-ocr page 1-
-ocr page 2-

Kast 190

PI. H N0.13

-ocr page 3-

.

.

I

-■-•\'■.ft

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VAN DEUTEN amp; BLEEKEES GOEDKOOPE BIBLIOTHEEK YOOE ALLE STANDEN

AFDEELING II: GESCHIEDENIS, REIZEN , WERKEN VOOR JONGE LIEDEN, ROMANS EN VERHALEN.

IX.

A. W. GRÜBE,

SCHETSEN en TAFEREELEN

UIT DE

GESCHIEDENIS DEE MIDDELEEUWEN.

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-

si S

a

Pi

r\'i

a

c! lt;\\

a H M

s fe

8

0

1

8 L-L,

-ocr page 9-

SCHETSEN EN TAFEEEELEN

?q

Cl o

uit de

GESCHIEDENIS

DER MIDDELEEUWEN

m

door

\'-•i

-rl

; I

-A.. quot;W. Grit TT BE.

naar den zevenden druk uit het hoogduitsch

P. V A N OS.

met platen.

m p

\' i

0

01

te SNEEK, bij VAN DEUTEN amp; BLEEKER.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

INHOUD.

EERSTE AFDEKLING.

VOLKENBEWEGENDB GODSDIENSTEN.

I. Mohammed en de Kalifen. I. Moliammcds geboorte en eerste levensjaren. — II. Mohammed treedt als profeet op. — III. Zinsverrukking van Mohammed in den hemel. — IV. Vlugt (hedzjra) van Mohammed naar Medina; begin der mohamme-daansche tijdrekening. — V. De Koran. — VI. Verovering van Mekka. — VII. Uitbreiding van Mohammeds godsdienst door de wapenen. -— VIII. Mohammeds dood. — IX. De Islam. — X. De Kalifen. Aboe-bekr. — XI. Omar. — XII. Othman. — XIII. AU. —XIV. Haroen al Rasjid. — XV. Bloei van het Kalifaat, blz. 1—23

II. Christelijke Zendelingen. I. Willebrord, de eerste bisschop van Utrecht. — II. Bonifaeius, de apostel der Duitschers en Friezen. — III. Apostelen van het noorden. De heilige Ans-garius in zijne jeugd. — IV. Ansgarius in het klooster te Cor-

-ocr page 12-

INHOUD.

vey. — V. Ansgarius gaat met Autbertus als zendeling naar Denemarken. — VI. Ansgarius in Zweden. — Vil. Ansgarius aarts-bissehop te Hamburg. Vestiging van het christendom in Denemarken. — VIII. Het christendom in Zweden gevestigd. Dood van Ansgarius. — IX. De heilige Adalbertus. . blz. 23—51

TWEEDE AFDEELING.

VORMING VAN STATEN. FRANKEN, SAKSERS EN NOORMANNEN.

I. chlodwig of Clovis. I. Strijd van Clovis tegen Syagrius, en de gewijde kruik te Soissons. —■ H. Chlodwigs bekeering tot het christendom. — III. Chlodwigs trouweloosheid jegens Siegbert en diens zoon. — IV. Chlodwig overwint de Westgothen. blz. 52—.59

lt; H. Frankische zoden. I. Beschrijving van den optogt van een frankischen groote op zijn bruiloftsdag (omtrent 600 na Chr.).

— II. De behandeling der slaven. — III. De bloedwraak bij de Franken. — IV. Strafwetten en godsoordeelen. — V. Asylregt der kerk. — VI. Kolumbaan........blz. 60—68

III. De Frankische huismeijers in plaats der zwakke koningen. I. Pepijn van Herstal. — H. Karei Martel. —IH. Pepijn de korte. — IV. Pepijnsligehaamskraeht. blz. 68—\'73

VI. Karei de groote (800 na Chiquot;.). I. AVat Karei wilde. — II. De Irmensnl. — III. Overwinning der Saksers op Geilo en Adal-gis. -— IV. Wittekind geslagen. — V. Volksverhaal van den Wit-tekindsburg. — VI. Wittekind wordt christen. — VII. Vrede met de Saksers. — VIII. Karei verovert de Spaansche Mark. — IX. Kareis oorlog met Thassilo, hertog van Beijeren.—X. Karei, romeinsch keizer. — XI. Instellingen van Karei den grooten.

— XH. Kareis persoonlijkheid. — XIII. Kareis dood en begrafenis...............blz. 73—89

V. Lodewijk de vrome en zijne zonen. I. Lodewijks vroomheid. — II. De strijd met de zonen. — IH. De strijd der broeders. — IV. Het verdrag te Verdun.....blz. 90—97

VI.

-ocr page 13-

INHOUD.

quot;v/I. Angelsaksers en Noormannen. I. Alfred de groote.

Zijne jeugd. — II. Rooftogten der Denen. — III. Vijandelijkheid tegen het ehristendom. — IV. Alfred wordt koning. — V. Alfred bouwt eene vloot. — IV Alfred in ellende. —VII. Alfred herovert zijn rijk. — VIII. Scheppingen in vredestijd. — IX.

Other uit Noorwegen. — X Staatshuishouding. — XI. ^Nieuwe inval der Denen. •— XII. Alfreds karakter. — XIII. Edmund Ironside en Knoet (Canut) de groote. — XIV. Willem de veroveraar. Zijne minderjarigheid. Zijne betrekkingen met Harold. — XV. Slag bij Eastings. Taillefer. — XVI. Willem koning van Engeland. — XVII. Willems oorlog met zijn zoon Robert. Zijn strijd met Gregorius VII. — XVIII. Dood!van Willem den veroveraar...............blz. 97—122

DERDE AFDEELING. gt;\'

DUITSCHE KEIZERS EN KONINGEN.

I. Hendrik I en Otto I. I. Hendrik, de hertog der Saksers,

door Koenraad tot koning voorgeslagen. — II. Hendrik, tot koning gekozen, overwint de hertogen van Beijeren en Zvvaben. — III. Hendrik moet aan de Hongaren schatting betalen. — IV. Hendrik de stedenbouwer stichter der ridderschap. — V. Overwinning van Hendrik op de Hongaren bij Merseburg. — VI. Hendriks dood. — VII. Krooning van Otto I te Aken. — Zijne krachtige maatregelen in Boheme en Beijeren. — VHI. Bekeering der Slaven. Oorlog in Denemarken. — IX Oorlog in Italië. — X. Nederlaag der Hongaren op het Leehveld. ■— XI. Togt naar Italië; Otto wordt keizer. — XII. Otto\'s dood.....blz. 123—148

II. Keizer Hendrik IV en paus Gregorius VII. I.

Jeugd van Hendrik IV. — II. Opstand der Saksers. — III. Paus Gregorius VH. — IV. Hendrik IV tegen Gregorius VII. — V. Hendrik IV te Canossa. — VI. Hendrik tegen Rudolf van Zwa-ben, — VH. Uiteinde van Gregorius. — VHI. Hendriks uiteinde...............blz. 148—166

VII

-ocr page 14-

INHOUD.

VIERDE AFDEELING.

DE HELDEN- EN RIDDERTIJD DER MIDDELEEUWENquot;.

X I. Uit de Siegfrieds- en Rolands- sage. I. Siegfried de sterke. De togt naar Isenlaud. — II. Siegfrieds dood. — III. Dead van Roland den stouten. Verraad van Ganelon. — IV. Rolands laatste daden en uiteinde.— V. Rolands nagedachtenis, biz. 16B—180

II. Schilderingen en tooneelen uit de kruistogten.

I. Peter van Amiëns (1095 na Chr.). — II. De kerkvergadering te Clermont. — III. Eerste benden kruisvaarders. — IV. Godfried van Bouillon. — V. Godfrieds ontmoeting met den beer.

— VI. De kruisvaarders te Antioelüë. De heilige lans. — VII. De kruisvaarders trekken tegen Jeruzalem op. —■ VIII. Mislukte storm; belegering der stad. — IX. Godsdienstige optogt om de muren. — X. Inneming van Jeruzalem. — XI. Gedrag der overwinnaars. — XII. Godfried „beseliermer van het heilige graf.quot;

— XIII. Bernard van Clairvaux. — XIV. Bernard beweegt keizer Koenraad III tot den kruistogt. — XV. De tweede groote kruistogt. —XVI. Filips Augustus en Richard Leeuwenhart. — XVII. Afloop van den derden kruistogt. — XVIII. De kruistogt tegen Constantinopel. — XIX. Kruistogt van graaf Willem I. — XX. Laatste kruistogten. De Heilige Lodewijk. — XXI. De rid-\' derorden............- . blz. 180—217

X III. De Ridderschap. I. Opleiding der ridders. De ridderslag-

— II. Willem II, graaf van Holland, tot ridder geslagen. — Hl. De Toruooijen (Steekspelen). — IV. Schaduwzijde der tor-nooijen en der ridderschap........blz. 217—228

vin.

-ocr page 15-

\\

EERSTE AFDEELING.

VOLKENBEWEGENDE GODSDIENSTEN.

I. MOHAMMED EN DE KALIFEN.

I. MOHAMMEDS GEBOORTE EN EERSTE LEVENSJAREN,

Mohammed werd in het jaar 370 te Mekka geboren. Zijne moeder, eene jodin, heette Am en na, en zijn vader, een Arabier uit den edelen stam Koreisj, Abdallah. Deze stierf vroeg en liet niets na dan vijf kameelen en een ethiopi-schen slaaf. Op zijn zesde levensjaar verloor Mohammed ook zijne moeder, waarna zijn oom Aboe Taleb zich het lot van den wees aantrok.

Aboe Taleb had het opzigt over de K a a b a, het nationale heiligdom der Arabieren. Hierin werd de zwarte steen be- f waard, dien God door den engel Gabriël aan Abraham zond, toen die tempel te Mekka gebouwd werd. Gelijk de christenen naar het heilige graf te Jeruzalem ter bedevaart gingen, zoo deden dit de Arabieren naar dit heiligdom. Zevenmaal gingen de beêvaartsgangers met snelle schreden om de Kaaba heen, zevenmaal kusten zij den steen en zevenmaal wierpen zij stee-nen in het dal Mina. Deze gebruiken hebben zich tot op den tegenwoordigen tijd staande gehouden\'.

Aboe Taleb was een zeer werkzaam en ondernemend koop-

GRüBE, G. D. M. 1

-ocr page 16-

2

man, die groote reizen deed en somtijds ook den kleinen Mohammed medenam. In zijn huis groeide de knaap tot een schoo-nen jongeling op, en men bewonderde zijne majestueuze gestalte, zijn doordringend oog, zijn bevalligen glimlach, de kracht en welluidendheid zijner stem.

Op zijn dertiende jaar kwam Mohammed met zijn oom in Syrië en leerde aldaar een christen monnik, Sergius genaamd, kennen. Veertien jaren oud vergezelde hij Aboe ïaleb op een veldtogt tegen eenige vijandelijke stammen en onderscheidde zich hierbij door groote dapperheid. Op zijn vijf en twintigste jaar kwam hij in het huis der rijke weduwe Chadid-z j a, die eveneens uit den stam Koreisj was. In haar belang deed hij vele handelsreizen, en uit dankbaarheid schonk zij hem hare hand, waardoor hij een rijk koopman werd.

11. MOHAMMED TKEEDT ALS PROFEET OP.

Zijn handelsreizen en het drukke verkeer op de markt en in de Kaaba te Mekka hadden hem met joden en christenen in kennis gebragt, zijn oordeel gescherpt en hem vooral ook met de behoeften van zijn vaderland bekend gemaakt. Hij had het verval der godsdienst bij de joden gezien, de geloofsgeschillen bij de christenen leeren kennen en kon zich noch met het jodendom noch met het christendom vereenigen. In zijn vaderland heerschte veel bijgeloof; daarbij was het volk in talrijke elkander vijandig gezinde stammen geplitst, die zeiven zijne beste kracht vernietigden. Arabië had dus ook behoefte aan een redder en verlosser, en wanneer Mohammed in zijne eenzame uren daarover nadacht, dan zeide hem waarschijnlijk eene inwendige stem, dat hij geroepen was, om de Arabieren met nieuwe kracht te bezielen.

In zijn veertigste jaar verscheen hem, zoo verhaald wordt, „de nacht der raadsbesluiten Godsof, gelijk hij dien zelf in den koran noemde, „de gezegende nacht.quot; Terwijl hij namelijk in de spelonk Harra rustte, verscheen hem een engel, die hem aldus aansprak: „Mohammed, gij zijt Gods profeet,

-ocr page 17-

3

en ik ben Gabriël!quot; Hij verhaalde dit aan zijne vrouw; zij geloofde hem en zwoer bij dengenen, in wiens hand hare ziel was, dat Mohammed diens profeet was. Hierop geloofde haar vader, vervolgens AH, de negenjarige zoon van Aboe Taleb, daarna de hooggeëerde A b o e-B e k r, de trouwe getuige en opvolger van den profeet, en zijn slaaf Zeid, wien hij daarom de vrijheid schonk.

Drie jaren werkte hij in stilte en won omtrent veertien personen. In het vierde jaar echter besloot hij , openlijk als profeet op te treden. Eene nieuwe openbaring wekte hem daartoe op. Hij noodigde veertig personen uit zijnen stam tot een gastmaal , en toen zij brood en lamsvleesch gegeten en melk gedronken hadden , sprak hij: „Niemand kan u iets voortreffelij-kers aanbieden dan ik, want ik breng u de goederen van het tegenwoordige en toekomende leven. God wil dat ik u tot hem roepe. Wie van u wil mijn vizier (helper) zijn? Wie van u wil een gedeelte van den last op zich nemen ? Wie van u wil mijn broeder, mijn vriend, mijn plaatsbekleeder zijn ? — Zij schroomden te antwoorden. Slechts de jongste en onaanzienlijkste van hen, Ali, de zoon van Aboe Taleb, sprong op en riep: „Ik, o profeet, ik wil uw plaatsbekleeder zijn.quot; Mohammed omarmde Ali en gebood de overigen hem gehoorzaamheid te betoonen. Doch zij lachten en zeiden spottend tot Aboe Taleb, dat hij nu zijn eigen zoon zou moeten gehoorzamen.

Mohammed sloeg op hunne bespotting geen acht; rusteloos vervolgde hij zijne plannen. Hij predikte onder zijne stamge-nooten en onder de beêvaartgangers te Mekka en riep hen op om de afgodendienst te verzaken en aan zijne zending en leer te gelooven. Maar hij vond weinig gehoor; het getal zijner vijanden vermeerderde, en zelfs zijne vrienden rieden hem, van zijn voornemen af te zien. Doch hij verklaarde met onwrikbare standvastigheid : „Al wilden zij ook de zon in mijne regter en de maan in mijne linker hand leggen — d. i. al wilden zij mij ook de allergrootste voordeden beloven — zou ik nogtans aan mijne roeping getrouw blijven.quot;

1*

-ocr page 18-

4

Den levendigsten tegenstand vond hij bij zijne stamgenooten, de Koreisjiten. Zijne leer scheen hun eene beschimping der vaderlandsche godsdienst, zijne zending ijdele aanmatiging te zijn. Zij noodzaakten daarom de meesten zijner aanhangers (83 mannen en 18 vrouwen), naar het naburig Ethiopië te vlugten, sloten eene verbindtenis tegen hem en hingen de oorkonde daarvan in de Kaaba op. Daardoor zag Mohammed zich genoopt, Mekka te verlaten. Maar zijn oom Aboe Taleb beschermde hem, en Mohammed vond middel om het verbond der Koreisjiten te verbreken. Hij verklaarde zijnen oom, dat God een storm had gezonden, die ieder woord dier oorkonde, den naam „Godquot; uitgenomen, doorboord had. Werkelijk werd de oorkonde doorboord gevonden, en de Koreisjiten, zegt men, beschouwden dit voorval als een wonder en verbraken het verbond.

III. ZINSVEERUKKING VAN MOHAMMED IN DEN HEMEL.

Omstreeks den zelfden tijd, in het jaar 619 , stierf zijn oom Aboe Taleb en zijne gade Chadidzja, die beiden hem beschermd hadden. Thans trok zijn tweede oom. Al Abbas, die Aboe Taleb als opzigter der Kaüba opvolgde, zich zijne zaak aan, maar \'t meest vertrouwde Mohammed op zich zeiven. Daar hij zag, dat hij onder zijne stamgenooten weinig zou uitrigten, wendde hij zich voornamelijk tot de vele vreemdelingen, die om handelszaken of uit hoofde der bedevaarten dikwijls te Mekka kwamen. Door nieuwe openbaringen, die hij voorgaf ontvangen te hebben, wist hij geloof te winnen. Vooral merkwaardig is een vertelling, die met de prachtige schilderingen eener verrukte verbeelding, waarin de Arabieren van ouds af behagen vonden, rijkelijk is toegerust.

Toen Mohammed eens — dus luidt het verhaal — niet ver van Mekka in de open lucht sliep, trad de engel Gabriël in een met parelen en gouddraad doorvlochten kleed tot hem en reinigde zijn hart. Hij nam het namelijk uit Mohammeds ligchaam, drukte er den zwarten druppel of het zaad der erf-

-ocr page 19-

5

zonde uit en vervulde het met wijsheid en genade. Na het op de behoorlijke plaats terug gebragt te hebben, deed hij een wonderbaren graan wen schimmel naderen, Al Borak genaamd, die de snelheid van den bliksem en de gaaf der spraak had. De profeet wilde hem bestijgen, maar het wonderdier steigerde en werd eerst gedwee, toen Mohammed hem de opneming in het paradijs beloofde. Naauwelijks was dit geschied, of het droeg den profeet onder leiding des engels in een omzien naar den berg Sinai, van daar naar Bethlehem en van Bethlehem naar Jeruzalem. Op al deze plaatsen verrigtte de profeet zijn gebed; in den tempel te Jeruzalem gemeenschappelijk met Abraham, Mozes en Jezus. Van hier voerde de engel — Al Borak bleef voor den tempel staan — hem langs een ladder, wier sporten van goud, zilver, paarlen en edelgesteente waren, in alle zeven hemelen na elkander. Ieder dezer hemelen was van den anderen zoo ver verwijderd, dat er naar menschelijke wijze 500 jaren noodig zouden geweest zijn, om van den eenen tot den anderen te geraken; doch Mohammed deed met zijn begeleider deze reis in een oogenblik. De heerlijkheden, die hij hier aanschouwde, laten zich niet afmalen ; het ontbreekt de taal daartoe aan woorden, de fantazie aan beelden. Alles was vol goud en edelgesteente, vol verblindend licht, en in iederen hemel begroetten hem engelen, aartsvaders en profeten van den ouden tijd. Tot aan den zevenden hemel, waar reeds de stem van God werd vernomen, mogt Gabriël komen, maar Mohammed kwam hooger tot in de nabijheid van Gods troon. Dezen troon droeg de engel Asrafel, die zoo groot was als de geheele ruimte van den morgen tot den avond. Hij had een millioen hoofden, ieder hoofd had een millioen monden, iedere mond een millioen tongen, iedere tong sprak een millioen talen, waarmede hij dag en nacht onophoudelijk den lof van God verkondigde. De troon van God, gelijk iedere poort der zeven hemelen, had tot opschrift: „Er is geen God dan God, en Mohammed is zijn profeet!quot;

f» Mohammed duizelde, maar eene stem riep; „Treed toe en

-ocr page 20-

6

nader den heerlijken en almagtigen God!quot; Hij naderde en hield een langdurig mondgesprek met het Opperwezen. Onuitsprekelijke zoetheid en vreugde doordrong zijn binnenste; hij ontving het volkomenste onderrigt van Gods wil en de belofte, dat zijn naam nimmer van den naam van God gescheiden zou worden. Het aantal der gebeden, die ieder Arabier dagelijks moest verrigten, bepaalde God op vijf. Toen het gesprek geëindigd was, keerde Mohammed terug. Gabriël voerde hem langs den vorigen weg weder naar Jeruzalem. Daar beklom Mohammed nogmaals den graauwen schimmel en kwam nog in den zelfden nacht weder te Mekka aan.

Deze stoute en buitensporige verdichting was wel in staat om op de zinnelijkheid van een dweepzuchtig volk indruk te maken; nogtans werd zij in het eerst bespot en eerst later geloofd. Aboe-Bekr, de „trouwe getuige,quot; beval ze aan met de aanmerking, „dat al wat de gezant van God berigtte, waar moest zijn.quot;

IV. VLUGT (HEDZJEA.) VAN MOHAMMED NAAR MEDINA ;

BEGIN DEK MOHAMMEDAANSCHE TIJDREKENING.

Maar nog gewigtiger was het, dat de inwoners van J a t h r e b (Medina), die sinds lang met de Koreisjiten in vijandschap leefden, zich voor Mohammed verklaarden. Plegtig beloofden zij hem door hunne afgezanten, dat zij hem, wanneer hij vervolgd mogt worden, zouden opnemen en tot het uiterste verdedigen. Daarentegen beloofde hij hun, hen nooit te verlaten, en dat het paradijs hun loon zou zijn, indien zij in zijne dienst mogten omkomen. Zoo verkreeg hij trouwe en moedige aanhangers en een toevlugtsoord, in geval zijne vaderstad hem verstiet.

Werkelijk had dit binnen kort plaats. De Koreisjiten, die zijn toenemend aanzien bespeurden, smeedden op nieuw eene zamenspanning tegen hem en besloten, hem van kant te maken. Dit noodzaakte hem tot de vlugt. In den nacht van den 16den julij 622 maakte de profeet zich op. Zijne aanhangers had hij

-ocr page 21-

7

vooruitgezouden; alleen Aboe-Bekr verzelde hem. Met moeite ontkwam Mohammed aan de lagen zijner vervolgers , en zestien dagen na het begin zijner vlugt kwam hij te „Jathrebquot; aan, dat van nu af „Medina al Nabi,quot; stad van den profeet, genoemd werd. Hier hadden de inwoners voor zijn leven gesidderd; dubbel groot was nu het gejuich over zijnen intogt. Nieuwe verzekeringen van trouw en eerbied begroetten hem, en juist de vlugt, die hem geheel scheen te zullen vernietigen, voerde hem tot het schitterendste tijdperk zijns levens. Met regt stelde daarom zijn tweede opvolger, de kalif Omar, vast, dat van deze vlugt (Hedzjra) de Mohammedanen hunne tijdrekening zouden beginnen.

V. DE KOEAN.

Van nu af gaf Mohammed aan zijne leer meer omvang en bepaaldheid. Bij het hoofdbeginsel, dat hij dadelijk in den beginne verkondigd had; „Er is slechts één God, en Mohammed is zijn profeet,quot; kwamen nu naauwkéuriger bepalingen over de overgave aan den goddelijken wil (Islam), over het was-schen, bidden, aalmoezen geven , over het onvermijdelijk noodlot , dat geen mensch kon ontgaan, over belooningen en straffen aan gene zijde van het graf. Eene stelselmatig geregelde-godsdienstleer stelde Mohammed niet op. Bij gelegenheden, wanneer hij een of ander gezigt of eene goddelijke openbaring gehad had, liet hij die op afzonderlijke bladen schrijven en onder den naam van „koranquot; (schrift) bekend maken. Na zijnen dood verzamelde zijn opvolger, de kalif Aboe-Bekr, de afzonderlijke bladen tot een geheel, dat in 114 suren of afdeelingen verdeeld en insgelijks „koranquot; genoemd werd.

Vóór de vlugt had Mohammed zijne leer slechts door onderwijs pogen uit te breiden, en tegen de vervolgingen zijner vijanden geduld overgesteld; maar thans begon hij voor zijne zending het zwaard te trekken. De bezielde prediker werd een geweldig heerscher, en bestrijding der ongeloovigen werd ge-loofspligt. „Een droppel bleeds,quot; riep hij den zijnen toe, „in

-ocr page 22-

de zaak van God vergoten, een nacht, in de wapenen door-gebragt, is meer waard dan twee maanden vasten en bidden. Wie in den strijd sneuvelt, diens zonden zijn vergeven. Ten dage des gerigts zullen zijne wonden blinken als liehtkevers en rieken als muskus. Hem ontvangen de eeuwig schoone tuinen van bet paradijs. Aldaar rust hij op zijden, met goud doorwerkte kussens; stroomen van honig, wijn en melk omgeven hem; heerlijke spijzen zijn tot zijn gebruik bereid. Jonkvrouwen (hoeris) met groote zwarte oogen, schoon als robijnen en paar-len, in bloeijende jeugd, met teeder gevoel, die ook in den echten staat niet ophouden maagden te zijn, voegen zich daar bij hem. Nooit verneemt hij laf gezwets, nooit een verwijt wegens zijne zonden, maar wel zoete stemmen , die hem eeuwig heil toeroepen. Schrikkelijk zijn daarentegen de straffen der hel, welke hun te wachten staan, die niet voor den islam strijden of hem roekeloos verlaten. In een eeuwig vuur zullen zij noch kunnen leven noch sterven. Is hunne huid door het helsche vuur doorgebrand , dan zal eene nieuwe huid hen overdekken. Aan een dertig ellen lange keten geklonken, zullen zij stinkend aas moeten eten en kokend water drinken.quot; — Door zulke leeringen vuurde Mohammed den moed zijner aanhangers aan. Met ongeschokt vertrouwen snelden zij ten strijde, waaruit zij als overwinnaars terug keerden.

VI. VEROVERING VAN MEKKA.

Aanvankelijk zond Mohammed zijne nog kleine benden slechts op strooptogten tegen de karavanen der Koreisjiten uit. Bij het dorp Bedr — waarheen de geloovigen nog ter beevaart trekken — behaalde hij de eerste overwinning op een driemaal sterker aantal zijner vijanden. In het tweede gevecht tegen hen bij den berg Ohod, niet ver van Medina , werd hij gewond en terug geslagen. Doch hij verhief zich boven zijn ongeluk en behield de zijnen in het geloof aan zijne waardigheid als profeet. De Koreisjiten, die eerst in het volgende jaar Medina aanvielen, werden terug gedreven. Deze vernieuwde voorspoed verhoogde

-ocr page 23-

9

zijnen moed en vermeerderde het getal zijner aanhangers. Niet tevreden met alleen de Koreisjiten te bestrijden, tastte hij nu ook andere arabisehe stammen en bovendien de in Arabië wonende joden aan. Overal was hij gelukkig en geducht. Hij bragt zijne tegenstanders ten onder en liet de gevangenen als vijanden van zijn geloof nedersabelen. Zoo geraakte hij allengs tot magt en rijkdom; een groot gedeelte van Arabië koos zijne zijde, en reeds in het jaar 628 noodigde hij den perzisehen koning K o r o ë s , den oost-romeinsehen keizer Heraelius, diens stedehouder in Egypte en den ethiopischen vorst N a-g i a s c h i tot aanneming van zijn geloof uit. De uitslag van dezen stap was verschillend. De perzische koning verscheurde met trotsche verachting den uitnoodigingsbrief, maar zijn bevelhebber in Gelukkig Arabië viel den profeet toe; keizer Heraelius beantwoordde de uitnoodiging met een beleefden brief benevens aanzienlijke geschenken; even zoo de egypti-sehe stadhouder, terwijl Nagiaschi plegtig tot den islam overging-

Intusschen ontbrak den profeet nog veel, zoo lang hij nog geen meester van Mekka en van de Kaaba aldaar was. Eerst door dit bezit scheen zijne zending boven allen twijfel verheven. Maar hoe zou hij daartoe geraken? Eene vrijwillige overgaaf was niet te verwachten, en gevaarlijk scheen het, de stad met geweld te veroveren; de roem der heiligheid rustte op haar. Hij naderde derhalve in het jaar 627 de stad Mekka op vreedzame wijze en bragt een verdrag met de Koreisjiten tot stand, krachtens \'t welk hem veroorloofd werd, in het jaar 628 de Kaaba te bezoeken en aldaar drie dagen te vertoeven. Gedurende dit verblijf stichtte hij het volk door vroomheid en won zelfs eenige der aanzienlijkste Koreisjiten, onder anderen den dapperen C h a 1 e d, die hem bij Ohod geslagen had, en die nu, in dienst van den profeet, het zwaard van God werd genoemd. Hierop rukte hij in het jaar 629, onder voorwendsel dat de Koreisjiten het verdrag gebroken hadden, met een leger van van 10 000 man tegen Mekka op. Maar ook thans be-

-ocr page 24-

10

geerde hij geenszins den naam van veroveraar der heilige stad. Hij zocht daarom Mekka door onderhandelingen te winnen, doch te vergeefs. Eensklaps tastte een hoop Koreisjiten den dapperen Chaled aan, maar deze sloeg hen terug en drong te. gelijk met de vlugtelingen Mekka binnen. De belangrijke stad viel in handen van den profeet.

Thans had Mohammed het schitterendste tijdperk zijns levens bereikt. Zegevierend trok hij, in \'t rood gekleed, met den schepter in de hand en door een schitterend gevolg omringd , Mekka binnen. De stad ontving hem als profeet en meester, en hij behandelde haar niet als vijandelijk overwinnaar, maar als een grootmoedig beschermer. Hij verklaarde Mekka eene onschendbare vrijplaats en schonk aan de Koreisjiten, die tot hiertoe zijne onverzoenlijke vijanden geweest waren, vergiffenis; slechts tien personen, namelijk zes mannen en vier vrouwen , waren van deze vergiffenis uitgesloten. Doch ook van deze liet hij slechts vier, die zich door hunne ondeugden gehaat gemaakt hadden, ter dood brengen. Het opzigtersambt over de Kaaba droeg hij op aan den Koreisjiet Othman, die weinig tijds geleden tot hem was overgegaan. Hij zelf trok onder den herhaalden uitroep: „God is groot!quot; zevenmaal om de Kaaba heen en trad er vervolgens binnen. Met verontwaardiging bespeurde hij hier afgodsbeelden; hij liet ze alle te zamen uitwerpen en aan stukken slaan.

VII. UITBREIDING VAN MOHAMMEDS GODSDIENST DOOK KRACHT VAN WAPENEN.

Naauwelijks was Mekka in zijne handen, of hij zond zijne veldheeren uit, om de naburige stammen te bekeeren. Hij zelf volgde hen vijftig dagen daarna. Zijne togten waren zegepralen. Eerbied en vrees gingen voor hem uit, en zelfs daar, waar zijne scharen terug geslagen werden, wist hij zich door sehranderheid en dapperheid uit de verlegenheid te redden. Ook zijne milddadigheid vermeerderde en versterkte het getal zijner aanhan-

-ocr page 25-

11

gers. Bijna alle stammen der Arabieren erkenden hem deels vrijwillig, deels gedwongen, als opperheer van Arabië.

Ook naar Syrië ondernam de profeet een krijgstogt met een leger van 30 000 man tegen den oost-romeinsehen keizer He-raclius. Onder groote bezwaren en eene schier ondragelijke hitte kwam hij te Taboek, tien dagreizen van Damascus verwijderd , aan. Doch verder waagde hij het niet door te. dringen; het was hem genoeg, den zijnen den weg tot verdere veroveringen gewezen en hen tot rusteloozen strijd tegen de ongeloovigen aangevuurd te hebben. „Strijdt,quot; riep hij hun na zijne terugkomst van dezen veldtogt toe, „strijdt tegen hen, die noch aan God, noch aan den dag des oordeels gelooven. Ook tegen joden en christenen moet gij zoo lang strijden, tot zij zich voegen om schatting te betalen en zich te onderwerpen.quot;

Nog eenmaal ondernam Mohammed eene schitterende bedevaart naar Mekka, die den eerbied voor zijn persoon moest verhoogen en aan alle overige bedevaarten voor \'t vervolg tot voorbeeld dienen. Door geheel Arabië werd deze bedevaart met groote plegtigheid afgekondigd; meer dan 100 000 geloovigen verzelden hem. Voor zijn vertrek van Medina zalfde hij zich; gedurende de reis deed hij ontelbare gebeden, en hij trok Mekka met evenveel plegtigheid binnen als toen hij zich van deze stad meester gemaakt had. De Kaaba begroette hij met diepen eerbied; dikwijls en luide verklaarde hij zijn geloof in God en hield ook vele redevoeringen aan het volk, waarin hij aan de belijders zijner godsdienst de bedevaart naar Mekka tot een heiligen pligt stelde.

*

Vm. MOHAMMEDS DOOD.

Dit was de laatste onderneming van den profeet. Kort na zijn terugkomst te Medina verviel hij in eene ziekte, die aan zijn leven een einde maakte. Den grond daartoe legde, naar men verhaalt, eene vergiftiging, wier werking zich eerst na verscheidene jaren openbaarde.

De hevigste pijnen folterden hem, maar hij verdroeg die

-ocr page 26-

13

met groote standvastigheid. In geruster tusschenpoozen liet hij zich in de moskee brengen en stichtte het verzamelde volk door ootmoed en boete. „Is er iemand onder usprak hij, „dien ik met hardheid gestraft heb, laat mij de zelfde slagen gevoelen ; heb ik iemands goeden naam gekrenkt, doe mijnen naam het zelfde; heb ik van iemand onregtvaardig geld genomen, zoo ben ik bereid het weder te geven.quot; Met deze woorden verliet hij den leerstoel en bad. Na zijn gebed geëindigd te hebben, herhaalde hij de vorige oproeping. Nu riep een onbekende; „Ik heb drie drachmen te vorderen.quot; De profeet betaalde de schuld en dankte zijnen schuldeiseher, dat hij hem liever in deze dan in de toekomende wereld had aangeklaagd. Voorts sprak hij : „God heeft mij de keus tusschen deze en de toekomende wereld gelaten, maar ik heb aan de toekomende de voorkeur gegeven.quot; Met smart hoorden de geloovigen zijne woorden aau. Hierop gaf hij hun nog de volgende voorschriften , die naauwkeurig werden opgevolgd. Zij moesten Arabië van alle afgodendienst vrij houden, nimmer een proseliet (vrijwillig tot den islam bekeerde) gering achten en zich zonder ophouden met bidden bezig houden.quot;

Mohammed liet geene mannelijke nakomelingen na; vier zonen , die Chadidzja, en nog een, die Maria, eene van zijne elf vrouwen, hem geschonken had, waren vroegtijdig gestorven. Over zijne opvolging bepaalde hij niets, en onder zijne drie veldheeren, Aboe-Bekr , Omar en Ali, was de keus moeijelijk. Intusschen gaf hij toch, doordien hij zijn getrouwen Aboe-Bekr menigmaal tot zijn plaatsbekleeder benoemde, niet onduidelijk te kennen, dat hij dezen tot opvolger wenschte te hebben.

Tot op den derden dag voor zijnen dood liet hij zich naar de moskee brengen en sprak aldaar, hoewel met zwakke stem, eenige gebeden uit. In een aanval van koortshitte eischte hij pen en inkt, om den hoofdinhoud zijner openbaringen op te schrijven. Zijne vertrouwden beschouwden dit echter als eene verlaging van den koran, die immers reeds alle leeringen van Mohammed bevatte. Zij waren het oneens, of men hem hetgeen

-ocr page 27-

13

hij eischte zou aanreiken. Daarover misnoegd, gebood hij hun heen te gaan, met de aanmerking, dat het niet paste, in het bijzijn van den profeet te twisten.

Tden zijn doodstrijd begon, riep hij: „Ja, ik kom met de hemelsche medgezellen!quot; Hij lag op een tapijt ; zijn hoofd rustte op de knieën zijner geliefde Ayescha, en zoo ontsliep hij den 17den junij 632, in het 63ste jaar van zijn leven.

Ontsteltenis beving het volk bij het berigt van zijn verscheiden. In \'t eerst wilde men er volstrekt niet aan gelooven. „Bij God,quot; zeide men, „hij is niet dood; hij is, gelijk Mozes en Jezus, in eene heilige verrukking verzonken, en spoedig zal hij tot zijn getrouw volk terug keeren.quot; Zelfs Omar dreigde ieder te dooden, die zou zeggen, dat de profeet niet meer in leven was. Eindelijk gelukte het den verstandigen Aboe-Bekr, aan dezen twist een einde te maken. Hij sprak tot Omar en de gansche vergadering: „Is het Mohammed of de God van Mohammed , dien gij aanbidt ?quot; Zij spraken: „De God van Mohammed!quot;—„Deze God,quot; voer Aboe-Bekr voort, „leeft eeuwig, maar Mohammed zelf was aan den dood onderworpen, gelijk wij, en is nu tot het eeuwige overgegaan, zoo als hij u te voren verkondigd had.quot;

Een nieuwe twist ontstond er over de begraafplaats. Ook dezen twist beslechtte Aboe-Bekr. Naar zijn voorgeven had Mohammed dikwijls te kennen gegeven, dat een profeet begraven moest worden waar hij stierf. Diensvolgens werd er een graf onder den grond der woning van Ayescha gebouwd en het lijk van den profeet door zijne naaste verwanten bijgezet. Nog tegenwoordig wordt dit graf door vrome pelgrims bezocht.

IX. DE ISLAM.

Mohammeds godsdienst, de Islam genaamd, is op aloude volksverhalen en gewoonten der Arabieren en op overleveringen van het joden- en christendom gegrond. Naar haren wezenlijken inhoud is zij zeer eenvoudig, maar veelvuldig zijn de plegtig-heden, die zij voorschrijft. Haar hoofdbeginsel is : „Er is slechts

-ocr page 28-

14

één God, en Mohammed is zijn profeet.quot; De voornaamste pligt, dien zij voorschrijft, is algeheele overgave aan God, die het lot van ieder menseh onherroepelijk bepaald heeft. Hem moet ieder geloovige (moslem) eerbied, gehoorzaamheid en vertrouwen bewijzen. quot;Van dezen voornaamsten pligt zijn als goede werken onafscheidelijk: het wasschen, bidden, vasten, aalmoezen geven en de bedevaart naar Mekka.

Het wasschen van de handen, het aangezigt en het lig-chaam, eene oude gewoonte der Arabieren, waartoe zelfs hun klimaat hen dringt, werd als sleutel tot het gebed aanbevolen. Waar het aan water ontbreekt, gelijk dit in de woestijnen van Arabië meestal het geval is, mag de geloovige zich met zand wasschen. Het gebed moet ieder geloovige dagelijks vijfmaal verrigten, met het aangezigt naar de Kaaba gewend. Deze rig-ting van den biddende wordt Kebla genoemd. Het vasten moet jaarlijks gedurende de maand Eamadan dertig dagen lang in acht genomen worden, als een middel om de ?iel te reinigen en het ligchaam te beheerschen, als oefening der gehoorzaamheid jegens God en den profeet. Gedurende dien tijd moeten de geloovigen zich van den opgang tot den ondergang der zon van eten, drinken, baden en alle genoegens der zinnen onthouden. De grootte der aalmoes, die den toegang tot God opent, is naauwkeurig bepaald; ieder geloovige moet het tiende deel zijner inkomsten daartoe besteden, en beschuldigt zijn geweten hem van bedrog of afpersing, dan moet dit tiende tot het vijfde deel verhoogd worden. De bedevaart naar Mekka moet ieder geloovige ten minste eens in zijn leven ondernemen; is hem dit onmogelijk, dan moet hij op den tienden dag der laatste maand in het jaar, op welken het groote oifer te Mekka geschiedt, te huis vasten en aalmoezen geven. De veelwijverij is geoorloofd, hei, spelen en wijndrin-ken verboden. Ter onderscheiding van joden en christenen is de vrijdag van iedere week tot de openlijké godsdienstoefening en tot onderwijzing in de geloofsleer bestemd. De geloovigen moeten op dezen dag hunne bezigheden nalaten en zich ter

-ocr page 29-

13

godsdienstoefening in de moskee verzamelen. Zij worden bijeen geroepen door het uitroepen der woorden: „God is groot! Ik betuig dat er geen God is dan de eenige! Ik betuig dat Mohammed de gezant van God is!quot; Van de minarets, de spitse torens, klinkt dit geroep in de plaats van het luijen onzer klokken.

De Islam houdt zieh in zijne leeringen ook met het toekomende bezig; hij verkondigt de opstanding en een laatste oordeel , dat meer dan vijftig duizend jaren duren zal. Ieder zal dan ontvangen wat hij in dit leven verdiend heeft. De vromen worden in het paradijs opgenomen, waar zij het gezelschap der hoeris zullen genieten; de goddeloozen moeten de pijnen der hel ondervinden.

\'t Is waar, deze godsdienst schijnt aan de zinnelijkheid dienstbaar te zijn, de vrijheid van den geest te beperken, en het bijgeloof te bevorderen; want zij belooft grof zinnelijke genietingen, verbiedt alle onderzoek over den koran, en leert dat een enkele blik op de Kaaba meer nut doet dan een geheel jaar boete. Doch niet te miskennen is het ook, dat zij veel goeds gewerkt heeft. Zij heeft de oneenige stammen der Arabieren tot eenerlei geloof en gehoorzaamheid vereenigd; zij heeft de heidensche volken, die haar aannamen, van de ruwe afgodendienst tot de aanbidding van eenen God gebragt; zij heeft eerbied, gehoorzaamheid en vertrouwen voor den Schepper, regeerder en regter der wereld verbreid en vele deugden aanbevolen, die het leven versieren en heiligen. Met regt kan zij dus, bij alle gebreken, die haar aankleven, als een voor ruwe volken weldadig verschijnsel worden beschouwd.

X. DE KALIFEN. ABOE-BEKR.

Zij, die na Mohammed over het rijk der Arabieren heersch-ten, voerden den naam van kalifen, d. i. opvolgers, of emirs al mummenin, d. i. vorsten der geloovigen. Geene wetten beperkten hunnen wil; alleen de koran moest hun rigtsnoer, maar zij zeiven de uitleggers van den koran zijn.

-ocr page 30-

16

Zij waren vorsten en priesters te gelijk ; zij trokken niet ten strijde, maar droegen de leiding van den krijg aan hunne veldheeren op. Zij hielden het voor hun belangrijksten heer-scherspligt, in de moskeën hunner residentiën gebeden en toespraken aan het volk te houden, aldaar vloek en zegen uit te spreken en aan hunne veldheeren bevelen te geven. In den beginne leefden zij in achtbare eenvoudigheid te Medina, vervolgens in pracht en weelde te D a m a s k u s, welke stad destijds het aardsche paradijs genaamd werd, en eindelijk in het nieuw gebouwde rijke Bagdad, waar zij kunsten en wetenschappen beoefenden en verbreidden.

Aboe-Bekr, geroemd wegens zijne regtschapenheid, vroomheid en zucht tot geregtigheid, bevestigde eerst de rust in het inwendige van Arabië en begon langs den door Mohammed afgebakenden weg buitenlandsche veroveringen te maken. Hij zond legers uit tegen Perzië en Syrië; zij waren aan beide zijden gelukkig; Damascus werd veroverd (634).

Toen hij zijnen veldheer J e z i d tegen Syrië uitzond, gaf hij hem de volgende regelen, waarnaar hij zich te gedragen had: „Denk er aan, dat gij steeds in Gods tegenwoordigheid zijt. Bejegen uwe soldaten met goedheid, raadpleeg uwe broeders en doe wat regt en billijk is. — Wanneer gij eene overwinning behaald hebt, verschoon dan de grijsaards, de vrouwen en de kinderen. Houw geen palmboom om en steek geen korenvelden aan. Bederf geene vruchtboomen en dood niet meer vee, dan tot gebruik van het leger toereikend is. Laat uw gegeven woord heilig zijn. quot;Verschoon godsdienstige personen, die gij op heilige plaatsen vindt; ontzie deze laatste eveneens. Gij zult echter ook lieden ontmoeten, die tot de school des satans behooren en eene kaal geschorene kruin hebbenquot; — hij meende hiermede waarschijnlijk de grieksche monniken, die te dien tijde begonnen hun hoofd te scheren en ver van de kloosters rond te trekken —„dezen moet gij den hoofdschedel klieven en hen nederhouwen, tot zij den Islam aannemen en schatting betalen.quot;

-ocr page 31-

17

XI. OMAK.

Na den dood van Aboe-Bekr werd hij door den tweeden schoonvader van den profeet, Omar, opgevolgd. Onder hem maakten de Arabieren, vol geestdrift en godsdienstige dwee-perij, de verbazendste veroveringen. Zij bedwongen een groot deel van Perzië en Armenië, verder Palestina met Jeruzalem, de steden van Phoenicië, inzonderheid Tripolis en Tyrus, waardoor zij eene aanzienlijke zeemagt bekwamen, terwijl zij met de inneming van Antiochië de verovering van geheel Syrië voltooiden.

De patriarch van Jeruzalem wilde zijne stad niet aan de Arabieren overgeven, dan onder voorwaarde dat de kalif zelf het verdrag kwam bekrachtigen. Ali\'s raad en zijn eigen wensch om in de stad, waar Mohammed ten hemel was gevaren, zijne godsdienst te verrigten, noopten den kalif, dit verlangen in te willigen. Eene groote schaar van geloovigen uit Medina trok met hem naar Palestina ; het was een statige optogt, doch Omar nam steeds de grootste eenvoudigheid in acht. Bekleed met een eenvoudig gewaad van kemelshaar, reed hij op zijn rooden kameel en droeg niets bij zich dan twee lederen buidels, den eenen met dadels, den anderen met rijst gevuld, een houten schotel en een lederen zak met water. Waar hij ophield, liet hij het geheele gezelschap der reizigers spijzigen en heiligde den maaltijd door gebeden en vermaningen. In de legerplaats van Jeruzalem, waar hij in eene gemeene tent op de aarde zat, verzekerde hij aan de beangstigde bewoners veiligheid van leven en eigendom, en Jeruzalem had reden om zijne opregtheid en zijne minzaamheid te roemen!

Toen Amroe, Omars veldheer, de egyptische hoofdstad Alexandrië veroverd had, vond hij aldaar ook eene uitstekend rijke bibliotheek, die groote schatten van de wetenschappelijke werken der oudheid bevatte. Hij begreep, den kalif eerst te moeten vragen wat hij met die boeken moest beginnen, en ontving van Omar het volgende bescheid: „Hetgeen in de

GEUBE , G. D. M. ?

-ocr page 32-

18

boeken, waarvan gij melding maakt, geschreven staat, is of reeds in het boek van God (den koran) bevat, en dan zijn die boeken overtollig, of het is er mede in strijd, en dan zijn zij schadelijk. Beveel derhalve dat zij vernietigd worden.quot; Deze beruchte drogrede werd met blinde gehoorzaamheid opgevolgd. Amroe liet de boeken der alexandrijnsche bibliotheek onder de warme baden der stad, waarvan er destijds in Alexandrië 4000 waren, verdeelen, en zes maanden lang werden met de kostbare nalatenschap der oudheid de ovens gestookt.

Omar werd om zijne vroomheid door zijne onderdanen als een vader bemind ; nogtans werd hij , terwijl hij in de moskee te Medina bad, door een slaaf, wien hij een bede geweigerd had, doodelijk gewond. Drie dagen daarna stierf hij , 63 jaren oud , in het elfde jaar zijner regering.

XII. O T HM AN.

Op hem volgde door verkiezing Othman, een schoonzoon van Mohammed, even gelukkig als zijne voorgangers, maar niet zoo onberispelijk. De groote veroveringen, d;\'e onder Omar gemaakt waren, werden onder hem nog voortgezet. In Egypte handhaafde Amroe, in Syrië Mohawijah de heerschappij, van waar ook nog de eilanden Cyprus en Ehodus veroverd werden. Aan het Perzische rijk werd een einde gemaakt. Othman zelf kwam echter nooit buiten Arabië en maakte zich door gierigheid en partijdigheid gehaat. Er ontstond eene zamenzwering tegen hem, en hij werd, 83 jaren oud, in het oproer gedood.

XIII. ALI.

Thans eerst, nu er geen nabestaande verwant van Mohammed over was, benoemde men den vromen A1 i tot kalif. Doch met zijne regering begonnen de binnenlandsche onlusten, die van dien tijd af, nu meer, dan minder, aan den wortel van den Arabischen staat knaagden. Ayescha, de .,moeder der ge-loovigen,quot; Ali\'s onverzoenlijke vijandin, had zijne benoeming tot kalif niet kunnen verhinderen, en trachtte nudes te ijve-

-ocr page 33-

19

riger hem ten val te brengen. Werkelijk bragt zij het geheele rijk in opstand, ondersteunde Moawijah, stadhouder van Syrië, die zich door zijne troepen tot kalif liet uitroepen, en trok zelve tegen Ali te velde. Doch hier was de man haar te sterk. Zij werd geslagen en gevangen genomen, maar als moeder der ge-loovigen door den vromen Ali met verschooning behandeld. Daarentegen verhief zich Morawijah in bondgenootschap met Amroe, den stadhouder van Egypte; de profetensteden Mekka en Medina vielen in zijne handen, en alleen Koefa bleef Ali getrouw. Doch hij kon zijnen vijanden niet ontkomen. Hij werd door de zelfde partij, die Othman vermoord had, in het vijfde jaar zijner regering (660) te Koefa doorstoken. In hem stierf een edel man, wiens verheven geest nog in zijne zedespreuken tot ons spreekt 1).

Deze onderdrukking van het huis Ali verwekte groote scheuringen onder de Mohammedanen. Velen hunner geloofden , dat slechts aan Ali de heerschappij wettig had toebehoord, en dat Aboe-Bekr, Omar en Othman, alsmede al hunne opvolgers, onregtmatige regenten geweest waren. Zij vereerden daarom den vromen Ali als een martelaar en heilige. Deze aanhangers van

-ocr page 34-

20

het huis Ali, die zich inzonderheid in Perzië uitbreidden, kregen den naam van Sjiïten, of scheurmakers. Tegenover hen stonden de S u n n i t e n , die aan de Sunna of traditie (overlevering) een gelijk gezag als aan den koran toekenden, eu die Ali\'s gedachtenis in hunne moskeën vervloekten. De tijd heeft deze partijen en hun wederzijdschen haat niet onderdrukt. Tegenwoordig nog voeden de Perzen als Sjiïten een onverzoenlij-ken haat tegen de Turken en tegen allen, die de drie eerste kalifen voor regtmatig houden.

XIV. HAROEN AL RASJID.

Van de kalifen, die te Bagdad hunne residentie hadden, is Haroen al Easjid de beroemdste geworden; hij is de held der arabische volksverhalen, en zijne regering wordt als het gouden tijdperk van het Arabische rijk geprezen. Hij trok met zijne troepen door Klein-Azië en dwong den griekschen keizer, schatting te betalen. Om de Oost-Eomeinen geheel onder het jukte brengen, vatte hij de stoute gedachte op om zich met Karei den grooten, het hoofd van het westersch Komeinsche keizerrijk, te verbinden. Hij zond aan dezen magtigen heerscher derhalve gezanten, die onder andere geschenken ook een kostbaar uurwerk, het eerste dat men tot hier toe in Europa had, medebragten. Het bondgenootschap kwam wel is waar niet tot stand; veeleer tastte Karei de Arabieren in Spanje aan; maar toch bewijst een zoodanig voorstel de groote staatkunde van den kalif.

Den uitstekendsten roem verwierf Haioen al Easjid door zijne liefde voor kunsten en wetenschappen: ook verlevendigde hij den handel en de scheepvaart der Arabieren, stichtte zoo wel fabrieken als scholen en legde vele prachtige paleizen, tuinen en waterleidingen aan. Het hof van den kalif was eene verzamelplaats van geleerden van velerlei aard; hij zelf nam nog les in de welsprekendheid; want hij had die noo-

-ocr page 35-

21

dig voor de openbare voordragten over den koran, die hij als kalif moest houden. Tot onderwijzer zijner zonen benoemde hij den even zoo geleerden als vrijmoedigen Ma lek. Doch deze had reeds met het onderwijs der jonge Arabieren in de moskee volop werk en zeide, dat hij geen tijd had om in het paleis van den kalif te komen; dat Haroen al Easjid hem zijne zonen slechts in de moskee moest zenden. Vrijmoedig sprak hij: „Het is beter dat de heeren de wetenschap dienen, dan dat de wetenschap de heeren dient.quot; De kalif, wel verre van door dit antwoord beleedigd te zijn, beval zijne zonen , naar de moskee te gaan en daar met de Arabieren van geringen stand het onderwijs van den wijzen Malek te ontvangen.

De goede vermaningen, die de eerste kalif aan zijne tegen Syrië uittrekkende legers gegeven had, om „korenvelden en vruchtboomen te ontzien en niet meer vee te dooden dan tot onderhoud van het leger volstrekt noodig was,quot; werden door de Arabieren niet altijd opgevolgd. Ook in Haroens tijd was dit het geval. Eens kwam eene vrouw van geringen stand bij hem en beklaagde zich, dat de soldaten groote schade aan hare velden hadden toegebragt. De kalif, die de klagten van al zijne onderdanen aanhoorde, trachtte de vrouw tot bedaren te brengen en vroeg haar, of zij zich de plaats in den koran niet herinnerde, waar gezegd wordt: „Wanneer de legers van groote vorsten uittrekken, moeten de onderdanen, door wier velden zij gaan, schade lijden ?quot; —„Ja, heer,quot; antwoordde de bedrukte vrouw, „maar wederom staat er in den koran geschreven, dat de woning der vorsten, die onregtvaardigheden goedkeuren, woest zal worden.quot; Dit treffend antwoord trof den kalif. Terstond beval hij om aan de klagende vrouw alle geleden verlies

te vergoeden.

XV. BLOEI VAX HET KALIFAAT.

Bagdad, door den kalif Al-Manzor gebouwd , werd onder Haroen al Easjid zoo schitterend en prachtig, dat de arabische vertellingen er nog lang van wisten te verhalen. Het had 10 000

-ocr page 36-

22

moskeen en even vele openbare baden, 105 bruggen, 600 kanalen, 400 watermolens, 4000 drankhuizen en even veel broodwinkels , 100 000 tuinen, prachtige paleizen en fonteinen. Het paleis van den kalif had 7 hoven, en 10 000 mamelukken bedienden den heerscher. Op het schitterendst ontwikkelde zich de arabische bouwkunst met hare slanke torens, ronde koepels en prachtige poorten in den zoogenoemden byzantijnsche stijl. Een schoon gebouw was de moskee te Cordova, die 350 voeten diep en 450 voeten breed was en uit 19 schepen bestond, die door 150 bogen en zuilen gescheiden werden. De 19 metalen poorten waren met bladgoud overtrokken, de vloer der kapel van goud en zilver en het geheel door ontelbare prachtige lampen verlicht. Het koninklijk paleis Alhambra in Granada toont nog in zijne bouwvallen den voormaligen luister en rijkdom van zijnen bouwtrant. De binnenpleinen hadden koele springbronnen; balkons openden heerlijke uitzigten op de sneeuwtoppen van het nabijgelegen gebergte; de wanden der zalen waren als bonte tapijten met schoone steenen gemetseld , en slanke zuilen droegen schaduwrijke voorportalen. In de tuinen geurden rozenhagen, en in de toppen der palmen speelde de zoele wind. Een soortgelijke pracht was in Egypte, in Perzië tot aan het dal van den Ganges te vinden, waar Delhi nog vol bouwvallen van arabische gebouwen is.

Ook in de wetenschappen onderscheidden de Arabieren zich. Zij leerden grieksch, vertolkten de werken van grieksche genees-heeren, sterrekundigen en andere geleerden in hunne taal, legden scholen, sterrewachten en laboratoriën tot scheikundige proeven aan, en menig geestelijke uit andere landen van Europa begaf zich naar Spanje, om daar te leeren. De Arabieren hebben de eerste apotheken en hospitalen gehad, maar ook het bijgeloof doen ontstaan, dat men met eene spreuk uit den koran de vallende ziekte kon genezen , of dat men uit den stand der gesternten zijn toekomstig lot kon raden (astrologie). Vele woorden uit hunne taal zijn in de talen van Europa overgegaan, als b. v. algebra, het rekenen zonder cijfers met algemeene

-ocr page 37-

23

(letter-)teekens, alkali, loogzout, want de Arabieren trokken ons loogzout (potasch) uit eene plant, die zij kali noemden ; zenith en nadir (toppunt en voetpunt) en vele andere. Zoo heeft de Islam ook wsder vormend e» leven-wekkend op de ehristelijk-europesehe beschaving terug gewerkt, aan een stroom gelijk, die in den beginne alles dreigde te bedelven, maar vervolgens verliep en een vruchtbaar slib achterliet, waaruit nieuwe oogsten opgroeiden.

II. CHRISTELIJKE ZENDELINGEN.

I. WILLEBEORD , DE EERSTE BISSCHOP VAN UTRECHT.

Terwijl de Gothen, Burgunders en Vandalen reeds in den tijd, toen zij naar dc provinciën van het Eomeinsche rijk verhuisden, tot het christendom bekeerd waren, hingen de bewoners van ons vaderland en Duitschland, zelfs toen zij door Clovis en diens opvolgers met het Frankische rijk vereenigd waren , nog altijd het oude heidendom aan. Wel hadden zich in de zevende eeuw engelsche en frankische monniken, als Colum-banus, Gallus, Kiliaan, Emmeranus en Eupertus naar Duitschland begeven en hadden in verschillende streken het evangelie gepredikt; maar het getal der christenen was slechts gering, en de massa des volks wederstond hardnekkig alle pogingen dezer vrome mannen. Eindelijk gelukte het aan de gloeijende geestdrift en de zelfopofferende liefde van eenige waardige mannen, onder welke vooral Willebrord en Bonifacius verdienen genoemd te worden, de meeste duitsche stammen voor het christendom te winnen en in Nederland en het grootste gedeelte van Duitschland het heidendom voor altijd uit te roeijen.

De eerste evangelieprediker, die, voor zoo veel men weet, in ons vaderland is werkzaam geweest, was Eligius, een frankisch goudsmid, een man, die zich met ijver op de beoefening der heilige schrift toelegde en zich door buitengewone godsvrucht en weldadigheid onderscheidde. Tot bisschop van

-ocr page 38-

34

Noyon verheven, had hij het opzigt over eene landstreek, aan ons vaderland grenzende, ten gevolge waarvan hij in eenige nederlandsche gewesten, bepaaldelijk in Zeeland, als evangeliedienaar optrad en. velen bekeerde. Door de vijandschap echter der vorsten, die destijds over de Friezen regeerden, ging het goede zaad, door hem gestrooid, eerlang weder verloren of maakte althans weinig voortgang. Ook de pogingen van den engelschen bisschop Wilfrid, die, uit zijn land geweken en in Friesland aangekomen, aldaar, onder toelating van den frieschen koning Adgil, vele duizenden tot het christelijk geloof overhaalde, gingen weêr te niet, toen de bisschop naar Home vertrok, en koning Adgil, kort daarna gestorven, door Eadboud, een hevig vijand van het christendom, werd opgevolgd.

Toen in Engeland bekend werd, hoe zeer de christenen in ons land werden verdrukt, begon men daar in de uitbreiding van het christendom in Nederland meer belang te stellen, en door toedoen van een aanzienlijk Engelschman, Egbert gehee-ten, besloot een twaalftal vrome en ijverige mannen om zich ter verkondiging van het evangelie herwaarts te begeven. W i 1-lebrord, die aan\'hun hoofd stond, was een nog jeugdig geestelijke, maar toegerust met al de kracht en den moed, voor zijne gewigtige taak vereischt. Met een gunstigen wind liepen zij den middelsten Rijnmond binnen en voeren de rivier op tot aan de stad Utrecht. Deze stad was omstreeks het jaar 636 door den frankischen koning Dagobert veroverd, die daar een sterk kasteel en een kerkje of kapel had laten stichten, maar bevond zich thans weder in de magt der Friezen. Wille-brord en de zijnen vonden het kerkje vernield, de bekeerde Friezen grootendeels afgevallen en koning Eadboud geheel ongenegen om het oogmerk hunner komst te bevorderen. Zij wendden zich daarop tot Pepijn, die toen onder de Franken de grootste magt bezat, en door wien zij minzaam ontvangen werden. Aan de zendelingen werden vooreerst eenige streken binnen de grenzen des rijks aangewezen, om er het geloof te verkondi-

-ocr page 39-

gen en de overblijfselen der oude afgodendienst uit te roeijen. Toen Pepijn vervolgens in een oorlog tegen Eadboud een groot gedeelte van het land der Friezen overwonnen en aan zich onderworpen had, keerde Willebrord, inmiddels door den paus te Eome tot aartsbisschop der Friezen ingewijd, herwaarts terug. Op Walcheren in Zeeland geland, vond hij er de heidenen bezig met het vereeren van een hunner afgodsbeelden. Hij had den moed, niet slechts om hen daarover te bestraffen en hen over de dwaasheid daarvan te onderhouden, maar zelfs om het in hunne oogen zoo heilige beeld omver te halen. Dit had hem bijna het leven gekost. Een der afgodendienaars viel met het zwaard op hem aan en bragt hem eene wond aan het hoofd toe, Tan welke hij echter spoedig en gelukkig genas. De ge-loofsprediker en zijne medgezellen zetteden thans hun bekee-ringswerk met onverdroten ijver voort en stichtten onderscheidene kerken, onder anderen te Vlaardingen , te Heilo — waar nog een put, zoo men wil, door hen gegraven, en die op het gebed van Willebrord zoet water opleverde, onder den naam van Sint Willebrordsput bekend is — en elders, benevens verscheidene kloosters. De ijver dezer mannen bepaalde zich niet alleen tot Friesland, het eigenlijke doel hunner zending; zij verdeelden onder elkander de meeste Nederlandsche gewesten , en Willebrord predikte zelfs, hoewel met weinig vrucht, het evangelie in Denemarken. Op zijn terugtogt, welke te scheep geschiedde, werd hij door een storm aan een Friesch eiland geworpen , destijds de zetelplaats van Kadboud, en naar eene godheid, die aldaar vereerd werd, Frostland of Fositenland genaamd. De plaats, waar die godheid werd aangebeden, werd voor zoo heilig gehouden, dat het niemand geoorloofd was, het vee, dat in den omtrek graasde, te dooden, eenige der aldaar zijnde voorwerpen te gebruiken, of uit de beek , die in de nabijheid stroomde, water te putten. Ten einde dit bijgeloof uit te roeijen, doopte Willebrord in die bron drie bekeerde heidenen en liet eenige dieren slagten, terwijl hij bovendien de beelden van den afgod liet omverhalen en verbrijzelen. De

-ocr page 40-

26

verbitterde heidenen meenden hem nu te moeten ter dood brengen, ten einde hunnen beleedigden god te verzoenen en zijnen toorn te ontwapenen. Zij raadpleegden daarover nogtans eerst het lot, doch dit besliste, dat niet Willebrord, maar een van zijne medgezellen moest sterven, en deze werd dan ook zonder genade omgebragt. Vervolgens voerden zij Willebrord naar den koning Eadboud, die hem over de vermeende heiligschennis hevig bestrafte, hetwelk door den onverschrokken man op deze wijze werd beantwoord :

„Het is geen god, o koning, maar de duivel, die u jammerlijk misleidt. Er is één God, die hemel en aarde geschapen heeft en al wat daarin is, en die aan ieder die hem vereert het eeuwige leven schenkt. Ik ben zijn dienaar en bezweer u heden om van de dwaze dwalingen van uwe voorvaderen terug te komen en in een almagtigen God te gelooven. Laat u doo-pen en uwe zonden afwasschen, opdat gij, met verv/erping van alle ongeregtigheid en wreedheid, voortaan als een nieuw mensch, matig, regtvaardig en heilig moogt leven, want al-zoo zult gij met God en zijne heiligen het eeuwige leven hebben. Als gij mij echter, die u den weg des heils aanwijst, versmaadt, weet dan zeker, dat gij de eeuwige straffen en de helsche vlammen met den duivel, dien gij gehoorzaamt, verduren zult!quot;

Over deze stoutmoedigheid ten hoogste verwonderd, zeide de koning: „Ik zie dat gij mijne bedreiging niet vreest, en dat uwe woorden aan uwe daden gelijk zijn!quot; Hij liet Willebrord niet slechts ongestraft vertrekken, maar zond hem zelfs met eerbewijzen naar Pepijn terug.

Intusschen ging Eadboud niet slechts voort, de uitbreiding der christelijke leer te verhinderen, maar door gedurige invallen op de grenzen van het Frankische gebied noodzaakte hij ook Pepijn de wapenen op te vatten. In de omstreken van Wijk bij Duurstede werd daarop een hevig gevecht geleverd, waarin de Friezen verslagen werden en Eadboud tot diep in Friesland, ten noorden van het Fliemeer werd terug gejaagd. Utrecht

-ocr page 41-

27

viel nu in handen van Pepijn, en zelfs geheel Friesland ten westen van het Flie werd toen aan de Franken afgestaan, waarvan Wülebrord gebruik maakte om het christendom uit te breiden en te Utrecht een bedehuis en een doopvont te stichten.

Toen na den dood van Pepijn zijn zoon Karei Martel \'het hoog gezag in handen kreeg, ontstond er weder strijd tusschen de Franken en de Friezen, waarbij de laatstgenoemden zoodanig geslagen werden, dat Eadboud het geraden vond, zich te onderwerpen, en vrede sloot met de belofte van voortaan het prediken der christelijke leer in zijne staten te gedoogen. Wille-brord hervatte nu met ijver de verkondiging van het evangelie in Friesland, waarin hij krachtig werd ondersteund door W o 1 f r a n, aartsbisschop van Sens in Champagne, die vele Friezen en onder hen ook Kadbouds zoon bewoog om zich te laten doopen, ja Eadboud zeiven daartoe bijna had overgehaald. Te Hoogwoude, of volgens anderen te Medemblik, was alles tot de doopplegtigheid gereed; reeds zette Radboud zijn eenen voet in de heilige bron, toen hij zich een oogenblik bedacht, en Wolfran, die gereed stond hem te doopen, onder eede afvroeg: „Waar is het zoo aanzienlijk getal friesche koningen en edelen? In het hemel-sche gewest, \'t welk gij mij toezegt, indien ik geloof en gedoopt word, of in de helsche verdoemenis?quot; — „Dwaal niet, o waarde vorst!quot; antwoordde Wolfran. „God is zeker van het getal zijner uitverkorenen! Uwe voorgangers, de vorsten van het Friesche volk, die zonder het sakrament des doops zijn gestorven, liggen zeker onder het oordeel der verdoemenis; maar die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal met Christus de eeuwige vreugde genieten.quot; Radboud, dit hoorende, trok zijn voet uit de gewijde bron terug. „Ik kan het bijzijn mijner voorgangers, de vorsten der Friezen, niet ontberen,quot; zeide hij, „om met een klein getal armen mijn verblijf te houden in het hemelrijk, \'t welk gij mij belooft. Evenmin kan ik zoo geree-lijk aan uwe woorden geloof slaan, maar wil veel liever in die gevoelens blijven, welke ik zoo langen tijd met het geheele Friesche volk bewaard heb.quot; Te vergeefs betreurde de bisschop

-ocr page 42-

28

het besluit des konings en riep uit: „Ach, nu /.ie ik, dat de verleider des menschdoms ook u misleid heeft! Weet dat, tenzij gij boete doet en gelooft, en in den naam der H. Drievuldigheid gedoopt wordt, gij nooit de poorten des hemels, maar tot de straf der eeuwige verdoemenis zult ingaan.quot; Eadboud verwijderde zich en volhardde in het geloof zijner vaderen, doch stierf drie dagen na zijn voorgenomen doop.

Belangrijk was de meerdere vrijheid, welke thans aan de evangelie-predikers in Friesland werd toegestaan. Willebrord, die waarschijnlijk nu eerst zijn bisschoppclijken zetel te Utrecht stichtte, bevorderde thans met ernst en nadruk de prediking des geloofs onder de Friezen. Velen omhelsden de christelijke leer, en velen, die onder Eadboud waren afgevallen, werden in den schoot der kerk terug gebragt, terwijl de ijverige togt-genooten van Willebrord de christelijke godsdienst intusschen door geheel Nederland hadden verspreid.

De onderwerping aan de frankische heerschappij strookte echter zoo weinig met den vrijheidlievenden aard der Friezen , dat zij de eerste gelegenheid die zich aanbood weder aangrepen, om zich van het hatelijk juk der afhankelijkheid te ontslaan. Karei Martel besloot daarom , de ontembare volken in hun eigen land aan te tasten. Onverwacht overvalt hij hen met groote overmagt, en niettegenstaande de grootste dapperheid der Friezen onder hun aanvoerder Poppo, die met het grootste gedeelte der dapperen den heldendood sterft, behalen de Franken eene volkomene overwinning, waarop zij zegevierend het land alom afliepen , de tempels der afgoden verwoestten , de gewijde bosschen verbrandden en de moedige Friezen dwongen, de oppermagt der Franken te erkennen.

Door deze overwinning werd aan de christelijke leer een weg tot het eigenlijke Friesland gebaand, waar zij tot nog toe weinig ingang had gevonden. Willebrord echter mogt er geene vrucht van inoogsten. Hij overleed den zesden november 737 in den ouderdom van ruim tachtig jaren, en werd begraven in de abdij van Epternach bij Trier, die door hem zeiven ge-

-ocr page 43-

39

sticht was. —Willebrord verdient met volle regt door het nageslacht vereerd te worden als een man, die onverschrokken en onwrikbaar tallooze gevaren, rampen en moeijelijkheden trotseerde, om onze voorouders tot de kennis eener betere godsver-eering op te voeren, en door wiens pogingen de morgensche -mering van een helderder dag over het in grove afgoderij gedompelde Nederland is aangebroken.

II. BONIFACIUS, DE APOSTEL DER BDIXSCHERS EN FRIEZEN.

Winfrid, later Bonifacius geheeten, was, even als Willebrord , uit angelsaksisch bloed gesproten en in Engeland geboren. Eeeds op de school, waar hij zich door voortreffelijken aanleg en zeldzame leergierigheid boven alle knapen van zijne jaren onderscheidde, rijpte in hem het besluit om zijn leven aan de uitbreiding van het christendom te wijden. Doch eerst na lange tegenkanting stond zijn vader hem toe om den geestelijken stand te omhelzen. Tot zijne verdere opleiding sleet hij vervolgens verscheidene jaren in een klooster, door de vroomheid en geleerdheid zijner monniken beroemd, en verkreeg eindelijk op zijn dertigste levensjaar de priesterlijke wijding. Terstond begaf hij zich, aan zijn besluit getrouw, naar Duitsch-land op weg. Welke gevaren hij te gemoet ging, wist hij uit de lotgevallen zijner voorgangers, van welke verscheidenen in Duitschland den marteldood gestorven waren, maar vruchteloos waren alle pogingen om hem terug te houden. Eerst begaf hij zich naar Friesland, maar hij overtuigde zich weldra, dat de vijandige gezindheid van dit volk, en vooral van den koning Kadboud, de invoering van het christendom schier onoverkomelijke hinderpalen in den weg legde. Hij keerde dus in \'t volgende jaar naar zijn vaderland terug, waar hij door de broeders zijner orde eenstemmig tot abt werd gekozen. Zijn besluit stond echter vast om het begonnen werk niet na de eerste mislukte poging te laten varen; hij wees de hem aangeboden waardigheid van de hand en begaf zich naar Eome. De paus bevroedde welras de zeldzame hoedanigheden van den ijverigen, god-

-ocr page 44-

30

vnichtigen man, moedigde hem tot de voortzetting van het be-keeringswerk aan en voorzag hem van relikwiën en brieven van aanbeveling aan voorname geestelijken en vorsten.

Thans ging Winfrid naar Thuringen, waar het christendom wel reeds sedert twee eeuwen bekend, maar door de nabuurschap der heidensche Slaven en Zechen zoo zeer misvormd en met heidensche gebruiken vermengd was, dat er naauwelijks een spoor van een christelijk leven te vinden was. Met krachtige woorden vermaande hij de grooten des lands om van de afgoderij tot de ware godsvereering terug te keeren. Doch hij kon hier slechts korten tijd vertoeven, omdat hij de tijding van de onderwerping der Friezen door Karei Martel ontving. Terstond ijlde hij naar Friesland en werkte hier drie jaren lang met zoo goed gevolg, dat Willebrord hem, tot loon voor zijne uitstekende verdiensten, tot zijnen opvolger op den frieschen bisschopszetel wenschte in te wijden; doch Winfrid wees dit van de hand, zich voornamelijk beroepende op zijne pauselijke zending, om Duitschland te bekeeren. Daarop predikte hij de christelijke leer aan de Hessen, stichtte in hun land het eerste duitsche klooster eu reisde nogmaals naar Eome, waar de paus hem de bisschoppelijke waardigheid en den naam van Bonifa-cius schonk en hem brieven van aanbeveling aan vele vorsten en geestelijken, vooral ook aan Karei Martel, medégaf. Van dezen ontving hij een brief aan alle hertogen en graven van het Frankische rijk en begaf zich nogmaals naar Hessen, waar velen der vroeger door hem bekeerden weder tot de afgodendienst waren terug gekeerd. Ten einde door eene krachtige daad het geloof aan de heidensche goden te vernietigen, legde hij zelf de hand aan den alouden eikenboom, die, aan den dondergod gewijd, in de nabijheid van het tegenwoordige Fritzlar stond, en velde den boom met krachtige hand neder, terwijl het heidensche volk met zijne priesters in stomme verbazing een bliksemstraal verwachtte, waarmede de beleedigde god den vermetele zou treffen. Daar deze verwachting niet vervuld werd, zagen velen de onmagt hunner goden in en lieten

-ocr page 45-

31

zich doopen. Op de plaats, waar de eik gestaan had, rigtte Bonifacius een kruis op, en van het hout van den boom bouwde hij eene kapel, aan den heiligen Petrus gewijd.

Nog grootere zwarigheden vond de onvermoeide man in Thuringen, want hier verzette niet alleen het volk zich tegen de verdere uitbreiding van het christendom, maar ook vele onregtzinnige en zedelooze priesters weerstreefden zijne verordeningen, zoodat hij velen van hun ambt moest ontzetten en nieuwe in hunne plaats benoemen. Door getrouwe, vlijtige helpers ondersteund, stichtte hij in alle deelen des lands kerken en kloosters en poogde gelijktijdig met het christelijk geloof ook christelijke gezindheid en zedelijk leven te verbreiden. Zoo vermeerderde met ieder jaar het getal der bekeerden , en steeds grooter werd de invloed der nieuwe leer op de beschaving en de zeden des volks, zelfs op de verbetering van den landbouw en de veeteelt; de nieuw gestichte kloosters werden plaatsen van toevlugt voor de verdrukten en vervolgden, herbergen voor de reizigers, kweekscholen van kunst en wetenschap en hospitalen voor de zieken.

Toen Bonifacius den paus van den uitslag zijner pogingen be-rigt gaf, verleende deze hem de waardigheid van aartsbisschop en verzocht hem nog eenmaal naar Eome te komen. Op de reis derwaarts werd de edele man overal waar hij verscheen met de meeste eer ontvangen, en zelfs uit verwijderde streken stroomden menschen toe, om den kloekmoedigen geloofsheld te zien. Na een langdurig verblijf te Eome, gedurende \'t welk de paus hem met eerbewijzen overlaadde, keerde hij naar Duitschland terug, met het besluit om de kerkenorde van het geheele land gelijkmatig te regelen en aan den roomschen stoel geheel ondergeschikt te maken. Hij verdeelde te dien einde Beijeren in vier bisschoppelijke kerspelen, rigtte in Frankenland en Thuringen drie nieuwe bisdommen en de abdij Fulda, die later door hare kloosterschool zoo beroemd werd, op en riep in het jaar 7 43 de eerste duitsche kerkvergadering bijeen, waarin strenge wetten tegen den aanstootelijken levenswandel

-ocr page 46-

32

der geestelijken gegeven werden, en alle duitsche bisschoppen hunne onderwerping aan den paus schriftelijk verklaarden. Door Pepijn ondersteund, herstelde hij toen ook in het westelijke deel van het Frankische rijk de oude kerkregeling weder en liet het oppergezag van den paus door alle bisschoppen erkennen.

Hoe zeer Bonifacius echter de pausen als opperhoofden der kerk vereerde, hoe ijverig hij ook trachtte hnn gezag te bevestigen en te vermeerderen, ontzag hij zich toch ook niet, hetgeen hij in hunne handelwijze berispelijk vond openlijk in hen te laken. Zoo schreef bij eens aan paus Zacharias: „W au-neer de onwetende Duitschers te Home komen en daar zoo veel kwaads zien , dat ik bun verbied, meenen zij dat het hun dooiden paus geoorloofd is , en doen mij dan verwijtingen, ergeren zich, en al mijne predikatiën en mijn onderwijs zijn te vergeefs.quot; Dikwijls ging de edele man in zijn ijver dan ook al te ver. Vooral beschuldigde hij niet zelden bisschoppen en priesters , die, naar zijn gevoelen, dwalende en kettersche leeringen verbreidden, bij den paus en eischte hunne bestraffing. Zoo klaagde hij een priester uit Ierland aan, die beweerde, dat er ook onder ons op de andere zijde der aarde menschen woonden. De paus antwoordde; „Indien de man bij deze verkeerde leer volhardt, moet hij van zijn priesterlijk sieraad beroofd en uit de kerk gebannen worden.quot;

Nadat Bonifacius dertig jaren lang voor de uitbreiding des Christendoms in Duitschland gewerkt had, werd hij tot aartsbisschop van Ments gekozen en door den paus in deze belangrijke betrekking, waarin hem veertien bisdommen ondergeschikt waren, bevestigd. In deze hoedanigheid zalfde hij Pepijn , den zoon van Karei Martel, tot koning en werkte vervolgens onophoudelijk voor de uitbreiding van waarachtig christelijke beschaving en de vaste grondlegging der christelijke orde. Daarbij vergat hij zijn oorspronkelijke roeping niet, maar bezocht nog in hoogen ouderdom het land, waar hij zijne loopbaan als verkondiger des goddelijken woords begonnen was. Daar moest de

-ocr page 47-

33

onvermoeide geloofsheld zijn schoon leven ook met den verhe-ven marteldood eindigen. Het vervolgen der christenen , onder den tweeden Eadboud, had den heiligen ijver van Bonifacius ontvlamd. Ondanks zijne hoog geklommen jaren, ondanks de gevaren die hem toefden, besloot hij de Friezen te bezoeken, «1

de geloovigen te versterken of te bemoedigen, en de ongeloo-vigen te leeren en te bekeeren. Den laatsten tijd zijns levens had hij reeds geheel aan Nederland gewijd. Drie jaren voor zijn jongsten togt naar Friesland had hij zijn verblijf te Attin-gohem, misschien het tegenwoordige Achttienhoven aan de Vecht, gehouden, en op meer dan eene plaats ten zuiden en westen van het meer Almari, waarschijnlijk de Zuiderzee, met vrucht gepredikt. Eindelijk stak hij met ruim vijftig togtgenoo-ten naar het tegenwoordig of eigenlijk Friesland over, welk gedeelte van het oude Friesche Eijk door Eadboud beheerscht werd en zich vermoedelijk van den noorder Eijnmond tot aan de Lauwers uitstrekte. Aanvankelijk predikten hij en zijne medehelpers met het gunstigste gevolg; duizenden ontvingen den doop, en vele kerken werden gesticht. Bij Dokkum had Bonifacius zijne tenten opgeslagen en tegen Sacramentsdag de nieuw-lings gedoopten bescheiden, om het vormsel te ontvangen, toen op den vroegen morgen van dien dag, den vijfden van zomermaand , eene groote menigte ongeloovige Friezen opdaagde. De gewapende bedienden, waarschijnlijk door Pepijn medegegeven,

maakten zich ter verdediging gereed, en een vreeselijk bloedbad ware onvermijdelijk geweest, indien niet de geloofsprediker de zijnen tot lijdzaamheid vermaand en bevolen had, de wapenen niet te gebruiken. „Na de ellende van dit leven,quot; zoo sprak hij , „is de dood een welkome gast en een begin der eeuwige vreugde.quot; Noch \'s grijsaards bevende stem, noch zijne treffende woorden ontwapenen de woestelingen. Woedend vallen zij op hem aan , en hij sterft met drie en vijftig der zijnen den marteldood voor het christelijk geloof. De roofzuchtige moordenaars stormen nu in de tenten, plunderen de schepen en ver-strooijen de boeken, van welke er nog drie in de abdij van GRUBE, G. D. M. 3

H

W

f 1 I ?

:tj

-ocr page 48-

34

Fulda, door Bonifacius gesticht, moeten bewaard worden. Ge-gtrengelijk werd de dood van den geloofsprediker gewroken. De moordenaars, welke aan de hand der christenen uit dien oord ontkwamen, werden genoegzaam allen van het leven beroofd door een der frankische bevelhebbers, omtrent de Eems, welke met een deel krijgsvolk de Lauwers was overgegaan, om de gepleegde wandaad te straffen. Intussehen werd het lijk van Bonifacius naar Utrecht vervoerd en aldaar bijgezet, vervolgens uit het graf geligt, naar Ments overgebragt en eindelijk, overeenkomstig \'s mans uitdrukkelijke begeerte, in de abdij van Fulda begraven. De engelsehe geestelijken wijdden op eene al-gemeene kerkvergadering een dag aan zijne nagedachtenis\', welke nog in de roomsche kerk herdacht wordt, en de christen-Friezen rigtten, op de plek waar hij viel, een klooster op, het eerste in Friesland ten oosten van het Flie. Ook betoonden zij hunnen eerbied voor den grooten leeraar door vele en rijke giften, aan de abdij van Fulda geschonken. Dokkum bleei; tot aan de tijden der hervorming een bedevaartsoord, waar duizenden menschen jaarlijks henen togen, om de overblijfselen van den martelaar, hier bewaard, te bezoeken.

III. APOSTELEN VAX HET NOORDEN. DE HEILIGE ANSGAKIUS IN ZIJNE JEUGD.

De zaligmakende leer van het evangelie moest, naar den wil haars- goddelijken stichters, alleen langs den vreedzamen weg der overtuiging en door de verborgene werking van den heiligen geest onder de menschen worden uitgebreid. Maar ten allen tijde is de reine glans der hemelsche boodschap op velerlei wijze verduisterd geworden door de donkere schaduwen van menschelijken harlstogt en dwaasheid. Zoo had ook Karei de groote, in valschen ijver voor het rijk van God, getracht, aan het christendom met geweld van wapenen den weg te banen. Het kruis der priesters en het zwaard der krijgslieden hadden gemeenschappelijk het Sa ksische land en volk veroverd. Gods genade liet echter ook uit de dwaling des konings het goede voort-

-ocr page 49-

35

komen. De bekeering der Saksers vernietigde den laatsten steun van het dnitsche heidendom en opende tevens voor het evangelie den weg naar de verre landen van het noorden. Voortaan scheidde zich ook de uitbreiding van het goddelijke woord meer en meer van het bloedige werk der wereldlijke magt, en het ontbrak niet aan mannen, met heilige geestdrift vervuld, die met waarlijk apostolischen heldenmoed en menschenlie fde aan de noordsche volken de blijde boodschap verkondigden en daarom met regt de apostelen van het noorden genoemd worden. De nitstekendste onder hen zijn Ansgarius, A.dalbertus en Otto van Bamberg.

Ansgarius was in het jaar 801 in de nabijheid van de fran-sche stad Amiëns geboren en behoorde, even als Winfrid, tot een voornaam adellijk geslacht. Vroeg reeds legde zijne moe. der de teedere kiemen der vroomheid en van het vurig geloof in het weeke hart van den knaap en besliste aldus de geheele rigting van een later leven. Doch reeds in zijn vijfde levensjaar verloor Ansgarius de liefhebbende verzorgster zijner jeugd door den dood. Dit verlies was voor hem zoo veel te onherstelbaarder , daar zijn vader hem niet de zelfde zorg en oplettendheid kon wijden. Zoo sleet hij zijnen tijd meestal in den vrolijken kring zijner makkers, en onder de uitgelatene spelen der jeugd scheen de vroegere ernst meer en meer uit zijn gemoed te verdwijnen. Maar in stille uren dook in de ziel van den knaap het vriendelijk beeld zijner moeder als een beschermende engel weder op. Het was hem alsof zij hem met bekommerd gelaat voor het betreden pad der ligtzinnigheid en onbezonnenheid waarschuwde. Zulke oogenblikken grepen diep in zijn gemoed. Hij werd sti.ler, ernstiger, peinzender. De vrome indrukken, die hij van zijne moeder had ontvangen, keerden weder terug. Zijne levendige verbeelding hield zich dag en nacht met het | goddelijke bezig. Eens had hij een wonderbaar droombeeld. Hij zag zich verzonken in een akelig moeras; langs den rand van het moeras echter liep een bekoorlijke weg, en daarop stond zijne moeder en Maria, de moeder des Heeren, met verscheidene

3*

-ocr page 50-

36

andere vrouwen, allen in \'t wit gekleed en liefelijk om aan te zien. Dadelijk wilde hij naar zijne moeder toeiilen, maar hij kon zich uit het moeras niet losmaken. Toen riep Maria hem toe ; „Mijn zoon, zoudt gij wel gaarne bij uwe moeder komen?quot; — „O, voorzeker verlang ik daarnaar!quot; gaf Ansgarius levendig ten antwoord, waarop Maria hernam : „Dan, lieve zoon, moet gij allen kinderlijken moedwil en ligtzinnigheid vlieden en stil en vroom door het leven wandelen; zoo slechts zult gij tot ons komen.quot; En daarmede vervloog de droom , een diepen indruk in de ziel van den knaap achterlatende.

Ansgarius\' vader meende voor de opvoeding en vorming van zijn zoon niet beter te kunnen zorgen dan door hem aan het beroemde klooster te Corbië toe te vertrouwen. Zoo groeide Ansgarius onder de leiding van godvreezende en geleerde monniken op en ging zelf reeds vroeg tot den geestelijken stand over. Weldra was hij het sieraad en de trots van het geheele klooster. Een volhardende vlijt had zijnen geest met ongewone kundigheden verrijkt; reine en ongekunstelde vroomheid blonk uit in zijn geheele voorkomen, en zijn allezins zacht en liefderijk gemoed verwierf hem aller harten.

IV. ANSGARIUS IN HET KLOOSTER TE CORVEY.

In dezen tijd ontwaakte in hem het voorgevoel, dat hij door God tot een apostel der heidenen was uitverkoren. En gelijk er geen schooner getuigenis voor de onwankelbare trouw en standvastigheid des geloofs bedacht kan worden, dan om Christus\' wil den dood te ondergaan, zoo geloofde hij ook niets heerlijkers te kunnen doen, dan zich aan zulk ee-i dood te wijden. Met dweepende innigheid hield hij aan leze gedachte vast. In wonderbare droomen spiegelde zijne ligt ontvlambare fantazie het verlangen zijns harten af. Eens was het hem, alsof hij van de aarde omhoog zweefde en door Petrus en Johannes tot den troon van God werd gevoerd. Daar stond hij in den grooten kring der zaligen. Allen zongen hemelsche liederen tot of van God en zagen vol heilig verlangen naar het oosten. In

-ocr page 51-

37

het oosten zag men een onmetelijk, stralend lichtschijnsel. dat den troon van God omhulde. Toen trad hij, door Johannes en Petrus geleid, naar dat lichtschijnsel, waaruit eene stem tot hem sprak. Zoodra de stem begon te spreken, zwegen de zaligen en vielen in stille aanbidding op de knieën. De stem sprak tot Angarius aldus; „Ga heen, en gij zult met de kroon van het martelaarschap tot mij terug keeren !quot; Daarop daalde hij op de aarde neder. In den beginne was hij treurig, dat hij den hemel moest verlaten, maar vervolgens troostte hij zich met de belofte, dat hij er immers weder naar zou terug keeren. De apostelen gingen zwijgend naast hem voort en zagen op hem neder met een blik vol liefde, gelijk wanneer een moeder haar eenig kind aanziet.

Zulke droomgezigten versterkten Ansgarius meer en meer in zijn besluit, om als prediker van het evangelie tot de heidenen te gaan. Maar tot een zoo moeijelijk werk had hij eerst nog eene langdurige voorbereiding en toerusting noodig; hij was nog te jong en onervaren. Daarom liet God eerst eene andere roeping tot hem geschieden.

In het klooster te Corbië bevonden zich namelijk vele Sak-sers, die door Karei den grooten derwaarts waren gezonden, om in het christelijk geloof onderwezen te worden. Zij waren meerendeels tot den stand der monniken overgegaan. De vrome keizer Lodewijk, zoon en opvolger van Karei den grooten, stond hun toe, naar hun vaderland terug te keeren, en bouwde voor hen een prachtig klooster aan de Wezer. Daar nu dit klooster door de monniken uit Corbië bevolkt werd, werd het Kieuw-Corbië of Corvey genaamd. Corvey werd met eene kloosterschool verbonden en tot een zendingsplaats bestemd , van waar christelijke beschaving zich steeds dieper verder onder het volk der Saksers moest verbreiden. Ansgarius werd tot bestuurder dei-kloosterschool te Corvey benoemd.

In het jaar 822 vertrok Ansgarius als een en twintigjarig jongeling naar de plaats zijner bestemming. Vier jaren vertoefde hij te Corvey onder velerlei moeijelijkheden en beproevingen.

-ocr page 52-

38

De landstreek, thans uiterst bekoorlijk, was destijds arm en woest, en in de harten der naauw bedwongene Saksers was de oude haat tegen de Franken zoo wel als tegen het christendom nog niet geheel uitgedoofd. Hierdoor werd voor Ansgarius het hem opgedragene ambt van prediker dubbel moeijelijk. Maar hij vervulde zijne pligten met zulk een onvermoeide trouw en zelfopoffering , als slechts uit de reinste liefde tot God kan voortkomen. Gods zegen rustte daarom ook op zijn werk, en met toenemende vreugde en deelneming bespeurden de broederen van het klooster de rijpende vruchten van Ansgarius\' volijverig streven.

V. ANSGARIUS GAAT MET AUTBERTUS ALS ZENDELING NAAR DENEMARKEN.

Nu geviel het, dat de deensche vorst Harald met een groot gevolg aan het keizerlijke hof te Ingelheim bij Ments verscheen. Hij was door binnenlandsche onlusten uit zijn vaderland verdreven en zocht bescherming en hulp bij Lodewijk. Ten einde de genegenheid en den bijstand van den vromen heerscher te eerder te verkrijgen, ging hij tot het christelijk geloof over en ontving in de kerk te Ingelheim den heiligen doop. De plegtige handeling werd met groote praal voltrokken. De keizer zelf voerde den vorst Harald, en de keizerin Judith Harolds gemalin naar de doopvont, en wederzijdsehe geschenken moesten de gemeenschappelijke vreugde over het heilige feest te kennen geven. Toen Harald eenigen tijd daarna naar zijn vaderland kon terug keeren, greep Lodewijk met vreugde de gelegenheid aan om iets voor de bekeering der heidenen te kunnen doen. Hij spoorde den deenschen vorst aan om een christen zendeling onder zijn gevolg aan te nemen. Harald stemde hierin toe. Diensvolgens wendde Lodewijk zich tot Wala, den abt van het klooster Corvey, en verzocht dezen, hem een man, tot de bekeering der heidenen geschikt, aan te wijzen. Wala wist geen voortreffelijker persoon te noemen dan den man , die met zulk eene verhevene geestdrift jongen eu ouden wist te onderrigten.

-ocr page 53-

39

Zoo werd Ansgarius tot zendeling voor Denemarken bestemd.

Ansgarius vernam de tijding van zijne verkiezing tot deen-achen zendeling met innige vreugde. Maar tevens zweefden hem ook al de bezwaren en de heiligheid van het groote werk, waartoe hij geroepen was, voor den geest. Niet het gevaar of de dood was het, wat hij vreesde. Veeleer vergeleek hij in zijne nederigheid het grootsehe der taak met de zwakheid zijner kracht en beefde schroomvallig terug voor de gewigtige bediening van apostel der heidenen. Alleen door den bijstand des almag-tigen Gods, dit gevoelde hij tot in het diepst zijner ziel, kon hij het heilige werk volvoeren. Dezen bijstand smeekte hij nu ook in zijne dagelijksche gebeden af. Hij werd stil en in zich zeiven gekeerd en vermeed allen omgang met menschen; een eenzame wijnberg in de nabijheid van het klooster was zijn meest geliefkoosd verblijf. Hier bereidde hij zich in ongestoorde stilte voor tot zijn heilig ambt en onderzocht met nog grooteren ijver dan te voren de heilige schrift, wier zaligmakend woord hij bestemd was den heidenen te verklaren.

Eens kwam bij hem een andere monnik, Autbertus gehee-ten, een man van edele geboorte en tot de voortreffelijkste broederen van het klooster gerekend. Misnoegd zag Ansgarius op. Hij meende dat de broeder hem door afschrikkende schilderingen van den trots en de wildheid der heidensche volken in zijn godvruchtig voornemen aan \'t wankelen wilde brengen, gelijk men reeds menigmaal gedaan had.

„Volhardt gij nog in uw besluit om tot de heidenen van het ruwe\' noorden te gaan ?quot; vroeg Autbertus.

„Wat gaat u dat aan?quot; antwoordde Ansgarius op een zoo gebelgden toon, als men anders in den zachtmoedigen man niet gewoon was.

„Word niet toornig op mij!quot; sprak Autbertus bedaard. „Immers wil ik u daarom niet laken; ik wenschte over uw voornemen slechts zekerheid te hebben.quot;

„Wel nu dan,quot; hernam Ansgarius, „men heeft mij gevraagd, of ik in den naam van God aan de heidenen het evangelie wilde

-ocr page 54-

40

verkondigen, en ik heb niet gewaagd , de roeping van God te ontwijken. Ja, ik verlang er naar, derwaarts te gaan, en \'t zal geen menseh gelukken, mij van dit voornemen af te brengen.quot;

„En ik,quot; hief Aubertus weder aan, „zal nooit toegeven dat gij alleen gaat. Ik vergezel u.quot;

Ausgarius was aangenaam verrast. Door de deelneming van een man als Autbertus moest immers zijn werk gemakkelijker en tevens zegenrijker worden. Wala, de abt van het klooster, schonk aan Aubertus gaarne de vergunning om zijnen vriend te vergezellen. Zoo vingen zij dan, door keizer Lodewijk toegerust met al wat zij tot de reis behoefden, getroost en welgemoed de onderneming aan. Zij gingen met Harald en diens gevolg scheep en voeren nu den Kijn af naar de Noordzee.

Keeds op deze reis werd de zachtmoedigheid en zelfverloochening der beide zendelingen op eene zware proef gesteld; want hunne deensche reisgenooten krenkten en hoonden hen op alle mogelijke wijze. Doch hunne onwankelbare vriendelijkheid en toegefelijkheid, die zij tegen de beleedigingen en den spot hunner reisgenooten overstelden, ontwapenden eindelijk zelfs de woeste harten der Denen, die voortaan de zachtmoedige dienaren van Christus met steeds toenemende achting en liefde bejegenden.

In den herfst van het jaar 836 bereikten de reizigers de Deensche kust. Autbertus en Ansgarius trokken thans het land door en verkondigden aan zijne bewoners de leer der zaligheid. Doch thans kwam hun ook al de moeijelijkheid hunner onderneming met nederdrukkende zekerheid voor oogen. Want de Denen ontvingen de christelijke predikers met stompe cnver-schilligheid of met somberen haat. De gemoederen des volks waren ruw als hun land en opbruisend als de zee aan hunne kusten. Daarom besloten de beide monniken zich tot de kinderen te wenden en in hen een zachter geslacht, dat voor het christendom vatbaarder was, op te kweeken. Te dien einde kochten zij van de ruwe inboorlingen een aantal knapen, eu sticht-

-ocr page 55-

41

ten voor deze een opvoedingshuis te Haddeby in het tegenwoordig land Sleeswijk. Hier werden deze kinderen met alle liefde en wijsheid opgevoed en in het christelijk geloof onderwezen , opdat zij zeiven eens als leeraars van hun volk zouden kunnen optreden. Trouwens werd hel schoone werk door de onverzoenlijke vijandschap der heidensehe Denen veelzins verhinderd. Daarbij verviel Autbertus, door de ontberingen en moeije-lijkheden van een kommervol leven uitgeput, in eene ziekte. In het koude noorden scheen zijne herstelling onmogelijk; hij keerde dus naar Corvey terug, waar een vroege dood hem uit het land der levenden opriep. Ansgarius stond nu alleen in het verre vreemde land, omgeven door een somber wantrouwend volk; geen wonder dat hem in menig uur de moed tot verder volharden ontzonk.

VI. ANSGARIUS IN ZWEDEN.

Drie jaren vertoefde Ansgarius thans in Denemarken, steeds hopende, dat God hem toch nog een uitkomst uit dezen nood zou wijzen. In dien tijd verschenen aan het hof van Lodewijk den vromen zweedsche gezanten, die onder anderen van hem begeerden, dat hij een zendeling naar Zweden zoude zenden. De Zweden hadden het christendom reeds eenigzins leeren kennen. Van tijd tot tijd waren er christen kooplieden in hun land gekomen, en zweedsche mannen hadden op hunne handelsreizen christelijke landen bezocht en aldaar de godsdienstoefening gezien , die wel niet zonder indruk op menig gemoed gebleven zal zijn. Ook moest door Gods leiding zelfs het ruwe geweld van die tijden een brug worden, waarop het christelijk geloof tot het Zweedsche volk overkwam. De bewoners van het Scandinavische schiereiland waren destijds geduchte zeeroovers, die onder den naam van Noormannen of ook van Wikingen op zee schepen wegnamen, onverwacht aan de kusten landden, een eind ver in het land drongen, waar zij zengden en brandden en de bewoners als gevangenen wegvoerden. Onder deze bevonden zich dikwijls ook christenen. De omgang met de heiden-

-ocr page 56-

42

sche inboorlingen bleef niet zonder zegenrijke gevolgen. Zoo was dan in vele harten het verlangen naar eene nadere kennis van het evangelie ontvonkt, van \'t welk men zoo veel heerlijks gehoord had. Daarom hadden de zweedsche gezanten zich ook met die bede tot keizer Lodewijk gewend.

De vrome Lodewijk vervulde gaarne het verlangen der Zweden. En naardien Ansgarius meer dan iemand anders met de taal en de zeden der noordsche volken vertrouwd was, zond de keizer hem de boodschap om naar Zweden over te gaan. Met hooge vreugde zag Ansgarius een nieuw veld voor de christelijke prediking ontsloten. Verscheidene monniken vereenigden zich vol vromen ijver met Ansgarius tot gemeenschappelijke werkzaamheid voor het rijk van God. Aan eenen hunner, Gis-lemar genaamd, droeg Ansgarius de leiding van het opvoedingshuis te Haddeby op; met een anderen, Wittwar, scheepte hij zich naar Zweden in. Op een zeker gedeelte van den weg werden zij door een wikinger schip overvallen en schoon uitgeplunderd. Er ontstond een groot gejammer onder de reizigers, en alleen Ansgarius bleef bedaard, ofschoon hem al zijne boeken, veertig in getal, ontnomen werden. Zonder verder ongeval bereikten de reizigers de zweedsche kust en landden bij Birka aan het Malarmeer, in de nabijheid der zweedsche hoofdstad Sigtuna. Ansgarius begaf zich nu naar het hof van den zweed-schen koning Berno of Björn en stelde hem een brief des keizers, van kostbare geschenken vergezeld, ter hand. De koning ontving den christen zendeling met welwillendheid en vergunde hem, overal ongehinderd te leeren en te doopen. Vooral verheugden zich over Ansgarius de christelijke gevangenen , die als slaven onder de Zweden leefden. De eerste christelijke kerk bouwde Ansgarius op het landgoed van een voornamen zweedschen hofbeambte, Herigar genaamd , die dadelijk in den beginne tot het christelijk geloof was overgegaan. Velen zijner landgenooten volgden zijn voorbeeld. Eas en gezegend scheen het christendom zich in Zweden te zullen ontwikkelen. Ansgarius keerde een jaar na zijne aankomst in Zweden naar

-ocr page 57-

43

Duitschland terug, om met den keizer te overleggen, welke stappen er thans ter verdere uitbreiding en vestiging van het christendom in de noordsche landen gedaan moesten worden.

De keizer besloot in de kort te voren gestichte stad Hamburg een bisdom op te rigten, waarvan Ansgarius tot aartsbisschop werd benoemd. Deze verheffing vervulde den onvermoeiden zendeling met nieuwen ijver. Terwijl hij den frankischen monnik Gautsbert naar Zweden zond, nam hij zelf het oneindig moeijelijker werk van de bekeering der heidenen onder de Denen op zich. Doch. gelijk vroeger verhinderde ook thans de woeste, het christendom vijandige gezindheid van het volk bet welslagen van zijn werk; zelfs de koning Horik was tegen Ansgarius en het christendom vijandig gestemd. De school te Had-deby ging te niet, en Ansgarius zag zich met diepe droefheid tot het onderwijs van enkele knapen en jongelingen beperkt, die hij uit de lijfeigenschap vrijkocht. Doch hij moest nog zwaarder beproevingen ondervinden.

vu. ansgakius aartsbisschop te hamburg, vestiging

van het christendom in denemarken.

Onder de zonen van Lodewijk den vromen brak een oorlog uit, die Duitschland verwoestte en verdeelde; roofgierige scharen Noormannen wisten zich de algemeene verwarring voortreffelijk ten nutte te maken. Zij vielen verwoestend in de bloei-jendste landstreken, en overvielen en verbrandden ook de stad Hamburg. De door Ansgarius gebouwde schoone kerk, het door hem gestichte klooster en de bibliotheek, een geschenk des keizers, werden in die dagen van schrik door de vlammen verteerd. Ansgarius en zijne medgezellen vloden naar het landgoed der vrome Ida, eene voorname holsteinsche adellijke vrouw, waar zij gastvrij werden ontvangen en eene veilige schuilplaats vonden. Met diepe droefheid dacht Ansgarius aan het verwoeste heiligdom te Hamburg, waarmede te gelijk zoo menige blijde hoop voor hem te niet was gegaan. Zijne geheele werkzaamheid scheen immers thans vernietigd en twijfelachtig gemaakt. Maar

-ocr page 58-

44

toch troostte hij nog zijne moedelooze medgezellen en sprak vol christelijke gelatenheid: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!quot; En toen in het uitgeplunderde land de nood al hooger klom, zond hij het grootste gedeelte der hem verzeilende monniken naar hunne duitsche en fransche kloosters terug. Hij zelf bleef echter vol heldhaftige volharding op zijn moeijelijken post.

Door het verdrag te Verdun werd de frankische erfopvolgingsoorlog geëindigd, en Lodewijk, die over Duitschland regeerde, beschermde zijn rijk voor de invallen der Noormannen en zorgde voor rust en veiligheid. Zoo trok hij zich dan ook de zaak van den verdreven Ansgarius aan, door diens bisschop-pelijken zetel van Hamburg naar het veilige Bremen te verleggen. Ansgarius was nu uit allen druk bevrijd. Met des te grooteren ijver wijdde hij zich thans aan de zorg voor de verdere verbreiding van het christendom. Vooral lag hem de bekeering van den deenschen koning Horik ter harte, dewijl alsdan ook het volk het christendom zou aannemen. Daarom zocht hij Ho-rik van aangezigt tot aangezigt te zien en met hem te verkeeren. Ansgarius verscheen verscheidene malen als keizerlijk gezant aan het hof van den deenschen koning. Wonderbaar voelde Horik zich getroffen door de rustige opgeruimdheid, die over het voorkomen van Ansgarius was uitgebreid, door de liefdevolle zachtmoedigheid, die uit de oogen zoo wel als de woorden van den christelijken zendeling hem tegenblonk. Alle haat en argwaan tegen Ansgarius verdween uit de ziel des konings, en liefde en vereering nam de plaats daarvan in. En hoewel Horik niet besluiten kon, het vaderlijk geloof te verzaken , verhinderde hij nu toch de prediking van het evangelie in zijn land niet meer, maar stond hij Ansgarius zelfs toe, in de stad Slees-wijk , die toenmaals Sliaswik genaamd werd, een christelijke kerk te bouwen. Deze plaats had Ansgarius uitgekozen, omdat zij eene aanzienlijke handelsstad was. Vele der aldaar zamen-stroomende kooplieden leerden nu de christelijke leer kennen en verhaalden daarvan in hun vaderland , waardoor het chris-

-ocr page 59-

45

tendom in vele harten ingang vond. Zoo was eindelijk door Aus-garins\' onvermoeide werkzaamlieid het Deensehe land voor het christendom geopend geworden.

Des te ongunstiger waren de berigten, die uit Zweden aankwamen. De zegen, die de pogingen van den zendeling Gauts-hert achtervolgde , verwekte den toorn der heidensche priesters en dergenen, die aan hunne afgoden nog vast verkleefd waren. Op zekeren dag rotteden zij zamen en overvielen de christelijke priesters. Een der laatsten werd gedood; Gautsbert zelf en zijne overige medgezellen werden in boeijen geslagen, vervolgens op een schip geplaatst en over de zee naar de Duitsche kust gevoerd, waar men hen aan land zette. Doch het christendom had reeds te zeer de harten aangegrepen, dan dat het zoo gemakkelijk weder uitgeroeid kon worden. Herigar werd thans het hoofd en de beschermer der zweedsche christenen. Nevens hem onderscheidde zich vooral eene vrome weduwe , Friedberg geheeten, door de standvastigheid en het vurige van haar geloof. Zoo bleven de zweedsche christenen, midden onder den haat en de vervolging hunner heidensche landgenooten, standvastig in het geloof en in broederlijke gemeenschap. Nog-tans treurden zij, dat zij in hun midden geen christelijken priester hadden, die hun het woord des Heeren kon uitleggen en het heilige avondmaal onder hen bedienen.

Eenige jaren waren verloopen. Ansgarius meende dat de haat der heidenen in Zweden tegen de christenen wel eenigzins tot bedaren zou gekomen zijn. Op zijn zoeken vond hij een vromen kluizenaar, Adgar, die naar Zweden overstak en door de christenen met groote vreugde, maar dooi; de heidenen met somber mistrouwen ontvangen werd. Doch hem ontbrak de onwankelbare heldenmoed en sterkte van geloof, die het eerste vereischte van een apostel der heidenen is. Toen Herigar en Friedberg gestorven waren, keerde hij naar Duitschland terug, de zweedsche christenen in groote bedruktheid achter latende. Daarbij trad onder de heidenen een dweepziek man op, die voorgaf een gezant der goden te zijn, als zoodanig de heidenen tegen

p

I iPb: ■ ! i\'ïlS

Sii «

yi li ! fïi

T\': lilIË

lil

II

m

4 ffil

i m

IHi lifll

li ^ i

m éli

i|i

-ocr page 60-

46

de christenen opruide en bij hen het geloof in hunne goden op nieuw Tersterkte.

VUI. HET CHRISTENDOM IN ZWEDEN GEVESTIGD.

DOOD VAN ANSGARIUS.

Op de tijding van deze gebeurtenissen reisde Ansgarius met een medgezel, Erimbert genaamd, naar Zweden. Op zijn verzoek had Horik hem een brief van aanbeveling aan den zweed-schen koning Olof en tot beschermer een hofbeambte medegegeven. Ansgarius en zijn medgezel kwamen gelukkig in Zweden aan, door den deenschen gezant tegen alle beleediging des volks gevrijwaard. Weldra zocht hij met den koning nader bekend te worden en noodigde hem daarom tot een gastmaal uit. Olof verscheen, na reeds bij voorbaat door Horiks brief gunstig voor de zendelingen gestemd te zijn. Hij vatte ook werkelijk spoedig èene groote genegenheid voor Ansgarius op. Maar toen deze hem om verlof tot prediking van het evangelie verzocht, antwoordde Olof hem bedenkelijk, dat hij eerst het volk moest raadplegen, waarom hij de beslissing aan den rijksdag wilde overlaten.

Nu zoncl Ansgarius een vurig gebed ten Hemel op, dat Hij het hart des volks toch tot de zaligheid mogt leiden, en zag toen met blijmoedig vertrouwen den dag der beslissing te ge-moet.

De tijd der volksvergadering kwam aan. De koning verzamelde eerst de edelen, die zich voor de toelating der christelijke prediking verklaarden. Hierop verscheen de koning in de volksvergadering en droeg haar het verzoek van Ansgarius voor. Dit verwekte een geweldigen storm, en vele stemmen vei hieven zich luide tegen het dulden der nieuwe leer. Nu trad een eerwaardig grijsaard op en herinnerde in krachtige taal, dat de god der christenen toch een magtig wezen moest zijn en reeds velen, die in hem geloofd en hem aangeroepen hadden, zeer wonderbaar in alle nooden beschermd en bewaard had. Het eene woord lokte nu het andere uit, en eindelijk verkreeg Ans-

-ocr page 61-

47

garius toch de vergunning tot de ongehinderde uitbreiding van het christendom.

Ansgarius vertoefde nog slechts eenigen tijd tot de volko-mene instelling van een zendelingshuis in Zweden, gaf voorts de verdere leiding daarvan aan Erimbert over en keerde naar zijn bisschoppelijken zetel te Bremen terug.

Te Bremen had Ansgarius nu in rust en gemak kunnen leven. De vruchten zijner jarenlange, onafgebroken pogingen begonnen te rijpen. De aandacht der christelijke volken was door hem op het noorden gevestigd, de tegenstand van het heidendom aldaar gefnuikt, en al verder en verder begon het licht van het evangelie te schijnen. Ansgarius kon zich de getuigenis geven, dat dit zijn werk was; met tevredenheid kon hij op zijn verloopen leven terug zien. Maar nog gunde hij zich geene rust. De zorg voor de noordsche zendelingen was zijn eerste en liefste werk. Om hun in hunnen niet zelden gedruk-ten toestand rijkelijke ondersteuning te kunnen doen geworden , legde hij — hierin tevens de kloosterlijke strengheid van dien tijd volgende — zich zeiven de strengste ontberingen op. Een haren gewaad was zijne kleeding, brood en water zijn da-gelijksch voedsel.

Een hoogst moeitevol en bezwaarlijk leven had de krachten van Ansgarius vroegtijdig uitgeput. Nog had hij geen hoogen ouderdom beteikt, toen de voorboden van een nabijzijnden dood zich vertoonden. Nu schreef hij nog eenmaal aan den koning Lodewijk den Duitscher, en drukte hem in welsprekende bewoordingen de zorg voor de noordsche zending op het hart. Eene pijnlijke ziekte wierp hem kort daarna op zijne legerstede. Met zachtmoedigheid en geduld onderwierp hij zich aan den wil van God en herhaalde menigmaal het woord der Schrift: „Immers hebben wij het goede van God ontvangen, en zouden wij ook het kwade niet aannemen ?quot; Slechts eene zaak smartte hem, dat hij namelijk niet verwaardigd was, als martelaar het rijk van God in te gaan, zoo als dit altijd zijn lievelingswensch was geweest. Toen hij het naderen van zijn sterfuur gevoelde, liet hij

-ocr page 62-

48

alle monniken en priesters van den omtrek roepen en verzocht hen het lied : „Wij loven u, o God!quot; aan te heffen. Daarop ontving hij het heilig avondmaal en overleed. Zijne laatste woorden waren : „Heer, gedenk mijner naar uwe barmhartigheid ! Heer, wees mij zondaar genadig! In uwe handen beveel ik mijnen geest. Gij hebt mij verlost, o trouwe God!quot;

De dood van Ansgarius had plaats den 3den februarij 865.

IX. BE HEILIGE ADALBEETUS.

Pruisen was reeds in de hooge oudheid het tooneel van velerlei volksvertellingen. In dit onbekende fabelland woonden, naar het gevoelen der Grieken, de gelukkige Hyperboreërs , die hun duizendjarig leven in gestadige vrolijkheid en onafgebro-kene gezondheid doorbragten. Door de goden bemind en met hunnen omgang verwaardigd, hadden zij van smart en angst geen vermoeden, leefden steeds in onschuld en aartsvaderlijken vrede en besloten eindelijk als hoogbejaarde grijsaards vrijwillig hun leven, om, bevrijd van de gebreken des ouderdoms, in de naauwste gemeenschap met de goden te leven. Naar Pruisen verplaatste de mythe den geweldigen vloed Eridanos, in welken Phaëton, door den bliksem des donderaars Jupiter getroffen, terug geslingerd werd, toen hij, zich vermetel met zijns vaders ambt belastende, den zonnewagen wilde besturen, en, daartoe te zwak, de aarde te digt genaderd was. In Pruisen stonden de zusters van den necrgeploften jongeling, de Heliaden, die uit droefheid over den dood haars broeders in populieren waren veranderd, en zelfs in deze gedaantewisseling nog smartelijke tranen weenden, welke, tot elektron (barnsteen) verhard, een kostbaar sieraad van rijke mannen en vrouwen waren. Zoo was Pruisen reeds in de oudste tijden een beroemde grond en het schouwtooneel van de bevalligste en zinrijkste mythen der voorwereld. Stoutmoedige zeevaarders waagden het, tot de kusten des lands door te dringen; maar slechts donker waren de berigten, die zij terug bragten; Pruisen, door velerlei volken bewoond, bleef een geheimzinnig land, bijna

-ocr page 63-

49

tot aan de invoering van het christendom. Weleer misschien geheel door de zee bedekt, werd zijn grond waarschijnlijk slechts langzamerhand door de overstroomende wateren aange-geslibd. Overal, zelfs op de hoogten en vaak diep onder de oppervlakte, vindt men versteeningen van schaaldieren en andere voortbrengselen der zee. De oppervlakte van den grond zelve duidt aan, dat hier eens de zee golfde, want het ontbreekt dit land geheel en al aan belangrijke hoogten en dalgronden, terwijl het met eene menigte meren bedekt is, wier getal, meent men, weleer 2000 beliep. Eigenaardig zijn aan dit land de beide haffen (strandgolven) , het Frische en het Kurische haff; zij vormen groote waterbekkens aan de kust, van 10 tot 14 mijlen lengte en 3 tot 7 breedte, en zijn door zandachtige landtongen, nehrungen genaamd , van de Oostzee gescheiden.

Het was in het jaar 995 , dat de heilige Adalbertus, bisschop van Praag, met twee vrienden en dertig gewapenden zich te Krakau inscheepte, om, de Weichsel afzakkende, in het land der heidensche Pruisen het christendom te gaan verkondigen. Hij kwam in de streek van Dantzig aan. Naauwe-lijks was hij geland, of het volk stroomde toe, om te vernemen wat de zonderlinge vreemdelingen begeerden. Door de welsprekende redevoering des apostels getroffen, daalden velen in de Weichsel neder, om den doop te ontvangen en daardoor al de weldaden deelachtig te worden, van welke de bisschop gesproken had.

Na dit gelukkig begin ging hij weêr scheep, om, zoo als oorspronkelijk zijn voornemen was, het onbekende oostelijke Pruisen, het barnsteenland, te bezoeken. Hij kwam in het Frische haff en aldaar bij een klein eiland, aan de kust van Samland gelegen. Hier landde hij met zijne beide vrienden. De gewapenden had hij achtergelaten, om de bewoners door hun gezigt niet te tergen, maar hun veeleer ook uiterlijk als een bode des vredes te verschijnen. Doch de eilanders, vermoedende dat men ten doel had om hun hunne goden en daarmede ook hunne vrijheid te ontrooven, stroomden woedend toe, om

GRTJBE, G. D. M. 4

1

ih i Ir

Mi

^ill

UT

SSi

H li!

( :i,?

lil

| fil

11 !Ïfi !ij

m

i lol

i\' I; 41 ■ i

■; gig

iffM

-ocr page 64-

50

de vreemdelingen te verdrijven. De heilige Adalbertus begon nu met luider stem een psalm te zingen, hopende door de toonen van het heilige lied de gemoederen der opgeruide menigte te kunnen bedaren. Vergeefs. Tierend dringen zij op hem aan. Een riemslag op de schouders velt hem ter aarde. God lovende, dat hij waardig geweest was, om zijns naams wil smaadheid te lijden, staat hij weder op, begeeft zich naar het vaartuig en steekt naar Samland over.

quot;t Was een zondag toen hij de kust des lands betrad. ïegen den avond kwam hij in een dorp, waar hij door het opperhoofd vriendelijk ontvangen werd. Eer het intusschen geheel donker was geworden, snelden de lieden toe, omringden het huis en wenschten te weten waarom de vreemdelingen gekomen waren. Adalbertus gaat naar buiten, om het hen te zeggen. Maar naauw hebben zij den zin zijner woorden vernomen, of zij verheffen een woedend geschreeuw, zwaaijen hunne knodsen en dreigen hem te dooden, indien hij des morgens het dorp niet verlaten heeft.

Nog in den nacht brak hij op en kwam op eene andere plaats der Samlandsche kust aan. Hier toefde hij vijf dagen in een dorp. Al wat hij hier zag en hoorde van de bewoners, van de standvastige gezindheid, waarmede zij bij de goden hunner vaderen volhardden, was geenszins geschikt om hem tot verder doordringen aan te moedigen. Ook eenige droomeu, die hij had, schenen hem het gevaarlijke zijner onderneming te willen toonen en hem den terugkeer te gebieden. Doch de vrome apostel sloeg geen acht op zulke teekenen , en de gedachte dat hij misschien een gewissen dood te gemoet ging, was niet in staat omzijn vurigen ijver te verkoelen, voordat hij zijne heilige roeping vervuld had.

Diensvolgens trok hij met zijne vrienden meer landwaarts in. Een digt woud ontving hen. Diepe stilte heerschte onder de schaduw der geweldige boomen; eene heilige huivering beving de eenzame wandelaars. Adalbertus hief een psalm aan. Door nieuwen moed bezield, traden zij onverschrokken voort

-ocr page 65-

51

en bereikten tegen den middag eene door geboomte omringde opene plaats. Hier hielden zij stil. Een der vrienden las de mis, en Adalbertus gebruikte het avondmaal. Daarop nuttigden zij eenige spijs, en legden zieh in de schaduw der boomen neder, om nieuwe krachten tot de voortzetting hunner reis te verzamelen. Weldra look de slaap hunne vermoeide oogen, en de vorige stilte viel weder in.

De armen! Zij waren, zonder het te weten, door het heilige woud op het gewijde veld der Pruisen gekomen, welke gewijde plaatsen de voet des vreemdelings niet ongestraft mogt betreden. Een woest geschreeuw wekte de vermoeide slapen-den uit hunne sluimering. Met opgeheven knodsen vielen de heidenen op hen aan, om de ontheiliging te wreken. De wandelaars werden gegrepen, geboeid, gegeeseld en ter dood veroordeeld.

„Treurt niet, lieve vrienden!quot; riep de heilige Adalbertus. „Gij weet dat wij dit alles slechts lijden voor den naam van God, die alleen heer is van leven en dood.quot;

Naauw waren deze woorden gesproken, of de aanvoerder der bende, een priester, snelt toe en stoot hem de werpspies in de borst. De digtst bij zijnde heidenen volgen zijn voorbeeld. Met zeven lansen doorboord, stond Adalbertus nog overeind, oogen en handen biddende ten hemel gewend. Thans maakte men zijne boeijen los. „Vader, vergeef het hun!quot; stamelt hij stervende en stort levenloos ter aarde.

Nieuwe volkshoopen stroomen toe. Woedend vallen zij op het lijk aan, verminken het en steken het hoofd op een staak. De beide vrienden van den vermoorde worden weggevoerd en vervolgens vrijgelaten. Zij spoeden zich naar hun land terug en brengen aan hertog Boleslaw van Polen de treurige tijding over. Deze zond een gezantschap aan de Pruisen, om ten minste het dierbare lijk weder te bekomen. Voor zoo veel geld als het zwaar was, werd het eindelijk uitgeleverd. Boleslaw liet het naar Gnesen brengen en in de domkerk aldaar bijzetten.

4*

-ocr page 66-

TWEEDE AEDEELING.

VORMING VAN STATEN. FRANKEN, SAKSERS EN NOORMANNEN.

I. CHLODWIG OF CLOVIS.

I. STRIJD VAN CLOVIS TEGEN SYAGBIUS EN DE GEWIJDE KRUIK TE SOISSONS.

De Franken woonden oorspronkelijk oostwaarts van den Eijn, drongen vervolgens over dezen stroom en verwoestten de bloei-jende steden van het Eomeinsche rijk, Ments, Keulen en Trier. Zij verkozen, naar de afzonderlijke gouwen, lang gelokte koningen (want de Franken sneden hunne haren aan het achterhoofd af), wier haar golvend over schouders en nek neerhing. De eerste koning, die de kleine rijken tot één groot rijk ver-eenigde, was C h 1 o d w i g , zoon van Childerik.

Zoodra Chlodwig tot de regering gekomen was, was hij er op bedacht om zijne heerschappij uit te breiden. Na den val van het Eomeinsche rijk in Italië (Odoaker 47 6) was er nog eene romeinsche heerschappij in Gallië overgebleven onder S y a-grius, die zich tot koning opwierp. Chlodwig zond hem eene uitdaging toe en liet aan hem over, plaats en tijd van den strijd te bepalen. Syagrius nam de uitdaging aan, maar werd door de Franken volkomen geslagen (486) en vlugtte naar Toulouse , de hoofdstad der Westgothen, waar Alarik II regeerde. Maar de koning der Westgothen vreesde met Chlodwig oorlog te voeren, en toen er frankische boden aankwamen, leverde hij Syagrius aan deze uit. Chlodwig liet den gevangene in een kerker werpen en kort daarna verworgen.

Koning Chlodwig haatte de christenen, wijl hij het oude

-ocr page 67-

53

heidendom getrouw wilde blijven, waarom hij vele kerken verwoestte. Eens hadden zijne Franken uit eene kerk, met andere kostbare voorwerpen , eene kruik van wonderbare grootte en schoonheid geroofd. De bisschop dezer kerk zond daarop een bode aan den koning en liet hem verzoeken om, al behield hij ook al het andere, aan zijn kerk slechts die kruik terug te willen geven. De koning antwoordde den bode: „Volg ons naar Sois-sons, want daar zal de geheele buit verdeeld worden. Zoo het lot mij de kruik toewijst, zal zij aan uwen bisschop worden terug gegeven.quot; Toen nu al de buit te Soissons op een hoop bijeen was gebragt, sprak de koning: „Ik bid u , mijn dappere strijders, om mij buiten het mij toekomend aandeel ook nog die kruik af te staan.quot; Daarop antwoordden eenigenRoemrijke koning, wat gij aanschouwt is het uwe. Neem er uit wat gij wilt, want het is vruchteloos, zich tegen uwe magt te verzetten.quot; Toen deze aldus spraken, verhief echter een andere Frank zijne stem en sprak: „Gij zult niets bekomen dan wat liet lot u toewijst!quot; En daarmede sloeg hij met zijne strijdbijl tegen de kruik. Allen verwonderden zich; maar de koning verborg zijnen toorn over de beleediging en gaf aan den bode des bisschops de kruik over.

Een jaar daarna riep Chlodwig tegen den gewonen tijd der groote volksvergadering in de maand maart zijn volk tot eene legermonstering bijeen, ten einde hunne wapenen te onderzoeken. Terwijl hij door de gelederen ging, kwam hij ook bij dengenen, die tegen de kruik had geslagen, en sprak tot hem : „Niemand heeft zulke ongeschikte wapenen medegebragt als gij; want noch uw speer, noch uw zwaard , noch uwe strijdbijl deugen ergens toe ! Met deze woorden wierp hij de strijdbijl van dien man op den grond. Dezebukte, om ze weder op te rapen, maar op het zelfde oogenblik hief de koning zijne strijdbijl o]gt; en slceg hem op het hoofd, zeggende: „Zoo hebt gij te Soissons met de kruik gedaan!quot; De man was dood, en nu liet de koning de anderen vertrekken. Allen vreesden voor de gewelddadigheid des konings.

-ocr page 68-

54

II. CHLODAVIGS BEKEE1UNG TOT HET CHRISTENDOM.

Na eenige jaren het bewind gevoerd te hebben zond Chlod-wig gezanten naar Bourgondië aan den koning G u n d o b a 1 d, om diens zuster C1 o t i 1 d e, die men hem als eene zeer schoone en verstandige jonkvrouw had afgeschilderd , ten huwelijk te vragen. Gundobald had al zijne broeders slecht behandeld, maar waagde het toch niet, den frankischen koning reden tot vijandschap te geven en zond hem zijne zuster. Clotilde verzocht nu haren man ten dringendste om zich te laten doopen. Chlod-wig wilde niet, maar stond toe dat zijn zoon gedoopt werd. Doch toen de zoon kort na den doop stierf, sprak Chlodwig vertoornd : „Indien de knaap aan de goden mijns volks gewijd was, zou hij niet gestorven zijn.quot; Clotilde wist haren gemaal weder te troosten, en nu stond deze toe , dat ook zijn tweede zoon gedoopt werd. Deze werd mede ziek, maar stierf niet.

Nogtans kon de koningin niet van Chlodwig verkrijgen, dat ook hij zich liet doopen, totdat er eens een oorlog met de Alemannen uitbrak. Te midden van een hevig gevecht begonnen de Franken te wijken, en \'t was te voorzien dat hun geheele leger vernietigd zou worden. Dit ziende, hief Chlodwig weenend de oogen ten hemel en sprak: „Jezus Christus, dien Clotilde de zoon van den levenden God noemt, gij, die de ongelukkigen wilt helpen, wanneer zij op u vertrouwen, ik smeek u om uwe hulp. Indien gij mij de overwinning schenkt, en indien gij zoo magtig zijt, als de christenen zeggen, wil ik aan u gelooven en mij laten doopen. Want ik heb mijne goden te vergeefs aangeroepen, en nu roep ik u aan, opdat gij mij redt van mijne vijanden!quot; Nadat hij aldus gesproken had, kozen de Alemannen de vlugt. Hun koning was gesneuveld, en de voornaamsten der Alemannen kwamen thans tot Chlodwig en spraken: „Laat het moorden nu ophouden, wij willen u gehoorzamen.quot; Daarop gebood Chlodwig den strijd te staken, keerde huiswaarts en verhaalde aan de koningin, hoe de God der christenen hem de overwinning had verschaft.

-ocr page 69-

55

De koningin liet dadelijk den bisschop Eemigius komen, die den koning in het christendom moest onderwijzen. Toen nu de bisschop van Christus\' lijden en dood verhaalde, werd de koning toornig en riep ; „Was ik er met mijne Franken maar bij geweest, ik had den smaad, hem aangedaan, dadelijk gewroken !quot; Daarop spoorde Eemigius hem aan om nu met geheel zijn volk de leer van Christus aan te nemen. Doch de koning-antwoordde ; „Ik zou uwe leeringen gaarne hooren, heilige vader , maar mijn volk zal zijne vaderlandsche goden niet willen verlaten. Nogtans wil ik volgens uwen raad met hen gaan spreken.quot; Toen de koning met het volk sprak, antwoorden velen: „Wij zien af van onze vergankelijke goden en willen den on-sterfelijken god, dien Eemigius predikt, volgen.quot; Weldra was het doopbad bereid, en de kerk rijk versierd. Chlodwig ging eerst in het bad, en de bisschop Eemigius zegende hem in met de woorden: „Buig uw hoofd, trotsche Sicamber; aanbid wat gij vroeger met vuur hebt verwoest, en verbrand wat gij hebt aangebeden.quot; Ook de zuster van Chlodwig werd gedoopt, en buiten deze nog vele Franken. Zoo was Chlodwig de eerste katholieke koning onder de duitsche stammen, want de andere koningen waren allen Arianen. Later verhaalde men, dat bij den doop van Chlodwig eene duif uit den hemel eene flescli met heilige olie gebragt had, waarmede vervolgens alle fransche koningen werden gezalfd alle eeuwen door tot het einde van het Bourbon sche koningsgeslacht.

