GODSDIENSTIG GEZANGBOEK.
OUD-KATHOLIEKEN.
VOLK S-XJI T Gr A. V E.
leert en vermaant elkander mei psalmen , lofgezangen en geestelijke liederen, zingende voor God met aangenaamheid van harte. Coloss. III. vs. 16b
rotterdam,
RICHD. REISBEBMAN : firma H. ï. HENDRIKSEN. 1 8 9 0.
BER ICH T.
(UITGAVE 1879-)
Van vereerende zijde werden wij aangezocht tot de uitgave van een gezangboek voor kerkelijk gebruik
De bekende gezangen van wijlen den heer C. Kuiper van der Stam, i) die bij een echt vromen zin, ook van eene degelijke godsdienstige kennis getuigen, schenen ons toe voor dat doel het meest geschikt te zijn. Het grootste gedeelte van die liederen hebben wij opgenomen. Slechts enkele anderen, zooals uit de bekende missen en gezangen, werden daaraan toegevoegd.
Al deze gezangen zijn, zooveel mogelijk, naar de eischen van onzen tijd herzien. De zangwijzen, die er boven geplaatst zijn, zijn de in onze kerk algemeen be-
1) Overleden te Enkhuizen in 1837.
kende melodieën. Waar deze verbetering behoefden, of niet bruikbaar waren, werden ze door een bekwame hand herzien of geheel vernieuwd.
Wij hopen met deze uitgave een nuttigen arbeid verricht te hebben.
R. E. Z. 17- Juli 1879.
Dc uitgevers.
BERICHT
VOOR UEZE VOLKS-UITGAVE.
De algemeene behoefte aan het Godsdienstig- gezang-, boek voor Oud-Katholieken, dat in het jaar 1879 uitgegeven werd en geheel is uitverkocht, heeft ons tot deze Volksuitgave doen besluiten. De inhoud is dezelfde gebleven.
Moge deze uitgave aan haar doel beantwoorden.
De uitgevers.
Rotterdam,
20 September 1890.
INHOUD.
GEZANGEN oi\' FEEST- en ZONDAGEN.
Advent.
Gezang . Bladz.
I. Bij d\'aanvang van \'t nieuw kerklijk jaar............1
II. Verhoor ous van uw troon......................3
III. Laat heemlen als een regendauw........................5
IV. Stort, o hemel! uit uw wolk........................6
Kerstmis.
V. O blijde nacht! Messias is geboren....................9
VI. Laat nu alle droefheid vluchten......................10
VII. \'t Uur van redding is, God lof! geslagen............II
VIII. Blijde nacht, zoo vol van luister....................13
IX. Zingt nu met verheugden geest ......................15
X. Nu met vreugdevolle harten..........................18
XI. Nooit gehoorde wonderheden............................20
XII. Komt Christnen..........................................22
Oudejaar.
XIII. De tijd, de rustelooze tijd..............................24
Nieuwjaar.
XIV. \'t Is plicht, dat wij de eerstelingen................27
Driekoningen.
XV. Sta op, Jeruzalem en word verlicht.................29
x inhoud.
Gezang. Bladz.
r eestdag van den Heiligen naam Jezus.
XVI. Jezus, Heiland, Heer der lieeren..................31
Veertigdaagsche Vasten.
XVII. Zie, o Vader! genadig God..........................33
XVIII Cliristenen, die om uw zouden........................34
XIX. Uit d\'afgrond van ellenden..........................36
XX. O Jezus! bron van \'t eeuwig licht ..................38
XXI. Mijn God! welk lijden................................40
XXII. Beef vrij, aarde ..........................................42
XXIII. AVelk een schouwspel..................................43
XXIV. \'t Uur van lijden is gekomen..........................45
XXV. Met de tranen op de wangen........................47
Paaschtijd,
XXVI. Hij is daar, die dag................................50
XXVII. Laat nu \'t Alleluja klinken..........................51
XXVIII. Nu eenparig \'t loflied aangeheven....................53
XXIX. Het groote pleit is dan heslist........................55
XXX. Weg nu droefheid........................................57
XXXI. Ziugt nu verheugd......................................59
XXXII. Wat mag toch de nijd meer woeden..................60
Hemelvaartsfeest.
XXXIII. Ontsluit nu uw poorten............................61
XXXIV. Ontrolt nu de zegevanen................................63
Pinkster.
XXXV. O Geest, o Geest van vuur en liefde..............65
XXXVI. Bron van liefde..........................................67
XXXVII. Daal op ons, o heiige Geest..........................69
H. Drievuldigheid.
XXXVIII. Christnen, eert, looft Gods Drievuldigheid.7 ... 71
inhoud. xi
Gezang . Bladz.
H. Sacramentsdag.
XXXIX. Onuitputbre Bron van liefde..........................73
K e r k w ij d i n g.
XL. Zoo mag dan weer die dag verjaren................75
Zondagen na Driekoningen en Pinkster.
XLI. Wat heil, wat zaligheid..................................77
XL1I. Kniel hier vol eerbied neer..........................78
XLIII. Is het mooglijk stervelingen..............................80
XLIV. Buig u neder..............................................82
XLV. De feestzaal is ontsloten................................83
XLVI. Opperherder onzer zielen..............................85
XLVII. O aanbidlijk voedsel ....................................8(1
XLVIII. Uw liefde deed U dalen..............................88
XLIX. Brood, zoo voedzaam en vol krachten..............89
L. Eet mijn vleesch........................................91
LI. Aller oogen zijn geslagen ..............................93
LII. Lam Gods! dat wij op \'t hoogst vereeren .... 94
LUI. Ziet hier, christnen ! \'t Brood des levens..........96
LIV. Komt christnen ........................................98
LV. \'t Hart vol vreugde opgeheven........................9!)
LVI. Veel geroepen, weinig uitverkoren..................101
LVII. Komt hier tot de bron van \'t leven.........103
LVIII. Eeuwige oorsprong aller dingen........................105
LIX. Gij die in \'t ongenaakbaar licht............106
LX. Opperheer en Koning van het groot heelal. . .. 107
LXI. Schoon op uwen troon gezeten............109
LXII. Al wat ons noodig is....................................111
LXIIE. Verhoor ons smeekgebed.............. ... 113
XII INHOUD.
Gezang. Bladz.
DE FEESTDAGEN DER HEILIGEN.
M ariafeesten.
LXIV. O Maagd, door God verkoren............ 115
Apostelfeesten.
LXY. Aan h, dien wij lieden vieren............117
Feestdag van den Patroon of de Patrones eener kerk
LXVI. Grbot waart gij reeds liier op aarde......... 119
Geboorte van den H. Johannes den Dooper.
LXVII. Juich Israëli de tijd komt naadren.........131
II. Petrus en P au 1 us.
LXVIII. Edel paar, zoo hoog verheven............ 123
H. Maria M a g d a 1 e n a.
LXIX. Magdalena ! welk een zegen...............125
II. Lanrentius.
LXX. Poogt vrij, beulen en harharen............ 127
H. M i c h a ë 1.
LXXI. Neen, Lucifer! geen krachten.............129
Allerheiligen.
LXXII. Niet dan kronen..................... 131
Allerzielendag.
LXXII1. Die zegepralen.......................134
H. \\V i 11 i h r o r d u s.
LXXIV. Nu het loflied aangeheven............... 136
H. Stephanus.
LXXT. Stephanus, vol vuur en sterkte............138
H. Johannes.
LXXVI. Komt nu, vrienden van dien Koning........ 140
xiii
Bladz.
inhoud.
Gezang.
GEZANGEN BIJ BIJZONDERE GELEGENHEDEN.
Vóór de bediening van het H. Vormsel.
LXXVII. O Heiige Geest! wil thans doen dalen.......143
Na de bediening van het H. Vormsel.
LXXVIII. Komt geliefden, waarde vormelingen....... 146
Vóór een eerste H. Communie.
LXXIX. Komt ter bruiloft, gij geuooden...........148
Na een eerste H. Communie.
LXXX, Nu vol vreugde \'t danklied aangeheven...... 151
Voor zieken.
LXXXI. O droeve zonde .................. ... 153
Gebed voor de H. Kerk.
LXXXII. Afval, scheuring, wat al wonden......... 155
Voor gemeente en herder.
LXXXIII. Verhoor hen, die hier steeds vergaadren......157
Bij eene huwelijksinzegening.
LXXXIV. O Bron van alle zegeningen............. 159
Voor huisgenooten, enz.
LXXXV. Bescherm, o God! door uwe hand.........161
Vóór de preek.
LXXXVI. O Geest der waarheid................. 163
LXXXVII. Komt nu, Christnen..................164
Na de preek.
LXXXVIII. \'t Geen door ons is gehoord............. 165
LXXXIX. Bewaart het godlijk woord............... 167
Na de H. Mis.
XC. Zoo is de dood des Heeren............. 168
xiv inhoud.
Gezang. Bladz.
Onder of na «ene Mis voor overledenen.
XCI. Neen, geen dood kan ons doen beven........169
XCII. Dood en graven! gij zijt verschrikkelijk............171
Dankzegging.
XCIII. Dankbaarheid betaamt, o God.............172
XCIV. Aller oogen wachten op U............ ... 174
XCV. Het kruis des Heeren..................176
OP 1ST-11MGI
ADVENT.
I.
De nacht loopt te» einde en de dag komt aan; laat ons dan de werken der duisternis afleggen en de wapenen des lichts aandoen.
Rom. XIII. vs. 12.
Bij d\'aanvang van \'t nieuw kerkelijk jaar
Is onze eerste zucht en bede Tot ü, o Opperzegenaar,
Om ware godsvrucht, liefde en vrede.
2.
Om ware godsvrucht, opdat wij
U niet slechts met de lippen eeren,
Maar dat ook \'t hart gevoelvol zij,
Als we in \'t gebed ons tot U keeren.
3-
Om ware godsvrucht uit de bron
Van \'t waar geloof alleen ontsproten. Bestraald door \'t licht der waarheidszon, Uw heilig woord voor ons ontsloten.
1
ADVENT.
4«
Om liefde \'t eerst en \'t grootst gebod,
Zoo zalig voor het minnend harte, Dat gaarne deelt in \'s naastens lot,
Hem troost en helpt in druk en smarte.
5-
Om liefde als het zekerst merk,
Dat wij den Heiland toebehooren; Het deel alleen der ware kerk,
Het deel alleen der uitverkoornen.
6.
Om vrede met U, hoogste goed!
O God des vredes, bron van leven! Dien vrede van het rein gemoed,
Dien ons geen wereld ooit kan geven.
7-
Om vrede met den evenmensch;
Wat kan toch \'t schoonst gebed ons baten, Zoo wij, ondanks uw wil en wensch, Elkander onverzoenlijk haten?
8,
Barmhartig Vader! Hemelheer!
Hoor op deez\' dag ons aller bede! Geef, dat wij leven U ter eer.
Door ware godsvrucht, liefde en vrede!
ADVENT.
n.
Ach! of Gij de hemelen scheurdet en afkwaamt!
Isaias LXIV. vs. 1.
Verhoor ons van uw troon,
O Vader! zend dien Zoon,
Naar wien wij vurig haken !
Die Zoon, zoo lang verwacht Door \'t menschelijk geslacht,
Zal onze boeien slaken.
2.
Ach! welk een bange nacht,
Vol wee en jammerklacht.
Nacht van vierduizend jaren!
Waarin, na Adams val,
Zijn kindren zonder tal
Zoo diep gedompeld waren.
3-
d\'Aartsvaderlijke stam,
Het zaad van Abraham ,
Bad reeds met groot verlangen Om redding uit dien nood,
Verlossing van den dood,
Om hulp van U t\' ontvangen.
4-
Zoo bleef ook Isrels kroost
Naar hulp en licht en troost,
Naar uw ontferming haken.
Profeet en volk, \'t riep al ; „Ach, zend Hem in dit dal,
Die onze boei zal slaken!quot;
3
1»
ADVENT.
5-
Dauwt wolken van omhoog!
Ontsluit, ontsluit uw boog ! O hemel 1 laat Hem dalen,
Dien Heiland lang verwacht! Verdrijf den bangen nacht!
Laat \'t zonlicht heerlijk stralen
6.
Schep moed , gevallen mensch !
God hoort en kent uw wensch Zijn woord kan nimmer falen.
Haast zend Hij van zijn troon Messias, zijnen Zoon,
Genezend al uw kwalen.
7-
Zoo gij dien Zoon verbeidt, Uw hart oprecht bereidt, Om Hem daarin t\' ontvangen:
O zalig dan uw lot!
Want met dien Zoon van God, Zult ge alles ook erlangen.
8.
Maar wie maakt \'t zoo bereid, Dat het uw komst verbeidt, O Heiland! zonder vreezen?
Niemand dan Gij, o Heer! Ach! zie dan op ons neer.
Wil \'t kranke hart genezen!
ADVENT.
m.
Be Heer is nabij allen, die Hem aanroepen; allen die hein aanroepen in waarheid. Psalm CXIV. vs. 18.
A\'oorzanger.
Laat heemlen als een regendauvv den Heiland nederdalen.
Het koor herhaalt : Laat, €71Z,
1.
Voorzanger
Wees niet vertoornd, o Heere God! en wil onze misdaden nu niet meer gedenken
Zie, hoe \'theiligdom geheel verlaten is, hoe \'theilig Sion verwoest en droevig ligt, Jeruzalem vol bedruktheid is, \'t heerlijk lustverblijf en geheiligd woonhuis uwer eer en glorie, waar de vaderen U blijdelijk loofden.
Het koor herhaalt: Laat, enz,
2.
Voorzanger.
Wij zijn in schuld en zijn geworden als heel melaatsch en vuil; en wij zijn allen als de bladeren afgevallen.
Ja, onze ongerechtigheden hebben ons gelijk een wind vervoerd; en Gij hebt uw aangezicht voor ons verborgen, en ons gekneusd als met de hand onzer eigen schuld en zonden.
Het koor herhaalt; Laat, enz.
3-
Voorzanger.
Zie toch, Heere God, op de verdrukking uwer beminden.
Zend Hem, dien Gij zenden zult
Zend uit het Lam, dat het aardrijk beheerschen zal van den rotsteen der woestijn naar den berg van uw Sion. opdat hij verbreke het juk van onze slavemije.
Het koor herhaalt: Laat, enz.
5
ADVENT.
4-
Voorzanger.
Nu vertroost u toch; nu vertroost u toch, mijne beminden! Uwe zaligheid zal haast komen.
Waarom verteert u de smart en pijn, en waarom ontsiert u de droefheid? Nu, vreest niet meer; Ik zal u helpen, want Ik ben uw Heer, Helper, God en Heiland. Israels geheiligde Verlosser
Het koor lierliaalt; Laat CUZ.
IV.
Ik hid TI, Heer, zend dien Gij te zenden hebt. Exod. IV. vs. 13.
1.
Stort, o hemel! uit uw wolk
Den Verlosser van uw volk;
Geef, o aarde! geef de vrucht
Waar mijn hart zoo naar verzucht! Ach ! waar is, ach ! waar is De Messias, mijn behoudenis!
2.
Wek, o Heer! wek op uw macht,
Kom met uw genadekracht!
Kom, mijn troost, mijn heil, mijn wensch,
Kom, Verlosser van den inensch! Ach! waar is, enz.
6
ADVENT.
3-
Zie wat toch cle wereld is:
Niet dan zonde en duisternis !
Zie het gansche menschental In den dood door Adams val.
Ach! waar is, eiiz.
4-
Zie het blinde Heidendom,
Zie \'t verwoeste Heiligdom !
Die kent zijnen God niet meer, Deze schendt uw wet en eer.
Ach ! waar is, enz.
5-
Zijt Gij niet het eeuwig Licht, Die de wereld hebt gesticht ?
Kom , o Licht, o Waarheidszon . Kom , o ware Liefdebron !
Ach ! waar is , enz.
6.
Toon, o Heer! aan uw geslacht Den Verlosser lang verwacht.
Wanneer komt die blijde dag. Dien de vader Abram zag ?
Ach ! waar is , enz.
7-
Neen , o Heer ! geen bokkenbloed Stremde ooit der zonden vloed.
Kom Gij zelf, reik ons de hand En word zelf onz\' offerand!
Ach! waar is , enz.
ADVENT.
8.
Kom , o onbevlekte Lam!
Kom, o bloem uit Jesse\'s stam; Wasch mij in den reinen vloed
Van uw heilig, dierbaar bloed. Ach ! waar is , enz
9
Kom tot ons Emmanuël,
Groote Vorst van Israël\'
Kom , o Vaders eeuwge Zoon ,
Daal toch neder van uw troon ! Ach ! waar is, enz.
10.
Kom, o Wijsheid, eeuwig Woord!
Die vut niets brengt alles voort. Wek ons op uit \'t zondengraf
En neem ons de boosheid af! Ach ! waar is , enz.
li.
Zend, o Heer! zend ons de vrucht
Van \'t geroep en kerkgezucht! Zend hem in het aardsche dal,
Die den mensch verlossen zal! Ach! waar is, enz.
KERSTMIS.
KERSTMIS.
v.
Maria haarde haren eerstgeboren Zoon, en zij wond Hem in doeken en legde Hem neder in eene krib. Lukas II .vs. 7.
1.
O Blijde nacht!
Messias is geboren!
Niet lang gewacht!
Laat ons den Uitverkoren Met een dankbaar hart
Bezoeken in de arme stal.
Hij is \'tj die ons verlossen zal!
O wondre zaak!
Hier ligt de allermeeste,
In grooten nood, schier naakt en bloot, Op hooi en stroo,
In \'t midden van de beesten!
2.
O Liefde groot!
Wie kan dit achterhalen ? Het hemelsch Kind
Is komen nederdalen.
Kom , o vrome ziel!
Hier is de goddelijke spijs,
De stal wordt als een paradijs. O wondre zaak! ens.
KERSTMIS.
Ondankbaar raensch !
Kom, Iaat u hier ook vinden! Dit hemelsch Kind
Het is uw Welbeminde.
Blijft gij nog zoo flauw
En zoo ondankbaar van gemoed, Daar God zoo veel uit liefde doet ? O wondre zaak! enz.
VI.
Hij is de verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de geheele wereld
1 Joh. 11. vs. 2.
1.
Laat nu alle droefheid vluchten van het menschelijk geslacht. Vreugde, blijdschap en geneugten heeft dit Kind ons meegebracht.
Weest dan vroolijk van gemoed Adams kind\'ren al gelijk, Want dit Kind, ons aller Heer, opent u zijn hemelrijk.
2.
Weet, dat Hij u van zijn tronen erfgenamen maken zal: Daarom is Hij komen wonen bij de beesten in den stal. Weest dan vroolijk van gemoed, enz.
3-
Om uw schulden te betalen, die verdienden zware pijn ; Daarom wil Hij nederdalen en hier zoo verworpen zijn. Weest dan vrolijk van gemoed, enz.
10
KERSTMIS.
VIL
Verheug u yrootelijl\'s, dochter van tiionf Juich! dochter van Jeruzalem. Zie, uiv Koning gaat tot u kouten. Hij, die de rechtvaardige en de Zalig maker is!
Zach. IX. vs 9.
1.
\'t Uur van redding is, God lof! geslagen. Vóór het menschdom ziet de heilzon dagen: Uit de kimmen rijst zij vol van luister, Op haar komste vlucht het nachtlijk duister. Welk een stof tot vreugde.
Nu die heilzon ons bestraalt!
Nu ons leven, nu ons leven Uit den Hemel nederdaalt!
2.
Tuigt dit Herders, tuigt dit Bethlems velden, Nu Gods Eng\'lèn \'s Heilands komste melden. Blijde boodschap, zegenrijke tijding.
Bron van vreugde, bron onzer bevrijding! Cherubijnen juichen,
Serafs zingen, welk een toon!
Welke zangen, welke zangen,
Hemelsch, zielverrukkend schoon!
3-
Neen,geen vorsten, neen, geen aardsche grooten Worden van deez\' tijding deelgenooten.
Arme herders zijn de uitverkoor\'nen,
Die de heilmaar\' \'t eerste mogen hooren. Hij, die wordt geboren Arm en vol van needrigheid, Is verheven, is verheven Boven \'s werelds ijdelheid!
KERSTMIS.
4-
Welk een zegen daalt met Hem van boven Komt, verlosten, komt Gods goedheid loven Adams zonde had zijn kroost doen sneven, Jezus komste doet dat weer herleven. God is ons genadig En gedenkt aan zijn verbond Met de Vaadren, met de Vaadren, Hij vervult het op deez\' stond.
5-
In de kribbe is die schat gelegen,
Door geen aardsche schatten op te wegen. Laat ons dankbaar \'s Vorstens komste vieren, Zijner waardig zijn paleis versieren!
Laat ons nederknielen Voor de krib als voor zijn troon, En betuigen, en betuigen Onze hulde aan Gods zoon.
6.
Heer en Koning! hoor ons trouwe zweren. Zie de hulde, waarmêe we U vereeren! Ja, wij willen als uw onderdanen Moedig strijden onder uwe vanen!
Schenk Gij ons de krachten,
Noodig tot zoo schoon een strijd! d\' Overwinning, d\' Overwinning Zij ons deel voor d\' eeuwigheid!
KERSTMIS.
vin.
God is op de aarde gezien en heeft met de menscJien verkeerd, Baruch III.vs.38.
Blijde nacht, zoo vol van luister,
Zoo vol van zaligheid !
Die , te midden van het duister,
Het grootste licht verspreidt.
Schooner dan de schoonste dag,
Dien men ooit op aarde zag.
In dees nacht, in dees nacht, in dees nacht Is \'t grootst geheim volbracht!
2.
Zie ik in de kribbe neder,
De krib in Bethlehem,
\'k Vind een kind nog zwak en teeder.
Maar naar des engels stem Zie ik in dat kind mijn God,
In zijn komst het zaligst lot.
Heil en vreê, heil en vreê, heil en vreé Brengt het op aarde mee.
3-
Ofschoon arm , gehuld in doeken ,
Schoon in een beestenstal,
Moet ik hier mijn Redder zoeken,
Den Heer en God van \'t al.
Onder deze needrigheid
Schuilt de hoogste majesteit.
Aardsche pracht, aardsche pracht, aardsche pracht Wordt hier als niets geacht.
13
KERSTMIS.
4-
Komt hier, trotsche, aardsche grooten,
Komt hier in Bethlems stal!
Ziet hier arm en als verstooten,
Den Grootste in \'t heelal!
Leert tot uw behoudenis,
Wat de ware grootheid is ! Needrigheid, needrigheid , needrigheid , Is \'t, die ten hemel leidt.
5-
, Komt hier, armen en geringen !
Ziet, hoe de grootste Heer, d\'Oppervorst der stervelingen,
Ligt in een kribbe neer Treurt niet om uw needrig lot,
Ziet op \'t voorbeeld van uw God! Needrigheid , needrigheid , needrigheid Is \'t, die ten hemel leidt.
6.
\'k Hoor verrukt het hemelsch zingen
Der zaalge Englenrei;
\'k Zie haar \'t Godlijk Kind omringen,
Hem is de heerschappij !
Hij regeert het gansch heelal,
Die hier ligt in Bethlems stal.
\'t Is de Heer, \'t is de Heer, \'t is de Heer, \'t Knielt alles voor Hem neer.
7-
O Gezegendste der vrouwen !
O zaalge Moedermaagd 1 Gij moogt in uw Zoon aanschouwen,
Uw Schepper, die u\' schraagt; Wonder nooit gehoord op aard !
Gij, o Maagd! hebt Hem gebaard, Die als God, die als God , die als God, U schenkt het zaligst lot.
KERSTMIS.
8.
O Messias! Heer der heeren !
O God vol majesteit Laat ons bij uw kribbe leeren
Ootmoed en needrigheid!
Prent toch diep in ons gemoed
d\'IJdelheid van het aardsche goed! Zaligst lot, \'t zaligst lot, \'t zaligst lot Schenkt G\'ons dan ook, o God!
IX.
Here zij God in het allerhoogste, en op de aarde vrede den menschen van goeden wil.
Lukas 11. vs. 14.
Zingt nu met verheugden geest, Christnen, op dit zalig feest!
Spoedt u heen naar Bethlehem,
Hoort daar \'t lied der englenstem: God zij eer!
God zij eer 1 Glorie aan den hoogsten Hemelheer!
2.
Welk een hemelsch godlijk wicht Ziet daar ons verrukt gezicht!
Ja! dat Kind, zoo lang verwacht, Is geboren dezen nacht.
Heil en vreê!
Heil en vreê!
Brengt dit godlijk kind den goeden mee.
KERSTMIS.
Komt, aanbidt Emmanuel!
Knielt voor \'t heil van Israel,
Voor den spruit uit Juda\'s stam,
Voor het vlekkelooze Lam.
God zij eer!
God zij eer!
Glorie aan den hoogsten Hemelheer!
4-
\'t Is tot uw behoudenis ,
Dat dit Kind geboren is;
Het trekt u uit ramp en nood, Het verlost ons van den dood.
Heil en vreê !
Heil en vreê I Brengt dit godlijk kind den goeden mee.
5-
Kom hier, trotsch, hoovaardig mensch!
Zie hier Jezus, aller wensch;
Zie den Heer der heerlijkheid In de diepste needrigheid!
God zij eerl God zij eer !
Glorie aan den hoogsten Hemelheer!
6.
\'t Is al ami wat men hier ziet.
