als ketters te kunnen brandmerken is het formulier in de wereld gezonden. Eindelijk zijn ook de zusters uiteengedreven en is het klooster in 1709 met den grond gelijk gemaakt.
Ofschoon gekweld op allerlei manier heeft deze school van Port-Royal stand gehouden en eene menigte van boeken over allerlei godsdienstige onderwerpen uitgegeven. Om slechts één zoodanig werk te noemen, omdat dit aanleiding gegeven heeft tot eene groote beroering, vermelden wij de Zedelijke hemerkingen op het nieuwe Testament door Paschasius Quesnel, priester van het Orator ie.
32
1 Vr. Wat was het klooster Porl-Royal?
2 Vr. Wat bedoelt men met dc school
van Port-Royal?
3 Vr. Hoe gedroeg zich de orde tegenover
deze school?
4 Vr. Wat geschiedde aan het klooster zelf?
5 Vr. Gehikte het aan de orde deze school
ten onder te brengen?
6 Vr. Wat is de katholieke kerk aan haar
verschuldigd ?
7 Vr. Welk boek vooral is aanleiding geworden tot eene groote beroering?
TIENDE LES.
De Bul Unigenitus.
Deze Zedelijke bemerkingen verschenen omstreeks 1685 met goedkeuring van vele bisschoppen in het licht. Alom werd het boek met gretigheid ontvangen, zoodat men den ouden ijver der geloovigen voor de lezing en over-
33
denking der heilige schriften vernieuwd zag. De uitgevers konden ternauwernood aan de aanvraag voldoen. Elkeen had slechts lof voor het boek, behalve de orde der jezuïeten, die zich er tegen verklaarde meer om kerkehjk-staatkundige redenen dan omdat er in het boek onkatholieke stellingen te vinden zouden geweest zijn. In den aanvang der achttiende eeuw werd de orde geweldig in het nauw gebracht. Zij werd beschuldigd, en die beschuldiging werd door feiten gestaafd, dat zij in China en Japan de afgoderij en heidensche misbruiken aan zoogenaamde bekeerlingen veroorloofde; ook vele andere minder eervolle dingen werden terzelfder tijde aan het licht gebracht. Om nu de aandacht van zich af te leiden en de katholieke wereld te noodzaken zich met andere onderwerpen bezig te houden, anderdeels ook om door een geweldigen aanval de tegenstanders op eenmaal te verpletteren en haar stelsel in geheel zijn omvang te doen zegevieren, bracht zij het boek van Quesnel in beschuldiging te Rome. Het gevolg hiervan was, dat Clemens XI in 1713 een
3
34
bul uitgaf, naar het beginwoord Unigemtus genoemd, waarin honderd en een stellingen uit het boek van Quesnel opgenoemd worden en veroordeeld onder algemeene bewoordingen. Deze bul moest door iedereen aangenomen worden, of de toorn van koning en paus en van de orde was op hem. Steunende op de onverschilligheid van velen, hopende dat bij zeer veel anderen, dank zij hunne in jezuïetischen geest geleide opvoeding, de uitspraak van een onfeilbaren paus de zaak zou uitmaken, sterk nog door haar invloed bij de voornaamste hoven van Europa, hoopte de orde deze bul te doen doorgaan als een uitspraak der kerk en zoodoende de jezuïe-tische gevoelens alom te doen zegenvieren.
Bisschoppen, priesters, geleerden, universiteiten, alles verhief zich tegen deze bul of beriep zich op de uitspraak der in een vrij en algemeen concilie vergaderende kerk. Dewijl echter deze tegenstanders niet vast aaneenge-i sloten waren en ieder, in plaats van naar een vast plan en naar bepaalde leiding te handelen, den strijd voor zichzelven voerde, viel het der
35
orde door de middelen, waarover zij beschikte, niet moeiehjk menigeen tot zwijgen te brengen, langzamerhand het terrein te winnen en het meer en meer den schijn te doen geven, alsof deze bul de regel des geloofs van de katholieke kerk uitmaakte.
