-ocr page 1-

\' 1: ■ fVV \'

1

-ocr page 2-

321 K 15

CENTRALE OUD-KATHOLIEKE BIBLIOTHEEK

Universiteits-bibliotheek, Utrecht.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

--

■ ■■ gt;. ■ V- \'-i •

\'0-

mam:.

X . •

- i.

V, ^r\'

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

32/, K. /

VERZAMELING

VAN

GEBEDEN EN VERHALEN.

ROTTERDAM.

RICH. UE1SBEUMAN, FIRMA H. T. HENDRIKSRN.

1893.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

Bladz.

Het gebed des Heeren............................1

T)e groetenis des engels ........................1

Het geloofsbegrip der apostelen............2

De tien geboden Gods............................^

De vijf geboden der kerk..................^

Morgengebed................. ^ ^

Morgengebed............................................^

Voor den maaltijd....................................»

Na den maaltijd..............................»

Gednrende den dag................................6

Avondgebed............................................7

Avondgebed ..........................................8

Gebed in ziekte.............. ... ^

Gebed voor ouders.......... . .. 10

Bij ziekte van vader..............................H

Bij ziekte van moeder..........................12

Gebed voor broeders en zusters..........IS

De doop....... ............. ... 14

Dankgebed..............................................17

De biecht................... . 18

Gebed om vergeving der zonden.... 21

-ocr page 10-

UI ad z.

Het heilig sacrament des altaars en de

heilige offerande der mis.......... 23

Gehed ..........................

Gebed om den zegen van Jezns te verzoeken................... - ■ ■

Jezus zegent de kinderen. (Zie het plaatje.) 31

Waar woont de lieve God?......... 33

De schepping.................... 35

Het paradijs................. 39

Kaïn en Ahel ................ ^

De zondvloed . . . ...........

Jozef........................

Mozes........................

77

Samson....................

David............ ..........

Ondeugende jongens van Bethel...... 94

Een braaf jongeling ............. 99

De twee engsltjes................ 104

De drie bloempjes...............

De twee mnssehen ..............

Die alleen voor zichzelf leeft kan nooit

118

gelukkig zijn ..................^

Het lieve zusje................. • •

Eerlijk duurt het langst ........... 134

Snippers ............. .........

-ocr page 11-

GEBEDEN EN ONDERRICHTINGEN.

HET GEBED DES HEEEEN.

Onze Vader! die in de hemelen zijt; geheiligd zij uw naam; uw rijk toekorae; uw wil geschiede op de aarde als in den hemel; geef ons heden ons dage-lijksch brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in bekoring ; maar verlos ons van den kwade. Amen.

DE GROETENIS DES ENGELS.

Wees gegroet, Maria vol van genade! de Heer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de Vrucht uws lichaams, Jezus. Heilige Maria, moeder Gods! bid voor ons, zon-

1

-ocr page 12-

2

daren, nu en in de ure van onzen dood. Amen,

HET GELOOPSBEGRIP DER APOSTELEN.

1. Ik geloof in God, den almach-tigen Vader, Schepper van hemel en aarde.

2. En in Jezus Christus, zijnen eenigen Zoon, onzen Heer.

3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de reine maagd Maria.

4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus; die gekruist, gestorven en begraven is.

5. Die nedergedaald is ter helle, en ten derden dage verrezen van de dooden.

6. Die opgeklommen is ten hemel, en zit aan de rechterhand van God, zijn almachtigen Vader.

-ocr page 13-

3

7. En van daar zal komen oordee-len levenden en dooden.

8. Ik geloof in den Heiligen Geest.

9. De heilige katholieke kerk; gemeenschap der heiligen.

10. Vergeving der zonden.

11. Verrijzenis des vleesches.

12. . En het eeuwig leven. Amen.

DE TIEN GEBODEN GODS.

1. Één God aanbid.

2. Niet ijdel zweer.

3. Den zondag vier.

4. Eer vader en moeder.

5. Ontneem met wil noch met werk het leven aan uwen broeder.

6. Doe geen onkuisohheid; niemands vrouw onteer.

7. Steel niet.

8. Geef geen valsch getuigenis.

9. Begeer noch vrouw,

10. Noch iets, dat anderen eigen is.

-ocr page 14-

4

DE VIJF GEBODEN DER KEEK.

1. \'s Zondags en \'s heiligendags hoor mis, \'tis een gebod.

2. Biecht uwe zonden ééns ten minste alle jaren.

3. Ontvang op Pasohen het heilig sacrament van onze altaren.

4. De heilige dagen vier tot eer en dienst van God.

5. Op vastendag zult gij u naar kerkgebruik versterven; \'s vrijdags en zaterdags gedenk het vleesoh te derven.

MORGENGEBED.

Hoe vroolijk ben ik weer ontwaakt! De slaap heeft mij zoo frisch gemaakt. O lieve Heer, wat zijt Gij goed, Dat Gij mij rustig slapen doet! Och, maak ook, dat ik dezen dag Gezond en vroolijk blijven mag.

-ocr page 15-

5

MORGENGEBED.

De zon is weer verrezen, De nacht is weer voorbij; Uw naam, Heer! zij geprezen, Die onze hulp woudt wezen. O Jezus! woon in mij, Dan loef ik vroom en blij.

VOOB DEN MAALTIJD.

Zegen, Heer! \'t Daaglijksch brood. Ach, zie neer Op elks nood.

NA DEN MAALTIJD.

Uw goedheid, Heer! zij dank Voor deze spijs en drank. Och, wil uw Geest mij geven Om vroom voor U te leven.

-ocr page 16-

6

GEDURENDE DEN DAG.

Lieve Heer!

Sla uw oog Van omhoog Op mij neer.

Heil\'ge Geest,

Geef mij haat Tegen \'t kwaad.

Geef mij \'t feest Van een kind.

Dat God mint.

Lieve Jezus! sla Mij in liefde ga,

Zooals Gij op aard\'

Kind\'ren hebt vergaard, En met uwe gaven Zeeg\'nendhen woudt laven.

Bij dag en nacht, in vreugd of leed, In \'t spelen, onder \'t leeren:

-ocr page 17-

7

Schoon ik den hoogen God niet zie, Toch ziet mij \'t oog des Heeren. Hij hoort mij, als ik tot Hem bid; Hij kent al mijn\' gedachten.

Leer daarom, Jezus, lieve Heer, Mij voor de zonden ■wachten.

Laat mij, goede God! ü danken Voor uw gaven, groot en klein. Mocht ik in den dag van voorspoed Matig, goed en vroolijk zijn!

Maar, is mij een lot beschoren. Dat niet rijk aan vreugde is,

Leer mij dagelijks dan bedenken: „Zegen schuilt ook in \'t gemis.quot;

AVONDGEBED.

Lieve Vader in den hemel,

Hoor mijn dankbaar avondlied. Gij hebt mij zooveel geschonken, Gij, o God! vergeet mij niet.

-ocr page 18-

8

\'k Buig mij weer eerbiedig neder, Vol vertrouwen op uw macht. Geef, dat ik gerust mag slapen;

Heer! houd over mij de wacht.

Ja, \'k ga slapen, lieve Vader!

Dankbaar leg ik mij ter neer. Laat mij rusten en ontwaken,

\'k Bid het ü, o Hemelheer!

Zie op allen, die mij lief zijn;

Leg hen allen goed en zacht. Schenk dit huis uw milden zegen.

Allen een gerusten nacht. Amen.

avondgebed.

Ik ga slapen; ik ben moê;

Beide oogjes sluit ik toe.

Vader, zie met wakend oog Op mijn rustplaats van omhoog.

Heb ik heden kwaad gedaan. Zie het, goede God! niet aan.

-ocr page 19-

9

Door uw liefde steecis behoed

Wil \'k gehoorzaam zijn en goed.

Wie mij dierbaar zijn en waard

Blijven, Heer! door U gespaard!

Geef den zieken rust en kracht;

Troost de droeven vriendlijk zacht.

Geef ook acht op mijnen wensch

Voor \'t geluk van ieder raensch.

Uw genade daal\', o Heer !

Van den hemel op ons neer.

GEBED IN ZIEKTE.

Lieve Vader in den hemel! Ik kom tot U. Gij hebt mij met deze ziekte bezocht en daarom is het zeker ook goed voor mij. Ik geloof aan uwe liefde; ik vertrouw op uwe macht. Ik weet, dat al wat Gij doet, lieve Vader! welgedaan is en daarom geef ik mij zeiven geheel aan U over. Wat doet

-ocr page 20-

10

Gij mij reeds veel goed in mijne ziekte! Mijn lieve ouders en goede vrienden doen aan mij wat zij kunnen. O, ik dank U voor dit alles uit heel mijn hart. Maar, o Vader! wat menschen mij niet geven kunnen, geef Gij dat! Laat uw zegen rusten op de pogingen, die tot mijn herstel worden aangewend, en wees Gij zelf mijn geneesheer, die alles voor mij ten beste vermag. Ik beveel mij daartoe aan ü, o Vader in den hemel, en ik doe dat door uwen Zoon, mijn lieven Jezus, die ook mij als uw kind geheiligd heeft. Laat mij ondervinden, dat mijn vertrouwen op U mij gezond gemaakt heeft. Amen.

GEBED VOOB OUDBBS.

Heer Jezus, zegen, bid ik U, mijn ouders, die met zooveel liefde voor mij

-ocr page 21-

11

zorgen. Zij hebben alles voor mij over; zij geven mij voedsel en kleeding en nog zooveel daarenboven. O geef, dat ik steeds een goed en dankbaar kind moge zijn! Dat ik hun geen verdriet aandoe door ongehoorzaamheid of onwilligheid. Laat mij toenemen niet alleen in jaren, maar ook in deugd en wijsheid; o, dan zullen mijn lieve ouders zich daarover verheugen. Zegen hen met aardschen, maar bovenal met hemelschen zegen en geef, dat ik eens met hen moge wonen in het eeuwig huis van onzen God en Vader hierboven. Amen.

BIJ ZIEKTE VAN VADBK.

Met mijn bede nader Ik tot ü, o Heer!

Ach, mijn lieve vader Ligt op \'t ziekbed neer.

-ocr page 22-

12

Hij lijdt groote suiartcu Tot op dezen stond.

Hoor den wensch mijns harten Maak hem, Heer! gezond. Sla hem gunstig gade.

Maak hem volgzaam, stil. Doe zoo uit genade,

Heer! om Jezus wil. Amen.

BIJ ZIEKTE VAN MOEDEB.

Heer! mijn lieve moeder.

Zij ligt zoo krank daar neer. Genadige Albehoeder!

Herstel mijn moeder weer. Ach, laat haar toch niet sterven.\' (Dat doet Gij immers niet?)

Want als ik haar moest derven, Dan had ik \'t grootst verdriet. Neen, hoor de zwakke klanken, Die \'t kinderharte slaakt.

\'k Zal duizendmaal U danken,

-ocr page 23-

13

Als Gij haar beter maakt.

O, doe \'t om Jezus wil;

Hij is uw lieve Zoon.

Welnu, — ik wacht, ben stil

En buig mij voor uw troon. Amen.

GEBED VOOK BROEDERS EN ZUSTEBB.

Onze Vader! die in den hemel zijt, Gij, die mij mijne broeders en zusters geschonken hebt, wilt tevens, dat ik hen liefheb en voor hen bid. Ik ben verplicht uwen wil na te komen en daarom bid ik U, zegen mijne broeders en zusters en geef hun alles wat hun naar ziel en lichaam dienstig is. Bewaar hen voor zonden; geef, dat zij door een braaf gedrag toonen uwe gehoorzame kinderen te zijn. Vergeld Gij hun al het goede, dat zij aan mij doen. Behoed hen voor alles wat hen ongelukkig maken kan en laat hen nog

-ocr page 24-

14

lang op deze wereld leven. Maar bovenal bid ik U, geef, dat zij TJ eenmaal in den hemel aanschouwen en wij met elkaar gedurende de gansche eeuwigheid ons aldaar verheugen. Amen.

DB DOOP.

„Ik zal mijn hand tot de kleinen uitstrekken.quot; Zoo spreekt God, lieve kinderen! in het oude verbond tot de Joden. „Ik zal mijne hand uitstrekken,quot; zoo zegt ook Jezus, de groote Zaligmaker en de goede kindervriend. Als gij pas geboren zijt, strekt die lieve Jezus reeds zijne handen tot u uit en neemt u als zijn kind aan. Hij doet dit door den heiligen doop en maakt u daardoor christen en kind van God. De Zaligmaker heeft gewild, dat iedereen gedoopt zou worden en zeide daarom tot zijne apostelen:

-ocr page 25-

15

„gaat henen, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes;quot; en wederom zegt de Heer; „die gelooft en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.quot; De hemelsehe zaligheid is dus verhonden aan den heiligen doop. Het is dan wel een groote gunst gedoopt te zijn en gij begrijpt wel, — dat die gunst ook groote dankbaarheid van u eischt.

Toen gij gedoopt werdt, hadt gij geen besef om die gunst te begrijpen. Daarom werd u een doopborg, een peetoom of peettante gegeven, die bij uw doop tegenwoordig was en die u later leeren zou de groote waarde er van te gevoelen. Zoodra gij dus zoo oud zijt, dat gij begrijpt wat het zegt gedoopt te zijn, dan moet gij ook aan God uwe dankbaarheid toonen. En dit kunt gij niet beter doen, dan doorbraaf cn deugdzaam te leven. Gij

-ocr page 26-

16

zijt een christen en heet dus naar Christus. Nu van dien Christus staat geschreven: „het kind groeide op in wijsheid en in jaren en in behagelijkheid bij God en bij de menschen.quot;

In een van uw vragenboekjes, waaruit gij zoo trouw leert, niet waar? staat de vraag: „welke deugden betamen den kinderen het allermeest?quot; En het schoone antwoord luidt: „de deugden, welke den kinderen het allermeest betamen, zijn: gehoorzaamheid, vlijt, oprechtheid, godsvrucht en leerzaamheid.quot; Wilt gij dus een goed christen-kind zijn, dan moet gij u allereerst op die deugden toeleggen. Als gij soms ongehoorzaam, lui, onoprecht, ongodsdienstig of onwillig zijt om te leeren, denk dan eens, dat gij gedoopt en daardoor verplicht zijt reeds van jongs af braaf cu deugdzaam voor ouzen lieven Heer te leven. Um zoo

-ocr page 27-

17

braaf en deugdzaam te leven, moet gij dikwijls bidden tot God, maar dan moet gij dit doen door uwen lieven Zaligmaker, in wien gij gedoopt zijt. Hij zal altijd zijn hand naar u uitstrekken en u beschermen tegen alles wat u een slecht christen zou kunnen doen worden.

Denkt dus veel, kinderen, aan uw doop, en gij zult later een braaf, godsdienstig mensch worden.

DANKGEBED.

Lieve Vader in den hemel! Als kind heb ik U telkens voor veel te danken. Maar wat is alle goedheid, die Gij mij toont, vergeleken bij den heiligen doop, toen ik uw kind geworden ben? Daarom mag ik II ook Vader noemen, daarom moet ik ü ook als Vader danken. Ziedaar, lieve Heer!

-ocr page 28-

18

mijn erkentelijk hart voor die groote gunst mij in den doop bewezen. Och! Iaat mij toch altijd een goed kind blijven, en zoo ik als kind mij niet altijd goed gedraag, o vergeef dat! Laat uw Zoon, mijn lieve Jezus, mij tot een voorbeeld zijn, opdat ook ik moge opgroeien in wijsheid en in jaren en in behagelijkheid bij TJ, o Vader! en bij de menschen. Amen.

DE BIECHT.

