-ocr page 1-

ECROI\'EAKEN IN XEDERLANDSCII-lNIHfi

.\\i !•; r

MEMORIE VAN TOELICHTING.

Aangeboden a\'.n d- Koningin-Weduwe. Regentes van het Koninkrijk door de Staatscommisoie, Ingeato^d bij Koninklijk Besluit van 28 Maart 1837, N0 15.

Uitgegeven met maoluiging va:i Zijne Excellentie den Minister van Koloniën

\'.S-CillAVKNUAGE,

lt;; KliK. IIKI.I N r \\ NTK, 1 SDI.

-ocr page 2-

L oct

■mi\\-

-ocr page 3-

. •

\'

I I

I

-ocr page 4-
-ocr page 5-

O N T W E E P

VAN EEN

WETBOEK YAN STRAF HECHT.

VOOR DE \'

EUROPEANEN IN NEDERLANDSCH-IND1Ë.

-ocr page 6-

- ------------— ----------

Gedrukt bi) GEUR. HRUNFANTE, voorli.: A. 1). SCHlfJKEI..

-ocr page 7-

ONTWERP

VAN EEN

WETBOEK VAN STRAFRECHT

VOOR DE

EUROPEANEN IN NEDERLANDSOH-INDIË

MKT

MEMORIE VAN TOELICHTING.

Aangeboden aan de Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk, door de Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 28 Maart 1887, Nquot;. 15.

Uitgegeven met machtiging van Zijne Excellentie den Minister van Koloniën.

\'s-Guavionhage, G 15 H li. HEL1NPA NTE. 18Ü1.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

liet behaagde den Koning, Uwer Majesteits geëerbiedigden en betreurden Gemaal, bij Besluit van 28 Maart 1887, nu. 15, in te stellen eene commissie „tot het ontwerpen van een Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Neder-landsch-Indiëquot;, zooveel mogelijk overeenkomstig het Neder-landsche wetboek van Strafrecht, vastgesteld bij de wet van 3 Mei 1881 {Stbl. n0. 35).

Tot leden dezer commissie werden bij hetzelfde Besluit benoemd:

Mr. D. L. F de Pauly, oud-president van het hooggerechtshof van Nederlandsch-lndiö (tevens voorzitter);

Mr. A. A. üe Pinto, raadsheer in den hoogen raad der Nederlanden;

Mr. L. Hovy, oud-president van den raad van justitie te Batavia;

Mr. D. J. Mom Visch, raadsheer in het gerechtshof te Arnhem, en

Mr. G. A. van Hamel, hoogleeraar aan de gemeentelijke universiteit te Amsterdam.

Als secretaris werd der commissie toegevoegd Mr. J. Lion, Oost-Indisch ambtenaar met verlof, die haar steeds met ijver heeft ter zijde gestaan.

Den 16den April 1887 werd de commissie geïnstalleerd door Zyne Excellentie den minister van koloniën in een der lokalen van zijn departement, waar zij ook al hare verdere vergaderingen heeft gehouden.

Aan de Koningin- Weduwe, Regentes van het Koninkrijk.

-ocr page 10-

. VI

Onmiddellijk na hare installatie overwoog zij den omvang van den op haar door den Koning verstrekten last en de bij de uitvoering daarvan te volgen wijze van werken. Omtrent oen en ander bleek weldra volkomen eenstemmigheid te bestaan. Trouwens de lastbrief zelf, vervat in het Besluit van be-. noeming der commissie, liet in duidelijkheid niets te wenschen over. Met het oog op dezen lastbrief, nog voor zooveel noodig toegelicht door art. 75, eerste lid van het Reglement op het beleid der regeering van Nederlandsch-Indië, vastgesteld bij de wet van 2 September 1854, Sth. n0. 129, kon het niet aan twijfel onderhevig zijn dat het uitgangspunt voor den arbeid der commissie moest zijn de sedert 1 September 1886 in Nederland geldende codificatie —■ met enkele daarin nader gebrachte wijzigingen en aanvullingen —; maar tevens, dat bij elk hoofd- en onderdeel van het Nederlandsche Wetboek met de meeste nauwgezetheid was te overwegen of afwijking daarvan door specifiek Indische maatschappelijke toestanden of rechtsverhoudingen werd gevorderd

Daaromtrent in dit rapport in breedere ontwikkeling te treden mag onnoodig worden geacht. Immers, de commissie is eerbiedig van oordeel hier te kunnen volstaan met eene verwijzing naar de Inleiding (§ 1) der Algemeene Beschouwingen van de memorie van toelichting van haar Ontwerp, Wat de door de commissie gevolgde wijze van werken betreft, zij het haar geoorloofd het volgende eerbiedig onder de aandacht van üwe Majesteit te brengen.

(leheel onvoorbereid was, toen de commissie de haar door \'s Konings vertrouwen opgedragen taak aanvaardde, de nieuwe codificatie van het strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië niet.

Reeds voor de inwerkingtreding van het Nederlandsche Wetboek van Strafrecht was door het Indisch Bestuur aan den directeur van justitie in Nederlandsch-Indië opgedragen voor de Europeanen een nieuw Wetboek van Strafrecht samen te stellen. Een daartoe strekkend ontwerp van dien directeur was gereed en aan Zijne Excellentie den minister van koloniën

-ocr page 11-

VII

medegedeeld toen op zijne voordracht de commissie werd benoemd.

Een over dat ontwerp uitgebracht advies van den procureur-generaal bij het hooggerechtshof van Nederlandsch-lndic werd kort na de installatie der commissie in hare handen gesteld. Zij achtte het noodig, na de voorloopige bespreking van haar mandaat in hare eerste bijeenkomst, van deze omvangrijke stukken, in verband met vele in het archief van het departement van koloniën berustende belangrijke bescheiden over het strafstelsel — bij name de doodstraf en de gevangenisstraf — zeer aandachtig kennis te nemen, alvorens zelve de handen aan het werk te slaan.

De vergaderingen werden dus geschorst tot den herfst van het jaar 1887. Daarna werden zij geregeld voortgezet. Behalve in de zomermaanden, ook van de jaren 1888, 1889 en 1890, kwam de commissie in den regel om de twee of drie weken, soms ook na langer tusschenpoos, bijeen om dan gedurende twee achtereenvolgende dagen in ééne voortgezette vergadering werkzaam te zijn. In deze vergaderingen, in het geheel 52, tot welker voorbereiding voor elk lid der commissie, evenals voor den secretaris, veel tijd werd vereischt, was nu de gang-der werkzaamheden in hoofdzaak de volgende.

By de bespreking van elkon titel van het Nederlandsche Wetboek werd in het algemeen de vraag gesteld of en inhoever specifiek Indische toestanden of rechtsverhoudingen afwijking of aanvulling van den inhoud van dien titel vorderen. Deze vraag werd, inzoover daartoe eenige aanleiding bestond, bij de bijzondere artikelen opnieuw gesteld, en waar de Nederlandsche wetsbepalingen, naar het oordeel der commissie, op zich zelve blijkbaar aan verduidelijking of verandering behoefte hadden, ook deze andere, of het te verdedigen was ze onveranderd in het ontwerp over te nemen. (Alg. Besch. der mem. van toel., Inl., § 1).

De aandachtige overweging van een en ander leidde tot de eerste, voorloopige vaststelling van den tekst van Boek I en II van het Ontwerp. Deze eerste lezing, gedrukt en aan de

-ocr page 12-

VIII

leden rondgedeeld, maakte in volgende vergaderingen het onderwerp uit van eene nieuwe nauwgezette overweging die leidde tot de vaststelling van den tekst in tweede lezing. Nu werd door den secretaris een schema ontworpen van de memorie van toelichting, met welker redactie de leden der commissie zich verder bij gedeelten belastten. De resumtie dezer memorie ging gepaard met de definitieve vaststelling van den tekst van Boek 1 en 11 van het Ontwerp {derde lezing).

Voor de samenstelling van Boek III werd in het algemeen geen andere weg gevolgd. Alléén zij daaromtrent nog opgemerkt dat voor dit boek benevens Boek 111 van het Nedcr-landsche wetboek hoofdbron was en uit den aard der zaak moest zijn het thans in Indië geldende Algemeen politie-strafreglement voor de Europeanen (Alg. toel. van B 111 sub 2n.); waaruit volgt dat reeds hij de eerste lezing van het Derde Boek evenzeer te rade moest worden gegaan met dat reglement als met het Nederlandsche wetboek.

liet behoeft nauwelijks herinnering dat de commissie bij de samenstelling van haar Ontwerp een ijverig gebruik heeft gemaakt van het ontwerp van den directeur van justitie, het daarover uitgebrachte, hierboven reeds vermelde rapport van den procureur-generaal bij het hooggerechtshof en van de nader (respectievelyk in 1888 en 1889) bij haar ingekomen adviezen van dat gerechtshof en van den raad van Indië.

Bleek uit deze adviezen dat tusschen de Indische autoriteiten omtrent menige belangrijke vraag die bij eene nieuwe codificatie van het strafrecht voor de Europeanen in Neder-landsch-Indië eene beslissing eischt, verschil van gevoelen heerscht, hetzelfde verschijnsel deed zich ook voor in den boezem der commissie.

De minderheid onderwierp zich echter in den regel zonder groot bezwaar aan de in het Ontwerp uitgedrukte en in de memorie van toelichting, inzoover noodig, verdedigde meening der meerderheid, zonder te eischen dat van het verschil van gevoelen hetzij in die memorie, hetzij in dit rapport melding

-ocr page 13-

IX

werd gemaakt. Alleen voor de zoo hoogst gewichtige en diep ingrijpende vraag der doodstraf stelde de minderheid, bestaande uit twee leden der commissie, er prijs op in dit rapport aan Uwe Majesteit uitdrukkelijk te verklaren, dat zij door de gronden aangevoerd in de memorie van toelichting (B. I., ï. IT, Straffen, sub II), niet overtuigd is van de noodzakelijkheid of de wenschelijkheid van het hehoud dezer straf in een nieuw Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in N ederlandsch-Indië.

Ongeveer vier jaren waren gemoeid met de uitvoering van den by Koninklijk Besluit van 28 Maart 1887, n0. 15, op de ondergeteekenden verstrekten last. Is dit tijdvak lang, toch meenen de ondergeteekenden eerbiedig het vertrouwen te mogen uitspreken dat, mocht het Uwer Majesteit behagen den grooten omvang van- en de vele moeilijkheden verbonden aan het bij dit rapport overgelegde werk welwillend in aanmerking te nemen, de daaraan bestede tijd door Uwe Majesteit niet te lang zal worden geacht. Te eerder vindt de commissie de noodige vrijheid om dat vertrouwen uit te spreken, omdat zij in de jaren harer werkzaamheid, bepaaldelijk in 1888 en 1889, meermalen door den minister van koloniën werd geraadpleegd over belangrijke aangelegenheden van wetgevenden aard op het gebied van het rechtswezen in Nederlandsch-Indië; terwijl de voorbereiding en de vaststelling van de daarover aan Zijne Excellentie uitgebrachte adviezen telkens geruimen tijd in beslag nam.

De commissie ontveinst het zich niet dat, mocht haar Ontwerp tot wetboek worden verheven, de invoering daarvan in Nederlandsch-Indië gepaard zal moeten gaan met vele min of meer belangrijke wijzigingen der aldaar geldende wetgeving. In niet minder ruime mate echter was dit ten aanzien van de Nederlandsche wetgeving het geval bij de inwerkingtreding-van het Nederlandsche Wetboek van strafrecht op den Isten September 1886; en waar men zich houdt aan het voorschrift

-ocr page 14-

X

van art. 75, 1ste lid R. R., is vervanging van het in Indië nu nog van kracht zijnde Strafwetboek van 1866 door een nieuw, zich zooveel mogelijk aansluitende aan het Nederland-sche Wetboek van Strafrecht, niet denkbaar, zonder min of meer ingrijpende wijziging der nevens dat nieuwe Strafwetboek in stand te houden Indische codificatie en andere alge-meene verordeningen.

De ondergeteekenden zijn hiermede genaderd tot het einde van hun verslag. Zij waren van oordeel dat dit zich in hoofdzaak kon bepalen tot eene beknopte schets der wijze van werken door hen gevolgd bij de voldoening aan den last op hen door den Koning verstrekt. Immers, alles wat noodig scheen ter toelichting en verdediging van het Uwer Majesteit bij dit verslag aangeboden Ontwerp, is vervat in de daarbij gevoegde memorie.

Ten slotte zij het den ondergeteekenden alleen nog veroorloofd, den eerbiedigen wensch uit te spreken dat aan het Ontwerp en de toelichtende memorie openbaarheid moge worden gegeven zoowel in Nederland als in Nederlandsch-Indië, opdat daardoor het oordeel van deskundigen over den arbeid der commissie in ruime mate worde uitgelokt.

\'s- Gravenhage, 24 Juni 1891.

Dc Commissie voornoemd,

{w. ().) I). DE PaULY.

In kennis van den Secretaris der Commissie,

{tv. (j.) Lion.

A. A. dilt;; Pinto. L. 110 V Y.

1). .). Mom Visch. O. A. van Hamel.


-ocr page 15-

I N H 0 U D.

WETKOEK VAN STRAFRECHT VOOR NEDERLANDSCIMNDIÊ.

WETBOEK VOOR DE EUROPEANEN.

ONTWERP.

EERSTE BOEK. — Algk.muune Bepaj,ingion.

Blz.

ïitul 1. Omvang van de working der strafwet........ 1

„ 11. Straffen .................. 2

„ lil. Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaai\'heid . 7

„ IV. Poging................... 8

„ V. Deelneming aan strafbare feiten.......... 1)

„ VI. Samenloop van strafbare feiten..........10

„ Vil. Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen

op klaehte vervolgbaar........................11

„ VIII. Verval van het recht tot strafvordering en van do straf . 12 „ IX. Beteekenis van sommige in het Wetboek voorkomende

uitdrukkingen................................14

Slotbepaling......................15

TWEEDE BOEK. — Misdrijven.

Titei, 1. Misdrijven tegen de veiligheid van den Staat.....1(5

„ 11. Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid en tegen de

waardigheid \\;an den Gouverneur-Generaal............18

„ 111. Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende

staten en van bevriende Indische volken......20

„ IV. Misdrijven bij gelegenheid van verkiezingen......21

„ V. Misdrijven tegen de openbare orde.........21

„ VI. Tweegevecht.................25

„ VII. Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen

of goederen wordt in gevaar gebracht.......26

„ VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag........2lt;.t

„ IX. Meineed...................35

-ocr page 16-

XII

Biz.

Titui, X. Muntmisdrijven................35

„ XI. Valechheid in zegels en merken..........30

„ XII. Valschheid in geschriften............37

„ XIII Misdrijven tegen den burgerlijken staat.......3\'.)

„ XIV. Misdrijven tegen de zeden............40

„ XV. Verlating van hulpbehoevenden..........42

„ XVI. Beleediging.................43

„ XVII. Schending van geheimen.............45

„ XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.......45

„ \' XIX. Misdrijven tegen het leven gericht.........48

„ XX. Mishandeling.................49

„ XXI. Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door

schuld..................50

„ XXII. Diefstal en strooperij..............50

„ XXIII. Afpersing en afdreiging.............52

„ XXIV. Misbruik van aanzien..............53

„ XXV. Verduistering.................53

„ XXVI. Bedrog...................54

„ XXVII. Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden .... 56

„ XXVI11. Vernieling of beschadiging van goederen.......58

„ XXIX. Ambtsmisdrijven...............59

„ XXX. Scheep vaartmisdrij ven..............C3

„ XXXI. Begunstiging.................6!)

„ XXXU. Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende

titels gemeen................09

DERDE BOEK. — Overtredingen.

Titel I. Overtredingen betreffende de algenieene veiligheid van personen en goederen en de openbare gezondheid.....71

„ 11. Overtredingen betreffende de openbare orde......73

]) UI. Overtredingen betreffende hot openbaar gezag.....77

„ IV. Overtredingen betreffende den burgerlijken staat.....77

„ V. Overtredingen betreffende hulpbehoevenden.......78

„ VI. Overtredingen betreffende de zeden.........78

„ VII. Overtredingen betreffende de veldpolitie........80

„ VIII. Ambtsovertredingen...............81

„ IX. Scheepvaartovertredingen.............82

-ocr page 17-

XIII

MEMORIE VAN TOELICHTING.

ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.

Blz.

§ 1. Inleiding....................g5

§ 2. Verdeeling van de strafbare feiten...........8S

§ 3. Indeeiing on omvang...............86

§ 4. Beginsel van codificatie..............................87

§ 5. Grensbepaling tusschen het materieele en hot formeele strafrecht 88

EERSTE BOEK. — Amemeenk Bepalingen.

Titel I. Omvang van de werking der strafwet (artt. 1—9) .... 89

„ 11. Straffen (artt. 10—44).............91

1. Strafstelsel (art. 10)............91

II. Doodstraf (artt. 10 en 11)....................92

III. Gevangenisstraf (artt. 12—19)........95

IV. Hechtenis (artt. 20—25)....................98

V, Bepalingen aan gevangenisstraf en hechtenis gemeen

(artt. 26—30)..........................99

VI. Geldboete, vervangende hechtenis (artt. 31—33) . . 100

VIL Ingang van gevangenisstraf en hechtenis (artt. 34—36) 101 VIII. Ontzetting van bepaalde rechten en bevoegdheden

(artt. 37—40)..........................102

IX. Verbeurdverkaring van bepaalde voorwerpen (artt.

\' 41 en 42)...............103

X. Kosten der vrijheidsstraffen, opbrengst der vermogens-

straffen (art. 43)............105

XI. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak , . 105

„ Hl. Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid . 105

I. Uitsluiting der strafbaarheid (artt. 45, 46, 47 1ste

en 2de lid, 48, 49, 50, 51)..................105

A. Inwendige oorzaken van ontoerekenbaarheid (artt.

45, 46, 47 1ste en 2de lid)........105

B. Uitwendige oorzaken van ontoerekenbaarheid (artt. 48—51)...............106

II. Vermindering der strafbaarheid (artt. 47 3de—ödelid) 107 III. Verhooging der strafbaarheid (art. 52) . . . . . 108

„ IV. I\'oging (artt. 53 en 54).............109

„ V. Deelneming aan strafbare feiten (artt. 55—62)..........109

„ VI. Samenloop van strafbare feiten (artt. 63—71).....112

„ VII. Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen

op klachte vervolgbaar (artt. 72—75)..............113

-ocr page 18-

XIY

Biz.

Titiïi. VIII. Verval van het recht tot strafvordering en van de straf

(artt. 76—85)................ 113

„ IX. Beteekenis van eenige in het Wetboek voorkomende uitdrukkingen (artt. 86—103)............. 114

Slotbepaling......................119

TWEEDE BOEK. — Misdrijven.

Titel I. Misdrijven togen de veiligheid van den Staat (artt. 104—122) 121 „ \' II. Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid en tegen de

waardigheid van don Gouvernonr-Goneraal (artt. 123—131) 123 n III. Misdrijven togen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende

staten en van bevriende Indische volken (artt. 132—137) 124

„ IV. Misdrijven bij gelegenheid van verkiezingen (artt. 138 en 139) 124

„ V. Misdrijven tegen de openbare orde (artt. 140—160) . . . 126

„ VI. Tweegevecht (artt. 161—165)...........129

„ VII. Misdrijven waardoor de algemeeno veiligheid van personen

of goederen wordt in gevaar gebracht (artt. 166—185) . 129

„ VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag (artt. 186—218) . . 129

„ IX. Meineed (art. 219)...............133

„ X. Muntmisdrijvon (artt. 220—227)....................134

„ XI. Valschheid in zegels en merken (artt. 228—233) .... 135

XII. Valschheid in geschriften (artt. 234—244)............135

„ XIII. Misdrijven tegen don burgerlijken staat (artt. 245—247) . 136

„ XIV. Misdrijven togen de zeden (artt. 248—268)............137

„ XV. Verlating van hulpbehoevenden (artt. 263—268) .... 139

„ XVI. Beleodiging (artt. 269—280)......................139

„ XVII. Schending van geheimen (artt. 281 en 282)............141

„ XVIII. Misdrijven tegen do persoonlijke vrijheid (artt. 283—296) . 141

„ XIX. Misdrijven togen het leven gericht (artt. 297—309) . . . 146

„ XX. Mishandeling (artt. 310 —316)...........146

„ XXI. Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door

schuld (artt. 317—319)...........146

„ XXII. Diefstal en strooporij (artt. 320—326)................147

„ XXlll. Afpersing en afdreiging (artt. 327—330)..............148

„ XXIV. Misbruik van aanzien (art. 331)..........149

„ XXV. Verduistering (artt, 332—336)......................150

„ XXVI. Bodrog (artt. 337—350)..........................151

„ XXVII. Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden (artt.

351—360)..................................152

„ XXVIII. Vernieling of beschadiging van goederen (artt. 361—366) . 153

„ XXIX. Ambtsmisdrijven (artt. 367—389)..................155

„ XXX. Scheepvaartmisdrijven (artt. 390—428)................156

„ XXXI. Begunstiging (artt. 429—433)......................160

„ XXXII. Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende

titels gemeen (artt. 434—436)....................160

-ocr page 19-

xv

DERDE BOEK. — Overtredingen.

Blz.

Titici, I. Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van per

sonen en goederen en de openbare gezondheid (artt.

437—447)................................164

„ II. Overtredingen betreffende de openbare orde (artt. 448—467) 167

„ fll. Overtredingen betreffende het openbaar gezag (artt. 468-471) !70 „ TV. Overtredingen betreffende den burgerlijken staat (artt. 472

on 473)....................................170

„ V. Overtredingen betreffende hulpbehoevenden (art. 474) . . . 170

„ VI. Overtredingen betreffende de zeden (artt. 475—485) . . . 170

„ VII. Overtredingen betreffende de veldpolitie (artt. 486—489). . 171

„ VIII. Ambtsovertredingen (artt. 4il0—408)................172

„ IX. Scheepvaartovertredingen (artt. 49!)—504)............173

Bijlage, der memorie van toelichting..............176

A. Vergelijking van het Ontwerp Boek 1 en II met het Nederlandsehe wetboek................... .176

B. Vergelijking van het Ontwerp Boek III met het Nederlandsehe wetboek en het algemeen politiestrafreglement voor de Europeanen 183

-ocr page 20-
-ocr page 21-

MM fan Strafrecll foor Nuilerlajiscli-Iaili.

WETBOEK VOOR DE EUROPEANEN.

ONTWERP.

EERSTE BOEK.

Algemeene bepalingen.

TITEL I.

Omvang van de werking der strafwet.

Artikel I. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van eene daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Art. 2. Do Nederlandsch-Indischo strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen Nederlandsch-Indië aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.

Art. 3. De Nederlandsch Indische strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederlandsch-Indië aan boord van een Nederlandseh-Indisch vaartuig aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.

Art. 4. De Nederlandsch-Indischo strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederlandsch-Indië schuldig maakt:

1°. aan een der in de artikelen 104—110, 120 en 123—12(5 omschreven misdrijven ;

2°. aan eenig misdrijf ten\' opzichte van muntspeciën of muntpapier in Nederlandsch-Indië wettig gangbaar of van zegels of merken van wege de Nederlandsch-lndische Regeering uitgegeven;

3°. aan valschheid, hetzij in schuldbrieven of certificaten van schuld ten laste van Nederlandsch-Indië, hetzij in de tot een dezer stukken behoorende talons, dividend- of rentebewijzen, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven, of aan het opzettelijk gebruik maken van eenig der hier vermelde geschriften;

4°. aan een der in de .artikelen 390, 394, voor zooveel zeeroof betreft, en 397 omschreven misdrijven.

Outwerp Wetboek Strafrecht N.-I. |

(vooP de Enropeanen.)

-ocr page 22-

2

Art 5. Do Nederlandsch-Indische strafwet is toepasselijk op den ingezetene van Nederlandsch-lndie die zich buiten Ncderlundsch-Indië schuldig maakt:

1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels 1 en II van

het Tweede Boek, en in de artikelen 218, 246, 400 en 401 ; 2°. aan een feit hetwelk door de Nederlandsch-Indische strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

De vervolging ter zake van een feit onder n0. 2 bedoeld kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander en ingezetene van Nederlandsch-Indië, of, zoo hij tijdens het begaan van het feit reeds Nederlander was, ingezetene van Nederlandsch-Indië wordt.

Art. 6. De toepasselijkheid van artikel 5 2°. wordt in zoover beperkt, dat de doodstraf niet kan worden opgelegd ter zake van een feit waarop door de wet van het land waar het feit begaan is, de doodstraf niet is gesteld.

Art. 7. De Nederlandsch-Indische strafwet is toepasselijk op den Nederlandseh-lndischen ambtenaar die zich buiten Nederlandsch-Indië schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXIX van het Tweede Boek.

Art. 8. De Nederlandsch-Indische strafwet is toepasselijk op den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch-Indisch vaartuig, die zich buiten Nederlandsch-Indië, ook buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten, omschreven in Titel XXX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek.

Art. 9. De toepasselijkheid der artikelen 2, 3, 4, 5, 7 en 8 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.

TITEL II.

Straffen.

Art. 10. De straffen zijn;

a. hoofdstraffen :

10. doodstraf,

2°. gevangenisstraf,

3°. hechtenis,

4°. geldboete;

h. bijkomende straffen:

1°. ontzetting van bepaalde rechten,

2°. verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen,

3°. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Art. II. De doodstraf wordt door den scherprechter in het openbaar uitgevoerd op een schavot, door den veroordeelde met een strop om den hals aan eene galg vast te maken en een luik onder zijne voeten te doen wegvallen.

-ocr page 23-

3

Art. 12. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

Do duur der tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren.

Zij kan voor ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf hetzij de doodstraf, levenslange en tijdelijke gevangenisstraf, hetzij levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van den rechter zijn gesteld, en in die waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 52, de tijd van vijftien jaren wordt overschreden.

Zij kan in geen geval den tijd van twintig jaren te boven gaan.

Art. 13. Gevangenisstraf van een jaar of minder wordt geheel, gevangenisstraf van langeren duur gedurende het eerste jaar in afzondering ondergaan.

Ingeval van veroordeeling tot gevangenisstraf van langeren duur dan een jaar, kan de directeur van justitie, op verzoek van den veroordeelde, hem vergunnen zijnen verderen straftijd geheel of ten deele in afzondering door te brengen.

Art. 14. De afzonderlijke opsluiting wordt niet toegepast;

1°. op hen die tijdens hun veroordeeling den leeftijd van veertien jaren nog niet hebben bereikt;

2°. op gevangenen boven den leeftijd van zestig jaren, tenzij op eigen verzoek;

3°. op gevangenen die daarvoor na geneeskundig onderzoek ongeschikt blijken te zijn.

Art. 15. Ingeval van veroordeeling tot gevangenisstraf van acht dagen of minder, kan de rechter de straf verzwaren door bij zijne uitspraak te bepalen dat de veroordeelde den eersten dag of de twee eerste dagen van zijnen straftijd geene andere voeding zal ontvangen dan water en rijst.

Blijkt de veroordeelde, na geneeskundig onderzoek, daarvoor ongeschikt, dan wordt deze verzwaring door het bestuur van het gesticht waarin de straf wordt ondergaan, niet toegepast.

Art. 16. Behoudens het in artikel 15 bepaalde, kan den tot gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren veroordeelde, mits het door hem aan gerechtskosten verschuldigde voldaan is, voor den geheelen straftijd of een gedeelte daarvan tot wederopzegging worden vergund zich op eigen kosten eenige lotsverbetering te verschaffen overeenkomstig de voorschriften betreffende het genot der pistole ter uitvoering van artikel 29 gegeven.

Art. 17. De gevangenen die hunne straf in gemeenschap ondergaan, worden verdeeld in klassen.

Bij de regeling der klassenindeeling wordt ten aanzien van voorrechten die aan de veroordeelden bij het voortschrijden van den straftijd en bij voortdurend goed gedrag worden toegekend, het beginsel van opklimming in acht genomen.

Art. 18. De gevangene is verplicht tot het verrichten van den hem opgedragen arbeid.

-ocr page 24-

4

Art. 19. Aan den gevangene die dit behoeft, wordt onderwijs gegeven in lezen, schrijven en rekenen.

Art. 20. De duur der hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar.

Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 52, de tijd van een jaar wordt overschreden.

Zij kan in geen geval den tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan.

Art. 21. Ingeval van veroordeeling tot hechtenis van acht dagen of minder, geldt de bepaling van artikel 15.

Art. 22. Behoudens het in artikel 21 bepaalde, mag de tot hechtenis veroordeelde, mits het door hem aan gerechtskosten verschuldigde is voldaan, zich op eigen kosten eenige lotsverbetering verschaffen, overeenkomstig de voorschriften betreffende het genot der pistole ter uitvoering van artikel 29 gegeven.

Art. 23. Gevangenis en hechtenis kunnen in hetzelfde gesticht, mits in afzonderlijke afdeelingen, worden ondergaan.

Den veroordeelde wordt, op zijn verzoek, vergund de hechtenis in afzondering te ondergaan.

Artikel 14 is van toepassing op de hechtenis.

Art. 24. Bevindt de veroordeelde die hechtenis moet ondergaan, zich in een gesticht uitsluitend bestemd tot de uitvoering van gevangenisstraf, dan kan op zijn verzoek de hechtenis na het eindigen der gevangenisstraf in dat gesticht worden ondergaan, zonder daardoor van aard te veranderen.

Art. 25. De tot hechtenis veroordeelde houdt zich bezig met zoodanigen arbeid als hij verkiest, behoudens de voorschriften van orde en tucht ter uitvoering van artikel 29 gegeven.

Over de opbrengst van zijn arbeid heeft hij de vrije beschikking.

Wanneer hij in gebreke blijft zich met eenigen arbeid bezig te houden, kan hij onderworpen worden aan de bepaling van artikel 18.

Art. 26. Aan den tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde die dit verlangt, wordt, zoo mogelijk, gelegenheid tot bijwoning van godsdienstoefeningen of godsdienstonderwijs gegeven, een en ander in de gevangenis.

Art. 27. De tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelden die in gemeenschap geplaatst zijn, worden gedurende den nacht onderling afgezonderd.

In buitengewone gevallen kunnen op dien regel uitzonderingen worden toegestaan.

In de verschillende gestichten worden mannen en vrouwen te allen tijde van elkander gescheiden.

Art. 28. Geen lijfstraffen worden tot handhaving van de tucht opgelegd.

-ocr page 25-

Art. 29. De aanwijzing der gestichten, waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan, de inrichting en het beheer dezer gestichten, de verdeeling der gevangenen in klassen en de regeling van den arbeid, van de besteraming van de opbrengst van den verplichten arbeid, van het onderwijs en het godsdienstonderwijs, van de godsdienstoefeningen, van detnent, van de ligging, de voeding en de kleeding alsmede van het genot der pistole, geschieden, in overeenstemming met dit wetboek, door den Gouverneur-Generaal.

Huishoudelijke reglementen voor elk gesticht worden door het hoofd van het bestuur in elk gewest ontworpen en door den directeur van justitie vastgesteld.

Art. 30. De duur der tijdelijke gevangenisstraf en dtr hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan.

Art. 31, Het bedrag der geldboete is ten minste een gulden.

Bij veroordeeling tot geldboete wordt die boete, bij gebreke van betaling binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis.

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste zoovele dagen als het maximum der bedreigde geldboete vijftallen guldens bevat, of, indien dit maximum negenhonderd gulden te boven gaat, zes maanden.

Zij kan in de gevallen waarin op het feit geldboete en gevangenisstraf of hechtenis ter keuze van den rechter zijn gesteld, het maximum dier gevangenisstraf of hechtenis niet overschrijden.

De duur wordt in de rechterlijke uitspraak in dier voege bepaald dat niet meer dan een dag voor eiken gulden der opgelegde boete in de plaats treedt.

De hechtenis kan voor ten hoogste acht maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 52, de som van negenhonderd gulden wordt overschreden.

Zij kan in geen geval den tijd van acht maanden te boven gaan.

Art. 32. Ingeval vervangende hechtenis van acht dagen of minder wordt opgelegd, geldt de bepaling van artikel 15.

Art. 33. Den veroordeelde kan worden toegestaan de hechtenis te ondergaan, zonder dat de termijn van betaling behoeft te worden afgewacht.

Hij is altijd bevoegd zich van de hechtenis te bevrijden door betaling van de boete.

De betaling van een evenredig gedeelte der boete, voordat of nadat de uitvoering der hechtenis is aangevangen, bevrijdt van de uitvoering van een evenredig gedeelte der hechtenis; dat gedeelte moet in dezelfde verhouding staan tot den geheelen duur der hechtenis als het betaalde gedeelte der boete staat tot de geheele boete.

Art. 34. De gevangenisstraf en de hechtenis gaan, voor zooveel elk dezer straffen betreft, in: ten aanzien van veroordeelden die zich voorloopig in verzekerde bewaring bevinden, op den dag waarop de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, en ten aanzien va\'n andere veroordeelden op den dag der tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak.

-ocr page 26-

(i

Zijn bij dezelfde rechterlijke uitspraak gevangenisstraf en hechtenis opgelegd ter zake van feiten waarvoor de veroordeelde zich voor-loopig in verzekerde bewaring bevindt, en erlangt die uitspraak voor alle veroordeelingen op hetzelfde tijdstip kracht van gewijsde, dan gaat de gevangenisstraf in op dat tijdstip on de hechtenis onmiddellijk nadat de gevangenisstraf ondergaan is.

Art. 35. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald dat de tijd, door den veroordeelde vóór den dag waarop die uitspraak in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde stijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of gedeeltelijk zal worden in mindering gebracht; wat de geldboete betreft volgens den in het derde lid van artikel 33 bepaalden maatstaf.

De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wegens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de veroordeelde zich voorloopig in verzekerde bewaring bevindt.

Art. 36. Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht waarin hij zijne straf ondergaat, wordt de tijd dientengevolge door hem in vrijheid doorgebracht, niet in rekening gebracht op den duur der straf.

Art. 37. De rechten waarvan de schuldige, in de bij dit wetboek of eene andere algemeene verordening bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:

1°. het bekleeden van ambten of bepaalde ambten ;

2°. het dienen bij de gewapende macht;

3°. het zijn van raadsman in eene voogdij of gerechtelijk bewind-voerder en het zijn van voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator over anderen dan eigen kinderen;

4°. de vaderlijke macht, de voogdij en de curateele over eigen kinderen;

5°. de uitoefening van bepaalde beroepen;

De bevoegdheid van den rechter om een ambtenaar uit eenig bepaald ambt te ontzetten bestaat niet, wanneer de wet eene andere macht bij uitsluiting voor die ontzetting heeft aangewezen.

Art. 38. Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling wegens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

Art. 39. Ontzetting van de vaderlijke macht en van de voogdij, de toeziende voogdij, de curateele en de toeziende curateele, zoowel over eigen kinderen als over anderen, kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling van ;

1°. ouders of voogden die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen;

-ocr page 27-

7

2°. ouders of voogden die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige eenig misdrijf plegen, omschreven in de titels XIII, XIV, XV, XVIII, XIX en XX van het Tweede Boek.

Art. 4-0. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter den duur als volgt;

1°. bij veroordeeling tot de doodstraf of tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven;

2°. bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande ;

3°. bij veroordeeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren.

De straf gaat in op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

Art. 41. Voorwerpen den veroordeelde toebehoorende, doormiddel van misdrijf verkregen of waarmede misdrijf opzettelijk is gepleegd, kunnen worden verbeurdverklaard.

Bij veroordeeling wegens misdrijf, niet opzettelijk gepleegd, of wegens overtreding, kan gelijke verbeurdverklaring worden uitgesproken in de bij wettelijk voorschrift bepaalde gevallen.

Art. 42. Verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen wordt, ingeval die voorwerpen niet worden uitgeleverd of het geldelijk bedrag waarop zij bij de uitspraak geschat worden, niet wordt betaald binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis.

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste zes maanden.

Die duur wordt in de rechterlijke uitspraak in dier voege bepaald, dat niet meer dan een dag voor eiken gulden van het in het eerste lid bedoeld geldelijk bedrag in de plaats treedt.

Op deze hechtenis zijn de artikelen 32 en 33 van toepassing.

Ook de uitlevering van de voorwerpen bevrijdt van de hechtenis.

Art. 43. Alle kosten van gevangenisstraf en hechtenis komen ten laste, alle opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen ten bate van den lande.

Art. 44. In de gevallen waarin de rechter krachtens dit wetboek of eene andere algcmeene verordening de openbaarmaking zijner uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze waarop aan dien last op kosten van den veroordeelde uitvoering wordt gegeven.

TITEL III.

Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid.

Art. 45. Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toegerekend.

Valt het begane feit in de bepaling van een misdrijf en blijkt

-ocr page 28-

8

dat het hom wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toegerekend, dan kan de rechter gelasten dat hij in een krankzinnigengesticht worde geplaatst gedurende een proeftijd, den termijn van een jaar niet te boven gaande.

Art 46. Een kind wordt niet strafrechtelijk vervolgd wegens een feit, begaan vóórdat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt.

Art. 47. Bij strafrechtelijke vervolging van een kind wegens een feit, begaan vóórdat het den leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, onderzoekt de rechter of hot met oordeel des onderscheids gehandeld heeft.

Blijkt niet dat het met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, dan wordt op het kind geene straf toegepast.

Blijkt dat het kind mot oordeel des onderscheids heeft gehandeld, dan wordt het maximum dor hoofdstraffen, op hot strafbare feit gestold, mot een dorde verminderd.

Geldt hot een misdrijf waarop de doodstraf of een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

Do in artikel 10Ö, 1°. en H0. vermelde bijkomende straffen worden niet opgelegd.

Art. 48. Niet strafbaar is hij die oen feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.

Art. 49. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke of onmiddellijk dreigende, wederrechtelijke aanranding.

Niet strafbaar is do overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van oene hevige gomoodsboweging, door de aanranding veroorzaakt.

Art. 50. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van oen wettelijk voorschrift.

Art. 51. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door hot daartoe bevoogde gezag.

Een onbevoegd gegeven ambtelijk bovel heft de strafbaarheid niet op, tenzij hot door don ondergeschikte te goeder trouw als bevoogd gegeven word beschouwd en do nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelogen.

Art. 52. Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderon ambtsplicht schendt of bij het begaan van oen strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een dorde worden verhoogd.

TITEL IV.

Poging.

Art. 53. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer hot voornomen des daders zich door een begin van uitvoering hooft geopon-

-ocr page 29-

9

bfiiird en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooid.

Het maximum der hoofdstraffen op hot misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf waarop de doodstraf of een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf.

Art. 54. Poging tot overtreding is niet strafbaar.

TITEL V.

Deelneming aan strafbare feiten.

Art. 55. Als daders van een strafbaar feit worden gestraft:

1°. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegon;

2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding het feit opzettelijk uitlokken.

Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen.

Art. 56. Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft;

1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;

2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.

Art. 57. Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf waarop de doodstraf of een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De in artikel 106 1°., 2°. en 3°. vermelde bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor het misdrijf zelf.

Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hare gevolgen.

Art. 58. De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtige wien zij persoonlijk betreffen.

Art. 59. In de gevallen waarin wegens overtreding straf wordt bepaald tegen bestuurders, leden van eenig bestuur of commissarissen, wordt geene straf uitgesproken tegen den bestuurder of commissaris van wien blijkt dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd.

Art. 60. Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.

-ocr page 30-

10

Art. 61. Hij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den uitgever is bekendgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten Nederlandsch-Indië gevestigd was.

Art. 62. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den drukker is bekendgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten Nederlandsch-Indië gevestigd was.

TITEL VI.

Samenloop van strafbare feiten.

Art. 63. Valt een feit in meer dan ééne strafbepaling, dan wordt slechts ééne dier bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij do zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Indien voor een feit dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.

Art. 64. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zich zelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Insgelijks wordt slechts ééne strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid, valsche munt- of muntschennis en aan het gebruik maken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is.

Art. 65. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt ééne straf uitgesproken.

Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan een derde boven het zwaarste maximum.

Art. 66. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elke dier straffen uitgesproken, doch mogen deze te zamen in duur de langstdurende met niet meer dan een derde overtreffen.

Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het maximum der bedreigde vervangende hechtenis.

-ocr page 31-

11

Art. 67. Bij veroorrlecling tot de doodstraf of tot lovenshingo gevangenisstraf kunnen daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen, en openbaarmaking van do rechterlijke uitspraak.

Art. 68. In de gevallen der artikelen 65 en 66 gelden ten aanzien van bijkomende straffen de volgende bepalingen :

1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in ééne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te bovengaande, of ingeval geene andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren;

\'2°. do straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd;

8°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden, evenals de vervangende hechtenis bij niet-uitlevering dier voorwerpen, voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd.

De straffen van vervangende hechtenis mogen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan.

Art. 69. De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 10.

Waar den rechter de keuze tusschen twee of meer hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straffen in aanmerking.

De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum.

De betrekkelijke duur zoowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum.

Art. 70. Bij samenloop op de wijze in do artikelen 65 en 66 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.

De straffen van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder begrépen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan.

Art. 71. Indien iemand, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, met toepassing der bepalingen van dezen titel voor hot geval van gelijktijdige berechting.

TITEL VII.

Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar.

Art. 72. Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervolgbaar is, gepleegd is tegen een minderjarige die don leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt of die, anders dan wegens ver-

-ocr page 32-

12

kwisting, onder curateele gestold is, geschiedt de klaehtc door zijn wettigen vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.

Is deze de persoon togen wien de klaehto moigt;st geschieden, dan kan de vervolging plaats hebben op klaehto van den toezien den voogd of curator, of van het college met de toeziende voogdij of curateele belast, van do echtgenoote, van een bloedverwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze, op klachte van een bloedverwant in de zijlinie tot den derden graad ingesloten.

Art. 73. Indien hij tegen wien het misdrijf is gepleegd, binnen don in het volgende artikel gesteldcn termijn overlijdt, kan, zonder verlenging van dien termijn, de vervolging geschieden op klachte van de ouders, van do kinderen of van den overlevenden echtgenoot, ten ware blijken mocht dat de overledene eene vervolging niet gewild heeft.

Art. 74. De klachte kan slechts worden ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klachte gerechtigde kennis hoeft bekomen van hot gepleegde feit, indien hij binnen Nederlandsch-Indië, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft bekomen, indien hij buiten Nederlandsch-Indië verblijf houdt.

Art. 75. Hij die de klachte indient, blijft gedurende eene maand na den dag dor indiening bevoogd haar in te trekken.

TITEL VIII.

Verval van het recht tot strafvordering en van de straf.

Art 76. Hehoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van don Noderlandsch-Indischen rechter, of van den Nederlandschen rechter, onherroepelijk is beslist.

Is het gewijsde afkomstig van een anderen rechter, dan heeft tegen denzelfdon persoon wegens hetzelfde feit geeno vervolging plaats in geval van:

1°. vrijspraak;

2°. ontslag van rechtsvervolging, behalve wanneer het een feit betreft bedoeld bij de artikelen 4, 5 1°., 7 of 8;

8°. veroordeeling gevolgd door geheele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

Art. 77. Het recht tot strafvordering vervalt door den dood van den verdachte.

Art. 78. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in één jaar voor alle overtredingen en voor do misdrijven door middel van do drukpers gepleegd;

2°. in zes jaren voor do misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

8°. in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

4°. in achttien jaren voor alle misdrijven waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is gesteld.

-ocr page 33-

18

Art. 79. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:

1quot;. bij valsehheid, valsche munt of muntschennis vangt de termijn aan op den dag na dien waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsehheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is;

2°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 287, 288, 289 en 292 op den dag na dien der bevrijding, of van den dood van hem tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;

3°. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 495, 496 en 497, op den dag na dien waarop, ingevolge de artikelen 17 en 18 van het reglement op het houden van de registers van den burgerlijken stand voor de Europeesche en met deze gelijkgestelde bevolking in Nederlandsch-Indië, de aldaar bedoelde registers waaruit zoodanige overtreding blijkt, ter griffie van den raad van justitie zijn overgebracht, of, indien artikel 30 van het reglement wordt toegepast, ter bewaarplaats door het hoofd van plaatselijk bestuur aangewezen.

Art. 80. Klke daad van vervolging stuit do verjaring, mits die daad den vervolgde bekend of hem op de bij algemeene verordening voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij.

Na do stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.

Art. 81. Do schorsing der strafvervolging ter zake van een prae-judicieel geschil schorst de verjaring.

Art. 82. Het recht tot strafvordering wegens overtredingen waarop geene andere hoofdstraf gesteld is dan geldboete, vervalt door vrijwillige betaling van het maximum der boete, en van de kosten indien er reeds vervolging heeft plaats gehad, op machtiging van den bevoegden ambtenaar van liet Openbaar Ministerie binnen den termijn door hem te stellen.

Is nevens geldboete verbeurdverklaring op het feit gesteld, dan moeten tevens de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen worden afgegeven of de waarde waarop zij door den in het eerste lid bedoelden ambtenaar worden geschat, voldaan worden.

In de gevallen waarin de straf wordt verhoogd wegens herhaling, is die verhooging ook van toepassing, wanneer het recht tot strafvordering wegens de vroeger gepleegde overtreding volgens het eerste en tweede lid van dit artikel is vervallen.

Art. 83. Het recht tot uitvoering van do straf vervalt door den dood van den veroordeelde.

Art. 84. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring.

De termijn dezer verjaring is bij overtredingen twee jaren, bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd vijf jaren, en bij andere misdrijven een derde langer dan de termijn der verjaring van het recht tot strafvordering.

In geen geval is de termijn der verjaring korter dan de duur der opgelegde straf.

-ocr page 34-

14

Art. 85. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht waarin hij zijne straf ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der ontvluchting.

De termijn loopt niet gedurende de bij \'algemeene verordening bevolen schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende den tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroordeeling, in verzekerde bewaring is.

TITEL IX.

Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen.

Art. 8f. Waar van misdrijf in het algemeen of van eenig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan en poging tot dat misdrijf begrepen, voor zoover niet uit eenige bepaling het tegendeel volgt.

Art. 87. Aanslag bestaat zoodra eene strafbare poging tot het voorgenomen feit aanwezig is.

Art. 88. Samenspanning bestaat zoodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen.

Art. 89. Met het plegen van geweld wordt gelijkgesteld hot brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht.

Art. 90. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt verstaan;

ziekte of verwonding die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat;

voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden ;

verlies van het gebruik van eenig zintuig;

verminking;

verlamming;

storing der verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft;

afdrijving of dood van de vrucht eener vrouw.

Art. 91. Nederlander is hij die dezen staat bezit volgens de wet ter uitvoering van artikel 6 der grondwet.

Met den Nederlander staat gelijk ieder ander wiens uitlevering bij algemeene verordening is verboden.

Art. 92. Onder ambtenaren worden begrepen alle inlandsche hoofden en hoofden van vreemde oosterlingen die wettig gezag oefenen.

Onder ambtenaren en onder rechters worden begrepen scheidsrechters ; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht oefenen.

Allen die tot de gewapende macht beboeren, worden mede als ambtenaren beschouwd.

-ocr page 35-

15

Aft. 93. Schipper is elk gezagvoerder van een vaartuig of die dezen vervangt.

Opvarenden zijn allen die zich aan boord bevinden met uitzondering van den schipper.

Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofïicierea of scheepsgezellen aan boord bevinden.

Art. 94. Onder Nederlandsche schepen worden verstaan die vaartuigen welke door do wet betrekkelijk de afgifte van zeebrie ven en vergunningen tot het voeren dor Nederlandsche vlag ]als zeeschepen worden aangemerkt.

Art. 95. Onder Nederlandsch-Indische schepen worden verstaan;

lo. die vaartuigen welke door de algemeene verordening betreffende de zeebrieven en jaarpassen in Nederlandsch-lndie als zeeschepen worden aangemerkt;

2°. de vaartuigen der gouvernements-marine die buiten de tonnen in zee varen.

Art. 96. Onder vijand worden begrepen opstandelingen.

Onder oorlog worden begrepen vijandelijkheden met leenroerige en bondgenootschappelijke staten, alsmede burgeroorlog.

Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog dreigende is.

Art. 97. Door dag wordt verstaan een tijd van vier en twintig uren, door maand een tijd van dertig dagen.

Art. 98. Door nacht wordt verstaan de tijd tusschen zonsondergang en zonsopgang.

Art. 99. Onder inklimming wordt begrepen ondergraving, alsmede het overschrijden van slooten of grachten tot afsluiting dienende.

Art. 100. Onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen.

Art. 101. Onder vee worden verstaan paarden, ezels, runderen, buffels, herten, schapen, bokken, geiten en varkens.

Art. 102. Onder wettelijk voorschrift en onder wettelijke strafbepaling worden verstaan de voorschriften van algemeene verordeningen en van reglementen en keuren van politie,

Slotbepaling.

Art. 103. De bepalingen der acht eerste Titels van dit Boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wettelijke voorschriften straf is gesteld, tenzij bij de wet of bij Koninklijk Besluit anders is bepaald.

-ocr page 36-

TWEEDE BOEK.

Misdrijven.

TITEL I.

Misdrijven tegen de veiligheid van den Staat.

Art. 104. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Koning, do regeerende Koningin of den Regent van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, wordt gestraft met de doodstraf, met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 105. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Gouverneur-Generaal of den waarnemenden Gouverneur-Generaal van het leven of de vrijheid te berooven of tot uitoefening van de regeering ongeschikt te maken, wordt gestraft met de doodstraf, met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 106. De aanslag ondernomen met het oogmerk om het grondgebied van den Staat geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 107. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den grondwettigen regeeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Art. 108. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den wettigen regeeringsvorm van Nederlandsch-Indië te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Art. 109. Als schuldig aan opstand wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren:

1°. hij die een aanslag onderneemt om ingezetenen of anderen tegen het in Nederlandsch-Indië gevestigde gezag in de wapenen te brengen ;

2°. hij die de wapenen voert tegen het in Nederlandsch-Indië gevestigd gezag.

Art. 110. De samenspanning tot een der in de artikelen 104—109 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Art. III. Hij die hetzij met eene buitenlandsche mogendheid, hetzij met een Indisch vorst of volk in verstandhouding treedt,

-ocr page 37-

17

met het oogmerk om hen tot het plegen van vijandelijkheden of het voeren van een oorlog tegen den Staat te bewegen, hen in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, hun daarbij hulp toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt de doodstraf of levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Art. 112. Hij die opzettelijk bescheiden, berichten of inlichtingen omtrent eenige zaak waarvan hij weet dat de geheimhouding door het belang van den Staat wordt geboden, hetzij openbaar-maakt, hetzij aan eene buitenlandsche mogendheid, een Indisch vorst of volk mededeelt of in handen speelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 113. Hij die eene hem van regeeringswege opgedragen onderhandeling met eene buitenlandsche mogendheid, een Indisch vorst of volk opzettelijk ten nadeele van den Staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 114. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. hij die, ingeval van een oorlog waarin Nederland niet betrokken is, opzettelijk eenige handeling verricht waardoor de onzijdigheid van den Staat wordt in gevaar gebracht, of eenig bijzonder voorschrift tot handhaving der onzijdigheid van regeeringswege gegeven en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt;

2°. hij die, in tijd van oorlog, ecnig voorschrift van regeeringswege in het belang der veiligheid van den Staat gegeven en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt.

Art. 115. De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met den Staat in oorlog is, of in het vooruitzicht van een oorlog van deze niet den Staat, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste vijftien jaren.

Art. 116. De Nederlander of de ingezetene van Nederlandsch-Indië die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij een Indisch vorst of volk, wetende dat deze vorst of dit volk met den Staat in oorlog is, of in het vooruitzicht van een oorlog van deze niet den Staat, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Art. 117. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den Staat tegenover den vijand benadeelt.

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader;

1quot;. eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van militaire werken, of eenige inlichting betreffende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt;

\'2U. als verspieder den vijand dient of een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt.

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I. ^

(voor de Europeaneu.) ^

-ocr page 38-

18

Do doodstraf, lovonslango gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

1°. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad of eenige krijgskas, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in \'s vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of xtitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt;

2°. hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgsvolk te weeg brengt of bevordert.

Art. 118. De samenspanning tot een der in artikel 117 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Art. 119. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft \'hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den Staat tegenover den vijand te benadeelen, opzettelijk:

1°. een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt;

\'2n. desertie van een krijgsman, in dienst van den Staat, te weeg brengt of bevordert.

Art. 120. Hij die, in tijd van oorlog, eenige bedriegelijke handeling pleegt bij levering van benoodigdheden ten dienste van de vloot of liet leger, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.

Art. 121. Bij veroordeeling wegens een der in dc artikelen 104 en 105 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nn. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 106—118 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 1 en 2 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 120 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 37 n0.1—3 vermeldequot; rechten, en kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

Art. 122. De straffen gesteld op de in artikelen 117—120 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenooten van den Staat in een gemcenschappelijken oorlog.

TITEL II.

Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid en tegen de waardigheid van den Gouverneur-Generaal.

Art. 123. Dc aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regcerende Koningin, van den troonopvolger of van een lid van

-ocr page 39-

19

het Koninklijk Huis, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Indien de aanslag op het leven met voorbedachten rade ondernomen den dood ten gevolge heeft, wordt de doodstraf, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Art. 124. Elke feitelijke aanranding van den persoon dos Konings of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Art. 125. Elke feitelijke aanranding van don persoon van den troonopvolger, van een lid van hot Koninklijk Huis of van don Regent, die niet valt in eeno zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste zes jaren.

Art. 126. Elke feitelijke aanranding van don Gouverneur-Generaal of van don waarnemenden Gouverneur-Generaal, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Art. 127. Opzettelijke beleediging den Koning of der Koningin aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig guldon.

Art. 128. Opzettelijke beleediging den troonopvolger, een lid van hot Koninklijk Huis of don Regent aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 129. Opzettelijke beleediging den Gouverneur-Generaal of den waarnemenden Gouverneur-Generaal aangedaan, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste; vierhonderd vijftig gulden.

Art. 130. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor den Koning, de Koningin, den troonopvolger, een lid van hot Koninklijk Huis, don Regent, den Gouverneur-Generaal of den waarnemenden Gouverneur-Generaal, met het oogmerk om aan den beloedigonden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stolt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens hot plegen van hot misdrijf, nog geen twee jaren, zijn ver-loopen, sedert eene vroegere veroordecling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 131. Bij veroordeeling wegens hot in artikel 123 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 37 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

-ocr page 40-

20

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 124, 125 en 126 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 87 n0. 1 —8 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 127, 128 en 129 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 1 en 2 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL III.

Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende Staten en van bevriende Indische volken.

