\' M C ■\'$ C \\ quot;\' \' v\' -\'-v,
£;:?: *fV;.\'. ? \'quot;
\'$ --J* «tefl
t*f
mm
gt; w:\'J
astorale
©nbetonsjes»
öoor
t:v::sl^
■■ y\'^?I
(t. f. (Broncmcycr.
amsteröam;
ƒ, m Böeltnö» 1801.
GUNNING
1G 11
—
4
PASTORALE ONDERONSJES.
.m£UNNIN£Jtü
CA-liflRQ
twzyiwviy*
lUgniT£5ANsRf^R|
Pastorale Onderonsjes
C. F. GRONEMEIJER,
PRKD1KANÏ TF. AMSTERDAM.
AMSTERDAM,
F. W. E G E L I N G, 1891.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
SNELPERSDRUK VAN 11. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.
Toen ik mijn intrede deed in Amsterdam, waar ik op de hartelijkste wijze door een nog jeugdigen Broeder bevestigd was, zeide ik o. a. tot hem: „Ben ik eenige jaren langer in de Heilige bediening, ik hoop nooit te vergeten, dat ervaring niet altijd in rechte reden staat tot den leeftijd, en dat de oudere dikwijls veel kan leeren van den jongerequot;. Dat ondervind ik nog dagelijks, en als ik opmerk, hoeveel ik nog te leeren heb en hoe ik gedurig nog leer en afleer, dan kan ik dikwijls niet begrijpen, dat ik reeds zóóvele dienstjaren tel. Als ik het nochtans waag met een bundeltje Pastorale Onderonsjes tot mijn collega\'s te komen, het geschiedt in de overtuiging, dat wij allen wederkeerig van elkander kunnen leeren en ook, dat het wel eens goed is, de dingen, die wij sedert lang weten, door een ander besproken te zien. Een afgerond geheel vormen deze schetsjes niet, dat te geven laat ik aan de Hooggeleerde Heeren over, die de Theologia Practica doceeren. Ik zal mij wel wachten onder hun duiven te schieten. Ik gaf slechts, wat ik geven kon, losse opmerkingen over het een en ander, dat in \'t pastorale leven voorkomt. Ik ben er ook lang niet zeker van, dat ik niet op \'t een of ander punt geduchte tegenspraak zal vinden. Welnu, ik weet, dat ik geene onfeilbare inzichten heb. Toch hield ik mijne beschouwingen niet achter, gedachtig aan de spreuk; „De drukking der melk brengt boter voortquot;.
Moge mijn boekje op zijn wijze meewerken, onder den zegen Gods, om tot nadenken te prikkelen, en de schoonheid onzer bediening te doen waardeeren, die al onze toewijding eischt, maar haar ook ten volle verdient.
INHOUD.
I. BEROEPEN PREDIKANT............................I
II. DE INTREÊPREEK................................4
III. HAASTIG OORDEELEN ............................8
IV. HET GEVOEL JONG TE ZIJN........................12
V. TE MOETEN PREEKEN............................l6
VI. IMPROVISEEREN..................................20
VII. HET GEMEENTEBEZOEK............................24
VIII. DE VRUCHT OP DEN ARBEID......................28
IX. ONBEDACHTZAAM SPREKEN........................33
X. VOORTGEZETTE STUDIE............................36
XI. ARMVERZORGING ................................41
XII. BUITEN-GEMEENTELIJKE ARBEID....................45
XIII. OUDE COLLEGA\'S................................SO
XIV. HET EERSTE AFSCHEID............................55
XV. REIZEN ........................................58
XVI. POLEMISEEREN ..................................63
XVII. LIDMATEN-KATECHISATIES ........................67
XVIII. HUWELIJK......................................71
XIX. DE ARBEID MET COLLEGA\'S......................../5
XX. TEGENSTAND....................................79
XXI. VRIJHEID VAN BEWEGING..........................83
XXII. HET WINNEN VAN TEGENSTANDERS ................87
XXIII. EIGEN GEBREKEN................................91
XXIV. ONZE PREDIKING ................................94
XXV. ONZE LOOPBAAN.............................99
I.
Luc. 5 ; 515. Op Uw woord zal ik het net uitwerpen.
De vraag is beantwoord, waarover in \'t laatste jaar nogal eens is gedacht, welke gemeente men zal hebben te dienen. Dat is dikwerf een gemeente, gansch anders gelegen en van geheel anderen aard, dan men zich had voorgesteld. Plaatsen, die men begeerde, waarop men zelfs meende te kunnen rekenen, bleven achter met haar beroep, andere, wier namen men zelfs nooit had hooren noemen, meldden zich aan. Daar was misschien keus, misschien ook niet. En zelfs als er keus scheen te zijn, kon het zóó wezen, dat er eigenlijk geen keus was. De Heer, die het hart der koningen leidt als waterbeken, leidt ook het hart der candidaten tot den H. Dienst —■ indien zij althans inderdaad staan naar den Heiligen Diëtist en niet naar andere dingen, \'t Kostte soms moeite om te weten: Waar roept mij de Heer? Of eigenlijk, \'t kostte soms moeite om tegenover de dringende betoogen van vacante gemeenten, dat hun plaats de door den Heer aangewezene was, de inwendige overtuiging te handhaven, dat de werkkring elders lag. Maar als onder hartelijk gebed de keuze was
ONDERONSJES. I
PASTORALE ONDERONSJES.
gedaan en het beroep was aangenomen, welk een vrede gaf dat!
Beroepen predikant te____ Wat gaf dat te danken
en te denken. Te danken met het oog op den afge-legden levensweg, die nu het keerpunt bereikte. Tot nu toe was de arbeid vooral: ontvangen, opnemen, venverken, zich eigen maken. Van nu af zal het geven, het meêdeelen, het opleiden op den voorgrond staan. Het net zal nu moeten worden uitgeworpen. De plaats er voor is thans aangewezen.
Op Uw woord zal ik het net uitwerpen! Ja, daar komt het op aan, dat wij \'t op \'s Heeren woord doen, in het bewustzijn; „Hij roept er ons toe!quot; Dat bewustzijn wortelt niet in gehoorde stemmen, in ontvangen openbaringen, maar in de dankbare erkenning, dat God ons begeerte gaf tot het predikambt, dat Hij ons lust gaf tot de studie, dat Hij ons de Theologie deed lief krijgen, en bovenal, dat Hij ons door Zijn eeuwige liefde aan zich verbond.
o Daar was bij \'t terugzien veel beschamends. Niet altijd stond onze bestemming ons voor den geest. Menigmaal, menigmaal waren daar afwijkingen, maar de Heer liet ons niet los. Onder de studie werd het ons wel eens bang om het hart. De wind der Kritiek blies in hetgeen wij meê hadden gebracht en bij de kaartenhuisjes, die instortten en bij het kaf dat opvloog, meenden wij soms dat ons niets overbleef. Wij konden niet zien door al het kaf. Er is niets dan dat! dachten wij dan. Hoe moedeloos zaten wij neder! Hoe besloten wij dan wel eens, de Theologie vaarwel te zeggen. Gode zij dank, die ons voor dien overhaasten
2
PASTORALE ONDERONSJES.
3
stap behoedde. Den oprechte liet Hij het licht telkens weer opgaan. Het kritiekste bleek een vaste grond voor ons te zijn. Onzen God en Vader, onzen Heiland en Zaligmaker, die in onze behoeften als verloren zondaars voorziet, kon geen Kritiek ons ontnemen. „Wie den wil wil doen mijns Vaders, die in de hemelen is, die zal Van deze leer bekennen of zij uit God is, dan of ik van mij zeiven spreekquot;, werd als waarheid aan ons bevestigd. Zoo leerden wij de Kritiek te volgen en te beoefenen met kalmte, maar ook in het gevoel van verantwoordelijkheid. En nu? Neen, wij zijn niet fix tmd fcrtig, wij weten eenigszins hoeveel er ook nog aan onze theoretische vorming ontbreekt —-en aan onze praktische vorming denken wij slechts met huivering. Op dat punt zijn wij nog ongeveer even ver als toen wij \'t Gymnasium verlieten. Daarvoor gaf ons de Universiteit niets, dan een college over Homiletiek, Katechetiek en Kerkrecht. Hoe zullen wij \'t maken? Opgezien! Den moed niet verloren! „Op uw woord!quot; Als de Heer ons roept om het net uit te werpen, zal Hij ons ook bijstaan. Hij geeft ons zelf het net in handen. Mogen wij dan al wat onhandig zijn in \'t gebruik er van, de oefening zal ons onderwijzen. Als wij Zijn net maar uitwerpen en niet het net onzer eigen wijsheid. Als wij de begeerte maar hebben om voor Hem zielen te vergaderen en niet om te pralen met de handige wijze, waarop wij ons werk verrichten. Stamelen komt dikwijls voort uit de gedachte aan ons zeiven, dat wij denken: hoe zal ik \'t er afbrengen? De gedachte aan den indruk, dien wij zullen maken, maakt benepen, maakt angstig, doet ons in \'t dagelijksch leven
PASTORALE ONDERONSJES.
allerlei flaters begaan, maakt ons dom en wrevelig.. Vandaar dat kinderen onder \'t oog van opvoeders, die hen gedurig berispen, zich zoo onhebbelijk kunnen, gedragen, terwijl zij anders heel lief zijn. Zoo is het ook met dat denken: Hoe zal ik \'t er af brengen ? Laat ons die zorg van ons wentelen. Wentel die zorg op. den Heer, dan zullen wij onbevangen aan den arbeid gaan. Dan zullen wij onszelf kunnen zijn en ons zeiven kunnen geven.
Een andere vraag is: Wat ontbreekt mij nog? Dat. is een vraag, die wij tot aan ons graf nog hebben te doen, en wij zullen steeds zooveel vinden wat ons. ontbreekt, dat wij geen dag stil kunnen zitten van het ontbrekende aan te vullen, dat wij geen dag zonder zelfverootmoediging kunnen blijven en ook geen dag het gebed kunnen nalaten tot Hem, die mildèlijk geeft en niet verwijt.
Met het oog op dien Heer dan afgestoken van den oever en het net gegrepen om het, nu Hij het zegt,, uit te werpen in Zijnen naam.
II.
i Kon. 20 : II. Die zich aangordt, beroeme zicb. niet als die zich losmaakt.quot;
Dat was een wijs woord van Achab tot Benhadad,. den Koning van Syrië, die in grooten overmoed tegen hem optrok. Dat Achab, de goddelooze Achab, het sprak, bewijst niets tegen de wijsheid en waarheid van
4
PASTORALE ONDERONSJES.
•dat woord. Het kan geen kwaad in onze bediening te bedenken, dat ook ongeloovigen en tegenstanders ons wel eens een wijzen raad kunnen geven of een vermaning kunnen toedienen, die raak is. Wij leggen •gaarne een woord bij ons neêr en bekreunen er ons niet om, omdat het uit een ongevalligen mond komt. Voorzeker is het minder aangenaam uit zulken mond •de waarheid te hooren dan uit dien van een vriend; maar als de vrienden ons vertroetelen moet God de vijanden wel gebruiken, om ons de waarheid te doen booren. Zelfs kan zulk een woord, als \'t door ons in zachtmoedigheid wordt ontvangen en ter harte genomen, wel de brug worden, waarover de vijand tot ons ■overkomt. Als hij ziet, dat wij bescheiden zijn en ook uit zijn mond de waarheid in dank aannemen, wordt hij ontvankelijk, om ook uit onzen mond de waarheid, zoo al niet aan te nemen, dan toch aan te hooren en te overdenken.
„Die zich aangordt, beroeme zich niet als die zich losmaakt,quot; dat woord was de intreê-tekst van een mijner vrienden — een vrij wat betere keus dan die van een anderen tijdgenoot, die het woord van Amazia tot Joas; „Kom laat ons elkanders aangezicht zien!quot; tot grondslag zijner intreê-rede legde. Hij zal daar misschien veel stichtelijks over hebben gezegd, maar zeer zeker heeft hij zijn tekst slechts als motto gebruikt ■en niet bedoeld een oorlogsverklaring in het midden zijner Gemeente te slingeren. Maar dat woord van Achab, ■al is \'t ook niet de intreê-tekst van ieder, mag wel door ieder, die zich tot het stellen zijner intreê-preek zet, ter harte worden genomen. Er worden wel eens
5
PASTORALE ONDERONSJES.
preeken gehoord ter intrede in een eerste Gemeente, waarin de jeugdige prediker breed uitwijdt over de bezwaren aan den evangeliearbeid verbonden en over den zegen, die er voor hemzelven en de Gemeente op rust, alsof hij reeds op een minstens vijf en twintigjarigen arbeid terugzag. Daar wordt dan somtijds een gedragslijn tegenover de Gemeente afgebakend, waaraan niets ontbreekt, behalve de ervaring, welke ons. leert, dat wij ons gedurig aan allerlei inconsequenties-schuldig maken. Daar worden dan beloften afgelegd,, die niets te wenschen overlaten dan de vervulling.
Maar ook afgezien hiervan wordt zulk een eerste intreê-preek zelden het meesterstuk, waartoe men haar bestemde. De tekst is gevonden, maar wat moet er niet al in die preek komen. Daar geldt dikwijls vanv wat een onzer uitnemendste predikers tot een student zeide na het hooren van zijn eerste voorstel; „Toen ik onder uw gehoor zat, herinnerde ik mij levendig mijn eerste voorstel. Ik had er ook alles in gezegd, wat ik wist!quot; Onze Gemeente moet duidelijk vernemen, wat zij al en wat zij niet van ons heeft te verwachten ; ons theologisch en kerkelijk standpunt, bij wijlen ook het politieke, moet er helder in uitkomen; de gestudeerde ringbroeders moeten bemerken, dat wij op de hoogte zijn der theologische vraagstukken; daarenboven moet er van blijken, dat wij weten, wat er aan den evangeliearbeid verbonden is. Aan den anderen kant gevoelen wij : niet wat wij zijn en doen zullen, mag in de preek, zelfs niet in de intreê-preek hoofdzaak zijn. Zij is een eerste evangelieverkondiging aan onze eigen Gemeente. Wij hebben haar te prediken.
6
PASTORALE ONDERONSJES.
7
Christus — en onszelven als hare dienaars om Christus wil. Zoo krijgt die preek iets tweeslachtigs, zij levert de blijken der worsteling tusschen twee stroomingen in het hart. Wij bemerken dat ook wel, maar durven er het snoeimes niet inzetten, om een ingrijpende verandering aan te brengen. Zij zal dan maar gehouden worden gelijk zij is, al is zij \'t meesterstuk niet geworden, dat wij ons hadden voorgesteld. Dat stemt ons gelukkig ook wat lager. In dezen is het ideaal nog niet bereikt. Maar later! Welk een idealen vormen wij ons van den arbeid in de Gemeente. Daar zullen allerlei moeilijkheden zijn; daar zal strijd moeten gevoerd worden tegen ongeloovigen. Wij zullen hen trachten te overtuigen van de verkeerdheid en van de ongenoegzaamheid van hun ongeloof; wij zullen met vastheid en geduld hun bezwaren trachten op te lossen, hun twijfelingen te verdrijven, hun afkeer te overwinnen. Daar zullen betweters zijn, Hardestaken en Perkersen: wij zullen de gemoedelijken, de welmeenenden onder hen zien te winnen en de huichelaars ontmaskeren. Wij zullen te doen hebben met openbare zondaars en met eigengerechtigen; wij zullen strijd moeten voeren, zwaar en heet. Wij vreezen niet. Daar is iets van strijdlust in \'t jeugdig hart. Zoo hunkerde ook David, de jeugdige David naar den strijd met den reus, die de legerscharen Gods had gehoond. En wij gaan immers ook niet op eigen gelegenheid op vechten uit. Is er niet een roeping ? Mogen wij niet ook uitgaan in den naam des Heeren ? Voorzeker mogen wij dat. Maar wij zullen ook ondervinden, dat niet onze moed, onze ijver, onze wijsheid ons de overwinning geeft. Daar is
PASTORALE ONDERONSJES.
een weg, waarop wij aan dat eigene zullen leeren wanhopen opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes, Godes alleen.
III.
Matth. 7:1. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
Ik kan \'t zoo goed begrijpen, dat vele der jongere collega\'s gedeeltelijk of geheel zijn meêgegaan met de zoogenaamde gereformeerde beweging. In de dagen hunner jeugd hadden zij reeds den Man hooren roemen, die, meester van den stijl, het mes durfde zetten in de wonden van Kerk en Staat, die met ijzeren consequentie niemand ontzag, als \'t er op aankwam te strijden voor de zuiverheid der aloude gereformeerde Leer. Het kleurrijke, het snijdende, het verrassende en bovenal het logisch consequente behaagt der jeugd. Zij begrepen wel niet alles, maar \'t boeide hen, en reeds op het Gymnasium werden naar de brochures en couranten van dezen Schrijver de handen gretig uitgestrekt. Zoo bleef het aan de Universiteit. Men bemerkte zelf veel gebrekkigs in de theologische opleiding, men hoorde van veel verkeerds in de Kerk, men hoorde ook op de colleges van rechtzinnige professoren veel, wat niet scheen te strekken tot versterking in de zuivere Leer. Men mocht soms de aanvallen van den Leider der Partij wat te fel achten, men kon hem niet ten eenenmale ongelijk geven. Aux grands niaux les grands reine-
8
PASTORALE ONDERONSJES.
des ■— en waren de kwalen niet groot? Wat was er dan met stroopjes en likkepotjes uit te richten? De Leider der Partij durfde \'t kwaad bij zijn naam noemen, durfde allen staan, ook de Mannen van naam. Wat vraagde men er naar of dezen in vrij wat moeilijker tijden de smaadheid des kruises hadden gedragen. Die tijden had men zelf niet gekend. De eigen herinnering ging niet verder dan het optreden van den Leider. En in plaats daarvan, dat allen van wie men meende dat te mogen verwachten, hem toejuichten en volgden, zag men dat de meeste ouderen zich van hem afwendden, hem bestreden. Wat kon daar de oorzaak van zijn? — De staatsruif, de gouden ketenen, waarmee de Kerk aan den Staat geboeid was, de synodale Organisatie. Door deze dingen lieten zij zich, zoo geloofde men, vervreemden van de ware Gereformeerdheid. En op voorgang van den Leider trad men op, zoodra men onder den slagboom van \'t proponentsexamen heen was, als hervormers der Kerk. Aan toejuiching ontbrak het niet. De Gideonsbende der jongelingen zou de erve Israels wel van Midianieten zuiveren.
Ziet, ik heb dat zoo goed begrepen, dat ik het den jongeren nooit kwalijk genomen heb, al griefde hun toon, al smartte hun wijze van optreden mij soms diep. Ik ben ook jong geweest, en had weêr op andere wijze mijn jeugdige voortvarendheid en haastigheid in \'t oordeelen.
Maar tusschen kwalijk nemen en afkeuren is een groot onderscheid. Dat haastige oordeelen en veroor-deelen is afkeurenswaardig, het is zonde voor God. En toch vervallen wij er zoo licht in, ook nog op andere wijze, dan boven geschetst werd.
9
PASTORALE ONDERONSJES.
\'t Is niet ongewoon, wanneer een predikant in een Gemeente komt, dat hij allerlei hoort over zijn voorganger, wat dezen juist niet tot lof strekt. Hij vindt zelf bij zijn huisbezoek allerlei toestanden van onkunde en verwaarloozing, waarbij hij denkt; „Hoe is dat toch mogelijk? Daaraan heeft mijn voorganger zeker niets, gedaan. Dat moet anders worden.quot; Dat voornemen is niet te misprijzen. Ieder heeft zijn eigen gaven en wat de een soms door een kleine onhandigheid of onoplettendheid bedierf, brengt zijn opvolger terecht. Maar nooit mogen wij ons laten verleiden uit toestanden, die wij vinden, te besluiten, dat onze voorganger een trage arbeider was. Als wij eerst zelf daar gearbeid hebben, zullen wij kunnen beoordeelen, wat de arbeid uitwerkte, en meestal zal ons oordeel veel zachtmoediger worden. Allerminst mogen wij ons laten verleiden, om te roemen op hetgeen wij zullen doen en uitrichten. Onze plannen ook voor den krijgstocht tegen onkunde en verwaarloozing in onze Gemeente, onze begeerte om haar ten zegen te zijn, moeten een zaak zijn tusschen God en ons. Laten wij ze door bidden en smeeken met dankzegging aan Hem bekend maken.
Tegenover wat we over onzen voorganger al zoo hooren, is het het best zeer sceptisch te zijn, en er vooral geen oordeel op te vormen en uit te spreken. Er zijn in iedere gemeente menschen, die er op uit zijn den predikant voor zich in te nemen, door kwaad te spreken van vroegere predikanten. Dit zijn juist de personen, die, wanneer zij den voorganger ontmoeten, hem niet genoeg kwaad van ons zullen kunnen vertellen. En wat den voorganger geldt, is ook waar van
lO
PASTORALE ONDERONSJES.
de ringbroeders. Daar zijn in iedere gemeente zulken, die te recht of ten onrechte ontevreden zijn over hun predikant. Daar zal dikwijls wel eenige reden voor zijn. De ringbroeders zijn evenmin volmaakt als wij zelf. De ontevredenen uit een naburige gemeente zullen allicht hun best doen om onze sympathie te winnen. Zij bezoeken onze kerk, zij komen ons zeggen, hoeveel zegen zij onder onze prediking hadden, en dat vleit ons. o Laten wij op onze hoede zijn, als zij daarna over hun eigen Leeraar een afkeurend oordeel vellen, dat wij er niet meê instemmen ; laten wij hen niet aanmoedigen in het doen hunner verhalen. Als wij de zaak onderzoeken, blijkt het later dikwijls, dat ons de feiten zeer eenzijdig, zeer gekleurd waren voorgesteld, dat wij te doen hadden met lieden, die zeer hoogmoedig, zeer lichtgeraakt, zoo niet erger waren. Juist hun liefdelooze uitlatingen over hun eigen Leeraar, en hun prijzen in \'t aangezicht, moest ons op onze hoede doen zijn. Wij kunnen later van die vrienden veel verdriet hebben, en te meer, naarmate wij hun eerst het oor hadden geleend. Zijn de bezoekers uit naburige gemeenten oprechte, eerlijke lieden, zij zullen ons onze aanvankelijke terughouding niet kwalijk nemen en \'t billijken, wanneer wij geen rechters willen zijn tusschen hun Leeraar en hen zeiven, waartoe wij ook niet geroepen zijn. Misschien zal \'t ons later zelfs wel kunnen gelukken de goede verstandhouding tusschen dezen te herstellen, wanneer wij door oprechtheid het vertrouwen van beide partijen hebben gewonnen. Het is wel aangenaam voor ons zeiven en ook voor onzen Kerkeraad, als wij hoorders uit naburige gemeenten trekken, maar daarboven staat toch de
PASTORALE OXDERONSJES.
zegen den vredemakers toegezegd: zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
IV.