Lieve kinderen! Jezus, onze goede Zaligmaker, over wiens liefde en barmhartigheid jegens alle menschen gij zoo dikwijls hebt hooren spreken, heeft ook omtrent u gezegd: „Laat de kinderen tot mij komen.quot; En wanneer kunt gij eene betere gelegenheid vinden om van ganscher harte tot Hem te gaan dan wan-

-ocr page 29-

19

neer gij gevoelt, dat gij uwen goeden Vader in den hemel door uwe overtredingen hebt bedroefd en daardoor wellicht de erfenis van den hemel, waarvoor gij geschapen zijt, hebt verloren. Gij weet, wanneer gij hebt misdaan, dat uwe ouders u uw verkeerd gedrag gaarne willen vergeven, indien gij u tot hen wendt, hun uw leedwezen over uwe verkeerdheden te kennen geeft en hun belooft hen nooit weder door ongehoorzaamheid of plichtverzuim te zullen bedroeven. En hoeveel te meer zal daarom uw Vader in den hemel u uwe overtredingen vergeven , indien gij u met vertrouwen tot Hem wendt. Hij toch wil niet, dat een eenig mensch verloren ga, maar dat allen zich bekeeren en leven. Hij wil aan allen genade bewijzen door Jezus, zijnen Zoon. Deze Jezus, de kindervriend, die in de wereld is ge-

-ocr page 30-

20

komen om zondaren zalig te maken, biedt u vol liefde vergeving aan en heeft voor u een middel ingesteld om bij God vergiffenis van uw kwaad, waardoor gij Hem bedroefd hebt, te verkrijgen en waardoor al uwe zonden uitgewischt kunnen worden. Dit middel bestaat in eene oprechte, ootmoedige en berouwvolle belijdenis van uw verkeerd gedrag aan een\' priester, die u ook in den naam van Jezus uw kwaad vergeven zal, indien gij daarover oprecht bedroefd zijt en belooft uw best te zullen doen om voortaan geen kwaad meer te bedrijven en voor altijd door een braaf gedrag, door gehoorzaamheid, door godsvrucht en naarstigheid een goed kind te willen wezen en tot vreugde uwer ouders te strekken.

Welk een bewijs van liefde! Kinderen! wilt dat nooit vergeten! Hebt

-ocr page 31-

21

gij soms een of ander kwaad bedreven, neemt dan uwe toevlucht tot Jezus, den vriend van kinderen en Hij zal u met uw Vader in den hemel verzoenen. Doch zal de belijdenis uwer overtredingen, die biecht genaamd wordt, u heil aanbrengen en u van uwe zonden reinigen, onderzoekt dan eerst uw geweten ; herinnert u op welke plaatsen gij zijt geweest, met welke personen gij hebt verkeerd en de verschillende gelegenheden, waarin gij doorgedachten, woorden, werken of verzuimen verkeerd gehandeld en tegen uw Vader in den hemel gezondigd hebt.

GEBED OM VEHGEVING DER ZONDEN.

Lieve Vader in den hemel! meteen bedroefd hart wend ik mij tot TJ, want ik heb dikwijls, ofschoon ik nog zoo jong ben, kwaad gedaan. Gij, die

-ocr page 32-

22

alwetend zijt, kent al het kwaad, dat ik bedreven heb. Maar ik weet, dat Gij, die de vriend der kinderen zijt, mij vol liefde vergeving aanbiedt. Daarom kniel ik vol berouw voor ü neder en belijd, dat ik mij niet altijd als een braaf kind jegens TJ gedragen heb. Ben goed kind weent, als het door zijn verkeerd verdrag zijne ouders heeft bedroefd. Hoeveel te meer moet ik dan niet weenen, omdat ik U, o goede Vader in den hemel! door mijn kwaad bedroefd heb. Al mijne zonden zijn mij van harte leed, omdat ik daardoor wellicht het recht op den hemel, waar gij mij gelukkig wilt maken, heb verloren. Lieve Jezus! om de zonden der menschen hebt Gij aan het kruis zooveel moeten lijden! Ook ik heb zonden bedreven en doormijn kwaad tot uw lijden medegewerkt. Ach, hoezeer spijt mij dit! Ik wil

-ocr page 33-

23

daarom nooit weer kwaad bedrijven en ik maak het vaste voornemen steeds uw getrouw kind te zijn en TJ in alles te gehoorzamen. Dit beloof ik U, thans nu ik eerbiedig voor U ben neergeknield. Vergeef mij, o lieve Heer! al wat ik tegen U heb misdaan, en sta mij voortaan bij, opdat ik U in het vervolg nooit weer door mijne zonden bedroeve. Amen.

het heiligr sacrament des axtaaes

en de heilige offerande deb mis.

Het is u, lieve kinderen! uit de geschiedenis in het nieuwe testament bekend, dat de goddelijke Zaligmaker eenige discipelen, dat is: leerlingen verkoos, die Hem steeds zouden vergezellen, die zijne onderwijzingen zouden aanhooren om later zelf het woord Gods aan de menschen te verkondigen

-ocr page 34-

24

en de door Hem gestichte kerk te leiden en te besturen. Een\'van deze leerlingen was de heilige Petrus. Op zekeren dag ontmoette Jezus hem aan den oever der zee en vroeg hem: „Petrus, hebt gij Mij lief?quot; en Petrus antwoordde: „Heer, ik beminü.quot; Toen vroeg de Heer nogmaals: „Petrus, hebt gij Mij lief?quot; En Petrus herhaalde: .ja Heer, ik bemin U.quot; Eindelijk vroeg Jezus ten derden male: „Petrus, hebt gij Mij lief, meer dan deze?quot; En Petrus zeide: „Heer, Gij weet, dat ik U liefheb.quot;

Lieve kinderen! ook ik vraag u heden, nu gij in de kerk nederknielt, bemint gij ook uw Zaligmaker, die u in den heiligen doop een christen gemaakt en naar zijn naam genoemd heeft? En ik ben overtuigd, dat gij mij antwoorden zult: „ja wij beminnen Hem.quot; Nu dat is niet meer dan

-ocr page 35-

25

goed en billijk; want zijne liefde tot u vordert uwe wederliefde. Nu heeft Hij de grootste liefde jegens ons getoond door de instelling van het heilig sacrament des altaars en de heilige offerande der mis. Verbeeldt u nu eens, dat de goddelijke Zaligmaker hier persoonlijk en zichtbaar bij u was en met u sprak; dat Hij u onderrichtte en gij naar Hein luisterdet; wat zendt gij dan gelukkig zijn!

En waarlijk, ofschoon de Heer niet zichtbaar voor u is, toch spreekt Hij, als gij neerknielt in de kerk, tot u en zegt: „Ik verander brood in mijn lichaam en wijn in mijn bloed en ben onder de gedaanten van brood en wijn bij u tegenwoordig.

Alles , wat Jezus zeide, is waar, want Hij is de waarheid, en Hij kan ook alles, want Hij is de Almachtige. Herinnert u, kinderen! dat diezelfde

2

-ocr page 36-

26

Jezus te Kana in Galilea op een bruiloft water in wijn veranderde; zoo verandert Hij ook brood en wijn in zijn lichaam en bloed. Hij doet dit door de woorden der heiliging, die de priester aan het altaar over brood en wijn uitspreekt. Als alles in de kerk zoo stil is, als het orgel zwijgt, en de menschen zoo aandachtig nederknie-len, dan moet gij eraan denken, dat de Heer Jezus onder ons tegenwoordig komt en opgedragen wordt aan God zijn Vader, evenals Hij eenmaal op Golgotha zich zei ven opdroeg aan het kruis om de zonde weg te nemen en ons met God weer te vereenigen.

Maar niet alleen wordt Jezus in de heilige mis aan God zijn Vader opgedragen, doch Hij wil ook zijn lichaam en bloed geven tot spijs onzer ziel. Door de heilige communie, waarvan gij later meer zult liooren, daalt Hij in

-ocr page 37-

27

do harten neder, vertroost Hij de bedroefden , sterkt Hij de zwakken, beurt Hij de kleinmoedigen op en droogt Hij de tranen af. Hij wil daar de mensehen deugdzaam, vroom en wijs maken. — Hij wil daar ook zelfs aan de kinderen, die Hem liefhebben, de deugd der onschuld, der gehoorzaamheid en ootmoe-inoedigheid geven en hen reeds hier op aarde gelukkig en tevreden maken.

Als gij dit hoort, kinderen! zoudt gij dan niet gaarne naar de kerk gaan en tegenover de groote liefde des Zaligmakers jegens u niet wederliefde, dankbaarheid en aanbidding toonen?

Verplaatst u daartoe in den geest in die zaal te Jeruzalem, waar Jezus, op den avond vóór zijn lijden, na het laatste avondmaal dit heilig sacrament instelde. Daar zit Hij voor de laatste maal met zijne apostelen aan tafel. Den volgenden dag zal Hij aan het

-ocr page 38-

28

kruis sterven. Hij heeft verlangd vóór het scheiden nog eens met zijne apostelen te zijn. En wat Hij zijnen vrienden eenmaal beloofd had, dat wil Hij nu ook volbrengen. Zijn hoofd is als met hemelschen glans omgeven. Hij neemt het brood in zijne heilige en eerbiedwaardige handen, zegent het. breekt het en zegt: „neemt en eet, want dit is mijn lichaam.quot; Hierop neemt Hij ook den kelk met wijn, zegent hem en spreekt: „drinkt allen hier uit, want dit is mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, dat voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden.quot; Toen werd de belofte, die Jezus gedaan had, vervuld en onder de gedaanten van brood en wijn gaf Hij zichzelven aan zijne apostelen.

Dit geschiedt nu telkens in de heilige offerhande der mis. Daarom, lieve kinderen ! als gij daarbij tegenwoordig zijt,

-ocr page 39-

29

weest dan aandachtig, aanbidt uwen Heiland en maakt gebruik van de gebeden, die gij kent of die gij in uw boekje \\indt, om ook met de groote menschen uwen hemelschen Vader door uwen lieven Zaligmaker te vereeren.

GEBED.

O mijn Jezus, brood der engelen, dien ik hier als kind reeds ir.ag aanbidden, kom ook in mij en behoed mij; blijf bij mij en help mij door uwe heilige genade. Jezus! voor U wil ik als kind leven, — voor U wil ik grooter worden en later U ter cere wandelen hier op aarde om eens eeuwig met U in den hemel te wezen. Amen.

Goede Herder, brood der armen!

Wil U over ons erbarmen;

Wil ons weiden, ons beschermen;

Doe uit onverdiend ontfermen

-ocr page 40-

30

Ons het land ilcs levens zien.

Door uw grootheid niet te omvamen, Door uw wijsheid niet te ramen, Brengt Gij aan uw disch ons samen. Maak ons burgers, erfgenamen Van do stad der homelliên.

GEBED OM DEN ZEGEN VAN JEZUS TE VERZOEKEN.

Lieve Heiland! Gij waart eens zelf een kind en onder moederlijke hoede zijt Gij groot geworden. Gij hadt de kinderen lief en druktet ze aan uw hart; Gij legdet hun de handen op en zegendet hen. Gij hebt ook nu nog kinderen lief. Gij zijt voor ons wel onzichtbaar, maar wij weten het: Gij bemint ons, want Gij blijft immer dezelfde. O neem dan ook mij in uwe armen en zegen mij , opdat ik vroom cn braaf worde, gelijk Gij hot waart

-ocr page 41-

31

op deze aarde. Laat uw geest steeds bij mij zijn, opdat ik geen kwaad bedrijvc, maar vlijtig leere en steeds gehoorzaam zij. Geef, dat ik met blijdschap en dankbaarheid aan uwe liefde denke, en van avond, als ik mij te rusten leg, onder uwen zegen moge inslapen. Amen.

JEZUS ZEGENT DE KINDEEEN. (Zie het plaatje.)

Jezus Christus is zoo goed!

Ieder, die Hem iets wil vragen, Kan dat met gerustheid wagon.

Daar Hij alles voor ons doet,

En zelfs kinderen, arm en klein,

Hem zoo lief en welkom zijn.

«

Zie, daar zit de goede Heer, Sprekend\' van zijn God en Vader;

-ocr page 42-

32

Vrome moeders treden nader. Vol vertrouwen in zijn loer;

led\'re moeder draagt een kind, Dat zij hartelijk bemint.

Elke moeder wenscht zoo zeer, Dat Hij haren licv\'ling zegen\'!

Maar de volkshoop houdt haar tegen En verdringt haar van den Heer. D\' arme, zwakke vrouwen gaan Dus bedroefd van verre staan.

Maar de Heer, die alles ziet.

Heeft haar lang al reeds vernomen. Laat de kind\'ren tot Mij komen, — Zegt Hij, — en weerhoudt zo niet; Laat ze komen, arm en rijk.

Want voor hen is \'t hemelrijk.

En Hij neemt hen op zijn sghoot. Zegent hen en zegt: mijn kind\'ren. Als u smart en zorgen hind\'ren, Klaagt aan Mij gerust uw nood;

-ocr page 43-

33

Als gij Mij oprecht bemint,

Blijf Ik uw getrouwste vrind.

Lieve inociler, kunnen wij

Ook niet met den Heiland spreken ?

\'k Wil Hem recht eerbiedig smeeken,

Dat Hij vader, u cn inij

Ook zoo lief als and\'ren heeft

En zijn besten zegen geeft.

WAAK WOONT DE LIBVII GOD ?

Waar woont de lieve God?

Hef maar uw oogen naar omhoog En zie den blauwen hemelboog,

Waar daags de zon, waar \'s nachts de maan En duizend zilv\'ren sterren staan. Daar woont de lieve God en ziet Al, wat op \'t wereldrond geschiedt. Zijn vadermin houdt, dag en nacht. Met trouwe zorg voor ons de wacht.

Waar woont de lieve God?

Hooit gij het statig klokgebrom?

•1»

-ocr page 44-

Dc mcnsclicn komen vau rondom In \'t zondagskleed en doen geen werk, Maar spoeden vroolijk naar de kerk. Het is, omdat de Heer daar woont. Die zooveel liefde aan ons betoont. Die gaarne ziet, dat men Hem prijst En voor zijn goedheid dank bewijst.

Waar woont de lieve God?

Er is geen plekje op aard zoo ver, Of, als \'t Hem goeddunkt woont Hij er; De minste plaats versmaadt Hij niet. Hij woont er, schoon gij Hem niet ziet. Wat is het menschenhart niet klein! En toch, vindt Hij het deugdzaam, rein En vol van kinderlijken zin.

Dan kiest Hij \'t uit en woont er in.

-ocr page 45-

VERHALEN UIT DEN BIJBEL.

DE SCHEPPING.

