-ocr page 1-

BE MENSCE

EENE PSYCHO-PHYSIOLOGISCHE STUDIE

/

J M L. K E U L L E R,

]i\\ K. J-fiestci\' \'.ii \' / lt;.■ ir fc Hohlv\'iï.

I,HIDEN,

J. W. VAN LEEUWEN. Uitgever eii Antiqimr. Boekhancieliiar, HooaEWOKiiD S9.

1895.

-ocr page 2-

M. oct.

;J 0 o

\'O

-ocr page 3-
-ocr page 4-

-

.

-ocr page 5-

f ö Q* ^

4

DE MENSCH.

EENE PSYCH0-PHYSI0L0G1SCHE STUDIE

DOOB

J. M. L. KEULLER,

R, K, Priester en Zeeraar te liclduc.

LEIDEN,

J. W. VAN LEEUWEN. Uitgever en Antiquar. Hoekhamlelaar, Hoooewoerd 89.

1895.

-ocr page 6-

IMPRIMATÜE.

Harlemi ]j. DANKELMAN

die 30 Mai\'tii 1895. Libr. Censor.

-ocr page 7-

VOOR W OOR D.

De hoofdstukken van dit boek zijn gedurende de twee laatste jaren artikelsgewijs in „de Katholiekquot; verschenen. Indien wij ze nu tot een boekdeel vereenigd aan den welwillenden lezer aanbieden, is het èn om aan den wensch van meer dan één onzer ■vrienden te beantwoorden èn om in wijder kring dan die der lezers van genoemd tijdschrift eenig nut te stichten.

Naar onze ervaring hebben enkelen een ongeniotiveerden afkeer van alle nieuwere physiologische wetenschappen, vooral van die. welke zich met de studie der hersenen bezig houden en zijn er anderen, die wel van physiologic houden, maar van de philosophic der middeleeuwen, met name van die des H. Thomas\' niet gediend zyn.

Wij meenen, dat geen philosophisch leerstelsel beter met de feiten der nieuwere wetenschappen overeen te brengen is, dan juist het systeem van den H. Thomas en zijne volgelingen, en ons boek is gedeeltelijk een pleidooi ten gunste dier meening. Van den anderen kant echter kunnen sommige nieuwere hypothesen met de waarheid der wijsgeerige grondstellingen niet samengaan en wij hebben daarom in onze studiën onderzocht, of die hypothesen op den vasten grondslag der feiten redelijk waren opgebouwd.

Ons werk wil echter niets meer zijn, dan de titel aangeeft, n.1. «ene psycho-physiologische studie. Wie er eene psychologie of eene physiologic in zoekt, doet vergeefsche moeite.

-ocr page 8-

Enkele hoofdstukken hebben eenige verandering ondergaan;; over \'t geheel zijn echter de vorm en de verdeeling der artikelen,, zooals die in „de Katholiekquot; verschenen zijn, onveranderd gebleven, omdat wij vreesden, dat door eene geheele omwerking ons werk wellicht een te grooten omvang zou krijgen.

En hiermede moge onze studie in vrede de wereld ingaan. In vredB, want vereenigen, niet verdeelen, is het doel van

DEN SCHRIJVER.

Roi.duc, Kerstdag 1894.

-ocr page 9-

DE MENSCH.

EENE PSYCHO-PHYSIOLOG1SCHE STUDIE.

HOOFDSTUK I.

EENHEDEN.

„Wie is de mensch? En wie de geest? Wie kan hem •onderkennen?quot;

Deze vraag, welke Shakespeare den hertog van Ephesus in den mond legt, op het oogenblik, dat het dubbele paar tweelingen, de beide volmaakt op elkander lijkende Antipholus\' en de evenzeer gelijk en gelijkvormige Dromio\'s voor hem staan, is thans voor sommige menschen de oorzaak van veel hoofd-ibrekens.

Wanneer zij zich zeiven in het licht der nieuwere wetenschap beschouwen, komen zij tot de overtuiging, dat zij, op zijn minst genomen, één dubbelganger hebben en dat er, volgens de hypnotische ervaring, een Ormuz en een Ahriman in hun binnenste huist. Minder gelukkig dan de Dromio\'s, kunnen zij er niet ■eens om dobbelen, wie de ware is. Velen, met dien hypnotischen ■dualis nog niet tevreden, meenen in elke cel, die het grondelement is, waaruit alle plantaardige en dierlijke weefsels zijn samengesteld, een individu te moeten zien en worden wetenschap-

-ocr page 10-

6

pelijk genoodzaakt zich als een pluralis te beschouwen, zoo veel-tallig, dat men er duizelig van zoude worden. Die veelheid en zelfs die tweevoudigheid heeft echter eene goede zijde: mei» heeft altijd „een anderquot; bij de hand, op wien men de verantwoordelijkheid voor een daad kan schuiven, of eene naamlooze-vennootschap, waarin de eene cel-vennoot den anderen voort-schuift of voortdrijft en waarin, bij slot van rekening, niemand de aansprakelijke persoon is. Virchow \') vergelijkt het levend lichaam met een bijenzwerm, die zich, tot een kluwen vereenigd,. aan een boom vasthecht, en Bernstein 2) beweert, dat men terecht de cel een elementair organisme noemt en haar de eigenschappen van een zelfstandig organisme toekent.

Sommigen nemen in die laatste samenstellende deelen nog een levensbeginsel aan, en tot hun getal schijnt Virchow te behooren, ofschoon hij, „niet betwijfelt, dat de levenskracht, in mechanischen zin opgevat, bij slot van rekening toch als de uitdrukking van eene bepaalde samenwerking van natuur- en scheikundige krachten moet beschouwd wordenquot; 8). Anderen, en hun aantal is niet gering, loochenen elke andere kracht dan die, welke in het laboratorium onder hun bereik valt, en beginnen met een levensbeginsel in de planten te ontkennen om daarna, consequent zooals ze meenen, die ontkenning ook tot dier en mensch uit te strekken. Nu is het ons plan weliswaar, hoofdzakelijk den mensch te bespreken, maar wij kunnen planten en dieren niet buiten beschouwing laten, omdat het leven van den mensch dan toch ook een zinnelijk leven en een vegetatief leven tevens omvat en omdat zijn verstandelijk leven tot eene zekere hoogte met die beide andere in verband staat en daarvan afhankelijk is.

5) Gehirnpatholoyie.

a) Die mechanistische Theorie des Lehens. 3) Virchow\'s Archief, geciteerd door Bernstein o. c.

-ocr page 11-

7

DE PLANT.

De groote vlucht, welke de organische scheikunde in de laatste Jaren genomen heeft, en de verrassende uitkomsten der physio-logische proeven maken het eenigszins begrijpelijk, dat men de waarde der proefneming wel wat overschat heeft. „La physiologic — beweert Barthelemy de St. Hilaire — doit observer les phénomènes tels que la nature les oft\'re a nos regards; autrement elle met des hypothèses a la place des réalités. L\'expérimentation est sans doute chose fort utile, quand elle sait se borner a un service secondaire suivant le conseil de Ouvier ; mais en sortant de ses limites elle devient presque un roman, oü 1\'imagination prend une part trés pórilleusequot; \'). Sedert dat Wöhler in 1828 voor \'teerst scheikundige verbinding van organischen oorsprong in \'t laboratorium bereidde, heeft men zich met onverdroten ijver op de zoogenaamde organische synthese toegelegd. De bereiding o. a. van do alizarine kleurstoffen, die men vroeger uit de meekrapplant trok, de kunstmatige vervaardiging van suiker (niet saccharine), die onlangs aan Fischer na vele proeven gelukte, en meer andere experimenten van dat soort, geven ons het recht te beweren, dat in de plant werkelijk de scheikundige krachten werkzaam zijn. Van den anderen kant mogen wij, op grond van physiologische proeven, aannemen, dat ook de physische krachten bij den opbouw van het plantaardig organisme ruim haar deel hebben, zooals b. v. de osmose, de imbibitie enz. enz.

Maar, „wanneer de tegenstanders van het vitalisme beweren, dat in de levende wezens volstrekt geene andere factoren werkzaam zijn, dan enkel en alleen de stoffen en de krachten der levenlooze natuur, dan moeten wij deze leer bestrijden.... De tegenstanders van het vitalisme verdedigen hunne meening gewoonlijk door te zeggen, dat, hoe meer vorderingen de

*) La philosophie et Us sciences: Revue des deux mondes (livr. 15 Nov. 1887).

-ocr page 12-

8

physiologie maakt, hoe meer men er toe komt, de verschijnselen, welke men vroeger aan eene levenskracht toeschreef, op scheikundige en natuurkundige wetten terug te brengen; dat het dus maar eene kwestie van tijd kan zijn; dat het eindelijk moet lukken, het bewijs te leveren, dat het geheele levensproces niets anders is dan eene zeer samengestelde beweging, welke geheel en al beheerscht wordt door de krachten der levenlooze natuur. Ons dunkt, dat de geschiedenis der physiologie juist het tegendeel leert. Wij beweren, dat het tegendeel waar is. Hoe dieper, veelzijdiger, grondiger wij in de levensverschijnselen trachten door te dringen, des te meer komen wij tot de overtuiging,dat verschijnselen,die wij reeds physisch en chemisch meenden te verklaren, van veel ingewikkelder aard zijn en voorloopig met alle mechanische verklaring spottenquot; \'). Er zijn voorloopig nog eigenschappen genoeg, waardoor, om ons tot de elementaire deelen, de cellen, te bepalen, eene levende plantencel zich van eene doode onderscheidt. Geven wij het woord aan de heeren Oudemans en De Vries 2): „In elke plantencel bevindt zich, ten minste gedurende een zeker tijdstip haver ontwikkeling, een week doorschijnend lichaam. Dit lichaam draagt den naam van protoplast en is het eenige standvastige deel van alle levende cellen. De protoplasten zijn de zetels der levensverschijnselen, de dragers van het leven. De stof, waaruit de protoplasten bestaan, draagt den naam van protoplasma. Dit protoplasma vertoont overal in het plantenrijk, zoowel in zijn voorkomen als in de veranderingen, die het onder den invloed van verschillende reagentia ondergaat, dezelfde eigenschappenquot; (bl. 1—4). Dit protoplasma heeft veel te doen in de levende plant. De ademhaling is een zijner functies, en deze functie ,houdt met den dood der proto ■ plasten op;quot; bij die ademhaling worden voortdurend „bepaalde

\') G. Bange, Mechanismus iind Vitalismus, Vortrag. a) Leerboek der Plantenkunde, Dl. I, Physiologie.

-ocr page 13-

9

stoffen opgenomen en andere stoften afgescheidende opgenomen stoffen brengen onophoudelijk „spankrachten aan, die aldaar in levende krachten worden omgezet en zoo de krachten leveren voor de verschillende verrichtingen van het levend organismequot; (hl. 111). Verder worden „de diffusieverschijnselen in het plan-tenlichaam hoofdzakelijk door de eigenschappen der protoplasten bepaaldquot; (bl. 153), en hangt het dus van hunne eigenschappen af, „dat de verschillend^ verbindingen zich niet ordeloos met elkander vermengen, en dat stoffen van groote scheikundige affiniteit naast elkander kunnen liggen zonder zich met elkander te kunnen vereenigen\' (bl. 153.) „De erfelijke oorzaken van den groei moeten in de protoplasten gezocht wordenquot; (bl. 217). En, sterft de cel af, dan „is het protoplasma •schijnbaar een geheel ander voorwerp geworden, dat in uiterlijk en physische eigenschappen geene overeenkomst met het levende protoplasma meer heeft.quot;

Opmerking verdient het, „dat al deze veranderingen volkomen dezelfde zijn, wanneer de dood door het ophouden der ademhaling, b. v. door gemis aan zuurstof, als wanneer hij door geheel andere omstandigheden veroorzaakt wordtquot; (bl. 136). Voegen wij hier nog bij, om ook met de laatste bevindingen der wetenschap rekening te houden, dat het levend protoplasma zich met vrij goed gevolg de bacteriën, bacillen, vibrionen e tutti quanti van het lijf kan houden, en dat het doode dit vermogen totaal mist, dan zullen we wel overtuigd zijn, dat «r in het protoplasma nog genoeg reacties plaats hebben, waarvan we het fijne niet weten, en dat er voorshands nog onderscheid genoeg is tusschen leven en dood, ook in de laagste planten, de eencellige organismen. Vooral het feit, dat het er niet op aankomt, door welke oorzaak de dood veroorzaakt wordt, toont aan, dat er iets meer dan bloot mechanische en chemische krachten moet aanwezig zijn. Wij begrijpen nl. zeer goed, dat het leven aan verschillende physico-chemische werkingen, als aan eene voorwaarde gebonden kan zijn en dat

-ocr page 14-

10

de dood moet volgen, als door eene of andere oorzaak diewerkingen onmogelijk worden. Maar wanneer het leven niets is dan physische en chemische werkingen, dan weten wij niet,, waarom de oorzaken, welke den dood veroorzaken, niet veeleer oen ander physico-chemisch leven moesten verwekken; m. a. w. wij zien niet in waarom niet elke scheikundige reactie met den naam leven vereerd mag worden.

Maar het verschijnsel, dat men leven noemt, hangt het dam zelf niet uitsluitend af van de eigenaardige structuur van het protoplasma, zoodat de mensch, indien hij oogen had, scherp genoeg om atomen te zien, een pincet, fijn genoeg om atomen te vatten en geduld genoeg om atomen in elkaar te zetten,, in staat zou zijn eene levende plantencel te vervaardigen ?

Op die vraag, welke o. a. ook in de Institutioneti philosophicae van ïongiorgi bevestigend beantwoord wordt, kunnen wij. zeggen, dat de mensch het in zijn laboratorium al een heel eind ver gebracht heeft in het in elkander zetten van atomen, terwijl hij nog even ver van de kunst om een levende plantencel te maken verwijderd is als vóór 1828. Er is nog geen enkele natuur- of scheikundige proef bekend, die den weg wijst, langs welken men in het laboratorium zou kunnen komen tot het voortbrengen der verschijnselen, welke, ook in de laagste plant, bij uitnemendheid de levensverschijnselen genoemd worden, nl. zelfbeweging \'). Van de eenvoudigste plant kan men met recht zeggen, dat zij zelve haar voedsel opneemt en verwerkt, dat zij groeit en zelve hare deelen voortbrengt en dat zij zelve oorzaak is van het ontstaan van nieuwe individuen aan haar gelijk a).

\') Illnd proprie vivere dioimus, quod in seipso habet motus vel ope-rationes (juoscumque. S. ïh. Quaest. disp. Q IV art. 8.

!!) Wij weten wel, dat er gezegd wordt: „de deeling is niets anders dan de groei buiten de grenzen van het individuquot; (Haeekel). Maar hoe komt het individu aan die grenzen, en welke schei- of natuurkundige wet geeft het recht om te beweren, dat zulk een groei niet in indefinitum kan doorgaan. En vooral : waarom is „deelingquot; een bijzondere vorm van den „groeiquot; ?

-ocr page 15-

11

De physische en scheikundige krachten, die wij werkzaam zien, leeren ons kristallisaties en praecipitaten kennen, maar eene plant ziet er anders uit dan een Saturnus-boom, en een protoplast doet zich anders voor dan een geleiachtige neerslag,, en een celwand is voorloopig nog niet hetzelfde als een diffusie-membraan aan de grens van twee vloeistoffen, die men voorzichtig naast of op elkander schenkt. De physische en chemische krachten streven naar rust, naar standvastig evenwicht, en in eene plantencel heerscht onafgebroken beweging.

De schei- en natuurkundige krachten, aangenomen ook, dat ze in de plant alles vermogen, wat ze in \'t laboratorium kunnen, schijnen in de plant nog iets meer in hare macht te hebben, nl. een plant uit de kiem of uit de spore te doen ontstaan en die plant te doen groeien en voorttelen.

De beoefenaars der organische scheikunde zien bij hunne proeven dikwijls eene belangrijke omstandigheid over het hoofd. Wanneer zij uit anorganische grondstoffen eene organische verbinding hebben opgebouwd, vergelijken zij die met de verbinding, welke uit het organisme genomen is, en consta-teeren de identiteit. Daarmede kan men genoegen nemen, mits men er bij onthoude, dat beide stoffen nu geheel aan den invloed van het leven onttrokken zijn en dat de stof, die vroeger in de plant aanwezig was, nu hare vitale eigenschappen, nl. mede te werken aan den organischen opbouw, verloren heeft en die niet terugkrijgt dan door wederom in een organisme opgenomen te worden. En blijkt het ook, dat levende plan-tenstoffen eenige en zelfs vele eigenschappen met niet levende verbindingen gemeen hebben, het is tevens duidelijk, dat levende stoffen eigenschappen vertoonen\', welke de levenlooze missen.

Nu is het, dunkt ons, van empiristisch standpunt niet gerechtvaardigd, eigenschappen, die de stof, proefondervindelijk, nergens, buiten den invloed van hetgeen men leven noemt, blijkt te bezitten, toch aan de doode stof toeschrijft. Andere gevolgen, andere oorzaak. Die oorzaak ziet men niet, maar dit

-ocr page 16-

12

kan ook den modernsten physioloog niet hinderen; wij nemem noch warmte, noch electriciteit, noch aantrekking onmiddellijk waar; ons verstand besluit tot de oorzaak uit de gevolgen, uit de feiten. En voor de oorzaak „levenquot; doen wij niet anders.

Is het onmogelijk reeds voor de laagste planten de aanwe-y.igheid van een bijzonder iets, wat de krachten der leven-looze natuur in de planten beheerscht, te ontkennen, veel minder kunnen wij het levensbeginsel der hoogere planten tot structuur en constitutie terugbrengen. Daar de hoogere planten als eersten oorsprong eene enkelvoudige cel, de kiemcel, hebben, moeten we den grond van haar ontstaan in de kiemcel zoeken. Dit wordt o. a. ook door prof. Weissmann uit Preiburg gedaan.

In zijn werk Continuitat des Keimplasma\'s zegt hij, sprekende voornamelijk over de celkern; „Ik neem voor deze stof eene buitengewoon samengestelde structuur aan, als oorzaak van het vermogen, dat die kern bezit, om zich tot een zeer samengesteld organisme te ontwikkelenquot; \'), en meent hij, „dat de chemisch-physikalische hoedanigheid en de moleculaire structuurquot; aan den kern der kiemcel „het vermogen ver-leenen om, onder zekere omstandigheden, tot een nieuw individu van dezelfde soort op te groeienquot; a).

Wij kunnen met die meening niet instemmen.

Zonder twijfel, in de plant zijn en blijven de scheikundige krachten werkzaam, en de stoffelijke wet van het behoud van arbeidsvermogen geldt daar even als elders, maar uit alles, wat wij in de plant, ook de eenvoudigste, waarnemen, blijkt, dat in de levende plant de scheikundige en physische krachten gericht en geleid worden volgens een plan, dat voor elke plan-

\') S. 5. De verklaring lijkt wel op die der chemici, welke de eigenschappen der stof verklaren door diezelfde eigenschappen aan zeer kleine deeltjes, moleculen en atomen, toe te kennen.

•) 9. 13.

-ocr page 17-

13

tensoort, ten minste gedurende zeer langen tijd, standvastig is; en niet slechts standvastig is, maar ook onder de meest verschillende uiterlijke omstandigheden standvastig gebleven is. üe oorzaak, welke de physische krachten richt en leidt, kan daarom niet buiten het organisme liggen — of men moest voor elke plant een bijzondere inmenging der Voorzienigheid aannemen, iets, wat zeer zeker niemand zal willen volhouden, die met den H. Thomas meent, dat men niet een ,mirakel, maar de natuur der dingen moet zoeken.\' Maar die oorzaak kan toch niet gevonden worden in de moleculaire structuur of de chemisch-physische constitutie. De buitengewoon samengestelde structuur, welke Weissmann aanneemt, niet zoozeer omdat de ervaring ze ons doet kennen, maar wijl hij ze noodig heeft voor zijne theorie der erfelijkheid, moet toch bij de celdeeling, door welke een „zeer samengesteld organisme\' ontstaat, in eene andere structuur overgaan of ten minste oorzaak zijn, dat de dochtercellen eene andere structuur bezitten dan de moedercel. Ware dit niet zoo, dan ontstond een aggregaat van gelijksoortige cellen maar geene plant. Onverklaarbaar wordt het nu: niet slechts, dat die ongelijksoortigheden in bepaalde orde op elkander volgen maar vooral, dat steeds als eindresultaat van al die ongelijksoortigheden eene volkomen gelijksoortige nieuwe kiemcel ontstaat; terwijl buitendien het vermogen van sommige plantendedew \') om tot eene gelieele plant op te groeien ook een raadsel blijft. Om deze moeilijkheden te ontgaan, neemt Weissmann aan, dat elke cel, of althans zeer vele cellen, een klein deel oorspronkelijk Kiemplasma mede krijgt en dat zeker in de kiemcel van elk zaadje een klein deel van het oorspronkelijk nucleoplasma aanwezig is. Afgezien nu nog van de vraag, hoe het komt, dat al weder het nucleoplasma volgens eene vaste en in de physische en chemische laborato-

\') Bladeren b. v. zooals bij de Begonia\'s.

-ocr page 18-

14

v

ria totaal onbekende ^orm in zoo vele cellen onwerkzaam, of latent blijft om niet dan in de kiemcellen actief te worden, toont eene eenvoudige overweging aan, dat de kiemcel zooveel moleculen als er voor Weissmanns theorie noodig zijn, niet kan bezitten. Indien uit een kersenpit een boom groeit, die jaren en jaren kersen en kersenpitten voortbrengt dan moet de nucleus der eerste kersenpit om aan elke pit ook maar ééne molecule plasma te kunnen leveren een voorraad moleculen bezeten hebben veel aanzienlijker dan de grootte der pit toelaat. Met de mogelijkheid, dat de twijgen van den eersten boom op wilde stammen geënt tot nieuwe boomen kunnen opgroeien en op hunne beurt weer kersenpitten kunnen leveren en aan den eisch van Weissmann, dat ook de cellen uit welke de boom is opgebouwd, haar deel van de moleculen van het nucleoplasma krijgen, is hierbij nog niet eens rekening gehouden

De plant, waarin we iets meer dan de aanwezigheid van bloot physische of chemische krachten moeten erkennen, is verder eene éénheid. Want zij groeit en bloeit en teelt voort volgens een vasten typus, die, op zijn minst gedurende eenige duizenden jaren, constant blijft; en tot de verwezenlijking van dat ééne plan, dat de plant in haar zelve schijnt te hebben, werken, van de kiemcel te beginnen, alle deelen, die later uit die eerste cel ontstaan, tegelijkertijd en elk op zijne wijze mede.

De wortel, die het voedsel opneemt en voortstuwt, de bladeren, die den vochtstroom omhoog zuigen, het cambium-weefsel, dat hout voortbrengt, het bladgroen, dat koolzuur ontleedt, de bloem, die het zaad doet ontstaan, zij hebben alle hunne eigene werking, maar werken alle tevens mede

\') De theorie van Weissmann verschijnt in een nog vreemder licht wanneer wij in aanmerking nemen, dat, volgons hem, elk zaad niet slechts «en deel van dat zaad, waaruit de plant is ontkiemd, moet bezitten maar ook een deeltje onveranderd nucleoplasma van elk der stamouders in ■de opgaande lijn moet hebben. Wat zullen de graankorrels in den ouden tijd een celkern bezeten hebben!

-ocr page 19-

15

aan het tot stand komen der eenheid, dio men plant noemt.

„Het wezen van het organisme — zegt Spiess — bestaat daarip, dat de tallooze werkingen, die er in plaats hebben, naar een bepaald doel gericht zijn, dat alle krachten, hoezeer zij ook hare zelfstandigheid behouden, tot eene hoogere eenheid verbonden zijnquot; l).

Uit dit alles meenen wij te mogen besluiten, dat er in het levend organisme eene kracht aanwezig is, die alle natuur- en scheikundige krachten beheerscht en leidt; die kracht is eene andere dan de bloot mechanische of chemische, en zij is overal in het organisme werkzaam tot onwikkeling en behoud der eenheid van het individu. Wij kunnen niets ander dan deze kracht zelve een eenheid noemen, omdat „iets, wat niet één is, onmogelijk de bewerker kan zijn van eene handeling, die één is\' 2); en daar eene kracht niet kan bestaan, zonder dat er iets is, waarmede die kracht is verbonden, iets, wat de drager der kracht moet zijn, zoo moeten wij er toekomen in de plant een enkelvoudig beginsel als drager dier ééne kracht aan te nemen. Dit beginsel, het „principium intrinsecum opera-tionum vivorum,quot; is onafscheidelijk met de geheele plant zoowel als met de kiem verbonden, en daarin moet de reden gezocht worden, dat de levenlooze stof wordt tot een levend organisme.

De ouden noemden zulk een beginsel „ forma substan-tialisquot; d. i. „de vormquot; waardoor iets is, wat het is. Die vorm is het eigenlijk „beginsel waarvan alle werkingen des levenden wezens uitgaan en draagt voor de planten den naam „anima vegetativaquot; „plantenzielquot; in den zin van „levensbeginsel van het plantaardig leven.quot;

Meer echter dan dat zij leeft,, d. w. z. zich voedt, groeit en voortteelt, kan men, volgens de waarneming, van de plant niet beweren: wij hebben dus geen recht, om aan het levens-

*) Physiologie des Nerven systems, S. 4.

B) „Impossible est quod eorum, quae sunt diversa secundum esse, sit operatie una.quot; Sum. c. gent. Lib II, C. LVII.

-ocr page 20-

16

princiep een ander vermogen dan de zorg voor het leven toe kennen. Wij vinden geene werking, die zich buiten of boven de stof verheft; wij moeten derhalve ook dit beginsel als geheel en al aan de stof gebonden aannemen.

HET DIKR.

Het zal den lezer niet verwonderen, dat wij ook in het dier eene eenheid zien en een levensbeginsel aannemen. Dezelfde rédenen, die voor de plant gelden, zijn ook hier van kracht.

Ook het dier heeft een zoogenaamd vegetatief leven. Al zijn de voedingstoffen, welke het dier tot zich neemt, van anderen aard dan die, welke de plant noodig heeft; al hebben, in tegenstelling met de plant, die in hoofdzaak reduceerend werkt en zuurstof afstaat, bij het dier vooral oxydatieproces-sen de overhand; al blijft het waar, dat de voeding en de daarmede gepaard gaande vernieuwing van oude deelen en voortbrenging van nieuwe (behoud dus en groei) voornamelijk volgens chemico-physische wetten plaats hebben, — even waar, en voor elkeen, die het dier beschouwt, zooals de natuur het ons voor oogen stelt, even duidelijk, blijft het, dat die werkingen onderworpen moeten zijn aan eene andere, die als heerscheresse optreedt en aan elke scheikundige verwantschap haar voorwerp, aan elke mechanische beweging hare richting aanwijst \').

\') Het wekte onze bevreemding, in de redevoering van Dr. Bernstein met ophef vermeld te zien, dat vooral de nieuwe onderzoekingen „zur Evidenzquot; bewezen hebben, dat de geheele epijsvertering eene zuiver chemische werking is, waarmee zekere mechanische werkingen gepaard gaan.

Reeds bij St. Thomas stond duidelijk te lezen: „Digestio enim et ea, quae sequuntur fit instrumentaliter per actionem calorisquot; (Summa I, Q. IjXXVIII, art. 1). En elders; „Anima vegetabilis, licet non agat nisi mediantibus qualitatlbns praedictis (i. e. eorporeis), attingit tamcn operatie ejus ad aliquid, in quod qualitates praedictae se non extemlunt, videlicet ad producendum carnem et os et ad praefigendum terminum

-ocr page 21-

17

Bij het dier zgn echter voeding en voortplanting zoo innig en onafscheidelijk met eene reeks van andere werkingen verbonden, dat men dient aan te nemen, dat éénzelfde beginsel oorzaak is van beide reeksen van handelingen. Wij bedoelen het waarnemings-, het begeer-, het schattingsvermogen en de willekeurige beweging.

De handelingen, welke aan de laatste vermogens haar ontstaan danken, dragen o. i. zoo duidelijk en onmiskenbaar het karakter der eenheid, dat ook hij, die in de plant nog eene kolonie van wezens ziet, in elk dier een individu moet erkennen.

In de leerboeken over dierkunde en physiologic vindt men meestal, ter inleiding, een hoofdstuk ,Plant en Dier\', waarin de schrijvers hun best doen, om den lezer begrijpelijk te maken, dat er tusschen die beide groepen van wezens geen duidelijk onderscheid is.

„lo. In de gedaante en de organisatie schijnt tusschen plant en dier een wezenlijke tegenstelling te bestaan. Bij de plant zijn de endosmotisch werkende vlakten (bladeren) naar buiten gekeerd, bij het dier naar binnen (darmwand).... Intusschen zijn deze verschillen slechts voor hoogere dieren en hoogere planten geldig.

2o. Tusschen dierlijke en plantaardige weefsels bestaat evenzeer een aanmerkelijk verschil.... maar er bestaan plantencel-len, die op dierlijke cellen geljjken en omgekeerd.

3o. De chemische stoffen en de stofwisseling is in \'t algemeen zeer verschillend.... maar men kan geene scheikundige verbinding vinden, waarvan men kan zeggen, dat ze uitsluitend aan de plant of aan het dier eigen is.

4o. De willekeurige beweging en het gevoel worden als de

augmento et ad alia hujusmodi.quot; [Quaest. disp. Q. De pot. an.) D. w. z.

De spijsvertering geschiedt door bemiddeling van de werkingen der warmte.

Het plantaardig levensbeginsel is niet werkzaam, tenzij door middel van stoffelijke hoedanigheden.

2

-ocr page 22-

18

hoofdkenmerken van het dierlijk leven beschouwd .... nuiar het protoplasma der planten is contractiel even als de sarcode der dieren, en het gevoel, wat overal aangenomen moet worden, waar men willekeurige bewegingen waarneemt, is niet bij alle dierlijke organismen met zekerheid te erkennen 1).quot; — Ergo bestaat er geen wezenlijk onderscheid tusschen dier en plant?

Ergo, zoo dunkt ons, kan men het onderscheid, dat de hoo-gere vormen ons daghelder doen opmerken, bij de lagere niet zoo nauwkeurig meer waarnemen. De regel moet toch blijven gelden, dat men het onzekere door het zekere moet verklaren en niet omgekeerd, het zekere om het onzekere in twijfel mag trekken.

De bepaling: „Het dier is een organisme, hetwelk gevoel en vrije beweging bezit en hoofdzakelijk organisch voedsel noodig heeftquot; kan men gerustelijk vooropstellen zonder al te grocte vrees, dat deze definitie met het „eenvenire omni et solidefinitoquot;2) in conflict zal komen, d. i. onjuist zal wezen. Bij dieren, welke op zeer lagen trap van ontwikkeling staan, de amoeben, heeft men autonomische bewegingen waargenomen, die met het zoeken en opnemen van voedsel in verband staan, en uit de waarnemingen van Verworn volgt, dat bij diezelfde diertjes meer dan ééne soort reflexbewegingen ontstaan 3).

*) Naar Claus: Grundzilge der Zoölogie.

a) Toepasselijk zijn op al hot bepaalde en slechts op hot bepaalde alleen.

^quot;Die Amöhen, eine biologische Studie, Jürgens S. J. Natur u. Ojfen-harnttg (Jahrg. 28, S 655); Na turtvissenschaftllche Rundschau (1890, 261), Zeer juist geeft reeds St. Thomas den samenhang tusschen de beweging en de gevoeligheid der zintuigen aan: Quanto porfectiorem sen-sum habent, tanto perfectius movent seipsa. Nam ca, quae non habent nisi sensum tactus [zooals \'t voor amoeben wellicht waar is, niet voor de ostrea], movent solum seipsa motu dilatationis et constrictionis, ut ostrea, parum excedentia motum plantaequot;. Summa I, Q XVIII, art. 3.

Hoe volmaakter de zintuigen zijn, welke zij bezitten, des te volmaakter is ook de beweging. Want die levende wezons, welke slechts tastzin hebben, bewegen zich slechts door uitzetting en inkrimping, zooals do oesters, en staan in hunne bewegingen niet. veel hooger dan de planten.

-ocr page 23-

19

Weliswaar bestaan er slijmzwammen (myxomycetes) — waartoe o. a. het gele slijm behoort, dat men op de run der broeikasten kan waarnemen — bij welke het protoplasma gedurende eenigen tijd zich op ongeveer dezelfde wijze als e ene amoebe voortbeweegt, maar deze beweging houdt spoedig op, en uit de kiem groeit een bekende slijmzwam ; deze voortbeweging schijnt overigens met geene gevoeligheid of voeding in verband te staan en moet daarom op ééne lijn gesteld worden met de automatische bewegingen van sommige zwerm-■sporen in het plantenrijk.

Heerscht er nu in het dierenrijk gevoel en beweging, is het dier vatbaar voor een indruk en reageert het op dien indruk door een beweging, waaruit blijkt, dat de indruk waargenomen is, — dan moet het dier eene eenheid zijn, en het beginsel dier eenheid moet van hoogere orde zijn dan het levensbeginsel der planten.

Wijden wij eenige oogenblikken aan de beschouwing van een dier allerprimitiefste wezentjes, de amoeben, die men organismen zonder organen zou kunnen noemen, wijl ze uit niets anders bestaan dan uit slijm, waarin behalve een grootere celkern niet veel anders dan eene menigte kleine korreltjes te zien zijn. Die korreltjes zijn in voortdurende beweging, en de slijmmassa strekt zich nu hier dan daar in een dunnen di-aad of in een breedere strook vooruit. Nu eens wordt door zulk een draad de geheele lichaamsmassa medegesleept, en verplaatst zich het geheele wezentje, dan weder wordt dit zoogenaamd schijnvoetje (pseudopodium) in het lichaam teruggetrokken. Stoot bij die beweging het schijnvoetje op de eene of andere eetbare, of liever voor dat diertje verteerbare, stof -— eene kiezelalge (diatomee) of zoo iets — dan wordt deze buit spoedig door eene voldoende hoeveelheid sarcode omringd; iets wat men niet waarneemt, wanneer \'t een of ander niet eetbaar stofje aan onze amoebe in den weg komt. Laat men deze klompjes levend slijm over eene

-ocr page 24-

20

glasplaat kruipen, die gedeeltelijk verwarmd is, dan trekken zij zich spoedig terug, wanneer zij aan de verwarmde plaats komen \').

Bij deze miniatuur-diertjes vinden we, ten minste wanneer wij den verstandigen raad van Barthelemy de Saint Hilaire volgen en de levensverschijnselen waarnemen „tels que la natm-e les ottVe a nos regardsquot;, eene beweging, die duidelijk aantoont, dat iets waargenomen is. De waarneming is ongetwijfeld zeer primitief en kan in niets anders dan in een tasten bestaan, en de beweging gebeurt op zeer eenvoudige wijze, maar het diertje maakt den indruk, dat het zich beweegt om zijn voedsel te bemachtigen. De beweging moet dus uitgaan van hetzelfde centrum, waar ook de indruk aankomt. Toch zijn er vele slijmdeeltjes, die deel hebben gehad aan den indruk, en vele, die hebben deelgenomen aan de beweging, maar in weerwil van deze veeltalligheid heeft daar iets plaatsgehad, wat eminent één is : eene waarneming.

Het is onmogelijk zich eene waarneming als uit deelen bestaande te denken. Eene waarneming kan goed of slecht, helder of duister zijn ; zij kan het geheel of een deel tot voorwerp hebben ; maar de daad der waarneming zelve, van welken aard ze overigens zij, zinnelijk of verstandelijk, is een geheel, dat geene deeling toelaat.

Verder heeft onze amoebe zich bewogen : alweder eene handeling, die van eene eenheid getuigt, welke al de deelen, die tot de beweging medewerkten, beheerscht. De oorsprong van de beweging ligt in het zich bewegende zelve. Nu zegge men niet: \'t is de indruk, de moleculaire werking, welke op de eene of andere wijze, langs den eenen of anderen weg in be-

\') De gromiën, die dit boven de amoeben vóór hebben, dat zo in het bezit zijn van eene huid, maar ook daarin weer bij hen achterstaan, dat ze slechts ééne opening in die hnid hebben, waardoor zo de schijnvoet-jes kunnen uitsteken, trekken, wanneer zij een of ander voedsel gevonden hebben, alle schijnpootjes tegelijk met den buit in hun binnenste terug om daarna het niet verteerde weer uit te stooten.

-ocr page 25-

21

weging wordt omgezet; want daarmede is weinig of niets gezegd en nog minder verklaard, vooral niet liet autonomisclie -der beweging, in een wezen, dat op den eenen indruk spoedig reageert en voor den anderen ongevoelig blijft. Uit den aard dei-beweging is verder te zien, dat er door dat diertje onderscheid gemaakt is tusschen iets, wat hem nuttig is, het voedsel, en iets, wat onverschillig is voor zijn bestaan; de beweging veronderstelt eene zekere kennis. Verklare dit alles op mechanistische wijze wie wil, wij voor ons begrijpen die eenheid in zulke verscheidenheid niet zonder aan te nemen, dat in de amoebe een beginsel, eene forma, onafscheidbaar met de stof is verbonden, en dat op die wijze de stof tot een levend wezen wordt, dat niet alleen leeft, zooals de planten, maar ook voor zinsindmkken vatbaar is en zich autonomisch kan bewegen \').

Klimmen we, van deze lage sporten beginnende, de zoölogische ladder op, dan vinden wij weldra naast den tastzin verscheidene andere zintuigen ontwikkeld. Het waarnemingsvermogen der dieren wordt veelzijdiger en de waarnemingen juister, naarmate de verdeeling van arbeid in het organisme voortschrijdt, en met het toenemen van den omvang der zinnelijke kennis wordt ook de beweging volkomener.

Met veel grootere duidelijkheid treedt in de hooger ontwikkelde dieren de eenheid te voorschijn. Het is hetzelfde levend wezen, dat, én door zijne zintuigen waarneemt én zich beweegt én zich voedt en voortteelt. Meer nog dan bij de lagere dieren is het hier noodig één levensbeginsel aan te nemen, dat al die ver-.schillende werkingen, die plaats hebben met behulp van organen.

\') Do «moebe levert eeu sprekend bewijs van de waarheid van het «ode gezegde : „Alle andere zinnen hebben hun grondslag in den tast-ainquot; S. Th. Summa I, Q, LXXVI. De tastzin, zonder wolken de overige zintuigen ons slechts op zeer onvoldoende wijze zouden inlichten, is ook de eerste, dien wij in het dierenrijk vinden.

-ocr page 26-

22

welke zich voortdurend in hunne bestanddeelen vernieuwen,, eendrachtig doet samengaan \').

Het beginsel, waardoor het dier leeft, moet dus zoowel de vermogens tot groei en voortplanting, als die tot zinnelijke-waarneming bezitten en daarom noemden de ouden dit, , anima, sensibilis\', „zinnelijk levensbeginselquot;: zij gebruikten het woord „zinnelijkquot;, maar begrepen daaronder toch de vegetatieve functies. Dit beginsel moet van hoogere orde zijn dan de ,anima vegetativaquot; der planten, wijl het een wezen bezielt,, dat voor indrukken vatbaar is en kennis en herinneringsvermogen blijkt te bezitten en dat ook — zooals vooral bij de hoogere dieren duidelijk is — met een begeervermogen is toegerust en driften kan hebben; evenzoovele dingen, waarvan bij de plant niets is te bespeuren.

Er is dus niet aan te denken, dat deze „anima sensibilisquot; langs den weg der ontwikkeling uit het levensbeginsel der planten

\') Dat sommige dieren koloniën vormen, waarbij de afzonderlijke individuen organisch verbonden blijven, zal wel geen bezwaar zijn tegen de éénheid. Ernstiger schijnt het bezwaar, dat sommige dieren, die in verschillende doelen van hun liehanm een volledig stel organen bezitten,, door deeling vermenigvuldigd kunnen worden, zoodat het is, alsof die dieren een meervoudig leven bezitten. Zoo kan men van eene zeester (den gewonen vijfvoet) een arm afsnijden, zonder daardoor aan een van beide deelen den dood te veroorzaken. Integendeel, beide deelen blijven in leven : het stuk, dat nog vier armen bezit, brengt een vijfden voort, die echter kleiner is dan de oorspronkelijke ; de eene afgesneden arm doet vier nieuwe ontstaan en geeft zoo het aanzijn aan den zoogenaam-den kometenvorm. Dit voorbeeld is o. i. zeer geschikt om ons te doen zien, dat wij door deeling niet twee halve wezens hebben voortgebracht maar wel degelijk twee nieuwe en volledige levensbeginselen hebben doen ontstaan, waarbij in elk de organoplastische levenskracht het geheel naar het oorspronkelijke plan weder opbouwt. Hetzelfde gebeurt op veel grootere schaal in het plantenrijk. Kene uitvoerige philosophische beschouwing hierover ware hier niet op hare plaats. We laten die dus-achterwege. Vgl. S. Thom. In II sent. Dist. XV; en Quaest. disp. Q. l)t spirit, creat,

-ocr page 27-

23

zou ontstaan zijn; wij moeten de oorzaak voor het ontstaan van het dierlijk leven op aarde niet in de plantenwereld zoeken of in de omstandigheden, waaronder de planten vóór eenige duizenden of millioenen jaren leefden. Op dit punt moet zelfs hij, die overigens evolutionist zou willen zijn, het ingrijpen van een hoogere, van een scheppende macht aannemen 1).

Die Macht was zeker eene verstandelijke, en het is daarom niet te verwonderen, dat we in de doelmatige inrichting van het dierlijk organisme en in de doelmatige handelingen der dieren de werking van een verstand herkennen. Niets is echter, wat de meening kan wettigen, dat het dierlijk levensbeginsel zelf, de anima, die vegetativa en sensibilis te gelijk is, tot denken, d. i. tot het vormen van algemeene begrippen en tot het maken van gevolgtrekkingen in staat is 2).

Het geheele dierlijke leven beweegt zich binnen den kring van het zinnelijke; cibus et venerea; behoud, groei en voortplanting, is het shibboleth van elk dier; en voor dat alles is zinnelijke waarneming en kennis, zinnelijk begeervermogen ruim voldoende: d. w. z. eene kennis, die niet meer bevat dan het levend orgaan kan leveren, een begeervermogen, dat slechts naar iets zinnelijks streeft en in de levende organen zijn zetel heeft; zoodat wij niet gerechtigd zijn aan dat levens-

\') Een andere moeielijkheid in do ontwikkelingstheorie blijft voor ons, hoe het mogelijk is, dat uit vele één-cellige wezens het eerste veelcellige dier kon ontstaan.

8.) „Sensns non est cognoscitivus nisi singnlarium; cognoscit enim omnis sensitiva potentia per species individnales, quum reeipiat species ab organis corporalibus. Intellectus -autem est cognoscitivus universa-lium.quot; Summa c. yentes, L. II, C. LXVI.

De zin kent slechts de afzonderlijke dingen; elk zinnelyk vermogen kent immers door middel van beelden, welke uitsluitend aan afzonderlijke individuen beantwoorden, omdat zulk vermogen die beelden van de lichamelijke organen ontvangt fwelke slechts individuen vóór zich hebben]. Maar het verstand kent het algemeene.

-ocr page 28-

24

beginsel een vermogen toe te kennen, waarvan wij geene teekenen bepeuren \').

Indien het gezegde waar is, wat tegenwoordig in de werken over ontwikkeling tot vervelens toe herhaald wordt: „natura non facit saltus: de natuur maakt geen sprongenquot;, dan is het vooral waar in den zin der oude scholastische wijsbegeerte. „Semper supremum infimi ordinis attingit infimum supremi: het hoogste wezen der lagere orde raakt het laagste der hoogerequot; 1). De eenvoudigste plant staat zeer nabij de onbezielde stof, het laagst ontwikkelde dier is moeilijk van de plant te onderscheiden. Bij de hoogere dieren vinden we, in steeds grootere mate, zinnelijke waarneming en kennis, geheugen, voorstellingsvermogen en zinnelijk oordeel, waardoor de willekeurige beweging beheerscht en bepaald wordt. Al deze kennis en vermogens vinden we in den mensch terug, en op die wijze nadert het hoogst ontwikkelde dier dicht bij den mensch, die zelf een „infimum supremiquot; is, den laagsten stand inneemt onder de wezens van eene hoogere orde. De mensch immers „denkt en wilquot;, en deze handelingen zijn uit haren aard onafhankelijk van de stof, zoodat het beginsel, waarin bij den mensch deze vermogens zetelen, ook buiten de vereeniging met het stoffelijk lichaam levensvatbaar is, en daarom van hoogere orde dan de anima semitiva der dieren. Maar in den mensch is dit beginsel met de stof onafscheidelijk verbonden, en wel zóó, dat „zelfs het verstandelijk erkennen vermogens noodig heeft, welke door de lichamelijke organen werkzaam zijnquot; 2).

De hoogste kennis, waartoe een dier kan komen, de zinnelijke, is bij den mensch de noodzakelijke grondslag voor eene

1

a) S. Thorn, Quaest. disp. Q. De spirit, creat. et alibi.

2

fl) Summa c. gent. L. V. C. LXVIIf.

-ocr page 29-

25

geheel andere soort van kennis, de verstandelijke, en het zinnelijk begeervermogen is in den mensch onderworpen aan den redelijken wil.

DE MENSOH.

Om de eenheid van planten en dieren te betoogen, hebben wij ons hoofdzakelijk bepaald tot hetgeen de ervaring ons aangaande die wezens leert, ten einde zooveel mogelijk de overeenkomst, die er tusschen het vegetatief en sensitief leven van het dier en dat van den mensch bestaat, buiten beschouwing te laten. Toch mogen we dezelfde gevolgtrekkingen uit dezelfde praemissen ook voor den mensch maken en in den mensch eene organische eenheid erkennen.

Van die eenheid zijn we echter veel inniger en vaster overtuigd dan van de eenheid in welk ander wezen ook, omdat wij van die eenheid bewust zijn. Dat bewustzijn zegt ons, dat hetzelfde ik voelt, waarneemt, denkt en oordeelt, dat het zich zijne waarnemingen en voorstellingen van jaren geleden herinnert, dat het kind geweest is en tot jongeling en man is opgegroeid, maar /.onder daarom op te houden hetzelfde ik te zijn. Al mocht iemand, door allerspitsvondigste redeneeringen, er toe komen, in zich zeiven eene zeer groote hoeveelheden van ikken en ikjes te zien, zoodra hij uit zijne bespiegelingen in de werkelijkheid terugkeert, spreekt, denkt, handelt hij in het volle bewustzijn zijner ééne, ondeelbare ikheid. „Daar is niets, meent pater Bonniot terecht, wat de mensch niet verdeelt en verbrokkelt. Doet hij zulks ook met zijn ik? Ouderdom, ziekte, ■ongelukken nemen van het lichaam iets weg; het ik wordt niet grooter noch kleiner. De mensch, die zegt: „ik sterfquot; kent aan dat ik niet minder werkelijkheid toe, dan hij die schrijft: „ik leef.quot; Misschien begrijpt gij, dat gij kunt ophouden te bestaan, maar zoolang u bet leven geschonken is, is het onmogelijk u voor te stellen, dat gij tot de helft van uw ik

-ocr page 30-

26

waart teruggebracht. Is er iets dwazers denkbaar dan dat iemand,, van zich zeiven sprekende, aan het persoonlijk voornaam-

ik ik

woord len persoon den strikten zin van-g-,zou toekennen ?

Ons zelfbewustzijn leert ons dus, en dat wel met onwrik-bare zekerheid, dat in eenzelfde wezen een drievoudig leven, het zoogenaamde vegetatieve, het sensitieve en het rationeele leven, onafscheidelijk met elkander tot eene eenheid verbonden zijn, en ons verstand noodzaakt ons voor die drie levens in den mensch dan ook één enkel levensbeginsel aan te nemen 1). Het ééne wezen, de mensch, heeft echter een deelbaar, veranderlijk en in zijn deelen voortdurend zich vernieuwend lichaam, dat onmogelijk de drager, het beginsel dier eenheid kan zijn; daaruit volgt, dat er met het lichaam een ander beginsel moet verbonden zijn, niet van stoffelijken aard om de vele deelen tot een levend geheel te verbinden. Met Griesinger zeggen wij, dat men vóór alles „aan de éénheid van lichaam en ziel moest vasthouden\' !!).

De ervaring van hetgeen buiten ons geschiedt komt deze waarneming van het zelfbewustzijn bevestigen. Wij zien nimmer een mensch sterven, of we nemen waar, dat én voeding èn waarneming èn denken ophouden.

De dood is ook hier, evenals zoo vaak elders, de leermeester van het leven. Want het lijk, dat voor ons ligt. is geen mensch meer; alle function van den mensch hebben daarin opgehouden. Nog dringen lichtstralen door de half geopende oogen en vormt zich een beeld op het netvlies, maar het lijk ziet niet; nog kan een geluid de deelen van het inwendig oor in trilling brengen, maar het lijk hoort niet; nog zijn de

\') „Anima est primutn, quo nutrimur et sentimus et movemur secun-dum locum, et similiter quo primo intelligimus.quot; iSWitmta I, LXXVI, art. 1.

De ziel is het beginsel, waardoor wij ons voeden, waardoor wij gevoelen en ons bewegen, en tevens het beginsel, waardoor wij begrijpen.

2) Pathologie u. Therapie der Psychische Krankheiten.

-ocr page 31-

27

ledematen niet verstijfd, maar de spieren trekken zich niet. meer samen. Uit hem, die vóór een oogenblik nog een mensch mocht heeten, is verdwenen datgene, waardoor het lijk, dat wij voor ons zien, een mensch was: het levensbeginsel, dat den mensch maakte tot één levend wezen, zijne ziel.

Het levensbeginsel van den mensch is dan eene eenheid, wijl het de oorzaak is, dat de mensch zelve eene eenheid is.

Wij weten, dat dit levensbeginsel eene geheel eigenaardige werking kan uitoefenen, dat het kan denken en willen, en daaruit besluiten wij, niet alleen dat de menschelijke ziel onstoftelijk is, maar tevens dat zij kan voortleven, afgescheiden van de stof, wijl haar eigenlijk werken niet noodzakelijk aan de stof is gebonden. 1)

Stellen wij ons nu de vraag, op welke wijze de ziel in den mensch met het lichaam vereenigd is, dan moeten wij daarop antwoorden, dat de ervaring ons leert, dat die vereeniging allerinnigst is.

De vergelijking van ons zenuwstelsel met een telegraaf, zonder welke geen leerboek over dierkunde schijnt te kunnen bestaan, moge tot zekere hoogte geschikt zijn om de werking van zenuwen en hersenen te verklaren, zij geeft echter te gemakkelijk aanleiding tot een scheef begrip. Onze ziel zit niet in de hersenen als een telegratist voor zijn toestel, om de telegrammen te ontcijferen, die langs de gevoelsdraden aankomen, en daarop een bevel tot beweging langs andere zenuwen naar arm of been te seinen; onze ziel beweegt het lichaam niet evenals een hond het rad van een karnmolen — ons zelfbewustzijn weet van dit alles niets, maar weet daarentegen zeer goed, dat ons ik ziet, hoort,quot; voelt en zich beweegt. Er blijft ons, om dat ééne wezen, den mensch, eenigermate te begrijpen, niets anders over dan de oude opvatting ; „materia primaquot; en ,forma substantialis.\' Het lichaam is geen mensch

\') Hierover meer in \'t volgende hoofdstak.

-ocr page 32-

28

het voelt niet en denkt niet; de ziel is geen mensch: zij is een geestelijk wezen en kan den indruk van stoffelijke zaken als zoodanig niet ondergaan. Met liet oog op den mensch, moet men zeggen, dat beide iets onvolkomens of liever iets onvolledigs zijn en elkander noodig hebben. De mogelijkheid, die in het stof ligt besloten om een mensch te worden, wordt door de bezieling tot werkelijkheid, en daarom zou men den mensch kunnen heeten „een bezield lichaamquot; of „eene belichaamde ziel.quot;

Door die bezieling leeft de geheele mensch, zoowel de opperhuidcel, die met een voorwerp in aanraking is, als de zenuw, die in trilling of in beweging komt; zoowel het oog, dat een lichtindruk opvangt, als de spier, die zich samentrekt. De ziel moet dus het heele lichaam bezielen en tevens elk afzonderlijk deel des lichaams, wijl elk deel een levend deel is der levende eenheid. De ziel is, volgens de uitdrukking der ouden: „tota in toto en tota in qualibet parte.quot;

Alleen door aan deze eenheid van wezen in den mensch vast te houden, kan men zoowel de handelingen van den gezond denkenden mensch als die van den zoogenaamd zielszieken mensch eenigszins begrijpen, zooals wij later wenschen aan te toonen.

Voorloopig meenen wij den geduldigen lezer lang genoeg met „eenhedenquot; te hebben beziggehouden.

De tegenwerping van den hypnotischen dualis kunnen wij hier nog niet ter sprake brengen; voor eene andere objectie is het •echter hier de plaats.

In den laatsten tijd heeft men gevonden, dat sommige cellen van het lichaam in groote mate zelfstandig zijn, o. a. de witte bloedlichaampjes. Deze cellen, welke vrij in de bloed-vloeistof liggen en met het bloed door het geheele lichaam worden gestuwd, bezitten eene zekere onafhankelijke beweging, die wel wat op die der boven beschreven amoeben lijkt maar veel langzamer is. Ze kunnen kleine korreltjes in zich opnemen, en Metschnikoff beweert zelfs, dat ze den schadelijken

-ocr page 33-

29

bacillen, vibrionen enz., die het bloed bederven, op eigen vuist den oorlog aandoen, ze grijpen en... . opeten. „Hier hebben wij derhalve het individueels celleven in ons lichaam zoo duidelijk als mogelijk voor oogen. Met een geheimzinnigen schrik zien wij in ons lichaam — dat we toch door ons zelfbewustzijn als eene éénheid gevoelen — zelfstandig, individueel leven bij duizendtallen verschijnen. En evenals met de bloedcellen is het gesteld met de cellen van alle organenquot; \').

Dit handtastelijk bewijs der veelheid schijnt zoo ernstig, dat St. Georges Mivart2) zijn toevlucht meent te moeten nemen tot „formaequot; van de tweede orde of van den tweeden rang: ,Notre conscience, en réfléchissant, devient certaine qu\'au moins nous n\'avons qu\'une forme par excellence qui domine et dirige tout et se trouve être par suite vraiment et incontestablement la forme du corps. Mais une multitude de phénomènes de la vie des corpuscules du sang, des óléments sexuels etc. s\'expliquent beaucoup plus facilement, si nous ajoutons a l\'idée d\'une forme dominatrice, l\'existence de diverges formes subordonnées qui exercent leurs pouvoivs, réglés et dominés par celle qui est par excellence la forme du corps. Et ici, pour le dire en passant, je ne puis m\'empêcher d\'exprimer ma sympathie pour les philosophes du moyen-age, surtout pour les disciples de I\'illustre Docteur subtil qui ont toujours soutenu et défendu la doctrine de la plurality des formes.\'

Het ligt niet op onzen weg deze oude strijdvraag opnieuw ter tafel te brengen en wij laten hierin gaarne ieder zijne meening. Wij zien echter de noodzakelijkheid dier veelvuldige afzonderlijke vormen niet in. Waar er toch ééne de werkingen dier vele richt en leidt, moet die ééne, de ziel, toch met elk dier cellen medewerken, haren invloed op elk doen gelden en dan is, theorntisch, de moeilijkheid niet geringer om dien

\') Joh. Ranke, Das Blut, eine physioloyische Skizze. ii) Introduction générale a Vétude de la nature, p. 188.

-ocr page 34-

30

invloed te verklaren dan om aan te nemen, dat liet ééne levensbeginsel oorzaak is van de levensverschijnselen van elk der deelen. Zij is immers geheel in het gansche en geheel ook in elk der deelen, d. i. met hare volle levendmakende werking. Overigens zoude men, op dit beginsel voortbouwende, ook moeten aannemen, dat niet alleen elke cel haar eigen leven had, maar ook dat elke samenstelling van cellen tot een zelfstandig orgaan weer met een eigen forma bedeeld was, en voor de forma zou waar worden, wat wel eens van de kiemcellen beweerd is, dat ze in elkander zitten als een nest doosjes.

Overigens begint men de „etende amoebenquot; in het bloed met eenigszins andere oogen te beschouwen; men legt voor de bacteriën-doodende kracht dier micro-organismen meer gewicht op hun celvocht dan op hunne organisatie en men erkent vooral „dat de tot heden gebruikelijke methoden geen streng wetenschappelijk resultaat konden opleverenquot; en dat het noodig is „levende objekten te onderzoekenquot; \'), d. w. z. niet het bloed, buiten het lichaam, tot op 37,5° te verwarmen en onder het mikroskoop te brengen^ maar levend bloed in een levend dier waar te nemen.

\') Natufu issenschaftliche Rundschau: Bfr. over een stadie van Peter Netsehnjelï (Jrg. 1891, S. 574).

-ocr page 35-

HOOFDSTUK II.

LICHAAM EN ZIEL.

„De huidige psychiatrie, die eene natuurwetenschap is met empirische onderzoekingsmethode, laat zich volstrekt niet in met den strijd over het wezen der ziel. Voor haar is dit woord slechts het kort begrip van alle psychische functies gedurende den tijd van elks persoonlijk bestaan. Hoe het met de ziel gesteld is, voordat zij in hare function waarneembaar wordt, of en hoe de ziel na den dood des lichaams blijft voortbestaan — dit alles laat zij aan de metaphysica en aan de theologie ten fine van onderzoek over.....De natuurwetenschappelijke opvatting van de ziel als een functioneel verschijnsel gedurende den tijd van het individueele bestaan, brengt ons noodzakelijkerwijze tot de vraag naar de plaats, waaraan, in het lichaam, de uitoefening der psychische functies gebonden is, tot de vraag naar het orgaan der ziel.quot;

Deze woorden van v. Krafft-Ebing \') geven vrij duidelijk het standpunt der moderne psychiatrie aan. De meening van den Weener professor is juist, in zooverre zij een onderzoek naar het wezen en het voortbestaan der ziel naar de metaphysica en de theologie verwijst — maar totaal onjuist is zijne bewering, dat de psychiatrie met de resultaten van dat onderzoek niet te maken heeft.

De „psychische functiesquot; zullen toch wel van de „psychequot;

\') Lehvhuch der Psychiatrie, 1890, S. 1, 2.

-ocr page 36-

32

zelve afhankelijk zijn, en indien wij uit eenige dier voor ons goed waarneembare handelingen eene vol doende kennis van den aard der psyche kunnen verkrijgen, dan zal die kennis ons zeer te stade komen bij het beoordeelen van andere harer werkingen, die wij op het eerste gezicht minder begrijpen.

Het samengaan van de aangehaalde bewering met de verklaring, dat de ziel de „samenvatting der functioneele verschijnselenquot; is, en met de vraag naar het „orgaan der zielquot;, wettigt het vermoeden, dat v. Krafft-Ebing de ziel — voor zooverre een psychiater met haar te doen kan hebben — slechts aanziet als eene functie, eene werking van het zenuwstelsel enz. (meer bepaald van de hersenen, zooals wij laten zullen zien). Ook uit een psychiatrisch oogpunt beschouwd, is dit standpunt onhoudbaar. De arts dient te weten wat er fittü tu tpveLud l)\' zit; anders loopt hij gevaar van gevolgen voor oorzaken aan te zien en eene symptomatische behandeling in de plaats te stellen van eene radikale; en de geneesheer mag de hoogere bestemming van zijn patiënt niet ignoreeren, om niet in sommige ziekten Satan door Belzebuth te verdrijven en eene zware verantwoording op zich te laden.

Het beginsel, waardoor wij levende menschen zijn, is, zooals we reeds zeiden een onstoffelijk en geestelijk beginsel; geestelijk ; d. w. z. dat onze ziel met het vermogen om te denken en te willen bedeeld is.

De onstoffelijkheid onzer ziel, wordt door den H. Thomas bewezen door eene redeneering, welke zoo juist in het kader der tegenwoordige empirische wetenschappen past, dat wij ons het genoegen niet kunnen ontzeggen, ze hier met een paarwoorden ter sprake te brengen.

In de Summa contra gentiles heet het:

,Bij geen lichaam wordt de handeling eigenlijk op het werkend beginsel uitgeoefend. Want, zooals bewezen is,

\') Achter de physische verschijnselen.

-ocr page 37-

33

ondergaat een lichaam de handeling van zichzelve niet anders dan zóó, dat een deel handelt en een ander deze handeling lijdt. Het verstand echter oefent eigenlijk op zichzelve eene werking uit; immers het neemt zichzelve niet gedeeltelijk doch geheel en al waar. Dus is het verstand geen lichaam\'\'

\'t Is een feit, en de waarneming is er om het te bevestigen, dat de stof als zoodanig slechts op de stof werkt, hemellichaam werkt op hemellichaam, molecule op molecule, atoom op atoom Een stofdeeltje of eene massa, waarvan eene werking uitgaat om geheel en al en in allen deele ook weer op hetzelfde stofdeeltje of dezelfde massa gericht te zijn, is in de stoifehjke wereld een ongekend iets. En toch is zoodanige werking bij een denkend wezen aanwezig. De mensch neemt waar, denkt en wil, en hij kent zich zelven als waarnemend, denkend, willend; hij is bij die zelfkennis èn het onderwerp, waarvan de handeling uitgaat, èn het voorwerp, waarop de handeling in haar geheel gericht is.

Het beginsel, waarvan het denken uitgaat, is derhalve in zijn wezen ontstoffelijk.

Het eigenaardige der kennis — die zelfs bij stoffelijke zaken juist het onstoffelijke dier dingen tot voorwerp heeft, uit het bijzondere datgene opneemt, wat algemeen is, en in al hetgeen niet noodzakelijk is het noodzakelijke tracht te erkennen 2) — zoowel als de uitgebreidheid van het gebied, dat zij het hare noemt en binnen welks grenzen veel onstof-

\') „Nullins corporis actio refleotitnr super agentem. Ostensum est enim in Physieis quod nullum corpus a seipso movetur nisi secundum partem; ita scilicet quod una pars ejus sit movens et alia mota. Intel-lectus autcm supra seipsum agendo refleotitur; intelligit enim seipsum non solurn secundum partem sed secundum totum. Non est igitur corpus.quot; Lib. 11, Cap, XLIX.

!) „Anima per intellectum cognoscit corpora cognitione immateriali, universali et necossaria.quot; Summa I, Q LXXXIV, a. 1, c.

3

-ocr page 38-

34

felijks zich bevindt — kracht, deugd, geest, God enz. — moeten ons eveneens de overtuiging geven, dat het kennend beginsel in ons van geestelijken (spiritueelen) aard is. Tot datzelfde besluit dwingt ons het bewustzijn, dat het onstoffelijke in de stoffelijke voorwerpen — het goede, het edele, het schoone — het voorwerp van onzen wil kan zijn. Tevens weten wij door ons bewustzijn, dat wil.en verstand in ons op het innigst verbonden zijn en in ons eenig ik zetelen.

Uit die waarneming van hetgeen in ons omgaat en uit het begrip onzer innerlijkste handelingen volgt, dat, wijl het eigenlijke kennen en willen geheel en al van onstoflfelijken aard is, ons kennend en willend beginsel, onze ziel, daarvoor ook geen organen of geen orgaan noodig heeft en zelfs geene organen kan gebruiken. Het orgaan is aan het „hic et nuncquot;, het oogen-blikkelijke èn der voorwerpen èn zijner eigene moleculen gebonden — kennis en wil gaan buiten deze grenzen. „De eigenlijke verschijnselen van het verstand en van den wil, kunnen, evenmin als die der gevoeligheid, uit de organisatie der hersenen afgeleid worden,quot; zegt Griesinger zeer terecht \').

En toch voelen wij maar al te zeer, dat ons denken en willen van ons lichaam afhankelijk is en zien wij in het droevig verschijnsel van den krankzinnigen mensch, dat het licht des verstands is uitgedoofd en dat de wil geen zelfbewust streven meer bezit. Vanwaar komt dit?

Wij begrijpen, zij het dan ook niet ten volle, dat een geestelijk wezen op zichzelve kan dwalen èn in zijn oordeel èn in zijn wil, wanneer dat wezen eindig is ; het komt ons niet onmogelijk voor, dat een geest op het stof vermag te werken — wij zijn er door de ervaring aan gewoon, dat het hoogere het lagere in zijne macht heeft. Maar hoe de stof invloed kan uitoefenen op den geest, dat zou ons geheel en al onverklaarbaar

*) Path. u. Therapie der psych. Krankh. (Fransche vert. p. 7).

-ocr page 39-

35

voorkomen, wanneer wij niet uit alles, wat wij van onszelven weten, de gevolgtrekking maakten, dat in ons stof en geest tot één wezen verbonden zijn; zoodat niet het lichaam en de geest afzonderlijk gezond of ziek zijn, maar de mensch, die lichaam en geest tevens is.