Bovengenoemde slag werd geleverd in het jaar 496 bij Tol-b i a c, dat tegenwoordig Zülpich heet, en ongeveer zes uren van Bonn verwijderd is. De Alemannen werden door dezen slag-deels aan de Franken on derworpen, deels verzochten zij de bescherming van den oostgothischen koning Theodorik, die voor hen bij Chlodwig in de bres sprong en een groot gedeelte van hun land bij het Oostgothische rijk voegde. Deze Alemannen stond later de gothische koning Vitiges aan de Franken af, toen hij zich deze tot vrienden wilde maken, om niet te gelijk tegen hen en Belisarius te moeten strijden.

lil

fi n % h\\ ij i • 1 -!$

«

m

ü

I; 1 f

full i

fl!

!■ I

U\' i Mi

«iiïï

fü», »

i; i

l, if

!:

\'

iHi\'J

if\'il

i

-ocr page 70-

56

m. CHLODWIGS TROUWELOOSHEID JEGENS SIEGBERT EN DIENS ZOON.

Toen Chlodwig Parijs reeds tot zijne hoofdstad had gemaakt, zond hij van daar boden aan Chloderik, den zoon van den frankischen koning Siegbert te Keulen, en liet hem zeggen; „üw vader Siegbert is oud en zwak en hinkt op den eenen voet. Als hij dood was, zou zijn rijk u ten deel vallen, en mijne vriendschap u beschermen!quot; Deze woorden van Chlodwig wekten de begeerlijkheid in den jongen man op, en hij stond zijnen vader naar het leven. Eens ging de vader over den Rijn, om op den anderen oever in het bosch eene wandeling te doen. Toen hij daar des namiddags in zijne tent sliep, zond zijn zoon moordenaars op hem af, welke hem doodden. Daarop zond de ondeugende zoon boden aan Chlodwig en liet hem zeggen: „Mijn vader is dood ; zijn schatten en zijn rijkdom be-hooren mij. Zend daarom eenige van uwe lieden tot mij, en ik zal u geven wat gij van den rijkdom mijns vaders wenscht te hebben.quot; Chlodwig zond zijne gezanten.

Toen deze aankwamen, werd hun alles getoond. De jonge koning bragt hen bij eene kist en sprak : „In deze kist plagt mijn vader het geld te leggen.quot; Daarop antwoordden de anderen : „Steek er uwe hand in en haal van den bodem op wat gij daar vindt!quot; De koning bukte diep voorover, waarop een hunner eene strijdbijl ophief en hem daarmede op het hoofd sloeg, zoodat hij dood nederviel. Intusschen ijlde Chlodwig oogenblik-kelijk naar Keulen, riep het volk bijeen, en sprak; „Hoort wat er gebeurd is. Terwijl ik op de Schelde voer, belasterde Chloderik , de zoon van mijn neef Siegbert, mij bij zijn vader en zei dat ik hem wilde dooden. En nu, terwijl zijn vader eenzaam in het bosch sliep, heeft hij zelf de moordenaars tegen hem afgezonden en hem gedood. Hij zelf is daarvoor, toen hij zijne schatten bezag, door een mij onbekend man doodgeslagen. Maar ik ben er onschuldig aan; ik kan immers het bloed mijner verwanten niet vergieten, want dat zou goddeloos

-ocr page 71-

57

zijn. Daar het nu eenmaal zoo ver gekomen is, bied ik u mijnen raad aan: wendt u tot mij en stelt n onder mijne bescherming !quot; Toen de Keulenaars dat hoorden, klapten zij in de handen en legden hunne goedkeuring aan den dag, waarna zij Chlodwig op het schild verhieven en hem als koning begroetten.

IV. CHLODWIG OVERWINT DE WESTGOTHEN.

Terwijl Chlodwig het eene rijk na het andere aan zich onderwierp , werden de Westgothen over zijn verder doordringen bezorgd, weshalve de westgothische koning Alarik den franki-schen koning Chlodwig tot een mondgesprek op de grens van hun gebied liet uitnoodigen. Op een eiland in de rivier de Loire, digt bij Amboise, kwamen de beide koningen bijeen, omarmden elkander en aten en dronken te zamen, zoodat het allen toescheen, dat er een vriendschapsverbond was gesloten. Doch deze schijn duurde niet lang; want kort daarna riep Chlodwig eene vergadering van zijne getrouwen te Parijs bijeen. De frankische koning sprak als katholiek vorst tot de zijnen: „Het smart mij, dat die Arianen nog een zoo groot gedeelte van Gallië in bezit hebben. Laat ons tegen hen oprukken, en als wij met Gods hulp deze ketters overwonnen hebben, zullen wij hunne landen onder elkander deelen!quot; Allen betuigden hunne goedkeuring; ook Clotilde moedigde haar gemaal tot de onderneming aan, want zij meende dat God er een welgevallen in zou hebben. De krijgshaftige Chlodwig vatte met sterke hand zijne strijdbijl en slingerde ze ver weg met de woorden; „Waar mijne Franciska (zoo heette de strijdbijl) nedervalt, zal ik eene kerk ter eere der heilige apostelen bouwen.quot;

De katholieken in het rijk der Westgothen wilden liever Chlodwig dan Alarik onderdanig zijn en verwachtten met vreugde de aankomst van den frankischen koning. Toen Chlodwig in het gebied van Tours kwam, gebood hij, uit eerbied voor den heiligen Martinus van Tours, dat niemand iets anders dan gras en water aldaar zou nemen. Een der Franken vond een hoop hooi en sprak: „Wij mogen slechts gras nemen, maar

, M\'

: j f : Jiip!

V\'; m ff-

; ■ Itl

üii

i Ifl

quot;Ir tj

pj

:p|

il

-ral nBI

■■S 11 11

.«il fm

v\'f v l 1

r-;|

;

[[I\'ll I

-ocr page 72-

58

dit is ook gras, en als ik het neem, overtreed ik het gebod des konings niet!quot; Daarom ontrukte hij het met geweld den armen man, die zijn eigendom wilde beschermen. De tijding daarvan kwam den koning ter oore, die toornig sprak: „Waar blijft de hoop der overwinning, als de heilige Martinus beleedigd wordt?quot; Met deze woorden velde hij den Frank neder.

Alstoen zond hij eenige zijner begeleiders vooruit, gaf hun geschenken mede voor de kerk, in welke het gebeente van den heiligen Martinus begraven lag, en sprak tot hen : „Gaat vooruit, of gij misschien eene voorspelling der overwinning in het heilige gebouw verneemt.quot; Toen de dienaars van den koningin de kerk traden, vernamen zij de woorden van den psalm: „Gij, o Heer, hebt mij met kracht ten strijde omgord, gij hebt mij de vijanden onder de voeten geworpen, hunnen rug-hebt gij mij prijs gegeven, en hen, die mij haten, hebt gij ten val gebragt!quot; Zij verheugden zich over deze woorden van goede voorbeduiding en keerden weder terug, om den koning de blijde boodschap te verkondigen. quot;Vol vertrouwen op de overwinning-trok deze verder voort, tot hij bij de rivier Vienne kwam; deze was gezwollen, en de Franken wisten nergens eene doorwaadbare plaats. Zij bragten den nacht aan den oever door; den volgenden morgen zagen zij een hert van wonderbare grootte, dat in het water afdaalde. Het dier waadde door de rivier, en zoo ontdekten de Franken de doorwaadbare plaats.

In de nabijheid van Poitiers aangekomen, zagen zij van verre op de kerk van den heiligen Hilarius een licht blinken en schreven dit aan den heilige toe, die hun de overwinning op hunne vijanden wilde verkenen. Chlodwig herinnerde ook hier het frankische leger, dat niemand het wagen mogt, iets te r.emen wat hem niet toekwam. De bewoners der geheele landstreek hielden het met de Franken en begunstigden hun leger op allerlei wijzen. De Westgothen waren het onder elkander oneens, wat hun te doen stond —of zij liever zouden terug trekken en de Oostgothen afwachten, welke Theodorik aangeboden had, hun ter hulp te zenden, dan of zij aldaar den vij-

-ocr page 73-

59

anden slag zouden leveren. Na lange vruchtelooze beraadslagingen besloten zij, de aankomst der Oostgothen af te wachten; maar terwijl zij aftrokken, haalde Chlodwig hen in en dwong hen tot een gevecht. In dezen strijd werden de beide koningen handgemeen, waarbij Chlodwig Alarik doodde. Toen de West-gothen hunnen koning zagen vallen, renden terstond twee van hen op Chlodwig toe, maar zij konden met hunne speren niet door zijn pantser dringen, en het vlugge ros, dat Chlodwig bereed, bragt hem spoedig buiten gevaar.

De Westgothen werden geslagen, en deze ééne slag besliste het lot van het Gallische land. Van de Loire tot aan de Py-reneën, en van de Ehone tot aan de Atlantische zee, werd nu al het land aan de frankische koningen onderworpen, terwijl de Westgothen in \'t zuiden slechts eene smalle strook lands behielden, die Septimanië genoemd werd. Maar daarvoor breidden zij hun rijk in Spanje uit en onderwierpen de Sneven, die tot dus verre een eigen rijk in Spanje gehad hadden, aan hunne heerschappij.

Zegevierend van dezen togt terug keerende, ontving Chlodwig te Tours een gezantschap des keizers van Constantinopel, die het altijd gaarne zag dat dc Gothen verslagen werden. De keizer Anastasius zond hem de teekenen der koninklijke waardigheid, den purperen mantel en de diadeem, en benoemde hem tevens tot patricius. Ofschoon niemand regt wist wat deze naam beduidde, werd hij toch altijd als eene hooge, slechts door den keizer te verkenen, waardigheid beschouwd, die naderhand ook Pepijn en Karei de groote bekleedden. Koning Chlodwig maakte de aanneming dezer waardigheid tot een hoo-gen feestdag. In de abdij van St. Martinus trok hij het purperen gewaad aan en zette zich de kroon op het hoofd ; vervolgens reed hij in plegtigen optogt door de stad tot aan den dom. Onderweg strooide hij aan beide zijden geld uit.

• i ji ■ ■

1II

|iï;i lil ||

11, ■ ü

\'IP

\' lêi

l\\

ü

\'11

| r AMI

kjil i\' .1 [

ii |i

\' - i lffl ■

Jiff ïilll *s.. \'.\'ii

iii

lil ) - •;!.

1

\'

J;\'

II

i

\'li

;

ji\'

\'

1

.L

-ocr page 74-

60

II. FRANKISCHE ZEDEN.

I. BESCHRIJVING VAN BEN OPTOGT VAN EEN FRANKISCHEN GROOTE OP ZIJN BRUILOFTSDAG (OMTRENT 600 NA CHK.).

Een frankische groote, Sigismer genaamd, wilde eene west-gothisehe prinses huwen. Een Eomein, die de trouwplegtigheid bijwoonde, gaf daarvan in een brief aan een vriend de volgende beschrijving:

„Daar gij zoo gaarne wapenen en wapenrustingen ziet, zou het u een genoegen geweest zijn, den koninklijken jongeling Sigismer, naar het gebruik van zijn volk als bruidegom gekleed , zich naar de woning van zijn schoonvader te zien begeven. Zijn paard was met schitterend borstsieraad getooid, ja er gingen paarden voor het dier uit, en andere volgden , die van edelgesteente glinsterden. Doch de bruidegom zat niet op zijn paard, maar het werd voor welvoegelijker gehouden, dat hij te midden zijner begeleiders te voet voorttrad, bekleed met vlammend purper, met glinsterend roodachtig gouden sieraad en witte zijde, terwijl zijn haar, zijne gezigtskleur en het overige zijner huid aan dezen tooi beantwoordden. Het voorkomen zijner begeleiders was ook in vredestijd nog vreeselijk; hun voet was tot aan de enkels met een ruwe laars omhuld, terwijl de scheenen, de knieën en de dijen onbedekt waren. Buitendien omgaf hen een eng sluitend gewaad van verschillende kleuren, \'t welk echter niet tot aan de kniegewrichten reikte. De mouwen omhulden slechts het bovenste gedeelte van den arm, terwijl de groenachtig glinsterende mantel bij de roodachtige leden sterk afstak. De zwaarden hingen aan banden van den schouder neder en sloten digt aan de met bontwerk omhulde liezen. De zelfde kleeding, die hun tot sieraad strekt, dient hun ook ter verdediging. In de regter hand droegen zij lansen, van weerhaken voorzien, en strijdbijlen, die ook tot werpen geschikt zijn, terwijl de linker hand een schild droeg, welks rand

-ocr page 75-

61

sneeuwwit en welks rug geel is. Dit schild bewijst zoowel den rijkdom zijns bezitters als de kunst van den maker. Over \'t geheel was alles zoo ingerigt, dat de plegtigheid niet slechts een bruiloftstogt, maar tevens een krijgstogt scheen te zijn.quot;

H. DE BEHANDELING DER SLAVEN.

In de zesde eeuw leefde een frankische groote, Eauehing genaamd , een trotsch en wreed man, die zijne slaven erg mishandelde. Wanneer hij zijn avondeten gebruikte, moest een slaaf de waskaars voor hem houden. Vooraf echter beval hij hem, zijne dijen te ontblooten , en dan moest de slaaf de\' kaars zoo digt bij zijn ligchaam houden dat zij uitging, en wanneer zij weder aangestoken was, gebeurde het zelfde, hetgeen zoo lang herhaald werd tot de beenen verbrand waren. Als de ongelukkige een kreet van pijn liet hooren, of zich van de plaats wilde bewegen, dreigde Eauehing hem met het ontbloote zwaard, dat naast hem lag, en hoe meer de slaaf van pijn schreeuwde, des te meer verheugde dit zijn meester.

Eens wilden onder zijne slaven een man en eene vrouw met elkander trouwen, nadat zij elkander reeds twee jaren lang genegenheid betoond hadden. Diensvolgens gingen zij naar de kerk, waar de priester hun verbond inzegende. Toen Eauehing dat vernam, snelde hij er heen en vorderde van den priester, hem zijne slaven terstond af te geven. Doch de priester sprak : „Gij weet, welke eerbied aan de kerk vau God toekomt. Gij kunt de lieden niet weder terug krijgen voordat gij mij belooft, hen niet weer te scheiden, en hun geene straf op te leggen.quot; Eauehing zweeg een poos, om daarover na te denken, waarna hij beide handen op het altaar legde en zwoer: „Ik zal hen nooit van elkander scheiden, maar zij zullen altoos bijeen blijven. Wel hebben zij onregt gedaan, dat zij zonder mijne toestemming tot u gegaan zijn, maar toch willig ik uw verzoek in.quot; De priester geloofde aan de opregtheid zijner belofte en liet hen gaan.

Eauchins nam de beide slaven mede naar huis. Daar liet

-ocr page 76-

62

hij een dikken boom vellen, de takken er afhonwen en vervolgens den boom met eene wig kloven. Daarop liet hij de helft er van uitholen eu in eene groef leggen. In deze groef werden op dit hout de beide slaven gelegd, waarop hij beval er aarde op te schudden en het paar levend te begraven. „Ik heb mijnen eed niet gebrokensprak hij , „want zij zijn niet gescheiden.quot; De priester, hiervan berigt ontvangende, begaf er zich ijlings heen, bestrafte Kauching over deze daad en verkreeg van hem, dat zij weder opgegraven werden. De man werd er nog levend uitgehaald, maar de vrouw was reeds gestikt.

III. DE BLOEDWRAAK BIJ DE FEANKEN.

Wel was in de zesde eeuw bij de Franken de bloedwraak reeds afgeschaft, en in plaats daarvan voorlang het weergeld ingevoerd; maar in de tijden van verwarring en strijd tusschen de beide koninginnen Fredegonde en Brunehilde keerden zij nog dikwijls tot de oude ruwe zeden der voorvaderen terug. Daarvan levert de volgende gebeurtenis, die bij Doornik in het land der Franken voorviel, een voorbeeld op.

Een gehuwd man werd zijne echtgenoot dikwijls ontrouw, weshalve haar broeder hem verwijtingen deed en hem berisp e, opdat hij zich verbeteren mogt. Daar dit nogtans niet geschiedde, werd de zwager zoo toornig, dat hij met eenige zijner vrienden den beleediger aanviel en hem doodde. Maar ook de vrienden van den versiagene snelden toe, en er ontstond een alge-meene strijd, die eindigde met den dood van allen op één na, die overbleef. Nu stonden echter ook alle verwanten der verslagenen op en wilden hunne dooden wreken. De koningin Fredegonde vermaande hen tot vrede, opdat het vuur der vijandschap niet steeds grooter zou worden, maar al hare vermaningen bleven vruchteloos. Dierhalve besloot zij, door het dooden der aanleggers aan den strijd een einde te maken. Zij noodigde de voornaamste aanvoerders van beide partijen tot een gastmaal uit en onthaalde hen rijkelijk. Nadat de maaltijd

-ocr page 77-

63

was afgeloopen, bleven de genoodigden naar frankisch gebruik oerust op hunne plaatsen zitten en gingen voort met drinken. Allengs werden zij dronken, en ook de lieden van hun gevolg-verliepen zich de een na den anderen in het koninklijk paleis en sliepen, waar zij maar eene plaats vonden, hunnen roes uit. Toen Tredegonde dacht dat alles haar oogmerk begunstigde, liet zij eenige personen van hare lijfwacht, met hunne strijdbijlen gewapend, achter de stoelen der mannen , die daar nog met elkander zaten te twisten, plaats nemen. Op een gegeven teeken sloegen de dienaars der koningin toe, en de Franken vielen doodelijk getroifen van hunne stoelen. Zoo geloofde de koningin den vrede gewaarborgd te hebben; maar de vrienden der gedooden zouden, als het slechts in hun vermogen was geweest, gaarne weder wraak op de koningin genomen hebben.

IV. STRAFWETTEN EN GODSOORDEELEN.

Wij vinden bij de Franken reeds aloude wetten en regtzittin-igen, waartoe het volk zich op eene opene plaats verzamelde. ; De koning zelf zat ter vierschaar, en in de gouwen deden zulks (ie hertogen en graven. De meeste misdaden, welke voorkwa-| men, waren diefstal, kwetsing des ligchaams en moord. Voor iedere soort van misdrijf was eene geldboete bepaald (weergeld) , die dikwijls, wanneer de veroordeelde ze niet kon opbiviigen, in lijfeigenschap veranderd werd. Merkwaardig is het, hoe naauwkeurig in de frankische (salische) wetten de bijzondere gevallen bepaald zijn. Er wordt daarin naauwkeurig vastgesteld , hoe veel een afgehouwen eerste , tweede , derde gt; vierde, vijfde vinger moet kosten; voorts, hoe veel een houw , die een blaauwe plek had achter gelaten, een andere, na welken er bloed was gevloeid, nog een andere, welke het been beschadigd had ; wijders , hoe veel voor een gekwetsten neus , voor eene beschadigde lip, voor een afgehouwen oor en voor een uitgebroken tand betaald moest worden. Het dooden van een vrijen Frank werd met 300 schellingen , van een lijfeigene met 35, het stelen van een hengst met 45 schellingen beboet.

rvol-helft rden aar-heb b ge-af er verman 3 ge

f f ! I: i * ;,1

)iil| i

f

i

11

;iii

raak rgeld chen i zij irug. k in

)UW ,

ipfe, hied-nen-rien-alge-na, ver-ngin • vij-ver-het

Zij

L tot

Itijd

/.i *1

«-i i:\', : :

ft iMI .if]

! (3 fi\' ■

rf.

\' m i

.v ■ I

[tei

iii jÉÊg/Ém

-ocr page 78-

64

De onbekwaamheid der regters maakte het dikwerf zeer moei-jelijk, uit een beschuldigde eene vrije bekentenis te krijgen. Men legde hem de zelfde vraag een paar malen na elkander voor, en wanneer hij in het loochenen volhardde, schoot de regter met zijne scherpzinnigheid te kort. De afschuwelijke pijnbank werd destijds slechts bij slaven aangewend; voor vrije mannen koos men een ander hulpmiddel, den tweestrijd. Wie overwon, had gelijk; de andere werd schuldig verklaard. Voor de vrouwen , vooral zulke, die van schending harer vrouwelijke eer werden beschuldigd, gold een ander bewijs van onschuld, de vuurproef. Gloeijende ijzeren staven of ploegscharen werden op den grond gelegd, en de beschuldigde persoon moest er met bloote voeten over heengaan, of zij moest ze een eind ver in de handen dragen. Bij eene andere proef moest de beschuldigde den ontblooten arm in een ketel vol kokend water steken; alsdan verbond een persoon van het geregt den gewonden , gezwollen arm en drukte een zegel op het verband. Na eenige dagen bezigtigde men de gebrande leden, en vond men ze reeds aan \'t genezen, dan werd de beklaagde vrij gesproken. Bij zulke gevallen moet het niet altijd eerlijk zijn toegegaan. Personen , die van hekserij beschuldigd waren en niet wilden bekennen, werden krom gebonden in \'t water geworpen. Dreven zij boven, dan waren zij schuldig; zonken zij, dan sprak men haar vrij. De k r u i s p r o e f bestond daarin, dat de partijen in de kerk met uitgebreide armen onbewegelijk voor een kruis moesten staan, terwijl de priester eene mis las. Wiens arm het eerst vermoeid neerzonk, die had het proces verloren, want den onschuldige, meende men, had God gesterkt. Van daar denaam; godsoordeelen.

V. ASYLEEGT DEE KEEK.

*

De koning Chilperik werd door zijne gemalin Fredegonde tegen haren stiefzoon Meroveus opgestookt, weshalve hij hem de haren liet afsnijden en hem in een klooster stak. Terwijl Meroveus daar vertoefde, gaf een zijner vrienden hem den raad

-ocr page 79-

65

om te ontvlugten en zich naar de kerk van den heiligen Marti-nus te Tours te begeven. Meroveus deed zulks en kwam op zekeren dag in de St. Martinikerk te Tours aan, terwijl de bisschop Gregorius , die ons hiervan berigt geeft, zelf de mis las. Meroveus verzocht den bisschop om zijnen zegen, en deze gaf hem dien na vele beden, waardoor hij den koningszoon in zijne bescherming nam. Daarop zond hij een bode aan koning Chilperik en liet hem zeggen: „Zie, uw zoon is hier!quot; Frede-gonde sprak; „Dat zijn verspieders, zij willen zien, hoe het met den koning gaatwaarop zij haren gemaal verzocht, de boden gevangen te zetten. Zoo \'werden de gezanten van den bisschop in een kerker geworpen. Alstoen zond Chilperik boden aan den bisschop en liet hem zeggen; „Werp den afvallige uit de kerk ; zoo niet, dan zal ik het gansche gebied van Tours verwoesten.quot; De bisschop Gregorius had echter besloten, het oude regt der kerk te handhaven, en antwoordde: „Wat in den heidenschen tijd niet geschied is, zal waarlijk ook in den christelijken niet geschieden!quot; Want ook in heidensche tijden had een tempel of altaar aan de bedrukten bescherming verleend. Gregorius behield dus den prins bij zich onder bescherming der kerk.

De koning Chilperik kwam nu met eene groote legermagt opdagen en wilde zijnen zoon gaarne uitgeleverd hebben; maar hij waagde het niet, geweld te gebruiken. Dierhalve liet hij door een dienaar op het graf van den heiligen Martinus een brief nederleggen, bevattende het verzoek aan den heilige om hem weder te schrijven en te melden, of hij hem wilde toestaan , Meroveus uit de kerk te halen, of niet. De diaken, die op bevel des konings den brief op het graf gelegd had, had er nog een onbeschreven blad bij gelegd, waarop de heilige zijn antwoord moest schrijven, en wachtte drie dagen lang op antwoord. Daar het blad nog altijd onbeschreven bleef, bragt hij liet den koning terug, en deze begreep nu dat de heilige hem niet wilde antwoorden. Meroveus beproefde echter ook zijn heil op het graf van den heiligen Martinus , en legde het boek

GHUBE. G. D. M. 5

-ocr page 80-

66

der psalmen, dat der koningen en de evangeliën er op neder. Vervolgens bragt hij een geheelen nacht in het gebed door en smeekte den heilige om hem eene voorspelling te doen toekomen , hoedanig zijn lot nog zou worden. Hij vastte daarop drie dagen lang, en op den derden dag opende hij de boeken, eerst het boek der koningen en toen het psalmboek. Beide spreuken , die hem in \'t oog vielen , schenen hem onheil aan te duiden, en toen hij het boek der evangeliën opsloeg, las hij de woorden: „Gij weet, dat wij na twee dagen het paaschlam zullen eten, en de zoon des menschen zal in de hand zijner vijanden gegeven worden, opdat zij hem kruisigen.quot; Nu werd hij door schrik overvallen en trachtte hij te ontvlugten; maar onder weg werd hij door eene bende van den koning Gunthram gevangen genomen, die hem bij zich hield. Chilperik was zeer verbolgen op dej bewoners van Tours en op den heiligen Mar-tinus; hij overviel liet gebied der stad en plunderde zelfs de kerk van den heilige.

VI. KOLÜMBAAN.

Toen Kolumbaan en Gallus in \'t jaar 612 naar Alemannië trokken, om voor het behoud en de uitbreiding des christen-doms te prediken, kwamen zij ook te Bregents bij de Boden-seejnZij traden uit het schip en gingen in de kerk. Vervolgens wandelden zij eens rond, om alles te bezien , en de landstreek kwam hun zoo schoon en aanlokkelijk voor, dat zij besloten er woningen te bouwen en er te blijven. Nu vonden zij in een tempel drie vergulde metalen godenbeelden, die aan den wand bevestigd waren, en zij vernamen weldra dat het volk van die landstreek zich weinig om de godsdienst der christelijke kerk bekommerde, maar aan deze beelden offers bragt, ze aanbad en zeide: „Dat zijn onze oude goden, die ons goedgunstig zijn, en onder wier hoede en bescherming wij nog bestaan tot op den huidigen dag.quot; Kort daarna werd het feest van dien tempel gevierd, waarbij eene groote menigte menschen van verschillenden ouderdom en geslacht toestroomde, niet enkel om

-ocr page 81-

67

den wil van het feest, maar ook om de vreemdelingen te zien, van welke in de landstreek reeds veel gesproken werd. Kolum-baan beval Gallus daarop, te prediken , en terwijl deze daaraan voldeed, greep Kolumbaan voor aller oog de afgodsbeelden, sloeg die met steenen aan stukken sn wierp ze in het meer. Toen het volk dit zag, keerde het weder tot het christendom terug.

De woorden dezer christelijke zendelingen drongen echter ook vermanend tot het hart der vorsten door. Vooral bewees Kolumbaan zijn vasten moed tegen de koningin Brunehil-de. Nadat deze vrouw reeds velen uit den frankischen koningsstam om \'t leven had gebragt, voerde zij in naam van haar kleinzoon Theodorik de heerschappij. Toen zij met dezen eens in de nabijheid van het klooster vertoefde, waarin de heilige Kolumbaan zich ophield, bezocht de jonge koning menigmaal den verkondiger van het evangelie en onderhield zich met hem. De ernstige en strenge Kalumbaan tastte den koning in het geweten en vermaande hem om toch van alle ongebondenheid afstand te doen en een huwelijk aan te gaan, gelijk het een koning betaamde. Theodorik gaf aan de vermaning van den vromen man gehoor en beloofde hem, dit te zullen doen. Maar dit beviel zijne grootmoeder niet, want zij begreep wel, dat de koning dan zelf zou regeren en hare leiding niet meer bel. ;c-ven, waarom zij liever wilde dat hij zich door uitspattingen zou verstrooijen.

Eenige dagen daarna gebeurde het, dat Kolumbaan bij de koningin Brunehikle kwam, en zoodra deze hem in de zaal zag treden , nam zij de zonen van Theodorik en zijne bijzitten bij de hand en voerde hen den heiligen Kolumbaan te gemoet. Deze sprak : „Waartoe die kinderen bij ons onderhoud ?quot; En de koningin Brunehikle antwoordde hem: „Het zijn de kinderen van den koning, en ik heb hen bij u gebragt, opdat gij hen moogt zegenen.quot; Maar Kolumbaan antwoordde : „Nimmer zal ik hen zegenen , want het zijn de zonen der bijziten, en zij zijn niet geroepen om op den frankischen koningstroon te zit-

ifril

| • i -If ^

: 1

Mal »

• • i

m

gt;.

•l

1 : ttékvS

■ • ti.-fCil

IS

J : i

■ij i.; •\' i? I

-ocr page 82-

68

ten.quot; Vertoornd liet de koningin de kinderen terstond wegbrengen , en ook Kolumbaan ging heen. Toen de vrome man over den drempel vau het paleis trad, klonk er een geweldige donderslag ; doch dit bragt de koningin niet van haar stuk; veeleer verbood zij aan de omwoners van het klooster, waarin de heilige Kolumbaan woonde, de monniken bij zich te ontvangen, of hun eenigerlei ondersteuning te geven; maar Kolumbaan ging tpt hen en vermaande hen, zich door de bedreigingen der koningin niet te laten afschrikken. De koning Theodorik vernam ook het gebod zijner grootmoeder en zond aan de monniken kostbare spijzen en voorraad in overvloed. Toen Kolumbaan dit zag en vernam dat het van den koning kwam , sprak hij ; „Weg daarmede , want het betaamt niet, de giften dergenen te genieten , welke aan de dienaren van God huisvesting weigeren.quot; Op deze woorden van den heiligen Kolumbaan sloegen de monniken de schotels en de gereedschappen aan stukken , waarover de dienaren des konings versteld stonden , en tot hunnen meester terug keerden om hem het gebeurde te berigten. Theodorik werd verlegen; hij ging naar zijne grootmoeder , en zij besloten, Kolumbaan uit het land te verdrijven. Dit geschiedde, en Kolumbaan trok naar Italië, alwaar hij het beroemde klooster Bobbio stichtte.

In den toenmaligen tijd waren de geestelijken bijna de eenige beschermers van het volk tegen den moedwil der vorsten.

III. DE FRANKISCHE HUISMEIJERS IN PLAATS DEK ZWAKKE KONINGEN.

I. PEPIJN VAN HERSTAL.

Terwijl de koningen uit den stam van Chlodwig al zwakker en trager werden, verhieven hunne huismeijers zich tot steeds grootere magt. Aan den manhaftigen Pepijn was het echter voorbehouden, het aanzien van dit ambt en van zijn huis voor altijd te bevestigen. In het jaar 687 verkreeg hij de heerschappij

-ocr page 83-

69

over het geheele oostelijke Frankenrijk (Austrasië). In het westelijke Frankrijk (Neustrië) heerschte bovengenoemde Theodo-rik, die de kerken plunderde en de onderdanen verdrukte. Velen van de beroofden vlugtten naar Pepijn, en deze zond boden aan Theodorik, die den koning verzochten om de vlugtelingen weder bij zich op te nemen. Maar het antwoord was: „Ik zal mijne weggeloopene slaven wel zelf van Pepijn weghalen.quot; Toen verzamelde Pepijn de voornaamsten van zijn volk, en besloot, den overmoedigen Theodorik den oorlog aan te doen. Bij T o s t r i, een dorp niet ver van St. Quentin, ontmoetten de vijandelijke legers elkander. Pepijn koos met schrander overleg zijne stelling op een heuvel, en bij het aanbreken van den dageraad voerde hij zijn leger uit de legerplaats en plaatste zich vervolgens tegen Theodorik zoodanig , dat diens leger de opgaande zon in het gezigt had. De West-Franken leden eene groote nederlaag en liepen in verwarring uiteen.

Pepijn betrad als overwinnaar de legerplaats der vijanden en behaalde rijken buit, dien hij onder zijne strijdgenooten verdeelde. De gevlugte vijanden hadden in de kerken en kloosters de wijk genomen, en op de volgende dagen kwamen achter elkander de abten en priesters van den omtrek en verzochten Pepijn, het leven dezer ongelukkigen te sparen. Dit stond Pepijn hun toe, waarna hij Theodorik verder vervolgde. Hij kwam bij Parijs aan en nam de stad in, waar ook Theodorik weder kwam. Pepijn was te schrander, om zich zelf tot koning te maken ; hij liet Theodorik den naam behouden, maar nam zelf de teugels van het bewind in handen. Zoo werd Pepijn hof-meijer van het geheele Frankische rijk.

II. KAKEL MARTEL.

Op Pepijn volgde Karei, in wiens tijd A b d er r ahm an aanvoerder der Mooren in Spanje werd. Deze vatte naar de wenschen zijns volks het plan op, om het rijk der Arabieren ook ten noorden der Pyreneën zegevierend uit te breiden, en dan van \'t westen af door Europa oostwaarts voort te rukken,

-ocr page 84-

70

zoodat hij langs dezen weg het rijk der Arabieren in \'t oosten weder bereikte. Met een verbazend leger trok hij verwoestend over de Pyreneën, sloeg den hertog Eudas van Aqnitanië (Zuid-Frankrijk) en wierp alles voor zich neder. .Vervolgens trok hij naar de Rhone, om Aries in te nemen, en hier trok Eudas hem weder te gemoet, doch te vergeefs; de golven der Ehóne spoelden de lijken der verslagene Franken bij duizenden naar de zee. Nog eenmaal verzamelde Eudas een leger ; maar zijne nederlaag was zoo geweldig , dat de Franken treurend zeiden, dat God alleen de gesneuvelden had kunnen tellen. De kerken en kloosters lagen in asch, de velden verwoest; er was niemand meer in het groote Frankenrijk, die helpen en redden kon, dan Karei de h u i s m e ij e r.

Tot hem vervoegden zich derhalve de frankische edelen, en zelfs Eudas vergat de vijandschap, die vroeger tusschen hem en Karei bestaan had , en verzocht hem te komen helpen. Karei antwoordde den smeekeling; „Laat de Mooren eerst ongestoord trekken , en overijlt u niet met een aanval, want zij gelijken een stroom , dien men niet dan met gevaar in zijnen loop kan stuiten. Laat hen eerst hunnen dorst naar rijkdommen lesschen en zich met buit overladen; dan zullen zij oneenig zijn eu u de overwinning gemakkelijker maken !quot;

Deze woorden sprak Karei ook met het oog op de moeije-lijkheid om spoedig een groot leger bijeen te brengen; want Austrasië, het oostelijke gedeelte van het rijk, was zeer traag in het leveren van den heirban, omdat het het gevaar niet kende , waaronder Neustrië schier bezweek. Maar toen het leger met veel moeite eindelijk bijeen was gebragt, rukte Karei met onwrikbaren moed tegen de roovers op , wier scharen in de nabijheid van Tours en Poitiers met plunderen bezig waren. Daar ontmoetten de volken van het verre oosten en van het westen elkander; het was een zware, geduchte strijd, die zeven dagen duurde. De Arabieren overtroffen de Franken door hunne ruiterij en de vlugheid hunner boogschutters ; de duitsche stammen daarentegen hadden forschere ligchamen en

-ocr page 85-

71

krachtiger leden en hadden, wanneer het tot een gevecht kwam, dit in hun voordeel. Karei had eene sterke stelling gekozen; want eene menigte heuvelen dekte de flank van zijn leger, en maakte het den Mooren moeijelijk, hem daar met hunne ruiterij aan te vallen. Nadat echter de strijd reeds zes dagen lang geduurd had, rukten zij nader tegen elkander op, en de Arabieren schrikten voor de forsche ledematen en toornige blikken der Duitschers. Abderrahman zelf sneuvelde op den zevenden dag, en de Mooren trokken des avonds naar hunne legerplaats terug.

Nog laat op den avond vernamen de Franken groot gedruisch in het moorsche kamp; evenwel wisten zij de oorzaak niet en rustten zich voor den volgenden dag weder ten strijde toe. De morgen brak aan, en de zon steeg al hooger\'en hooger aan den hemel; maar alles bleef stil in het legerkamp der Mooren. Daarover verwonderden de christenen zich, [en Karei vermoedde eene krijgslist. Doch de verspieders berigtten, dat de geheele legerplaats ledig en verlaten was, en nu drongen de Franken door. Zij vonden in het kamp eene groote hoeveelheid dei-buit gemaakte schatten en kostbaarheden. De Arabieren zeiven liet Karei echter ongestoord ontvlugten , want zijn leger was te zeer vermoeid van den zevendaagsclien strijd. Drie honderd en vijftig duizend lijken van verslagene Mooren bedekten , zegt men, het slagveld, en de roem van Karei weêrklonk door de christenheid, die hij met de Franken door deze overwinning gered had. Na dezen slag ontving hij den bijnaam „Martellus,quot; omdat hij gelijk een hamer de magt der Mooren verbrijzeld had (733 na Chr.).

III. PEPIJN\' DE KOKTE,

De dappere zoon van den held Karei Martel was Pepijn, om zijne ineengedrongene gestalte „de kortequot; genaamd. Het volk beminde de zwakke koningen niet meer en kreeg hen slechts bij de groote wapenschouwing te zien, die elk voorjaar gehouden werd, waarbij de geestelijke en wereldlijke groo-ten tot de besluiten van den huismeijer hunne toestemming

i

% L.Jl \'i ] \'|;i:

1 1:1

Kill

!? :k

1\' 1»

li lil

: nil :• j1

U

il 1 I

ip i« ill I ill li ! \'V !.

I

1

r:: J

.L

-ocr page 86-

72

gaven. Daarheen kwam mi de koning op een door ossen getrokken wagen aanrijden ; een knecht ging naar boerengebruik er naast en dreef het gespan. En wanneer de koning zich op den troon plaatste , zag hij, omgolfd door zijne lange haren, er bloode uit als een vreesachtig kind, en sprak ook slechts eenige Voorden, die men hem geleerd had. Naast zulk een koning, die daar gebogen en vreesachtig neerzat, als kon hij zich niet op zijne voeten staande houden , zag het volk den huismeijer , in opgerigte houding, het oorlogszwaard in de vuist, met vuur in den blik en den stempel der kracht in het aangezigt. Daarover verheugde zich het oorlogzuchtige volk , en dit was Pepijn bekend. Toen hij nu bij den paus liet vragen: „Spreek, o vader der christenheid , wie moet koning der Franken zijn , hij die den naam draagt, of hij die zijn volk door raad en kracht groot heeft gemaakt ?quot; antwoordde de heilige vader: „Slechts hij, die de kroon verdient, moet ze dragen.quot; Dit vernomen hebbende , riep Pepijn een rijksdag in de stad Sois-sons bijeen; aldaar vergaderden de geestelijke en wereldlijke grooten des rijks met het volk en vernamen het antwoord van den plaatsbekleeder van Jezus Christus. „Dat is de stem des hemels!quot; riepen allen en hieven Pepijn omhoog, droegen hem driemaal plegtig rond en plaatsten hem vervolgens op den troon der Merovingers. Daarop knielde Pepijn in de kerk voor het altaar neder, en Bonifacius, als gezant van den paus, zalfde hem in den naam van God tot koning der Franken. De zwakke koning Childerik werd in een klooster gestoken , waar de monniken hem zijne lange haren afsneden.

Tot hiertoe was het koningschap uit de vrije keus des volks voortgekomen, maar nu vond het gevoelen ingang, dat paus Zacharias de kroon van het Frankische rijk had geschonken, en Pepijn ze op zijn bevel had aangenomen. Dit denkbeeld won nog meer veld , toen in \'t jaar 800 paus Leo III den zoon van Pepijn , den magtigen Karei, de keizerskroon op het hoofd zette. Van nu af moest het koningschap bij „Gods genadequot; door de kerk geheiligd worden , om bij het volk van kracht te zijn.

-ocr page 87-

73

IV. PEPIJN3 LIGCHAAMSKEACHT.

Toen koning Pepijn eens vernam, dat de gTooten van zijn rijk hem om zijne kleine ligchaamsgestalte heimelijk verachtten, beval hij, terwijl allen verzameld waren, een wilden, onge-temden stier te brengen, en een sterken leeuw op dit dier los te laten. De leeuw viel met een geweldigen sprong den stier aan, greep hem bij den nek en wierp hem op den grond. Terwijl de dieren over elkander lagen, wendde de koning zich tot de omstaande hovelingen en sprak: „Wie ontrukt dien leeuw zijne prooi ?quot; Zij zagen elkander verlegen en sprakeloos aan ; eindelijk mompelden zij: „Heer! wie zou zoo iets willen wagen ?quot;

Pepijn antwoordde niets, maar daalde zwijgend van zijn troonzetel af en trad in het strijdperk. Met uitgetogen zwaard ging hij op den leeuw af; een krachtige houw — en de kop van den leeuw lag voor zijne voeten; en wederom met écnen slag scheidde hij ook den kop des stiers van den sterken hals. Toen de koning terug kwam, sprak hij slechts de woorden: „Ik ben wel klein, maar bezit een sterken arm!quot; Niemand heeft na dien dag meer over zijne kleine gestalte gespot.

«iP il

|i| S|

iiti \'tl r1

1 ■ ■lli

IV. KAEEL DE GKOOTE (800 na Ghr.)

I. quot;WAT KAEEL WILDE.

Karei bezat den geest van zijn vader Pepijn en de kracht zijner heldhaftige voorvaderen, zoodat hij het werk, \'t welk zij met beleid en dapperheid begonnen hadden , voleindigde. De magt der kerk was met hem en drukte den stempel dei-goddelijke wijding op zijne daden. Zijn doel was dan ook de vereeniging van alle westersche volken tot een christelijk rijk. Dit doel zette hij met ijzeren wil door, en ieder, die hem in den weg stond, moest zijne verplette-

li !j| I f ijl i«i

iïi

Ui il

-ocr page 88-

74

rende hand leeren kennen; aan dit doel bragt hij ten offer wat den volken het dierbaarst is, de vrijheid. Voor het D uit-s e h e volk werd hij intusschen de schepper van een nieuwen tijd, en hij maakte het tot het middelpunt, waaruit, als uit eene zon, de overige volken licht en warmte moesten ontvangen :

Het eerste werk dat hem gelukte , was de vereeniging van het Longobardische rijk met het Frankische, waarvan reeds in het verhaal van den ijzeren Karei is gesproken. Een tweede hoofdwerk was de bekeering en onderwerping der S a k s e r s.

II. DE IKMEXSUL.

In het jaar 772 hield Karei eene groote rijksvergadering te Worms en stelde aan heel het volk voor, hoe verdienstelijk het zou zijn, de Saksers te bedwingen en hen tot christenen te maken. De rijksvergadering juichte zijne woorden toe , en terstond werd de heirban van het Frankische rijk opgeroepen. Met dit leger drong Karei het land der vrije Saksers binnen en veroverde eerst de Eresburg, die, naar men meent, gelegen heeft, waar thans Stadtberg aan de Diemei ligt. Vervolgens drongen de Franken verder in een heilig bosch der Saksers en vonden daar eene zuil, die de Saksers eerbiedig vereerden. Dit was een stam van hout, die zieh in de open lucht tot eene aanzienlijke hoogte verhief en in de taal der Saksers i r m i n-s ü 1, d. i. alles dragende zuil, genaamd werd ; want het woord i r m i n betéekent zoo veel als „algemeen.quot; Misschien hebben de Saksers bij deze zuil, die het heelal draagt, aan een god of halfgod gedacht. Deze irminzuil werd vernield. Zegevierend drong Karei tot aan de Wezer door; aldaar sloot hij vrede met de Saksers , en deze moesten gijzelaars geven.

m. OVERWINNING DEE SAKSEES OP GEILO EN AUAXGIS.

Ondertusschen was Wittekind , een man uit de eersten van den stam der Westfalingers en de aanzienlijkste onder zijn volk, die vroeger naar de Noormannen gevlugt was, naar zijn Vader-

-ocr page 89-

75

land terug gekeerd en spoorde op nieuw de gemoederen der Saksers tot afval aan. Karei wist daarvan nog niets, maar hij ontving de tijding, dat de Sorben en andere Slaven, die aan de Elbe en Saaie woonden, in het naburige land der Thurin-gers waren gevallen en alles te vuur en te zwaard verwoestten. Daarom risp hij terstond zijnen kamerheer Adalgis, zijnen stalmeester Geilo en zijnen paltsgraaf Worad bijeen en droeg hun op om in het oostelijke Franken- en in het Saksenland den heirban op te roepen en op staanden voet de vermetelheid dei-roofzuchtige Slaven te tuchtigen. Zoodra deze veldheeren met hunne mannen het Saksische gebied betreden hadden, vernamen zij dat de Saksers zich op aansporing van Wittekind tot den strijd met de Franken bereidden. Diensvolgens zagen zij van hunnen togt tegen de Slaven af en trokken met hun leger Franken naar de landstreek, waar de Saksers verzameld moesten zijn. Onderweg kwam ook Die de rik, een verwant vau Karei, zich bij hen voegen.

Niet ver van Einteln, ten noorden van de Wezer en van het gebergte S u n t e 1, hadden de Saksers een legerplaats opgeslagen. Op de zuidelijke afhelling van het gebergte legerde zich Diederik met zijne legerbenden, terwijl de andere veldheeren volgens afspraak de Wezer overstaken, opdat zij des te gemakkelijker om den berg heen zouden kunnen trekken, waarna zij op de regter zijde der rivier hunne legerplaats opsloegen. Vervolgens hielden de drie veldheeren krijgsraad en gaven onder elkander de bezorgdheid te kennen dat, wanneer zij in gemeenschap met Diederik iets ondernamen, aan dezen alleen de eer der overwinning zou te beurt vallen. Daarom besloten zij, zonder zijne medewerking de Saksers aan te vallen. Hunne krijgslieden namen de wapenen in de hand en gingen op de Saksers los, niet als op een vijand, die in vaste slagorde staat, maar alsof zij een vlugtenden vijand vervolgden en op buit vlamden.\' Zonder eenige orde rukte ieder tegen de Saksers op, waarheen zijn ros hem maar wilde dragen. Zoo werd er zonder overleg aangevallen en ook zonder overleg verder gestreden; want terwijl men aan

-ocr page 90-

76

\'t vechten was, zond Wittekind eene legerafdeeling af, die de Franken afsneed, zoodat zij bijna allen sneuvelden. Zij, die vlugten konden , redden zich niet in hiinne eigene legerplaats , maar in die van Diederik, die aan de andere zijde van den berg stond. Niet slechts de manschappen waren verloren , ook twee van de veldheeren, Geilo en Adalgis , sneuvelden in het gevecht.

Zoodra koning Karei dit berigt vernam, brak hij met een sterk leger naar Saksenland op, waar allen reeds weder naar hunne woonplaatsen waren terug gekeerd. Daar liet Karei de voornaamsten des volks voor zich roepen, en ondervroeg hen naar den aanlegger van deze daad. Allen gaven eenparig de schuld aan Wittekind; doch deze was sedert lang weder naar de Noormannen gevlugt. Van de overigen echter, die op aanstoken van Wittekind aan den strijd tegen Karei deel hadden genomen , werden hem vier duizend vijf honderd uitgeleverd , en deze liet Karei al te zamen op eenen dag onthoofden. — Deze bloedige daad had plaats te Verden aan de Aller.

IV. WITTEKIND GESLAGEN.

In het volgende jaar verhief geheel Saksenland zich eenparig tegen Karei, want Wittekind ijlde overal heen door het gan-sche land en riep alle strijders op , om ter wille der vrijheid, des vaderlands, der goden en al wat hem lief en dierbaar was, nog eenmaal den strijd tegen den koning der Franken te wagen. De Oostfalingers en de Engeren rukten hem het eerst te ge-moet, en in de maand mei ontmoette Karei hen bij Detmold, in de zelfde streek, waar Herman weleer de Komeinen geslagen en vermeld had. Karei legerde zich op de hoogten ; de Sf.ksers stonden in het vlakke veld. Er werd met groote verbittering gestreden ; slechts met moeite vermogt Karei stand te houden, en hij was zoo verzwakt, dat hij eerst naar Paderborn moest terugtrekken, om bier versterkingen te bekomen. Daarop brak hij echter weder tegen het leger der Saksers op, dat niet ver van Paderborn aan de Hase gelegerd was en door Wittekind

-ocr page 91-

77

werd aangevoerd. De Franken haddén het voordeel van groo-tere ervarenheid in den krijg en betere wapenen, want velen van hen waren van ijzeren helmen en pantsers voorzien. Bij de Saksers daarentegen was dit slechts aan de voornamen vergund , want hun land was niet rijk aan ijzer. Doch meer dan op ijzer vertrouwden zij op hunne zaak en hunne liefde voor liet vaderland. Zes duizend Saksers lagen verslagen; de overigen vlugtten.

V. VOLKSVEEHAAL VAN DENquot; VTITTEKINDSBUEG.

Karei trok nu met zijn leger oostwaarts tegen den Witte-kindsburg bij Eulle op en wilde dien innemen. Doch Wittekind was listig en wist de Franken te misleiden. Deze wilden niet gaarne de hoofdmagt der Saksers in hunne versterkte legerplaats aanvallen , vooral als Wittekind, dien zij zeer vreesden , daarbij tegenwoordig was. De saksische legerplaats was namelijk in twee burgen verdeeld, in de eene bij Eulle en de andere bij Schagen , en de Franken konden nooit te weten komen , in welken burg de hoofdmagt was. Want Wittekind liet de hoefijzers verkeerd onder de pooten zijner paarden slaan en reed zoo des nachts tusschen de beide burgen heen en weder, en wanneer de Franken meenden dat de sporen der hoefslagen naar de andere zijde en naar den anderen burg voerden, kwamen zij in de verkeerde en werden met bloedige koppen naar liuis gezonden.

Daarover waren de Franken weder in groote bekommering , want het groote leger begon weldra gebrek aan leeftogt te krijgen , dewijl rondom alles verwoest was. In dezen nood verzon een priester uit Osnabruek eene list. In den burg te Schagen bevonden zich twee zusters van Wittekind, die men wel winnen kon. Men liet dus aan deze beide vrouwen zeggen, dat zij te Osnabruek heel haar leven tot aan haar uiteinde behoorlijk verpleegd zouden worden en het goed hebben, als zij eens wilden openbaren, wanneer Wittekind naar den anderen burg was weggereden. Dit kwam die vrouwen verlokkend voor, en

-ocr page 92-

78

zij beloofden, er de Franken van te zullen verwittigen. Eens op een vroegen morgen werden de Franken op den burg te Seha-gen het afgesproken teeken gewaar, waaruit hun bleek dat Wittekind was weggereden, en terstond begonnen zij dezen burg met alle magt te berennen en te bestormen. Hunne inspanningen werden eindelijk met een gelukkig gevolg bekroond, en toen Wittekind naar dezen burg reed, om te zien, hoe het daar gesteld was, ontdekte hij weldra verdachte teekenen en wendde zijn ros, om de vlugt te kiezen. De Franken, die hem in \'t oog hadden gekregen, vervolgden hem en kwamen steeds nader. Op eene plaats van den weg, dien hij 6p zijne vlugt over moest, hadden zij eene verhakking gemaakt, en daarvoor kwam Wittekind, toen de Franken hem op de hielen zaten. Zijn moedig paard heette Hans, en Wittekind sprak tot het dier :

Hensken spring aver,

Dann krigstu \'n spint haver;

Springstu nich aver,

Freten mi un di de raven.

Terstond sprong Hans er over, en Wittekind was gered. Maar hij zag, dat nu alles verloren en het voor hem niet geraden was, langer in Saksenland te blijven, waarom hij verder vlugtte en zich naar Siegfried, den koning der Denen, begaf.

VI. WITTEKIND WOEDT CHRISTEN.

Het volk der Saksers onderwierp zich echter nog altijd niet aan den magtigen Karei, maar bleef moedig strijden voor zijne vrijheid , terwijl de Franken onophoudelijk het land te vuur en te zwaard verwoestten. Endelijk evenwel begreep Karei toch dat hij met al zijne magt niet in staat was een vrij volk te doen bukken, en hij zag van het voornemen af om het geloof in Jezus Christus door menschenoifers af te dwingen. Te Paders-born hield hij een plegtigen rijksdag en behandelde hkr allen, die zich aan hem onderworpen hadden, zeer zachtmoedig en goedertieren; ook de beide saksische hertogen, Wittekind en

-ocr page 93-

79

Sn (iili

Albion, liet hij uitnoodigen en beloofde hun vrij geleide; ja hij gaf zelfs gijzelaars tot waarborg daarvan. Zoo kwam dan de held Wittekind (785) en verheugde zich, den man, tegen welken hij zoo lang- gestreden had, van aangezigt tot aangezigt te aanschouwen. Karei ontving hem met hooge eerbewijzen, reisde met hem en andere edelen van het Saksenland naar Attigny in Frankrijk en sprak hem van de leer der zaligheid zoo nadrukkelijk en verstandig, dat Wittekinds hart door hare goddelijke kracht overweldigd werd. Hij liet zicli doopen , en Karei zelf was peet. Ook Albion en vele vrijen, die tot Wittekind als hun voorbeeld opzagen , deden desgelijks.

Eene legende verhaalt intusschen van Wittekinds doop als volgt. Toen Wittekind op den anderen oever der Elbe in de nabijheid van het frankische leger stroopte, kwam het verlangen bij hem op om eens te zien, hoe de christenen hunnen hoog geroemden God vereerden. Het kersfeest genaakte; Wittekind hulde zich in bedelaarskleederen en sloop bij het eerste morgenrood in de frankische legerplaats. Onbekend ging hij dooide gelederen der krijgslieden, die zich tot de godsdienstoefening bereidden, en trad vervolgens de kerk binnen. Daar werden geen paarden of runderen geofferd, maar godvruchtig knielde Karei met al zijne grooten voor het altaar, om het sacrament te ontvangen. De wierookgeur steeg opwaarts, en de gezangen der priesters verheerlijkten den gewijden nacht, in welken de heerlijkheid des heilands zich aan de menschen openbaarde. Thans j werd Wittekind door de christelijke godsvereering zeer getroifen; zijne oogen vulden zich met tranen, en sprakeloos vouwde hij de handen. Het was hem alsof het kind Jezus op den arm dei-maagd Maria hem toewenkte en sprak: „Kom tot mij!quot; Hij I wierp zich voor het altaar op de knieën neder, en toen allen verbaasd en verwonderd hem omringden, sprak hij: „Ik ben Wittekind, de hertog der Saksers; geeft ook mij den doop, opdat ik christen worde gelijk gij!quot; Daarop omarmde Karei hem, en luid gejuich weergalmde door het frankische leger.

i

L J|

*• , ■ $.

1

.. IJl |||i|

!;:|l

i \'ijl

il

! I) ypf

|||

fi \' ■\'

/f i ui

IfMIlitll

;i pi ■HI

i\' i; \'

.1h

-ocr page 94-

80

VII. VREDE MET DE SAKSERS.

Drie en dertig jaren hadden de Saksers met Karei gestreden, toen zij eindelijk diens vredeboodschap aannamen, waarbij hun beloofd werd, dat zij in alles met de Franken gelijk gesteld zouden worden en voortaan met deze slechts één rijk onder ééne heersehappij uitmaken. Te Selz aan de Saaie (803) kwamen de gezanten uit Oostfalen, Engeren en Westfalen bijeen, om met Karei vrede te sluiten. Daarbij beloofden de Saksers , hunne goden te verzaken en Christus te belijden; aan de geestelijken zouden zij de tienden opbrengen, maar anders geene cijns en geene belastingen betalen. Aan de geboden der priesters zouden zij gehoorzamen , en even zoo de regters volgen, die de koning over hen zou aanstellen, maar de oude zeden en gewoonten der Saksers zouden in stand blijven.

Hierop bevestigde Karei die bisschopszetels, welke hij reeds in het land der Saksers had opgerigt, en stichtte er nieuwe bij. In alles waren er zeven, te weten : Osnabruek , Bremen, Paderborn, Munster, Minden, Verdenen Hildesheim. Het doops-formulier, waarmede de heidensche Saksers hunne godsdienst afzwoeren en het christelijk geloof aannamen, luidde naar een reeds door Karei Martel in 743 op eene kerkvergadering aangenomen opstel aldus:

Vraag des priesters: Forsachistu diobole? — Verzaakt gij den duivel?

Antwoord van den doopeling: Ec forsachu diobole. — Ik verzaak den duivel.

V r a a g : End allum diobol gelde? — En alle duivelsgilden ?

A n t w o o r d : End ec forsachu allum diobol gelde. — En ik verzaak alle duivelsgilden.

Vraag: End allum dioboles uercum ? — En alle duivelswerken ?

Antwoord: End ec forsachu allum dioboles uercum end uordum. Thuner ende Wodan ende Saxnóte ende allum them unholdum the hiro genótas sint. — En ik verzaak alle duivels-

-ocr page 95-

81

werken en woorden, Thunar (Thor) en Wodan en alle booze o-eesten, die hunne deelgenooten zijn.

Vraag: Gelobistu in Got almechtigun\'fadaer? — Gelooft gij in God den almagtigen vader ?

Antwoord: Ec gelóbu in Got almechtigun fadaer. — Ik geloof in God den almagtigen vader.

Vraag: Gelobistu in Crist, Godes suno? — Gelooft gij in Christus, Gods zoon?

Antwoord: Ec gelóbu in Crist, Godes suno. — Ik geloof in Christus , God zoon.

Vraag: Gelobistu in halogan Gast? — Gelooft gij in den heiligen Geest ?

Antwoord; Ec gelóbu in halogan Gast. — Ik geloof in den heiligen Geest.

Er werden nu vele kerken en kloosters in het land der Sak-sers gesticht, en een nieuwe tijd brak voor het volk aan. De Saksers erkenden nu wel de voortreffelijkheid van den God der christenen , maar konden toch vele heidensche begrippen en gebruiken nog niet zoo spoedig afleggen. Wat de joden en de eerste christenen van den duivel geloofd hadden, werd nu bij de Duischers op Wodan, Thor, en andere heidensche godheden toegepast.

Aan een leven na den dood hadden de Saksers reeds vroeger geloofd; maar dat alle menschen de onsterfelijkheid deelachtig zouden worden, wilde er moeijelijk bij hen in. Zij hielden het er voor, dat het alleen aan de dapperen , die in den strijd gesneuveld waren , toekwam, in het gewest der zaligen (Walhalla) te komen en daar een vrolijk leven te leiden.

KAEEL VEROVERT DE SPAANSCHE MARK.

De rijksdag te Paderborn, die in den eersten tijd van den oorlog der Saksers gehouden werd, was een der schitterendste. Er verscheen aldaar in Kareis hoflegerplaats een zonderling gezantschap, dat, zoo wel bij de Franken als bij de Saksers, buitengemeen veel opzien baarde. Het waren Arabieren uit Spanje, met

GEUBE. g. D. M. 6

i

i\' 11 I i;. V

l i! ijl 1\' 1:1 fel

1

. . ifi-i gt;.! 4,

4t|1i

:||| «j

it

! n \' Ir 1 -apl

Ij

n- ■ I

é ; , ! \'i

9|:N|

m I:

• I ■\' ï

I I l 11

tütêm

-ocr page 96-

82

lange kaftans en bont versierde turbans op het hoofd. Zij waren door twee onderdrukte spaansehe emirs naar Paderborn gezonden , ten einde den magtigen koning der Franken, wiens roem reeds over de Pyreneën gedrongen was , tegen hun onderdruk ker, den kalif Abderrahman, om hulp te smeeken. De vrome Karei zag in het verzoek der vorsten uit het mohammedaansche Spanje de roeping des Hemels om het kruis van Christus ook aldaar op te rigten. Ook hadden de bekoorlijke provinciën aan gene zijde der Pyreneën veel aanlokkelijks. Hij brak dei-halve in \'t jaar 778 aan de spits van zijn leger op en kwam met onbeschrijfelijke inspanning over de steile Pyreneën Spanje aan. De Mo oren werden geslagen; Karei maakte zich in korten tijd van de belangrijkste steden en van do gelieele landstreek van het gebergte tot aan de Ebro meester. Deze landstreek werd van nu af onder den naam van „Spaansehe Markquot; een deel van het Frankische rijk.

Op den terugweg was koning Karei niet zoo gelukkig. Ter wijl zijn leger met buit beladen, verstrooid, langzaam , in onbezorgde vrolijkheid door de enge bergkloven van Eonceval voorttrok, werd de achterhoede door de in hinderlaag liggende bergbewoners overvallen, beroofd en grootendeels neergesabeld. Hier sneuvelde, benevens vele andere helden, de beroemde markgraaf Roland, de lieveling des konings , een held, van wiens wonderbare wapenen en daden allerwege verhaald en gezongen werd. (Vergel. afdeeling IV.)

IX. KARELS OORLOG MET THASS1LO , HERTOG VAX BEIJEREX.

In Beijeren , over \'t welk de frankische koningen zich reed lang de heerschappij aanmatigden, heerschte ten tijde van Wit tekind Thassilo, de schoonzoon vanDesiderius. Deze wild den koning der Franken niet als zijn meester erkennen. Doel toen Karei drie legers tegen den stoutmoedigen hertog lie aanrukken, bukte deze vooi de overmagt en onderwierp ziel aan de genade des overwinnaars. Karei gedroeg zich grootmoe

-ocr page 97-

83

dig; hij vergenoegde zich met hem op nieuw tot huldiging te dwingen en liet hem zijn hertogdom behouden.

Nogtans was deze huldiging slechts schijnbaar en het werk van den oogenblikkelijken nood. Want Thassilo stond op nieuw op en hitste zelfs de Avaren, een volk in Hongarije, tot herhaalde invallen in het Frankische gebied aan. Nu ontstak Kareis toorn tegen den ondankbare; hij nam hem bij Ingelheim aan den Eijn gevangen en veroordeelde hem, gelijk vroeger De-siderius 1), tot levenslange gevangenschap .in het klooster; want destijds dienden de kloosters tevens tot staatsgevangenissen. Ook de roofzuchtige Avaren bleven niet ongestraft. Karei tastte hen in hun eigen land aan, overwon hen in \'t jaar 799 en vereenigde hun land tot aan gene zijde der Eaab onder den naam van „Oostelijke markquot; met zijn rijk. Ten einde den toevoer van krijgsbehoeften gemakkelijker te maken, had de om-zigtige Karei het plan gevormd om den Eijn met den Donau te verbinden. Eeeds was een kanaal geopend ; doch natuurlijke hindernissen en onbekwaamheid der arbeiders deden hem dat werk staken, en na het einde van den oorlog werd het geheel vergeten. Eerst in onzen tijd is dit grootsche plan weder opgevat.

X. KAKEL, HOMEINSCH KEIZEE.

Paus Hadrianus, de vriend van Karei, was gestorven. Op hem volgde Leo III. Toen deze naar oud gebruik op St. Gre-gorius-dag van het jaar 799 in plegtigen optogt irt het Late-raan naar de St. Laurenskerk trok, werd hij eensklaps door j een hoop kwalijk gezinden overvallen, van het paard gerukt en mishandeld. Ter naauwernood werd hij door den toesnellenden hertog van Spoleto gered. Dien ten gevolge wendde Leo I zich tot den magtigen koning der Franken , en begaf zich zelf met een schitterend gevolg naar Paderborn, waar Karei juist zijn hoflegerplaats hield. De koning ontving naar zijne vrome

r t

5 ; 11 ■ \' \\i

... ill I

11

.,1 tl-i I

11 Mi

, yirwl

filllr

m

IK i!li

\'Mil

i j 1 m

lal

j1

■ ■n

»• ;

! I

ÉIÉÉI

1

Zie Schetsen cu Tafcr. uit de gesch, der Oudh., bl. 454 euz.

6*

-ocr page 98-

84

wijze den heiligen vader met alle eerbewijzen en beloofde hem, spoedig naar Eome te zullen komen, om de misdadigers te straffen. Vervolgens liet hij den paus op de plegtstatigste wijze naar Home terug geleiden. Tegen het einde van het jaar kwam Karei, overeeenkomstig zijne belofte , zelf te Eome vierschaar houden, doch op voorbede van den paus deed hij zulks met groote zachtheid. De rust was spoedig hersteld, en ongestoord kon men nu het kersfeest vieren, waarmede destijds het nieuwe jaar en ditmaal nog daarbij eene nieuwe eeuw begon.

De aanwezigheid van den magtigen koning der Franken en van de vele grooten des rijks verhoogde den luister van het feest en lokte eene onbeschrijfelijke menigte menschen naar Eome. Met een purperen mantel bekleed , knielde Karei voorde trappen van het hoogaltaar neder, om zijn gebed te ver-rigten. Vervolgens, toen hij weder wilde opstaan en zich verwijderen , zie , daar naderde hem de heilige vader, in \'t pleg-tig gevolg der hooge geestelijkheid, met eene gouden kroon in de hand, die hij den koning der Franken op het hoofd plaatste, waarna hij hem zalfde tot romeins ch keizer en wereldlijk opperheer der geheele katholieke christenheid. Het volk juichte en riep driemaal luidkeels; „Leven en overwinning aan Karei den grooten, den door God gekroonden vredebrengenden keizer der Eomeinen!quot; Terstond

O o

schalden de trompetten en bazuinen; vrolijke muziek klonk onder het duizendvoudig jubelen des volks, en een talrijk koor hief den krooningszang aan. Onophoudelijke verrukking doorstroomde de stad. Sedert 334 jaren, nadat Odoaker Eomulus Augustulus onttroond had, had deze waardigheid gerust. Gelijk toenmaals het keizerschap der Eomeinen door Duitschers vernietigd was, werd het thans door Duitschers op nieuw weder gegrondvest, tot groot verdriet der oost-romeinsche keizers , die men thans slechts de „griekschequot; noemde.

-ocr page 99-

83

XI. INSTELLINGEN VAN KAKEL DEN GROOTEN.

Was Karei slechts veroveraar geweest, dan was zijne verdienste slechts gering geweest; want reeds spoedig na zijnen dood viel het uit zoo veel vreemdsoortige deelen\' zamengesteld gebouw van zijn rijk uiteen. Maar zijn streven was op iets hoo-gers en edelers gerigt. Wien hij als held met het zwaard onderworpen had , dien wilde hij als vader met liefde gelukkig maken. Onophoudelijk trachtte hij zijne volken te beschaven, hen wijzer en beter te maken. De geleerdste mannen van zijnen tijd leefden aan zijn hof en genoten zijne achting en vriendschap. Door hen stichtte hij vele scholen, ten einde aan de jeugd eene betere opvoeding te verschaffen. Verworvene kundigheden, die ook de armsten adelen, achtte hij hooger dan aangeërfde voor-regten van stand. Eens bevond hij bij een schoolbezoek, dat de zonen der voornamen bij de geringe burgerkinderen in vlijt en zedigheid ver onder deden. Toen liet hij de vlijtigen aan zijne regter, de luijen aan zijne linker hand plaatsen en sprak tot de arme , maar bekwame kinderen aldus : „Ik dank u , mijne kinderen ; gij hebt naar mijnen wensch gehandeld, tot uwe eer en duurzaam voordeel!quot; Toornig wendde hij zich hierop tot de voornamen : „Maar gij , zonen der edelen , gij fijne pronkertjes , die traag en mijne bevelen ongehoorzaam geweest zijt pocht maar niet op den stand en rijkdom uwer ouders. Als gij u niet betert, zal geen uwer mij weder onder de oogen komen. Bij den koning des hemels , ik zal u straffen gelijk gij \'t verdient.quot;

Met hart en ziel was hij aan het christendom verkleefd. Derhalve zorgde hij voor goede geestelijken en verbood hun alles wat niet met de waardigheid van hunne roeping strookte, b. v. het jagen. De kloosters werden rijkelijk begiftigd, want zij bevorderden binnen hunne stille muren niet slechts de beschaving der jeugd , maar zorgden ook voor armen en kranken en namen vreemdelingen gastvrij op, naardien men in dien tijd nog weinig van herbergen wist. De kerken werden met beelden van

-ocr page 100-

86

heiligen versierd, want Karei zag het gaarne , dat het leven en de daden van vrome mannen bij de christelijke gemeente in godvruchtig aandenken werden gehouden. Tot verheerlijking der godsdienstoefeningen liet hij zangers en orgelspelers uit Italië komen, dewijl zijne Franken eene zoo ruwe en onbevallige stem hadden, dat hun gezang schier op het gebrul van wilde dieren geleek. De fijner beschaafde Komeinen vergeleken deze toonen bij het voortrollen van een vrachtwagen overeen hobbeligen weg.

Ook beminde Karei zijne moedertaal boven alles. Hij werkte zelf met de geleerden van zijn hof aan eene duitsche spraakkunst en liet ook eene verzameling van oud-duitsche heldenliederen bijeen brengen. Van die eervolle pogingen des grooten mans is ons evenwel niets overgebleven dan die duitsche namen, die hij aan de winden en maanden gaf.

Bijzondere zorgvuldigheid legde hij aan de regtspleging ten koste. Voor deze benoemde hij aanzienlijke, door ouderdom en ervaring uitstekende mannen, die den naam van „gravenquot; d. i. graauwen of grijzen droegen, omdat zij uit hoofde van hunnen ouderdom meestal reeds grijs haar hadden. Deze graven hadden verschillende namen. Zij die over een gouw werden aangesteld heetten gouw graven, over een burg b u r g g r a-veu. De paltsgraven waren over de keizerlijke kasteelen gesteld ; want palts beteekent zoo veel als kasteel of slot. De markgraven bewaakten de marken of grenzen. Daarbij deed hij vlijtig onderzoek, of zijne dienaars hunne pligten ook getrouw vervulden. Te dien einde zond hij van tijd tot tijd nog bijzondere zend graven naar de provinciën en liet zich van alles het naauwkeurigste berigt bezorgen. En om de grocte aangelegenheden des rijks vergat hij de geringere van zijn huis niet. Hij zag met de grootste naauwkeurigheid de rekeningen zijner zaakwaarnemers over inkomsten en uitgaven na. Er is nog eene schriftelijke aanwijzing overgebleven , die hij voor deze ontworpen had. Hij bepaalde daarin zeer naauwkeurig, als een ervaren landbouwer, hoe boter en kaas, honig en was bereid, hoe

-ocr page 101-

87

im

de wijn geperst, het bier gebrouwen , hoe veel eijeren, hoe veel ganzen, eenden en hoenders verkocht moesten worden.

Eene bepaalde residentie had Karei niet. Hij was nu hier , dan daar; het liefst evenwel te Aken — uit hoofde der warme baden, die reeds door de Eomeinen op prijs werden gesteld — voorts te Ingelheim bij Ments, en eindelijk te Nijmegen, welk laatste een zijner meest geliefkoosde verblijfplaatsen was.

lij:

lil

i

;ii 11

XI. KAKELS PERSOONLIJKHEID.

Karei was een echte Duitscher, van sterken ligchaamsbouw. Hij had een hoog, helder voorhoofd en bijzonder groote, levendige oogen, die den vriend en hulpzoekenden vriendelijk, maar den vijand vreeselijk tegen blonken. In zijne vroege jeugd oefende hij naar frankisch gebruik zijne ligchaamskracht en werd de beste kampvechter en bekwaamste zwemmer. Zijn voornaamste vermaak was de jagt, en wanneer hij voor zijn hof een feest wilde bereiden, werd er eene drijfjagt aangelegd. Alles zette zich te paard , en dan ging het onder den klank der horens en het gebas van ontelbare honden in luidruchtig gejubel naar buiten in de uitgestrektheid der bosschen , waar dan de jonge edelen elkander door moed en bekwaamheid zochten te overtreffen. Karei, midden onder hen, waagde menigen heeten strijd met everzwijnen, beeren en wilde ossen. Karei had een sterken eetlust, maar hield noch in het eten noch in het drinken van weelde en overdaad. Een gebraad van wild, door den jager aan het spit op de tafel gebragt, was zijne geliefkoosde spijs. De dronkenschap was bij hem gehaat. Des nachts stond hij dikwerf van zijne legerstede op , nam schrijftafel en griffel, om zich in de vroeger verzuimde schrijfkunst te oefenen; of hij bad , of ging ook wel aan \'t venster staan , om met eerbied en bewondering van den Schepper den sterrenhemel te beschouwen. De eenvoudige levenswijze verhoogde ongemeen de kracht van den geduchten man, en hij was, zegt men, zoo sterk , dat hij een geharnasten man als een kind optilde.

f 1

11

41 }

ili i

1

: | fi ■lil

fill i ■\'

mm

■;m j ij

i/jf- 11 f ri ïj;

I; til

.1 |j il! l|

m

-ocr page 102-

88

Zijne kleeding was naar duitsehe manier eenvoudig. Zijn gewaad was door de vlijtige hand zijner gemalin zelve vervaardigd ; hij droeg kousen en een linnen broek, met gekleurde banden kruiswijs omwonden , een linnen buis en daarover een eenvoudigen rok met zijden strook , zeldzamer een vierkanten mantel van witte of groene kleur. Maar steeds hing een groot zwaard met gouden gevest en draagband aan zijne zijde. Slechts op rijksdagen en hooge feesten verscheen hij in volle koninklijke praal, met een gouden, van diamanten vonkelende kroon op het hoofd, bekleed met een laag neerhangenden tabbaard, die met gouden bijen bezet was.

XIII. KARELS DOOD EX BEGRAFENIS.

Karei genoot tot in zijn hoogsten ouderdom eene duurzame gezondheid. Eerst vier jaren voor zijnen dood begon deze te wankelen; bestendige aanvallen van koorts verzwakten zijn ligchaam. Smartelijk trof hem de dood zijner beide lievelingszonen, Pepijn en Karei, die in den tijd van een jaar stierven. Nogtans ging hij voort, voor het welzijn van zijn rijk te zorgen. Toen hij zich al meer en meer voelde verzwakken, ontbood hij zijn eenigen nog levenden zoon L o d e w ij k, sedert eenigen tijd koning van Aquitanië, tot een rijksvergadering te Aken (813). Hier vermaande hij de grooten van zijn rijk om aan ïijn zoon trouw tebetoonen, en vroeg hun vervolgens, van den grootsten tot den kleinsten, of zij er in toestemden , dat hij hem het mederegentschap en den keizerlijken titel opdroeg? Eenparig antwoordden zij: „Het is Gods wil.quot;

Hierop begaf Karei zich op den eerstvolgenden zondag met zijnen zoon naar de door hem gebouwde Maria-kerk te Aken. Hij zelf verscheen in koninklijke staatsie met de kroon op het hoofd; eene tweede kroon liet hij op het altaar neerleggen. Voor dit altaar baden beiden , vader en zoon , langen tijd in stille aandacht. Daarop stond de eerwaardige grijsaard op en vermaande, ten aanhooren van heel het volk , zijnen zoon om „God te vreezen en lief te hebben, zijne geboden in alles te

-ocr page 103-

85

houden, voor de kerk te zorgen en haar tegen boosdoeners te beschermen, zich jegens zijne verwanten altijd goedgunstig te betoonen , de priesters als vaders te eeren, de hem toevertrouwde volken als kinderen lief te hebben, getrouwe en godvruchtige ambtenaars aan te stellen, en niemand zonder voldoende reden van de leenen en eerambten te ontzetten.quot; Na deze vermaningen vroeg Karei zijnen zoon, of hij besloten had , dit alles na te komen? „Gaarne,quot; antwoordde Lodewijk, „gaarne wil ik gehoorzamen en met Gods wil volbrengen wat gij mij geboden hebt.quot; Nu beval Karei hem — als \'t ware ten teeken, dat hij het rijk slechts aan God te danken had — de kroon met eigene handen van het altaar te nemen en zich op het hoofd te zetten. Lodewijk deed wat hem geboden was.

Na geëindigde plegtigheid keerde Karei, op zijn zoon leunende, naar den keizerlijken burg terug. Hier gaf hij hem prachtige geschenken en liet hem vervolgens weer naar Aquitanië vertrekken. Bij het afscheid omarmden en kusten beiden elkander en weenden tranen van liefde en weemoed. Zij gevoelden dat dit hun laatste bijeenzijn was, en zij zagen elkander nimmer weder.

In januarij des volgenden jaars (814) werd Karei nogmaals door eene hevige koorts aangetast. Hij wilde zich, zoo als hij gewoon was, door vasten genezen ; maar vergeefs ; zijn ligchaam was reeds te zeer verzwakt; het ging zijne ontbinding te ge-moet. Op den zevenden dag zijner ziekte liet hij een vertrouwde, den bisschop Hildbald, bij zich komen, om van hem het heilige avondmaal te ontvangen. Nadat hij het gebruikt had , nam zijne zwakheid toe. Den volgenden morgen merkte hij dat zijn einde nabij was. Nu maakte hij het teeken van het kruis, vouwde zijne handen over de borst, sloot zijne oogen en bad met zachte stem: „Heer! In uwe handen beveel ik mijnen geest !quot; En zoo ontsliep hij, zacht en kalm, op den 38sten januarij 814, na zijn leven tot 73 jaren gebragt, en zijn groot rijk 47 jaren roemvol geregeerd te hebben.

-ocr page 104-

90

V. LODEWIJK DE VROME EN ZIJNE ZONEN.

X. LODEWIJKS VROOMHEID.

Vol goeden wil nam Lode wijk, de zoon van Karei den grooten, de heerschappij in handen. Maar met den goeden wil alleen is de pligt en het ambt van een vorst nog niet vervuld; er moet verstand bij komen, om altijd het regte in te zien, en kracht, om het door te zetten. Juist deze beide eigenschappen ontbraken den zoon van Karei den grooten; en zoo werd LodeWijks zachtheid tot zwakheid, en strekte deze zwakheid hem zeiven zoo wel als het volk ten verderve.

Bij het begin zijner regering schrikte hij, toen van alle kanten de noodkreet des volks hem in de ooren klonk. Er kwamen vele klagten over de ontrouw der beambten in hun bestuur ! Zoo had zelfs de geduchte heerscher Karei het volk niet altijd voor de verdrukkingen der grooten weten te beschermen — hoe veel minder vermogt dit een zwak vorst als Lo-dewijk. Nogtans spande deze in \'t begin al zijne krachten in ; hij zond mannen, die hij voor regtschapen hield, als zendelingen naar alle marken des rijks, om het regt te handhaven; hij gaf ook aan de edelen en vrijen der Saksers de erfgoederen terug, die zijn vader hun ontnomen had. Bovendien verzekerde hij de grenzen van het rijk tegen de Slavische volken en tegen de Basken in Spanje, terwijl hij ook den hertog van Benevento tot gehoorzaamheid dwong.

Over Italië heerschte Bernard, de zoon van zijn overleden broeder Pepijn, onder de opperheerschappij van Lodewijk, en te Eome, na den dood van Leo, paus Stephanus IV. Deze liet, toen hij den pauselijken stoel beklom, zijn volk aan den keizer trouw zweren en kwam hem in \'t jaar 816 zelf in Duicsch-land bezoeken, ten einde hem te huldigen. Hij leerde toen met groote vreugde Lodewijks vroomheid en nederigheid ken-

-ocr page 105-

91

nen en overreedde hem om zich de keizerskroon , die hij vroeger zelf van het altaar had genomen, nu door de hand van den paus op het hoofd te laten plaatsen. Dit geschiedde te Rheims. Van dien tijd af gaf Lodewijk zich meer en meer aan den invloed der geestelijkheid over, en weldra haakte hij naar een afgezonderd, vroom, bespiegelend leven, vooral toen hij op eene wonderbare wijze uit een levensgevaar was gered. Want toen hij eens na voleindigde godsdienstoefening uit de kerk naar huis wilde terug keeren en over een houten galerij ging, waarvan de balken vergaan waren, viel deze in, waardoor meer dan twintig mensohen mede naar beneden stortten — ook de keizer, die echter geen letsel bekwam. Om zich nu ongestoorder met godsdienstige dingen te kunnen bezig houden, verdeelde hij het rijk onder zijne drie zonen, Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Aan Lotharius, den oudsten, gaf hij den keizerstitel en nam hem tot mederegent aan; aan Pepijn verleende hij de heerschappij over Aquitanië en aan Lodewijk de regering over Beijeren, de Avarische en Slavische landen.

Daardoor wekte hij overal misnoegen, vooral in Italië. Aldaar spiegelden de bisschoppenen grooten koning Bernard voor, hoe erg zijn oom, de keizer, hem bij de verdeeling bedrogen had, en spoorden hem aan om zich van het Frankische rijk onafhankelijk te maken. Doch eer Bernard tot zulk een doel zijne legermagt had verzameld, trok Lodewijk tegen hem op, en nu verlieten de Italianen lafhartig hunnen koning, waarop deze vol vertrouwen zijn oom te voet viel en zich aan diens genade overgaf. Maar Irmengard, de keizerin, wilde Italië aan een van hare zonen bezorgen en wist haren gemaal te overreden om zijnen neef de oogen te laten uitsteken. Toen deze nu drie dagen na het verlies van zijn gezigt aan de gevolgen der mishandeling overleed, had Lodewijk rust nog duur meer, en daar de keizerin kort daarna stierf, sidderde hij voor het strafgerigt van God. Thans schonk hij met volle handen giften aan de kerk en aan de armen, ten einde Gods barmhartigheid voor zijne zonden te verwerven. Aan zijnen zoon Lotharius gaf

-ocr page 106-

92

hij het koningrijk Italië, \'t welk de gestorven Bernard tot dus ver bestuurd had.

H. DE STEIJD MET DE ZONEN.

Hoe boetvaardig de keizerlijke weduwnaar nu ook was, wederstond hij toch zijne lusten niet, en liet hij weldra de oogen gaan over de schoonste vrouwen van zijn rijk. Het best beviel hem Judith, de dochter van Welf, uit een adellijk geslacht, dat in Zwaben en Beijeren zeer rijk in goederen was. En hij nam de schoone Judith tot gemalin. Deze had hem weldra zoo zeer in hare magt, dat hij om harentwil alles deed wat zij verlangde. Slechts aan haar en aan de geestelijkheid hingen al zijne gedachten, en daardoor vergat hij zijn wereldrijk rijk. Nu merkten de volken, die aan de grenzen woonden, dat het zwaard van Karei den grooten in de scheede roestte, en stormden zij van alle kanten op het rijk aan. De Noormannen kruisten op de kusten der Nederlanden, in \'t zuiden stroopten de Arabieren met moord en brand door de Spaansche mark, en in \'t oosten dreigden de Slaven. Te gelijker tijd onderdrukten en mishandelden binnen \'s lands de graven en edelen het volk, trokken het land aan zich, dwongen tollen voor zich zeiven af, sloegen eigene munt en deden alsof zij meesters waren, en er geen koning en keizer meer boven hen was. Bij zoodanige willekeur kwam iedereen op de gedachte om zich zeiven regt te verschaiïen; het land was vol roof en woest geweld. Doch de keizer greep niet naar het zwaard, maar zocht den toorn van God door boete en gebed te verzoenen.

In het jaar 823 had zijne tweede gemalin hem een zoon geschonken, Karei (de kale bijgenaamd), dien hij nu boven alles beminde, en Judith overreedde hem om, ten behoeve van haar zoontje, de deeling tusschen de drie zonen uit het eerste huwelijk omver te werpen. Daarover vergramden de drie broeders Lotharius, Pepijn en Lodewijk, en vergaten dat hij, die hun regt wilde buigen, hun vader was. Zij trokken als vijanden tegen hem op; het volk ontstelde over de euveldaad, maar de

-ocr page 107-

93

grooten juichten in stilte. De keizer bragt ook een leger op de been, maar de zonen wisten het van hem afvallig te maken, en toen hij den strijd wilde beginnen, liepen al zijne troepen tot de zonen over, die hunnen vader gevangen namen. Nu werd Judith in een klooster gestoken , en Lotharius, de roekelooste der broeders, gaf zijnen vader aan de geestelijken over, opdat zij hem zouden overreden om van het rijk afstand te doen en monnik te worden. Maar de geestelijken bedachten, hoe zeer de keizer hnn altijd genegen was geweest en het ook voortaan zou zijn; daarom bewogen zij de harten der twee andere broeders, Pepijn en Lodewijk, en maakten ook het medelijden des volks voor den ongelnkkigen keizer gaande, en zoo kwam deze weder op den troon. Nu verbande hij Lotharius van voor zijn aangezigt naar Italië, en gunde hem wel dit rijk, maar niet langer den titel van keizer.

Doch de nood had hem niet verstandig gemaakt, en de liefde tot zijn jongsten zoon Karei verleidde hem weldra weder tot nieuwe ongeregtigheid tegen Pepijn en Lodewijk; hij deelde hunne rijken, ten einde aan Karei een gebied te kunnen geven. Om die reden vereenigden Pepijn en Lodewijk zich nu plotseling weder met Lotharius, en paus Gregorius IV heiligde het verbond. Bij Colmar wachtten de drie vijandelijke zonen hunnen vader, keizer Lodewijk , op. Deze stond intusschen met zijn leger bij Worms. Daar kwam de paus, ten einde den vader te overreden om zich aan zijne zonen te onderwerpen. Tevens verlieten hem trouweloos al zijne krijgslieden, op weinigen na, die nog eer en geweten bezaten. Tot deze sprak hij in zijn bitter harteleed: „Waarom vertoeft gij nog bij mij oud en verlaten man ? O, gaat tot de gelukkigen , opdat uwe trouw u niet ten verderve strekke!quot; Daarop ging hij zelf tot zijne zonen over, die hem weder gevangen namen. Dit geschiedde op een veld in den Elsas, niet ver van Thann, dat ter eeuwige gedachtenis van de ontrouw het „leugenveldquot; genaamd wordt. De snoode Lotharius voerde ziju vader naar Soissons en sloot hem daar weder in een klooster op. Daar bezochten nu op

-ocr page 108-

94

Lotharius\' bevel vele geestelijken den diepgebogen keizer en be-stormden dag en nacht zijn zwak geweten en zijn zwak verstand zoo lang, totdat hij eindelijk zicli ootmoedig naar den wil zijns zoons voegde.

In het gewaad eens boetelings trad hij in de kerk, knielde aldaar op een haren zak en las ouder heete tranen voor heel het volk eene lijst zijner zonden af. Hierop werd hij van zijne wapenrusting ontbloot, en opdat hij de heerschappij geheel en al zou verliezen , wilde Lotharius hem zelfs het hoofdhaar laten scheren en hem tot monnik maken. Nu scheen de schaamte nog eenmaal in den vernederden keizer te ontgloeijen, en gaf de liefde voor zijn zoon Karei, om wiens wil hij dit alles geleden had, hem kracht om zich tegen dit oogmerk te verzetten. Ook vreesden zijne twee andere zonen, Lodewijk en Pepijn, dat hun .broeder Lotharius, wanneer zijn doel bereikt was, zich de alWnheerschappij zou willen aanmatigen; want zij kenden zijn trouweloos gemoed. Daarom kwamen zij thans tot redding van hun vader op, en het volk, over Lotharius\' snoodheid verontwaardigd, stond hen bij. Zoo werd de oude keizer andermaal bevrijd en meester in het rijk.

Doch zijn eerste werk was nogmaals — het rijk wederom te verdeelen ; en hierbij dacht de dwaze grijsaard niet aan de Arabieren en Noormannen, niet aan de trouwelooze zendgra-ven, die het volk onderdrukten , in plaats van het tegen de verdrukkingen der grooten te beschermen. Hij dacht er niet aan, hoe de geestelijke magt de wereldlijke over het hoofd groeide , maar bevrijdde veeleer de goederen der geestelijkheid van alle lasten en stond ook aan de geestelijkheid eene eigene regtspleging toe. Daarvoor ontving hij den bijnaam van den „vromen;quot; maar Karei de groote , die ook vroom was, had zijn regt toch beter gehandhaafd.

In \'t jaar 838 stierf Lodewijks zoon Pepijn. Nu wilde de keizer, door zijne gemalin verleid, tussehen Lotharius, wien hij alles vergeven had, en zijn lieveling Karei deelen; Pepijns zonen zouden uitgesloten zijn, en Lodewijk, de zoon, alleen

-ocr page 109-

95

Beijeren bekomen. Maar de Aquitaniërs verhieven zich voor den zoon huns gestorven konings Pepijn, en Lodewijk trok tegen zijn vader te veld (840). Nu werd de oude keizer eensklaps ongesteld en stierf op een eiland in den Eijn, Ingelheim, zoo beklagelijk als hij geleefd had. In zijne ijlhoofdigheid meende hij den boozen vijand voor zijn sterfbed te zien en wilde hem wegjagen. De booze vijand was echter de tweed ragt, die bij zijn lijk den vloek der onmagt over zijn geslacht uitgoot, omdat hij land en volk als een stuk akkerland verbrokkelde en zelf niet wist te regeren.

III. DE STRIJD DER BROEDERS.

Na den dood van Lodewijk den vromen kwam de trouweloosheid van Lotharius eerst regt aan \'t licht, en diens broeder Karei zag in , dat Lotharius het met hem even ioo quot; \'sch meende als met zijn anderen broeder Lodewijk, die „de Uait-scherquot; genoemd werd. Lotharius wilde, omdat hij den titel van keizer droeg, ook al de landen van wijlen Karei den groo-ten bezitten. Daarom verbonden de broeders Karei en Lodewijk zich nu tegen Lotharius, terwijl deze met zijn neef, den jongen Pepijn van Aquitanië, een verbond van vriendschap sloot. Zoo stonden de koningen van een bloed vijandelijk tegen elkander over. Bij Fontenaille, in \'t jaar 841, werd een groote slag geleverd, waarin 40 000 menschen voor de booze hartstogten der koningen hun leven moesten laten. Lotharius werd geslagen, maar vlugtte naar Duitschlaud, \'t welk Lodewijk beheerschte, om dezen in zijn eigen rijk ten verderve te brengen. Tot dekmantel zijner boosheid misbruikte Lotharius de vrijheidszucht van het Saksische volk en verklaarde, dat alle adellijken daar te lande geene goederen meer zouden hebben, en de vrijen en vrijgelatenen, die ten tijde van Karei den grooten meestal dienstbare lieden geworden waren, hunne oude regten thans weer zouden bekomen. In uitgelatene vreugde stonden deze nu op , en er werd een groot verbond gesloten , het verbond der „Stel-üugers,quot; d. i. der herstellers der oude saksische staatsregeling

-ocr page 110-

96

en der onafhankelijkheid van de Franken. Zij verdreven nu de christelijke priesters, die wegens de tienden bij hen gehaat waren, en ook vele adellijken. Daarover werden de bisschoppen en de adel Lotharius vijandig, want deze hield het met het volk, en zoo gingen zij van zijne partij tot zijne broeders Karei en Lodewijk over. Deze beiden kwamen met hunne legers bij Straatsburg bij elkander; de Duitschers, onder Lodewijk, stonden op den regter oever van den Eijnstroom, de West-Franken, onder Karei den kalen, op den linker oever, en de vorsten en volken zwoeren elkander beurtelings een eed van bondgenootschap tot den strijd tegen keizer Lotharius. Toen deze nu begreep , dat hij tegen zulk een vereenigde magt niet bestand was, verzocht hij om vrede. Om dezen te verkrijgen, verliet en verried thans de eerlooze het Saksische volk. Nu brak koning Lodewijk tegen dit volk op, en fluks trokken de adellijken vrolijk met hem , om de vrijen weder te onderdrukken. Ongelukkig slaagde ook hunne overmagt in haar doel, en Lodewijk ging met onmenschelijke strengheid tegen de overwonnenen te werk. Honderd en veertig van de Stellingers werden ter dood gebragt, vele anderen wreedaardig verminkt. Zoo boetten zij er voor, dat zij, op eens vorsten woord vertrouwende , ondernomen hadden, hunne oude staatsregeling en onafhankelijkheid te herstellen.

IV. HET VEEDHAG TE VERDUN.

Nu eerst vereenigden Lodewijk en Karei zich met Lotharius tot den vrede, en in de stad Verdun sloten zij in 843 een ver-deelingsverdrag. Lodewijk kreeg alle landen ter regter zijde van den Kijnstroom, waar dnitsch gesproken werd, maar wegens den goeden wijn ook de steden Ments, Spiers en Worms met haar gebied aan de linker zijde van den Eijn, en dat alles als een eigen, souverein koningrijk. De landen op den anderen oever van den Eijn, namelijk Bourgondië en de Nederlanden, en daarbij Italië met de keizerlijke waardigheid, ontving Lo-

-ocr page 111-

97

tharius, terwijl het West-Frankische land, dat achter het rijk van Lotharius lag, ten deel viel aan Karei, die de kale heette , en wiens rijk, tusschen Ehóne, Saone, Maas en Schelde, de Middellandsche zee en de Pyreneën besloten , later Frankrijk werd genoemd. Sedert scheidden zich de Duitschers van de West-franken (Franschen) meer en meer af, en Duitschland ging zijn eigen weg.

:iifc ï

51

iii Ui m

^ 1 •! 1

li itl

? 1:1

1

U\'i.

VI. ANGELSAKSEES EN NOORMANNEN.

1. AI.FKEU DE GROOTE. ZIJNE JEUGD.

Egbert, die het eerst alle koningrijken van Engeland onder zijne heerschappij vereenigde, had twee zonen, van welke Ethel-stan tot koning en Ethehvolf voor de kerk werd opgevoed, ïoen echter de oudste broeder stierf, moest de zachtzinnige en vredelievende Ethelwolf toch de regering op zich nemen. Hij had bij zijne vrouw Osburga vijf zonen, van welke de jongste de lieveling van beide ouders was. Zijn naam was Alfred, en hij was in het jaar 849 geboren. Daar Ethelwolf den knaap om diens heerlijke gaven naar ligchaam en ziel boven alles beminde, was hij er op bedacht om hem reeds in den teederen leeftijd die zegening te bezorgen, welke men destijds, toen Karei de groote zich door den paus te Eome tot keizer had laten kroonen, boven alles schatte, namelijk de zalving dooiden paus. Met den nog pas vijtjarigen knaap voer de vader over de zee en trok met hem verder over de Alpen naar Eome. Daar vond de paus Leo groot behagen in den veelbe-, lovenden knaap, dien hij op verzoek zijns vaders zalfde en kroonde.

Vervolgens keerde Ethelwolf met zijnen zoon weder huiswaarts en vertoefde op de terugreis een geruimen tijd aan het hof van Karei den kalen in Frankrijk. Hij huwde ten tweeden male met diens dochter Judith en nam deze mede naar

GKÜBE. G, D. M. 7

. lil

nm

ë

1:11 :! s i

lil

:: i

loil:\' \'■ ) % I

■ i \'i

■■ i

i !

k

U ! :

m

-ocr page 112-

98

Engeland. Maar Osburga, de moeder van Alfred, leefde nog en had bij voortduring invloed op zijne opvoeding. Zij hield veel van de oude liederen en heldenzangen van het volk der Angelsaksers en leerde ze aan haren kleinen Alfred, die ze met groote oplettendheid aanhoorde. Eens toen al hare zonen bij haar kwamen en hunne moeder lezende vonden, zeide zij tot hen : „Wie van u dit boek het eerst van buiten leert, dien zal ik het schenken!quot; Dadelijk ontwaakte in den knaap Alfred de lust om te leeren lezen, en toen hij het boek bezag, bevielen de fraaije groote beginletters hem zoo zeer, dat hij het boek tot eiken prijs gaarne het zijne zou hebben genoemd. Daarom vroeg hij nog eens of het dan werkelijk ernst was , dat diegene het boek zou krijgen, die het haar het eerst kon voorlezen , en toen hij hierop een bevestigend antwoord ontving, nam Alfred spoedig zijn besluit en leerde niet alleen lezen, maar ook nog vele andere kundigheden , waardoor hij zich later boven al zijne tijdgenooten verhief.

II. aoerTOGTEN DER BENEN.

Niet minder echter oefende Alfred zich in de wapenen, en de tijd genaakte, dat deze oefening hem vrucht zou dragen. Want jaarlijks vielen de Noormannen, die men in Engeland „Denenquot; noemde, in het land en verwoestten alles met ontzettende wreedheid. Hunne schepen waren slechts klein, maar des te talrijker, zoodat dikwijls eene vloot van 300 schepen op een rooftogt uitging. Want rooven en plunderen was voor hen de meest eervolle bezigheid; zij verachtten den man , die op zijn bed stierf; „slechts de dood door het zwaard, zeiden zij, „is den man waardigen onder pijnlijke wonden lagchend te sterven , daarin toonden zij hunne grootste kracht. De zelfde wreedheid, die zij standvastig wisten te verdragen, betoonden zij ook jegens anderen, en niet tevreden met hunne onschuldige slagtoffers te berooven en te vermoorden, kwelden zij hen ook op onbarmhartige wijze.

Zij drongen diep in de landen door; want hunne schepen

-ocr page 113-

gy

wareu klein , en gelijk zij daarmede op de stormachtige zee het geweld der golven trotseerden, zoo voeren zij met de zelfde vaartuigen de stroomen op tot diep in het land, en wanneer zij op eene plaats kwamen, waar het ondiepe water ze niet meer dragen kon, namen zij hunne schepen op den rug en droegen ze verder. Het zelfde had ook plaats, wanneer zij uit eene rivier in eene andere wilden over gaan ; ook dan droegen en sleepten zij hunne ligte vaartuigen over het land. Waar zij genaakten, ging de schrik hen vooruit; want hunne woede was niet te verzoenen. Zij wilden niet heerschen , geen land veroveren , gelijk vroeger de landverhuizende volksstammen deden; neen , zij wilden slechts rooven en na den roof ook nog verwoesten. Daarom bewaren nog tot op den huldigen dag alle kusten der West-Europesche landen afgrijselijke herinneringen van de Noormannen, en niet slechts de kusten, maar ook de steden, zoo als Parijs en Keulen, werden door hen geteisterd. Daarom bad men in alle kerken: a furore Normannorum libera nos, domine! Bescherm ons, o Heer, voor de woede der Noormannen!

III. VIJANDELIJKHEID TEGEN HET CHRISTENDOM.

Ten tijde van Alfreds jeugd deden deze Noormannen jaarlijks een inval in Engeland en verwoestten wat zij in hunne magt konden bekomen. Weinige eeuwen waren er eerst ver-loopen, sedert ook de naar Engeland verhuisde Saksers zich door hunne rooverijen voor de kuststreken geducht hadden gemaakt. Maar zij hadden in hun nieuw vaderland weldra den invloed ondervonden, dien de akkerbouw op de zeden der menschen uitoefent, en tevens had het christendom hunne zeden verzacht en hen doen beselfen , hoe onregtvaardig moord en plundering was. \'t Is waar, met de aangroeijende beschaving verdwijnen ook zeer ligt de kracht en lust tot den strijd, en zoo vielen de Angelsaksers niet meer aan , maar verdedigden zich slechts uit noodzaak tegen de aanvallen der Denen. Vooral

7*

-ocr page 114-

iüü

wreed en ondernemend was de deensche koning Inguar, die zelfs den angelsaksischen koning Edmund in zijne magt kreeg en hem tot verzaking van het christendom wilde dwingen. Maar Edmund weigerde dit standvastig , waarop Inguar hem aan een boom liet binden en met pijlen op hem schieten. Ook nu nog bleef Edmund standvastig en getrouw aan zijn geloof, totdat Inguar, door zoo veel volharding verbitterd , hem het hoofd liet afslaan. Daarvoor werd Edmund in volksverhalen en liederen verheerlijkt , welke vereering vele eeuwen heeft voort

geduurd.

IV. ALFRED WORDÏ KONING.

Alfreds vier oudere broeders streden moedig tegen deze ontzettende vijanden ; maar de een na den ander bezweek in dezen strijd, tot eindelijk Alfred op den ouderdom van 22 jaren volgens den wensch van het geheele volk ten troon werd verheven. Want weinige maanden voor den dood van Ethelred, den las t-sten zijner broeders , had Alfred in een gevecht de liefde en achting van alle Saksers verworven, \'t Was op een zondag, en de heidenen schaarden zich reeds in slagorde , toen Ethelred nog eens in de kerk ging, om de godsdienstoefening bij te wonen. Vruchteloos baden hem de aanvoerders van zijn krijgsvolk , dat hij voor ditmaal het bezoeken der kerk toch zou nalaten. Ethelred antwoordde, dat niets hem van de godsdienst zou terug houden, en dat hij de plaats niet levend zou verlaten voordat de mis geëindigd was. Nu tastte Alfred , die de andere legerafdeeling aanvoerde, met onversaagden jeugdigen moed de vijanden aan , die den aanval nog niet verwachtten, zoodat hij hen in verwarring bragt. Wel boden zij nog eenigen tegenstand, omdat Alfreds bende te klein was; maar toen nu ook Ethelred na het eindigen der mis met zijne schaar aanrukte, konden de Denen het veld niet meer houden, maar zochten hun heil in eene wilde vlugt. Kort daarna werden zij nog eens geslagen, maar Ethelred sneuvelde in dit gevecht (871). Nu werd Alfred koning.

-ocr page 115-

101

Ondanks zijn jeugdigen moed, achtte Alfred het gevaar, dat van den kant der Denen het land bedreigde, niet geringer dan het werkelijk was; ook was hij wel op zijne ongesteldheid bedacht, die hem dikwijls onverwacht overviel. De geneeshee-ren wisten tegen de kwaal — men vermoedde een inwendi-gen kanker — geen raad, en toen hij op zijn twintigste jaar in \'t huwelijk trad , brak juist op -den bruiloftsdag de ziekte weder uit. Van nu af keerde de aanval der pijn bijna dagelijks weder, doch Alfreds krachtige geest overwon de ziekte, zoodat hij naar ziel en ligchaam de eerste van zijn volk bleef, want zoo min in den wapenhandel als in wetenschap en kennis werd hij door iemand geëvenaard.

V. ALFRED BOUWT EE XE VLOOT.

Terwijl Alfred het lijk zijns broeders naar de begraafplaats te Winburn vergezelde, drongen de Denen wederom zoo ver door, dat Alfred van dien togt moest afzien, om hun met eene kleine schaar te gemoet te kunnen trekken. Nogtans overwon hij de vijanden, die hem bij eede moesten beloven, dat zij zich voortaan vreedzaam en rustig zouden gedragen. Maar de teu-gellooze Denen bekommerden zich noch om den eed noch om de gijzelaars, en kwamen weldra weder te voorschijn. Nu kwam Alfred op de gedachte, om liever met de Denen te water te strijden dan hun eerst na de landing te gemoet te trekken. Hij herinnerde de Angelsaksers, dat ook hunne voorvaderen groot en magtig ter zee waren geweest, en riep hen op om in alle havens schepen te bouwen, ten einde daarmede de monden der stroomen te bewaken en de Denen eer zij geland waren terug te slaan. Dit werd uitgevoerd, en zoo werd een geheele vloot der Denen geslagen.

Terwijl dit in \'t westen , in Wessex , geschiedde , deed echter eene andere schaar Denen, onder hun aanvoerder Hubbas, een inval in het noorden van Engeland, maar ook deze bende leed eene zware nederlaag en verloor zelfs haar vaandei. In dit vaandel hadden de drie zusters van Inguar en Hubbas den

-ocr page 116-

102

vogel van Odin, een raaf, geweven, dien de Denen voor levend hielden, en waarheen zij hunne blikken rigtten, wanneer eene onderneming hen aanlokte. Scheen de raaf te fladderen of zijne vleugels op te heffen, dan beduidde dit heil en zege voor de Denen, maar wanneer hij ze liet zakken, dan bedreigde hen tegenspoed.

VI. ALFRED IN ELLENDE.

Nogtans kwam het onheil Alfred bestormen. Zijn leger werd herhaaldelijk geslagen , en hij moest met weinige medgezellen in de poelen en moerassen van het graafschap Somerset zijne toevlugt zoeken. Velen der Angelsaksers vloden over zee naar andere landen ; nog anderen hielden het met de Denen en verlieten hunnen koning, die in den grootsten nood verkeerde. Eens had hij bij een koeherder een veilige schuilplaats gevonden , en zat aan den haard van dezen man bogen en pijlen te snijden. De vrouw des huizes, die niet vermoedde wie haar gast was, had hem aanbevolen, op het brood te passen , dat zij in den oven gedaan had. Doch Alfreds gedachten bleven niet bij het brood, maaar zweefden wijd en zijd in \'t rond, want h ij peinsde op middelen om zijn volk van de Denen te verlossen. Ondertusschen verbrandde het brood, en toen de huisvrouw er bij kwam, riep zij toornig: „Luije kerel, die gij zijt! Brood verslinden kunt gij, maar om het te bakken, zijt gij te dom !quot;

Een ander maal — zoo luidt het volksverhaal —• zat Alfred alleen in huis, terwijl zijne medegezellen op de vischvangst waren uitgegaan, en las in de geschiedenissen van zijnen volksstam en zijn land. Daar klopte een bedelaar aan de deur en verzocht hem om eene beet broods. Er was nog slechts een stuk — het laatste; dit nam Alfred, brak het in twee helften en gat den bedelaar de eene helft. Daarop sliep hij in, en gedurende den slaap had hij een droomgezigt, \'t welk hem verkondigde dat hij weldra zijn rijk zou heroveren. Hij deelde den droom aan zijnen getrouwe moeder Osburga mede, en beiden schepten nieuwen moed.

-ocr page 117-

103

Nadat er eenige tijd verloopen was, en de Denen hunne nasporingen moede werden , verliet Alfred met zijne medgezel-jCn zijne schuilplaats en zocht eene andere. Deze lag in het zelfde graafschap Somerset en was door twee rivieren, die zich daar vereenigden, tot een volkomen eiland gemaakt, Alfred noemde ze „Ethelingseyd. i. eiland der edelingen of edelen; slechts eene enkele ophaalbrug voerde er heen, en deze brug was gemakkelijk te verdedigen. De Angelsaksers gingen dikwijls over die brug naar buiten, om levensmiddelen op te doen, of ook om kleine troepen Denen aan te tasten en dan ijlings weer naar hun veiligen schuilhoek te vlugten.

Hoewel deze aanvallen gelukten, hielpen zij toch niet veel tegen de groote magt der Denen. Daarom besloot Alfred tot een stoutmoediger stap. Hij was een meester in het gezang en snarenspel, en van deze kunst dacht hij gebruik te maken , zoo wel om de magt der Denen uit te vorschen, als ook om in het land zelf onderzoek te doen, waar hij op hulp te rekenen had. Zoo begaf hij zich dan als harpspeler verkleed op weg en ging naar de legerplaats der Denen, die zich gaarne met zijn gezang en snarenspel verlustigden, ja hem zelfs in de tent van den koning Guthrum bragten. Daar zag hij de gesteldheid van hun leger en al hunne toerustingen; hij zag, hoe zij zorgeloos en onachtzaam aan geen vijand en geen belangrijken tegenstand meer dachten, maar slechts op roof en plundering uitgingen en zelfs de bewaking hunner legerplaats verwaarloosden.

VII. ALFRED HEROVERT ZIJN RIJK.

Vervolgens vorschte Alfred ook de stemming der bewoners van de drie naastbij gelegene graafschappen uit, en daar hij geloofde, zich op hunnen ijver en moed te kunnen verlaten , keerde hij weder naar zijn waterburg terug. Zeven weken had zijn hoopje zich hier staande gehouden, toen Alfred omstreeks pinkstertijd al zijne getrouwen naar het oostelijk einde van het Sol wood , d. i. wilgenbosch, in Somerset, bijeen riep. Zij verschenen in groot aantal en heetten met gejuich hunnen koning

-ocr page 118-

lOi

welkom. Nu rukten de Saksers op de legerplaats der Denen aan. Het was een heete strijd tegen den in getalsterkte over-magtigen vijand; maar de Saksers streden hier voor hun vaderland en hunne vrijheid en werden door een koning aangevoerd, die in moed, beleid en dapperheid allen overtrof. De Denen werden geslagen en trokken naar hunne verschanste legerplaats terug. Maar Alfred rukte hen na, en sloot hen van alle kanten ten naauwste in. Nu begonnen bij de Denen de levensmiddelen te ontbreken, waarom zij Alfred lieten aanbieden, het land te verlaten en nimmer weder te keeren, indien hij hun vrijen aftogt toestond. Alfred willigde hun verzoek in , en ditmaal kwamen de Denen het verdrag na. Ja, hun koning deed nog meer. Alfreds voortreiïelijke gezindheid had op Guthrum een diepen indruk gemaakt, en nadat deze meermalen met den angelsaksisehen koning een mondgesprek had gehouden, beloofde hij, christen te worden. Niet lang daarna werden met Guthrum dertig zijner mannen gedoopt, waarbij Alfred zelf peet was. Daarop begiftigde hij den deenschen koning met rijke geschenken en gaf hem het land Oostanglen in leen.

quot;Van nu af bleef Alfred altijd zegevierend. Er kwamen nog wel nieuwe scharen, maar de wakkere koning had voor schepen gezorgd, trok hun reeds op zee te gemoet en sloeg hen aldaar. Eens ontmoette hij eene deensche vloot, die hij voor de helft vernielde, zoodat de Denen in de overige schepen hunne wapenen aflegden, op hunne knieën vielen en om genade smeekten. Alfred schonk hun die, en van nu af had Engeland een geruimen tijd rust. Want de Denen wendden zieh nu liever tot de andere kusten, waar zij geen zoo dappere tegenweer vonden als bij Alfred. Vooral waren echter ook de schepen van Alfred voor de Noormannen geducht, want hij had ze groo-ter laten bouwen dan destijds gebruikelijk was, met zestig riemen, terwijl de vaartuigen der Denen slechts klein waren. Ook de Angelsaksers konden in den nieuwen bouwtrant van Alfred niet dadelijk behagen vinden, waarom hij zeelieden uit Friesland liet komen , dat toen reeds ervarene zeevaarders had.

-ocr page 119-

105

VIII. SCHEPPINGEN IN VKEDESTIJD.

Nadat Alfred zijn rijk naar buiten verzekerd had, besteedde de jonge koning al zijne zorgvuldigheid om het ook inwendig te bevestigen en het eene nieuwe staatsregeling door doelmatige wetten te geven. Te dien einde liet hij eene verzameling van goede wetten, die wijze koningen reeds vroeger hadden laten opschrijven , bijeen brengen, en deze onderzocht hij nu met zijne raadslieden. Hij veranderde er niet veei in, want hij zeide, niet te weten, of het volk, dat met de wet door langdurig gebruik reeds vertrouwd was, met die veranderingen wel genoegen zou nemen. Vooral nam hij de regtspleging ter harte, en hij onderzocht dierhalve de vonnissen der regters, of zij met de wetten en oude gebruiken van het volk overeenstemden of niet. Eens zou hij in een jaar vier en veertig regters met den dood gestraft hebben, omdat van hen bewezen was, dat zij onregtvaardig gevonnisd hadden. Daarom verlangde hij ook van de regters, dat zij vlijtig naar de wetten van hun volk onderzoek zouden doen. Als liet gewig-tigste regtsbeginsel echter hield hij ook aan de oude duitsche overlevering vast, dat ieder slechts door zijns gelijken gevonnisd mogt worden. Daarom moesten twaalf mannen, die tot het zelfde volk en den zelfden stand als de beklaagde behoorden, de uitspraak doen, of hij schuldig was, al dan niet. Deze wet, die oorspronkelijk ook bij de andere duitsche volksstammen gold, is nu eeuwen lang de trots van het Engelsche volk geweest, omdat het daarin de zekerste beveiliging tegen alle willekeur ziet, en het strekt Alfred tot onsterfelijken roem , deze wet bij zijn volk ontwikkeld te hebben.

Maar Alfred wilde ook rust en veiligheid scheppen , zonder dat de Angelsakser tot de regtbank zijne toevlugt behoefde te nemen, en daarom dacht hij er over na, hoe hij \'t best alle gewelddadigheden en rooverijen kon te keer gaan. Het zekerste middel scheen hem te zijn, dat hij zijne Angelsaksers zeiven verantwoordelijk maakte, en dit geschiedde op de volgende

-ocr page 120-

106

wijze. Hij verdeelde Engeland in graafschappen, deze graafschappen in honderdschappeu (hundreds), en deze honderd-schappen weder in tienschappen. Tien bij elkander staande huizen maakten een tienschap uit, en hunne bewoners waren verantwoordelijk voor al het onregt, dat bij hen voorviel. Zij spraken ook onder elkander regt over kleine zaken; maar gewigtige aangelegenheden werden voor de regtbank van het honderdschap getrokken. Wanneer een man naliet, zijn naam in een tienschap te laten inschrijven, werd hij als iemand beschouwd, die buiten de wet stond; hij werd vogelvrij verklaard. Van de regtbank van het honderdschap beriep men zich verder op het geregtshof van het graafschap, en van dit laatste op den koning. Ten gevolge hiervan werd het een gewoon zeggen, dat een reiziger, die zijn beurs op straat verloren had, gerust kon gaan slapen, omdat hij ze zeker zou weder vinden. Alfred zelf. verhaalt men, liet gouden armbanden aan een kruisweg ophangen , en niemand waagde het, ze weg te nemen. Maar niet genoeg, dat Alfred alzoo den binnenlandschen vrede verzekerde, hij legde door deze verdeeling ook den besten grond tot beveiliging tegen den buitenlandschen vijand. Want ieder tienschap en ieder honderdschap moest zijn bepaald aantal krijgslieden leveren, waarvan de graaf of alderman van het graafschap tevens ook de aanvoerder was, die op de eerste oproeping de zijnen spoedig bijeen kon verzamelen.

Voorts zorgde Alfred voor de beschaving van zijn volk en blonk ook daarin als het verhevenste toonbeeld van een goed koning uit. Vooral hield hij zijne moedertaal, het angelsak-sisch, in eer, en zorgde er voor, dat de jeugd van zijn volk de oude heldenliederen leerde en zich in het zingen er van verlustigde. Voorts riep hij de uitstekendste mannen van zijn tijd tot zich, en zij kwamen gewillig en gaarne tot den koning, die meer dan iemand anders de wetenschappen vereerde en liefhad. Alfred leerde nog op zijn 36ste levensjaar de latijnsche taal, ten einde uit de beste geschriften der Eomeinen voor zijn volk het doelmatigste te kunnen uitkiezen en in de moeder-

-ocr page 121-

107

taal overbrengen. Hij stichtte scholen, waar en zoo veel hij maar kon, en ook de zonen der adellijken moesten latijn leeren. In een brief, dien Alfred aan de bisschoppen van Engeland schreef, toen hij hun eene vertaling der redevoering van den heiligen Gregorius zond, wordt gezegd: „De geleerdheid was bij mijne troonbeklimming zoo zeer in verval geraakt, dat er ten noorden van de rivier de Humber weinig priesters waren, die de gebeden in zoo ver verstonden, dat zij de beteekenis er van in de angelsaksische taal konden wedergeven , of die in \'t algemeen een latijnsehen volzin konden vertalen. Ook in \'t zuiden waren er slechts zeer weinigen. God den almagtigen zij echter dank, dat er tegenwoordig toch eenige bisschoppen worden gevonden, die in staat zijn, zeiven latijn te lezen.quot;

IX. OTHER UIT NOORWEGEN.

Ook in andere opzigten werkte Alfred voor de beschaving van zijn volk. Eens kwam bij hem een man, Other genaamd, die hem verhaalde, dat hij in het noordelijk gedeelte van het land Noorwegen woonde, daar waar de IJszee de Noorweeg-sche kust ten westen bespoelt. Hij beschreef den koning het land, hoe woest en verlaten het was, en hoe slechts hier en daar eenige verstrooide Finnen woonden, die zich met jagt en visscherij bezig hielden. Hij zelf had eens willen onderzoeken, hoe ver het land zich nog ten noorden en oosten uitstrekte, en daarom was hij noordwaarts gevaren, waarbij hij aan de regter hand altijd land had gehad. Toen echter had hij weêr moeten afwachten tot de wind uit het noordwesten waaide, en eindelijk had hij volkomen noordenwind moeten hebben. Alstoen had hij eene groote rivier gezien, die zich daar in de zee uitstortte. Uit vrees voor de omwonende inboorlingen had hij het echter niet gewaagd, deze rivier op te varen; hij had die vaart slechts ondernomen, om walrustanden te halen. Deze bragt hij ook aan koning Alfred ten geschenke. Other was in zijn vaderland een zeer rijk man; want hij bezat 600 rendieren, en onder deze zes lok-rendieren tot het vangen der wilde; maar slechts twin-

-ocr page 122-

108

tig runderen, twintig schapen en twintig zwijnen. Daarentegen bestond zijn voornaamste rijkdom in de schatting, die de Finnen hem betaalden, namelijk in pelterijen, dons van vogels, walvischbaarden en touwen, die van de huid der walvisschen en zeekalveren gemaakt werden.

Dit berigt van Other over zijn vaderland was koning Alfred zeer aangenaam, en toen hij weder een latijnsch geschiedboek in \'t angelsaksisch vertaalde, vermeldde hij daarin ook wat hij van Other had vernomen. Maar hij zelf vond zich ook tot nieuwe nasporingen aangevuurd, weshalve hij een zeevaarder, Wulfstan genaamd, uitzond, die oostwaarts stevende, tot hij door het Kattegat en den kleinen Belt in de Oostzee kwam. Daar poogde hij de volken en hunne zeden te onderzoeken , ten einde zijnen koning daarvan berigt te kunnen afleggen. Hij voer het eiland Burgundaland (Bornholm) voorbij tot aan de nitstrooming der Weichsel. Wat hij te weten kwam, stelde Alfred voor zijn volk te boek.

X. STAATSHUISHOUDING.

Waarlijk, wij moeten verbaasd staan over de rustelooze werkzaamheid van dezen man. Hij kon echter veel meer verrigten dan andere menschen, omdat hij zoo spaarzaam en zuinig met zijn tijd was. Daar men nog geene andere uurwerken had, en het gebruik der zonnewijzers wegens de menigvuldige nevels in Engeland niet doelmatig is, was hij er zelf op bedacht om een tijdmeter uit te vinden. Hij nam daartoe zes kaarsen, van welke ieder in een voor togt beschutten koker brandde, en wel vier uren lang. De koker was in doorschijnende huiden gesloten , want het gebruik van glas was in de oorlogen met de Denen verloren gegaan.

Zoo zuinig als met zijn tijd, ging Alfred ook met zijne inkomsten om. Want ofschoon deze niet groot waren , en menig koopman van onzen tijd veel meer te verteren heeft dan deze groote koning, was alles toch op het naauwkeurigst verdeeld, en daardoor wist Alfred veel uit te voeren. De eene helft zij-

-ocr page 123-

109

ner inkomsten was voor wereldlijke, de andere voor geestelijke doeleinden bestemd. De eerste was weder in drie deelen gesplitst , van welke er een voor zijne krijgslieden bestemd was, want bij afwisseling moesten de krijgslieden van zijne lijfwaeht telkens eene maand in het vierendeeljaars bij hem zijn, terwijl zij gedurende de beide andere hunne zaken mogten waarnemen. Het tweede derde deel der eerste helft was voor de ontelbare bouwlieden en kunstenaars, welke Alfred uit alle landstreken tot zich riep, om zijn rijk door heerlijke gebouwen te verfraai-jen en aan zijn volk de noodige aanleiding te geven om zich zelf verder te ontwikkelen. Het derde derde deel der eerste helft was gewijd aan de doeleinden der gastvrijheid voor al die vreemdelingen, die uit verre landen den koning kwamen bezoeken. De andere helft zijner inkomsten was voor geestelijke doeleinden bestemd en in vier deelen gedeeld. Van deze was het een vierde deel voor de armen bestemd, het tweede voor de beide kloosters, die hij zelf gesticht had, het derde voor de school ten behoeve van den jongen adel zijns lands, die hij met groote moeite in \'t leven had geroepen, terwijl het vierde voor de tijdelijke ondersteuning van alle andere kerken en kloosters, die zich van tijd tot tijd met verzoek om onderstand tot hem wendden , bestemd was.

XI. NIEUWE INVAL DEU DENEN.

Gedurende langen tijd genoot Alfred vrede ; maar nog aan den avond van zijn leven drongen de Denen weder in zijn land en hielden naar hunne oude wijze huis. Zij waren door den krachtigen duitschen koning Arnulf in september van het jaar 891 bij Leuven verslagen geworden, en gelijk zij zich vroeger na de overwinningen van Alfred geheel op het tegenoverliggende vaste land van Frankrijk, Nederland en Duitschland geworpen hadden, zoo wilden zij na deze nederlaag omgekeerd weder Engeland bezoeken. Maar Alfred ontving hen nadrukkelijk, en na menigen zwaren strijd keerde het grootste getal der Denen huiswaarts, waarna de weinige achterblijvenden gemakkelijk

-ocr page 124-

no

geweerd konden worden. Nu was Alfred er ook op bedacht om de oude Britten met de zijnen te verzoenen. Van de oorspronkelijke britsche inwoners woonden nog velen in het bergachtige Wales ten westen van Engeland, en van daar maakten zij maar al te dikwijls gemeene zaak met de Denen tegen de Angelsaksers. Doch het karakter van Alfred verwierf hunne achting, en hun laatste koning kwam vrijwillig tot Alfred, die hem eervol ontving en als zijn zoon behandelde.

XII. ALFKEDS KARAKTER.

Een echt godsdienstige gezindheid versierde zijn leven. In zijne vroege jeugd werd hij, de krachtige jongeling, door hevige verzoekingen tot zinnelijken lust aangevochten, maar hij wist dien door waken en bidden te bestrijden. Dikwijls stor.d hij bij het eerste hanengekraai op, ijlde naar eene kerk, wierp zich voor de trappen van het altaar neder en bad vurig tot God, dat Hij hem eene ziekte wilde zenden, door welke de gloed van onreine begeerten in hem gedempt mogt worden. Ook in zijn later leven zocht hij zich door vlijtig bidden tot de uitoefening zijner pligten te sterken. Hij wijdde dagelijks een gedeelte van zijnen tijd aan stille godsdienstoefeningen; nooit verzuimde hij de openbare eeredienst en altijd droeg hij een boekje bij zich , \'t welk gebeden en psalmen bevatte, waardoor hij zich reeds in zijne jeugd gesticht had. Hij was weldadig jegens de armen , eerbiedig voor de bisschoppen, hoewel hij er ook op toezag, dat zij de pligten van hun heilig ambt naauwgezet vervulden.

Wij mogen niet onopgemerkt laten, dat Alfreds schoone ziel in een schoon ligchaam woonde. Het waardige van zijn uiterlijk, de aanvalligheid van zijn innemend, open gelaat en de sterkte van zijn ligchaamsbouw liet gemakkelijk in hem den groo-ten mnn vermoeden; maar nog hooger moest de achting voor hem klimmen bij degenen, die gevoelden, hoe zeer hij dapperheid met welwillendheid, regtvaardigheid met zachtmoedigheid,

-ocr page 125-

Ill

liefde tot de kunsten en wetenschappen met een waarlijk godsdienstig leven paarde.

De avond van zijn leven was rustig. Sedert hij in het jaar 897 het laatst met de Denen gestreden had, stoorde geen nieuwe oorlog zijne instellingen voor de binnenlandsche welvaart van zijn rijk. En zoo stierf hij in den glans van een vlek-keloozen roem en bemind bij zijn door hem gelukkig gemaakt volk in het dertigste jaar zijner regering en het drie en vijftigste zijns levens, den 28sten october 901. Bij zijne gemalin Ethelwithe, de dochter van een graaf in Mereia , liet hij drie dochters en even zoo veel zonen na, van welke de tweede, E d u-a r d, hem in de regering opvolgde. Maar geen zijner nazaten heeft hem in grootheid geëvenaard.

SIII. EDMUND IRONSIDE EN KNOET (CANUT) DE GEOOTE.

In den strijd met Knoetdengrooten betoonde Edmund den onverschrokken en volhardenden moed , die hem den naam van „Ironsidequot; (ijzerzijde) bezorgde. Reeds bij het leven zijns vaders , den lafhartigen en eerloozen Ethelred , nam hij de verdediging en het behoud der angelsaksische heerschappij op zich en ijverig ging hij in dit streven voort, toen hij na Ethelreds dood den erfelijken troon beklom.

Hoogst bedenkelijk was zijn toestand. Zijne geheele heerschappij was eigenlijk slechts tot het destijds versterkte Londen beperkt; al het overige was in handen van Knoet, den koning der Denen. De hulpbronnen ter verdediging waren verstopt, de moed der Engelschen verlamd. Hij alleen versaagde niet. Gelijk zijn groote voorzaat Alfred, wiens voorbeeld hem bezielde, gebruikte hij list en geweld, om de Denen afbreuk te doen. Vijfmaal belegerde Knoet Londen, maar te vergeefs; vijf veldslagen werden er in een jaar (1016) geleverd, zonder dat daarom de strijd om de kroon van Engeland beslist werd.

Aan het lang en vruchteloos bloedvergieten wilde de mensch-lievende Edmund op eens een einde maken. Toen de vijandelijke legers nogmaals tegen elkander over stonden, daagde

-ocr page 126-

112

hij den deenschen koning tot een tweegevecht uit. Doch Knoet weigerde dit. „Het ontbrak hem,quot; liet hij terug zeggen, „geenszins aan moed, maar hij gevoelde zich niet groot en sterk genoeg, om tegen Edmunds reuzengestalte met goed gevolg te strijden. Doch daar zij beiden op Engeland, als de erfenis hunner vaderen, aanspraak maakten [Knoets vader, Swen, had een tijd lang over Engeland geheerscht], zoo sloeg hij voor, dit rijk te deelen.quot; Dit voorstel werd van weerskanten met toejuiching aangenomen.

De rivier Severn scheidde de beide legers van elkander. Op den westelijken oever stond Edmund met de zijnen. Knoet op den oostelijken, en tusschen beiden, midden in de rivier, bevond zich het kleine eiland Olanege. Aldaar kwamen de beide helden , na elkander gijzelaars gezonden te hebben, bijeen. Beiden zwoeren elkander vrede en vriendschap, omhelsden en kusten elkander en verdeelden daarop het rijk in dier voege, dat de noordelijke gewesten, namelijk Mercia en Northumberland, aan den deenschen koning, de zuidelijke streken, benevens de stad Londen, aan Edmund zouden verblijven, maar beiden onafhankelijk van elkander regeren. Hierop verruilden zij, gelijk de helden van Homerus, hunne wapenen en gewaden, en scheidden van elkander.

Kort daarna werd Edmund op aanstoken van den schandelijken graaf Edrik verraderlijk vermoord. Nu nam Knoet diens gebied ook nog in bezit en liet zich tot koning van geheel Engeland kroonen. Diensvolgens vereenigde hij op zijn hoofd de kroonen van Denemarken en Engeland, en later bragt hij ook Noorwegen en een deel van Zweden onder zijne heerschappij , zoodat hij de magtigste monarch van het noorden werd en den bijnaam van „den grootenquot; verkreeg.

Hij verdiende zijn geluk door de omzigtigheid en de gematigdheid , waarmede hij vooral over Engeland regeerde. Ten einde de Engelschen voor zich te winnen, liet hij den verraderlijken Edrik, dien het volk haatte, ter dood brengen. Aan de oude staatsregeling van het Engelsche rijk veranderde hij

-ocr page 127-

113

niets. Engelschen en Denen behandelde hij naar gelijke wetten, en den nationalen haat onder hen trachtte hij op alle wijzen te verzachten. Om die reden huwde hij zelfs de weduw van Ethel-red, Emma, uit Normandië geboortig. Ook betoonde hij aan de geestelijkheid groote toegenegenheid. Hij stond er dp, dat de tienden haar behoorlijk betaald werden, vernieuwde en beschonk de kerken en kloosters, die in de vorige oorlogen veel geleden hadden, en stichtte te Assendon, waar tusschen hem en Edmund de laatste slag was voorgevallen, een klooster, in \'t welk voor de verslagene Angelsaksers en Denen missen gelezen moesten worden. Hiermede niet tevreden, ondernam hij in het vijftiende jaar zijner regering een pelgrimsreis naar Kome. Hij trok door Vlaanderen, Frankrijk en Italië en kenmerkte zijnen weg door boetedoeningen en weldaden. Te Eome zelf bad hij op het graf van Petrus om vergeving zijner zonden en rigtte een gasthuis voor deensche en engelsche pelgrims op.