1 Vr. Maakte het hoek van Quesnel opgang?
2 Vr. Hoe gedroeg zich de orde tegenover dit hoek?
3 Vr. Wat heivoog haar om dit hoek te doen veroordeelen ?
4 Vr. Wie heeft het hoek veroordeeld?
5 Vr. Wat geheurde met degenen, die deze hul niet aannamen?
6 Vr. Wat heoogde de orde met de veroordeeling ?
7 Vr. Was er geen tegenstand?
8 Vr. Wat was het gehrek hij deze tegenstanders?
9 Vr. Wat wil de orde met deze hul doen voorkomm?
36
ELFDE LES.
De katholieke kerk in Nederland.
De strijd onder de katliolieken in Nederland loopt dus hierover:
1. dat de oud-katholieke kerk, onwettig achtende de afzetting van den aartsbisschop Codde en appèl aangeteekend hebbende van dit vonnis bij de hoogste kerkelijke rechtbank, staande houdt a het voortbestaan der katholieke kerk alhier na de Hervorming en h het recht van eigen bestuur als nationale kerk, onafhankelijk van de kerk van Rome.
2. dat de oud-katholieke kerk gewetenshalve weigert het formulier van Alexander VII te onderteekenen, zonder in eenige onderscheiding van recht en feit te treden.
3. dat de oud-katholieke kerk onvoorwaardelijk de bul Unigenitm verwerpt en luide de stem, volgens plicht, opheft tegen alle pogingen om het stelsel der jezuïeten in geheel zijn
37
omvang voor te stellen als het gevoelen der katholieke kerk.
1 Vr. Waarover loopt de strijd tusschen de katholieken in Nederland?
2 Vr. Aan welke zijde moet ieder katholiek zich voegen?
3 Vr. Welke redenen hctvegen hiertoe?
DERDE TIJDVAK. 1700-1896.
TWAALFDE LES.
Rome en Utrecht.
De tijding van de afzetting van den aartsbisschop Codde door Clemens XI, op niet aangegeven maar aan alle verdenking plaats latende gronden, bracht verwondering en verslagenheid teweeg; slechts enkelen, die zich aangesloten hadden bij de bewerkers van deze daad, ver-hengden zich.
38
Namens de geestelijkheid werden de beste getuigenissen aangaande den bisschop te Rome ingediend; het Vicai-iaat bezigde smeekbeden en protesten, doch alles tevergeefs. Eome trad niet terug en ging voort in de scheuring, die ze veroorzaakt had. Eome wist maar al te goed, dat de tijd langzamerhand velen doet zwijgen ; dat anderen aangelokt of bevreesd gemaakt van handelwijze veranderen ; dat genen onverschillig zijn, dezen blind ingenomen met al wat uit Rome komt ; dat zij dus ten laatste het veld zou behouden en de tegenkanting vernietigen.
Zoo was dan ook reeds in 1720 de verhouding. Het grootste aantal voegde zich naar Rome; weinigen bleven getrouw aan hunne beginselen en aan het wettig gevestigde bestuur des kapittels. De dood deed het aantal geestelijken, die getrouw aan bisschop Codde waren gebleven, slinken; geestelijken werden niet gewijd, omdat bisschop Codde om vredeswille zijne bediening niet uitoefende. Van den anderen kant werd geen poging verzuimd om de openvallende pasto-riën in bezit te nemen en de gemeenten om te
39
zetten. De nuntius dreigde hier, lokte daar, alles om het zoogenaamde Jansenisme te vernietigen.
1 Vr. JFat bracht de tijding van Codde\'s afzetting teweeg?
2 Vr. Wat deden geestelijkheid en Vicariaat?
3 Vr. Wal deed Rome?
i Vr. Hoe was de stand der partijen in 1720 ? 5 Vr. Wat is daarvan de oorzaak?
DERTIENDE LES.
Utrecht.
Na den dood van bisschop Codde (1710) ging het Vicariaat voort de kerk te besturen door de vicarissen, die door Codde wai*en aangesteld.
Het kapittel van Haarlem nam het dwaas besluit om zijne plichten van bestuur niet uit te oefenen, terwijl het door geregelde verkiezing van nieuwe leden zijn werkeloos bestaan voortzette.