Uit die innige vereeniging van stof en geest; waardoor de mensch tegelijkertijd het hoogste der stoffelijke en het laagste der geestelijke wezens is, volgt, dat, zoolang de verbinding van lichaam en ziel blijft bestaan, \'s menschen kennis niet alleen eindig is in hare uitgebreidheid — daar ook zijne ziel een eindig wezen is — maar ook onvolmaakt is door de wijze, waarop zij verkregen wordt. Wanneer wij slechts onze eigene ondervinding willen raadplegen, zullen wij gereedelijk toestemmen, dat wij, niet dan door langzame, redeneering voortgaande, uit de kennis der gevolgen eindelijk tot eene kennis der oorzaken komen; terwijl hoogst zelden de kennis der oorzaak zoo volledig is, dat wij in de oorzaak het geheele gebied der gevolgen kunnen overzien. Uit de onvolmaaktheid der kennende natuur spruit de kennis door redeneering voort; want hetgeen door iets anders gekend wordt \'(b.v. oorzaak door het gevolg) is minder gekend dan hetgene door zich zelf wordt begrepen \'). Daarmede echter is de onvolmaaktheid van ons weten nog niet ten einde. Daar ons verstand in dit leven aan een voor indrukken vatbaar lichaam gebonden is, zoo is het voor onzen geest onmogelijk iets werkelijk te erkennen zonder zich van voorstellingen te bedienen\' 2). Eenig nadenken zal ons hier spoedig doen inzien, hoe juist en waar de leer der Aristotelische wijsbegeerte is.

Ik kan niet tot het denkbeeld (joed komen, zonder dat ik in

\') „Ex imperfeotione intellectualis natunc provenit ratioeinativa eognitio, nam quod per alium eognosoitur, minus notum est eo, quod per se cognoseitur.quot; Summa c. Gent. LI, Q I, C. LVII, 8.

8) „Tmpossibile est intellectum nostrum, secundum prrcsentis vita) statum, quo passibili corpori conjungitur, aliquid intelligere in actu, nisi convertendo so ad phantasmata.quot; Summa I, Q LXXX, a. VII, c.

-ocr page 40-

36

concreto iets goeds heb waargenomen, niet begrijpen wat rond is of vierkant zonder iets ronds of iets vierkants bemerkt te hebben: het de»A:beeld is in mij afhankelijk van hetswnewbeeld, van de voorstelling; ik heb zinnelijke indrukken noodig om verstandelijke begrippen te vormen.

Mijn denken — van den wil spreken wij later — is dus afhankelijk van mijne zintuigen: ,Nihil est in intellectu quod non fuerit prius in sensu\' \') zeiden de ouden ; maar zij voegden er bij „sed alio raodoquot; : het denkbeeld (begrip) en de zinnelijke indruk zijn niet van dezelfde orde.

Indien het nu waar is, dat de zinnelijke waarneming de grondstof moet leveren, het materiaal, dat wij bij ons denken gebruiken, dan volgt daaruit, dat alles, wat voor de zinnelijke waarneming noodig is, ook noodig is voor het verstandelijk denken en dat ook de gebreken en ziekten der organen van nadeeligen invloed kunnen zijn op de werking van het denkvermogen in den levenden mensch.

De physiologie is dus volkomen in haar recht, wanneer zij onderzoekt, welke organen voor zinnelijke waarneming noodig zijn, en op welke wijze de, ziekte dier organen invloed uitoefent op de voorstellingen, waarvan de begrippen moeten worden ,afgetrokkenquot;. Zij dwaalt slechts daar, waar zij de begrippen met de zinnelijke voorstellingen verwart.

Niet anders is het met den wil.

Het eigen voorwerp van den wil is het goede, evenals het voorwerp van het verstand het ware is.

De ervaring en de redeneering zeggen \'t ons echter duidelijk genoeg, dat men het goede moet kennen om het te kunnen be-geeren. „Nihil volitum nisi cognitumquot;a), zeiden de ouden, en daarmede is de afhankelijkheid des wils van de kennis en door deze-

^ Er is niels in het verstand, wat niet eerst in de zinnen was. 2) Men kan niets willen, wat men niet kent.

-ocr page 41-

37

van de zinnen duidelijk. De ondervinding doet ons insgelijks het feit aan de hand, dat elk voor zich zijn eigen goed, zijn eigen geluk, steeds begeert, dat onze wil zich dus naar iets richt, omdat hij daar iets goeds ziet voor ons zeiven. In de keuze van zijn laatste einddoel, ons eigen goed, is de mensch niet vrij, zijn wil streeft er naar op noodzakelijke wijze. En toch hebben wij het bewustzijn onzer eigene vrijheid zoo diep in ons gegrift, •dat geen monisme of determinisme, geene leer van „geboren misdadigers\' of „erfelijk belastenquot; in staat is de woorden : „ik ben een vrij manquot; weg te beitelen of uit te wisschen. Gaarne stemmen wij daarom in met den H. Thomas, die beweert, dat een verstandelijk wezen noodzakelijkerwijze een vrij wezen is. Vooreerst, zegt de Doctor Angelicas \'), hebben alle verstandelijke wezens een wil. Elk wezen streeft naar hetgeen hem goed is op zijn eigene wijze. Waar alle kennis ontbreekt, is dit streven een natuurlijk (noodzakelijk) streven; waar slechts zinnelijke kennis bestaat, is dit streven een zinnelijk begeeren; waar het verstand heerscht, is dit streven een redelijk streven, m. a. vv. «en wil.

Indien echter dit streven verstandelijk is, dan moet het ■ook vrij zijn. Het verstand is immers niet uit zijnen aard tot het een of ander beperkt, maar kan zich tot alles uitstrekken, ■en dit is dus ook het eigenaardig kenmerk van den wil, dat hij zich naar alles richten kan. Vrij kan in waarheid slechts ■diegene zijn, die vrijelijk oordeelt; daarom is er noch bij de ■onbezielde wezens noch bij de dieren sprake van vrijheid ; en men kan van het dier in zekeren zin wel zeggen, dat het zich vrijelijk beweegt, maar niet, dat het wezenlijk vrij is: het dier velt geen oordeel. De mensch echter, een oordeelend wezen, is daarom ook een vrij willend wezen.

Wel is die vrijheid van willen beperkt tot hetgeen hem goed is, maar van nature is die beperking slechts tot het

\') Com. Gent. Lib. II, C. XLVII eu XLVIII.

-ocr page 42-

38

goede in \'t algemeen; alles, wat op eene of andere wijze „goedquot; is, kan het, voorwerp van zijn wil zijn. Daarom zijn die zaken, waarin de driften een goed zoeken en vinden, ofschoo n de rede zegt, dat het voor een hooger goed moet opgeofferd worden, mede voorwerpen voor den wil des menschen

Door de kennis hangt, zooals wij reeds zeiden, de wil van de zinswaarnemingen af. De wil kan zich niet tot iets wenden, dat niet eenigermate gekend is, terwijl ook weder het verstand van den wil afhangt, doordat deze bepaalt, of de geest dit object nader zal onderzoeken of niet. Na dit ondezoek staat het weer aan den wil, het onderzochte te begeeren of niet.

Er is echter in den mensch nog iets anders dan het kennend verstand, wat op den wil invloed uitoefent, nl. het zinnelijk begeervermogen. Evenals de zinnelijke waarneming is dit begeervermogen aan het bezielde lichaam, aan het „compositum-humanum,quot; den mensch, eigen. Dit zinnelijk begeervermogen, hetwelk opgewekt kan worden vóórdat het verstand het object volkomen heeft erkend, tracht den wil mede tot handelen te bewegen en deze aansporing maakt den wil wederom in zekere mate afhankelijk van het lichaam. In zekere mate, zeggen wij, want de ervaring leert ons, dat de menschelijke wil aan dezen aandrang der begeerte kan weerstaan, hoe sterk die aandrang ook zij. Van den anderen kant weten wij ook — insgelijks door de ervaring — dat de verstandelijke wil in staat is het zinnelijk begeervermogen op te wekken — „propter intensioneni appetitus superioris partisquot;: door de kracht van het redelijk begeervermogen — en ook, hoewel niet altijd in dezelfde mate, te beteugelen en te onderdrukken.

De verschillende uitingen van het zinnelijk begeervermogen dragen den naam van driften, en elkeen weet, met welke kracht deze neigingen op den wil kunnen werken.

De physiologie heeft ook op dit gebied eene moeilijke-

\') Wij spreken hier niet van de bovennatuurlijke orde van zaken.

-ocr page 43-

39

maar eene dankbare taak te vervullen, nl. te onderzoeken, welke de organen zijn, die bij de driften werkzaam zijn — ,veranderd worden\' zeggen de scholastici — en op welke wijze die organen door ziekte kunnen ontstemd worden.

Zoover onze waarneming gaat, zien wij, dat het zinnelijke leven van het dier (vooral der hoogere dieren), zoowel wat het zinnelijk kennen als wat het zinnelijk begeeren betreft, overeenkomt met het onze. Daarom dunkt het ons billijk, dat de dieren, met uitsluiting echter van alle onnoodige kwelling, tot onderzoek gebruikt worden, en houden wij het er voor, dat de anti-vivisectionisten doen wat de Duitschers noemen : „das Kind mit dem Bade ausschüttenquot;.

Wij gaan nu den lezer de uitkomsten van de nieuwere physiologie der zintuigen en der hersenen in \'t kort uit elkander zetten.

Vooraf zij het ons echter geoorloofd eene kleine geschiedenis in te lasschen, waaruit zal blijken, dat het verstand hoewel het aan de zinnelijke waarneming gebonden is, toch met een minimum van zinnelijke waarneming volstaan kan. Het zal hem daardoor des te gemakkelijker vallen te begrijpen, dat het eigenlijk denken geheel en al zielswerk is.

Maktiia Odrecht, eene blinde doofstomme *).

In de school eener Fransche congregatie, [in het doofstommen-instituut te Larnay (Poitiers), is de opvoeding van een meisje dat èn doof èn stom èn blind is, begonnen en onder de belangrijkste omstandigheden, door eene even verlichte als onvermoeide toewijding, met geheel onverwachten uitslag voltooid.

Wie zien hier de geschiedenis eener ziel, die, eerst eenzaam en verlaten in de duisternis der stof als het ware opgesloten, zich met moeite aan die duisternis ontworstelt, met de

\') Wij vertalen naar de Apologie van Dnilhé de Saint Projot. Dnitsche uitg. T. Braig.

-ocr page 44-

40

buitenwereld in aanraking komt, zich mot andere zielen in verbinding stelt, langzamerhand hare wezenlijke kenteekenen en hare eigenaardige werkzaamheid openbaart en eindelijk zich tot de hoogste lichtsferen van het denken verheft. De brieven en mededeelingen, welke hierop betrekking hebben en welke wij nu laten volgen, zijn van de jaren 1878—1885.

Het is niet gemakkelijk u geheel nauwkeurige inlichtingen te geven over de wijze, waarop wij bij de opvoeding onzer kleine blinde doofstomme te werk zijn gegaan. In \'t algemeen hebbeu wij de volgende methode gevolgd.

Het arme kind was acht jaren oud, toen het in Larnay aan onze zorgen werd toevertrouwd (1875).

Het was een trage massa, zonder eenig middel om met haars gelijken om te gaan. Zij kon slechts door schreien en bewegen hare gewaarwordingen aanduiden. Geschrei en beweging waren steeds met hare indrukken in overeenstemming.

Onze eerste zorg was aan het meisje een middel te verschaften om hare gedachten en wenschen te doen kennen. Wij lieten haar daarom allerhande voorwerpen betasten, terwijl wij het teeken dier voorwerpen op een of ander lichaamsdeel maakten. Bijna onmiddellijk begreep het kind de betrekking tusschen de zaak en het teeken.

Gij vraagt ons, welke de eerste willekeurige teekenen zijn geweest, die wij bij onderlinge overeenkomst met dat kind, wat niet hooren noch zien kon, vastgesteld hebben ?

De tastzin, de hand heeft daarbij eene rol gespeeld, welke ons menigmaal verstomd heeft doen staan. In \'t eerst lieten wij het meisje, wanneer wij haar een stuk brood gaven, met de rechterhand de linker aansnijden. Dit natuurlijk gebaar is aan alle doofstommen bekend.

Nadat de kleine leerlinge opgemerkt had, dat, iedermaal als men haar brood gaf, dit teeken gemaakt werd, kon het nadenken, het oordeel, het besluit niet uitblijven: als ik brood verlang,

-ocr page 45-

41

moet ik dit teeken maken. En werkelijk, wanneer men over tafel met opzet wachtte met haar brood te geven, bootste de kleine herhaaldelijk het aansnijden van een brood na.

Op dezelfde wijze ging men voor alle dingen te werk, die onder het bereik der zinnen vielen. Van het oogenblik af, dat de blinde doofstomme den sleutel van het systeem kende, was het genoeg, haar één enkele maal het teeken van iets voor te maken.

Daarna zijn we tot de bovenzinnelijke zaken overgegaan. Er was echter eene lange en nauwgezette oplettendheid noodig, om de verschillende indrukken van het kind te leeren kennen, ten einde haar terstond het teeken der voorstelling of van het gevoel te geven, die bij haar opkwamen. Vond men de kleine in oene opwelling van ongeduld, dan maakte men haar spoedig het teeken, dat ongeduld voorstelde, en stiet dit teeken van zich weg. Op die wijze leerde het kind begrijpen, dat ongeduld verwijderd moest worden, omdat het kwaad is. Martha had vriendschap gesloten met eene doofstomme, die reeds goed onderwezen was en zich met veel ijver aan de opvoeding van haar speelgenoote wijdde. Dikwijls gaf deze hare genegenheid te kennen door hare oudere vriendin te omhelzen of haar de hand te geven.

Om aan de kleine een meer algemeen middel aan de hand te doen, ten einde de gewaarwordingen harer ziel te vertolken, legden wij haar handje op haar hart. Zij begreep onze bedoeling, en wanneer zij wilde zeggen, dat zij van iets of van iemand hield, bediende zij zich van dit gebaar. Wat zij niet gaarne had stiet zij van haar hart af. Zoo gelukte het langzamerhand aan dit misdeelde kind de gebarentaal der doofstommen te leeren; zij bediende zich van die taal met veel handigheid van \'t eerste jaar af.

Het eerste ontluiken van \'t verstand werd bij Martha spoedig en zonder merkbaren overgang gevolgd door het ontwaken van het geweten.

-ocr page 46-

42

In den loop van haar eerste leerjaar konden wij haar reeds eenige zedelijke begrippen aan het verstand brengen. Evenals alle kinderen was zij wel eens ijdel of snoepachtig. Bezochten dames ons gesticht, dan had zij lust zich op te tooien. Pluweel, zijde, kanten maakten haar afgunstig. Een snipper, die haar onder de hand viel, werd tot sluier of halsdoek gebruikt. Om haar van deze fout te genezen, is het voldoende geweest haar te beduiden, dat hare moeder niet zoo gekleed ging en dat ook zij naar zulke sieraden niet moest verlangen. Om Martha de snoepachtigheid af te wennen, beteekende men haar dat diegenen, voor welke zij eerbied had, de zusters, de overste, de geestelijken, in hunne jeugd dezelfde fout hadden, maar dat zij door hunne moeder op het kwade daarvan opmerkzaam waren gemaakt en zich daarop gebeterd hadden. Zulke vermaningen maakten diepen indruk en de kleine fouten verdwenen.

Tegen het einde van het tweede jaar meenden wij, dat de tijd gekomen was om met het godsdienst-onderwijs te beginnen. Het kind kon nog niet lezen of schrijven; de gebarentaal was het eenige middel om ons met haar te onderhouden. In ons onderricht gingen wij van het zichtbare tot het onzichtbare over. Om Martha de eerste voorstelling van een hooger wezen te geven, vestigden wij hare aandacht op de rangverschillen binnen de muren van ons gesticht. De dagelijksche omgang had haar reeds geleerd, dat de zusters hooger svaan dan de leerlingen enz. Ter gelegenheid van het bezoek van een bisschop, beduidden wij haar, dat deze boven alle personen geplaatst was, die zij gewend was te vereeren, en dat ver van hier een opperste bisschop leefde, die aan allen, bisschoppen, priesters en leeken, bevelen kan. Van dit oppergezag, dat aan het arme kind zeer verheven scheen, gingen wij tot het oppergezag over van God, den schepper en oppersten gebieder. Alvorens wij haar het mimische woord voor God — waarvoor wij het teeken der doofstommen kozen — leerden,, achtten wij het noodig, dat zij eerst met de hoofdeigenschap-

-ocr page 47-

43

pen van God bekend was, met de scheppende en behoudende-macht, de onmeetbaarheid, de goedheid, de rechtvaardigheid enz. Zoo hadden wij eveneens voor de ziel gedaan: eerst haar geleerd wat denken, zich herinneren, willen is, en daarna het teeken „zielquot; medegedeeld. De overeenkomst met sommige hoedanigheden des lichaams werd bij dit onderwijs herhaaldelijk gebruikt, om onze leerlinge des te beter het overwicht van de ziel te doen inzien.

De indruk, dien de eerste waarheid der bovenzinnelijke orde op het kind maakte, laat zich niet beschrijven. De oneindigheid Gods maakte een overweldigenden indruk op de jeugdige ziel. De gedachte, dat de opperste Heerscher alles ziet, ook onze geheimste gedachten, vervulde Martha met eene diepe ontroering. En sedert heeft men slechts noodig haar te zeggen: „God ziet hetquot;, om hare opwellingen van drift te bedaren. Nadat zij God had leeren kennen, konden wij haar de overige waarheden voorhouden, en het vrome hart van Martha nam ze gereedelijk en gemakkelijk in zich op.

Het goede kind antwoordt thans met verwonderlijke nauwkeurigheid op alle vragen, welke men haar over het geleerde stelt.

Om het kind lezen en schrijven te leeren, zooals zulks bij het onderwijs der blinden geschiedt, moesten wij haar eerst met de vingers leeren lezen. Wij begonnen daarmee in den loop van het derde jaar, en de tastzin was wederom het groote middel.

Als wij het kind een stuk brood gaven, zeiden wij dat er nog een ander teeken was, dat „broodquot; beduidde. Door vingerspraak schreven wij, terwijl hare hand letter voor letter betastte, het woord „pain.quot; Dit nieuwe systeem was als een zonnestraal, die na een langen kouden nacht den ontluikenden bloemkop treft. Zij wilde nu zelve voor alles, waarvan ze het teeken kende, ook den naam weten en vooral de namen der huisgenooten, die ze overigens zeer goed door den tastzin wist te onderscheiden.

-ocr page 48-

44

Na genoegzame oefening in het vingerlezen onderwezen wij haar het alphabet en het schrift der blinden en deelden wij haar mede, dat dit eene nieuwe wijze was om de gedachte mede te deelen en als het ware vast te leggen. Een nieuwe zonnestraal viel in die kleine, lieve ziel.

Met ongeloofelijken ijver ging zij aan het werk en zonder moeite vatte zij den samenhang tusschen het hand-alphabet en het punt-alphabet der blinden. Weldra kon zij woorden en volzinnetjes lezen en schrijven. Ziehier een harer brieven in puntschrift.

Ma bonne Mère,

Je suis fachée vous part vite, embrasser rien, parceque je vous aime beaucoup. Je vous remercie oranges. Les sourdes-muettes contentes manger oranges. La bonne Mère supérieure est trés malade, elle tousse beaucoup. Monsieur médicin defend la bonne Mére se promener, je suis trés füchée. Je bien savante, prie pour vous bien portante. Soeur Blanche [hare doofstomme vriendin, die non geworden was] est mere pour Marlhe je prie pour Soeur Blanche. Je désire vous embrasser.

Mabthe Odrechï.

Later leerde Martha het gewone schrift. Ziehier een voorbeeld :

Quand je suis venue ici pour m\'instruire, j\'étuis seule, je ne pensais rien, je ne comprenais rien 1), pour dire; il faut toucher tout pour bien comprendre, faire des signes et ap-prendre 1\'alphabet pendant deux ans. Aprés, pendant un an j\'ai appris ó, pointer comme les aveugles, maintenant je suis

1

) Wij cursiveeven om de aandacht te vestigen op den toestand van den geest vóór en na het onderwijs.

-ocr page 49-

45

bien heureuse de bien comprendre tout. Depuis deux ans j\'ai voulu apprendre écrire comme les voyantes, j\'écris bien un peu.

Quand je suis venue ici, ma maman est partie; j\'ai été trés colère et crié fortenient. Les chéres Soeurs m\'ont caressé beaucoup, j\'ai été moins colère, je les aime bien, elles sont trés bonnes pour moi.

Martha beantwoordt op verrassende wijze alle vragen, die men baar stelt over God en de ziel. De doofstomme kloosterzuster, zuster Blanca, Martha\'s tweede moeder, vertolkt haar altijd het godsdienstonderwijs, dat in do kapel wordt gegeven. De oplettende leerlinge begrijpt vlug en geeft rekenschap van alles, wat er gezegd wordt. Men moet haar zien om zich een juist beeld te vormen van de ontwikkeling van haar verstand en van hare engelachtige vroomheid.

Martha heeft in Mei 1879 hare eerste H. Communie gedaan. Deze handeling, waarop zij zich met groote zorg had voorbereid, maakte op het twaalfjarige kind een diepen indruk. Zij zeide ; „Mijn hart is vol, vol geluk, ik kan niet zeggen hoe.\'

Inderdaad, wij staan hier voor eene aaneenschakeling van wonderen.

Tot zooverre het verhaal.

Eene aaneenschakeling van wonderen! wonderen van opoffering en toewijdende liefde, wonderen niet minder in de ontwikkeling van een ontluikenden geest, die, aan het lichaam gebonden, dit lichaam ook voor.zijne verhevenste werkingen noodig heeft, maar door de uiterst geringe hulp, die hij in dit geval ontvangt, bewijst, dat denken en willen zijn eigen werkzaamheid is en niet die des lichaams.

-ocr page 50-

HOOFDSTUK III.

de zinnen en de hersenen.

Ofschoon, zooals wg reeds aantoonden, denken en willen eigenlijk zielswerk is en dus niet door eenig lichamelijk orgaan kan verricht worden, is het toch voor onzen geest, die gedurende het leven aan een voor indrukken vatbaar lichaam gebonden is, onmogelijk iets te begrijpen, tenzij hij tot zinnelijke voorstellingen zijn toevlucht neme.

„En dit blijkt vooreerst daaruit, dat het verstand — eene kracht, welke zich niet van een lichamelijk orgaan bedient — op geenerlei wijze door de kwetsing van een orgaan in zijne werking belemmerd zou kunnen worden, indien voor die werking geene vermogens noodig waren, die wél lichamelijke organen behoeven. Zoowel de zinnen als de verbeelding en andere krachten, die tot het zinnelijk leven behooren, hebben organen noodig. Hierdoor wordt het duidelijk, dat de mensch, én om iets voor \'t eerst te begrijpen, én om zijne reeds verkregen kennis te gebruiken, de werking der verbeelding en der overige [zinnelijke] vermogens noodig heeft. Wij nemen immers waar, dat de mensch ook hetgeen hij reeds kent, zich feitelijk niet meer voor den geest kan halen, wanneer, zooals bij de waanzinnigen, door storingen van het orgaan zijne verbeeldingskracht aan banden is gelegd of wanneer, zooals dit bij slapenden het geval is, zijn herinneringsvermogen niet werkzaam is. — Ten tweede kan een ieder bij zich zeiven opmerken, dat hij, om iets te be-

-ocr page 51-

47

grijpen, zich voorstellingen vormt, waarin hij, om zoo te zeggen, kan zien wat hij wil verstaan. Vandaar ook, dat wij, om een ander iets duidelijk te maken, hem voorbeelden voorhouden, waaruit hij de voorstellingen kan vormen, die tot het begrijpen noodig zijn.quot;

Uit deze woorden van den Doctor Angelicus 1) blijkt, hoe innig het leven des geestes met het leven der zinnen verbonden is en hoe noodig het is het eene te kennen om het andere te verstaan.

Letten wij op ons denken, dan merken wij spoedig, dat onze denkbeelden steeds gebonden zijn aan zinnebeelden. Het woord, dat wij gehoord, gezien (in beeld of schrift) of gevoeld hebben (tastspraak der blinden) of, wil men liever, het zinnelijke beeld, waarvan wij het denkbeeld hebben afgetrokken, hebben wij noodig om ons het denkbeeld voor den geest te halen.

Zulke zinnelijke beelden verkrijgen wij door de zinnelijke waarneming.

Het is dus van belang te weten, op welke wijze onze zintuigen werkzaam zijn en welke vermogens het door de zintuigen geleverd materiaal bewaren.

De H. Thomas noemt de zinnen: „een zeker lijdelijk vermogen, dat van nature geschikt is om door voorwerpen buiten ons veranderingen te ondergaan\' a), en bespreekt, behalve de vijf uiterlijke zinnen (gezicht, gehoor, gevoel, reuk en smaak) ook nog vier innerlijke zinnen B).

De eerste dezer vier is de zoogenapmde „algemeene zin\' (scu-sus communis), „de zin, waarheen alle indrukken der uiterlijke zinnen worden overgebracht en waarin alle uiterlijke

\') Summa I, Q. LXXXIV, art. VII.

a) „Est autem sensas quaedam potentia passiva, quae nata est immutari ab exteriori senaibili.quot; Summa, Q. LXXXIV, art. III.

3) 7gt;e potentiis animae, C. IV.

-ocr page 52-

48

zinnen met elkander in betrekking komen (conjungunturquot;

De tweede innerlijke zin is bet voorstellingsvermogen {fantasia), een vermogen, dat in werking treedt door bet zinnelijk beeld, waardoor zoowel iedere zin afzonderlijk als de algemeene zin werkelijk waarneemt. Maar de fantasia wordt door dit beeld niet alleen in werking gebracht, zij bewaart ook bet beeld, wanneer het voorwerp afwezig is 2).

\') Deze zin ia noodig; 1°. omdat hij die zinnelijke znken moet waarnemen, welke de afzonderlijke zin niet waarneemt. Want de afzonderlijke zin neemt den vorm, de beweging eigenlijk niet onmiddellijk (per se) maar slechts middellijk (per aocidens) waar; de algemeene zin heeft eehtor tot zijn eigen voorwerp de (zoogenaamde) sensibilia communia, nl. beweging, rust, grootte, vorm, getal. 2°. De tweede fanetie van dezen zin is de verschillende bijzondere zinnelijke hoedanigheden (sensibilia propria) waar te nemen. Want een levend wezen kan niet oordeelen, dat iets wits ook zoet is of niet, en kan geen onderscheid maken tusschen de zinsgewaarwordingen der afzonderlijke zinnen, tenzij er één zin aanwezig zij, die al de afzonderlijke zinsindrukken kent, en deze is de sensus communis. 3°. De derde functie van dezen zin is het waarnomen der werking van de overige zintuigen, zooals het geschiedt, wanneer ik voel, dat ik zie. (S. Thom. De pot. an.)

We hebben hier dus ook het zoogenaamd bewustzijn, de zelfbewuste waarneming en de-„oplettendheid,quot; waarvan, zooals we later zullen zien, de physiologen spreken.

Wij moeten echter al aanstonds de opmerking maken, dat het geheele zinnelijke leven zoowel aan den niensoh als aan het dier eigen is, met dit onderscheid, dat het zinnelijke leven bij den mensch dienstbaar is aan hot verstandelijke en dat het leven der dieren zich buiten de grens van het zinnelijk niet beweegt. Waar dus het dier slechts voelt, slechts op zinnelijke wijze gewaarwordt, dat het ziet, hoort enz., is deze gewaarwording bij den mensch aanleiding, dat hij ook weet, dat hij waarneemt. In dien zin kan men bij het dier van zelfgevoel of zelfgewaarwording spreken ter onderscheiding van het redelijke zelfbewustzijn van den mensch.

\') Dit voorstellingsvermogen is tevens de schatkamer van het geheugen voor alle beelden of voorstellingen, die wij langs den weg der vijf zinnen in ons hebben opgenomen (vgl. S. Thomas: De memoria et re tui-niscentiis). Het is echter duidelijk, dat ons (d. w. z. het menschelijk) herinneren zich niet bepaalt tot eene reproductie der voorstelling, welko

-ocr page 53-

49

„Het, derde inwendige zinnelijke vermogen is het schattingsvermogen (aestimativa). Bij ons is het dienstbaar aan het verstand, maar het bestaat ook bij het dier. „Want het levend wezen wordt niet uitsluitend door het zinnelijke aangenaam of onaangenaam bewogen .... maar zoekt of vlucht somwijlen iets, omdat het nuttig of schadelijk is, zooals het schaap den wolf vlucht, niet wijl kleur of gedaante hem tegenstaan, maar wijl het den vijand van zijn soort in hem erkent. Zoo ook verzamelt de vogel het stroo, niet omdat dit stroo zijne zinnen bekoort, maar omdat het nuttig is voor den nestbouw. Het is dus noodig een beginsel aan te nemen, dat deze doelmatigheid waarneemt, en dit moet onderscheiden zijn van de verbeelding, welke door het zinnelijk beeld in werking treedt, maar zulke eigenschappen (nuttig, schadelijk enz.) niet waarneemt. Deze kracht is het „schattingsvermogenquot; {aestimativa), het vermogen om eigenschappen op te vatten, welke buiten het bereik der uiterlijke zinnen vallenquot; \').

Do laatste „innerlijke zinquot;, die ons nog te bespreken overblijft, is het geheugen {mentoria), voor zooverre het behoudt en bewaart, wat de aestimativa als nuttig, schadelijk, aangenaam enz. heeft leeren kennen \'). Dit vermogen, dat de dieren de weldaden en beleedigingen doet onthouden en het gunstig oogenblik tot wraakneming te baat nemen, werkt in het dierenrijk wederom instinctmatig, en de herinnering ontstaat plotseling. De mensch daarentegen kan door vergelijken

in den droom b. v. kan plaats hebben, zonder dat wij er niets van weten; het zelfbewustzijn moet bij \'elke herinnering mede werkzaam zijn om ons het beeld te helpen herkennen, dat de verbeelding ons voor oogen toovert.

\') S. Th. De pot. animae.

8) Do ouden noemen slechts dit vermogen memoria; de nienweren noemen geheugen ook het vermogen, hetwelk de voorstellingen, de beelden bewaart, en zij gebruiken den naam yeheuyen dus zoowel voor de memoria als voor de fantasia.

4

-ocr page 54-

50

en onderscheiden én zijn schattingsvermogen én zijn geheugen ter hulpe komen, maar de grootere volmaaktheid, die hiervan het gevolg is, moet op rekening gesteld worden van de denkende ziel, die dezelfde is in de zinnelijke werkingen en in de verstandelijke \').

VEREISOIITEN DER WAARNEMING.

Bij eene zinnelijke waarneming werken vooral drie dingen mede: het orgaan, de zenuw en de hersenen 3). Willen wij echter den vasten bodem der feiten niet onder de voeten voelen wegzinken, dan moeten wij er steeds aan denken, dat noch de verandering in het orgaan, noch do beweging in de zenuw, noch hetgeen er in de hersenen mechanisch of chemisch gebeurt, eigenlijk „de waarnemingquot; zijn, maar dat al die veranderingen in het levende orgaan middelen en noodzakelijke middelen zijn, met behulp van welke het levend ivezetl die enkelvoudige daad verricht, welke men waarnemen noemt en waardoor dat levend wezen leert kennen, niet de verandering van zijn orgaan, niet het middel waardoor, maar de zaak die het waarneemt.

Deze waarheden, welke toch de dagelijksche ervaring aan de hand doet, worden door sommige physiologen over het hoofd gezien.

Eene zinnelijke waarneming kan niet, zooals v. Krafft-Ebing meent 3), een drama zijn in drie bedrijven: de aandoening

*) S. Th. De pot. animac. Daarom noemen de scholastici liet vermogen, dat bij het dier aesthnativa heet, bij den mensch cogitativa en vestigen zij er de aandacht op, dat de mensch niet slechts eene metnoria Bezit, zooals wij die beschreven, maar tevens een „herinneringsvermogenquot; {reminiscentia), d. w. z. het vermogen om van de eene herinnering tot de andere als door redeneering („quasi syllogistice inquirendoquot;) op te klimmen. Summa I, Q. LXXV1II, art. IV.

quot;j „Visus est primus sensus, cujus organa sunt, quia ex cerebro progrediuntur nervi et oculi.quot; S. Th. De pot. an. art. III;

a) Lehrhuch der Psychiatrie, S. 115.

-ocr page 55-

51

van het zintuig met de voortplanting door de zenuw; de verandering dezer beweging in een zoogenaamd elementair psychisch verschijnsel; en eindelijk de voortplanting van den indruk tot in de cellen der grijze hersenzelfstandigheid. Maar voor elke zinnelijke waarneming, die, zooals de ervaring getuigt, eene enkelvoudige daad is, zijn deze drie, in den tijd op elkander volgende processen als hulpmiddelen noodig, en van alle drie hangt de juistheid der waarneming af.

Deze opvatting, welke die der Aristotelische wijsbegeerte is, heeft het voordeel, dat zij volkomen met alle physiologische en psychiatrische ontdekkingen harmonieert. Zij dwingt ons niet tot de onnatuurlijke veronderstelling, dat wij niet den boom zouden zien, maar het beeld op ons netvlies of de beweging onzer gezichtszenuw of misschien de trilling eener hersencel, en zij brengt ons niet in gevaar, onze zinnelijke waarneming uitsluitend op te vatten als een „projecteeren naar buiten\' van de aandoening van ons zintuig, zonder dat wij daarbij zouden weten, of wij werkelijk iets gewaar worden of dat het waargenomen voorwerp slechts een fictie van ons orgaan is.

Kunnen wij niet met v. Krafft-Ebing eene waarneming een drama in drie bedrijven noemen, wij kunnen gerustelijk met prof. Landoi\'s aannemen, dat eene waarneming van de volgende vereischten afhangt of, wil men liever, met de volgende organische gebeurtenissen samengaat:

1. Het zinneljjk orgaan (zintuig), met zijne eigenaardige eindtoestellen uitgerust, moet anatomisch ongeschonden en physiologisch tot zijne werkzaamheid geschikt zijn.

2. Er moet een bepaalde prikkeling zijn, die het uitwendige eindtoestel op normale wijze aandoet.

3. Van het ,zintuig uit moet de geleiding naar de groote hersenen, door middel van de zenuw, ononderbroken door-loopen \').

\') Lehrbitch der Physiologie des Menschen (1885). S. 838; Landois voegt er nog eene 4e en 5e voorwaarde aan toe, waarover later.

-ocr page 56-

52

Der moeite waard is liet hierbij op te merken, hoe prof. Landois in het jaar 1885 slechts met andere woorden herhaalt wat de ouden reeds wisten. „De zinnen vatten do dingen op zooals ze zijn, ten/,ij er of in \'t orgaan of in de middenstof, waarin de voorwerpen zich bevinden, een hindernis aanwezig zijquot; „Met betrekking tot zijn eigen zinnelijk voorwerp geeft de zin geene onjuiste kennis, tenzij bij toeval en niet dikwijls; en dit komt dan, omdat de zin wegens ongesteldheid |quot;ph3\'siologische ongeschiktheid] op gebrekkige wijze den zin-nelijken vorm [indruk] ontvangt. En vandaar komt het, dat voor eene zieke tong het zoete bitter schijnt te zijnquot; 1).

Ook de leermeester van den Doctor Angelieus, Albertus de Groote, wist reeds zeer goed, dat „het vermogen om te zien in het oog begint, voortgaat in do zenuw en tot volmaking komt in den innorlijken zin 2)quot;. waarvoor als orgaan de hersenen zijn aangewezen.

DE ZINTUIGEN.

Ofschoon de anatomische structuur en de functie der zintuigen den lezers wel genoegzaam bekend zal zijn, zij het ons geoorloofd met oen paar woorden hierover te spreken.

In het oog worden de lichtstralen, die van de voorwerpen uitgaan, door het waterachtig vocht, de lens en het glaslichaam gebroken en ontstaat dientengevolge op het netvlies een omgekeerd, verkleind en reëel beeld van hot voorwerp 3). Het regenboogvlies (iris), het voorste gedeelte van het vaatvlios, dient hierbij als scherm om de overvloedige stralen togen te houden.

1

) Summa I, Q. XVII, art. II.

2

) Summa de hom ine; aangehaald naar Pesch; Weltrilthsel.

3

) Door eon reëel beeld verstaat men een beeld, dat op een scherm kan opgevangen worden, zooals b. v. de b2elden eener tooverlantaarn.

-ocr page 57-

53

Omtrent den aard der aandoening zijn de physiologen het nog niet eens. Wel is het eene uitgemaakte zaak, dat het oog eene photographische camera is, waarin het beeld eenigen tijd blijft op de purperen kleurstof, die door de pigmentlaag van het vaat-ylies wordt afgescheiden. De ethertrillingen van het licht beginnen dus met eene scheikundige werking uit te oefenen, maar welke soort van prikkeling nu door deze phoiograjMe inslantanée op de lichtgevoelige elementen kegels en staatjes van het netvlies •des oogs wordt veroorzaakt, weet men niet. Evenmin is het met zekerheid te zeggen of er voor de verschillende kleuren verschillende elementen van het netvlies ter waarneming bestemd zijn, dan wel of elk element door alle kleuren, maar op verschillende wijze, aangedaan wordt.

Het oor bezit eene oorschelp, die de geluidgolven opvangt en ze door den gehoorgang naar het trommelvlies geleidt. Door de keten der gehoorbeentjes wordt die trilling overgebracht op de vochten van het inwendige oor (halfcirkelvormige kanalen en slakkenhuis). De halfcirkelvormige kanalen houdt men tegenwoordig voor een toestel, die ons het evenwicht helpt bewaren. De gewaarwording van het hooren brengt men in verband met een orgaan {Orgaan van Corti geheeten), dat in het slakkenhuis gelegen is en bestaat uit een groot aantal (± 3000) staafjes, die verschillende lengte hebben en met de draden der gehoorzenuw in verband staan. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat met de geluidstrillingen, die de gehoorvochten bewegen, de staafjes, naar gelang van hunne lengte, harmonisch medetrillen.

Voor den reuk dienen de cellen van het slijmvlies der neus, waarin de reukzenuw eindigt.

De gewaarwording van den smaak zetelt vooral in de smaakbekers van de omwalde papillen van den tongwortel.

De tastzin is in de huid gelocaliseerd en wel voornamelijk in de verhevenheden, die men tastpapillen noemt en die vooral aan de vingertoppen in grooten getale aanwezig zijn.

-ocr page 58-

54

Behalve den tastzin, die op druk en temperatuur \') reageert, hebben we nog in alle lichaamsdeelen zenuwen, welke in dienst staan van den trouwen wachter, de pijn, waarschuwend, als er onraad is. Ten minste moeten we dit voor zeer waarschijnlijk hpuden, daar b.v. de meeste innerlijke organen hoegenaamd geen tastge waar wordingen kennen, maar wel pijn kunnen gevoelen. De zenuwen, die hiervoor dienen, mogen dus wel don naam van gevoelszenuwen dragen maar zijn geene zintuigzenuwen, wijl ze ons slechts omtrent den persoonlijken toestand en niet omtrent do buitenwereld inlichten. Of in de lichaamshuid de zenuwen van den tastzin ook voor de pijn dienen, is niet met zekerheid bekend 2).

Elk der samenstollende deelen van ieder zintuig nu kan ontsteld of tijdelijk ontstemd zijn of ook ontbreken, en dan kan daarvan óf onjuiste waarneming of totaal gemis van waarneming het gevolg zijn: kleurenblindheid, toondoofheid, gemis van reuk, smaak, gevoel enz.

Verder is elk zintuig eene eindige grootheid, en daarom is het natuurlijk, dat er voor ieder zintuig „grenzen der waarnemingquot; bestaan: dat er geluidsgolven kunnen bestaan, die voor ons geen toon meer zijn, en ethertrillingen, die geen lichtindruk teweeg brengen. Het spreekvroord „oefening maakt den meester\' is ook op het gebied der zintuigen waar; evenwel bestaat er voor ieder weer eene grens, buiten dewelke zin, hoewel hij door den zinnelijken indruk niet lijdt, wanneer hij door de hem eigene prikkeling wordt aangedaan, toch schade lijdt in zooverre de verhoudingen van het orgaan gestoord worden door een te sterken indrukquot;3).

Zooals er grenzen zijn, binnen welke voor ieder zintuig de

■) „Sensus taetus est unus gonere, sed dividitur in muitos sensus. secundum speciem.quot; Summa 1, Q. LXXVIII ad üam,

2) Landois, o. e. p, 955.

3) S. Thom. De anima, III, art. VII.

-ocr page 59-

waarneming zich beweegt, zoo zijn er ook bepaalde verschillen noodig om verschillende gewaarwordingen duidelijk van elkander te kunnen onderscheiden: twee nuancen van een kleur, twee dicht bij elkander liggende tonen, de drukking van twee gewichten op de hand enz. Of echter die verschillen aan eene mathematische wet gehoorzamen, staat nog te bezien1),

Is uiterlijk het zintuig normaal en wordt het op zijn eigen voorwerp gericht, dan is de inlichting, die wij door dat middel krijgen, ook juist. Wij bedriegen ons echter zeer dikwijls, wanneer wij ten gevolge eener zinnelijke waarneming oordee-len over die hoedanigheden, welke niet direct door de lütor-lijke zinnen waargenomen worden 2), of een oordeel uitspreken, dat niet op deze enkele waarneming rust, maar, zonder dat wij er om denken, van verschillende waarnemingen afhangt 3). De voorbeelden zijn hier voor het grijpen, en indien wij

1

) Pechner heeft beproefd den subjeetieven indruk en don objectieven met elkander te verbinden en geeft als psychophysisebo wet nan : „De indruk groeit aan als do logaritbmus der prikkeling.quot; Dat wil zeggen b. v.: de logarithmon der getallen 10 en II en die van 100 tot 110 verschillen ovonveel; hot lichtverschil tusschen 10 en 11 en tusschen

2

100 en 110 kaarsen maakt derhalve denzolfden indruk; het verschil tus

-ocr page 60-

56

er een paar uit St. Thomas1) aanhalen, is het om te doen zien, dat de Doctor Angelicas volstrekt niet de kennis versmaadde, welke de „empirische wetenschappenquot; hem aan de hand deden: eene beschuldiging, welke men tegen de middel-eeuwsche wijsgeeren zoo gaarne inbrengt. „De oorzaak, waarom de afstand het gezicht belemmert, is, dat elk lichaam onder den hoek gezien wordt van een driehoek, of liever van eene pyramide, waarvan de basis in het voorwerp ligt

en het hoekpunt in het oog..... het is duidelijk, dat

bij dezelfde basis de hoek zooveel kleiner wordt als de zijde (afstand) grooter wordt en dal we dus alles kleiner zien, naarmate het verder van ons af is\'. Wij zien slechts de schijnbare grootte en kunnen ons in schatting der ware grootte bedriegen. „I3ij het ontstaan van liet geluid geschiedt ongeveer hetzelfde in de lucht als er in \'t water gebeurt, wanneer men daar een steen in werpt. Iedereen weet, dat daar kringen ontstaan rondom de plaats, waar het water getroffen is. Die kringen zijn in den onmiddellijken omtrek klein, maar de beweging des waters is groot. Verder van dit punt af echter zijn de kringen groot en is de beweging klein. Eindelijk houdt do beweging geheel op en er zijn gcene kringen meer. Indien echter vóór dat de vorming van kringen ophoudt, deze bewegingen een hinderpaal aantreffen, ontstaat eene kringbeweging naar den tegenovergestelden kant, en wel des te sterker, naarmate ze nog dichter bij het punt van oorsprong is. Zoo moet men zich ook voorstellen, dat bij het slaan op een geluidgevend lichaam, de lucht in kringen bewogen wordt en het geluid naar allo zijden wordt verspreid. Dichtbij zijn de kringen klein, maar is het geluid sterk j wordt echter, vóórdat de ringvorming ophoudt, do lucht, die zich beweegt en het geluid ergens heen geleidt, teruggekaatst, dan heeft de ringvorming naar de tegenovergestelde zijde plaats, en men hoort het geluid als van den anderen kunt komendequot;.

J) De anitna, Lect. XV en XVI.

-ocr page 61-

57

DE ZENUWEN.

Een andere voorwaarde, waarvan elke zinnelijke waarneming afhangt, is de verbinding van het orgaan met de hersenen door middel der zenuw. Wordt deze geleiding onderbroken, de zenuw doorgesneden of vergiftigd, dan is het zintuig voor waarneming ongeschikt. Daar echter de zenuw uit een groot aantal naast elkander loopende draden bestaat, die ieder voor zich, zoowel in de hersenen als in het uitwendig zintuig afzonderlijke eindorganen hebben, kan eene vernietiging of verlamming ook slechts gedeeltelijk zijn.

Tegenwoordig houdt men het algemeen er voor, dat de zenuw slechts geschikt is om de beweging (of welke andere verandering dan ook), welke in de eindorganen van het zintuig wordt veroorzaakt, voort te planten naar de hersenen, zonder zelve rechtstreeks voor geluid, licht enz. gevoelig te zijn. Men leidt dit o. a. daaruit af, dat, wanneer het beeld van een voorwerp op die plek van het oog valt, waar de gezichtszenuw binnentreedt, er volstrekt geene gezichtswaarneming plaats heeft.

De vroegere zienswijze, die aan elke soort van zenuwen eene eigenaardige werking toekende, is thans door velen ter zijde gelegd; zij gelooven niet meer aan eene „specifieke zenuwenergie,\' maar beweren, dat de indruk uitsluitend van het beginpunt en van het uiteinde der zenuw afhangt, terwijl hetgeen in de zenuw gebeurt voor alle zenuwen hetzelfde is. Zeker is het, dat het tot heden niet gelukt is met volkomen zekerheid een onderscheid te vinden tusschen gevoelszenuwen en bewegingszenuwen of een duidelijk verschil te ontdekken tusschen de zenuwen der verschillende zintuigen. Het feit echter, dat éénzelfde prikkel (electrische of mechanische) van de gezichtszenuw een lichtgewaarwording, van de gehoorzenuw een ruischen, van do bewegingszenuwen eene samentrekking van spieren doet ontstaan, is o. i. geen bevestiging van de

-ocr page 62-

58

stelling: „alle zenuwen werken op dezelfde wijze.\' Men kan immers de oorzaak, die éénzelfde prikkeling aan verschillende invloeden doet toeschrijven, evengoed in eene eigene werking der zenuw als in eene bepaalde functie der met de zenuw verbonden hersencel zoeken, en het is ook mogelijk aan beide tegelijk, zenuw en hersencel, een specifiek vermogen toe te schrijven, dat de electrische of mechanische prikkeling geheel of ten deele in zenuwprikkeling van bijzondere soort omzet en verandert.

Wat overigens aan deze meening waars zij of niet, zeker blijft het, dat de verbinding van het zintuig met de hersenen door raiddel der zenuw tot de vereischte dispositie van het orgaan behoort en de voorwaarde sine qua non der waarneming is.

Vele physiologen zijn van meening, dat het uiterlijk orgaan veel minder bij de waarneming betrokken is dan de eindor-ganen der zenuwen in de hersenen, de hersencellen. Bernstein beweert zelfs, dat indien men oog- en oorzenuw doorsneed en de beide uiteinden kruiselings met elkander deed vergroeien de aldus geopereerde een concert zou zien en een schilderij zou hoorm Deze laatste conclusie gaat o. i. heel wat verder dan de praeinissen toelaten. Want: of wel alle hersencellen zijn van denzelfden aard en in den beginne onverschillig voor de functie, die hun zal opgelegd worden, en dan zou men moeten zeggen, dat de hersencel door het orgaan gedetermineerd wordt, zoodat derhalve iemand, die van zijn geboorte af de gehoorzenuw met de optische cellen verbonden had even goed zou hooren en zien als een ander; — of wel er bestaat in de hersencellen verschil zoowel van structuur als van functie (twee zaken, die, zoover de ervaring reikt, steeds hand in hand gaan), en dan volgt daaruit, dat bij eene averechtsche verbinding gehoor en gezicht beide schade zouden lijden en te niet gaan.

\') Dr. Bosenthal, Allycmeine Vhysioloyie der Muskeln und Serve», S. 270.

-ocr page 63-

59

De geopereerde van Bernstein zou, dit geven wij gaarne toe, door eene schilderij gehoor-hallucinaties kunnen krijgen, evengoed als hij die door bloeddrukking in de hersenen kan opdoen; zijne hersencellen reageeren op de gewone wijze op een prikkel — hetzij die langs de zenuw komt of door den bloeddruk veroorzaakt wordt — maar dit blijven hallucinaties en zijn geene tvaarnemingen. Uitdrukkingen als de bovenstaande van Bernstein zijn, dunkt ons, niet best geschikt om de wetenschap vooruit te helpen. Het zekere feit, dat wij werkelijk hooren, zien enz., wordt niet verklaard door de eene of andere verandering eener hersencel, welke verandering wij zeiven als quasi-waarneming naar buiten zouden projek-teeren.

Men versta ons echter wel: het ligt niet in onze bedoeling de noodzakelijkheid der onderscheidene hersendeelen te ontkennen ; wij gelooven, dat de verschillende deelen aan bepaalde functiën dienstbaar zijn, en wij hopen, dat het nauwgezette onderzoek tegelijk met de functioneele verschillen ook een onderscheid van innerlijken aard aan het licht moge brengen. Wat moer is, wij zijn van meening, dat St. Thomas volmaakt gelijk heeft, als hij den overwegenden invloed der hersenen doet uitkomen; „Ofschoon de hersenen zelf gevoelloos zijn, toch zijn ze het beginsel van gevoelen voor de zenuw zelve.quot; \').

Maar wanneer men uit de waarneming meent te mogen afleiden; „de hersencel determineert het orgaan,quot; dan meenen wij, dat evengoed of even slecht met de waarneming overeenkomt de stelling; „het orgaan determineert de hersencel.quot;

DB IIBUSENEN.

Onze beschouwingen hebben ons thans op een terrein gebracht, dat wij niet dan met de grootste omzichtigheid moeten

\') De pot, an. L III: „cerebrum quod, licet de se sit insensibile, est tarnen principium sentiendi ipsi nervo.quot;

-ocr page 64-

60

betreden; op het gebied namelijk der „Idealisatie der hersenfuncties;quot; daar liggen voetangels en klemmen. De moeielijk-heden zijn echter meer van pracüschen dan van theoretischen aard.

Zooals den lezer bekend zal zijn, verstaat men onder localisa-tie der hersenfuncties de leer, welke aanneemt, dat er bepaalde ■deelen der hersenen voor bepaalde verrichtingen bestemd zijn: het eene deel is aan de beweging dienstbaar, het andere dient voor de verschillende waarnemingen, een derde voor het zinnelijk geheugen, het zinnelijk bewustzijn enz. Houden wij in \'t oog, dat er slechts sprake kan zijn van de zinnelijke verrichtingen, van de werkingen, die in het levend orgaan plaats hebben en die, ofsehoon zij niet het denken en willen zelf zijn, toch de noodzakelijke middelen zijn, die wij bij al ons denken noodig hebben, dan is er tegen de localisatie volstrekt geen bezwaar.

De H. Thomas, wiens woorden wij in het begin van dit hoofdstuk citeerden, is er van overtuigd; „dat een zinnelijk vermogen de handeling (actus) is van een lichamelijk orgaan,quot; m. a. w. dat orgaan en functie steeds bij elkander hooren en daarom wijst hij ook aan de verschillende innerlijke zinnen een afzonderlijk deel der hersenen aan en localiseert dus.

In de verhandeling Be potentiis animae (C. IV) wordt aan den „algemeenen zinquot; {sensus communis), waartoe, zooals wij boven zeiden, ook het zinnelijk bewustzijn behoort, „de eerste hersenholte, van waar de zenuwen der afzonderlijke organen uitgaan,quot; aangewezen. Het orgaan „om de zinnelijke beelden te bewaren (fantasia)quot; is, volgens den Doctor Angelicus, gelegen „achter hot orgaan van den senstts communis.1\' Voor de aestimativa dient bij de dieren „het laatste stuk van het middelste gedeelte der hersenenquot; \') en voor de cogiiativa bij den mensch (vgl. hierboven bl, 50, noot 1) de „middelste

J) Posterior pars mediae partis cerebri.

-ocr page 65-

61

hersenholte.quot; \') De memoria eindelijk, in den zin als St. Thomas die opvat, wordt in de „achterste hersenholtequot; 1) gelocaliseerd 2) Men behoeft slechts in plaats van „concavitas, cellulaquot; de woorden „hersenwinding, hersenschors, centraal-kernquot; te plaatsen om aan de woorden van St. Thomas eene hoog-moderne tint te geven.

Wij hebben de nieening van den H. Thomas vooropgesteld,, omdat wij door ervaring weten, dat er zijn, welke een onge-motiveerden afschrik hebben van alles, wat de physiologische proefnemingen omtrent de verrichtingen der hersenen aan het licht brengen, en die te spoedig vreezen, dat men in het materialistische sop verzeild raakt. De onden kenden die overdreven angstvalligheid niet en terecht. Want wie te veel aan de ziel toeschrijft, zonder rekening te houden met den innigen band, die de ziel aan het lichaam hecht, wie de éénheid van het compositum htimanurn, van den mensch, uit het oog verliest, loopt licht gevaar eigenschappen, die van de stof herkomstig zijn, toe te schrijven aan den geest, waarop hij voornamelijk zijne aandacht houdt gevestigd.

Of wij met den H. Thomas van „media, concavitasquot; enz. dan wel met de modernen van „windingenquot; spreken; of wij met de ouden eene fuctie hier, dan wel met de nieuweren diezelfde functie duur localiseeren, zijn zaken van geheel ondergeschikt belang; zeker is het, dat wij kunnen en zelfs dat wij; moeten localiseeren.

Deze theoretische beschouwingen worden door de ervaring volkomen gesteund en bevestigd.

1

) Posterior concavitas cerebri.

2

) Behalve ter aangeduide plaatse, spreekt de H. Thomas nog over deze organen: Summa, Q. LXXVII, art. IV ; Quaest disp- L. Q. 1 ad 3um ; ihid, Q. X, art. XV ; ibid, Q. XV, art. I en Contra gent. 11, C. LXVIF.

-ocr page 66-

62

Wie onzer weet niet, dat eene gedachte, die ons geheel en al bezig houdt, ons kan beletten de woorden te hooren, die ons zelfs vrij luid in het oor geschreeuwd worden; ons kan beletten te zien, dat iemand vlak voor onze geopende oogen voorbijgaat; te ruiken, dat de geheele kamer vol walm is, omdat de lamp stoomde enz.: feiten, die wij zoowel elk afzonderlijk als allen tegelijk kunnen waarnemen.

Nu zal toch wel zelfs de ultra-animist niet willen beweren, dat zulke distracties alleen aan de ziel kunnen liggen. En zoeken wij de oorzaak, zooals we het moeten, in het bezielde lichaam of in de belichaamde ziel. in het compositum himanum, den mensch, dan ligt het voor de hand aan te nemen, dat, terwijl een deel des lichaams (hier meer bepaald het deel, dat bij de voorstelling werkzaam is) al de beschikbare energie eischt, hot ander deel niet genoegzame kracht heeft om den indruk normaal voort te planten of normaal op den indruk te reageeren.

Op volkomen dezelfde wijze leert ons de ervaring, dat wij een bekenden weg kunnen bewandelen, alle kronkelingen van den weg volgen, voor de hindernissen uitwijken enz., terwijl wij slechts ten halve weten wat wij doen ; wij hooren en zien, en die zinsindrukken dienen om onze bewegingen te regelen, maar ons zinnelijk bewustzijn is niet geheel bij onze handelingen en dientengevolge ons redelijk zelfbewustzijn ook niet. In veel hoogere mate kan men deze verschijnselen bij slaapwandelaars opmerken.

En welke parten kan ons voorstellingsvermogen ons niet spelen! Nu eens weten wij zeer goed, dat een of ander beeld, een woord, eene melodie, in de voorraadkamer van ons geheugen aanwezig is, maar moeten veel moeite doen om er op te komen; dan weder kunnen wij een volzin, een deuntje, een gezichtsbeeld volstrekt niet kwijt raken. In den droom wederom is ons voorstellingsvermogen volop aan het werk, maar het bewustzijn, dat ons over dag zegt, het zijn geene

-ocr page 67-

63

werkelijkheden maar slechts fantasiebeelden, is er niet \').

Wij moeten er wel toe komen al deze verschillende func-tiön aan deelen toe te schrijven, welke gezamenlijk, maar ook afzonderlijk, werkzaam kunnen zijn; eene redelijke verklaring der feiten is anders niet mogelijk.

Deze feiten maken het waarschijnlijk, niet slechts dat er bepaalde hersendeelen voor het zinnelijk bewustzijn en andere voor het geheugen dienen, maar tevens, dat er binnen die grootere afdeelingen kleinere vakken moeten afgepaald zijn. Indien wij ons b. v. een persoon volmaakt kunnen voorstellen, maar niet in staat zijn ons zijn naam te herinneren, terwijl wij overigens zeer goed weten, wat er tusschen hem en ons gesproken is — moeten wij dan niet tot het besluit komen, dat er ergens eene plaatselijke storing is, die de werking belet juist van die hersendeelen, welke de herinnering bewaren van de klankvoorstelling van den gehoorden naam ?

Er is echter meer. De waarneming leert ons dat de zinnelijke werkingen der dieren dezelfde zijn als die van den mensch ; dat het dier ziet en hoort, zich iets herinnert enz. evenals de mensch, maar dat bij den mensch de zinnelijke werking de grondslag is voor de verstandelijke, welke het dier niet bezit.

Kan dus het dier, op zinnelijke wijze, een persoon of voorwerp herkennen, of twee eigenschappen van eenzelfde voorwerp met behulp van twee zintuigen tegelijk waarnemen, dan moet dit alles in en door zijne levende organen geschieden. Wij moeten dus bij het dier noodzakelijk een organisch verband aannemen (door zenuwdraden) tusschen de hersencentra, die aan de waarneming dienstbaar zijn, en de hersencentra, welke voor het „voorstellingsvermogenquot; en voor den „alge-meenen zinquot; gebruikt worden.

\') Over de beweging spreken wij later.

-ocr page 68-

64

Het geestesleven des menschen, dat overal op het innigst met het zinsleven in verband is en daarin de conditio sine qua non zijner werking vindt zoowel als de voorwerpen zijner aandacht, heeft dan in eene gelijksoortige verbinding dier hersendeelen de voorwaarde en het middel om zinsindrukken in fantasie-beelden om te zetten en om het orgaan van het zinnelijk bewustzijn in zekeren zin tegenwoordig te doen zijn bij de werking der overige hersendeelen \'l.

Van den anderen kant moet ons echter de ervaring ook leeren, dat er, binnen de perken van hetzelfde gebied, plaatsvervanging en nummerverwisseling op ruime schaal mogelijk is. Het is immers herhaaldelijk gebleken, dat plaatselijke storing in de eene of andere hersenhelft aanwezig was, zonder dat de zieke er eenigen hinder van scheen gehad te hebben, behalve misschien dat de vermoeidheid zich spoediger deed gevoelen 2).

Eer wij tot eene beschrijving der hersencentra overgaan, achten wij het dienstig, in \'t kort te herhalen wat wij tot hier besproken hebben.

1°. Voor elke zinnelijke waarneming is noodig :

a het zintuig ;

h de zenuw;

c. een deel der hersenen („principium sentiendi ipsi nervo 2°. In de hersenen moeten wij verder afzonderlijke middelpunten aannemen:

a voor don „algemeonen zinquot; {sensus communis)-,

h voor het voorstellingsvermogen (fantasia, zinnelijk geheugen) ;

c voor het schattingsvermogen (aestimativa); en voor het daarmede verbonden

\' \'i Deze taak is aan de witte zenuwdraden der hersenen opgedragen.. Hierover echter later.

\'2) Griesinger, o. c. x^. 27.

-ocr page 69-
-ocr page 70-

I. Orgaan van den sensus communis.

quot; (\'e fantasia (gedeeltelijk hetgeen wij geheugen noemen). UI. )) » » aeslimativa,

IV. » » » memoria.

Fijï. ii.

C. .s. Gestreept lichaam (Corpus slifatum).

Th. o. Bedding der gezichtszenuw {Thalamus opticus).

Fig. I.

-ocr page 71-

Fig. III.

Lobulus paracentralis.

G.f,

Hersenen (linker helft) :

A. groote hersenen {cerebrum).

B. kleine hersenen {cerebellum).

C. verlengde merg (medulla oblonriala).

Windingen (gyri):

s. superior. m. medius. i. inferior.

ü.

G. G. G.

G:

G. gyrus frontalis

/ a. anterior. » o. centralis 5

( p. posterior,

» I. temporalis (s. m. i.).

» o. occipitalis (.1, 11, 111).

» ïm. supramarginalis.

« any. angularis

Groeven en voren (fissunie on\'sulci):

1. Fissura silvii.

2. en 3. Sulcus frontalis sup. en inf.

4. Sulcus temporalis sup. en int.

(Naar Vierordt).

-ocr page 72-

i

-ocr page 73-

-ocr page 74-

c. Hersenschors (buitenste laag der groote hersenen). — C. s. Corpus striatum. — N. Nucleus lentiformis. — T. o. Thalamus opticus. — V. Corpora quadrigemina (Vierheuvels). — P. Pedunculus cerebri (hersenstelen), waarvan fi de voet en H de kap is. — R. doorsnede van het ruggemerg met de grijze zelfstandigheid. — v. w. voorste wortel der ruggemergszenuwen (bewegingszenuwen). — a. tv, achterste wortel der ruggemergszenuwen (gevoelszenuwen). — De letters a c. duiden de zenuwdraden aan, welke de deelen der her-schenschors met elkander verbinden; dc cijfers 1—8 duiden de vezels aan, welke de verschillende deelen der grijze zelfstandigheid verbinden.

(Naar Meynert uit het Lehrbnch van Landois).

vig.

-ocr page 75-

65

d geheugen (memoria, in den zin van Sfc. Thomas).

3°. tusschen deze deelen moet een of ander organisch verband bestaan.

4°. Het geestesleven van den mensch is aan het zinnelijk leven gebonden, zoodanig dat:

a het zinnelijk beeld aanleiding geeft tot de vorming van het denkbeeld ;

h het zinnelijk geheugen medewerkt tot het redelijk geheugen;

c het zinnelijk bewustzijn de grondslag is van het redelijke, d. i. de zelfgewaarwording van het zelfbewustzijn.

Eene ontstentenis van deze zinnelijke vermogens berooft dus den mensch van eene noodzakelijke voorwaarde om te kunnen denken. Zij treft zijn denkvermogen — maar slechts middellijk.

Ter meerdere duidelijkheid hebben wij de localisatie, door St. Thomas gevorderd, schematisch in teekening gebracht, naar de wijze, waarop men in moderne leerboeken de her-senmiddelpunten voorstelt. In de nevenstaande figuur (Fig. I) beduiden I, II, III en IV de bovengenoemde organen voor den sensus communis, de fantasia, de aestimativa en de memoria, en «, h, c, d, e, f de verbindingsdraden.

De hersenen, eene weeke massa, waarvan wij de samenstelling aanstonds zullen bespreken, worden verdeeld in groote hersenen, kleine hersenen en verlengde merg.

De groote hersenen (cerebrum) en de kleine {cerebellum) bestaan uit twee zijdelingsche, met elkander verbonden half-\'.•onden. I3ij de groote hersenen onderscheidt men aan elk halfrond verschillende lobben {lohi) en op deze lobben windingen (gijri); do scheiding wordt door groeven (fissurae) en voren (sulci) gemaakt. De windingen zijn bij de groote hersenen wormvormig, bij de kleine evenwijdig.

De hierbij gevoegde figuur (Fig. II) geeft eene schematische doorsnede der hersenen, terwijl op de volgende figuur

-ocr page 76-

66

(Fig. Ill) de voornaamste windingen en groeven afgeteekend zijn.

Het verlengde merg {medulla ohlonyata) is do voortzetting van het ruggemerg naar de hersenen (en omgekeerd) en bestaat voornamelijk uit draden, die zich straalsgewijs in de halfronden der groote en ook der kleine hersenen ontplooien. Buitendien staan aan de voorzijde van dit verlengde merg, de helften der kleine hersenen nog door dwarsdraden (de Brug van Varol in Fig. II) met elkander in verbinding \').

üe zelfstandigheid, waaruit de hersenen bestaan, is gedeeltelijk wit, gedeeltelijk grijs. De samenstellende deelen der grijze zelfstandigheid zijn vooral do zannvicellen, waarvan de uitloopers zich met die van andere cellen verbinden of wel als fijne draden de bestanddeelen der zenuwen vormen. De witte zelfstandigheid wordt hoofdzakelijk door ■/.enmvvezeltn gevormd.

Grijze zelfstandigheid vindt men in do groote en kleine hersenen vooral aan do buitenoppervlakte der windingen en hier treft men ook hersencellen aan van grootere afmetingen; verder vindt men in \'t midden dor groote hersenen verschillende vereonigingen van grijze hersenmassa, die men centrale zenuwgangliën noemt: Corpus striatum. Nucleus lentiformis, Thalamus opticus. Corpora quadrigemina (vgl. Fig. IV); eindelijk is er nog een derde opeenhooping van grijze zelfstandigheid in do derde hersenholte ; van hieruit is dit hersengrijs

\') In het embryo begint de aanleg van het zenuwstelsel met een kanaal, dat later als ruggemergskanaal en hersenholten blijft bestaan en aan de voorzijde vijf holten vormt, die zich in verschillende samenhangende vakken verdeeien. Om het kanaal ontstaat het ruggemerg, om den wand der vijf holten de hersenen. En wel : om de eerste, in tweeën gedeelde, holte de groote hersenen, die bij den mensch al do overige deelen bedekken ; om de tweede (en daarin) de bedding der gezichtszenuwen (thalami optici); om de derde de vicrheuvels; om de vierde de kleine hersenen; om de vijlde eindelijk het verlengde merg.