Art. 132. De aanslag op het leven of de vrijheid van een regeerend vorst of ander hoofd hetzij van een bevrienden staat, hetzij van een bevriend Indisch volk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Indien de aanslag op het leven met voorbedachten rade ondernomen den dood ten gevolge heeft, wordt de doodstraf, levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

Art. 133. Elke feitelijke aanranding van den persoon van een regeerend vorst of ander hoofd hetzij van een bevrienden staat, hetzij van een bevriend Indisch volk, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 134. Opzettelijke beleediging een regeerend vorst of ander hoofd hetzij van een bevrienden staat, hetzij van een bevriend Indisch volk aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 135. Opzettelijke beleediging eenen vertegenwoordiger hetzij van eene buitenlandsche mogendheid bij de Nederlandsche Regeering, hetzij van een Indisch vorst of volk bij de Nederlandsch-Indisehe Regeering, in zijne hoedanigheid aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 136. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt omschreven in de artikelen 184 en 135, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk \'ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens bet plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn ver-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

-ocr page 41-

21

Art. 137. Bij veroordeeling wegens het in artikel 182 omschreven misdrijf, kun ontzetting van de in artikel 37 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 133 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 37 n0. 1—3 vernielde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 134 en 135 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nJ. 1 en 2 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL IV.

Misdrijven bij gelegenheid van verkiezingen.

Art. 138. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 139. Hij die. bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt, hetzij om zijn kiesrecht of niet, of op bepaalde wijze uit te oefenen, hetzij om zich voor een ander uitgevende, aan lt;lc verkiezing deel te nemen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

TITEL V.

Misdrijven tegen de openbare orde.

Art. 140. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit of tot eenige andere ongehoorzaamheid hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een krachtens wettelijk voorschrift gegeven ambtelijk bevel opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 141. Hij die een geschrift waarin tot eenig strafbaar feit of tot eenige andere in het vorig artikel omschreven ongehoorzaamheid, wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige hot misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn vcr-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 142. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen

-ocr page 42-

22

om ecnig strafbaar feit tc plegen, wordt gestraft met gevangenisHtraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 143. Hij die een geschrift waarin wordt aangeboden inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, met het oogmerk om aan dat aanbod rucht-baarheid tc geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn ver-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 144. Hij die, kennis dragende van eene samenspanning tot een der in de artikelen 104—109 of 117 bedoelde misdrijven op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien hot misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 145. Hij die, kennis dragende van oen voornemen tot het plegen van een der in de artikelen 104—12(5 omschreven misdrijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair verraad, tot moord, menschenroof of verkrachting of tot een der in Titel VM van dit Boek omschreven misdrijven voor zoover daardoor levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis tc geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van eenig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daarvan gelijke kennisgeving te doen.

Art. 146. De bepalingen van de artikelen 144 en 145 zijn niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor eene strafvervolging zou doen ontstaan voor zich zeiven, voor een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschooncn.

Art. 147. Hij die hetzij in de woning of in het bij eene woning behoorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege

-ocr page 43-

28

den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den rechthebbende cn anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar bij nacht wordt aangetroffen, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

Art. 148. Hij die in een voor den openbaren dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van den bevoegden ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ton hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den bevoegden ambtenaar en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar bij nacht wordt aangetroffen, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

Art. 149. Deelneming aan eene verecniging die tot oogmerk hoeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Deelneming aan eene andere bij algemeenc verordening verboden verecniging wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Ten aanzien der oprichters of bestuurders kunnen deze straffen met een derde worden verhoogd.

Art. 150. Zij die openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. De schuldige wordt gestraft;

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld eenig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

3°. met gevangenisstraf van ton hoogste twaalf jaren, indien dat geweld den dood ten gevolge heeft.

-ocr page 44-

24

Artikel 89 blijft buiten toepassing.

Art. 151. Hij die opzettelijk door vulsehe alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste negentig gulden.

Art. 152. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene geoorloofde openbare vergadering verhindert, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden.

Art. 153. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruiseh eene geoorloofde openbare vergadering stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste negentig gulden.

Art. 154. Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde godsdienstige pleehtigheid of begrafenisplechtigheid verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 155. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruiseh hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde godsdienstige plechtigheid of begrafenisplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden.

Art. (56. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een bedienaar van don godsdienst in de geoorloofde waarneming zijner bediening bespot;

2°. hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt.

Art 157. Hij die opzettelijk den geoorloofden toegang tot eene begraafplaats of het geoorloofd vervoer van een lijk naar eene begraafplaats verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden.

Art. 158. Hij die opzettelijk een graf schendt of opzettelijk en wederrechtelijk eenig op eene begraafplaats opgericht gedenk-teeken vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 159. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opgraaft of wegneemt of een opgegraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 160, Hij die een lijk begraaft, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het overlijden of de geboorte te verhelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

-ocr page 45-

25

TITEL VI.

Tweegevecht.

Art. 161. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden wordt gestraft:

1°. hij die iemand tot eene uitdaging tot tweegevecht of tot het aannemen van eene uitdaging aanzet, indien daarop een tweegevecht volgt;

2°. hij die opzettelijk eene uitdaging overbrengt, indien daarop een tweegevecht volgt.

Art. 162. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft hij die iemand in het openbaar of in tegenwoordigheid van derden verwijtingen doet of hem aan bespotting prijsgeeft, omdat hij niet tot tweegevecht heeft uitgedaagd of omdat hij eene uitdaging heeft afgewezen.

Art. 163. T weegevecht wordt ten aanzien van hem die zijne tegenpartij geen lichamelijk letsel toebrengt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Hij die zijne tegenpartij eenig lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Hij die zijne tegenpartij zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Hij die zijne tegenpartij van het loven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of, indien het tweegevecht op leven en dood was aangegaan, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Poging tot tweegevecht is l iet strafbaar.

Art. 164. Op hem die in een tweegevecht zijne tegenpartij van het leven berooft of haar eenig lichamelijk letsel toebrengt, worden de bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling toegepast :

1°. indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld;

2\'. indien het tweegevecht niet plaats heeft in tegenwoordigheid van wederzijdsche getuigen;

3quot;. indien de dader, opzettelijk en ten nadeele van de tegenpartij, zich aan eenige oedrieglijke handeling schuldig maakt of van de voorwaarden afwijkt.

Art. 165. Getuigen en geneeskundigen die een tweegevecht bijwonen, zijn niet strafbaar.

De getuigen worden gestraft:

1quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld, of indien zij partijen tot voortzetting van het tweegevecht aanzetten;

2quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien zij, opzettelijk en ten nadeele van eene of beide partijen, zich aan eenige bedrieglijke handeling schuldig maken of eenige door partijen gepleegde bedrieglijke handeling toelaten, of toelaten dat van de voorwaarden wordt afgeweken.

-ocr page 46-

2(5

])c bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling worden toegepast op den getuige bij een tweegevecht waarin eene der partijen van het leven is beroofd of haar eenig lichamelijk letsel is toegebracht, indien hij, opzettelijk en ten nadeele van die partij, zich aan eenige bedrieglijke handeling heeft schuldig gemaakt of eenige bedrieglijke handeling heeft toegelaten, of heeft toegelaten dat ten nadeele van den verslagene of verwonde van de voorwaarden is afgeweken.

T1ÏEL VIL

Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht.

Art. 166. Ilij die opzettelijk brand sticht, eene ontploffing teweegbrengt of eene overstrooming veroorzaakt, wordt gestraft:

1quot;. niet gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2 \'. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien

daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3 \'. niet levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste

twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood tengevolge heeft.

Art. 167. Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstrooming te wijten is, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

8quot;. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 168. Hij die opzettelijk bi] of in het vooruitzicht van brand bluschgereedschappen of bluschmiddelen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, of op eenige wijze de blussching van brand verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. (69. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van watersnood dijkmaterialen of gereedschappen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, eenige poging tot herstel van dijken of andere waterstaatswerken verijdelt, of de aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van overstrooming tegenwerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 170. Hij die opzettelijk eenig werk dienende tot water-keering of waterloozing vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt, indien daarvan gevaar voor overstrooming te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

-ocr page 47-

27

Art. (71. Hij die opzettelijk eenig werk dienende voor het openbaar verkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, eenigen openbaren land- of waterweg verspert of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is en het feit iemands dood tengevolge heeft.

Art. 172. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig werk dienende voor het openbaar verkeer wordt vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd, eenige openbare land- of waterweg versjjerd of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdeld wordt, wordt gestraft;

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien daardoor het verkeer onveilig wordt;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 173. Hij die opzettelijk gevaar veroorzaakt voor het verkeer door stoom vermogen over een spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 174. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gevaar ontstaat voor het verkeer door stoomvermogen over een spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

Art. 175. Hij die opzettelijk een voor de veiligheid der scheepvaart gesteld teeken vernielt, beschadigt, wegneemt, of verplaatst, zijne werking verijdelt of een verkeerd teeken stelt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van tci\\ hoogste twaalf jaren, indien daarvan gevaar voor do veiligheid der scheepvaart te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor, de veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit het zinken of stranden van een vaartuig ten gevolge heeft;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 176. Hij aan wiens schuld vernieling, beschadiging, wegneming of verplaatsing van een voor de veiligheid der scheepvaart

-ocr page 48-

28

gesteld teeken of verijdeling zijner werking of het ntellen van een Verkeerd teeken te wijten is, wordt gestraft;

10. inet gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien daardoor do scheepvaart onveilig wordt;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ton hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien het feit het zinkon of stranden van een vaartuig ten gevolge heeft;

3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 177. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig vaartuig doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft:

1quot;. mot gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor oen ander te duchten is;

2quot;. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ton hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ton gevolge hooft.

Art. 178. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig vaartuig zinkt of strandt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

2quot;. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 179. Hij die opzettelijk eenig gebouw of getimmerte vernielt of beschadigt, wordt gestraft:

1°. mot gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3quot;. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ton hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 180. Hij aan wiens schuld de vernieling of beschadiging van eenig gebouw of getimmerte te wijten is, wordt gestraft:

1quot;. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2n. met gevangenisstraf of hechtenis van ton hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig guldon, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Art. 181. Hij die in een put, pomp, bron of in eene ton algemeenen

-ocr page 49-

29

nutte of tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde drink-waterinrichting eenige stof aanbrengt, wetende dat daardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iernandt dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 182. Hij aan wiens schuld te wijten is dat ia een put, pomp, bron of in eene ten algemeenen nutte of tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof wordt aangebracht, waardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldigt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

Art. 183. Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 184. Hij aan wiens schuld te wijten is dat waren, schadelijk voor liet leven of de gezondheid, verkocht, afgeleverd of uitgedeeld worden, zonder dat de kooper of verkrijger met dat schadelijk karakter bekend is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

De waren kunnen worden verbeurdverklaard.

Art. 185. Bij veroordeeling wegens eenig in dezen Titel omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 183 en 184 omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

TITEL VUL Misdrijven tegen het openbaar gezag.

Art. 186. Hij die opzettelijk in het openbaar mondeling of bij geschrifte, eene in Nederlandsch-Indië gestelde macht of een aldaar gevestigd openbaar lichaam beleedigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 187. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene belee-diging voorkomt voor eene in Nederlandsch-Indië gestelde macht of

-ocr page 50-

30

een aldaar gevestigd openbaar lichaam, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaar-heid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn ver-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 188. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een ambtenaar eene gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

2°. hij die een ambtenaar eene gift doet ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door dezen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

Ontzetting van de in artikel 37 n0. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 189. Hij die een rechter eene gift of belofte doet met het oogmerk om invloed te oefenen op de beslissing van eene aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien die gift of belofte gedaan wordt met het oogmerk om eene veroordeeling in eene strafzaak te verkrijgen, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Ontzetting van de in art. 37 n0. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 190. Hij die door geweld of bedreiging met geweld een ambtenaar dwingt tot het volvoeren eener ambtsverrichting of het nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 191. Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleenen, wordt, als schuldig aan wederspannigheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 192. De dwang en do wederspannigheid in de artikelen 190 en 191 omschreven worden gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

-ocr page 51-

81

Art. 193. De dwang en do wederspannigheid in de artikelen 190 en 191 omschreven, door twee of meer personen met vereenigde krachten gepleegd, worden gestraft mot gevangenisstraf van ton hoogste zes jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien hot door hem gepleegde misdrijf of do daarbij door hom gepleegde foitolijkhoden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Art. 194. Met ambtenaren worden ten aanzien dor artikelen 190—193 gelijkgesteld:

1quot;. zij die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst zijn belast;

2quot;. de bestuurders benevens de beëedigde beambten en bodionden van spoorwegdiensten en van stoomtramdiensten voor publiek verkeer.

Art. 195. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of eene vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van eenig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzooken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wettelijk voorschrift, belet, belommert of verijdelt, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ton hoogste negenhonderd gulden.

Met den in hot eerste gedeelte van het vorige lid bedoelden ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtons wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst is belast.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eeno vroegere veroordeoling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kunnen do straffen met een derde worden verhoogd.

Art. 196. Hij die bij eeno terechtzitting of ter plaatse waar oen ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden.

Art. 197. Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het dorde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Art. 198 Hij die eene bekendmaking, vanwege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt

-ocr page 52-

32

of beschadigt, met het oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten of te bemoeilijken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 199. Hij die aangifte of klachte doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 200. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft;

],0. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of vervolgd wordt ter zake van eenig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren der justitie of politie, of door anderen die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met politiedienst belast zijn;

2°. hij die nadat eenig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek hetzij van de ambtenaren der justitie of politie, hetzij van anderen die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met politiedienst belast zijn, onttrekt.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een zijner bloedverwanten of aange-huwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.

Art. 201. Hij die opzettelijk eene gerechtelijke lijkschouwing belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 202. Hij die opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid berooft, bevrijdt of bij zijne zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste twee jaren.

Art. 203. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan eenige wettelijke verplichting die hij als zoodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:

1°. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden;

2°. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden.

Art. 204. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een wettig bevel tot overlegging van een stuk hetwelk beweerd wordt valsch of ver-valscht te zijn, of hetwelk dienen moet ter vergelijking met een ander waarvan de valschheid of vervalsching beweerd, of de echtheid ontkend of niet erkend wordt, wordt gestraft:

1quot;. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden;

-ocr page 53-

33

2quot;. in andere zaken met gevangenisstraf van ton hoogste vier maanden.

Art. 205. Hij die, in staat van faillissement of van kenlijk onvermogen verklaard of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereischte inlichtingen te geven of ze overeenkomstig de wettelijke voorschriften te beëedigen, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 206. Hij die een recht uitoefent, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogsle negenhonderd gulden.

Art. 207. Hij die opzettelijk onderscheidingsteekenen draagt of eene daad verricht behoorende tot een ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 208. Hij die opzettelijk in strijd met een krachtens wettelijk voorschrift gegeven last binnen Nederlandsch-Indië of een gedeelte van Nederlandsch-Indië waarin het verblijf hem is ontzegd, terugkeert of eene hem tot verblijf aangewezen bepaalde plaats binnen Nederlandsch-Indië zonder toestemming van het bevoegd gezag verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren verloopen zijn, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan de straf met een derde worden verhoogd.

Art. 209. Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens wettelijk voorschrift daarop gelegd beslag of aan eene gerechtelijke sequestratie onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is, het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Riet dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens wettelijk voorschrift in beslag genomen goed vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.

De bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien een dezer feiten ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden.

Art. 210. Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zoodanig zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De bewaarder die opzettelijk het feit pleegt of toelaat, of den

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I.

(voor de Europeanen.) 1

-ocr page 54-

34

dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders geploegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden.

Art. 211. Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van den openbaren dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste drie jaren.

Art. 212. Hij die opzettelijk brieven of andere stukken, aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in eene postbus gestoken, aan hunne bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 213. Indien do schuldige aan een der in de artikelen 209— 212 omschreven misdrijven zich den toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, kan de straf met ten hoogste een jaar gevangenisstraf worden verhoogd.

Art. 214. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk desertie van een krijgsman in dienst van den Staat, uitlokt door een der in artikel

55 no. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 50 vermelde wijze, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ton hoogste zes maanden.

Art. 215. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk oproer of muiterij van krijgslieden, in dienst van den Staat, uitlokt door een der in artikel 55 nquot;. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel

56 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 216. Hij die, zonder toestemming van den Gouverneur-Generaal, iemand voqr vreemden krijgsdienst aanwerft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.

Art. 217. Hij die, buiten de gevallen waarin het krachtens alge-meene verordening veroorloofd is, zonder toestemming van don Gouverneur-Generaal, een inlander tot het verrichten van arbeid buiten Nederlandsch-Indië aanwerft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.

Art. 218. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

1°. Hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de schutterij of andere gewapende vereeniging bedoeld bij artikel 113 van het

-ocr page 55-

35

reglement op het beleid der Regeering van Nederlandseh-Tndlë, ongeschikt maakt of laat maken;

2°. hij die een ander op diens verzoek opzettelijk voor dien dienst ongeschikt maakt.

Indien in het laatste geval het feit den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd.

TITEL IX.

Meineed.

Art. 219. Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in eene strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Met den eed staat gelijk do belofte of bevestiging die krachtens algemeene verordening voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in artikel 37 no. 1—;j vermelde rechten kan worden uitgesproken.

TITEL X.

Muntmisdrijven.

Art. 220. Hij die muntspeciën of muntpapier namaakt of ver-valscht, met het oogmerk om die muntspeciën of dat muntpapier als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan valsche munt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 221. Hij die opzettelijk als echte en onvervalschte muntspeciën of muntpapier uitgeeft muntspeciën of muntpapier waarvan de valschheid of vervalsching hem, toen hij zo ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt of onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen Nederlandsch-Indië invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 222. Hij die muntspeciën in waarde vermindert, met het oogmerk om ze aldus in waarde verminderd uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan muntschcnnis, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Art. 223. Hij die opzettelijk als ongeschonden muntspeciën uitgeeft muntspeciën waarvan de schennis hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als ongeschonden uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft lt;gt;f binnen Neder-landsch-Indië invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

-ocr page 56-

36

Art. 224. Indien een der in de artikelen 220—223 omsehreven misdrijven ten opzichte van vreemde muntspeciën of vreemd munt-papier wordt gepleegd, wordt het maximum dor gevangenisstraf met twee jaren verminderd.

Art. 225. Hij die opzettelijk valsche, vervalsehte of geschonden muntspeciën of valsch of vcrvalscht muntpapier weder uitgeeft nadat de valschheid, vervalsching of schennis hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 226. Hij die stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een munt-misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 227. Bij veroordeeling wegens een der in artikelen 220—223 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nn. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XI.

Valschheid in zegels en merken.

Art. 228. Met gevangenisstraf van ton hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. hij die van wege de Nederlandsch-Indische Kcgeoring uitgegeven zegels of do tot hunne geldigheid vereischte handteeko-ning namaakt of vervalscht, met het oogmerk om die zegels als echt en on vervalscht of als geldig te gebruiken of door anderen te doen gebruiken ;

2quot;. hij die, met gelijk oogmerk, zoodanige zegels vervaardigt, door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels.

Art. 229. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft :

1°. hij die merken welke krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hunne verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valschelijk plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onver-valscht waren;

2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goederen of hunne verpakking merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stompels;

3ü. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hunne verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren.

Art. 230. Hij die opzettelijk valsche, vervalsehte of wederrechtelijk vervaardigde zegels of merken, of de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden zijn, gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt.

-ocr page 57-

37

aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen Nederlandsch-Indië invoert, als waren die zegelk of merken echt en onvervalscht en niet wederrechtelijk vervaardigd of wederrechtelijk aan de voorwerpen verbonden, wordt gestraft met dezelfde straffen als in do artikelen 228 en 229 zijn bepaald, naar dc daar gemaakte onderscheidingen.

Art. 231. Hij die vanwege de Nederlandsch-Indischc Regeering uitgegeven zegels, welke reeds tot. gebruik hebben gediend, ontdoet van het merk bestemd om ze voor verder gebruik ongeschikt te maken, niet het oogmerk om die zegels te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij nog niet gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Met dezelfde straften wordt gestraft hij die opzettelijk deze van dat merk ontdane zegels gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen Nederlandsch-Indië invoert, als waren zij nog niet gebruikt.

Art. 232. Hij die stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in artikel 228 omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 233. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 228—231 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XII.

Valschheid in geschriften.

Art. 234. Hij die een geschrift waaruit eenig recht, ecnige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van eenig feit to dienen, valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valschheid in geschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valsche of vervalschte geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

Art. 235. De schuldige aan valschheid in geschrift wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren, indien zij gepleegd is:

1°. in authentieke akten ;

2°. in schuldbrieven of certificaten van schuld van cenigcn staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling;

3°. in aandeden of schuldbrieven of certificaten van aandeel of schuld van eenige vereeniging, stichting of vennootschap;

4°. in talons, dividend- of rentebewijzen behoorende tot een der

-ocr page 58-

38

onder de beide voorgaande nummers omschreven stukken, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven;

5quot;. in voor omloop bestemd krediet- of handelspapier.

Mot dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vernield valsch of vervalscht geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

Art. 236. Hij die in eene authentieke akte eene valsche opgave doet opnemen aangaande een feit, van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijne opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de akte als ware de inhoud in overeenstemming niet de waarheid, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

Art. 237. De geneeskundige die opzettelijk eene valsche schriftelijke verklaring afgeeft nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de verklaring wordt afgegeven met het oogmerk om iemand in een krankzinnigengesticht te doen opnemen of terughouden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden opgelegd.

Met dezelfde straffen wordt gestraft bij die opzettelijk van de valsche verklaring gebruik maakt als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

Art. 238. Hij die eene schriftelijke geneeskundige verklaring nopens hot al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het openbaar gezag of verzekeraars te misleiden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijk oogmerk, van de valsche of vervalschte verklaring gebruik maakt als ware zij echt en onvervalscht.

Art. 239. Hij die een getuigschrift van goed gedrag, bekwaamheid, armoede, gebreken of iinderc omstandigheden valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken tot het verkrijgen van eene indienststelling of tot het opwekken van welwillendheid en hulpbetoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht getuigschrift als ware het echt en onvervalscht.

Art. 240. Hij die een reispas, veiligheidskaart of reisorder valschelijk opmaakt of vervalscht, of die zoodanig stuk op een valschen naam of voornaam of met aanwijzing eener valsche hoedanigheid doet afgeven, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware het ocht en onvervalscht of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

-ocr page 59-

39

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht stuk als ware het echt en onvervalsoht of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

Art. 241. Hij die biljetten eener krachtens algemeene verordening opgerichte Nederlandsch-Indische circulatiebank, waarvan de valsch-heid of vervalsching hem toen liij ze ontving bekend was, in voorraad heeft of binnen Nederlandsch-lndië invoert, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren.

Art. 242. Hij die opzettelijk valsche of vervalschte biljetten eener krachtens algemeene verordening opgerichte Nedcrlandsch-lndische circulatiebank weder uitgeeft nadat dc valschhcid of vervalsching hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 243. Hij d ie stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in artikel 235 nquot;. 2—5 omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 244. Hij veroordeeling wegens een der in de artikelen 234-—238 en 241 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nu. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XIII.

Misdrijven tegen den burgerlijken staat.

Art. 245. Hij die door eenige handeling opzettelijk eens anders afstamming onzeker maakt, wordt, als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Ontzetting van de in artikelen 37 n0. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 246. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft;

1°. hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat;

2°. hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat.

Indien hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat, aan de wederpartij zijn gehuwden staat heeft verzwegen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Ontzetting van de in artikel 37 n0. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 247. De ongehuwde die een huwelijk aangaat, opzettelijk aan de wederpartij verzwijgende dat daartegen eenig wettig beletsel bestaat, wordt, indien op grond van dat beletsel de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

-ocr page 60-

40

TITEL XIV.

Misdrijven tegen de zeden.

Art. 248. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft :

1°. opzettelijke openbare schennis van de eerbaarheid;

2°. opzettelijke schennis van de eerbaarheid waarbij een ander zijns ondanks tegenwoordig is.

Art. 249. Hij die eenige voor de eerbaarheid aanstootelijke af-beeldingen of vliegend blaadje waarvan hij den inhoud kent, verspreidt, openlijk ten toon stelt, aanslaat of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 250. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden wordt gestraft;

1°. de gehuwde die overspel pleegt;

2°. de ongehuwde die het feit medepleegt, wetende dat de medeschuldige gehuwd is.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van den beleedigden echtgenoot, binnen den tijd van drie maanden gevolgd door een cisch tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed op grond van hetzelfde feit.

Ten aanzien van deze klachte zijn de artikelen 72, 73 en 75 niet van toepassing.

De klachte kan worden ingetrokken zoolang het onderzoek ter terechtzitting niet is aangevangen.

Aan de klachte wordt geen gevolg gegeven, zoolang niet het huwelijk door echtscheiding is ontbonden of het vonnis, waarbij scheiding van tafel en bed is uitgesproken, onherroepelijk is geworden.

Art. 251. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vrouw dwingt met hem buiten echt vleeschelijke gemeenschap te hebben, wordt, als schuldig aan verkrachting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 252. Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Art. 253. Hij die opzettelijk hui ten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw die den leeftijd van vijftien jaren nog niet heeft bereikt of die, indien van haar leeftijd niet blijkt, nog niet huwbaar is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Vervolging heeft niet plaats dan op klachte, tenzij de vrouw den leeftijd van 12 jaren nog niet heeft bereikt of een der gevallen van artikel 25G aanwezig is.

-ocr page 61-

41

Art. 254. Hij die door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Art. 255. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. hij die ontuchtige handelingen pleegt met iemand van wien hij weet dat deze in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert;

2°. hij die ontuchtige handelingen pleegt met iemand van wien hij weet dat deze den leeftijd van vijftien jaren nog niet heeft bereikt of, indien van dien leeftijd niet blijkt, nog niet huwbaar is;

3°. hij die opzettelijk de onder n0. \'2 bedoelde personen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, of, buiten echt., van vleeschelijke gemeenschap met een derde verleidt.

Vervolging wegens de in n0. 2 en 3 omschreven misdrijven heeft niet plaats dan op klachte, tenzij de persoon tegen wien het misdrijf is gepleegd den leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt of een der gevallen van artikel 256 aanwezig is.

Art. 256. Indien een der in de artikelen 252—255 omschreven misdrijven zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd.

Indien een dor in artikelen 251—255 omschreven misdrijven den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd.

Art. 257. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft ontucht gepleegd;

1°. door ouders, voogden, toeziende voogden, godsdienstleeraars of onderwijzers met aan hunne zorg of opleiding toevertrouwde minderjarigen;

2°. door ambtenaren met personen die aan hen ondergeschikt of aan hunne bijzondere waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen zijn;

3quot;. door bestuurders, geneeskundigen, onderwijzers, beambten, opzichters of bedienden in gevangenissen, weeshuizen, ziekenhuizen, krankzinnigengestichten of instellingen van weldadigheid, met personen daarin opgenomen.

Art. 258. Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:

lu. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, ieder ander die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een dorde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt.

-ocr page 62-

42

Art. 259. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 248 en 250—258 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nu. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Indien de schuldige aan een der misdrijven in de beide vorige artikelen omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 260. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft; hij die aan iemand die in kenlijken staat van dronkenschap verkeert, bedwelmenden drank verkoopt of toedient;

\'2quot;. hij die opzettelijk een kind beneden den leeftijd van vijftien jaar dronken maakt;

3°. hij die iemand door geweld of bedreiging met geweld dwingt tot het gebruik van bedwelmenden drank.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Art. 261. Hij die een onder zijn wettig gezag staand kind beneden den leeftijd van twaalf jaren aan een ander afstaat of overlaat, wetende dat het tot of bij het uitoefenen van bedelarij, van gevaarlijke kunstverrichtingen of van gevaarlijken of de gezondheid ondermijnenden arbeid zal worden gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 262. Mish andeling van een dier wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden.

Indien het misdrijf in het openbaar gepleegd wordt, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste honderd tachtig gulden opgelegd.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar.

TITEL XV.

Verlating van hulpbehoevenden.

Art. 263. Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens algemeene verordening of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloozen toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 264. Hij die een kind beneden den leeftijd van zeven jaren te vondeling iegt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

-ocr page 63-

43

Art. 265. Indien een der in de artikelen 263 en 264 omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien een dezer feiten den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 266. Indien de schuldige aan het in artikel 264 omschreven misdrijf de vader of de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in artikelen 264 en 265 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd.

Art. 267. Indien de moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind kort na de geboorte te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der in de artikelen 264 en 26quot;) vermelde straffen tot de helft verminderd.

Art. 268. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 263— 267 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XVI.

Beleediging.

Art. 269. Hij die opzettelijk iemands eer of goeden naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk ten toon gesteld of aangeslagen, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen behing of tot noodzakelijke verdediging.

Art. 270. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, ingeval het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit is toegelaten, wordt, indien hij dat bewijs niet levert en cle telastlegging tegen beter weten is geschied, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 1 en 2 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 271. Het bewijs der waarheid van hot te laste gelegde feit wordt alleen toegelaten in de volgende gevallen:

1°. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid noodig acht ter beoordeeling van do bewering van den beklaagde dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft;

2°. wanneer aan een ambtenaar een feit begaan in de uitoefening zijner bediening wordt te laste gelegd.

-ocr page 64-

44

Art. 272. Het in artikel 271 bedoeld bewijs is niet toegelaten, indien het te laste gelegde feit niet dan op klachte kan worden vervolgd en geene klachte is gedaan.

Art. 273. Indien de beleedigde aan het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is veroordeeling wegens laster uitgesloten.

Indien hij van het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is vrijgesproken, wordt dat gewijsde als volkomen bewijs der onwaarheid van het feit aangemerkt.

indien tegen den beleedigde Avegens het hem te laste gelegde feit eene strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging wegens laster geschorst totdat bij gewijsde onherroepelijk over het te laste gelegde feit is beslist.

Art 274. Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, iemand hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrifte, hetzij in zijne tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift, aangedaan, wordt, als eenvoudige beleediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 275. De in de voorgaande artikelen van dezen titel bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de beleediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening.

Art. 276. Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid eene valschc klachte of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van dien persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in art. 37 nquot;. 1 en 2 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 277. Hij die opzettelijk door eenige handeling een ander val-schelijk onder verdenking brengt eenig strafbaar feit te hebben gepleegd, wordt, als schuldig aan lasterlijke verdachtmaking, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in artikel 87 nquot;. 1 cn 2 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 278. Beleediging, strafbaar krachtens dezen titel, wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, behalve in het geval van artikel 275.

Art. 279. Hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt dat, ware deze nog in leven, als smaadschrift of smaad zou zijn gekenmerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte hetzij van een der bloedverwanten of aangehuwden van den overledene in de rechte linie of zijlinie tot den tweeden graad, hetzij van zijn echtgenoot.

-ocr page 65-

45

Art. 280. Hij die een geschrift of afbeelding van beleedigenden of voor een overledene sinadelijken inhoud, met het oogmerk om aan den beleedigenden of sinadelijken inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van de in artikel 278 en het tweede lid van artikel 279 aangewezen personen.

TITEL XVII.

Schending van geheimen

Art. 281. Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.

Art. 282. Hij die opzettelijk aangaande eene onderneming van handel, nijverheid of landbouw bij welke hij werkzaam is of geweest is, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van het bestuur der onderneming.

TITEL XVIII.

Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.

Art. 283. Hij die voor eigen of vreemde rekening slavenhandel drijft of opzettelijk daaraan middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 284. Hij die als schipper dienst neemt of dienst doet opeen vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, of het daartoe gebruikende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het vervoer den dood van een of meer slaven ten gevolge heeft, wordt de schipper gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Art. 285. Hij die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is of gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of

-ocr page 66-

46

dit gebruik to hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 286. Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Art. 287. Hij die iemand uit de plaats van diens inwoning of van diens tijdelijk verblijf wegvoert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder zijne of eens anders macht te brengen of om hém in hulpcloozen toestand te verplaatsen, wordt, als schuldig aan menschenroof, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 288. Flij die opzettelijk iemand die zich verbonden heeft tot eenigen arbeid in eene bepaalde streek binnen Nederlandsch-Indie wederrechtelijk naar eene andere streek binnen dat gebied vervoert, met het oogmerk om hem aldaar arbeid te doen verrichten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 289. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt opgelegd, indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Art. 290. Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan hot opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren dor justitie of politie onttrekt, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of, indien do minderjarige boneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zos jaren.

Art. 291. Als schuldig aan schaking wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hij die eene minderjarige vrouw, zonder don wil van hare ouders of voogden, doch met hare toestemming wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren;

2°. met gevangenisstraf van ton hoogste negen jaren, hij die eene vrouw door list, geweld of bedreiging met geweld wegvoert, met het oogmerk om zioh haar bezit in of buiten echt te verzekeren.

Cxoono vervolging heeft plaats dan op klachte.

De klachte geschiedt:

a. indien do vrouw tijdens do wegvoering minderjarig is, hetzij door haar zelve, hetzij door iemand wiens toestemming zij tot hot aangaan van een huwelijk behoeft;

-ocr page 67-

47

h. indien zij tijdens de wegvoering meerderjarig is, hetzij door haur zelve, hetzij door haren echtgenoot.

Indien de schaker niet de weggevoerde een huwelijk heeft gesloten, heeft geene veroordeeling plaats, dan nadat do nietigheid van het huwelijk is uitgesproken.

Art. 292. Hij, die opzettelijk iemand wederrechtelijk van do vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft, wordt de schuldige gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste negen jf.ron.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsrooving ecne plaats verschaft.

Art. 293. Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt gestraft niet hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met hechtenis van ten hoogste negen maanden.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar.

Art. 294. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een ander door geweld of bedreiging met geweld wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden;

2\'. hij die een ander door bedreiging met smaad, smaadschrift of lasterlijke aanklacht dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden.

In het geval onder 2°. omschreven, wordt het misdrijf niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is.

Art. 295. Bedreiging met openlijk geweld met vereenigdo krachten tegen personen of goederen, met cenig misdrijf waardoor do algemeene veiligheid van personen of goeclorcn in gevaar wordt gebracht, met verkrachting, met feitelijke aanranding van do eerbaarheid, met ecnig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Indien deze bedreiging schriftelijk en onder eene bepaalde voorwaarde geschiedt, wordt zij gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste vier jaren.

Art. 296. Bij voroordeoling wegens een dor in do artikelen 2S3—292 en in het tweede lid van artikel 295 omschreven misdrijven, kan ontzetting van do in artikel 37 nquot;. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

-ocr page 68-

48

TITEL XIX.

Misdrijven tegen het leven gericht.

Art. 297. Hij die opzettelijk een ander van het loven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Art. 298. Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping of heeterdaad, aan zich zeiven of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren

Art. 299. Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met de doodstraf, met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Art. 300. De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 301. De moeder die, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kindermoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 302. De in de artikelen 300 en 301 omschreven misdrijven worden ten aanzien van anderen die er aan deelnemen, als doodslag of als moord aangemerkt.

Art. 303. Hij die een ander op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 304. Hij die opzettelijk een ander tot zelfmoord aanzet, hem daarbij behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfmoord volgt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 305. De vrouw die opzettelijk de afdrijving of den dood van hare vrucht veroorzaakt of door een ander laat veroorzaken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 306. Hij die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw zonder hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

-ocr page 69-

49

Art. 307. Hij dio opzettelijk do afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw met hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Indien het feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 308. Indien een geneeskundige, vroedvrouw of artsenijbereider medeplichtig is aan het misdrijf in artikel 305, of schuldig of medeplichtig aan een der misdrijven in de artikelen 306 en 307 omschreven, kunnen de in die artikelen bepaalde straffen met een derde worden verhoogd, en kan hij van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaat, worden ontzet.

Art. 309. Bij veroordeeling wegens doodslag, wegens moord of wegens een der in de artikelen 303, 306 en 307 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 n0.1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XX.

Mishandeling.

Art. 310. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Het feit wordt, als lichte mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien het, buiten de gevallen van artikel 314 en zonder gebruik van een wapen of ander gevaarlijk werktuig gepleegd, geen of slechts een snel voorbijgaand lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeeling der gezondheid.

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar.

Art. 311. Mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 3(2. Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Indien het feit den dood ton gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.

Art. 313. Zware mishandeling gepleegd mot voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I. .

(voor de Europeanen.) ^

-ocr page 70-

50

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Art. 314. De in de artikelen 310, 1ste, 3de en 4de lid, 311, 312 en 313 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd;

1°. ten aanzien van den schuldige die het misdrijf begaat tegen zijne moeder, zijn wettigen vader, zijn echtgenoot of zijn kind;

2,gt;. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening;

•;gt;. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.

Art. 315. Hij veroordeeling wegens een der in de artikelen 311 en 313 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Art. 316. Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld, worden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten, gestraft;

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de aanval of vechterij alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien de aanval of vechterij iemands dood ten gevolge heeft.

TITEL XXI.

Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld.

Art. 317. II ij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden.

Art. 318. Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of\'zoodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening zijner ambts-of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ton hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 319. Indien de in dezen titel omschreven misdrijven worden gepleegd in de uitoefening van eenig ambt of beroep, kan de straf met een derde worden verhoogd, kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is gepleegd, en kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

TITEL XXII.

Diefstal en Strooperij.

Art. 320, II ij die eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

-ocr page 71-

51

too to eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste negentig gulden.

Art. 321. Met gevangenisstraf van ton hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. diefstal van vee, weidende buiten oen bij ecno woning behoo-rend erf;

2quot;. diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing, watersnood, aard- ot zeebeving, schipbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer, muiterij of oorlogsnood;

•i\'. diefstal bij nacht in eene woning of op een bij eene woning behoorend erf door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen den wil van den rechthebbende bevindt;

4\'. diefstal door twee of meer vereenigde personen;

••)quot;. diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valschc sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum.

Indien de in nü. 8 omschreven diefstal vergezeld gaat van eene der in n0. 4 en 5 vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren opgelegd.

Art. 322. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om dien diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad aan zich zeiven of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren wordt opgelegd;

1quot;. indien het feit wordt gepleegd hetzij bij nacht in eene woning of op een bij eene woning behoorend erf, hetzij op den openbaren weg, hetzij op een spoortrein die in beweging is;

2°. indien het feit wordt gepleegd door twee of meer vereenigde personen;

3quot;. indien de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum;

4quot;. indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

(gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd, indien het feit den dood ten gevolge heeft.

Art. 323. Hij veroordeeling wegens diefstal kan ontzetting van de in artikel 87 nquot;. 1—•! vermelde rechten worden uitgesproken.

Art. 324. Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen personen, geheel of ten deele aan een ander toebehoorende klei, bagger, zand, aarde, grind, puin, mestspeciën, zoden, plaggen, heide, helm, wier, riet, biezen, mos, onbewerkt en niet vervoerd hak- of

-ocr page 72-

52

sprokkelhout, ongeplukte of afgevallen boomvruchten of bladeren, boschproducten, te veld staand gras of te veld staande of na den oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan strooperij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste negentig gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden.

Art. 325. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste negentig gulden wordt gestraft:

1°. strooperij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens, trek-of lastdieren;

2quot;. strooperij gepleegd onder eene of meer der in artikel 321 n0. 2—5 vermelde omstandigheden.

Ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 1-—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 326. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in dezen titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen dien dader of dien medeplichtige uitgesloten.

Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in den tweeden graad der zijlinie, heeft de vervolging, voor zoover hem betreft, alleen plaats op eene tegen hem gerichte klachte van dengene tegen wien het misdrijf is gepleegd.

TITEL XXIII.

Afpersing en afdreiging.

Art. 327. Hij die, met hot oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

De bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 322 zijn op dit misdrijf van toepassing.

Art. 328. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door bedreiging hetzij met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, hetzij met klachte of aangifte van een strafbaar feit bij de overheid, iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

-ocr page 73-

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klaehte van hem tegen wien het gepleegd is.

Art. 329. De bepaling van artikel 326 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

Art. 330. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan ontzetting van do in artikel 87 nquot;. 1 — 8 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XXIV.

Misbruik van aanzien.

Art. 331. Hij die, met het oogmerk om ziel) of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, met overschrijding van de hem bij wettelijk voorschrift toegekende bevoegdheid, hetzij grond aan een inlander toekomende zich toeeigent, in gebruik neemt of houdt, hetzij over zoodanigen grond ten nadeele van den daarop rechthebbende beschikt, hetzij van een inlander persoonlijke diensten of leveringen vordert, wordt, als schuldig aan misbruik van aanzien, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eenc vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste drieduizend gulden worden opgelegd.

TITEL XXV.

Verduistering.

Art. 332. Hij die opzettelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeeigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste negentig gulden.

Art. 333. Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijne persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Art. 334. Verduistering gepleegd door hem wien het goed uit noodzaak in bewaring is gegeven, of door voogden, curators, bewindvoerders, uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen of beheerders van instellingen van weldadigheid of van stichtingen, ten opzichte van eenig goed dat zij als zoodanig onder zich hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Art. 335. De bepaling van artikel 826 is op do in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

Art. 336. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven

-ocr page 74-

54

misdrijven, kan de rechter de opcnhiiarmaking\' zijner uitspraak gelasten en ontzetting uitspreken van de in artikel o7 nquot;. 1—8 vermelde rechten.

♦■fndien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

TITEL XXVI.

Bedrog.

Art. 337. Hij die, met bet oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van een valschen naam of van eene valsehe hoedanigheid, hetzij door listige; kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van eenig goed of tot bet. aangaan van eene schuld of tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 338. Hij die door listige kunstgrepen den verzekeraar in dwaling brengt ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zoodat deze eene overeenkomst sluit die bij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, indien hij den waren staat van zaken gekend had, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 339. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadeele van den verzekeraar of van den wettigen houder van een bode-merijbrief, wederrechtelijk te bevoordeelen, brand sticht of eene ont-plolling teweegbrengt in eenig tegen brandgevaar verzekerd goed, of een vaartuig dat verzekerd is of waarvan de lading of de te verdienen vrachtpenningen zijn verzekerd, of waarop bodemerijpenningen zijn geschoten, doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Art. 340. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft de verkooper die den kooper bedriegt;

1°. door hem die een bepaald aangewezen voorwerp koelit, opzettelijk iets anders daarvoor in do plaats te leveren;

2°. ten opzichte van den aard, de hoedanigheid of de hoeveelheid van het geleverde, door het aanwenden van listige kunstgrepen.

Art. 341. Hij die eet- of drinkwaren of geneesmiddelen verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wetende dat zij vervalscht zijn en die vervalsehing verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

ICet- of drinkwaren of geneesmiddelen zijn vervalscht wanneer door i iijmenging van vreemde bcstanddeelen hunne waarde of hunne bruikbaarheid verminderd is.

Art. 342. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft de aannemer of de bouwmeester van eenig werk of de verkooper van bouwmaterialen, die bij de uitvoering van bet werk of de levering der materialen eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge

-ocr page 75-

55

waarvan de veiligheid van personen of goederen, of de veiligheid van den Staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over het werk of over de levering der materialen belast, opzettelijk de bedrieglijke handeling toelaat.

Art. 343. Hij die, bij levering van benoodigdheden ter dienste van de vloot of het leger, eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van den Staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht, wordt gestraft met gevangen isstri\'f van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, opzettelijk do bedrieglijke handeling toelaat.

Art. 344. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wedei-rechtelijk te bevoordeelen, hetgeen tot afbakening der grenzen van erven dient vernielt, verplaatst, verwijdert of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Art. 345. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door het verspreiden van een logenachtig bericht, den prijs van koopwaren, fondsen of geldswaardig papier doet stijgen of dalen, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Art. 346. Hij die, zich belastende met of zijne medewerking ver-leenende tot het plaatsen van schuldbrieven van eenigen staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling, of van aandeden in of schuldbrieven van eenige vereeniging, stichting of vennootschap, het publiek tot inschrijving of deelneming tracht te bewegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van ware of voorspiegelen van valsche feiten of omstandigheden, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 347. De koopman, de bestuurder of commissaris eener naam-looze vennootschap die opzettelijk eenon onwaren staat of eene onware balans openbaarmaakt, wordt gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 348. Hij die opzettelijk waren, welke zelve of op hare verpakking valschelijk, zij het ook door nabootsing met eene geringe afwijking, voorzien zijn van den naam, do firma of het merk waarop een ander rechtheeft, of, tor aanduiding van herkomst, van den naam eener bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichten naam of eene verdichte firma binnen Noderlandsch-Indië invoert zonder klaarblijkelijke bestemming om weder te worden uitgevoerd, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of ten verkoop of ter nitdeoling in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van don schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden worden opgelegd.

Art. 349. De bepaling van artikel 32ü is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

-ocr page 76-

56

Art. 350. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Hij veroordeeling wegens een der in de artikelen 337, 339, 342 en 343 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 n0. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XXVII.

Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden.

Art. 351. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

1°. indien zijne verteringen buitensporig zijn geweest;

2°. indien hij, met bet oogmerk om zijn faillissement uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, op bezwarende voorwaarden geldopnemingen heeft gedaan;

3°. indien hij de boeken die hij gehouden heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn brengt.

Art. 352. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers:

1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

2°. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

3°. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4°. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren.

Art. 353. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

1°. indien hij heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, waaraan de dooide vennootschap geleden verliezen geheel of grootendeels zijn te wijten;

2°. indien hij, met het oogmerk om het faillissement der vennoot-schap uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende voorwaarden;

-ocr page 77-

3°. indien het aan hem te wijten is dat niet geregeld is boek gehouden, of dat de boeken die gehouden zijn, niet in ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht.

Art. 354. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers van de vennootschap :

1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij ecnig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

\'2°. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

8°. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4°. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren.

Art. 355. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers:

1°. ingeval van gerechtelijken boedelafstand van een koopman of van faillissement, of in het vooruitzicht van het een of het ander, eenig goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd;

2°. bij verificatie der schuldvorderingen in geval van gerechtelijken boedelafstand van een koopman of van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden.

Art. 356. De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van eene overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeden heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van bet akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast op den schuldenaar of op den bestuurder of commissaris der gefailleerde naamlooze vennootschap die zoodanige overeenkomst sluit.

Art. 357. Hij die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, tot gerechtelijken boedel afstand is toegelaten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, hetzij een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt.

-ocr page 78-

58

Art. 358. De bestuurder of eommissaris eener ntuimlooze vennootschap die, buiten het geval van artikel 353, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, ten gevolge waarvan de vennootschap buiten staat geraakt aan hare verplichtingen te voldoen of moet worden ontbonden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden.

Art. 359. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden wordt gestraft:

1quot;. hij die opzettelijk zijne eigene zaak of, ten behoeve van den eigenaar, eenc hem niet toebehoorende zaak onttrekt aan een ander die daarop een recht van pand, terughouding, vruchtgebruik of gebruik heeft;

2quot;. hij die opzettelijk producten waarop oogstverband is gevestigd, materieel tot bewerking of inrichtingen tot bereiding van den oogst, behoorende tot eenc mot oogstverband belaste onderneming, aan dat verband ten nadeele van den daarop rechthebbende onttrekt.

De bepaling van artikel 326 is op deze misdrijven van toepassing.

Art. 360. Hij veroordeeling wegens een dor in de artikelen 352, 354, 355 en 357 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de in artikel 37 nquot;. 1—3 vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 351—357 omschreven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

TITEL XXVIII.

Vernieling of beschadiging van goederen.

Art. 361. Hij rl ie opzettelijk en wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

Art. 362. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk spoorweg-, telegraaf- of telefoon werken, werken dienende tot waterkeering, water-verdeeling of waterloozing, gas- of waterleidingen of riolen, voor zoover deze werken, leidingen of riolen ten algemeenen nutte gebezigd worden, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 363. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig in bet vorig artikel bedoeld werk vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt wordt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eenc maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Art. 364. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig gebouw of vaartuig dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt

-ocr page 79-

59

of onbi\'uikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenif-straf van ten hoogste vier jaren.

Art. 365. De bepaling van artikel 326 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

Art. 366. Indu ;n een der in dezen titel omschreven misdrijven door twee of meer vereenigde personen gepleegd wordt, kan de straf met een derde worden verhoogd.

TITEL XXIX.

Ambtsmisdrijven.

Art. 367. I)e bevelhebber der gewapende macht die weigert of opzettelijk nalaat, op de wettige vordering van het bevoegde burgerlijk gezag, de onder zijn bevel staande macht aan te wenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 368. De ambtenaar die opzettelijk den bijstand der gewapende macht inroept tegen de uitvoering van wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag of van rechterlijke uitspraken of bevelschriften, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien die uitvoering daardoor wordt verhinderd, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 369. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk geld of geldswaardig papier, dat hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 370. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie, valschelijk opmaakt of vervalscht. wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 371. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een ander worden weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Art. 372. De ambtenaar die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijne bediening iets te doen of na te laten, wordt gestraft met gevangenisstraf van

-ocr page 80-

60

ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art 373. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening iets te doen of na te laten;

2quot;. die eene gift aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening is gedaan of nagelaten.

Art. 374. De rechter die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde invloed te oefenen op de beslissing van eene aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien die gift of belofte wordt aangenomen met het bewustzijn dat zij gedaan wordt om eene veroordeeiing in eene strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 375. De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Art. 376. De ambtenaar die in eene strafzaak dwangmiddelen bezigt om hetzij eene bekentenis te ontwringen, hetzij eene verklaring uit te lokken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 377. Als schuldig aan knevelarij wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren:

1°. de ambtenaar die in de uitoefening zijner bediening, als verschuldigd aan hem zeiven, aan een ander ambtenaar of aan eenige openbare kas, vordert of ontvangt of bij eene uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is;

2°. de ambtenaar die in de uitoefening zijner bediening persoonlijke diensten of leveringen vordert, wetende dat zij niet verschuldigd zijn ;

8°. de pachter van \'s lands middelen die als zoodanig vordert of ontvangt of hij eene uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is.

Met den pachter wordt gelijk gesteld die bij de inning van de middelen in diens plaats optreedt.

Art. 378. De ambtenaar die, belast met de bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, hein opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld te wijten is, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

-ocr page 81-

61

Art. 379. Met gevangenisstraf van ton hoogste drie jaren wordt gestraft;

1°. de ambtenaar, mot het opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet voldoet aan de vordering om van eene wedorrochtolijko vrijheidsrooving te doen blijken of daarvan aan de hoogere macht opzettelijk niet onverwijld konnis geeft;

2U. de ambtenaar die, na in do uitoefening van zijne bediening-kennis te hebben bekomen dat iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd, opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis te geven aan een ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast;

;!n. de ambtenaar die, nadat op zijn bovel in het geval bedoeld bij artikel 86 van het reglement op hot beleid der Regeering in Nederlandsch-Indië, iemand in hechtenis is genomen, opzettelijk nalaat daarvan terstond de bij dat artikel voorgoschiv-ven kennisgeving te doen.

De ambtenaar aan wiens schuld eenig in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste1 drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 380. Met gevangenisstraf van ton hoogste een jaar wordt gestraft het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, of van oen krankzinnigengesticht, die weigort te voldoen aan eene wettige vordering om iemand, die in hot gesticht is opgenomen, te vertoonen, of om inzage te geven van hot register van inschrijving of van de akte waarvan de wet de inschrijving vordert.

Art. 381. Do ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij algemcone verordening bepaalde vormen, hetzij in de woning of in het bij eene woning behoorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die, ter gelegenheid eener huiszoeking, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij algemeeno verordening bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt of in beslag neemt.

Art. 382. De ambtenaar die, mot overschrijding van zijne bevoegdheid, zich doet overleggen of in beslag neemt een aan eenigo openbare instelling van vervoer toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket, of oen telegraphisch bericht dat zich in handen bevindt van een ambtenaar der telographie of van andere personen belast met den dienst van eene ton algemeenen nutte gebezigde telograafinrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste twee jaren.

Art. 383. De ambtenaar van eenigo openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, gesloten stuk of pakket opzettelijk ou wederrechtelijk opent, daarvan inzage

-ocr page 82-

r.2

neemt of den inhoud aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

Art. 384. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den reeht-hebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zieh toeeigent, of den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde hoeft, wordt de toeëigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 385. De ambtenaar der telegraphie of eenig ander persoon belast met het toezicht op of met den dienst van eene ten alge-meenen nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden, indien hij den inhoud van een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt of een telegram opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of don inhoud aan een ander bekendmaakt;

2n. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij oen aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan oen ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich tooëigent of den inhoud wijzigt.

Art. 386. Do ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer of dor telegraphie of eenig ander in artikel 385 bedoeld persoon, die opzettelijk toelaat dat oen ander een der in de artikelen 383—385 vermelde feiten pleegt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met de straffen en naar do onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld.

Art. 387. Do ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen, loverantiën of verpachtingen waarover hem op het tijdstip der handeling geheel of ten dooie hot bestuur of toezicht is opgedragen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden.

Art. 388. De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat deze daardoor een dubbel huwelijk aangaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat daartegen eenig ander wettig beletsel bestaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ton hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 389. Bij voroordeoling wegens een der in do artikelen 3(39, 373, 374, 377, 384, laatste lid, en 388, eerste lid, omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nquot;. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

-ocr page 83-

63

TITEL XXX.

Scheepvaartmisdrijven.

Art. 390. Als schuldig aan zeeroof wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is of hot gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen\'zich daarop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de ooi logs-marine eoner erkende mogendheid te behooren;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na dnar-mede bekend te zijn geworden.

Art. 391. Als schuldig aan strandroof wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hij die, als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is of het gebruikende om langs de kusten, op de reeden, in de havens, in de riviermondingen, op het zeestrand of in de onmiddellijke nabijheid daarvan daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of togen zich daarop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de oorlogsmarine eener erkende mogendheid te behooren;

2quot;. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na daarmede bekend te zijn geworden.

Art. 392. Als schuldig aan rivierroof wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is of het gebruikende om in rivieren of in de onmiddellijke nabijheid daarvan daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen zich daarop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de oorlogsmarine eener erkende mogendheid te behooren;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, hekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na daarmede bekend te zijn geworden.

Art. 393. Met het gemis van machtiging in de artikelen 3t)0, 391 en 392 bedoeld wordt gelijkgesteld het overschrijden van de machtiging alsmede het voorzien zijn van machtigingen afkomstig van tegen elkander oorlog voerende mogendheden.

In de gevallen bij de artikelen 390, 391 en 392 bedoeld blijft artikel 89 buiten toepassing.

Art. 394. Indien de in do artikelen 390, 391 en 392 omschreven daden van geweld den dood van een dor zich op het aangevallen

-ocr page 84-

fi4

vaartuig bevindende personen ten gevolge hebben, wordt de schipper en worden zij die aan de daden van geweld hebben deelgenomen, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren gestraft.

Art. 395. Hij die voor eigen of vreemde rekening een vaartuig uitrust met de in de artikelen 890, 391 en 39\'2 omschreven bestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Art. 396. Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dut het de in de artikelen 390, 391 en 392 omschreven bestemming heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Art. 397. Hij die een Nederlandsch of Nederlandsch-lndisch vaartuig opzettelijk in de macht van zeeroovers, strandroovers of rivier-roevers brengt, wordt gestraft:

1°. indien hij de schipper is, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren;

2°. in alle andere gevallen, met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Art. 398. De opvarende van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die zich wederrechtelijk van het schip meester maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 399. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-lndisch schip die het schip aan den eigenaar of de reederij onttrekt en ten eigen bate gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Art. 400. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de Nederlander die zonder vergunning van de Nederlandsche Regeering een kaperbrief aanneemt, of als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Nederlandsche Regecring voor de kaapvaart bestemd is.