Dc hemel, waaraan wij de zon, de maan en sterren aanschouwen, benevens dc aarde, met al hare schoonheid, waarop de menschen wonen, wordt dc wereld genoemd. Die wereld, lieve kinderen! is er niet altijd geweest, maar is eens voortgebracht of, zooals gewoonlijk gezegd wordt, geschapen door den wijzen, machtigen, goeden God. Voordat God iets schiep, was Hij er alleen. Zoo kunt gij dus al terstond een weinig bevatten, dat God dc wereld met alles wat er op en in is, uit niets gemaakt heeft. God behoefde slechts te spreken en wat Hij wilde geschiedde ook. Zijne almacht schiep alles wat

-ocr page 46-

o6

gij ziet en wat gij nu nog niet ziet. Hoe lang het wel geleden is, dat alles geschapen is, weten wij niet en behoeven we ook niet te weten. Zeg mij eens, wat voor nut ge er van hebben zoudt, als ge wist, hoe oud de wereld was. De schepping zou er toch niet anders om worden. Neen, alleen moeten wij zeker weten, dat hemel en aarde eenmaal door God geschapen zijn. Nu, kinderen! daar kunt ge gerust op zijn. En wol, omdat God zelf ons dit geleerd heeft. Het mooie boek, waarin dat verhaal en nog vele andere in gelezen worden, heet de bijbel. Beeds op de eerste bladzijde van dien bijbel lezen wij, dat God in zes dagen of tijdperken hemel en aarde geschapen heeft. Zeer breedvoerig staat daar ook te lozen, wat op elk dier dagen geschapen werd. Eerst schiep God de aarde maar die was woest, ledig, donker en

-ocr page 47-

akelig koud. Nu kwam liet liclit te voorschijn. Toen bracht God do wateren o|) aarde bij elkander en vormde deze tot zeëen. De aarde bedekte Hij als met een groen kleed van gras en mos en de sierlijkste boomen, geurigste bloemen en planten vertoonden zich op aarde. Aan den hemel verschenen op Gods bevel de lieve zon, maan en sterren, waardoor licht en duisternis elkander geregeld afwisselen en de prachtige, in duizend kleuren getooide aarde verlicht en verwarmd zou kunnen worden. Ouze aarde was nu wel zeer schoon, maar nog schooner zou zij worden, als het water met visschen en de lucht met vogelen gevuld waren ; als het vee in de weide graasde, als het wild over de akkers snelde, en het kruipend gedierte zich over don grond bewoog. Ook dit deed God. Eu nu was de aarde in feest-

-ocr page 48-

40

en in den omgang met liun God. Zij beminden God boven alles en hadden ook elkander hartelijk lief. De goede God ging als vriend met hen om; — zij kenden geen smart en waren niet bestemd om te sterven.

In het paradijs bevonden zich eene groote menigte boomen, die met heerlijke vruchten prijkten. Onder die boomen waren er twee, die bijzonder onze aandacht verdienen. De een droeg vruchten, welke naar Gods wil ten leven zouden dienen en daarom de boom des levens genoemd werd. De ander daarentegen bracht vruchten voort, die — evenzoo naar den wil van God — tot noodlottige gevolgen zouden leiden, als de menschen er van aten. Nu had de Hoer gezegd „eet gerust van al de vruchten, welke in dezen hof zijn, maar van de vrucht van dezen boom zult gij niet mogen eten, want als gij

-ocr page 49-

41

cr van cct zult gij den dood sterven.quot; Deze boom wordt dan ook met recht genoemd de boom der wetenschap van goed en kwaad, omdat uit het gedrag van Adam en Eva blijken zou of zij goede, gehoorzame kinderen van God, dan wel of zij ongehoorzaam en kwaad zouden willen zijn.

In den beginne onderhielden de eerste inenschen trouw het gebod van God en aten niet van de verboden vrucht. Maar spoedig werd het anders.

Op zekeren dag naderde Eva wederom don boom en bezag zijn vrucht. Bij die gelegenheid wist de booze geest, die zich in de gedaante van een slang verborgen had, haar tot hét eten dier vrucht te verleiden Denkelijk zal zij wel lang in twijfel gestaan hebben, wat zij doen zou: er van plukken en eten of niet. Eindelijk kon zij hare begeerte niet langer onderdrukken,

-ocr page 50-

42

plukte do vrucht en at er van. Spoedig gaf zij een deel daarvan aan haren man, die er ook van at. Dus overtraden zij beiden het gebod van God, en helaas! de eerste zonde was gepleegd.

Nauwelijks hadden zij zich aan deze eerste ongehoorzaamheid schuldig gemaakt of — zooals het gewoonlijk gaat — hun geweten werd wakker. Zij begrepen, dat zij verkeerd gedaan hadden; zij werden er ongerust en treurig over. Wij kunnen het ons zoo voorstellen, dat spijt en berouw zich van hen moester maakten. Zij schaamden zich voor elkander, zoodat de een den ander niet durfde aanzien. Maar zij schaamden zich nog meer voor hun goeden Schepper, want zij begrepen, dat Hij hunne ongehoorzaamheid gezien had. Hunne schaamte ging zoover, dat zij zich voor God zochten te verbergen. Maar, lieve kin-

-ocr page 51-

43

deren! God is overal en ziet ons dus, waar wij ook zijn. Weldra klonk Gods stem door het paradijs: „Adam, waar zijt gij?quot; „Ik vreesde voor U te verschijnen,quot; was het bedeesde antwoord van Adam. „Hebt gijquot;, zoo vroeg God Verder, „gegeten van de vrucht, die Ik u verboden had te eten?quot; Adam, die nu duidelijk zag, dat God alles gezien had, zocht zich met een lee-lijke uitvlucht to redden door de schuld op zijne vrouw te werpen. „Eva heeft mij van de vrucht gegeven en ik heb er van gegetenquot;, antwoordde hij. Maar de Heer zette het onderzoek voort en vroeg nu aan Eva: „Waarom hebt gij dit gedaan ?quot; Haar antwoord was: ..do slang heeft mij verleid en ik heb van de vrucht gegeten.quot; Ziet, kinderen! op deze wijze wilden de eerste menschen zich verontschuldigen. Maar God, die het goede loont en het kwade straft.

-ocr page 52-

sprak het vonnis uit, dat Hij op deze ongehoorzaamheid gesteld had. Eerst zeide Hij tot de slang: „gij zijt vervloekt onder de dieren, gij zult op de aarde kruipen en geheel uw leven u met stof voeden.quot; Verder klonk Gods vonnis over Eva: „uwe kinderen zullen u smart veroorzaken en uw man zal over u heerschen!quot; En tot Adam werd gezegd : „om uwentwil zal de aarde vervloekt zijn. Met moeite en arbeid zult gij u en de uwen het noodige voedsel bezorgen. De aarde zal distelen en doornen voortbrengen. Gij zult uw brood in het zweet uws aansohijns eten, totdat gij terugkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt.quot; —Dat zijn nu, kinderen! de gevolgen der eerste zonde. Van dat oogenblik af zijn moeite en zorgen, ziekten en tegenspoeden het deel der menschen geworden, totdat vroeg of laat de dood een einde

-ocr page 53-

45

maakt aan hun aardsche leven. — Gij begrijpt het zeker ook, dat het lieve paradijs met al zijne aantrekkelijkheid veel te schoon was voor zulke ongehoorzame menschen. Zij werden dan ook uit het paradijs gedreven en mochten nimmer daarin wederkeeren.

Zoo openbaarde zich Gods gestrenge rechtvaardigheid. Maar God is ook liefde en door die liefde gedreven zou Hij Adam en Eva en hunne nakomelingen niet aan hen zelven overlaten; neen, Hij wilde hen weder in genade aannemen. Bij het uitspreken der straf voegde Hij ook terstond de belofte van herstel. Hij beloofde hun een verlosser, een Messias, die al het kwade dat zij bedreven hadden, wederom vergoeden, die alles, wat zij bedorven hadden, terecht brengen en die al het nadeel, dat door de eerste overtreding voor de nakomelingschap veroorzaakt was, geheel zou weg-

-ocr page 54-

46

nomen. Deze Messias is onze Heer Jezus Christus. Deze wil den menscli alles weergeven, wat hij door de zonden verloren heeft. Deze maakt allen, die naar Hem hooren, in den hemel nog veel gelukkiger dan Adam en Eva hier op aarde in het paradijs geweest zijn.

Gelijk hier bij de eerste ouders, zoo wordt gewoonlijk het kwade bedreven. Een slecht voorbeeld of eene begeerte, die in den mensch opkomt, zet hem tot zonde aan. Denkt er dus steeds aan, lieve kinderen! het kwade te vluchten en gehoorzaam te zijn aan Gods geboden . De zonde is de grootste vijandin van ons allen en door haar worden onrust en vrees ook in het jeugdig gemoed geplant.

KAÏN EN ABEL.

Nadat Adam en Eva, uit het paradijs verjaagd, zich aan den moeielijken land-

-ocr page 55-

47

arbeid gewend hadden, behaagde het God hun kinderen te geven. Onder die kinderen waren er twee, wier geschiedenis belangrijk is, omdat ons daardoor geleerd wordt, hoe de zonde, als zij eenmaal in het hart gekomen is, geregeld toeneemt.

De eerste van deze kinderen heette Kaïn. Hij was ruw van karakter, zeer driftig van aard en beoefende den landbouw. De ander. Abel genaamd, was zeer zachtzinnig en oprecht voor God en voor zijne ouders. Zijn beroep was schaapherder. Nu had Abel blijkbaar meer zegen op zijn arbeid dan Kaïn, waarom deze laatste zijn broeder met geen goede oogen aanzag, maar nijd tegen hem begon te gevoelen. Wij behoeven niet te zeggen, kinderen ! hoeveel verdriet Kaïns gedrag aan zijne ouders veroorzaakte, daar zij met al hunne vermaningen hem niet konden

-ocr page 56-

48

verbeteren. Integendeel, Kaïn werd hoe langer zoo meer ondeugend en de vreeselijke gevolgen van broederhaat zouden zich weldra openbaren.

God had tot Adam gezegd, dat het beste deel van wat de aarde en de veestapel opleverde als een geschenk van dankbaarheid Hem moest gebracht worden. Wij moeten dit, lieve kinderen! zoo verstaan. Eer Adam zelf gebruik maakte van zijne vruchten en andere bezittingen, moest hij een gedeelte daarvan nemen en dit op eene afgezonderde plaats ter eere van God verbranden om daardoor God als de bron van alles te eeren. Dat werk wordt in den bijbel offeren genoemd. Adam leerde ook zijn kinderen deze godsdienstige handeling. Abel deed dit gaarne en van heeler harte, want het was zijn lust God den Heer te dienen. Zijn bedoeling was edel, zuiver en godsdienstig. Kaïn

-ocr page 57-

49

daarentegen deed het gedwongen, omdat zijn vader het hem gebood, met onoprechtheid, ontevredenheid en niet uit liefde tot God. Nu gebeurde het eens, dat beide broeders hunne offeranden opdroegen. God, die weet wat de bedoeling en de drijfveer is van \'smensehen daden, toonde meer welgevallen te nemen aan het offer van Abel dan aan dat van Kaïn. Kaïn zag dit maar al te duidelijk en maakte daaruit op, dat er tussehen hem en zijn broeder een groot onderscheid bij God was. Daar hij zijn broeder toch al geen goed hart toedroeg, ontstak de nijd nog meer zijn binnenste en hij geraakte aan het mijmeren. Bij zichzelven zal hij ongeveer aldus gedacht hebben: „Abel is jonger dan ik en hij zou een grooter voorrecht genieten dan ik!____neen, dat

is niet te verdragen.\'\' Aan deze en dergelijke gedacliten gaf Kaïn zich over

3

-ocr page 58-

5U

en hierdoor werd zijn haat tegen Abel steeds grooter. De Heer waarschuwde hem en sprak hem vriendelijk toe: „Waarom zijt gij zoo vertoornd en waarom is uw gelaat zoo ingevallen? Luister naar Mij; doe wat goed is en Ik zal u evenzeer liefhebben als uw broeder. Indien gij dit niet doet, weet dan, dat de booze op u loert om u in het ongeluk te storten. Maarzoo gij wilt, kunt gij den lust tot zondigen bedwingen en deze verfoeielijke neiging overwinnen.quot; — Maar, neen, kinderen! Kaïn wilde niet en gaf aan deze goddelijke waarschuwing geen gehoor. Al zeer spoedig zou het tot een vreeselijke uitbarsting komen. Op zekeren dag hield hij zich zeer vriendelijk; huichelachtig sprak hij tot den braven Abel; „Kom, laat ons samen naar buiten gaan.quot; Zijn broeder, die geen kwaad vermoedde, was dadelijk

-ocr page 59-

51

bereid. Toon zij nu in de eenzaamheid en ver van de ouderlijke woning verwijderd waren, kreeg hij twist met zijn broeder, begon met hem te vechten en.. . . sloeg hem dood.

Daar lag nu de goede Abel misvormd en levenloos ter aarde, terwijl het bloed uit zijne wonden stroomde. Verschrikt zal zeker de moordenaar gestaan hebben, want nu eerst begreep hij wat de bedreiging Gods te betee-kenen had: „gij zult den dood sterven nil eerst zag hij wat de dood was. Ach, lieve kinderen! wat zullen Adam en Eva bitter te moede geweest zijn, toen zij hun geliefd kind daar dood op den grond zagen liggen! Ach, welk een ongelukkig leven ging Kaïn nu te gemoet! Welk eene wroeging wachtte hem, wanneer de stem van zijn geweten zou beginnen te spreken!

Maar wat hooren wij daar? Daar

3*

-ocr page 60-

52

klinkt de stem van tien alzienden God tot den broedermoorder. „Waar is uw broeder Abel?quot; vraagt God aan Kaïn. Kinderen! Zooals men van een diep gevallen mensch kan verwachten, geeft de broedermoorder een antwoord, dat ons doet ijzen. „Weet ik bet? Ben ik aangesteld om over mijn broeder te waken?quot; Maar God laat zich niet bespotten. „Het bloed van uw broeder,quot; herneemt Hij, „roept tot Mij uit de aarde. Nu zult gij ongelukkig zijn op de aarde, die het bloed uws broeders van uwe hand ontvangen heeft. Tevergeefs zult gij den grond bewerken; hij zal u geen vruchten voortbrengen. Gij zult op aarde omzwerven en geen schuilplaats vinden.quot; — Dat, lieve kinderen! trof Kaïn; nu begon hij zijn misstap in te zien. Zijn geweten werd wakker, en vol angst en wanhoop riep hij uit;

-ocr page 61-

«•

5o

„mijne misdaad is te groot, dan dat ik vergiffenis zou verdienen.quot; Hij waagde het niet meer onder de oogen zijner ouders to komen ; hij nam haastig do vlucht en leidde een zwervend leven.

Lieve kinderen! wij lecren uit dit verhaal, dat de eerste menschen Godo offers brachten als bewijzen hunner dankbaarheid, hunner liefde en aanbidding. God zag in vriendschap en in welgevallen neder op degenen, die Hem aldus met een oprecht hart dienden. Wij offeren geen vruchten of lammeren, maar eiken morgen moeten ook wij aan God de offerande opdragen van al de werken, die wij gedurende den dag te verrichten hebben, met het doel om zijn heiligen naam te eeren.

Hoe ver nijd en haat gaan kunnen leert gij hier, kinderen! uit de geschiedenis van den ongelukkigen Kaïn.

Laat ons elkander lief hebben en den

-ocr page 62-

54

vrcflc onder elkander bewaren. Nijd brengt twist en doodslag voort, maar vrede en liefde hemelschen zegen.

DE ZONDVLOED.

Het getal der mensehen op aarde nam voortdurend toe ; maar helaas! ook de zonde kreeg meer en meer de overhand. De menschen gaven zich over aan allerlei ondeugden en verwijderden zich hoe langer zoo meer van God. In plaats van den eenigen God, gingen zij zon, maan, sterren, en beelden aanbidden. Ja, lieve kinderen! de menschen leefden, alsof er geen God meer was. Dit kon onmogelijk ongestraft blijven. Er waren echter nog enkele goede menschen. Een van dezen heette Noë; hij was een zeer vroom, goeden rechtvaardig man. Aan dezen beval God de menschen ernstig tot verbetering aan te sporen en er de bedreiging bij

-ocr page 63-

55

tc voegen, dat, imlicu zij niet luisteren en zich niet verbeteren wilden, zij door een vervaarlijk groeten watervloed van de aarde zouden verdelgd worden.