-ocr page 77-

67

in gemeenschap met het binnenste gedeelte van het rugge-tnerg. In \'t verJengde merg en in \'t ruggemerg ligt de witte hersenzelfstundigheid buitenom en de grijze er binnen iu en heeft de grijze massa ongeveer dezen vorm: )-(.

Om den lezer eenigszins te oriënteeren in den doolhof der hersendeelen voegen wij (Fig. IV) eene situatie-teekening naar \'Meijnert hierbij. Indien wij op die teekening den weg zoeken, dien b.v. eene zenuwtrilling uit het oog komend kan volgen, dan moeten wij van den Thalamus opticus en de Vierheuvels uitgaan. In deze grijze centra neemt de gezichtszenuw (in de figuur niet geteekend) haren oorsprong. Zulk eene aandoening kan nu langs verbindingsdraden (4 en 8) naar de hersenschors voortgeplant worden, langs andere vezels (6 en 7) overgegaan in de hersenstelen (P) en van daar met bewegingszenuwen, die aan het ruggemerg ontspringen, in verband komen. Door verbindingsdraden (a, c) is er gemeenschap tusschen de deelen der schors onderling, en langs geleidingen van het soort 5 is de hersenschors in meer onmiddellijke gemeenschap met de deelen, waarvan de bewegingszenuwen uitgaan.

\'t Is er verre af, dat alle draden en cellen der hersenen bekend zijn, — men schat het aantal der cellen op millioe-nen — maar de situatie-teekening van Meynert maakt toch eene voorloopige oriönteering mogelijk \').

Om nu de functies te leeren kennen, welke aan de verschil-. lende deelen der hersenen zijn toevertrouwd, staan ons slechts twee wegen open: de waarneming en de proefneming. Beide wegen zijn in den laatsten tijd veel beloopen. Dikwijls echter gaf het onderzoek der hersenen van aan krankzinnigheid gestorven menschen een negatief resultaat; en bij de proefneming op dieren stiet men op de moeilijkheid, dat de dispositie van de

*) Volgens de laatste onderzoekingen vormen de cellen en vezelen dér hersenen een net met tallooze mazen, waarbij de boomvormig vertakte uitloopers der cellen niet met elkander vergroeien maar de takken van het eene eindboompje zich tusschen die van het andere schuivefr.

-ocr page 78-

68

verschillende hersendeelen geheel verschillend was, zoodat men-zelfs bij de dieren niet van \'t een op \'t ander dier kon besluiten. Zeker derhalve is de raad van v. Krafft-Ebing niet van onpas: „ De onderzoekingen der experiraenteele physiologie [op dieren] kunnen niet onbeziens voor de hersenpathologie van den mensch diehen en kunnen niet dan cum gram salis aan de studie der psychische functiën dienstbaar gemaakt worden, omdat zoowel de bouw als de functie van de hersenen der dieren in den grond verschillen van die des menschenquot; \'). Een „korreltje zout\' is echter voor het laatste gedeelte dezer raeening van Ebing evenzeer noodig. De ervaring dringt ons immers tot het besluit, dat een dier ziet en hoort, proeft en voelt evenals wij, en er is geen reden om aan te nemen, dat zijn zinnelijk herinnerings-en voorstellingsvermogen anders zou werken dan het onze. En bijgevolg is ook de aard der hersenfunctiën bij dier en mensch dezelfde, en wat de mensch op het dier voor heeft, het denken en willen, is geen hersenwerk al moet men er zijn hersens bij gebruiken.

De proefneming op dieren kan ons dus wèl leeren, ivaarvoor in \'t algemeen sommige hersendeelen noodig zijn, maar geeft ons geen recht om in \'t bijzonder dezelfde functie der mensche-lijke hersens met een hersendeel in verband te brengen, dat op dezelfde plaats gelegen is als bij de dieren.

Van het eene dier op het andere is reeds de localisatie verschillend. Voor de apen b.v., die Ferrier 1) als proefdieren nam, omdat hunne hereenen het meest met die van den mensch overeenkomen, moet ons de ontwikkeling der hersenen tot veel voorzichtigheid in het maken van gevolgtrekkingen aanmanen: bij de apen immers komen het eerst de temporo-sphenoidale hersenwindingen te voorschijn, bij den mensch daarentegen de frontale hersenwindingen 8). Er schijnen dus andere hersendeelen

1

B) De la localisation des fonctions cérébrales (Fr. vert.).

-ocr page 79-

69

voor het eerste sendtieve leven te dienen bij mensch en aap

De experimenteele physiologie heeft nog met andere bezwaren quot;te kampen, de moeilijkheid n.1. om de kwetsing of wegname •der hersenen tot nauwkeurig begrensde plekken te beperken. Immers, van vele middelen (wegbijten, vernietigen of verlammen door een straal koud water of door gift) is men slechts zelden zeker, dat het middel niet verder werkt dan men zich voorstelt. Een nog grooter bezwaar bestaat, volgens Luciani, •daarin, dat het moeilijk uit te maken is, of het dier, welks hersenen geëxtirpeerd zijn, zoover genezen is, dat alle verschijnselen verdwenen zijn, welke door ontsteking of andere bijkomende omstandigheden veroorzaakt worden.

Al kunnen dus de proefnemingen op dieren ons tot zekere hoogte dienen om te onderzoeken, of en hoe de hersenfuncties gelocaliseerd zijn, de studie van den mensch zelf zal moeten aanduiden, waar men ze moet localiseeren. Ferrier hecht dan ook aan dit onderzoek het grootste gewicht. Ongelukkigerwijze behoeft men slechts het eerste het beste boek over hersenziekten ter hand te nemen, om overtuigd te worden: „dat in vele gevallen de autopsie der hersenen geene anomalieën aan het licht brengtquot; 3); dat „de dood onregelmatigheden in de bloeddruk-king (der hersenaderen) doet verdwijnen; en dat voor de chemische veranderingen de gewone scheikunde onvoldoende en de pathologische scheikunde nog volstrekt niet op de hoogte isquot; 3J.

Wij mogen dus wel zeggen, dat, wanneer er ook geene

dit stuk in de Vniversitc calholique (van 15 Nov. 1890) aanhaalt, besluit daaruit met reehtj dat er ook om deze reden bij den mensch van geene „origine simiennequot; sprake kan zijft.

\') Luciani (Le localisation funzionale dol cervello. 18|5. p. 355) wijst -op cene andere localisatie in de hersenen van honden dan in die van menschen.

-) Griesinger, Pathol, el Therap, der psych. K)\'a»h Jl. (Fr, vert., 187:5, bl. 478).

3) v. Krafft-Ebing, o. c. p. 21.

-ocr page 80-

70

theoretische bezwaren rijzen tegen de localisatie der hersen-functiën, de practische moeilijkheden zooveel te talrijker zijn.

De resultaten der nieuwere onderzoekingen verschillen, \'t is opmerkenswaardig genoeg, niet zoo veel met de oude, op weinig experimenteele gegevens steunende opvatting, als het op \'t eerste gezicht wel schijnt, ten minste wanneer men het ingesmokkeld en onredelijk materialisme aan een kant zet.

Er zijn bij de dieren bepaalde deelen der hersenschors, welke niet weggenomen kunnen worden, zonder dat het dier eene reeks van herinneringsbeelden blijkt verloren te hebben.

Zoo staat de hersenschors van de achterhoofdswindingen (zie fig. Ill) met de gezichtsbeelden en de gyrus temporalis superior (ibid.) met de gehoorsbeelden in verband.

Extirpeert men daar ter plaatse de hersenschors geheel dan ziet en hoort het dier nog wel, maar uit zijn geheel gedrag blijkt, dat het niets meer weet van wat het ziet en hoort en niets meer herkent. Bij eene geheele wegname der zoogenaamde gezichtsfeer aan beide zijden is tevens het vermogen om nieuwe herinneringsbeelden te rormen verloren, terwijl bij eene gedeeltelijke extirpatie wederom nieuwe phantasie-beelden gevormd kunnen worden en het geopereerde dier, dat eerst „als in de jeugd teruggeplaatst was,quot; wederom alles opnieuw leert, om zich na eenigen tijd niet meer van een gewoon dier te onderscheiden. Munk, die zich vooral op dit gebied verdienstelijk maakte, noemt dien toestand zielsblind-heid, zielsdoofheid. \')

\') Hij meende door extirpatie der hersenschors ook totale blindhekt en doofheid teBiebben verkregen, maar wijl uit de proefnemingen door Sehrader op duiven en valken en vooral uit de later ie bespreken,, proefneming van Golz op een hond gedaan, blijkt dat zelfs na wegneming der geheele hersenhelften de dieren nog zien en hooren, is de totale blindheid welke Munk veroorzaakte, zeker het gevolg eener secundair» degeneratie. Vgl. Goltz, Ueber die Verriehtunyen des Grosshirns, —

-ocr page 81-

71

Hieruit zou volgen, dat de hersenschors, in den zin der oude philosophie, de zetel is der phantasie. Toestanden als de hoyen beschreven zijn ook aan den mensch niet vreemd, hetzij de verschijnselen (vergeetachtigheid b. v.) van tijdelijken aard zijn, hetzij ze een blijvenden vorm aannemen. Wijl we echter van plan zijn over de zoogenaamde zielsziekten afzonderlijk te handelen, willen wij hier niet verder daarop ingaan.

Eene der met de meeste juistheid (of met de minste onjuistheid) bekende localisatifin bij den mensch is wel die, welke met de eigenaardige ziekte, de aphasie, in verband staat.

Zekere Lefèvre, die tengevolge van een grooten angst aan deze ziekte lijdende was, kon op eene gestelde vraag een volkomen juist schriftelijk antwoord geven, maar vertelde als hij mondelings moest antwoorden de malste dingen. Terwijl hij op de vraag of hij hoofdpijn had, schreef: „Je ne souffre pas de la tétequot;, sprak hij „Les douleurs ordonnent un avantage.\' Liet men hem de woorden „feuille médicalequot;. naschrijven dan ging alles goed, moest hij ze uitspreken dan werd het „féqui-cale, fénicale, féducalequot; en toen men hem „féquicale, liet lezen sprak hij dat „jardaitquot; uit \').

L. K. deelde ons mede, dat hij zich herinnerde, hoe hij, tijdens eene ziekte, de woorden, welke hij wilde zeggen, volkomen juist dacht, maar niet kon uitspreken. Voor een woord trad steeds een ander in de plaats, zoodat de omstanders meenden en zeiden, dat hij ijlde. De voortdurende vergissingen, die hij zelve zeer goed merkte en de gesprekken, die hij volkomen verstond, hinderden hem vreesehjk; een geweldige krachtsinspanning maakte plotseling een einde aan zijn pijnlijken toestand. Eenzelfde gebrek, maar nu voör het schrijven is in het navolgend voorbeeld te vinden. De lezer zal zelf gemakkelijk zien, wat

D. Ferrier, Vorlesungcn ilber Gehirnlocalisation. — Munk, Ueber die Funhtionen der Grosshirnrinde. — Hückel, Lehrhnch der Krankheifen des Nervensystemft.

\') uit D. Bonniot: TAmo et la physiologie.

-ocr page 82-

72

den patient te eopieeren gegeven was ; Do foutieve letters zijn gecursiveerd.

Bei dem anfangs dieser Woche am katbolischen Gymnasium an Apostelen stt stap star stattgehuften Apt As Af Ahifnenten. (in pl. v. Abituriënten) Ba-Cyamen (in pl. v. Examen) er-hielten samtliche zu fmbende (prüfende) das Zeucznis der Reife. H. lid II. li Inder li O Niihe der Stadt unweit L Ollendorf, sollen i kommende Woclio 32 Morgen Gram Gross Grest Gros Grass versteigert werden

De patient, welke \'t bovenstaande neerschreef, was een intelligent man, die zeer goed verstond, wat hij las en zijne schrijffouten ook erkende maar dikwijls, bij de poging om ze te verbeteren, wederom mistastte.

Deze ziekte is, volgens haren ontdekker Broca, het gevolg eener degeneratie van bepaalde plaatsen der hersenschors.

In nevenstaande figuur (Pig. V) vindt de lezer eene teeke-ning, die hem het volgende duidelijk zal maken. Men heeft opgemerkt, dat, wanneer in de linker hersenhelft, de grijze zelfstandigheid op de plaats I (Fig. V) gekwetst of ziek is, de patiënt nog wel in staat is te hooren en te begrijpen en zelfs op dictée te schrijven, maar volstrekt niet meer vanzelf kan spreken, noch iets kan nazeggen. Do voorstelling van de willekeurige mondbewegingen schijnt dus verloren te zijn. Ontsteltenis van deel II in dezelfde figuur (Fig. V) is zeer dikwijls de oorzaak, dat de zieke wel hoort, dat men tot hem spreekt, maar het gehoorde niet meer begrijpt. Toch kan in vele gevallen de lijder zijne gedachte nog duidelijk uitdrukken en door woorden èn door schrift èn door gebaren. Bij het spreken komt

^ Dr. L Schmitz, üeber die physiologic des menschlichon Gehirns. Natur u. Offenbahrung Bd. XXXV. s. 167.

-ocr page 83-

Schema (ler centra voor de spraak ivolgens Charcot,, overgenomen nit Hiickel, Lehrbuch etc.)

Fig. V.

-ocr page 84-
-ocr page 85-

73

het dan dikwijls voor, dat de eene letter voor de andere gebruikt wordt, zonder dat de spreker, die overigons in staat blijft muziek te verstaan en na te zingen, er iets van merkt. Prof. Hückel, uit wiens werk wij deze beschrijving overnemen, schrijft dit verschijnsel toe aan het verlies der klankbeelden voor de woorden, waardoor het vermogen om de woorden innerlijk na te spreken verloren gaat; daardoor wordt, volgens hem (en de meeste andere schrijvers), tevens verklaard, hoe de zieke niet meer in staat is hetgeen hij zelf spreekt, te controleeren en te verbeteren \').

Wat in deze figuur (Fig. V) de middelpunten I en II zijn voor het gesproken woord, dat zijn III en IV voor het geschrevene. Wanneer het centrum III der hersenschors gekwetst is, kan de zieke niet meer lezen en vooral niet meer spellen, maar blijft toch nog de letters herkennen, wanneer hij er met de vingers langs kan strijken, terwijl bij ziekte van het centrum IV het vermogen van te schrijven verloren gaat, ofschoon het lezen en hooren geen schade ondervindt en ook de bewegelijkheid der hand voor andere verrichtingen dezelfde gebleven is. De voorstellingen, die de hand bij de schrijfbeweging geleiden, moeten door deze ziekte dus geleden hebben of verloren zijn gegaan.

Bij de meeste menschen zijn deze „middelpunten der spraak1\' in de linker hersenhelft gelegen, maar men heeft opgemerkt, dat in sommige gevallen de rechterhelft vooral met deze functiën bedeeld was. Tegelijkertijd waren dan de zoogenaamde „rechts-sprekende\' menschen tevens „linkshandigquot;.

Wij hebben in de voorgaande bladzijden den lezers eenigszins een denkbeeld willen geven van hetgeen men door localisatie der hersenfunctiën moet verstaan en getracht van deze vraag

\') De lezer gelieve zich te herinneren, dat men niet kan denken aan iets, waarvan men geen voorstellingsbeeld heeft en dat men niet vrijwillig datgene kan doen, waaraan men niet denkt.

-ocr page 86-

74.

zoowel de principieele als de practische zijde te beschouwen. Het is er echter verre af, dat de resultaten der wetenschap onom-stootelijk vast staan en dat, ook voor de localisatie van het spraakvermogen, geen andere deelen zouden kunnen dienen. Perrier deelt o. a. een geval mode van eene vrouw, die hare spraak geheel en al verloren had, maar die later terugkreeg Bij haren dood vond men de linkerhersenlobben geheel en al ge-atrophieerd; er had dus compensatie plaats gehad.

Over den zetel van hetgeen de ouden aestimativa en memo r ia noemden, kunnen wij weinig mededeelen, daar het uit den aard der zaak bij proefnemingen op dieren volstrekt niet uit te maken is, of zij, na de wegneming van sommige her-sendeelen, hetzij de dingen zelve niet meer herkennen, hetzij het nuttige of schadelijke niet meer kunnen onderscheiden, hetzij zich niet meer kunnen herinneren. In de verschillende boeken over hersenziekten, welke wij ter hand namen, vonden wij weinig of niets, wat ons op dezen weg verder kon helpen.

Blijft ons nog over met een enkel woord over het orgaan van den sensus communis, van de zinnelijke zelfgewaarwording te spreken. Tegen eene materialistische begripsverwarring op dit gebied hebben wij reeds gewaarschuwd.

De physiologen gebruiken den scholastischen term niet en schijnen ook met de opvatting der ouden niet bekend, maar wanneer men de nieuwere werken over localisatie leest, komt men tot de overtuiging, dat zij wat de zaak aangaat, niet zoo heel ver van de meening der middeleeuwen verwijderd zijn. Sint Thomas localiseert het orgaan van den sensus communis „daar waar de zenuwen der zintuigen\' ontspringen, en zegt, dat „al de afzonderlijke zinnen van dezen uitgaan en elke zinsindruk aan hem wordt medegedeeld\' 1) Luys (a) beweert nu, dat de zintuigen zoodanig met de centrale kersen-

*) De pot. anim. C. IV.

2) Geciteerd naar W. Vogt. Menschwerdung.

-ocr page 87-

75

deelen (vierheuvels etc.) verbonden zijn, dat ziekte of kwetsing dezer deelen het geheele verlies der zintuigen ten gevolge kunnen hebben. Rüdinger 1) verklaart onomwonden: „Heden ten dage betwijfelt niemand, die er iets van weet, meer dat bepaalde centrale hersena\'eelen in rechtstreeksche betrekking tot de zenuwen der zintuigen staan ....

... Het gezichts- en gehoor-orgaan moeten als periphere zinsorganen beschouwd worden, die eerst daardoor hunne psycho-physiologisch-waarde krijgen, dat de prikkelingen, welke lichtstralen en geluidsgolven doen ontstaan, naar de centrale hersendeelen zonder stoornis overgebracht worden. Ontbreken deze deelen of worden ze door ziekte veranderd of vernietigd, dan verdwijnen de gezichts- of gehoor-voorstellingen en de zintuigen, die normaal kunnen zijn, blijven volkomen zonder werking voor het bewustzijn.1\'

Niet enkel dus het zien en hooren maar het bewuste zien en hooren wordt aan de centrale hersendeelen toegeschreven,, volkomen in overeenstemming met de leer van den hl. Thomas, die niet slechts den algemeenen zin den „wortel\' der uiterlijke zintuigen noemt en van de hersenen in \'t algemeen zegt „dat zij het beginsel zijn, waardoor de zenuw in staat is. een indruk te ontvangenquot; 2) maar ook aan dien zin „het waarnemen van de indrukken der overige zinnenquot; 2; toeschrijft. De eigenlijke functie dezer centrale deelen wordt ons door eene der laatste proeven van Golz duidelijk.

Het gelukte aan dezen onderzoeker — die in den laatsten tijd zich meer bij de vroeger door hem fel bestreden meening van Munk aansluit — onlangs eenen hond, dien hij geopereerd had, achttien maanden in \'t leven te houden. Toen daarna het dier gedood en onderzocht werd, vond men, dat de

1

Wij cursiveeren.

2

) 8) De pot. an, 1. c.

-ocr page 88-

76

beide helften der groote hersenen, op een klein stukje na, ontbraken. Dit kleine deel was overigens zoo veranderd, dat het geen hersendeel kon heeten. Verder waren eenige gedeelten van de centrale hersendeelen roestkleurig en week geworden. De hond was, nadat hij van de gevolgen dei-operatie hersteld was, even als de duiven, welke op dezelfde wijze door Schrader van de groote hersenen beroofd waren, „in het bezit van elke zijner bewegingsvormen en gebruikte zijne zinsindrukken, voor zooverre hij ze nog had, ook voor de beweging, \'t Is waar, hij reageerde niet zeer sterk op gehoor- en gezichtsindrukken, maar er waren ook behalve de groote hersenen, andere hersendeelen beschadigdquot; \') De reukzin scheen geheel te ontbreken, maar toen hij na de operatie weer alleen zijn voedsel kon gebruiken, bleek het, dat hij door den smaak nog het goede van het onaangename wist te onderscheiden 2).

„Maar men merkte aan het dier niets meer, waaruit men zou afleiden, dat het verstand, geheugen, overleg of intelligentie bezat.quot; 3)

Wij zijn niet geneigd van het „verstand, het overleg of de intelligentiequot; van een hond te spreken maar wat ons uit het gedrag van \'t dier duidelijk blijkt en wat ook voldoende is om het heele doen en laten van \'t beest afdoende te verklaren is dit: De hond hoort, ziet, voelt, proeft en verbindt de gewaarwordingen, welke hij op \'t oogenblilc heeft, maar bij heeft alle voorstellingen (phantasmata, geheugen) verloren en kan er ook geene meer vormen.

Het resultaat van Golz stemt dus in zooverre met de proeven van Munk en ook met de theorie der ouden overeen, als het aantoont, dat de periphere deelen der groote hersenen voor het bewaren der indrukken, de centrale deelen voor de onmiddellijke waarneming daarvan dienen.

\') 2) 3) Sachs. Vortrage über Bau u. Thatigkeit des Grosshirns. 1893.

154. f. f.

-ocr page 89-

77

Het bewustzijn, d. w. z. voor het dier het voelen, en voorden menseh daardoor tevens het iveten, dat men op \'t oogen-blik waarnemende is, moet dan tevens met die centrale deelen verbonden zijn.

Eene tijdelijke verlamming van die hersendeelen doet dan den toestand ontstaan, welken men bewusteloosheid noemt. Voor het dier is die toestand wederom een verlies van de zelfgewaarwording en van zinnelijke waarneming, terwijl bij den menseh middellijk tevens het zelfbewustzijn verloren gaat, hetgeen aan de zelfgewaarwording verbonden is.

Men dient hierbij tevens in \'t oog te houden, dat het zinnelijke phantasma volgens de wijsbegeerte noodig is voor de zinnelijke erkenning van een voorwerp; dat derhalve de extirpatie der hersenschors, het orgaan der zinnelijke phantasie, als onmiddelliik gevolg moet hebben, dat een aldus geopereerd dier wel ziet en hoort en ook zijne zinsindrukken gewaar wordt maar niet in staat is voldoende te onderscheiden, wat het ziet of wat het hoort. De bewegingen van den door Golz geopereerden hond onderscheidden zich dan ook maar weinig van de samengestelde reflex-bewegingen, waarover wij later spreken. Bij den menseh is de verstandelijke kennis aan de beelden der phantasie gebonden en waar die beelden, wegens gemis van het eigen orgaan, ontbroken, wordt wel niet het bewustzijn zelf getroffen, maar datgene wat voor het bewust verstandelijk kennen volstrekt noodig is. Het verlies of de ziekte der hersenschors, terwijl de centrale deelen ongeschonden blijven, treft bij den menseh dus tevens het redelijke bewustzijn, omdat, bij gemis der voorstellings-beelden, welke in de hersenschor^ gevormd en bewaard worden, de redelijke zoowel als de zinnelijke kennis en daarmede het object van het bewustzijn ontbreekt. De onmiddellijke waarneming blijft in dit geval, evenals bij het geopereerde dier,, nog over maar kan noch tot duidelijke zinnelijke kennis noch tot redelijke aanleiding geven.

-ocr page 90-

HOOFDSTUK IV.

VERSTAKDELIJKE AANLEG EN ERFELIJKHEID.

De verstandelijke aanleg der menschen hangt, volgens den H. Thomas, van eene dubbele oorzaak af; „vooreerst van het wezen der ziel, welke de forma van het lichaam is, en ten tweede van de ondergeschikte vermogens, waaruit het verstand iets ontvangtquot;

Over de eigen vermogens der ziel heerscht er verschil van meening tusschen de katholieke geleerden. De H. Thomas is van oordeel, dat het meer of minder verstand in de ziel wordt ingeschapen met het oog op het lichaam, waarvoor ze bestemd is. Zij moet volgens hem als form a in het lichaam ontvangen worden, en wijl nu „omne, quod in alio i\'ecipitur, per modum recipientis recipitur\'1), d. i. wijl „het ontvangene aan het ontvangende geëvenredigd is,quot; moet zij in haar wezen aan het lichaam geëvenredigd zijn en bij het lichaam passen; dus ontvangt „een beter gevormd lichaam eene edelere ziel\' 2).

Andere geleerden 3) zijn het met den Engel der School op dit punt niet eens of verklaren zijne woorden op andere wijze;

1

a) Jhid.

2

s) Ibid.

3

) Vgl. Schillini. Disputadones inetaphysicae sped al is, Vol. I, p. 528.

-ocr page 91-

79

zij nemen aan, dat er tusschen de zielen geen onderscheid hoegenaamd bestaat en dat alle verschil van het lichaam komt. Hoezeer ons de leer van den H. Thomas de juiste schijnt, wijl zij zoo volmaakt in overeenstemming is met het groote feit der éénheid van elk menschelijk wezen, vermeten wij ons toch niet hier te beslissen. Wij kunnen die beslissing des te gemakkelijker vermijden, omdat wij voornamelijk handelen over de vermogens van den mensch, voor zooverre zij in de uitoefening aan het lichaam cjehonden zijn.

De eigen werking der ziel, het denken en willen, is niet het werk van organen („corporali organo non expleturquot;), maar heeft toch organen noodig, „waaruit zij iets ontvangt,quot; en zeer zeker is op die wrjze „de verscheidenheid des lichaams op de verscheidenheid des geestes van invloedquot; \').

Die invloed is volgens beide zooeven besproken meeningen zeer groot. Volgens beide zal de bewering van den H. Thomas: „Het was noodzakelijk, dat onder al de levende wezens de mensch naar evenredigheid van zijn lichaam de grootste hersenen had,quot; geen steen des aanstoots zijn; want in groote hersenen, meent de heilige leeraar, „kunnen de werkingen der ondergeschikte zinnelijke vermogens, welke noodzakelijk zijn tot de werkingen van den geest, des te beter plaats hebbenquot; 1). De eene zoowel als de andere verklaring kan vrede hebben met de — in veler oog zeker zeer stoute — uitspraak van den H. Thomas: „Onder al de levende wezens heeft de mensch den besten tastzin, en onder de menschen heeft hij, die het fijnste tastvermogen bezit, ook het meeste verstandquot; 2). Al onze zinnen steunen immers op den tastzin („fundantur super tactumquot;), en\' zonder zinnen kunnen wij, menschen, niet denken.

1

») Summa, I, Q. XCI, art. III.

2

) Summa, I Q. LXXVI, art. V c.

-ocr page 92-

80

In de eerste plaats hebben wij hier het oog op de uiterlijke zinnen en hunne organen, de zintuigen. Waar een of ander uiterlijke zin ontbreekt, daar ontbreken tevens èn de zinnelijke waarneming, welke door middel van dien zin wordt verkregen, èn de redelijke kennis, welke de zinnelijke kennis veronderstelt. Een blindgeborene kan zich niet alleen geen kleuren voorstellen, hij kent er ook geene, hij kan er niet over oordeelen. Wijl echter zoo iemand, langs anderen weg, eene voorstelling van trillingsbewegingen kan krijgen, is het zeer goed mogelijk, dat hij de theorie van het licht volkomen begrijpt en ook weet, dat het woord „roodquot; bij eene beweging hoort, die 496 billioen trillingen per seconde heeft. Gelukkiger wijze voor de verstandelijke ontwikkeling van arm-zinnige menschen, zijn de denkbeelden; één, waar, goed enz. evenals het causaliteits-begrip uit de waarnemingen en voorstellingen van één enkel zintuig af te leiden, en daardoor was \'t mogelijk, Martha Obrecht 1) zelfs met de abstracte waarheden van de bovennatuurlijke orde bekend te maken. Indien echter een mensch zonder uiterlijk zintuig denkbaar ware, zou dat tevens een mensch zijn zonder eenig denkbeeld.

Op die wijze hangt vooreerst dus de verstandelijke aanleg van de „SGhGi-pzinniylieid\' af.

Meer nog dan de uiterlijke zinnen, zijn echter de innerlijke zinnen met het denken in verband. Weliswaar weet men volstrekt niet, van welken aard de indruk is, die zich langs een zenuwdraad voortbeweegt, noch wat er in de hersencellen gebeurt, wanneer die medewerken aan het ontstaan van een zinnelijk beeld, maar daar deze werking zinnelijk is, d. w. z. in en door het levend orgaan plaats heeft, lijdt het geen twijfel, of de natuur- en scheikundige krachten zijn daarbij sterk betrokken. En dan is \'t licht te begrijpen, dat de

\') De blinde doofstomme, wier ontwikkelingsgeschiedenis wij medegedeeld hebben.

-ocr page 93-

81

betere of mindere kwaliteit der weefsels, waaruit de hersenen bestaan, en dat anomalieën in de bloeddrukking en andere natuur- of scheikundige oorzaken de vlugheid of de traagheid der organische werkingen in de hersenen kunnen bevorderen of verhinderen. Wat er in de hersenen gebeurt, de chemische of physische veranderingen der cellen, de geleiding langs de zenuwdraden, die de hersendeelen onderling verbinden (de z.g.n. associatie-banen), is van stoifelijken aard en vordert dus meer of minder tijd, naarmate het instrument vlugger of langzamer werkt.

En zoo zijn menschen vlugge of trage denkers, niet omdat hunne ziel vlug is of traag, maar omdat hun, door de redelijke ziel bezield, lichaam vlugge of trage hersenen heeft. En wat wij voor een blijvenden toestand moeten bevestigen, kunnen wij voor een tijdelijken toestand niet ontkennen. Iedereen weet uit eigen ervaring, dat er oogenblikken zijn, waarop hij beter, en andere, waarop hij minder goed kan denken, dat er geneesmiddelen zijn, welke een opwekkenden, en andere, welke een neerdrukkenden invloed hebben, \'t Gaat niet aan, dunkt ons, die toestanden aan de ziel alleen of zelfs aan de ziel hoofdzakelijk te wijten ; zij moeten aan het lichaam, en voornamelijk aan de hersenen toegeschreven worden.

Verstandelijke aanleg hangt dus van het lichaam en vooral van de hersenen af, voor zoo verre de hersenen een noodzakelijk hulpmiddel zijn, dat we bij al ons denken noodig hebben.

De pogingen, die in het werk gesteld worden, om in de hersenen te ontdekken, welke de normale omstandigheden zijn, waaronder zij hun eigen werk, d. i. het ontvangen, bewaren en verbinden van zinnelijke indrukken, op de beste wijze kunnen verrichten, mogen dus niet onbeziens als materialistisch veroordeeld worden.

De H. Thomas meende immers reeds, dat de mensch betrekkelijk de grootste hersenen moest hebben, en \'t is even goed

6

-ocr page 94-

82

denkbaar, dat een bepaalde vorm de geschiktste zij voor eeno in alle opzichten normale werking.

Vele apologeten, die over het wezen onzer redelijke ziel schrijven, hechten o. i. te veel waarde aan argumenten van ondergeschikt belang.

Niet daarin ligt het bewijs voor het geestelijk karakter der ziel, dat er microcephale menschen zijn met goed ontwikkeld verstand, en dat hersenen van groot zoowel als van klein gewicht of volumen kunnen samengaan met hooge verstandelijke vermogens; maar daarin, en daarin alleen, dat wij van een zinnelijken indruk, die aan het hic et nunc gebonden is, een denkbeeld aftrekken, dat iets onstoffelijks, algemeens en noodzakelijks bevat. Ook dan, wanneer de vorm der hersenen en de massa van invloed zouden blijken te zijn èn op het aantal èn op de duidelijkheid, én op de onderlinge verbinding der zinsindrukken en bijgevolg der denkbeelden — is dit bewijs afdoende geleverd, indien men aantoont, dat de inensch in staat is één enkel algemeen begrip te vormen.

Het negatief resultaat der schedelmeting en der weging van de hersenen toont slechts dit aan: dat binnen zekere grenzen noch vorm, noch volumen, noch gewicht tot de vereischte dispositie van het orgaan, waarvan het denken des menschen als van eene voorwaarde afhangt, behooren.

Het onderzoek kan en moet zich meer bepaald op de innerlijke stuctuur en de samenstelling der hersenen richten — maar noch deze navorschingen noch de vorige kunnen a priori als materialistisch worden gebrandmerkt, al worden ze, helaas, maar al te vaak in materialistischen zin en met materialistische vooroordeelen gedaan.

„Binnen zekere grenzenquot; behooren noch vorm, noch volumen, noch gewicht tot de vereischte dispositie, zeggen wij, want een (overigens tot heden niet bepaald) minimum of maximum van hersenen schijnt wel tot de goede functioneering noodig te zijn,

-ocr page 95-

83

en eene microcephalie, weJke de hersenen binnen de grenzen van dit minimum terugdringt, is niet zoozeer het uiterlijk tee-ken maar veeleer de oorzaak der zwak-zinnigheid en bijgevolg van het gering denkvermogen. En hetzelfde moeten we dan zeggen van eene ontwikkeling der hersenmassa boven het maximum, üe waarnemingen aan idioten geven o. i. tot deze conclusie volkomen recht. Zijn er ook van zulke ongelukki-gen, die volkomen normaal gevormde hersenen hebben en bij welke men tot een innerlijk gebrek moet besluiten, bij zeer velen vindt men de idiotie verbonden met eene beneden het gewone peil gezonken hoeveelheid hersenen. Nu eens is eene al te vroege vergroeiing der schodelnaden, dan weder eene te groote hoeveelheid hersenvocht de oorzaak; maar het „cum hoequot; (samengaan) komt dikwijls genoeg voor, om tot een „propter hocquot; (oorzakelijk verband) te mogen besluiten. Een hypertrophie der hersenen is zeldzamer \'j.

Evenzeer moet men, op grond van hetgeen wij in ons vorig artikel ontwikkelden, niet slechts in \'t algemeen den meerderen of minderen aanleg voor een goed deel aan betere of minder goede hersenen toeschrijven, maar men moet dit in dezelfde mate doen voor eiken aanleg tot of ongeschiktheid voor welken tak van wetenschap of kunst dan ook. Een mathematicus heeft bij zijn wiskunstig denken een ruimen voorraad voorstellingen noodig van cijfers, algebraïsche teekens en lijnen, hij moet zich de bewezen waarheden herinneren, om ze op

\') In een werkje: Compendium theologicae veritatis, dat beurtelings aan Albertus Magnus, aan den H. ïliomas en aan meer anderen werd toegeschreTen, maar met grooter waarschijnlijkheid den H. Bonaventura tot schrijver heeft, vindt men het volgende: rEen buitengewoon groot hoofd is gewoonlijk een toeken van domheid en een zeer klein hoofd verraadt gemis aan oordeel en geheugen.quot; Op dezelfde wijze noemt v. Krafft Ebing de „abnorme Kleinheit des Gehirns in allen seinen Durch-messernquot; en do „Hypertrophie des Gehirns in totoquot; als oorzaken der idiotie (Vgl. Ozanam, Dante et la jihilosojihie catholique, p. 386; v Krafft Ebing, Psychiatrie, S. 703).

-ocr page 96-

84

een nieuw vraagstuk te kunnen toepassen enz. enz. — de linguist moet elk oogenblik vormen, wortels, woorden ter vergelijking beschikbaar hebben — de musicus dient zich het effect van intervallen, van combinaties, van tonen te kunnen verbeelden — en dat alles is niet mogelijk zonder bepaalde werkingen van afzonderlijke hersendeelen.

Hat is noodig, dat de hersencellen, welke met de voorstellingen te doen hebben, vlug en spoedig op indrukken van bepaalde soort reageeren, dat men zich gemakkelijk eene mathematische figuur, eene formule, een woord, eene propositie kunue voorstellen, om met behulp dezer voorstellingen vlug te kunnen denken. St. Thomas onderscheidt de traagheid of vlugheid van den geest („hebetudo vel subtilitas ingeniiquot;) naar de vaardigheid, waarmede men iets aanleert („velocitas addiscendi\'), en is van oordeel, dat de deugdelijkheid van den geest („bonitas ingeniiquot;) tot de natuurlijke gesteldheid („dispositio naturae\') van den mensch behoort

Het onderscheid in aanleg voor de kunst openbaart zich meestal vroeg, waarschijnlijk omdat de uiterlijke zintuigen daarbij in grootere mate invloed hebben, terwijl het onderscheid in aanleg voor de wetenschappen (voor een letterkundige of wiskundige ontwikkeling b. v ) meestal slechts later merkbaar wordt. Die studiën, welke eene algemeen wetenschappelijke ontwikkeling geven en tot voorbereiding voor latere vakstudiën moeten dienen, wenden zich nog niet rechtstreeks tot een of anderen bizonderen aanleg en vorderen daarom ook slechts gewoon normale hersenen. Om die reden zijn wij minder geneigd te gelooven, dat de eene b. v. geen grieksche en de ander geen wiskundige hersens heeft. Wel zal hij, die aanleg heeft om later een uitstekend mathematicus te worden, de wiskundige leerboeken van Van Geer of Ver-sluys meer als leesboek dan als studieboek kunnen gebruiken

\') Dist. XXIV, Q. II. Summa, Ia. Ilae, Q LXXXI ad I.

-ocr page 97-

85

en zich moeten afsloven om de zangen van Homerus te vertalen, en omgekeerd; eer men echter tot een al ot niet geschikt zijn besluit, dient men er zeker van te zijn, dat de noodige oefening en de noodige volharding noch nu, noch vooral tijdens de eerste schooljaren heeft ontbroken. Juist tengevolge der ontwikkelde theorie over het samengaan van hersenwerk met hot verstandswerk hechten wij groote waarde aan het spreekwoord: „Oefening maakt den meester,quot; en gelooven wij aan de waarheid van deze zegswijze ook binnen de werkplaats, welke door de beenige wanden van den schedel omsloten wordt.

Verder dan de krachten van het instrument zal de oefening het wel niet brengen, maar zij kan toch verkrijgen, dat er met het werktuig gedaan wordt wat kan, dat er zooveel van gehaald wordt als het leveren kan.

De ontwikkeling van het verstand —- en nemen we er nu de ontwikkeling, die het gevolg is van den lichaamsgroei, mede bij in aanmerking — is alweder een bewijs voor de meening van den H. Thomas, dat de goedheid, de deugdelijkheid van den geest tot de dispositie der natuur behoort en dus, weliswaar aan het bezielde lichaam eigen en zonder de redelijke ziel niet denkbaar is, maar toch in hooge mate van de organen afhangt, welke wij bij \'t denken noodig hebben l).

ERFELIJKHEID.

De deugdelijkheid van den geest („bonitas ingeniiquot;) brengt ons van zelf op \'t gebied der erfelijkheid, want de Engel der School2) houdt deze „vaardigheid des geestes\' voor eene persoonlijke hoedanigheid („accidens individualequot;).

\') Sumnia, Ia Ilac, Q. LXXXI ad 1. Over den aanleg tot hersenziekten en krankzinnigheid spreken wij later.

quot;) Ibid.

-ocr page 98-

86

welke tot de natuurlijke gesteldheid behoort en met haar van de ouders op de kinderen overgaat, als de natuur krachtig is („si natura fuerit fortisquot;).

Er is in de laatste jaren heel wat over erfelijkheid geschreven en, naar onze bescheiden meening, slechts weinig, wat geschikt is eenig licht te verspreiden over het wezen en de voorwaarden dier geheimzinnige eigenschap. Ons schijnt het, dat men de hooggeroemde methode der exacte wetenschappen te veel uit het oog verloren heeft. Men heeft, om zoo te spreken, van de erfelijkheid niet genoegzaam eene reincultuur gemaakt, d. w. z. haar niet voldoende geïsoleerd van alle andere invloeden.

Veel meer dan Aristoteles en Sint Thomas er van wisten, weet men ook nu nog niet, en de geheele voorraad der positieve kennis op dit gebied kan men in weinige woorden samenvatten.

1°. Er bestaat erfelijkheid — en door haar wordt zeker het geheele soortkarakter voortgeplant.

2°. Aangeboren eigenschappen worden dikwijls, maar verworven eigenschappen zelden door erfelijkheid voortgeplant. 3°. Bij de overerving worden somtijds eene of meer generaties overgeslagen, zoodat eene eigenschap van grootvader of voorvader op kleinzoon of afstammeling zich overplant, terwijl het tusschenliggend geslacht ze niet bezit.

Wat velen over progressieve erfelijkheid verhalen, waardoor langzamerhand het geheele soortkarakter zou kunnen veranderen, is nog niets verder dan de loutere hypothesen-toestand. Zoo kan het zijn: — met die veronderstelling zoude men, onder zekere voorwaarden, vrede kunnen hebben. Zoo moet het zijn, zoo is het: — voor deze bewering ontbreekt het feitelijk bewijs. „Ein direkter, auf Beobachtung gegründeter Beweis — meent een der aanhangers van Darwin \') ist niemals bei zu bringen.quot;

\') Dr. Otto Tnschenberg, Die VcrtvandUingcn der Thiere.

-ocr page 99-

87

In verband met het onderwerp, dat wij behandelen, interesseert ons voor \'t oogenblik slechts de erfelijkheid der aangeboren en der verworven eigenschappen vau den rnensch. Eigenaardige aanleg, talent, evenals een of andere bijzonderheid in den vorm des lichaaras, verschijnt dikwijls plotseling in eene familie en is dan aan de bijzondere omstandigheden te wijten, waaronder het individu zich gevormd heeft. Zulk een aanleg kan men aangeboren noemen, en hij heeft, wanneer het verstandelijken aanleg betreft, zijne hoofdoorzaak in de constitutie der hersenen. Van den eersten aldus begaafden persoon kan zich die aanleg door eene rij van geslachten erfelijk voortplanten. Wie denkt hierbij niet aan den muzikalen aanleg der familie Bach, aan de wiskundige familie der Bernouilli\'s, aan de astronomen van het geslacht Cassini en, om van lichamelijke eigenaardigheden te spreken, aan den neus der Bourbons.

In \'t oneindige gaat deze erfelijkheid niet voort; de ervaring is er om dit te bewijzen; en de talenten verdwijnen somtijds even plotseling als ze verschenen zijn. Wisselvallig is ze daarbij tevens, want onder de kinderen van eenzelfde ouderenpaar zijn er dikwijls slechts enkele, die door de erfenis bevoorrecht worden — maar het bestaan dier overerving kan niet ontkend worden.

Geheel anders is het meestal met de zoogenaamde verworven eigenschappen. De bewoners der Stiermarksche Alpen b.v. gewennen zich aan het gebruiken van rattenkruid, maar deze gewoonte en de immuniteit voor dit gif, die er het gevolg vau is, moet door de kinderen iedermaal op nieuw verkregen worden. Toch is het denkbaar, dat verworven eigenschappen, welke een diep ingrijpenden invloed op het organisme hebben g\' -oefend, ook hun invloed nog op het nageslacht doen gelden. „De kracht van den voortbrenger — aldus de H. Thomas

is niet slechts gericht naar hetgeen tot de natuur van de soort behoort, maar ook naar datgene, wat aan het individu

\') Quaest. disp. Q. II, art. III ad 5.

-ocr page 100-

88

eigen is. En daarom is de zoon aan den vader gelijkvorinig niet slechts in het karakter der soort maar ook in eigenschappen, die niet noodzakelijk bij de soort behooren (in accidentalibus); doch die gelijkenis strekt zich niet uit tot datgene, wat den vader persoonlijk eigen is (pure personalia)quot;. Onder dit laatste verstaat de H. Thomas, zooals hij het in de Summa \') uitdrukt, niet den eigenlijken aanleg, maar hetgeen door oefening van den aanleg is verworven: de taalgeleerde laat aan zijn zoon de spraakkunstige kennis niet na, die hij door eigen studie heeft verkregen („non enim grammaticus traducit in filium scientiam grammaticse, quam proprio studio acquisivit\').

Zoo modern als de H. Thomas is op het stuk van de goede eigenschappen, welke geërfd kunnen worden, zoo modern is hij eveneens in zijne opvatting van de kwade eigenschappen. Uit de dubbele oorzaak, en dat de ziel haar denkmateriaal door bemiddeling van het lichaam ontvangt, èn dat zij aan het lichaam geëvenredigd is, leidt hij af, dat de dispositie dei-ziel die des lichaams volgt en dat de kinderen op de ouders gelijken, niet slechts in de gebreken des lichaams, maar ook in die der ziel \'^); en zoo scherp als mogelijk is formuleert lijj: „De melaatsche brengt een melaatsche voort; de podagrist schenkt het aanschijn aan een podagrist; uit een zinnelooze wordt een zinnelooze geboren en uit een toornige een toornigequot; Het is in vele gevallen moeilijk uit te maken, wat aan directe erfelijkheid, wat aan besmetting moet worden toegeschreven, maar het is, helaas, een droevig feit, dat dikwijls op geheel natuurlijke wijze de zonden der ouders — dronkenschap vooral en zedeloosheid — zich aan de kinderen wreken, dat lichaamskwalen en zielsziekten het gevolg zijn van de uitspattingen der ouders. Uit een zinnelooze wordt een zinnelooze geboren („amens generat amentenquot;); maar zonden, die de krachten

\') Summa. Ia Hue, Q. LXXXI.

fl) Com. in Ep. ad Rom.

3) Summa, Ia, Ilae, Q. LXXXI.

-ocr page 101-

H9

uitputten en het zenuwstel diep schokken, brengen de hersenen in een toestand, die tot waanzin voert; die aanleg en die praj-dispositie kan erfelijk worden, en allerlei zenuwkwalen en ziektetoestanden kunnen er uit voortvloeien. Wij cursiveeren het woord kunnen, want de wet der erfelijkheid is geen ijzeren wet, of liever bij de erfelijkheid werken zoovele invloeden, of mede, öf tegen, dat men wel post factum de erfelijkheid kan consta-teeren, maar ze niet ante factum kan voorzeggen.

Om slechts iets te noemen, de oogenblikkelijke toestand der voortbrengers is van een niet te miskennen invloed op de afstammelingen, en die toestand kan er een zijn van betrekkelijke gezondheid bij overigens zieke personen, of omgekeerd. Voegen zich nu hierbij andere invloeden, waardoor het organisme reageert tegen den ingeslopen vijand (de kwaal n.1.), dan kan \'t best gebeuren, dat de kinderen krachtiger, naar lichaam en ziel gezonder zijn, dan men\'t zou verwacht hebben. En dan vergete men niet — wij willen het reeds hier zeggen, ofschoon wij er later op moeten terugkomen — dat een aanleg kan ontwikkeld of tegengegaan worden on dat eene verstandige lichamelijke en zedelijke hygiëne veel goed kan maken.

Eene andere eigenaardigheid der overerving en wij moeten haar even ter sprake brengen, daar zij zich ook op het gebied van verstand en aanleg l) vertoont, is het atavisme.

\'t Ts alweder iets, wat den duisteren middeneenwers goed genoeg bekend was. St. Thomas oppert zelfs eene vraag, welke, hoewel in eenigszins algemeeneren vorm, in den laatsten tijd door Weissmann ter tafel is gebracht; of er n. 1. bij dezen vorm der erfelijkheid aan ,materia corporalis seminisquot; (kiemplasma, zou Weissmann zeggen) moet gedacht worden, dat in den voorvader aanwezig was en door den vader op den kleinzoon overging, en de heilige leeraar vindt, dat zulks niet noo-dig is, daar het voldoende is, „quod sit in semine aliqua

\') Over de driften spreken wij in de volgende afdeeling.

-ocr page 102-

90

virtus, derivata ab avo mediante patre, 1). De heilige leeraar zou in onze dagen tegen Weissmann positie genomen hebben, maar van erfelijkheid en atavisme spreekt hij als van algemeen bekende zaken, die men niet behoeft te bewijzen, maar welke men moet trachten te verklaren.

Het atavisme — niet dat, hetwelk ons van de eene hypothese langs de andere tot een veronderstelden dierlijken voorvader wil terugbrengen, maar het feitelijk waargenomene onder de kinderen der menschen — is een troost voor men-schen, die het wegens de erfelijkheid bang om \'t hart zou worden. Wanneer zij van zwakke of ziekelijke ouders afstammen kunnen zij toch de kranige natuur van een dor stoere voorouders uit den goeden ouden tijd geërfd hebben.

\') Summa, I, Cj. CXIX. art. II nd 2. „Dat in het zand eene kracht zij, door den vader van den voorvader afkomstig.quot;

-ocr page 103-

HOOFDSTUK V.

PIÏYSIOLOQIK DEK DRIFTEN.

Zooals wij in de vorige afdeeling de zinnelijke hersenfuncties bespraken, welke wij bij het denken noodig hebben, zoo moeten we nu eenige woorden wijden aan de physiologische verschijnselen, welke op den wil van invloed zijn, aan de driften. Wij gebruiken het woord ,driftquot; in de beteekonis van; eene zinnelijke neiging, welke door eene zinnelijke opvatting van iets verwekt wordt („appetitus sensitivus apprehensionem sensitivam consequensquot;) \'); als eene begeerte derhalve, welke in zich met zedelijk goed of kwaad niets te maken heeft, evenmin als het goed of kwaad kan lieeten, dat onze lichaamstemperatuur 37Va0 bedraagt.

Die begeerten zijn ons ten goede gegeven, want, daar wij menschen zijn, d. w. z. uit lichaam en ziel samengestelde wezens, kunnen wij het bij daden van het verstand en van den wil alleen niet laten, maar hebben wij veel te volbrengen of na te laten, waarbij ons lichaam niet buiten spel kan blijven. Daarom is \'t noodig, dat ook ons lichaam zich vóór of tegen iets kunne verklaren, en dat gebeurt door de neigingen, dooide driften. Om die reden staat ook Tolstoi in zijn berucht werk: Die Kreutzersomte op een geheel valsch standpunt; want ook die neiging, welke niet het „weest vruchtbaar en vermenigvuldigt uquot; in verband staat, is den mensch niet tot zijn

i) S. Thomas, Summa, Ia Ilae, Q. XXIV, art. 1.

-ocr page 104-

92

verderf\' geschonken. De driften worden goed of kwaad door het gebruik, dat de vrije, kennende wil des menschen er van maakt. „Passiones animi, pro ut subjacent imperio rationis et voluntatis, bonae vel malae moraliter dici possunt; non autem ut motus quidam sunt irrationalis appetitus. De driften der ziel kunnen zedelijk goed of kwaad genoemd worden, voor zooverre zij onderworpen zijn aan de heerschappij van het verstand en don wil, niet echter als bewegingen van het niet redelijk begeervermogenquot; Driften der ziel („passiones animiquot;) noemt de heilige leeraar hier de driften: „Wijl de ziel zoowel kan weten en begrijpen als eenige verandering kan ondergaan door de verandering van het compositum, daarom is het noodzakelijk, dat men haar passies volgens de gewone opvatting van het woord toeschnjve; maar het is zeker, dat haar de eigenlijke driften niet dan per accidens kunnen toegekend wordenquot; 2): d. w. z. de drift is iets zinnelijks, gaat gepaard met organische veranderingen en kan dus slechts in zooverre aan de ziel worden toegeschreven als de mensch, uit lichaam en ziel bestaande, er door wordt aangedaan.

Het woord „aandoening,quot; als vertaling van „passie,quot; ware wellicht een juister term dan het meer gebruikelijke „drift.\' Want in waarheid, bij vreugde of smart, bij toorn, bij neiging of\' afkeer is de aandoening het eerste, wat wij gewaar worden, en volgt de aandrift tot handelen eerst daarna.

Het voorwerp der driften is iets, wat op eene of andere wijze onder het bereik der zinnen valt, en de emotie, zonder welke geene drift bestaat, is in de eerste plaats een verande-dering, welke in het levende lichaam plaats grijpt. Vandaar, dat tot het opwekken der drift de zinnelijke tegenwoordigheid van het object vereischt wordt. Deze tegenwoordigheid kan echter op twee wijzen verwezenlijkt worden, n. 1. door werkelijke aanwezigheid van hetgeen wij begeeren. vreezen enz. of

\'1 Summa, la Uae. Q. XXII, art. 1.

2) Ibid.

-ocr page 105-

93

door de voorstelling daarvan (phantasma), door welke iets ons in beeld tegenwoordig wordt gesteld. De bloote tegenwoordigheid is echter niet voldoende om de aandoeningen in ons op wekken, wanneer wij niet tevens ons het voorwerp als nuttig, aangenaam, schadelijk, bereikbaar enz. voorstellen, m. a. w. wanneer het organische schattingsvermogen niet op zinnelijke wijze ons met de waarde van het voorwerp der drift bekend maakt. En hier ligt het onderscheid tusschen de driften bij den mensch en bij de dieren. Het schattingsvermogen der dieren blijft een instinctmatig opvatten van het zinnelijk nuttige of schadelijke, van het aangename of onaangename (aestimativaj. Bij den mensch daarentegen is het orgaan van het schattingsvermogen levend door eene redelijke ziel, en daarom wordt de zinnelijke kennis de grondslag eener redelijke kennis (cogitativa). Tegelijkertijd heeft dan de mensch eene geheele reeks van andere kennis tot zijne beschikking (wet, plicht enz.) en wordt hij op die wijze in staat gesteld te beoordeelen, of zijn zinnelijk begeeren al dan niet aanleiding mag worden tot een overeenkomstig redelijk willen en handelen. Hiermede treedt de drift op het domein van den wil Wijl echter verschillende organische verrichtingen aan de redelijke kennis voorafgaan, is het mogelijk, niet slechts dat de aandoening der drift reeds aanwezig is, vóórdat onze geest er kennis van draagt, maar zelfs dat eene of andere handeling reeds het uitvloeisel eener drift is geworden, vóórdat ons kennend verstand en onze redelijke wil den tijd gevonden hebben tusschenbeide te komen (de „motus primo primiquot; der moralisten). Meer nog, het is mogelijk, dat eene opkomende drift zonder ons weten en toedoen zulk een graad van hevigheid bereikt, dat zij als het ware alle beschikbare energie in beslag neemt en geen kracht genoeg overlaat om de hersendeelen, welke wij bij het denken

\') Vgl. S. Thomas Summa, I, Q. LXXXI,\' art. II en verder voor het vervolg van dit hoofdstuk Summa, Ia Hae, Q. XX — XXXIX.

-ocr page 106-

94

noodig hebben, normaal te doen fanctioneeren ; de drift kan oorzaak zijn eener oogenblikkelijke verstandsverbijstering.

Van den anderen kant is, zooals wij reeds in een vorig artikel deden opmerken, de wil dikwijls de oorzaak of aanleiding van het ontstaan der driften, doordat hij een of ander voorwerp, of werkelijk aan de zintuigen ter waarneming voorstelt of het beeld daarvan in het voorstellingsvermogen te voorschijn roept. Ligt daarbij de aandoening der drift rechtstreeks in de bedoeling van den wil, dan is er van oorzaak sprake; zijn er andere motieven, welke het beeld of de werkelijkheid voor oogen brengen, dan mag de wil slechts de aanleiding heeten tot het ontstaan der driften.

De ouden onderscheiden de driften in twee hoofdgroepen, naarmate zij een goed tot voorwerp hebben, hetwelk gemakkelijk of moeilijk te bereiken is. De eene groep draagt den algemeenen naam van „appetitus concupiscibilisquot;; begeervermogen, de andere dien van „appetitus irascibilis,quot; waarvoor wij weerstandsvermogen zouden willen schrijven, wijl St. Thomas (Summa, I, Q. LXXXI, art II) in deze driften het vermogen vindt om aan verderfelijke en vijandige invloeden weerstand te bieden (\'„ad resistendum corrumpentibus et contrariisquot;), terwijl de eerste neigingen dienen om wat ons goed is te verkrijgen en wat ons schadelijk is te vluchten („inclinatio ad consequendum eon-venientia et refugiendum nocivaquot;). Den onderlingen samenhang dezer twee groepen geeft de Doctor Angelicus zeer juist aan met de woorden: „Het weerstandsvermogen is als het ware de verdediger van het begeervermogen ... En daarom spruiten alle driften van dit vermogen uit die van het begeervermogen voort en vinden ook in deze weder hun eindequot; (lltid.).

Tot de eerste categorie worden gerekend: liefde en haat, verlangen en afkeer, vreugde en droefheid; tot de tweede: stoutmoedigheid (audacia) en vrees, hoop en wanhoop en toorn.

-ocr page 107-

95

Het spreekt van zelf, dat binnen het gebied van elk dezer driften wederom eene verscheidenheid heerscht, welke dooi\' den aard van het voorwerp nader bepaald wordt, en \'t is deze laatste onderverdeeling, die meestal in de medische werken meer op den voorgrond treedt.

Na deze meer wijsgeerige beschouwingen laat zich nu de vraag naar de organen der driften en vooral naar het centraal orgaan niet afwijzen. De nieuwere wetenschap heeft echter op deze vraag geen voldoende antwoord. De ouden hielden het hart voor het centrale orgaan der driften, en zij kwamen tot dit besluit, minder door theoretische beschouwingen dan wel door waarneming. Volgens hen moest het centrale orgaan dat zijn, hetwelk bij alle driften „veranderd wordtquot;; want zonder eene verandering (wij zouden zeggen physico-chemische werking) in het orgaan achtten zij evenals wij eene organische werking onbestaanbaar. En nu waren de versnelde of vertraagde hartkloppingen iets, wat bij elke drift \'t beste merkbaar is. Daarbij kwam nog, dat de medici dier tijden het hart als oorsprong van alle beweging in het lichaam aanzagen en de scholastici die meening van hen overnamen. Het wetenschappelijk getij is sedert dien verloopen en wij moeten de bakens verzetten. Zooals wij van de oude wijsgeeren leerden, dut wij in de hersenen moeten localiseeren, maar bij de nieuwere physiologen naar het hoe der localisatie vroegen, zoo nemen wij uit de oude wijsbegeerte de overtuiging mede, dat we in het lichaam naar den zetel der verschillende driften moeten zoeken en vragen aan de nieuwere wetenschap naar de plaats, tvaar we dien moeten zoeken. En de aanwijzing luidt dan zeer bepaald: dat het hart, enkel en alleen als orgaan beschouwd, niet het beginsel van beweging („principium motusquot;) maar het orgaan is voor den bloedsomloop \'), dat zijne voortstu-

,) Den ouden was ook deze functie niet geheel en al onbekend. In de commentaren op Aristoteles lezen wij nog [I)c somno et vigilia)^ dat het

-ocr page 108-

96

wende beweging, evenals elke andere beweging in ons lichaam, aan de innervatie door de zenuwen te danken heeft. l) Wij bandelen dus volgens dezelfde beginselen als de oude wijs-geeren, indien wij den zetel der driften in de hersenen plaatsen. Hiermede is echter ongeveer alles gezegd, wat de moderne physiologie er van weet. Het blijft intusschen waar, dat het hart zeker het eerst den weerslag gevoelt van elke emotie, die ons aangrijpt; daarvoor dienen de tallooze zenuwdraden, die met dit orgaan verbonden zijn. Deze zenuwen beboeren gedeeltelijk tot het zoogenaamde sympathische zenuwstelsel en hangen met het ruggemerg samen, terwijl andere draden van de zoogenaamde zwervende zenuw afkomstig zijn en dus aan de hersenen ontspringen. Even waar blijft het tevens, dat het aandeel van het hart aan de beweging der driften voor elkeen het best merkbaar is, terwijl reeds zijne beschermde ligging in de stevige borstkas ons leert, dat het als een der noodigste en edelste organen moet beschouwd worden. Redenen te over, dunkt ons, om aan alle uitdrukkingen, die het hart als den zetel der genegenheid bestempelen, een blijvend recht van bestaan te verzekeren. Een bevestiging voor de huidige meening, dat vooral de zenuwen en hersenen bij de driften een werkzaam aandeel hebben, vinden we in de erfelijkheid. Heeft iemand door buitensporigheden van allerlei aard zijn zenuwstel geschokt — en de waanzin volgt dikwijls genoeg om te bewijzen, dat \'t vooral het zenuwstel is, hetwelk geleden heeft — dan is het zeer waarschijnlijk, dat hij een slecht zenuwstelsel als droevig erf-

bloed de voedingsstoö\'en uit het darmkanaal opneemt en naar het hart brengt, terwijl het bloed nu naar alle deelen des liohaams gaat, welke gevoed moeten worden. Zij kenden echter den kringloop van het bloed niet en namen aan, dat het bloed door dezelfde aders heen en terug stroomde.

\') Landois, o. o., vermeldt echter ook de meening, welke aan het hart eene, van allen zenuwinvloed onafhankelijke, automatische beweging oeschrijft.

-ocr page 109-

97

deel aan zijne kinderen zal nalaten. Nu gebeurt het dikwijls, dat zich bij de afstammelingen niet dezelfde zenuwkwaal of hetzelfde zenuwlijden voordoet maar een ander, en even dikwijls, dat de kinderen zich door een of ander bijzonder sterke drift of passie onderscheiden. Ook de geneesmiddelen, welke eene overprikkeling van het voorstelligsvermogen tot kalmte brengen en aan welke men dus eene werking op het zenuwstel moet toeschrijven, hebben dikwijls hetzelfde gevolg, wanneer ze bij overprikkeling der driften aangewend worden.

De lichamelijke gesteltenis, welke den eenen meer tot droefheid geneigd maakt en den anderen gemakkelijk in toorn doet ontsteken, heeft den naam temperament of karakter ontvangen, en vroeger sprak men van een sanguinisch, lymphatisch temperament enz., wijl men do hoofdoorzaak van deze toestanden aan bloed, lymphe enz. toeschreef. In onze dagen zou men daarvoor verschillende toestanden van liet zenuwstelsel aansprakelijk steller., maar de vei\'deelingen en onderverdeelingen der temperamenten zijn zoo talrijk geworden, dat zelfs de voorstanders der oude school er geen weg meer mede wisten, en datj het derhalve dubbel gerechtvaardigd is, die ge-heele nomenclatuur op den wetenschappelijken rommelzolder te zetten. Intussehen blijft het waar, dat het van den toestand der zenuwen afhangt, in welke stemming men zich het gemakkelijkst en het meest bevindt, en evenals de verstandelijke aanleg kan op die wijze eene praedispositie voor eene of andere drift erfelijk van den eenen op den anderen overgaan. Misschien zijn op dit gebied de voorbeelden der erfelijkheid nog veel talrijker dan op het terrein der andere hersen-functiën.

Over de zonderlinge theorieën, welke de moderne anthro-pologische school op dit punt verkondigt, hopen wij later te spreken. Toch achten wij het niet ondienstig hier te herhalen, wat wij in den loop van dit hoofdstuk ontwikkelden.

7

-ocr page 110-

98

1°. De lichamelijke toestand, die den mensch tot eene of andere drift geschikter maakt dan de andere is, evenals de drift zelve, in zich geheel en al onverschillig;

2°. het zedelijk karakter, het goed of kwaad, begint daar, waar de wil met kennis van zaken handelt.

En we mogen er wel bijvoegen, dat, zoolang het verstand ongeschonden blijft en zijn oordeel kan uitspreken, er geene drift is, welke den vrijen wil van den mensch niet binnen de perken kan houden, zij het niet altijd met betrekking tot de persoonlijke aandoening, dan toch zeker ten opzichte van de handelingen.

Ook op dit gebied blijft het spreekwoord waar: „Oefening maakt den meester.quot;

-ocr page 111-

HOOFDSTUK VI.

ZOOGENAAMDE ZIELSZIEKTEN.

Het beginsel, waardoor de mensch leeft, is: „een onstofie-lijk denkend en vrij willend wezen,quot; en vandaar, dat zijne levensuitingen steeds boven de stof staan en zelfs niet onmiddellijk aan de stof zijn gebonden. Eene eigenlijke ziekte des geestes, eene psychose in den strikten zin des woords, bestaat er dus niet. Maar de ziel heeft, zoolang wij leven, voor al hare werkingen het lichaam noodig en zelfs in haar denken en willen kan zij zich van dien band niet losmaken. Komt ons, in weerwil van alles, wat er over dit punt vroeger geschreven en gewreven is, eene gekke ziel, dat wil zeggen een wezen, dat in zijne natuurlijke verrichtingen per se den verkeerden weg op gaat en valsch redeneert en averechts wil, als eene onbestaanbare tegenspraak voor, — toch weten wij zeer goed, dat het „compositum humanum,quot; de mensch, gek kan zijn, en wij vinden die kwaal de droevigste van alle, welke den mensch kunnen treffen, wijl zij het vermogen aan banden legt, waardoor de mensch mensch is, zijn verstand n.1. en zijn wil. De oorzaak dezer ziekte, die niet hoofdzakelijk in de ziel kan zetelen, moet gezocht worden in die organen, welke wij bij al ons denken en willen noodig hebben, en dat zijn de organen der innerlijke zinnen; de hersenen.

