-ocr page 1-

2)e Bevoegdheid en de Verplichting tevens

VAN DE

SYRode der Nederlandsehe Hervormde Kerk

TOT REGELING VAN HET

Beheer der Kerkelijke Goederen en Fondsen en liet toezicht daarop.

tPraeadvies

ongevraagd ter overweging opgedragen aan de JCer-keraden der Sfederlandsehe JCervormde JCerk door

Sen lid van het Classicaal cBestuur van c/Lrnhem.

Utrecht,

A. H. TEN BOKKEL HUININK.

1897.

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

2)e Bevoegdheid en de Verplichting tevens

VAN UE

SYnode der Nederlandsehe Herïormde Kerk^lt; ^.....■■

TOT REGELING VAN HET l *

Beheer der Kerkelijke Goederen en Fondsen en het toezicht daarop.

tPraeadvies

ongevraagd ter overweging opgedragen aan de kerker aden der cNederlandsohe JCervormde JCerk door

Cen lid van hef Qiassicaal J3estuur van Jlrnhem.

A. II.

Utrecht, TEN BOKlvEL IIUININK. 1897.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

C. 8.

Behoudens eenige geringe veranderingen en de toevoeging van het »Naschrift«, werd de hier aangeboden Studie in de Classicale Bestuurs-vergadering van Arnhem den Leden voorgelezen, om het, als praeadvies van het Bestuur overgenomen, ter vergadering van de Classis plenair bij die vergadering in te dienen. Het verschil van gevoelen, niet over de wenschelijkheid eener wettelijke regeling van het Beheer, zva7it daarover bestond geen verschil, maar over de bevoegdheid der Synode in deze was oorzaak, dat geen volledige eenstemmigheid verkregen werd. De Voorzitter maakte ernstig bezzvaar tegen het laten indienen van zulk een omstandig praeadvies om des tijds wil. Maar menige opmerking werd geacht een juist oordeel te geven over het wezen dei-Kerk — over hare volledige roeping en over den toestand waarin het Beheer thans verkeert. — De vraair werd

o

aan den daartoe aangewezen praeadvistur gedaan, igt;of er hij hem bezwaren zouden zijn, zijn arbeid door den druk onder veler aaiidacht te brengen vóór de komende vergadering ?«. Deze vraag werd beantwoord in ontkennende n zin. Tegen het in druk geven van zijne Studie, waarbij hij de vrijheid nam menig reeds door den druk verspreid woord over te nemen, omdat hij geene mogelijkheid zag zijne gedachten juister weer te geven dan zij, die over deze quaestie reeds schreven, hadden gedaan, bestond te minder bezzvaar, nadat hij zijn arbeid aan het oordeel van nog meerdere leden der Kerk had onderworpen.

-ocr page 8-

De arbeid, die hier ter overweging aan de Leden der Kerk ■wordt aangeboden, en inzonderheid aan de Kerkeraden, wier gecommitteerden eerlang in den weg van het geven van consideratie en advies aan den wetgevenden arbeid ten behoeve der kerk geroepen worden mede te werken, gaat geheel en alleen uit van den schrijver dezer regelen.

Het Classicaal Bestuur van Argt;ihem draagt als zoodanig niet voor een enkel woord de verantwoordelijkheid mede. De vier eerste regels heeft de Schrijver behouden om hem te dienen ter rechtvaardiging voor de vrijheid, die hij zich veroorlooft, geheel eigene) bewegitig, in de voorgestelde regeling van het Beheer een enkel tvoord mede te spreken. De arbeid van twee mannen, van wijlen Dr. S. S. de Koe en van Mr. IV. Heineken, is hem van onwaardeerbaar nut geweest. Die van wijlen Dr. S. S. de Koe wordt gevonden in diens »Vrijmaking der Friesche Kerk« in iSys uitgegeven, in vereeniging met hem door de heeren IV. M. Oppedijk en F. J. P. Moquette. Die van Mr. W. Heineken in diens: sDe Rechtstoestand der kerkelijke goederen bij de Hervormden,» in i8jj in 7 licht verschenen. Schrijver brengt door deze zijn hartelijken dank aan den heer F. J. P. Moquette en Mr. IV. Heineken voor het verlof hem gegeven, van hun arbeid, waar hem dit noodzakelijk voorkzvam, woordelijk gebruik te mogen maken. Zjn Studie wekke tot zelfstandig onderzoek en voor de Leden der Kerk, tot de erkentenis van de bevoegdheid, van de verplichting der Synode om ten einde te brengen, wat zij met de indiening van het Ontzverp Reglement begon te ondernemen, dan is de wensch vervuld van hem, die met de aanbieding van dit ongevraagd praeadvies niet anders bedoelt, dan de kerk der Vaderen te dienen in liefde.

-ocr page 9-

SYÏannen Jèroeders,

Aangewezen door onzen geachten Voorzitter, namens het classicaal Bestuur van Arnhem praeadvies uit te brengen over Art. IX: »Reglement op het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen der Gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk,*, heb ik deze moeielijke taak, zij \'t met zekeren schroom, dankbaar en bereidwillig aanvaard.

Door dit voorgestelde Reglement, \'t zij het wet worde of verworpen, wordt voorgoed of voorloopig eene zaak beslecht, die telkens, niet van de zijde der Synode, maar uit den boezem der gemeente werd naar voren gedrongen, omdat zij veler hart, dat van liefde en toewijding klopt voor het heil onzer Vader-landsche Kerk, met vrees voor de toekomst vervult.

Ten gevolge van den strijd, die bleef aangebonden tegen de wijze, waarop reeds sedert meer dan 25 jaren het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen wordt gevoerd, mag vals vaststaande^ worden aangenomen, dat naar veler oordeel het Beheer dier goederen niet op zoodanig eene wijze is geregeld, als werkelijk kon en moest strekken tot bevordering van den bloei der uitwendige belangen dier Gemeenten, die te samen vormen: gt;De Nederlandsche Hervormde Kerk.«

-ocr page 10-

6

Mag hier geen sprake zijn van een strijd van pruttelaars, van ontevredenen met bestaande toestanden, die allerwegen, op ieder gebied steeds worden gevonden, dan moet wederom yals vaststaande^ worden aangenomen. dat zij, die het Beheer der Kerkelijke goederen en fondsen uitnemend geregeld, ja, voor volmaking schier omvatbaar achten, evenmin als zij, die op voor zich deugdelijke gronden oordeelen, dat aan den be-staanden toestand een einde komen moet, den kinderen gelijk zijn, die om knikkers vechten, maar mannen, die van harte begeeren het belang der kerk te dienen, die hun lief is, ... . mannen, die hoe zware strijd het hun ook moge kosten bereid zijn, hunne overtuiging voor eene betere prijs te geven, als ze onder aanvoering van redenen moeten komen tot de erkentenis, voorheen te hebben gedwaald.

Twee hoofdvragen moeten bij de overweging van het voorgestelde reglement aan Uw oordeel worden onderworpen, wier beantwoording in bevestigenden of in ontkennenden zin het door U uit te brengen advies geheel en volkomen beheerschen.

De eerste vraag moet luiden:

»Is de Synode bevoegd de regeling van het Beheer aan zich te trekken r

De tweede, daaraan ten nauwste verbonden:

igt;Is de Synode daartoe verplicht?

Om op deze vragen het rechte antwoord te vinden, moeten wij meer doen dan ze, naar eene persoonlijk opgevatte meening beschouwen in het zeer recente licht, dat de geschiedenis der jaren 1866—1870 daarop vallen laat: Wij moeten daartoe, zij het ook in zeer korte trekken, onpartijdig voor ons laten spreken de geschiedenis van het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen sinds de Hervormde kerk in Nederland bestaat.

-ocr page 11-

7

Dit is te noodzakelijker naardien bij den toestand, waarin die quaestie thans verkeert, nu nog levenden betrokken zijn, die daarop rechtstreeks of zijdelings invloed geoefend hebben. Zal ons oordeel waarde hebben, dan moet het onpartijdig z\\]n. Voor animositeit, ze zij werkelijk of voorgewend, hebben wij ons bij bespreking en stemming met beslistheid te wachten.

Wij moeten uitgaan van deze stelling, dat niemand onzer persoonlijk bij de quaestie is geïnteresseerd ; dus persoonlijk niet het minste belang heeft bij welke regeling ook van het Beheer. In den weg van Consideratie en advies geroepen tot wetgevenden arbeid, mogen wij geen oogenblik vergeten, dat het beeld van Justitia geblinddoekt is. Deze opmerking heeft waarde, omdat er alle kans bestaat, dat een beroep op voor-loopige uitspraken van de rechtbanken te Utrecht en te \'s Hertogenbosch in zake het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen gewezen, middel zou kunnen zijn tot intimidatie. Een beroep op die uitspraken moet, zoodra het vernomen wordt, onvoorwaardelijk worden afgewezen, wijl, wanneer de quaestie in den weg eener afdoende procedure moet worden beslist, het hoogste Rechtscollege in deze zaak noch beslissing genomen, noch vonnis gewezen heeft.

Eer we echter komen tot de zaak zelve, moeten wij daaraan laten voorafgaan een enkel woord over het igt;wezenlt;i der Nederlandsche Hervormde Kerk en over de inrichting van haar Bestuur.

Wij zeggen zeker niet te veel, wanneer wij beweren, dat vele Leden der Nederlandsche Hervormde Kerk zich over beide zaken, die zeer onderscheiden zijn, zeer verkeerde en onjuiste voorstellingen vormen.

Uit eene rechte kennis van het wezen der kerk en van de inrichting van haar Bestuur kan ons alleen duidelijk worden hare volledige roeping, en zullen wij

-ocr page 12-

8

de verplichting kunnen onderkennen, die ten gevolge harer roeping te volbrengen op haar rust.

Niet zonder oorzaak spreken wij van de volledige roeping der kerk, daar ze door den loop der staatkundige gebeurtenissen te dikwerf zeer eenzijdig wordt beschouwd, als geroepen tot een naarstig volbrengen van slechts één deel der haar aangewezen taak. Wordt dit door ons voorbij gezien, dan maken wij ons schuldig aan iets, wat ons niet is geoorloofd n. 1. een partijdig oordeelen.

De Nederlandsche Hervormde Kerk, als genootschappelijke inrichting, is een op zich zelfstaand, zedelijk lichaam, door het burgerlijk recht als zoodanig erkend. Zij bestaat uit eene vereeniging, eene verzameling van plaatselijke Gemeenten (afzonderlijk of gecombineerd), die tot band heeft de voor al hare Leden even geldende en voor allen even verplichtende wetgeving, welke wij ons vinden voorgesteld in de Reglementen voor de Nederlandsche Hervormde Kerk van kracht.

Zij is echter ook nog iets anders dan dit, ze maakt als »kerk« of •gt;-gt; kerkgenootschap * een onderdeel uit van de Christelijke kerk. Zij kan haar karakter als »kerkquot;. alleen handhaven, zoolang zij streven blijft naar het bezit van het kenmerkend wezen der Christelijke kerk, waarvan zij een onderdeel is.

Naar Artikel 27 der Geloofsbelijdenis en Antwoord 54 van den Heidelberger Catechismus bestaat er over geheel de aarde, aan tijd noch plaats gebonden, overal, waar het Evangelie van Jezus Christus verkondigd en geloovig aangenomen wordt, eene vereeniging van ware geloovigen.

Die vereeniging is een koninkrijk, geestelijk van aard, niet van deze wereld. In dat Rijk is Jezus Christus de koning, terwijl daarvan ook gerekend moeten worden

-ocr page 13-

ware onderdanen te zijn ■ geweest zij, die voor Zijne verschijning in het vleesch, de Gods belofte van ver lossing uit de macht der zonde, geloovig hebben aanvaard en met een Abraham begeerig zijn geweest te zien, hetgeen in de volheid des tijds der discipelen oog mocht aanschouwen.

In dat koninkrijk, geestelijk van aard, zijn de onderdanen ten nauwste één door den band der liefde, gezegende viv.cht van hun geloof in God en Zijnen Christus. Den weg des heils, dien zij bewandelen moeten, vinden zij zich voorgesteld in den Bijbel, als de oorkonde van dat Rijk hun gegeven. Hun levensdoel moet zijn, de bevordering van den hoogsten trap van godsdienstig zedelijke ontwikkeling in ieder hunner persoonlijk, èn, langs dezen weg in geheel de menschheid.

Het onderdaan worden en blijven van dat Rijk voert en voedt derhalve de menschheid op tot de bereiking van haar eenig ware bestemming.

Het kenmerkend wezen van dat Rijk is Liefde, de openbaring dier Liefde naar buiten uit een rein hart, uit eene goede Conscientie, uit een ongeveinsd geloof hare heerlijke, hare gezegende vrucht.

Dat koninkrijk heeft echter, waar het onder menschen gesticht werd en uitgebreid moest worden, een uit--wendigen vorm aangenomen, bij zijn oorsprong onbekend.

De uitwendige vorm van dat Rijk door Jezus Christus gesticht heeft den naam gekregen van »kerk«, »Christelijke kerk*. Deze kerk heeft zich in den loop der tijden verdeeld in onderscheidene kerkgenootschappen, die van elkander verschillen in leerstellingen, instellingen, wijze van Bestuur en Regeering, en die zich naar de verschillende opvattingen der menschen, beurtelings eigenschappen en rechten boven elkander hebben toegekend en aangematigd.

-ocr page 14-

IO

De Leden dier kerkgenootschappen zijn dus de ware geloovigen, in vereeniging met die allen, die slechts den Naam van Christus belijden, die zich, door welke oorzaken ook door geboorte, doop of belijdenis uitwendig bij hen voegen of die geacht moeten worden tot hen te behooren.

Tot het getal dier kerkgenootschappen behoort mede in Nederland, tot heden, de Nederlandsche Hervormde, onze Vaderlandsche kerk.

De Leden dier kerk vormen, als belijders van den Naam des Heeren Jezus Christus die Hem naar de Schriften in overeenstemming met de leer, met de belijdenis dier kerk willen dienen in oprechtheid des harten, plaatselijke Gemeenten, die, door den band der voor allen even geldende, — voor allen even verbindende wetgeving vereenigd, te zamen vormen het Kerkgenootschap.

De leer, de belijdenis der kerk, zoo even genoemd, kan in korte woorden voor al hare leden dus worden saamgevat: »Wij verwachten onze zaligheid van Gods genade in Jezus Christus, door de verzoening ons aangebracht en verworven door Zijn leven en sterven, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Als discipelen van onzen Heiland erkennen wij de volle be-teekenis van het gebod der Liefde door Hem ons gegeven, en is voor ons de gehoorzaamheid aan dit gebod plicht. . . . uit dankbaarheid !

In\' het wezen dier kerk, gelijk wij in hoofdtrekken hebben omschreven, ligt het ééne deel harer heerlijke roeping.

Zij begeert niet te zijn een heerschappij, een aardsche macht in het maatschappelijk, het staatkundig leven, m. a. w. een imperi m in imperio. Hare roeping is een geheel andere, veel uitnemender en daarom ka7i

-ocr page 15-

11

haar streven nooit daarheen zijn gericht. Hare werkzaamheid geldt niet de uitwendige, de maatschappelijke belangen harer Leden, even zoo min als hi nne bloot verstandelijke ontwikkeling. Hare werkzaamheid geldt de ontwikkeling, de versterking in hare Leden van hunne hoogste, van hunne zedelijk godsdienstige vermogens. Het is er haar om te doen, mede bevorderlijk te zijn aan het heil van onsterfelijke zielen. Door hare werkzaamheid wil zij raadgevend, vermanend, zoo noodig bestraffend invloed oefenen op het leven dergenen, die zich geheel vrijwillig en ongedwongen bij haar blijven voegen en alzoo door hare werkzaamheid in zedelijken zin, aan een recht maatschappelijk leven bevorderlijk te zijn, hieraan gedachtig niet alleen, maar hiervan ten volle verzekerd, dat gerechtigheid een volk verhoogt, maar dat de zonde een schandvlek is der natiën.