Deze vermaning en bedreiging mochten niet baten. Integendeel, het was alsof het kwaad nog erger werd. Daarom besloot God gevolg te geven aan zijne bedreiging. Hij gaf bevel aan Noë een groot vaartuig te maken met onderscheidene verdiepingen, vertrekken en kamers. Noë was gehoorzaam aan dit bevel en bouwde zulk een vaartuig. Dit schip wordt genoemd de ark van Noë. Zoodra nu het oogenblik der goddelijke strafoefening over de aarde daar was, moesten Noë met zijne vrouw en zijn drie zonen met hunne vrouwen in de ark gaan. Hij moest ook een zeker aantal van allerlei dieren met zich nemen, en alles wat noodig was om een tijd lang

-ocr page 64-

tc kunnen leven. Nadat Noë dit bevel des Heeren volbracht had en met de zijnen in de ark gegaan was, sloot God de deur der ark achter hem toe. — Daar begint het, lieve kinderen! opeens verschrikkelijk te regenen, al harder en harder, bijna zes weken achtereen. In groote stroomen viel het water uit den hemel en steeg weldra zoo hoog, dat de ark begon te drijven. Het geheele aardrijk, waar menschen woonden, was eene onoverzienbare zee geworden. De mensehen trachtten zich te redden ; zij klemden zich vast aan wat zij maar grijpen konden. Zij klommen boven in de boomen en op de toppen der bergen. Maar te vergeefs! Zij moesten limine pogingen om zich te redden opgeven. De steeds stijgende watervloed verslond hen allen Noë bleef met zijn gezin gespaard.

Honderd en vijftig dagen stond het

-ocr page 65-

water boven hot aardrijk. Eindelijk deed God eenopdroogenden wind waaien, waardoor liet water begon te vermindoren Op zekeren dag opende Noë het venster van de ark. Om te zien of het water al genoeg gevallen was, liet hij een raaf uitvliegen; maar de raaf kwam niet in de ark terug, totdat de wateren waren opgedroogd Eenigeu tijd later werd dezelfde proef genomen met een duif, doch deze kwam spoedig terug. Na zeven dagen werd andermaal aan de duif de vrijheid gegeven en, lieve kinderen! toen deze terug kwam, bracht zij in haar bek een olijftakje met groene blaadjes mede. Dat was een gunstig teeken voor Noë, want hieruit kon hij opmaken, dat de boomen op aarde weer begonnen te groeien. Nog wachtte Noë zeven dagen, toen hij nogmaals de duif liet uitvliegen.

Toen kwam zij niet meer terug. — ceu

*

-ocr page 66-

58

bewijs, dat de aarde opgedroogd was. Nu kon ook Noë met de zijnen de ark verlaten en op de aarde gaan wonen. O, lieve kinderen! hoe blij en gelukkig zal dat achttal mensclien geweest zijn over hunne wonderbare redding! Ja, van dankbaarheid doordrongen bouwde Noë een altaar en droeg daarop een brandoffer op om op die wijze Gode zijne hulde, aanbidding en erkentelijkheid te betuigen. En God nam behagen in deze hulde en dankbaarheid, want plechtig beloofde Hij nimmermeer de aarde door een algemcenen watervloed te zullen doen overstroomen. Als teeken van herinnering aan die belofte liet God een schoonen regenboog aan den hemel verschijnen. ,.Zietquot;, zoo sprak de Heer tot de overgebleven mensehen, „Ik maak met u en met alle mensclien, die na u zullen komen, een verbond van vriendschap. Geen zondvloed zal in

-ocr page 67-

59

het vervolg liet inenschdom meer verdelgen. De boog, dien gij aan den hemel ziet, zal het teeken zijn van het verbond tusschen mij en de aarde.quot;

Zoo dikwijls wij dus den regenboog zien prijken aan den hemel, laat ons dan aan de geschiedenis van den zondvloed denken. Moge die prachtige boog ons leeren, kinderen! hoe verschrikkelijk God is voor de kwaaddoeners, maar ook hoe goed Hij is voor de braven en vromen.

JOZEF.

Na den watervloed was de zonde niet van de aarde verdwenen. Aan allerlei kwaad gaven de nakomelingen van Noë zich over en het kwam zelfs zoo ver, dat zij den waren God niet moer kenden. Zij aanbaden weer zon, maan cn sterren. en maakten zich steenen

-ocr page 68-

lt;iO

beelden, waaraan zij goddelijke eer bewezen. Denkt echter niet, lieve kinderen! dat er geen goede. brave mensclien meer waren. Er leefde ergens in Chaldea een man, die god-vreezend was. Deze man heette Abraham. God wilde dezen tot stamvader maken van een volk, dat later het joodsche volk genaamd werd. Bij dezen zou de naam van God den Heer bekend blijven. Deze Abraham nu was de overgrootvader van Jozef, van wien wij u wat vertellen zullen.

Zijn vader heette Jakob.

Vader Jakob hield zeer veel van Jozef. Maar er waren nog elf andere broeders. Deze, behalve den jongsten, die Benjamin heette, gingen dag in dag uit met het vee naar buiten om gras en water te zoeken. Jozef en de kleine Benjamin bleven dan gewoonlijk bij vader.

Eens gebeurde het, dat er eenige

-ocr page 69-

(il

hooplieden aankwamen, ilio mooie purperen stof te koop hadden. Jakob kocht dit en liet er voor Jozef eeu mooien mantel van maken. Natuurlijk was Jozef daar blij mee, maar de oudere broeders, die hard werkten en geen mooie kleercn hadden, baatten hem daarom.

Deze haat werd nog erger, toen Jozef ging vertellen, wat hij wol eens droomde.

Eens droomde hij, dat zij allen bezig waren het koren op te binden tot schoven of bundeltjes. Ieder hadzoo\'n schoof voor zich en de elf schoven der broeders bogen zich voor die van Jozef. Wat? — dachten nu de broeders — zal hij de heer van ons en wij zijn dienaars zijn? Een ander maal had Jozef weer een droom, dien hij ook aan zijn vader en zijne broeders vertelde. Ik heb in den droom gezien, zeide hij, alsof de zon, de maan eu

-ocr page 70-

62

elf sterren mij aanbaden. Wat moest dat bcteekenen, dacht vader Jakob. Zouden ik, zijne moeder en broeders hem eenmaal als onzen heer moeten begroeten ?

Gy begrijpt nu zeker wel, kinderen! dat die broeders hoe langer hoe meer boos werden en hun broeder gingen haten.

Jakob echter, die zoo braaf was en altijd in alles den lieven God aanriep, dacht bij zichzelven: wie weet of mogelijk God mijn Jozef niet tot iets groots bestemd heeft.

Ja, kinderen! het vervolg van deze geschiedenis zal u doen zien, dat Jozef werkelijk de lieveling van God was en dat ditmaal droomen eens geen bedrog waren.

Eens waren de tien broeders ver van huis om het vee te weiden en bleven langer uit dan gewoonlijk. Hun

-ocr page 71-

kon wol eens oen ongeluk overkomen zijn. Zij waren in die streek gehaat, omdat zij eens een stad geplunderd en er menschen vermoord hadden. Daarom werd Jakob ongerust, en nu wilde hij, dat Jozef eens zou gaan zien, hoe zij het maakten. Hij vond zijne broeders bij de stad Dothain. Zij zaten bij elkaar wat uit te rusten.

Nauwelijks zien zij Jozef met zijn mooie kleeren van verre aankomen, of zij roepen allen uit; „kijkt, daar komt de droomer aan; komt laat ons hem dooden, zijn lijk verbergen en aan vader zeggen, dat een wild dier hem verscheurd heeft.quot; Dat zullen wij doen, zeiden zij. Maar Ruben, de oudste der broeders, stemde er niet in toe. Hij hield wel niet veel van Jozef, maar hij wilde zijn grijzen vader dit verdriet niet aan doen. Hij stelde voor om Jozef levend in een drogen waterput

-ocr page 72-

64

to werpen, on nam zich voor hem \'s avonds stil er uit te halen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Doch wat gebeurt er? Daar komt in de verte een karavaan ismaëlietsohe kooplieden aan. Eenparig wordt nu besloten Jozef als slaaf aan hen te verkoopon. Dat deden zij werkelijk. Euben was hierbij niet tegenwoordig.

O, lieve kinderen! wat moeten die menschen toch slecht geweest zijn! Maar luistert verder. Toen Jozef verkocht was, namen zij zijn mooien mantel en bevlekten dien met het bloed van een geitje, dat zij geslacht hadden.

Zoo zonden zij dien mantel aan hun vader met de schandelijke boodschap : „wij hebben dezen mantel gevonden ; behoort hij niet aan Jozef?quot; Ach, hoe vreeselijk voor den ouden man! „Dit isquot;, zoo riep hij weenend, „liet kleed van mijn lieven Jozef: ecu wild

-ocr page 73-

f)5

dier heeft hem zeker verscheurd.quot; Neen, nimmer kon Jakob zijn kind vergeten, dat zoo ongelukkig aan zijn eind gekomen was.

Doch, kinderen! laat ons den als slaaf verkochten Jozef verder volgen. Gij zult zien, dat, als men braaf en godsdienstig blijft, men voor niets behoeft bang te wezen, omdat God «altijd zorgt en overal goede menschen doet vinden. Dat ondervond ook Jozef.

Als slaaf vond hij een goeden meester, Pntifar genaamd. Deze stelde hem aan tot heer over al zijne dienstknechten. Maar in den regel hebben de braven veel van slechte menschen te lijden. De vrouw van Putifar was slecht. Deze vrouw maakte hem zwart bij haar man en beschuldigde hem van valsche dingen. Toen liet Putifar den onschuldigen Jozef in de gevangenis werpen.

-ocr page 74-

66

Daar zit uu dc arme jongeling bedrukt en droevig, denkt ge, nietwaar? Neen, Jozef was ook hier tevreden ; en waarom kon hij dat zijn? Omdat hij onschuldig was. Een gerust geweten is altijd tevreden, ook onder tegenspoed en beproeving. Ook in de gevangenis was en bleef God voor hem zijn God, zijn troost en hulp. Tot dien God bad Jozef telkenmale. Zoudt ge meenen, lieve kleinen! dat zulk een braaf man het slecht kan hebben? Neen, want de hoofdopzichter der gevangenis begon van Jozef te houden en stelde hem aan als opzichter over de andere gevangenen, onder wie de opperschenker en de overste der bakkers van den koning zich bevonden. Op zekeren nacht hadden beiden een droom gehad, die door Jozef uitgelegd werd. Alles gebeurde, zooals Jozef gezegd had. Twee jaren later had ook koning Farao

-ocr page 75-

«7

oen droom. Op aanwijzing van den opperschenker werd Jozef uit de gevangenis gehaald om den droom van den koning, dien niemand kon uitleggen, te verklaren. Door Gods hulp gelukte het hem zoozeer, dat de koning versteld stond over zijn wijsheid en hem daarom tot onderkoning van Egypte aanstelde. Hij gaf hem zijn eigen ring, liet hem een kleed van lijn lijnwaad aan doen en hing hem een gouden halsketen om. Toen liet hij hem in zijn tweeden staatsiewagen door de straten van de hofstad rijden en als onderkoning van Egypte uitroepen.

Geëerd door heel Egypte staat Jozef voor u, kinderen! als het heeld van de waarheid: „die God vroeg zoeken zullen Hem vinden.quot;

En zijne broeders? — Twintig jaren later was er groote hongersnood in Kanaitn. De zonen van Jakob gingen

-ocr page 76-

fi8

toen koren in Egypte koopen. Toen kwamen zij bij Jozef, voor wien zij als den onderkoning van Egypte zich nederbogen, maar dien zij niet als hun broeder herkenden. En toen hij zich aan hen bekend maakte, begon hun geweten, dat hen reeds vervolgd had, luide te spreken. Volle vergiffenis schonk hun Jozef en betuigde hier openlijk, dat, wat zij kwaad bedoeld hadden, door God ten goede gekeerd was. En vader Jakob? Deze leefde nog jaren in Egypte met zijn Jozef, die onder allerlei beproevingen zoo braaf gebleven en daarom door God zoo hoog geloond was.

Kinderen! leert uit deze geschiedenis om bij al wat u ook op uwen levensweg overkomt, altijd braaf en deugdzaam te blijven. Gij behoudt dan een goed en rein geweten en God zal altijd en overal met u zijn.

-ocr page 77-

69

MOZES.

Zooals gij weet, lieve kleinen! had Jozef zijn vader en zijne broeders met hunne dienstboden en hun vee bij zich naar Egypte laten komen. Hunne nakomelingen konden daar zeer goed wennen, en verlangden niet naar Ka-naan terug, en daar vader Jakob ook Israël heette, werden zij Israëlieten genoemd. Zij groeiden tot een groot volk aan en genoten in Egypte al het goede, dat zij maar wenschen konden. Altijd nog leefde in Egypte de gedachtenis aan hetgeen Jozef, als redder van het land, gedaan had. Maar met den tijd verandert alles; er komen andere menschen,cn die mensohen vergeten zeer dikwijls het goede, dat aan hunne voorouders bewezen is geworden. Zoo kwamen er ook andere koningen, die Jozef niet kenden. De groote me-

-ocr page 78-

7U

nigte Israëlieten in zijn laud maakte den koning, die ook Farao heette, bang. Er zou wel eens een oproer kunnen komen en dan zou Egypte gevaar loopen Wat heb ik, zoo dacht die Farao, met dat israëlietische volk te maken? En weldra was het besluit genomen om van alle Israëlieten slaven te maken. Ge weet wel, kinderen! een slaaf moet hard werken en, als hij niet hard genoeg werkt, krijgt hij stok- of zweepslagen. Dat harde lot moesten nu de nakomelingen van vader Jakob ondergaan. Zij moesten slavenarbeid verrichten op het land en in de steenbakkerijen en werden op wreede wijze mishandeld. Maar de koning was niet spoedig tevreden. De Israëlieten hadden veel kinderen en hij werd bang, dat al die jongens nog eens een oorlog tegen hem zouden beginnen. Daarom beval de ontaarde, slechte koning, dat

-ocr page 79-

71

allo israëlietische jongentjes, terstond na hunne geboorte, in den Nijl moesten verdronken worden. Dit wreede bevel werd aan het geheele volk bekend gemaakt.

Ach! lieve kinderen! hoe hard voor die goede moeders, zoo hare kindertjes te moeten zien sterven! Want werkelijk zag men in den Nijl, eene rivier van Egypte, vele onschuldige wichtjes drijven, die verdronken en door de krokodillen werden opgehapt.

Nu was er eene brave, godsdienstige vrouw, Jochabed genoemd, die een lief, aanvallig kindje had, dat zij natuurlijk zeer beminde. Drie maanden lang had zij haar lieveling stil verborgen gehouden. Maar eindelijk kon zij hem niet langer verbergen. De Egyptenaars zochten huis aan huis. Daarenboven konden de buren haar wel eens verraden .

-ocr page 80-

72

Wat zal nu die goede moeder doen V Ziet, daar vlecht zij van het riet uit de rivier een mandje. Zorgvuldig kiest zij het beste riet, dat geen water doorlaat. En om elke droppel water, die binneu zou kunnen dringen, te keeren, maakt zij het met lijm en pek waterdicht .

Nu neemt zij haar kind, en na het teeder gekust te hebben legt zij het in het mandje. Zij draagt het in haar armen en bij den Nijl gekomen, zoekt zij een stil plaatsje tusschen de biezen en legt daar het mandje neder, dat haar lieven jongen bevat.

Toen bad zij God, dat Hij haar kind beschermen zou, dat er iemand mocht voorbijkomen, die het kind vond en er medelijden mede had.

Vreezende ontdekt te worden ging moeder Jochabed treurig naar huis on liet aan haar dochter Maria de zorg

-ocr page 81-

73

over om toe te zien, wat er van haar broertje worden zou.