Goud of zilver blinkt er niet.
Kroon noch schepter siert dit kind,
Maar \'t geloof een God hier vindt. Heil en vreè!
Heil en vreê!
Brengt dit godlijk kind den goeden mee.
16
KERSTMIS.
7-
Welk een wonder! Godes Zoon
Daalt voor ons uit \'s Vaders troon, En wordt mensch, wordt ons gelijk. Welk een teeder liefdeblijk 1 God zij eer!
God zij eer!
Glorie aan den hoogsten Hemelheer!
8.
Ach! hoe treurig waar\' ons lot,
Zonder dit geschenk van God,
Zoo dit hemelsch godlijk kind Ons zoo teer niet had bemind!
Heil en vreê!
Heil en vreê !
Brengt dit godlijk Kind den goeden mee.
9-
Komt dan, naadren wij zijn troon!
Loven wij Maria\'s Zoon Met een hart vol dankbaarheid Voor het heil ons toebereid !
God zij eer!
God zij eer!
Glorie aan den hoogsten Hemelheer!
10.
Neem ons dankbaar offer aan,
Zie ons bij uw kribbe staan ,
Jezus! stort in ons gemoed \'t Vuur van uwen liefdegloed!
Heil en vreê 1 Heil en vreê!
Brengt dit godlijk Kind den goeden mee.
17
2
KERSTMIS.
X.
Laat ons henengaan naar Bethlehem, zien de zaak, die daar geschied is, /re de Heer ons bekend gemaakt heeft.
Luk as TI. vs. 15.
1.
Nu met vreugdevolle harten Naar het zalig Bethlehem!
Daar verdwijnen ramp en smarten Op de blijde englenstem.
Alles juiche vol van vreugd,
üoor het gansche wereldrond;
Kranke harten zijt verheugd,
Jezus\' komst maakt u gezond.
2.
Als een lang gewenschte regen,
Die het smachtend aardrijk drenkt,
Zoo daalt Jezus vol van zegen Daar Hij d\' aarde vrede schenkt;
\'t Is die Redder, lang voorspeld, Die voor Adams zonde boet,
Zich voor ons ten offer stelt,
Ons den hemel open doet.
3-
De Messias is geboren,
K oning David ! zie uw Zoon!
U beloofd, zoo lang te voren , Als het sieraad van uw troon.
Zie dien troon door Hem hersteld. Vol van glans en majesteit!
\'s Vijands macht wordt neergeveld , \'t Rijk gesticht voor d\'eeuwigheid.
KERSTMIS.
4-
Juda\'s leeuw komt nu bestrijden Satan en zijn helsch gespuis;
Komt de vaderen bevrijden Uit hun ballingschap en kluis.
Nooit een held zóó groot van kracht, Nooit een vorst zóó teer bemind ,
Nooit een veldheer zóó vol macht, Als men hier in Bethlem vindt!
5-
Wonder nooit gehoord voor dezen , Nooit vernomen op dees aard !
Door geen stervling ooit gelezen!
Eene maagd een zoon hier baart!
Welk een uitverkoren maagd,
Waard te baren zulk een schat!
Die haar eigen Schepper draagt, Hem, die \'t al in zich bevat.
6.
\'t Nieuw verbond, zoo vol van luister, \'t Rijk der liefde wordt gesticht.
Jezus\' komst verdrijft het duister, Brengt een nieuw en eeuwig licht.
Geen profeet, geen slaafsch verbond Kon ons redden ; maar de Zoon,
Die tot ons komt op dees stond.
Geeft ons toegang tot Gods troon.
7-
Wel te recht dat wij U loven ,
Dat we U danken, groote God !
In uw Zoon, gedaald van boven, Schenkt Gij ons het zaligst lot.
KERSTMIS.
Vader vol barmhaitigheid!
Niet alleen op dezen stond, Maar in alle eeuwigheid
Danken U èn hart èn mond !
XI.
Gij kent de weldadigheid onzes Beer en Jezus Christus, die3 daar hij rijk was, om uwentwil arm geworden is, opdat gij door zijne armoede rijk zoudt worden,
II Kok. VIII. vs. 9.
Nooit gehoorde wonderheden
Spreidt Gods almacht thans ten toon, d\'Allerhoogste daalt beneden
En wordt mensch, Maria\'s zoon! Christnen! kent dan uwe waarde ,
\'t Is om u dat Jezus daalt,
Voor u komt Gods Zoon op aarde, \'t Is uw schuld, die Hij betaalt.
d\'Opperheer der hemelmachten
Ligt hier als een machtloos kind. Juda\'s leeuw, zoo vol van krachten Is \'t, dien men in doeken vindt! Christnen ! komt Gods goedheid loven,
Nadert met een dankbaar hart;
Voor u daalt Gods Zoon van boven In dit dal van ramp en smart.
KERSTMIS.
3-
d\'Oorsprong, Gever aller gaven,
Van wien \'t schepsel voedsel vraagt,
Ziet men als een kind zich laven Met de moedermelk der maagd !
Christnen! komt Gods liefde danken In het zalig Bethlehem ;
Voegt uw lied en blijde klanken Bij \'t gejuich der englen stem.
4-
d\'Onderhouder aller dingen, d\'Opperkoning van \'t heelal
Heeft hier tot zijn hovelingen Herders, tot paleis een stal!
Christnen! komt hier ootmoed leeren. Nooit een dieper needrigheid
Dan dit voorbeeld onzes Heeren ; Volgt dit tot uw zaligheid.
5»
Hij, voor wien de englen beven,
Heer van \'t leven en den dood,
Neemt hier uit een maagd het leven, Wordt geboren uit haar schoot.
Christnen! welk een schat van zegen Daalt met Jezus voor u neer!
Nooit werd grooter gunst verkregen, Grooter gift van God den Heer.
6.
Hoor ons daarvoor vurig danken, Jezus! in ons staamlend lied.
Zwak moog zijn èn toon èn klanken , Zie op \'t harte, dat ze U biedt!
KERSTMIS.
Doe dat hart van liefde blaken Tot U, bron van alle goed, Gij, die onze boei komt slaken, Ons verlossen door uw bloed.
XII.
Het Woord is vleesch geworden, heeft onder ons gewoond. Joh. I. vs.» 14
I.
Komt Christnen ! komt Christnen
Naar \'t zalig Bethlehem!
Daar is nu dat Kind geboren,
Zooveel eeuwen van te voren Door de vaderen verwacht,
Als de bron van allen zegen,
Door geen schatten op te wegen:
\'t Heil van \'t menschelijk geslacht. Vorst Messias, Davids Zoon
Neemt bezit van \'s Vaders troon.
Komt Christnen ! komt Christnen
Naar Bethlems rijken stal!
\'t Is de Gever aller gaven,
\'t Is de bron, die \'t al kan laven, Dien dees stal in zich bevat.
Goud noch zilver dezer aarde Hebben hier een gangbre waarde ,
Hier is een veel grooter schat.
Geen sieraad van stof en slijk Voegt den Vorst van \'t eeuwig rijk.
KERSTMIS.
3-
Komt Christnen ! komt Christnen ,
Knielt voor de kribbe neer!
\'t Is een troon van grooter waarde
Dan de rijkste troon op aarde, \'t Is een troon vol zaligheid.
\'t Is die van den grootsten Koning, Die op aarde neemt zijn woning:
\'t Is een troon voor d\'eeuwigheid. Nadert waardig dan dien troon, \'t Is de zetel van Gods Zoon.
4-
Komt Christnen! komt Christnen
Aanbidt dit godlijk Kind!
Voor u komt het nederdalen,
Om uw schulden te betalen, U te trekken uit den nood.
Het geneest de diepste wonden, Het verlost van alle zonden,
Het verlost zelfs van den dood. Welk een rijk geschenk van God, Welk een dierbaar zalig lot!
5-
Komt Christnen! komt Christnen,
Verheft u boven \'t stof!
Ziet gij in de kribbe neder,
Een klein kind nog zwak en teeder Ligt hier vol van needrigheid;
Maar \'t geloof doet u ontdekken In des kinds gelaat en trekken
d\'Allerhoogste majesteit.
Knielt dan voor de kribbe neer En aanbidt uw God en Heer.
OUDEJAAR.
6.
Komt Chnstnen ! komt Christnen ,
Zingt Gode dank en lof!
Wilt nu uwe stemmen paren
Aan \'t gejuich der englenscharen; Nooit een grooter stof tot vreugd!
Jezus\' komst zal \'t al herstellen, \'t Rijk van Satan nedervellen;
Heel de aarde zing\' verheugd: Glorie dank en lof en eer Zij den hoogsten Hemelheer\'
OUDEJAAR.
XIII.
Zie, mijne korte jaren gaan heen ; en ik wandel op een pad, dat ik niet meer betreden :al. Job XVI. vs. 23.
I.
De tijd, de rustelooze tijd Heeft ook dit jaar ten eind doen snellen. Het is al daarheen,
Zoowel blijdschap als geween;
Hetzij ramp en druk,
Hetzij voorspoed en geluk.
Het zuur en zoet.
Het kwaad en goed,
\'t Is al gelijk een droom voorbijgespoed.
OUDEJAAR.
2.
Maar schoon dit jaar ook ging voorbij, \'t Staat eeuwig bij God opgeteekend; Al wat is verricht Brengt Hij eenmaal voor \'t gericht,
Hetzij goed of kwaad,
Hetzij deugd of booze daad;
God kent en ziet Al wat geschiedt.
Geen daad, die aan zijn alziend oog ontvliedt.
3-
Hiervan ten volle overtuigd ,
Dat dit jaar dan voor ons niet sluite Zonder onderzoek Van het groote levensboek;
Of wel onze plicht Naar behooren werd verricht, Het kwaad veracht,
De deugd betracht;
Of \'t hart aan God ten offer werd gebracht ?
4-
Of \'t eerst en grootst gebod der wet, \'t Gebod der liefde is onderhouden ? Of Gods heilig Woord Is bevroed zooals \'t behoort?
Of het is betracht En naar waarde hoog geacht,
Of onze vreugd Was in de deugd,
En \'t rein geweten steeds ons hart verheugt ?
5-
Maar ach ! bij zulk een onderzoek , Dat wij vol schaamte in \'t stof ons buigen; Wat vindt \'t zoekend oog,
Dat zich willens niet bedroog ?
OUDEJAAR.
Ach ! hoe menig plicht,
Niet oi niet naar eisch verricht,
Hoe menig daad Bevlekt door \'t kwaad;
Ach! waar vindt \'t schuldig hart hier troost en raad ?
6.
Bij Hem, bij Hem alleen is troost,
Die tot zich roept wie zijn beladen,
Maar alleen voor \'t hart, Dat verbrijzeld en vol smart,
Het bedreven kwaad Steeds beweent, de zonde haat,
En nu voortaan De rechte baan Vol hoop op Godes bijstand in wil gaan.
7-
Vergeef, barmhartig God en Heer! Al \'t kwaad dit jaar door ons bedreven. Ach! het zwakke hart.
Wordt zoo lichtelijk verward
In des duivels strik.
Ieder hachlijk oogenblik;
Vergeef, vergeef Wat het misdreef!
Dat \'tnu voortaan voor U alleenlijk leef.
8.
Maar ook, eer dat dit jaar zich sluit. Moeten we, o Heer! U vurig danken.
\'t Goede in ons lot Kwam van U, o liefdrijk God!
Gij hebt ons gespaard
NIEUWJAAR.
En voor menig kwaad bewaard, Dat aller mond Op dezen stond U \'t lof- en danklied zing uit \'s harten grond.
NIEUWJAAR.
XIV.
De eerstelingen der vruchten uvss lands zult gij brengen in het huis van den Beer uwen God.
Exod. XXITI. vs. 19.
\'t Is plicht, dat wij de eerstelingen Van \'t nieuwe jaar U wijden, o Alzegenaarl Ons eerste werk zij U te smeeken. Dat G\'ons uw gunst niet laat ontbreken In \'t nieuwe jaar;
Want zonder uwe gunst, o Heer! Daalt geen zegen op ons neer.
2.
Laat: „alle heil, geluk en zegen!quot;
Vrij zijn de wensch Op dezen dag van ieder mensch! Wat kan dat alles ons toch geven, Indien niet ons gedrag en leven Gods gunst verdient,
Zoo wij niet op het pad der deugd Zoeken al ons heil en vreugd?
NIEUWJAAR.
3-
Het hart tot U dan opgeheven, Almachtig God!
Beschikker van ons aller lot!
Van U dat heil dan afgebeden,
Dat niet alleen ons hier beneden Gelukkig maakt,
Maar dat zich over graf en tijd Uitstrekt tot in d\'eeuwigheid.
4-
Verrijk dit jaar, welks eerste stonden U zijn gewijd,
Met uwe goedertierenheid;
Het zij voor ons een jaar vol zegen, Dat ons geen nood, geen ramp bejegen, In zijnen loop;
Wend af van ons en van ons huis Alle onheil, smart en kruis!
5-
Doch kunnen wij verdriet en plagen Hier niet ontgaan,
Brengt ons dit jaar ook rampen aan, Doe ons die dan geduldig dragen. Doe ons beseffen, dat die slagen Zijn tot ons best;
Dat al wie hier met tranen zaait,
Eens bij U vol vreugde maait.
6.
Wat ons dit jaar ten deel moog vallen, \'t Zij zuur of zoet,
\'t Zij onspoed, ramp of overvloed. Doe ons, o God! vooral verwerven
DRIEKONINGEN. 2t)
Dat goed, \'t welk blijft ook bij ons sterven: Een deugdzaam hart;
Een hart, dat U oprecht bemint,
En in U zijn wellust vindt.
DRIEKONINGEN.
xv.
Sta op en word verlicht, Jeruzalem! want uw licht is gekomen en de heerlijkheid des Heeren is over u opgegaan,.. De heidenen zullen in uw licht wandelen, en de koningen in den glans, die over u opgaan zaL Isaias LX. vs. 1 en 3.
1.
Sta op, Jeruzalem en word verlicht!
Daar rijst uw zon! o welk een grootsch gezicht! Gods heerlijkheid en glans komt u bestralen. Terwijl de volkren in het duister dwalen, De donkerheid het aardrijk overdekt,
Verschijnt dat licht,
Verschijnt dat licht, dat u tot vreugde strekt.
2.
Juich, Sion! Juich! uw vreugde stijgt ten top! Wat licht gaat daar in \'t Oosten voor u op ? Het is die Ster, uit Jakob opgerezen,
Aan Israel voorspeld reeds lang voor dezen, Dat licht, dat thans in u zoo helder brandt,
Trekt \'t al tot u,
Trekt \'t al tot u, ook uit het verste land.
DRIEKONINGEN.
3-
Hef op het hoofd, vol fierheid en vol vreugd ! Van alle kanten komt tot u, verheugd,
Een stoet van zonen , die u eer bewijzen;
Aan uwe zijde moogt gij zien verrijzen Uw dochteren, niet minder groot in stoet.
O welk een vreugd,
O welk een vreugd voor \'t moederlijk gemoed !
4-
De eerstelingen van dien grooten stoet Zijn wijze mannen, deugdzaam van gemoed, En waardig, dat het licht hen komt beschijnen, Waarvoor de duisternisse moet verdwijnen. Ja! waardig dat een ster hun pad verlicht,
En hunne schreên,
En hunne schreên tot Koning Jezus richt.
5-
In \'t needrig Bethlem vinden zij dat Kind,
Door hen gezocht, maar wat hun oog hier vindt Belet hen niet als koning Hem te groeten,
Als God t\' aanbidden en voor zijne voeten Hun schat te spreiden: mirre, wierook, goud;
Op Hem alleen,
Op Hem alleen is hunne hoop gebouwd.
6.
O dag van vreugd! o dag van zaligheid!
Voor ieder christen, die vol dankbaarheid Nu juicht in \'t licht, den heidenen geschonken! Hoe moet dees weidaad niet ons hart ontvonken, In liefde tot de Bron van alle licht 1
Naar Bethlehem,
Naar Bethlehem dan ook de schreên gericht!
FEESTDAG VAN DEN HEILIGEN NAAM JEZUS.
7-
Komt, offren wij daar ook aan \'t godlijk Kind, Dat ons verlost en op het teerst bemint, De giften door de Wijzen Hem geschonken! Het goud van zuivre, ware liefdevonken, Den wierook van een vurig smeekgebed,
\'t Boetvaardig hart,
\'t Boetvaardig hart, als mirre zonder smet.
8,
Neem, Jezus! neem de offers gunstig aan, Waarmee wij dankbaar voor uw kribbe staan, Waardoor wij onze hulde U betoonen!
O Heiland! wil ons eenmaal daarvoor loonen, Gij, die ons hebt geroepen tot uw Kerk!
Al wat Gij loont,
Al wat Gij loont, \'t is al uw eigen werk.
FEESTDAG VAN DEN HEILIGEN NAAM JEZUS.
XVI.
Er is geen zaligheid in iemand anders. Want er is ook geen andere naam onder den hemel den menschen gegeven, door ivel-ken wij moeten zalig worden.
Handel. IV. vs. 12.
i.
Jezus , Heiland , Heer der heeren 1 Naam, dien de englen hoogst vereeren ,
Naam, des menschdoms hoop en leven.
Naam, waarvoor de hel moet beven!
Alk zegen is gelegen in dien naam, zoo hoog geacht; Alle zegen wordt verkregen door zijn kracht.
31
FEESTDAG VAN DEN HEILIGEN NAAM JEZUS.
2.
Wel te recht moogt Gij dien dragen, Jezus ! \'s Vaders welbehagen,
üaar Ge uw volk komt zalig maken, Zijne boei en banden slaken.
Alle zegen is gelegen , enz.
3
Naam, zoo dierbaar aan het harte, Dat, verbrijzeld en vol smarte.
Zijne zonden gaat beweenen. Gij alleen kunt troost verleenen.
Alle zegen is gelegen, enz.
4-
Naam, waarop wij allen bouwen Otize hope en betrouwen.
Die ons alles doet verwerven,
In ons leven, bij ons sterven.
Alle zegen is gelegen , enz.
5-
Ja, bij onze jongste snikken Zal die naam ons nog verkwikken,
Zal die naam ons krachten geven, Om voor dood noch hel te beven.
Alle zegen is gelegen, e/iz.
6.
Dat wij nooit dien naam onteeren, Maar met \'t diepst ontzag vereeren Opdat wij dien eens daarboven, Eeuwig mogen prijzen, loven!
Alle zegen is gelegen,
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
XVII.
Vader ! ik heb gezondigd tegen den Hemel en legen u; ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden.
Luk. XV. vs. 21.
1.
Zie , o Vader! genadig God! barmhartig Heer !
Op uw diepgevallen kind ontfermend neer!
Zie zijn rouw, zijn tranen om \'t bedreven kwaad, Hoor hem, daar hij roept tot U zijn toeverlaat. God en Vader, zoo vol barmhartigheid!
Vergeef en scheld het misdrijf kwijt, om \'t Bloed dat
[voor mij pleit!
2.
Ach, mijn zonde, o Vader ! is oneindig groot,
En verdient, o Rechter! tot haar straf den dood. Oordeelt Gij naar waarde, hoe zal ik bestaan ? Ik ellendig mensch zoo zwaar met schuld belaln. God en Vader, enz.
3-
Uwe liefde, o God! mij onverdiend betoond,
Is door mij, ondankbaar kind, met haat beloond. Neen, ik ben niet waardig Uw barmhartigheid,
Ik ben schuldig aan gekwetste Majesteit.
God en Vader, enz.
33
3
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
Maar geen wanhoop! al is mijn schuld ook veel en groot,
Ook voor mij ging Jezus eenmaal in den dood; Ook voor mij verstortte Hij op \'t kruis zijn bloed. Bloed, dat wascht en reinigt mijn besmeurd gemoed. God en Vader, enz.
5-
Vol betrouwen, o Vader! op uw lieven Zoon,
Duif ik , zondaar, dan nog naadren uwen troon; Gij neemt.mij als kind dan weder liefdrijk aan,
Om den dood van Hem, die voor mij heeft voldaan. God en Vader, enz.
6.
Mocht die liefde, genadig God! aan mij betoond,
Steeds door mij met wederliefde zijn beloond! Ja! ik wil, o Vader! Redder uit mijn nood! U beminnen en getrouw zijn tot den dood.
God en Vader, enz.
xvm.
Scheurt uwe harten en niet wee kleederen, en bekeert u tot den Heer meen God! Joel II. vs. 13.
I.
Christenen, die om uw zonden
Treurt met een boetvaardig hart,
Zoekt genezing van uw wonden,
Zoekt verlichting van uw smart In dat bloed op \'t kruis vergoten,
Liefderijk voor ons verstort;
Jezus zal u niet verstooten,
Hij, die aller ofifer wordt.
34
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
2.
Alles wekt tot een nieuw leven,
In dees aangenamen tijd;
Al wat ons wordt voorgeschreven
Op dees dag van zaligheid,
Alles geeft ons nieuwe krachten,
Alles sterkt ons in den strijd Tegen satans helsche machten,
Tegen \'s werelds ijdelheid.
3-
\'t Vasten, \'t bidden, \'t aalmoes geven
Zij thans ons voornaamste doel, Als de plicht, ons voorgeschreven ,
Doch niet zonder diep gevoel, Dat dit alles voor de zonden
Niet genoeg betaalt en boet, Zoo wij ook niet onze wonden Wasschen in des Heilands bloei
4-
Neen! geen ijdel, dwaas betrouwen
Op ons eigen werk of kracht! Zoo wij niet op Jezus bouwen.
Op het Lam voor ons geslacht, Zoo wij niet de zonde haten,
Waarvoor Hij zijn bloed vergoot, Dan zal \'t vasten ons niet baten, En wij blijven in den dood.
5-
Maar als wij het vleesch kastijden
Met een diep ootmoedig hart, Gaarne voor de zonden lijden, d\'Armen bijstaan in hun smart,
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
En alleen vergeving wachten
Door des Heilands kruis en dood, Niets van onze eigen krachten, Dan is \'t loon voorzeker groot.
6.
Ja! dan zal ons \'t vasten baten, Dan helpt de boetvaardigheid , Dan zal God ons niet verlaten , God zoo vol barmhartigheid; Dan ziet Hij ontfermend neder
Op zijn schuld belijdend kind, En Hij schenkt zijn liefde weder Aan het hart dat Hem bemint.
XIX.
Cit de diepte hel ik geroepen tot U, o Heer! Heer, verhoor mijne stem ! Laat uwe ooren luisteren naar de stem mijns smee-kens. Ps. CXXIX. vs. 1 en 2.
I.
Uit d\'afgrond van ellenden,
Waarin ik lig versmoord,
Durf ik mij tot U wenden,
En \'k smeek, dat Gij mij hoort, Dat Gij op mijne stemme let.
Uw ooren neigt naar mijn gebed.
Zie op mij neer, barmhartig Heer!
Voor Wien ik mij op \'t diepst verneêr.
2.
Zoo Gij let op de zonden,
Waarmee ik ben belain,
Zoo Gij ziet op mijn wonden ,
Hoe zal ik , Heer! bestaan ?
36
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
Maar \'k weet, dat Gij genadig zijt, En liefdrijk scheldt het misdrijf kwijt. Zie op mij neer, barmhartig Heer! Voor Wien ik mij in \'t stof vemeêr.
3-
Omdat Gij zijt genadig,
En om uw wet, o Heer!
Wacht ik , schoon gansch misdadig ,
O God, vol macht en eer! Van uwe goedheid liefde en trouw Het loon voor mijn oprecht berouw. Zie op mij neer, barmhartig Heer! Schenk mij uw gunst en liefde weer.
4-
Mijn ziel krijgt nieuwe krachten,
Als zij uw woord bevroedt,
Daarvan mag zij verwachten,
Verkwikking voor \'t gemoed;
Haar hoop stelt zij op U, o God! Van U wacht zij het zaligst lot.
Zie op mij neer, o Opperheer!
Voor Wien ik mij in \'t stof vemeêr.
5-
Zou Israël niet bouwen
Op U, zijn toeverlaat ?
Zou het niét vast betrouwen
Op U, zijn hulp en raad ?
Van \'s morgens vroeg tot in den nacht Blijft zijne hoop op uwe macht. Wie op U bouwt, op U vertrouwt, Vindt eeuwig in U zijn behoud.
37
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
6.
Bij U , o liefdrijk Vader!
Is steeds barmhartigheid;
Dat Isrel vrij U nader,
Gij scheldt zijn misdrijf kwijt; Verlossing, hulp in overvloed Vindt het bij U, o hoogste Goed! Wie op U bouwt, op U vertrouwt, Steunt op die rots, die \'t al behoudt.
XX.
In de nachten heft uwe handen op tot het heiligdom, en looft den Heer.
Ps. CXXXIII. vs. 2.
O Jezus ! bron van \'t eeuwig licht, Waarvoor de duisternisse zwicht,
Dat vrij de zon ter kimme daal\', Zoo maar uw licht ons hart bestraal\'!
2.
Schoon \'t groote licht aan \'s hemels trans Voor ons verliest zijn gloed en glans, Geen nood, geen vreeze voor den nacht! Gij Heer! houdt over ons de wacht.
3-
Geef dat de slaap ons sterk\', verkwikk\', Dat Satans list ons niet verstrikk\'. Het vleesch niet neig\' tot boozen lust, Verleen ons een gewenschte rust!