Jeremia i : 6. Toen zeide ik: Ach Hecre Hcerc ! zie ik kan niet spieken, want ik ben jong.
Op de studeerkamer, op den kansel, in een vergadering ziet men de menschen en dingen dikwijls geheel anders aan dan in \'t dagelijksch leven. Op de studeerkamer oordeelen wij over de zaken bij \'t licht van wat we hebben geleerd, en worden wij gesteund door ik weet niet hoeveel mannen van naam en gezag en door onfeilbare redeneeringen. Op den kansel staan wij tegenover de Gemeente in haar geheel. Wij verkondigen zonder aanzien des persoons, wat de last des Heeren is; wij bestraffen de zonde, vermanen tot bekeering ouden en jongen, het aan ieders geweten overlatende wat hij er zich van heeft aan te trekken. In een vergadering geldt het de stellingen en niet de personen, tegen wie wij ze verdedigen of aanvallen. Iemand kan daar zeer stout zijn, kan op den kansel zeer „getrouwquot; zijn, kan op zijn studeerkamer vol moed zijn en zich van geduchte wapenen voorzien, en nochtans kan hij tegenover de gemeenteleden in \'t bijzonder iets gevoelen van Jeremia\'s: „Ik kan niet spreken, want ik ben jong.quot; Daar zijn er, geloof ik, maar weinigen, die als het ware „zonder leeftijdquot; optreden en nooit last van hun jonkheid hebben.
12
PASTORALE ONDERONSJES.
Voorzeker \'bestaat er een onderscheid. Hoe jong we ook zijn als wij in onze eerste Gemeente komen, wij zullen ons nooit de gelijken in leeftijd rekenen met de boerenzoons en jonge arbeiders. Als predikant staan we op één lijn met de huisvaders, met deze gaan wij om. De zonen en dochteren, hoewel in leeftijd soms onze meerderen, zijn misschien op de katechisatie onze leerlingen. Maar tegenover mannen en vrouwen van ontwikkeling en ervaring, en bovenal tegenover Vaders in Christus en Moeders in Israel gevoelen wij ons jong.
Moet dat gevoel onderdrukt worden? Bescheidenheid is altijd een sieraad en vooral bij jeugdigen mist men haar noode. Wij zien het zelf niet gaarne, wanneer een lid b. v. eener Jongelingsvereeniging de wijsheid in pacht meent te hebben, en boutweg over alles en allen zijn oordeelen velt. Het is goed, steeds te bedenken : Ik ben jong. Paulus vermaande Timotheus reeds: „Bestraf een ouden man niet hardelijk.quot; Als wij onze jonkheid meenen te kunnen verbergen achter onze ambtelijke waardigheid, wij zullen nochtans voor ons gevoel iets hebben van David in Sauls wapenrusting en dat bemerkt degene, tegen wien wij uittogen, ook wel. \'t Is dan maar beter te komen zooals wij zijn. \'t Is geen schande jong te zijn en evenmin die jonkheid te belijden. Dat zal ons beter behoeden voor ongeschikt handelen dan wanneer wij ons allerlei airs geven.
Toen Jeremia zeide; Ik kan niet spreken, want ik ben jong! zeide hij dit in diepen ootmoed tot den Heer. En tot hem kwam het woord: „Zeg niet; ik ben jong, want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult gij
13
PASTORALE ONDERONSJES.
gaan en alles wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de Heer.quot; Zoo heet het ook tot ons, als dat gevoel onzer jonkheid ons tot het gebed drijft, als het doet volharden in \'t vragen om den bijstand des Heeren. Het zal dan geen beletsel blijven of worden voor een gezegenden arbeid in \'s Heeren wijnberg. Wij zullen dan behoed worden voor een uitgaan in eigen wijsheid en kracht, voor het aanbinden van den strijd op onze eigen gelegenheid en naar onzen eigen lust, maar wij zullen kracht ontvangen om te gaan, werwaarts de Heer ons zendt. Dan zal liefde tot de zielen ons dringen, en zij zal ons doen vermijden wat ongeschikt zou zijn, wat enkel kwetst zonder te verbeteren.
Er is echter een groot gevaar. Door de gedachte aan onze jonkheid laten wij ons gereedelijk verleiden tot zwijgen of uitstellen. Ach dat uitstellen! Alsof het morgen, alsof het bij een volgende ontmoeting gemakkelijker ware om tot spreken te komen! Alsof niet met iederen dag het opzien grooter werd! Als het na lang uitstellen eindelijk tot spreken komt, geschiedt het dikwijls zoo weinig gemotiveerd, zoo zenuwachtig, zoo met het gevoel: dico ct salvo animam, dat het meer kwaad dan goed doet. Dixi et salvavi animam! jawel! Wij hebben gesproken om onzes zelfs wil, om ef af te zijn, om onzen plicht niet langer te verzuimen, maar wij hebben niet gesproken om des anderen wil, niet om hem te behouden, niet uit liefde tot zijn ziel. Dat gevoelt hij ook wel, en \'t klinkt dan ietwat sar-kastisch, als hij ons dank zegt voor ons woord. „Het
14
PASTORALE ONDERONSJES.
was uw plicht dat te zeggen en daarom neem ik het niet kwalijk!quot; En als wij dan haastig weggingen, blij dat dit pak ons van \'t hart was, bleef er toch iets wat ons zeide: Daar ontbrak nog al wat aan de wijze waarop gij dat pak van u af hebt geworpen en het nu maar op dien andere hebt gewenteld. De Apostel zegt: Draagt elkanders lasten. Neen, zoo gemakkelijk zijt gij van dit pak nog niet ontslagen.
\'t Kan zijn, dat wij niet uitstelden, maar spraken toen er gesproken moest worden, dat wij \'t deden onder biddend opzien tot God en uit waarachtige belangstelling, en dat ons voor de voeten geworpen werd: „Gij zijt nog jong. U ontbreekt de noodige ervaring, de noodige kennis van menschen en toestanden. In de wereld ziet het er anders uit dan de geleerden denken.quot; Dat mag ons dan niet vervaard maken en den moed niet benemen, om een andermaal wederom te spreken. De Heer, die zelfs „uit den mond van kinder-kens en zuigelingen sterkte heeft gegrondvest om zijner tegenpartijen wil, om den vijand en den wraakgierige te doen ophouden,quot; kan ook het woord van zijn jeugdigen dienstknecht doen doordringen.
15
PASTORALE ONDERONSJES.
V.
Jesaia 40 : 6a. Eene stem zegt; Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen?
Welk predikant kent niet iets van de moeilijkheden, verbonden aan de keuze van een tekst of een onderwerp der preek? Gepreekt moet er worden. Roept! zoo heet het iedere week weer. Maar dikwijls is het antwoord: Wat zal ik roepen? — Mag ik uit eigen ervaring spreken, dan viel de keus van tekst en onderwerp mij in \'t eerste jaar mijner bediening niet zwaar. Daar lagen allerlei onderwerpen in \'t geheugen bewaard, die op een behandeling wachtten; daar waren teksten, reeds dikwijls er op aangezien, die con amore werden bewerkt; in de Gemeente waren allerlei nieuwe ontmoetingen en toestanden die de keuze van het onderwerp bepaalden. Daar was de blijdschap, het woord Gods te mogen brengen tot mijn Gemeente, daar lag een eigenaardig genot in het uitwerken der preek. Dat alles liet de vraag: Wat zal ik roepen? nog tot geen angstige vraag worden. Een jong predikant spreekt gewoonlijk gaarne over zijn preeken. Als hij goede kennissen ontmoet, jonge predikanten of candidaten, het duurt niet lang, of hij verhaalt van zijn teksten, thema\'s en verdeelingen, van de toestanden, die aanleiding gaven tot zijn tekstkeus of zijn wijze van behandeling, van de wenken, die hij in zijn preek heeft gevlochten. Daar is iets in hem, wat de Duitschers Schaffenslust noemen. Bijna elke van zijn preeken is in zijn oog een soort van meesterstukje. Moet hij elders optreden, de keus
i6
PASTORALE ONDERONSJES.
is moeilijk; liefst zou hij er eenige tegelijk houden, als \'t maar ging. Noem dat geen hoogmoed, geen zelfverheffing. Het is de vreugde in den arbeid, het ontplooien van de jonge bladeren, die van de omknellende doppen bevrijd als bij den dag toenemen in grootte en aantal. Mij dunkt zoo\'n boom moet zelf schik hebben over het ontluikende groen. Maar \'t wordt wel anders. In \'t tweede jaar is de voorraad van opgelegde teksten en nieuwe gedachten uitgeput. Wat in de Gemeente nieuw was en reeds van den kansel besproken werd is ongeveer hetzelfde gebleven en biedt geen nieuwe oogpunten meer aan. In \'t eerste jaar zijn de lijdens- en feeststoffen behandeld, en al wat bij \'t lezen dier heerlijke onderwerpen opkwam in \'t hart, is in die preeken neergelegd. Men is, het wordt met schrik opgemerkt, niet karig geweest met de stof. Men heeft veel en velerlei in iedere preek aangeraakt en uitgesproken, wat men toch niet aanstonds wederom kan zeggen. „Wat zal ik roepen?quot; dat wordt de vraag, die met telkens meerder nadruk zich tegen de laatste helft der week aanmeldt en waarop een antwoord moet worden gegeven, want gepreekt moet er worden. Zegt iemand: Maar is het evangelie niet altijd rijk en nieuw? het antwoord luidt; Zeer zeker, maar wat ik er van zeggen kan, is niet rijk en is niet nieuw. Is de Bijbel niet een schatkamer met de prachtigste parelen? het antwoord is wederom: Zonder twijfel, maar ik zie geen kans, om die parelen telkens in een nieuwen, aantrekkelijken vorm te vatten, en er het rechte licht op te laten vallen. Men is uitgepreekt, en toch moet er gepreekt worden. Die toestand is natuurlijk. Ook in de lente komt er
ONDERONSJES. 2
17
PASTORALE ONDERONSJES.
een schijnbare stilstand in de ontwikkeling. Het lieflijke malsche groen wordt donkerder, het loof wordt harder, de bloesems vallen af, maar de vrucht begint zich te zetten. Evenwel er dreigt ook een gevaar. Daar zijn bloesems, die afvallen, waar ook de vruchtkiem verdort en mede afvalt. Zoo kan \'t ook gaan met den jongen prediker.
Er bestaat gevaar, dat hij naar oude preeken grijpt, en desnoods een anderen tekst er vóór zet, en aldus de Gemeente bedriegt. En heeft hij dat ééns gedaan, en heeft niemand het bemerkt of blijk gegeven het te bemerken, dan komt de luiheid over den prediker als een gewapend man, en het wordt nog eenmaal en nog eenmaal gedaan, en hij wordt een der zoodanigen, die zijn Gemeente met een stapeltje, dat al om- en omgekeerd wordt, doodpreekt, of een trekvogel, die telkens na twee jaren een anderen kansel zoekt, om er zijn eerstelingen ten toon te spreiden. Anderen stranden op de klip, van dan maar de preek van een ander te nemen, en die eenigszins omgewerkt of in haar geheel der Gemeente voor te dragen. Als dan de Gemeente die preek met stichting of genoegen heeft gehoord, en den prediker geen; houd den dief! ter oore komt, wordt de studeerkamerarbeid zoo licht tot copieer- of tot compilatiewerk. De prediker put zelf niet meer uit de diepten des Goddelijken Woords, maar voert allerlei afgeleide wateren naar zijnen hof. Zulk een predikant moet, dunkt me, alle selfrespect verliezen en niet op zijn gemak zijn, wanneer hij collega\'s of preeken lezende personen onder zijn gehoor heeft. Want het komt vroeg of laat uit, van waar hij zijn
i8
PASTORALE OXDEROXSJIiS.
preeken heeft, en dan — wee den wolf in kwaad gerucht!
Hoe moeilijk \'t ook zij, een nieuwe preek moet er worden gemaakt, waarin dan de oude dingen desnoods nog eenmaal worden gezegd. Er zal toch onwillekeurig .zich nog wel iets aan ons voordoen, dat nog niet was ;gezegd, of althans nog zóó niet was gezegd; onder de bewerking der stof zullen zich reeds nieuwe gezichtspunten voor ons openen. Wij leeren zuinig te worden met onze stof, wij gaan letten op bijzonderheden, die voorheen over \'t hoofd werden gezien. Denkbeelden, vroeger met kwistige hand aaneengeregen en rondgestrooid, worden meer uitgewerkt. De preek begint te winnen in eenheid wat zij aan gevuldheid — ik zeg niet: volheid — verliest. Maar er moet worden gewerkt, er moet worden onderzocht, er moet worden gebeden.
Het exegetisch lezen van eenige boeken des Bijbels levert allicht geschikte teksten en onderwerpen, en is ■er geen enkel onderwerp of tekst, die zich van zelf ■opdeed, wij kunnen ons door het lot eenige hoofdstukken laten aanwijzen ter óverlezing en dikwijls vinden wij daar een zeer geschikten tekst of worden op het spoor er van gebracht. Vooral voor gelegenheids-preeken is die wijze van doen aan te bevelen, wij worden dan licht tot teksten geleid, die ons zeiven -door hun frischheid verrassen, en ons de gelegenheid met een geheel ander oog doen aanzien, \'t Kan somtijds ook zijn nut hebben ons zeiven tot taak op te leggen ■over de pericoop van dien Zondag, hetzij Evangelie, hetzij Epistel te preeken. Dat kan misschien eigenaardige moeilijkheden inhebben, maar zonder moeite wordt niets verkregen, zelfs geen goede preek.
19
PASTORALE ONDERONSJES.
Als wij dien tijd eens doorgeworsteld zijn, zullen wij den Heer danken, niet enkel voor het dóórgewor-steld-zijn, maar ook voor de worsteling zelve. Hot heeft ons goed gedaan, het heeft ons verder gebracht..
VI.
I Corinthe 14 : 19. Ik wil liever in de gemeente-vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een (vreemde) taal.
Dat i4de hoofdstuk van Paulus\' eersten brief aan die van Corinthe verdient al onze belangstelling. Wij geven zoo licht iets voor profetie uit, wat op zijn best glos-solalie is. Bij de profetie werkt het verstand, bij de glossolalie is het vruchteloos. De profetie is opgewekt, de glossolalie opgewonden. De profeet bouwt de gemeente op, de glossais laloon sticht zich zelve, \'t Is verleidelijk voor wie eenig flux de bouche heeft, zonder veel voorbereiding den kansel op te gaan en alles van de inspiratie van \'t oogenblik te verwachten. Wien is het niet wel eens overkomen, dat hij onverwachts geroepen werd op te treden, of dat hij zich door allerlei onvoorziene-omstandigheden onmogelijk op een beurt had kunnen voorbereiden. Toen was het hart vol vrees. Toen werd er een gebed uit het diepst des harten gedaan aan den voet van den kansel. Met vreeze en beven werd er begonnen. Allengs werd de voordracht levendiger. De gedachten en woorden vloeiden toe en aan \'t einde
20
PASTORALE ONDERONSJES.
21
was \'t misschien de algemeene indruk bij de Gemeente, dat er beter was gepreekt dan anders. God werd gedankt voor Zijnen bijstand. Maar de gedachte sloop in: nu kunt gij wel meer improviseeren. Vrienden in de Gemeente raadden \'t ook aan; zij hadden er zooveel aan gehad. Een verkeerde opvatting van de belofte des Heeren aan zijn discipelen, die niet vreezen moesten, wanneer zij tot verantwoording van hun geloof geroepen werden, deed het hare. De improviseerende weg werd al meer en meer ingeslagen. De voorbereiding werd al korter en korter. Was daar naar aanleiding van een tekst één invallende gedachte, die zou voldoende zijn voor een geheele preek. Die gedachte werd vooropgezet, nog eens opgehaald, uitgeplozen, herhaald, maar andere gedachten kwamen er niet bij. De tijd werd aangevuld met loei communes, met afdwalingen naar andere onderwerpen, met invallende teksten, met herinneringen uit vroegere preeken. De toepassing werd breed opgezet, lang uitgesponnen, met groot geroep en beweging der handen der Gemeente toegebulderd. Het slot was niet te vinden. Telkens grepen de aandachtige hoorders naar hoed of pet, maar nog was het einde er niet. Eindelijk kwam het toch, omdat er een einde aan komen moest. De prediker had zich uitgesloofd. De Gemeente was overstelpt. Het moest wel mooi zijn geweest. Licht dat deze of gene uit dien bajert van woorden een goed woord meenam. Op den duur wordt echter het gehoor afgemat. De Gemeente bemerkt het ook wel, dat er telkens weêr ■dezelfde preek wordt geïmproviseerd. Dit wordt het toch op den duur. Of, zijn wij rijker aan gedachten,
PASTORALE ONDERONSJES.
dan wordt de preek een jacht maken op diepzinnigheden. Wat op het studeervertrek had moeten verricht worden, wordt op den preekstoel gedaan. Voor de-ooren der hoorders wordt er naar parelen gedoken, en worden uit de diepte schelpen naar boven gebracht,, waarin somtijds wel eens kostelijke parelen verborgen zijn, maar niet altijd, meestal zelfs niet is er de noodige-kalmte om de schelp te openen en de parel behoorlijk te laten zien. De schelp, geopend of niet, verbrijzeld soms ten koste der parel, wordt neergeworpen, en het duiken begint van nieuws. Ook heel wat zeewier wordt mee naar boven gebracht. De Gemeente kan haar prediker in die diepten niet volgen, het is haar vaak,, alsof hij in een vreemde taal tot haar spreekt. Onze dominé is zeer geleerd, zeer vlug, zeer diepzinnig, maar wij hebben er niet aan, zucht de eenvoudige hoorder. Een enkele hoorder moge zich verheugen over stof tot nadenken, die hem is geboden, het grootste deel der hoorders is niet in staat zelf de schelpen te openen.
Of er geen geschreven preeken zijn, die in \'t zelfde euvel vervallen van onverstaanbaar te zijn, van over de hoofden heen te gaan? Helaas ja. Daar zijn geleerde preeken, waarin gepolemiseerd wordt tegen allerlei ketterijen, waaraan de Gemeente niet denkt, waarin gefilosofeerd wordt over allerlei vraagstukken, die in de collegekamer behandeld worden, en waarin zelfs de geleerde termen: subjectief en objectief, immanent ers transcendent, pantheïstisch en deïstisch, axioma en hypothese niet ontbreken. Dat staat voor \'t grootste deel der Gemeente gelijk met het spreken in een vreemde taal. \'t Valt soms moeilijk de schoolsche termen\' te
22
PASTORALE ONDERONSJES.
vermijden, \'t is soms nuttig en noodig tegen allerlei dwalingen te waarschuwen, maar \'t moet geschieden in een taal, die bevattelijk is voor onze hoorders. Dat vereischt studie, dat vereischt tijd. De preeken moeten overdacht en doordacht zijn, alvorens haar op te stellen of vast te stellen, en wel met het oog op onze hoorders. Anders worden zij op den duur \'ongenietbaar. Wee den prediker, die enkel zijn ontwikkelde hoorders op \'t oog heeft. Wat zullen dan de kinderkens en eenvoudigen doen, die er toch ook zitten en \'t recht hebben van den prediker hoog in de lucht ook een woordje te verwachten. Evenmin mag de preek zoozeer enkel de onontwikkelden op het oog hebben, dat niets dan het meest gelijkvloersche wordt besproken of de vorm wordt verwaarloosd en men in platheden vervalt, die niet enkel de fijnbeschaafden doen meesmuilen. Ook op onze beelden hebben wij te letten. Een beeld moet niet enkel strekken ter opluistering, maar bepaald tot opheldering van onze woorden. Daarom moet het beeld verstaanbaar zijn, en opdat het verstaanbaar zij, moet ons het voorwerp, dat wij als beeld gebruiken, volkomen helder voor den geest staan.
Ik heb eens een bijbellezer het beeld van een werktuig hooren gebruiken. Hij vertelde er veel moois van. Veeren, drijfkracht en wat niet al kwam er bij te pas. Maar ik begreep niet welk werktuig hij bedoelde. Ik vraagde hem later, welk werktuig hem voor den geest had gestaan. „Geen bepaald werktuig!quot; luidde \'t antwoord. Nu, dat had ik al gedacht, en evenzeer, dat die heer \'t niet ver in de werktuigkunde gebracht
23
PASTORALE ONDERONSJES.
had. Zijn beeld had trouwens ook niets opgehelderd, maar slechts werktuigkundige raadsels opgegeven. De Heer Jezus ontleende zijn gelijkenissen aan zijn omgeving. Volgen wij zijn voetspoor bij onze beelden. Als een eenvoudige boerenknecht of dienstmaagd zegt: Ik begrijp dien dominé zoo goed en daarom hoor ik hem gaarne, dan is dat in mijn oog hooger lofspraak, dan wanneer hij om zijn diepe gedachten geprezen wordt, maar er bij wordt gevoegd: Maar \'t gaat mij meestal te diep. Zoogenaamde diepe gedachten zijn veeltijds nog onklare gedachten, on-klaar in beide betee-kenissen: niet gereed en niet helder. Daarvan moet de Gemeente verschoond blijven.
Aan vijf woorden met ons verstand heeft de Gemeente meer, dan aan tien duizend, die als een bergstroom langs haar heen ruischen en daveren.
VIL
Spreuken 27 : 23. Zijt naarstig om het aangezicht uwer schapen te kennen.
Er bestaat geen boek over pastoraal-theologie, dat niet het groote nut betoogt van gezet gemeentebe-zoek. Nademaal ik geen pastoraal-theologie schrijf verwijs ik den belangstellenden lezer, die een betoog over het nut er van begeert, naar die boeken. Wat ik hier zeggen wil, is, dat het een genot is voor den predikant, als hij zijn hoorders kent, als hij niet slechts sommigen, maar allen van tijd tot tijd bezoekt en met
24
PASTORALE ONDERONSJES.
quot; hen over hunne belangen spreekt. Over hun belangen in den ruimsten zin. Er wordt wel eens uit de hoogte nedergezien op gesprekken over koetjes en kalfjes. Nochtans hebben ook deze voor den predikant dikwijls een groot nut. Men kan door zulk een gesprek vaak beter op de hoogte komen van de behoeften eener gemeente dan door een opzettelijk geestelijk gesprek. Zulk een geestelijk gesprek beweegt zich allicht bij dezen op leerstellig, bij genen op ietwat mystiek gebied, dat niet zelden geheel buiten het dagelijksche en het zedelijke leven omloopt. De blik daarentegen, dien iemand heeft op het dagelijksche leven met zijn zorgen en uitreddingen, met zijn lijden en verblijden, de wijze waarop iemand zich beweegt in zijn handel en bedrijf, te midden van buren en betrekkingen kenmerkt het inwendig bestaan van een mensch meestal even goed, zoo niet beter dan zijn dogmatische inzichten, die dikwijls enkel op overlevering berusten, en zijn bevindingen, van welke het niet zoo gemakkelijk is te onderscheiden, in hoeverre zij inderdaad ondervonden of slechts overgenomen zijn. Ook bij \'t gesprek over de dingen des dagelijkschen levens zal ons, indien wij ons door den geest onzes Heilands laten leiden, de gelegenheid niet ontgaan om een woordje te plaatsen, dat naar hooger heenwijst, al bezigen wij er geen ambtsgelaat of gedempte preekstem bij. De deelneming in de uitwendige omstandigheden opent dikwijls de deur des harten voor het woord van vermaning of vertroosting, dat wij hebben te brengen.