Op dit punt bestaat trouwens geen verschil van meening. „Krankzinnigheid is eene ziekte der hersenen\' is eene uit-

-ocr page 112-

100

spraak van v. Krafft Ebing, Griesinger e. a., die door iedereen beaamd wordt. Het onderscheid tusschen de materialisten en ons bestaat hierin: zij beweren, dat het denkvermogen — volgens hen uitsluitend hersenwerk — onmiddellijk wordt getroffen, terwijl wij niet dan een middellijken invloed aannemen. Wij meenen de gronden, waarop onze opvatting steunt, genoegzaam in het licht gestold te hebben en kunnen dus tot eene korte bespreking der krankzinnigheid overgaan. Twee vragen, dunkt ons, doen zich hier ter beantwoording voor: van welken aard is de ziekte ? en: welk hersendeel wordt er vooral door getroffen?

Ter geruststelling van velen, die wellicht het „schoenmaker, houd u bij de leest\' op de lippen hebben, zij hier verklaard, dat wij een dankbaar gebruik hebben gemaakt van de inlichtingen, ons welwillend verstrekt door verschillende medici, welke wij het genoegen hebben onder onze vrienden te tollen en dat wij die werken vooral bestudeerd hebben, die zij ons ter studie aanbevolen hebben, terwijl wij daarbij ons best gedaan hebben zooveel we konden zelf te hooren, te zien en op te merken.

STORINGEN\' VAN HET BEWUSTZIJN EN VAN HET VERSTAND.

Het antwoord op de eerste vraag — namelijk: van welken aard is de hersenziekte der krankzinnigheid? — kan niet zeer afdoende zijn, gelijk wij reeds zeiden in een vorig hoofdstuk. Met het bloote en ook met het gewapende oog kan men in de hersenen van vele krankzinnig gestorven menschen geen e verandering waarnemen, en de scheikunde is zoover nog niet, dat zij een onderscheid kan ontdekken tusschen hersenen van een gezonde en van een waanzinnige.

De geleerden spreken van eene functioneele storing, waarvan na den dood dikwijls geen erkenbaar spoor overblijft; maar wijl geene functie kan gestoord zijn, wanneer niet tevens

-ocr page 113-

101

het orgaan zelve veranderd is, moeten zij wel een of andere storing in \'t orgaan veronderstellen. Zij komen dan tot eene moleculaire verandering, welke door verandering in de voeding ontstaan kan, en zij doen een beroep op de scheikunde der toekomst, om ons die verandering te leeron kennen.

Onredelijk is die veronderstelling in geenen deele. Organische verandering moet er zijn ; is met het bloote oog hiervan niets te ontdekken, dan moet het mikroskopisch en chemisch onderzoek met kracht ter hand genomen worden. Dat men aan eene storing in de voeding |en derhalve aan eene verandering in de fijnste deelen der weefsels denkt, ligt voor de hand, als men nagaat, hoe vaak bloedaandrang, bloedarmoede, bloedvergiftiging enz. met blijvende of voorbijgaande verschijnselen van waanzin gepaard gaan, en bedenkt, dat het aanbrengen en verdeelen der voedingsstofl\'en door het geheele lichaam eene der hoofdfunctiën van \'t bloed is. Van den anderen kant laten zich ook andere oorzaken van den waanzin met storing in de voeding best overeenbrengen. Zoo b. v. de gevolgen van overprikkeling van het zenuwstelsel, waarbij meer kracht verbruikt wordt en derhalve eene sterkere stofwisseling geëischt wordt, dan de voor eene normale functie berekende bloedvaten kunnen bezorgen. Insgelijks gaat de ontsteking der hersenen, die vooral bij langdurige hersenziekten ook voor het ongewapend oog zichtbaar wordt, met storingen in den bloedsomloop gepaard en kan een abnormale drukking op de hersenen (aboès, contusie, verdikking van schedel) den normalen bloedsomloop storen. Meer echter dan dat deze meening wel iets voor zich heeft, kan men voorshands niet beweren.

Eer wij verder gaan, wenschen wij de aandacht van den lezer «en oogenblik te vestigen op de wondervolle wijze, waarop de hersenen, ons edelste orgaan, beschermd zijn en hoe er voor gezorgd is, dat ze in weerwil van hare teederheid veel kunnen verdragen. Vooreerst zitten ze besloten in de harde

-ocr page 114-

102

scbedeldoos, welker beenderen door naden krachtig in elkander gewerkt zijn. Om de hersenen bevindt zich een drievoudig vlies; het buitenste, het harde hersenvlies (dura mater), omhult de hersenen en legt zich als een vouw of plooi tusschen de groote en kleine hersenen en tusschen de twee halfronden van elk dezer deelen in ; het binnenste, het zachte hersenvlies (pia mater), volgt alle lobben en windingen, terwijl het spinneweb-vlies de ruimten tusschen beide eerstgenoemde hier en daar aanvult. Deze vliezen en eene geringe hoeveelheid vocht, welke zich daartusschen bevindt, beletten belangrijke verschuivingen der hersendeelen ten opzichte van elkander. Het bloed in de hersenen wordt door de halsslagader [carotis) aangevoerd, die zich in drie groote stammen verdeelt, waarvan de vertakkingen zich spoedig in het zachte hersenvlies verspreiden. Hier is nu, volgens de ontdekking van Schroder van der Kolk (later door Heubner bevestigd), er voor gezorgd, dat een storm zonder gevaar voor de hersenschors door de aderen van het zachte hersenvlies heenbruisen kan. Want, terwijl meestal de slagaderen slechts langzaam en door capillaire (haardunne) vaten hun inhoud doen overgaan in de holaderen, die het bloed naar het hart terugvoeren, heeft het zachte hersenvlies een zoogenaamd derivatief aderennet, d. w. z. dat de slagaderen terstond in holaderen overgaan, welke den terugweg naar het hart door het harde hersenvlies nemen. Een bloedaandrang naar de hersenen behoeft dus niet in het andere stel kanalen — die, eveneens van de hersenslagaderen uitgaande, zich uit het zachte hersenvlies loodrecht in de hersenschors begeven en daar al spoedig haarvaten vormen — eene stuwing te veroorzaken, maar kan langs korteren weg naar het hart terug ■). Verder is de verdeeling der aderen in de hersenen zoodanig, dat er voor de verschillende afdeelingen een afzonderlijk stel vaten aanwezig is, zoodat eene storing tenge-

\') Naar v. Krafft Ebing e. a.

-ocr page 115-

103

volge van bloedaandrang (liyperaemie) kans heeft binnen epg gebied besloten te blijven.

Keeren we nu tot de bepaling der krankzinnigheid, hierboven uit v. Krafft Ebing en Griesinger genomen, terug en geven we ze in haar geheel; „Krankzinnigheid is eene diffuse\') ziekte der hersenschors, die met storingen van de psychische functies gepaard gaat,\' dan ligt daarin ook het antwoord op de tweede vraag — namelijk, welk hersendeel wordt vooral getroffen ?quot; — opgesloten en wordt de ziekte in de hersenschors gelocaliseerd. Deze localisatie wordt aangenomen, niet omdat er altijd ziekelijke veranderingen in dit deel der hersenen worden gevonden — wij zagen reeds, dat zulks in zeer vele gevallen niet gebeurt — maar omdat de huidige geleerden de hersenschors voor het orgaan houden, dat bij de zelfgewaar-wording onmiddellijk en bij het bewustzijn dus middellijk betrokken is.

Deze localisatie staat en valt dus tegelijk met die van de zelfgewaarwording, het zelfgevoel. Want hierin zijn het wederom allen eens, zonder diepe storing van het zelfbewustzijn, van het „ik\', is er geene krankzinnigheid.

Men behoeft geen psychiater te zijn om met v. Krafft Ebing in te stemmen, dat: „die Psychose nicht bloss als eine Krankheit des Gehirns sondern auch als eine ki-ankhafte Verilnderung der Personquot; zich voordoet, en met Griesinger den nadruk te leggen op de verandering, welke het eigen ik in de krankzinnigheid ondergaat en dus te erkennen, dat in de krankzinnigheid vooral het bewustzijn gestoord is. Maar de vraag mag gesteld worden: is werkelijk de hersenschors, zooals Kraepelin {Psychiatrie,

\') Het woord „difïtms\'\' is in de bepaling opgenomen, omdat eene aandoening, welke zich tot een klein gebied der hersenen beperkt, meestal geene verschijnselen van geestesstoring doet ontstaan.

\') Kraepelin noemt de hersenschors het „centraal orgaan voor het bewustzijnquot; (Psychiatrie, bl. 5).

-ocr page 116-

104

bi,. 15) uitdrukkelijk /egt en v. Krafft Ebing bij herhaling beweert, „het orgaan van het bewustzijn\' of om juister te spreken het orgaan van het zinnelijk zelfgevoel, waaraan in den mensch het redelijk bewustzijn verbonden is?

Wij stellen deze vraag, omdat, naar het ons voorkomt, eene begripsverwarring tot de localisatie van het bewustzijn in de hersenschors heeft geleid. Wanneer n. 1. beweerd wordt: „Das Bewustsein repraesentiren die in der Zeiteinheit im wissen-den Ich gegenwiirtigen Vorstellungenquot;, dan ligt in die woorden eene verwarring van het gekende met hel kennen zelve. Niet de voorstelling zelve of de som der voorstellingen op een bepaald tijdstip, maar het weten, dat deze voorstellingen hic et nunc aanwezig zijn, is het wezen van het bewustzijn.

Daartoe behooren dus twee zaken: ten eerste de voorstelling — en het zinnelijke gedeelte daarvan is zeker de functie der hersenschors — en ten tweede het weten, het kennend waarnemen der voorstelling. Voor dit kennend waarnemen is een zinnelijk waarnemen noodig en het is niet doenlijk dezelfde hersendeelen te belasten met de zinnelijke gewaarwording hunner eigene werking. Zelfs dan wanneer men opentop materialist wil zijn en blijven, moet men minstens een onderscheid maken tusschen deelen der hersenschors, welke bepaald met het bewaren der voorstellingen belast zijn, en andere hersendeelen, welke die voorstelling als hic et nunc aanwezig zinnelijk waarnemen: tusschen het orgaan, dat de voorstellingen bewaart, en dat, hetwelk dienstbaar is aan het bewustzijn.

Overigens schijnen de jongste onderzoekingen deze wijze van zien te bevestigen en het orgaan van het zinnelijk bewustzijn minder in de schors dan in centrale hersendeelen te zoeken. Wij zullen zien, dat ook de studie der krankzinnigheid tot hetzelfde besluit leidt.

Er is wellicht niets geschikter om ons een blik te doen slaan in het geestesleven der krankzinnigen dan de herin-

-ocr page 117-

105

nering van hetgeen er gedurende het droomen in ons plaats heeft. Wij laten hier de beschrijving, welke v. Kraft\'t-Ebing geeft, volgen:

„Er bestaat weliswaar tusschen droomen en krankzinnigheid een fundamenteel verschil, omdat het eene gedurende den slaap plaats heeft en het andere, wanneer men wakker is, maar men moet hierbij bedenken, dat wij dan het levendigste droomen, wanneer wij ons in half slapenden toestand bevinden, en dat slaapdronkenheid en slaapwandelen den overgang tusschen slapen en waken vormen. In de krankzinnigheid, zoowel als in den slaap, worden de voorstellingen en zinnelijke opvattingen (Anschauung) vooral door de inwendige oorzaken voortgebracht, terwijl ze bij den gezonden en in wakenden toestand verkeerenden mensch vooral aan de waarneming en de verbindingen der denkbeelden met elkander (ideeënassociatie) hun ontstaan danken. Deze omstandigheid maakt den droom zeer geschikt om ons sommige verschijnselen der krankzinnigheid te verklaren.

Als oorzaken der spontane, automatische opwekking van de voorstellings-middelpunten der hersenen kan men inwendige prikkelingen (veranderingen van het bloed) aannemen; de gevolgen van deze automatische werkingen, zijn voorstellingen, welke aan de werkelijkheid niet beantwoorden (deliria) en hallucinaties. De voordurende automatische prikkeling (der hersencentra) brengt in den droomende zoowel als in den krankzinnige voorstellingen te weeg, welke volstrekt niet bij elkander passen; de logische verbinding der gedachten is gestoord en de voorstellingen worden niet meer aan elkander geschakeld, zooals ze naast elkander hooren, maar zooals ze volgens de eene of andere oppervlakkige gelijkvormigheid met elkaar verbonden zijn, en zoo ontstaat de verwarring en het gemis aan samenhang, dat aan vele droomen eigen is en dat men ook bij vele krankzinnigen opmerkt. Beiden, de droomenden en de krankzinnigen, komen verder in de fantastische overdrijving

-ocr page 118-

106

van hetgeen ze werkelijk waarnemen overeen. Een speldeprik wordt in den droomende tot een degenstoot, de drukking der dekens tot een berghoogen last; slaapt hand of voet, dan verkeert hij in den waan, dat zijne ledematen verlamd zijn, terwijl het gevoel van angstige beklemming, dat met eene storing der ademhaling verbonden is, hem doet droomen, dat men hem levend begraaft. Deze en soortgelijke beelden, die toch uit werkelijke gewaarwordingen ontspruiten, vindt men bij de krankzinnigen terug.

Een ander punt van overeenkomst is verder de niet zelden voorkomende verdubbeling van het eigen ik. De eigene gedachten worden aan een ander in den mond gelegd, zooals wij in den droom onze eigen contrastvoorstellingen aan vreemde personen toeschrijven, waarmede wij dan beginnen te disputeeren. Zoowel in den droom als in de krankzinnigheid doorleeft men toestanden, welke met alle werkelijkheid of mogelijkheid in strijd zijn, zonder dat er twijfel aan de werkelijkheid opkomt — tenzij dat hier een lucidum inter-vallum plaats laat voor het denkbeeld, dat men krankzinnig is, en dddr een oogenblik van half wakenden toestand de gedachte mogelijk maakt, dat men droomt.

De oorzaak van dit verschijnsel ligt bij iemand die droomt daarin, dat de hoogere psychische werkzaamheid, welke oordeelt en redeneert, uitgesloten is dat en de zintuigen geene controle kunnen uitoefenen, wijl zij voor de buitenwereld gesloten zijn. Bij den zielszieke is deze con-ectuur, dit onderscheid maken tusschen werkelijkheid en begoocheling, onmogelijk, wijl het psychisch orgaan ziek en daardoor het bewustzijn gestoord en door subjectieve waarnemingen vervalscht is ... . De verklaring van vele genezenen doet eene gelijksoortige storing van het bewustzijn tijdens den droom en gedurende de krankzinnigheid veronderstellen. Hunne geheele ziekte komt hun voor als een droom, dien zij zich bij hun ontwaken nog herinneren.quot;

-ocr page 119-

107

Vergelijken wij niet deze beschouwingen van v. Krafft Ebing, waarvan elkeen, voor zooverre het de droomen betreft, de waarheid aan zich zeiven constateeren kan en bevestigen moet, met hetgeen de H. Thomas in de Summa en in zijn Comment, in Arid. {De Sommo et vigiüa, De Somniis) uit elkander zet, dan vindt men eene bijna volmaakte overeenstemming in zienswijze, wat den slaap en het droomen betreft, en dringt zich de overtuiging aan ons op, dat de Doctor Angelicus ook aan de overeenstemming tusschen droom en krankzinnigheid moet gedacht hebben, daar bij meer dan eens den waanzin ter sprake brengt, wanneer hij over het droomen spreekt.

De H. Thomas kent: 1° den diepen slaap, „waarin niet alleen de zintuigen, maar ook de voorstellingen aan banden liggen, wat vooral plaats heeft, wanneer iemand, na veel gegeten of gedronken te hebben, begint te slapen;quot; 2° den lichteren slaap, waarbij „voorstellingen opdagen, die echter verwrongen en ongeordend zijn, wat bij koortslijders voorkomt;\' en 3° den halfslapenden, half wakenden toestand, die geordende voorstellingen doet droomen, „zooals het vooral geschiedt tegen het einde van den slaapquot; Hij schrijft dien toestand, waarin men begint te denken, dat men droomt, daaraan toe, dat de „algemeene zinquot; (sensus communis), d. i. die zin, waarmede onze zelfkennis verbonden is, „gedeeltelijk vrij wordt.quot;

Het slapen en waken noemt de Doctor Angelicus „functi-ones sensus communisquot;, werkingen van den algemeenen zin 2). Hij stelt deze toestanden dus afhankelijk van dat orgaan, hetwelk als het ware het middelpunt der hersenen moet vormen, om de zeer juiste reden, „dat iets, hetwelk verschillende zintuigen tegelijk treft, in een gemeenschappelijk middelpunt

■) Summa I, Q. LXXXIV, art. VIII.

a) De som no et vigilia, L. III.

-ocr page 120-

108

dier zintuigen moet zetelenquot; Deze zin — welke ook, en terecht, „de wortel van het voorstellingsvermogen en het geheugenquot; genoemd wordt a) — kan nu geheel of gedeeltelijk in zijne werkingen belemmerd worden en deze belemmering kan of de regelmatig terugkeerende rust zijn van den slaap en het droomleven, of de voorbijgaande storing eener tijdelijke verstandsverbijstering, of de blijvende storing der krankzinnigheid.

Is bij den slaap het geheele orgaan en dus ook de geheele zin in diepe rust, dan zijn tevens èn de zintuigen van de buitenwereld afgesloten, èn de verbeelding werkeloos — een toestand, welke bij de krankzinnigheid in eene algeheele verstomping, stompzinnigheid zijn analogon heeft. Eon gedeeltelijke werkzaamheid hebben we in het droomleven zoowel van den slaap als van den waanzin. In beide is met de werking van het voorstellingsvermogen die van den algemeenen zin verbonden en gevolgelijk is het bewustzijn en het verstand niet geheel en al buitengesloten, want: „wij oordeelen wat er wel kan volgen uit hetgeen ons verschijnt\' 8). Daar echter in den slaap (en in de krankzinnigheid) het bewustzijn slechts ten deele vrij wordt of is, is ook het oordeel slechts onvolkomen vrij, en „zij, die in den slaap redeneeren, worden bij het ontwaken gewaar, dat er aan hunne redeneering hier of daar iets hapertquot; 1).

Tevens ontbreekt èn in den droom en in de krankzinnigheid de controle over datgene, wat onze fantasie ons voorspiegelt, omdat wij niet vrijelijk kunnen beschikken noch over onze uiterlijke, noch over onze innerlijke zinnen ; de droombeelden treden op den voorgrond, omdat ze niet meer gelijk

1

) Summa I, Q. LXXXIV, art. VIII.

-ocr page 121-

109

overdag „verdrongen worden door sterkere en betere (hersen-) bewegingen, die met de functies der uiterlijke en innerlijke-zintuigen verbonden zijn\'

Wij meenen dus in overeenstemming te blijven, zoowel met de beginselen der scholastieke wijsbegeerte als met de uitkomsten der nieuwere wetenschap, als wij zeggen: zooals de slaap eene geheele of gedeeltelijke rust is van het orgaan der zelfgewaarwording, zoo is de krankzinnigheid vooral eene ziekte van datzelfde orgaan. Niet zóó echter, dat er bij de krankzinnigen geen andere hersendeelen lijdend zouden zijn,, maar zóó, dat de aandoening van dit orgaan het eigenlijk wezen der krankzinnigheid uitmaakt.

Eene andere analogie van de krankzinnigheid, de dronkenschap, zal ons dit verband nog duidelijker doen inzien. Wij ontleenen de beschrijving weder aan v. Krafft Ebing, maar voegen er bij, dat ook hier de groote Thomas een juisten en scherpen blik heeft gehad, toen hij schreef, dat „de slaap of de dronkenschap, het gebruik der rede bindt, doordat er eene lichamelijke verandering plaats heeft.\' 1) ;

„De bedwelming der dronkenschap is eigenlijk niets anders dan eene kunstmatige krankzinnigheid, en wij kunnen in deze bedwelming twee psychiatrische hoofdfeiten waarnemen, n.1. ten eerste, dat eene zelfde oorzaak verschillende ziekte-beelden doet ontstaan, naardat de zieken verschillende constituties hebben, en ten tweede, dat toestanden van opgewektheid voorafgaan aan de psychische verlamming, die kenmerkend is voor het stadium van bewustelooze dronkenschap zoowel als voor dat van algeheele verstomping (Blödsinn), het eindstadium der geestesstoring.

Alle werkingen van lichaam en geest worden verhoogd, de

1

) Summa, Ia Ilae, Q. LXXVII, art. 11.

-ocr page 122-

110

stroom der gedachten vloeit gemakkelijker. De zwijger wordt een prater, de bedaarde wordt levendig. Een verhoogd zelfgevoel geeft tot driestheid aanleiding en heeft een groot zelfvertrouwen en vroolijkheid tot gevolg.

Men heeft behoefte aan spierbeweging, men voelt een drang om rumoerig te zijn, en die drang vindt zijne uiting in zingen, schreeuwen, dansen en in allerlei moedwillige en veelal doellooze handelingen.

Nog weet men, wat past of niet, nog zondigt men niet tegen de welgemanierdheid en oefent men eene zekere zelfbe-heersching uit. Wanneer echter de werking van den alcohol verder gaat, verdwijnen, evenals bij den woeügen krankzinnige (Tobsüchtige), vele aesthethische en moreele voorstellingen, die iemand, welke nog een gezond „ikquot; bezit, als rem-toestql of als controle-apparaat ten dienste staan. In dit stadium laat de dronkaard alle teugels schieten, openbaart zijne fouten en zijne geheimen — in vino Veritas — stoort zich noch aan fatsoen noch aan wellevendheid, wordt cynisch en brutaal, wil altijd gelijk hebben en slaat tot handtastelijkheden over. Hij heeft nu ook het vermogen verloren om zijn toestand te beoordeelen — hij meent zoo min, dat hij dronken is, als de waanzinnige zich verbeelden kan, dat hij gek is, en neemt het kwalijk, als men hem zijn waren toestand voor oogen houdt.

Eindelijk komt het tot, een stadium van psychische verzwakking, tot eene diepe storing van het bewustzijn; er verschijnen storingen in de waarneming (illusies); verwardheid en eene diepe stompzinnigheid, met stamelend spreken en waggelend loopen en onzekere bewegingen gepaard, besluit, evenals bij den paralytischen zieke, het walgelijk tooneel\' l).

Ons komt het bij het nalezen dezer schildering voor. alsof we een storm geteekend zien, die, door alcohol ontketend, het

\') 0. c. S 37.

-ocr page 123-

Ill

bloed met geweld door de aderen drijft. Maar de eerste golvingen bruisen nog door de wijde kanalen der pia mater heen zonder de hersenen te treffen \'), allengs echter dringt de beroering in de hersenen door, dieper steeds en dieper, zoodat eerst de hersenschors en later ook de inwendige hersendee-len er door worden getroffen. En hiermede gaan de verschijnselen hand in hand; levendige werking van het voorstellingsvermogen met ongestoord bewustzijn, langzaam verlies van het controleerend bewustzijn (veroorzaakt door de storing in het orgaan, dat zoowel de „radixquot; van de fantasie en het geheugen, als het orgaan van het zelfgevoel is) en daaruit volgend verlies van de vrije beschikking over den voorraad kennis en herinneringen, welke men bezit — en eindelijk volslagen gevoelloosheid.

Het kan ons plan niet zijn al de vormen der krankzinnigheid te bespreken; wij missen de noodige kennis, om het terrein der psychiatrie met vasten tred te betreden. Tot een juist begrip der psychose komt het ons echter dienstig voor de hoofdgroepen dier ziekten in \'t kort hier te behandelen. Zooals vanzelf spreekt, kiezen wij ons ervaren medici tot leidslieden 1), maar wij zijn toch in de gelegenheid geweest meer dan eens de juistheid der door hen waargenomen feiten door eigen waarneming in te zien.

De eerste groep mag wel den naam dragen van: „krankzinnigheid door toeval\'. Zij ontstaat bij menschen, wier zenuwstelsel tot dusver normaal was, en meestal tengevolge van oorzaken, die de natuur diep geschokt hebben: gemoedsaandoeningen, y.iekten, verwondingen enz. Zo\'oals de erfelijkheid weinig deel heeft aan haar ontstaan, zoo vertoont de ziekte ook weinig neiging om zich door erfelijkheid voort te planten. Gezond-

1

) v. Krafft Ebing, Kraepelin, Griesinger. c.

-ocr page 124-

112

heid en ziekte zijn duidelijk van elkander te onderscheiden; en de loop der kwaal heeft een typisch karakter en beweegt zich meestal in den aanvang binnen den kring der neerslachtigheid of der opgewektheid (melancholie, manie).

Ook de gezonde mensch kent deze toestanden en ook bij-hem zijn ze het gevolg, hetzij van eene oorzaak buiten hem, zooals vreugde, leed, hetzij van eene oorzaak in hem, zooals eene voorbijgaande ongesteldheid of eene beginnende ziekte. Die toestanden hebben invloed op zijne gemoedsstemming en doen hem nu eens alles .couleur de rose,\' dan weder alles-„gran in grau\' zien. „Tengevolge van zijn lichaam en zijne lichamelijke hoedanigheden kan de mensch in verschillende toestanden verkeeren (potest esse aliqualis) zegt de H. Thomas naarmate zijne natuur (complexio) of zijne gesteldheid (dispositio) daartoe aanleiding geven . . . Zooals nu de mensch is, zoo schijnt hem zijn doel te zijn [d. w. z. naarmate hij opgewekt of neei\'slachtig is, schijnt hem zijn doel bereikbaar of niet, acht hij, hetgeen hij te doen heeft, zwaar of licht enz.], wijl de lichamelijke geaardheid den mensch naar iets doet overhellen of van iets doet afkeerig zijn.\' Maar, ofschoon neiging en stemming den mensch een verkeerden maatstaf in de hand willen geven, om de werkelijkheid te meten, blijft iemand, met overigens gezonde hersenen, in staat de dingen naar de werkelijke waarde te schatten, en het duurt niet lang, of de natuur keert wederom tot haar gewonen evenwichtstoestand terug, wanneer niet de eene of andere ziekte dat evenwicht voor een tijd komt verstoren.

Wanneer echter eene ongemotiveerde gemoedsstemming langen tijd aanhoudt, wanneer de mensch zonder reden in een droevigen of opgewekten toestand blijft verkeeren, wanneer eene meer dan gewone prikkelbaarheid of lusteloosheid langen tijd aanhoudt, dan is dit meestal een teeken, dat eene ziekte

\') Summa I, Q. LXXXIII, art. I.

-ocr page 125-

113

het zenuwleven heeft aangetast, die hetzij langzaam hetzij plotseling (en in dit laatste geval naar aanleiding van een of andere gebeurtenis) tot krankzinnigheid kan overslaan. In den beginne blijft de zieke zich van zijn toestand bewust, en wanneer hij somtijds beproeft de omstandigheden of de omgeving voor zijn lijden aansprakelijk te stellen, dan weet hij wel. dat hij zichzelven en anderen iets tracht voor te spiegelen, wat geene werkelijkheid is. Reeds zijn zoowel het voorstellingsvermogen als het zelfgevoel onder den invloed der kwaal, maar de ordenende werking van het orgaan, hetwelk voorstellingen en waarnemingen verbindt, is nog niet gestoord, en het redelijk zelfbewustzijn is nog aanwezig. Wanneer echter, zooals v. Krafft Ebing zegt, het „orgaan van het zelfbewustzijnquot; niet slechts een of anderen invloed ondergaat maar „ziek is,quot; dan begint eene verwarring, waarbij waarnemingen en hersenschimmen met elkander worden verwisseld, en de lijder vertoont de droevige verschijnselen der melancholische of maniacale krankzinnigheid.

Naast deze eerste groep plaatst zich de tweede: „krankzinnigheid door erfelijkheid.quot; Niet echter alsof men onmiddellijk de krankzinnigheid erfde — zulks gebeurt slechts zelden — maar een ziekelijk zenuwgestel is de _door erflating verkregen bodem, waarop de krankzinnigheid in velerlei vormen kan opgroeien. Door erfelijkheid verkregen, is deze ziekte ook geneigd zich wederom erfelijk voort te planten. Het is niet mogelijk een typisch beeld van de ontwikkeling der kwaal te schetsen, daar zij, een echte Proteus, alle vormen aanneemt. In tegenstelling met de ziekten der eerste groep, dankt zij have volkomen ontwikkeling meestal aan omstandigheden van weinig gewicht en kunnen zelfs gewone physiolo-gische verschijnselen (pubertas, menses, puerperium) de uitbarsting te weeg brengen. Ook zijn de kansen van genezing geringer en die van wederinstorting grooter dan bij de zielsziekten der eerste soort.

-ocr page 126-

114

Tusschen de beide bovengenoemde groepen, welke meestal niet met zichtbare verandering in de hersenen gepaard gaan, en de volgende groep, bij welke deze waarneembare veranderingen nimmer ontbreken {Delirium acutum, Dementia 2wraly-tica, Lues cerehralis en Dementia senilis worden hieronder begrepen) plaatst men den waanzin der dronkaards en de krankzinnigheid der morphinisten, welke als het ware den overgang vormen.

Onder de ««mfczinnigen, eerder dan onder de Ar«wA:zinnigen, moet men de idioten, waarover wij reeds vroeger gesproken hebben, rangschikken.

In den laatsten tijd wordt in de rubriek zwakzinnigen eene splitsing gemaakt tusschen verstandelijk en zedelijk zwakzinnigen. Wij gelooven niet aan de juistheid dezer indeeling. Elke handeling toch moet, wil zij een ethisch karakter hebben, geleid worden door de kennis zoowel der wet als der handeling in verband met de wet. Ontbreekt die kennis ten gevolge van zwakzinnigheid en zijn de handelingen dientengevolge niet toerekenbaar, dan is de oorzaak in het gemis der verstandelijke vermogens te zoeken. Dit wordt daardoor bevestigd, dat, naar het getuigenis van v. Krafft—Ebing, van wien wij deze indeeling overnamen, ook op andere punten, bij deze idioten „der intellektuelle Defektquot; niet ontbreekt.

De aanleiding tot deze splitsing, welke wij wel „verwarringquot; zouden willen heeten, is wellicht te zoeken in de hebbelijkheid van sommigen om van „ethisch gevoelquot;, „ethisch gemoedquot; of zoo iets te spreken en daarmee te bedoelen een „je ne sais quoiquot;, dat zich uit het instinct der gezellig levende dieren ontwikkeld heeft. Daar wij deze vraag in een volgend hoofdstuk over „de verantwoordelijkheidquot; hopen uiteen te zetten, kunnen wij hier met deze korte mededeeling volstaan.

De beschouwingen, welke wij in de vorige bladzijden ten beste gaven, zullen het den lezer — zoo hopen wij althans — mogelijk maken den geestestoestand der zinneloozen eeniger-

-ocr page 127-

115

mate te begrijpen, zonder dat het noodig zal zijn verdere bijzonderheden aan te halen. Wanneer men slechts in betoog houdt, dat het ordenend bewustzijn ontbreekt (geheel of ten deele), maar dat daarbij zintuigen en voorstellingsvermogen, zinnelijk geheugen en driften werkzaam kunnen zijn, dan ziet men licht in, welk een chaos van verwarring op allerlei gebied hiervan het gevolg moet wezen.

Hiér verkeerdelijk beoordeelde feiten als grondslagen eener overigens logische redeneering — daiir goede grondslagen maar zeer onlogische verbinding. In den één waarnemingen, die met een vergrootglas gedaan worden of aan een onjuiste oorzaak worden toegeschreven (illusies); in den ander hallucinaties, welke stemmen doen hooren of personen doen zien. Nu eens een zieke, „die niet waard is, dat hem de zon beschijntquot;, dan een, „die zijn eigen grootmoeder is, in de derde machtquot;: de één verdedigt zich tegen een denkbeeldigen vijand, de ander vindt in elk een godsgezant, die hem zijne hooge afkomst moet bekend maken. Bij den vrome kunnen de voorstellingen wakker worden, die hij steeds heeft onderdrukt, en hij spreekt ontuchtige taal, terwijl de uitgeputte wellusteling somtijds gebeden prevelt. Uitgelaten vroolijkheid en diepe neerslachtigheid, opgewektheid en stompzinnigheid leven naast elkander.

Al moge nu en dan een glimlach de lippen van den bezoeker plooien — de totaal-indruk van een krankzinnigengesticht is oneindig droevig.

STORINGEN IN DEN WIL.

Na de storingen van het bewustzijn en het verstand besproken te hebben, moeten wij eenige woorden wijden aan de zoogenaamde storingen van den wil. Niet die storingen willen wij bespreken, waarbij de verkeerde handeling duidelijk het gevolg is der valsche denkbeelden, onjuiste oordeelen, on-

-ocr page 128-

116

beheerschte, wijl niet genoegzaam gekende, driften — maar wij bedoelan die krankheden, welke eigenlijk in den wil schijnen te zetelen, de aboulie (willoosheid) en de hyperboulie (overdreven willen). Wij zeggen ,schijnenquot;, want in werkelijkheid is hier niet de wil maar de voorstelling en met deze de kennis in gebreke, en blijft het waar „nihil volitum nisi cognitumquot;: niets wordt gewild, tenzij het gekend worde; of, wanneer men de kennis ook tot alle deelen, alle omstandigheden uitstrekt: „nihil volitum nisi in quantum cognitumquot; : men kan niets willen dan voor zooverre men het kent.

Zeer juist maakt men daarom tegenwoordig een onderscheid tusschen aboulie (willoosheid) en anergie (werkeloosheid in den zin van gebrek aan energie om te handelen). De eigenlijke aboulie is eene hoedanigheid, welke men aantreft bij idioten of bij menschen met geatrophieerde hersenen; het gemis van voorstellingen en denkbeelden noodzaakt den wil tot werkeloosheid op dat gebied, waar de voorstellingen ontbreken. Bij enkele individuen is dit verlies zoo groot, dat slechts de behoeften des lichaams, en ook deze veeleer als gevoelde, dan als gekende, overblijven.

Eene andere klasse van menschen wil eigenlijk wel, maar mist de noodige energie om den wil in daden te uiten. Naar de eigen verklaring van genezen zieken, vond „het schijnbare gemis van wilskrachtquot; zijne oorzaak daarin, dat óf wel hunne voorstellingen niet levendig en duidelijk genoeg waren om juist te kunnen weten, wat ze te doen hadden, óf wel dat de voorgenomen handeling hun onmogelijk toescheen, wijl de ziektetoestand hun de bezwaren en lichamelijke moeiten, aan de handeling verbonden, te zwaar deed tillen.

Juist het tegenovergestelde heeft bij de hyperboulie plaats. Aan zulk een zieke komt alles gemakkelijk en licht te bereiken voor, en hij wil veel, wat hij anders niet zou verlangen te doen. Komt daar nu bij, dat ook zijne voorstellingen vlug op elkander volgen — ordelijk of ongeordend — dan wil de zieke nu

-ocr page 129-

117

lt;iit dan dat en zijn willen en zijne handelingen springen van \'t een op \'t andere.

Overigens is ook de gezonde mensch niet geheel en al vrij van deze toestanden — het onderscheid tusschen dezen en den krankzinnige ligt weer in het zinnelijke en redelijke bewustzijn, zonder hetwelk de heerschappij over denken en willen en doen niet te bewaren is.

Een laatste soort van zoogenaamde „ wil-ziekequot;\' menschen is zoo opgewekt van zenuwen, dat eene voorstelling bijna onmiddellijk door eene handeling wordt gevolgd en .... te midden van een gesprek vloeit een scheldwoord van hunne lippen, dat hun op \'t oogenblik door het hoofd schiet, of te midden van het gebed voelen zij den drang eene godslastering uit te braken, wanneer zij toevallig aan zoo iets denken.

Het bestaan van zulke vreemde „contrast-voorstellingen\' kan iedereen genoegzaam kennen, die op zijne eigen gedachten eenigszins acht wil slaan. Andere zieken van dit soort praten somtijds zeer verstandig, maar doen onder de hand de malste dingen.

Het feit, dat eene opkomende gedachte terstond eene overeenkomstige beweging uitlokt, is overigens zoo zeldzaam niet. De geheele kunst der „gedachtenlezersquot;, beter gezegd „spel-denzoekers of cijfer-raders,\' bestaat immers daarin, dat zij, hoewel zij zeiven schijnen te leiden of te schrijven, zich laten leiden door den persoon, welke de verborgen speld weet zitten en de cijfers kent. Die kennis en het voortdurend denken aan de verborgen speld of het te raden cijfer is oorzaak, dat hij, die eigenlijk geleid moest worden, of, zooals het schijnt, de schrijvende hand slechts vast te houden heeft in waarheid door gewillig volgen of bijna onmerkbaar tegenstribbelen en door een onwillekeurigen druk der hand, de plaats aanwijst of het cijfer doet schrijven.

Wij zijn er getuige van geweest, dat de gedachte „als ik eens toestoottequot; de hand, welke een geopend mes in

-ocr page 130-

118

scherts tegen iemands borst drukte, eene beweging deed raakeis en eene verwonding deed toebrengen.

Men heeft meer dan eens de vraag gesteld: is eene gedeeltelijke krankzinnigheid mogelijk ? of: kan men krankzinnig zijn in één punt (of meer) en verstandig voor de rest ?

Ofschoon de krankzinnigheid in één bepaald punt zeker een teeken is, dat het zenuwleven diep geschokt is, dunkt ons toch dat deze vraag met „jaquot; moet beantwoord worden. De ervaring bewijst het en de theorie moet het ook, afgezien van de ervaring, erkennen. Waar wij de noodzakelijkheid van hersendeelen voor verschillende functiën aannemen, ligt het voor de hand eene plaatseliike storing aan te nemen en derhalve eene gedeeltelijke werkeloosheid zoowel van het orgaan van het zelfgevoel als van andere organen niet voor onmogelijk te houden.

STORINGEN VAN HET VOOKSTELLINGSVEUMOGEN.

De gevolgen, welke voortspruiten uit eene ziekte van het orgaan, dat bij de voorstellingen werkzaam is — en dit orgaan is, volgens allen, de hersenschors — zijn, voor zooverre ze zich als zoogenaamde zielsziekten voordoen, van tweevou-digen aard.

Het orgaan is of wel te traag of wel te bedrijvig. Een te traag orgaan is oorzaak van een traag denk- en herinneringsvermogen, zooals we reeds opmerkten 1), maar dit heeft met krankzinnigheid niets te maken. Ook dan zelfs, wanneer enkele deelen van het orgaan geheel verlamd of vernietigd zijn en dus de werkzaamheid tot nul is gereduceerd, hebben wij nog slechts met zoogenaamde „Ausfalls-Erscheinungenquot; (het ontbreken van een of ander verschijnsel, in casu het gemis van sommige voorstellingen) te doen, die weliswaar tot zeer vreemde toestanden aanleiding kunnen geven, maar den patient, die er aan lijdt, nog niet tot een zinnelooze maken.

\') Vgl. het hoofdstuk: Aanleg en erfelijkheid.

-ocr page 131-

119

Het vreemdsoortigste geval van dien aard is wel dat van eene Amerikaansche dame, welke na een aanval van slaapziekte alles vergeten had, wat ze ooit had geleerd. Ze moest alles opnieuw aanleeren en zelfs de personen harer omgeving opnieuw leeren kennen. Eenige maanden later had zij wederom een aanval van slaperigheid en vond bij haar ontwaken als het ware haar eerste geheugen terug, terwijl ze het tweede bleek verloren te hebben. Na dien tijd wisselden gedurende eenige jaren beide toestanden met elkander af. Nu eens is ze in het bezit van al hare herinneringen, dan weder weet ze slechts, wat zij met moeite na hare eerste slaapperiode heeft aangeleerd; is een persoon haar niet gedurende beide toestanden voorgesteld, dan kent zij hem ook nu wel en dan niet. Zij zelve heeft van die wisseling niet het minste bewustzijn.

Deze verschijnselen moet men blijkbaar aan eene afwisselende verlamming van hersendeelen toeschrijven, en behalve dat hierdoor duidelijk wordt, hoe er plaatsvervanging en nummerverwisseling mogelijk is tusschen de verschillende deelen van een orgaan, blijkt hieruit tevens, hoe juist de oude scholastici deze feiten beoordeelden. „Uit de ervaring blijkt\', zegt de H. Thomas, „dat hij, die eene verstandelijke kennis door middel van verstandelijke kennisbeelden (species intelligibiles) verkregen heeft, in werkelijkheid datgene, waarvan hij kennis draagt, niet kan beschouwen (overwegen), tenzij hem een of andere voorstelling te binnen valle. En daarvan komt het, dat bij storing van het orgaan der verbeelding de mensch niet slechts verhinderd wordt iets nieuws te begrijpen, maar ook zich datgene voor den geest te halen, wat hij reeds vroeger heeft begrepen\' \'). \'

Het ontbreken van alle bewustzijn in het aangehaalde geval laat zich gereedelijk verklaren. Indien toch het orgaan

J) De me mor ia et reminiscent ia, Lect. II ; tevens/SWm/m» I, Q. LXXXIV, art. VII c.

-ocr page 132-

120

van het zelfgevoel bestemd is om de werking van andere organen op zinnelijke wijze waar te nemen en aan die waarneming het zelfbewustzijn is verbonden, dan spreekt het wel van zelve, dat, waar geene werking is, er ook geene kan waargenomen worden.

Het zij ons geoorloofd hier ter plaatse op eene eigenaardigheid van het geheugen te wijzen, die wel eens aanleiding heeft gegeven tot eene minder juiste verklaring.

„Wanneer het geheugen eene herinnering, welke men verlangt, niet wil geven — zegt de Bonniot in zijn verdienstelijk werk L\'ame et la Physiologie (p. 241)— dan weet men reeds eeni-germate wat men eigenlijk aan \'t geheugen vraagt. Want, wanneer men zich eene herinnering, welke ons ontsnapt voor den geest wil halen, dan stelt men verschillende pogingen in \'t werk, men haalt uit de schatkamer der verbeelding verschillende beelden te voorschijn en zegt bij ieder: neen, dat is het niet, totdat hetgeen men verlangt zich aan ons voorstelt. Maar hoe oordeelen wij, dat eene voorstelling niet de ware, en herkennen wij, dat de andere de juiste is, wanneer wij er niet reeds een of ander waar denkbeeld van hebben? Zou er achter het geheugen nog een ander zitten ? Kunnen wij hier niet van een denkbeeld spreken, dat zijne uitdrukking zoekt; dat derhalve vóór de uitdrukking bestaat en zich niet dan in de uitdrukking volmaakt herkent?quot;

Wij gelooven, dat de verklaring dezer feiten niet zoo idealistisch kan zijn, als de Bonniot schijnt te meenen. Zeker, het bewaren der begrippen, der denkbeelden, der oordeelen is zake des verstands; wij hebben een redelijk geheugen evenals wij een zinnelijk geheugen bezitten maar, zoolang als wij leven, hebben de phantasmata, de voorstellingen, van deze schatkamer den sleutel in handen en wel zóó, dat geen denkbeeld zich aan ons voorstelt zonder dien onafscheidbaren begeleider.

\') Vgl. S. Thom. Summa I, Q. LXXIX, art. VI.

-ocr page 133-

121

de voorstelling \'). Elkeen kan zich er van overtuigen, dat het eigenlijk niet is: „het denkbeeld hetwelk zijne voorstelling zoektquot;, maar de mensch, die èn zijn denkbeeld èn de daarbij behoo-rende voorstelling tegelijk zoekt en vindt. Het „weten, dat men iets weetquot; is van andere herinneringen afhankelijk. Elke handeling, die wij verrichten, ook die, welke onze kennis met een begrip, een denkbeeld verrijkt, is van verschillende omstandigheden vergezeld (plaats, tijd, personen enz.), die in ons voorstellingsvermogen een indruk kunnen achterlaten. Is nu het bewaren dezer laatstgenoemde indrukken aan andere hersen-deelen toevertrouwd, dan wordt het, daardoor mogelijk, dat wij ons de omstandigheden herinneren en de zaak zelve niet en dat wij zeggen „ik weet het wel, maar ik kan er niet opkomen\'. Er is niet zoozeer „een geheugen achter het geheugenquot; dan wel een herinneringsbeeld naast het andere. Onze pogingen om het geheugen op te frisschen bevestigen de gegeven verklaring volkomen. Wij gaan in zulke gevallen „op jachtquot;, gelijk de H. Thomas zegt, „d. i. wij zoeken naar hetgeen afhankelijk is van iets anders, dat wij in het geheugen bewarenquot; 2). We denken aan de omstandigheden van tijd, plaats enz., wij herhalen enkele klanken, die ons van den vergeten naam zijn teruggebleven. M. a. w. wij dwingen het orgaan van ons voorstellingsvermogen de veranderingen (bewegingen b. v.) nog eens door te maken, die er vroeger hebben plaats gehad in de hoop, dat ook die verandering, welke bij het verloren herinneringsbeeld behoort, hierdoor opnieuw zal voortgebracht worden.

Het herkennen van iets, wat het geheugen ons voorstelt, is op zich zelve aan deze voorstelling niet verbonden; \'t gebeurt immers vaak genoeg, dat een of ander iets ons te binnen schiet, zonder dat wij weten, dat het slechts eene herinnering is.

Waar wij de herinnering ook herkennen, danken wij dit we-

\') Vgl. Ibid. Q. LXXXIV, art. VII, en De mem. et rem. L. II.

s) De memoria ei reminiscentia, L. V.

-ocr page 134-

122

derom aan omstandigheden, die ons tegelijk met de zaak zelve in \'t geheugen terugkomen. Op zijn minst genomen herinneren wij ons er de omstandigheid van den tijd bij, het valt ons in, dat wij dit of dat vroeger gehoord of geleerd hebben \').

Het orgaan van ons voorstellingsvermogen kan \'t den raensch nog op een andere wijze lastig maken: per excessum ditmaal, d. w. z. door eene te groote werkzaamheid. Die werkzaamheid kan voortdurend afwisselen of ook eene voortdurende herhaling zijn. In het eene geval is het als eene voortloopende trilling, die het eene deel der hersenen na het andere treft; in het andere als eene staande golfbeweging, waarbij dezelfde deelen steeds in werking zijn. Maar aan die veranderingen der hersendeelen zijn voorstellingen en aan die voorstellingen zijn denkbeelden verbonden, en vandaar die wondere verschijnselen, welke elkeen bij zich zeiven kan waarnemen. Nu eens verdringt het eene beeld het andere, dan weder blijft één beeld ons hardnekkig bij. Op \'t eene oogenblik trekt in bonte mengeling, als de grillige vormen der wolken, al wat wij waargenomen hebben voor het oog van onzen geest voorbij, op \'t andere zien wij gestadig hetzelfde voorwerp in onze herinnering verrijzen.

Veel duidelijker treedt dit alles te voorschijn, wanneer de koorts het bloed in snellere golvingen door de aderen jaagt of wanneer de hersenen onder den invloed staan van alcoholische vochten of narcotica.

Blijft bij deze phantasmagorie het orgaan van ons zelfgevoel in zijne werkzaamheid ongestoord 2), dan voelen wij daar-

\') „Praeteritum ut praeteritnm, cum signiflcat esse sub determiiiato tempore, ad conditionem partieularom pertinetquot; en behoort dan tot het zinnelijk geheugen. S. Th. Summa I, Q. LXXIX, art. VI.

ï) Wyl dit dikwijls geschiedt kan men wel beweren, dat het orgaan van den sensus communis niet aan de oppervlakte der hersenen moet liggen.

-ocr page 135-

123

door de werkzaamheid onzer hersenen en daardoor iceten wijV dat het voorstellingen, herinneringen zijn en geene waarnemingen. Zoodra echter het orgaan der zelfgewaanvording ziek, en daardoor het zelfbewustzijn blijvend gestoord is, verliest men de juiste kennis van hetgeen in en om ons gebeurt en de krankzinnigheid, onder een of anderen vorm, is hiervan het gevolg.

-ocr page 136-

HOOFDSTUK VIL

HYPNOTISME.

Het lijkt wel onbegonnen werk een hoofdstuk over hypnotisme te schrijven, wanneer men de overtuiging heeft, dat de meeste lezers reeds hetzij met \'t interessante werk van pater de Bonniot: Le Miracle et ses contrefagons of met de leerzame artikelen van pater Kerlen in de Studiën bekend zijn. Maar, het onderwerp past in de psycho-physiologische studiën, waarmede wij ons thans bezighouden, en het komt ons voor, dat wij het niet ter zijde kunnen laten.

Om zooveel mogelijk binnen de perken van het psycho-physio-logisch gebied te blijven, moeten wij eenige verschijnselen buiten den kring van ons onderzoek sluiten, te weten:

1°. De zoogenaamde „zwijgende suggestiequot; (suggestion mentale) waardoor, zonder uiterlijk teeken hoegenaamd, aan een tot zulke proefnemingen geschikt persoon een bevel of verlangen kan medegedeeld worden. Zoo iets heeft plaats, wanneer b. v. de hypnotiseur in zich zeiven (mentaliter) het bevel uitspreekt „kom hierquot; en zijn sujet aan dat bevel gehoorzaamt. Wij laten op dit punt gaarne ieder zijne meening, maar wij voor ons zijn van de zekerheid der feiten niet overtuigd. Zekerheid in dien zin, dat alle toeval en, meer nog, dat alle dressuur is uitgesloten.

2°. Alles wat met telepathie, theosophisme, spiritisme enz. in verband staat. Wij gelooven, dat, voor den tijd van dit

-ocr page 137-

125

leven, de ziel in al hare verrichtingen aan ons lichaam is gebonden; dat zij er dus geen tweede (zoogenaamd ,astraal\') lichaam op nahoudt, waarmee ze buiten haar natuurlijk psycho-physiologisch domein kan gaan wandelen en zich aan anderen kan gaan mededeelen. Waar zoo iets zou gebeuren — en wij zijn zeer hardgeloovig op dit punt — hebben wij, dunkt ons, met zaken te doen, die buiten de natuur van den mensch vallen.

Wij beperken ons dus tot het eigenlijke hypnotisme met de suggestie, en om dien toestand te kenmerken, komt ons de bepaling het geschiktste voor, die wij in een opstel van Alfred Pouillée vonden l): „Het hypnotisme is de tijdelijke [en wij voegen er bij: kunstmatige] verlamming van enkele hersencentraquot;. Ofschoon in de woorden „hypnotismequot; en „somnambulismequot; de slaap ingesloten is, hebben wij toch eene definitie gekozen, waarin dat woord niet voorkomt, om de „suggestie in wakenden toestandquot; en de „posthypnotische verschijnselenquot; niet uit te sluiten; al gaat overigens de bepaling aan het zelfde euvel mank, waaraan ook andere omschrijvingen lijden, n. 1. van alle kunstmiddelen, welke eene verlamming van hersendeelen veroorzaken, te omvatten, terwijl slechts enkele bij het eigenlijk hypnotisme behooren. Een ander voordeel van deze definitie vinden wij in de loealisatie, welke zij ons aan de hand doet, en welke het onderzoek naar het na-

\') Om van voortdurend citeeren ontslagen te zijn, laten wij eene lijst volgen der door ons geraadpleegde werken:

Dr. Charcot, Oeuvres comptètes, T. IX: Dr. Bernheira, Hypnot isme, Suggestion, Psychothérapie, 1891; Dr. Cullerre, Magnétisme et Hypnotisme, 1892; Dr. Liebeault, Le Somme.il provo\'jué, 1889: Dr. Mar in, L\' Hypnotisme ; Dr. Jordan, Das liüthsel des Hypnotismus, 1892; Dr. Forel, Der Jlypno-tismus ; Dr. v. Krafft—Ebing, Eine experimentelle Studie au/dem Gebiete des Hypnotismus, 1893, R. F. Finlay S. J., Der Hypnotismus, 1892; Studiën (art. van pater Kerlen S. J.); De Bonniot S. J., Le Miracle et ses contrefa^ons; Stimmen aus Maria Laac/i: Revue des deux mondes; v. Tricht S. J. VHypnotisme, e. a.

-ocr page 138-

126

tuurlijke der verschijnselen op zich zelf en naar de „voldoende oorzaak\' vergemakkelijkt.

Laten we hier nog bijvoegen, dat, zooals we reeds bij eene andere gelegenheid opmerkten, om een verschijnsel te be-studeeren en zijn waren aard te leeren kennen, het noodig is den invloed van alle bijkomende complicaties te vermijden. Om die reden vinden wij de hysterische hypnosen van Dr. Charcot niet geschikt, wijl daar de hypnotische verlamming van sommige hersencentra zich voegt bij eene reeds aanwezige, en steeds dezelfde, zenuwziekte, de hysterie namelijk, zoodat geen zuivere teekening mogelijk is. Waar daarentegen de hypnose op verschillende menschen wordt toegepast, is er kans, dat bij de groote verscheidenheid van personen, de individueele verschillen op het eindresultaat van weinig invloed zullen zijn.

Ook zijn hysterische personen, zooals ieder weet, volleerde tooneelspelers, die niets liever verlangen dan gezien en gehoord te worden en die dus bij uitstek geschikt zijn voor eene wetens of onwetens toegepaste dressuur.

HET WEZEN DER HYPNOSE EN HET HYPNOTISEEREN.

Al hebben we het woord „slaap* in de definitie van het hypnotisme willen vermijden, zeker blijft het toch, dat hetgeen er in of na de hypnose geschiedt zich het beste laat vergelijken met hetgeen in den slaap of liever in den halfslaap plaats heeft, en daarom zullen we beginnen met na te gaan, wat we bij ons of bij andere personen kunnen waarnemen. Wat doet ons inslapen of indommelen op oogenblikken, dat wij van ons zeiven niet kunnen getuigen, dat wij vermoeid zijn en behoefte hebben aan rust?

Het zij ons geoorloofd, waarde lezer, u onzen vriend Jacobus voor te stellen — een prachtexemplaar om het indommelen te illustreeren. Om \'t even of \'t morgen, middag of avond is, Jacobus — van wien alleen de naam fictief is, maar dien

-ocr page 139-

127

we sinds juren van zeer nabij kennen en voor wiens openhartigheid in zijne bekentenissen wij borg blijven — Jacobus, zeggen wij, sluit zijne oogen en begint te knikkebollen, zoodra hij, bij afwezigheid van ernstige bezigheid, lichamelijke of verstandelijke, een éénvormigen zinsindruk, ook slechts gedurende korten tijd, moet ondergaan. Zoo hebben wij hem zien en hooren slapen in volle gezelschap gedurende een druk maar niet bijster belangrijk gesprek; in de kerk gedurende de Vespers en ook — het woord moet er uit — gedurende de preek; op reis bij het ruischen van de beek en het donderen van den waterval. In dat alles is voor hem en voor meer andere menschen eene „virtus dormitiva, cujus est natura sensus as-soupirequot;, zooals Molière van het opium getuigt.

Opmerkelijk daarbij is het — hoewel volstrekt geen ongewoon verschijnsel — dat hij in den beginne nog hier en daar een woordje in het gesprek weet te plaatsen, somtijds echter in eens met praten van de wijs raakt en een droombeeld in woorden vertolkt, terwijl hij menigmaal, ten bewijze dat hij niet geslapen heeft, vrij goed de gehouden conversatie weet na te vertellen. Bij eene plotselinge staking in \'t gesprek is hij onmiddellijk wakker, even zeker als de bewoners van een oliemolen, wanneer een van de stampers een slag achterblijft. Ofschoon wij hem niet voor zeer hypnotisabel zouden houden, weten wij toch van hem, dat hij in zijne jeugd door toeval er achter kwam, dat hij zich door het staren op het witte kleed van een predikant in een toestand kon verplaatsen, die sterk op slaapdronkenheid leek en waaraan hij zich met geweld moest ontrukken Tot het herhalen der proef was hij echter niet te bewegen, omdat hij het „naar\' gevonden had; eerst scheen het hem, dat een lichte nevel zich om den redenaar verspreidde, maar het duurde niet lang of die nevel

\') Hij had toen van de zichzelven hypnotiseerende fakirs en monniken van den berg Athoa nog nooit gehoord.

-ocr page 140-

128

werd dicht en onttrok alles, behalve het voorwerp zijner onverdeelde aandacht, aan zijn oog. Vreemd genoeg vergeleek hij den ,naren\' indruk bij dien van een droom, waarin men boven de aarde zweeft en maar niet naar beneden kan komen.

Of de slaapwekkende kracht van het wiegen der kinderen in de éénvormige beweging moet gezocht worden, kunnen wij niet zeggen, maar de ééntonige dreun van het „slaap, kindeke, slaap, daarbuiten loopt een schaap\' is zeker van dezelfde orde als de bovengenoemde oorzaken.

Het schijnt, dat ons organisme aan verandering behoefte heeft en zeer spoedig door eentonigheid vermoeid wordt. De hypnotiseurs trekken hiervan partij om hunne patiënten in slaap te brengen. Zij laten hen op een klein blinkend voorwerp staren, liefst zóó dat de oogen daarbij naar binnen en naar boven gekeerd worden — een ongewone positie, die de oogspieren vermoeit — of ze doen hen luisteren naar het tikken van een uurwerk enz., totdat de oogleden van den patiënt beginnen te knippen en de oogen vochtig worden, waarop dan in den regel de hypnotische slaap volgt.

Willen wij nu zeggen, dat de hypnotische toestand in alle opzichten gelijk en gelijkvormig is aan den natuurlijken slaap ? Dat niet; maar met elkander verwant zijn ze o. i. wel. Vooreerst zijn er verschillende patiënten, welke zeker op die wijze in een in alle opzichten natuurlijken slaap vallen. Zij slapen, ronken zelfs, droomen en bij \'t ontwaken — hetgeen van zelf plaats heeft, of op de meest verschillende wijzen kan veroorzaakt worden — wrijven zij zich de oogen, zijn nog slaperig en herinneren zich hunne droomen al of niet evenals elke andere slaper.

Van den anderen kant kan men bij vele menschen, die op de gewone wijze in slaap gevallen zijn, de geheele reeks hypnotische kunststukken te voorschijn roepen, en in den slaap gebeurt van zelve veel, wat sprekend op hypnotische verschijnselen gelijkt.

-ocr page 141-

129

, Wanneer — aldus Dr. Bernheiin — de moeder \'s avonds te huis komt en aan \'t slapend kind vraagt, of het wil drinken, antwoordt het kind dikwijls genoeg. Het drinkt dan met gesloten oogen en herinnert zich bij \'t ontwaken niets meer l). Evenals bij generaal Noiset en bij den heer Liebeault komt het in mijne praktijk dikwijls voor, dat ik bij iemand ga, die in een natuurlijken slaap gedompeld is en nog nooit gehypnotiseerd is geworden; ik spreek hem aan, maar suggereer hem van door te slapen. Somtijds wordt hij wakker, maar andere malen blijft hij met de oogen dicht doorslapen, terwijl hij toch antwoord geeft; in dat geval kan ik bij hem alle hypnotische verschijnselen te voorschijn roepen. Een mijner zieken deelde mij mede, dat hij gewoonlijk met zijn broer te zamen sliep en dat die hem dikwijls gedurende zijn slaap naar iets vroeg en dan ook antwoord kreeg; zoo zelfs, dat zijn broer van die praatzucht in den slaap partij trok om achter geheimen te komen, die in wakenden toestand nooit zouden verklapt zijn. Bij \'t ontwaken herinnerde de ander zich niets van hetgeen hij gezegd had.quot;

Dergeljjke verschijnselen — en ze zijn zoo zeldzaam niet, als sommigen gelooven — zijn wel geschikt om den natuurlijken slaap en den slaap, die het gewone begin der hypnose is, als zeer nauw verwant te doen beschouwen.

Van de bovengenoemde methoden om den kunstmatigen slaap der hypnose voort te brengen wil echter Dr. Bernheim en met hem de geheele school van Nancy, in tegenstelling met Dr. Charcot en zijne volgelingen, niet weten. Suggestie is voor hen het wachtwoord. Men slaapt in, omdat men zich laat overtuigen, dat men inslapen zal, dat de oogleden reeds zwaar worden en dichtvallen, en zij kennen aan al de overige mid-

\') Dat alsdan eene geheele conversatie mogelijk is, waarvan het kind zich \'s morgens niets meer herinnert, weten moeders en vaders en kindermeiden goed genoeg.

9

-ocr page 142-

130

delen slechts in zooverre waarde toe, als zij dienen om den patiënt te overtuigen, dat hij zal inslapen, als zij hem m. a. w. in slaap suggereeren. Wij voor ons zullen de eigenaardige macht der verbeelding niet ontkennen, en hetgeen er in de hypnose en na de hypnose kan plaats hebben is zeker geen logenstraffing van het volkswoord : „verbeelding is erger dan hekserij\'; maar dat, altijd en overal, suggestie en suggestie alleen de oorzaak zou zijn van den hypnotischen slaap, kunnen wij niet gelooven. Dr. Bernheim en zijn mede-doctoren laten het aan éénvormige indrukken niet ontbreken. Iemand, die voor \'t eerst gehypnotiseerd wordt, laten zij „onbewegelijk in de oogen van den operateur staren en daardoor worden de zintuigen als \'t ware van alle in- en uitwendige indrukken afgezonderd\'; zij „zeggen hem van slechts aan slapen en genezen te denken en spreken hem over de verschijnselen, welke het begin van den slaap vergezellen; loomheid, slaperigheid, zware oogleden, ongevoeligheidquot;. Blijkt het nu, dat deze ééntonig voorgedreunde suggesties uitwerking hebben, dan volgt het bevel: „slaap\'. Heeft echter dit slaapliedje niet den gewenschten uitslag, dan wordt van voren af begonnen, terwijl men den patiënt tevens de oogleden dicht drukt (methode van Dr. Liebeault, waarvan die van Dr. Bernheim weinig verschilt).

De overtuiging, dat men zal inslapen, de suggestie, is moeilijk aan te nemen bij kleine kinderen, die toch door dezelfde methode in slaap gesust worden, bij dieren, die men kan hypnotiseeren \') en, wat meer is, bij hypnotiseurs, die in plaats van den patiënt zich zeiven in hypnose brengen. Zelfs vindt men een geval vermeld van een meisje, dat in een der toestanden van het „grand hypnotisme\' van Dr. Charcot verviel, wanneer zij knoopsgaten zoomde en dus lang

\') Men denke aan du bekende proeven van pater Kircher S. J. en aan de methode, die men in Oostenrijk volgt om wilde paarden te temmen.

-ocr page 143-

131

en scherp op een klein plekje moest staren. Er moet dus wel hypnotische slaap bestaan, die niet aan suggestie te danken is. Hiermee willen wij echter de waarde der suggestie niet ontkennen, maar slechts den middenweg Jiouden tus-schen „alles is suggestiequot; hiér en „geen suggestiequot; daar.

Bij het bestudeeren der verschillende gevallen van hypnose, die wij hetzij gelezen hetzij waargenomen hebben, kwam het ons voor, dat de kunstmatige slaap steeds minder op den natuurlijken geleek: 1°. wanneer de persoon reeds vroeger het voorwerp geweest was van hypnotische proeven, zoodat daardoor het zenuwleven in eene bepaalde richting geleid was, zij het ook slechts in die eener volkomene afhankelijkheid van den experimentator; 2U. wanneer de hypnose werd toegepast op menschen met een ziekelijk zenuwgestel; 3°. wanneer de wijze van behandeling ruw of bijna gewelddadig was en dus van zelf reeds eene overprikkeling der zenuwen moest teweegbrengen.

De physiologische oorzaak zal, dunkt ons, gezocht moeten worden in het eigenlijke knooppunt der hersen, d. w. z. in dat deel, hetwelk zoowel bij elke zinswaarneming als bij elke werking van het voorstellingsvermogen betrokken is, in het orgaan van den algeméenen zin l). Zoo alleen is het begrijpelijk, hoe de hypnose zoowel door indrukken van gehoor, gezicht en gevoel, als door eene concentratie der verbeelding (suggestie) kan veroorzaakt worden. Al is hiermede het ontstaan van den hypnotischen toestand niet geheel verklaard, zoo is het intreden daarvan toch niet onbegrijpelijker dan het natuurlijke inslapen van iemand, die, zonder de minste vermoeienis of behoefte aan rust, in slaap gezongen of gepreekt wordt.

*) De algemeene zin (sensus communis) is, volgens St. Thomas, de zin, „waarheen alle indrukken der uiterlijke zinnen worden overgebracht en waarin alle uiterlijke zinnen niet elkander in betrekking komen (conjun-guntur).quot;

-ocr page 144-

132

Indien wij, zooals we werkelijk doen, den hypnotischen; slaap, althans in \'t eerst, voor zeer nauw verwant aan den natuurlijken slaap houden, dan moeten wij ook hetgene in de hypnose gebeurt begrijpelijk trachten te maken door hetgeen in den natuurlijken slaap voorkomt. Om niet in herhaling te vallen, stippen wij slechts aan wat, wij reeds in een vorig hoofdstuk bespraken.

Men kan zoo vast slapen, dat men geheel en al bevangen is en volstrekt niet droomt — een toestand, waarbij tevens de spieren niet werkzaam zijn en de opgeheven hand machteloos langs het lichaam neervalt.

Men kan droomen, en die droomen herinnert men zich óf wel óf niet; en de herinnering is er óf bij het ontwaken om daarna te verdwijnen óf ze verschijnt plotseling na korter of langer tijd.

In den droom is het verstand gedeeltelijk werkzaam maar nimmer volkomen.