38
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
4-
Schoon \'t lichaam rust, dat \'t hart nooit slaap\', Zich nooit aan valschen schijn vergaap\', Uw rechterhand, zoo vol van kracht, Behoed\' ons, Heer, in dezen nacht!
5-
Bescherm uw dienaars in den strijd, Verijdel \'s vijands loos beleid,
Wees tot een schild, o hoogste Goed, Den vrijgekochten door uw bloed!
6.
Gedenk ons. Heer 1 in \'t stof gebukt, Nog door het zondig vleesch gedrukt! Op U is onze hoop gebouwd.
Op uwe hulp de ziel vertrouwt.
7-
In eeuwigheid zijt Gij vereerd, O Vader, die \'t heelal regeert!
O Zoon, die ons verlost, bevrijdt!, O Geest, die ons tot Trooster zijt!
39
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
XXI.
Wij hebben Hem gezien, maar Bij had geen gedaante, dat wij naar Hem verlangen zouden. Hij zag er verachtelijk uit en ah de laatste onder de mannen; als een man van smarten en die van lijden wist te spreken .. Hij heeft waarlijk onze krankheden op Zich genomen en onze smarten gedragen. Isaias LUI. ts. 2—4.
I.
Mijn God ! welk lijden I Wat smart, weik strijden!
Is dit dan uw geliefde Zoon ?
Bedekt met wonden ,
Aan \'t kruis gebonden!
Dat bloedig kruis zijn koningstroon ?
2.
Niets dan ellende,
Waar \'t oog zich wende,
Biedt ops dit treurig schouwspel aan. Hoe bloedt het harte Bij al de smarte,
Bij \'t lijden Jezus aangedaan!
3-
O droeve vrouwe,
Vol druk en rouwe,
Is dit die Zoon, door u gebaard ?
Hoe moet dat lijden Uw ziel doorsnijden,
Naar \'s grijsaards woorden als een zwaard!
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
4-
Rechtvaardig Vader!
\'k Treed bevend nader Bij \'t kruis van uw beminden Zoon; \'k Zie in zijn wonden Niets dan mijn zonden,
Niets dan haar straf en bitter loon.
5-
\'k Zie in dat lijden ,
\'k Zie in dat strijden De grootheid van \'t bedreven kwaad; Hier moet ik leeren,
O Heer der heeren!
Hoezeer Gij mijne zonden haat.
6.
Maar ook die wonden Zijn voor mijn zonden Genezing en vergiffenis;
Dat bloed, dat sterven Doet mij verwerven Verlossing en behoudenis.
7-
Lam zonder vlekken !
Om mij te trekken Uit Satans macht en uit den dood, Wasch Gij mijn wonden,
Mijn vuile zonden,
In \'t bloed, dat Gij op \'t kruis vergoot.
42 VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
8,
Barmhartig Vader!
Wien \'k hopend nader, Ach! neem mij weer in gunste aan ! Wil mij vergeven,
Hergeef mij \'t leven ,
Want Jezus heeft voor mij voldaan.
xxrr.
Gij, Heer /... hebt ons door uw bloed voor God vrijgekocht. Openb. V. vs. 9.
1.
f
Beef vrij, aarde! o zon! verberg, bedek uw licht.
Ach! daar sterft uw Schepper, die \'t al heeft gesticht.
Jezus sterft ten zoen en offer voor het kwaad,
Jezus, Godes Zoon, roept, dat God Hem verlaat.
O Verlosser! uw kruis zij ons behoud!
Daarop is al de hoop gebouwd van wie op U vertrouwt.
2.
Welk een schouwspel voor \'t hart, dat Jezus Christus mint, Dat in Hem zijn vreugde, troost en wellust vindt!
Welk een strijd van liefd\' en van rechtvaardigheid!
Door den dood van Jezus scheldt God \'t misdrijf kwijt. O Verlosser! enz.
3-
Kruis des Heilands! o zetel van barmhartigheid!
Tot u naadren wij, het hart vol dankbaarheid;
Op u is die groote strijd, dat pleit beslist;
Door u is verwonnen Satans macht en list.
O Verlosser! enz.
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN. 43
4-
Daar vloeit de stroom van Jezus onwaardeerbaar bloed, Daar vloeit levensbalsem voor \'t gewond gemoed;
Daar ontspringt die rijke bron voor al wat leeft, Die den dorst kan lesschen en verkwikking geeft. O Verlosser! enz.
5-
\'t Bloed des Heilands verzoent de aarde met haar God, Hij verwerft ons door zijn sterven \'t zaligst lot;
Zelfs voor die Hem dooden verstort Hij zijn bloed; Wat zal Hij niet schenken aan zijn vriendenstoet ? O Verlosser! enz.
6.
Slechts één druppel van \'t bloed, dat daar zoo mildlijk vloeit, Van dien levensbalsem op ons hart gesproeid,
En Gij heelt o Jezus! onzer zielen wond,
En Gij maakt, o Heiland! \'t kranke hart gezond. O Verlosser 1 enz.
XXIII.
Christus heeft ons liefgehad, en Zich zeiven voor ons geleverd, tot een zoet reukoffer en slachtoffer aan God.
Efes. V. vs. 2.
I.
Welk een schouwspel! zie hier \'t lijden Van den Heiland! zie Hem strijden
Tegen duivel, hel en dood!
Christen, treed aanbiddend nader!
Zie den Zoon van God den Vader In den grootsten , bangsten nood !
VEERTIGDAAGSC HE VASTEN.
2.
Zie hier d\'onschuld zelve lijden \' Zie zijn doodsangst, smart en strijden,
Hoor Hem roepen tot zijn God ! Zie het bloeden van zijn wonden, Zie Hem op het kruis gebonden, In den grootsten , bangsten nood!
3-
Maar waarom toch al dat lijden ? \'t Is om ons dus te bevrijden
Van het lijden, van den dood; Daarom wil het Leven sterven,
Opdat wij het leven erven;
God 1 wat is die liefde groot!
4-
Neen! geen bloed van bok of stieren, Van geslachte offerdieren,
Is \'t dat bij God voor ons pleit; Grooter offer voor de zonden,
Voor des menschdoms diepe wonden , Vordert Gods rechtvaardigheid.
5-
Jezus wil dat offer wezen,
Jezus\' bloed komt ons genezen.
En voldoet bij God de schuld; \'t Lam, zoo rein, zoo vrij van zonden, Laat zich voor ons slachten, wonden , Vol van goddelijk geduld.
6.
Laat ons dan het kruis aanschouwen Vol van hopen en betrouwen!
Onze heilzon rijst ten top!
Jezus\' liefde deed Hem sterven, Ons gend bij God verwerven;
Zondaars , heft uw hoofden op!
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
7-
\'t Lam Gods heeft voor u geleden, Jezus heeft de hel bestreden,
\'t Al verwonnen, \'t al voldaan; Komt dan, zondaars! uwe zonden Wasschen in zijn dierbre wonden; Hij biedt u vergeving aan.
8.
Godlijk offer voor de zonden! Vol betrouwen in uw wonden,
In dees tijd van zaligheid,
Hopen wij ook op verzoening, Als de vrucht van uw voldoening, Tot ons heil in eeuwigheid.
XXVI.
Wie is Hij die daar komt van Edom, en met zijne besprenkelde kleederen van Bosra ? Lie zoo deftig in zijne kleeding is, en met eene groote sterkte voorttreedt? Dat hen Ik, die de gerechtigheid spreek, en machtig hen om te verlossen .. Want Ik had den dag der wraak in mijn hart: en het jaar om de mijnen te verlossen was gekomen. Isaias LXIII. vs. 1 en 4.
\'t Uur van lijden is gekomen
Voor Gods welbeminden Zoon.
\'k Zie zijn bloed langs \'t kruishout stroomen,
Hem bedekt met smaad en hoon;
\'k Zie Hem \'s lijdens beker drinken,
Vol van Gods verbolgenheid.
\'k Zie Hem in den grafkuil zinken, Hem, den Heer der heerlijkheid!
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
2.
O Geheim niet te doorgronden!
\'t Leven gaat hier in den dood! \'kZie gekruist, bedekt niet wonden,
In den diepsten bangsten nood, Hem, die al wat leeft doet leven, Jezus , \'s Vaders eeuwgen Zoon ! Hem, voor wien de englen beven , Knielend voor zijn hemeltroon.
3-
Adams val had al zijn kindren
Ook ten val en dood gebracht,
Niets kan Godes arm verhindren, Te verplettren door zijn macht \'t Kroost van een misdadig vader, Boos van \'s moeders lichaam af, Naar verdienste hen te gader Te doen deelen in zijn straf.
4-
Wie zal Godes wraak verbidden , Wie\' kan helpen in dees nood , Wie stelt zich hier in het midden, Wie verlost hier van den dood ? Mensch , onwaardig en vol zonden ,
Wanhoop niet, schep nieuwen moed Jezus heeft \'t geheim gevonden, Hij verlost u door zijn bloed,
5-
Zonder bloed toch geen voldoening
Aan Gods groote majesteit,
Zonder bloed toch geen verzoening Met zijne rechtvaardigheid.
VËÉRTIGDAAGSCHE VASTEN.
Jezus , wien ons onheil griefde ,
Komt en daalt uit \'s Vaders troon,
En Gods toorn verkeert in liefde, Om het bloed van zijnen Zoon.
6.
O Verlosser! door uw lijden Hebt Gij ons geluk gesticht;
Gij alleen kondt ons bevrijden,
Alles zijn wij U verplicht.
Ach! wat lot waar ons beschoren, Zoo Gij niet waart neergedaald ?
Eeuwig waren wij verloren,
Hadt Gij niet de schuld betaald.
XXV.
O, gij allen die langs den teeg gaal, overweegt en ziet of er wel eene smart is, die gelijk zij aan mijne smart.
Klaagl. I. vs. 13.
I.
Met de tranen op de wangen,
In het knellendst boezemprangen,
Bij het kruis, dat Jezus droeg.
Stond de moeder neergebogen ,
Met in rouw verstarrende oogen ,
Die zij nokkend op Hem sloeg.
2.
O! Hoe was u \'t hart benepen. Van wat zielsangst aangegrepen ,
Hoe doorpriemd met stoot op stoot; Gij gezegendste aller vrouwen, Dus Gods Eenigen t\' aanschouwen! Dus den wellust van uw schoot!
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
3-
Wie weerhoudt zich hier van weenen , Die dees moederborst hoort stenen,
Daar dit wee haar openrijt!
Wien zou \'t denkbeeld niet verschrikken, Jezus\' moeder aan te blikken Daar zij met en in Hem lijdt!
4-
Jezus, ach ! voor onze zonden Aan den folterpaal gebonden,
En met striemen overdekt!
Jezus, aan het vloekhout hangend ,
Naar een droppel vocht verlangend, Met zijn lekend bloed bevlekt.
5-
Jezus, ach ! voor ons verwaten Tot den dood van God verlaten ,
Schuldloos! om ons aller schuld!
Jezus, leven van haar leven,
Ziet zij in benauwdheên sneven,
Door geen stervling ooit geduld!
6.
Mocht, o Moeder, mocht mijn harte Innig deelen in uw smarte;
Met u snikken om dien Zoon !
Mocht het in zijn liefde blaken!
Mocht ik tot zijn kruis geraken Met een innig rouwbetoon !
7-
Gij, Gekruiste ! zie Gij neder!
Gij, voor wie U mint, zoo teeder!
Prent uw wonden in mijn ziel.
Moge \'t bloed, waarvan zij vloeien, Dierbre Heiland, mij besproeien, Die aanbiddend voor U kniel!
VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.
8.
Laat mij \'t denkbeeld van uw lijden, In dit aardsche worstelstrijden,
Steeds verzeilen , waar ik ga !
Laat ik op uw wonden staren, En haar indruk wel bewaren Als het pand der heilgend!
9-
Euige ik moedig voor de slagen , Wat mij de Almacht geeft te dragen ,
Ach! uw liefde maakt ze zoet. Gij, die voor ons hebt volstreden, Zijt me op \'t voetpad voorgetreden; \'t Is geteekend met uw bloed.
io.
Haast verschijnt Gij in de wolken Voor het oog der wereld volken , Op den rechterstoel der aard ! Gij, Gij kent wie U verbeiden; Gij, Gij zult hem onderscheiden, Die uw liefde heelt bewaard!
49
4
PAASCHTIJD.
PAASCHTÏJD.
XXVI.
Dit is de dag, dien de Heer gemaakt heeft; laa,t ons daarop verheugd en vroolijk wezen! Psalm CXVII. vs. 24.
1.
Hij is daar, die dag door God den Heer gemaakt, Dag, die onze banden, onze boeien slaakt;
Het is daar, dat Paaschfeest, zoo vol zaligheid;
\'t Zij nu al verrukking, vreugd en dankbaarheid! Alleluja, Alleluja!
Alleluja, Alleluja!
2.
Juich dan en verheug u, al wat leven heeft!
Zing nu blij victorie! want de Heiland leeft.
Hij heeft satans rijk en macht ter neer geveld, En \'t gevallen menschdom in Gods gunst hersteld. Alleluja, enz.
3-
\'t Graf kon Hem niet boeien, niets weerstaat zijn macht; Wacht noch zerk vermogen tegen zijne kracht.
Neen, de Vorst des levens kent geen hinderpaal!
Englen zelf verkonden zijne zegepraal.
Alleluja, enz.
50
PAASCHTIJD, 51
4-
Weg met uwe kruiden, droeve vrouwenschaar!
Neen, geen dooden Meester wordt gij meer gewaar; O, Gij hebt Hem weder dien uw ziel bemint,
In wien uwe liefde haar belooning vindt.
Alleluja, enz.
5-
Dood! waar is uw prikkel? hel! waar is uw macht Juda\'s Leeuw heeft u de neerlaag toegebracht;
\'t Zaad der Vrouwe heeft der slang den kop verplet, Aan het rijk van satan paal en perk gezet.
Alleluja, enz.
6.
Jezus leeft nu eeuwig, vrij van allen nood,
Jezus onze broeder, overwint den dood;
Hij is \'t die ook ons door \'t dal des doods geleidt, En ons eens verwekken zal voor d\' eeuwigheid.
Alleluja, enz.
xxvn.
Wat zoekt gij hier den levende onder de dooden? Hij is hier niet, maar Hij is verrezen. Luk. XXVI. vs. 5 en C.
I.
Laat nu \'t Alleluja klinken
Door het gansche wereldrond !
\'t Rijk des doods zien wij verzinken; Christnen, welk een blijde stond!
Zingt nu victorie! geeft lof en glorie
Aan \'s Levens Vorst, die zegepraalt. Die den vijand heeft verslagen,
En bij God uw schuld betaald.
4*
PAASCHTIJD.
2.
Staakt vrij, vrouwen, \'t angstig zoeken, Wacht geen troost van \'t ledig graf;
Het bevat slechts windsels, doeken, \'t Leven lel dien doodstooi af.
Wilt niet meer vreezen, Hij is verrezen;
Denkt aan hetgeen Hij heeft voorspeld.
Hoort verrukt des engels woorden; Die u \'s Meesters zege meldt.
3-
Vrouwen, wien Hij is verschenen,
Zegt aan Petrus, dat Hij leeft;
Spoedt u naar zijn vrienden henen, Die de rouw verpletterd heeft.
O, Wilt niet toeven; troost nu die droeven
Door die zoo blijde, zaalge maar\';
Deelt hun al die vreugde mede Die gij zeiven wordt gewaar.
4-
Geef de hoop toch niet verloren, Jammerende Magdaleen!
Straks klinkt u zijn stem in de ooren, Staak, Maria ! uw geween;
Ban toch de smarte uit \'t droevig harte,
Hij leeft dien gij zoo teer bemint.
Jezus leeft. Hij is verrezen,
Daar geen dood noch graf Hem bindt,
5-
Juich nu. Moeder! bij \'therleven Van dien Zoon, door u gebaard!
Zie dien Zoon u weergegeven,
Aan uw hart zoo lief en waard.
PAASCHTIJD.
Deed u zijn strijden zielssmarten lijden Ook zijn triomf verblijdt u weer. \'t Heerlijk lied dan aangeheven:
O Mijn ziel, maak groot den Heer!
6.
Zoon van God 1 o Heer der heeren!
Lof en dank zij U gebracht!
Dat Ge ook ons doet triomfeeren Met U over \'s duivels macht.
Door uw nieuw leven hebt G\'ons gegeven Ook deel aan uw onsterflijkheid; Eeuwig willen wij U danken Voor dat heil, ons toebereid.
xxvni
Be leemv uit den stam van Juda, de Spruit van David heeft de overwinning behaald, Openb. V. vs. 5,
1.
Nu eenparig \'t loflied aangeheven Voor den Heiland, voor den Vorst van \'t leven! Nu vol vreugde \'t zegelied gezongen!
Jezus Christus heeft den strijd voldongen.
Juich nu al de wereld!
Nooit een zegepraal zoo groot!
Alleluja! Alleluja1 Jezus overwint den dood.
2.
Jood en heiden, hel en helsche machten Richtten tegen \'t Leven hunne krachten;
\'t Werd gevonnisd , \'t werd ter dood verwezen;
IJdel pogen! Jezus is verrezen !
53
PAASCHTIJD.
Juda\'s Leeuw de zege!
\'t Zaad der Vrouwe triomfeert.
Alleluja! Alleluja!
\'t Lijden is in vreugd verkeerd.
3»
Staakt vrij, vrouwen, staakt uw angstig zoeken! Wat toch vindt gij ? -windsels slechts en doeken. Neen! uw kruiden zijn hier niet van noode, \'t Leven woont niet in het rijk der dooden. Hoort de blijde tijding,
Die Gods engel voor u heeft I
Alleluja ! Alleluja!
Ziet, uw dierbre Meester leeft.
4*
Vorst des levens! duld dat wij U groeten Als Verwinnaar! knielend aan uw voeten.
Bron van liefde 1 hoor ons vurig danken Voor uw redding met vereende klanken.
Niets kon ons verlossen Van den dood dan uwe macht.
Alleluja! Alleluja!
Gij verwint door eigen kracht.
5-
Eerstgeboome uit het rijk der dooden!
Dat zij vluchten die U weerstand boden !
Ware Samson 1 niets weerstaat uw krachten, Dood noch graven, hel noch helsche machten. lt;- Gij hebt, Leeuw van Juda!
De oude slang den kop verplet.
Alleluja! Alleluja!
Dood en hel is perk gezet.
54
PAASCHTIJD.
6.
Laat dan, christnen, vrij de dood ons naken ! Jezus Christus kon zijn boeien slaken;
Ons ook zal Hij eenmaal aandeel geven In zijn zege, in \'t onsterflijk leven.
Dood ! waar is uw prikkel ? Hel! waar is uw zegepraal ?
Alleluja ! Alleluja!
Lof en dank zij onze taal!
XXIX.
Hebbende de prinsdommen en de machten ontwapend, heeft Hij die openlijk ten toon gesteld, door zich zeiven over hen zegepralende. Koloss. IJ. vs. 15.
Het groote pleit is dan beslist j De dood heeft hier zijn slag gemist, Hij heeft zich in zijn prooi vergist;
Alleluja ! Alleluja!
Verwonnen door een sterker held Ligt zijn gebied ter neer geveld,
Zijn schichten zijn verbroken; Hoe fel in woede ontstoken,
Door grooter kracht is zijne macht, Zijn rijk ten val gebracht.
2.
Zie hier, o Dood! Wien gij bestreedt, Zie hoe Hij u in \'t stof vertreedt, Hij die van vlucht noch vreezen weet; Alleluja! Alleluja!
55
PAASCHTIJD.
Schoon in den aanvang van den strijd De hoop der zege u had verblijd, In \'t eind zaagt ge u bedrogen; Verpletterd uw vermogen,
Uw sterk geweld, uw macht geveld Door Hem, die \'t al herstelt.
3-
Noch graf, noch zerk bindt Jezus\'macht. Daar Hij door bovenaardsche kracht Verrijst vol majesteit en pracht;
Alleluja! Alleluja!
Nooit held zoo groot en zoo geducht, Voor wien èn Dood èn Satan vlucht, Voor wien de hel moet beven,
Nu Hij verrijst ten leven,
Het graf verlaat, en gansch verslaat Al wat Hem wederstaat.
4-
Schep moed dan, christen, vrees niet meer! Voor u ook overwint de Heer,
Voor u ook velt Hij \'t al ter neer;
Alleluja! Alleluja!
Zijn zege over hel en dood Verlost ook u van allen nood ,
Eens zult ook gij verrijzen,
Zijn liefde eeuwig prijzen;
Juich dan verblijd, want Hij bereidt Ook u d\' onsterflijkheid.
PAASCHTIJD.
XXX.
Bankt den Beer, want Hij is goed; want zijne goedertierenheid is eeuwigdurend. Laat hen het zeggen , die van den Beer verlost zijn, die Bij verlost heeft uit de handen des vijands.
Psalm CVI. vs. 1 en 2.
1.
Weg nu droefheid ! weg nu lijden!
Al wat leeft zij vol van vreugd!
Juicht en jubelt, gij bevrijden !
Gij verlosten, zingt verheugd !
Jezus is voor u gestorven,
Heeft bij God uw schuld betaald, Heeft het leven u verworven,
En door \'t kruis gezegepraald.
2.
Ja. de zege is volkomen,
Die Hij op den dood behaalt.
Mocht zijn bloed op \'t kruis ook stroomen,
Door dat bloed is \'t al betaald;
Mocht Hij op dat kruis ook sterven,
Door zijn dood herleven wij;
Daardoor mogen wij verwerven,
Redding uit de slavernij.
3-
Door dien dood heeft Hij verslagen
Dood en hel en satans macht; Hij verrijst! — o dag der dagen! —
Vol van bovenaardsche kracht;
Juich nu hemel! juich nu aarde!
Vlucht nu wereld, hel en dood 1 Mensch, herleef! gevoel uw waarde!
Jezus maakt u waarlijk groot.
PAASCHTIJD.
4-
Neen, geen banden kunnen binden Juda\'s Leeuw nu Hij ontwaakt;
Zie Hem zijne prooi verslinden, Hoe Hij alle boeien slaakt!
Stelt vrij, dwazen, uwe wachten Bij het graf, vertoont uw macht!
Ziet Hem al die macht verachten, \'t Al doen zwichten voor zijn kracht.
5-
Welk een heerlijk zegepralen Nu daar alles is volbracht!
Englen komen nederdalen,
Stralende van \'s hemels pracht.
Serafs die Gods troon omringen, Eeuwig voor zijn aanschijn staan,
Zeggen hier den lievelingen \'s Meesters overwinning aan.
6.
Klinkt nu citers en cimbalen!
Alles juiche in \'t zalig lot!
Zangers ! blijft gestadg herhalen : Alleluja ! lof zij God !
Jezus leeft, zal eeuwig leven.
Vol van kracht en heerlijkheid;
En ons ook het leven geven ,
Deel aan zijn onsterflijkheid.
PAASCHTIJD.
XXXI.
Zingt den Heer een nieuw gezang, want Hij heeft wondere dingen gedaan. Door zijne rechterhand en zijnen hei\' lig en arm heeft Hij heil gewerkt. Psalm XCVII. vs. 1.
I.
Zingt nu verheugd! Met recht moogt ge u verblijden;
Want Jezus leeft, is waarlijk opgestaan; Die Heiland! dien gij op het kruis zaagt lijden,
Is zegepralend uit het graf gegaan.
Juich hemel! aarde juich! bij zijn herleven!
Den trotschen vijand heeft Hij overheerd;
Alleluja! geen dood kan ons doen beven;
Alleluja! de Heilvorst triomfeert;
Alleluja! Hij komt ons \'t leven geven;
Alleluja! de rouw in vreugd verkeert.
2.
Omdat Hij uit de beke wilde drinken,
De beek vol smart, vol lijden en verdriet.
Zien wij Hem vol van glans en luister blinken, Verheft Hij fier het hoofd naar Davids lied.
Juich hemel! aarde, enz.
3-
Noch steen noch wacht kan zijne macht beletten.
Geen zegel bindt het leven aan den dood.
Zijn Godsmacht kan én wacht én steen verpletten,
Wat macht die aan God zelf ooit weerstand bood? Juich hemel! aarde, enz.
4-
Wat vreugd, wat vreugd voor zijne trouwe vrinden.
Wier bloedend hart beweende \'sMeesters dood! Hij, wien zij vurig en zoo teeder minden,
Herleeft verheven boven allen nood.
Juich hemel! aarde, enz.
PAASCHTIJD.
5-
Nu zien zij, dat zijn woorden nimmer falen,
Nu Hij met kracht verklaard wordt Godes Zoon; Hij had voorspeld, dat Hij in \'tgraf zou dalen,
Maar ook dat Hij zou opstaan uit de doón.
Juich hemel! aarde, enz.
XXXII.
Van de hand des doods sal Ik ze vrij maken; Ik zal se van den dood verlossen. 0 dood, Ik sal uw dood wezen!
Oseas XIII. vs. 14.
1.
Wat mag toch de nijd meer woeden, En verbitterd nog vermoeden,
Dat hij sluiten kan in \'t graf.
Die door steenen heen kan breken, En wiens macht vaak is gebleken,
Waar Hij dooden \'t leven gaf.
2.
Gaat vrij , wachters, weer ter stede; Boodschapt, dat die heeft geleden,
Van den dood is opgestaan.
Wanneer d\' aard begon te beven.