De Leden der Nederlandsche Hervormde Kerk, wenschen der machten over haar gesteld onderdanig te zijn in het staatkundig, in het maatschappelijk leven, altijd met dit ééne voorbehoud, dat ze open en eerlijk steeds waken voor de handhaving hunner wettig verkregen rechten aan de genootschappelijke inrichting verbonden en gewaarborgd, en dat ze voortdurend een open oog hebben voor de handelingen van allen, die, hoewel Leden der kerk zich noemende, \'t zij ze in dienst staan van eene der kerk vijandig staatkundige partij, \'t zij zij daarmede indirect heulen, der kerk, — om de bedoelingen dier partij te doen zegevieren, in de naaste of in een nog meer verwijderde toekomst, onberekenbare schade zouden toebrengen.

Bestaat, zooals wij gezien hebben, het wezen der kerk, naar welks bezit als kenmerkende eigenschap het kerkgenootschap heeft te streven, in de geestelijke ver-eeniging der geloovigen, — het kerkgenootschap heeft

-ocr page 16-

12

als genootschappelijke inrichting behoefte aan maatschappelijke instellingen, en aan een meer geregelden vorm, welke vorm echter, wijl hij iets bijkomends is, altoos voor verbetering vatbaar blijft.

Ook in de Nederlandsche Hervormde kerk behooren alle dingen eerlijk en met orde te geschieden. Daartoe zijn haar nnodig wetten, waarnaar zij wordt geregeerd, zijn haar noodig Eesturen, die de wetten handhaven en voor hare belangen waken. Daartoe is haar noodig in den geest van het burgerlijk recht rechtspersoonlijkheid, moet zij door het Staatsgezag bezitten de erkenning als zedelijk lichaam. Het is een onbetwistbare waarheid dat de Nederlandsche Hervormde kerk, als -»2ede lijk lichaam* erkend, rechtspersoonlijkheid bezit Het spreekt van zelf, zonder nader betoog, dat dus in die kerk als »rechtspersoon« van een waken of van een opkomen voor tegenstrijdige belangen geen sprake kan zijn.

Een zichtbaar opperhoofd erkent de Nederlandsche Hervormde kerk niet. Jezus Christus is van Zijne Gemeente het Hoofd ; Hij is van de Kerk, welker deelen zijn de kerkgenootschappen, de Koning.

De Nederlandsche kerk kent Besturen, die, in naam onderscheiden, ieder voor zich in den hun aangewezen werkkring, tot bevordering van haren bloei en welstand behooren mede te werken.

Republikeinsch van aard, handelen zij in alles zelfstandig, maar niet oppermachtig, gebonden als zij zijn en zich achten door de geldende bepalingen van het Algemeen Reglement.

Naar luid van Artikel 11 van dit Reglement moeten de zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in \'t algemeen, als voor die van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de bevordering van Christe-

-ocr page 17-

13

lijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, de aankweeking van liefde voor Koningin en Vaderland steeds het hoofddoel zijn van allen, die in de onderscheiden betrekkingen met het kerkelijk Bestuur zijn belast.

De algemeene belangen der Gemeenten, behoorende tot de Nederlandsche Hervormde kerk, (we hebben dit met het oog op de quaestie, tot wier behandeling wij weldra genaderd zijn, niet te vergeten,) zijn toevertrouwd aan de Algemeene Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt.

Bij haar, de Synode, berust de hoogste, wetgevende, rechtsprekende en besturende macht, onder de verschillende waarborgen in het Algemeen Reglement en de bijzondere Reglementen vastgesteld.

Zij stelt de Reglementen vast, die voor geheel de Kerk, voor al hare Leden persoonlijk verbindend zijn, doch zij doet dit niet eigenmachtig. Zij begint met Reglementen te ontwerpen of aanvullingen of verande ringen in artikelen van bestaande Reglementen, wanneer haar dat noodzakelijk voorkomt of ook, wanneer voorstellen daartoe bij haar worden ingediend van de zijde der de kerk vertegenwoordigende vergaderingen en besturen, óf óok wanneer dit geschiedt door leden der kerk afzonderlijk.

Na ampele bespreking en voorbereiding worden nieuwe wetsvoorstellen voorloopig vastgesteld en daarna aan de Provinciale kerkbesturen en de classicale Vergaderingen toegezonden om Consideratie en advies. Zij neemt van de haar toegezonden Consideraties en advie-sen kennis, en maakt daarvan naar eigen oordeel gebruik. Acht zij het nu nog wenschelijk dat deze door haar ontworpen Reglementen, of veranderingen, of aanvullingen in bestaande Reglementen zvet worden, dan

-ocr page 18-

14

onderwerpt zij deze aan de eindstemming der Provinciale Kerkbesturen. Is deze eindstemming in goedkeurenden zin, dan eerst stelt zij die Reglementen, of veranderingen, of aanvullingen in bestaande Reglementen vast.

Als finaal aangenomen, worden ze daarna door de Synodale Commissie uitgevaardigd en zijn ze van het oogenblik, waarop de in werking treding is vastgesteld, verbindend voor al de Leden en voor al de Besturen der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Dikwerf, Mannen Broeders ! hooren wij over de Synode onzer Kerk spreken op een minder betamende en eerbiedige wijze. Men laat het, hoezeer we gezien hebben geheel ten onrechte, voorkomen alsof zij alle macht in handen heeft en alsof zij de kerk regeeren kan in den geest van de meerderheid harer toevallige Leden.

Laten wij deze dwaasheid, deze ignobele handelwijze overlaten aan hen, die alzoo spreken uit onkunde, óf uit vijandschap tegen de Kerk zelve, ook waar die vijandschap zich met het mom der liefde voor die kerk en hare hoogste belangen, dekt.

\'Komen soms van de zijde der Synode voorstellen, die den belijder van Christus dierbaar Evangelie den blos der schaamte en der verontwaardiging naar de kaken jaagt; die daad der Synode moet ons, in plaats van ons in drift te doen opstuiven, stemmen tot diepe verootmoediging. Wij moeten daartoe komen, als we ons slechts onpartijdig in ons oordeel daarover willen laten leiden.

Hetgeen de meerderheid der Synode .dan begeert, is de uiting van de stemmingen in de grondvergaderingen onzer Kerk, in onze eigen Classicale vergaderingen gehouden. De Classicale vergaderingen toch kiezen niet alleen de Leden van het Bestuur in eigen Classicaal Ressort, maar ook bij toerbeurt de leden der

-ocr page 19-

IS

Provinciale Kerkbesturen, die wederom uit hun midden de Leden ter Synode afvaardigen. De meerderheid in de Synode is dus de vrucht van het hoogst gewichtig werk der stemmingen in de Classicale vergaderingen gehouden. Elk Lid der Hervormde kerk, die als Ouderling of Predikant, ter Classicale vergadering opgaat, heeft aan den morgen van dien dag oorzaak te over, in den weg van het ootmoedig gebed, in den naam des Heeren Jezus Christus, van God wijsheid te vragen bij de keuze die hij moet doen, en bij het advies, dat hij heeft te geven in zake de voorstellen die hem ter overweging worden aangeboden.

Wie als soit dit orthodox zich van stemming onthoudt of van de vergadering terugblijft om naar zijn meening, als wij het zoo eens zeggen mogen, der Synode een hak te zetten, slaat zich-zelf in het aangezicht en miskent zijne roeping.

Wie door persoonlijke sympathiën of antipathiën, of door jacht op menschengunst, zich leiden laat bij keuze of stemming, behoort zich geen waardig lid der vergadering te achten, omdat hij, die een belijder van Christus zich noemt, in dit geval, niet staat of valt Zijnen Heer, maar een zondig menschenkind van gelijke beweging als hij zelf is. Wie in den weg van het geven van advies geroepen wordt mede te werken tot wet-gevenden arbeid, behoort dat, na ernstige voorbereiding, zelfstandig te doen. Hij heeft zijn weg te gaan zonder naar rechts of naar links te zien.

Toch zal de Synode, al komt van tijd tot tijd hare meerderheid met voorstellen ter tafel van de classicale vergaderingen om consideratie en advies, zich duizendmaal bedenken, aan de eindstemming der Provinciale Kerkbesturen te onderwerpen nieuwe Reglementen of aanvullingen of veranderingen in bestaande Reglementen, waardoor het kenmerkend, het belijdend, het Christelijk

-ocr page 20-

i6

Caracter der Kerk zal worden prijsgegeven. Zich zelf en de kerk, die zij vertegenwoordigt, te willen schrappen uit de gemeenschap der Christelijke kerk, dat durft, dat vermag zij niet.

En daarom mag elk waarlijk belijdend lid der kerk, die de ervaring raadpleegt, met het oog op de toekomst doch bovenal \'t eerst en \'t meest in d(en geloove naar Boven gericht, verwachten, dat de Nederlandsche Hervormde kerk, met prijsgeving van haar geloof in God en Zijnen Christus, zich niet onmogelijk en tot eene aanfluiting harer vijanden maken zal.

En hiermede. Mannen, Broeders! meenen wij in zeer korte trekken U onpartijdig te hebben gegeven een juiste omschrijving van het wezen der kerk eu van de inrichting van haar Bestuur.

Meer in het bijzonder moeten wij nu, waar wij het ééne gedeelte harer roeping U hebben uiteengezet, uwe aandacht vrasren voor het andere deel harer taak n.1. de behartiging der stoffelijke belangen der Gemeenten in het algemeen, en van het Beheer dier fondsen, die tot bijzondere doeleinden zijn in het leven geroepen om noodlijdende Gemeenten en personen te ondersteunen, of der belangen der kerk bevorderlijk te zijn.

Volgens Artikel 64 van het Algemeen Reglement gaat, in den weg U genoemd, de besturende macht der Synode »over de algemeene belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk, èn, in het bijzonder, over alles, zvat den openbaren godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft\'\' door welke ^instellingenquot; wel niet anders kunnen worden bedoeld dan ^instellingen van zuiver Kerkelijken aard\'1.

Om misverstand te voorkomen, dat ten aanzien van het Reglement op het Beheer der Kerkelijke goederen en fondsen, veler brein benevelt, noemen wij U één

-ocr page 21-

i7

der hoofdbezwaren tegen het recht der Synode tot het aanbieden van dit Reglement ingebracht. Men zegt: In het Algemeen Reglement lezen wij Artikel 61 : »Bij de Synode berust de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht. In dit Artikel evenmin als ergens elders in het Algemeen Reglement, lezen we iets van eene »heheerende\'\'\' macht, die ook aan de Synode is gegeven. Daardoor vervalt dus van zelf het recht dei-Synode om zich eene heheerende macht toe te kennen.

In antwoord op dit bezwaar vragen wij: »Gaan zij, die dus redeneeren, niet af op een klank, waar zij zich niet kunnen ontworstelen aan de gedachte, dat Eestuur en Beheer in de Kerk altoos zijn gescheiden geweest ?

Met de voorstelling van dat nontzverp Reg lemen f\\ mag er niet één oogenblik sprake zijn van eene ygt;be-heerende^ macht, die de Synode zich ten aanzien der goederen en fondsen van de Gemeenten der Nederland-sche Hervormde Kerk zou willen aanmatigen.

De Synode denkt-er niet aan nhet beheer\'\' der kerkelijke goederen en fondsen aan zich te trekken. Als de hoogste besturende macht, wil zij alleen het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen, dat op het oogenblik in den meest ordeloozen toestand verkeert, regelen, zoowel als hef toezicht daarop. De Synode laat het Beheer geheel en al ter plaatse waar het behoort, n.1. bij de Gemeenten zelve, doch wil, krachtens de op haar rustende verplichting, te gelijkertijd daarvoor waken, dat door willekeur, verzuim of onachtzaamheid, die instellingen van zuiver kerkdijken aard, waartoe ongetwijfeld de kerkelijke goederen en fondsen behooren, langer schade lijden, gelijk dit op meerdere plaatsen geschiedde tot heden, èn, door eene wettelijke regeling op het beheer dier fondsen en goederen, der Gemeenten het ongestoord bezit in de toekomst waarborgen en verzekeren.

-ocr page 22-

18

Zij is het bij de wet aangewezen ■gt;zedelijk lichaam\'\'\' dat de kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt, volgens Artikel 55 van het Algemeen Reglement.

De Synode denkt er niet aan onder zich te doen berusten het beheer der kerkelijke goederen en fondsen, die niét zijn het eigendom der kerk, maar van de plaatselijke Gemeenten zoolang deze blijven in het verband der Kerk. Haar Quaestor-Generaal zou zeker hartelijk bedanken voor de zorg en\' de moeite aan de kerkelijke administratie van al de Gemeenten verbonden,- die te samen uitmaken »De Nederlandsche Hervormde Kerk.

De Synode is volkomen tevreden met het Beheer der fondsen, te beheeren aan haar opgedragen. Zij wil alleen doen, uitvoering geven aan het bepaalde in Alinea 1 van Artikel 65 Algemeen Reglement d. w. z. de nadere bepalingen ontwerpen, met het kennelijk doel die ontworpen bepalingen in den voorgeschreven weg, ïvet te doen worden, ten aanzien van de administratie der bijzondere kerk-pastorie en andere Gemeentefondsen en de betrekking derzelver Bestuurders en de Kerkeraden.

Hiermede meenen wij op voldoende wijze het bezwaar te hebben ontzenuwd van allen, die »de bevoegdheidquot; der Synode, tot het aanbieden van het voorgestelde Reglement betwijfelen, omdat in het Algemeen Regle-menr niet staat geschreven, dat ook aan de Synode ~igt;de hoogst heheerende machf\' is opgedragen. In het Algemeen Reglement is er geen plaats voor eene Be-heerende macht. De besturende macht haar opgedragen regelt alleen de wijze van Beheer en het toezicht daarop, gelijk eveneens de Synode krachtens de hoogste besturende macht, in den voorgeschreven weg van wetgeving, geregeld heeft het Beheer der Diaconale goederen en fondsen, die evenzoo goed als de kerke-

-ocr page 23-

\'9

lijke het eigendom zijn en blijven der Plaatselijke gemeenten, zoolang deze blijven in het verband der Kerk.

Tot geruststelling van allen, die meenen de bevoegdheid der Synode tot het voorstellen van het „Ontwerp Reglementquot; te moeten in twijfel trekken met een beroep op den exceptioneelen toestand, waarin de Gemeente van Amsterdam en tot haar nog eenige andere Gemeenten verkeeren, die altoos vrij zijn geweest in de behartiging en regeling van het Beheer harer kerkelijke goederen en fondsen, verwijzen wij naar het naschrift, waarin wij de gronden die werkelijk rationeel zijn geweest tot heden voor dien exceptioneelen toestand, naar de ten dienste staande bron zullen aangeven.

Wij hebben de twee hoofdbezwaren genoemd die voor vela leden der kerk, naar ze doch ten onrechte meenen, bestaan om de bevoegdheid der Synode in in de aanbieding van het voorgestelde Ontwerp Reglement te pleiten.

Doch nu ook ter zake :

Het voornemen der Synode om de regeling van het Beheer langs wettelijken weg door een „Ontwerp Reglementquot; aan zich te trekken, staat geschreven in het Algemeen Reglement, dat tot dagteekening van in werking treden draagt, / Mei 1852.

Het is U niet onbekend, dat bepaalde data tot verklaring eener zaak, beteekenis kunnen hebben van overwegend belang. De datum 1 Mei 1852 heeft zulk eene beteekenis.