De godsdienstoefeningen deden hem langs zoo meer het ijdele van alle aardsche heerlijkheid gevoelen. Toen eenige zijner vleijers eens zijne grootheid roemden, en verzekerden, dat alles hem nu onderdanig was, plaatste hij zich aan het strand der zee. De eb was geëindigd, en hij sprak tot de opzwellende zee: „De aarde behoort mij, daarom beveel ik u, niet nader te komen noch mijne voeten nat te maken.quot; Maar de zee stoorde zich niet aan dit bevel ; zij kwam nader en overstroomde zijne voeten. Toen sprong hij op en zeide: „Niemand is groot dan Hij, wien aarde en wind en zee gehoorzamen!quot;

XIV. WILLEM DE VEROVERAAR, ZIJNE MINDERJARIGHEID.

ZIJNE BETREKKINGEN MET HAROLD.

Willems vaders was Robert, vierde hertog van Normandië; zijne moeder echter was eene danseres, weshalve men den knaap een bastaard noemde, omdat hij geene vorstelijke moeder had en buiten echt verwekt was. Doch reeds vroeg werd hij door het geluk begunstigd, dat hem den weg tot

GRUBE, G. D. M. 8

-ocr page 128-

114

zijne verheffing baande, waarvan de geboorte hem scheen uit te sluiten.

Hij was omtrent zeven jaren oud, toen zijn vader, op het punt zijnde, een pelgrimstogt naar Jeruzalem te ondernemen, de grooten van het hertogdom om zich heen verzamelde en hen overreedde om zijn natuurlijken zoon te huldigen en hem als hertog te erkennen, in geval hij zelf buiten \'s lands stierf. Werkelijk stierf Robert op de bedevaart naar Jeruzalem, en nu werd , zoo als hij gewenscht had, zijn geliefde zoon Willem hertog van Normandië. Maar de minderjarigheid van dezen gaf tot vele onlusten aanleiding. De groote vasallen willen zich aan de heerschappij van Willem niet onderwerpen, en de toenmalige koning van Frankrijk, Hendrik I, poogde de geduchte magt der Noormannen te fnuiken. Doch gelijk onder gevaren en moeijelijkheden de man zich ontwikkelt, zoo rijpte ook Willem langs dezen weg zijne toekomstige grootheid te gemoet. Ir den strijd met zijne vasallen ontwikkelde hij zijn veldheerstalent, en juist daardoor verwierf hij een uitgebreiden roem en een dapper leger voor de groote onderneming, die zijn naam onsterfelijk heeft gemaakt.

Eduard de belijder, de jongere broeder van Edmund Ironside, sedert 1042 koning van Engeland , was hertog Willem bijzonder genegen, en daar hij geene nakomelingen naliet, beloofde hij hem heimelijk de erfopvolging , vooral daar Willem ook met het koningshuis verwant was. Nog nader echter stond graaf H a-rold tot den troon. Deze, de aanzienlijkste man onder de En-gelsche grooten, bezat het vertrouwen der natie, en tevens rijkdom, eerzucht en magt genoeg om naar den troon begeerig te zijn. Bijna geheel Engeland stond onder den invloed van hem en zijne vrienden. Doch ook hier was de fortuin voor Willem werkzaam, door den tegenstander tot hem te voeren. Eens was Harold door stormen op Frankrijks kusten geworpen en in de handen van roovers gevallen. Willem, hiervan onderrigt, bevrijdde den gevangene en ontving hem zeer eervol in zijne hoofdstad Rouaan. Terwijl hij hier in vriendschap met hem leef-

-ocr page 129-

115

de, ontdekte hij hem het geheim van zijn uitzigt op den engel-schen troon en bezwoer hem tot de verwezenlijking daarvan mede te werken. Ten einde hem vaster aan zich te boeijen, beloofde hij hem zijne dochter tot gemalin, en tevens liet hij hem op heilige reliquiën zweren, dat hij met onkreukbare trouw Willems troonbeklimming zoude bevorderen.

Harold had den verlangden eed afgelegd, maar was niet van gedachte, dien te moeten houden. Zijne eerzucht kwam er tegen op, en misschien ook zijne vaderlandsliefde, voor welke het welligt ondragelijk was, dat Engeland aau eene heerschappij van vreemden ten deel zou vallen. Hij vermeerderde daarom na zijn terugkeer het aantal zijner aanhangers en verbreidde onder de Engelschen tegenzin tegen de Noormannen. Koning Eduard, ofschoon hij wenschte dat de hertog van Normandië zijn opvolger zou worden, bezat den moed noch de kracht om zich nadrukkelijk voor dezen te verklaren, en te midden van dit dralen overviel hem de dood (1066). Naauw was hij overleden , of Harold beklom met goedvinden van het Engelsche volk den troon.

Nu ontbrandde hertog Willem in gloeijenden toorn ; hij schold Harold uit voor een meineedige en rustte zich toe om met de wapenen te veroveren wat men hem goedwillig niet wilde geven, üoch Harold verzuimde niet, een groot leger op de been te brengen.

XV. SLAG BIJ HASTINGS. TAILLEFER.

Toen Willem met zijn leger aan de kust van Sussex landde , sprong hij het eerst op den oever; maar hij struikelde en viel op den grond. Doch met snelle gevatheid wist hij het kwade voorteeken tot zijn voordeel uit te leggen. „Het land,quot; riep hij , „het land is mijn!quot; Een zijner krijgslieden, die bij hem stond, antwoordde: „Ja, hertog en koning, weldra zult gij Engeland in bezit nemen!quot; En een ander liep naar eene nabij zijnde hut, trok een stroohalm uit het dak en reikte dien den veldheer als een teeken der bezitneming aan. Niemand echter

-ocr page 130-

116

der krijgslieden mogt plunderen, want Willem zeide : „Wij moeten verschoonen wat het onze is.quot; Allen hielden zich rustig en wachtten welgemoed het naderen van het gevaar af.

Harold had zoo even zijn oproerigen broeder Tosti, die zich met de Noorwegers had verbonden, in Northumberland aangevallen en verslagen, toen hij de landing van Willem vernam. Terstond ijlde hij naar Hastings, waar de Noormannen hunne legerplaats hadden opgeslagen. Trots en wraakzucht maakten hem blind voor de regelen der voorzigtigheid. Zijn leger was verzwakt, en toch wilde hij niet eens eene versterking afwachten. Zijne vrienden rieden hem, het uit velerlei volken zamengestelde leger zijner vijanden door kleine gevechten te vermoeijen en te verzwakken ; maar hij, besloten hebbende te overwinnen of te stervenr, waagde al zijn heil aan den uitslag van een enkel gevecht.

Verschillend waren de toebereidselen tot dezen slag. De En-gelschen verachtten den vijand, die hun als een hoop bijeengeraapte gelukzoekers was afgeschilderd. De zoo pas behaalde overwinning had hen overmoedig gemaakt; zij meenden, hertog Willem even gemakkelijk te kunnen slaan als Tosti en diens bondgenooten, en bragten daarom den avond vóór den slag in slemperijen en vermakelijkheden door. De Noormannen daarentegen j door godsdienstzin en dapperheid bezield, sterkten zich door gebeden en vrome gezangen, en bleven ook, om voor een overval verzekerd te zijn, onder de wapenen. Willem zelf, die vooraf de stelling der vijanden in oogenschouw had genomen, beraadslaagde met de hoofden van zijn leger en ontvlamde aller moed door opwekkende aanspraken.

De Engelschen hadden eene goede, wigvormige stelling op eene hoogte gekozen. Harold verwachtte den aanval van Willem en in de vroegte des morgens ontbrandde de strijd op drie plaatsen, onder trommel- en hoorngeschal. Vóór den hertog reed Taillefer, even bekwaam in het smeden als in het hanteren der wapenen. Spelend wierp hij verscheidene blanke zwaarden in de lucht en ving ze weder op; hij zong daarbij het hel-

-ocr page 131-

117

denlied van Roland en den grooten Karei, en het geheele leger der Noormannen zong mede. Maar eensklaps viel ook een zijner zwaarden niet weder in zijne hand, en een engelsch banierdrager, daardoor getroffen, stortte neder. Aanval en tegenweer werd nu even heldhaftig. Het geluk helde tot de zijde der Engelschen over, die in hunne vaste gelederen niet aan \'t wankelen waren te brengen. De Noormannen weken, en een gerucht dat Willem gesneuveld was, vermeerderde de wanorde in hun leger. In dit gevaarvol oogenblik legde Willem den moed aan den dag die den held eigen is. Hij hield de vlug-tenden tegen, rukte zijn helm af en riep: „Ik leef en zal overwinnen !quot; Zij kwamen tot slaan en volgden hem op nieuw tegen den vijand, die weder in zijne vorige stelling terug werd gedreven. Doch de aanval op dezen was nogmaals vruchteloos. Daarop lokte Willem door geveinsde vlugt den vijand uit zijne standplaats en omsingelde vervolgens de overijld en onvoor-zigtig vooitrukkende Engelschen. Eene schrikkelijke wanorde verspreidde zich door alle benden; zij werden aan \'t wijken gebragt; Harolds beide broeders en velen der aanzienlijkste Engelschen sneuvelden, en tegen het einde van den dag had Willem den grooten en beslissenden slag gewonnen.

XVI. WILLEM KONING VAN ENGELAND.

Gelijk de slag van Xeres geheel Spanje aan de Arabieren overleverde, even zoo onderwierp de enkele slag van Hastings geheel Engeland aan de Noormannen. De Engelschen waren bedwelmd ; het ontbrak den tegenstand der enkelen aan eenheid en nadruk, en door hunne langdurige onderdanigheid aan de Denen was hunne verkleefdheid aan het erfelijke regentengeslacht verzwakt. Maar Willem verzuimde ook niet, alle vruchten dei-behaalde overwinning in te oogsten. Zoodra mogelijk brak hij van het slagveld op , onderwierp Dover en andere naburige plaatsen aan zich; geheel Kent erkende hem als koning. Van daar rukte hij tegen Londen op, waarheen de overblijfselen van het geslagen leger gevlugt waren. Zijne nadering brak alle aldaar

-ocr page 132-

118

gehoudene onderhandelingen af. Hoogen en lagen kwamen hem met verzekeringen hunner onderdanigheid te gemoet en verzochten hem j den ledig staanden troon te beklimmen. Na eenig dralen willigde hij hun verzoek in. In de abdij van Westminster had de krooning plaats, die door den aartsbisschop van York voltrokken werd. Aan alle aanwezigen werd gevraagd, of zij hertog Willem als hunnen nieuwen koning getrouw wilden zijn. Zij verklaarden dit met luider stem. Daarop zwoer hij zelf het regt te zullen handhaven, de kerk te beschermen en En-gelschen en Noormannen als één volk te regeren. Het volk gaf juichend zijne goedkeuring te kennen. Op dit oogeublik had er eene omstandigheid van kwade voorbeduiding plaats. De solda-gt; ten, die voorde kerkdeur de wacht hielden, hoorden het geschreeuw in het binnenste der kerk en verbeeldden zich dat het volk zich aan hunnen hertog had vergrepen. Terstond vielen zij er op aan en staken zelfs de naburige huizen in brand. Schrik greep het verzamelde volk aan, overal was vlugt en verwarring, en Willem zelf kon niet dan met moeite het oproer stillen.

Het begin der nieuwe regering beantwoordde aan de wenschen der Engelschen en den afgelegden krooningseed. Willem hield zijn leger in de strengste tucht, zorgde voor de handhaving van het regt en betoonde zich voor zijne nieuwe onderdanen vol gunst en goedertierenheid. Hij won de geestelijkheid door groo-te geschenken en poogde Engelschen en Noormannen door echten vriendschapsverbindtenissen te vereenigen. Tevens zorgde hij echter ook voor de bevestiging zijner regering. Hij ontwapende Londen en verscheidene andere plaatsen, bouwde hier en daar vestingen en legde alle magt in de handen der Noormannen, terwijl hij ook aan zijne landslieden alle goederen der Engelschen inruimde , die bij Hastings gestreden hadden. Dit verwekte groote ontevredenheid, en toen Willem kort daarop naar Normandië vertrok, barstte er een opstand uit. Spoedig echter was de koning — die misschien reeds vooraf van alles onder-rigt was — weder in Engeland en dempte het oproer met geweld van wapenen. Thans ging hij met de grootste hardvoeh-

-ocr page 133-

119

tigheid te werk. Aan den adel werden de groote goederen onttrokken , en Willem gaf die voortaan aan zijne aanhangers, niet in eigendom, maar in leen. Het geheele rijk werd in 60 215 ridderleenen verdeeld , van welke e:: 28 215 aan de geestelijken behoorden en 1422 koninklijke kroongoederen waren. Ieder leenman was verpligt, een bepaald getal manschappen voor de krijgsdienst te leveren. Ook de rijke en magtige geestelijkheid werd nu van den koning afhankelijk, en de belangrijkste kerkelijke ambten werden door Noormannen bekleed. De angel-saksische (engelsche) taal moest voor de fransche wijken; in aUe scholen des rijks werd voortaan fransch geleerd. Daar echter de taal des lands zich niet liet uitroeijen, vormde zich het engelsch als een mengsel van dnitsch en fransch, gelijk dan ook de Britsche natie uit Britten, Angelsaksers en Noormannen ontstaan is.

XVII. WILLEMS OORLOG MET ZIJN ZOON KOÜEHT. ZIJN STRIJD MET GREGORIÜS VII.

Intusschen verloor Willem bij alle inrigtingen, die hij tot het ten onder brengen van Engeland maakte, zijne erfelijke staten niet uit het oog. Het graafschap Maine in Frankrijk, dat hem door erfverdragen ten deel was gevallen, wilde zich aan zijne heerschappij onttrekken. Hij trok daarom naar Frankrijk met een leger, grootendeels uit Engelscheu bestaande. Hier, gelijk elders, was hij voorspoedig. Hij verdreef den graaf van Anjou, die zich in Maine had gevestigd, en beloofde het bestuur van het graafschap aan zijn zoon Robert.

Maar gedurende zijne afwezigheid brak er andermaal een opstand in Engeland uit, en ditmaal door normandische edelen zeiven, die ontevreden waren, dat Willem ook hen zoo heersch-zuchtig behandelde. Doch de fortuin was ook hier voor Willem werkzaam. Een der zaamgespannenen, door berouw getroffen , ontdekte de zwamenzwering, en zoo werd de koning de ontevredenen spoedig meester. Weldra echter kwam er nog iets ergers. Willems oudste zoon, openhartig en stoutmoedig.

-ocr page 134-

120

eischte van zijn vader, ia gevolge de belofte, het graafschap Maine met geheel Normandië. Willem draalde en wees hem af met de woorden: „Ik wil mijne kleederen niet uittrekken voor ik naar bed ga!quot; Dit antwoord , als ook de partijdige voorkeur, die Willem voor zijne jongere zonen toonde, verbitterde den ligt opbruisenden Robert. Ondersteund door Frankrijk en vele grooten van Normandië, vatte hij tegen zijn vader de wapenen op. De onnatuurlijke vijandschap duurde tot groot nadeel des lands drie jaren (1077—1080) voort, en Willem moest, om zijnen zoon te bedwingen, een sterk leger uit Engeland te hulp roepen. Daardoor kwam de prins in \'t gedrang; hij werd uit Normandië verdreven en moest op een fransch kasteel veiligheid zoeken. Zijn vader volgde hem , belegerde het kasteel, en dagelijks vielen aldaar strooperijen voor. Nu gebeurde het eens, dat vader en zoon elkaar ontmoetten zonder elkander te kennen. Er had een vinnig gevecht plaats, waarbij de zoon den vader wondde en van \'t paard wierp. De hevigheid van den val ontlokte den vader een schreeuw, en nu werd hij, daar het neergelaten vizier hem onkenbaar had gemaakt, aan zijne stem herkend. Schrik en berouw bevingen den zoon. Hij sprong van het paard, rigtte zijnen vader op, viel hem te voet, bad hem met tranen om vergeving en beloofde, oogenblikkelijk de wapenen te zullen neerleggen. Willem was echter niet zoo spoedig vermurwd. Zelden zijne gramschap meester, en thans misschien geërgerd over zijn val, vergold hij teederheid met hardvochtigheid. Zoodra hij weder te paard zat — de prins had hem op zijn eigen paard getild — ijlde hij naar zijne legerplaats en maakte nieuwe toebereidselen tot het voortzetten van den oorlog. Doch weldra bedacht hij zich. Op aansporing zijner gemalin verzoende hij zich met Eobert. Te Eouaan kwamen beiden bijeen. Willem schonk zijnen zoon vergiffenis, nam hem vervolgens mede naar Engeland en droeg hem een strooptogt tegen Malcolm , koning van Schotland op, dien de prins met gelukkig gevolg uitvoerde.

Omstreeks den zelfden tijd verdedigde Willem zijne konink-

-ocr page 135-

121

lijke regfcen met nadruk tegen Gregorius VII. Deze heerach-zuchtige paus eisnhte van hem , dat hij, overeenkomstig zijne belofte, wegens Engeland den pauselijken stoel hulde zou doen en de gewone schatting — den Petruspenning — overzenden. Deze belasting was in den beginne door de an-gelsaksische koningen als liefdegift aan den pauselijken stoel opgebragt, maar vervolgens door dezen als een teeken van onderwerping beschouwd. Willem antwoordde, dat het geld als naar gewoonte zou worden afgezonden , maar dat hij nooit beloofd had, den pauselijken stoel hulde te doen, of zijne staten van hem afhankelijk te maken. Ja, hij ging nog verder; hij verbood alle bisschoppen van zijn rijk de kerkvergaderingen te Kome bij te wonen, en Gregorius, anders zoo hardnekkig tegen de weerspannigheid van andere vorsten, behandelde Willem, die te ver van hem verwijderd was en hem te moedig weerstreefde, met verschooning. Eerst toen hij zag, dat er door vleijerijen niets te winnen was , ging hij tot bedreigingen over en verbood den engel-schen geestelijken, hunne betrekkingen van wereldlijken aan te nemen. Doch Willem lachte over dit bevel; hij stelde, zonder zich aan den pauselijken stoel te storen, bisschoppen en abten aan, die hem hulde doen en den leeneed afleggen moesten. Intusschen verklaarde hij zich niet tegen de wet van den ongehuwden staat der geestelijken; ook stond hij eene scheiding van de geestelijke en wereldlijke regtsmagt toe.

XVIII. DOOD VAN WILLEM DEN VEROVERAAR.

Bij het naderen van den dood kwamen alle daden en voorvallen van zijn leven hem voor den geest. Hij gevoelde het ijdele van alle menschelijke hoogheid en diep berouw over alle gewelddadigheden, die hij had uitgeoefend. Door deze gevoelens medegesleept, deelde hij aan kerken en kloosters rijke geschenken uit, gaf aan verscheidene staatsgevangenen de vrijheid en beval, aan alle langs de fransche grenzen verwoeste plaatsen de toegebragte schade te vergoeden. Ook maakte hij

-ocr page 136-

122

beschikkingei) over zijue nalatenschap. Norraandië met het graafschap Maine liet hij aan zijn oudsten zoon Eobert na; zijn tweeden , Willem, benoemde hij tot koning van Engeland, met de dringende bede om Engeland zachtmoedig te behandelen; aan den derden zoon, zijn beminden Hendrik, vermaakte hij niets dan eene som gelds en het erfgoed zijner moeder, waarbij hij nogtans de hoop koesterde, dat Hendrik eens zijne broeders in luister en magt zou overtreffen.

En zoo stierf hij in een klooster bij Eouaan , den 9 den september 1087 , in het drie en zestigste jaar zijns levens en in het een en twintigste zijner regering over Engeland. — Hij bezat groote en zeldzame hoedanigheden. Gelijk hij zich door ligchaamsgrootte en ligchaamskracht onderscheidde — even als Ulysses kon slechts hij zelf en niemand anders zijn boog spannen — zoo muntte hij ook uit door helder verstand, ruste-looze werkzaamheid, onverschrokken moed en zeldzame gevatheid van geest. Tegenstand vuurde hem aan, gemakken versmaadde hij, van alle uitspattingen was hij een vijand, voor niemand in de wereld boog hij zich, altijd ging hij regtstreefcs op zijn doel af.

Maar bij alle bewondering zijner grootheid kan men toch het gevoel niet onderdrukken , dat hij meer geducht dan beminnelijk was. Hem ontbrak de verheven gezindheid en de teedere gemoedelijkheid, waardoor Alfred zich onderscheidde. Heerschzucht, met strengheid gepaard, maakte den grondtrek van zijn karakter uit; zijne zucht tot regtvaardigheid was vaak aan zijne staatkunde ondergeschikt, en zijne natuurlijke heftigheid werd dikwijls meêdoogenlooze hardvochtigheid. Intusschen mag men niet vergeten, dat hij onder het rumoer der wapenen was opgegroeid , dat openbare en heimelijke vijanden hem bijna altijd omringden, en dat harde maatregelen noodzakelijk waren, om zijne heerschappij over Engeland te bevestigen.

-ocr page 137-

DERDE A F DEE LUNG.

DUITSCHE KEIZERS EN KONINGEN.

I. HENDRIK I EN OTTO I.

I. HENDEIK, UE HEETOG i)E« SAKSEES, DOOK KOENBAAD TOT KONING VOORGESLAGEN.

De opvolgers van Karei den grooten hadden noch den moed noch de grootheid van geest huns voorvaders , om zijn wijd uitgestrekt rijk in orde te houden. Daar nu bovendien het erfregt der eerstgeboorte nog niet was ingevoerd , ontstonden er weldra bloedige veeten onder de zonen der frankische koningen , en deze verdeeldheid duurde voort, toen Duitschland /.ich als zelfstandig rijk van het groote Frankische rijk had losgemaakt. De magtige hertogen wilden den duitschen koning-niet gehoorzamen en voerden oorlog onder elkander. En twee vijanden had de groote Karei nog niet overwonnen : de Hon-garen, welke men „Hunnenquot; noemde, en de Slaven, die aan de overzijde der Elbe en Oder, in Mecklenburg, Pom-meren, Pruisen en Polen woonden. Beide volken trokken dikwijls over de grenzen; maar vooral schrikkelijk hielden de Hongaren , of, gelijk zij zich zeiven noemden, de Magyar en, huis. Dit waren woeste ruiterhorden ; wanneer zij als sprinkhanen in het Duitsche rijk vielen, verwoestten zij al wat zij vonden; mannen, vrouwen en kinderen, die niet snel genoeg konden vlugten, koppelden zij zamen en dreven hen als slaven naar het Hongaarsche land. Eukte een duitsche legerbende in rij en gelid tegen hen op, dan vloden zij plotseling uit elkan-

-ocr page 138-

124

der, en zeide men dan: „Gode zij dank, de roovers zijn weg!quot; dan stonden zij straks weder den Duitschers in den rug. Godshuizen en kloosters staken zij in brand, zoodat allerwege de vlammen hoog opsloegen. De laatste Karolinger, die op den duitschen koningstroon zat, was Lode wijk het kind. De zwakke jonge koning weende over het verval en den overlast van het rijk, maar kon geene hulp aanbrengen. Hij stierf in 911, achttien jaren oud, en Duitschland zou waarsehijnlijk thans reeds in kleine staten zijn verbrokkeld, zoo de Franken en de Saksers zich niet met elkander vereenigd en een koning als rijksopperhoofd gekozen hadden. Hunne keus viel op den ouden saksisehen hertog Otto, die ze echter van de hand wees en den frankischen hertog Koen raad aanbeval. Deze was een goed man, maar bezat niet de geestkracht om een zoo hevig geschokt rijk bijeen te houden. Bovendien kwam hij in twist met den saksisehen hertog Otto, en toen deze stierf, wilde hij Otto\'s zoon, Hendrik, niet in de leenen zijns vaders bevestigen. Dit bragt de Saksers in opstand, en zij sloegen alle aanvallen der Franken terug. In deze verwarringen vielen de Hongaren weder in Duitschland om te plunderen, zonder dat Koenraad het kon verhinderen.

Koenraad stierf vol diepe driefheid over zijne vruchtelooze regering, maar besloot ziju leven met de edelmoedigste daad. Hij liet zijnen broeder Everard, hertog der Franken, te Limburg , waar hij ziek lag, bij zich komen en zeide tot hem in tegenwoordigheid van vele vorsten en heeren: „Lieve broeder! Ik gevoel dat mijn einde nabij is; hoor dus naar mijnen raad, en laat uw heil en het welzijn der Franken u aanbevolen zijn. Wel hebben wij nog legers en wapenen en de teekenen der koninklijke hoogheid, maar voorspoed en de kracht der vaderen hebben wij niet. De voorspoed, mijn broeder, en de edelste zeden zijn in volle mate bij Hendrik; op de Saksers berust de welvaart des rijks. Laat daarom alle vijandschap varen; neem hier deze kleinoodiën, de heilige lans, de gouden armbanden , den purperen mantel, het zwaard en de kroon, ga

-ocr page 139-

135

daarmede tot Hendrik en maak hem voor eeuwig tot uwen vriend en vredegenoot. Hij is bestemd om de koning en de toevlugt van vele volken te zijn!quot; Toen Everard beloofd had, den laatsten wil des konings te vervullen, overleed Koenraatl in december 918 en werd in het klooster te Fulda begraven. Everard steeg daarop met zijn gevolg te paard, reed over berg en dal tot in de lommerrijke bossehen van den Harts. Hendrik was juist op de vinkebaan, toen de ridders aankwamen ; want de jagt was zijn genoegen. Everard gaf zijn paard de sporen, zoodat het in een oogwenk naast hertog Hendrik stond, en sprong af om den man, die tot dus ver zijn vijand was geweest, vriendelijk de hand te reiken. „Ik kom als vriendsprak hij , „en bid om uwe vriendschap. Laat ons om den wil des vaderlands allen twist vergeten 1quot; Gaarne nam Hendrik de hem aangebodene regter hand aan en schudde ze naar oude duitsche wijze. Everard sprak verder: „Ik verlang nog een grooter offer; Duitschland is zonder opperhoofd; slechts één kan het beschermen, en die eene zijt gij. Mijn broeder heeft nog bij zijn sterven aan u gedacht en zendt u hier de kroon des rijks. Wilt gij ze dragen ?quot; — „Ik weet wel,quot; sprak Hendrik, „hoe zwaar eene kroon drukt; maar wanneer zulke brave vorsten ze mij toevertrouwen, wil ik ze in Gods naam dragen en tot welzijn van het vaderland mijne magt gebruiken.quot; Hierop omhelsden de beide mannen elkander, en allen die het zagen, waren tot tranen geroerd.

II. HENDRIK, TOT KONING GEKOZEN, OVERWINT DE HERTOGEN VAN BEIJEREN EN ZWABEN.

Everard ontbood voorts de duitsche hertogen en aartsbisschoppen tot eene vergadering te Fritzlar, waar hij hun zijns broeders laatsten wil en Hendriks inwilliging tot diens opvolging mededeelde. Terwijl hij Hendriks heldenmoed, hooghartigheid en vaderlandsliefde met warmte aanbeval, wendden aller oogen zich op Hendrik, die insgelijks aanwezig was en bij zijnen lof bescheiden zweeg. „Wie in zijn vijand een lof-

-ocr page 140-

126

redenaar vindt,quot; sprak toen de aartsbisschop Heriger van Ments, „die moet een edel man zijn!quot; De vorsten stemden dit toe, verkozen Hendrik tot koning en deelden aan hunne volken dit besluit mede. Daarop verhief zich een geweldig gejuich, dat nooit scheen te zullen eindigen: „Leve onze koning Hendrik !quot; en allen wisten, dat Duitschland door zijn zwaard het best beschermd, en door zijne wijsheid het veiligst geleid kon worden. „Leve koning Hendrik!quot; klonk het, in velerlei tongval uit iedere tent; trompetten en pauken vielen onder de jubelkreten schetterend in; vaandels werden gezwaaid, eu menig stil gebed voor het welzijn van het rijk en zijn opperhoofd vloeide van de lippen der geestelijken.

Toen de eerste storm der vreugde was gestild, verhief Heriger op nieuw zijne stem; „Welaan, laat ons heentrekken naar de domkerk , om den verkozen koning te zalven voor het altaar des Heeren!quot; — „Och neen,quot; antwoordde Hendrik, „het is mij genoeg, dat ik, de eerste uit mijn geslacht, door Gods genade en uwe liefde tot koning word geroepen. Een waardiger dan ik ontvange de zalving en de kroon; zoodanige eer acht ik mij niet waardig.quot; Die nederigheid beviel het volk. De Franken hieven naar oud-duitsch gebruik den vroegeren vijand van hunnen stam, Hendrik, op het schild en toonden hem aan het volk met den kreet: „Ziet hier uwen koning 1quot; Duizend handen verhieven zich onder het afleggen van den eed ten hemel; duizend lippen deden de gelofte; „Onzen koning Hendrik trouw en liefde 1quot; en in menigen grijzen baard vloeide de traan dei-ontroering.

Ofschoon de meeste duitsche vorsten en het volk zich van harte over de verkiezing des konings verheugden, waren er toch twee baatzuchtige mannen, die niet gaarne een sterken meester boven zich wilden hebben, en wien hunne eigene eer hooger stond dan die des rijks. Dit waren Arnulf, hertog van Beijeren , en Burchard , hertog van Zwaben. Beiden verwijderden zich ijlings, ten einde aan den koning den eed der trouw niet te moeten doen. Vergeefs zond Hendrik hun boden na en

-ocr page 141-

127

liet hun hunnen pligt herinneren; zij wilden liever burgeroorlog dan orde en overheid in het land. Nu moest Hendrik de moedige jeugd van Saksen, Thuringen en Frankenland onder de wapenen roepen, opdat scherpe zwaarden aan de koninklijke woorden gehoorzaamheid zouden verschaffen. Diep bedroefd trok de 3 8jarige koning tegen zijne eigene vasalleu ten strijde; maar hij wilde niet dat onschuldigen om deu trots van een enkelen het leven zouden verliezen. Den zwabischen hertog ontzonk de moed, toen het rijksleger in zijn land rukte; hij vroeg en verkreeg genade en vergeving in het jaar 930. Die van Beijeren daarentegen wilde zich niet onderwerpen , maar wierp zich met zijne krijgslieden in het sterke Eegensburg, waar hij door Hendrik belegerd werd. Nu vond de koning-goed , nog eens te beproeven om deu twist, in plaats van met scherpe zwaarden, met woorden te beslechten. Hij stelde Arnulf eene bijeenkomst voor. Deze nam het aanbod aan en verscheen van top tot teen zwaar gepantserd, terwijl Hendrik daarentegen helm , pantser en schild in de legerplaats had gelaten, want hij vertrouwde op zijn regt en op zijne zucht tot vrede.

„Gij weerstreeft mij,quot; begon bij ernstig; „gij vernieuwt den burgeroorlog, even alsof gij niet wist, dat de Hongaar slechts op deze verdeeldheid der duitsche vorsten wacht, opdat hij hen afzonderlijk kan overweldigen! Sla de oogen op Frankrijk, op Italië! Waardoor zijn deze rijken zoo zwak ? Waardoor anders dan omdat geene overheid er tot kracht en aanzien kon geraken , omdat het aan de afzonderlijke graven en hertogen te moeijelijk viel, de wet eens konings te gehoorzamen. Wilt gij de onafhankelijkheid van Beijeren met den ondergang van Duitschland koopen? Wilt gij het voor God verantwoorden, wanneer wegens uwe ongehoorzaamheid aan den wil van den rijksvorst ook maar een enkele druppel duitsch bloed vergoten wordt? Ik heb de kroon niet gezochtvervolgde hij na eene poos; „God heeft ze mij door de stem des volks gegeven. Waart gij tot koning verkozen geworden, ik zou u als mijn leenheer gehoorzamen.quot; De waarheid van deze eenvoudige woor-

S\'r l

ï f

J 1 11. :i^

: m

liji li

i

1 ! || V

ijlt

i) a||

Jl IW

iii il

l#:f|

i|i ! ! Jj

Sii

•r

■•Ij Ifl

!: |

r: n }

Sr 1 ijü

: 1 i\' gt;4

•; 1 j|

;i\' 1 •

-ocr page 142-

128

den trof den trotschen hertog van Beijeren zoo zeer, dat hij nederig om vergeving bad en den leeneed aflegde.

Menigen strijdlustigen Sakser was dit einde van den leger-togt niet aangenaam; maar alle vrienden des vaderlands prezen de edele gezindheid van den koning, die zonder bloedvergieten orde, vrede en gehoorzaamheid wist te herstellen. Gedurende Hendriks zestienjarige regering heeft geen vasal het weer gewaagd, hem de gehoorzaamheid te weigeren.

m. HENDKIK MOET AAN DE HONGAREN SCHATTING BETALEN.

Zoo was de binnenlandsche rust van Duitsehlaand door zachtmoedigheid en verzoening hersteld. Maar nu kwam het er ook op aan om Duitschland tegen de verwoestingen der roofzuchtige naburen te beschermen; want in 924 verschenen de Hongeren weder, die men als worgengelen vreesde. Zij kwamen uit de grasrijke steppen van Hongarije op kleine, leelijke, maar onvermoeide paarden langs den Donau als hagelbuijen aanrukken ; overal waar zij kwamen, staken zij hoeven, gehuchten en vlekken in brand, doodden al wat leefde of sleepten het met zich voort. Gevangene menschen bonden zij aan de staarten hunner paarden, en sleepten hen op deze wijze onder verschrikkelijke kwellingen mede, totdat de dood de ongelukkige slagtofi\'ers kwam verlossen. Eeeds hunne gestalte boezemde walg en afgrijzen in, want hunne aangezigten waren bruin en door likteekenen tot de grootste leelijkheid misvormd, hunne hoofden kaal geschoren, en uit de diep in \'t hoofd liggende oo • gen blikten dierlijke ruwheid en hebzucht. Hoe dapper de Duit-schers ook streden, deze vijanden overtroffen hen altijd, omdat zij op hunne vlugge rossen nu hier dan daar verschenen en bijzondere landstreken overvielen, eer men het vermoedde of hen kon afweren. Ook ontweken zij een ernstigen strijd met een grcote legermassa, overvielen daarentegen afzonderlijke scharen, of vlugt-ten, terwijl zij hunne juist gemikte pijlen bij het wegrijden op de vervolgers rigtten. Zij hadden door het welgelukken hunner overvallen een zoo vreeselijken naam bij de duitschers ver-

-ocr page 143-

129

kregen, dat versaagdheid en schrik maar al te dikwerf duitschen moed en dapperheid weerhielden.

Plotseling klonk alzoo het weegeroep door het land: de Hongaren komen ! de Hongaren komen ! Wie vlugten kon, vlugtte, toen zij met hunne woeste scharen door Saksen en Thuringen trokken. Koning Hendrik echter wilde niet vlugten , maar trok hun tot een ridderlijken strijd te gemoet. Hij verloor nogtans den slag, \'t zij hij juist ongesteld was, of omdat zijne krijgslieden te weinig in getal, en zij met de wijze van strijden des vijands, die al vlugtende plagt te overwinnen, onbekend waren. Genoeg, Hendrik moest zich in de keizerlijke palts (burg) Weiia bij Goslar opsluiten, waar hij zich moedig verdedigde. Storm op storm ondernamen de Hongaren, maar zij konden den burg niet beklimmen; veeleer namen Hendriks mannen bij een moedigen uitval een hoofd der Hongaren gevangen , waardoor de belegeraars zoodanig verschrikten, dat zij een negenjarigen vrede sloten, onder voorwaarde dat hun opperhoofd werd losgelaten en Hendrik eene jaarlijksche schatting beloofde. Hendrik nam het weinig eervolle offer op zich, ten einde eene betere toekomst voor te bereiden.

VI. HENDEIK DE STEDENBOUWER STICHTEK DEK RIDDEKSCHAP.

Niet uit lafhartigheid had Hendrik schatting beloofd, maar omdat zijn scherpzinnig verstand hem zeide dat er, om Duitsch-land van de plaag der Hongaren te verlossen, groote voorzorgen genomen moesten worden. Want hij vroeg zich af: waarin ligt het onweerstaanbare hunner aanvallen ? En weldra moest hij inzien, dat de ongelijkheid der wapenen en de weerloosheid der Noord-Duitsche vlakten de duitsche legerscharen van de overwinning beroofden. De Hongaren waren een ruitervolk, de Duitschers bij voorkeur voetvolk, \'t welk die ruiters niet kon aantasten en vervolgen. De oude heirban, d.i. de oproeping der weerbare duitsche mannen, was buiten gebruik geraakt, waarom er zelden een toereikend aantal strijders bijeen was; eindelijk wa-

GRUBE, G. D. M. 9

-ocr page 144-

130

ren er in het land Saksen en ïhuringen nog geene met muren omringde bewoonde plaatsen, gelijk reeds in Zuid-Duitschland, maar slechts afgezonderd liggende hoeven en kleine ridderburgen. Hoe nuttig vaste plaatsen waren, daar zij door ruiters niet bestormd konden worden en alzoo aan de omwonende landlieden eene veilige toevlugt verschaften, zag Hendrik in het jaar 929, toen de Hongaren door Beijeren en Zwaben trokken tot in Lotharingen, het oude eerwaardige klooster St. Gallen plunderden , de voorsteden van Constants afbrandden, maar de bemuurde stad zelve niet konden veroveren.

Hendrik liet dus een gebod door het geheele land uitgaan , dat op geschikte plaatsen groote, ruime vestingen zouden worden aangelegd , waarheen ieder negende man uit de omliggende gouw als bezetting trekken zou. Wel was het wonen in steden met de gewoonte der Noord-Duitschers in strijd, en vond er hier en daar veel tegenstreven plaats; maar men besefte zeer spoedig de wijsheid der koninklijke verordening, en bouwde racht en dag met zulk een ijver, dat weldra overal in het land steden met statige torens en sterke muren zich verhieven, achter welker tinnen de weerbare burgers de Hongaren fier afwachtten. Thans werd Hamburg versterkt, Itzeboe uitgelegd , de muren van Maagdeburg, Halle en Erfurt uitgebreid , want deze plaatsen bestonden reeds sedert den tijd van Karei den grooten; nieuw gesticht werden Quedlinburg, Merseburg, Meissen, Wittenberg , Goslar, Soest, Nordhausen, Duderstadt, Gronau , Pölde en vele anderen, waarvan in de oude kronieken niets is opgeteekend.

De in den burg wonende heette burger en begon zich met allerlei dingen bezig te houden, ten einde niet ledig te blijven en eetwaren van den landman te kunnen inruilen. De keizers begunstigden het bouwen van steden, gaven iederen lijfeigene , die naar de stad trok, de vrijheid, verlegden missen en markten naar de steden, verleenden haar munt- en belastingregten, schonken haar veel wei- en bouwlanden en bosschen , zoodat de burgerij zich ras ontwikkelde, en de keizers in hunne oneenig-

-ocr page 145-

131

heden met den onhandelbaren adel bij de in den strijd geoefende burgers steeds getrouwe hulp vonden. Na weinige eeuwen waren de steden, die nu meestal republieken ouder den naam van „vrije rijksstedenquot; werden, de zetel der nijverheid, van den europeschen handel, van de wetenschappen en de beschaving. Zij waren een tijd lang de derde magt in den staat, en welke belangrijkheid zij tegenwoordig voor staat en beschaving hebben, ligt voor de hand. Deze onmetelijke voordeelen bewerkte Hendriks bevel tot het bouwen van steden.

Bovendien vernieuwde hij den heirban, d. i. de aloude landweer , door te bevelen, dat niet slechts de voornamen, maar ieder oudste zoon van eene hoeve te paard moest verschijnen. Voorts verordende hij, dat deze landweren zich in hare gouwen dikwijls moesten verzamelen, om zich te oefenen , in rij en gelid te rijden, te zwenken, aan te vallen enz. De kleine scharen verdeelden zich dan gewoonlijk in twee afdeelingen, die tegen elkander in reden en door het vijandelijke gelid trachtten heen te breken. Iedere afdeeling droeg eene gemeenschappelijke leus en had eene gemeenschappelijke kas, want zij, die zich van hun korps hadden laten afsnijden, moesten worden ingelost. Deze ruiteroefeningen zijn de beginselen der tornooijen, en die verbindtenissen der ruiterpartijen de oorsprong der ridderorden met hare wapens. Daar bij groote oefeningen dames tegenwoordig plagten te zijn, zoo is Hendrik de stichter der ridderschap met hare damesdieusten en hare zucht tot krijgsavonturen.

Nadat Hendrik deze inrigting had gemaakt, wilde hij van hare bruikbaarheid tegen een zwakken vijand de proef nemen. De slavische Hevellers aan de Havel maakten zijne gramschap gaande; hij liet hunne hoofdstad Brennabor (Brandenburg) midden in den winter veroveren, ontnam den Daleminziërs aan de Elbe Grana en bouwde in plaats daarvan Meissen, onderwierp de Obotriten, Wilzen en Eedariërs in Mecklenburg en aan de Priegnitz, dwong den boheemschen vorst Wenceslaus, hem den leeneed te zweren, en zond de graven Bernard en Thietmar nogmaals tegen de Bedariërs, die waren opgestaan, te vel-

9*

ii: !-1

-ocr page 146-

132

de. De Duitschers belegerden hunne hoofdplaats Lenzen vijf dagen; vervolgens gebruikten zij op den vroegen morgen na een onstui-migen, regenachtigen nacht het avondmaal, tastten onversaagd den talrijken vijand aan, overwonnen hem na dappere tegenweer eu veroverden Lenzen. Hierdoor oefende Hendrik zijne krijgslieden in het oorlog voeren en verzekerde Duitschlands oostelijke grens , die toenmaals door de Elbe, Havel en Lau-sitz gevormd werd. In het jaar 934 trok de onvermoeide koning zelfs naar Sleeswijk, overwon bij deze stad den over-moedigen deenschen koning Gorm en maakte de provincie Slees-wijk tot Duitsch rijksland, doordien hij er saksische koloniën heen voerde. De bisschop Unni van Bremen predikte in het nieuwe land het christendom, voor \'t welk hij Harold, den zoon van Gorm, wist te winnen.

V. OVERWINNING VAN HENDRIK OP DE HONGAREN BIJ MERSEBÜBG.

Inmiddels waren de negen jaren verstreken, gedurende welke de Hongaren Saksen en Thuringen van hunne rooftogten zouden verschoonen. Hunne gezanten verschenen thans, om de vervallen schatting te halen, maar Hendrik liet hun een verminkten hond aanreiken. „Dat is al wat ik voor u heb!quot; zeide hij met vastberadenheid. Een eed van wraak en een schop tegen den hond was het antwoord der gezanten, die zich vloekende verwijderden.

Te huis verhaalden zij de ondergane beschimping, en weldra riepen vurige teekenen de roofzuchtige scharen tot een rooitogt naar Noord-Duitschland bijeen. Hun ontelbare volkshoop stormde door Oostenrijk en Beijeren naar Thuringen; eiken avond kleurden brandende gehuchten en vlekken den hemel rood, en wemelde het op de wegen en boschpaden van vlugtende vrouwen, grijsaards en kinderen. Hongaren en Duitschers hadden zich in twee groote hoopen verdeeld en stonden eindelijk in de landstreek tusschen Gera, Merseburg en Sondershausen tegen elkander over. Bij de laatste stad bezweek een hoop Hongaren

-ocr page 147-

133

voor het zwaard der Duitscliers, en de rooverhorden trokken naar de vlakte van de Saaie terug. Tegenover hea lag Hendrik met zijn leger, volgens het volksverhaal aan de Saaie bij Keuschberg, een uur ten zuiden van Merseburg, om de zijnen aan het gezigt en de gewoonten der woeste vijanden te gewennen.

Daar blonken wijd en zijd hunne wacht- en keukenvuren, daar weerklonk gejubel en ruw gezang van \'s morgens tot \'s avonds in de legerplaats der Hongaren, het geschreeuw dergenen , die bij het verdeeleu van den buit met elkander twistten, de zegekreten van nieuw aankomende scharen, die verschen buit bragten, maar daar tusschen ook de huilende weeklagten van de mishandelde gevangenen. Zeer dikwijls stond Hendrik op een wachtheuvel en zag met ingehouden toorn het bedrijf der vijanden aan, wier ligte scharen menigmaal tot bij de legerplaats der Duitschers kwamen aanrijden, om hen honend tot den strijd uit te dagen. Eindelijk was het ongeduld der Duitschers niet langer te bedwingen; zij reikhalsden naar den slag. Door biechten en avondmaal bereidden zij zich tot sterven voor, waarna zij zich in geregelde afdeelingen schaarden. Om hunnen moed te verhoogen, reed Hendrik naar hen toe en sprak hen aan; „Van hoe groote gevaren ons voorheen zoo geschokt rijk bevrijd is, weet gij zeiven het best, want gij bezweekt onder den geesel van inwendige tweedragt en van buitenlandsche krijgslieden. Thans echter ziet gij het door Gods genade, door onze inspanning en uwe dapperheid tot rust en orde gebragt, en eenen der vijanden, de Slaven , overwonnen. Er blijft ons over, ons even zoo tegen den algemeenen vijand, de Hongaren, aan te kanten. Tot hiertoe heb ik al het uwe moeten weggeven, om hunne schatkamers te vullen; thans zou ik de kerken en hare dienaren moeten plunderen, want al het onze is weg. Bedenkt dus uw welzijn en besluit wat er gebeuren moet. Zal ik hetgeen aan de dienst van God gewijd is wegnemen, om daarmede van Gods vijanden den vrede te koopen, of het voor de goddelijke dienst behouden, opdat Hij ons verlosse, die in waarheid onze

-ocr page 148-

134

God en verlosser is?quot; Eenparig riep het leger en stak de hand tot den eed omhoog: „Wij willen strijden voor Gods altaren, voor de eer des rijks en voor de veiligheid der onzen!quot;— „Nu dan ten strijde!quot; riep de koning.

De legerpauken schalden, de trompetten schetterden, de vanen wapperden; vooraan woei de rijksvaan met de beeld-tenis van den aartsengel Michael, en in korten draf reden de geharnaste scharen met vooruitgestrekte lansen de vlakte langs, op de legerplaats der Hongaren af. Hoe blonk het daar van blanke helmen en schilden, hoe hijgden de moedige rossen, hoe moedig klopten de harten hunner berijders !

De Hongaren van hunne zijde waren ook niet werkeloos geweest; snel hadden zij zich geschaard en trokken de aanval\'enden te gemoet. Eeeds waren de legers digt genoeg bij elkander, toen de Duitschers het veldgeschreeuw aanhieven: Kyrie! Kyrie ! waarop van den overkant: hoei! hoei! werd gehoord, en gelijk twee onweerswolken vielen de legers in vollen galop op elkander aan. Weldra dwarrelde digt stof omhoog onder den hoefslag der rossen; de ruiterdrommen golfden op en neer, hésrwaarts en derwaarts; maar waar de gesloten scharen van Hendrik verschenen, wierpen zij den vijand voor zich neder, die eindelijk door schrik getroffen en ijlings op de vlugt gedreven werd. Acht dagen lang vervolgden hem de overwinnaars, die in de legerplaats onmetelijken buit vonden. Hendrik liet eene afbeelding van den slag schilderen en die in den dom te Merseburg ophangen.

VI. HENDRIKS DOOD.

In het jaar 936, dus weinige jaren na dezen bevrijdingsslag, die in 933 geleverd werd, werd Hendrik te Bothfeid bij Elbin-gerode door eene beroerte getroffen. Dit deed hem aan den dood denken, waarom hij eene rijksvergadering naar Erfurt bijeen riep, alwaar zijn zoon Otto tot koning gekozen werd, terwijl kort daarna eene nieuwe beroerte hem op zijne palts Mem-leben aan de Unstrut op het ziekbed peêrwierp. Zijne trouwe gade

-ocr page 149-

135

zat weenend aan zijn sterfbed, toen Hendrik met deze woorden afscheid van haar nam: „Ik dank, liefste, mijnen verlosser, dat ik ii niet overleef. Geen man heeft ooit eene trouwere en vromere vrouw gehad; heb dank, dat gij dikwijls mijnen toorn verzacht, mij nuttigen raad gegeven, mij van onbillijkheid tot regtvaardigheid gevoerd en tot barmhartigheid jegens de onderdrukten vermaand hebt. Thans beveel ik u en onze kinderen , benevens mijne uit het ligchaam ontvliedende ziel,, aan den almagtigen God en de voorbede zijner uitverkorenen.quot;

Toen snelde Mathilda weg naar de kapel en bad God om het behoud haars dierbaren gemaals. Nog had zij haar gebed niet geëindigd, toen ook reeds de presbyter Aldedag verscheen, om de eerste mis voor den zoo even overleden koning te houden. Mathilda keerde , door het gebed getroost, naar het sterfbed terug en vermaande hier hare weenende zonen om te leven in de vreeze van God en in gehoorzaamheid aan zijne geboden.

De naam van Hendrik I zal wegens zijne roemvolle daden bij de Duitschers steeds in dankbare nagedachtenis blijven, ja, met regt zegt een beroemd geschiedschrijver: „Griekenland zou Hendrik onder de goden hebben geplaatst.quot;

VII. KROONING VAN OTTO I TE AKEN. - ZIJNE KRACHTIGE MAATREGELEN IN BOHEME EN BEIJEREN.

De vorsten en de edele heeren huldigden alzoo den koningszoon Otto ; door hen vergezeld. brak deze naar Quedlinburg op en reed naar Aken. Daar vernieuwden de hertogen van Beijeren , Zwaben, Frankenland en Lotharingen met de andere grooten des rijks in eene zaal naast den dom op den 8sten augustus 936 de verkiezing en zwoeren aan Otto trouw en leen-manspligt. quot;Vervolgens traden zij met hem in den dom, waar de geestelijkheid en het volk vergaderd waren. En de aartsbisschop Heribert van Ments, als eerste kerkvorst van Duitsch. land en als aartskanselier, naderde den jongen koning met den bisschopshoed op het hoofd en den herdersstaf in de hand, leidde hem in het midden van den dom, vertoonde hem aan

: ! I

lp fifl

irl

i ^ \'{1

if

[m

i. iülll

li

pi

iJlll

f !quot;

i

;

;

\'ilii Jl;

f

ij

i

■j

i

1

I

M;,

l:m * t:i

i||

raiit lil\' ï-. j

1 ill y.l *;l|

q p|

\' rl

-ocr page 150-

136

al het volk en sprak: „Ziet hier Otto, door God tot koning bestemd, door wijlen heer Hendrik daartoe aanbevolen, en dien de vorsten der rijken verkozen hebben. Behaagt u die keus, dan steke ieder uwer de regter hand op!quot; Toen hief het volk juichende de handen op, en nu geleidde de aartsbisschop den koning naar het altaar, waar de kleinoodiën des rijks lagen. Hij omgordde hem met het zwaard van keizer Karei den grooten en sprak tot hem: „Neem en voer het tot schrik der vijanden van Christus en tot heil der christenheid.quot; Vervolgens deed hij hem den keizerlijken mantel en de armringen aan met de woorden; „Blijf, in het heilige geloof gehuld, trouw tot in den dood en behoud den vrede.quot; Hierop legde hij hem den schepter en den staf in de handen, zalfde hem met de gewijde olie en sprak daarbij : „Heersch regtvaardig als vader over uwe onderdanen, bescherm de dienaren van God, de weduwen en weezeu; de olie der barmhartigheid ontbreke u nimmer!quot; Daarna zette hij met hulp der aartsbisschoppen van Keulen en Trier den koning de kroon op het hoofd, en alle drie voerden hem tusschen twee marmeren zuilen naar den troon; daar aanschouwde al het volk hem in den vollen glans der majesteit. Intusschen dacht Otto, terwijl de hooge mis gezongen werd, aan Karei den grooten, die beneden in den grafkelder van den dom op zijn gouden stoel zat, en zwoer bij zich zeiven, dat hij diens rijk weder zou herstellen. Na het eindigen der godsdienst trok de koning met alle vorsten , graven en edelen, bisschoppen en abten naar het keizerlijke paleis en plaatste zich aan een marmeren tafel; daar werd het krooningsmaal voor hem opgedragen, en de hertogen bedienden hem daarbij — die van Frankenland als opperkeukenmeester , die van Zwaben als mondsclienker, die van Beijeren als maarschalk, en die van Lotharingen als thesaurier. Van dezen tijd zijn de vier aartsambten des rijks afkomstig, waardoor de hoogste heerlijkheid des konings boven alle vorsten is uitgedrukt, welke hem uit hun midden verkozen hebben, terwijl hij te voren huns gelijke was geweest.

Weldra toonde Otto aan het Duitsche volk door daden, dat

-ocr page 151-

137

11 ^

hij de kroon verdiende. — In Boheme had toenmaals de wilde heiden Boleslav zijnen broeder, den hertog Wenceslav, die een vroom christen was, aan de poort der Veitskerk te Praag gedood en weigerde de huldiging. Nu rustte Otto, de opperleenheer van Boheme, zich tegen den broedermoorder ten strijde, en zond een dapperen man, Herman Billung, om het gerigt te voltrekken. Deze kwam met een leger van ten strijde toegeruste Saksers, sloeg Boleslav en dwong hem, den leenpligt te vernieuwen en schatting te geven.

Kort daarna handhaafde de koning het koninklijk aezag ook in Beijeren. Aldaar was hertog Arnulf (937) gestorven , en de drie zonen van dien vorst wilden het land niet van den koning in leen hebben, maar het onafhankelijk beheerschen. Daarop kwam Otto plotseling in Beijeren, verklaarde dat zij de regering verbeurd hadden, en schonk die aan hunnen oom Ber-thold, een trouwen man, die tot dus verre markgraaf aan de Adige was geweest. Gedurende dezen tijd waren de Hongaren weder in Saksen gedrongen. Met spoed trok Otto tegen hen op, sloeg hen, keerde naar Beijeren terug, bedwong (949) de drie broeders en verbande Everard, den hoogmoedigsten van hen, naar Zwaben, terwijl hij een anderen, Arnulf, tot paltsgraaf benoemde, en te Eegensburg, de oude hoofdstad van Beijeren, als zijn bijzonderen plaatsbekleeder een „burggraaf\' aanstelde, opdat door dezen de willekeur der paltsgraven even zeer in toom gehouden zoude worden als die der hertogen door genen.

VIII. BRKEERING DER SLAVEN. OORLOG IN DENEMARKEN.

Gelijk Karei de groote, dien Otto steeds tot voorbeeld nam, de bekeering der Saksers en hunne ineensmelting met alle overige Duitschers had pogen te bewerken, zoo streefde Otto zijn geheele leven lang naar den roem om de Slaven tot christenen en tot Duitschers te maken. Dit was, hoewel Otto het als Gode welbehagelijk beschouwde, een onregtvaardig werk; want aan geeneu vorst op aarde geeft God het regt om een volk te

,i: U Ï

a

-if

é

f

• j \'tï \' H t ! p:

■r, SI

■i.

|}:

iM

\\

iffeiy ■ !

Ir

lip

■■t :

It i

Hi li

IIÏÏ

ii

■ vji

; J

r\'-

|

i:if tf

1

i;| j|

i )t

\'j m

ï

-ocr page 152-

138

onderdrukken. En gelijk het dwaalbegrip verwerpelijk was, zoo was ook de uitvoering schandelijk. Tegen de Slaven vocht namelijk de markgraaf Gero, die een geducht krijgsman, maar ruw en wreed was, en de Slaven als honden beschouwde, die slechts door de zweep in orde waren te houden. Zoo noodigde hij eens dertig hunner vorsten tot een gastmaal uit, en terwijl zij onbezorgd feest vierden, liet hij hen overvallen en vermoorden. Daarna onderwierp Gero (940) alle Wenden tot aan de rivier de Oder, ten gevolge waarvan zij schatting moesten betalen , terwijl Otto de bisdommen Maagdenburg en Havel-berg stichtte. Maar door de onmenschelijkheid derduitsche christenen werden de onderdrukte Slaven eerst regt verstokt en boosaardig.

Ook de noordelijke naburen des rijks, de krijgsliafte Denen, moesten Otto\'s arm gevoelen. Over deze heerschte koning Harold , met den bijnaam van „Blaauwtand,quot; die de mark Slees-wijk, door koning Hendrik in het jaar 934 gesticht, had veroverd en door moord en brand verwoest. Otto trok tegen de Denen op, klom het Danewirk over en voerde zijn leger zegevierend tot aan de uiterste punt van Jutland. Aldaar wierp hij, ten teeken dat alleen de zee aan zijne overwinningen palen stelde, zijne speer in de golven; van daar dat de zeeboezem aldaar de „Ottensondquot; heet. Na een slag bij Sleeswijk verzocht Harold eindelijk om vrede, dien hij verkreeg onder voorwaarde, dat hij zich liet doopen en zijn rijk, Denemarken, aau den duitschen koning als leenheer overgaf. Daarop stichtte Otto in Jutland drie bisdommen tot bekeering des volks, want de godsdienst was hem een heilige zaak, ofschoon hij in de keus der middelen voor het doel, overeenkomstig de denkwijze van zijn tijd, dikwijls dwaalde. Maar het goede doel mag nooit een slecht middel heiligen.

Door zoo vele stoute daden had Otto, toen hij eerst 38 jaren telde, het aanzien der duitsche koninklijke waardigheid en de grenzen des rijks ver uitgebreid; met blijden trots beschouwde hem het Duitsche volk, omdat hij het bij alle andere

-ocr page 153-

139

volken tot hoogen roem bragt. De vrijen kwamen weder tot aanzien; de heirbau sloot zich vast aaneen, en de ster der eer blonk hun voor en spoorde hen aan tot stoute daden. Ook de geestelijkheid eerde koning Otto bijzonder hoog , omdat hij niet slechts het geloof met de magt des zwaards uitbreidde, maar ook de kerk door rijke giften en kostbare regten voortreffelijk bedeelde. In de steden groeide intusschen de burgerij, door de eerste morgenschemering der nieuwe vrijheid begroet, stil en onopgemerkt, maar krachtig aan. Zoo bestond in het binnenland eene schoone verstandhouding tusschen alle standen , en hoog boven aan de spits der orde stond de koning, regtvaardig, stoutmoedig, vroom, zachtmoedig en wijs, met het duitsche hart vol verwachtingen van nog grootere\' heerlijkheid.

IX. OOKLOG IN ITALlë.

Destijds leefde in Italië een trouwelooze tiran, Beren-garius, markgraaf van Ivrea. Deze had Lotharius, den jongen koning van Italië, vergiftigd en diens weduwe, de schoone Adelheid, die van geboorte eene koningsdochter uit Bourgon-dië was , gevangen genomen , omdat zij weigerde , Berengarius\' zoon Adalbert tot gemaal te nemen. In den donkeren toren van een kasteel aan het meer Garda hield deze haar opgesloten. Daar sleet Adelheid vier maanden lang in haar leed en zond vurige gebeden ten Hemel op, dat hij haar een redder mogt zenden. Haar getrouwe kapellaan brak eindelijk een gat in den muur van den toren en groef een gang in de aarde tot naar buiten, langs welken hij met de schoone weduwe vlugtte en haar gelukkig tot aan het meer bij Mantua bragt, waar een visscher haar van aalmoezen onderhield; van daar kwam zij op het sterke kasteel Canossa, dat op eene hooge rots stond, waar om heen water vloeide. Azza, de heer van het kasteel, nam haar met vreugde op en verdedigde haar getrouw tegen Berengarius, toen deze in zijne gramschap aanrukte en het kasteel belegerde. Nu had Adelheid zeer veel van den roem des

-ocr page 154-

140

duitscheu konings Otto vernomen, waarom zij tot hem zond met het verzoek „om als christelijk ridder hare vrouwelijke eer te wreken,quot; waarvoor zij hem hare hand en het koningrijk Italië aanbood. Toen Otto, die we duwenaar was, deze tijding vernam, riep hij alle vrijen en getrouwen bijeen en vermaande hen om hem tot bescherming der verdrukte onschuld bij te staan. Allen stemden hierin met vreugde toe, en spoedig reed een voortreffelijk leger met den koning, zijn zoon Ludolf en zijn broeder, den beijerschen hertog Hendrik, in het jaar 951 naar Italië. Bij hunne nadering vlood Bengarius vol schrik van de muren van het kasteel, terwijl de stad Pavia zich met vreugde aan den duitscheu koning overgaf. Weldra huldigde hem het koningrijk Italië, waar sedert Arnulf geen Duitscher meer als koning of keizer geheerscht had. De schoone A.delheid trok nu haren duitscheu ridder tegemoet eu gaf hem als zijne huisvrouw de hand. Te Pavia werd de bruiloft met groote pracht en staatsie gevierd, waarbij de kracht des konings als zonneglans straalde, terwijl de lieftalligheid der koningin als maneschijn blonk.

X. NEDERLAAG DEE HONGAREN OP HET LECHVELD.

Naauwelijks was in het jaar 9 54 de vrede tot blijdschap van alle welgeziuden gesloten, of de Hongaren kwamen in het volgende jaar in het Beijersche land terug en dreigden, dat hunne paarden de Duitsche stroomen zouden uitdrinken. De aanleiding tot dien inval waren ditmaal binnen landsche onlusten, die Otto\'s eigen zoon Ludolf, over zijns vaders huwelijk met Adelheid ontevreden, en zijn schoonzoon, hertog Koen-raad van Frankenland, hadden verwekt; beiden vergaten zich zoo zeer, dat zij de Hongaren zeiven in het land riepen. Doch weldra zagen zij hun onregt in, smeekten \'s konings vergiffenis af en verkregen die, waarna zij besloten, hun vaderland moedig tegen den vijand te helpen verdedigen. Een ontelbaar leger — men verhaalt dat het uit 100 000 man bestond — rukte woedend tegen Beijeren op en legerde zich aan den Lech voor

-ocr page 155-

14.1

Augsburg. In deze stad woonde de bisschop Ulrich, een zeer vroom en moedig man, die de Augsburgers wapende en hen sterkte in vertrouwen op God. Toen nu de Hongaren op zekeren morgen naar de muren opzagen en die van harnassen en zwaarden zagen blinken, werd hun plotseling geboodschapt dat de koning met den duitschen heirban op het Lechveld, dat zich tusschen den Lech en de Wertach tien uren gaans uitstrekte, tegen hen was aangetogen. Nu konden de Hongaren uit strijdlust meelanger voor Augsburg blijven liggen, maar ijlden den koning aan den Lech te gemoet. Met spoed trokken nu ook de Augsburgers met bisschop Ulrich tot den heirban uit. De koning deelde dezen in acht hoopen; drie daarvan waren enkel Beijerschen, die graaf Everard van Sempt en Ebers-berg aanvoerde (omdat hertog Hendrik ziek lag); den vierden hoop vormden de Franken, aan wier spits hertog Koenraad stond, die, vol schaamte over zijn verraad, van begeerte brandde om daarvoor door een eerlijken dood in den slag te boeten; de vijfde hoop bestond uit de edelste strijders van het gan-sche leger; de koning zelf was hun aanvoerder, en voor hem uit vloog de aartsengel Michaël, gelijk voor zijn vader bij Merse-burg; den zesden en zevenden hoop vormden de Zwaben met hunnen hertog Burkhard, en den achtsten de Bohemers; — al deze volken zwoeren elkander trouw en hulp als lijfelijke broeders. Dit had plaats op den 9den augustus 955. Toen nu de Hongaren het duitsche leger in slagorde zagen, zwommen zij vol ongeduld op hunne rossen door den Lech naar den linker oever ; daar omringden zij de slagorde der Duitschers eu wierpen zich plotseling met woest gehuil op de Bohemers. Deze hielden den pijlregen niet lang uit, maar vlugtten en lieten vol schrik aan de Hongaren hun legertros over. Daarop tastten de overwinnaars de Zwaben aan, die zich manhaftig verweerden , maar eitrdelijk moesten wijken. Zoodra de koning dit groote gevaar zag, wenkte hij den hertog Koenraad van Frankenland; als een getergde leeuw snelde deze de Hongaren te gemoet, wierp hen terug, bevrijdde alle Duitschers, die zij gevangen hadden, en

-ocr page 156-

143

bragt hen bij den koning. Den volgenden morgen (op den feest dag van den heiligen Laurentius) zond de koning een vurig gebed tot God op en deed de gelofte, dat hij, indien Christus hem de vijanden van het geloof en van het vaderland hielp overwinnen , den heiligen Laurentius een bisdom te Merseburg zoude stichten. Daarop las bisschop Ulrich voor het leger de mis en reikte den knielenden koning het avondmaal. Toen Otto was opgestaan, sprak hij tot de Duitschers; „Ziet om u! Talloos zijn de benden der heidenen, maar met ons is de magtige helper, Christus, met zijne scharen. Laat ons dus volhouden en liever sterven dan wijken. Doch waartoe vele woorden? In plaats van de tong spreke het zwaard!quot; Fier te paard gezeten, met het schild aan den arm, en de heilige lans zwaaijende, reed hij thans in den glans der morgenzon voor zijne Duitschers\' uit. Thans begint de slag. Onweerstaanbaar rukt het duitsche leger, man aan man, tegen de Hongaren op; voor duitsche eensgezindheid en duitsche geestdrift wordt hunne onstuimigheid te schande. Reeds wijken zij uit elkander; des te heeter wordt hunne woede ; vele duitsche helden moeten zwichten. Weldra zijgen graaf Theobald (broeder van den bisschop Ulrich) en zijn neef Eeginald neêr; hertog Koenraad van Frankenland maakt in de hitte zijn helm los ; oogenblikkelijk treft een pijl hem in de keel, en zoo wordt zijne schuld door den dood geboet. Terwijl nu de benden der Hongaren uileen gedreven worden, vallen de Duitschers op degenen, die nog tegenstand willen bieden , verdelgend aan. Thans wordt de verwarring der Hongaren algemeen; hunne ontzetting groeit aan; de ruime vlakte wemelt van vlugtelingen, de Duitschers achtervolgen hen gelijk de toorn van God ! Huilend springen de Hongaren in den Lech, maar deze is goed duitsch en laat ros noch «liter los; lijken vullen de bedding der rivier, en de met bloed geverwde wateren treden buiten hare oevers. Zoo wordt het overmoedige volk vernietigd ; slechts weinigen ontkomen den gewt\'digen slag. Nog des avonds trekt Otto met bisschop Ulrich roemrijk Augsburg binnen en dankt den Heer voor

-ocr page 157-

143

Duitschlands verlossing. — Den volgenden dag reed hij naar liet slagveld, om zijne dooden te tellen ; daar vond hij Koen-raads lijk eu weende om den dapperen man. Vervolgens trok hij over den Leeh en liet allerwege in Beijeren gebieden om naar de vlugtelingen een naauwkenrig onderzoek te doen. Waar zij zich lieten zien, sloeg het verbitterde Beijersehe volk hen als wolven dood; drie gevangene hongaarsche vorsten liet hertog Hendrik voor de oosterpoort te Regensburg ophangen. Slechts zeven man van de 100 000, die gekomen waren, bragten, zegt men, de boodschap der nederlaag naar Hongarije over. Daarna hield hertog Hendrik te Eegensburg strenge vierschaar over alle verraders des vaderlands, die hen in \'t land hadden geroepen. Onder deze bevond zich ook de bisschop van Saltsburg, wien de oogen werden uitgestoken. Dit was het laatste werk van den beijer-schen hertog op aarde; hij stierf nog in het zelfde jaar. De Hongaren intusschen waagden zich sedert dien tijd niet verder dan tot hunne grensvesting, de Eisenburg (IJzerburg) geheeten, die zich trotsch op een rots op den regter oever van den Donan verhief, ter plaatse waar naderhand het deftige klooster Mölk gebouwd is.

Inmiddels waren de Wenden ter herovering hunner vrijheid weder opgestaan en hadden den saksischen hertog Herman Bil-lung zeer in het naauw gebragt. Met spoed viel Otto, die overal was, waar het rijk zijne hulp behoefde, in hun land, en legerde zich aan de rivier Dossa, waar deze in de Havel uitstroomt; daar trokken de Obotriten en Ukeren met andere slavisehe volken om hem heen en sloten hem in, zoodat hij in groot gevaar kwam; bovendien slopen twee booze gasten, hongersnood en pestziekte, in zijn leger. Juist nog te regter tijd snelde de schrik aller Slaven, de markgraaf Gero, toe en versloeg de vijanden op den 16den october van het zelfde jaar (955), waarin Duitschland van de Hongaren bevrijd was; hun vorst Stoinef kwam op de vlugt om.

XI. TOBT NAAR ITALlë; OTTO WORDT KEIZER

Gedurende dezen tijd had Bercngarius in Italië, hetwelk hij

li

-ocr page 158-

144

v an het Duitsche rijk als leen bezat, met zijn leeneed spottende , met ondragelijke willekeur en wreedheid het bewind gevoerd; hij waande zich veilig, omdat koning Otto met de Hongaren en Wenden te strijden had. Thans riepen de italiaansehe vorsten diens hulp in. Otto gaf zijnen zoon Lu-dolf een wel toegerust leger, opdat hij zich de heerschappij van Lombardije zou kunnen veroveren. Zoodra de koningszoon aldaar aankwam, openden alle harten en steden zich voor hem, zoodat Berengarius weldra nergens een toevlugtsoord meer vond. Door verraad werd hij zelfs aan den dapperen Ludolf uitgeleverd; maar deze stelde hem, na hem te hebben laten zweren, om zich weder aan den koning Otto te onderwerpen , grootmoedig in vrijheid, terwijl Ludolf ook op Adalbert de overwinning behaalde. — Doch kort daarna stierf hij (95 7) een plotselin-gen dood, en de Italianen zeiden, dat Berengarius hem had laten vergiftigen. Deze deed thans juichend een inval, zelfs in den Eomeinschen Kerkdijken staat, waarop koning Otto, op de vele beden van den paus en de grooten van Italië, besloot, zelf naar Italië te komen, ten einde Berengarius te tuchtigen, orde en regt te herstellen en het keizerschap eindelijk met het duitsche koningschap te vereenigen, gelijk Karei de groote, Otto\'s roemruchtig voorbeeld, gedaan had. Daarom riep hij in het jaar 961 de duitsche vorsten tot een rijksdag te Worms bijeen; zij billijkten zijn voornemen en kozen zijn zoon, den zevenjarigen Otto, dien hij hun voorgeslagen had, tot hunnen koning, waarna hij met hem tot viering van het pinksterfeest naar Aken trok, alwaar de knaap gekroond werd. Hierop brak de koning met een groot leger, en door zijne gemalin Adelheid vergezeld, van Duitschland op en reed naar Italië in volle pracht en staatsie, gelijk dit der waardigheid van een koning der Duitschers betaamde. Zoo kwam hij te Pavia. Te Milaan verklaarden alle geestelijke en wereldlijke vorsten Berengarius en zijn gansche geslacht vervloekt en ten eeuwigen dage de heerschappij onwaardig, waarna zij Otto tot koning verkozen. Nu haalden zij dezen te Milaan in, waar de aartsbisschop dezer

-ocr page 159-

145

\'

lil

stad hem zalfde en hem de „ijzeren kroonquot; der Longobarden op het hoofd plaatste. Deze kroon was van goud en werd „ijzeren.quot; genoemd wegens een inwendigen ijzeren reep, die uit een spijker van het kruis van Christus gesmeed was.

Als koning van Lombardije trok Otto nu in januarij van het volgende jaar (962) naar Rome. Daar stroomden de senaat, de ridders en het volk, zijn roem bezingende, de gouden poort uit hem te gemoet, terwijl hij op een wit paard naar het quot;Vati-caan reed en de trappen der Pieterskerk beklom. Vóór hare zilveren poorten zwoer hij, de roomsohe kerk altijd te zullen beschermen, gelijk keizer Karei gedaan had. Den volgenden dag (Maria Lichtmis) zalfde paus Johannes XII hem in de Pieterskerk tot keizer en zette hem de kroon op het hoofd. Ontelbaar veel volk uit de meest verschillende landen der christenheid juichte hem toe, en alle grooten van Rome bezwoeren hem op de reliquiën van St. Petrus hunne onwankelbare trouw. Otto wilde echter niet slechts keizer in naam zijn, maar regeerde ook als zoodanig in Italië. Nu werden de eerste grondslagen der vrije stedelijke staatsregelingen gelegd; maar inzonderheid maakte de keizer er zijn werk van, om zoo wel zijne verhouding tot den paus als die van den paus tot de Romeinen vast te stellen. Doch weldra moest hij ondervinden, dat de Romeinen het keizerschap slechts als eene ijdele waardigheid zonder magt beschouwden en hunne zelfstandigheid niet aan de heerschappij der vreemden wilden opofferen. Met strengheid trad hij dus als opperste regter midden onder de Romeinen, en zij bogen hun trotschen nek ; maar zoo dikwijls hij weder ver was, stonden zij woedend op en trachtten zich van de duitsche opperheerschappij te ontslaan. De Duitschers noemden dit wankelmoedigheid en scholden de Italianen voor trouweloozen; doch het is de vloek van elke vreemde heerschappij, dat zij met de onverdelgbare kiemen der edele vrijheidszucht tevens het onkruid der boosheid doet opschieten. De keizer onderwierp echter de weêrstrevers van zijn gezag; eindelijk (964) kreeg hij ook den roekeloozen rustverstoorder Berengarius in zijne magt grübe, g. d. m. 10

:

m

ivf

iim

1 iiffei

quot;ik

tl r

fill TP

i\' 1

lif

ir,

i \'I

-ocr page 160-

146

liet hem naar Duitschland brengen en hem op den sterken Babenburg opsluiten , waar hij stierf.

Otto zelf keerde in het volgende jaar naar zijn vaderland terug. Daar had intusschen de markgraaf Gero (964) de Slaven in Neder-Lausitz onderworpen, maar in den slag zijn eenigen zooii verloren, voor wiens toekomstige grootheid hij heel zijn leven lang zoo dapper had gestreden; dit harteleed had hij thans tot loon voor zijne onmensehelijkheid tegen de Slaven. Wanhopig deed de met likteekenen bedekte grijsaard eene bedevaart naar Rome, legde zijn zwaard op het altaar van St. Petrus, deed boete, trok op de huisreis te St. Gallen een monniksgewaad aan en stierf (965) in zijn vaderland.

xii. otïo\'s dood.

^Terwijl de keizer nu in Duitschland was, had Adalbert, de zoon van Berengarius, in Italië den strijd terstond vernieuwd, en ter zelfder tijd streden te Eome de magtige adellijke geslachten om de heerschappij, zoodat er groote verwarring bestond. Nu zond de keizer eerst den hertog Burkhard van Zwaben naar Italië; vervolgens begaf hij zelf (966) zich derwaarts en hield vreeselijke vierschaar over allen, die het keizerlijk gezag stout veracht hadden. Verschrikt huldigden hem de vorsten van Be-nevento en Capua; maar de keizer streefde er nu ook naar om Beneden-Italië, dat tot hiertoe nog onder de heerschappij der grieksche keizers gestaan had, te winnen, opdat het ro-meinsche keizerschap weêr in al de volheid der oude magt en heerschappij zou kunnen pralen. Hij hoopte dit op vredelievende wijze te zullen bewerkstelligen. Daarom riep hij zijn zoon Otto II naaf Eome, liet hem door den paus tot keizer kroonen, en voor hem Theophania, de stiefdochter van den griekschen keizer Nicephoros, ten huwelijk verzoeken. Door dezen echt dacht hij van de Grieken de landschappen van Beneden-Italië als bruidschat der prinses te bekomen. Maar Nicephoros was vol dwazen eigenwaan en beschouwde zich als den eenigen regt-

-ocr page 161-

147

matigen erfgenaam van het Eomeinsche keizerrijk, alsmede van het geheele koningrijk Italië, — den duitschen koning daarentegen als een roover van deze waardigheid en van dit land. Diensvolgens mishandelde hij Otto\'s gezanten, sloeg hem de prinses Theophania af en verbond zich heimelijk met Adalbert. Daarop deed Otto in Italië door wapenfeiten blijken, dat de duitsche naam zich niet ongestraft liet honen, allerminst door een zoo ontzenuwd en bedorven volk als de Grieken waren. Kort daarna (968) werd jSlicephoros te Constantinopel vermoord; zijn opvolger, Johannes Tzimisces, die den vrede zocht, zond Theophania, als bruid van den jongen Otto II, naar Italië, en Otto I liet nu aan de Grieken de landschappen Apulië en Calabrië , met uitzondering van Benevento en Capua, over.

Met groote pracht werd de bruiloft van Otto II (972) met Theophania te Eome gehouden. Vervolgens keerden de beide keizers, vader en zoon , naar Duitsehland terug en vierden het heilige paaschfeest (973) te Quedlinburg. Daar zat Otto I in zijne palts, welke, op eene liefelijke hoogte gelegen, wijd en zijd uitzag op de golvende woudtoppen van het Hartsgebergte; rondom den ouden keizer zaten zijn zoon Otto II, de edele vrouwen Adelheid en Theophania, de hertogen van Saksen, Zwaben, Franken, Beijeren, Lotharingen , Polen en Boheme, benevens vele markgraven, graven en edele heeren, en daarbij alle geestelijke vorsten des rijks, terwijl gezanten uit Hongarije en Griekenland, Rusland en Bulgarije, uit Denemarken en Italië geschenken bragten en de vriendschap zochten van den magtigen keizer, wiens roem heinde en ver in de wereld werd verkondigd. Alzoo genoot hij ten volle bet grootste geluk op aarde, dat hij, met zich zelf tevreden, het werk zijns levens kon overzien. Want in Duitsehland heerschte vredu en eensgezindheid , welvaart en zegen bij grooten wapenroem, en dit rijk was voor de andere landen van Europa datgene wat het gezonde , krachtig kloppende hart voor de leden van een lig-chaam is. Na dat paaschfeest trok Otto I naar Merseburg, en van daar naar het bloeijende dal bij Memleben, waar zijn

10*

P\'iï I *

H\'. «1 \' N

Éi • ^ J

1

M

p

|ii -Ifr:

11

4 ir .1

üj i

^ lm ki

1 -i! ■V I

i i [fel

-ocr page 162-

148

vader Hendrik gestorven was. Aldaar overleed ook hij zacht en kalm (973), in het 61ste jaar zijns levens.

II. KEIZER HENDRIK IV EN PAUS GREGORIUS VII.

I. JEUGD VAN HENDRIK IV.

De vader van Hendrik IV was Hendrik III, een krachtig, wakker keizer, maar wat al te heerschzuchtig en trotsch jegens de grooten van het rijk. Hij stelde hertogen aan en zette hen weêr af, naar het hem goed dacht, trok ook moedig naar Italië, waar destijds drie pausen te gelijker tijd wilden regeren, zet te alle drie af en liet driemaal achtereen duitsche bisschoppen tot pausen verkiezen. Zijn zoontje Hendrik liet hij reeds zes weken na de geboorte als koning huldigen, tot groote vreugde der Franken, tot wier stam hij behoorde, maar tot ongenoegen der Saksers, in wier land hij sterke dwangkasteelen aanlegde. Er had van den jongen prins Hendrik iets groots kunnen worden , indien de groote man hem zelf had kunnen opvoeden; maar Hendrik III stierf te vroeg, want Hendrik IV was eerst zes jaren oud. Weldra staken de graven en hertogen van Duitsch-land weêr moedig het hoofd op , en waren blijde, van de lastige opperheerschappij des keizers ontslagen te zijn. A g n e s, de moeder van den jongen keizer, was eene voortreffelijke vrouw en bestuurde de opvoeding van Hendrik, maar tegenover de trotsche vorsten was zij toch te zwak. De groote heeren hielden het beneden hunne waardigheid, zich door eene vrouw te laten regeren, en hadden den keizerlijken knaap liefst zei ven in hunne magt gehad, ten einde in zijnen naam te kunnen handelen. H a n n o , de aartsbisschop van Keulen , een vroom , maar eerzuchtig man, verbond zich met onderscheidene wereldlijke vorsten en geestelijke heeren, om aan de keizerin de voogdij over haren zoon te ontrukken. Hij legde te Kaiserswerth aan

-ocr page 163-

149

den Kijn een schitterend feest aan en noodigde daartoe ook Agnes met den jongen koning uit. Terwijl de keizerin in vrolijk gezelschap zich aan tafel vermaakte, werd de knaap naar een fraai vaartuig op den Kijn gelokt, dat Hanno had laten bouwen en nu aan zijne gasten wilde vertoonen. De moeder vermoedde niets kwaads; maar zoodra haar zoon het schip betreden had, kwamen alle riemen in beweging, en vlood het schip weg. Nu merkte Hendrik dat men hem wilde ontvoeren; hij schreeuwde en sprong over boord in \'t water. Doch vergeefs! Men haalde hem er weer uit en voerde hem naar den aartsbis-schoppelijken burg te Keulen. Jammerend zag de edele keizerin haren ontvoerden zoon na; met een bedroefd hart verliet zij voor altoos het trouwelooze Duitschland en ging naar Eome, ten einde in de stilte der kloostermuren alle wederwaardigheden der wereld te vergeten.

Hanno, een streng en somber man, behandelde den jongen Hendrik — hij was toen twaalf jaren oud — zeer streng, en Hendrik, die het verlies zijner vrijheid niet kon verkroppen, vatte een bitteren haat voor den aartsbisschop op. Deze had intusschen een schranderen en behendigen mededinger in den aartsbisschop Adalbert van Bremen, die maar al te gaarne den koninklijken knaap in zijn huis zou gehad hebben. En werkelijk , toen na verloop van drie jaren Hanno eene reis naar Rome ondernam, gelukte het Adalbert, Hendrik te bevrijden en naar Saksen te ontvoeren. Weldra had de sluwe man naaide wereld het vertrouwen des jongelings gewonnen, en om dezen zich genegen temaken, veroorloofde hij hem alles, liet hem aan al zijne lusten den teugel vieren en stortte hem van het eene vermaak in het andere. Aan beschaving van geest en hart werd volstrekt niet gedacht, en Hendrik, uit zijn aard reeds hartstogtelijk, werd nu geheel en al verwend. Wat echter het ergste was, Adalbert plantte in het hart des jongen ko-nings haat en wrok tegen het Saksische volk, met hetwelk hij in bestendige vijandschap leefde. Hij schilderde hen af als een oproerig, trotsch volk, \'twelk men den voet op den nek moest zetten.

■ :

, ,81

ü\' 5

-ocr page 164-

150

II. OPSTAND DER SAKSERS.

Op zijn zestiende jaar werd Hendrik meerderjarig verklaard; maar wat moest men van een heerscher verwachten, die zoo trotscli, grillig, wankelmoedig en zoo zeer aan zinnelijke genoegens verslaafd was als Hendrik ? Gelijk zijn vader nam hij ook zijn verblijf in Saksen, in de schoone dalen van den Harts, ofschoon hij het volk haatte. „Saksen is een schoon land,quot; zou hij eens gezegd hebben, „maar die het bewonen, zijn nietswaardige slaven !quot; Aldus sprak hij van het volk, en de saksische vorsten krenkte hij door verregaande trotschheid. Een der uitstekendste mannen van dien tijd was de saksische graaf Otto van Nordheim, destijds hertog van Beijeren. In dezen had Hendrik een sterken steun kunnen hebben; maar in plaats daarvan ontnam hij hem zijn moederlijk erfgosd , het hertogdom Beijeren, op eene valsche beschuldiging, dat graaf Otto een edelman had willen omkoopen, om koning Hendrik te vermoorden. Hendrik schonk Beijeren aan een Italiaan, Welf genaamd. Doch Otto begaf zich vol wraakzucht tot den graaf Magnus van Saksen en verbond zich met hem tegen den koning. Hendrik trok tegen hen op, nam beiden gevangen en liet daarop in het Saksische land, inzonderheid aan den Harts, sterke bergkasteelen bouwen. In deze legde hij als bezetting frankische soldaten, die nu het land afstroopten , de bewoners plunderden en hen in den naam des konings tot zware heerendiensten dwongen.

Dien ten gevolge kwamen de voornaamste wereldlijke en geestelijke heeren in Saksen bijeen en beraadslaagden met elkander wat hun te doen stond. Eenigen waren van gevoelen, dat men er dadelijk met het zwaard op in moest houwen; anderen echter waren hier tegen en wilden eerst den weg dei-zachtheid beproeven. Zoo zond men drie afgevaardigden aan Hendrik, die juist te Goslar zijn hofleger had. Zij spraken : „Hoog edele koning! Het volk der Saksers, dat voor geene natie in moed en trouw onderdoet, bidt u, het de reg-

-ocr page 165-

151

ten zijner voorvaderen, de oude vrijheid des lands weder te geven. Buitenlanders en behoeftigen matigen zich met geweld onze goederen aan en ontnemen den inboorlingen hunne bos-schen, weiden en kudden. Laat gij ons naar vaderlandsche zeden leven, dan zal er in Duitschland en Frankrijk geen trouwer en onderdaniger volk gevonden worden.quot; — Dit was goed en verstandig gesproken, maar het goede woerd vond bij den trotsehen Hendrik geene goede plaats. Hij snaauwde de gezanten op ruwen toon toe en zond hen weg zonder hunne beden te verhooren. Nu was het geduld der Saksers uitgeput; weldra bragten zij een leger van 60 000 man op de been, en trokken tegen Goslar op. Ontsteld vlood Hendrik naar zijn gelief koosden Hartsburg, een sterk bergkasteel tus-schen Ilsenburg en Goslar. Maar het saksisehe leger omsingelde ook dit kasteel, en slechts met moeite ontsnapte Hendrik in een donkeren nacht door de enge bergpassen van liet Hartsgebergte , nadat hij zijne schatten en de rijkskleinoodiën heimelijk in zakken had laten wegbrengen. Drie dagen en nachten dwaalde hij rond, alvorens hij in Hessen aankwam. Onder-tusschen tastten de Saksers zijne bergkasteelen aan en verwoestten ze tot op den grond. Nog tegenwoordig ziet men op vele bergen van den Harts de grijze puinhoopen uit dien tijd. Het volk was zoo verbitterd op den frankischen koning, dat het zelfs de schoone kerk in den Hartsburg verbrandde en de lijken van een broeder en een zoontje des keizers uit hunne graven wierp. Vervolgens werd in een groote vergadering koning Hendrik onwaardig verklaard , de rijkskroon te dragen, en de hertog Eudolf van Zwaben tot koning van Duitschland uitgeroepen.

Vol inwendige gramschap trok Hendrik in 1075 naar Worms, waar hij zich onder het volk, dat altijd achting voor den regtmatigen vorst heeft, vele aanhangers verwierf. Tevens stemde hij zijn toon lager , stelde zich vriendelijk aan en won door beden en beloften eindelijk onderscheidene vorsten, zoo-dat zij hem bijstand tegen de Saksers beloofden. Met een voor-

-ocr page 166-

152

treffelijk leger trok hij het land des oproers binnen , en toen het tot een gevecht kwam, streed Hendrik zelf, op een wild strijdros gezeten, zoo dapper, dat hij vele vijanden met eigene hand nederhieuw. Bij L a n g e n s a 1 z a aan de Unstrut werden de ver-eenigde Saksers en Thuringers volkomen geslagen. Hun ongelukkig land werd nu door het frankische leger barbaarsch verwoest , velen werden ingekerkerd , en de laatste vrijheden hun ontnomen. De Saksers, die zich niet meer wisten te redden, wendden zich in hunnen nood tot den paus, den vader der christenheid. En juist in dien tijd had een man den heiligen stoel beklommen , voor wien weldra vorsten en koningen zouden buigen. /

UI. PAUS GREGORIUS VII.

Deze paus heette Gregorius VIL Hij was de zoon van een timmerman van Savona, Hildebrand genaamd, had zich vroeg aan den geestelijken stand gewijd en reeds in zijn klooster zich door diep inzigt in de aangelegenheden der kerk, door strenge zeden en grootc geleerdheid zoo zeer onderscheiden, dat hij weldra naar Kome aan het pauselijke hof geroepen werd. Hier leidde hij met groote omzigtigheid en ijzeren standvastigheid twintig jaren lang alle schreden der pausen. Vervolgens werd hij zelf tot opperhoofd der kerk gekozen, en wel met zoo veel spoed, dat niemand buiten Italië er kennis van droeg j voordat hij reeds als gewijd plaatsbekleeder van Petrus de magt in handen had. Hendriks vader had verordend , dat geen paus zonder den wil van den duitschen koning gekozen mogt worden. Toen Gregorius zijne verkiezing aan Hendrik IV liet berigten, was deze derhalve zeer verstoord en zond een gezant met de vraag: „Of de verkiezing wel naar regt geldig was, daar de keizer ze niet had bekrachtigd ?quot; De sluwe Gregorius stelde zich, om maar eerst de bekrachtiging te verkrijgen, zeer demoedig aan. „Heer graaf,quot; zeide hij tot den keizerlijken gezant, „God is mijn getuige, dat ik deze eer niet gezocht heb, maar dat ze mij door de Eomeinen met

-ocr page 167-

153

geweld is opgedrongen. De inwijding zal eerst dan plaats hebben , wanneer het \'s keizers wil is.quot; Hendrik werd door deze bescheidenheid zeer geroerd; hij keurde niet slechts de verkiezing goed , maar beval ook, de inwijding terstond te doen plaats hebben. Hoe zeer zal hem dit later welligt berouwd hebben !

Nu ging Gregorius ras aan het werk. Vast stond in zijne ziel het besluit, om de geestelijkheid geheel te bevrijden van alle vorstelijke magt. Het gezag der vorsten — zoo sprak hij — is van deze wereld, maar de magt der geestelijken is van God eu Jezus Christus, en gelijk de pausen van Petrus de magt ontvangen hebben om te binden en te ontbinden, zoo zijn zij ook de plaatsbekleeders van Jezus Christus op aarde, en slechts aan hem eu God, maar niet aan de wereldlijke vorsten, voor hunne handelingen verantwoordelijk. Daarom kan ook naar goddelijk regt noch het Komeinsche volk noch de keizer (gelijk tot hier toe) een priester tot paus verkiezen, maar dezen benoemt de heilige Geest zelf, die aan eene bijzondere vergadering van aartspriesters 1) of kardinalen daartoe licht en wijsheid schenkt. Daarom kan ook niemand den paus vonnissen en afzetten, zelfs geene kerkvergadering. En dewijl de paus als plaatsbekleeder Gods op aarde een eeuwig rijk beheerscht, moet \'s keizers tijdelijke waardigheid en magt eerst door den paus, die hem de kroon op het hoofd zet, geheiligd worden, gelijk de maan haar licht van de zon ontvangt. Zoo dacht Gregorius , maar hij was er ook de man naar, om deze stoute gedachte uit te voeren en de heerschappij der kerk (hiërarchie) ondanks allen tegenstand te grondvesten.

Drie middelen waren het inzonderheid, waardoor Gregorius zijn stoutmoedig en groot doel bereikte. Het eerste was het afschaffen der simonie, d. i. van den koop en verkoop van

1

Het getal der kardinalen werd op 70 vastgesteld; zij hadden den rang boven de vorsten en boven de gezanten der koningen en werden de ministers van den paus. Hunne kleeding is een lange scharlaken mantel en een roode hoed.

-ocr page 168-

154

geestelijke ambten, welken ergerlijken handel men met de misdaad van Simon vergeleek, van wien in de Handelingen der apostelen, hoofdst. 8 , vers 9, gesproken wordt. Het andere was, dat wereldlijke vorsten niet langer het regt zouden hebben, om de geestelijken in hunne ambten en waardigheden te bevestigen, maar dat dit regt eenig en alleen aan den paus zou verblijven. Als teeken zijner vvaardigheid ontving de bisschop een ring en een staf, en dit noemde men investituur, d. i. bekleeding. Het investituurregt werd dus den vorsten ontnomen. Maar opdat de geestelijken wegens de verzorging hunner kinderen niet langer van de wereldlijke heerschers afhankelijk zouden zijn, verordende Gregorius ten derde het celibaat of den on ge huw den staat der geestelijken.

\'t Was allezins hoog tijd, dat er eene scherpere kerkalijke tucht en strengere orde onder de geestelijken werd ingevoerd. De handel in geestelijke ambten werd op eene hoogst schaam-telooze wijze gedreven, en vooral gedurende de minderjarigheid van Hendrik IV werden de ledig staande bisdommen en abdijen dikwijls aan de meestbiedenden verkocht. De bisschoppen van hunnen kant verkochten dan weder alle door hen te begeven geestelijke waardigheden. Zoo bekwam menigeen een zeer voordeelige plaats, ofschoon hij die in \'t geheel niet waardig was. Nu echter moest menig geestelijke een ander leven leiden, indien hij niet weer van zijn ambt ontzet wilde worden. Het moeijelijkste punt evenwel was het celib aa t. Voortaan mogt geen priester meer eene vrouw nemen , en wie er eene had, op straf van afzetting van haar scheiden. Dit verwekte een algemeen\' misnoegen onder de geestelijken. De aartsbisschop van Ments schreef naar Eome terug, dat hij de geestelijken van zijn kerspel had bijeen geroepen en hun het bevel voorgelegd , maar dat hij twijfelde het te zullen doorzetien. Terstond verscheen een nieuwe legaat met het antwoord . dat hij het op verbeurte zijner waardigheid moest doorzetten. De aartsbisschop riep zijne geestelijken tot eene nieuwe vergadering bijeen, waarop het echter zoo onstuimig toeging, dat beiden.

-ocr page 169-

155

de aartsbisschop en de legaat,. in levensgevaar geraakten. Doch Gregorius bleef standvastig; hij nam niets terug, en weinig jaren daarna was de ongehuwde staat bij alle geestelijken doorgedreven.

Door deze instellingen won de paus oneindig ia magt. Geen geestelijke was voortaan nog aan zijn landsheer gebonden; niemand moest om den wil van vrouw en kind de bescherming en hulp van den staat zoeken; niemand behoefde de wereldlijke heeren te vreezen. Allen waren aan den paus verbonden, van wien zij alles te hopen en te vreezen hadden. Zoo maakten de geestelijken een grooten staat uit, die in alle landen der christenheid zijne wortelen en takken had, maar van den paus te Rome zijn leven en zijne wet ontving. Het volk eerde in de bevelen van den paus het woord van God, en de vorsten waagden het niet tegen te spreken, want de paus had immers de magt, om de volken van hunnen eed aan den landsheer te ontslaan, of wel over een geheel land het interdict uit te spreken. Dan verstomden alle klokken; geene mis werd meer gelezen; alle kerken werden gesloten; geene plegtige lijkstaatsie werd gehouden. geen huwelijk ingezegend. De toorn van God drukte op het ongelukkige land. Met zulke wapenen streden de pausen, en deze wapenen waren sterker dan lans en zwaard.

IV. HENDRIK IV TEGEN\' GREGORIUS VII.

Gregorius hoorde de klagten der Saksers bereidwillig aan en waarschuwde den keizer. Doch deze, vol trots over zijne overwinning , wees alle waarschuwingen en vermaningen met spot en hoon af. Daarop kwamen plotseling pauselijke legaten bij hem met \'s pausen bevel, om binnen 60 dagen te Eome voor eene geestelijke vierschaar te verschijnen, ten einde over de tegen hem ingebragte beschuldigingen rekenschap af leggen , bij gebreke waarvan hij op deu zelfden dag met den apos-tolischen vloek beladen en buiten de gemeenschap der kerk gesloten zoude worden.

Hendrik was woedend over zulk een eisch van den paus en

m

\'111

•-

If ill

I

V ,

m

-ocr page 170-

156

joeg diens gezanten met schimp uit het land. Terstond riep hij de duitsche bisschoppen te Worms bijeen en had het genoegen, dat deze kerkvergadering voor de afzetting van den paus stemde. Nu meende de keizer alle gevaar te boven te zijn; immers had zijn vader ook verscheidene pausen afgezet. Maar hij vergat, dat hij geen Hendrik III, en Gregorius geen gewone paus was. Het bevel van afzetting stelde hij nu aan een moedigen gezant ter hand, dien hij, van een krachtigen brief voorzien, naar Eome zond. Juist had Gregorius de aangekondigde vergadering der kardinalen geopend, toen de gezant aankwam. Gregorius zat in het pauselijk ornaat op zijn verheven gestoelte; om hem heen de bisschoppen en kardinalen. Allen verwachtten, dat de gezant in naam zijns meesters demoedig om vergeving zou bidden; maar hoe groot was de verbazing en de verbolgenheid der geestelijke heeren, toen de keizerlijke afgevaardigde naar den paus toetrad met de woorden : „De koning, mijn meester, en alle bisschoppen over het gebergte en in Italiëquot; (ook eenige lombardische bisschoppen, die op den strengen paus misnoegd waren, hadden mede onderteekend) „verkondigen u het bevel, om den stoel van Petrus , dien gij u hebt aangematigd , oogenblikkelijk te verlaten, want zonder \'s konings toestemming kunt gij geen paus zijn!quot; En zich tot de vergadering wendende, ging hij voort: „U, broeders, wordt aangezegd, dat gij tegen het aanstaande pinksterfeest voor den koning zult verschijnen, om uit zijne handen een anderen paus en vader te ontvangen, want deze hier is geen paus, maar een verscheurende wolf bevonden!quot;

Nu brak de storm der verontwaardiging en der gramschap los; eenigen der ondernemendsten sprongen op den gezant toe en zouden hem deerlijk mishandeld hebben, indien Gregorius niet met rustige waardigheid tusschen beide was gekomen om hunnen ijver te doen bedaren. En de paus las nu zelf den brief voor, welke aldus begon: „Hendrik, niet door aanmatiging, maar naar de verordening van God koning, aan Hilde-brand, niet den paus, maar den valschen monnik.quot; Na voor-

-ocr page 171-

157

ii

ihp

■ gt; li

■I

\'m

; l jl|

Ir\'f

i i ?\' ■vh\'i •

:J|j

•|i||

Ji

i I

ii

ti ■V ■ ■i

•• jquot; 11 \'i i ii

Ir .li. 0

91

.6

I

lezing van dezen brief\' werd de woede tegen Hendriks afgezant nog grooter, en niet dan met moeite kon de man zich redden. Keeds den volgenden dag hield Gregorius een nieuwe vergadering, sprak hier met krachtige stem den ban tegen Hendrik uit en ontbond de christenen van alle eeden, die zij den koning gedaan hadden. Geen onderdaan ot\' dienaar mogt hem meer gehoorzamen, geen priester hem de heilige sakramenten toedienen, en ieder moest hem als een pestziekte schuwen. Met den koning werden ook de bisschoppendie het afzettingsdecreet te Worms onderteekend hadden, in den ban gedaan.

Het eerste gevolg daarvan was, dat üuitschland zich in twee groote partijen verdeelde, eene pauselijke en eene keizerlijke. De zorgelooze Hendrik, niet vermoedende wat er te Eome over hem besloten was, bevond zich juist in het onderworpene Saksische land, bouwde de afgebrokene kasteelen weder op en schonk de goederen van de gevangene hoofden der Sak-sers aan zijne gunstelingen. Vervolgens ging hij welgemoed naar Utrecht, om daar het paaschfeest te vieren, want de bisschop Willem was zijn trouwe aanhanger en een opgeruimd, gezellig man. Met dezen bisschop had echter een voorval plaats, dat den keizer en al zijne vrienden zeer ontstelde. Op den eersten feestdag hield Willem zelf de predikatie en rigtte zijne rede tegen den paus, dien hij met groote zeggenskracht smaadde en lasterde ; met honenden lach besloot hij: „Door zulk een man is onze koning in den ban gedaan! Maar hoe belagchelijk is toch die ban!quot; Doch naauw was het feest voorbij, of de bisschop viel in eene zware ziekte. Een vreeselijke gewetensangst overviel hem, en hij meende dat de ziekte eene straf was, omdat hij den heiligen vader gelasterd had. In zijne koortshitte zag hij gedurig booze geesten aan zijn bed komen, die zijne ziel naar de hel wilden slepen. In vertwijfeling gaf hij den geest, en Hendrik zelf geraakte in een doodelijken angst, want het geloof aan de heiligheid en onfeilbaarheid van den paus was te diep in aller harten geprent, dan dat zelfs de tegenstanders van den paus het geheel en al konden verloochenen. Overal

-ocr page 172-

138

waren de gemoederen vreeselijk geschokt; eene schrikkelijke gisting heerschte in het gansche rijk. De Saksers vereenigden zich weldra weder en rustten zich ten strijde toe; Hendriks vijanden grepen nieuwen moed, en van zijne vrienden sloop de een voor en de ander na weder weg, uit vrees voor den ker-kelijken banvloek. Hendrik liet een opontbod aan al zijne aanhangers en vrienden uitgaan, doch niemand verscheen. Zijn bidden, zijn dreigen was vruchteloos; zijn gezag verminderde van dag tot dag. Nu verzamelden zich de duitsche vorsten te Tribur aan den Rijn, om den koning plegtig van zijn rijk vervallen te verklaren. Zeven dagen lang duurde die vergadering. Hendrik snelde toe en legerde zich aan den anderen oever van den Eijn. Met vochtige oogen zag hij naar ffribur; maar de vorsten, die de dwaasheden zijner jeugd en zijn trotschen overmoed niet hadden vergeten, sloegen geen acht op hem. Eiken dag zond. Hendrik boden aan de vergadering met de schoonste beloften, dat hij nooit iets zonder den raad der vorsten zou ondernemen, en de bede, dat men hem slechts den koninklijken titel en de eereteekenen van het rijk zou laten behouden, opdat hij niet al te zeer beschimpt zou worden. Doch thans kwam het bidden te laat. Men antwoordde hem, dat men reeds te veel in hem verschoond had en men op zijn woord niet meer kon vertrouwen. Men wilde hem echter nog een jaar tijd gunnen. Kon hij zich voor den afloop daarvan van den ban bevrijden , dan wilde men met hem onderhandelen; in het tegengestelde geval zou men Eudolf van Zwaben als koning erkennen.

V. HENDRIK IV TE CANOSSA.

Dit was nu zeker een slechte troost. Tot zijn schrik ontving Hendrik nog de tijding, dat in het volgende voorjaar 1077 de vorsten te Augsburg een rijksdag wilden houden , waartoe ook de paus uitgenoodigd zou worden, om Hendriks zaak te beslissen. De arme koning wist hulp noch raad meer. Eindelijk kwam hij op de gedachte om den paus met goede woorden te paaijen; gelukte het hem, zijn toorn te doen bedaren, dan

-ocr page 173-

159

zou hij althans van de treurige noodzakelijkheid ontheven zijn om voor alle vorsten als een berouwhebbend zondaar te moeten verschijnen. Weldra was het besluit genomen; maar het ontbrak hem aan geld voor de verre reis. Ootmoedig bad hij zijne oude vrienden, die vaak aan zijne tafel gebrast hadden, om een voorschot; maar hij verkreeg niets, en zoo moest hij armoediger dan een gewoon edelman de reis aanvaarden. Eenige dagen voor kersmis, midden in den strengsten winter vertrok Hendrik van Spiers. Vrouw Bertha, zijne edele gemalin, wilde hem niet verlaten. Ofschoon Hendrik het aan haar niet verdiend had — want Bertha was door hem zeer slecht behandeld, en de koning had haar zelfs willen verstooten — zag zij toch tegen de gevaren en moeiten der reis niet op, maar wilde allen nood met haren gemaal deelen. Ook haar klein zoontje nam zij mede, en slechts één dienaar besloot mede te reizen. Zoo trok eene keizerlijke familie naar Italië. De vijanden van Hendrik waren intusschen reeds werkzaam geweest, om hem de passen van Tirol en Zwitserland te versperren, ten einde de verzoening met Gregorius tot over den vastgestelden tijd te verschuiven. Zoo werd de koning gedwongen, een grooten omweg door Frankrijk te maken- De reis was, nog eer men in het gebergte aankwam, zeer bezwaarlijk, want er bestonden toenmaals nog geene zoo gemakkelijke straatwegen als tegenwoordig. Volkomen onreisbaar werd echter de weg, toen men in \'t gebergte kwam. De hooge bergruggen waren met ontzaggelijke massa\'s sneeuw bedekt, en een ijskoude wind deed de huid van aange-zigt en handen der arme reizigers barsten. De sneeuw was zoo hard gevroren als ijs en zoo glad, dat menschen en paarden ieder oogenblik gevaar liepen, in de afgronden neer te storten. En toch was de grootste spoed noodig; want weldra was het jaar verstreken, dat de vorsten als uitstel hadden bepaald. Wegwijzers hadden den koning een pad door de diepe sneeuw moeten banen; nu had men eindelijk den top bereikt. Maar hier scheen het onmogelijk verder te komen; want de zijde naar Italië was zoo steil en glad, dat men er geen voet op kon vast

-ocr page 174-

160

zetten. Doch wat hielp het? Men moest naar beneden op leven of dood! De mannen kropen op handen en voeten, in bestendigen angst van in den gapenden afgrond neêr te tuimelen, terwijl de koningin en hare kamervrouw in runderhuiden werden genaaid en zoo door de gidsen naar beneden getrokken. De paarden bond men de pooten bijeen en liet ze aan touwen naar beneden zakken, waarbij de meesten omkwamen. Eindelijk — eindelijk kwam men in de vlakte aan. De eene angst was nu gelukkig doorgestaan, maar voor den ongelukkigen keizer genaakte een tweede.

Gregorius had zich bij Hendriks aankomst kort te voren naar Duitschland op reis begeven, om den rijksdag te Augsburg te gaan bijwonen, en was juist in Opper-Italië aangekomen. Hij schrikte niet weinig, toen hij hoorde dat de keizer in aantogt was! want hij meende dat Hendrik kwam, om zich over den hem aangedanen smaad te wreken. En werkelijk had Hendrik dit kunnen doen, want de lombardische grooten en bisschoppen kwamen hem juichend te gemoet, in de hoop dat hij hen tegen den heerschzuchtigen Gregorius zou aanvoeren. Zij boden hem alle hulp aan, maar Hendrik wees die van de hand met de woorden: „Ik ben niet gekomen om te strijden , maar om boete te doen.quot;

Gregorius was dadelijk van zijn weg afgeweken en naar het sterke kasteel C a n o s s a , bij zijne vriendin, de rijke markgravin M a t h i 1 d e , gevlugt, naardien hij nog niet wist, met welke boetvaardige gezindheid Hendrik tot hem kwam. Hij verheugde zich niet weinig, toen hij vernam, dat de duitsche koning hem als boetend pelgrim naderde. Zoodra Hendrik te Canossa aankwam, liet hij door de markgravin den paus verzoeken om hem van het banvonnis te ontslaan, want dat hij zich aan iedere boetedoening, die de heilige vader hem zoude opleggen, wilde onderwerpen.

Het was destijds gebruik, dat de openbare zondaar, die vrijspraak (absolutie) van de kerkeboete bij den paus trachtte te verkrijgen, met een wollen hemd bekleed werd. In dit kleed

-ocr page 175-

161

van berouw en boete moest hij een geruimen tijd lang aan de kerkdeur staan en zich voor de gebeele gemeente verootmoedigen. Ook moest hij zoo lang vasten en bidden tot hij dooide absolutie des priesters weder in den schoot der kerk was terug gebragt. Dit moest echter geene verootmoediging zijn voor men-sehen, maareene verootmoediging voor God, voor wien bedelaars en vorsten gelijk zijn. Aan deze boetedoening moest Hendrik zich te Canossa nu ook onderwerpen. De koning van Duitsch-land en Italië stond hier, enkel met een wollen hemd bekleed, blootshoofds en barrevoets, op liet slotplein onder den blooten hemel op \'s pausen beslissing te wachten. Drie dagen lang moest de ongelukkige aldus staan, zonder zich door spijs en drank te verkwikken. De markgravin en de andere vrienden van Gregorius werden door het weenen en jammeren van Hendrik zoo geroerd, dat zij onder tranen voorbede bij den paus deden; ja , eenigen riepen zelfs dat dit meer was dan apostolische strengheid, dat het tirannieke wreedheid was. Eindelijk op den vierden dag liet de paus den boeteling bij zich komen en ontsloeg hem van den ban, onder voorwaarde, dat hij iu stilte naar Duitschland zou gaan en zich van alle koninklijke magt onthouden, totdat op een rijksdag beslist was, of hij koning zou blijven of niet.

Een zoo hard bescheid had Hendrik toch niet verwacht. Met verontwaardiging en toorn in het hart scheidde hij van Gregorius, reikhalzende naar eene gunstige gelegenheid om zich te kunnen wreken.

VI. HENDRIK TEGEN KÜDOLF VAN ZWABEN.

\'s Konings gevoel van eigenwaarde was weêr ontwaakt, en hij maakte aanstalten om met den paus te breken. Zoodra de Lombardijers, die zich over Hendriks kleinmoedigheid1 het meest geërgerd hadden, dit vernamen, werden zij weder vriendelijk, openden hem hunne steden en schaarden zich om hem heen. De duitsche vorsten daarentegen maakten zich, zoodra zij hoorden dat Hendrik zich weder ongehoorzaam tegen den paus be-

GRüBE. G. D. M. 11

-ocr page 176-

162

toonde, nu geheel en al van hem los en gingen over tot de verkiezing van een nieuwen koning. Zij kozen den reeds genoemden Rudolf van Zvvaben, een dapper, regtschapen man, die reeds langen tijd Hendriks vijand was geweest. Nawas het hoog tijd, dat Hendrik weder naar Duitschland terug ijlde. Het gelukte hem, andermaal een leger op de been te brengen , want \'s konings onwaardige behandeling had toch velen verontwaardigd, en vooral boden hem nu de steden hare hulp aan. Na vele gevechten ontmoetten de beide vijandelijke legers elkander bij Merseburg (in het jaar 1080), op den zelfden grond, waar de groote Hendrik I de Hongaren zoo dapper bestreden had. Hendrik IV streed met onversaagden en echt ridderlijken moed. Lang weifelde de overwinning. De Saksers rukten zegevierend voort, toen plotseling hun zegetogt gestuit werd door de tijding dat Iludolf doodelijk gewond was. Hij had over eene sloot willen springen, toen een jong ridder, Godfried van Bouillon, de zelfde, die later Jeruzalem veroverde, hem bereikte. Lang reeds had deze, een getrouw aanhanger van Hendrik, hem opgezocht. Thans rende hij met gevelde lans op hem toe, eu tusschen beide mannen ontstond een hevig gevecht. De zwaarden gonsden door de lucht en vielen kletterend op helm, schild en pantser. Eindelijk trof Godfried zijnen vijand aan het handgewricht; zijn zwaard drong tussch i de scheenen van het pantser, en Rudolfs hand viel afgehouwen met zijn zwaard op den grond. Ook in het onderlijf had hij eene doodelijke wond ontvangen. Zoo droegen de zijnen hem uit het gewoel, en treurig stonden de bisschoppen om hem heen, ten einde hem met den laatsten zegen te wijden. Toen men hem zijne doode hand vertoonde, riep hij weemoedig uit: „Die is het, waarmede ik eens koning Hendrik den eed der trouw zwoer!quot; Kort daarna stierf hij. Zijn graf bevindt zich in de domkerk te Merseburg, waar ook nog zijne afgehouwene hand getoond wordt.

-ocr page 177-

163

VII, UITEINDE VAN GKEGORIUS.

Rudolfs dood was voor Hendrik een groot geluk. Velen zijner vijanden verloren thans den moed, en menigeen hield den dood des tegenkeizers voor een strafgeregt van God. Zoo nam Hendriks aanhang met eiken dag toe, en weldra was hij weêr zoo magtig, dat hij met een legermagt naar Italië kon trekken. Hij verklaarde paus Gregorius, die hem reeds weder in den ban had gedaan, voor afgezet en liet een aartsbisschop tot paus verkiezen. Regelregt trok hij nu tegen Kome, den zetel zijns doodvijands, op en sloot de stad in. Gregorius verloor echter in zijne benaauwdheid den moed niet, maar slingerde onophoudelijk, doch ditmaal te vergeefs, zijn banbliksem tegen Hendrik. In het derde jaar der belegering werd Eome veroverd , en de paus vlugtte naar het kasteel St. Angelo (den Engelenburg). Hendrik bood den paus de hand der verzoening, indien deze hem de keizerskroon op liet .hoofd wilde plaatsen. Doch Gregorius gaf hem tot antwoord: „Nooit! Misdadig zou het zijn, een vervloekte te kroonen en te wijden ! Liever lijd ik den dood, dan dat ik zulk een onregt doe!quot; Nu liet Hendrik IV Clemens III plegtig als paus verkiezen en ontving uit diens handen de keizerlijke kroon. Hierop sloot hij paus Gregorius in den Engelenburg zoo naauw in, dat er weinig hoop voor hem was om den keizer te ontkomen. En toch gelukte het hem met behulp van den normandischen hertog Robert Guis-card, die in Beneden-Italië met zijne Normandiërs een rijk veroverd had, en nu met zijn leger aanstormde, om den paus te verlossen. Gregorius ontvlood naar Salerno in Beneden-Italië. Aldaar werd hij ziekelijk, maar bleef toch aan zijn werk getrouw tot in den dood. Op zijn sterfbed ontbond hij allen, die door hem in den ban waren gedaan, van den vloek der kerk; alleen keizer Hendrik IV en paus Clemens III niet. Ja, alle rondom hem verzamelde bisschoppen moesten hem bij eede beloven, de beide mannen nooit van den ban te verlossen , tenzij zij hunne waardigheid nedergelegd en zich ten volle

11*

-ocr page 178-

164

aan de kerk onderworpen hadden. Stervend sprak hij nog uit het diepste zijner overtuiging: „Ik heb de geregtigheid lief gehad en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik hier in ballingschap.quot; Zoo scheidde deze koene, buitengewone geest uit het aardsche leven op den 25sten mei 1085. Maar zijn werk, de hiërarchie, of heerschappij der kerk, heeft hem overleefd.

VIII. HENDRIKS UITEINDE.

Met Gregorius VII had Hendrik zijn voornaamsten vijand verloren. Na zulke hevige stormen schenen gelukkige en rustige tijden voor hem aan te breken. Wel hadden de duitsche vorsten een nieuwen tegenkoning, den graaf Herman van Luxemburg, verkozen, maar deze was tegen den keizer, die zich nu, door het ongeluk geleerd, zeer verstandig en voorzigtig toonde, niet opgewassen. Herman had geene magt, en het volk noemde hem „den knoflookskoningquot;, omdat te Eisle-ben , de plaats zijner verkiezing, deze plant overvloedig groeide. Daarom legde hij zijne kroon spoedig weer neder. En toer- de voornaamste aanvoerder der Saksers, Ottovan Nordheim, gestorven was, was ook dit volk, den langen twist moede , eindelijk tot vrede geneigd.

Evenwel moest Hendriks leven even stormachtig eindigen als het begonnen was, want in zijne eigene familie stonden nu vijanden tegen hem op. Eerst werd zijn oudste zoon Koen-raad tegen hem oproerig en liet zich tot koning van Italië kroonen. Deze stierf wel (1101), zoo als sommigen meen en, van verdriet, zijn vader verraden te hebben, maar nu gelukte het de pauselijke partij, ook den tweeden zoon Hendrik tot afval en oproer tegen den ouden Hendrik over te halen , terwijl de pausen Urbanus II en Paschalis II, aanhangers van Gregorius, den ban tegen hem vernieuwden. Nu verklaarde de jonge Hendrik met gehuichelde vroomheid, dat hij met een vader, op wien de vloek der kerk rustte, geen gemeenschap kon hebben. Door zoodanige huichelarij nam de muite-

-ocr page 179-

165

ling de geestelijke vorsten voor zich in, en maakte zich een grooten aanhang. Daarop riep hij een rijksdag te Worms bijeen , waar hij zelf tot koning gekozen, en de vader afgezet moest worden. De bekommerde grijsaard verzamelde de laatste vrienden, die hij nog had, en wilde zich met deze naar Ments begeven, om zijn gewetenloozen zoon met geweld tot gehoorzaamheid terug te brengen. Doch daar deze vreesde, dat het gezigt van den regtmatigen koning de vergaderde vorsten tot andere gedachten zoude brengen, nam hij tot nog schandelijker list zijne toevlugt. Hij reisde zijnen vader tot Koblents te gemoet, wierp zich daar weenend voor zijne voeten, bad om vergeving en zwoer hoog en duur, dat hij het goed met zijn vader meende, ja dat hij voortaan bereid was om zijn leven voor hem op te offeren. Zoo wist de arglistige vorst zijn vader zoo ver te brengen, dat deze zijn leger ontsloeg, als ware nu alle twist bijgelegd. Juichend over zijn welgelukt schelmstuk ijlde nu de jonge Hendrik naar Ments tot de vergaderde vorsten terug, om het nadere met hen af te spreken. Ondertusschen trok de vader onbezorgd naar Bingen. Maar hier werd het verraad openbaar. Men nam hem gevangen, verjoeg al zijne medgezellen op drie na en wierp hem in de gevangenis. Nu zond de booze zoon tot zijuen vader de aartsbisschoppen van Ments en Keulen en den bisschop van Worms. Deze snaauwden den gevangene met hardheid toe en spraken; „Geef ons kroon, ring en purper, opdat wij die aan uwen zoon overbrengen.quot; En toen de vader roerende tegenbe-denkingen maakte, rukten zij hem de kroon van het hoofd, trokken hem het purperen kleed uit en beroofden hem van alle teekenen van wereldsche grootheid. Toen riep Hendrik vol weemoed uit: „Ik lijd voor de zonden mijner jeugd, zoo als nog geen vorst geleden heeft!quot; De bisschoppen bragten intusschen de kleinoodiën aan den rijksdag te Ments en gaven ze den heerschzuchtigen zoon des keizers over.

Een tijd lang zat Hendrik nu op het kasteel Ingelheim gevangen, waarna het hem gelukte, naar Luik te ontkomen.

-ocr page 180-

166

welks bisschop hem vriendelijk gezind was. Hier verzamelde hij een leger en maakte toebereidselen om tegen zijn ontaarden zoon te velde te trekken. Dan nu verloste de dood hem van een leven, dat slechts eene aaneenschakeling van ongeluk en lijden voor hem geweest was (1106). Doch niet eens in den dood mogt de zwaar beproefde keizer rust hebben gt; ook nog in het graf vervolgde hem de pauselijke ban. De bisschop van Luik had het lijk in eene kerk plegtig laten bijzetten, maar geene gewijde aarde mogt den gebannene opnemen. Op bevel van den paus moest het keizerlijke lijk weder worden opgegraven en werd het naar een eiland in de Maas gebragt. Slechts een enkele monnik had nog deelneming voor den overledene; hij bad en zong bij de kist, zonder ze te verlaten. Eindelijk liet de jonge koning Hendrik het lijk zijns vaders naar Spiers brengen , zonder hem echter eene christelijke begrafenis te verschaffen. Nu trok het volk, dat Hendrik IV meer bemind had dan den zoon, onder luid gejammer ter bedevaart naar de ongewijde kapel, waarin thans de doodkist stond, en eerst in het jaar 1111 nam de paus een ban terug, zoodat er eene plegtiga uitvaart in de domkerk te Spiers gehouden kon worden.

-ocr page 181-

VIERDE AFDEEL1NG.

DE HELDENquot;- EN RIDDEBTIJD DER MIDDELEEUWEN.

I. UIT DE VOLKSVERHALEN VAN SIEGFRIED EN ROLAND.

I. SIEGFRIED DE STERKE. BE TOGT NAAR ISENLAND,

Ver over de zee was de zetel eener koningin , die nergens liaavs gelijken had; zij was uitnemend schoon en bezat zeer groote ligehaamskracht. Zij schoot met de speer, wierp die ver weg en sprong ze dan achterna, terwijl zij ook in \'t worstelen groote bedrevenheid toonde. Wie hare iliefde begeerde, moest haar zonder aarzelen in deze spelen overwinnen; mislukte het hem slechts in eenen wedstrijd, dan had hij zijn hoofd verloren. Daarvan kwam de tijding ook tot de Bur-gunders.

Toen sprak Gunther, de koning der Burgunders: „Wat mij ook mag overkomen, ik wil de zee overtrekken naar Brunehil-de; ik wil om hare liefde mijn leven wagen, ja wil het verliezen, tenzij zij mijne vrouw worde. Wilt gij mij helpen, edele Siegfried , om de beminnelijke te verwerven ? Doe het, ik bid er u om; en wanneer ik de liefelijke vrouw verkrijg, wil ik ook weder om uwentwil eer en leven wagen.quot; Daarop antwoordde Siegfried, Siegmonds zoon; „Geeft gij mij uwe zuster, de schoone Kriemhilde, dan wil ik het doen en begeer ver-

-ocr page 182-

168

der geen loon voor mijn werk.quot; — „Dat beloof ik, Siegfried , met mijne handsprak Gunther; „wanneer de sehoo-ne Brunehilde in mijn land komt, zal ik u mijne zuster KriemMlde tot vrouw geven.quot; Dit beloofden de beide edele helden elkander onder eede. Nu bereidden zich de stoutmoedige mannen met eenige uitgelezen ridders tot den togt. Siegfried nam heimelijk zijn toovermuts mede, die hij eens eenen dwerg had afgenomen, en welke hem, die haar droeg, onzigtbaar maakte. De dienaars droegen de goudkleurige schilden der helden naar den oever, bragten hun gewaad en voerden ook de paarden aan. Daar stonden de liefelijke kinderen aan de vensters en weenden zeer; maar de frissche wind deed de zeilen van het schip zwellen, en de trotsche krijgsgezellen gingen welgemoed aan boord en aanvaardden den togt op den Kijn. „Wie wil stuurman zijn?quot; riep koning Gunther. Terstond nam Siegfried een roeispaan en stiet met kracht van den oever; de koning Gunther nam zelf een riem, en zoo staken de ridders van land. Zij voerden rijke spijze mede, en daarbij ook goeden wijn, den besten, dien men aan den Rijn kon vinden. Hunne rossen stonden rustig, het schip gleed zachtjes voort, en op den ganschen weg wedervoer hun geen leed.

Op den twaalfden morgen hadden de winden hen voor den Isensteen gebragt, waar Brunehilde regeerde. Zes en tachtig torens zagen zij uit het land opstijgen, en voor hen stonden drie groote paleizen; zij traden in eene goed gebouwde zaal van kostbaren marmersteen, waarin Brunehilde met haar gevolg woonde. De burg was wijd geopend ; Brunehildes dienstmannen liepen hun te gemoet, ontvingen de gasten in het land hunner koningin, leidden hunne paarden weg en namen ook hunne wapenen in ontvangst. Toen nu de koningin Siegfried zag, sprak zij zedig tot haren gast; „Wees welkom, heer Siegfried, alhier in dit land. Welk doel heeft uwe reis ? Dat zou ik gaarne weten.quot; Siegfried antwoordde: „Hier is Gunther, een rijk en verheven koning, die geen anderen wensch

-ocr page 183-

169

kent dan uwe hand te verwerven. Om uwentwil ben ik met hem hierheen gereisd; ware hij mijn meester niet, ik had het nimmer gedaan.quot; Zij sprak: „Wel nu, indien hij vermeent, de spelen, die ik hem zal opleggen , uit te voeren , dan word ik zijne vrouw; maar win ik, dan kost het u allen het leven. Den steen moet hij wegsmijten en er naar springen, waarna hij met mij de speer moet werpen, en eindelijk met mij worstelen. Zijt niet te voorbarig ! Gij kunt hier eer en leven verliezen; bedenkt u daarom wel!quot; — De vlugge Siegfried trad naar den koning en moedigde hem aan om goedsmoeds te zijn, daar hij hem wel zou beschermen. Toen sprak de koning Gunther: „Verhevene koningin! leg mij op wat gij begeert, al ware het ook nog meer. Ik wil mijn hoofd verliezen , indien gij mijne vrouw niet wordt!quot;

De koningin, zijne woorden hoorende, gebood de spelen te bespoedigen. Hare dienaars bragten haar het krijgsgewaad, een pantser van rood goud en een uitmuntend schild. Onder-tusschen was ook Siegfried, de sterke man, zonder dat iemand het wist, naar het schip gegaan; daar bedekte hij zich met zijne toovermuts, zoodat niemand hem zag. Toen hij terug kwam, stonden vele reuzen om de koningin, die hare hooge spelen regelde. Heimelijk ging Siegfried rond, en niemand merkte hem. Thans bragt men aan de koningin eene groote, sterke en geduchte speer, die aan de punt schrikkelijk scherp was, waarop Hagens zusters zoon, de stoutmoedige Ortvvin, sprak : „De reis naar dit hof berouwt mij van harte. Moeten in dit land de vrouwen ons te gronde rigten ? Had mijn oom Hagen slechts het wapen in zijne hand, en ook ik het mijne, dan mogten al die dienaars van Brunehilde met hunnen overmoed zich wel wat zediger gedragen.quot;—„Ja , hadden wij ons krijgsgewaad sprak Hagen, „dan zou ook de overmoed der schoone vrouwen wel wat verminderen!quot; Deze woorden hoorde Brunehilde. „Brengt hun de wapenen,quot; sprak zij met spottenden glimlach. Daarover verheugde zich Ortwin, en hij sprak : „Nu wij de wapenen hebben, is Gunther onoverwinnelijk.quot;

-ocr page 184-

170

Brunehildes sterkte bleek ontzettend groot te zijn. Men bragt haar in den kring een ronden steen, die zoo groot was, dat twaalf mannen hem ter naauwer nood konden dragen Zij stroopte de mouwen aan hare blanke armen op, greep het schild met de linker en zwaaide de speer met de regter hand. Daarop begon de strijd. De vreemdelingen werden beangst voor Brunehildes toorn , en was Siegfried niet te hulp gekomen, dan was het met Gunthers leven gedaan geweest. Siegfried snelde toe en raakte Gunthers hand aan. Die list baarde den koning groote zorg; doch de andere fluisterde hem in: „Geef mij het schild in mijne hand, opdat ik het drage; maak gij nu de beweging, en ik neem het werk op mij.quot; Toen Gunther nu zijn vriend herkende, was hem dit zeer aangenaam. Thans wierp de heerlijke maagd hare speer met groote kracht op het zware eu breede schild, dat Siegelindes zoon aan zijne hand droeg, zoodat men vuur van het staal zag springen, alsof de wind het wegwaaide. De punt der sterke speer doorboorde het schild geheel en al, zoodat men de vonken uit de schalmen van het pantser zag vliegen en de beide krachtige mannen struikelden. Den koenen Siegfried sprong het bloed uit den mond; maar straks sprong de moedige held weder op, nam de speer, die door het schild gedrongen was, en wierp die met sterke hand weder terug. Het vuur stoof uit de schalmen ; met zulk eene groote kracht had Siegmonds zoon de speer geslingerd. Ook Brunehilde kon zich met al hare kracht niet overeind houden; maar terstond sprong zij weder op hare voeten. „Edele ridder Gunther,quot; riep zij, „heb dank voor dit schot!quot; Zij meende, dat de koning-het met eigene kracht had gedaan. Nu trad zij met fleren moed naar den steen , vatte hem met krachtige hand aan, en twaalf vademen ver vloog de zware last. De heerlijke jonkvrouw sprong hem na, en met eencn sprong was zij weder bij den steen. Nu ging de vlugge Siegfried heen waar de steen lag; Gunther woog hem in de hand, maar Siegfried wierp hem nog verder. Daarop toonde de koene maagd aan koning Gunther hare groote bedrevenheid in het worstelen en wierp hem ter aarde, zoodat hem het

-ocr page 185-

171

hoofd dreunde. Met hare linker hand hield zij zijne handen zoo vast omsloten, dat hem het bloed door de nagels drong, terwijl zij met hare regter hand naar haren gordel van sterk galon greep, om hem daarmede te binden. Toen kwam de rijke koning in grooten nood. Maar Siegfried, die zijn val niet had kunnen verhinderen , rigtte thans den ter aarde liggende weder op en bragt ongezien de sterke jonkvrouw zoo zeer in \'t naauw, dat haar de leden kraakten. Nu erkende zij zich overwonnen, waarop hij haar een gouden ring van den vinger trok en haar haren gordel ontnam, zonder dat zij het gewaar werd; misschien deed hij dit uit overmoed. Later, toen hij met zijne Kriemhilde naar Nederland trok, gaf hij beide aan haar hetgeen hem naderhand duur te staan kwam.