Keerde Hij weer tot het leven,
En is uit het graf gegaan.
3*
Komt vrij, vrouwen, met uw kruiden Versch geplukt in \'t warme zuiden;
Al is \'t vroeg, gij komt te laat.
Hij is vóór de zon verrezen,
Met zijn onbederflijk wezen;
Balsem komt hier niet te staad\'.
60
HEMELVAARTSFEEST.
4-
Waar zijn nu, o Dood ! uw krachten ? Waar uw prikkel, waar uw machten ?
Hier o Dood! vindt gij uw dood. Wil, o Dood , uw pralen staken, Jezus, die den dood kwam smaken , Heeft u van uw kracht ontbloot.
HEMELVAARTSFEEST.
XXXIII.
Opent gij verheven poorten % en gij eeuwige poorten gaat open; dat de Koning der heerlijkheid binnen trekke. Wie is die Koning der heerlijkheid? Het is de Heer sterk en machtig, de Heer, die machtig in den strijd is.. . Het is de Heer der heir krachten, die is de Koning der heerlijkheid, Psalm XXIII. vs. 7—10.
I.
Ontsluit nu uw poorten,
Ontsluit nu uw poorten,
Verheven en eeuwig hemelhof!
Laat den Heer der heerlijkheden,
Laat den Koning binnentreden;
Dien Koning, dien Koning, Die door zijne sterke macht Dood en hel ten onder bracht.
HEMELVAARTSFEEST.
2.
Daar klimt Hij ten hemel,
Daar klimt Hij ten hemel,
Juicht Christnen ! uw Heiland vaart omhoog. Nu, daar alles is geleden En de zege is bestreden ,
Vertrekt Hij, vertrekt Hij,
Naar het eeuwig zalig land Aan zijns Vaders rechterhand.
3-
Gezanten des hemels,
Gezanten des hemels,
Trawanten en dienaars van Gods troon, Komt als \'s Vorsten hovelingen Zijne zegekoets omringen;
Geleidt Hem, geleidt Hem Met gejuich, bazuingeschal,
Op zijn troon als Heer van \'t al.
4-
Geliefden van Jezus,
Geliefden van Jezus,
Apostlen en vrienden van den Heer,
Zijn vertrek doe u niet vreezen,
Hij laat u geen droeve weezen. De Trooster , de Trooster , U beloofd door uwen Heer,
Daalt nu eerlang op u neer.
5-
Wat vreugde , o christnen ! Wat vreugde , o christnen !
Schenkt ook ons des Heilands hemelvaart. Hij, die voor ons wilde lijden,
62
HEMELVAARTSFEEST.
Gaat nu ook uw plaats bereiden Uaar boven , daar boven ,
Voor al wie met Hem hier lijdt, En getrouw blijft in den strijd,
6.
Verlosser en Heiland,
Verlosser en Heiland, Die heden zoo heerlijk zegepraalt, Schenk ons eens, o groote Koning! In uw eeuwig rijk een woning. Verleen ons, verleen ons, Dat wij, door uw kracht geleid. Overwinnen in den strijd.
XXXIV.
Als Hij opklom in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen gevoerd, en den menschen giften gegeven. Eraz. IV. vs. 8.
1.
Ontrolt nu de zegevanen
Voor d\' Oppermajesteit,
Die zich zelf den weg kan banen Naar \'t rijk der zaligheid;
Die zoo heerlijk triomfeert Nu Hij tot den Vader keert.
Vol van glans, vol van glans,
Vol van glans stijgt Hij naar \'s hemels trans!
2.
Hemelen , ontsluit uw zalen !
De bovenaardsche Held,
Dien gij nu ziet zegepralen,
Heeft \'t monster neergeveld,
63
HEMELVAARTSFEEST.
Dat ons uwen ingang sloot, Ons geboeid hield in den dood. \'t Is geveld , \'t is geveld , \'t Is geveld door Hem, die \'t al herstelt!
3-
Kerkers , holen en spelonken ,
Die \'t vrome voorgeslacht In u\\y boeien hieldt geklonken , Verpletterd is uw macht,
Door Hem, die uw prooi bevrijdt En met zich ten hemel leidt.
Eeuwge vreugd, eeuwge vreugd, Eeuwge vreugd wordt nu het loon der deugd !
4-
Voor ons, die nog biddend hopen
Op zege na den strijd,
Gaat ook reeds de hemel open:
Juicht, christnen , juicht verblijd ! \'t Hoofd baant zijnen leden \'t spoor, Gaat hun naar den hemel voor.
Daar bereidt, daar bereidt,
Daar bereidt Hij hun de zaligheid!
5-
Niet vergeefs draagt Hij de wonden ,
Aan \'t bloedig kruis behaald,
Als het offer voor de zonden,
\'t Welk Adams schuld betaalt. Daardoor is het dat Hij pleit Voor ons om barmhartigheid;
Om zijn bloed, om zijn bloed, Om zijn bloed schenkt God ons\'t hoogste goed.
04
PINKSTER.
6.
Oppervorst, zoo hoog verheven , Aan \'s Vaders rechterhand , Wil ook ons eens aandeel geven In \'t hemelsch vaderland, Aan uw groote zegepraal,
Aan uw godlij k bruiloftsmaal. Liefdrijk God, liefdrijk God, Liefdrijk God, schenk ons dit zalig lot!
PINKSTER.
XXXV.
Gij helt niet wederom ontvangen den geest der slaafsche vrees; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot hinderen, door welken wij roepen: Abba ! Vader! Rom. VIII. vs. 15.
O Geest, o Geest, van vuur en liefde , Daal in ons hart!
Opdat het vuur en liefde word\'. En dat het als een offerande Door \'t vuur van uwe liefde brande, Dat alles verteert.
Heilige Geest! doe ons gemoed Branden door uw liefdegloed.
2.
O Gij, die alles kunt doorgronden,
Daal in ons hart I Opdat het heel klaarziende word\', En door het licht van uwe stralen
65
5
PINKSTER.
Moog kennis krijgen van zijn kwalen, Een rouwig gemoed.
Heilige Geest! dat voor uw licht Alle duisternisse zwicht\'!
3-
O Gij, vertrooster der bedrukten,
Daal in ons hart!
Maak dat het troost vind* in zijn smart Doe ons den aardschen troost verachten En naar uw troost alleenlijk trachten, Die alles verzoet.
Heilige Geest! al ons geluk,
Troost ons hier in onzen druk.
4-
Gij , zevenvoudig in uw gaven,
Daal in ons hart!
Opdat het rijk in deugden word\';
Geef ons uw wijsheid , raad en krachten Om al wat aardsch is te verachten Als stof en als slijk.
Heilige Geest! versier ons hart,
Maak dat het uw tempel word\'.
5-
O Geest der ware wetenschappen,
Daal in ons hart!
Opdat het onderwezen word\'.
Wil ons de ware wijsheid leeren,
Door het gebed met God verkeeren,
En zuchten tot U.
Heilige Geest! trek hart en oog Door \'t gebed tot God omhoog.
PINKSTER
XXXVI.
Wie zal uwe gedachten weten , tenzij Gij uwe wijsheid geeftgt; en uwen heiligev Geest uit moe hoogste plaats afzendt? Opdat aldus recht gemaakt worden de •paden van die hier op de aarde zijn; en de menschen mogen weten wat Ubehage-lijk is. quot;Wijsh. IX. vs. 16 en 17.
1.
Bron van liefde, gifte van den Vader,
Geest van Jezus, ware levensader,
Beste Trooster in den druk, in smarte, Kracht en sterkte van het menschlijk harte. Ach, wil op ons dalen, Ons vervullen , heiige Geest!
Met uw gaven, met uw gaven,
Op dit zalig Pinksterfeest.
2.
Ware wijsheid kunt slechts Gij ons geven, Trouwe leidsman op den weg door \'t leven. Aardsche wijsheid maakt ons licht hoovaardig, Maar uw wijsheid maakt ons Gode waardig. Ach,. wil op ons dalen , enz.
3-
Dat uw fakkel ons verstand verlichte,
Voor haar stralen \'t rijk der domheid zwichte; Dat uw zalving ons verstand ontsluite,
Door haren invloed alle dwaling stuite.
Ach, wil op ons dalen, enz,
4-
Trouwe Raadsman! blijf ons altijd raden Tot ons beste, in al onze daden.
Raad van menschen kan ons licht doen dwalen, Maar de uwe doet ons nimmer falen.
Ach, wil op ons dalen, enz.
5*
PINKSTER,
5-
Geest vol sterkte, Geest zoo rijk in krachten Wat vermogen voor ons aardsche machten ? Wee den dwazen! die hun hope bouwen Op het schepsel, niet op U vertrouwen. Ach, wil op ons dalen, enz.
6.
Uw verlichting kan alleen ons leeren Wetenschappen, die ons heil vermeeren. Gij, o Meester! kunt ons doen venverven Wetenschappen, die met ons niet sterven. Ach, wil op ons dalen , enz.
7*
Ware godsvrucht is alleen te vinden Bij uw vrienden, bij uw welbeminden.
Heer der harten! Gij alleen kunt geven Ware godsvrucht, die geleidt ten leven. Ach, wil op ons dalen, enz.
8.
Geest der liefde, leer ons God te vreezen Als het hoogste en volmaaktste Wezen;
Niet als slaven, tredend bevend nader,
Maar als kindren van den besten Vader. Ach, wil op ons dalen, enz.
9»
Met die gaven zult Gij ons versieren Zoo wij waardig uwe komste vieren.
O dat die ons ook nog bij ons sterven Vergezellen, \'t eeuwig heil verwerven!
Ach, wil op ons dalen, enz.
PINKSTER.
XXXVII.
Gelijk een hert smacht naar de water-hronneu, zoo smacht mijne ziel naar U, o God. Psalm XLI. vs. 1.
1.
Daal op ons, o heiige Geest!
Die het kranke hart geneest,
Die de Vader zijt der armen,
Wil U over ons erbarmen Op dit blijde Pinksterfeest,
Op dit blijde Pinksterfeest.
2.
Bij U is veel groo\'er schat Dan ooit sterveling bezat;
Gij kunt \'t dorstig harte laven Uit de bron van uwe gaven,
Die het al in zich bevat,
Die het al in zich bevat.
3-
Beste trooster in den nood.
Heiige Geest, oneindig groot! Op U blijven wij vertrouwen.
Op uw gunst en hulpe bouwen En in leven, èn in dood,
En in leven, èn in dood.
4-
Zonder U noch goed noch deugd, Zonder U geen ware vreugd; Aan onze eigen kracht gelaten,
Ach! wat zijn wij? zwakke vaten,
Niet dan duisternis en nacht,
Niet dan duisternis en nacht.
PINKSTER.
5-
Maar als uwe kracht ons leidt En ons hart ter deugd bereidt, Als uw licht ons komt bestralen, Dan doet Gij ons zegepralen. Overwinnen in den strijd, Overwinnen in den strijd.
6.
Als uw vuur in \'thart ontbrandt, Als Ge ons sterkt door uwe hand, Dan doet ons geen vijand beven, Dan voert Gij ons door dit leven Naar het hemelsch vaderland,
Naar het hemelsch vaderland.
7-
Daal dan op ons, heiige Geest! Die het kranke hart geneest;
Zend uw zevental van boven.
Opdat we eens uw goedheid loven Op het eeuwig vreugdefeest, Op het eeuwig vreugdefeest.
70
H. DRIEVULDIGHEID.
H. DRIEVULDIGHEID.
XXXVIII.
Gaat henen, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geest es.
Watth. XXVIII. vs. 19.
I.
Christnen, eert, looft Gods Drievuldigheid Op dezen feestdag aan dit groot geheim gewijd. Knielt aanbiddend neer Voor den hoogsten Heer,
Voor \'tvolmaaktste Wezen!
Voor \'t volmaaktste Wezen !
2.
Looft den Vader, die door zijne macht Hemel en aarde, \'t gansch heelal heeft voortgebracht. Knielt aanbiddend neer Voor uw God en Heer,
Eén in drie personen!
Eén in drie personen!
Looft den Vader, wiens voorzienigheid Voor al het schepsel zorgt vol goedertierenheid. Knielt aanbiddend neer Voor den hoogsten Heer,
Voor \'tvolmaakste Wezen!
Voor \'t volmaakste Wezen!
71
H. DRIEVULDIGHEID.
4-
Looft den Zoon, die, van zijn troon gedaald, Door zijne liefde tot den mensch, diens schuld betaalt» Knielt vol eerbied neer Voor uw God en Heer,
Eén in drie personen!
Eén in drie personen!
5-
Looft den Zoon, die door zijn dierbaar bloed En door zijn lijden ons verwerft het hoogste goed. Knielt aanbiddend neer Voor den hoogsten Heer,
Voor \'tvolmaakste Wezen!
Voor \'tvolmaakste Wezen!
6.
Looft den Geest, die door zijn godlijk licht Ons komt bestralen; voor wien nacht en nevel zwicht. Knielt vol eerbied neer Voor uw God en Heer,
Eén in drie personen!
Eén in drie personen!
7*
Looft den Geest, die door zijn liefdegloed \'t Hart doet ontbranden, zuivert het besmeurd gemoed. Knielt aanbiddend neer Voor den hoogsten Heer,
Voor \'tvolmaakste Wezen!
Voor \'t volmaakste Wezen!
8.
Glorie, lof en eer en heerlijkheid Zij God, den Vader, Zoon en Geest in eeuwigheid. Knielt vol eerbied neer Voor uw God en Heer,
Eén in drie personen!
Eén in drie personen!
72
H. SACRAMENTSDAG.
H. SACRAMENTSDAG.
XXXIX.
Ik heb zeer verlangd dit paaschmaal met ti te eten, eer Ik ga lijden.
Luk. XXII. vs. 15.
1.
Onuitputbre Bron van liefde!
\'t Was U dan nog niet genoeg Dat des menschen schuld U griefde, Dat Gij die op \'t kruishout droegt; Gij voelt zelfs U dringen, prangen
Tot nog grooter liefdedaad, Gij wenscht met het grootst verlangen Dat die mensch ook zij verzaad.
2.
Daarom, eer Ge U tot het lijden
Voor des menschen schuld begeeft, Eer Gij met den dood gaat strijden, Door uw dood hem \'t leven geeft, Zorgt Gij, dat hij niets ontbere
Wat tot voedsel noodig is.
Dat geen honger ooit hem dere,
Zorgt Gij voor zijn lafenis.
3-
Dierbre stond, nooit te vergeten,
Uur zoo vol van zaligheid,
Daar Gij, aan het maal gezeten,
\'t Schoonste maal den mensch bereidt;
H. SACRAMENTSDAG.
, Daar Gij U met eigen handen Aan de broedren geeft ten prijs,
Opdat zij van liefde branden
Door de kracht van zulk een spijs.
4-
„Neemt en eet, mijn welbeminden,
Neemt dees beker, drinkt mijn bloed; Hierin zult gij \'t leven vinden.
Zaligheid, het hoogste goed Dus liet Ge U, o Heiland! hooren,
Sprak uw goddelijke mond;
En Gij schenkt uw uitverkoomen Alles op dien zaalgen stond.
5-
Ja! Gij schenkt het eeuwig leven
Aan die waardig U geniet;
Dood noch graf kan hem doen beven;
Rampen , kommer en verdriet,
Alles, alles zien wij vluchten Voor die goddelijke spijs.
Hare krachten, hare vruchten Leiden naar het paradijs.
6.
Doe ons steeds met U verlangen
Naar dat Paaschmaal, naar dat Brood! Ach! dat wij ons voelden prangen
Tot dat maal, waarop Ge ons noodt. Doe ons, aan uw disch gezeten. Aan dien disch vol zaligheid,
Jezus, nimmermeer vergeten Wat uw liefde ons heeft bereid!
75
KERKWIJDING.
KERKWIJDING.
XL.
Hoe on1za,jwekkend is deze plaats! Het is hier niet anders dan het huis Gods, en de poort des hemels
Gen. XXVin. vs. 17.
i.
Zoo mag dan weer die dag verjaren Toen men, verblijd,
Dees tempel Gode heeft gewijd.
Die dag van vreugd voor onze vaadren. Wier godsvrucht hen hier deed vergaadren, Die dag verjaart.
Laat ons, hun kroost, dan ook dit feest Vieren in denzelfden geest.
2.
Zoodra wij \'t levenslicht aanschouwden, Was \'t vrome werk.
Ons heen te brengen naar dees kerk. De doop, die ons tot christnen maakte. Die onze boei en banden slaakte,
Werd daar volbracht.
Hier, in dit huis aan God gewijd, Was ons \'t zaligst lot bereid.
3-
Hier leerden wij al vroeg reeds kennen, In deerste jeugd.
Den weg des levens, \'t pad der deugd. Hier, aan des Heilands disch gezeten,
KERKWIJDING.
Hier mochten wij het Manna eten, Het hemelsch Brood Hier wordt die dierbre spijs bereid. Voorsmaak van de zaligheid.
4-
Zelfs na den dood, als ons de wereld Nu niets meer schenkt, Is \'t hier dat men ons nog gedenkt.
Tot rust en laafnis onzer zielen.
Komt \'t christenvolk hier nederknielen En bidt voor ons;
En offert voor ons aan Gods troon \'t Vleesch en bloed van zijnen Zoon
5-
O Opperherder uwer kudde.
Barmhartig Heer!
Zie van den hemel op ons neer.
Sla op dit huis bij nacht en dage
Uw oog, aan \'t welk de dienst behage Van \'t biddend volk.
Verhoor ons in uw gunst, o God!
Heer en Meester van ons lot!
6.
Geef, dat wij nimmer hier vergeten De heiligheid Van \'t huis, aan uwen dienst gewijd.
Dat U niet slechts de lippen eeren.
Als we in \'t gebed ons tot U keeren, Maar hart en ziel.
Zoo zingen we eens met blijde stem In het nieuw Jeruzalem!
ZONDAGEN NA DRIEKONINGEN EN PINKSTER, 77
ZONDAGEN NA DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
XLI.
Ik zal u geen weesHnieren laten. Joh. XIV. vs. 18.
Wat heil, wat zaligheid Hebt Gij den mensch bereid, O Jezus , Heer der heeren !
Daar Gij hem laaft en voedt Met eigen vleesch en bloed; Wat kan zijn heil vermeeren ?
2.
\'t Was U dan niet genoeg. Dat Gij zijn schulden droegt,
Voor hem op \'t kruis gingt sterven; Uw liefde , nooit voldaan , Wil zelfs nog verder gaan,
Doet hem nog meer verwerven.
3-
Schoon Gij dees aard verlaat En tot den Vader gaat,
Blijft Gij nog bij ons wonen
Door \'t dierbaar vleesch en bloed, Waarmede Gij ons voedt,
Blijft Ge ons uw liefde toonen.
ZONDAGEN NA
4-
O Liefde zonder maat!
Geen stervlmg is in staat Uw grootheid te bevatten.
Geen menschelijke taal,
Geen tonge, die ooit maal\'
Naar waarde zulke schatten.
5-
O Dierbaar hemelsch brood !
O Gift! oneindig groot Voor zwakke stervelingen.
Die goddelijke spijs
Voert ons naar \'t paradijs, Maakt ons tot hemelingen.
6.
Hoe zal de zwakke mensch
Voor dit geschenk naar wensch U , zijnen Heiland , danken ?
Verhoor het staamlend lied,
Dat \'t dankbaar hart U biedt, Schoon nog met aardsche klanken.
XLII.
Ik hen de ware wijnstok. Joh. XV. vs. 1.
I.
Kniel hier vol eerbied neer Voor uwen God en Heer, O Christen! op \'t altaar Aanbidt Hem d\'englenschaar.
Ontzag , vernietiging,
De diepste eerbiediging Voor \'t heilig Sacrament,
Zij in ons hart geprent!
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
2.
De hoogste Majesteit,
De Heer der heerlijkheid
Rust hier op dit altaar,
Schoon \'t oog \'t niet wordt gewaar.
Niets, dat Hem onderscheidt!
Zijn tegenwoordigheid
Wordt door \'t geloof gekend
In \'t heilig Sacrament.
3-
Hier is de bruiloftszaal,
Hier is dat godlijk maal Van \'s Konings grooten Zoon.
Hier vestigt Hij zijn troon.
Hier is die spijs bereid,
Die voor alle eeuwigheid Het hongrig hart verzaadt En niets te wenschen laat.
4-
Hier wordt de mensch gevoed Door \'t lichaam en het bloed Van Jezus, zijnen Heer.
O nooit gehoorde eer !
O teeder liefdeblijk!
Wat gunst aan u gelijk ?
Dit godlijk vleesch en bloed Schenkt ons het hoogste goed.
5-
O Bron ! die altijd vloeit, Den dorren grond besproeit, Het dorstig harte drenkt En \'t eeuwig leven schenkt;
ZONDAGEN NA
Die troost in smart en nood, Ja zelfs verwint den dood, En die voor d\' eeuwigheid Ons schenkt d\'onsterflijkheid.
6.
Kniel dan vol eerbied neer Voor Jezus , de Opperheer , O Christen! op \'t altaar Knielt voor Hem d\'englenschaar. Geen mensch hier naadren mag Dan met het diepst ontzag, Als voor den hoogen troon Van Jezus, Godes Zoon.
XLIII.
Ik ben het brood des levens. Uwe vaders hebben het manna in de woestijn gegeten^ en zij zijn gestorven. Dit is het brood, dat van den hemel komt, opdat zoo wie daarvan eet, niet sterve. Joh. VI. vs. 48—50.
I.
Is het mooglijk, stervelingen ,
Is dees disch voor u bereid ?
Brood, geschikt voor hemelingen!
Wijn, de bron der zaligheid!
Welk een voedsel, welke schatten, Onbegrijplijk voor \'t verstand!
O Geheim niet te bevatten Dan in \'t hemelsch vaderland 1
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
2.
Ja, die spijs wordt u gegeven,
Mensch, dees drank is u bereid; Daarin vindt gij \'t ware leven, \'t Leven in alle eeuwigheid ,
Zoo gij tot dees disch komt naadren
Met een welbereid gemoed, Dan zult gij daaruit vergaadren \'t Eeuwig heil, het hoogste goed.
3-
\'t Manna, Israël gegeven
Tot een voedsel in den nood, Was slechts voor dit aardsche leven ,
Redde niet van ramp en dood ; Maar dit Manna, dat wij eten ,
Deze goddelijke spijs,
Doet èn ramp èn dood vergeten,
Voert naar \'t zalig paradijs.
4-
\'t Bloed des Paaschlams kon de joden
Hoeden voor des engels zwaard , Maar dit bloed ons aangeboden ,
Is oneindig meerder waard.
\'t Ware Paaschlam liet het vloeien
Tot onze aller zaligheid;
Al wie zich daarmee besproeien Reinigt het voor d\'eeuwigheid.
5-
Dat dan beeld en schaduw wijken,
Nu de waarheid zich vertoont. O nooit grooter liefdeblijken ,
Jezus zelf hier met ons woont 1
82 ZONDAGEN NA
Jezus wil ons , stervelingen ,
Voeden met zijn vleesch en bloed, Opdat wij als hemelingen
Eeuwig smaken \'t hoogste goed!
XLIV.
Hij heeft een spijze gegeven aan die Hem vreezen. Psalm CX. vs. 5.
I.
Buig u neder, o christen, voor het Sacrament,
Voor Hem , dien het waar geloof hier ziet en kent, Voor uw God, uw Heer, de hoogste Majesteit!
Gij zijt hier in zijne tegenwoordigheid.
Ware Herder! die ons hier laaft en voedt,
Uw dierbaar vleesch en bloed zij voor ons allen \'t hoogste goed 1
Hij, wien d\'englen al bevend eeren als Gods Zoon, Rust hier op dit altaar als op zijnen troon;
Wordt Hij dus aanbeden door den hemeling, Wat moet dan niet zijn uw eerbied, sterveling! Ware Herder 1 enz.
3-
Welk een tafel vindt gij , o mensch, u hier bereid! Nader nooit dees disch dan vol dankbaarheid, Nader nooit tot Jezus\' godlijk vleesch en bloed, Dan met een gezuiverd onbevlekt gemoed.
Ware Herder! euz.
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
4-
Zijt gij hongerig , gij vindt hier spijze vol van kracht; Lescht uw dorst gij allen, die naar laafnis smacht.
Zijt gij droevig , vol van smart, gekwetst, gewond , Deze drank verheugt en maakt het hart gezond.
Ware Herder ! enz.
5-
O Verlosser! Gij, die ons hier zoo liefdrijk voedt, Ach! bereid Gij zelf ons zwak en traag gemoed, Opdat wij ons nooit begeven aan dees disch,
Dan tot ons geluk, ons heil, behoudenis.
Ware Herder! enz.
XLV.
Zelcer man richtte een groot avondmaal aan en noodde vele gasten.
Ldk. XIV. vs. 16.
I.
De feestzaal is ontsloten,
De bruiloft is gereed.
Komt, spoedt u , dischgenooten ,
Trekt aan het bruiloftskleed ! Dat kleed zij vrij van vlekken! Dat kleed moet u verstrekken, Om \'s gastheers gunst te wekken,
Die u hier nooden deed.
2.
Geen ijdele sieraden,
Geen aardsche pracht of praal,
Maar deugd en goede daden Vereischt men in dees zaal.