Een gevaar, dat wij moeten vermijden, en dat dikwijls weinig vermeden wordt, is, dat wij bij enkele
25
PASTORALE ONDERONSJES.
gemeenteleden gedurig komen, terwijl wij bij andere slechts zeer enkele malen ons laten zien. Al hebben wij ons geen verwaarloozing dier anderen te verwijten, zij beschouwen \'t toch als zoodanig. Zij gaan naar redenen zoeken, waarom zij bij die anderen moeten achterstaan en gewoonlijk worden dan juist niet de onschuldigste motieven gezocht; tot allerlei vaak lasterlijke praatjes wordt op die wijze aanleiding gegeven. En zelfs al geschiedt dit niet, de in \'t oog loopende voorkeur, die wij aan het eene huisgezin boven \'t andere geven, laat lichtelijk een angel der bitterheid na, welke niet bevorderlijk is voor onzen gezegenden arbeid in de Gemeente. Dikwijls gebeurt het ook, dat, als men in zijn vriendschap te hard van stapel is geloopen, later een verwijdering komt. Bij nadere kennismaking viel men elkander niet mee; men wilde ons wel onthalen, maar nam ons woord niet met zachtmoedigheid aan, als er iets te berispen was. Dan juichen de anderen, maar de eersten gevoelen zich zeer gekrenkt. Maar ook zonder dat blijft de spreuk des Wijzen behartigings-waard; „Spaar uwen voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde en u hate.quot; Hoe gaarne men ons ook ergens ziet, wij moeten zorgen, dat het zoo blijve.
Ik ben er altijd dankbaar voor geweest, dat ik met een zeer kleine gemeente heb mogen beginnen, waar ik weldra allen kende en allen gedurig kon opzoeken. Dat hielp mij zeer, toen ik in een groote gemeente kwam, om mij spoedig te orienteeren en met een enkelen blik den toestand van menig gezin te kunnen beoor-deelen. Nochtans, waarom \'t verzwegen? de kennis der
20
PASTORALE ONDERONSJES.
armere schapen was grooter dan van die welke tot den deftigen stand behoorden. De laatsten schijnen ons dikwijls zoo moeilijk te genaken; men vreest bij hen met de deur in \'t huis te vallen, men vermoedt bij dezen, en helaas dikwijls niet ten onrechte, minder sympathie op godsdienstig gebied. Daarom vermijden wij hen zoo licht, terwijl eenige meerdere hartelijkheid van onze zijde en een bescheiden, maar tevens ernstig vooropstellen onzer roeping, om ook met hen over de behoeften hunner ziel te spreken, niet ongezegend zou zijn. Vooral in onze groote stadsgemeenten dekt menigeen zijn onkerkelijkheid met de bewering, dat er nog nooit een predikant als zoodanig zijn drempel heeft overschreden. Gaan er dan ook al in een groote stadswijk jaren over voorbij, voordat wij haar rond zijn, en vinden wij na den vorigen omgang vele huisgezinnen verhuisd en nieuwe in hun plaats, het bindt nochtans predikant en wijkelingen aan elkander, wanneer zij weten: wij worden bezocht. Onbekend maakt onbemind. De ons onbekende gemeente of wijk wordt ook door ons niet bemind, en dit moet toch in het hart van den herder wezen; liefde tot het hem toebetrouwde deel der kudde.
Lichtelijk laten wij ons door allerlei overwegingen verhinderen in het geregeld bezoeken onzer Gemeente, vooral wanneer die zeer uitgebreid of talrijk is. Het is daarom goed, dat wij ons zeiven een band aanleggen, die ons, ook al is het weder min gunstig, of het boek, dat ons bezighoudt zeer belangrijk, noopt onzen plicht na te komen. Zulk een band is de vaste afspraak met een ouderling om één bepaalden dag der week
27
PASTORALE ONDERONSJES.
aan het geregeld huisbezoek te wijden. De vrees, dat de tegenwoordigheid van den ouderling de gemeenteleden belemmert in vertrouwelijkheid, is in groote gemeenten, waar men elkander niet of weinig kent, bijna geheel hersenschimmig. In kleinere gemeenten is er veel te zeggen voor het alleen gaan. \'t Kan daar echter ook geen kwaad, als wij eenmaal \'s jaars een vertegenwoordiger des kerkeraads bij ons hebben; wij komen daar buitendien nog wel eenige malen in \'t jaar alleen.
Een gemeente, die trouw bezocht wordt, komt ook trouw ter kerk. Hoe grooter gemeente, hoe minder trouw kerkbezoek. Dat is de algemeene regel. Zou eene der voornaamste oorzaken van dit verschijnsel niet daarin gelegen zijn, dat de kleine gemeenten over \'t geheel beter bezocht worden? Nu weet ik wel, kerkelijk leven is nog geen geestelijk leven; volle kerken zijn nog geen blijk van hartelijke belangstelling in \'t Evangelie, maar leege kerken voorzeker ook niet. En prediken wij der Gemeente het rijke Evangelie, er ligt een zegen in voor hen die \'thooren.
VIII.
Joh. 4 : 38. Ik heb u uitgezonden, om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hunnen oogst ingegaan.
Hoogmoed en mismoedigheid zijn de twee polen tus-schen welke het leven van den Evangeliedienaar vooral in \'t begin zijner loopbaan vaak geslingerd wordt,
28
PASTORALE ONDERONSJES.
indien hij althans niet geleerd heeft steeds met ootmoed bekleed te zijn. Hoogmoed, als de kerken goed bezet zijn, als uit naburige gemeenten deze en gene komt, en een vrij geregeld toehoorder wordt; als bij het huisbezoek de leden der Gemeente hun ingenomenheid met prediking en arbeid ondubbelzinnig betuigen, als het gelukt, sommigen, die vroeger de bijeenkomsten der Gemeente verzuimden, er voor te winnen; als bij het optreden in ringbeurten de toehoorders getrouw opkomen, en het gerucht tot den prediker doordringt, dat men hem gaarne hoort; als op het einde van de twee jaren dienst reeds hoorders komen en enkele beroepen op hem worden uitgebracht. Mismoedigheid, wanneer allengs deze of gene hoorder wegblijft, en misschien elders, in een andere kerk of lokaal voedsel zoekt; als wij niet vorderen, en bij \'t huisbezoek bij dezelfde personen altijd weêr dezelfde bezwaren ontmoeten; als dezelfde zonden telkens zich weêr voordoen, en wij met al ons ijveren en bestraffen er niet in slagen, het zedelijk peil der Gemeente te verhoogen. Die mismoedigheid is dikwijls enkel gekrenkte hoogmoed. Wij doen ons werk toch zoo goed, het verdiende meerder vrucht!
Waar sluipt de hoogmoed niet al in? Een zoekende ziel wordt onder onze prediking tot de blijdschap gebracht van \'t vinden of het gevonden zijn, en gewaagt met tranen van vreugde tegenover den leeraar van den zegen onder zijn prediking genoten. Hoe licht wordt dan het duiveltje van den hoogmoed vaardig over ons, en fluistert ons iets in over de voortreffelijkheid van onzen arbeid. Toch was daar reeds iets, dat
29
PASTORALE ONDERONSJES.
3°
ons had kunnen \'waarschuwen. Wat in de prediking den hoorder zoozeer getroffen had, was dikwijls niet hetgene wij hadden gezegd, maar wat hij naar aanleiding van ons spreken had gedacht, wat er toen bij hem omging, en wat hij vermengde met onze woorden. Het was de Geest des Heeren, die daar door en onder het woord zich krachtig betoond heeft. Maar daar glijden wij gemakkelijk over heen. Onze eigenliefde wil toch het hare hebben. Nu is het niet zeldzaam, dat na eenigen tijd het voedsel, dat wij dien hoorder brachten, hem niet meer bevredigt, dat hij bij anderen meer vindt, wat hij behoeft. Welk een verbittering kan dan niet haar intrek nemen in ons hart! Wat is die man ondankbaar! Hoe vergeet hij, dat hem onder onze prediking het licht opging! Hadden wij maar juist opgelet op hetgeen dien man tot licht bracht, wij zouden minder hoogmoedig en nu ook minder verbitterd tegen hem zijn. Wij zouden toen ook reeds hebben opgemerkt, dat het zaad sedert lang was gestrooid, maar nog in de aarde sluimerde, totdat het zich op zijn tijd, die de tijd des Heeren is, boven den grond vertoonde. Niet de zonnestraal noch de lenteregen kan zeggen: Mij komt de eer toe van de vruchtbaarheid van dezen akker. Ware de akker te voren niet bewerkt, en het zaad er niet gestrooid, geen tarwehalmpje zou zich vertoonen. Zonnestraal en lenteregen werkten slechts mede om het jonge plantje te doen ontluiken. De plant, die nu gaat groeien, heeft om rijp te worden, iets anders noodig dan wat de lente haar kan bieden : meer warmte, hitte zelfs, is voor haar onmisbaar. Het kindeke vaart eerst wel bij melk, soms
PASTORALE ONDERONSJES.
zelfs bij zeer aangelengde melk, maar als \'t opgroeit begint het al meer behoefte te krijgen aan vaste spijs. Wanneer wij, vooral in onze jonge dagen, nog niet veel anders dan melk kunnen aanbieden, laat ons toch niet toornen, wanneer onze gave niet ten volle meer voldoet. Misschien vinden wij, dat het brood, wat zij nu zoeken, zóó hard gebakken is, dat de korst bijna ondoordringbaar is. Meenen wij dan niet, dat het hun om die korst te doen is, \'t gaat om \'t brood. Wij trachten dan ook wel eens korst te leveren, en door een hoogeren graad van orthodoxie, door wat meer geijkte termen de hoorders te binden. Het gelukt toch niet, zij bemerken wel, dat die harde korst niet behoort bij het overige wat wij bieden, dat wij boven onze ondervinding preeken. Wat ons dan noodig is? Zelf op te wassen in de kennis van Christus. „Ik kan mij zelf geen wasdom geven,quot; maar de Heer wil den wasdom schenken, aan wie het hart ootmoedig voor den invloed van Zijn Persoon en Woord openzet. Hoe meer wij ernstig acht geven op ons zelve, om al wat den wasdom verhindert, te bestrijden, te meer zullen wij ingeleid worden in de kennis van onze eigen nooden en behoeften, maar te beter ook verstaan, wat wij in Christus bezitten. Zoo zal de tijd wel weer aanbreken, dat zij, die vaste spijzen behoeven, die ook in onze prediking vinden. Maar vooral geen kunstmiddelen, geen surrogaten! Steentjes in de melk maken er nog geen vaste spijs van.
\'t Kan ook wezen, dat wij op rotsen schijnen te ploegen. Er zijn geen teekenen van nieuw leven te bespeuren. Onze prediking wordt aangehoord, met
31
PASTORALE ONDERONSJES.
32
belangstelling zelfs, maar daar blijft het ook bij. Maanden, jaren arbeidden wij, we kwamen niet verder, \'t Is om mistroostig te worden. Waar ligt het aan? Hieraan, dat wij te zeer ingenomen zijn met onzen kanselarbeid, dat wij van de voortreffelijkheid onzer stukken en van onze aangrijpende voordracht heil verwachten, \'t Is dan de goedertierenheid Gods, dat Hij ons onze afhankelijkheid van Hem recht doet gevoelen. Of ligt het aan onze traagheid, aan ons laisser-aller ? Ook dan is het genade, als ons die tot last, tot zonde wordt. Immers, de Gemeente lijdt er onder. Is er liefde tot de Gemeente, dan leidt die onvruchtbaarheid tot zelfbeproeving en zelfverootmoediging. Maar dan zal het werk ook telkens weer met vernieuwd gebed worden opgevat. Het zaad wordt gestrooid in den naam des Heeren en tot Zijn eer. En wordt er dan nog geen leven zichtbaar, wij mogen gelooven, dat de Heer het goede zaad niet onvruchtbaar zal laten. Maar het moet zijn tijd hebben. Anderen hebben gestrooid en wij zijn tot hunnen oogst ingegaan. Zoo strooien wij op onze beurt en anderen zullen tot onzen oogst ingaan •— of eigenlijk: hoe meer wij arbeiden te meer worden wij er van overtuigd, dat het niet onze oogst is, maar die des Heeren. Dat geloof zal er ons voor behoeden van te doen gelijk de kinderen. Als zij in hun tuintje iets gezaaid hebben en \'t niet schielijk genoeg uitkomt, wroeten zij in den grond, om te zien of \'t zaad nog niet ontkiemde, en daardoor kwetsen zij de teere kiempjes of stooten ze af, en er komt niets van terecht. De prediker moet even als de landman lankmoedig zijn over het gestrooide zaad.
PASTORALE ONDERONSJES.
IX.
Psalm 141 : 3. Heer! zet eene wacht voor mijnen mond, behoed de deuren mijner lippen.
Aan de Hoogeschool oefenden wij ons in \'t verdedigen en aanvallen van stelling-en. Verre zij het van mij, het nut daarvan te willen betwisten. Het was een gymnastiek voor \'t verstand. Het was een oefening om t\' huis te raken in de kundigheden, die wij hadden verworven, een oefening om uit dien schat telkens de doeltreffende argumenten te voorschijn te brengen. Evenals iedere gymnastiek heeft ook deze hare gevaren. Het is er meestal om te doen, den tegenstander, hoe dan ook, uit den zadel te lichten ; men deinst dan ook voor geen paradoxen, geen stoute consequenties, geen sofismen zelfs terug, als men maar kans ziet zijn tegenstander ad terminos 7ion loqui te brengen. Om de waarheid is \'t bij deze theses veelal niet te doen. Wien deert het in den grond der zaak, of Jefta\'s dochter al of niet is gedood, of Schir Hammaalóth een lied der Optochten of iets anders beteekent. Hetzelfde geldt van zoovele andere theses als er al zijn verdedigd, worden verdedigd en zullen verdedigd worden zoolang er thc-ologiac studiosi\'aiux universiteiten, vrije of onvrijebestaan. Is \'t echter om waarheid te doen, komen de beide strijders inderdaad voor hunne overtuiging op, dan zal het einde gewoonlijk zijn, niet dat de verliezende overtuigd is, maar dat hij bij gebrek aan hem ter hand zijnde wapenen den strijd opgeeft. Hij erkent, niet, dat hij zelf ongelijk had, maar dat de tegenpartij beter debater was.
ONDERONSJES. 3
33
PASTORALE ONDERONSJES.
34
In de Gemeente vinden wij ook wel eens gelegenheid tot debat. Wij stuiten op tegenspraak of hooren een stelling, die tot tegenspraak uitlokt. Dan kan soms na jaren over het oude animal dis put ax van den akademie-tijd de oude animus disputandi nog eens vaardig worden. Maar evenmin als een op de muziek steigerend en huppelend paard voor den ploeg, evenmin is in de Gemeente een predikant gewenscht, die aan disputeerzucht toegeeft. Is er tegenspraak, wij mogen \'t antwoord niet schuldig blijven, maar de bede des harten zij daarbij het woord van den Psalmdichter, dat hierboven staat. Wij kunnen te doen hebben met een betweter, wien \'t alleen te doen is, om zijn wijsheid te luchten en die, o, zoo gaarne met ons zou disputeeren. \'t Komt er dan op aan, voet bij stuk te houden, en hem niet alles en nog wat, te berde te laten brengen, maar ons tot de hoofdzaak in kwestie te bepalen. Het kan soms zijn nut hebben, zulk een tegenspreker, wien vaak de eenvoudigste bijbelkennis ontbreekt, en die uit de hoogte over den Bijbel oordeelt, met één slag te doen gevoelen, dat hij over dingen spreekt, van welke hij niet het geringste besef heeft. Tegenover een tegenspreker met geleerdheid te pronken, en hem een hebreeuwsch of grieksch Testament voor te leggen, acht ik niet betamelijk. Daar is menigeen, die geen talen geleerd heeft, en wiens schriftkennis die van menigen gestudeerde overtreft. Daar kan ook tegenspraak zijn, die niet aan betweterij is toe te schrijven. Daar kan in onze eigene opvatting en voorstelling der christelijke Waarheid nog veel zijn, wat ook ernstig denkende gemeenteleden tot tegenspraak uitlokt. Met de opleg-
PASTORALE ONDERONSJES.
ging der handen is ons niet de gave der onfeilbaarheid, zelfs niet wanneer wij op den kansel staan of -ons tegenover gemeenteleden bevinden, toebedeeld. Wij denken dat wel eens, of schijnen dat althans te denken. Of zoo wij dit al niet meenen, wij doen zoo licht, alsof wij in een dispuutgezelschap zitten, \'t Komt •er daar maar op aan, niet te concedeeren en aan \'t laatste woord te blijven. Dat is in de Gemeente anders. Daar is het doel, hen met wie wij spreken, te winnen voor den Heer, of hen van dwaling te overtuigen, •en hen vatbaar te maken voor meerder licht. Dit zal ons bescheiden doen zijn, dit zal ons alle groote woorden doen vermijden, dit zal ons, wanneer wij zelf niet zeker van onze zaak zijn, doen zeggen, dat wij het punt in kwestie nog aan een nader onderzoek .zullen onderwerpen, dat zal ons zelfs voor de valsche schaamte behoeden, die ons belet eerlijk dwaling te bekennen. Magna est Veritas etpraevalchit — maar wij moeten ons zeiven ook aan die kracht der Waarheid onderwerpen, en niet doen, alsof dat heerlijke woord alleen gold, van wat wij meenen waarheid te zijn.
Zulk een dispuut lokt ons licht uit tot gewaagde .stellingen, tot vervaarlijke paradoxen. Onder vrienden moge dat zooveel kwaad niet kunnen, maar tegenover eenvoudige zielen wèl, om van kwaadwilligen niet eenmaal te spreken. Tegen de schade die wij door gewaagde stellingen kunnen aanrichten, weegt de winst niet op van als debater geblonken te hebben. Een woord, dat wij in \'t debat zoo ernstig niet meenen, wordt door de toehoorders licht als onze werkelijke overtuiging opgevat, vooral door degenen, die den loop van de gedachten-
35
PASTORALE OXDEROXSJES.
wisseling moeilijk kunnen volgen en zich slechts hier en daar aan een woord vastklemmen.
Een wacht voor de lippen moge er wel staan, niet enkel in \'t dispuut, maar gedurig. Hoe licht kleven ons. enkele superlativi of energische uitdrukkingen uit den studententijd aan. Zijn ze in schoolsche termen gekleed,, dan hinderen ze niet. Ik denk nog aan onzen hartelijken lach, toen wij een jeugdigen doctor van iets hoorden verzekeren, dat het „intensief gelogenquot; was. Maar daar zijn woorden, die in de Gemeente een veel erger betee-kenis hebben, dan aan de Akademie. Kleeden wij ons. ongunstig oordeel over iemand in zulk een Kraftaus-druck, wij geven rechtmatigen aanstoot. Ook zonder deftig en plechtig te worden behoeven wij niet slordig te praten.
Als het woord van den Psalmdichter inderdaad onze bede is, wij zullen dan leeren in onze woorden niet te struikelen.
X.
II. Timotheus 4 ; 13. Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Carpus gelaten heb en de boeken, inzonderheid de perkamenten.
Wie onder de oudere broederen denkt niet nog wel eens aan zijn Klein-mathesis examen? Het woord waarmee Professor Buijs Ballot het tentamen inleidde: „Die akelige mathesis!quot; was den meesten onzer uit het hart gesproken. Als \'t examen goed en wel ach-
PASTORALE ONDERONSJES.
37
ter den rug was, hadden wij meestal voor goed met dat vak van wetenschap afgerekend. Zorgvuldig werden de boeken, die er over handelden bijeengegaard •en verkocht. Weinigen, die ze bewaarden om er later — ó gruwel! — nog een blik in te slaan. Niet veel beter ging \'t velen na het propaedeutisch —• ik bedoel nu niet het nieuwe zoogenaamde, maar het echte ouderwetsche propaedeutisch met zijn examen in Latijn, Grieksch, Hebreeuwsche Taal en Antiquiteiten en Nederlandsche Letterkunde, en zijn testimonia na of zonder tentamen in Logica en Algemeene Geschiedenis, oude en nieuwe. Hoe weinigen, die later nog eens de Classieken ter hand namen. Vooruit ging \'t. Men was nu in zijn studievak aangeland. Daar moest heel wat worden bestudeerd. De Theologische Encyclopaedie bevatte zóóveel, dat het onbegrijpelijk was, hoe men datin drie jaren ook maar bij benadering kon overzien. Ik heb Hagenbach in de vacantie na \'t Propaedeutisch doorgekropen, en wist nu wel zooveel, dat ik \'t abc der Theologische studiën nog te leeren had. Wat een vakken! Daar waren er toen reeds enkele, en er zijn sedert nog onderscheidene bij gekomen, waarvan men het verband met het Predikambt zoo juist niet kan inzien, al staan zij ook hier of daar in een Encyclopaedie. Maar zij stonden op de Series en wij sloegen er ■ons doorheen. Eindelijk was het laatste examen gedaan. Hoe ging het toen met de boeken? Van een enkele vertelde men elkander, dat hij al zijn boeken verkocht had, om enkel met een Bijbel, een kerkboek en een Trommius naar zijn Gemeente te gaan. Daaraan zou hij genoeg hebben. Tot zulk een uiterste kon maar
PASTORALE ONDERONSJES.
een enkele, indien ook zelfs een enkele, vervallen.. Maar dat met behoud van al hun boeken velen er bijna geen oog meer in sloegen, is toch wel waar en een bedroevend feit. Wat dit van iemand bewijst ? Dat hij enkel gestudeerd heeft om klaar te komen,, maar dat hij bitter weinig belangstelling had in hetgeen er gestudeerd en bestudeerd werd.