Art. 401. De Nederlander die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Nederlandsche Regeering voor de kaapvaart bestemd is of gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dat gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 402. Wordt gestraft:

1° met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, de schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-lndisch schip die, na den aanvang der monstering en voor het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het schij) onttrekt;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand, de schipper van een Nederlandsch Indisch zeevisschersvaartuig die, na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis, zicli opzettelijk en weclerreclitelijk juin het voeren vb-ii net vaartuig onttrekt.

-ocr page 85-

65

Art. 403. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie vóór den aanvang der reis:

1°. niet gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip verbonden heeft, niet medemaakt;

2°. niet gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig verbonden heeft, niet medemaakt.

Art. 404. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie gedurende de reis:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip verbonden heeft, niet verder medemaakt;

\'2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig verbonden heeft, niet verder medemaakt.

Art. 405. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie na den afloop der reis;

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepeling van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die, na den afloop der reis en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verdere dienstverrichtingen onttrekt;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling van een Nederlandsch-Indisch zee visschers vaar tuig die, na den afloop der reis en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verdere dienstverrichtingen onttrekt.

Art. 406. De in do artikelen 403—405 bepaalde straffen kunnen worden verdubbeld, indien twee of meer personen gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning het misdrijf plegen.

Art. 407. De reeder, boekhouder of schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip of van een Nederlandsch-Indisch zeevis-schersvaartuig die een schepeling in dienst neemt, wetende dat er nog geene maand is verstreken sedert deze zich aan zijne verbintenis voor een Nederlandselvlndisch schip of voor een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig heeft onttrokken op de wijze in een der artikelen 403—405 omschreven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Niet strafbaar is het feit indien de indienstneming buiten Neder-landsch-Indië geschiedt met toestemming van den Nederlandschen consul of, zoo die er niet is, op verzoek van de plaatselijke overheid.

Art. 408. De opvarende van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip of van een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I.

(voor de Europeanen.)

-ocr page 86-

60

die aan boord den schipper, of de schepeling die aan boord of in dienst een meerdere in rang feitelijk aanrandt, zich niet geweld of bedreiging met geweld tegen hem verzet of hem opzettelijk van zijne vrijheid van handelen berooft, wordt, als schuldig aan insubordinatie, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Art. 409. Insubordinatie geploegd door twee of meer vereenigde personen, wordt, als muiterij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste /.es jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

\'2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

Art. 410. Hij die aan boord van een Nederlandsch- of Neder-landsch-Indisch schip of van een Nederlandsch-Indisch zeevisschers-vaartuig tot muiterij op dat schip of vaartuig opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Art. 411. Dienstweigering door twee of meer schepelingen van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip of van een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig, gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning gepleegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Art. 412. Wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, de schepeling van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die, na wegens dienstweigering disciplinair te zijn gestraft, bij zijne dienstweigering volhardt;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eenc maand of geldboete van ten hoogste negentig gulden, de schepeling van een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig die zich gedurende de reis schuldig maakt aan dienstweigering.

Art. 413. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden wordt gestraft de opvarende van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip of van een Nederlandsch-Indisch zeevisschersvaartuig:

-ocr page 87-

fi7

1°. rlio op/ettclijk niot gehoorzaamt aan conig bevel des schippers tot herstel der orde aan boord gegeven;

2°. die, wetende dat de schipper van zijne vrijheid van handelen beroofd is, hem niet naar vermogen te hulp komt;

3°. die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van insubordinatie, opzettelijk nalaat daarvan tijdig aan den schipper kennis te geven.

De onder n0, 3 vermelde bepaling is niet van toepassing indien de insubordinatie niet is gevolgd.

Art. 414. De in de artikelen 398,401,403— 405,408—413 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de schuldige aan een der in die artikelen omschreven misdrijven scheepsofficier is.

Art. 415. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, hetzij het schip verkoopt, hetzij geld opneemt op het schip, het scheepstoebehooren of den scheepsvoorraad, hetzij goederen van de lading of van den scheepsvoorraad verkoopt of verpandt, hetzij verdichte schaden of uitgaven in rekening brengt, hetzij het vereischte dagregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt, hetzij bij het verlaten van het schip niet zorgt voor het behoud der scheepspapieren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Art. 416. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, van koers verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 417. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die, buiten noodzaak of in strijd met zijne verplichting, gedurende de reis het schip verlaat en ook aan zijn scheepsvolk daartoe last of vergunning geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Art. 418. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch vaartuig die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den eigenaar of de reederij, handelingen pleegt of gedoogt, wetende dat deze het vaartuig of de lading aan opbrenging, aanhouding of ophouding kunnen blootstellen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

De opvarende die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den schipper, met gelijke wetenschap gelijke handelingen ploegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Art. 419. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft datgene wat hij verplicht is hem te verschaffen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 420. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch

-ocr page 88-

OS

schip die opzettelijk buiten noodzaak of in strijd met zijne verplichting goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 421. Hij die lading, scheepsvoorraad of scheepsbehoefte, aan boord van een vaartuig aanwezig, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Art. 422. De schipper die de Nederlandsche vlag voert, wetende dat hij daartoe niet gerechtigd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 423. De schipper die opzettelijk door het voeren van eenig onderscheidingsteeken aan zijn vaartuig den schijp geeft alsof het een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch oorlogsvaartuig ware, een vaartuig der gouvernements-marine, of een loodsvaartuig in Nederlandsch-Indische wateren of zeegaten dienst doende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 424. Hij die buiten noodzaak op een Nederlandsch of Neder-landsch-Indisch schip optreedt als schipper, stuurman of machinist, wetende dat hem door het bevoegd gezag de bevoegdheid daartoe is ontnomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Art. 425. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die zonder geldige reden weigert te voldoen aan eenc wettelijke vordering om een beklaagde of veroordeelde benevens de tot zijne zaak betrekkelijke stukken aan boord te nemen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 426. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schip die een beklaagde of veroordeelde, dien hij op eene wettelijke vordering aan boord genomen heeft, opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt, of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld is te wijten, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden.

Art. 427. De schipper van een Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch vaartuig die aan vaartuigen, schippers of opvarenden, wetende dat zij in nood zijn, niet zoodanige hulp verleent als waartoe hij bij machte is, zonder zijn vaartuig, de opvarenden of zichzelven aan ondergang bloot te stellen, wordt, indien de nood het gevolg is van aanvaring of aandrijving met het vaartuig waarover hij bevel voert, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Art. 428. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 390—399, 41/) en 41(5 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 37 nn. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

-ocr page 89-

69

TITEL XXXI.

Begunstiging.

Art. 429. Hij die opzettelijk cenig door misdrijf verkregen voorwerp koopt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verbergt, wordt, als schuldig aan heling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die opzettelijk uit de opbrengst van eenig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekt.

Art. 430. Hij die eene gewoonte maakt van het opzettelijk koo-pen, inruilen, in pand nemen of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen, wordt gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige kan worden ontzet van de in artikel 87 n0. 1—;! vermelde rechten en van de uitoefening van hot beroep waarin hij hot misdrijf begaan heeft.

Art. 431. Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding uitgeeft van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig gulden, indien:

1°. de dader noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekendgemaakt;

2n. do uitgever wist of moest verwachten, dat de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten Noderlandsch-Indië gevestigd zou zijn.

Art. 432. Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding drukt van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vierhonderd vijftig guldon, indien:

1quot;. de persoon op wiens last het stuk gedrukt is noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekendgemaakt;

2°. de drukker wist of moest verwachten, dat de persoon op wiens last hot stuk gedrukt is, op hot tijdstip dor uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten Noderlandsch-Indië gevestigd zou zijn.

Art. 433. Indien do aard van hot geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klachte vervolgbaar is, kan de uitgever of drukker in do gevallen der beide voorgaande artikelen alleen vervolgd worden op klachte van hem tegen wion dat misdrijf gepleegd is.

TITEL XXXII.

Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen.

Art. 434. Do in de artikelen 120, 183, 220—224, 228—281, 234—288, 241, 820—322, 325, 827, 328, 332—384, 337—343, 352,854, 355, 857, 869, 871, 877, 384, laatste lid, 415, 429 en 430 bepaalde

-ocr page 90-

70

gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij ecne tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens diefstal, verduistering of bedrog krachtens de militaire wetten uitgesproken straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van liet misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

Art. 435. De in de artikelen 123, eerste lid, 124, 125, 126, 132, eerste lid, 133, 150, 192, 193, 297, 800, 301, 303, 306, 307, 310—318, .390—392, 394, 408 en 409 bepaalde gevangenisstraf, alsmede de tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artikelen 104, 105, 123, tweede en derde lid, 132, tweede en derde lid, 298 en 299, kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens gewelddadig verzet tegen of mishandeling van meerderen in rang of schildwachten, of van geweldenarijen tegen personen krachtens de militaire wetten uitgesproken straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

Art. 436. De in de artikelen 127—-130, 134—186, 186, 187, 269—280, 431 en 432 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

-ocr page 91-

DERDE BOEK.

Overtredingen.

TITEL I.

Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van personen en goederen en de openbare gezondheid.

Art. 437. Baldadigheid tegen personen of goederen, waardoor gevaar, nadeel of ongerief kan worden teweeggebracht, wordt gestraft niet geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is ver-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen, of geldboete van ten hoogste dertig gulden.

Art. 438. Met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en dertig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een dier aanhitst op een mensch, op een dier dat bereden wordt of op een dier dat voor een rij- of voertuig gespannen is;

2°. hij die een onder zijne hoede staand dier, wanneer het een mensch, een dier dat bereden wordt of een dier dat voor een rij- of voertuig gespannen is, aanvalt, niet terughoudt;

3°. hij die geene voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijne hoede staand gevaarlijk dier;

4°. hij die gevaarlijke wilde dieren houdt zonder aan hot hoofd van het plaatselijk bestuur of den door dezen aangewezen ambtenaar daarvan kennis te geven, of die de voorschriften door dat hoofd of dien ambtenaar te dien aanzien gegeven, niet naleeft.

Art. 439. Met geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een voor zich zeiven of voor anderen gevaarlijken krankzinnige op wien hij verplicht is toezicht te houden, laat rondwaren;

2°. hij die een kind waarop hij verplicht is toezicht te houden, onbewaakt laat zoodat daardoor gevaar kan ontstaan voor het kind zelf of voor anderen.

Art. 440. Hij die, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar het verkeer belemmert of de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, hetzij eenigc handeling verricht waarbij, tot voorkoming van gevaar voor leven of gezondheid van derden, bijzondere omzichtigheid of voorzorgen worden vereischt.

-ocr page 92-

72

wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ton hoogste vijf en dertig gulden.

Indien tijdens het plegen van do overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in artikel 479 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken.

Art. 441. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

1°. hij die niet zorgt dat eene door hem of op zijn last op een openbaren weg gedane op- of uitgraving of een door hem of op zijn last op den openbaren weg geplaatst voorwerp behoorlijk verlicht en van de gebruikelijke teekenen voorzien is;

2°. hij die bij eene verrichting op of aan den openbaren weg niet dc noodige maatregelen neemt om voorbijgangers togen mogelijk gevaar te waarschuwen;

3°. hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zoodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van den openbaren weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden;

4°. hij die op of aan den openbaren weg een rij-, trek- of lastdier, of een stuk vee dat hij vervoert, laat staan, zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen;

5°. hij die op den openbaren weg vee laat rondloopen zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen;

(l0. hij die, zonder verlof van het bevoegd gezag, eenigen openbaren land- of waterweg verspert of hot verkeer daarop belemmert, of die zoodanige versperring of belemmering veroorzaakt door ondoelmatig gebruik van vaar- of voertuigen.

Art. 442. Hij die, zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, in eene door menschen bezochte streek voetangels (borangs), vallen, vangstrikken of andere tot het vangen of dooden van wild gedierte bestemde voorwerpen plaatst, waardoor gevaar voor menschen kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar verloopen is, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 443. Hij die, zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, eigen onroerend goed in brand steekt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 444. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

1°. hij die, zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur

-ocr page 93-

78

of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op of aan den openbaren weg of in de onmiddellijke nabijheid van gebouwen een vuurwerk ontsteekt;

2°. hij die op of aan den openbaren weg of op zoo korten afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan, hetzij een vuur aanlegt, hetzij buiten noodzaak een vuurwapen afschiet;

3°. hij die een luchtbol oplaat, waaraan brandende stoffen gehecht zijn.

Art. 445. Hij die, hetzij zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, hetzij met afwijking van de bij het verlof gestelde voorwaarden, vuurwerken vervaardigt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar ver-loopen is, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 446. Hij die, hetzij zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, hetzij met afwijking van de bij het verlof gestelde voorwaarden, buskruit vervaardigt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 447. Hij die hetzij bedorven eetwaren of dranken, hetzij vleesch van vee dat wegens ziekte geslacht of den natuurlijken dood gestorven is, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

I ndien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

TITEL II.

Overtredingen betreffende de openbare orde.

Art. 448. Hij die zonder verlof van het bevoegd gezag eene opneming doet, eene teekening of beschrijving maakt van eenig militair werk of die openbaarmaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Art. 449. Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden wordt gestraft:

1°. hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden verstoord;

2quot;. hij die rumoer maakt in do nabijheid van gebouwen voor eene geoorloofde godsdienstoefening of voor de rechtspraak bestemd, tijdens er dienst wordt gedaan of zitting gehouden.

-ocr page 94-

74

Art. 450. Met hechtenis van ten hoogste zes weken wordt gestraft:

1°. als schuldig aan bedelarij, hij die in het openbaar bedelt;

•J0. als schuldig aan landlooperij, hij die zonder middelen van bestaan rondzwerft.

Art. 451. Bedelarij of landlooperij, gepleegd door drie of meer personen boven den leeftijd van zestien jaren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden.

Art. 452. Indien tijdens het plegen van eene dor in de twee vorige artikelen omschreven overtredingen nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene van die overtredingen onherroepelijk is geworden, kan de straf worden verdubbeld.

Art. 453. Hij die zonder verlof van den rechthebbende gedurende den nacht een vlot of een vaartuig doet liggen tegen een huis, steiger of aanlegplaats, wordt gestraft niet geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Art. 454. Hij die eenig goed van een ander gedurende den nacht vervoert zonder voorzien te zijn van een geleibiljet afgegeven hetzij door of van wege den afzender, hetzij door het hoofd van plaatselijk bestuur of den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft niet geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Art. 455. Met geldboete van ton hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een Nederlandschen adellijken titel voert of een Nedovlandsch ordeteeken draagt;

2°. hij die zonder \'sKonings verlof, waar dit vereischt wordt, een vreemd ordeteeken, een vreemden titel of rang, of eene vreemde waardigheid aanneemt;

3°. hij die, door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd, een valschen naam opgeeft.

Art. 456. Hij die, zonder deel uit te maken van een geoorloofden gemaskerden of gccostumeerden optocht, zich op den openbaren weg vertoont in eene andere klecderdracht dan die van den landaard of de kunne waartoe hij behoort, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Art. 457. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft hij die zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar:

1quot;. eene openbare feestelijkheid of vermakelijkheid aanlegt;

2U. op of aan den openbaren weg een optocht houdt.

Art. 458. Hij die, niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe eene algemeene verordening eene toelating vordert, buiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

1 lij die, toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe eene

-ocr page 95-

75

algemeene verordening eene toelating vordert, buiten noodzaak in de uitoefening van dat beroep de grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt, wordt gestraft niet geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, in het geval van het eerste lid hechtenis van ten hoogste twee maanden, in het geval van het tweede lid hechtenis van ten hoogste eene maand worden opgelegd.

Art. 459. Hij die van eens anders goed dat hij uithoofde van zijne persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, eenig hem door den rechthebbende niet toegestaan gebruik maakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en dertig gulden.

Art. 460. De goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, uitdrager, winkelhoudende opkooper of tagrijn, die geen doorloopend register houdt of in dat register geene aanteekening houdt van alle door hem gekochte goederen, of daarin niet vermeldt den koopprijs, de namen en woonplaatsen der verkoopers, of die nalaat dat register op aanvrage te vertoonen aan het hoofd van plaatselijk bestuur of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 461. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft:

1°. hij die in geval van verhuizing nalaat daarvan vooraf kennis te geven aan den wijkmeester zijner wijk of aan het hoofd van de wijk, kampong of dessa die hij verlaat;

2°. hij die nalaat binnen drie dagen na aankomst in de wijk, kampong of dessa, waar hij zich vestigt, aan het hoofd daarvan of aan den wijkmeester van die aankomst kennis te geven, met opgave van naam, beroep en laatste woonplaats

3°. hij die nalaat binnen vier en twintig uren aan den wijkmeester zijner wijk of aan het hoofd van zijne wijk, kampong of dessa kennis te geven van den naam, het beroep en de woonplaats van personen niet tot die wijk, kampong of dessa behoorende, die hij bij zich laat overnachten, of die bij vertrek dezer personen gelijke kennisgeving nalaat.

Art. 462. Hij die er zijn beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaffen en geen doorloopend register houdt, of nalaat in dat register aan te teekenen of te doen aanteekenen de namen, beroep of betrekking, woonplaats, dag van aankomst en van vertrek van de personen die een nacht in zijn huis hebben doorgebracht, of die nalaat dat register op aanvrage te vertoonen aan het hoofd van plaatselijk bestuur of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft inet geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

-ocr page 96-

76

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste /-es dagen of geldboete van ten hoogste vijftig guldon.

Art. 463. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die van een krijgsman beneden den rang van officier goederen behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening koopt, inruilt, als geschenk aanneemt, in pand, gebruik of bewaring neemt, of zoodanige goederen voor een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt, ruilt, ten geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft, zonder schriftelijke vergunning door of vanwege den bevel voerenden officier afgegeven;

2°. de koopman die, eene gewoonte makende van bet koopen van zoodanige goederen, de bij algemeene verordening gegeven voorschriften omtrent het daarvan te houden register niet naleeft.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Art. 464. Hij die drukwerken of stukken metaal in een vorm die ze op munt- of bankpapier of op muntspeciën doet gelijken, vervaardigt, verspreidt of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met geldboete van ton hoogste vijf en twintig gulden.

De voorwerpen waarmede de overtreding plaats heeft, kunnen worden verbeurd verklaard.

Art. 465. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft:

1°. hij die in staat van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de verplichtingen tot aangifte dat hij heeft opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd;

\'2quot;. de bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap welke in staat van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de verplichting tot aangifte dat de vennootschap heeft opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd.

Art. 466. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft:

1°. hij die, surséance van betaling verzocht of verkregen hebbende, eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door eene algemeene verordening wordt gevorderd;

2o. de bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap welke surséance van betaling verzocht of verkregen heeft, die eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door eene algemeene verordening wordt gevorderd.

-ocr page 97-

77

Art. 467. Deelneming aan of oproeping tot eene staatkundige vergadering woi\'dt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

TITEL III.

Overtredingen betreffende het openbaar gezag.

Art. 468. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Art. 469. Hij die, in zaken van minderjarigen of van onder curateele te stellen of gestelde personen, of van hen die in een krankzinnigengesticht zijn opgenomen, als bloedverwant, aangehuwde, echtgenoot, voogd of toeziende voogd, curator of toeziende curator, voor den rechter geroepen om te worden gehoord, noch in persoon noch, waar dit is toegelaten, door tusschenkomst van een gemachtigde verschijnt, zonder geldige reden van verschooning, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Art. 470. Hij die, bij het bestaan van gevaar voor de algemeene veiligheid van personen of goederen of bij ontdekking van een misdrijf op heeterdaad, het hulpbetoon weigert dat de openbare macht van hem vordert en waartoe hij, zonder zich aan dadelijk gevaar bloot te stellen, in staat is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Deze bepaling is, in geval van gevorderd hulpbetoon bij ontdekking van een misdrijf op heeterdaad, niet van toepassing op hem die dat hulpbetoon weigert ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie, of in den tweeden graad of derden graad der zijlinie, of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.

Art. 471. Hij die eene bekendmaking, vanwege hot bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

TITEL IV.

Overtredingen betreffende den burgerlijken staat.

Art. 472. Hij die niet voldoet aan eene wettelijke verplichting tot aangifte aan den ambtenaar van den burgerlijken stand voor de registers van geboorte of overlijden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 473. De bedienaar van don godsdienst die, voordat partijen hem hebben doen blijken dat haar huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren

-ocr page 98-

78

zijn vorlooppn, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

TITEL V.

Overtreding betreffende hulpbehoevenden.

Art. 474, Hij die, getuige van het oogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaat dezen die hulp te verleenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zich zeiven of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verleenen of verschaffen kan, wordt, indien do dood van den hulpbehoevende volgt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

TITEL VI.

Overtredingen betreffende de zeden.

Art. 475. Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden wordt gestraft:

1°. hij die in het openhaar voor de eerbaarheid aanstootelijke liederen zingt;

2°. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aanstootelijke toespraken houdt;

3°. hij die op eene van den openbaren weg zichtbare plaats voor de eerbaarheid aanstootelijke woorden of teekeningen stelt.

Art. 476. De bordeelhouder die in het huis waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze, in tegenwoordigheid van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekendgemaakt met het bedrijf dat in dat huis wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Art. 477. Hij die sterken drank bij hoeveelheden van minder dan drie Nederlandsche kannen verkoopt of te koop aanbiedt elders dan in de door het hoofd van plaatselijk bestuur toegelaten logementen, koffiehuizen, tapperijen en dergelijke openbare inrichtingen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is ver-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 478, Hij die buiten de militaire kantine aan een krijgsman beneden den rang van officier, behoorende tot de landmacht, of aan diens in de kazerne wonende vrouw, kinderen of bedienden sterken drank of gegisten palmwijn verkoopt of toedient, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

-ocr page 99-

70

Indien tijdens het plegen van do overtreding nog geen jaar is ver-loopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 479. Hij die zich in kenlijken staat van dronkenschap op den openbaren weg bevindt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is vcrloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in artikel 440 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden.

Bij tweede herhaling binnen een jaar nadat de eerste veroordeeling wegens herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis van ten hoogste twee weken opgelegd.

Bij derde of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen een jaar nadat de laatste veroordceling wegens tweede of volgende herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste drie maanden.

Art. 480. De verkooper van sterken drank of zijn vervanger die in de uitoefening van het beroep aan een kind beneden de zestien jaren sterken drank verkoopt of toedient, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 481. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft:

1°. hij die door dieren doet trekken of dragen een last welke kenlijk hunne krachten te boven gaat;

2°. hij die het vervoer door trek- of lastdieren doet plaats hebben op eene noodeloos pijnlijke of kwellende wijze;

3°. hij die dieren vervoert op eene noodeloos pijnlijke of kwellende wijze;

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is vcrloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding of wegens het in artikel 2ö2 omschreven misdrijf onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden.

Art. 482. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden wordt gestraft:

1°. hij die een voor het publiek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, opricht of houdt of in de onderneming daarvan deelneemt;

2°. hij die in zoodanig huis van hazardspel als bankier of opzichter over het spel werkzaam is;

3°. hij die tot het houden van zoodanig huis van hazardspel eene plaats verstrekt.

-ocr page 100-

80

Art. 483. Met geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die in een voor het publiek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, aan het spel deelneemt;

2°. hij die, zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, gelegenheid geeft tot het houden van hazardspel op den openbaren weg.

Art. 484. Hij die, zonder verlof van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op of aan den openbaren weg of op eene voor het publiek toegankelijke plaats een hanen- of krekelgevecht houdt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Art. 485. Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste dertig gulden wordt gestraft:

1quot;. hij die zoogenaamde djimats, amuletten of andere voorwerpen, onder voorgeven dat deze bovennatuurlijke kracht bezitten, verkoopt of ter verspreiding in voorraad heeft;

2n. hij die zijn bedrijft maakt van waarzeggen, voorspellen of droomen uitleggen.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

TITEL VII.

Overtredingen betreffende de veldpolitie.

Art. 486. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zijn niet uitvliegend pluimgedierte laat loopen in tuinen of op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Art. 487. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, vee laat loopen in tuinen, op eenig wei- of hooiland, op eenigen grond die, hetzij bezaaid, bepoot of beplant is, hetzij ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, of waarvan de oogst nog niet is weggehaald, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Art. 488. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, loopt of rijdt op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Art. 489. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, over eens anders grond waarvan de toegang op eene voor hem blijkbare wijze

-ocr page 101-

81

door den rechthebbende is verboden, loopt, rijdt of vee laat loepen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

TITEL VUL Ambtsovertredingen.

Art. 490. De ambtenaar, bevoegd tot de uitgifte van afschriften of uittreksels van vonnissen, die zoodanig afschrift of uittreksel uitgeeft alvorens het vonnis behoorlijk is onderteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Art. 491. De ambtenaar die zonder verlof van het bevoegd gezag afschrift maakt of uittreksel neemt van geheime regeeringsbeschciden of die bekendmaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Art. 492. Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ton hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de gewezen ambtenaar die zonder verlof van het bevoegd gezag:

1°. regeeringsbeschciden onder zich houdt;

2°. afschriften maakt of uittreksels neemt van geheime regeerings-bescheiden of die bekendmaakt.

Art. 493. Het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, of van een krankzinnigengesticht, die iemand in het gesticht opneemt of houdt zonder zich het bevel van de bevoegde macht of de rechterlijke uitspraak te hebben laten vertoonen, of die nalaat van deze opneming en van het bevel of de uitspraak op grond waarvan zij geschiedt, in zijne registers dc vereischte inschrijving te doen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Art. 494. Het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, die, iemand in het gesticht opgenomen hebbende krachtens een bevel bedoeld bij artikel 8(5 van het reglement op het beleid der regeering van Nederlandseh-Indië, nalaat van deze opneming terstond kennis te geven aan den officier van justitie bij de Europeesche rechtbank binnen wier rechtsgebied het gesticht gelegen is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Art. 495. De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat vóór de voltrekking van een huwelijk zich de bewijsstukken of verklaringen te laten geven die de burgerlijke wet vordert, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Art. 496. Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft;

1°. de ambtenaar van den burgerlijken stand die in strijd handelt met eenig voorschrift der burgerlijke wet omtrent de registers of de akten van den burgerlijken stand of omtrent de formaliteiten vóór of de voltrekking van een huwelijk ;

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I. ^

(voor de Europeanen.)

-ocr page 102-

82

2°. ieder ander bewaarder van die registers die in strijd handelt met eenig voorschrift der burgerlijke wet omtrent de registers of de akten van den burgerlijken stand.

Art. 497. De ambtenaar van don burgerlijken stand die nalaat eene akte in de registers in te schrijven of eene akte op een los blad sehrijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Art. 498. Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:

1°. de ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat aan het bevoegd gezag de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert;

2n. de ambtenaar die nalaat aan den ambtenaar van den burgerlijken stand de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert.

TITEL IX.

Scheepvaartovertredingen.

Art. 499. De schipper van een Nederlandsch-Indisch schip die vertrekt alvorens de monsterrol is opgemaakt en geteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 500. De schipper van een Nederlandsch-rndisch vaartuig die niet allo door of krachtens wettelijk voorschrift gevorderde scheepspapieren, boeken of bescheiden aan boord heeft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 501. Mot geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. de schipper van een Nederlandsch-Indisch vaartuig die het bij algemeene verordening vereischte dagregister of strafregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt of niet vertoont wanneer en waar eene algemeene verordening dit vordert;

2quot;. de schipper van een Nederlandsch-Indisch vaartuig die, bij gemis van strafregister, nalaat aan hot bevoegd gezag de bij algemeene verordening gevorderde mededeelingen te doen.

Indien tijdens het plegen van do overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, kan in plaats van de geldboete, hechtenis van ton hoogste twee maanden worden opgelegd.

Art. 502. De schipper van een Nederlandsch-Indisch vaartuig die niet voldoet aan zijne wettelijke verplichting betreffende de inschrijving en kennisgeving van geboorten of sterfgevallen die gedurende eene zeereis plaats hebben, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

-ocr page 103-

83

Art. 503. De schipper of schopeling die niet in noht neemt de wettelijke voorschriften vastgesteld tot voorkoming van aanvaring of aandrijving, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Art. 504. De schipper van een Nederlandsch- of Nederlandseh-Indisch vaartuig die nalaat aan vaartuigen, schippers of opvarenden in nood zoodanige hulp te verleenen als waartoe hij hij machte is /onder zijn vaartuig, de opvarenden of zich zeiven aan ondergang bloot te stellen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

-ocr page 104-
-ocr page 105-

MEMORIE VAN TOELICHTING.

ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.

^ 1. Inleiding.

Bij ordonnantie dd. 5 Juni 1866 (Ind. Slb. n0. 55) werd het Koninklijk Besluit van 10 Februari te voren, houdende vaststelling van een wetboek van strafrecht voor Nederlandsch-Indië (Wetboek voor de Europeanen), afgekondigd.

[n dat wetboek is voor het eerst het strafrecht voor Nederlandsch-Indië gecodificeerd (1).

Het was geschoeid op het destijds in Nederland geldend strafrecht, waarvan de Code Pénal hoofdbron was.

Sedert nu voor Nederland een nieuw wetboek van strafrecht werd vastgesteld en ingevoerd, een wetboek naar een geheel ander stelsel ingericht en op geheel andere grondslagen gebouwd, moest, ingevolge het voorschrift van art. 7quot;) van het Reglement op het beleid der regeering van Nederlandsch-Indië, ook het strafrecht daar op andere leest geschoeid worden, immers zooveel mogelijk overeenkomende met do in Nederland bestaande wetten.

Hieruit volgt dat als de voornaamste bron voor dit ontwerp van zelf aangewezen is het op den Isten September 1886 in Nederland in werking getreden Wetboek van Strafrecht met de daarbij behoo-rende wetten en besluiten, voorzoover deze daarvoor in aanmerking konden komen (2).

Bij de toelichting moet derhalve hier op den voorgrond staan eene algemeene verwijzing naar al hetgeen bij de wording van het Nederlandsche wetboek van strafrecht daarover in schrift en woord is verhandeld.

De afwijkingen van het Nederlandsche recht vinden haren grond in den eisch door specifiek Indische toestanden gesteld. Verder is men in den regel niet gegaan. Wel werd meermalen de vraag overwogen, of, waar de Nederlandsche wetsbepalingen op zich zelve blijkbaar aan verduidelijking of verandering behoefte hebben, hot gewenscht kon heeten die bepalingen onveranderd over te nemen. Dergelijke veranderingen zijn op enkele plaatsen voorgesteld; intusschen heeft men zich daarbij beperkt. Men vindt ze bv. in de artt. 5, \'2de lid, 90, 248, 260 2°., 294, 328, 348, 441 4°., 488.

-ocr page 106-

86

Do afwijkingen door specifiek Indische maatschappelijke locstanden of rcchlsvcrhoudingen gevorderd, kunnen aldus worden gerangschikt;

1°. behoud van de beginselen, doch met gewijzigde omschrijving, bv. waar het ingezetenschap van Nederlandsch-lndië voor het Nederlandschap is in de plaats gesteld (B. II, T. I), waar voor „burgemeesterquot; gesteld is „hoofd van plaatselijk bestuurquot; enz.;

2n. afwijking van de beginselen zelve, bv. de vele veranderingen in het strafstelsel en in de maxima van vele geldboeten;

8°. aanvulling ter bescherming van belangen die in Indië bijzondere bescherming behoeven, zie bv. do bepalingen omtrent aanslag togen don Gouverneur-Generaal, strand- on rivierroof, knevelarij door pachters, vervoer van onder oogstvorband gelegde gewassen enz.; terwijl in verband hiermede opmerking verdient dat in enkele gevallen ook Nederlandsche rechtsbelangen in Indië worden beschermd, ofschoon reciprociteit in hot Nederlandsche wetboek niet wordt anngctrotten, zie bv. de vermelding van Nederlandschc schepen in verschillende artikelen van B. II. T. XXX.

Eindelijk moet worden opgemerkt dat tot het in het wetboek gecodi-ficeerdc recht meer is gebracht dan in Nederland daartoe behoort. Dit geldt mot name de opneming van onderscheiden bepalingen omtrent het gevangeniswezen, die in Nederland aan de „beginselenwetquot; of aan den „algemeenen bestuursmaatregelquot; zijn overgelaten, en de groote uitbreiding van Boek III door overneming van bepalingen uit hot algemeen politiestrafreglement. Het verschil in aard tusschon do rechtsbronnen in Nederland en in Indië moest van zelf daartoe leiden.

§ 2. Verdeelinci van de strafbare feiten.

De verdeeling van de strafbare feiten in misdrijven en overtredingen is gehandhaafd.

De invloed daarvan gedeeltelijk op het gebied van het materieel, gedeeltelijk op dat van het formeel recht zal natuurlijk ook in Nederlandsch-lndië worden gevoeld.

Een uitwendig kenmerk is er niet; het Nederlandsche wetboek heeft er geen aangenomen. De wetgever bepaalt telkens tot welke categorie een strafbaar feit behoort. Voor die feiten welke in het wetboek zijn opgenomen, volgt dit uit de plaatsing in Boek II of III. Voor de bij de invoering van het wetboek daarnevens geldend gcblevone bepalingen is bij de invoeringswet de vereischtc voorziening getroffen. Voor strafbare feiten in latere wettelijke bepalingen omschreven, heeft de wetgever telkens de aanwijzing gedaan en zal hij doze in het vervolg moeten doen.

In het Ontwerp is men van hetzelfde stelsel uitgegaan, en dit zal gevolgd ijk dienen te worden inachtgenomen, zoowel bij de verordening op do invoering als bij later af te kondigen verordeningen.

§ 3. Indeeling en omvang.

Voor do indoeling is het Nederlandsche wetboek gevolgd.

Sommige artikelen moesten vervallen, maar het geheele aantal werd uitgebreid door het opnemen van vele nieuwe bepalingen, zie bv. de artt. 6, 11, 15, 16, 19, 21, 22, 26, 27, 28, 32, 95, 101, 102, 105, 108, H. II, T. XXIV, en Boek III passim.

-ocr page 107-

,S7

Over do redenen welke tot een en ander geleid hebben, zal ter plaatse telkens het noodige worden medegedeeld.

§ 4. Beginsel van codificatie.

Gelijk ten deele reeds blijkt uit do vorige §. was bij do samenstelling van hot Ontwerp, evenals bij de jongste codificatie van het Nederlandsche strafrecht, het streven daarheen gericht, alle bepalingen over eigenlijke misdrijven thans voorkomende in andere verordeningen, behalve de militaire en fiscale, op te lossen in hot wetboek van strafrecht (B. II). Voor de handhaving der militaire en fiscale strafwetten en verordeningen nevens het wetboek van strafrecht, behoudens enkele wijzigingen die daarin bij de invoering van dat wetboek noodig mochten worden bevonden, geldon in Nederlandsch-Indië dezelfde overwegingen als in Nederland d). Voorts dient hier nog te worden opgemerkt dat, voorzoover een nader opzettelijk in te stellen onderzoek nog mocht wijzen op de noodzakelijkheid om enkele bepalingen over niet militaire of\' fiscale misdrijven thans in speciale verordeningen voorkomende, al of niet gewijzigd, nevens het wetboek van strafrecht in stand te houden, de algemeene verordening op de invoering van dat wetboek daartoe, op het voorbeeld van art. 12 der Nederlandsche invoeringswet, de gelegenheid zal openen.

Voor overtredingen (B. Ill) is het beginsel van codificatie niet op gelijke wijze gevolgd. Het is bekend dat in het ontwerp der staatscommissie belast met de samenstelling van het Nederlandsche wetboek, in dit opzicht geen onderscheid werd gemaakt tusschen misdrijf en overtreding. De Nederlandsche Regeering dacht er anders over. Reeds in haar eerste ontwerp, gelijk dit ter overweging-aanhangig werd gemaakt bij den Raad van State, werd het derde boek van het ontwerp der commissie aanmerkelijk ingekort, en het denkbeeld van eene volledige codificatie van alle tot overtreding betrekkelijke bepalingen opgegeven. Daarvoor gaf de memorie van toelichting de volgende redenen die ook met het oog op Nederlandseh-Indië juist moeten worden geacht: „zeer groot is het aantal bijzondere wetten, waarin, zonder dat zij tot het gebied van het strafrecht behooren, feiten worden strafbaar gesteld die het karakter van overtreding dragen. Het is niet wel mogelijk alle daartoe betrekkelijke bepalingen te codificeeren en, al ware volledigheid bij zoodanige codificatie bereikbaar, hot wetboek zoude toch onmiddellijk na zijne invoering door nieuwe strafbepalingen en nieuwe wetten onvolledig worden. Daarenboven is de scheiding tusschen gebod of verbod en straf in een zoo groot aantal wetten aan veel bezwaar onderhevig, omdat er gevaar bestaat, dat daardoor het verband tusschen beiden zoude worden verbrokenquot;.

Het spreekt overigens van zelf dat, evenals in Nederland (Inv. wet, artt. 10 en 11), de handhaving van strafbepalingen aangaande overtreding, verspreid in een groot aantal speciale verordeningen, gepaard zal moeten gaan met vele min of meer belangrijke wijzigingen in haar thans geldenden tekst, ten einde ze in overeenstemming te brengen met het stelsel van het nieuwe wetboek van strafrecht.

(1) Zie do Memorie van Toelichting bij Smiut, «Geschiedenis van het Wetljoek van Strafrechtquot;, 1, bl. 37 (Isto uitgave).

-ocr page 108-

88

§ 5. Grensbepaling tusschen het mnterieele en hel formeele strafrecht.

Ook hieromtrent is gevolgd het beginsel van het Nederlandsche wetboek, in de memorie van toelichting [Inleiding B. I (1)] kort — misschien wat al te kort — samengevat in deze stellingen; dat het materieelc recht zich bezighoudt met. de vraag, of — onder welke voorwaarden of bepalingen, had men er kunnen bijvoegen — de publieke actie kan (of nog kan) worden ingesteld, het formeele recht met die, hoe de publieke actie moet worden ingesteld en vervolgd. Gaat men uit van dat beginsel, dan moet menig onderwerp in indië nu nog behandeld in het Reglement op de strafvordering, gelijk het vroeger behandeld werd in het Nederlandsehe wetboek van strafvordering, zijne plaats vinden in het Ontwerp. Zóó de samenloop van strafbare feiten (Ontw. B. I, T. VI, Regl. Strafv. artt. 167, 2de, \'ide, 4de lid, 168), de ingang van den straftijd (Ontw. artt. 34, 35, Regl. strafv. art. 346), de voorzieningen in het geval van wanbetaling van geldboete of niet-nitlevering van verbeurdverklaarde voorwerpen (Ontw. artt. 24, 31, 32, 33 en 42, Regl. strafv. artt. 347—352), de bestemming der opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen (Ontw. art. 43, Regl. strafv. art. 353), eindelijk alles wat betrekking heeft tot het verval van het recht tot strafvordering en van de straf (Ontw. B. I, T. VIII, Regl. strafv. artt. 389, 390, 2de lid, 401 vlg., Alg, Bep. van wetg., art. 34). In dat stelsel moest ook „de omvang van de werking der strafwetquot;, m. a. w. de omschrijving der tijdelijke en plaatselijke grenzen van haar gebied, thans slechts ten deele besproken in art. 1 Trans. W. v. S. van 1866 en artt. 25, 1ste lid, 32 en 33 Alg. Bep. van wetg., te vergelijken met art. 4 (\'ode Pénal en de artt. 8 en 9 van het ongewijzigde Nederlandsehe Wetboek van strafvordering, geheel behandeld worden in het Ontwerp (B. I, T. I). Ten slotte zij nog opgemerkt, in aansluiting aan de memorie van toelichting op B. I, T. VII van liet Nederlandsehe Wetboek, dat, terwijl de aanwijzing der misdrij mi tot welker vervolging eene klachte wordt vereischt, behoort tot het bijzondere deel van het wetboek van strafrecht, en de vorm der klachte ter regeling blijft overgelaten aan het procesrecht, de alge-meene voorschriften over de bevoegdheid tot indiening en intrekking der klachte eene plaats moesten vinden in het algemeene deel van het Ontwerp (B. I, T. VII). Wordt dit als wetboek ingevoerd, dan zullen do artt. 10 en II Regl. strafv. moeten vervallen, en in dat reglement tegelijkertijd nieuwe bepalingen moeten worden opgenomen in strekking overeenstemmende met de nieuwe artt. 13—16 van het Ned. Wb. v. strafv.

(1gt; S.midt, I, 1)1. 108, te vergelijken met het advies van ilen Kaail van State en liet rappoi\'t aan den Koning, aldaar Ijl. 38, 39.

-ocr page 109-

EERSTE BOEK.

Algemeene bepalingen.

De algemeene inhoud en indeeling van het Eerste Boek worden voldoende gekend uit de opschriften der titels (I—IX), volkomen gelijkluidend aan die van do daarmede overeenstemmende titels in het Nederlandsehe wetboek.

TITEL I.

Omvang van de werking der strafwet.

(Arll. 1—9).

Het woord „strafwetquot; heeft in het opschrift en iu de artikelen van dezen titel, onafhankelijk van den beperkten zin aan de uitdrukking „wetquot; ook in dit wetboek toegekend (zie de toelichting van art. 102), de beteekenis van elk bindend voorschrift dat strafrechtelijke bepalingen inhoudt.

Het territorialiteitsbeginsel in artikel 2 van het Nederlandsehe wetboek neergelegd, reeds gehuldigd in artikel 25 van de Algemeene Bepalingen van wetgeving in Nederlandsch-lndië, doch daar met eene minder juiste redactie, is onveranderd overgenomen.

Ook ten aanzien van do toepasselijkheid der strafwet op feiten huiten hot grondgebied geploegd, is het stelsel van het Nederlandsehe wetboek geheel gevolgd.

Het ligt in den aard dor zaak dat waar de nationaliteit van den dader beslissend is, de terminologie in overeenstemming moest gebracht worden mot het Indische staatsrecht (zie bij art. 5).

Conflict met het Nederlandsch strafrecht zal oven weinig te vreezen zijn als in Nederland conflict met het Indische. Beide wetgevingen gelden naast elkander, evenals de eigen wetgeving naast die van vreemde landen.

De uitvoerbaarheid der Nederlandsehe vonnissen in Nederlandsch-lndië (art. 104 R. R.) behoeft hierin geeno verandering te brengen; de onderlinge verhouding der vonnissen is geregeld in art. 76 Ontw.

Artikel 2. Wellicht is het niet overbodig hier op te merken dat hot woord ieder, evenals het woord hij, waar deze uitdrukkingen in een wetboek voor Europeanen ter aanduiding van den dader voorkomen, in verband met artikel 109 R. R. alleen omvat Europeanen en mot hen golijkgestelden.

Art. 4 1°. Voor de opneming hier van do nieuwe artikelen 105, 108, 109 en 12(5 gold dezelfde roden als voor de vermelding der artikelen in art. 4 1°. van het Nederlandsehe wetboek genoemd,

-ocr page 110-

90

2u. Van het in artikel 4 \'2°. \\ed. Wh. gehuldigd beginsel wordt ook ten aanzien van de mimtmisdrijven hier niet afgeweken; doch de uitdrukking moet een andere zijn in verband niet het Indische muntstelsel. Zij is gekozen in overeenstemming met art. 32 Alg. Bep. van wetg.

Het woord muntpapier is ook overgenomen, omdat, al bestaat zoodanig papier thans in Indië niet, de mogelijkheid eener invoering daarvan niet is uitgesloten.

3u. Vg. art. 14 der wet van 23 April 18()4 (Slh. nJ. 35, Ind. Sth. 11°. 106) volgens welke bepaling de mogelijkheid niet is uitgesloten dat uit kracht van eene wet eene geldleening ton laste van Nederlandseh-Indië wordt aangegaan.

4°. De invoering van de woorden „voor zooveel zeeroof betreftquot;, vindt hare verklaring in de opneming van twee nieuwe artikelen (391 en 392), waarbij strandroof en rivierroof als afzonderlijke misdrijven strafbaar worden gesteld, op welke misdrijven de zwaardere strafbedreiging in het geval bedoeld bij art. 382 Ned. Wb. in art. 394 Ontw. mede toepasselijk is verklaard. De regel dat zeeroof is een misdrijf tegen het volkenrecht en de zeeroover overal en steeds strafbaar behoort te zijn, kon uit den aard der zaak niet tot strand- en rivierroof worden uitgebreid.

Art. 5. Met het oog op den staatsrechtelijken toestand van Neder-landsch-Indië is do uitdrukking „Nederlanderquot; (art. 5 Ned. Wb.) vervangen door „ingezetene van Nederlandseh-Indiëquot;, onder welke uitdrukking in dit ontwerp uit den aard der zaak verstaan worden Europeanen en met hen gelijkgestelden die tevens ingezetenen van Nederlandseh-Indië zijn. Voor het in het Nederlandsche wetboek gehuldigd zuiver nationaliteitsbeginsel moest hier in de plaats treden de persoonlijke band van ingezetenschap, zooals die volgens de voorwaarden van toelating in de daarop betrekking hebbende alge-meene verordening is geregeld.

Die persoonlijke band schijnt sterk genoeg om ingezetenen, ook dan wanneer zij zich buiten Nederlandseh-Indië aan misdrijf schuldig maken, op dezelfde wijze te behandelen als den Nederlander in het Nederlandsche wetboek. Hetzelfde beginsel is trouwens reeds erkend in de artikelen 32 en 33 Alg. Bep. van wetg.

Het spreekt van zelf dat, indien bij eenig misdrijf als vereischte wordt gesteld dat de dader Nederlander is (bv. artt. 115, 400, 401), voorde toepasselijkheid van art. 5 bovendien wordt gevorderd dat die Nederlander ingezetene zij.

De hiergenoemde Titels I en II van het Hde Boek hebben door opneming van verscheiden nieuwe artikelen (105, 108, 109, 116, 126, 129) eene niet onbelangrijke uitbreiding ondergaan, waarvoor echter het aan het Nederlandsche wetboek ontleende stelsel evenzeer moest gelden; ook hier wordt dus naar de titels in hun geheel verwezen.

Laatste lid. Het hoofddoel\' der bepaling vervat in het laatste lid van art. 5 Ned. Wb. is vervolging in Nederland mogelijk te maken, ingeval door latere verkrijging van het Nederlanderschap de uitlevering uitgesloten werd. In overeenstemming met dit doel en metdc in Nederlandsch-lndië op het stuk van uitlevering geldende bepalingen {hul. Slh. 1883 n0. 188) moest hier voorzien worden in de gevallen waarin de verdachte eerst na het begaan van het feit Neder-

-ocr page 111-

91

lander en ingezetene van Nederlandsch-Indië of, zoo hij tijdens het begaan van het feit reeds Nederlander was, ingezetene van Neder-landseh-Indië wordt.

Ofschoon bij de samenstelling van het Nederlandsche wetboek blijkbaar bedoeld werd dit laatste lid alleen toepasselijk te doen zijn in de gevallen van art. 5 n0. 2, is echter deze slotbepaling aldaar niet uitsluitend aan dat nommer verbonden. Men heeft gemeend hier den tekst met die blijkbare bedoeling in overeenstemming te moeten brengen door de invoeging der woorden „onder namp;, 2 bedoeldquot;. (Vg. Algemeene Beschouwingen § I.)

Art. (i. Wegens het geheel exceptioneel karakter der in liet Ontwerp alleen met het oog op de bijzondere Indische toestanden opgenomen doodstraf (vg. toelichting van B. I, T. I I), eischt de rechtvaardigheid dat voor een strafbaar feit gepleegd in een land waar op dat feit geen doodstraf is gesteld, ook in Nederlandsch-Indië niet die uiterste straf kan worden toegepast. Dit mag intusschen niet gelden ten aanzien van een misdrijf tegen de veiligheid van den staat of tegen de Koninklijke waardigheid (artt. 104, 105, 111, 2delid, 117, 3de lid, 122 en 128, 3de lid), waarop de Ned.-Ind. strafwet niet krachtens art. 5 2quot;., maar krachtens art. 5 1°. toepasselijk is. De uitzondering betreft dus alleen moord (art. 299).

Art. 7. Daar sommige Nederlandsch-Indische ambtenaren voortdurend met een openbaren diepst buiten de grenzen van het Ncder-landsch-Indisch grondgebied belast zijn (vg. bv. Ind. Sth. 1878 nquot;. 38), was er te meer reden voor overneming van art. 6 Ned. Wb.

TITEL IL Straffen.

(Artt. 10—44).

I.

STEAFSTELSKL. (Art. 10).

Er zijn tweeërlei straften, hoofdstraften die afzonderlijk of veree-nigd met eene bijkomende straf, en bijkomende straften die alleen vereenigd met eene hoofdstraf kunnen worden opgelegd.

In vele gevallen worden verschillende hoofdstraffen alternatief, ter keuze van den rechter, op het feit gesteld. De doodstraf wordt steeds met gevangenisstraf gealterneerd.

Gezamenlijke oplegging van twee hoofdstraffen ter zake van hetzelfde strafbare feit kent het Ontwerp in geen geval. Vrijheidsroo-ving en geldboete zijn straffen zoozeer verschillende van aard en strekking, dat gelijktijdige oplegging van beide aan denzelfden persoon voor hetzelfde feit zich niet laat verdedigen, hoe dikwijls zoodanige cumulatie in het geldende recht ook voorkome.

De hoofdstraffen zijn geen andere dan de doodstraf, tweeërlei vrijheidsstraf (gevangenisstraf en hechtenis) en ééne vermogensstraf (geldboete).

Behoudens opneming van de doodstraf in het strafstelsel en niet-overneming van de plaatsing in eene rijkswerkinrichting, is ook ten deze het Nederlandsche wetboek gevolgd.

-ocr page 112-

92

Wat betreft de doodstraf zie hieronder II.

Voor de niet-overneming van de plaatsing in eene rijkswerkinrichting gelden de volgende redenen.

In het Nederlandsehe Wetboek dient zij ter vervanging van de plaatsing in de vroegere bedelaarsgestichten of werkhuizen, en kan ter zake van bedelarij, landlooperij en herhaalde dronkenschap in het openbaar, worden toegepast (artt. 434, 453 Ned. Wb.). Tot nog toe hebben dergelijke inrichtingen in Nederlandseh-Indië niet bestaan, althans niet voor Europeanen on niet hen gelijkgestelden. Voor dezen heeft de behoefte zich ook niet dringend doen gevoelen, terwijl tevens eene behoorlijke uitvoering wegens hun gering aantal niet wel mogelijk schijnt. De in de artt. 450, 451, 452 en 479 voorgestelde strafverzwaring kan voor Nederlandseh-Indië voldoende worden geacht.

Ten aanzien van de verwerping van het stelsel der onteerende straffen gelden dezelfde redenen die daartoe in Nederland hebben geleid.

Deportatie, hare mogelijkheid en wensehelijkheid, was het onderwerp van breedvoerige gedachtenwisscling.

De voordeelen aan deportatie verbonden kunnen geenszins worden ontkend; maar in de eerste plaats stuit men op het bezwaar dat het wel ondoenlijk schijnt een geschikt oord aan te wijzen, waar Europeanen in een tropisch klimaat geregeld veld- of boscharbeid zouden kunnen verrichten.

Het valt niet te ontkennen dat, zoolang niet zeer deugdelijk vaststaat dat er, wat dit punt aangaat, mogelijkheid is tot practischo uitvoering van een deportatie-stelsel, aan opneming daarvan in het strafwetboek niet kan worden gedacht. Doch al kon een geschikt oord worden aangewezen, dan nog ware het opnemen van de deportatie in het strafstelsel, wegens het zoo gering aantal Europeesche veroordeelden op wie deze straf zou worden toegepast en de grootc kosten voor administratie en bewaking, niet gerechtvaardigd (1).

Verbanning kent het Strafwetboek van 186(5 nog in enkele gevallen. Ook deze straf, niet in het Nederlandsehe wetboek voorkomende, is in het Ontwerp niet opgenomen. Tegen haar pleiten dezelfde bezwaren als bij het tot stand komen van het Nederlandsehe wetboek zijn aangevoerd, terwijl geen enkel specifiek Indisch belang hare opneming wettigt. I Iet behoeft overigens geen betoog dat do politieke maatregelen bedoeld bij do artt. 45 en vlg. van het R. li., hier buiten beschouwing blijven.

II.

DOODSTRAF {Artl. 10 CU 11).

Dat uit een zuiver strafrechtelijk oogpunt tegen de doodstraf grooto bezwaren bestaan, en dat deze straf geenszins aan allo oischen die aan eene straf in hot algemeen moeten gesteld worden, voldoet, word erkend. Maar tevens stelde men zich op het standpunt dat

(1) Vg. ile uitvoerige bescliouwiiigon in do memorie van toeliditing op het N. VV. v. S. (Smidt 1, bl. 149 vl};.) en de daar aangehaalde geschriften, benevens het proefschrift van mr. II. G. Nkdeiibufiom : nlienige beschouwingen over transportatie pn rciegatie vooral in verband met kolonisatie.quot; \'s-Gravenbage I8(,)0.

-ocr page 113-

93

ook in Nederland, ter gelegenheid zoowel van de afschaffing van dit strafmiddel (1870) als van zijne niet-wederopneming in het nieuwe wetboek door verreweg de meeste voorstanders dier afschaffing werd ingenomen, namelijk dat deze straf niet in het afgetrokkene en onder alle omstandigheden volstrekt onrechtmatig en verwerpelijk mocht heeten. Men beaamde de juistheid der woorden van den minister Modderman bij de behandeling van het wetboek van strafrecht in de Tweede Kamer uitgesproken (1): „dat de staat al die rechten heeft zonder welke hij zijne plichten — en daaronder behoort in de eerste plaats de handhaving der rechtsorde — niet vervullen kan.\'

Is men op goede gronden bevreesd dat zonder de doodstraf die rechtsorde niet behoorlijk is te handhaven, dan mag men zich ook door de onmiskenbare gebreken aan deze straf eigen niet laten terughouden om haar in het strafstelsel op te nemen. Zij moet dan als een uiterst middel, als een „noodrechtquot; beschouwd worden dat wel alleen onder zeer buitengewone omstandigheden mag worden aangewend, maar waarvan de toepasselijkheid toch niet volstrekt mag worden uitgesloten.

Van deze beginselen uitgaande, kwam men na rijpe overweging tot het besluit dat vooralsnog geheele opheffing dier straf in een strafwetboek voor Europeanen in Nederlandsch-Indië niet raadzaam zoude zijn, en dat in dit opzicht eene afwijking van het strafstelsel van het Nederlandsche wetboek — hoe ingrijpend ook — overeenkomstig het beginsel nedergelegd in art. 7-r), 1ste lid van het Hegle-ment op het beleid der regeering van Nederlandsch-Indië, gerechtvaardigd was. Immers, het betreft hier niet de afschaffing der doodstraf in een wel geordenden Enropeeschen staat, met voldoende hulpmiddelen toegerust, om, gelijk onder andere in Nederland reeds lang bij ervaring gebleken was, zonder tot dit uiterste middel zijne toevlucht te nemen, de rechtsorde voldoende te beveiligen. Het vraagstuk moest hier worden gesteld cn beschouwd met het oog op een koloniaal gebied van grooten omvang, voortdurend voor uitbreiding vatbaar, met eene xiit zeer verschillende bestanddeelen samengestelde bevolking, waar uit den aard der zaak geheel andere toestanden heersehen en het gevaar voor ernstige verstoring der rechtsorde grooter en dreigender is dan in het moederland; waar de inrichting van het bestuur en de middelen tot handhaving van het gezag op verre na geen gelijken tred kunnen honden met die welke in Nederland en andere Europeesche staten worden aangetroffen, en waar het dus gewaagd mag heeten een wapen als de doodstraf reeds nu geheel uit handen te geven.