40
Het Vicariaat zond verzoekschrift op verzoekschrift naar Rome met aanbod zelfs om ,zicb te onderwerpen aan de uitspraak van een scheidsgerecht, voor hetwelk de zaak zou worden behandeld. Verder teekende het appèl aan van het pauselijk vonnis bij een algemeen concilie, en vroeg raad bij de geleerdste mannen der katholieke kerk. Nadat deze mannen kennis genomen hadden van de zaak, oordeelden zij;
1°. dat de katholieke kerk in Nederland na de Hervorming niet tot een missie vervallen was, maar was blijven voortbestaan in een groot aantal leeken onder bestuur van wettige hoofden;
2°. dat het Vicariaat van Utrecht het wettig gevestigde kerkbestuur van het aartsbisdom Utrecht vormde;
3°. dat dit bestuur, in rechten gelijkstaande aan een kathedraal kapittel, zijne rechten als zoodanig kon en om het welzijn der kerk moest uitoefenen.
41
Volgens goddelijke en kerkelijke wetten moet een bisschop staan aan liet hoofd der kerk. Tot de keus van zoodanig eeu bisschop kon het Vicariaat als vertegenwoordiger van geestelijkheid en volk overgaan en moest het overgaan, ook tegen den wil van Rome, wier onrechtvaardig banvonnis geen bindende kracht heeft.
Na langdurige aarzeling en na nogmaals den weg van minnelijke schikking tevergeefs te hebben ingeslagen, ging het Vicariaat in 1723 over tot de keus van een bisschop. De keus viel op Cornelius Steenhoven, die in 1724 dooiden bisschop Dominicus Maria Variet tot aartsbisschop gewijd werd. Deze moedige en tot dusver nog door geen nationale kerk gewaagde stap, heeft het voortbestaan der oud-katholieke kerk in Nederland verzekerd.
1 Vr. Wat deed na de afzetting van Codde het Vicariaat?
2 Vr. Wat deed het kapittel van Haarlem?
42
3 Vr. Zijn geen slappen tot oplossing van de geschillen van de zijde der kerk van Utrecht gedaan?
4 Vr. Beriep zij zich niet op een hoogere rechtbank ?
5 Vr. Ging ze niet te rade hij geleerde mannen ?
6 Vr. Welk antwoord werd door hen gegeven ?
7 Vr. Wat deed het Vicariaat ten laatste?
VEERTIENDE LES.
Utrecht. (Vervolg.)
Na den dood vanSteenhoven(1725)isdeopvol-ging der aartsbisschoppen van Utrecht alzoo :
Cornelius Barchman Wuytiers t 1733
Theodoras van der Croon t 1739
Petrus Johannes Meindaarts t 1767 Gualtherus Michaël van Nieuwenhuizen f 1797
Johannes Jacobus van Rhijn t 1808
Willebrordus van Os t 1825
Johannes van Santen t 1858
43
Henricus Loos Joli.innes Heijkatnp Gerardus Gul.
Het bezit van één bisschop stelde de opvolging in groot gevaar, weshalve men er op nit was een of meer van de openstaande zetels te vervullen.
Toen nu het kapittel van Haarlem zijne plichten verzuimde, hebben eerst het kapittel van Utrecht en vervolgens de aartsbisschoppen, volgens het recht van overgang, vicarissen voor het bisdom Haarlem benoemd. Deze benoemingen zijn steeds volgens de wet aan het zijn plicht verzuimende kapittel beteekend.
Ten einde het voortbestaan dezer kerk en de opvolging voor Nederland meer te verzekeren, werd door den aartsbisschop, na gedane sommatie aan het kapittel, zoolang dit bestaan heeft, om tot de keus van een bisschop over te gaan, volgens recht van overgang een bisschop van Haarlem benoemd.
Als zoodanig zijn geweest:
Hieronymus de Bock f 1744
t 1873 t 1892
44
Johannes van Stiphout Johannes Broekman Johannes Nieuwenhuis Johannes Bon
Henricus Johannes van Buul Lambertus de Jong
Casparus Johannes Rinkel.
Sedert het kapittel van Haarlem door paus Pius IX in het jaar 1854 opgeheven is, zonder dat het kapittel zich daartegen verzet heeft, moet dit beschouwd worden als vernietigd. Zijne rechten zijn dus wedergekeerd tot het lichaam, welks vertegenwoordiger het kapittel is. De geestelijkheid heeft dus recht tot de bisschopskeuze. Slechts wanneer zij haar plicht verzuimt, mag de metropolitaan volgens recht van overgang optreden.