De toenmalige Synode heeft zich bevoegd geacht, nadere bepalingen in zake de Beheersquaestie te ontwerpen.

Ware die Synode zich harer bevoegdheid in dezen

-ocr page 24-

20

niet ten volle bewust geweest, zij zou zich zeer zeker niet aan de enorme dwaashefd hebben schuldig gemaakt in de grondwet der kerk een voornemen kenbaar te maken, dat weerspraak wekken moest en ook zeker zou weersproken zijn.

Dan, niet alleen in Artikel 65 Alinea I ook in de Artikelen 21, 43, 51 en 70 wordt het Toezicht op het Beheer en de regeling van het beheer geacht tot de bevoegdheid der Synode te behooren.

Slechts eenmaal, in Artikel 51, wordt melding gemaakt van het Provinciaal college van toezicht. Doch een beroep op dit artikel, ten bewijze dat in het Algemeen Reglement, de grondwet der kerk, aan het college van Toezicht eene zekere macht op het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen wordt toegekend, zou de dwaasheid zelve zijn, en eene voorgewende of grove onkunde in ons kerkrecht verraden!

In 185 2 had het college van Toezicht eene geheel andere beteekenis en een geheel anderen werkkring, dan het college van Toezicht dat zichzelf in 1870 dien naam gegeven heeft. Zooals we nader zullen aantoonen echter geheel ten onrechte.

Vraagt ge verwonderd ; Maar, waarom geeft de Synode in 1896 dan eerst uitvoering aan Artikel 65 Alinea I van het Algemeen Reglement ?

Het is: omdat het voornemen der Synode in 1852 uitgesproken, tot 1866 door force majeure werd verhinderd; Omdat de Synode in 1866—1869 in hare vrijheid van handelen op voor haar vernederende wijze werd beperkt en de toestand in 1870 geboren, zoo splinterig werd, dat zij zich in de jaren daaraan volgende, heeft schuldig gemaakt aan een niet te rechtvaardigen, hoezeer ook tot op zekere hoogte te verontschuldigen verzuim, voor welks herstel wij der Synoden van 18514,\'95 en \'96 niet anders dan van harte dankbaar kunnen zijn.

-ocr page 25-

2 I

Van de kerk wordt thans door het haar vertegenwoordigend hoogste gezag in den daartoe aangewezen wettigen weg de macht gevraagd om op vasten grondslag te regelen tene zaak, die de instandhouding van den openbaren godsdienst en van de kerkelijke instellingen van zeer nabij betreft, waarbij tot geldelijke schade der kerk millioenen schats op het spel kunnen komen te staan, waardoor de belangen der kerk niet anders dan op eene harer waardige wijze kunnen worden gebaat.

Bevreemdend moet het klinken voor een in deze zaken niet ingewijde, dat, waar de Synode in 1852 zich bevoegd achtte tot het ontwerpen eener afdoende regeling van het Beheer, nu, 45 jaren later, de bevoegdheid der Synode daartoe wordt betwist en in twijfel getrokken en gevraagd moet worden: ....

»Is de Synode bevoegd de regeling van het beheer en het Toezicht daarop aan zich te trekken,* m. a. w. heeft de Synode het recht, door dit te doen, in te grijpen in den wil der plaatselijke gemeenten, van welke een zeer willekeurig bepaald aantal leden sinds 1870, tot heden zelf beslistte welke wijze van beheer zij voor zich het geschiktst en het nuttigst achtten, n.1.

Z. g. n. „Vrij Beheer F\' of z. g. n. „Beheer onder Toe zich t rquot;

In werkelijkheid is echter door den exceptioneelen toestand, waarin het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen verkeert, de vraag naar de bevoegdheid der Synode om deze quaestie te regelen niet bevreemdend, inzonderheid van de zijde dier gemeenteleden, die daarbij direct zijn geïnteresseerd ; die, hetzij als leden der colleges van Toezicht, als het zoo eens mag worden gezegd, meenen bij verjaring, „rebus ipsis etjactisquot; recht te hebben verkregen de Gemeenten te dienen, zoo goed en zoo kwaad als dit gaat, die zich bij deze colleges z. g. n. hebben aangesloten; of, die als leden der Ge-

-ocr page 26-

22

meente vrijivillig tijd en kracht hebben gegeven het Beheer harer goederen en fondsen met de meeste toewijding te behartigen.

Willen wij der waarheid hulde doen, dan laat, enkele grootere gemeenten in ons vaderland uitgezonderd, de quaestie van het Beheer, overal waar dat ordelijk, zonder knoeierij wordt gevoerd de leden der gemeenten, zoo ze niet worden opgezweept, ten eenenmale koud.

Voor de gemeenten zelve komt het er echter wel degelijk op aan, of zij, die toezicht houden op het Beheer, dan wel of zij die zelve het Beheer voeren, rechtskracht bezitten om voor de belangen, niet van twee, of drie, of honderd, maar voor de belangen van al de Gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk in de bres te springen en die belangen voor den Burgerlijken rechter te verdedigen, wanneer te eeniger tijd door eene Staatkundige Coalitie, b. v. Rome, de radicalen en Kuyper, of door eene Staatkundige partij, verkregen en tot heden gewaarborgde rechten worden aangetast en waardeloos verklaard. „

Zeer zeker toch is het dat het d. g. n. Algemeen College van Toezicht de stoffelijke belangen van de Gemeenten onzer vaderlandsche kerk niet vertegenwoordigt; dat het zijn naam geheel ten onrechte draagt. Zonder woordenzifterij moet dit College, om zich »«/-gemeen« te kunnen noemen, ook salgemeen« zijn, en moet het een rechtsgeldigen titel kunnen aanwijzen, waardoor het zijne macht over alle Gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk kan toonen. Gesteld voor een oogenblik de mogelijkheid, dat alle Gemeenten zich nu bij dit College wilden aansluiten, dan zou het geene macht, ge n rechtstitel kunnen aanwijzen b. v. de Gemeente Amsterdam en Utrecht en het kleinste dorpje in Frieslands Veenen, als deze van het Beheer onder Toezicht niets willen weten, tot aansluiting te

-ocr page 27-

23

dwingen èn . . glansrijk zou het zijn recht op den naam van n Algemeen College van Toezicht € hebben verspeeld.

Zonder ook maar eeniger mate te anticipeeren op de consideraties en het advies door U te geven op het voorgestelde Reglement, mogen wij allen der Synode hulde brengen voor de daad van moed, hierin betoond, dat zij wil Dcénheidu in de wijze van Beheer, dat zij, eer het wellicht te laat is, wil herstellen, wat door hare voorgangsters is verzuimd, dat zij der Hervormde Kerk, en daarmede der Gemeente des Heeren, voor wier belangen zij heeft te waken, verzekeren wil het voortdurend recht op hare bezittingen en inkomsten, door haar in wettigen weg verkregen en tot heden haar gewaarborgd.

Gemis aan eenheid pleit tegen den bestaanden toestand en stelt het recht der kerk op hare bezittingen en eigendommen voor de Gemeenten, die zij vertegenwoordigt, op losse schroeven. Nimmer mag, voor wie het met de kerk wèl meent, ook in zake het Beheer harer goederen en fondsen gelden het: »Elck te at zuils •lt;.

Wenschen de Leden der Hervormde Kerk in het staatkundig, in het maatschappelijk leven onderdanig te zijn der machten over haar gesteld; op cigni gebied, in eigen Kring behoort de kerk, zoo ver dat met de goede orde, met recht en wet bestaanbaar is, zich vrij en onbelemmerd te kunnen bewegen. Zij moet niet alleen vrij zijn in de behartiging der belangen, die den geestelijken bloei, en opbouw, en wasdom harer Leden betreffen, maar ook en evenzeer vrij in de behartiging dier zaken, die den uitwendigen toestand van haren Eeredienst raken. Zij mag, als zij in wettigen weg de gelegenheid zich daartoe geopend ziet, niet toelaten, dat alles, wat op het stoffelijk welzijn der gemeenten betrekking heeft, aan haar toezicht onttrokken blijve.

-ocr page 28-

en dat te minder naar mate zij door haar handelend optreden groote wanorde en schromelijk nadeel voor de kerk voorkomen kan.

Niet alleen is de regeling van het Beheer op vasten grondslag noodig, maar ook, dat de reorganisatie geschiedt van dat Beheer door haar alleen, aan wie dat behoort n. 1. door de Kerk zelve en wel door het haar vertegenwoordigend hoogste gezag dat dit niet eigenmachtig doet, maar in den voorgeschreven, wette-lijken weg.

Naar het oordeel van den Minister van den Hervormden Eeredienst, Mr. J. A. Jolles fn 1861 is het aan den Staat en niet aan de Hervormde Kerk te wijten, dat het Beheer harer goederen nooit van wege de Kerk is geregeld geweest.

Naar het oordeel van den Heer van Eysinga, in 1875 lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal, moet (ondubbelzinnig uitgesproken) weggenomen worden al wat de Kerk verhindert tot het Beheer harer goede-deren te komen, omdat de Kerk daarop recht heeft en daartoe komen moet.

Naar het oordeel van den toemaligen Minister van Justitie is aan de Kerk, reeds door de wel van 1853, geheel vrijgelaten de regeling van het Beheer, aangezien deze wet in haar eerste Artikel bepaalt, dat de kerkgenootschappen vrij zouden zijn in het regelen van alles, wat hun godsdienst en de uitoefening daarvan betreft.

Had de Heer van Eysinga beweerd, dat de zaak toch eigenlijk de Kerk niet aangaat, daar het is ecne quaestie betrekkelijk het Beheer; de minister deed daartegen opmerken, dat dit Beheer daar toch uitsluitend op de uitoefening van den godsdienst betrekking had, reden waarom naar Zijne overtuiging deze zaak van Kerkelijk Beheer, hare oplossing alleen kan vinden bij de kerkelijke autoriteit, onder welke au-

-ocr page 29-

toriteit dan niet wordt verstaan nde synode* maar ygt;de plaatselijke kerkelijke autoriteit.«

Het komt den Minister voor, dat, wanneer de quaestie van het Beheer wordt ontdaan van alle windselen, die er aan verbonden zijn, maar er niet toe behooren, en men haar terug brengt tot hare zeer eenvoudige pro-portiën, zij zonder eenige tusschenkomst van het Staat-gezag, dus geheel binnen de grenzen van het kerkelijk gebied, wel degelijk zal kunnen worden geregeld, en dat men zal moeten toegeven, dat de tusschenkomst van het Staatsgezag evenmin noodig is om de zaken van de Kerk te regelen wat het Beheer betreft, als die noodig is, wat betreft het Bestuur.

Het jaar 1875, daar genoemd, voert ons in gedachten naar den strijd over de vrijmaking der friesche kerk in zake het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen, en het recht der Gemeenten, tot het zelfstandig beroepen van Predikanten in den wettelijken weg, een strijd waarop we nog nader moeten terugkomen, doch waarheen wij hier reeds verwijzen, om U met het woord, toen door den Minister van Justitie gesproken, alleen te bepalen bij de fout der regeering begaan in 1866, dat zij zich naar het oordeel van Hem, Minister, gemengd heeft in de regeling van de zaken van het Beheer, hetgeen eene zaak is van zuiver kerkelijken aard. Tevens willen wij U, met onze verwijzing naar deze woorden, toenmaals gesproken, nota doen nemen van het feit, dat de minister nog in 1875 zich schuldig maakt aan hetzelfde euvel, dat hij in den Heer van Eysinga bestrijdt, wanneer hij n. 1. niet de synode, maar de plaatselijke gemeenten tot die regeling geroepen acht, dus, zelf een oordeel uitspreekt over eene zaak van zuiver kerkelijken aard. We willen U nota doen nemen van het feit, dat, waar de Kerk tot 1866 verkeerd heeft in een staat van onmondigheid sinds de Hervorming, het in 1866 best is te verklaren, dat èn

-ocr page 30-

20

de mondigverklaarde en haar voormalige voogd moeite hadden zich elk het zuiver gebied, de juiste plaats aan te wijzen, waarop beiden van nu aan moesten staan. De voormalige voogd vreesde voor groote wanorde als hij der mondigverklaarde, vrij spel liet over haar kapitaal en bezit, en de mondigverklaarde deed iets, wat juist tot groote wanorde meer dan 25 jaren aanleiding gegeven heeft Zij handelde nog in i865, toen zij waarlijk weid vrij verklaard, nadat haar reeds sinds 1853 de vrijheid was toegezegd, volgens een last, die de voormalige voogd haar oplegde, zonder het recht daartoe te bezitten.

Allen weten wij, dat sedert de Hervorming tot de wet van 1853 toe, de Kerk geen vrije beschikking heeft gehad in de regeling van haar Beheer. Die beschikking heeft de Staat zoolang hij geordend was, vóór en na de revolutie, tot 1866 toe aan zich gehouden. De Kerk kende in 1852, krachtens de gemaakte bepalingen in het Algemeen Reglement, den 1 Mei in werking getreden, hare roeping, zoodra zij zou zijn vrij verklaard ; doch, ontrouw werd zij aan hare roeping, toen zij zonder tegen te spreken toeliet, dat haar vertegenwoordigend Hoofd, de Synode, bukkend voor den wil des Konings, genoegen nam met het Besluit van 9 Februari 1866, waarbij de tot nu vigeerende Provinciale Colleges van Toezicht verklaard werden op te houden te bestaan en voor een tijdvak van drie jaren, 1 April 1866 — 1 April 1869, werd in \'t leven geroepen een Algemeen College van Toezicht, dat in last had het Beheer voor de Kerk, ten behoeve der Kerk te regelen, en in welk College, volgens den wil des Konings, slechts drie Leden der Synode mochten zitting hebben naast 11 andere mannen, daartoe uit de 11 voormalige Provinciale Colleges van Toezicht door den Koning aangewezen. Toen heeft de Synode, zonder het recht der Kerk te erkennen, haar plicht verzuimd en verzaakt.

-ocr page 31-

27

Toen is niet geschied, wat had moeten geschieden. Vandaar de verwarring in het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen, waaronder de Kerk nu reeds meer dan 25 jaren zucht, en waardoor zij hoe langer zoo meer hare rechten op beheer en goederen op losse schroeven zet. De Synoden van 1894, \'95 en \'96, herstelden dat verzuim en vragen van dat wij in 1897 zullen doen wat in 1866 had behooren te geschieden, n. 1. haar te machtigen: de quaes tie va)j. het Beheer imvettigen weg te regelen.t. Sinds 1866 is de Kerk afgehouden van haar recht. De toestand, die sinds 1866 heeft geheerscht, vertegenwoordigt een krenking van het recht der Kerk. Alle Artikelen in het Algemeen Reglement u genoemd, rakende het Beheer der goederen en fondsen, staan daar beslist, absoluut met het volste recht. Dank der Synoden, die den moed hebben gehad, tegen elke bedenking en elke weerspraak in, dit recht te willen handhaven. En de Kerk zal komen tot haar recht, als zij zelve het ter hand neemt en naar hare inzichten regelt. Geheel terecht verklaart de Hoogleeraar Goossen: „Er moet zijn in zake het Beheer een wetgevend gezag dat tot heden ontbreekt. Wie moet dat scheppen r Slechts één antwoord is hierop mogelijk n.1. dit; »dat moet het kerkgenootschap zelf doen ... of ... de Synode, die het vertegenwoordigt. Zoo is het in alle landen [jvij voegen er aan toe. zoo was het ook in de Hervormde Kerk in Nederland, tot g Februari 1S66 toe.). Overal is eene voor alle gemeenten geldende regeling van het Beheer uitgegaan van den Staat of van de kerk, en is het toezicht daarop aan bepaald aangewezen lichamen opgedragen. Men mag dus wel vragen: Welke is toch de grond waarom men in Nederland aan zulk eene wetgevende macht niet wil? De Synode denkt er niet aan om te treden in het recht der gemeenten op het bezit en het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen ; {even min. zoo

-ocr page 32-

28

voegen wij er aan toe, als zij er ooit aan gedacht heejt te treden in de rechten der Gemeenten op het bezit har ei-Diaconale goederen en fondsen) maar er behoort toch eene wetgevende macht te zijn die regelen stelt voor het Beheer. Wij hebben hier te doen met een algemeen belang van de Kerk, en het behoort tot de roeping der Synode dat belang te behartigenquot;.