De koningin riep nu hare hovelingen bij zich en sprak; „Komt nader, mijne verwanten en leenmannen, gij zult nu allen koning Gunther onderdanig worden 1quot; Daarop legden de dapperen hunne wapenen uit de hand en bogen voor Gunther, den rijken koning van het laud der Burgunders; want zij waanden , dat hij door zijne kracht de spelen had gewonnen.

De sterke Siegfried borg wijselijk zijne toovermuts weer weg en trad voorts in de zaal, waar de ridders en vrouwen vergaderd waren. „Ik verheug mij over de tijding,quot; sprak hij , „dat uw trots verwonnen is, en dat er iemand leeft, die uw meester is geworden! Nu moet gij, edele maagd ! ons ook van hier volgen naar de liefelijke oevers van den Eijn!quot;

II. SIEGFRIEDS DOOD.

De beide koninginnen, Kriemhilde en Brunehilde, zaten eens bij elkander aan de vroegere dagen te denken, en twistten over den voorrang harer mannen. Toen zij eens naar de kerk gingen, wilde Brunehilde den voorgang hebben. Daarover ontstond een nieuwe twist. Vertoornd sprak nu Kriemhilde : „Hoe zou Gunther toch grooter zijn dan Siegfried, die de trotsche Brunehilde haren ring en gordel heeft ontnomen 1quot; Daarover schrikte

\' i\'f \'

(!• ij,;

km

II |p \'i

i i-j

i

É,

i

É

si \' \'

Ti: \'i: .

Jl^i

if :f*li ;|N

ï\'i

rl

\\é\\ ?!

-ocr page 186-

172

Brunehilde, en grimmige wraakzucht verhief zich in haar hart tegen Siegfried, die haar had overwonnen.

Terwijl Brunehilde vol smart en bitteren haat in haar vertrek toefde, trad de grimmige held Hagen bij haar binnen en vroeg naar de reden van haren kommer. Toen opende de koningin haar hart, en Hagen zwoer haar, den edelen Siegfried in \'t verderf te zullen storten. Gunther en Hagen riepen hunne krijgsknechten op, alsof men op den vijand los zou gaan, en ook Siegfried bereidde zich tot den togt. Nu kwam ook de grimmige Hagen bij Kriemhilde, om afscheid te nemen. „O, bescherm hem,quot; sprak argeloos Siegfrieds schoone vrouw; „wel is zijn ligchaam in het bloed van den draak gedompeld en onkwetsbaar geworden, doch tusschen de schouderbladeren viel een lindeblad op hem, en op deze plaats is hij kwetsbaar. O, bescherm hem, wanneer een speer den held bedreigt!quot; — „Nu goed!quot; zei de arglistige man; „maar opdat ik de plaats goed in \'t oog houde, behage het u, o koninklijke vrouw, een teeken op zijn gewaad te naaijen.quot; En vol teedere liefde nar.ide Kriemhilde zelve het bloedige doodsteeken.

Daags daarna begon de krijgstogt, en Hagen reed digt naast Siegfried , om te zien of diens gade, in hare blinde, grenzelooze liefde, onergdenkend genoeg geweest was om het teeken op het kleed te stikken. Siegfried draagt het werkelijk, en nu is de legertogt niet verder noodig; Hagen heeft uit de handen van Kriemhilde datgene wat hij begeert en zelfs meer dan hij verwachten kon. De manschappen van het gevolg worden in plaats van tot den strijd, tot eene groote jagt ontboden; nog eenmaal ijlt Siegfried naar zijne geliefde vrouw en omhelst haar voor de laatste maal. Een bang voorgevoel beangstigt hare ziel, evenals toen zij in den bloei harer jeugd van den arend droomde, die den edelen valk verscheurde. Thans heeft zij twee bergen op Siegfried zien vallen en hem onder de puinhoopen zien verdwijnen. „O , blijf van deze jagt terug,quot; zoo smeekte zij haren man ; „verderf dreigt u!quot; Doch Siegfried troost haar. „Wie zou mij vijandig zijnspreekt hij, „daar ik allen goed heb

-ocr page 187-

173

gedaan ?quot; Wat zij vreest, en wien zij vreest, weet zij niet, maar met een bezwaard hart spreekt zij het afscheidswoord: „Dat gij van mij gaat, doet mij innig wee.quot;

De jagt is afgeloopen, en Siegfried heeft het meeste wild gedood. Intusschen zijn de jagers dorstig geworden door de hitte, maar er is noch wijn voorhanden , noch de Kijnstroom in de nabijheid, om uit de rivier de gewenschte lafenis te scheppen. Doch Hagen weet digt bij in het bosch eene bron, waarheen men — dit is zijn raad — zich kon begeven. De koning Gunther met al zijne mannen breekt op naar de bron. Keeds vertoont zich de breede lindeboom, aan welks wortelen de koele bron ontspringt, wanneer Hagen begint: „Men heeft zoo zeer gepocht, dat niemand den man van Kriemhilde in snellen loop kan volgen. Mogt hij ons toch zoo iets laten zien!quot; — „Welaan!quot; antwoordde Siegfried, „laat ons om strijd naar de bron loopen; ik zal mijn jagtgewaad, benevens speer en schild behouden, terwijl gij uwe kleederen kunt afleggen!quot; — Het geschiedt; de wedloop begint; gelijk wilde panters springen Hagen en Gunther door de boschklaver, maar Siegfried is ver vooruit en het eerst op de plaats. Bedaard legt hij nu zwaard, boog en koker af, zet de speer tegen den lindeboom en legt het schild naast de bron. Doch hij wil niet vroeger drinken dan de koning en wacht. Dezen eerbiedigen schroom moest hij met den dood betalen. Gunther komt nader en drinkt, en na hem bukt ook Siegfried bij de bron neder. Nu springt Hagen toe, brengt schielijk de wapenen van den held weg, maar behoudt de speer in de moorddadige vuist, en terwijl Siegfried de laatste teugen van het frissche water inslurpt, boort de grimmige Hagen Siegfrieds eigene lans in den rug van den sterken held, ter plaatse, waar het kruis de kwetsbare plek aanduidt. Het roode hartebloed van den heerlijken Siegfried spat op Hagens gewaad. Woedend springt de doodelijk gewonde van de bron op; tusschen de schouderbladen steekt de lange steel der lans uit zijn ligchaam. Hij grijpt naar schild en zwaard; maar het zwaard is weg, en alleen het schild gebleven, omdat het te

-ocr page 188-

174

digt bij den held lag. Zoo grijpt liij het schild en valt daarmede Hagen aan. Grimmig beukt hij op den moordenaar, zoodat de edelgesteenten uit den rand van het schild springen; hij slaat zoo vreeselijk, dat Hagen ter aarde valt en het schild breekt. Het woud weergalmt van de slagen, die van de hand des stervenden helds op liet hoofd des moordenaars vallen. Nu echter verbleekt zijne lichte kleur; de sterkte van het heldenligchaam vervliegt; de dood heeft hem geteekend. Kriemhildes gade valt neer in de bloemen, en in breede stroomen stroomt het bloed uit de doodelijke wond.

Siegfried is dood. Nu verheffen de heeren het lijk van den held, naar oud gebruik eu eer, op een goudkleurig schild en brengen het naar Worms aan den Rijn. Ten einde de schandvlek van den verwantenmoord te bedekken, geven velen den raad om voor te wenden, dat roovers den held verslagen hadden. „Ik wil,quot; roept Hagen, „hem zelf naar Worms brengen; wat bekommer ik er mij om, of Kriemhilde verneemt, dat ik hem gedood heb. Zij heeft Brunehilde zoo zwaar gekrenkt, dat zij nu mag weenen zoo veel zij wil!quot;

En de ontzettende Hagen liet nog in den nacht den doode voor de deur van het huis leggen, waarin Kriemhilde woonde. „Wanneer zij dan morgen vroegsprak hij, „naar de mis wil gaan, zal zij den schat wel vinden.quot; Den volgenden morgen bereidde Kriemhilde zich om naar de kerk te gaan; een kamerheer ging voor haar uit en zag het lijk. „Mevrouw,quot; zeide hij, „daar ligt voor de deur een verslagen ridder 1quot; Een kreet van ontzetting was Kriemhildes antwoord; zij wist, wie daar verslagen lag, zonder dat men het. haar gezegd had. En terwijl zij nu den gedoode zag, die met bloed bevlekt was, en wiens edele gelaatstrekken door den doodstrijd verstijfd waren , riep zij uit: „Gij zijt vermoord; uw schild is niet met gaten doorboord. Wee, wee den moordenaar !quot;

Siegfrieds mannen en zijn grijze vader Siegmond werden gewekt; een luid gejammer vervulde wijd en zijd de pleinen en zalen, en de getrouwe mannen schaarden zich bijeen, om wraak

-ocr page 189-

175

te nemen. Kriemhilde echter weerde hen met alle magt af en sprak : „Nog is het niet de tijd tot wraakneming, maar hij zal komen!quot; Terwijl de doode op de baar lag, kwam de koning met zijne lieden aan; ook Hagen trad nader. Kriemhilde wachtte op het baarregt — een volksgebruik en een volksgeloof, dat ook tegenwoordig nog niet geheel is uitgestorven. Wanneer de moordenaar den vermoorde nader treedt, of wel diens lijk aanraakt , dan gaan de wonden open en begint het bloed op nieuw te vloeijen. En zie , terwijl koning Gunther de treurende weduwe wilde overtuigen, dat de held door roovers verslagen was, kwam Hagen nader en begonnen de wonden te vloeijen. „Ik ken den moordenaar reeds,quot; riep de arme Kriemhilde, „en God zal de euveldaad wreken !quot; Het lijk werd in de kist gelegd en ten grave gedragen, en Kriemhilde volgde het met onein-digen jammer en smart, waaraan zij tot den dood toe ter prooi bleef. Nog eenmaal begeerde zij het schoone hoofd des geliefden te zien, en de kostbare kist, van goud en zilver gesmeed, werd opengebroken. Men bragt er haar bij, en met hare blanke hand hief zij nog eenmaal het hoofd des helds op en drukte een kus op de bleeke lippen.

III. DOOD VAM ROLAND DEN STERKEN.

VERKAAD VAN GANELON.

Nadat de groote keizer Karei Spanje had onderworpen en tot het geloof aan God en zijne heilige apostelen bekeerd 1), trok hij terug en kwam te Pampelona aan, waar hij met zijn ge-beele leger eenige dagen uitrustte. Te Saragossa waren toenmaals twee Saraceensche koningen, de broeders Marsiliës en Beligand , die de sultan van Babyion derwaarts had gezonden.

1) Zie bladz. SI.

-ocr page 190-

176

Zij waren den keizer Karei onderdanig geworden en dienden hem schijnbaar gaarne in alle opzigten; maar hunne trouw en verknochtheid aan hem waren niet eerlijk gemeend. De keizer zond tot hen zijn veldheer Ganelon, die tot de twaalf beste leenmannen van Karei behoorde, maar trouweloos van hart was, en liet hun zeggen , dat zij zich moesten laten doopen , of hem schatting betalen. Zij zonden hem dertig paarden, met goud en zilver en fijne gewaden beladen, veertig met den zoetstenen fijnsten wijn, en tevens even veel voor de andere strijders, en daarbij duizend schoone Moorinnen. Aan Ganelon boden zij twintig paarden , met goud en zilver en fijne gewaden beladen, indien hij de krijgslieden van Karei in hunne hand wilde leveren. Daarin bewilligde de booze Ganelon en ontving het loon.

Na vervolgens alles goed niet hen afgesproken te hebben, keerde Ganelon naar koning Karei terug en gaf hem de schatten, die de moorsche koningen hunnen opperheer f.anbo-den, en zeide daarbij tot den koning, dat Marsiliës christen wilde worden en zich reeds voorbereidde om naar Frankenland bij Karei te komen, ten einde daar bij hem den doop te ontvangen. Karei sloeg geloof aan de woorden van Ganelon en maakte zich gereed om de bergpassen der Pyreneën over te trekken. Ga-nalon gaf hem verder den raad om aan zijn neef Koland en den graaf Olivier de achterhoede toe te vertrouwen, opdat deze met 30 000 strijders in het dal Eonceval de wacht zouden houden, totdat Karei en het geheele frankische leger behouden over de bergen gekomen waren. Dit geschiedde. Maar eenigen uit het leger der christenen gaven zich aan een ongebonden leven en allerlei uitspattingen over en moesten daarvoor weldra den dood ondergaan.

Terwijl Karei met Ganelon en den aartsbisschop Turpin en vele duizenden der christelijke strijders door de bergpassen trok, hielden Koland en Olivier met hunne 20 000 krijgslieden trouwe wacht. Maar op een vroegen morgen kwamen Marsiliës en Be-ligand met 50 000 krijgslieden van de heuvels en uit de berg-engten, waar zij zich op Ganelons raad twee dagen en twee

-ocr page 191-

177

nachten lang verborgen hadden gehouden. Zij maakten twee benden uit, de eene van 20 000 , de andere van 30 000 krijgslieden, en terwijl de grootste hoop nog achter was, viel de kleinste de Franken terstond in den rug. Deze keerden zich om en streden zoo wakker, dat na het derde uur geen enkele van de 20 000 Mooren nog in leven was. Maar ondertusschen waren ook de anderen aangekomen, tegen welke de afgematte Franken andermaal moesten strijden. Nu sneuvelden zij van den groot-sten tot den geringsten, eenigen door de speer, anderen door het zwaard, weer anderen door de strijdbijl, en nog anderen door pijlen en werpspiesen. Velen werden ook levend verminkt, anderen verbrand en aan boomen opgehangen. Daarop trokken de Mooren een eind wegs terug.

IV. HOLANDS LAATSTE DADEN EN UITEINDE.

Koland was intusschen nog niet gesneuveld, en toen de heidenen aftrokken, keerde hij terug en onderzocht hoe het met de zijnen geschapen stond. Daar ontdekte hij een Moor, die, vermoeid van den strijd, zich in het bosch had verborgen en daar uitrustte. Dadelijk greep Koland hem levend en bond hem met vier sterke touwen aan een boom. Daarop klom hij op eene hoogte, om naar den vijand rond te zien, en bespeurende dat er velen in de nabijheid waren , blies hij op zijn ont-zettenden hoorn, om de Franken te roepen, die misschien nog in leven waren en zich verscholen hadden. Ongeveer honderd verzamelden zich om hem heen, en met deze daalde hij weder in het dal Ronceval neer. Bij den Moor gekomen, dien hij vroeger geboeid had , maakte hij hem los , hield de ontbloote kling van zijn zwaard boven het hoofd des gevangenen en sprak tot hem: „Als gij nu met mij gaat en mij Marsiliës wijst, zult gij het leven behouden; zoo niet, moet gij sterven.quot; Destijds kende Roland Marsiliës nog niet. Zoo ging dan de Moor, door Roland gevolgd , vooruit, en weldra wees de gevangene hem in de verte onder de rijen der Mooren Marsiliës, die op zijn roodvos zat en hel ronde schild zwaaide. Nu liet Eoland zijn GEUBE, G. D. M. 12

l

i\' lili

r j

-ocr page 192-

178

gevangene ontsnappen; hij bad God en stortte zich daarop met zijne kleine schaar op de bende der Mooren. Een van deze , die grooter en sterker was dan de anderen, kwam op Eoland af, maar deze greep zijn zwaard en kloofde hem met eenen houw van den schedel af midden door, zoodat regts en links van het paard een halve Moor neerviel. Daarop werden de anderen door schrik bevangen; zij ijlden weg en lieten Marsi-liës met eenlge begeleiders alleen in het veld. Eoland intusschen vertrouwde op God en op de kracht van zijn arm en drong in de rijen der Mooren regelregt op Marsiliës aan. Deze koos de vlugt, maar Eoland bereikte hem en sloeg hem met zijne forsche hand, zoodat ook Marsiliës neerstortte en den geest gaf.

Ondertusschen waren de honderd medgezellen van Eoland, die van het frankisehe leger nog overig waren, allen gesneuveld , en Eoland zelf was door vier speren en vele steenworpen zwaar gewond , zoodat het hem niet dan met moeite gelukte te ontkomen. Koning Karei was intusschen met zijn leger reeds over de kruin der bergen en wist niets van \'t geen in zijn rug gebeurde. Nu dwaalde de geduchte held Eoland, moede van den strijd en bekommerd om den ondergang van een zoo- heerlijk leger, eenzaam rond en kwam aan den voet van den berg, dien hij niet meer in staat was over te klimmen. Aldaar stond een boom nevens een marmersteen ; hier sprong Eoland van het paard en overdacht zijn noodlot. Nog had hij zijn heerlijk en blinkend zwaard , Durenda, van kostbaar maaksel, scherp en sterk tevens, dat slechts Eolands arm met genoegzame kracht kon zwaaijen. Den naam Durenda had het van zijne harde slagen (d u r u s — hard). Dit zwaard trok Eoland uit de scheede; hij bezag het treurig, en sprak vervolgens , met tranen in de oogen: „O gij heerlijk, altoos blinkend zwaard, gij zijt versierd met een elpenbeenen gevest en met een gouden kruis; gij draagt den naam van God op uwe kling gegrift en zijt met al de deugd van een zwaard begaafd. Maar wie zal van nu af aan u voeren in den strijd ? Gij hebt vele Mooren geveld, en zoo dikwijls ik een ongeloovige neersloeg,

-ocr page 193-

179

II

dacht ik daarbij aan God en Christus. Nu echter zullen de on-geloovigen zeiven u wegnemen en hen zult gij moeten dienen!quot; Terwijl Eoland deze woorden sprak, bedacht hij, liever zijn getrouw zwaard te willen verbrijzelen dan het \'aan de Mooren over te leveren, en hij sloeg uit al zijne magtop den marmersteen , die daar was opgerigt. Doch het zwaard kliefde den steen zonder te breken. Eoland beproefde het driemaal, maar het wilde hem niet gelukken — Durenda bleef onverzeerd.

Toen nam Eoland zijn hoorn en blies daarop uit al zijn magt, opdat de christenen, die zich misschien nog in het bosch verborgen hielden, zich quot;om hem zouden verzamelen; of zoo eenigen van hen, die het gebergte reeds waren overgetrokken, het geluid mogten vernemen, zij naar hem zouden toesnellen en van zijn dood getuigen zijn. Hij blies nu met zulke kracht op den hoorn, dat deze in strukken sprong, en de pezen aan zijn hals barstten. En zelfs koning Karei, die reeds acht mijlen verwijderd was, vernam den geweldigen schal; want de engelen des hemels droegen hem daarheen. Nu wilde Karei terstond terug keeren en hem hulp brengen ; maar de looze Ganelon, die wel wist wat daar gebeurde, verhinderde hem daarin en sprak: „Misschien is Eoland op de jagt en roept zijne medgezellen bij elkander; want dikwijls blaast hij op deze wijze op den hoorn!quot;

Doch Eoland lag nu op het gras uitgestrekt in heeten koortsgloed en reikhalzende naar een dronk waters. Daar kwam een Frank aan, Boudewijn genaamd, dien Eoland om een dronk verzocht. Boudewijn zocht lang, maar vond geene bron, en toen hij terug keerde en Eoland reeds op sterven lag, bad hij met hem en zegende hem. Daarop besteeg hij ijlings zijn ros en joeg het frankische leger na, om te verzoeken dat eenigen zouden wederkeeren, ten einde Eolands lijk niet in de handen der Mooren zoude vallen. Karei, deze tijding vernemende, werd zeer bekommerd en keerde zelf weder terug. Daar vond hij zijnen neef, met de armen kruiselings over de borst, doodne-derliggen. De keizer en alle Franken jammerden en treur-

i

n 11*

HWiquot; .

li

li

li

\'I\'ll

mm

ï;i lil

!

!

rf\' : l!

TO

13*

i

-ocr page 194-

180

den bitterlijk om den dood van den wakkeren held en van al de-gesneuvelde mannen, terwijl Ganelon van verraad werd overtuigd en aan de vier wildste paarden in het frankische leger gebonden, door welke hij jammerlijk tverd vaneen gereten.

V. BOLANDS NAGEDACHTENIS.

Het aandenken van Eoland, hetzij van dezen of een anderen, leeft nog in menig ander volksverhaal voort. Waar de groene Eijn het gebergte verlaat, dat hij, naar men meent, in den grijzen voortijd heeft doorgebroken, niet ver van Bonn, ligt eene plaats, Rolandseck (Eolandshoek) genaamd. Op een stei-len berg staat daar nog een oude vensterboog, die, meent men, weleer tot Eolands burg behoorde, welke op eene rots stond. Van daar ziet men neêr op het schoone eiland Nonnenwerth, in den breeden spiegel van den Eijn , en daar tegenover ligt de steile wand van den Drachenfels (Drakenrots), waar weleer de draak de jonkvrouw bewaakte, die door den schitterenden held Siegfried verlost werd. Achter den Drachenfels steken de zes andere toppen van het Zevengebergte op.

Maar nog op eene andere wijze is het aandenken van Eoland, en wel in Saksen, bewaard gebleven. In vele Saksische steden vindt men geweldige steenen beelden, die men Eolan-den noemt. Het zijn reusachtige mannengedaanten, met wapenen versierd; de regter hand heft fier het zwaard omhoog, terwijl de linker hand met het schild de borst bedekt. De beroemdste van allen is de Eoland van Bremen, die midden op de markt staat. Bovendien vindt men Eolandsbeelden te Naum-burg, Nordhausen, Maagdenburg, Halberstadt en alom — waar later de Saksische stam doordrong, nadat de binnenge-drongene Slaven weêr terug gedreven waren — te Brandenburg , Stendal, ja ook in kleinere steden, zoo als de te Perle-burg, zelfs in vlekken en dorpen, zoo als te Eeichenwalde in de Lausitz.

-ocr page 195-

181

II. SCHILDEK1NGEN EN TOONEELEN UIT DE KRUISTOGTEN.

I. PETER VAN AMlëNS (1095 NA CHK.)

Peter van Amiëns of de kluizenaar was een van die heethoofdige menschen, die een brand ontsteken, welks werkingen zij noch in staat zijn te leiden noch vooraf te berekenen. Hij was in \'t jaar 1053 te Amiëns in \'t noorden van Frankrijk geboren. Van zijn vroeger leven is weinig met zekerheid bekend. Hij was eerst soldaat, maar zijn zwak ligchaam was niet geschikt om de wapenrusting te dragen, waarom hij in den geestelijken stand trad en vervolgens kluizenaar werd , in welke levenswijze hij door strengheid tegen zich zeiven opzien baarde. In het jaar 1093 ondernam hij, om tot hoogere heiligheid te geraken, eene bedevaart naar Jeruzalem, en hier eerst ontwikkelde zich in zijne ziel de gedachte, welker uitvoering zijn naam vereeuwigd heeft.

Gedurende zijn verblijf in de heilige stad zag hij den treuri-gen toestand der christenen aldaar en was getuige van de mishandelingen, die zij van de ruwe Turken te lijden hadden. Hierover verontwaardigd, begaf hij zich naar den patriarch Simeon en verzocht om bijstand. De patriarch, een vroom en verstandig man , gaf hem ten antwoord, dat van den griekschen keizer , die zelf in de grootste benaauwdheid verkeerde, geene hulp te wachten was, maar wel van de krachtige natiën van het westen, indien zij slechts iets voor hunne oostersche broeders over hadden. Dit woord schijnt als een bliksemstraal Peters ziel getroffen en in hem het besluit ontvonkt te hebben, om de westersche christenen tot den strijd voor het Heilige land op te roepen. „Gewis,quot; sprak hij, „heilige vader! gewis zal de westersche christenheid u helpen, wanneer zij van uwen toestand onderrigt zal zijn. Schrijf daarom aan den paus, aan de roomsche kerk en aan de vorsten van het westen en bekrachtig dit schrijven met uw zegel. Ik voor mij ben bereid, overal

Ij: :: ;M1

llr i

.M F

-ocr page 196-

182

rond te reizen, om van uwe ellende te getuigen en tot het verkenen van hulp aan te sporen.quot; Hoe armzalig Peters uiterlijk ook was, wekte het vuur zijner woorden toch vertrouwen en verkreeg hij de verlangde brieven van den patriarch te Jeruzalem.

Kort daarna versterkte een hemelsche verschijning hem in zijn voornemen. Op een zekeren avond begaf hij zich naar de kerk van het heilige graf, om aldaar te bidden. Vermoeid van het bidden en waken, legde hij zich op den grond en sliep in. Daar verscheen Jezus Christus hem in den droom en sprak tot hem: „Sta op, Petrus, haast u en verrigt onbeschroomd wat u is opgedragen. Ik zal met u zijn. Want het is tijd, dat het heilige gereinigd en aan mijne dienaren hulp verleend worde.quot;

Van nu af beschouwde Peter zijn werken en streven als een hemelsche roeping. Onverwijld scheepte hij zich naar Apulië in en ijlde hij van daar naar Eome. Hier stelde hij aan paus Urbanus II de brieven van den patriarch ter hand en schetste hem den nood der christenen te Jeruzalem, de beschimping der heilige plaatsen, zijne hemelsche roeping en zijne vurige wenschen. Hij vond gehoor. Urbanus II, ofschoon door een tegenpaus benaauwd, maar vervuld met den geest en de plannen van Gregorius VII, en reeds door den griekschen keizer Alexius tot hulp tegen de Turken opgeroepen, beloofde de krachtdadigste medewerking. Peter rustte intusschen niet. Van den pauselijken zegen voorzien, ging hij verder op reis en trok binnen den tijd van een jaar Italië, Frankrijk en het westelijke Duitschland door. In een grove monnikspij gehuld, waarin hij zijne bedevaart naar Palestina volbragt had, met een touw omgord , barrevoets , met het kruisbeeld in de hand , doorreisde hij, op een ezel gezeten, steden en landen. Waar hij kwam, schilderde hij met gloeijende kleuren, vaak onder tranen en geeselslagen , die hij op zijne eigene borst rigtte, de benaauwd-heden van het heilige land, de noodzakelijkheid om hulp te verkenen , en de zaligheid dergenen, die zich daartoe bereid toonden. Daardoor werd alles met geestdrift vervuld, om voor da

-ocr page 197-

183

stad, waar de Heiland gewandeld en de mensclien verlost had, te strijden.

II. DE KERKVEKGADEKING TE CLERMONT.

Paus Urbanus riep nu tegen november 1090 eene groote kerkvergadering te Clermont in \'t zuiden van Frankrijk bijeen. Eene ruime vlakte was hier met bisschoppen en monniken , vorsten en heeren bedekt, en toen de paus hun al de voordee-len op het hart drukte, die zij bij zulk een togt konden verwerven , namelijk onmetelijken buit, vergeving van alle zonden en onsterfelijke verdienste in den hemel, riep de gansche vergadering : „God wil het! God wil het!quot; Allen knielden neder, om den zegen des heiligen vaders te ontvangen, en toen de paus eenen bisschop, dien hij tot zijn legaat op den togt benoemde, een rood kruis van wollen stof op den schouder hechtte, beijverden zich allen, geestelijken en leeken, om zich een kruis op hun gewaad te laten naaijen. Van daar de naam „Kruisvaarders.quot;

In de grootste opgewondenheid ijlden allen naar huis, om zich ten strijde toe te rusten. De ridder droomde reeds van zijne heldendaden en de onmetelijke schatten op aarde en in den hemel, die hem wachtten. De lijfeigene, zwaar gedrukte boer verliet ploeg en egge, om door den strijd in een ander werelddeel de vrijheid en den hemel te verdienen. Schuldenaars zouden van hunne schuld geene renten betalen, zoo lang zij in het heilige land waren. Voor de achterblijvenden zou vaderlijk gezorgd worden; geld en goed wilde de kerk in bewaring nemen en aan de terug keerenden wedergeven.

III. EERSTE BENDEN KRUISVAARDERS.

De togt zou den 15den augustus 1096 na afloop van den oogst beginnen. Doch reeds in de lente van dit jaar verscheen Peter aan de spits van 15 000 man, meestal Italianen en Fran-schen , en naar mate hij verder trok, werd de hoop al grooter en grooter, zoodat hij hem moest verdeelen; hij stelde daarom

\' IS ■\'!

\'N\'i\'

i\'

i\' i f\' ü r

I

m

; ff2

lil

quot;quot; i

I

, 1\' 1/1

it;\'® !■ h :

1:^1

i®-®l

»

y\'-jif

:ÉI

■(!

il

.

i-

r

l-l

i|

ui

; i

-ocr page 198-

184

de eene helft onder bevel van een franschen ridder, G a u t i e r Sensaveir (Wouter zonder have), aldus genaamd om zijne armoede. Doch deze scharen trokken zonder levensmiddelen en bekleeding, als vijanden en roovers op. De rijkdommen der joden wekten hunne hebzucht; zij zwoeren in dolle woede: „Vervloekt is dit volk, dat den heiland gekruisigd heeft! Daarom wraak aan de joden voor het bloed van Christus!quot; En zij doodden de joden in Duitschland overal waar zij hen vonden. Toen zij evenwel verder naar het oosten doordrongen, werden de Hongaren , Bulgaren en Grieken over hunne plunderingen zoo verbitterd, dat zij op de kruisvaarders aanvielen, een groot gedeelte van hen nederhieuwen en hun al hunne bagaadje ontnamen. Eindelijk kwamen Peter en Wouter te Constantinopel aan en verzochten hier om levensmiddelen en bijstand. De keizer liet hen ten spoedigste over de zeeëngte naar Klein-Azië overzetten, om van het losbandig gespuis maar ontslagen te zijn. Daar geraakten zij onder elkander in twist, vermoordden elkander en werden bij hunne plunderingen door de Turken omgebragt. Van het gansche leger, dat nagenoeg 100 000 man sterk geweest was, bleven er nog slechts 3000 over, met welke Peter nog te regter tijd naar Constantinopel ontkwam. Geen enkel man van dien eersten togt had het heilige graf gezien.

IV. GODFRIED VAN BOUILLON.

Nu eerst, op den bepaalden tijd, aanvaardde de edele en vrome held, Godfried, hertog van Bouillon, in Neder-Lotha-ringen, met 80 000 soldaten te voet en 10 000 ruiters den togt naar Palestina. Zijne broeders, Boudewijn en Eustatius, vergezelden hem. Deze heeren hadden hun leven aan dezen heiligen oorlog gewijd en verkochten of verpandden al hunne bezittingen in het westen, welk voorbeeld door vele ridders en gemeenen werd gevolgd. Godfried trok met zijn leger in goede orde door Duitschland, waar ook menig dapper ridder zich onder zijne vanen schaarde, opende zich vervolgens met goed-

-ocr page 199-

185

heid den doortogt door Hongarije en kwam zonder stoornis in het gebied van den grieksehen ksizer Alexius aan. Hier voegden zich ook de overige graven en hertogen, die langs andere wegen gekomen waren. bij hem : Hugo, broeder des konings van Frankrijk; graaf Eaimond van Toulouse, een grijsaard , die het overige van zijn leven aan het heilige graf wijdde; hertog Kobert van Normandië, broeder des konings van Engeland; Robert, graaf van Vlaanderen. Naderhand vereenigde zich met hen nog een der magtigsten, Boëmoud, prins van Tarente in Beneden-Italië, met zijn beroemden broeder Tancredo, die op dezen togt ook een eigen rijk dacht te veroveren. Den grieksehen keizer was het wel niet aangenaam, dat zulk een talrijk leger zijne landen overstroomde, maar hij waagde het toch niet, aan de goed geregelde magt weêrstand te bieden, waarom hij raadzaam vond , aan de kruisvaarders de verlangde levensmiddelen te leveren.

V. GODFRIEDS ONTMOETING MET DEN BEEK.

De edele Godfried hield gedurende den togt streng de hand aan orde en tucht; wanneer er twist en krakeel onder de on-eenige kruisvaarders uitbrak, wist zijn gezag den strijd te stillen , en waar dappere daden geschiedden , was Godfried er bij. Bij Dorilaeum in Klein-Azië had zich een turksch leger ten strijde geschaard, maar onder Godfrieds opperbevel behaalde het leger der kruisvaarders eene luisterrijke overwinning.

Op den marsch van Dorilaeum naar Tarsus kwam het christelijk leger in een liefelijk dal. Hier hield het halt, en de kruisvorsten , aangelokt door de vriendelijke bossehen, vermaakten zich met jagen. Weldra verstrooiden zij zich. Daar bespeurt Godfried, van de overigen gescheiden, een armen pelgrim, die door een vreeselijken beer vervolgd wordt. Godfried trekt ijlings zijn zwaard en rent met heftig geschreeuw op den beer aan. Terstond verlaat deze den pelgrim, wendt zich tegen den hertog en zet zich , om hem te grijpen, op de achterste pooten. De hertog laat zich daardoor niet afschrikken ; hij doet een ge-

-ocr page 200-

186

weldigen houw naar (len beer, maar — mist hem. Nu grijpt deze met de klaauwen den ridder bij den halskraag en rukt hem ter aarde. Wel staat Godfried oogenblikkelijk op, maar terwijl hij zijn zwaard, dat hem bij het vallen van het paard tusschen de beenen gekomen is, andermaal trekt, wondt hij zich in de dij. Evenwel treft hij het gedrogt in de keel. Woedend zet de. beer den aanval voort, en Godfrieds bloedverlies wordt steeds grooter, en de uitslag steeds hagchelijker. Eensklaps komt een van Godfrieds ridders, door het geroep van den geredden pelgrim aangelokt, toeschieten en maakt het ondier af. Thans eerst gevoelt de hertog de overmaat zijner uitputting. Zwak, bleek , met den dood worstelende, kan hij naauw meer staan. Op eene draagbaar wordt hij onder het weeklagen van het geheele leger naar de legerplaats terug gebragt, en er verloopt een geruime tijd eer hij volkomen hersteld is.

VI. DE KRUISVAARDERS TE ANTIOCHlë. DE HEILIGE LANS.

Antioehië was, op het sterke kasteel na, door de kruisvaarders veroverd, en 10 000 inwoners dezer groote stad werden gedood; doch hoe schitterend de buit aanvankelijk ook was, weldra openbaarde de nood zich weder. K e r b o g a, vorst van Mosoel, trok met een verbazend leger Seldsjukken tegen Antioehië op en sloot de christenen in die stad in. Van belegeraars werden deze nu belegerden, die weldra door den hongersnood gekweld werden. Velen der kruisvaarders ontzonk de moed zoo zeer, dat zij zich met touwen van den muur neerlieten en wegliepen, waarom zij den naam van „koordedansersquot; kregen. Zelfs keizer Alexius was wegens deze koordedansers beangst geworden , zoodat hij niet tot ontzet durfde opdagen. Van moed en troost beroofd zaten de kruisvaarders in de huizen, zonder aan de verdediging der muren hunne kracht te wijden, waarom Boëmond omtrent 2000 huizen in brand liet steken, ten einde de ualatigen er uit te drijven. Godfried deelde zijn laatste brood met zijn vriend Hendrik van Hache, doch verklaarde tevens met een plegtigen eed, dat hij slechts als lijk Antioehië zou

-ocr page 201-

187

ontruimen, maar bij zijn leven den togt naar Jeruzalem nooit wilde opgeven.

In dezen bedrukten toestand was de redding slechts van de herleving der uitgebluschte geestdrift te wachten. Alleen dan , scheen het, konden de kruisvaarders zich zeiven vertrouwen , wanneer zij op den Hemel vertrouwden. Priesters en legerhoofden trachtten dus dit vertrouwen door het verhaal van hemel-sche verschijningen en vertroostingen op te wekken. Eerst heette het, dat de heilige Ambrosius, weleer aartsbisschop te Milaan, een italiaanschen priester was verschenen en hem verzekerd had, dat de kruisvaarders na drie jaren van zware beproeving Jeruzalem zouden veroveren en alle ongeloovigen zouden overwinnen. Vervolgens meldde een ander priester, Stephauus genaamd, dat Christus zelf, verzeld door de maagd Maria en den apostel Petrus, hem was verschenen en hem had opgedragen , aan de kruisvaarders te zeggen dat hij, zoo zij tot hem wilden wederkeeren, ook tot hen zou terug keeren en hen binnen vijf dagen helpen.

Was door deze beloften reeds een straal van hoop in de gemoederen der kruisvaarders opgegaan, nog veel schitterender werkingen moesten zich laten verwachten, indien er eene relikwie , die strijd en overwinning beteekende, aan den dag ge-bragt kon worden. Als zulk een relikwie moest men de li e i-1 i g e lans beschouwen, waarmede de romeinsche soldaat Lon-ginus weleer de zijde des heilands doorboord had. Zou zij echter het nut verschaifen, dat van haar te verwachten was , dan moest hare echtheid door goddelijke uitspraken buiten twijfel gesteld, en zelfs het vinden er van als het werk eener hemel-sche openbaring beschouwd kunnen worden. Graaf Eaimond van Toulouse was de ziel dezer onderneming.

Op zekeren dag kwam een priester uit Kaimonds gevolg, Peter Bartholomeus genaamd, openlijk bij hem en den bisschop Ademar en meldde het volgende; „Herhaalde malen heeft de apostel Andreas mij opgedragen om de heilige lans, die in Antiochië en wel in de St. Pieterskerk, niet ver van het

l

-ocr page 202-

188

hoogaltaar begraven ligt, aan de kruisvaarders, en wel eerst aan den graaf Kaimond, wien God haar heeft toegedacht, ter hand te stellen. Na de verovering van Antiochiëvervolgde Peter Bartholomeus, „heb ik uit bezorgdheid, dat men mij als een onbeduidend man geen geloof zou schenken, de ontvan-gene openbaring verzwegen. Nu echter is mij de apostel Andreas weer driemaal verschenen, en de laatste maal heeft hij mij onder zware bedreigingen geboden, de heilige lans op te zoeken.quot; Toen Bartholomeus zijn verhaal geëindigd had, verklaarde de vrome bisschop, zijn berigt voor ijdele beuzeltaal te houden ; doch graaf Kaimond sloeg er geloof aan, alle won-dergeloovige kruisvaarders deelden in zijn gevoelen, en in den raad der vorsten werd tot het uitgraven der heilige lans besloten.

Op den léden junij desjaars 1098 ging Peter Bartholomeus met twaalf sman , onder welke zich ook graaf Eaimond en diens kapellaan bevonden, naar de Pieterskerk. Alle toeschouwers werden buiten gesloten, en van den morgen tot den avond werd gegraven. Vergeefs! Nu begonnen eenigen aan het vinden van het verwachte zegeteeken te twijfelen; zelfs graaf Kaimond verwijderde zich, en in de plaats der vermoeide arbeiders kwamen nieuwe. Hierop sprong Peter Bartholomeus blootsvoets , slechts met een hemd gekleed, in de groef en bezwoer de aanwezigen, ijverig God te bidden, om aan de zijnen de heilige lans tot sterking en tot het behalen der overwinning te willen verbenen. Thans, nu de aanwezigen in \'t gebed verzonken en door de avondschemering omhuld zijn, brengt Peter eensklaps eene lans te voorschijn. Naauwelijks heeft hij die vertoond, of Eaimonds kapellaan grijpt ze aan en kust ze met eene vuur, die alle anderen met heiligen ijver vervult. Er ontstaat een luid gejuich; dronken van vreugde stroomt de menigte toe, kust met vreugde dit onderpand der goddelijke genade en zingt met dankbare verrukking: „Heer God, ü loven wij!quot; Daarop wordt de lans in kostbaar purper gewikkeld , met goud en zilver omringd, en graaf Raimond tot haren drager bestemd.

-ocr page 203-

189

Nieuwe hoop en nieuwe geestdrift ontgloeiden thans in het leger der kruisvaarders ; men vergat alle reeds ondervonden en nog te wachten lijden; de moedelooze verkreeg nieuwen moed, de zwakke nieuwe kracht; de een moedigde den ander tot den strijd aan. Een groote uitval werd ondernomen en de schitterendste zege bevochten. Kerboga met zijn ontelbaar leger werd ten eenenmale verslagen en keerde vlugtend over den Euphraat terug. De burg Antiochia gaf zich aan de overwinnaars over; maar nu ontstond er twist over het bezit der stad. Godfried, aan zijnen eed getrouw, stemde voor keizer Alexius, maar Boëmond, als eerste beklimmer des torens, maakte er voor zich zeiven aanspraak op. Hij behield ze eindelijk als vorst van Antiochië.

VII. DE KRUISVAARDERS TREKKEN TEGEN JERUZALEM OP.

Drie jaren waren er reeds verloopen sedert de kruisvaarders tot bevrijding van het heilige graf waren opgebroken, en nog I was het doel niet bereikt. Pestziekten, die vele duizenden wegsleepten, de onophoudelijke aanvallen der Turken en het onge-| wone klimaat hadden de gelederen der kruisvaarders zeer ge-: dund. Daarbij kwam de oneenigheid der bijzondere aanvoerders. Nog in de nabijheid van Jeruzalem had graaf Kairaond door de belegering van Akre en Tripolis, van welke steden hij zich een nieuw vorstendom dacht te stichten, de kruisvaarders opgehouden. Maar hoe meer zij het doel der reis naderden, des te ongeduldiger werd het leger, en de meerderheid der kruisvaarders vond het raadzaam, dit ongeduld te bevredigen. De verovering van Akre werd opgegeven; met den emir van Tripolis i\'l werd een verdrag gesloten, en ijlings trok men vervolgens langs den weg tusschen den Libanon en de zee op Jeruzalem aan.

Zonder zich op te houden, trokken de kruisvaarders Sidon, Tyrus en Akre voorbij; de verovering dezer steden werd tot een gelegener tijd uitgesteld. Te Cesarea vierden zij het pinksterfeest (29 mei 1099), en op den avond van den 5den junij bereikten zij Nicopolis, vroeger Emaus genaamd. Thans waren zij naauw eene halve dagreis van Jeruzalem verwijderd, en al

-ocr page 204-

190

leen de nacht en het vóór hen gelegene gebergte onttrokken hun het geweuschte gezigt. Drukkend langzaam scheen hun deze nacht voorbij te gaan; pijnlijk was hun ieder uitstel. Omtrent middernacht kwamen uit Bethlehem gezanten der christenen in de legerplaats aan en smeekten om bescherming tegen de aanvallen en bedreigingen der Turken. Hertog Godfried bewilligde in dit verzoek. Honderd nitgelezene ridders werden onder aanvoering van Tancredo naar Bethlehem gezonden, waar zij, door hunne christelijke broeders met blijdschap ontvangen, de geboorteplaats des heilands met jubelgezangen begroetten. Doch toen de anderen van de afzending dezer schaar hoorden, werd hun verlangen naar de heilige plaatsen steeds onstuimiger. Ongeroepen braken velen van hen op, stroopten tot voor de muren van Jeruzalem en maakten eenig vee buit. Daarbij geraakten zij in groot gevaar, waaruit zij nogtans door den dapperen Tancredo, die over den Olijfberg naar het leger terug keerde , gered werden.

Vin. MISLUKTE STORM ; BELEGERING DER STAT».

Eindelijk brak de dag (6 junij) aan, en met spoed werden de hoogten beklommen; daar lag zij vóór hen , de heilige stad met hare muren en torens, en als met hemelschen luister blonk zij hun tegen. Namelooze blijdschap en innige ontroering doordrong aller harten; vergeten waren alle gevaren en moeijelijk-heden, het loon voor alle verliezen nabij. Zij juichten en weenden van vreugde, baden en zongen, wierpen zich ter aarde en kusten den grond, waar zij de voetstappen des heilands en zijner jongeren meenden te zien. Niets evenaarde hunne vreugde bij het zien dezer plaats, dan de begeerte om haar te bezitten, en waarschijnlijk is nooit een leger met meer geestdrift tot verovering eener stad opgerukt.

Maar de hertog Godfried werd nu door de zware zorg gedrukt, hoe de groote, door 60 000 man verdedigde sterke stad met het gering getal van misschien slechts 20 000 eigenlijke krijgslieden ingesloten en belegerd kon worden. Men begon het werk

-ocr page 205-

191

aan de noordzijde der plaats. Digt bij den burg van David nam Godfried met de Duitschers en Lotharingers zijne legerplaats. Keeds op den vijfden dag waagde het leger een algemeenen storm. Vergeefs ! Wel wierpen zij den voormuur omver en drongen tot den hoofdmuur door, maar bij gebrek aan stormladders konden zij verder niets uitrigten. Velen van hen werden gedood, nog meerderen gewond, en met het invallen van den nacht moesten allen weder terug trekken.

Het mislukken van dezen eersten aanval spoorde tot bedachtzaamheid aan. Men dacht nu ernstiger aan een geregelden aanval en aan de vervaardiging van het noodige belegeringstuig. Maar nu ontbrak het aan hout, en weldra ontstond er ook gebrek aan leeftogt, vooral aan water; in de ondragelijkste hitte was het leger schier van dorst versmacht. Eindelijk ontdekte men in eene afgelegen streek een bosch, waaruit groote stammen en balken in de legerplaats werden gebragt. Eene zeer gelukkige omstandigheid was het daarbij ook, dat schepen van Genua de haven van Joppe binnenliepen , waardoor den kruisvaarders levensmiuüelen, manschappen en bekwame bouwkundigen werden aangevoerd. Nu ging men terstond aan het werk. Allen zonder onderscheid, voornamen en geringen, armen en rijken , leenden daartoe de hand, en in korten tijd werden stormladders en werptuigen in menigte gereed gemaakt, terwijl hertog Godfried en graaf Kaimond op eigene kosten twee groote belegeringstorens lieten bouwen en met ontzaggelijke moeite naar die plaatsen der muren brengen, waar hunne werking het gelukkigste gevolg scheen te zullen hebben.

IX. GODSDIENSTIGE OPTOGT RONDOM DE MUREN\'.

Vier weken waren er onder velerlei arbeid en bezwaren ver-loopen, schier alle toebereidselen waren voltooid en de dag tot de nieuwe bestorming vastgesteld , toen men op raad der geestelijkheid een plegtigen optogt voorbereidde, vooreerst om de heerschende geschillen bij te leggen, voorts om de geestdrift en het bijgeloof des volks te versterken, eindelijk ook om te

-ocr page 206-

192

beproeven, of het wonder, door hetwelk Jericho in de handen der Israeliten gevallen was, zich niet zou vernieuwen. Op vrijdag den 8sten julij werd deze processie gehouden. De bisschoppen en de overige geestelijken, feestelijk versierd, maar blootsvoets, met kruisen en relikwiën, voerden ze aan. Op hen volgden , insgelijks blootsvoets, maar volkomen gewapend , met vaandels en trompetten de ridders en al het volk, terwijl gebeden en lofzangen ten hemel werden opgezonden. Zoo ging de togt rondom den Olijfberg tot aan den Zionsburg. Op beide punten werden door Peter van Amiëns en een vlaamsch geestelijke redevoeringen gehouden. Alle wrok werd afgelegd, rijke aalmoezen verdeeld, en God vurig gebeden om zijn volk, dat Hij tot aan het doel der reis had gevoerd, ook verder bij te staan.

Intusschen vervolgden de mohammedanen boven van hunne muren den zonderlingen togt met luiden spot. Nu eens schoten zij met pijlen en wondden eenigen, die onvoorzigtig te digt naderden ; dan rigtten zij kruisen of galgen op en beschimpten ze met vuile woorden en handelingen. Maar juist deze ontwijding van het heilige ontvlamde de kruisvaarders tot toorn en wraak, en met vurig ongeduld om het de ongeloovigen betaald te zetten, keerden zij naar hunne legerplaats terug.

X. INNEMING VAN JERUZALEM.

Zes dagen daarna, donderdag den 14den julij, ging men tot de bestorming van Jeruzalem over. Met stoutmoedige onstuimigheid , vast besloten om te overwinnen of te sterven, stormde het leger aan; zelfs vrouwen, kinderen en grijsaards beijverden zich om aan de daden der mannen deel te nemen. Maar hoe heftig en nadrukkelijk de aanval ook was , even nadrukkelijk en heftig was de tegenweer. Een schrikkelijke hagelbui van pijlen en steenen ontvangt de bestormers; zij beantwoorden die, en onder groote inspanningen naderen zij met hunne krijgswerktuigen de muren der stad. Doch deze zijn met zakken vol stroo en hooi, welke den stoot der muurbrekers verzwakken , goed beschut en met ontelbare werktuigen bezet, die

-ocr page 207-

193

de bestormers tegen houden. Van den morgen tot in den nacht wordt onafgebroken gestreden. De zon gaat onder, en nu wordt de strijd gestaakt. Maar welke nacht! Slapeloos voor christenen en mohammedanen ! De eersten kunnen niet rusten, omdat zij een aanval en de vernieling hunner werktuigen vreezen ; terwijl de laatsten bezorgd zijn, dat de christenen onder den sluijer van den nacht zouden kunnen aansluipen, ladders oprigten eu de muren beklimmen. Eindelijk breekt de morgen aan. Terstond ijlen de kruisvaarders, door nieuwen strijdlust ontvlamd, ieder op zijn post tot den heeten strijd. Thans gelukt het aan hun onversaagden moed, den voorsten muur omver te werpen en tot aan den hoofdmuur door te dringen. Maar hier doen zich nieuwe zwarigheden op. Deze muur is dik en hoog, met eene menigte werktuigen bezet, uit welke schutgevaarten van allerlei aard dood en verderf slingeren. De mohammedanen werpen potten met brandende pik en zwavel op de werktuigen der christenen, en het houtwerk geraakt in brand. Te vergeefs is alle inspanning, alle moed; de standvastigheid der Mooren en der Turken is vreeselijk. Zoo komt de middag aan, en den christenen ontzinkt de moed. Het doel nabij, wanen zij er zich verder van verwijderd dan ooit. Luid jammerden de edelste ridders, dat zij niet verwaardigd zouden worden, de heilige stad in te nemen; reeds wilden velen den strijd opgeven en de rookende belegeringswerktuigen terug trekken; reeds wijkt het leger in wanorde terug.

In deze hagchelijke oogenblikken was het hertog Godfried, die de versaagden bemoedigde en hen voor de voltooijing van het bloedig werk met geestdrift bezielde. Terwijl hij gelijk de gemeene soldaat werkte en tevens de pligten van den aanvoerder vervulde; terwijl hij met zijn broeder Eustatius in het bovenste gedeelte van den belegeringstoren klom, bespeurde hij plotseling op den Olijfberg eene riddergestalte in witte rusting, en een helder stralend schild zwaaijende. Hij wenkt naar de heilige stad. „Ziet daar, een cherub met vlammend zwaard, dien God ons tot medestrijder heeft gezonden !quot; zoo roepen al-gmjbe, G. D. M. 13

-ocr page 208-

194

len vol geestdrift, en juichend rennen zij nogmaals op de muren aan.

Niets baat het meer, dat. de vijanden met wol- en stroo-zakken hunne muren beschutten ; niets, dat zij met groote balken naar de belegeringstorens stooten, om ze te verbrijzelen en tegen te houden; Godfried met de zijnen rukt de balken neêr en laat met vurige pijlen de wol- en stroozakken in brand schieten. Thans verheft zich een zwarte damp, en een heftige noordewind drijft dien zoo digt naar de stad toe, dat de vijanden van den muur terug wijken. Zoodra hertog Godfried dit merkt, laat hij de valbrug, die zich in de tweede verdieping van zijn toren bevindt, op den muur neervallen. Zij bereikt haar doel. Hertog Godfried is een der eersten op de tinnen van den muur. Hem volgen de anderen. Tancredo de Normandiër en Kobert van Vlaanderen bestormen de Stephanus-poort, en onder den kreet, „God wil het! God wil liet!quot; dringen de overwinnaars in de stad.

xr. GEDRAG DER OVERWINNAARS.

HfiG

Maar naauwelijks mag men de overwinnaars, die thans onweerstaanbaar de stad binnen dringen, „christenenquot; noemen — zoo woest en vreeselijk is hun woeden, zoo schrikkelijk geven zij zich aan hunne hartstogten over. Met blinde bloedgierigheid vallen zij op de ongelukkigen aan, en al wat zij ontmoeten, onverschillig of het gewapenden zijn of zwakke kinderen, mannen, vrouwen of grijsaards, wordt vermoord. Vruchteloos trachten de ongelukkigen zich te redden; al zijn zij ook God-frieds scharen, die van het noorden aandringen, ontkomen, zij vallen Eaimonds krijgslieden, die van de zuidzijde aanstormen, in handen, en van straat tot straat verspreidt zich de moord. Het schrikkelijkst woedt hij in den tempel van Salomo. Vele duizenden hebben achter de ruime en sterke muren van dit gebouw heul en redding gezocht, maar Tancredo bestormt den tempel en maakt zich onder veel bloedvergieten van de aldaar aanwezige schatten meester. De overige legerhoofden met

-ocr page 209-

195

hunne manschappen volgen, ongeveer 10 000 vijanden worden gedood, en het bloed vloeit bij stroomen. Velen der ongeloo-vigen worden gespietst, anderen gebraden, nog anderen gedwongen om zich van de hooge torens neêr te storten. Te gelijk ontwaakt de begeerte naar buit. De overwinnaars storten zich iu alle huizen en plunderen wat zij vinden: ieder behoudt het huis, voor \'t welk hij het eerst schild of lans opstak, als zijn eigendom.

Godfried alleen blijft ook hier aan zijn edel karakter getrouw. Slechts bij het eerste binnendringen in Jeruzalem, waar de tegenstand zijne hitte heeft gewekt, en de dood van zoo vele christenen zijnen toorn ontvlamd, doopt hij zijne handen in bloed, maar hij onthoudt zich van alle martelen en rooven, en weldra verlaat hij het moordtooneel en gaat waarheen zijn hart hem roept. Door drie zijner dienaars vergezeld, zonder pantsier en helm, barrevoets en in het hemd van den pelgrim wandelt hij om een deel der stad heen naar het heilige graf. Daar werpt hij zich neder in vurige godsvrucht, weenende. biddende en God dankende, dat hij nu het doel van zijn veria. 0en bereikt heeft. Daarop keert hij blijmoedig terug, en neemt maatregelen tot bescherming der stad tegen mogelijke aanvallen van rondzwervende vijanden.

XII. GODFRIED „BESCHERMEE TAN HET HEILIGE GRAF.quot;

Intusschen duurde het moorden op dezen en den volgenden dag te Jeruzalem voort. Drie honderd Turken, die op het dak van den tempel van Salomo gevlugt waren, en van Tancredo genade hadden afgesmeekt, werden door andere kruisvaarders gedood, tot groote verbittering van Tancredo, die daar zijne banier had geplant. Slechts de bezetting van den toren van David, die zich aan graaf Raimond had overgegeven, verkreeg van dezen vrijen aftogt naar Askalon. Eerst op den derden dag, een zondag, vereenigden alle kruisvaarders zich tot eene gemeenschappelijke bedevaart naar het heilige graf. Zij leggen hunne wapenen af, ontblooten hunne voeten, reinigen zich

13*

-ocr page 210-

196

van het bloed, en met witte kleederen bekleed, trekken zij naar de heilige plaatsen, inzonderheid naar de kerk van het heilige graf. Hier komt hun met kruisen en gezangen de geestelijkheid te gemoet, met de reeds te Jeruzalem wonende christenen , die zoo vele jaren het juk der slavernij hadden ge-torscht en nu den Heiland voor hunne verlossing danken. Ook Peter van Amiëns ontvangt den tol der dankbaarheid en der vreugde. In het heiligdom zelf vallen de kruisvaarders op hunne knieën, om den Albarmhartige te danken, die hun de overwinning heeft geschonken. Vol vrome gezindheid biechten eenigen en beloven verbetering, anderen verdeelen van den gewonnen buit rijkelijke aalmoezen aan kranken en grijsaards, nog anderen kruipen op bloote knieën naar het graf des Heilands en bedekken het met kussen en tranen. De een zoekt den ander in werken van godsvrucht te overtreffen.

Nadat alzoo deze bedevaart geëindigd was , dacht men aan de aardsche nooddruft. Stad en tempel werden van het bloed gereinigd, alle sporen van den islam verdelgd, de inwendige aangelegenheden geregeld, en verkwikkende rust (voor korten tijd !) volgde op jaren lang lijden. Aan hertog Godfried bood men de kroon aan, maar hij weigerde die , en noemde zich slechts beschermer van het heilige graf. „Hoe zou ik,quot; sprak hij, „eene kroon dragen, daar waar de koning der koningen eene doornenkroon gedragen heeft ?quot; — Godfried stierf, helaas! te vroeg, reeds in 1100 den 18den julij, en liet de heerschappij, die door de Turken onophoudelijk verontrust werd, aan zijn broeder Boudewijn over, die den koninklijken titel aannam.

XIII. BERNARD VAN CLAIRVAIJX.

Sedert den eersten kruistogt ontbrak het niet aan kleinere gezelschappen beêvaartgangers, die van jaar tot jaar naar Palestina trokken; doch deze versterkingen waren veel te onbeduidend, dan dat de veroveraars van het heilige land zich lang staande konden houden. Zij baden den paus dringend om hulp,

-ocr page 211-

197

en deze bragt ook eindelijk, vooral door den vromen abt Bernard, in Frankrijk een grooten legertogt tot stand, die in luister den eersten nog overtrof.

Lodewijk VII, koning van Frankrijk, had tegen twee oproerige vasallen de wapenen opgevat, hun land verwoest en Vitri in Champagne stormenderhand veroverd. Daar was eene kerk, in welke 1500 menschen gevlugt waren, door zijne soldaten in brand gestoken. Om deze wreedheid weder goed te maken, deed hij de gelofte, een kruisvaart te ondernemen. De abt Bernard versterkte hem in zijn voornemen en reisde terstond in het land rond, om het kruis te prediken. Vervolgens verscheen hij op den schitterenden rijksdag, dien Lodewijk VII in 1146 te Vezelay in Bourgondië hield. Hier deelde hij eerst aan den koning, diens jonge gemalin Eleonora en aan verscheidene barons, die besloten hadden beiden te volgen, de hem door den paus toegezonden kruisen uit. Toen begaf hij zich op het vrije veld naar de ontelbare volksmenigte, die in de stad geene plaats had gevonden. Een redenaarsgestoelte werd aldaar voor hem gereed gemaakt. Hij besteeg het met den koning, en naauw was hij begonnen te spreken, of van alle kanten riepen de aanwezigen: „Kruisen! kruisen!quot; Hij had een grooten bundel medegebragt, maar deze was niet toereikend, en nadat hij hem meer uitgestrooid dan uitgedeeld had, moest hij zijne kleederen aan stukken snijden, om er nieuwe kruisen van te maken. Hem zeiven wilden de gekruisten tot aanvoerder verkiezen , doch hij verzocht van die eer verschoond te blijven , maar liet zich toch beloven, dat allen, die het kruis ontvangen hadden, bereid zouden zijn om in het volgende voorjaar (1147) met koning Lodewijk den kruistogt te aanvaarden.

XIV. BEKXAED BEWEEGT KEIZER KOENRAAD III TOT DEN\' KRUISTOGT.

Uit Frankrijk begaf Bernard zich in den herfst van 1146 naar Duitschland, om ook hier het kruis te prediken, en vooral den duitschen koning Koenraad III tot den kruistogt te bewegen.

;; r;

Éi Kji ^ i

i • \'iquot;

i I

i

ti ItelP

«

in (

:)[i Mi \'i- y\'

Sri\' ifi 1; r\' ? .li i •

-ocr page 212-

198

Maar hij vond bij dezen groote zwarigheden. Wel betoonde Koenraad eerbied voor den buitengewonen man, die zoo veel wonderbaars werkte en zoo hartelijk vroom was; ja, hij zou zelfs , toen het volk met onstuimigheid op hem aandrong, hem op zijne schouders genomen en uit het gedrang gedragen hebben , maar tot een kruistogt was hij niet te bewegen. De onlusten in Italië maakten zijn verblijf in Europa noodig; bovendien had hij reeds eenmaal eene pelgrimsreis naar Jeruzalem gedaan. Bernard vond het onraadzaam , thans verder bij hem aan te dringen; hij liet het aan de dubbele magt van den tijd en het voorbeeld over, om hem tot andere gedachten te brengen, en ondernam intusschen op raad van bisschop Herman van Constants eene reis in het zuiden van Duitschland. De roem der heiligheid ging voor hem uit, en waar hij kwam, wist hij het volk in geestdrift voor den nieuwen kruistogt te ontvlammen. Als in zegepraal reisde hij over Zurich, Bazel en Straatsburg, eu van daar op den Eijn naar Spiers, waar Koenraad met de aanzienlijkste duitsche vorsten tot een rijkdag vergaderd was. Op den 24sten december 1146 kwam hij te Spiers aan. Ook hier werd hij met hooge bewondering ontvangen. Doch Koenraad weerstond nog steeds alle opeischingen, totdat hij eindelijk door verrassing gewonnen werd. Op den derden kersdag hield Bernard de hoogmis. Eensklaps brak hij, tegen alle gebruik, de heilige handeling af door eene aanspraak aan de gansclie vergadering, om haar tot den strijd voor het heilige graf aan te sporen. Vervolgens rigtte hij zijne rede onmiddellijk tot den koning, stelde hem het jongste oordeel voor oogen, en hoe Christus aldaar tot hem zoude zeggen: „Mensch, al het goede, dat ik u doen kon , heb ik u gedaan! Van mij ontvingt gij den luister der heerschappij, verkreegt rijkdommen , wijsheid, mannelijken moed en ligchaamskrachten, en wat hebt gij voor mij gedaan?quot; — Bij deze woorden kon Koenraad zich niet langer bedwingen. Overweldigd door zijne aandoeningen, viel hij met weenen en zuchten den abt in de rede. „Ach,quot; riep hij uit, „ik erken de weldaden der goddelij-

-ocr page 213-

199

ke genade en wil niet een ondankbare bevonden worden. Ik ben bereid om hem te dienen !quot; Ten hoogste verheugd hief thans de vergadering een lofzang aan; de koning trad naar het altaar, waar Bernard hem met het kruis teekende en hem de banier aanreikte, die hij in den heiligen oorlog moest dragen. Nu draalden ook de duitsche vorsten, die zich tot hiertoe hardnekkig tegen den kruistogt hadden aangekant, niet langer. Zij ontvingen het kruis en met hem de jonge neef van den koning, Fred e r i k, toenmaals hertog van Zwaben , en later als keizer „Barbarossaquot; bijgenaamd.

XV. DE TWEEDE GEOOTE KRUISTOGT.

Zoo trokken in het jaar 1147 twee groote legers van meer dan 200 000 man onder twee koningen en vele vorsten uit; maar slechts weinigen kwamen terug. Zij vonden op hunnen togt nog grootere moeijelijkheden dan Peter en Godfried vijftig jaren vroeger. De grieksche keizer weigerde hun levensmiddelen , tastte hen als vijanden aan en leverde hen zelfs in de handen der Turken , want hij was ijverzuchtig op de magt der wes-terschen. En toen zij in Azië aankwamen, sleepten hongersnood en pest het grootste gedeelte van het leger weg, terwijl de christenen in Jeruzalem, vol argwaan tegen de westersche vorsten, als zochten zij hunne eigene magt, iedere groote onderneming verhinderden. Koenraad en Lodewijk keerden misnoegd terug, nadat zij door opoffering van bijna 200 000 men-schen niets verder erlangd hadden, dan dat zij Jeruzalem en het heilige graf hadden gezien. Bernard, die van dezen togt in den naam van God den gelukkigsten uilslag beloofd had, werd thans met verwijtingen overladen. Hij zelf regtvaardigde zich door te zeggen , dat de schuld bij de zonden der kruisvaarders lag, en dat de zielen der gesneuvelden toch in den hemel waren. Zelfs Mozes had immers zijn volk niet in het beloofde land kunnen brengen!

Hl: |j Mil

1

tMifi

«! •M-j-j r:

\' ! 5

-ocr page 214-

200

XVI. F1LIPS AUGUSTUS EN RICHARD LEEUWENHART.

In het jaar 1190 aanvaardden ook de koning van Frankrijk, Filips Augustus, en de koning van Engeland, Richard I, die door zijne heldhaftige onverschrokkenheid den bijnaam van „Leeuwenhartquot; had verworven, gemeenschappelijk een kruistogt naar het Heilige land. Keizer Frederik Barbarossa was even te voren derwaarts getogen, maar verloor in Syrië in de rivier Seleph het leven. De beide koningen besloten, in plaats van den moeijelijken en gevaarlijken landweg door Hongarije, liever ter zee de reis te ondernemen. De Italiaansche zeesteden Genua, Pisa en Venetië belastten zich met het overbrengen en het verzorgen der legers en werden daardoor rijke en magtige zeestaten. Bij den terugkeer belaadden zij de ledige schepen gewoonlijk met aarde uit het Beloofde land. Deze werd in het vaderland duur verkocht en op de begraafplaatsen gestrooid, want de vrome christen meende onder het heilige zand zaliger te zullen sluimeren, en zoo hij al het geluk niet genoten had, de heilige aarde zelf te betreden, had hij toch den troost, dat zij na den dood zijn aardsch hulsel bedekte. Ook bragten zij water uit den heiligen Jordaan mede, waarmede de christenen zich in hun sterfuur lieten besprenkelen.

De Engelschen scheepten zich te Marseille, de Franschen te Genua in. Te Messina vereenigden beide koningen zich weder met elkander , maar reeds hier maakte ijverzucht en volkshaat koningen en volken oneenig, en daar zij het niet eens konden worden, bleven zij een geheelen winter op Sicilië liggen. Nog grooter werd de tweespalt, toen zij in het volgende jaar bij de stad Acre landden en deze belegerden. Men kwam eindelijk overeen, dat den eenen dag de Engelschen, den anderen de Franschen zouden stormen, en zoo bragt de wedijver in de dapperheid het zoo ver, dat de Turken op den 13den julij 1191 de stad overgaven, onder voorwaarde dat men hun vrijen aftogt toestond, maar zij niets dan hunne kleederen medena-

-ocr page 215-

201

men, en de sultan Sal a din aan beide koningen 200 000 dukaten oorlogskosten betaalde, tot welken tijd de bezetting in hechtenis zou blijven. Men liet nu de ingeslotene Turken uittrekken, maar daar S a 1 a d i n het geld niet dadelijk zond , liet Richard in drift 2000 der Saracenen neêrhouwen. Men sneed zelfs menig lijk den buik open, of men er misschien ingeslikte edelgesteenten in vond. Thans stormden de christenen van alle kanten de stad binnen, en hertog Leopold van Oostenrijk, die een der eersten was, plantte zijne vaan op een toren. Dit mishaagde koning Kichard; hij liet de vaan afrukken en in het slijk vertreden. Toornig grepen de Duitschers naaide wapenen , maar zij waren te zwak, om hunnen schimp te kunnen wreken, en Leopold trok met hen weder huiswaarts.

XVII. AFLOOP VAN DEN DERDEN KRÜISTOGT.

Ook koning Filips Augustus kon de trotsche, hoogmoedige geaardheid van Richard niet langer verdragen en scheepte zich weldra weder in, slechts den hertog van Bourgondië met 10 000 man achter latende. Eichard trok intusschen verder voort en vervulde het gansche oosten met den roem zijner daden. Sala-din werd geslagen, en reeds was Eichard digt bij Jeruzalem, toen eensklaps de hertog van Bourgondië hem verliet, en zelfs vele Engelschen met de fransche troepen aftrokken. Eichard intusschen, in vertrouwen op zijne dapperheid, liet zich daardoor niet tegenhouden, hoewel hij eenige malen in gevaar van zijn leven kwam. Eens ging hij met eenige medgezellen op de jagt en viel in eene hinderlaag der Turken. Hij hieuw als een razende om zich heen, maar zijne medgezellen waren reeds allen op één na gesneuveld, en het aantal der Turken, was groot. Nu riep plotseling die ééne — het was Willem van Pourcellet — „ik ben de koning!quot; Terstond lieten de vijanden Eichard los en namen den anderen gevangen. Saladin, de list vernemende, prees hem, behandelde hem eervol en wisselde hem naderhand tegen 10 Turken uit.

If I

-ocr page 216-

203

Richard intusschen, ofschoon in \'t gezigt van Jeruzalem, was nu toch te zwak om de heilige stad te veroveren. Hij wendde zijn gelaat misnoegd af en riep : „Wie den moed niet heeft om het heilige graf te bevrijden, verdient ook niet, het te zien !quot; Hij trok terug naar Ptolemais (Acre), sloot met Saladin vrede en stevende in september 1192 naar Europa terug. Hij haastte zich zoo veel mogelijk, omdat hij het berigt ontvangen had, dat zijn broeder Jan het oogmerk had om zich op den engelschen troon te plaatsen. Op de terugreis had hij het ongeluk , door een storm in de Adriatische zee gedreven te worden. Bij Aquileja, niet ver van Venetië, ging hij aan land en zette zijne reis, als pelgrim verkleed, verder voort. Maar te Weenen werd hij herkend. De verbitterde hertog Leopold, die de beschimping zijner vaan nog niet vergeten had, liet hem oogenblikkelijk gevangen nemen en leverde hem aan den duit-schen keizer Hendrik VI uit. Deze hield den trotschen Engelsch-man in strenge hechtenis, uit wraak, omdat hij vroeger de onrustige Sicilianen tegen hem ondersteund had.

Over de tijding van Richards gevangenneming gevoelde niemand grooter vreugde dan Filips van Frankrijk. Terstond viel hij diens Engelsche bezittingen in Frankrijk aan. Ook ondersteunde hij Richards nietswaardiger! broeder Jan, die, omdat zijn vader hem met geene provincie begiftigd had. Jan zonderland genoemd werd. Maar de meeste Engelschen verfoeiden Jan en wenschten Richard terug. Men wist in Engeland nog volstrekt niet, waar de koning zich eigenlijk bevond. Reeds verscheidene maanden smachtte Richard in smadelijke gevangenschap ; maar als een vriend der dichtkunst, stortte hij thans zijne smart in liederen uit en maakte zich daardoor aan zijne vrienden kenbaar. Toen het — zoo luidt een oud volksverhaal — nog onbekend was, in welk kasteel men den hoogen gevangene in bewaring hield, trok Blondel, zijn lievelingszanger, uit, om zijn meester op te zoeken. Hij komt in Oostenrijk aan. Daar hoort hij dat zich op het kasteel Durrenstein een voor-

-ocr page 217-

203

naam gevangene bevond, maar dat allen toegang tot hem geweigerd werd. „Dat is Eicharddenkt de zanger in zijn hart; hij zet zich in de nabijheid van het kasteel neder en heft een lied aan, dat hij eens gemeenschappelijk met zijn meester gedicht heeft. Eichard luistert naar de toonen, en zoodra de zanger ophoudt, zingt hij de andere helft van het lied verder. Nu is Blondel ten hoogste verblijd; hij brengt de tijding naar Engeland over, en het losgeld wordt bijeengebragt. De hebzuchtige keizer verlangt 100 000 marken zilvers (1 800 000 gulden) en het getrouwe volk zendt ze hem.

XVIII. DE KRUISTOGT TEGEN CONSTANTIXOPEL

Een tiental jaren na den aftogt van Eichard Leeuwenhart uit het Heilige land verzamelde zich, door den invloed van paus Innocentius III, een nieuw kruisleger onder den dapperen markgraaf Bonifacius van Montferrat, graaf Boudewijn van Vlaanderen en Henegouwen en een aantal fransche vorsten, die met de Yenetiërs een verdrag sloten, waarbij deze zich verbonden om tegen betaling van 85 000 mark zil vers voorde overvaart van een leger van dertig tot veertig duizend man en voor de noodige levensmiddelen te zorgen. Aan het hoofd der Venetiërs, die aan den togt deel namen, plaatste zich de doge Dan d oio, een man, die, ofschoon reeds 94 jaren ouden bijkans blind, toch nog met jeugdige stoutheid bezield was. Men verliet Venetië in 1202 en wendde zich, op verlangen der Venetiërs, het eerst tegen de Dalmatische stad Zara, die tegen hen was opgestaan en die nu na eenigen weerstand veroverd werd.

Hier verscheen bij de kruisvaarders de jonge prins Alexius, de zoon van den griekschen keizer Izaak II Angelus, die eenige jaren vroeger door zijn broeder, Alexius III Angelus, van den troon en van zijne oogen beroofd en tot eene eeuwigdurende gevangenis op water en brood veroordeeld was. De jonge Alexius kwam hier hunne hulp tegen zijn oumenschelijken oom inroe-

11

I

■Hl

V,

J\'4 l

■Ijl %■

f-i f

i ?!

p.

«

I

li ïi:|

II

! I

r

!

-ocr page 218-

304

pen, welke tiem ook werd toegezegd tegen de belofte, dat hij 200 000 mark zilver betalen, de grieksehe kerk met de room-sche vereenigen en aan den kruistogt tegen de ongeloovigen deel nemen zou, terwijl zij zich van hunnen kant verbonden om zijn vader op den troon te herstellen en hem zijne vijanden te helpen overwinnen.

Op de schoonste venetiaansche vloot naderden de ridders (1203) de haven van Constantinopel en wierpen tegenover de stad op de Aziatische kust liet anker uit. Na eene vruchtelooze onderhandeling met keizer Alexius III stevenden zij met hunne schepen regelregt over den Bosporus, drongen den keizer met zijn talrijk leger in de stad terug, verbrandden of veroverden de grieksehe vloot, deden de keten springen, welke de haven sloot, en namen deze in bezit. De keizer zocht nu zijn heil in de vlugt, terwijl de beangste bewoners den blinden Izaak uit de gevangenis te voorschijn haalden en hem benevens zijn zoon Alexius op den troon plaatsten.

Deze had thans zijn doel bereikt; maar nu moesten ook de voorwaarden, met de kruisvaarders aangegaan, vervuld worden, Doch van waar zoo veel geld te bekomen, en hoe zou men het volk tot onderwerping aan den roomschen paus kunnen overhalen? Naauwelijks werd hiervan gewaagd, of alles geraakte in rep en roer; en toen men, tot bijeenbrenging der benoodigde som, nieuwe belastingen uitschreef en zelfs aan het zilver der kerken de hand sloeg — toen bovendien de vreemdelingen , door Alexius in het land geroepen, zich overmoedig aanstelden, en eenige Vlamingen en Italianen onder anderen uit geloofsijver eene moskee in brand staken, welke de vorige keizer den Turken vergund had in Constantinopel te bouwen , en ten gevolge daarvan eene geheele wijk der stad in de asch legden — toen brak er een geweldig oproer uit en riep het volk openlijk om een anderen keizer. Niemand durfde zich in deze gevaarvolle oogenblikken met die taak belasten, tot eindelijk een telg van het voormalige keizerlijke stamhuis , Alexius Du-

-ocr page 219-

205

caa, om zijne zware wenkbraauwen Murzuflos bijgenaamd, er zich toe liet overhalen. Hij liet den jongen Alexius, Izaaks zoon, verworgen; de vader was reeds van schrik en verdriet gestorven.

Na dergelijke geweldenarijen achtten de kruisvaarders (L a-tijnen werden zij hier genoemd) zich geregtigd, om zich jegens dit trouwelooze volk, dat zij bovendien voor ketters hielden, alles te veroorloven. Zij begonnen de stad te bestormen, na vooraf omtrent de verdeeling van den buit en de toekomstige inrigting eene overeenkomst gemaakt te hebben. Wel werd de eerste storm afgeslagen, maar drie dagen daarna (13 april 1204) wisten zij de poorten te overweldigen, en was de schrik der bewoners zoo groot, dat een enkele ridder duizenden voor zich heen dreef. In den nacht ontstond er wederom een geweldige brand, gedurende welken Murzuflos de vlugt nam, en terwijl de grooten nog tegen de Latijnen streden, stroomden de overwinnaars de stad binnen, drongen woedend in paleizen en huizen, plunderden wat zij vonden en pleegden de vreeselijkste gruwelen. Zelfs de heiligste plaatsen werden niet verschoond. De kerken werden door drinkgelagen verontreinigd, ja zelfs tot paardenstallen gebruikt. De schoonste kunstwerken werden verbrijzeld en aan stukken geslagen. Door deze gruwelijke verwoestingen , waarbij de kruisvaarders de Saracenen verre in wreedheid overtroffen, gingen eene menigte van toen nog bestaande kunstgewrochten der oudheid verloren, want behalve een aantal relikwiën, waarop men destijds grooten prijs stelde, spaarde men niets dan één beroemd kunstwerk der Grieken — vier groote bronzen paarden, die de Venetianen mede naar hunne stad namen en onder een boog boven den hoofdingang der St. Marcuskerk plaatsten, waar zij sedert dien tijd (uitgenomen van 1797 tot 1815, toen zij, door de Franschen buit gemaakt, zich te Parijs bevonden) een der sieraden van Venetië hebben uitgemaakt. De bevelhebbers lieten eindelijk den gemaak-ten buit in drie kerken verzamelen en volgens het gesloten verdrag

iip ff

! i if li

I

i iij

I

•ft

ill quot;f

■]é

|W.

#;

l:.r

ü

fii\' Mi

r-jljj m

i r.

-ocr page 220-

206

tusschen de Franschen en Veuetianen gelijkelijk verdeelen. De menigte van kostbaarheden en geld, hier bijeen gebragt, was Z09 groot, dat de Franschen , enkel aan geld , 400 000 mark zilver ontvingen.

Vervolgens ging men tot de verdeeling van het rijk over. Door beschikking van den doge Dandolo werd het in vier dee-len gesplitst, waarvan het eene als keizerrijk aan dengen e zon behooren, die door twaalf kiezers (zes Franschen en Vlamiu-gers, en zes Venetiërs) tot keizer zou benoemd worden, terwijl de overige aanvoerders en de republiek Venetië de drie andere onder elkander zouden verdeelen. Daar Dandolo weigerde , de keizerlijke waardigheid aan te nemen, werd zij eenparig aan den dapperen Boudewijn van Vlaanderen opgedragen , die alzoo de stichter werd van het Latijnsche keizerrijk te Constantinopel, dat echter slechts tot 1261 bestond, toen een grieksch vorst uit Nicaea, Michael Palaéologus, de Latijnen uit Constantinopel wist te verdringen.

XIX. KRÜISTOGT VAN GRAAF WILLEM I.

De geestdrift voor den heiligen oorlog was intusschen reeds merkelijk bekoeld. Evenwel liet de toenmalige paus Innocen-tius III niet na, de herovering van het heilige land zoo veel mogelijk te bevorderen; doch de destijds in de Europesche groote staten heerschende onlusten verhinderden de verwezenlijking van zijn doel. Slechts werd erin 1218 een kruisleger van kinderen op de been gebragt, die in allen ernst meenden, Jeruzalem te zullen veroveren. Eenigen van die benden kwamen over de Alpen in Italië, en ofschoon Innocentius III zeide: „Deze kinderen verwijten ons onze slaperigheid, daar zij het Heilige land te hulp snellenliet men hen echter meerendeels van vermoeidheid en gebrek omkomen. Omtrent 30 000 dier onnoozelen trokken uit Frankrijk op en kwamen te Marseille aan , waar zij onmenschelijke slavenhandelaars in handen vielen. Onder voorwendsel van hen kosteloos naar Palestina te zullen

-ocr page 221-

207

overbrengen, lokten deze hen op hunne schepen en verkochten hen vervolgens in Afrika aan de Saracenen. — Na den dood van Innocentius ondernam koning Andreas van Hongarije weer een geregelden kruistogt (1217); doch reeds kort nadat hij in Syrië was aangekomen en toen hij nog niets van belang had uitgevoerd, deden ziekten en ongunstige berigten uit zijn vaderland hem besluiten, huiswaarts te keeren, zonder dat hij bij de geheele onderneming iets gewonnen had dan eenige opgekochte relikwiën, waaronder, naar het zeggen, een stuk van Aarons roede en een van de kruiken, die op de bruiloft te Kana gebruikt waren.

Veel gewigtiger dan deze togt, ofschoon evenmin van duurzame gevolgen , was die, welke te gelijker tijd door noordsche, duitsche en nederlandsche kruisvaarders, de laatste onder aanvoering van graaf Willem I, werd ondernomen. Met eene talrijke vloot, waarbij ook velen uit Friesland, voer men naar Spanje en Portugal, waar de kruisvaarders door tegenwinden genoodzaakt waren een en andermaal eene haven binnen te loo-pen, waarna zij eindelijk Lissabon bereikten. Aldaar werd door portugeesche grooten en geestelijken hunne hulp ingeroepen tegen de Saracenen, die niet alleen een slot bij Lissabon hadden vermeesterd, om die stad te bedwingen, maar ook jaarlijks honderd christenen vorderden, als eene schatting aan den sultan van Marokko , weshalve zij de kruisvaarders smeekten om hen tegen dat geweld te verdedigen en dat slot te veroveren. Be Friezen meenden hieraan niet te mogen voldoen, en zetteden met 80 schepen de reis naar het Heilige land voort; doch vele hunner togtgenooten, waaronder graaf Willem , bleven achter en begonnen de belegering van het slot, dat met hevigheid werd aangetast, maar met groote dapperheid verdedigd. Na een bloedigen strijd, aan beide zijden door godsdiensthaat aangevuurd , verklaarde de overwinning zich voor de christenen, en viel het slot in hunne handen. — Men wilde hen nu, ter bestrijding der Saracenen , langer in Portugal houden, doch

-ocr page 222-

208

op uitdrukkelijk verlangen van den paus vervolgden zij hunne reis naar het Heilige land, zoodat zij, na vele wederwaardigheden ondervonden te hebben, eindelijk bij Acre aankwamen. Eerlang verlieten zij die haven en wierpen drie dagen later het anker voor een eiland in den Nijl tegenover Damiate. Men beschouwde de verovering van Egypte als den weg om tot de vermeestering van Syrië en Palestina te geraken, en besloot met de belegering van Damiate een begin te maken. Deze belegering behoort tot de beroemdste, waarvan de geschiedenis melding maakt, en vooral de Hollanders en Friezen hebben zich daarbij door hunnen moed boven de overige dapperen onderscheiden. De stad Damiate, aan een arm van den Nijl gelegen , was met torens, bolwerken en grachten goerl versterkt, terwijl een sterke toren midden in de rivier, door sterke kettingen met de oevers verbonden, den toegang tot de stad afsloot. Deze toren moest dus eerst worden vermeesterd eer men de stad zelve kon aantasten. Doch de bezetting verweerde zich door steenen, pijlen en het grieksche vuur zoo wakker tegen de stormtuigen der kruisvaarders, dat twee aanvallen geheel werden afgeslagen. Eerst nadat deze een kunstig werktuig hadden uitgedacht, waarmede zij de sterkte konden naderen , gelukte het den Nederlanders, de stormladders op te rigten. Een jong luiksch ridder sprong het eerst in den toren en werd onmiddellijk gevolgd door een Fries, Hajo geheeten en uit Wolvega geboortig, die, gewapend met een dorschvlegel van ijzeren kettingen voorzien, alles wat hem ontmoette nedersloeg en een vaandeldrager des sultans het vaandel ontweldigde. Weldra waaide de kruisvaan van den toren, die de kruisvaarders vier maanden had opgehouden, en nu werden ook de kettingen, die de rivier afsloten, verbroken. Doch nog moesten er vele hinderpalen overwonnen worden, eer het beleg met kracht kon worden doorgezet. Na vele bloedige gevechten en vruchtelooze stormen besloot men tot een algemeenen aanval op het sara-ceensche leger, die echter zeer ongelukkig afliep. Eerst nadat

-ocr page 223-

309

pest en hongersnood de ingeslotene stad schier ontvolkt had , werd Damiate, na een beleg van zeventien maanden, door de christenen overweldigd.

Onder den buit, dien Willem medebragt, behoorden ook twee klokjes van korinthisoh koper, die hij aan zijne hofstad Haarlem schonk, waar zij in den toren der groote kerk opgehangen, en vervolgens eiken avond te negen uren geluid werden.

xx. laatste kruistogten. de heilige lodewijk.

Sedert de inneming van Jeruzalem door Saladin in 1187 waren alle pogingen der kruisvaarders tot herovering dier stad vruchteloos geweest, en ofschoon de duitsche keizer Frederik II haar in 1328 door verdrag in zijne magt kreeg (zie Afdee-ling Y), werd zij den christenen toch reeds in 1244 weder door de mohammedanen ontrukt.

Na dien tijd gevoelde nog een vorst zich aangespoord, om tot de verlossing van de heilige stad uit de magt der ongeloo-vigen de wapenen aan te gorden. Dit was de fransehe koning Lodewijk IX, naderhand de heilige genoemd. Hij had van zijne moeder Blauca van Castilië eene zeer godsdienstige opvoeding ontvangen, en was dien ten gevolge ook met geestdrift vervuld voor de heldhaftige ondernemingen dergenen, die in den strijd voor het geloof goed en leven hadden veil gehad. In eene gevaarlijke ongesteldheid tot op den rand des grafs gebragt, deed hij de gelofte, dat hij, indien hij van zijne ziekte herstelde, zelf een nieuwen kruistogt tegen de Saracenen zou aanvoeren. Bij zijn herstel ontrieden echter zoo wel zijne moeder als zijne vertrouwde vrienden hem, zijne gelofte gestand te doen ; doch te vergeefs, hij liet zich door geene voorstellingen van zijn voornemen afbrengen, en verscheidene heeren van het hof, die geen lust schenen te hebben om hem op de hagchelijke onderneming te volgen, wist hij er door eene listige kunstgreep toe

gexjbe, g. d. m. 14

-ocr page 224-

210

te bewegen. Het was destijds de gewoonte, dat de koningen van Frankrijk bij groote plegtigheden, en vooral op den eersten kersdag, aan hunne hovelingen zekere mantels, met bont gevoerd , ten geschenke gaven, welke zij dan dadelijk aantrokken, en die men, als door den koning zeiven geleverd , 1 e v e r ij e n noemde. Lodewijk liet ditmaal de mis zeer vroeg aanzeggen, en de heeren, die de mantels ontvingen, terwijl het nog donker was, vonden er in de kerk, bij het schijnsel der waskaarsen , tot hunne verwondering kruisen van goud en zijde op geborduurd. Als goede hovelingen lieten zij zich de list lagchende welgevallen en schertsten met de behendigheid van den „visscher van menschenquot;, zooals zij hunnen koning met eene bijbelsche uitdrukking noemden. Tot de verzorging van het leger waren in Sicilië en op Cyprus de beste maatregelen genomen; de aanzienlijkste vasallenquot;, de broeders des konings, wilden in den roem der onderneming deelen, en een groot aantal heeren, die niet rijk genoeg waren om anders zulk een lange reis te bekostigen , verkochten al hunne goederen, ten einde den koning te kunnen vergezellen. Lodewijk bereidde zich op den togt als op zijn dood voor, en zond als een goed christen afgevaardigden door al zijne staten, ten einde ieder uit te noodigen om op te komen, bijaldien er nog ergens eene koninklijke schuld af te doen, of eenig onregt goed te maken bleef, doch niemand meldde zich op die uitnoodiging aan.

Na den 12den junij 1248 te St. Denis uit handen van den pauselijken legaat de o r i f 1 a m m e (de heilige rijksvaan der Franschen), den heiligen staf, het haren kleed, de pelgrims-tasch enz. ontvangen en het bestuur van den staat aan zijne moeder Blanca opgedragen te hebben, aanvaardde hij den togt, vergezeld door de koningin, Margaretha van Provence, die in de gevaren van haar gemaal wilde deelen. Bij Aigues-mortes scheepte het kruisleger zich in, en dooreen voordeeligen wind begunstigd, landde het weldra op Cyprus, waar koning Hendrik van Lusignan zijne landslieden met groote pracht naar zijne

-ocr page 225-

311

hoofdstad Nicosia voerde. Hier moest men tot het volgende voorjaar blijven, van welken tijd de goede en schrandere Lo-dewijk gebruik maakte om de altoos durende geschillen tusschen de Tempelieren en St. Jansridders en andere verdeeldheden te vereffenen, terwijl men voor den volgenden veldtogt het plan ontwierp om eerst Egypte aan te tasten, omdat de verovering en het behoud van Palestina na de bemagtiging van dat land gemakkelijker schenen.

Na hierop volgens ridderlijk gebruik den sultan van Egypte den oorlog aangekondigd te hebben, stak men dadelijk (mei 1349) met 1800 grootere en kleinere schepen naar Damiate 1) over. Op donderdag na pinkster wierp men, na een hevigen storm doorgestaan te hebben, in het gezigt der stad het anker uit. Langs de kust lag de gansehe egyptische vloot verspreid, gereed om zich krachtdadig tegen een landing te verzetten; maar desniettemin besloten de kruisvaarders tot den aanval, die den volgenden morgen ook gelukkig ten uitvoer werd ge-bragt. Lodewijk sprong zelf onder het aanheffen van den oorlogskreet : Montjoye St. Denis! tot aan de borst in het water, en zijn voorbeeld werd door zijne troepen met geestdrift gevolgd. De vijandelijke schepen werden door de groote steen-werptuigen verbrijzeld en in den grond geboord; de mohammedanen namen de vlugt en gaven de stad aan de Eranschen prijs.

De vrome Lodewijk hield zijn plegtigen intogt blootshoofds en barrevoets, en door zijne gemalin, zijn broeders, den koning van Cyprus, den pauselijken legaat, den patriarch van Jeruzalem en vele andere geestelijke en wereldlijke heeren vergezeld. De groote moskee werd tot een christelijke kerk ingewijd en daarin het Te Deum laudamus gezongen.

lil

IP

, ■

-ie iiii

Mil

Si;

r 1 gt;

ij: |||i

11 li ilii

-A

mi 11 lil

ia

i

p

11

ip; ■ r

Tot de verdere verovering van Egypte moest men eerst de

14*

1

Deze stad, door het kruisleger, waarbij \'Willem I zich bevond, met zoo veel moeite en dapperheid veroverd, bleef toen slechts twee jaren, tot in 1221, in handen der christenen.

-ocr page 226-

212

versterking afwachten, die Lodewijks broeder, Alfonsus van Poi-tou, zou aanvoeren. Na zijne aankomst trok men met een leger van 60 000 man, waarbij 10 000 ruiters, tegen Cairo op. Ofschoon die togt onder gunstige voorteekenen begon, ontmoette men, hoe verder men doordrong , steeds meer en dapperder vijanden, die het fransche leger en hunne vloot, die den Nijl opvoer, deerlijk teisterden. Schitterende daden van dapperheid werden in dezen krijg uitgevoerd. Graaf Eobert van Artois, \'s konings broeder, waagde zich in den slag bij Man-soerah aan den Nijl, tegen \'s konings wil, door heete drift gespoord, te ver vooruit, en verloor, door de muzelmannen omsingeld, na een bloedig gevecht, met veertien honderd dei-dapperste ridders, waaronder twee honderd en tachtig tempelieren waren, het leven. Dit onheil deed de kans ten nadeele der christenen keeren. De koning zelf kwam meer dan eenmaal in gevaar, en eindelijk moest het kruisleger voor ziekten , gebrek en de vijandelijke overmagt onderdoen, waarom ds koning besloot, om, ten einde niet met al zijn volk om te komen, naar Damiate terug te keeren.

Die terugtogt ging met vele moeijelijkheden gepaard. Alle zieken en gekwetsten werden vooraf te scheep naar Damiate gezonden ; maar toen men den koning aanried, om zich op de zelfde wijs in veiligheid te stellen, antwoordde hij: „Ik wil liever sterven dan mijn volk verlaten 1quot; De aftogt werd weldra door de Saracenen verontrust, en na vele gevechten het gevaar eindelijk zoo groot, dat de heer van Montfort naar den naasten emir reed om onderhandelingen aan te knoopen. Reeds had hij vrij goede voorwaarden bedongen, toen een Franschman, hetzij een verrader, of slechts uit voorbarigheid, aan de ridders van het centrum en de voorhoede toeriep: „Heeren ridders! geeft u allen over, de koning beveelt het u, lamp;at hem niet dooden!quot; Elk meende dat de koning in gevaar was, en men liet zich gewillig door de verbaasde Saracenen ontwapenen, waarop de emir dadelijk zeide, dat het de gewoonte niet was.

-ocr page 227-

213

een verdrag met overwonnenen aan te gaan. Thans werd ook de koning gevangen genomen en aan handen en voeten gebonden naar Mansoerah terug gevoerd. De sultan eischte nu voor de bevrijding van Lodewijk en zijn leger de ontruiming van Damiate en een millioen gouden byzantijnen; doch de koning liet hem met edelen trots antwoorden, dat een koning van Frankrijk zich niet voor geld liet verhandelen; dat hij dus voor zijn persoon Damiate zou afstaan en de gevorderde som voor zijn volk betalen. De sultan, deze koninklijke gezindheid eerbiedigende , liet vrijwillig een vijfde gedeelte der gevraagde som vallen.

Toen de koningin Margaretha, die in Damiate was achtergebleven, het berigt van de gevangenneming des konings ontving, zag zij juist hare bevalling te gemoet. In haren angst, van zelve in de handen der Saracenen te vallen, smeekte zij een tachtigjarigen ridder, die zich op een avond voor haar bed bevond, om haar eene gunst toe te staan. Hij beloofde met een eed, aan haar verzoek te zullen voldoen. „Heer ridder,quot; zeide zij daarop, „dan eisch ik op de trouw, die gij mij gezworen hebt, om mij , indien de Saracenen de stad innemen, het hoofd af te houwen, alvorens zij mij in hunne magt krijgen.quot; — „Ik zal dat zeer gaarne doen,quot; antwoordde de ridder, „en ik heb er zelf reeds over gedacht, wanneer zulk een geval gebeuren mogt.quot; — Gelukkig kwam het zoo ver niet.

Zoodra het verdrag, met de Saracenen gesloten , bekrachtigd was, keerden de Pranschen naar Damiate terug, waar de helft der bedongen som betaald werd, terwijl voor de andere helft de graaf van Poitou als gijzelaar achterbleef. De koning scheepte zich met een klein overblijfsel van zijn leger naar Acre in, van waar hij spoedig daarop de tweede helft der schuld naar Egypte zond. Hij had echter het genoegen niet, daardoor de zieken en gevangenen, die nog in handen der vijanden waren, te bevrijden. In plaats van 12 000 gevangenen werden er slechts 400 , die in staat waren een hoog losgeld te betalen,

-ocr page 228-

214

terug gezonden. De zieken waren allen gedood en van de anderen velen tot slaven gemaakt, die gedwongen werden hun geloof te verzaken. Op de muren van Cairo zag men eene gansche rij van afgehouwene hoofden van christenen.

De koning hield zich te Acre met het beramen van maatregelen tot vernieuwing des oorlogs bezig, maar werd eindelijk door het overlijden zijner moeder gedrongen om naar Frankrijk terug te keeren, waar hij, na eene reis van zes weken (julij 1354), tot blijdschap van al zijne onderdanen behouden aankwam. Zes jaren had deze ongelukkige kruistogt geduurd.

Zestien jaren later, toen paus Clemens IV een nieuwen kruistogt had laten prediken, nam Lodewijk IX, die nog altijd als kruisvaarder het roode kruis op den schouder droeg, gretig deze gelegenheid te baat om zich geheel van zijn gelofte te kwijten. In februarij 1270 verzamelde hij de geestelijkheid en de hooge baronnen van zijn rijk in de heilige kapel er poogde door zijne redenen den ijver zijner toehoorders te doen ontvlammen , maar hij vond slechts koele harten. Met schrik en ontsteltenis vernamen zijne onderdanen de oproeping tot den nieuwen togt. De geestelijkheid verklaarde er zich tegen en bragt niet dan tegen wil en dank het vereischte geld op. Lodewijk maakte zijn testament, stelde eenige vertrouwde mannen als rijksbestuurders aan en scheepte zich in julij te Aigues-Mortes in. De onderneming was in de eerste plaats op Tunis gemunt, welks bei beloofd had christen te zullen worden, indien hij het zonder gevaar doen kon. Men landde bij de puinhoopen van Carthago en besloot tot het beleg van Tunis over te gaan; maar daar men de troepen wilde afwachten, welke \'s konings broeder, Karei van Anjou, koning van Sicilië , zou aanvoeren, begonnen de soldaten gebrek aan leeftogt te krijgen, en de pest tastte het leger aan, waaraan vele fransebe heeren bezweken, terwijl de koning, die bij het verzorgen der pestzieken zijne buitendien reeds zwakke gezondheid te weinig ontzag, eerlang zoo ongesteld werd, dat hij zijn einde voelde naderen. Hij stierf

-ocr page 229-

215

\' -I

in zijn zes en vijftigste jaar, op een leger met asch bestrooid, de handen kruiselings over de borst gelegd en de oogen ten hemel geslagen. Zijne laatste woorden waren: „Heer, ik zal ingaan in uw huis en aanbidden in uwe heilige woning.quot;

Karei van Sicilië, die kort na het overlijden van Lodewijk aankwam, kon de zaken niet weêr herstellen en moest eindelijk, na met Tunis vrede gesloten te hebben, naar Europa terug keeren. En dit was de laatste poging der westersehe christenen om hunne geloofsgenooten in Palestina te hulp te komen.

XXI. DE BIDDERORDEN.

Keeds voor de kruistogten, in het jaar 1048, hadden verscheidene kooplieden uit Amalfi in Beneden-Italië zich veree-nigd, om de pelgrims, die dikwijls ziek en hulpeloos in Jeruzalem aankwamen, te ondersteunen. Zij bouwden te dien einde in de nabijheid van het heilige graf een klooster met een hospitaal, waarin kranke en hnlpelooze pelgrims kosteloos verpleegd zouden worden. Als beschermheilige dezer vrome en nuttige stichting werd Johannes de dooper gekozen. Daarom heetten de ordebroeders Johanniten, ook wel hospitaalbroeders. Hun naam was in de gansche christenheid beroemd, en opdat steeds meerderen zich tot de vrome dienst zouden laten vinden, schonken vele welvarende christenen van het westen hun sommen gelds en vermaakten hun vaste goederen, om zoo tot bestrijding der ongeloovigen een vroom werk te stichten, zelfs wanneer zij niet mede naar het heilige land konden trekken.

Na de verovering van het Heilige land verdeelden de ordebroeders zich in drie klassen: ridders, geestelijken en dienende broeders. Terwijl de geestelijken de godsdienst bezorgden, en de dienende broeders ter verpleging aan de ziekbedden der pelgrims zaten, bestegen de moedige ridders het ros, om met het zwaard in de hand de bedevaartgangers tegen de overal aan den weg loerende Saracenen te beschutten. Hunne ordesdragt

^ I

m

Hl li!

!R

i \'-ISt,® • \'llllf ._v ^

f

■m\' i !

li

|i| ili

\'

f

ll \'M Jf, T:5 \'l

1

ri

-ocr page 230-

216

was een zwarte mantel, met een achtpuntig wit kruis er op gestikt. Lang hield deze orde zich door eendragt en dapperheid tegen de mohammedaansche wapenen staande. Toen echter het Heilige land aan de Turken verloren ging, vlugtten zij naar het eilaud Ehodus aan de zuidwestkust van Klein-Azië, en toen zij ook hier door de vijanden verdreven werden , begaven zij zich naar het kleine rotsachtige eiland Malta. Daarom hebben zij ook den naam van rhodische of maltezer ridders gedragen.

De orde der temp elheeren of tempe lieren ontstond na de verovering van Jeruzalem in het jaar 1118 en was geheel militair. Zij werd door acht fransche ridders gesticht, die zich tot het oogmerk vereenigden, om de pelgrims door Palestina te geleiden en hen gewapenderhand tegen de aanvallen der on-geloovigen te beschermen. Zij ontleenden hunnen naam van de plaats, waar weleer de tempel van Salomo gestaan had, welke plaats hun door koning Boudewijn werd ingeruimd. De paus verleende hun het voorregt om, als zinnebeeld van hunne heilige roeping, een rood kruis op hunnen witten mantel te hechten. Buitengewoon snel klom het aanzien dezer orde, die grootendeels uit Franschen bestond, terwijl zij door rijke ledenen vrome legaten aanzienlijke rijkdommen verkreeg. De tempelieren hadden de meeste hunner goederen in Frankrijk, en hun groote rijkdom spoorde de hebzucht der fransche koningen tot verderf dezer orde aan. In het jaar 130 7 liet de snoode koning van Frankrijk , Filips IV (de schoone) alle tempelieren in zijn rijk vatten en in de gevangenis werpen. Hij legde hun de onge-hoordste misdaden te last, waaraan zij in \'t geheel niet gedacht hadden, en liet hen op de schrikkelijkste wijze folteren, cpdat zij zulke bekentenissen zouden doen als hij wenschte. Velen werden zelfs levend verbrand. Vervolgens werd op de kerkvergadering te Vienne in het jaar 1312 de orde door den paus afgeschaft verklaard , en viel haar rijkdom den koning ten deel.

Ook de d u i t s c h e of m a r i a n e r-r i d d e r o r d e heeft haar

-ocr page 231-

217

ontstaan aan de kruistogten te clanken. Zij werd 72 jaren later, in het jaar 1190, door Duitschers gesticht. De leden er van moesten Duitschers zijn, en zij verbonden zich, gelijk de beide vroeger genoemde orden, tot de gewone kloostergeloften van gehoorzaamheid, on gehuwden staat en armoede. Hunne ordedragt was een witte mantel met een zwart kruis. Na het verlies van het heilige land begaven zij zich naar quot;Venetië. Van daar werden zij onder hunnen grootmeester. Herman van Salza, in het jaar 1239 door de Polen tegen de Pruisen te hulp geroepen. Drie en vijftig jaren voerden zij met dit destijds nog heidensche volk zware oorlogen. Eindelijk veroverden zij het land en dwongen de bewoners, de christelijke godsdienst aan te nemen. Mariënburg werd in het jaar 1309 de residentie van den grootmeester. In de 16de eeuw (1523) ging hun grootmeester, de markgraaf Albrecht van Brandenburg, met de meeste leden der orde tot de luthersche godsdienst over, terwijl de overigen zich naar het stadje Mergent-heim in Wurtemberg begaven. Bij den Weener vrede (1815) werd de orde afgeschaft.

IH. DE EIDDEKSCHAP.

I. OPLEIDING DER KIDDEES. DE RIDDERSLAG.

De ridders maakten een b ij zon deren stand uit. Godsdienst, eer, dapperheid en hoogachting voor het vrouw el ij k geslacht waren de drie hoofddeugden der leden. Zij, die riddermatig wilden heeten, moesten in \'t eerst volkomen tot den adelstand behooren, ten minste vier voorvaders hebben aan te wijzen en aanzienlijke goederen bezitten. Eerst in het vervolg konden achtenswaardige krijgslieden in \'t algemeen, zonder aanzien van af komst of rijkdom, de ridderlijke waardigheid erlangen; ja, in de dertiende eeuw werd

-ocr page 232-

218

menigmaal ook aan lieu, die burgerlijke bedrijven uitoefenden, ridderlijke eer toegestaan.

Tot het verkrijgen der ridderlijke waardigheid behoorde gewoonlijk eene langdurige voorbereiding en eene plegtige opneming. Eeeds op zijn zevende jaar werd de knaap, die eens ridder zou worden, uit het vaderlijke kasteel naar den burg van een aanzienlijken ridder gebragt, waar hij als paadje of edel-knaap dienst deed en de eerste ridderkunsten leerde. In het veertiende jaar zijns ouderdoms werd hij weerbaar gemaakt, d. i. voor het altaar met den draagband omgord. Hiermede trad hij in den stand der schildknapen. Nu moest hij de vroeger begonnen oefeningen in het paardrijden en strijden verder voortzetten en den ridder, dien hij diende, steeds ter dienst staan. Hij moest diens stal en wapenrusting onder zijn opzigt nemen, moest hem het strijdros brengen, hem in alle gevechten vergezellen, in den strijd achter hem blijven en hem bij plegtige drinkgelagen en in vertrouwelijke kringen bedienen. Eene geleerde vorming ontving hij niet; zeer weinig ridders konden schrijven. Slechts voor riddereer en ridderpligt trachtte men zijn gemoed met geestdrift te vervullen , en daartoe scheen voldoende de dienst die hij verrigtte , het voorbeeld dat hem voorlichtte en al wat hij aan de riddertafels van doorgestane avonturen en verrigte heldendaden hoorde. Evenwel legde men hem somwijlen ook een bijzondere taak op, ten einde hem aan gehoorzaamheid of eerbetooning jegens edele vrouwen te gewennen. Velen dienden hun geheele leven als schildknapen; gewoonlijk echter werd de schildknaap na zeven jaren, dus op den ouderdom van 31 jaren, onder de ridders opgenomen.

Deze opneming geschiedde in tegenwoordigheid van getuigen, doch nu eens met, dan zonder groote plegtigheden. Werd b. v. een uitstekend krijgsman na eene behaalde overwinning onder de ridders opgenomen, dan geschiedde dit enkel door een ridderslag. Geheel anders echter was de plegtige opneming. De schildknaap bereidde zich doorbaden, vasten, bidden, gebruik van

-ocr page 233-

219

hef heilig avondmaal en waken in eene kerk daartoe voor. Brak vervolgens de plegtige dag aan, dan moest hij, met een wit gewaad bekleed en door zijne getuigen of peten omringd, voor zijnen verhoorder, d. i. dengenen, die hem de ridderlijke waardigheid verleenen wilde, verschijnen en knielend om de schenking daarvan biddeij. Hierop liet de verhoorder, na eene voorafgaande vermaning, hem den riddereed zweren, die de al-gemeene ridderpligten bevatte, en gaf hem vervolgens onder aanroeping van God den ridderslag, hetzij een kinnebakslag, of gewoonlijk drie slagen met het plat van het zwaard op den hals of de schouders — misschien een aanduiding dat dit de laatste beleediging was, die hij wettiglijk mogt dulden. Geschenken aan het volk en de kerken, voorts ridderspelen, gastmalen en danspartijen besloten gewoonlijk de viering van een dergelijk feest. Ook gaf de nieuwe ridder, als een teeken zijner thans verkregene bevoegdheid, wel eens aan een ander den ridderslag.

II. WILLEM II, GRAAF VAN HOLLAND , TOT RIDDER GESLAGEN.

Toen graaf Willem van Holland, eerst twintig jaren oud . in het jaar 1247 in den omtrek van Keulen tot roomsch koning verkozen was, zonder nog, uit hoofde zijner jeugd, de ridderlijke waardigheid verkregen te hebben, liet hij zich dadelijk na zijne verkiezing te Keulen tot ridder slaan. De kerk aldaar was tot deze feestelijkheid ingerigt. Op den bepaalden dag voerde de koning van Bolieme, Ottocar I, graaf Willem als schildknaap tot den kardinaal Pietro de Caputio, die in den feestdos zijner waardigheid voor het altaar de mis las, terwijl hij hem op de volgende wijze aansprak : „Wij stellen aan uwe excellentie, goedertieren vader, dezen uitverkoren schildknaap voor, met de bede, dat uwe vaderlijke liefde zijne gelofte moge aannemen, opdat hij waardiglijk aan onzen ridderstand worde toegevoegd.quot; De kardinaal hield nu den schild-

-ocr page 234-

220

knaap de .pligten eens ridders voor. „Wie ridder wil zijn,quot; sprak hij; „moet van edelen bloede, milddadig, bescheiden, opregt, dapper en standvastig zijn in tegenspoeden. Alvorens nu uwe gelofte af te leggen, moet gij oplettend de eischen van den regel der ridderschap aanhooren. Die regel is deze: vooreerst, ter eerbiedige herinnering aan Jiet lijden van onzen Heer dagelijks de mis te hooren, verder voor het katholieke geloof moedig bloed en leven te wagen, de heilige kerk met hare dienaren van lederen geweldenaar te verlossen, de weduwen, weezen eu minderjarigen in hunne nooden te ondersteunen, onregtvaar-dige oorlogen te vermijden, voor de redding van iederen onschuldige ten strijde te trekken, de steekspelen slechts om den wil der ridderlijke oefeningen te bezoeken, de leengoederen van het keizer- en koningschap niet te vervreemden en onberispelijk voor God en menschen in deze wereld te leven. Wilt gij deze voorschriften der ridderschap naar behooren in acht nemen en naar uw vermogen raauwgezet vervullen, zoo weet, dat gij tijdelijke eer hier op aarde en na dit leven eeuwige rust in den hemel verwerft.quot; Na deze woorden legde de kardinaal beide handen van den edelkuaap op het evangelie ea sprak: „Wilt gij alzoo in naam des Heeren op behoorlijke wijze tot den ridderstand toetreden, en den regel, dien ik u woordelijk voorgelegd heb, zoo veel gij kunt nakomen?quot;— „Ik wil het,quot; antwoordde de schildknaap. Daarop gaf de kardinaal hem de volgende belijdenis, die de schildknaap met luider stem voorlas: „Ik, Willem, graaf van Holland, wereldlijk vorst en vrije leenman van het heilige rijk, zweer in tegenwoordigheid van mijnen heer, den kardinaal en apostolischen gezant Pietro, de voorschriften der ridders te zullen onderhouden, bij dit heilig evangelie, dat ik met mijne hand aanraak.quot;— „Deze vrcme gelofte,quot; voegde de kardinaal er bij, „zij u de kwijtschelding uwer zonden, amen !quot;

Thans naderde de koning van Boheme en gaf den vorst den schouderslag met de volgende woorden: „Ter eere van den

-ocr page 235-

321

Almagtigen God wijd ik u tot ridder en neem u met vreugde in ons genootschap op. Maar bedenk steeds dat de Verlosser der wereld voor den lioogepriester Annas (Cajaphas) om uwentwil een kinnebakslag ontvangen heeft, voor den stadhouder Pilatus bespot, gegeeseld en met doornen gekroond, voor den koning Herodes met een mantel omhangen, en voor al het volk naakt en gewond aan het kruis is geslagen. U dan raad en vermaan ik, aan zijnen smaad te denken, zijn kruis op te nemen en zijn bitteren dood te wreken.quot; Toen dit alles nu met de mis voleindigd was, werd er onder het geschal der trompetten en pauken een steekspel aangekondigd. Driemaal trad de nieuwe ridder met den zoon des konings van Boheme in het strijdperk , waar hij zijne vaardigheid in de behandeling van het zwaard zoo wel als in die der lans ten toon spreidde. Ook hield hij met groote kosten luisterrijke feesten en maakte onder rijke geschenken aan de rijksvorsten zijne verheffing bekend.

De wapenen, waarmede een nieuw verkozen ridder versierd werd, waren zwaard, gouden sporen, helm enhar-nas, schild en lans, strijdkolf en dolk. Al deze wapenen hebben eene zinnebeeldige beteekenis verkregen. Zoo werd aan het zwaard de vorm van een kruis gegeven, ten teeken dat de ridder geregtigheid moest voorstaan en handhaven , terwijl de dolk — een kort zwaard, miséricorde genaamd, dat de ridder aanvatte, wanneer zwaard en lans niet meer toereikend waren — de barmhartigheid van God moest aanduiden.

Bidders, die hun pligt vergaten, haalden zich niet slechts de openbare verachting op den hals, maar konden ook van hunne waardigheid ontzet worden. Daarentegen genoten de ridders, die aan de bezworene pligten getrouw bleven, hooge achting en velerlei regten. Hun woord gold als een eed; zij konden slechts door ridders gevonnisd worden, mogten na voorafgegane aankondiging anderen beoorlogen, aan de schildknapen de ridderlijke waardigheid verleenen, ridders en schild-

1

f %

ü M \'li^\'

f Tl ■

PI ■ 1

m lil

|! mi *

1

lliil

iilJ

Ij :l I RW KI J V 1

fiP

illiir

mm

;f;n

Efl 11 •: I

-ocr page 236-

222

knapen in hun gevolg hebben, aan hoven en op toruooijen verschijnen , gouden sporen dragen, hun harnas, helm en schild met goud versieren, weerhanen op de torens plaatsen en helmsieraden boven de poorten hunner burgen ten toon stellen. Ook voerden zij den titel van „heerdien zij voor hunnen naam moesten plaatsen , terwijl ieder andere van hoogen adel, die geen ridder was, slechts „jonkheerquot; of „jonkerquot; heette.

nr. DE TORNOOIJEN (STEEKSPELEN.)

Tot ontwikkeling en bevestiging der ridderschap droegen de schitterende wapenspelen en ridderfeesten „tornooijenquot; genaamd , voornamelijk bij. Hoe zij ontstonden is onzeker. De ridderoefeningen, die Hendrik I instelde, om zijne Duitschers tot den strijd tegen de gevreesde Hongaren voor te bereiden, waren geene tornooijen, ofschoon zij tot vooroefeningen daartoe konden dienen; ja, als voorspel er van kon men reeds den wapendans, dien germaansche jongelingen naakt tusschen bloote zwaarden uitvoerden, beschouwen. De eigenlijke tornooijen (van het fransche t o u r n e r, draaijen, wenden) kwamen in Frankrijk op, en wel in de 11de eeuw, toen de ridderschap zich reeds ontwikkeld had. Eerst gedurende de kruistogten werden zij in Duitschland onder Frederik I en in Engeland door Richard Leeuwenhart ingevoerd.

Een tornooi werd door regerende vorsten of door de ge-heele ridderschap van een zeker district aangelegd; gewoonlijk bij groote steden, in het begin der lente of in den laten herfst. Uitgekozene tornooivoogden of tornooiwachters, gewoonlijk aanzienlijke ridders, moesten de daartoe noodige toebereidselen maken. Zij moesten lang te voren plaats en tijd aan den tor-nooi-bevoegden adel laten aankondigen; zij moestsn voor de stad, waar het tornooi gehouden zou worden, het tornooiveld in-rigten, met dubbele staketsels voor de strijders en metstellaad-jen voor de vrouwenen andere toeschouwers, en tevens in de stad eene danszaal bestellen en den raad der stad om herberg en

-ocr page 237-

233

verzorging der kampvechters verzoeken, want dikwijls was het aantal der toestroomenden zeer groot. Zoo waren b. v. bij het tornooi, dat keizer Hendrik IV in het jaar 1198 te Neurenberg hield, behalve de keizer, 13 vorsten, 29 graven, 13 vrijheeren, 68 ridders, 497 edelen, te zamen 620, die allen in dit tornooi zeiven streden, buiten andere graven , ridders en adellijken, die als dienaars der vorsten op gemeld tornooiveld geweest zijn en gestreden hebben. Desgelijks waren hier 7 vorstinnen, 15 gravinnen, 6 landvrouwen en 148 prachtig gekleede vrouwen en jonkvrouwen van adel. Vooral begaven zich jonge ridders naar de tornooijen, omdat zij hier voor de oogen der edelste geslachten gelegenheid vonden om den grond tot hunnen roem te leggen of dien te bevestigen.

Wanneer nu op den bepaalden dag de tornooistrijders waren aangekomen, ging men den volgenden dag tot het bezetten der tornooi-ambten over. Want behalve de tornooivoog-den waren er herauten, wier opperhoofd de wapenkoning heette, eereridders en eereknapen voor de vrouwen, een van welke eene draperie aan de schacht zijner lans kreeg, om die bij den ridder te laten neerdalen, wien de vrouwen in een moeijelijken strijd verschooning deden geworden; voorts o p-zigters, die op de kampplaats de al te hevige strijders van elkander moesten scheiden, en eindelijk ordebewaarders, tot bestraffing der onwaardigen en om het volk in rust te houden.

Waren de tornooi-ambten bezet, dan volgde de helm-schouw. De tornooistrijders lieten hunne helmen en banieren op eene openbare plaats, gewoonlijk daar waar de tor-nooivoogden woonden, ten toon stellen, waarna vrouwen en jonkvrouwen, door eereridders en herauten geleid, de ten toon gestelde kleinoodiën in oogenschouw namen. Drie- of viermaal gingen zij door de rijen daarvan heen, en bij lederen helm riep een heraut den naam van den ridder, wien hij toebehoorde.

Met dezen helmschouw was het onderzoek der tornooibe-

-ocr page 238-

224

voegdheid verbondeu. In een tornooi ten strijde optreden mogt namelijk slechts een ridder, die ten minste vier voorvaders aan kon wijzen, en zijn adel niet door mésalliance of door onedel gedrag onteerd had. Vond men nu, dat een ridder aan deze voorwaarden niet had beantwoord, dan werd hij naar de uitspraak der tornooivoogden het tornooi onwaardig verklaard en met hoon en spot afgewezen. Zijn helm werd op den grond geworpen, of zijn paard hem ontnomen. Maar de voorbede der vrouwen kon zijn lot verzachten.

Aan den helmschouw sloot zich eindelijk ook de helmver-deeling aan. Er werd namelijk bepaald, of de ridders tot écnen strijd of tot meerdere afgezonderd zouden worden, en in welke orde de afzonderlijke paren met elkander zouden strijden. Op duitsche tornooijen werden dan de tornooiwetten voorgelezen en de tornooi-eed gezworen. Door dezen verbond ieder ridder zich om niet met een bijtend of slaand paard op de kampplaats te verschijnen; geene andere dan in het land gebruikelijke wapenen te voeren; met het zwaard slechts te houwen , niet te steken ; de houwen niet naar het onderlijf te rigten, maar naar het bovenlijf, dat met het ijzeren harnas, of naar het gezigt, dat met het vizier beschut was.

Was dit alles geëindigd, dan werd op den volgenden dag het tornooi zelf gehouden. De toeschouwers, die elkander in pracht en weelde poogden te overtreffen, namen de voor hen bestemde plaatsen in; de dames , feestelijk uitgedost, maakten een schoonen krans uit. In plegtigen optogt met trompetters en fluitspelers kwamen de tornooibeambten aanrijden, en eindelijk verkondigde het geschetter der trompetten en het geroffel der pauken de aankomst der ridders. Op brieschende rossen , in blinkende wapenrusting, met golvende helmpluimen reden zij in statigen optogt fier het strijdperk binnen tot aan het uitgespannen touw. Zoodra het bepaalde uur geslagen was, werd het strijdperk gesloten, de touwen doorgehouwen. Een heraut kondigde het lanssteken aan en riep met luider stem de namen

-ocr page 239-

225

dergenen uit, die het eerst met elkander de kans zouden wa-t,jn. Somwijlen verscheen ook nog een ridder met gesloten vizier, die tot het eind van het feest onbekend wilde blijven. Zulk een werd opgeroepen naar zijn wapenschild, b. v. leeuwenridder, drakenridder. Evenwel moest hij vooraf onder het zegel van het stilzwijgen den tornooivoogd zijn naam noemen , opdat geen onridderlijke en onadellijke zich zou indringen.

Alles is stil en sprakeloos van verwachting. De trompetten geven het teeken, en op haar geschal geven de beide tegenstanders aan hunne rossen de sporen en rennen met gevelde lans in vollen galop op elkander aan. De punt der lans steekt over het linker oor van het paard uit, terwijl zij het einde van de schacht onder den arm vast houden. Wie goed treft en vast in den zadel zit, werpt zijn vijand of uit den zadel, of hij verbrijzelt zijne lans op het stalen borstharnas. Beide geldt als overwinning. Blijft echter de lans des tegenstanders onbeschadigd, dan is dit een teeken, dat hij of in \'t geheel niet, of toch slecht getroffen heeft. Dikwerf ook verruilt de ridder zijne gebrokene lans voor eene andere, en breekt wel eens vijftig lansen op éénen dag. Na het eerste paar strijders wordt het tweede opgeroepen, voorts het derde en zoo vervolgens, meestal drie dagen, maar ook weken lang.

If

-1 1

i* ■■ ■

I t

■ \'r it. \' \'

vfiri!

:^r-

njil

lif

li

a feit if liquot;\'-

Bil

y .life

In de oudste tijden streden hoopen tegen hoopen, later meestal slechts man tegen man. Op duitsche tornooijen sloeg men eerst met kolven naar elkander; vervolgens liet men op een gegeven teeken de kolven vallen, greep naar de zwaarden en zocht elkander de helmkleinoodiën af te houwen 1). Overal kwam het

1

Wanneer een ridder in volle wapenrusting daarheen reed, bedekte het gesloten vizier zijn gezigt, en was het onmogelijk hem te herkennen. Daarom koos hij een uiterlijk teeken, dat hem kenbaar maakte, b. v. een hert, leeuw, wolf, beer of vos, en sedert de kruistogten menigmaal het beeld van het kruis; deze kenteekenen kwamen in velerlei gedaante op de schilden en heetten wapenen. Door stoute en dappere daden kregen GRUBE, G. D. M. 15

-ocr page 240-

226

er op aan, door behendige wendingen met het paard de houwen en slagen van den tegenstander af te weren en hem daarentegen met kracht en behendigheid slagen of houwen toe te brengen.

Het slot der ridderspelen bestond in de nitdeeling van den dank, d. i. van den lof. Deze werd volgens de uitspraak der kampregters aan dien ridder toegedeeld, die zich het meest onderscheiden had. Hij gold zoo veel als eene overwinning op het slagveld. Onder het geschal der pauken en trompetten werd de naam des overwinnaars met luide stem uitgeroepen. Dan naderde deze eerbiedig de dames, die den dank uitdeelden , en ontving op de knieën uit schoone hand een of ander kostbaar kleinood, een gouden keten, een helm, een zwaard of een ring. Somwijlen schonken de vrouwen aan hare ridders als bijzondere gunstbetooning een lint, een strik of een doek; dit teeken droegen de ridders nu bestendig aan hunnen helm en lieten nooit na, hunne dame te prijzen en hare deugd en schoonheid tegen ieder staande te houden. Was de lofverdeeling onder den klank der muziek geëindigd, dan werd de overwinnaar plegtig onder grooten toeloop der menigte naar het kasteel geleid. Hier ontvingen hem de edele vrouwen, namen hem de zware wapenrusting af en tooiden hem met het prachtigste plegt-gewaad. Des avonds volgde een kostbaar gastmaal en een groot bal. Aan tafel ontving de overwinnaar eene eereplaats, en werd het eerst bediend, terwijl hij ook des avonds het bal opende.

IV. SCHADUWZIJDE DEB IORNOOIJEN EN DER RIDDERSCHAP.

De tornooijen waren een schoon en edel, maar ook een zeer gevaarlijk genoegen. Dikwijls viel een ridder in zijne zware

deze schilden eene geschiedenis en werden met eerbied beschouwd; ook erfden zij van vader op zoon over. Opdat men echter de verschillende zij-liniën eeuer familie, die het zelfde wapen voerden, van elkander kon onderscheiden, bragt men nog bijzondere versierselen, meestal van goud, op den helm aan en noemde die kleiuoodiën.

-ocr page 241-

227

wapenrusting van het paard en gaf dadelijk den geest. Menigeen werd door zijnen tegenstander doodelijk gewond, zoo niet gedood. Zoo had nog in het jaar 15 59 de koning van Frankrijk , Hendrik II, het ongeluk, een steek met de lans door het regter oog te ontvangen en aan de wond te sterven. Dikwijls zelfs gebruikten ridders de tomooijen als eene gelegenheid om vroegere beleedigingen te wreken, en alsdan geleken de tornooi-plaatsen op kleine slagvelden. In het jaar 1240 werden op het tornooi te Neuss bij Keulen ongeveer 60 ridders en schildknapen verslagen of door het ontzettende stof verstikt. Om deze reden ijverde de geestelijkheid tegen de tornooijen en weigerde hun, ■die er in gesneuveld waren , eene eerlijke begrafenis.

Voor \'t overige leefden de ridders op hunne burgen als kleine koningen, in rijkdom, pracht en opgeruimd levensgenot. Het eene feest verdrong het andere. Bij den klank der bekers verlustigden zij zich in de verhalen van hunne groote daden. Anderen, die geen eigendom bezaten, trokken met hunne schildknapen te paard van land tot land, lieten zich door andere ridders onthalen en gingen, gelijk eertijds de grieksche helden Hercules, Jason of Theseus, op avonturen uit! Deze noemde men „dolende ridders.quot; Weldra kwamen er wonderbare verhalen op van avonturen en heldendaden, welke deze ridders vol-bragt zouden hebben. De een had tegen toovenaars, de andere tegen vreeselijke reuzen, de derde zelfs tegen vuurspuwende draken gekampt.

Vele ridders vergaten echter zoo zeer de waardigheid van hunnen stand, dat zij bijna slechts van strijd en veete, van roof en plunder ing leefden. Aan bergen en rotsen hingen honderd en honderd trotsche burgen, die zich als een groote slavenketen door het geheele land verspreidden. Uit hunne roofnesten deden de ridders met hunne ruiters stoute uitvallen, overvielen den armen, weêrloozen wandelaar, den boer en den stedeling, velden de dienaars der kooplieden neder en voerden den buit juichend naar hunnen burg. Ook aan de rotsachtige

%

-ocr page 242-

228

oevers der rivieren verhieven zich dreigend hunne kasteelen en burgen, aan welke de voorbij varende schepen zwaren td moesten betalen. In de menigvuldige veeten der ridders onder elkander werden niet zelden de bloeijendste graanvelden door de hoeven der wilde strijdrossen vertrapt. De keizers waren zwak en zelden in staat om den overmoed der adellijken met krachtigen arm te beteugelen. Dit waren de treurige tijden van het vuistregt, toen hij, die de magt bezat, zich zeiven regt verschafte.

-ocr page 243-

VAN DRUTEN amp; BLEEKERS

GOEDKOOPE BIBLIOTHEEK

VOOR ALLE STANDEN.

AFDEELING II: GESCHIEDENIS, REIZEN, WERKEN VOOR JONGE LIEDEN, ROMANS EN VERHALEN.

X.

A. W. GRUBE,

SCHETSEN en TAFEREELEN

UIT DE

GESCHIEDENIS DEE MIDDELEEUWEN.

-ocr page 244-
-ocr page 245-
-ocr page 246-
-ocr page 247-

SCHETSEN EN TAEEEEELEN

uit de

geschiedenis

DER MIDDELEEUWEN,

dook,

.a. w. grlrubib.

naak. den zevenden druk uit het hoogduitsch

DOOR

p. van os.

m et platen.

tweede deel.

——-

te SNEEK, bfj VAN DEUTEN amp; BLEEKER.

-ocr page 248-
-ocr page 249-

IX

INHOUD. VIJFDE AFDEELING.

UIT DE GESCHIEDENIS VAN DTTITSCHLAND, ITALIë EN ZWITSERLAND SEDERT HET EERSTE VIERDE GEDEELTE DER TWAALFDE EEUW.

I. De groote Hohenstaufen. I. Koenraad III. Guelfen en Ghibellinen. Weinsberg. — II. Frederik I of Barbarossa (1152— 1190) tot keizer verkozen. — III. Het Italiaanscbe stedenverbond. Barbarossa\'s togt naar Italië. Arnold van Brescia. — IV. \'s Kei zers gevaarlijke terugtogt. Otto van Wittelsbacb. — V. Beleg van Milaan. — VI. Vernieuwd beleg en verwoesting van Milaan. — VII. Italië andermaal in opstand. — Vilt. Hendrik de Leeuw. Slag bij Legnano.—IX. Vrede met Italië. — X. Kruistogt van Frederik Barbarossa. Zijn dood. — XI. Volksverhaal omtrent Frederik Barbarossa. ■— XII. Frederik II tot duitsch koning verkozen. — XIII. Frederik 11 te Aken gekroond. — XIV. Keizer Frederiks werkzaamheid. — XV. Kruistogt van Frederik II. — XVI. Afval van \'s keizers zoon Hendrik. — XVII. Slag bij Cortenuova en Mongolenslag bij Wahlstadt. — XVHI. Innocentius IV doet den keizer in den ban. Frederiks dood. — XIX. Koenraad IV. Het interregnum. — XX. Konradiju. Slag bij Tagliacozzo. —■ XXI. Ondergang der Hohenstaufen.......blz. 229_263.