In den droom beleeft men dikwijls de onmogelijkste toestanden zonder aan de werkelijkheid te twijfelen of begaat men de zwaarste misdaad zonder de minste wroeging te bespeuren. Mijn vriend, oyerigens „d\'humeur pacifique et ne craignant rien que les coupsquot;, vermoordde iemand en sneed het lijk in stukken om die in een kleerkast weg te bergen en was slechts verwonderd, dat hij het hoofd er niet goed in kon krijgen. Wat wij in den droom zien is slechts datgene, wat wij reeds gezien hebben en volstrekt niets nieuws, \'t Zijn, om zoo te zeggen, oude theatercoulissen maar dikwijls op de vreemdste wijze door elkander geplaatst. Voor den droomenden moordenaar was, op \'t oogenblik, dat hij doodde — hij wist zelf niet goed, op welke wijze dat gebeurd was — zijn tegenstander een bekende straatfiguur uit de stad zijner inwoning ; wat hij daarna wegsleepte om in de kast te duwen, iets, waarvan hij niet meer wist, of het meer op een handkoffertje dan wel op een zware overjas leek; en

-ocr page 145-

133

het hoofd van den vermoorde, dat weerbarstig weigerde zich in te laten sluiten, werd onder zijne hand een kop van papier-maché, dien hij in de mode-magazijnen voor het venster had zien staan. In den droom, evenals in den wakenden toestand, kunnen wij „ons niets verbeelden, wat wij niet door de zinnen hebben waargenomenquot; \'). De eene of andere uiterlijke zinsindruk blijkt dikwijls in staat, een geheelen droom te geleiden en te besturen. Hoe menigmaal gebeurt het, dat iemand van een smids- of timmermanswinkel begint te droomen en dan daarbij de vonken ziet vliegen of den hamer ziet neervallen — wanneer men \'s morgens op de deur komt kloppen om hem te wekken; of dat tengevolge van koude, door het afwoeien der dekens veroorzaakt, de slaper zich verbeeldt in een zeer primitief kostuum midden op straat te staan ?

„Verhaal nooit iets, wat ge geheim wilt houden, in \'t bijzijn van slapende menschen; ge weet niet of ze er niet iets van hooren en in hun geheugen opschrijven\' : deze raad van Dr. Bernheim komt ons zeer begrijpelijk voor, wanneer we ons herinneren, dat onze vriend Jacobus bij het inslapen dikwijls nog geruimen tijd een gesprek volgt, en dat zulk een toestand zich ook kan voordoen bij iemand, die reeds gedurende eenigen tijd slaapt. Gewoonlijk schijnt wel alle herinnering verloren te gaan, wanneer de halfslaap in een gerusten, diepen slaap overgaat, maar dikwijls genoeg komt hetgeen men op die wijze gehoord heeft, later plotseling in het geheugen terug.

Dr. Bernheim verhaalt, dat hij, wanneer hij één gehypnotiseerde iets voorspiegelde, bij verscheiden andere rustig slapende personen een levendigen droom deed ontstaan, die zich meer of minder juist aansloot aan de woorden, welke de slapers opgevangen hadden, \'t Is waar, de dokter van Nancy

\') S. Thomas, Summa I, Q. CXI, art. III ad lum.

-ocr page 146-

134

vergeet hierbij te voegen, of de personen, met wie hem dezo proef lukte, reeds vroeger gehypnotiseerd waren, en wij kunnen dus niet oordeelen, of er al dan niet een zekere dressuur mede in \'t spel is, maar zulke gevallen van geïnfluenceerde droomen zijn ook in het dagelijksch leven geene zeldzaamheid.

Nemen we hierbij nog in aanmerking, dat het gebl-uik van narcotica de taak van den hypnotiseur bij lastige patiënten vergemakkelijkt en dat in de chloroform-narcose de zieke, gedurende de operatie, vaak met den dokter schijnbaar zeer verstandig blijft praten, terwijl toch de afwezigheid van alle gevoel voor pijn gedurende, en het ontbreken van alle herinnering na de operatie duidelijk bewijzen, dat hij den invloed van het bedwelmingsmiddel ondergaan heeft, dan achten wij ons gerechtigd tot het besluit, dat de hypnose, althans in haar begintoestand, na verwant is aan slaap en droom.

DB SUGGESTIE.

Aan den gewonen droom, inclusief dien, waarbij men al droomende luidop praat, sluit zich het slaapwandelen, waarvan iedereen voorbeelden genoeg bekend zijn, aan.

Hoever een slaapwandelaar het brengen kan, blijkt uit de bekende geschiedenis van den monnik, die opstond om zijn abt te vermoorden. Gelukkig was deze nog in zijne cel werkzaam, en terwijl hij over zijn boek gebogen bleef, zag hij, hoe de slaapwandelaar op het ledige bed toetrad en met geweld het mes in de dekens stiet, om zich na volbrachte daad weer terug te begeven en ter ruste te leggen, \'s Anderen daags herinnerde de monnik zich slechts, dat hij een akeligen droom had gehad en in den droom zijn abt had willen vermoorden \'). Een ander „comblequot; van slaapwandelen overkwam

gt;) Een dergelijk geval haalt Dr. Cnllere van een knaap aan.

-ocr page 147-

135

een jongeling, die te paard zijn vriend ging bezoeken, alle hindernissen op weg zorgvuldig vermeed, in de stad zijn paard stalde en zich te voet naar zijn vriend begaf, om op diens kamer met de grootste verbazing te — ontwaken.

Zonder zulke somnambulistische „tours de forcequot; te verrichten, vertoonen de meeste natuurlijke slaapwandelaars deze eigenaardigheid, dat zij geheel en al vervuld zijn van het ééne, hetgeen zij in den droom te doen hebben, en daarbij wel zien en hooren, wat er op hun weg voorkomt, maar er volstrekt geen oog en oor voor hebben, evenals iemand, die, in diep gepeins verzonken of door hevigen angst gedreven, een weg gaat zonder te verdwalen of zonder zich aan iets te stooten.

„Solvitur sensus communis ex partequot;: het orgaan van den algemeenen zin — en daardoor tevens de organen van de zinnen (uiterlijke of innerlijke) — wordt voor een gedeelte uit den toestand van rust en werkeloosheid tot werking gebracht, maar juist de intensiteit, waarmede ééne voorstelling (of eene reeks van bij elkander hoorende voorstellingen) zich doet gelden, is oorzaak, dat dadelijk alle beschikbare energie in beslag wordt genomen en er voor andere hersendeelen geene energie genoeg overblijft om mede in werking te treden: m. a. w. geene energie genoeg om den toestand van slaapwandelen in dien van waken te doen overgaan.

Eene schok, die door een of ander zintuig binnendringt en langs den weg der zenuwen zich tot in de hersenen voortplant, om daar — met geweld of bij verrassing — andere middelpunten van het zenuwleven in beweging te brengen, veroorzaakt bij slaapwandelaars dikwijls een plotseling ontwaken.

Wanneer een droom nu zoo-levendig kan zijn, dat hij tot spreken en handelen overeenkomstig dien droom aanleiding kan geven, en van den anderen kant de droomen van vele natuurlijke slapers onder den invloed kunnen gebracht worden van dingen, die zij door de zintuigen gewaarworden, dan is het wel als iets vreemds — wijl ongewoon — maar vol-

-ocr page 148-

136

strekt niet als iets boven- of buitennatuurlijks te beschouwen, dat een droom door woorden kan opgewekt en bestuurd worden en zelfs zoo levendig kan gemaakt worden, dat er woorden en handelingen mede gepaard gaan.

Dit komt ons des te aannemelijker voor, omdat door den hypnotiseur de droom voortdurend als het ware gedwongen wordt voet bij stuk te houden, terwijl in den gewonen slaap meestal het eene droombeeld het andere verdringt; en omdat ook de droom in sommige gevallen zoo „ actiefquot; kan gemaakt worden, dat de slaper opstaat om de handelingen te verrichten, die hij droomt.

De jongere broeder van L., een onzer vrienden, leed aan slaapwandelen. Om hem te doen opstaan was het voldoende in de kamer waar hij sliep te zeggen: „Wij moesten Jan morgen hier of daar eens heen sturen.quot; Deze woorden, ook wanneer ze niet tot den slapende gericht waren, deden hem onmiddellijk opstaan, zich aankleeden en zich op weg begeven.

Het opwekken der verbeelding, door woorden of teekens, is nu wat men gewoonlijk „suggestie\' noemt. Deze suggestie, dit kunstmatig voortbrengen van een droom, kan gedurende de hypnose plaats hebben en bij het ophouden der hypnose verdwijnen (hypnotische suggestie), of de droom kan na het ontwaken nog voortduren (posthypnotische suggestie), of de verbeelding kan buiten den slaap sterk opgewekt worden (suggestie in wakenden toestand).

Met de twee laatstgenoemde zullen wij ons straks bezig houden. Op de eerste soort, suggestie gedurende den kunstma-tigen slaap, heeft betrekking hetgeen wij in de vorige bladzijden bespraken.

Onder de verschijnselen, welke door een kunstmatig opge-wekten, levendigen droom, een droom „en actionquot;, voldoende verklaard worden, rekenen wij: de zoogenaamde „objectivation des typesquot;, waarbij de gehypnotiseerde spreekt en handelt als klein kind, als schooljongen, als generaal, als priester of bis-

-ocr page 149-

137

schop enz., wanneer hem zulke droomen worden gesuggei-eerd ; — het te voorschijn roepen van poses en uitdrukkingen van het gelaat (toorn, eerbied, vriendelijkheid), wanneer men slechts de hand tot een vuist buigt of tot kushandjes aan den mond brengt enz.; — de werking van imaginaire geneesmiddelen of bedwelmende dranken; — het al of niet zien van personen of zaken en wat daarmee samenhangt.

Bij dit alles mogen, tot een juist inzicht, twee zaken niet uit het oog verloren worden, n.1. de getrouwheid van het geheugen (wanneer niet de hersens geatrophieerd zijn) en de eigenaardige macht der verbeelding.

\'t Is een genoegzaam bekend feit, dat verschillende menschen, die bewusteloos uit het water gehaald worden, getuigd hebben, dat zij in de korte oogenblikken van doodsangst, die zij onder water doorbrachten, hun geheele leven als het ware nog eens doorleefden en alles als in tafereelen voor hunne oogen zagen voorbijgaan. Hetzelfde zou gebeurd zijn met iemand, die, tus-schen de spoorstaven neergevallen, een trein over zich zag heen gaan. Bij een zieke, die in ijlkoorts lag, was het voldoende een enkel woordje te zeggen, wat op zijn vroegeren, lang vergeten, schooltijd betrekking had, om hem alles, tot in de kleinste bijzonderheden te laten navertellen, wat er gedurende de les, waarop men zinspeelde, had plaats gegrepen.

Ook zijn er gevallen bekend van studenten, die in den toestand van een natuurlijk somnambulisme knapper schenen te zijn dan in wakenden toestand, omdat hunne verbeelding en hun geheugen geheel en al door ééne zaak in beslag werd genomen en zij dientengevolge aan alle verstrooiing onttrokken waren, \'t Is alsof, om eene vergelijking uit de mechanica te gebruiken, de geheele energie, welke in wakenden toestand voor verschillende verrichtingen noodig is (ook voor het zinnelijke werk der hersenen, dat wij bij het denken noodig hebben) in de somnambulen voor ééne zaak of enkele zaken beschikbaar blijft en daardoor eene verhoogde werkzaamheid

-ocr page 150-

138

\\

mogelijk maakt. Of, wil men eene andere voorstelling, \'t lijkt eene watermassa, die gewoonlijk door vele kanalen stroomt, maar door sluiting van enkele gedwongen wordt door de overige, maar nu met grootere kracht en snelheid, haren weg te nemen. De verhoogde werkzaamheid kan zoowel het gebied van de innerlijke zinnen als dat der uiterlijke zintuigen treften. In het laatste geval noemt men zulks „hypei\'aesthesiequot;. Als voorbeelden zou men uit het gewone leven de blinden kunnen aanhalen, die meestal een zeer fijnen tastzin en een scherp gehoor bezitten, en zou men op de hyperaesthesie van sommige zieken kunnen wijzen. Doelmatiger is het de aandacht er op te vestigen, dat men dikwijls bij iemand, die in zijn slaap opstaat en zich aan \'t schrijven zet, een blad bordpapier tusschen oog en hand kan inschuiven, terwijl de slaapwandelaar, slechts door den tastzin geleid, even regelmatig blijft doorschrijven.

De getrouwheid van het geheugen en de levendigheid der verbeelding zijn bij de hypnotische „verandering van persoon\' van grooten invloed. Men suggereert aan A een droom, waarin zij als generaal, bisschop enz. optreedt, en in dien droom speelt zij hare rol met meer of minder succès, naarmate haar geheugen en verbeelding meer of minder beelden, welke bij die rol behooren, ontvangen en bewaard hebben en naarmate hare verbeelding tijdens den hypnotischen droom levendiger werkt.

„De persoonlijkheid van het sujet draagt het hare bij tot de wijze waarop zoowel de hallucinatie, als de andere verschijnselen der suggestie tot stand komen .... De suggestie kan niet alles wat zij wil, zij kan slechts datgene, wat het psychisch orgaan (?) waarop zij werkt, vermag. Elk sujet drukt den stempel zijner persoonlijkheid op de voorstellingen zijner verbeelding. Stelt u voor, dat gij een zelfde rol door verschillende personen laat spelen, dan zal elk hunner die op zijne wijze, met meer of minder volmaaktheid en waarheid vertolken\'. (Bernheim. o. c.)

-ocr page 151-

139

Een mijner vrienden suggereerde aan eene patiente damp; letters P. E. op een geheel onbeschreven gelaten velletje papieren deed haar daarna dit velletje (\'t was door een haast onmerkbaar speldeprikje geteekend) tusschen andere uitzoeken. Na eenig aarzelen vond ze het, en toen haar daai\'na gelast werd, het papiertje met de louter denkbeeldige letters voor den spiegel te houden, zag zij de letters in spiegelschrift. Blijkbaar had zij het papiertje, hetzij aan het merk, dat er op gemaakt was, hetzij aan iets anders herkend, want niet de letters deden het papier vinden (anders ware er geen aarzelen mogelijk geweest) maar het herkende papiertje suggereerde de letters. Bij de proef met den spiegel, hoe verrassend ook op het eerste gezicht, heeft, dunkt ons, de kennis, dat een spiegel op die wijze de beelden omkeert, op de verbeelding gewerkt, en bij iemand, die nooit een spiegelbeeld gezien had, zou de proef niet. gelukt zijn. „La suggestion ne réalise pas ce qu\'elle veutquot; : niet alle hypnotische proeven gelukken bij elk sujet en ook bij het hypnotisme maakt oefening den meester. Waar de eene gehypnotiseerde een stuk hout in de hand moet hebben, om in den waan te komen, dat hij een glas wijn uitdrinkt, brengt de andere de ledige hand aan den mond en drinkt hij lucht, terwijl een derde naar zijn mond wijst en verder op de suggestie volstrekt niet reageert.

Naast de getrouwheid der verbeelding om indrukken te bewaren en te reproduceeren, speelt bij de hypnotische suggestie ook de macht dier verbeelding eene groote rol.

Zeker ligt er overdrijving in de uitdrukking: „toute idée-tend a se réaliserquot;, maar onwaar kan men dit gezegde niet noemen. De kunst der gedachtelezers, die wij in het vorige hoofdstuk bespraken, is er reeds een bewijs voor. Eenige andere voorbeelden mogen hier eene plaats vinden; zij zullen het hunne er toe bijdragen, om den sluier der geheimzinnigheid, waarin het hypnotisme gehuld is, eenigszins doorzichti-

-ocr page 152-

140

ger te maken. Wanneer wij zien, dat ook bij gezonde, wakende menschen spieren en zenuwen, waarvan men dit niet zou vermoeden, onder den invloed staan van de verbeelding, zal het ons niet verwonderen, dat zulks in hoogere mate het geval kan zijn, wanneer de controle ontbreekt (krankzinnigheid, gewone slaap en droom, en hypnotische toestand).

Wie weet niet, dat men den weerslag van de gedachte aan iets zeer zuurs in den mond voelt, dat de voorstelling van iets akeligs iemand kan doen huiveren en die van iets walgelijks tot zeer onaangename reflexbewegingen aanleiding kan geven. Wij vreezen onkiesch te worden, maar om eene dikwijls voorkomende hypnotische geneeswijze begrijpelijk te maken, moeten wij er toch op wijzen, dat de gedachte aan iets, hetwelk in de hollandsche spoorwagens, in tegenstelling met de duitsche, dikwijls ontbreekt, voor sommige reizigers lastige gevolgen kan hebben ; gevolgen, die uitblijven, wanneer eene lectuur of een gesprek de aandacht afleidt. Op de medische colleges is het geene zeldzaamheid, dat verschillende toehoorders aan de ziekte meenen te lijden, welke behandeld wordt (hartziekten en tering hebben gewoonlijk den meesten aanhang); in de laboratoria der scheikundigen ontstaat bij nieuwelingen speekselvloed enz. tengevolge van de idee, dat eene minimale hoeveelheid kwik in staat is die vergiftiging te veroorzaken. Nog niet lang geleden zagen wij een paar hoogere burgers zeer opgewekt en luidruchtig worden ten gevolge van eene hoeveelheid lachgas, die nog geene muis dronken zou gemaakt hebben. Wil de lezer een paar zeer onschuldige proeven om de kracht der verbeelding in het licht te stellen, dan late hij iemand, „die geen zolder in den neus heeft,\' een snuifje nemen en verzeker hem vast en zeker, dat hij niet zal en niet kan niezen. Tien tegen een, dat het anders onvermijdelijke niezen zal uitblijven. Of wel hij signaleere de aanwezigheid van een klein, bruin, springend insect (den bekenden turner Pulex) op de wang of op den hals. De eerste beweging is natuurlijk die van afweer, maar

-ocr page 153-

141

weldra voelt men ook de bekende huidprikkeling; en blijft dieprikkeling uit, dan is het gewoonlijk voldoende, dat men de verbeelding verlevendige door na eenige oogenblikken te herhalen, dat ze (de vloo) leelijk gestoken heeft.

„Wanneer men aan leeken in \'t vak of aan leerlingen -— zegt Di\'. Jordan — iets van een microscopisch praeparaat wil laten zien, dan gebeurt het, dat ze verzekeren het gezien te hebben en zulks ook werkelijk gelooven, terwijl men toch door vragen er achter kan komen, dat zij of niets of wel iets anders gezien hebben.\' Uit eigen ervaring weten wij, dat zulke illusiën volstrekt niet ongewoon zijn.

Wij zouden het aantal dezer voorbeelden gemakkelijk nog kunnen vermeerderen, maar wij gelooven, dat ieder, wanneer hij slechts in zijne naaste omgeving wil rondzien, bewijzen genoeg zal vinden voor de waarheid van het spreekwoord „inbeelding is erger dan hekserij.quot; De gewone kunststukken der gehypnotiseerden achten wij tevens, zooals wij reeds zeiden, door het bovenstaande voldoende toegelicht, n.1. : het voorstellen van verschillende personages, het zien van dingen, die er niet zijn, de werking van denkbeeldige geneesmiddelen of van sterke dranken, om \'t even of er water noodig is om de suggestie te helpen, dan of een patiënt in staat is uit een denkbeeldig glas een even denkbeeldig borreltje te drinken en daarvan dronken te worden. Het feit, dat verschillende personen niet op dezelfde wijze ontvankelijk zijn voor hypnose en suggestie, dat hunne persoonlijkheid, vooral in den beginne, van invloed blijft op de wijze, waarop zij aan eene suggestie beantwoorden, dat eindelijk herhaalde proefnemingen eene zekere dressuur doen verkrijgen, welke den hypnotiseur in staat stelt snel en met zekerheid te werken, is een teeken, dat tot hiertoe de hypnose de grens van liet natuurlijke niet overschrijdt.

De bepaling : „de hypnose is de kunstmatige verlamming van hersencentra,\' waarbij wij nu zouden willen voegen :

-ocr page 154-

142

„gepaard met de opwekking van anderequot; geeft op voldoende — zij het ook niet afdoende — wijze rekenschap van den hyp-uotischen toestand en plaatst hem physiologisch op eene lijn met de bedwelming, welke door opium, haschisch, chloroform, sterke dranken kan teweeggebracht worden. De hefboomen worden, bij al deze storingen, op verschillende punten aangezet: de storingen beginnen op verschillende plaatsen in het zenuwstelsel en bereiken wellicht ook op verschillende plaatsen hare grootste intensiteit — en vandaar de verschillen, de ,differentiae ultimae.\' Maar bij al deze storingen is dit gemeen-.schappelijk, dat het teedere centraal deel der hersenen, dat met de zinnelijke zelfwaarneming belast is en (middellijk) ten nauwste met de zelfkennis samenhangt, geheel of gedeeltelijk buiten werking gesteld, verlamd wordt — en vandaar bij de verschillen tevens de groote overeenkomst, en tegelijkertijd de nauwe aansluiting bij den slaap ter eene en, helaas ! bij de krankzinnigheid ter andere zijde.

Wij achten het niet noodig de gevoelloosheid (anesthesie) •der gehypnotiseerden ter sprake te brengen, maar wenden ons tot eene klasse van verschijnselen, die zeer vreemd schijnen.

GESUGGEREERDE MISDADEN.

„Bestaan er gesuggereerde misdaden en kunnen zij bestaan?quot; is de vraag, welke Dr. Benedikt stelde op het anthropologisch congres te Brussel, en hij antwoordt: „Ik voor mij geloof volstrekt niet, dat ze bestaan. Ik beschouw ze als de voortbrengselen eener ongelukkige wetenschappelijke inbeelding ; ik ontken niet dat ze een „theoretisch\' bestaan hebben; ik ontken niet, dat men ze door suggestie in den salon of in de laboratoria kan nabootsen, maar ik ontken hunne „praktische\' werkelijkheid.\' \') „Salon- en gehoorzaal-misdadenquot;, dat zijn zeer zeker

J) Dit laatste slaat meer op misdaden, die tengevolge van posthypno-tische suggestie bedreven worden, waarover straks.

-ocr page 155-

143

de manslagen, welk met behulp van een vouwbeen of een stukje hout gepleegd worden, de vergiftigingen, welke door suikerwater veroorzaakt worden, de moorden, welke een ongeladen pistool tot werktuig hebben; wanneer zoo iets in de hypnose gebeurt, dan heeft het er al den schijn van, dat men of met „eene daad van gehoorzaamheid aan den dokterquot;, in wien de zieke volmaakt vertrouwen stelt, met de vaste overtuiging, dat deze dit vertrouwen in geenerlei opzicht zal misbruiken, of met de tooneelkunst eener hysterische te doen heeft.

Niet altijd nochtans; ten minste indien men hetgeen ernstige doktoren schrijven niet aan „illusion inconscientequot;, onbewuste zelfbegoocheling, zooals Benodikt zegt, moet toeschrijven.

Theoretisch komt het ons wel mogelijk voor, dat een droom als die van den monnik, welke zijn abt vermoordde, gesuggereerd en verwezenlijkt worde, al heeft Dr. Benedikt gelijk in zijne bewering, dat een misdadiger al zeer ondoelmatig zou handelen, indien hij zich tot het voltrekken van zijn plan van een gehypnotiseerde bediende, en dat zich dus de justitie over zulke misdaden niet ongerust behoeft te maken.

Maar er zijn feiten van anderen aard, welke afdoende bewijzen, dat in de hypnose en tengevolge der suggestie dingen mogelijk zijn, die noch goed noch onverschillig mogen genoemd worden. Bij de proefneming, die Dr. Forel (o. c.) vermeldt, was wel geen slechte bedoeling in het spel, maar de suggestie, die in de hypnose opgevolgd werd door een meisje, dat hij sedert jaren als zeer zedig kende, bewijst toch, dat voorzichtigheid hierbij een gebiedende eisch is. Het is echter niet waar, dat de suggestie in zulke gevallen met zekerheid en zonder onderscheid van personen werkt. Prof. Brouardel deelt, zooals Dr. E. Marin aangeeft, een geval mede van eene jonge dame, die heel goed de suggestie aannam, dat zij zich in de nabijheid eener rivier bevond, maar een zenuwtoeval kreeg, toen men haar suggereerde zich te ontkleeden om een bad te nemen.

-ocr page 156-

144

Ook Dr. Bernheim en anderen bevestigen, dat de suggestie eener misdadige handeling door den een aangenomen en uitgevoerd wordt, door den ander niet.

Het zal overbodig zijn op het gevaar te wijzen, dat zulke proefnemingen met zich brengen en het ongeoorloofde er van aan te toonen; wij bepalen ons dus tot het mededeelen dei-feiten om daaruit alweder de groote overeenkomst tusschen den kunstmatigen en natuurlijken droom te doen zien.

, Wij redeneereu in den droom — zegt de H. Thomas — en gaan na, wat er wel kan volgen uit hetgeen wij ons voorstellen. Bij die werking des geestes wordt de algemeene zin vrij, maar niet volkomen, en aan de redeneering hapert altijd ietsquot;. Ook aan de redeneering op zedelijk gebied hapert in dat geval altijd een of ander. Vandaar de grillige verscheidenheid van de moreels opvattingen gedurende den droom.

Een moord zal — in den droom — nu eens in koelen bloede bedreven worden, dan weder niet dan met weerzin en angst; de eene maal is men zonder vrees voor ontdekking, de andere maal is men vol zorg, dat \'t zal uitlekken; terwijl toch de droomer in beide gevallen een even zachtzinnig mensch blijft, als hij wakker is, en er in de verste verte niet aan zou denken iemand leed te doen.

Eene andere omstandigheid mag hierbij tevens niet over het hoofd gezien worden. Ieder, die met kinderen te doen heeft gehad, weet zeer goed, dat reeds op jeugdigen leeftijd de energie, waarmede zij iets opvatten en uitvoeren, eene gewoonte doet geboren worden, die zich gedurende den slaap niet verloochent. Zoo zal van twee kinderen, die beide zedig en braaf zijn, het eene zich in zijn bedje niet bloot woelen zonder aanstonds, ook al slapende, zich weer te dekken, het andere echter rustig blijven liggen. Eveneens is het geen zeldzaamheid, dat kleine kinderen, die zeer energisch aan het

\') Vgl. het vorig hoofdstuk.

-ocr page 157-

145

„mijnquot; houden, ook in den slaap het speelgoed vaster omknellen, wanneei- men het. hun uit de hand tracht te wringen.

In den verlevendigden, handelenden droom der hypnose is het — afgezien van de daaraan verbonden gevaren, waarover later — niet anders.

DE POST-HYPNOTISCHE SUGGESTIE.

„Wanneer ge nu wakker zijt en de deur uitgaat, moet ge eens flink aan de bel trekkenquot;, zei mijn vriend Dr. J. aan een meisje, dat hij gehypnotiseerd had. En werkelijk liet kind speelde belletrekkertje en liep hard weg. Een ander zette zich in een hoekje op de knieën en bad een „ Gegrüsset seiest Du Maria\'. Een derde plaatste zich aan het klavier en speelde de „sonate pathétiquequot; tot aan het „andantequot;, en toen haar vader zei, „kom kind, wij gaanquot;, was het antwoord: „ik kan niet, ik moet doorspelen, dat heeft de dokter zeker gedaanquot;.

Ziedaar een paar voorbeelden van post-hypnotische suggestie „met korten vervaltijdquot;, nl.. onmiddellijk na het ontwaken.

„Ga nu naar huis en heden avond om acht uur slaapt ge in en blijft rustig slapen tot morgen ochtend zes uurquot;: dit bevel, in den voormiddag gegeven, was voldoende om de pa-tiente, welke aan langdurige slapeloosheid leed, werkelijk te doen inslapen en haar een rustigen nacht te bezorgen. Bij deze suggestie was de termijn der vervulling reeds langer. Er zijn gevallen bekend, waarin het gedurende de hypnose gegeven bevel na dagen en weken ten uitvoer werd gebracht en eene gesuggereerde hallucinatie werkelijk ontstond.

Een paar voorbeelden tot .toelichting. Dr. Bernheim beval aan een zijner patienten, een oud soldaat, welke aan eene maagkwaal lijdende was, na vijf dagen in zijn college-zaal to komen ; daar zou hij een zijner vroegere wapenmakkers vinden, welke met hem over een horloge woorden zou krijgen, die op eene vechtpartij zouden uitloopen. Werkelijk komt de

10

-ocr page 158-

14Ö

oud-gediende, en hoewel blijkbaar verwonderd bij het zien der toehoorders, laat hij zich eene plaats aanwijzen en weldra speelt zich de geheele, hem door Bernheim gesuggereerde scène af; hij disputeert met den denkbeeldigen sergeant en valt neer, als ware hij ter aarde geworpen. Eene dame, aan wie Dr. Richet bevolen had na eenige dagen terug te komen, verschijnt op dag en uur. „Ik weet niet, waarom ik ben gekomen — is haar woord — het is ellendig weer. Ik heb menschen te huis. Ik heb geloopen om hier te komen en ik heb geen tijd om te blijven, \'t Is eene dwaasheid en ik begrijp niet, waarom ik eigenlijk gekomen benquot;. „Den 1 Januari 1885 om tien uur \'s ochtends — suggereerde Beaunis aan mejuffr. A. — zult ge mij zien; ik kom u nieuwjaar wen-schen en daarna zal ik verdwijnenquot;. Deze suggestie, 172 dagen voor nieuwjaar gedaan, ging in vervulling, en mejuffr. A. verwonderde er zich zeer over, dat Dr. Beaunis, die op dat oogenblik in Parijs was, midden in den winter zijn zo-merpak (de kleeding, die hij droeg, toen hij haar hypnotiseerde) aan had.

Het is er echter verre af, dat eene post-hypnotische suggestie met onfeilbare zekerheid werkt; de een vergeet heel en al wat hij doen moest, de under doet het ten halve of op een ander tijdstip, een derde verzet zich tegen de gesuggereerde handeling, of uit eigenzin, of omdat hij het ongeoorloofde er van inziet. Zoo kon Dr. Porei een student er niet toe krijgen hem na de hypnose op den schouder te kloppen: zoo wilde eene dame, die onder Dr. Bernheims behandeling was, er zich niet toe leenen een horloge aan een ander te ontfutselen. Een man, die de suggestie had ontvangen, na eenige dagen een bezoek aan iemand te brengen en daar een zilveren inktkoker, dien hij op tafel zou zien staan, in den zak te steken, werd, toen hij het bezoek maakte, als door een onweerstaanbare macht naar den inkt koker getrokken; reeds had hij hem in handen, toen hij plotseling zich met de hand langs het voorhoofd wreef en den

-ocr page 159-

147

inktkoker weder neerzette met de woorden: „Daar! ik dacht, dat ik het niet klaar zou gekregen hebbenquot;.

Om tot eene verklaring van deze feiten te komen, moeten wij beginnen met de gevallen der post-hypnotische suggestie in twee groepen te verdeelen. Tot de eene groep behooren die menschen, welke na de hypnose volkomen ontwaken en ook volkomen wakker blijven, wanneer zij volbrengen, wat hun in den slaap bevolen is. Het gegeven bevel herinneren zij zich meestal zonder het als bevel te herkennen en beschouwen het als een voortbrengsel hunner eigene hersenen. „Dat kwam me zoo in \'t hoofd\'; „Ik weet niet waarom, maar ik dacht dat ik\'t moest doenquot;, is meestal het antwoord op de vraag: „Waarom doet go dat?quot; Enkele malen, wanneer de bevolen handeling onzinnig is, wordt zij, en dikwijls op handige wijze, gemotiveerd, \'t Is deze groep van gehypnotiseerden, welke het, blijkens vele voorbeelden, in hunne macht hebben, aan het gegeven bevel te gehoorzamen of niet — al moet gezegd worden, dat het weerstreven dikwijls groote inspanning vordert.

De andere groep omvat die, welke op den bepaalden tijd of plaats enz. opnieuw in hypnose geraken. Dr. Mesnet verhaalt (zie Marin), dat hij een zijner patiënten gelast had \'s anderen daags de horlogeketting van X te stelen: „Des andoren daags zagen wij onzen zieke, het oog strak op do ketting gericht... zijn gelaat was kalm, zijn oog afgetrokken (eontemplatif), \'t was duidelijk, dat hij zich langzamerhand aan de omgeving ont\' trok en zich zeiven hypnotiseerdequot;. De diefstal werd voltrokken en de patiënt was geheel ontdaan, toen men later de horlogeketting in zijn vestjeszak vond.

„De schijnbeelden, welke zich in den slaap verloonenquot;, zegt de H. Thomas [De Somniis L. V.] — en deze woorden bevatten de verklaring der post-hypnotische verschijnselen der eerste groep — „vertoonen zich ook somtijds aan hem, die wakker is. En aldus blijft dezelfde beweging der droombeelden in de organen der zinnen aanwezig, zoowel gedurende den slaap als na het

-ocr page 160-

148

ontwaken. En daarom gebeurt het, dat de kinderen, wanneer ze in \'t duister wakker worden, dezelfde schimmen zien, welke ze in den slaap zagen en bij hun ontwaken vreezen, dat hetgeen hun verschijnt werkelijkheid is, omdat ze in den slaap beangst\' warenquot;. Dr. Liebeault, die (o. c. p. 174) op dit feit de aandacht vestigt en het, waarschijnlijk onbewust, ongeveer in de woorden van den H. Thomas inkleedt 1), voegt er bij, dat zulks ook bij volwassen menschen kan voorkomen en dat hij zelf het ondervonden heeft, toen hij, nog student zijnde, eens van een brand droomde aj. Bij personen, wier zenuwstelsel geschokt is, kan een droom, vooral indien hij zich herhaalt, de aanleiding zijn tot eene idéé fixe, getuige de weduwe S. (o. c. p. 148), die er door een herhaalden droom toe gebracht werd haar kind te dooden, getuige ook de gendarme, die de vlucht nam, omdat hij gedroomd had, dat hij ter dood veroordeeld was. Maar ook bij normaal aangelegde menschen is het geen ongewoon verschijnsel, dat een droom invloed uitoefent zoowel op de stemming als op de handelingen; ieder zal hiervan bij eenig onderzoek wederom in zijne naaste omgeving voorbeelden vindon. Do werking der post-hypnotische suggestie op zich zelve is dus van denzolfden aard als hetgeen ook tengevolge van een natuurlijken droom geschiedt, en do (betrekkelijke) zekerheid, dat een bevel uitgevoerd wordt, zal wol daaraan te danken zijn, dat, terwijl een natuurlijke droom meestal iets vaags en onbepaalds hooft, de kunstmatige droom door den hypnotiseur in een vast spoor geleid wordt, waarin hij zich gemakkelijker en langer kan voortbewegen.

Daar echter in deze groep de menschen werkelijk wakker zijn, kunnen zij aan de ingegeven gedachte weerstaan (indien er overigens aan hun zenuwleven niets hapert) en doen dit dan ook somtijds — al kost het hun evenveel moeite als

1

) „Les enfants éveülés voient et entendent encore les personnages de leurs rêves avec tous les caractères de la vérité.quot;

-ocr page 161-

149

b. v. aan iemand, die van inbraak droomt en die, wetende dat hij gedroomd heeft, niet aan den drang vvil toegeven om op te staan en na te zien, of alles op slot is.

De andere klasse der post-hypnotisch gesuggeerden geraakt op nieuw in hypnose en verliest dan het controleerend bewustzijn, terwijl de suggestie zich met vernieuwde kracht opdringt. Dit zijn meestal sujetten, die reeds eene hypnotische dressuur hebben ondergaan, of die, wanneer de proef reeds de eerste maal lukt, een ziekelijk zenuwstelsel hebben.

Ook do nauwkeurigheid, waarmede een gesuggereerde den tijd weet af te passen en intusschen van de suggestie niets schijnt af te weten, wekt bij velen groote verbazing. En op de feiten uit het gewone leven, die hiermee op één lijn gesteld dienen te worden, wordt volstrekt geen acht geslagen. Hoe vaak betrapt zich ieder op een uitroep als: „\'t is goed, dat ik daarom denk, ik had \'t haast vergetenquot;; „dat valt me nog net in tijds in\' e. a. Wij herinneren ons, dat wij iets moeten doen, juist op \'t oogenblik, dat het moet geschieden, en dik-wjjls zonder dat wij in den tusschentijd er aan dachten. De cene of\' andere omstandigheid (tijd, plaats, voorwerp enz.) waarmede wij, hetgeen wij ons hadden voorgenomen of hetgeen ons bevolen werd, in verband hebben gebracht, is de oorzaak, dat wij plotseling aan ons voornemen, aan het bevel enz. herinnerd worden, wanneer de tijd daar is, wanneer wij ons op de plaats bevinden, het voorwerp zien enz. l). Het vermogen van sommige mensehen om, ook zonder er aan te denken, den tijd af te meten, is dikwijls zoo groot, dat zij nimmer een wekker of porder noodig hebben, maar te zelf-bepaalder ure zeker ontwaken» Ook aan deze zijde sluit zich dus het post-hypnotische wonder bij de alledaagsche gebeurlijkheden aan, en deze aansluiting wordt des te nauwer, omdat, evenals in het gewone leven, sommige gehypnotiseerden dikwijls denken aan hetgeen zij te verrichten hebben en omdat *) Zie overigens het vorig Jaoofdstuk.

-ocr page 162-

150

de waarschijnlijkheid, dat eene suggestie verwezenlijkt zal worden, met den tijd afneemt even zoo goed als men meer kans heeft dat te vergeten, wat men zich had voorgenomen op een ver verwijderd tijdstip te verrichten. De voorbeelden der „suggestion a longue échéance\' zijn dan ook zeer schaarsch.

Post-hypnotische misdaden, d. w. z. misdaden gedurende den slaap bevolen en na de hypnose uitgevoerd, schijnen ons niet veel toekomst te hebben, al kunnen wij de mogelijkheid daarvan niet ontkennen. Zelfs het geval, dat Dr. Voisin {Rapport s. I. suggestions délictueuses) in Brussel ter tafel bracht om de mogelijkheid zulker misdaden te bewijzen, wekte in ons de overtuiging, dat een schurk al heel onhandig zou doen, wanneer hij een gehypnotiseerd persoon met de voltrekking van een misdadig plan zou belasten. De brandstichting, welke door Dr. Voisin aan Marie D. bevolen was, werd onder de oogen van de bewoners der avenue Bugeaud met de grootste kalmte ten uitvoer gelegd en had dus, ware het meenens geweest, al bitter weinig kans van slagen gehad. De „amnesie au réveilquot;, het vergeten wat er gebeurd is, waarop de misdadiger, die een gehypnotiseerd persoon gebruikt, moet rekenen, is wel een verschijnsel, dat aan den hypnotischen droom evenals aan den natuurlijken droom eigen, maar ook bij beide nagenoeg even onzeker is, daar de herinnering dikwijls plotseling plaats heeft en andere malen door een bekwaam hypnotiseur kan opgewekt worden.

Negatieve suggestie noemt men het wegsuggereeren van een of ander. Zij is meestal post-hypnotisch; b. v.: „Wanneer gij ontwaakt, zult gij mij niet meer zien, niet hoorenquot; enz. Dr. Bernheim merkt hierbij zeer terecht aan, dat de patiënten toch blijven zien en hooren, daar zij do voorwerpen, die weg-gesuggereerd zijn, weten te ontwijken en het bevel „nu kunt ge mij weer hoorenquot; verstaan.

Ook dan, wanneer schijnbaar een der oogen met blindheid geslagen wordt, kan men met een prisma aantoonen, dat het

-ocr page 163-

151

oog ziende blijft. De patiënten zien, hoeren en voelen wel — geschikte vragen kunnen dit aan den dag brengen — zij slaan er echter volstrekt geen acht op, omdat hunne aandacht zich vestigt niet op hetgeen zij zien maar op de onmogelijkheid om het te zien. Het moet hun te moede zijn evenals sommige zieken, welke beweren den een of anderen naam niet te kunnen uitspreken, en terwijl ze over die onmacht klagen, bij herhaling den naam duidelijk zeggen; of als den droomer, die de nachtmerrie heeft en in den waan verkeert, dat hij zich niet kan verroeren en geen macht heeft, om het monster, dat op zijne borst zit, te verjagen.

Bij den „rêve en action\', zooals men den hypnotischen toestand zou kunnen noemen, wordt de gedroomde ongevoeligheid, en bewegingloosheid tot werkelijkheid evengoed als bij den zenuwzieke, die in den waan verkeert, dat zijn linker been verlamd is, maar die zeer goed kan loopen, wanneer hij voor een oogenblik zijn idéé flxe vergeet.

HYPNOTISCHE GENEESWIJZE.

Toen we van de macht der inbeelding spraken, hebben we eenige voorbeelden aangegeven, waaruit die macht bleek. Wij moeten daarop terugkomen, wijl de inbeelding op het mensche-lijk organisme eenen invloed uitoefent, welke tot zulke vreemdsoortige dingen kan aanleiding geven, dat men geneigd zou

zijn een „Apage Satana\' uit te spreken,......wanneer

wij niet van Sint Thomas leerden de zaken kalm onder de oogen te zien en voor een kleinigheid niet vervaard te zijn. „Aan de verbeelding, zoo ze sterk is, gehoorzaamt het lichaam

in sommige zaken.....Op dezelfde wijze [gehoorzaamt het

lichaam] bij die veranderingen, welke met warmte en koude in betrekking staan en met andere zaken van dien aard ; dit komt daarvan, dat uit de verbeelding natuurlijkerwijze aandoeningen der ziel voortspruiten, volgens welke het hart be-

-ocr page 164-

152

wogen wordt; en op die wijze wordt door de beweging der levensgeesten het geheele lichaam veranderd. Maar er zijn andere gesteldheden des lichaams, welke met de verbeelding niet in betrekking staan en dus ook niet door haar, hoe sterk ze ook zij, veranderd kunnen worden, zooals de vorm van hand en voet en andere van dien aardquot; {Summa III, Q. XIII, art. V). Steken we deze woorden van den Engel der School in moderne kleedij, dan luiden ze als volgt. Het beeld, dat de phantasie ons voor den geest toovert, is in staat eene aandoening in ons op te wekken. Is deze aandoening sterk, dan kan zij haren invloed op de vasomotorische zenuwen doen gevoelen en daardoor den bloedtoevoer naar een of ander lichaamsdeel versnellen of verdragen en aldus een middel zijn tot ziekte of tot genezing. Dat deze laatste interpretatie niet overdreven is, blijkt ten duidelijkste uit de woorden, die wij in de Summa contra gentiles (Lib III, cap. XCIX) vinden; „Daardoor, dat de ziel zich iets verbeeldt en er sterk door wordt aangedaan, volgt somtijds in het lichaam eene verandering, welke tot genezing of tot ziekte kan leiden\'. Op gezag der medici neemt St. Thomas zelfs aan (1. c. cap. CIII), dat zulk eene ziekte koorts of melaatschheid kan zijn en houdt slechts tegen Avicenna staande, dat de ziel niet direct, onmiddellijk en zonder medehulp van eenige beweging (motus localis, waarvan hij het hart als oorsprong aanneemt) zulke verandering kan bewerken.

Ook in de Quaestiones disputatae {De jM. an. Ill) vinden we dezelfde meening over koorts en melaatschheid, terwijl daar duidelijk gezegd wordt, dat „door de beweging der levensgeesten [voor ons: van het bloed] naar het hart of de verspreiding door de ledematen eene verandering kan veroorzaakt worden, waarvan de ziekte afhangt, vooral indien het organisme daarvoor geschikt is („praecipue si sit materia dispositaquot;).

In aanmerking nemende, dat men tegenwoordig het princi-

-ocr page 165-

153

pium motus niet in het hart maar in het centrale zenuwstelsel zoekt, moeten wij tot het besluit komen, dat de verbeelding op gezondheid en ziekte („ ad sanitatem vel ad aegritudinemquot;) kan werken in de eerste plaats bij die kwalen of toestanden, welke direct van de zenuwen afhankelyk zijn, om \'t even of de verbeelding op zieh zelve prikkelbaar genoeg is om ook buiten de hypnose geïnfluenceerd te worden („suggestion a l\'état de veillequot;), dan of de verbeelding, althans voor de eerste maal, geheel vrij terrein moet hebben en door den hypno-tischen toestand van allen storenden invloed moet zijn afgesloten („suggestion hypnotiquequot;).

Niemand denkt er aan van de suggestie te eischen, dat zij eene geheel afgestorvene zenuw zal herstellen; er zijn echter dikwijls geringfi, nauwelijks waarneembare veranderingen der zenuwzelfstandigheid, welke weliswaar het gebruik dei-zenuw, hare functie eigenlijk, niet belemmeren, maar toch zoo op de verbeelding werken, dat feitelijk het lichaamsdeel, hetwelk die zenuw tot beweging noodig heeft, verlamd schijnt. Ia dit geval is de suggestie (en andere oorzaken evenzeer) in staat het gebruik van het lidmaat terug te schenken en daardoor tevens de feitelijke genezing te bevorderen. Hetzelfde geldt voor die gevallen, waar pijn, hetzij tengevolge van eene reflexwerking, hetzij tengevolge van eene vrijwillige reactie, bewegingen belemmert, die in zich nog zeer goed mogelijk zijn. De suggestie, welke de pijn wegneemt, of liever de aandacht van de pijn aftrekt, herstelt daardoor ook de beweging. Op eene andere wijze werkt de suggestie, welke de pijn wegredeneert, somtijds gunstig op het organisme. Als de pijn hare rol vervuld heeft-en hare waarschuwende stem heeft doen hooren, zoodanig dat de zieke de hulp van een geneesheer heeft ingeroepen, is het dikwijls goed, dat haar het zwijgen (door narcotica of suggestie) worde opgelegd. Haar voortdurend geroep zou de aandacht van den zieke op zijne kwaal of wond gevestigd houden en hem ongerust ma-

-ocr page 166-

154

%

ken — een toestand welke zeker voor de genezing niet gunstig is. Bij groote operation schijnt de suggestie niet de plaats van de chloroform te kunnen innemen; bij het kiezentrekken is echter een watje met zuiver water voor velen voldoende om geen pijn te voelen, terwijl ook hoofdpijn en kiespijn zich door «suggestion a l\'état de veillequot; gemakkelijk laten verdrijven. En wanneer een dokter de overtuiging heeft, dat een patient wel van zelve genezen zal, als hij maar rustig on matig leeft, en om den zieke kalm te houden pillen van broodkruimels of een drankje van Protoxyd Hydrogenii (water) met een stroopje voorschrijft, wat is dat dan anders dan een werken op de verbeelding? Zeer juist zegt Bernheim (o. c.): , Zonder twijfel is de suggestie niet in staat een ontwricht lidmaat op zijne plaats te brengen, een rheumatische gewrichts-aanzwelling te doen slinken, de verdwenen hersenzelfstandig-heid te herstellen ... de suggestie is niet bij machte de functie te herstellen van een orgaan, dat niet meer bestaat. Men moet zich voor overdrijving wachten; de rol, welke suggestie bij organische kwetsingen (lésions) speelt, is gering. De suggestie kan niet voor het heele therapeutische arsenaal in de plaats treden;... zij geneest de koorts niet en voorkomt niet altijd het zweeten en den hoestquot;. Maar van den anderen kant: „kan de suggestie organische veranderingen te weeg brengen; wij hebben roode plekken, blaren (als van een trekpleister),

diarrhee en haemorragieën door suggestie zien ontstaan.....

Bij de meest uiteenloopende ziekten der organen voegen zich storingen in het zenuwleven, die aan den algemeenen zenuw-toestand van een organisme, welks verrichtingen één samenhangend geheel vormen, gebonden zijn......Waarom zou

men nu deze storingen niet door suggestie kunnen doen verdwijnen, ook dan wanneer men de oorzaak niet kan wegnemen .... Wat doet de medicus in vele gevallen ande;-s, dan de zieken symptomatisch behandelen ? [d. w. z. de gevolgen aantasten, waar hij tot de oorzaak der ziekte niet kan door-

-ocr page 167-

dringen]\'. Deze woorden van Dr. Bernheim geven den juisten middenweg aan, dien men moet inslaan om het hypnotisme en de suggestie als geneesmiddel naar waarde te schatten.

De „roode plekken en blaren\', waarvan de dokter spreekt, moeten wij echter nog aan een onderzoek onderwerpen, vooral omdat hij, naar de heerschende mode, in éénen adem daarbij voegt: „de stigmatisatie is een verschijnsel van auto-suggestiequot;. Wanneer S. Thomas, op gezag der medici van die dagen, toegeeft, dat zelfs melaatschheid en koorts uit de verbeelding kunnen ontstaan en daarin niets ongerijmds ziet, dan kan ons eene brandwond, die men met behulp van een koud voorwerp op de hand of den arm van een gehypnotiseerde voortbrengt, eene blaar, die door een stukje postzegelpapier (als trekpleister gesuggereerd), en zelfs een paar bloeddruppels, die te bepaalder ure uit den neus of uit den arm van een sujet te voorschijn komen, eigenlijk totaal onverschillig laten.

Van den anderen kant zijn wij, katholieken, er vast van overtuigd, dat God èn de macht heeft wonderen te doen èn de wijsheid om, waar Hij een wonder wrocht, het duidelijk te maken voor allen, ook voor de mannen der wetenschap, die willen zien.

Gesteld al, dat de auto-suggestie in staat ware inderdaad stigmata voort te brengen, dan zijn nog de omstandigheden, welke zich bij de „van Gods genade\' gestigmatiseerden voordoen, van zoo buitengewonen aard en zulke duidelijke strekking, dat alleen daardoor reeds blijkt, naar welken kant de oorzaak der lijdensteekens gezocht moet worden. Maar zooverre is het nog niet; de stelling: „de stigmatisatie is aan autosuggestie te danken\', is verloopig niets dan eene onbewezen verzekering. Want er zijn geen feiten 1) bekend, dat autosuggestie bloedingen heeft doen ontstaan; alle vernielde waarne-

\') Wij bedoelen: wetenschappelijk geconstateerde feiten, waarbij zoowel alle bedrog als alle bovennatuurlijke invloeden buiten spel zijn en die dus het recht geven tot auto-suggestie te besluiten.

-ocr page 168-

156

mingen, en die zijn niet talrijk, betreffen voorbeelden van 7ielt;erosuggestie, suggestie door een ander. Meestal was hierbij het sujet of\' eene hysterische of getraineerd en moest, om de proef\' te doen lukken, de invloed van het gevoel te baat genomen worden. Het was niet voldoende te zeggen: „ge zult aan den arm bloedenquot;, maar er moest eene letter op den arm geteekend worden en in de hypnose bevolen worden: „ge zult daar bloeden, waar die letter geteekend is\'. Karakteristiek hierbij is, dat bij de meeste proeven van dit soort eene „suggestion ii échéancequot; noodig is, dat het niet lukt den patiënt dadelijk te doen bloeden maar wel na eenigen tijd: eene omstandigheid, die vooral met het oog op de sujetten, bij wie het kunststuk mogelijk is, tot groote voorzichtigheid moet aansporen. Bij een patiënt, die onmiddellijk en ten aanschouwe van een geheel medisch publiek op het bevel reageerde, waren het niet de letters, die staande de zitting op de huid geteekend waren, maar de letters, die bij eene vroegere voorstelling reeds dienst gedaan hadden, welke zich rood en met enkele bloedparels voorzien op de huid afteekenden (Gullere o. c.). Diepe wonden en scheuren in de huid zijn tot nog toe niet door suggestie veroorzaakt \').

Wij voor ons verwachten van die kunsten therapeutisch weinig heil en vreezen er geen nadeel van voor de echtheid der werkelijke lijdensteekens. Integendeel hoe nauwkeuriger men zulke buitengewone feiten onderzoekt, en hoe zorgvuldiger men zoowel alle bedrog als alle natuurlijke oorzaken uitsluit, hoe beter het is en hoe helderder ook Gods macht aan het licht komt.

1) Onze vriend Dr. J. wees ons op de overeenkomst tasschen deze gesuggereerde blaasjes en plokken en die, welke bij de gordelroos voorkomen. Deze ziekte bestaat daarin, dat over het geheele verloop van een zenuw de huid rood wordt en zich met kleine blaasjes bedekt. Eeno „gemakkelijk geneesbare verandering der zenuwquot; (Niemeyer, Pathologie) kan dus zulke verschijnselen te weeg brengen en maakt ons minder onbegrijpelijk hetgeen er tengevolge der hypnose, waar ook de zenuwen hoofdzakelijk in \'t spel zijn, gebeurt.

-ocr page 169-

157

Het wachtwoord ,suggestiequot; moet ook dienst doen, om de wondervolle genezingen van Lourdes en andere plaatsen te verklaren, in weerwil van de verklaring door ongeloovige doctoren afgelegd, dat er genezingen geschieden, welk geheel en al buiten het bereik der suggestie liggen en dat er personen herstellen, welks door den bekenden hypnotiseur Dr. Charcot als ongeneeslijk ontslagen waren. Dat feitelijk de een of andere zenuwlijder door eene religieuse opwekking der verbeelding geneest, wij hebben er volstrekt niet tegen — maar, zooals Eiko in De Tijd mededeelde, in Lourdes bleef dikwijls de genezing uit, waar men ze wel, en werd verkregen, waar men ze niet, op natuurlijke oorzaken afgaande, zou verwacht hebben. Men moet, waar het een wonder geldt, degelijk onderscheid maken, of de zaak geheel en al buiten de macht der natuurlijke oorzaken ligt, dan of ze door natuurlijke oorzaken kan bewerkt worden. En in dit laatste geval moet er wederom scherp onderzocht worden, of, in een bepaald geval, de natuurlijke oorzaken wezenlijk werkzaam waren of niet. Zijn dan de natuurlijke oorzaken werkzaam, dan heeft men niet, is de werking der natuurlijke oorzaak uitgesloten, dan heeft men wel met een wonder- te doen.

Overigens heeft Dr. Bernheim, zooals we aanhaalden, gevallen genoeg opgenoemd, waarin geen suggestie en geen opwekking iets vermag — en er is dus nog, en er zal steeds blijven, gelegenheid genoeg voor genezingen, die elkeen als een wonder moet erkennen. Is het dwaas de mogelijkheid der mirakelen te ontkennen, en onverstandig een mirakeljager te zijn — de Kerk zelve leert ons, beter dan alle doktoren, dat men bij het consta-teeren van een mirakel zeer voorzichtig moet te werkgaan. \')

HET HYPNOTISME IN DE OPVOEDING.

„Extractum c.ornus unicornW was voor jaren een genees-

*) Leerzaam is onder dit opzicht het boek van Mgr. Korum: „Wonde-

-ocr page 170-

158

middel, dat overal dienst moest doen; het bestond uit fijngemalen beenderen van voorwereldlijke dieren, mammocthstan-den vooral. Tegenwoordig is voor velen „suggestiequot; iets dergelijks. Ook op \'t gebied der opvoeding en der moraal heeft zij zich een plaats willen veroveren. Enkele heethoofden zouden wel overal ,suggestiequot; willen zien, waar een gezond nienschen-verstand „overtuiging, overreding, inzichtquot; waarneemt. Zij zouden gaarne de geheele godsdienstige en zedelijke opvoeding tot suggestie willen terugbrengen. Wij sparen ons de moeite, zulken onzin te weerleggen.

Dat men zich door den een gemakkelijker laat overreden dan door den ander, dat de eene schoolmeester alles met de kinderen kan doen, terwijl de andere niets met hen kan aanvangen, weet iedereen. Tot heden heeft men gedacht, dat de waargenomen hoedanigheden dier personen aanleiding gaven tot oordeelen, zij het dan juiste of onjuiste, en dat die oordee-len mede van invloed waren op de volgzaamheid, de gewilligheid, waarmee men naar die menschen luisterde of van hen iets aannam, en zoo, dunkt ons, kan \'t nog wel blijven.

Men vindt echter in de boeken over hypnotisme en men hoort uit den mond van hypnotiseurs, dat ze door suggestie dronkaards genezen en slechte gewoonten uitgeroeid hebben, en wij staan dus voor de vraag, welke waarde daaraan te hechten is. Wij kunnen niet anders dan theoretisch deze vraag bespreken, omdat, naar onze meening, de ervaring niet in voldoende mate aanwezig is om het practische nut dezer suggestie te kunnen bevestigen, en wij voor ons verwachten er geen gouden bergen van 1). Persoonlijke sympathiëen of antipathieën hebben echter in dezen niet mee te spreken en wij zetten die dus aan kant.

ren en goddelijke gunstbewijzen,quot; waarvan onlangs eene nederlandsehe vertaling verschenen is.

^ Dit mistrouwen deelen wij met vele medici, die liet er voor houden, dat geene hypnotische verbetering, zoowel op lichamelijk als op zedelijk gebied, op den duur stand houdt.

-ocr page 171-

159

Wanneer er sprake is van eene slechte gewoonte, die zich iemand heeft eigen gemaakt, van een slechten aanleg of slecht karakter, dan zijn hierbij twee factoren werkzaam. Vooreerst de vrije wil en ten tweede de lichamelijke gesteldheid. Daar nu de zedelijkheid in den wil ligt, begint de mo-reele verbetering daar, waar de wil zich ten goede keert, maar wijl van den anderen kant het lichaam zijn deel heeft, met of zonder schuld, moet dikwijls eene lichamelijke behandeling met de opvoeding des geestes en des wils hand in hand gaan. Toegegeven nu, dat de hypnotische suggestie een dronkaard of een verzwakt wellusteling een sterken tegenzin tegen zijne zonde kan inboezemen, zoodat hij gedurende korter of langer tijd tengevolge van dien tegenzin zijne gewoonte laat varen, dan is weliswaar het beter leven in zich zelve slechts in zooverre van zedelijke waarde als er de wil deel aan heeft, maar wanneer de patiënt met het doel en den wil van zijne kwade gewoonte vrij te komen zich aan die behandeling onderworpen heeft, dan is het yeooly geheel en al voor rekening van den wil, omdat de oorzaak met kennis der gevolgen gewild was.

Wanneer de noodige voorzichtigheid in acht genomen wordt, bestaat er in zulke gevallen, dunkt ons, voldoende reden om zich te onderwerpen aan eene behandeling, die iemand voor korten tijd (gedurende de hypnose n.1) van zijn vrijen wil berooft en voor langen tijd (den duur der inwerking van de post-hypnotische suggestie) aan den invloed van een opgedrongen voorstellingsbeeld (den afschuw) onderwerpt.

Verzwakt langzamerhand do in de hypnose opgewekte indruk, dan is het mogelijk, dat de gewoonte terugkeert, maar het is ook mogelijk, dat, door de lange onthouding, de lichamelijke prikkel, genoegzaam verzwakt is om den wil de overwinning te vergemakkelijken. Afgezien van de moreele waarde en van den invloed der vrijwillige onderwerping aan eene

ikuur, is het met met de uitwerking gesteld evenals bij kin-kuur, is het met met de uitwerking gesteld evenals bij kin-

-ocr page 172-

160

deren, die reeds moeten leeren gehoorzamen en zich netjes gedragen, zelfs met medehulp van argumenten a posteriori, vóórdat ze tot de jaren des onderscheids gekomen zijn. Komt de rede later tot ontwikkeling, dan krijgt hunne handeling pas zedelijke waarde, maar ze hebben dan gelukkigerwijze alvast de gewoonte van zich netjes te gedragen.

Wij zijn,als van zelve tot het al of niet geoorloofde eener hypnotische behandeling gekomen en hebben reeds in één geval tot een ,licet\' besloten. De beginselen, welke ons daarbij leidden waren in \'t kort de volgende, welke ook bij de beoordeeling der hypnotisatie tot genezing van lichamelijke kwalen moeten dienen.

I. De tijdelijke verduistering van het verstand en, bijgevolg, de verlamming van den wil is eene daad, welke volgens den H. Thomas slechts dan zedelijk kwaad is, wanneer zij zonder voldoende reden geschiedt. Wanneer men zich dus gerustelijk mag laten chloroformiseeren, als men daarvoor voldoende en, zooals van zelve spreekt, zedelijk goede beweegredenen heeft, dan mag men zich onder dezelfde voorwaarden ook door de hypnose laten bedwelmen.

II. Wanneer echter uit zulk eene handeling zoowel goede als slechte gevolgen voortvloeien, beide even onmiddellijk, dan moet men het goede gevolg willen en mag men het slechte toelaten, mits het goede minstens even zwaar wege als het slechte.

Onder de gevolgen der hypnose rekenen wij niet het misbruik, dat plichtvergeten menschen van de hypnose kunnen maken, daar soortgelijke misdaden evenzeer bij andere bedwelmingen mogelijk zijn en dus niet „per sequot; tot de hypnose be-hooren.

Wijl echter gedurende den hypnotischen slaap iemands hand-teekening kan verkregen worden, b. v. onder eene volkomen rechtsgeldige schuldbekentenis, wijl handelingen tegen de eerbaarheid kunnen bedreven worden, zooals reeds feitelijk is

-ocr page 173-

1G1

voorgekomen, wijl vooral door herhaalde behandeling een patient steeds meer onder den invloed van zijn hypnotiseur raakt en post-hypnotische suggesties steeds met beter gevolg kunnen gegeven worden, is de raad van ernstige medici zeker én in hun eigen belang én in dat der patienten: laat u nooit hypnotiseeren dan door een man van erkende betrouwbaarheid en in tegenwoordigheid van onverdachte getuigen, die toehoo-ren en toezien.

Onder de gevolgen der hypnose kunnen wij evenmin die der veelvuldig herhaalde hypnose tellen. Wij stellen, wat dit punt aangaat, de werking der herhaalde hypnose op ééne lijn met die van andere bedwelmende middelen : chloroform, morphine, alcohol enz. Alle, waar ze ook hunne werking op de hersenen mogen beginnen, eindigen met het orgaan van het zelfgevoel voor een tijd te verlammen en het zelfbewustzijn te ontnemen; zij praedisponeeren dus dit orgaan tot eene blijvende stoornis, en dit te meer omdat hunne werking in tegenstelling met de natuurlijke rust van den slaap, in zekeren zin gewelddadig is. Te veelvuldig gebruik loopt bij al deze narcotica op het gekkenhuis uit, terwijl een spaarzaam eu oordeelkundig gebruik nuttig kan zijn.

Wij zeggen een , oordeelkundigquot;\' gebruik, omdat het hypnotiseeren door de Hanssen\'s, Donato\'s e. t. q., die zonder te onderzoeken, of de nei veuse toestand der patiënten niet de hypnose verbiedt, er maar op los hypnotiseeren en daarbij als het ware met geweld hun sujet overmeesteren, reeds bij de eerste zitting schadelijke gevolgen kan hebben. Het houden van hypnotische voorstellingen houden wij voor even schandelijk als wanneer men ten aanschouwe van een geheel publiek eenige menschen opzettelijk dronken zou maken \').

Juist omdat wij een spaarzaam en oordeelkundig gebruik

\') Op de medische colleges, waar patiënten hypnotisch behandeld worden en tegelijkertijd als demonstrations-ohjekte dienen, is dit natuurlijk niet toepasselijk.

11

-ocr page 174-

162

der hypnose voor niet gevaarlijk houden, zouden wij, indien wij ons op die wijze moesten laten behandelen, ons liefst aan zulk een dokter toevertrouwen, die wel goed hypnotiseur is, maar niet alle heil in alle gevallen van hypnose verwacht, die ook aan poeders en pillen recht laat wedervaren. Geheel anders dan voor eene operatie, zijn we in zake hypnose eenigs-7,ins huiverig voor specialiteiten.

De „suggesties in wakenden toestand\', die niet reeds voorafgegaan zijn door eene hypnose, welke den patiënt van den hypnotiseur afhankelijk heeft gemaakt, en die daarbij niet aan personen van een zwak of ziekelijk zenuwgestel gegeven worden, zijn van onschuldigen aard, en wij gelooven niet, dat zelfs de angstvalligste er iets in zal zien, wanneer kiespijn, hoofdpijn enz. suggestief weggestreken, weggeblazen of weggeveegd worden, en niemand zal er bijgeloovigheid in zoeken, als de moeder bij het kind, dat zich gebrand of gestooten heeft, do pijn wegzoent.

-ocr page 175-

HOOFDSTUK VIII.

MISDAAD EN MISDADIGER. -

„De school der anthropologie criminelle — aldus het rapport van Dimitri Drill op het laatste anthropologisch congres te Brussel (1892) maakt op de eerste plaats den misdadiger en zijne talrijke typen tot een voorwerp harer ernstige studie.quot; Tegen de ernstige studie van den misdadiger hebben wij hoegenaamd geen bezwaar, maar de vaststelling van hetgeen men door „misdaad\' moet verstaan dient toch aan de studie van den misdadiger vooraf te gaan.

\'t Is toch duidelijk, dat, waar geen „misdaad\' erkend wordt, het woord „misdadiger\' een zinlooze klank is. Daarom schrijven wij boven ons opstel Misdaad en misdadiger, en beginnen wij ons onderzoek naar de waarde der nieuwere theorieën met eenige beschouwingen over misdaad en verantwoordelijkheid \').

Eene daad, welke werkelijk „mis,quot; d, i. verkeerd, slecht, _ j

\') Met veel vrucht zal de lezer de eerste hoofdstukken van het proefschrift van Dr. Nolens: De leer van den H. Thomas van Aquino over het recht raadplegen.