Mannen Broeders ! De Synode is daartoe gedwongen niet door eerzucht, niet door heerschzucht, maar door den drang van de zijde der Gemeenten zelve, van de zijde harer Classicale vergaderingen, van de zijde der kerkelijke Besturen zelve.

32 Classicale vergaderingen, 44 Kringen, 206 Kerkeraden en bovendien een groot aantal Leden der Gemeenten, die allen in hoofdzaak adhaesie betuigden aan het welbekende adres van den Hoogleeraar F. Canne-gieter, hebben mede gewerkt tot het feit dat de Synode van 1894 gekomen is, tot de voorbereidende werkzaamheden, waarvan de vrucht thans wordt gezien in het vragen van Uw oordeel en van Utven raad in deze voor de kerk zoo hoogst belangrijke zaak.

Wij constateeren het feit dat zeer vele invloedrijke en achtenswaardige Leden der Kerk de wenschelijkheid eener regeling, gelijk thans wordt voorgesteld, vrijmoedig en openlijk uitspreken, die echter geen adhaesie hebben durven betuigen aan het adres van den Hooe-leeraar T. Cannegierer, gedreven door de slechtste van alle raadgeefsters n.1. hde vrees.«

Door sommigen wordt de wensch geuit: Indien de Minister van Justitie, en daarmede de Hooge Regeering wil indienen eene wet, inhoudende slechts één artikel, waarin een rechtsbasis gegeven wordt voor het toezicht op de administratie van goederen van particuliere stichting. ziet! ja! dan begeeren ook wij de regeling van het

-ocr page 33-

29

Beheer in den weg nu door de Synode voorgesteld, want ■— regeling is noodig !

Deze wensch wordt geuit door mannen, die onze Kerk jaren lang met eere, met toewijding, met trouw in hare hoogere Besturen hebben gediend.

Het antwoord op hun bezwaar èn de ontzenuwing daarvan tevens, is hnn door het reeds aangevoerde ten volle gegeven.

Niet de Gemeente als zoodanig schept het recht, dat doet de kerk, de kerk alleen krachtens hare bevoegdheid daartoe. Niet iedere Gemeente vertegenwoordigt de kerk. De kerk, als zoodanig, in haar geheel, wordt vertegenwoordigd door de Synode, wier besturende macht gaat, in het by zonder over alles, wat den openbaren godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft. Niet sinds i October 1869, maar sedert 9 Februari 1866 bemoeide de staat zich in het geheel niet meer met het bestuur, noch met het beheer der kerk. De kerk is in den volstrekten zin des woords sinds 9 Februari 1866 aan zichzelf overgelaten. De staat waarborgt de eenmaal verkregen rechten niet aan elke Gemeente op zichzelf, maar aan de kerk, de Neder-landsche Hervormde kerk, waarvan de Gemeente een onderdeel is. De kerk is vrij, zoowel in de regeling van haar beheer als van haar Bestuur. De beperking der vrijheid van de leden dier kerk wordt in de Artikelen 167 en 170 Hoofdstuk VI van de grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden duidelijk omschreven.

Aanvrage tot handopening voor eene beroeping geschiedt door tusschenkomst van het daartoe aangewezen Bestuur bij het daartoe aangewezen ministerieel Departement. Waar is het recht der Gemeenten op uitkeering van het tractement, als de aanvrage tot handopening door het betrokken Bestuur wordt geweigerd, zoolang de Gemeente in hare verplichting tegenover het Bestuur is tekort geschoten? Hebben Kerkvoogden,

-ocr page 34-

hebben Commissies van Toezicht en van Plaatselijk Beheer, heeft het z. g. n. Algemeen College van Toezicht, hier eenige vertegenwoordigende macht ?

Anderen hebben, hoewel de noodzakelijkheid eener wettelijke regeling gaarne erkennende, dit bezwaar, dat de meeste rechtsgeleerden van naam zich over deze zaak hebben uitgesproken en de onbevoegdheid der Synode ondubbelzinnig hebben geproclameerd. Wanhopige pogingen zullen dus, als de hand in dat wespennest wordt gestoken, moeten worden aangewend, om de beroeringen tot stilstand te brengen, die door de aanneming van dat Reglement, zouden worden gewekt. Wie dit bezwaar deelt, pleit voor onthouding.

Het antwoord op dit bezwaar wordt gegeven door de heenwijzing naar de vrijmaking der friesche kerk, eene daad door de Synode verricht, die evenzeer, in dertijd, toen zij werd ter hand genomen, de grootste beroeringen voorspellen deed, en bij de uitkomst bleek minder te zijn geweest dan een storm in een glas water.

Anderen wijzen op de tallooze procedures die zeker te wachten zijn, én bij mogelijk verlies de grootste jammeren over de kerk zullen brengen.

Het antwoord op dit bezwaar wordt volledig door de geschiedenis onzer kerk in de jaren 1886 en 1887 gegeven. Het heenwijzen naar mogelijke jammeren, komt grootendeels van de zijde dergenen, die bij de zaak zelf zijn geïnteresseerd. Hier toch werkt het stelsel van intimideeren.

Nog anderen wijzen op eene uitspraak van Dr. A. Kuijper, die indertijd moet hebben verklaard, dat de Gemeenten, die zich aansloten bij het z. g. n. Algemeen College van Toezicht, voor altoos onder dit Toezicht zouden moeten blijven, welke alle echter bij het beroep

-ocr page 35-

3i

op die verklaring voorbijzien, dat ze was : tgt;eene oratio pro domo\'quot;, het welbekende zoet gefluit des vogelaars, ten einde de gemeenten te doen kiezen in den geest van het z. g. n. » Vrij Beheerquot;, waarmede Z.W.E.Z.Geleerde in 1886 ten dage van het overnachten in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, na hare overrompeling en inname, zulk een jammerlijk fiasco gemaakt, en zulk een voor hem diepbetreurenswaardige nederlaag geleden heeft.

Mannen, Broeders! Dat de tegenwoordige regeling van het Beheer niet voldoende is, om op den duur dei-kerk de verkregen en gewaarborgde rechten te doen behouden, wordt door ieder tot oordeelen hier bevoegde volkomen beaamd. Een net van rechtsgeleerde beschouwingen is sinds 1868 om de quaestie zou vast geweven, dat zij zelve bijna onzichtbaar geworden is. Het eenige, wat mogelijk is om dit net te verbreken, is de kloeke daad der Synode, die de regeling van het Beheer in den haar wettig voorgeschreven weg heeft ter hand genomen. Willen wij in ons oordeelen rechtvaardig zijn en onpartijdig, dan moeten wij niet vragen; »hoe rechtsgeleerden denken over deze zaak:\'\'\'\' dan moeten wij ons in gedachten verplaatsen naar de wet van 1853 toen de Staat, krachtens het beginsel in de grondwet uitgesproken, de scheiding uitsprak tusschen Kerk en Staat, welke scheiding niet 1 October 1869, maar 9 Eebruari 1866 werkelijkheid geworden is. Wij moeten niet vragen hoe juristen over de zaak oordeelen, daar het niet onwaarschijnlijk is, dat, waar de een hunner wil pleiten, een ander bereid is

het igt;contra?\' te verdedigen. Neen! wij moeten ons gedragen alsof wij staan voor de quaestie, zooals zij in 1866 had behooren behandeld te worden. Toen had de Synode niet moeten bukken voor den wil des Konings, maar als de, de kerk vertegenwoordigende macht, het Beheer der goederen en fondsen en het toezicht daar-

-ocr page 36-

32

op, langs den kerkelijk voorgeschreven weg moeten regelen. Doch dit is niet geschied. De Synode heeft, haar plicht verzakend, daarmede genoegen genomen, drie harer Leden af te vaardigen naar eene door den Koning benoemde Commissie, waarin medezitting hadden 11 Leden uit de voormalige Provinciale Colleges van Toezicht, en waaraan den naam werd gegeven van het Algemeen College van Toezicht.

Dit algemeen College van Toezicht ontving in 1866 dien naam, Een geheel andere Corporatie gaf zich in 1870, (en dit mogen wij nooit vergeten), dienzelfden naam.

Noodig is het ons het geknutsel tusschen den 9 Februari 1866 en den I October 1869 recht duidelijk voor den geest te stellen, opdat we een juist begrip hebben van den toestand waarin het Algemeen College van Toezicht zich toen bevond.

Dat Algemeen College van Toezicht was eene Schepping van den Koning. Daaraan was opgedragen een rechtsgrond te vinden voor de organisatie van het kei-kei ijk Beheer, waardoor tevens zoa ontstaan een Centraal toezicht tot vervanging van het toezicht tot heden, 9 Februarij 1866, door den koning geoefend. Het Algemeen College van Toezicht dat van 1866 -1869 is werkzaam geweest, om dit werk tot stand te brengen, is begonnen met de erkentenis, en is geëindigd met te erkennen, dat het uit het Koninklijk Besluit van 9 Februarij 1866 geen bevoegdheid heeft kunnen putten om wetgevend op te treden Het kon geene wetgevende macht oefenen, en daarom moest er naar eenen rechtsgrond worden gezocht, die dan ook terecht, bij het licht van het recht beschouwd, den naam van een ver gezochten rechtsgrond mag dragen.

Vooreerst werd ter hulp overgeroepen Artikel 139° van h.et Burgerlijk Wetboek, waar we lezen; wanneer iemand, vrijwillig, zonder daartoe last te hebben bekomen,

-ocr page 37-

33

cms anders zaak, met of zonder diens weten waarneemt, verbindt hij zich daardoor stilzwijgend om de zuaar-ncimng voort te zetten en te voltooien, tot dat degene ïuiens belangen hij waarneemt, in staat zij om in die zaak, zelj te voorzien.quot; Het Algemeen College van Toezicht trad op als zaakwaarnemer, als negotioruin gestor voor de kerk, die niet moedwillig hare belangen verwaarloosde, maar aan welke het recht werd ontzegd zich met eene regeling van hare eigene zaken te bemoeien, krachtens een koninklijk verbod. Eenmaal opgetreden als zaakwaarnemer, zou het daarna zijne handelingen laten goedkeuren door haar voor wie het de belangen, zonder lastgeving had waargenomen.

De vertegenwoordigde voor wie het Algemeen College van Toezicht optrad als negotiorum gestor was niet de kerk, maai waren de plaatselijke Gemeenten. Om nu een grondslag te hebben, waarop de openbaring van dien wil der Gemeenten zou kunnen steunen, schiep het Algemeen College van Toezicht, niet door eenige aan het College verleende macht, maar door een besluit, door het College zelf ontworpen, een willekeurig aantal stembevoegde personen, door stemrecht te geven aan die alleen, die dit krachtens de Sj\'nodale organi satie in bestuurszaken bezaten. Het minst willekeurig werd geacht. Stemrecht te verkenen, aan hen, aan wie tot het kiezen van geestelijk Bestuur reeds stemrecht gegeven was. Van de zijde van het Algemeen College wordt in deze zaak verklaard, dat het, van reglemen-tairend gezag verstoken, zich niet gedraagt, alsof het een dadelijk rechtgeldig besluit kon nemen. Het Algemeen College bezigde slechts, om tot een houdbaren toestand te kunnen komen, den vorm van een besluit. Dat voorstel wordt echter, uitvoering erlangende, naar het oordeel van dat College, volkomen rechtsgeldig. Het der kerkvoogdijen of kerkenraden of Gemeenten toegezonden ontwerp heeft wel den vorm van een besluit, maar is toch slechts met ter

3

-ocr page 38-

34

daad een -xvoorstelP Doch wat het College hier verricht is niet wettig. Het verkort de Gemeenten schandelijk in haar recht, en het leidt haar door het »/v-sluit-voorstcr op een verkeerden weg. Ten uitvoer gelegd kan het nooit rechtsgrond geven, overeenkomstig Artikel 1696 van het Burgerlijk Wetboek. Dit Artikel bepaalt, dat, zoo er geene bepalingen zijn gemaakt, omtrent het stemrecht, ieder lid van een zedelijk lichaam gelijk recht heeft zijne stem uit te brengen. Hiermede echter kon geene rekening worden gehouden, want het werk door het College ondernomen, moest zijn beslag krijgen binnen den termijn door het Besluit van 9 Februari 1866 en den 1 April d. a. v. in werking getreden, willekeurig vastgesteld. Was die termijn verstreken, dan defungeerde het Algemeen College van Toezicht en moesten de zaken door hetzelve te regelen daaraan opgedragen, blijven liggen gelijk ze lagen. Dat mocht in geen geval geschieden, want dan zouden de Gemeenten t,heerloosquot; zijn. Het algemeen College liet door de kerkvoogdijen oproepen een daardoor willekeurig bepaald aantal leden der plaatselijke Gemeenten, over welke het alle rechtsbevoegdheid ontbrak, volgens een stemrecht dat nog moest worden goedgekeurd, om te benoemen nieuwe notabelen, die kerkvoogden zouden benoemen, ten einde zoo langs de ladder, die in het ontwerp geheel willekeurig was opgericht, te komen tot een nieuw Algemeen College van Toezicht, dat dan voor goed zou uitmaken ; de organisatie voor de Zaken van het Beheer. Zoo kreeg men voor dit college twee rechtsgronden; eene geput uit de negotiorum gestio, die de Gemeenten verplichtte, tot datgene wat, zonder dat haar oordeel was gevraagd, in haar belang was gedaan; de andere geput uit goedkeuring der Gemeenten, die door hare daden, door de verkiezing van notabelen, zouden hebben getoond, dat zij zich aan de ontworpen regeling onderwierpen.

-ocr page 39-

35

Droevig is de figuur die de Synode maakt in geheel deze handeling. Zij geeft voorloopig last het te maken ontwerp te steunen en toont daarmede bitter weinig eerbied voor de rechten der gemeenten. Zij verzaakte haar plicht. Zij miskende hare roeping.

Laten wij de geschiedenis dier dagen onpartijdig voor ons spreken dan heeft het Algemeen College van Toezicht, dat tusschen i April 1866 en 1 April 1869 het beheer der kerkelijke goederen zou regelen en eene vaste organisatie van Beheer zou voorbereiden, berust op een fictic van de zijde der Regeering. Ten behoeve van het Beheer en het Toezicht op de kerkelijke goederen en fondsen moest het Algemeen College van Toezicht drie jaren lang. niet als representante van de kerk. maar van de plaatselijke Gemeenten optreden.

Dit was bepaald bij Koninklijk Besluit. De regeering praejudiceerde dat de kerk zelve niet kon zorgen voor haar beheer. Zij, die verklaard had, reeds in 1853, zich volstrekt niet meer met de kerk te willen bemoeien en die aan die verklaring den g Februari 1866 uitvoering zeide te geven, verklaarde te gelijkertijd dat het belang der kerk nog vorderde een algemeen toezicht. De regeering nam terug met de ééne hand, wat zij met de andere gaf. De mondig verklaarde werd als onmondige behandeld en deze liet zich die behandeling welgevallen. Toen de tijd was verstreken, na eerst nog met zes maanden te zijn verlengd, zakte het kunststuk van het Algemeen College van Toezicht in elkander, en moest de arbeid nu door de kerk zelve of door de Gemeente worden ten einde gebracht. Is dat geschied ? De dag van heden leert ons het tegendeel. In 1870 hebben de Gemeenten zich gesteld ge;zien voor de vraag, gericht tot de geheel zcillekeurig als Stembevoegde Leden der Gemeenten, aangewezen personen, inzake de regeling van het Beheer:

Gij gemeente, ieder voor U afzonderlijk :

-ocr page 40-

36

Wat kiest gij ?