Kinderen! wat is tocli een goede moeder vol zorg voor haar kind! Hoo naar toch, als kinderen tegen een lieve moeder zoo stout en ongehoorzaam zijn!

Maar — zoo denkt gij al — wat zal er nu met dat kindje gebeuren? Luistert en gij zult wederom zien,hoe de goede God alles weet te besturen.

Daar komt een mooie optocht aan. Het is de prinses van Egypte, een dochter van den wreeden koning Farao. Zij gaat naar dezelfde plaats der rivier, waar het mandje ligt te drijven. Het water schijnt daar lager geweest te zijn, en zoo werd dit plekje door voorname jonkvrouwen gebruikt om te baden. Het hart van Maria klopte, toen zij zag, dat de prinses in het water ging. Ongemerkt kwam die goede zus dichterbij. „Wie weet, of

4

-ocr page 82-

74

mijn broertje nu nog niet gered wordt,quot; dacht zij.

Onder het baden kijkt de prinses op en ziet iets op het water drijven. Door de golfjes schommelt het mandje op en neer. Terstond geeft zij aan een harer dienstmaagden last om dat mandje er uit te halen. Daar staat het op den kant. Zij opent het en aanschouwt een knaapje, dat weent. Innig door medelijden getroffen kreeg zij de tranen in de oogen en zeide: „dat is zeker een kindje van de arme Israëlieten, waarvan er al zoovelen verdronken zijn.quot;

Dat zag en hoorde Maria, die toen wel kon weenen van blijdschap. Zij hield zich echter goed, ging er bij staan en vroeg beleefd aan de prinses: „wil ik eene israëlietische vrouw gaan halen om het kindje op te voeden ?quot;

„Ja, boste meid! dat is goodquot;, ant-

-ocr page 83-

75

woortlde do prinses. En loopcndo wat zij loopen kon, ijlt nu Maria naar huis om hare moeder te roepen. Deze kwam dadelijk, dat begrijpt gij, kinderen ! want nu zou zij toch haar dierbaar kind behouden, ja zelfs mogen opvoeden.

Toen nu Maria met hare moeder bij de prinses gekomen was, zeide deze tot de moeder: „Vrouw, wilt gij dit kindje voor mij opvoeden ? Ik zal er u goed voor beloonen.quot; — Wij zullen u wel niet behoeven te zeggen, dat moeder Joohabed gaarne dit aanbod aannam en haar lieve kind aan het hart drukkende naar huis snelde.

Wie zal de blijdschap beschrijven, die in het huis van Amram, den man van Joohabed, heersclite! Hoe zullen die brave ouders mot die trouwe Maria den goeden God gedankt hebben, die hun kind aldus beschermd had!

Onder de liefderijke zorgen der ouders

4*

-ocr page 84-

76

groeide het knaapje op,en toen hij groot genoeg was, bracht zijne moeder hem naar de prinses, die hem als een zoon aannam en alles liet leeren, wat hem nuttig en noodig zijn kon. Zij gaf hem den naam Mozes, dat in het egyp-tisch beteekent: „Uit het water gered.quot;

Dit is nu dezelfde Mozes, die later zoo beroemd werd, toen hij de Israëlieten uit Egypte leidde en hun op den berg Sinaï de wet der tien geboden gaf.

Wij leeren hieruit, lieve kinderen! hoe trouw liefderijke ouders voor hun kinderen zijn, — hoeveel zij van hen houden en voor hen doen. Bemint toch altijd uwe ouders; gehoorzaamt hun in alles en bidt God, dat gij hen nog lang behouden moogt. Leert van Maria, Mozes\' zuster, ook veel van uwe broertjes en zusjes te houden en hen steeds te helpen zooveel gij kunt. Daarop rust Gods zegen.

-ocr page 85-

17

SAMSON.

„Zoo sterk als Samson.quot; Dat is een spreekwoord onder de menschen. Juist daarom is het goed, kinderen, wat meer van dien Sarason te hooron en te weten.

Mozes had de Israëlieten uit de harde slavernij van Egypte verlost en naar het land Kanaan gebracht, waar vader Jakob vroeger leefde. Daar woonden nu de Israëlieten, verdeeld in twaalf stammen. Elke stam moest zichzelf verdedigen tegen de Kanaanieten en omliggende volken. Maar, als er van tijd tot. tijd een groote vijandige aanval kwam, dan stonden er mannen op , die zich aan het hoofd van het geheele volk plaatsten. Die mannen werden rechters genoemd. Een dier rechters was Samson. Samson was buitengewoon sterk en daardoor juist in staat

-ocr page 86-

78

goodo diensten aan de Israëlieten te bewijzen. Deze hadden veel te strijden tegen de omliggende volkeren en voornamelijk tegen de Filistijnen. Samson had een onverzoenlijken haat tegen hen. En toch — hoe zonderling — toen hij wilde trouwen, zocht hij juist eene filistijnsche vrouw, met wie hij na verloop van eenigen tijd in het huwelijk zou treden. Onder weg ontmoet hij een leeuw, dien hij door zijn ontzettend groote kracht van een scheurde. Eenigen tijd daarna, toen hij zou gaan trouwen, ging hij weer langs dicnzelfden weg en bemerkte, dat in het geraamte van den leeuw een zwerm bijen zich had genesteld. Gretig nam hij wat honigraten en at er van. Daarop gaf hij aan zijne speelgonooten, die het feest van zijn bruiloft mede vierden, een raadsel op: „Spijs ging uit van den eter, en zoetigheid van den sterke.quot;

-ocr page 87-

79

Zijne bruid vertelde hun de geschiedenis van den leeuw en de honigraten en zoo konden de Filistijnen het raadsel gemakkelijk raden. Hij verliet daarop zijn vrouw. ïoen hij na verloop van een jaar terugkwam om haar te bezoeken, vond hij haar met een anderen man gehuwd. Hierover werd Samson zoo boos, dat hij zieh op de Filistijnen wilde wreken. Hij ving driehonderd vossen, bond ze twee en twee aan elkander met een brandende fakkel aan de staarten en joeg ze vervolgens door de korenvelden der Filistijnen, waardoor niet alleen het graan, maar ook boom- en wijngaarden verwoest werden.

Geen wonder, dat de Filistijnen hem geweldig haatten. Zij trachtten hem gevangen te nemen. Zijne landgenooten leverden hem met zijn goedvinden uit, bonden hem met nieuwe touwen

-ocr page 88-

80

on braolitcn hem zoo bij zijne vijanden. Maar opeens rukt hij de touwen los,\' grijpt het kakebeen van een ezel en verslaat de duizend Filistijnen, die hein omringden.

Op een anderen keer liet hij zich in een lilistijnsche stad opsluiten. Maar \'s nachts stond hij op, nam de houten deuren der poort uit hare hengsels en droeg ze boven op den berg.

Doch Samson\'s rijk zou spoedig uit zijn. Bene schoone filistijnsche vrouw, Dalila, wist door haar vleitaal eindelijk uit hem te krijgen, waarin zijn verbazende kracht gelegen was en hoe hij zou kunnen overwonnen worden. Samson was een zoogenaamde Nazarëer, wiens haar nooit mocht worden afgesneden. Zoodra dit geschiedde, zou hij zijn bovenmenschelijke kracht verliezen en God hem verlaten. Nadat Samson het geheim zijner kracht verteld had,

-ocr page 89-

SI

ging hij slapen. Daarvan maakte Dalila gebruik. Terwijl hij sliep, liet zij zijn prachtig haar afsnijden. Zoo verloor Samson zijn kracht en viel hij in de handen der Filistijnen, die, om hem voor altijd weerloos te maken, hem de oogen uitstaken en in de gevangenis te Gaza wierpen.

Nog eenmaal echter zou zijn kracht terugkeeren. De Filistijnen vierden ter eere van hun afgod Dagon een feest, en kwamen daartoe in den tempel bijeen. Nu wilde het volk den blinden reus zien. Dadelijk werd hij uit de gevangenis gehaald om ten spot van allen voor het volk te spelen en te dansen. Daar stond Samson tusschen twee pilaren, waarop dit gebouw voornamelijk rustte. Nu smeekte hij God om eenige oogenblikken zijne vroegere krachten terug te mogen krijgen en toen hij deze weer in zich gevoelde,

-ocr page 90-

82

rukte hij de pilaren omver. Het dak kraakte en stortte ineen; alles werd bedolven. Meer dan drieduizendFilistijnen vonden daarbij den dood. Ook Samson stierf met den uitroep: „Mijn leven ga ten onder met de Filistijnen.quot;

Kinderen! Er is in Samson veel kwaads, dat gij niet moet noch moogt navolgen. Maar er is ook ééne deugd, die in zijne geschiedenis doorstraalt, en deze is: liefde voor zijn vaderland en voor zijne landgenooten. Leert dus van hem uw geboortegrond en uwe medebewoners lief te hebben en zoo noodig te beschermen.

DAVID.

Gij hebt gehoord, lieve kinderen! dat de Israëlieten in het beloofde land Kanaiin door rechters bestuurd zijn geworden. Dit duurde een tijd lang. Het israëlietische volk zag echter, dat

-ocr page 91-

83

do naburige volkeren koningen haildcn en wilde nu ook oen koning hebben. Dit geschiedde onder den laatsten, maar ook den grootsten dor rechters. Deze rechter heette Samuel. Ba de eerste koning, die op Gods hevel door Samuel werd aangesteld, heette Saul. Van dien Saul zullen wij u maar niets vertellen, omdat er in zijne geschiedenis weinig aantrekkelijks is voor kinderen. Dit is niet zoo van hun tweeden koning, David genoemd. Dat is die David, die zoo mooi dichten kon, en die schoone psalmen en gezangen gemaakt heeft, welke nog door ons gebeden en gezongen worden. En daarom is het goed, dat gij reeds op jeugdigen leeftijd iets van dien David weet, want reeds van zijne jeugd af was hij braaf en godsdienstig. Hoort dan aandachtig toe.

Saul was koning over het israëlieti-

-ocr page 92-

81

sche volk, maar daar hij hoogmoedig cu hecrschzuohtig was en Gods geboden niet onderhield, wilde God ook niet, dat zijn geslacht verder over zijn volk zou heerschen. Een ander geslacht moest aan het bestuur komen. Het geslacht van vader Isaï namelijk. Een zijner zonen moest de opvolger van Saul worden. Wie het was, zou God zelf wel aanwijzen. Samuel moest naar Bethlehem gaan en Gods plan uitvoeren. Toen uu Samuel bij Isaï kwam, vroeg hij om al zijne zonen eens te zien. Als hij nu den oudsten zag, dacht hij bij zichzelven: „die zal het wezen, want hij is groot en schoon van gestalte.quot; Maar een stem in zijn hart, de stem van God, antwoordde : „de mensch ziet naar de uitwendige gedaante, maar de Heer ziet op het hart.quot;

Zoo gingen er zeven zonen van Isaï voorbij, maar telkens deed God aan

-ocr page 93-

85

Samuel weten: „deze is liet niet.quot; Slechts één zoon was nog niet verschenen, en dat was David, de jongste der zonen. Op verzoek van Samuel werd hij geroepen uit het veld, waar hij \'s vaders kudde hoedde. Deze jongeling, blozende en innemend van gelaat, verscheen. — Zoodra Samuel hem zag, zeide God, die op het hart ziet, tot hem: „deze is het.\'\' En Samuel zalfde hem als den toekomstigen koning over het israë-lietische rijk. Het zou echter nog lang duren, eer hij koning werd.

David ging nu weder aan zijn gewone bezigheid, het hoeden der schapen. Als hij zich zoo alleen op het veld bevond, verhief hij meermalen zijne ziel tot God en zong zeer dikwijls tot verheerlijking van dien God. Hij was, gelijk de meeste herders uit dien tijd, een goed fluitspeler; maar hij had ook een harp gemaakt met snaren en als

-ocr page 94-

86

hij daarop speelde en te midden zijner schapen naar den hemel zag, dan was hij zoo gelukkig, dat hij niets meer te verlangen had. Misschien wist hij niet eens goed, wat het te beduiden had, dat Samuel hem gezalfd had. Althans veel zal hij er niet aan gedacht hebben. Hij was vergenoegd en tevreden en dat kon ook niet anders, lieve kinderen! want de Geest Gods was op hem, en die Geest is enkel vrede.

Ondertusschen had koning Saul meer en meer den Geest van God verloren ; hij werd zwaarmoedig, onrustig en soms woedend. De bekwaamheid van David in het harpspelen was aan het hof bekend geworden. Nu hebt gij ook wel eens gehoord, kinderen! dat muziek opvroolijkt en dikwerf een zwaarmoedig mensch kan opbeuren. Dit wisten ook Sauls hovelingen. Zoo weid David aan het hof ontboden. Hij

-ocr page 95-

87

spoelde op de liarp en werkelijk bedaarde Saul, die hom uit orkentelijklieid tot zijn wapendrager benoemde. Toch keerde David telkens tot zijne schapen terug.

Dikwijls brak er oorlog uit met do Filistijnen. Zoo ook nu. Do drie oudste broeders van David waren in hot leger. Vader Isaï was zeer verlangend iets van hen te hooren. Daarom zond hij zijn jongsten zoon om naar hun welstand te vernemen. David ging den volgenden dag op weg en toen hij aan do legerplaats kwam, vond hij de Israëlieten in slagorde geschaard tegenover de Filistijnen.

Daar trad uit het filistijnsche leger een reus te voorschijn, Goliath genaamd, die de Israëlieten uitdaagde, of er iemand was, die tegen hem durfde vechten. „Kiestquot; — dus sprak hij — „oen man, onder u, een man, die tot mij durft komen Indien hij togen mij strijden

-ocr page 96-

88

cn mij verslaan kan, dan zullen wij uwe knechten zijn, maar overwin en versla ik hem, dan zult gij onze knechten zijn en ons dienen.quot; £n wat deden nu de Israëlieten? O, wij lezen in den bijbel, dat bange vrees hen vervulde en zij zich in hunne tenten terug trokken. Alleen David kon het niet verdragen, dat zoo\'n man — hij mocht dan acht of negen voet lang en geheel gewapend zijn — zijn volk en zijn God bespotte. Men deelde hem mede, dat Saul veel geld beloofd had aan den man, die Goliath overwinnen zou, en dat hij hem zijne dochter tot vrouw wilde geven. Niemand echter durfde.

David voelde echter moed om den strijd tegen dien reus te wagen. Hij sprak daarover met dezen en genen. Zijn broeder Eliab hoorde dit en sprak David op ruwe wijze toe: „Wat doet

-ocr page 97-

89

gij hier? Aan wien licbt gij de sohapcn overgelaten? Ik ken u genoeg; gij zijt hierheen gekomen om naar het gevecht te zien.quot; Doch David liet zich niet uit het veld slaan, maar antwoordde: „Wat heb ik voor kwaad gedaan, het is immers maar eene vraag, die ik doe.quot; En hij ging hoen, want hij wilde met zijn broeder niet verder twisten.

Toen vertelde men aan Saul, dat er een jonge herder gekomen was, die wel moed en lust had om tegen den Filistijn te vechten. Saul liet hem bij zich komen, maar toen hij dien jeugdigen David zag, wilde de koning er niets van weten. Nu verhaalde David, dat hij eens een leeuw gedood had, die een schaap uit zijn kudde roofde en een anderen keer een beer en dat God, die hem toen geholpen had, hem nu ook wel zou bijstaan. Dit antwoord beviel den koning. Aanstonds deed

-ocr page 98-

90

hij hem zijn eigen harnas aan, zette zijn helm hem op \'t hoofd en gordde hem zijn zwaard aan. Maar tengevolge van ongewoonte kon David zich in dat soldatenpak niet bewegen. Daarom deed hij alles uit en vroeg of hij maar gaan mocht zooals hij was, met een slinger en een stok Hij zocht vijf gladde steenen uit de beek, stak die in zijne herderstasch, en zoo gewapend met stok en slinger en steeneu, ging hij den reus Goliath kloekmoedig te gemoet.