U. Rudolf en Albreeht. I. Rudolf van Habsburg, de vrome graaf. — II. Rudolf tot koning verkozen. — III. Hoe Rudolf orde schept. — IV. Karakter van Rudolf. — V. Albreeht en de Zwitsers. — VI. De eed op den Rutli. — VH. Willem Teil. — VHI. Het Zwitsersche volk vrij. — IX. Moord van Albreeht. Arnold van Winkelried.........blz. 263—276.

I

\'h

m

lil

li 1 •; • .-i

ff

H

lil iiii

Hl ■ ! 11 * i

iflll

III. Frederik de schoone van Oostenrijk en Lode-■wijk van Beijeren. (1322 na Chr.) I. De Beijersche voogdijschap. — H. De dubbele verkiezing. — IH. Slag bij Amp-fing, Sehweppermann. —• IV. Verzoening van Frederik en Lode-w\'jk...............blz. 276—284.

sii

i

IV. Maximiliaan, de laatste ridder op den troon.

-ocr page 250-

INHOUD.

I. Maximiliaan uit een groot gevaar gered. ■— II, Kuuz von der Rosen, Maximiliaans getrouwe dienaar. . . . blz. 284—288.

ZESDE AFDEEL1NG.

UIT DE GESCHIEDENIS VAN NEDERLAND EN PRANKRIJK.

I. Laatste graven uit hst Hollandsebe huis. I. Willem II4 Graaf van Holland, roomsoh koning. — II. Onlnsten met Vlaanderen. De zwarte Griet. —■ III. Strijd met de West-friezen. Willems dood. — IV. Floris V onder voogdij. — V. Regering van Floris V. — VI. Eedgespan der edelen. Floris V vermoord. — VII. Kortstondig bewind van Jan I. Ondergang van het Hollandsche huis.........blz. 289—325.

n. Bertrand du Gueselin (1330 na Chr.). I. Bertrand in zijne jeugd. — II. Bertrand neemt het kasteel Fougeray in. — 111. Ber-trands tweegevecht met Thomas van Canterbury, blz. 325—330.

III. De Maagd van Orleans (1469 n. Chr.). I. Haar afkomst en karakter. — II. Toestand van Frankrijk in Johanna\'s tijd, — III. Johanna wordt den koning voorgesteld. — IV. Orleans 1 ontzet. — V. De koning te Reims gekroond. — VI. Johanna gevangen. — VII. Johanna als tooveres verbrand, blz. 330—338, 1

IV. Bayard, de ridder zonder vrees en blaam, (overl. 1524). I. Hoe Bayard in \'s konings dienst komt. — II, Bayard I en Lodewijk Moro. — III. Koning Frans I door Bayard tot ridder geslagen............blz. 338—344

ZEVENDE AFDEELING.

X

MIDDELEEUWSCHE BESCHAVING.

5^ I. De veemgeregten. — II, Het Hanzeverbond. — III. De steden

-ocr page 251-

INHOUD.

op het einde der dertiende eeuw. — IV. De familie Fugger. — V. De vrije metselaars........blz. 344—358.

ACHTSTE AFDEELING. DE VOORBEREIDERS DER KERKHERVORMING.

I. Arnold van Brescia. — II. Petrus Waldus en de Waldenzen. —

III. Johannes Huss en Hiëronymus van Praag. — IV. Het concilie te Constants; marteldood van Huss. — V. Marteldood van Hiëronymus van Praag.........blz. 359—367.

NEGENDE AFDEELING.

UITVINDINGEN EN ONTDEKKINGEN.

^ I. De Uitvindingen. I. De uitvinding der boekdrukkunst. Laurens Jansz. Coster en Gutenberg. — II. Gutenberg, Fust en Schöf-fer. — III. Verdere tegenspoed en dood vaa Gutenberg. — IV. De uitvinding van het papier. — V. De uitvinding van het kompas. ■—• VI. Uitvinding van het buskruid. — VII. De uitvinding der uurwerken............blz. 367—384.

II. De Ontdekkingen. I. Hendrik de zeevaarder. — II. Ontdekking van Madera, de Kanarische en Azorische eilanden. — Hl, Ontdekking der Kaapverdische eilanden en van Guinea. —

IV. Bartholomeus Diaz en Vasco de Gama. — V. Christoffel Columbus (geb. 1447, overl. 1506.) — VI. Columbus in Spanje.

— VH, Columbus\' eerste ontdekkingsreis. — VIII. Guanahani, Cuba, Hispaniola. — IX. Eerste terugkeer (1493). — X. Tweede reis van Columbus (1493). — XI Derde reis van Columbus (1496) —XH. Vierde reis van Columbus.— XIII. Uiteinde van Columbus. — XIV. Verdere ontdekkingen in Amerika.—Alvarez Ca-bral. — XV. Las Casas. — XVI. Vasco Nunez de Balboa. —• XVII. Ferdinand Cortez (1485—1547). — XVHI. Intogt in Mexico (1519). — XIX. Montezuma gevangen (1519). — XX. Pam-philo de Narvaez, — XXI. Montezuma\'s dood (1 junij 1520).

— XXH. Nieuwe aanval op Mexico. — XXIII. Mexico veroverd (1521, 13 augustus). —XXIV. Cortez\' dood (2 december 1547).

— XXV. De Portugeezen in Oost-Indië. Eduard Pacheco Pereira.

XI

-ocr page 252-

INHOUD.

xir

— XXVI. Frans van Almeida. — XXVII. Alfonso Albuquerque

— XXVIII, De Spanjaarden in Peru (1526). Pizarro. — XXIX, Atalmalpa gevangen. •— XXX. Atahualpa\'s dood. —XXXI. Dooc van Almagro (1538). — XXXII. Nieuwe ontdekkigen.—XXXIII Pizarro\'s dood. — XXXIV. Ferdinand Magellaan. (1519— 1523).............blz. 384—449

I I.

-ocr page 253-

uei\'qucï XXIX, [. Dooa

axiii,

[ISIQ-1 4—449

VIJFDE AFDEELING.

: ï t lêf i a

UIT DE GESCHIEDENIS VAN DTJITSCHIjAND , ITALIË EN ZWITSERLAND SEDERT HET EERSTE VIERDE GEDEELTE DER TWAALFDE EEUW.

I. DE GEOOTE HOHENSTAUFEN.

\' #•! ?|1- ■\' .;|

I. KOENBAAD III. GUELFEN EN GHIBELLINEN. WEINSBEBG.

In het midden van het Zwabisehe land, niet ver van het |)loeijende stadje Göppingen in het tegenwoordige koning-ijk Wurtemberg, verheft zich de hooge Staufen, een egelvormige berg, op wiens kruin weleer het familieslot der abisehe hertogen en keizers stond. Slechts een klein stuk bouw-allige muur is al het overblijfsel van dezen eertijds zoo schit-renden familiezetel en levert een treurig beeld op van de ver-nkelijkheid van alle menschelijke grootheid en aardsche heer-jkheid. Hier ontsproot voor acht eeuwen een der edelste en agtigste geslachten, waaruit zes duitsche keizers voortamen.

\' Toen namelijk het frankische keizershuis met Hendrik V i 5t jaar 1125 was uitgestorven, werd Lotharius, de hertog m Saksen, tot koning verkozen. Deze regeerde tot 1137. GRUBE, G. D. M. 16

■sii-f; ^

/Jf

ify l!\'

■ u

.p; •

i i;

;|

■iil

\'1

lil

11

! ix

V i

i ■ i;:

-ocr page 254-

230

Hij had magtige tegenstanders in de beide hohenstaufisclie broeders Koenraad van Franken en Frederik van Zwaben. Bijna de gansche tijd zijner regering was een onafgebroken oorlog tegen hen. Om tegen zijne vijanden bestand te zijn, verbond hij zich met Hendrik den trotschen, hertog van Beijeren, en schonk hem zijne dochter met zijn hertogdom Saksen. Door het bezit dezer beide hertogdommen werd Hendrik de magtigste vorst van Duitschland en de schrik zijner vijanden. Toen nu Lotharius zonder kinderen stierf, beschouwde de trotsche Hendrik den troon als zijn zeker eigendom, dien niemand hem zou betwisten, waarom hij ook terstond de rijkskleinoodiën in bezit nam. Maar juist zijne groote magt en de overmoed, waarmede zij hem vervulde, verijdelden zijne hoop. De grooten des rijks vreesden hem wel, maar beminden hem niet. Tot zijne niet geringe verwondering verkoos men niet hem, maar hertog Koenraad van Hohenstau-f e n tot duitschen keizer.

Over deze verkiezing was Hendrik zeer vertoornd en wilde ze niet laten gelden. Daarvoor werd hij als muiteling van zijne beide hertogdommen ontzet en in den rijksban gedaan. Beijeren verkreeg de krijgshaftige markgraaf Leopold van Oostenrijk, Saksen daarentegen de markgraaf van Brandenburg, Albrecht de Beer. Omstreeks dezen tijd vindt men ook den naam van Berlijn genoemd, terwijl aan de oevers van den Donau in de landstreek van het oude Vindobona zich de stad Weenen verhief.

Hendrik was echter de man niet, die zich zijne landen zonder slag of stoot liet ontnemen. Hij vatte de wapenen op en verdreef Albrecht den Beer. En reeds maakte hij toebereidselen tot een tweeden strijd, om zijn hertogdom Beijeren, toen de dood hem van het schouwspel des oorlogs afriep. Hij liet een zoon van tien jaren na, die naderhand door zijn moed den naam van Hendrik den Leeuw verwierf. Billijker wijze had de kleine prins, omdat hij aan de misdrijven zijns vaders onschuldig was , de beide hertogdommen weder moeten ontvangen ;

-ocr page 255-

331

maar Koenraad gaf hem slechts Saksen terug. Nu trok Welf, een broeder van den overleden hertog, zich de zaak van den jongen prins aan en nam voor diens erfgoed de wapenen op. Bij het stadje W e i n s b e r g in het tegenwoordige koningrijk Wurtemberg kwam het tusschen hem en Koenraad in \'t jaar 1140 tot een gevecht. In dezen slag was de veldkreet der Bei-jerschen: „Hier Welf!quot; en de leus der Hohenstaufen: „Hier Waiblingen!quot; waarmede de stad Waiblingen in Wurtemberg bedoeld werd, die tot de stamgoederen der Hohenstaufen behoorde. Hieruit ontstonden de partijnamen der Welfen en Waiblingen, of, zoo als de Italianen zeiden, der Guelfen en Ghibellinen (Beijerschen en Zwaben), en de vijandschap dezer partijen duurde eeuwen voort, doordien de pausen, om de magt der hohenstaufische keizers te fnuiken, de zijde der Welfen kozen.

De Welfen werden in dien slag overwonnen, en het belegerde Weinsberg kon niet langer tegenstand bieden. Vertoornd over de lange en hardnekkige tegenweer der belegerden, besloot Koenraad de strengste wraak aan de bezetting te nemen. Alleen de vrouwen en kinderen zonden vrijen aftogt hebben, maar de mannen dreigde dood of krijgsgevangenschap. De keizer gaf aan de beden en tranen der vrouwen eindelijk in zoo ver toe, dat hij aan alle vrouwen toestond, zoo veel uit de stad mede te nemen als zij op hare schouders konden wegdragen. En ziet! uit de geopende poorten kwam een lange stoet van vrouwen , die het kostbaarste dat zij hadden op haren rug droegen, namelijk — hare mannen 1 De keizer lachte over den listigen inval, en vond een zoo groot behagen in dit bewijs van liefde en trouw, dat hij om den wil der brave vrouwen aan alle mannen vergiffenis schonk.

II. FREDERIK I OF BARBAROSSA (1153-1190) TOT KEIZER.

VERKOZEN.

Koenraad III eindigde zijne werkzame regering in het jaar 1152 , en in het zelfde jaar verkozen de duitsche vorsten zijns

16*

-ocr page 256-

232

broeders zoon, den hertog Frederik van Zwaben, tot opperhoofd van het Duitsche rijk. In Frederik, den eersten Frederik in de rij der duitsche keizers, vereenigden zich de nitstékendste eigenschappen naar ligchaam en geest, die hem de eer van wereldlijk opperhoofd der christenheid boven vele anderen waardig maakten. Des keizers groote ziel woonde in een schoon gevormd ligchaam. Van rijzige gestalte en sterken ligchaamsbouw, boezemden zijn verheven voorhoofd, zijne vurige , doordringende oogen, zijne aangename wezenstrekken ieder, die hem genaakte, liefde en bewondering in. Zijn geelachtig hoofdhaar, den echten Duitscher verradende, ging in den baard tot het rosse over, waarom Frederik I door de Italianen Barbarossa, d. i. roodbaard , genoemd werd. Den Duitschers was zijne naauwe verwantschap aan moeders zijde met het Welfische huis bijzonder aangenaam. Zij hoopten, dat hij de oneenigheden, die reeds zoo lang tusschen Hohenstaufen en Welfen geduurd hadden, zou bijleggen. En werkelijk deed hij ook veel om er een einde aan te maken. Hij gaf den saksi-schen hertog Hendrik den Leeuw ook het hertogdom Beijeren terug, dat hem ten onregte onthouden was, en daardoor won hij in den dapperen jongen held een duchtigen wapengenoot in zijne eerste veldtogten. De zelfde Hendrik stichtte ook de stad Munchen, terwijl het tot hiertoe bestaande markgraafschap Oostenrijk tot een van Beijeren onafhankelijk hertogdom werd verheven, waarvan Weenen de hoofdstad werd.

Niet zoodra had de tijding van Frederiks verheffing op den keizerlijken troon zich verspreid, of bijna alle europesche vorsten beijverden zich om hem hunne opmerkzaamheid en achting te betoonen. Uit alle landstreken kwamen gezanten naar M e r s e-burg, om den nieuwen keizer met zijne verheffing geluk te wenschen. De koning van Denemarken bevond er zich in persoon , om de leenen van zijn rijk van den duitschen keizer te ontvangen, zich door hem te laten kroonen en als leenman van het Duitsche rijk den eed der trouw in zijne hand af te leggen. Zoo gelukkig dit begin der regering van Frederik den

-ocr page 257-

233

eersten zich in zulke huldigingen vertoonde , zoo weinig kwam het vervolg daarmede overeen, naardien oproer en muiterij den keizer onophoudelijk dwongen, om tot demping daarvan het zwaard te trekken.

III. HET ITALIAANSCHE STEDENVERBOND. BABBAROSSA\'S TOGT NAAR ITALlë. ARNOLD VAN BRESCIA.

Eerst vestigde de keizer zijn blik op Italië. Hier was gedurende de groote onlusten in Duitschland, welke aan zijne voorgangers onophoudelijk werk hadden gegeven, het keizerlijk gezag bijna geheel vernietigd. De eigenlijke stookplaats der muiterij was Lombardije. Onder de bescherming van vrije staatsregelingen waren in vele steden van dat land handel en nijverheid ontloken ; Genua , Lucca , Pisa, Milaan , Pavia, Cremona , Lodi, Venetië, Plorence en vele andere waren rijk en magtig geworden. Zij kozen hunne overheden uit het midden harer burgers, en stoorden zich noch aan den keizer als hunnen ge-meenschappelijken opperheer, noch aan de door hem aangestelde stadhouders. Door de stichting van sterke vestingwerken, door wapening harer burgers zochten zij zich tegen de onderwerping door geweld van wapenen te beveiligen; zij sloten onder elkander een verbond, dat haar zoo magtig maakte, dat zij konden hopen, zelfs den duitschen keizer te kunnen trotseren. Het overmoedigst was het magtige Milaan, dat weldra van zijne magt gebruik maakte om de naburige steden aan zich onderdanig te maken. Ieder burger oefende zich in de wapenen, om als vrij man den vaderlandschen haard tegen iederen vijandelijken aanval dapper te verdedigen. Het voorregt van den aartsbisschop van Milaan, om den koningen van Italië de ijzeren kroon op het hoofd te zetten, droeg niet weinig tot den trots der Milanezen bij.

De burgers van Lodi hadden zich bij den keizer over de onophoudelijke en ondragelijke verdrukkingen beklaagd, die zij van de overmoedige Milanezen hadden te verduren, en Frede-rik draalde niet om ten behoeve der onderdrukten een afgevaar-

-ocr page 258-

234

digde naar Milaan te zenden. Maar het keizerlijke geschrift, \'t welk den burgers het onwettige van hun gedrag onder het oog bragt, werd verscheurd en in het slijk vertreden, en de keizerlijke gezant, die den brief overbragt, bespot. Slechts door overhaaste vlugt kon hij zich aan de mishandelingen van het gemeen onttrekken. Zulk eene krenking van het volkenregt mogt niet ongestraft blijven, en in Frederiks hart stond het besluit vast om de ongehoorde misdaad naar verdienste te tuchtigen.

Augsburg werd nu de verzamelplaats der duitsche scharen, welke bestemd waren om den keizer naar Italië te vergezellen en hem daar met de wapenen de erkenning zijner regten te verschaffen. In het jaar 1154 trok Frederik aan het hoofd van een magtig leger de Tyroler Alpen over, rukte de vlakte van Verona binnen, en aan denPo, waar Hannibal weleer, nazijn stouten togt over de Alpen, eene legermonstering had gehouden , monsterde ook hij zijn leger en schreef vervolgens een grooten rijksdag uit. Yan alle kanten stroomden de gezanten der Lombardische steden toe en poogden door rijke geschenken, die zij den keizer aanboden, zijne gunst te verwerven. Zelfs het trotsche Milaan had zijne boden gezonden, om den keizer door eene groote som gelds tot bekrachtiging der aangematigde heerschappij over Como en Lodi te bewegen. Met verachting wees Frederik het schandelijk voorstel van de hand en wendde zich totjde gezanten der burgers van Como en Lodi, om hunne klcigten tegen de Milanezen te vernemen.

Alle steden van Lombardijë hadden zich toenmaals in twee magtige] partijen verdeeld, van welke Milaan aan de eene, I\'a-via aan de andere zijde het opperhoofd was. Frederik verklaarde zich voor Pavia en trok met zijn leger derwaarts, om zich tot koning van Lombardijë te laten kroonen. Onderweg verwoestte hij onderscheidene Milanesche vestingen en gaf de stad Asti aan de plundering zijner krijgslieden prijs. Daarop belegerde hij T o r t o n a , eene stad, die met Milaan naauw verbonden was. Na hardnekkigen tegenstand der burgers werd

-ocr page 259-

235

Tortona eindelijk veroverd en geheel gesloopt. Naauwelijks kregen de burgers nog de vergunning om zoo veel van hunne have, als zij op de schouderen konden dragen, mede te nemen. De vlammen hunner geplunderde huizen verlichtten hun den weg, dien zij, om zich naar Milaan te begeven, insloegen. Nadat Frederik zich in de oude residentie van het Longobar-dische rijk de koningskroon van Italië op het hoofd had laten zetten , trok hij naar Eome. Hier heerschte groote verdeeldheid tusschen den paus en het volk. Een ondernemend man, A r-nold van Brescia, koesterde het plan om de Romeinsche republiek weder te herstellen, en had daarvoor reeds een groo-ten aanhang gewonnen. In den roes der nieuwe vrijheid werd paus Adrianus verdreven. Deze vlugtte naar de duitsche legerplaats, maar vond zich daar niet weinig in verlegenheid, toen Frederik voor hem bij het afstappen van het paard den stijgbeugel niet hield, gelijk dit vroeger door Lotharius gedaan was. Dit verzuim beschouwde Adrianus als een slecht teeken der keizerlijke gezindheid. Doch toen kort daarna de keizer zich voor hem nederwierp en hem de voeten kuste, vatte de paus weder moed, en deed hem verwijtingen, dat hij hem den schuldigen eerbied niet betoond had. Frederik gaf toe en hield, toen de paus weer wilde wegrijden, bij het opstijgen den stijgbeugel vast, maar verontschuldigde zich glimlagchend met de woorden: „Ik zal het maar onhandig doen, daar ik nog nooit stalknecht geweest ben!quot; Frederik trok naar Eome en liet ter wille van den paus Arnold van Brescia op een brandstapel verbranden. In de Pieterskerk ontving hij uit de handen van den paus de keizerlijke kroon.

IV. \'s KEIZERS GEVAARLIJKE TERUGTOGT.

OTTO VAN WITTELSBACH.

\\Tel zou de keizer nog langer in Eome vertoefd hebben, om de onderwerping der hoogmoedige Eomeinen te voltooijen, maar hij zag zich genoodzaakt, den omtrek van Eome ten spoedigste te verlaten, want het gebrek aan levensmiddalen begon zijn le-

-ocr page 260-

236

ger op de gevoeligste wijze te drukken, terwijl daarenboven de groote hitte en aanstekende ziekten, die menigen wakkeren duit-schen krijgsman een roemloos graf bereidden, de rijen zijner soldaten zeer gedund hadden. Derhalve voerde de keizer zijn leger naar de gezonde bergstreken van het hertogdom Spoleto en besloot, bij die gelegenheid de burgers van Spoleto voor de misdaad, dat zij een keizerlijken gezant hadden durven mishandelen, nadrukkelijk te tuchtigen. De Spoletanen hoopten in dwazen overmoed gelukkigen tegenstand te kunnen bieden en trokken het keizerlijke leger tot buiten de poort hunner stad met slingers en bogen te gemoet. Terstond renden hun de duit-sehe ruiterscharen tegen , voor wier geduchte zwaarden de stedelingen niet bestand waren. In grenzelooze verwarring ijlden zij naar de stad terug, gedrongen door de duitsche ruiters, die te gelijk met hen de poort binnen drongen en Spoleto aan de vlammen prijs gaven.

Hoe gaarne zou Prederik nu naar Milaan getrokken zijn; maar hij zag den loop zijner overwinningen onverwacht gestuit. De duitsche vorsten waren den last en de moeijelijkheden van dezen veldtogt, die reeds zoo menigen dapperen landgenoot had weggesleept, zoomoede, dat zij met ernstige voorstellingen den keizer drongen, om den terngtogt naar Duitschland aan te nemen. Velen hunner verlieten met hunne scharen het leger, om naar het vaderland terug te keeren, en de keizer mogt hen hierin niet hinderlijk zijn, daar met het begin van den herfst de verpligting tot de krijgsdienst ophield. Doch het grootste gedeelte dacht nog eervol genoeg om den keizer op zijn terugtogt door een zoo vijandelijk land niet te verlaten. Inderdaad was er alle voorzigtigheid en dapperheid noodig, om de gevaren te ontwijken, welke de huisreis des keizers bedreigden. In de eerste plaats waren het de burgers der stad Verona, die hem zochten te benadeelen. Sedert onheugelijke tijden hadden zij het voorregt om het keizerlijke leger den doortogt te beletten; zij waren gewoon, dit op eene beneden hunne stad gebouwde schipbrug over de Etsch te voeren. Deze

-ocr page 261-

337

schipbrug maakten de Veronezen nu van zulke gebrekkige balken, dat zij door groote blokken hout, die men met den stroom naar beneden liet drijven, noodzakelijk verbrijzeld moest worden. Doch de vlugheid der Duitschers verijdelde de arglistigheid der Italianen , want de blokken dreven eerst, alles verbrijzelend en vernielend, tegen de brug aan, toen het keizerlijke leger reeds den overkant bereikt had.

Een ander gevaarlijk avontuur had Frederik met zijne scharen in eene wilde bergstreek door te staan. Hier namelijk verhief zich op eene rots een burg , die het naauwe pad, dat daar voorbij liep, beheerachte. De eigenaar, een veroneesch edelman , eischte van iederen ruiter een paard en een harnas, en van den keizer eene som gelds, indien hij den doortogt toestond. Bovendien dreigde hij ieder, die het voetpad zou betreden, te verpletteren, door steenen naar beneden te laten rollen. Onmogelijk kon de keizer in de smadelijke voorwaarden van den vermetelen roofridder toestemmen; maar het gevaar zijner brave krijgslieden maakte hem beangst, en hij was niet gezind, hun leven roekeloos op het spel te zetten. Toen hij nu in deze verlegenheid den omtrek naauwkeuriger beschouwde, werd hij met den hem eigen scherpen blik gewaar, dat eene rots boven den burg een gepast punt van aanval op het roofnest uitmaakte. Een wenk van hem riep den dapperen graaf 011 o van Wittelsbach aan zijne zijde, en kort daarop trok deze aan de spits van 200 jongelingen, de stoutste en onverschrokken-ste in het gansche leger, de hoogte op, om zich van de rots meester te maken. De een op den rug van den anderen, bij afwisseling hunne speren als ladders gebruikende, gelukte het de 200 helden, de steile hoogte te beklimmen. Weldra zag men de keizerlijke vaan, door de onversaagde hand des Wittelsba-chers geplant, van den top der rots waaijen, en rolden geweldige rotsblokken donderend op den roofridder en zijne medge-zellen neder. Nu ontzonk dezen de moed; zij poogden te vlugten, maar werden deels door de neergeworpen rotsbrokken verpletterd, deels gevangen. Onder de gevangenen bevond zich

-ocr page 262-

238

ook de heer van den burg, A1 b e r i k genaamd, die met de overigen, allen aanzienlijke edellieden uit Verona, zonder omstandigheden aan eene ijlings opgerigte galg werd opgeknoopt.

V. BELEG VAN MILAAN.

Met roem en eer gekroond, betrad Prederik den Duitschen bodem, welks bewoners den manhaften keizer vrolijk toejuichten, dat hij den duitschen naam bij de buitenlanders zoo geducht had gemaakt. Doch hetgeen hij in Italië had uitgerigt zou slechts een voorspel zijn van hetgeen hij daar in \'t vervolg dacht te volvoeren. De overmoedige Milanezen droegen er niet weinig toe bij om den keizer tot een herhaalden togt naar Italië aan te sporen. Naauwelijks had namelijk Prederik met zijn leger den bodem van Italië verlaten, of zij maakten er terstond hun werk van om het verwoeste Tortona te herbouwen; zij haalden nog andere steden over tot hun verbond tegen den keizer, vernieuwden den oorlog tegen Pavia en lieten deze en andere keizerlijke steden het gewigt hunner overmagt dubbel drukkend ondervinden. Nogmaals verschenen gezanten bij den keizer, ten einde hem om hulp te verzoeken, en Prederik beloofde die andermaal. Terwijl zijn kanselier Keinald, de latere aartsbisschop van Keulen , en de dappere Otto van Wittelsbach naar Italië vooruit snelden, om de aankomst van Prederik te verkondigen, bragt de heldhaftige keizer in de velden van Augsburg een leger bijeen, zoo als er door geen zijner voorgangers nog ooit naar Italië gevoerd was. Het telde nagenoeg 100 000 man en werd door de beroemdste duitsche vorsten en veldhee-ren aangevoerd. In het jaar 1158 trok het de Alpen over, en de voorhoede stond weinige dagen daarna onder den dapperen boheemschen koning Wladislav voor de muren van Brescia, eene stad, die, met Milaan in verbond, het waagde , het keizerlijke gezag te trotseren. Het gezigt der gezamenlijke duitsche magt joeg echter de Brescianen zulk een geweldigen schrik aan, dat zij om vergeving verzochten, 60 gijzelaars uit de edelste familiën der stad gaven en door eene groote som gelds

-ocr page 263-

239

verschoomng kochten. Zoo kon Frederik reeds op den 6den augustus van het zelfde jaar de eerste belegering van Milaan beginnen, nadat hij de inwoners als muiters en vijanden des rijks in den ban had gedaan. Niet minder dan 60 000 strijders telde de groote en goed versterkte stad in hare muren, en de keizer zag wel in, dat zijn talrijk leger tot de volkomene insluiting der stad toch niet toereikend zoude zijn; ook konden wegens de breede met water gevulde gracht de oorlogswerktuigen tot vernieling der geweldige muren niet gebruikt worden. Frederik verdeelde daarom zijne krijgslieden in zeven legerbenden , die voor de zeven poorten der stad zeven verschanste legerplaatsen betrokken, ten einde aldus de Milanezen door het afsnijden van toevoer tot de overgave te dwingen.

Nu begon de gruwel der verwoesting in ruimen kring rondom de stad. Vooral de Italianen, in \'t bijzonder de inwoners van Cremona en Pavia, onderscheidden zich in de teugelloosheid hunner woede bij de verwoesting des lands. Zij rukten de wijnstokken, de vijgen- en olijf boomen uit den grond of verbrandden die, en iedere hut, die zij aantroffen, werd omvergehaald. Niet minder wreedaardig betoonden zij zich tegen de gevangene Milanezen, die zij langzaam met pijlen doodschoten. De burgers van Milaan verdedigden zich dapper en bragten door hunne stoute uitvallen het duitsche leger menig nadeel toe. Doch daar zij geheel verzuimd hadden, zich van levensmiddelen te voorzien , ontstond reeds na weinige dagen het nij-pendste gebrek; besmettelijke ziekten braken uit en namen op eene schromelijke wijze toe. Nu begaven de Milanezen zich naar de keizerlijke legerplaats en baden ootmoedig om vrede. Eerst verscheen de aartsbisschop en de overige geestelijkheid, barrevoets , in verscheurde kleederen; vervolgens de burgemeester en de adel, insgelijks barrevoets, met ontbloot hoofd, in lompen gekleed, met een bloot zwaard aan den hals; eindelijk een gedeelte des volks, met touwen om den hals , alsof zij naar de galg gingen. Allen wierpen zich ootmoedig voor den keizer neder en smeekten om genade. Zulk een vernedering na zulk

-ocr page 264-

240

een hoogmoed was voor den keizer eene zoete wraak. Geroerd stond hij hun den vrede onder gematigde voorwaarden toe.

VI. VERNIEUWD BELEG EN VERWOESTING VAN MILAAN.

Het bleek echter weldra, dat hunne onderwerping slechts schijnbaar en door den nood afgedwongen was. Want uaauw was de keizer afgetrokken, of de zucht tot vrijheid en onaf hankelijkheid en de haat tegen de duitsche opperheerschappij ontwaakten op nieuw. Zij joegen zelfs den keizerlijken gezant, die een nieuwen burgemeester wilde aanstellen, met schimp de stad uit. Daarover ontstak de keizer in gramschap en zwoer, de kroon niet eerder op het hoofd te zetten, voordat hij de mein-eedige stad met den grond gelijk had gemaakt. Eerst tastte hij Crema, Milaans onwankelbare vriendin, aan. De burgers verweerden zich achter hunne muren met de meeste hardnekkigheid en hitsten daardoor den keizer tot nog grooter woede aan. Hij liet veertig burgers uit Crema, die hij als gijzelaars in zijne legerplaats had, ter dood brengen, en de kinderen der voornaamste Cremenzers, die hem insgelijks als gijzelaars waren gegeven, liet hij aan een beweegbaren houten belegeringstoren binden, waaruit hij de muren hoopte te beklimmen. Vergeefs! de belegerden verpletterden met ontzaggelijke steenblokken te gelijk den toren en de kinderen en prezen deze gelukkig, dat zij reeds in teederen leeftijd een zoo sehoonen dood voor het vaderland konden sterven. Na een zwaar beleg van zes maanden , moest Crema zich eindelijk overgeven; de burgers verkregen vrijen aftogt, maar de stad werd met den grond gelijk gemaakt.

Nu sloeg de keizer het beleg voor Milaan. Ook deze stad bood wanhopigen tegenstand. Maar nogmaals begon de grimmigste vijand der belegerden, gebrek aan leeftogt, de krachten dergenen te verlammen , wier moed door geen ander middel te buigen was geweest. Zij besloten eindelijk, drie hunner gizan-ten aan den keizer te zenden, om over den vrede te onderhandelen. Doch nog eer deze de plaats hunner bestemming bereik-

-ocr page 265-

241

ten, werden zij door eene schaar duitsche ruiters opgevangen en weggevoerd, eene omstandigheid , die de Milanezen bewoog, in hunne hardnekkige verdediging voort te gaan.

Eeeds was het jaar 1161 verloopen, en nog stonden de inuren van Milaan onverwonnen en dreigend tegenover de belegeraars. Frederiks toorn steeg gedurig hooger en verleidde hem thans tot wreedheden, die zijn verheven karakter geheel onwaardig waren. Vijf der voornaamste gevangenen, die bij den eerstvolgenden uitval der Milanezen in zijne handen vielen, liet hij de beide oogen uitsteken en een zesden den neus afsnijden , opdat deze in staat zou zijn, de overige verminkten naar huis te brengen. Al dengenen, die, door medelijden of winzucht bewogen, den Milanezen levensmiddelen aanvoerden, werd de regter hand afgehouwen.

Met lederen dag werd de ellende der rampzalige bewoners al grooter, en niets bleef hun over dan een folterende hongerdood. Nu besloten zij op nieuw, den keizer voorstellen van vrede te doen ; maar deze eischte overgaaf der stad op genade en ongenade. Er bleef den Milanezen geen andere uitkomst. De eerste maart van het jaar 1162 was de gedenkwaardige dag der overgaaf van Milaan. Op den morgen van dien dag trokken de consuls en twintig der voornaamste edellieden , allen met bloote zwaarden op den nek, naar de legerplaats des keizers, om den overwinnaar de stad met alle goederen en personen over te geven. Op den volgenden dag trokken nogmaals de consuls naar de vijandelijke legerplaats, en hen volgden in de kleeding van boetelingen 300 der voornaamste milanesche ridders, waarbij de sleutels der stad en de vanen van 36 poorten en kasteelen gedragen werden, om ze den keizer ter hand te stellen. Op den derden dag eindelijk kwam heel het volk van Milaan en alle krijgslieden met de vaan der stad. Toen deze bij Frederiks troonzetel gebragt en ten teeken der onderwerping voor hem neergebogen werd , sprong de keizer toornig op en rukte den zoom der vaan naar beneden, een slecht teeken voor het volk, dat in angstige verwachting de beslissing des

-ocr page 266-

242

overwinnaars te gemoet zag. Somber zag Prederik om zich heen; met donker gelaat hoorde hij de toespraak aan, die een der consuls hield, om \'s keizers toorn te doen bedaren. Het volk, dat zich ter aarde geworpen had, stak luid jammerend de kruisen , die het met zijne handen omvat hield, in de hoogte. Maar de verbittering in Frederiks hart was te groot. Een wenk van hem gebood eindelijk de ongelukkigen op te staan, en zij werden weggezonden met de verklaring dat zij den volgenden dag hun lot zouden vernemen. Te vergeefs maakten de Milanezen zich dit uitstel ten nutte, om de keizerin Beatrix tot voorspraak te bewegen. De vorstin trok zich in het binnenste harer vertrekken terug en liet de smeekelingen aan hun lot over. Beatrix had , toen Frederik in het jaar 1158 op zijn legertogt naar Rome was, den wensch te kennen gegeven om de stad Milaan eens te bezigtigen. Gaarne had de keizer dit verzoek toegestaan. Maar naauwelijks was zij de eene poort ingereden , of zij werd plotseling door een woedenden volkshoop 9vervallen. Men zette haar ruggelings op een ezel en gaf haar in plaats van den toom den staart in de hand. In deze smadelijke houding sleepte men haar door de gansche stad en de andere poort weder uit. De Milanezen hadden derhalve geenszins reden om de voorspraak der keizerin te verzoeken. Frederik was onverbiddelijk. Hij gebood alle burgers om uit te trekken en liet de ontvolkte stad aan de naburen ter plundering en verwoesting over. De muren, torens en de meeste openbare gebouwen werden omvergehaald. De te voren zoo bloeijende stad leverde binnen weinige dagen een ijselijk gezigt op, zoodat zelfs vele harer voormalige vijanden tot medelijden bewogen werden.

VII. ITALIC ANDERMAAL IN OPSTAND.

Eene zoo vreeselijke straf wekte in Italië schrik en verbittering tevens. Nog meer groeide deze verbittering aan door de onderdrukkingen en knevelarijen, waaraan de keizerlijke stadhouders zich schuldig maakten. Weldra bewerkte de gemeenschappelijke nood eene algemeene verbindtenis onder de Lom-

-ocr page 267-

343

bardische steden, waarbij Verona zich thans aan het hoofd plaatste. De voornaamste steun echter van dit magtige steden-verbond was \'s keizers verbitterdste vijand, de onversaagde en schrandere paus Alexander Til, de opvolger van Adrianus. In het jaar 1163 trok de keizer ten derden male naar Italië. Slechts weinige ridders vergezelden hem, want als meester, niet als veroveraar wilde hij optreden. Hij wilde beproeven om de nieuwe gistingen door den glans zijner majesteit te stillen. Maar dit gelukte hem niet, en zijne vijanden, die thans eensgezind waren, noodzaakten hem, ijlings naar Duitschland terug te keeren. Daarop trok de keizer in \'t jaar 1166 ten vierden male met eene legermagt over de Alpen en wendde zich met zijn leger eerst tegen Eome, om den paus te tuchtigen. De stad werd stormenderhand ingenomen, maar de paus redde zich door de vlugt. Doch het voordeel dezer overwinning ging voor den keizer geheel verloren, want er brak eene hevige pestziekte uit, die de bloem des legers wegsleepte. De vrienden van den paus verklaarden die ziekte voor eene straf van den vertoornden Hemel. Bijkans geheel alleen, heimelijk en verkleed, ijlde Frederik over de Alpen naar Duitschland terug.

Ondertusschen staken de Lombardische steden, door \'s keizers tegenwoordigheid niet langer beangstigd, weer stoutmoedig het hoofd op. Snel verhieven zich ook Milaans muren weder. Schimpzuilen tegen den keizer en zijne gemalin werden aan de poorten der stad opgerigt. In de vlakte tusschen Asti en Pavia werd in allerijl een sterke vesting gebouwd en, den keizer ten spot, maar den paus „ Alexanderquot; ter eere, Alexandria genoemd. Zoo toegerust, vreesden de Italianen den keizer niet.

vin. HENDRIK DE LEEUW. SLAG BIJ LEGNANO.

Niet zonder moeite bragt de keizer tot een nieuwen togt over de Alpen een leger bijeen. Met dit leger brak hij in 1174 op, ging over den berg Cenis en belegerde Alexandria. Het was winter, gedurige regens doorweekten den buitendien

-ocr page 268-

240

een hoogmoed was voor den keizer eene zoete wraak. Geroerd stond hij hun den vrede onder gematigde voorwaarden toe.

VI. VERNIEUWD BELEG EN VERWOESTING VAN MILAAN.

Het bleek echter weldra, dat hunue onderwerping slechts schijnbaar en door den nood afgedwongen was. Want naauw was de keizer afgetrokken, of de zucht tot vrijheid en onafhankelijkheid en de haat tegen de duitsche opperheerschappij ontwaakten op nieuw. Zij joegen zelfs den keizerlijken gezant, die een nieuwen burgemeester wilde aanstellen, met schimp de stad uit. Daarover ontstak de keizer in gramschap en zwoer, de kroon niet eerder op het hoofd te zetten, voordat hij de mein-eedige stad met den grond gelijk had gemaakt. Eerst tastte hij Crema, Milaans onwankelbare vriendin, aan. De burgers verweerden zich achter hunne muren met de meeste hardnekkigheid en hitsten daardoor den keizer tot nog grooter woede aan. Hij liet veertig burgers uit Crema, die hij als gijzelaars in zijne legerplaats had, ter dood brengen, en de kinderen der voornaamste Cremenzers, die hem insgelijks als gijzelaars waren gegeven , liet hij aan een beweegbaren houten belegeringstoren binden, waaruit hij de muren hoopte te beklimmen. Vergeefs! de belegerden verpletterden met ontzaggelijke steenblokken te gelijk den toren en de kinderen en prezen deze gelukkig, dat zij reeds in teederen leeftijd een zoo schoonen dood voor het vaderland konden sterven. Na een zwaar beleg van zes maanden , moest Crema zich eindelijk overgeven; de burgers verkregen vrijen aftogt, maar de stad werd met den grond gelijk gemaakt.

Nu sloeg de keizer het beleg voor Milaan. Ook deze stad bood wanhopigen tegenstand. Maar nogmaals begon de grimmigste vijand der belegerden , gebrek aan leeftogt, de krachten dergenen te verlammen , wier moed door geen ander middel te buigen was geweest. Zij besloten eindelijk, drie hunner gezanten aan den keizer te zenden, om over den vrede te onderhandelen. Doch nog eer deze de plaats hunner bestemming bereik-

-ocr page 269-

241

ten, werden zij door eene schaar duitsche ruiters opgevangen en weggevoerd, eene omstandigheid , die de Milanezen bewoog, in hunne hardnekkige verdediging voort te gaan.

Keeds was het jaar 1161 verloopen, en nog stonden de inuren van Milaan onverwonnen en dreigend tegenover de belegeraars. Frederiks toorn steeg gedurig hooger en verleidde hem thans tot wreedheden, die zijn verheven karakter geheel onwaardig waren. Vijf der voornaamste gevangenen, die bij den eerstvolgenden uitval der Milanezen in zijne handen vielen, liet hij de beide oogen uitsteken en een zesden den neus afsnijden , opdat deze in staat zou zijn , de overige verminkten naar huis te brengen. Al dengenen, die, door medelijden of winzucht bewogen, den Milanezen levensmiddelen aanvoerden, werd de regter hand afgehouwen.

Met iederen dag werd de ellende der rampzalige bewoners al grooter, en niets bleef hun over dan een folterende hongerdood. Nu besloten zij op nieuw, den keizer voorstellen van vrede te doen; maar deze eischte overgaaf der stad op genade en ongenade. Er bleef den Milanezen geen andere uitkomst. De eerste maart van het jaar 1163 was de gedenkwaardige dag der overgaaf van Milaan. Op den morgen van dien dag trokken de consuls en twintig der voornaamste edellieden , allen met bloote zwaarden op den nek, naar de legerplaats des keizers, om den overwinnaar de stad met alle goederen en personen over te geven. Op den volgenden dag trokken nogmaals de consuls naar de vijandelijke legerplaats, en hen volgden in de kleeding van boetelingen 300 der voornaamste milanesche ridders, waarbij de sleutels der stad en de vanen van 36 poorten en kasteden gedragen werden, om ze den keizer ter hand te stellen. Op den derden dag eindelijk kwam heel het volk van Milaan en alle krijgslieden met de vaan der stad. Toen deze bij Frederiks troonzetel gebragt en ten teeken der onderwerping voor hem neergebogen werd , sprong de keizer toornig op en rukte den zoom der vaan naar beneden, een slecht teeken voor het volk, dat in angstige verwachting de beslissing des

-ocr page 270-

242

overwinnaars te gemoet zag. Somber zag Frederik om zich heen; met donker gelaat hoorde hij de toespraak aan, die een der consuls hield, om \'s keizers toorn te doen bedaren. Het volk, dat zich ter aarde geworpen had, stak luid jammerend de kruisen , die het met zijne handen omvat hield, in de hoogte. Maar de verbittering in Frederiks hart was te groot. Een wenk van hem gebood eindelijk de ongelukkigen op te staan, en zij werden weggezonden met de verklaring dat zij den volgenden dag hun lot zouden vernemen. Te vergeefs maakten de Milanezen zich dit uitstel ten nutte, om de keizerin Beatrix tot voorspraak te bewegen. De vorstin trok zich in het binnenste harer vertrekken terug en liet de smeekelingen aan hun lot over. Beatrix had , toen Frederik in het jaar 1158 op zijn legertogt naar Kome was, den wensch te kennen gegeven om de stad Milaan eens te bezigtigen. Gaarne had de keizer dit verzoek toegestaan. Maar naauwelijks was zij de eene poort ingereden, of zij werd plotseling door een woedenden volkshoop 9vervallen. Men zette haar ruggelings op een ezel en gaf haar in plaats van den toom den staart in de hand. In deze smadelijke houding sleepte men haar door de gansche stad en de andere poort weder uit. De Milanezen hadden derhalve geenszins reden om de voorspraak der keizerin te verzoeken. Frederik was onverbiddelijk. Hij gebood alle burgers om uit te trekken en liet de ontvolkte stad aan de naburen ter plundering en verwoesting over. De muren, torens en de meeste openbare gebouwen werden omvergehaald. De te voren zoo bloeijende stad leverde binnen weinige dagen een ijselijk gezigt op, zoodat zelfs vele harar voormalige vijanden tot medelijden bewogen werden.

VII. ITALlë ANDEBMAAL IN OPSTAND.

Eene zoo vreeselijke straf wekte in Italië schrik en verbittering tevens. Nog meer groeide deze verbittering aan door de onderdrukkingen en knevelarijen, waaraan de keizerlijke stadhouders zich schuldig maakten. Weldra bewerkte de gemeenschappelijke nood eene algemeene verbindtenis onder de Lom-

-ocr page 271-

343

bardische steden, waarbij Verona zich thans aan het hoofd plaatste. De voornaamste steun echter van dit magtige steden-verbond was \'s keizers verbitterdste vijand , de onversaagde en schrandere paus Alexander III, de opvolger van Adrianus. In het jaar 1163 trok de keizer ten derden male naar Italië. Slechts weinige ridders vergezelden hem, want als meester, niet als veroveraar wilde hij optreden. Hij wilde beproeven om de nieuwe gistingen door den glans zijner majesteit te stillen. Maar dit gelukte hem niet, en zijne vijanden, die thans eensgezind waren, noodzaakten hem, ijlings naar Duitschland terug te keeren. Daarop trok de keizer in \'t jaar 1166 ten vierden male met eene legermagt over de Alpen en wendde zich met zijn leger eerst tegen Rome, om den paus te tuchtigen. De stad werd stormenderhand ingenomen, maar de paus redde zich door de vlugt. Doch het voordeel dezer overwinning ging voor den keizer geheel verloren, want er brak eene hevige pestziekte uit, die de bloem des legers wegsleepte. De vrienden van den paus verklaarden die ziekte voor eene straf van den vertoornden Hemel. Bijkans geheel alleen, heimelijk en verkleed, ijlde Frederik over de Alpen naar Duitschland terug.

Ondertusschen staken de Lombardische steden, door \'s keizers tegenwoordigheid niet langer beangstigd, weer stoutmoedig het hoofd op. Snel verhieven zich ook Milaans muren weder. Schimpzuilen tegen den keizer en zijne gemalin werden aan de poorten der stad opgerigt. In de vlakte tusschen Asti en Pavia werd in allerijl een sterke vesting gebouwd en, den keizer ten spot, maar den paus „Alexanderquot; ter eere, Alexandria genoemd. Zoo toegerust, vreesden de Italianen den keizer niet.

VIII. HENDRIK DE LEEUW. SLAG BIJ LEGNANO.

Niet zonder moeite bragt de keizer tot een nieuwen togt over de Alpen een leger bijeen. Met dit leger brak hij in 1174 op, ging over den berg Cenis en belegerde Alexandria. Het was winter, gedurige regens doorweekten den buitendien

-ocr page 272-

244

moerassigen grond. Ziekten en ongemakken van allerlei aard teisterden het duitsche leger. Nogtans wilde Frederik niet voor eene stadwijken, die gebouwd was om hem te trotseren. Zeven maanden lang lag hij voor hare wallen, toen de tijding kwam, dat een groot lombardisch leger in aantogt was. De keizer moest met zijne uitgeputte troepen het beleg zoo snel opbreken, dat hij zyn legerkamp aan de vlammen prijs gaf.

Deze mislukte poging sloeg nogtans den moed en de hoop van Frederik niet neder, want hij verwachtte nog versterking van onderscheidene duitsche vorsten, maar vooral de aankomst van Hendrik den Leeuw, den dappersten zijner strijdgenooten in de vroegere oorlogen met de Lombardijers. Maar de Leeuw kwam niet. Hendrik voedde nog altijd den ouden wrok en had de klagten niet vergeten, die de Welfen tegen de Hohenstaufen hadden. Frederik, wien in dezen nood alles aan den bijstand van den magtigen hertog gelegen was, noodigde hem tot een mondgesprek uit, en Hendrik begaf zich werkelijk met zijn gevolg naar Chiavenna. Hier herinnerde de keizer hem de vele bewijzen van vriendschap en liefde, die hij hem had gegeven, de landen die hij hem had toegevoegd, en bad en smeekte hem, om toch op dit oogenblik, nu de eer van het Duitsche vaderland op het spel stond, hem niet te verlaten. Vergeefs ! de trotsche Leeuw bleef onbewogen. Eindelijk wierp de keizer zich zelfs voor zijne voeten, en omvatte smeekend de knieën van den onverbiddelijke. Ook deze verootmoediging deed de gezindheid van den trotschaard niet buigen. Toen naderde vol waardigheid \'s keizers gemalin tot hem en sprak: „Lieve heer, sta op ! God zal u hulp verleenen, wanneer gij eens dezen dag en dezen hoogmoed gedenkt.quot; En de keizer stond op, terwijl Hendrik trotsch naar Duitschland terug reed.

Onderttoschen kwamen de Lombardijers met een ontzaggelijk leger van Milaan aangetogen. In hun midden voerden zij het heiligdom der stad, Carocium genaamd. Dit was een roode wagen, waarop zich een ijzeren boom met ijzeren bladeren verhief. Op den top van den boom stond een groot kruis.

-ocr page 273-

?^5

\'11

aan welks voorzijde de heilige Ambrosius, Milaans beschermheilige, was afgebeeld. Een uitgelezen schaar van burgers had op zich genomen, dezen legerwagen der stad te verdedigen. Zoo trokken zij , hun beschermheilige in het midden, moedig ten strijde uit. Bij L e g n a n o stieten zij op het keizerlijke leger. Eensklaps vielen de gelederen der Milanezen op de knie-?af. en en smeekten in \'t aangezigt der vijanden den Hemel om bijstand in den ophanden zijnden strijd. Daarop begon de bloedige slag. De keizer zelf vocht heldhaftig aan de spits zijns legers, en reeds helde de overwinning tot zijne zijde over. In dit beslissend oogenblik vernieuwden 900 edele burgers van Milaan, de schaar des doods genoemd, omdat zij gezworen hadden te overwinnen of te sterven, midden in den slag den heiligen eed en stortten zich met onstuimigheid op den overwinnenden vijand. De hoofdbanier des keizers werd genomen, hij zelf van zijn strijdros geworpen. De zijnen hielden hem voor dood en deinsden terug. Slechts een gering gedeelte ontkwam met den vlugtenden keizer, onder bescherming van den nacht, aan het wraakzwaard der Lombardijers. Zoo vernietigde de bloedige slag bij Legnano in \'t jaar ] 17 6 het werk van twintig jaren.

I

II

I

Door het verlies van zulk een beslissenden slag zag de keizer zich genoodzaakt, met zijne oproerige steden een roem-loozen wapenstilstand voor zes jaren te sluiten. Ook met zijn ouden vijand, paus Alexander, verzoende hij zich en kuste hem te Yenetië eerbiedig den voet.

I ! i-3

li

\'Ijl

a - ■ I —i .• ii

IX. VREDE MET ITALIe.

Diep gebogen keerde hij naar Duitschland terug, met toorn in het hart tegen Hendrik den Leeuw, wiens weerspannigheid aan het onheil bij Legnauo allezins mede schuld had. Daarom gaf hij gaarne aan de vijanden van Hendrik gehoor, die zich over den trots en de aanmatiging des hertogs bitter beklaagden. De vertoornde keizer daagde hem voor zijne en zijner vrienden vierschaar op verschillende rijksdagen, doch Hendrik GRUBE, G. D. M. 17

-ocr page 274-

246

verscheen niet. Nu werd liij tot straf van zijne hertogdommen, en andere leenen beroofd. Saksen verkreeg graaf Bernard van Anhalt, zoon van dien Albrecht den Beer, die den eersten grond tot Brandenburgs grootheid legde, terwijl de paltsgraaf Otto van Wittelsbach, stamvader van het thans regerende Bei-jersche huis, het hertogdom Beijeren verkreeg.

Maar de oude Leeuw zag de verdeeling zijner landen niet zoo rustig aan. Hij vatte de wapenen op, doch was tegen de magt van den keizer en de keurvorsten niet opgewassen. Geslagen ijlde hij naar Erfurt, wierp zich aldaar den keizer te voet en smeekte om genade. Nu dacht Prederik aan den dag te Chiavenna en het wisselvallige der menschelijke zaken. Geroerd en met tranen in de oogen hief hij zijn voonnaligen vriend en wapengenoot op en sprak: „Nogtans zijt gij zelf de oorzaak van uw ongeluk!quot; Hij schonk hem vergiffenis, doch onder voorwaarde dat hij drie jaren lang het beleedigde vaderland zou mijden; zijn vaderlijk erfgoed, Brunswijk en Lu-neburg, werd hem gelaten. Hendrik de Leeuw ging in de lente van 1182 in ballingschap naar Engeland bij koning Hendrik, den vader zijner gemalin Mathildis, niet vermoedende dat zijn gesternte, na in Duitschland ondergegaan jte zijn, eenmaal glansrijk in dit eiland weder zou opgaan. Euim vijf eeuwen daarna bestegen zijne nakomelingen, de hertogen van Brunswijk-Luneburg, den engelschen troon.

Ondertusschen was de wapenstilstand met de Lombardijers afgeloopen. Doch het wederzijdsche ongeluk had beide partijen tot zachtmoediger gezindheid gebragt. In het jaar 1183 kwam diensvolgens te Constants een volkomen vrede tot stand. Daarop trok de keizer voor de laatste maal, maar vredelievend, naar Italië en werd door de Lombardijers overal met gejuich ontvangen. Ook met den koning der Normandiërs in Beneden-Italië, die de welfische partij bij voortduring ondersteund had, verzoende hij zich. Zijnen zoon en opvolger Hendrik liet hij zelfs huwen met de normandische prinses Con sta n-t i a, de erfgename van Napels en Sicilië. Eerst deze verbind-

-ocr page 275-

247

tenis zou, naar het hem toescheen, de grootheid van het ho-henstaufische huis stevig grondvesten, en toch werd zij de oorzaak van den ondergang van dit huis.

X. KKÜISTOGT VAN FREDEMK BAEBAROSSA. ZIJN DOOD.

Onder zoo vele stormen, die het leven des keizers voortdurend verontrust hadden, was hij reeds een grijsaard geworden. Thans, aan den avond van zijn leven, wijdde hij zijn zwaard aan de zaak van God. S a 1 a d i n , de sultan van Egypte, een onversaagd jong held, breidde destijds zijne veroveringen onweerstaanbaar naar alle kanten uit. Hij veroverde Syrië, drong zegevierend in Palestina door, belegerde Jeruzalem en veroverde het na korten tegenstand in het jaar 1187, nadat het 88 jaren in de handen der christenen was geweest. Hij liet het gouden kruis van de kerk van het heilige graf naar beneden werpen en het aan de kalifen van Bagdad zenden. Voor \'t overige betoonden de mohammedanen bij deze verovering veel meer menschelijkheid , dan vroeger de christenen.

De tijding van dit verlies verwekte de grootste ontsteltenis, den grootsten rouw in de geheele christenheid. De paus stierf van droefenis. Zijn opvolger riep alle christelijke vorsten en hunne volken op, om de heilige stad ten tweeden male aan de handen der ongeloovigen te ontrukken. Er ontstond in het westen wederom eene algemeene beweging, van de straat van Messina tot aan den grooten en kleinen Belt.

Met het voorjaar van het jaar 1189 verzamelden zich de kruisvaarders uit alle gewesten van Duitschland bij Eegensburg. Hun aantal beliep 150 000. De oude Barbarossa plaatste zich aan hun hoofd. De regering van het rijk liet hij over aan zijn zoon, den lateren keizer Hendrik VI. Naauw had het kruisleger den bodem van het Grieksche rijk betreden , toen de boosaardige bewoners van dat rijk hem naar oude manier op allerlei wijze zochten te benadeelen. Izaak, de toenmalige grieksche keizer, wilde den duitschen keizer niet eens den titel van keizer geven, maar noemde hem slechts den eersten vorst van

.17*

-ocr page 276-

248

Duitschland, terwijl hij zich zeiven den heiligen liet noemen. Ja, een zijner gezanten had de vermetelheid, den duitschen keizer te zeggen, dat Frederik den heiligen keizer Izaiik gehoorzaamheid schuldig was, te meer daar hij thans met zijne pelgrims als in een net gevangen was! Doch Frederik gaf hem ten antwoord : „Door de verkiezing der vorsten en de bekrachtiging van den paus ben ik keizer, maar noem mij, mijner zonden indachtig, geenszins een heilige. Voor het tegenwoordige heeft Gods genade ons de heerschappij ook in het Griek-sche rijk in zoo verre gegeven, als wij die tot ons groot oogmerk behoeven, en de netten , waarmede gij ons dreigt, zullen als spinnewebben verscheurd worden.quot; Op zijn ganschen togt door het Grieksche rijk had de keizer met slinksche lagen te kampen. Niet dan met moeite bereikte hij eindelijk Klein-Azië. Daar kwamen de kruisvaarders in woeste waterlooze streken; er ontstond zulk een gebrek, dat men zelfs paardevleesch at en paardebloed dronk. Daarbij zwierven ligte turksciie ruiters nacht-- en dag om het leger. Nooit hadden de kruisvaarders rust; zes weken lang mogten zij hunne wapenrusting in \'t geheel niet afleggen. Afgemat stieten zij eindelijk op een turksch leger van 300 000 man. Doch Frederik versaagde niet. Met weinige, maar krachtige woorden sprak hij den zijnen moed in. Allen ontvingen het heilige avondmaal en stormden vervolgens , in vertrouwen op God, voor wiens eer zij streden, met zulk een geweld op de vijanden aan, dat 10 000 van deze ge-gedood en de overigen naar alle kanten verstrooid werden. Deze overwinning verlevendigde den moed der uitgeputte kruisvaarders weder. Onder vele moeijelijkheden en gevaren zetteden zij den den togt voort en kwamen gelukkig in de stad S e-1 e u c i a aan de rivier Kalykadnus of S a 1 e p h aan. Hier echter was den grijzen held zijne grens gesteld. Omdat de brug over dien stroom slechts smal was, en derhalve de togt zeer langzaam voorwaarts ging, besloot de keizer, het dralen moede, er door te zwemmen. Men waarschuwde hem, zich niet aan het onbekende water te vertrouwen; maar onbe-

-ocr page 277-

249

vreesd als altijd sprong hij met het paard in den stroom. Nu echter grepen de golven den al te stoutmoedigen grijsaard aan en sleepten hem voort. Hij werkte zich wel weder boven, en een ridder, die hem ijlings was nagezwommen, greep hem aan, maar beiden geraakten in een draaikolk van den stroom, die hen van elkander rukte. Een tweede, die zich met het paard in het water geworpen had, bragt den keizer wel aan land, maar als lijk.

Boven alle beschrijving was de rouw en ontsteltenis van het leger. Ieder geloofde, in den keizer zijn vader verloren te hebben. Velen keerden terstond te scheep naar hun vaderland terug. Het overige leger voerde \'s keizers zoon, hertog F redelik , tot voor de stad Acre, die hij een geruimen tijd belegerde. Maar eene onder het kruisleger uitgebrokene pestziekte sleepte den hoopvollen jongeling weg. Na hem nam hertog Leopold van O o s t e n r ij k de leiding van bet leger op zich.

XI. VOLKSVERHAAL OMTRENT FREDERIK BARRAROSSA.

In Duitschland wilde men langen tijd niet gelooven, dat de beschermheer van het rijk, de gevreesde en geachte keizer Eoodbaard, werkelijk gestorven was. Het volkssprookje heeft hem naar Thüringen, in den burg Kyffhausen, verplaatst. Daar zou hij in de onderaardsche zaal nadenkend en peinzend aan de marmeren tafel zitten. Somwijlen gelukt het een sterveling, in dat vertrek door te dringen. Dan ontwaakt de keizer uit zijne sluimering, schudt den rooden baard en wenscht te weten of er nog krassende raven om den Kyffhauserberg zweven. Zoo lang de zwarte vogels nog om de kruin der rots zwieren , en een arend ze niet heeft verdreven, zoo lang — meldt het sprookje — toeft ook de oude nog in zijn betoover-den burg. Verneemt hij dat zij nog krijschen, dan blikt hij somber voor zich heen , zucht diep en spreekt: „Slaap weder in, vermoeide ziel! Nog moet ik honderd jaren wachten, eer ik weder onder mijn volk verschijn.quot; Eindelijk zou een herder,

-ocr page 278-

250

die zijne geiten door de gouden weide dreef en op den Kyff-hauserberg verdwaalde, den sluimerenden keizer gezien hebben. De baard des keizers was bijna om de marineren tafel geslingerd. Wanneer hij die geheel bedekt, dan ontwaakt Fre-derik Barbarossa, en de raven zijn verjaagd,

XII. FKEDERIK II TOT DUITSCH KONING VERKOZEN.

Hendrik VI, de zoon van Frederik Barbarossa, had zich door hebzucht en wreedheid gebaat gemaakt, en toen hij gestorven was, wilden noch Duitschers noch Sicilianen zijn zoon Frederik, die nog een minderjarig kind was, erkennen; doch zijne schrandere moeder Constantia wist met behulp van den paus te bewerken, dat hij tot koning van Sicilië en Napels gekroond werd. In Duitschland echter ontvlamde de strijd tusschen Welfen en Hohenstaufen met vernieuwde hevigheid. De eene partij verkoos 011 o, een zoon van Hendrik den Leeuw, de andere den hertog Filips van Zwaben, een zoon van Barbarossa en oom van den tweeden Frederik. Met vreeselijke woede kampten de beide koningen tien jaren lang om het bezit der kroon. De noodlottige tweedragt tusschen Welfen en Hohenstaufen drong tot in het inwendige dei-huizen en famlliën. Eoof, moord en wreedheid van allerlei aard woedden zoo schrikbarend , dat zelfs kerken en kloosters niet verschoond bleven. Handel en nijverheid vervielen, en daar koning Filips de groote schatten en goederen der Hohenstaufen tot omkoopingen verspilde, verdween ook alle braafheid , en de vorsten en heeren verkochten schaamteloos hunne trouw aan hem, die ze \'t best betaalde. Eindelijk wendde ieder der beide mededingers zich tot den paus, en zoo ruimden zij dezen uit vrije beweging het opperste regt van beslissing in de zaken van Duitschland in. Paus Innocentius III was een zeer schrander man. Voorzigtig onderzocht hij, wie van de beide mededingers voor de kerk het gehoorzaamst, en voor Italië \'t minst gevaarlijk was. Aanvankelijk besliste hij voor den Welf Otto IVquot;, omdat hij niet enkel de magt, maar ook

-ocr page 279-

351

den geest der Hohenstaufen vreesde, die altijd de kerkelijke heerschappij weerstreefde. Filips werd in den ban gedaan, en in het jaar 1208 in een twist met den paltsgraaf van Wittels-bach door dezen vermoord. — Nu bevond Otto IV zich zonder mededinger, maar daar hij geen onderdanig dienaar van den paus wilde zijn, werd hij door Innocentius in den ban gedaan , en de jonge F r e d e r i k tot duitsch koning verkozen, dewijl deze, onder bescherming der kerk door een pauselijken legaat opgevoed, een gehoorzaam werktuig van den paus beloofde te zullen worden. Van zijn hoog beschaafden geest, van zijne liefde voor de wetenschappen en de dichtkunst was hem reeds de roem naar Duitschland vooruitgegaan, en de vrienden der Hohenstaufen waren zeer verheugd, den kleinzoon van Barbarossa als heerscher te kunnen begroeten.

XIII. FREDERIK II TE AKEN GEKROOND.

Frederik II was destijds een jongeling van 18 jaren, bevallig van gestalte, door zijn blond haar terstond als Duitscher te herkennen. Als ware er in zijn voorkomen eene betoovering geweest, zoo huldigden hem de harten van allen, die hem zagen. Groote gevaren hadden hem reeds in de wieg omringd; als door een wonder beschermd, was hij te midden van het ongeluk opgegroeid. Maar juist deze school des onheils had zijnen wil gestaald, zijnen geest verlicht. Toen nu de boodschap uit Duitschland tot hera kwam, moedigde Innocentius hem aan, om de duitsche kroon aan te nemen; met schrandere voorzigtigheid eischte hij echter de belofte, dat hij de kroon van Beneden-Italië nooit met die van Duitschland zou vereenigen ; want een magtigen nabuur wilde de kerkvorst ongaarne hebben.

De gedachte aan de duitsche kroon vervulde Frederiks hart met geestdrift. Wel smeekten hem zijne trouwe raden, en bezwoer hem zijne gade, Constantia van Arragon, die hij door toedoen van den paus reeds op zijn vijftiende jaar gehuwd, en die hem juist een zoontje , Hendrik genaamd , geschonken

ï i

d

I

li: \'ü;

i

| ■

1

i

ü

-ocr page 280-

252

had, om toch in zijn erfrijk Beneden-Italië en Sicilië te blijven ; doch iedere voorstelling en bede was vruchteloos. Frede-rik trotseerde moedig envoi hoop alle gevaren, waarmede zijne vijanden, in \'t bijzonder de steden van Lombardije, hem belaagden, en trok over de Alpen naar Duitschland. Waar hij zich liet zien, in Thnrgau en in Zwabenland, begroeten adel en volk hem als den waren koning. Van plaats tot plaats, hoe verder hij kwam, groeide zijn aanhang aan, en keizer Otto IV week naar Saksen terug. Op den 25sten julij 1215 werd ïre-derik te Aken plegtig als duitsch koning gekroond , en na de krooning deed hij uit dankbaarheid jegens den paus de gelofte om een kruistogt te ondernemen.

XIV. KEIZER PREDEEIKS WERKZAAMHEID.

De jonge keizer kreeg volop te doen, want in Duitschland zoo wel als in Italië bestond groote wanorde en verwarring. De ridders braken uit hunne burgen, en de vrijgelatene lijfeigenen vormden eene soort van rooverbenden , zoodat de arme boeren met bezorgdheid hun veld bebouwden. Frederik verordende den landvrede en stelde een hofregter aan, die alle dagen over de verstoorders van den vrede vierschaar zou houden. Maar het ongeluk was, dat hij niet lang genoeg in Duitschland vertoefde , om aan zijne wetten uitvoering te geven. Zijne grootste zorg was op de erflanden gerigt; hier stelde hij zich voor, eene sterke magt te grondvesten, ten einde eenmaal als heer van het vereenigde Duitschland en Italië den ouden luister der keizerlijke kroon weder te herstellen. Na de overmoedige burgheeren in Sicilië en Apulië vernederd te hebben, liet hij door zijn vertrouwden vriend, den geleerden kanselier P i e t r o van Vineis, eene geheel nieuwe wetgeving opstellen, die in vele opzigten het roomsche kerkregt weersprak. Wat hij voor Duitschland verwaarloosde, de verzorging en opbeuring der steden, voerde hij in zijne erflanden uit; hij riep niet slechts de geestelijke vorsten, de ridders en den adel, maar ook de steden als afgevaardigden op. Kunst en wetenschap

-ocr page 281-

253

ontwikkelden zich heerlijk ; de keizer schreef zelfs een boek over de vogels, terwijl hij de natuurlijke historie van Aris-toteles liet vertalen; in Napels werd een hoogeschool opge-rigt; prachtige werken van bouwkunst verhieven zich, en het keizerlijke hof weergalmde van den klank der liederen, van minnezang en de spreuken der oostersche wijzen. Yan een egyptischen sultan had Erederik eene tent ten geschenke ontvangen , waaraan de loop der hemelligchamen door eene kunstige machinerie werd voorgesteld. Om handel en scheepvaart te verlevendigen, legde hij niet slechts markten aan, maar beveiligde ook de kooplieden tegen onderdrukkingen en verschafte hun door zijne verbindtenissen met de mohammedaansche vorsten van Syrië en Egypte gelegenheid tot den handel in oost-indische waren.

XV. KRUISTOGT VAN FKEDERIK II.

Maar terwijl Erederik alzoo aan den bloei zijner erflanden arbeidde, geraakte hij meer en meer met de pausen in onmin. Herhaaldelijk was hij door paus Innocentius III en diens opvolger Honorius III aan zijne belofte om een kruistogt te ondernemen herinnerd geworden ; maar de keizer gevoelde, hoe noodig zijne tegenwoordigheid te huis was, en stelde den togt naar Azië telkens uit. Na den dood van Honorius werd Gregorius IX, een grijsaard in jaren, een man in kracht tot handelen , een jongeling in hartstogtelijkheid, tot de pauselijke waardigheid verkozen. Deze dreigde den keizer terstond met den banvloek, in geval hij langer mogt dralen. Nu merkte Erederik wel, dat hij den vertoornden kerkvorst niet langer met beloften kon paaijen en scheepte zich werkelijk te Brindisi in Beneden-Ita-lië in; maar eenige dagen daarna keerde hij weder terug. Eene besmettelijke ziekte was op de vloot uitgebroken, en de keizer zelf daardoor aangetast. Ofschoon hij den paus de oorzaak dezer nieuwere draling meldde, was diens gramschap toch niet tot bedaren te brengen. Gregorius hield de geheele ziekte voor verdicht en sprak terstond den ban over Erederik uit.

-ocr page 282-

254

Vergeefs poogde deze in \'t bewustzijn der onschuld zich te verdedigen. Om echter aan de christenheid te toonen dat hij het met den kruistogt inderdaad eerlijk gemeend had, ging hij terstond na zijne genezing weer onder zeil. Nogtans verzoende hij hierdoor den paus niet; deze liet zelfs aan de geestelijkheid en aan de ridderorden in Palestina de gestrengste bevelen toekomen om den keizer op geenerlei wijze te ondersteunen, omdat een vorst, met den vloek der kerk beladen, den strijd voor de eer van God onwaardig was. Doch Frederik was veel gelukkiger dan men verwachtte. Hij had reeds lang met den sultan K a m e 1 geheime onderhandelingen gevoerd; nu leerde hij dezen persoonlijk kennen. Daar beide heersehers, de keizer en de sultan, even groote mannen waren in beschaving des geestes , ridderlijkheid en edelmoedigheid , won Frederik weldra de hooge achting en liefde van den sultan en bereikte datgene wat aan geheele christelijke legers niet gelukt was. In zegepraal trok hij (1238) Jeruzalem binnen, en naardien de patriarch dezer stad hem als een gebannene niet wilde kroonen, zette Frederik zich zeiven de kroon op het hoofd. Krachtens het vredesverdrag was ook aan de mohammedanen vergund, in den tempel van Salomo naar hun geloof den eenen eeuwigen God te dienen, van wien alle volken en natiën kinderen zijn, en die ieder gebed genadig aanneemt, wanneer het slechts waarlijk uit het hart komt. Deze schoone vrijzinnige denkwijs van Frederik TI moest nogtans den paus geheel verwerpelijk toeschijnen, omdat de roomsch-katholieke kerk van het beginsel uitging, dat slechts in haar alleen het ware geloof te vinden was, waardoor de menschen zalig kunnen worden. Voor de verhevene denkbeelden van Frederik was de eeuw nog niet rijp, en zoo streed de keizer te gelijk tegen den paus en de begrippen van het westen. Geen wonder, dat hij in den strijd moest bezwijken!

Gregorius IX was nu even hevig vertoornd, dat Frederik II in weerwil van den ban den kruistogt ondernomen had, als vroeger omdat hij dien had uitgesteld. Terwijl de keizer Jeru-

-ocr page 283-

255

zalem verwierf, had Gregorius krijgsvolk bezoldigd, hetwelk vijandelijk in Beneden-Italië drong. Voorts had hij, even als de vroegere pausen, zich met de welfisch gezinde steden van Lom-bardije verbonden; eindelijk zelfs had hij ook getracht, de duitsche vorsten tot afval van den keizer aan te sporen, \'t geen hem nogtans niet gelukt was. Toen Frederik uit het Oosten naar Italië terug keerde, liepen de pauselijke sleutelsoldaten (zij droegen Petrus\' kenteeken, den sleutel, op de kleederen) zoo haastig zij konden weg, en de verschrikte vijanden des keizers in Lombardije aarzelden, den paus bij te staan. Nu bleef dezen niets anders over dan met den keizer vrede te sluiten en hem van den ban te ontheffen.

XVI. AFVAL VAN \'s KEIZERS ZOON HENDRIK.

Terwijl Frederik het keizerrijk in zijne volle magt poogde te herstellen, wankelde toch de grond overal onder zijne voeten. Zijnen slecht opgevoeden zoon Hendrik had hij als zijn plaatsbekleeder naar Duitschland gezonden, en liet hem voorts uit Italië zijne bevelen toekomen. Maar de zoon luisterde liever naar de woorden der vleijers, die hem aldus toespraken: „Heer, wat gehoorzaamt gij toch altoos aan uwen vader, die ver af is en zich om Duitschland niet bekommert? Weet gij dan niet meer, dat hij hoog en duur gezworen heeft, Duitschland en Italië nooit te zullen vereenigen ?quot; Toen zwol Hendriks hart van toomelooze eerzucht; hij besloot, van zijnen vader af te vallen en de vorsten voor zich te winnen. Hij noemde hen „landsheerenquot; en beperkte de vrijheid der steden. Frederik, die op de vrije Lombardische steden verbolgen was, vreesde dat ook de Duitsche steden tegen den keizer van hare vrijheid misbruik zouden kunnen maken, en bekrachtigde Hendriks besluiten. Nogtans bleven, toen de zoon werkelijk van hem afviel, de Duitsche steden hem getrouw, en later heeft hij waarschijnlijk wel ingezien, dat hij beter had gedaan, de steden tegen de vorsten te ondersteunen.

Toen keizer Frederik het verraad van zijn zoon en diens

-ocr page 284-

256

verbond met de Lombardijers vernam, begaf hij zich met spoed naar Duitschland, wel zonder leger, maar in vertrouwen op de duitsche trouw, en daarin bedroog hij zich niet. Zeventig geestelijke en wereldlijke vorsten verklaarden op den rijksdag te Regensburg Hendrik schuldig. Deze moest zich aan de genade zijns vaders overgeven, doch verkreeg door bemiddeling van den grootmeester der duitsche ridderorde, Herman van Salza, vergiffenis. Maar toen hij in dwazen trots spoedig weder op verraad zon, liet de vader hem vatten en gevankelijk naar Apu-lië brengen, waar hij tot Frederiks groot hartzeer in een sterk kasteel overleed.

In het zelfde jaar (123 5), waarin Hendriks verraad gesmoord was, vierde de keizer ook een vrolijk feest. Erederik was weduwenaar en deed aanzoek om de schoone Isabella, dochter van Jan zonder land, den broeder van Eichard Leeuwenhart. Toen de keizerlijke bruid naar Duitschland kwam, werd zij overal, maar inzonderheid in Keulen, op het. prachtigst ontvangen. Tien duizend burgers, allen te paard en kostbaar getooid, haalden haar plegtig in. Ook voeren schepen haar op droogen grond te gemoet. Het waren wagens als schepen gebouwd, met vlaggen en wimpels. De paarden waren onder purperen dekken verborgen. In de schepen zaten geestelijken, die bij orgel- en fluitgeklank heilige liederen lieten weergalmen. Terwijl de bruid door de feestelijk getooide straten reed en aan alle vensters, op alle balkons de vrolijke menigte zag, nam zij hoed en sluijer af en groette vriendelijk. Toen prezen allen onder luid gejuich hare uitnemende schoonheid en hare minzaamheid. Vier koningen, elf hertogen en dertig graven woonden de huwelijksplegtigheid bij.

XVII. SLAG BIJ COETENUOVA EN MONGOLENSLAG BIJ WAHLSTADT.

Nieuwe onlusten riepen den keizer naar Italië terug. Hier waren gedurende zijne afwezigheid de Lombardische steden, met Milaan aan het hoofd, op nieuw opgestaan. Fredeiik veroverde verscheidene der verbondene steden en sloeg (1237)

-ocr page 285-

257

bij Cortenuovade Milanezen zoo beslissend, dat zij zelfs hun vaanwagen (carocio) verloren. De burgemeester van Milaan werd gevangen, en Frederik liet hem op den vaanwagen zetten en beide zegeteekenen door een olifant over Cremona naar Eome brengen. Vergeefs boden de Milanezen aan , hem als heer te erkennen, hun goud en zilver af te geven en 10 000 man tot den kruistogt te leveren. Frederik verlangde overgaaf op genade en ongenade, en zoo besloten de Milanezen, liever met het zwaard in de vuist te sterven. Zij namen andermaal de wapenen op; weldra trad ook de paus op hunne zijde en vernieuwde den ban tegen Frederik. Zoo herhaalde zich de rampzalige strijd, die den bodem van Italië met het bloed van duizenden drenkte. Bij deze verwarring kwam nog een groot onweder, dat van uit het oosten naar het Duit-sche rijk optrok.

Onder het wilde volk der Mongolen, die in het noordelijke Azië den bergrug van den Altaï en de woestijnen van Siberië bewoonden, was in het jaar 1206 een groot veroveraar opgetreden, D zj ingis-K h a n , d. i. de groote vorst geheeten. Hij onderwierp alle naburige khans aan zich en veroverde aan hun hoofd een groot gedeelte van Azië. Plat gebrande steden en dorpen kenmerkten den togt dezer barbaren. Na den dood van den vreeselijken held zetteden diens zonen de veroveringen voort. Onder schrikkelijke verwoestingen trokken zij door Eus-land en Polen tot aan de Oder en kwamen in de landstreek van Liegnitz in Silezië. Hier, niet ver van Wahlstadt, trok in het jaar 1241 hertog Hendrik van Silezië hun met vele duit-sche ridders te gemoet. Bloedig was de slag; de Duitschers , te gering iu getal, werden overwonnen, en hertog Hendrik zelf sneuvelde. Evenwel trokken de Mongolen niet verder; zij hadden de dapperheid der Duitschers leeren kennen, terwijl ook de menigte der sterke kasteelen hen afschrikte. Na met de afgesnedene ooren der verslagenen verscheidene zakken ten teeken hunner overwinning gevuld te hebben, keerden zij over Hongarije naar Azië terug.

-ocr page 286-

258

xvm. 1NN0CEKTIUS IV DOET DEN KEIZER IN DEN BAN. FREDE-RIKS DOOD.

Gregorius IX, de geduchte tegenstander des keizers, was gestorven, en een andere paus, een niet minder te vreezen vijand van Prederik, volgde hem op. Innocentius IV was zijn naam. Als kardinaal was deze nog Frederiks vriend geweest, maar als paus veranderde zijne gezindheid. Toen de keizer zijne verkiezing vernam, sprak hij met zeker voorgevoel: „Ik vrees, in den kardinaal een vriend verloren, en in den paus een vijand bekomen te hebben, want geen paus kan een ghi-bellijn zijn!quot; En zoo was het ook. Van het oogenblik af dat Innocentius den pauselijken stoel beklom, legde hij het op de vernietiging des keizers toe. Ten einde zich uit diens gevaarlijke nabuurschap te verwijderen en vrijer te kunnen handelen , ontvlugtte hij heimelijk uit Italië naar Lyon. Daar riep bij eene algemeene kerkvergadering bijeen en tevens vernieuwde hij den ban tegen den keizer. Terstond na het St. Jansfeest 1245 begon het concilie. Vele der aanzienlijkste prelaten uit Frankrijk, Spanje, Engeland, nog meer uit Opper-Italië, hadden er zich heen begeven, maar uit Duitschland slechts weinige. In deze vergadering beschuldigde nu de paus den keizer van alle mogelijke misdaden en ondeugden. Moedig verdedigde Frederiks trouwe kanselier, Thaddeus van Suessa, de onschuld en de regten zijns meesters. Vergeefs! Innocentius beheerschte de prelaten met ijzeren wil, vervloekte den keizer en ieder die hem zou aanhangen tot in de hel, ontbond diens volken van alle eeden van trouw en gebood den duitsehen vorsten , een anderen koning te verkiezen. Na dit onregtvaardig vonnis hief hij met ijzeren voorhoofd het gezang aan: „Heer God, u loven wij!quot; en stiet vervolgens met alle prelaten de brandende fakkel op den grond met de woorden; „Gelijk deze fakkel zal \'s keizers magt zijn uitgebluscht!quot;

Toen dit berigt den keizer werd overgebragt, riep hij gloei-jende van toorn: „Heeft de paus in zijne vergadering mij af-

-ocr page 287-

259

gezet, mij van de kroon beroofd? Brengt mij mijne kroon hier, opdat ik zie, of zij werkelijk verlorenis!quot; En toen men ze hem bragt, zette hij ze op het hoofd en riep met dreigende stem: „Nog heb ik mijne kroon, en eer ik ze verlies, moeten er stroomen bloeds vloeijen!quot; en deze woorden werden vervuld. Op aansporing van den paus kozen verscheidene duit-sche vorsten den landgraaf van Thuringen, Hendrik Raspe, tot koning. Ongaarne nam deze de schitterende waardigheid aan en stierf reeds in het volgende jaar van verdriet. Nu werd door Erederiks vijanden de graaf Willem van Holland tot den troon verheven. Terwijl de keizer met de Lom-bardijers streed, vocht zijn zoon Koen raad, die ua den dood van Hendrik de koninklijke waardigheid verkreeg, met de partij van den tegenkoning in Duitschland.

Zoo hield Erederik te midden van alle aanvechtingen zich nog altijd moedig staande; maar zwaar verdriet knaagde in het diepste zijner ziel. Zijn liefste zoon E n z i u s werd dooide Bolognezen gevangen; zijne getrouwe vrienden verlieten hem, en onder deze zelfs zijn meest vertrouwde staatsdienaar Pietro van Vineis. Deze, dien Erederik uit het stof had verheven, vatte het plan op hem te vergiftigen. De kerkelijke vloek drukte zwaar op zijn hart, en de paus vervolgde hem met den woedendsten haat en zond zelfs legaten naar Duitschland, die een kruistogt tegen den keizer moesten prediken. Eindelijk riep in \'t jaar 1250 de dood den levensmoeden keizer van zijne aardsche loopbaan af. Frederik stierf te [Eirenzuola in Apulië in het 56ste jaar zijns levens, in de armen van zijn jongsten zoon Manfred, nadat de wakkere aartsbisschop van Palermo hem vooraf van den ban vrijgesproken en hem het avondmaal had toegediend.

XIX. KOENRAAD IV. HET INTERREGNUM.

Innoeentius triomfeerde, maar hij wilde niet rusten voordat ook de laatste telg van het geslacht der Hohenstaufen van de

-ocr page 288-

260

aarde verdelgd was. Nogmaals riep hij het Duitsche volk tot afval van Koen raad IV, den zoon van Frederik , op, en nogmaals liet hij door bedelmonniken een kruistogt tegen Koenraad prediken. Zoo vernietigde hij misdadig alle vaste burgerlijke orde, vergiftigde de zeden en bragt onnoemelijken nood en verwarring over het Duitsche land. Te Regensburg wilden zelfs de bisschop en de abt van St. Emmeran den koning Koenraad in zijn bed laten vermoorden. Niet eens zijn erfrijk, het koningrijk der Beide Siciliën, wilde de paus hem laten behouden; hij verklaarde het een ledig staand leen van den pauselijken stoel en wilde het aan een anderen vorst als leenman van den paus wegschenken. Om ten minste dit rijk te redden , was Koenraad IV in october van het jaar 1251 naar Italië opgebroken en had aldaar voorspoedig gestreden. Maar een plotselinge dood rukte hem in het 26ste jaar zijns levens weg.

Het keizerlijke aanzien was reeds zoo diep gezonken, dat geen duitsche vorst de kroon begeerde, leder wilde liever in het ongestoord genot zijner erflanden blijven en zich ten koste des rijks met nog andere landen verrijken. De nieuwe verkiezing scheen een welkome bron van inkomsten te zijn, en ieder keurvorst had besloten, zijne stem tot den hoogsten prijs te verkoopen. Maar niet een vertrouwde den anderen. Toen kwamen eindelijk de duitsche vorsten op de onwaardige gedachte om de duitsche kroon eenen buitenlander aan te bieden. En zelfs daarin waren zij het nog oneens. Eene partij koos Eichard van Cornwallis, den broeder des ko-nings van Engeland, de andere een spaanschen vorst, A1-phonsus van Castilië. Beiden hadden aan de keurvorsten veel geld geboden. Eichard zou zelfs met 33 wagens vol geld, met acht paarden bespannen, overgekomen zijn. Hij werd te Aken plegtig gekroond; doch zijn aanzien duurde _slechts zoo lang als zijn geld. Slechts driemaal bezocht hij Duitschland en telkens maar voor een korten tijd; Alphonsus daarentegen is nooit in Duitschland geweest. Willekeur en ruw geweld namen nu op schrikbarende wijze de overhand, en dit tusschenrijk (inter-

-ocr page 289-

261

regnum) — toen Duitschland geen regent had — duurde van het jaar 1246 tot 1273.

XX. KONRADIJN. SLAG BIJ TAGLIACOZZO.

Ondertusschen werd de zoon van Koenraad IV, Konra-d ij n genaamd, aan het hof van den hertog Otto van Beijeren opgevoed, terwijl zijn oom Manfred als voogd in de Itali-aansche staten regeerde. Innocentius IV was wel gestorven, maar zijne opvolgers woedden even als hij tegen het huis van Hohenstaufen voort; zij wilden noch Manfred noch Konra-dijn. Clemens IV schonk de kroon van Beneden-Italië aan een franschen prins, Karei van Anjou. Deze kwam meteen goed toegerust leger naar Italië, om den koning Manfred te verdrijven. Dadelijk in den eersten slag verloor Manfred troon en leven, terwijl de overwinnaar bezit nam van Napels en Sicilië en met ijzeren schepter regeerde. Er ontstond weldra een algemeen misnoegen over de heerschappij der Franschen, en allen zagen naar een redder uit. De Ghibellinen van Italië vestigden hunne hoop op den tot jongeling opgegroeiden Konra-dijn en moedigden hem aan om naar Italië te komen, ten einde de gehate Franschen te verdrijven. Te vergeefs waarschuwde en bezwoer hem zijne trouwe moeder Elizabeth met tranen: „O, verlaat uw Duitsch vaderland niet! Dit Italië, zoo rijk door God gezegend, heeft uwen vaderen toch slechts onheil en verderf aangebragt 1quot; Vol geestdrift voor den roem zijner voorouders, en het hart met hoop vervuld, rukte Konradijn zich van de borst zijner moeder los. Door den trouwen vriend zijner jeugd, den prins Erederik van Oostenrijk, en vele duitsche ridders vergezeld, ving hij den noodlottigen togt aan. Juichend ontvingen hem in Italië de Ghibellinen, en vol vrolijken moed trok hij voor zijn goed regt in Italië ten strijde.

Bij Tagliocozzo trad Karei van Anjou hem te gemoet, en hier kwam het in augustus van het jaar 1268 tot een slag. De Eranschen werden overwonnen en terug gedreven, maar de Duitschers wisten van hunne overwinning geen gebruik te ma-

GKUBE, G. D. M. 18

-ocr page 290-

262

ken. Allen gaven zich aan eene onbegrensde vreugde over; zij plunderden de bagaadje en verstrooiden zich ora buit te maken. Velen ook legden de pantsers en wapenen af, om van de inspanningen van den heeten zomerdag uit te rusten. Nu overviel hen plotseling eene fransche afdeeling uit eene hinderlaag en verspreidde algemeene verslagenheid en verwarring in de duitsche legerplaats. quot;Wie vlugten kon, vlugtte; slechts weinigen boden korten tegenstand. Zoo was het geluk van den dag weder verijdeld. Konradijn ijlde met zijn vriend Prederik, nadat zij lang ridderlijk gestreden hadden, naar de zeekust, om te scheep naar Sicilië te ontkomen, maar zij werden herkend en aan Karei van Anjou uitgeleverd. Deze besloot thans, bloedige wraak aan hen te nemeu. Om echter den schijn van onregtvaardigheid te vermijden, stelde hij een regtbank aan, die over de ongeluk-kigen liet doodvonnis moest uitspreken. Doch onverschrokken sprak een der verzamelde regters: „Konradijn heeft niet misdaan door te beproeven om zijn aangeërfd vaderlandsch rijk door een oorlog te herwinnen, en gevangenen met verschooning te behandelen wordt door goddelijk en menschelijk regt geboden.quot; Allen stemden dit toe, op één nietswaardige na, en dit was den dwingeland genoegzaam, om het doodvonnis uit te spreken.

XXI. ONDERGANG DER IIOHENSTAUFEN.

De zestienjarige Konradijn zat juist met zijn vriend aan het schaakbord, toen hun beiden het doodvonnis werd aangekondigd. Zij verloren intusschen hunne bedaardheid niet. De weinige oogenblikken, die hun gelaten waren, gebruikten zij om hun testament te maken en zich door het ontvangen der heilige sacramenten tot den dood voor te bereiden. Den 29sten october 1268 werden de ongelukkigen ter strafplaats digt voor de poort gevoerd, waar op een hoog opgerigt schavot de soherpregter reeds met opgestroopte mouwen op hen wachtte. Thans trad die onregtvaardige regter op en las der verzamelde menigte het vonnis voor. Daarop sprong graaf Robert van Vlaanderen , Ka-

-ocr page 291-

263

reis eigen schoonzoon, doov plotselingen toorn overweldigd , tevoorschijn en riep: „Hoe durft gij, vermetele, onregtvaar-dige schurk, een zoo groot en heerlijk ridder ter dood veroor-deelen!quot; Te gelijk gaf hij hem een houw met het zwaard, zoodat hij voor dood werd weggedragen. De koning, die uit het venster van een tegenover liggend kasteel de teregtstelling aanzag, verbeet zijn toorn hierover, want hij vreesde het volk, dat den jongen prins beminde.

Van het schavot sprak Konradijn nog roerende woorden tot het volk. Vervolgens nam hij afscheid van den vriend zijner jeugd, legde zijn opperkleed af, hief armen en oogen ten hemel en sprak: „Jezus Christus, beheerscher der wereld! Indien deze kelk niet van mij mag voorbijgaan, zoo beveel ik mijn geest in uwe handen!quot; Toen knielde hij neder en riep: „O, moeder, moeder! welk een harteleed bereid ik u!quot; En daarop ontving hij den doodelijken slag. Toen Frederik van Oostenrijk het hoofd van zijn vriend zag vallen, gaf hij, dooide hevigste smart aangegrepen, een luiden schreeuw , zoodat alle omstanders tot tranen geroerd werden. Vervolgens trof ook hem de bijl van den beul.

Zoo beklagenswaardig was het einde van het edele geslacht der Hohenstaufen, dat zoo heerlijk begonnen was. Hoe veel nut had het kunnen stichten, indien het, in plaats van naar vreemde kroonen te streven, zich met allen ijver alleen aan de regering van het Duitsche vaderland gewijd had!

II. EUDOLF EN ALBEECHT.

I. RUDOLF VAN HABSBUKG, DE VROME GEAAF.

Graaf Eudolf van Habsburg reed eens met zijne dienaars naar het veld ter vaikenjagt, en toen hij, met zijn paard alleen , in eene weide kwam, hoorde hij eene schel klinken. Hij reed door de struweelen op het geluid toe, om te vernemen wat daar was. Daar vond hij een priester met het hoogwaardige sakrament en zijn koster, die het klokje voor hem uitdroeg

18*

-ocr page 292-

264

Oogenblikkelijk steeg graaf Eudolf van zijn paard, knielde neder en betoonde zijn eerbied voor het heilige sakrament. Dit nu viel voor aan een klein water, en de priester plaatste het heilige sakrament naast zich, begon zijne schoenen uit te trekken en wilde door de beek, die zeer opgezwollen was, waden, naardien de vonder door het wassen des waters was weggedreven. De graaf vroeg den priester waar hij heen wilde. „Ik breng,quot; antwoordde de priester, „het heilige sakrament aan een zieke, die in groot gevaar verkeert, en nu ik bij het water ben gekomen , is de vonder weggedreven, zoodat ik er door moet waden, opdat de zieke geen schade lijde.quot;

Nu verzocht graaf Rudolf den priester, zich met het hoogwaardige sakrament op het paard te zetten en daarmede naar den zieke te rijden, opdat deze niet veronachtzaamd zou worden. Weldra kwam bij den graaf een zijner dienaars, op wiens paard hij zich zette, en ïeed daarmede ter jagt.

Toen nu de priester weer te huis kwam, bragt hij zelf aan graaf Eudolf het paard weder met groote dankzegging voor de goedheid en de weldaad, die hij hem had bewezen. Nu sprak graaf Eudolf: „God verhoede dat ik of een mijner bedienden ooit willens en wetens een paard bestijge, dat mijnen heer en schepper gedragen heeft. Dunkt u, dat gij het naar regt en billijkheid niet hebben moogt, bestem het dan tot de dienst van God , want ik heb het hem gegeven, van wien ik ligchaam, ziel, eer en goed ter leen heb.quot; De priester sprak: „Heer, zoo moge God u eer en waardigheid hier en hier na-maals schenken.quot;

Den volgenden morgen reed Eudolf naar een klooster. Daar zeide hem de abdis: „Daarom zal God de almagtige u en uwe nakomelingen wederom begiftigen, en gij kunt voor zeker houden, dat gij en uwe nazaten tot de hoogste tijdelijke eer zult geraken.quot;

De priester werd kapellaan van den aartsbisschop van Ments en sprak tot dezen en andere heeren over de groote deugd en tevens over de manhaftigheid van graaf Eudolf mat zulk een

-ocr page 293-

365

lof, dat zijn naam in heel het rijk bekend en beroemd werd, zoodat hij naderhand tot roomseh koning werd gekozen.

n. KUDOLF WORDT TOT KONING VERKOZEN.

Terwijl Kudolf Bazel belegerde (1273), ontving hij de tijding van zijne verheffing tot den duitschen troon. Hij zelf was door het onverwachte berigt verrast, en nog meer waren dit zijne vijanden. Vertoornd sloeg de bisschop van Bazel zich voor het voorhoofd en riep : „Zit maar vast, Heer God , of Eudolf zal uwe plaats innemen.quot; De Bazeler burgemeester echter maakte terstond vrede met hem, opende hem de poorten en zwoer hem den eed der trouw. Hij ging daarop naar Ments, waar hij de rijksinsigniën in ontvangst nam, op den rijksschepter na , die in de tijden der verwarring te zoek was geraakt; vervolgens trok hij naar Aken, waar hij door den aartsbisschop van Keulen op de plegtigste wijze gekroond werd (3 nov. 1273). Terstond daarop riep hij de duitsche vorsten op, om hem wegens de landen, die zij van het rijk in leen hadden, te huldigen. Velen der aanwezige vorsten trachtten zich aan dezen eisch te onttrekken, omdat, zoo als zij zeiden, de rijksschepter ontbrak , op welken deze huldiging gewoonlijk gedaan werd. Maar met de tegenwoordigheid van geest, die overal krachtdadig werkt, greep Kudolf een daarbij staand crucifix aan, hief het in de hoogte en sprak : „Dit teeken, dat de verlossing be-teekent, zal wel den schepter kunnen vervangen, en het zal mij tot schepter dienen tegen allen, die mij en het rijk trouweloos zijn !quot; Daarop reikte hij den vorsten het crucifix aan; zij kusten het en deden daarop de verlangde hulde.

III. HOE KÜDOLF ORDE SCHEPT.

De keizerlooze tijd was voor Duitschland een schrikkelijke tijd geweest; geen regt en geen eerwaardig gebruik had eenige waarde; slechts het vuistregt had gegolden. Eudolf trok nu zelf tegen de roofridders uit en sloopte hunne burgen. In Thu-ringen alleen verwoestte hij zestig van zulke roofnesten. De

-ocr page 294-

266

adellijke roovers liet hij allen, ophangen. Aan de tolopzienera schreef hij: „Ik hoor, dat gij reizigers tot het betalen van onbetamelijke belastingen dwingt en hun ondragelijke lasten oplegt; maar ik zeg u, houdt uwe handen rein van onregtvaardig goed en neemt slechts wat u toekomt; want gij moet weten dat ik er met al mijne magt naar zal streven om geregtigheid te oefenen en orde en rust te handhaven.quot; Den trotschen hertog van Neder-Beijeren en de graven van Zwaben en Bourgondië dwong hij met de wapenen in de hand tot onderwerping. Maar vooral rigtte hij zijne magt tegen den vermogenden, trotschen en oorlogzuchtigen 011 o k a r, koning van Boheme en Moravië en heer van Oostenrijk , Stiermarken, Karinthië en Krain. Deze was vergramd, dat hij niet tot duitsch koning gekozen was, en wilde den nieuwen keizer niet huldigen. Driemaal eischte Kudolf hem op om voor hem te verschijnen en den leenmanseed af te leggen ; maar Ottokar kwam niet. Nu greep Eadolf naar het zwaard en trok met eene legermagt tegen den weerspanneling op. Op het Marchveld, eenige mijlen van Weenen , kwam het in het jaar 1278 tot een beslissenden slag. Aan beide zijden werd met gelijke verbittering en gelijke dapperheid gevochten. Zelfs het leven des keizers kwam in gevaar. Een poolsch ridder rende in wilde onstuimigheid midden door de vijandelijke scharen regtstreeks op Rudolf toe en had reeds diens paard nedergestooten, toen nog gelukkig habsburgsche ruiters toesnelden en hunnen heer uit het dreigende gevaar redden. Ottokar zelf vocht aan het hoofd der zijnen met eene dapperheid, die een beter lot verdiend had. Maar het geluk verliet hem; zijne scharen deinsden overal terug, en hij zelf werd in het gedrang neêrgestooten. Twee stiermarksche ridders, die hij vroeger hard behandeld had, bragten hem den doodelijken slag toe. Zijn lijk werd daarna in de slotkapel te Praag bijgezet. Op het slagveld vond men ook nog dien poolschen ridder zwaar gewond en wilde hem zijne misdaad met den dood laten boeten; maar Rudolf sprak; „Dat verhoede God! Een zoo moedigen ridder te dooden, zou het gansche rijk een onherstelbaar

-ocr page 295-

267

nadeel berokkenen!quot; waarna hij hem op het zorgvuldigst liet verplegen. Even grootmoedig betoonde hij zich voor Ottokars minderjarigen zoon, wien hij het koningrijk Boheme liet behouden. De Oostenrijksche landen echter gaf hij, met bewilliging van den keurvorst, aan zijn zoon A 1 b r e c h t en werd zoo de stamvader van het Oostenrijksche huis. Bij zulke groote magt versmaadde Budolf de praal der romeinsche keizerskroon; hij ging niet naar Italië , gelijk zijne voorzaten, die de kracht der duitsche jeugd aan de romeinsche arglistigheid opofferden; hij ondernam ook geen kruistogt, gelijk paus Gregorius X wenschte. Wel echter bragt hij met sterke hand de koninklijke magt in eer en de wetten weder in achting. Daarom zeide ook een gelijktijdig schrijver, Volkmar: „Eust en vrede volgde op oorlog en verwarring. De landman neemt den ploeg weder ter hand, die langen tijd ongebruikt in een hoek lag; de koopman, die uit vrees voor roovers te huis bleef, doorreist thans het land met groote gerustheid, en booswichten, die te voren openlijk en zonder sckroom rondzwierven, trachten zich in woeste streken te verbergen.

IV. KARAKTER VAM RUDOLF.

Eudolf verachtte allen ijdelen glans, alle weelde en weeke-lijkheid. Bevond hij zich met zijne krijgslieden op marsch, dan schaamde hij zich niet, zijn gescheurden grijzen rok zelf te herstellen , en ontbrak het aan levensmiddelen, dan was hij de eerste, die een raap uit den grond haalde, om daarmede zijnen honger te stillen. Nooit vergat hij op den troon, dat hij mensch was. Ieder had toegang tot den menschlievenden heerscher. Eens, toen de wacht een gemeen man , die hem wenschte te spreken, niet binnen wilde laten, riep hij haar toe: „Och, laat hem toch binnen! Ben ik dan tot keizer verkozen, opdat men mij zou opsluiten?quot;

Eudolf behield tot in zijn hoogen ouderdom een levendigen geest, was een vriend van opgeruimde scherts en vermaakte somwijlen zelf zijn gevolg met aardige boerterijen. Eens werd

-ocr page 296-

268

hij door een bedelaar met de woorden aangesproken : „Broeder Eudolf! Geef een armen man toch een kleine gift!quot; — „Sedert wanneer zijn wij dan broeders?quot; vroeg hem de keizer, wien deze toespraak van een bedelaar toch iets nieuws was. „Welantwoordde de arme, „zijn wij dan niet allen broeders van Adams wege ?quot; — „Gij hebt gelijk,quot; sprak Eudolf, „ik dacht daar zoo dadelijk niet aan.quot; Met deze woorden tastte hij in den zak en drukte hem een penning in de hand. „Maar een penning is voor een groeten keizer toch wat al te weinig,quot; antwoordde de bedelaar. „Wat?quot; hervatte Eudolf, „te weinig? Vriend, als al uwe broeders van Adams wege u zoo veel schonken , zoudt gij spoedig de rijkste zijn.quot; Na dit broederlijk geschenk gaf hij hem vermoedelijk nog een keizerlijk.

Daar Eudolf meestal zeer slecht gekleed ging, werd hij dikwijls voor een gering persoon gehouden en had menig, soms zeer onaangenaam avontuur. Hij vergaf echter gaarne kleine beleedigin-gen, die hem onder zulke omstandigheden wedervoeren. Eens, toen hij zijne hofplaats in de nabijheid van Ments had, kwam hij in zijne gewone eenvoudige kleeding in de stad. Het was een koele morgen, en zijne handen waren stijf van koude. Daarom verheugde hij zich, dat er juist gloeijende kolen uit een oven geworpen werden , en trad toe om zich te warmen. De bakkerin echter, die eene booze heks was en hem voor een gemeen soldaat hield, wilde dat niet dulden en maakte volstrekt geene omstandigheden met hem. „Marscli,quot; zeide zij, „scheer u weg, schurftige rekel, naar uw nietigen koning, die met zijn paarden en krijgsknechten het heele land opeet, en als gij niet dadelijk gaat, giet ik u de kuip water over het hoofd!quot; De keizer meende dat zij toch niet zoo boos zou zijn, lachte om hare schimpredenen en bleef bedaard op zijne plaats. Maar het kijvende wijf voerde hare bedreiging uit en goot den vermeenden krijgsknecht al het ijskoude water over het hoofd. Eudolf ijlde nu zoo snel mogelijk naar de legerplaats terug, om zijne natte kleêren te verwisselen en zich weder te verwarmen. Aan tafel vertelde hij op de hem eigene vrolijke manier zijn avontuur en lachte

-ocr page 297-

269

er met zijne gasten om. Vervolgens nam hij eene flesch wijn van de tafel en zond die met een schotel vol van de beste spijzen aan de onvriendelijke vrouw, naar wier naam hij onderzoek had gedaan. „Ga zeide hij tot den bode, „breng haar dat met mijnen groet, en dat de oude soldaat, dien zij dezen morgen zoo vriendelijk gedoopt heeft, haar voor het frissehe bad wel laat bedanken!quot;

Toen de bakkerin vernam, wie de arme krijgsknecht geweest was, dacht zij van schrik in den grond te zinken. Zij liep ijlings naar de legerplaats en viel den keizer, die nog aan tafel zat, te voet. Eudolf echter beval liaar vriendelijk op te staan en legde haar geene andere straf op dan dat zij voor alle aanwezige heeren hare schimpredenen moest herhalen. Geen woord mogt zij vergeten, en waar zij bleef steken, werd zij door den keizer geholpen, \'t geen een hoogst grappig tooneel opleverde.

Somwijlen merkten \'s keizers vrienden aan, dat hij al te goedig was, doch Eudolf antwoordde hun: „Het heeft mij reeds vaak berouwd, dat ik te streng was, maar nimmer zal het mij rouwen, dat ik te goed ben geweest!quot;

V. ALBRECHT EN DE ZWITSERS.

De opvolger van Eudolf was Adolf van Nassau, en op dezen volgde Eudolfs zoon Albreeht I. Deze vorst was werkzaam, vastberaden en dapper, gelijk zijn vader; hij hield het keizerlijke gezag in stand, bevestigde den landvrede en dwong de vorsten aan den Eijn, de scheepvaart op dezen stroom vrij te laten. Maar hem ontbrak zijns vaders zachtmoedigheid, minzaamheid en vriendelijkheid, en nog lang was dit woord in den mond van het volk: „Die heeft Eudolfs braafheid niet!quot; Zijn vader had niet slechts landen, maar ook harten weten te veroveren. Albreeht wilde slechts landen bezitten en beheerschen. Eudolf had groote bezittingen in Zwitserland, en de drie kantons Sehwyz, TJri en Unterwalden, midden in het land gelegen, verkozen hem tot hun beschermheer; maar keizer Albreeht I wilde de onderwerping zonder verschooning doorzetten. Daar zij zich hunne oude vrijheden niet wilden laten

-ocr page 298-

270

ontrooven, stelde hij landvoogden over hen aan, die hen zwaar verdrukten. Een dezer landvoogden heette Beringar van Landenberg, die te Samen in Unterwalden zijn zetel had; de andere heette Herman Gessier van Bruneck en woonde te Kussnacht in Schwyz. Om het Zwitsersche volk schrik aan te jagen, liet Gessier in Uri een sterkte bouwen, die den naam van „Zwing Uriquot; moest dragen, en toen hij eens door Steinen in het land Schwyz reed en het fraai getimmerde huis zag, dat Werner Stauffacher, een aanzienlijk braaf landman, voor zich gebouwd had, zeide hij met verachtelijken spot: „Kan men dulden, dat het boerenvolk zulke fraaije woningen heeft?quot; Aan den anderen kant liet Landenberg eeuen bejaarden boer te Unterwalden, Hendrik van Melchthal, om een beuzelachtige reden een span fraaije ossen ontnemen. Toen de grijsaard over dit gedrag jammerde, zei de knecht van den landvoogd: „Als de boeren brood willen eten, kunnen zij zeiven den ploeg trekken.quot; Over deze woorden werd des landmans zoon Arnold zoo vertoornd, dat hij met zijn stok den knecht eene dragt slagen gaf en hem een vinger brak. Daarop moest Arnold uit vrees voor Landenbergs toorn vlugten; maar de landvoogd liet den ouden Hendrik van Melchthal vatten en hem beide oogen uitsteken.

VI. DE EED OP DEN RUTLI.

Arnold van Melchthal was naar Walter Furst gevlugt, die in het land Uri te Attinghausen woonde en ook een regt-schapen landman was. Aan het andere einde van het Vierwald-stadter meer woonde Werner Stauffacher, die over het meer kwam roeijen, om aan zijnen vriend Walther Furst het leed te berigten , dat de trotsche woorden van den landvoogd bij hem verwekt hadden. Keeds voor lang waren er boden aan den keizer afgezonden, om hem den nood des lands te klagen; maar deze waren niet tot hem toegelaten. Nu meenden de drie mannen, dat het beter was te sterven dan zulk een smadelijk juk geduldig te dragen. Zij reikten elkander de hand.

-ocr page 299-

271

om in nood en droefenis elkander getrouw bij te staan en met Gods hulp het verbond te vernieuwen, dat het Zwit-sersche volk reeds gesloten had toen Rudolf gestorven was. Ieder der drie mannen gi^g nu uit, om zijne verwanten en landslieden te ondervragen. Allen vonden zij bereid om voor de eer en vrijheid des lands manhaftig te strijden. Ieder had tien zijner meest vertrouwde vrienden tot de gemeenschappelijke beraadslaging opgeroepen. Deze kwamen dan ook in een herfstnacht van het jaar 1307 in alle stilte op den Rutli, eene met hoornen omringde bergweide aan het Vierwaldstadtsr meer, bijeen. Toen nu de drie en dertig mannen vergaderd waren, hieven zij hunne oogen op tot de sterren en vervolgens reikten zij elkander de handen en zwoeren bij God, hunne vrijheid manhaftig te verdedigen, maar daarbij het huis van Habsburg niet in volk en goederen te benadeelen. Aldus zwoeren de eedgenooten, welken eed zij getrouwelijk hebben gehouden.

VIr. WILLEM TELL.

Intusschen had Gessier in zijne achterdocht voorgenomen, de gedachten dergenen uit te vorschen, die van zijne regering en het huis van Oostenrijk het meest afkeerig waren. Te dien einde liet hij in het land Uri den hertogelijken hoed van Oostenrijk op een hoogen staak oprigten met het gebod, dat ieder, die langs dien weg kwam, voor dien hoed moest buigen en hem eerbied bewijzen. Daar kwam Willem Teil, een man uit Burglen in Uri, die mede op den Eutli den eed had gedaan, en wijd en zijd als een dapper schutter bekend was. Deze weigerde den hoed te groeten. De landvoogd, dit vernemende, schoot vol gramschap toe, liet Teil vatten en deed hem in zijnen overmoed deze behandeling aan ; hij liet het kind van Teil bij een lindeboom plaatsen en een appel op het hoofd van den knaap leggen, waarop hij den vader gebood om, daar hij zulk een goed schutter was, terstond den appel van het hoofd des kinds te schieten. Met Gods hulp ondernam Teil de moei-jelijke daad en trof gelukkig den appel, zonder het hoofd van

-ocr page 300-

272

zijn zoontje te krenken. Maar de landvoogd had naauwkeurig op Tells gelaat en houding acht gegeven, en terwijl allen God loofden, dat Hij den braven man had geholpen, sprak hij tot hem; „Gij zijt een wakker schutter! Doch zeg mij eens: ik zag dat gij een anderen pijl bij u staakt; waarvoor was die ?quot; Teil draalde met het antwoord en wilde zich verontschuldigen met te zeggen: „Dat is zoo schuttersgebruik !quot; Doch de achterdochtige landvoogd nam dit niet aan ea sprak: „Teil, er is eene andere reden; zeg mij die vrijmoedig, en gij zult van uw leven zeker zijn.quot; Daarop antwoordde Teil; „Welaan, heer, omdat gij mij van mijn leven verzekerd hebt, zal ik u opregt de waarheid zeggen : zoo ik mijn kind had getroffen, zou ik met den anderen pijl op u geschoten en u zeker niet gemist hebben.quot; Dit hoorende, sprak de landvoogd; „Van uw leven heb ik u verzekerd en wil deze belofte houden. Maar daar ik uwe kwaadwilligheid heb gemerkt, laat ik u binden en op eene plaats brengen , waar zon noch maan schijnt, opdat ik voor u veilig ben.quot; En hij liet hem met ketenen binden en nam hem met zich mede over het Vierwaldstadter meer; want hij wilde hem naar Kussnacht op zijn kasteel brengen en hem daar in den toren werpen. Maar toen zij over het meer voeren en voorbij den Eutli kwamen, verhief zich de woeste wind, die de Föhn heet, en de golven sloegen zoo hoog, dat den landvoogd eene rilling overviel en hij voor zijn leven begon te vreezen. In zulk een doodsnood liet hij Teil, die gebonden in het vaartuig lag, de boeijen afnemen , opdat de in \'t rocijen ervaren man hem zou redden. Nu voerde Teil het schuitje met kracht tegen wind en golven; doch toen zij aan den Arenberg kwamen en Teil een rotsvlak zag, stuurde hij het schip daarheen, greep schielijk zijn boog en sprong toen op het rotsvlak, dat nog tegenwoordig het vlak van Teil heet, terwijl hij voorts met sterken voet aan het vaartuig een stoot gaf, zoodat het weêr het meer opdreef. Eer Gessler aan den oever kwam, was Teil reeds over de bergen verdwenen en verborg zich in den engen bergpas bij Kussnacht, waar Gessler door moest komen. Daar kwam de land-

.

,

-ocr page 301-

273

voogd met wraak in het hart aangereden; Teil spande zijnen boog, en de pijl vloog in het hart van den strengen heer, zoodat hij dood nederviel. Dit was voor de Zwitsers eene reden tot blijdschap; maar zij, die op den Eutli gezworen hadden, hielden zich stil tot den nacht op het einde van het jaar 1307.

vm. HET ZWITSERSCHE VOLK VRIJ.

In den nacht, toen het nieuwe jaar begon, kwam een jong gezel uit Stans, die mede op den Eutli gezworen had, voor de sterkte Eossberg, waarin eene maagd was, die hem. beminde. Deze liet voor hem een touw uit het venster neder, waarmede hij zich tot in haar kamertje naar boven trok. Dit hadden zij zoo afgesproken; maar de jonge gezel had nog twintig eedgenooten mede gebragt, en terwijl hij de maagd onderhield , trokken zij, die met hem gekomen waren, zich de een na den anderen met het touw in het kasteel op. Daar maakten zij zich meester van den ambtman en zijn gezin, zoodat niemand er uit kon, om het aan die van Sarnen te berigten.

Te Sarnen ging Landenberg op nieuwjaarsmorgen naar de kerk om de mis te hooren. Zie, daar ontmoette hij aan de poort twintig mannen uit Unterwalden, die hem volgens gewoonte lammeren , geiten, hazen en gevogelte tot nieuwjaarsgeschenk bragten. Hij liet welgemoed de giften in het kasteel brengen en beval de lieden op hem te wachten tot na de kerk. Zoodra hij weg was, blies een der zaamgezworenen op den hoorn, en op dit teeken staken de anderen scherpe speerijzers, die zij onder hunne kleederen verborgen hadden gehouden, op hunne stokken, terwijl dertig andere eedgenooten toesnelden, die tot nu toe in een elzenboschje verborgen geweest waren, welke vijftig het kasteel veroverden en het tot den grond toe afbraken. Toen Landenberg dit in de kerk vernam, vlood hij sidderend naar Alpnach. Hij werd gevangen, maar de vrije mannen versmaadden het, zijn bloed te vergieten , en lieten hem enkel zweren, het land voor altijd te verlaten.

Toen aldus de sterkte genomen was, gaven de eedgenooten

-ocr page 302-

274

aan allen in het land üntervvalden door een vuur, dat zij op de Alpen ontstaken, het teeken, dat de vrijheid gered was. Nu braken de bewoners van het land Uri den burg af, dien Gessier gebouwd en „Zwing Uriquot; genoemd had, terwijl in Schwyz Stauffa-cher met de eedgenooten den heerenburg op het eiland Schwauau in het Lowerzer meer verwoestten. Toen was er louter gejuich in de drie Woudsteden , en allen dankten God vurig, dat hij hen tegen de dwingelanden had bijgestaan. De 1ste januarij 1308 was de blijde nieuwsjaarsmorgen der vrijheid van het Zwitsersche volk.

IX. MOORD VAN ALBRECHT. ARNOLD VAN WINKELRIED.

Toen keizer Albrecht hoorde wat de Zwitsers gedaan hadden, ontstak hij in toorn en zwoer aan deze „ellendige herdersquot; bittere wraak. Maar de Voorzienigheid had het anders besloten. Onder de velen, die door Albrechts heerschzuchi en roofgierigheid beleedigd werden, behoorde ook zijn eigen neef, Jo-han van Zwaben. Deze had van zijn vader, een broeder des keizers, de Habsburgsche heerlijkheden en landvoogdijen in den Elsas, in Zwitserland en in Zwaben geërfd, en toen hij tot jongeling opgegroeid was, eischte hij van zijn oom de afgifte der erfgoederen. Doch Albrecht paaide zijn neef met beloften van den eenen tijd tot den anderen. In het voorjaar van 1308 was de keizer zelf in de Habsburgsche erflanden gekomen. Toen hij te Baden het middagmaal hield — het was juist de eerste mei — bragten de inwoners den koning meikransen. Nu nam Albrecht den schoonsten, legde hem glimlag-ehend op het hoofd van zijn neef en sprak: „Zie, zulk een kroon moogt gij wel dragen; de andere is voor u nog te zwaar!quot; Deze spot bragt een snood voornemen tot rijpheid, dat reeds lang in \'s jongelings borst gekiemd had. Vier andere ridders versterkten den hartstogtelijken jongen man in zijn opzet; hunne namen waren Kudolf van der Wart, Walther van Eschenbach, Eudolf van Palm en Koenraad van Tegern-feld, Johana opvoeder.

-ocr page 303-

275

Van Baden wilde Albrecht naar Eheinfelden rijden, waar zijne gemalin hem verwachtte. Toen hij aan de Keuss gekomen was, verdrongen de zamengezworenen zich op de smalle brug, om het eerst met hem over te komen. Zoodra zij aan de andere zijde waren, viel Eschenbach het paard van den koning in de teugels, terwijl Johan hem met de woorden: „Dat is het loon voor uw onregt!quot; de speer in den hals stak, en Palm hem met het zwaard doorboorde. Na een luiden schreeuw zonk hij in onmagt van het paard. Eene arme vrouw was in de nabijheid en snelde toe; in haren schoot gaf Albrecht den geest, digt bij den voet van zijn stamburg, het oude Habsburg.

De brave Zwitsers wisten hunne vrijheid niet slechts te veroveren; zij wisten ze ook tegen de magt der vorsten en den druk des adels te handhaven. Leopold, Albrechts jongste zoon, rukte in het jaar 1386 met eene uitgelezene schaar tegen de „ellendige boerenquot; op, die hij gemakkelijk hoopte te vernietigen. De geharnaste ridders hadden zich met gevelde lansen in lange rijen geschaard ; de Zwitsers renden in ligte wambuizen van de bergen af, en hoopten den ijzeren muur door te breken, doch plotseling wendden zich de ridders, trokken in de gedaante van een halve maan om de Zwitsers heen, en de dapperste mannen vielen voor de voeten der ridders. In dezen nood wierp Arnold van Winkelried schild en wapenen weg, en riep met luider stem; „Zorgt voor mijne vrouw en mijne kinderen, lieve eedgenooten! Ik wil eene opening maken.quot; Daarop sprong hij plotseling uit de gelederen reg^ op den vijand toe, omvatte met zijne handen zoo veel spiesen als hij maar kon en begroef ze in zijne borst. In het vallen drukte hij de spiesen mede op den grond, zoodat de ridders, die de wapenen niet loslieten, moesten nederbukken. Terstond drongen de Zwitsers over Winkelfrieds ligchaam heen op de ridders aan, van welke velen in den schrik en in den haast zelfs ongewond inde zware harnassen omkwamen, en velen, door de boeren omsingeld, gedood werden. Ook hertog Leopold van Oostenrijk, een dapper jong heer, in bloeijende man-

-ocr page 304-

276

nelijke kracht, viel onder de slagen der eedgenooten, welke drie dagen lang op het slagveld bleven en hunne dooden begroeven of door de hunnen lieten wegvoeren. Van dezen tijd af aan werd de dapperheid der Zwitsers geroemd en gevreesd; overal heette het, dat God over den moedwilligen trots der hee-ren van adel vierschaar had gehouden.

III. FREDERTK DE SCHOONE VAN OOSTENRIJK EN LODEWIJK VAN BEWEREN (1322 na Chr.)

I. DE BEIJERSCHE VOOGDIJSCHAP.

Frederik en Lode wijk waren bloedverwanten, beiden kleinzonen van koning Rudolf, Frederik van vaders, Lode-wijk van moeders zijde, want Lodewijks moeder Machteld was een zuster van koning Albrecht. Eens, toen Lodewijk zich nog in den leeftijd der prille jeugd bevond, was Machteld met hem voor de mishandelingen van haar anderen zoon Rudolf naar haren broeder Albrecht te Weenen gevlugt, alwaar Lodewijk met Frederik den schoonen werd opgevoed. Zoo waren beiden in jeugdige vriendschap opgegroeid, beiden rijk in heerlijke gaven, vol moed en ridderlijke gezindheid. Nu gebeurde het, dat hertog Otto van Neder-Beijeren op zijn doodbed zijn minderjarigen zoon en zijne twee neven aan de trouw zijner steden Straubing en Landshut opdroeg, opdat zij de weezen zouden beschermen en zijn dapperen en edelen neef, den hertog Lodewijk van Opper-Beijeren, als voogd zouden erkennen. Zij deden dit met vreugde. Maar de neder-beijersche adel wilde de bevoorregting der door hem gehate steden niet dulden, verbond zich, de strenge regtvaardigheid van Lodewijk duchtende, met hertog Frederik van Oostenrijk en droeg aan dezen de voogdij op. Vol verlangen naar roemrijke daden, nam Frederik ze aan, en toen Lodewijk zich dat niet wilde laten welgevallen , kwam het tusschen hen beiden tot een ocrlog. Maar Lodewijk vertrouwde op de degelijke volkskracht der burgers, en blijmoedig zwaaiden deze hunne zwaarden, om

-ocr page 305-

277

den trotschen adel te bewijzen , dat niet het voorregt der geboorte , maar de kracht van den vrijen man het overwigt geeft. Bij Gammelsdorf in Beijeren sloeg Lodewijk met behulp der eenvoudige burgersin 1313 de overmoedige ridderschap van Oostenrijk en Beijeren. Ter gedachtenis aan den moed der strijdbare burgers van Landshut plaatste Lodewijk drie ridderhelmen in hun stedelijk wapen. Hierop sloot Frederik de schoone te Saltsburg een verdrag met Lodewijk van Beijeren en zag van zijne aanspraken op de voogdij in Beijeren af. Een hooger doel stond hem thans voor oogen — de heerschappij van het Duit-sche rijk, dat door den dood van Hendrik VII (1) zonder hoofd geworden was. Lodewijk beloofde, hem bij de verkiezing tot koning niet hinderlijk te zullen zijn.

II. DE DUBBELE VERKIEZING,

Frederik de schoone hoopte met vertrouwen, dat de keus der vorsten op hem zou vallen, want groot was Habsburgs raagt en het aantal zijner vrienden. De aartsbisschop van Keulen, de paltsgraaf Eudolf, de hertogen van Saksen-Witten-berg en van Karinthië waren voor Frederik; maar meer nog, hij had een broeder, die voor hem tegen de gansche wereld gestreden zou hebben; dit was de dappere hertog Leopold, „de bloem der ridderschapquot; genaamd. Maar eene niet minder magtige partij was tegen het huis Habsburg: de jonge koning Johan van Boheme, zoon van Hendrik van Luxemburg, de keurvorsten van Ments en Trier, markgraaf Waldemar van Brandenburg en de hertog van Saksen-Lauenburg, kortom al-

1

Hendrik van Luxemburg, die na de vermoording van Al-brecht tot koning van Duitsohland gekozen werd, was een krachtig en dapper heerseher. Om het keizerlijk gezag in Italië weder te herstellen, was hij naar Italië getrokken, had Rome bestormd en zich in de kerk van het Lateraan de keizerskroon laten opzetten. Maar op zijn togt naar Napels stierf hij plotseling op den 243ten augustus 1313 te Bu-euconvento, waarschijnlijk door vergif, dat een dominicaner monnik hem bij \'t heilige avondmaal met de ouwel ingegeven zou hebben.

GRUBE, G. D. M. 19

-ocr page 306-

278

len die het huis van Luxemburg aanhingen, waarvan de telg, koning Johan van Boheme, echter voor de duitsche keizerskroon nog te jong was. Deze luxemburgsche partij sloeg de oogen op Lode wijk van Beijeren, die als een edel, regtvaardig en dapper heer bekend was, en bood hem de kroon aan. Toen deze boodschap tot hem kwam, sprak hij verrast: „Wat willen de vorsten met mij ? Ik heb mijnen neef Frederik mijn woord gegeven om hem bij de verkiezing niet hinderlijk te zijn! Kiest hem tot koning; ook is zijne magt veel grooter dan de mijne.quot; Daarop antwoordden hem de keurvorsten van Ments en Trier: „De belofte, die gij hem gaaft, is nul en van gee-ne waarde, want gij gaaft die voordat gij kondet weten, dat men u zeiven tot keizer zou verkiezen. Wat uwe magt betreft, zoo weet, dat alle vrienden van het huis Luxemburg voor u instaan.quot; \'Nu willigde Lodewijk eindelijk in. Maar naauw had hij het gedaan , of de eigenbaat der keurvorsten kwf.m aan den dag, en zij bedongen voor zich groote sommen gelds en belangrijke voorregten van hem; want de vorsten hadden dien keizer het liefst, die hen in hunne eigenmagtige heerschappij niet stoorde.

Toen nu de dag voor de verkiezing des konings was aangebroken, legerden beide partijen, de habsburgsche en de luxemburgsche , zich voor Frankfort aan den Mein. Eerstgenoemde verkoos op den 19den october 1314 met vier stemmen Frederik den schoonen, laatstgenoemde op den volgenden dag met vijf stemmen Lodewijk van Beijeren. Vrolijk opende de stad Frankfort voor dezen hare poorten en huldigde hem als regtmatigen heer van het Duitsche rijk, terwijl zij Frederik den schoonen afwees. Toen wilde deze zich schielijk te Aken laten kroonen, doch Lodewijk kwam voor hem aan, waarom Frederik zich den 2 5 sten november te Bonn door den aartsbisschop van Keulen liet kroonen, terwijl Lodewijk den volgenden dag te Aken uit de hand des aartsbisschops van Ments de kroon ontving. Zoo had ieder der beide mededingers een oud gebruik voor zich, en wel Frederik, dat hem die aarts-

-ocr page 307-

279

bisschop gekroond had , welke deze\'handeling reeds sedert oude tijden plagt te verrigten, Lodewijk daarentegen de stad der krooning. Daar nu tot hiertoe de eenparigheid der keurstemmen een vereischte was geweest, zoo beweerde ieder dat het regt op zijne zijde was, en werd de beslissing aan het godsoordeel van den strijd overgelaten. Daardoor werd geheel Duitsch-land, en, helaas, jaren lang, in een slagveld verkeerd!

m. SLAG BIJ AMPFING. SCHWEPPEHMANN.

Eindelijk kon de vurige Frederik zijn ongeduldig verlangen naar eene beslissing niet langer bedwingen en deed in den herfst van het jaar 1322 een inval in Beijeren. Zijne losbandige krijgslieden hielden daar zoo slecht huis, dat Lodewijk, door droefheid over den nood des volks diep getrotfen, liever van de kroon afstand wilde doen, dan het nog langer te zien lijden. Doch reeds drongen Frederik en Leopold hem tot den slag. Leopold wilde van den kant van Zwaben tegen hem oprukken ; Frederik legerde zich met een talrijk en sterk leger, dat nog door hongaarsche hulptroepen versterkt was, bij het stadje Muhldorf aan den Inu, en zond renboden aan zijn broeder Leopold, om met zijne troepen zoo schielijk mogelijk op te dagen. Ware het den beiden broeders gelukt, hunne strijdkrachten te vereenigen, dan was Lodewijk verloren geweest. Doch Leopold talmde te ongelegener tijd, doordien hij uit wraak de goederen van den graaf van Montfort verwoestte , en tot Lodewijks geluk vingen de monniken van Furstenfelde de boden op, die tusschen de beide broeders heen en weer trokken, zoodat geen van beiden iets van den anderen vernam. Met spoed trok Lodewijk thans zijn vijand te gemoet en schaarde zijne legermagt bij Ampfing (niet ver van Mühldorf) in slagorde; met hem waren de meeste burgers benevens troepen van den keurvorst van Trier en van den koning Johan van Boheme. Hij vertrouwde de leiding van den slag en het opperbevel aan een ervaren ridder, S e i f r i e d Schweppermann, toe. Toen deze, een krom gebogen grijs-

19*

-ocr page 308-

280

aard, kwam aanrijden, slingerden zijne beenen in de stijgbeugels, zoodat alle jonge heeren hem uitlachten; hij liet hen lagchen en regelde in stilte de orde van den slag. Den burggraaf van Neurenberg, Frederik van Hohenzollern, legde hij met 400 ridders, die uit krijgslist oostenrijksche kleuren en vanen aangenomen hadden, in eene hinderlaag. Koning Lo-dewijk droeg een eenvoudigen wapenrok, als een gemeen soldaat , uit voorzigtigheid, daar mpn zijn leven reeds verraderlijk belaagd had. Frederik reed, als koning uitgedost, in het blinkend gouden harnas, met den rijksadelaar er op en de kroon op den helm, trotsch en verheugd de zijnen vooruit; nooit scheen hij schooner dan op dezen dag. Op den vroegen morgen van den 28sten september 1322 ving de strijd aan. De slaghorens schalden; de legerpauken roffelden daartusschen; met gehuil renden Frederiks hulptroepen uit Hongarjjë, de wilde Knmanen en Bulgaren , tegen den linker vleugel van Lo-dewijks slagorde op. Daar stonden de Bohemers onder hunnen koning Johan en verdedigden zich heldhaftig. Nogtans moesten zij en de Beijerschen over den Inn terug wijken.