Hij leest toch in zijn Bijbel; maar wanneer dat lezen niet tegelijk bestudeeren wordt, wanneer daarbij Hebreenwsch en Grieksch ter zijde worden gezet en geen kennis wordt genomen van andere uitleggingen, dan welke de kantteekeningen van den Staten-Bijbel vermelden, dan zal het preeken op den duur motto-preeken worden. Dan zullen er in de preeken weldra dingen komen van welke een gymnasiast denkt: „Maar heeft die man Hebreeuwsch en Grieksch geleerd ?quot; Dan roept de Prediker met een dankbaar gemoed uit r „Eben Haëzer!quot; als ware dit de Hebreeuwsche vertaling van: Tot hiertoe heeft de Heer geholpen. Dan haspelt hij elders de -/.arallayrj en den ilaauog dooréén tot een onkenbaar mix turn composihun. Dan allegoriseert hij bij gelegenheid over den een of anderen lijdenstekst, waaruit hij niet genoeg halen kan, en ziet over \'t hoofd, welk een rijkdom van gedachten er in ligt ook zonder dat men den zin geweld aandoet.
\'t Is waar, de kwesties aangaande den tijd waarop, en de volgorde waarin de Bijbelboeken geschreven zijn, werpen vaak machtige raadsels voor onzen voet, die wij niet weten op te lossen, \'t Zou nochtans verkeerd zijn er geen kennis van te nemen. De struisvogelpolitiek is den Vcrhi Divini Minister, ook waar \'t zijn
38
PASTORALE ONDERONSJES.
Bijbel geldt, onwaardig. Er wordt somtijds van den kansel ten aanhooren van der zake gansch onkundigen geijverd tegen de Critiek door personen die in de verte zelfs geen kennis genomen hebben van de argumenten der critici. Op die manier kan men zich de overwinning zeer licht maken en het hoofd met de lauweren van buitengewone getrouwheid omstrengelen. Evengoed kan men onder een glas wijn en een sigaar den Atjeh-oorlog tot een gewenscht einde brengen. Even verkeerd als de polemiek tegen de Critiek op den kansel is, even verkeerd is \'t ook, als men terstond de nieuwste stadiën der Critiek als onomstoo-telijke waarheid of als uitkomsten der Wetenschap der Gemeente verkondigt. Wie den gang der zoogenaamde Inleidingswetenschappen gevolgd is, weet hoevele onderstellingen, die men reeds als slotsommen verkondigde, weer vervangen zijn door andere, omdat zij onhoudbaar bleken. Wij hebben der Gemeente het Evangelie te brengen.
Het geraamte der Kerkgeschiedenis hebben wij aan de Universiteit leeren kennen. Slechts hier en daar hebben de handelende personen voor ons vleesch en bloed gekregen. Voor speciale studiën omtrent enkele tijdvakken of personen ontbrak dikwijls de tijd. Hoe heerlijk, wanneer wij door uitvoeriger bio- of mono-graphieën een of ander tijdvak der Kerkgeschiedenis met levende gestalten vervuld zien ; wanneer wij op dezen of genen getuige des geloofs in het bijzonder het oog kunnen vestigen. Hoe worden wij daardoor zelf gesterkt en verfrischt! Zoo ik slechts enkele noemen mag: Neander\'s Bernard van Clairvaux, Dalton\'s
39
PASTORALE ONDERONSJES.
a Lasco, Pijper\'s Uyttenhove, van Otterloo\'s Ruysbroek, of waar \'t namen geldt uit den lateren tijd: Claus Harms\' Autobiographie, Wilkens\' Mallet en andere, hoeveel geven zij niet te genieten!
Wat Paulus begeerde, zijn boeken te hebben en inzonderheid de perkamenten, het blijve ook voor ons een wenk ter behartiging. Inzonderheid de boeken van studie, of zij in perkamenten of in papieren banden gehecht zijn, wekken op, bevorderen de geestelijke kracht. Zij houden ons frisch, en geven ons gelegenheid op onze beurt oude en nieuwe dingen voor den dag te brengen. Of zullen wij zeggen: De Gemeente is ons boek. Daarin lezen wij. Zij doet ons telkens nieuwe stof aan de hand. Ik zou antwoorden: de Gemeente geeft ons aanleiding om de stof, die wij hebben, uit steeds andere oogpunten te bezien en voor te stellen; zij leidt onze keuze van het onderwerp, dat wij zullen behandelen, en bepaalt de wijze van behandeling. De meest gezegende predikers zijn niet geweest de mannen, die zich enkel in de Gemeente bewogen van \'s Maandags morgens tot \'s Vrijdags avonds, maar zij, die studie met den ijverigen arbeid in de Gemeente wisten te paren. De gemeente-overloopers krijgen iets van gieters, die aldoor besproeien, of de grond schraal, dan of hij vruchtbaar is, of het regent, dan of de zon schijnt; zij geven aldoor hetzelfde schrale water. De mannen enkel van studie zijn daarentegen den landbouwkundige gelijk, die een geheel magazijn zeer deugdelijke meststoffen heeft aangelegd, en daarover heerlijk weet te praten, maar die verzuimt ze aan den akker toe te vertrouwen.
4°
PASTORALE ON\'DHRONSJES.
Voor één soort boeken ben ik, sedert ik predikant werd, altijd eenigszins bang geweest, en die rubriek is bij mij dan ook slecht voorzien. Het zijn preeken. Een uitstekende preek over een tekst, dien ik wensch te behandelen, maakt voor mij dien tekst licht onmogelijk. Ik zou onwillekeurig veel uit die preek in de mijne brengen. Daarom heb ik mij daaraan ook nooit gewaagd, op een zeer enkele uitzondering na. Wel groot nut heeft het, na zijn preek gehouden te hebben, die zoo mogelijk eens te vergelijken met een goede preek over denzelfden tekst van een ander. Dat is meteen een dikwijls zeer verootmoedigende zelfcritiek, en daaraan hebben wij behoefte.
XI.
Handelingen 6:2. Het is niet betamelijk, dat wij het woord Gods nalaten, en de tafelen dienen.
Wij loopen wel eens gevaar, iets van een factotum te krijgen. In de nabijheid mijner eerste Gemeente, kwam indertijd een bejaard, toen welbekend predikant. Het duurde niet lang, of het gerucht liep door die gansche streek, dat in de naburige gemeente iedere ambtenaar wel naar huis gezonden kon worden. De dominé kon alles alleen af: hij was behalve predikant, ook arm-verzorger en politieagent en kantonrechter, en desnoods ook burgemeester er bij. Er zijn van die mannen van gezag, wien dat alles goed afgaat, nochtans vrees ik, dat de predikant er niet bij wint, of wilt gij liever,
41
PASTORALE ONDERONSJES.
dat zijn evangeliearbeid in zegen achteruitgaat, naarmate de dominé zich aan allotria wijdt.
Zelfbeperking is een eisch ook voor ons — zelfs in armenzaken. De armen zoeken den predikant weldra op, klagen hem hun bitteren nood, en wijzen op de karige bedeeling, die zij ontvangen, of op de onrechtvaardigheid der hardvochtige of partijdige armverzor-gers, die hun de bedeeling onthouden. Wij gaan er heen. De zaak moet immers worden onderzocht. Wij vinden een jammerlijk tooneel van haveloosheid en ellende. Daar moet hulp worden geboden. Wij trachten voorloopig in den ergsten nood te voorzien, en dringen met klem van woorden bij den administreerenden diaken op bijstand aan. Deze is tegen onze vurige welsprekendheid niet bestand. Hij maakt wel eenige tegenwerpingen ; maar hij wil niet te veel zeggen. Het einde is, dat hij, hoewel tegenstribbelende en als zijns ondanks, toegeeft. Wij verkeeren in een gevoel, alsof wij een huisgezin gered hebben. Al heel spoedig blijkt ons vaak, dat wij ons door den schijn hadden laten bedriegen, dat wanorde en slordigheid van dat huisgezin gemaakt hebben, wat het is. Het is niet ieder gegeven om met juisten takt zulk een huisgezin zich aan te trekken en het aan orde te gewennen. Ds. O. G. Heldring vond ook zulke huisgezinnen, die hoogst verwaarloosd waren, op een eilandje in de Linge, toen hij te Hemmen kwam. In plaats van geld, bracht hij daar allereerst een klok. En hij beloofde voor eenigen onderstand, en bovenal voor eenig werk te zullen zorgen, maar dan moest de klok dagelijks op een bepaalden tijd worden opgetrokken, en naar de klok moest worden
42
PASTORALE ONDERONSJES.
ontbeten, het middageten toebereid, en verder de arbeid van den ganschen dag worden ingesteld. Hij liep op ongeregelde tijden het huis in, om er zich van te overtuigen, of de klok goed werd behandeld, en of de dagtaak naar de klok werd geregeld, en het mocht hem gelukken, zulke huisgezinnen door orde en daarmee opgewekte vlijt op te heffen uit hun diep verval. Daar was \'t niet de bedeeling, die \'t huisgezin ophief. De tegemoetkoming was slechts een tijdelijk hulpmiddel.
Wanneer wij onze overwinning over den diaken behaald hebben, beginnen de aanvragen eerst recht. Van alle kanten dagen de armen op. Zij beweren \'t noodiger te hebben dan de geholpenen, en \'t is niet altijd tegen te spreken. Wij kloppen weêr bij den diaken aan. \'t Is mogelijk, dat hij weigert: het kan er niet af; daarenboven hij kent de menschen langer dan de dominé. Dan zijn wij verdrietig en trachten zelf geld in te zamelen en uit te deelen. \'t Kan ook zijn, dat de diaken toegeeft, maar nu is hij ontstemd, zoozeer, dat hij verder het geheele bedeelen aan ons overlaat. En dan... ja dan ondervinden wij al de moeielijkheden dezer dikwijls zoo streng gecritiseerde bediening. Wie naar zijn schatting verongelijkt wordt, wijt het den predikant en blijft uit de kerk. Wie wel wat krijgt, komt ter kerke en roemt onze preeken. Maar de rechte blijdschap over die hoorders ontbreekt ons. Terecht of ten onrechte denken wij bij hen aan \'t volgen om de brooden. Daarenboven geeft de armverzorging zoo velerlei beslommeringen, zooveel verdrietelijkheden, dat de prediking des Woords er onwillekeurig onder lijdt. Vroeg of laat komen wij tot het
43
PASTORALE ONDERONSJES.
inzicht, dat het onder de leiding- des Heiligen Geestes aldus is geordend, dat er diakenen zijn, en bepalen wij ons op dat gebied tot medewerking met hen. Wij zullen hen zooveel wij kunnen met raad en daad bijstaan, hun zooveel wij vermogen inlichtingen geven, maar ook op hun bezwaren acht geven, en al wat bedeeling is, door hunne hand laten gaan.
Het kan zijn, dat wij met diakenen te doen hebben — want evenmin als wij zei ven zijn deze broeders volmaakt — die uit de school klappen. Die, wanneer wij aangedrongen hebben op vermindering of onthouding der bedeeling, waar die onnoodig bleek en slechts luiheid en liederlijkheid voedde, tot de menschen zeggen : De dominé wil niet, dat ik u langer bedeelen zal. Met het oog daarop is groote voorzichtigheid noodig. Wij mogen natuurlijk onze inlichtingen niet achterhouden, maar het best doen wij dan, den Kerke-raad zelf de gevolgtrekking met het oog op de bedeeling te laten maken.
Zeer zeker zijn wij geroepen, de belangen der armen te behartigen, door met invloedrijke personen de mogelijkheid te bespreken om werk te verschaffen of verkeerde gewoonten te beteugelen, door ook zooveel ons mogelijk is, in den Kerkeraad hunne belangen te bepleiten, en middelen te zoeken om de Diakonie in staat te stellen haar taak naar den eisch te volbren-gen. Maar hoe minder wij persoonlijk als uitdeelers der gaven of als werkverschafFers rechtstreeks met de armen in aanraking komen, te beter voor onzen invloed op hen als Evangeliepredikers.
Het schijnt hard, wanneer wij tot hen niet anders,
44
PASTORALE ONDERONSJES.
ook na hunne klachten gehoord te hebben, dan woorden van medegevoel spreken, en hun oog trachten te richten op Hem die wat beters voor hen heeft, dan aardsche goederen. Maar als de arme ons altijd naar de hand ziet wanneer wij hem bezoeken, en onze godsdienstige toespraak afwacht, omdat hij daarna iets uit de portcmonnaic verwacht, dan is \'t met den zegen van \'t bezoek gedaan. Ook den predikant geldt het woord: Laat uwe linkerhand niet weten, wat uwe rechterhand doet. Ook voor den predikant zij de diaken de tusschenpersoon, om zijne gave aan de armen te geven.
Voorts hebben wij ons altijd de gelijkenis van Heldring, in zijn Levensbericht meegedeeld, te herinneren van de kippen, die door iedereen gevoerd worden. Dat zal er ons voor bewaren, om naast de Diakonie, of althans buiten verband met haar allerlei philanthro-pische kransjes en vereenigingen in \'t leven te roepen. Zooveel mogelijk hebbe ieder zijn eigen gebied, behoorlijk afgebakend. Dan kunnen ook zulke vereenigingen goed werken; want ook een Diakonie kan niet alles.
XII.
Spreuken 22 : 28. Zet de oude palen niet terug,, die uwe vaderen gemaakt hebben.
Dat van dit woord een schromelijk misbruik wordt gemaakt, om al wat nieuw is of schijnt, te veroor-deelen, behoeven wij elkander niet te herinneren. In
45
PASTORALE ONDERONSJES.
46
■dit opzicht is dit woord een tegenhanger van het apostolische: Beproef alle dingen en behoud het goede! waarvan een zoo mogelijk nog ergerlijker misbruik gemaakt wordt. Wij weten dat wij in de Spreuk met de grenspalen te doen hebben, die het voorvaderlijk erfdeel bepaalden. Wij leeren meestal tot onze schade, dat de palen voor de eigen Gemeente, door de Vaderen gesteld, niet ongestraft worden overschreden. Wij hebben onzen arbeid in onze eigen Gemeente. Die Gemeente is misschien klein. Wij hebben kracht en lust om veel werk te doen. In de nabijheid en in de verte zijn hulpbehoevende gemeenten. Daar zijn, of daar konden evangelisaties worden gesticht. Wij laten ons daarover uit, wij beginnen er aan in een naburige Gemeente, die verwaarloosd wordt, waar het Evangelie •naar de Schriften niet wordt gehoord. Wij reizen naar A, B en C om er in de lokalen te preeken. Wij doen heel wat. Of wij ook zegen stichten? Men hoort ons gaarne te A, B en C. Wij houden daar natuurlijk de preeken, die in ons of anderer oog de beste zijn. Maar hoe meer men te A, B en C ingenomenheid met ons optreden betuigt, te ontevredener zijn wij, wanneer onze eigen Gemeente niet al te overvloedig is met haar ingenomenheidsbetuigingen. In \'t naburige D beschouwt men ons als een redder uit de ellende. Wij lieten ons overhalen, om er bij een particulier nu en dan te komen spreken. Op den duur was dat wel wat benauwd. Men wenschte een lokaaltje. Voor dat gebouwtje was geld noodig. De belangstellenden deden iets, maar konden niet veel doen. Men verwachtte -alles van een collectereis, en begon intusschen al vast
PASTORALE OXDERONSJES.
met den bouw. Een in \'t vak erv aren collectant werd aangenomen. Hij wist, waar hij wezen moest. Het honorarium werd bepaald, en hij reisde van Delfzijl tot Aardenburg, en van Monster tot Haaksbergen het land af, giften vragende en inzamelende voor de evangelisatie te D. De collecte viel niet meê, althans de netto-opbrengst niet.
De geheele som, die opgehaald werd zou wel voldoende zijn geweest, maar de kosten der collectereis verslonden het leeuwendeel. Het gebouwtje met annexe woning voor een evangelist is inmiddels verrezen en met een hypotheek bezwaard. Een evangelist is gevonden en komt. Wat toch is een evangelisatie zonder evangelist ? Wij konden er alle zondagen onmogelijk heengaan, en men wilde daar \'s Zondags toch ook wel iets hooren, vooral nu men een lokaal had. De evangelist heeft het er niet breed. De bezoekers der evangelisatie zijn niet vele edelen en aanzienlijken, trouwens dat is de geheele Gemeente ook niet. De evangelisatie te D. wordt een jaarlijksche collectepost. Voeg daarbij, dat het niet gemakkelijk valt, die evangelisatie in \'t goede spoor te houden. Separatistische elementen doen zich gelden; de evangelist is er niet tegen opgewassen, geeft er misschien voet aan. Wij begonnen last van die evangelisatie te krijgen en zij werd misschien een der redenen, waarom wij een beroep naar elders aannamen.
Zet de oude palen niet terug, die uwe Vaderen gemaakt hebben! Breid de palen uwer Gemeente niet willekeurig uit. Wees er meê tevreden, predikant uwer eigen bescheiden Gemeente te zijn. Maar de nood
47
PASTORALE ÜXDERÜXSJES.
is ginds zoo groot! en er staat ook geschreven: Zaai aan alle wateren! — Maar wil dat zeggen; Versnipper uw arbeid, onthoud aan uw eigen Gemeente een deel uwer belangstelling om de palen uwer werkzaamheid achteruit te zetten? Laten wij onzen arbeid liever intensiever maken dan extensief te werk te gaan.
Ik heb den\' tijd nog gekend, toen men er niet tegen opzag, uren ver te gaan, Zondag aan Zondag, om een predikant te hooren, die het loutere Evangelie van Gods genade in Christus verkondigde. Men had daar wat voor over en men genoot ook op den tocht, wanneer men met gelijkgezinden opging en wederkeerde, en op den weg het gehoorde nog eens werd besproken en zoodoende nog meer werd bevestigd in hart en geheugen.
Tegenwoordig moet elk een kerkje naast zijn deur hebben, anders wordt het te bezwaarlijk. En dat, terwijl \'t een bekend feit is, dat zij, die nabij de kerk wonen veeltijds de slechtste kerkgangers zijn. Men waardeert het kerkje naast de deur weinig. Ver loopen doet men niet meer. Zoo is er achteruitgang in belangstelling tengevolge van hetgeen goed bedoeld was.
\'t Is waar, er zijn zwakken en ouden van dagen, die den verren afstand niet kunnen afleggen. Moet er voor hen niet worden gezorgd? Voorzeker wel, maar mij dunkt, op andere wijze dan door in hun buurt een kerkje te openen. Zij zijn veeltijds te zwak, hoesten te veel, zijn te oud om daar zelfs gebruik er van te kunnen maken. Over hen zal de herderlijke zorg zich moeten uitstrekken, niet de homileet maar de pastor zal tegenover hen zijn werk hebben te doen.
48
PASTORALE ONDERONSJES*
Er kunnen soms in een uitgebreide gemeente, gelijk wij ze in onze heistreken hebben, afgelegen, arme of verwaarloosde buurten zijn, die te ver van het middenpunt der Gemeente liggen, om er al de moeite aan te besteden, die zij juist om haar verwaarloozing verdienen. Dan is daar een geschikt arbeidsveld voor een trouwen en ijverigen godsdienstonderwijzer. Deze kan de huisgezinnen geregeld bezoeken, hun aan huis uit den Bijbel voorlezen, het oog houden op het schoolbezoek, katechisatie houden, en hen voorgaan in het getrouw bezoeken der openbare godsdienstoefeningen. Daartoe moet hij in die buurt wonen, en nu met dezen, dan met genen afspraak maken voor den kerkgang. Maar men stichte niet te spoedig in dien hoek een evangelisatielokaal. Ik heb er ellende genoeg van gezien in naburige gemeenten, en in ieder geval zorge men, dat de godsdienstonderwijzer sta onder den ker-keraad, en niet afhankelijk zij van een afzonderlijke commissie, die buiten het kerkelijk verband staat.
Is er een naburige gemeente, waar wij gaarne hulp zouden bieden, bedenken wij ons toch twee- of driemaal, aleer wij tot het uiterste hulpmiddel, een evangelisatie, raden. Bij het hulp bieden ilfaut payer de sa ■personne, moeten wij zelf de moeite doen, de belangstellenden bezoeken, en een gelegenheid tot katechisatie openen. Zoo kan er invloed ten goede worden geoefend, en zal het de bede blijven, niet om \'t welslagen en bloeien van de evangelisatie, maar voor hen, die de Gemeente voorgaan en leiden, en om verandering van de toestanden, welke de Gemeente daar deden kwijnen.
Ik sprak over naburige gemeenten. Omtrent verder
ONDERONSJES. 4
49
PASTORALE ONDERONSJES.
afgelegen gemeenten, zal het zaak zijn met andere collega\'s te raadplegen, wat er kan en moet gedaan worden, en worde eerst na behoorlijk onderzoek een stap gedaan, die ver reikende gevolgen kan hebben.
\'t Is veel beter, wanneer de geloovige leden eener gemeente zich en elkander stichten door het lezen eener goede preek, en daarbij een hartelijk gebed voor hun eigen Leeraar en Gemeente opzenden, dan wanneer al hun krachten zich inspannen, om een met schulden bedekte evangelisatie op de been te houden. Zij zullen ook meer ten zegen zijn, wanneer zij elk in zijn kring evan-geliseeren als leden der groote Gemeente, dan wanneer zij den schijn hebben voor hun gebouwtje te ijveren.
XIII.
Spreuken 16 : 31. De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
Nieuwe wijn is aan gisting onderhevig, heeft iets prikkelends en scherps. De wijnkenner zal den ouden verkiezen, die belegen is, die wel is waar het prikkelende, maar ook het scherpe verloren heeft. Maar wie in jeugdige jaren nog het prikkelende en scherpe in zich heeft, beoordeelt vaak de ouderen verkeerd, die ook eenmaal prikkelend en scherp optraden, maar bij wie bedaardheid werd met de jaren, wat in de jeugd nog veelszins drift en hartstocht was. \'t Vuur is daar wel eens naar het oordeel der jongeren uitgedoofd. Uitge-
5°
PASTORALE ONDERONSJES.
■doofd! Neen, \'t schijnt maar zoo. Waar eenmaal het heilige vuur der liefde van Christus ontstoken is in het hart, blijft het branden, blijft het lichten, blijft het verwarmen ook in den ouderdom. Maar het zengt niet meer, het spat geen vonken meer uit, die soms gevaarlijke branden veroorzaken. Voorzeker, waar nimmer de liefde des Heeren het hart ontgloeide, waar \'t in de jeugd niets was dan vuurwerk, wat er ontstoken werd, waar in strijden en arbeiden slechts eigen glorie gezocht werd, daar zal in den ouden dag niets dan asch worden gevonden, daar zinkt de oude man tot een onbe-teekenend wezen af. Maar afschuwwekkend is \'t gezicht van zulken, in wier hart de gemeenheid woonde, wanneer zij op hun ouden dag gekomen zijn. De meer dan dubbelzinnige kwinkslagen, die in den jongere, om zijner jonkheid wil, nog eenige verschooning konden vinden, zijn van oude lippen onuitstaanbaar. Ach, dat er onder ons zulke oude zondaars niet waren! \'t Is een ernstig en waar woord, dat aan zulken in vervulling gaat: Die vuil is, dat hij nog vuil worde!