Behalve dit werk gebruikten wij bij onze studie:

Rapports du troisième congres d\'anthropologie criminelle, — Lombroso, Ij Uomo delinquente, 1889. — Tarde, La philosophic pénale, 1891. -Laurent, Les habitués des prisons de Paris, 1890. — Corre, Crime et suicide, 1891 — Garofalo. Za criminalogie, 1888. — Francotte, L\'Anthropologie criminelle, 1891. — Lucchini, Le droit pén al, 1892, en de in

-ocr page 176-

164

kwaad is, kan niet bestaan zonder dat hij, welke die daad verricht, de verplichting heeft anders te handelen dan hij doet, en eene verplichting kan wederom niet zijn zonder wet.

De eerste en hoogste oorzaak van elke wet, en de reden van hare verplichtende kracht, kan niet anders dan in God zelf gezocht worden.

Het gezond verstand kan zich, in weerwil van Büchner, Moleschott e. t. q. niet met de eindige oneindigheid, de niet noodzakelijke noodzakelijkheid eener eeuwige stof en eener eeuwige kracht vereenigen ; het blijft met eene gelukkige hardnekkigheid vasthouden aan het: „In den beginne schiep God hemel en aardequot; en do geheele schepping als eene vrije daad van Gods almachtigen en alwijzen wil erkennen. Indien nu elk stofdeeltje zijn wezen en zijne kracht aan den Schepper dankt, dan zijn de vaste regels en normen, volgens welke de stof werkzaam is, de wetten der natuur, het gevolg van Gods wil. Ook de mensch is het werk van Gods handen, en indien er wetten zijn, waaraan de mensch onderworpen is, zijn ook deze door God gewild.

In \'t algemeen zal vooreerst voor denmensch de wet bestaan van te handelen volgens zijn natuur, evenals voor elk wezen de handeling met den aard en de natuur overeenkomt.

Voor zooverre nu de stof deel heeft aan de samenstelling van den mensch, is de mensch ook aan de wetten der stof gebonden, werken die wetten in hem, evenals overal in \'t heelal, met noodzakelijkheid en kan hij zich daaraan niet onttrekken. Maar in den mensch is de stof levend, en daarom gelden voor hem verder de wetten, die het leven, het animale leven in \'t algemeen, beheerschen. Eindelijk en vooral is in den mensch de stof levend door de redelijke ziel, is hij een redelijk schepsel Gods.

vorige artikelen reeds aangehaalde werken van v. Krafft-Ebing, Grie-singer, Kraepelin, Moll.

-ocr page 177-

165

Omdat de mensch een met verstand begaafd wezen is, daarom is hij tevens, zooals wij in een vorig hoofdstuk aantoonden, een vrij willend wezen, en uit deze zijne verstandelijke met vrijen wil begaafde natuur volgt, dat de mensch zijne vrije handeling moet richten naar de uitspraken zijner rechte rede, dat hij met vrijen wil verstandig moet handelen.

De wil van den Schepper, dat elk wezen zijne natuur hebbe en volgens deze handele, een wil, waarvan de wereldorde het gevolg is, noemt men, wanneer men dien wil als in de Godheid blijvend beschouwt: de eeuwige tvet; men noemt dien wil; natuurwet, voor zooverre hij door de redelijke wezens gekend wordt 1).

De natuurwet is dus voor den mensch het eerste richtsnoer zijner handelingen, en daden tegen die wet zijn misdaden, ook zonder dat eenige goddelijke of menschelijke stellige (positieve) wet deze handelingen verbiedt.

Het nieuwe wetboek van \'t Nederlandsche strafrecht plaatst deze grondstelling op den voorgrond, door in plaats van de verdeeling van den Code pénal (misdrijf, wanbedrijf, overtreding), deze andere: rechts-delikt en wets-delikt in te voeren, en als rechts-delikt een misdrijf aan te nemen, hetwelk ook vóór elk wettelijk verbod strafbaar is.

Wanneer de mensch door zijn verstand erkent, dat hij geheel en al van zijn Schepper afhankelijk is, dan volgt voor hem daaruit de verplichting van gehoorzaamheid ook aan die wetten, welke het den Schepper believen zal hem onmiddellijk of middellijk op te leggen, van gehoorzaamheid aan de stellige goddelijke en kerkelijke wet derhalve. Door zijn verstand er-

\') [„Lex naturalis] nihil aliud est quam Inmen intellectus insitnm nobis a Deo, per quod cognoscimus quid agendum et quid vitandum. Hoc lumen et banc legem dedit Deus bomini in creatione.quot; S. Th. Opusc. IV, C. 1.

„Lex naturalis nihil aliud est quam participatio legis aeternae in creatura rationali.quot; Summa la Ilae, Q. XCI, 2.

-ocr page 178-

160

kent de mensch tevens, dat bij een maatschappelijk wezen is, dat de samenleving, wijl zij de natuurlijke toestand der men-schen is, in Gods wil haar oorsprong heeft. Samenleving, maatschappelijk samenzijn is echter niet mogelijk zonder verplichtingen, en daaruit vloeit voor den denkenden mensch zoowel de goddelijkheid van het gezag in de maatschappij als de plicht van gehoorzaamheid aan de gestelde machten voort

Er bestaan voor den mensch dus wetten, volgens welke hij zijn daden moet regelen; handelingen met die wetten in strijd noemt men, in \'t algemeen en zonder op de betrekkelijke zwaarte van het vergrijp te letten : „misdadenquot;.

Misdaad is dus eene ongeoorloofde, wijl door eene wet verboden, daad.

Niet ieder echter, die zulk eene daad bedrijft, is een misdadiger in den gewonen zin des woords; de naam misdadiger wordt slechts aan hem gegeven, die met kennis en uit vrijen wil eene slechte daad verricht 2).

De kennis, welke tot eene misdaad vereischt wordt, is drieledig : de kennis der wet, de kennis der daad en de kennis van de betrekking, waarin de daad tot de wet staat. Het oordeelend verstand, dat, de wet met de daad in verband brengend, besluit: dit of dat moet gedaan of gelaten worden, wijl het geboden of verboden is, noemt men het geweten, en men spreekt van een waar geweten, als het oordeel juist is, van een valsch geweten, indien het oordeel onjuist is.

Het eerste en hoogste voorschrift der natuurwet leidt St. Thomas af uit de neiging, waarmede elk schepsel streeft naar

\') „Omnis lex luimnna in tantum habet de rationo legis, in quantum a lege naturae derivatur.quot; Summa la Ilae, Q. XCV, 2.

\') „Nihil volitum nisi cognitumquot; ; men kan niet begeeren, niet willen hetgeen men niet kent. Past men deze voor ieder duidelijke waarheid ook op alle omstandigheden en gevolgen eener handeling toe, dan kan men haar ook aldus uitdrukken; „Nihil volitum nisi in quantum cogni-tnmquot;; men kan iets slechts in zooverre begeeren als men het kent, de wil kan niet verder reiken dan de kennis.

-ocr page 179-

167

hetgeen hem goed is, en formuleert hij; „Het goede moet gedaan en het kwade moet vermeden wordenquot;. Dit eerste voorschrift der natuurwet kan aan niemand, die zijn verstand ter beschikking heeft, onbekend zijn. Zoodra echter dit groote grondbeginsel moet toegepast worden, rijst de vraag: is deze of die handeling volgens de uitspraak mijner gezonde rede goed of slecht? en beginnen de moeilijkheden der toepassing. Wij zeggen „gezondequot; of „rechtequot; rede, omdat het redelijk karakter van den mensch eischt, dat hij het redelijk goede betrachte en niet datgene, wat wel onder een of ander opzicht goed is, maar volgens de uitspraak der rechte rede niet „goedquot; mag genoemd worden.

Onder de toepassingen zijn er eenige, die zoozeer voor de hand liggen ; onder de gevolgtrekkingen uit het „doe het goede en laat het kwadequot; zijn er eenige, die zoo gemakkelijk te maken zijn, dat elk gewoon menschenverstand ze onmiddellijk begrijpt en inziet. Onkunde is bij deze toepassingen aan onwil te wijten. Van dien aard zijn in \'t algemeen de verplichtingen, die in de tien geboden vervat zijn, en in dien zin zegt men, dat God de kennis dier geboden in \'t hart der menschen heeft gegrift.

Intusschen blijft daar, waar de omstandigheden van dien aard zijn, dat het oordeel over wet en feit moeilijk wordt, eene dwaling buiten de schuld der menschen, een valsch geweten zonder schuld (de „conscientia invincibiliter erroneaquot; der theologen) mogelijk. Een wilde b. v. — wij moeten dit voorbeeld kiezen om de kennis buiten te sluiten, welke in eene beschaafde maatschappij, en vooral in eene christelijk-beschaafde maatschappij, bij elkeen mag en moet verondersteld worden — die zeer goed weet, dat hij een toevertrouwd pand moet teruggeven, eene belofte moet houden, het Opperwezen moet dienen, zich niet aan overspel mag plichtig maken, zonder voldoende reden geen doodslag mag plegen, kan toch buiten zijn schuld in den waan verkeeren, dat liegen geoor-

-ocr page 180-

168

loofd is, dat hij omgang buiten het huwelijk met een vrouw mag hebben en zelfs dat omstandigheden den oudermoord tot eene goede daad kunnen maken. Insgelijks weet de wilde meestal zeer goed, dat hij zich niets wederrechtelijk mag toeëigenen, maar heeft hij, waar het vreemden of vijanden geldt, niet altijd de juiste begrippen van recht

In de door ons aangehaalde voorbeelden hebben wij echter niet zoozeer de allereerste gevolgtrekkingen uit de grondstelling der natuurwet, dan veeleer reeds toepassingen, die meer redeneeringen vereischen, die meer tot in bijzonderheden afdalen en, volgens St. Thomas, daarom meer aan dwaling blootgesteld zijn. En op zulke punten heerschen er bij den een of ander nog valsche denkbeelden te midden onzer, sedert eeuwen christelijke, beschaving.

Met St. Thomas blijven wij het er voor houden: 1°. dat niemand, die over zijne verstandelijke vermogens beschikt, het grondbeginsel der natuurwet niet kent; 2°. dat niemand zonder eigen schuld onbekend blijft met de allernaaste toepassingen van dit beginsel; en 3°. dat naarmate de toepassing moeielijker wordt, wegens velerlei omstandigheden, waarop moet gelet worden, de kans van dwalen grooter wordt. De mogelijkheid van zonder schuld een valsch geweten te hebben wordt echter verminderd door de kennis der positieve goddelijke zoowel als der menschelijke wet, om \'t even, of deze laatste van de kerkelijke of van de burgerlijke overheid uitgaat.

Men moge nu het goddelijk karakter der openbaring loochenen of erkennen, het feit, dat de kennis der tien geboden, die de H. Schrift bevat, langzamerhand het eigendom is geworden van de geheele beschaafde wereld, valt niet te betwijfelen. Met dit feit moet men rekening houden bij de be-

\') Wij bespreken deze kwestie theoretisch. Over het feitelijk bestaan der kennis bij do wilde volkeren vergelijke men onze artikelen: Ontwikkeling: Godsdienst, Huwelijk, Zedelijkheid. De Katholiek,quot; Dl. XCVII on XCVIII.

-ocr page 181-

169

•oordeeling van de menschelijke daden, en \'t is niet zeer wetenschappelijk, die kennis niet mede in eene argumentatie op te nemen, omdat ze, wat enkele ouderdeelen betreft, bij wilden volkomen heet te ontbreken.

Om misdadiger te zijn moet men tevens vrij zijn; vrijheid moet er bestaan in de eerste en voornaamste plaats voor de eigenlijke wilsact: de wil moet zich, om de uitdrukking der scholastiek te bezigen, kunnen wenden tot iets of er zich van kunnen afkeeren; de wil moet de richting, waarin hij zich zal bewegen, vrijelijk kunnen kiezen.

De uiterlijke handeling hangt, behalve van den wil, nog van vele omstandigheden af, die haar kunnen verhinderen, ■en de mogelijkheid bestaat evenzeer, dat iemand met lichamelijk geweld gedwongen wordt tot eene daad, die hij blijft verafschuwen. In het eerste geval is hij, die wil maar niet kan, werkelijk schuldig, in het tweede geval zal niemand hem ■schuldig durven noemen. Al brengt nu de uiterlijke handeling voor den misdadiger eene andere verantwoordelijkheid en andere gevolgen mede en al staat het vast, dat de daad de intensiteit van de wilsact verhoogt, zeker blijft het toch, dat de eigenlijke schuld in de wilsact moet gezocht worden. In dezen zin is het bekende versje waar: „In dem Willen liegt die Schuld, nicht in der That\'. De wil is vrij, zoolang de mensch in het bezit is zijner verstandelijke vermogens en hij kan alleen door storing der geestvermogens gekwetst of liever in zijne vrijheid belemmerd worden \'). , Volun-tarium sequitur intellectumquot;: de wil volgt het verstand, zeiden de ouden. Waar het verstand het doen of laten kan beschouwen, kan ook de wilgt; zich wenden tot het een of het ander.

Voor die vrijheid getuigen zoowel het overleg, het wikken en wegen vóór de eigenlijke wilsact, als de voldoening of

\') Vgl. de vorige hoofdstukken.

-ocr page 182-

170

de spijt na de daad. De overtuiging „ik ben vrijquot; is zoo vastgeworteld in den geest der menschen, dat geen redeneering haar aan \'t wankelen kan brengen, en tegen die overtuiging zullen geen theorieën iets vermogen. Die overtuiging is vastgegroeid in \'s menschen ziel en behoort tot zijne redelijke natuur: zij komt dus van Hem, die de natuur des menschen schiep; \'t is daarom eene dwaasheid te veronderstellen, dat zij niet waar zou wezen.

In den wil, die weigert een nader onderzoek in te stellen, waar het verstand erkent, dat er eene noodzakelijke kennis ontbreekt, ligt de oorzaak der schuldige onkunde („conscientia vincibiliter erronea\'). Voorziet het verstand tevens, dat uit de onkunde een of ander gevolg zal voortspruiten, dan is dit gevolg mede gewild door hem, die in gebreke blijft zich nader te onderrichten, dan is de mensch verantwoordelijk voor het voorziene gevolg zijner onbekendheid met de wet.

Eene soortgelijke redeneering is ook geldig voor de driften, die, zooals we zagen, tot volslagen verduistering van het verstand kunnen leiden.

Wie zijne drift kent, heeft den plicht haar te beteugelen en te bestrijden; vervult hij dien plicht, dan is hij onschuldig, wanneer de drift hem tegen zijn pogen in meester wordt; laat hij aan zijne drift vrijen teugel, dan is hierin zijne schuld gelegen en de verantwoordelijkheid strekt zich wederom uit tot die gevolgen der drift, welke voorzien zijn, — tot de andere natuurlijk niet. Weten, dit of dat zal uit mijne onkunde, uit mijne drift, voortvloeien en in weerwil van die kennis niet zorgen, dat de onkunde verdwijne of de drift beteugeld worde, is niets anders dan het gevolg der onkunde of der drift werkelijk willen.

Door de kennis en den vrijen wil wordt eene handeling, welke in zich zelve verkeerd is (materialiter mala), wijl ze tegen de wet strijdt, ook slecht in en voor hem, die ze verricht (formaliter mala). Door den wil kan tevens eene handeling, die uit haren

-ocr page 183-

171

aard onverschillig (noch geboden noch verboden) is, slecht worden, wijl ze als middel gebruikt wordt voor een slecht doel; niet in dien zin echter, dat de handeling op zich zelve beschouwd slecht zoude worden, maar zoo, dat de zedelijkheid van het doel zich mededeelt aan het middel.

„Daar, waar de heerschappij van den wil [eene heerschappij onafscheidelijk verbonden met de redelijke kennis] begint, daar begint ook de zedelijkheidquot; \'). Eene handeling, die in zich zelve kwaad is (materialiter mala), wordt eene slechte handeling in en voor hem, die ze bedrijft (formaliter mala), wanneer zij geschiedt met oordeel des onderscheids en vrijen wil.

Hij, die de vrije oorzaak is zijner handeling, is tevens verantwoordelijk : „Het kwaad, dat er ligt in het gebrekkige eener handeling, die, in zaken aan den wil onderwoi-pen, moest verricht worden, draagt het karakter van schuld; want het wordt iemand als schuld aangerekend, dat hij eene handeling, waarover hij volgens zijn wil meester is, niet op volmaakte wijze [d. i. zooals het behoort] verrichtquot; \'). Met het zedelijk karakter eener handeling gaat de verantwoordelijkheid van den persoon hand in hand; de eene bestaat niet zonder de andere, \'t Is eene dwaasheid de woorden „verantwoordelijkheid, schuldquot; te behouden, wanneer men een der grondslagen van alle zedelijkheid, de vrijheid, ontkennende, aan die woorden een geheel anderen zin moet toekennen, dan hun volgens algemeen spraakgebruik toekomt.

Tarde (La philosophic pénale) maakt zich o. i. aan die fout schuldig, wanneer hij als samenstellende deelen van de verantwoordelijkheid aangeeft: de persoonlijke gelijkheid (identité personnelle) en de maatschappelijke gelijkvormigheid (similitude sociale), zoodat volgens hem: maatsch. gelijkvh. -r pers. gelijkh. = verantwoordelijkheid is. Men kan hoogstens zeg-

\') Sent, II, Dist. 24, Q. Ill, a. 2. s) Sxniina I, Q. XLVIII, n. 5.

-ocr page 184-

172

gen: een persoon, die op \'t oogenblik der handeling is, zooals hij vroeger was (identité), en daarbij tevens aan zijne mede-menscbeu gelijkvormig (similitude) blijft, is verantwoordelijk — wijl hij daardoor blijkt vrij te zijn, zooals de meeste menschen bet zijn; maar men kan niet beweren, dat bet wezen der verantwoordelijkheid in deze gelijk- en gelijkvormigheid ligt opgesloten. De lezer vergeve \'t ons, dat wij hem nog een oogenblik met dezen criminalist van de positieve richting bezig houden. Zooals hij zegt, is zijn werk „het eerste dat ons in staat stelt verband te brengen en alle onderbreking te vermijden tusschen de oude opvatting, die verdwijnt en de nieuwe, welke eei-lang zal overwinnen.quot; Daar wij nu van plan zijn na „de oude theoriequot; ook „de nieuwe opvatting\' ter sprake te brengen, moeten wij toch ook onderzoeken, of de band, waarmede Tarde beide wil samensnoeren, hecht genoeg is.

De oude opvatting, welke verdwijnt, is die, welke wij in de vorige bladzijden hebben verklaard ; „de nieuwe leerquot; is het zeer oude, van tijd tot tijd opgewarmde determinisme. De eene zegt: de mensch is vrij en verantwoordelijk, de andere: de mensch handelt zonder vrijheid. Tusschen beide plaatst zich Tarde en zegt tot de deterministen: „ik deel uwe overtuiging,quot; en tot de oude theorie; „ik behoud uwen naam en in de praktijk zal ik oordeelen en veroordeelen zooals gij.quot; „Vous voilii d\'accord, vous n\'avez plus qu\'a vous expliquer.quot;

Eigenaardig is nog de wijze, waarop Tarde in den aanhef van zijn werk de vrijheid voorgoed van de baan wil schuiven. Na mei de nieuwere criminalisten (de zoogenaamd anthropolo-gische criminalisten wel te verstaan), waarover wij straks spreken, te hebben doen verstaan, dat de mensch als „ causa secunda,quot; d. w. z. als betrekkelijke en eindige oorzaak zijner handelingen, geheel en al op ééne lijn moet geplaatst worden met de overige oorzaken in de natuur, die met noodzakelijkheid werkzaam zijn, begint hij zijn hoofdstuk over de verantwoordelijkheid met bet bewijs, dat de mensch slechts dan waarlijk vrij zou

-ocr page 185-

173

mogen heeten, als hij de eerste en volstrekte oorzaak zijner handelingen zoude zijn.

„Het begrip vrijheid „vrije wilquot; is ontstaan — zoo zegt hij — en moest noodzakelijker wijze ontstaan, toen men algemeen aan de oneindige (infinie) en volstrekte (absolne) verantwoordelijkheid van den zondaar geloofde. Indien „aan eene daad schuldigquot; zijn wil zeggen „van die daad oorzaak zijn\', dan volgt daaruit, dat schuldig zijn op volstrekte en oneindige wijze, voor iedereen en zonder eenig voorbehoud — zooals het moet zijn om de eeuwige straf te rechtvaardigen — beteekent: van die daad de volstrekte en eerste oorzaak, met andere woorden de vrije oorzaak zijn, de hoogste, waartoe men in de aaneengeschakelde rij van oorzaken kan komen.

„De vrijheid is, in dezen zin, eene scheppende macht, die ex nihilo iets kan voortbrengen, eene goddelijke eigenschap, die aan den mensch wordt toegekend. Het vrij handelend wezen kan zich verzetten tegen God en God schaakmat zetten; het is een kleine God tegenover den grooten. Zoo men deze scheppende macht van den mensch ontkennend, niet aannam, dat hij door een onbegrijpelijk veto de werking der goddelijke wetten kan opheffen en hem toch eener eeuwige straf waardig keurde, omdat hij aan Gods wil had weerstaan; dan zou men zonder twijfel met zich zeiven in tegenspraak geraken. Maar, indien wij, in plaats van eene volstrekte en oneindige schuldigheid — en daarvan kan geen sprake meer zijn — slechts van eene schuldigheid spreken, die weer als alle werkelijke en positieve dingen slechts betrekkelijk en beperkt is, dan is eene betrekkelijke en beperkte causaliteit, eene tweede causaliteit, zooals men dat zegt, ons voldoende. Dan wordt het nutteloos de vrijheid te eischen (la liberté devient un postulat inutile). En op dit standpunt staan wijquot;.

Met andere woorden: of wel de mensch is vrij en draagt voor zijne daden de volle verantwoordelijkheid, en dan moet hij de hoogste en volstrekte oorzaak zijner handelingen zijn —

-ocr page 186-

174

hierviin kan geen sprake zijn — of wel de mensch is voor zijne daden slechts eene tweede oorzaak (causa secunda), en dan hebben wij de vrijheid niet noodig om de verantwoordelijkheid vast te stellen.

Het tegendeel van ïarde\'s stelling is waar; de mensch, hoewel niet de hoogste oorzaak zijner handelingen, is vrij en verantwoordelijk. Eeeds St. Thomas maakt zich zeiven de opwerping, die Tarde als een dooddoener voorop stelt. In het eerste deel der Summa (Q. LXXXIII) schrijft hij : „Videtenr quod homo non sit liberi arbitrii. .. . 3° Liberum est quod sui causa ■est.... Quod ergo movetur ab alio non est liberum ; sed Deus movet voluntatem.... Ergo homo non est liberi arbitrii: Het schijnt, dat de mensch geen vrijen wil heeft. Want. ... 3° vrij is datgene, wat zijne eigen oorzaak is. Wat aldus door een ander bewogen wordt, is niet vrij. Maar God beweegt den wil. Dus bezit de mensch geen vrijen wil\'. De weerlegging, welke de H. Thomas laat volgen, is deze: „De vrije wil is de oorzaak zijner eigene bewegingen [d. i. handelingen], omdat de mensch door zijn vrijen wil zichzelven tot handelingen beweegt. Maar het behoort niet noodzakelijk tot de vrijheid, dat het vrije wezen de eerste oorzaak van zichzelven zij, zooals het ook niet noodig is, dat iets, wat de oorzaak van iets anders is, daarvan ook de eerste oorzaak moet zijn. God is nu de eerste oorzaak, welke zoowel de natuurlijke als de willende oorzaken beweegt. En zooals Hij, wanneer Hij de natuurlijke oorzaken doet werken, niet belet, dat de handelingen natuurlijk zijn, zoo belet Hij niet, dat de vrij willende oorzaken vrijelijk handelen, wanneer Hij ze beweegt, maar Hij bewerkt dat veeleer in haar [dat ze n.I. vrijwillig handelen]; God immers werkt in elk wezen naar deszelfs eigenschappenquot;.

Kleeden we de woorden van den engel der school in minder schoolsche termen en laten we eene moeilijkheid onbesproken, die hier niet op hare plaats is, dan kunnen we als volgt redeneeren : overal is de mensch van oordeel, dat het gevolg aan

-ocr page 187-

175

de oorzaak kan toegsschreven worden, wanneer dat gevolg werkelijk uit de oorzaak voortkomt, om \'t even of die oorzaak uit haar zelve is of op hare beurt wederom van eene andere afhangt. Wij schrijven, en terecht, de vrucht aan de plant toe, al is de plant uit het zaadje opgegroeid en al kon het zaad niet kiemen zonder humus, vocht en zonneschijn. Zoo ook voor den mensch. De krachten van geest en lichaam heeft God hem onmiddellijk en middellijk geschonken, en de voor elke daad noodzakelijke medewerking zal God hem niet onthouden .... maar de beschikking over zijne krachten en vermogens heeft God hem gelaten, en daarin is de mensch vrij. Op die wijze is de mensch de oorzaak zijner handelingen en wel de vrije oorzaak, en daarom blijft de mensch voor zijne daden aansprakelijk en verantwoordelijk. De mensch, getuige zijn nadenken en overwegen en de goed- of afkeuring van zijn geweten, heeft de keuze om zich tot \'t een of ander te bepalen, en \'t is die keuze, welke zijn eigen werk is en voor welke hij rekenplichtig is.

Voor de eigenlijke wilsact is de misdadiger slechts verantwoordelijk voor God, maar voor de uiterlijke handeling kan zich de verantwoordelijkheid voor de maatschappij, waartoe de mensch behoort (Kerk of Staat) hierbij voegen. De burgerlijke en de kerkelijke maatschappij moeten beide, elk in hare sfeer, voor de instandhouding der openbare en zedelijke orde zorgen, al is deze zorg voor beide slechts middel en niet einddoel en al zijn de redenen, waarom zij met deze zorg belast zijn, voor de Kerk andere dan voor den Staat. Beide maatschappijen hebben dus ook het recht den misdadiger, welke deze orde door een openbaar misdrijf verstoort, hetzij dit misdrijf de openbare zedehjkhêid kwetst of de rechten van derden aantast, ter verantwoording te roepen, te oordeelen en, moet het zijn, te straffen. Elke misdaad, wetens en willens bedreven, sluit dus altijd eene verantwoordelijkheid en eene schuld in voor God en lean eene verantwoordelijkheid inslui-

-ocr page 188-

176

ten voor den kerkelijken of wereldlijken rechter. Wat binnen het domein van den innerlijken wil blijft opgesloten, is aan de bevoegdheid van den menschelijken rechter onttrokken:: „De internis non judicat praetorquot;.

DE MEENINGEN DER CRIMINEELE ANTIIR0P0L0G1E.

Het is moeielijk, de nog al uiteenloopende meeningen der nieuwere „crimineele anthropologic\' met voldoende nauwkeurigheid aan te geven. De werken der geleerden, die allen der positieve richting toegedaan zijn, hebben iets vaags, iets nevelachtigs, in één woord, iets zeer onpositiefs. In \'t algemeen, dunkt ons, kan men in de moderne criminalogie de twee richtingen van de ontwikkelingsleer terugvinden.

Volgens Darwin c. s. ontstaan bij de individuën van elk opvolgend geslacht kleine veranderingen, welke door erfelijkheid bewaard worden, indien de natuurkeus daartoe hare hulp leent. De erfelijkheid is dikwijls zoo vasthoudend, dat zij, na eenigen tijd latent te zijn geweest, plotseling een individu doet ontstaan, dat op een zijner voorouders gelijkt (atavismus). De omstandigheden, waarin een wezen leeft, zijn de factoren, welke het individu bewaren of vernietigen, zonder dat zij veel tot de verdere ontwikkeling bijdragen.

Haeckel voegde aan de Darwinistische theorie nog de biogenetische grondwet toe en leerde, dat de ontwikkeling van elk afzonderlijk wezen (ontogenie) eene korte herhaling is van de ontwikkeling van den stam (phylogenie).

Andere geleerden kennen in navolging van Geotfroy St. Hilaire den grootsten invloed toe aan de omstandigheden, aan het midden, waarin een wezen leeft. Volgens hen worden de hoedanigheden bij overerving door een wezen aan een ander onveranderd medegedeeld, maar daarna voortdurend door den drang der omstandigheden gewijzigd. Dientengevolge is een wezen op ;t oogenblik dat het voorbrengt

-ocr page 189-

177

niet meer volmaakt hetzelfde als toen het voortgebracht werd.

Beide theorieën worden ook voor de ontwikkeling van den mensch uit een of anderen diervorm geldig verklaard en als grondslagen der antropologische criminalogie aangenomen. Volgens beide kan het verstand van den mensch niet veel anders zijn dan eene verfijnde zinnelijke kennis, moet de wil een veredeld begeervermogen genoemd worden, en dankt de zoogenaamde zedelijke zin of het zedelijk gevoel {sens moral) zijn oorsprong aan de metamorphose van een of ander (egois-tisch, ego-altruistisch, of sociaal) instinct.

Houdt men aan deze meening vast, dan dringt de logica tot het ontkennen der menschelijke vrijheid. Men moge van veranderlijkheid der soort spreken zooveel men wil, de waarheid van het „simile generat simile sibi\' leidt tot de volgende redeneering: de mensch is uit het dier ontwikkeld; — het dier kent geene vrijheid, maar is aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen; — ergo is ook het dier, dat Linnaeus homo sequens noemde, niet vrij. \'t Is waar, zooals wij ze neerschreven, vindt men de sluitrede niet, maar bijna alle moderne criminalisten spreken van „ontwikkeling\' en alle komen daarin overeen, dat zij de vrijheid ontkennen.

Hot zij geoorloofd eenige citaten als bewijs aan te halen.

„Het psychologische bestaan van den „sens moralquot; kan niet ontkend worden, maar deze „zedelijke zinquot; wordt, evenals alle gevoelens, geschapen \'1) door de ontwikkeling en overgeleverd door de erfelijkheid.quot; (Garofalo, o. c.)

„De anthropologische school heeft ten doel den misdadiger in zijne misdaden, die zij als gewone en natuurlijke verschijnselen beschouwt, te bestudeeren.quot; (Dimitri Drill, Rapport o. c.)

„Elk vergrijp is, evenals elke menschelijke handeling, het noodzakelijk gevolg van twee factoren, n. 1. de aangeboren of

12

1

) Wij cursiveeren.

-ocr page 190-

178

verworven persoonlijkheid van den schuldige on uitwendige omstandigheden.quot; (F, van Liszt, Rapport o. c.)

Over het verder verloop der ontwikkeling van den misdadiger gaan de meeningen uit elkaar.

Leest men Lombroso\'s werk L\' Uomu delhiquetite, dan is reeds uit de opschriften der hoofdstukken te zien, dat hij de Darwi-nistisch-Haeckelsche richting volgt. De misdaad en de lagere organismen; De misdaad en de prostitutie hij de wilden; De zedelijke krankzinnigheid en de misdaad hij de kinderen; ziedaar de eerste hoofdstukken van den Italiaanschen anthropro-loog criminalist. Worstelt men echter zijn werk door l), dan komt men tot de overtuiging, dat de schrijver er ook aan gedacht heeft de misdaad, behalve als een product van hot atavismus, nog daarenboven als oen aanval van epilepsie en als een vorm van krankzinnigheid voor te stellen. De duidelijkheid wordt evenwel door deze veelzijdigheid niet gebaat. Eene zaak staat echter bij Lombroso vast als een paal boven water: er bestaat een geboren misdadiger (delinquente nato), n. 1. zulk een mensch, die door erfelijkheid dusdanige organisatie heeft verkregen, dat hij onherroepelijk tot de misdaad gedoemd is, onder welke omstandigheden hij ook zijn leven moge slijten. Verder beweert Lombroso, dat zoo iemand aan uiterlijke teekenen te herkennen is — maar op dit punt is zijn boek weer zoo duidelijk, dat zijne volgelingen hem niet best begrijpen. De oenen houden het er voor, dat de statistische opgaven over haren, oogen, kaken, schodolanomalieën enz. enz. niet anders bedoelen dan de herkenningsteekenen van den misdadiger vast te stellen, terwijl anderen oordeelen, dat de

\') Dat doorworstelen geschiedt met weerzin en wrevel, omdat eene serie viez^Jteekeningen, die geheel en al onnoodig zijn, hot werk illu-streeren. De wetenschap was door eene aanduiding in korte woorden even goed gediend. Dezelfde aanmerking geldt voor het werk van Laurent.

-ocr page 191-

179

statistische tabellen tevens het bewijs bevatten voor de stelling; de misdadiger is een mensch, die door terugslag de hebbelijkheden van het kind, den wilde, den oer-mensch, het dier vertoont.

Naast Lombroso en zijne volgelingen staat de Fransche school, die bij voorkeur den misdadiger beschouwt als een product van den „bouillon de culture,quot; de maatschappij, waarin hij opgroeit. „Er zijn in de misdaad twee factoren, een persoonlijke, waaraan ik weinig waarde hecht, en eene sociale, die mij zeer belangrijk schijnt,quot; zegt Lacassagne, een der hoofden dier richting \'j.

De invloeden der omgeving doen zich in de hersenen gevoelen en storen het evenwicht. En; het cerebrale evenwicht is de deugd .... heerscht er geen volmaakt evenwicht, dan heeft men ondeugd, misdaad, opstand tegen den maatschappelijken toestandquot; „l\'équilibre cérébral constitue la vertu; . . . . s\'il n\'y a pas d\'équilibre parfait on se trouve en presence du vice, du crime, de la révolte contre l\'état socialquot; 2). Vandaar het bekende woord; „Les sociétés ont les criminels qu\'elles méri-tent.quot; De maatschappij heeft de misdadigers, welke zij verdient.

De misdadiger is, volgens deze geleerden, niet, zooals Lombroso het wil, een atavistisch verschijnsel, maar veeleer een maatschappelijk misgewas, een atypisch mensch, een gedegenereerde, „un éxcrément social,quot; zooals Tarde hem noemt, of ,1111 produit tératologique, un monstre, quelque chose comme une tumeur maligne ou un parasite,quot; zooals Lacassagne zegt 3).

Tusschen beide staan zij, die ^elk wat wilsquot; wenschen te bieden en daarom én aan de erfelijke hoedanigheden én aan de werking van het „milieu socialquot; een even groot deel in de vor-

\') Actes etc. p. 289. 2) T. a. p.

a) Laurent, Les habitués des prisons de Paris.

-ocr page 192-

180

ming van den misdadiger toekennen. Tot hen, dunkt ons, behoort zoowel F. v. Liszt, als de russische Dimitri Drill, die beiden op het jongste anthropologisuh congres te Brussel, de eerste over „les applications de l\'anthropologie criminelle,quot; de tweede over „les principes fondamentaux de l\'école d\'anthro-pologie criminellequot; rapport uitbrachten. We haalden reeds de woorden van v. Liszt aan en geven daarom hier slechts de hoofdzaak uit het rapport van Drill :

„De criminalistische school erkent in de misdaad het produkt van twee faktoren, van twee invloeden, die op elkander werken; ten eerste de persoonlijke eigenaardigheden, die uit de natuur of de psycho-physische organisatie van den misdadiger voortspruiten en — evenals bij alle andere menschen — den grondslag van zijn karakter vormen; ten tweede de bijzondere uiterlijke invloeden als : klimaat, bodem, maatschappelijke omgeving. Terwijl zij hare meening op juiste gegevens steunt, beschouwt de crimineele anthropologie den misdadiger als iemand, die met eene min of meer ongelukkige, verarmde, ontredderde (diséquilibrée) organisatie bedeeld is, eene organisatie die onvolledig en ongeschikt is voor den strijd in de maatschappelijke omgeving, waarin zij zich bevindt. Zulke organisatie^ kan in zoo ongunstige omstandigheden den strijd niet overeenkomstig de wettelijk vastgestelde vormen voeren. Men moot echter in aanmerking nemen dat de ongeschiktheid voor den strijd meestal niet volstrekt, maar slechts betrekkel:jk genoemd mag worden en van zeer verschillende voorwaarden afhangt.quot;

Als dubbelganger van den „geboren misdadigerquot; kenner, de aanhangers dezer school den „onverbeterlijkequot;, den mensch, wiens aangeboren organisatie zich in de omgeving, waarin hij leeft, en de omstandigheden, waarin hij verkeert, zoo heeft ontwikkeld, dat hij noodzakelijk misdaden zal bedrijven. Ware

-ocr page 193-

181

hij in een beter midden groot gebracht, dan zou hij (op even noodzakelijke wijze) deugdzaam zijn geworden.

Er is in de crimineele anthropologie nog eene vierde richting, waarvan zich op het congres te Brussel en in zijne onlangs verschenen rede: De beoefening der crimineele anthro-pologie, Dr. Jelgersnia een voorstander heeft getoond en welke vooral onder de psychiaters hare aanhangers telt. Ook deze anthropologisten zijn ten stelligste overtuigd, „dat er naturen bestaan, die voor de misdaad voorbeschikt zijn. die, in de tegenwoordige maatschappij levende, onder alle denkbare omstandigheden, misdadigers zullen zijn en blijvenquot; (Dr. Jelgersma o. c.). Vraagt men naar de oorzaak dezer voorbeschikking, dan luidt het antwoord: „De geboren misdadiger is een ziekequot;, en: „tusschen den geboren misdadiger en den zedelijk krankzinnige is geen ander onderscheid, dan dat de een een rechter en de ander een medicus op zijn weg gevonden heeftquot; (Hap-port. Vgl. Acles etc.).

Wij hebben aan deze leer, welke zich aan de laatste hoofdstukken van Lombroso\'s werk {11 deliquente passó) aansluit en die — indien men op courantberichten raag afgaan — dikwijls in de practijk wordt toegepast om een beschuldigde vrij te pleiten, eene afzonderlijke plaats in dit kort overzicht ingeruimd, omdat zij de vage en onbepaalde „degeneratiequot; in een bepaalden vorm „krankzinnigheidquot; giet. Daarenboven hangt zij niet zoo vast met de Darwinistische ontwikkelingstheorie samen als de andere criminalistische stellingen. Niet dat haar ontstaan vrij zou zijn van alle invloeden van dien aard, of dat hare belijders niet in Darwin of Hseckel ge-looven — de brochure van Dr. Jelgersma bewijst het tegendeel — maar de thesis: „de geboren misdadiger is een krankzinnige\', zou o. i. evengoed in elk ander determinisme passen, als in het Darwinistische

f

-ocr page 194-

182

OUDE WAARHEDEN.

Ons oordeel over al deze theorieën kunnen wij, voor zooverre er van beginselen sprake is, uitdrukken door de bekende spreekwijze: het ware is niet nieuw en het nieuwe is niet waar. Om alle misverstand te voorkomen, herhalen wij „voor zooverre er van beginselen sprake isquot;. In onze vorige artikelen hebben wij duidelijk getoond, dat wij het goede, dat de nieuwere wetenschappen ons bieden, gaarne erkennen en dankbaar aanvaarden ; dit hopen wij te blijven doen, maar wij achten ons daarom niet verplicht alle gevolgtrekkingen aan te nemen en alle hypothesen als waarheid te beschouwen, vooral daar niet, waar de medici en psychiaters het terrein der ervaring verlaten en zich op het gebied der metaphysica begeven.

Het ware in de vermelde theorieën is niet nieuw. Wij verwijzen den lezer naar do vorige hoofdstukken, welke de bewijzen voor dit gedeelte van ons oordeel bevatten. Daar toonden wij aan, dat de scholastieke wijsbegeerte — die haar grondslagen aan de eeuwen vóór haar en ten deele aan Aristoteles ontleent — den invloed, dien het lichaam op de gedachte door het zinnelijk beeld, op den wil door de driften uitoefent, zeer goed kent, en dat de geleerden der middeleeuwen, lang vóór de modernen, de erfelijkheid naar waarde wisten te schatten en do krankzinnigheid juist beoordeelden. En waar van het lichaam gesproken wordt, daar zijn al die omstandigheden mede inbegrepen, welke op het lichaam inwerken — klimaat, voedsel, omgeving enz. De geheele oude school weet, dat driften de schuld kunnen verminderen of geheel opheffen, dat, waar het verstand in de banden der krankzinnigheid bekneld ligt — en de oorzaak der krankzinnigheid is eene lichamelijke — de wil niet vrij kan zijn, en zij zegt het klaar genoeg om elke misvatting onmogelijk te maken. Met even groote beslistheid weigert zij echter het woord invloed door divang te vervangen: m. a. w. toe te geven, dat ook bij den niet-krankzinnige vrije

-ocr page 195-

183

wilsdaden en daaruit volgende handelingen onmogelijk zijn, en /.ij ontkent, dat het menschdom in twee kategorieën moet verdeeld worden ; de eene bevattend de menschen, die gezond van zinnen en daarom braaf zijn, de ander bestaande uit moreel-krankzinnige boosdoeners.

Hot verschil tusschen de oude leer en de nieuwe wordt o. i. duidelijk in de volgende woorden van St. Thomas: „Ten gevolge van zijn lichaam en zijne lichamelijke hoedanigheden kan de mensch in verschillende toestanden verkeeren (potest esse aliqualis), naarmate zijne natuur en gesteldheid (complexio et dispositie) daartoe aanleiding geven. Deze natuur en gesteldheid zijn van velerlei lichamelijke oorzaken afhankelijk, welke niet (rechtstreeks) op het verstandelijke deel in den mensch kunnen inwerken, daar de functie van het verstand niet de daad is van het lichamelijk wezen. Zooals nu de mensch is, zoo schijnt hem zijn doel te zijn, wijl de lichamelijke geaardheid den mensch naar iets doet overhellen of van iets afkee-rig doet zijn\'.

Den zin dezer woorden kan men, wanneer men in aanmerking neemt, dat St. Thomas eerst gesproken heeft van het doel, naar hetwelk iedere daad gericht is, ook als volgt weergeven: ,De mensch ziet zijn doel in de kleuren, welke bij zijne, van natuur en gesteldheid afhangende, gemoedsstemming passen\'. Natuur en gemoedsstemming hangen echter, zooals den lezer genoegzaam bekend is, van velerlei oorzaken; erfelijkheid, omgeving, voedsel, omstandigheden enz. enz. af.

De aangehaalde tekst van den Doctor Angelicus omvat dus alle lichamelijke invloeden, zoowel de physiologische als de sociale en climatologische, en het wezenlijk gevolg dezer invloeden, „het doen overhellen naar iets\', komt daarin tot zijn volle recht. „Maar — zoo gaat St. Thomas voort — deze neigingen zijn onderworpen aan het oordeel der rede, aan welke het lager begeervermogen gehoorzaamt. Hierdoor lijdt dan de vrije wil geen schade.quot;

-ocr page 196-

184

Ook de „verworven pei-soonlijkheidquot;, waarvan het rapport van Liszt gewaagt, wordt door den H. Thomas besproken: „Er bestaan in den mensch ook bijkomende hoedanigheden, die op ééne lijn met gewoonten en driften moeten gesteld worden, volgens welke de mensch meer naar \'t eene dari naar het andere overhelt. Maar ook deze neigingen en ook deze hoedanigheden zijn aan de rede onderworpen, omdat wij deze hoedanigheden in ons kunnen veroorzaken (causaliter acquirere), cms daartoe kunnen geschikt maken (dispositive acquirere) of ze van ons kunnen uitsluitenquot;.

En terecht volgt dan het besluit: „Et sic nihil est quod libertati arbitrii repugnet: er is dus niets wat met de vrijheid van den wil in strijd isquot; (Q. LXXXIII, art. 1).

NIEUWE DWALINGEN.

Wij moeten thans liet tweede deel van ons oordeel: „het nieuwe in de vermelde theorieën is niet waarquot;, met bewijzen staven. Het congres van Brussel heeft ons deze taak niet weinig vergemakkelijkt. „Du choc des opinions jaillit la vé-rité\'j zegt het spreekwoord ; in het tournooiveld te Brussel heeft de „choc des opinionsquot; vrij wel alles omvergeworpen, wat niet tot „de oude waarheidquot; behoorde. De strijdleuzen: „de misdadiger is geen atavistquot;; „de misdadiger is geen sociaal productquot;; „de misdadiger is geen krankzinnige\', hebben daar even luid weerklonken als de tegenovergestelde, en de kampioenen hebben ze met evenveel vuur verdedigd.

Het moet ter eere van de congresleden gezegd worden, dat zij de poging van den Eerw. Heer M. de Baets om eene verzoening tusschen de strijders te bewerken, met gejuich begroetten. De sympathieke secretaris van den bisschop van Gent en aalmoezenier in de gevangenis aldaar wees op de noodzakelijkheid om sommige al te absolute beweringen te matigen; verklaarde zich een beslist voorstander van de leer:

-ocr page 197-

185

„De misdaad is vooral een zedelijk verschijnsel, er beslaat geene misdaad zonder schuld\', toonde door een handig gekozen voorbeeld, dat de begrippen van sommige criminalisten onvoldoende waren voor een goede regeling van het strafrecht, en kon na dat alles onder instemmend applaus beweren: „Zulk eene stelling kan niet met onze beginselen overeenstemmen ; ik zeg onze beginselen, want de instemming waarmede, gij mijne rede begroet, toont, dat het weinig scheelt, of wij zijn het met elkander eensquot;

Dat het bij velen meenens was met die instemming, blijkt wel daaruit, dat meer dat één spreker later op de woorden van de Baets terugkwam. Zoo o. a. Houzé (prof. te Brussel: Hij (de E. H. de Baets) heeft zich niet opgesloten binnen de grenzen van den vrijen wil en de verantwoordelijkheid; wij staan op de twee oevers van een stroom, hij op den rechter-en wij op den linkeroever. De Heer de Baets heeft tusschen ons eene brug gelegd; ik ben daar zeer mede in mijn schik en ik wensch er hom geluk mede. Deze toenadering zal eene der voornaamste lessen zijn, welke ons gegeven worden en tot eer van het congres strekkenquot; \').

De brug, waarvan de Brusselsche professor spreekt, heeft balken uit Stagira, planken uit Hippone en is door den H. Thomas opnieuw nagezien en versterkt. Zij draagt het opschrift: „Invloed maar geen dwang\'\'.

DE MISDADIGER GEEN ATAVISTISCH VEBSCHIJNSEL.

Indien er uit de akten van het congres iets daghelder blijkt, dan is het wel, dat Lombfoso uitgediend heeft. „Het schijnt, dat Lombroso\'s type „misdadigerquot; op sterven ligtquot; zegt Masoin 2). Het „atavisme, sauvagisme en infantilismequot; zijn trouwens nooit iets anders geweest dan hypothesen in de lucht.

■) O. c. p. 284. 2) O. e. 278.

-ocr page 198-

186

De drie grondstellingen, waarvan Lombroso en de atavisten enz. uitgaan, zijn:

1°. de mensch stamt van het dier af;

2°. de wilden zijn menschen, die in de ontwikkeling op een laag punt zijn blijven staan; en

3°. de kinderen staan uit kracht van de biogenetische grondwet dichter bij den oer-mensch dan de volwassenen.

De eerste stelling is op zijn zachtst gezegd eene onbewezen ascertie, wat het lichaam van den mensch betreft, en — ,,quod gratis asseritur gratis negatur.\' Wat zonder bewijs beweerd wordt, kan zonder bewijs ontkend worden.

Zij is daarenboven geheel en al valsch, wanneer men den mensch beschouwt als een door een redelijke ziel bezield lichaam.

Daar wij slechts over den mensch spreken, hebben wij niet noodig al de bewijzen voor eene ontwikkeling der dieren, \'t een uit het ander, aan de eischen der waarschijnlijkheid en der waarheid te toetsen. Voor de klove, welke den mensen van het dier scheidt, geldt het bekende woord van Huxley: ,De afstand tusschen hen [den aap en den mensch ] is geheel en al die van een afgrondquot; 1).

Al de overblijfselen van dieren, die men uit de vóórhistorische steenlagen heeft opgedolven, dragen even duidelijk het kenmerk van het dier, als de menschenschedels en menschen-beenderen van den fossielen mensch door hun vorm bewijzen, dat de menschen der eerste tijden menschen waren, zooals wij. De klove gaapt tusschen mensch en dier in de voorwereld even wijd als nu, en er bestaat geen enkele overgangsvorm 2).

\') Man\'s place in nature, p. 87 (ed. 1891).

-) Requiritur sed non sufHeit — moet men van die overgangsyormen neggen. Ook dan, wanneer vele overgangsvormen tusschen twee diervormen bestaan, kan de overeenstemming even goed en even gemakkelijk door liet plan van den Schepper als door afstamming verklaard worden,, terwijl ontwikkelingen, van welken aard ook, zonder eene eerste oor-

-ocr page 199-

187

De bewering, die den menseh — ook slechts naar het lichaam — van het dier wil afleiden, mist allen positieven grondslag; \'t is niets meer en niets minder dan eene fantasie, al wordt ze neergeschreven door hen, die hoog opgeven van hun positivisme, dat niet verder gaat in \'t beweren, dan de oogen in \'t zien en de handen in \'t tasten.

Die stelling is daarenboven valsch, wanneer men den mensch beschouwt in datgene, wat hem mensch maakt, zijne redelijke ziel.

Er is geen enkel voorbeeld van een dier, dat ook maar één afgetrokken denkbeeld gevormd heeft. Een hond kent ,het goede vleesch\'\' en ,zijnen meesterquot;, d. i. een bepaald iets, een bepaalden persoon ; maar ook de slimste poedel geeft geen blijk, dat hij het algemeene denkbeeld „goedquot; en „meester\' in zijn brein heeft opgenomen. Het dier gaat nimmer buiten de grenzen van hetgeen zijne zinnen hem doen gewaar worden ; de mensch kan geen oogenblik buiten abstracte begrippen, die uit het bijzondere het algemeene, uit het verdwijnende het blijvende opgrjjpen, en blijkbaar aan een bovenzinnelijk beginsel te danken zijn, wijl zij steeds van het zinnelijke zich verheffen tot datgene, wat de zintuigen niet waarnemen. Tusschen het dierlijk levensbeginsel en de menschelijke ziel bestaat derhalve een qualitatief en niet een quantitatief onderscheid, een verschil in den aard en niet in de hoeveelheid, en beide beginselen kunnen door geen ontwikkeling in elkander overgaan.

Tegelijk met de eerste stelling vallen ook de beide andere. Intusschen staan beide ook met den steun der eerste niet zeer

zaak. die ze gekend en gewild heeft, üne finali totaal onverklaarbaar en onbestaanbaar zijn. Eer eene ontwikkeling, ook in de dierwereld, van hypothese tot zekere, waarheid wordt, moet ze een voldoend aantal keeren ivaargenomen zijn of moet men aantoonen, dat ze noodzakelijk is.

-ocr page 200-

188

vast. De tweede vooral is een meesterstuk van moderne positieve wetenschap.

De mensch stamt van het dier af.

De oer-mensch was dus nog half dier.

Er zijn thans half dierlijke wilden.

Dus zijn die wilden op den oer-menschelijken trap van ontwikkeling blijven staan.

In deze redeneering wordt — ook al geven we al de rest toe 1) — één gewichtig punt vergeten.

De thans levende wilde volkeren n.1. zijn, wijl ze als van gelijktijdigen oorsprong met de beschaafde moeten beschouwd worden, door eene lange periode van hunne eerste kindsheid gescheiden.

Omtrent die periode weten wij niets; wij kunnen dus, wanneer we niet verder willen springen dan de stok der feiten lang is, evenmin zeggen, dat zij op den oer-menschelijken lagen trap zijn blijven staan, als dat zij eene oorspronkelijke beschaving verloren hebben. Mutatis mutandis past deze redeneering ook op de dusgenaamde oudste menschenrassen in Europa en Amerika.

Eene positieve wetenschap doet dus verstandig met den oer-mensch buiten \'t geding te laten.

Blijft nog de derde stelling: het kind lijkt op den wilde en op den oer-mensch.

Laten we hier den hypothetischen oer-mensch buiten sprake, dan kunnen wij deze stelling gedeeltelijk toegeven. De reden, waarom wij dit doen, is echter eene geheel andere dan die dei-Darwinisten.

Beiden, de wilde en het kind, hebben niet den schat van kennis en ervaring, welke de ontwikkelde en beschaafde mensch bezit, tot hunne beschikking, en het kan zijn, dat beider kennis op eenzelfde punt gebrekkig is. Daar in alle

\') Dat we zulks niet toegeven, hebben we vroeger gezegd.

-ocr page 201-

V

189

menschen nagenoeg dezelfde neigingen aanwezig zijn, is het derhalve mogelijk, dat zoowel de wilde als het kind zonder voldoende oordeel des onderscheids aan een of andere drift: toorn, hebzucht, ijdelheid enz. den vrijen teugel laat schieten.

Met deze concessie is echter de criminalogie niet gebaat; een misdadiger, dio wél met voldoend oordeel des onderscheids aan een drift toegeeft, doet dan wel somtijds uiterlijk als een kind, maar tusschen de innerlijke waarde zijner handeling en die van het kind of zelfs van den wilde blijft een hemelsbreed onderscheid bestaan.

Verder dan deze concessie kunnen wij onmogelijk gaan; wij kunnen geene recapitulatie toegeven, waar niets te herhalen is. De theorie, welke den misdadiger tot een mensch wil stempelen, die noodzakelijkerwijze slecht is, omdat hij door atavisme nog de dierlijke gewoonten van den oer-mensch bezit, mist allen grond van waarschijnlijkheid, daar het fundament, de afstamming van den mensch uit het dier valsch is.

Ook de lichamelijke merkteekens, waaraan men volgens Lombroso in den misdadiger den wilde of den oer-mensch herkent, ontbreken geheel en al.

Wij willen den lezer niet lastig vallen met eene uitvoerige bespreking van de verschillende bijzonderheden, welke de beroemde typen helpen vormen, en niet breedvoerig uit elkander zetten, waarom de statistieken over: schedelinhoud, hengseloo-ren, scheeve neuzen, uitspringende jukbeenderen, zware onderkaak, ongelijke armen, ongevoeligheid der huid enz. enz. geen vertrouwen verdienen; \'t zal voldoende zijn de conclusies van het rapport, door Housé en Warnots in Brussel uitgebracht, mede te dealen :

„1°. De anatomische type, die volgens prof. Lombroso bij den geboren misdadiger behoort, is een bastaard-product, saamgesteld door de vereeniging van kenteekenen, welke aan

-ocr page 202-

190

de meest verschillende bronnen ontleend zijn. Het is dus geen werkelijke type. Zelfs wanneer wij toegeven, dat de type voorkomt, moet men nog zeggen, dat zij slechts in de minderheid der misdadigers verwezenlijkt wordt (40 0/o); men moet haar dus verwerpen.

2°. Om een type „misdadiger\' samen te stellen, moet men een even groot aantal misdadigers als niet-misdadigers uitkiezen, niet slechts in dezelfde streek (localitó) maar ook in dezelfde maatschappelijke klas van menschen.

3°. De verdeeling der menschen in misdadigers en niet-misdadigers is willekeurig, want niets bewijst, dat een mensch, die geene rechterlijke veroordeeling te zijnen laste heeft, een braaf mensch is.

4°. Sommige misdadigers behooren onder het ressort der pathologie; zij hebben talrijke teekenen van ontaarding, maar zij vormen geen afzonderlijke klasse in de familie der „dégénérésquot;.quot;

Daarenboven, en hiermede nemen wij van Lombroso afscheid, ontbreekt elk, maar ook elk onderzoek, wat licht kan brengen in de vraag; als al de degeneratie-teekenen toegegeven worden, zijn zij dan het gevoly van de misdaad of de oorzaak, of beter, welk verband bestaat er tusschen de degeneratie-teekenen en de misdaad?

DE MISDADIG EU GEEN SOCIAAL PBODUKT.

De tweede groep der criminalisten, die wij de sociologische willen noemen, telt weinig aanhangers. Slechts weinigen vallen, „den persoon,quot; die de misdaad bedrijft, als eene grootheid beschouwen, die men kan verwaarloozen. En terecht: want, laat de invloed van het maatschappelijk milieu zoo groot zijn als men vei-kiest, die invloed werkt op personen van verschillenden aard en verschillende gesteldheid en moet dus, ook

-ocr page 203-

191

volgens hen, die positivist en determinist in merg en been willen blijven, verschillende gevolgen hebben, \'t Is waar, sommigen nemen ook den persoonlijken factor mede in aanmerking en stellen daarvoor de erfelijkheid verantwoordelijk. Het kind, zeggen zij, erft van zijne ouders natuur en aard en daarmede de neiging tot zekere misdaden, maar de natuur der ouders is toch verzwakt en ontaard door misdaden, welke de omgeving heeft aangekweekt. Op die wijze voortredeneerend, zou men eene keten krijgen van zulk een aantal schakels, dat men niet meer kan achterhalen, waar de eerste eigenlijk vastgehecht is. Overigens worden in deze opvatting alle factoren vergeten, welke, zonder eenige medewerking van het milieu, op den persoon kunnen werken, \'t Zal, om op positief terrein te blijven, wel niemand invallen te beweren, dat een kind, dat niet zwakke hersens op de wereld komt, omdat zijn vader op eene wandeling met het hoofd op een steen gevallen is, de geërfde neiging, die met de zwakke hersens verbonden kan zijn, aan het „milieu socialquot; van zijn vader te danken heeft.

Het is onze bedoeling volstrekt niet, aan de statistieken, welke aantoonen, dat in België de misdaden gedurende de crisis van 1846-—47 toegenomen zijn \'), of dat in Frankrijk de curve der misdaden bijna evenwijdig met die der wijnproductie en wijnconsumptie stijgt of daalt (Lombroso, o. c. II, 290), alle waarde te ontzeggen; maar om de vrijheid in den misdadiger te loochenen, kunnen deze en alle statistieken van dezelfde soort, zooals we aanstonds zullen zeggen, niets baten. Gedeeltelijk wordt de bewijskracht dezer waarnemingen overigens reeds ontzenuwd door het feit, dat in Rusland en Ierland de bijna regelmatig terugkeerende hongersnooden niet tot eene evenredige aangroeiing van het getal misdadigers aanleiding geven.

De theorie, welke zoowel den persoonlijken als den socialen

1) Actes, 366.

-ocr page 204-

192

factor bij de misdaad in aanmerking neemt, dunkt ons het beste in overeenstemming met de natuur van den mensch, die eene sociale persoonlijkheid („animal sociale1\') is — mits dat men ze uitdrukke als volgt: de erfelijk verkregene of verworven persoonlijkheid en de maatschappelijke omstandigheden geven aanleiding tot, maar zijn geene oorzaak van de misdaad. De eigenlijke oorzaak kan, bij gezond-zinnige menschen, slechts de vrije wil zijn.

De mensch, die zijne geestvermogens bezit, handelt volgens een doel; dat doel schijnt hem echter zoo te zijn als hij zelve, én tengevolge van zijne natuur én tengevolge van zijne gesteldheid, gestemd is. Vandaar dat én persoon én omstandigheden het hare er toe bij brengen om dat doel in een zeker daglicht te stellen, m. a. w. natuur en omstandigheden doen den mensch zinnelijk naar iets overhellen, of maken hem op zinnelijke wijze van iets af keerig. Het doel van den mensch is tevens het bereiken van iets, wat voor hem persoonlijk een goed is. Daaruit volgt, dat natuur en omstandigheden hem nu dit, dan dat als goed zullen voorspiegelen, zoodat de kans voor sommige daden op \'t eene oogenblik gunstiger zal staan dar. op \'t andere.

Lijdt hij gebrek, dan zal hij meer getrokken worden naar het bezit van voedsel; is de wijn goedkoop, dan zal hem een dronk een bereikbaar genoegen voorkomen — de kansen in \'t eene geval voor diefstal, in \'t andere voor dronkenschap met de gevolgen worden grooter. Voegt zich hierbij nog de invloed van \'t voorbeeld, de opleiding, terwijl het gemis eener goede opvoeding oorzaak is, dat de teugels, die den mensch weerhouden, niet straf aangetrokken zijn, dan is het „nitimur in vetitum\' \') zeker met kracht in dien mensch werkzaam, en hij zal wellicht toegeven aan dien drang. En hoeveel malen in \'t verleden (percentsgewijze berekend) de mensch onder den invloed

\') Wij streven naar het verbodene.

-ocr page 205-

193

van al die krachten eene uiterlijke misdaad hegaan heeft, ziedaar wat de statistiek met zekerheid kan zeggen.

Hoevele malen (altijd percentsgewijze) de mensch van hetzelfde soort in dezelfde omstandigheden in de toekomst weer een misdaad zal plegen — ziedaar wat men uit de statistiek met min of meer waarschijnlijkheid kan hesluiten. Dat deze of die bepaalde persoon in de gegeven omstandigheden een misdrijf moet plegen — ziedaar wat de statistiek onmogelijk kan bewijzen: alle logische samenhang tusschen het kunnen, zullen van den eenen kant en het moeten van den anderen ontbreekt.

De statistiek kan ons wel leeren, waar eene verbetering zoowel van de maatschappelijke omstandigheden als van den persoon, gewenscht is — en voor hare wenken dient men een open oog te hebben l) — zij bewijst niet en kan niet bewijzen, dat de mensch geen vrijen wil heeft. Elk persoonlijk geweten is daar om die bewering te logenstraffen.

DE MISDAmGER GBKN KRANKZINNIGE.

Bij het neerschrijven van dit opschrift hebben wij de gewone manier van spreken behouden, ofschoon het juister geweest ware te vragen: is elke misdadiger een krankzinnige? Niemand twijfelt er immers aan, dat krankzinnigen dingen kunnen doen, die in zich zelve eene misdaad zijn, ofschoon ze hem, die ze bedrijft, niet toegerekend kunnen worden, en iedereen weet tevens, dat bij den eenen de krankzinnigheid reeds erkend is, vóórdat hij een misdrijf pleegt, terwijl bij den anderen de ziekte slechts na de misdadige handeling wordt waargenomen. Ieder zal verder gaarne toegeven, dat het in sommige (wij

\') Het „open oogquot; moet echter eerst en vooral de vertrouwbaarheid der statistiek onderzoeken. Iemand, die handig is, kan de statistische tabellen gemakkelijk zoo inrichten, dat zij alles bewijzen, wat hij gaarne had. Wij zonden op vele tabellen iets af te dingen hebben, maar voor onze studie dood het niets ter zake af.

13

-ocr page 206-

194

gelooven zeer zeldzame) gevallen moeilijk en zeer moeilijk kan zijn de krankzinnigheid met zekerheid te onderscheiden, zonder dat hij daarom wil toegeven, dat elke misdaad hot gevolg is van zieke hersenen. Toch is deze laatste meening de leuze van enkele anthropologisten, wier tolk Dr. Jelgersma geweest is.

In het Rapport van Dr. Jelgersma vinden wij de stelling: „De geboren misdadiger en de zedelijk-krankzinnige is een en hetzelfde wezen. Het eenig onderscheid tusschen beiden is, dat gene een rechter en deze een dokter op zijn weg ontmoet heeft, en omdat deze beide menschen zoozeer van elkander verschillen in de wijze waarop zij het leven beschouwen, wordt de eene naar de gevangenis, de andere naar een krankzinnigengesticht verwezen\'. Uit de discussie, welke volgde, bleek, dat vele aanwezige medici in het Rapport wèl de stelling maar niet het bewijs der stelling hadden kunnen vinden en dat do bewering van Dr. Jelgersma ernstige bestrijding vond. Dr. Jelgersma is echter door dien tegenstand blijkbaar niet ontmoedigd, want zijn „Inleidend woord: De beoefening der crimi-neele anthropologiequot; geeft den inhoud van zijn rapport nagenoeg onveranderd opnieuw te genieten. Wij willen de gronden, waarop deze nieuwe criminalistische theorie steunt, aan een kort onderzoek onderwerpen. Het Rapport geeft die gronden als volgt aan ;

„ Wij kennen hoegenaamd niets van de pathologische anatomie des geboren-misdadigers1); wij kennen de veranderingen niet, die in zijne hersens voorkomen, en zulks is niet te verwonderen. De veranderingen zijn van dien aard, dat men ze noch bij de autopsie, noch met het bloote oog, noch met het mikroskoop kan vinden; toch bestaan ze, maar ze zijn van natuur- of scheikundigen aard en bestaan in abnormale moleculaire veranderingen, d:e aan onze nasporingen ontsnappenquot;.

ij Wij cursiveoreu.

-ocr page 207-

195

D. w. z. Er bestaan in de hersenen van den geboren misdadiger veranderingen, die voor ons niet direct waarneembaar zijn. Wij zullen ons dus op eene indirecte waarneming moeten verlaten.

„Wij kennen echter — dank aan de beroemde waarnemingen van den uitstekenden prof. Lombroso en zijne school -verschillende veranderingen in andere lichaamsdeelen; men noemt die degen6ratie-(ontaardings-)teekenen. Al zijn die veranderingen talrijk, ze zijn toch niet constant, en staan daarom niet in onmiddellijke betrekking tot de misdaad; ze zijn er niet de oorzaak van. Toch komen ze dikwijlder bij den geboren-misdadiger voor, dan bij den voor normaal gehouden mensch. Men kan niet beweren, dat iemand misdadig is, omdat hij «en vervormden schedel heeft, of omdat hij Morelsche ooren bezit, of omdat zijn kakebeen zwaar en zijn verhemelte eng is enz.; maar hij is misdadig, en de onregelmatigheden, die men bij hom opmerkt, zijn daarvan het gevolgquot; \').