83
6*
ZONDAGEN NA
Een hart bevrijd van zonden, Genezen van zijn wonden, Door \'t liefdevuur verslonden, Geeft toegang tot dit maal.
3-
Geen haat of nijd mag wonen
In eenig dischgenoot;
Hier ziet men niets betoonen
Dan liefde , wondergroot. Nooit grooter gunst bewezen! De gastheer , nooit volprezen , Wil zelf het voedsel wezen Der gasten , die Hij noodt!
4-
Geen nietig slijk der aarde,
Geen rijk gewaad of goud , Zijn ooit van kracht of waarde Voor wie hier bruiloft houdt; Het goud kan hij ontberen, Geen\' armoê kan hem deren; De groote Heer der Heeren Vergoedt die duizendvoud.
5-
Veracht vrij, aardsche grooten ,
Dit schijnbaar needrig maal! Gij ziet u uitgesloten
Van deze bruiloftszaal; Zij treden hier niet binnen, Die \'t aardsche goed beminnen, Die niet met ziel en zinnen Verlangen naar dit maal.
84
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
6.
Juicht armen en geringen,
Komt vroolijk tot dit feest! Men komt u nooden , dringen ,
U, armen naar den geest.
Komt kranken, kreuplen , blinden , Gij zijt des gastheers vrinden,
Hier kunt gij balsem vinden Die alle kwaal geneest.
XL VI.
Ik ben de goede Herder. Joh X. vs. 11. 1.
Opperherder onzer zielen,
Zie ons voor uw altaar knielen,
Voor den troon uwer ontferming,
Tot U roepend om bescherming.
Blijf ons leiden , blijf ons weiden, Herder, die ons laaft en voedt!
Blijf ons weiden, blijf ons leiden, hoogste Goed!
2.
Zie, o Herder! minzaam neder Op uw kudde zwak en teeder.
Op uw macht rust haar betrouwen, Op uw hulpe blijft zij bouwen.
Blijf ons leiden, enz.
3-
O uw staf kan haar bevrijden Van de vrees voor alle lijden;
Als die staf haar blijft verweren, Kan noch leeuw noch wolf haar deren. Blijf ons leiden , eiiz.
85
ZONDAGEN NA
4-
Gij blijft voor uw kudde strijden, Niets kan U van haar doen scheiden, Voor haar wilt Gij alle smarten, Ja, den dood zelfs moedig tarten. Blijf ons leiden , enz.
5-
Uwe zorg blijft haar geleiden In de schoonste , vetste weiden ; \'t Voedsel, haar door U gegeven, Schenkt haar \'t eeuwig zalig leven, Blijf ons leiden , enz.
6.
Geef, o Herder onzer zielen!
Voor wien wij hier nederknielen, Dat wij naar uw stemme hooren, En alzoo nooit gaan verloren !
Blijf ons leiden , enz.
XLvn.
Zoo dikmaals als gij dit brood zult eten en den drinkbeker zult drinken, zult gij den dood des Heer en verkondigen, totdat Hij kome. I Kor. XI. vs. 26.
I.
O aanbidlijk voedsel, hemelsch , godlijk brood! \'t Welk ons doet gedenken aan des Heilands dood, Aan dien dood des Heeren, bron van zaligheid, Die ons, ofschoon sterflijk, van den dood bevrijdt.
86
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
2.
Als een liefdrijk vader voor zijn teeder kroost Laat Hij bij zijn scheiden hun den zoetsten troost, Maakt hen vóór zijn sterven met dat goed bekend, \'t Welk hun zal geworden door zijn testament.
3-
Testament, dat \'s Vaders laatsten wil bevat,
En den kindren erven doet den grootsten schat, Testament, dat eeuwig duurt en blijft bestaan, Dat nooit wordt vernietigd, nimmer zal vergaan.
4-
Zoek hier geenen rijkdom, schatten dezer aard,
Zoek hier gift en gaven eindloos meerder waard;
Hier ontvangt het kind tot erfnis \'t hoogste goed, Tot zijn eeuwig heil, des Vaders vleesch en bloed.
5-
Maar dit dierbaar goed is slechts het onderpand, Van nog grooter goed in \'t hemelsch vaderland;
Daar woont eenmaal \'t rechtgeaard, gehoorzaam kind Eeuwig bij dien Vader, dien \'t hier heeft bemind.
6.
Nadert nimmer, christnen ! tot dit Sacrament,
Zonder te gedenken aan dat testament,
\'tWelk des Heilands liefde door zijn dood ons schonk O dat zij de liefde ook in uw hart ontvonk.
87
ZONDAGEN NA
xLvm.
llral zal ik den lieer wedergeven voor al de weldaden, die Hij mij gedaan heeft ?
Psalm CXV. vs. 3.
1.
Uw liefde deed U dalen üit uwen hemeltroon ,
En onze schuld betalen,
O Jezus Godes Zoon !
Uw liefde dreef U tot den dood Om ons te trekken uit den nood. Wat dankensstof! alle eer en lof Zij U, o Heer van \'t hemelsch hof!
2.
Uw liefde deed U sterven
Voor Adams schuldig zaad ,
Opdat het zou verwerven Verlossing van het kwaad.
O liefde onbesefbaar groot!
O liefde sterker dan de dood! Wat dankensstof! enz.
3-
Gij, Lam Gods zonder vlekken ,
Gij , bron van alle goed ,
Belaadt U met de wonden
Van \'s menschen vuil gemoed, Wascht in uw bloed zijn vlek en smet, En maakt het zuiver, rein en net. Wat dankensstof! enz,
4-
Uw liefde gaat nog verder,
En kent noch maat noch grens; Gij wilt ook zijn tot herder
88
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
Tot voedsel voor den mensch Gij hebt hem hier een disch bereid, Waaraan hij eet zijn zaligheid. Wat dankensstof! enz.
5-
O reeks van wonderheden,
Ver boven ons verstand!
De Heer der heerlijkheden Wordt hier onze ofFerand\'! De Priester zelf, die \'t offer slacht, Is \'t offer, dat God wordt gebracht. Wat dankensstof! enz.
6.
Hoe zal den mensch vergelden
Uw liefde zonder maat? Wat stervling kan vermelden Hoe ver die liefde gaat?
Gij geeft ons alles, hoogste Goed!
Gééft ons U zelf, uw vleesch en bloed! Wat dankensstof! enz.
XLIX.
Zoo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven. Eu het brood, dal Ik geven zal, is mijn vleesch, voor het leven der wereld. Joh. VI. vs. 52.
I.
Brood , zoo voedzaam en vol krachten ,
Dat het leven onderhoudt,
Alle hulp mag hij verwachten Die op uwe kracht betrouwt.
89
ZONDAGEN NA
Onmacht, zwakheid moeten wijken
Voor dit ziel versterkend brood.
Nooit kan ons zijn kracht meer blijken Dan bij \'t naderen van den dood.
2.
\'t Is de bron van alle leven,
Uit den hemel neergedaald,
Om den mensch die kracht te geven,
Waardoor hij steeds zegepraalt Over al wie hem bestrijden
Op zijn reis naar \'t vaderland, Die hem zijn geluk benijden;
Over allen tegenstand.
3-
Zij, die met dat brood zich voeden,
Waartoe ieder wordt genood.
Mogen \'t aardsche niet bevroeden,
Zij zijn voor de wereld dood.
Verre boven haar wheven,
Boven haar verga ..lijk schoon, Hopen zij slechts op dat leven,
Waar God zelf zal zijn hun loon.
4
Ja, dat loon wordt hem gegeven,
Die het brood des levens eet Met een hart van zonde ontheven.
Door berouw, waarachtig leed, Met een hart steeds vol verlangen Naar dat zielversterkend brood. Om in deze spijs te ontvangen Hem, die redt uit allen nood.
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
5-
Brood des levens ! tot ons leven
Uit den hemel neergedaald , Lof en dank zij U gegeven,
Die ons hier zoo mild onthaalt, \'t Is een spijs die stervelingen
Aan de englen maakt gelijk, Hen eens vormt tot hemelingen , En tot vorsten in uw rijk!
Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn hloecl is waarlijk drank.
Joh. VI. vs. 56.
Eet mijn vleesch, o mensch, en drink mijn bloed; \'k Geef het tot spijze en tot drank van \'t rein gemoed. Wonder nooit gedacht,
\'t Welk hier wordt volbracht Door het woord des Heeren!
Door het woord des Heeren!
2.
Zwijgt hier, trotsche rede, buig u neer Voor deze godspraak van den allerhoogsten Heer. Hij, dien gij hier hoort,
Is het eeuwig Woord,
Is de waarheid zelve.
Is de waarheid zelve.
91
ZONDAGEN NA
Zwijgt hier, zinnen! al wat hier geschiedt Is ver verheven boven uw beperkt gebied.
Een almachtig woord Brengt dit wonder voort,
Door u niet te vatten.
Door u niet te vatten.
\'t Waar geloof, door Jezus\' woord verlicht, Blijft onbezweken, schoon hier zin en rede zwicht. Deze vaste rots Kan geen golfgeklots Immer doen bezwijken.
Immer doen bezwijken.
5-
Dwaling , zwijg van beeld , gelijkenis ! \'t Is alles wezen in deze geheimenis;
In dit Sacrament Wordt geen beeld gekend,
Maar de waarheid zelve.
Maar de waarheid zelve.
6.
Ja, uw woord, o Jezus! zij ons licht, Waarvoor de dwaling, waarvoor alle twijfel zwicht. Op dat woord gegrond Erkent hart en mond U hier tegenwoordig.
U hier tegenwoordig.
92
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
LI.
Aller oof/en wachten op U, Heer, en Gij geeft ons spijze ten iekicamen tijde. Gij opent mee hand, en vervult al wat er leeft met meen zegen.
Psalm CXLIV. vs. 15 en Ifi.
Aller oogen zijn geslagen Op U, aller Heer en God.
Elk komt U zijn spijze vragen,
Heer en meester van elks lot.
Gij blijft altoos zorgen dragen Voor elks voedsel en genot.
2.
Al wat leeft blijft op U hopen ,
Op uwe voorzienigheid;
Uwe vaderhand gaat open
En het menschdom wordt verblijd,
Het voelt zich door uw zege nopen Tot de grootste dankbaarheid.
3*
Maar niet slechts voor \'t aardsche leven Schenkt Ge ons voedsel dezer aard,
Neen, uw liefde wil ons geven Voedsel eindloos meerder waard,
Spijs waardoor wij zijn verheven,
Boven al wat kwelling baart.
4-
Deze spijs wordt hier genoten,
Deze drank wordt hier bereid;
Alle zegen is besloten
In dees disch voor d\' eeuwigheid.
Niemand ziet zich hier verstooten Die hier zoekt zijn zaligheid.
93
ZONDAGEN NA
5-
Deze spijs heeft Hij gegeven Tot dit maal heeft Hij genood,
Die voor \'t menschdom gaf zijn leven, Voor ons onderging den dood.
Door Hem worden wij ontheven Van alle onheil, ramp en nood.
6.
Onuitputbre bron van zegen,
Heer, die ons zoo mildlijk voedt!
Ja, Gij noodt ons allenvege
Tot dees disch, uw vleesch en bloed;
Daarin is ons heil gelegen,
Ons geluk, ons hoogste goed.
LH.
Ziedaar het Lam Gods; zie daar die wegneemt de zonde der wereld.
Joh. I. vs. 29.
Lam Gods! dat wij op \'t hoogst vereeren Op dit altaar,
Waar ons geloof U wordt gewaar,
Hoor ons U om ontferming smeeken, Die voor de zonden en gebreken Van \'t wereldrond Op \'t kruis uw dierbaar bloed vergoot, Daarvoor ondergingt den dood.
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
2.
Lam Gods! zoo rein, zoo vrij van vlekken, Onnoozel Lam,
Dat voor ons van den hemel kwam, Om voor des menschen schuld te boeten, Zie ons geknield voor uwe voeten,
Zie op ons neer!
Ontferm U onzer, hoogste goed!
Wasch ons in uw dierbaar bloed!
3-
Lam Gods! dat tot een spijs wilt strekken Voor ons gemoed,
Ons laaft met uw aanzienlijk bloed, Wat zullen wij U wedergeven Voor deze weldaad, zoo verheven, Oneindig groot ?
Geef ons althans, dat ons gemoed Zij steeds dankbaar voor dit goed!
4-
Lam Gods! dat U op \'t kruis liet slachten Voor \'s werelds schuld, Vol liefde en ongekend geduld, Uw voorbeeld leere ons vergeven Wat tegen ons mocht zijn misdreven, Uit al ons hart!
Ontferm U onzer, doe \'t gemoed Branden door uw liefdegloed!
5-
Lam Gods! het offer voor de zonden Van \'t wereldrond;
U danken wij met hart en mond Voor uwe liefde ons bewezen
95
ZONDAGEN NA
Door uwen dood zijn wij verrezen Uit \'t zondengraf;
Stort uwen vrede in ons hart,
Hulp en troost in ramp en smart.
6.
O Godlijk Lam! Gij hebt den vrede Op d\' aard gebracht,
Toen Gij op \'t kruishout werd geslacht; Geef ons den vrede, dien wij wenschen, Met God, ons zelf, met alle menschen, Dien waren vreê ,
Dien Gij doet smaken aan \'t gemoed, \'t Welk Gij met U zeiven voedt 1
LIII.
Gij zijt Triester in der eeuwigheid, op de wijze van Melchisedech.
Psalm CIX. vs. 4.
Ziet hier, christnen ! \'t Brood des levens Voorgesteld op dit altaar;
Ziet hier \'t Offer, en ook tevens In hetzelve d\'Offeraar.
Welke wondren, welke schatten In dit heilig Sacrament!
Door \'t verstand niet te bevatten;
Maar door het geloof gekend.
2.
Melchisedech, hoog verheven ,
Als voor d\'eeuwigheid gewijd ,
Priester, koning, moest ons geven \'t Beeld van Jezus\' heerlijkheid;
96
DRIEKONINGEN ËN PINKSTER.
Ja! Hij zal voor eeuwig blijven
Priester van het Nieuw Verbond, En als Koning \'t al verdrijven Wat zijn heerschappij weerstond.
3-
\'t Offer, door Hem opgedragen,
\'t Offer van zijn vleesch en bloed, Kan aan God alleen behagen,
Blijft voor eeuwig \'t hoogste goed. Daarvoor moet elk offer wijken Door de Oude Wet bepaald,
Hier zien wij een Offer prijken, Dat voor eeuwig \'t al betaalt.
4-
Laat vrij Aaron offers slachten,
\'t Volk besprengen met hun bloed, IJdel is \'t daarvan te wachten
Ware zuivring van \'t gemoed;
Maar het bloed, dat hier blijft vloeien,
\'t Bloed van \'t eeuwig Nieuw Verbond, Zoo wij ons daarmee besproeien Zal ons zuivren in den grond.
5-
Hoogepriester, ingetreden
In \'t Hoogheilge door uw bloed;
Daar verwerft ge door uw beden Voor ons allen \'t hoogste goed.
Neen! wij hebben niets te duchten,
Daar Gij zijt in \'t Heiligdom;
Eeuwig zullen zijn de vruchten Van uw eeuwig Priesterdom.
97
7
ZONDAGEN NA
LIV.
De hongerujen heeft Hij met goederen vervuld, en de rijken iedig weggezonden.
Luk. I. vs. 53.
1.
Komt christnen, komt christnen, komt tot des Heilands Komt hier vol verlangen eten, [disch
Maar vooral met rein geweten,
Met een waarlijk hongrig hart.
Mocht gij haken vol verlangen Naar deez spijs, dan zult ge erlangen Troost en hulp in druk en smart; Dan gevoelt gij u gevoed Door dit dierbaar vleesch en bloed.
2.
Komt christnen, komt christnen, uw honger hier gestild! \'t Brood, dat gij hier vindt te eten,
Zal u spoedig doen vergeten
Allen lust naar mindre spijs.
Englenbrood wordt aangeboden Allen hongrigen genooden.
Tot een teerspijs op de reis Naar het land van vrede en vreugd,
Naar het eeuwig rijk der deugd.
3-
Geen rijke, geen rijke, die zich verzadigd acht,
Voor wien \'t nietig slijk der aarde Grooter is, van meerder waarde
Dan dit schijnbaar needrig maal.
Zij hier aan dees disch gezeten Om van \'s Gastheers brood te eten In dees rijke bruiloftszaal.
Hem, die zich aan \'t aardsche hecht,
Wordt dit hemelsch brood ontzegd.
98
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
4-
De honger, de honger naar Jezus\' vleesch en bloed Moet steeds in het harte wonen En zich metterdaad vertoonen
Bij elk, die hier voedsel wacht.
Hebt gij dien, kom vrijlijk naadren, Dan zult ge uit dees disch vergaadren. Onberekenbare kracht;
Dan vindt gij uw zaligheid In dit brood voor d\'eeuwigheid.
5-
Vermeerder, vermeerder dien honger in ons hart, Jezus, die ons tot u\'w gaven Noodigt en ons hier wilt laven
Met uw eigen dierbaar bloed!
Dat wij nooit die gift verachten,
Maar verlangend daarnaar smachten, Als naar \'t hoogst en dierbaarst goed, Als een teerspijs op de reis Naar het zalig Paradijs.
LV.
De Heer bestuurt mij; en mij zal niets ontbreken. In eene groene landouw heeft Hij mij gesteld. Hij voedt mij op hij ver-frisschende vjat er en. Hij verkwikt mijne ziel..... Hoe kostelijk is mijne verheugende drinkbeker !
Psalm XXII. vs 1 , 2, 3 en 5.
I.
\'t Hart vol vreugde opgeheven Tot de bron van alle goed,
Tot den Gever van het leven,
Die ons hier zoo mildlijk voedt
99
ZONDAGEN NA
Met een spijs, die nooit vergaat, Vol van kracht en zoetigheid, Die het hongrig hart verzaadt, En het voedt voor d\' eeuwigheid.
2.
Onze Heiland schenkt die gaven Tot verkwikking van \'t gemoed.
Hij verlangt, dat we ons verzaden Met zijn eigen vleesch en bloed; Met die spijs, die nooit vergaat, Vol van kracht en zoetigheid, enz.
3-
Wa t geluk , wat heil en zegen ,
Welk een teeder liefdeblijk!
In die spijs is \'t al gelegen,
Daardoor zijn we onschatbaar rijk; Door die spijs, die nooit vergaat, Vol van kracht en zoetigheid, enz.
4-
Weg met schatten dezer aarde,
Die de roest, de mot verteert!
Met een schat van grooter waarde Ziet de mensch zich hier vereerd In die spijs , die nooit vergaat, Vol van kracht en zoetigheid, enz.
5-
Neen, geen dood rooft u de schatten , Die ons Jezus\' liefde geeft,
Door geen wereld ooit te vatten, Schatten , waardoor ge eeuwig leeft In die spijs, die nooit vergaat, Vol van kracht en zoetigheid, enz.
100
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
6.
Heft dan, cliristnen , \'t hart naar boven
Tot de bron van alle goed!
Wilt uw Jezus danken , loven ,
Die u hier zoo liefdrijk voedt Met een spijs . die nooit vergaat, Vol van kracht en zoetigheid, e7iz.
LVI.
Zalig die tot het bruiloftsmaal van het Lam geroepen zijn.
Openb. XIX vs 9.
Veel geroepen , weinig uitverkoren !
Wie voelt \'t harte niet van vrees doorboren Bij dit vonnis van den Heer der heeren, Van Hem zeiven, dien we als God vereeren ? Geef, o Heere Jezus,
Dat wij zijn van \'t klein getal Uwer vrienden,
Uwer vrienden,
Dat U eeuwig loven zal 1
2.
\'t Groote feestmaal wordt hier aangeboden; Wat al gasten! o, hoe veel genooden !
Maar hoe weinig zijn hier aangezeten , Die verdienen van dees disch te eten! Hij alleen eet waardig, Die , geroepen door het Lam ,
Vrij van vlekken,
Vrij van vlekken,
Tot dees groote bruiloft kwam.
101
ZONDAGEN NA
3*
Op dees bruiloft, door het Lam gegeven, Eet de goede spijs voor \'t eeuwig leven;
Maar de kwade, die hier stout durft naadren, Ach ! wat nut hij ? dood en gif in d\'aadren, Hij alleen eet waardig, Die , geroepen door het Lam ,
Vrij van vlekken,
Vrij van vlekken.
Tot dees groote bruiloft kwam.
4-
Zijt gij zuiver, zijt gij vrij van zonden, En genezen van uw vuile wonden,
Kom ter bruiloft; wil de roepstem hooren; Eet vrijmoedig tarw der uitverkoornen.
\'t Lam heeft u doen roepen Tot zijn heerlijk bruiloftsmaal;
Kom vol vreugde,
Kom vol vreugde,
Tot de blijde maaltijdszaall
S*
Zijn uw wonden vuil en ongenezen,
Doen uw zonden u met reden vreezen,
Treed niet nader! slechts berouw en tranen Kunnen, zondaar, u den toegang banen. Hij alleen eet waardig, Die, geroepen door het Lam,
Vrij van vlekken,
Vrij van vlekken,
Tot dees groote bruiloft kwam.
6.
Wil hen zuivren, Lam Gods zonder zonden, Die nog zuchten over hunne wonden.
Door uw liefde, \'t bloed door U vergoten, Zij de feestzaal ook voor hen ontsloten.
102
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
Lam Gods zonder vlekken, Maak ons van het zalig tal Der genooden, Der genooden,
Dat U eeuwig loven zal!
Lvn.
Ik zal dengenen, die dorst heeft, uit de waterlron des levens voor niet te drinken geven. Opbnb. XXI. vs. 6.
I.
Komt hier tot de bron van \'t leven,
Al wie dorst naar \'t ware goed;
Hier wordt u voor niet gegeven
Drank, zoo heilzaam voor \'t gemoed; Zoo verkwikkend, zoo vol krachten
Dat, al wie zich daarmee laaft,
Al het aardsche kan verachten,
Met een hooger goed begaafd.
Welk een troost voor u, geringen,
Zonder aardschen schat of geld !
Niet voor rijke stervelingen
Is \'t, dat deze heilbron welt.
Neen! hier baat geen geld, geen blinken Van het goud, \'t welk d\'aarde biedt; Al wie dorst heeft mag hier drinken, Lescht zijn dorst geheel voor niet.
3-
Welk een goedheid! hoe milddadig
Is Hij, die dit water schenkt! Hoe barmhartig, hoe genadig Is Hij, die hier laaft en drenkt.
103
ZONDAGEN NA
Hij eischt niets dan klare blijken ,
Dat gij waarlijk dorstig zijt;
Hij kent hier noch arm\' noch rijken; Voor elk is dees bron bereid.
4\'
O geen wonder, dat het laven Uit dees bron voor niet geschiedt!
\'t Is de Gever aller gaven,
Die den mensch dit water biedt.
Neen! Hij heeft geen giften noodig, Hij, die \'tal geschapen heeft:
Geld en goed is overbodig
Bij Hem, door wien alles leeft.
S-
Deze waterbron van \'t leven Is de bron van Jezus bloed;
Van dat bloed door Hem gegeven Tot verkwikking van \'t gemoed.
Gansch voor niet heeft Hij \'t geschonken Aan het waarlijk dorstig hart.
Komt dan, uit die bron gedronken, En wij zijn bevrijd van smart.
6.
Uwe goedheid heeft geen palen,
Heer, die mij zoo kostloos drenkt!
Waarmee ook zoude ik betalen
\'t Geen uw liefde mij hier schenkt!
Al wat gij van mij komt vragen Is een hart in liefde ontgloeid;
Doe mij zulk een harte dragen.
Door uw dierbaar bloed besproeid!
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
Lvm.
Uit Hem, en door Hem , en in Hew zijn alle dingen Rom XI. vs. 36.
1.
Eeuwige Oorsprong aller dingen,
God, in wien onze adem gaat,
Schepper van de zonnekringen,
In wien al wat leeft bestaat; Uwe goddelijke macht Heeft de wereld voortgebracht; Uw bestuur blijft haar regeeren;
Alles moet uw naam vereeren!
2.
Almacht, wijsheid, goedheid, liefde , Predikt ons het gansch heelal; En, schoon zonde \'t menschdom griefde, Nog woont Ge ook in \'t aardsche dal. Eeuwige Barmhartigheid! Uwe goedertierenheid Doet ons \'t Evangelie hooren.
Roept ons naar de hemelkoren.
3-
Jezus, Heiland onzer zielen.
Stervend voor ons aan het kruis,
Zie ons voor U nederknielen In \'t U toegeheiligd huis.
In uw heilig Sacrament Is \'t dat ons geloof U kent;
Daar wilt Ge onze zielen voeden, Ons geleiden en behoeden.
105
ZONDAGEN NA
4-
God, Verlosser, Levensader,
Altijd al ons heil en goed,
Breng ons immer tot U nader,
Stort uw licht in ons gemoed.
Geef, om \'t bloed van uwen Zoon, Toegang ons tot uwen troon, Om met alle hemelingen Eindloos uwen lof te zingen.
LIX.
Hij, die alleen de onsterflijkheid bezit en het ongenaakbaar licht bewoont, wien geen mensch ooit gezien heeft, ja ook niet zien kan; wien de eer en het eeuwig gebied toebehoort, I Tim, VI. vs. 16.
Gij, die in \'t ongenaakbaar licht, O groote God! uw zetel sticht,
Voor wien de englen bevend staan. Hoor, hoor, o God! ons smeeken aan; Hoor, hoor, o God! ons smeeken aan.