Maar tegenover dezen staan er ook, en Gode zij dank, zij zijn niet spaarzamelijk gezaaid, die eenmaal in de hitte des daags trouw gearbeid hebben aan het heil hunner kudden, en die, wanneer wij in hun nabijheid komen, ons verkwikken door de warmte, die van hen uitstraalt. Zij mogen soms achterblijvers zijn — achterblijvers, bij de dolle vaart, die de Wetenschap, ook de theologische, wel eens neemt — zij blijven achter Jezus in zelfverloochening en kruisdragen, en blijven niet achter in \'t volgen van hem. Gezegend zijt gij mij, eerbiedwaardige grijsaards, hetzij gij reeds ingingt
51
PASTORALE ONDERONSJES.
52
in uwe rust, hetzij gij daar nog staat als getuigen van \'s Heeren genade, met wie \'t mij vergund werd in aanraking te komen, vooral in den aanvang mijner bediening. Onder dezen verdient een eereplaats mijn eerste consulent. Met welk een jeugdigen ijver en opgewektheid arbeidde hij, de toen reeds vergrijsde,, die reeds meer dan 30 dienstjaren telde, in zijn uitgebreide Gemeente; met hoeveel getrouwheid bezocht hij, zijn kranken, en hoe was hij, toen de cholera uitbrak, en in zijn Gemeente tal van slachtoffers maakte, van den vroegen morgen tot den laten avond aan den arbeid, om de kranken te bezoeken, hun zoo mogelijk een ernstig, hartelijk woord toe te spreken, en op hun verpleging het oogte houden. Hoe aarzelde hij zelfs niet, die zelf ter hand te nemen, als niemand het meer durfde^ omdat allen, die in dat huis gewoond hadden, er reeds uitgedragen waren, en nu de laatste aan de gevreesde krankheid nederlag. En terwijl hij anders geen voet bij afgescheidenen zette, in die dagen maakte hij geen onderscheid, aan ieder krankbed was hij te vinden, en overal was hij een welkome bezoeker. Hoe beschamend was die ijver en \'tgeloofsvertrouwen, dat eruit sprak, en hoe werd daardoor de jonge collega tot getrouw en onbevreesd krankbezoek in zijn kleine Gemeente aangespoord. En toch, hoe nederig dacht hij over zichzelven en over zijn werk, hoe zachtmoedig en verschoonend was hij in zijn critiek. In één geval kon hij zich boos maken, en schoof hij zijn kalotje haastig op en neer, of streek met de hand door het haar op zijn voorhoofd, wanneer onder de vlag vaa hooge orthodoxie ergerlijke dingen werden gedaan.
PASTORALE ONDERONSJES.
Hoe menigen Maandag avond zat ik in zijn gezellige huiskamer, en hoorde hem verhalen van de dagen van olim, of van zijn ontmoetingen in de Gemeente, of sprak hij over theologische onderwerpen, waarvan hij zich goed op de hoogte hield; maar ook hoe liet Tiij den jongere aan \'t woord. Hoe drong hij zijn raad nooit op, en verheugde hij zich als \'tzijn buurman in zijn Gemeente goed ging.
In onzen tijd van vele vacaturen kunnen wij \'t ons moeilijk voorstellen, dat iemand gelukkig en geliefd kan zijn in een gemeente, waar hij bijna zijn ganschen ■diensttijd doorbracht. Daar heb ik het gezien. Eere dier Gemeente, die tot het laatste toe haren ouden Lecraar haar liefde door daden bewees, en hem ook in de dagen zijner rust toonde niet te vergeten. Maar •ook eere, dien immer, ook in dagen van rouw en tegenspoed, onderworpen en blijmoedigen Evangelie-■dienaar, wiens levensavond de Heer nog verlenge, tot vreugde der zijnen, en van zoovelen die hem hebben leeren liefhebben en hoogachten!
Zoo ik contrasten moest schilderen onder oude collega\'s, ik zou geen grooter tegenstellingen kunnen vin-■den, dan de beide broeders die ik in den volgenden ring ontmoette. Zij waren elkander trouw gevolgd, telkens naar denzelfden ring. Zij waren beiden ongehuwd ; ook in theologicis waren zij dezelfde richting toegedaan. Zoover was er overeenstemming, maar daarmee hield zij ook op. De oudste broeder lang en mager met een ontzachlijk vele malen om den hals gewonden witte das, het toonbeeld van ouderdom, was een man van studie. Het liefst handelde hij over exegetische
53
PASTORALE ONDERONSJES.
54
kwesties. De jongere, opzichtig zwart van haar en blozend van kleur, trachtte in alles jeugdig te zijn,, zag met kennersblik naar mooie paarden, maar maakte niet den indruk, alsof hij met zulk een blik ooit een boek aanzag. Voor \'t overige waren beiden dienstvaardige, goedhartige mannen, trouw in \'t bijwonen van alle vergaderingen, waar \'t de roeping van een predikant meê kon brengen, te verschijnen, en bemind in hun gemeenten. Zij stelden ons geduld wel eens op de proef, de eerste door zijn kwesties, de andere door ver opgehaalde verhalen, waarvan men het begin niet goed gevat had of reeds lang was vergeten, voordat het einde er was; nochtans nam een ringbroeder, gansch geen geestverwant, \'t zeer op voor den waardigen „ouden heerquot; toen eens een deel der vergadering wel een weinig ongeduld getoond had onder \'t exegetisch deel eener preek, door hem ter ringsvergadering voorgelezen.. Maar waar zou ik eindigen, wilde ik zoovele waardige grijsaards vermelden, met wie ik in betrekking kwam? Een waardig echtpaar zij hier nog herdacht, dat met ouderlijke liefde de eerste Gemeente gadesloeg,, en in die liefde ook in ruime mate den jeugdigen predikant liet deelen; wier huis altijd voor hem openstond, en waar nuttige aansporing en bemoediging nooit tevergeefs werd gezocht. Zij rusten van hunnen arbeid. De gastvrije woning, die er zoovelen kon herbergen, is gesloopt. Maar wanneer mijn gedachten, en hoe dikwijls doen zij \'t! zich wenden naar het stille dorpje, naast kerkje en pastorie rijst altijd het ruime-huis met zijn welwillende bewoners voor het oog mijner herinnering als onafscheidelijk daarmee verbonden.
PASTORALE ONDERONSJES.
XIV.
Psalm 138 : 8. De Heer zal het voor mij voleinden; Uwe goedertierenheid, Heer, is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen.
Een eerste Gemeente is een eerste liefde. Die wordt nimmer vergeten, al wordt men nog zoo oud. Hoe heugt mij de tijd, toen \'t op scheiden ging! Want scheiden moesten wij. Onafwijsbaar was het beroep door allerlei omstandigheden, waarmee het gepaard ging, dat gevoelde ik, daarvan gevoelde de Gemeente ook iets. Niet om maar te veranderen verliet ik haar, dat wist zij. Liever ware ik gebleven, veel, veel liever! En dat de betrekking wederkeerig was, bleek uit alles. Toch kon ik gaan als wetende, dat ik mijn roeping volgde.
Ik heb er nooit spijt van gehad. Toen ik in mijn tweede Gemeente kwam, in een geheel ander deel des lands gelegen, zag ik het weldra in, dat het voor mijn eigen vorming althans ten hoogste nuttig was geweest, dat ik een anderen werkkring kreeg, al was die weinig grooter. Daar waren geheel andere vragen aan de orde, daar was het volkskarakter een geheel ander, en met een geheel ander oor ook werden daar de preeken aangehoord. Ik ben er altijd dankbaar voor geweest, dat ik, hoe kort dan ook, in Friesland heb mogen arbeiden.
Maar ik keer tot de eerste Gemeente terug, \'t Laatste huisbezoek was gedaan, het laatste avondmaal gevierd, de laatste zondag brak aan. Dat was een zware gang
55
PASTORALE ONDERONSJES.
naar den preekstoel. Bij de intrede was \'t een spreken geweest tot vreemden, nu was daar geen gelaat mij onbekend van al degenen die uit de Gemeente en uit de nabuurschap aanwezig waren. Daar waren er, die mij nader, anderen die mij verder stonden; harten, die zich hadden geopend en anderen die gesloten bicven; zulken aan wie vele herinneringen mij verbonden, anderen met wie ik slechts vluchtig, als in \'t voorbijgaan in aanraking was gekomen. Maar wie zij ook waren, zij maakten mij \'t scheiden moeielijk. Bij mijn afscheidspreek ging ik als het ware een stuk van mijn leven begraven. 6 Ik kan \'t zoo begrijpen, wat een mijner vrienden, die omstreeks dienzelfden tijd uit zijn Gemeente vertrok, mij schreef: ,,Ik heb mijn afscheidspreek gehouden, maar daarna ben ik schreiende als een kind van den preekstoel geloopen.quot; Zoo moeilijk is mij geen scheiding gevallen als die van die kleine Gemeente, zelfs niet die van de Gemeente waar ik mijn beste jaren heb doorgebracht en vele vrienden had, en waar ik gemeend had mijn jaren tot den einde toe te zullen slijten, wat ik ook gaarne zou hebben gedaan.
Wat ik in die eerste Gemeente had mogen werken, waren de eerste onvolmaakte pogingen van den jongeling — niet alsof ik ooit de volmaaktheid bereikt had! — die al tastende den weg der praktijk zocht. Maar \'t was ook een arbeid van veel gebed. Later helaas! werd het wel eens een arbeid van sleur. Toen was alles nog nieuw en frisch, en God gaf op woorden bij huisbezoek of in de kerk gesproken een onge-wachten zegen. Toen heb ik \'t ondervonden, dat de
PASTORALE ONDERONSJES.
Heer ons ook het woord geeft, dat wij te spreken hebben. Daar was wel eens een gesprek, waarvan ik mij niet meer het beloop kon herinneren bij \'t verlaten der woning en dat aan dat huisgezin gezegend werd. Maar daar waren ook zulken, die zich stelselmatig aan de evangelieprediking onttrokken, hoewel \'t maar enkelen waren: de vrouw die ik bijna een jaar lang Zaterdag aan Zaterdag er aan herinnerde, dat het den volgenden dag de dag des Heeren was; de boer, die zorgde niet t\'huis te zijn, als hij wist, dat er huisbezoek gedaan werd en die plotseling overvallen moest worden.
\'t Was dank aan God, die mij daar had gebracht en mij vergund had een viertal jaren in die Gemeente te arbeiden, wat het hart vervulde, maar daarnaast het bewustzijn, dat ik voor die gemeente nog zoo weinig geweest was, wat ik voor haar had moeten zijn. Het hart was vol van de beste wenschen voor haar welzijn. Ik mocht ook van den Heer verwachten, dat Hij het goede, dat ik, met hoeveel zondigs en gebrekkigs het ook gepaard was, er had mogen stichten niet zou verloren doen gaan. Zoo mocht ik haar voor \'t laatst wijzen op de getrouwheid des Heeren, die wat Zijn werk is in hetgene wij mochten doen, ook voleindigen zal.
Welk een genot, later nog eens daar te komen! Weemoedig is \'t, als zoovelen die wij er als mannen en grijsaards hebben gekend, reeds zijn heengegaan. Maar toch ook verblijdend, als daar na vele jaren nog een enkele oude u herkent en met een vertrouwelijkheid als lagen er geen jaren tusschen, u de hand drukt
57
PASTORALE ONDERONSJES.
en blijde is vóór zijn dood u nog eenmaal te mogen zien! Als daar na vele jaren nog de herinnering aan deze of gene preek leeft in het hart van een enkele voor wien zij ten zegen werd! En toch hoe beschamend ook! God helpt door veel en door weinig; ja ook door weinig. Als ik mijn preeken van toen er op aanzie, wat was er veel in, dat over de hoofden moest heengaan, wat te geleerd, te deftig was uitgedrukt! En toch: Ik kon den dominé altijd zoo goed begrijpen! zeide na jaren een mijner oude gemeenteleden tot mij. O als wij \'t evangelie brengen en van de behoefte, die \'t eigen hart er aan heeft, maar ook van den zegen, die \'t voor eigen hart opleverde, getuigen, dan gaat het in de harten en laat vrucht na. Maar dan was \'t ook God, die \'t gaf te spreken. Hem alleen zij de eer!
XV.
Psalm 104 : 24. Hoe groot zijn Uwe werken, o Heer! Gij hebt ze allen met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uwe goederen.
Het is een groot genot, wanneer wij met onze vrouw, of zoo wij \'t geluk niet hebben een vrouw aan onze zijde te hebben, met een of meer goede vrienden ons mogen verpoozen, en een reis ondernemen. Er wordt wel eens hevig uitgevaren tegen \'t overtrekken der grenzen, terwijl men van \'t eigen landje nog zoo weinig kent. Ik meen ook, dat men \'t eigen land moet kennen, daarin althans geen vreemdeling zijn., alvorens de gren-
5»
PASTORALE ONDERONSJES.
59
zen te overschrijden. Voor voetreisjes in \'t eigen land is, meen ik, de tijd aan \'t Gymnasium en aan de Aka-demie uitnemend geschikt, en zulke voetreisjes zijn, dunkt mij, vrij wat aangenamer dan de meer en meer gebruikelijke wedstrijden op den wieier, of met kaatsen voetbal, met en benevens de daarvan onafscheidelijke eet- en drinkgelagen en courantenberichten. Maar is men eenmaal predikant, en biedt zich de gelegenheid aan, om andere indrukken te ontvangen, het zou dwaas zijn, onze vlakten en heuvelen niet te verlaten, om eens geheel andere tooneelen te aanschouwen in de landen der bergen. Vrees behoeft er niet te bestaan, dat wij door een reisje in den Harz of het Schwarzwald of door een tocht naar \'t Berner-Oberland of Tyrol, ongeschikt zullen worden voor \'t rustig verblijf in \'t Vaderland. Mijn ondervinding is altijd geweest, dat hoe meer schoons ik gezien had, mijn oog ook meer geopend was, om het eigenaardige schoon onzer landouwen te waardeeren. Ik heb nooit meer schoone plekjes gevonden in de mij zoo goed bekende omstreken van Haarlem, dan toen ik voor \'teerst een Zwit-sersche reis had mogen doen. Tusschen de bergen met al hun schoonheid en pracht, leert men waardeeren, wat men daar mist, en hier volop kan genieten. Een zonsondergang b. v. met al de fijne overgangen der kleuren, geniet men niet tusschen de bergen. Met welk een genot zag ik voor \'t eerst, na een veertiental dagen, op de brug te Bazel des avonds, den westelijken hemel weer vrij, en aanschouwde daar den kleurenrijken zonsondergang bijna zoo heerlijk, als ware ik hier in de vlakte geweest. Of zal ik den avond vergeten, toen ik, uit
PASTORALE ONDERONSJES.
Zwitserland wedcrkeercnde, op de hoogte van Abcoude, het geheele landschap overgoten zag met een gouden gloed door de dalende zon. Zulke malsche weilanden met tallooze helder witte runderen, hier en daar door een geestig molentje afgewisseld, ziet men elders niet. Mijn Frankfortsche reisgenooten waren een en al opwinding, en ik gevoelde met hen mee. Voorwaar, ons landje heeft ook zijn schoonheden. Daar steekt ook poëzie in. \'t Komt er slechts op aan, dat oog en hart er voor geopend zijn. En dat bewerkt een reis. Een reis kost geld: maar ik heb van geen enkel prachtwerk zooveel genot als van de herinnering aan mijne reizen. Dat is een bock, waarvan ik naar willekeur, waar ik ook ben, de bladen kan opslaan, en mij alles, tot in de geringste bijzonderheden kan te binnen brengen.
En wat aangename reisontmoetingen heeft men niet! Daar zijn wel menschen, wier voornaamste herinneringen bestaan in hotels, waar zij zijn afgezet, in dure table d\'hóte\'s met slecht eten, in vervelende reisgenooten, enz. Zulke menschen moeten niet reizen. Noch ook zulken, die de vraag doen, die ik te Trier een Utrechtsch burger bij zijn aankomst hoorde stellen; Kan men hier .een heelen dag klein krijgen? Wij predikanten, zijn op reis meestal een optimistisch volkje, en — ik kan niet anders getuigen, wij hebben niet veel reden tot klagen. Ik althans, herinner mij gaaxne den Oberkellner te Stuttgart, die zich misrekend had, en wiens fout door mij niet was opgemerkt, en die mij aan \'t station den huisknecht achterna zond, om mij \'t te veel betaalde ter hand te stellen; en nog
6o
PASTORALE ONDERONSJES.
menig\' ander blijk, dat men op reis niet enkel met gauwdieven en handige afzetters te doen heeft.
Wat ontmoetingen met onbekenden, en nochtans bekenden, heeft men vaak! Hoe waren wij terstond geheel als onder oude kennissen dien avond op de kleine Scheideck, toen daar boven het Lauterbrunnen-dal een onweer hing, en wij daarboven het heerlijke uitzicht genoten op de door de maan beschenen Jung-frau, en er een paar reizigers aankwamen met het psalmvers op de lippen, dat hierboven staat! Onwillekeurig-kwam ons een: Amen! over de lippen. Hoe gezellig daalden wij den volgenden morgen met de nieuwe vrienden af naar Grindelwald!
Hoe verfrischt komt men van zulk een reis t\'huis, vooral wanneer men zich geen couranten heeft laten nazenden en dus een tijdlang buiten de strijd- en kib-belvragen gestaan heeft, die in den komkommertijd—-en helaas ook dikwijls buiten dien tijd — aan de orde zijn! Hoe opgewekt wordt het werk weer opgevat, daar waar de Heer ons den akker aanwees! Hoe dankbaar g-evoelen wij ons, dat onze gemeenten in de vlakte liggen, waar geen lawinen haar bedreigen en voor bergstortingen geen gevaar is! Hoeveel duidelijker wordt ons, door eigen aanschouwing der bergen menig beeld uit den Bijbel, en hoeveel rijker wordt de schat onzer voorbeelden ter opheldering voor preek en katechisatie ! En bovenal, welk een indruk van de grootheid en wijsheid onzes Gods brengen wij meê, die aan ons kleine menschenkinderen denkt en voor ons zorgt, die ons liefheeft en tot Zijn kinderen aanneemt !
6l
PASTORALE ONDERONSJES.
■02
Is er dan geen schaduwzijde? Voorzeker. Er zijn menschen die door te reizen geen rust of duur meer hebben, wanneer zij \'s zomers niet althans eenige weken over de grenzen geweest zijn. Er zijn veelkijkers, die eiken dag ten minste één glanzpunkt of één hoogst merkwaardige plek moeten hebben aanschouwd, zullen zij gelukkig zijn. Er zijn van die ongelukkigen, die van elke reis een nieuwe dosis minachting meebrengen voor wat t\'huis gevonden wordt en die zich, omdat zij hier toch moeten wonen en arbeiden, door iedere reis nog wat ongelukkiger maken. Wie daarmee behept is, blijve voor de rust zijns gemoeds liever t\'huis. Maakt het reizen ons onrustig, ongedurig, ontevreden met den kring waarin wij werken moeten, dan gebiedt de zelfkennis, ons van dat genot te spenen. Zoo ook, wanneer de beurs het niet meer toelaat. Dan blijven wij rustig en gelukkig t\'huis, gelukkig daarin, dat wij een te huis hebben. Te kunnen reizen moge heerlijk zijn, te moeten reizen, altijd door, welk een lot! En toch, hoevelen zijn er toe gedwongen; commis-voya-geurs, conducteurs, diplomaten — maar ook colporteurs, zendelingen, agenten. Gode zij dank voor ons te huis. Hij spare lang de geliefde hoofden, die er het sieraad van uitmaken!
PASTORALE ONDERONSJES.
XVI.
Jac. I ; 19. Zoo dan, mijne geliefde broeders! een iegelijk mensch zij rasch om te hooren, traag om te spreken, traag tot toorn.
Hase zegt in de voorrede tot zijn Kerkgeschiedenis —-ik citeer uit het geheugen, want de Hoogduitsche uit-g-ave is mij niet ter hand, en in de vertaling is de voorrede niet opgenomen: „De Heer Jezus zegt: »Van ieder onnut woord, hetwelk een mensch zal gesproken hebben, zal hij rekenschap hebben te geven.quot; Dat woord moge in \'t dagelijksch leven zeker niet al te zeer naar de letter moeten worden opgevat, van al wat gedrukt wordt, geldt het zeker. Daarom heb ik ook getracht alles zoo kort mogelijk uit te drukken.quot; En toch, hoeveel onnutte, hoeveel schadelijke woorden worden er gedrukt. Wat men tot zijn tegenstander niet zou durven zeggen, dat schrijft, dat drukt men. Er steekt volstrekt geen moed in, een kras artikel te schrijven, iemand eens vinnig over den hekel te halen, een gloeiende philippica op het papier uit te storten. Het is veeleer een lafhartig genoegen, zulken die men niet ziet, en misschien nooit zien zal, in een courantje te brandmerken, te pronk te stellen, te geeselen of te vieren-deelen. Maar \'t standjeslievend publiek verlustigt zich, en ziet reikhalzend naar een antwoord uit, dat op pooten staat. De middelmatigheden, de onder-de-maatsche aspi-rant-mannen-van-beteekenis groeien er in, als er weer een beroemdheid wordt aangeknabbeld en, in hun oog althans, afgemaakt.