We zullen later moeten nagaan, of er eenig verband bestaat tusschen de gevolgen en de oorzaak, waarvan we niets weten. Wijden we een oogenbiik onze aandacht aan de gevolgen zelve. De kenteekenen, door Lombroso voorgesteld en door de alië-nisten hier ten behoeve hunner theorie overgenomen, verdienen niet alleen weinig, maar volstrekt geen vertrouwen. Reeds op het eerste anthropologisch congres werd aan de statistieken, die het bestaan van hengselooren enz. bij den misdadiger zochten en vonden, verweten, dat ze het product waren van haastig en onordelijk werk. Op het jongste congres verklaarde A. Struelens, dokter der gevangenis te Brussel, dat hij vooral de teekenen onderzocht heeft, die volgens Lombroso den mis-dadiger-typus doen onderscheiden, n.1. het hellende voorhoofd.

liapport, 1. c.

-ocr page 208-

196

de uitstekende jukbeenderen, de zware kaken enz., en dat hij op een getal van 5000 misdadigers slechts 160/0 kon vinden, waarbij eenige, en slechts 30/o, waarbij alle degeneratieteekenen voorkwamen Ook Dr. Cuylits, die aan \'t hoofd staat van het krankzinnigengesticht te Evere, had de natuurlijke ken-teekenen voor den geboren misdadiger van Dr. Jelgersma nog niet kunnen vinden 2). Het feit overigens, dat het Lombro-sisme in de wetenschap uitgediend heeft, o. a. omdat men met de degeneratie-teekenen, die hij atavismen noemt, niet overweg kon, is wel voldoende om de onwaarde dier stigmata voor elke andere theorie in het licht te stellen.

Indien wij echter ook al wilden toegeven, dat een misdadiger meer kans heeft hengselooren, zware kaken enz. te bezitten dan een eerlijk man, dan blijven nog twee zaken te doen: 1°. aan te toonen, dat die wanstaltigheden van eene hersenziekte afhangen en 2°. dat die hersenziekte krankzinnigheid moet veroorzaken.

De samenhang tusschen degeneratie-teekenen en krankzinnigheid wordt in het liapport als volgt besproken :

„De verandering in een orgaan brengt somtijds veranderingen in verwijderde deelen van het organisme mede... Bij acute meningitis en bij typhus vindt men kleine roode vlekken op den buik. De longontsteking brengt het verschijnen van kleine blaasjes op de lippen meé ... In al die gevallen kennen wij zoowel de primaire, als de secundaire verandering, die uit de \' eerste voortvloeit, maar wij weten hoegenaamd niets omtrent den band, die beide samensnoert\'.

Daarop volgt de bewering : „Zoo is het ook hij den gehoren-misdadiger. Ieder weet, dat de primaire verandering een gehreh is in de moleculaire organisatie van de hersenen. Deze eerste variatie blijft niet op zichzelve, maar veroorzaakt in andere

\') Actes, p. 27G. 2) L. c. 241.

-ocr page 209-

197

lichaamsdeelen verschillende en niet steeds dezelfde veranderingen ; dat is hetgeen wij degeneratie-teekenen noemen\'.

In deze redeneering wordt, hetgeen wij gaarne met deugdelijke bewijzen gestaafd zagen, eenvoudig als bekende waarheid voorop gesteld: „zoo is hetquot; en „ieder weetquot;. De vergelijking met de verschijnselen bij typhus en longontsteking komt ons geheel en al onnauwkeurig voor. De constante gelijktijdigheid van longontsteking en blaasjes op de lippen, twee goed waarneembare zaken, geeft recht om tot een oorzakelijk verband te besluiten, al kan men den samenhang niet waarnemen. Geheel anders echter bij de degeneratie-teekenen en de moleculaire verandering der hersenen; de eerste zijn alles behalve constant en de tweede wordt slechts verondersteld.

En als volgens Dr. Jelgersma „bij den grootsten misdadiger elk anatomisch degeneratie-teeken kan ontbrekenquot; dan kan men aan de aanwezigheid dier teekenen toch geen groote waarde toekennen.

Op eene andere onnauwkeurigheid in do redeneering wordt door Dr. Cuylits gewezen:

„Hij [Dr. Jelgersma] tracht te doen uitkomen, dat de degeneratie-teekenen dikwijlder bij den misdadiger, dan bij den gezonde voorkomen; daarin zou de waarde dier teekenen liggen. Deze grootere veelvuldigheid acht hij voldoende om te besluiten, dat de toestand van den misdadiger een pathologische is, evengoed als de ziektetoestand der krankzinnigen door talrijke degeneratie-teekenen wordt aangegeven.

Wij maken hierop slechts ééne, maar zooals wij meenen afdoende, aanmerking en wel deze: de meeste dier physische kenteekenen zijn van rachitischen oorsprong; slechte voeding, onvoldoende luehtverversching, zwangerschap, wanneer de

,) Inleidend noord.

-ocr page 210-

198

moeder reeds zenuwzwak is, aan alcoholisraus lijdt of allerlei ellende moet verduren, zijn even zoo vele oorzaken welke degeneratieteekenen bij de vleet voortbrengen.

Daar nu gewoonlijk de misdaad niet in de paleizen woont, noch in die huizen haar tenten opslaat, waar welstand heerscht en aan voedsel of comfort geen gebrek is, moet het niemand verwonderen, dat men bij den misdadiger meer degeneratieteekenen vindt dan bij do normale menschen.quot;

De degeneratie-teekenen hangen volgens Dr. Cuylits, en met hem zijn het velen eens, dikwijls van geheel andere oorzaken dan van hersenziekte af en staan dus met de misdaad in hoegenaamd geen organisch verband. Geen wonder dan ook, dat men in de wereld menschen vindt, die in weerwil van alle degeneratie-teekenen doodeerlijk en braaf zijn, en dat er schurken genoeg rondloopen, die in lichamelijk opzicht volkomen normaal zijn.

De redeneering van het Rapport zoude eindelijk ook dan nog onjuist zijn, wanneer we èn het bestaan der merkteekenen èn hun verband met eene of andere hersenziekte toegaven; het bewijs immers, dat die hersenziekte tevens krankzinnigheid ten gevolge moest hebben, ware daarmee nog lang niet geleverd. Er zijn vaak genoeg storingen in de hersenen waargenomen, welke niet op krankzinnigheid uitliepen.

Het Rapport stapt over de moeilijkheden, welke de eerste bewering: „Er bestaan in den misdadiger abnormale veranderingen der hersenen, welke aan onze nasporingen ontsnappen\', meebrengt, henen met de volgende, even gewaagde assertie: „ Alle pogingen die men in het werk heeft gesteld om te achterhalen, of er een absoluut verschil bestaat tusschen den misdadiger en den krankzinnige, of er een toetssteen is, waardoor men beide kan onderscheiden, hebben tot geene uitkomst geleid en zullen zulks nimmer doenquot; \').

») p. 35.

-ocr page 211-

199

Dr. Cuylits en prof. Masoin van Leuven teekenden op deugdelijke gronden tegen deze uitspraak protest aan. Beiden halen het getuigenis aan van den psychiater v. Kraft—Ebing en verklaren met hem „dat er zeer duidelijke verschillen tus-schen den misdadiger en den krankzinnige\' 1) bestaan. Wij laten het woord aan prof. Masoin :

„De krankzinnige handelt uit onweerstaanbare aandrift, dikwijls zelfs zonder een bepaald slachtoffer uit te kiezen; hij bedrijft het kwaad zonder er belang bij te hebben; hij doodt om te dooden, steelt om te stelen, zonder voordeel er van te hebben en zonder het noodig te hebben; de misdadiger heeft daarentegen een doel, handelt uit eigenbelang, uit hebzucht, wraak of drift; hij zoekt eene behoefte te bevredigen, zooals Dr. Dallemagne het uitdrukt 2). Is de misdaad volbracht, dan zoekt de misdadiger zich te verschuilen, terwijl de krankzinnige zich zonder erg laat vatten.

De krankzinnige beraamt zijn plan alleen en voert het alleen uit; de misdadiger heeft handlangers en eene vereeniging van boosdoeners is een zeer alledaagsch verschijnsel. Na de daad komt er bij den krankzinnige als het ware eene ontspanning; het is hem te moede alsof hij van iets ontlast was, en hij wordt kalm — eene kalmte zonder spijt, zonder berouw, en dikwijls zonder bewustzijn van wat hij gedaan heeft.\'

Voegt men nog hierbij, dat bij den krankzinnige het gemis aan oordeel en de storingen in het bewustzijn, op ander gebied dan dat der misdaad, duidelijk zijn en dat men de oorzaak van zijn geestestoestand, hetzij in een erfelijken aanleg, hetzij in eene ziekte of verwonding, kan opsporen en achterhalen, terwijl ook de overgang van den normalen toestand tot de krankzinnigheid meestal uiterlijk waarneembaar is, dan dunkt

\') p. 248 en p. 279.

s) Er staat; .besoin nutritif, génésiqne on oérébralquot;-

-ocr page 212-

200

ons, dat men geen reden kan hebben om den misdadiger met den krankzinnige te vereenzelvigen. Er zullen altijd gevallen blijven, waarin het moeilijk uit te maken is, met wat soort van beiden men te doen heeft, dat erkennen wij gaarne, maar de positieve wetenschap dient de methode te volgen, welke de duisterheden tracht te verklaren met behulp van datgene, wat helder is, en niet die, welke over helder verlichte beelden een sluier wil werpen, omdat er andere in de schaduw staan.

Het verschil tusschen den misdadiger en den krankzinnige is vooral daarin gelegen, dat de laatste geen of geen volkomen bewustzijn heeft, de eerste wel; dat bij den krankzinnige de storing in het bewustzijn van bhjvenden aard is, zooals we in ons opstel over „zoogenaamde zielsziektenquot; uiteenzetten en meestal ook op ander gebied dan dat der misdaad waargenomen kan worden.

Den invloed van onkunde en driften op de handelingen hebben wij reeds vroeger besproken; men veroorlove ons nog een enkel woord over zedelijk-krankzinnigen. Dit woord is tegenwoordig in de werken over crimineele anthropologie schering en inslag; de zaak zelve is echter, zooals we reeds aanstipten, duister en nevelachtig. Indien wij goed lezen, verstaat men door „zedelijk-krank/.innigquot; iemand, wien het op geen ander gebied dan op dat der zedelijkheid aan oordeel des onderscheids ontk-eekt, die, zooals men zegt, geen zedelijken zin of gevoel heeft en aan slechte driften ten prooi is.

Zooals de lezer weet, is zedelijkheid geen gevoels-kwestie maar eene kwestie van verstand en wil, waarbij de kennis der wet, die der handeling en die van het verband tusschen wet en handeling te pas komen. Slechte driften, d. vv. z. zinnelijke neigingen, die tegelijkertijd èn natuurlijk zouden zijn èn uit haren aard slecht, kunnen er niet bestaan.

Alle neigingen van dien aard zijn uit hare natuur onverschillig ; de handelingen worden echter slecht of goed, naarmate zij tegen of volgens de recta ratio (gezonde rede) verricht worden ;

-ocr page 213-

201

naarmate zij gericht zijn op een verboden of geboden voorwerp. Ook kan er slechts sprake zijn van de mindere of meerdere hevigheid dier neigingen en niet van het bezit of het gemis er van, daar alle uit onze menschelijke natuur voortvloeien en hoofdzakelijk van lichainelijken aard zijn; zoodat men gerust mag aannemen, dat ieder niensch van alle neigingen, de eene sterker, de andere minder sterk, voorzien is. Het is dus slechts zake, die neigingen te kennen en in verband met de wetsken-nis haar voorwerp te onderzoeken. Het oordeel, dat alsdan het kennend verstand uitspreekt, moet het richtsnoer zijn van den wil.

Zoodat ten slotte alles op de kennis en het oordeel neerkomt.

Ware nu die kennis van zoo bijzonderen aard als b. v. de kennis van cijfers of noten, dan ware het denkbaar, ofschoon ook dan nog niet zeker, dat zij in de hersenen zeer bepaald gelocaliseerd zou zijn, omdat zij aan zeer eigenaardige zinnebeelden gebonden ware. Maar die kennis is van zoo algemeene natuur, dat wij aan eene zoodanige localisatie niet gelooven en het er voor houden, dat „waar een gezond oordeel — ten gevolge van hersenziekte — op zedelijk gebied ontbreekt, ook op ander terrein het oordeel des verstands belemmerd moet zijn door de ziekte der hersenenquot;.

Terecht zegt dan ook Dr. Winkler: „Behalve de zedelijke gebreken heeft deze ziekte nog vele andere symptomen. Volgens mijn gevoelen bestaat de zedelijk-krankzinnige ook als type niet. Hij doolt rond in de groote vlakte der gedegenereerden\' \').

Volkomen eensluidend besliste prof. Francotte; „Zedelijke krankzinnigheid is geen ziektetoestand per se; zij is een verschijnsel dat niet andere verstandsziekten samengaat, vooral met de zoogenaamde degeneratie-psychosenquot;.

\') Actes, p. 349.

-ocr page 214-

202

MISDADIGE DWANGVOORSTELLINGEN

Toen wij over het hypnotisme spraken, hebben wij een paar voorbeelden aangehaald, waaruit bleek, dat een droom somtijds aanleiding kan goven tot een idéé fixe, d. w. z. tot een denkbeeld, dat men zich niet uit het hoofd kan slaan. De oorzaak dezer hardnekkigheid is van organischen aard en moet o. i. daarin bestaan, dat het zinnelijk beeld, waarmed» het denkbeeld verbonden is, voortdurend in het orgaan, de hersenen, tegenwoordig blijft of althans bij de geringste aanleiding steeds te voorschijn komt. Dwangvoorstellingen van zeer onschuldigen aard, waarover men zich niet behoeft te verontrusten, zal wel ieder nu of dan eens bij zich zeiven of bij zijn vrienden kunnen waarnemen. De een zal b. v. den geheelen dag het liedje neuriën of fluiten, dat hem \'s morgens is ingevallen, de andere zal iederen avond het huis doorzoeken om te zien of er geen gevaar voor brand is, een derde zal zich ieder keer de handen wasschen, wanneer hij de kruk van de eene of andere deur heeft aangevat enz. 2). Minder aangenaam zijn de dwangvoorstellingen, die zich van iemand meester maken, als hij van eene hoogte neerziet of aan den oever staat van een diep stil water. „Als ik mij eens naar beneden wierp! Als ik er eens in sprong!\' is dan meestal de vorm, waaronder zich de dwangvoorstelling voordoet. Intus-schen zijn ook deze minder prettige invallen niet gevaarlijk voor normaal-zinnige mensehen. Van denzelfden aard zijn de idéés fixes, die een of andere te bedrijven misdaad tot voor-

\') Obsessions criminelles morbides.

a) Vele scrupulen bohooren tot deze groep. Daar al deze dingen slechts daarom in den geest zijn, wijl die geest het lichaam bezielt, is het dikwijls nuttig den geest door het lichaam te genezen, al behoeft men niet uit hot oog te verliezen, dat de geest, die het lichaam bezielt, ook op dat lichaam invloed hoeft: dat dus de mensch én genezen kan worden én somtijds zichzelven kan genezen.

-ocr page 215-

203

werp hebben. Komen zulke gedachten bij een mensch van gezonde hersenen op, dan veroorzaken ze hem weinig of geen hinder ; hij zet ze eenvoudig op zijde door zijne aandacht op iets anders te vestigen \'). En blijft in weerwil daarvan de gedachte somtijds eenigen tijd hangen, dan zal \'t hem wel eenigs-zins hinderen maar hem verder noch verontrusten noch tot eenige handeling brengen 2). Zijn daarentegen de hersenen niet normaal en is het zenuwstelsel geschokt, dan „dringt zich die gedachte aan den geest op en veroorzaakt eene pijnlijke angstvalligheid .... de dwangvoorstelling is tyrannisch vasthoudend en de smart is dikwijls zoo groot, dat zij den wil overmeestertquot; 3), daardoor n.1. dat zij het verstand tot één denkbeeld beperkt en derhalve eene keuze belet of bemoeilijkt.

De mensch kan zoodanig door een denkbeeld bezeten worden (obsédé), daardoor in zulke opgewondenheid geraken, dat hij het meesterschap over zijne gedachten en bijgevolg over zijne handeling verliest en op die wijze de misdaad bedrijft, welke hem in het hoofd is gekomen. Op de handeling volgt dan eene ontspanning; \'t is hem te moede, alsof hij van een zwaren last plotseling ontheven is. Tegelijkertijd echter is het terug-keerend bewustzijn de oorzaak, dat hij inziet, wat hij gedaan heeft en spijt gevoelt over het gebeurde.

Het is zelfs mogelijk, dat hij, die de daad bedrijft, weet, dat zijne handeling verkeerd is en ook daaraan blijft denken • de handeling wordt in dat geval gedaan, omdat de zieke in den waan verkeert, dat hij onmogelijk anders kan. Een enkel

y

voorbeeld tot opheldering 4):

„G... B..., 28 jaren oud, heeft eene plotseling opkomende

\') Men denke hier aan do vloekwoorden, die aan sommigo vromezielen gedurende het gebed in den geest en op de lippen komen.

8) Bekoringen zijn vaak van denzelfden aard.

8) Rapport van Dr. Mangan: Acte.?, p. 153.

*) Actes, p. 155.

K

-ocr page 216-

204

en onweerstaanbare neiging om te slaan en te verbrijzelen. Terwijl ze kalm daar zit, werpt ze eensklaps wat zich onder haar bereik bevindt op den grond of slingert het de menschen naar het hoofd; eens wierp ze eene tlesch naar het hoofd eener dame, die haar niet dan goed gedaan had, en van wie ze zelfs veel hield. Heeft ze iets van dien aard gedaan, dan begint ze te weenen en vraagt om verschooning. Een ander maal wierp ze, terwijl ze buiten wandelde, haar dochtertje van 14 maanden, dat ze op den arm droeg, tegen den grond; het kind viel gelukkig in een bos hooi en kreeg geen letsel.

Zij weet niet, waarom ze zoo doet, en betreurt wat ze gedaan heeft; zij kan zich niet verklaren, waarom zij tracht kwaad te doen aan personen, waarvan ze houdtquot;.

Feiten van dien aard zijn, zooals Dr. Ladame zegt, wel geschikt om het oordeel van iemand, die ze niet van nabij kent, op een dwaalspoor te brengen.

Gelukkigerwijze zijn ze vooreerst niet zeer talrijk en zijn ze vervolgens het uitvloeisel van eene ziekte der hersenen, die meestal reeds te voren kenbaar is geworden, of, in enkele gevallen, zich later duidelijk genoeg openbaart. Dikwijls gebeurt het zelfs, dat de patienten den aanval als eene nachtmerrie voelen aankomen en zich tegen zich zeiven weten te beschermen of hulp bij anderen zoeken. Zonder twijfel blijft in deze gevallen eene vergissing mogelijk; maar als regel mag men toch gerustelijk aannemen, dat men den zieke van den misdadiger kan onderscheiden.

Wij hebben hier met eene degeneratie-psychose te doen, eene zielsziekte, welke vooral groeit op een voorbeschikten bodem, d. w. z. in hersenen, die van de geboorte reeds zwak en ziekelijk waren of, en wij vestigen hier de aandacht op, in hersenen, die door al te groote inspanning of door uitspattingen van allerlei aard verzwakt zijn l).

\') Is het zenuwstelsel door uitspattingen verzwakt en ontredderd, dan

-ocr page 217-

205

ZIEKTEQESCHIEDENIS DER MISDAAD.

Er is in den laatsten tijd zooveel geschreven over den lichamelijken toestand der misdadigers als oorzaak der misdaad, dat het geen verloren moeite zal zijn aan de ziektegeschiedenis der vrijwillig bedreven misdaad eenige woorden te wijden, ofschoon daarover niet veel meer te zeggen is dan hetgeen ieder weet.

Daar het hoofdmoment der misdaad in den wil gezocht moet worden en deze zonder kennis niet werkzaam kan zijn, is het duidelijk, dat het voorwerp, tot hetwelk de wil zich op schuldige wijze wendt, in den geest moet aanwezig zijn; en dat met deze aanwezigheid tevens de kennis gepaard moet gaan, dat het voorwerp, dat voor den geest staat, eene verboden vrucht is voor den wil. Zoolang deze kennis niet ontbreekt, is de wil vrij en kan hij zich ten goede of ten kwade wenden. De hoogmoed, de hebzucht, de zinnelijkheid mogen hem de voorstelling, die hem bezighoudt, zoo verlokkend maken als zjj willen; al de driften zijns lichaams mogen ontketend worden en zijn zenuwstelsel in opschudding brengen, zoolang de menschZ\'e»!?, kan hij willen. Dat is zijne kracht, dat is zijn heerlijkst voorrecht. Zeker, de wending van den wil ten goede zal nu meer dan minder moeite kosten en somtijds zelfs bijna, hoewel niet geheel, onmogelijk zijn, maar hij kan in dien strijd overwinnaar blijven; zulks getuigen, behalve de stem van \'t eigen geweten, zoo vele voorbeelden van trouwe plichtbetrachting in weerwil van de grootste moeilijkheden. Wij weten wel, dat

kan deze ziekelijke toestand wederom aanleiding worden tot andere misdadige neigingen en gewoonten. In zulk geval is het noodig behalve die middelen, welke op verstand en wil werken, ook die aan te wenden, welke de genezing des lichaams ten doel hebben, \'t Spreekt van zelve, dat de schuld aan die daden, afhangt van de mate van kennis, waarmede zij bedreven worden. Vgl. het Rapport van Dr. L, de Rode: Actes p. 107.

-ocr page 218-

206

men de kracht van het geweten tracht te ontzenuwen, door zijne goed- of afkeuring gelijk te stellen met de voldoening of de spijt, welke de mensch gevoelt over eene gebeurtenis, die geheel zonder zijn toedoen heeft plaats gegrepen, maaide eigen ondervinding — en in onze eeuw van ervaringswetenschap zal toch die waarneming ook wel mee mogen tellen — leert zonder moeite, dat de oordeelende uitspraak van den rechter, dien wij in eigen boezem dragen, iets geheel anders is dan een bloot gevoel van voldaan- of onvoldaanheid, of zelfs van een verstandelijk oordeel, hetwelk erkent, dat iets gelukkig of ongelukkig uitgevallen is.

Men beweert wel, dat er menschen zijn, die volstrekt geen geweten hebben en houdt dit gemis voor een der hoofdeigen-£chiippen van den „onverbeterlijkequot; of den „geboren misdadiger\'; maar voor iemand die deze uitspraak niet a priori wil gelooven — en dat kunnen we met ons negentiende-eeuwsch geweten niet overeenbrengen — bestaan er geene deugdelijke bewijzen voor hare waarheid. De voorbeelden, welke men i.i de boeken over crimineele anthropologic vindt aangehaald, betreifen meestal verstokte booswichten, welke verklaren geen wroeging te kennen en geen tecken geven, dat zij er gevoelen. Leest men echter daarnaast, dat de ijdelheid en grootspraak, ook op het gebied der misdaad, bij de boosdoeners schering en inslag zijn, dan komt men er van zelf toe, ook die gewetenloosheid voor een goed deel aan snoeverij toe te schrijven.

Voor een ander deel is zij, gelijk de ondervinding leert, aan vor-dooving te danken; men hoort de stem des gewetens niet meer, omdat men er gedurende geruimen tijd niet naar heeft willen luisteren.

Ondanks dit alles spreekt in den misdadiger de stemme dos gewetens nu en dan nog zoo luid, dat zo hem met schrik en ontzetting vervult. Noemt de misdadiger in zijn argot hot go-weten ,1a muettequot;, dan bewijst die woordkeuze juist het te-

-ocr page 219-

207

gendeel van hetgeen men er uit wil halen. Hij kan het geweten niet „de stomme\'\' noemen, tenzij hij wete, dat het heeft gesproken of moest spreken — en hoe komt hij aan die kennis ?

In een vorig hoofdstuk \') toonden wij aan, dat de driften bij de menschelijkiï natuur behooren en uit haren aard onverschillig zijn ; zij worden slechts goed of kwaad, wanneer ze zich op een geboden of verboden voorwerp richten. Voegen wij bij de daar ter plaatse genoemde driften, die in het lichaam zetelen, nog eene andere neiging, welke meer aan den geest eigen is, de hoovaardij namelijk, dan hebben we de bronnen genoemd, waaruit alle misdaden voortvloeien. Er kan bij de verschillende menschen een verschil van hevigheid bestaan, een plus of minus, maar uit den aard der zaak zal geen dier neigingen, welke tot de natuur behooren — tenzij bij zeer groote uitzondering — bij een der menschen ontbreken.

Voorbeeld, omgeving, opvoeding kunnen de neigingen ten goede of ten kwade leiden; de omstandigheden kunnen den wil eene keuze aanwijzen; de oorzaak der daad blijft echter bij den wil.

Ook op \'t uitsluitend gebied van den wil gelooven wij, dat het woord der ouden waar is, „uemo fit repente pessimus: niemand wordt op eens zeer slecht\'. Kleine fouten banenden weg tot groote,- men wenscht b. v. — om op \'t gebied van den wil te blijven — iemand geen groot kwaad dan wanneer men den haat of den afkeer in het hart heeft laten wortel schieten en groeien.

Veel meer is het echter waar voor de misdadige handeling naar buiten. „Er is heel wat gepasseerd in eene normale men-schenziel, wanneer hij voor \'t eerst de hand aan \'t leven van een ander zal slaanquot; zegt Dr. Jelgersma 1) en wij gelooven \'t met hem, hoewel niet geheel en al in denzelfden zin. Er is

1

) De heoefeniny der crimineele anthropologie, bl. 14.

-ocr page 220-

208

heel wat gepasseerd, alvorens die menschenziel den doodslag wil en er passeert heel wat, eer de mensch een doodslag begaat.

Gewoonlijk immers zal reeds het innerlijke besluit niet genomen worden, wanneer niet reeds uiterlijke daden van velerlei aard den wil in \'t goede verzwakt en in \'t kwade versterkt hebben; en op het besluit moet, zooals de H. Thomas het zeer juist onderscheidt, nog de poging tot verwezenlijking volgen, eer de daad kan ontstaan. „Gewoonlijkquot;, zeggen wij,, want, wanneer eene groote misdaad lang genoeg den geest heeft bezig gehouden, lang gewikt en gewogen is, kan het gebeuren, dat eene gunstige gelegenheid een plan doet ten uitvoer brengen, dat door geene uiterlijke kleinere vergrijpen voorbereid scheen.

Na een eerste groote, met kennis en vrijen wil bedreven misdaad, komt de wel ten kwade geneigde, maar niet in den grond bedorvene natuur tegen zich zelve in opstand en beschouwt met afgrijzen haar eigen product. Gelukkig de mensch,. die met den afschuw voor hetgeen hij gedaan heeft, ook den wil verbindt, zich niet meer plichtig te maken en in dien wil ook de middelen tot beterschap insluit. Waar echter de wil wederom weifelend wordt, als de eerste ontroering tot bedaren is gekomen, en vooral er niet toe kan besluiten om de aanleidingen tot nieuwe misdaden te vluchten, daar volgt, helaas, vroeg of laat eene tweede misdaad op de eerste en bij die eerst was „un criminel d\'occasion\'\' wordt allengs „un criminel d\'habitudequot;.

De misdaad heeft bezit genomen van den mensch. Zooals \'t in de deugd is gesteld, zoo is \'t ook in de misdaad; ééne deugd heeft er vele andere in haar gevolg, ééne misdaad eischt den steun en de hulp van vele andere, grootere of kleinere fouten. Wat er waars is in de theorie van de kenteekenen dei-misdadigers wordt dan verwezenlijkt; de misdaad drukt haar stempel op den mensch. De misdadiger, die aan eene of andere

-ocr page 221-

209

drift den vrijen teugel viert en daardoor de lichamelijke veranderingen, welke bij de werking der driften behooren, herhaaldelijk in zich zeiven veroorzaakt, moet daarvan op den duur een of ander spoor bijbehouden. Nu gelooven wij wel niet, dat daardoor zijn oor langer, of zijn kaak zwaarder, of zijn haren sluiker zullen worden, maar zijne gelaatstrekken, zijn oogopslag, zijne geheele houding zullen den weerslag zijner driften gevoelen. Eene vergelijkende portretstudie, niet van verschillende misdadigers, maar van één persoon op verschillende, tijden zoude, dunkt ons, zeer interessante uitkomsten leveren. Voor onfeilbaar houden wij deze teekenen in geenen deele, daar de meeste physiognomische veranderingen evenzeer door ziekten als door misdaad kunnen ontstaan. Men zou, als men den misdadiger als zoodanig kende, kunnen zeggen; „men kan \'t hem we! aanzien\', maar \'t zou onwetenschappelijk zijn te beweren: „die man is een dief, omdat hij er zoo uitzietquot;.

Tengevolge der herhaalde handeling wordt de misdaad zoo zeer tot gewoonte, dat men in de gewone spreektaal den mensch met recht een onvei-beterlijken booswicht noemt. Men wil daarmee zeggen, dat hij zich niet dan met groote of met de grootste moeite kan beteren en zich waarschijnlijk, volgens de ervaring aan andere misdadigers opgedaan, niet zal verbetei-en. Wanneer echter de criminalistische wetenschap het woord „onverbeterlijk\' in den striktsten zin gebruikt, dan komt zij zoodoende in strijd met haar eigene beginselen. Want de wetenschap, welke alles aan do organisatie toeschrijft, heeft die organisatie, welke misdaden voortbrengt, nog niet gevonden en mag ze dus ook niet ongeneeslijk of onverbeterlijk noemen en de theorie, welke meer kracht aan de invloeden der omgeving enz. toekent, mag niet a priori de invloeden ten goede als krachteloos beschouwen. Zoolang er leven is bestaat de mogelijkheid, dat de misdadiger tot inkeer kome en zich betere ; dit volgt uit het eigen karakter van den wil, hetwelk, zooals wij vroeger reeds aantoonden, do wet der noodzaak niet kent; en do mogelijk-

14

-ocr page 222-

210

heid der beterschap wordt door de feitelijke beterschap van velen, die volgens alle regels der moderne criminalogie als onverbeterlijk moesten gelden, voldoende bevestigd.

Er is gelukkig voor dien onverbeterlijke nog geen plaats in de wetenschap en die plaats zal er overigens nimmer komen.

\'t Is omdat wij deze overtuiging huldigen, dat wij ten volle met alle pogingen instemmen, welke de verbetering van den misdadiger trachten te bewerken of de misdaden te voorkomen. De lezing van het bekende werk van Max. Ducamp: La Charité privéc a Paris is uiterst geschikt om ons te overtuigen, dat er op dit gebied veel gedaan wordt en veel bereikt kan worden. Intusschen zijn wij zoo vrij te meenen, dat er noch opvoeding ten goede, noch verbetering mogelijk is zonder den positief godsdienstigen grondslag. Er is een alziend, oneindig, persoonlijk opperwezen, dat beloont en straft, noodig, om den wil van den mensch in toom te houden; zoo zeer noodig, dat „si Dieu n\'existait pas, il faudrait l\'inventerquot;.

Zoo begrijpt het de verdienstelijke advocaat Bartolo Longo, die in Valle di Pompei een opvoedingsgesticht voor de kinderen der gevangenen heeft opgericht.

„Het veld, waarop ik mij beweeg — aldus in zijne redevoering van den 27sten Mei d. j. *) — is dat der liefde.... De menschen van elke godsdienstige overtuiging en van elke politieke kleur stemmen hierin overeen, dat zij der menschheid goed willen doen. Maar als het op handelen aankomt, is het alleen de liefde van Christus, welke ons zoozeer versterkt, dat men zich

om Godswil opoffert..... Christus is dus mijn leermeester,

mijn gids, mijn weg, mijne wetenschap en mijne waarheid. Welnu Christus heeft medelijden gehad met de kinderen en gezegd: „laat de kleinen tot mij komenquot;. En toen Hij ze opnam, gelooft het mij, maakte Hij geen onderscheid tusscheh

\') Zie do courant „Vallo di Pompeiquot; van den 27 Oct. en v.v.

-ocr page 223-

v211

,uit misdadigers geborenquot; en „geboren misdadigersquot; en nog veel minder onderzocht Hij den schedel of het gelaat om die anomalieën te vinden, welke volgens de „nieuwe anthropolo-gische schoolquot; de zekere merkteekenen zijn van de aangeboren misdadigheid. Neen, Hij omhelsde alle kinderen en sprak; „Hem, die een dezer kincleren tot ergenis verstrekt, ware het beter in de zee verzonken te wordenquot; en „hij die een dezer kleinen opneeemt, neemt Mij opquot;quot;.

Op deze hartelijke en echt christelijke woorden laat Bartolo Longo de geschiedenis van eenige zijner pleegkinderen volgen. Het is interessant om daaruit te vernemen, hoe of enkele dier kleinen, welke volgens de kenmerken der wetenschap tot de misdaad gedoemd waren en, dank het voorbeeld der ouders, reeds meer dan eene schrede op den weg des verderfs gezet hadden, door de toewijding en de zorgen hunner opvoeders tot het goede terugkeerden. Wij deelen echter geen zijner voorbeelden mede, omdat men ons zou kunnen tegenvoeren: wacht eerst af wat er uit die kinderen zal opgroeien. Eene ontwikkelingsgeschiedenis, welke op diezelfde vergadering (den verjaardag der stichting) professor O. Giacchi, directeur van het provinciaal krankzinnigengesticht van Cuneo in Racconingi mededeelde en welke een volwassen man betreft, is geschikter om de zoogenaamde delinquenti nati naar waarde te schatten \'j.

,N. N. is de zoon van eene zedelooze moeder en van een drankzuchtigen vader, die den meesten tijd van zijn leven wegens diefstal, mishandelingen en naamlooze schanddaden in de gevangenis doorbrengt; hij (N. N.) heeft een woest uiterlijk en kon, wat do degeneratieteekenen aangaat als de prototype van den geboren-misdadiger gelden. Hij heeft verder drie broertjes, welke aan de rechterlijke macht niet weinig te doen geven — hij zelf echter was altijd eerlijk en werkzaam en heeft eene uitstekende en verdiende maatschappelijke

\') Valle di Pompei, nummer van Augustus—September.

-ocr page 224-

212

positie; hij geniet de act ting en het vertrouwen zijner stad--genooten, die gelukkigerwijze met zijne min-eervolle afkomst onbekend zijn. Hij is, in één woord, zoowel door eerlijkheid als door verstand en door beschaving die achting ten volle waardig.

Kent ge de oorzaak van zulke vreemdsoortige uitzondering in deze ontaarde familie? We gaan ze u mededeelen.

Deze vierde jongen kwam ter wereld gedurende de gevangenschap zijns vaders. Ten gevolge van het vagebonden-leven der broeders en de zware ziekte der moeder heerschte de droevigste ellende in het armzalig verblijf van den veroordeelde.

Maar door dezen uitersten nood — eene stervende moeder en een pasgeboren kind ronder voedsel — werd het hart van een edelmoedig priester bewogen. Als een waar volgeling van Christus zorgde deze voor het ongelukkige kind ; onttrok het aan zijn misdadige omgeving, gaf het ter verpleging aan eene gezonde min en deed het later door brave en verstandige meesters, zoowel naar geest als naar hart, onderwijzen en opvoeden. Hij zorgde er voor, dat de opvoeding in een ver verwijderd land gebeurde, opdat zijn beschermeling later niet zou weten, welk land hem zag geboren worden.quot;

Nuist dit voorbeeld hetwelk de opleiding van een kind betreft, ontbreken ook die voorbeelden niet, welke bewijzen, dat zelfs oude en in de misdaad als verharde boosdoeners tot inkeer en tot beterschap kannen komen.

Geen opvoeding kan echter den vrijen wil des menschen aan banden leggen; daarom is \'t niet te verwonderen, dat de beste en zorgvuldigste leiding zoowel van geboren-misdadigers als van geboren-niet-misdadigers niet onfeilbaar zeker met goeden uitslag bekroond wordt. Door den vrijen wil kan eveneens op gevorderden leeftijd de mensch van het goede tot het kwade overgaan en omgekeerd al blijft het waarschijnlijk, dat „hij niet van den weg zal afwijken, dien hij in zijne jeugd heeft ingeslagen.quot;

-ocr page 225-

213

Strafl). Daar wij in de misdaad een vergrijp zien tegen «ene wet, een vergrijp, wetens en willens gepleegd, kunnen wij niet anders dan eischen, dat het vergrijp gestraft worde in den waren zin des woords. Voor zooverre de misdaad een zonde is tegen de voorschriften van Gods wet, heeft de eeuwige rechter zich oordeel en straf voorbehouden, maar voor zooverre de wereldlijke macht de misdrijven moet verbieden, omdat zij den plicht heeft, voor de instandhouding der door God gewilde orde en voor de eerbiediging van het recht zorg te dragen, heeft zij tevens èn recht èn plicht de schending dier orde te oordeelen en te straffen. Dat recht van straffen put zij uit dezelfde bron, waaruit haar gezag voortvloeit; zij is de plaatsvervanger van den oppersten Heer.

De wraak voor de geschonden rechtvaardigheid is het eerste en het voornaamste doel van elke straf. Verbetering van den gestrafte en heilzame afschrik bij anderen zijn mede het doel der straf, maar kunnen het hoofddoel niet zijn. Daarom kunnen wij niet wenschen, dat de gevangenis tot eene ziekenzaal worde, of tot een oord, waar men boeven bewaakt, opdat zij de anderen niet hinderen, maar waar voor \'t overige de misdadiger \'t beter heeft dan de soldaat, die vóór het gebouw op post staat. Daarom zijn wij ook van meening, dat voelde grootste misdrijven het verlies van het hoogste goed op aarde, het verlies van het leven n.1., als straf mag opgelegd worden.

\') Wij horhalen hior slechts de conclusie, welke wij aan het slot van een paar artikelen in De Tijd (11 Juni 1891) neêrschreven.

-ocr page 226-

HOOFDSTUK IX.

KRANKZINNIGHEID EN GENIE.

Niet tevreden met den misdadiger tot een onyerantwoor-delijken krankzinnige te maken, tracht de anthropologische school, bij monde van prof. Lombroso, ook de genieën als heele of halve krankzinnigen voor te stellen, zoodat ten slotte het gezond verstand slechts het deel is van de middelmatige geesten. Reeds in „l\'üomo delinquentequot; heeft Lombroso de grondslagen dezer theorie gelegd; in „l\'Uomo del genioquot; wordt ze verder uitgewerkt en in het werk „Entartung und geniequot; dat Dr. Hans Kurella naar Lombroso\'s opstellen en met zijne medewerking uitgaf, heeft ze, naar des schrijvers eigen getuigenis bijna hare voleinding bereikt.

Het genie is, volgens Lombroso, eene degeneratie-psychose van epileptischen aard, d. w. z. eene ziekelijke ontaarding der hersenen, vooral der hersenschors, van dezelfde soort als die welke krampen en toevallen veroorzaakt 1).

Als bewijs van deze theorie moeten de volgende stellingen gelden, welke Lombroso weliswaar niet woordelijk neerschrijft maar die zich als eindresultaat van velerlei verhaaltjes aan den lezer opdringen;

1. Vele genieën hebben dwaze dingen gedaan.

2. Vele genieën hebben verkeerde dingen gedaan.

1

) Entartung und genie bl. 7 en bl. 279.

-ocr page 227-

215

(hierbij behoort dan als noodzakelijk complement; de misdaad is een degeneratie-verschijnsel)

3. Vele genieën hebben toevallen gehad of stammen van psychisch verzwakte ouders af.

4. Sommige krankzinnigen hebben aan geniale invallen geleden.

5. Vele genieën hebben degeneratie-kenteekenen.

Om den lezer het trekken der conclusie: „dus is het genie eene degeneratie-psychosequot; gemakkelijk te maken, vermaantLombroso hem in de inleiding (bl. 3 en 4) toch vooral op zijne hoede te zijn voor het gezond verstand, dat overal waar het de oplossing van een groot vraagstuk geldt, nergens anders goed voor is, dan om de zaken in de war te sturen. De lezer wordt zoodoende er toe gebracht aan zijn gezond verstand het zwijgen op te leggen en op — geniale? — wijze met Lombroso te besluiten „het genie is een epileptisch verschijnselquot;. De lezers, die het voorrecht hebben geene genieën te zijn, zullen wel met ons zeggen : de aangehaalde feiten zijn onvoldoende om de stolling te staven, tusschen de praemissen en het besluit ontbreekt het logisch verband. Tegenover de velen, die door Lombroso c. s. als gedesequilibreerd worden gedoodverfd, staan er ook anderen, wier vermogens in evenwicht geweest en gebleven zijn. Wie denkt er b. v. aan, den eerza-men poorter en kousenwever Vondel, den kalmen Thomas van Aquine, den rustig voortwerkenden Pasteur, den onver-moeiden Suarez of den kundigen Secchi onder de psyohisch-ontaarden te rangschikken? En toch verdienen deze mannen den eerepalm van het genie op zijn minst evengoed als Shelley, Dussek, Swift, Voltaire, Carlyle e. a. aan welke Lombroso dien toekent.

Wij kunnen \'t niet gebeteren, maar ons schijnt het alsof in het boek „Entartung und geniequot; vele mannen als genieën er figureeren, niet zoozeer omdat ze uitmunten door buiten-

-ocr page 228-

216

gemeen talent maar omdat ze zich onderscheiden door zonderlinge eigenaardigheden. Wanneer Shelley zich niet nu en dan voor het vuur op den grond had neergelegd en Dickens niet somtijds in gezelschap van de (denkbeeldige) personen zijner romans nachtelijke zwerftochten door Londen had gedaan, zouden beide schrijvers wellicht niet onder de genieën gerangschikt zijn. De liefhebberij van Swift, die in zijne brieven aan Stella vóór en tusschen de woorden allerlei letters inschuift — eene kunst van welke de jongens bij het uitvinden van geheimschriften gebruik maken — is niet voldoende om van een groot talent, zooals Swift er buiten kijf een was, een genie te maken, evenmin als pater Sgambari „een wetenschappelijk man en schrijver van vele boekenquot; in een werk, hetwelk over genieën handelt, eene plaats verdient, al had hij de overtuiging, dat hij tot kardinaal bevorderd was en kon men hem die dwaze nieening niet uit het hoofd praten.

Niet alleen zijn Lombroso en Kurella erg kwistig in het uitdeelen van den eeretitel „geniequot; maar zij overschatten tevens de waarde van de „eigenaardighedenquot;, welke aan genieën eigen zijn. Een musicus, die in bed componeert, Bossuet die liefst in eene koude kamer gaat zitten schrijven, Bourdaloue die een deuntje op de viool krast, alvorens hij aan \'t werk gaat, kunnen toch om zulke nietigheden niet als bewijzen voor de ontaardings-theorie aangehaald worden. Vader Haydn moet het zich zelfs laten welgevallen, dat men hem om het bidden van een tiendje aan zijn rozenkrans ten einde de muzikale inspiratie te krijgen, tot een epileptoide stempelt en de goede heilige Pranciscus is zeer onder verdenking van epilepsie, omdat hij een asceet was.

Wat Lombroso hier zoowel als in zijne andere werken vergeet, is de vergelijking tusschen eene bepaalde klasse van men-schen en al de overige.

Zulk vergelijkend onderzoek zou hem hier leeren — en ieder, die zijne eigen omgeving wil, gadeslaan zal \'t met ons eens

-ocr page 229-

217

zijn — dat vele, zeer vele menschen een of andere eigenaardigheid bezitten en dat dus uit dien hoofde alleen de kans, dat vele geniefin er eveneens mede bedeeld zullen zijn, groot, genoeg is om alle gedachte aan bijzondere epileptoïdische oorzaken dier eigenheden uit te sluiten. Men kan toch niet het geheele menschdom epileptisch verklaren, \'t Is verder geen wonder, dat de hebbelijkheden van iemand, die door zijn genie de aandacht tot zich trekt veel beter bekend worden, dan die van een gewoon man, welke niet zoo in de kijk loopt.

Enkele dier eigenaardigheden hangen min of meer rechtstreeks met het genie samen. Zoo b. v. : de verstrooidheid, welke daaraan te wijten is, dat de kracht des geestes geheel en al op één onderwerp gericht is, — het verwaarloozen der conventioneele vormen, welke hem, die met iets groots bezig is, klein en nietig voorkomen, — de vasthoudendheid aan eigen meening, ook zonder dat hoogmoed of ijdelheid in het spel komen, wanneer nl. de waarheid, welke de geniaal aangelegde mensch als bij intuïtie ziet, door anderen niet zoo ge-reedelijk wordt aangenomen. Nu is \'t wel waai-, dat ook anderen verstrooid, onbeleefd of koppig kunnen zijn, maar terwijl een gewoon mensch door zijne omgeving niet ontzien wordt en zijne eigenaardigheden niet geduld worden, vindt het genie bewonderaars, die zijne fouten niet slechts dulden, maar zelfs prijzen en natlpen.

Aan dezelfde gebreken als do eerste, lijdt ook de volgende stelling;

„Vele genieën hebben slechte dingen gedaan\'. Evenals alle andere menschen hebben de genieën met den drievoudigen vijand te strijden: hebzucht,, zinnelijkheid, hoogmoed en is het ■de wil, welke in dien kamp overwint of zich gewonnen geeft. Zooals de hebbelijkheden der genieën meer in \'t oog vallen dan die der gewone stervelingen, zoo zullen eveneens hunne misdrijven minder aan de aandacht ontsnappen, dan die van menschen, welke niet zoozeer op den kandelaar geplaatst zijn.

-ocr page 230-

218

Eer men het recht heeft te beweren, dat hebbelijkheden en misdrijven meer bij genieën dan bij andere menschen voorkomen, zou men de volgende vragen dienen te beantwoorden:

Hoeveel procent menschen zijn eigenaardig of misdadig? Hoeveel percent menschen zijn genieën?

Welke is de kans dat, volgens den gewonen stand van zaken, misdaad of hebbelijkheid met genie in een en denzelfden persoon samentreffen?

Bij de eerste vraag ontbreekt ons de maatstaf om genieën te meten, bij de tweede de kennis van alle verborgene slechtheden — zoodat van eene beantwoording der derde niets kan terechtkomen.

Het blijft waar: „corruptio optimi pessimaquot;, een spreekwoord dat in onze taal op zeer krasse wijze vertaald wordt — maar tot dat „groote bederf van uitstekende geestenquot; werken andere oorzaken mede, dan eene ziekelijke aandoening der hersenen.

Wie den mensch beschouwt in zijne psycho-pbysiologische eenheid, vindt, ook zonder tot het bovennatuurlijke zijne toevlucht te nemen, waarom vele genieën aan grenzenloozen hoogmoed hebben geleden en waarom andere voor het misbruik des geestes gestraft worden door de schande der lichaams.

Hoogmoed en ijdelheid heeft ieder op zijne wijze en het is de plicht van elk, die te onderdrukken, waar ze tegen de gezonde reden indruischen. Wie echter eigen ware grootheid bezit en erkent en door een drom van bewonderaars omgeven wordt, heeft meer kans door den wierookwalm, die hem wordt toegezwaaid, bedwelmd te worden, dan hij die met nederiger talenten bedeeld, minder bewonderd en vergood wordt. En wat de misdrijven betreft, die, volgens het woord des Apostels niet genoemd moesten worden, is het duidelijk, dat de drift, die daartoe aanleiding geeft, de machtigste drift misschien, welke de mensch kent, niet volgens de rechte reden geleid en onderdrukt kan worden, tenzij die rede hare kracht putte uit de overtuiging, dat er een God is, welke de uitspattingen verbiedt en de over-

-ocr page 231-

219

treding van zijn gebod straft. Waar nu de rede dien God niet erkent of het Godsbestuur loochent, mist zij den noodzakelijken steun en zonde en schande is daarvan het treurig gevolg.

Wij zouden do geheele theorie „Entartung und geniequot; in kort geding kunnen behandelen en zeggen: zooals wij in de vorige hoofdstukken hebben aangetoond, is denken geen hersenwerk en daarom ook geniaal denken geen gevolg van hersenziekte — maar wij wenschen door een voorbeeld te meelden lezer aan te toonen, wat voor eene fin-de-siècle methode thans gevolgd wordt, om het onmogelijke op quasi-wetenschap-pelijke wijze waarschijnlijk te maken.

Zoo wordt, om tot de derde stelling : „vele genieën hebben epileptische toevallen gehad\' te komen, Dante tot epilepticus met toevallen gemaakt, omdat hij ze in de Divina comoedia treifend juist beschrijft. Door eene redeneering van dit soort zal wellicht later iemand bewijzen, dat Schiller in Zwitserland is geweest alvorens hij „Teilquot; schreef. Ook de H. Paulus wordt, zeker om het gebeurde op den weg naar Damascus, voor epileptisch verklaard.

Welke waarde men aan de degeneratie-teekenen, die ook hier weer dienst moeten doen, kan toekennen, heeft de lezer uit de vorige hoofdstukken kunnen opmaken ; wij behoeven daarop niet terug te komen. Een enkel woord nog over de laatste schakel van Lombroso\'s i-edeneering: vele krankzinnigen hebben geniale invallen gehad.

Evenals ten gevolge der tegenstelling eene dwaasheid in een groot man ons dwazer toeschijnt, zoo lijkt een verstandig woord van een krankzinnige verstandiger in vergelijking met den onzin, dien hij gewoonlijk praat en evenmin als de eene of andere dwaasheid iemand tot krankzinnige kan maken, maakt een verstandige, zelfs een geniale zet den krankzinnige tot een genie.

-ocr page 232-

HOOFDSTUK X.

BEWEGING.

In de Summa theologica (I, Q. XVIII, art. 3 c) geeft St. Thomas, uitgaande van het beginsel, dat Bleven\' eigenlijk het „werken uit zich zeivenquot; is, in tegenstelling met het „door een ander bewogen wordenquot;, een overzicht der levende wezens, zooals ze in opklimmende rangorde op elkander volgen.

„Zelfbeweging\' ziedaar de hoofdeigenschap van het levende wezen. De plant leeft, omdat zij de oorzaak harer beweging in zich zelve heeft, al neemt zij de laagste sport in op de levensladder, wijl zij niets anders vermag, dan onder den invloed van haar levensbeginsel eenige bewegingen uit te voeren en in zich zelve te veroorzaken, zonder dat zij die bewegingen voelt of kent en zonder dat zij het doel harer bewegingen, zij het ook slechts op zinnelijke wijze, kan bevroeden.

Hooger staat reeds het dier, dat zijne bewegingen voelt er. zich beweegt, omdat het iets door zijne zintuigen waarneemt. Hand aan hand met de grootere volmaaktheid der zintuigen gaat bij het dier dan ook de volmaaktheid van het bewegingsvermogen. Maar, al kan het dier de oorzaak, die het tot beweging aanzet, zinnelijk waarnemen en zinnelijk schatten, het vermag niet het doel zijner beweging naar eigen keuzo te bepalen. Dat doel is het dier door de natuur ingeschapen en naar dat doel wordt het door zijn instinct heengedreven.

-ocr page 233-

221

De mensch eindelijk, draagt kennis van zijne handelingen en bewegingen en kan zelf het naaste doel vaststellen, dat hij wil bereiken \'). Zelfbeweging zonder eenige kennis of waarneming, beweging als gevolg van zinnelijke waarneming en schatting, beweging afhankelijk van een redelijken wil — ziedaar volgens St. Thomas de drie soorten van zelfbeweging, van levensuiting in de levende natuur.

Bij den mensch is echter niet elke beweging aan den wil onderworpen en geschieden zelfs de willekeurige bewegingen niet altijd onder den invloed eener wilsuiting, \'t Is niemand onbekend, dat én de kloppingen van het hart én de rhythmische samentrekkingen der slagaderen én de peristaltische golvingen der ingewanden aan den onmiddellijken invloed van den wil onttrokken zijn 2). Eveneens weet elkeen, dat, vooral om iets schadelijks af te weren, eene beweging vaak op een indruk volgt, zonder dat het verstand er kennis van draagt of de wil er deel aan heeft. Een scherp licht doet de oogleden dicht knijpen, een speldenprik doet de hand terugtrekken, terwijl de kennis, dat het oog iets gezien of de hand iets gevoeld heeft, pas volgt, nadat de beweging tot bescherming of afweer reeds heeft plaats gehad.

Eene andere soort van beweging, welke dikwijls den wil vooruitloopt, is die der zinnelijke neigingen of driften, zoowel wat de innerlijke verandering (commotio) aangaat, als wat de handelingen betreft, welke er uit volgen. Deze laatste hebben wij in het hoofdstuk Physiologie der driften besproken en wij kunnen dus hier volstaan met er, te gelegener plaatse, even de aandacht op te vestigen. De andere door ons genoemde bewegingen zullen in de volgende bladzijden een voorwerp van ons onderzoek zijn.

Laten wij echter voqraf met den H. Thomas aanstippen wat er tot eene willekeurige beweging vereischt wordt. „Het

\') Vgl. Summa, 1. c.

8) Deze bewegingen zijn volgens St. Thomas het gevolg van de „vis motiva natnralisquot;, het natuurlijk beweegvermogen; De pot. an. c. v.

-ocr page 234-

222

dierlijk bevveegvermogen veroorzaakt de beweging door [ten gevolge van] een of andere opvatting, en hierbij moet men onderscheid maken; want het eene leidt, het andere beveelt en een derde eindelijk volbrengt de beweging. Het voorstellings-en het schattingsvermogen heslieren, daar zij aan het begeervermogen een beeld of eene betrekking voorstellen [van het voorwerp tot het levend wezen n.L] die volgens of tegen de neiging zijn. Het voorstellingsvermogen is oorzaak der beweging, doordat het een zinnelijk beeld voor oogen brengt; het schattingsvermogen, doordat het de betrekking [van het voorgestelde onderwerp tot het levende wezen] aantoont. — Het begeervermogen (concupiseibilis) en het weerstandsvermogen (iras-cibilis), beide deelen van het zinnelijk begeervermogen, hevelen en veroorzaken de beweging. Het begeervermogen is de kracht, welke de beweging beveelt, om tot datgene te geraken, wat noodzakelijk of nuttig wordt geacht, en dit geschiedt met het verlangen om te genieten. Hot weerstandsvermogen beveelt de beweging met het doel om iets te ontvluchten wat schadelijk-wordt geoordeeld, en dit geschiedt uit neiging om zich te wreken of (een tegenstand) te overwinnen. — Het vermogen om de beweging uit te voeren, is de uitwendige kracht, welke in de spieren, in de pezen en in de zenuwen der ledematen verspreid isquot; \').

\') „Motiva animalis est quae movet per apprehensionem, et haec ■dividitur, quia quaedam movet por modum dirigentis, quacdam per mo-dum imperautis, quaedam per modum oxequentis. Motivac per modum dirigentis sunt phantusia et aestimativa in quantum appotitui ostendunt formam vol intentionem convenientem vel disconvenientem. Phantasii cnim movot ostendondo formas sensibiles, aestimativa ostondondo inton-tionos; motivao autem imporantos et faeieutes motum, sicut concupisci-bilis ot iraseibilis quae sunt partes appetitus sonsitivi. Concupiseibilis cnim est vis imperans motum ut appropinquotur ad ea, quae putantur nccessaria, vel utilia, ot hoe appetitu delectandi. Iraseibilis est vis imperans motum ad repcllendum id quod putatur nocivuin vel corrum-pens, et hoe appetitu vindicaudi aut vincendi. Vis exequens motum is-turn est vis exterior quae diffusa est in musoulis et lacertis et nervis membrorum.quot;

-ocr page 235-

223

Vooraleer dus een zinnelijk wezen zich autonoom beweegt, unoet het: 1°. iets waarnemen of zich iets herinneren; 2°. het nuttige of schadelijke, aangename of onaangename daarvan opvatten; en 3°. het nu als nuttig of schadelijk opgevatte hegeeren of er afkeerig van zijn.

Is dat levend wezen niet met rede bedeeld, dan volgt de beweging tengevolge van het instinct. Bij den mensch daarentegen, bij wien de zinnelijke opvatting met de redelijke kennis, en het zinnelijk schattingsvermogen met een redelijk oordeel verbonden is, volgt de beweging niet noodzakelijk maar vrijwillig, tenzij, zooals we reeds deden opmerken, de aandoening van het zinnelijk begeervermogen zoo hevig is, dat zij voor de vermogens, die wij bij het redelijk denken noodig hebben, geene kracht overlaat.

Voegen we hier nog bij, dat men om vrijwillig eene beweging te kunnen maken, die beweging zelve ook op een of andere wijze moet kennen, dan volgt hieruit, dat er willekeurige bewegingen achterwege moeten blijven: 10. wanneer de kennis dier beweging vei-loren is; 2°. wanneer er iets aan het voorstellingsvermogen hapert: Squot;. wanneer het begeervermogen werkeloos is ; en 4°. wanneer de organen ongeschikt zijn.

Ofschoon wij over kennis, voorstellingsvermogen, begeervermogen in de vorige hoofdstukken reeds uitvoerig gesproken hebben, meenden wij toch den invloed dier vermogens op de beweging nog te moeten aanstippen, omdat we bij de „loca-lisatie der bewegingquot; de resultaten onzer vorige onderzoekingen opnieuw noodig zullen hebben.

DE BEWEGINGSORGANEN \').

De onmiddellijke oorzaak der beweging zijn de spieren, die door hare samentrekking, waarbij ze korter en dikker worden,

*) Naar Landois, Lehrbnch der Fhysiologie, 1893 e. a.

-ocr page 236-

224

den onderlingen afstand wijzigen van de lichaamsdeeien, waaraan-zij bevestigd zijn. Men onderscheidt gestreept een gladde spieren.

De gestreepte spieren, welke met uitzondering van de holle hartspier, aan de willekeurige beweging dienstbaar zijn, bestaan uit lange, fijne, holle draadjes (primitief-fibrillen), waarvan de buitenwand een doorzichtig omhulsel vormt en de inhoud een samentrekbaar geleiachtig vocht is, dat in afwisselende lagen, lichter en donkerder kleur vertoont. Deze fijnste spier vezeltjes vereenigen zich tot kleinere bundels, elk in eene scheede besloten en de bundels vormen te zamen de spier. Wanneer men den opperarm met de hand omspant en dan den beneden-arm in liet ellebooggewricht buigt, kan men er zich van overtuigen dat de werking der spier {musculus biceps), die den opperarm tot den benedenarm doet naderen, met eene aanzwelling der spier gepaard gaat. Aan de functie van deze huigsiner, beantwoordt de slt;/-«/ispier, welke den arm weder recht doet houden en beide spieren behooren bij elkander als antagonisten. Op die wijze hebben de meeste spieren hare antagonisten. Het aanhechtingspunt der spieren ligt meestal in de beenderen, waar de pezen, waarin de spieren uitloopen, aan de vooruitspringende lijsten of kammen bevestigd zijn. Het andere uiteinde, waar de beweging moet plaats hebben, is öf door middel van pezen aan het been bevestigd, óf loopt, eveneens door pezen, in de huid tusschen het huidweefsel uit (huidspieren b. v. de gelaatsspieren).

De gladde spieren bestaan hoofdzakelijk uit fibrillen, welke geen afwisselende lagen vertoonen en welke, door elastisch weefsel met elkander verbonden, dunne lagen of vertakte strengen vormen. Deze lagen omgeven als een dunne spierkoker de ingewanden, de bloedvaten enz.

Met de fijnste deelen der spieren zijn de laatste vertakkingen der bewegingszenuwen innig verbonden, zoodat, waarschijnlijk, elke primitieve spiervezel met een zenuwdraadje tot een geheel samensmelt. De bewegingszenuwen van het

-ocr page 237-

225

hoofd ontspringen aan het verlengde merg, die voor den romp en de ledematen aan het ruggemerg. Aan het verlengde merg ontspringen tevens, met uitzondering van de reukzenuw, al de zintuig- en gevoelszenuwen van het hoofd; de gevoelszenuwen voor het overige lichaam vinden in het ruggemerg haren oorsprong. In de grauwe zenuwzelfstandigheid, welke, zooals de lezer weet, in het ruggemerg binnen de witte besloten ligt, moet het begin der ruggemergszenuwen gezocht worden.

In bijgaande schematische figuur is )-( de ai. n

grauwe en cc c c de witte zenuwmassa. Aan de rugzijde ontspringen de gevoelszenuwstam-men a; aan do voorzijde de bewegingszenuwen b. De tak a buigt zich echter, nog binnen het b o

beenige ruggemergskanaal, naar voren, om, met b vereenigd, als ééne zenuwstreng, die èn gevoels- èn bewegings-zeuuwen bevat, tusschen elke twee wervels der ruggegraat te voorschijn te komen en zich door het lichaam te verspreiden. De witte zenuwzelfstandigheid c c bestaat hoofdzakelijk uit draden, welke naar de hersenen loopen; hierbij is in den regel de linker lichaamshelft met de rechter hersenhelft in verbinding en omgekeerd. Door de grauwe zelfstandigheid en wel door hare cellen is er nu gemeenschap mogelijk tusschen gevoels- en bewegingszenuwen der ledematen en tusschen deze laatste en de hersenen; diezelfde gemeenschap bestaat eveneens in de hersenen voor de gevoels- en bewegingszenuwen van hot hoofd. Op welke wijze dit geschiedt, kan hier niet in don breede besproken worden en is ook slechts ten deele bekend. Eene voorstelling van de verbinding moge do volgende figuur geven; 1, 2 en 3 zijn cellen der grauwe ruggomergszolfstandig-heid, elk van moor dan een uitlooper voorzien. Van die uitloopers zij a een gevoolszenuwvozel, b een bowogingszonuw en c een draad, welke

15

-ocr page 238-

226

zich naar de hersenen begeeft \'); door de draden d, e en f wordt dan de gemeenschap mogelijk gemaakt.

De zenuwen, welke aan het gevoel en de beweging der ingewanden dienstbaar zijn, ontspringen aan zenuwknoopen (gangliën), welke in dubbele rij vóór de wervelkolom liggen en zoowel onderling als met het ruggemerg door draden samenhangen. Toch zijn, vooral de edelere ingewanden, hart en long, in meer onmiddellijke gemeenschap met het hoofd door de vertakkingen der zwervende zenuw {n. vagm) en der drielingszenuw (n. trigeminus), die aan het verlengde merg ontspringen, en vindt men in het verlengde merg middelpunten, die als regulatoren voor de beweging (versnelling of vertraging van den hartslag, verwijding of vernauwing der bloedvaten enz.) dienst doen. In \'t algemeen is nu eene verbinding a-d-c (Fig. 2) noodig om een gevoelsindruk naar de hersenen over te brengen en om derhalve bij een dier de zinnelijke gewaarwording, „dat het iets voeltquot;, te veroorzaken en bij den mensch de kennis van hetgeen er plaats heeft te doen ontstaan. Om eene willekeurige beweging te veroorzaken is eene gemeenschap tusschen hersenen en bewegingszenuw langs den weg c-e-b noodzakelijk. Dientengevolge zou, indien b. v. Pig. 2 het zenuwstelsel van een arm voorstelt, het doorknippen van de strengen a het gevoel vernietigen en doorsnijding van h de beweging onmogelijk maken. In het laatste geval zou het gevoel, in het eerste geval de beweging bewaard blijven. De beweging is echter veel nauwer met het gevoel verbonden dan men zou denken. Wanneer wij er op letten, dat wij ook in volslagen duisternis volkomen op de hoogte zijn van de plaats, waar onze ledematen zich bevinden en ons met zekerheid over ons geheele lichaam oriënteeren, dan wordt het ons begrijpelijk, hoe een

\') Waarschijnlijk loopen de dradon d, e, f in boomvormigo vertakte vezels uit en schuiven zich do vertakkingen van den oenen tusschen die van den andoren in.

-ocr page 239-

227

gevoelloos lid (waarin dus het spiergevoel, dat ons die oriëntatie doet kennen, ontbreekt) ook langzamerhand de vaardigheid in de beweging verliest. Men voelt dan niet meer, waar b. v. de arm zich bevindt, maar men moet het zien of (door middel van den anderen arm) tasten. Is (Fig. 2) de verbinding c opgeheven (verbinding met het ruggemerg), dan houdt zoowel alle heuust gevoel als elke tvillekeurige beweging in den arm op, zonder dat echter de gevoels- en bewegings-zenuwen zelve werkeloos worden. Er zijn in dit laatste geval nog reflexbewegingen mogelijk.

REFLEX-ÜE WEGINGEN.

De figuur 2, welke wij hieronder nogmaals overdrukken, is geschikt om ons een inzicht te verschaffen in den aard van de reflex-bewegingen, d. i. van zulke bewegingen, die op een indruk, eene prikkeling volgen buiten den invloed van den wil. Deze reflex-bewegingen kunnen of slechts enkele spieren betreffen (sluiting der oogleden, wanneer een sehcrp licht het oog plotseling treft), èf een geheel stel spieren tot een doelmatige beweging doen samenwerken (braken, hoesten), en eindelijk ziekelijke reflex-krampen veroorzaken.

Over deze laatste spreken wij niet. De twee eerstgenoemde soorten hebben meestal duidelijk de bescherming van het organisme of het veroorzaken eener voor het organisme nut- —

tige werking (het afscheiden van speeksel,

wanneer men iets in den mond heeft b. v.) ten doel.