De Filistijn keek met verachting op den blozenden jongeling. „Watquot;, — zeide hij —■ „ben ik dan een hond, dat gij met een stok op mij afkomt? Kom op maar, zoo ge durft en ik zal u terstond aan mijn piek rijgen.quot;

David bleef het antwoord niet schuldig; want toen de reus op hem toeschoot, nam hij een steen uit zijn tasch en slingerde dien naar den Fili-

-ocr page 99-

91

stijn. Do steen kwam met zulk een kracht tegen zijn voorhoofd, dat de reus ineen zonk en met het aangezicht op den grond nederviel. Nu springt David boven op hem, trekt het zwaard uit zijn schede en houwt Goliath met zijn eigen zwaard het hoofd af. Hierop nam het geheele iilistijnsche leger van schrik de vlucht.

Na deze overwinning werden in al de steden der Israëlieten door vrouwen en meisjes optochten gehouden om Saul en David in te halen, met trommels en fluiten, met zang en dans, en overal hoorde men zingen:

„Saul heeft er duizenden verslagen;

Maar David tien duizenden.quot;

Toen Saul dit hoorde, werd hij jaloersch en van dat oogenblik af had hij rust noch duur; — hij kon David niet meer zien. Eens, toen hij weer

-ocr page 100-

92

voor clcn koning op de harp speelde, ■vvierp deze met zijn spies naar hem om hem te dooden. Maar David sprong op zij, en de spies bleef in den muur zitten. Van nu aan moest David vluchten en in de woestijn zwerven, altijd maar vervolgd door Saul, totdat hij eindelijk koning werd. Gelukkig had David een trouwen vriend. Dat was de brave Jonathas, Saul\'s zoon, die David bleef liefhebben, zonder den eerbied voor zijn vader te verliezen. Gaarne, lieve kinderen! vertelde ik u nog wat van dien edelen jongeling Jonatbas. Maar als ik daarmede begon, en alles vertelde wat wij van David en Jonathas, die trouwe vrienden, weten, en vooral van Davids regee-ring, dan zou dit boekje al te groot worden.

Zeker was het voor David een groote verandering, van herdersknaap de machtige koning van Israël te worden. Maar kinderen! denkt gij, dat

-ocr page 101-

93

hij zooveel gelukkiger geworden isV O neen. Toen hij de schapen zijns vaders hoedde en dien schoonen psalm zong: „Heer, onze Heer! hoe wonderbaar is uw naam over het gansc.he aardrijk! Als ik uw hemel aanschouw, de maan en de sterren, die Gij geschapen hebt, wat is de mensch, dat Gij zijns gedachtig zijt?quot; — toen hij dat zong, spelende op de harp, opgewekt, zorgeloos en zonder zonde, was hij zeker gelukkiger dan op zijn troon.

Kinderen! ik vind in een boek een oud liedje, dat zoo geheel uitdrukt, hoe David aan zijne gelukkige jeugd bleef denken:

Ik was een jongeling,

Nog teeder en gering. Bij broed\'ren laag geacht. Men had mij in het veld Tot herder aangesteld.

Daar hield ik steeds de wacht

-ocr page 102-

94

En weidde \'t wollig vee.

Toen maakte ik wel te vree Een harp met eigen handen. Ik greep het snarentuig,

\'k Zong psalmen. — Van \'t gejuich Weergalmden onze landen.

Neeu, kinderen! grootheid brengt in den regel geen geluk aan, maar tevredenheid met wat God geeft, dat doet gelukkig, waarlijk gelukkig zijn. Welnu, leeft dan tevreden in uw ouderlijk huis.

ONDEUGENDE JONGENS VAN BETHEL.

Er hebben vele koningen over de Israëlieten geregeerd. Later zelfs twee te gelijk, toen het rijk in twee deelen gescheurd was. Het israëlietische volk werd er niet beter op. Dikwijls verlieten zij den dienst van God en aanbaden de afgoden. Doch al was dikwerf het volk slecht en ondankbaar, — God was en bleef altijd goed. Dit toonde Hij ook door

-ocr page 103-

95

het volk tot het goede te vermanen en met zijne straffen te dreigen. Dit deed God dan door inenschen, die profeten genoemd werden. Die profeten waren brave inenschen, en om ook anderen, vooral jongens en meisjes, tot brave menschen te vormen, hadden zij scholen opgericht, die profeten-scholen heetten.

Een der grootste profeten is zeker Elias gefeest. Toen deze zijn zware taak onder het zondig en afgodisch volk volbracht had, werd hij door God weggenomen van de aarde en zijn dienstknecht en leerling Elizeüs werd profeet in zijn plaats. Ook deze was de wachter van de profetenscholen. Eens ging hij naar Bethel, om zulk eene school te bezoeken. En wat er nu op dien weg gebeurde, wil ik u, lieve kinderen! eens vertellen.

Het was een steile weg en Elizeüs wandelde langzaam voort. Terwijl hij

-ocr page 104-

96

daar zoo liep, kwam er een Iwfile troep kleine jongens uit de stad, liep hem achterna en begon hem uit te schelden. „Kaalkop, ga op!quot; riepen zij en dit werd telkens herhaald.

Waarschijnlijk zal Elizeiis niet veel haar op zijn hoofd gehad hebben; en in die dagen werd een flink hoofd met haar heel mooi gevonden. Het werd toen voor schande gerekend nog niet oud te zijn en toch al een kaal hoofd te hebben. Zij , die raelaatsch waren — een allerongelukkigste ziekte — en zij, die andere hoofdziekten hadden, werden als kaalkoppen veracht; en zoo werd het woord „kaalkopquot; een leelijk scheldwoord.

Nu kunnen wij begrijpen, hoe het kwam, dat Elizeiis zoo boos werd op die ondeugende jongens, vooral toen zij telkens terugkeerden en niet ophielden met schelden. Eindelijk sprak

-ocr page 105-

97

de profjet een vloek over hen uit in den naam des Heeren. Dadelijk kwamen er twee beren uit het bosch en verscheurden twee en veertig kinderen.

Dat was — dunkt me — wel een wat al te zware straf. Het is zeker waar, lieve kinderen! dat profeten, zooals Elias en Elizeüs geëerd moesten worden. Hunne vermaningen zouden anders geen invloed gehad hebben in dien slechten tijd. Maar toch schijnt die straf wel wat zwaar.

Ik dacht daar eens over na en het kwam mij vreemd voor, dat er zooveel kinderen bij elkaar waren, terwijl het stadje Bethel toch zoo groot niet was. Het moet dus zeker wel een complot, een afspraak geweest zijn. Als gij nu daarbij bedenkt, dat te Bethel een van de twee gouden kalverbeelden stond, die door het volk als goden vereerd

5

-ocr page 106-

98

worden, dan zult gij wel begrijpen, dat er haat was tegen de ware profeten van God. Toen de profeet Amos daar eens profeteerde en in naam van God met straf dreigde, viel de priester van den kalverdienst hem aan en joeg hem weg met de woorden: „ga weg, gij ziener! Ga naar het land van Juda, eet daar uw brood en profeteer aldaar.quot; Hiervan komt het spreekwoord, dat gij zeker wel eens gehoord hebt: „het is een profeet, die brood eet.quot; Immers, die afgodenpriester wilde zeker zeggen: „gij profeteert hier natuurlijk om den broode en dat kunt gij in Juda beter verdienen.quot; Zoo stel ik mij nu voor, dat die ondeugende kwajongens ook in dienst van dat kalveraltaar waren en door de priesters opgestookt waren, om Elizeüs uit te schelden en hem zoo van die plaats weg te jagen.

Wij beleven nu heel andere tijden;

-ocr page 107-

99

maar toch zijn er nog genoeg straatjongens, die iemand om het een of ander lichaamsgebrek, dat hij heeft, uitjouwen en schelden. Dit is heel leelijk en onbarmhartig. Uit dit verhaal hoort gij reeds, dat zij in elk geval een flinke straf verdienen, ook al vloeken wij ze niet en al worden zij niet door beren gedood.

Lieve kinderen! hebt toch eerbied voor de ouden, ook al wordt hun hoofd kaal en weest medelijdend jegens de men-schen, die gebrekkig zijn en juist daarom des te meer uw medelijden verdienen.

EEN BRAAF JONGELING.

In het laatste verhaal hebben wij u verteld van ondeugende jongens, die gij niet inoogt navolgen. Nu zult gij van een ander jongeling iets hooren, waaraan gij u wel moet Bpiegelen. Die jongeling heet Daniël, die later

5*

-ocr page 108-

100

een beroemd profeet is geworden. Do koning van Babel, Nabnchodonosor, had Jeruzalem verwoest en het joodsehe volk naar Babel overgebracht. Daniël was nog jong, toen hij uit zijn vaderland werd weggevoerd.

Toen de Joden nog in Palestina waren en hun prachtigen tempel te Jerusalem nog hadden, weken zij telkens van God af en vervielen tot afgoderij. En nu die tempel verwoest was, nu het volk leven moest onder de heidenen, nu bleven de meesten hunner getrouw aan den godsdienst der vaderen. Meer dan vroeger zagen zij thans, dat er alleen van den eenigen waren God zegen te verwachten was. En als zij die heidensche feesten in Babel aanschouwden en al die afgoderij en gruwelen zagen, dan dachten zij; \'t is toch beter onzen God te dienen, die ons helpen kan in dit vreemde land.

-ocr page 109-

101

Zoo gaat het wel eens meer in de wereld, kinderen! de nood doet God kennen en leert vaak tot Hem bidden.

De koning van Babel begon met aan eenige joodsche jongelingen eene goede opvoeding te doen geven om, als deze voltooid was, hen in zijn dienst als hofjonkers te nemen. Daartoe moesten de schoonsten en verstandig-sten worden uitgezocht. Tot dezen behoorde ook Daniël met nog drie jeugdige vrienden Natuurlijk konden zij het goed hebben, want \'s konings tafel was rijk van vleesch en gebak voorzien. Daniël echter wilde zich niet verontreinigen en de drie anderen evenmin.

Maar kinderen! zou dan \'s konings tafel onzindelijk geweest zijn, dat zij bang waren zich vuil te maken? Neen, natuurlijk niet. Maar er was iets anders. De joden toch hebben hunne spijs-

-ocr page 110-

102

wetton, die God zelf door Mozes had doen geven. Zij mogen het vleesch niet eten, dat niet volgens de wetten geslacht is en varkensvleesch mogen zij in \'t geheel niet eten. De meeste joden zijn daar nog zeer streng op. Daarom dus, uit eerbied voor de wetten van God, weigerden ook Daniël en zijne drie vrienden van \'s konings tafel te eten.

Een opperkamerling was als hoofd aangesteld over die jongens en moest hen opvoeden. Aan dezen vroeg Daniël nu om te mogen eten en drinken, zooals hij en de zijnen gewend waren. De overste wilde hun dit wel toestaan, maar hij was bang, dat zij er minder goed zouden gaan uitzien. En als de koning dat zag, hoe zou hij zich dan verantwoorden? Nabuchodonosor was geen gemakkelijk koning en liet niet met zich spotten. Daarom stelde Da-

-ocr page 111-

103

niël hem voor, om hen tien dagen lang niets anders dan brood en plan-tenvoedsel te geven en dan eens to zien, of hij en de zijnen er slechter uitzagen dan de andere jongens. Deze proef gelukte, want na verloop van die tien dagen hadden zij een flinker en gezonder voorkomen dan de anderen. En dit alles deed Daniël uit nauwgezette godsdienstigheid, omdat God aldus geboden had.

Zoo ook moeten wij, lieve kinderen! nauwgezet wezen op eiken plicht, dien God ons heeft opgelegd, op gebed en op kerkgang en op alles, wat ons geboden of verboden is. Gelijk Daniël later een zegen werd voor zijn volk, zoo zult ook gij een zegen zijnvooruweouders en door God zelf gezegend worden.

-ocr page 112-

VEKTELLINGEN.

DB TWEE ENGELTJES.

Er waren eens twee lieve kleine engeltjes in den hemel, die onze lieve Heer naar de aarde zond om de wereld eens goed te bekijken en overal waar zij konden goed te doen. Eerst zweefden zij samen door de wolken, daalden toen langzamerhand naar beneden, totdat zij vlak bij de aarde kwamen. Toen kwam het eeno engeltje in een groote stad te land en vloog regelrecht naar een klein smal straatje, waarin een armoedig huisje stond.

Het was erg stil, koud en donker, want het was nacht; maar toch zag het engeltje alles om zich heen, want het had een sterretje op zijn hoofd,

-ocr page 113-

105

dat hem overal voorlichtte. Kondkij-kende bemerkte het engeltje al spoedig, dat door den harden wind de deur van het huisje was opengewaaid. Snel vloog hij daar heen, trippelde naar binnen, sloot de deur zorgvuldig toe, liep een klein eindje voort en kwam eindelijk in een kamertje. In een hoek stond een bedje, waarin een ziek jongentje lag, dat maar niet in slaap kon komen. Stilletjes trad het engeltje nader, lichtte het hoofdje van den knaap voorzichtig op, schudde het kussen zoo goed mogelijk en vouwde toon de dunne dekentjes dubbel om het kind er lekker warmpjes in te stoppen. Toen ging het engeltje op den rand van hot bedje zitten en vertelde, hoe hij uit den hemel was gekomen om de kindertjes te troosten en hoe daar boven onze lieve Heer woonde, die al het goed en kwaad zag; hoe lief Hij de kindertjes had,

-ocr page 114-

106

die goed on braaf en ook, hoc bedroefd Hij was, wanneer zij stout en ondeugend waren. En toen het vertelseltje uit was, zong het engeltje een mooi liedje, totdat de oogjes van het kind zich langzamerhand sloten en liet eindelijk vast sliep, om den volgenden morgen veel beter wakker te worden. Nu sloop het engeltje weer even zachtjes als het gekomen was het huisje uit en ging verder de wijde wijde wereld in.

Intusschen was het tweede engeltje naar een andere stad gevlogen en zag daar een heel groot prachtig huis staan. Opeens bemerkte hij, dat er een venster van een der kamers was opengeschoven. Hij kon zich maar niet begrijpen, hoe men met zulk een kou \'s nachts een raam open kon velen en dacht: ik zal eens even naar binnen vliegen om te zien of ik ook helpen kan. Zachtjes vloog hij naar binnen

-ocr page 115-

107

on voelde al dadelijk, dat het wel noodig was, dat er wat hicht in de kamer kwam; zóó benauwd en warm was het in het vertrek. Alles was er mooi en prachtig en toch vond het engeltje het zoo doodsch en stil. Toen hij rond keek, zag hij een klein fraai hedje, waarin een meisje lag, dat niet in slaap behoefde gezongen te worden, want het sliep vast, zelfs zóó vast, dat het nooit meer wakker zou kunnen worden, want het was dood. Voor het bedje zat de moeder met de handen voor de oogen en huilde, want het meisje was haar eenig kindje en zij wou liet al maar weer terug hebben. Zij wou juist beginnen te morren en te knorren, dat het liefste wat zij had van haar was weggenomen, toen opeens stilletjes het engeltje op haar schoot kwam zitten en haar dit in \'t oor fluisterde: Er was eens een rijke, zeer

-ocr page 116-

108

rijke dame, die maar één zoontje had, waar zij erg veel van hield. Eens op een keer, dat het kind zou gaan wandelen, viel het van een stoep af en brak zijn beentje en het werd ziek, zóó ziek, dat er nergens meer een dokter was, die het beter kon maken. Toen kwam er een van mijne broertjes uit den hemel gedaald, nam het knaapje in zijne armen en vloog er mee naar boven. Daar gaf onze lieve Heer het ook twee vleugeltjes, zoodat hij zijn beentjes niet meer behoefde te gebruiken.