Wel werd het feit niet uit het oog verloren dat in de laatste veertig jaren slechts weinige tot de klasse der Europeanen behoove nde misdadigers in Nederlandsch-Indië, onder welke ook de militairen zijn begrepen voor zoover deze zich aan misdrijven van het gemeene recht schuldig maakten, zijn ter dood gebracht (2). Hieruit echter het besluit te trekken dat de ervaring ook voor Nederlandsch-

(1) Vg. Smidt, bl. 160.

(2) Gedurende liet bedoelde tijdperk is de doodstraf ten uitvoer gelegd slechts eenmaal tegen een burger (in 1872) en, voor zooveel men kon nagaan, ten minste driemalen tegen militairen wegens tot het gemeene reolit beboerende misdrijven; ten aanzien van welke laatsten eebter in aanmerking moet genomen worden, lt;lat hun vermoedelijk mede wegens militaire overwegingen gratie onthouden is.

-ocr page 114-

94

Indië het behoud der doodstraf voor de Europeanen als niet noodzakelijk heeft aangetoond, zon eenigszins voorbarig zijn. In de eerste plaats toch verdient hierbij in aanmerking te komen hot betrekkelijk gering aantal niet tot het leger behoorendo Europeanen en daarmede gelijkgesteld en, bedragende volgens de laatste gepubliceerde opgave slechts .\'53.921 (1). Maar in de tweede plaats en vooral mag men niet vergeten dat, blijkens den geheel verschillenden toestand in de koloniën, waarop zoo even reeds is gewezen, de waarschijnlijkheid dat ook in de toekomst die gunstige verhouding zal blijven bestaan, veel minder groot is dan in Nederland, en dat ernstige verstoring van rust en orde, gevaarlijk verzet tegen het gezag in Nederlandsch-Indië meer dan aldaar te duchten zijn. Hierbij mag verder al evenmin onopgemerkt blijven dat verreweg het grootste deel dei\' Europeanen, als in Nederlandsch-Indië geboren, tot de klasse der zoogenaamde Indo-Europeanen behoort, waarvan weder eene belangrijke fractie onder de lagere klassen der maatschappij wordt aangetroffen, en die in hunne gewoonten en denkbeelden, en in \'t algemeen wat betreft den trap van beschaving waarop zij staan, dikwijls meer aan de inlanders dan aan do Europeanen verwant zijn, zóó zelfs dat niet zelden het inlandsche element op hen een over-heerschenden invloed heeft. En rui ligt het in den aard der zaak dat niet alleen bij de in Nederlandsch-Indië telkens voorkomende georganiseerde root- en moordpartijen, maar vooral ook bij ernstig verzet of opstand tegen het Nederlandsch gezag, juist dit aan de inlanders zoo nauw verwante element dat het meeste tot vermeerdering der zoogenaamde Europeesche bevolking bijdraagt, een gevaarlijken invloed zal kunnen uitoefenen, en dat ook vooral met het oog daarop de mogelijkheid om in het uiterste geval in het belang van eene krachtige repressie de doodstraf toe te passen, aan het gezag niet mag ontnomen worden.

In verband hiermede meende men nog op eene andere overweging ten gunste van de opneming der doodstraf in dit ontwerp te moeten wijzen. Hoewel het hier alleen geldt de samenstelling van een wetboek voor Europeanen, mocht men toch niet voorbijzien dat in een strafwetboek voor inlanders de doodstraf in ieder geval vooralsnog moeilijk zou kunnen gemist worden. De redenen, zooeven met het oog op de bijzondere Indische toestanden aangevoerd, verkrijgen waar het de inlanders betreft, dubbele kracht. Men meende dus te mogen aannemen dat — gesteld al eens dat de doodstraf in het wetboek voor Europeanen niet voorkwam — zij toch bij de herziening van het strafwetboek voor inlanders, die noodzakelijk op de herziening van dat voor Europeanen volgen zal, zou behouden blijven. Maar dan moest men ook rekening houden met de mogelijkheid dat Europeanen en inlanders aan hetzelfde strafbare feit samen zouden schuldig zijn. Ware het met het oog op zoodanige gevallen goed gezien de doodstraf, de straf die met geen enkele vrijheidsstraf, hoe zwaar ook, op ééae lijn kan worden gesteld, voorde schuldigen van den eenen landaard toe te laten, voor die van den anderen volstrekt uit te sluiten ? Zou niet door zulk een onderscheid in rechtstoestand tussehen den eenen onderdaan en den anderen het rechtsgevoel des volks bedenkelijk worden geschokt.

(.1) Vg. Kol. Verslag van 1890, bl. 1.

-ocr page 115-

de grondslag der rechtvaardigheid waarop ieder regeerstelsel moet berusten en ook in het oog van de geregeerden moet blijken te berusten, worden ondermijnd? Een ontkennend antwoord op deze vragen durfde men niet geven.

Intusschen, al wordt de doodstraf in het strafstelsel opgenomen, hare toepasselijkheid is, in overeenstemming mot het bovenvermelde standpunt, tot de zwaarste gevallen beperkt;

1°. tot de ernstigste misdrijven tegen de veiligheid van den staat (artt. 104, 105, 111, 2de lid, 117, 3de lid);

2°. tot moord (artt. 299, 128, 3de lid, 132, 3de lid).

Maar ook in die gevallen wordt in het Ontwerp de doodstraf niet imperatief gestold, doch heeft men gemeend den rechter de bevoegdheid te moeten geven haar door vrijheidsstraf te vervangen. Ter verdediging van deze facultatieve bedreiging kan met twee opmerkingen worden volstaan.

Ook de genoemde zware misdrijven kunnen gepleegd zijn uit drijfveeren en onder omstandigheden die lichtere bestraffing eischen; de rechter mag oplegging van de doodstraf slechts voor uiterste gevallen bewaren. En hiermede sluit het ontwerp zich in beginsel geheel aan bij wat reeds nu, zoowel voor de Europeanen als voor de inlanders, in de geldende strafwetboeken rechtens is (art. 34 W. v. S. v. E., volgens Ind. Slb. 1875 n0. 215; art. 37 W. v. S. v. T., volgens Ind. Slh. 1876 nn. 174).

In overeenstemming met een en ander moet dan ook de rechter niet alleen te kiezen hebben tusschen doodstraf en eene andere absolute straf; de levenslange gevangenisstraf, maar moet hij ook kunnen opleggen die tijdelijke gevangenisstraf (van ton hoogste twintig jaren) welke, evenals in het Nederlandsche wetboek, ook in hot Ontwerp tor alternatie met do levenslange is aangenomen. Wel is daardoor wegens het gemis van speciale strafminima de don rechter gelaten macht ontzaglijk groot, maar eensdeels was dit, nu men het stolsel van do afschaffing der speciale strafminima uit het Nederlandsche recht wilde overnemen, onvermijdelijk; anderdeels is toch ook thans de bevoegdheid om tusschen oplegging van de doodstraf en van eene tweejarige gevangenisstraf te kiezen (art. 34 W. v. S. v. E.) practisch van weinig minder beteekonis.

Ten aanzien van de wijze van uitvoering der doodstraf sluit het Ontwerp (art. 11) zich geheel aan bij wat ook thans de geldende voorschriften in Nederl.-Indië bepalen (art. 8 W. v. S. v. E.; art. 339 Reglement op de strafvordering). Aanleiding om hierin verandering te brengen bestond niet. Waar zoowel tegen openbare als tegen niet-oponbare executiën allerlei bedenkingen zijn aan te voeren, is aansluiting aan den uit de ervaring bekenden en door de ervaring niet veroordeelden toestand aangewezen.

III.

Gevangenisstraf. (Artt. 12—19).

Bij de vraag of gevangenisstraf in Indië kon blijven opgelegd, met overneming van het bij hot Nederlandsche wetboek vastgestelde maximum der tijdelijke gevangenisstraf, behoefde men, blijkens do ondervinding opgedaan van de thans in het wetboek van strafrecht

-ocr page 116-

96

voor de Europeanen geldende vrijheidsstraffen, niet stil te staan, maar de beantwoording van drie andere vragen vereischte gezette overweging.

De eerste was deze: is in een Indisch strafwetboek levenslange gevangenisstraf op hare plaats? De tweede; kan ook cellulaire gevangenisstraf in het stelsel worden opgenomen? Zoo ja, voor hoelang? De derde; wat te beslissen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling ?

Tegen de levenslange gevangenisstraf werd geen specifiek Indisch bezwaar aanwezig geacht, en verder werd geoordeeld dat zij bepaaldelijk ook voor alternatie met de doodstraf in aanmerking moest komen. Immers, waar het de bedoeling is om de oplegging van de doodstraf tot de gevallen van uiterste noodzakelijkheid te beperken, moet juist de mogelijkheid van oplegging van levenslange gevangenisstraf openstaan.

De cellulaire gevangenisstraf zal moeilijk in Indië kunnen worden ingevoerd gelijk zij in Nederland bestaat. Klimatologische bezwaren wegen zeer zwaar tegen de aanbeveling van de afzonderlijke opsluiting-op den voet van het Nederlandsche wetboek in een tropisch klimaat gelijk dat van Nederlandsch-Indië, waar men bovendien zoo goed als geen ervaring heeft van een eenigszins langdurig verblijf in de cel. Thans toch is deze wijze van opsluiting als maatregel van tucht geoorloofd tot een maximum van drie achtereenvolgende maanden (art. 5(1 van Ind. Stb. 1871 n0. 78), doch de gegevens om te kunnen beoordeelen inhoever de daarbij opgedane ervaring voor een eenigszins langdurige afzonderlijke opsluiting als straf pleit, ontbreken.

Intusschen schijnt — en ook het hooggerechtshof van N. I. is blijkens zijn advies in beginsel die meening toegedaan — geen bezwaar te bestaan tegen eene toepassing van het stelsel van afzonderlijke opsluiting, vooralsnog beperkt tot een maximum van één jaar, wanneer de inrichting der thans bestaande gevangenissen met het oog hierop werd verbeterd. Een behoorlijk van lucht en licht voorzien vertrek met eene kleine galerij en eene daaraan verbonden ommuurde open ruimte zijn volkomen geschikt in Nederlandsch-Indië, en het vereischte ambtelijk personeel zal wel te vinden zijn, wanneer de traktementen in verhouding worden gebracht tot de belangrijke diensten welke van dat personeel zullen moeten worden gevergd.

Wat de voorwaardelijke invrijheidstelling betreft, heerscht er groot verschil van gevoelen tusschen de Indische autoriteiten.

Het advies van den Raad van Nederlandsch-Indië staat hier tegenover dat van den directeur van justitie en dat van het Hooggerechtshof, beiden van oordeel dat art. 15 van het Nederlandsche wetboek niet moet worden overgenomen in het Nederlandsch-Indische wetboek.

Na zeer aandachtige overweging dezer adviezen heeft men gemeend zich te moeten aansluiten bij de laatstgemelde. Hoofdzakelijk wogen daarbij twee daarin in het breede uiteengezette gronden.

Vooreerst, dat het vooroordeel tegen ontslagen gevangenen dat hun het vinden van de middelen voor een eerlijk bestaan zoo moeilijk maakt, in Nederlandsch-Indië niet, althans niet in gelijke mate als in Nederland heerscht, waardoor een belangrijke grond voor de voorwaardelijke invrijheidstelling vervalt; ten andere, dat de organisatie der politie in Nederlandsch-Indië geen genoegzame waarborgen levert dat de instelling en de toepassing tot haar recht zullen komen, dat

-ocr page 117-

97

een voorwaardelijk niet in den regel gelijk zal staan met een onherroepelijk ontslag.

Dit laatste bezwaar zou ook niet geheel worden opgeheven, ingeval den voorwaardelijk in vrijheid gestelde eene bepaalde plaats of eene bepaalde streek als verblijf werd aangewezen, afgescheiden daarvan dat door zoodanige beperking in des ontslagenen vrijheid van beweging het voorwaardelijk ontslag geheel van aard zoude veranderen.

In het vaststellen van verdere bepalingen betreffende den aard der gevangenisstraf kon men het Nederlandsche wetboek niet eenvoudig volgen. Reeds kan wellicht op dit wetboek terecht worden aangemerkt dat onderscheiden bepalingen welke in een wetboek van strafrecht zouden behooren, omdat zij werkelijk het karakter der straf mede bestemmen, in dat wetboek ontbreken en opgenomen zijn in de wet tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen (Wet van 14 April 188(1, Ned. Slb. nquot;. (gt;3), Maar in Nederland is het dan toch nog in beide gevallende rijkswetgever die de voorschriften geeft; terwijl de algemeene bestuursmaatregel die de voorschriften uitwerkt, in ieder geval bij een Koninklijk besluit is vastgesteld.

Wilde men voor Nederlandsch-Indië alles wat voor Nederland niet in het wetboek staat, aan eene nadere regeling overlaten, dan zou daarvoor geen andere regeling denkbaar zijn dan die bij ordonnantie. En hoewel nu (vg. art. 29) onderscheiden onderwerpen inderdaad voor zoodanige ordonnantie moeten voorbehouden blijven, toch mocht men hierin niet te ver gaan. Aan deze overwegingen hebben hare opneming in het Ontwerp te danken de bepalingen van artt. 15,16, 17, 2de lid, 19, 21, 22, 26, 27, 28, 32.

Art. 15. Bij vergelijking van dit artikel met art. 8 der vermelde Ned. wet blijkt van twee belangrijke punten van verschil: ln. de beperking tot vrijheidsstraf van korten duur in overeenstemming met het eigenlijke doel der bepaling; 2°. de vervanging van het absoluut gebod der toet door de aan den rechter gegeven bevoegdheid om den maatregel als strafverzwaring al dan niet toe te passen. Aldus geregeld, verdient de zaak voor Nederlandsch-Indië aanbeveling. Voor noodzakelijke uitzonderingen in het belang der gezondheid opent het 2de lid van het artikel de gelegenheid.

Art. 16. Bij vergelijking van dit artikel met art. 9 der vermelde Ned. wet blijkt dat, voorzooveel de gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren betreft, van een geheel tegenovergesteld beginsel wordt uitgegaan. Dit geschiedt in aansluiting aan het in Nederlandsch-Indië geldend art. 33 van Ind. Slb. 1871 n0. 78. Uitgesloten bij de uitvoering van zeer zware vrijheidsstraffen voor langer dan vijfjaren, beperkt tot „eenige verbeteringquot; en in de verordening bedoeld bij art. 29 Ontw. zóó geregeld dat tegen misbruiken wordt gewaakt, en in elk geval afhankelijk gesteld van de vergunning door het in de ordonnantie aan te wijzen gezag — is de pistole in overeenstemming met den eiseh van eene rechtvaardige toepassing der straf.

Art. 17. Vermits wegens het lager maximum der cellulaire opsluiting in Nederlandsch-Indië do gevangenisstraf veel meer in gemeenschap zal moeten worden ondergaan, wordt in het Ontwerp niet volstaan met het stellen van het beginsel der classificatie (art 17, 1ste lid, vg. art. 13 Ned. Wb.), maar wordt daarnevens erkend het beginsel van progressie, en de toepassing van dat beginsel aangeduid, voorzoover zulks in het stelsel van het Ontwerp past.

Outwerp Wetboek Strafrecht N.-I. 7

(voor de Europeanen.)

-ocr page 118-

98

Art. 18. Be slotwoorden van art. 14 Ned. Wb. „overeenkomstigquot; enz, zijn, met het oog op art. 29 Ontw., als overbodig weggelaten.

Art. 19. Vg. art. 17 der vermelde Ned. wet. Voldoende is het hier het beginsel te stellen; de uitwerking, de aanwijzing van regel en uitzonderingen, blijft overgelaten aan do ordonnantie bedoeld in art. 29. De behoefte zal samenhangen met den leeftijd der gevangenen, den duur van den straftijd en persoonlijke omstandigheden. Deze dwingende bepaling is beperkt tot hen die gevangenisstraf ondergaan.

Voor de tot hechtenis veroordeelden kan deze aangelegenheid, voorzoover zij regeling behoeft, geheel aan de bij art. 29 bedoelde ordonnantie worden overgelaten.

IV.

HECHTENIS. (Avtl. 20—25)

Gelijk in Nederland, wordt met de hechtenis geen andere straf bedoeld dan die van eenvoudige vrijheidsrooving, onverminderd de in art. 21 toepasselijk verklaarde facultatieve strafverzwaring van art. 15 ^\'g. de toelichting van dat artikel).

Zal deze straf aan haar doel beantwoorden, dan dient zij zooveel doenlijk ondergaan te worden in gestichten niet bestemd tot opsluiting van tot gevangenisstraf veroordeelden.

De Nederlandsche wetgever heeft in art. 19 van het wetboek van strafrecht dit beginsel tot wet verheven.

Voor Indiö schijnt, met het oog op het betrekkelijk gering getal veroordeelden, eene strenge toepassing van het beginsel wegens de groote finantieele bezwaren moeilijk te kunnen worden overgenomen.

Men is evenwel aan het beginsel zooveel mogelijk getrouw gebleven door opsluiting van tot gevangenisstraf en tot hechtenis veroordeelden in hetzelfde gesticht alleen toe te laten bij plaatsing in verschillende afdeelingen (art. 23, 1ste lid).

Wat boven onder III is opgemerkt omtrent de opneming in het ontwerp van in het Nederlandsche wetboek niet voorkomende bepalingen welke den aard der gevangenisstraf betreffen, geldt ten deele ook van de hechtenis (artt. 21, 22, 2G, 27, 28, 32.)

Art. 21. Vg. de toelichting van art. 15.

Deze facultatieve strafverzwaring werd ook bij hechtenis van korten duur wensehelijk geacht, omdat op sommige veroordeelden do enkele vrijheidsrooving niet genoeg indruk zou maken.

Art. 22. Vg. de toelichting van art. 16.

Hier echter wordt het genot der pistole niet afhankelijk gesteld van eene vergunning, doch, onder voorwaarde dat do gerechtskosten betaald zijn, en overigens op gelijken voet en onder gelijk voorbehoud als in art. 16 is aangewezen, recht op pistole gegeven. Daardoor wordt het karakter der hechtenis als eenvoudige vrijheidsrooving gehandhaafd.

Art. 24. Hot artikel is van ruimere strekking dan art. 25 in verband met art. 34, 4de lid Ned. Wb. Voor do beperking van de in die artikelen don veroordeelde toegekende bevoegdheid tot de subsidiaire hechtenis is geen goede reden te geven. Immers, de grond voor art.

-ocr page 119-

99

2-5 Ned. Wb. in de toelichting van dat artikel (1) aangevoerd, dat namelijk „liet geval zeer denkbaar (is) dat de veroordeelde, teneinde een voor hem pijnlijk transport te vermijden, verkiest de subsidiaire hechtenis to ondergaan in het gesticht waar hij zich bij het uiteinde eener gevangenisstraf bevindtquot;, geldt in gelijke mate van de principale hechtenis die de veroordeelde nog niet heeft te ondergaan na het uiteinde eener gevangenisstraf (2).

Nu in het Ontwerp het artikel tot allo hechtenis werd uitgebreid, moest het ook onder de algemeene voorschriften over deze straf worden opgenomen. De invoeging van het woord „uitsluitendquot; houdt verband met het eerste lid van art. 23.

V.

BEPALINGEN AAN GEVANGENISSTRAF EN HECHTENIS GEMEEN.

(Arlt. 26—30).

Ten aanzien van de opneming der artt. 2(5, 27 en 28 in het Ontwerp vg. het boven onder III en IV opgemerkte.

Art. 26. Eene bepaling omtrent godsdienstoefening en godsdienstonderwijs, eenerzijds de gelegenheid daartoe openende, anderzijds dwang uitsluitende, kan in het Ontwerp niet worden gemist.

Wat het eerste punt betreft, is echter rekening gehouden met de omstandigheid dat in Nederlandsch-Indië die gelegenheid niet overal kan worden gegeven.

Wat het tweede punt aangaat, moet het beginsel gelden dat dwang in clit opzicht onbestaanbaar is met de volkomen vrijheid van godsdienstige belijdenis welke ook hem die straf ondergaat, niet mag worden ontnomen.

Arl. 27. Vg. artt. 5 en 6 der Nederlandsche wet van 14 April 1886 (Ned. Stb. n» 62.).

Art. 28. Do regeling der tucht meende men geheel aan de ordonnantie bedoeld bij art. 29 te moeten overlaten.

Alleen wil men door dit artikel ontleend aan het oorspronkelijk ontwerp van het Nederlandsche wetboek, de lijfstraf verbieden die onvereenigbaar is met do beginselen van het aangenomen strafstelsel en bovendien thans in Nederlandsch-Indië ook als tuchtmiddel voor veroordeelde Europeanen niet bestaat.

Art. 29. Vg. art. 22 Ncd. Wb. De aanwijzing van den Gouverneur-Generaal als de autoriteit die de algemeene regeling bij ordonnantie en van den directeur van justitie als de autoriteit die de huishoudelijke reglementen heeft vast te stollen, is in overeenstemming met hetgeen thans in Nederlandsch-Indië te dien aanzien bestaat (Vg. Inci. Stb. 1871 n0. 78).

Art. 30. De duur der tijdelijke gevangenisstraf wordt volgens art.

(1) Smidt, I, bl. 31\'2.

(2) In gelijken zin mis. lUzF.LllOKF, lInKMSKERK en Poi.enaar, Aant. 1 op art. 25 Ne.1. Wb.

-ocr page 120-

100

•quot;gt; nft. 6, in verband met art. !!4 Wetboek van Strafrecht van ISOW en art. 1 Alg. Pol. Regl. v. d. Eur., in de rechterlijke uitspraak aangewezen in de jaren, maanden en dagen. Het is wcnschelijk voorgekomen ook eene veroordeeling bij toeken toe te laten evenals in art. 21 Ned. Wb. op de daarvoor in dc toelichting van dat artikel gegeven gronden.

VI.

GELDBOETE, VERVANGENDE HECHTENIS. {Artl. 31—33).

Het minimum der geldboete, volgens art. 46(5 Code Pénal één franc en volgens § 27 van het Duit ache Rijksstrafwetboek bij misdrijven drie Mark en bij overtredingen één Mark, was volgens art. 23 Ned. Wb. in zijn eerste redactie, in overeenstemming met het oorspronkelijk art. llt;il der gemeentewet, bepaald op één gulden, doch werd op voorstel van de commissie van rapporteurs nader gesteld op vijftig cents.

In art. 31 van het Ontwerp is echter, in aansluiting aan het thans in Nederlandsch-Indië bestaande recht, het minimum der boete bepaald op één gulden, op grond van de mindere waarde van het geld aldaar.

Evenmin als in het Nederlandsche Wetboek blijkt in dit Ontwerp het maximum der boete uit eene algemeene bepaling. De hoogste boete in het Ontwerp bedreigd is flO.OOü (art. 3ö8), evenals in art. 347 Ned. Wb.

Teneinde het bedrag niet te hoog op tó voeren, zijn de boeten van het Nederlandsche Wetboek, voorzooveel deze f (iOü te boven gaan, in het Ontwerp niet hooger gesteld, maar om de reden die geleid heeft tot verdubbeling van het minimum, is het maximum van de boeten van gemeld bedrag of daar beneden met de helft verhoogd.

Dit geldt liet Tweede Boek.

In het Derde Boek echter is met het oog op art. 82 Ontw. een eenigszins ander stelsel gevolgd.

In de gevallen waarin uitsluitend boete gesteld is, is het maximum niet verhoogd; bij alternatieve bedreiging van boete en hechtenis is meermalen eenige verhooging aangenomen en altijd zóó, dat, in verband met art. 31, 3de lid, het maximum door vijf deelbaar is.

Bij de verhooging van het maximum der boeten in geval van alternatieve bedreiging met vrijheidsstraf heeft mede de overweging gegolden dat het wenschelijk is den rechter do gelegenheid te geven om ook in betrekkelijk ernstige gevallen naar omstandigheden de vermogensstraf op te leggen.

Het stelsel van vervanging der boete bij wanbetaling door vrijheidsstraf (hechtenis) dat, in Nederland reeds in 1804 algemeen aangenomen, in het nieuwe strafwetboek werd bestendigd en ook in de meeste nieuwere wetgevingen geldt, werd, in overeenstemming met het gevoelen der Nederlandsch-Indische autoriteiten, ook voor Nederlandsch-Indië zeer aanbevelenswaardig geacht, waar het reeds voor inlanders in strafzaken bij de regentsehapsgerechten bestaat (art. 117 Inl. Regl.), en is dus in het Ontwerp opgenomen ter vervanging, voorzooveel de geldboete betreft, van de op dit stuk thans in Ned.-Indië geldende bepalingen in de artt. 347 vlg. Regl. strafv.

Art. 31. Wilde men voorkomen — wat wegens de aangenomen verhooging van het maximum van vele geldboeten te eerder kon

-ocr page 121-

101

plaats vinden — dat het maximum der vervangende hechtenis in sommige gevallen hooger werd dan dat van de in dezelfde bepaling alternatief gestelde vrijheidsstraf, dan diende een voorschrift te worden opgenomen als dat van het 4do lid van dit artikel.

Art. 32. Vg. de toelichting van de artt 15 en 21.

Deze strafverzwaring kan in geval van vervangende hechtenis tevens bevorderlijk zijn aan de betaling der boete.

Arl. 83. Zie art. 24 Ned. Wb.

1ste lid. De gewijzigde redactie vindt hare verklaring in de in Nederlandseh-Indië meer dan in Nederland bestaande mogelijkheid dat wegens gebrek aan plaats in de gevangenissen de vervangende hechtenis niet ten allen tijde kan worden tenuitvoergelegd.

3de lid. Bij vergelijking met het Nederlandsche wetboek blijkt hier van een belangrijk verschil, nl. dat de veroordeelde de bevoegdheid heeft om de geldboete bij gedeelten te voldoen, ook vóór de uitvoering der vervangende hechtenis. Dit is in overeenstemming met de geldende Indische praktijk en voor de betaling der boeten bevorderlijk.

VIT.

INGANG VAN GEVANGENISSTRAF EN HECHTENIS. {Artt. 34—36).

Art. 34, Iste lid. Het beginsel dat de vrijheidsstraf ingaat op den dag der tenuitvoerlegging, is in overeenstemming met art. 2(5 Ned. Wb. en met de laatste zinsnede van art. 346 Regl. strafv. Maar, terwijl het Nederlandsche Wetboek dat beginsel ook huldigt ten aanzien van hen die zich in verzekerde bewaring bevinden, bepaalt de Indische strafvordering dat hun straftijd ingaat met den dag waarop de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Deze bepaling is in het Ontwerp overgenomen, omdat tenuitvoerlegging van rechterlijke gewijsden in Nederlandsch-Indië wegens den groeten afstand tusschen de plaats waar de veroordeeling kracht van gewijsde bekomt, en die waar de veroordeelde zich in verzekerde bewaring bevindt, in vele gevallen meer vertraging ondervindt dan in Nederland (vg. art. 344, 3de lid Regl. strafv.)

\'2de lid. Deze nieuwe bepaling was noodig ten gevolge van de in het eerste lid aangebrachte wijziging; immers, men zou anders in het veronderstelde geval kunnen beweren dat beide vrijheidsstraffen tegelijk ingaan op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kracht-van gewijsde heeft gekregen, terwijl zij toch ieder in haar geheel moeten worden ondergaan. Dat overigens de zwaarste strafsoort daarbij het eerst in aanmerking komt, ligt in den aard der zaak.

Art. 35. Dit artikel stemt overeen met art. 27 Ned. Wb., behoudens de wijziging noodig geworden door het in art. 34 aangenomen stelsel omtrent den ingang der vrijheidsstraffen.

Art. 36. Dit artikel is opgenomen, omdat in de Indische praktijk hieromtrent onzekerheid bestaat.

Hetzelfde beginsel ligt ten grondslag aan art. 85 2de lid (art. 77 Ned. Wb.).

-ocr page 122-

102

vin.

ONTZETTING VAN BKl\'AALDE RECHTEN EN BEVOEGDHEDEN.

(Ar11. 37—40).

Art. !-!7. In den aanhef van dit artikel zijn de woorden „dit wetboek of eene andere algemeene verordeningquot; in de plaats gekomen van do woorden „do wetquot;, opgenomen in den aanhef van het overeenstemmende art. 28 Ned. Wb.

Deze uitdrukking is ontleend aan art. 20 van het wetboek van 1866 en in overeenstemming met het Indisch staatsrecht (art. 31 li. R.).

Ontzetting van het kiesrecht en van de verkiesbaarheid is niet uit art. 28 n0. 3 Ned. Wb. overgenomen, omdat Europeanen in Neder-landsch-lndië dergelijke rechten niet bezitten. Vg. art. 20 Wetb. 1866 met de toelichting.

Voorts moet nog bij vergelijking met het aangehaalde art. 28 op de volgende punten de aandacht worden gevestigd.

a. In 3°. zijn lichter hot woord „raadsmanquot; ingevoegd de woorden: „in eene voogdijquot;, om te voorkomen dat ook de raadsman bedoeld bij art. 773 van het Indische wetboek van koophandel onder de bepaling zou kunnen vallen, wat buiten het stelsel van het Neder-landsche wetboek zou wezen.

h. Ofschoon in het wetboek van 1866 de ontzetting van het recht om toeziende voogd of toeziende curator te zijn niet is vermeld, omdat in den regel als zoodanig in Nederlandsch-Indië de weeskamer optreedt, is dit voorbeeld niet gevolgd, omdat ook rekening dient gehouden te worden met de uitzondering bedoeld bij de artt. 367 en 452 van het Indische burgerlijk wetboek.

c. Het laatste lid van art. 28 Ned. Wb. kon niet ongewijzigd worden overgenomen.

Ambtenaren voor een bepaalden tijd aangesteld, buiten het enkele geval waarin het eene speciale opdracht aan tijd gebonden geldt, kent men in de Indische verordeningen niet.

Maar ook van „ambtenaren voor het leven aangesteldquot; worde hier liever niet gesproken. Immers, hoewel de artt. 95 R. R. en 51 en 53 Ind. Stbl. 1869 no. 106 de opvatting rechtvaardigen dat bij de daar bedoelde ambtenaren moet worden gedacht aan wat eene aanstelling voor het leven heeten kan, de uitdrukking zelve komt noch in de bedoelde artikelen, noch elders voor. Met eene andere omschrijving kan echter hetzelfde beginsel hetwelk art. 28, 2de lid Ned. Wb. in het leven riep, in een wetboek voor Nederlandsch-Indië worden opgenomen. Voor Nederland toch komt het beginsel practisch hierop neer dat sommige ambtenaren niet door het gezag dat hen aanstelde, kunnen worden ontslagen, maar alleen om bepaalde in de wet genoemde redenen door een bepaald met rechtsmacht bekleed college, den Hoogen Raad. Iets dergelijks is — hoewel dc macht die ontslaat hier een andere is — de bedoeling der aangehaalde wetsartikelen ten aanzien van den president, de vice-presidenten en de leden van het Hooggerechtshof, alsmede van den president en dc leden der Algemeene Rekenkamer.

Ook hier eischt dan de consequentie van het beginsel dat voor ambtenaren, omtrent wie dergelijke bijzondere voorschriften bij uitsluiting gelden, de ontzetting door den gewonen strafrechter uitgesloten zij.

-ocr page 123-

103

Eene beperking echter moest aan de omschrijving „wanneer eene andere macht bij uitsluiting voor die ontzetting is aangewezenquot; nog worden toegevoegd. Er bestaat nl. voor deze uitzondering alleen dan voor Nederlandsch-Indië een staatsrechtelijke grond, wanneer de eigenlijke ivel, de door den rijkswetgever vastgestelde, de bijzondere regeling waarvan zoo oven sprake was, heeft voorgeschreven. Huiten dit geval is het niet wonschei ij k de bevoegdheid van den strafrechter te beperken, al bestaat naast de mogelijkheid van ontzetting door dezen als straf opgelegd, ook do mogelijkheid van ontzetting als disciplinaire maatregel door de daartoe bevoegde macht. In het bij art. 37 gehuldigde stelsel van facultatieve ontzetting zal echter art. 51, 3de lid, van hot Reglement op hot notarisambt (Ind. Stb. 1860 n0. 3) niot ongewijzigd kunnen blijven. (Vg. art. 51 Nederlandsche notariswet, zooals het laatstelijk gewijzigd is bij art 10 (i». Ned. Inv. wet van 15 April 1886 (Ned. Slb. n0. 64).

Art. 40, Isle lid. Wegens do opneming dor doodstraf in hot strafstelsel was in nquot;. 1 de invoeging der woorden „tot de doodstraf of noodzakelijk. De ontzetting van rechten is toch als bijkomende straf zelfs nevens de doodstraf alleszins te rechtvaardigen. Zoo word het reeds begrepen in art. 12 van het wetboek van 1866 dat, in overeenstemming met den (\'ode I\'ónal zoonis deze in Nederland gold, ontzetting van zekere rechten en bevoegdheden als voortdurend gevolg onherroepelijk ook aan de veroordeeling tot do doodstraf verbond. Het practisch belang dier ontzetting, ook bij facultatieve oplegging als bijkomende straf, gelijk in hot Ontwerp, springt vooral in hot oog, wanneer men denkt aan de mogelijkheid dat den tor dood veroordeelde gratie wordt verleend, of dat hij zich door ontvluchting aan do tenuitvoerlegging der straf onttrekt.

IX.

VERBEURDVERKLARING VAN BEPAALDE VOORWERPEN.

(Artt. 41 en 42).

Verbeurdverklaring moot, zal zij haar karakter van straf niot verliezen, alleen kunnen gelast worden ten aanzien van voorwerpen die don veroordeelde toebehooren, zooals dit ook in art. 6 2°. van het wetboek van 1866 is voorgeschreven. Dat wetboek kent in art. 7 ook facultatieve vernietiging of onbruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen geschikt gemaakt of gediend hebbende tot het plegen van een misdrijf, die, onverschillig aan wion die voorworpen toebehooren, zelfs bij vrijspraak kan gelast worden. Deze geheel hot karakter van eon politiemaatregel dragende bepaling behoort niet in het strafwetboek, maar zal, ovenals dit in het Nederlandsche wetboek van strafvordering (art. 219) is geschied, nader in het Noderlandsch-Indisch reglement op de strafvordering behooren te worden geregeld, waarbij dan tevens de vraag zal moeten overwogen worden, of ten aanzien van de wijze waarop mot stukken van overtuiging wier eigenaar niet bekend is, en die niet bij een bepaald persoon in beslag zijn genomen of door dozen zijn afgestaan, zal worden gehandeld, nog bijzondere voorschriften worden voreisoht.

Met do in art. 33 Ned. Wb. gehuldigde beginselen is in onmis-kenbaren strijd hetgeen in de artt. 214, 223 en 234 van het Wet-

-ocr page 124-

104

boek bepaald is ten aanzien der verbeurdverklaring van de bij die artikelen bedoelde „stoffen en werktuigenquot;. Terwijl toch volgens art. 33 verbeurdverklaring steeds facultatief is gesteld, wordt zij in de genoemde bepalingen imperatief voorgeschreven. Eveneens zal het volgens den duidelijken zin dierzelfde bepalingen niet vercischt worden dat de stoffen en werktuigen „den veroordeelde toebehoorenquot;, want het „voorhanden hebbenquot; dier voorworpen is voldoende, onverschillig of zij al dan niet hot eigendom zijn van den veroordeelde.

In het oorspronkelijk regeeringsontwerp kwamen deze bepalingen dan ook niet voor en bleef bij veroordeeling wegens de in bedoelde artikelen omschreven misdrijven de gewone regel van art. 33 gelden. Eerst later is afwijking voorgesteld en bij de beraadslagingen zonder discussie aangenomen. Als eenig motief werd door de Regeering aangevoerd (1) „dat art. 43 (thans art. 33) niet spreekt van voorwerpen die tot het plegen van misdrijf nog slechts bestemd warenquot;. Blijkbaar heeft men met die woorden willen zeggen dat het hier een ander geval betrof dan in art. 33 en dat met de bedoelde „stoffen en werktuigenquot; geen misdrijf „wordt gepleegdquot;. Al ware dit juist, de strijd met de wijze waarop in de algemeene bepalingen van het Wetboek de bijkomende straf der verbeurdverklaring is geregeld, zou niettemin blijven bestaan. Maar het motief is onjuist. Volgens de genoemde artikelen toch is wel in de wetenschap dat de stoffen en werktuigen bestemd zijn tot het plegen van de daarbij aangewezen misdrijven, het vcreischte opzet van den dader gelegen; maar het „voorhanden hebbenquot; van die stoffen en werktuigen is zelf tot misdrijf gestempeld. En dal misdrijf wordt dus zeer zeker met die voorwerpen „gepleegd.quot;

Inderdaad kan deze imperatief voorgeschreven verbeurdverklaring dan ook niet anders beschouwd worden dan als een politiemaatregel die geheel in strijd met het aangenomen strafstelsel, in het Wetboek is ingeslopen. Men heeft daarom gemeend haar niet in de overigens overeenkomende artt. 22G, 232 en 243 van dit Ontwerp te moeten opnemen. Des te minder kon hiertegen bezwaar bestaan omdat in de bedoelde gevallen de rechter steeds bevoegd zal zijn binnen de grenzen door art. 41 Ontw. = art. 33 Ned. Wb. gesteld, verbeurdverklaring uit te spreken, terwijl hij tevens nadat de hierboven aangeduide noodzakelijke wijziging in het Indisch reglement op de strafvordering zal gebracht zijn, de vernietiging of onbruikbaarmaking der vermelde voorwerpen zal kunnen gelasten, zelfs bij vrijspraak en onverschillig of zij den veroordeelde al dan niet toebehooren. Op die wijze blijft het juiste onderscheid tusschen straf en politicmaatregel gehandhaafd, en wordt tevens het publiek belang niet uit het oog verloren.

Zie voorts over verbeurdverklaring bij overtredingen waarvan de strafbaarstelling in dit Ontwerp is ontleend aan het Alg. Pol. Regl. v. Eur., de algemeene toelichting van Boek III.

Art. 41. In het tweede lid zijn de woorden „wettelijk voorschriftquot; gebezigd, om daaronder mede te begrijpen de in art. 72 R. R. in verband met art. 5 Ind. Slh. 1858 n0. 17 bedoelde reglementen en keuren van politie (vg. de toelichting van art. 102).

(1) Smidt, II, bl. 238.

-ocr page 125-

105

X.

KOSTEN DER VlUJHEIDSSTliAFFEN, OP1VRENUST DER VERMOGENSSÏRAFFEN. {Art. 43).

Art. 43. Dc woorden „van den staatquot; voorkomende in art. 35 Ned. Wb. zijn hier vervangen door do uitdrukking „van den landequot;, in overeenstemming met de terminologie van de Nederlandsch-Indische wetgeving. Zie o. a. artt. 353 en 411 Regl. strafv.

XI.

OPENBAARMAKING VAN DB UEOIITERLIJKE UITSPRAAK. {Art. 44).

Art. 44. Over de vervanging van de woorden „de wetquot; in art. 36 Ned. Wb. door de woorden „dit wetboek of eene andere algemeene verordeningquot; vg. de toelichting van art. 37.

TITEL III.

Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid.

I.

UITSLUITING DER STRAFHAAR1IEID.

{Artt. 45, 46, 47, 1ste en 2do lid, 48, 49, 50, 51).

Het stolsel van het Nederlandsche wetboek wat aangaat do uitsluiting dor strafbaarheid, schijnt ook voor Indië te kunnen worden overgenomen; geene strafrechtelijke verantwoordelijkheid zonder toerekenbaarheid van het feit aan den dader, en geene zoodanige toerekenbaarheid waar hetzij do vrijheid van handelen, do keus tusschen het doen of laten van hetgeen hot geldende strafrecht verbiedt of gebiedt, is uitgesloten, hetzij de dader in zoodanigen toestand verkeert dat hij het ongeoorloofde zijner handeling niet kan beseffen en hare gevolgen niet kan berekenen.

Dicnsvolgens kan ook volgens het Ontwerp de toerekenbaarheid ontbreken:

a. wegens oorzaken die in den deelnemer aan het strafbare feit zei ven aanwezig zijn;

h. wegens van buiten aangebrachte oorzaken.

A.

Inwendige oorzaken, van ontoerekenbaarheid.

{Artt. 45, 46, 47, 1ste en 2de lid).

Deze zijn, gelijk in de artt. 37, 38 en 39 1ste en 2de lid Ned. Wb.:

ln. abnormale toestand der geestvermogens (art. 45);

2°. jeugdige leeftijd (artt. 46 en 47, 1ste en 2de lid).

Art. 45, quot;1de lid. Onveranderde overneming van het 2de lid van artikel 37 Ned. Wb. zon met het oog op de eigenaardige Indische toestanden ernstig bezwaar opleveren.

-ocr page 126-

106

Immers, de uitdrukking „het begane feitquot; die in het Nederlandsehe wetboek wellicht reeds ruimer gesteld is dan bedoeld werd, omvat ook de overtredingen. Daar nu vele overtredingen tot de bevoegdheid van het residentsgerecht behooren, zou de alleen rechtsprekende rechter plaatsing in een krankzinnigengesticht kunnen gelasten in strijd met het beginsel van art. 134 Ind. R. 0., terwijl daarenboven in Nederlandsch-Indië de gelegenheid tot het vereischte onderzoek door deskundigen in den regel op de plaatsen waar een raad van justitie gevestigd is, het best zal kunnen geschieden. Op deze gronden is de bepaling beperkt tot „misdrijfquot;.

Art. 4(). Het eerste lid van art. 38 Ned. Wb. is onveranderd overgenomen. De vraag of voor Nederlandsch-Indië „de leeftijd van tien jarenquot; in het Ontwerp lager moest worden gesteld, werd na rijpe overweging ontkennend beantwoord, omdat, al moge ook aldaar de physieke ontwikkeling spoediger plaats hebben dan in Nederland, de verstandelijke ontwikkeling daarmede geenszins altijd gelijken tred houdt.

Art. 4(), 47, lslt;e en 2(1 e lid. De bepalingen omtrent plaatsing in een opvoedingsgesticht werden niet overgenomen. Onder de veroordeelde Europeanen toch komen in Nederlandsch-Indië bijna geen kinderen voor. Een opvoedingsgesticht zou dus, blijkens de opgedane ondervinding, geen reden van bestaan hebben.

Eene, trouwens alleen als overgangsmaatregel in art. 5 van de overgangsbepalingen van het wetboek van 186() voorgeschreven aanwijzing van een verblijf door den Gouverneur-Generaal levert geen genoegzamen waarborg op voor eene deugdelijke opvoeding van verwaarloosde kinderen. Men heeft daarom gemeend ook deze bepaling niet te moeten bestendigen.

B.

Uitwendige oorzaken van ontoerekenbaarheid. (A rtt. 48—51).

Evenals in de artt. 40, 41, 42 en 43 Ned. Wb,, kent het Ontwerp als zoodanig:

1°. overmacht (art 48);

2°. noodweer (art. 49);

3°. wettelijk voorschrift (art. 50);

4°. ambtelijk bevel (art. 51).

Gelijk het Nederlandsehe wetboek, kent ook het Ontwerp, buiten deze algemeene voor alle strafbare feiten geldende gevallen van ontoerekenbaarheid, nog bijzondere redenen waardoor ten aanzien van bijzondere feiten allo strafbaarheid wordt uitgesloten.

Deze komen niet voor in het algemeene deel, maar worden vermeld in Boek II en III bij de strafbare feiten waartoe zij betrekking hebben. Men zie de artt. 146, 165, 1ste lid, 200, 2de lid, 2()9, 3de lid, 326, 1ste lid, 329, 335, 349, 359, 2de lid en, in afwijking van het Nederlandsehe wetboek, art. 470, 2de lid.

Art. 49. Noodweer. Het Nederlandsehe strafwetboek heeft in art. 41 de grenzen van noodweer aangegeven met het oog op een wel

-ocr page 127-

107

geordenden en mot eenc behoorlijk werkende politie bedeelden staat. Daar toch is don burgers rechtsvoilighoid en rechtszokorheid gewaarborgd en kunnen /.ij ten allen tijde en bijna overal in hunne nabijheid rekenen op het wakend oog van do overheid.

Niet aldus is de toestand overal in hot uitgestrekte gobiod waarvoor hot Nederlandsoh-Indischo wetboek zal gelden; werden nu do woorden van hot Nodorlandscho wetboek zonder eonige aanvulling gevolgd, dan zou wellicht bij onmiddellijk dreigende, doch nog niet aangevangen aanranding hot recht tot noodweer worden ontzegd.

Deze opvatting zou te beperkt wezen.

Wanneer toch in de diepe binnenlanden bij aanvallen van roo-verbendon do eenzaam wonende Europeaan zich door de grenzen aan het begrip noodweer gestold do handen gebonden zag, zou hij mot de zij non in de meeste gevallen een wissen dood te geinoot gaan of zijne oigendommon aan verwoesting zien prijsgegeven zondordat hom mogelijk ware het hem dreigend gevaar tijdig af te wenden.

Op dien grond zijn wel in het Ontwerp do grenzen voor noodweer aangenomen overeenkomstig hot Nodorlandscho wetboek, te weten:

n. wederrechtelijke aanranding;

h. oogenblikkolijk gevaar voor eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed;

c. noodzakelijkheid dor verdediging tor wering van hot door do aanranding ontstaan actueel en anders niet te keeren gevaar; maar is het sub h bedoelde uitdrukkelijk uitgebreid tot „onmiddellijk dreigend gevaarquot; voor eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed.

Aldus zal de Nodorlandsch-Indische strafrechter in een zich voordoend geval voldoende ruimte hebben om do feiten in overeenstemming met bestaande toestanden te beoordoelen.

Art. 50. Wettelijk voorschrift. Vg. de toelichting van artikel 102.

II.

VKBM1NDERING DEK STRAKBAARHKID. {Art. 47, 3do—öde lid).

Tengevolge van de opneming van do doodstraf in het strafstelsel moest daarmede, nevens do levenslange gevangenisstraf vermeld in hot overeenkomende art. 39 Nod. Wb., rekening worden gehouden.

Hot laatste lid van art. 47 is in overeenstemming gebracht mot art. 10.

Algemcene straf minima. Afschaffing van het stelsel van verzachtende omstandigheden.

De algemeeno strafminima zijn vastgesteld in de artt. 12, 2do lid, 20, 1ste lid en 31, 1ste lid van hot Ontwerp. Daarnevens kont het bijzondere deel (Boek II en III) geen onkel speciaal minimum. De strafpositios verschillen alléén wat betreft do soort, en voor elke soort wat betreft het maximum der straf.

De minima zijn voor alle gevallen zonder eonige uitzondering die uitgedrukt in do aangehaalde bepalingen van hot algemeeno deel. In dat stelsel, waarin een dor meest eigenaardige karaktertrekken

-ocr page 128-

108

vau het Nederlandsche \\\\retboek van strafrecht spreekt, was natuurlijk geen plaats voor een algemeen voorschrift over „verzachtende omstandighedenquot;, gelijk art. 34 van het wetboek van 186(3 inhoudt. Het Ontwerp — er is reeds vroeger op gewezen (zie do toelichting van Titel II sub I) — kent menige alternatieve strafpositie. De rechter heeft dan hij de toepassing der wet op het aan zijn oordeel onderworpen feit de geheel vrije keus tusschen de zwaardere en do lichtere strafsoort, en, welke van deze hij ook toepasse, de wet stelt hem geen andere grens dan het in de bijzondere strafpositie voor elke straf steeds aangewezen maximum. In Nederland is dit stelsel zonder noemenswaardigen tegenstand, maar toch niet dan na veelzijdige toelichting aangenomen (1).

Men kan hier volstaan met eene verwijzing naar deze laatste, omdat, ook volgens het eenstemmig oordeel der Indische autoriteiten die haar advies omtrent de nieuwe strafwetgeving uitbrachten, de maatschappelijke of zedelijke toestand van Indië geen aanleiding geeft om ten deze van het Nederlandsche stelsel dat tot nu toe in de praktijk gunstig werkt, af te wijken. Alléén rees de vraag of eene wijziging van het stelsel noodig was voor de met den dood strafbare misdrijven, maar ook die vraag werd ontkennend beantwoord, omdat in het Ontwerp de doodstraf steeds alternatief wordt gesteld met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. Nu is er geen afdoende reden om, indien de rechter vrijheid vindt om de tijdelijke gevangenisstraf toe te passen, hem hij de bepaling van haar duur meer te binden dan in de gevallen waarin de wet deze straf hetzij alléén, hetzij slechts alternatief met levenslange gevangenisstraf op het misdrijf stelt.

III.

VERHOOGING DEll STRAFHAABHEID. (Art. 02).

In overeenstemming met art. 44 Ned. Wh. is ook in het Ontwerp de eenige in het algemeene deel voorkomende grond van strafver-hooging de in dit artikel omschrevene

Herhaling van misdrijf en overtreding.

De recidive is in het Ontwerp evenals in het Nederlandsche wetboek, daar ook hier geene bijzondere redenen tot afwijking drongen, van het algemeene overgebracht naar het bijzondere deel. Daarbij stond op den voorgrond het beginsel dat do beantwoording der vraag of eene vroegere veroordeeling als eene verzwarende omstandigheid in aanmerking moet komen, afhankelijk is niet van de soort of de maat der vroeger uitgesproken straf, maar van den aard van het strafbare feit tor zake waarvan zij is opgelegd. Voorts is de strafbare recidive soms beperkt tot herhaling van een feit vallende onder dezelfde of eene geheel gelijksoortige qualificatie als het vroeger gepleegde, wat bij een aantal misdrijven en steeds bij overtredingen liet geval is; of wel do verzwarende omstandigheid wordt ook aangenomen als het misdrijf slechts behoort tot dezelfde categorie van misdrijven, die met bedrieglijk opzet tegen den eigendom, die tegen

(i) Smidt, I, bl. 362 vlg.

-ocr page 129-

109

lijf of leven en die tegen de eer gepleegd (H. II, T, XXXI), waaronder ook het vroeger gepleegde misdrijf moest worden gerangschikt. Eindelijk is uit het stelsel van hot Nederlandsehe wetboek omtrent dit onderwerp nog overgenomen de zoogenaamde verjaring der recidive, dat is dc beperking van de werking der verzwarende omstandigheid binnen een zekeren in de wet uitgedrukten tijd, ingaande op het door haar bepaalde tijdstip. Zie over een en ander de toelichting van B. II, ï. Ill Ned. Wb. (1)

TITEL IV.

Poging.

(Arlt. 53 m M).

In geen enkelen specifiek Indischen toestand is grond gevonden om van het stelsel van het Nederlandsehe wetboek af te wijken. Ooi-, hier is evenals in art. 47 met de opneming der doodstraf rekening gehouden.

TITEL V.

Deelneming aan strafbare feiten.

(Arlt. 55—62.)

Bij dozen titel werd overwogen of niet in hot Ontwerp bijzonder moest worden voorzien in de gevallen van gezamenlijke deelneming aan dezelfde feiten door Europeanen en inlanders, d. i. van personen op hetzelfde grondgebied, beheerscht door verschillend recht.

Daarbij vielen de volgende categoriën te onderscheiden:

A. Deelneming door Europeanen als mededaders, uitlokkers of medeplichtigen aan feiten door inlanders als hoofddaders gepleegd, en alleen strafbaar naar het voor inlanders geldend recht;

B. Deelneming door Europeanen als uitlokkers of medeplichtigen aan feiten door inlanders als hoofddaders gepleegd, en alleen strafbaar naar het voor Europeanen geldend recht;

C. Gemeenschappelijke deelneming door Europeanen en inlanders — onverschillig in welken dor strafbaar gestelde vormen — aan feiten naar het voor Europeanen en naar het voor inlanders geldende recht evenzeer strafbaar, maar naar verschillende strafbepalingen, en dus ook waarschijnlijk met verschillend strafrechtelijk gevolg.

In do sub A bedoelde gevallen zou voorzien moeten worden door in het wetboek voor Europanen bijzondere voorschriften op te nemen, aanwijzing behelzende van misdrijven van bijzonderen aard, zgn. delicta sui generis, op denzelfden voet als waarop de artt. 214 en 215 Ontwerp (vg. artt. 203 en 204 Nod. Wb.), de deelneming door niet-militairen aan zuiver militaire delicten hebben geregeld, op dezelfde wijze als waarop bv. reeds nu in art. 139 Ontw. strafbaar wordt ge-

(1) Smiut, I, bl. 380—388.

-ocr page 130-

110

steld omkooping tot handelingen die juist alleen door inlanders bij hunne dorps verkiezingen kunnen worden gepleegd.

Vermits echter op grond van art. 75 R, R. op de vaststelling van het Wetboek voor Europeanen een nieuw wetboek voor inlanders wel spoedig volgen zal, en alzoo voor eene volledige aanwijzing van de bedoelde delicten dat wetboek zal moeten worden geraadpleegd, kon van opneming der noodige bepalingen in het Ontwerp geen sprake zijn en moest de inlassehing tot later worden voorbehouden.

Geheel overeenkomstig met de hier bedoelde gevallen zijn die — waarvan ook dc Indische autoriteiten in hare adviezen gewagen — wanneer omgekeerd een inlander als mededader, uitlokkor of medeplichtige deelneemt aan feiten door Europeanen als hoofddaders gepleegd en alleen strafbaar naar het voor Europeanen geldende recht. Op gelijke wijze moet dan hierin worden voorzien door het wetboek dat voor inlanders gelden zal.

Uitdrukkelijke voorziening in de gevallen sub B en C bedoeld, werd niet noodig geacht. De beslissing kan voor die gevallen niet moeilijk zijn en gerust aan de praktijk worden overgelaten.

Heeft (vg. sub. B) een inlander als hoofddader een feit begaan waarop de voor hem geldende wetgeving geene straf stelt, bv. bigamie, dan kan de Europeaan die hem daartoe uitlokte of hem daarbij behulpzaam was, wegens het bijkomend (accessoir) karakter dezer vormen van deelneming evenmin strafbaar wezen, en moet het daarbij onverschillig zijn of de Europeaan voor soortgelijk feit door hem zeiven als hoofddader gepleegd, wel strafbaar wezen zou.

Hebben (vg. sub C) een Europeaan en een inlander gezamenlijk deelgenomen aan een feit volgens de voor elk hunner geldende wetgeving strafbaar, maar naar verscbillende strafbepalingen, dan lijdt het geen twijfel of elk wordt naar zijne eigene wetgeving gevonnisd. Dit brengt het persoonlijk karakter dier wetgevingen mede.

Art. 57. Ook hier is evenals in de artt. 47 en 53 met de opneming der doodstraf rekening gehouden,

Artt. 61 en 62. Als een der voordeden van de invoering van een nieuw wetboek van strafrecht mag wel worden genoemd dat de bepalingen omtrent verantwoordelijkheid voor drukpersdelicten binnen den kring van het gewone recht worden getrokken. Daarop hebben betrekking de artt. 61, 62 en 481—433 Ontw.