Bij eene reflex-beweging wordt eene govoelszenuvv geprikkeld en daarin eene verandering te weeg gebracht, welke zich tot aan de zenuwcel / voortplant; van deze cel kan de verandering langs den weg

-ocr page 240-

228

d-2-c naar de hersenen, en langs f-3-h naar de spier, die de beschermende beweging uitvoert, voortgeplant worden.

De eerste voortplanting is noodig tot de gewaarwording, tot de kennis, de tweede heeft alleen beweging ten gevolge.

Of de werkelijke verbinding der zenuwdraden aan ons schema beantwoordt en of er niet veeleer aan afzonderlijke banen èn voor de reflex-werking, èn voor de voortplanting van den gevoelsindruk naar de hersenen, èn voor de geleiding van den impuls tot willekeurige beweging van de hersenen naar de spier moet gedacht worden, is geen uitgemaakte zaak, maar dit laatste kan toch als waarschijnlijk gelden. Sommige reflexbewegingen toch kunnen door den wil voorkomen worden ; de indruk naar de hersenen en de beweging uit de hersenen naar de spier, moet zich dus spoediger hebben voortgeplant dan die langs den zoogenaamden i-eflex-boog a-f-h; zij moet derhalve ook wel een eigen baan hebben gehad.

Wat de aard der eigenlijke reflex-bewegingen is, leert het best de bekende proef op honden. Indien men bij een hond tusschen schoft en lenden het ruggemerg doorsnijdt, zoodat de verbinding met het hoofd onderbroken wordt, terwijl toch nog gevoelszenuwen der huid en bewegingszenuwen der achterpoo-ten door middel van het afgescheiden, maar nog niet afgestorven, deel van het ruggemerg in gemeenschap zijn, dan krabt het dier zich nog met de achterpooten, indien men hem de huid prikkelt, maar geeft overigens geen teeken, dat het de prikkeling gewaar wordt. Indien het anders gewoon was in zulk geval te knorren, te bijten, weg te loopen, of zelfs maar om te zien, blijft dit nu achterwege.

De saamgestelde reflex-bewegingen, die verschillende spieren in werking brengen (hoesten, niezen enz.) hebben ook, hetzij in de hersenen, hetzij in \'t ruggemerg, afzonderlijke centra, vanwaar zich zenuwdraden naar die verschillende spieren verspreiden, zooals b. v. het centrum voor het niezen en het hoesten, welke zich beide in het verlengde merg bevinden; de

-ocr page 241-

229

centra voor de verschillende uitsdieidingsorganen, die in het ruggemerg gelegen zjjn, enz. Zeer saamgestelde bewegingen, die in den beginne met veel moeite aangeleerd zijn, kunnen door oefening zoo gemakkelijk worden, dat zij bijna geheel en al den aard van reflex-bewegingen verkrijgen (pianospel, uitvoering van militaire commando\'s). De zenuwbeweging, welke zoo dikwijls door den wil naar bepaalde spieren geleid is, volgt op \'t laatst den gewonen weg van zelve.

AUTOMATISCHE 01\' NATUURLIJKE IIEWEOING.

Men noemt automatische beweging die, welke regelmatig en onafhankelijk van den invloed van gevoelszenuwen plaats heeft. Van dien aard zijn de rhythmische bewegingen der ademhaling, de regelmatige vernauwingen der slagaderen, de peristaltische beweging der ingewanden. Deze bewegingen zijn van ingewikkelden aard en worden door vele spierbundels verricht; er dienen dus middelpunten te zijn, welke deze bewegingen beheersohen en regelen. Het centrum der ademhaling b. v. ligt, volgens Plourens, in het verlengde merg, nabij de plaats, waar de zwervende zenuw ontspringt. Deze middelpunten ontvangen ook vertakkingen der gevoelszenuwen en daardoor wordt het verklaarbaar, hoe automatische bewegingen reflec-torisch veranderd kunnen worden (men denke aan den veel-zijdigen invloed van den schrik, den angst). Ook dan echter, wanneer men al die gevoelstakken doorsnijdt, blijft de regelmatige beweging voortbestaan; het centrum is dus in waarheid automatisch. Verder staan deze centra onder don invloed van zenuwen, wier taak het is de bewegingen te vertragen of te versnellen. Het kan öns plan niet zijn den lezer een denkbeeld te geven van de tallooze kronkelpaden, welke de nieuwere wetenschap in den doolhof der zenuwdraden en zenuwvlechten ontdekt heeft; het weinige, wat wij mededeelden, moge voldoende zijn, om hem eenigszins den aard der reflex- en der automatische bewegingen te doen begrijpen.

-ocr page 242-

230

Niet alle automatische bewegingen zijn echter aan den invloed der zenuwen te danken. Zoo meenen de nieuwere phy-siologen met His en Romberg, dat vooral bij het hart de eigenlijke oorzaak der beweging in de vezelen der hartspier zelve zou zetelen en kennen zij aan de zenuwvlecht, die in het hai-t aanwezig is en waaraan men vroeger de beweging toeschreef, slechts den rang van gevoelszenuw toe. Het hart zou volgens hen een automatisch centrum zijn, onafhankelijk van de zenuwen en aan deze zou slechts de rol van de beweging te regelen en te besturen toekomen.

WILLEKEURIGE EN AUTONOMISCIIB BEWEGING.

De beweging, welke wij bij den mensch willekeurig en bij het dier autonomisch noemen, is die, welke gekend en verlangd of begeerd wordt. In het dier is de kennis en het begeeren van zinnelijken aard, en het begeervermogen, hetwelk de beweging beveelt als middel om tot iets te geraken, heeft geen vrije keuze, maar staat onder de heerschappij van den ingeschapen drang, het instinct. De mensch kiest de beweging en wil ze tevens — vandaar dat eigenlijk slechts bij hem van willekeurige beweging sprake kan zijn. De vraag, voor welke wij hier staan, is nu deze: waar begint — afgezien van de kennis en wat daarmee samenhangt — de willekeurige beweging?

In het hoofd, zegt de nieuwere physiologie____bij monde van

St. Thomas: „Het hart is het beginsel der levenskrachten in het geheele lichaam en het eerste beginsel van alle leden (deelen) wat het zijn aangaat (quantum ad esse) maar het hoofd is het beginsel van alle levenskracht, welke tot de zintien en de beweging behoort\'1\' (Hl, Dist. XHI, Q II, ad 5).

Maar wederom moeten wjj tegen de verkeerde opvatting van vele handboeken verzet aanteekenen. In onze hersenen zit niet de ziel als een telegrafist voor zijn toestel om hier of daar op eene cel te drukken als op een knop en daardoor langs de zenuw een bevel naar de spier te seinen; ons lichaam wordt

-ocr page 243-

231

niet door de ziel bewogen, zooals het rad van een karnmolen door den hond, die er in loopt, maar de levende hersendeelen bewegen zich zelve, volbrengen zelve de physische of scheikundige veranderingen, welke langs do levende zenuw voortgeplant, de levende spier zullen doen samentrekken en de ge-heele beweging is zelfbeweging van de levende eenheid, den menseh. Want de ziel is niet slechts als „motor\' met het lichaam verbonden, maar als , form a substantialisquot; tot één wezen daarmede vereenigd, en het levend organisme blijft in waarheid zich zelf bewegen ook al is een levend deel meer het bewegende en een ander het bewogene.

De willekeurige beweging (bij de dieren de autonomische) gaat van de hersenen uit; dit volgt wel daaruit, dat er storingen in de beweging worden waargenomen, terwijl het ge-heele organisme gezond is en slechts enkele deelen der hersenen ziek zijn. Het kan b. v. gebeuren, dat eene beroerte al die bewegingen in een of ander orgaan onmogelijk maakt, welke direct van den wil afhankelijk zijn, terwijl overigens de reflex-bewegingen mogelijk blijven en ook het spiergevoel ongedeerd is. Gewoonlijk is eene storing in de rechter hersenhelft met bewegingsstoringen der linker lichaamshelft verbonden en omgekeerd.

Men heeft getracht de bewegingsmiddelpunten (motorische centra) in de hersenen te bepalen en daardoor dus de beweging te localiseeren. Prikkelt men bij dieren bepaalde plaatsen der hersenschors door een electrischen stroom, dan neemt men de samentrekking waar van slechts enkele spieren. Uit dit feit wordt de gevolgtrekking gemaakt, dat deze deelen der hersenschors de motorische cehtra der bewogen spieren zijn. Sedert de eerste proefnemingen van dien aard is men op dien weg ijverig voortgegaan en de middelpunten der beweging zijn het voorwerp geweest van een naarstig onderzoek, waarvan de uitkomsten de localisatie der bewegingsmiddelpunten in de hersenschors schijnen te bevestigen.

-ocr page 244-

232

Deze leer heeft zelfs tot zeer gelukkige toepassingen geleid; bij schedelbreuken zijn de storingen in de bewegingen reeds dikwijls aanleiding geweest tot het juiste bepalen der plaats, waar een splinter van de hersenpan in de hersenen was gedrongen, of op de hersenschors drukte; evenzoo is reeds menigmaal op gelukkige wijze uit de abnormaliteiten der bewegingen tot de plaats besloten, waar een abces of gezwel zich binnen den schedel gevormd had. De leer der localisatie wees den weg aan de schedelboor en na het wegnemen van splinter of gezwel was meestal spoedig de regelmaat der bewegingen hersteld.

Toch meenen wij, dat deze localisatie verder gaat dan de praemissen toelaten. Die middelpunten staan zeker met de beweging in verband en nemen zeker daaraan een groot aandeel. Wat echter om het bewijs volledig te maken hierbij nog behoort, is: aantoonen, dat het wegnemen dier middenpunten zeker en voorgoed de beweging, die er aan wordt toegeschreven, vernietigt, en dit bewijs is tot heden niet geleverd. Want men kan, volgens Golz en Munk, bij een hond de hersenschors zoo ver men wil vernietigen, en daarna uit de verschijnselen besluiten, dat het dier waarneming en beweging zóó verbindt, dat deze combinatie niet uitsluitend aan reflex-werking kan toegeschreven worden. Ook hier zouden dus weer dieper gelegen hersendeelen de hoofdfactoren zijn.

Men heeft de motorische centra „de aangrijpingspunten van den wilquot; genoemd, een naam, die slechts geschikt is om verwarring te veroorzaken. De handeling van den wil immers is, zooals wij reeds vroeger uiteenzetten, eene zielsdaad, welke op de kennis volgt, en de wil werkt niet in onze hersenen als een sjouwerman aan een hefboom. Men zou deze deelen juister met den naam „beginpunten der gewilde bewegingquot; bestempelen en moeten zeggen: dat bij don mensch het door de redelijk willende ziel levende hersendeel (hersencel) in zich zelve die

-ocr page 245-

233

beweging voortbrengt, welke, door de levende zenuw voortgeplant, de levende spier doet samentrekken.

De kleine hersenen, waarvan men tot nog toe weinig weet, schijnen met de zorg voor het ordelijk samengaan der verschillende bewegingen belast te zijn; het wegnemen dezer hersen-deelen veroorzaakt vooral storingen in de harmonie der lichaamsbewegingen; de gang wordt onvast, de bewegingen van het hoofd worden onregelmatig enz. l).

BEHOUD VAN ARBEIDSVERMOGEN.

Eene vraag, welke hier ter plaatse besproken moet worden, is deze: is het levend wezen in staat energie voort te brengen\'?

Zooals de lezer weet, huldigt men in de natuurwetenschappen de leer: „de energie van het heelal is constantquot;, d. w. z. er wordt noch nieuwe energie geschapen, noch bestaande energie vernietigd ; er bestaan slechts vormveranderingen der energie. Een steen, die op eene hoogte boven den grond wordt vastgehouden, oefent eene zekere drukking uit en bezit in die drukking een zeker arbeidsvermogen, potentieele energie-, de waarde daarvan hangt af van het gewicht en de hoogte. Daalt de steen naar beneden, dan kan deze verplaatsing op twee wijzen geschieden.

De steen kan zonder belemmering vallen, en dan verliest hij voortdurend aan potentieele energie, omdat de hoogte, waarop hij van de aarde verwijderd is, voortdurend kleiner wórdt, maar hij wint voortdurend aan snelheid. Deze snelheid is eveneens een

\') Lnciani (7/ cervelUtlo) komt ten gevolge zijner onderzoekingen tot het besluit, dat de kleine hersenen een op zich zelf staand, klein hnli)-systeem zijn voor de groote: „piccolo sistema coadjntore e di rinforzoquot; (p. 307).

-ocr page 246-

234

vorm van energie {kinetische) en, ware er geen wrijvingsweerstand in de lucht te overwinnen, dan zou de steen op den grond aankomen met een voorraad kinetische energie, volkomen gelijk aan den voorraad potentieele energie, dien hij onderweg had verloren. Verder, indien èn steen èn bodem volkomen veerkrachtig waren, zou de steen tot een hoogte opspringen zoo groot als die, waarvan hij gevallen is, en zich dan weer in denzelfden toestand bevinden als vóór den val. De kinetische energie, ware, indien men hem op die hoogte vasthield, weer volkomen in potentieele energie veranderd. In werkelijkheid heeft de steen bij het vallen den weerstand der lucht, de wrijving, te overwinnen en een deel zijner energie moet hij aan dien arbeid besteden — maar die wrijving doet warmte ontstaan en veroorzaakt wellicht eene verandering in den electrischen toestand zoowel van den steen als van de luchtdeeltjes; warmte en electriciteit zijn echter beide weer vormen van energie. Noch de steen, noch de bodem zijn volmaakt veerkrachtig en mede om deze reden springt de steen niet zoo hoog op als hij gevallen is — edoch bij den schok worden, indien de val geen blijvende vormverandering bewerkt, èn steen èn bodem zooveel te warmer als hij minder hoog opspringt. Wat aan bewegings-energie verloren schijnt, wordt in anderen vorm, (warmte-energie — hetgeen overigens ook bewegings-energie is) teruggevonden. En wat voor de twee eindpunten der baan waar is, kan op volkomen dezelfde wijze voor elk punt der baan gelden; de energie-voorraad van den steen en zijne omgeving verandert wel van vorm maar niet van waarde. Een opgewonden veer, die zich ontspant, een volgepompte vergaarbak, die leeg loopt, zijn voorbeelden van denzelfden aard.

De steen kan ten tweede zóó vallen, dat hij tegelijkertijd een even zwaren steen omhoog trekt (het gewicht der koord, waarmede de steenen aan elkaar zijn verbonden, en de wrijving over de katrol worden in de beschouwing verwaarloosd), \'t Is waar om dan dit systeem van twee verbonden steenen in beweging te brengen zal er een klein stootje noodig zijn, maar

-ocr page 247-

235

de snelheid, door dien stoot veroorzaakt, wordt, afgezien van de wrijving, onverminderd behouden, en met die snelheid komen beide steenen ook op de plaats hunner bestemming aan — wij mogen dien stoot en die snelheid dus buiten rekening laten.

In dit geval zal de eerste steen niet met versnelde beweging, maar met eenparige beweging dalen en ieder oogenblik zal de tweede zooveel hooger zijn boven den grond als de eerste gedaald is. Hier heeft geen omzetting van potentieels energie in kinetische plaats maar wint de een zooveel aan potentieele energie als de andere verliest. De voorraad energie blijft dus, ook hier, steeds die, welke in \'t begin aanwezig was.

Wat wij in de physica zagen gebeuren, dat zien wij eveneens op het gebied der scheikunde. Wanneer waterstofgas verbrandt, d. w. z. zich met zuurstof verbindt, wordt warmte — een energie-vorm — vrij. Deze kinetische warmte-energie, moet nu, volgens de theorie, haar ontstaan danken aan eene vermindering der potentieele of spannings-energie, die vóór de verbranding tusschen beide scheikundige grondstoffen bestond.

Wij zeiden, dat warmte en electriciteit vormen van arbeidsvermogen zijn, en dit zal iedereen gemakkelijk inzien, wanneer hij slechts aan stoomwerktuigen of electrische motoren denkt.

Elke vormverandering der energie gaat nu met arbeid gepaard en de hoeveelheid energie, welke een anderen vorm heeft aangenomen, bepaalt ook de grootte van den arbeid. Indien een steen van 5 kilogr. zich op eene hoogte van 20 meter boven den grond bevindt, dan kan men zeggen, dat hij een arbeidsvermogen van 5 X 20 = 100 bezit, wijl hij een anderen steen van 5 kilogr. 20 meter hoog kan opheffen. Daalt de steen b. v. tot op 10 meter, dan is zijn arbeidsvermogen nog slechts 10 X 5 = 50. De 50, die hij verloren heeft aan arbeidsvermogen, zijn aan arbeid verbruikt, de steen

-ocr page 248-

236

heeft arbeid verricht; terwijl hij zichzelven verplaatste, heeft hij óf snelheid verkregen óf een anderen steen omhoog getild. De waarde van den verrichten arbeid vinden we dan ook óf in de snelheid, óf in de vermeerderde energie van den opgeheven steen terug. Omgekeerd zal een steen, die van 10 tot 20 meter hoogte gebracht wordt, aan arbeidsvermogen een bedrag van 50 winnen; die winst kan hij niet dan tengevolge van arbeid, die aan hem besteed wordt, verkrijgen; men moet hem opheffen. Den in dit geval aan den steen besteden arbeid vindt men in de verandering van zijn arbeidsvermogen terug. Hij kan teruggeven, wat hem geschonken is.

In den zin der voorafgaande beschouwingen moeten wij nu de kracht bepalen als de oorzaak van de veranderingen dei-energie en, daar het gevolg de maat der oorzaak is, wordt de kracht gemeten door den arbeid of door de hoeveelheid dei-van vorm veranderde energie.

Zeker is het nu, dat elk levend organisme in dezen zin krachten bezit en dat de mensch over sommige dier krachten vrijelijk kan beschikken; dat hij b. v. een hamer kan optillen en weer naar beneden kan slaan of wel diezelfde kracht kan gebruiken om een steen voort te slingeren, om twee stukken hout tegen elkaar te wrijven en warmte voort te brengen of om, door het draaien van de krukas eener electriseermachine, electriciteit te doen ontstaan.

De vraag, die wij boven stelden, wordt nu deze: heeft er in die gevallen slechts eene vormverandering plaats der energie, die in het lichaam reeds aanwezig was, of wordt er nieuwe energie voortgebracht, geschapen?

Wij gelooven, dat de eerste veronderstelling de ware is; dat ook de levende stof aan de wetten der stof onderworpen blijft. Even als het levend wezen voor den opbouw zijner organen zich slechts bedient van reeds voorradige stof, evenzeer beschikt het in zijne levensuitingen slechts over reeds voorhanden energie: het scheppen zoowel van stof als

-ocr page 249-

237

van energie is een vermogen, hetwelk het levende wezen niet bezit.

Om den lezer zoowel de bron der energie van een levend wezen als de veranderingen, welke die energie ondergaat, duidelijk te maken, bedienen wij ons van de vergelijking met eene stoommachine. Door het verbranden der steenkolen verdampt het water in den ketel; de waterdamp dringt den zuiger van den stoomcylinder vóóruit en achteruit, en de zuiger beweegt door middel van stangen en hefboomen de deelen van het stoomtuig. Er wordt arbeid verricht, er heeft eene verandering in den vorm der energie plaats. Want, terwijl de stoom, die in den cylinder binnendringt, eene hooge temperatuur bezit, en dus rijk is aan warmte-energie, is de afgewerkte stoom van lageren warmtegraad, bezit minder warmte-energie ; dit verschil is gebruikt om energie voor de bewegende machinedeelen te leveren, \'tis van vorm veranderd. Maarniet de geheele warmtevoorraad, welke door de verbranding dei-kolen beschikbaar werd, werkt, door middel van den waterdamp, op den zuiger; het water, de stoom, de deelen der machine (om van de ter verbranding noodige lucht niet te spreken) hebben elk een deel dier warmte-energie voor zich genomen en daarmee hun voorraad arbeidsvermogen vermeerderd, terwijl weder een ander deel aan de omringende lucht wordt medegedeeld. Zou men dus bepalen, en dat kan men, hoeveel warmte eene hoeveelheid kolen oplevert en met juistheid kunnen nagaan hoeveel van die energie voor verschillende werkingen wordt afgestaan, dan moet men volgens do leer van het behoud der energie, de som van al die deelen gelijk vinden aan de totale hoeveelheid, die men bij het directe onderzoek der kolen vond. Werkt de stoommachine niet, dan komt, bij hetzelfde verbruik van kolen, de geheele voorraad energie aan de verwarming ten goede en men kan öf in denzelfden tijd alles op hoogere temperatuur brengen, óf bij langzamer verbranding, alles langeren tijd op dezelfde temperatuur

-ocr page 250-

238

{die, waarbij de machine anders werkte n.1.) houden, öf eindelijk met minder kolen de stilstaande machine zoolang warm houden, als ze anders èn warm was, èn werkte.

Op soortgelijke wijze is \'t met de arbeidende spier gesteld. De brandstof zijn hier de in die spier voorhandene eiwitstoffen; de door het bloed aangevoerde zuurstof zorgt voor de verbranding. Een deel dier warmte wordt echter gebruikt om de spier warm te houden en een deel komt slechts ter beschikking van den te verrichten arbeid. Werkt de spier, dan zorgt het bloed voor den voortdurenden aanvoer zoowel van brandstof als van zuurstof: de bloedvaten verwijden zich en de stofwisseling wordt levendiger — de behoefte aan voedsel en ademhaling wordt daardoor ook grooter. Eust de spier, dan kan de warmte uitsluitend dienen voor temperatuursverhoo-ging of — en dit is, afgezien van vele andei-e werkingen welke binnen het lichaam plaats hebben en energie verbruiken, werkelijk het geval — de normale temperatuur langeren tijd onderhouden. Tegelijkertijd is de behoefte aan voedsel en ademhaling niet zoo groot als in \'t eerste geval.

Volgens proefnemingen door Pflüger gedaan, kan één gram stikstof (de hoeveelheid, welke ongeveer in 6 gram eiwit aanwezig is) een arbeidsvermogen leveren van 7456 kilogrammeter \'), d. w. •/.. eene kracht groot genoeg om 7456 kilogram één meter hoog op te heffen. Zooals zijn onderzoek op honden bewees, kwamen van dien voorraad slechts 48,7 0/o aan den werkelijk verrichten arbeid ten goede en werden dus 51,8 0/o aan verwarming enz. verbruikt 3). De energie, waarover een levend wezen beschikt, schijnt dus ruim voldoende èn voor het werk, dat het verricht, èn voor de eigen verwarming.

\') Hierbij wordt echter niet de stikstof zelve verbrand, maar worden de andere elementen, welke met haar scheikundig verbonden zijn, geoxydeerd.

2) Volgens Landois, o. c.

-ocr page 251-

239

Eene stoommachine, welke diimp van 150° gebruikt en dien tot 17° in den condensator afkoelt, kan hoogstens 31 0/o van de energie tot werkelijken arbeid gebruiken. In dit geval is er nog volstrekt niets voor warmteverlies, eigen verwarming van de vaste deelen, schadelijke wrijving enz. in rekening gebracht, want in werkelijkheid leveren de beste machines slechts een nuttigen arbeid tot een bedrag van 12 a 15 0/o.

Het levend organisme beschikt dus op de zuinigste wijze over zijnen voorraad energie.

Misschien rijst bij een of ander lezer hier de twijfel, of het wel juist is aan de eigenschappen der onbezielde stof een ruimen invloed toe te kennen op de werkingen der bezielde stof, terwijl toch door de nieuwe „ forma substantialisquot; een nieuw wezen ontstaat, waarin de deelen, welke dat nieuwe wezen hebben helpen opbouwen, als zoodanig niet meer aanwezig zijn.

Wij antwoorden hierop, dat het niet noodig is eene „spoliatio usque ad materiam primamquot; aan te nemen, d. w. z. aan een verdwijnen van alle vroegere eigenschappen te gelooven, zoodat men van de vorige lichamen slechts de „eerste stof,quot; maar nu met den nieuwen vorm, zoude overhouden.

Zoo iets gebeurt niet, volgens St. Thomas, wanneer stoffen zich scheikundig met elkander verbinden tot een nieuw lichaam. „In generatione mixti [en hier is een mixtum perfectum bedoeld, wat wij door „scheikundige verbinding\' uitdrukken] non fit spoliatio usque ad materiam primam1: bij het ontstaan eener verbinding (van het koolzuurgas b. v. uit de verbinding van koolstof met zuurstof) „worden niet de oorspronkelijke lichamen van ■ alle eigenschappen beroofd,quot; en wel om de eenvoudige, aan de waarneming ontleende reden: „aliter virtutes simplicium non nianerent in mixto, nunc auten manent,quot; d. i. anders zouden de krachten der enkelvoudige lichamen niet in de verbinding blijven, zooals ze toch werkelijk doen \').

1

De tiatura mat. C. 8.

-ocr page 252-

240

Op die wijze kunnen ook de „virtutesquot; der verbindingen, die deel uitmaken van een nieuw levend wezen, tot zekere hoogte bewaard blijven. St. Thomas ruimt dan ook aan de „qualitates corporeae,quot; aan de lichamelijke eigenschappen en. aan de warmte, de juiste plaats in, die haar bij de vorming van het organisme toekomt.

-ocr page 253-

HOOFDSTUK XL

HET BEGIN EN HET EINDE.

Uit het wezen der menschelijke ziel kan men de wijze en den tijd van haar ontstaan afleiden.

De eigen werkingen van liet beginsel, waardoor de mensch een redelijk en willend organisme is, liet denken en willen, zijn van geheel onstoffelijken aard; de ziel moet dus een onstoffelijk en geestelijk wezen zijn, en kan derhalve op geenerlei wijze aan de stof haar ontstaan te danken hebben. Zij kan tevens niet door deeling van een ander gelijksoortig geestelijk wezen afgescheiden worden, wijl een geest niet uit doelen bestaat. Daar wij verder het kenmerk der oneindigheid niet aan haar kunnen toekennen, en niet kunnen beweren, dat haar bestaan noodzakelijk is, moeten wij tot het besluit komen, dat onze ziel geschapen is.

Onze geest is echter in don beginne eene ,tafel waarop nog niets geschreven isquot; en kan niet dan met hulp van zinnebeelden tot denkbeelden komen, d. w. z. onze ziel heeft voor hare werkingen do hulp van een levend organisme noodig. Zij heeft dus in zekeren zin, wanneer zij niet een organisch lichaam bezielt, een onvolledig bestaan, en zij is voor het georganiseerd lichaam bestemd evenals dit voor haar. Het levensbeginsel te zijn, waardoor wij mensch zijn, is de natuurlijke bestemming van onze ziel en haar toestand als zoodanig is volmaakter en beter dan die van een afzonderlijk bestaan. Om die reden is

16

-ocr page 254-

242

er geen grond om te meenen, dat zij vóór hare vereeniging met het lichaam een afzonderlijk bestaan hebbe gehad ; hare schepping en hare vereeniging met het lichaam moeten volstrekt gelijktijdig zijn

Of de ziel met het lichaam vereenigd wordt op het eigen oogenblik der bevruchting, zooals tegenwoordig algemeen wordt aangenomen, dan of de vrucht eerst een zoogenaamd vegetatief en daarna een bloot sensitief leven zou bezitten om door deze beide levensbeginsels, die het een aan het andere opvolgen 1), voor de bezieling door een redelijk beginsel geschikt gemaakt te worden — eene meening, welke St. Thomas en de ouderen aankleefden — is eene vraag, waarop de psycho-physiologie tot heden geen antwoord heeft. Geen ervaring is er, om ons te leeren, of het physiologisch leven, hetwelk bij de vereeniging van zaad en eitje ontstaat, gedragen wordt door een redelijk levensprinciep of niet; en wat in dezen van den kant zoowel des lichaams als der ziel mogelijk of waarschijnlijk is, achten wij ons niet geroepen aan een onderzoek te onderwerpen.

Zeker is het, dat de mensch van het oogenblik der vereeniging van lichaam en ziel is: een redelijk organisch schepsel Gods.

1

en 3; opuso. l)e anima; Cuntru gentes, Lib. II, C. LXV; Ibid. C. LXXXIII en C. LXXXV—VIII; Summa I, Q. XC, art. 4.

a) Deze beide ontstaan, volgens do meening der seolastici, zonder reebt-streeks en onmiddellijk gesehapen te worden. Slechts de redelijke ziel wordt geschapon.

Dr. Capellmann, die in zijne 1\'ustoruLMcdicin (Te Aulliige, S. 10) aan St. Thomas ten laste legt, dat hij eene drievoudige rechtstreeksohe ingrijping der scheppende werkzaamheid Gods aanneemt, heeft do meening van den Engel der school niet juist weergegeven. Uit Summa I, Q CXVIII, art. I, ad 4um blijkt duidelijk, in welken zin de woorden, die Capellmann uit De anima aanhaalt, moeten verstaan worden.

-ocr page 255-

243

Op welke wijze liet gebruik der rede van de organen der zintuigen en van de hersenen afhankelijk is, en hoe dus de ontwikkeling der rede aan do ontwikkeling der hersenen als aan eene voorwaarde „sine qua non\' gebonden is, hebben wij in onze vorige hoofdstukken genoegzaam toegelicht. Ons rest thans nog eenige woorden te wijden aan het einde van het psycho-physiologisch leven des menschen, aan den dood.

De dood is de eindpaal, waarheen het leven voortspoedt, en de eerste schrede op den levensweg is de eerste naar den dood ; die eindpaal wordt bereikt ook dan, wanneer geene ziekte onze krachten sloopt, geen toeval ons leven verkort, geene kwetsuur ons einde verhaast; de dood is ons deel, ook dan wanneer wij van ouderdom sterven. Deze laatste, zoogenaamd natuurlijke, dood is zeldzamer dan de dood tengevolge van ziekte of verwonding, maar een enkele blik om ons heen is voldoende om ons te overtuigen, dat alle menschen den dood te gemoet gaan en dat dus de dood een .... zeer natuurlijk verschijnsel moet zijn. Of wij hem begrijpen?

Zeker weten wij, dat in de ziel de oorzaak van den dood niet kan liggen. Daar onze ziel niet uit deelen bestaat, kan zij niet door ontbinding te niet gaan en niet door het afsterven van het lichaam in haar wezen aangetast worden, en wijl zij hare eigene werkingen bezit, die niet rechtstreeks van het lichaam afhangen, is er geen oorzaak, die haar zou doen verdwijnen, wanneer de werkingen, die zij in en met het lichaam verricht, onmogelijk worden.

Wij begrijpen dus, dat de oorzaak van den dood in het lichaam moet liggen, en het kost ons geene moeite om in te zien, dat door ziekte of tengevolge van verwonding het lichaam ongeschikt wordt voor de bezieling. Moeilijker echter wordt ons het begrijpen van den natuurlijken dood. De wetenschap zal ons hier zeggen, dat met de jaren de samenstelling dei-weefsels verandert en dat de anorganische bestanddeelen daarin toenemen. Dan wordt, door eene gedeeltelijke verharding dor

-ocr page 256-

244

kraakbeenige gedeelten, de beweging der borstkas belemmerd en de ademhaling onvoldoende ; de verbeening der hartkleppen verhindert den regelmatigen omloop des bloeds, en de stramheid der slagaderen belet de normale voeding der hersenen. De drie groote functies, zonder welke het leven niet kan bestaan, verminderen, en de eene of andere van haar houdt op en veroorzaakt onmiddellijk den stilstand der beide andere, die met haar op \'t nauwste samenhangen. Het leven is ten einde maaide wetenschap heeft dat einde niet verklaard of begrijpelijk gemaakt, daar zij het ,waarom\' dier vermeerderde opneming van kalk- en phosphorzouten in de weefsels niet heeft uitgelegd en niet heeft in \'t licht gesteld, hoe het komt, datdeuitscheidings-organen en klieren, die \'t verbruikte en overtollige uit \'t lichaam verwijderen, hunne werkzaamheid niet meer naar behooren verrichten.

Een andere oorzaak van den dood is de toenemende verandering van spierweefsel in vetweefsel en de daarmede onafscheidelijk verbonden vermindering der beweging zoowel van de borstkas als van het hart en van de andere inwendige deelen. Maar wederom heeft de wetenschap op de vraag naar het „waaromquot; geen afdoend antwoord.

De mensch is dan ten doode opgeschreven van het oogen-blik af, dat hij begint te leven. De dood is de scheiding van lichaam en ziel, en \'t volgt uit den aard der zaak, dat die scheiding in een enkel ondeelbaar oogenblik is voltrokken. Hieruit vloeit tevens voort, dat de mensch de scheiding niet voelt of op menschelijke wijze gewaar wordt. De bezieling is vóór één ondeelbaar oogenblik nog geheel aanwezig, en de scheiding is na dat ondeelbare moment geheel voltrokken; de mensch, die in de laatste oogenblikken zijn bewustzijn nog bezit, voelt en weet, dat hij nog leeft, en één oogenblik later weet zijne ziel, dat zij niet meer het levensbeginsel is van een lichaam, terwijl het lijk alle gevoel en kennis mist; de scheiding heeft plaats gegrepen.

Maar wij begrijpen den dood niet. Brengt ons de ervaring

-ocr page 257-

245

tot het besluit, dat elk levend organisme sterven moet, van den anderen kant weten wij of voelen wij het als het ware instinctmatig, dat onze ziel en ons lichaam voor elkander geschapen zijn en bij elkander behooren; het sterven, dat aan de menschelijke natuur in \'t algemeen blijkt toe te komen, is in de hoogste mate met onze persoonlijke wenschen en verlangens in strijd. Ieder menseh, die den dood voelt aankomen, die gewaar wordt, hoe langzamerhand het laatste oogenblik van zijn leven nadert, vreest don dood, omdat hij den dood als een kwaad beschouwt

Neen, wij begrijpen den dood niet; hij is zonder twijfel het natuurlijk \'2) einde van elk levend schepsel op aarde, en toch schrikt elk mensch er persoonlijk voor terug, en de stem, die •hem zegt: „gij zult eens sterven,quot; klinkt hem in de ooren als een wanklank in het lied des levens.

Wanneer wij beweren, dat de ervaring ons de sterfelijkheid leert van elk levend organisme, dan komen wij in tegenspraak met een nieuwe wetenschappelijke theorie, welke door Weiss-mann opgesteld is en ook in ons land eenige aanhangers telt. Ofschoon we vooral den mensch tot onderwerp onzer studie hebben gekozen, wenschen we toch deze theorie, welke ons wil verklaren, hoe de dood in de wereld is gekomen, met een enkel woord bespreken. De korte inhoud van Weissmann\'s werkje Ueber Leben und Tod is deze: 1°. de eencellige organismen kennen den natuurlijken dood niet; 2°. de sterfelijkheid begint eerst bij de veelcelligen en is 3°. eene verworvene, voor de soort nuttige eigenschap, welke 4°. aan de opvolgende geslachten der nakomelingen (en dus ook aan den door ont-

\') Wij verwijzen naar St. Thomas; SKiiima Ha Hae, QVI; Q. CLXIV, art. 1, ad 7; Ia Ilae, Q. V;X Q. Lil, art. II, ad 3\'; opusc. De malo e. n.

a) De onsterfelijkheid, of liever het „posse non mori,quot; aan Adam geschonken, was een domnn ;»v(f/ernaturale, eene gave huiten zijn ■ natuur gelegen, niet eene iorp/inatuurlijke gave in den eigenlijken zin. De natuur Leeft de haar toekomende eigenschappen niet verloren.

-ocr page 258-

24(5

wikkeling ontstallen mensch) erfelijk wordt overgedaan; 5°. in de meercellige wezens hebben de voortplantingseellen de onsterfelijkheid behouden.

Het laatste gedeelte der Weissmann\'sche theorie staat in verband met de leer van de „continuïteit van het kiemplasma,quot; die wij in het hoofdstuk KénJieden ter sprake brachten; de overerving der sterfelijkheid is, in den vorm, waarin ze hier voorkomt, een nieuw aanhangsel der ontwikkeling-theorie en mist voor den mensch allen positieven grondslag, daar er geene werkelijke bewijzen zijn, dat de mensch, zij het dan naar het lichaam alleen, van eenigen diervorm zou afstammen.

Wat nu de onsterfelijkheid der eencellige wezens en het ontstaan der sterfelijkheid bij de veelcellige aangaat, komt het ons voor, dat geen van beide met deugdelijke gronden gestaafd kan worden.

Er bestaat, aldus redeneert Weissmann, bij de eencellige wezens geene sterfelijkheid, daar zij zich door celdeeling tot in \'t oneindige kunnen blijven vermenigvuldigen. Wanneer eene cel zich in twee gedeeld heeft, zijn er twee cellen, die beide even oud en even jong zijn, zoogenaamde dochtercellen; men kan dus niet zeggen, dat het leven der eerste cel heeft opgehouden, wijl het zich voortzet in dat der dochtercellen, die op hare beurt het leven zonder onderbreking der continuïteit aan andere kunnen mededeelen. Bij geene dier celdee-lingen heeft men het afgestorven lichaam, het lijk, onder de oogen, en toch is het begrip lijk onafscheidelijk met het begrip dood verbonden \').

Het wezen van den dood bestaat, naar onze meening, daarin, dat het een of ander individueele leven ophoudt, dat het op een gegeven oogenblik „niet meer is,quot; of om met de scholastici te spreken, dat de eene of andere bepaalde forma ophoudt te bestaan. Of de stof, de drager van het levensbeginsel, op hetzelfde oogenblik van het verdwijnen van het eene levens-

1) Uehcr Leben u. fod, S. 8.

-ocr page 259-

247

beginsel (forma) door een ander in beslag genomen wordt, of dat zij als onbezielde stof, als lijk, blijft liggen, is eene zaak van ondergeschikt belang, ,2b he or not to he that is the question,^ en waar een individueel bestaan ophoudt, daar is gt; er dood, \'t zij met of zonder lijk. Het gewone alledaagsehe

begrip van den dood omvat vooral „het niet meer zijn,quot; en wanneer men zegt, dat iemand dood is, meent men daarmee, dat hij niet meer is en niet dat zijn lijk hier of daar moet liggen.

Nu is een levend eencellig wezen eene organische éénheid, en zoodra do eeldeeling voltrokken is, heeft er een van beide plaats gehad: of wel de twee dochtercellen zijn tegelijk nieuw ontstaan en vormen dus in vergelijking met de moedercel de jongere generatie, en in dit geval moet men zeggen, dat de moedercel opgebonden heeft te bestaan, dat haar individueel leven niet meer is, dat zij dood is, terwijl de stof, waaruit haar lichaam bestond, onmiddellijk door twee nieuwe levensbeginselen tot een nieuw leven is overgegaan; — öf wel: van beide cellen is ééne do oudere, en mag do andore dus slechts dochtercel heeton, en in deze veronderstelling diende men een middel te vinden, om de oudere van de jongere te onderscheiden en op die wijze te kunnen nagaan, of een eencellig wezen werkelijk onsterfelijk is; dit is echter tot heden niet geschied.

De hedondaagscho wetenschap houdt de eerste opvatting voor de ware, maar dient dan ook met de conclusie vrede te hebben, dat er wel degelijk één bestaan ophoudt en plaats maakt voor twee nieuwe wezens.

Op geheel eigenaardige wijze doet nu do dood, volgens Weissmann, zijne entree de salon. Uit eene aggregatie van verschillende ééncellige wezens ontstaat één meercellig wezen — hoe die ééncelligen hot beginsel hunner eenheid, hun levensbeginsel afstaan om door het ééne levensbeginsel van het meercellig organisme levend te blijven, is on blijft ons oen raadsel — en dat meercellige wezen moet in don beginne de

-ocr page 260-

248

onsterfelijkheid van zijne samenstellende deelen mede in den koop gekregen hebben. Iedereen zou nu denken, dat in den strijd des levens de onsterfelijken de beste kans hadden en dus de onsteri\'ehjkste individuen \'t best zouden blijven bestaan, dat hun soort eene duurzame species zou moeten zijn. Weiss-mann is echter van meening, dat de onsterfelijke, eencellige wezens hun leven verslijten; dat zij des teonvolkomeneren versuk-kelder worden en des te minder het doel der soort kunnen vervullen, hoe langer ze leven. Op die wijze schijnt hem de dood doelmatig 1). Houdt men bij deze redeneering in \'t oog dat „ verslijtenquot; en „versukkelenquot; niets anders is dan voor \'t leven ongeschikt worden, en dat het verslijten en versukkelen op den dood uitloopt, dan is de heele redeneering van Weissman deze: „De onsterfelijken waren sterfelijk, en daarom is de dood doelmatig.quot;

Erg duidelijk is ons die redeneering niet geworden, en wij wenschen \'t maar bij het oude te laten, dat al wat leeft eens sterven moet, en dat in de natuur geen levend wezen het praerogatief der onsterfelijkheid bezit.

J) O. c. S. 43.

-ocr page 261-

HOOFDSTUK XII.

NA DEN DOOI).

Er is, zeiden wij, geene oorzaak, welke de ziel zou doen verdwijnen, wanneer het lichaam niet meer geschikt is om door haar bezield te worden. Eene positieve vernietiging door God is de eenige oorzaak, die haar in hot niet zou kunnen terugstooten, evenals eene rechtstreeksche schepping haar in wezen heeft geroepen. Alles in en om ons leert ons echter, dat God die vernietiging niet wil, daar Hij ,niets vernietigt wat Hij eens\' heeft geschapen.quot; Het nietigste stofdeeltje, het atoom (om met de chemici te spreken), gaat van de eene verbinding over in de andere, maar blijft bestaan; de stof, zooals de scholastici het zouden zeggen, verandert van vorm en bestaat nu eens onder dezen dan weder onder dien vorm, maar die stof, die volgens hen „bijna niets\' is en toch de draagster van alle stoffelijke eigenschappen, blijft voortduren. Ook de energie van \'t heelal blijft constant en verandert slechts van vorm; zij is nu eens warmte, dan weder electriciteit enz. Onze ziel, welke, in tegenstelling met hot dierlijk levensbeginsel, oen eigen afzonderlijk bestaan kan hebben en een eigen werking kan uitoefenen, zal van die wet. van behoud niet uitgesloten zijn. De drang naar \'t voortbestaan is ons zoo eigen, dat hij tot onze natuur behoort, en \'t ware eene beleediging voor den Schepper aan te nemen, dat Hij ons een verlangen zou ingeschapen hebben, dat zoo bij uitstek natuurlijk is en ons toch zou bedriegen. Niet minder dan deze redenen vordert

-ocr page 262-

250

de rechtvaardigheid van den Schepper, dat hetgeen ons tot menschen maakt blijft leven na den dood ; eene laatste daad — eene misdadige of eene hoogverdienstelijke — zou onbeloond of onbestraft moeten blijven, en dat kan niet zijn. Wij blijven loven, althans onze ziel blijft voortbestaan.

\'t Is echter hoogst moeilijk voor hem, die aan deze zijde van het graf staat, een blik te slaan in het zieleleven aan gene zijde, wanneer hij bij dien oogslag geen gebruik wil maken van het licht, hem door de openbaring ontstoken. De moeilijkheid is vooral groot, omdat ons hier de voorstelling bijna geheel en al in den steek laat en ons slechts zooverre ten dienste staat, als zij voor eene abstracte redeneering volstrekt noodzakelijk is. Daar wij geen theologische studie schrijven, kunnen wij van de openbaring geen gebruik maken en moeten wij ons slechts tot do rede wenden. Wij wenschen echter niet onze eigene beschouwingen voor te dragen, maar ons zooveel mogelijk aan die van St. Thomas {De anima, Art. XV, seq; Summa I, Q. LXXXIX) te houden.

In de eerste plaats zal de wijze der kennis eene andere zijn dan zij hier op aarde was. Daar de zintuigen en hersenen ontbreken, zijn de zinnelijke vermogens der ziel werkeloos, en de band, die tijdens het leven denkbeeld en zinnebeeld onafscheidelijk verbond, is niet meer. Er is dus slechts eene kennis door denkbeelden mogelijk, en die kennis is, nuar den aard der denkbeelden zelve, van algemeenen aard.

De schat van denkbeelden, welken wij gedurende ons leven door abstractie van de zinnebeelden hebben bijeenvergaard, blijft ons eigendom en te onzer beschikking na den dood; ons verstand kan de onderlinge betrekkingen, liet verband dei-dingen, waaraan die denkbeelden beantwoorden, onderzoeken en beter loeren erkennen. Alhoewel, zooals wij boven deden opmerken, deze kennis het algemeene en niet het bijzondere tot voorwerp heeft, meent echter St. Thomas {Summa I, Q. LXXXIX, art. IV c.), dat de van het lichaam gescheidene

-ocr page 263-

ziel datgene in het bijzonder zal kennen, „waartoe zij, of door in \'t vorig leven verkregen kennis, èf door genegenheid en natuurlijke neiging, of eindelijk door Gods beschikking, meer bepaald is (determinatur)quot;. Zoo zullen wij, om een voorbeeld te geven, onder het begrip mensch, de menschen in \'t algemeen kennen, maar tevens die in \'t bijzonder, met welke wij in nadere betrekking hebben gestaan. Op dezelfde wijze zal ieder uit dit leven een zekeren voorraad kennis zijner omgeving en der hem omringende natuur medebrengen in het rijk der geesten; ontdaan van alle bijzondere omstandigheden, moet die kennis ongetwijfeld algemeener, maar ook in zekeren zin nevelachtiger zijn dan het aardsche weten, terwijl wederom diegene, die op dit gebied meer ontwikkeld geweest is, een scherper afgeteekend denkbeeld zal bezitten en beter zal weten, welke bijzondere gevallen onder het algemeene behooren en de betrekkingen en den samenhang duidelijker zal inzien.

Van geheel anderen aard zal onze zelfkennis zijn. Onze ziel, ontslagen van de banden des lichaams, zal zich zelve door onmiddellijke aanschouwing kennen en doorgronden, en door die zelfkennis tegelijk komen tot die van de menschelijke ziel in \'t algemeen. Deze zelfkennis zal het deel worden ook van diegenen, wier verstand tijdens het leven door ziekte of tengevolge van een vroegtijdigen dood eene tabula rasa gebleven is. Het gevolg van deze zelfkennis zal dan eene betere kennis van God zijn en een duidelijker inzicht in de betrekking, waarin de ziel tot God staat, een helderder begrip van wat goed is, wijl de Bron van alle goed in schitterender licht straalt. Er blijft derhalve tengevolge der kennis ook gelegenheid te over voor wilsuitingen.

Wij laten, zooals wij bij herhaling verzekeren, de openbaring en met haar de bovennatuurlijke orde van zaken geheel buiten bespreking en kunnen derhalve niet over de mogelijkheid, dat aan de van \'t lichaam gescheiden ziel door andere van haar verschillende geestelijke wezens kennis medegedeeld wordt,

-ocr page 264-

252

spreken, omdat wij van het bestaan dier wezens niet op natuui lijke wijze kennis dragen Bestaan er zulke geesten, dan is het denkbaar, dat er mededeelingen mogelijk zijn, die niet hoven-natuurlijk genoemd kunnen worden, evengoed als het mogelijk is, dat God zelf de kennis der ziel op natuurlijke wijze Termeerdere en verruime. Wijl er echter voor eene abstractie van de zinnebeelden geen plaats meer is, omdat er geen zinnebeelden meer bestaan, zal men moeten zeggen, dat zulke mededeelingen door onmiddellijke inprenting der verstandsbeelden zullen moeten plaats hebben.

Ziedaar ongeveer alles, wat de redeneering ons aangaande de kennis der afgescheiden zielen kan leeren, zonder daarbij de hulp der openbaring in te roepen.

Over den toestand, waarin de ziel zal verkeeren, weten wij, eveneens door het licht des verstands alleen voorgelicht, dat die toestand of gelukkig óf ongelukkig zal zijn, naarmate wij in dit leven loon of straf verdiend hebben.

Zooals wij in onze beschouwingen over „de misdaadquot; uiteen zetten, heeft de mensch plichten te vervullen jegens God, jegens /.ichzelven en jegens zijne medemenschen; hij kan die plichten kennen door zijn verstand en volgens die kennis moet zijn vrije wil handelen; op die wijze kan de mensch loon of straf verdienen. Nu is het wel waar, dat dikwijls gedurende het leven hot goede beloond en het kwade gestraft wordt, maar even dikwijls gebeurt het, dat goed en kwaad in dit leven niet het verdiende loon of de rechtvaardige straf ontvangen, daar zoowel de heldhaftige opoifering van het eigen leven als de misdadige dood niet meer in het leven vergolden kunnen worden. Uit dien hoofde eischt de rechtvaardigheid Gods, dat loon of straf na dit leven nog toegekend worden. Wijl echter goed of kwaad in den wil zetelen, zoo blijft, ook na de ondergane tijdelijke straf, het kwade voortbestaan, zoolang zich de wil niet ten goede terugwendt, en wordt niet door het goede vervangen, dan wanneer deze verandering van den wil op voldoende wijze plaats heeft.

-ocr page 265-

253

Elkeen scheidt derhalve uit dit leven met een batig saldo ten goede of met een nadeelig saldo ten kwade, elkeen heeft loon of straf na dit leven te wachten.

Vraagt men nu, waarin het loon zal bestaan, dan leert ons het verstand, dat liet geluk, wat ons deel zal zijn, met onze natuur moet overeenstemmen, d. w. z. dat wij gelukkig moeten zijn in ons verstand en in onzen wil. Het voorwerp van ons verstand is het ware, de wil streeft naar het goede. In dit leven reeds is de erkenning van God, als (Ze Waarheid, de verhevenste kennis en de hoogste voldoening voor den geest, en de neiging van den wil naar God, als naar de Bron van alle goedheid, de edelste daad, waarin do wil zich verheugen kan; na dit loven mogen we dus in eone betere kennis van God en in eene inniger vereeniging van den wil met God, in kennen en liefhebben, hot ware wozen van ons toekomend geluk zoeken.

Moeilijker is het den aard der straf te bepalen. Evenals wij echter den natuurlijken gelukstoestand, zonder ons tot de openbaring te wenden en zonder van den bovennatuurlijken toestand te spreken, uit het wozen onzer ziel hebben afgeleid, moeten wij ook de straf uit het wezen der ziel trachten te verklaren. En dan dunkt ons, dat een onbevredigd verlangen naar kennis, gepaard aan een gedwongen afkeer van hetgeen men als goed moet erkennen, de zwaarste straf is, welke een kennend en willend wezen op natuurlijke wijze kan ondergaan.

Verder dan deze gevolgtrekkingen kunnen wij, alleen door het licht der rede geleid, niet gaan. Slechts dit kunnen wij er nog bijvoegen. Daar wij loon en straf als menschcn en niet als geesten verdienen, en daar overigens onze ziel voor het lichaam bestemd is en in de vereeniging met het lichaam tijdens ons loven hare natuurlijke volmaaktheid bereikt, kunnen wij eone heroeni-ging van ziel en lichaam, opdat wij als menschen loon en straf ontvangen, niet van ons voortbestaan na den dood uitsluiten. Zekerheid aangaande die hereeniging geeft ons do rede echter niet.

-ocr page 266-

BESLUI T.

Tn den Lucifer legt Vondel aan Apollion, die uitgezonden werd om kennis te nemen van „Adams heil en staat, waarin de Almogendheden hom steldenquot;, de volgende heerlijke woorden in den mond:

„Geen schepsel hoeft omhoog mijne oogen zoo behaagd, Als deze twee omlaag. Wie kan zoo geestig strenglen Het lichaam en de ziel, en scheppen dubble englen Uit kleiaarde en uit been? Het lichaam schoon van leest Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in \'t aanschijn meest. Den spiegel van \'t gemoed. Wat lid mij kon verbazen.

Ik zag het beeld der ziele in \'t aangezicht geblazen.

Bezit het lijf iets schoons, dat vindt men hier bijeen; Een Godheid geeft haar glans door \'s menschen oogen heen. Een redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.

Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.

Hij heerscht gelijk een God, om wien het al moet slaven. D\'onzichtbre ziel bestaat uit geest en niet uit stof.

Ze is heel in ieder lid, het brein verstrekt haar hof. Zij leeft in eeuwigheid en vreest noch roest noch schennis. Z\'is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid en kennis En deugd en vrijen wil bezit ze in eigendomquot;.

-ocr page 267-

Waarlijk, de mensch is een eenig meesterstuk te midden dei* hem omringende natuur, en evenals de bergreus der Alpen de besneeuwde kruin hoog boven de omringende heuvelen verheft, schittert de grootheid des menschen uit boven alle schepselen, waaraan de stof deel heeft. Schoon van vorm en edel van gestalte, getuigt het lichaam reeds, dat den mensch de eereplaats tusschen de stoffelijke wezens toekomt. Maar de eigenlijke brieven van zijn adeldom draagt de mensch in de redelijke en vrij willende ziel, die het lichaam doet leven. Door de wonderlijke samenstrengeling van stof en geest wordt in den mensch de stof in zekere mate deelgenoote van het leven des geestes, en de afstand, die er bestaat tusschen stof en denken, wordt in hem zooveel mogelijk verkleind. Zonder den mensch ware het bestaan der stoffelijke wereld doelloos; de mensch alleen kan haar kennen op eene wijze, die aan haar stoffelijk bestaan evenredig is, omdat zijne verstandelijke kennis op de zinnelijke waarneming berust en de inwerking van stof op stof tot grondslag heeft. Uit kracht dier kennis is het meesterschap over de natuur en hare krachten, het bezit van de aarde en hare schatten, de heerschappij over plant- en dierenleven zijn eigen onvervreemdbaar recht. Maar hij is niet geschapen om „gelijk de stomme en redelooze dieren naar zijne voeten te zien\' en geene andere kennis de zijne te noemen dan die der hem omringende stoffelijke wereld ; „heft hij zijn hoofd trotsch ten hemel opquot;, dan is dat een teeken, dat de geest, die hem bezielt en „in zijn aanschijn blinktquot;, zich van het stof tot den Geest bij uitnemendheid, van het schepsel tot den Schepper, kan verheffen en in den Schepper zoowel den oorsprong kan erkennen van alles, wat bestaat, als het einddoel, waarheen alles streeft. Zijn plicht wordt het nu de tolk te zijn der geheele natuur en den Schepper te danken voor alles, wat Hij aan hem gedaan heeft, en voor alles, wat Hij om hem geschapen heeft; zijn plicht wordt het tevens den vrijen wil vrijelijk te buigen voor de wetten, in welke hij den wil des Scheppers

-ocr page 268-

256

door zijne rede erkent, en zijn leven te richten naar het ééne einddoel van zijn bestaan, naar God.

Waarlijk, de mensch is groot zoowel in zijn wezen als in zijn oorsprong en zijn einddoel, zelfs dan wanneer men, zooals wij tot hier deden, den kring der natuur niet overschrijdt en in den mensch slechts het natuurlijke wezen beschouwt.

-ocr page 269-

INHOUD.

Biz.

VOOUWOOUD.................... 3

HOOFDSTUK I.

EENHEDEN.....................5

De plan t. (7J Levend protoplasma onderscheiden Tan dood (8);

niet verklaarbaar door bloot scheikundige werkingen (10) noch in de lagere, noch in de hoogere planten (12). Meening van Weissmann (ibid.) De plant eene eenheid (14).

H e t d i e r (16). Onderscheid tusschen dier en plant (17). Waarneming en beweging. (18) Eenheid. (20) Dierlijk levensbeginsel (22).

De mensch (25). Zelfbewustzijn getuige der eenheid, (ibid.)

Jiéne forma of meer? (29).

HOOFDSTUK II.

LICHAAM EN ZIEL..................31

Onstolielijkheid dor ziel (32) volgt uit den aard der kennis (33) en uit het voorwerp van den wil (34). Invloed van hot lichaam op den geest (ibid.) niet te vorklaren dan door de innige verbinding van lichaam en ziel (35) tot één wezen, dat èn stof èn

geest is.

Martha Obrecht, eene blinde doofstomme (39).

HOOFDSTUK IH.

DE ZINNEN EN DE HERSENEN..............46

Geen denkon mogelijk zonder voorstellingen (46) en dus zonder zintuigen (47). Bepaling (47). Innerlijke en uiterlijke zinnen (47).

Vereischten der waarneming (50). Ze is niet oon drama in drie bedrijven, maar hangt van voorwaarden (51) af. Zintuigen.

-ocr page 270-

258

Rlz.

Beschrijving (52). Juiste (54) en onjuiste (55) waarnoming. Wet van Feehner (55).

■Zenuwen. Geleiding, spoeifioke zenuwenergie (57). Moening van Bernstein (58).

Horsenen. Localisatio der functies volgens S. Thomas (60). Noodzakelijkheid eener localisatio (C2). Organische verbinding tusschen de verschillende dooien (03). Beschrijving der hersenen (65).

Localisatio bij menschon en dieren (67). Moening van v. Krafl\'t Ebing en Kerrier (08). Localisatie der voorstellingen door proeven bewezen (70). ^phasie; voorbeelden (71); verklaring volgons Broca (72).

Localisatie van het zelfgevoel (74), de voorwaarde voor het zelfbewustzijn (77).

HOOFDSTUK IV.

VERSTANDELIJKE AANLEG EN ERFELIJKHEID........78

Zijn do eigen vermogens der ziel voor allo menschon dezelfde? (78).

Invloed van het lichaam (70). Zonder voorstelling (phantasma) geene kennis (80). Vlugge en trage denkers (81). Hoeveelheid en vorm der hersenen (81), hypertrophie der hersenen en microce-phalie (82). Aanleg hangt af van do hersenen (89).

Erfelijkheid (85). Wat Aristoteles en S. Thomas er van wisten (86).

Aangeboren en verworven eigenschappen (87). Erfelijkheid van den verstandelijken aanleg (87 en 88). Atavisme (89). S. Thomas contra Weissmann (89 en 90).

HOOFDSTUK V.

PIIYSIOLOGIE DEIl DRIFTEN..............97

Bepaling (91); driften zijn noch goed noch kwaad (91) voorwerp (92). Onderscheid dor driften bij raensch en dier (93). De drift kan do werking van het verstand vooruitloopen en verhinderen (ibid.) Verdeeling der driften (94). Het orgaan der driften bij de ouden het hart (95) bij de nieuwen de hersenen (96). Temperament (97). Erfelijkheid (97).

HOOFDSTUK VI.

ZOOGENAAMDE ZIELSZIEKTEN..............91»

Oorzaak der krankzinnigheid niet in de ziel, maar in het lichaam (99). Onderscheid tusschen de materialistische opvatting en do onze (100).

-ocr page 271-

259

Biz.

Storingen van hot bewustzijn on van het verstand (100),

Aard dor storing (ibid.) Bescherming der hersenen (101). Bepaling der krankzinnigheid volgens v. Krafl\'t Ebing (103) en Griosinger (ibid.) Onderscheid tusschon bewustzijn en inhoud van het bewustzijn (104). Een afzonderlijk orgaan voor het zelfgevoel noodig (ibid.) Droom en krankzinnigheid (105). Loer van 8. Thomas over slapen en droomen (107). Wezen der krankzinnigheid (109). Dronkenschap en krankzinnigheid (ibid.) Verklaring (110). Vormen dor krankzinnigheid (111).

Storingen in den wil (115). Aboulie, anergic (ibid.) Verklaring (115). Gedeeltelijke krankzinnigheid (118).

Storingen in hot voorstellingsvermogen (118). Traagheid (ibid.) Ausfalls Erscheinungon (ibid.) Een geheugen achter het geheugen V meening van Bonniot (120). Horinneron Herkennen (121). Te groote bedrijvigheid van hot herinneringsvermogen (122).

HOOFDSTUK VIL HYPNOTISME....................124

Bepaling (125). Het wezen der Hypnose on het hypnotiseeren (126). De slapende Jacobus (ibid.) Hypnotiseeren (128). Meeningen van Bernheim en van Charcot (129). Physiologischo oorzaak van de hypnose (131). Wanneer de hypnotische slaap niet op den natuurlijken gelijkt (ibid.) Droomen (132). De zintuigen somtijds werkzaam gedurende den slaap (133). De suggestie (134). Voorbeelden en verklaring (13G). Verandering van persoon (138). Invloed van het geheugen (138) on van de verbeelding (139). Gesuggereerde misdaden (142). Meening van Dr. Benedikt (ibid.) Hoe wij, volgens S. Thomas, in den droom rodeneeren (144). De posthypnotische suggestie (145). Verklaring (147). Hypnotische geneeswijze (151). Wat zij kan (ibid.) en niet kan (153). Stigmatisatie en suggestie (155). Wondoren (157). Hypnotisme in de opvoeding (ibid.) Spaarzaam en oordeelkundig gebruik der hypnotische geneeswijze geoorloofd (159).

HOOFDSTUK VIII.

MISDAAD EN MISDADIGER...............163

Bepaling van do misdaad; (ibid.) van den misdadiger (166).

Schuld (171). Meening van Tardo over de verantwoordelijkheid (171) en de vrijheid (172). Weerlegging volgens S. Thomas (174). Dc meeningen der crhnineele anthropu-logie (170). Oude waarheden (182). De mensch is vrij maar aan

-ocr page 272-

260

Biz.

verschillende invloeden blootgesteld, die hem aanzetten maar niet dwingen (182). Nieuwe dwalingen (184). De misdadiger geen atavistisch verschijnsel (185), omdat de mensch noch van een dier noch van een dierlijken voorvader afstamt (186). De misdadiger geen sociaal produkt (190) en geen krankzinnige (193). Misdadige dwangvoorstellingen (202). Ziektegeschiedenis der misdaad (205). Verbetering van den misdadiger (210). Straf (218).

HOOFDSTUK IX.

KRANKZINNIGHEID EN GENIE..............214

Theorie van Lombroso en Kurella (214). Waarde der Lombrosis-tisclie stellingen (215).

HOOFDSTUK X.

BEWEGING.....................220

Verschillende soorten van beweging (220). Vcreischten voor de willekeurige beweging (221). De Bowegingsorganen (223). Gestreepte en gladde spieren (224). Eeflex-bewegingen (227). Automatische of natuurlijke beweging (229). Willekeurige en autonomische beweging (230). Behoud van arbeidsvermogen (233).

HOOFDSTUK XI.

HET HEG1N EN HET EINDE..............241

HOOFDSTUK XIL

NA DEN DOOD...................249

BESLUIT.....................254

- /f 0 7

/

-ocr page 273-

.4\'s;

Hfc- . 3WH

. , \' ■ ■ •

ftamp;g Hj

. ,;; .= . .

\' \' ■ .....•• ■ ■ • . .

■ ■ •quot; ■ , ■

-• ■ ■ /

WÊÊÊt ...........tMBB

ï§Ê

1

■ •

\'

■ ■ \'■r\':

,

llllliiiiiM ü^;

, , ..

■ ■ 1 , • ..

\'

\'

i. ..

m,

:: N

p^pquot; •• \' ••

^ ■

■■ ... .

\'

,

;- • ■ K ; li sr i ■ \' .■,.: I.

■■

-ocr page 274-

-

-ocr page 275-

■ ,

^^Vlt;,:,r^..: ,^; : :,s.t;ft;:;^, J..; ( ^;^;

t.\'v-.

- • H;; • ■ . -

,■

\' •

■ ■ ■ . ,•, , quot;\'■\'■Wt M ^ ■•mmhtr^r

-

I- ,

■ ■ , ... .

• ïg-Vf - ,,...

• - ...■ .... „ •;;.(#■■ - • .

\'

m

-\'•v

\'\' \' ........ ■■■■■■ ■ ■ • ■•

....

WÊÊ$m$m .,.. ■

mmm m« sss tm ■ psj ;... .....%

—--------------

.

§6 ,■. IÜ^wSÏ

i/ ^ if ,

.

\'\'M- ■ quot;•-\' ••■ •-vy^/ï;.

\'

-.

.

. ;.A *yküMLgt;^^!!%£\'Ui^$z,!Z^ ■yiWnftrm

■■• quot;\'■■■ ■ ■quot; ■■ .■ , ■

.

\'■-■■ i | i

■;■quot;quot;■■

^^BiiWMlPiPimiilM 7 \'[. mnr ^quot;l\' *1 \'*,, *\'gt; \' **■\' *MWT\' ♦ ^flHI

\' \' . ....

.

\' \' ■ ■ ■ ........

\'*quot; ...li

■ H

.■■•■■■ ■ H-,. i ■-• \', ,-.\' lquot;\' . \'v quot;quot;■ ■

.

H vïï

.

\'

BBp E;:\'

i

•y.quot;,;;

,

■ ■ quot;

-.

. .

- - .

.........

\'■\'1

r te,- I^.r MlifeI3ia^^.» igt;lt;k.-aj^AuLL.

:- :;quot; ;lt; gt;. -. •^\':,:ï\'*ï^é?\'.\': - • \' •\'- h .■. ^ f.^-

........ y|

■ ■ ■ ■ ......

mSSÊmtwm^Mttf^fiéMédmSimif^ ww /»A.lt; -quot; t^K

,

-.i,V) ■ . •

■ \'M

-

\'

\' - ■ ••■.

■ fsi ■

!

m 10

\' \'lil\' .iv.:

r^\\hi%. ■ ■■.•••;

.....

■ ■ ^ ■■■quot;■■ • ........

gil

■^\'0

-ocr page 276-

- . ,—•

-\'—

\' ^

/

I i

li

li (

,,

9 \\

\'

.

quot;

Cf 2

|

I

il ■

.