Reeds was Lodewijk zelf in gevaar van gevangen te worden , toen de munchensche bakkers naar hem toesnelden en met duchtige houwen ruim baan maakten. Beijersche ridders hielden de vlugt van hun voetvolk tegen, en nu konden ook de Bohemers zich weder verzamelen. Intusschen wendde de schrandere Schweppermann plotseling den linker vleugel, zoodat de vijanden zonneschijn, wind en stof in het gezigt kregen. Vol geestdrift vocht Frederik met ridderlijken heldenmoed om de kroon: zegekreten weerklonken door zijn leger. Doch onverschrokken vocht en verweerde zich Lodewijks leger tien uren lang. Hoor! daar stegen van den regter vleugel van het oostenrijksche leger luide vreugdekreten op, terwijl uit een boschrijk dal aan de Isar versche benden met oostenrijksche kleuren en vanen aanrukten. Dat is zeker hertog Leopold ! De scharen ijlden digt in de zijden en den rug der Oostenrijkers. Thans eerst van aangezigt tot aangezigt, merken deze de krijgslist —

-ocr page 309-

281

niet Leopold, raaar hun vijand, de burggraaf van Neurenberg , is het. Nu verspreidt de ontsteltenis zich in de oos-tenrijksche gelederen. Aan alle zijden omsingeld, slaan zij op de vlugt. Slechts Prederik vecht nog met drie edele strijdgenoo-ten als razend op eene weide. Eindelijk valt zijn paard; daarop ijlt de ridder Albrecht van Eindsmaul, Schweppermanns zwager, op hem toe aan wien hij zijn zwaard overgeeft.

Vriendelijk begroette hem Lodewijk, die door deze overwinning nu alleenheerscher geworden was : „Wij zien u met genoegen , heer neef!quot; Doch Frederik zweeg met neergeslagen oogen en diepe droefheid. Toen daarop des avonds de vermoeide helden zich aan den maaltijd\' begaven, was er na zoo veel strijd slechts schrale kost; in de geheele geplunderde landstreek waren niet meer dan eenige eijeren te vinden geweest. Koning Lodewijk verdeelde die; voor ieder was er een, terwijl er één ei overschoot. Dit laatste gaf hij aan den ouden bevelhebber en sprak; „Ieder een ei, maar den dapperen Schweppermann twee !quot; Deze woorden liet de oude held op zijn grafsteen beitelen. De gevangene koning werd vervolgens naar het kasteel Trausnitz, niet ver van Landshut in Bei-jeren, gebragt. Toen de deuren der ijzeren poort van het kasteel zich knarsend opende, en Frederik er doorreed , sprak hij : „Ja wel, Trausnitz (vertrouw het niet!)—Ik zou hier niet zijn, als ik niet al te zeer op mijne krachten vertrouwd had!quot;

IV. VERZOENING VAN FREDEEIK EN LODEWIJK.

Hiermede was de oorlog echter niet geëindigd; hertog Leopold zette dien voort, en bragt koning Lodewijk zeer in de engte. Daarbij kwam, dat de paus Johannes XXII, jegens wien Lodewijk niet gehoorzaam genoeg geweest was, vriend en vijand tegen hem opzette, ja eindelijk den koning in den ban deed en over het Düitsche land het interdict uitsprak. Onder deze omstandigheden vond Lodewijk en het Duitsche volk een on-verwachten bijstand in deminoriten (franciskaner monni-

-ocr page 310-

282

ken). Deze verdedigden hardnekkig de gelofte van onvoorwaardelijke armoede, ten gevolge waarvan zij niet het geringste aardsehe goed mogten bezitten. Daar nu de paus deze stelling verwierp, traden zij fier tegen hem op en bestreden zijn gezag. Ijverig openden zij het lang verblinde volk de oogen , zoo wel door predikatiën als in de biechtstoelen, over alle aanmatigingen van den roomschen stoel, over alle misbruiken en ondeugden aan het roomsche hof. Zoo verscheurden zij den sluijer van den waan, achter welken het volk zich den paus niet enkel als Gods plaatsbekleeder, maar bijkans als den almagtigen God zeiven, in onbegrijpelijke heiligheid en majesteit had voorgesteld. Toen verloor het vroeger zoo geduchte wapen van het interdict zijne verschrikking, en wilden de geestelijken, aan het bevel van den paus gehoorzaam, soms geene godsdienstoefening meer houden, dan dwong nu het volk hen hiertoe. Doch dit maakte den paus nog slechts te meer tegen Lode wijk verbolgen.

In dezen nood kwam de karthuizer prior Godfried van Mau-erbach, Frederiks biechtvader, bij Lodewijk en sprak met zachte woorden tot zijn hart. Aandachtig hoorde Lodewijk hem aan; hij herinnerde zich de vriendschap hunner jeugd, en vol vertrouwen op Frederiks edel hart zag hij in de v e r z o e n i n g de ster des heils. Zoo reed hij in allerijl van Munchen naar de sterkte Trausnitz en bood daar aan Frederik den schoonen zonder losgeld de vrijheid aan. Vrijheid! — Dit woord klonk den gevangene als heilig klokgelui in de ooren; dronken van vreugde deed hij afstand van het rijk en beloofde, zoo voor zich als voor zijne broeders, den koning Lodewijk te huldigen en hem ook tegen den paus bij te staan; — eindelijk, bijaldien het hem niet mogt gelukken, de vijanden te verzcenen, zich op St. Jans dag weder in hechtenis te begeven. Godvruchtig hoorden hierop de verzoende vrienden der jeugd de mis en gebruikten het heilig avondmaal; de edele priester Godfried deelde de hostie tusschen hen tot wijding der eendragt en des vredes. Zij omarmden en kusten elkander, en de geest des

-ocr page 311-

283

Heeren heiligde dit uur der verzoening. Dit gebeurde op den 13den maart 1325.

Bleek en vermagerd keerde Frederik, die vroeger zoo schoon en vrolijk geweest was, naar Weenen terug. Zijne trouwe gade Isabella kon het niet meer zien, hoe zijne schoonheid in het onheil verdwenen was; zij had zich om hem blind geweend. Doch hij riep terstond al zijne broeders bijeen en verzocht hun, den koning Lodewijk te huldigen en hem de rijksgoederen in Zwaben en den Elsas terug te geven; het gansche Duitsche rijk riep hij op om Lodewijk als den regtmatigen heer te erkennen. Doch hertog Leopold sloot zijn oor voor alle gebeden en sprak : „Nooit zal ik vervullen wat gij, overrompeld in den nood, beloofd hebt. O zie! Mijn geheele leven offerde ik enkel voor de magt en de eer van ons huis op — voor u, mijn Frederik, voor u! En alles zou thans te vergeefs zijn? Neen! Eindelijk is de fortuin ons gunstig; gij zijt vrij, ik ben ten krijg toegerust, onze bondgenooten wachten ongeduldig op den strijd. Daarom niets van vrede!quot; De paus hitste deze onstuimigheid aan en sprak: „Nietig is de eed, dien gij aan Lodewijk hebt gezworen, en wilt gij hem houden, dan treffe ook u de banvloek, gelijk hem !quot; En de onverzoenlijke paus riep ook nog de koningen van Polen en Frankrijk tegen Duitschland op, ten einde Lodewijk van Beijeren in \'t verderf te storten.

Toen Frederik nu zag, dat het hem onmogelijk was, de ge-gevene belofte te vervullen en de vijanden van Lodewijk te verzoenen , wilde hij toch zijn woord gestand doen. Hij reisde tegen St. Jan naar Munchen en begaf zich vrijwillig in gevangenschap. Diep geroerd sloot Lodewijk hem aan zijn hart en wilde hem niet weer laten gaan. Van nu af aten beiden-aan eene tafel en sliepen in één bed, als twee eigen broeders. De paus kon zulke duitsche trouw langen tijd niet voor mogelijk houden, doch Lodewijk stelde er een vast vertrouwen op, en toen hij zijnen zoon, wien hij met de mark Brandenburg beleend had, ter hulp moest trekken, gaf hij aan den trouwen Frederik het bestuur over. Op den 5den september 1326

-ocr page 312-

284

sloot Lodewijk met Frederik een verdrag, dat zij ook, gelijk tafel en bed, de heerschappij zouden deelen. Dit hielden zij nogtans geheim , opdat de paus met de keurvorsten er zich niet tegen zouden kunnen verzetten.

IV. MAXIMILIAAN, DE LAATSTE RIDDER OP DEN TROON.

I. MAXIMILIAAN UIT EEN GROOT GEVAAR GERED.

Toen Maximiliaan den troon beklom, was hij een jongeling van buitengewoon schoone gestalte en ongemeene lieftalligheid van zeden, vlug en vurig, bereid om het gevaarlijkste waagstuk te ondernemen. In ridderlijke deugden werd hij door niemand overtroffen. Op een rijksdag te Worms verscheen eens een ridder van reusachtige grootte, die de dapperste duitsche ridders tot een steekspel uitdaagde. Lang durfde niemand het wagen, met dezen Goliath in het strijdperk te treden, toen op eens een bevallig ridder in schitterende wapenrusting met gesloten vizier kwam aanrijden, en na korten strijd tot aller verbazing den reus uit den zadel in het zand wierp. Allen juichten over die duitsche kracht en dapperheid; maar de vreugde steeg ten top, toen de ridder het vizier opsloeg en men den zoon des keizers herkende.

Hij klauterde de gemzen tot op de hoogste rotspunten na. Eens ging hij in de Tiroler Alpen op de gemzenjagt; daar geraakte hij in den omtrek van Innsbruck op eene hooge rots, de Maartenswand genaamd. Hij was zoo ijverig van rots tot rots geklauterd en gegleden, dat hij nu in duizelingwekkende hoogte den Maartenswand tegenover zich zag en niet meer achter-of voorwaarts kon. Hoe zeer zijn oog ook r,aar een uitweg zocht, nergens zag hij de mogelijkheid om terug te keeren. Voor hem was een steile afgrond, wel 200 vademen diep. Zijne vrienden hadden hem uit het oog verloren; eindelijk echter ontdekten zij hem op de gevaarlijke plaats. Twee dagen en twee nachten bragt de al te stoutmoedige vorst op het rotsvlak door»

-ocr page 313-

285

en hij wanhoopte aan zijne redding. Beneden had bet getrouwe Tiroolsehe volk, dat hem gaarne zou geholpen hebben, zich verzameld, en Maximiliaan gaf hun door teekenen te verstaan, dat hij zich tot den dood wilde voorbereiden en gaarne het heilige avondmaal nog eens zoude gebruiken. Terwijl nu de priester diep beneden voor hem de mis las en het allerheiligste omhoog hief, viel de vrome vorst op de knieën en beval zijne ziel aan den barmhartigen God, en al het volk lag op de knieën en bad mede. Maar terwijl Maximiliaan nog bad, hoorde hij achter zich een gedruisch; hij keert zich om en ziet een jongen Tiroler, die hem trouwhartig de hand drukt en aldus spreekt: „Genadige heer, wees getroost! God leeft nog, die u uit het gevaar zal redden. Volg mij en vrees niet, ik zal u aan den dood onttrekken.quot; En het gelukt den braven man, die iedere rotspunt naauwkeurig kent, zijnen vorstelijken meester zonder gevaar terug te leiden en zijn dierbaar leven te behouden. Het was alsof de Hemel zelf den reddenden engel had gezonden !

II. KTJNZ VON DER ROSEN, MAXIMILIAANS GETROUWE DIENAAR.

De beroemdste en verstandigste onder de hofnarren van keizer Maximiliaan I was Kunz of Koenraad von der Eosen. Deze was een vertrouwd gunsteling des keizers en had zich door zijne trouw en vrolijke invallen zoo bemind bij hem gemaakt, dat zijn heer hem altijd bij zich moest hebben.

Toen Maximiliaan nog als roomsch koning in \'t jaar 1488 in de Nederlanden een landdag uitschreef, om de onrustige onderdanen tot orde te brengen, ried hem Kunz von der Eosen, zijn snaaksche raadsman, om zich niet naar Brugge te begeven , daar het hem anders slecht zou kunnen bekomen. Doch Maximiliaan stoorde zich niet aan de waarschuwing van zijn anders kloekmoedigen vriend en reisde er toch heen. Toen nu de koning voor de St. Catharinapoort aankwam, reed Kunz naar hem toe en zeide in \'t bijzijn van alle anderen: „Lieve koning! ik zie wel, dat gij uwe getrouwe raadslieden en mij

-ocr page 314-

286

niet wilt volgen, maar gevangen worden. Dus zeg ik n , dat ik niet gevangen wil worden. Ik wil u tot aan het paleis in de stad geleiden, maar mij dan terstond weêr uit de Gentsche poort wegpakken. Maar als gij zult zien en hooren, dat buiten de stad de dorpen en lusthuizen branden, bedenk dan dat uw hofnar Kunz dit bewerkt heeft.quot; Koning Maximiliaan gaf hem tot antwoord : „Kutiz, ik zie wel dat gij van mijne zonen te Brugge, die ons toch alle trouw beloofd hebben, niet veel goeds verwacht.quot; Waarop Kunz zeide: „Dat dank u de koekkoek ! Hij, dien ik gerust vertrouwde, zou mij mijn paard wel eens kunnen ontkapen!quot; Zoo reed hij met den koning de stad in en de andere poort weêr uit naar Middelburg tot hertog Christoffel van Beijeren. Kort nadat Maximiliaan in de stad was afgestapt, ontstond er een oploop. De koning reed naar de markt, om dien te stillen, toen de burgers hem van het paard rukten en hem in het huis van een winkelier bragten, dat na-derband Kranenburg genoemd werd; daar moest hij met een anhaltschen prins en ettelijke anderen des nachts op de bloote bank liggen. De vensters in het kamertje waren met ijzeren staven goed gesloten, en tegenover de vensters stonden drie ge-ladene schietgeweren, alsof men den koning zelfs w;lde doodschieten.

Kunz von der Kosen bleef intusschen niet werkeloos, maar bewees zijne trouw door twee waagstukken. In de eerste plaats had hij zich twee zwemgordels laten maken, waarmede hij des nachts over de slotgracht tot aan het kasteel, waarin men zijn meester gebragt had, zwom, met oogmerk om met behulp van den anderen zwemgordel den koning uit de stad te brengen. Doch hij werd, toen hij zich te water had begeven, door de zwanen aangevallen, die hem onder groot geschreeuw met hare vleugels dermate sloegen, dat hij zich met levensgevaar redden moest en terug zwom. Deze zwanen waren, zei Kunz, even als de burgers van Brugge, franschgezind.

Na dezen mislukten aanslag bedacht Kunz een anderen. Hij leerde het barbieren, of het haarsnijden en baardscheren, sloop

-ocr page 315-

287

Brugge binnen, kwam bij den gardiaan van het franciskaner klooster, die den koning toegedaan was, en ontdekte hem zijn voornemen om zijn meester te bevrijden. Hij verzocht den gardiaan, hem de kruin kaal te laten scheren en hem een ordekleed en tevens een kloosterbroeder (conventuaal) mede te geven; dan zou hij als biechtvader naar den koning gaan, hem insgelijks de kruin kaal scheren, dan hem in zijne pij steken en met den kloosterbroeder uaar het klooster terug zenden. Alsdan moest de gardiaan met den koning zich op een scheepje begeven, dat met vier bedienden en drie paarden buiten de St. Katrijnenpoort op hem wachten zou en hem zoo naar Middelburg wegvoeren. De gardiaan vroeg hem , waar hij zelf dan blijven zou. Hij antwoordde : „Ik zal \'s konings kleederen aantrekken, en wanneer die van Brugge den koning zoeken, zullen zij op diens plaats een nar vinden, met wien zij dan kunnen aanvangen wat zij willen. Al doen zij mij alle martelingen en den dood zelfs aan, \'t is mij genoeg, als ik slechts mijnen heer red, en deze rebellen door een nar bedrogen worden!quot; De gardiaan verwonderde zich over deze trouw, deed wat hij begeerde en beval den kloosterbroeder om van Kunz te zeggen dat hij \'s konings biechtvader was.

Toen zij in \'s konings huis kwamen, en de hopman der lijfwacht vraagde, wat zij bij den koning te verrigten hadden, nam Kunz de kap af, ontblootte zijn kale kruin en gaf op vromen toon ten antwoord, dat hij door den gardiaan was afgezonden om den koning de biecht af te nemen en hem uit Gods woord te troosten. Zoodra hij nu in \'s konings vertrek kwam, begon hij volgens gewoonte met forsche stem den koning aldus aan te spreken; „Zoo , vind ik u nu daar, mijn vrome koning? Verduiveld ! waarom hebt gij mijn raad niet gevolgd, toen ik u waarschuwde ? Zie, ik heb mijn leven om uwentwil gewaagd, en wil u met Gods hulp uit de handen uwer vijanden verlossen; maar gij moet mijn raad thans beter volgen.quot; De koning wist niet wat hem overkwam; hij herkende wel zijnen Kunz aan de spraak, maar het kwam hem toch onmogelijk voor, dat hij zoo

11

A

1«; li

li

i 1

i.

i\'ii

-ocr page 316-

288

door drie wachten tot hem had kunnen komen. Toen Kunz Maximiliaan zoo onthutst zag, zeide hij verder tot hem: „Lieve Max! Laat u dat niet bevreemden, gij kent immers Kunz, uw trouwen nar. Daar heb ik mijn scheergereedschap, waarmee ik u de kruin wil scheren, want ik heb om uwentwil dit handwerk geleerd. Ik wil ook met u van kleederen ruilen en hier blijven, terwijl gij in mijne pij voorbij de wacht de deur uit moet gaan. Alles is reeds gereed ; kom maar en laat u scheren!quot;

Doch de edele koning Maximiliaan meende, dat het zijne hoogheid slecht paste, op zulk eene wijze uit de gevangenschap te ontkomen, vooral daar hij vernomen had, dat eene sterke hulp om hem te redden in aantogt was, weshalve hij den raad van zijn trouwen Kunz niet wilde volgen. Deze sprak toen: „Lieve koning! Ik zie wel dat gij altijd nog zulke zotte streken begaat als te voren. Dus behoede u God, mijn dwaze koning; gij zijtal te vroom voor de Vlamingers!quot; Weenend en bedroefd ging hij weêr de deur uit, en toen de hopman hem vroeg, hoe hij den koning gevonden had, antwoordde hij: „Vroom!quot;

-ocr page 317-

m

;\'\'

ZESDE AFDEELING.

UIT DE GESCHIBDEKTIS VAN NEDERLAND EN FRANKRIJK.

LAATSTE GRAVEN UIT HET HOLLANDSCHE HUIS.

Ti iilffl\' \'fli

t

iifl

I.

I. WILLEM II, GRAAF VAN HOLLAND , ROOMSCH KONING.

Nadat Willem in 1247 tot Roomsch koning verkozen en tot ridder geslagen was (zie bl. 219 en 259), begon voor hem een tijd van worsteling en strijd, die hem in vele moeije-lijkheden en bezwaren moest storten, want wel verre dat zijne verkiezing met algemeene stemmen was geschied, had het grootste gedeelte van Duitschland zich voor keizer Frederik II verklaard, terwijl Aken, waar volgens een oud gebruik de Roomsche koningen gekroond moesten worden, benevens verscheidene andere belangrijke steden aan den Rijn, nog in handen waren van \'s keizers bekwamen zoon Koenraad IV. Ten einde den aanhang van dezen gevaarlijken vijand te fnuiken en zich in het hem opgedragen gezag te vestigen, moest Willem derhalve alle krachten inspannen; doch het onderhoud van de legermagt, die hij daartoe behoefde, ging zijne krachten te boven. Hoewel hij tot de rijkste vorsten van zijn tijd behoorde waren noch zijne gewone inkomsten, noch de onderstand van eenige duitsche vorsten, noch de aanzienlijke sommen, door den paus uit Duitschland en eenige andere gewesten voor hem bijeengezameld, daartoe voldoende. Zoo was hij verpligt, uit geldgebrek, de stad en het gebied van Nijmegen, die geen ander heer dan het opperhoofd van het rijk erkenden, aan graaf Otto vaa

IC,

11 ï

! ■;!

i

. :

lil!?» f

lil feil i f

7

-ocr page 318-

290

Gelre fe verpanden, gelijk hij kort te voren de vrije rijksstad Duisburg aan zijn bloedverwant, den hertog van Limburg, verpand had , terwijl hij voorts velerlei gunstbrieven verleende, voornamelijk om in zijne behoefte aan geld te voorzien.

Ondertusschen hadden onderscheidene kerkvoogden, waaronder de aartsbisschop van Bremen, benevens eenige steden zijne partij gekozen. Maar vooral trachtte de paus, op wiens aanbeveling hij voornamelijk gekozen was, zijne zaak te bevorderen. Niet slechts bedreigde hij al de aanhangers van Frede-rik met den kerkban, maar beval, het kruis tegen dien vorst aan te nemen, onder toezegging van vergiffenis van zonden voor elk, die in dezen heiligen krijg de wapenen zou opvatten. Om Frederik in Italië werk te verschaffen, had hij den opstand der Italiaansche steden tegen het keizerlijke gezag aangestookt, terwijl Koenraad zich nog steeds in Zwaben ophield, om het aldaar uitgebarsten oproer te bestrijden.

Het eerste, dat Willem nu te doen stond, was de belegering der stad Aken, waar hij gekroond moest worden, en waarover de kerkelijke banvloek reeds was uitgesproken. Hoewel verscheidene duitsche en nederlandsche vorsten zich hier bij hem voegden, kon hij zich echter, bij gebrek aan de noodige middelen, slechts tot eene insluiting bepalen, ea eerst toen door bewerking van den paus de bisschop van Metz en de hertog van Opper-Lotharingen aan zijne zijde gebragt waren, kon het beleg met nadruk worden voortgezet.

De opstand had zich inmiddels door geheel Duitschland verspreid. Op de prediking der monniken, om het kruis tegen den keizer op te nemen, hadden duizenden krijgslieden het leger van Koenraad verlaten en waren voor Aken verschenen, terwijl de paus die nederlandsche onderdanen van Willem, welke het kruis hadden aangenomen, om onder aanvoering van Lo-dewijk IX van Frankrijk een kruistogt naar het heilige land te ondernemen, van hunne gelofte ontsloeg, indien zij voor Aken hunnen vorst wilden bijstaan. Talrijke scharen, niet slechts uit Holland, Zeeland en Friesland, maar ook uit Gelderland,

-ocr page 319-

291

Utrecht, Luik en Henegouwen, snelden toen naar het leger des konings, welk voorbeeld door vele nederlandsche grooten en edelen, waaronder de hertog van Brabant, de graaf van Gelre enz., gevolgd werd. Met het leger. dat nu tot een getal van twee maal honderd duizend man was aangegroeid , zette Willem, omringd door een schitterenden stoet van geestelijke en wereldlijke rijksgrooten, edelen en ridders , het beleg met kracht door. Een groot voordeel voor Willem was het, dat Koenraad, die door de oproerlingen geslagen en genoodzaakt was naar Beijeren te vlugten, de stad Aken aan haar lot moest overlaten. Ofschoon de inwoners zich met de grootste dapperheid verdedigden, begon de ellende onder hen echter ten top te stijgen, toen eene nitgelezene bende Friezen eenige sterke pnnten om de stad vermeesterde , die nu zoo naauw werd ingesloten , dat alle toegang onmogelijk werd gemaakt, en terwijl honger en ziekte vele slagtoffers maakten, werd de belegering ondertusschen nacht en dag voortgezet. Daar de trouw der belegerden nogtans niet wankelde, besloot men, op voorstel der Friezen, de stad door haar eigen water tot de overgaaf te dwingen. Zij damden den stroom, die door de stad vloeit, af, waardoor het water in het laagste gedeelte weldra zulk eene hoogte bereikte, dat de meeste huizen onder liepen, en de inwoners naar het bovenste gedeelte hunner woningen de wijk moesten nemen. Aan het ontzet wanhopende en door gebrek gefolterd, moesten zij zich onderwerpen. De stad ging, 16 oct. 1248, op vrij gunstige voorwaarden over en zwoer den paus en den nieuwen koning trouw, waarna Willem een prach-tigen intogt hield en den Isten november in de hoofdkerk met de meeste plegtigheid gekroond werd.

Door het bezit van Aken was zijne zaak echter nog geenszins beslist; nog veel was er te verrigten, eer hij zich in het gerust bezit des rijks kon verheugen. Eerst trok hij tegen Keizers-waard op, een sterk slot op een eiland in den Rijn, dat manmoedig verdedigd werd, en meer dan een jaar al het geweld van Willem weerstond. Eerst toen verdere tegenstand dwaas-

i

i

1

MüS

•i m

k v lil

lil l \'li

Ifffi ; 1

;;; fel

1

\'1

-ocr page 320-

290

Gelre (e verpanden, gelijk hij kort te voren de vrije rijksstad Duisburg aan zijn bloedverwant, den hertog van Limburg, verpand had , terwijl hij voorts velerlei gunstbrieven verleende, voornamelijk om in zijne behoefte aan geld te voorzien.

Ondertussehen hadden onderscheidene kerkvoogden, waaronder de aartsbisschop van Bremen, benevens eenige steden zijne partij gekozen. Maar vooral trachtte de paus, op wiens aanbeveling hij voornamelijk gekozen was, zijne zaak te bevorderen. Niet slechts bedreigde hij al de aanhangers van Frede-rik met den kerkban, maar beval, het kruis tegen dien vorst aan te nemen, onder toezegging van vergiffenis van zonden voor elk, die in dezen heiligen krijg de wapenen zou opvatten. Om Frederik in Italië werk te verschaffen, had hij den opstand der Italiaansche steden tegen het keizerlijke gezag aangestookt, terwijl Koenraad zich nog steeds in Zwaben ophield, om het aldaar uitgebarsten oproer te bestrijden.

Het eerste, dat Willem nu te doen stond, was de belegering der stad Aken, waar hij gekroond moest worden, en waarover de kerkelijke banvloek reeds was uitgesproken. Hoewel verscheidene duitsche en nederlandsche vorsten zich hier bij hem voegden, kon hij zich echter, bij gebrek aan de noodige middelen, slechts tot eene insluiting bepalen, en eerst toen door bewerking van den paus de bisschop van Metz en de hertog van Opper-Lotharingen aan zijne zijde gebragt waren, kon het beleg met nadruk worden voortgezet.

De opstand had zich inmiddels door geheel Duitschland verspreid. Op de prediking der monniken, om het kruis tegen den keizer op te nemen, hadden duizenden krijgslieden het leger van Koenraad verlaten en waren voor Aken verschenen, terwijl de paus die nederlandsche onderdanen van Willem, welke het kruis hadden aangenomen, om onder aanvoering van Lo-dewijk IX van Frankrijk een kruistogt naar het heilige land te ondernemen, van hunne gelofte ontsloeg, indien zij voor Aken hunnen vorst wilden bijstaan. Talrijke scharen, niet slechts uit Holland, Zeeland en Friesland, maar ook uit Gelderland,

.

-ocr page 321-

291

Utrecht, Luik en Henegouwen, snelden toen naar het leger des konings, welk voorbeeld door vele nederlandsche grooten en edelen, waaronder de hertog van Brabant, de graaf van Gelre enz., gevolgd werd. Met het leger, dat nu tot een getal van twee maal honderd duizend man was aangegroeid , zette Willem, omringd door een schitterenden stoet van geestelijke en wereldlijke rijksgrooten, edelen en ridders , het beleg met kracht door. Een groot voordeel voor Willem was het, dat Koenraad, die door de oproerlingen geslagen en genoodzaakt was naar Beijeren te vlugten, de stad Aken aan haar lot moest overlaten. Ofschoon de inwoners zich met de grootste dapperheid verdedigden, begon de ellende onder hen echter ten top te stijgen, toen eene uitgelezene bende Friezen eenige sterke punten om de stad vermeesterde , die nu zoo naauw werd ingesloten , dat alle toegang onmogelijk werd gemaakt, en terwijl honger en ziekte vele slagtoffers maakten, werd de belegering ondertusschen nacht en dag voortgezet. Daar de trouw der belegerden nogtans niet wankelde, besloot men, op voorstel der Friezen, de stad door haar eigen water tot de overgaaf te dwingen. Zij damden den stroom, die door de stad vloeit, af, waardoor het water in het laagste gedeelte weldra zulk eene hoogte bereikte, dat de meeste huizen onder liepen, en de inwoners naar het bovenste gedeelte hunner woningen de wijk moesten nemen. Aan het ontzet wanhopende en door gebrek gefolterd, moesten zij zich onderwerpen. De stad ging, 16 oct. 1248, op vrij gunstige voorwaarden over en zwoer den paus en den nieuwen koning trouw, waarna Willem een prach-tigen intogt hield en den Isten november in de hoofdkerk met de meeste plegtigheid gekroond werd.

Door het bezit van Aken was zijne zaak echter nog geenszins beslist; nog veel was er te verrigten, eer hij zich in het gerust bezit des rijks kon verheugen. Eerst trok hij tegen Keizers-waard op, een sterk slot op een eiland in den Kijn, dat manmoedig verdedigd werd, en meer dan een jaar al het geweld van Willem weerstond. Eerst toen verdere tegenstand dwaas-

-ocr page 322-

292

heid geweest zou zijn , besloot de wakkere bevelhebber Gemand tot de overgave. Tot loon zijner dapperheid beleende de grootmoedige koning hem en zijne nakomelingen met dat slot. — De verovering van Keizerswaard werd door de onderwerping van de meeste plaatsen en vestingen aan den Kijn en de Moezel gevolgd.

Intusschen had Koenraad , die na het overlijden zijns vaders, 1250, den titel van keizer had aangenomen, weder eene leger-magt verzameld, die hij in \'t begin van 1251 naar den Eijn voerde. Heeds was hij tot Trier doorgedrongen, toen Willem hem met aanzienlijke strijdkrachten te gemoet snelde en bij Oppenheim slag leverde. In dien slag, waarin aan beide zijden met verwoedheid werd gestreden , behaalde Willem, door hulpbenden onder aanvoering van den bisschop van Metz ondersteund, de overwinning. Koenraad vlugtte en vertrok kort daarop naar Italië, waarna vele steden en gewesten in Duitsch-land zich aan zijn tegenstander onderwierpen. Deze was kort te voren door den paus in eene groote vergadering van bisschoppen als opperhoofd van het rijk bevestigd, terwijl de kerkvoogd, om de nog aan Koenraad getrouw geblevene rijksvorsten te verdeden en Willems betrekkingen in het rijk te versterken, een huwelijk bewerkte tusschen hem en Elizabeth, dochter van Otto I, hertog van Brunswijk en Luneburg, een destijds mag-tig vorst, aan de voornaamste huizen van Duitschland vermaagschapt. Op den burg van Hendrik den Leeuw te Brunswijk werd de echtverbindtenis met alle plegtigheid voltrokken; maaide bruiloftsvreugde had een ongelukkigen afloop. In den nacht ontstond er brand op het kasteel, en weldra bereikten de vlammen het slaapvertrek der jong gehuwden, die zich, door de bekendheid der jeugdige vorstin met de gangen van\' het gebouw , wel gelukkig aan het gevaar onttrokken, maar daarbij verscheidene kleinoodiën en prachtige kleederen, ja zelfs de koningskroon verloren. Willem vertoefde echter nog een geruimen tijd te Brunswijk, waar verscheidene duitsche groeten, zoo als de markgraven van Brandenburg, de hertog van Saksen en an-

-ocr page 323-

293

»

land deren, hem als vorst erkenden en huldigden. Doch terwijl de oot- omstandigheden in Duitschland zich meer en meer tot zijn

_ voordeel wendden, vorderden de geschillen met Vlaanderen

ping i zijne tegenwoordigheid in Holland, werwaarts hij dan ook wel-)ezel dra terug keerde.

H. ONLUSTEN MET VLAANDEREN. DE ZWARTE GRIET.

De redenen van die geschillen waren deze: „Een der voorzaten van Willem, graaf Moris III, was in het jaar 1168 genoodzaakt geweest, een nadeelig verdrag aan te gaan met den graaf van Vlaanderen, waarbij\' onder anderen bepaald was, dat de hollandsche graven Zeeland slechts als een leen van Vlaanderen zouden bezitten. Intusschen bleef Zeeland altijd een leen van het rijk, zoodat de beheerscher van Vlaanderen, nu Willem roomsch koning geworden was , geacht moest worden, het zelfde Zeeland — dat Willem als hollandsche graaf van hem in leen had — ook van dezen, als zijn opperheer, wederkee-rig in leen te houden. In dien tijd regeerde over Vlaanderen de gravin M a r g a r e t h a, in Holland gewoonlijk zwarte Griet genaamd, dochter van Boudewijn IX, die in 1204 keizer van Constantinopel was geworden (zie bl. 206). Zij was in 1210 gehuwd met Bouchard, heer van Avennes in Henegouwen, doch had zich, nadat uit dit huwelijk reeds twee zonen, Jan en Boudewijn, gesproten waren , weder van hem gescheiden, omdat men ontdekte dat Bouchard weleer de kerkelijke gelofte had afgelegd. Hierop had Margaretha een tweeden echt gesloten met Willem van Dampierre , wien zij twee dochters en drie zonen, Willem, Gui en Jan, schonk, welke zonen zij, ten koste der beide anderen uit het eerste huwelijk, trachtte te bevoordeelen. Niet zoodra was zij aan de regering gekomen , of zij nam den oudsten Dampierre tot mederegent aan en bepaalde dat deze met zijne beide broeders de graafschap-\' pen Vlaanderen en Henegouwen zouden erven, en Jan van Avennes, dien zij een bastaard noemde, van alle opvolging uitgesloten zoude zijn. Maar Avennes, die de wettigheid zijner ge-GEDBE, G. D. M. 20

-ocr page 324-

294

boorte betoogde, welke door den keizer en den paus erkend was, en die den meesten adel van Henegouwen en vele grooten ia quot;Vlaanderen op zijne hand had, vatte de wapenen tegen zijne moeder op, ten einde zijne regten te verdedigen. De dreigende burgeroorlog werd door tusschenkomst van den koning van Frankrijk , Lodewijk IX, en den pauselijken legaat afgewend , terwijl men bepaalde, dat, na den dood van Margaretha, Vlaanderen aan Willem van Dampierre, en Henegouwen aan Jan van Avennes zou behooren. Doch deze laatste, dapper en heerschzuchtig, was met deze schikking niet tevreden, maar eisehte voor zich en zijn broeder Boudewijn ook geheel Zeeland, het land Waas en de zoogenaamde vier Ambachten, die, naar zijn beweren, niet tot Vlaanderen behoorden. Koning Willem, wiens hulp hij tot ondersteuning van dezen eisch verzocht, kon hem echter, daar hij destijds Aken belegerde, die hulp niet verschaffen, maar zocht hem aan zich t;e verbinden door hem zijn bijzonder vertrouwen en vriendschap te schenken, terwijl hij hem zelfs zijn zuster Aleid ten huwelijk gaf. Deze handelwijze van Willem jegens een gehaten zoon haalde hem de woede van Margaretha op den hals, die buitendien op hem gebeten was, omdat hij den leenmanseed wegens Zeeland nog. niet bij haar had afgelegd. Zij vat de wapenen tegen de Hollanders op , behaalt de overwinning en dwingt Floris, Willems broeder, die, bij afwezigheid van den roomsch-koning, als regent in Holland regeerde, de belofte af om de oude regten van Vlaanderen op Zeeland te erkennen en te bewerken-dat ook Willem die erkennen zou. Maar deze, op zijne beurt tegen de gravin verbitterd, omdat zij, terwijl hij zijne krijgs-magt elders behoefde, hem tot een vernederend verdrag had ge- ; dwongen, stelde na de inneming van Aken aanzienlijke troepen ter beschikking van Jan van Avennes, die daarop onverwachts in het gebied zijner moeder viel. In aller ijl bragt deze daarop eenige strijdbenden bijeen , doch werd na vele schermutselingen genoodzaakt, den vrede aan te bieden, die op voor haar nog al vrij gunstige voorwaarden werd gesloten. Nieuwe

-ocr page 325-

295

gunstbewijzen , door Willem aan Jan van Avennes geschonken, verbitterden Margaretha op nieuw, en ofschoon er, door bewerking van den pauselijken legaat, te Brussel weder een verdrag tot stand kwam, waardoor de geschillen tusschen haar en Willem vereffend schenen te zijn, ontbrandde het twistvuur toch weldra op nieuw. Margaretha, onverzoenlijk van aard, was nog altoos in onmin met hare beide oudste zonen. Om te verhinderen , dat Jan van Avennes ooit bij haar leven in Henegouwen zou regeren, liet zij de henegouwsche bevelhebbers der sterkten en steden door Vlamingen vervangen, welke onvoorzig-ge maatregel haar duur te staan kwam. Willem liet daarop, om zijn zwager te wreken, de gravin vervallen verklaren van Zeeland, het land van Waas enz., op grond dat zij verzuimd had, hem op den bepaalden tijd wegens deze landen als roomsch koning hulde te doen, en beleende er terstond Avennes mede, terwijl hij tevens trachtte, dezen in \'t bezit van Henegouwen te stellen, welks bewoners tegen Margaretha een magtigen aanhang vormden. Spoedig kwam het geheele land in beweging. Men overviel de vlaamsche bevelhebbers, bragt velen om het leven en zond hunne vrouwen , wreedaardig verminkt, naar Margaretha.

Dorstende naar wraak, zwoer zij den opstandelingen den ondergang. Zij bragt een leger van 100 000 vlaamsche en fran-sche krijgslieden op de been, over welke zij aan hare beide zonen Gui en Jan van Dampierre het opperbevel opdroeg, en op deze magt steunende, vorderde zij nu van Willem onmiddellijke huldebetooning wegens Zeeland. Met fierheid wees Willem dezen eisch af. „Hoe!quot; riep hij uit, „zal ik de dienaar van mijne dienaresse zijn! zal ik leenman worden terwijl ik leenheer ben! Zij zal voor het land aan de Schelde met regt mijn onderdaan zijn. Ik ben koning; voor \'t overige mag zij doen wat zij wil.quot; Op dit schamper antwoord verklaart de gramstorige gravin oogenblikkelijk den graaf van Holland vervallen van zijn leen en maakt toebereidselen om haar leger naar Zeeland te doen overschepen. Ook Willem heeft een, hoewel minder talrijk leger bijeen verzameld, dat gereed is,

20*

Ir p-;i;

ifi

: fi

1 ét . i;?\'

fl-M.

it

lil ■ fJB 8

li V gt; (

\'Bi

Mi!

liil rMIjf

i

-ocr page 326-

296

om onder bevel van Floris van Holland in Walcheren te trekken. De strijd werd nog eenigen tijd verhinderd , doordien de hertog van Brabant het bloedvergieten wenschte voor te komen. Te Antwerpen verschenen op zijne uitnoodiging Willem en gezanten van Margaretha, om weder zoo mogelijk een verdrag te treffen, doch de sluwe gravin, van de goede trouw der bemiddelaars misbruik makende, poogde de onderhandeling te rekken , om met haar leger intusschen in Zeeland te vallen. Margaretha begaf zich zelve naar het strand, waar het leger zich moest inschepen, en sprak tot den opperbevelhebber, Gui van Dampierre : „God geleide u, mijn zoon! doch kom nooit weder onder mijne oogen dan als overwinnaar van Zeeland.quot; — „Moeder,quot; antwoordde hij, „het ga hoe het wil; ik zal overwinnen of sterven.quot;

Intusschen was men in Holland van het gebeurde niet onkundig gebleven, en had Floris zich reeds met hollandsche, zeeuwsche en eenige vreemde benden nabij Westkapelle, destijds eene bloeijende stad, in de duinen gelegerd. De Vlamingen , geen tegenstand vermoedende, stappen onbezorgd aan wal; maar Floris, die op zijne hoede is, stormt onmiddellijk met oorverdoovend geschal van horens en trompetten woedend op den naderenden vijand aan. Verschrikt en verbaasd, vlieden eenigen naar hunne schepen terug of verspreiden zich door het eiland, terwijl anderen stand houden en gestadig nieuwe versterking van de vloot ontvangen. Woedend werd er gestreden en het strijdperk in eene slagtplaats verkeerd; men plaste tot de enkels in het bloed. „Even als de maaijers onder de stoppelen,quot; zegt een oud schrijver, „woedden de Hollanders onder de Vlamingen.quot; De eene legerafdeeling der Vlamingen na de andere werd verslagen, en eindelijk vielen Gui van Dampierre, zijn broeder Jan, de aanzienlijkste bevelhebbers en twee honderd dertig ridders benevens de geheele vloot in handen van Floris. Omtrent 50 000 Vlamingen en Franschen waren op dien bloe-digen dag gesneuveld of verdronken, terwijl een groot getal gevangenen „met hopen, oft scape warenquot; (zegt de kroniekschrij-

-ocr page 327-

297

ver Melis Stoke) voortgedreven werden, en eene menigte naakt en berooid rondzwierf.

Koning Willem, die, nog te Antwerpen zijnde, van de onderneming der Vlamingen berigt ontvangen en zich daarop heimelijk huiswaarts had begeven, kwam nu te Arnemuiden aan en werd daar met het berigt van de behaalde overwinning verwelkomd. Hij ijlt naar het slagveld, om den dapperen Floris op de plaats zelve tot ridder te slaan. Geheele scharen weerlooze, naakt uitgeschudde vlugtelingen, die, om zich te bedekken, groene erwtenstruiken om de lenden gestrengeld hadden , kwamen hem onder weg te gemoet en smeekten om genade. Door medelijden bewogen, liet hij hen bij hoopen met schuiten naar Vlaanderen overzetten. Edeler nog was de handelwijze van zijne moeder, Machteld van Brabant. Ten einde de gekwetsten op te zoeken en te verplegen, begaf zij zich naar Walcheren, waar reeds eene aanzienlijke vrouw met dat liefdadig werk bezig was. — De krijgsgevangenen werden naar Holland gevoerd, en aan de aanzienlijksten het slot te Wateringen ten kerker aangewezen.

Onbeschrijfelijk was de spijt en de smart van Margaretha over deze verschrikkelijke nederlaag. Zij zond eenige aanzienlijke geestelijken naar Willem, om over den losprijs harer zonen te onderhandelen, maar ontving tot bescheid, dat de koning geen beding met haar wilde aangaan, voordat zij hem in persoon vergiffenis gevraagd en voldoening zou gegeven hebben. Woede en wraak ademende, oiferde de verbitterde gravin zelfs de teederste bedenkingen der natuur aan hare gramschap op. Op een minzamen brief van Jan van Avenues, die haar in \'t belang der Dampierres den raad gaf om aan het verlangen van Willem te voldoen, gaf zij ten antwoord; „Om den wil mijner zonen laat ik mij tot niets overhalen. Zij zijn in uwe magt. Slagt uwe broeders, bloeddorstige beul, zoo gij wilt; kookt hen met peper, braadt hen met knoflook en verslindt hen!quot; — Onder deze omstandigheden wendde zij zich tot den franschen prins Karei van Anjou, broeder van

-ocr page 328-

398

Lodewijk IX, en stond hem Henegouwen voor altijd af, indien hij haar tegen den roomsch-koning wilde beschermen. Anjou nam dit aanbod gaarne aan en onderwierp binnen eenige weken bijna geheel Henegouwen aan zijne magt. Jan van Aven-nes zond daarop zijne gemalin Aleid naar Holland, om haars broeders hulp in te roepen ; doch deze , destijds met de Westfriezen in oorlog, moest zich vergenoegen met Anjou bij eeu vriendelijken brief te verzoeken om toch afstand te doen van hetgeen hem niet van regtswege toekwam. De winderige Ka-rel, trotsch op zijne overwinningen, wees dit verzoek spottend af en antwoordde: „dat de waterkoning maar uit zijne moerassen moest opdagen en hem tijd en plaats bepalen , wanneer hij hem zoo zou toetakelen , dat men er ten eeuwigen dage van zou spreken.quot; Willem, die de man niet was om zich straffeloos te laten beschimpen, bepaalde Anjou dag en plaats op de heide te Asche bij Maastricht, onder beding dat hij, die het eerst kwam, ten minste éenen dag op zijn vijand zou wachten. Deze kordaatheid van Willem liep den Franschman buiten de gis. Zich tegen den Hollander niet bestand achtende, vroeg hij zijn broeder, koning Lodewijk, om hulp; maar deze antwoordde: „Nooit heeft de roomsch-koning mij beleedigd, waarom ik hem, zoo lang hij mijn land ongemoeid laat, geen reden tot misnoegen wil geven , vooral niet om den wil van een kwaad wijf. Doe gij intusschen wat u goed dunkt.quot; Ofschoon hierdoor niet weinig uit het veld geslagen, nam Anjou echter, op de verzekering van Margaretha, dat Willem zich wel bedenken en niet verschijnen zou , de uitdaging aan en berigtte den koning dat hij hem zou afwachten, onder voorwaarde dat de eerstkomende den anderen drie dagen zou verbeiden.

Door vele duitsche vorsten ondersteund, verscheen Willem met een aanzienlijk leger op den bepaalden dag ter aangewezene plaats, maar de graaf van Anjou, wien de schrik om het hart was geslagen, liet zich te vergeefs wachten en vlugt-te naar Valenciennes, van waar hij , toen Willem, na hem drie dagen op de heide van Asche gewacht te hebben, met zijn

-ocr page 329-

299

leger tegen deze vesting was opgetrokken, naar Douai op de uiterste grenzen van Henegouwen de wijk nam. Valenciennes en de andere steden vielen daarop Willem en zijne bondge-nooten in handen, en eer Anjou voor goed Henegouwen verliet , werd er een wapenstilstand, en daarop een verdrag gesloten , welks voorwaarden, hoe hard en vernederend die voor Margaretba ook waren, zij echter genoodzaakt was aan te nemen. Zij moest Henegouwen, benevens het land van Aalst, van Waas en de vier Ambachten aan Jan van Avenues verzekeren , waartegen nogtans de beide Dampierres uit de gevangenis werden ontslagen.

III. STRIJD MET DE WESTFRIEZEN. ■WILLEMS DOOD.

Door het overlijden van keizer Koenraad IV, dat kort na het eindigen van dezen oorlog plaats had, waren de zwarigheden , die de krooning van Willem te Rome steeds verhinderd hadden , uit den weg geruimd ; doch eer de tijd, voor deze plegtigheid door paus Innocentius IV bepaald, was aangebroken, overleed deze kerkvorst zelf, waardoor de keizerskrooning tot eene onzekere toekomst werd verschoven. Willem vernam het afsterven van den paus op zijne reis naar Duitschland, waar hij reeds als wettig hoofd van het rijk was erkend geworden en overal de grootste genegenheid ontmoette, toen de onlusten met de Westfriezen hem naar zijn erfland terug riepen.

De Westfriezen hadden, na meer dan een halve eeuw, in naam onder het bewind der hollandsche graven, hunne vrijheden ongestoord genoten te hebben, thans onder de regering van Willem II, vermoedelijk op aansporing van koning Koenraad IV, hunne oude vijandelijkheden tegen de Hollanders hervat en eenige Hollandsche gewesten geplunderd. Een en andermaal had Willem hen door invallen in hun gebied gekastijd, doch begrijpende dat die onvolkomene overwinningen niet voldoende zouden zijn om aan hunne weerspannigheid voor goed een einde te maken, besloot hij den oorlog met kracht door te zetten, wanneer de meren en moerassen,

-i.

-ocr page 330-

300

die hun land opvulden, sterk bevrozen zouden zijn. Hij riep daarom geheel Holland en Zeeland tegen het begin van den winter ter heirvaart op en liet ten oosten van Alkmaar een slot, Toornburg genaamd, tot dekking van Kennemerland oprigten.

Op zijne terugreis uit Duitschland kwam hij te Utrecht aan, welke stad groote verpligtingen aan hem had, en onder welker burgers hij zich zelfs had laten opnemen. Terwijl hij aldaar op de St. Mariënplaats met de geestelijkheid in een vriendelijk gesprek was, werd hem door eene onbekende hand een zware steen naar het hoofd geworpen. Onder de algemeene ontsteltenis en verontwaardiging raapt Willem den steen op, weegt dien in zijne hand en zegt: „Heb ik dit aan u verdiend, burgers van Utrecht? Is dit het loon voor de weldaden die ik u heb bewezen? Zoo waar God leeft en St. Joris! binnen het jaar zal deze euveldaad gewroken worden.quot; Hij verlaat daarop in allerijl de stad en zendt haar kort daarna een oorlogsverklaring toe. Alleen de uitlevering van den booswicht, verklaarde hij aan de afgezondenen, die gekomen waren om zijn toorn te verzachten, zou hem kunnen bewegen om de stad te sparen; doch de misdadiger was, niettegenstaande het naauwkeurigste onderzoek, nergens te vinden.

De ongelukkige afloop van den oorlog met de Westfriezen was welligt het behoud van Utrecht. Nadat Willems voorstellen tot onderhandeling met deze vijanden door hen waren afgewezen, trok hij (23 dec. 1255) met een leger van omtrent 30 000 man door Alkmaar naar Vroonen, om van daar in het hart van Westfriesland te vallen, doch werd hier vooreerst door een groot meer gestuit. Eerst toen men meende dat het ijs sterk genoeg was, zette Willem den togt voort en rukte met het grootste gedeelte van zijn leger naar Hoogwoude op, waar de vijand zijne voornaamste magt had bijeenverzameld. Digte drommen Friezen , met ligte wapenrokken gekleed en met strijdbijlen, werpschichten en pieken gewapend, stonden daar op het ijs den aanval der vijanden af te wachten, terwijl

-ocr page 331-

301

de hollandsche ridders, en inzonderheid de koning, zwaar geharnast waren. Ongeduldig over den langzamen togt op de gladde baan, snelt Willem, gelijk bij op het veld gewoon was, zijn volk vooruit; doch eensklaps breekt het ijs, en het paard met zijn ruiter zakt er door. Op eens schieten de Friezen van achter de rietbossehen toe en vallen op den weerloozen koning aan. Vergeefs biedt hij huu een groot losgeld aan; hunne woede is zoo groot, dat zij hem onbarmhartig van het leven beroo-ven, voordat iemand der zijnen tot zijne redding kon toesnellen. Schrik en ontsteltenis verspreiden zich thans onder Willems leger, waaronder de Friezen eene geweldige slagting aanrigten. Het lijk des konings werd onder de haardstede eener woning te Hoogwoude begraven, waar het zeventien jaren verborgen bleef.

Dit was het jammerlijk uiteinde van een vorst, wiens vroege dood voor Duitschland zoo wel als voor de Hollandsche gewesten een groote ramp was. Door vriend en vijand werd hij geroemd als dapper, godvruchtig, regtschapen, afkeerig van onregt of oneenigheid en warsch van alle valschheid. Als krijgsman had hij geen geringen roem verworven, terwijl hem ook als staatsman groote lof toekomt. Door ongeveinsde minzaamheid nog meer dan door de rijke geschenken, die hij uitdeelde, wist hij vorsten en volken aan zich te binden. Voor ieder zijner onderdanen was hij genaakbaar, en ieder kon op hem als een onpartijdig verdediger zijner regten vertrouwen. Van zijnen tijd dagteekent de opkomst der steden, die nu eigene regten en vrijheden verkregen. Onder de plaatsen, welke op die wijze door Willem begunstigd werden, behooren vooral Alkmaar, Haarlem, Delft, Dordrecht in Holland, Middelburg, Zierikzee, Domburg en Westkapelle in Zeeland. Wegen en vaarten zijn onder hem aangelegd, heemraadschappen tot onderhoud en verbetering der dijken aangesteld, terwijl vooral de bouwkunst werd bevorderd en aangemoedigd door het stichten van onderscheidene gebouwen, zoo als het stadhuis te Haarlem, een hofplaats of paleis te Alkmaar, en het hof bij

lil

m

li ri- r tfeil

SBII lil

I ,• 1

fii ■ vi lt;;!ij, \' gt;

S:\'

II fill liij

I

irall f

31

M

li:

i—.

-ocr page 332-

302

den vijver te \'s Hage, waarvan de groote zaal nog tegenwoordig als een wonder der bouwkunst beschouwd wordt. — Als een bewijs van den bloei en de welvaart, welke Holland en Zeeland onder hem genoten, kan dienen, dat toen in 1253 een groote hongersnood in ons werelddeel heerschte. Holland zulk een overvloed in zijne pakhuizen en voorraadschuren bezat, dat het in staat was, geheel Europa daarmede te voorzien. Met regt mag men van Willem II zeggen, dat hij een vorst is geweest, die op de dankbaarheid van het nageslacht onbetwistbaar aanspraak heeft, naardien Nederland aan hem voor een groot gedeelte die burgerlijke en staatkundige voor-regten verschuldigd is, welke het boven zoo vele volken in Europa gunstig onderscheiden.

IV. FLOttlS V ONDER VOOGDIJ.

Niet minder vermaard dan quot;Willem II werd zijn zoon en opvolger F1 o r i s V door zijne dapperheid, minzaamheid en verdienstelijkheid jegens zijne onderdanen, maar vooral ook door het treurige lot, dat zijn leven besloot.

Bij den dood zijns vaders (jan. 1256) nog naauwelijks twee jaren oud zijnde, kwam hij onder voogdij van zijn oom Flo-ris, die kort daarna een verdrag sloot met de gravin Mar-garetha, waarbij onder anderen bepaald werd, dat Floris de voogd in \'t huwelijk zou treden met eene dochter van Gui van Vlaanderen, en, ingeval hij kinderloos overleed, graaf Floris met eene andere dochter van Gui zou huwen, terwijl voorts eenige geschillen tusschen Holland en Vlaanderen werden vereffend, en op nieuw vastgesteld, dat de hollandsche graven voor Zeeland bewester Schelde, als vroeger, aan Vlaanderen leenhulde zouden doen. Toen Floris de voogd een paar jaren daarna op een steekspel te Antwerpen zwaar gewond en ten gevolge daarvan overleden was, kwam de voogdij van den jongen graaf aan zijne moei Aleid, thans weduwe van Jan van Avenues ; doch daar vele edelen geene regering van eene vrouw wilden dulden, nam zij eerst Hendrik III, hertog van Bra-

-ocr page 333-

803

bant, de zachtmoedige bijgenaamd, tot mederegent aan, en toen deze drie jaren later overleed, moest zij gedoogen, dat de hollandsche edelen aan graaf Otto II van Gelre de voogdij aanboden, en deze, die aangenomen hebbende, haar gewapenderhand van het gezag ontzette.

De korte tijd van Otto\'s voogdijschap, en de gedurige twisten , waarin hij gewikkeld was, beletteden hem, iets van belang ten voordeele van Holland te volvoeren. Twaalf jaren oud zijnde, begon Floris, hoewel nog onder eene soort van gewijzigde voogdij, zelf te regeren, terwijl hij eenigen tijd daarna zijn huwelijk met Beatrix, dochter van Gui van Vlaanderen , voltrok.

Intusschen was er in Kennemerland, welks bewoners door de edelen onderdrukt werden, een geweldige opstand uitgebroken. Met de Westfriezen en Waterlanders vereenigd, besloten de Kennemers, de edelen uit het land te jagen, hunne kasteelen te vernielen eu zelfs het geheele Sticht te onderwerpen. Vele edelen, door den woesten hoop overvallen , vlugttcn naar Haarlem, waar zij zich versterkten. De opstandelingen vielen in Amstelland, waar Gijsbert van Arastel met hen zamenspan-de, zich aan hun hoofd plaatste en hen naar Utrecht voerde, in welke stad destijds oneenigheid tusschen de regering en het volk bestond. Op de vraag der verbaasde inwoners wat men voorhad, antwoordde een der Kennemers: „Burgers van Utrecht en goede vrienden, het vrije volk van Kennemerland groet u en begeert, dat gij al de edelen, die de gemeente verdrukken, de stad uitjaagt.quot; Deze toespraak vond zoo veel ingang, dat de regering van Utrecht veranderd, de aanzienlijkste burgers uit de stad gebannen werden, terwijl men met de Kennemers een verbond van vriendschap sloot, waarbij ook weldra de gemeenten van Amersfoort en Eemland zich voegden. Ofschoon Jan van Nassau, die eerst kort te voren tot bisschop verkozen was, de hulp inriep van den graaf van Gelre, achtte deze het echter niet geraden, tegen den over-magtigen volkshoop de wapenen aan te gorden. Nadat Gijsbert van

-ocr page 334-

304

Amstel van de gelegenheid gebruik had gemaakt, om zijne wraak aan eenige bijzondere vijanden te koelen en hunne sloten in de asch te leggen, begreep hij niet beter te kunnen doen, dan zich van de woeste menigte zoo spoedig mogelijk te ontslaan. Onder voorwendsel dat het raadzaam was, hunnen oogst te gaan inzamelen, haalde hij hen over om naar huis te trekken. Onder weg sloegen zij het beleg voor Haarlem, waar de gevlugte edelen zich nog bevonden en zich met de burgers dapper verdedigden. Eene stoute daad van Jan van Per-sijn, die er het bevel voerde, verloste de stad van de ruwe aanvallers. Hij deed bij nacht een uitval, ontnam hun eenige wagens en reed er in allerijl mede naar Kennemerland, waar hij eenige dorpen in brand stak. Om dien brand te blusschen, verlieten de Kennemers nu in haast hunne legerplaats, doch werden door de Haarlemmers nagejaagd en ten deele gedood of gevangen en geplunderd.

V. KEGERING VAN FLOKIS V.

Graaf Floris V, die aan deze voorvallen geen deel had genomen , had ondertusschen zijn achttiende jaar bereikt. quot;Van verlangen brandende, om den dood zijns vaders op de Westfriezen te wreken, besloot hij thans, in persoon tegen dat teu-gellooze volk de wapenen aan te gorden. Zijn eerste togt, dien hij met een aanzienlijke magt over Alkmaar ondernam, viel echter niet naar wensch uit. De Westfriezen, die bij Vroonen gelegerd waren, joegen het leger van den graaf op de vlugt en dreven het lot Heilo terug. Hier echter, op vasten zandgrond , waar het vlugtende leger stand hield, viel nu een bloedig gevecht voor, waarin de Friezen wel volkomen geslagen werden, doch ook de Hollanders een gevoelig verlies leden , zoodat de graaf met dezen togt weinig roem inoogstte.

Met afwisselend geluk werd de strijd met het volk der Westfriezen nog eenigen tijd voortgezet, toen Floris een nieuwen togt tegen hen ondernam, om zoo mogelijk aan hunne vijandelijke aanvallen voor goed een einde te maken. Ditmaal begaf

-ocr page 335-

305

hij zich te scheep naar Noord-Holland, landde bij Wij denes, en weldra toog Floris met een uitgelezene bende op, versloeg overal de Westfriezen en drong zoo tot Hoogwoude door. Hier, waar de herinnering aan den moord van Willem II de woede der Hollanders verdubbelde, werd nu onder het weerspannige volk eene groote slagting aangerigt. Slechts een oude Fries, die aanbood de plaats te wijzen , waar het lijk des konings begraven lag, behield het leven. De graaf liet het overschot zijns vaders opgraven en met alle plegtigheid in de abdij te Middelburg bijzetten, waar ruim twee honderd jaren later de landvoogdes Maria een prachtig praalgraf ter eere van koning Willem liet oprigten, hetwelk later echter door de woede der beeld-stormers werd vernield.

Hoezeer deze togt voor Floris gelukkiger was afgeloopen dan de vorige, werden de Westfriezen ditmaal echter nog niet geheel bedwongen; veeleer werd de oorlog tegen hen eenigen tijd gestaakt. De geboorte van \'s graven zoon Jan I, die, meent men, omtrent dezen tijd plaats had, heeft hiertoe welligt aanleiding gegeven.

In het belang zijner onderzaten, die een drukken handel met Engeland dreven, trachtte Floris zich ten naauwste met den toenmaligen engelschen koning Eduard I te verbinden, en zoo was reeds vroeger een huwelijk afgesproken tusscheu \'s konings zoon Alfonsus en \'s graven dochter Margaretha. Daar dit verdrag door den dood van den engelschen prins kwam te vervallen, werd er nu een huwelijk ontworpen tusscheu den jongen zoon van Floris en \'s konings dochter Elizabeth, waarbij onder anderen bepaald werd, dat jonkheer Jan op den ouderdom van zeven jaren naar Engeland zou gezonden worden, om aldaar te worden opgevoed, aan welke bepaling ook ten behoorlijken tijde werd voldaan.

Inmiddels was de graaf in een geschil gewikkeld tusschen den bisschop van Utrecht en de heeren Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden. Eeeds vroeger had hij gelegenheid gehad, zich in de Utrechtsche zaken te mengen, toen hij, ten

-ocr page 336-

306

gevolge van het algemeen misnoegen in het Sticht over het slecht bestuur van bisschop Jan van Nassau, met de wethouderschap en de burgerij van Utrecht een verdrag gesloten had, waarbij de Utrechtenaars zich verbonden, om te allen tijde de stad voor den graaf en zijne opvolgers open te houden en bij het verkiezen der bisschoppen zich steeds naar zijnen raad te voegen, terwijl hij hun van zijnen kant bescherming en handhaving hunner regten verzekerde. Het bedoelde geschil werd nu ook door bemiddeling van Moris bijgelegd, waarbij de bisschop het slot Vreeland aan Gijsbrecht van Amstel, en het slot Montfoort aan Herman van Woerden verpandde.

Lang duurde die vrede echter niet. Gijsbrecht van Amstel, door het bezit van het slot Vreeland meester van de Vecht geworden , kwelde nu de bewoners van het Sticht door het heffen van een tol op die rivier. Nadat de bisschop, die daaraan een einde wilde maken, het slot Vreeland vruchteloos had opge-ëischt, trachtte men Gijsbrecht door de wapenen te dwingen; doch deze, ondersteund door Herman van Woerden, bragt de stichtsehe benden eene groote nederlaag toe, in welk gevecht aan de zijde van den bisschop twee heeren van Zuilen sneuvelden. Nu kwam graaf Floris den bisschop te hulp en belegerde Vreeland , dat door Arnoud van Amstel verdedigd werd. Gijsbrecht , die aanrukte om het slot te ontzetten, werd door eene bende zeeuwsch krijgsvolk geslagen en gevangen genomen, en moest daarop zelf de overgaaf van Vreeland bewerken, dat Arnoud, na een mondgesprek met zijn broeder, onder lijfsbehoud den graaf inruimde, waarop de beide heeren van Amstel gevangen naar Zeeland werden gevoerd. — Ook Montfoort, waarvan de bezetting zich dapper verdedigde, werd, na een jaar belegerd te zijn, door Floris ingenomen. Herman van Woerden, die intusschen het land verlaten had, werd op een vonnis van den bisschop verbannen. Nadat voorts de zaken tusschen Floris en den bisschop betreffende de oorlogskosten tot beider genoegen vereffend waren, werden ook de heeren van Amstel uit hunne gevangenschap ontslagen en met den graaf verzoend.

-ocr page 337-

307

Bij dien zoon moest Gijsbrecht onderscheidene landstreken, die hij vroeger van het Sticht in leen had gehad , ten behoeve van Moris afstaan, en zich met zijne broeders Arnoud en Willem verbinden om nooit tegen Holland of Utrecht te dienen, waartegen zij echter hunne eigen (allodiale) goederen van den graaf als regte leenen giootendeels terug ontvingen. — Met Herman van Woerden werd eenigen tijd daarna op bijna de zelfde voorwaarden de zoen gesloten. Floris, begrijpende dat zulk eene afgeperste verzoening de beide heeren zwaar moest drukken, trachtte hen door eerbewijzen aan zich te verbinden. Hij verhief hen tot zijne voornaamste raadsmannen en gaf hun boven anderen deel in het bestuur.

In den twist tusschen hertog Jan I van Braband en graaf Keinoud van Gelre, welke in dien tijd gevoerd werd over het bezit van het hertogdom Limburg, koos Moris de partij van eerstgenoemden, die zijn zwager was, en zond hem zeeuwsche schepen en krijgsbenden onder Wolfert van Borselen en Jan van Eenesse ter hulp. Het geluk bekroonde de wapenen der bond-genooten. Gelre werd vreeselijk geteisterd, en in den vermaarden slag van Woeringen (15 junij 1288), waarbij Ploris zelf echter niet tegenwoordig was, door de legers van Jan E eene schitterende overwinning bevochten, ten gevolge waarvan Keinoud genoodzaakt was, op nadeelige voorwaarden vrede te sluiten.

Door de ongemeen groote watervloeden, welke in den daarop volgenden winter een aanzienlijk gedeelte van Noord-Nederland overstroomden, was in Westfriesland eene groote menigte volks verdronken, en de onderlinge gemeenschap der bewoners gestremd. Van deze gelegenheid wilde graaf Moris gebruik maken om de Westfriezen voor altijd te breidelen. Daar het hun thans onmogelijk was, den graaf eene genoegzame krijgsmagt tegen te stellen, en het hun zelfs aan schepen ontbrak, om de vijanden van hunne kusten af te houden, viel het den bevelhebber van \'s graven scheepsmagt op de Zuiderzee, Dirk van Brederode, niet moeijelijk, het eene dorp na het andere aan

-ocr page 338-

308

te tasten en te onderwerpen. Toen het water gevallen was, volgde Floris hem met een talrijk leger en stichtte tot bedwinging der Westfriezen vier sterke sloten. Achtervolgens verzoenden zich toen die oude vijanden met den hollandschen graaf en ontvingen van hem keuren en wetten, terwijl hij kort daarna aan Medemblik en Monnikendam onderscheidene handvesten, voor-regten en stads-vrijheden verleende.

Doch terwijl ïloris aan dezen kant een lang gewenscht en heilrijk doel bereikte, begon hem aan eene andere zijde een hagchelijk gevaar te bedreigen. De zeeuwsche edelen, misnoegd omdat de graaf telkens inbreuk maakte op de regten des adels, en daarentegen de steden bevoorregtte en de gemeenten tegen het geweld en de onderdrukking der grooten beschermde , waren eindelijk, twee en dertig in getal, tegen hem zamenge-spannen en hadden graaf Gui van Vlaanderen hulde gedaan voor het land tusschen de Schelde en Heidenzee, met de belofte van hem tegen Floris te ondersteunen. Gui was insgélijks op Floris gebeten , omdat deze, meerderjarig geworden, niet slechts aan het vroeger gesloten verdrag omtrent de zeeuwsche leenhulde nog niet voldaan, maar zelfs bij den toenmaligen keizer Radolf van Habsburg in 1287 bewerkt had, dat het verdrag met betrekking tot dit punt voor nietig verklaard werd. De vlaamsche graaf begon den oorlog met op Walcheren te landen en Middelburg te belegeren. Floris had, om aan de Zeeuwen een blijk van vertrouwen te geven, zijne gemalin en zijn zoon naar Middelburg gezonden en de stad schriftelijk van zijne bescherming tegen alle buitenlandsch geweld verzekerd. Intusschen werd de burgerij, hoezeer zij zich wakker verweerde, door de Vlamingen aan den eenen en de zeeuwsche edelen aan den anderen kant zoo zeer in het naauw gebragt, dat zij met den vlaamschen bevelhebber overeenkwam, om hem de stad over te geven, indien er binnen eenige dagen geen ontzet opdaagde. Doch op het berigt dat Floris genaderd is om Middelburg te ontzetten, breken de Vlamingen terstond het beleg op en verlaten Walcheren, waarop Gui den hertog Jan van Braband

-ocr page 339-

309

beweegt om als middelaar tusschen hem en Floris op te treden. Jan, op de opregtheid van Gui vertrouwende, weet Floris daarvan ook te overtuigen en haalt hem over om zijne troepen weg te zenden en zich met hem naar Biervliet te begeven, waar Gui. hun beider schoonvader, gelegerd was en de geschillen in der minne wenschte te vereffenen. Dan, naauwelijks te Biervliet aangekomen, wordt Floris onverwachts in hechtenis genomen. Over dit verraad met regt vertoornd, geeft Floris daarvan de schuld aan den hertog, doch deze, die zijne onschuld bezweert, dringt bij Gui aan op het ontslag van den hollandschen graaf, biedt aan voor dezen gijzelaar te zijn, en stelt voor om het geschil aan de uitspraak van drie goede mannen over te laten. Gui stemt hierin toe, doch op voorwaarde , dat dit drietal bestaan zou uit hem zeiven, zijn oudsten zoon Eobert en hertog Jan; en Floris is tegen wil en dank genoodzaakt, zich aan zulke eigendunkelijke beschikkingen te onderwerpen en inmiddels te Biervliet te blijven.

Nadat alles volgens den wensch van den vlaamschen graaf geregeld was, en Floris zich ook met onderscheidene zeeuw-sche edelen verzoend had, werd de gevangene ontslagen; doch het hem afgedwongen verdrag stuitte hem zoo zeer tegen de borst, dat hij weigerde, aan al de verpligtingen, welke hem waren opgelegd, te voldoen. Deze weigering van Floris deed natuurlijk den oorlog weldra op nieuw ontbranden, en wederom kozen onderscheidene zeeuwsche en hollandsche edelen, die al weder de oude grieven tegen Floris hadden, onder anderen Wolfert van Borselen, de zijde van quot;Vlaanderen. Toen de krijg eenigen tijd met afwisselend geluk was gevoerd, werd eindelijk, na afloop van een kort bestand , dat door koning Eduard was bewerkt, het geluk den Hollanders gunstig. Om zich over een inval, dien de Westfriezen, welke thans de Hollanders getrouw volgden, in Kadzand gedaan hadden, te wreken, landden de Vlamingen met drie duizend man in Zuid-Beveland, waar zij alles wat onder hun bereik kwam plunderden en verwoestten. Terstond vloog alles te wapen en trokken die van

GKUBE, G. D. M 21

-ocr page 340-

310

Borselens, welke den graaf getrouw gebleven waren, aan het hoofd van driehonderd wakkere Zeeuwen, de vijanden tegen. Eeeds bij den eersten aanval verspreidde een panische schrik zich onder de Vlamingen, zoodat zij in de grootste verwarring naar hunne schepen terug vloden, en meer dan duizend hunner , door de Zeeuwen nagejaagd, in de golven of het slijk om het leven raakten, terwijl twee honderd op het slagveld gebleven waren. Voorts werd de vlaamsche vloot tot overmaat van ramp nog door een storm verstrooid, en een schip, op de kust van Walcheren gestrand, door de Zeeuwen vermeesterd.

Hiermede nam deze oorlog een einde, en de ridders van Borselen, die Floris ontrouw waren geworden, onderwierpen zich op nieuw aan den graaf. Wat dezen echter niet weinig moest grieven , was dat zijn bondgenoot, koning Eduard van Engeland, in plaats van hem in den oorlog den beloofden onderstand te verstrekken, slechts gezocht had, de beide graven te verzoer.en. Hij wilde namelijk beider hulp gebruiken in den oorlog, waarin hij geraakt was met den franschen koning Filips den schoonen. Hij wist graaf Gui door een huwelijk van prins Eduard met \'s graven dochter Filippe, en tevens door de verplaatsing van den voordeeligen engelschen wolstapel van Dordrecht naar Brugge en Mechelen, gemakkelijk tot een bondgenootschap over te halen. Geen wonder, dat Floris hoogst misnoegd was over dit verbond van zijn bondgenoot met zijn grootsten vijand; maar vooral was hem het verplaatsen van den wolstapel, waardoor zijnen onderdanen en hem zeiven eene aanmerkelijke schade werd toegevoegd, een doorn in het oog. Door een verbond met Frankrijk poogde hij zich op de engelsche baatzucht en trouwbreuk te wreken; doch ongelukkig verhaastte hij door dit, op zich zelf wijs en nuttig, verbond het rampzalig lot dat hem wachtte.

VI. EEDGESPAN DER EDELEN. FLOBIS V VERMOOKD.

Een nederlandsch heer, Jan van Kuik, die, gelijk zijn geheel geslacht van ouder tot ouder, een ingewortelden wrok

-ocr page 341-

311

■voedde tegen het Hollandsclie gravenhuis, en die meende, nog onlangs door graaf Moris benadeeld te zijn , had zich in dienst van koning Eduard begeven en stookte diens misnoegen op El oris over het fransche verbond bestendig aan. Door dit verbond toch werd aan de heerschzuchtige bedoelingen van den engelschen koning, die reeds lang op een bijna onbeperkt gezag over het graafschap Holland vlamde, den bodem ingeslagen. Eeeds had Eduard een gezantschap aan Floris gezonden, om dezen tot andere gedachten te brengen, en zelfs gedreigd, \'s graven zoon Jan in hechtenis te zullen houden, indien het verbond met Filips niet verbroken werd. „Mijn zoon is in uwe magt,quot; antwoordde Floris: „gij kunt naar goedvinden met hem handelen, maar ik zal mijne maatregelen niet veranderen.quot; Van nu af besloot Eduard, thans vreezende dat Eloris zijn zoon Jan van de erfopvolging zou uitsluiten, door een schelmstuk het verderf van den graaf te verhaasten. Om echter den schijn der onschuld te behouden, moest zijn besluit in \'t geheim door zijn gunsteling Jan van Kuik ten uitvoer worden gebragt.

Het misnoegen der zeeuwsche en hollandsche edelen werkte intusschen de plannen des konings niet weinig in de hand. In Zeeland had de graaf de edelen vooral tegen zich verbitterd -door het inkorten hunner vaak misbruikte voorregten, door het beteugelen hunner aanmatigingen en de beperking van hun gezag , benevens door heilzame instellingen en wetten ten voor-deele der burgerij; en die verbittering was door de Vlamingen en Henegouwers bestendig aangevuurd. Ofschoon de zamenzwe-ring tegen Eloris niet van hen uitging, namen sommigen van hen er toch deel in, of hadden er kennis van, zooals Jan van Eenesse en Wolfert van Borselen. De eedgenooten bestonden voornamelijk uit hollandsche edelen en leenmannen, die den graaf haatten, omdat hij den adel meer en meer van zich afhankelijk zocht te maken en tot onderdanigheid te noodzaken. Zoo waren Jan van Kuik, Jan van Heusden, Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden van vrije edelen leenmannen van den graaf geworden, en hoezeer Eloris de twee laatstgenoem-

21*

-ocr page 342-

312

den met weldaden had overladen, ja hun het grootste vertrouwen schonk en de meeste onderscheiding en hartelijkheid betoonde, niets kon hen de vorige onafhankelijkheid, noch de harde vernedering, die zij ondergaan hadden, doen vergeten. Gerard van Velzen, die met Floris was opgevoed en aan het grafelijke hof in hoog aanzien stond, was met de erfdochter van Herman van Woerden gehuwd, en had hij uit dien hoofde reeds eene grief tegen den graaf, zulks was nog verergerd , omdat Floris een neef van van Velzen, die te Leiden den grafelijken regter gewond en tevens een manslag begaan had, geregtelijk had laten ter dood brengen , terwijl Floris hem, naar men meent, nog eene andere veel grievender beleediging had aangedaan. Weer andere edelen, zoo als Willem van Teilingen, Willem van Zaanden enz. waren verbitterd tegen den graaf, welligt omdat hij veertig der rijkste huislieden, die zich bij hem verdienstelijk hadden gemaakt, tot den adel- of ridderstand had verheven. Om deze en andere dergelijke handelingen werd Floris natuurlijk door het volk zeer gezien en bemind, waarom ook sommige edelen hem uit schimp: der keerlenGod (god der boeren) noemden.

Terwijl de edelen aldus jegens den graaf gezind waren en in die gezindheid door het engelsche goud nog meer werden versterkt , kwam Jan van Kuik uit Engeland, beraamde onder een of ander voorwendsel eene bijeenkomst van edelen te Bergen op Zoom, verzekerde de wankelmoedigen van den bijstand des konings van Engeland, alsmede van graaf Gui van Vlaanderen en hertog Jan II van Braband, die met eene dochter van Edu-ard gehuwd was, en zoo werd hier een voorloopig verbond bezegeld , waarvan de val van Floris het gevolg moest zijn. In eene nadere vergadering te Kamerijk, waar men over den vrede of het bestand tusschen de koningen van Frankrijk en Engeland onderhandelde, werd het plan nader overwogen, en in overeenstemming met den zaakgelastigde van Eduard en de ge-magtigden van den graaf van Vlaanderen besloten, om graaf Floris op te ligten en naar Engeland te voeren, waar bij le-

-ocr page 343-

313

u- venskng gevangen zou gehouden worden, terwijl men zijn zoon je- ) Jan in \'t bewind over het graafschap zou stellen. Dit plan ,

de waarin alle tegenwoordige edelen echter niet toestemden, werd

jn. voor Floris zoo goed verborgen gehouden, dat hij niets kwaads

iet vermoedde. Zelfs toen van Kuik, die zijn verraad onder den

ran schijn van eerlijkheid wilde verbergen, den graaf een brief

ids schreef om hem zijne dienst op te zeggen , beschouwde Floris

iat dit als kortswijl en sprak schertsend: „Hoe nu? De heer van

sen Kuik verklaart mij den oorlog! Nu, als hij mij het land uit-

lijk jaagt, zal er wel niemand in blijven.quot;

Qen Weldra bood zich voor de eedgenooten eene gunstige gele-

ian- genheid aan om hun verraderlijk opzet ten uitvoer te brengen,

en, De familie der gesneuvelde heeren van Zuilen (zie bl. SOfi)

taf, was nog altijd in vijandschap met de heeren van Amstel en

lem van Woerden. Om den zoen tusschen de strijdende partijen te

and bewerken, ontbood Floris hen tegen een bepaalden dag binnen

erd Utrecht. Zij verschenen aldaar; de zoen werd getroffen, en Flo-

rom ris was edelmoedig genoeg om het grootste gedeelte van de

rod som, welke Amstel en Woerden aan de van Zuilens te betalen hadden, uit eigen middelen te verschaften. Daarop noodigde

n in de graaf, tevreden en verheugd over den goeden uitslag van

ver- zijn werk, allen ter maaltijd.

een Men verhaalt, dat op den morgen van dien dag, eene ge-

n op ringe vrouw onderweg of in de kerk den graaf een briefje in

des de hand drukte, waarin te lezen stond: „Konings kind, edel

leren heer, gedenk de woorden van den psalmist; „zelfs de man mijns

Sdu- vredes, op wien ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de

i be- verzenen tegen mij opgeheven.quot;quot; Doch, even als weleer Julius

i. In Caesar, sloeg Floris deze waarschuwing in den wind.

prede Na den vrolijken maaltijd, waarbij Amstel en Woerden naast Enge- Floris aanzaten, en gedurende welken den graaf herhaaldelijk been in tuigingen van verkleefdheid en trouw werden toegedronken, be-le ge- sloot men, eene valkenjagt (een geliefkoosde uitspanning van graaf Floris) te houden. Terwijl men alles daartoe in gereedheid bragt, bij le- nam Floris een middagslaapje. Intusschen begaven de verra-

-ocr page 344-

314

ders zich buiten Utrecht, waar verscheidene zaamgezworenen verzameld waren, om de noodige maatregelen te nemen , opdat hun suoode toeleg niet zou mislukken. Na een poos gerust te hebben, werd Moris door Gijsbrecht van Amstel gewekt met de woorden: „Gij slaapt te lang, heer graaf. Het weder is schoon; op , op, ten vederspel!quot; Oogenblikkelijk stond de graaf op, om zich voor de jagt gereed te maken. En toen van Amstel vast vooruit naar het veld wilde gaan, riep Floris: „Wacht, heer Gijsbrecht, ik wil u eerst SinteGeerte minne gevenquot; (een destijds gewone dronk van afscheid of behouden reis). De verrader nam den beker, ledigde dien, wenschte den graaf een „God hoede u !quot; en ijlde naar zijne medestanders. Moris liet de paarden zadelen en reed met een fraaijen sperwer op de hand, gevolgd door zijn neef, den jongen Jan van Avennes, en jonker Gerard van Voorne, de stad uit. Op eenigen afstand van Utrecht bemerkte hij van quot;Woerden en reed op hem toe, om te vragen waar de jagt zou gehouden worden, waarop van Woerden , van Amstel, van Velzen en eenige anderen den graaf te gemoet snelden. Deze ontving hen met zijne gewone vriendelijkheid , doch van Woerden, \'s graven paard bij den teugel vattende, graauwde hem toe : „Uwe hooge sprengen , heer meester, zijn nu gedaan. Gij zult nu niet meer den baas spelen. Of het u lief is of leed, gij blijft onze gevangene.quot; De graaf, die dit voor kortswijl hield, zei lagchende: „Ja, ik weet wel beter.quot; — „En ik zweer u, dat het ernst is,quot; hervatte Arend van Benskoop en rukte hem den valk van de hand. De graaf, nu bespeurende, dat het wel degelijk ernst was, sloeg de hand aan het zwaard, doch werd omsingeld en ontwapend, terwijl van Velzen met ontbloote kling zwoer, den graaf bij de minste tegenweer het hoofd te zullen kloven. Een der hofbedienden , die eene poging wilde doen om zijn heer te redden, werd even als zijn paard zwaar gekwetst, terwijl intusschen Avennes en Voorne spoorslags naar Utrecht vlugtten, waar zij de tijding van de gepleegde euveldaad verspreidden.

De toenmalige bisschop van Utrecht, Willem van Mechelen,

-ocr page 345-

315

was met de zamenzwering misschien bekend; hij keurde ze althans niet af, en noch hij noch iemand anders te Utrecht deed eene poging om den graaf te bevrijden. Ook achtten \'s grayen vrienden zich daar niet veilig meer; de heer van Arkel liet Avennes en quot;Voorne in veiligheid naar Dordrecht brengen, waarheen zich ook Wolfert van Borselen begaf, om Zeeland tegen een mogelijken aanval der Vlamingen te dekken.

De eedgenooten hadden Floris eerst naar het slot Kroonen-burg, een eigendom van den heer van Amstel, en vervolgens naar het slot te Muiden gebragt, om hem verder over zee naar Engeland te voeren. De adel over \'t geheel bekommerde zich niet om het lot van den vorst en hield zich stil, maar alom kwam het volk op de been en besloot, den beminden landsheer te verlossen of te sterven. Kennemers, Waterlanders en Westfriezen snelden naar Muiden, waar zij echter, bij gebrek aan stormtuigen, niet anders doen konden dan den toegang te bezetten, terwijl kleine vaartuigen in de Zuiderzee kruisten, om de edelen de wegvoering van den graaf aan dien kant te beletten. De eedgenooten dwongen Floris wel om een brief af te zenden, waarin hij het volk , dat hem wilde bevrijden, gebood om af te trekken, daar hij „vertrouwde, binnen kort in der minne geslaakt te zullen wordenmaar niemand sloeg geloof aan dien brief, dien men natuurlijk voor afgedwongen hield.

De zamengezworenen, het thans ongeraden achtende, langer op het slot te blijven, besloten met den graaf langs een anderen weg te vlugten, ten einde hem , zoo al niet naar Engeland , dan naar quot;Vlaanderen of Braband te vervoeren. Zij trokken hem een gemeenen graauwen rok aan, zetteden hem te paard , knevelden hem de handen, bonden zijne voeten onder den buik van het paard vast en staken hem een handschoen in den mond. Langs omwegen en door moerassen reden zij eeni-gen tijd met hem in de rigting van Naarden voort, toen zij gewaar werden dat eenige Naardingers en Gooilanders, die het plan der edelen vernomen hadden , in eene hinderlaag verborgen lagen, met oogmerk om hen te overvallen en Floris zoo

___

-ocr page 346-

316

mogelijk te bevrijden. Gerard van Velzen, die vooruit was gereden, vroeg hun wat zij zochten. „Onzen graaf, dien gij wegvoert,quot; was het antwoord. „Dat zal niet gebeuren,quot; hernam van Velzen, waarop hij oogenblikkelijk terug reed, en na zijne ontmoeting in korte woorden verhaald te hebben, zijn zwaard trok om den graaf het hoofd te kloven. Moris, den slag willende ontwijken, dringt, zoo gebonden als hij is, met de knieën het paard op zijde, om over eene sloot te ontkomen ; doch het dier stort er in, en de slag, die op het hoofd gemunt was, treft nu de handen, die beiden in eens worden afgehouwen. Hiermede nog niet voldaan, stijgt Velzen van zijn paard en brengt den weerloozen graaf nog verscheidene wonden toe, welk voorbeeld door de anderen gevolgd wordt. Met meer dan twintig wonden doorboord laten zij den ongelukkigen Flo-ris voor dood liggen. Intusschen hadden de aanrukkende Naar-dingers en Westfriezen de moordenaars uiteen gedreven. Van Velzen, wien zijn paard was ontloopen, ontkwam, door de zelfopoifering van zijn schildknaap, die hem edelmoedig het zijne aanbood, ter uaauwernood aan de woede des volks; doch die schildknaap zelf werd met een paar andere knechten gegrepen en op staand en voet doodgeslagen.

De rampzalige graaf werd nog zieltogend uit het water gehaald, doch overleed kort daarna. Zijn lijk werd te Muider-berg gebalsemd, van daar naar Alkmaar gebragt en in het koor bijgezet. Later liet zijn zoon hem te Rijnsburg bij zijne gemalin Beatrix van Vlaanderen, die hij slechts weinige maanden overleefde, plegtstatig begraven. Het ingewand echter bleef te Alkmaar, waar het in eene fraai gebeitelde steenen kist in het hooge koor der groote kerk bewaard wordt.

In verscheidene oude kronieken vindt men het verhaal van twee windhonden, die bij graaf Floris waren toen hij gevangen werd genomen, hem voorts naar Muiden volgden en, toen de stervende graaf in de sloot lag, hem er uit poogden te trekken, terwijl zij het bloed aflikten, dat uit zijne wonden vloeide. Zij volgden het lijk ook naar Alkmaar en Sijnsburg

-ocr page 347-

7

317

en wilden noch eten noch drinken noch het graf verlaten, tot zij eindelijk van honger en afgematheid bij hun meester stierven.

Zulk een rampzalig uiteinde had een der beste vorsten, die ooit over Holland geregeerd hebben. Treffend is de overeenkomst tnsschen hem en zijn vader Willem II. Even als deze voegde hij innemende zeden en beminnelijke hoedanigheden bij een krachtig en bevallig uiterlijk. Door zijne weldadigheid en edelmoedigheid, regtvaardigheid en vergevensgezindheid, rondborstigheid, gulhartigheid en minzaamheid verwierf hij de liefde des volks, welks afgod hij genoemd werd. Van zijne dapperheid en krijgsbeleid getuigen zijne oorlogen met de Westfriezen, gevolgd door de eindelijke onderwerping van dat hardnekkig volk, benevens die met de heeren van Amstel en Woerden en .tegen Gui van Vlaanderen. Onder zijn bestuur werd Holland, behalve door Westfriesland en de goederen van Amstel en Woerden, ook door de aanwinst van de heerlijkheid Heusden, het land van Altena en de stad Woudri-chem aanmerkelijk vergroot. Als regent behoort aan Floris de eer van de vrijheid en den bloei der gemeenten in Holland bewerkt te hebben. Gelijk zijn vader deelde hij met onbekrompen hand voorregten en vrijheden aan de steden uit, aan welke hij nevens de edelen deel gaf in het raadplegen over de belangen van den staat. Zijne zucht om de gemeenten uit den staat van vernedering op te heffen, waaruit het verkorten van de magt des adels van zelf moest voortvloeijen, is benevens zijne strenge regtvaardigheid en het al te groot vertrouwen dat hij in ondankbaren stelde, de oorzaak van zijn val geweest.

Bij zijne vele voortreffelijke hoedanigheden voegde Floris ook liefde voor kunst en wetenschap. Hij was een goed zanger, hetgeen in dien tijd, de eeuw der minnezangers, een der vereisch-ten van een volmaakt ridder was. Op zijne aanmoediging schreef de vlaamsche dichter Maerlant zijn Spiegel Historiael, en werd de oude Egmonder Kroniek in hollandsch rijm overgezet. Even als zijn vader moedigde hij de bouwkunst aan ; hij voltooide het hof in den Haag, dat door Willem II begonnen was , bouw-

\'è

i

Jf

l/;£ï

i

I*]»® r if} n

lil

ü\'

li

lil li

M|ji

ipi

; óf: ijl mn

jamp;Jüt

-ocr page 348-

318

de het lusthuis de Vogelenzang niet ver van Haarlem en stichtte of verbeterde onderscheidene kasteelen ter verdediging der grenzen en tot handhaving van de inwendige rust.

VII. KORTSTONDIG BEWIND VAN JAN I. ONDERGANG VAN HET HOLLANDSCHE HUIS.

Door den dood van graaf Floris V (27 junij 1296) was het land zonder hoofd geworden, naardien de wettige opvolger nog in Engeland was. De edelen van Zuid-Holland, op den i

derden dag na \'s graven gevangenneming te Dordrecht bijeen lt;

gekomen, hadden het gebeurde aan \'s graven vrienden, aan keizer Adolf van Nassau en vooral aan den graaf van Henegouwen door boden laten bekend maken. Dezen laatsten hadden r zij verzocht om, als naaste bloedverwant van Floris, spoedig z over te komen, ten einde hen in de gevaarvolle oogenblikken, h

waarin het land zich bevond, met zijn raad te ondersteunen. li In plaats van zelf te komen, zond hij zijn broeder Gui, kanunnik te Luik, die de zaken goed op moest nemen en de I bewoners moest verzekeren dat hij eerlang zelf volgen zou. d Gui werd te Dordrecht met vreugde ontvangen en trok voorts, n gevolgd dooreen aantal burgers, naar het slot Kroonenburg, vi waarin Gerard van Velzen en eenige andere zamenzweerders bi — Amstel en Woerden waren het land uitgeweken — gevlugt, tr maar terstond door het verbitterde volk omsingeld werden, dat er niet rusten wilde voor dat den moord aan den graaf gewroken te was. Bij dat volk, dat uit alle hollandsche steden en dorpen he zamenstroomde, hadden zich eenige heeren en later Loef van D( Kleef, broeder van den graaf Dirk van Kleef, gevoegd. Deze, tei wien men het bevel over de belegering had opgedragen, ont- toi ving voor Kroonenburg Gui van Avennes zeer vriendelijk en ov zette met behulp der Dordtsche burgers, het beleg krachtdadig voort, terwijl hij eerlang versterkt werd door zijn broeder gel Dirk van Kleef, die met zes honderd man krijgsvolk verscheen kei en nu het opperbevel over de belegeraars op zich nam. Hij be- onl stormde het slot Kroonenburg zoo hevig, dat van Velzen, wien ziel

-ocr page 349-

319

het ook aan levensmiddelen ontbrak, zich weldra moest overgeven. Men vond bij hem onderscheidene deelnemers aan het gepleegde verraad, en toen het volk merkte dat de graaf van Kleef hen in zijne magt wilde houden, om naar eisch met hen te handelen, geraakte alles in rep en roer, en dreigde men den dood aan ieder die de moordenaars van den graaf levend weg wilde voeren. De graaf wist hen te bevredigen door het maken van eene verdeeling. Hij gaf van Velzen, van Zaenden en nog een paar anderen aan de woede des volks over; anderen werden in bewaring gehouden, om daarna aan graaf Jan van Henegouwen ter straf overgeleverd te worden.

De graaf van Kleef begaf zich vervolgens naar Dordrecht en nam, schoon tegen den zin des volks, het bestuur des lands op zich, totdat hij bij de komst van Jan van Avennes, die door het volk met gejuich werd ingehaald, daarvan afzag en liet land verliet.

In afwachting van de komst van den wettigen landsheer, die in Engeland werd opgehouden, om vóór zijn vertrek met \'s konings dochter Elizabeth in \'t huwelijk te treden, vond Jan van Aven-nes reeds dadelijk handen vol werk. De bisschop van Utrecht, van de in Holland bestaande verwarring tot zijn voordeel gebruik willende maken, viel in Holland , verraste Muiden en trok toen naar Westfriesland , waar hij de bewoners tot opstand en afval aanzette, drie van de kasteden , door Floris gesticht, ten gronde toe liet slechten en Medemblik verbrandde, om het aldaar gebouwde slot van rondom te kunnen bestormen. De wakkere slotvoogd Ploris van Egmond verweerde zich echter met goed gevolg tegen de aanvallen van den vijand , die toen besloot, de sterkte in te sluiten en door den honger tot de overgaaf te dwingen.

De belegering van Middelburg door de Vlamingen, die insgelijks van den staat der hollandsche zaken partij wilden trekken—van welke gebeurtenis Avennes te gelijker tijd het berigt ontving—scheen hem van nog bedenkelijker aard , waarom hij zich terstond naar Zeeland spoedde. Bij zijne aankomst vond

-ocr page 350-

320

hij echter de vijanden reeds verdwenen, en nu raadpleegde hij met Wolfei t van Borselen en andere heeren over de raid-delen om het huis te Medemblik te ontzetten.

Met een leger, waaraan behalve eenige zeeuwsche en holland-sche edelen, de bewoners van vele hollandsche steden, inzonderheid Dordrecht, deel namen, stapte Avennes te Enkhuizen, toen nog een dorp, aan wal, verdreef de zich verwerende Friezen en stak de plaats in brand, om den belegerden te Medembik door de vlammen ontzet aan te kondigen. Bij de nadering van Avennes ondersteunde de slotvoogd hem met een uitval, waarop de vijand de vlugt koos. Terwijl Avennes voorts naar Holland terug keerde, vernam hij te Haarlem de aankomst van graaf Jan I en begaf zich naar Dordrecht, om zijn neef te begroeten.

Deze was echter niet in Holland, maar te Veere in Zeeland binnengeloopen, waar de heer dier plaats, Wolfert van Borselen , hem ontving. Hoezeer Jan van Avennes zich verdienstelijk had gemaakt door voor de regering en verdediging van het hoofdelooze land te zorgen, had hij nogtans bij vele en vooral zeeuwsche edelen de bezorgdheid gewekt, dat hij over den jongen onervaren graaf te veel invloed krijgen en daarvan tot eigen voordeel misbruik zou maken. Wolfert van Borselen, die zich hierbij vooral deed gelden, verwijderde van den graaf, die zich geheel in zijne magt bevond, al degenen , welke hem niet aanstonden. Avennes, te Dordrecht gekomen verzocht den graaf, zich naar die stad te begeven , waar hij hem de regering zou overdragen, doch bij hem blijven, indien zijn raad den graaf nog langer van dienst kon zijn. Men antwoordde hem, dat, zoo Avennes den graaf van Holland spreken wilde hij, doch met niet meer dan honderd man, in Schouwen moest verschijnen , en dat men hem te dien einde goed geleide zoude geven. Op dit antwoord ontstak Avennes in woede. „Ik heb het geleide van mijn neef niet noodig,quot; riep hij uit, terwijl hij zwoer, zich op de raadslieden van den graaf te zullen wreken. „Er zal een tijd komenvoegde hij er bij, „dat de graaf van Holland blijde zal zijn, mij te zien

-ocr page 351-

321

en te spreken.quot; Hij vertrok daarop naar Henegouwen , waar hij, ofschoon van Borselen de grootste moeite deed om hem te onderscheppen , weldra behouden aankwam.

Onder een raad van bestuur , uit de aanzienlijkste en rijkste heeren bestaande, maar waarbij Wolfert van Borselen alles naar zijn wil regelde, aanvaardde Jan I zijn kortstondig bestuur. Zijn eerste daad was het bedwingen der Westfriezen, die weigerden hem als heer te erkennen. Hoewel de Friezen zich moedig verweerden, werd de onderneming van den graaf toch met den gewenschten uitslag bekroond. De Westfriezen onderwierpen zich, en sedert heeft geen hollandsehe graaf hen weder met de wapenen behoeven te keer te gaan.

Intusschen drong van Borselen zich al meer en meer in de gunst van den graaf, die zich bij eene schriftelijke verklaring onder eede verbond om „in alles den raad van Wolfert te volgennadat deze gezworen had, „den graaf naar zijn beste weten, in alle zaken met raad en daad te zullen ondersteunen.quot; Van zijn invloed maakte hij gebruik, om Dirk van Brederode, een der voornaamste hollandsehe edelen, en bij den graaf zeer gezien, uit diens dienst te ontslaan en om Jan van Eenesse, \'s graven gunsteling, die onlangs tot baljuw van Zuid-Holland aangesteld was, den voet te ligten. Deze bevond zich, op last der regering, te Bergen op Zoom, om met brabandsche gezanten over uitstaande geschillen te onderhandelen, toen zich eensklaps een gerucht verspreidde, dat Eenesse den jongen graaf, die zich destijds met van Borselen op een speelreisje bevond, wilde opligten en aan Braband overleveren. Eenesse, wien alle toegang tot den graaf werd afgesloten, begaf zich naar zijn slot Moermond op Schouwen, om den uitslag af te wachten. Weldra werd hij voor den graaf te Veere gedaagd, en naardien hij weigerde om zonder geleide te verschijnen, bij voorraad gebannen. Zijn slot werd aangetast en tot den grond toe geslecht, terwijl hij zelf genoodzaakt was het land te verlaten.

Hoewel de Vlamingen uit Zeeland verdreven waren, duur-

-ocr page 352-

322

den de vijandelijkheden met hen nog voort; doch door toedoen van Eduard van Engeland werd hieraan door een verdrag een einde gemaakt, bij welk verdrag Ylaanderen onder anderen van de leenhulde wegens Zeeland afstand deed.

De bisschop van Utrecht, door de onderwerping der Westfriezen aan Jan I in zijne plannen te leur gesteld, bedacht er nu iets anders op. Hij beschuldigde den hollandschen graaf en zijn volk van ketterij en predikte in het eigenlijke Friesland een kruistogt tegen hem. Met een zeker getal gewapende schepen , die de Friezen onder zijne bevelen stelden, stak hij naar Monnikendam over , doch werd door de Haarlemmers, Kenne-mers en Waterlanders, die hem te gemoet voeren, zoodanig toegetakeld , dat hij blij was, in een bootje naar Kampen te ontsnappen. Van het verdrag, waartoe hij daarop door van Borse-len gedwongen werd, had hij echter weldra berouw, zoodat hij besloot. zijn geluk op nieuw met de wapenen te beproeven. Borselen, hiervan onderrigt, kwam in Holland , om in de verdediging van het gewest te voorzien. Te dien einde eischte hij de overgave van het slot IJsselstein, om dit, zoo lang de oorlog duurde, te bezetten. De eigenaar, Gijsbrecht, ofschoon leenman van den graaf, weigerde, als maarschalk van den bisschop , aan dien eisch te voldoen, waarop het slot dadelijk met eene sterke magt werd aangetast. Toen Gijsbrecht zelf gevangen geraakt en op het slot te Kuilenburg gekerkerd was, nam zijne moedige echtgenoot, Bertha van Arkel, de verdediging der sterkte op zich. Omtrent een jaar hield zij het tegen den geweldigen en onophoudelijken aanval uit, toen eindelijk de honger haar drong, het slot onder voorwaarde over te geven. Zij kon echter slechts lijfsbehoud voor zich zelve en de helft der zestien overgeblevene manschappen bedingen. Deze werden nu naar Dordrecht gevoerd en moesten hier, ten overstaan van Aloud, die in plaats van Eenesse baljuw van Zuid-Holland was geworden, en in \'t bijzijn van Bertha om het leven loten. Dit geschiedde aldus: Aloud verdeelde de gevangenen in twee hoopen, en liet vervolgens één der acht personen, van twee

-ocr page 353-

323

bolletjes, gelijk in grootte en kleur, maar in een van welke een hollandsche, in het andere een leuvensche penning verborgen was, er een trekken. Zij, wien de leuvensche penning te beurt viel, werden dadelijk onthoofd, de anderen bleven vrij. Het slot IJsselstein werd vervolgens door graaf Jan aan Wol-ferts echtgenoote, de vrouwe van Voorne, in leen geschonken. Van Borselen, die ook hierdoor den nijd der hollandsche edelen opwekte , haalde zich niet minder den haat der steden op den hals, doordien hij op verschillende wijze hare voorregten besnoeide, en tevens door de nadeelige verandering, die hij in de munt had gebragt. Niet lang ook mogt hij zich in zijn voorspoed verheugen. De val van den gehaten gunsteling was nabij.

Wegens eene of andere regtzaak was er een geschil ontstaan tusschen de schepenen van Dordrecht en Aloud, den baljuw van Zuid-Holland. Borselen, aldaar gekomen en ongeduldig\'over de tegenspraak der schepenen, ontbood partijen te Delft, om zich voor den graaf te komen verantwoorden. Doch weldra keerden eenige der afgezondenen zonder verlof van den graaf naar Dordrecht terug. Over deze schending van \'s graven gijzeling deed men geheel Dordrecht den oorlog aan; de stad werd naauw ingesloten, om haar door het afsnijden van allen toevoer tot onderwerping te dwingen. Wolfert, die begreep, niet veel op de Hollanders te kunnen vertrouwen, besloot met den graaf naar Zeeland te gaan, ten einde daar benden te gaan oproepen. Hij vertrekt bij nacht met allen spoed uit den Haag, om zich te Schiedam naar Zeeland in te schepen. Spoedig wordt de graaf vermist, en geraakt hof en volk in beweging. Men jaagt de vertrokkenen na en verneemt te Vlaardingen, dat zij reeds van wal gestoken, maar nog in \'t gezigt zijn; men haalt het schip met booten in; de graaf wordt in zegepraal terug gebragt, en Wolfert te Delft gevangen gezet; doch weldra brak het volk de gevangenis open, haalde van Borselen er uit en vermoordde hem op de wreedaardigste wijze.

Toen de tijding van Borselens ondergang te Dordrecht aankwam , luidde men er de klokken van vreugde; gewapende

- -

-ocr page 354-

324

benden trokken naar het huis Kraaijenstein, waar de baljuw Aloud zich bevond, en dwongen hem zich over te geven, waarop men hem met de bezetting naar Dordrecht voerde; doch voor de poort werd hij door het woedende gepeupel met twee zijner broeders, den schout en twee dienaren op onmenschelijke wijze doodgeslagen.

Bij het verlies van zijn gunsteling, aan wiens leiband hij steeds geloopen had , was Jan I in de grootste verlegenheid. Hij zond daarom naar Henegouwen en verzocht den graaf om hem met raad en daad te komen bijstaan. Jan van Avenues, die niets liever wenschtc, verscheen weldra in Holland. Graaf Jan en zijne gemalin gingen hem vol blijdschap te gemoet en geleidden hem naar Dordrecht, waar de hollandsche graaf zich voor vier jaren onder voogdij of toezigt van Avennes stelde. De édelen en steden stemden in deze schikking toe ; de rust werd in het laad hersteld, en een eeuwige oorlog verklaard aan al degenen, die aan den moord van Moris V medepligtig waren geweest.

Alles scheen nu een betere toekomst te voorspellen, toen Jan I te Haarlem door eene koorts werd aangetast, die spoedig in rooden loop ontaardde en kort daarop (10 nov. 1399) een einde aan zijn leven maakte. Terstond verspreidde zich het gerucht , dat de jonge graaf vergiftigd was, en het vermoeden viel op Avennes, die daartoe ook wel eenige aanleiding gaf, doordien hij bij \'s graven ziekte naar Frankrijk reisde, terwijl het niemand onbekend was, hoe zeer hij op de heerschappij over het graafschap vlamde. Stellige bewijzen zijner schuld bestaan er echter niet.

Met Jan I, die slechts drie jaren den titel van graaf had gevoerd, stierf het doorluchtig stamhuis der hollandsche graven uit, dat vier eeuwen lang onder toenemenden luister gebloeid had.

-ocr page 355-

325

II. BEETRAND DU GUESCLIN (1830 n. Chr.).

I. BEETRAND IN ZIJNE JEUGD.

Bertrand du Guesclin werd in 1314 op het ridderkasteel Motte Broon bij Eennes in Bretagne geboren. Eeeds vroeg vertoonde zich zijn heldenaard. Daar hij niet met leeren geplaagd werd — hij heeft nooit kunnen lezen of schrijven — vormde hij als knaap eene kompagnie soldaten van zijne jaren en oefende hen als hun generaal in het leveren van gevechten. Dikwijls sloeg zijne moeder hare handen boven haar hoofd ineen, wanneer hij met een gewond gezigt en bebloed hoofd t\'huis kwam. Eeeds op zijn zeventiende jaar overtrof hij vele oudere ridders in kracht en bekwaamheid in het voeren der wapenen. Maar hij werd door de dames uitgelagchen, omdat hij zulk een lee-lijk voorkomen had en zulk een slecht paard bereed. Zij bespot-teden hem en vonden, dat bij er meer als een ezeldrijver dan als een ridder en edelman uitzag, en dat hij zijn ros zeker van een molenaar had geleend! Bertrand ergerde zich daarover, en toen er eens weder een tornooi gegeven zou worden, verzocht hij eenen neef, hem een paard en eene wapenrusting te leenen. Beide werd hem toegestaan, en met verheugd gemoed begaf hij zich naar het strijdperk, waar hij in de vreemde wapenrusting, met neergeslagen vizier, door niemand, zelfs niet door zijn vader herkend werd. Een bekend dapper ridder daagde hem ten strijde. Het teeken werd gegeven, zij renden met bliksemsnelheid tegen elkander in, en krakend verbrijzelden de lansen in beider handen. Bertrand nogtans had met zoo veel kracht zijn stoot tegen den helm van zijn tegenstander gedaan, dat deze terstond uit den zadel vloog en verscheidene schreden ver bezwijmd op het zand bleef liggen, zoodat hij uit het strijdperk weggedragen moest worden.

De jonge overwinnaar keerde met een versche lans naar zijne plaats terug en wachtte nieuwe strijders af. Daar kwam zijn eigen vader tegen hem op. Tegen dezen wilde hij liefst niet strijden, maar even min wilde hij zijne onbekendheid afleggen.

GRUBE, G. D. M. 22

WÊÊÊÊ

-ocr page 356-

326

Derhalve besloot hij, bij het rennen zijne lans te laten zakken en den stoot zijns vaders met het schild op te vangen, zonder weerstand te bieden. Zoo deed hij, en wel met zulk een bekwaamheid , dat hij, vast in den zadel blijvende en zonder te wankelen, voorbij joeg en nu ronduit verklaarde, dat hij met dien ridder niet meer wilde strijden. Men verwonderde zich, maar maakte geene spottende aanmerkingen, omdat de moed des ridders reeds in het vorige gevecht genoegzaam op de proef was gesteld. Zijn vader verliet het strijdperk en maakte voor andere ridders plaats. Deze wierp Guesclin den een na den anderen in het zand, en eenparig werd hij als overwinnaar erkend. Ieder was begeerig, den held te leeren kennen , maar \'t meest verlangde zijn vader naar de opheldering van het geheim. Eindelijk , nadat het tornooi geëindigd was, en Bertrand zijn ridderdank ontvangen had, snelde hij naar zijn vader toe, sloeg zijn vizier op en riep: „Kent gij mij nu, vader?quot; De oude omarmde hem met vreugdetranen in \'t oog en voorzag hem nu mildelijk van paard en wapenrusting, terwijl de roem van den jongen held geheel Frankrijk vervulde.

II. BEETRAND NEEMT HET KASTEEL FOUGEEAY IN.

Tot hiertoe had Bertrand altijd slechts overwinningen op tor-nooijen bevochten; thans moest ook het ernstiger tooneel der veldslagen de eerstelingen van zijn zwaard aanschouwen. Hertog Karei voerde tegen Jan van Montfort oorlog om het bezit van Bretagne. Mips IV, koning van Frankrijk, hield het met den eerstgenoemde; de koning van Engeland daarentegen ondersteunde Montfort. Voor Bertrand bleef er natuurlijk geene keus, want hij volgde als regtschapen Franschman zijnen koning , waarheen deze hem ook voerde. Destijds was het kasteel Fougeray in handen der Engelschen, en Bertrand besloot, deze niet onbelangrijke plaats aan hunne handen te ontrukken. Te dien einde verkleedde hij zich met zestig zijner makkers als houthakkers; hij deelde deze in vier hoopen , die van verschillende zijden de plaats naderden. Daarop maakte hij van een

-ocr page 357-

327

tijdstip gebruik, dat de bevelhebber van het kasteel met een deel der bezetting op een strooptogt was, verborg gedurende den nacht zijn volk in het naburige boseh, en deed het vervolgens bij het aanbreken van den dag met bundels hout en rijs beladen, en de wapenen onder de kleederen verborgen, van verschillende zijden het kasteel naderen. Bertrand, in witte kiel, met een geweldigen last hout op den rug, was de eerste die voor de ophaalbrug verscheen; zonder bedenken liet men de brug neder. Terstond wierp Bertrand zijn bundel neer, trok zijn zwaard en doorstak den brugwachter, waarop hij met luider stem riep; „Guesclin !quot; Op dit teeken haastten de overigen zich om hem te hulp te komen en de brug te veroveren. Daar er echter wel 300 Engelschen in het kasteel waren, was de strijd zeer ongelijk en ontstond er eene vreeselijke slagting. Een Engelschman doorkliefde met zijne strijdbijl eenen medgezel van Bertrand het hoofd, waarop deze hem neêrhieuw, de bijl greep en naar alle zijden houwen uitdeelde, terwijl hij met den rug tegen eene herdershut leunde. Zoo hield hij strijdend den vijand een tijd lang van het lijf, totdat er toevallig eene ruiterschaar van zijne partij in de nabijheid kwam, hem uit den nood bevrijdde en de plaats hielp winnen, \'t Was echter ook hoog tijd, dat er hulp kwam, want in den strijd met tien vijanden was hem de strijdbijl reeds ontvallen, en zijn hoofd was zoo zeer met wonden bedekt, dat het bloed hem over het aange-zigt vloeide. Door deze uitstekende dapperheid erlangde hij den roem van den onverschrokkensten en koensten ridder van zijn tijd.

III. BEETRANDS TWEEGEVECHT MET THOMAS VAN CANTERBURY.

Toen de hertog van Lancaster, de broeder van den Zwarten prms, Dinan belegerde, gebeurde het, dat Bertrands broeder , Olivier du Guesclin, gedurende eene bedongene wapenschorsing , door een engelschen ridder, Thomas van Canterbury, tegen regt en gebruik gevangen werd genomen. Zoodra Bertrand deze tijding vernam, steeg hij terstond te paard en reed

22*

!li fli f

I i 1!

1 rl;

li

JfiWl

lil

-ocr page 358-

328

spoorslags naar de engelsche legerplaats. Met groote achting werd hij aldaar ontvangen en volgens zijn wensch terstond bij den hertog gebragt, die juist met lord Chandos en andere voorname heeren aan het schaakspel zat. Deze heeren bewezen hem de grootste eer, en toen hij zijne klagten over de aan zijn broeder gepleegde onbillijkheid had ingebragt, ontbood de hertog den ridder Thomas oogenblikkelijk bij zich en beval hem met strenge berisping, zijnen gevangene dadelijk in vrijheid te stellen. Vol toorn keerde Canterbury zich nu tegen Bertrand en wierp hem zijn handschoen voor de voeten. Bertrand raapte dien niet slechts volgaarne op, maar nam zijn vijand bij de hand, en betuigde, dat hij hem in den strijd op leven en dood zou bewijzen, dat hij door schending van het volkenregt eerloos gehandeld had. quot;Vol toorn begeerde Thomas, nog op den zelfden dag te strijden. Lord Chandos bood Bertrand het beste paard van zijn stal en de beste wapenrusting ten gebruike aan, welke beiden door Bertrand met genoegen werden aangenomen. Als een loopend vuur drong het gerucht van het tweegevecht door de legerplaats en was spoedig ook te Dinan aangekomen. De burgers der stad, die in groote benaauwdheid waren, in geval zij hun dapperen beschermer verloren, en die ook de En-gelschen niet regt vertrouwden, zonden onverwijld aan Bertrand een bode en lieten hem verzoeken, om het duel op hunne markt te houden; de hertog mogt daar met twintig medgezellen bij tegenwoordig zijn, voor welke zij voldoende gijzelaars wilden stellen. Bertrand voedde wel is waar niet den minsten twijfel aan de eerlijkheid der Engelschen en aan \'s hertogs woord, maar toch deelde hij hem de wenschen zijner medeburgers mede. De hertog stemde hierin toe, en de strijd werd tot den volgenden morgen verschoven.

Den volgenden dag verschenen de Engelschen reeds in de vroegte. Bertrand, van het hoofd tot de voeten in statige wapenrusting , reed in voortreffelijke houding de kampplaats in. Om de staketsels rangschikten zich de hooge gasten, de burgerij , heel het volk; alle vensters en balkons waren rondom

-ocr page 359-

339

met dames bezet, om van den strijd der twee dapperste ridders getuigen te zijn.

Intusschen was echter de moed van den goeden Thomas gedaald. Op zijne aansporing kwamen eenige ridders van des her-togs gevolg bij Bertrand, stelden hem de grootte van het gevaar voor, daar hij, nog zoo jong, tegen zulk een oud, ervaren strijder wilde vechten, en boden hem aan, de zaak in der minne bij te leggen. Doch Bertrand verklaarde, dat de zaak reeds te ver gekomen was, om bijgelegd te kunnen worden; maar dat, zoo Thomas hem openlijk zijnen degen wilde aanreiken en hem zoo doende de overwinning toekennen, hij daarmede tevreden zou zijn.

Daar Thomas nu zag dat er niets anders op zat, kwam de moed der vertwijfeling bij hem boven, en stelde hij zich voor, zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De renbaan werd geopend, de beide strijders reden op elkander toe en vielen eerst met de zwaarden elkander woedend aan. De blanke klingen doorkliefden flikkerend de lucht, en slag op slag viel met steeds verdubbelde kracht neder. Doch geen van beiden waggelde in de stijgbeugels. Nadat zij aldus geruimen tijd met gelijk geluk hadden gevochten, trokken zij hunne stootdegens en kampten weder een tijd lang, zonder dat de een den ander een steek kon toebrengen. Eindelijk, toen de Engelschman alle kracht bijeen zamelde, vloog de degen hem uit de hand. Thans zwenkte Bertrand zijn ros en liet het heen en weêr draven als ter verlustiging van zijn tegenstander; maar op eens steeg hij af, raapte den gevallen degen op en slingerde hem met alle magt tot buiten de omheining, om vervolgens beter over zijn tegenstander te kunnen zegevieren. Deze reed aanvankelijk het strijdperk rond, ten einde Bertrand te ontwijken, die hem wegens de scheenplaten aan de beenen en de zware wapenrusting niet vlug genoeg volgen kon. Hij bedacht zich echter niet lang , maar zette zich neder, om de scheenplaten los te gespen. Zoodra de Engelschman dit zag, snelde hij in galop toe om op hem aan te vallen; maar Bertrand had dit voorzien en stiet

Af I

|HI

ill li

f |h

iU ;

\'\'i|m .

.

lil

fe\' I

-ocr page 360-

330

het paard den degen in het lijf, zoodat het neerviel en den ruiter ter aarde wierp. Thans viel Bertrand in een omzien op hem aan, gaf hem eerst een paar houwen over het gezigt en takelde hem vervolgens met zijn pantserhandschoen zoodanig toe, dat hij van bloed droop. Tien engelsche ridders snelden toe, om hem tegen te houden, maar Bertrand beduidde hun dat zij volstrekt geen regt hadden om hem te verhinderen, al wilde hij zijnen vijand ook het leven benemen. Eindelijk liet hij hem los , maar zoo misvormd, dat schier niemand hem kende. Ieder snelde toe, om Bertrand geluk te wenschen, terwijl de hertog van Lancaster den ridder Thomas veroordeelde om de som , welke hij als losgeld voor Olivier de Guesclin verlangd had, als boete te betalen.

III. DE MAAGD VAN ORLEANS (1429 n. Chr.).

I. HAAR AFKOMST EN KARAKTER.

Haar eigenlijke naam was Johanna of Jeanne d\'Arc. Zij was in het dorp Domremi bij Vaucouleurs, aan de westelijke grens van Lotharingen, in het jaar 1413 geboren. Hare ouders waren geringe landlieden , weinig bemiddeld , maar als werkzaam, braaf en godvreezend bekend. Door hen werd zij tot alles goeds aangespoord. Zij leerde van hare moeder het Onze Vader, het Ave Maria en de geloofsartikelen, maar noch lezen noch schrijven. Alle werkzaamheden der boerderij ver-rigtte zij met zonderbare vlijt; zij spon wol, ploegde den akker, weidde de kudde, verzorgde de paarden. Gelijk bare vroegtijdige vlijt, zoo wordt ook hare zachtmoedigheid, werkzame mensehenliefde en godsvrucht geroemd. Zij verpleegde de zieken, was hulpvaardig jegens armen, ging dagelijks ter kerk en gebruikte dikwijls het heilig avondmaal. Daarbij verried zij echter ook eene neiging tot dweeperij. In de nabijheid van haar dorp stond een wonderbare boom, een fraaije beuk, die, volgens een oud volksverhaal, door feeën omringd was, en niet ver van daar vond men een even merkwaardige bron. Daar plagt

-ocr page 361-

331

zij dikwijls met hare gespelen op schoone avonden te zingen en te dansen. Maar sedert haar 13de jaar vermeed zij gezang en dans, leefde meer in zich zelve gekeerd, en hield zich ook zoo ijverig met godsdienstoefeningen bezig, dat zij zich daardoor de spotternij harer speelgenooten op den hals haalde. Engelen en heiligen waren haar, gelijk zij zelve naderhand verhaalde, sedert dien tijd verschenen, en wanneer zij vurig bad, was zij altijd van de hemelsche verschijning zeker. Evenwel sprak zij toenmaals met niemand over de openbaringen, die zij ontving, maar leidde een stil afgetrokken leven , totdat de roeping der godheid en de aandrang van haar hart haar op het schouwtoo-neel van het openbare leven voerde.

Slechts 13 maanden heeft haar openlijk optreden geduurd; maar welk eene groote en wonderbare verandering heeft zij in dezen korten tijd in den toestand van Frankrijk bewerkt!

ii. frinkbuk in Johanna\'s tijd.

Diep gezonken wasErankrijks toestand Het geheele noordelijke deel tot aan de Loire was in de handen der Engelschen, en reeds werd Orleans, de sleutel tot het zuidelijke Frankrijk, door hen belegerd (october 1428). Karei VII, die koning heette, zonder het te zijn — want niet eens de krooning en zalving te Eeims had hij kunnen erlangen — scheen reddeloos verloren. Zonder vertrouwen op zich zeiven en zijne zaak, was hij ook zonder hoop. Van dag tot dag werd hij armer in geld en troepen en door nieuwe ongeluksboden verschrikt. Hij nanr het besluit om het kasteel Chinon op den zuidelijken oever der Loire te verlaten en naar het zuiden van Frankrijk te trekken, of wel naar Spanje te vlugten, ten einde aldaar een wijkplaats te zoeken. Deze treurige toestand van het rijk en den koning moest alle welgezinde Franschen met angst en medelijden vervullen en het onderwerp hunner gesprekken en zorgen zijn. Ook Johanna werd door dezen tegenspoed van haar vaderland diep getroffen, en in hare ziel ontwaakte de gedachte om koning en vaderland te redden.

-ocr page 362-

332

III. JOHANNA WORDT DEN KONING VOOSGESTELD.

Nooit mag men de tijden van grooten nood en opgewondenheid met den maatstaf der tijden van rust afmeten. Waar buitengewone omstandigheden plaats hebben, worden buitengewone krachten gewekt. Volgens het geloof van den tijd verschenen engelen en heiligen aan de menschen; in de nabijheid van het dorp Eemi werden allerlei wonderverschijnselen waargenomen : daar stond een wonderboom, daar welde eene too-verbron op, en een oude voorspelling verkondigde, dat er van de Lotharingsche grens een meisje zou komen, om Frankrijk te redden. Johanna gevoelde dat zij dit meisje was, en het vaste geloof, verbonden met haar kinderlijk vertrouwen op God, gaf haar kracht. Zij wilde het bedreigde Orleans ontzetten en den verlaten koning ter krooning naar Orleans voeren.

Door dit vertrouwen gedreven, verliet zij hare ouders, welke zij tot dus ver met kinderlijke gehoorzaamheid gediend had. Eerst wendde zij zich naar Vaueoulenrs, waar zij bij den bevelhebber, Baudricourt, toegang vond (1429). Toen zij dezen man haar voornemen openbaarde, hield hij haar voor eene dweepster en wilde niets van haar weten. Doch eindelijk besloot hij, om den koning berigt over haar te doen toekomen. Het antwoord was, dat hij haar moest zenden, opdat men haar nader op de proef zou kunnen stellen. Zoo trok Johanna dan in manskleederen, te paard en onder geleide van eenige ridders naar het fransche hof.

Onder weg verwierf zij door hare verstandige taal, door hare godsvrucht en eerbaarheid groote achting van den kant hater begeleiders. Toen zij te Chinon waren aangekomen, duurde het lang eer zij bij den koning werd toegelaten. Karei VII was lang onzeker, of hij op hare openbaringen zou vertrouwen dan of hij die voor duivelsche begoocheling moest houden. Eindelijk liet hij haar voor zich komen, en de maagd kende dadelijk den koning, ofschoon deze zich zonder eenig teeken zijner waardigheid onder zijne hovelingen gemengd had. Daarop ontdekte

-ocr page 363-

333

i|

zij hem ook een geheim, dat niemand buiten den koning weten kon. Dit baarde groot opzien. Om echter hare goddelijke zending buiten allen twijfel te stellen, liet Karei Vil haar eerst door eene vergadering van geestelijken en vervolgens door het parlement van Poitiers op de proef stellen, en allen deden de uitspraak, dat Johanna door God tot redding van Frankrijk gezonden was.

IV. ORLEANS ONTZET.

Nu werd het besluit genomen om aan het wonderbare meisje, als eene goddelijke profetes, de aanvoering van het leger toe te vertrouwen. Zij ontving overeenkomstig haar verlangen een zwaard, dat in de Catharina-kerk te Fierbois bewaard werd en dat zij naauwkeurig beschreef. quot;Vervolgens verzocht zij om een wit, met leliën gestikt vaandel, waarop God met den wereldbol in de hand was afgebeeld en de woorden: „Jezus Mariaquot; geschreven stonden. Dit vaandel droeg zij, opdat zij, zoo als zij zelve het uitdrukte, het zwaard niet zou behoeven te gebruiken. Hierop trok zij manskleederen aan, pantserde zich van het hoofd tot de voeten en besteeg toen een strijdros. Met het gevolg en het aanzien van een veldheer werd zij naar Blois gezonden tot de fransche troepen, die Orleans moesten ontzetten, of althans van nieuwen toevoer voorzien. Het geloof aan hare goddelijke zending ging haar vooruit.

Toen zij te Blois aangekomen was, drong zij bij de soldaten vooral aan op godsdienstoefening en goede zeden. Zij beval allen te bidden, de mis te hooren, te biechten en het avondmaal te gebruiken; zij beperkte het vloeken, spelen, rooven ; zij verdreef alle liederlijke vrouwspersonen uit de legerplaats en sprak den soldaten moed en troost in. Aan de Engelscheu liet zij hare aankomst bekend maken en beval hun, in den naam van God, terstond ruim baan voor haar te maken. Daarop maakte zij toebereidselen om toevoer naar Orleans te brengen en zich in deze zeer in \'t naauw gebragte stad te werpen.

Den 29stea april 1439 kwam zij voor Orleans aan, en ter-

i:i|l si

la\',

I

li

: ï il. X (

|

-ocr page 364-

334

wijl de fransche bezetting naar een anderen kant een uitval deed, bragt zij aan de tegenover gestelde zijde de levensmiddelen gelukkig in de stad. In Orleans werd zij als eene hemel-sche redster ontvangen. Den 4den mei, toen er een tweede toevoer voor Orleans verscheen, rukte^zij met den graaf Du-nois uit, en ongestoord ging de togt midden tusschen twee schansen van Engelschen door. Thans ontvlamde zij den moed der Franschen tot moedige aanvallen op de vijandelijke schansen ; ook deze aanvallen gelukten: de eene schans na de andere werd den Engelschen ontrukt. Er werden beslissende gevechten geleverd, en verscheidene duizenden Engelschen bleven op de plaats, zoodat de vijanden genoodzaakt werden, het beleg van Orleans op te breken.

V. DE KONING TE KEIM3 GEKROOND.

Thans was het eerste volbragt dat Johanna, die thans den naam van „maagd van Orleansquot; verkreeg, beloofd had; nu bleef haar nog de tweede, veel grootere taak te vervullen, namelijk den koning ter krooning naar Reims te voeren. Vooraf moest er nog menige zware strijd gestreden worden. De Franschen hadden nieuw vertrouwen opgevat, veroverden de stad Jargeau, waar de engelsche generaal Suffolk gevangen genomen werd, en sloegen den 18den junij het engelsche leger bij het dorp Pa-tai, waar de dappere Talbot in hunne handen viel. Waar het gevecht het heetst was, verscheen de maagd en vervulde hare strijders met nieuwen moed; de Engelschen daarentegen werden versaagd, want zij meenden met de booze geesten der hel te kampen.

quot;Nog was Reims in de handen der vijanden, en de verre weg daarheen overal door de Engelschen bezet. Nogtans waagden de Franschen het schijnbaar onmogelijke, en Karei VII, anders uit traagheid van het tooneel des oorlogs verwijderd, plaatste zich zelf aan het hoofd zijns legers en brak naar Reims op. De door de Engelschen bezette steden werden allen bedwongen en onderwierpen zich zonder slag of stoot. Reims zelf verjoeg de

-ocr page 365-

335

engelsche bezetting en zond Karei de sleutels der stad te ge-moet. Zegevierend trok deze Eeims binnen, en op den 17den julij werd hij aldaar plegtig gekroond en gezalfd. Gedurende deze plegtigheid stond de maagd, in volle wapenrusting, met hare vaan in de hand, aan zijne zijde, en nadat de zalving des konings geschied was, wierp zij zich voor zijne voeten, omvatte zijne knieën en wenschte hem onder duizend vreugdetranen geluk. „Zoo is dan eindelijk,quot; zeide zij, „Gods wil vervuld, dat gij, edele koning, te Reims, gekomen zijt en de zalving hebt ontvangen, ten teeken dat gij de ware koning zijt, wien het rijk moet toebehooren.quot; De koning dankte haar voor de diensten, die zij hem bewezen had, verhief haar tot den adelstand en stelde hare geboorteplaats vrij van alle belastingen.

VI. JOHANNA GEVANGEN.

De maagd achtte nu hare zending vervuld en wilde naar Domremi terug keeren; maar men hield haar nog voor onontbeerlijk, om het leger verder met geestdrift te bezielen. Johanna gevoelde dat zij het toppunt van haar geluk bereikt had en bleef met tegenzin. Haar voorgevoel werd maar al te spoedig bewaarheid. Zij trok in september van het zelfde jaar mede tegen Parijs op, op welke stad koning Karei een aanval liet doen. Maar de fransche troepen werden met groot verlies terug geslagen en de maagd zelve gewond. In het volgende jaar wierp zij zich in de stad Compiègne, die destijds door den hertog van Bourgondië belegerd werd. Reeds den volgenden dag na hare aankomst (33 mei 1430) deed zij met 600 man een uitval aan de zijde, waar de Bourgondiërs onder Jan van Luxemburg stonden. Doch deze uitval mislukte, en de Fran-schen moesten terug trekken. De maagd, die bij den terugtogt, zoo als altijd, de laatste was, reed langzaam achter aan om hem te dekken, en keerde zich meermalen tegen den vijand, om hem terug te drijven. Reeds was zij digt bij de poort van Compiègne , toen zij, door vrienden verlaten en door vijanden omringd, in handen der laatstgenoemden geraakte. Een stoutmoe-

-ocr page 366-

336

dig krijgsman greep haar en trok haar van het paard. Na wanhopige tegenweer gaf zij zich aan den bastaard van Vendome, den vasal van den hertog van Bourgondië, over.