In de overige bisdommen oefenden de aartsbisschoppen het gezag uit, dewijl een geregeld bestuur was te niet gegaan. Tot meerdere verzekering der opvolging van bisschoppen, werd in 1758 besloten tot de aanstelling van een derden bisschop nl. van Deventer.
t 1777 t 1800 t 1810 t 1841 t 1862 t 1867
45
|
Als zoodanig zijn geweest : | ||||||||||||||||||
|
Nicolaus Bartholomeus Petras Spit.
Verschillende pogingen zijn nog gedaan om de eenheid onder de katholieken te herstellen, doch die leden immer schipbreuk op de onaannemelijke eischen van Rome. 1743, 1771, 1825.
1 Vr. Boe was de opvolging der aartsbisschoppen ?
2 Vr. Was het bezit van één bisschop raadzaam met het oog op de opvolging?
3 Vr. Wat had het kapittel van Haarlem moeten doen?
4 Vr. Wat deed de aartsbisschop, toen dit kapittel zijn plicht verzuimde?
5 Vr. Hoe teas de opvolging der bisschoppen van Haarlem?
46
6 Vr. Welke verandering heeft ie vernieti-gingèverhlaring van het kapittel van Haarlem door paus Pius IX in de verkiezing van een bisschop teweeggebracht ?
7 Vr. Hoe werd het gezag uitgeoefend, in de andere bisdommen?
8 Vr. Welke bisschoppen van Deventer zijn er geiveest?
9 Vr. Heeft men nooit pogingen tot hereeni-ging beproefd?
VIJFTIENDE LES.
Rome.
Terwijl het Hof van Rome doof gebleven was voor alle verzoeken om beslechting van de zaak der utrechtsche kerk, antwoordde het op de kennisgeving van de wijding des aarts-bisschops in 1724 met een banvonnis, dat alom in den lande verspreid werd, doch niet aan den aartsbisschop naar rechtsgebruik beteekend en om verscheidene redenen ongeldig was.
47
Zoodanige banvonnissen werden vernieuwd telkenmale als eene wijding geschied en het feit ter kennis van den heiligen stoel gebracht was. Want uit eerbied voor den paus ging de oud-katholieke kerk immer verder dan waartoe zij rechtens gehouden was. Zij vroeg altijd de bevestiging der keus aan den paus, zonder ooit antwoord te ontvangen.
De aan Rome zich gebonden overgevende partij der katholieken werd bestuurd door den Nuntius te Brussel of te Keulen.
In 1723 en 1725 werden de beide colleges, welke de kerken van Utrecht en Haarlem voor de opleiding van geestelijken te Leuven bezaten, haar gewelddadig ontnomen, en geen gelegenheid werd verzuimd om het oud-katholieke gedeelte te vernietigen.
In 1853 heeft Pius IX door de oprichting van nieuwe bisdommen in Nederland het bestaan der oude zetels op de hooghartigste wijze geloochend, en vond hij in de personen, die door hem uit de volheid der pauselijke macht tot bisschoppen aangesteld werden, mannen die
48
bereid waren om in 1854 de onbevlekte ontvangenis van Maria en in 1870 de onfeilbaarheid van den paus als leerstukken der katholieke kerk den geloovigen op te dringen, en geheel de katholieke kerk van Nederland in jezuïe-tischen geest te leiden.
1 Vr. Hoe handelde het Hof van Rome tegenover de oud-katholieke kerk van Nederland ?
2 Vr. Waardoor is de kloof tusschen beide partijen als ondempbaar geworden?
ZESTIENDE LES.
Onbevlekte ontvangenis. Onfeilbaarheid van den paus.
Paus Pius IX heeft den 8steD December 1854 te Rome een nieuw geloofsartikel afgekondigd door de plechtige verklaring, dat Maria de moeder onzes Heeren Jezus Christus nimmer, evenmin als haar goddelijke Zoon, door eenige
49
smet van zonde getroffen is, zoodat zij zich onderscheidt van al hare natuurgenooten, op wie naar de onveranderde leer der kerk de zonde van de eerste menschen is overgegaan, zoodat allen in een staat van zonde ter wereld komen.