Het is bekend dat de Nederlandsche wetgever voor de regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd, na rijp overleg een stelsel van repressie gekozen heeft, uitgaande van de volgende beginselen. De werkelijke daders, in de eerste plaats dus wel de schrijvers der geschriften van strafbaren aard, moeten als dc verantwoordelijke personen worden behandeld; uitgevers en drukkers mogen niet krachtens eene fictieve verantwoordelijkheid hunne plaats innemen; maar zelfs de verantwoordelijkheid van deze voor hunne eigene deelneming moet worden beperkt; wanneer hunne feitelijke medewerking aan de publicatie zich bepaalde tot de uitoefening van hun beroep, wanneer zij slechts handelden „als zoodanigquot;, worden zij gedekt door een privilegie, kunnen zij niet worden vervolgd, noch als mededaders noch als medeplichtigen, kunnen zij niet worden veroordeeld, ook al hebben zij den strafbaren aard van het gepubliceerde stuk gekend, zelfs al hebben zij het misdadige oogmerk van den schrijver gedeeld. Dat

-ocr page 131-

Ill

privilegie dekt hen in \'t belang der vrijheid van de drukpers, omdat zij anders voor hunne eigene veiligheid over de aangeboden geschriften eene controle, eenc censuur zouden moeten uitoefenen, met eene loyale opvatting dier drukpersvrijheid niet vereenigbaar. Doch dat privilegie dekt hen niet, indien zij niet enkel gehandeld hebben „als zoodanigquot;, maar bv. door zelf te schrijven of door gehuurde schrijvers in dienst te hebben, meer hebben gedaan dan het uitoefenen van hun beroep. Dat privilegie dekt hen evenmin wanneer zij dat beroep niet ordelijk uitoefenen, en is daarom uitdrukkelijk gebonden aan zekere voorwaarden in dc artt. 53 en 54 Ned. Wb. (61 en 62 Ontwerp) opgenoemd, Is aan die voorwaarden niet voldaan, dan valt het privilegie weg, en worden de gewone regelen van deelneming toegepast, dan zal dus ook de uitgever of de drukker strafbaar wezen, en wel naar de meest algemeene opvatting als medeplichtige, wanneer hij handelde met het opzet voor dien vorm van deelneming gevorderd, d. i., eveneens naar de meest algemeene opvatting, reeds wanneer hij den strafbaren aard van het geschrift kennende, zijne medewerking verleende.

Tijdens de behandeling van het Nederlandsche wetboek in de Tweede Kamer zijn aan de erkenning van dit stelsel in voormelde artikelen nog toegevoegd de artt. 418—420 welke beoogen om den uitgever of den drukker die aan de publicatie van stukken van strafbaren aard zijne medewerking als zoodanig verleent, zonderdat aan de voornaamste der meergemelde voorwaarden voldaan werd, of die weigert den hem bekenden dader te noemen, ook al is hij geen medeplichtige, d. w. z., al heeft hij het daarvoor noodige opzet niet gehad, al is ten minste dat opzet niet bewezen, strafbaar te stellen met eene bijzondere straf ter zake van een misdrijf in den titel van begunstiging het best geplaatst.

Dit rijpelijk overwogen stelsel van repressie is in het Ontwerp overgenomen. Er bestond geen enkele reden om op grond van Indische toestanden daarvan af te wijken, hoezeer tegen do uitwerking van hot stelsel, voorzooveel deze vervat is in de artt. 418—420 Ned. Wb. (artt. 431—433 Ontw.), gewichtige bedenkingen zijn aan te voeren. Ook de Indische autoriteiten adviseerden voor overneming. Natuurlijk wordt hier dan gewaagd van „Nederlandsch-Indiëquot; waar het Nederlandsche wetboek van „het rijk in Europaquot; spreekt.

De vraag of voor Nederlandsch-Indië nevens voormelde strafbepalingen bijzondere bepalingen van administratieven aard en preventieve strekking moeten bestaan en hoe deze — thans voorkomende in Ind. Slh. 1856 n°. 74 — moeten luiden, is eene waarvan do beantwoording niet in dit Ontwerp hare plaats behoort te vinden, maar welke toch naar aanleiding van het hier gehuldigde stelsel van repressie opnieuw en in verband met dat stelsel zal moeten worden overwogen. Het mag niet mogelijk zijn dat de juiste beginselen van repressie dooide regeling van preventie tot eene doode letter worden gemaakt.

In verband met het hier behandelde onderwerp werden nog enkele bijzondere punten overwogen.

a. Is voldoende gewaakt tegen verspreiding in Nederlandsch-Indië van geschriften van strafbaren aard buiten dat grondgebied uitgegeven? Ongetwijfeld, n.1. door die artikelen welke de verspreiding als afzonderlijk delict betreffen (artt. 130, 136, 141, 280).

b. Wordt bijzondere repressieve voorziening geëischt tegen uitvoer

-ocr page 132-

ll\'i

naar en verspreiding in Nederland van een in Nederlandsch-Indië verschenen geschrift van strafbaren aard, voorzoover aan berechting in Nederlandsch-Indië kan worden gedacht en deze gewenscht is? Zeker niet, vermits immers het Nederlandsch-Indische wetboek ook toepasselijk is op ingezetenen van Nederlandsch-Indië die buiten dat grondgebied een misdrijf begingen vallende in de termen van artikel ö. Geschiedt de vervolging in Nederland, dan zal het Nederlandsche wetboek worden toegepast; maar kan zij in Nederlandsch-Indië geschieden, en geschiedt zij aldaar, b.v. omdat hij die de verspreiding bezorgde, aldaar verblijf houdt of hij later in Indië komt, dan wordt naar het Nederlandsch-Indische wetboek recht gesproken. Dit is bepaaldelijk met het oog op de hier besproken verspreidings-delicten niet van belang ontbloot, wanneer men bedenkt dat b.v. de belee-diging van den Gouverneur-Generaal en de verspreiding van voor dezen vertegenwoordiger des Konings belecdigende geschriften naar het Nederlandsch-Indische wetboek veel strenger worden opgevat (artt. 129, 130) dan naar het Nederlandsche wetboek, volgens hetwelk slechts de gewone bepalingen omtrent beleediging van ambtenaren toepasselijk zijn (artt. 2()7, 271 Ned. Wetb.).

c. Bestaat behoefte aan bijzondere voorschriften omtrent de aansprakelijkheid van den redacteur bij de periodieke pers? De Nederlandsche wetgever heeft die vraag ontkennend beantwoord, en voor Nederlandsch-Indië moet hetzelfde geschieden. De aansprakelijkheid van den redacteur worde beoordeeld naar het gemcene recht. Hij kan zijn dader, mededader, medeplichtige; hij moet in al die gevallen naar wat hij in werkelijkheid tot het misdrijf bijdroeg, niet naar wat hij gefingeerd wordt verricht te hebben, worden beoordeeld. Ook bestaat het bezwaar dat bij uitgever en drukker gold, met het oog op eene te duchten censuur hier niet. De redacteur is juist geroepen om de hem aangeboden kopie te controleeren. Dat behoort tot zijn beroep.

d. In Nederlandsch-Indië staat met de geschiedenis van het drukpersreglement in nauw verband Jnd. Stb. 1854 n0. 18 handelende over openbaarmaking van archiefstukken, met name door gepension-neerdc ambtenaren, eene regeling waartegen velerlei bezwaren herhaaldelijk zijn ingebracht, en waarvan de herziening door de Indische regeering herhaaldelijk is overwogen.

De minister Van Goltstein gaf reeds bij brief van 11 Augustus 1882 n0. 22 aan den Gouverneur-Generaal als zijn gevoelen te kennen, dat dc herziening van voormeld staatsblad kon blijven rusten totdat men tegelijk met het wetboek van strafrecht voor de Europeanen ook het drukpersreglement zou herzien.

Dit wordt nu door het Ontwerp mogelijk gemaakt. In de artt. 281, 491 en 492 is deze stof behandeld.

TITEL VI.

Samenloop van strafbare feiten.

(Arll. (i3—71).

Art. 67. Ook hier is, evenals in de artt. 47, 53 en 57, met de opneming der doodstraf rekening gehouden.

-ocr page 133-

113

Art. 70. Van het overigens overeenstemmende art. (gt;2 van hot Nedcrlandsche wetboek is het laatste lid vervallen, omdat de straf van plaatsing in eeno rijkswerkinrichting in het Ontwerp niet is opgenomen.

TITEL VII.

Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar.

(Artt. 72—75).

Ten opzichte van dezen titel behoeft alleen aangeteekend te worden dat de schijnbare afwijkingen inderdaad strekken om het stelsel van het Nederlandsche wetboek in de artt. 64—67 nêergelegd, voor Nederlandsch-Indië bruikbaar te maken.

Zoodanige afwijking vindt men reeds in het eerste lid van art. 72 waar het woord „minderjarigequot; is gebezigd, omdat bij een deel van de verschillende inheemsche volken van den archipel do meerderjarigheid niet of niet uitsluitend van een bepaalden leeftijd afhangt, en het geval zich dus kan voordoen dat de persoon tegen wien een misdrijf is gepleegd, reeds vóór het zestiende jaar niet meer staat onder de macht van een ander.

De bijvoeging in het tweede lid van art. 72 „van het college met de toeziende voogdij of curateele belastquot; is geschied op grond van de artt. 366 en 449 Ind. B. W.

Verder wordt in art. 75 de termijn van acht dagen op ééne maand gesteld wegens de afstanden in Indië.

De aanwijzing der ambtenaren bij wie de klachte moet worden ingediend of ingetrokken, zal moeten geschieden in de bepalingen betrekkelijk de strafvordering.

Hetzelfde geldt voor den vorm der indiening en intrekking (vg. Alg. Besch. § 5).

TITEL VIII.

Verval van het recht tot strafvordering en van de straf.

(Artt. 76—85).

Art. 76. Het is gebleken dat bij de behandeling in de Tweede Kamer, toen art. 68 Ned. Wb. zooals het in het oorspronkelijk ontwerp luidde, aangevuld werd met de woorden; „of ontslag van rechtsvervolgingquot;, niet voldoende rekening is gehouden met de bezwaren aan die aanvulling verbonden.

De bedoeling des wetgevers was blijkbaar aan het ontslag van rechtsvervolging door den buitenlandschen rechter alleen dan invloed toe te kennen, wanneer een feit valt onder art. 5 2°. Die bedoeling is in het Ontwerp duidelijk uitgesproken.

Verder beweegt de bepaling zich, wat het eerste lid betreft, binnen de grenzen aangegeven door art. 104 R. R. Rechterlijke uitspraken in de West-Indische koloniën gewezen, zijn in Nederlandsch-lndië niet uitvoerbaar.

Ontwerp Wetboek Strafrecht N. I. (voor de Europeanen.)

8

-ocr page 134-

114

Art. 78. Vg. wat de vermelding der doodstraf betreft, de toelichting van art. 67.

Art. 79. Dit artikel — overigens overeenkomende met art. 71 Ned. Wb. — is sub 3U., met de noodige wijziging wat de redactie betreft, aangevuld met eene bepaling overeenstemmende met hetgeen voorkomt in art, 3 van de wet van 31 December 1887 {Ned. Stb. nu. 265).

De reden dezer aanvulling is dat, bij gebreke daarvan, de verjaringstermijn in vele gevallen zou zijn verstreken voordat de overtreding ter kennis van het openbaar ministerie kan zijn gekomen.

Art. 82, 2(7e lid. In de Nederlandsche wetgeving is do ambtenaar met de hier bedoelde schatting belast, niet aangewezen. Aanvulling dezer leemte was voor Nederlandsch-lndië noodig.

Art. 85, 3de lid. De woorden „de wetquot; als volgens art. 31 E. R. eene te speciale aanduiding bevattende, zijn vervangen door „alge-meene verordeningquot;.

TITEL IX.

Beteekenis van eenige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen.

(Artt. 86—103).

Op denzelfden grondslag als zulks in het Nederlandsche wetboek is geschied, wordt in dezen titel van het Ontwerp slechts dan de beteekenis der uitdrukkingen vastgesteld, als deze eene technisch-juridische is, min of meer afwijkende van de gewone taalkundige beteekenis (artt. 86—90, 92, 93, 96—102), of wanneer eene keuze is gedaan tusschen tweeërlei rechtskundige beteekenis van eenig woord (artt. 91, 94, 95).

In enkele opzichten werd echter voor Nederlandsch-lndië afwijking of aanvulling van het Nederlandsche wetboek noodig geacht. Deze vinden haar oorsprong nu eens in eene in de Nederlandsche praktijk reeds gebleken wenschclijkheid van eene limitatieve omschrijving van het begrip (art. 90), dan weder in de specifiek Nederlandsch-Indische toestanden (art. 96 2de lid). Om dezelfde redenen zijn enkele geheel nieuwe bepalingen (artt. 95, 98, 101 en 102) in het Ontwerp opgenomen.

Ter voorkoming van mogelijk misverstand wordt nog opgemerkt dat de woorden „wordt verstaanquot; gebezigd worden, wanneer de daarop volgende omschrijving als begripsomschrijving is op te vatten, en het dus geldt de aanwijzing van de beteekenis waarin eenige uitdrukking in het wetboek bij uitsluiting wordt gebezigd; zoo beduidt bv. „onder zwaar lichamelijk letsel wordt verstaanquot; (art. 90) hetzelfde als „zwaar lichamelijk letsel isquot;.

Bezigt het Ontwerp de uitdrukking „wordt begrepenquot;, dan wordt de omschrijving van het begrip daarin niet gevonden, maar moet het van elders worden ontleend; in het Ontwerp wordt dan alleen of het begrip uitgebreid, öf een mogelijke twijfel opgeheven. Bv. wat inklimming is, acht de wetgever bekend, doch het begrip wordt uitgebreid tot ondergraving enz. (art. 99); wat een ambtenaar is, moet de rechter van elders zoeken vast te stellen; dat ook alle inlandsche hoofden daartoe behooren, zegt het Ontwerp nog eens uitdrukkelijk (art. 92).

-ocr page 135-

115

Art. 90. De enuntiatieve bepaling van art. 82 Ned. Wb. heeft in de Nederlandsche praktijk reeds tot groote, moeilijk op te lossen bezwaren aanleiding gegeven. Ten einde voor Nederlandsch-Indië die moeilijkheden zooveel mogelijk te voorkomen, heeft men gemeend de oorspronkelijke redactie, zooals zij door de staatscommissie was voorgesteld en aanvankelijk door de lïegeering in haar wetsontwerp was overgenomen, in hoofdzaak te moeten herstellen. Wel ontveinst men zich niet dat ook op deze wijze zich niet zelden practische moeilijkheden zullen kunnen voordoen, maar bij de thans opgenomen limitatieve omschrijving verkrijgt toch de rechter eene- meer bepaalde, duidelijke en zoo volledig mogelijke aanwijzing van hetgeen hij onder „zwaar lichamelijk letselquot; zal hebben te verstaan, waarvan het begrip, met het oog op de gevolgen, niet zoo in het onzekere mag gelaten worden als dit in het Nederlandsche wetboek is geschied. Alleen verdient hierbij nog te worden opgemerkt dat het woord „krankzinnigheidquot;, dat in de bedoelde ontwerpen voorkwam, vervangen is door de ook in art. 82 Ned. Wb. gekozen uitdrukking „storing der verstandelijke vermogens die meer dan vier weken geduurd heeftquot;.

Art. 91. Vg. art. 83 Ned. Wb.

Art. 7 der Grondwet is na de wijziging van 1887 geworden art. (5.

De woorden „de wetquot; zijn vervangen door „algemeene verordeningquot; in overeenstemming met art. 31 R. R., terwijl ook de uitlevering van vreemdelingen bij algemeene verordening — het Koninklijk besluit van 8 Mei 1883 (Ind. Sth. n0. 188) — is geregeld ter uitvoering van het tweede lid van art. 108 R. R.

Art. 92. In het eerste lid zijn de woorden van het overigens gelijkluidend art. 84 Ned. Wb.: „alle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingenquot; niet opgenomen, vermits eene zoo algemeene omschrijving voor Ned.-Indië niet op hare plaats zou zijn. Zij zijn vervangen door de woorden: „alle in-landsche hoofden en hoofden van vreemde oosterlingen die wettig gezag oefenenquot;.

De uitdrukking is, behoudens de noodzakelijke uitbreiding ook tot „hoofden van vreemde oosterlingenquot;, in overeenstemming met het gevoelen der Indische autoriteiten, ontleend aan de bepaling van art. 392 W. v. S. v. I. Onder die uitdrukking zijn alle hoofden, mits zij wettig gezag oefenen, begrepen, onverschillig of zij, gelijk de dorpshoofden in het grootste gedeelte van Java en Madura, aan eene gemeentelijke verkiezing onder de vereischte goedkeuring van het gewestelijk gezag hunne bevoegdheid ontleenen (art. 71,1ste lid R. R. en ordonnantie van 1 Januari 1878, Ind. Sth. n0. 47, gewijzigd bij ordonnantie van 28 September 1883, Ind. Stb. n0. 229) of op eenige andere wettige wijze tot de uitoefening hunner ambtsverrichtingen geroepen zijn.

Het behoeft overigens nauwelijks opmerking dat aan de opneming dezer hoofden onder het begrip „ambtenarenquot;, hier, met betrekking tot de strafrechtelijke gevolgen, slechts eene passieve en dus geene actieve beteekenis kan worden toegekend, daar genoemde hoofden, als zijnde geen Europeanen of daarmede gelijkgestelden, uit den aard der zaak waar het misdrijven betreft door hen zeiven ook in hunne betrekking of naar aanleiding daarvan gepleegd, niet aan dit wetboek, maar aan dat voor inlanders onderworpen blijven. Hunne

-ocr page 136-

116

integriteit en de ongestoorde rechtmatige uitoefening van hun gezag vereischen echter ook tegen Europeanen en daarmede gelijkgestelden bescherming. (Vg. onder andere de daarop betrekking hebbende artikelen in B, 11, T. VI lij. Vandaar dat ook de woorden „over de inheemsche bevolkingquot; in art. 392 W. v. S. v. 1. voorkomende, niet zijn opgenomen, omdat in een strafwetboek voor Europeanen niet uitsluitend in de uitoefening van hun gezag over dat bestanddeel der bevolking de maatstaf van beoordceling moet gezocht worden, maar zij tevens dikwijls in hunne betrekking, bv. ter uitoefening-van politie ook tegenover Europeanen optredende, gezegd kunnen worden over dezen in meerdere of mindeie mate gezag uitte oefenen.

Hij het derde lid van dit artikel is de door de Indische autoriteiten gestelde vraag overwogen of onder de woorden „gewapende machtquot; ook de gewapende politiekorpsen en de bemanning van de stoomschepen en adviesbooten der gouvernementsmarine begrepen zijn. Wat de gewapende politiekorpsen betreft, kan deze vraag ter zijde gesteld worden, daar zij als tot de politie beboerende reeds van zelf onder het begrip van ambtenaren vallen. De manschappen van de stoomschepen en adviesbootcn der gouvernementsmarine kunnen, voorzoover zij niet reeds wegens hun werkkring en organisatie als ambtenaren moeten worden beschouwd, geacht worden tot de gewapende macht te behooren, daar zij als vast georganiseerd korps, onder hot Departement van Marine ressorteerende en van wapenen voorzien, naar gelang van omstandigheden, evenals het leger, tegen vijanden en opstandelingen kunnen optreden. Uitdrukkelijke verklaring daaromtrent in het Ontwerp is dus overbodig.

De in art. 113 R. li. genoemde schutterijen of andere gewapende vereenigingen maken zonder twijfel deel uit van de „gewapende machtquot;, en zij die daartoe behooren, worden dus krachtens het derde lid van dit artikel als ambtenaren beschouwd (zie ook art. 218 Ontw.).

Art. 98. De wijziging gebracht in het eerste lid van het overigens gevolgde art. 85 Ned. Wb., vindt haren grond in het streven om in den vorm overeenstemming te verkrijgen tusschen dat gedeelte van het artikel en de beide volgende leden.

Arlt. 94 en 95. De Nederlandsche wetgever heeft, waar het woord „zeeschipquot; in verschillenden zin gebezigd werd, namelijk in het wetboek van koophandel en in de wet van 28 Mei 1869 (V. 8tb. n0. 96), betrekkelijk de afgifte van zeebrieven, voor het wetboek van strafrecht in art. 86 naar die beteekenis verwezen welke het woord in laatstbedoelde wet heeft. Door die verwijzing is, zoo dikwijls in het wetboek de uitdrukking „Nederlandsch schipquot; voorkomt, het begrip schip vastgesteld. Die bepaling is in het Ontwerp onveranderd overgenomen; slechts is het woord „alleenquot; weggevallen, omdat dit overbodig voorkomt. Men vindt de uitdrukking „Nederlandsch schipquot; in menig artikel van het Ontwerp.

Veilig mag men verder aannemen dat, wat nu het begrip „Nederlandschquot; in meergemelde uitdrukking „Nederlandsch schipquot; betreft, de Nederlandsche wetgever in art. 86 eveneens verwezen heeft naaide beginselen omtrent de nationaliteit van Nederlandsche schepen in de wet op de uitgifte van zeebrieven erkend. Bij de overneming van art. 86 in art. 94 van het Ontwerp is het in dien zin opgevat en bedoeld.

-ocr page 137-

117

Geheel dezelfde beginselen zijn nu in art. 95 toegepast op Neder-landseh-Indische schepen. De bedoelde algemeene verordening gemaakt ter uitvoering van art. 54 R. R., is thans die voorkomende in Ind. Stb. 1874 n0. 113, laatstelijk gewijzigd bij Md. Slb. 1888 nw. 109.

Uitdrukkelijk moesten echter ook de vaartuigen der gouvernementsmarine buiten de tonnen in zee varende, worden genoemd, vermits deze, geene zeebrieven behoevende, in meergemelde verordening buiten het begrip „zeeschepenquot; gesteld zijn, en voor deze vaartuigen, die immers geene oorlogsschepen zijn, behoefte bestaat aan menige bepaling van het gemeene recht in den titel van scheepvaartmis-drijven voor zeeschepen voorgeschreven.

Ontkennend werd na overweging beantwoord de vraag of bij deze artikelen ook nog moest worden melding gemaakt van vaartuigen behoorende aan ingezetenen van onafhankelijke inlandsche staten en de vlag van dien staat voerende, doch daarnevens ook de Neder-landsche vlag, en zulks ingevolge verdrag door den Gouverneur-Generaal gesloten krachtens de bevoegdheid hem bij art. 44 li. R. toegekend. Inderdaad komen in dergelijke verdragen veelal bepalingen voor met betrekking tot de uiterlijke kenteekenen der nationaliteit van een schip. Die verdragen zijn evenwel niet in het staatsblad van N.-l. opgenomen; slechts van een gedeelte dier verdragen is aan de Staten-Generaal, van een ander gedeelte is alleen aan de Britsche regeering mededeeling gedaan. Kenige vaste grondslag dus om op te bouwen is niet aanwezig. Bovendien heeft in die gevallen het toekennen van de bevoegdheid tot het voeren van de Nederlandsche vlag slechts eene internationale beteekenis. Het is niet de bedoeling dat daardoor de nationaliteit van het vaartuig veranderen zou. En om die reden behoeft de Nederlandseh-Indische strafwetgever ze niet anders dan als vreemde vaartuigen te beschouwen. Wordt aan boord van dergelijke vaartuigen in de Indische wateren een strafbaar feit gepleegd, dan is krachtens het territorialiteitsbeginsel de Nederlandsch-Indische strafwet van zelf toepasselijk.

De Nederlandsche wetgever zegt evenmin als het Ontwerp wat respectievelijk onder Nederlandseh of Nederlandsch-Indisch vaartuig moet worden verstaan. Het ruime begrip „vaartuigquot; is voldoende door de taal van het dagelijksch leven aangewezen; het omvat zoowel zeeschepen als alle andere vaartuigen. Wat echter het begrip „Nederlandseh of Nederlandsch-Indischquot; voor een vaartuig dat niet een zeeschip is, bepaalt, zegt noch voor Nederland, noch voor Nederlandsch-Indië eenig wettelijk voorschrift. Dit is een open vraag welke de strafwetgever niet heeft uit te maken en dus ook niet heeft willen uitmaken.

Art. 96. Het tweede lid van art. 87 Ned. Wb. is uitgebreid tot vijandelijkheden met leenroerige en bondgenootschappelijke staten om in het artikel te begrijpen de verschillende zoogenaamde expedities welke in Nederlandsch-Indië veel voorkomen en waarbij het staatsbelang dringend gelijke bescherming eischt van denzelfden aard als voor het geval van oorlog in volkenrechtelijken zin, in genoemd artikel is toegekend.

Art. 98. In het Nederlandsche wetboek komt geene bepaling van het begrip „nachtquot; voor, maar wordt in de artikelen waar dc nachtelijke tijd in aanmerking komt voor dc qualificatie van het misdrijf, steeds gesproken van „den voor de nachtrust bestemden tijdquot; (artt.

-ocr page 138-

118

188, 139, 311 n°. 3 Ned. Wb.). De keuze dier uitdrukking moge voor Nederland, met het oog op de levenswijze en het verschil tussehen stad cn platteland aldaar, te verklaren zijn ter vervanging van de vroeger in de praktijk aan het begrip „nachtquot; toegekende beteekenis als van het tijdperk tussehen zonsondergang en zonsopgang — voor Nederlandsch-Indië, waar de praktijk reeds thans tot dezelfde opvatting overhelt, schijnt het wenschelijk die opvatting tot regel te verheffen, vooral omdat het woord „nachtquot; onder de keerkringen, waar zonsopgang zoowel als zonsondergang steeds op nagenoeg denzelfden tijd geschiedt, eene meer vaste beteekenis heeft. Het verdiende dus aanbeveling ter wegneming van alle onzekerheid en in overeenstemming mede met het gevoelen van het Hooggerechtshof, deze practisch reeds grootendeels geijkte omschrijving in dezen titel op te nemen, tengevolge waarvan dan ook in de overigens met de boven aangehaalde artikelen van het Nederlandsche wetboek overeenstemmende artt. 147, 148 en 321 nquot;. 3 van het Ontwerp, de woorden „bij nachtquot; in plaats van „den voor de nachtrust bestemden tijdquot; zijn opgenomen.

Art. 101. Het is tot opheffing van do onzekerheid omtrent de beteekenis dezer uitdrukking wenschelijk geacht uit te maken wat in het Ontwerp onder „veequot; verstaan moet worden. De bepaling is met de noodig geachte aanvulling ontleend aan het slot van art. 1 van Ind Slb. 1879 n0. 105,

Art. 102. „Wettelijke strafbepalingquot; komt voor in art. 1. De uitdrukking ivettelijk voorschrift vindt men het eerst in de artt. 50 en 103, voorts in B. 11 en Hl herhaaldelijk, vg. bv. de artt. 138, 139, 194 1°,, 219, 420, 465 1°., 501 1°, Niet anders in het Nederlandsche wetboek. Men achtte het echter in Nederland niet noodig de beteekenis der uitdrukking in B. I, T. IX vast tc stellen, nadat de zin van het woord wettelijk, ook in tegenstelling van „wettigquot; en „bijquot; of „krachtens de wetquot;, was verklaard in de toelichting van art, 42 Ned, Wb. Wettelijk voorschrift — zoo heet het daar onder meer —is niet alleen elke bepaling der wet in beperkten zin (rijkswet), maar elk voorschrift ter uitvoering daarvan gegeven; wettelijk — zoo werd er in eene noot bijgevoegd — is wat uit de wet in ruimeren zin volgt, bv. ook in wettelijke verplichting (vg. art. 192 Ned. Wb. = art. 203 Ontw.). Ofschoon men mocht meenen dat dit alles duidelijk was, ontstond echter kort na de invoering van het Nederlandsche wetboek aanleiding tot groote onzekerheid door \'s Hoogen Raads arrest van 27 Juni 1887 (W. v. h. R. n0. 5447) dat, den zin der uitdrukking „wettelijk voorschriftquot; veel meer beperkende dan de memorie van toelichting t. a. p., daaronder, behalve bepalingen der rijkswet, alléén nog brengt die van verordeningen door de rijkswet stellig voorgeschreven, zoodat daarbuiten vallen al de overige verordeningen, krachtens hunne bevoegdheid (maar niet ter uitvoering van eene stellige verplichting) door verschillende besturen gemaakt. Tot oplossing van den twijfel gerezen door dit arrest dat van vele zijden krachtig werd bestreden (1), werd het noodig geacht in dit

(1) O. a. door den hoogleeraar Buus, Tijdschiift voor Strafr. 11, bl. 250. Men zie ook het academisch proefschrift van mr. L. van Praag: De beteekenis van «wettelijk voorschriftquot; in hot Wetb, van Strafr. Leiden, 1890.

-ocr page 139-

119

artikel den zin dor uitdrukkingen „wettelijk voorschriftquot; en „wettelijke strafbepalingquot; vast te stellen, in overeenstemming eensdeels met do in de memorie van toelichting uitgesproken bedoeling van den Nederlandschen wetgever, anderdeels met de terminologie van het Nederlandsch-Indische staatsrecht.

Nevens de algemeene verordeningen (art. 81 R. R.) zijn dus genoemd de uit kracht van art: 72 R. R. vastgestelde reglementen en keuren van politie. Waar het Ontwerp alleen algemeene verordeningen oj) het oog heeft (vg. bv. art. ;}7 aanhef, 44, 149, 2de lid, 242), wordt ook alleen naar deze verwezen; terwijl waar in nog meer beperkenden zin bij uitsluiting wordt bedoeld eene rijkswet, evenals in het Nederlandsche wetboek, wordt gesproken van „de wetquot;, al of niet zonder nadere aanduiding (vg. de artt. 37, laatste lid, 91, 1ste lid, 94 en 103). Eindelijk vergelijke men nog omtrent de ruime beteekenis van het woord „strafwetquot; in het opschrift en de artikelen van B. I, T. I de toelichting van dien titel.

Slotbepaling.

Art. 103. Een voorschrift van gelijke strekking vindt men reeds in art. 35 van het wetboek van 186(gt;. Het hoofddoel van dit artikel was, blijkens zijne breede toelichting, bij de eerste codificatie van het N.-I. strafrecht voor Europeanen en de met hen gelijk-gestelden „met zekerheid vast te stellen wat bij de invoering van een nieuw strafwetboek in geen geval aan twijfel onderhevig mag zijn, hoever namelijk het gebied der algemeene bepalingen van strafrecht zich uitstrektquot;. Art. 35 Wetb. I860 was volgens zijne toelichting ontleend aan de slotbepaling van R. I van het niet tot wet verheven ontwerp van een Ned. Wb. van strafrecht van 1859. Tiet hier toegelichte artikel, ofschoon daarvan en al zoo ook van het thans in Indië geldende recht in hoofdbeginsel — werking van het algemeene deel van het wetboek ook buiten het gebied van het gecodificeerde strafrecht — niet afwijkende, sluit zich overigens, gelijk vanzelf spreekt, wat inhoud en vorm betreft, nauwer aan bij art. 91 van het Nederlandsche wetboek.

Terwijl dus hier in het algemeen kan worden verwezen naar do toelichting van dat artikel en wat er verder betrekking toe heeft (1), moet alléén de aandacht worden gevestigd op twee afwijkingen in de redactie.

De eerste is van hoogst eenvoudigen aard. Art. 91 Ned. Wb. spreekt van „andere wetten of verordeningenquot;. In aansluiting aan het onmiddellijk voorafgaande, in het Ned. Wb. niet voorkomende art. 102 en aan de artt. 31 en 72 R. R., lag het voor de hand hetzelfde begrip uit te drukken in de woorden „andere wettelijke voorschriftenquot;.

De tweede meer belangrijke afwijking van den tekst van art. 91 Ned. Wb. betreft de slotwoorden. In plaats van „tenzij de wet anders bepaaltquot; is gesteld; „tenzij bij de wet of bij Koninklijk besluit anders is bepaaldquot;. In het Nederlandsche artikel is ondubbelzinnig uitgedrukt dat afwijking van de bepalingen vervat in 15.1, T. I—VIII, ook voorzooveel betreft feiten waarop hij andere verordeningen straf is gesteld, alléén kan geschieden uit kracht van de ivet. Anders art. 99

(.1) Smidt, 1, bl. 510—5-13.

-ocr page 140-

120

van het ontwerp der staatscommissie. Daarvan luidde het slot: „tenzij dit wetboek of die wetten of verordeningen anders bepalenquot;. De woorden „dit wetboekquot;, in het artikel blijkens de oorspronkelijke toelichting alléén geschreven met het oog op art. 71 Ned. Wb. (79 van het Ontwerp), inzoover dit voor den aanvang van de verjaring bijzondere bepalingen inhoudt voor enkele in het wetboek zelf omschreven strafbare feiten, konden veilig als overbodig vervallen zonder in de zaak zelve eenige wijziging te brengen. Daarentegen school in de woorden „of verordeningenquot; eene gewichtige beginsel-vraag. Zij werden geschrapt in art. 98 van het bij de Tweede Kamer ingediende ontwerp in overeenstemming met deze alleszins juiste opmerking van den Raad van State: „Het moet niet geoorloofd zijn dat, hetzij bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, hetzij bij provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordeningen, van het alge-meene strafrecht aldus afgeweken wordequot;.

I lot staatsrechtelijke beginsel aan dit advies ten grondslag liggende, is onmiskenbaar geen ander dan dit: heeft de wetgever die het strafrecht codificeert, eenmaal vastgesteld dat het algemeene deel van die codificatie in den regel ook zal gelden voor feiten waarop bij andere wettelijke voorschriften straf is gesteld, dan is afwijking alléén geoorloofd aan een wetgever van gelijken of hoogeren, niet aan een van lageren rang. Brengt men dit beginsel in verband met het Indische staatsrecht, dan spreekt het van zelf dat afwijking van den regel gesteld in art. 103 van het Ontwerp, niet kan plaats hebben in de reglementen en keuren van politie bedoeld in art, 72 R. R., maar dan is het evenmin twijfelachtig dat zoodanige afwijking ook niet zal mogen geschieden bij de algemeene verordeningen in art. 31 R. R. aangeduid onder do benaming van ordonnantiën. Vandaar dat het voorbehoud aan het slot van art. 108 wordt beperkt tot algemeene verordeningen vastgesteld hetzij door de wetgevende macht in Nederland (wetten), hetzij door den Koning alleen (Koninklijke Besluiten).

-ocr page 141-

TWEEDE BOEK.

Misdrijven.

Voor de indeeling van het Tweede Bock en de rangschikking der titels — altoos eene min of meer willekeurige zaak — is het Neder-landsche wetboek trouw gevolgd.

Nieuw is alleen titel XXIV, handelende „over misbruik van aanzienquot;, een misdrijf eigenaardig met Nederlandsch-lndische toestanden samenhangende en de meeste analogie opleverende met de misdrijven van titel XXIII waarachter de nieuwe titel dus is ingevoegd.

Ook de opschriften der titels zijn onveranderd overgenomen. Alleen moest natuurlijk wegens de artt. 12(i, 129 en 130 het opschrift van titel II worden uitgebreid en ook het opschrift van titel III wegens de opneming van misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van quot;bevriende Indische volken.

TITEL I.

Misdrijven tegen de veiligheid van den staat.

{Artt. 104—122).

Behalve dat in dezen titel bijeengevonden wordt wat in den gelijk genummerden titel van het Nederlandsche wetboek voorkomt, zijn daarin opgenomen de misdrijven welke rechtstreeks betrekking hebben op het in gevaar brengen van Nederlandsch-lndië door aanranding van de staatsrechtelijke orde van zaken aldaar.

Van hot misdrijf omschreven in art. 5)5 Ned. Wb. is in het Ontwerp geene melding gemaakt.

De regeeringsraad is eene zuiver Nederlandsche instelling, en het bedoelde misdrijf kan kwalijk elders dan in Nederland worden gepleegd. De raad van Ned.-Indië is met den regeeringsraad niet op ééne lijn te stellen, omdat hij geene regeermacht uitoefent. Van het bij voormeld artikel ingenomen gezichtspunt ware hij eerder te vergelijken met don Raad van State in diens gewonen werkkring als adviseerend college dat evenzeer door den Koning in zeer vele gevallen moet worden geraadpleegd. Met den Nederlandschen wetgever heeft ook het Ontwerp in dezen titel niet verder willen gaan dan tot het beschermen van de werkelijke dragers van het hoogste gezag.

Art. 104. In dit artikel, overeenkomende met art. 92 Ned. Wb., is de doodstraf ingevoegd. Vg. de toelichting van 15. I, T. II sub II.

Art. 105. Dit artikel moest worden opgenomen wegens de hooge waardigheid van den Gouverneur-Generaal die in Neérland\'s koloniën en bezittingen in Azië het oppergezag uitoefent en de vertegenwoordiger is van den Koning. Vermits het hier de bescherming geldt van hem als drager van dat oppergezag, moest de straf geheel dezelfde zijn als in het vorige artikel.

-ocr page 142-

122

Art. HM), Dit iirtike! is in het algemeen gelijkluidend met art. 1)3 Ned. Wb., doch de daar voorkomende uitdrukking „rijkquot;—naar do Grondwet van 1848 zoowel het rijk in Europa als de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen omvattende — moest na de wijziging dier Grondwet in 1887, vervangen worden door „grondge-bied van den staatquot;. De zin is dan dezelfde. Zooals de Grondwet thans luidt, wordt met „rijkquot; aangewezen het rijk in Europa (art. 2, 2de lid Grondwet), terwijl onder „grondgebied van den staatquot; mede de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen worden begrepen (art. 59, 2de lid Grondw.).

Art. 108. (ielijk art. 107 (art. 94 Ned. Wb.) verband houdt met art. 104 (art. 92 Ned. Wb.), zoo ook moest, in verband met art. 105, bij deze bepaling worden strafbaar gesteld de vernietiging of de verandering op onwettige wijze van den regeeringsvorm van Neder-landsch-Indië. Het is immers mogelijk in Nederlandsch-lndië omverwerping te beoogen van den regeeringsvorm die krachtens het regeeringsreglement bestaat, \'zonder dat hierdoor of tegelijk de grondwettige regeeringsvorm in het moederland aangerand wordt.

Art. 109. In Nederland mogen de gewone voorschriften omtrent opruiing en wederspannigheid voldoende zijn tegenover die ernstige vormen van verzet en opruiing tot verzet welke het karakter van opstand dragen, voor Nederlandsch-lndië mag dat niet gelden. Een aanslag om ingezetenen of anderen tegen het gevestigde gezag in de wapenen te brengen, het voeren van de wapenen tegen dat gezag, kan op dat gebied en bij de daar bestaande maatschappelijke en staatkundige verhoudingen, voor de veiligheid in en van de kolonie een zoo groot gevaar opleveren dat bijzondere voorziening en zware bestraffing noodig is.

In verband met deze bepaling kan nu ook het artikel omtrent opruiing „toteenig strafbaar feitquot; eene bijzondere toepassing erlangen.

In nquot;. 1 wordt de bepaling van art. 50 van het wetboek van 18(56 teruggevonden, terwijl in nquot;. 2 getroffen wordt hij die met de wapenen in de hand deelneemt aan eene of andere oproerige beweging, ook al maakt hij zich niet schuldig aan eenig ander strafbaar feit.

Artt. 111—113. De eigenaardige toestand in Indië vereiseht dat op ééne lijn met het inverstandhouding treden met eene buiten-landsche mogendheid gesteld worde de handeling van gelijken aard met „Indische vorsten of volkenquot;, in den zin genomen van art. 44 R. R.

In artikel 111, 2de lid is de doodstraf ingevoegd. Dit misdrijf is de zwaarste vorm van landverraad. Vg. overigens de toelichting van B. I, T. II sub II.

Artt. 115 en 116. Art. 115 is gelijkluidend niet art. 101 Ned. Wb. Alleen is voor het woord „Nederlandquot; het woord „staatquot; gebezigd. Deze verandering is in overeenstemming met de terminologie boven bij de toelichting van art. 106 besproken; nu het woord „staatquot; krachtens de Nederlandsche Grondwet eene bepaalde bcteekenis heeft, verdient het aanbeveling deze uitdrukking te kiezen, ook om duidelijk te doen uitkomen dat de oorlog den geheelen staat aangaat, onafhankelijk daarvan of hij gevoerd wordt in Nederland zelf of in de koloniën.

-ocr page 143-

123

Art. Ilfi is nieuw. Indische vorsten en volken zijn, ook blijkens de terminologie van hot regeeringsreglement, geene buitenlandsche mogendheden, doch in Nederlandsch-Indië bestaat juist het gevaar van landverraad bij oorlogen met dezen.

Op één punt moet hier nader de aandacht worden gevestigd.

Art. 115 is alleen gericht tegen Nederlanders ; art. 116 tegen Nederlanders en tegen ingezetenen van Nederlandsch-Indië, ook al zijn zij vreemdelingen. Ten aanzien van het in dienst treden bij eene buitenlandsche mogendheid mocht men niet verder gaan dan het Ncder-landsche wetboek. Reeds de opmerking dat de staat bv. juist met het vaderland van den vreemdeling in oorlog kan wezen, bewijst dit voldoende; an ofschoon in Nederlandsch-Indië het ingezetenschap inderdaad een steviger band vestigt tusschen den persoon en het land van vestiging dan zulks in Nederland het geval is, de band der nationaliteit is toch inniger en eischt meer eerbiediging. Doch waar Europeanen, ingezetenen van Nederlandsch-Indië, staan tegenover Indische vorsten en volken met wie geen nationale band hen bindt, daar mag gerustelijk aan de voorrechten welke in Nederlandsch-Indië het ingezetenschap medebrengt, de plicht worden verbonden om niet bij inlandsche vijanden in dienst te treden; de veiligheid van Neder-landsch-Indië is niet alleen toevertrouwd aan de Nederlanders, maar even goed aan de vreemdelingen (Europeanen) die er zich hebben gevestigd.

Art. 117. De doodstraf te stellen op alle misdrijven omschreven in het tweede en het derde lid van dit artikel (gelijkluidend met het tweede lid n0. 1—4 van art. 102 Ned. Wb.) zou te ver gaan. Ook bij onze naburen is, blijkens § 90 van het Duitsche strafwetboek, op deze misdrijven de doodstraf niet gesteld. Aan den anderen kant legt het ernstig karakter van het misdrijf, in verband tot den staatkundigen toestand van Nederlandsch-Indië, veel gewicht in de schaal. Daarom is besloten den inhoud van het Nederlandsche artikel in dien geest te splitsen dat alleen op de ernstigste misdrijven, genoemd in het derde lid, ook de doodstraf gesteld is.

Art. 119 2°. Vg. ten aanzien van de verandering van de woorden „het rijkquot; in „den staatquot; de toelichting van art. 106.

TITEL II.

Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid en tegen de waardigheid van den Gouverneur-Generaal.

(Artt. 123—131).

Omdat de in dezen titel omschreven feiten niet rechtstreeks de veiligheid van den staat bedreigen, maar tot gemeenschappelijk kenmerk hebben het aanranden van de waardigheid van den hoogsten drager van het gezag, treedt de persoonlijkheid der aangetasten meer op den voorgrond dan in den vorigen titel. Daarom worden hier verschillende onderscheidingen gemaakt evenals in het Nederlandsche wetboek, naar gelang van den min of meer ernstigen aard of de min of meer ernstige gevolgen van den aanslag (art. 123) of naar gelang van den rang der aangerande of beleedigde personen

-ocr page 144-

124

(artt. 124, 125, 127, 128). Om dezelfde reden worden hier de misdrijven tegen den Gouverneur-Generaal niet op dezelfde lijn gesteld als die tegen den Koning (artt. 12(5, 129).

Art. 123, 8de lid. Dit misdrijf zoude vallen onder de qualificatie van moord (art. 299), en reeds op dien grond moest daarop de zwaarste straf worden gesteld. De bijzondere vermelding is echter wenschelijk om alle vormen van dezen aanslag in één artikel samen te vatten en noodig met het oog op art. 4 l0. Vg. art. 68, 2de lid.

Art. 129. Ook voor de vervolging van de hier strafbaar gestelde beleediging wordt geeno klachte veroischt. Daarvoor gelden gelijksoortige gronden als die in de memorie van toelichting van het Noderlandsche wetboek ten aanzien der andere in dezen titel omschreven beleedigingen zijn aangevoerd.

TITEL III.

Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende staten en van bevriende Indische volken.

{Artt. 182-187).

Nevens internationale rusten op de regeering van Nederlandsch-Indië gelijksoortige plichten van interkolonialen aard. De handhaving van het hooge aanzien der Indische vorsten en andere hoofden van Indische volken is een kenmerkend deel van het Nederlandsch regeerstelsel; zij zijn niet zooals de regenten op Java en Madura ambtenaren, en hun standpunt is ook betrekkelijk hooger.

In sommige overeenkomsten met Indische vorsten en volken gesloten, komt de bepaling voor dat de den Gouverneur-Generaal te zenden gezanten de bijzondere bescherming der regeering zullen genieten. Met dergelijke bepalingen is in het Ontwerp ook rekening gehouden.

Art. 182, \'Ade lid. Vg. de toelichting van art. 128, 8de lid die ten deele ook hier van toepassing is.

Art. 186. Ter vermijding van eene omslachtige redactie wegens de uitbreiding welke de artikelen 184 en 135, vergeleken met de artikelen 117 en 118 het Ned. Wb. hebben ondergaan, is hier eenvoudig gesproken van de in eerstgenoemde artikelen omschreven beleedigingen.

TITEL IV.

Misdrijven bij gelegenheid van verkiezingen.

(Artt. 188 en 189).

De IVde titel van B. II Ned. Wb. bevat onder het opschrift „Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechtenquot; verscheidene bepalingen die, als missende toepasselijkheid

-ocr page 145-

125

in Nederla.ndsch-Indië, niet in het Ontwerp konden worden overgenomen. Dit geldt van die artikelen waarbij de vrijheid van handelen van de lichamen of personen, aangewezen bij krachtens de wet of wettelijke verordening uitgeschreven verkiezingen, wordt gewaarborgd (Artt. 121, 122, 128, 124 Ncd. Wb.). Dergelijke lichamen of personen komen in de Nederlandsch-lndische staatsinrichting niet voor. Ook schijnt voor het nauwelijks denkbare geval dat een ingezetene van Nederlandsch-Indië als mededader van, of medeplichtige aan een der in genoemde artikelen omschreven misdrijven die alleen in Nederland kunnen worden voltooid, zou kunnen beschouwd worden, in de Nederlandsch-lndische strafwetgeving geene voorziening noodig.

Andere bepalingen daarentegen in genoemden titel mochten, behoudens enkele noodzakelijke wijzigingen, ook in het Ontwerp niet ontbreken. Zij betreffen de vrijheid en zuiverheid van krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen. Immers, hoewel wat betreft het Europeesch bestuur, dergelijke verkiezingen in Neder-landsch-Indië nog niet voorkomen, is bij art. 71, 1ste lid R. R. hei recht der inlandsche gemeenten om, behoudens de goedkeuring van het gewestelijk gezag, hare hoofden en bestuurders te kiezen uit-drukkelijk erkend, en is de Gouverneur-Generaal verplicht dat recht tegen alle inbreuken te handhaven. Ter uitvoering dezer laatste bepaling heeft dan ook voor zooveel Java en Madura, met hun eigenaardig dorps- of gemeentebestuur betreft, de regeling dier verkiezingen plaats gehad bij ordonnantie van 1 Januari 1878 (fnd. Slb. nn. 47) gewijzigd bij de ordonnantie van 28 September 1883 (hul. Stb. ii0. 229), terwijl in het strafwetboek voor inlanders (art. 70 vlg.) tegen inbreuken op de vrijheid en zuiverheid der verkiezingen is gewaakt (1). Het behoeft echter geen betoog dat dergelijke inbreuken ook door Europeanen en daarmede gelijkgestelden kunnen worden gepleegd, en dat de inlander ook tegen hen — en niet het minst tegen hen — behoort beschermd te worden. Men heeft intusschen gemeend zich hier te kunnen bepalen tot die verkiezingen welke volgens wettelijk voorschrift (in casu de bedoelde ordonnantiën) zijn uitgeschreven. Waar, gelijk o. a. in de buitenbezittingen — voorzoover daar een inlandsch gemeentelijk bestuur bestaat — de verkiezingen niet bij algemeene verordening geregeld zijn, is deze titel niet toepasselijk. Immers, waar administratieve regeling ontbreekt, ontbreekt ook voor strafrechtelijke bemoeiing in het strafwetboek voor Europeanen een genoegzaam vaste grondslag. Zoodra administratieve regeling tot stand komt, worden de strafbepalingen toepasselijk.

Tengevolge van deze overwegingen zijn de arrt. 188 en 139 in hot Ontwerp opgenomen, terwijl in overeenstemming daarmede het opschrift van den titel van het Nederlandsche Wetboek de thans daarin aangebrachte wijziging moest ondergaan.

De artt. 127 en 129 Ned. Wb. zijn niet overgenomen, zoowel omdat de bedoelde verkiezingen mondeling en niet door inlevering van stembriefjes plaats hebben, als omdat door de redactie van art. 139

(1) De praktijk heeft geleerd dat verkiezingsmisdrijven nog at eens in Nederlandsch-Indië voorkomen; enkele vonnissen zijn dan ook in bestaande verzamelingen van Nederlandsch-lndische rechtspraak opgenomen, vg. bv. Indisch Weekblad van het Kecht nquot;. 963, het vonnis van den landraad te Bodjonegoro, dd. 1 November 1881.

-ocr page 146-

126

Ontw., voor N.-Indië genoegzaam tegen bedrieglijke handelingen is voorzien.

Dat art. 126, 2d0 lid en art. 128 Nod. Wb. mede terzijde zijn nesteld, ligt in den aard der zaak, daar een Europeaan de daarbij bedoelde misdrijven niet kan begaan. Omkooping van een inlander tot het in art. 128 Ned. AVb. omschreven feit moest echter mede strafbaar zijn; hierin is dan ook in art. 139 Ontw. door eene toevoeging aan het overigens met dat artikel overeenstemmende eerste lid van art. 126 Ned. Wb. voorzien.

Art. 188 is gelijkluidend aan art. 125 Ned. Wb.

Art. 139. De wijzigingen bij dit artikel in art. 126 Ned. Wb. aangebracht, vinden hare verklaring in de hierboven opgenomen algemeene beschouwingen.

TITEL V.

Misdrijven tegen de openbare orde.

(ArU. 140—160).

De misdrijven welke rechtstreeks noch tegen de veiligheid van den staat, noch tegen dc handelingen zijner organen, noch tegen lijf of goed van eenig bepaald persoon gericht zijn, maar gevaar opleveren voor het maatschappelijk leven en de orde der maatschappij verstoren, zijn in dezen titel vereenigd.

Het Nederlandsehe wetboek is in dezen titel weder in hoofdzaak gevolgd. De enkele afwijkingen gerechtvaardigd door specifiek Indische toestanden, worden hieronder toegelicht.

Art. 140. Dit artikel bevat eene belangrijke afwijking van het overigens gelijkluidend art. 131 Ned. Wb. Zij bestaat in de bijvoeging der woorden „of tot eenige andere ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een krachtens wettelijk voorschrift gegeven ambtelijk bevelquot;.

Deze bijvoeging scheen wegens de bijzondere Indische toestanden wenschelijk en noodig.

Bij de memorie van toelichting van art. 131 Ned. Wb. (1) werd door de Regeering verklaard dat zij het niet raadzaam achtte afzonderlijk melding te maken van opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wetten, verordeningen of beschikkingen van het bevoegd gezag, zooals dit o. a. geschied is in art. 3 der wet van 1 Juni 1830 (Ned. Slb. n0. lo) en in § 110 van het Duitsche strafwetboek, omdat, voor zoover de niet-naleving dezer voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, elke daarmede strijdige handeling een „strafbaar feitquot; is, en bijgevolg de opruiing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 14Ö (thans 131) strafbaar is, terwijl, indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt, ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos behoort te wezen, daar er geen rechtsgrond bestaat om straf te bedreigen tegen de opruiing tot eene daad die zelve straffeloos is.

(1) Smidt, 11, bl. 67 vlg.

-ocr page 147-

127

Het gewicht dezer bedenkingen mag voorzeker niet gering geschat worden. Tevenu worde hier gaarne erkend dat in het algemeen het strafbaar stellen van opruiing tot een op zich zelf niet straf baai-feit zijne bedenkelijke zijde heeft en tot minder gewenschte gevolgen, wat de vrijheid van spreken en schrijven betreft, aanleiding kan geven. Toch behoort, naar men meent, ook hierbij het verschil in toestanden in aanmerking te worden genomen, en kunnen ten aanzien van Nederlandsch-Indië niet dezelfde gronden gelden als in Nederland tegen de bedoelde uitbreiding van het begrip van opruiing kunnen worden aangevoerd. Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achtte men dan ook in die algemeenheid minder juist. Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de „openbare ordequot; begaan, kon het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat eene dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden. En dat dit in de Indische maatschappij met haar geheel andere toestanden veel meer te duchten is dan in de Nederlandsche, valt niet te ontkennen. Men denke o. a. aan opruiing der inlandsche bevolking tot niet-betaling van belastingen of tot niet-voldoening aan van het bevoegde gezag uitgegane bevelen, ook buiten de gevallen bedoeld in art. 195. Dergelijke feiten mogen niet straffeloos kunnen plaats hebben. Zij kunnen tot zeer gevaarlijke gevolgen leiden, gevolgen van oneindig meer gewicht dan die welke door opruiing tot het plegen van eene eenvoudige dikwijls weinig beduidende overtreding veroorzaakt worden. Dit denkbeeld lag dan ook ten grondslag aan art. 294 van het wetboek van 186B, in verband met artt. 21 en 24 van het Indische drukpersreglement.

Ten einde echter willekeur uit te sluiten, is tevens uitdrukkelijk aangeduid dat opruiing tot ongehoorzaamheid alleen dan strafbaar is, indien zij is gericht tegen een „wettelijk voorschriftquot; of tegen een ambtelijk bevel dat krachtens een „wettelijk voorschriftquot; is gegeven en derhalve daaraan zijne kracht ontleent.

Art. 141. Vg. de toelichting van art. 140.

Artt. 144, 145. Vg. art. 5 nquot;. 4 Alg. Pol. Uegl. v. Eur. dat in het stelsel van het Ontwerp, overeenkomende! met dat van het Nederlandsche Wetboek (1), niet past en dus niet is overgenomen.

Art. 144. Vg. art. 135 Ned. Wb.

De opneming van \'de misdrijven omschreven in de nieuwe artt. 105, 108 en 109, vorderde, in verband met het in de artt. 110 en 118 bepaalde, dat in art. 144 ook met die nieuwe artikelen rekening werd gehouden.

Art. 145. Vg. art. 136 Ned. Wetb.

Bij do redactie van dit artikel moest rekening gehouden worden met de nieuwe artt. 105, 108, 109, 116 en 126.

(I) Smidï, II, blad/.. 75.