63
64 PASTORALE ONDERONSJES.
Wat te doen, wanneer iemand onzer vrienden, iemand, dien wij hoogachten, op die wijze wordt mishandeld, als daar de geheele stand van godgeleerden of predikanten wordt aangerand? Wie kan daar kalm onder blijven? Daar moet wat tegen worden geschreven! is de eerste gedachte. En in den eersten toorn wordt de pen opgevat, en een stuk, waaruit de meest gloeiende verontwaardiging spreekt, is weldra gereed. Tot dusver is alles goed. \'t Is goed, dat wij onzen toorn lucht geven. Als wij nu maar niet meenen, dat het stukje ook naar den drukker moet. Nonum prematur in annum ; die termijn is wel wat lang voor onzen snel-levenden tijd, maar nonum in diem mag het toch wel wezen, \'t Stukje moet althans eenmaal overgelezen worden, \'t Bevalt ons maar half: de argumentatie is niet duidelijk genoeg, \'t snijdt niet genoeg hout. Morgen beter. De pen wordt weer opgenomen, het stukje wordt omgewerkt. Het wordt bedaarder, kalmer van toon, maar scherper; beleefder, maar vlijmender. Het eerste stuk wandelt naar de papiermand, na behoorlijk verscheurd te zijn. Een paar dagen later wordt het omgewerkte stuk herlezen, en nog eens onderhanden genomen, \'t Is toch nog wat te bar. Verdiend is die barheid zeker, maar is \'tonze roeping, nu ook op dien toon te schrijven? Mogen wij ons door een aanvaller zoozeer laten meêsleepen, dat wij zijn slechte gewoonte navolgen? Een nieuw stukje wordt gesteld. De hatelijkheden worden sterk besnoeid; wat niet ter zake doet, verwijderd. De toon wordt waardiger, de uitdrukking korter en stroever. Zóó zou \'t kunnen gedrukt worden. Het blijve nog maar wat liggen. En
PASTORALE ONDERONSJES.
als \'t dan weer wordt opgenomen, komt bij \'t overlezen de vraag op: Is \'t zoo dringend noodig, dat ik het harnas aantrek. Is mijn schrijven plichtmatig, of geschiedt het uit liefhebberij ? Is zwijgen niet de beste straf, die men een kwaadwilligen stukjesschrijver kan aandoen? Zou mijn schrijven hem niet weer aanleiding geven tot een vernieuwden aanval? In re dubia abstine! Het stuk blijve maar en portefeitille. Als het daar eenige weken gerust heeft, zal het eindelijk zijn voorgangers wel naar de snippermand volgen. Derhalve al die moeite tevergeefs? Niet tevergeefs. Wij hebben zwart op wit kunnen lezen de uitstorting van onzen toom, en dit heeft ons tot kalmte gebracht. Heerlijke papiermand, voor hoe menig zoodanig stukje hebt gij reeds ten graf gestrekt! De wereld is er eenige hatelijkheden armer door gebleven, maar niemands geweten is er door bezwaard, en niemands rust er door gestoord.
Waar het geweten wel door wordt bezwaard? Door haastige woorden, uit het toornend hart opgeweld. Het gesproken woord kan reeds zooveel kwaad doen, hoeveel meer het geschrevene, en vooral het gedrukte, dat daar blijft staan, en allerlei lieden onder \'t oog komt, en na jaren nog onze aanklager kan worden.
Voorzeker zijn er omstandigheden, wanneer spreken of schrijven onafwijsbare plicht is. Maar onmiddellijk schrijven en drukken is zelden plicht. Zijn wij toornig, dan is \'t in de eerste plaats plicht, den toorn niet over ons te laten heerschen, en te wachten totdat de hittig-heid der verbolgenheid bedaard is. Eerst dan kunnen wij met vrucht opkomen tegen onware en lasterlijke voorstellingen; eerst dan hebben wij de noodige
ONDERONSJES. 5
65
PASTORALE ONDERONSJES.
kalmte, om wat onzen toorn opwekte nog eens over te lezen, of het ook iets anders behelsde, dan wat wij er in zagen, en om te overwegen, of óns optreden heilzaam kan zijn, of dat wij ook tot die vrienden zouden behooren, voor wie men bidden moet, behoed te blijven. Onhandige vrienden bederven vaak meer dan handige vijanden! Wat beschamend gevoel, wanneer wij aan \'t zwijgen der vrienden te laat bemerken, dat wij in onzen blinden ijver enkel kwaad hadden gesticht.
Al wat uit het geloof niet is, alles waardoor de liefde wordt bedreigd, is zonde. Dat geldt ook van ons schrijven. Ieder stukje dat wij niet kunnen inzenden met dank aan God, dat wij \'t konden schrijven en met de ootmoedige bede, dat Hij het zegene, is tot niets nut, dan tot kleine stukjes verscheurd te worden.
Wat wij veel te weinig doen? Bidden voor hen, die schrijven, dat hun pen bestuurd worde door den Geest die in Christus is. Zij hebben \'t noodig. Vooral zij, die arbeiden voor de periodieke Pers. Ach, zij zijn vaak door den drukker, die copie eischt en door de witte kolommen, die nog gevuld moeten worden, in groote verzoeking, om wat in toorn geschreven werd, uit handen te geven en over \'t geheele land te laten verspreiden. Zij leven in een dampkring, bezwangerd met de gassen van \'t rookloos kruit. Laat ons niet verzuimen voor hen te vragen, dat zij hun moeilijk werk mogen verrichten zonder den naam des Hee-ren oneer aan te doen, dat zij liever de voeten dan de ooren mogen wasschen der broederen, en ook elders in hun ijver geen ooren afhouwen, maar veeleer genezen en heelen wat gewond en verscheurd was.
66
PASTORALE ONDERONSJES.
En zij \'t onze bede voor onszelven mede: „Leidons niet in verzoeking, maar behoed ons voor den Booze!quot;
XVII.
Prediker 3:1. Alles heeft eenen bestemden tijd.
Wij hebben aangenomen. Het spijt onderscheidene van onze katechisanten, dat zij de gezellige katechisa-tie-uren niet meer hebben. Zij vragen vriendelijk, of Dominé geen lidmatenkatechisatie zou willen houden, zooals toch ook Dominé A en Dominé B doen. Wij zijn aan die katechisanten ook gehecht; wij zijn geenszins blind voor de leemten, die er in hunne kennis nog bestaan; daarenboven \'t is goed, hen in het moeilijke tijdperk van hun leven, omringd door verzoekingen, te sterken. Zoo openen wij een lidmatenkatechisatie. Wat van die lidmatenkatechisaties jammer is? Dat zij gewoonlijk meisjes, en bijna nimmer jongelingen gelden. En bepaalde zich de lidmatenkatechisatie nog tot de allereerste jaren na \'t afleggen der belijdenis, ■er ware misschien veel voor te zeggen. Op de lidmatenkatechisatie kan met de lidmaten, wier ondervinding wat rijper wordt, en wier belangstelling zich op de dingen -van Gods Koninkrijk vestigde, uitvoeriger gehandeld worden over hetgeen op de katechisatie slechts als terloops kon worden aangeraakt. Men kan wat dieper gaan, men kan er onder Gods zegen de ontvangen indrukken versterken. Wat de katechisatie zaaide, zal de lidmatenkatechisatie nat maken. Maar
PASTORALE ONDERONSJES.
waarom dan niet met althans even grooten ijver gezocht een katechisatie voor mannelijke als voor vrouwelijke lidmaten bijeen te brengen? Of hebben de eersten de aanvulling minder noodig? De omstandigheden, zegt men, brengen meê, dat de jongeling minder tijd heeft voor de katechisatie dan de jongedochter. Hij is aan vaste uren voor zijn arbeid gebonden. Aan hem wordt de verdere opleiding beter verstrekt in anderen vorm, b. v. als lid eener jongelingsvereeniging. Als die opleiding daar dan ook maar verstrekt wordt!
Maar ik vraag: Zijn lidmatenkatechisaties wel zoo aanbevelenswaardig? Dringen zij zich niet in de plaats onzer katechismusbespreking op den Zondag. Daar is misschien menig dorpspredikant, die zijn katechismus-prediking heeft gestaakt, en die veel werk maakt van een lidmatenkatechisatie. Op zulk een katechisatie spreekt men vrijer; maar waarom doet men dat niet bij de katechismusprediking ? Hindert de hooge preekstoel daarbij iemand, welnu, hij blijve beneden en spreke daar tot de vergaderden. Ik heb mijn katechismusbespreking reeds sedert jaren beschouwd als een katechisatie voor lidmaten, en haar als zoodanig ingericht, en had het voorrrecht den langen tijd, welken ik op een dorp stond, vele jonge lidmaten bij die bespreking in de kerk te zien.
Is men in een groote Gemeente met onderscheiden predikanten, zoodat de beurt der katechismusbespreking minder geregeld aan ons komt, dan wordt het moeilijker, den aandrang tot het houden eener lidmatenkatechisatie weêrstand te bieden. Door de onderscheiden methoden en gaven ontbreekt er eenheid aan de wijze
68
PASTORALE ONDERONSJES.
waarop de katechismus behandeld wordt, zelfs al zijn de predikanten ééns Geestes. De vriendelijke vraagsters om lidmatenkatechisaties willen zoo gaarne juist óns hooren. En wij — wij willen gaarne wel eens een beetje bewierookt worden. De wierook is zeldzaam in onzen tijd. Broeders, laat ons toezien, dat wij niet zelf door die apartjes bevorderen, wat wij anders ten hoogste afkeuren en betreuren: de splitsing der Gemeente in kringetjes van Dominé Die en Dominé Gene. Eén is uw Meester, en wij zijn uwe dienaars om Christus wil, dat moet ons altijd duidelijk voor den geest staan, \'t Kan geen kwaad, als onze gewezen leerlingen nu op hare beurt ook de andere predikanten hooren in hunne beurten, waarin dezen de Leer onzer Kerk naar den Katechismus bespreken, evenmin als het kwaad kan, dat wij het uur, hetwelk wij aan de lidmatenkatechisatie besteedden, gebruiken om zelf naar de kerk te gaan, en onze collega\'s over den Katechismus te hooren. Daar is in hun ontwikkeling der denkbeelden allicht iets, waarmee wij zelf ook nog ons voordeel kunnen doen. Zoodoende zullen wij meteen de namiddagbeurten in \'t oog der Gemeente verheffen. Als zij haar predikanten ziet voorgaan in \'t kerkbezoek, komt zij zelve ook wel. Maar wanneer wij alleen bij ons zeiven ter kerk komen, welken indruk moet de Gemeente dan wel ontvangen?
En nu sprak ik nog enkel over lidmatenkatechisaties met zulken, die door ons waren aangenomen en die nog tot de jonge lidmaten behooren. Maar hoevele anderen dringen er op aan; er zijn zelfs die achtereenvolgens al de opgaande Zonnen aan den predi-kantenhemel op hun lidmatenkatechisatie hebben gevolgd,
69
PASTORALE ONDERONSJES.
totdat er een nieuwe Zon in den vorm van een nog jonger predikant opging. Mogen wij iets zoo ziekelijks voeden?
Iets geheel anders is een cursus voor hen die op de Zondagsscholen voorgaan. Zijn er Zondagsscholen, dan moet althans voor de onderrichting worden gezorgd van hen, die er onderwijs geven en die vaak wel van goeden wille, maar minder onderlegd zijn. Wij hebben te bedenken dat de Zondagsschool een hoogst gewichtig deel van den arbeid, die aan Huisgezin, School en Kerk toekwam tot zich getrokken heeft. Het betreft de eerste (helaas vaak de eerste) godsdienstige vorming van \'t kinderhart. De Zondagsschool ontvangt de kinderen, die nog gelooven al wat en zooals \'t hun door de onderwijzers geleerd wordt. Licht achten wij den invloed der Zondagsschool te gering. Aan haar moeten wij ons, als zij in onze Gemeenten bestaan, laten gelegen liggen. Er zijn, aan wie wij \'t onderwijs met gerustheid kunnen overlaten, maar er zijn ook jongere en zelfs oudere onderwijzers aan zondagsscholen, die zelf nog zeer noodig hebben eerst onderwezen te worden. Een goede Zondagsschool kan tot grooten zegen zijn, maar een Zondagsschool in onhandige handen kan zelfs met de beste bedoelingen veel bederven. De kinderen onzer Gemeente mogen wij niet beschouwen als voorwerpen waarop experimenten in corporc vilt mogen worden genomen.
Het beste is, dat wij trouw katechiseeren ook voor de schooljeugd, en dat wij liever de lidmatenkatechi-saties, hoe gezellig die ook zijn mogen, prijsgeven, dan de katechisaties met schoolkinderen verzuimen of slordig behandelen.
7°
PASTORALE ONDERONSJKS.
Summa sumniarum; Alles heeft een bestemden tijd. Er is een tijd om te leeren en er is een tijd om de katechisatie te verlaten. Er is een tijd waarop men onderwezen wordt, en er is een tijd waarop het onderwijs zijn vruchten moet afwerpen.
XVIII.
Genesis 2 : 18. Het is niet goed dat de mensch alleen zij.
Een van Bulwers laatste romans was Kenelm Chillingly. Ik heb van vele boeken, die ik gelezen heb, geen bepaalden indruk behouden, maar dit boek maakte een diepen indruk op mij. Ik moest telkens zeggen: Zoo gaat het mij ook. Evenals de held van dat verhaal kon ik allerlei onderwerpen uit het maatschappelijk leven kostelijk beredeneeren; ik stelde op mijn wijze ook belang in veel en velerlei, dat op dat leven betrekking had. Evenwel, ik zou ook het tegenovergestelde in menig geval hebben kunnen beweren en mijn belangstelling op andere punten vestigen. Die kwesties waren voor mij punten van liefhebberij, niet van liefde. Daar is nog al verschil tusschen, of iets onze liefde heeft, dan of het een liefhebberij van ons is. In \'t eerste geval heeft het voorwerp onzer liefde ons, wij kunnen het niet loslaten omdat het ons niet loslaat, wij hebben onze liefde eigenlijk niet geschonken, maar het heeft onze liefde genomen, veroverd, geroofd, en nu kunnen wij niet anders of wij moeten
71
PASTORALE ONDERONSJES.
liefhebben, wij moeten onzes ondanks onze hoogste belangstelling er aan wijden. Wij zouden een stuk van ons leven uitsnijden, indien wij die liefde uit ons hart wilden uitrukken. Daarentegen het voorwerp onzer liefhebberij kiezen wij zelf, wij houden er ons mee bezig, zoolang wij willen, en kunnen het daarna ter zijde leggen, geheel vergeten zelfs, om tot een ander voorwerp over te gaan. Dat gevoelen wij gedurig. Het liefhebberen verveelt op den duur, geeft iets ongestadigs en ongedurigs aan onze wijze van zijn en van doen; iets vlinderachtigs in al onzen arbeid, voor zooverre die niet rechtstreeks in verband staat met Hem, die het middenpunt onzer liefde is, Jezus Christus onzen Heer. Nu erken ik volgaarne, dat hoemeer de liefde van Christus ons hart vervult, ook alles met het oog dier liefde wordt aangezien. Maar nademaal wij niet volmaakt zijn in die liefde, blijft er veel, wat wij slechts als op een afstand aanzien. Het raakt ons persoonlijk niet, zoolang wij als ongehuwden met allerlei vraagstukken slechts zijdelings in aanraking komen, en allerlei toestanden slechts min of meer bij intuïtie kennen. Door ons huwelijk en vooral door het voorrecht van kinderen te hebben, komt er een vast verband tot stand tusschen de Maatschappij en onszelven; wij beginnen zelf meer meê te leven en al wat Maatschappij, School, Vaderland, enz. betreft, begint ons persoonlijk meê te raken. Juist door dat persoonlijk belang wordt ook de eenzijdigheid getemperd, waarmee wij menig vraagstuk beschouwden. Van de theorie worden wij voortgestuwd naar de praktijk, van de abstracties der studeerkamer naar de concrete gevallen.
PASTORALE ONDERONSJES.
waarin wij met de onzen zeiven verkeeren. Ons oordeel over \'t doen en laten van anderen zal er zeer door worden gewijzigd, en wij zullen al zachter worden in onze afdoende en afkeurende vonnissen.
De Roomsche Kerk had op haar standpunt wel gelijk, toen zij aan haar priesters het celibaat oplegde; want het was haar te doen om mannen, die, zonder vaderland of maagschap, slechts één doel in\'t oog zouden hebben; de glorie der Kerk. In de Protestantsche Kerken moet de voorganger, van gelijke bewegingen als de gemeenteleden, mee gevoelende, mee dragende, meê lijdende en meê zich verblijdende, een voorbeeld der Kudde zijn in \'t verheerlijken van Gods naam.
\'t Is waar, wat het Huwelijksformulier in den aanhef zegt: dat den gehuwden gewoonlijk velerlei tegenspoed en kruis van wege de zonde is toekomende, maar wie, om onbezorgde dagen te hebben, wie, om dat kruis en dien tegenspoed te ontvluchten, den ongehuwden staat verkiest, is de echte leidsman niet zijner kudde. Daar kunnen andere, zeer te billijken redenen zijn, waarom iemand, ook een predikant, ongehuwd blijft, maar ook dan zal hij \'t nu en dan ervaren, dat er gevallen zijn, waarin \'t voor zijn pastoralen arbeid gewenscht ware, dat hij gehuwd was. Hoeveel vrijer wordt het verkeer niet, als men niet altijd op zijn quivive moet zijn, om niet door een levendig of belangstellend gesprek met een ongehuwde jonge dame, zoo al niet aan haar zelve, dan toch ook niet aan anderen den indruk te geven, als maakte men haar het hof. Wie weet niet, hoe menige jonge dame, die de kerk bij een ongehuwden predikant bezoekt en die hem wel ont-
73
PASTORALE ONDERONSJES.
moet, door kennissen en familiebetrekkingen met dien predikant geplaagd wordt, soms zoo lang, dat zij eindelijk zelve gelooft, waartoe noch zijne, noch hare houding eenige aanleiding gegeven heeft, of dat zij, des plagens moê, om er van bevrijd te zijn, de kerk nog maar zeer enkel bezoekt.
Er zijn nog andere schaduwzijden aan \'t celibaat verbonden, die echter niet enkel den pastor als zoodanig gelden. Eén ding is zeker, dat men niet gemakkelijk een bejaarden ongehuwden predikant zal aantreffen, die aan zijn jongere collega\'s dien staat zal aanprijzen. Hij zal meestal, door eigen ervaring onderwezen, hun aanraden, hunne jaren niet even eenzaam als hij door te brengen, maar bijtijds eene luüpe te zoeken, die tegenover hen zij.
Ik zie nog dien ouderen collega voor mij, die met al de energie, waarover hij in zoo ruime mate beschikken kon, mij aanraadde een vrouw te zoeken. Op mijn: „Geneesmeester, genees eerst uzelven!quot; gaf hij ten antwoord, dat hij voor \'t rechte huwelijksgeluk reeds te oud was geworden. „Ik zeg niet, dat ik niet nog eens trouwen zal, maar dat zal voor mij wezen, wanneer ik mij alleen niet meer redden kan, en ik wegens ongesteldheid of ouderdom hulp behoef,quot; liet hij er, niet zonder een trek van bitterheid op zijn gelaat op volgen.
Dat het in menig predikantshuisgezin krap toegaat, dat er heel wat gecijferd moet worden om de rekening te doen sluiten, dat de kinderen van den predikant dikwijls zich als de eersten van \'t Dorp beschouwen — iets waartoe Papa en Mama soms maar al te veel
74
PASTORALE ONDERONSJES.
aanleiding geven — en nog zooveel meer, is niet te ontkennen. Maar dit alles doet niets af van de toepasselijkheid ook op den predikant van \'t woord: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij.
XIX.
Jac. 5 : g. Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet geoordeeld wordt. Ziet, de Rechter staat voor de deur.
Iemand — of \'t Professor Heringa geweest is of een ander, weet ik niet; gevleugelde woorden worden allicht aan een bekenden naam vastgeknoopt — heeft gezegd: Wacht u voor den collega! Hij wilde daarmee te kennen geven: Zie toe, dat gij niet met één collega dezelfde Gemeente dient, en als het moet, neem u tegenover hem in acht. Ik vind dat een zeer onevangelisch woord. De Heer Jezus zond zijn discipelen juist twee aan twee uit, en wij zien ook, dat Paulus op zijn reizen gewoon was een of meer medebroeders meê te nemen.
Menschelijke wijsheid zegt: Geen twee kapiteins op één schip! en daar heeft die wijsheid ook volkomen gelijk aan. Het is de taak van den kapitein bevel te voeren, en waar zou \'t heen, als daar twee bevelhebbers, met gelijke macht bekleed, hun soms tegenstrijdige bevelen gaven. Het schip zou er meê te gronde gaan. Nu zijn de predikanten echter geen kapiteins en hun taak en roeping is niet bevel te voeren over hun kudde, maar haar te dienen. En ik zie niet in.
75
PASTORALE ONDERONSJES.
waarom twee Christenen niet dezelfde Gemeente kunnen dienen en waarom zij zich voor elkander wachten zouden. Als het vers van Tersteegen hun voor den geest staat:
Komt, sluit ii vaster aan !
In eigen oog de kleinste Word\' elk ook graag de reinste Op de af te leggen baan!
of nog liever, als zij telkens zien op Hem, die gezegd heeft: „Gelijkerwijs ik u de voeten gewasschen heb, zijt gij schuldig elkanders voeten te wasschen,quot; zal de broederlijke verhouding niet worden verstoord.
Ik heb het voorrecht gehad verreweg het grootste deel van mijn diensttijd eene Gemeente te dienen, die twee leeraars had en ik heb er achtereenvolgens met vier verschillende collega\'s gediend.
Zoo iemand, dan weet ik er van meê te spreken. Ik kan met een gerust geweten verklaren, dat de collegiale verhouding uit den aard der zaak met den eenen vertrouwelijker was dan met den ander, daartoe werkten ook verschil van opvatting en van leeftijd meê, maar dat die verhouding over \'t geheel goed was, en de Gemeente in dien tijd nimmer het schouwspel heeft gehad van twee predikanten, die elkander beoorloogden, of gelijk de gewijde Schrijver zegt; tegen elkander zuchtten. Dat er wel eens moeilijke dagen waren, wil ik niet ontkennen. Ook collega\'s blijven menschen met hun zwakheden en zonden; daar wordt wel eens iets in onnadenkendheid, of zelfs zonder erg gezegd of gedaan, wat aan den anderen collega in een geheel
PASTORALE ONDERONSJES.
ander licht wordt overgebriefd, of wat deze hoog opneemt. Als men dan maar openhartig tegenover elkander is en met een enkel woord de zaak opheldert, of het bezwaar begraaft, gaat alles best. In ieder geval, de Gemeente heeft met die particuliere grieven niets te maken, zij moet er niets van bemerken. Hoe meer menschen in een ruzietje gemengd worden, te moeilijker \'t wordt bijgelegd. Ik ben eens een paar maanden in onmin geweest met mijn collega. Maar wij bleven bij elkander in de kerk komen, en ontmoetten wij elkaar bij derden, dan was er niets aan ons te bemerken; alleenlijk, wij kwamen niet bij elkander aan huis. De vrede werd dan ook gemakkelijk weer gesloten. Waar men meê moet oppassen? Er zijn in iedere Gemeente zulken, die gaarne met een der predikanten op zeer vriendschappelijken voet omgaan, en dit doel, dien predikant geheel voor zich in te pakken, niet beter meenen te kunnen bereiken, dan door zooveel mogelijk kwaad van anderen en bovenal van den Collega te spreken. Met uitstekend gevolg hebben wij aan zoodanige menschen de verzekering gegeven, dat wij al het kwaad, dat wij van elkander hoorden, aan elkander oververtelden.