»Vrij Beheer??»; Wilt gij zelf naar eigen inzicht, de belangen Uwer kerkelijke goederen en fondsen regelen onder waarborgen of geen waarborgen. ?

óf

aansluiting bij dat lichaam, dat zich heeft geconstitueerd en dat zich noemt »het Algemeen College van Toezicht«, dat — doch dit wordt er niet bijgevoegd—maar mag door onsniet worden vergeten — zijne macht ontleent aan de koninklijke besluiten van 1819 en 1823 die met het Besluit van 1866 zijn opgeheven ? ?

Al naar de Gemeenten werden warm gemaakt voor een van beide keuzen is er gestemd voor »Vrij Beheer» . . . óf . . . voor aansluiting bij het Algemeen College van Toezicht, waaraan (\'t zij hier gememoreerd,) door eene Commissie uit het aftredend College van wege de Hooge Regeering daartoe gemachtigd, namens den Staat, onder overgave van alle onder het College rustende bescheiden, de zorg over het Beheer dei-kerkelijke goederen en fondsen en het toezicht daarop, plechtig is overgedragen, volgens alweer een ontwerp besluit van 1868, van dit College zelf afkomstig.

Sinds deze stemmingen hebben plaats gevonden, moeten eigenlijk alle gemeenten afzonderlijk beschouwd worden, als even zoo vele Souvereine machten, van welke een gedeelte beslist elk toezicht verwerpt, op de wijze van het Beheer harer goederen, ... en een ander deel zich vrijwillig heeft aangesloten bij een d. g. n. Algemeen College van Toezicht dat zijne macht ontleent aan buiten werking gestelde Koninklijke Besluiten, ten dage toen het zijne macht alleen krachtens die besluiten ontving.

Vele Gemeenten hebben zich vrijwillig aangesloten bij

-ocr page 41-

37

het d. g. n. Algemeen College van Toezicht . . . doch . . . deze aansluiting mag niet worden beschouwd als eene aansluiting bij Contract. Voor het wettig Contract moet een rechtsgrond zijn. Die rechtsgrond ontbreekt. Contractante ter eene zijde, de Gemeente, heeft slechts recht van aansluiting bij het Algemeen College van Toezicht te spreken, zoolang zij blijft in het verband der Nederlandsche Hervormde Kerk, of zoolang er geene kentering komt in den geest der Gemeenteleden, en deze liever verkiezen, het nu eens een tijdlang met z. g. n. Vrij Beheer te wagen, om te zien wat beter bevalt.

Zelfstandig z. g. n. hebben gemeenten uitgemaakt, dat zij zich aansloten, dus behouden zij ook even zelfstandig het recht om zich wêer af te scheiden. Hare goedkeuring schept geene vaste verplichting, die de Gemeenten op zich hebben genomen, om te blijven onder eene organisatie, die niet voor allen geldt.

Dat de Synode in 1866 niet deed, wat de Synoden van 1894, 1895 en 1896 hebben voorbereid en hetgeen de Synode van 1897 wenscht te volbrengen, maakt de regeling van het beheer wel moeilijker, maar dit ontslaat noch de kerk, noch de Synode van hare verplichting om de regeling van het beheer ter hand te nemen, vooral met het oog op de toekomst, die te wachten is. Wordt eenmaal een consequente scheiding van kerk en staat doorgedreven dan moet er een lichaam gereed zijn voor de kerk d. w. z. de kerk vertegenwoordigend op te treden en dat lichaam is en moet zijn de Synode. Zij behoort dan met de regeling van het Beheer en het Toezicht daarop, in alle deelen gereed te zijn.

Het is, zegt de Hoogleeraar Goossen, eene onwaardige houding geweest van het Algemeen College van Toezicht, dat het, inziende dat het geen toezicht over

-ocr page 42-

alle gemeenten verkrijgen, en het dus metterdaad geen algemeen college meer zijn kon, zijn mandaat niet in de handen der Regeering teruggegeven heeft.

Behartiging verdient het woord van den Heer L. Overman, dat bij de beoordeeling der zaak van de regeling van het toezicht op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen vóór alles het belang der Gemeenten behoort te worden behartigd, die te samen uitmaken de Nederlandsche Hervormde kerk. Dat behing eischt, dat het beheer overal, alzoo worde gevoerd, dat geen kerkelijke goederen en fondsen kunnen verduisterd, vervreemd en aan hunne bestemming onttrokken worden, en dat de Gemeenten bij malversatie de ontdekte verkeerdheden bij den Strafrechter kunnen aanbrengen. Het is echter een feit, dat zulke waarborgen bij de bestaande regeling niet worden gevonden, noch in gemeenten die z. g. n. »vrijbcheeft hebben, noch in gemeenten die zich gesteld hebben onder het Toezicht van het Algemeen College. Daarom is een algemeen geldende regeling, niet alleen zveuschelijk, maar gebiedend noodzakelijk. Het belang van de Personen, die de tegenwoordig bestaande Beheer-Colleges uitmaken, mag in geen geval gaan boven het belang der Gemeenten. En dat juist schijnt de oorzaak te zijn van den tegenstand, die een regeling door de Synode van de zijde der Beheer-Colleges ondervindt.

Van samengaan der Synode met het Algemeen College van Toezicht om de zaak van het Beheer te regelen, kan geen sprake zijn. Het Algemeen College van Toezicht heeft herhaaldelijk, zoo ondubbelzinnig mogelijk te kennen gegeven, dat het zijn mandaat zou te buiten gaan, wanneer het zijn advies over een regeling van wege de Synode gaf. Het heeft de kerkvoogdijen bepaald aangeraden, zich tegen een regeling door de

-ocr page 43-

39

Synode te verzetten. Dat het in deze niet van gevoelen veranderd is, bewijst zijn laatste schrijven aan de kerkvoogdijen, dat, op zijn zachtst beoordeeld, niet van een bitteren toon is vrij te pleiten.

ïHct missen van een rechtsgrond\'!, belet het Algemeen College van Toezicht de regeling van het beheer, waaraan de kerk zoo dringend behoefte heeft, zelf ter hand te nemen.

Het beheer der kerkelijke goederen en fondsen, zooals het thans is geregeld, mist lederen rechtsgrond. Met hangt in de toekomst, wellicht tot groote schade dei-gemeenten van de Nederlandsch Hervormde kerk in de lucht. Het beheer der kerkelijke goederen en fondsen heeft behoefte aan regeling. Het Algemeen College van Toezicht heeft volgens het oordeel van wijlen den Hoogleeraar Stulïken, wanneer niet alle Gemeenten daarmede meegaan; geen gezag. Dan weet het zelf niet, wat het is en wat het kan.

Ten aanzien van het beheer heeft de kerk van de dagen der Hervorming tot 1866 toe in een exceptio-neelen toestand verkeerd. Hoewel niet door dezelfde namen »kerkelijk beheer en kerkelijk Bestuurt onderscheiden, heeft toch in den grond der zaak die onderscheiding bestaan tusschen beide van de 16e eeuw af. Het beheer der kerkelijke goederen bij de gemeenten was door de Staten der Provinciën geregeld en Kerkmeesters (zoo althans werden ze in Holland genoemd) door de overheid aangesteld, administreerden die. Wel moesten de kerkerekeningen ten overstaan mede van den Predikant of van een deputatus Classis worden overgelegd, nooit in een herberg maar steeds in de consistorie-kamer of ten raadhuize, terwijl de Predikant, die over de rekening slond, geen daggeld mocht vorderen. De goedgekeurde rekeningen werden met die

-ocr page 44-

der Diaconie in een veilige bergplaats van drie sloten voorzien opgeborgen, terwijl van het batig slot der rekening slechts een deel in handen van Kerkmeesters bleef, en van het restant, door Kerkmeesters moest worden aangewezen, op welk een wijze dat rentegevend was belegd, of zon belegd worden. Na de revolutie hadden de verschillende regeeringen, die nu eens de kerkelijke goederen als eigendom erkenden, en straks weder daarover de eigenmachtige beschikking zich aanmatigden, alles in onzekerheid en verwarring achtergelaten. Dat was de aanleiding dat Koning Willem I zich geroepen gevoelde deze zaak te regelen. In 1819 werd onder zijne regeering het bestuur over de kerken en eigendommen der Hervormde Gemeenten georganiseerd, terwijl deze in het wettig bezit barer goederen werden gehandhaafd. Een Reglement op het beheer werd ontworpen. Colleges van Toezicht werden in het leven geroepen, die het toezicht hadden op de kerkelijke administratiën. De gemeenten kozen zelf hare Besturen. Notabelen door stembevoegde leden der Gemeente gekozen, benoemden kerkvoogden, die de administratie voerden en aan Notabelen, als dc gemeente vertegenwoordigende, rekening deden van hun beheer. Toen de scheiding van kerk en staat werd uitgesproken in 1853, werd tegenover de kerk een willekeurige handeling gepleegd dat de Synode zich niet mocht aanmatigen het beheer der kerkelijke goederen. Toen de scheiding van kerk en staat in 1866 werkelijkheid werd, werd een onwettige daad gepleegd door de instelling van het Algemeen College van Toezicht en werd der kerk geweigerd het recht te oefenen dat alle andere kerkgenootschappen bezaten, n.1. het recht: ^haar eigen beheer te regelen.

O lt;-gt;

De kerk als zedelijk lichaam, had het recht, was bevoegd toen zij vrij was verklaard van banden, die haar onrechtvaardig hadden gedrukt, haar goed zelf te beheeren

-ocr page 45-

41

en de wijze aan te geven, waarop dit zou geschieden !

De kerk is bevoegd, is op de aangevoerde redenen en gronden verplicht het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen aan zich te trekken d. w. z. het toezicht op dit Beheer naar vaste regelen in te richten.

Wij moeten daarbij acte nemen van de stemming den 22 Augustus 1894 in de Synode na de sluiting der beraadslaging gehouden.

Toen heeft de Synode uitgesproken en aangenomen:

Dat het hare bedoeling niet is, nóch kan zijn. het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen aan zich te trekken, of in te grijpen in het recht van elke afzonderlijke Gemeente, maar alleen, het ontwerpen van een algemeen geldende regeling van het Beheer. (Natuurlijk met het doel zoo voegen wij er aan toe, dat het ontwerp worde wet en het beheer wettig geregeld).

Wij behooren derhalve, deze kloeke daad der Synode met dankzegging te aanvaarden, en, eer wij durven spreken van hare onbevoegdheid om het Beheer der kerkelijke goederen te regelen, nagaan, of deze sprake geen ijclele grootspraak is wanneer wij den blik wenden naar Friesland, waar zij den strijd tegen het floreenstelsel glansrijk-heeft ten einde gebracht en aan de gemeenten volkomen vrijheid verzekerd heeft, in zake het recht van benoe ming der Predikanten, die tot 1874 toe door de z. g. n. floreenplichtigen werd uitgeoefend. Zij heeft zich niet alleen bij machte geacht, om iets te ontwerpen, maar wel degelijk bij machte getoond, om de Friesche Gemeenten te brengen onder het algemeen recht der kerk. Zij heeft zich toen niet ingelaten met de vraag omtrent de administratie der Gemeente en kerkegoederen, die toen ook werd gevoerd door floreenplichtigen.

Zij achtte zich ongeroepen, om in deze bijzonder handelend voor Friesland op te treden.

De stemming daar was over het algemeen (zoo we

-ocr page 46-

42

ons nog recht herinneren,) voor „Vrij Beheer\'\' doch de Synode, overtuigd niet alleen van de wenschelijkheid, dat aan het Beheer door floreenplichtigen, zoo spoedig mogelijk een einde werd gemaakt, maar ook, dat sedert de intrekking van het koninklijk Reglement van 1823 op de administratie der kerkelijke goederen en fondsen in Friesland, aan deze bevoegdheid van flloreenplich-tigen iedere rechtsgrond ontbrak, achtte onthouding plicht, zoolang de betrekking tusschen Bestuur en Beheer in den tegenwoordigen toestand verkeerde.

Geen der leden van de classicale vergadering te Arnhem wenscht in lof\' voor de individueele Leden van ons Provinciaal College van Toezicht onder te doen, voor den lof door onzen ambtgenoot van Dis hun in de zitting der Synode van den 25 Augustus 1896 toegezwaaid. Doch hierbij behooren wij ons te wachten, ons schuldig te maken aan de fictie, dat, gesteld dat de handelingen van het Provinciaal College van Toezicht tegenover ons Provinciaal Kerkbestuur van de grootste welwillendheid getuigen, die verhouding steeds zoo zal en vioet blijven. Mogen de Leden van ons Provinciaal College van Toezicht een zeer hoogen ouderdom bereiken, eenmaal komt toch ook voor hen de ure, waarin zij hun werk aan andere handen, hoofden en harten moeten overdragen. De benoeming hunner opvolgers ligt niet in hunne hand.

Gesteld dat van hunne opvolgers soiniuigen Heer Ka-ter-achtig of Heer Jacoboversteeg-achtig gezind zijn, en anderen vrienden van Dr. Kuyper en geestverwanten, (van welke er zeker heden ten dage onder de fractie de Savornin Lohman gevonden worden), waar zal de lof blijven van onzen ambtgenoot van Dis en nu met hem gelijkgezinden in ons Provinciaal Kerkbestuur, zooals die gegeven is in de Kerkelijke courant van 8 Augustus 1896 aan deze Leden van het Provinciaal College van Toezicht?

De lof moet veranderen in afkeuring zoodra van die

-ocr page 47-

43

andere Leden bedekt of meer openlijk uit haat tegen onze Vaderlandsche kerk allerlei tegenwerking te wachten is; ja, zoo mogelijk de leden van ons Provinciaal Kerkbestuur teekenen zullen aanschouwen van eene souvereine macht van de zijde van een college, dat zich door niets tegenover het Bestuurscollege gebonden acht, omdat, als de zaken blijven zooals ze zijn. Beheer en Bestuur gescheiden zijn. Deze spontane uiting van hoogachting, hoe verklaarbaar ook in onzen geachten ambtgenoot van Dis en van anderen tot hem, had in de zitting van ons hoogste Kerkbestuur behooren achterwege te blijven. Nooit mogen we personen met beginselen verwarren, noch ter wille van personen aan een beginsel zijne waarde trachte te ontrooven. Doen wij dit niet, Mannen Broeders! maar letttu wij op de teekenen der tijden, dan erkennen wij, gelijk wij haar als bij intuitie gevoelen, de noodzakelijkheid van de regeling van het beheer op vasten grondslag. Het Algemeen College van Toezicht is daartoe met machteloosheid geslagen en Gemeenten, die „Vrij Beheerquot; hebben gekozen, kunnen het evenmin. Past het ons, Leden der Classicale vergadering, Gods water over Gods akkers te laten loopen, of ons met een : ,,aprés nous le delugequot; van de zaak af te maken, uit vrees van wellicht de gunst van menschen te moeten derven ? Geldt het hier niet een zaak van zeer hoog en gewichtig belang voor onze Nederlandsche Hervormde, voor onze Vaderlandsche kerk, die we allen zeggen lief te hebben ? Hebben onze kinderen geen recht op het ongestoord vruchtgebruik dier goederen die „ad pios ususquot; door voorgeslacht en tijdgenoot geschonken werden ? óf moeten zij door onze onachtzaamheid, door onze zorgeloosheid die goederen later „ad alias pias Causasquot; zien besteed, wellicht vervreemd r De kerkelijke goederen en fondsen zijn het eigendom van de kerkelijke Gemeenten, in het verband waar in deze staan tot de Nederlandsche Hervormde Kerk

-ocr page 48-

44

en zoolang zij met die Kerk in verband staan, waarvan het vruchtgebruik door daartoe aangewezen personen wordt genoten ... óf ... ze zijn het niet . . . maar, dan ook vervalt het recht op het vruchtgebruik — Tertium non datur. — Va i wien zijn de kerkelijke goederen en fondsen in dezen geest het eigendom ? Allen antwoorden wij van de Gemeenten . . . maar van welke Gemeenten ?