-ocr page 148-

128

Art. 147. Vg. art. 4 nquot;. 22 Alg. Pol. Regl. v. Kur.

l.s^c lid. De woorden voorkomende in art. 138 Iste lid Ned. Wb. „in de woning of het besloten lokaal of erfquot;, meende men niet ongewijzigd te kunnen overnemen. Het bij eene Indisehe woning behoorende erf is, in tegenstelling met hetgeen meestal in Nederland ten aanzien van dergelijk erf het geval is, dikwijls niet „beslotenquot;. Niettemin kan wederrechtelijk daar binnendringen of daar vertoeven met het oog op de inrichting en bouworde der Indische woningen zoo geheel afwijkende van de Nederlandsche, tot hinder en gevaar aanleiding geven.

Vandaar dat men gemeend heeft, voorzoo ver het erf geacht kan worden onmiddellijk bij eene woning te behooren (welke vraag de rechter in ieder gegeven geval zal hebben uit te maken), niet als vcreischte tot het plegen van het bedoelde misdrijf te moeten stellen dat dit erf „beslotenquot; zij. Het is op dien grond dat de woorden „of in het bij eene woning behoorend erfquot; in het artikel zijn bijgevoegd, door welke bijvoeging tevens eene andere wijze van verbinding — uitgedrukt door het woord „hetzijquot; — wensehelijk werd.

2de lid: „bij nachtquot;. Vg. de toelichting van art. 98.

Art. 148, 2de lid; „bij nachtquot;. Vg. de toelichting van art. 98.

Art. 149. Vg. art. 140 Ned. Wb.

Alleen het tweede lid van dit artikel eischt eenige toelichting. De woorden „de wetquot; voorkomende in het correspondeerend artikel van het Nederlandsche Wetboek zijn vervangen door „algemeene verordeningquot; in overeenstemming met de artt. 31 en 111 R. R. De strafrechtelijke sanctie die tot nu toe bij art. 5 n0. 2 Alg. Pol. Regl. v. Eur. aan art. Ill R. R. wordt verleend, is, wat de deelneming aan verboden vereenigingen betreft, onvoldoende wegens den ernst van dit feit.

Daarbij verlieze men niet uit het oog dat het begrip van „deelnemingquot; bekendheid met het karakter der vereeniging onderstelt. Bij deelneming aan vereenigingen die met een vooropgesteld doel werken, zal die bekendheid uit de toetreding zelve tot de vereeniging volgen; maar de rechter heeft daaromtrent ieder bijzonder geval te beslissen.

Ten aanzien van de vraag, of, en in hoever de strafwet sanctie moet verleenen aan art. Ill R. R., wat betreft de daarbij verboden vergaderingen, wordt verwezen naar de toelichting van art. 467 Ontw.

Artt. 154 en 155. Vg. artt. 145 en 14G Ned. Wb.

Met het oog op de niet-Christelijke godsdiensten in Nederlandsch-Indië die volgens art. 119 R. R. gelijke bescherming genieten als do Christelijke — bv. die der Mohammedanen en Chineezen — is in deze artikelen de in het Nederlandsche Wetboek voorkomende uitdrukking „kerkelijkequot; plechtigheid, vervangen door „godsdienstigequot; plechtigheid, daar het woord „kerkelijkequot; ten aanzien dier vreemde godsdiensten niet op zijn plaats is.

Art. 158. Dit artikel stemt geheel overeen met art. 149 Ned. Wb.

De verplaatsing der woorden „opzettelijkquot; en „wederrechtelijkquot; heeft alleen ten doel. eene verduidelijking der redactie geheel in overeenstemming met den in de toelichting van het Nederlandsche Wetboek

-ocr page 149-

129

uitgedruktcn regel: het woord „opzettelijkquot;, waar het gebezigd wordt, te plaatsen „in dier voege dat het steeds de geheele omschrijving be-heerseht van het strafbare feit zooals die daarna volgtquot; (1).

TITEL VI.

Tweegevecht.

{Arlt. 161—165).

Behoudens verhooging der geldboete in art. 162 is deze titel geheel onveranderd uit het Nederlandsche wetboek overgenomen.

TITEL VIL

Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht.

(Artt. 166—185).

Behoudens de verhooging der geldboete in een aantal artikelen, bevat deze titel geene wezenlijke afwijking van B. II, T. VII Ned. Wb. Immers, de verplaatsing der woorden „opzettelijkquot; en „wederrechtelijkquot; in art. 177 (168 Ned. Wb.) en die van het woord „opzettelijkquot; in art. 179 (170 Ned. Wb.) hebben alleen ten doel eene verduidelijking der redactie, evenals gelijke verplaatsing in art. 158. Vg. de toelichting van dat artikel.

TITEL VUL Misdrijven tegen het openbaar gezag.

{Artt. 186—218).

Gelijk in B. II, T. VIII Ned. Wb. strekken de onder deze rubriek strafbaar gestelde feiten alle om de geregelde werking der organen van het staatsgezag te belemmeren. Reeds hierdoor wordt het duidelijk dat in het Ontwerp het Nederlandsche wetboek niet geheel en al. kon worden gevolgd. De afwijkingen en aanvullingen worden hieronder toegelicht.

Artt. 186 en 187. Zoowel art. 292 Wb. van 1866 als art. 25 van het drukpersreglement voorziet door een bijzonder voorschrift tegen beleediging „aangedaan aan gestelde machten of aan (openbare) lichamen (2) uit meer dan één persoon bestaande al is het ook dat geen persoon uitdrukkelijk is aangeduid, en onverschillig of die gestelde machten of lichamen in Nederland of in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere werekldeelen zijn gevestigdquot;.

Het is niet twijfelachtig dat de beide genoemde artikelen zijn

(1) Smidt, I, bl. 72, in verband met II, bl. 99 en III, bl. 28.

(2) Het woord „openbarequot; komt niet voor in het wetboek, wel in het reglement. Kr kan echter geen twijfel bestaan, dat beiden bedoelen „openbare lichamenquot;.

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I. ()

(voor de Europeanen.)

-ocr page 150-

130

ontleend aan art. 2 dor wet van Ui Mei 1829 (Ned. Sth. n0. 34). Dat artikel is echter niet overgenomen in het Nederlandsche wetboek. Waarom, blijkt niet. De memorie van toelichting bewaart over de zaak het stilzwijgen, en in de beraadslagingen werd er geen woord over gezegd.

Alléén houdt daarmede verband eene door de regeering onbeantwoord gebleven opmerking van het verslag der Tweede Kamer op B. II, T. XVI, luidende al\'s volgt:

„Aan het slot van dezen Titel zij nog opgemerkt, dat de vraag gedaan werd of beleediging tegen persona; morales of collectief tegen vereenigingen van personen, zooals tegen de liheralen, de ultrarnontanen, volgens dezen titel strafbaar moet worden geacht.

„De Commissie antwoordt ontkennend, omdat dergelijke beleediging niet kan gezegd worden iemand te zijn aangedaan. Zij acht strafbedreiging tegen dergelijke feiten ook niet wenschelijk met het oog op de gevaren welke daaruit voor de vrijheid van kritiek der openbare magten en der openbare aangelegenheden zou voortvloeijen. De strafbedreiging is ook daarom overbodig, omdat waar het feit het karakter van individuele beleediging zou aannemen, de strafbepalingen van het ontwerp reeds nu er in voorzien, en waar dit niet het geval is. niemand zich de beleediging behoeft aan te trekkenquot; (1).

Eigenlijk worden in deze opmerking twee vragen gesteld, die, ofschoon verwant, niet identiek zijn. Verschillend toch is do aantijging-in woord of schrift gericht tegen geheele klassen of categoriën van personen, zooals de liberalen, de ullramontanen, de teerkyevers, de werklieden, van die gericht tegen al of niet met rechtspersoonlijkheid omkleede vereenigingen, stichtingen, zooals eene bepaalde kerkelijke gemeente of een bepaald rechterlijk college, eene diaconie of eene universiteit. Dat aantijgingen als de in de eerste plaats bedoelde, die ook de wet van 1829 niet strafbaar stelde, in den regel te onbepaald zijn om onder de qualificatie van „beleedigingquot; te vallen, is niet twijfelachtig; wat de in de tweede plaats bedoelde aantijgingen betreft, is de dooide commissie van rapporteurs mede onderstelde mogelijkheid niet uitgesloten dat daardoor over het hoofd der vereeniging of stichting heen hare leden of bestuurders opzettelijk worden getroffen. Of dit laatste werkelijk het geval is, is eene feitelijke vraag, in elk bijzonder geval naar omstandigheden te beslissen.

Eene rechtsvraag daarentegen is het, of het werkelijk object van beleediging kan zijn eene collectieve eenheid, rechtspersoon of niet. Deze vraag nu, waarover in de wetenschap nog steeds verschil van gevoelen (2) bestaat, schijnt de Nederlandsche wetgever van 1881, nu hij daarvoor geen bepaling in het Wetboek opnam, te hebben overgelaten aan de interpretatie der wet door den rechter. Althans het mag worden betwijfeld, of zij in het Nederlandsche wetboek voorgoed is uitgemaakt door het niet overnemen van art. 2 der wet van 1829, nu daarvoor volstrekt geen reden is gegeven.

(1) Smidt, li, bl. 367.

(2) FHUKlinACii, I.elubuch, § 280, was van oordeel, dat ook „Gemeinheiten und Collfigienquot; object van beleediging kunnen zijn, welke leer, bestreden door Mittkii-MAlKli, Aant. 1 op deze § (Ed. 1847, bl. 40U) en later door Bkrner, Lelirb. 8e Anll. bl. 442; Dociiow bij v. Holtzendorf, 111, bl. 339 en Hugo Mkueu, Lelirb. 2e Anll., bl. 423, steun vond bij Markzou,, das Deutsche Criin. Recht, 3e Aull., bl. 433; Von WacilTER Deutsche Strafr. (Leipzig 1881) bl. 388 en v. Liszt, Lehrb., 3e Anll.. bl. 330. Men zie nog Olshausen, ad g 185 van het D. VV. nlt;gt;. 11, 12, 13 (8e Aull., bl. 752).

-ocr page 151-

131

Wat daarvan zij, in Ned.-Indië ware eene afwijking van hot daar thans krachtens art. 25 van het drukpersreglement en art. 292. Wetb. 18i)() geldende recht niet gerechtvaardigd. De eerbied verschuldigd aan het openbaar gezag, eischt daar, zeker niet minder dan in de Europeesche staten waar gelijksoortige voorschriften gelden (1), dat gestelde machten en openbare lichamen niet straffeloos, opzettelijk en in het openbaar, worden beleedigd, ook dan wanneer niet een of meer ambtenaren, gelijk art. 275 Ontw. onderstelt, \'individueel in hunne eer worden gekrenkt. Mist de beleediging geheel dat individueel karakter, treft zij uitsluitend de organen van het openbaar gezag als zoodanig, dan is de aangewezen plaats voor hare strafbaarstelling deze titel en niet T. XVI.

Op eéne afwijking van het thans in Indië geldende recht moet worden gewezen. Art. 25 van het drukpersreglement en art. 292 Wetb. 18(56 stellen de daar omschreven beleediging strafbaar, onverschillig of de „gestelde machten of lichamen in Nederland of ii; de koloniën of bezittingen van het rijk in andere werelddeelen zijn gevestigdquot;. Ofschoon dit voorbeeld is gevolgd in art. 324 Wetb. van Strafr. voor Suriname en art. 323 Wetb. van Straft-, voor Curasao, meende men in het Ontwerp niet zoover te moeten gaan. Daarin wordt alleen gesproken van „eene in Nederlandsch-Indië gestelde macht of een aldaar gevestigd openbaar lichaamquot;. Er is geen reden om in Indië aan de in Nederland gestelde machten of de aldaar gevestigde openbare lichamen eene meer uitgebreide strafrechtelijke bescherming te verzekeren dan zij in Nederland volgens de daar geldende wet genieten.

Art. 186. Tusschen de verschillende vormen van opzettelijke beleediging wordt niet onderscheiden. Alle vallen onder het bereik van dezelfde strafbepaling, hier evenals in de artt. 127, 128, 129, 134, 135. De straf moest echter veel minder zwaar zijn, vooreerst omdat de beleediging in het hier bedoelde geval geheel mist het kenmerk van krenking van de eer van een physiek persoon, wat haar altijd nog eigen is in de gevallen omschreven in de laatst aangehaalde artikelen en in art. 275, ten andere omdat het lasterproces, te voeren ingevolge de artt. 270 en 271, waar alleen een orgaan van het openbaar gezag, geen individu, wordt aangevallen, niet wel denkbaar is. Het werd dus voldoende geacht hier gelijke straf te bedreigen als in art. 269, 2de lid op smaadschrift is gesteld.

„In het openbaarquot;. Thans is het niet anders. Zie art. 25 Drukn. Regl., art. 292 in verband met art. 282 en art. 289, 2do lid Wetb. 1866, waaruit blijkt dat volgens dat wetboek openbaarheid een ver-eischte is van strafbaren laster en hoon.

Art. 187. Vg. de artt. 130, 136 en 280.

Art. 194 is ruimer gesteld dan art. 183 Ned. Wh. waarmede het overigens in strekking overeenkomt.

Onder de algemeene uitdrukking van n0. 1 vallen bv. alle bijzondere personen bedoeld bij het tweede lid van art. 422 Regl. strafv..

(1) § 402 Oost. Wetb. van 1852, §§ 196, 197 van het Diiitsche Rijkswetboek, art. 446 Code Pénal Beige, art. 197 van het Italiaansohe Wetb., artt. 30 en 33 der Fiansche wet van 29 Juli ISSl.

-ocr page 152-

132

het tweede lid van art. 428 Inl. Regl. en de overeenstemmende artikelen in de reglementen tot regeling van het rechtswezen in de buitenbezittingen; bij art. 11 Inl. Regl. en de overeenstemmende artikelen in de reglementen tot regeling van het rechtswezen in de buitenbezittingen. Zij allen toch zijn krachtens wettelijk voorschrift voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst belast en moeten bij de waarneming van dezen dienst gelijke bescherming genieten als de ambtenaren in wier plaats zij treden.

Onder n0. 2 zijn mede aangewezen de bestuurders en het verder personeel genoemd in art. 54 van Ind. Slh. 1885 n0. 113. Hoewel spoorwegdiensten en stoomtramdiensten beide betrekking hebben op hot verkeer door stoomvermogen over een spoorweg (zoo bv. bij de toepassing van art. 173), worden zij hier afzonderlijk genoemd, omdat zij administratief geregeld worden door verschillende verordeningen. Vg. nevens het aangehaalde algemeen reglement voor de stoomtramdiensten dat voor de spoorwegdiensten vastgesteld bij Ind. Stb. 1885 nu. 184, beide gewijzigd bij verschillende ordonnantiën (1).

Art. 195. Door deze algemeene bepaling waarin voor Nederland een aantal voorschriften van speciale wetten werden opgelost, wordt voor Indië ook voorzien in de bijzondere gevallen thans omschreven in art. 4 n0. 2 en 24 en gedeeltelijk in art. 5 n0. 3 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 197. Vg. art. 5 n0. 3 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 200. De uitbreiding van art. 189 1°. Ned. Wb. tot „andere die krachtens wettelijk voorschrift voortdurend of tijdelijk met politiedienst belast zijnquot; houdt verband met hetgeen ter toelichting van art. 194 1°. is opgemerkt.

Art. 205. Aangezien voor Indië geene wettelijke voorschriften bestaan omtrent de „coöperatieve vereenigingenquot;, en alzoo ook niet vaststaat dat zij in staat van faillissement kunnen worden verklaard, zooals in Nederland het geval is krachtens art. 17 der wet van 17 November 1876 {Ned. Slh. n0. 227), kon hier geen gewag worden gemaakt van de bestuurders of commissarissen dier vereenigingen, gelijk in art. 194 Ned. Wb.; voorts moest waar dat artikel spreekt van de „wetquot;, hier worden gesproken van „de wettelijke voorschriftenquot;. Vg. de toelichting van art. 102.

Art. 208. Art. 197 Ned. Wb. dat volgens zijne toelichting terugslaat op de artt. 14 en 15 der wet van 13 Augustus 1849 (Ned. Slh. n0. 39), kon natuurlijk niet worden overgenomen vcor Indië waar deze of dergelijke bepalingen niet gelden.

Het was hier echter de plaats om straf te stellen op ongehoorzaamheid aan de besluiten bedoeld in de artt. 45—47 R. R. en in art. 5 der verordening op de toelating en vestiging in Nederlandsch-Indië van Nederlanders, andere Europeanen en met hen gelijkge-stelden {Ind. Slh. 1872 nquot;. 38).

Met het oog op de ernstiger gevallen werd negen maanden gevangenisstraf als maximum niet te hoog geacht, onverminderd strafvor-

(1) Vg. lui. ,1. Lion «Algomeene Verordeningen voor Ned-Indiëquot;, bl. 030, i)48.

-ocr page 153-

183

zwaring in geval van recidive die hier allicht het karakter kan aannemen van trotseering van het gezag.

Art. 209, Ook hier zijn de woorden „de wotquot; van het overeenstemmende art. 108 Ned. Wb. vervangen door „wettelijk voorschriftquot;. Vg. de toelichting van art. 102.

Arü. 214 en 215. In plaats van de woorden „het rijkquot; in do overeenstemmende artt. 208 en 204 Ned. Wb. voorkomende, zijn gesteld de woorden „den staatquot;. Vg. de toelichting van art. 106.

Art. 216. Voor de toestemming des Konings (art. 205 Ned. Wb.) moest hier de toestemming van den Gouverneur-Generaal in do plaats treden.

Art. 217. Dit artikel geeft terug do verbodsbepaling van art. 1 in verband mot de strafbepaling van art. 2 1ste lid der ordonnantie van 9 Jan. 1887 (Ind. Sth. nu. 8), voorzoover deze laatste Europeanen betreft. Het maximum dor gevangenisstraf kon echter in hot stelsel van dit Ontwerp, worden verminderd tot zes maanden, maar het kwam, met het oog op den aard van hot misdrijf dat veelal in ongeoorloofd winstbejag zijn oorsprong zal hebben, wenschelijk voor de vrijheidsstraf alternatief te stellen met eene hoogo geldboete. Do strafverzwaring voor „ambtenaren of beambtenquot; volgens art. 2, 2de lid moest hier, met het oog op hot algemeene voorschrift van art. 52 Ontw., vervallen. De regel van art. 58 Ontw. maakt eene bijzondere strafbaarstelling der poging, in art. 8 der ordonnantie opgenomen ter voldoening aan art. 4, 2de lid Wetb. van 1866, hier overbodig. Eindelijk zij nog opgemerkt, eensdeels dat de woorden „buiten de gevallenquot; enz. in hot artikel zijn opgenomen met hot oog op het voorbehoud in art. 4 der ordonnantie dat do bepalingen omtrent het indienstnemen van inlanders als zeevarenden blijven gehandhaafd, anderdeels dat art. 5 — dispensatie van hot verbod van art. 1 — noodzakelijk vervalt waar, zooals hier, als vereischte van het misdrijf wordt gesteld dat de aanwerving zij geschied „zonder toestemming van den Gouverneur-Generaalquot;.

Art. 218 n0. 1 is tekstueel in verband gebracht met art. 118 R. R, Overigens stemt het artikel geheel overeen met art. 206 Nod. Wb.

TITEL IX.

Meineed.

(Art. 219).

Bij art. 870 Inl. Regl. is aan den resident rechtsprekende in zaken welke op de politiorol worden afgedaan, hot oordeel overgelaten om de getuigen al dan niet onder cede te hooren, en kan hij dus zijne beslissing gronden op onbeëedigde verklaringen. Voorts is in afwijking van hot voorschrift van art. 409 Ned. Wb. van strafv., volgens hetwelk onbeëedigde verklaringen alleen als toelichting mogen worden aangemerkt, bij art. 879 Regl. strafv. en art. 298 Inl. Regl. aan deze meerdere waarde, eene zekere bewijskracht toegekend door des bepaling dat de onbeëedigde verklaringen tot aanvulling kunnen dienen van andere daarmede en onderling overeenstemmende bewijzen.

De vraag werd daarom overwogen of het afleggen van zoodanige

-ocr page 154-

134

onbeëedigdc onware verklaringen strafbaar behoort te worden gesteld.

Deze vraag heeft men, in overeenstemming met het gevoelen van het Hooggerechtshof en van den raad van Nederlandsch-Indië, ontkennend beantwoord.

Wat toch het voorschrift van art. 370 Inl. Regl. betreft, in al dc daarmede overeenstemmende artikelen van de reglementen tot regeling van het rechtswezen in do buitenbezittingen is het hooren van getuigen op de politierol onder eede reeds verplichtend voorgeschreven, en wanneer dat artikel hiermede in overeenstemming zal zijn gebracht, dan vervalt daarmede ook het bezwaar.

De tweede bedenking, gegrond op art. 379 Regl. strafv. en art. 293 Inl. Regl., is niet zonder gewicht, daar het niet te ontkennen is dat volgens de voorschriften dezer artikelen onbeëedigdc verklaringen op de beslissing van den rechter van invloed kunnen zijn. Men achtte het echter niet wenschelijk die vérklaringen strafrechtelijk te sanctioneeren, omdat daaraan alsdan door den rechter meer waarde zal worden toegekend dan nu het geval is.

Behoudens de verandering van „wetquot; in „algemeene verordeningquot;, is dus het geheele artikel onveranderd overgenomen.

TITEL X.

Muntmisdrijven.

{Artt. 220—227).

Het beginsel dat aan dezen titel ten grondslag ligt, is dat de muntmisdrijven te beschouwen zijn als aanranding van de openbare trouw, zoodat de aard van het strafbare feit dezelfde blijft, hetzij dit ten opzichte van Nederlandsche, hetzij dit ten opzichte van vreemde. munt wordt gepleegd; met dit verschil alleen dat in het laatste geval eene lichtere straf wordt gesteld (art. 224).

Het Nederlandsche koloniale geld is niet van het Nederlandsche gescheiden, welk beginsel van gelijkstelling reeds gevolgd is in art. 21 der wet van 11 Mei 1854( Ned. Sth. nn. 75) tot regeling van het muntwezen in Nederlandsch-Indië, en in de artt. 70—85 Wetb. 186(5.

Bij Nederlandsche of koloniale zoomin als bij vreemde munt wordt onderscheid gemaakt naarmate van het metaal waaruit het geslagen is.

Met muntspeciën wordt gelijk gesteld muntpapier.

De muntbiljetten zijn evenzeer wettig betaalmiddel. Vg. art. 2 der wet van 26 April 1852 (Ned. Sth. n0. 90) tot uitgifte van muntbiljetten.

Onder \'s rijksmuntspeciën (waaronder ook de koloniale) heeft men te verstaan standpenningen, pasmunt en negotiepenningen. Vg. artt. 1—5 der wet van 21 November 1847 (Ned Slh. n°. 67) tot regeling van het Nederlandsche muntwezen.

Deze beginselen zijn ook voor Nederlandsch-Indië van toepassing, zoodat in dezen titel de bepalingen van het Nederlandsche Wetboek geheel kunnen worden overgenomen, behoudens de wijzigingen van art. 212 van dat wetboek in art. 224 Ontw., welke hieronder worden toegelicht.

-ocr page 155-

185

Art. 224. Het woord „buitenlandschequot; is veranderd in „vreemdequot; om beter te doen uitkomen on boven bedenking te stellen dat de vermindering van straf niot betreft misdrijven ton aanzien van do nationale munt of het nationale muntpapier gepleegd, ook al is die munt of dat muntpapier in Nederlandsch-lndië geen wettig betaalmiddel.

Art. 226. Het tweede lid van het overeenstemmend art. 214 Ned. Wb. is niet overgenomen. Vg. do toelichting van B. I, T. II sub IX.

TITEL XI.

Valschheid in zegels en merken.

(Artt. 228-238).

Aangezien in Indië geen waarborg op do gouden on zilveren werken bestaat en hot ijk wezen nog niet bij algomeono verordening Is geregeld, zijn de art. 217, 218 en 221 Ned. Wb. niet overgenomen.

Eene strafbepaling togen hot namaken of vorvalsohon van hot brandmerk op vee bedoeld in art. 1 Ind. Slh. 1882 nquot;. 233, die ook thans noch in die verordening, noch elders voorkomt, werd onnoo-dig geacht, omdat eon belang bij zoodanige namaking of vervalsching zich moeilijk laat denken, al is dan ook dit feit in Nederland strafbaar gestold in het bij art. 12 1°. Invoeringswet gehandhaafde art. 39, 3de lid dor wet van 20 Juli 1870 (Ned. Stb. n0. 131).

Art. 228. Onder „van rijkswege uitgegeven zegelsquot; verstaat art. 216 Ned. Wb. blijkens zijne geschiedenis alle zegels in den ruimsten zin (belasting, post- en telegraafzogols enz.) die van woge het rijk in Europa worden uitgegeven; derhalve moesten in hot overeenstemmend artikel van hot ontwerp de woorden worden gebezigd „van wogo de Nedcrlandsch-Indische rogoeringquot;.

Voorts zijn met het oog op het laatste lid van art. 25 van Ind. Slh. 1885 n0. 131 in dit artikel de woorden „of do tot hunne geldigheid vereisehte handteekeningquot; en „of als geldigquot; opgenomen. Deze handtoekoning van den zogoldebitant is oen onmisbaar vereisehte voor de geldigheid van het zegel en maakt daarmede dus één geheel uit.

Door deze bijvoeging is de mogelijkheid dat vervalsching van deze handtoekoning krachtens eeno andere bepaling van het wetboek gestraft wordt, uitgesloten (vg. art. 63, 2de lid).

Art. 231. Zie wat betreft do woorden „van wego do Nodorlandsoh-Indisohe regoeringquot; do toelichting van art. 228.

Art. 232. Hot tweede lid van hot overeenstemmend art. 223 Ned. Wb. is niet overgenomen. Vg. do toelichting van B. I , T, II sub IX.

TITEL XII.

Valschheid in geschriften.

{Artt. 234—244V

Do omstandigheid dat in Ned.-Indië in het vorkoor geschriften voorkomen welke in het moederland onbekend zijn, kan op zich zelve

-ocr page 156-

136

natuurlijk geen reden wezen om van den tekst van het Nederlandsche wetboek af te wijken of dien met eene uitdrukkelijke opneming van die geschriften aan te vullen. Die geschriften z.ullen naar hunnen aard moeten worden getoetst aan de algemeene begripsomschrijvingen van de artt. 234—236 Ontw. (225—227 Ned. Wb.).

Ook de lijst der bijzondere geschriften in de artt. 237—241 Ontw. kon uit de artt. 228—231 Ned. Wb. onveranderd worden overgenomen. Alzoo behoefde bv. niet in het bijzonder te worden gelet op de geleide-biljetten of veepassen bedoeld bij Ind. Stb. 1863 no. 84 j0. 1875 nü. 226, waarvan in het strafwetboek voor inlanders (art. 115) uitdrukkelijk is melding gemaakt, en waarop ook in een der adviezen van de Indische autoriteiten de aandacht werd gevestigd, vermits immers deze stukken onder de algemeene begripsomschrijving van de artt. 234 vlg. vallen en afwijkende voorschriften voor deze niet noodig zijn.

Art. 235 2°. Tot „schuldbrieven of certificaten van schuld van eenigen staatquot; behooren ook die welke luiden ten laste van eeno kolonie of overzeesche bezitting van eenen staat, voor zooveel Neder-landsch-lndië betreft reeds uitdrukkelijk vermeld in art. 4 3°.

Arlt. 241 en 242. De eigenlijke valschheid in bankbiljetten en het opzettelijk gebruik maken van zoodanige valsche of vervalschte biljetten valt onder de artt. 234 en 235 5U. Voorzoover evenwel zulke biljetten den dienst doen van algemeen ruilmiddel moeten ook hiervoor bepalingen worden opgenomen omtrent het met misdadig oogmerk in voorraad hebben of invoeren en het uitgeven van te goeder trouw ontvangen biljetten waarvan den dader de valschheid of vervalsching eerst later is bekend geworden, op den voet van hetgeen ten aanzien van muntspeciën bepaald is (vg. artt. 221, 223 en 225). Daarom is in deze artikelen ook alleen van de biljetten eener Nederlandsch-Indische geautoriseerde circulatiebank sprake. Vg. hiermede do artt. 232 en 233 Ned. Wb., waar om dezelfde reden van de biljetten eener krachtens de wet opgerichte circulatiebank sprake is. Intusschen moest — iets wat geene nadere toelichting vereischt —• voor „wetquot; worden gesteld „algemeene verordeningquot; (vg. laatstelijk Ind. Stb. 1891 n0. 49); voor „Nederlandschequot; „Nederlandsch-Indischequot;, voor „het rijk in Europaquot; „Nederlandsch-Indiëquot;.

Art. 243. Het tweede lid van het overeenstemmend art. 234 Ned. Wb. is niet overgenomen. Vg. de toelichting van B. I, T. I I sub IX.

TITEL XIII.

Misdrijven tegen den burgerlijken staat.

(Artt. 245—247).

Deze titel met B. II, T. XIII van het Nederlandsche Wetboek overeenstemmend, behoeft geene bijzondere toelichting.

-ocr page 157-

187

TITEL XIV.

Misdrijven tegen de zeden.

{Arlt. 248—268).

Met het oog op de Indische maatschappelijke en rechtstoestanden kon deze titel niet ongewijzigd aan het Nederlandsche Wetboek worden ontleend. Belangrijke veranderingen zijn aangebracht, zonder dat evenwel de hoofdbeginselen van het Nederlandsche wetboek verlaten zijn.

Art. 248. Het valt niet te betwijfelen dat naar het overeenstemmend art. 239 Ned. Wb., al is het woord „opzettelijkquot; daarin niet gebezigd, toch niet alleen de handeling zelve waardoor de eerbaarheid geschonden wordt, gewild moet zijn, maar dat het opzet ook op de door die handeling teweeggebrachte schennis der eerbaarheid moet zijn gericht geweest, dat de dader die de eerbaarheid schendende beteekenis van zijne handeling moet hebben gekend.

In het stelsel van den Nederlandschen wetgever kon om dit uit te drukken, het woord schennis voldoende worden geacht. Vg. de opmerking in de M. v. T. omtrent het begrip van het „opzetquot;. Wel zou misschien de redactie kunnen doen betwijfelen, in hoever bij den dader ook bekendheid met de openbaarheid behoorde aanwezig te zijn, en of eene aan zijne schuld te wijten onbekendheid met die omstandigheid voor schuldigverklaring aan dit misdrijf voldoende mocht heeten. Intusschen zijn in Europa de grenzen van wat al of niet de eerbaarheid schendt, door de zeden vrij duidelijk aangegeven.

In Nederlandsch-Indië is men aan geheel andere toestanden gewend. Kinderen loopen veelal naakt; volwassen inlanders zijn weinig gekleed; het baden geschiedt dikwijls in langs de openbare wegen stroomende wateren ; vooral in de binnenlanden heerscht te dien aanzien eene eenvoudigheid van zeden die voor nauwelijks uit Europa aangekomenen opvallend is, maar waaraan ook de Europeaan gewend geraakt, en waarin de met dezen gelijkgestelde is groot geworden.

Het scheen daarom, ten einde onrechtvaardige vervolgingen te verhoeden, noodzakelijk het opzettelijk karakter van dit delict uitdrukkelijk aan te geven. Naar het stelsel van het Nederlandsche wetboek en van het Ontwerp moet nu het woord „opzettelijkquot; alles wat in elk der beide nommers van het artikel daarop volgt, beheerschen.

Art. 250. Vermits het hier geldt een wetboek voor de Europeanen kon het stelsel omtrent overspel en do voorwaarden der strafbaarstelling onveranderd uit het Nederlandsche wetboek, zooals het bepaaldelijk op dit punt bij de Novelle van 25 Januari 1886 {Ned. Sth. n0. 6) gewijzigd werd, worden overgenomen.

Art. 253. Dit artikel is ontstaan uit eene samentrekking van de artt. 244 en 245 Ned. Wb.; maar vertoont zelfs in dien vorm belangrijke afwijkingen van voormelde artikelen.

Immers moest wel worden in het oog gehouden dat de vrouwen tegen wie het misdrijf meestal gepleegd zal worden, inlandsche vrouwen zijn, of met Europeanen gelijkgestelde.

-ocr page 158-

188

Deze nu zijn 1quot;. vroeger huwbaar dan de vrouwen in Europa, terwijl 2quot;. haar leeftijd zeer dikwijls volstrekt niet vaststaat, noch zelfs kan worden vermoed. Toch wilde men allerminst hieruit de gevolgtrekking maken dat nu de bescherming dezer vrouwen tegen te vroeg misbruik van haar geslachtsleven moest wegvallen. Integendeel. Do roeping van den Nederlandschen staat eischt zoodanige bescherming. Ni en heeft gemeend gerustelijk in hot algemeen de grens van 15 jaren te mogen stellen, en, bij onbekendheid van den leeftijd, de huwbaarheid. Juist omdat in deze laatste categorie van personen van boven en van beneden de 12 jaren kunnen begrepen zijn, ging het niet aan de ook op zich zelve niet noodzakelijke onderscheiding in de wettelijke strafmaat welke de artt. 244 en 245 Ned. Wb. aangeven, over te nemen. Maar men is, wegens de bovenvermelde onzekerheid van veler leeftijd, er toe gekomen om boven allen twijfel te stellen dat het niet voldoende is wanneer de jeugdige leeftijd van het slachtoffer objectief vaststaat, doch dat alle bestanddeelen van dit delict door het opzet van den dader moeten worden beheerscht. Aan den rechter is het dan om uit te maken of dat opzet in concreto aanwezig is.

Het 2e lid onderscheidt tusschen de gevallen waarin ex officio en waarin alleen op klachtc vervolgd kan worden, geheel naar de beginselen van het Nederlandsche wetboek (artt. 244 en 245, 2e lid j0. 248). Wel wordt bier van den leeftijd van 12 jaren melding gemaakt, doch bezwaar levert die vermelding in dit geval niet. In de gevallen waarin vaststaat dat die leeftijd nog niet bereikt is of waarin het misdrijf de gevolgen heeft in art. 256 opgesomd, behoeft geene klachte te worden overgelegd; anders wel.

Art. 255. De wijzigingen in dit artikel vergeleken met art. 247 Ncd. Wb. aangebracht, worden door art. 253 en het tor toelichting daarvan aangeteekende voldoende verklaard.

2e lid. Vermits in n0. 2 en n0. 3 van geene gewelddadige handelingen sprake is, zijn de daarbij omschreven misdrijven alleen op klachte vervolgbaar gesteld, in afwijking in zooverre van art. 247 Ned. Wb. Dezelfde reden die aanleiding gaf tot het 2° lid van art. 253, het belang der slachtoffers zelve bij geheimhouding, schoen hiertoe te mogen leiden.

Ar/. 257. Ernstig is overwogen of men art. 249 2°. Ned. Wb. zou overnemen. De staatscommissie voor dat Wetboek had van deze categorie van personen gezwegen. Ook zoo het oorspronkelijk regeerings-ontwerp. Op voorstel van de commissie van rapporteurs werd dat nommer er ingevoegd. Toch heeft dit volstrekt verbod zijne schaduwzijde. Het kan tot groote chantage aanleiding geven.

In Nederland moge een grond bestaan om deze bedenking niet te laten overwegen, voor Indië klemt zij in hooge mate.

Men bedenke dat niet zelden een Europeesch bestuurder of opzichter van eene landelijke onderneming geheel alleen staat tegenover een aantal inlanders en dat, wanneer deze hem, om welke reden ook, gaarne zouden vervangen zien, zij allicht, gelijk de ondervinding leert, minder kiesche middelen gebruiken.

Hierbij komt nog dat het tijdstip der meerderjarigheid bij inlanders zeer onzeker is. Vermits voorts alle vleeschclijke gemeenschap met personen die den vijftienjarigen leeftijd nog niet bereikt hebben in

-ocr page 159-

189

hot iilgomeen verboden is, meent men tot de weglating van vermeld nommer gerustelijk te kunnen besluiten.

2°. Voor „personen aan hun gezag onderworpenquot; (art 249 8° Nod. Wb.) is in de plaats gesteld „personen dio aan hen ondergeschikt zijnquot;. Deze laatsten zijn ook door den Nederlandschen wetgever bedoeld. Nu moge de door dezen gekozen uitdrukking in de Nederlandsche staatsrechtelijke toestanden geen bezwaar opleveren, in Indië is dat anders wegens do feitelijke verhouding tusschon de ambtenaren en de inlandsche bewoners van het door hen bestuurde gewest of gedeelte van een gewest, ocne verhouding die allicht als onderworpenheid kan worden opgevat.

4°. Do woorden „rijkswerkinrichtingenquot; (zie toelichting van B. I, T. II sub I), „opvoedingsgestichtenquot; (zie de toelichting van art. 46) en „huizon van verbeteringquot; (onder welke laatste uitdrukking kwalijk iets anders dan opvoedingsgestichten kan worden verstaan) zijn weggevallen

Art. 260 1°. Vg. art. 4 n0. 14 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

2°. Door invoeging van het woord „opzettelijkquot; wordt teruggekeerd tot de oorspronkelijke redactie van hot Nederlandsche wetboek. Do wijziging to dien aanzien door de Novelle van 15 Januari 1886 (Ned. Sth. n0. 6) aangebracht, hing samen mot de toon onlangs aangenomen wijziging in do Nederlandsche drankwet. Deze beweegreden geldt voor Nederlandsch-Indië niet. In de redactie van het ontwerp blijft nu het stelsel ten aanzien van het opzet bij misdrijven ook voor dit misdrijf gehandhaafd.

De leeftijd is op vijftien jaren gebracht in overeenstemming met het in artikel 253 gestelde.

Art. 262. Vg. art. 8 n0. 18 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

TITEL XV.

Verlating van hulpbehoevenden.

(Artt. 263—268).

Deze titel is zoo goed als onveranderd overgenomen nithotNcder-landsch wetboek (B. II, T. XV).

Art. 263. Hoewel uit art. 1283 Ind. B. W. een argument zou kunnen worden geput om de woorden „de wetquot;, voorkomende in het met art. 263 Ontw. overeenstemmende art. 255 Nod. Wb. to behouden, schoen hot rationeel, om zich ook hier te houden aan de terminologie van het na genoemd Indisch burgerlijk wetboek tot stand gekomen reglement op hot beleid der rogecring (art. 31), en dus te schrijven „algemeone verordeningquot;.

TITEL XVL

Beleediging.

{Artt. 269—280).

In do hoofdbeginselen en in de omschrijving der onderscheiden soorten van beleediging stemt deze titel met hot Nederlandsche Wetboek

-ocr page 160-

140

(H. IJ, T. XVI) geheel overeen. Veranderingen zijn niet aangebracht. De inlassching van een nieuw artikel (277) zal ter plaatse worden toegelicht.

Artt. 270 en 271. Ook de artt. 262 en 263 Ned. Wb. zijn niet gewijzigd. Vastgehouden is dus vooreerst hieraan dat laster niet bestaat zonder dat blijkt van de opzettelijke onwaarheid der betichting. Tegen de afwijkende opvatting omtrent dit misdrijf welke in navolging van den C. P. in art. 282 Wetb. van 1866 werd gehuldigd, valt voor Nederlandsch-Indië hetzelfde te zeggen als voor Nederland tegen art. 367 C. P. aangevoerd werd.

Ten tweede is ook het stelsel dat slechts in twee gevallen onderzoek naar de waarheid of onwaarheid van het te laste gelegde zal zijn toegelaten, onveranderd overgenomen. Waar dat stelsel voor Nederland na eene belangrijke beraadslaging (1) aangenomen werd, zou, wat in theorie tegen deze beslissing ook mocht kunnen worden aangevoerd, terugkeer tot het stelsel der staatscommissie en van de regeeringsontwerpen eene niet voldoend gerechtvaardigde afwijking wezen van art. 75 R. R.

Art. 274. Het in Indië wel voorkomend wederrechtelijk afsnijden van het hoofdhaar, waarop ook betrekking heeft hetgeen door den vice-president van het Hooggerechtshof Mr. M. C. Piepers in het „ Indisch Weekblad van het Rechtquot;, dd. 19 Maart 1888 n0. 1289, onder n0. AM is opgemerkt, valt ongetwijfeld, als belecdiging door feitelijkheden, onder bereik van dit artikel, zoodat eene opzettelijke voorziening ten deze overbodig is.

Het eergevoel van den aldus behandelde wordt gekrenkt, zijne eer in de oogen van anderen verminderd. Het spreekt van zelf dat dit feit met mishandeling kan gepaard gaan. Op zich zelf valt het echter niet onder de qualificatie van art. 310.

Art. 277. Art. 22 van het laatstelijk bij Jnd. Sth. 1890 n0. 149 vastgestelde reglement voor de opiumpacht op Java en Madura bevat eene bepaling tot beteugeling van opzettelijke verdachtmaking van een ander door onder diens goederen in diens woning of op diens erf opium of andere aldaar genoemde zaken te verbergen of neder te leggen, te doen verbergen of te doen nederleggen.

De ervaring heeft geleerd dat in Nederlandsch-Indië dergelijke verberging of nederlegging niet zelden plaats heeft met gestolen goederen, ten einde op een ander de verdenking te doen rusten van diefstal, medeplichtigheid daaraan of begunstiging. Wordt nu opium of worden gestolen voorwerpen in iemands bezit gevonden, dan worden tegen hem allicht strenge maatregelen van instructie genomen. Men meende dus togen deze lage en gevaarlijke handelwijze eene strafbepaling te moeten opnemen.

Evenwel heeft men eene redactie gekozen waardoor het artikel eene algemeene strekking erlangt.

Het verbergen of nederleggen van goederen moge het meest gebruikelijk middel van verdachtmaking zijn, het is niet noodzakelijk het eenige.

Ook wordt als handeling waarop de verdachtmaking betrekking heeft, in het algemeen van een strafbaar feit gesproken en niet uitsluitend van opiumdelict en diefstal.

(1) S.MiDT, II, bl, 379 vlg.

-ocr page 161-

141

Ook ten aanzien van andere misdrijven of fiscale overtredingen, al zijn ze niet binnen de grenzen van vermelde qualification te begrijpen, kan het misdrijf plaats vinden.

Opzet wordt door den aard van het delict gevorderd. Het opzet moet op de verdachtmaking zelve gericht zijn geweest.

De qualificatie van dit misdrijf is in eene bijzondere uitdrukking „lasterlijke verdachtmakingquot; saamgevat, om zoowel het verband als het verschil tusschen dit misdrijf en dat van art, 276 duidelijk te doen uitkomen.

TITEL XVII.

Schending van geheimen.

(Artt. 281 en 282).

Art. 281. Naar aanleiding van hetgeen voorkomt in Ind. Slb. 1859 n0. 18 omtrent het openbaarmaken van gouvernements-archief-stukken werd overwogen of deze titel, vergeleken met dien van het Nederlandsche wetboek, eene uitbreiding moest ondergaan.

Intusschen scheen de opzettelijke bekendmaking van geheime stukken ook door gewezen ambtenaren geheel begrepen te zijn in de omschrijving van art. 281 (272 Ned. Wb.). Ook in Nederlandsch-Indië zal dan de rechter telkens hebben uit te maken, of het bekendgemaakte een geheim was en in hoever eenig ambt of beroep tot geheimhouding verplicht of verplichtte.

Voorts is door de artt. 491 en 492 Ontw. voorzien in de gevallen waarin de archiefgeheimen dier ambtenaren of gewezen ambtenaren kunnen worden in gevaar gebracht zonderdat aan opzettelijke schending van geheimen kan worden gedacht.

Art. 282. Het woord „landbouwquot; dat in het overeenstemmende art. 273 Ned. Wb. niet voorkomt, is hier ingevoegd.

In Indië vereischt de landbouw eene eigenaardige bescherming, zie ook de artt. 859 2°., 3(gt;2 en 863.

Wat nu het in dit artikel omschreven misdrijf betreft, moet worden opgemerkt dat ook het kweeken van cultuurgewassen dikwijls geschiedt naar methoden die de ondernemer wenscht geheim te houden.

TITEL XVIII.

Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.

{Artt. 288—296).

De afwijkingen van B. II, T. XVIII Ned. Wb. worden bij de onderscheiden artikelen waarbij deze zijn aangebracht, toegelicht.

De artt. 283—286 behelzen geene voorschriften tegen het vergen van slavendienst, maar tegen slavenhandel. Deze opmerking verklaart voldoende, waarom niet aan deze artikelen soortgelijke bepalingen betrekkelijk pandelingschap zijn toegevoegd.

Het karaktar van het pandelingschap, arbeid van iemand ten bate van oen ander wiens schuldenaar hij is, sluit handel in vreemde.

-ocr page 162-

142

buiten zoodanig rechtsverband staande personen, en vervoer van die personen naar streken waar het pandelingschap eene erkende instelling is, vanzelf uit, althans op groote schaal. Biedt in een bijzonder geval iemand zijnen schuldeisoher een derde aan om in zijne plaats voor de schuld te werken, dan kan ook dat geen daad van handel in pandelingen heeten, doch is, voorzoover die tenarbeidstelling een strafbaar feit oplevert, de aanbieder zeker medeplichtig aan dat feit.

Wat nu slavernij en pandelingschap zelf betreft, zij het volgende opgemerkt.

Handelingen waarvan men zou kunnen zeggen dat er slavernij door wordt uitgeoefend, slavendiensten door worden gevergd, vallen in een land waar slavernij niet bestaat, vanzelf onder de gemeenrechtelijke bepalingen betrekkelijk menschenroof, vrijheidsrooving, dwangarbeid, mishandeling e. a. Dit geldt voor Nederland; dit moet ook voor Nederlandsch-Indië gelden.

Hetzelfde kan worden gezegd van het vergen van diensten in den vorm van verboden \'pandelingschap, voorzoover zulks gepaard gaat met onrechtmatige vrijheidsrooving, of daaraan kracht wordt bijgezet door geweld of bedreiging met geweld.

Moet nu echter niet straf worden bepaald tegen het tenarbeid-stellen van iemand met zijne toestemming als slaaf of als pandeling, zonderdat juist vermelde misbruiken zich voordoen?

In den vorm van slavernij is eene dergelijke vrijwillige onderwerping niet wel denkbaar. In gewone vrijwillige dienstbaarheid geregeld naar het gemeene recht, ligt niets ongeoorloofds. Doch dit laatste is dan evenzeer het geval waar die diensten vrijwillig worden bewezen door een schuldenaar aan zijn schuldeischer als een vorm van schuldvoldoening; terwijl het gemeene recht daarbij ook de voorwaarden regelt waaronder aan dergelijke dienstverhoudingen een einde kan worden gemaakt.

Evengoed als in Nederland geldt dit ook in Nederlandsch-Indië, sinds er het pandelingschap als geregelde instelling in de toekomst is afgeschaft (zie art. 118 R. R., art. I. Ind. Stb. 1859 no. 43, uitgebreid bij Ind. Stb. 1872 n0. 114), terwijl, voorzoover een pandelingschap van reeds wettig inschreven pandelingen nog tijdelijk erkend is gebleven, bijzondere reglementen die aangelegenheid beheerschen. (1).

Intusschen verdient het wel de aandacht dat de wetgever die in Nederlandsch-Indië het nemen van pandelingen voor den vervolge verbood, niet met dat verbod volstaan, doch op de overtreding van het verbod straf gesteld heeft (eene geldboete van föOO—flOOO).

Dit klinkt vreemd, omdat hot woord pandelingschap op eene rechtsverhouding duidt en, waar die rechtsverhouding voortaan onbestaanbaar wordt verklaard, van het „nemen in pandelingschapquot; geen sprake kan zijn. De sanctie van het verbod is de juridische onbestaanbaarheid van hetgeen tegen dat verbod in zou worden beoogd; terwijl, gelijk hierboven is opgemerkt, de feitelijke misbruiken hunne sanctie hebben in het gemeene recht. Iets anders is dit: er tegen te waken dat niet in streken waar het pandelingschap nog niet is afgeschaft, personen die geen pandelingen zijn, die niet in het pandelingen-register zijn ingeschreven, in den waan gebracht of gelaten worden dat zij wèl pandelingen zijn, en te verbieden dat door dit bedrog van hen diensten worden gevergd die zij anders niet zouden

(1) Vg. Lion, „Alg. verordeningen voor N. 1.quot;, bl. -1(350 vlg-

-ocr page 163-

143

verleenen, of dat hun vrijheidsbelemmeringen worden opgelegd die zij anders niet zonden dulden. Tegen dergelijke handelingen zou zoo noodig straf te bedreigen zijn. En inderdaad heeft dan ook Ind. Stb. 1863 no. 9 eeno strafbedreiging — dezelfde welke tegen het „nemen van pandelingenquot; gesteld is — tegen dat bedrieglijk bedrijf gericht.

Behoort echter eene dergelijke bepaling in een algemeen wetboek van strafrecht te worden opgenomen; of moet zij veeleer deel uitmaken van eene speciale ordonnantie op het pandelingschap? Met laatste. Het bedrog kan alleen voorkomen daar waar het pandeling-schap nog niet geheel is afgeschaft. In die deelen van Nederlandsch-Indië waar ingevolge volstrekte opheffing geen pandelingen meer zijn, weet de bevolking zeer goed dat dergelijke verhouding niet meer kan bestaan. En wat misschien nog in een tijdperk van overgang ook voor die streken zou kunnen noodig wezen, is het thans reeds niet meer. Voor die bezittingen echter waar de afschaffing nog niet volkomen is, waar nog een van vroeger dagteekenend pandelingschap tijdelijk wordt gehandhaafd, daar bestaan ook, gelijk reeds gezegd werd, administratieve reglementen welke er deze aangelegenheid beheerschen; in die reglementen komen velerlei strafbepalingen voor ter sanctionneering van hunne voorschriften. Maar dan is het ook veel regelmatiger om het opnemen van eene strafbepaling betreffende het wederrechtelijk en bedrieglijk gebruik maken van personen alsof ze pandelingen zijn, aan die reglementen over te laten.

Art. 287. Bij dit artikel deed zich de vraag voor of art. 278 Ned. Wb. onveranderd kon worden overgenomen, behoudens de door den directeur van justitie voorgestelde vervanging der woorden „het rijk in Europaquot; in „Nederlandsch-Indiëquot;.

Na rijpe overweging kwam men tot hot besluit dat elke aanduiding van „grenzenquot; over welke de wegvoering moet geschieden, zal zij als „menschenroofquot; kunnen gequaliliceerd worden, in het Nederlandsch-Indisehe wetboek behoort te vervallen.

Afgezien toch van de moeilijkheid die hier in eene juiste grensbepaling van het Nederlandsch-Indische grondgebied gelegen is, welke bepaling dan ook in het R. R. werd vermeden, kunnen de gronden die in de memorie van toelichting van het Nederlandsche wetboek (1) ter rechtvaardiging van het daarbij aangenomen stelsel zijn aangevoerd, geenszins geacht worden analogice toepasselijk te zijn op het uitgestrekte koloniaal gebied van Nederlandsch-lndië. Dat „zoolang de weggevoerde zich in Nederland bevindt, duurzame vrijheidsberooving buiten het geval van opsluiting ondenkbaar is, daar toch de geroofde in de Nederlandsche wet en hare organen overal bescherming vindt en de taalgemeenschap bovendien het middel is om de hulp van anderen in te roepenquot; moge, met het oog op de Nederlandsche rechtstoestanden en den scherp omgrensden beperkten omvang van het Nederlandsche grondgebied in Europa, volkomen juist zijn, het kan niet of zeker niet in die mate gelden, waar het eene wegvoering betreft binnen de grenzen van Nederlandsch-Indië. De groote uitgestrektheid van het koloniaal gebied in den Indischen Archipel met zijne talrijke grootere en kleinere eilanden, met zijne; uit zeer verschillende bestanddeelen samengestelde cn verschillende talen sprekende bevolking, bij een groot deel waarvan nog een zeer lage graad of wel volkomen gemis van

(1) Vg. Smiüt, 11, bl. 408.

-ocr page 164-

144

bcschaving wordt aangetroffen, de moeilijkheid of onmogelijkheid om in dat groote gebied den van zijne vrijheid beroofde overal en ten allen tijde, spoedig en op voldoende wijze de bescherming van het gezag te verzekeren, dit alles moet ten gevolge hebben dat „menschenroofquot; ook binnen de grenzen van Nederlandsch-Indië een even gevaarlijk karakter kan en meestal zal aannemen, als wanneer de wegvoering zich nog verder dan die grenzen uitstrekken mocht. Men denke. slechts aan eene wegvoering van Java naar een of ander afgelegen oord op Sumatra, Borneo, of een der tallooze kleinere eilanden in den Archipel. En hetzelfde zal niet zelden kunnen gezegd worden wanneer iemand uit een zeker gedeelte van eenig eiland naar eene andere verwijderde streek van datzelfde eiland vervoerd wordt. Wel zal de wegvoering niet altijd hetzelfde gevaarlijke karakter dragen, en zullen zich zelfs gevallen kunnen voordoen waarin de bescherming door het Ncderlandsch-Endisch gezag krachtig genoeg kan geacht worden om het gevaar tot een minimum te beperken. Uit den aard der zaak toch zal het een groot verschil kunnen maken of het gebied waarheen het slachtoffer vervoerd wordt, al dan niet behoort tot die streken welke rechtstreeks onder het Neder-landsch gezag en de Nederlandsche rechtspleging staan. Men heeft dan ook ernstig overwogen of het wellicht wenschelijk zou zijn om, gelijk door het Hooggerechtshof in zijn advies werd aangegeven, het bedoelde misdrijf te beperken tot het vervoeren uit het gouverne-mentsgebied naar streken die niet onder rechtstreeksch bestuur staan. Ook deze onderscheiding heeft men echter gemeend niet te mogen maken. Zelfs daar toch waar de inlandsche bevolking rechtstreeks aan het Nederlandsche gezag is onderworpen, zullen, zij het ook in mindere mate, veelal dezelfde bezwaren zich doen gelden welke elders de noodige waarborgen voor den weggevoerde ter spoedige herkrijging zijner vrijheid verijdelen. De dikwijls groote afstandenen het ook daardoor onvoldoend, niet evenals in Nederland steeds bij de hand zijnde politietoezicht, maken — zooals trouwens het Hooggerechtshof zelf erkent — het alleszins mogelijk dat eene langdurige vrijheidsrooving ook binnen het gouvernementsgebied zal kunnen plaats hebben. Tevens rijst de vraag of men dan ook niet eene uitzondering zou behooren te maken voor die streken waarin wel is waar recht van zelfbestuur aan de inlandsche vorsten is gelaten, doch waar niettemin dat zelfbestuur door min of meer rechtstreeksch toezicht dor Nederlandsche regeering aan belangrijke beperking is onderworpen, zooals bv. in de vorstenlanden op Java, een toezicht, dikwijls zoo ingrijpend dat het ten aanzien van Europeanen feitelijk weinig van rechtstreeksch bestuur verschilt. De juiste begrenzing echter van dergelijke onderscheidingen zou tot groote en onoplosbare moeilijkheden aanleiding geven en allicht ten gevolge hebben dat men 5f te veel of te weinig zou regelen. En moge zich nu ook al eenig geval kunnen voordoen waarin do weggevoerde geacht zou kunnen worden nagenoeg geheel op dezelfde waakzaamheid en bescherming van het gezag te kunnen rekenen als in het moederland, principieel kan deze omstandigheid het delict zelf niet van aard doen veranderen; zij zal alleen van invloed kunnen zijn bij de straftoemeting. Want dat het Nederlandsche wetboek als vereischte eene wegvoering „over de grenzenquot; stelt, vindt — gelijk uit het vroeger gezegde blijkt — alleen zijne verklaring in redenen van conveniëntie, nl. in de hooge onwaarschijnlijkheid dat in een kleinen goed geor-ganiseerden staat als Nederland ooit werkelijke „menschenroofquot; zou

-ocr page 165-

145

kunnen voorkomen. Als eigenlijk kenmerk van het delict kan echter wegvoering „over de grenzenquot; geenszins beschouwd worden, gelijk dan ook de Duitsche wetgever (§ 234 I). W.) het niet als zoodanig hoeft opgenomen.