De catechismus van ïrente, in de roomsche kerk een werk van beteekenis, zegt nog; „de kerk is de vergadering van alle geloovigen, die nog op aarde leven.quot; Bijgevolg is hetgeen paus Pins eigenmachtig afgekondigd heeft nog niet de stem der levende kerk. Daarenboven zijn aan alle kanten stemmen opgegaan, die op historische en godgeleerde gronden onomstootelijk de onwaarheid der onbevlekte ontvangenis van Maria hebben aangetoond. Dit nieuwe geloofsartikel als niet bezittende het kenmerk van hetgeen een katholiek geloofsartikel hebben moet, nl. geleerd te zijn geireest altijd, overal en door allen, moet dus door elk katholiek beslist verworpen worden, als in strijd met de openbaring en de overlevering.
Dezelfde paus Pius IX heeft den ISquot;1611 Juli
4
50
1870 als een goddelijk geopenbaard geloofsartikel verklaard, dat de uitspraken, gedaan door den paus van Rome als herder en leeraar dei-christenheid over hetgeen behoort tot geloofs-en zedenleer, uit zichzelven en niet uit de toestemming der kerk onfeilbaar zijn.
Hetgeen bij de afkondiging der onbevlekte ontvangenis ontbroken had, heeft men bij de afkondiging der pauselijke onfeilbaarheid trachten aan te voeren, den schijn nl. van een algemeen concilie. Geschiedkundig is het echter aan te wijzen, dat die vergadering der bisschoppen in 1870 de eigenschappen van een algemeen concilie mist, en haar het recht van oordeelen onthouden is. Bovendien is de onfeilbaarheid van den paus evenmin op de heilige schrift als op de standvastige overlevering der kerk gegrond. Men kan uit de geschiedenis aantoonen, dat deze onfeilbaarverklaring slechts de kroning is van een sedert eeuwen voortgezet streven, om alle macht in één persoon te vereenigen en zoodoende de van Christus gestelde orde der kerk te vernietigen. Liefde tot de waarheid
51
en plicht jegens de kerk vorderen van eiken katholiek ook liet leerstuk der pauselijke onfeilbaarheid als eene onchristelijke, voor kerk en staat gevaarlijke dwaling onomwonden te verwerpen.
1 Vr. Wat verstaat men door hst leerstuk van de onbevlekte ontvangenis van Maria?
2 Vr. Wanneer en door wien is dit leerstuk afgekondigd?
3 Vr. Zijn geen stemmen daartegen opgegaan ?
4 Vr. Op uelke gronden bestrijden zij dit leerstuk?
5 Vr. Welke houding moet elke katholiek tegenover dit leerstuk aannemen?
6 Vr. Wat is de pauselijke onfeilbaarheid en pauselijke oppermacht?
7 Vr. Wanneer en door wien is dit leerstuk afgekondigd?
8 Vr. Kan het concilie van 1870 een algemeen concilie genoemd u-orden ?
9 Vr. Waarmede is de onfeilbaarheid van den paus in strijd?
4*
52
10 Yr. Wat beoogt men met dit nieuwe leerstuk ?
11 Vr. Wat is de plicht van eiken katholiek?
ZEVENTIENDE LES.
De oud-katholieke kerk van Nederland tegenover de katholieke kerk.
De oud-katholieke kerk van Nederland heeft bij elke gelegenheid voor geheel de kerk bewijzen gegeven van haar ernstigen wil, om het katholieke pand des geloofs ongeschonden te bewaren. Zoo beriep zij zich in 1719 van de bul Unigenitus, en van de pauselijke uitspraak aangaande haar eigen zaak, op een algemeen concilie. In 1763 hield zij eene synode, wier besluiten aan alle bisschoppen en geleerden der katholieke wereld zijn toegezonden zonder dat ook maar een in haar leer iets heeft kunnen aanwijzen als in strijd niet de leer der kerk. In 1856 teekende zij voor de geheele katholieke kerk verzet aan tegen het leerstuk van de
53
onbevlekte ontvangenis van Maria. In 1873 gaf zij door de wijding van den hoogeervv. heer dr. Jozef Hubert Reinkens, tot bisschop van alle duitsche katholieken, die zich tegen het leerstuk der onfeilbaarheid van den paus verzetten, ten duidelijkste voor al de wereld haar stelling tegenover dit leerstuk, en haar begrip van plicht tegenover de katholieke kerk te kennen. In 1889 hielden bare bisschoppen met de hoofden der duitsche en zwitsersche oud-katholieke kerken een conferentie tot nauwer aansluiting onderling en vaststelling dei-gedragslijn ten opzichte der gescheiden kerken.