2.
Maar ach! hoe zal uw vlekloos oog, O liefdrijk God! ons van omhoog Aanschouwen in den donkren nacht Waarin de zonde ons heeft gebracht? Waarin de zonde ons heeft gebracht?
106
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
3-
Ach! Jezus wil toch door uw bloed Ons zuivren, en ons zwak gemoed Versterken tegen \'s vijands macht Totdat uw eeuwig licht ons wacht; Totdat uw eeuwig licht ons wacht.
4-
Dat licht, dat Ge ons hebt voorbereid, Die glans van eeuwge heerlijkheid, Die van uw godlijk aanschijn straalt, En boven zon en sterren praalt; En boven zon en sterren praalt.
5-
Ach! breekt dat uur toch spoedig aan, Dat wij van \'s lichaams boei ontdaan, O heilige Drievuldigheid,
U loven in alle eeuwigheid ;
U loven in alle eeuwigheid.
LX.
De hemelen vertellen de heerlijkheid Gods, en het vastgev:elf des hemels verkondigt de werken zijner handen.
Psalm XVIII. vs. 1.
I.
Opperheer en Koning van het groot heelal! Hemel, zee en aarde, afgrond, berg en dal. Alles, alles tuigt, dat Gij vol majesteit. Eeuwig, wijs, almachtig, \'t opperst Wezen zijt.
107
ZONDAGEN NA
2.
Welk een heer van werelden ontdekt het oog, Als het zich verheft tot aan der starrenboog!
En al deze werelden bracht d\'Almacht voort Naar haar welbehagen door één éénig woord.
3-
Slaan wij \'t oog op d\'aarde-; wondren zonder tal! Niets is ledig of onnut in \'t gansch heelal,
Zelfs hel kleinste schepsel, nauw door \'t oog bemerkt, Is een kunstgewrocht door d\'almacht Gods gewerkt.
4-
Welk een macht, o Heer! hebt Gij tentoongespreid, Toen Gij d\'aarde voor den mensch hebt toebereid! Welk een wijsheid , liefde , goedertierenheid ! \'t Aardrijk is vervuld van uw barmhartigheid.
5-
Gij zorgt, Opperkoning! voor \'t groot huisgezin; Al wat leeft gevoelt uw trouwe vadermin;
Al wat leeft verheugt zich in het rijk genot Van uw milde gaven, goedertieren God!
6
Is het mooglijk, mensch dat gij uw God miskent ? Waar uw voet zich zet, of waar uw oog zich wendt, Alles, alles roept u toe met luider stem:
Stervling knielt voor God ! wij zijn het werk van Hem!
7*
Dat wij, o Formeerder van het groot heelal!
Bij \'t beschouwen van uw wondren zonder tal, Nooit de hand vergeten, die dit alles schiep, En wier almacht \'t al uit niet te voorschijn riep!
108
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
LXI.
Gij zult dan aldus bidden: Once Vader, em. Matth. VI. vs. 9.
1.
Schoon op uwen troon gezeten,
In den hemel, hoogste Heer!
Mogen wij U Vader heeten;
Welk een voorrecht! welk een eer!
Voorrecht nooit genoeg te roemen, Kinderen te zijn van God!
Vader Hem te mogen noemen,
Die de Heer is van ons lot!
2.
Dat uw naam, oneindig Wezen! Oppervorst van \'t hemelsch hof!
Zij geheiligd en geprezen.
Schoon ver boven allen lof.
Dat uw naam, vol kracht en waarde. Zij met diep ontzag vereerd,
In den hemel, op de aarde,
God, die \'t gansch heelal regeert,
3.
Hoor, o Heer! ons vurig haken Naar de toekomst van uw rijk,
Wil de slaafsche banden slaken,
Die ons boeien aan het slijk.
Wil ons eens den toegang banen Tot uw rijk vol zaligheid,
Maak ons trouwe onderdanen Van uw Oppermajesteit.
109
ZONDAGEN NA
4-
Niets kan uwen wil beletten,
Niets, o God! weerstaat uw kracht, Wee hem, die zich wil verzetten
Tegen uw geduchte macht!
Dat dan hemel, noch ook aarde,
Dat geen schepsel ooit weerstreef Uwen wil zoo hoog van waarde. Dat elk naar uwe wetten leef!
5-
Zouden wij, o Vader vreezen
Voor ons noodig onderhoud.
Daar Gij zelfs het minste wezen
Voedt en zorgt voor zijn behoud? Neen, het brood voor \'t aardsche leven
Wachten wij van uwe hand,
Wil ons ook dat voedsel geven,
\'t Welk de zielskracht houdt in stand.
6.
Wat wij legen U misdreven,
Onze zware zondenschuld,
Zij ons liefderijk vergeven,
Heer , oneindig in geduld!
Ook wij willen niet gedenken
Aan het aangedane leed,
En aan elk vergeving schenken ,
Die iets tegen ons misdeed.
7-
Komt de duivel ons verleiden,
\'t Vleesch, de wereld, \'t zingenot, Doe ons hun bekoring mijden, Of verwinnen, groote God !
110
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
Wil genadig van ons weren Alle onheil, alle kwaad.
Geene rampen zullen deren Hem, die zich op U verlaat.
8,
Het gebed U opgedragen Klimme tot voor uwen troon!
Het moet U gewis behagen, \'t Is de taal van uwen Zoon;
Door Hem zeiven onderwezen, En gereinigd door zijn bloed,
Durven wij ook, zonder vreezen, Tot U naad\'ren, hoogste Goed!
Lxn.
De Heer is nabij allen, die Hem aan-roepen, allen die Hem aanroepen in waarheid. Hij zal den wil doen der genen , die Hem vreezen en hunne bede verhoor en , en Hij zal ze brengen in behoudenis. Psalm CXLIV. vs. 18 en 19.
I.
Al wat ons noodig is,
Wat ons behoudenis En zaligheid kan geven.
Verleen ons dat o God!
Beschikker van ons lot,
En Gever van het leven.
2.
Hoe menig dwazen wensch Voedt niet de zwakke mensch,
Voor zijn geluk op aarde,
Die , zoo hij werd volbracht, Hem niets dan wee en klacht, Hem niets dan jammer baarde.
111
zondagen na
3-
Geen hart kan aan uw oog, Dat \'t al ziet van omhoog, O God ! zich ooit onttrekken ; Wat \'t onze ook begeer, Gij weet alleen , o Heer! Wat ons tot heil kan strekken.
4-
Eer \'t hart zich tot U wendt, Zijn U alreeds bekend Zijn wensch en zijn verlangen, Ach , blijf hij onverhoord , Zoo soms die wensch verstoort Onze eeuwige belangen.
5-
Aan U , alwetend God ! Zij dan alleen ons lot Op aarde aanbevolen.
Gij weet alleen gewis,
Wat ons tot zegen is,
Daar niets U is verholen.
6
Alleen dat eenig goed, Dat duurzaam \'t hart voldoet, Dat eeuwigheid kan geven. Verleen ons dat o Heer! Van U steeds meer en meer, Ja, tot den dood toe, vragen.
112
DRIEKONINGEN EN PINKSTER.
Lxm.
Heer! verhoor mijne stem, waarmede ik tot Vgeroepen heb. Ontferm JJ mijner en verhoor mij! — Mijn hart heeft tot U gesproken; mijn aangezicht heeft naar TI gezocht; uw aanschijn. Heer, zal ik zoeken. Psalm XXVI. ts. 7 en 8.
I.
Verhoor ons smeekgebed, o Heer!
Neem aan ons loflied, U ter eer;
In uwe gunst zie op ons neer;
Ontferm U onzer meer en meer;
Geef, dat ons hart zich tot U keer! Dat wij, getrouw aan uwe leer,
Steeds naar uw wetten leven,
Naar \'t voorbeeld ons gegeven. Uw godlijk Woord, door ons gehoord, Breng rijke vruchten voort!
Breng rijke vruchten voort!
2.
Ons hart, aan uwen dienst gewijd.
Heeft zich in uwen lof verblijd;
\'t Ontving van uw barmhartigheid Hier nieuwe krachten tot den strijd. Het dierbaar Bloed,\'twelk voor ons pleit, Heeft ons het hoogste goed bereid: \'t Is plicht, dat wij U danken,
Dat wij met blijde klanken Voor \'t rijk genot, voor \'t zalig lot, U loven, liefdrijk God!
U loven, liefdrijk God!
113
8
ZONDAGEN NA PINKSTER.
3-
\'t Geen door ons heden is verricht, In \'thuis ter uwer eer gesticht,
Naar uw bevel en onzen plicht, Schenke ons een nieuw en helder licht, Waarvoor de duisternisse zwicht; Een gids, die onze schreden richt Tot U, o God en Vader!
Opdat wij eens te gader,
Ver boven \'t stof, in \'t hemelsch hof, U zingen dank en lof!
U zingen dank en lof!
114
MARIAFEESTEN.
LXIV.
Zie, van nu aan sullen alle geslachten mij zalig noemen. Lukas I. vs, 48.
1.
O Maagd, door God verkoren
Van alle eeuwigheid,
Uit wie Hij is geboren ,
Ons heil en zaligheid;
O Maagd, zoo hoog verheven ,
Uit wie ons is gegeven De Gever van het leven,
U zij ons lied gewijd!
2.
Nooit grooter eer bewezen
Aan eenig vrouw op aard Dan aan u , nooit volprezen ,
Daar gij hebt Hem gebaard, Die God en mensch te gader, Uw Schepper is en Vader,
Uw heil en levensader,
U voedt en u bewaart.
3-
Bij alle de geslachten,
Door \'t gansche wereldrond,
Hoort gij u zalig achten,
Uw naam met roem verkond;
*
MARIAFEESTEN.
Maria, zoo verheven ,
U, door wie God het leven In Jezus heeft gegeven ,
Roemt elk met hart en mond.
4-
Wie zou ook niet betrouwen
Op u, o Moedermaagd? Op uw gebed niet bouwen,
Als gij om gunsten vraagt, Als gij om in gevaren Ons zondaars te bewaren, Bij Hem, dien gij mocht baren , Om hulp en bijstand vraagt?
5-
Ja, Moeder Gods, wij bouwen
Op uw volmaakt gebed,
Doch niet met blind vertrouwen
Dat dit ons helpt en redt; Zoo wij het kwaad niet haten, De zonde niet verlaten,
Wat zou uw hulp dan baten Aan ons, vol zondensmet ?
6.
Verwerf ons door uw smeeken Een waarlijk vroom gemoed, Dat, kennend zijn gebreken ,
Daar over treurt en bloedt; O dat wij bij ons sterven Door uw gebed verwerven, Een zalig lot te erven,
Voor eeuwig \'t hoogste goed!
116
APOSTELFEESTEN,
APOSTELFEESTEN.
LXV.
Gij zijt het zout der aarde. . gij zijt het licht der wereld.
Matth. V. vs. 13 en 14.
I.
Aan u, dien wij heden vieren,
Zij ons loflied toegewijd!
Voor u vlechten we eerlaurieren,
Daar uw feestdag ons verblijdt; Gij behoordet tot die helden,
Tot dat zalig twaleftal,
Welker grootheid men zal melden Zoolang d\'aarde wezen zal.
2
Gij behoordet tot de vrienden
Van den Heiland , uwen Heer, Die door liefde en trouw verdienden
In zijn rijk de hoogste eer;
Gij waart van die uitverkoren,
Van die uitgelezen schaar,
Die aan gansch de aard deed hooren De gewenschte blijde maar\'.
3-
Ann , gering , van weinig waarde
Naar den uiterlijken schijn,
Waart gij \'t ware licht der aarde,
Licht, zoo helder en zoo rein
117
APOSTELFËESTEN.
Dat, al wien het mag bestralen,
Die daarnaar zijn schreden richt, Niet van \'t rechte spoor zal dwalen Door de waarheid zelf verlicht.
4-
Ja, gij zijt het zout^der aarde,
Dat bederf en ondeugd weert, \'t Zoet, dat niet dan onheil baarde,
Door uw woord en voorbeeld keert; Die ons \'t lokaas leert verachten
Van het valsch en schaadlijk zoet, En alleen de deugd betrachten, Als het eenig duurzaam goed.
5-
Alles hebt gij hier verlaten,
Wat u dierbaar was en waard; Wat kon u ook \'t aardsche baten In een rijk niet van deze aard ? In dat rijk, \'t welk gij helpt stichten,
In dat rijk voor d\'eeuwigheid ,
In dat rijk, waar ge eens zult richten Israel vol majesteit ?
6.
O dat onze blijde klanken,
Op dees feestdag u gewijd,
Tot Hem stijgen, wien wij danken.
Door wien gij geroepen zijt! Dankbaarheid moet ons bezielen
Voor het licht, dat van u kwam; Bid dat we ook eens met u knielen Voor den troon van \'t godlij k Lam!
118
FEESTDAG VAN DEN PATROON, ENZ.
FEESTDAG VAN DEN PATROON OF DE PATRONES EENER KERK.
f LXVI.
Zaai ons verzoek u welgevallen, en hid den Heer onzen God voor ons.
Jerem. XLII vs. 2.
1.
Groot waart gij reeds hier op aarde,
Welgevallig aan uw God,
Wat moet dan niet zijn uw waarde, Nu gij deelt der zaalgen lot ? r Nu ge in \'t kleed der ware reinheid,
Met de schoonste kroon versierd. Altoos woont in Gods nabijheid,
Gij, wiens (wier) feest men heden viert.
2.
Toen de godsvrucht onzer vaadren
Dezen tempel heeft gebouwd,
Werd van hen, die hier vergaadren,
De bescherming u vertrouwd;
Toen men aan den Heer der heeren
Deze kerke heeft gewijd.
Wilde men ook u vereeren, i Om uw deugd, uw heiligheid.
3-
Dat dees kerk steeds moge bloeien
Door uw voorspraak bij den Heer; Ware deugd en godsvrucht groeien Als het zaad der zuivre leer;
119
FEESTDAG VAN DEN PATROON, ENZ.
Dat men nimmer onkruid vinde Op dees akker, God gewijd, Dat de liefde \'t al verbinde,
Niemand valle in den strijd!
4.
\'t Voorbeeld van uw heilig leven,
Door de schoonste deugd versierd, Trachte ieder na te streven,
Die hier uwen feestdag viert! Dit slechts kan u vreugde geven, Als wij naar een rein gemoed Gansch oprecht en ernstig streven, \'t Achten meer dan eenig goed.
5-
Dat wij bovenal beminnen
Hem, tot wien gij voor ons bidt; Dat ons hart én ziel én zinnen
Immer doelen op dat wit! Dan ook worden wij verheven
Boven alle smart en ramp. Om met u bij God te leven Na een goed gestreden kamp.
120
GEBOORTE VAN DEN H. JOHANNES, ÈNZ. 121
GEBOORTE VAN DEN H. JOHANNES DEN DOOPER. 24 JUNI.
Lxvn.
Ik zeg u voorwaar, dat er onder de zonen der vrouwen geen grooter is opgestaan dan Johannes de Dooper. Matth. XI. vs. 11.
1.
Juich Israel! de tijd komt r.aadren Zoo lang verwacht door uwe vaadren,
Het uur van heil en zaligheid;
God wil u in zijn gunst gedenken En gaat u den Messias schenken,
Zoo lang, zoo vuriglijk verbeid.
2.
Hij, die den weg Hem moet bereiden, Wiens komste velen zal verblijden,
Die vol zal zijn van Godes Geest,
Komt wonderdadig reeds verschijnen ; Wat heil! nu gaat de nacht verdwijnen. Die komst is voor heel d\' aard een feest.
3-
Wil Zacharias niet gelooven,
\'t Geen hem verkondigd werd van boven,
Hoe juicht hij nu hij \'t wonder ziet! Hij voelt zich door Gods Geest bestralen; Hoort hem Gods wonderheên verhalen! Geen band der tong meer weerstand biedt.
122 GEBOORTE VAN DEN H. JOHANNES, ENZ.
4-
Wat beuzelt gij, o wereldlingen! Van aardsche grootheid, ijdle dingen ?
Uw grootheid duurt slechts korten tijd; O! wilt naar \'s Heilands godspraak hooren: Geen grooter is uit vrouw geboren
Dan hij, wiens komst ons thans verblijdt.
5-
Hoort hem door Jezus hooglijk roemen, Meer dan Profeet, zelfs Engel noemen.
Ziet hier den grooten Boetgezant!
Wilt, naar zijn woord, door rouw en tranen Voor uwe ziel een toegang banen Tot \'t eeuwig hemelsch vaderland !
6.
Laat u door hem tot \'t Lam geleiden, Dat u van zonden kan bevrijden
En reinigen \'t besmeurd gemoed ; Dat niet slechts u van uwe wonden,
Maar gansch de wereld van haar zonden Geneest en reinigt door zijn bloed.
7-
Hoor ons ook hier uw lof bezingen, Uw zaligheid in hooger kringen,
Johannes! zoo geliefd bij God; Wij durven op uw voorspraak bouwen, En hopen ook met vast vertrouwen Voor eeuwig op het zaligst lot.
H. PETRUS EN PAULUS,
H. PETRUS EN PAULUS, APOSTELEN. 29 JUNI.
LXVIII.
Die in Petrt/s gewerkt heeft tol het apostelschap der Besnedenen, heeft ooi-in mij gewerkt onder de Heidenen.
Gal. II. vs. 8.
1.
Edel paar , zoo hoog verheven,
Lichten, zuilen van Gods Kerk !
Lof en dank zij u gegeven Voor uw wèl volbrachte werk!
Heerlijk ziet gij thans beloonen Al uw arbeid, liefde en trouw,
En als Vorsten u bekronen
Door den Heer van \'t groot Gebouw.
2.
Gij hebt, naar \'t bevel des Heeren, Zijne schapen trouw geweid;
Daarvoor ziet ge u ook vereeren Met de kroon der zaligheid.
Petrus! ja, ook op dees aarde ,
Wat de tand des tijds ook sloop,
Blijft uw zetel steeds in waarde ,
En tart fier der eeuwen loop.
3-
Niet min nuttig was uw leven,
Paulus , uitverkoren vat!
Wat gij spraakt of hebt geschreven,
Blijft voor Jezus\' Kerk een schat.
123
H. PETRUS EN PAULUS.
Goeden strijd hebt gij gestreden, Uwen loop getrouw volbracht,
Kloek voor Jezus\' naam geleden,
Welk een kroon, die op u wacht!
4-
Kruis noch zwaard kan u doen beven
Edel paar ! met heldenmoed,
Zelfs vrijwillig geeft ge uw leven
En verstort met vreugd uw bloed Voor Hem, die u heeft gezonden,
Voor zijn naam en zijne leer; Juichend ziet gij u ontbonden En bij Christus uwen Heer.
5-
Eén in leer, en één in leven ,
Zijt ge ook in den dood vereend; Wie zal ons een denkbeeld geven Van het loon, aan u verleend ? \'t Gaat ver boven ons bedenken, \'t Gaat ver boven ons verstand, Wat de Heer u wilde schenken Bij uw komst in \'t vaderland.
6.
Maar daar wij voor zeker weten, Dat gij veel vermoogt bij God, Dat gij eens ten troon gezeten,
Vonnist over Isrels lot;
Blijven we op uw voorspraak bouwen,
Petrus, machtig bij den Heer! En op uw gebed vertrouwen,
Paulus, groot in daad en leer.
124
H. MARIA MAGDALENA.
H. MARIA MAGDALENA. 22 JULI.
LXIX.
Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem : liahhoni!
Joh. XX. vs. 16.
1.
Magdalena ! welk een zegen ,
Wat geluk hebt gij verkregen
Door uw liefde tot den Heer. Uitgewischt zijn uwe zonden,
En geheeld uw diepe wonden, \'t Liefdevuur heeft \'t al verslonden. Uwe schuld bestaat niet meer.
2.
Wat ook hebt gij kunnen winnen Met de wereld te beminnen,
Door haar valschen glans verblind ? Neen I door eedier gloed aan \'t blaken Voelt gij ras die boeien slaken En moogt reine vreugde smaken In Hem, dien uw ziel bemint.
3-
Van die liefde , wat al blijken !
Mannen mogen vrij bezwijken,
Zuilen zelfs van \'t Kerkgebouw.
U kan niets van Jezus scheiden,
Ook in \'t uur van \'t bitterst lijden, Ook bij \'t kruis in \'t foltrendst strijden Blijft uw liefde Hem getrouw.
125
H. MARIA MAGDALENA.
4-
Zwakke apostelen des Heeren !
Komt hier van Maria leeren
Welk een kracht de liefde geeft 1 Graf noch wachters doen haar beven, Zij wil Jezus blijken geven Dat haar liefde niet kan sneven, Dat die alles overleeft.
5-
Daarom werd ze ook uitverkoren Om het eerst de stem te hooren
Van den nu verrezen Heer. Dat „Maria!quot; welk ontmoeten !
Daar stort zij, aan \'s Meesters voeten, Nu zij zich dus hoort begroeten, Gansch verrukt, aanbiddend neer.
6.
Voeg bij \'t voorbeeld ons gegeven, Magdalena, door uw leven ,
Voor ons, zondaars, het gebed Tot Hem, dien gij mocht beminnen Met geheel uw hart en zinnen,
Opdat we ook het kwaad verwinnen , Door een liefde zonder smet.
126
H. LAURENTIUS.
H. LAURENTIUS, DIAKEN EN MARTELAAR. IO AUGUSTUS.
LXX.
Ik zal w danken, Heere Koning !.....
omdat Gij mij naar de menigvuldigheid, moer barmhartigheid verlost hebt.. . van de persing der vlam, die mij omsingelde.
Eccli. LI, vs. 1, 4 en 6.
Poogt vrij, beulen en barbaren, Door tormenten te vervaren ,1 \'t Edelst deel van Jezus\' Kerk!
Wat uw wreedheid moog verzinnen Om die Kerk te overwinnen,
IJdel is hier al uw werk.
Wat de hel ook uit moog denken Om te foltren, om te krenken,
Vuur noch staal noch \'t wreedst geweld Doen het waar geloof bezwijken;
Ziet hiervan de schoonste blijken In Laurentius, dien held!
\'t Vuur vermag hem \'t lijf te branden, Maar de ziel niet aan te randen,
Die blijft vrij en onverzeerd ;
Ja! zij neemt nog toe in krachten En kan fier het vuur verachten, Dat het stoflijk kleed verteert.
127
H. LAURENTIUS.
4-
Zoo ziet hij in \'t werk hier stellen, Wat hem Sixtus mocht voorspellen
Van zijn schoonen marteldood.
Reeds ziet hij de kroon daarboven, Die geen beul hem kan ontrooven, \'t Loon bij God, oneindig groot.
5-
Maar \'t was niet door aardsche krachten, Neen! gesterkt door hooger machten ,
Zegepraalt die kloeke held.
Jezus, voor wien hij wil lijden ,
Sterkt zijn dienaar in het strijden,
Hij is \'t, die den vijand velt.
6.
Pronkjuweel der martelaren!
Bid voor ons , zoo vol gevaren ,
Hem, voor wien gij gaaft uw bloed; Is \'t niet om, als gij, te lijden,
Toch om tegen \'t kwaad te strijden Met onwankelbaren moed.
128
H. MICHAËL.
H. MICHAËL, AARTSENGEL. 29 SEPTEMBER.
LXXI.
Er ontstond een groote strijd in den hemel: Michael en zijne engelen streden tegen den draak, en de draak en zijne engelen streden ook. Doch zij waren er niet tegen bestand; en voortaan werd hunne plaats niet meer gevonden in den hemel. Openb. XII. vs, 7 en 8.
Neen, Lucifer ! geen krachten Vermogen tegen God.
Verzamel vrij uw Machten, Zij deeien in uw lot!
Geen schepsel stelt God palen! Uw hoogmoed doet u dalen
Uit \'s hemels reine zalen, Met uw oproerig rot.
2.
De trouwe engelenscharen Voert Michael ten strijd;
Zij doen u wedervaren Het loon, uw trots bereid.
Vervallen van uw luister,
Wacht u in \'s afgronds duister,
Voor eeuwig boei en kluister, Van Gods rechtvaardigheid.
3-
Uw zegevierend strijden. De neerlaag van de hel,
Schenkt ons stof tot verblijden, O beervorst Michael!
129
9
H. MICHAËL.
Den draak en zijne benden, Die d\' Almacht wilde schenden,
Gaat gij ten afgrond zenden Naar Gods wil en bevel.
4-
Ook Jezus\' Kerk op aarde
\' Steunt op u, kloeke held !
Wat vijand haar vervaarde, Gij fhuiktet zijn geweld.
Wat kan zij niet verwachten Van uwe hulp en krachten,
Hoe veilig zich niet achten Met u, die Satan velt!
5-
Blijf voor de kudde waken Van Jezus, uwen Heer ;
Wil haar de Draak genaken, Vel gij het monster neer!
Blijf altoos haar geleiden, Van dwaling haar bevrijden,
Zoo zingt zij ook na \'t strijden. Met u, j Gods lof en eer.
6.
Elk onzer mag vrij bouwen O Vorst! op uwe macht.
Wij steunen met vertrouwen Op uwe groote kracht.
Uw schild zal hem bewaren Voor onheil en gevaren.
Geen dood zal hem vervaren, Die op uw bijstand wacht.