Immers: van die Gemeenten, die te samen vormen de Nederlandsche Hervormde Kerk! Van wien zijn de Diaconale goederen en fondsen het eigendom ? Allen antwoorden wij nvan de Gemeetiteu . . .« maar van welke Gemeenten? Immers: van Gemeenten, die te samen vormen de Nederlandsche Hervormde Kerk. Heeft de Synode ooit ofte immer pogingen aangewend om het Beheer over die goederen zich aan te matigen ? Het Beheer dier goederen is alleen reglementair geregeld en niet van wege de Synode, maar van wege de kerk \'

zelve wordt het toezicht daarvoor geoefend, in den reglementairen weg haar voorgeschreven. De Synode wenscht zich tegenover het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen niet anders te gedragen. Zij wil alleen dit beheer op vasten, voor alle gemeenten verbindenden grondslag geregeld zien en, waar niemand anders dit ka)i doen, wil zij zelve in den wettelijken weg dit werk ter hand nemen en ten einde brengen.

Sinds de toestanden geheel zijn veranderd met de revolutie in 1795, sinds het onderwijs en sinds de armverzorging voorwerpen zijn geworden van staatsbemoeiing, weten wij, dat het onderscheid tusschen het gebruik der kerkelijke fondsen en goederen »ad pios us us« en nad alias pias Causas« heeft opgehouden te i1

bestaan. Wij mogen niet mede verantwoordelijk zijn voor een misbruik der kerkelijke goederen en fondsen ■iad alias pias Causas«, wanneer bij het allerzonderlingst beheer der kerkelijke goederen en fondsen, zooals het thans wordt gevoerd, de /«ögelijkheid w/v-kelijkheid wordt,

-ocr page 49-

45

dat eene regeering in radicalen geest het Staatsbewind aanvaardt. Die regeering zal haar machtigen steun vinden niet alleen bij den erfvijand van het Protestantisme, maar inzonderheid bij de Gereformeerd Anti-revolutionairen, wier leider met al zijn staatkundig woelen en ontwerpen van programma\'s van actie, geen oogenblik IETS anders bedoelt, dan de omverwerping der Nederlandsche Hervormde Kerk, — wiens eerzucht eerst dan bevredigd zal zijn, wanneer hij, \'t geen God genadig behoede! op de puinhoopen onzer Vaderlandse/ie, onzer Volkskerk zal hebben gebouwd zijne gefantaiseerde kerkgemeenschap, gelijk wij de afschaduwing daarvan in de vereeniging »de kerkelijke Kas« aanschouwen kunnen. Met een beroep op de schenking der kerkelijke goederen en fondsen -«ad alias pias Causas* zal het onderwijs worden gebaat, welks kosten voor het d. g. n. bijzonder onder-l wijs, reeds heden veel te bezwarend zijn en zal de

armenzorg die enorme schatten gaat eischen, zekerlijk welvaren. Radicalen en gereformeerden zijn dan met die goederen, niet alleen »ad pios iisus« maar ook igt;ad alias pias Causas« geschonken uitnemend uit grooten nood gered. De erfvijand van het Protestantisme zal wel geen deel afdwingen van den buit. Hij zal tevreden zijn, wanneer slechts de Nederlandsche Hervormde Kerk een flinke zedelijke nederlaag geleden heeft. Vindt een regeering in radicalen geest het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen in den toestand, waarin het thans verkeert, dan hebben wij te vreezen de verwerkelijking van het woord door den Heer de Busch Keizer, gesproken in de zitting der Synode den ! 26 Augustus 1896: «De kerk zal hare onmacht hebben

beleden, om zelf het Beheer harer eigene goederen te regelen. De regeering zal het recht en de macht hebben niet alleen, maar er ook gebruik van maken om te beweeren: »Ik vind hier een ongeredderden boedel,die niet ongeredderd mag blijven.« De eenige, die hier

-ocr page 50-

46

orde en regel kan en mag scheppen, ben ik. En, zonder dat zij er iets meer tegen kan doen, zal aan de Kerk eene Beheersregeling worden opgelegd, die zeer zeker met hare wenschen en behoeften niet in overeenstemming zal zijn, en waarbij hare goederen en fondsen zullen worden besteed op cene wijze en tot doeleinden met hun oorspong, aard en bestemming in lijnrechten strijd.«

Noodig is het een recht begrip ons te vormen van het gebruik, waartoe de kerkelijke goederen en fondsen zijn bestemd. In het College van Toezicht toch moet reeds zijn bezueerd, dat een beroep op de bestemming der kerkelijke goederen en fondsen ygt;ad pios ususn is, een verouderd begrip. We kunnen daartoe niet anders doen dan schier woordelijk herhalen wat dienaangaande in zake de vrijmaking der Friesche kerk is geschreven.

Wordt beweerd dat de kerkelijke goederen en fondsen zijn gegeven niet nad pios ususi. alleen, maar ook tad alias pias Carcsasi., dan wordt daarmede gezegd dat het karakter der kerkelijke goederen is gemengd. Laten we voor een oogenblik toegeven dat dit zoo is, dan is toch het recht van het beheer dier goederen niet gemengd, maar zuiver kerkelijk van aard. Aangenomen voor een oogenblik het gemengd caracter der kerkelijke goederen en fondsen ; dan is daarmede tegelijkertijd ingewikkeld aangenomen, dat aan de plaatselijke Gemeente althans een deel van de opbrengst dier goederen of een deel van die goederen zelve toekomt; doch daaruit volgt dan toch voor het minst dat de plaatselijke Gemeente bepalen kan, door wie en op welke wijze zij dat deel harer goederen beheerd wil zien, omdat dit is »eene zaak van zuiver kerkelijken aard.i. Wie nu aanspraak maakt op het deel der goederen igt;ad alias pias CaHsaslt;i gegeven, wordt gedrukt door de bewijslast, hoe groot haar aandeel is in het bezit.

-ocr page 51-

47

Gaat men uit van de onderstelling dat de burgerlijke Gemeenten recht hebben op een deel der opkomsten van de kerkelijke goederen, dan rust op het goed der plaatselijke gemeente een bezwaar tot uitkeering, maar dan behoort toch dit goed aan de Gemeente, en het is eene zaak van zuiver kerkelijken aard, door de wet van 1853 aan de Gemeenten geheel ter regeling overgelaten, hoe zij het beheer over haar goed geregeld wil zien. Dit is eene zaak waaromtrent de regeering alle regelende bepalingen heeft terug genomen, waaromtrent de wet van 1853 volkomen vrijheid aan de kerkgenootschappen in hun eigen boezem toekent, eene zaak, waarvoor geene intrekking van eenig besluit, of van eenige regeling meer van staatswege noodig is.

Was de bevoegdheid om de kerkelijke goederen en fondsen te beheeren eene zaak van gemengd caracter, ware b. v. het toezicht op het Beheer verdeeld tusschen de Burgerlijke Gemeente en de vertegenwoordigers der Kerkelijke Gemeente, dan zou er nog sprake kiuuun zijn van de noodzakelijkheid eener regeling van staatswege, nu nietl Hebben de Burgerlijke Gemeenten recht, gelijk wordt beweerd, op een deel der goederen of inkomsten van de kerkelijke goederen, dan behoort zij hare rechtstitels te toonen en hare aanspraken bij den burgerlijken rechter te doen gelden, die dan die titels zal onderzoeken, en, in geval ze geldig zijn, de beheerders der kerkelijke goederen zal veroordeelen om een tantum der goederen of inkomsten uit te keeren of uit te betalen aan de gelastigden der Gemeente, die zich dan in haar goed recht gehandhaafd ziet.

Gesteld dus dat gaafweg moest worden erkend het gemengd caracter der kerkelijke goederen, dan nog bleef de regeling van het Beheer dier goederen eene zaak van zuiver kerkdijken aard. Door de wet van 1853 is deze zaak volkomen beslist. Hebben de burgerlijke Gemeenten recht op een deel der onder kerke-

-ocr page 52-

48

lijk Beheer staande goederen, de kerk kan door niets worden verhinderd, de administratie harer al dan niet, met den last der uitkeering bezwaarde goederen naar eigen inzicht te regelen en het toezicht op het Beheer vast te stellen.

tiMenquot; zegt: de burgerlijk Gemeenten hebben wél het recht op een deel der opkomsten van het kerkelijk goed, maar, de gemeenten hebben geen middel om tegenover de wederspannige beheerders der kerkelijke goederen die rechten te doen gelden. Een goed recht dat geen middel heeft om zich als goed recht te doen gelden, moet wel een zonderling recht zijn, een recht zooals door wijlen Dr. S. S. de Koe zoo eigenaardig wordt gezegd, een recht, waarvan het te vreezen is, dat de omschrijvende adjectieven, het substantief zullen vernietigen.

Vragen wij waarop dit goed recht rust, dat geen middel beeft om zich te laten gelden? Niet op deugdelijke contracten, want deze gelden wel degelijk voor den burgerlijken rechter, neen ! dat goed recht rust op de fondamenteele regeling van 1580, die inhield, dat de kerkelijke goederen en fondsen tevens moesten strekken tot onderhoud der predikanten en der schoolmeesters, tot onderhoud der armen et ad alias pias cau-sas. »Alzooquot;, zoo beweerde de heer van Eijsinga in der tijd, -«annenzorg en onderzvijs. onder vu er pen va7i gemeente-zorg en gemeentebelang 1. Stonden de woorden na salzoo\'\' in de Staatsresolutie van 1580 en beheerschte deze resolutie de quaestie van het Beheer, ziet! dan waren de woorden nad alias pias causasquot; gerechtvaardigd én verklaard. Doch dat -nalzodquot; wordt in de Staatsresulutie van 1580 niet gevonden. Dit »alzooquot;\' is uitgevonden. Met den besten wil kunnen wij niet inzien, wat de tegenwoordige Staatsarmenzorg en het tegenwoordige Staatsonderwijs te maken hebben met het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen, waar

-ocr page 53-

49

èn Staatsarmenzorg, èn Staatsonderwijs, instituten zijn van veel later dagteekening en als saeculiere (wereldlijke) instellingen, veeleer geacht moeten worden te vallen onder het verbod, dat de kerkelijke goederen niet mogen worden gebruikt sin privatum en saecida-rem nstan\'\\ tot private en seculare einden. De Staat heeft zich zelf met de zorg voor het onderwijs en een deel der armenzorg belast. De kerk neemt dit voor kennisgeving aan. Maar onbegrijpelijk is het hoe de burgerlijke Gemeenten van nu, met een beroep op het »ad alias pias causasquot; de Kerkelijke Gemeenten zouden kunnen noodzaken tot bijdragen voor Staatsonderwijs en Staatsarmenzorg. Letten wij op de data en beschouwen wij gesproken worden naar hunne data dan. Mannen Broeders! kunnen wij niet nalaten, de vrees uit te spreken dat hier schuilt een adder in het gras, dat er eene oorzaak moet zijn waarom het laatste Artikel in de wet van 53 werd ingetrokken, daags nadat ons huidig Algemeen College van Toezicht was geïnstalleerd, dat er een oorzaak moet zijn waarom het Algemeen College van Toezicht, dat in werkelijkheid geen Algemeen College van Toezicht is, door de Regeering blijft geacht te zijn de wettige bewaarder van al de stukken, die op het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen betrekking hebben, stukken, die naar recht en billijkheid bij de kerk, of de haar vertegenwoordigende hoogste macht, de Synode, te huis behooren, wijl ze betrekking hebben op zaken van zuiver kerkdijken aard, doch aan welke Synode steeds beslist het recht is ontzegd en onthouden, zonder aanvoering van redenen, het Beheer der Kerkelijke goederen en fondsen te regelen.

De Synode beweegt zich geheel in den weg van plicht. Zij mag niet toelaten dat (waar zij nimmer bedoelen kan dat in het maatschappelijk, het staatkundig

-ocr page 54-

leven, de Kerk zal optreden als een »imperium in im-perioquot;,) een ongewettigd »imperiumquot; zich in haar eigen boezem beweegt, dat zich noch om de kerk, noch om de haar vertegenwoordigende macht, als het dat niét wil bekommert, dat, zonder gt;rechtskrachtquot; te bezitten, een deel van de Gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoolang deze dit willen, dient van consideratie en advies, en ten aanzien dier gemeenten , die van zijn toezicht niet zijn gediend, geene macht kan ontwikkelen om ze- tot toetreden te dwingen, om dat rechtsgrond en rechtskracht daartoe het volkomen ontbreekt. Ware dat wel het geval, dan konden wij als zeker aannemen, dat binnen een minimum van tijd alle gemeenten zonder onderscheid zich daarbij hadden moeten aansluiten, daartoe rechtens gedwongen. Het staat aan U, Mannen, Broeders! der Synode hare taak te vergemakkelijken, door U daarvan te overtuigen, dat de Synode tot de regeling van het Beheer der kerkelijke goederen uwer plaatselijke Gemeenten noch een »heheerende machtquot; van noode heeft, nóch er naar streeft igt;die te verkrijgend

Hare besturende macht gaat, naar Artikel 64 van het Algemeen Reglement in het bijzonder, over alles wat de kerkelijke instellingen betreft, en deze toch zijn alleen instellingen van kerkdijken aard, of, zouden er leden in eenige Clascsiale vergadering worden gevonden, die beweren, dat de kerkelijke goederen en fondsen in stellingen zijn van anders dan zuiver kerkdijken aard? Voor ons staat het vast, dat hier bij mogelijkheid niet elne exceptie met kans van succes kan worden gepleit. Dat het College van Toezicht wel degelijk een imperium in imperio is, zal ik door èèn voorbeeld u toonen. In zeker classicaal ressort wordt van wege het Provinciaal Kerkbestuur door middel van het Classicaal Bestuur in zekere Gemeente aangevraagd de toezending van den ligger der kosterij-goederen (in af-

-ocr page 55-

5i

schrift). In die Gemeente leeft bij meerdere Leden de overtuiging dat het Bestuur met het Beheer niets heeft te maken. Het Beheer wil het afschrift, van den gevraagden ligger derhalve niet geven. Een en andermaal dringt het Classicaal Bestuur op overlegging aan. Kerkvoogden vragen bij het Provinciaal College van Toezicht hoe te handelen? Hun wordt bericht dat ze niet zijn verplicht het afschrift van de ligger te geven, doch te gelijkertijd wordt hun verzocht aan de gestelde vraag te voldoen, omdat de Leden van het Provinciaal Besturend en Beheerend College in zeer welwillende verstandhouding samenwerken. Het blijkt dus duidelijk dat, als een Beheerend College niet mil, een Besturend College zelfs nog geen Ligger van de Kosterij-goederen kan machtig worden. Is niet de kosterij eene instelling van zuiver Kerkdijken aard? Behoort zij niet met hare fondsen aan de plaatselijke Gemeenten der Neder-landsche Hervormde Kerk, doch alleen zoolang die Gemeente blijft in het verband der Kerk?