Moeilijker schijnt het, den vrede te bewaren, wanneer er dogmatische, en vooral wanneer er kerkrechtelijke verschilpunten tusschen de collega\'s bestaan. Dat behoeft echter den vrede niet te verstoren, wanneer men er maar niet op uit is zijn eigen inzicht en standpunt den ander aan te preeken en op te dringen. Dat gelukt toch niet, en zet zoo licht kwaad bloed. Beter is het, eenvoudig zijn eigen inzicht en gedragslijn den ander
77
PASTORALE ONDERONSJES,
bekend te maken met de voornaamste argumenten daarbij, en in geen dispuut te treden. Het is niet aangenaam in een dispuut overwonnen te worden, en er behoort heel wat christelijke ootmoed toe, te erkennen, overwonnen te zijn. Het is niet aangenaam voor een predikant, wanneer hij in een Gemeente den naam heeft, aan den leiband van zijn collega te loopen, en daarom moeten wij zelf zorgen dat niet te doen, en ook voor het prestige van den collega zorgen, dat hij dien schijn zelfs niet hebbe, ook voor zijn eigen gevoel niet.
Het samenwerken in één Gemeente met één of meer collega\'s, heeft veel voor. Men verbeeldt zich alleen zijnde allicht, boven de anderen te staan. Men krijgt iets kapiteinachtigs in zijn manieren. Daartegen behoedt ons het samenzijn met anderen, die dezelfde rechten hebben, ook in den Kerkeraad. Bij de samenwerking met anderen, spoort anderer ijver ook ons tot meer ijver aan, zoowel in \'t bewerken onzer preeken, als in \'t bezoeken der Gemeente. Men leert van elkander, al ware \'t somtijds ook maar negatief: hoe men niet moet preeken, ma^n meestal toch ook positief het een en ander, dat ons in den homiletischen en pastoralen arbeid van nut is.
Eén ding is zeker: wie \'t niet verkroppen kan, als de kerk bij een ander meer bezet is dan bij hem zeiven; wie \'t als een daad van persoonlijke vijandschap beschouwt, als iemand den collega liever toont te hooren; wie met jaloerschen blik naar de katechisanten ziet, die de collega heeft; wie niet laten kan, nu en dan smalende aanmerkingen op het werk van zijn collega te maken, die zorge vooral, nooit het beroep naar een gemeente met
78
PASTORALE ONDERONSJES.
meerdere predikanten aan te nemen. Hij beproeve veeleer zich zeiven, of hij wel geschikt is een dienaar der Gemeente om Christus\' wil te zijn.
XX.
Hebreeën 12 : 12. Daarom richt weder op de trage handen en de slappe knieën.
\'t Ontbreekt in onzen arbeid niet aan wederwaardigheden. Daar is, wat de Heer Jezus reeds in de gelijkenis van den Zaaier noemde: niet alle zaad, hoe goed het ook zij, brengt vrucht voort. Onze arbeid is niet alleen op hoop, maar ook dikwijls tegen hoop. En als daar vroolijk groenende deelen van den akker na eenigen tijd met het vale geel der versterving zijn getint, 6, hoe weemoedig, hoe moedeloos kan dat maken! Wij hadden van dien jongeling, van die jongedochter zooveel verwachting, en nu blijkt het, dat daar geen diepte van aarde was. Dat slaat ons nog meer terneer, dan wanneer wij niets zien van de werking des Woords. Er is dikwijls nog velerlei buitendien, dat o de handen traag doet in den schoot leggen. Miskenning en tegenstand, onaangenaamheden vaak ook door eigen verkeerdheid veroorzaakt, somtijds ook lichaamslijden, doen ons de jaren onzer bediening wel eens als een soort van woestijnreis beschouwen, aan wier einde het emeritaat als het Land van belofte blinkt, indien althans het landstraktementhet emeritaatspensioen niet tot een noodlottig minimum doet dalen. Of zoo wij haar zelf, Gode zij dank, niet zoo beschouwen, geven wij er nooit
79
PASTORALE ONDERONSJES.
aanleiding toe, dat zij in anderer oog iets er van heeft ? Zien wij er nooit uit als martelaars, geen blijmoedige, maar erg neerslachtige kruisdragers, wanneer \'t in onze gemeente eens niet naar onzen wensch gaat? Laten wij ons onder den zengenden gloed van allerlei kerkelijke kwesties, die soms wel een tijdlang onder de asch smeulen, maar van tijd tot tijd weer opleven, nooit verleiden om terug te hunkeren naar een denkbeeldig Egypte, waarin alles zoo geheel anders was dan thans, naar de dagen, toen aan steek en bef nog de verschuldigde eer werd bewezen? Laten wij ons zulke phantasieën nooit aanleunen?
Voorzeker, het is een oorzaak van rechtmatige droefheid, wanneer door kerkelijke partijschap harten zich sluiten voor \'t Evangelie, dat wij hebben te brengen. Een gedrukt gevoel maakt zich meester\' van den jongeren broeder, wanneer hij in zijn arbeid, met het oog op God begonnen, en onder gestadig gebed met inspanning zijner beste krachten voortgezet, zoo weinig aanmoediging vindt in eigen Gemeente, of van den ouderen broeder, die met vrucht mocht arbeiden, en zich door velen verlaten ziet, welke hij tot Jezus mocht brengen, en die nu elders steviger spijs meenen te vinden bij een jongen zeloot, en misschien zelfs het woord der Israelieten over het manna, dat God hun gaf, op zijn eigen prediking toepassen.
Toch mogen wij niet veeleer op een toomenden Jona, dan op een gezalfden feestganger gelijken. Immers Paulus\'woord: «Wie een opzienersambt begeert, begeert een treffelijk ambtquot; geldt tot op dezen dag. Toen ontbrak het al evenmin aan bezwaren. Denken wij aan de
8o
PASTORALE ONDERONSJES.
verdeeldheid te Corinthe, aan de Galaten die zich hadden laten betooveren, om zelfs een ander Evangelie te volgen, aan de bekrompen broederen te Jeruzalem, aan de bitse aanmerkingen, die op hem werden gemaakt, alsof hij geen Apostel was. Hebben wij dan met het oog op hem, reden ons grootelijks te beklagen? Of hebben soms in later tijd de predikers des Evangelies zooveel betere dagen gekend ? Is de Kerk ooit zonder sectarissen geweest, en waren niet bijna altijd de proselieten der secten uit de belangstellende, ja, meer nog, uit de opgewekte en geloovige leden der Gemeente vergaderd ? Welnu, een Paulus, wiens bediening zóó moeilijk was, en met zooveel strijd gepaard ging, die van een reeks gevaren kon gewagen, waaronder voorzeker niet de minste waren, die van den kant der valsche broederen hem dreigden, noemt zijn ambt een treffelijk ambt. De blijde boodschap te mogen brengen aan verloren zondaars is heerlijk. En al trekken zich velen terug, al wantrouwen velen dat Evangelie, is één sterfbed, waarbij God doet zien, dat dit Evangelie der genade eindloos rijk en vrij, de gezegendste vruchten draagt, niet genoegzaam om veel verdriet te doen vergeten? Is de herderlijke arbeid niet in zich zelf heerlijk en verkwikkend, waarbij ons gegeven wordt, naarmate wij geven. Laten de tijden van moeite niet ook een zegen na voor onze bediening, wanneer wij niet enkel denken aan anderen, en wat zij doen, maar wanneer wij daardoor ook leeren ons zeiven te herzien ? Die moeilijkheden zijn de tucht, welke de Overste Opziener over ons oefent.
Die tucht is ons vaak zeer noodig. Wij verbitteren
ONDERONSJES. 6
8l
PASTORALE ONDERONSJES.
ons en anderen \'t meest, doordat wij nog dikwijls zooveel meer willen zijn dan evangeliedienaars. Wij treden soms op als politieke agenten. Oogsten wij op dat gebied geen lauweren maar een distelkrans, zeggen wij dan toch niet, dat wij lijden als evangeliedienaars, \'t Is wat ieder politicus te lijden heeft. Maar onze nederlaag op dat gebied laat ernstige sporen na in onze gemeentelijke verhoudingen, en onze overwinning doet dikwijls nog meer kwaad. Zoo kunnen wij nog andere liefhebberijen hebben, die niets uitstaande hebben met de zaak des Evangelies. Worden wij in die liefhebberijen aangetast, wij lijden niet om des Evangelies wil.
Zelfs de taak van de regeering der Kerk, die aan ons is opgedragen, moet toch bij slot van rekening geen heerschen, maar dienen zijn. En het doel van dat dienen mag niet wezen, dat wij invloed krijgen, maar dat de Christus in velen een gestalte verkrijge. De hoogte onzer preekstoelen doet ons dikwijls vergeten, dat wij geen recht op heerschappij hebben, de wet, die de orde bij de openbare godsdienstoefeningen handhaaft, en geen interpellaties toelaat, doet ons soms meenen, dat al onze beschouwingen voor geen tegenspraak vatbaar zijn, zelfs onze latijnsche titulatuur, die ons tot heeren bij uitnemendheid stempelt, steekt ons in de hoogte. Is \'t dan zoo kwaad, als wij eens worden neergezet, als wij tegenspraak vinden, als wij leeren, dat één de Heer en Meester is?
Die den Heer verwachten, zullen de kracht vernieuwen. Worden wij geroepen ons te geven aan een afmattend, een aangrijpend werk, ook van dat geven
82
PASTORALE ONDERONSJES.
geldt het woord: God heeft den blymoedigen gever lief.
XXI.
I Corinth. 10 : 23. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.
Wij leven in een tijd van allerlei vrijheid en ook wij hebben er ons deel in genomen. Steek en korte broek zullen weldra geheel tot het verleden behooren. De hooge hoed, de witte das, de zwarte jas zijn niet meer dc rigueur voor den predikant. Velen hunner maken van het scheermes geen of nog maar een zeer spaarzaam gebruik. Daar zijn er, die dat betreuren. Eigenlijk doet men daarin, wat ook in vroeger eeuwen geschiedde. Men volgde de bestaande kleederdracht. Men ging niet aan de spits, waar \'t veranderingen in die dracht betrof, maar men volgde bedachtzaam, om niet geheel buiten zijn tijd te staan. Dat is een goed beginsel. Alleenlijk men vervalle niet in een ander uiterste; daar zijn zekere regelen van betamelijkheid, die niet ongestraft worden overtreden. Evenmin als de geneesheer zijn patienten bezoekt in de kleeding van een commis-voyageur, maar het ernstige zijner betrekking- ook uitdrukt in zijn kleeding-, mag de predikant zich het voorkomen geven van een dandy. De kleederen maken den man wel niet, maar de kleederen ontnemen soms aan den man iets van zijn invloed, wanneer zij met zijn stand in strijd zijn,
83
PASTORALE ONDERONSJES.
en terecht; ook in de kleeding en in de wijze waarop iemand zijn kleeding draagt, openbaart zich dikwerf iets van het karakter van den mensch, evenals in de meeste spontane uitingen van zijn leven.
Met die „kleêrvrijheidquot; hangt menige andere vrijheid samen. Door haar gedekt, of liever, door het kleed niet langer aan elk aangewezen, kunnen wij ons vrijer bewegen. Zoo oordeelen althans velen. Ook terecht ? Wie een bepaalde uniform behoeft om binnen de grenzen van het betamelijke te worden gehouden, wie zich van het kwade onthoudt, om zijn kleed niet te onteeren, is de rechte discipel des Heeren niet. Het blijkt ook uit de geschiedenis van vroegere tijden, dat het gewaad niet bij machte was, zijn dragers voor het geven van openbaren aanstoot te behoeden.
Maar, zegt men, er is veel, wat in zichzelven niet ongeoorloofd is, en welks genot men den predikant kwalijk zou nemen. Hij is nu vrijer, daaraan deel te nemen. Welnu, men heeft daar gelijk in, als men bedoelt: vrijer tegenover de menschen. De kwestie voor ons is echter niet, wat de menschen oordeelen, maar wat de Heer van ons oordeelt. De menschen kunnen soms allerlei dwaze eischen stellen, en wij kunnen ons stipt aan die eischen onderwerpen en altijd deftig, plechtig en stichtelijk, gelijk men het noemt, voor den dag komen, en nochtans vaak te licht bevonden worden voor de rechtbank van ons eigen geweten reeds, en bovenal in het oordeel des Heeren. Daarentegen kunnen wij in- en uitgaan als andere Christenen, ons niet storende aan het „smaak niet en raak niet en roer niet aan,quot; zonder ons te bezon-
84
PASTORALE ONDERONSJES.
85
digen. Maar het moet een in- en uitgaan zijn als Christenen. Wij hebben te bedenken dat op ons bij uitnemendheid van toepassing is, wat de Heer Jezus tot Zijn discipelen zeide: „Gij zijt een stad op een berg liggende.quot; Onwillekeurig vestigen zich de oogen der gemeenteleden op de pastorie en wie haar bewonen. Men weet er alles van. Wat bij een ander onopgemerkt zou voorbijgaan, wordt ons niet geschonken. Wij hebben dus toe te zien, dat wij geen rechtmatige ergernis geven ; dat wij niet door vlekken of vlekjes in ons gedrag den indruk geven, alsof wij tot motto hadden gekozen: Doet naar mijne woorden, maar niet naar mijne werken. Dan is ook de rechtzinnigste, de ernstigste, de indrukwekkendste prediking onvruchtbaar. De Gemeente denkt; „Hij overvraagtquot; en doet van onze woorden juist zooveel af als haar goeddunkt. Hoe zullen wij met vrucht preeken over den tekst: „Wordt dezer wereld niet gelijkvormig!quot; wanneer wij-zelven najagers zijn van allerlei verstrooiingen, liefhebbers van ons gemak, dienaars van den Mammon? Of ons grootste vermaak bestaat in \'t bezoeken van concerten, of als onze studeerkamer slechts noode verlaten wordt om kranken te bezoeken, of als de beursno-teeringen ons dagelijks een half uur hoofdbrekens kosten, het is al om het even. There ïs some thing rotten en dat mag zoo bij ons niet blijven, als Christenen niet, en derhalve ook niet als evangeliedienaars. Ook onder onze liefhebberijen mag de Gemeente niet lijden, óf die bestaan in literatuur, in kerkgeschiedkundige nasporingen, in muziek, in teekenen, in politiek óf waarin dan ook — het moet liefhebberij blijven, onze
PASTORALE ONDERONSJES.
liefde moet onze bediening zijn; of beter gezegd: Onze liefde moet den Heer en Zaligmaker gewijd zijn. Dan zal \'t ons niet moeilijk vallen ons zeiven te verloochenen en om Zijnentwil weg te doen, wat ons verhinderen zou onze krachten te besteden aan de Gemeente.
Ons eigen, door het Woord Gods voorgelicht geweten, moet het antwoord geven op hetgeen wij mogen en niet mogen doen. Ik heb er heel wat ellende van gezien, wanneer men de Gemeente toongeefster liet zijn. Dan worden die eischen van zulken, die pilaren meenen te zijn, allengs meerdere. Die eischen beginnen aan het hoofddeksel, gaan over op den baard, de kleur van de das, de opening van \'t vest, de lengte van de jas, de dikte van den stok, loopen over \'t getal psalmen en gezangen, over teksten uit het Oude of het Nieuwe Testament, de lengte der preek, de gebeden bij het doopsformulier, springen dan over op de stukken, waaruit de kleeding der domineesvrouw bestaat, en zoo voorts tot in het oneindige. Het geldt hier principiis obsta. Is de eerste onredelijke eisch afgewezen, dan durft men met geen tweeden te komen, \'t Spreekt van zelf, dat er onderscheid zal zijn tusschen de manier waarop wij afwijzen, naargelang wij te doen hebben met betweters of met eenvoudige zielen. Een sprankje van goedhartigen humor kan daarbij ook geen kwaad.
Dat de liefde, die niet verbitterd wordt en niet onge-schiktelijk handelt, ons in dezen moet bezielen, behoef ik wel niet te zeggen, en evenmin, dat de Apostel, die zijn leven lang geen vleesch zou hebben willen eten, indien hij zijnen broeder daardoor aanleiding tot zondigen gaf, ons ten voorbeeld moet zijn.
86
PASTORALE ONDERONSJES.
XXII.
Spreuken 13 ; 10. Door hoovaardigheid verwekt men niets dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
Of het boek in onze taal is overgebracht, weet ik niet, of het bij velen onder ons bekend is, weet ik evenmin, maar om menigen nuttigen wenk verdiende het bekend te zijn. Het is Annals of a quïct ncigJibourhood by George Mac Donald. Het is een soort van Engel-sche „pastorie van Mastland.quot; Het boek is quite English evenals de genoemde „pastoriequot; op end\' op Hollandsch is. Dat is geen gebrek, maar een bewijs voor de waarheid van zijn inhoud. Ik bedoel niet zijn historische, maar zijn zedelijke waarheid. Ik kan dat boek aan mijn medebroeders zeer ter lezing aanbevelen.
In dat boek komt een gesprek voor, waarin de volgende opmerking is ingevlochten : „Ik heb tot gewoonte, nooit iets over de schreef te drijven. Ben ik gelukkig met een argument, dan is het mijn eenige zorg mijn tegenpartij niet te vernederen. Dat is iets, wat ik niet kan uitstaan. Het zou mij zeiven vernederen. Wanneer gij wenscht, dat iemand over iets zal nadenken, moet gij hem daartoe ruimte laten, en zorgen dat die gedachte bij hem niet altijd gepaard ga met de herinnering aan iets dat hem pijnlijk is en boos maakt. Laat hemzclvcn de hand hebben in het overtuigen van zichzelven. Ik ben dikwijls zeer verrast geweest, als ik mijn eigen argumenten bij een ander frisch en groen zag, terwijl
87
PASTORALE ONDERONSJES.
88
ik meende, dat de vogelen des hemels ze hadden weggepikt. Wanneer iemand redeneert om te overwinnen, en niet om de waarheid in de ziel van den ander te doen indalen, kan hij er op rekenen, juist zulk een bondgenoot te hebben als Faust had, toen hij tegen den broeder van Gretchen vocht — te weten: den Duivel. Zoo heb ik dan ook nooit de gewoonte, een overwinning in een gesprek te vervolgen, want niet de nederlaag van het verstand is het doel, waarmee wij het zwaard des Geestes in onzen strijd hanteeren, maar de overgave des harten.quot; Welnu, toen ik dit las, vond ik daar in woorden uitgedrukt, wat ik zelf dikwijls had ondervonden, maar waarvan ik mij geen rekenschap had gegeven, een regel, dien ik in \'t eerst dikwijls heb overtreden, maar allengs had leeren in toepassing brengen, en soms met verrassend gunstigen uitslag. Als wij met iemand te doen hebben, die \'t met ons niet eens is, en \'t gelukt ons, hem op eenigerlei wijze vast te zetten, laat ■ ons toch niet toonen, dat wij dit bemerken, maar zijn gevoel sparen door aan het gesprek een andere wending te geven. Laat de ander de gevolgtrekkingen maken uit het gesprek; dat zal vruchtbaarder zijn, dan wanneer wij \'t doen en hem dwingen die conclusies te erkennen. Hij moge dan ja zeggen, maar al wat in hem is, komt er tegen op, en hij zal na ons vertrek in bitterheid achterblijven. Daarom is \'t dikwijls veel beter, niet rechtstreeks te argumenteeren, maar in den vorm van mededeelingen onze bewijsgronden te ontvouwen, zonder te laten bemerken, dat wij er aan denken, dat ook onze hoorder tot de tegenstanders behoort, wien die argumenten gelden.
PASTORALE ONDERONSJES.
Het is volstrekt niet noodig, zijn oordeel te vragen over hetgeen wij meedeelden. Door dat oordeel voorbarig uit te lokken, voordat onze bewijsgronden nog een- en andermaal door hem zijn overdacht, maken wij zelf het voor hem moeilijk, zijn oordeel te wijzigen. Antecedenten, ook in discussies, zijn altijd leelijke dingen. Ieder wil nu eenmaal gaarne den schijn hebben van consequent te zijn en gelijk gehad te hebben.
De mensch is wel geen walvisch, maar hij die men-schen vangen wil, mag wel van den walvisch vanger iets leeren. De harpoen die uitgeworpen is, en den visch heeft getroffen, wordt niet aanstonds aangehaald. De visch zou met zijn onverzwakte kracht onderduikende, óf met een gapende wonde ontsnappen, terwijl de harpoen met een stuk uitgerukt vleesch in handen der visschers bleef, óf hij zou dien met zich sleepen. Men viert daarom de lijn, zoodra de harpoen trof, zoo lang men kan, om daarna te zekerder te zijn van de vangst. Zoo moeten wij, ook als wij met een woord getroffen hebben, de lijn vieren, het voorts overlatende aan Hem, die regen en vruchtbaarheid geeft, dat het woord vrucht drage.
Maar hoe dikwijls speelt de hoovaardigheid ons parten en draaien wij het zwaard waarmee wij kwetsten nog eens om en om in de wonde en maken haar daardoor wijder en pijnlijker zonder haar dieper te maken. En dan is gekijf, toorn, onverzettelijkheid het gevolg er van. De Heer Jezus is ons op dien weg niet voorgegaan. Hij gaf gewoonlijk in één woord den tekst aan, waarvan Zijn hoorders dan de toepassing verder konden maken. Het was hem genoeg tot
89
PASTORALE ONDERONSJES.
de Farizeen te zeg-gen: „Wie van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op deze vrouw!quot; — Tot den rijken jongeling zeide hij niets meer, toen deze bedroefd over den grooten eisch heenging. Het zaad was gestrooid en moest nu versterven en ontkiemen.
Zullen wij zeggen: Wij hebben dikwijls met zulke dikhuidigen te doen, dat een dergelijke wijze van doen geen doel zou treffen. Met uw verlof, behoort de walvisch niet min of meer tot de dikhuiden ? Natuurlijk, het wapen dat wij gebruiken kan niet voor ieder hetzelfde zijn, maar de wijze van behandeling is dezelfde. Door het raspaard wordt het kwispelen met het uiteinde der zweep reeds gevoeld, den olifant zou men op andere wijze moeten doen gevoelen wat men wil. Maar als dat eenmaal gevoeld is, moet het ons voldoende zijn. Verdere pijniging is noodeloos. Dieren-kwellerij staat niet ten onrechte in een kwaden reuk, menschenplagerij is evenzeer af te keuren. Een ziel op de pijnbank is een nog ergerlijker spectakel dan een man met de vreeselijke duimschroeven aan.
Onze beradenheid moet zich daarin toonen, dat wij ons weten te matigen in onze begeerte, om spoedige overwinningen te aanschouwen. Die zielen vangt is wijs, maar zijne is de wijsheid der beradenen.
9°
PASTORALE ONDERONSJES.
XXIII.
II Corinthen 4:7« Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God en niet vau ons.