130
ALLERHEILIGEN,
7-
Wil vooral voor ons strijden
Als \'t laatste uur komt aan. Help ons van hen bevrijden, Die ons naar \'t leven staan In \'t vreeselijk uur van sterven;
Tracht ons dan te verwerven, Dat wij de zege erven, In \'t oordeel niet vergaan 1
ALLERHEILIGEN. I NOVEMBEK.
LXXII.
En Hij leerde hen , zeggende: Zalig sijn de armen van geest, want het rijk der hemelen komt hun toe; ens...
Matth. V. vs. 2—12.
1.
Niet dan kronen, niet dan eerlaurieren Voor de broeders, die reeds zegevieren!
Welke scharen in de Kerk hierboven, Hoe ontelbaar zij, die God daar loven!
Juich ook, Kerk op aarde,
Schoon nog midden in den strijd, Op dees feestdag, op dees feestdag, Aan den hemel toegewijd !
2.
Zalig zijn zij, naar het woord des Heeren, Die ootmoedig zich voor God vemeêren,
131
9*
ALLERHEILIGEN.
Die zich needrig als de kleinsten achten,
Naar geen schatten, naar geen grootheid trachten; God ziet welgevallig Op die armen naar den geest;
In den hemel, in den hemel
Wacht hen \'t groote bruiloftsfeest!
3-
Die zachtmoedig hier op aarde leven,
Naar het voorbeeld, hun zoo schoon gegeven, Wraak noch gramschap ooit den teugel vieren^ Maar hun driften koninklijk bestieren;
\'t Loon door hen te wachten Is gewis eens groot en veel;
Zij zijn zalig, zij zijn zalig ,
\'t Aardrijk valt hun eens ten deel!
4-
Die met tranen hier hun zaad gaan zaaien Zullen eenmaal vol van vreugde maaien.
Volle schooven zullen zij eens dragen.
Welk een blijdschap na \'t gelukkig slagen! Juich vrij, dwaze wereld ,
Daar de vrome treurt en weent!
Hij is zalig, hij is zalig Door den troost, dien God verleent!
5-
Zij, die haken naar de hoogste waarde, Onverschillig voor het goed der aarde, Zij zien eenmaal hunnen wensch bekronen. God zal zeker hun die zucht beloonen.
Zij die hongren , dorsten Naar rechtvaardigheid en deugd,
Zij zijn zalig, zij zijn zalig,
Eens verzaadt hen d\'eeuwge vreugd!
132
ALLERHEILIGEN.
6.
Zij, die gaarne \'s naastens tranen drogen , Wien het harte gloeit van mededoogen, Niet dan broeders zien in al de armen, Die zich liefdrijk over hen erbarmen;
Allen die barmhartig,
Steeds ter hulpe zijn bereid,
Zij zijn zalig, zij zijn zalig,
Door Godes barmhartigheid!
7-
Die zich zuiver, onbesmet bewaren In een wereld met zoo veel gevaren, Die den wellust moedig weerstand bieden, Al zijn strikken mijden en ontvlieden; Zuiveren van harte!
Groot zal eenmaal zijn uw lot;
Gij zijt zalig, gij zijt zalig,
Eens aanschouwt gij uwen God!
8.
Die vreedzamig allen twist vermijden, Eendracht, liefde rondom zich verspreiden, Vrede stichten, waar zij zich bevinden, Als oprechte , trouwe deugdsgezinden : Zij zijn ware kindren Van des vredes God en Heer.
Zij zijn zalig, zij zijn zalig, Op hen wacht de hoogste eer!
Si-
Laat de wereld haten en verachten, Ja, vervolgen die de deugd betrachten! Die zij, dwaze, stoutelijk durft doemen, Hoort men Jezus hoogelijk hier roemen.
133
ALLERZIELENDAG.
Die vervolging lijden Hier, om de rechtvaardigheid ,
Zij zijn zalig, zij zijn zalig, \'t Hemelrijk is hun bereid 1
io.
O Bewoners van des hemels zalen,
Door dees deugden mocht gij zegepralen! O Geliefden , broeders , vrienden , magen, Dat uw voorspraak ons steeds moge schragen Om , als gij, te wandlen , Met Gods hulp, op \'t pad der deugd
En te deelen, en te deelen Met u in de eeuwge vreugd !
ALLERZIELENDAG. 2 NOVEMBER.
LXXIII.
Almachtige Heer, God van Israël, verhoor nu het gebed der doode Israëlieten, en dat van hunne kinderen!. . .. gedenk de ongerechtigheden onzer vade-deren niet, maar word uwer macht en uws naams ten dezen stonde indachtig.
Baeuch. III. vs. 4 en 5.
I.
Die zegepralen In \'s hemels zalen Het loon genieten van hun werk; Die hier nog strijden,
Ook zij die lijden;
\'t Is al te zamen ééne Kerk.
134
ALLERZIELENDAG.
De Kerk daarboven, In \'s hemels hoven,
Bidt voor de broeders in den strijd; De Kerk hier strijdend Bidt voor die lijdend Voldoet aan Gods rechtvaardigheid.
3-
God onzer vaadren!
Wie kan U naadren,
Dan die geheel gezuiverd is? Vergeef hun zonden Verkort de stonden Voor hen in \'t land van droefenis!
4-
Dat die nog lijden Zich ras verblijden En dankend voor uw zetel staan! \'t Geen wij hier plegen Moet U bewegen,
Brengt hun gewis verlossing aan.
5-
\'t Lam zonder vlekken Zal hun verstrekken Tot lafenis in smart en pijn;
Die \'s werelds zonden En vuile wonden Verdelgt, zal hun Verlosser zijn.
6.
Die op U bouwden, Op U vertrouwden,
O Jezus! kunnen niet vergaan; Uw dood, uw lijden Zal hen bevrijden,
Zal hen van alle boei ontslaan.
135
H. WILLIBRORDUS.
Verkort de dagen,
Verzacht de slagen Van die nog zijn in pijn en smart! Ach ! \'t zijn uw vrienden, Die U hier dienden Met een oprecht en liefdrijk hart.
8.
Voor vaders, moeders,
Voor zusters, broeders,
Voor vrienden, magen lief en waard, Stijg onze bede Om eeuwgen vrede,
Tot U, o Heiland van heel d\'aard!
H. WILLIBRORDUS, APOSTEL EN PATROON DER NEDERLANDEN, 7 NOVEMBER.
LXXIV.
Gedenkt uvjer leidsmannen, die n hel woord Gods verkondigd hebben.
Hebr. XIII. vs. 7.
I.
Nu het loflied aangeheven
Voor de liefde en haar kracht!
Eeuwig zal zij blijven leven,
Onbegrensd is hare macht;
Wat kan ons een denkbeeld geven
Van het loon, dat op haar wacht ? Wat kan ons een denkbeeld geven Van het loon, dat op haar wacht?
136
H. WILLIBRORDUS.
Willibrordus ! wat al blijken
Gaaft gij van die liefde niet! Geen gevaar doet u bezwijken, Waar zij hulpbetoon gebiedt; Niets vermag u te doen wijken,
Waar uw oog verdwaalden ziet. Niets vermag u te doen wijken, Waar uw oog verdwaalden ziet.
Ja! zoolang de Kerk des Heeren
Zal bestaan in Nederland ,
Zal zij uw gedachtnis eeren,
Blijft uw naam en roem gestand. Om de vaadren te bekeeren
Waart gij \'t werktuig in Gods hand. Om de vaadren te bekeeren
Waart gij \'t werktuig in Gods hand.
Schuldig zijn we u, Willibrordus !
Naast den Heer erkentlijkheid, Voor \'t geloof in Jezus Christus,
Ons behoud en zaligheid; Waarvoor ge als een andre Paulus Hier den grondslag hebt geleid. Waarvoor ge als een andre Paulus Hier den grondslag hebt geleid.
Gij hebt alles prijsgegeven
Voor der vaderen behoud,
Waart bereid, zoo \'t moest, te sneven, Voor de kudde u toevertrouwd;
137
i
138 H. STEPHANUS.
Hoog is nu uw loon verheven,
Door geen sterflijk oog aanschouwd.
Hoog is nu uw loon verheven,
Door geen sterflijk oog aanschouwd.
6.
Blijf voor Neerlands Kerk steeds waken. Door uw leer, uw zorg gesticht,
Bid, dat ze eenmaal moog geraken Tot het onverganklijk licht;
Dat geen leed haar moog genaken, En zij voor geen dwaling zwicht!
Dat geen leed haar moog genaken, En zij voor geen dwaling zwicht!
H. STEPHANUS, DIAKEN EN MARTELAAR. 26 DECEMBER.
LXXV.
En zij steenigden Stephanies, dewelke bad en zeide: Heere Jezus! ontvang mijnen geest. En zijne knieën gebogen hebbende, riep hij met luider stem : Heere ! reken hun deze zonde niet toe. Handel. VII vs. 58 en 59.
Stephanus, vol vuur en sterkte, Door Gods Geest, die in u werkte,
Trouwe volgling van den Heer! Wat al teeknen, wonderwerken, Die \'t geloof in Jezus sterken, Deedt gij, tolk van Jezus\' leer!
H. STEPHANUS.
2.
Toen gij vaardig toogt ten strijde En uws Heilands naam belijdde,
Voor een vijand gansch verwoed. Was het heerlijk om t\' aanschouwen Hoe gij rustig, vol vertrouwen,
Stond met onverwrikbren moed.
3-
\'s Hemels glans, die op u daalde, Van uw liefdrijk aanschijn straalde,
Door den joodschen Raad gezien, Deed nog meer van woede beven Hen, die rooven konden \'t leven Maar uw reên geen weerstand biên,
4-
\'s Hemels hof werd u ontsloten, Toen, met smaadheên overgoten,
Gij tot Jezus wendet \'t oog. Hem zaagt staan aan \'s Vaders zijde, U versterkende ten strijde.
Tot zich roepend naar omhoog.
5-
Voortgesleurd voorbij de wallen, Werdt gij woedend aangevallen
En met steenen gansch verplet; Maar voordat gij zijt bezweken,
Is uw liefde op \'t schoonst gebleken In een treffend smeekgebed.
6
Knielend badt gij, als de Heiland, Voor uwen verwoeden vijand Van den Heer vergifnis af;
139
H. JOHANNES.
Daarna hebt gij uw geest gegeven Aan Hem, die nu \'t eeuwig leven En de martelaarskroon u gaf.
7-
Wil nu, Martelaar, Jezus bidden Dat Hij ons, die nog te midden Zijn van zonde en feilen strijd, Met zijn heilgen Geest versterke, In ons krachtig \'t goede werke. Geve ons d\' eeuwge heerlijkheid !
H. JOHANNES. APOSTEL EN EVANGELIST. 2/ DECEMBER.
LXXVI.
Die een vriend is, bemint ten allen tijde: en een broeder wordt in den druk gekend. Spkeuk. XVII. vs. 17.
I.
Komt nu, vrienden van dien Koning,
Die het rijk der liefde sticht!
Nu voor Hem een troon en woning
Zijner waardig opgericht!
Siert en tooit ze naar uw krachten,
Eedlen, aan zijn dienst gewijd, Met wat voegzaam is te achten,
Voor een rijk der eeuwigheid!
140
H. JOHANNES.
In dit rijk is Jezus koning,
Liefde \'t sieraad van zijn troon ; \'t Minnend hart zijn rijkste woning
d\'Eêlste parel aan zijn kroon.
Al wie zulk een hart mag dragen
In de adelijke borst,
Kan den Koning \'t meest behagen, Is een lievling van den Vorst.
3-
Zoo van harte, groot en edel,
Zijt gij, wien Gods Kerk thans viert. Ook zien wij uw achtbren schedel
Met den schoonsten kroon versierd. Gij, Johannes ! onder allen
d\' Uitverkoorne van den Vorst,
Wien \'t geluk ten deel mocht vallen Van te rusten aan zijn borst.
4-
Uit die bron hebt gij gedronken Heraelsch, godlijk liefdevuur,
\'t Welk uw hart steeds bleef ontvonken
Tot uw laatste levensuur.
O, dat vuur, gestaag aan \'t blaken,
Deed u met de teerste zucht Naar uw Vriend, naar Jezus haken , Gaf u uwe aadlaarsvlucht.
5-
\'t Liefdevuur gaf u ook krachten
Op de droeve lijdensbaan, Leerde u de vrees verachten, Moedig onder \'t kruis te staan. -
H. JOHANNES.
Daar mocht gij de gunst verwerven,
Meer dan aardsche schatten waard, Van uw Vorst en Vriend te erven \'t Edelst, dat Hij liet op aard.
6.
Van dat vuur gaaft gij nog blijken Toen uw loopbaan was voltooid. d\'Aardsche hut moog vrij bezwijken.
Wat bezweek, uw liefde nooit! „Kind\'ren blijft in liefde leven,quot;
Bleef tot aan den dood uw leer, „Dit zij \'t doel van al uw streven, *t Is de hoofdles van den Heer.quot;
7-
Ja, wij willen dit betrachten,
Groote leeraar in Gods Kerk. Bid gij voor ons om de krachten, Noodig tot zoo groot een werk! Vriend van Jezus uitverkoren,
Die zoo hoog verheven zit,
Hij zal u gewis verhooren.
Vader! als gij voor ons bidt.
BfflliBlliffl fflUfiliü
VÓÓR DE BEDIENING VAN HET H. VORMSEL.
LXXVIL
Wanneer Ik mijnen Geest in w gestort zal hebben. .. dan zult gij weten, dat Ik, die de Heer ben, hei gesproken en ook gedaan heb. Ezech. XXXVII. vs, 14.
1.
O Heiige Geest! wil thans doen dalen
Op deze schaar,
Geknield voor \'t vlekkeloos altaar, Het hemelsch vuur, waarmee Gij doopte d\' Apostelrei, die op u hoopte
Naar \'s Heeren woord;
Zij ook voor hen, o heiige Geest,
Deze dag een Pinksterfeest!
2.
Versier hun hart met uwe gaven,
O Heiige Geest,
Waardoor Gij alle kwaal geneest,
Die \'t hoogste goed in zich bevatten, Het grootst geluk, de rijkste schatten, Het ware heil.
Schenk, bron van liefde , schenk vooral Hun dat dierbaar zevental!
■wmm
144 VÓÓR DE BEDIËNING VAN HET H. VORMSEL,
3-
Slechts Gij kunt hun die wijsheid geven,
Die nooit vergaat,
Die niets te wenschen overlaat,
Die ons de reinste vreugd doet smaken, Die alleen ons geleerd kan maken Tot ons geluk;
O Heiige Geest, schenk hun dat licht. Waarvoor alle dwaling zwicht!
4-
Wat is verstand, hoe hoog geprezen.
Dan ijdelheid.
Zoo \'t door uw licht niet wordt geleid? Ach 1 jammerlijk moet het verdwalen, Zoo Gij \'t niet leidt door uwe stralen Op \'t rechte spoor.
Geest van verstand, van waar beleid, Blijf hun licht in eeuwigheid!
5-
Uw raad alleen kan nimmer falen.
Voldoet naar wensch.
Terwijl wij die van den zwakken mensch, Die slechts vermoeden kan en gissen. Ons dikwijls \'t ware doel doet missen, Tot ons verderf;
Blijf hun steeds bij met uwen raad , En zij zijn behoed voor \'t kwaad.
6.
Wat is de mensch met eigen krachten ?
Een enkel niet!
Zoo Gij hem uwe hulp niet biedt.
VÓÓR DE BEDIENING VAN HET H. VORMSEL. 145
Zoo uwe kracht hem niet komt sterken,
Hoe zal hij ooit iets goeds dan werken, Tot zaligheid ?
O Geest van sterkte , wees hun kracht!
Al hun hoop is opjuw macht.
7-
Slechts Gij leert ons die wetenschappen,
O Heer en God,
Die ons bereiden \'t zaligst lot,
Die niet alleen voor \'t aardsche leven Ons nut en voordeel kunnen geven ,
Maar eeuwiglijk.
Dat door uw godlijk onderricht Hunne ziel steeds zij verlicht!
8.
O Oorsprong van \'t godvruchtig leven, Der ware deugd,
Dat in de godsvrucht zij hun vreugd ! Dat \'t waar geloof hen blijft bestralen, Geen bijgeloof hen ooit doe dwalen Van \'t rechte spoor.
De ware godsvrucht schenkt hun hart Waren troost in ramp en smart!
9-
Geef, dat zij steeds den Heere vreezen Met diep ontzag.
Doch slechts gelijk \'t een kind vermag. De slaaf alleen treedt bevend nader,
Maar \'t kind eert God als zijnen Vader, En mint Hem teer.
Dat zij alzoo, door U geleid,
Vreezen tot hun zaligheid!
HHJW
10
146 NA de bediening van het h. vormsel.
NA DE BEDIENING VAN HET H. VORMSEL.
Lxxvm.
Bevestig, o God! hel geen Gij in ons gewerkt hebt. IN ALM LXVII. vs, 29.
1.
Komt geliefden, waarde vormelingen!
Looft den Trooster voor zijn zegeningen! Welke gaven, die gij hebt genoten!
Met een danklied nu dit feest besloten!
Welk een stof tot danken Voor u op dees blijden stond!
Alleluja! Alleluja!
Dankt den Heer met hart en mond!
2.
Ja, onschatbaar is \'tgeen wij ontvingen, O wat liefde tot ons, stervelingen 1 Geest des levens! wie zou U niet prijzen, U niet danken voor dees gunstbewijzen ? Gij, die op d\' apostlen Daaldet neer in Pinkstervuur,
Daalde\' ook neder, daalde\' ook neder Op ons in dit zalig uur.
3-
Geest der liefde, die ons laafd\' en sterktet, O bevestig \'tgeen gij in ons werktet!
Dat uw gaven altoos in ons blijven,
Dat geen zonden immer die verdrijven.
NA DE BEDIENING VAN HET H. VORMSEL. 147
Dat we U nooit bedroeven Door den lust tot eenig kwaad,
Maar steeds volgen, maar steeds volgen Uw onfeilbre leer en raad!
4-
Hoe zal \'t schepsel waardiglijk U loven Voor de giften, die Gij zendt van boven ? Wat zijn woorden, wat zijn zwakke tonen? Met het harte wilt Ge U zien beloonen; Dat dan \'t dankbaar harte,
Heiige Geest, ons offer zij,
Tot we U eenmaal, tot we U eenmaal Loven met der englen rei!
5-
Driemaal heilig, eeuwig Opperwezen I Ook wij danken voor het goed bewezen,
Voor uw gaven, voor het geestlijk leven,
Voor de schatten mildelijk gegeven Aan dees vormelingen.
Op dees dag., zoo groot, zoo schoon Ook ons danklied, ook ons danklied Stijge tot aan uwen troon!
6.
Opperherder onzer aller zielen !
Zie ons smeekend voor U nederknielen.
Hoor genadig, hoor ons vurig bidden Voor den herder thans hier in ons midden. Wil hem, Heer, bewaren;
Dat uw hand zijn arbeid loon Na dit leven, na dit leven
Met de schoonste hemelkroon!
10*
VÓÓR EENE EERSTE H. COMMUNIE.
7-
Dat de herder en de kudde beiden Zich te zamen in hun heil verblijden, U eens danken met de hemelingen, Voor uw gaven, voor uw zegeningen; Opdat zij bevestigd Wat Gij in ons werktet. Heer!
Alleluja ! Alleluja!
U alleen zij lof en eer!
VÓÓR EENE EERSTE H. COMMUNIE.
Lxxrx.
Komt tot Mij, gij allen die begeeriy naar Mij zijt en verzadigt u met mijne vruchten. Eccli. XXIV. vs. 26.
1.
Komt ter bruiloft, gij genooden!
\'t Geen u hier wordt aangeboden Is ver boven allen lof.
Geeft u ruime dankensstof,
Is ver boven allen lof,
Zelfs van \'t zalig heraelsch hof.
Komt ter maaltijd, o beminden!
Hier zult gij een voedsel vinden,
\'tWelk uw zwakke jeugd versterkt, Uw geluk en heil bewerkt.
2.
Welk een voorrecht, u gegeven!
Gij moogt naadren tot het leven,
148
VÓÓR EENE EERSTE H. COMMUNIE. 149
Tot de fakkel, die uw jeugd Strekt tot gids op \'t pad der deugd , Tot de fakkel, die uw jeugd \'t Spoor wijst van de ware deugd, Tot den Gever aller gaven.
Gij moogt uwe zielen laven
Met den wijn, die maagden teelt; Welk een lot u toebedeeld !
3-
Komt ootmoedig , blijde tevens , Op dees schoonsten dag uws levens Aan dees disch voor u bereid Tot uw heil en zaligheid,
Aan dees disch voor u bereid Tot uw heil in eeuwigheid.
Dat geen wonden u doen vreezen; Zij zijn liefderijk genezen
Door des Heilands dierbaar bloed; Nadert vrij vol hoop en moed.
4-
Is uw leeftijd vol gevaren,
Laat dit u geen angste baren, Wat vermag toch satans macht Tegen goddelijke kracht ? Wat vermag toch satans macht Tegen Jezus en zijn kracht?
Komt de wereld u verleiden,
Gij zult moedig haar bestrijden,
Want gij zijt met brood gevoed, Vol van kracht tot alle goed.
5-
Daardoor zult gij nooit vergeten Dat alleen het rein geweten,
VÓÓR EENE EERSTE H. COMMUNIE.
De betrachting van de deugd, \'t Schoonste sieraad is der jeugd, De betrachting van de deugd, \'t Grootst geluk is voor de jeugd; Dat God nimmer zal verlaten Die reeds vroeg de zonde haten, En wier schoonste levenstijd Aan zijn dienst is toegewijd.
6.
Hoor genadig onze beden,
Heiland ! voor dees jonge leden , Die thans voor de eerste maal Spijzen in dees bruiloftszaal, Die zich voor de eerste maal Voeden in uw bruiloftszaal.
Dat dit voedsel hun gegeven Voor hen zij een bron van leven, Van geluk in eeuwigheid . \'t Onderpand der zaligheid!
150
NA EENE EERSTE H. COMMUNIE.
NA EENE EERSTE H. COMMUNIE.
LXXX.
Loof, mijne ziel, den lieer, en ver\' geet toch al zijne weldaden niet. Die u al moe zeilden vergeeft, en geneest al moe gebreken. Die im leven verlost van den ondergang , die u kroont met genade en barmhartigheden. Die u naar vienseh met goederen verzadigt, dat moe jeugd vernieuwd wordt als die van een arend.
Psalm CII. vs. 2—5.
1.
Nu vol vreugde \'t danklied aangeheven Voor de giften, u door God gegeven!
Komt, geliefden! wilt den Heiland danken Voor zijn liefde met vereende klanken.
\'t Maal door u genoten In dees blijde bruilofiszaal,
Zij het voorwerp, zij het voorwerp Van uw dankbre hartentaai!
2.
Ja, wij danken uit geheel ons harte, Vol verrukking, vrij van alle smarte,
Voor de gunsten, ons door U bewezen; God en Heiland! wat kan ons doen vreezen, Nu Gij zoo genadig Ons gelaafd hebt en gevoed.
En ons sterktet, en ons sterktet Met uw eigen vleesch en bloed !
3-
Onze schulden hebt Ge ons kwijt gescholden, Onze boete duizendvoud vergolden,
Onze wonden liefderijk genezen,
Menig weldaad onzer ziel bewezen;
151
NA EENE EERSTE H. COMMUNIE.
En na zooveel gunsten Spijsden wij nog van het maal Uwer liefde , uwer liefde ,
In dees blijde bruiloftszaal!
4-
Grooter weldaad kondetGe ons niet schenken; Rijker gaven laten zich niet denken;
Sterker voedsel kondet Ge ons niet geven Dan U zeiven, en met U het leven.
Welk een hemelsch voedsel,
Welk een onwaardeetbaar goed Doet Ge ons smaken, doet Ge ons smaken In uw dierbaar vleesch en bloed 1
5-
Wie zou immer zulk een gunst vergeten, En niet waken voor een rein geweten ? Wie, genezen en verlost van zonden,
Zich niet hoeden voor vernieuwde wonden ?
Sterk daartoe de krachten,
Heer! van onze zwakke jeugd, Uw genade, uw genade
Leide ons steeds op \'t pad der deugd!
6.
Ach, wij kennen allen de gevaren Van de zonde; \'t leed, dat zij kan baren; Maar het voedsel, ons door U gegeven. Zal ons sterken.tot een deugdzaam leven;
Dat dit hemelsch voedsel Ons behoede in eeuwigheid, Ons geleide, ons geleide Tot het rijk der zaligheid!
152
VOOR ZIEKEN.
7-
Hoor, o Heiland! hoor d\' oprechte beden, Hoor het danklied van dees jonge leden, \'t Heil, de zegen, die hun \'t hart verheugde, Schenkt ons allen ook de reinste vreugde. Dat we ook eens te gader Deelen in het zaligst lot,
Eeuwig danken, eeuwig danken Uwe liefde. Heer en God!
VOOR ZIEKEN.
LXXXI.
0 Zoon! verzuim u zeiven niet in ziwe krankheid; maar bid den Heer en Hij zal u genezen. Eccli. XXXVIII. vs. 9.
1.
O Droeve zonde!
Wat smart, wat wonde Hebt gij het menschdom toegebracht! Wat ziekten, plagen Heeft het te dragen ,
Wat straf treft Adams nageslacht 1
2.