1 Vr. Mrat deed de oud-katholieke kerk von Nederland ten aanzien van de hul Unigenitus?
2 Vr. Wat ten aanzien van de onbevlekte ontvangenis?
3 Vr. Wat ten aanzien van de onfeilbaarheid van den paus?
4 Vr. In welke verhouding staat zij tot de oud-katholieke kerken van Duitschland en Zwitserland ?
54
5 Vr. hi wélke verhouding tot de andere herken, zooals: codersche kerk, anglicaansche, prot estantsehe ?
ACHTTIENDE LES.
Plichten van den oud-katholiek.
Het woord des Heeren, als Hij sprekende over zijne kerk zegt: „de poorten der hel zullen tegen haar niet vermogen,quot; verdient onbegrensd betrouwen. Maar diezelfde belofte wijst er ook op, dat de poorten der hel tegen de kerk van Christus zullen trachten te ver mogen, dat zij door list of door geweld het werk van Christus zullen pogen te vernietigen. Het is dan ook een vreemdsoortige en langdurige strijd, waarin geweld de waarheid zoekt te verdrukken. De geschiedenis der kerk bewijst dit.
Door dien strijd kan dus elk lidmaat van die onoverwinbare kerk van Christus in een m oeielijken toestand komen en tot het ver-
55
vullen van groote plichten geroepen worden.
1. Noodzakelijk is \'t daarom zich zoo nauwkeurig mogelijk op de hoogte te stellen van hetgeen tot de leer der katholieke kerk behoort.
2. Niet elkeen is het gegeven, niet van elkeen wordt het geëischt om de kerk van Christus te dienen door het uitgeven van godsdienstige boekeu ; maar dit kan en moet elk geloovige doen : bidden tot God, den Vader des lichts en den Geest der waarheid, dat Hij alle menschen komende in de wereld, moge verlichten door het waarachtig Licht, Jezus Christus, de Waarheid en de Liefde.
3. Daarenboven nog dit: zóó christelijk naar \'s Heeren lessen en voorbeelden in deze wereld leven, dat als een goede geur van hem uitga, waardoor aan anderen de aanwezigheid van den Heiligen Geest in zijn hart kennelijk wordt.
j.-.\' 4. Eindelijk, waar het te pas komt en reken
schap gevraagd wordt, onomwonden getuigenis geven van de waarheid, nademaal wij daarvoor geboren zijn om deze, het hoogste goed, iu de wereld te doen zegevieren.
56
5. Menschen mogen een zoo gezinden christen als „verleiderquot; uitkrijten, misschien willen kruisigen: „indien gij iets lijdt om de rechtvaardigheid, zijt gij gelukkig,\' zegt Jezus en Hij belooft: „wie Mij beleden heeft voor de menschen, dien zal Ik belijden voor mijn Vader.quot; En „lof ontvangen van God\' is beter dan van menschen, die hoogstens het lichaam kunnen dooden, of ons wol voor het uitwendige uit de kerk van Christus kunnen bannen, maar nimmer van zijne gemeenschap berooven.
1 Vr. Welke belofte heeft Christus aan zijne kerk gegeven ?
2 Vr. Waarop wijst deze belofte ook?
3 Vr. Waarin kan dus elke geloovige kometi?
4 Vr. Welke zijn de plichten van eiken oud-katholiek ?
INHOUD.
Biz.
1 Les. Invoering van het Christendom in
ons vaderland.........3
2 „ Toestand gedurende de middeleeu
wen..............6
3 „ Toestand gedurende de middeleeu
wen. (Vervolg).........9
4 „ Toestand na de Hervorming. ... 12
5 „ , „ , {Vervolg). 1G
6 „ Jezuïtisme...........19
V „ Jansenisme...........24
8 „ Formulier van Alexander VII . . 27
9 „ School van Port-Royal.....30
10 , De Bul Unigenitus.......32
Biz.
11 Les. De katholieke kerk in Nederland . 36
12 „ Rome en Utrecht........37
13 , Utrecht............39
14 „ , {Vervolg)........42
15 „ Rome.............46
16 „ Onbevlekte ontvangenis. Onfeilbaar
heid van den paus.......48
17 , De oud-katholieke kerk van Neder
land tegenover de katholieke kerk. 52
18 „ Plichten van den oud-katholiek . . 54