Toen werd het weêr gelukkig en vloog van tijd tot tijd naar beneden om alle kreupele kindertjes, die nooit meer beter konden worden, mee naar boven te nemen en ook gelukkig te maken. En daar had het kind het toch veel boter, want daar had het niet alleen een goed leven, maar het hielp ook nog andere kindertjes, terwijl, als

-ocr page 117-

109

hij beneden was gebleven, hij nooit gelukkig en anderen tot last zou geweest zijn. Toen zei het engeltje, dat hij nu het kleine meisje ook mee zou nemen naar onzen lieven Heer en dat het daar ook weer gelukkig zou worden en haar moeder, als zij verdriet had, zou komen troosten en in slaap zou zingen. Toen was de moeder weer tevreden, nam het kindje uit het bedje, kuste het nog even zachtjes op het voorhoofd en legde het toen voorzichtig in de armen van het engeltje, dat daarmede zoo gauw mogelijk naar den hemel vloog en het bij onzen lieven lieer bracht.

DE DRIE BLOEMPJES.

Het was een heerlijke zomerdag. De vogeltjes zongen vroolijk en vrij; de zon scheen lustig op alles neer en iedereen was tevreden en opgeruimd.

-ocr page 118-

110

Aan den rami van don grootcn vijver, die zich raidden in het bosch bevond, stonden drie bloempjes; een bosch-viooltje, een madeliefje en een vergeet-mij-nietje. Zij neigden hare kopjes zachtkens naar voren, als wilden zij elkander iets heel belangrijks vertellen. Ben groote bromvlieg, die daar juist voorbij vloog, dacht: wie weet wat nieuws en aardigs zij te verhalen hebben en zette zich op een grassprietje dicht bij het drietal neer om het volgende gesprek af te luisteren. Vertel mij toch eens, sprak het madeliefje, hoe komt gij toch aan den naam van viooltje? want als ik goed gehoord heb, heeft hij een mooie beteekenis. Ja! antwoordde het viooltje, dat is ook zoo en als jelui goed luisteren, zal ik jelui eens vertellen, wat ik bij overlevering daarvan gehoord heb. Toen onze lieve Heer de wereld schiep en

-ocr page 119-

Ill

het plantenrijk kwam, verhieven zich eerst statige hoornen, prachtige struiken en ook groote bloemen met mooie blaadjes en toen langzamerhand kleinere en nog kleinere, waaronder ook wij behoorden. En omdat wij zooveel grootsch en sierlijks voor ons hadden, waren wij, eenvoudige bloempjes, verlegen en scholen weg achter een groot rabarberblad. Maar God, die alles ziet, kreeg ook ons spoedig in het oog en zei, dat wij nader moesten komen. Toen zei de Heer: Gij zijt wel nietig en klein, maar omdat gij u zelf te eenvoudig achttct om met dc anderen gelijk te staan, zult gij een naam hebben, welks beteekenis aan velen als voorbeeld zal gesteld worden, en zoo werden wij viooltje genoemd, dat wil zeggen: nederigheid.

Hé! dat is mooi! riepen dc andere twee en ook de bromvlieg gonsde

-ocr page 120-

112

even vergenoegd, als wilde hij zeggen: \'t is wel de moeite waard dat ik ge bleven ben. Toen zei liet madeliefje: nu zal ik u eens vertellen wat ik pas geleden gehoord heb. Ik ontwaakte eens op oen morgen heel vroeg, en daar al mijn zusjes nog sliepen, had ik flink den tijd eens goed in de rondte te zien. Daar zag ik op eenigen afstand een prachtige roede roos staan, die zich zachtkens heen en weer wiegde en dan weer lier haar kop in de hoogte hield, als wilde ze zeggen: Wie kan zich met mij meten? Toen dacht ik: wat is het toch heerlijk mooi te zijn, en ik werd ontevreden, omdat ik er maar zoo gewoon uitzag. Eenigen tijd dacht ik hierover na, toen mijne moeder bij mij kwam en al dadelijk zag, dat ik niet in mijn humeur was. Zij vroeg de reden en ik vertelde haar alles eerlijk. Toen schudde zij het hoofd en

-ocr page 121-

113

sprak: luister naar hetgeen ik u zeggen zal. Eens stond ik met eenige vriendinnetjes te praten (ik was nog heel klein) toen een beeldschoon kind aan de hand harer gouvernante kwam aan-loopen en bij een groote roos bleef staan. Wij waren allen stil geworden en dachten niet anders , of zij zou de roos plukken, omdat zij zoo mooi was; maar hoe verrast waren wij toen het kind zei: neen die roos wil ik niet hebben,\'ze is wel schoon, maar zij doet kwaad, want zij steekt mij met hare scherpe doornen; neen, ik neem een lief klein madeliefje, die zijn zacht en doen niemand kwaad. Ja, zei de gouvernante, die bloempjes zijn net als de menschen ; zij, die lief en mooi voor \'t oog zijn, hebben soms een slecht, boos hart, terwijl zij, die eenvoudig en leelijk schijnen, soms liefderijk en zacht van gemoed zijn. £n zoo nam het kind

-ocr page 122-

114

een vriendinnetje van mij mee en liet de roos staan. Toen het madeliefje geëindigd had, was er een oogenblik diepe rust. Toen brak het vergeet-mij-nietje de stilte af en sprak : Toen wij ter wereld kwamen sprak God tot ons: Weest niet bedroefd, dat gij zoo klein en verholen staat; ik zal ueen kleedje geven zoo mooi, als gij umaareenigs-zins donken kunt; en voor dat wij goed wisten hoe hot gebeurd was, waren wij in het lichtblauw met geel, gelijk de kleur van den hemel. Zie zoo, zei de Heer, nu zult gij om uw lieflijk gewaad door iedereen gezocht worden; want wanneer iemand veel bloemen heeft en gij er niet bij zijt, zal hij u missen en hem door uwe kleuren als \'t ware toegeroepen worden: vergeet-mij-niet. En terwijl het bloempje zoo sprak, vielen kleine dauwdropjes als tranen van dankbaarheid uit zijne oogjes.

-ocr page 123-

115

DE TWEE MTJSSCHEN.

Twee musschen hadden bijna een ge-heelen dag rondgevlogen, zonder ergens iets te eten te vinden.

Zij hadden vreeselijken honger en waren erg vermoeid.

De kleinste kon bepaald niet meer voort en zei tot zijn makker: gij zijt grooter en sterker dan ik; vlieg gij nog eenmaal uit en als ge zoo gelukkig zijt iets te vinden, breng er mij dan spoedig wat van; toe, ga toch terstond en zie spoedig terug te zijn, anders sterf ik van honger.

De grootste musch vliegt zoo snel zij kan heen en... zij is zoo gelukkig een boom te vinden, waarvan do takken zwaar zijn beladen met heerlijke, rijpe kersen.

„Dat is een buitenkansje!quot; denkt zij; „nu behoeven wij niet langer honger

-ocr page 124-

116

te lijden. Kom, ik zal eerst maar eens proeven en dan wat aan mijn hongerig vriendje brengen.quot;

Zij proeft, — de kersen smaken overheerlijk, zij eet de eene kers na de andere op. Soms pikt zij een groote kers om die het muschje te gaan brengen. Dan komt de lust bij haar op om die nog voor zich te behouden en aan dien lust kan zij onmogelijk weêr-staan. Eindelijk vergeet zij hare belofte , vliegt van den eenen tak op den anderen en blijft maar door eten.

Daar bemerkt de musch, dat het reeds donker begint te worden. Nu herinnert zij zich eerst, dat haar makkertje wacht en grooten honger heeft. Zij gevoelt, dat zij niet goed heeft gedaan met zoo alleen voor zichzelf te zorgen, maar zij kan toch haren trek naar de kersen nog niet bedwingen.

„Ach,quot; zegt zij, „ik heb zoo lang

-ocr page 125-

117

honger geleden, ik moet mij nu eens flink te goed doen en ik gevoel mij nog te zwak om eenigen voorraad meê te torsehen en bij mijn kameraad te brengen.quot;

Intusschen gaat de zon onder, de musch is vermoeid en valt spoedig in slaap. Zij ontwaakt reeds vroeg in den morgen en denkt met schrik aan haar zwak vriendje. Haastig vliegt zij met een paar kersen henen; angstig zoekt zij hier en daar totdat zij de kleine musch dood bij een boom vindt liggen. „Omgekomen van honger en dit is mijn schuldquot;, klaagde nu de groote; „ach, was ik gisteren nog teruggekomen, dan had ik haar in het leven kunnen houden.quot;

Leert gij hieruit, kinderen, om, als ge iemand helpen kunt, daartoe steeds spoedig bereid te zijn.

-ocr page 126-

118

DIE ALLEEN VOOB ZICH ZELF LEEFT, KAN NOOIT GELUKKIG ZIJN.

Hetgeen ik u ga verhalen, jeugdige lezers, is jaren al geleden en de personen, die in deze geschiedenis voorkomen, zijn reeds allen gestorven. Al zijn ze dan bij de menschen reeds lang .vergeten, zoo wil ik u toch hunne lotgevallen meêdeelen, in de hoop dat ge er iets uit leeren zult, dat u nuttig zal zijn.

•Er leefde namelijk in een klein dorp eene arme weduwe, die door hard werken in haar eigen onderhoud en in dat van haar eenig dochtertje moest voorzien. De goede moeder werkte van den morgen tot den avond en de kleine Keetje besefte weinig, hoeveel moeite het kostte haar steeds te voorzien van de noodige kleertjes en van het voedsel, hetwelk hare

-ocr page 127-

119

moeder altijd voor haar gereed had. Zelfs toen zij ouder werd, sloeg zij er geen acht op, hoe hard hare moeder werkte; zij speelde liefst met hare buurmeisjes, totdat zij vermoeid en hongerig in huis kwam om daar als naar gewoonte alles gereed te vinden. Hare moeder had haar meermalen met liefde gedrongen toch eens een handje meê te helpen, doch Keetje toonde weinig lust en wist altijd een uitvluchtje te verzinnen om hetgeen haar niet aanstond te ontkomen. Zoo geheel met zich zelve vervuld, bemerkte zij het niet eens, dat hare raoedec lijdende werd en eindelijk door al te zwaren arbeid en overspanning ziek werd.. Slechts weinige dagen daarna stierf zij en ontving tot loon voor al haar zorgen en zwoegen voorzeker de zoete rast, welke onze lieve Heer voor alle deugdzame menschen bereidt.

-ocr page 128-

120

Nu zou Keetje eerst recht bemerken, wat zij aan hare moeder verloor. De weinige spaarpenningen, welke de zuinige weduwe met zooveel zorg bijeenverzameld had, werden gebruikt om de kosten van de eenvoudige begrafenis te voldoen. Het spreekt van zelf, dat zij ook het huisje moest verlaten, waarin zij met hare moeder gewoond had. Het dertienjarige kind bleef alzoo in volslagen armoede achter. Gelukkig voor haar nam eene buurvrouw haar bij zich in huis. In die dagen toch waren er nog geen weeshuizen en vooral op een klein dorp, als waar Keetje geboren was, waren geen middelen om ouderlooze kinderen uit te besteden. Keetje moest dus wel zeer dankbaar geweest zijn, dat de goede buurvrouw, die zelf al zooveel kinderen had, haar nog wilde opnemen. Zij was zeer bedroefd om den dood

-ocr page 129-

121

haret moeder, maar het vooruitzicht van nu dagelijks met zooveel zusjes en broertjes te zullen spelen, vond zij erg prettig. De buurvrouw echter verzekerde haar, dat zij op de eeneof andere manier haar kost moest helpen verdienen. Zij hoopte hierdoor Keetje te leeren voor anderen ook wat te doen. In den beginne ging alles zeer goed. Keetje hielp de kleintjes aan-kleeden, deed boodschappen, hielp al eens in het winkeltje, dat de buurvrouw er op na hield, en toonde, dat zij zeer handig kon zijn. Doch al spoedig begon het nieuwtje te vervelen en daar zij het alleen gedaan had, omdat zij het prettig vond, liet zij nu eensklaps alles weer aan de anderen over. De buurvrouw was hierover natuurlijk niet zeer tevreden en zeide dikwijls tot het meisje, dat zij zoodoende nooit door de wereld zou komen. Daar het

6

-ocr page 130-

122

kind echter niet naar goeden raad wou luisteren, besloot de buurvrouw haar geen eten te geven, alvorens zij haar taak verricht had. Zoo was Keetje dus gedwongen te arbeiden. Maar ach, hoe zwaar viel haar zóó het werken! Het speet haar nu, dat zij vroeger niet naar hare moeder geluisterd had. Al zuchtende verrichtte zij dagelijks haar werk; zij gevoelde zich diep ongelukkig. Was ik toch maar rijk, zei ze meermalen, dan kon ik doen, wat ik wilde.

Kind, zeide de buurvrouw dan, als gij rijk waart, zoudt gij nog veel minder gelukkig zijn.

Waarom? vroeg Keetje verwonderd. Als ik geld had, zou ik in een mooi huis gaan wonen, alle dagen lekker eten en alles doen, waar ik zin in had.

Zoo, zeide de buurvrouw, zoudt ge meenen, dat ge dan gelukkig waart?

-ocr page 131-

123

Neen kind, leer liever voor anderen te leven en dan zult ge, ook zonder rijk te zijn, u gelukkig gevoelen.

Maar Keetje dacht alleen aan haar eigen geluk en zuchtte.

Er ging een jaar voorbij zonder dat het meisje zich eenigszins beterde. De buurvrouw, wie dit zeer begon te verdrieten, dacht er over na een dienst voor haar te zoeken. Terwijl zij over dit plan met Keetje sprak, trad een deftig gekleed heer het winkeltje binnen. Hij vroeg haar naar de weduwe, die naast haar gewoond had. Zij vertelde hem, dat deze dood was, en daarover was de rijke heer zeer bedroefd. Zij was mijne eenige zuster, zeide hij, en nu ik na jaren arbeidens als een vermogend man terugkeer, meende ik hare levenstaak te verlichten.

Toen Keetje dit hoorde, stiet zij een gil van blijdschap uit en viel den

6*

-ocr page 132-

124

vreemden heer om den hals, met den uitroep van; mijn lieve rijke oom ! De heer, die niet eens wist, dat zijne zuster een dochtertje had, keek haar vreemd aan en vroeg verwonderd; wie zijt gij, meisje ? Daarna vertelde de buurvrouw alles, behalve het verkeerde in Keetjes gedrag en het verdriet, dat zij van haar gehad had.

Na een en ander met de buurvrouw overlegd te hebben, besloot de oude heer: ten eerste haar eene rijke belooning in geld te geven voor alle zorgen, aan zijn nichtje besteed, en ten tweede Keetje naar een kostschool te zenden. Daar bleef zij vier jaren en mocht alles leeren, wat tot de opvoeding in een beschaafden en aanzienlijken stand wordt vereischt. Haar oom, die zeer verlangde naar eene gezellige huisge-noote, was blij dat Keetje genoeg geleerd had om de school te verlaten.