Dat kenmerk toch van dozen zwaarderen vorm van vrijheidsroo-ving is veeleer uitsluitend hierin gelegen dat, terwijl het voor do toepasselijkheid der bepaling voor eenvoudige vrijheidsrooving (art. 292 Ontw. = art. 282 Ned. Wb.) voldoende is dat de dader zich vergenoegt met een ander, zij het ook voor korten tijd, wederrechtelijk het gebruik zijner persoonlijke vrijheid te ontnemen, bij „men-schenroofquot; daarenboven de bedoeling gevorderd wordt om hem wederrechtelijk onder de onmiddellijke heerschappij van den dader of van oen ander te brengen en daardoor de vrijheidsrooving tevens van langeren duur te maken.

Ook de raad van Nederlandsch-Indië plaatste zich blijkbaar op hetzelfde standpunt, toen hij, in zijn advies de uitdrukking „over de grenzen van Nederlandsch-Indiëquot; afkeurende, in overweging gaf om het artikel aldus te lezen: „Hij die iemand tegen zijn wil uit de plaats zijner inwoning of van zijn tijdelijk verblijf wegvoert met het oogmerk enz.quot;.

Behoudens de weglating der overbodige woorden „tegen zijn wilquot; is dan ook in het thans voorgestelde gewijzigde artikel deze alleszins juiste redactie gevolgd. Daar echter de woorden „onder de macht van een anderquot; bij geheel letterlijke opvatting aanleiding zouden kunnen geven tot de meening dat daaronder niet ook de dader van het misdrijf zelf is begrepen, heeft men gemeend den zin te moeten verduidelijken door bedoelde zinsnede aldus te wijzigen: „onder zijne of eens anders machtquot;.

Art. 288. Opzettelijk wederrechtelijk vervoer van werklieden naar eene andere streek binnen Nederlandsch-Indië dan waarvoor zij zijn aangenomen, moet te hunnen aanzien niet alleen als bedrog, maar tevens als inbreuk op hunne persoonlijke vrijheid worden beschouwd.

Het is voor den aan zijn geboortegrond en aan zijne zeden en gewoonten zoo zeer gehechten inlander gansch geen onverschillige zaak naar welke streek van Nederlandsch-Indië hij wordt vervoerd. Men kan veilig aannemen dat hij, een contract gesloten hebbende om arbeid te verrichten binnen eene bepaalde streek, hiertoe niet zoude zijn overgegaan, indien het eene streek had gegolden hem geheel vreemd en verschillend in landaard, taal en volksgebruiken van die zijner woonplaats.

Zoodanig vervoer kan evenwel niet onder menschenroof worden gebracht en zal dikwijls ook niet vallen onder de qualificatie van art. 292, doch moest als speciaal misdrijf worden omschreven en strafbaar gesteld. Het ontleent zijn bijzonder karakter aan het in het artikel omschreven oogmerk. Eene gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren werd niet te zwaar geacht.

Art. 294. Hier zijn ingevoegd de woorden „of lasterlijke aanklachtquot;. Dat die woorden in het Nederlandsche Wetboek niet voorkomen wordt eene leemte geacht. In het stelsel passen zij volkomen. Rij de beraadslaging over art. 284 had de minister van justitie dan ook geen principieel bezwaar doch hij zag de noodzakelijkheid dei-bijvoeging niet in en meende overigens dat in de openbare zitting

Ontwerp Wetboek Strafrecht N. I.

(voor de Europeanen.) ^

-ocr page 166-

146

dergelijke vroeger niet besproken veranderingen niet moesten worden gemaakt.

TITEL XIX.

Misdrijven tegen het leven gericht.

(Artt. 297—309).

Behoudens de invoeging van de doodstraf in art. 299 (art. 289 Ned. Wb.) waarvan reeds melding is gemaakt bij de toelichting van li. I., T. II. sub. II, is deze titel onveranderd overgenomen.

TITEL XX.

Mishandeling.

{Artt. 310—316).

Art. 310. Vervolgingen ter zake van het toebrengen van slagen welke geen of slechts een onbeduidend lichamelijk letsel ten gevolge hebben, komen in Nederlandsch-Indië veelvuldig voor. Behalve dat de werkzaamheden der raden van justitie, tot wier kennisneming die misdrijven thans behooren, daardoor belangrijk worden vermeerderd, veroorzaken die vervolgingen, uit hoofde van het zeer uitgestrekt rechtsgebied dier rechtbanken, groot ongerief en materieel nadeel zoowel aan de beklaagden als aan de getuigen, die soms verre en moeilijke reizen, zelfs over zee, moeten ondernemen om voor den rechter te verschijnen, waarmede veel tijdverlies en groote kosten gemoeid zijn, buiten alle verhouding staande tot de gepleegde feiten welke steeds met eene kleine geldboete of vrijheidsstraf worden gestraft.

De bepaling van het tweede lid van dit artikel strekt om in die ongelegenheden en wanverhoudingen te voorzien. Door toch op mishandelingen van lichten aard, en niet gepleegd onder de verzwarende omstandigheid van art. 314 eene lichtere straf te stellen met eene afzonderlijke qualificatie, wordt aan den wetgever de gelegenheid geopend om de alleen rechtsprekende rechters in de residentiën bevoegd te verklaren van die geringe misdrijven kennis te nemen. Men vergelijke met het 2e lid van dit artikel het daarmede in beginsel overeenstemmende art. 230 W. v. S. v. I.

Art. 314. Dit overigens met art. 304 Ned. Wb. overcenstemmendo artikel moest in verband worden gebracht met het nieuwe tweede lid van art. 310.

TITEL XXI.

Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld.

{Artt. 317—319).

Deze titel is onveranderd overgenomen uit het Nedcrlandsche wetboek. Alleen is in art. 318 boete alternatief met vrijheidsstraf gesteld, daar de ervaring nu reeds in Nederland heeft bewezen dat

-ocr page 167-

147

cr gevallen zijn waarin het eulpose misdrijf in art. 308 Ned. Wb. omschreven, voldoende zou zijn gestraft niet geldboete, en de oplegging van vrijheidsstraf alzoo noodeloos gestreng moest worden geacht. Tevens gold ook hierbij de overweging dat hot vooral in Neder-landsch-Indië vvenachelijk is vrijheidsstraffen niet buiten noodzakelijkheid op te leggen. Vg. de toelichting van 15. I, T. II sv.b VI.

TITEL XXII.

Diefstal en strooperij.

(Artt. 320—326).

Behoudens eenige wijzigingen hoofdzakelijk gegrond op specifiek Indische toestanden, welke bij de betrokken artikelen zullen worden toegelicht, zijn de bepalingen van dezen titel geheel overgenomen uit het Nederlandsche wetboek (B. II, T. XXII).

Art. 321. 1°. Deze bepaling luidt andera dan art. 3111°. Ned. Wb.

De wijziging van redactie vindt haar grond in het bekende feit dat in het overgroote gedeelte van Nederlandsch-Indië het begrip „weidequot; niet overeenstemt met de daarvan in Nederland bestaande opvatting.

In het wetboek van 186(5 (art. 302 4°.) treft men het woord „weidequot; aan, maar in de praktijk heeft men daarvan moeilijkheden ondervonden.

2quot;. De invoeging van de woorden „aard- of zeebevingquot; is wegens deze in Indië niet zeldzame natuurverschijnselen wenschelijk.

3°. „Bij nachtquot;. Zie de toelichting van art. 98.

„Bij eene woning behoorend erfquot;. Zie de toelichting van art. 147, te lid.

Art. 322. 1quot;. Zie de toelichting van het vorige artikel sub 3n.

Art. 324. Het artikel is in hoofdzaak ontleend aan art. 314 Ned. Wb. dat zijn oorsprong had in art. 18 der Nederlandsche wet van 29 Juni 1854 {Slh. n0. 102). De redenen in de memorie van toelichting van het wetboek van 1866 (1) voor de niet-overneming van dat artikel in gemeld wetboek gegeven, achtte men niet afdoende.

Door geen der gehoorde Indische autoriteiten werd dan ook thans tot weglating van het artikel geadviseerd. Wel was het Hooggerechtshof van oordeel dat van „ongesneden veenquot; hier geen melding moest worden gemaakt, als in Indië niet voorkomende, terwijl daarentegen het artikel aanvulling behoefde met de vermelding van „boschproductenquot;, eene in Indië geijkte uitdrukking waaronder men verstaat rottan, getah-pertja, enz. Aan deze opmerkingen is gevolg gegeven.

Bij dit artikel werd nog de vraag overwogen of in het nieuwe wetboek, op het voorbeeld van de artt. 1 en 7 Ind. Slh. 1875 nquot;. 216, moest worden gewag gemaakt van eene bijzondere soort van diefstal onder de qualificatie van „boschdiefstalquot;. Men vond daartoe echter geen termen. Het moge waar zijn dat deze soort van diefstal in den

(1) De I\'inïo, ad art. 310, bl. 191.

-ocr page 168-

148

regel geen zeer ernstig karakter draagt en het daarop thans gestelde maximum van één jaar gevangenisstraf dus zelden zal behooren te worden overschreden, ook dan wanneer zij zal vallen onder de algemeene strafbepaling van art. 820; hetzelfde geldt voor vele, zoo niet voor de meeste, dagelijks voorkomende diefstallen, en toepassing van het maximum van art. 320 of van eene daaraan nabijkomende straf zal wel steeds tot de uitzonderingen behooren.

TITEL XXIII.

Afpersing en afdreiging.

{Artl. 327—330).

De bepalingen van dezen titel geven den inhoud van H. II, T. XXIII Ned. Wb. onveranderd terug. De aanvulling van art. 318 van dat wetboek wordt hieronder toegelicht.

Art. 328. „Of klachte of aangifte van een strafbaar feit, bij de overheidquot;. Gedeeltelijk vindt deze aanvulling van art. 318 Ned. Wb. reeds hare verklaring in hetgeen hierboven ten aanzien van de invoeging der woorden „of lasterlijke aanklachtquot; in art. 294 2quot;. is opgemerkt.

Men meende echter hier, zonder aan het stelsel der wet ontrouw te worden, nog eene schrede verder te moeten gaan door niet als vercischte te stellen dat de klachte of aangifte waarmede gedreigd wordt, lasterlijk zij. Immers het misdrijf van afdreiging (chantage) is van veel gevaarlijker en verachtelijker aard dan het in art. 294 2°. omschreven misdrijf, daar het gepleegd wordt met liet oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordeelen. En nu is juist de bedreiging met de klachte of aangifte van een strafbaar feit blijkens do ervaring (1) een zeer gewone vorm van chantage. Of dat feit werkelijk gepleegd dan wel of het verzonnen is, behoort in de strafbaarheid der chantage gcene verandering te brengen. In beide gevallen toch is de bedreiging voor den dader het middel om zich door verwekken van angst en vrees bij het slachtoffer wederrechtelijk te bevoordeelen. Dat, indien het bedoelde feit werkelijk gepleegd ware, hier van „openbaring-van een geheimquot; sprake zou zijn waartegen reeds bij het artikel is voorzien, gelijk de Minister Modderman bij de behandeling van art. 284 Ned. Wb. (art. 294 Ontw.) in de Tweede Kamer opmerkte (2), schijnt minder juist (3) en berust op eene verwarring van „geheimquot; met „eene tot nog toe onbekende zaakquot;. Men heeft dus gemeend op de thans voorgestelde wijze in deze onmiskenbare leemte te moeten voorzien. Vrees dat de bepaling van het artikel daardoor eene te ruime strekking zou verkrijgen, kan overigens niet bestaan, indien men maar steeds voor oogen houdt dat het de bedoeling des daders moet wezen zich „wederrechtelijkquot; een voordeel te verschaften.

(1) Vg. hierbij eon arrest van den Hoogen Raad van \'26 November 1888, opgenomen in bet Weekblad van tiet Hecht nquot;. 5648.\'

(2) Smiiiï, II, bl. 421.

(3) Ook In het aangehaalde arrest van den Hoogen Haad werd deze meening niet gedeeld.

-ocr page 169-

149

TITEL XXIV.

Misbruik van aanzien.

{Art. 881).

De eigenaardige verhouding waarin door de in Nederlundsch-lndië bestaande agrarische toestanden de inlander tegenover den Europeaan geplaatst is, maakt bescherming van den eerste door de strafwet ook in dit opzicht dringend noodzakelijk. Vandaar de opneming van de strafbepaling die het onderwerp van dezen nieuwen titel uitmaakt.

Tegenover ambtenaren werd tot nu toe die bescherming verleend door de strafbepaling tegen „knevelarijquot; (art. 115 Wb. van 1866), welk onderwerp nader in het Ontwerp onder de ambtsmisdrijven is geregeld (vg. de toelichting van art. 877).

Zij mag echter in Nederlandsch-Indië evenmin ontbreken tegenover hen die, hoewel geene ambtelijke betrekking bekleedende, niettemin door hun vermogen en invloed, gelijk de ervaring heeft geleerd, niet. zelden geneigd zijn misbruik te maken van de bevoorrechte positie waarin zij tegenover de inlandsche bevolking geplaatst zijn, en zich door overschrijding hunner wettelijke bevoegdheid ten nadeele dier bevolking wederrechtelijke handelingen te veroorloven.

Reeds vroeger is dan ook de noodzakelijkheid van bepalingen strekkende tot tegengaan van rlit kwaad ingezien. Immers reeds in het „reglement op de particuliere landerijen gplegen ten westen der rivier Tjimanokquot; (Ind. Slb. 1836 n0. 19) worden strafbepalingen (artt. 15 en 37) aangetroffen tegen landeigenaren „die grondlasten heffen ter zake van den oogst van een vroeger jaarquot; of „die andere of meerdere of hoogere opbrengst en diensten van hunne opgezetenen vorderen dan bij dit reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan of die verzuimen op den voet bij hetzelve bepaald, ten opzichte van hunne opgezetenen te handelenquot;, welke strafbepalingen bij koloniale ordonnantie van 6 Maart 1880 (Ind. Slb. 1880 nquot;. 57) ook op de daar genoemde huurders, vruchtgebruikers enz. toepasselijk zijn verklaard. Intusschen laten deze bepalingen aan volledigheid en duidelijkheid veel te wenschen over. De daarbij aan den rechter toegekende bevoegdheid om de bedoelde wederrechtelijke handelingen als knevelarij of misbruik van gezag te qualificeeren is af te keuren, omdat het hier misdrijven betreft die, al zijn zij materieel aan de genoemde verwant, toch als door niet-ambtenaren begaan, in het rechtssysteem eene andere plaats behooren in te nemen. Tegen toeëigening van of beschikking over gronden der opgezetenen is daarenboven niet of niet genoegzaam voorzien. Eindelijk is niet in te zien waarom dergelijke bepalingen alleen tegenover de bedoelde landeigenaren, hunne huurders enz. bewesten de Tjimanok zouden moeten gelden en niet ook tegenover alle andere personen die zich, in welke streek ook, buiten den kring der hun bij wettelijk voorschrift toegekende bevoegdheid, dergelijke handelingen tegenover de inlandsche bevolking veroorloven.

Alen kon zich dan ook geheel vereenigen met het gevoelen der Indische autoriteiten die eene meer algemeene voorziening tegen het bedoelde kwaad bij het nieuwe wetboek van strafrecht noodzakelijk achten.

Aan deze overweging is het nieuwe artikel zijn oorsprong verschuldigd.

Daar het hier geen ambtsmisdrijf betreft, is tevens als vereischte

-ocr page 170-

150

het wel zelden ontbrekende „oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordeelenquot; gesteld, waarin dan ook juist bij particulieren, ale waarvan hier sprake is, het strafbaar karakter der handelingen in de eerste plaats moet gezocht worden. Men heeft zich verder onthouden van het opnoemen van verschillende categoriën van personen tegen wie het verbod geldt. Des te minder bestaat tegen de thans voorgestelde algemeene verbodsbepaling bezwaar, omdat tevens als vereischte is aangenomen dat de handelingen gepleegd moeten zijn met overschrijding van de den dader bij wettelijk voorschrift toegekende bevoegdheid. Van hem aan wien krachtens wettelijke bepaling reeds eene min of meer bevoorrechte, invloedrijke positie is toegekend, mag men met recht vergen dat hij daarvan geen misbruik make, maar zich binnen den kring zijner bevoegdheid blijve bewegen.

Als het meest verwant met het in den vorigen titel omschreven misdrijf van afpersing, maar toch een ander eigenaardig en minder ernstig karakter dragende, is het bedoelde misdrijf, onder de, naar het voorkomt, passende benaming van „misbruik van aanzienquot; (1) in een nieuwen titel onmiddellijk op titel XXIII volgende, ingevoegd. Wat de straf betreft, achtte men het voldoende den rechter de keuze te laten tot het opleggen eener gevangenisstraf en eener geldboete die tot het aanzienlijk bedrag van drie duizend gulden kan worden opgevoerd.

Men hoeft echter gemeend in geval van herhaling van dit misdrijf binnen vijf jaren, den rechter do bevoegdheid te moeten toekennen de gevangenisstraf tot twee jaren op te voeren. Eene dergelijke afzonderlijke strafbepaling tegen herhaling verdient wegens het eigenaardig karakter van dit misdrijf de voorkeur boven eene opneming van art. 331 in art. 435.

Het behoeft overigens nauwelijks herinnering dat onder het woord „inlanderquot; ook begrepen is „de met dezen gelijkgesteldequot; (art. 109

TITEL XXV.

Verduistering.

(/1 rit. 332—33G).

Behoudens verhooging der geldboete in art. 332 is deze titel geheel onveranderd uit het Nederlandsche wetboek overgenomen. Wèl kwam hierbij de vraag ter sprake of specifiek Indische toestanden ook eene afzonderlijke strafbepaling noodig zouden maken, waar het betreft de in Nederlandsch-Indië, naar het schijnt, niet zelden voorkomende, opzettelijke en wederrechtelijke vernietiging of terughouding van zoogenaamde „bonsquot; door den schuldenaar aan wien zij door den schuldeischer ter justificatie zijner schuldvordering zijn ter hand gesteld, op welk punt door Mr. Piepers in het Ind. Weekblad van het Recht nn. 1289, dd. 19 Maart 1888, sub X de aandacht is gevestigd. Voorziening in dit opzicht werd evenwel onnoodig geacht, omdat dit feit naar omstandigheden steeds onder de strafbepaling hetzij van art. 332, hetzij van art. 361 zal vallen.

(1) De uitdrukking is ontleend aan het oud-Hollandsch recht, Vg. van dkr Linden „Rechtsgeleerd, praktikaal en koopmanshandboekquot;, bl. 235.

-ocr page 171-

1.51

TITEL XXVI.

Bedrog.

{Arlt. 337—350).

Met uitzondering van enkele wijzigingen die hieronder nader worden toegelicht, is ook deze titel onveranderd uit het Nederlandsche wetboek overgenomen.

Bij het misdrijf van oplichting (art. 337 Ontw. -- art. 326 Ned. Wb.) werd naar aanleiding van eene opmerking van het Hooggerechtshof de vraag overwogen of met het oog op de lichtgeloovigheid van den inlander die het slachtoffer van oplichting door een Europeaan kon zijn, de grenzen der omschrijving ook ruimer moesten gesteld worden. Men kon echter evenmin als de raad van Nederlandsoh-Indië in diens advies, de noodzakelijkheid eener wijziging van het Nederlandsche Wetboek in dit opzicht inzien. Wel is waar is, blijkens de memorie van toelichting van dat wetboek, de regeering uitgegaan van het beginsel „dat de wet niet de lichtgeloovigheid en de onnoozelheid wil beschermen, maar den bij zijne handelingen in het maatschappelijk verkeer nadenkenden menschquot; (1). Doch welke waarde men aan deze verklaring ook moge hechten, zij kan in geen geval beteekenen dat de rechter die in elk concreet geval de schuld van den beklaagde zal hebben te beoordeelen, daarbij niet den alge-meenen graad van ontwikkeling der klasse waartoe het slachtoffer behoort, zou moeten onderzoeken, waardoor tevens de graad van nadenken wordt bepaald, welke bij diens handelingen in het maatschappelijk verkeer kan gevorderd worden. Een vasten maatstaf hiervoor aan te geven is ondoenlijk; do wet onthoude zich dus van nadere omschrijving en late het den rechter over deze quaestio facti naar omstandigheden te beslissen.

Art. 342, 2e lid en 343, 2e lid. Ook hier heeft dc verplaatsing van het woord „opzettelijkquot; in de overigens gelijkluidende artt. 331 en 332 Ned. Wb. alleen ten doel eene verduidelijking van redactie (Vg. de toelichting van art. 158).

Art. 344. De woorden „of coöperatieve vereenigingquot; van het overigens gelijkluidende art. 33(1 Ned. Wb. zijn vervallen om de reden, hierboven reeds bij de toelichting van art. 205 vermeld.

Art. 348, le lid. Hier is eene wijziging van redactie in het eerste lid van het overigens gelijkluidend art. 337 Ned. Wb. aangebracht, die, blijkens de sedert de invoering van dat wetboek opgedane ervaring, ter verduidelijking van den zin der bepaling noodig bleek.

De tegenwoordige redactie van art. 337, le lid toch heeft twijfel doen ontstaan of de woorden „of op welke of op wier verpakking-zoodanige naam, firma of merk, zij het ook met eene geringe afwijking, zijn nagebootstquot; niet, in verband met hetgeen daaraan voorafgaat, aldus moesten worden uitgelegd dat het voor de daarbij bedoelde nabootsing geen vereischte is dat zij „valschelijkquot; was geschied.

Bij een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 18 September

(1) Smiijt, II, bl. 514 en 515.

-ocr page 172-

152

1888 (1) werd die vrjiag, met vernietiging van een vonnis der Arnhemsehe rechtbank, bevestigend beantwoord en beslist dat in de aangehaalde zinsnede „alle gebruik van vervalschte of nagebootste fabrieks- of handelsmerken waarop een ander dan de verkooper recht heeft, verboden wordt, onverschillig of het nagebootste merk is gebruikt op waren, die al dan niet afkomstig zijn van dengene, wiens merk, naam of firma is nagebootst, zoodat bv. het plaatsen van een nagebootst fabrieksmerk op waren, afkomstig van den eigenaar van dat merk zeiven, onder de strafbepaling van art. 337 valtquot;.

Bij arrest van den Hoogen Kaad van 17 December 1888 (2) werd echter deze beslissing vernietigd en, met bevestiging van het vonnis der Arnhemsehe rechtbank, de leer gehuldigd „dat de waren afkomstig moeten zijn van een ander dan van den rechthebbende op het merkquot;.

Daar, met het oog ook op de geschiedenis van het artikel en de plaatsing daarvan in den titel handelende over bedrog, deze leer van het hoogste rechlscollego alleszins juist schijnt, heeft men, len einde voor het vervolg eiken twijfel die daarover niettemin ook in Neder-landsch-Indië zou kunnen oprijzen, te voorkomen, gemeend het artikel in dien zin te moeten verduidelijken.

Dit nu kon het best bereikt worden door, gelijk hier geschiedt, de bovenaangehaalde zinsnede van het Nederlandsche artikel te doen vervallen en de woorden „zij het ook door nabootsing met eene geringe afwijkingquot; te verplaatsen en onmiddellijk achter het woord „valschelijkquot; in te voegen.

Tot het aanbrengen van verdere wijzigingen achtte men zich niet geroepen. Hoewel met belangstelling kennis is genomen van eene nota van het Hooggerechtshof waarbij eene verduidelijking van art. 10 der thans nog in Nederlandsch-lndië geldende algemeene verordening van Ind. Sth. 1885 n0. 109, in hoofdzaak overeenkomende met art. 337 Ned. Wb., in den geest der Belgische wet wenscholijk werd geacht, meende men echter dat in geen geval de noodzakelijkheid daarvan voor Nederlandsch-lndië gebleken was. Het bezwaar dat „de woorden „„zij het ook met eene geringe afwijkingquot;quot; al te zeer den indruk zouden geven dat afwijkingen slechts dan in de termen der strafwet vallen, wanneer ze klein zijn te noemenquot; kon men daarenboven niet deelen. Ook hierbij toch blijft het den rechter overgelaten voor ieder geval naar omstandigheden te beslissen wat al dan niet als nabootsing is te beschouwen. En al ligt het nu in den aard der zaak dat het vermoeden van nabootsing minder zal worden al naar gelang de afwijkingen van het model talrijker zijn, hierin ligt geen reden om te onderstellen dat in alle gevallen alleen zeer geringe of onbeduidende afwijkingen zouden gevorderd worden om tot het aannemen van nabootsing te kunnen besluiten.

TITEL XXVII.

Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden.

{Arll. 351—360).

Titel XXVI van het Nederlandsche wetboek waarin dezelfde categorie van misdrijven wordt behandeld, heeft bij de wet van 15

(1) Weekblad van het Recht no. ÜG-IS.

(2) Weekblail van het Recht no. 5651.

-ocr page 173-

158

Januari 1886 {Ned. Sth. nquot;. (5) eenige uitbreiding ondergaan door de toevoeging aan het einde van den titel, der artikelen 34(Mis, MVler en 349 quater, houdende voorziening tegen inbreuk op eens anders auteursrecht.

Genoemde drie artikelen vervangen do gelijkluidende artikelen 18, 19 en 20 van de wet van 28 Juni 1881 (Ned. Stb. n0.124) tot regeling van het auteursrecht.

Daar deze wet volgens haar artikel 28 ook voor Nederlandsch-Indië verbindend is verklaard en als zoodanig aldaar is afgekondigd (Ivd. Stb. 1881 n0. 199), heeft men gemeend zich van de overneming der bedoelde artikelen in het Ontwerp te moeten onthouden, daar een onderwerp dat bij eene rijkswet is geregeld, niet bij Koninklijk besluit opnieuw kan geregeld worden.

Art. 353 aanhef, 854 aanhef, 356, 2e lid en 358. Over de weglating der woorden „of coöperatieve vereenigingquot;, voorkomende in de overigens gelijkluidende artt. 342 aanhef, 343 aanhef, 345, 2e lid en 347 Ned. Wb. vg. de toelichting van art. 205.

Art. 859 2°. Deze bepaling bevat eene aanvulling van het overigens gelijkluidend art. 348 Ned. Wb. Zij is, behoudens de hierna te vermelden wijziging, overgenomen uit het Koninklijk besluit van 24 Januari 18\'86 (Imi Sllt. n0. 57) waarbij eene regeling betreffende het „oogstverbandquot; wordt vastgesteld.

Het eigenaardig juridhen karakter van dat verband (1) brengt mede dat inbreuk op dit recht niet als strafbaar feit onder de bepaling van art. 330 van het wetboek van 1866 valt en evenmin onder die van art. 348, le lid Ned. Wb. kan gebracht worden.

Bij art. 6, 8e lid van het bedoelde Koninklijk besluit werd dan ook de strafbepaling van vermeld art. 380 uitdrukkelijk toepasselijk verklaard op „hem die de producten, waarop oogstverband is gevestigd, of het materieel tot bewerking van den oogst, behoorende tot eene met oogstverband belaste onderneming, opzettelijk ten nadeele des verbandhouders verduistert of weerloos maaktquot;.

Met uitzondering van eene met de terminologie van het Neder-landsche wetboek overeenkomende wijziging der laatste woorden, is deze omschrijving thans in art. 359 opgenomen; men heeft echter gemeend ter verduidelijking daaraan nog eenige uitbreiding te moeten geven door ook „de inrichtingen tot bereiding van den oogstquot; op welke volgens art. 1 van voornoemd Koninklijk besluit het verband mede is gevestigd, daarin op te nemen, omdat het twijfelachtig zou kunnen geacht worden of deze onder „het materieel tot bewerkingquot; wel zouden begrepen zijn.

TITEL XXVIII.

Vernieling of beschadiging van goederen.

(Artt. 361—866).

De artikelen onder dezelfde rubriek vermeld in het Nederlandsche wetboek (B. II, T. XXVII), zijn in hoofdzaak onveranderd over-

(1) Vg. het opstel van Mr. J. l\'. Moltzer „Nerterlandsch-Indisch landbonw-crediet\' in het tijdschrift „Thetnisquot; 188G, bl. 478 vlg., ook afzonderlijk verschenen.

-ocr page 174-

154

genomen. Met het oog op het groote belang der goede werking van het irrigatie-wezen in Nederlandsch-Indië, bij name voor de rijstcnl-tuur, werd overwogen, of door eene afzonderlijke strafbepaling tegen moedwillige stoornis of verijdeling van die werking moest worden gewaakt. Die overweging leidde tot eene ontkennende beantwoording der vraag. Zoover het hier geldt werken „ten algemeenen nntte gebezigdquot;, onder regeeringstoezicht gesteld, gelijk die bedoeld bij Ind. Sth. 1859 n0. 81, kon hnnne opzettelijke en wederrechtelijke vernieling, beschadiging of onbruikbaarmaking worden gebracht onder de zwaardere strafbepaling van art. 362 door de inlassching van het woord „waterverdeelingquot; in dat artikel. Geldt het particuliere „aan een anderquot; toebehoorende werken, dan valt hunne opzettelijke en wederrechtelijke aanranding onder de algemeene strafbepaling van art. 3B1. Beschadiging van waterwerken die noch onder de eene noch onder de andere strafbepaling valt, heeft het karakter van overtreding, en de omschrijving en strafbaarstelling hiervan kan worden overgelaten aan bestaande of nog te maken verordeningen op dit stuk. Zie de keur tegen het beschadigen van \'s lands waterwerken, Ind. Sth. 1854 n0. 95.

Art. 361. Vg. art. 5 n0. 9 Alg. Pol. Regl. v. Eur. Deze strafbepaling wordt opgelost in dit artikel.

„Eenig goedquot;. De uitdrukking is zoo algemeen mogelijk cn omvat dus alle lichamelijke zaken. Daaronder vallen zoowel de verschillende soorten van beschadiging, in bijzonderheden omschreven in de artt. 364 vlg. van het wetboek van 1866, als de feiten, onder de qualificatie van „boschbeschadigingquot; vermeld in art. 2 Ind. Stb. van 1875 n0. 216.

Voor het behoud van deze afzonderlijke qualificatie bestaat evenmin een afdoende grond als voor de bestendiging door afzonderlijke qualificatie van „boschdiefstalquot;. Zie de toelichting van art. 324.

Tweede lid. Het kan een onderwerp van nadere overweging uitmaken of ook voor Indië, met aanvulling van Ind. Sth. 1890 n0. 144, eene uitzondering moet worden aangenomen op den hier uitgedrukten regel in een voorschrift van gelijke strekking als het bij de invoering van het Nederlandsche wetboek in stand gehouden tweede lid van art. 7 der wet van 5 Juni 1875 {Stb. n0. 110), luidende; „Hondenen katten, die zonder opzicht rondloopende, zich op een vreemd erf bevinden, mogen straffeloos door of van wege den bewoner of bruiker worden gedoodquot;.

Art. 362. Het artikel is ontleend aan art. 351 Ned. Wb., zie ook art. 358 wetboek 1866.

„Opzettelijk en wederrechtelijkquot;. Vg. omtrent de verplaatsing van deze woorden de toelichting van art. 158.

„Of telephoonwerkenquot;. Deze aanvulling behoeft geene toelichting met het oog op Ind. Stb. 1889 n0. 52 en 1885 n0. 145.

„Waterverdeelingquot;. Zie de algemeene toelichting van dezen titel.

Art. 363. Dit artikel wijst in overeenstemming met art. 351 bis Ned. Wb. de gevallen aan waarin om hun ernstigen aard vernieling of beschadiging van goederen zonder opzet gepleegd, strafbaar wordt gesteld. Buiten deze gevallen kent het Ontwerp zoomin als het Nederlandsche wetboek culposc beschadiging. Art. 5 nquot;. 10, 11 en 12 Alg. Pol. Regl. v. Eur. moet in dit stelsel vervallen.

Art. 364. Het artikel stemt geheel overeen met art. 352 Ned. Wb. Vg. art. 358 wetboek 1866.

-ocr page 175-

155

TITEL XXIX.

Ambtsmisdrijven.

{Aril. 367- 389).

Ook deze titel geeft do onder dezelfde rubriek in het Nederlandsche wetboek (H. II, T. XXVIII) bijeengebrachte bepalingen, in hoofdzaak ongewijzigd, terug. I ndische toestanden echter eischten enkele belangrijke aanvullingen, (artt. 376, 377, 1c lid n0. 2, 3, en 2e lid, 379, le lid n0. 3).

Art. 376. De eigenaardige verdeoling van het gezag in Ned.-Indië heeft het nadeel dat het gewicht en de omvang van de aan menig ambtenaar toevertrouwde belangen geen gelijken tred houden met zijne opleiding. Gemis aan ervaring bij jeugdige ambtenaren, to groote dienstijver van buiten rechtstreeksch toezicht werkende ondergeschikte ambtenaren zijn mede zoovele oorzaken dat het in dit artikel strafbaar gestelde feit in Indië meer dan in Nederland voorkomt.

in het Indisch Weekbl. van het Recht n0.1289 wees Mr. M. C. Piepers dan ook onder n0. XII der daar verzamelde beschouwingen met nadruk op de noodzakelijkheid van cene bepaling als de hier voorgestelde. Met dc daarvoor door dezen hoogen rechterlijken ambtenaar aangevoerde gronden kon men zich in het algemeen wel vereenigen. Art. 416 van hot ontwerp der staatscommissie, met eenc eenigszins gewijzigde redactie overgegaan in art. 409 van het oorspronkelijke regeerings-ontwerp van het Nederlandsche wetboek, werd dus hier woordelijk hersteld. De reden waarom het niet werd opgenomen in het Nederlandsche wetboek, dat nl. het daarin omschreven feit „reeds genoegzaam (wordt) gestraftquot; volgens art. 365 van dat wetboek (1). werd bij name voor Indië niet juist geacht.

Art. 377. De aanhef van het eerste lid van dit artikel geeft, met 1°., den inhoud van artikel 366 Ned. Wb. ongewijzigd terug.

De aanvulling sub. n0. 2 van het eerste lid is ontleend aan het laatste lid van art. 115 van het wetboek van 1866. Alléén is hetgeen daar gezegd wordt van „persoonlijke dienstenquot; hier uitgebreid tot „leveringenquot; in overeenstemming met art. 331 Ontw., dat soortgelijke afpersingen gepleegd door particulieren, strafbaar stelt.

De aanvulling sub n°. 3 van het eerste lid gericht tegen de knevelarij van pachters van \'s lands middelen, is ontleend aan de door art. 386 van het wetboek van 18(56 in stand gehouden ordonnantie van 22\' October 1862 (Ind. Stb. n0. 123) (2). Streng genomen zoude kunnen worden betwijfeld of de knevelarij van pachters van \'s lands middelen en van hen die in hunne plaats optreden (zie het tweede lid van het artikel), wel strafbaar moet worden gesteld in den titel van ambtsmisdrijven. Men achtte het echter niet wenschelijk feiten die objectief geheel gelijksoortig zijn en in gelijke mate strafbaar, onder verschillende rubrieken te behandelen, en zoodanige splitsing werd te minder noodig geoordeeld, omdat de pachters, al

(1) Smidt, III, bl. 72.

(2) Zie de toelichting van art. 115 van het Wb. van quot;1806 bij Mr. A. A. de Pinïü, bl. lÜB, 167.

-ocr page 176-

1Ó6

zijn zij geen ambtenaren, toch \'s lands middelen heffen uit kracht van c\'en publiekrechtelijk mandaat en dus in dat opzicht met ambtenaren gelijk staan.

Ten aanzien van het tweede lid van het artikel zij alleen opgemerkt dat dit vervangt de opsomming thans voorkomende in art. 25 dei-aangehaalde verordening van „de onder pachters, hnnne ver

tegenwoordigers, zaakgelastigden, ondergeschikten en bediendenquot;.

Art. 379, le lid n0. \'6. Door deze bepaling wordt eene strafrechtelijke sanctie verleend aan art. 8(i 11. K. Zij is dus beperkt tot den ambtenaar die de in dat artikel voorgeschreven kennisgeving opzettelijk nalaat. Men vergelijke overigens met dit artikel het tweede lid van art. 70 van het wetboek van 18(5B en art. 494. Ontw. met de toelichting.

Art. 381 „Algemeene verordeningquot;. Deze woorden vervangen zoowel in het eerste als in het tweede lid de woorden „de wetquot; van het overeenstemmende artikel 370 Ned. Wb.

..Het bij eene woning beboerende erfquot;. Zie do toelichting van art. 147, le lid.

Art. 387. Het artikel overeenstemmende met art. 37() 1°. Ned. Wb., noemt echter nevens „aannemingenquot; en „leverantiënquot; ook „verpachtingenquot;, wat met het oog op Indische toestanden noodig is. Eene verdere uitbreiding in den geest van het aan art. 175 C. P. ontleende art. 11 (i van het wetboek van 1866 werd voor Indië evenmin als voor Nederland wenschelijk geacht.

TITEL XXX.

Scheepvaartmisdrijven.

(Artt. 390—428).

De toelichting van dezen titel die, behoudens enkele aanvullingen, met B. II, T. XXIX Ned. Wb. overeenstemt, kan betrekkelijk kort zijn.

Vooreerst worde verwezen naar de uitvoerige toelichting van artt. 94 en 95.

Dan worde in het bijzonder de aandacht gevestigd op de artikelen 3 en 8, gewagende van strafbare feiten buiten Nederlanclsch-IncUë gepleegd, hetzij aan boord van een Nederlandsch-Indisch vaartuig, hetzij — voorzoo veel scheepvaartmisdrijven en scheep vaartovertre-dingen betreft — door den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch-Indisch vaartuig, aan of buiten boord.

Deze beperking tot Nederlandsch-IndiBche vaartuigen, d. w. z. uitsluiting van Nederlandsche vaartuigen, is waar het feiten betreft buiten Nederlandsch-Indië voorgekomen, rationeel.

Voor de scheep vaartbei angen van Nederlandsche schepen, voorzoover die buiten Nederlandsch-Indië, in Nederland of in den vreemde, kunnen worden gekrenkt of in gevaar gebracht, heeft uitsluitend de Nederlandsche strafwet en heeft de Nederlandsche rechter te waken.

Maar het is de vraag of, waar binnen het grondgebied van Neder-landseh-Indië ten nadeele van Nederlandsche vaartuigen gekrenkt of

-ocr page 177-

1.57

in gcvfiai gebracht worden scheepvaartbelangen, van deny,elfden aard als die welke de Nederlandsch-lndische strafwet beschermt waar de handelingen ten nadeele van Nederlandsch-lndische vaartuigen worden gepleegd, of daar niet de gelijke toepasselijkheid van de Nederlandsch-lndische strafwet moest worden aangenomen. liet is waar, de Nederlandsche strafwet doet hetzelfde niet ten aanzien van Nederlandsch-lndische vaartuigen. In H. II, T. XXIX Ncd. Wb. wordt alleen van Nederlandsche schepen en vaartuigen gewaagd. Doch vooreerst mag wel in het algemeen worden gevraagd, of niet de Nederlandsche strafwetgever te weinig rekening heeft gehouden niet rechtsbelangen die meer in het bijzonder de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddeelcn raken. Maar bovendien, hoe zelden varen Nederlandsch-lndische vaartuigen in Nederlandsche wateren; hoe dikwijls daarentegen bevinden zich Nederlandsche schepen op Nederlandsch-Indisch gebied. Beperkte nu de Nederlandsch-lndische strafwet hare toepasselijkheid tot de scheepvaart-misdrijven ten nadeele van Nederlandsch-lndische vaartuigen, dan zouden de scheepvaartmisdrijven ten nadeele van Nederlandsche schepen in Nederlandsch-Indië gepleegd niet in Indië, maar alleen in Nederland kunnen worden berecht, en zou misschien menig zoodanig misdrijf onvervolgd blijven. Daartegen moet ook de Nederlandsch-lndische strafwetgever waken. Hij moet doordrongen zijn van de eenheid der belangen van moederland en kolonie; eene eenheid waarop na de staatkundige belangen misschien het meest de scheepvaartbelangen wijzen. Trouwens de Nederlandsch-lndische wetgever heeft zich reeds op dit standpunt geplaatst, toen hij (hid. Slb. 1874 nquot;. 189) desertie aan boord van een Nederlandsch Kchip, zich op ecne Nederlandsch-lndische reede of in een Nederlandsch-lndische haven bevindende, nadrukkelijk met straf bedreigde, terwijl toch de bepalingen omtrent huishouding en tucht op de koopvaardijschepen (Ind. Slb. 1873 nquot;. 119) tot Nederlandsch-lndische schepen waren beperkt; en eveneens toen hij bij de strafbepalingen tegen zeeroof (Ind. till). 187() n0. \'279) hetzelfde deed.

Op grond van deze overwegingen zijn nu overal waar de overeenkomstige bepalingen van het Nederlandsche Wetboek van „Nederlandsch schipquot; of „Nederlandsch vaartuigquot; gewagen, in dezen titel van het Ontwerp de uitdrukkingen „Nederlandsch of Nederlandsch-Indisch schipquot; (reap, vaartuig) gebezigd. Uit geschiedde dus in de artt. 397, 398, 399, 402 1°., 403 1quot;., 404 1% 405 1quot;., 407, 408,410, 412 1»., 413, 410, 416, 417, 418, 419, 420, 424, 425, 426, 427 (overeenstemmende met artt. 385, 386, 387, 390 1°., 391 1°., 392 1°., 393 1°., 394bis, 395, 397, 399 1°., 400, 402, 403, 404, 405, 406, 407 , 411, 412, 413, 414 Ned. Wb.).

Ten aanzien van zeevisschersvaartuigen is hetzelfde niet geschied. Dergelijke vaartuigen komen niet uit Nederland naar Indië; dergelijke vaartuigen in Nederlandsch-Indië te huis behoorende zijn niet van nationaliteit Nederlandsche.

De artt. 402 2°., 403 2°., 404 2°., 405 2»., 407, 408,410,411,412 2°., 413 gewagen dus alleen van Nederlandsch-lndische zeevisschersvaartuigen.

In de artikelen waar in het Nederlandsche wetboek de nationaliteit van het vaartuig onverschillig is, waarbij de scheepvaartbclangen van alle natiën gelijkelijk worden beschermd (artt. 381—384, 408 Ned. Wb.) of waarbij om andere redenen geen onderscheid wordt gemaakt (artt. 388, 389, 410 Ned. Wb.) en dus de algemeene uit-

-ocr page 178-

168

drukking „vaartuigquot; zonder meer gebruikt wordt, volgt het Ontwerp dit voorbeeld (artt. 390—396, 400, 401, 421, 423 Ontw.).

Eindelijk zij nog verwezen naar de bijzondere toelichting van art. 423.

Artt. 390—397. Bij vergelijking met de artikelen 381—385 Ned. Wb. blijkt dadelijk dat, waar laatstgemeld wetboek alleen van zeeroof en daarmede in verband staande delicten gewaagt, het Ontwerp mede strafbaar stelt strandroof en rivierroof. Voor deze uitbreiding-is het voorbeeld gegeven in wat thans in Nederlandsch-Indië rechtens is volgens Ind. Sth. 1876 nquot;. 279.

In de toelichting van artt. 381 vlg. Ned. Wb. (1) wordt opgemerkt dat „wanneer daden van geweld door middel van vaartuigen worden gepleegd tegen kustbewoners of tegen vaartuigen die zich in territoriale wateren bevinden, deze handelingen naar het gemeene recht als openlijk geweld met vereenigde krachten, als diefstal, mishandeling enz. te beoordeelen zijnquot;, zoodat het speciale misdrijf tot zuivere zeeroof, geweldpleging in open zee behoort te worden beperkt. Intus-schen behoort voor Nederlandsch-Indië deze beschouwing niet te worden gevolgd. Vooreerst bestaat het speciale misdrijf niet alleen in de geweldpleging zelve, maar reeds in het dienst nemen of dienst doen op een vaartuig waarvan de dader weet dat het bestemd is of gebruikt wordt om de bedoelde daden van geweld te plegen.

Voorts verdient niet te worden voorbijgezien dat in sommige streken van Nederlandsch-Indië de bestuursorganisatie en het politietoezicht gebrekkig zijn, zoodat, ook waar het daden van geweld betreft niet in open zee maar langs kusten en op rivieren gepleegd, niet mag worden afgewacht totdat deze voltooid en de daders misschien weer weggevaren zijn, zoodat politie en justitie reeds moeten kunnen optreden wanneer er schepen met dergelijke gewelddadige bedoelingen in de vaart gebracht zijn. Eindelijk bestond er althans geen reden om op het in Nederlandsch-Indië geldende recht terug-te komen.

De omschrijving van zeeroof in art. 390 Ontw. stemt geheel overeen met die voorkomende in art. 1 Ind. Sth. 1876 nn. 279; terwijl de omschrijving der misdrijven van artt. 391 en 392 aan art,. 2 van voormeld Ind. Slb. ontleend is, niet toevoeging naar analogie van \'t geen in art. 390 geschiedde, van de woorden „strandroofquot; en „rivierroofquot; ter korte begripsomschrijving (qualificatie). Alleen moet het volgende worden opgemerkt; de eisch van art. 2 Ind. Sth. 1876 nquot;. 279 dat rivierroof geschiede met vaartuigen „voor zeevaart gebezigd en uit zee in de rivieren gekomenquot;, is in art. 392 niet gesteld, omdat deze beperking onnoodig voorkomt; de straifeloosheid in geval de tot de daden van geweld gebezigde vaartuigen oorlogsvaartuigen eener erkende mogendheid of van eene machtiging eener oorlogvoerende mogendheid voorzien zijn, is, in overeenstemming met het Nederlandsche wetboek, verzekerd door het ontbreken van de uitzondering positief in de omschrijving der misdrijven op te nemen, niet door, gelijk in art. 4 van meergemeld Ind. Sth. geschiedt, de uitzondering negatief als een rechtvaardigingsgrond te omschrijven.

(I) Smiut, 111, bi. 99.

-ocr page 179-

159

Art. 393. Vg. hiermede het 2e lid van art. 381 Ned. Wb. In het Ontwerp moesten deze bepalingen in een afzonderlijk artikel worden geplaatst, omdat zij op drie artikelen betrekking hebben.

Art. 397. Bij vergelijking van dit artikel met art. 385 Ned. Wb. vindt men hier natuurlijk niet alleen van zeeroovers maar ook van „strandroovers of rivierrooversquot; gesproken. Ofschoon in art. 7 Ind. Stb. 1876 n0. 279 alleen van het brengen in de macht van zeeroovers gewaagd wordt, zie men niet voorbij dat in art. 2 strand roof en rivierroof met zeeroof werden gelijkgesteld.

Arlt. 398 en 399. Vg. de artt. 386, 387 Ned. Wb. benevens artt. 8 en 9 Ind. Stb. 1876 n0. 279.

Art. 417. „In strijd met zijne verplichtingquot;. Het overeenstemmende art. 404 Ned. Wb. heeft „in strijd met eenig wettelijk voorschriftquot;. Deze uitdrukking kon niet worden overgenomen wegens de beteekenis welke in art. 102 Ontw. aan haar is (en ook moest worden) toegekend. Immers is onder die uitdrukking wel begrepen het bij „algemeene verordeningquot; vastgestelde Nederlandsch-lndische Wetboek van Koophandel, dat den schipper van een Nederlandsch-Indisch schip beheerscht en waarvan nu art. 362 in art. 417 Ontw. zijne strafrechtelijke sanctie vinden zal. Maar van art. 362 Ned.cr-landsch Wetboek van Koophandel, dat den schipper van een Neder-landsch schip beheerscht en beheerschcn blijft ook in Nederlandsch-lndische wateren, geldt dit niet. Eene „wetquot; niet voor Nederlandach-Indië vastgesteld is natuurlijk niet in art. 31 R. R. begrepen.

De „verplichtingquot; waarvan thans art. 417 Ontw. gewaagt, berust nu voor elke der beide genoemde groepen van schippers op de wettelijke bepalingen waaraan zij onderworpen is.

Art. 420. „In strijd met zijne verplichtingquot; in de plaats van „in strijd met eenig wettelijk voorschriftquot;, zooals het overeenstemmend art. 407 Ncd. Wb. luidt. Vg. over deze verandering van uitdrukking zonder verandering van den zin der bepaling de toelichting van art. 417 Ontw. De hier bedoelde verplichting vloeit voort voor den schipper van een Nederlandsch-Indisch schip uit artt. 367 vlg. Ned. Ind. Wb. van Koophandel, en voor dien van een Neder-landsch schip uit artt. 367 vlg. Ned. Wb. van Koophandel.

Art. 423. Reeds in de toelichting van het overeenstemmend art.

410 Ned. Wb. wordt er aan herinnerd dat het hier bestreden misbruik in Nederlandsch-Indië niet ongemeen is. Aan het in genoemd art. 410 voorkomende woord „Nederlandschquot; vóór „oorlogsvaartuigquot; zijn de woorden „of Nederlandsch-Indischquot; toegevoegd.

Onder beide uitdrukkingen samen zijn nu begrepen de zuiver Nederlandsche oorlogsvaartuigen, de vaartuigen behoorende tot het auxiliair eskader en die der Nederlandsch-lndische militaire marine; niet die der zoogenaamde gouvernements-marine, welke geene oorlogsvaartuigen zijn. (Vg. de toelichting van artt. 94, 95.) Laatstgenoemde vaartuigen, waarvan de onderscheidingsteekenen ook kunnen worden nagebootst, zijn dus afzonderlijk genoemd.

Art. 424. „Door het bevoegd gezagquot;. Het overeenstemmend art.

411 Ned. Wb. heeft „krachtens wettelijk voorschriftquot;. Vg. over deze verandering van uitdrukking zonder verandering van den zin der

-ocr page 180-

160

bepaling de toelichting van art. 417 Ontw. Den schipper, stuurman of nmchiniHt van een Nederlandsch schip kan de hier bedoelde bevoegdheid ontnomen worden door den „raad van tuchtquot;, krachtens en ingevolge artt. 25a vlg. der Ned. wet omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen van 7 Mei 185() (Slb. n0. 32), gewijzigd bij de wet van 13 November 1879 (Slb. nu. 190) en art. 16 Inv. wet. Voor Ned.-Indische schepen komt in aanmerking art. 23 van Tnd. Stb. 1873 n0. 119, waarbij eveneens een te Batavia zitting houdende raad van tucht is ingesteld. Intusschen gewaagt deze ordonnantie — in overeenstemming met wat in 1873 ook nog voor Nederland gold — alleen van do ontneming der bevoegdheid om als schipper te varen. Het is echter niet onwaarschijnlijk dat aan de uitbreiding welke voor Nederland de aangehaalde wet van 13 Nov. 1879 gegeven heeft, ook voor Ned.-Indië behoefte zal ontstaan.

Art. 425. 11e wettelijke vordering hier bedoeld, is die waarvan sprake is in art. 25 der consulaire wet van 25 Juli 1871 Nc.d. Slh. nu. 91, met de later daarin gebrachte wijzigingen afgekondigd in Ind. Stb. 1887 n», 207 en 1889 n». 66.

Intusschen wordt in dat artikel alleen van „Nederlandsche schepen op weg naar Nederland of Nederlandsch-Indiëquot; gewaagd; niet van Nederlandsch-Indische schepen. Dit is eene leemte, liet geval dat Nederlandsch-Indische schepen voor het vervoer worden gerequireerd, kan zich eveneens voordoen; met name wanneer, ingevolge art. 43 of 46 der consulaire wet zelve, de Nederlandsch-Indische rechter van eene zaak moet kennis nemen. Intusschen kan art. 425 Ontw. de strafrechtelijke sanctie ook voor die schepen vaststellen; aanvulling der bedoelde leemte behoort in do consulaire wet zelve te worden opgenomen.

TITEL XXXI.

Begunstiging.

(Artt. 429—433).

Deze titel stemt met B. II, T. XXX Ned. Wb. geheel overeen.

Artt. 431 — 433. Zie over deze artikelen de toelichting van artt. 61 en 62 Ontw. In de plaats van de in artt. 418, 419 Ned. Wb. voorkomende uitdrukking „buiten het Rijk in Europaquot; is hier natuurlijk gesteld „buiten Nederlandsch-Indiëquot;.

TITEL XXXII.

Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen.

(Artt. 434-436).

Deze titel die overeenstemt met B. II, T. XXXI Ned. Wb., heeft geene andere wijziging ondergaan dan die noodzakelijk was tengevolge van invoeging, weglating of verplaatsing van artikelen.

Art. 435. Naast deze bepaling blijft natuurlijk onverkort gelden het laatste lid van art. 12 (art. 10 Ned. Wb.) als algemeene be-

-ocr page 181-

161

paling voorschrijvend dat de tijdelijke gevangenisstraf den tijd van 20 jaren nooit mag te boven gaan.

Met de woorden; „de tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artt. 104, 105, 123, 2e en 3e lid, 132, 2e en 3e lid, 298, 299quot; is dus in art. 435 alleen bedoeld de tijdelijke gevangenisstraf van 15 jaren, welke in de gevallen van poging, medeplichtigheid of jeugdigen leeftijd van den dader het maximum vormt dat, altoos krachtens voormelde artikelen, maar dan in verband met artt. 53, 3e lid, 57, 2e lid, 47, 4e lid, buiten de gevallen van herhaling mag worden opgelegd. Men vergelijke hiermede de bijzondere beschouwingen over dit punt bij de behandeling van het Neder-landsche wetboek (1).

(1) Smidt, I, bl. 198 (advies van den Raad van State) 199, lil, bl. 162, 163.

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-l. (voor de Europeanen.)

ii

-ocr page 182-

DERDE BOEK.

Overtredingen.

Bij de samenstelling van het Derde Boek was de hoofdvraag deze: welke overtredingen in het Wetboek van Strafrecht behooren te worden opgenomen ; voor welke men de regeling aan andere alge-meene verordeningen, aan reglementen en keuren van politie heeft over te laten.

Reeds in § 4 van de algemeene beschouwingen dezer toelichting werd dienaangaande een en ander opgemerkt. Daaraan zij het volgende toegevoegd.

Vooreerst behooren, geheel in overeenstemming niet het stelsel van codificatie te dien aanzien in het Nederlandsche wetboek gevolgd, aan speciale algemeene verordeningen te worden overgelaten die strafbepalingen welke niet anders zijn dan de eenvoudige sanctie van rechtsvoorschriften waarbij niet zoozeer zekere handelingen in het belang der algemeene rechtsorde worden geboden of verboden, dan wel eenig onderwerp van staatszorg in zijn geheel wordt geregeld. Daartoe behooren bv. de verordeningen in zake van onderwijs, openbare hygiëne, agrarische aangelegenheden, mijnwezen enz.