VII. JOHANNA ALS TOOVERES VERBRAND.

Hare gevangenneming verwekte de grootste vreugd onder de Engelschen. Nu meenden zij hunne vroegere overwinningen, hunne vorige magt in Frankrijk te zullen hernieuwen. De hertog van Bedford liet daarom het „Te Deum laudamusquot; (Wij loven U, o God) te Parijs zingen, legde vreugdefeesten aan en kocht de maagd voor 10 000 livres van de Bourgondiërs. Rustig had zij het lot der gevangenschap verdragen; ook had men haar in \'t eerst zeer welvoegelijk behandeld. Doch toen zij vernam, dat zij niet in bourgondische handen blijven, maar aan de Engelschen overgegeven zou worden , waagde zij een gevaarlijken sprong uit den toren, waarin zij gevangen zat. Vergeefs! Zwaar gewond werd zij gevat en aan hare doodvijanden, de Engelschen, overgegeven. Deze, ten hoogste verheugd over de heerlijke vangst, sleepten het arme meisje naar Eouaan en wierpen haar aldaar in een donkerea kerker. Vier maanden lang werd zij met vragen over hare openbaringen gekweld, zelfs met de pijnbank bedreigd. De universiteit van Parijs, toenmaals in handen der Engelschen, verlangde hare teregtstelling, en de bisschop van Beauvais ving het regtsgeding tegen haar aan, dat zij zich aan hekserij, tooverij en afgoderij schuldig had gemaakt. Onverschrokken beantwoordde zij alle haar voorgelegde vragen, en hare verstandige antwoorden brag-ten dikwijls de regters, die zich vermoeiden. om iets kwaads in haar te vinden, in verlegenheid. Maar eindelijk werd zij toch tot den vuurdood veroordeeld.

Op den 23sten mei 1431 werd haar in de gevangenis dit vonnis voorgelezen. Zij hoorde het met standvastigheid aan. Ook toen zij den volgenden dag ter strafplaats werd geleid en reeds bij den brandstapel stond, bleef zij onversaagd. Eerst toen een geestelijke haar vermaande om hare dwaling te verzaken en

-ocr page 367-

337

zich aan de kerk te onderwerpen, ontzonk haar de moed. Zij riep; „Ik wil mij aan de kerk onderwerpen en alles doen wat zij beveelt!quot; Nu moest zij hare tooverijen naar een formulier , dat men haar voorlas , afzweren en vervolgens dit formulier met een kruis onderteekenen. Hierop werd zij naar hare vorige gevangenis terug gebragt, waar zij voor altoos op water en brood moest blijven. Maar dit was voor de onmensche-lijke woede der vervolgers niet genoeg; zij moest den marteldood ondergaan, en het viel hun ligt, hiertoe gelegenheid te vinden.

Johanna had bij hare herroeping ook moeten beloven om nooit weder manskleederen aan te trekken ; maar men had, misschien om haai tot ontrouw aan deze belofte te verleiden, de manskleederen in hare gevangenis gelaten. Toen zij nu evenwel de manskleederen aantrok, om de lastige onbeschaamdheden der soldaten te ontgaan, werd dit als een terugkeer tot hare vorige ketterij beschouwd, en nogmaals werd het vonnis van den vuurdood over haar uitgesproken. Bij de aankondiging daarvan gaf zij een kreet van ontzetting\'; zij jammerde, dat zij zoo wreedaardig behandeld zou worden. Maar dit was ook de eenige schatting, die zij aan de natuurlijke liefde voor het leven betaalde. Weldra keerde haar geloofsmoed terug en verheerlijkte haar smartelijk uiteinde. Den 30sten mei, \'s morgens te negen ure, werd zij met eene muts, waarop de woorden „afvallige en ketterschequot; te lezen waren, naar de oude markt der stad Kouaan gevoerd en aan den wereldlijken arm overgegeven. Op den weg naar de houtmijt zeide zij tot hare geleiders: „Nog heden zal ik door Gods genade in het paradijs zijn!quot; Men liet, ten einde hare foltering te vermeerderen, de vlam haar slechts langzaam naderen; nog lang hoorde men, hoe zij de heiligen aanriep, en de naam „Jezusquot; was het laatste woord, dat men van haar hoorde. Zij gevoelde welligt wat de dichter haar laat zeggen : „Kort is de smart, en eeuwig duurt de vreugde !quot; Ten einde hare nagedachtenis te vernietigen, werd hare asch in de Seine gestrooid.

-ocr page 368-

338

Maar uit de diepe vernedering verhief zich hare nagedachtenis tot de verdiende verheerlijking. Na 24 jaren gelukte het hare verwanten, paus Calixtus III tot een onderzoek van haar regts-geding te bewegen. Bij dit onderzoek kwam het onregtvaardig gedrag der snoode regters aan den dag. Zij werd daarop (1456) wel niet voor eene heilige, maar voor onschuldig, onstrafbaar en regtzinnig verklaard. Nu werden tot hare eer te Eouaan plegtige optogten verordend, en op de plaats harer teregtstel-ling een kruis en later eene eerzuil opgerigt. Maar nog schooner en voor alle tijden heeft de dichtkunst haren roem verheerlijkt.

IV. BAYAED, DE KIDDEB, ZONDER VEEES EN BLAAM (overl. 1524).

I. HOE BAYARD IN \'s KONINGS DIENST KOMT.

Pierre du Terrail, gewoonlijk de ridder Bayard genaamd, was de zoon eens edelmans, die een kasteel en een matig landgoed in Dauphiné bezat. De heldendeugd scheen in dit geslacht erfelijk te zijn • want de grootvader en overgrootvader des ridders hadden op het slagveld hun leven gelaten. Ook Bayard, een sterke, moedige knaap, hoewel bijna altijd van een mager en bleek uitzigt, kende van der jeugd af geen ander genoegen dan wilde paarden te berijden en geen grootere eerzucht dan die van de moedigste onder zijns gelijken genoemd te worden. Op zijn vijftiende jaar nam zijn oom, de bisschop van Grenoble, hem bij zich en liet hem in de wetenschappen onderwijzen. In zijne vrije uren waren vechten en te paard rijden weder zijne eenige uitspanning.

Nadat hij eenige jaren in onafgebroken vlijt had doorgebragt, bragt zijn oom hem als page aan het Savooisohe hof. Hij was nog niet lang te Chambery, of hij begon reeds wegens zijne on-gemeene bekwaamheid in riddergevechten beroemd te worden. Kort daarna bezocht koning Karei VIII van Frankrijk den hertog van Savoye, en daar hij een vriend van zulke oefeningen was, zoo werd de jonge Bayard hem spoedig bekend, ja moest

-ocr page 369-

839

hij eens twee uren lang op eene weide carousel rijden, waaraan de koning zich bijna niet moede kon zien, en waarbij hij uitriep: „Piquez, piquez encore unefois!quot; (Steek nog maar eens).

De graaf van Ligny, Kareis gunsteling, meende den koning te vleijen door den heerlijken page in zijne dienst te nemen, en zoo kwam Bayard te Lyon. Hier wilde gedurende de aanwezigheid des konings een edelman uit Bourgogne, de heer de Yaudrey, zijne sterkte toonen en verzocht den koning vergunning , om met de lans, het zwaard en de strijdbijl eene proef te mogen afleggen, en toen men het hem bewilligd had, stelde hij op eene openbare plaats zijn schild ten toon, waardoor hij ieder edelman, in den wapenhandel bedreven, uitdaagde om zich met hem te meten. De sterkste strijders meldden zich aan; doch toen ook de bleeke, naauwelijks achttienjarige Bayard zijn naam wilde laten opschrijven, maakte men zwarigheid om een zoo zwak schijnenden jongeling toe te laten. Maar de koning, een vriend van stoute ondernemingen, moedigde hem zelf daartoe aan , en zie , toen het tornooi begon , en langzamerhand de sterksten overwonnen waren, bekampte de slanke page dien reus met zoo veel behendigheid, dat hem van alle kanten goedkeuring werd toegeroepen. De verwondering ging tot verbazing over, toen de strijders eindelijk volgens het gebruik met geopend vizier de dames voorbij reden, en het jeugdig en schijnbaar ziekelijk gelaat van den overwinnaar zigtbaar werd. De koning nam hem nu plegtig in zijn dienst, schonk hem een paard uit zijn stal en eenig reisgeld, terwijl hij hem eene plaats aanwees in eene kompagnie gendarmes, die te Aire in Artois lag.

II. BAYARD EN LODEWIJK MOED.

Ook hier verbreidde zich weldra de roem van zijne dapperheid, dien hij nog vermeerderde door onder de edellieden in Aire en de naburige garnizoenen kleine tornooijen uit te schrijven , inwelke hij gewoonlijk den prijs behaalde. Zijn eerste

i ïlM

1 II

HK

I

111

11®

llïif

«ïl y,

li

-ocr page 370-

340

krijgstogt was die, welken Karei VIII in het jaar 1494 naar Italië ondernam, om Napels te veroveren. In het gevecht werden den al te stoutmoedigen Bayard twee paarden onder het lijf gedood. Hij zelf vocht hier voor de eerste maal onder de oogen van den voortrefl\'elijken ridder d\'Ars, wiens veldheerstalent en dapperheid destijds in aller mond waren. Ook den veldtogt van 1499 tot verovering van Milaan maakten beiden te zamen. Toen in \'t volgende jaar de Milanezen het fransche juk weder afwierpen en hunnen hertog Lodewijk Moro terug riepen, moest de maarschalk La Trémouille het land nog eenmaal veroveren, waarbij Bayard weêr tegenwoordig was.

Hij had vernomen dat 300 man van Lodewijk Moro\'s troepen , onder aanvoering van den dapperen kapitein Cajazzo, in Binasco lagen, een vlek, omtrent anderhalf uur van Milaan verwijderd. Terstond raadpleegde hij met 50 zijner gelijk gezinde kameraden, en zij verkregen de vergunning om zonder aanvoerder naar Binasco te rijden, ten einde tegen de 300 Italianen hun geluk te beproeven. Cajazzo, die van hunnen aanslag berigt ontving, rukte hun te gemoet, en de vreeselijkste strijd begon. Eindelijk verzamelde Cajazzo zijn volk, en trok vermoeid terug. Nu eerst werd Bayard gewaar, dat zij zich nog naauw een half uur van Milaan bevonden. „Hola!quot; riep hij, „mijne vrienden, mijne kameraden, de overwinning is ons !quot; en terstond grepen allen de Italianen, die zich intusschen op nieuw in slagorde geschaard hadden, nog eenmaal aan. Ook dezen aanval hielden Cajazzo\'s troepen niet lang uit; veeleer trachtte ieder, wiens paard nog kracht genoeg bezat om te loopen, zich in de stad te redden. Vergeefs riep de moedige Cajazzo hun toe om stand te houden; de verwarring werd algemeen , en Italianen en Franschen stortten in bont gewoel op de poort aan. Eerst digt voor den slagboom hielden de laatsten halt; doch Bayard, door de overwinning bedwelmd, reed mede binnen en kwam niet eerder tot bezinning dan toen hij voor het vorstelijk paleis stilhield. Hier staarde hij als betooverd voor zich

-ocr page 371-

341

heen, en in gevaar van door burgers, soldaten en vrouwen dood geworpen te worden , zag hij geen andere uitkomst dan zich aan Cajazzo over te geven. Doch deze ruimde hem eerbiedig zijne woning in en noodigde hem ten avondeten bij den hertog, die van uit zijn venster den ongelijken strijd had aangezien.

„Heer ridder,quot; zoo sprak LodewijkMoro hem aan, „wat heeft u herwaarts gevoerd ?quot; — „De zucht om te overwinnen !quot; antwoordde Bayard. — „Maar gelooft gij dan, Milaan alleen in te zullen nemen ?quot; — „Neen, doorluchtig heer, ik dacht door mijne kameraden vergezeld te zijn.quot; — „Zelfs met deze zou dat immers nooit mogelijk geweest zijn.quot;—„Het is waar,quot; zeide Bayard bescheiden; „ook zijn zij verstandiger geweest dan ik, en daarvoor zijn zij vrij en ik gevangen. Doch onverschillig; ik ben immers de gevangene van den braafsten en grootmoedig-sten man.quot; — De hertog vroeg hierop op een eenigzins verach-telijken toon naar de sterkte van het fransche leger. „Wij tellen ons volk niet,quot; antwoordde Bayard; „maar wat ik u zeggen kan is, dat het volk van mijn meester geheel uit uitgelezen soldaten bestaat, voor welke de uwen geen stand zullen houden.quot; — De hertog antwoordde daarop eenigzins gevoelig, dat de uitslag binnen kort het tegendeel zou bewijzen. — „Gave God,quot;riep Bayard, „dat er morgen een slag werd geleverd, en ik vrij was!quot;—„Gij zijt het,quot; hernam de hertog; „ik bewonder uwen moed en uwe standvastigheid, en bewillig u gaarne alles wat gij anders nog van mij begeeren zult.quot; Door deze onverwachte goedheid getroffen, wierp Bayard zich voor de voeten van Moro, met de bede om hem uit eerbied voor zijne ridderschap zijne stoute antwoorden te vergeven, beloofde eeuwige dankbaarheid en begeerde niets dan zijn paard en zijne wapenen, Cajazzo liet beiden op staanden voet halen, waarop de ridder afscheid nam, voor Lodewijks venster nog eene lans brak en vervolgens na korten groet vrolijk de poort uitreed. Weinige dagen daarna maakte de gevangenschap des hertogs een einde , aan den oorloc.

23

GEUBE, G. D. M.

-ocr page 372-

343

m. KONING FRANS I DOOK BAYAED TOT BIDDER GESLAGEN.

Kort na zijne krooning trok de jonge koning Frans I, door Bayard vergezeld, weder naar Italië. De tweedaagsche slag van Marignano werd gewonnen en stelde den koning in het bezit van Milaan. Op den avond van den eersten dag was Bayards wapenrusting geheel doorboord, en eindelijk kreeg ook zijn paard een houw, waardoor het zijn ijzeren hoofdstel met het gebit verloor. Het vrij gewordene dier, door de wond schuw gemaakt, droeg nu zijn meester midden onder eene zwitsersche legerbende, waar hij zijn dood voor oogen zag, zonder dien te kunnen ontvlieden. Doch het geluk wilde dat men hem niet herkende, \'t geen des te ligter was, daar het reeds begon te schemeren. Eindelijk stond zijn paard, digt bij de Zwitsers , onder een breedgetakten boom stil, die naar italiaansche wijze met wijngaardranken omslingerd was. Hij steeg voorzigtig af, wierp de zware wapenrusting van zich, liet het vermoeide paard staan en sloop naar den kant, waar hij zijne landslieden vermoedde. Wanneer hij gerucht hoorde, wierp hij zich ter aarde en kroop op de handen voort. Na in het donker verscheidene uren lang door slooten, moerassen en struikgewas met moeite heengeworsteld te zijn , hoorde hij eindelijk tot zijne vreugde op eenigen afstand „Frankrijkquot; roepen. Dit verdubbelde zijne inspanning, tot hij eindelijk geheel uitgeput bij de fransche voorposten aankwam. De hertog van Lotharingen schonk hem terstond een paard. Anderen bragten hem wapenen, en na eenige uren verkwikkenden slaap was hij weêr een der eersten in den stijgbeugel.

Eerst deze tweede dag besliste den slag. De jonge koning Frans was zoo dronken van vreugde over deze eerste overwinning , en het zien van zoo vele krijgslieden, die voor hem aan zijne zijde zoo moedig gestreden hadden, vervulde hem zoo zeer met geestdrift, dat hij na vele dankbetuigingen aan zijne officieren den wenschte kennen gaf, om hier op het slag-

-ocr page 373-

343

veld te midden der helden naar oud gebruik tot ridder geslagen te worden. Daarop keerde hij zich tot Bayard en zeide: „Ik ken niemand in het leger, die zoo algemeen geacht wordt als deze ridder; ik wil de openbare stem in hem eeren. Ja , Ba-yard , waarde vriend , door uwe hand wil ik heden tot ridder geslagen worden, omdat degene, die zich in zoo vele veldslagen en gevechten altijd als een volkomen ridder betoond heeft, het meest bevoegd is om anderen tot ridders te maken.quot; Bescheiden zag Bayard de aanwezige vorsten en heeren aan en antwoordde dat zulk eene eer alleen hun toekwam, en hij het nimmer zou wagen, ze in hunne tegenwoordigheid aan\'te nemen. Vergeefs, zij zeiven moedigden hem daartoe aan. Nog altijd aarzelde hij beschroomd. „Een koning,quot; zeide hij, „is een geboren ridder.quot; — „Neen, neen!quot; riep de koning, „ik begeer het!quot;

„Nu, welaan dan, sire!quot;antwoordde Bayard, „en indien eenmaal niet genoeg was, zou ik het duizend maal doen, om den wil mijns meesters niet te weerstreven.quot; Hierop knielde de koning neder; Bayard trok zijn zwaard, sloeg hem met de vlakke kling zacht op den rug en zeide daarbij geheel onvoorbereid: „Sire! Het zij zoo goed, alsof het Eoland, of Olivier, of Godfried van Bouillon was. Waarlijk, gij zijt de eerste vorst dien ik tot ridder sla. De Hemel geve, dat gij in den oorlog nimmer de vlugt neemt.quot; Dit was het gelukkigste uur in het leven van Frans en van Bayard. Eeeds onder de zoo even gesproken woorden waren laatstgenoemde de tranen langs de wangen gevloeid; vervolgens sloeg hij met kinderlijke vreugde een blik op zijn zwaard en riep op den hartelijksten toon : „Ook gij, mijn lieve degen, moet wel zeer gelukkig zijn, zulk een deugdza-men en magtigen koning heden den ridderslag gegeven te hebben. Daarvoor wil u ook als reliquie bewaren en boven alle zwaarden vereeren; nimmer wil ik u anders voeren dan tegen Saracenen en Mooren.quot;

li \'fii Mi lil

li

!

;

\' I ilH fc 1\' \'

Mi

23*

-ocr page 374-

ZEVENDE AFDEELING.

MIDDELEEUWSCHE BESCHAVING.

I. DE VEEMGEREGTEN.

Buitengewone tijden, gelijk die, toen alles met elkander strijd voerde, de keizers tegen den paus , de vorsten tegen den keizer, de ridders tegen den burger, en wederom leden van een zelfden stand elkander beoorloogden—zulke tijden maakten ook buitengewone middelen noodig, om regt en geregtigheid te beschermen. In de middeleeuwen bestonden door geheel Duitsehland geduchte heimei ij ke regtbanken, die grove misdadigers van allerlei aard voor haren regterstoel daagden en, wanneer zij zich niet voldoende konden regtvaardigen, met den dood straften. Het was gevaarlijk, aan hunnen eisch te voldoen, en nog gevaarlijker, op hunne indaging niet te verschijnen. Hun eersten en voornaamsten zetel hadden die ge-regten in Westfalen, waarom zij ook de westfaalsche vrije ge-regten heetten, terwijl zij den naam van „veemgeregtenquot; ontleenden van het oud- duitsche „vervehmen,quot; dat zoo veel be-teekent als verbannen, vervloeken.

Het veemgeregt bestond uit een v r ij g r a a f en een aantal vr ij schepenen of bijzitters, die men ook „wetendenquot; noemde, omdat zij met de geheimen der heilige veem bekend waren. Zulke bijzitters moesten ten minste 14 in getal zijn, hoewel hun aantal gewoonlijk het dubbele bedroeg. Men rekent dat er in geheel Duitsehland ruim 100 000 wetenden waren, aan wier waakzaamheid en opmerkzaamheid niemand zich kon onttrekken. Ieder vrijgraaf en vrijschepen moest in het Westfaalsche „op roode aardequot; onderrigt en beëedigd geworden zijn.

-ocr page 375-

345 H

\'\'l\'

De eed, dien men hun afnam tot verzekering hunner stilzwijgendheid , was vreeselijk. Hij begon aldus: „Ik zweer, de heilige veem te helpen houden en te verhelen voor vrouw en kind,

voor vader en moeder, voor zuster en broeder, voor vuur en wind, voor alles wat de zon beschijnt, de regen besproeit,

voor alles wat tusschen hemel en aarde is.quot; Een schepen,

die het geheim verried, werd gevat, en dan moesten hem de handen van voren zamengebonden en een doek voor de opgen gehangen worden; hierop moest men hem op een bok leggen,

hem de tong uitrekken, een driestrengig touw om den hals binden en hem zeven voeten hooger hangen dan een ver-veemden misdadiger of dief. Alle vrije regtbanken waren van het regtsgebied en het opzigt der bijzondere landsheeren vrijgesteld; zij erkenden slechts den keizer als hun opperhoofd,

maakten hem terstond na zijne krooning tot hunnen medewe-tende en spraken regt onder keizerlijk gezag. Uit Westfalen hadden zij zich over geheel Duitschland verspreid. Vrijgraven en vrijschepenen kenden elkander, gelijk de vrijmetselaars, aau zekere teekenen.

Had iemand een roof of moord begaan, was hij van ketterij of tooverij verdacht, dan had hij reden genoeg om voor de vreeselijke regtbank der wetenden te sidderen , zelfs dan wanneer hij voor zijn gewonen regter de straf reeds ontkomen I was. Een der vrijschepenen gaf hem aan de heimelijke regtbank aan, en bezwoer tevens met een eed dat de misdaad werkelijk begaan was. De indaging geschiedde echter niet in \'t openbaar, maar werd des nachts voor de poort of de deur van den beklaagde aangeplakt. Deze moest zich dan ter be-paalder tijd op eene aangewezene plaats bevinden, waar hij reeds door een afgevaardigde van het heilige veemgeregt werd opgewacht , die hem geblinddoekt op de geheime plaats bragt, waar de regters vergaderd waren. Gewoonlijk hielden zij de zittingen des nachts in een digt bosch of in eene spelonk, of in een onderaardsch gewelf. Hier zaten zij vermomd, bij een flaauw licht, in ijzingwekkende schemering.

i,!s

ill

ïquot; \'^li ; I

-ocr page 376-

346

en diepe stilte heerschte in het rond. De vrijgraaf alleen verhief zijne stem, hield den ingedaagde de misdaad voor, waarvan hij beschuldigd was, en riep hem op om zich te verdedigen. Kon hij zich met grond verantwoorden, dan werd hij vrijgesproken en even zoo geheimzinnig als hij gekomen was weder terug geleid. Werd hij echter van zijne schuld overtuigd, dan werd hij ter dood veroordeeld. Nog in het zelfde uur, zoodra hij zijn gebed gedaan en zijne ziel aan God bevolen had, stiet men hem met een dolk neder of knoopte hem aan een boom op. Gewoonlijk verrigtte de jongste schepen het ambt van scherpregter; een dolk in den boom gestoken meldde, dat het heilige veemgeregt gevonnisd had ; maar anders vernam niemand, wie de beul was geweest.

Verscheen de beschuldigde niet op de eerste oproeping, dan werd de indaging nog tweemaal herhaald. Bleef hij ook de derde maal weg, dan volgde de veroordeeling, en eenige vrijschepenen kregen in last om het vonnis te voltrekken. Van, nu af werd hij tot zijn dood toe door onzigr.bare handen vervolgd.

De zittingen van het veemgeregt werden echter niet altijd heimelijk, zij werden ook in \'t openbaar gehouden, doch altijd verschenen de wetenden vermomd. Te middernacht vergaderden zij op het kerkhof der plaats, waar zij voornemens waren vierschaar te houden. Met het krieken van den dag verkondigde dan het-gelui van alle klokken aan de verschrikte inwoners de aankomst hunner vreeselijke gasten. Alles, groot en klein, moest zich naar buiten op het vrije veld begeven en zich in een grooten kring nederzetten. De vrijgraaf zat met zijne schepenen in het midden, en voor hem lagen nieuwe stroppen en een dolk.

Bevond er zich nu iemand in den kring, die den naam had van een moord of diefstal of eenige andere misdaad gepleegd te hebben, dan trad een schepen naar hem toe en fluisterde hem in \'t oor: „Vriend, men kan elders even goed brood eten als hier.quot; Dat wilde zeggen: „Hebt gij geen goed

-ocr page 377-

347

geweten, sta dan op en ga heen zoolang het nog tijd is.quot; De man kon nu, als hij zich schuldig gevoelde, ongehinderd de wijde wereld ingaan, maar zijn vermogen moest achterblijven. Kaakte de schepen iemand voor de derde maal met zijn staf aan, dan was dit een teeken, dat hij van de misdaad niet slechts verdacht, maar ook overtuigd was. Hij werd dan gebonden en zonder verdere omstandigheden aan den naasten boom opgeknoopt.

Zoo ontving menig booswicht, die door omkooping of vermogende vrienden de handen der geregtigheid ontkomen was, door het onomkoopbare geheime geregt toch zijn verdiende loon. Men kan zich echter wel voorstellen, hoe veel onschuldige menschen ook uit wraak , boosheid en winzucht door hunne vijanden valschelijk beschuldigd en het slagtoffer hunner belagers werden. Vele ongelukkigen werden kort en goed ter dood veroordeeld, en eerst nadat zij opgeknoopt -waren, nam men de moeite om te onderzoeken of zij het verdiend hadden. Naar mate zich in deze inquisitiën van het regt misbruiken en hartstogten mengden, verloren de veemgeregten hunne achting en werd de wensch naar hunne afschaffing wakker. Toen de landsvorsten met de steden zich tot betere regtsbedeeling ver-eenigden, werden de vrije regtbanken buitendien nutteloos. Nogtans hielden de veemgeregten zich tot in \'t begin der zestiende eeuw staande. Het laatste is, zegt men, te Celle in het Hanoversche in \'t jaar 1568 gehouden. In de 14de en 15de eeuw waren zij het vreeselijkst.

II. HET HANZEVERBOND.

Terwijl keizer Frederik II in Italië en Palestina oorlog voerde, heerschte in Duitschland nog altijd de gruwelijke onordelijkheid van het vuistregt. Alles wemelde van land- en zeeroo-vers; noch op de groote wegen, noch op de rivieren en zeeën was veiligheid te vinden. De ridders hadden eene menigte burgen aan de Elbe en aan den Eijn opgerigt en noodzaakten de voorbij varende schepen, hun hooge tollen te betalen, terwijl

ilfl ■ li

i |lf

:

||

1

■ iff:.!

lll\'l jl p

ü (

11® \'i\'i1

li

Mi, gt; :

li

-ocr page 378-

348

zij aan de wegen op de kooplieden loerden, hen aanrandden, uitplunderden, gevankelijk wegvoerden en niet dan tegen een groot losgeld weder vrij lieten.

Deze geweldenarijen werden de groote koopsteden, in \'t bijzonder Lubek en Frankfort, eindelijk moede; zij besloten zich zeiven te beschermen en sloten met elkander een verbond (1241). Op gemeenschappelijke kosten verzamelden zij een aanzienlijk leger en rustten oorlogschepen uit, die de koopvaarders op de Elbe in bescherming namen. De roofridders hadden het nu zwaar te verantwoorden. Hunne burgen werden belegerd, verwoest , tot den grond toe gesloopt, en de galgen met hunne personen versierd. Niet beter verging het den zeeroovers : eene vloot liep tegen hen uit, zocht hen op, vernielde hunne vaartuigen, en wierp hunne manschappen in zee. Weldra sidderde alles voor de duitsche Hansa — zoo noemde men hun verbond, waaraan weldra de eene stad voor en de andere na deel nam. De meest bekende hanzesteden van den toenmaligen tijd waren Brnnswijk, Eostock , Wismar, Straalsond, Greifs-wald , Kolberg , Stettin, Stolpe , voorts Keulen , Nijmegen, Frankfort aan de Oder, Koningsberg, Dantzig, Maagdenburg — in \'t geheel ruim zestig steden. Zij behoefden thans, nu zij door eendragt sterk waren geworden, voor den magtig-sten monarch niet langer te vreezen, rustten eene vloot van 300 schepen uit, onderhielden een geducht leger en voerden oorlogen met koningen en vorsten. De zweedsche koning Magnus werd door de duitsche Hansa gedwongen om zijne kroon neder te leggen, en aan den deenschen koning Christoffel verklaarde een burgemeester van Dantzig den oorlog. Andere steden en landen beijverden zich om de vriendschap der duitsche Hansa te winnen, en stonden haar schepen, stapelplaatsen en han-delsregten toe. Wijd en zijd naar alle hemelstreken, naar Engeland en tot ver in Rusland, begaven zich duitsche kooplieden , geëerd in den vreemde zoo wel als in het vaderland.

Te Lubek werden de hanze-dagen of de bondsvergaderingen gehouden, waarbij alle bondssteden zich door hare afgevaar-

-ocr page 379-

349

digden lieten vertegenwoordigen. Ook verschenen er gezanten uit de naburige steden, om met het verbond over hunne aangelegenheden te onderhandelen. Daar werden dan alle ondernemingen afgesproken, de bijdragen tot de kosten uitgeschreven en ieders bezwaren aangehoord en afgedaan. Het verbond hield strenge politie onder zijne leden. Had eene stad hare pligten niet vervuld , of zich aan een of ander misdrijf schuldig gemaakt, dan werd zij v e r h a n s t, d. i. van het verbond uitgesloten, in den ban gedaan en eene vijandin van alle andere verklaard. Zulk eene straf was altijd van vreeselijke gevolgen, want de in den ban gedane stad werd van hare schepen beroofd, en haar handel vernietigd.

Drie honderd jaren lang was de Hansa magtig en langen tijd de voornaamste mogendheid van het noorden. Naderhand hebben de Nederlandsche steden zich van den handel en de heerschappij der zee meester gemaakt, en tegenwoordig heerscht Engeland op alle zeeën. Duitsnhland zou misschien weêr rijk en magtig kunnen worden, indien het eene sterke oorlogsvloot bezat, en eensgezind was.

in. DE STEDEN OP HET EINDE DER DERTIENDE EEUW.

Hooge, vaak dubbele muren, grachten en wallen omgordden de bewoners van de steden, die altijd op een aanval verdacht moesten zijn. Verdedigingstorens verhieven zich op de muren. Zij rezen op bepaalden afstand op en waren van velerlei bouwtrant — rond, hoekig, spits, vlak. Eondom de stad was het gansche gebied met eene gracht ter verdediging omsloten , welker toegangen door sterke wachttorens werden aangeduid. Wachters tuurden van daar naar de groote wegen en meldden door teekenen ieder gevaar of het naderen van reizende kooplieden, wien in onveilige tijden een gewapend geleide te ge-moet ging. Van binnen tegen den stadsmuur mogt niemand eene woning bouwen; in dergelijke gebouwen dreigde gevaar van verraad, of zij verhinderden het bestijgen der tinnen. In de meeste steden liepen de straten krom, dikwijls in een slop eindigende ,

-ocr page 380-

350

heen en weer. Sedert de gilden of handwerkersklassen met elkander krijg voerden, sloot men zelfs enkele straten door poorten af of hing er \'s nachts sluitkettingen voor. Het raadhuis, ook wel burgerhuis genaamd, stak boven alle andere gebouwen van wereldlijk gebruik uit; op zijn slanken toren hing de klok met het klokje, die tot de raads- en gemeentevergadering of tot andere gewigtige zaken opriepen. Op den toren van het raadhuis keek de wachter naar het stadsgebied uit. Kerken en raadhuizen, koopmanszalen en gildehuizen, vooral de kerken en kapellen werden door de geheele burgerij zeer sterk en met groote pracht gebouwd. Hemelhoog verhieven zich de torens. Soest, dat in later tijd bijna tot een dorp is afgenomen, telt nog tegenwoordig zes van torens voorziene kerken en kapellen. In den tijd van zijn bloei telde het tien statige godshuizen en 27 kapellen, ongerekend de gasthuizen, herbergen voor bedevaartgangers, kloosters en andere kerkelijke instellingen.

De burgerhuizen bleven eeuwen lang zeer eenvoudig. Zij bestonden slechts uit stukwerk en waren met den gevel naar de straat gekeerd. De bovenste verdiepingen staken over de benedenste uit en vernaauwden de smalle straten zoo zeer, dat zij naauwelijks toelieten den hemel te zien. Zulk een ligte, enge bouwtrant begunstigde de ontzettende branden, welke alle steden in vroeger tijd teisterden, maar waarna zij zich even snel weder verhieven.

De huiselijke inrigting strookte met de eenvoudigheid der eeuw. Het huisraad zonder versiering was overeenkomstig de eenvoudige behoeften en ruw bewerkt. Bij den maaltijd aten man en vrouw uit één bord; een of twee bekers dienden voor het geheele gezin; fakkels en lantarens verlichtten bij avond deze maaltijden; waskaarsen had men niet, Het glazuur van aardewerk kwam omstreeks dezen tijd eerst op. Zelfs in meer welvarende huizen woonde de zoon des huizes met zijne jonge vrouw in een achterkamertje bij de ouders in; zonder eigen huishouden , was hij bij hen in den kost.

-ocr page 381-

351

Evenwel vond reeds de 13de eeuw wettelijke beperking der pronkzucht en brasserij noodig, die in \'t bijzonder bij feesten plaats had. De eerste wet van dien aard in Duitschland vinden wij bij de vrolijke, brassende Wormsers in het jaar 1320. De ridders, regters en raadsleden verboden, met toestemming der gansche gemeente, de gastmalen en drinkgelagen, die men ten huize van den overledene plagt te houden, wanneer deze ten grave werd gedragen. Wie daartegen misdeed, moest 30 schellingen aan de stadsbouwkas als boete betalen. De strenge Ne-der-Saksers duldden bij bruiloften niet meer dan twaalf schotels en drie speellieden van de stad, de Breslauers (in 129 0) dertig schotels en vier speellieden. Tegen het einde der 13de eeuw stelde de oude en de nieuwe raad te Soest vast om bij de verloving geen wijnkoop te drinken, ofschoon de bruidegom aan de bruid een paar lederen schoenen en een paar klompen mogt zenden. Bij bruiloften waren aan de rijksten vijftig schotels, maar slechts vijf geregten vergund.

n met poor-Ihuis, ;ebou-ing de lering m het :en en :erken :n met ;orens. imen, m en gods-tergen tellin-

5ij be-

Onder de kunsten bloeide vooral die van het goudsmeden, aar de Zij vervaardigde kostbare kasten voor de ligchamen der heiligen, ie be- kelken met heilige beelden, kruisen met het beeld van den Ver-•, dat losser. Ook de kunst van het zegelsnijden stond in hoog aan-, enge zien. De steden hadden sedert het einde der twaalfde eeuw Ie stein snel

overal een bijzonder wapen, \'t welk meestentijds het rijk versierde afbeeldsel van den beschermheilige der hoofdkerk bevatte. Het zegel van Lubek vertoont zinrijk een schip op hooge baren ; de oude stuurman met puntige muts stuurt het vaartuig door de golven; een jongeling in het want wijst op den bijstand van boven. Keulen heeft als oudste wapen den heiligen Petrus , met de sleutels op den stoel zittende ; Maagdenburg heeft sinds onheugelijken tijd eene heilige maagd op de tinnen gekozen ; Worms vertoonde den lintworm en beduidde daarmede waarschijnlijk den draak, dien Siegfried versloeg. Hamburg en vele andere steden vonden behagen in de stadspoort met drie torens; Berlijns oudste beer stond regtop tot den aanval gereed en droeg geen halsband of ketting.

id der tig de l aten i voor avond ir van i meer jonge n huis

-ocr page 382-

352

Achter de duistere muren der stad werd gezang en snarenspel beoefend. Ook deze kunst ontwikkelde zich naar \'t gebruik van den tijd in gilden en scholen en vervrolijkte het ernstige leven der burgers. Vele duitsche steden waren opgevuld met een overgroot aantal speellieden. Viool, harp, fluit en hoorn waren hunne instrumenten. Oude heldenverhalen werden in liederen uitgegalmd. Ook de zucht voor de natuur was in de dompige straten ontwaakt. Overal werd in de steden het lentefeest met lust en vreugde gevierd, en in de open lucht werd gedanst. Men stelde zich den winter voor als een vijandi-gen reus, den zomer als een dartelen, bevalligen en tevens sterken jongeling, die gewapend naar het bosch trok, om den gehaten tegenstander op te zoeken en te overweldigen. Een knaap trok daarom als zonnegod, aan het hoofd van gewapende makkers, het bosch in. Hij droeg loof- en bloemkransen aan voorhoofd, borst en schouders en keerde, na het houden van spiegelgevechten in het bosch, als overwinnaar met gejuich huiswaarts. Zijn gevolg bragt ten bewijze der overwinning groene berkentakken mede terug. Een hooge glad geschilde boom met groene kroon werd in den grond geplant. Onder allerlei lig-chaamsoefeningen en spelen , met zang en dans gepaard , sleet men den dag. Dit gebruik was uit de dorpen met de gepoor-terde boeren in de stad gekomen, maar veranderde in de 14de eeuw in een uittogt van de broederschappen der schutters. Een bonte lentevogel werd van eene staak afgeschoten, en de beste schutter bekranst. Slechts de raadsheeren hielden nog hier en daar met elkander een meirid onder feestelijke monstering van het in de wapenen geoefende volk. In de vroegte van den eersten groenen meidag reed de jongste raadsheer — voor hem uit nog een schoone bekranste knaap — met de deftig uitgedoste raadsheeren naar buiten het bosch in, leidde de mei in en sleet den avond met vrouw en gezin in het met loof versievde raadhuis bij een feestelijk maal en vrolijken dans. De Straatsburgers vierden op den Isten mei een vrolijken schipperswedstrijd op den Rijn, waarbij in 1286 de met toeschouwers opgevulde brug instortte.

-ocr page 383-

353

Het krijgvoeren was nog de pligt der burgers. Ieder gilde-meester moest van wapenen voorzien zijn. Deze waren van de meest verschillende soort en droegen de wonderlijkste namen. In het gewone leven op markt en straat was het dragen er van verboden ; maar op reis ging iedereen gewapend. Ieder gilde was in \'t bezit van eigene banieren en tuighuizen; de gildemeesters warén de aanvoerders tegen den vijand. Het meest gebruikelijke wapen was de kruisboog, welks uitvinding aan het oosten behoort; de burgers gebruikten dien met goed gevolg boven van de tinnen hunner steden. Nu ontstonden ook de schuttersgilden der kooplieden en handwerkslieden. Brunswijk ging in de ontwikkeling van het schutteAwezen voor. Aldaar was reeds in het jaar 1365 eene schuttersstraat, en het boogschieten naar den vogel op eene hooge staak bleef nog lang naast het vuurroer in gebruik. Met lustspelen van velerlei aard vermaakte zich de burgerwacht. Zoo verzochten de Maagdenburgers den dapperen Bruno van Störenbeck, een geheel bijzonder lustspel te verzinnen. Heer Bruno noodigde daarop met zijne goedgestelde brieven de voorname kooplieden van Goslar, Hil-desheim, Brunswijk, Quedlinburg, Halberstadt en andere naburen tegen pinksteren naar Maagdenburg. De genoodigden verschenen in grooten getale, die van Goslar met paarden van dekken voorzien, de Brunswijkers in groen, anderen in bijzondere wapenrusting en kleedij. Met speren werden de gewapende gasten ontvangen, want zonder strijd wilden zij niet binnentrekken. Intus-schen werden op een eiland in de Elbe rijen tenten opgerigt, terwijl de wapenschilden aan staken werden opgehangen. Den volgenden dag, na de mis en het middagmaal, trok men naar buiten en vergunde iederen vreemdeling, het schild van dengenen aan te raken, met wien hij wilde kampen. Een oud koopman uit Goslar behaalde den met moeite verdienden kamp-prijs.

IV. DE FAMILIE FUGGEU.

De stamvader der familie Fugger, die nog tegenwoordig als

-ocr page 384-

354

vorsten en graven uitgestrekte goederen en heerlijkheden in Bei-jeren en Wurtemberg bezit, was Hans Pugger. Als arm, maar vlijtig weversgezel kwam hij (1365) te Augsburg aan, erlangde door huwelijk met eene burgerdochter het burgerregt en werd, nadat hij een goed gelukt meesterstuk vervaardigd had, in het weversgilde opgenomen. Door vlijt en bekwaamheid, door een onberispelijken eerbaren levenswandel verwierf hij weldra de toegenegenheid en achting zijner medeburgers, zoodat het weversgilde hem zelfs tot haar afgevaardigde .in den stedelijken raad verkoos. Dit ambt was te aanzienlijker, naar mate het weversgilde juist in Augsburg de hoogste achting onder de overige gilden genoot, en dit van de oudste tijden herkomstig was. De wevers beroemden zich namelijk, in den eeuwig ge-denkwaardigen slag op het Lechfeld, in welken de groote duit-sche keizer Otto I de Hongaren uit Duitschland verdreef, van een magtig legerhoofd van dit wilde volk een schild buit gemaakt te hebben. Tot belooning hunner dapperheid, verhaalden zij wijders, had de keizer hun dit schild tot wapen geschonken , dat zij nu van tijd tot tijd in pralenden optogt door de stad droegen.

In het jaar 1409 stierf Hans Fugger, en liet een vermogen na van 3000 gulden, dat hij door vlijt en bekwaamheid verworven had. Dit was voor dien tijd een aanzienlijke som, daar de rijke goudmijnen der nieuwe wereld nog niet geopend waren , en de levensmiddelen nog een zeer lagen prijs hadden.

De zonen zetteden het bedrijf huns vaders voort, en wel met zoo veel geluk en voorspoed, dat zij niet anders dan de r ij k e ■ Fuggers genoemd werden. Het aanzien en de rijkdom dei-familie groeiden van dag tot dag aan. Eeeds in het jaar 1500 was er naauwelijks een gebaande weg ter zee of te land, waarop zich geene koopwaren van de Fuggers bevonden. Op eens ontnam hun de magtige Hansa 20 schepen, die, met hongaarsch koper beladen, over Krakau en Dantzig de Weichsel afvoeren.

Onder de aarde arbeidde de mijnwerker voor de Fuggers, boven den grond de fabrikant. Eeeds in 1448 leenden zij aan

de I (vac gulc ver nio£ ren bijs eeni ne edequot; zij i ten I

VOO

einc een 106 VOO

schi war bijs is d van I

uit hui; De met bon deri der (

FU£ onts zou

-ocr page 385-

355

de toenmalige aartshertogen van Oostenrijk, keizer Prederik 111 (vader van Maximiliaan) en zijnen broeder Albreeht 150 000 gulden. In 1509 was het juist 100 jaren geleden, dat de wever Hans Fugger stierf en zijn door noeste vlijt verworven vermogen van 3000 gulden naliet. Thans waren zijne kleinkinderen de rijkste kooplieden in Europa; zonder hunnen geldelijken bijstand konden de magtigste vorsten van dit werelddeel geene eenigzins belangrijke onderneming ten uitvoer brengen, en hunne familie was door banden van bloedverwantschap aan de edelste geslachten» verbonden. Door keizer Maximiliaan I werd zij tot den adelstand verheven en met de vereerendste voorreg-ten begiftigd.

Maar de Fuggers onderscheidden zich ook in weldadige zorg voor armen en behoeftigen. Zoo kochten zij reeds tegen het einde der 15de eeuw in de Jacobi-voorstad een groot plein met een aantal gebouwen, lieten deze omver halen en 51 huizen met 106 woningen bouwen, waarin arme burgers van Augsburg voor den geringen huurprijs van twee gulden jaarlijks een geschikte huisvesting vonden. De geheele inrigting maakt als het ware eene stad op zich zelve uit; zij heeft drie hoofd- en drie bijstraten, drie poorten en eene eigene kerk. Nog tegenwoordig is deze stichting onder den naam van de Fuggerij een sieraad van Augsburg en eene weldaad voor zijne burgers.

Haar rijkdom, haar smaak en hare prachtliefde bleken vooral uit de uit- en inwendige inrigting hunner op paleizen gelijkende huizen, die het hoogste sieraad van hunne vaderstad werden. De huizen der Fuggers waren met koper gedekt en van buiten met fresco-schilderijen versierd. Binnen- en buitenlandsche bouwkundigen waren bij deze gebouwen werkzaam. Nog bewondert men het kunstige schrijn- en slotenmakerswerk in de huizen der Fuggers.

Onder keizer Karei V drong de roem van de rijkdommen der Fuggers tot in het verre Spanje door, waar het spreekwoord ontstond : „Hij is zoo rijk als een Fugger.quot; Ja de keizer zelf zou, toen de koninklijke schatkamer te Parijs hem getoond

-ocr page 386-

356

werd, in regtmatigen trots op zulke onderdanen, uitgeroepen hebben: „Te Augsburg heb ik een linnenwever, die dat alles met goud betalen kan!quot; Immers had ook, zoo als het verhaal luidt, deze linnenwever, de graaf Anton, hem een grootsch bewijs van zijn rijkdom gegeven. Hij had Karei V eens een aanzienlijke som tegen obligatie voorgeschoten. Toen de keizer nu in 1530 uit Italië te Augsburg kwam, nam hij zijn intrek bij den graaf en verontschuldigde zich dat het hem nog niet mogelijk was, de som weder te geven. Ofschoon het junii was, was het toch koud weder, en toen den keizer het ontbijt werd gebragt, merkte deze, de handen wrijvende, aan, dat hij het onderscheid tusschen het italiaansche en duitsche klimaat toch vrij duidelijk gevoelde. Fugger liet op het oogenblik een vuur aanleggen, legde eenige bosjes kaneelbast op het hout, haalde daarop \'s keizers obligatiën te voorschijn en stak de dunne rollen kaneel daarmede aan. Een ons (2 lood) kaneel kostte destijds in Duitschland twee dukaten.

V. DE VRIJE METSELAARS.

In de steden bloeiden kunsten en handwerken, en beiden waren ten naauwste met elkander verbonden. Eet verhevenst openbaarde zich dit in de bouwkunst. In haar leefde nog de godsdienstige zin van het Duitsche volk; de zoogenaamde gothische bouwstijl met zijne trotsche hoog gewelfde bogen is uit duitsch, christelijk gemoed voortgesproten. Gelijk het christendom steeds naar boven wijst, van het aardsche opwaarts voert naar het hemelsche, zoo streeft ook de hooggewelfde boog den aardschen last te boven, en daalt niet, gelijk de arabische ronde welving, met de genietingen dezer aarde tevreden, krommende naar de aarde neêr. Deze zuilen, pilaren en torens stijgen rijzig als de palmboomen tot het licht op; de steenen zeiven zijn tot levende bloesems en bladeren geworden. De roos in vensters, deuren, versieringen van zuilen, en, door haar gedragen , of zich tot haar ontwikkelende, het kruis — dit zijn de grondvormen, die in de menigvuldigste gedaanten weder-

-ocr page 387-

337

keeren. De roos beteekent het volle bloeijende leven, terwijl het kruis de hemelsche gezindheid aanduidt, die alle aardsche heerlijkheid gering acht, om het eeuwige leven te verwerven. Een kruis in de ronding der roos was het algemeene teeken der godheid in de middeleeuwen.

Doch niet slechts de kerken, maar ook de burgen, paleizen, raadhuizen en andere openbare gebouwen droegen den stempel van den kerkelijken bouwstijl. Wanneer wij tegenwoordig die werken beschouwen, begrijpen wij naauwelijks hoe het mogelijk was, die zoo reusachtig en verheven in hun geheel, zoo sierlijk en liefelijk in bijzonderheden, zoo zuiver naar eene grondgedachte, en toch weer zoo menigvuldig in de afzonderlijke deelen tot stand te brengen. Dit was slechts daardoor mogelijk, dat de krachten dergenen, die ze schiepen, zich tot eene groote verbroedering vereenigden, in welke de diepste geheimen der kunst zorgvuldig werden gekweekt en van geslacht tot geslacht voortgeplant. Duizend en nogmaals duizend kunstvaardige handen besteedden hun geheele leven, om den ruwen steen naar de gedachten van den geest te dwingen; geen meester wilde eigendunkelijk op zich zelf iets zijn en voortbrengen, maar hij werkte voort in den zin en geest zijns voorgangers. — Ieder was trotsch op het werk, niet op zijnen naam. De genootschappen en gilden der middeleeuwen werkten allen met vereenigde krachten , en ieder bouwmeester in \'t bijzonder was slechts groot in het geheel. Aan de edele bouwkunst mogten slechts vrije meesters en gezellen deel nemen; hunne stand-genooten heetten de vrije metselaars en hunne kunst de koninklijke. Bij ieder groot bouwwerk was eene b o u w h u t, waarin de vrije metselaars hunne geheimen bespraken. Zulke groote bouwhutten waren er vier: te Keulen, Straatsburg, Zurich en Weenen. Het gilde der metselaars en steenhouwers bewaarde hunne geheimen als een erfgoed en genoot groote voorregten.

Het grootste der bewonderenswaardige werken van middel-eeuwsche bouwkunst is de dom te Keulen. Op den 15den augustus 1248, onder den magtigen aartsbisschop Koen raad

SRUBE, G. D. H. 24

-ocr page 388-

358

van Hochstaden, werd de grondslag gelegd; het hooge koor, welks hoogte 150 voeten meet, werd in 1330 voltooid en in 1321 ingewijd. Het groote werk is onvoltooid gebleven; geen zijner torens is afgebouwd, en toch steekt het boven alle gebouwen der wereld uit. en overtreft allen in inwendige voor-trejfelijkheid en kunst.

Na den Keulschen dom is vooral beroemd de Straatsburger munster 1) met zijn reusachtigen toren van 490 voeten hoogte, waaraan 161 jaren gewerkt werd. Den bouw van dit heerlijk werk bestuurde sedert 1277 de wakkere meester Erwin van Steinbach, een stadje in Baden, die in 135amp; stierf. Hij had eene dochter Sabina, die vele fraaije steenen beelden van heiligen beitelde, terwijl de vader den bouw bezorgde. Zijn zoon Johannes zette het werk zijns vaders voort, en zijne kunstrijke zuster ondersteunde hem daarbij. Door hare hand is het schoone zinnebeeld aan het portaal op de wijzerplaat (bij het uurwerk) gehouwen. Hier is ter regter hand de christelijke kerk door eene gekroonde maagd voorgesteld; links ziet men de joodsche synagoge, als een vrouwenbeeld met gebukt hoofd en verbonden oogen, die in de regter hand een gebroken pijl en in de linker hand de tafelen der wet van Mozes houdt, terwijl de kroon haar voor de voeten neervalt. Aan beide zijden staan de twaalf apostelen. Ook Johannes van Stein bach beleefde de voltooijing van het werk niet, en eerst in het jaar 1438 werd het door Johannes Hulz van Keulen voltooid.

1

Gelijk het woord „domquot; van het latijnsche domus (huis) afstamt, zoo is het woord „munsterquot; van monasterium (Idooster) ontleend. Het beteekent dus oorspronkelijk eene besloten plaats, waar monniken te zamen leven. Naderhand noemde men eenige hooge bisschoppelijke kerken of kathedralen „munstersquot;, omdat eertijds de geestelijken en tot het stift behoorende personen onder een zekeren regel (canon — van daar canonici) gelijk de monniken te zamen leefden.

-ocr page 389-

ACHTSTE AFDEELING.

DE VOOBBEREIDEES DER KEEKHERVORMING.

I. ARNOLD VAN BRESCIA.

Na de tijden der kruistogten waren de begrippen helderder, was het nadenken levendiger geworden. Van nu af verhief zich de geest van twijfel, onderzoek en navorsehing, die eerst tegen het uitwendige der kerk, tegen de heerschappij der geestelijken en de ceremoniëndienst, vervolgens ook tegen het inwendige of de heerschende leer gerigt was. Had men voorheen niets van godsdienstsekten in de westersche landen gehoord, thans traden sedert de twaalfde en dertiende eeuw niet slechts afzonderlijke denkers, maar geheele partijen (sekten) te voorschijn, die zich tegen de magt van den paus aankantten, en, om deze zegevierend te bestrijden, tot de oorspronkelijke leeringen des Christendoms , gelijk die in den bijbel vervat zijn, terug keerden.

Een der eersten die het pausdom met den vurigen ijver van gloeijende liefde voor regt en waarheid aantastten, was Arnold, geboortig uit Brescia in Lombardije, die in het begin der twaalfde eeuw het levenslicht ontving. Als jongeling vol kracht en vuur voor al wat groot was, had hij den diepzinnigen Abailard te Parijs tot onderwijzer gehad en was door hem tot verhevene denkbeelden ontgloeid. Des te stuitender was hem daardoor de ontaarding der kerk en harer leeraars, en des te onstuimiger verzette hij zich daartegen, zonder echter op de langzaam, maar zeker werkende kracht der waarheid te vertrouwen.

Arnold beweerde dat aan de geestelijken noeh magt noch rijkdom betaamde, maar dat beide aan de wereldlijke vorsten toekwam , en dat het met de kerk alleen dan beter zou worden, wanneer zij alle wereldlijke goederen aan den staat terug gaf,

24*

-ocr page 390-

360

en de geestelijken zich alleen met de zorg voor het heil der zielen bemoeiden en zich met vrijwillige giften of tienden, als hun inkomen, vergenoegden. Zijne vurige redevoeringen maakten hem tot een man des volks, maar wekten ook den haat der geestelijkheid tegen hem op. Deze brandmerkte zijne leer als ketterij, de bisschop van Brescia klaagde hem bij den paus te Home aan, en Innocentius II verbande hem uit Italië (1139).

Hij begaf zich naar Frankrijk, maar kon ook hier niet lang blijven, want daar hij zijn voormaligen onderwijzer Abailard tegen diens vijanden levendig verdedigde, keerde hun haat zich tegen hem, en toen ook Bernard, abt van het klooster Clair-vaux, hem beschuldigde, beval de paus, hem als gevangene in een klooster op te sluiten. Hij ontkwam aan dit bevel door in aller ijl de vlugt te nemen en vond te Zurich eene schuilplaats. De bisschop van Constants, tot wiens kerspel Zurich behoorde, duldde hem , en zelfs de pauselijke legaat, die een vriend van Abailard was, betoonde hem zijne achting. Arnold ging nu voort, te Zurich, gelijk vroeger te Parijs, over de ontaarding der geestelijken te prediken, alsmede over de middelen om hunne afzetting te bewerken.

Kort daarna waren de Eomeinen tegen de pauselijke regering opgestaan en hadden getracht, de aloude staatsregeling hunner stad te herstellen. Zij hadden het Kapitool ingenomen, een senaat verkozen en een patricius aan het hoofd geplaatst. Arnold ijlde naar Rome en ijverde hier luide tegen de heerschap-pij van den paus, ja hij bewoog de Romeinen, den duitschen koning Koenraad III te verzoeken om den zetel van het keizerrijk naar Rome te verplaatsen. Wel is waar sloeg Koenraad op dit verzoek geen acht, maar de drie volgende pausen waren toch niet in staat de rust te herstellen en Arnold te verdrijven; deze bleef te Rome, door de grooten beschermd en door het volk bemind. Eerst aan paus Adrianus IV gelukte het, dezen vijand van het pausdom tot zwijgen te brengen en de geestelijke regering in Rome weder te bevestigen. Toen een der kardinalen door een aanhanger van Arnold op de openbare straat

we go

ge\'

ov

int

de:

Te

hei

yri

dai

vai

te

scl

we

hij asc

Pe de ge hel hei wa bes ko( krf lee we helt;

gen

-ocr page 391-

361

werd aangevallen en doodelijk gewond, verbood Adrianus alle godsdienstoefening te Eome; geene klok werd meer geluid, geene mis gelezen, geen biecht afgenomen. Het volk werd hierover zeer bekommerd — want nog nooit was Eome door het interdict getroffen — en noodzaakte de senatoren om zich met den paus te verzoenen. Nu moest Arnold Eome verlaten. Terwijl hij op de vlugt was, gelukte het een pauselijken legaat, hem in handen te krijgen; maar een graaf van Campanië bevrijdde hem en bragt hem naar een zijner kasteelen. Doch kort daarna kwam keizer Frederik I in Italië. Deze dwong den graaf van Campanië, Arnold uit te leveren en aan den paus over te leveren; want Frederik had den paus beloofd, de room-sche kerk te beschermen en de Eomeinen aan hem te onderwerpen.

Zoodra Adrianus den gehaten ketter in zijne magt had, liet hij hem (in \'t jaar 1155) ophangen, zijn lijk verbranden en de asch in den Tiber werpen.

n. PETEUS WALDUS EN DE WALDENZEN 1).

Een volksverhaal leidt de Waldenzen van hunnen stichter Petrus Waldus af. Te Lyon — zoo verhaalt men — leefde in de twaalfde eeuw een koopman, Waldus geheeten, die eeni-ge bijbelboeken, en bepaaldelijk de evangeliën, voor zich in het fransch liet vertalen. Het lezen dezer geschriften wekte bij hem de overtuiging, dat in de roomsche kerk niet alles zoo was als het zijn moest, en deze overtuiging bragt hem tot het besluit om evenals de apostelen te leven en te leeren. Hij verkocht daarom al zijne bezittingen, verdeelde het daarvoor verkregen geld onder de armen en leerde openlijk wat hij van de leeringen van Jezi^ en de apostelen wist. quot;Vele mannen en vrouwen, vooral uit de lagere standen, verzamelden zich om hem heen, en deze zond hij uit, om het evangelie verder uit te breiden

1

Naar de stad „AIbiquot; in \'t zuiden van Frankrijk ook „Albigenzenquot; genoemd.

-ocr page 392-

362

en het volk tot zuiverder zeden te vermanen. De aartsbisschop van Lyon verbood hem, als een leek, het prediken en het verklaren der heilige schrift; maar hij hield vast aan het geloof, dat, naar de woorden van den bijbel, de eene broeder den anderen moest vermanen, waarschuwen en troosten, en verzette zich tegen het verbod met de woorden, dat men Gode meer moest gehoorzamen dan den menschen.

Zeer snel verspreidde de nieuwe leer zich in het zuiden van Frankrijk, en van daar over de Alpen ook naar Italië , gelijk aan de andere zijde over de Pyreneën naar Spanje. De Waldenzen lieten het niet aan ijver in het leeren ontbreken, en terwijl de aanmatigingen en ongeregeldheden der roomsche geestelijkheid zeer aanstootelijk geworden waren, onderscheidden zij zich door een onbesproken gedrag, door matigheid en ootmoed. Maar hoe meer zij zich uitbreidden, des te meer werden zij door de heerschende kerk vervolgd. In het jaar 1184 trof paus Lucius III hen met den ban, en in het jaar 1199 beval Innocentius III den bisschop van Metz, om het lezen der fransche overzetting van bijbelsche boeken, die de Waldenzen verspreid hadden, te verbieden. Doch daar alle straffen en veroor-deelingen niets baatten, schreef Innocentius een kruistogt tegen de ketters uit. De strijd was zeer bloedig, daar twee magtige graven, die van Toulouse en van Poix, de zijde der Waldenzen gekozen hadden. In het jaar 1209 bestormde het kruisleger de stad Béziers, verbrandde 4000 menschen in eene kerk en sloeg er 20 000 dood. Bij de algemeene slagting vielen ketters en geloovigen. „Slaat maar dood!quot; riep een abt; „de Heer zal de zijnen wel kennen!quot; Carcarsonne ging hij verdrag over, maar toch moesten de inwoners barrevoets en in het hemd, met achterlating van al hunne bezittingen, de stad verlaten. Men meent dat eenige Waldenzen zelfs in Boheme en Moravië gekomen zijn.

III. JOHANNES HUSS EN HlëRONYMUS VAN PRAAG.

Johannes Huss, geboren in 1373 in het vlek Hussinez

in op vol Be vai Hi gei de: wa de Na sch vel me hei dei

ges

de

bitl

ren

wai

VO(

dat

kei-

hei

en

op\\

dat

dat

1

veL aar in 5 bod

-ocr page 393-

363

in het zuiden van Boheme, was op de hoogeschool te Praag opgeleid. Hij werd aldaar ook meester der vrije kunsten, vervolgens openbaar leeraar en sedert 1402 prediker bij de kerk Bethlehem en biechtvader der koningin Sophia, de gemalin van Weneeslaus. Zijn vriend was een boheemsch edelman, HiëronymusFaulfisch,gewoonlijk Hiëronymus van Praag genaamd. Deze had uit zucht voor de wetenschappen verscheidene hoogescholen bezocht, en was ook te Oxford geweest, waar hij de leerstellingen van Wiklef, die insgelijks tegen de heerschappij van den paus gerigt waren, had leeren kennen. Na zijne terugkomst was hij eveneens als leeraar aan de hooge-school van Praag aangesteld. Op deze hoogeschool studeerden vele buitenlanders, in \'t bijzonder Duitschers, en daar deze de meerderheid uitmaakten, hadden zij het overwigt over de Bohemers of Czechen, aan wier hoofd Huss en Hiëronymus stonden. Beide mannen bewerkten dat er een koninklijk bevelschrift gegeven werd, waarbij voortaan de Bohemers drie stemmen en de Duitschers er slechts eene zouden bezitten. Hierover verbitterd , verlieten 5000 buitenlanders, studenten en professoren, het land en stichtten de hoogeschool te Leipzig (1409).

Intusschen had Huss de geschriften van Wiklef gelezen en was door hun inhoud zoo getroffen, dat hij ze niet slechts in voorlezingen aanbeval en door vertalingen verspreidde, maar dat hij nu ook zelf tegen de ontaardingen en misbruiken der kerk predikte. Hij leerde, gelijk Arnold van Brescia, dat het heilzaam was, de overtollige inkomsten der kerk te besnoeijen, en gelijk Wiklef, dat alle bisschoppen en priesters even goed opvolgers der apostelen waren als de paus en de kardinalen ; dat niet de paus, maar Christus het hoofd der kerk was, en dat men het christelijk geloof uit den bijbel moest ontleenen.

Wegens deze en dergelijke leerstellingen haalde Huss zich velerlei vijandelijkheden op den hals. Op aansporing van den aartsbisschop van Praag werden niet slechts Wiklefs geschriften in \'t openbaar verbrand, maar ook aan Huss het prediken verboden. Daar hij nogtans voortging te prediken, werd hij door

-ocr page 394-

364

\\

den paus naar Eome ontboden. Wel is waar trokken koning Wenceslaus, diens gemalin en vele boheemsche grooten zich zijne zaak aan en verhinderden zijne persoonlijke verschijning te Eome; maar daar Huss tegen den aflaat ijverde, welke de paus aan al degenen beloofde, die hem in zijnen oorlog met den koning van Napels zouden bijstaan, werd Huss met den banbliksem en de stad Praag met het interdict getroffen, zoo lang Huss aldaar bleef. Nu moest hij de stad verlaten en vlugtte naar zijne geboorteplaats Hussinez. Daar ging hij voort met tegen het pausdom te prediken en te schrijven en beriep zich i van het vonnis van den paus op Christus, als den waren opperheer der kerk. Ook kreeg zijne partij te Praag spoedig weder de overhand, zoodat hij reeds in augustus van het jaar 1414 naar de hoogeschool kon terug keeren.

IV. HET CONCILIE TE CONSTANTS; MARTELDOOD VAN HUSS.

Ondertusschen was het concilie te Constants (aan de Boden-see) bijeen geroepen, en verlangde keizer Sigismond, dat ook Huss aldaar zou verschijnen en zich wegens zijne leerstellingen verantwoorden. De kerkvergadering was bijeen geroepen, om eene hervorming of verbetering der kerk „in hoofd en ledenquot; te ondernemen, en Huss was zich bewust, dat hij slechts tegen de misbruiken der kerk, niet tegen het christelijk geloof gestreden had. In Boheme waren alle klagten tegen hem tot zwijgen gebragt; zelfs de nieuwe aartsbisschop van Praag , ja ook de ketterregter Nikolaas van Nazareth, betuigden hem schriftelijk, geene dwaalleeringen van hem opgemerkt te hebben. Zoo besloot hij tot de reis, vooral daar Sigismond hem de verzekering zijner keizerlijke bescherming gaf. Niettemin zal wel een bang voorgevoel in zijne ziel zijn opgekomen , want in den brief, dien hij bij zijn afscheid aan de Bohemers rigtte, maakt hij gewag van de vele en magtige vijanden, die hij te Constants vinden zou, en roept hij zijne vrienden op om God te bidden dat hij zonder krenking van zijn geweten naar Boheme mogt

ten der

aan reis het te ( bes op and Coi de der niei 1

der . ket wei roe van tigc ket: wer hee toe] stel ont; bes zijn De den fani En hou de

-ocr page 395-

365

terug keeren, of standvastig naar het voorbeeld des Verlossers den dood ondergaan.

Den 11 den october aanvaardde hij zijne reis met drie der aanzienlijkste edellieden, die koning Wenceslaus hem tot zijne reisgenooten had medegegeven. Te Neurenberg ontving hij het keizerlijke vrijgeleide, en op den 3den november kwam hij te Constants aan. Hier beloofde ook paus Johannes XXIII hem bescherming en veiligheid, en trok zelfs den ban in, die nog op hem drukte. Nogtans liet Huss zich daardoor niet tot verandering zijner overtuiging bewegen, maar predikte zelfs te Constants zijne leer. Toen nam men hem gevangen, en ofschoon de keizer zich daardoor bezwaard vond, beduidden de vergaderde vaderen hem toch, dat men aan een ketter zijn woord niet behoefde te houden.

Kort daarna werd Huss uit zijne gevangenis voor de vergadering gebragt. De vaderen verklaarden zijne leerstellingen voor kettersch en eischten herhaaldelijk zijne herroeping. Doch Huss weigerde standvastig eu verklaarde, alleen dan te kunnen herroepen , wanneer men hem met gronden uit de heilige schrift van zijne dwalingen overtuigde. Daarop werd hij in eene pleg-tige vergadering, waaraan ook keizer Sigismond deel nam, als ketter tot den vuurdood veroordeeld. Buiten de stadspoort werd een groote brandstapel opgerigt, en de veroordeelde daarheen weggevoerd. Bedaard en standvastig, onder een grooten toeloop der menigte, naderde hij biddend de plaats der teregl-stelling. De teek enen der priesterlijke waardigheid waren hem ontnomen; men had hem eene papieren muts, met drie duivels beschilderd, opgezet. Hij dacht aan den Heiland, wien de haat zijner vijanden eene doornen kroon op het hoofd had gezet. De bisschoppen spraken de woorden: „Wij geven uwe ziel aan den duivel over!quot; Maar Huss voegde, gelijk de martelaar Ste-fanus, daarbij: „Ik beveel ze mijnen Heer Jezus Christus!quot; En toen hij een landman zag, die met grooten haast een diagt hout aansleepte, om ze op den brandstapel te werpen, waarop de goddelooze ketter verbrand zou worden, glimlachte hij even

-ocr page 396-

366

en sprak; „O heilige onnoozelheid!quot; Biddend beklom hij de houtmijt, tot de vlammen zijne stem verstikten. Zijne asch werd in den Rijn geworpen.

V. MARTELDOOD VAN HMRONYMÜS VAN PEA AG.

Een jaar na zijnen dood werd ook zijn trouwe vriend Hiëro-nyraus van Praag met gelijke foltering ter dood gebragt. Ongeroepen en zonder vrijgeleide, enkel om zijn vriend te ondersteunen , was hij op het berigt der gevangenneming van Huss naar Constants gesneld. Vergeefs zocht hij daar bescherming bij het concilie; hij werd als ketter beschouwd en moest vlugten , maar toen hij reeds op den terugweg naar Boheme was , werd hij gegrepen en in boeijen naar Constants terug gebragt. Zoo lang Huss nog leefde, werd niets over hem beslist. Doch toen de Bohemers, op het berigt van den dood van Huss, in opstand geraakten, aan het concilie de bitterste verwijtingen deden en de vrijlating van Hiëronymus eischten, werd zijne zaak op nieuw ter hand genomen. Men meende de Bohemers tot zwijgen te zullen brengen, wanneer de leer van Huss door den vriend van den te regt gestelde zei ven veroordeeld werd. Daarop poogde men met allerlei middelen Hiëronymus tot herroeping te bewegen. Aanvankelijk bezweek hij voor de bedreigingen en beloften van het concilie. Op den 11 den september 1415 veroordeelde hij openlijk de door het concilie veroordeelde leerstellingen van Huss en Wiklef, en den 33sten bepaalde hij zijne herroeping nog nader door er bij te voegen dat hij die vrijwillig en ongedwongen deed. Maar indien hij door zulk eene verloochening zijner overtuiging vrijheid en leven hoopte te behouden, had hij zich bedrogen. Hij bleef in de gevangenis; zijne vijanden vreesden hem endrongen opzijn dood aan. Nu ontwaakte in hem de liefde tot de waarheid op nieuw en overwon de verschrikkingen des doods. Toen hij op den 26sten mei andermaal voor zijne regters moest verschijnen, om de afzwering der gevoelens van Huss te herhalen, verhief zich in hem de kracht van zijn beter ik. In eene vurige redevoering

-ocr page 397-

367

bekende hij, dat alleeu de vrees voor de vlammen hem de herroeping ontlokt had, maar dat hij zich thans over zijne zonde schaamde en dat hij de leerstellingen van Wïklef en van zijn vriend Huss als heilig en waar erkende. Op zulk een bekentenis toefden de vaderen • niet langer om over hem, als een terug vallenden ketter, het doodvonnis uit te spreken. Op den 30sten mei 1416 onderging hij den dood op den brandstapel met eene standvastigheid, die zelfs zijne vijanden moesten bewonderen. Hij begeerde uitdrukkelijk, dat de brandstapel niet achter, maar vóór hem werd aangestoken. „Want,quot; sprak hij, „indien ik dit gezigt gevreesd had, zou ik niet hier zijn.quot;

NEGENDE AFDEELING.

UITVIKDINGEN EN ONTDEKKINGEN.

I. DE UITVINDINGEN.

I. DE UITVINDING DER BOEKDRUKKUNST. LAURENS JANSZ.

COSTER EN GUTENBERG.

Dat wij hedendaags voor weinig geld goede boeken kunnen koopen en lezen, hebben wij naast God, die iedere heilzame gedachte in den geest der menschen wekt, te danken aan een Nederlander, een Haarlemmer, Laurens Janszoon genaamd, die onder de regering van Jacoba van Beijeren koster bij de groote kerk zijner woonplaats was, en daarom ook algemeen onder den naam van Coster bekend is. Van de levensbijzonderheden dezes mans is wel weinig met zekerheid bekend; maar zoo veel is uitgemaakt, dat zijne uitvinding reeds in het jaar 14.23 moet hebben plaats gehad. De overlevering zegt, dat hij eens, met zijne kleinkinderen in het Haarlemmer Hout wande-

-ocr page 398-

368

lende, onder een beukenboom rustte, en daar voor de kleinen letters begon te snijden, die, in het zand vallende, afdrukken achterlieten, welke hem op het denkbeeld bragten om zulke houten letters tot het afdrukken van volzinnen en zelfs geheele boeken te bezigen. Men zou denken, dat men er al reeds veel vroeger op gevallen moest zijn om boeken te drukken, daar men toch reeds afbeeldingen van heiligen, met rijmen en spreuken er bij drukte. Dit geschiedde aldus: in een tafel van pere-boomenhout werd het beeld uitgesneden en de spreuken tevens, zoodat al wat op het papier gedrukt moest worden verheven was, terwijl het overige hout uitgediept en weggesneden werd. Dit hooge werd nu met zwartsel of verw bestreken en door middel van een rol op het papier gedrukt.

Van deze wijze om een beeld en daarbij ook woorden te vermenigvuldigen tot het drukken van boeken was de afstand niet groot, en toch kwam niemand op de gedachte dan Coster. Hij sneed nu eerst houten bladen vol woorden, die verheven stonden , en bestreek deze met zwartsel; doch daarbij moest hij zoo vele bladen snijden als hij bladzijden wilde hebben, en met het afdrukken ging het juist ook niet naar wensch, daar de druk niet overal gelijk werd. Zoo kwam hij dan op de gedachte om eene pers te vervaardigen, door welke men den druk gelijkmatig zou maken, terwijl hem tevens bij het snijden der letters een licht over de zaak opging. Hij dacht: als men de afzonderlijke letters van de houten tafel uitsneed, kon men ze bijeenvoegen zoo aljs men wilde en er telkens nieuwe woorden mede vormen. Zoo gedacht zoo gedaan! Thans had hij beweegbare letters en kon veel meer doen dan vroeger, want de in de houten tafel gesnedene woorden bleven natuurlijk altijd de zelfde, terwijl hij, nu ze beweegbaar waren, veel meer kon verrigten. Wij willen ons dit door een voorbeeld verduidelijken. Had hij de losse letters: A, M, S, T,E, L, dan kon hij daarvan de woorden : Amstel, as, al, mast, mat, mal, stam, stal, tam, last, lam enz. vormen, wanneer hij namelijk de letters verplaatste en anders zamenvoegde; maar had hij ze in

-ocr page 399-

369

het houten blad vast ingesneden, dan kon hij er alleen het woord Amstel mede drukken. Gij begrijpt, welk een groote vooruitgang dit was!

Terwijl Coster nu aldus zijne uitvinding verbeterde en uitbreidde , en verpligt was daarbij knechts aan te nemen — zoo luidt de overlevering verder — nam een van deze, een Duitscher, Gutenberg genaamd, op zekeren dag de vrijheid om met de gereedschappen zijns meesters naar Ments te vlugten, alwaar hij het drukken van boeken, dat hij voor zijne eigene uitvinding uitgaf, voor eigene rekening voortzette.

De Duitschers echter, naijverig op de eer van eene zoo heerlijke uitvinding, willen van dien diefstal, dien zij een ijdel sprookje noemen, natuurlijk niets weten, maar verhalen de geschiedenis van Gutenberg op volgende wijze :

Johannes Gutenberg, of naauwkeuriger Johannes Gensfleisch tot Gutenberg, werd in het jaar 1897 te Ments geboren. Zijn vader heette Frielo of Frederik Gensfleisch, en zijne moeder Elze of Elizabeth tot Gutenberg. Daar met haar de familie tot Gutenberg uitstierf, nam haar man haar geslachtsnaam bij den zijnen aan, \'t geen in dien tijd wel meer gebeurde. Het geslacht der Gens-fleischen en Gutenbergen was een der edelste en aanzienlijkste in de stad Ments. Tusschen deze rijke en edele familiën en die der gilden en overige burgers bestond een oude haat, omdat de edele geslachten meestal de heerschappij bezaten en vaak op velerlei wijze de burgers onderdrukt hadden. Daardoor ontstond telkens nijd en twist. Zoo ook te Ments in het jaar 1420. Het oproer der burgers noodzaakte de adellijke familiën , die ook oude burgers genoemd werden, uit de stad te vlugten. De Gensfleischen weken naar Straatsburg, en bleven daar ook wonen toen de vrede hersteld was en de oude burgers mog-ten terug keeren. De jeugd van Johannes Gutenberg, alsmede de plaatsen en gelegenheden, waar hij zijne veelvuldige kundigheden verwierf, zijn geheel en al onbekend; zeker is het echter, dat hij in de jaren 1436 tot 1438 te Straatsburg met verscheidene mannen eene verbindtenis aanging, om spiegels te

-ocr page 400-

370

maken en steenen te slijpen, terwijl hij door middel van eene door hem uitgevondene pers de eerste onvolkomene proeven tot het drukken van boeken nam. Ofschoon zijne familie vroeger rijk en magtig was, veroorzaakte toch de vlugt uit Ments groote verliezen, en Gutenberg moest, om in zijn onderhoud te voorzien , zich zijne vele aangeleerde kundigheden ten nutte maken en anderen gedeeltelijk onderwijzen en zich bij zijne kostbare werken en proefnemingen van hun geld bedienen. Te Straatsburg heeft hij echter, zoo veel men weet, nog geen boek gedrukt.

Bij zijne proeven bevond Gutenberg weldra, dat de houten letters spoedig afsleten en dus onzuiver drukten, niet lang duurden, en dat het toch eene ontzettende moeite en tijdverlies veroorzaakte, zoo veel abc\'s van hout te snijden als er tot een groot boek, maar vooral tot een bijbel noodig waren. Hij dacht er derhalve over, letters van metaal, lood, tin of koper te maken. Eer hij dit echter uitvoerde, verliet hij Straatsburg en ging naar Ments. Hier had hij met een Mentser burger Fust een verdrag gesloten, in dier voege, dat hij eene drukkerij te Ments zou oprigten en het drukgereedschap volkomener maken, waartoe Fust hem geld zou voorschieten. De winst zou tusschen hen beiden gedeeld worden. Gutenberg zou voor het kapitaal zes procent rente betalen. Fust daarentegen eene bijdrage tot de kosten leveren.

Had de eerlijke Gutenberg met een eerlijk man te doen gehad, dan had uit deze verbindtenis eindelijk het loon voor al zijne moeiten, zijn denken en worstelen kunnen voortkomen; maar Fust was een slimme vogel, bij wien geld en winst boven alles ging en die in Gutenberg een man zag, dien hij wel gebruiken kon.

Terwijl Fust slechts geld zocht, te winnen, streefde Gutenberg naar het vinden van eene kunst, die voor de geheele wereld de poort der kennis zou ontsluiten. Zoo bragt hij te Ments dan ook de gedachte ten uitvoer om in plaats der houten letters metalen te gieten. Daarin was nog een nieuw voordeel gelegen, daar deze letters regelmatiger, even groot en tevens veel kleiner en fijner

-ocr page 401-

371

gemaakt konden worden dan de houten. Dit was een nieuwe en groote vooruitgang in de wonderbare en heerlijke kunst, die de wereld zoo onbegrijpelijk veel nut zou aanbrengen. Hij bewerkte dit aldus: Over zuiver uit koper gesneden letters goot hij metaal. Hierdoor verkreeg hij de uitgediepte vormen, waarin hij nu looden letters goot. Overweegt men, dat hij zoo op eenen dag vele honderden alphabets kon gieten, terwijl aan de vroegere houten letters ongemeen veel tijd moest besteed worden, dan blijkt hieruit weder een belangrijke vooruitgang.

II. GUTENBERG , FUST EN SCHÖFFEE.

Het is een vereerend getuigenis voor Gutenberg, dat hij er nu terstond zijn werk van maakte om een bijbel te drukken. Aan Gods woord moest de nieuwe kunst het eerst dienstbaar gemaakt worden, en hierin vertoonde zich zijn vroom , dankbaar gemoed, dat hij de door God geschonken kennis ook terstond tot Gods eer wilde aanwenden. Hij begon den druk in het jaar 1452 , en in \'t jaar 1435 was hij voltooid ; maar dit werk had verbazende kosten veroorzaakt, en de lange tijd die er aan besteed was, getuigt ook, hoe onvolkomen nog de inrigting der drukkerij en hoe weinig gevorderd de kunst der drukkers was.

In dezen tijd was ook Peter Schöffer uit Gernsheim met Gutenberg en Fust in verbindtenis getreden. Schöffer was een zeer bekwaam man, die inzonderheid voor de schoonheid der letters zorgde, omdat hij eene zeer fraaije hand schreef, en ook een betere handelwijze tot vervaardiging van nog duurzamer letters bedacht. Fust zag de bruikbaarheid van Schöffer in, en daar hij reeds de valsche gedachte koesterde om zich van Gutenberg te ontslaan en de voordeden van het drukken voor zich alleen te verkrijgen, trachtte hij Schöffer geheel aan zich te verbinden en gaf hem eindelijk zelfs zijne dochter tot vrouw.

Thans, nu Gutenberg na lange moeite, zelfopoffering en na-ienken zijn doel nabij was, thans moest den wakkeren man de iwaarste slag treffen. Fust, een hebzuchtig en valsch mensch, ïischte plotseling van Gutenberg zijn hem geleend kapitaal te-

-ocr page 402-

372

rug, en tevens alle interessen, die hij hem toch mondeling had kwijt gescholden.

Gutenberg was een zachtmoedig, stil man , die zich slechts met zijne wetenschappen bemoeide, maar in wereldlijke handelingen slechts weinig ondervinding bezat. Daarop vertrouwde ook de valsche Fust en deed den armen Gutenberg, die niet betalen kon, een proces aan, waarbij hij nog allerlei listen bezigde en leugens uitstrooide. Door zijn rijkdom en zijn aanzien draaide hij de, helaas, vaak wassen neus van het regt tot zijn voordeel en won tegen alle billijkheid het proces. Daar de arme Gutenberg niet betalen kon, wees bovendien de omgekochte regtbank aan Pust de geheele drukkerij, als vergoeding zijner vordering , in eigendom toe.

Dit had plaats in november 1455. Men verbeelde zich den toestand van den armen Gutenberg. Alle vrucht zijner moeite, de prijs van zijn leven en streven was hem op eene onwaardige , schandelijke wijze ontroofd door den man, dien hij argeloos en vol vertrouwen in zijne kunst had ingewijd. Het was in \'t begin van een strengen winter. Zonder brood , zonder hulpmiddel en geld, zonder ondersteuning en regt — wat zou hij in Ments aanvangen! Nog eenigen tijd hield hij daar, neêrge-drukt, zijn verblijf, en toen verliet de verdienstelijke man zijne vaderstad ten tweeden male, doodarm en hulpeloos en, wat nog meer zegt — bedrogen in zijn geloof aan de eerlijkheid der menschen!

En waarheen begeeft hij zich ? Weder naar Straatsburg trekt hij heen, waar hij ook reeds zulke bittere ondervindingen had opgedaan. Daar hoopte hij, eene drukkerij te kunnen oprigten en weêr een eerlijk levensonderhoud te grondvesten. Met deze hoop, die hem nog staande hield, kwam hij te Straatsburg aan. Hij stelde alles in het werk om rijke, hem bekende lieden tot het verschaffen der noodige geldmiddelen te bewegen, ten einde het door hem gekoesterde plan te kunnen uitvoeren ; maar alles bleef vruchteloos, en hij geraakte steeds dieper in nood, terwijl Fust en SchöflFer oogstten wat hij gezaaid had. Met ver-

-ocr page 403-

373

raderlijke sluwheid hadden beiden de uitvinding van Sehöffer, om fraaijer en duurzamer letters te v ervaardigen, voor hem geheim gehouden en deden daar thans, nu zij hem op zijde hadden geschoven, hun voordeel mede. Zij drukten een prachtig psalmboek, dat nog tegenwoordig een pronkstuk der boekdrukkunst is, en werden schatrijk, terwijl de edele Gutenberg, wien zij alles te danken hadden, gebrek leed en naau-welijks eene plaats had, waar hij zijn kommervol hoofd kon nederleggen.

III. VERDERE TEGENSPOED EN DOOD VAN GUTENBERG.

Toen te Straatsburg alle hoop verdween, en de arme man zich bijna tot wanhoop gebragt zag, scheen voor hem nog eens een gelukster op te gaan. Hij kwam in aanraking met den syndicus dr. Koenraad Humery te Ments, en deze, een rijk man, toonde zich bereid om de geldmiddelen tot eene nieuwe drukkerij te Ments voor te schieten. Gutenberg keerde naar zijne vaderstad terug, waar hij het verdr iet had moeten ondervinden, dat de trouweloozen hem in alles bedrogen hadden, en rigtte weder eene drukkerij op. Hij moest hier, waar hij reeds eenmaal zijn doel nabij was geweest, weer van voren af aan beginnen. Hij begon op nieuw van onderen af, en stelde weder al zijne krachten in het werk, om de nieuwe drukkerij op de best mogelijke wijze in te rigten, ten einde het loon van zijne vlijt en van zijn nadenken in zoo verre in te oogsten, als Fust en Sehöffer hem dit mogelijk hadden gemaakt; maar ook deze laatste hoop werd hem ontnomen.

Diep smartte het hem, den uitvinder, die zijne kunst als een geheim bewaard had, opdat zij hem het voordeel zou opleveren , waarop hij naar regt en billijkheid aanspraak kon maken , en \'t welk hij in zijn gedrukten toestand zoo zeer behoefde — diep smartte het hem, dat zijn geheim nu verraden was; want toen hij met Pust en Sehöffer in oneenigheid geraakte en zich eindelijk van hen moest scheiden, stond gedurende het regtsgeding de zaak stil. De vele knechts, die zij hadden

GRUBE, G. D. M. 25

-ocr page 404-

374

aangenomen, en die zich bij eede hadden moeten verbinden om het geheim hunner kunst niet te verraden, waren nu zonder verdienste. Zij verlieten de stad en hielden zich, daar de zaak had opgehouden, van hun eed ontslagen. Zij legden in andere steden drukkerijen aan , zoo als te Straatsburg , Frankfort aan den Mein, en Bamberg, uit welke nu weldra gedrukte schriften in het licht kwamen. Bij dit ongeluk voor Gutenberg kwam weldra nog een ander, dat in nog veel grooter male de kunst om boeken te drukken in de wereld verspreidde. De aartsbisschop en keurvorst Diether van Ments werd door den paus te Rome van zijne waardigheid ontzet, en in zijne plaats Adolf, graaf van Nassau, aangesteld. Dit liet Diether zich niet welgevallen. Hij bragt een leger op de been , en Adolf deed tot zijne bescherming het zelfde. Zoo ontstond er tusschen hen beiden een bloedige oorlog. Diether had de burgers van Ments tot zijne aanhangers en versterkte zich in die stad. Adolf belegerde en veroverde haar in een mistigen herfstnacht. Wel verdedigden zich de burgers, maar zij moester, bij den plot-selingen overval voor de overmagt onderdoen. Adolfs scharen moordden onbarmhartig, staken een gedeelte der stad in brand en hielden op eene gruwelijke wijze huis. In dezen schrikkelijken nacht trof dan ook den trouweloozen Pust de verdiende straf. Zijne drukkerij met alle werktuigen brandde af, en het duurde lang eer hij weder eene nieuwe drukkerij had opgerigt. Zijne knechts trokken elders heen en stichtten drukkerijen op andere plaatsen. Ook den armen lijder Gutenberg trof het ongeluk van dezen moorddadigen nacht zoo zwaar, dat hij zijne nieuw opgerigte drukkerij niet langer kon volhouden. Hij moest ze in eigendom aan dengenen afstaan, die hem het geld had voorgeschoten, namelijk aan dr. Humery te Ments. Voor \'t overige scheen het, dat welwillende menschen zich zijn lot getrouwelijk zouden hebben aangetrokken, want juist deze dr. Humery, wien de drukkerij nu in eigendom toebehoorde, en die ze door nabestaande verwanten te Eltvil of Elfeld in Eheingau, waarheen zij verplaatst was, liet voorzetten, gaf er hem het

-ocr page 405-

375

opzigt over. Te Eltvil woonde destijds de keurvorst en aartsbisschop Adolf graaf van Nassau, die voor de Mentsers, welke hem versmaad hadden, even weinig genegenheid had, als de Mentsers, onder welke zijne soldaten bij het veroveren der stad gruwelijk gemoord hadden, voor hem. Aartsbisschop Adolf nam hem ook onder zijne hofjonkers op. Dit bragt nu juist geene gouden eijeren op, en een hofjonker of kamerheer van onzen tijd zou versteld staan, als hij geen grooter bezoldiging mogt genieten dan de arme Gutenberg had; hij kreeg namelijk alle jaren eene hofkleeding, de vrijstelling van alle belastingen en liet regt om alle jaren 20 mudden koorn en twee voeder wijn tolvrij te Ments in te voeren. Daarbij was hij dan ook van alle dienst bij het hof ontslagen. Dat was te weinig om te leven, en te veel om te sterven, en indien het loon, dat hij van de drukkerij ontving, niet grooter was, mogt de arme, voor de wereld hoogst verdienstelijke man er wel bij tijds op bedacht geweest zijn om zich aan honger lijden te leeren gewennen.

Zoo veel is zeker , gouden dagen beleefde hij niet; het welverdiende loon mogt hem niet geworden; het eenige dat hem vreugde in hoogeren zin kon verschaffen, was dat hij voor de wereld de poort van rijke kennis ontsloten had. Hij stierf in het jaar 1469 arm en gebogen onder het onheil, dat hem geheel zijn leven had vervolgd. Hij schijnt gehuwd geweest te zijn, maar kinderen had hij niet. In de oude Tranciscanerkerk te Ments werd hij begraven, waar een braaf aanverwant een gedenksteen voor hem plaatste. Van zijn geslacht , namelijk de Gensfleischen tot Gutenberg, was hij de laatste. De ondankbare wereld heeft langen tijd zijne verdiensten niet erkend ; eerst in onzen tijd heeft men gemeend, hem te Ments een gedenkteeken te moeten op-rigten. Dit geschiedde dan ook met groote plegtigheid op den 14den augustus 1837.

Later, namelijk in 1860 , hebben de Nederlanders voor L. J. Coster, deu eigenlijken uitvinder der nooit volprezen kunst, te Haarlem een nieuw metalen standbeeld opgerigt, ter vervanging van het oude steenen beeld, dat aldaar reeds langen tijd gestaan had. 25*

-ocr page 406-

376

De monniken noemden in \'t eerst de edele boekdrukkunst eene helsche uitvinding, daar zij hun een middel van bestaan, namelijk het afschrijven van boeken, ontroofde; maar zij hadden misschien ook wel een voorgevoel, dat nu de tijd van het blinde geloof voorbij was , en dat op een Coster en een Gutenberg een Luther zou volgen.

IV. DE UITVINDING VAN HET PAPIEK.

De oudste bekende soort, het egyptische papier, werd van de egyptische papier struik, cyprius papyrus, bereid. Deze behoort tot de grassoorten; haar halm is van onderen door scheedevormige bladeren omringd, en van boven draagt hij eene bloemkrans. Zij groeit aan den Nijl en op Sicilië in stilstaande wateren. Men schilde van den halm van dit papierriet de huiden of vezeltjes in fijne lagen af, spreidde deze op eene met nijlwa-ter bevochtigde plaat uit en bestreek ze met heet, kleverig nijlwater. Op de eerste laag werd eene tweede gelegd, zamen-geperst, in de zon gedroogd en met ivoor glad gemaakt. De Eomeinen bedienden zich langen tijd van dit papier, waarvan als papyrusrollen reeds vroeger is gesproken 1). Ook de inboorlingen van Mexico bereidden vóór de spaansche verovering hun papier op soortgelijke wijze uit bladeren der agave (aloë).

tot sch

Pa: zon ren leei lege een wat Eui katlt; goe Mei ruw eem per; twe lor mee sch( naa nen van pie chie een ven geei na i nog

schc ]

doel drul

De Israëliten in Davids tijd hadden opgerolde boeken van dierenhuiden, en ook de Joniërs in Klein-Azië schreven op ongelooide schapen- en geitenvellen, van welke alleen de haren waren afgeschaafd. In \'t vervolg werden zijjloor uitbijting in kalk gezuiverd en glad gemaakt, en naar de stad Pergamus in Klein-Azië, waar men deze kunst volmaakte, perkament genaamd. Maar zoo wel het egyptische papier als het perkament bleven toch voor het gebruik ongemakkelijk sn daarbij hoogst kostbaar. Daarentegen hadden de Hindoes reeds vóór Christus\' geboorte de kunst, uitgevonden om uit ruw katoen, dat zij

1

Schetsen en Tafereelen uit de Geschiedenis der Oudheid, bl. 376.

-ocr page 407-

377

tot een brij oplosten, eene massa te bereiden, waarop goed geschreven kon worden. Door hen kwam dit zoogenaamde katoenpapier in Midden-Azië, en wel in Bulgarije, waar men het inzonderheid in de stad Samarkand vervaardigde. Toen de Arabieren op hunne veroveringstogten ook in Eucharije doordrongen, leerden zij het gebruik en de bereiding van dit papier kennen en legden te Mekka fabrieken aan, en deze kwamen in de elfde eeuw door de Arabieren ook naar Spanje. Hier, waar men reeds watermolens had, ontstonden de eerste papiermolens in Europa, die later naar Italië, Frankrijk enz. overgingen. Het katoenpapier had echter ook nog vele gebreken, daar het minder goed verbonden is en ligter breekt dan het linnen papier. Men kwam intusschen spoedig op de gedachte om in plaats van ruw katoen versletene katoenen stoffen te nemen en deze ook in eene pap op te lossen, om ze dan tot dunne bladen uit te persen. De proef gelukte, en met dezen eersten stap was de tweede voorbereid, om in plaats der katoenen stoffen linnen lompen te nemen, die destijds veel menigvuldige!-waren en meestal ongebruikt werden weggeworpen. Het was een Duit-scher, die deze gedachte uitvoerde; maar wij kennen noch zijn naam noch het jaar der uitvinding. Voor 1300 komt geen linnenpapier voor; maar van het jaar 1318 af heeft het archief van het hospitaal Kaufbeuern oorkonden, die op linnen papier geschreven zijn, gelijk er ook in het stedelijk archief aldaar verscheidene van 1336 en 1331 aanwezig zijn — een bewijs, dat men deze papiersoort het eerst in Duitschland vervaardigde, want Spanje en Italië hebben vóór het jaar 1367 geen linnen papier in hunne bibliotheken aan te wijzen. Uit China is deze uitvinding ook niet herkomstig, daar de Chinezen nog tegenwoordig hun papier van ruwe hennep, bamboes of schors van moerbeiboomen (zijdepapier) bereiden.

Het linnen papier echter is het stevigste, bruikbaarste en doelmatigste, en zonder de uitvinding daarvan zou de boekdrukkunst slechts langzame vorderingen hebben gemaakt.

-ocr page 408-

378

V. DE UITVINDING VAN HET KOMPAS.

De geheele scheepvaart der oude volken was bijna slechts kustvaart, want hun ontbrak een zekere wegwijzer door de groote waterwoestijn. Hunne eenige wegwijzers waren de zon en de sterren; maar deze werden ontrouw, wanneer wolken en duisternis den hemel bedekten. Niemand viel het in, dat een stukje zwart ijzer beter den stand des hemels kon aanwijzen dan de mensch zelf, en men op zulk een wegwijzer op de afgelegenste reizen in den onmetelijken oceaan veilig kon vertrouwen. Eerst in de middeleeuwen, omstreeks het jaar 1300, deed men deze ontdekking, en een Napolitaan, Plavio Gioja,, heeft, meent men, het eerst de kracht der magneetnaald gevonden. Dit is eene stalen naald, die met een magneet bestreken is en los op een steunpunt draait. Zij wijst op het noordelijke halfrond met de eene punt gestadig naar het noorden, en op de zuidelijke helft der aarde naar het zuiden. Doet men ze in een kistje , waarin eene windroos geteekend is, dan weet men te allen tijde, bij dag en bij nacht, bij heldere en betrokken lucht, in welke rigting men koers zet. Een zoodanig ingerigt kistje noemt men een kompas. Zoodra het kompas was uitgevonden, bleef de groote oceaan niet langer eene geslotene wereld; de Europeërs vonden den zeeweg naar Oost-Indië, zeilden dwars over den Atlantisohen oceaan naar het westelijke halfrond en vonden een geheel nieuw werelddeel.

VI. UITVINDING VAN HET BUSKRUID.

Gelijk het kompas op de bedrijven des koophandels een groo-ten invloed uitoefende, zoo deed dit de uitvinding van het buskruid op het krijgswezen, en bewerkte eene groote verandering in de standen en krachten van het volk. De Chinezen geven ze voor eene oude uitvinding van hun volk uit en willen het kruid reeds voor 1600 jaren gekend hebben. Van hen, meent men, is het tot de Arabieren gekomen, die eertijds op Irdië handel dreven, en door de Arabieren naar Europa. De vroegste sporen van het

-ocr page 409-

379

gebruik van het buskruid vindt men in Spanje, dat de Arabieren in 711 veroverden. In de twaalfde eeuw gebruikte men vuur en een soort van kruid tot het doen springen van gesteente in den Kammelsberg bij Goslar. Dit gebruik gaf aanleiding, dat een zoon van Hendrik den Leeuw in \'t jaar 1200 op gelijke wijze de muren van een kasteel deed springen. Maar het gebruik voor den oorlog is jonger; er verliep nog een geruime tijd, eer men op de gedachte kwam, om mortieren met buskruid te vullen en door de ontbranding daarvan kogels voort te drijven.

Gewoonlijk schrijft men aan een franciscaner monnik , B a r-thold Schwartz genaamd, de uitvinding van het buskruid toe. Hij leefde omstreeks het jaar 1350, was een liefhebber der scheikunde en hield zich gaarne bezig met de oplossing van metalen, misschien om het goudmaken te leeren. Eens stampte hij toevallig salpeter, zwavel en houtskool in een vijzel , legde er een steen op, en terwijl hij in de nabijheid van den vijzel vuur sloeg, viel er een vonk in. De stof ontbrandde en wierp den steen, die er op lag, met geweld in de hoogte. Verschrikt stond de scheikundige daar en was verbaasd over de wonderbare gebeurtenis. Hij herhaalde zijne proeven, en telkens vertoonde zich de zelfde werking. Thans maakte hij zijne uitvinding verder bekend en toonde aan, welk nut men daaruit in den oorlog, tot vernieling van muren, bruggen en andere vestingwerken, trekken kon. Er werden diensvolgens op vijzels gelijkende buizen gemaakt, die men ook vijzels (m o r-tieren) noemde. In de opening schudde men dat kruidmeng-sel, en deed er dan steenen in, terwijl van achteren aan het gesloten einde der buis een klein gat geboord was, om door die opening het kruid aan te steken. Nog tegenwoordig schiet men uit zulke wijde mortieren de zware bommen. Vervolgens verlengde men de mortieren tot kanonnen, en in deze donderbussen, gelijk zij genoemd werden, laadde men ook eerst steenen, en vervolgens kogels van aanmerkelijke zwaarte. In het jaar 1378 werden te Augsburg drie kanonnen gegoten, van welke het grootste kogels van 137 pond zwaar, het middelste

-ocr page 410-

380

van 70 pond, het kleinste van 50 pond, duizend schreden ver schoot. Maar deze groote werktuigen waren moeijelijk van de plaats te brengen, waarom men ze telkens kleiner maakte, zoodat men er zich ook in het vlakke veld en tot verdediging van forten van kon bedienen. Later goot men zelfs kanonnen van zulke dunne buizen, dat een enkel man ze met gemak droeg en naar willekeur bestuurde. Deze draagbare vuurwapenen werden , gelijk de mortieren en kanonnen, aan het laadgat met eene lont aangestoken. De oudste getuigenis over het gebruik dezer handbussen is van het jaar 1387 , wanneer de stad Augsburg aan hare bondgenooten dertig busschieters leverde, want in Augsburg en Neurenberg vervaardigde men langen tijd de beste bussen en kanonnen, en aldaar werden zij ook met der tijd steeds meer volmaakt. Zoo vond men het zeer ongemakkelijk, de handbussen even als kanonnen door lonten te moeten afvuren, en bedacht nu den haan, waarin men een stuk kiezelsteen schroefde en daarbij een stalen rad aanbragt, dat rondliep en vuur uit den steen sloeg. Deze uitvinding werd in 1517 te Neurenberg gedaan en daarom het duitsche vuurslot genaamd. Daar echter het rad moeijelijk op te trekken was , vonden de Franschen het latere en hier en daar nog gebruikelijke geweerslot uit. Om dit nieuwe wapen tevens als lans te kunnen gebruiken, werd aan den mond er van een zijgeweer geschroefd , dat naar de stad Bayonne in Frankrijk, waar deze nieuwe uitvinding het eerst opkwam, den naam van bajonet verkreeg. Tegenwoordig bedient men zich ook weinig meer van den vuursteen, maar krijgt de vonk gemakkelijker en zekerder door middel van een slagdopje (percussion).

Aanvankelijk werden de nieuwe oorlogswerktuigen weinig in het veld gebruikt, want zij werden als arglistige wapenen aangemerkt, die een eerlijken krijgsman niet betaarnden. In \'t bijzonder ijverden de ridders tegen de „helsche uitvinding,quot; gelijk zij ze noemden. Want wat hielp hun nu al hunne kracht en behendigheid, wat de voortreffelijke wapenen en wapenrustingen, nu eene drukking der vingers van den lafhartigsten

-ocr page 411-

381

soldaat op grooten afstand hen ter aarde kon werpen. Toen gemeens voetknechten met musketten en kanonnen tegen hen opkwamen , legden zij de lans en het zwaard neder. Van nu af verrigtten huurlingen (dewijl zij om sold ij dienden, soldaten genoemd) de gewapende dienst. Er vormden\'zich staande legers, eerst in Frankrijk, waar staande kompagniën , gendarmes, het begin maakten, die de magt der vorsten zeer versterkten. Ook werd nu in de veldslagen met minder verbittering gestreden, daar thans niet de kracht der strijders , maar het beleid der aanvoerders en de snelheid in de bewegingen meerendeels den uitslag besliste. De oorlog werd eene kunst, het oorlogvoeren eene wetenschap.

VII. DE UITVINDING DER UURWERKEN.

Ook deze uitvinding, die op het leven zoo wel als op de wetenschap den hoogsten invloed heeft uitgeoefend, behoort aan de middeleeuwen en heeft eerst in later tijd hare hooge volkomenheid verkregen. Men leerde spoedig aan den stand der zon onderscheiden , of de dag weinig of veel gevorderd was, en naar de verschillende schaduw , die de zon volgens haren stand op de aarde voortbrengt, leerde men ook vroeg zonnewijzers vervaardigen. Doch deze waren slechts in den zonneschijn bruikbaar, terwijl men voor den nacht in \'t geheel geen maatstaf had. Om den tijd op ieder oogenblik te kunnen bepalen en onderscheiden , daartoe behoorde een werktuig, dat in gelijkmatig voortgaande beweging door een of ander zigtbaar of hoorbaar tee-ken te kennen gaf, hoe veel tijddeelen er verloopen waren. Zoo kwamen oude volken, gelijk b. v. de Chinezen, zeer vroeg op wateruurwerken. De Chinezen bedienden zich daartoe van een rond vat, dat van onderen een klein rond gat had en ledig in een ander met water gevuld vat gezet werd. Terwijl nu het water uit het onderste vat in het bovenste drong, daalde het laatste langzamerhand en wees daardoor de deelen van den verloopen tijd aan. In het westelijke Azië waren , meent men , de Babyloniërs de uitvinders der wateruurwerken; van hen kwa-

-ocr page 412-

382

men ze naar Klein-Azië tot de Grieken, in de eeuw van den grooten perzischen veroveraar Cyrus. De Romeinen echter kregen het eerste wateruurwerk eerst in het jaar 160 v. Chr.; Julius Caesar bragt reeds uit Brittannië een wateruurwerk mede naar Eome. In het jaar 390 zond Theodorik, koning der Oost-gothen, den bourgondischen koning Gundobald een wateruurwerk ten geschenke, hetwelk de bewegingen der zon en der maan tevens aantoonde. Er moesten dus in het watervat raderen aan-ge bragt zijn, die door het afdruppelende water in beweging werden gebragt. Van dergelijken aard was ook het uurwerk, dat de arabische kalif Haroen al Easjid in 809 aan Karei den grooten ten geschenke zond. Dit uurwerk was van metaal bewerkt, van een uurwijzer voorzien en zoodanig ingerigt, dat bij het einde van ieder uur zoo veel metalen kogeltjes op een daaronder geplaatst bekken vielen als er uren verloopen waren. Te gelijk kwamen met de neervallende kogeltjes uit deuren ruiters te voorschijn, die met het laatste uur van den dag weder terug gingen en de deuren sloten. De door het water in beweging gebragte raderen openden de deuren, uit welke kogels en ruiters te voorschijn kwamen.

Daar echter het water nog veel ongemakkelijks heeft, omdat het in den zomer door de warmte uitgezet en verdund wordt en ook verdampt, terwijl het in den winter ligt bevriest, zoo koos men in plaats van water reeds vroegtijdig zand, dat immers, wanneer het goed droog is, ook ligt door de opening van een vat loopt. Men deed het zand in twee met elkander verbondene spits toeloopende glazen, en was het uit het bovenste glas afgeloopen, dan keerde men het geheele zanduur-werk om. Dit waren echter slechts uurglazen, die zeer onvolkomen den tijd aanwezen. Zoo werd dan de menschelijke geest op raderuurwerken gebragt, die noch zand , noch water, noch schaduw der zon behoefden en wier raderen door eene kracht in beweging werden gebragt, die voortdurend even sterk werkte zonder af te nemen.

Deze kracht vond men aanvankelijk in g e w i g t e n , die men

-ocr page 413-

383

aan het uurwerk hing, en welke het raderwerk in beweging bragten. Men kende deze gewigt-uurwerken reeds vóór het jaar 1000, maar hun uitvinder is onbekend gebleven. Een der eerste van zulke uurwerken, waarvan melding wordt gemaakt, heeft omstreeks het jaar 996 een fransohe monnik Gerbert, de zelfde, die onder den naam van Sylvester II paus werd, te Maagdenburg vervaardigd. Nogtans wees dit uurwerk enkel de uren, zonder te slaan, en eerst drie eeuwen later vinden wij bepaalde berigten van slaguurwerken. In het jaar 1344 werd te Padua de eerste torenklok vervaardigd, die uren sloeg, en in het jaar 1370 liet de fransche koning Karei V den beroemden uurwerkmaker Hendrik von Wiek uit Duitschland komen, die het eerste groote uurwerk te Parijs maakte en het op den toren van het koninklijke paleis plaatste. In Duitschland schijnt Augsburg de eerste stad geweest te zijn, die een slaguurwerk had ; men vindt er daar reeds een in 1364.

Nogtans waren al deze uurwerken nog onvolkomen, want de slinger, waardoor de voortgang in het afrollen der gewigten eerst gelijkmatig wordt, ontbrak er nog aan. Deze hoogst ge-wigtige uitvinding hebben wij te danken aan den beroemden florentijnschen natuurkundige Galileï (1564—1642), die aan eene heen en weêr slingerende kerkkroon de geheele leer van den slinger ontdekte, dat namelijk alle schommelingen van een slinger even lang duren; dat het enkel van de lengte van den slinger afhangt, of hij langzamer of sneller schommelt enz. Dezen slinger verbond men nu zoo met de uurwerken , dat eene kleine schudding (de zoogenaamde onrust) hem onophoudelijk in beweging houdt.

Nu werd er echter nog een groote vooruitgang gevorderd tot de hoogst kunstige zakuurwerken (horologiën), die ieder gemakkelijk bij zich kan dragen. De roem hunner uitvinding behoort aan een Duitscher, Peter Hele, uurwerkmaker te Neurenberg, die in het jaar 1560 de eerste horologiën vervaardigde. Deze waren aanvankelijk groot, hadden de gedaante van eijeren, zoodat men ze ook Neurenberger e ij e r e n ge-

-ocr page 414-

384

noemd heeft. Weldra bragt men het zoo ver, dat men de gedaante en grootte steeds kleiner en gemakkelijker maakte, en eerlang gelukte het, in een zegelring een cilinderhorologie te sluiten. De Nederlander Huygens, die in de 17de eeuw leefde, heeft zich ook zeer verdienstelijk gemaakt door de verbetering der zakuurwerken, die thans zoo goedkoop zijn geworden, dat bijna ieder zulk een kunstwerk magtig kan worden.

II. DE ONTDEKKINGEN.

I. HENDRIK DE ZEEVAAKDEK.

Nadat in het schiereiland Spanje de Arabieren verscheidene eeuwen lang de heerschappij hadden bezeten, herstelden de Gothen zich langzamerhand weder, en vormden omtrent 1035 twee nieuwe staten, Arragon en Castilië. Nevens deze ontstond uit een Castiliaansch stadhouderschap een eigen rijk, Portugal. Henri, een fransch prins, had namelijk de christelijke Spanjaarden tegen de Arabieren geholpen. Uit dankbaarheid daarvoor schonk de castiliaansche koning Alphonsus VI hem het land, tusschen den Minho en Duero gelegen , als eigen graafschap , naar de haven C a 1 e (porto cale) Portugal genoemd, \'t welk zich door veroveringen allengs tot aan den mond der Guadiana uitbreidde. De opvolgers van dien Henri noemden zich koningen, en deze vochten dapper tegen de Mooren; ja, nadat zij hen van het schiereiland verdreven hadden, zochten zij zelfs hunne erfvijanden in Afrika op. Koning Johan (1411—1433) stak de straat van Gibraltar over, en \'t gelukte hem, het sterke Ceuta aan de Afrikaansche kust in te nemen. Uit deze haven begonnen nu groote ontdekkingen.

De derde zoon van koning Johan, de infant Hendrik, wijdde namelijk al zijn ledigen tijd aan de wetenschappen, maar inzonderheid aan de aardrijks- en hemelkunde. In zijne leergierigheid verliet hij het hof en koos zijne woonplaats in het zuidelijkste gedeelte van Portugal, te Lagos , nabij de kaap St. Vincent. Hier was hij zoo digt mogelijk bij de Afrikaansche

-ocr page 415-

385

kust en kon velerlei berigten van de bewoners der overzijde inwinnen. \'t Was in dien tijd een algemeen streven om een zeeweg naar I n d i ë, naar dat om zijne vruchtbaarheid en rijkdom hooggeprezen land, te vinden. Ook was immers uit ouden tijd een verhaal overgeleverd, dat Afrika reeds eenmaal was omgezeild 1). Maar men vreesde de hitte onder de evennachtslijn , en hield die aldaar voor zoo groot, dat alles wat de linie passeerde moest verbranden. Men verhaalde elkander geschiedenissen van wilde, grimmige dieren, die de schepen aanvielen, IjU\'an vuurstroomen en slijkerig water, dat zich tot gelei verdikte en waarin de schepen bleven steken. Zulke fabelen schrikten van alle proefnemingen af. Daar kwam bij, dat men altijd nog omzigtig langs de kust voer, en ofschoon sedert 1800 het kompas was uitgevonden, zich niet gaarne in volle zee waagde.

Zorgvuldig deed Hendrik onderzoek naar \'t geen hij van zeevaarders en kooplieden over de westkust van Afrika kon te weten komen. De verzamelde berigten gaven hem moed om op eigene kosten vaartuigen uit te rusten en uit te zenden. Maar de eerste stuurlieden hadden het hoofd nog te vol van die schrikkelijke fabelen ; zij werden bevreesd, toen zij in de ruime zee kwamen, en keerden onverrigter zake terug. Hendrik was daarover zeer vertoornd; eindelijk vond hij twee dappere ridders, die hem hun woord gaven van niet terug te zullen komen voordat zij iets buitengewoons gevonden hadden. Na eenigen tijd gevaren te hebben , brak er een onweder en een storm los en slingerde hun schip op het kleine eiland Porto Santo en-drik liet daar eene kolonie aanleggen, den grond met koren, moeskruiden en wijnstokken beplanten, en tevens verschillende dieren uitzetten, die zich onder den schoonen, warmen hemel zeer vermenigvuldigden. Een enkel dragtig konijn leverde in weinig jaren een zoo talrijke nakomelingschap, dat men in ernst moest vreezen, dat zij alle plantsoen van het eiland zouden vernielen.

1

Vergelijk Sch. en ïafer. uit de gesch. der Oudh. bl, 13.

-ocr page 416-

386

II. ONTDEKKING VAN MADERA, DE KANARISCHE EN AZORISCHE EILANDEN.

Van Porto Santo zag men dikwijls bij helder weder een verwijderden nevelberg aan den horizon, en Hendrik liet zijne schepen derwaarts stevenen. Men vond zoo het eiland Madera (in het jaar 1420), en aldaar een enkel bosch, schijnbaar nooit door menschen betreden ï van 18 mijlen lengte en meer dan 4 mijlen breedte. Het bosch werd in brand gestoken, en het vuur brandde, zegt men, langer dan zeven jaren. Hendrik legde ook hier een kolonie aan, zond zaden en huisdieren, liet wijn uit Cyprus en suikerriet uit Sicilië derwaarts verplanten, en beiden slaagden uitmuntend op den grond, zoo heerlijk met asch bemest. Nog tegenwoordig is de suiker uit die eilanden van uitstekende fijnheid, ofschoon zij weinig verbouwd wordt. Van den wijn die op Madera groeide, kwamen vroeger jaarlijks nagenoeg 30 000 vaten (elk op 3 okshoofden gerekend) naar Europa, en een groot gedeelte van dezen vurigen wijn ging naar Oost- en West-Indië.

Door deze ontdekkingen werd de moed van den prins steeds meer verlevendigd, hoewel zijne zeelieden nog altijd niet zonder vrees waren. Zij kwamen bij de niet ver van de kust verwijderde Kanarische eilanden, welke aan de ouden reeds onder den naam van de „gelukkige eilandenquot; bekend waren. Op deze vonden zij verscheidene vulkanen, en uit den hoogen piek op Teneriffe dwarrelden rookwolken op. Alstoen kwamen zij weder op de gedachte, dat thans het vuur van den evenaar zou beginnen. Nogtans stevende men verder de opene zee in en ontdekte in 1433 een der Azorische eilanden, die tusschen Portugal en Amerika omtrent 300 mijlen van de kust verwijderd liggen. Deze eilanden waren geheel onbewoond; in 1459 ontvingen zij de eerste bewoners. Tegenwoordig hebben zij een grooten overvloed van koren en wijn, en voorzien de por-tugeesche en spaansche schepen op hunne togten naar Amerika en Oost-Indië van ver verse hingen.

-ocr page 417-

387

III. ONTDEKKING DEE KAAPVERDI3CHE EILANDEN EN VAN GUINEA.

Intusschen was men zuidwaarts nog niet verder dan de Kanarische eilanden gekomen, want aldaar strekte een voorgebergte, )lt;dat men tot nu toe als het einde der wereld beschouwd en kaap Non (plus ultra) genoemd had, zich westwaarts in de zee uit. De zee maakte hier geweldige maalstroomen en kon ook aan stoutmoedige zeevaarders bezorgdheid baren. Gilianez, een moedig eu verstandig stuurman, waagde verschillende proefnemingen , maar in \'t eerst vruchteloos; eindelijk stevende hij diep de ope-ne zee in, en zoo gelukte het hem (1433), de gevaarlijke kaap Non om te varen, die nu ook haren naam veranderen moest, en kaap Bojador, d. i. het omgevarene voorgebergte, genoemd werd. Deze gebeurtenis baarde algemeen opzien en leverde den infant Hendrik stof tot groote vreugde , ofschoon men de kust aan gene zijde van Bojador geheel woest en dor vond. De eenige buit bestond in robben en zeehondenvellen.

In de bewoners, welke de christelijke zeevaarders op de Afri-kaansche kusten aantroffen, meenden zij niets dan vijanden van het christendom te zien. Zij moordden, plunderden en voerden de menschen als gevangenen weg. Uit deze rooverijen ontstond de negerhandel. In het jaar 1442 zag de hoofdstad van Portugal, Lissabon, de eerste menschen met zwarte huidkleur, kroes haar en dikke lippen , die men in de streek der Goudrivier had gevangen. De ongelukkigen boden voor hunne vrijheid goudstof.*Dit was het wat de hebzuchtige Europeërs begeerden. Thans ontstond er een algemeene ijver voor ontdekkingsreizen; de goudzucht dreef menschen, die zich anders nimmer buiten den kring der hun bekende wereld gewaagd zouden hebben, naar de schepen. Kooplieden uit Genua lieten schepen uitrusten; alles wilde nieuwe landen met goudrivieren ontdekken. Daar men deze echter niet dadelijk vond, roofde men negers.

In 1440 bereikten de Portugeezen de rivier Senegal. Hier vonden zij voor de eerste maal wilde heidensche negers, die ,

-ocr page 418-

388

welke zij noordelijker hadden aangetroffen, waren allen mohammedanen geweest. Digt bij den mond van den Segenal ligt de Groene kaap , en vóór deze tien eilanden, welke men de e i-landen der groenekaap (Kaap verdische) genoemd heeft. Aldaar kwamen de Portugeezen in \'t jaar 1447 aan. Deze eilanden zijn zeer bergachtig, maar hebben zulk een warm klimaat, dat de lage streken met altoos groene boomen bedekt zijn. Daar de portugeesehe regering zich niet veel aan deze eilanden gelegen laat liggen , zijn zij weinig bebouwd en arm aan bevolking. — Het duurde overigens tot 1462, eer men de kust van het eigenlijke Guinea ontdekte; nu was men in de gevreesde streek van de evennachtslijn gekomen, zonder door de zon verbrand te zijn. Men vond hier goud, elpenbeen, was en andere kostbaarheden, zoodat in de eerstvolgende jaren de scheepvaart naar Afrika zeer vermeerderde.

Al deze ontdekkingen , van Porto Santo tot Guinea, eene landstreek van 500 mijlen, heeft men aan den infant Hendrik te danken. Ofschoon hij zelf de togten niet mede maakte, werden zij toch allen naar zijne plannen ondernomen, en welke vreugde moet de man niet gesmaakt hebben , dat zulk een heerlijke uitslag deze ontwerpen kroonde! Hij was het, die den grond legde tot de grootheid en magt van het kleine koningrijk Portugal; want een tijdlang was deze staat de bloei-jendste en magtigste handelstaat in Europa.

IV. B AKTHOLOMECS DIAZ EN VASCO EE GAMA.

Na den dood van Hendrik den zeevaarder verkoelde de ijver voor ontdekkingen een weinig, want men was vooreerst volkomen tevreden met het stofgoud, dat men in Guinea vond. In het jaar 1481 kwam echter een koning in Portugal aan de regering , J o h a n II namelijk, die de plannen van Hendrik weder opvatte en met grooten ijver voortzette. Hij liet in Guinea koloniën en vestingen aanleggen en zond van daar schepen op verdere ontdekkingen uit. Zoo drong men 300 mijlen zuidelijker den evenaar voorbij en zag met vreugde, dat Afrika ten

-ocr page 419-

389

zuiden niet breeder werd, maar dat het naar het zuidoosten steeds schuiner toeliep. Nu verlevendigde zich meer dan ooit de hoop om de zuidelijkste punt van Afrika te bereiken, deze om te zeilen en zoo er om heen ter zee naar Oost-Indië te varen. Een stoutmoedig man, Bartholomeus Diaz, waagde de proefneming; hij stevende steeds verder naar het zuiden, ontdekte 200 mijlen nieuw land en bereikte (1486) gelukkig de zuidpunt van Afrika, waarop hij een kruis oprigtte. Doch zijne soldaten en matrozen meenden nu, aan het einde der wereld te zijn en hunnen zekeren ondergang te gemoet te varen; daarbij woedden de stormen, die nog tegenwoordig aan deze i plaats zeer gewoon zijn^zoo hevig, dat de wakkere Diaz moest besluiten, naar Lissabon terug te keeren. Hij noemde de zuidelijke punt van Afrika de „kaap der stormen.quot; Zoodra echter koning Johan II het verblijdend berigt ontving, riep hij vol vrolijk vertrouwen: „Neen, wij zullen ze de kaap de Goede hoop noemen!quot; En deze naam is met regt de heerschende gebleven, daar de hoop van Johan zoo schoon vervuld werd.

De koning had in den zelfden tijd twee moedige mannen, die tevens het arabisch magtig waren, aan den koning van Abyssinië gezonden, van wiens bestaan men gehoord had, en met wien zij, zoo mogelijk, een handelsverbond moesten sluiten. Zij reisden over de Middellandsche zee naar Kaïro, en van daar met eene karavaan naar Aden aan de Koode zee. Hier scheidden zij van elkander. De eene ging naar Abyssinië, maar werd onderweg gedood; de andere scheepte zich naar Goa in, zag het heerlijke land met zijne oogen, bezocht Kalikoet en Goa en kwam gelukkig in Portugal terug. Hij kon geen woorden genoeg vinden, om den rijkdom van Indië te schilderen, en dit wekte bij de Portugeezen nieuwen moed, om den weg ter zee naar het geprezene land te vinden. Doch Johan stierf, maar zijn opvolger Emanuel rustte vier schepen uit, die hij aan den moedigen zeevaarder Vasco de Gama toevertrouwde , om daarmede de omzeiling van Afrika te beproeven. Gama was welgemoed, maar niet zijne manschap, die in \'t

GRUBE, G. D. M. 26

-ocr page 420-

390

geheel uit 160 man bestond; deze vreesde een zekeren dood en zocht door vasten en gebeden den toorn des Hemels te doen bedaren. Den 8sten julij 1497 ging de vloot onder zeil. Vasco de Gama kwam echter in den ongunstigsten tijd van het jaar aan de kaap, want de stormen waren zoo vreeselijk, dat zij zijne schepen ieder oogenblik in den afgrond dreigden te slingeren. Maar nog vreeselijker dreigde de vertwijfeling zijner manschappen , die den doldriesten bewerker van hun gevaar en doodsangst meer dan eens over boord wilden werpen. Gama nogtans bleef onwankelbaar bedaard en standvastig en overwon door zijne onverzettelijkheid alle gevaren; hij liet de weerspannige zeelieden in ketenen werpen en pjing zelf aan \'t roer staan. Zoo zeilden zij eindelijk (30 november) met gunstigen westenwind om de kaap heen. Evenwel waagde Gama zich niet dadelijk in de volle zee, maar stevende nu langs de oostkust van Afrika opwaarts, beproevende of hier geen berigten over Indië te verkrijgen waren. Hoe verder hij noordelijk opvoer, het land der Hottentotten voorbij, om de kaap Corriëntes heen, langs de kust van So fa la, des te meer sporen van welvaart en verkeer met Indië trof hij aan. In maart 1498 kwam hij in de haven van Mozambique, en daar zag hij voor \'t eerst schepen met zeilen. Aan deze schepen was geen enkele spijker; de planken waren met bindgaren aaneen gebonden, en dit bindgaren was van kokosvezelen, waarmede ook alle voegen gestopt waren. De zeilen waren van palmbladen; eenige der grootste schepen hadden landkaarten en kompassen. Ook vonden zij hier niet slechts alle indische produkten—zijde, parelen en specerijen — maar ook mohammedanen, welke deze waren van hier naar de Arabische golf afhaalden. Thans waren zij zeker, het doel hunner reis te bereiken. Gama stevende nog verder op naar Me-1 i n d a, digt onder de linie. Hier werd hij vriendelijk ontvangen, verkreeg matrozen, die de reis naar Indië reeds meermalen gedaan hadden, en zeilde zoo 500 mijlen dwars over den oceaan. Op den 19den mei 1498 ankerde hij in de haven van Kalikoet, op de kust van Malabar.

-ocr page 421-

391

Zoo was het groote doel der groote en stoute ondernemingen eindelijk bereikt, het geprezene Indië eindelijk gevonden. Doch de Portugeezen zagen weldra in, dat zij met hunne drie schepen — één hadden zij onder weg verbrand — hier geene verovering konden maken en dat zij evenmin met hunne schellen, glaskoralen en andere blinkende kleinigheden een handel konden beginnen. Want de Indiërs waren geene ruwe negers, maar leefden in een bloeijende welvaart, hadden steden, manufacturen , dreven handel en beoefenden den landbouw ; hun koning leefde in eene schitterende hofhouding.

Een koopman uit Tunis, die zich hier wegens handelszaken ophield , verheugde zich zeer, zoo onvermoed Europeërs te vinden en met hen spaansch te kunnen spreken. Vasco de Gama liet zich door hem aan den zamorin of koning van Kalikoet voorstellen, en had reeds de beste hoop om een voordeelige handelsverbindtenis tot stand te brengen, toen de mohammedanen tusschen beiden kwamen. Deze vreesden , door de Europeërs uit hunne handelsvoordeelen verdrongen te zullen worden, maakten de Portugeezen verdacht, als wilden zij slechts het land des konings bespieden, zoodat de zamorin besloot, de vreemde indringers gevangen te nemen. Naauwelijks gelukte het Gama, met zijne schepen het gevaar te ontkomen. Hij stevende met spoed naar Melinda en van daar om de kaap heen naar Europa terug. Op den 14den september voer hij met zijne kleine vloot behouden den Taag op, na de langste en moeijelijkste reis sedert de uitvinding der scheepvaart vol-bragt te hebben.

v. chmstoffel columbüs (geb. 1447 , overl. 1506.)

/

Terwijl nu de geestdrift voor nieuwe ontdekkingen ter zee alle ondernemende mannen van dien tijd had aangegrepen, kwam op eens in den geest van een ervaren en nadenkend man eene gedachte op, wier uitvoering niets geringers ten gevolge had dan de ontdekking van een tot dus \'verre onvermoed vier-

26*

-ocr page 422-

392

de werelddeel. Deze merkwaardige man was Christoffel Columbus 1).

Columbus was (1447) te Genua geboren, maar had, ten tijde toen Johan II den portugeeschen troon beklom, zijn vaderland met Portugal verwisseld en was daar met de dochter van Bartholomens Perestrelio gehuwd, die als scheepskapitein verscheidene ontdekkingsreizen onder den infant dom Hendrik mede gedaan had en van deze reizen zeer zorgvuldige dagboeken, teekeningen en kaarten bezat. Columbus had door zijne kundigheden en weetgierigheid de achting van dezen man verworven; ook gold hij reeds toenmaals voor een bekwaam zeevaarder, die weinigen zijns gelijken had. Uit eene adellijke, maar verarmde familie in het Genuesche gesproten, had de nood, maar ook de lust hem vroeg tot de scheepvaart gedreven, en daarbij had hij dan ook weldra ingezien, dat men zonder wiskunde, ster-rekunde, aardrijkskunde en bekwaamheid in het teekenen altijd slechts een gemeen schipper blijven moest. Zoo had de knaap zich reeds uit vrije beweging tot ernstige studiën gewend. Van zijn 14de jaar af was hij op zee geweest, had de voornaamste havens der Middellandsche zee bezocht en was zelfs, naar men zegt, met de Engelschen ter vischvangst naar IJsland gestevend.

In Portugal las en vergeleek hij de dagboeken en landkaarten zijns schoonvaders met grooten ijver en deed zelf eene reis naar Madera, de Azorische en Kanarische eilanden.)1\'Zoo ontstond in hem allengs de gedachte, dat men Indië moest kunnen bereiken, als men regelregt naar het westen in de open zee voortstevende. Want zoo veel wist of geloofde men destijds ten minste, dat de aarde een bolvormig ligchaam is. Op dezen bol lag Indië ver naar het oosten heen, terwijl het naar de berigteu der oudere reizigers een zeer groet land was, van welks oostelijkste uiteinden niemand nog bepaalde berigten had gegeven. Wie weet, dacht Columbus, of het niet tot digt bij

1

In het italiaaosch Ohristoforo Colombo, in \'t spaansch Christoval Color:.