Doch gesteld nu eens, dat eene gemeente in haar geheel, dus al hare leden zich afscheiden van de kerk, \'t doet er niet toe of de gemeente heeft gehad »vrij beheer« of onder Toezicht heeft geleefd. Wie zal nu als wettig, vertegenwoordigend gezag optreden in het belang van het heerloos geworden goed ? Voor de aangesloten gemeenten bij het College van Toezicht zal wellicht dat College vertegenwoordigend optreden, maar, aan wien is het verantwoording schuldig? Het College heeft met de kerk niets te maken. Het wordt dus tijdelijk beheerder van het goed en tevens vruchtgebruiker der afgeworpen baten. Wat zal het College doen met een bezit, waarvan de bezitter verdwenen is? Moet in gelijken geest de kerk handelend optreden in eene Gemeente, waar geheel hetzelfde geschiedt, en die indertijd het Vrij Beheer verkoos?

-ocr page 56-

52

Gij gevoelt dat aan orde en regeling in deze belangrijke zaak dringend behoefte bestaat, èn, dat met bekwamen spoed die regeling moet worden tot stand gebracht, door haar, wie dit toekomt te doen n. 1. de de Synode.

Men zegt: De vraag naar hare bevoegdheid laat de Synode rusten. Zij maakt gebruik van haar recht om te gt;ontwerpen«. Wij antwoorden : Acht de Synode zich niet »bevoegd,« dan moet zij »V ontwerpen* achterwege laten. Hare waardigheid en hare verantwoordelijkheid laat haar niet toe iets te ondernemen, dat voor verwerkelijking op het haar aangewezen gebied niet deugdelijk als (haar recht) recht daartoe hebbende, met goeden uitslag kan worden gekroond.

De Synode ontwerpt op deugdelijken grondslag hier een Reglement op het Beheer en zij handelt recht, want, zij is er toe bevoegd en mede om de door ons aangevoerde redenen toe verplicht in het belang der kerk.

Wij roepen U allen toe: Erkent den moed der Synode en adviseert haar met bekwamen spoed alles te doen om het voorgestelde »ontwerp« als wet te doen uitvaardigen door de Synodale Commissie.

Ieder lid ter Classicale vergadering, dat zelfstandig oordeelt, moet komen tot een gelijk advies óf tot een advies in gelijken geest, ook zij onder hen, die tot op dezen oogenblik meenen dat op Juridische gronden de Synode door de indiening van dit »Ontwerp-Reglement\' hare bevoegdheid overschrijdt.

Wie de objectieve mededeeling der feiten, die tusschen I April 1866 en den dag der installatie van ons z.g.n huidig Algemeen College van Toezicht, hebben plaats gehad, aandac tig overweegt, moet van het gemis van Rechtsbevoegdheid van ditCollege volkomen zijn overtuigd. Wij

-ocr page 57-

53

vreezen dat bij het naslaan der acten dier dagen blijken zal, dat lang niet overal nieuwe Besturen in zake de kerkvoogdij wettig zijn verkozen, dat op tal van plaatsen de oude Beheerscolleges gewoon zijn blijven zitten en dus geen nieuwe verkiezingen hebben plaats gevonden, zoowel in die gemeenten waar tot aansluiting hij het College onder Toezicht besloten was, als in die Gemeenten, die voor zich verkozen Vrij Beheer. Er was geen éénheid, er was geen maatstaf waarnaar gehandeld werd. De Negotiorum gestor bleef midden in zijn arbeid steken en volbracht niet den eisch volgens Artikel 1390 van het Burgerlijk wetboek hem gesteld. De plaatselijke gemeente werd geroepen tot het redderen van een boedel, die in den meest desolaten toestand werd en moest worden losgelaten, omdat de termijn 1 October 1869 onverbiddelijk was verstreken. Zal naar het oordeel van allen, die het recht der Synode ontkennen tot het doen uitvaardigen van het voorgestelde nOntwerp-Reglement*, het voeren van een rechtsgeding ter hoogster instantie onvermijdelijk zijn, opdat het worde uitgemaakt of al dit zich verzetten tegen de bestaande toestanden gerechtvaardigd is, dan is het uitlokken van een dergelijk rechtsgeding voor die allen plicht. Zij hebben, naar zij verklaren, de Nederlandsche Hervormde Kerk, waaraan Nederland zijne staatkundige en zijne gewetensvrijheid alleen heeft te danken, van harte lief. Zij zien met ons in haar de Volkskerk en alles, wat den bloei dier kerk bevorderen kan, moet hen van harte verblijden. Dat Rechtsgeding kan niet worden gevoerd, zoo der Synode de macht niet wordt verleend door hunne consideratien en adviesen mede, het voorgestelde »Reglement* te doen uitvaardigen. Zij moeten derhalve, de rechterlijke uitspraak niet vreezende, de Synode in de gelegenheid stellen haar uit te lokken. Voor het voeren van tal-looze rechtsgedingen, waarmede zoo verbazend wordt geschermd, bestaat weinig vrees. Het woord, door een

-ocr page 58-

54

lid van het College van Toezicht, den Heer de Busch Keijzer, in de Synode van 1896 gesproken, verdient hun aller overweging.

De Heer de Busch Keyzer acht het noodig dat de hoogste rechterlijke macht (zoo dit moet en de bevoegdheid der Synode niet vaststaat) een beslissend judicium zal uitspreken over de al of niet bevoegdheid der Synode, in zake de regeling van het Beheer der kerkelijke goederen en fondsen en het Toezicht daarop. Luidt dit judicium ten gunste van de thans vigeerende Beheersregeling, dan moet de Synode berusten en in het onvermijdelijke zich schikken. Maar heeft zij ter laatster instantie in anderen zin uitspraak gedaan, dan zullen de vele en kostbare processen zeker niet door Heeren Kerkvoogden worden aangebonden, waarvan zij bijna zeker de kosten uit eigen zak zullen moeten betalen. De toestand, zooals die nu is, is 111 menig opzicht treurig en ellendig. Geen oogenblik is er twijfel aan den goeden wil der tegenwoordige Beheers-Colleges, maar uit eigen ervaring kan worden bewezen, dat die Colleges onmachtig zijn, om, waar \'t moet, ter voorkoming of herstelling van schadelijke en wanordelijke misbruiken, zich flink en krachtig te doen gelden. De sommen uit de kerkekas gegeven voor grintwegen, brandspuiten, straatlantaarns, zelfs voor vermindering van gemeentelasten, dreigen van jaar tot jaar te klimmen, al is het ten koste van het onderhoud der kerkelijke gebouwen. Het Algemeen College van Toezicht, dat nu al den treurigen moed heeft gehad het uit te spreken, dat de bestemming der kerkelijke goederen en fondsen «ad pios usus« een verouderd begrip is, en niet meer van onzen tijd, zal dergelijke ergerlijke misbruiken niet meer verbieden of verhinderen, maar grootere vrijmoedigheid verkrijgen om aan het besteden er van »ad usus saecidarcs«, het zegel zijner goedkeuring te hechten.«

-ocr page 59-

55

Dat poppetje datZutphen\'s hoofdkerk een slag in \'taan gezicht geeft van ieder Protestant, he ft dan zijn beste dagen nog niet gehad, en meerdere predikanten zullen wellicht gelijk te Arnhem in eensgezindheid moeten samenspannen, om aan kerkvoogden hunner Gemeente te berichten dat ze vast zijn besloten, niet in eene kerk te prediken, zoolang niet andere geschilderde poppetjes.in het plafond der Kerk met een doek aan der Protestanten oog is onttrokken, bij mogelijke restauratie van kerkgebouwen waartoe het rijk subsidie verleent. Kerkenraden zullen hoe lang zoo meer afhankelijk zijn van den willekeur van Kerkvoogden in de beroeping van predikanten, die eene stem in de beroeping willen oefenen, omdat zij over de dubbeltjes beschikken en, naarmate een te beroepen predikant is naar den zin van Heeren Kerkvoogden, door de macht van het geld voor het trac-tement, zoover dat plaatselijk is, eene grootere of geringere som zullen toestaan.

Hieraan gedachtig moeten zij allen, die meenen zich van de bevoegdheid der Synode in de onderwerpelijke zaak op juridische gronden niet vast verzekerd te durven houden, wenschen dat eene beslissing ter hoogster instantie worde uitgelokt. Omdat voor geen lid der kerk persoonlijke belangen in het spel mogen zijn of spreken, kan het niet uitblijven ol\' hun advies moet luiden : dat, met dank voor den betoonden moed, de Synode met bekwamen spoed alles doe om het voorgestelde »ontwerp« als wet te doen uitvaardigen dooide synodale Commissie.

Wij vragen van U allen zonderonderscheid : Stemt niet in met het koor dergenen, die de Synode beschouwen als eene der kerk vijandige macht. Wie dit doen, doen het, óf, uit »/w/« óf uit zelf zucht». Vergete het niemand, dat aan beide beweegreden -tgt;onkunde*, ten grondslag ligt.

-ocr page 60-

56

Door de verkiezing van de Leden in de provinciale Kerkbesturen kiezen wij, leden der classicale vergaderingen, de Leden der Synode indirect.

Is de meerderheid in de Synode, laten wij het woord uitspreken, »modem«, het is ten gevolge van onze keuzen, mede van de lauwheid der zich noemende orthodoxe Ouderlingen en Predikanten, die tot het bijwonen der Classicale vergaderingen zedelijk verplicht, daarvan terugblijven of zich van stemming onthouden of, gelijk in 1896 is geschied, het zien van een maskeradeoptocht stellen boven hun plicht, waardoor op de stemming groote invloed kan worden geoefend.

Deze gedachte zij ons tot verootmoediging voor onzen God en Zijnen Christus, wiens Naam wij belijden. Ze spore ons aan tot getrouwheid in onze roeping. Ze dringe ons voor het heil onzer Vaderlandsche kerk te strijden met alle eerlijke middelen, en niet als onkundigen op die moderne Synode te schelden, alsof niet hare Leden door onze keuzen of door onze nalatigheid derwaarts werden afgevaardigd.

Het belang der kerk wordt, t moet ons van \'t hart, door haar uitnemender behartigd, ook in de zaak die tot heden onze aandacht heeft bezig gehouden, dan door die allen, die, zonder zich aan de studie van het kerkrecht te wijden en zelfstandig de feiten te onderzoeken, afgaan op het oordeel dergenen, van wie zij meenen, dat deze recht hebben een laatst, een beslissend woord te spreken. Zeer onverstandig werd ter laatste Predikanten vergadering te Utrecht door een onzer medeleden, zonder kennis van zaken, driestweg beweerd, dat geen rechtsgeleerde van naam het in deze zaak voor de bevoegdheid der Synode dorst op te nemen. Het offeren aan een Naam behoort toch niet tot de roeping van mannen, die op den naam van »zelfstandig» zeggen prijs te stellen.

-ocr page 61-

57

Aan het spreken van ngrootc ivoor den« is geen gebrek. Niemand late er zich door intimideeren.

Waarom de Synode het zoo verkorven heeft bij de moderne Leden der Gemeente en bij hare Voorgangers ? We zouden die vraag in \'t midden kunnen laten. Doch wellicht is het niet ver van de waarheid, wanneer wij beweren, dat de oorzaak ligt in ontevredenheid over het feit, dat dc moderne meerderheid in de Synode, niet eenvoudig bij meerderheid van stemmen doordrijft »leei\'vrijhcidlt;, waardoor ieder predikant zijne dikwerf zeer dwaze theoretische beschouwingen als philosophische waarheid der Gemeente van Jezus Christus verkondigen mag.

Der Synode komt voor haar gedrag onze hulde toe. Zij gevoelt hare roeping het belijdend caracter der Neder-landsche Hervormde Kerk niet te kunnen, niet te mogen prijsgeven. Ten gerieve van ettelijke heethoofden mag zij onzen ouden, beproefden Hijbei niet van den kansel nemen om daarvoor het phantastisch werk van nieuwe Bijbelsamenstellers in de plaats te stellen.

Piet zoo even verworpen voorstel tot erkenning van het recht der minderheden, want zoo mogen wij het noemen, doet ons zien dat de Synode de moderne leden der kerk zooveel mogelijk in het gevlei wil komen, doch zij heeft zeer zeker dc moed niet, na het advies der Classicale vergaderingen en der Provinciale Kerkbesturen te hebben gehoord, het voorstel aan de eindstemming der Provinciale kerkbesturen te onderwerpen, in die overtuiging dat onze kerk dan nog het recht behoudt op haren naam van «Kerkquot;, als deel der Heilige Algemeene Christelijke kerk.

Roven de Kerk en hare Besturen leeft en regeert haar Heer en Koning. Hij waakt voor hare belangen.

-ocr page 62-

58

zoowel voor hare zedelijke, als voor hare stoffelijke. Dit gelooven wij allen, niet waar?

Ouderlingen en Predikanten! Afgevaardigden ter Classicale vergadering in 1897!

Voor ons staat de bevoegdheid der Synode en hare verplichting vast tot regeling van het Beheer en het Toezicht daarop, op de gronden U aangegeven.

Zijn er onder U met .wie dit niet het geval is; wij vragen van U, waar wij met de praemisse van Dr. G. J. van der Flier niet instemmen, \'t geen gij wel doet, uitgesproken in de vergadering der Synode den 26 Augustus 1896, doch met wiens verdere conclusie wij van harte instemmen, overweegt met ernst diens waaien waardig woord:

De vraag naar de bevoegdheid der Synode in zake het Beheer, is niet uitgemaakt en kan niet worden uitgemaakt dan door den rechter. Dit moet ons oorzaak zijn te meer de zaak ter hand te nemen. Vooral dringen ons daartoe. Vooreerst: dat het niet meer dan natuurlijk is, dat een bezitter zijn eigen bezit administreert. De kerk heeft goederen en moet toezien, dat eene vreemde, van buiten ingedrongen macht daarover heerscht. Dat gaat niet aan. Men mag zeggen : Dat is altijd zoo geweest, bestuur en beheer waren altijd gescheiden, dat bewijst nog niet dat het goed en recht is. In den tijd van onmondigheid moge een ander met recht /\'wij voegen er met een groot vraag,-teeken aan toe »rebus ipsis et factis^ r) het bezit der Kerk hebben geadministreerd, thans is het vhoog\' tijd, dat de kerk hare mondigheid toone. Ten andere: moet naar ons oordeel de zaak worden aanvaard, niét omdat hier of daar verkeerde practijken bestaan, maar omdat het aan allen rechtsgrond ontbreekt in den tegen-woordigen toestand. De Koning heeft indertijd het

-ocr page 63-

59

Beheer losgelaten, niét, zoo als in het advies uit den Haag, zeer onjuist is gezegd aan de Gemeente, maar aan de Kerk. En de Kerk wordt niet vertegenwoordigd door Colleges van Toezicht, maar door de Synode. Zij is voor en van de Kerk de eenig wettige vertegenwoordiging. En zij alleen heeft het recht het losgelaten Beheer op te nemen. Dat men dit voor een kwart eeuw heeft verzuimd, maakt voor ons de zaak moeielijk. Maar als men ook thans opnieuw in verzuim is, maakt men de zaak voor een volgend geslacht onmogelijk. En op ons geweten mogen wij het niet willen hebben, niet alles te hebben gedaan om de Kerkelijke goederen in veiligheid te brengen In handen van Colleges, ze mogen zoo welwillend mogelijk zijn, maar wien het aan rechtsgrond ontbreekt, zijn die goederen nooit veilig. Natuurlijk zal er agitatie worden verwekt, maar nooit komt iets goeds tot stand, zonder offers en zonder beweging.

Daarom ! Laten wij door niets ons laten afschrikken. Het is niet minder dan plicht het verzuimde te herstellen en de administratie van het Kerkelijk goed op vasten grondslag te plaatsen. Niemand weet welk de uitslag onzer bemoeiingen zal zijn. Dat is ook niet de vraag.