In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de bij art. 72 R. R. en naar de regelen van Ind. Slb. 1858 noa. 17 en 18 aan de hoofden van gewestelijk bestuur verleende bevoegdheid tot het maken van reglementen en keuren van politie met strafbepaling. Aan die reglementen en keuren behoort te worden overgelaten wat een zuiver lokaal karakter draagt; maar vermits in Nederlandsch-Indië uit den aard der zaak de gewestelijke autonomie niet zoo uitgebreid wordt opgevat als dit in Nederland ten aanzien van de provinciale en gemeentelijke autonomie mogelijk is, zoo vindt in B. Ill Ontw. menige verordening hare plaats, welke in Nederland aan het plaatselijk strafrecht is overgelaten. Men zie bv. artt. 453, 454, 456.

De bronnen van Boek III zijn nu geweest de volgende :

1°. Het III\'\' Bock van het Nederlandsche wetboek waaruit alle artikelen, behoudens wijziging of aanvulling van den inhoud, zijn overgenomen, met uitzondering natuurlijk van art. 434 Ned. Wb., waarvoor echter een ander, art. 452 Ontw., is in de plaats gesteld, en van art. 443 Ned. Wb.

2°. Het Algemeen politiestrafreglement voor de Europeanen {Ind. Slb. 1872 n0. 110), een uitnemende leiddraad voor de regeling van die onderwerpen van algemeenen aard welke de Nederlandsche wetgever of wegens afwijkende toestanden niet behoefde te regelen, öf waarvan hij de regeling aan provinciale- en gemeente-verordeningen kon overlaten. Aan dat reglement zijn, met wijziging, ontleend de artt. 438 3°., 4°. (P. E. 4 n0. 1(5, 5 n0. 8), 439 (P. E. 4 n0. 19), 441 6°., laatste zinsnede (P. E. 3 n°. 5), 442 (P. E. 4 n0. 26), 444 1°., (P. E. 3 n0. 6), 445 (P. E. 4 n». 3), 446 (P. E. 4 n0. 4), 447 (P. E. 4 n°. 17), 449 (P. E. 4 n0. 8, 5 n0. 5), 453 (P. E. 4 n0. 24),

-ocr page 183-

163

454 (P. E. 4 n0. 25), 456 (P. E. 4 n«. 6), 457 (P. E. 4 n«. 7), 461 (P. E. 8 n®. 1—8), 467 (P. E. 5 n0. 1), 477 (P. E. 4 nquot;. 12), 478 (P. E. 4 n°. 13), 484 (P. E. 4 nquot;. 10), 485 (P. E. 5 nquot;. 13, 14). Voorts ligt het in den aard der zaak dat menige bepaling uit het Algemeen politiestrafreglement niet behoefde te worden overgenomen, omdat hetzelfde onderwerp reeds voldoende in de overgenomen bepaling van het Nederlandsche wetboek van strafrecht, hetzij in B. II, hetzij in B. III geregeld word.

Dit is telkens in de toelichting van de artikelen aangewezen.

De inhoud van artt. 3 n0. 7, 4 n0. 11 en 5 n0. 4 Alg. Pol. Regl. v. Eur. is in het Ontwerp in het geheel niet terug te vinden. Men vergelijke dienaangaande de toelichting van art. 459 en van artt. 144, 145 Ontw.

3°. Verder zijn sommige artikelen ontleend aan geldende alge-meene verordeningen. Zoo art. 492 ontleend aan Ind. Sth. 1854 n0. 18, 19, in verband met 1870 n0. 7, 1881 n0. 142, en art. 494 ontleend aan art. 70, tweede lid, Wetb. 1866.

4°. Geheel nieuw zijn de artikelen 459 en 496 2°., welk laatste ontleend is aan art. 4, tweede lid der Ned. wet van 31 Dcc. 1887, Stb. no. 265.

Vermits in B. Ill zoovele artikelen aan het Algemeen politiestrafreglement voor Europeanen ontleend zijn, worde hier ten aanzien van hunne toelichting in het algemeen mede verwezen naar de toelichtende memorie op vermeld reglement, bewerkt door Mr. T. II. der Kinderen 2quot; dr. (Batavia 1885).

Bij vergelijking van het Ontwerp met het Algemeen politiestrafreglement zal het de aandacht trekken dat niet uit dat reglement in het Ontwerp zijn overgebracht de bepalingen waarbij de politie bevoegd wordt verklaard tot het opruimen van belemmeringen, het schutten van dieren, het beletten van feitelijkheden, het onbruikbaar maken van gevaarlijke stoften enz.

De vraag of dit geschieden zoude, is rijpelijk overwogen. Wilde men soortgelijke bevoegdheden bij onderscheiden overtredingen vermelden, dan moest men volledig zijn en van alle door eenige overtreding noodig geworden politicmaatregelen melding maken, dan moest dit bovendien niet alleen gelden bij die overtredingen welke aan het Algemeen politiestrafreglement, maar ook bij die welke aan het Nederlandsche wetboek werden ontleend; ja, dan deed zich eveneens de vraag voor of dezelfde weg ook niet gevolgd moest worden voor die gevallen waarin bij het plegen van een misdrijf aan politiemaatregelen behoefte bestaat, bv. bij artt. 157, 183, 195 en zoovele anderen. Het veiligst was dus, het stelsel van den Nederlandschen wetgever te volgen, in een wetboek van strafrecht niet anders dan strafbepalingen op te nemen en aan een politic-reglement — niet een politiesim/reglement — de regeling der noo-dige politiemaatregelen over te laten. In gelijken zin werd geadviseerd door het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië.

Wat verbeurtverklaring betreft, welke volgens het Algemeen politiestrafreglement voor de Europeanen in verscheiden gevallen kan worden toegepast, men heeft gemeend ook deze niet in de overigens aan dat reglement ontleende bepalingen te moeten opnemen, en wel omdat zij in de bedoelde gevallen of uitsluitend als politiemaatregel verbonden aan afmaking of vernietiging van het verbeurdverklaarde voorwerp wordt beschouwd, of waar zij zonder die verbinding voor-

-ocr page 184-

164

komt, niet noodzakelijk schijnt. Ook hierbij heeft men dus het Nederlandsche wetboek gevolgd, dat bij overtredingen alleen in het geval bedoeld bij art. 440 (art. 4154 Ontw.) deze bijkomende straf kent. Vg. voorts de toelichting van B. I, T. II sub IX.

Bij de rangschikking der onderscheiden overtredingen heeft men de indeeling van het Nederlandsche wetboek gevolgd en ook kunnen volgen; de niet aan het wetboek ontleende artikelen hebben in de verschillende titels gemakkelijk eene plaats gevonden. Slechts het opschrift van Titel I heeft eene uitbreiding moeten ondergaan.

TITEL I.

Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van personen en goederen en de openbare gezondheid.

{Artt. 437—447).

Door invoeging van een nieuw artikel, betrekking hebbende op de gezondheid (art. 447) m.m. overgenomen uit art. 4 nquot;. 17 Alg. Pol. Regl. v. Eur., is het noodig geacht het opschrift van den titel zooals het in het Nederlandsche wetboek luidt, aan te vullen.

Art. 437. Dit artikel wijkt in meer dan één opzicht van art. 424 Ned. Wb. af.

De hoofdgedachte welke ook aan laatstgenoemde bepaling ten grondslag ligt, is echter niet verlaten. Zij is, blijkens de M. v. T. (1), deze: „de noodzakelijkheid om straf te bedreigen ook tegen die met de veiligheid van personen of goederen onbestaanbare feitelijkheden, die noch als mishandeling, noch als injuria realis, noch als strafbare beschadiging, noch als eene der in B. II, T. VII omschreven misdrijven zijn aan te merkenquot;, en men mag er bijvoegen noch objectief noch subjectief onder do omschrijving van eenig culpoos misdrijf kunnen worden gebracht, indien nl. die feitelijkheden gepleegd worden enkel uit baldadigheid, m. a. w. zonder eenig ander motief dan de begeerte om hetzij de feitelijkheden te verrichten, hetzij nadeel of gevaar teweeg te brengen. Uit deze hoofdgedachte volgt, gelijk ook in de toelichtende memorie van het Nederlandsche wetboek uitdrukkelijk is betoogd, dat concursus idealis van eenig misdrijf met de overtreding van dit artikel herhaaldelijk zal voorkomen, dat in die gevallen art. 63, le lid (art. 55, le lid Ned. Wb.) de toe te passen strafbedreiging aanwijst, en dat alleen dan wanneer of de feitelijkheid niet mede onder eenige andere bepaling te brengen, öf de strafbedreiging der andere bepaling eene lichtere is, art. 437 toepassing zal vinden.

Bij de omschrijving nu van de overtreding in dit Ontwerp is, behalve met genoemd art. 424 Ncd. Wb., mede rekening gehouden met eenige artikelen van het Algemeen politiestrafreglement voor de Europeanen, met name artt. 3 n0. 8 en 9 en 5 n0. 7.

Nu wordt in het Nederlandsche wetboek de strafbare baldadigheid beperkt tot feitelijkheden op of aan den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats. Na ernstige overweging besloot

(1) Smidt, III, bi. 171.

-ocr page 185-

165

men voor Nederlandsch-Indië die beperking niet over te nemen. Baldadigheden als de gewraakte kunnen op velerlei wijze geschieden, niet enkel door personen die zich op of aan den openharen weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen bevinden, niet enkel tegen personen of goederen aldaar aanwezig, maar ook door lieden die zich daartoe op de bijzondere erven of in de bijzondere woningen begeven of aldaar om eenige andere reden aanwezig zijn. In Ned.-Indië, waar de toegang tot erven en woningen zoo gemakkelijk is, verdient dit gevaar inderdaad niet te worden voorbijgezien. Hierbij komt dat de aangehaalde artikelen van het politiereglement welker inhoud nu in de algemeene omschrijving van art. 437 Ontw. zal zijn begrepen, dergelijke beperking niet inhouden, en dat dit evenmin geschiedt in het in de memorie van toelichting op art. 424 Ned. Wb. aangehaald art. 563 3°. Code Pénal Helge.

Wel valt het niet te ontkennen dat eene algemeene omschrijving ook toepasselijk zal zijn op feitelijkheden welke geheel binnen den kring van het private leven worden gepleegd. Het is echter niet mogelijk gebleken om dergelijke handelingen uit te sluiten en dan tevens eene redactie te vinden welke aan den voor deze overtreding zoo noodigen eisch der eenvoudigheid voldeed. Maar afdoend bezwaar levert dit niet op, zoo men bedenkt dat de handeling toch altijd eene wezen moet die objectief en subjectief binnen het taalkundig begrip „baldadigheidquot; valt, en dat krachtens het opportuniteitsbeginsel niet iedere baldadigheid behoeft te worden vervolgd.

In verband met het voorafgaande konde nu ook de qualificatic „straatschenderijquot;, voor Ned.-Indië trouwens in ieder geval een onbruikbaar woord, niet worden overgenomen.

Eindelijk worde opgemerkt dat art. 424 Xed. Wb. alleen van „gevaar of nadeelquot; gewaagt, en dat het Ontwerp hierbij voegt „of ongeriefquot;.

Ook de commissie van rapporteurs der Tweede Kamer wilde bij de behandeling van het Nederlandsche wetboek mede gewagen van het berokkenen van „lastquot; of „schrikquot;. Deze woorden waren nu wel te ruim, doch „ongeriefquot; schijnt eene zeer juiste uitdrukking om ook de lichtere vormen van baldadigheid te omvatten, met name bv. het werpen met vuil.

In het tweede lid is voor het geval van herhaling niet alleen, zoo als in het Nederlandsche wetboek, alternatief hechtenis gesteld, maar ook het maximum der geldboete verdubbeld.

Art. 438 1°. en 2°. Deze bepalingen zijn samengesteld uit die van art. 425 Ned. Wb. en van art. 5 n0. 8 Alg. Pol. Reg. v. Eur. Dooide splitsing van no. 1 van eerstgemeld wetsartikel komt de onderscheiding tusschen „ophitsenquot; en „niet terughoudenquot; scherper uit en wordt eene ingewikkelde redactie vermeden.

No. 3. Vg. art. 4 n0. 15 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

In 4°. is met eene gewijzigde redactie opgenomen de bepaling van art. 4 n0. 16 Alg. Pol. Regl. v. Eur., waarbij valt aan te teekenen ;

1°. „dat in stede van de uitdrukking „plaatselijk bestuurquot; gekozen is de in Indische verordeningen meer gebruikelijke en ook duidelijker terminologie „hoofd van plaatselijk bestuurquot;, waarmede bedoeld is niet verder te gaan dan artikel 103 van de bepalingen omtrent de invoering van en den overgang tot de nieuwe wetgeving

-ocr page 186-

166

(Ind. Sthl, 1848 n0. 10), zooalg het artikel luidt volgens Ind. Slbl.

1884 n0. 76;

2°. dat hier, gelijk elders, waar zulks uit den aard der zaak noodig, nuttig of wenschelijk scheen, gelegenheid is gelaten tot delegatie.

Art. 489. Voor dit artikel is nu. 19 van art. 4 van het Alg. Pol. Regl. v. Eur. leiddraad geweest.

Wat betreft het feit omschreven in art. 5 n0. 10 van dat reglement worde hier verwezen naar de algemeene toelichting omtrent culpose beschadiging bij art. 363.

Art. 440. Vg. art. 426 Ned. Wb. Alleen is de boete verhoogd.

Art. 441 1°., 2°. en 3°. Vg. art. 427 2°., 8°. en 4°. Ned. Wb. en art. 8 n0. 8 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

4°. Deze bepaling komt overeen met die van art. 427 5°. Ned. Wb., met bijvoeging der woorden „of een stuk vee dat hij vervoertquot;, omdat de ondervinding heeft geleerd dat binnen de bebouwde kom eener plaats bij het vervoer van dieren soms vrij zorgeloos wordt te werk gegaan.

5°. Vg. art. 3 n0. 10 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

6°. Vg. art. 427 6quot;. Ned. Wb., in verband met art. 8 n0. 4 en 5 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

De bepaling van art. 427 1°. Ned. Wb. is niet overgenomen, omdat de Indische toestanden eene dergelijke regeling niet vereischen.

Art. 442. Vg. art. 4 nquot;. 26 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 448. Vg. art. 428 Ned. Wb. en de toelichting van art. 438 4°. Ontw.

Art. 444 1°. cn 2°. Deze bepalingen bevatten eene samenvoeging van art. 429 1quot;. Ned. Wb. en art. 8 nquot;. 6 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

8«. Vg. art. 429 2quot;. Ned. Wb.

Artl. 445 cn 44G. Vg. art. 4 nquot;. 3 en art. 4 nquot;. 4 Alg. Pol. Regl. v. Eur. waaraan deze artikelen met eene gewijzigde redactie ontleend zijn. Overigens is dit onderwerp geregeld bij speciale ordonnantiën,quot; laatstelijk bij Ind. Stb. 1889 nquot;. 215, bij art. 6 van welke ordonnantie art. 4 nquot;. 5 Alg. Pol. RcgJ. v. Eur. is ingetrokken. Zie aangaande vroegere ordonnantiën de toelichting van art. 4 nquot;. 4 van dat reglement (1).

Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de daarbij aangehaalde ordonnantie van Ind. Stb. 1884 nu. 8 is ingetrokken bij Ind. Sto.

1885 n0. 94, waarbij de resolutie van Ind. Stb. 1886 n0. 10 in werking is hersteld.

Vg. overigens de toelichting van art. 438 4°. Ontw.

Art. 446. De ambtenaar die het verlof kan afgeven, wordt hier, evenals in het vorig artikel, aangewezen. Immers, wie bekleed is

(■1) Dun Kindkrkn, bl. 58,

-ocr page 187-

167

met het „bevoegd gezagquot; bedoeld in art. 4 n0. 4 Alg. Pol. Regl. v. Eur., staat thans niet vast.

Art. 447. Vg. art. 4 nn. 17 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

TITEL II.

Overtredingen betreffende de openbare orde.

(Arlt. 448—467).

Bij dezen titel werd overwogen of, op het voorbeeld der Nedcr-landsche wet van 9 Mei 1890 (S/ft. n0. 81), in het Ontwerp strafbepalingen moesten worden opgenomen tegen het dragen van wapenen in het openbaar. Deze vraag werd ontkennend beantwoord op de volgende gronden. De voorname aanleiding tot de gemelde wet was dat bij de invoering van het Nederlandsehe wetboek op den eersten September 1886 door de gelijktijdige; afschaffing van art. 814 C. P. — niet overgenomen in het Wetboek van 1866 (1) — eene poenale sanctie ontviel aan de destijds in Nederland nog geldende Fransehe verordeningen op het vervaardigen, verkoopen en dragen van daarbij verboden wapenen (2). Zoodanige verordeningen nu bestaan in Indië niet, en verbodsbepalingen als die welke thans in Nederland krachtens do voormelde wet geldon, /ouden daar misplaatst zijn.

Art. 448. Vg. art. 480 Ned. Wb.

Art. 449. ln. Vg. art. 431 Ned. Wb. en art. 5 n0. 5 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

2°. Vg. art. 4 n0. 8 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Artt. 450, 451 en 452. Vg. artt. 482 en 488 Ned. Wb, De straf-verzwaring en do bepalingen omtrent do recidive houden verband met de niet-overneming in het Ontwerp van de plaatsing in eene rijkswerkinrichting. Vg. hierover de toelichting van B. T, T. II sub 1.

Art. 453. Vg. art. 4 n0. 24 Alg. Pol. Regl. v. Eur. Dat hier en elders alleen sprake is van „rechthebbendequot; vindt zijn grond hierin, dat tegen don wil van don eigenaar een huurder zijn recht moet kunnen doen golden.

Dit is volgens de bestaande redactie van het aangehaalde artikel niet boven twijfel verheven.

Art. 454. Vg. art. 4 n0. 25 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 455. Vg. art. 435 Ned. Wb.

Art. 456. Vg. art. 4 n0. 6 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

(1) Zie de Memorie\'van Toelicliting bij Uk PlNïO, bl. 178.

(2) Men vindt eene opgave van deze verordeningen bij Schooneveld, het Wetboek van Strafrecht {Code Pénal) aant. b op art. 314.

-ocr page 188-

ir.8

Art. 457. Vg. art. 4 n0. 7 Alg. Pol. Kogl. v. Eur. en de toelichting op art. 488 4°. Ontw.

Art. 458. Vg. art. 436 Ned. Wh.

Art. 459. Het is eene sinds jaren herhaaldelijk in openbare geschriften geopperde grief dat het gezag machteloos is tegen de personen die als voerman, als waschbaas enz. een ongeoorloofd gebruik maken van liet in hunne persoonlijke dienstbetrekking of hun beroep toevertrouwde goed. Golden tot voor eenige jaren speciaal de klachten uitsluitend inlanders, en zou dus eene voorziening reeds gerechtvaardigd zijn door het argument dat de Europeaan als deelnemer aan de overtreding in gelijke mate strafbaar behoort te wezen, sedert Europeanen zich onledig houden met beroepen welke te voren slechts door inlanders werden uitgeoefend, is de bepaling van het artikel te meer noodig.

Daarentegen vond men geen grond tot overneming van art. 3 n°. 7 Alg. Pol. Regl. v. Eur., omdat de daarbij bedoelde tekortkoming aan eene contractueele verplichting, althans ten aanzien van Europeanen en met hen gelijkgestelden, niet strafbaar behoeft te worden gesteld.

Art. 460. Vg. art. 437 Ned. Wb. en de toelichting van art. 438 4°. Ontw.

Art. 461. Vg. art. 3 nquot;. 1—3 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Ter bevordering van eenheid van uitdrukking is in de drie nummers van het artikel steeds gesproken van den wijkmeester en van het hoofd van de wijk, kampong of dessa. Men vertrouwt dat de woorden „wijk, kampong of dessaquot; ook voor die streken voldoende zullen zijn waar soortgelijke territoriale indeelingen onder andere benamingen voorkomen.

Art. 462. Vg. art. 488 Ned. Wb. en de toelichting van art. 438 4°. Ontw.

Art. 463. Vg. art. 439 Ned. Wb.

Art. 464. Vg. art. 440 Ned. Wb.

Artt. 465 en 466. Vg. artt. 441 en 442 Ned. Wb. Omtrent de weglating van de woorden „of coöperatieve vereenigingenquot; in 2°., vg. de toelichting van art. 205.

Art. 467. Bij de beschouwing van dit artikel komen in aanmerking drie bepalingen van het Alg. Pol. Regl. v. Eur., vervat in art 5 nquot;. 1—-3. Terwijl n0. 2 strafbaar stelt de deelneming aan alle bij art. Ill R. R. verboden vereenigingen en vergaderingen, eischt nquot;. 1 eene schriftelijke vergunning van het plaatselijk bestuur voor de oproeping tot elke niet in de uitzondering van het tweede lid vallende „verzameling van personenquot;, zoodat zoodanige uitnoodiging zonder de vereischte vergunning strafbaar is gesteld; eindelijk is volgens n0. 3 ook nog strafbaar hij die, aan de in n0. 2 vermelde, alzoo aan verboden vereenigingen en vergaderingen deelnemende, niet voldoet aan het bevel van het wettig gezag om „uiteen te gaan en huiswaarts te keerenquot;.

-ocr page 189-

169

In do eerste plaats was het nu bij de regeling van deze materie in het Ontwerp de vraag, of de preventieve bepaling van art. 5 n0.1 Alg. Pol. Regl. v. Enr. moest worden gehandhaafd, m. a. w. of strafbaar moest blijven elke uitnoodiging „ter oproeping of verzameling van personen, voor welk einde ookquot; zonder schriftelijke vergunning van het plaatselijk bestuur. Wel wordt in de toelichting van dit voorschrift (1) gezegd dat het alleen betreft „algemeene uitnoodi-gingen of oproepingen, hetzij openlijk, hetzij heimelijk tot het publiek of een deel daarvanquot; — bv. alle Europeesche ingezetenen van de plaats — „gerichtquot;, en dat dus daarbuiten vallen alle „persoonlijke uitnoodigingenquot;, hoe groot hun aantal ook zij, maar het is zeer twijfelachtig of deze toelichting de strekking der bepaling nief, veel meer beperkt dan hare algemeene bewoordingen toelaten. Wat daarvan zij, de ervaring heeft niet geleerd — dit wordt ook in de toelichting van art. 5 nquot;. 1 Alg. Pol. Regl. v. Eur. niet beweerd —dat eene preventieve bepaling die de vrijheid zoozeer belemmert, dat zij de geoorloofdheid om vergaderingen zelfs voor het onschuldigste doel bijeen te roepen afhankelijk stelt alleen van de inzichten van het plaatselijk bestuur, in Nederlandsoh-lndië onmisbaar is, en zoolang van deze onmisbaarheid niet blijkt, moet men zich bepalen tot repressieve voorschriften, ten deele strafbepalingen die het Ontwerp bevat, ten deele politiemaatregelen die steun vinden in de laatste zinsnede van artikel 111 R. R.

De deelneming aan bij laatstgemeld artikel verboden vercenigingen Avordt in art. 149, om de bij de toelichting van dat artikel gegeven redenen, als misdrijf strafbaar gestold. t)ie redenen gelden niet, althans niet in gelijke mate, voor het enkele, voorbijgaande feit van oproeping tot of deelneming aan de door art. Ill R. R. alleen reeds om haar doel algemeen verboden vergaderingen, namelijk die van staatkundigen aard. Deelneming aan die vergaderingen blijft, oproeping daartoe wordt — nu art. 5 nquot;. 1 als preventief voorschrift vervalt — strafbaar als overtreding. Deze strafbepaling ook uit te strekken tot de andere vergaderingen waarvan art. Ill R. R. spreekt, nl. die waardoor de openbare orde wordt bedreigd, gaat niet aan. Geschiedt dit herhaaldelijk in de vergaderingen. eener georganiseerde vereeniging, dan wordt deze daardoor als het ware gestempeld als gevaarlijk voor de openbare rust, en „het feitquot; van deelneming aan zoodanige bij art. 111 verboden vereeniging behoort dus strafbaar te worden gesteld, zooals geschiedt in art. 149 Ontw. Men kan echter vooraf niet weten of in eene vergadering die, als niet van staatkundigen aard, in het algemeen niet verboden is, de openbare orde zal worden bedreigd, en oproeping tot of deelneming aan eene vergadering waarin dit niettemin is geschied, mag alzoo daarom alleen niet worden gestraft. Wordt werkelijk in eene vergadering de openbare orde gestoord of alleen maar bedreigd, zoodat het geval voorzien in de eerste zinsnede van art. Ill R. R. zich voordoet, dan kan uit kracht van de tweede zinsnede van dat artikel de politie, met inachtneming der bestaande of nader te regelen instructies, vorderen dat de vergadering terstond uiteenga (2). Hij die opzettelijk niet voldoet aan deze vordering, krachtens wettelijk voorschrift (art. 111 R. R.) gedaan, maakt zich schuldig aan het misdrijf van art. 195 Ontw. Art. 5 nquot;. 3 Alg. Pol. Regl. v. Eur. waaraan bij „samenscholingenquot;

(1) Dkr Kinderen, bl. 96.

(2) Vg. art. 22 der wet van 22 April 1855 {Ned. Stb. n0. 32).

-ocr page 190-

170

geen behoefte meer zal bestaan met het oog op art. 197 Ontw., behoort dus evenzeer te vervallen inzoover het betreft ongehoorzaamheid aan het bevel dat eene vergadering als bedoeld in art. 111 R. R. uiteenga.

Het voorafgaande schijnt voldoende ter toelichting van art. 467 en tevens ter korte uiteenzetting van de gronden waarom in het stelsel van het Ontwerp de nommers 1, 2 en 3 van art. 5 Alg. Pol. Regl. v. Eur. moeten vervallen.

TITEL III.

Overtredingen betreffende het openbaar gezag.

(Arlt. 468—471).

Artikel 443 Ned. Wb. is uit den aard der zaak niet overgenomen.

Art. 468. Vg. art. 444 Ned. Wb.

Art. 469 is gelijkluidend aan art. 445 Ned. Wb. Voor het behoud van de woorden „toeziende voogdquot; en „toeziende curatorquot; evenals in art. 257 e. a., zie de toelichting van B. I, T. II, sub VIII6.

Art. 470. Het Iste lid is gelijkluidend aan art. 446 Ned. Wb. Vg. art. 4 n0. 1 Alg. Pol. Regl. v. Eur. Door bijvoeging van een tweede lid van gelijke strekking als art. 200 is voorzien in eene leemte welke in het Nederlandsche wetboek bestaat.

Eene gelijksoortige bepaling bevat het tweede lid van het aangehaalde art. 4 n0. 1 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 471. Vg. 447 Ned. Wb.

TITEL IV.

Overtredingen betreffende den burgerlijken staat.

(Artt. 472 en 473).

Deze titel is geheel gelijkluidend aan B. Ill, T. I V Ned. Wb.

TITEL V.

Overtredingen betreffende hulpbehoevenden.

(Art. 474).

Het eenige artikel van dezen titel is geheel gelijkluidend aan art. 450 Ned. Wb.

TITEL VI.

Overtredingen betreffende de zeden.

(Artl. 475—485).

Art. 475. Behoudens de verhooging van de boete is dit artikel gelijkluidend aan art. 451 Ned. Wb. Vg. art. 4 nquot;. 18 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

-ocr page 191-

171

Art. 476. Vg. art. 452 Ned, Wh. in verband met de toelichting van art. 438 4°. Ontw.

Art. 477. Dit artikel is ontleend aan art. 4 n0. 12 Alg. Pol. Regl. v. Eur. in verband met art. 6 van hetzelfde reglement. Vg. overigens de toelichting van art. 438 4°.

Art. 478. Dit artikel is ontleend aan art. 4 nquot;. 13 Alg. Pol. Regl. v. Eur., zooals het is aangevuld bij Ind. Sth. 1881 n0. 97, in verband voorts met art. 6 van het aangehaalde reglement.

„In de kazerne wonende vrouwquot; enz. De beperking tot der militairen vrouwen, kinderen en bedienden die in de kazerne wonen, is nieuw en geheel in overeenstemming met de strekking van het artikel.

„Gegisten palmwijnquot;, onder welke benaming ook bekend, als toewak, sagoeweer, soeri e. a.

Art. 479. Dit artikel is gelijkluidend aan art. 453 Ned. Wb. behoudens twee wijzigingen. In het 2de lid is de geldboete verdubbeld. In het laatste lid is de hechtenis van drie weken op drie maanden gebracht met het oog op het niet overnemen in het Ontwerp van de bijkomende straf der plaatsing in eene rijkswerkinrichting, vg. de toelichting B. I, T. II sub I.

Art. 480. Vg. art. 454 Ned. Wb.

Art. 481. Dit artikel is gelijkluidend aan art. 455 Ned. Wb., behoudens verdubbeling van de geldboete in geval van herhaling. Vg. ook art. 3 n0. 18 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Artt. 482 en 483. Vg. artt. 456 en 457 Ned. Wb. in verband met de toelichting van art. 438 4°. Ontw.

Art. 484. Vg. art. 4 nquot;. 10 in verband met art. 6 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 485. Dit artikel is ontleend aan art. 5 nquot;. 13 en 14 in verband met art. 6 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

TITEL VII.

Overtredingen betreffende de veldpolitie.

{Artt. 486—489).

Art. 486. Vg. art. 458 Ned. Wb.

Art. 487. Vg. art. 459 Ned. Wb. en de artt. 3 nquot;. 12 en 4 n0. 21 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

Art. 459 Ned. Wb. heeft twee wijzigingen ondergaan die tevens eene geringe verandering van redactie noodig maakten. De eerste bestaat in het doen vervallen der woorden „hakbosschen of rijswaardenquot; als minder toepasselijk voor Ned.-Indië. De tweede in de bijvoeging der zinsnede „of waarvan de oogst nog niet is weggehaaldquot;; zij voorziet in het geval dat de oogst, hoezeer reeds gesne-

-ocr page 192-

172

den, nog op het veld staat, en sluit zich aan bij het bestaande recht in Ned.-Indië. Vg. het aangehaalde artikel 3 nquot;. 12 Alg. Pol. Regl, v. Enr.

Art. 488. Vg. art. 460 Ned. Wb. en artt. 3 n0. 11 en 4 n0. 20 Alg. Pol. Regl. v. Eur.

De woorden „of rijdtquot; komen in het Nederlandfiche wetboek niet voor. De reden hiervan is waarschijnlijk deze, dat het woord „gaatquot; voorkomende in het oorspronkelijke regeeringsontwerp en waarmede men blijkbaar heeft willen teruggeven de ruimere uitdrukking „auront passéquot; van art. 471 no. 13 C. P., later is vervangen door het woord „looptquot; zonder dat men zich van het gevolg dier wijziging voldoende rekenschap schijnt gegeven tc hebben (1).

De in het Nederlandsche artikel voorkomende woorden „of gedurende de maanden Mei tot en met October op eenig wei-of hooilandquot; zijn weggelaten, daar eene bijzondere bescherming van dergelijke landen, ook met het oog op de den rechthebbende in art. 489 Ontw. toegekende bevoegdheid, voor Ned. Indië niet noodzakelijk is.

Arl. 489. Vg. art. 461 Ned. Wb.

TITEL VIII.

Ambtsovertredingen.

{Artl. 490—498).

In dezen titel zijn de artikelen van li. Ill, T. VIII Ned. Wb. overgenomen. Eene belangrijke wijziging komt alleen voor in art. 491. Die wijziging wordt hieronder toegelicht, evenals de nieuwe artikelen 492 en 494.

Art. 491. Dit artikel voorziet met het volgende, voorzoover dit strafrechtelijk noodig is, in de materie thans in Indië geregeld door het K. B. van 13 Januari 1854 (Ind. Sth. 1854 n0.18), in verband met Ind. Sth. 1854 n0. 19, 1870 nquot;. 7 en 1881 nquot;. 142. Het artikel waakt niet tegen opzettelijke schending van geheimen, ook ten aanzien van den ambtenaar of gewezen ambtenaar reeds strafbaar gesteld in art. 281, maar, in navolging van art. 463 Ned. Wb., tegen onbescheidenheid waarvan de staat nadeel kan lijden. (2)

Op ééne afwijking van laatstgemeld artikel moet worden gewezen. In plaats van „openbaarmaaktquot; wordt hier gelezen „bekendmaaktquot; evenals in art. 281. Overeenstemming tusschen beide artikelen in dit opzicht scheen wenschelijk, en daarenboven is de eerstgemelde uitdrukking, vooral met het oog op de Indische staatsbelangen die hier bescherming eischen, te beperkend.

In hoever naast deze strafrechtelijke regeling nog eene disciplinaire voorziening tegen ambtenaren ter zake van de in het artikel omschreven of soortgelijke feiten noodig zal zijn, kan nader worden overwogen. In elk geval zullen de zeer zwaar treffende disciplinaire straffen omschreven in art. 5 van het K. B. van 13 Januari 1854, als niet geëvenredigd aan de overtredingen waarop zij zijn gesteld, niet moeten worden gehandhaafd.

(1) Smidt, III, bl. 302.

(2) Zie de aanteekeningen op art. 486 1°. O. R. O. bij Smiut, UI, bl. 193, 194.

-ocr page 193-

178

Art. 492. Dit artikel vervangt art. 6 van het K. B. van 13 Januari 1854. Het sub. 2quot;. omschreven feit is geheel gelijk aan het in art. 491 strafbaar gestelde, dat echter alléén kan worden gepleegd door den nog in functie zijnden ambtenaar. Het in sub 1quot;. bedoelde feit is niet beperkt tot geheime regeeringsbescheiden. Hier wordt, onverminderd de civiele actie, niet zoozeer de onbescheidenheid als de wederrechtelijke terughouding van stukken behoorende tot gouvernementsarchieven, door eene strafbepaling getroffen. Samenloop, als bedoeld in art. 70, van de overtredingen sub 1quot;. en \'2 \\ is natuurlijk mogelijk, indien de teruggehouden bescheiden waarvan afschrift gemaakt of uittreksel genomen wordt, geheim zijn.

Dat hier onder de rubriek ambtsovertreding wordt behandeld eene overtreding waaraan alleen een gewezen ambtenaar schuldig kan zijn, vindt zijne verklaring eensdeels in het blijkbaar verband tus-schen de artikelen 491 en 492, anderdeels daarin dat, al is de dader bij het plegen van de overtreding geen ambtenaar meer, zij toch haar oorzaak heeft in zijne vroegere ambtelijke betrekking.

Art. 494. Vg. art. 879, 1ste lid n0. 3 met de toelichting. Art. 70, 2de lid van het Wetboek van 1866 verklaarde de in het eerste lid gestelde straffen toepasselijk op „iederquot;, die, na personen in hechtenis gesteld door het politiek gezag, in het geval van art. 86 R. R. in bewaring te hebben genomen, verzuimt daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den officier van justitie bij de Europeesche rechtbank, binnen wier rechtsgebied de inhechtenisneming is geschied. Volgens de toelichting was deze bepaling ontleend aan art. 422 van het Nederlandsche wetboek van strafvordering, waarvan het tweede lid in het tegenwoordige art. 886 is vervallen, en dat overigens in Nederland, na de intrekking van art. 1-52 der Grondwet van 1848 bij de grondwetsherziening van 1887, alle toepasselijkheid mist. Het Nederlandsche artikel schijnt echter, ook blijkens het verband tus-schen het eerste en het (nu vervallen) tweede lid in den oorspron-kelijken tekst, niet in zoo ruimen zin te moeten worden opgevat dat het toepasselijk zoude zijn op „iederquot; die den krachtens bevel van het politiek gezag aangehoudene in bewaring heeft genomen, maar veeleer te zijn beperkt tot den cipier „in wiens bewaringquot; hij is overgeleverd. Art. 494 Ontw. heeft dan ook alleen betrekking tot de hoofden der daarin aangewezen gestichten. Opzet wordt tot de hier als ambtsovertreding strafbaar gestelde nalatigheid niet gevorderd in tegenstelling van het in art. 879, 1ste lid nquot;. 8 omschreven misdrijf dat alleen eene poenale sanctie verbindt aan art. 86 R. R.

Art. 496. Dit artikel is ontleend aan art. 466 Ned. Wb., in verband met het vierde lid van art. 27 Ned. B. W. gelijk dit thans luidt ingevolge art. 4 der wet van 81 December 1887 {Ned. Stb. n0. 265.)

TITEL IX.

Scheepvaartovertredingen.

(Artt. 499—504).

Evenals zulks geschiedde bij de toelichting van B. II, T. XXX worde ook hier de aandacht gevestigd: 1lt;gt;. op de artt. 8 en 8,

-ocr page 194-

174

gewagende van strafbare feiten bniten Nederlandseh-Indie gepleegd, hetzij aan boord van een Nederlandsch-lndisch vaartuig, hetzij — voor zooveel scheepvaartmisdrijven en scheepvaartovertredingen betreft — door den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch-lndisch vaartuig, aan of buiten boord; 2°. op de uitvoerige toelichting van de artt. 94 en 95.

Verder worde hier verwezen naar de uitvoerige beschouwingen in de toelichting van B. II, T. XXX, gewijd aan de invoeging in vele artikelen van dien titel van de uitdrukking „Nederlandsche schepenquot; of „Nederlandsche vaartuigenquot; naast „Nederlandsch-Indischequot;. De vraag is overwogen, of nu niet diezelfde beschouwingen tot eene gelijksoortige invoeging moesten leiden in B. Ill, T. IX. De conclusie is geweest dat dit wel moest geschieden in art. 504, overeenstemmend met art. 474 Ned. Wb., vermits hier de strafwet niet slechts de strafrechtelijke sanctie vaststelt, maar ook het gebodsvoorschrift, en vermits hier hetzelfde moet gelden wat bij weigering van bulpver-leening ingeval van aanvaring of aandrijving geregeld is in art. 427 Ontw. Waar het echter overtredingen geldt van reglementaire voorschriften waarvoor de strafwet alleen de poenale sanctie inhoudt, moest de oplossing eene andere wezen.

Er kunnen reglementaire voorschriften zijn die als politievoor-schriften voor de algemeene veiligheid voor het watergebied van Nederlandsch-Indië gelden of althans geldend kunnen worden gemaakt voor alle schippers en schepelingen, onafhankelijk van de nationaliteit van het schip. Daarop doelt art. 508, overeenstemmend met art. 478 Ned. Wb.

Maar zeer vele andere reglementaire voorschriften voor de scheepvaart dragen alleen oen karakter van inwendige regeling, organiek voor het bedrijf of administratief in verband met het bedrijf.

Zoo bv. het verbod van te vertrekken alvorens de monsterrol is opgemaakt (art. 499 Ontw., 469 Ned. Wb.), het gebod om scheepspapieren aan boord te hebben (art. 500 Ontw., 470 Ned. Wb.), de voorschriften betrekkelijk dag- en strafregister (art. 501 Ontw., 471 Ned. Wb.) en die betrekkelijk de inschrijving en kennisgeving van geboorten en sterfgevallen (art. 502 Ontw., 472 Ned. Wb).

Voor schipper en schepelingen van vreemde schepen gelden deze niet en kunnen zij niet gelden. Maar ook voor Nederlandsche en Nederlandsch-Indische schepen gelden niet dezelfde voorschriften, al hebben die -welke voor de eene groep vastgesteld zijn, meestal denzelfden inhoud als die welke voor de andere zijn geschreven. Nu scheen er geen voldoende grond te bestaan om de overtreding van dergelijke voorschriften door de bemanning van Nederlandsche schepen, hoezeer in Ned.-Indische wateren gepleegd, strafbaar te stellen naar Ned.-Indisch recht en voor den Ned.-Indischen rechter. Wel geschiedt iets dergelijks in artt. 417, 420 en 424 Ontw. (vg. de toelichting aldaar), maar wat ginds het veel ernstiger karakter der feiten toeliet of zelfs vorderde, behoeft nog niet bij feiten van lichteren aard, eigenlijke reglementaire overtredingen, te gelden.

Om deze redenen wordt in voormelde artt. 499, 500, 501 en 502 uitsluitend van den schipper van een Nederlandsch-lndisch schip of vaartuig gesproken.

Art. 499. Het met dit middel te vergelijken art. 4ö9 Ned. Wb. vervangt art. 398 Ned. Wb. v. Kooph., welke laatstgenoemde bepaling daarom ook bij art 1 der Ned. wet van 26 April 1884 {Slb. n°. 95)

-ocr page 195-

175

is afgeschaft; zoo zal ook voor Nod.-Indië art. 398 Wetb. v. Kooph. door dit artikel moeten vervangen worden. Zie verder de algemeene toelichting van dezen titel.

Art. 500. Het hiermede overeenstemmend art. 470 Ned. Wb. gewaagt van „schipperquot; in het algemeen, niet uitsluitend van „den schipper van een Nederlandsch vaartuigquot;. Waarom dit geschiedde, wordt in de memorie van toelichting niet verklaard. Toch is het duidelijk dat het artikel niet kan beoogen eene strafrechtelijke sanctie te geven aan eene verplichting vvelko den vreemden schipper door zijne nationale wet is opgelegd, terwijl immers de hier bedoelde verplichting voor dien schipper alleen op zijne nationale wet steunen kan.

Vermits nu — blijkens de algemeene toelichting van dezen titel — besloten werd om ook art. 500 Ontw. niet op schippers van Nederland-sche vaartuigen toepasselijk te verklaren, was uitdrukkelijke beperking tot den schipper van een Nederlandsch-Indisch vaartuig hier noodig.

Art. 501. Gelijk het hiermede overeenstemmend artikel 471 Ned Wb. gewaagt van „Nederlandsch vaartuigquot; en van „de wetquot;, moest hier gesproken worden van „Nederlandsch-Indisch vaartuigquot; en van „algemeene verordeningquot;.

Over de beperking tot schipper van een Nederlandsch-Indisch vaartuig, vg. de algemeene toelichting van dezen titel.

De bepalingen waaraan dit artikel de sanctie geeft, zijn artt. P)\')8, 359 Ind. Wb. v. Kooph. en artt. 12—15 fnd. Stb. 1873 nquot;. 119.

2°. „Aan het bevoegd gezagquot;. Dit gezag is nog niet aangewezen. Immers, terwijl tn Nederland de „tuchtwetquot; van 7 Mei 1856 [Ned. Stb. nquot;. 32) in art. 19 aan schippers die geen strafregister aan boord hebben, niettemin de verplichting oplegt om van aan boord gepleegde misdrijven mededeeling aan den kantonrechter te doen, wordt in Ind. Sth. 1873 n \\ 119 eene soortgelijke bepaling gemist. Toch kon art. 501 2° aan art. 471 2° Ned. Wb. ontleend en in het Ontwerp opgenomen worden. Het behelst dan nu eene blanco-strafbepaling welke hare bcteekenis erlangen zal, zoodra in Ned.-Indië een voorschrift als dat van art. 19 der Ned. wet van 7 Mei 1856 mocht vastgesteld worden.

Art. 502. Vg. \'art. 472 Ned. Wb. De hier bedoelde verplichtingen zijn den schipper opgelegd bij artt. 46—52 en 76—82 Regl. op het het houden der registers van den burgerlijken stand, Ind. Slh. 1849 n0.25.

Art. 503. Evenals in het overeenstemmend art. 473 Ned. Wb. wordt hier van schipper of schepeling in het algemeen gesproken, onafhankelijk van de nationaliteit van het vaartuig. Vg. de algemeene toelichting van dezen titel. Wettelijke voorschriften als hierbedoeld, zijn vastgesteld bij Ind. Stb. 1880 n0. 192 en 1886 n0. 18. De sanctie van art. 503 is nu bestemd om die te vervangen welke thans voorkomt in art. 1, eerste lid van Ind. Stb. 1883 nü. 144, terwijl wat verder in de artikelen 1 en 2 dier ordonnantie bepaald is, door het geineene recht, in het bijzonder door artt. 175—178 Ontw., zal vervangen worden.

Art. 504. Hiermede stemt overeen art. 474 Ned. Wb. Vg. voorts art. 427 Ontw.

„Nederlandsch of Nederlandsch-Indischquot;, Vg. de algemeene toelichting van dezen titel waar de bijvoeging in dit artikel van de woorden „Nederlandsch ofquot; uitdrukkelijk verklaard is.

-ocr page 196-

Bijlage der Memorie van Toelichting.

■A. VERGELIJKING van het Ontwerp Boek I en II met het Nederlandsche Wetboek.

ONTWERP.

Merlandscli weffioelc.

Nederlandscli wetboeK,

Ongewilzlgfl,

BewilzieJ,

ONTWERP.

Ongewijzigd.

Gewijzigd.

Boek I. 1

i

_

Boek I. 26

_

__

2

2

27

3

3

28

4

4

29

22

5

5

30

21

6

31

23

7

6

32

8

7

33

24

9

8

34

26

10 | |

9

35

27

1 1

12

10

OD

37

28

13

11

38

29

14

12

39

30

15

40

31

16

41

33

17

13

42

34

18

14

43

35

19

44

36

20

18

45

37

21

46

38

22

47

39

23

19

48

40

24

2.5

49

41

25

20

50

42

-ocr page 197-

177

HederlauJscli Wetöoeï.

NeilerlanJscli Wetboek.

ONTWERP.

ONTWERP.

Ongewllzigd.

Gewijzigd.

Ongewilzigi

Gewijzigd.

Boek 1. fii

43

—■

Boek I. 86

78

52

44

87

79

53

45

88

80

54

46

89

81

55

47

90

82

56

48

91

83

57

49

92

84

58

50

93

85

59

51

94

8G

GO

52

95

61

53

96

87

62

54

97

88

63

55

98

64

56

99

89

65

57

100

90

66

58

101

67

59

102

68

GO

103

91

69

61

Boek TI. 104

92

70

62

105

71

63

106

93

72

64

107

94

73

65

108

-

74

66

109

75

67

110

96

76

68

111

97

77

69

112

98

78

70

113

99

79

71

114

100

80

72

115

101

81

73

116

82

74

117

102

83

75

118

103

84

76

119

104

85

77

120

105

Ontwerp Wetboek Strafrecht N.-I. ^2

(voor de Enropoanrn.)

-ocr page 198-

178

ONTWERP.

Neflerlandscli WetöoeK,

ONTWERP.

Nederlandscï WetboeK,

Ongewijzigd.

Gewijzigd,

Ongewijzigd.

Gewijzigd.

Boek 11, 121

_

106

Boek II. 150

147

_

122

107

157

148

123

108

158

149

124

109

159

150

125

110

160

151

126

161

152

127

111

162

153

128

112

163

154

129

164

155

130

113

165

156

131

114

166

157

132

115

167

158

133

116

168

159

134

117

169

160

135

118

170

161

136

119

171

162

137

120

172

163

138

125

173

164

13!»

126

174

165

140

131

175

166

141

132

176

167

142

133

177

168

143

134

178

169

144

135

179

170

145

136

180

171

146

137

181

172

147

138

182

173

148

139

183

174

149

140

184

175

150

141

185

176

151

142

186

152

143

187

153

144

188

177

154

145

189

178

155

146

190

179

-ocr page 199-

179

ONTWERP.

Merlandscii WetDoek.

ONTWERP.

Merlaidscli Wetboek,

Ongewijzlgil.

Gewijzigd,

flngewijziïd,

Gewijzigd.

Boek II, 191

180

_

Boek II. 226

_

214

192

181

227

215

193

182

228

216

194

183

229

219

195

184

230

220

196

185

231

222

197

186

232

223

198

187

233

224

199

188

234

225

200

189

235

226

201

190

236

227

202

191

237

228

203

192

238

229

204

193

239

230

205

194

240

231

206

195

241

232

207

196

242

233

208

197

243

234

209

198

244

235

210

199

245

236

211

200

246

237

212

201

247

238

213

202

248

239

214

203

249

240

215

204

250

241

216

205

251

242

217

252

243

218

206

253

244, 245

219

—•

207

254

246

220

208

255

247

221

209

256

248

222

210

257

249

223

211

258

250

224

212

259

251

225

213

260

252

-ocr page 200-

180

Nederlandse

li WettoeK.

Merlandsch WeUoeL

ONTWERP.

ONTWERP.

ODgewilzlgd,

Gewijzigd,

Ongewilzlgd.

Gewilzlgd.

Boek 11. 261

253

Boek 11. 296

286

262

254

297

287

263

255

298

288

264

256

299

289

265

257

300

290

266

258

301

291

267

259

302

292

268

260

303

293

269

261

304

294

270

262

305

295

271

263

306

296

272

264

307

297

273

265

308

298

274

266

309

299

275

267

310

300

276

268

311

301

277

312

302

278

269

313

303

279

270

314

304

280

271

315

305

281

272

316

306

282

273

317

307

283

274

318

308

284

275

_

319

309

285

276

_

320

310

286

277

321

311

287

278

322

312

288

323

313

289

279

324

314

290

280

325

315

291

281

326

316

292

282

327

317

293

283

328

318

294

284

329

319

295

285

330

320

-ocr page 201-

181

ONTWERP.

MerlaMscli WettM.

ONTWERP.

Merlanflscli fettoeu.

Ongewijzigil,

(Jewilzigd,

üngewilzigil.

Gewijzigd,

Boek II. 331

_

_

Boek 11. 366

354

332

321

367

357

333

322

368

358

334

323

369

359

335

324

370

360

336

325

371

361

337

326

372

362

338

327

373

363

339

328

374

364

340

329

375

365

341

330

376

342

331

377

366

343

332

378

367

344

333

379

368

345

334

380

369

346

335

381

370

347

336

382

371

348

337

383

372

349

338

384

373

350

339

385

374

351

340

386

375

352

341

387

376

353

342

388

379

354

343

389

380

355

344

390

381

356

345

391

357

346

392

358

347

393

359

348

394

382

360

349

395

383

361

350

396

384

362

351

397

385

363

351 bis

398

386

364

352

399

387

365

353

400

388

-ocr page 202-

182

Msrlandscli wettoek.

SeflerMscli Wetboek,

ONTWERP.

Ongewijzlgfl.

Gewijzigd.

ONTWERP.

Ongewijzlgfl.

Gewijzigd.

Boek 11. 401

389

Boek 11. 419

_

406

402

390

420

407

403

391

421

408

404

392

422

409

405

393

423

410

406

394

424

411

407

394 bis

425

412

408

395

426

413

409

396

427

414

410

397

428

415

411

398

429

416

412

399

430

417

413

400

431

418

414

401

432

r-

419

415

402

433

420

416

403

434

421

417

404

435

422

418

405

436

423

-ocr page 203-

183

J3. VERGELIJKING van het Ontwerp Boek lil met het Nederlandsche Wetboek en het Algemeen Politiestrafreglement voor de Europeanen.

ONTWERP.

Nederlaiulscli wetboek.

Alg. Pol. Regl. voor Europ.

ONTWERP.

Nederlandscti wetboek.

Alg. Pol. Regl. voor Europ.

\'*=5 .3

e-a

\'5 1

os C±J

Ongewijzigd.

G e w ij z i g d.

Ongewijzigd.

top

Ja

B

ÜD

top \'53

£

i

c=gt;

amp; e w ij z i g d.

437

_

424

_

_

461

_

_

_

3 n0. 1—3.

438

425

4 n0. 16, 5 n0. 8.

462

438

439

4 n0. 19.

463

439

440

426

464

440

441

-

427

3 nquot;. 5, 10.

465

441

442

4 n0. 26.

466

442

443

428

467

5 n0. 1.

444

420

3 n0. 6.

468

444

445

4 n0. 3.

469

445

_

446

4 n0. 4.

470

446

447

4 n°. 17.

471

447

448

430

472

448

449

431

4 n0. 8, 5 n0. 5.

473

449

450

432

474

450

451

433

475

451

452

476

452

453

4 n0. 24.

477

4 n0. 12.

454

4 n0. 25.

478

4 n0. 13.

455

435

479

453

456

4 n0. 6.

480

454

457

4 n0. 7.

481

455

458

436

482

456

459

483

157

460

437

484

4 n0. 10.

-ocr page 204-

184.

Ahquot; W

Neilerlanilscli wetboelc.

Alg. Fol: Regl. voor Europ.

Ph\' Ph

Merlandscii WetöoeL

Alg.

Pol. Regl. voor Europ.

W

W

£

H

amp;

O

Es

H

O

teo

\'Cq

ü S)

.*8 \'Ss

as

cb

B

s

toO

(1 e w i] z i g d.

:s

i-

Gewijzigd,

§

c^a

i

êÓ

ö e w ij z i g (1.

o

o

o

o

485

__

_

5 n0. 13, 14.

495

465

_

_

_

486

458

496

466

487

459

—-

497

467

488

460

498

468

-

489

461

499

469

490

462

-

500

470

-

491

-

463

-

501

471

-

492

-

-

502

472

-

493

_

464

-

503

473

-

494

-

-

504

474

-

TOELICHTING.

I. By de samenstelling van bovenstaand vergelijkend overzicht zijn niet als

wijzigingen beschouwd:

1°. wijziging alleen in de maat, niet in de soort der straf;

2°. wijzigingen in sommige artikelen van Boek II, onmiddellijk voortvloeiende uit de van art. 28 Ned. Wh. afwijkende redactie van art. 37 Ontw.;

3°. verwijzing in eenig artikel naar andere artikelen, wanneer die verwijzing in het Ontwerp hetzelfde beoogt als in het Nederlandsche wetboek, en het verschil alleen ligt in het verschil tusschen de volgnummers der artikelen waarnaar verwezen wordt; ook al hebben laatstbedoelde artikelen zelve eenige verandering ondergaan;

II. Wanneer in Boek III een artikel of een deel daarvan aan het Nederlandsche wetboek is ontleend, en in de omschrijving van de overtreding zooals zij dan luidt, mede begrepen zijn overtredingen, welke in artikelen van het Algemeen politiestrafreglement voor de Europeanen vermeld zijn, is naar laatstbedoelde artikelen niet verwezen.

III. Het cijfer van artikelen die in het geheel niet voorkomen in het Nederlandsche wetboek, is vet gedrukt.

-ocr page 205-
-ocr page 206-
-ocr page 207-
-ocr page 208-

Hij de Uitgevers dezes zijn vroecjcr verschenen:

Mr. A A DE PINTO. Wetboek van Strafregt voor Nefl.-Tndiö (Wctboc.k voor de FAiropeauen), gevolgd doov de Memorie van Toelichting. I itgegeven ingevolge magtiging, lt;mi met eene voorrede en aanteekeningen, ter aanvulling van de Memorie van Toelichting. (1866)....... . . / .5.

HANDELINGEN tusschen ücgeering en Staton-(xeneraal over het Nederlandscii Wetboek van Stvufrcicht, (1879—1886), 6 deehm, ing./quot;25.70, geb. - 30.70

ONTWERP der Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, Hoek !. met Memorie van Toelichting. 2 deelen, geb. in geheel linnen banden - 7.

ONTWERP der Staatscommissie tot herziening van

het Wetboek van Koophandel.......- 4.60

W1NCKEL (Mr. C. P. K.). Formulierboek van Ihir-gerlijke liegtsvordering voor Neilcrlaiilt;lseb-luilie. Ing. /\' 16.—, geb............quot; 20--