-ocr page 423-

393

de westelijke kust van Europa reikt. En al is dit het geval niet, dan moet het toch mogelijk zijn om , als men regtstreeks naar het westen vaart, Indië te bereiken. Deze gedachte verkreeg nog grootere waarschijnlijkheid, doordien portugeesche zeevaarders soms zonderling riet, kunstig bewerkt hout, ja eens zelfs twee lijken van heel bijzondere gedaante zagen, die van \'t westen af over de zee kwamen aandrijven en aan de kust der Azoren aanspoelden. In de ziel van Columbus werd het gevoelen, dat Indië niet zeer ver ten westen te vinden was, meer en meer eene zekerheid. Zijn schoonvader en verscheidene verstandige mannen, wien hij zijne denkbeelden mededeelde, beaamden die, en het kwam er nu maar op aan, dat men den koning de plannen van den stoutmoedigen man smakelijk maakte. Evenwel was Columbus vaderlandslievend genoeg om eerst aan zijne vaderstad Genua het aanbod te doen. Hij verzocht om eenige schepen, ten einde het vinden van den nieuwen weg te beproeven; doch men wees hem spottend als een dweeper af. Nu was natuurlijk de koning van Portugal, Johan II, de naaste. De koning onderzocht met eenige zijner raadslieden de voorstellen van Columbus, en nadat de met geestdrift vervulde man al zijne denkbeelden aan de heeren had medegedeeld, waren deze laag genoeg om hem met dubbelzinnige antwoorden op te houden, ten einde in \'t geheim zeiven de zaak te beproeven. De portugeesche koning liet ijlings een paar schepen uitrusten en zond daarmede een anderen zeevaarder uit. Doch deze was de man niet om een groot werk te volbrengen. Toen hij eenige dagen westelijk de zee ingevaren was, keerde hij weder terug en verzekerde, dat daar volstrekt aan geen land was te denken.

VI. COLUMBUS IN SPANJE.

Vol bitter verdriet over de portugeesche ministers wendde Columbus zich nu tot het spaansche hof. Hier regeerden destijds Ferdinand in Arragon en de hooghartige Isabella in Castilië. Beide vorsten gaven de voorslagen van Columbus

-ocr page 424-

394.

insgelijks ter beoordeeling aan eene commissie van geleerde mannen, die wel eerlijker dan de portugeesche raadslieden, maar veel eenvoudiger waren. Het waren geestelijken, die van de wiskunde en het zeewezen zeer weinig verstonden; ook waren de Spanjaarden tot dus verre geene zeevarende natie geweest, en hadden de ontdekkingen hunner naburen werkeloos aangezien. Een der geestelijke raadslieden meende, dat men, als men zoo ver wilde voortzeilen, immers steeds dieper en dieper naar beneden moest glijden, en dan tegen den waterberg niet weder op zou kunnen. Een ander zeide dat, als daar iets te vinden was , de ouden het zeker opgespoord zonden hebben. Een derde, die ten minste toegaf dat de zaak mogelijk was, beweerde dat men dan wel drie jaren kon zeilen, en een vierde verklaarde het ontwerp ronduit voor goddeloos en vermetel.

Bij deze wijze uitspraken der geestelijke heeren kwam nog eene groote geldverlegenheid van Ferdinand en Isabella benevens de groote nood, dien hun destijds de zware oorlogen met de Mooren veroorzaakten, welke het zuiden van Spanje nog in bezit hadden. Zoo ontving Columbus tot bescheid, dat men zich thans met zulke onzekere en kostbare ondernemingen niet kon inlaten. Op dit antwoord had de arme Columbus vijf jaren moeten wachten.

Alsof hij dezen afloop vermoed had, had hij in den tijd, toen hij naar Spanje ging, zijn broeder Bartholomeus naar Engeland gezonden, om, zoo mogelijk, den koning aldaar voor zijn ontwerp te winnen. Maar deze broeder liet geen woord van zich hooren. Columbus wist niet, dat hij in handen van een kaper was gevallen en na velerlei treurige lotgevallen als bedelaar in Engeland gekomen was, waar hij met het teekenen van kaarten eerst zoo veel verdienen moest, dat hij in eene wel-voegelijke kleeding aan het hof kon verschijnen.

Eeeds wilde Columbus hem nareizen, toen de prior van het klooster Eabida, waarin hij zijne kinderen liet opvoeden, kort voor het afscheid hem op andere gedachten bragt. Deze man bezat Isabella\'s vertrouwen en vleide zich, dat zijne aan-

-ocr page 425-

395

beveling van eenige dienst zou kunnen zijn. Werkelijk werd Columbus nog eens aan het hof geroepen; doch de oorlog met de Mooren duurde nog altijd voort, Ferdinand was schraal bij kas, en de spaansche geleerden, die andermaal ondervraagd werden, waren nog niet wijzer geworden. Daarmede verliepen nogmaals drie jaren!

Eindelijk werd de volharding van den edelen Columbus met een gewenschten uitslag bekroond. De Mooren waren overwonnen, Isabella trok zegevierend hunne hoofdstad Granada binnen, en van die blijde gebeurtenis maakten de vrienden van Columbus gebruik, om de koningen voor het groote plan te winnen. Hij, die daartoe de meeste moeite deed, was de schatmeester van Arragon, Santangelo. Toen hij de inwilliging der koningin verkregen had, bekende zij hem, dat zij geheel vau geld ontbloot was, maar bood aan, hare juweelen te verpanden. Santangelo kuste haar geroerd de hand en bood haar zijn ge-heele vermogen aan. Het bestond in 70 000 dukaten. Isabella nam de leening aan, en op den 17den april werd het kontrakt onderteekend. Krachtens dit verdrag werd Columbus tot grootadmiraal van alle nieuwe zeeën en onderkoning van alle landen en eilanden, die hij ontdekken zoude, benoemd. Voorts werd hem het tiende deel van alle daaruit te hopeu inkomsten bewilligd, en al deze voordeelen zonden erfelijk op zijne nakomelingen overgaan.

Wie was blijder dan Columbus! Hij ijlde naar Palos, eene zeehaven in Andaluzië, waar zijne kleine vloot uitgerust zou worden, en die niet ver van het klooster Eabida lag; den wakkeren prior reikte Columbus dankbaar de hand. Met het einde van julij was alles tot hei vertrek gereed. Drie hoogst middelmatige schepen, van welke de beide kleinste niet veel meer dan groote booten waren, maakten de gansche vloot uit. De bemanning bestond uit 90 man, waaronder verscheidene edellieden , die deels als vrijwilligers, deels op bevel van Isabella de reis mede deden. Op den dag voor het vertrek begaf het geheele gezelschap zich in plegtigen optogt naar het klooster

-ocr page 426-

396

Eabida, beval zich in het gebed aan God en alle heiligen , biechtte en verkreeg absolutie en avondmaal, naar de wijze van vrome christenen.

VII. COLUMBUS\' EERSTE ONTDEKKINGSREIS.

Den volgenden morgen, den 3den augustus 1492, op een vrijdag, kort voor den opgang der zon , stak de flottille van land, in tegenwoordigheid van ontelbare toeschouwers, die den stouten gelukzoeker met hnnne blikken en toeroepingen uitgeleide deden. De eerste weken had alles nog goeden moed, want nog zeilde men in bekende wateren op de Kanarische eilanden af. Slechts toen er een roer brak, wilden de vreesachtigen daarin een slecht voorteeken zien. De eilanden werden intus-schen gelukkig bereikt, en op een daarvan legde men aan, om de schepen te kalefateren.

Op den 6den september voeren zij weder af en regtstreeks naar \'t westen den ruimen oceaan in. De regelmatige wind, die ook tot het einde aanhield, begunstigde de vaart, en reeds den volgenden dag was alle land uit de oogen verdwenen. Ontzettende toestand voor mensehen, die zich voor de eerste maal van de geheele levende wereld zagen afgesneden, op een getimmerte van balken en planken aan de woeste baren prijs gegeven , zonder uitzigt in \'t rond dan op eene uitgestrekte zee en den hoogen hemel — steeds dieper er in gedreven, zonder te weten waarheen, en dour een vermetele aangevoerd, die geene kennis van het einddoel had dan die zijne verbeelding hem voorspiegelde! Waarlijk, het zou ook den moedigsten niet te misduiden zijn geweest, indien hij was begonnen te sidderen en den razende te verwenschen, die 90 mensehen koelbloedig in \'t verderf stortte.

Columbus boezemde intusschen door zijne groote bedaardheid bewondering en vertrouwen in. Onvermoeid stond de edele man dag en nacht met dieplood en werktuigen tot waarneming op het dek, sliep slechts weinige uren en teekende de kleinste waarneming op. Waar hij angst en treurigheid bespeurde, sprak

-ocr page 427-

397

hij de versaagden vriendelijk aan en bemoedigde de murmure-renden met beloften; en \'t was verbazend, welke heerschappij over de gemoederen hem ten dienste stond.

Maar de angst der versagende zielen groeide toch met iederen dag aan. Toen de schepen in de streek van den passaatwind kwamen, snelden zij als pijlen voort. Heer in den hemel, wat zou daarvan worden! Op den Isten oetober waren zij reeds 770 zeemijlen doorgevlogen. Columbus gaf aan hen, die hem daarnaar vroegen, wel veel minder op, doch dat kon hen niet troosten.

Nu en dan deed zich eene reden tot hoop op. Men zag onbekende vogels, maar men wist niet dat de zeevogels vele honderden mijlen ver kunnen vliegen. Eens was de zee zoo digt met groen zeegras bedekt, dat de schepen in hunne vaart werden tegen gehouden. Maar gras en vogels verdwenen na eenige dagen weder, en de arme verlatene mensehen zagen zich op den grenzeloozen oceaan weder alleen. Nu veranderde de vrees in wanhoop, en de meest versaagden riepen hunnen aanvoerder met de grootste woede tot verantwoording — zij dreigden hem over boord te werpen, indien hij niet oogenblikkelijk omkeerde. Nog eenmaal bragt hij hen door zijn rustig, blijmoedig vertrouwen tot bedaren; hij hield zich alsof hij met zijne tot dus verre gemaakte vorderingen zeer tevreden was en dat hij zekere hoop had, zijn doel te zullen bereiken.

Yogels verschijnen en verdwijnen weder; de zon gaat op en onder en weder op, en de schepen vliegen nog altijd pijlsnel naar het westen. De wanhoop kent geene bezadigdheid meer; men wil aan Columbus de handen slaan. Slechts de gedachte, wie hen zou terug voeren, wanneer hij vermoord was, weerhield hen nog. Hij vraagt nog drie dagen. Zag men dan nog geen land , dan wilde hij den terugweg aannemen. Deze voorwaarde nemen zij met tegenzin aan.

Was het zijn goede genius, die hem dezen inval gaf, of had hij bepaaldere sporen — den volgenden dag bereikte het dieplood reeds den grond; riet en een boomtak met roode vruch-

-ocr page 428-

398

ten dreven naar hen toe, en landvogels bezochten de masten. De zon was juist ondergegaan. Nog zag men niets, maar Columbus liet de zeilen inhalen, om niet misschien bij nacht op klippen te stooten. Twee uren voor middernacht zag hij van verre een licht. „Land ! land!quot; weerklonk het thans uit aller mond, men viel elkander in de armen, de een snikte van vreugde aan des anderen borst, en Columbus had de voldoening, degenen, die te voren zijn leven bedreigd hadden, thans aan zijne voeten te zien. Na de eerste bedwelming der verrukking herinnerde men zich den hoogeren pligt, en stemde uit de volheid van het hart een „te Deumquot; aan. De geheele nacht verliep onder uitbarstingen der vreugde, en toen de morgen aanbrak (vrijdag, 12 october) zagen zij een schoon, groen eiland voor zich.

VIII. GTJANAHANI , CUBA , H1SPANIOLA.

Met den opgang der zon begaven zij zich ru in de booten en roeiden onder muziek en met vliegende vaandels naar het land. Aan den oever had zich bijna het geheele volkje der inwoners verzameld, die over de zonderlinge gasten even verwonderd waren als zij zeiven bij dezen verwondering wekten. Zij waren allen geheel naakt, van eene roodachtige koperkleur, met zwart sluik hoofdhaar. Hunne taal had iets onzamenhangends en dierlijks ; zij geleken eene kudde schuwe reeën , zoo vreesachtig, weerloos en vlug trippelden zij heen en weêr. De Spanjaarden wisten eerst niet, of zij werkelijk menschen voor zich hadden. Menschen waren die wilden allezins; zij hadden slechts hunne verstandsvermogens volstrekt niet ontwikkeld. Tot een eiland beperkt, welks zacht klimaat hun vruchten , maïs en maniok-wortelen in overvloed aanbood, had de nood hen noch tot den landbouw, noch tot de veeteelt, noch tot de jagt gedwongen, en voor verwarmende kleeding behoefden zij ook niet te zorgen, niet eens voor vaste woningen. Groote dieren, waartegen zij hun list en kracht hadden kunnen oefenen, waren er op het eiland niet; daarom waren die eilanders zoo zwak, dat een

-ocr page 429-

399

europeaansche bulhond een heelen hoop Indianen op de vlugt joeg. Ook was het aantal dezer menschen zoo gering, dat niemand den anderen in zijn onderhoud benadeelde; van daar dat ook niemand een eigendom bezat; zij hadden zich nog niet tot eene maatschappij vereenigd en leefden als de dieren des velds.

Columbus, in eene rijke kleeding en met den blooten degen in de hand, stond op de voorplecht der eerste boot, die het land aandeed, ten einde de eerste Europeër te zijn, die de nieuwe wereld betrad. Hij werd door de anderen gevolgd, en in het gevoel der vreugde over de redding van hun leven na meer dan veertig dagen op broze vaartuigen in doodsangst doorgebragt te hebben, wierpen zij zich allen ter aarde en kusten met vurige verrukking den vasten grond. Dat was het dankoffer der natuur ; een ander schreef de godsdienst hun voor: zij rigtten een kruisbeeld op en stamelden, daar voor geknield, hunne vrome gebeden. Hierop nam Columbus het eiland voor den koning van Spanje in bezit, met de plegtigheden, welke de Portugeezen bij hunne ontdekkingen in Afrika gewoon waren in acht te nemen. De Indianen zagen dit met verbazing aan en begrepen er natuurlijk niets van, gelijk ook het geheele verschijnsel van blanke mannen met baarden en kleederen, met eene zonderlinge taal en nog zonderlinger manieren, iets onbegrijpelijks voor hen was.

Men hoorde van de wilden, dat zij hun eiland met den naam van Guanahani bestempelden, en zoo heet het tegenwoordig nog. Men vindt het op de kaart onder de Bahama-eilanden. Columbus zag wel dat hier van de schatten van Indië nog niet veel aan te treffen was en besloot daarom verder te stevenen. De Indianen, die de begeerte der Spanjaarden naar de kleine gouden plaatjes merkten, welke sommigen als sieraad in den neus of de ooren droegen, wezen hen naar het zuiden. Men kwam op deze vaart eenige vlakke eilanden voorbij en vond eindelijk een grooter, \'t welk de Indianen, die men medegenomen had, Cuba noemden, en dat Columbus bij het eerste gezigt reeds voor het vaste land van Indië hield.

-ocr page 430-

400

Hij voer digt langs de kust heen , vond overal den weligsten plantengroei en eene schoonheid van natuur, die hem in verbazing bragt; maar van bebouwing was wederom geen spoor te zien. Troepen naakte menschen liepen even dierlijk en vreesachtig als op Guanahani rond en schenen zich noch om goud noch om brood te bekommeren. Toen men hun plaatjes goud voorhield , schreeuwden zij Haiti en wezen naar het oosten. Columbus volgde den wenk en kwam den 6den december op Haiti, \'t welk hij Hispaniola (Klein-Spanje) noemde, en dat ook St. Domingo genoemd wordt.

Ook hier vond hij de zelfde schoonheid der natuur, de zelfde vruchtbaarheid van den grond en het zelfde goedaardige, •/-zwakke menschenras, dat noch van kleeding noch van arbeid eenig begrip had. Evenwel hadden deze eilanders zich reeds in verscheidene stammen verdeeld, waarvan ieder onder een opperhoofd stond, dat zij ka ziek noemden. Een dezer kazie-ken liet zich op zijn draagzetel door vier Indianen dragen, doch was voor \'t overige naakt gelijk de anderen. Hij gaf aan de Spanjaarden door teekenen te verstaan, dat somwijlen vijanden van de naburige eilanden (de naderhand ontdekte K a r a-ïbische eilanden) op uitgehoolde boomstammen (kano\'s) overkwamen , zijn volk vijandelijk aanvielen en de gevangenen medesleepten , om hen te huis op te eten. Columbus huiverde , en daar hij vooraf reeds willens geweest was, hier eene kolonie aan te leggen, duidde hij den kaziek aan, dat hij een kleine vesting (een fort) wilde bouwen en daarin een deel van zijn volk tot bescherming achterlaten. De wilden begrepen zijne meening en verheugden zich als de kinderen; nieuwsgierig zagen zij de spaansche timmerlieden aan en hielpen zeiven hout aandragen. De plaatjes goud, die zij bezaten, gaven zij met vreugde voor glaskoralen , schellen en spelden, en op de vraag der Spanjaarden wezen zij naar het zuiden als het ware goudland. ^

Columbus bevond zich intusschen in een toestand, die hem geene verdere ontdekkingsreizen veroorloofde; want een zijner

-ocr page 431-

401

schepen was op eene klip gestrand, en met het andere had don P i n z o n , die er de bevelvoerder van was, zich heimelijk verwijderd, om het ware goudland voor zich op te zoeken. Zoo bleef onzen held nog slechts een schip, en wel het kleinste , overig. Hiermede besloot hij naar Spanje terug te keeren eer Pinzon hem daar misschien voorkwam. Hij liet in het nieuw gebouwde fort, \'t welk hij Navidad noemde, 38 Spanjaarden achter, gaf hun verstandige bevelen ten aanzien van hun gedrag, vermaande hen tot eene minzame handelwijze jegens de Indianen en stak den 4clen januarij 1493 met zijne overige togt-genooten en eenige medegenomene Indianen in zee.

IX. EEESTE TERUGKEER (1493).

Reeds op den derden dag van zijnen togt haalde hij den trou-weloozen Pinzon in, die niets ontdekt had, maar zich nu ter sluik met de blijde tijding naar Europa wilde spoeden. Alleen het gezigt van Columbus verpletterde den ellendeling; hij wilde zich met nietige voorwendsels verontschuldigen, maar de groote man bespaarde hem de verontschuldiging, door hem te verzekeren, dat hij alles reeds vergeten had.

Een vreeselijke storm bedreigde kort daarop de stoutmoedige reizigers met den ondergang en hunne gewigtige mededeeling met eeuwige onbekendheid. Terwijl de bemanning in den angst der wanhoop het zinken der ellendige schepen te gemoet zag, behield Columbus alleen zijne bedaardheid. Hij schreef ijlings het berigt van zijne ontdekking op een perkament, stak dit zorgvuldig ingepakt in eene ton en wierp deze in zee. Maar zijn gunstig noodlot wilde hem zeiven nog de vreugde verschaffen van den heraut zijner stoute daad te zijn. De hemel helderde weder op, en den 15den januarij tegen den avond ontdekten zij land. Het was Santa Maria, een der Azorische eilanden. Hier moest men bijna zes weken blijven liggen, om de zwaar beschadigde schepen weder te herstellen. Op het laatste gedeelte der reis dreef een nieuwe storm Columbus Sn de rivier de Taag (4 maart), en dit noodzaakte hem, naar Lissabon te gaan. Zijn

-ocr page 432-

402

roem ging hem vooruit. Koning Johan II van Portugal wilde hem zelf spreken, en \'t berouwde hem nu zeer, den stoutmoe-digen man voor tien jaren geen gehoor gegeven te hebben.

Toen Columbus nu den 15den maart de haven van Palos binnen liep, met welk vreugdgejuich werd hij door de gapende menigte, die hem voor zeven maanden van de zelfde plaats had zien afvaren, thans ontvangen ! Men luidde de klokken, loste de kanonnen en drukte hem bijna dood, toen hij als een vroom christen met de zijnen weder in processie naar het klooster Eabida ging. Het hof hield zich destijds te Barcellona op; Columbus trok derhalve als in triomf Spanje in de lengte door, en in Barcellona zelf mogt hij een plegtigen intogt houden. Op den troon zaten Ferdinand en Isabella; de held knielde neder en bragt zijnen monarch de verschuldigde hulde, waarna hij getrouwelijk verslag gaf van al hetgeen hij gehoord en beleefd had. Nu werd hij met eer en lofspraken overladen en uit bijzondere gunst tot den adelstand verheven.

Het gerucht van eene nieuw ontdekt wereld vloog nu, duizendvoud vergroot, door geheel Europa; de levendigste belangstelling verwekte het nogtans in Spanje zelf. In korten tijd hadden zich omtrent 1500 menschen opgedaan, die aan den tweeden togt — die nu naar het eigenlijke goudland gaan zou — deel wilden nemen. De koning rustte voor hen 17 schepen uit, gaf handwerkslieden en mijnwerkers mede, en Columbus zorgde voor europesche dieren en gewassen, van welke hij zich op die vruchtbare eilanden een goeden wasdom beloofde.

Voor alles won men eerst de inwilliging van den paus in, die ook niet in gebreke bleef om alle nieuw te ontdekken landen aau de kroon van Spanje te schenken. Toen Portugal echter daartegen opkwam, bepaalde hij zijne schenkingen tot de landen aan gene zijde van een meridiaan, dien hij in gedachte eerst 100, en later 360 mijlen ten westen dei Azorische eilanden door de Polen trok. Wat aan deze zijde gevonden werd, zou aan de Portugeezen behooren. Daardoor bleef Brazilië in \'t vervolg een eigendom van Portugal.

-ocr page 433-

403

X. TWEEDE REIS VAN COLUMBUS (1493).

Ditmaal liep de vloot uit de baai van Cadix uit (25 september) en nam een zuidelijker koers. Zoo kwam men den 22sten november bij het eerste der Caraïbische eilanden aan, \'t welk Columbus Descada noemde, en kwam van daar achtereenvolgens bij d(?quot;overige, Dominica, Maria Galante, Guadeloupe, Antigua, Portorico enz., maar vond op allen een vijandelijk menschenras en menigvuldige sporen van menscheneters.

De zorg voor zijne kolonie dreef Columbus nu naar His-paniola, waar hij den 22sten november aankwam. Maar hoe schrikte hij , toen hij noch fort noch kolonie vond. Een on-menschelijk gedrag der Spanjaarden tegen de goedaardige Indianen had deze tot regtmatige noodweer getergd, waarom zij al deze tirannen gedood, hunne vesting verwoest hadden en naar het binnenste van het eiland waren gevlugt. Nu besloot Columbus, op een geschikter plaats eene kolonie te stichten , en legde hij met ware verrukking den grond tot de eerste stad in de nieuwe wereld, welke kolonie ter eere der koningin Isabella werd genoemd. Doch nu begon ook die reeks van wederwaardigheden, die het geheele leven van den grooten man verbitterden. Onder al zijne 1500 reisgenooten waren er naauwelijks drie, die hem welligt niet verwenschten. Want zij meenden, dat zij niet daarom naar Indië waren gereisd, om het land te bebouwen, woeste landstreken te ontginnen en aan alle genoegens en gemakken van beschaafde landen gebrek te lijden. Indien men door moeitevollen arbeid rijk had willen worden, dan had men dit in Europa ook wel kunnen beproeven.

Columbus was werkelijk in een bedenkelijken toestand. Ook zijn koning verwachtte nu reeds, het eerste goudschip eerlang te zien aankomen. Nu werd op Hispaniola wel veel goudzand gevonden, maar met hoe veel moeite moest dit gezocht worden , en hoe weinig winstgevend was dit werk! Om nu zijn volk en den koning te kunnen bevredigen , werd de edele Columbus

-ocr page 434-

404

tot de wreedheid genoodzaakt, om de arme wilden onder het juk te brengen en hen tot eene schatting in goud en boomwol te dwingen. Als de ongelukkigste slaven moesten de Indianen nu naar stofgoud zoeken, en wanneer hunne aangeborene vrijheidsliefde zich wilde verzetten, vuurde men een paar kanonnen af of hitste de groote honden tegen de naakte schepselen op; alsdan werden zij hunnen dwingeland weder gehoorzaam.

Columbus wilde nogtans de wenken der Indianen , die altijd naar het zuiden wezen, opvolgen; hij zeilde om Cuba heen en ontdekte Jamaica. Maar nu werd hij ongesteld; de levensmiddelen voor de manschappen begonnen te ontbreken, en toen hij na onuitsprekelijke rampen Hispaniola weder bereikt had, vond hij alles in oproer. De Spanjaarden hadden de Indianen voor de tweede maal met onmenschelijke hardheid behandeld; deze hadden de maïs- en maniokplan-taadjen vernield, en vele ontevredenen waren naar Spanje terug gekeerd. Binnen kort verscheen een spaansche kamerjonker met uitgebreide volmagten en maakte protocollen op over alles wat men Columbus te laste wilde leggen. Deze, even vertoornd over de driestheid van den afgezant, als begeerig om de uitwerkselen daarvan te voorkomen, gaf aan zijn broeder Bar-tholomeus het kommando over en begaf zich met den meesten spoed op weg naar Spanje (1494). Hier bevond hij dat booze menschen hem zwart hadden gemaakt, en ofschoon zijne tegenwoordigheid alle lasteringen beschaamde, werd de uitrusting eener nieuwe vloot toch twee jaren vertraagd, en toen gaf men hem verder niets mede dan een aantal zware misdadigers, om welke hij uit nood, om slechtste kunnen afvaren, verzocht had.

XI. DERDE BEIS VAN COLUMBUS (1496).

Op den derden togt rigtte Columbus den koers nog verder naar het zuiden, en hij zou welligt in Brazilië aangekomen zijn, zoo niet eene ongunstige windstilte en de brandende hitte onder den evenaar hem gedwongen hadden, naar het westen te ste-

-ocr page 435-

405

venen; want alle wijn- en watervaten begonnen te barsten, en de levensmiddelen bedierven. Zoo kwam hij bij het eiland Trinidad aan den uitloop der rivier Orinoco, wier geweldige stroom zijne schepen op klippen geworpen had. Hij maakte uit de grootte dezer rivier op, dat zij uit geen eiland kon komen , en terwijl hij de kust langs voer, overtuigde hij zich ten volle, dat. hij vast land bereikt had. Daar hij het echter niet waarschijnlijk vond, dat dit land met het eigenlijke (Oost-) In-dië zamenhing, zoo vermoedde hij dat ergens eene doorvaart te vinden moest zijn; deze werd naderhand ook werkelijk gevonden, doch niet daar waar hij ze zocht, maar ver in het zuiden , aan de punt van het werelddeel.

quot;Voor het tegenwoordige dwongen hem ziekte en de ontevredenheid zijner manschappen om naar Hispaniola te stevenen. Maar hier vond hij weinig reden tot vreugde. Zijn broeder was met een deel der manschappen uitgetrokken , om in een andere streek van het eiland eene tweede kolonie (St. Domingo) te stichten. Intnsschen had een spaansch edelman zijne landslieden tegen de beide stadhouders tot oproer aangezet en in \'t bijzonder Columbus beschuldigd, dat hij de Indianen y slechts wilde verschoonen, om de Spanjaarden onder het juk te brengen. Men moest, zeide hij, den Genuees niet vertrouwen ! Drie scheepsladingen met levensmiddelen hadden de muiters voor zich behouden, en Bartholomeua met zijn volk moest aan het andere einde van het eiland bijna van honger omkomen. Zoo vond Columbus den staat der zaken. Met moeite bekampte hij het oproer; slechts door zijne voorzig-j^f» heid ontkwam hij den sluipmoord, en ofschoon hij zijnen ko- ^ ning de getrouwste berigten inleverde, zoo vonden toch de stapels acten met aanklagten en leugens, die zijne vijanden zonden, bij den wantrouwenden koning ingang. Een voornaam heerschzuchtig Spanjaard, Frans van Bovadilla, werd afgezonden, om de klagten te onderzoeken en, indien hij de hatelijke beschuldigingen bewezen vond, Columbus af te zetten en diens plaats zelf in te nemen.

GKUBE, G. D. M. 27

-ocr page 436-

406

Zoodra Bovadillo op Hispaniola aankwam, nam hij zonder onderzoek huis en goederen van Columbus in beslag, gebood iedereen om hem, Bovadilla, als den nieuwen meester te erkennen en zond Columbus het koninklijke afzettingsdecreet toe, dat men reeds bij voorbaat had opgesteld. Nu eerst opende hij zijn geregtshof, eischte iedereen op om zijne bezwaren tegen Columbus in te brengen en moedigde de beschuldigers zelfs aan. Doch Columbus betoonde ook hier zijne gemoedsrust en bezadigdheid, waardoor hij reeds dikwijls in doodsgevaar de redder der zijnen geworden was; hij liet alles gewillig toe en eischte slechts bescheiden gehoor. Maar zonder hem slechts voor zich te laten komen, beval Bovadilla, de beide % broeders in ketenen te slaaii\'en ieder op een afzonderlijk schip naar Europa te voeren. Het gezigt dezer ketenen was intus-schen voor alle regtschapen Spanjaarden ondragelijk. Toen de schepen op eenigen afstand van het land waren, naderde de kapitein van het schip eerbiedig tot Columbus, en wilde hem de ketenen afnemen; maar Columbus stond dit niet toe ; geheel Spanje moest het zien, hoe zijn koning den ontdekker eener nieuwe wereld beloonde. Het zien van den geboeide wekte in Spanje algemeene ontevredenheid. Ferdinand en Isabella schaamden zich en lieten hem terstond de ketenen afnemen; de koningin zond hem geld, opdat hij welvoegelijk aan het hof zou kunnen verschijnen. Hij kwam en wierp zich zwijgend , maar met den blik der gekrenkte verdienste, voor de trappen van den troon neder. Het ontbrak ook ditmaal niet aan verzekeringen van goedgunstigheid; men bekende de begane dwaling, en Bovadilla werd afgezet, doch het verdrag met Columbus scheen men zich niet meer te herinneren; veeleer zond men een zekeren O v a n d o als stadhouder naar de kolonie (1500). Verontwaardigd verliet Columbus het hof, droeg zijne ketenen overal mede en beval, dat ze eens met hem in het graf gelegd zouden worden.

-ocr page 437-

4,07

XII. VIEBDE BEIS VAN COLUMBÜS.

Doch spoedig ontwaakte in de ziel van Columbus de oude neiging en in \'t bijzonder de wensch om de vermoede doorvaart naar Indië te vinden. Hij leverde zijn aanzoek weder bij het hof in, en Ferdinand, ijverzuchtig op de ontdekkingen der Portugeezen in Indië, gaf hem vier gebrekkige schepen, met welke Columbus den 9den mei uit Cadix onder zeil ging. Een vaartuig werd reeds in de eerste weken lek, \'t geen hem noodzaakte, naar Hispaniola te stevenen, dat hij zoo gaarne vermeden had. De vijandige Ovando verbood hem, in de haven te landen. Toen rigtte Columbus zijn koers naar het vaste land, zeilde langs de kust van het voorgebergte Gracias aDios zuidwaarts tot Porto-Bello, maar vond de gezochte door-jsvaart niet.^De schoonheid der landstreek bragt hem op de gedachte om hier eene kolonie aan te leggen; maar zijne Spanjaarden verkorven het door hunne onverzadelijke hebzucht zoo schielijk met de wilden, dat hij met verlies van verscheidene zijner manschappen ijlings moest aftrekken en het land verlaten.

Van nu af volgde het eene onheil op het andere. Stormen en schrikkelijke onweders beangstigden de reizigers alle dagen; een hunner ellendige vaartuigen verging, en de anderen werden zoo hevig tegen elkander geworpen dat zij bijkans verbrijzeld werden. Na vele moeijelijkheden bereikten zij eindelijk op den 14denjunij 1503 Jamaica. De ontredderde schepen moest men op het strand laten loopen—aan de kalifatering was niet meer te denken. Had de Hemel zich niet over de ongelukki-gen ontfermd en hun een vreemd schip tot redding gezonden, dan zou het treurige lot van den beroemden wereldontdekker geweest zijn, door Europa vergeten, zijn ellendig leven bij maïs en maniokwortelen midden onder de wilden te eindigen.

Om dit te verhoeden , ondernamen twee brave mannen van het scheepsvolk, de Spanjaard Mendez en de Italiaan Fieschi, een stout waagstuk. Zij roeiden op twee uitgehoolde boomstam-

27*

-ocr page 438-

408

men naar Hispaniola, een afstand van 30 zeemijlen, tien dagen lang door den golvenden oceaan; en het gelukte — zij kwamen gelukkig aan het doel. Columbus echter moest hen voor verloren houden, want er verliep meer dan een halfjaar zonder dat hij iets van hen hoorde. Dit half jaar was voor hem het ongelukkigste, dat hij ooit beleefd had. Alle ondergeschiktheid verdween bij de zijnen ; zijne waarschuwingen om de Indianen niet te krenken werden veracht; een hoop Spanjaarden rotte zamen en verliet den bevelhebber geheel en al, ^ om op het eiland te stroopen en met alle hebzuchtV-en ruwheid tegen de inboorlingen te woeden. In weinig tijds trokken de wilden uit de landstreek weg en hielden op, de ongemanierde gasten nog verder levensmiddelen te brengen. Alleen de schranderheid en wetenschap van den kranken Columbus kon de manschappen van den hongerdood redden. Daags voor het invallen eener totale maan-eklips, die hij berekend y had, verkondigde Columbus aan de wildenfdat zijn God zeer vertoornd was over de nalatigheid der Indianen, en dat zij zijne gramschap zouden zien aan de heldere maanschijf, die verduisteren zou. En gelijk de wijze man voorspeld had, gebeurde het ook. De schijf der maan werd al donkerder en donkerder; met angst zagen de Indianen dit aan, vielen den door de goden beschermenden gast te voet en baden hem, de gramschap des Hemels te doen bedaren, als wanneer zij ook weêr levensmiddelen zouden brengen zoo veel men begeerde.

De ongeregeldheden, die de weggeloopene bende op het eiland aanrigtte, werden intusschen zoo groot, dat de besten er de ergste gevolgen van vreesden. Zij trokken tegen de on-verbeterlijken uit en leverden hun onder aanvoering van Bar-tholomeus Columbus een vinnig gevecht, waarop de overgeblevenen tot de gehoorzaamheid terug keerden.

Eindelijk na acht kommervolle maanden verschenen de trouwe zielen , Mendez en Fieschi, als reddende engelen weder en haalden de veriatenen opeen groot schip af, dat zij slechts met de grootste moeite van den hardvochtigen Ovando hadden

-ocr page 439-

409

kunnen bekomen. Uitgeteerd door ziekte en verdriet, kwam Columbus op Hispaniola aan en maakte van de eerste gelegenheid gebruik om weder naar Spanje terug te keeren.

XIII. UITEINDE VAN COLUMBUS.

Ook het eerste berigt, dat hij hier ontving, moest zeer treurig zijn — de koningin Isabella was gestorven. Zij had hem altijd geacht, en op haar had hij nog zijne laatste hoop gevestigd. Deze was nu verdwenen, want op koning Ferdinand mogt hij niet rekenen.

Na de ondankbaarheid des konings smartte hem niets zoo zeer als de verachtelijke laatdunkendheid, waarmede vele hooggeleerde heeren op zijne ontdekking neerzagen, die hun nu, nadat zij gedaan was, zeer gemakkelijk toescheen, alsof ieder hunner ze even goed had kunnen doen. Met zulk een waanwijs gezelschap zat Columbus eens aan tafel, toen er juist gekookte eijeren werden opgedragen. „Wat dunkt u, mijne heeren,quot; zeide Columbus; „zou men wel een ei met de punt op de tafel kunnen zetten, zoodat het zonder anderen steun bleef staan ? Allen verklaarden de zaak onmogelijk, en naauwe-lijks wilde de een of ander er nog de proef van nemen. „Welaan, ziet hier!quot; riep Columbus. Hij greep een ei en stiet het zoo hard neder, dat het op de ingedrukte punt bleef staan. — „Ja, zoo hadden wij het ook kunnen doen!quot; riepen zij allen. — „Nu, waarom hebt gij het dan niet gedaan?quot; vroeg Columbus.

Wel leverde de bescheiden held smeekschriften bij het hof in, waarbij hij zich op zijn patent en op de koninklijke belofte beriep, maar alles vruchteloos. Men liet hem in armoede voortleven , tot eindelijk zijn welkome dood den trouweloozen koning van zijn woord ontsloeg. Columbus stierf 59 jaren oud te Val-ladolid den 20sten mei 1506. Zijn broeder bragt het lijk naar St. Domingo, zette het aldaar in de domkerk bij en vergat de ketenen niet.

Een zoon van Columbus, Diego, verkreeg eindelijk het stadhouderschap over de nieuw ontdekte landen; doch niet

-ocr page 440-

410

omdat hij de zoon van Columbus was, maar omdat hij met de nicht van den veel vermogenden hertog van Alba gehuwd was. Niet eens den naam heeft Columbus aan het door hem ontdekte werelddeel mogen geven; een fiorentijnsch edelman , Amerigo Vespucci (Vespucius), die verscheidene reizen naar de nieuwe wereld gedaan en er eene beschrijving van had uitgegeven , verkreeg de eer, dat men naar hem het nieuwe werelddeel het land van Americus of Amerika noemde, en eerst in onzen tijd heeft men eene provincie van Zuid-Ame-ïika, ter eere van den grooten ontdekker, Columbia genoemd.

XIV. VERDERE ONTDEKKINGEN IN AMERIKA.

ALVAREZ CABRAL.

Thans volgden bijna jaarlijks nieuwe ontdekkingen in Amerika. Nog bij het leven van Columbus, in het jaar 1500, zond Emanuël, koning van Portugal, eene vloot langs den nieuw ontdekten zeeweg naar Oost-Indië, ■ maar gaf aan den admiraal Alvarez Cabral bevel om op zijn tog: naar de kaap de Goede hoop zoo ver mogelijk westwaarts koers te houden. Hij deed dit en vond Brazilië in Zuid-Amerika, dat hij dadelijk voor den koning van Portugal in bezit nam. Een van de 13 schepen werd terug gezonden , om de blijde boodschap naar Portugal over te brengen.

Met de overige 12 schepen voer Cabral den 5den mei 1500 van Brazilië uit en wendde zich naar de kaap de Goede hoop. Op deze reis overviel hem een ontzettende storm en had hij het verdriet , een zijner beste schepen en daarmede den wakkeren ontdekker der kaap , Bartholomeus Diaz, voor zijne oogen door de zee te zien verzwelgen. Na vele gevaren bereikte hij eindelijk Melinda, en op den 13den augustus liep hij de haven van Kalikoet binnen. Hij bood den zamorin in naam zijns meesters geschenken aan en poogde het sluiten van een handelsverbond te bewerken, met de vergunning tevens om in zijne staten een fort tot stapelplaats der portugeesche waren te mogen aanleg-

-ocr page 441-

411

gen. De zamorin scheen daar aanvankelijk niet afkeerig van, maar werd door de ijverzuchtige mohamniedanen weldra tot andere gedachten gebragt, en liet de Portugeezen eindelijk zelfs vijandelijk aanvallen. Cabral, tot tegenstand te zwak, verliet Kalikoet met de bedreiging van spoedig weder te zullen komen, stevende langs de kust van Malabar voort en bezocht hier de kleine koningen van Cochiva en Cananor, die hem vriendelijk ontvingen en hem tegen zijne europesche waren eene rijke lading van peper en andere specerijen leverden, met welke hij den Sisten julij 1501 gelukkig te Lissabon aanlandde.

Het groote land Brazilië werd echter door de Portugeezen weinig op prijs gesteld, want zij vonden er noch goud , noch zilver. Eerst in het jaar 1695 ontdekten zij rijke goudlagen en in 1730 diamanten, zoo groot als zij nergens op aarde gevonden worden.

XV. LAS CASAS.

De Spanjaarden, die van hunnen kant het goudland ook nog niet gevonden hadden, mishandelden de ongelukkige Indianen op de eilanden, doordien zij hen dwongen, den vruchtbaren grond voor hen te bebouwen. Zij wilden nu door het werk der wilden rijk worden. Vooral plantten zij suikerriet, dat ook nog tegenwoordig den voornaamsten rijkdom der West-Indische eilanden uitmaakt. De Indianen echter waren zwak en aan den arbeid niet gewoon; onder de slagen hunner wreedaardige meesters stierven zij zoo schielijk uit, dat van een millioen men-schen op Hispaniola na 15 jaren nog naauwelijks 60 000 overig-waren. Nog onmenschelijker ging men tegen degenen te werk . die zich aan de heerschappij der Spanjaarden trachtten te onttrekken ; men hitste honden tegen de naakte menschen op, viel hen met zwaarden aan of schoot hen met geweerkogels neder, terwijl men hunne kazieken gewoonlijk tot een afschrikwekkend voorbeeld bij een langzaam vuur verbrandde. En deze gruwelen zagen priesters der leer van Jezus niet slechts bedaard aan, maar zij

-ocr page 442-

412

wekten er zelfs toe op, wanneer de arme menschen niet voor een crucifix neêrvieleh of het credo niet wilden nabaauwen.

Nogtans waren er ook eenige edele mannen onder de geestelijken. Inzonderheid ijverde een eerwaardig dominicaan, Bar-tholomeus de las Casas, die zelf zijne slaven in vrijheid stelde, tegen de onmenschelijke behandeling der Indianen. Maar daar men aan zijne vermaningen geen gehoor gaf, deed hij verscheidene reizen naar Spanje, om den koning en zijne raadslieden tot betere gedachten te brengen. Dit gelukte hem voor korten tijd, maar weldra wisten de hebzuchtige Eurppeërs het door omkoopingen bij het hof weder zoo ver te brengen, dat alles bij het oudebleef.Intusschen washetde moeijelijke vraag, welke menschen men in plaats der Indianen tot den arbeid zou nemen. Nu kwam de edele las Casas op de gedachte, om, in plaats van het zwakke amerikaansche ras, liever het meer aan werk gewone en gespierde negerras tot den arbeid te gebruiken. Dit vond men dan ook werkelijk zoo voordeelig, dat van nu af jaarlijks meer dan 80 000 zwarte slaven uit Afrika naar Amerika werden overgebragt. De last, dien las Casas het eene werelddeel wilde afnemen, werd nu het andere opgeladen. Voor \'t overige had men reeds lang vóór hem de ongelukkige negers eIs slaven gekocht en verkocht.

XVI. VASCO NUNEZ DE BALBOA.

Balboa was een onbeschaafd mensch van geringe afkomst; maar op eene reis naar de landengte van Dariën gaf hij zulke uitstekende bewijzen van moed en dapperheid, dat al zijne kameraden hem eenparig, in de plaats van den scheepsbevelhebber , die een lompert was, tot hunnen aanvoerder verkozen. Hij deed hun vertrouwen eer aan en stichtte de eerste kolonie op het vaste land, S a n t a M a r i a.

Zijn eerste wensch was nu, zich tot zijne nieuwe waardigheid de koninklijke bekrachtiging uit Spanje te verschaffen. Deze kon hij niet zekerder hopen dan wanneer hij met een rijken

-ocr page 443-

413

buit voor den troon verscheen. Hij zamelde derhalve op zijne strooptogten van de wilden zoo veel goudplaatjes op als hij bekomen kon, en wist zich de Indianen door zijn vriendelijk gedrag zoo genegen te maken , dat zij hem gewillig alles overgaven. Eens toen hij, als naar gewoonte, begeerig naar goud zocht, zeidc een jong kaziek tot hem; „Wat wilt gij toch met die nuttelooze beuzelarij ? Als gij daar zoo sterk naar verlangt, behoeft gij slechts naar het land te gaan, dat daar ginds over den anderen oceaan ligt, zes zonnen van hier. Doch daartoe moet gij veel in getal zijn.quot;

Welke tijding! Hij meende Peru, en de andere oceaan, zes dagreizen van daar, was de Zuidzee, welks bestaan Columbus altijd vermoed had. Balboa haastte zich, een getrouwen bode met deze ontdekking naar Hispaniola te zenden en zich den stadhouder door een aanzienlijk geschenk genegen te maken. Te gelijk versterkte hij zich van daar met versche krijgslieden, die door het uitzigt op groote rijkdommen gelokt werden om aan alle moeijelijkheden en bezwaren deel te nemen, die met een eersten togt door deze ongebaande wildernis, door bosschen, moerassen en over gebergten verbonden moesten zijn.

Honderd en negentig stoute gelukzoekers begaven zich nu op marsch, om voor den koning van Spanje een land te veroveren, dat door wilde volkstammen talrijk bewond was. Balboa\'s groot talent om de gemoederen te beheerschen, toonde zich ook in het verkeer met de kazieken , die hij onderweg aantrof. Hij maakte hen allen tot zijne vrienden, en meer dan duizend Indianen volgden hem vrijwillig, om voor de Spanjaarden de ba-gaadje te dragen. De heete en vochtige laagten in deze hoogst ongezonde landstreek van Amerika, de breede stroomen, de digt dooreen gegroeide bosschen, daarbij slangen en moskieten, gebrek aan versch water en aan gezond voedsel — dit alles maakte de reis tot een der moeijelijkste die ooit ondernomen zijn. Balboa smoorde echter alle klagten zijner morrende makkers door zijne deelneming aan hunne bezwaren. Altijd was hij de eerste, wanneer er een moeras te doorwaden of een weg

-ocr page 444-

414

door wilde struiken te banen was; geen trek van lusteloosheid benevelde zijn steeds opgeruimd gelaat.

Intussehen waren de zes zonnen reeds 25 geworden, en nog vertoonde zich geen oceaan. Natuurlijk! Men had bij alle inspanning menigen dag slechts eene mijl kunnen voortkomen. Eindelijk kwamen zij aan een grooten berg. Toen zeiden de Indianen, dat, als zij dien berg beklommen hadden, zij den oceaan voor zich zouden zien liggen. Dit gezigt moest den van geestdrift vervulden Balboa het eerst te beurt vallen; hij liet zijn volk beneden en klom alleen op den berg. En zie! daar lag de ruime oceaan voor zijne verrukte oogen en rolde zijne donkere baren uit de onafzienbare verte van den horizon op de kust aan. Hij breidde de armen uit, viel op zijne knieën en dankte God met heete vreugdetranen, dat Hij hem tot hiertoe gevoerd had. Zijne medgezellen weerhielden zich nu ook niet langer, maar snelden naar boven en deelden op den top van den berg in de gewaarwordingen en gebeden huns aanvoerders. Vervolgens klom Balboa den berg af naar het strand, ging met zwaard en schild tot aan de borst in de zee en nam met de gewone uitspraak den oceaan in naam des konings van Spanje in bezit.

Dit gedeelte der Zuidzee was een zeeboezem, die oostwaarts van Panama ligt. Balboa gaf hem den naam van golfo de St. M i c h a ë 1, dien hij nog tegenwoordig draagt. Ook hier maakte hij door zijn braaf gedrag de Indianen gunstig voor zich gestemd ; zij bragten hem levensmiddelen in overvloed, en de ka-zieken schonken hem parelen en goud. Overal werd het verhaal van het rijke goudland bevestigd, dat, zeide men, zuidwaarts lag, maar ook door een magtigen koning beheerscht werd. Deze omstandigheid bewoog Balboa om terug te keeren en vooraf versterking te halen, en zoo kwam hij dan in \'t begin van het jaar 1514, met grooten roemen nog grooter rijkdommen beladen, weder in zijne kolonie Santa Maria aan.

Hij zond nu aan koning Ferdinand een geschenk in goud , zoo als deze er nog geen uit zijn nieuw ontdekt land ontvangen

-ocr page 445-

415

f)

had, en verzocht om het stadhouderschap van Dariën en om versterking zijner weinige manschappen. Men kan zich de verrukking van den koning voorstellen! Maar altijd is het de staatkunde van wantrouwende regenten geweest, die ook Columbus ondervonden had, om nooit een bedrijvigen eu een zeer gelukkigen man te hoog te laten stijgen; en zoo werd dan ook het verzochte stadhouderschap niet aan den braven Balboa , maar aan een oneindig slechter mensch, D a v i 1 a ge-uaamd, gegeven. Deze ging met vijftien duchtige schepen en 1200 soldaten naar Midden-Amerika onder zeil, bij welke manschappen zich nog 1500 edellieden vrijwillig gevoegd hadden. Want het gerucht had de rijkdommen dier landen zoo vergroot , dat er in Spanje een verhaal in omloop was , dat men aldaar slechts een net iu zee behoefde te werpen, om goud te visscbeu.

De eerlijke Balboa, in een grof linnen wambuis eu schoenen van gevlochten henneptouw gekleed, was juist met eenige Indianen bezig om zijne hut met riet te bedekken, toen er een groot gezelschap van voorname spaansche heeren op hem toekwam, en onder hen don Pedrarias Davila, die zich terstond met trotsche woorden als den nieuwen stadhouder aankondigde. Hoe diep Balboa de ondankbaarheid des konings ook gevoelde , en hoe luid zijne soldaten ook morden, onderwierp hij zich toch gehoorzaam aan de bevelen zijns nieuwen gebieders, die zelfs goed vond , hem voor de aanmatiging, om zich tot dus verre met het kommando te belasten, ter rekenschap te roepen en hem daarvoor eene belangrijke geldboete af te eischen. ^ Pedrarias kon voor \'t overige de verbazende rijkdommen van het land in \'t geheel niet vinden; daarentegen leed hij gebrek aan alle gewone gemakken, en het ongezonde klimaat sleepte in korten tijd nagenoeg 600 menschen ten grave. De overigen, die hij niet wist te beheerschen , stroopten als roovers het land af, plunderden de wilden en gedroegen zich zoo gewelddadig , dat al de betrekkingen van vriendschap, die Balboa met de kazieken aangeknoopt had, oogenblikkelijk vernietigd werden.

i

-ocr page 446-

416

Geheel onverschillig kon intusschen Balboa (gelijk Columbus) zijn zoo gelukkig begonnen werk niet opgeven. Hij deed door zijne vrienden in Spanje nog eene proefneming op de regtvaardigheid des konings en verkreeg werkelijk den post van adelantado of „onderstadhouderquot; over de landen aan de Zuidzee. P. Davila moest hem vier brigantijnen toestaan, met welke hij zich haastte om zijn lievelingsontwerp , de ontdekking van Peru, uit te voeren. Maar toch was hij niet vlug genoeg, om de magt van zijn ijverzucbtigen overste te ontvlieden. Want zonder dat hij er op verdacht was, werd hij voor den stadhouder geroepen, van een verdichte misdaad beschuldigd en ter dood veroordeeld. De geheele kolonie verzocht zijne vrijspraak; maar daartoe had men hem niet in hechtenis genomen. De Spanjaarden zagen met verbazing en smart de openbare teregtstelling van een man, dien zij voor den bekwaamsten aller bevelhebbers moesten houden, en die zoo geschikt was om groote plannen niet slechts te ontwerpen, maar ook uit te voeren.

XVII. FERDINAND CORTEZ. (1485-1347).

De ontdekkingsreizen duurden ondertusschen steeds voort. Het verst naar het zuiden kwam Juan Diaz de Solis, die in 1515 werd uitgezonden, om de vermoede doorvaart naar de Zuidzee te ontdekken. Reeds meende hij die gevonden te hebben, toen hij bij nader onderzoek merkte, dat het slechts eene rivier, de La Plata, was, welker reusachtige breedte van meer dan 30 mijlen zijne dwaling dan ook zeer verschoonbaar maakte. Bij eene poging om in deze streek te landen, werd de onvoorzigtige aanvoerder met velen van zijn volk door de vijandelijke wilden gedood, gebraden en opgegeten, waarop de overigen schielijk terug keerden.

Andere Spanjaarden hadden van uit Cuba de kust van het groote Mexicaansche rijk bezocht en zeer gunstige berig-ten van de bebouwing en de schatten van dit land medege-bragt. Dit bewoog den stadhouder van Cuba , don V e 1 a s-

-ocr page 447-

417

q u e z, een vertrouwd man derwaarts te zenden , die niet slechts zoo veel goud als mogelijk was medebragt, maar ook voor hem, den stadhouder, de eer verwierf, de bezittingen des ko-nings van Spanje belangrijk vermeerderd te hebben. Ingevolge zijn laaghartig karakter wenschte hij een wel werkzamen, maar niet al te schranderen en zelfstandigen man te vinden, die zich slechts met het werk zou belasten, maar aan hem de winst en eer zou overlaten. Men sloeg hem daartoe een armen, maar dapperen officier, C o r t e z genaamd, voor. Dit was een man van vurig gestel, die op de hoogeschool van Salamanca de regten bestudeerd, maar zijn stand had verlaten, het oorlogs-beroep omhelsd en in Amerika zijn geluk had beproefd. Ofschoon Cortez nog nooit een kommando had bezeten, gedroeg hij zich toch bij de inscheping zoo verstandig en schrander, dat Velasquez verbaasd stond en reeds lust kreeg om hem de plaats weder te ontnemen. Cortez merkte dit en maakte dat hij met zijne elf schepen wegkwam, waarna hij op een afgelegene plaats van het eiland weder aanlegde, om zich van den noodigen voorraad te voorzien. Velasquez vervolgde hem, en alleen de grootste verkleefdheid en trouw der zijnen redde hem voor het lot van Balboa. Ofschoon van eene aanstelling des stadhouders voorzien, handelde Cortez nu toch als rebel, want Velasquez had hem die weer laten afeischen.

Op den 12den februarij verliet de vloot Cuba en stevende op Mexico aan. De godsdienstige toebereidselen waren ook hier niet vergeten, en in alle vaandels wapperde het heilige kruis. In den naam van Christus hoopten 617 man met 13 musketten, 16 paarden en 14 kleine kanonnen een land te veroveren, dat door verscheidene millioenen menschen bewoond werd.

XVIII. INTOGT IN MEXICO. (1519).

De eerste landing geschiedde bij het latere vlek St. Juan de Ulloa, op den 2den april. Toen men het land betreden had, vond men allezins een veel talrijker bevolking en een hoogeren staat van beschaving dan in de landen, die men

-ocr page 448-

418

tot dus ver had bezocht. Een bijzonder geluk was het, dat men met de inwoners, door eene indiaansche vrouw, die zeer vlug het spaansch had geleerd, kon onderhandelen. Aanvankelijk boezemde reeds het bloot uiterlijke der Spanjaarden, hunne baarden en kleeding bij de wilden eerbied in, en deze waren lang twijfelachtig, of zij menschen of goden voor zich hadden. Zij verklaarden dat alle in \'t rond wonende volkstammen cijnsbaar waren aan een zeer magtigen koning, Montezuma genaamd, die twintig dagreizen van daar in eene groote stad woonde en eene prachtige hofhouding had. Montezuma onderhield snelloopers in alle oorden van zijn rijk, die hem met spoed van ieder merkwaardig voorval kennis moesten geven, en door deze vernam hij ook de aankomst der wonderbare vreemdelingen. Binnen kort verschenen gezanten van hem bij Cor-tez, om dezen rijke geschenken te brengen en hem te vragen wat hij begeerde. Cortez noemde zich een afgevaardigde van den grooten koning der Spanjaarden, gezonden om eene ge-wigtige boodschap aan den persoon van den mexicaanschen koning te brengen. De boden ijlden heen, maar weldra verschenen zij weder en zeiden, dat hun meester Cortez liet verzoeken het land te verlaten, terwijl hij hem echte:-, als teeken zijner goede gezindheid, nog rijkere geschenken toezond. Cortez echter stond er op, den koning van Mexico zelf te zien en drong steeds verder voort. Nu verschenen de boden ten derden male, maar juist hierdoor lokten zij de indringers, die aan geen terug keeren dachten. Want Cortez, ten einde zich geheel van de trouw zijner manschappen te verzekeren, had hen met zeldzame kunst van overreding tot het heldhaftig besluit gebragt om alle schepen te verbranden. Daarmede hadden de 600 menschen zich eenen weg tot de vlug-t afgesneden.

Cortez trof onder het voortrukken twee volkrijke en met hutten bedekte dalen aan , waarvan het eene Tlaseala heette. De goede krijgstucht die hij hield, de waardigheid waarmede de Spanjaarden optraden, de ruiters die men als met de paarden aaneen gegroeid beschouwde, maar vooral twee goed

-ocr page 449-

419

te pas gebragte kanonschoten — dit alles werkte zoo overweldigend op de anders niet lafhartige Indiaansche stammen, dat zij het voor geraden hielden , zich dadelijk onder de bescherming der magtige vreemdelingen te stellen. Alleen op die wijze meenden zij zich te kunnen redden, wanneer het geheele Mexicaan-sche rijk te gronde ging. Zij bragten aan de Spanjaarden levensmiddelen in overvloed, en Cortez liet niet na, hunne opperhoofden door kleine geschenken aan zich te verbinden, waarbij hij echter van elke gelegenheid gebruik maakte, om hun het lot dergenen te toonen, die hem ontrouw werden. Zoo liet hij op de bloote verdenking van een geheimen aanslag vijftig Tlascalanen de handen afhouwen. Vreeselijke gestrengheid !

Doch dit was slechts een klein begin van een grooter treurspel. In Ch ol ul a, het eerstvolgende dal, daar zij kwamen, werd bijna de geheele bevolking neergesabeld, opdat de 500 Spanjaarden hun leven zouden behouden. Cortez vernam door zijne vrouwelijke tolk, dat de Cholulanen zich slechts zoo vriendelijk hadden voorgedaan, om hem des te veiliger in den nacht te kunnen overvallen en man voor man te vermoorden. Terstond maakt hij zich van de opperhoofden meester, houdt hen in verzekerde bewaring en laat op een gegeven tee-ken zijne soldaten onder de inwoners inhouwen en hunne huizen in brand steken. Zes duizend menschen zouden bij deze gelegenheid omgekomen zijn; de overigen waren ontvlugt. Nu verklaart Cortez aan de hoofden de reden zijner gestrengheid, laakt hen, maar laat hen toch weder vrij met het bevel om de gevlngten terug te roepen en de hutten weder op te bouwen. Zij gedroegen zich als regtmatig gestrafte kinderen en waren voortaan gehoorzaam.

Geen dezer stammen echter hing Cortez zoo getrouw aan als de Tlascalanen. Deze waren hem bij duizenden gevolgd en hadden zich bereid verklaard om met hem tegen Montezuma te strijden.pZij waren den koning, die hun voor korten tijd den oorlog aangedaan en hen onderworpen had, niet ge-

-ocr page 450-

420

negen. Welk een voordeel voor de Spanjaarden! Hun leger werd daardoor zoo aanzienlijk versterkt, dat Cortez geene zwarigheid maakte om regtstreeks op de hoofdstad los te gaan.

Deze vertoonde zich eindelijk voor hem in hare geheele uitgestrektheid, met witte huizen en tempels, bewonderenswaardig genoeg bij een volk, dat noch ijzer noch trekvee had. De Spanjaarden begrootten het getal der inwoners op 60 000. De stad lag op een eiland in een meer, en men kon slechts over lange dijken tot haar genaken. Cortez trok zeer voorzig-tig over een dezer dijken en stond met zijn geheele leger in de stad, eer Montezuma het nog met zich zelf eens was geworden , of hii de vreemdelingen als vrienden of als vijanden zou behandeÉit^w

Eindelijk verscheen hij zelf op een draagzetel, omringd door zijne grooten, die in eene soort van katoenen mantels gekleed en tot vreugde der Spanjaarden met blaadjes goud rijkelijk behangen waren. Montezuma staarde met verbazing de zonderlinge blanke en gebaarde gasten aan, begroette vervolgens zeer beleefd den spaanschen veldheer, die van het paard stapte en hem—op eene wijze die den monarch geheel onbekend was—een groet van den koning der Spanjaarden bragt. Montezuma werd daarover nadenkend. Hij herinnerde zich een oud volksverhaal, dat zijne voorouders uit het oosten waren gekomen, maar hun aanvoerder zich weêr had verwijderd met de belofte van eens weder te zullen komen en de wetten des lands te verbeteren. Cortez liet hem in dit geloof, dat thans de voorspelling vervuld werd, en nam met de zijnen bezit van een steenen gebouw , dat hij ongemerkt tot een kleine vesting maakte. Gela-dene kanonnen en de zorgvuldigste wachten beveiligden hem voor iedere overrompeling.

Zoo waren 500 waaghalzen — 100 waren in een fort te Vera Cruz achtergebleven — gelukkig tot in het midden van een groot rijk gedrongen, waarin zij zich of als opperheeren\' moesten staande houden, of tot den laatsten man zich laten doodslaan.

-ocr page 451-

421

XIX. MONTEZUMA GEVANGEN (1519).

Is eenmaal een stout waagstuk begonnen, dan kan het slechts door voortgezette stoutmoedigheid worden voleindigd. Cortez was de man, om de vermetelste stappen met eene standvastigheid uitte voeren, alsof de ijzeren noodzakelijkheid zelve door hem handelde. Wilde hij de beheerscher van dit rijk worden, dan moest er iets beslissends geschieden. De koning zelf moest hem zijne waardigheid vrijwillig afstaan, en om hem daartoe te brengen, moest men hem voor de oogen zijns volks gevangen nemen.

Alleen de moedige ziel van Cortez kon zulk een plan ontwerpen , waarvoor zelfs zijne dapperste officieren terug deinsden; slechts eene zoo schrandere beradenheid als de zijne kon het plan gelukkig volvoeren. De koning had reeds verscheidene bezoeken bij hem afgelegd en van hem tegenbezoeken ontvangen , toen Cortez op zekeren dag, na naauwkeurige afspraak met zijne soldaten, zich met zijne beste officieren naar de woning des konings begaf. Zijn eerste gesprek betrof een zoo even aangekomen berigt, dat een verwijderd mexicaansch veldheer de Spanjaarden, in de kolonie Vera Cruz achtergelaten, had aangetast, één hunner gedood en diens hoofd naar de y hoofdstad gezonden ten einde aan alle Mexicanen te toonen, dat die vreemdelingen even goed sterfelijk waren als andere men-schen. Cortez stelde den koning dit vijandig gedrag als eene zoo ontzettende beleediging van zijn meester, den koning van Spanje, voor en zette een zoo ernstig gezigt, dat de arme Montezuma angstig en benaauwd werd. Hij verklaarde verder, dat de verdenking van heimelijke vijandschap, waarin hij zich daardoor gebragt had, slechts door een geheel ongewoon bewijs van vertrouwen en verkleefdheid weer uitgedelgd kon worden. Montezuma beloofde sidderend, dien veldheer terstond te zullen terug roepen en hem aan de Spanjaarden uit te leveren , opdat deze hem naar welgevallen zouden mogen straffen. Cortez antwoordde dat dit van zelf sprak, maar dat

GRUBE, G. D. M. 28

-ocr page 452-

422

hij daarmede nog op verre na niet tevreden kon zijn; — dat er geen middel was, om het vertrouwen der \'Spanjaarden weder te herwinnen dan door vrijwillig te besluiten, een tijdlang in hun midden te wonen. Montezuma verbleekte , maar herstelde zich spoedig en antwoordde als een man, die zijne waarde kent. Cortez werd steeds ernstiger. Drie uren had men reeds heen en weer gepraat; eindelijk riep een spaansch officier ongeduldig: „Waartoe al dien omslag? Weg met hem, of stoot hem neder!quot; De koning schrikte over de stem en de gebaren van den man en vroeg aan de tolk, wat hij gezegd had. Toen hij het vernam, sidderde hij nog heviger, en na lang weifelen gaf hij zich over. Zoodra hij buiten ge-bragt werd, liep het verwonderde volk te hoop, maar hij wenkte met de handen en nam een opgeruimd gelaat aan, om zijne onderdanen te doen gelooven dat het zijn eigen besluit was. Cortez liet voor \'t overige niets na wat den toestand van den diep gebogen monarch dragelijk kon maken, en be-ijegende hem met alle beleefdheid.^Zijne voormalige raadslieden hadden tot zijne gevangenis dagelijks vrijen toegang. De bovengenoemde mexicaansche veldheer werd kort daarna met zijne voornaamste officieren tot groote ontsteltenis der Mexicanen levend verbrand, en wel op een brandstapel, dien men enkel van mexicaansche wapenen had opgerigt.

Om zich de heerschappij nog te beter te verzekeren, haalde Cortez den koning over om zijne verstandigste raadslieden af te zetten en daarentegen zwakkere aan te nemen. Onder voorwendsel van hem een begrip van europesche scheepsbouwkunst te geven, waarnaar hij hem reeds lang nieuwsgierig had gemaakt, liet hij twee brigantijnen timmeren en daarmede het Mexicaansche meer bevaren, waardoor hij zich slim genoeg van geheel den waterplas rondom de stad verzekerde. Eindelijk , nadat hij den zwakken koning door alle trappen der verlaging had gevoerd, vergde hij ronduit van hem om zich tot vasal van den koning van Spanje te verklaren en eene jaarlijksche schatting op te brengen. Bij dezen eisch barstte

-ocr page 453-

423

! I

de ongelukkige man in tranen uit. Maar wat kon hij thans nog weigeren? De formaliteit der onderwerping, die Cortez zoo plegtig mogelijk inrigtte, had plaats voor de oogen van het gansche volk , \'t welk daardoor in diepen rouw geraakte.

Bij alle onheil werd Montezuma nog altijd door de hoop geschraagd, dat zijne gevreesde gasten nu weldra zouden aftrekken , daar hunne boodschap nu verrigt was. Cortez liet hem bij dit geloof en zeide dat men eerst de noodige schepen moest bouwen. Eigenlijk echter wachtte hij slechts rop de versterking uit Spanje , waarheen hij reeds voor 9 maanden dépêches gezonden had. Evenwel wist hij niet, dat deze dépêches door zijn vijand Velasquez waren onderschept, en dat van daar een onweder tegen hem zamentrok, \'t welk hem met eenen slag al de vruchten van zijn moed en zijne schranderheid dreigde te doen verliezen.

XX. PAMPHILO DE NARVAEZ.

Velasquez had eens vloot van 18 schepen met 800 man voetvolk, 80 ruiters, 12 kanonnen en vele musketten en kruisbogen onder bevel van zekeren Narvaez uitgezonden , die in last had om Cortez in ketenen naar Cuba te zenden en in zijne plaats de veroveringen voort te zettten. Welk een toestand voor Cortez!

Hij beproefde eerst, Narvaez te winnen; maar deze jonge held droomde veel te zoet van de lauweren, die hij in Mexico wilde behalen, om zich door Cortez te laten afkoopen. Derhalve moest het oorlog zijn, en hier gold het nu overwinning of dood. Cortez stelde orde op zijn huis in Mexico, liet eene matige bezetting achter en deed den koning geloo-ven dat hij zijne vrienden te gemoet trok, om met hen te raadplegen. Zoo trok hij met een handvol volks een wel vijf maal sterkeren vijand te gemoet.

Het was echter voor hem een geluk, dat Narvaez een onverstandig en lomp mensch was, die noch bij zijne soldaten noch bij de Indianen vertrouwen wekte, zoodat de eersten hem noode

28*

-ocr page 454-

424

volgden, de laatsten hem alle mogelijke hindernissen in den : weg legden.f\'Toen nu zelfs geheime zendelingen van Cortez in de legerplaats van Narvaez rondslopen en uit Cortez\' goud-zakken onbekrompen geschenken uitdeelden, kon het niet missen, dat ten minste reeds de helft der soldaten op Cortez-\' zijde was, eer er nog een slag geleverd werd. Maar niet de schranderheid alleen zou de beslissing geven; een ingespannen marsch bragt de moedige, beproefde soldaten van Cortez hunnen vijanden schielijker op den hals dan deze berekend hadden, In een stikdonkeren nacht doorwaadden zij de breede rivier, die hen nog van den vijand scheidde, en een schrikkelijke overrompeling bragt de gerust slapenden zoo zeer in verwarring, dat zij niet wisten waar en hoe sterk de vijand was. In weinig oogenblikken was alle zwaar geschut in Cortez\' handen en werd nu tegen het leger van Narvaez gerigt. Deze stortte zich zelf met blinde dapperheid onder de vijanden , maar werd terstond doodelijk gewond. Cortez bood allen, die zich wilden overgeven, pardon aan, en zoo was de strijd geëindigd eer het morgenrood aanbrak. Goed versterkt met versche troepen en goed geschut, stond Cortez nu op het punt om naar de hoofdstad terug te keeren, toen een andere schrikmaar zijnen geest tot nieuwe uitvindingen aanspoorde.

xxi. montezuma\'s dood (1 junij 1520).

De in Mexico achtergelatene officier had de strengheid van Cortez willen nabootsen, zonder zijne schranderheid te bezitten , en daarmede had hij het zeer slecht gemaakt. Zoo had hij op eene bloote verdenking bij een feestelijken dans vele voornamen laten overvallen en vermoorden. Daarover geraakte de geheele stad in oproer, en zelfs de snelste tusschenkomst van Cortez kon de gisting niet dempen. Niet minder dan 60 000 Indianen maakten zich tot den strijd gereed, en hoe zouden zijne 500 Spanjaarden dat leger wederstaan! Cortez trok naar zijne verschansing terug , deed eenige uitvallen , maar verloor vele Spanjaarden en werd zelf aan de linker hand

-ocr page 455-

425

gewond. In dezen nood wilde hij zijne redding door Montezuma beproeven, dien hij in den laatsten tijd zeer verwaarloosd had. Hij haalde hem over om zich in zijn koninklijken dos boven op den muur te vertoonen, maar zoodra de koning verschenen was, schreeuwde het woedende volk hem met verachting toe en slingerde een hagelbui van steenen en pijlen op hem af. Zwaar aan het hoofd gewond, zeeg de ongelukkige neder en stierf na weinige dagen.

De Mexicanen trokken intusschen dagelijks meer volk uit de omliggende landstreek in de stad bijeen, en de spaansche verschansing werd nu met blinde wroede dagelijks berend. Naast het steenen huis stond een hooge foren, van welken de Indianen onophoudelijk op de Spanjaarden steenen neerwierpen. Vergeefsch waren alle pogingen om hen van dezen toren te verdrijven, tot Cortez zelf, ondanks zijne wond, zich het schild aan den linker arm liet binden en aan de spits zijner dappersten er heen snelde. Zijne reuzenkracht wierp ieder dien hij ontmoette neder, maar toch vlugtte men niet. Twee mexicaan-sche jongelingen, naar den heldendood dorstende, omvatte-den hem, terwijl hij digt bij den rand van den toren stond, sprongen er moedig over heen en wilden hem met zich naar beneden rukken. Slechts zijne reusachtige ligchaamskracht redde hem; hij worstelde zich los, en zoo stortten zij alleen naar beneden. Na lange inspanning gelukte het de Spanjaarden, vuur in den toren te werpen , en dit schrikte de vijanden voor ditmaal af.

Doch aan eene langere verdediging zijner plaats dacht Cortez nu niet meer. Hij gaf geheime bevelen, en te middernacht nam de geheele troep in stilte den terugtogt aan. De eerlijke Tlascalanen moesten den aftogt dekken. Zij waren juist op den smallen dijk zamengedrongen , toen van alle kanten te midden van den donkeren nacht een hagelbui van steenen en pijlen op hen aanvloog. Het meer wemelde van kano\'s. De pogingen der Spanjaarden om hunne schatten te redden vermeerderden nog de doodelijke verlegenheid van de-

-ocr page 456-

426

zen op een gedrongen hoop. Angst en wanhoop vervulden de ziel des dappersten; zoo goed het gaan wilde, schoof en drong men elkander voort. Op den morgen van dezen schrikkelijken nacht vond Cortez nog slechts de helft van zijn volk, en toen hij het monsterde, kon hij zijne tranen niet weerhouden. Vele der dapperste officieren waren deels verslagen , deels verdronken ; van de goede Tlascalanen werden er 200 vermist, van welke de Mexicanen velen levend gevangen hadden, om hen aan de goden te oiferen. Alle geschut en kruid was verloren, bijna alle paarden ontbraken, en van de groote schatten was slechts weinig over.

Cortez was ook in dezen nood de eenige troost en het voorbeeld zijner ter neêr gebogen soldaten. Hij deelde alle ontberingen en bezwaren met hen en bemoedigde hen door zijne bedaardheid en zijn vertrouwen. Maar nog was het ergste niet doorgestaan. Zij hadden hunnen terugtogt naar Tlascala nog niet lang voortgezet, toen zij op eens van eene hoogte af de gansche ruime vlakte voor zich met Mexicanen bedekt zagen. Overwinning of dood kon ook hier slechts de leus zijn. Cortez liet zijne soldaten geen tijd tot bedenken, maar voerde hen na eene krachtige toespraak blindelings in den strijd. Zij houwen als wanhopigen er op in, maar hun gering aantal gaat schier verloren in de ontelbare scharen, door welke zij omringd en bijna verstikt worden. Daar krijgt Cortez het groote rijksvaandel in \'t oog, en plotseling valt hem in, wat hij eens in Mexico gehoord heeft, dat. van het lot dezer vaan de uitslag van lederen slag afhing. Oogenblikkelijk geeft hij zijn paard de sporen en rent met eenige dappere medgezelJen op dit palladium aan. Dengenen, die het draagt, velt hij met de lans neêr; de andere Spanjaarden verjagen de overige Mexicanen er om heen, en Cortez draagt de vaan in zegepraal mede. Dit te zien en zinneloos de vlugt te kiezen was bij de Mexicanen één. Deze hulp kwam den Spanjaarden zoo onverwacht voor, dat zij ze aan de heiligen toeschreven.

Den volgenden dag rukten zij het getrouwe Tlascala binnen.

-ocr page 457-

427

XXII. NIEUWE AANVAL OP MEXICO.

Zou men het gelooven, dat de man, die met zoo veel moeite een dood ontkomen was , nog altijd bij zijn opzet kou blijven , om deze ontzaggelijke massa vijanden te bedwingen en hun uitgestrekt rijk te veroveren? Toch was het werkelijk zoo. Een stille aftogt, zonder zijn doel bereikt te hebben, lag zoo weinig in Cortez\' plannen, dat hij juist thans eerst be-geerig werd om zijn ontwerp met alle krachten door te zetten en te bereiken.

Zulk eene volharding is trouwens niet de zaak van iedereen. Vele zijner soldaten scholden hem voor een dolleman, wien zijn leven niets waard was, en waren met zijn ontwerpen hoogst ontevreden. quot;Vele gemoederen bragt hij in eene andere slem-ming, door hen tot wraak tegen „die heidensche hondenquot; te ontvlammen ; anderen gaf hij bezigheid door hen in de bos-schen van Tlascala hout voor den scheepsbouw te laten vellen en bewerken, nog anderen bemoedigde hij, door met hen de afzonderlijke benden vijanden, die zich nog in de landstreek lieten zien, te vervolgen en te plunderen. Een vertrouwde was sinds lang naar Hispaniola afgezonden, om kruid en geweren te koopen en gelukzoekers aan te werven, toen het geluk hem onverwacht versterking aanvoerde.

Er kwamen twee schepen uit Cuba, welke aan Narvaez, die reeds lang begraven was, mond- en oorlogsvoorraad moesten toevoeren. Het viel de bekende overredingskunst van Cortez niet moeijelijk, de bemanning en lading voor zich te winnen. Dit gelukte hem ook met een koopvaardijschip, dat met waren beladen, om handel te drijven , kwam aanzeilen. Maar nog meer; er verschenen kort daarna weder drie schepen, die door den stadhouder van Jamaica op ontdekkingen waren uitgezonden, maar niets hadden kunnen uitrigten. Met vreugde lieten ook deze zich aanwerven en gingen in Cortez\' dienst over.

Deze dankte nu alle ontevredenen uit het leger van Narvaez af en zond hen naar Vera Cruz, terwijl hij met de ove-

-ocr page 458-

428

rigen — 550 man, 40 paarden, 80 musketten en armborsten en 9 kanonnen — den 18sten december welgemoed lijn togt naar Mexico weder aannam, door 10 000 Tlascalanen vergezeld, die de vele behouwen planken en balken droegen, waarvan hij aan den oever van het Mexicaansche meer zijne nieuwe schepen wilde zamenstellen.

Dit werk hield hem ettelijke maanden op. In dien tijd trachtte hij met groot beleid de vriendschap der naburige dalbewoners te verwerven. Vervolgens liet hij de waterleidingen, die naar de hoofdstad voerden, vernielen. Om geheel zeker te gaan, sloot hij de stad van drie kanten in en ging nu langzaam en voorzigtig te werk; want de thans regerende koning Guatimozin, een neef van Montezuma, was hem als een zeer schrander en moedig man bekend.^Eindelijk stelde hij voor den 3den julij een grooten storm vast. Het plan was met groot beleid ontworpen; ieder officier kreeg zijnen post, en om in het ergste geval eenen veiligen terugtogt te hebben, ontving een der nieuw aangekomene officieren bevel om de brug op den dijk, dien zij over moesten, te dekken. Doch deze ligtzinnige man , die zich misschien verbeeldde, dat hij bij de plundering te kort zou komen, wanneer hij buiten op de brug paste, vergat alle gehoorzaamheid en mengde zich driftig onder de strijdenden. Guatimozin merkte den misslag oogenblikkelijk en liet de brug afbreken. De Spanjaards intus-schen, die, na tot het invallen van den nacht gevochten te hebben, eindelijk tegen de menigte niet bestand waren, zochten nu hun heil in de vlugt. Maar ach! hoe zouden zij ont-vlugten? Het gedrang over den dijk was zoo groot, dat de voorsten bij hoepen in de opening werden gestooten en zoo met hunne ligchamen eene brug vormden. Gedurende de opstopping grepen de Mexicanen de achtersten aan, die niet voorwaarts konden, en voerden veertig van hen levend naar den tempel, sneden hun het ligehaam open, rukten hun het hart uit en offerden het aan de goden. De geredde Spanjaarden zagen met ijzing uit de verte dit duivelsch feest aan; zij zagen

-ocr page 459-

429

hoe de van vreugde dronkene Mexicanen jubelend in de helder verlichte tempels dansten, en meenden de brullende slagtof-fers aan hunne stemmen te herkennen. Het haar rees hun te berge; doch Cortez was op een nieuwen storm bedacht.

xxm. Mexico veroverd (1521, 13 augustus).

De Spanjaarden hadden 60 man verloren. Cortez verschanste zich en hield zich een geruimen tijd geheel stil, om de voorspelling der heidensche priesters, als zouden de Spanjaarden binnen acht dagen verdelgd zijn, te schande te maken. Het volslagen gemis van ijzeren wapenen, die de Mexicanen niet kenden , de hongersnood in de stad, waarin drie vierde der huizen verbrand waren, en de trouweloosheid der omwonende stammen — deze omstandigheden maakten het 500 europesche gelukzoekers mogelijk, een groot rijk, dat misschien een eeuw lang de schrik zijner naburen was geweest, ten val te brengen. Toen Guatimozin zag dat er geene redding mogelijk was, koos hij de vlugt. Hij werd echter achterhaald en voor Cortez gebragt. „Ik heb gedaan,quot; sprak hij met waardigheid, „wat eenen koning betaamde; ik heb mijn volk tot het uiterste verdedigd. Thans blijft mij niets over dan de dood. Grijp dezen dolk en stoot mij dien in het hart!quot;

Hij bleef gevangen. Terstond daarna gaf zich ook de stad over. De soldaten, die op een onmetelijken buit gevlamd hadden, vonden zich echter zeer bedrogen. Zij meenden, dat de overwonnenen uit wraakzucht hunne schatten in het meer hadden geworpen, en waren barbaarsch genoeg om velen der voor-naamsten op de pijnbank te brengen, ten einde de plaatsen te ontdekken, waar het meeste goud in het water was geworpen. Ook de edele Guatimozin , zegt men, werd ontkleed, geboeid en naast zijnen vertrouwde op gloeijende kolen gelegd. Hij had niets te bekennen en zweeg, terwijl zijn minder standvastige deelgenoot in het lijden zich jammerend en stuiptrekkend den ongelukkigsten der menschen noemde. Berispend zeide

-ocr page 460-

430

Guatimozin met spartaansche zelfbeheersching: „Lig ik dan op rozen 1quot;

Cortez kwam daarbij, schaamde zich over de onwaardige behandeling en bevrijdde de lijdenden.

xxiv. cortez\' dood (2 december 1547).

Zoo had de groote veroveraar van Mexico gelukkig zijn doel bereikt. Maar zijn vijand Velasquez op Cuba had niets verzuimd, wat den toorn des konings (Karei V) tegen hem gaande kon maken, en zoo verscheen dan, juist toen hij in de verovering van het rijk geheel geslaagd was, een koninklijke gemagtigde, don Tapia, van uitgebreide volmagten voorzien , om Cortez gevangen te nemen, beslag op zijn vermogen te leggen en naar zijn gedrag onderzoek te doen.

Don Tapia was een eenvoudig man, dien Cortez op den eersten blik doorzag. Deze stelde zich eerbiedig tegen hem aan, sprak met den diepsten eerbied van den koning en bragt den goeden man zoo zeer in verlegenheid, dat hij volstrekt niet wist, hoe hij hem gevoegelijk in zijne magt zou krijgen, en eindelijk weder heenging. Cortez wendde zich nu zelf met een getrouw verhaal van zijne daden en een( rijk geschenk tot den koningen verzocht om het wel verdquot;ende stadhouderschap. Karei V, zelf een ondernemend krijgs m^n, werd door regt-matige bewondering der daden van den held medegesleept en stond zijn verzoek toe.

Cortez liet daarop Mexico weer opbouwen, de landerijen verdeelen en de mijnen onderzoeken. De Indianen werden als goederen onder de Spanjaarden verdeeld en moesten in de goudmijnen zwaar slavenwerk doen, waaronder zij weldra moessten bezwijken. Voor den ingang van iedere mijngroef lagen de lijken der ontzielde Mexicanen bij honderden en verpestten de lucht, terwijl van de vele gieren, die zich op deze rijke voederplaatsen zamendrongen, de aarde van verre als met een zwart laken bedekt scheen. Iedere opstand, door welken de geschonden vrijheid hare menschenregten zocht te her-

-ocr page 461-

431

stellen, werd als overmoed van slaven beschouwd en vreeselijk gestraft. In eene enkele provincie werden eens 60 kazieken en 400 mexicaansehe edelen verbrand, en hunne vrouwen gedwongen, dit helsche schouwspel aan te zien. Op eene onbeduidende verdenking werd ook de edele Guatimozin, en met hem de anders den Spanjaarden zoo getrouwe kazieken van Tazeuko en Tabuka, die Cortez bij de verovering van Mexico geholpen hadden, opgehangen.

Het bestuur van het veroverde land werd intusschen niet geheel alleen aan Cortez overgelaten. Er werd hem uit Spanje eene regeringscommissie toegevoegd , naar welke de vrije geest van den buitengewonen man zich echter niet wel kon schikken. De klagten en lasteringen bij het hof begonnen nu weder op nieuw, en er verschenen bij voortduring nieuwe afgevaardigden, die den stadhouder voor hunnen regterstoel daagden. Te trotsch om zich in het land, dat het schouwtooneel zijner overwinningen was geweest, aan een smadelijk verhoor te onderwerpen, wilde hij liever voor den koning zeiven te regt staan. Hij verscheen in 1538 in Spanje met eene pracht, die met zijne waardigheid strookte, en had een stoet van mexicaansehe edelen in zijn gevolg. Karei ontving hem met onderscheiding en overlaadde hem met eerbewijzen; maar hem geheel onbeperkt te laten, dit durfde hij toch niet meer. Hij onderwierp de burgerlijke regering van Mexico aan eeu bijzonder geregtshof en droeg aan Cortez slechts het krijgswezen en de zorg voor verdere veroveringen op.

Mismoedig keerde deze terug en zocht verstrooijing door nieuwe veldtogten. Na oneindige moeijelijkheden ontdekte hij inlB36 het groote schiereiland Cal if or nië en nam het grootste gedeelte der golf, die het van het vaste land scheidt, in oogenschouw. In den jare 1540 reisde hij nogmaals naar Spanje, maar vond de stemming aan het hof aldaar zeer veranderd. Men scheen van zijne verdiensten niets meer te weten; de gunstelingen en ministers hielden hem met beleefde woorden op, en zoo stierf hij, gelijk Columbus, uit verdriet over de

-ocr page 462-

432

ondankbaarheid zijns konings, in het 62ste jaar zijns ouderdoras.

XXV. DE POKTÜGEEZEN IN OOSTINDlë. EDÜAKD PACHBCO PEREIRA.

Gedurende de bedrijven der Spanjaarden in Amerika waren de Portugeezen in Oost-Indië ook niet werkeloos geweest. Cabral had deels de magt van den zamorin van Kalikoet op zich zelve zeer groot, en deels ook den invloed der aldaar handel drijvende mohammedanen zoo belangrijk gevonden, dat koning Emanuel of den indisehen handel geheel moest opgeven , of er. eene magt heenzenden, die den zamorin met zijne mohammedanen kon trotseren. Hij koos het laatste. In maart 1502 werd de wakkere Gam a met 20 schepen afgezonden , waarmede hij zich en den portugeeschen naam weldra deed eerbiedigen. Hij beschoot de hoofdstad Kalikoet een geheelen dag lang en nam verscheidene saraceensche schepen weg , op welke hij zulk een rijken buit, voornamelijk in goud, parelen en edelgesteenten, vond, dat hij, voor zijn togt overvloedig beloond, naar Lissabon terug keerde, waar hij den lOden november 1503 aankwam.

Nog voor zijne terugkomst zeilden reeds weder kleinere vloten naar Indië. Deze vonden den zamorin van Kalikoet bezig met den naburigen beheerscher van K och in voor zijne verkleefdheid aan de Portugeezen te tuchtigen. Eeeds had hij hem uit zijn rijk verdreven, toen de portugeesche scheepsmagt aankwam en den zamorin terug dreef. De beheerscher van Ko-chin werd nu weder in zijn rijk hersteld. Uit dankbaarheid vergunde hij aan zijne helpers, een klein houten fort cp zijne kust te bouwen, en dit is de eerste vestiging der Portugeezen in Oost-Indië. Nadat de beide vloten zich met indische waren rijk beladen hadden, begonnen zij aan den terugtogt te denken. Maar wat zou er intusschen van het fort worden? Tot verdediging daarvan bleef een man van uitstekenden heldenmoed , E d u a r d PachecoPereira, met 2 schepen en 150 man achter en verrigtte aldaar daden, die aan het wonderbare grenzen.

-ocr page 463-

433

Naauwelijks waren namelijk de vloten onder zeil gegaan, of de zamorin van Kalikoet verscheen reeds weder met zijne geheele land- en zeemagt, om ditmaal den beheerscher van Kochin geheel ten onder te brengen. Hij zag het kleine fort, en daarbij twee kleine schepen, slechts door een handvol menschen bezet. Ook had hij schietgeweer—de mohammedanen hadden hem daarvan voorzien—en 50 000 man krijgsvolk. Welk eene verhouding ! Maar Pereira wist zich te redden; hij deed uitvallen , wanneer de vijanden er het minst op verdacht waren, gaf aan zijne troepen altijd eene zoo goede stelling, dat zij tegen omsingeling gedekt waren, en verdedigde zich zoo dapper, dat de soldaten van den zamorin hem niet konden genaken. Ook troffen de Portugeezen met hunne kanonnen veel zekerder dan de ongeoefende vijanden. Maar altijd blijft het te verwonderen , hoe de dappere Pereira zich vijf maanden lang kon staande houden ! Toen verscheen eindelijk hulp uit Portugal. Pereira\'s gedrag verwekte zulk een algemeene bewondering, dat men hem bij zijn terugkomst in Lissabon met luide toejuiching ontving en hem in statelijken optogt naar de domkerk geleidde, waar de bisschop eene lofrede op hem hield.

Ook Pereira behoorde tot de onbaatzuchtige helden, die zich met den roem vergenoegen; hij had een aanzienlijk geschenk van den dankbaren beheerscher van Kochin geweigerd en slechts om een getuigschrift van de aldaar door hem verrig-te daden verzocht. De koning van Portugal gaf hem een bevel-Ijebbersplaats in Guinea, maar leende weldra het oor aan de vijanden van den held en liet hem in boeijen slaan. Toen de onschuld van Pereira aan den dag kwam, werd hij wel in vrijheid gesteld , maar aan eene belooning zijner vroegere verdiensten dacht niemand.

XXVI. FRANS VAN ALMEIDA.

Hoe klein Pereira\'s houten fort ook zijn mogt, hadden toch de Portugeezen nu in Oost-Indië vasten voet gezet en waren er op bedacht om zich verder uit te breiden. De eerstvolgende

-ocr page 464-

434

vloot, die er werd uitgerust, bestond reeds uit 36 schepen en had bevel om niet terug te keeren, maar de nieuwe koloniën te dekken. Hun aanvoerder, don Eranciso deAl-m e i d a, ontving de eerste aanstelling als onderkoning van In-dië en deed zijne nieuwe waardigheid eer aan. Hij gedroeg zich op eene wijze alsof geheel Indië hem toebehoorde en deed ook al wat in zijn vermogen was om het werkelijk zoo ver te brengen. Hij bouwde onderscheidene vestingen , regelde den prijs op de waren en rigtte marktplaatsen in, van welke hij de mohammedanen geheel uitsloot. Niet tevreden met de kust van Malabar, zeilde hij in 1506 naar Ceylon en verbond dit vruchtbare en rijke eiland door handelsverbindtenissen met Portugal. Zijn voornaamste plan had de volkomene heerschappij der zee ten doel, weshalve hij beproefde, de Arabische en Perzische golf af te sluiten. Nu rustten echter ook de mohammedanen , en inzonderheid de sultan van Egypte, die zich met de Venetiërs verbond, zich ten oorlog toe, want aai allen deden de Portugeezen afbreuk. Doch zij kwamen te laat, want hunne tegenstanders hadden hunne magt reeds te zeker in Oost-Indië gegrondvest.

XXVII. ALFONSO ALBUQUERQUE.

De dappere Almeida werd in den post van onderkoning opgevolgd door Alfonso Albuquerque, een buitengewoon man, die met regt onder de grootste helden zijner eeuw gerekend wordt. Hij deed de magt der Portugeezen tot den hoog-sten trap stijgen. Eeeds voordat hij onderkoning werd, had hij bevel gevoerd over een klein smaldeel, waarmede hij de mohammedanen uit de Arabische en Perzische golf had moeten verjagen. Hij had daarmede echter iets veel grooters volbragt, namelijk het eiland O r m u s, de algemeene stapelplaats der perzische, arabische en egyptische kooplieden, in bezit genomen. De koning van dit eiland had aan den sjach van Per-zië eene schatting moeten opbrengen; bij hunne eerstvolgende aankomst verwees hij de perzische gezanten tot de Portugeezen.

-ocr page 465-

435

Albuquerque gaf hun degenklingen en kanonskogels, met het bescheid, dat dit de munt was, waarmede de Portugeezen gewoon waren schatting te betalen. Reeds had hij op eene landpunt een fort gebouwd, \'t welk de beide voortreifelijke havens van het eiland bestreek, toen nijd en ijverzucht der zijnen hem midden uit zijne gelukkigste ondernemingen afriepen, zoodat hij de gansche schoone verovering weder aan de mohammedanen moest overlaten. Nogtans zwoer hij bij het heengaan , zich den baard niet te laten afnemen voordat hij Ormus weder gewonnen had.

Toen hij kort daarop onderkoning werd en de handen nu geheel vrij had, gaf zijn groote geest zich aan de stoutste ontwerpen over tot vestiging van eene onbeperkte heerschappij over de zee en alle toegangen van Indië. In de eerste plaats dacht hij aan een geschikt middelpunt van deze heerschappij en koos daartoe de stad G o a. Want Kochin, tot dus verre de vestiging der Portugeezen, had geene zoo gunstige ligging voor den handel, en Kalikoet scheen meer tot verdelging dan tot verovering bestemd. Dat Goa reeds een meester had — het behoorde den koning van Dekan — kwam, als naar gewoonte, niet in aanmerking. Albuquerque veroverde het bij den tweeden aanval (1510), verhief het tot de hoofdstad van Portugeesch Indië en voorzag de uitmuntende haven der stad van geduchte vestingwerken. Ootmoedig dongen thans de kleine indische koningen naar de gunst der Portugeezen, en zelfs het hardnekkige Kalikoet erkende in 1514 de opperheeerschappij des ko-nings van Portugal.

Uit Goa breidde Albuquerque nu zijne heerschappij steeds verder uit. Van den belangrijken handel van Ceylon verzekerde hij zich nu ten volle ; daarop trok hij naar M a 1 a k k a , veroverde het in 1511 na een vinnig gevecht, waarin hij zelf met den degen in de vuist eene brug bestormde. Hij maakte daar een verbazenden buit, bouwde eene vesting en ontving er gezantschappen uit Siam, Pegu, Java en Sumatra, wier beheerschers zijne vriendschap zochten. Een deel

-ocr page 466-

436

der vloot drong nog verder door en veroverde het vaderland der fijnste specerijen, de Moluksche eilanden. Al deze landen van het rijke Indië waren talrijk bewoond door een wakker volk, dat vele overblijfselen van eene vroegere beschaving bewaarde, maar thans onder den druk van despotieke regeringen verslapt en ontbonden was.

Nu eerst vatte Albuquerque zijn oud plan weder op om Ormus te hernemen en daardoor voor de mohammedanen den weg naar Indië geheel af te sluiten. Zijn sneeuwwitte baard was ondertusschen zoo lang geworden, dat hij hem tot over den gordel neerhing. Hij verscheen in 1515 voor de stad, zijne Portugeezen deden wonderen van dapperheid en namen de stad stormenderhand in. Deze verovering besloot de lange reeks van schitterende daden, die de held in zulk een korten tijd volbragt had; want toen hij naar Goa wilde terug zeilen, ontving hij van zijnen koning — zijn ontslag. En nog zou deze slag hem niet zoo zeer gesmart hebben, indien niet een mensch, dien hij zelf eenmaal tot straf haar Portugal had terug gezonden, tot zijn opvolger bestemd was geworden. Eeeds verzwakt door eene gevaarlijke ziekte, ontving hij door dit berigt ten eenen-male den doodslag. Met sidderende hand schreef hij nog op het schip aan den koning: „Senhor! Dit is de laatste brief dien ik aan uwe hoogheid onder doodelijke stuiptrekkingen schrijf, nadat ik er zoo vele in de volle kracht van het leven geschreven heb—van dit leven, dat ik tot het laatste uur ijverig en gewillig getracht heb aan uwe dienst te wijden. Ik heb in dit land een zoon; hij heet Bias de Albuquerque. Ik smeek uwe hoogheid, hem zoo groot te maken als mijne diensten dit waardig zijn. Wat Indië betreft, dit zal voor zich en mij spreken.quot; — Hij wilde Goa gaarne nog eens zien; hij zag het en ontsliep kort voordat zijn schip de haven binnenzeilde (1515). Zijne soldaten betreurden hem als een vader ; de bewoners der door hem bedwongene steden hadden hem de invoering eener goede policie en van betere wetten te danken; de overwonnene volken roemden dankbaar zijne menschelijkheid en gematigd-

-ocr page 467-

437

heid. Zelden is er wel een held geweest, in wien zoo veel kracht met goedheid van hart vereenigd was. Vele jaren na zijn dood wenschte men zijne beenderen te Lissabon te bezitten ; maar de inwoners van Goa konden eerst na langen strijd bewogen worden, om de dierbare overblijfselen van den groo-ten stadhouder af te geven.

XXVIII. DE SPANJAARDEN IN PEEU (1526). PIZAKKO.

Sedert de stoute togten van Balboa rigtte de gouddorst onophoudelijk de oogen naar dat land, hetwelk, naar alle uitspraken der Indianen, het vaderland van het goud moest zijn. De nietswaardige moordenaar van Balboa was echter te lafhartig om zelf eene onderneming te wagen, en te ijverzuchtig om anderen daartoe behulpzaam te zijn. Zoo bleven alle pogingen achterwege, totdat zich eindelijk een driemanschap vereenigde, dat aanbood om op eigen kosten eene reis naar dat land te ondernemen. Dit kon de stadhouder niet verhinderen.

De eerste onder de drie, wien het beschoren was, groote en schitterende daden, gelijk die van een Alexander den groeten, te volbrengen, was vroeger een arme zwijnenhoeder geweest; Frans Pizarro was zijn naam. Als bastaard van een hardvochtigen edelman en van een gemeene ligtekooi, was hij reeds vroeg aan zich zeiven overgelaten en had in den strijd met de moeijelijkheden des levens niets van de zachte gezellige gewaarwordingen ingezogen, die op het werkzame tooneel der wereld worden medegebragt door zulke kinderen, die uit een goed bestuurd vaderlijk huis en uit de armen eener liefdevolle moeder daartoe overgaan. Van daar, dat wij in Pizarro\'s gansche leven geen spoor vinden van welwillendheid en trouw. Nadat hij als knaap de zwijnen had gehoed, dreef zijn vurig karakter hem als krijgsman naar Italië, en eindelijk naar Amerika, waar hij met Cortez en Balboa bekend werd. Laatstgenoemde had hij op zijne togten vergezeld, en reeds destijds had hij uitstekende bewijzen van verstand en dapperheid ge-

gkübe, e. D. M. 39

-ocr page 468-

438

geven. Niet veel geringer talenten en een weinig meer goedhartigheid bezat zijn wapenbroeder Diego del Almagro, die niet eens zijn eigen ouders wist te noemen. De derde man was een priester, Hernando de Luque, die voor den togt het geld wilde voorschieten, dat hij in de nieuwe wereld had bijeengeschraapt, en waarvoor men hem het eerste bisdom in Peru beloofde.

Almagro offerde insgelijks zijn geheele vermogen aan de onderneming op, en Pizarro, die niets bezat, nam den moeijelijk-sten post, dien van aanvoerder, op zich. Almagro moest hem van tijd tot tijd hulp toevoeren, en de buit zou onder alle drie gelijk verdeeld worden. Het verdrag werd op eene gewijde hostie bezworen, waarvan ieder der drie verbondenen een gedeelte gebruikte, terwijl Luque vervolgens nog eene plegtige mis las.

Op den léden november 1525 ging Pizarro hierop met één schip en 113 man onder zeil. Hij had juist het ongunstige jaargetijde getroffen en kwam in 70 dagen naauwelijks zoo ver als thans een zeeman in 70 uren vooruit komt. De gansche vaart ging zoo langzaam voort, en men was zoo dikwijls genoodzaakt, op kleine eilanden ten behoeve der zieken maanden lang stil te liggen, dat de geheele togt ongetwijfeld op niets zou zijn uitgeloopen, zoo niet Almagro gedurig manschappen en levensmiddelen had aangevoerd, en Pizarro zelf niet een man van een zoo onbuigzaam karakter was geweest. Pizarro\'s ondernemingszucht groeide met de steeds grooter wordende moeijelijkheden aan. Eerst tegen het einde van het jaar 1526 landde hij op de Peruaansehe kust aan. Hij vond echter het land zoo digt bevolkt en goed bebouwd, dat hij er niet aan denken kon om zich hier met zijne weinige manschappen staande te houden. Hij ruilde dus van de inwoners slechts eene menigte gouden en zilveren vaten tegen euro-pesche kleinigheden in en nam een paar jonge Peruanen mede, die hij in het spaansch wilde laten onderwijzen, om hen ver-volgeps als tolken te kunnen gebruiken. Zoo kwam hij na twee

-ocr page 469-

439

moeijelijke en schier nutteloos doorgebragte jaren in 1527 weder te Panama aan.

Daar van den stadhouder nog altijd geene ondersteuning te verkrijgen was, reisde hij regtstreeks naar Spanje, verzocht bij koning Karei gehoor en gaf dezen van zijne doorgestane moeijelijkheden eene zoo roerende, maar van Peru\'s rijkdommen eene zoo uitlokkende beschrijving, dat de koning, wien het buitendien slechts een titel kostte, den stoutmoedigen man terstond tot stadhouder van het te veroveren land benoemde en hem onbepaalde volmagt verleende om zijne officieren en andere beambten zelf te benoemen, waartegen Pizarro beloofde, de kosten der onderneming met zijne vrienden geheel alleen te zullen dragen. Cortez, die zich toen juist in Spanje bevond, hoorde niet zoodra van de onderneming, of hij schoot zijn ouden krijgsmakker eene belangrijke som voor, terwijl hij hem zoo veel mogelijk van goeden raad diende.

De reis werd nu in 1529 met drie schepen en 180 man aangevangen. Na 18 dagen landde Pizarro aan de Peruaansche kust. In vertrouwen op zijne kanonnen en musketten en op zijne 36 paarden, die voor de inboorlingen een zonderling verschijnsel waren, wendde hij geene der door Cortez aanbevolene maatregelen van voorzigtigheid aan, maar viel als een buitgie-rige wolf de vreesachtige horden aan. De Indianen werden verjaagd en hunne hutten, waarin zich eene ontzaggelijke hoeveelheid goud bevond, geplunderd. Toen dit laatste bekend werd, viel het Almagro te Panama gemakkelijk, eene menigte versche rekruten aan te werven en aan Pizarro te zenden. Aan de rivier Piura werd hierop de eerste kolonie aangelegd, die men St. Michael noemde.

Bij zulk een onstuimig gedrag zou het wel onmogelijk geweest zijn, een volkrijk land, dat zich omtrent 300 mijlen langs de zeekust uitstrekte, met eenige honderden mensehen te veroveren, indien niet in den zelfden tijd een binnenlandsche twist het rijk in verdeeldheid had gebragt. Kort voor de aankomst der Spanjaarden was de koning — in ka, ook zoon der zon

22*

-ocr page 470-

440

genaamd — Huana Kapak gestorven. Deze had als krijgszuchtig man het naburige Quito veroverd en eene dochter des konings van die stad gehuwd. Dit was trouwens tegen de wet, want hij had reeds eene gemalin. Van zijne eerste vrouw had hij een zoon, Hnaskar, van zijne tweede een jongeren, Atahualpa. Volgens den wil des vaders moesten de beide zonen de nagelatene landen deelen, doch dit wilde Hu-askar niet, en zoo geraakte het ongelukkige rijk in een openbaren burgeroorlog. Atahualpa, die over het leger zijns vaders beschikken kon, had kort te voren zijnen stiefbroeder gevangen genomen en alle overige telgen uit het geslacht der inka\'s laten vermoorden.

Aan deze tweespalt had Pizarro het te danken, dat men hem zoo diep in het land liet doordringen, zonder hem tegenstand te bieden. Zoodra Huascar van de nieuwe aankome-lingen gehoord had, zond hij terstond gezanten aan de Spanjaarden om hunne hulp in te roepen. Atahualpa, die zich daarvan niets goeds beloofde, zond insgelijks boden aan Pizarro en zocht door rijke geschenken zijne vriendschap te verwerven. Aan dezen laatsten liet Pizarro zeggen, dat hij genegen was, hem bij te staan, maar dat hij hem eerst moest spreken , want dat hij de afgezant van een groot koning was en hem gewigtige dingen had mede te deelen. Hij ging hem ook terstond naar Kapamalka te gemoet, een Peruaansch vlek, in \'t welk men eenige zonderlinge steenen gebouwen, naar allen schijn een tempel der zon en een paleis, naast elkander vond. Pizarro maakte door eenige verbeteringen deze vaste steenen massa\'s tot eene verschansing, liet er eene gracht om heen graven en zijne twee kanonnen voor den ingang plaatsen.

XXIX. ATAHUALPA GEVANGEN (1532).

Pizarro had zich Cortez tot voorbeeld gesteld; \'t was zijn vurigste wensch, hem in de gevangenneming van Montezn-ma na te volgen, en de onergdenkende goedhartigheid van den inka maakte hem de uitvoering gemakkelijk.

-ocr page 471-

441

Op Pizarro\'s vriendschappelijke uitnoodiging had de inka hem een bezoek beloofd en veischeen ook werkelijk met eene pracht en een zoo goed geregelden en fraai gekleeden hofstoet , dat de Spanjaarden hem niet zonder bewondering konder aanzien. Ook was hetgeen hij zeide zoo verstandig, dat een menschenvriend zich over deze achtenswaardige half wilden verheugd zoude hebben. Pizarro daarentegen zag slechts zijn goud, en hoe had hij Atahualpa kunnen achten, daar deze een heiden was? Er volgde thans een der afschuwelijkste tooneelen die de geschiedenis kent.

Pizarro\'s veldpriester, Vincentius Valverde, trad voorwaarts en hield eene zonderlinge aanspraak in de spaansche taal aan den inka, waarin hij hem de geschiedenis van de schepping, van den zonden val, van de menschwording, het lijden en de opstanding van Christus, voorts van de benoeming van den heiligen Petrus tot plaatsbekleeder van Jezus Christus, van den paus enz. verhaalde en hem vervolgens opriep, om zich aan het christelijke geloof, aan den paus en den koning van Spanje te onderwerpen, waarna hij hem, in geval van weigering, met de schrikkelijkste straffen bedreigde.

Dit alles kon onmogelijk in de peruaansche taal den inka duidelijk gemaakt worden. Wat Atahualpa echter van de onverstandige redevoering verstaan kon, beantwoordde hij zeer verstandig en gematigd. De domme pater geraakte daarover in woede, sloeg telkens op zijn getijdeboek en riep: „Daar staat het!quot; Bedaard nam de inka het boek, hield het — met de europesche schrijfkunst onbekend — aan het oor en zeide: „Het zwijgt, het zegt mij niets,quot; en wierp het onverschillig op den grond. „Ha, vervloekte heiden!quot; riep, dit ziende, de priester, „bespot gij aldus Gods woord? Christenen, hebt gij het gezien ? Op, te wapen, te wapen ? Wreek deze ontheiliging aan die verwatene honden!quot; Pizarro gaf een wenk, en op het oogenblik waren alle sabels ontbloot; de Peruanen aan de zijde van den inka werden neêrgehouwen, hij zelf voor de voeten van Pizarro gesleept, terwijl buiten de verschansing

-ocr page 472-

442

de beide kanonnen gelost werden, die meer door het plotseling ontvlammende vuur en den ontzettenden slag dan door hun vernielende uitwerking schrik en vlugt verspreidden. Een leger van misschien 30 000 menschen, dat in de vlakte verspreid stond, werd zoo door een paar schoten uiteengejaagd, gelijk een zwerm vliegen door een slag op de tafel. Doch de dweepzucht der Spanjaarden was met deze zegepraal nog niet tevreden. De ruiterij sprong te paard, zette de vlugtenden na en rigtte onder de Indianen, zoo lang de dag het toeliet, eene vreeselijke slagting aan. Men rekent het getal der Peruanen, die op dezen dag vermoord werden, op 4000. De buit aan goud en zilver was onmetelijk.

xxx. atahüalpa\'s dood.

De ongelukkige inka, door den eersten schrik van zijne bewustheid beroofd, zag zich, toen hij weder bijkwam, met onuitsprekelijken angst door zijne vrienden verlaten, midden in den king der vreeselijke vreemdelingen, die zich in zijn onheil verlustigden. Hij weende, hij sidderde en wist niet wat hij doen of zeggen zou. Toen hij echter zag met welke driftige begeerte de Spanjaarden het buit gemaakte goud opeen hoopten, bood hij aan, hun van dit sieraad — want verder had dit gele metaal geen waarde voor hem — de ge-heele kamer vol, zoo hoog men reiken kon, te verschaffen, indien men hem daarvoor in vrijheid wilde stellen. De Spanjaarden stonden schier sprakeloos van vreugde en verbazing over deze belofte. Pizarro hield hem bij zijn woord , trok op de bepaalde hoogte een zwarte streep langs de vier wanden der 32 voet lange en 16 voet breede kamer en beloofde om hem, indien hij zijne belofte nakwam, zeer zeker vrij te zullen laten.

Het zou den Peruanen, na van hun eersten schrik bekomen te zijn, gemakkelijk gevallen zijn, de weinige Spanjaarden nu nog te overweldigen, maar de liefde voor hun gevangen koning was zoo groot, dat zij om zijnentwil de geduchte

-ocr page 473-

443

vijanden liefst in \'t geheel niet wilden tergen. Zij beijverden zich daarentegen om de door hem verlangde gouden vaten uit alle huizen en tempels door het gansche uitgebreide rijk bijeen te verzamelen, en alle dagen kwamen eenigen, zelfs uit de afgelegenste streken, met hunne schatten aan. Huas-kar, die nog door de aanhangers van Atahualpa gevangen werd gehouden, hoorde niet zoodra van deze dingen, of hij liet Pizarro nog meer beloven, indien hij hem vrij wilde maken. In dien hagchelijken toestand meende de beangstigde Atahualpa geen ander redmiddel overig te hebben, dan zijn stiefbroeder te laten vermoorden. Niets kon Pizarro meer ge-wenscht zijn dan deze moord , die hem een heerlijk voorwendsel aan de hand deed om zijn woord te breken. Toen namelijk na lang verzamelen het groote vertrek werkelijk tot aan de zwarte streep vol goud was, en de inka nu op zijne vrijheid aandrong, ontving hij tot zijn doodelijken schrik ten antwoord, dat daaraan nu in \'t geheel niet meer te denken was.

lutusschen voerde Almagro zijnen vriend telkens nieuwe gelukzoekers toe, daar alles thans in Peru wilde dienen. Inderdaad levert de geschiedenis ons ook geen dergelijk voorbeeld van zulk eene belooning der soldaten op. Na het verdeden van al de schatten, ontving elke ruiter acht duizend pesos —destijds ten minste negentigduizend gulden—elke voetknecht de helft, en iedere officier naar evenredigheid ontzettende sommen ! Met een schat van nagenoeg twee millioen gulden ging Pi-zarro\'s jongste broeder naar Spanje en bragt daarop zoo veel gelukzoekers mede terug, dat in korten tijd geheel Peru van Spanjaarden wemelde, die met stukken goud als met rekenpenningen speelden en de Peruanen als huisdieren behandelden.

Pizarro had inmiddels zijn gevangene reeds sinds lang als een lastigen gast beschouwd, en besloot thans, hem zoo goed mogelijk met een schijn van regt van kant te maken. Zoo werd zijn eigen geweten gerust gesteld en verkreeg de slechte daad in de oogen der eenvoudigen den vollen schijn van regt-vaardigheid. Er werd een dag bepaald, men benoemde schrij-

-ocr page 474-

44!4

vers en advokaten, verhoorde de getuigen en begon het proces met al de gebruikelijke vormen, waarbij Pizarro en Alma-gro zeiven als regters zitting namen. De uitslag van het goochelspel was, dat de ongelukkige inka, als troon overweldiger, broedermoorder, afgodendienaar, man van meer dan eene vrouw en opstoker tegen den koning van Spanje, schuldig werd bevonden en veroordeeld om levend verbrand te worden. Alle aanwezigen, ook Valverde, onderteekenden het vonnis, dat oogenblikkelijk voltrokken moest worden. De inka verbleekte vnn schrik toen hij het vernam. Hij smeekte om genade, weende, bad dat men hem naar Spanje zou zenden, daar toch de koning menschlievender zou zijn — vergeefs! Pizarro beveelt, hem oogenblikkelijk naar de strafplaats te geleiden. Dit geschiedt. Onder weg vervoegt Valverde zich bij hem en wil hem bekeeren. Hij belooft hem verzachting van straf, indien hij nog het geloof aan den God der christenen aannam. De hoop van het leven te behouden verlokt den ongelukkige; hij wordt gedoopt en daarvoor —eer men hem verbrandde — aan de staak verworgd.

Vele edele officieren en soldaten wendden zich af van het onwaardig schouwspel en morden overluid over deze onteering van den spaanschen naam.

XXXI. DOOD VAN ALMAGKO (1538).

Pizarro\'s leger verkreeg thans bijna met iedere maand nieuwen toevoer, en dit maakte het hem mogelijk, naar Cuzco, de residentie van den inka, op te breken en die stad in bezit te nemen. Almagro verkreeg nu ook van het spaansche hof wat hij reeds in den beginne had bedongen, maar van Pizarro niet had kunnen bekomen, een afzonderlijk stadhouderschap over 200 mijlen lands zuidwaarts van Pizarro\'s gebied. Bij nadere kennis van het land bleek het, dat Cuzco reeds tot Almagro\'s gebied behoorde, en hierover ontstond de eerste twist. Pizarro hield zich intusschen alsof hij wilde toegeven, en nu begon Almagro zijn togt over de wildste en

-ocr page 475-

445

hoogste gebergten naar Chili, een van de moeijelijkste en ondankbaarste, die ooit volvoerd zijn. Goud vond hij weinig, en het volk was zoo strijdbaar, dat er aan eene vestiging nog niet te denken was.

Pizarro regelde intusschen het bestuur van Peru, bouwde eene nieuwe hoofdstad, het tegenwoordige Lima (1535), en verdeelde volgens de gebruikelijke wijs landerijen en inboorlingen onder zijne Spanjaarden. Vele officieren verstrooiden zich met kleine benden over de omliggende landen, deels om het binnenland te leeren kennen, deels om goud te zoeken. Hiervan maakte een overgebleven telg uit het geslacht der inka\'s gebruik ; hij verzamelde zijn volk en bragt de kleine spaansche bezetting zoo zeer in \'t naauw, dat zij op het punt was om van honger om te komen, toen eensklaps de uit Chili terug keerende Almagro verscheen, de Peruanen sloeg, maar ook de spaansche bezetting, waaronder twee broeders van Pizarro, gevangen nam. Hij had te meer reden om dit gedeelte van Pizarro\'s gebied voor zich te vorderen, daar zijn woest land bij het rijke en schoone Peru volstrekt niet in vergelijking kwam. Dat hij echter met geweld nam wat hem toekwam , was een bewijs dat hij Pizarro\'s karakter kende. Zijne vrienden rieden hem zelfs, diens broeders ter dood te laten brengen en tegen hem zeiven naar Lima op te trekken, omdat de andere hem anders voor zou komen; doch dit scheen hem te streng.

En toch strekte deze menschelijkheid hem ten verderve. Een der broeders van Pizarro ontsnapte hem, terwijl Pizarro voorsloeg, den anderen als gezant naar Spanje te zenden , opdat de koning zelf zou beslissen. Almagro, die gaarne alles ten beste wilde schikken, vertrouwde den man, die hem reeds zoo dikwijls bedrogen had, nog eenmaal en liet den broeder los, maar deze, in plaats van naar Spanje te reizen, komt met Pizarro\'s geheele strijdmagt naar Cuzco, levert den ouden, zieken, 7 5jarigen Almagro, ten aanzien van alle Peruanen, een bloedigen slag (1538), waarin hij over-

-ocr page 476-

446

winnaar blijft; hij voert Almagro zeiven gevangen naar Lima, mal

waar de naar wraak dorstende Pizarro hem terstond voor ian.

h-et geregt daagt en hem wegens hoogverraad laat ter dood aan

brengen. Doe

De koning van Spanje, die eerst door Almagro\'s vrienden Jq-u

deze schandelijke daad vernam, zond terstond een verstandig de

man, don Christoval Yaca de Castro, regter bij de konink- en

lijke regtbank te Valladolid, af, om de zaak te onderzoeken. aan

Ferdinand Pizarro, die dadelijk daarop voor den troon ver- de

scheen, kon zelfs door een groot geschenk die afzending niet ver- ba:

hinderen, maar werd veeleer zelf in hechtenis genomen en is zjjn

vermoedelijk in de gevangenis gestorven. Woi

XXXII. NIEUWE ONTDEKKINGEN.

en

Gonzala Pizarro, de andere broeder, die stadhouder van

Quito was, beproefde ondertusschen de ontdekking van het vru

land aan de overzijde van het Andes-gebergte, met 340 solda- zeti

ten en 400 Indianen, die de bagaadje moesten dragen. De We(

weelderige groeikracht in die vochtige streken belemmerde zoo len

zeer allen voortgang, dat men door de boomen moest heen- Wc

dringen en zich stap voor stap met het zwaard door de strui- en

ken eerst een weg moest banen. Waar de bosschen ophielden, bai

begonnen de moerassen, en deze wisselden weder met de hoog- kei

ste gebergten af, die het dubbele der ^hoogte van de Alpen ter

bereiken. Daarbij vond men weinig levensmiddelen, nergens roo

bebouwd land, overal veel giftig ongedierte, en twee maan- tog den achtereen regende het onophoudelijk. Er waren moeije-lijkheden te overwinnen, waarvan iemand, die in al de ge-\' makken en geriefelijkheden der tegenwoordige zamenleving is opgevoed, zich geen begrip kan vormen.

Eindelijk, na bijkans een jaar lang dag aan dag met aller- ges

lei moeijelijkheden geworsteld te hebben, kwamen de stoute ter

en standvastige mannen bij een der groote rivieren aan, die zich iaa

in den Maranhon of de Amazonen-rivier uitstorten. Met veel no)

moeite werd hier eene bark getimmerd. Zij kon echter slechts 50 te

-ocr page 477-

447

na gt; man bevatten, en over deze verkreeg een zekere Frans Orel-oor lana het bevel, met den last om de oevers dezer rivier tot 00(i aan den Maranhon te onderzoeken en dan berigt te brengen.

Doch Orellana, die blijde was, van het bezwaarlijke doorden kruisen van bosschen en moerassen ontheven te zijn, overreed-dig de zijne medgezellen om met hem naar Spanje terug te keeren nk- en zette een enkel man, die zoo trouweloos niet wilde zijn, :en- aan wal. Daarop zakte hij welgemoed den Maranhon af, ruil-\'er- de levensmiddelen van de wilden in en bereikte het eiland C u-rer- bagua, waar hij spaansehe schepen aantrof, die hem en de 1 18 zijnen opnamen. Deze gelukzoeker vond goed, van zijne reis wonderbare vertelsels uit te strooijen, b. v. van eene republiek van amazonen, een Eldorado, waar de daken met goud en zilver gedekt waren, en dergelijke fabelen meer. ?al1 De arme achtergeblevenen zagen intusschen zijne terugkomst

het vruchteloos te gemoet, totdat de bovengemelde aan wal ge-da- zette man hen, na het uitstaan van duizend doodsgevaren. De wedervond. Hunnen toorn en schrik kan men zich voorstel-zoo len. Zij waren meer dan 200 mijlen van Quito verwijderd, ■en- Wortelen, wilde bessen, vervolgens hunne honden en paarden rui- en eindelijk ongedierte en het leder van de sabels en draag-en, banden werd hun voedsel. De terugweg was bijkans nog schrik-\'Og- keiijker dan de heenreis. De 400 Indianen kwamen allen om, pen terwijl van de Spanjaarden slechts 80, en deze naakt en be-ens rooid, te Quito terug kwamen. Twee lange jaren had de an- togt geduurd. Hoe veel onheil kan toch de mensch verdragen! \'ij*

ge- xxxin. pizarro\'s dood (1542).

; is

Pizarro strekte zijn haat tot alle vrienden van den te regt Ier- gestelden Almagro uit en liet hen bijna in armoede omkomen, ute terwijl hij zijne eigene aanhangers met goederen over-iieh laadde. Het getal der eersten was te Lima alleen groot ge-reel noeg om een tiran, die minder zelfvertrouwen bezat, bezorgd te maken, maar hij rekende zoo zeer op de vrees die hij in-

-ocr page 478-

448

boezemde, dat hij naar geen vriendschappelijke waarschuwing wilde luisteren.

De misnoegden vergaderden dagelijks in de woning van den jongen Almagro, een schoon en dapper jongeling, die een zeer schrander officier , Juan de Herreda genaamd, tot opvoeder had. Met groot beleid werd een plan tot vermoording van den tiran ontworpen en dag en uur tot de uitvoering vastgesteld. Op een zondag, omtrent den tijd der spaansche siesta (middagsrust), wanneer het op de straten gewoonlijk zeer stil is, en in groote huizen zelfs de bedienden in hunne kamers rusten, verschijnen 18 zaamgezworenen, met Herreda aan hun hoofd, op de straat, roepen overluid: „Lang leve de koning, maar de tiran sterve!quot; en dringen het paleis van Pizarro binnen. Pizarro was juist van tafel opgestaan en onderhield zich nog met eenige vrienden, toen een edelknaap de kamer binnenstormde en het gevaar aankondigde. „Grendel de deur!quot; roept Pizarro een officier toe, maar deze had zijne bezinning verloren en ging, toen hij de zaamgezworenen hoorde komen, hun te gemoet en vroeg wat zij wilden. Een stoot door het ligchaam was het antwoord. Toen zij binnendrongen, sprongen eenigen uit het venster; anderen namen met Pizarro naar eene binnenkamer de wijk. Hier ontstaat een vinnig gevecht, want de oude Pizarro verdedigt den ingang met zwaard en schild en strijdt met al het vuur van een jong kampvechter. „Houdt moed, kameraden!quot; roept hij, „wij zijn nog sterk genoeg om de verraders te tuchtigen.quot; Na langen strijd valt eindelijk zijn stiefbroeder, Alcantara, naast hem; vervolgens treft dit lot ook zijne overige medgezellen, en eindelijk ontvangt ook hij , uitgeput van krachten en schier ademloos, een doodelijken steek door denhals. — Zijn dood was zijn leven waardig; hij bezweek voor het ruwe geweld, en geen traan vloeide over hem, die zelf nooit medelijden gekend had.

-ocr page 479-

449

XXXIV. FERDINAND MAGELLAAN. (1519-1532).

Terwijl in Amerika groote dingen geschiedden, had reeds een bekwaam zeevaarder iets niet minder gewigtigs volbragt. De zoo lang vruchteioos gezochte doorvaart naar Indië werd gelukkig gevonden door den Portugees Magellaan, die na vele dappere daden in Oost-Indië, uit verbittering over geleden onregt, de dienst van zijnen koning verlaten en zich naar Spanje begeven had. Hier beloofde hij koning Karei, voor hem een weg door Amerika naar Indië te ontdekken, en hij verkreeg eene vloot van vijf schepen, waarmede hij den lOden augustus 1519 van Sevilla onder zeil ging.

Hij had 234 man aan boord, over welke hij zich uitdrukkelijk het regt van leven en dood had laten toebedeelen, indachtig aan den toestand van Columbus en Gama, die meer van de weerspannigheid hunner manschappen dan van storm en golven te lijden hadden gehad. quot;Van de Kanarische eilanden wendde Magellaan zich terstond zuidelijk en onderzocht iedere baai aan de kust van Zuid-Amerika. Eerst den 12den janu-arij 1520 bereikte hij den mond van de La Plata. Van nu af had hij met ruwe weersgesteldheid en gevaarlijke klippen te kampen, en toen hij den 48sten graad zuider breedte bereikt had, zag hij zich genoodzaakt, de haven van St. Juliaan binnen te loopen en aldaar den winter af te wachten, die, zoo als bekend is, aan gene zijde van den evenaar in onze zomermaanden valt.

Hier leerden de reizigers voor \'t eerst een menschenras kennen, dat van ongemeene ligchaamsgrootte was; alle mannen waren zeven voeten of nog meer lang, waarom zij den Spanjaarden als een volk van reuzen voorkwamen. Hun aangezigt was rood geverwd, met gele strepen om de oogen en twee-hartvormige vlekken op de wangen. Zij waren in bont gekleed en wisten boog en pijl goed te hanteren. Ook aten zij in evenredigheid van hunne grootte zeer overvloedig. Magellaan had er twee gevangen, om deze wonderen van grootte mede

-ocr page 480-

450

naar Europa te nemen; van deze beiden at ieder dagelijks een zie

korf vol scheepsbeschuit en dronk in eens, zonder adem te ter

scheppen, een hal ven emmer water uit. De muizen sloegen zij de

raauw in het lijf. Magellaan noemde dit reuzeuvolk „Patagoniërs.quot; ge

Nu gebeurde echter wat hij sinds lang gevreesd had. Die- eei

genen zijner manschappen, die in Spanje vrouw en kind had- he

den achtergelaten, zagen geene reden, waarom zij dag aan ve

dag in onbekende wereldstreken en op onstuimige zeeën, om den 20

wil van een gelukzoeker, zich aan allerlei gevaren zouden bloot- te:

stellen. Om een doortogt door Amerika te zoeken, wilden zij be

den zekeren dood niet te gemoet gaan. Er ontstond een vree- st\' selijke opstand, waarin zij zich aan de aanvoerders der sche-

pen vergrepen en andere kozen, door welke zij terug gevoerd gf

wilden worden. Met groote schranderheid en met behulp van d\'

eenige getrouwen greep Magellaan hierop de voornaamste rad- glt; draaijers, liet hen ophangen en vervolgens vierendeelen, terwijl

een priester benevens een officier, die het scheepsvolk heimelijk n(

hadden opgezet, gelijk Eobinson, in de wildernis aan hun lot ni

werden overgelaten. k

Magellaan zeilde verder naar het zuiden en eindelijk, digt T

bij het Vuurland, bereikte hij de gewenschte doorvaart. Zij- d

ne vreugde was onbeschrijfelijk; nogtans werd zij hem ver- o

bitterd door het verlies van een zijner schepen, dat hij ti

had uitgezonden om eene baai te onderzoeken, en dat hem daar- z

na niet weder kon vinden. Een ander was vroeger door den o

storm op de rotsachtige kust verbrijzeld. Twintig dagen kruis- 1

te hij hierop in deze kromme en hoogst gevaarlijke straat c

rond, die nog tegenwoordig zijn naam draagt, en op den 27 o

sten november 1520 zag hij eindelijk met niet geringer vreugde l

dan Balboa op zijn bergtop de Zuidzee in hare gansche on- \\

metelijkheid. Een gunstige wind dreef hem nu dwars over den c

uitgestrekten oceaan zoo onafgebroken voort, en de hemel was lt;

zoo onveranderlijk helder, dat Magellaan zich genoopt vond, l

dezen oceaan de Stille zee te noemen. Drie maanden en i twintig- dagen gleden de schepen aldus voort zonder land te

-ocr page 481-

451

een zien. De levensmiddelen raakten op, drinkbaar water ontbrak

te ten eenenmale, en de zon schoot hare stralen bijna loodregt op

zij de hoofden der schepelingen. Alle manschappen werden on-

rs.quot; gesteld. Eindelijk, op den 6den maart 1531, bereikte men

)ie- eene groep eilanden en begroette met duizend vreugdetranen

ad- het land. Magellaan noemde die eilanden los La drones (Die-

ian veneilanden), omdat hij de bewoners zeer diefachtig vond, en

[en zoo heet die eilandengroep nog tegenwoordig. Het helderste wa-

ot- ter en een overvloed van verkwikkende vruchten deden in dit

zij heerlijk klimaat al zijne zieken in korten tijd volkomen her-

ee- stellen. Yooral heilzaam was de melk uit de kokosnoten. Van

ie- de Ladronen zeilde Magellaan hierop naar de door hem aldus

:rd genoemde Filippijnen. Hier echter geraakte zijn volk met

an de wilden in een gevecht, en Magellaan werd door een pijl

d- getroffen, zoodat hij kort daarop stierf (27 april 1521).

ijl Het overschot der weinige manschappen zette nu op de

jk nog overgeblevene twee schepen de reis voort, en op den 8sten

ot november bereikten zij het groote eiland Borneo. Van daar kwamen zij op Tidor, een der Molukken, waar zij reeds

*t Portugeezen vonden, die zich over de aankomst der Spanjaar-

ij- den niet weinig verwonderden, want van den kant van het

r- oosten hadden zij geene Europeërs verwacht. Weldra geraak-

lij ten de beide natiën in twist, en de bemanning van het eene

r- zeer beschadigde vaartuig moest zich aan de Portugeezen

n overgegeven, maar het andere schip nam met allen spoed mo-

5- luksche specerijen in en zette met deze lading zijne reis naar

it de kaap de Goede hoop voort. Zonder ongeval Werd de kaap

7 omzeild, en op den 4den november 1522 kwamen de zwaar

e beproefde reizigers eindelijk in de haven van Sevilla aan, van waar zij voor drie jaren vertrokken waren. Dit was alzoo

at de eerste reis om de wereld. Zooveel moeijelijkheden en

3 gevaren had het gekost, om de eerste kennis van onzen aard-

, bol te verkrijgen, eene kennis, die thans ieder kind met weinig

i moeite magtig wordt.

3 --Cf. ^^3$.

-ocr page 482-

.

,

-

.

;öd

.

\' V

-ocr page 483-
-ocr page 484-
-ocr page 485-
-ocr page 486-