Men reken d\'uitslag niet en teil\' het doel alleen.quot;

En dat doel?

Mannen, Broeders! Is het niet, in \'s Heeren kracht bevorderlijk te zijn aan den bloei van \'t Godsrijk in \'t algemeen? en. . . .

aan den bloei onzer Vaderlandsche, onzer Nederland-sche Hervormde Kerk in \'t bijzonder?

-ocr page 64-

NASCHRIFT.

Ten aanzien van het Beheer zijn er geweest, sinds Koning Willem I als de Souvereine vorst, krachtens zijne souvereine macht, het Beheer der Kerkelijke fondsen en Goederen regelde, eenige Gemeenten, die den naam droegen van -ndc uitgezonderde gemeenten.quot; Daardoor worden verstaan die Gemeenten, die volgens eene bepaling in alle reglementen voorkomende, niet aan de gemaakte bepalingen onderworpen waren, en die hare eigene wijze van Beheer mochten behouden. De provinciale besluiten waren gemaakt om in gebreken en leemten in de kerkelijke administratie te voorzien; waar deze niet bestonden, verviel de rede om de reglementen toe te passen. Sommige Gemeenten kregen de toestemming om den toestand van haar Beheer te laten, zooals hij was vóór de invoering der reglementen. Niet dan noode ging de Regeering hiertoe over, en nooit heeft zij de uitgezonderde gemeenten met een goed oog aangezien. Het denkbeeld van centralisatie dat haar beheerschte, maakte die uitgezonderde Gemeenten tot eene abnormaliteit. Daarom maakte zij in 1827 van den nood der predikanten gebruik om invloed te krijgen op de Gemeenten, die niet aan haar Toezicht waren

-ocr page 65-

6i

onderworpen. Zij schreef n.1. de Provinciale Colleges van Toezicht aan, dat geene altera tanta uit \'s Rijkskas aan de Predikanten zouden worden gegeven ten zij o.a. het Reglement op de Kerkelijke administratie volledig was ingevoerd, en derhalve de toestand van uitzondering ophield. De uitgezonderde admini-stratiën werden daardoor gebracht in een strijd tusschen haar zucht naar onafhankelijkheid en medelijden met het lot van hare predikanten. Alleen de Gemeenten, welke rijk genoeg waren om uit hare fondsen zelve aan de Predikanten de som te geven, die het Rijk beloofde, konden gemakkelijk hare zelfstandigheid behouden.

Ook in 1836 kwam het uit dat de regeering alle middelen in het werk stelde om haar toezicht over de onafhankelijke Gemeenten uit te strekken. In een koninklijk Besluit van 2 December werd de leer gepredikt, dat de toestand van uitzondering niet onttrok aan het toezicht van het Provinciaal College, zoodat op de bepalingen der Reglementen, omtrent het verkoopen van vaste goederen ook door de uitgezonderde administratie moest worden gelet. Dit beweren is door verschillende schrijvers nog uitgebreid geworden. Volgens hen is het bewaard blijven van den ouden toestand en de bevrijding van den reglementairen band, krachtens de reglementen, waarvan men dispensatie ontving. De uitzondering vloeide voort uit het Reglement, en, terwijl men daarvan uitzondering verkreeg, werd men er aan onderworpen.

«Elke gemeente heeft het recht te bewijzen dat zij eigenaresse is harer goederen. Dit wordt door het voorbeeld van Amsterdam duidelijk gestaafd.

Bij den overgang van Amsterdam in 1578 aan de Staten, waren de geestelijke goederen bij het contract afgestaan aan de stedelijke regering, die ze liet beheeren door het stads comptoir, dat met de betaling der

-ocr page 66-

62

Predikanten werd belast. De Regeering heeft van tijd tot tijd een groot deel dier goederen laten verkoopen. Zoover ze niet werden verkocht, bleef het Beheer op denzelfden voet tot 1808. Den 8 December 1809 kreeg de regering van Amsterdam eene aanschrijving om 1° na den 1 Januari 1810 geen betaling uit de plaatselijke of publieke kassen meer te doen aan de predikanten of andere geestelijken, kerkelijke bedienden of eenige objecten van den Eeredienst; 2° te zorgen dat de kerkgebouwen, die onder het Beheer stonden van het Plaatselijk Bestuur, werden overgegeven en in administratie gelaten aan de kerkelijke Gemeenten, die daarvan 1 Januari 1810 het bezit en gebruik zouden hebben, en dat bovendien zoowel het onderhoud als de inkomsten dier gebouwen werden overgelaten aan de genoemde kerkgenootschappen, behoudens nogthans nadere schikkingen voor zoover onder de kerkgebouwen eenige mochten gevonden worden, waarvoor racla-mes aanhangig waren en deze raclames op den 1 Januari 1810 nog niet mochten zijn opgelost.

De groote kerkeraad heeft, namens de Gemeente, de goederen van de regering van Amsterdam overgenomen en een Reglement voor het Beheer gemaakt. Er bestond echter sedert 1798 nog een ander fonds, en een Gemeente Commissie. Men zal zich deze gemeente Commissies herinneren uit den tijd na de afscheiding van kerk en staat, toen overal gemeente Commissies werden opgericht om te voorzien in de behoeften der kerken. Door de bemoeiingen van die van Amsterdam, was een fonds bijeen gebracht, dat in 1810 nog altijd bestond. Na een klein conflict heeft de door den grooten kerkeraad ingestelde commissie ook dat fonds van de commissie van 1798 kunnen overnemen; de laatste is daarop ontbonden.

Dat van al deze goederen, die daarna zijn opgebracht en verkregen de Amsterdamsche gemeente eigenaresse

-ocr page 67-

63

is, kan niet worden betwist. In andere gemeenten bestaan misschien gelijke aanspraken. Doch deze aanspraken zijn geheel andere dan die men uit den hervormingstijd wil afleiden en uit de maatregelen der overheid, sedert dien tijd genomen. Bij het ontwerpen van de Beheers bepalingen door den Souvereinen Vorst, ging het verkrijgen van uitzondering niet zeer gemakkelijk, althans niet ia de Anister-damsche Gemeente. De groote kerkeraad beriep zich bij het reglement op de administratie van N. Holland 2 December 1819 dadelijk op Art. 73, dat aan Gemeenten, waar het Beheer behoorlijk in orde was, en waar geen subsidie werd genoten, provisioneele uitzondering kon worden verleend, en bovendien, zeide men, dat men zich verbonden had tegenover de Gemeente om hare goederen voor deze als een onvervreemdbaar eigendom te bewaren en ze nooit aan een ander bestuur over te geven.

Het adres wordt door den Directeur Generaal aan het College van Toezicht gezonden om advies, en de bestaande toestand onderwijl gelaten op den ouden voet. Eene circulaire van dit College, den 15 febr. 1820 ingekomen, wordt eerst niet beantwoord, en toen, het Provinciaal College den 10 April op antwoord aandrong, gezegd, dat men, gedurende de overweging des konings, zich van antwoord meende te moeten onthouden. Den 21 Augustus deelt het Provinciaal College de toestemming des konings om den ouden voet van beheer te houden mede, maar er werden waarborgen verlangd omtrent de rekening en verantwoording. Hierop wordt geantwoord, dat het bestaande kerkeraads Reglement daarin voorziet, en dat geene nadere inlichtinge 1 kunnen gegeven worden, dan die in dit Reglement voorkomen. Dit antwoord was vastgesteld 21 September 1820.

De koning ziet die onafhankelijkheid echter met leede oogen aan. Den 3 December 1821 wordt namens den Koning door den Gouverneur van N.-Holland eene conferentie verlangd met den grooten Kerkeraad en

,

-ocr page 68-

64

de Commissie door dezen voor de goederen benoemd. Er wordt geantwoord, dat men veronderstelt, dat de punten van bespreking van allergewichtigsten aard zullen zijn en daarvoor eene zoo talrijke vergadering niet wen-schelijke acht. Verkiest de Gouverneur geen schriftelijke behandeling, dan zal eene comphissie naar hem worden gezonden, om te hooren en haren lastgevers over te brengen, wat de Gouverneur te zeggen heeft, opdat daarover de kerkeraad en de commissie voor de kerkelijke gebouwen zullen kunnen beraadslagen. Deze conferentie heeft plaats gehad en het blijkt, dat de koning begeerde, dat jaarlijks aan den Gouverneur een bericht zou worden ingezonden, dat de rekening was gedaan, goedgekeurd en gesloten, overeenkomstig het huishoudelijk Reglement der Gemeente, zonder dat er bij zou ver-eischt worden eene opgaaf van goed en kwaad slot of eenige verdere inzage in de administratie zelve. Aan dit verlangen wordt toegegeven, nadat uitdrukkelijk in de missive aan den Gouverneur is geconstateerd, ,,dat uit het behoud van het beheer op den bestaanden voet noodwendig voortvloeit, dat wij nimmer in eenige aanraking kunnen komen met het Reglement van Zijne Majesteit 12 November 1819 geëmaneerd.quot; Dit was het Reglement op de administratie van N. Holland.

De uitzonderingstoestand der Amsterdamsche Gemeente berust dus zeker niet op dat Reglement.

Deze geschiedenis leert overigens tweeërlei. In de eerste plaats, dat het niet de schuld was van den koning, zoo eene Gemeente zich niet aan het Reglement onderwierp ; en in de tweede plaats, dat de regering ook daar haar toezicht en wijze van administratie zocht in te voeren, waar de eigendom der Gemeente onbetwistbaar was.

Deze bijzonderheden omtrent de Amsterdamsche Gemeente zijn den Heer Mr. W. Heineken bekend geworden uit de protocollen van haren grooten kerkeraad.

-ocr page 69-

öS

Wij zeggen den Heer Heineken dank voor zijne moeite reeds in 1873 genomen en helaas gedurende de jaren daaraan volgende tot heden, door het meerendeel dergenen, die bij de kennis der geschiedenis van den rechtstoestand der kerkelijke goederen, van de Hervormden, de Leden der Hervormde kerk en inzonderheid hare opzieners het meeste belang hebben, jammerlijk miskend.

En nu hooren wij, dat, gelijk eenige gemeenten in de Provincie Groningen geprotesteerd hebben, eveneens de Kerkeraad van Amsterdam tegen de- handelwijze der Synode met de indiening van dit Untwerp-Regle-ment heeft geprotesteerd.

Uit het ten aanzien der Gemeente Amsterdam hier medegedeelde blijkt ons, dat niet eenige particulieren, maar dat de groote kerkeraad van Amsterdam, namens de Gemeente, de goederen van de regering van Amsterdam heeft overgenomen. De groote kerkeraad van Amsterdam heeft dit dus gedaan qualitate qua. De Gemeente van Amsterdam maakt deel uit van die verzameling van de gemeenten in Nederland, die te samen uitmaken nde Ne der la 11 cische Hervormde Kcrk.i. Hoe nu bij mogelijkheid de Hervormde Gemeente van Amsterdam kan protesteeren tegen het doel der Synode om het Beheer van de kerkelijke goederen en fondsen van de Gemeente der Nederlandsche Hervormde Kerk en het toezicht daarop te regelen, is ons een raadsel. Ten dage der doleantie zijn juist de goederen en fondsen voor de Hervormde Gemeente te Amsterdam behouden, omdat ze van die gemeente het eigendom waren. De bestormde nieuwe kerk moest goed- of kwaadschiks aan de Hervormden worden weergegeven, en alle wederrechtelijk geeigende documenten in handen der rechthebbenden worden gesteld. De Synode denkt er niet aan, zich het eigendomsrecht van eenige gemeente op

-ocr page 70-

66

hare kerkelijke goederen aan te matigen, dus ook niet van die der Amsterdamsche Gemeente. Zij wil alleen reglementeeren de wijze van Beheer en het toezicht daarop. En daarvoor is noodig eenheid, terwijl daaraan zich het eerst en het gewilligst behoorde te onderwerpen de Gemeente van Amsterdam. Waarlijk er bestaat in deze quaestie eene verwarring van begrippen, die, zoo ze niet •betreurenswaardig was, allermerkwaardigst behoorde te heeten. » Vrijheidi staat in beteekens niet gelijk met »losbandigheid.« Wij hebben wel eens gelezen dat de hoogste vrijheid te gelijkertijd de hoogste gebondenheid is, — daar namelijk, waar waarachtige liefde hare krachten oefent. — Bij de gemeente van Amsterdam is in de moeielijke dagen haar gedurende de vorming »der kerkelijke kas« bezorgd, niet de liefde tot hare vrijheid maar tot de Hervormde Kerk duidelijk gebleken, eene liefde, die ten dage van het Kerkelijk Congres wilde toonen, dat er van die kerk nog kracht uitgaat ten goede voor Neerlandsch volk, eene liefde, die niet wil verwarring maar samenbinding. Mochten er bij de Amsterdamsche Gemeente bezwaren bestaan tegen eene openbaarmaking van de grootheid harer bezittingen en fondsen, wellicht zou er middel kunnen worden gevonden dat der Commissie van Toezicht het stilzwijgen werd opgelegd in deze zaak, een stilzwijgen, dat wij niet alleen der Commissie van Toezicht ten aanzien van Amsterdam, maar ten aanzien van elke Gemeente afzonderlijk zouden willen zien opgelegd. Mogelijkheid daartoe bestaat, naardien volgens het ■»Ontwerp-Reglement de Commissie van Toezicht wel zal zijn en blijven, inzake de wijze van het Beheer der Gemeenten, de hoogste rechtsprekende macht. Het beroep op de Synodale Commissie om vernietiging van aanvragen om revisie bij het Provinciaal Kerkbestuur, veronderstelt toch gegronde aanmerkingen, door deze Commissie op het Beheer gemaakt, waar-

-ocr page 71-

6;

mede eenige kerkelijke administratie geen genoegen wil nemen. En dan ook, als \'t moet. gt;fiat justitia« voor Amsterdam evenzoo goed als voor de kleinste Gemeente in Frieslands veenen. De toestand kan voor Amsterdam geheel dezelfde blijven, slechts met verandering in de onderscheiden namen. Het Beheer wordt aan de Gemeente van Amsterdam niet ontnomen, dit begeert de Synode niet en kan zij niet begeeren, doch ter wille van Amsterdam, of van eenige tot haar, nog uitgezonderde Gemeente, mag het doel der Synode niet worden losgelaten. De Gemeente van Amsterdam ontvangt de Predikanten in hare Kerkgebouwen, gelijk dit ook doet de gemeente b. v. van \'s Gravenhage, waar als ootmoedige en zachtmoedige Christenen, Heeren Kerkvoogden niet waar? de stoffelijke belangen van\'s Heeren Gemeente liefde ^ èn »met toezvifdingquot; DIENEN.

Er moet verandering komen. Een Algemeen Col lege van Toezicht, dat 1° niet algemeen is en 2° alle rechtskracht mist om zich als »algemeenquot; te doen gelden, kan zich in dagen van gevaar voor het verlies van kerkelijke goederen en fondsen der Gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk niet voor die goederen en fondsen stellen in de bres. Dit kunnen evenmin doen de z. g. n. uitgezonderde Gemeenten, als die voor zich onrechtmatig kozen-vrij Beheer; dit kan alleen de Kerk zelve, in casu het haar vertegenwoordigend hoofd: de Synode.

Mannen Broeders! Geroepen de kerk te dienen, blijke het, dat dit geschiedt op de rechte wijze. Dat wij het samen doen met die toewijdende liefde, waarvan de kracht zal blijken, als wij verstaan de diepe beteekenis der Apostolische vermaning:

»Een iegelijk zie ook op hetgeen des anderen is.«

-ocr page 72-

Stoomdruk van C. SNOEK Wz., Woerden.

/

-ocr page 73-
-ocr page 74-
-ocr page 75-
-ocr page 76-