Wij blijven menschen van gelijke bewegingen als de anderen, ook wanneer onze arbeid rijk gezegend werd. Wij willen dat wel eens vergeten. Wij schrijven den indruk, dien ons woord maakte zoo licht voor een groot deel toe aan de wijze waarop wij \'t spraken. Och spreek datzelfde woord in een soortgelijk geval nog eens juist zoo, met hetzelfde oog, met dezelfde stem, met hetzelfde handgebaar, zoodat gij op uzelven gelijkt als twee druppelen water — en het zal niets uitwerken. Cranibc rccocta, opgewarmde kool! \'t Geheim schuilde daarin, dat Gods Geest met uw woord, \'t welk onder den drang des Geestes de eerste maal gesproken werd, meewerkte, dat door dien Geest het hart van hem, die door u werd toegesproken, geopend was om het woord te ontvangen. Gij bemerkt het onder uw spreken zelf: de Geest is er uit, het gelukt u met alle inspanning niet, uw hart in quot;t woord te leggen.
Wij merken met voldoening op, dat de godsdienstige kennis, die wij verspreiden, bij dezen en genen wortel heeft gevat, en wij denken, zoo al niet de onfeilbare methode, dan toch een uitstekende methode te hebben gevonden. Wij zijn zeer ingenomen met onze praktische wijze van voorstelling der Waarheid en preeken die onzen collega\'s, althans den jongeren onder
91
PASTORALE ONDERONSJES.
hen met niet weinig zelfing-enomenheid aan. Maar allengs wordt onze methode routine, onze frissche arbeid sleurwerk; wij komen er niet verder meê. Wij moeten weêr van onze verhevenheid af, wij moeten weêr aan \'t zoeken en zoo ontdekken wij weêr allerlei gebrekkigs in onze wijze van voorstelling. Het geldt ook van de rechte methode, o. a. van katechi-seeren: Niet dat ik \'t aireede gegrepen heb. Ik heb al jaren katechiseerens achter den rug en \'t waren gedurende een twintigtal jaren niet weinige katechi-santen van allerlei leeftijd, van allerlei stand en mate van ontwikkeling, die ik had te onderwijzen, en ik heb het op allerlei wijze beproefd, maar ben tot op den huidigen dag nog aan \'t zoeken naar \'t beste vraagboekje. Ik ben er tot op den huidigen dag nog niet over in \'t zekere, of vraagboekjes aanbevelenswaardig zijn — ik zou haast zeggen: ja! — Waarom ik zelf geen vraagboekje heb opgesteld? In vertrouwen gezegd: Ik vreesde, dat ik de eerste zou zijn, die het als gedeeltelijk onbruikbaar zou ter zijde leggen, en ik ben er nog wel een beetje bang voor.
Wij blijven altijd min of meer stumpers in \'t een of het ander. En toch zijn wij dragers van een heerlijken schat, den schat der kennisse Gods in \'t aangezicht van Jezus Christus, Zijnen Zoon. O, als wij dien schat maar dragen, laat dan het aarden vat maar afschilferen, laat het eindelijk in stukken vallen. De uitnemendheid der kracht, die er ook tijdens wij het droegen, van uitging, was Godes en niet van ons.
Maar niet slechts onvolkomen zijn wij, zoodat wij slechts ten deele kennen, en ten deele profeteeren, maar
92
PASTORALE ONDERONSJES.
ook zonde kleeft dat aarden vat aan, en die zonde is óns tot schuld. Ai mij! Heb ik nooit juist na een hartelijk woord over de liefde, over de barmhartigheid, over de zachtmoedigheid, mij schuldig gemaakt aan liefdeloosheid, onbarmhartigheid en drift? Die Duitsche predikant, die zoo heerlijk over de zachtmoedigheid gepreekt had, en uit de kerk komende, een troepje jongens op \'t kerkplein aan \'t bakkeleien zag, en er tusschen vloog, en een van hen een klinkende oorveeg toediende, en daarover ó, 6 zoo beschaamd naar huis kwam, is misschien wel een sterk sprekend, maar toch een waarheid sprekend voorbeeld. Wij hadden zoo heerlijk gesproken over de zelfverloochening, dat wij ons verbeeldden geheel en al zelfverloochening te zijn, en het: „Zalig, zalig niets te wezen in ons eigen oog voor God,quot; zongen wij met zooveel gevoel mee, en reeds in de kerkekamer waren wij geprikkeld over \'t een of ander verzuim, en thuis komende, ernstig vertoornd, omdat de kachel op onze studeerkamer was uitgegaan, of omdat er juist, toen wij wilden uitrusten, iemand kwam, die den dominé noodzakelijk even moest spreken! Hoe weinig zelfverloochening blonk er in ons oog, toen wij dien man te woord stonden.
Wij hebben zoo heerlijk gepreekt over Jezus Christus, die alleen ons behoudt, en die onze Vrede is, en hoe weinig droegen onze gesprekken na de preek het blijk er van, dat dit werkelijk ook ons geldt! Ja, het blijft er bij, ook wij hebben nog dagelijks te leeren aan het eerste stuk van onzen goeden Heidelberger: hoe groot mijne zonde en ellende zij, opdat wij dagelijks van nieuws mogen toenemen ook in de kennis van
93
PASTORALE ONDERONSJES.
Hem, die ons uit onze ellende verlost, in den rijkdom van Zijn geduld en Zijne genade, en opdat wij dagelijks van nieuws ons beijveren om tegen de zonde te strijden, en den Heer te volgen, biddende om de genade des Heiligen Geestes.
Als er dit gebed is, zullen wij er voor behoed worden, het heilige onrein te achten, d. w. z. onzen arbeid te verrichten enkel werktuiglijk, zonder beweging des harten, zonder \'t besef, welk een heerlijke bediening de onze is. Als wij onze preek houden met evenveel gevoel, waarmee de timmerman een plank schaaft, en onze kranken bezoeken en daarbij eenige stichtelijke volzinnetjes opdreunen, denkende: helpt het niet, het schaadt toch ook niet! wij kunnen er geen zegen op wachten, en ons geestelijk leven versterft er hoe langer zoo meer bij. Daarentegen, wie den Heer verwachten, zullen de kracht vernieuwen.
XXIV.
I Petri i : 25. Maar het Woord des Heeren blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder 11 verkondigd is.
Wij zijn Vcrhi Divini Ministri. Dat Woord, hetwelk in eeuwigheid blijft, hebben wij te bedienen aan de Gemeente, dat moet de grond en de inhoud onzer prediking zijn, zoowel wanneer wij op den preekstoel staan, als wanneer wij katechiseeren. Wel hem, die ten allen tijde tot zijn Gemeente zeggen kan, wat
94
PASTORALE ONDERONSJES.
Petrus verklaarde: „Dit is het woord, dat onder u verkondigd is.quot;
Is dat onze roeping, dan wordt daardoor reeds bepaald, wat op den kansel en in de katechese gemeden dient te worden, t. w. het pronken met de zoogenaamde resultaten der Critiek. Gaan wij toch na, wat al zoo gedurende een menschenleeftijd de resultaten der Critiek geweest zijn, welk een amalgama zou de goede Gemeente te verteren hebben gekregen, wanneer zij een voorganger had gehad, die zich telkens op het laatste standpunt der Wetenschap plaatsende, haar deelgenoot had gemaakt van haar Errungcnschaftcn! De Gemeente zou, indien zij althans iets van die geleerdheid begrepen had, geheel in de war zijn geraakt. Maar \'t is er ons niet om te doen, te pronken — \'t is bij ons een vraag van eerlijkheid. Is het eerlijk der Gemeente Israels geschiedenis voor te stellen, gelijk zij in den Bijbel staat, terwijl gij er zelf een geheel anderen loop in ziet? Ik zou willen vragen; Wat hebben wij toch aan de Gemeente te prediken: Israels geschiedenis of Gods Woord, de Godsgedachte, zooals die zich ook in Israels geschiedenis openbaart? Immers het laatste. Israels geschiedenis heeft voor de Gemeente slechts in zoover belang, als het \'t Volk is, waaronder God zich op bijzondere wijze geopenbaard heeft. Het zijn de openbaringsmomenten, en daarin ook al weer de openbaringsinhoud, wat tot de prediking behoort. En nu zie ik niet in, wat de historische Critiek daar toe- of afdoen kan. Op de katechisatie zijn wij geroepen, ook al weer niet de Geschiedenis van Israel te behandelen, maar de Bijbelsche Geschiedenis, dat is de geschiede-
95
PASTORALE ONDERONSJES.
nis van Gods openbaring onder Israel en dan vooral in Jezus Christus. Hoe kort, met hoe weinig woorden worden in den Bijbel de tijdvakken afgedaan, waarin geen nieuwe momenten in de Goddelijke Openbaring zich opdoen. Hoe wijst ons dit er reeds op, dat niet die geschiedenis als zoodanig leerstof moet zijn, maar in haar betrekking tot de Openbaring. Het komt er slechts op aan, of dat Oude Verbond voor ons een Woord Gods heeft. Dat Woord Gods, dat wij uit die gewijde bladzijden vernemen, hebben wij aan de Gemeente te verkondigen, haar te vertolken zooals wij \'t in diepen eerbied en na nauwlettende studie en hartelijk gebed hebben vernomen.
De vragen naar den Schrijver van \'t een of ander boek, de onderlinge verhouding der Synoptici, de echtheid van sommige brieven, de samenstelling der Apocalypse, behooren al evenmin op den preekstoel t\'huis. Daar hebben wij met het Woord Gods, met Zijne Openbaring te maken in Jezus Christus. Dat Woord Gods gelijk het zich aanbeveelt aan de conscientiën der menschen moet door ons worden verkondigd, \'t Spreekt vanzelf, zoover het noodig is, om den vorm, waarin dat Woord tot ons kwam recht te doen verstaan, moet de Spreker of Schrijver in de omlijsting van zijn tijd worden geplaatst, maar ook niet te veel tijd moet daaraan worden besteed, daar \'t om de eeuwige Godsgedachte te doen is, zooals die voor alle tijden en eeuwen en ook voor de onze geldt.
Wat de uitlegging betreft, hebben wij der Gemeente te verkondigen wat wij gehoord hebben en verstaan, toen wij het oor te luisteren legden bij hetgeen de
96
PASTORALE ONDERONSJES.
Schriften zeggen. Geen Commentatoren, geen Kerkvaders of wie ook moeten er staan tusschen ons en de Schrift. Zelf moeten wij uit haar putten en wat ons na ernstige overweging en onderzoek gebleken is, de beteekenis van \'t Schriftwoord te zijn, worde in eenvoudigheid, zonder bestrijding van andere uitleggingen door ons gegeven. Daar mag geen vrees ons bekruipen voor afwijking van wat „Gods Volkquot; gewoon is bij een tekst te denken. Wij hebben eerlijk weêr te geven wat ons gegeven werd te hooren. Een van de weinige malen, dat ik over mijn exegese door een thans doleerenden ouderling werd aangevallen, omdat zij in strijd was met wat Gods Volk onder dien tekst verstond, beweerde ik tegenover hem, dat mijn handelwijze echt-gereformeerd was: dat immers ook de hervormers geen tusschenpersonen, geen kerkvaders of kerkvergaderingen tusschen zich en het Woord duldden, maar dat zijn handelwijze Roomsch was. Rome laat zich in de- uitlegging door allerlei gezag leiden. Tot mijn eigen verbazing bleek het mij daarna, •dat geen mindere dan Calvijn het eerst de door mij voorgedragen exegese had voorgestaan, die ook sedert door de meeste uitleggers was omhelsd, en kon ik dat den zich noemenden issit de Calvin tot zijn beschaming meêdeelen. Het spreekt van zelf, dat wij niet allerlei gewaagde exegetische invallen op den kansel mogen brengen, maar wat wij inderdaad als de beteekenis der woorden na nauwgezette overweging hebben leeren kennen.
En nu nog de Dogmatiek. De preek is geen dogmatisch betoog. Gnostieken, Arianen, Pelagianen, Soci-
ONDERONSJES. J
97
PASTORALE ONDERONSJES.
98
nianen en dergelijken behooren op den kansel niet genoemd te worden, en worden \'t ook bijna niet meer. Zonder polemiek doen wij \'t best, naar \'t licht ons geschonken, de groote waarheid des Evangelies telkens der Gemeente voor te stellen. Zijn er kerkelijke dogmatische voorstellingen, waarmee wij ons niet kunnen vereenigen, er tegen strijden doet aan het doel waarmee wij optreden; zielen te winnen voor den Christus, lichtelijk afbreuk. Daarenboven, een gevoelen waarmee wij ons niet konden vereenigen, waarover ons het rechte licht nog ontbrak, kan later bij toenemend licht, bij een dieper ingeleid worden in de Waarheid, ons nog wel duidelijk worden. Wij zouden dan diepe spijt hebben over onze bestrijding. Onze prediking moet opbouwen. Waartegen zij gericht moet zijn? Tegen de zonde in sadduceeschen en farizeeschen vorm. Bij dogmatische spiegelgevechten, of zij uit den orthodoxen, dan wel uit een heterodoxen hoek worden gevoerd, verkneukelt zich de zondaar. Hij kan dat gerust aanhooren. i\'t Raakt zijn koude kleeren niet. En de heilbegeerige [ziel zit onderwijl te dorsten en vraagt: Gij prediker Ihoog in de lucht, hebt gij dan geen woordje voor mij? \\ Laten wij de dogmatische distincties op de studeerkamer, en prediken wij het Woord Gods, het eeuwig blijvende, zooals het in ons geplant is, naar het licht dat door Gods genade er voor ons over opging, en laat het ons gedurig gebed zijn: Leid ons in de waarheid. Uw woord is de waarheid!
PASTORALE OXDERONSJES.
XXV.
Spreuken 16 : 10. Het hart des menschen overdenkt zijnen weg, maar de Heer stiert zijnen gang.
Wie ervaart dat niet? Vooral in onze betrekking zal dat onze gedurige ondervinding zijn. Onze loopbaan is vaak zoo geheel anders, dan wij die hadden afgebakend. Als wij maar gelooven, dat de Heer den gang bestierde. Dat zal ons vrede doen hebben ook met menige teleurstelling. Eigenlijk is \'t het wijsste den weg niet te veel te overdenken, niet te veel plannen te hebben voor de toekomst. Dan behoeven wij die plannen niet als illusies te zien verdwijnen, dan kost het ons geen strijd te berusten in de bestiering Gods, zelfs al zijn menschen de werktuigen, door wie onze gang gestierd wordt. Daar zijn soms Gemeenten waar wij gaarne zouden dienen en waar wij herhaaldelijk in aanmerking komen, en nochtans komt het tot geen beroep, \'t Kan ook zijn, dat wij ergens beroepen worden, en wij hebben geen vrijmoedigheid voor \'t beroep te bedanken, hoe weinig \'t ons ook aanstaat. Wij gaan, omdat wij meenen onzen plicht te verzaken, indien wij niet gingen, en \'t blijkt ons, dat wij er niets kunnen uitrichten. Soms gaan wij er na korten tijd weer vandaan, gevolg gevende aan een roeping, die evenzeer als onafwijsbaar zich voordoet. Ik geloof toch, dat wij voorbarig zouden oordeelen met te zeggen, dat wij tevergeefs op die ongewenschte standplaats zijn geweest. Wij hebben er toch iets moeten leeren, al ware \'t alleen dit, dat wij in ons zelf-
99
PASTORALE ONDERONSJES.
vertrouwen wat geschokt werden. Wij denken zoo licht, dat wij evenknieën van Caesar zijn, dat het ook voor ons zal zijn : Vcni, vidi, vici, en van dien waan moeten wij worden genezen. Daartoe kan zulk een onsympathieke Gemeente ons dienen. Het kan ook zijn, dat wij een richting, die wij weinig kenden, idealiseerden om den strijd tegen het tegenovergestelde in onze eigen Gemeente. Ik heb vrienden gekend, die in hun eerste Gemeente heel wat te stellen hadden met wat we toen ultra-orthodoxie noemden en wat later het etiket: gereformeerdheid gekregen heeft. Die vrienden begonnen in dien strijd de modernen te idealisee-ren. Tegenover zooveel bekrompenheid als zij in hun toenmalige omgeving ontmoetten meenden zij echte humaniteit bij alle verschil te zullen vinden in \'t tegenovergestelde kamp. Zoo kwamen zij in gemeenten met veel modernen. Dat was een heilzame afkoeling voor hen. Daar leerden zij dan, dat het parti-pris der moderne gemeenteleden vooral niet minder bedenkelijk is, dan dat dergenen over wie zij zich beklaagden.
Daarenboven kan het zeer heilzaam zijn, in verschillende deelen van het land te dienen. Er is een groot onderscheid tusschen den boer uit het land van Altena en den Fries, en tusschen dezen en den Veluwenaar. Vooral een verblijf in Friesland, hoe kort dan ook, is een heilzame opwekking voor den predikant. Men beschuldigt de Friezen van stijfhoofdigheid. Dat is mijn ondervinding niet geweest. Wel heeft de Fries er den schijn van. Hij geeft in een gesprek niets toe, hij laat zich door uw argumenten niet uit het veld slaan. Terwijl in andere deelen van \'tland, degene met
lOO
PASTORALE ONDERONSJES.
wien gij spreekt, zwijgt, of zegt, dat gij gelijk hebt, maar den volgenden dag blijkbaar geheel dezelfde meeningen heeft, als voor uw zegevierend gesprek, zal de Fries, eenige dagen later u ontmoetende, nog eens op het gevoerde gesprek terugkomen. Hij heeft alles nog eens in stilte nagegaan, en verrast u nu misschien met de mededeeling, dat hij u gelijk moet geven. Hij is ook een goed criticus uwer preeken, niet enkel wat den inhoud, maar ook wat den vorm betreft, en heeft de vrijmoedigheid u zijn opmerkingen onbewimpeld te zeggen.
Veel teleurstelling en verdriet baart het soms, als men vergeten wordt op zijn dorpje, wanneer anderen gewenschte beroepen krijgen, en uit en na wacht men zelf te vergeefs op een betere standplaats. Dan loopt men gevaar den arbeid werktuiglijk te verrichten, en van zijn preeken niet het werk te maken, dat er van gemaakt moest worden. Men loopt gevaar uit te doo-ven. Men loopt dat gevaar, wanneer men niet gelooft, dat de Heer der Gemeente er Zijn gezegende bedoeling mee heeft, wanneer ■ men niet door de liefde van Christus gedrongen wordt om zonder moede te worden, te blijven arbeiden. Daar is toch ook in dat vergeten dorpje een arbeidsveld, daar blijven toch zoovelen, die nog niet voor den Christus gewonnen zijn, niettegenstaande den jarenlangen arbeid. Daar moet het dan worden steeds meer een worstelen met de gewetens, een worstelen ook in de gebeden, opdat het Evangelie vruchten drage. Daar moet dan zijn een steeds nauwlettender nagaan van eigen arbeid en houding, opdat er uit verwijderd worde wat den zegen der prediking
IOI
PASTORALE ONDERONSJES.
afbreuk kan doen. \'t Is treurig, wanneer de Gemeente den indruk krijgt, dat de predikant haar niet meer telt, dat hij van haar weg verlangt. Dan is geen vrucht op den arbeid meer te verwachten.
Of er dan geen omgevingen zijn, die uitdoovend werken op den ijver? Zeer zeker, maar zij vermogen dit toch slechts in zooverre als de predikant niet door de liefde van Christus gedrongen wordt. Hij zelf moet een levenwekkend element wezen. Straalt er van zijn persoon en prediking warmte uit, dan zal vroeg of laat daarvan ook iets bespeurd worden aan den aard der omgeving.
Voorzeker is de uitwendige levensweg van anderen veel voorspoediger, die, na eenige jaren in kleine gemeenten gearbeid te hebben, naar een werkkring worden geroepen, waar zij een arbeidsveld -vinden, waarop zij met lust en liefde, zonder weg te verlangen, hun verderen diensttijd kunnen doorbrengen. „Daar zal ik vrij mijn wieken kunnen uitslaan!quot; zeide mij eens een dichterlijk gestemd jeugdig ambtsbroeder, die zijn dorpje voor een groote stadsgemeente ging verwisselen. Of \'t altijd wel meevalt? Of er niet wel eens uit de stadsgemeenten terugverlangd wordt naar de stille dorpspastorie? De arbeid in eene groote gemeente heeft naast veel opwekkends, ook veel afmattends, hier door het overgroot aantal katechisanten, elders door tal van vergaderingen, bovenal door de moeilijkheid om het herderlijk werk naar behooren waar te nemen. Hoe dikwijls ook moet de predikant, die op jeugdigen leeftijd in een stad komt, veel zelfverloochening leeren, wanneer hij allengs, of zelfs spoedig opklimt, en na
L02
PASTORALE ONDERONSJES.
hem onderscheiden collega\'s aan dezelfde gemeente worden verbonden, die door de nieuwheid of ook door bijzondere gaven de schare trekken. Er zijn ook wel stadspredikanten op de klip der uitdooving gestrand, wanneer zij Zondag aan Zondag voor stoelen en banken moesten optreden. Voor stoelen en banken, terwijl zij zich nochtans bewust waren, het beste te geven, wat zij vermochten! Voor stoelen en banken, —-maar hoevele ledige stoelen en banken er zijn, daar zijn er ook, die bezet zijn. O, als er dan maar wordt volhard, om het beste te geven wat wij hebben, ook aan die weinigen, de uitdooving zal wel verre blijven. Een groot gehoor wekt op, maar een klein gehoor ook, althans in onze eigen Gemeente. Wij worden door die weinigen verstaan, als wij maar zorgen, dat wij telkens iets hebben, dat de moeite loont, om verstaan te worden. Loont dan het Evangelie niet altijd de moeite des verstaans? Voorzeker! maar als wij het Evangelie brengen, zonder dat de liefde ons dringt, zijn wij een klinkend metaal of luidende schel gelijk. De Gemeente hoort het gebom, en dommelt er bij in.
Maar dringt ons de liefde van Christus, wij zullen in eiken werkkring, grooten of kleinen, gevierd of ongevierd, gevoelen: De Heer heeft hier een werk voor mij! en de slotsom zal telkens wezen: De Heer, die mijnen gang bestierde, heeft alles wel gemaakt!
I03
tp^ uM K Ir.v^. fy f/, if
2 o . b b /lt;wlt;s • - • lt; gt;lt; !li... ■;■■ .
i c
IL liA—.it.CrJ
\'^k fnpi c\\lt;/
tïuk Th UjLy CJ\'.,.w j \'Y/ /
I^l\'r t^r—O v ^ ^ /
fr
Lw VvjÊ* tJ^S
•\' It ut. Ca U f/, /•,: ,.
/■ /
II
, C \'f ^\'\' tfc^ \'b U • \'* quot;2^ ^ /y ^
, W l. (• ^ lj),,q O . ifi.
^ tw f-W Uiuf u^ i/ / *ju. 5 3 i^vv/ / (. ^ i i v \' , , ^ r
lt;^vv{ l 5 5 t ^ 3 v / - lt;.■ \'
1^-4 ■. V\' ^ }
//k-i\'-s tii (j 3 •
/Jéóquot;