-ocr page 133-

125

Zou zij nu ook geleerd hebben om voor anderen tc leven en zou zij met die gedachte naar haren oom gaan ? Wel had zij reden hem ten minste een genoegelijken ouden dag te bezorgen. -Maar de oude kwaal was er bij den voorspoed, dien zij genoten had, niet beter op geworden. De oude man zou maar al te spoedig inzien, dat zijn nichtje niet was als hare moeder. De weelde en pracht, die haar omringden, hielden haar geheel bezig. Zij dacht er niet aan haren oom een genoegen tc doen, wanneer zij daar geen lust in had.

Ook maakte het geld haar bovendien nog hard voor anderen. Geen aalmoes kon zij uit haar beursje missen. Kwam er een arm kind of een arme grijsaard aan de deur, dan snauwde zij die af. Den ouden oom, die zoo gaarne goed deed, speet het zeer, dat zijn

-ocr page 134-

126

nichtje zoo liefdeloos was. Hij vermaande haar telkens om medelijden en hulp te toonen aan alle behoeftigen. Wanneer gij van iemand weet, dat hij gebrek heeft, kom dan altijd tot mij om geld voor hem, sprak hij. Bezoek ook de huisjes der armen en geef veel aan hen, die in nood verkeeren. Maar Keetjes tijd werd geheel ingenomen met lezen, pianospelen enz. Alle voorzeker nuttige bezigheden, maar die niet gelukkig maken.

Wanneer zij uit gewoonte haar avondgebed deed, dacht zij er niet aan, dat onze lieve Heer haar zooveel gegeven had om ook wat voor anderen te doen.

Eindelijk werd de oom het moede. Hij werd al zoo oud en begon er ernstig over na te denken of het wel zoo goed zou zijn, aan Keetje al zijn geld na te laten. O, hoe gaarne had hij veel van haar gehouden, maar neen, dit

-ocr page 135-

127

kon hij niet. Hij besloot ten laatste haar aan haar lot over te laten, daar zij al zijne vermaningen in den wind sloeg. Het viel den ouden man hard, maar hij geloofde, dat het voor haar beter zou zijn, indien zij zelf in hare behoeften voorzag. Hij hoopte, dat zij zich nog zou bekeeren, wanneer zij hulp moest aannemen van vreemden. Voordat hij echter tot dit besluit kwam, wilde hij haar nog éénmaal op de proef stellen. Hij zeide haar daarom, dat hij voor eenige dagen op reis ging en gaf haar een beurs vol goudstukken. Indien er nu armen aan de deur komen, zeide hij, vertroost hen dan en geef aan elk een gouden dukaat: komen er verminkten, geef dien ieder twee gouden dukaten. Hij knikte het meisje goeden dag en een paar uren na zijn vertrek kwam een oude, kreupele soldaat om een aalmoes smeeken. Wel verre van

-ocr page 136-

128

de hand naar de goedgevulde beurs ^ uit te steken, begon Keetje den ouden man uit te schelden voor dagdief en snauwde hem duchtig af. Maar eensklaps gooit de man zijn krukken neer, doet zijn oude plunje af en staat in levenden lijve als de rijke oom van de arme Keetje voor haar. Want, dat het meisje van nu aan arm is, zal een ieder wel begrijpen.

De oom zond haar in zijne verontwaardiging dadelijk uit zijn huis. Hiermede was het levenslot van Keetje beslist. Zij ontving de welverdiende straf voor hare zelfzucht en hare onbarmhartigheid.

HET LIEVE ZUSJE.

De heer en mevrouw Span hebben drie kinderen, Gerard, Marie en Clara geheeten. Alle drie zien zij er lief en

-ocr page 137-

129

vriendelijk uit; zij zijn altijd beleefd jegens iedereen. Daarom houdt elkeen voel van hen.

Hoewel zij ook veel van elkander houden, zoo kibbelen zij toch wel eens. Bij vele kinderen komt dit nogal eens voor, niet waar? Toch doen zij daar-meê hun ouders groot verdriet. Mevrouw Span brengt haren kinderen dit dikwijls met liefde onder het oog. Vooral Gerard en Clara moet zij dikwijls vermanen. Marie is zeer zacht van aard. Zij zal veel liever alles toegeven, dan den vrede verstoren. Als zij met haar jongere zusje speelt, gaat het dan ook altijd goed. De kleine Clara speelt met niemand liever, omdat Marie haar in alles genoegen weet te doen. Gerard is het meest in zijn schik, als hij zijne zusjes dan kan plagen. De kleine Clara wordt dan erg boos op hem. De zachte Marie

-ocr page 138-

130

weet haar tot bedaren te brengen en bestraft op hare wijze haar broertje. Gerard is een paar jaar ouder en meent, dat hij daarom niet naar haar behoeft te luisteren.

Papa zegt wel eens tot Gerard en Clara: ik wenschte wel, dat gij even toegevend en gehoorzaam waart als Marie; dan zou er nooit gekibbel tusschen u voorvallen. Ziet, wij houden van u alle drie heel veel. Maar gij beiden zijt nogal eens ondeugend en daarom is Marie ons liefste kind.

Gerard en Clara beloven dan beterschap, maar meermalen komen debooze buien weer boven. Ach, laat ons toch vrede maken en pa en ma geen verdriet doen. Ma zegt, dat alleen zoete kinderen in den hemel kunnen komen. Ik wou zoo gaarne, dat wij daar allen komen mochten, zegt Marie.

De andere kinderen worden zeer

-ocr page 139-

131

getroffen door die liefderijke vermaning en als zij \'s avonds naar hun bedjes gaan, bidden zij met elkander:

Lieve Vader, die van boven Op ons, kind\'ren nederziet, Dankbaar willen wij U loven, Voor de gunst, die Gij ons biedt.

Ach, wil ons het kwaad vergeven, Door ons op deez\' dag gedaan. Allen willen w\' er naar streven Vreedzaam verder voort te gaan.

Wil ons dezen nacht bewaren. Schenk onzen ouders zoete rust. Spaar hun leven nog veel jaren, Geef, dat wij steeds zijn hun lust.

En als ze eenmaal moeten sterven Lieve, goede. Hemelheer,

Laat hun dan den hemel erven. En zien wij hen daar eens weêr.

-ocr page 140-

132

Daarna vallen zij gewoonlijk in een rustigen slaap.

Op zekeren morgen gevoelde Marie zich niet wel en moest zij in haar bedje blijven. Zij begon zich verder op den dag steeds zieker te gevoelen. De ouders maakten zich ongerust en lieten een dokter halen. Deze kwam, schudde het hoofd en zeide: het kind kan wel ernstig ziek worden. Zooals hij zeide, gebeurde het.

Marie kreeg ijlende koortsen. Geneesmiddelen schenen niet te helpen. Als de koorts af was, nam zij de bitterste drankjes zonder tegenspraak in, inarir niets hielp haar.

Het kind werd eiken dag minder. Zij sprak soms in hare droomen van den hemel en van engeltjes, die haar riepen. Als zij wakker kwam, vertelde zij dit aan haar zusje en broertje. De ouders hoorden dit en werden er

-ocr page 141-

133

zeer door getroffen. Clara en Gerard begonnen er om te huilen en zeiden: zoo moet gij niet spreken, lieve zus, gij moogt niet heengaan, wij willen u bij ons houden.

Maar de lieve Marie zei: als ik in den hemel ben, zal ik veel voor u bidden, dat gij bij mij komt. Doet gij dan ook uw best om altijd in vrede met elkaar te leven.

Eindelijk werden de koortsen zuó hevig, dat het lieve kind er onder bezweek, Hare ouders , broertje en zusje waren erg bedroefd. Zij konden de lieveling niet vergeten en spraken dikwijls over haar. En als later Clara en Gerard samen speelden en het soms oneens werden, herinnerde mama hen aan de vriendelijke vermaning van het gestorven zusje.

Als zij daaraan dachten, maakten zij terstond vrede, want zij wilden gaarne

-ocr page 142-

134

worden , zooals zij geweest was. Mama moedigde hen aan, terwijl zij zeide: mijne lievelingen, gij zijt nu al de vreugde van mij en van uwen braven papa. Blijft altijd uw best doen om goede kinderen te worden, dan zult gij eens bij uw zusje komen en altijd gelukkig zijn.

EBELIJK DUUKT HET LANGST.

Br was eens een arm, oud moedertje, die in een klein hutje woonde met haar kleinzoon Frans. De knaap was twaalf jaar en de vreugd en trots van zijne grootmoeder, \'s Morgens vroeg ging hij al uit om te zien of hij de vissehers ook helpen kon aan het strand, of dat hij soms boodschappen voor de rijke dames in de stad mocht doen. Bijna altijd bracht hij eenig geld mee naar huis, want iedereen mocht den

-ocr page 143-

135

jongen graag lijden, omdat hij beleefd en eerlijk was. \'s Avonds bleef de knaap bij zijn grootmoeder thuis, die hem dan allerlei verhaaltjes deed en ook vertelde, dat er een God in den hemel woont, die voor alle menschen, arm of rijk, zorgt, wanneer ze maar goed en braaf leven. En als het oudje dan moe werd, eindigde zij altijd met do woorden: Mijn lieve jongen, denk bij alles wat gij doet aan God, maar vooral, wees altijd eerlijk, want de eerlijke brengt het het verst in de wereld; eerlijkheid duurt het langst. Frans nam alles goed ter harte, want hij hield erg veel van zijn grootmoeder.

Zoo gingen er eenige jaren voorbij. Toen vond Frans, dat hij wel wat te oud geworden was om enkel boodschappen te doen; ook voelde hij zich sterk genoog om te werken, maar hoe aan werk te komen V want ver wou hij

-ocr page 144-

136

niet weg, omdat hij zijn grootmoeder niet alleen wilde laten. Nu gebeurde het, dat een rijke heer, die in een mooi huis, even buiten het dorp, woonde, Frans dagelijks zag voorbij komen en schik in den vroolijken jongen kreeg, omdat hij met zijn armoedige kleeding en schamele boterham er altijd maar even tevreden en lustig op doorstapte. „Wacht,quot; dacht do rijke heer, „ik zal den knaap eens op de proef stellen en, wanneer hij eerlijk en oprecht is, zal ik hem bij mij in dienst nemen en voor zijn verder leven zorgen.quot;

Toen Frans nu den volgenden morgen weer voorbij kwam, zond de heer hem zijn knecht na om te vragen of hij wel een boodschap voor hem zou willen doen. Frans, die altijd graag wat verdiende, nam dit aanbod gretig aan en trad met den knecht het huis in. De heer riep hem in een mooie kamer

-ocr page 145-

137

en vroeg hem het een en ander, waarop Frans hem beleefd maar vrij antwoordde. Toen zei de heer; „Ziehier, mijn jongen, heb ik een zakje met vijftig gulden; die moet gij bij den heer H. betalen en mij de rekening terug brengen. Wanneer gij de boodschap netjes gedaan hebt, zult gij een goede belooning hebben.quot; Nadat Frans de rekening afgedaan had, bemerkte hij tot zijn groote verwondering, dat er nog tien gulden in het zakje waren overgebleven. Het is zeker eene vergissing,\' zei Frans, en dacht dadelijk aan de woorden van zijn grootmoeder „eerlijk duurt het langst.quot; Sneller nog dan anders liep Frans terug naar het groote mooie huis en vertelde daar het geval met het geld. Toen de heer dit hoorde, klopte hij den knaap vriendelijk op de schouders en sprak: Gij zijt een brave jongen en moogt

-ocr page 146-

138

het geld behouden en, wanneer gij bij mij in dienst wilt komen, dan kunt gij werken en veel geld vo or uw grootmoeder verdienen. Frans was zeer blij, kwam in dienst bij den heer, paste goed op en bleef zijn heele leven het spreekwoord getrouw: „Eerlijk duurt het langstquot;.

SNIPPEBS.

Wie \'t liedje van verlengen zingen, En \'s avonds telkens weder dwingen Om toch nog niet naar bed te gaan: Zij zijn \'t, die \'s morgens geeuwen, gapen. En dwingen toch nog wat te slapen, Als \'t uur er is om op te staan.

Een stemmetje, zacht en fijn,

Wil immer bij u zijn;

Het zegt u, vóór ge iets doet.

Wat kwaad is en wat goed.

Och kind! wil altijd luist\'ren.

Als \'t stemmetje iets heeft te fluist\'ren.

-ocr page 147-

139

Slechts waar vrede en eendracht wonen, Zendt God zijnen zegen neer;

Waar we elkander liefde toonen,

Daalt ook zegen van den Heer.

Durf altijd flink quot;voor de waarheid uit te komen, al zou het ook op het oogenblik in uw nadeel zijn.

Een goede kring, een goed gesprek Helpt u om goed te zijn;

Maar praatjes laag, gemeen en slecht. Zijn erger dan venijn.

Voor één ding moogt gij maar hang zijn, en dat is: „om kwaad te doen!quot;

„Wacht, gauw een appeltje uit de kast gehaald, er is niemand die het ziet.quot; Zoudt ge dat heusch denken?

Orde maakt den arbeid licht.

-ocr page 148-

140

Bemin de waarheid steeds, En waag het nooit te liegen; Men kan de menschen wel,

Maar nimmer God bedriegen.

Gij zijt toch niet verdrietig, omdat anderen meer hebben dan gij?

Gewen u vroeg aan het sparen, al is het maar van enkele stuivers of centen; versnoept geld is verloren geld.

Wat noodig is, dient vóór te ga^n;

Wat nuttig is, dient dan gedaan.

Het aangename achteraan.

Al wat gij in een ander afkeurt, behoort gij zelf te vermijden.

Alles op zijn tijd! Maar voor het kwade mag er geen tijd overblijven.

Wees nooit te trotsch om uwe fouten te bekennen.

-ocr page 149-

141

Gij wacht niet graag op een ander, dan wordt gij ongeduldig; zorg daarom, dat men ook niet op u behoeft te wachten.

Iets schooners kunt ge niet verzinnen, Dan steeds van buiten en van binnen, Voor God en menschen rein te zijn.

Spreekt gij wel waarheid, als vader of moeder u bestraft en gij dan zegt: „het kan mij toch niet schelen?quot; Is er daar binnen niet een stemmetje, dat anders spreekt?

Geef eens iets van wat gij hebt aan een ander, en ik wed, dat gij u nog gelukkiger zult gevoelen, dan wanneer gij zelf iets krijgt.

Beter arm, maar goed — dan rijk, maar slecht.

-ocr page 150-

142

Met een zuur gezicht.

Valt het werk ons nooit licht;

Met een opgeruimd gelaat,

Is \'t of \'t werk van zelf steeds gaat.

Zorg, dat iedereen u dadelijk ge-looven kan, als gij ja zegt of neen, want heeft men u eens op eene leugen betrapt, dan is de kans groot, dat men u later niet meer vertrouwt.

Een klein jokkentje is geen zonde, meent ge?

Uit een heel klein zaadje kan een groote boom groeien.

Uit een heel klein jokkentje kan een groote leugen komen.

Heb medelijden met een ongelukkige; zoo iemand heeft nog veel meer behoefte aan liefde dan een ander.

-ocr page 151-

143

Wij worden eiken dag iets ouder; zouden wij dan niet eiken dag ook iets wijzer en iets beter moeten worden?

Als gij iets geeft, vraag dan niet: zal ik er wat voor terug krijgen? Vraag liever: maak ik er iemand gelukkig meê?

Beoordeel niemand alleen naar zijn kleeren; onder een eenvoudig kleed klopt dikwijls een hart van goud.

Als uw makker tegen u zegt: „Ik mag niet,quot; zeg dan nooit: „Kom doe het toch maar!quot;

Wees op uw tijd, en doe alles op zijn tijd.

-ocr page 152-
-ocr page 153-
-ocr page 154-
-ocr page 155-

\'

■ p

-ocr page 156-