Wil U ontfermen.
Wil U erbarmen ,
O Trooster in den bangen nood!
Hoor, Heer, de beden Voor onze leden,
Die krank zijn of nabij den dood!
153
VOOR ZIEKEN.
3-
Vergeef de zonden ,
Genees de wonden Der kranken ! lenig hunne smart, Opdat ze u danken , Met blijde klanken.
Hier in uw huis van ganscher hart!
4-
Maar zijn hun dagen,
Naar uw behagen,
Voleind, en is hun loop vervuld; Dat zij dan lijden,
Ten eind toe strijden Met onderwerping en geduld.
5-
O God ! Ontfermer!
Wees hun beschermer, Versterk hen in den bangen strijd; Beperk de rampen,
Waarmee zij kampen,
Maak Gij hen zelf ter dood bereid!
6.
Dat zij zich laven Door uwe gaven,
Zoo liefdrijk aan uw Kerk verleend; Dat zij na \'t lijden En moedig strijden Voor eeuwig met U zijn vereend!
154
GEBED VOOR DE H. KERK.
GEBED VOOR DE H. KERK.
Lxxxn.
Gij zult opstaan en U ontfermen over Sion, want het is tijd, TI har er te ontfermen; de tijd is gekomen. Ifant mee dienaars hebben hare steenen lief, zij hebben ook meedoogen met haar puin.
Psalm CI. vs. 14 en 15.
Afval, scheuring, wat al wonden,
Zijn het deel van Jezus\' Kerk!
Waar wordt voor haar hulp gevonden, Wie stelt haar ellenden perk?
Heer, is dit die uitverkoren,
Die zoo teerbeminde Bruid?
Heeft ze uw liefde dan verloren,
Dat Gij niet haar rampen stuit?
2.
Ach! wat zien wij haar niet lijden, \'t Geestlijk Sion, hier op aard;
Ach! hoeveel, die haar bestrijden. Wat al kindren gansch ontaard!
Wat al kroost geheel verbasterd.
Doof voor smeeken en gebeên,
\'t Welk de beste Moeder lastert,
Spot met tranen en geween!
2.
Waar zijn nu die blijde tijden
Van haar jeugd, haar glans en bloei,
Toen zij zich steeds mocht verblijden In haar schoonheid, in haar groei?
155
GEBED VOOR DE H. KERK.
Al die luister is vergeten,
Zij zag haren eendrachtsband
Jammerlijk vaneengereten
Door zoo menig booze hand.
4-
Sta dan op, wil U ontfermen Over uw geliefde Bruid!
Hoor haar smeeken, hoor haar kermen, Ach, dat Gij haar plagen stuit!
O! \'t is tijd haar op te beuren Uit haar staat van rouw en smart.
Hoor hen, die haar leed betreuren Met een diepbewogen hart!
5-
Ja, zij heeft nog trouwe zonen, Dochteren vol liefde in \'t hart,
Die zich harer waardig toonen,
Deelea in haar rouw en smart.
Die de knie voor Baal niet buigen, Trouw zijn aan haar leer, zoo rein;
Die met woord en daad betuigen, Dat zij echte kindren zijn.
6.
Zoo, te midden van haar rampen,
Heft zij \'t hoofd nog fier omhoog;
Gij verlaat haar niet in \'t kampen, Jezus, op U staart haar oog.
Is dan eens haar strijd volstreden, Is haar loopbaan hier volbracht:
Dan looft ze in alle eeuwigheden Uwe liefde , trouw en macht.
156
VOOR GEMEENTE EN HERDER.
VOOR GEMEENTE EN HERDER.
Lxxxm.
Weest gedurig in het gebed, wakende daarin met dankzegging» En bidt ook voor ons, dat God ons de deur des woords opene om te verkondigen het geheim van Christus.
Koloss. IV. vs. 2 en 3.
I.
Verhoor hen , die hier steeds vergaadren Ter uwer eer,
Die tot U roepen , God en Heer! Die niet op eigen kracht vertrouwen, Maar op uw hulp alleenlijk bouwen, Op uw gend;
Die door \'t gebed van \'t needrig hart Bij U zoeken troost in smart.
Stort, Opperherder , uwen zegen Op deze Kerk;
Maak haar door uwen invloed sterk; Niet in het aantal harer leden,
Maar in haar vurige gebeden Zij hare kracht.
In zuivre leering, ware deugd,
Zoeke zij alleen haar vreugd!
3-
Geef tegen \'t geen haar moog belagen, Een vast geloof,
Een hoop, die niets op aard verdoof; Een liefde door niets t\' overwinnen,
157
VOOR GEMEENTE EN HERDER.
Vervullend hart en ziel en zinnen
Met hemelvreugd!
Zij eere U niet slechts met den mond , Maar vooral uit \'s harten grond.
4-
Sla op den herder, haar gegeven, Een gunstig oog!
Uw zegen dale van omhoog Op al zijn arbeid, zorg en waken,
En wil goedgunstig hem doen smaken Die zielevreugd:
üat hij zijn werk moog zien beloond, Met een goed gevolg bekroond!
5\'
Geef, dat de herder en de schapen, In vreugd en smart,
Steeds zijn vereend van ziel en hart; Schenk hem gezondheid, lust en krachten Om zijne plichten te betrachten Tot aller heil!
Zoo zij de kudde hem vertrouwd, \'t Middel ook tot zijn behoud!
6.
Zoo moge dees gemeente bloeien!
Door U gespaard ,
Blijf zij steeds voor verval bewaard! Ach! dat haar hoofd en hare leden Eens juichend voor uw aanschijn treden, Voor uwen troon;
En daar ontvangen \'t hoogste goed, Hun verworven door uw bloed!
158
BIJ EENE HUWELIJKSINZEGENING. 159
BIJ EENE HUWELIJKSINZEGENING.
LXXXIV.
Be Heer zende u hulp toe van de heilige plaats, en bescherme u uit Sion.
Psalm XIX. vs. 3.
O Bron van alle zegeningen,
Weldadig God!
Beschikker van des menschen lot 1 Geen heil, geen welvaart laat zich denken, Zoo Gij uw zegen niet komt schenken Op \'s menschen werk;
Verhoor ons dan, o Opperheer!
Voor wien \'t al zich buigt ter neer.
2.
Zie, groote God! genadig neder Op \'t echte paar,
Hier knielend voor \'t gewijd altaar, \'t Is met en voor hen, dat wij smeeken. Dat Gij hun nimmer laat ontbreken Uw hulp en kracht;
Die kracht, die hunne zwakheid sterkt, En hun duurzaam heil bewerkt.
3-
De trouw, zoo plechtiglijk bezworen Met hart en mond,
Blijf tot aan hunnen jongsten stond Onwankelbaar en onbezweken;
160 BIJ EENE HUWELIJKSINZEGENING.
De huwlijksband zij niet te breken Dan door den dood!
Dees dag, waarop zij zijn gepaard, Zij hun altoos lief en waard !
4-
Versterk hen, Heer! dat zij de plichten Van d\' echten staat Getrouw volbrengen metterdaad; Het huwlijksjuk te samen dragen; Bij welvaart, voorspoed, ramp of plagen Steeds zijn vereend,
Tevreden met het deel en lot,
Hun door U beschikt, o God!
5-
Behaagt het U, hun echt te zeegnen Met vruchtbaarheid.
Dat dan hun kroost U zij gewijd,
Opdat het U steeds moog behagen, En hun tot in hun grijze dagen Tot troost verstrek, Tot blijdschap, steun, tot heil en vreugd. Door de liefde tot de deugd!
6.
Wat ook, op aard, het lot moog wezen Van \'t echte paar,
O God! geknield voor uw altaar. Wil zóó hen door dit leven leiden.
Dat zij zich eenmaal saam verblijden In \'t eeuwig heil,
U voor het goed, zoo mild verleend, Danken, eeuwig saam vereend!
VOOR HUISGENOOTEN , ENZ.
VOOR HUISGENOOTEN, BLOEDVERWANTEN, VRIENDEN EN HET LAND ONZER INWONING.
LXXXV.
Bidt voor elkander, dat gij tnooyt le-houden worden. Jac. V. vs. 16.
1.
Bescherm, o God! door uwe hand Ons huis; het blijve steeds in stand; Behoed èn vriend èn bloedverwant, En menig waardig liefdespand, Ons dierbaar door den teersten band ! Bewaar het lieve vaderland!
Van U alleen, o Vader !
Verwacht het altegader Die reine vreugd , die \'t hart verheugt Als \'t loon der ware deugd.
Als \'t loon der ware deugd.
2.
De liefde, die het al verbindt,
Zoowel de ouders en het kind, Als bloedverwant en maag en vrind , In elks geluk haar wellust vindt, Die ongeveinsd, oprecht bemint,
Altoos tot helpen is gezind;
Die liefde doet ons spreken,
Die liefde doet ons smeeken;
Dat Gij hen spaart, die ons op aard Zijn dierbaar, lief en waard.
Zijn dierbaar, lief en waard.
161
11
VOOR HUISGENOOTEN , ENZ
3-
O Plicht zoo lieflijk en zoo zoet,
Die ons voor allen bidden doet, Ons dierbaar door den band van \'t bloed Of door een reinen liefdesgloed ,
Of door een liefdrijk vroom gemoed! Ook U, o Heer, o hoogste Goed Moet ons gebed behagen,
Wanneer wij zegen vragen Van uwe hand voor bloedverwant,
Voor vriend en vaderland.
Voor vriend en vaderland.
4-
Stort dan , almachtig Opperheer , Uw milden zegen meer en meer Op huis en maag en vrienden neer! Geef, dat elks hart zich tot U keer En bovenal dat heil begeer,
Dat groot geluk, die hoogste eer, Die d\'aarde niet kan geven ,
Die blijft ook na dit leven,
Het rijkst genot, het zaligst lot:
Het zien van U, o God!
Het zien van U, o God!
162
VÓÓR DE PREEK.
VÓÓR DE PREEK.
LXXXVI.
Zalig zijn zij, die het woord Gods hoo-ren en dat onderhouden,
Lukas XI. vs. 28.
1.
O Geest der waarheid! godlijk Licht! Bestraal, versterk ons zwak gezicht, Opdat wij door uw licht geleid.
Niet missen \'t pad der zaligheid.
2.
Wat heil, daar ons uw zaalge leer Naar waarheid wordt verkondigd, Heer! Dat al \'t geen ons hier wordt verklaard In \'t hart getrouwlijk zij bewaard!
3-
Dat wij betrachten eiken plicht,
Waarvan men ons hier onderricht,
Opdat uw hulp ons bij blijf staan En wij in \'t oordeel niet vergaan.
4-
Bestraal den leeraar door uw licht,
Opdat hij door uw woord ons sticht, Ons leide langs het rechte pad Naar de onvergankelijke stad.
5-
Dat hij, die ons uw woord verklaart. Met allen, die hier zijn vergaard,
Door leering, voorbeeld, ware deugd, Eens bij U smake d\'eeuwige vreugd!
163
11*
VÓÓR DÈ PREEK.
LXXXVII.
Let waar gij uwen voet set, als gij in Gods huis gaat; en treed toe om te luis\' teren, want de gehoorzaamheid is veel beter dan de offeranden der dwazen, die niet weten wat kwaad zij doen.
Eccr. IV. vs. 17.
1.
Komt nu, christnen, \'t woord des Heeren hooren ! \'t Zaad des levens ga hier niet verloren!
\'s Leeraars arbeid moge vruchten dragen,
Rijke vruchten, die aan God behagen.
Wilt zijn zorg beloonen Door het volgen van zijn raad,
En steeds vluchten, en steeds vluchten Het door hem bestreden kwaad.
2.
Welk een voorrecht wordt u aangeboden,
Raad en middel tegen alle nooden!
Ach! hoe vele jammerlijk verblinden,
Die geen leidsman, raad of hulpe vinden.
Wilt dan dankbaar hooren \'t Woord des levens, \'t woord van God, En betrachten, en betrachten ,
Zalig is dan eens uw lot.
3-
Slechts het hooren kan geen nut ons geven, Zonder invloed op gedrag en leven;
Onze schuld, ja, zou het slechts vergrooten. Zoo we ondankbaar \'t woord van God verstooten.
164
NA DE PREEK.
Wat kan hij verwachten,
Die het woord der zaligheid Niet wil volgen, niet wil volgen,
En dus hoont Gods majesteit ?
4-
Geest der waarheid! kom ons hart bestralen; Uwe fakkel hoede ons voor dwalen;
Schenk den leeraar tot ons aller stichting Uwen bijstand, zalving en verlichting!
Wees op zijne lippen.
Krachtig zij zijn taal en leer,
Dat zijn rede, dat zijn rede Menig zondig hart bekeer!
NA DE PREEK.
Lxxxvin.
Waar het zaad in goede aarde valt, zijn degenen, die met een goed en oprecht hart het xooord hoeren en bewaren, en vruchten dragen met lankmoedigheid.
Luk. VIII. vs. 15.
I.
\'t Geen door ons is gehoord, Uw dierbaar, godlijk woord, O Hoogste Majesteit!
Zij ons tot zaligheid.
Dat zaad, zoo rijk, zoo waard,
Valle in een goede aard, In \'t welbereide hart.
Tot troost in druk en smart.
165
NA DE PREEK.
2.
Dat zaad, zoo vol van kracht, Trotseere alle macht,
Die zijnen groei vertraagt,
Zijn bloei en vrucht belaagt. Dat niets dien groei belett\'
Alle onkruid zij verplet; Het bloeie meer en meer,
Door U bedauwd, o Heer!
3
Aan goede aard vertrouwd, Draagt \'t vruchten honderdvoud, Die schoon te prijken staan. En nimmermeer vergaan.
Dat in alle eeuwigheid Dit zaad zijn vrucht verspreid: Een vrucht vol rein genot. Een eeuwig zalig lot!
4-
Laat, Heer! uw godlijk woord. Door ons hier aangehoord. Geprent in ons gemoed, Ons schenken \'t hoogste goed! Zoo zij godvruchtigheid,
Geduld en needrigheid, De vrucht, die door uw hand Rijpt aan de hemelplant!
166
NA DE PREEK.
LXXXIX.
Uw woord is een fakkel voor mijne voeten, en een licht op mijne \'paden.
Psalm CXVIII. vs. 105.
Bewaart het godlijk woord, O Christnen, hier gehoord, Bewaart het in uw harten! Het brenge vruchten voort. Dat krachtig, hemelsch zaad, Zoo dierbaar en verheven , Het zij uw grootste schat, Een fakkel op uw pad, Op uwen weg door \'t leven Naar de eeuwig zaalge stad!
2.
Wat rijke dankensstof,
O Heer van \'t hemelsch hof, Voor \'t geen wij hier genoten ! Aan U zij lof en dank 1 Gij schenkt ons in uw woord Een gids, die niet kan falen, Een steun, die nooit bezwijkt, Een licht, dat eeuwig prijkt. Waarmee men niet kan dwalen, Maar \'t groote doel bereikt.
3*
Voltrek in ons uw werk; Bewaar ons in uw kerk, O Jezus, Opperherder!
Dat ons uw hoede sterk;
Geef, dat wij naar uw stem
167
NA DE H, MIS.
Als trouwe schapen hooren, U volgen, waar Ge ons leidt; Zoo zingen wij verblijd Eens met de englenkoren Uw lof in eeuwigheid!
NA DE H. MIS.
XC.
Christus gekomen zijnde als Ilooz/e-priesfer der toekomende goederen, is door zijn eigen bloed, éénmaal ingegaan in hei heiligdom, hébbende eene eeuwige verlossing teweeggebracht.
Hebk. IX. vs. 11 en 12.
1.
Zoo is de dood des Heeren Verkondigd en herdacht, En mochten wij God eeren
Door \'t offer Hem gebracht; Dat offer zoo verheven ,
De bron van \'t eeuwig leven,
Ook tot ons heil gegeven,
Op \'t kruis voor ons geslacht.
2.
Op \'t kruis heeft Hij geleden;
Het Hoofd van \'t priesterdom Is door zijn bloed getreden In zijn nieuw vorstendom.
Dat bloed , éénmaal vergoten,
Heeft voor altoos ontsloten Voor zijne dischgenooten Het eeuwig heiligdom.
168
ONDER OF NA EENE MIS VOOR OVERLEDENEN. 169 3\'
Dat bloed ééns opgedragen,
Dat offer ééns geslacht,
Zal altoos God behagen.
Eert waardiglijk zijn macht,
Blijft steeds op onze altaren,
Voor al de christenscharen,
Ten eeuwgen vreé bewaren Zijn goddelijke kracht.
4-
Weg nietige offerdieren
Van Levi\'s priesterschaar!
Het offer, \'t welk wij vieren
Op dit gewijd altaar,
Verlost van alle zonden ,
Bevrijdt van alle wonden,
\'t Is \'t offer uitgevonden Door d\'eeuwgen offeraar.
ONDER OF NA EENE MIS VOOR OVERLEDENEN.
XCI.
Ik ben de Verrijzenis en het Leven ; die in Mij gelooft, zal leven, al is hij al gestorren. En al tcie leeft, en in Mij qelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.
Joh. XI. vs. 25 ea 26.
Neen , geen dood kan ons doen beven! De Verrijzenis en het Leven Opent ons d\'onsterflijkheid;
170 ONDER OF NA EENE MIS VOOR OVERLEDENEN.
Jezus , door voor ons te sterven ,
Heeft ons \'t leven doen verwerven, \'t Leven in alle eeuwiglieid.
2.
\'t Fundament, waarop wij bouwen,
Deze hope, dit betrouwen
Is \'t onfeilbaar woord van God. „Wie in Mij gelooft zal leven.quot; „Hemzegt Jezus, „zal Ik geven Eens het allerzaligst lot!quot;
3-
Zalig, die in Jezus sterven!
Jezus doet hun \'t leven erven,
Geeft hun na den arbeid rust.
Vrij van aardsche ramp en plagen,
Zien zij reeds den uchtend dagen, \'t Morgenrood aan gindsche kust.
4-
Jezus , die voor ons gestorven,
Door uw dood ons hebt verworven
D\' ingang tot d\'onsterflijkheid ,
Schenk der ziel, voor wie we U smeeken, Nu gezuiverd van gebreken,
Schenk haar rust in eeuwigheid !
5-
Laat het eeuwig licht haar schijnen , Hoed haar voor de helsche pijnen,
Hoed haar voor den diepen kuil I Wil haar liefderijk vergeven Wat door zwakheid is misdreven:
Hoed haar voor des leeuwen muil!
ONDER OF NA EENE MIS VOOR OVERLEDENEN. 171
6.
Wil haar vast betrouwen loonen Op uw goedheid; wil haar kronen Met de kroon der heerlijkheid! Doe ons eens met haar verrijzen, Met haar uw genade prijzen, Uwe liefde in eeuwigheid !
XCII.
Zalig zijn de dondert, die in den lieer sterven! ï)at zij van nu aan, zegt de Geest, rusten van hunnen arbeid; want hunne werken volgen hen.
Openb. XVI. vs 13.
1.
Dood en graven ! gij zijt verschrikkelijk voor dien mensch, Die op \'t aardsche leven stelt zijn hoop en wensch;
Maar den waren Christen zijt ge, o graf en dood! Slechts de doorgang tot de rust in \'s Vaders schoot. U, o Heiland, zij dank in eeuwigheid!
Uw dood heeft ons bereid het leven en onsterflijkheid.
2.
O hoe zalig zijn zij, die in U sterven, Heer!
Welk een rust na de arbeid, welk een loon, wat eer!
Vrij van ramp en jammer, kwelling, tegenspoed , En verlost, o Jezus , door uw dierbaar bloed! U, o Heiland , enz.
3-
Dat dees zegen, dit heil ook moge zijn het lot Van de ziel, voor wie we U smeeken, groote God! Ach! zie op haar neder in barmhartigheid,
Schenk haar rust, en vreugd, en licht, en zaligheid! U , o Heiland , enz.
DANKZEGGING.
Op uw liefde, o Heiland! heeft zij vast betrouwd, Op uwe verlossing hare hoop gebouwd;
Schenk Gij haar dan ook, door uw gend, tot loon \'t Doelwit harer hoop, de onverwelkbre kroon ! U , o Heiland , e7iz.
DANKZEGGING.
xcm.
Dankt den Heer, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is eeuwigdurend. Psalm CXXXV. vs. 1.
1.
Dankbaarheid betaamt, o God! den mensch Voor al uw gunsten, hem bewezen boven wensch. Welk een dankensstof,
Heer van \'t hemelsch hof! Goedertieren Vader!
Goedertieren Vader!
2.
\'t Leven, de gezondheid, al het goed. Dat wij genieten, \'t komt al uit uw overvloed. Welk een dankensstof,
Heer van \'t hemelsch hof!
Liefdrijk God en Vader!
Liefdrijk God en Vader!
Maar niet slechts geeft Gij ons aardsch genot, Neen, beste Vader! Gij schenkt ons veel grooter lot. Ook voor d\' eeuwigheid Hebt Gij ons bereid Onbesefbre goedren,
Onbesefbre goedren.
172
DANKZEGGING.
4-
Is de mensch door snoode ondankbaarheid Strafbaar en schuldig aan gekwetste majesteit, Gij verstoot hem niet,
Uwe liefde biedt Hem nog hulp en redding, Hem nog hulp en redding.
S-
Is zijn ziel door \'t kwaad gewond, bevlekt, Gij schenkt het middel, \'twelk haar tot genezing strekt, \'t Kruis van uwen Zoon Wordt voor haar een troon Van genade en liefde,
Van genade en liefde.
6.
Gij schenkt haar een hemelsch brood tot spijs, Dat haar geeft krachten op den weg naar \'t Paradijs. Ook uw heilig Woord,
\'t Welk zij leest en hoort,
Is haar daaglijksch voedsel,
Is haar daaglijksch voedsel.
Is ons werk op aard naar plicht volbracht, O Welk een zalig, heilrijk lot dan op ons wacht! Voor alle eeuwigheid Hebt Ge ons dan bereid Nooit gekende goedren,
Nooit gekende goedren.
173
dankzegging.
8.
Zoo hebt Gij, o God! het al bereid, Wat wij behoeven voor den tijd en de eeuwigheid. Welk een dankensstof!
Eeuwige eer en lof Zij U, liefdrijk Vader!
Zij U, liefdrijk Vader !
9
Heilig, heilig Heer ! drieëenig God !
Bron aller gaven! Schenker van het zaligst lot! Onze dankbre toon Stijg tot aan uw troon!
Stijg tot aan den hemel!
Stijg tot aan den hemel!
XCIV.
Loof, mijne ziel, den Beer en vergee toch alle zijne weldaden niet.
Psalm CII. vs. 2.
I
Aller oogen wachten op U, hoogste Goed!
Op U, die al \'t schepsel onderhoudt en voedt,
Door wien al wat leven heeft steeds moet bestaan, Zonder wiens bewaring \'t alles moet vergaan.
2.
Zonder uwen zegen groeit noch kruid noch plant, Zonder uw bescherming bloeit noch stad noch land, Zoo Gij, Opperbouwheer, zelf het huis niet bouwt! IJdel is dan de arbeid, waar men op vertrouwt.
174
DANKZEGGING.
3
Dat ons dank- en loflied klimme tot uw troon,
God en Vader, voor zoo menig gunstbetoon,
Voor zoo menig blijk van uw weldadigheid,
En vooral voor \'t geen ons op dees stond verblijdt.
4-
Weg van hier, ondankbaar, ongevoelig mensch: God, die u zoo heeft begunstigd, boven wensch. God begeert een dankbaar en oprecht gemoed, Dat Hem voor zijn gaven looft en hulde doet.
5-
\'t Dankbaar hart, voor \'t geen Hij ons genieten doet. Maakt ons bij Hem waardig nog veel grooter goed, Goed, dat niet vergaat, niet afhangt van den tijd, Maar een goed, dat blijft in alle eeuwigheid.
6.
Niet ons, niet ons menschen, maar uw naam zij de eer Voor uw milde gaven, groote God en Heer!
Dat ons lof- en danklied stijge tot uw troon,
Dat wij eeuwig zingen op der englen toon!
175
HET KRUIS DES HEEREN.
xcv.
HET KRUIS DES HEEREN.
i.
O hoofd, bedekt met wonden,
Beladn met smart en hoon! O hoofd, ten spot ombonden
Met eene doornenkroon!
Eertijds gekroond met stralen
Van meer dan aardschen gloed, Waar langs nu drupplen dalen! \'k Breng zeegnend U mijn groet! 2.
Van al den last dier plagen.
Met goddelijk geduld,
O Heer! door U gedragen,
Heb ik, heb ik de schuld! Och, zie hoe \'k voor uw oogen
Hier als een zondaar sta, En schenk vol mededoogen,
M\' een klik van uw gend!
3-
Wat stof tot zielsverblijden, Hoe zalig is \'t en goed.
Dat \'k in uw bitter lijden
Mijn redding vinden moet! Och, mocht ik U mijn leven!
Daar \'k bij uw kruishout kniel, Mijzelv\' ten offer geven,
Wat winste deed mijn ziel!
4-
U zij de dank mijns harten, U, Jezus, dierbre vriend!
Voor \'t doorstaan van die smarten,
Alleen door mij verdiend! Och, blijv\', wat troost ik derve,
De hoop op U mij bij,
Opdat, wanneer ik sterve,
In U mijn einde zij!
176